_
'' '•• ' •'■ .•. ; , ......!1 Wa ■ quot; ''■
DE GELIJKENISSEN
VAN DEN
ZALIGMAKER.
Al deze dingen heeft JEZUS tot de scharen gesproken door Gelijkenissen, — opdat vervuld zoude worden, wat gesproken is door den Profeet, zeggende;
»Ik zal mijnen mond open doen door Gelijkenissen, Ik zal voort brengen dingen, die verborgen waren van de grondlegging der wereld».
Psai.m LXXVIII : 2. Matth, XIII : 34, 35.
RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT
u.0. jtrecht as'j Z 3 3
door
/AN DEN
Mei 34 PlaUMi,
tweede: deel. Het Evangelie des Koningrijks.
BIBLIOTHEEK DER RIJKSUNtVERSITEIT UTRECHT
rottkrdam, d. a. daamen.
TWEEDE AFDEELING.
HET EVANGELIE DES KONINGTUJKS.
Zoo als iu tien beginne reeds gezegd is, heb ik al dc Gelijkenissen van den lieer, om gemakkelijker dien schat te kunnen overzien, iu twee groepen gerangschikt, waarvan de eene het Koningrijk der hemelen zelf, en dc andere het Evangelie de» koningrijks, gene
meer dc kerk en deze het woord ons in zigtbare beeldspraak schildert. liet is,_om met
dc termen eener nieuwere theologie te spreken, —de historische en de dogmatiscli-eihische uitdrukking van het christendom: //Christus in dc geschiedenis der wereld,quot; en //De geest van cjikistüs in de wereld.quot; — Dc eerste helft van mijne taak is dan nu afgedaan. Ik heb daarbij //alle Gelijkenissen, die ons de zonde en de genade, het geloof, de liefde en het geled,^ als den hoofdinhoud van het evangelie lecren kennen, voor deze Afdecling overgelaten— Gelijkenissen, die meer dan de vroegere ieder op zich zelf staan, of ook met een of twee andere ecu geheel uitmaken, en wel iu den vorm het kenmerk dragen van hunnen tijd, maar naar den inhoud aan tijd noch plaats gebonden, algemeen menschelijk en nog op ons van volle toepassing zijn.
Maar hoe kunnen wij zoo vele en zoo geheel versclnlleiule voorstellingen begrijpen onder een en het zelfde woord: k\ Aisoian.r — Dit woord is algemeen genoeg, maar juist daardoor wel eens onbestemd; en al weten velen ons te zeggen, dat liet oorspronkelijk //goede, blijde tijding' beteekent, wat eigenlijk die tijding is, cu water al of niet toebehoort, is nog zoo gemakkelijk niet te zeggen. Dit is zeker, dat het woord evangelie uitsluitend aan het christendom toebehoort. Zelfs jüiian.ves de Duoper, zoo veel wij weten , kende het niet •, schoon j.ikas (III ; 18) zegt, dat hij het volk cvangelizeerde. (Het woord Evangelie zelf komt iu lukas eerste boek niet voor.) Maar jezus ging terstond geheel Galilea om, predikende het evangelie des koningrijks {Mattl. IV: 23), terwijl maukcs den hoofdinhoud dezer eerste prediking in korte woorden dus opgeeft: nUe tijd is vervuld, en het koningrijk Gods nahij gekomen; Meert n, en gelooft het evangelie!' {Mark. I :]5.) —En jkzus zelf, mij dunkt, hij had ook dit woord uit de Heilige Schrift, zijne ocfenseliool tot zoo groote en heerlijke levenstaak. Onder die schrilten was het vooral jksaja, die hem aantrok, door zijne ruime cn verhevene voorstelling van het Godsrijk. Dij de aankondiging daarvan , had de profeet
het evangelie des komnghijks.
S'wn of Jeruzalem, als de heilige godsstad, in zijne verbeelding reeds cvangdiste 1) genoemd: tiKlim op een'hoogen lerg, Si on, verkondigster eener goede loodschap ! Verhef met magl uwe stem, ah verkondigster eener goede loodschap , o Jeruzalem Iquot; En later nog eens : // Gezegend zijn op de hergen de voeten van den evangelist, die een loodschap des vredes heeft, die het goede als Hij de tijding aankondigt'' (Jes. XL : 9; LIT : 7.)
Eene blijde tijding is het, die, naar jezüs' latere boodschap aan Johannes, ook den armen wordt verkondigd. Maar die tijding van het godsrijk, zij kon niet voor allen llijde zijn. Veel moest er omgaan in het hart, veel aangenomen worden door het geloof en veranderd in het leven, eer die blijdschap vervuld werd; ja! wat hun, dienaar God en zijne komst verlangden , de hoogste vreugde was, dat moest den huichelaar en wereldling schrik en afgrijzen wezen. En zoo heeft liet woord evangelie die ruime beteekenis verkregen, waarin wij het nog gebruiken. In de gewijde literatuur der Christelijke kerk zijn het die boeken, waarin de christüs geschiedkundig werd voorgesteld, als de Stichter van het godsrijk op aarde; en bij de prediking van het christendom is het die leer of aankondiging, die den mensch den weg der zaligheid aanwijst, door do apostelen reeds het eemvig evangelie genoemd, met do verzekering, dat er geen ander is. Maar altoos ligt in dit woord de groote waarheid opgesloten, dat de verkondiging van Christus eene boodschap is van den hemel, en haar einddoel, ook waar zij spreekt van dood en verderf, de behoudenis van zondaren, de stichting, uitbreiding en volmaking van het groote Godsrijk, dat het laatste woord van Gods genadigen raad over liet menschdom is. Die dezen raad Gods niet aanneemt, het koningrijk der hemelen niet erkent, noch chmsti'S als den Koning der eeuwen; — is hot eerlijk, dat hij het evangelie plundert van al die waarheden en zedelessen, die hem aanstaan, en zich dan, omdat hij toch iets er van aanneemt. Christen, en zijn geloof of zijne prediking een Evangelie noemt?
2
Als dén geheel willen wij dan //dit Evangelie in beeldenquot; verkondigen, maar als een geheel, waarvan elk gedeelte weder een geheel op zichzelf uitmaakt, zoo dat wij met ééne Gelijkenis het volledig Evangelie kunnen prediken, slechts van een bijzonder standpunt af bezien. Het eerste, de schaduwzijde, is de zonde, die wij in al hare dwaasheid, snoodheid en hardnekkigheid moeten kennen, om daarna de genade Gods regt te waarderen, en christus zelf ons voor te stellen als der zondaren Zaligmaker; — even als de geneesheer van de ziekteleer uitgaat, om daarop de kracht der geneesmiddelen toe te passen en den meest geschikten leefregel voor te schrijven. Deze leefregel nu is, in zedelijken en Christelijken zin , het geloof, de liefde en de hope des gébeds. — Naar dit algemeen overzigt rangschikken wij van nu aan de ons nog overige Gelijkenissen; om daarna met het efe'ne blijvende te besluiten, gelijk wij begonnen met het ééne noodige.
1) Naar de Griekscke vertaling ó cinyjsl.i^onRvo; Siuv (en 'IsQovaaXtj^). Zoo ook H. Lil: uj; noöe; evayyeXi^ouéfov axorjv alqrjvrj;, oig siuyytXt^ouefo; ayatyu — (jMiqylav, In het dagelijksch leven werd het woord (Hebr. quot;M3) gebruikt voor boden of loopers, die de overwinning of den vrede aankondigden (1 Sam. XXXI : 9; 2 Sam. XVIII ; 27), en werd het eene eer gerekend, met zulk eene tijding belast te worden, en snel te kuimeu loopen, om die over te brengen. (2 Sam, XVIII : 19, 20.)
Mattii. TIT : 18, 14. Luk. XTI1 ; 24*.
Gaal in door de enge poort; wanl rvijd Strijdt om in te gaan door de enge poort!
is de poort, en hrced is de weg, die lot het Want velen, zeg ik u, zullen zoeken in te
verderf leidt; en velen zijn er, die door de gaan, en zullen niet Jiunnen.
zelve ingaan.
Want de poort is eng, en de weg is naanw,
die tot het leven leidt, en weinigen zijn er, die den zeiven vinden.
Wij openeu onze tweede Beeldengalerij, waaraan wij den naam van //Evangelie des Ko ningrijksquot; hebben gegeven, met eene overbekende beeldspraak uit dc bergrede. Dat het in den beperkten zin van het woord geene parabel is, zal ik wel niet behoeven te zeggen. Men zou het veel eer //eene allegorische vermaningquot; kunnen noemen j daar het beeld niet op zich zelf uitgewerkt is, maar het parabolische geheel in de vermaning, in de eigenlijke bedoeling is ingeweven. Geheel de bergrede bevat geene zuiver uitgewerkte Gelijkenis, zelfs niet aan 't slot. Jezus wilde dit maal vooral,—in zijne vermaningen tot eene praktische godsvrucht, overvloediger dan de geregtigheid der Schriftgeleerden en der Farizeën [II. V : 20), — duidelijk zijn cn door allen verstaan worden. Daarbij opent de Ilccr nu met dit beeld eene nieuwe reeks van vermaningen, waarbij dc grenslijn tusschen het zedelijk goede en kwade, de geregtigheid van het koningrijk der hemelen en de ongeregtigheid cn schijnheiligheid , nog scherper wordt getrokken, om daarna met de voorstelling der twee woningen, op rots en op zand gebouwd, zijne geheele rede te besluiten.
Het beeld, dat wij nu te schetsen hebben , is een weg en eene poort; — geen huisdeur, 1)
1) Dat de huisdeuren bij de Oosterlingen ons dikwijls iu liet oogvallend klein en laag voorkomen, is dikwijls opgemerkt; nog onlangs door Momz busch , in zijne beschrijving van Jeruzalem. — Zie ook krom, Nieuw Christelijk Magazijn, 1:288—291; waar echter te onregt (met j. iikkinga , Verklaring der Bergrede) aan den lagen en smullen, dat is: ncderigen, onaanzienlijken ingang tot het palcis van den Messias, gedacht wordt. De gewoonte, om door een' onaanzienlijken ingang den inwendigen rijkdom van een huis voor roofzieke oogcu te verbergen, behoort tot de slaafsche zeden van het lieden-daagsche Oostcu. — Hoe meijee hier aan //een smal zijdeurtjequot; denken kan, is mij onbegrijpelijk.
1*
de twek wegen.
die bij lukas duidelijk onderscheiden wordt, maar cene sladspcort; cn mij kunnen de 1 wee beelden, zoo wij willen, verecnigen, door ons de poort te denken aan het einde van den weg. Van dat einde en 't geen achter die pooit ligt, geeft de lieer geene zinnebeeldige voorstelling, maar noemt het met eigenlijke woorden: het leven, het verderf. Dat het leven, vollediger vliet eeuwige leven,quot; de eeuwige zaligheid te kennen geeft, is duidelijk en bekend. De rijke jongeling bij voorbeeld vraagt: //Wal zal ïh goeds doen, opdat ik hel eeuwige leven helle?quot; en Jezus antwoordt: u Wilt gij m lel leven ingaan, zco onderhond de geloden!quot; {ilatlh. XTX: 16, 17.) Ook daar verwisselt jezus de uitdrukking der vraag: //hebben, regtens bezitten,quot; met //ingaan, dcor moeite en strijd bereiken,quot; en //hot eeuwige levenquot; kort de Heer af tot het eenvoudige //leven.quot; Want er is, naar de voorstelling van den Zaligmaker, in de eeuwigheid (of toekomende eeuw) geen leven, dat dien naam verdient, als in gemeenschap met God. Een aanzijn zonder dat zalig leven, is niet anders dan verderf, een verloren gaan van de ziel des menschen, eeu missen van hare bestemming en vernietiging van hare edelste vermogens;— een leven, om te gevoelen, dat men niet meer leeft! — Zegt iemand, dat hij zich zulk een aanwezen niet denken, daaraan niet gelooven kan, het is mij wel; wanneer hij slechts niet zegt, dat jezus liet niet geleerd heeft.
Maar wij zullen van deze scherpe tegenstelling in de schildering der eeuwigheid, — die wij reeds vroeger opmerkten,-—nader moeten spreken bij dc Gelijkenis van lazakus cn den rjlce, Ku hebben wij alleen nog niet den weg noodig, die tot zoo eindeloos verschillend lot geleidt, den toegang, die er toe open staat. Pat daarbij ons tegenwoordig leven vergeleken wordt met eene reis, en dc levenswijze, die men zich kiest, met cenen weg; dit is zoo algemeen aangenomen , dat wij 't bijkans gcenc beeldspraak meer noemen. Altijd, vrijwillig of onwillekeurig, gaat die levensreize voort, van den eenen dag tot den anderen. De morgen jaagt naar den middag, de middag naar den avond en de avond naar den nacht: ja! iedere polsslag en elke ademtogt, ook terwijl wij, er van onbewust, omzwerven in het fabelland der droomen, is een voetstap verder. Zoo worden dc dagen weken, de weken maanden en jaren; en even ongemerkt wordt de jongeling een man, de man een grijsaard, als de wandelaar stap voor stap geheel zijne reis aflegt. De bestemming nu van onze levensreis is altijd de eeuwigheid, cn het einde de dood. Men komt er, dat is zeker; en 'quot;t is een volksspreckwoord, dat het soms zwaar genoeg is, iemand //aan zijn eind te brengen.quot; — Maar welk einde? //Het leven of het verderf!quot; zegt de lieer. Eu is dat einde zoo verschillend, het is dan waarlijk niet te verwonderen, dat ook de weg onderscheiden, cn de ingang verschillend is: de weg ten verderve breed, maar naauw die tot het lc\eii leidt, cn zoo ook de eenc poort wijd en de andere eng.
Ilte eenvoudig dit nu ook schijnt, men maakt er zich ligt een onjuist denkbeeld van. De weg ten verderve is niet opzettelijk breed gemaakt, om velen plaats te bieden, en dc weg ten leven niet smal, om maar weinigen toe te laten; 1) evenals men een voetpad voor enkele wandelaars maakt, cn een' straatweg voor dc groote massa der reizigers. God, die
]) „De reden ligt alleen in ons zclven, Het valt moeijelijk, iels te doen, waaraan men geen lust heeft Bijzonder viel dit in het oog in de eerste dagen van tegenstand eu vervolging. enz.quot; Cokstius , Sjmvkea enz. I ; 238—255.
du twee wegkn.
niet wil, dal eenigeii verloren gaan , maar dat se allen lol helceenng komen, nood'gt ook nlleu op dieii weg ten leven, waar niemand den ander verdringt. Maar daarom wordt de cene weg breed genoemd, omdat hij ruim is en gemakkelijk; de poort wijd , omdat men er kan ingaan, van welke zijde men «il, en alles met zicli naar binnen dragen. Zoo omtrent, als jezi:s siuacii (IT. XXI: 11) schrijft: De wen dm zondaars is effen ah een steenweg; en gelijk het tegenovergestelde denkbeeld reeds bij mozes gevonden wordt, als hij zegt {Th'ui. XXVIII : 14), dat men van tie ivoorden Gods niet macj afwijken, noch ter regter noch ter linkerhand. In de beeldspraak van ,ti:zi:s wordt dit ook door de oorspronkelijke woorden nog duidelijker uitgedrukt; want eigenlijk staat er: //De weg ten verderve is breed van ruimte, die ten leven naauw bepaald of hehiehW
En daarom juist, omdat die weg zoo naauw bekneld is, ingeklemd als 't ware en verborgen tussehen afgronden en rotsen, — even als in de berglanden zoo menig gevaarlijk pad , waarop men ecu' gids dringend noodig heeft, — zijner weinigen, die hem vinben. Ook dit laatste woord is niet zonder bedoeling gekozen. De andere, breede weg wijst zich zeiven; het komt er ook zoo naauw niet op aan, waar men den voet zet: een straatweg brengt er ons zonder . vragen. Maar de goede weg moet gezocht, moet gevonden, moet zorgvuldig bewandelden geen oogenblik verlaten worden: gevaar en afdwaling dreigt aan beide kanten, en veilig is 't pad wel, maar cft'en niet. Van daar nu , dat weinigen zich die moeite vergen, en nog minder die gestadige inspanning volhouden. De gemakkelijke, breede weg ligt voor de hand. Sprekende, spelende, droomende zelfs kan men daarop voort dwalen. Men komt toch altijd verder, en aan gezelschap is er geen gebrek. En aan't eind, terwijl de andere reiziger met moeite eene smalle deur binnen gaat, dwaalt men ongemerkt de ruime
poort binnen....... Maar het einde draagt den last, cn bij 't gevoel van al de wroeging en
ellende, doorliet éene woord verderf uitgedrukt, jammert de verdwaalde reiziger: //O mogt ik nog pens mijn' levenstogt beginnen !quot; Maar vergeefs : die reis wordt maar eens gedaan.
Vraagt mij nu iemand, of het wel zoo zeker is, dat die voorstelling //Een enge poort aan het einde van een' naauwen wegquot; het denkbeeld van .iezus uitdrukt; ik moet opregt zijn, cn bekennen, dat ik er zelf aan twijfel. Daaruit toch zou volgen, dat hij, die den smallen weg heeft gevonden, nog ten laatste vóór de enge poorte zou kunnen blijven staan , en niet binnen gaan; en even eens, dat hij, die den breeden weg heeft bewandeld, nog ten laatste voor de wijde poort zou kunnen terug deinzen. Dat is niet in den geest van jezvs. Een oude uitlegger (baeuetii) keert zelfs de gewone voorstelling om ; cn indiener eene keuze noodig was, zou ik hem kunnen volgen. //Niet,quot; schrijft, hij; //dat wc ons hier verbeelden moeten een Poorte, op eenen naauwen weg volgende (gelijk het, mijns bedunkens, ganseh verkeerd gemeenlijk begrepen wordt). Nemaar, het is een Poorte, waar uit men overstapt op den naauwen weg, agter die Poort volgende.quot; — Zoo wordt de enge poort de wedergeboorte [de deur des geloofs. Hand. XTV : 27), en de naanwe weg die der heiligmaking.— Het is opmerkelijk, dat wij deze zelfde voorstelling: //eene enge poort, die den ingang opent tot een' naauwen weg,quot; insgelijks vinden in twee zinnebeeldige geschriften, die overigens zoo ver mogelijk van elkander af, cn zelfs tegenover elkander staan. Eene kleine uitweiding hierover zal tevens eene bijdrage tot de juiste waardering van 's Heilands beeldspraak zijn.
de twee wegkn.
Zelsere cehes , gelijk men meent leerling van sokrates en plato's tijdgenoot, geeft eene uitvoerige beschrijving van eene schilderij in den tempel van saturxus, waarop de verschillende wegen van 's menschen leven waren afgebeeld. Voor de geboorte heeft zijn goede Genius hem den weg tot het ware geluk gewezen, maar bij zijne intrede in de wereld drinkt hij uit den kelk der dwaasheid. Daardoor bedwelmd, omstuwen de menschen de blinde fortuin om hare gaven, of verslingeren zich aan de hegeerlijkheden, tot zij door het lerouw op een' beteren weg komen: dien der welenscJiap, Eerst toeven zij soms lang bij de valsche wetenschap , die in kennis of in kunst (mathematiek of muzijk) het echte levensgeluk zoekt en niet vindt. Eindelijk ontdekken zij den weg der ware ivijsheid, waarop men geen geleerde of kunstenaar behoeft te wezen, om wijs en gelukkig te zijn. — //Ziet gij,quot; vraagt de grijze uitlegger der schilderij : i/daar in de hoogte zekere plaats, waar niemand op woont, en die wel woest schijnt te wezen? En ziet gij nu ook niet zekere kleine deur, en een' zekeren weg bij die deur, die weinig wordt begaan, daar zeer weinigen er heen reizen, omdat hij moeijelijk en steil en rotsachtig schijnt? 1) Dit is de weg tot de ware wetenschap. Twee krachtvolle vrouwen reiken den wandelaar de hand, om hem de rots op te trekken. Haar naam is Zelfbedwang en Volharding, en zij zijn zusters.quot;
Tot dus ver de Heidensche wijsgeer. Onder de Christenen, die 't beeld van den Heer overgenomen hebben en verder uitgewerkt, is het meest beroemd Mr. j. bunjan in zijne Chris lens Reize naar de eeuwigheid. N adat de Christen, op die reis, de stad Verderf is ontvloden en den poel Mistrouwen doorgeworsteld, komt hij, met den last zijner zouden nog beladen, voor de enge poort, waar boven staat: Klopt en u zal open gedaan worden; en die hem brengt op den engen en moeijelijken weg naar den hemel. Maar eer hij aan die poort kwam, die hem den cenigen weg ten leven opende, heeft hij nog te strijden gehad met een' edelman, wereldwijze genoemd, die hem naar mijnheer wettisch en zijn' zoon
burgerlijkheid (burgerlijke deugd) wilde zenden, om dadr genezing en rust te zoeken......
Is het een goed of een kwaad teeken, dat onze tijd weer hunkert naar zulk zielevoedsel ?
Maar wij keeren tot liet eenvoudig evangelie en jezus' beeldspraak terug, en plaatsen in onze verbeelding de enge poort even min aan het begin als aan 't einde van den naauwen weg. De Heiland heeft eene keus bedoeld, en die écue keus door twee beelden, weg en poort, — als beide het middel, om ergens te komen, — uitgedrukt. Wij hebben dus hier weder een voorbeeld van het parallelisme in jezus'beeldspraak, do tweeërlei (soms ook wel drieërlei) uitdrukking van het zelfde denkbeeld; gelijk, enkele verzen vroeger, de eigenlijke uitdrukking: Bidt, en u zal gegeven worden I wordt herhaald in eene dubbele beeldspraak : Zoekt, en gij zult vinden; klopt, en u zal opengedaan worden, liet zoeken en kloppen is hier 't zelfde, ook in onze beeldspraak. Die den weg op de regte wijze gezocht heeft, behoeft eigenlijk aan de poort niet meer te kloppen, veel min te vreezcu, dat hij vergeefs kloppen zal. Dit valt
1) De uitdrukkingen hebben eene merkwaardige overeenkomst met die van den lieer, en toeh is deze overeenkomst gelicel toevallig, of liever de vrucht der zelfde levenservaring: xivu pixquv, xul
óJov, ijtis oi noXv óxXatTui,, nuvv TtoyBiovrai, üansij Svaavddov tivos xul
xal TrergwJovs eivai, Soxuiarj;. liet einddoel van die moeijelijke reis leidt eehter niet verder, dan tot het geluk van den wijze op aarde, — de koude zelfgenoegzaamheid van den heidensehen wijsgeer.
6
de twee wegen.
nog duidelijker in 't oog in liet reeds behandelde beeld eener geslotene deur bij ldkas, waar velen nu eerst zoelcen in te gaan en niet kunnen, daar zij buiten staande bcginncu aan de deur ie Moppen, maar vergeefs.
Doch bij deze plaats van luk as moeten wij nog een oogenblik toeven. Ik zal daarbij niet herhalen, wat reeds vroeger (bij de Gesloten Beur) gezegd is; en dus als bewezen aannemen, — voor zoo verre zoo iets te bewijzen is: — dat ltjkas niet de plaats van matïheüs herhaalt, en nog minder een latere afschrijver van zijn Evangelie het woord poort, voor deur, van mattheüs heeft nageschreven : want het komt mij niet meer dan natuurlijk voor, dal de Heiland, bij zijn dagelijks herhaalden gedurig afwisselend volksonderwijs, sommige uitdrukkingen , die tot de karakteristiek van zijne leer behoorden, meer dan eens bezigde j en wel hier als overgang tot een ander beeld : dat van eene geslotene iicisdeue.
Li'kas teekent, als meermalen , naauwkeurig de aanleiding op tot dit onderwijs van jezus. Het was op zekere reis naar Jeruzalem, waarbij hij langzaam voort ging van de eenc stad en het eene vlek naar de andere. De feestgangers deden zijn gehoor dagelijks aangroeijen. Eu zoo trad er iemand op uit de schare, die jezus eene vraag deed. Naar het antwoord te oordeel en , moet het geen van jezus' discipelen of bestendige volgelingen geweest zijn. AVaut hij zou alleen kunnen zeggen, hij latere herinnering aan't heden: uCij helt in ome straten geleerdquot; — De vraag zelve is bekend: nlieerc I Zijn er ook weinigen, die zalig worden ?quot; — Het komt mij voor, dat men 't geheele tooneel, jezus' gewone omgeving en zijn volksonderwijs, al weinig begrepen heeft, door te meenen, dat de strengheid van jezus' leer deze vraag had uitgelokt. Behalve dat er in 't verband bij lukas geene aanleiding toe is, wordt de vraag ook genoegzaam verklaard door den gewonen vorm van het Eabbinaal onderwijs. Ieder had daarbij de vrijheid, allerlei vragen te doen, en dit was zelfs don Schriftgeleerden welkom. Zij toonden gaarne hunne geleerdheid, zoo wel als hunne gevatheid. De hoorders bepaalden zoo doende de stuf van het onderwijs, waarvan dan ook anderen genot hadden. Zoo werd het iu't gebeel niet als aanmatigend beschouwd , maar in tegendeel als vroegtijdige wijsheid bewonderd, dat de twaalfjarige jezus aan de voeten der Schriftgeleerden zat, hen ondervragende. Even zoohooren wij hier een' leergierigen toehoorder Rabbi jezus van Nazaret ondervragen; en deze rigtte zijn onderwijs zóó in, dat het niet tot den cénen vrager, maar tot hen, tot de schare gesproken was.
Zijn er ook weinigen —? vraagt de man, en rekent het dus waarschijnlijk, dat er niet velen zijn. En hij doet de vraag, zonder daarbij een' bijzonderen toeleg te toonen, om onder die weinigen te behooren, of bij zonderen angst, dat hij één der velen wezen zal. 't Is niet de vraag van den heilbegeerige : u Wat moet ik doen , om het leven te he erven ?quot; of die van den kleinmoedige: // Wie kan dan zalig worden ?quot; maar eenvoudig eene schoolsche twistvraag, waarover de man jezus gaarne eens hooren wil. Dit valt nog duidelijker in het oog, wanneer wij zijne woorden letterlijk vertalen i n lieert Zijn ze ook weinigen, zij, die helmuien worden ?quot; //Ik heb wel eens gehoord, dat als de tegenwoordige gedaante der dingen voorbij gaat en 't Messiasrijk intreedt, er bij dien algemcenen wereldnood, die barensweeën eener wedergeboorte van de schep-piiig, maar weinigen zullen behouden worden en aanzitten in 't koningrijk Gods. Is dat zoo ?quot;
Dat dit, in de scholen der Rabbijnen, eene twistvraag was, en de heerschende, strengere partij voor 't weinigen besliste, zien wij in de Joodsche schriften, die het naast aan den
7
tlt;B TWKE WEGEN.
tijd van ji zi's grenzen, 't Lag ook wel iu bet Farizeesche leerstelsel. Zoo lezen wij in den Talmud, dat eens, bij den algemeenen werelduood, de volken {Gojim) zich vergeefs aan Israel zullen vast houden, en zelfs op de kennis der geschrevene wet zich beroepen. Alleen zij, die ook de mondelinge overlevering kennen, zullen worden aangenomen. En boe velen sloten jezus' regtzinnige tijdgenooten buitendien niet uit van het aanz'ülen mei abraham, izak ca Jakob! Niet enkel de millioenen Heidenen, vreemd van het burgerschap Israels, moesten verloren gaan; ook de zondaar en tollenaar was van de opstanding der regivaardigen uitgesloten; ook de schare, die de loet niet lent, is vervloekt: en zoo bleef er dan maar een klein deel van een der kleinste volken op aarde over! Is het vreemd, dat dit den gemoede-lijken Israëliet, ook waar bij zelf de overleveringen der vaderen getrouw onderhield en de regtvaardigheid zocht, die naar de icel is, bezwaar maakte ? — Eene merkwaardige proeve hiervan hebben wij uog in het zoogenaamde vierde hoek van Ezra, dat onder de Apokryfen des Ouden Verbonds is opgenomen, ofschoon het denkelijk eerst tijdens of zelfs na het ontstaan onzer Evangelieën is geschreven. Daarin wordt de stelling op den voorgrond gezet: De Allerhoog zie leeft deze wereld gcmaalt voor velen , maar de toekomende voor weinigen. Eu tot verklaring hiervan deze gelijkenis gebezigd : Hel is, of de aarde antjuoorden moest op de vraag , waarom zij meer kit i lot potlehakkers vaten, dan erts, waar'l goud vit voort komt, oplevert. Zoo zijn er velen geschapen, maar weinigen worden lehouden. De gesclta-penen zijn eene golf, de hehoudeneu een droppel. (II. VIII ; 1 — 3; IX ; 15.)
Natuurlijk, dat hier tegen, reeds in jkzus' tijd, het mensehelijk gevoel opkwam, eu het waarschijnlijk mede behoorde tot de bezwaren, waarmede de Sadduceën de Farizeesche opstan-diugsleer bestreden. Wat zal nu jezus zeggen, hij, die toch ook opstanding en Messias-rijk aankondigt? — //Zijn ze zoo weinigen, die behouden worden — Deze vraag zal velen onder mijne lezers niet zóó vreemd zijn, als wel menig andere twistvraag uit de oude Joodsche school; hun vooral niet, die de oude Gereformeerde kerk nog gekend hebben in al hare kracht, of haar ook nu nog in sommige gemeenten cn in 't drijven der ultra's voor oogen hebben. Wij ook hebbeu er velen gekend, wiemen wel vragen rnogt: //Zijn er dan zoo weinigen, die zalig worden ?quot; wier geloofs- en levensregel zoo beperkt was en uitsluitend , dat er ten laatste slechts zeer weinige uitverkorenen overbleven, die op zaligheid mogteu hopen. En doorgaans hadden zij, die dit meenden , gemakkelijk spreken, omdat zij tot deze weinigen in de eerste plaats
zich zelve rekenden eu hunne vrienden........ Wat al opschudding gaf, tegen 't einde der
vorige eeuw, de zaligspreking van sokuates ! Maar de toenemende humaniteit stoorde zich hieraan niet, en breidde, tegen de noodkreten der regtzinnigen in, dien kring hoe langs zoo verder uit, tot eindelijk de onpeilbare klove geheel weg viel, en de eindelijke zaliging van allen de leer der vrijzinnigen werd. En zelfs , — zonderling genoeg ! — de uiterste rigting dei-vrij zinnigheid kwam ten laatste, waar de Sadduceën reeds in jezvs' tijd toe gekomen schijnen te zijn: de zaligheid of eeuwige behoudenis van niemand, daar godsvrucht en deugd reeds hier op aarde, zoo men meende, haar doel bereikt hadden.
iiZijn ze ook 1) weinigen ?quot; — Deze vraag staat voor ieder, die nog aan behoudenis en zalig-
1) Door dit ook drukken onze Vertalers, hier en Matlh, XII : 10, het Grieksohe ei uit, dat (ook volgens MEiJEK)het Iwij fclaclitige der vraag (oA wohl?) te kennen geeft. Elders hebben zij dit verzuimd.
8
DE TWEE WEGEN*.
heid gelooft, gelijk met den twist iu een leger, hoe velen er wel in deu strijd zouden kunnen sneuvelen; of het verschil tusschen de spuitgasten in eene brandende stad over 't getal huizen , die de vlmnmeu zullen vernielen. Hoe ligt zon de strijd juist hierdoor worden vertraagd, de reddende arbeid nagelaten!—Jezus beantwoordde dan ook de vraag wel; hij weigerde dit nooit: want het behoorde tot de betrekking, die hij vrijwillig had op zich genomen ; maar hij antwoordde op zijne wijze, en dat was dikwijls eene vraag met eene vraag, of — gelijk hier — een' nieuwsgierigen wenseh met eene ernstige vermaning. Tot den vrager niet alleen, maar tot allen rigt hij het woord, en zegt: n Strijdt om in le gaan door de enge poorl!quot;
Jezus spreekt hier van de poort, als van eene bekende zaak, en geeft niet, als bij jiatthi.ü? , rekenschap, waarom hij haar eng noemt. Dit versterkt mij in het denkbeeld, dat de lieer zich hier op zijn vroeger onderwijs beroept, of liever op 't reeds gezegde — misschien ook welbij andere gelegenheden als in de bergrele—verder voort bouwt. Voor strijden gebruikt Jezus een woord, dat wij liever worstelen zouden vertalen, maar dat eigenlijk onvertaalbaar is, daar het tevens een wedijveren, kracht inspannen tot 't behalen der overwinning in den wedstrijd, beteekent. Het is bekend, hoe p au lus aan 't Grieksche strijdperk zijne schoone beeldspraak ontleende, en den christen strijder tegen de zonde, voort snellende in de loopbaan des geloofs, die rustelooze inspanning, na voorafgaande onthouding en gvmnastiek aanbeval, waarmee de Orieken oni de eerekroon wedijverden. Inspanning van alle krachten i n 't overwinnen van eiken tegenstand, een wedijveren met de besten en niet opgeven van 't groote doel, is dan ook van jezus' beeldspraak de bedoeling. 1) En hier zien wij op nieuw, dat de enge poort op zich zelve een beeld is, ook nog zonder den naauwen weg.
De reden, die jezus er bijvoegt ; Velen zullen toeken in te gaan, en 't niet vermogen, hebben wij reeds vroeger besproken; en gezien, dat dit zoeken iets geheel anders is, als in de bergrede: nZoekt en gij zult vinden !quot; — niï zoeken toch is de vrucht van een treurig zelfbedrog; dc proef, om in te gaan, met gerust zelfvertrouwen aan te kloppen en reeds den voet op den drempel te zetten, daar, waar men niet meer kan worden ingelaten.
En wat is nu de slotsom van geheel de Gelijkenis? — Dat de weg der behoudenis en der zaligheid veel naauwer beperkt is en de ingang veel moeijelijker, dan die naar't eenwig verderf. Even zoo gebruikt jezus , bij dc ontmoeting met den rijken jongeling, eene bekende beeldspraak, die buiten het natuurlijke gaat, en dus, zoo als men zegt, It/perbollsch is, als hij een' beladen' kameel voorstelt, staande voor eene poort, die niet grooter is dan het oog van een'' naald. Even onmogelijk, als dat deze daar door gaat, is het, dat de rijke, die steunt op zijne goederen , zal ingaan in liet koningrijk van God !
1) »!let beeld rlezcr woorden,quot; zegt stUAUT : „is eigenaardig genoeg. Dc doorgang door eene enge poort veroorzaakt veel gedrangs, wanneer velen denzelven tevens door willen; in zulk een gedrang kan men weinig op anderen letten, maar moet men voor zich zelven zorgen; zij, die naar anderen omzien , naar anderen wachten, kunnen haar voorzeker niet doorkomen,quot; — Het is waar, dat deze voorstelling meer levendigheid en natuurlijkheid aan het 'Ajuivlamp;ade elaeXÜBlv geeft, en hot volgende : Velen zullen zoeken in te gaan en hel niet vermot/en (orx hixiaovaiv) er zeer goed op terug slaat. Men moet echter die voorstelling van gedrang en wedijver nooit zoo ver drijven, als of de een ten koste van den ander, en dus ten slotte alleen deze en gene der sterksten er zou binnen komen. Inliet beeld van dc heslolen IFiiisJeur, dat er terstond op volgt, wordt ook deze voorstelling niet volgehouden.
11. quot; 2
i»
de twki; wegen'.
Er is onlangs beweerd, dat jezus niet den broeden weg niet dien der zonde bedoeld heeft: want dat deze zoo ruimen gemakkelijk was, wisten de Joden reeds lang; maar in tegendeel , de weg van wettigheid en orthodoxie, die der Parizeen, tegenover de godsdienst des harten, als de naauwe weg en enge poort. 1) Op zich zelf is het waar, dat doode vormen gemakkelijker zijn, dan levende godsvrucht. Maar even zeker is 't, dunkt mij, dat niemand onder jezus' hoorders, voor wie hij toch wel in de eerste plaals zal gesproken hebben , bij de voorstelling van eene zoo gemakkelijke levensreis aan den leefregel der Earizeëu zal gedacht hebben. quot;Bij ujkas, zoo wel als bij mattiieüs, noemt ook de Heer, als die door de enge poorte niet zouden ingaan: de werkers der ongeregiigheid. En in zoo ver alleen kunnen wij ons de ïarizeën onder de afdwalenden op den breeden weg denken, als zij — naar 't vervolg bij mattiieüs — wolven waren in schaapsvacht, en aan hunne vruchten gekend teerden. Maar in dit laatste stonden zij gelijk met hen, die nTIecre, Ucere!quot; tol jezus zeulen, zonder den wil te doen zijns Vaders, die m de hemelen is.
Wij houden ons dus liever aan het algemeeue denkbeeld: dat hier de geregtigleid van het koningrijk der hemelen wordt bedoeld, in hare beperking , zelfverlooehening, worsteling, maar ook eindelijke overwinning; tegenover bet leven, met of zonder een'vromen schijn, «aar 't goeddunken zijns harten. Op dien weg willen wij, ook bij onze evangelie-studie, voort gaan. Nog meer dan eens zullen wij van strijd en zelfverloochening, van eene beslissing voor eeuwig en een leven der vergelding hooren; maar ook, als antwoord op de vraag van 't bekommerd hart: // Wie kan dan zalig worden?quot; in de zinnebeelden der genade het antwoord vernemen: uAlle dingen zijn mogelijk hij God!quot; Alle dingen, zondaar! dus ook uwe en mijne behoudenis, hoe iiaauio de weg is en hoe eng de poort, die tot het leven leidt.
1) «Welke is die brcccte weg, die wijde poort, waarvan jezus hier spreekt ? Zeker niet de weg der zonde in 't gemeen, zoo als veelal geducht wordt. Indiea de Meester dat bedoeld had, hij zou iets verkondigd hebben, wat elk Israëliet reeds overvloediglijk wist. Maar, —als wij het verband nagaan;— met de Parizeen den vrede te zoeken in het bewustzijn, dat men door geboorte en opvoeding ... tot de gemeente der heiligen behoort; in de zuiverheid onzer godskennis en in eeue godsdienstigheid, die zieh alleen in vrome gewoonten, uiterlijke handelingen, rijke aalmoezen en lange gebeden, vasten en reinigingen, woorden en kerkgebaar uit: — dat is de breede en gemakkelijke weg ten verdorve; dat is de wijde poort, die voor duizenden open staat.quot; Zoo Dr. o. p. tiele in den Christeljken Volksalmanak voor 1801. lu de bcsehrijving van den (vyen urr/, als «den weg der heilige liefde, vol zelfverloochening en aanhoudenden strijd,quot; zouden wij weinig verschillen; maar dat jfzus hier de min overvloedige geregtigheid der Schriftgeleerden en J'arizei'n {Mullli. V : 20) als de eigenlijke ougcreg-tigheid, en den door hen gebaanden weg ten eeuwigen leven als den weg des verderfs in 't algemeen zou bedoeld hebben, kan ik niet gelooveu! Mij dunkt, dat. de geachte schrijver hier eene oppositie tegen du kerkelijke regtzinnigheid van jezus' tijd gezocht heeft, die elders te vinden is. Dat het beeld zoo bekend is, kan ons van de gewone opvatting niet terug schrikken. Ook de Heidenen kenden den driesprong van iif.bkules, en toch komt 't beeld bij iederen zedeleeraar terug, die allerminst 't oude cn beproefde verzwijgen mag. Behalve dat jezus ook aan dat oude en beproefde steeds een' nieuwen vorm geeft, en het met een'nieuwen geest bezielt.
Geheel anders eindelijk is de verklaring van c. a. ki.ikkf.nbehg , die, met hoe veel scherpzinnigheid ook verdedigd , niet ligt algemeenen bijval zal vinden : /Gaat. ten levensgeluk (reeds hier op aarde) in, door de benaauwde poort (door den pligt der liefde, ook in verdrukking, vs. 12); want wijd is de deur tot het ongeluk enz.quot; Zie v. wiiles en dhe^seliiuis, Bjdragrn, IV : 371—384.
10
Lvk. X1T : 16')—21.
l:ens rijken menscJicn land had wel gedragen; cn lij overleide hj zich zeiven, zeggende ; // ITat zal ik dom ? want ih hel niet, waarin ik mijne vruchten zal verzamelen.quot;
En hij zeide; »T)it zal ik doen : ik zal mijne schuren afhreken, en grootere houwen, en zal aldaar verzamelen al dit wijn gewas en deze mijne goederen; en ik zal tol mijne ziele zeggen : Ziele ! gij helt vele goederen, die opgelegd zijn voor vele jaren; neem rust, eet, drink, wees vrolijk!quot;
Maar God zeide tot hem: //Cij dwaas l in dezen nacJ/l zal men uwe ziele van u afeisclen ; en het gene (jij loreid, helt, wiens zal het zijn ?quot;
Alzoo is 't met dien, die zich zeiven schatten vergadert, en niet rijk is in God,
Met liet eenvoudige en bekende, maar toch altijd weder aangrijpende verhaal, dat hier boven staat, betreden wij voor het eerst een nieuw gebied op liet uitgestrekte veld van ons onderzoek: //de Gelijkenissen , die luk as bijzonder eigen zijn,quot; en die, als minder zinnebeeldig en geschiedkundig, maar van meer bepaald moreeleu inhoud , alle in het tweede Deel onzer Verzameling te huis behooren. Van der palm noemt ze teregt; //Gelijkenissen in den trant van leerzame verhalen.quot; Veel is er van te zeggenj en veel ook bij te vragen, waarop liet antwoord niet zoo gemakkelijk te geven is. Getrouw aan mijn beginsel, om geene hypothesen , maar resultaten te geven, wil ik ook hieromtrent niets vooraf beslissen ; maar alleen enkele opmerkingen op den voorgrond stellen, waar wij dan, na de behandeling der bedoelde Gelijkenissen, op terug komen, opdat do lezer met kennis van zaken oordeelc.
liet valt, bij de aandachtige lezing van lukas' Evangelie, ieder in het oog, dat er verschil is tusschen de parabolische verhalen, die hij met siattheüs gemeen heeft, en andere, die hem uitsluitend eigen zijn. Ook in de eerste merken wij soms een' vrijeren, minder Hebreeuwschen vorm op, maar die afwijkingen zijn gering, en zelfs niet eens zonder uitzondering bij lukas te vinden. Het Gastmaal bij voorbeeld heeft hij, en niet matthküs, in den eenvoudigsten vorm bewaard. Maar geheel anders is het in de bedoelde //leerzame verhalen.quot; Dat lukas die alleen heeft, is nog niet het opmerkelijkste; maar wel, dat hij, op eene zeldzame uitzondering na, geheel dien verhaaltrant, deze bijzondere soort van Gelijkenissen alléén heeft bewaard. En het kenmerkende daarvan is niet gelegen in den vorm der overlevering, maar in de kern der Gelijkenis zelve. Het zou onmogelijk zijn, die, met eenige wijzigingen, in den echt parabolischen vorm bij mattueüs over te brengen. Alen beproeve het slechts, om bij voorbeeld den armen lazakl's in den verhaaltrant van de Booze Landlieden of Dwaze Maagden over te gieten , of den Rijken Dwaas, waarvan wij nu te spreken hebben, te verhalen en te verklaren als den Zaaijer. Nergens staat ook, bij deze soort van Gelijkenissen, eene specifieke verklaring der bijzonderheden, zoo als jlzus van Zaaijer en Onkruid gaf. En te oordcelen naar den eersten indruk, zoo wel als naar de
2*
DE RIJKE DWAAS.
algcmeeue verklaring, die cr meer malen uonlt lijgevoegcl, beteekent de Rijke Dwaas nooit iets anders dan een' dwazen rijke, of de arme Lazarus dan een' arme gelijk bij. Ja zelfs waar een zinnebeeld tot grondslag ligt, — zoo als in de drie beelden van bet verlorene. Lui-, XV,—schijnt inde uitwerking geene bijzondere parabolische bedoeling te liggen. Veel eer merken wij in die uitwerking ecne neiging op, om bet inenschelijke leven in zijne verschillende nuancen te schetsen j een fijn gevoel voor humaniteit, ecne juiste uitdrukking van inenschelijke gevoelens en aandoeningen, gelijk wij dienergeus elders zco aantreffen. Of hier ook bij te voegen is //eeneiu 't oog vallende geringschatting van aardsche goederen,quot; zullen wij bij de volgende Gelijkenis nader te bespreken hebben, en daarbij ook op de onze nog eens
terug komen._Maar het verband tusschen luk as' inklecding en jezus'woordelijk onderwijs,
(waarbij wij ook het verschil van taal niet moeten vergeten,) — en de eenheid van het drieërlei beeld des groeten Leeraars: bij MAiTiaüs, lik as cujohannes; — dit zijn vraagstukken, die tot het eindresultaat van geheel ons onderzoek betrekking hebben, en dus hier alleen worden aangestipt, om ze in'tgeheugen te houden. Thans bepalen wij ons bij den Rijken Bicaas.
De Rijke Divaas: — eene dood eenvoudige vertelling, eu daarom, gelijk wij later zien zullen, sommige groote geleerden te eenvoudig, zoodat zij er met geweld meer achter zoeken. ;/Een rijk man zal een'ruimen oogst juist goeden wel bezorgen, en—sterft.quot; Zie daar alles! Ecgt jammer voor hem j maar het gebeurt immers meer? 't Is zoo 's werelds loop. Nooit rust
de zeissen des maaijers. IIij waagt naar onze plannen niet..... Maar dat juist maakt deze,
als zoo menig andere Parabel bij lukas , onvergetelijk voor wie ze eenmaal las of hoorde, 't Is o-ehcel natuur, 'tls demensch en 't menschelijk leven, in zijne treffende tegenstelling van groot-
D
beid en ellende, wijsheid en dwaasheid, de volheid des levens enden dood, die daar in blaast: 't gedurig herhaalde, zoo rijke en toch zoo diep weemoedige drama, waarbij het eene geslacht zoo weinig van het andere leert, dat cr geen kerkhof is, indien wij cr maarden weg opwisten, of wij zouden bij menig graf kunnen stil staan en zeggen : //Hier ligt de rijke dwaas!quot;
De aanleiding tot deze Gelijkenis heeft i.vkas, zoo als hij meer malen doet, opgeteekend, cn zij is zoo natuurlijk, dat ik geene verstandige reden zie, om er aan te twijfelen. In 't vorig Hoofdstuk sprak jtzus, aan het huis van ecnen Earizeer , harde waarheden. In tusschen, in afwachting, dat hij daar uit komen zou, waren er lieu duizenden van de volksmenigte Ij een vergaderd, zoodat zij elkander verttadev. Daarbij stonden en gingen, als gewoonlijk, -ijne discipelen (niet de twaalve alleen) rondom en achter den Heer; cn hun sprak hij eerst een krachtig woord toe, opdat zij, even als bij zelf daar straks, met vrijmoedigheid getuigenis zouden seven van de waarheid en daarbij alle menschenvrees afleggen. En nu volgt er op eens ; En één nil de schare zeide tot hem; uMeester! zeg mijnen broeder, dat hij wel mij de erfenis
deck.quot;_Het kan zijn, dat de man daar juist iets gehoord en op den klank af kwalijk verstaan
)u,Pjt )_gelijk zoo menig maal gebeurt! — van die vrijmoedige verantwoording voor overheden
en maaien-, maar hoogst waarschijnlijk was hij toch reeds, door 't volk henen, tot jezus doorgedrongen , met deze vraag op 't hart. — Over zijn proces met zijnen broeder kunnen gt;uj geheel niet oordcelen, daar jezus bepaaldelijk geweigerd heeft, in dat oordeel te treden. Het schijnt wel, omdat hij de zaak zoo vrij cn in het openbaar behandelt, dat hij zich in de daad
de liijke dwaas.
tc kort gedaan rekent; en't is zeer wel mogelijk, dat cle bewuste broeder hein te kort gedaan had. Misschien woonde deze, als de oudste, bij zijnen vader in, en had eenvoudig, voor al zijnen arbeid, land en huisgehouden, zonder rekening van den boedel te doen; en viel het nu den jongeren broeder even moeijelijk, als de weduwe bij den onrcjlvaarclhjen Iteylcr, om , arm en verdrukt , bij de wereldlijke magt regt te krijgen. 1) Maar men kan ook een ander en meer twijfelachtig erfregt zich voorstellen. .Tk/.us en lvkas laten dit geheel vrij. Zelfs zou liet slot der Gelijkenis ons eer aan eene ongedachte, rijke erfenis, — waardoor men zich schallen vergadert, —- dan aan liet wettig bezit van het ouderlijk erfgoed doen denken. Maar ook hierop zou ik niet durven bouwen.
Zeg mijnen Iroeder 2) — Wus deze er bij tegenwoordig ? Dan spreekt ook tot hem het vragend antwoord, en de daarop volgende Gelijkenis. Of wil de man, dat jezus hem vóór zich zal dagvaarden? Of mogelijk wel, dat de lieer met hem zal gaan? En ten slotte, hoe kwam hij op den zonderlingen inval, om deze regtzaak aan jezüs op te dragen, die ze dan toch eerst moest onderzoeken en beoordeelen ? — Alleen op de laatste vraag kunnen wij antwoorden door de bekende //regtsmagt der Rabbijnen,quot; Als wetgeleerden deden zij doorgaans gaarne uitspraak iu zaken, die door de wet van mozes moesten beslist worden , en niet tot de kennisneming der Romcinsche regtsmagt behoorden, of daar naar andere en voor den Jood niet geldige regelen beslist werden. Al waren dus de Rabbi's van die dagen niet altoos eigenlijke en aangestelde regters, zeker werden zij dikwijls als scheids-regters geraadpleegd. Later ten minste, onder de toenemende verstrooijing en verdrukking der Joden, was^dit algemeen; en bijzonder worden zij in deu Talmud geroemd, die geheel belangeloos regtzaken waarnamen. Pat lus schijnt reeds in dit opzigt, het voorbeeld der synagoge den Christenen aan tc prijzen, als hij ben vermaant, om toch elkander niet voor Ileidcnsche regtbanken te trekken, als of er niemand onder hen ware, die regt kon spreken tusschen den man en zijnen naaste. 3) Dezen wenk volgende, kende dan ook later de vervolgde gemeente, die van de Heidenen weinig regt te wachten had en zich ook voor hen hare onderlinge twisten schaamde, den bisschoppen eenc zekere regtsmagt toe, waaraan men zich in den beginne zeker alleen vrijwillig onderwierp. Maar hierdoor vervielen ook de opzieners der gemeente op de klip, die jezus zoo voorzigtig had misgezeild, zoodat zij soms voor al die wereldsche bemoeijingen het hcmelsche verzuimden. 4)
1) De Mozaïsche wet gaf aan den eerstgeborene een dubbel deel vu,i alles, wat zou gevonden worden. {Ikut. XXI ; 17.) liet overige was hij dus verpligt uit tc koeren.
2) Er is eenige overeenkomst in den vorm , zoo wel als in de verrassende wending, met do vraag van martha ; nlleer ! zeg aan mijne zuster , dut zij mij hclpe !quot; {Luk. X : 40.) Alleen is 't daar eene disoipelin, die den Heer aanspreekt: Kxqie, en hier een vreemde, die hem Jiöuaxctle, Rabbi noemt. Dergelijke overeenkomst zullen wij bij t.ikas , ook nog in deze zelfde Gelijkenis, meer opmerken.
3) Is er cilzoo omkr u geen, die wijs is , ook niet één, die zou kunnen oordeelon tusschen zijne broc' (Iers ? Maar de broeder gaat mi den broeder te regt, en dat voor ongeloorjgeu !.... Waarom Ijdl gij niet liecer ongelijk ? (1 Kor. VI : 5—7) — Paulus legt evenwel hiermede geene regtspraak of schcidsrigter-schap op de schouders van opzieners of leeraars, maar van eiken geloovigc, die er bekwaam toe is, en zelfs, naar do gewone vertaling van vs. 4 , op hen , dl - in de gemeente minst geacht zijn.
4) Zoo verhaalt men van acgustinus , dat hij soms gansehe dagen in regtzaken bezig was; en hij zelf rekent dit tot de pligten der bisschoppen: »waarmede paulus hen bezwaart, zonder zelf dien last tc dragen, omdat dit de post niet was van een' rondreizenden evangelie-bode.quot; (aug. de O^ere Man ach.)
DE ÜIJKE DWAAS.
Jezus wijst liier, zoowel als elders, de burgerlijke magt onbepaald af. Zoo als hij in den tempel de regtspraak afwees over eene overspelige vrouw; zoo is ook hier zijn antwoord: nMensch! — er is een terugtrekkend afwijzen, reeds in dezen naam: 1)—//Menscli! Wie heeft mij lol regter of scheidsman over u lieden aangesteld.'quot;' 2) —En uu, zonder meer naar dezen mensch om te zien, knoopt de lieer aan deze onverwachte ontmoeting zijn volksonderwijs vast, zeggende, niet tot dien man of tot zijne discipelen, maar tol hen, de scharen: „Ziel toe en wacht u van alle 3) gierigheid!quot; — Eigenlijk is dit laatste woord minder juist vertaald. Wel is gierigheid oorspronkelijk begeer igheid; maar het spraakgebruik verbindt daarmede meer het denkbeeld van een angstig bewaren en oppotten, terwijl de begeerigheid naar geld en goed hébzucht wordt genaamd. De laatste wordt hier bedoeld, of gelijk er letterlijk staat: //De zneht om nog meer te hebben.quot;
Deze vermaning is duidelijk, maar de drangreden minder. Onze vertaling heeft: Want het is niet in den overvloed gelegen, dal iemand leeft uit zijne goederen-, en van der taui verklaart dit: //Do mensch leeft niet van 't geen hij overhoudt, maar van dat gene, wat hij noodig heeft, gebruikt en geniet. Het geen men te veel heeft, kan men niet eten.quot; — Tfog juister schijnt de opvatting : //Het is niet door overvloed, dat aan iemand het leven van zijn goed (het gelukkig en rustig leven) verzekerd is.quot; Dit althans komt meest èn met de woorden, èn met de Gelijkenis over een. — Anderen zoeken in het leven, als't ware of hoogere leven , (toch niet uit ons goed?') een' diepereu zin. Letterlijk vertaald, luidt de spreuk . Omdat niet in hel overvloed hellen van iemand, zijn leven 4) is uit zijne goederen.
Hierop volgt nu terstond : En hij zeide tot hen eene Geljkenis, en $prak; i/Van een zeker rijk mensch had hel land wel gedragen:' 5) — Er staat eigenlijk de landstreek 6); en
1) Even als Hom. II; 1, 3: Daarom zijt gij niet te veront.schul'Iigen, o mensch ! cn Denkt gij, o mensch !
die oordeelt...... dal gij het oordeel Gods zult ontvlieden ? — Ook wij, wauneer wij iemand met//Mensch !quot;
toespreken, geven daarmede tc keuncn, dat lüj ons verder geheel vreemd is, en wij ook gecne andere gemecnscliap, dan die vau mcdemcnseli, met hem zoeken of erkennen. Wie een dieperen zin in dit
woord zoeken wil, kan, als altijd, bij stier te regt.
2) Juist het omgekeerde van de vraag, die de twistende Israëliet aan jiozes deed : „ // ie heeft u tol een ooenle en regter over ons gezel r {Kwd. II : 14; Hand. VII: 27, 35.) Naar^ de Grieksolic vertaling is er maar een enkel woord verschil; Tig ae xuréijti/ui!» uyxorcquot; xal Sixuanp iqgt;' en Tis [te xmeanjae dixucjTt^ (lachm. en tiscii. lezen xyarjv) ij ftBj/iairj* ilt;p' iuu; ; — Misschien was de plaats jezus in de gedachte, en hij vermeed dc klip, waarop de jeugdige ijver van mozes schipbreuk leed, en waardoor dc redding van zijn volk nog deu duur van tón menscheiigeslaeht (veertig jaren) werd verdaagd.
■J) Eet woord nuatis is, ook naar dc Fulgata, door de nieuwere critici inden tekst opgenomen. Dc nadruk van allerlei begeerigheid of gehechtheid aan aardsche goederen, heeft reeds avgustinüs opgemerkt als hij zegt: Non solum avarus est, qui rapit aticiia ; sed el ilte avarus est, qui cupuk servat sna, d) De geleetde^HENCii onderscheidt (lioi, als cita quam vivimus, van Su,J (dat hier voorkomt), als vita qua vmmus. Het eerste beteekent, waar het bij lvkas (en ééns bij mmiiieüs) voorkomt. altijd hoemonderhoud of levensgenot; inde apostolische brieven ook wel den levenstijd, nooit het eeuwige teven. Zou is het leven of levensbeginsel zelf, zoo als het tegenover den dood staat en in den geloovige eeuw.g blüft _ Tkescu verklaart daarom deze spreuk: //Des mensehen leven bestaat met m den overvloed van zijn levensonderhoud is daarin niet gelegen en wordt daardoor niet gewaarborgd. Dc constructie
van den oorspronkelijken tekst blijft altijd vreemd. gt; i 4 . ,r i i
5-) Be.noel merkt hier , in zijn' gewonen kernaehtigen stijl, op, dat ook het regtvaardig verkregen goed L'cvaarliik voor deu mensch worden kan: Modus hie diUscendi innocentmimus el tarnen perieulosu*. 0) VlTKlSGi meent, dat x^a hier het zelfde beteekent als x^ior, een landgoed, en dat dus
If
dk rijke dwaas. 15
«
dit woord scliijiit aan te duiden, dat niet de beperkte voorvaderlijke akker, maar een aanzienlijk grondeigendom bedoeld wordt. 1'e Mozaïsche wet der gelijke laudverdceling is zeker Avel nooit zuiver onder Israël onderhouden, en de klagt is reeds oud, dat de rijken ahher aan akker trokken [Jes. V : 8) ; telkens hunnen grond vergrootten met den zwaar verpanden akker der armen , die er nevens lag. Zoo kunnen wij ons voorstellen, dat deze rijke, sedert het vorig jaar, weder nieuwe akkers heeft aangekocht; en hem bij 't bezaaijen het bezwaar nog niet is in do gedachte gekomen, dat nu in den oogst zich openbaart.
Zijn land duo kg dus in overvloed. Zoomoeten wij vertalen, en niet: het had gedragen. Want juist omdat de oogst nog te veld stond, en, op de wijze der Oosterlingen, ook op het veld werd gedorscht, was er haast bij. En h'j overlegde in zich zclvcn , zeygende; i/JI al zal ik doen, omdat ik niet heb, to aar ik mijne vruchten zal te zamen brengen ?quot; 1) Er is hier, en in het volgende, eene opmerkelijke overeenkomst van vorm en uitdrukking met eene andere Gelijkenis, die misschien nog nooit met deze is vergeleken: die van den Onregtvaardigen lientmeester. Ook ddar vinden wij de verlegenheid, die zich openbaart in eeue alleenspraak, en wordt uitgedrukt met de zelfde vraag : // Wat zal ik doen ?quot; En is hier de slotsom van het overleg: uDil zal ik doenquot; dailr is 't, met nog meer verrassende blijdschap na veel groo ter verlegenheid: nik xceet, xoat ik doen zal.quot; Maar terwijl hier de laatste toespraak luidt: uGij dwaas!quot; wordt de rentmeester geprezen, omdat hij verstaxnin hcejt gehandeld.—Ginds is 't de bekommernis der dreigende armoede; hier het bezwarende van den 1 oenemenden r ij k d o m. En waarlijk, die 't bezit van schatten niet van nader bij kent, heeft hier geen begrip van. Meer malen ten minste zag ik de rijken, over het beleggen van hunne gelden of 't bewaren van papieren geldswaarde, in grooter verlegenheid, dan de zorgelooze arme gevoelt, die 't hoofd ncêr legt, zonder te weten, waar hij morgen van leven zal. 2)
//Maar de vraag was hier toch niet zoo moeijelijk te beantwoordendenkt iemand: //De man had eenvoudig te verkoopeu, wat voor zijn eigen gebruik de akkers te veel op-bragteu.quot; — Dat zou nu gemakkelijk gaan, maar toen niet. De koophandel der oude volken bestond veel in ruilhandel, waardoor men dan toch weder met het bewaren van andere koopgoederen bezwaard werd. Ook waren de middelen van vervoer zeer gebrekkig , zoodat men uit het binnenland zijne granen niet gemakkelijk naar eene havenplaats brengen kon: want als alle akkers tvilgedragen hadden, was de overvloed van koren in Palestina zoo groot, dat er binnen 's lands geene koopers, en nog minder opkoopers tegen eene onzekere toekomst te vinden waren. Juist het gemis van deze opkoopers, die in den nieuweren tijd in zoo kwaden naam staan, veroorzaakte inde oude wereld hongersnood, waar nu alleen sehaarschte en duurte is.
i rasmos, met dc Vulgata, juist heeft vertaald ager, akker. Ook wij spreken van „iemands land,quot; eu kunnen daarmede zoo wel het landschap bedoelen, waarin hij woont, als den grondeigendom, dien hij bezit. Maar ook in bet laatste geval behoudt het woord eene meer uitgestrekte , onbepaalde beteekenia. Men spreekt nooit van iemands landnt, wel van zijne landerijen , landgoederen of akkers.
1) *En toch hebt gij bergplaatsen genoeg,quot; roept ambkosius den rijken toe; //den schoot der ellen-digen, do huizen der weduwen, den mond der kinderkens!quot;
2) Naar de Latijnsehe spreuk : Cresccnlem sequitur cura pecuniam. grotius. Turbavit hominem copia plusquam inopia. auüustinus. Eenigzins anders is de opvatting van ungeu, die meer hoogmoed ziet in die schijnbare verlegenheid, — maar naar 't mij voorkomt, en ook uit de tegenstelling van den Onregtvaardigen lientmeester blijkt, minder juist. Hij schrijft: Oputentum deseribit parabola elate deliberantem.
de RIJKE DWAAS.
Zeker is 't, dat deze eenvoudige uitweg //Verkoop, wat gij tc veel hebt!' onzen rijke niet open stond; anders had liij niet zoo veel h'j zic/t zeiven Ic overleggen gehad. Het is dan ook geheel iets anders, dat liij, na rijp overleg, bedacht heeft. Zijnen oogst, zoo wel als zijne schuren, heeft hij nog eens in oogenschouw genomen. Er is geenc evenredigheid tus-sehen die beide, en vooruitbouwing of verhooging zijn ook die bergplaatsen niet vatbaar : nDlt zal ik doen. Ik zal mjne schuren af Ir eken en groolere louwen, en zal daar vergaderen al mijn (jewas (of al mijne veldvruchten) en mijne goederen.quot; Niet enkel //dit mijn goed;quot; — want dan zou het laatste woord eenc nuttelooze herhaling kunnen schijnen ; — maar //al mijn goed,quot; 1) ook van vroeger; want do man was al rjk, en had reeds schuren, die zeker niet geheel ledig waren. Dat men hierbij verkeerdelijk aan onderaardsche graankelders gedacht heeft, al waren die oudtijds, om de mindere veiligheid en de hevige plasregens , veel in het Oosten in gebruik, is, dunkt mij, zoowel uit het afbreken (//om ver halenquot;) als uit 't lomoen (//huizen bouwenquot; is eigenlijk het woord) duidelijk.—En dit overleg nu, is 't zoo strafbaar? Was liet zoo dwaas bedacht? Op zich zelf zeker niet. Maar dat toch do rijke man niet eens dacht aan al dc armen, die hij met dien overvloed spijzen kon, was een karaktertrek van den echten wereldling. En dat hij cr even min aan denkt, ook latei-zijne groolere schuren voor de armen te openen, blijkt uit het vervolg van zijne alleenspraak : En ik zal zeggen lot mijne ziel; t/Ziel! Gj helt vele goederen, opgelegd (eigenlijk oplig-_r e n d c, zoo wij dit schrijven konden,) voor vele jaren. Neem rusl, eet, drink, wees vrolijk!quot;
Men heeft er wat al te veel uit afgeleid, dat de rijke juist tot zijne ziel, zijne kost-bnrc en onsterfelijke ziel spreekt, waaraan hij wel gansch andere dingen tc zeggen luid. Duidelijk heerscht hier, als in 't vervolg, het ITebrecuwschc taaleigen. Daarin is ziel van geest en hart zóó onderscheiden, dat 's menschen ziel is dat gene, wat in den mensch leeft en 't leven geniet, wat hij dus met de dieren gemeen heeft. Volgens mozes is dc zetel der ziel in 't bloed ; en eene //onsterfelijkheid der zielquot; zou voor de oude Hebreen een gezegde geweest zijn, dat zich zelf tegensprak {contradictio in terwims), daar met het bloed de ziel wordt uitgestort. Dc Heiland gebruikt echter t woord reeds in de nieuwere, echt Grieksche beteekenis : — van het onstoffelijke in den mensch, — als hij van dc menschen zegt, dat zij de ziel niet kunnen dooden. Maar hier, in onze Gelijkenis, is de ziel des rijken nog meer het levensbeginsel in hem , persoonlijk gedacht en toegesproken , zoo als wij verstand en hart, verbeelding of geweten in ons zelve soms toespreken.
En wat wil dan nu dc rijke met die toespraak? Hij heeft zijne ziel gekweld tot nu toe, met velerlei zorg en bekommernis; hij wil, dat zij van nu aan uitrustc. Hij heeft zijne ziel vermoeid met allerlei arbeid; hij wil, dat zij nu geniete: ele, drinke, vrolijk zj! En dat vele jaren lang , omdat hij daar vele goederen heeft liggen. Dat is de toekomst van den rijke. In zijne verbeelding geniet hij die reeds. Doch daar blaast de adem des Almagtigen in zijne plannen. Maar tot hem zeide God: uDwaas! in dezen nacht zullen zij uwe ziele afvragen van u j — in 't oorspronkelijke nog krachtiger, als iets, dat
1) Bij den hoogmoed , die er (ook onbewust) ligt in dit: » mij Ni. ff cederen,quot; haalt tulncii uil dc brieven van noEAiiüS (II. 2. 171) aan: Tanquam SU proprium quirlquum, puncto qttodmlilis horae, Nunc j.rece, nmc prei io, nunc ti, nunc merle mpremd, Per mulct dominos , et ccdul in altera jura.
16
de liuke dwaas.
iccds tegenwoordig is : vragen , eischen zij uwe ziele af van v.. — Eu 'l lt;jecn gij bereid heil, voor wien zal het zijn ?quot;
Zoo sprak hij, en zóó sprak God. Mij dunkt, in deze eenvoudige tegenstelling ligt de crcheelc verklaring van liet goddelijk spreken. Sommigen hebben daarbij aan eene bijzondeie openbaring gedacht, zoo als, naar Dan. IV : 31, voor kebukadnezaii eene stem uil den hemel viel, terwijl het woord van eigen roem eu grootheid xvas in's ionings mond. En wij kunnen ons de zaak zeer goed op die wijze verbeelden, als wij slechts niet vergeten, dat hier eene Gelijkenis verhaald wordt en geene geschiedenis. I) Anderen hebben die openbaring in de omstandigheden gezocht, zoodat eene plotselinge en gevaarlijke ziekte hem 't ernstige woord hooren deed: uBereid uw huis, ivant gij zult sterven.quot; Zelfs heeft men in den nieuwsten tijd deze parabolische voorstelling als een bewijs aangevoerd, dat God* looord ook elders niet zoo letterlijk gemeend is, daar //do bijbelsche orakelen uitingen zijn \au eigen zelfbewustzijn, en God dus in de Heilige Schrift niet zoo zeer zelf spreekt, als welsprekende wordt ingevoerd.quot; (busken uuet. Brieven over den Bijbel, IMz. 30 eu 37.) Ik laat't den nadenkenden lezer zelf te beoordeeleu, of deze redenering niet gezocht is. Men moge liet bijbelsche openbarings-begrip aannemen of verwerpen, ontkenne men toch niet op zóu zwakke gronden , dat het bijbclsch is ! — Wat onze plaats betreft, reeds vituimia schreef te regt; //God wordt, in de Parabelen, gezegd te zeggen het gene Hij doet, omdat Gods besluit en wille voornamelijk uit zijne daaden gekend word.quot; 2)
En wat zegt die Godsstem? — Dwaas! niet: Gij dwaas, zoo als onze vertaling heeft, maar kort «eg: Dwaas! 3) En dat de man, die meende, dat hij al zeer verstandig had gehandeld! En waarom dwaas? 4) Omdat hij zoo vele jaren vooruit rekent, terwijl zij dezen nacht reeds zijne ziele van hem af eischen.— Zij: wie zijn dit? Men heeft hier aan doodsengelen gedacht, en er eene tegenstelling in gezocht met den armen i.azauus, die door de Engelen teerd gedragen in abrahams school. Ik geloof echter, dat de gewone vertaling eenvoudiger is en de voorkeur verdient: Mi-.n kisciiï uwe ziel van u af; 5) de ziel, die gij zoo gekoesterd eu wèl gedaan hebt, voor eene toekomst, die zij nooit zal beleven! En dat zal geschieden
1) IFir habcn ja kcine GeschiclUezegt mkijku te regt, eu reeds tiieofhvlacti's selircof; nXaxtatui yuigt; raCia i( TiayafiolLij.
2) Nou retelamlo, ied dccerncntlo. Glionts.
3) De gewone tekst heeft acf^ov, in don vijfden naamval. Op bet gezag der beste handschriften neemt men thans aan ciyyatv, in den cerslen. «De dwaas!quot; is nog minder eene bepaalde toespraak.
4) »Eindclijk moetenwe in agt nemen, dat het woord iupiiu)!', gy dwaas ! waar mede de Heer dezen Epicurist aansprak, t' eenemaal overeenstemt met den Hebr. naam nabal (1 Sam. XXV), —een voor-beeld van soodanigc menschen, die dc Heer heeft willen afschilderen in deze Parabel.quot; vitringa. De opmerking is niet onaardig, maar dc typologische opvatting, waardoor nabal het verdwaasde Joodsche volk wordt en de vervolgde david chiustus , is het minder.
5) Verbum repetuut, quumquam pluralis est numcri, quia Urnen indejinitum est, nihil aliud significut, quam alieni juris esse, quam dives in mnnu sua vilnm es-e ducchat kalvijn. — Stieii deukt nog (evenals theophïlactus , die ze bij invorderaars eener schatting, en den zondaar met een' onwilligcn schuldenaar vergelijkt,) aan engelen, als uitvoerders van 't Godsgerigt, zoo als ook JoA XXXIH ; 22 gezegd wordt, dat de ziel des zondaars nadert ten vcrderce, en zijn leven lol hen , die dooden ; misschien do uBoden van. reel ttcuuds,quot; Ps. LXX\ III ; 49. Vgh, 1 Kron. XXI: 15 , den engel des v-'rderfs. ■— J'. h XXVI I ; 8 ueeml God zelf de ziel des huichelaars weg, als hij gierig zul geweest zijn.
17
DE liIJKE DWAAS.
m dezen nacht. Aan den avond nog ziet de rijke met welgevallen op zijne maaijers, en zwoegen de dorscliencle ossen op zijn' ruimen dovschvloer. Hij liceft zijne plannen gemaakt, en geeft zijne bevelen, opdat ze tocli spoedig, met den vroegen morgen te beginnen , worden ten uitvoer gelegd. Aan den avond nog, — maar dien morgen zal hij niet zien. T)e engel des doods waart rond in't duister, door 't midden der slapenden , en staat aan zijne sponde stil, en vraagt en eiselit af, als tijdelijk geleend goed, dat niemand hem weigeren mag: zijne ziele!
Ieder begrijpt, dat hier 't leven wordt bedoeld, en toch zou de teekening veel minder scherpen juist wezen, als er dat woord stond. De dichterlijke Ilebreeuwschc taal, waarin alles leeft, schildert hier veel sterker dan de onze. Do zelfde toespeling op de hoogere en lagere beteekenis van het woord ziel, vinden wij nog sterker in de spreuk van onzen lieer: Die zijne ziele zoeJct te hehonden, zal ze verliezen, maar die zijne ziele verliest, (elders; J,aat om mijnent ml,) zal ze in het leven hehonden; eene spreuk, die men geheel bedorven heeft, door te schrijven : Die zijn leven lief heeft. 1) — Hierdoor verkrijgt ook de vei mailing, die jjzvs terstond op onze Gelijkenis tot zjne discipelen (niet tot de schare) volgen laat, hare eigenlijke kracht; Daarom zeg ik u, weed niet bezorgd voor uwe ziele, wat gij den, voor uw licchaam, KaarMcde (jij n Meed en zult. De ziel is meer dan het voedsel, en het ligcj1aam dan de Meeding ; — en dus beide te zamen, de geheele men sen, meer dan zijn levensonderhoud; — waarop dan zoo treffend volgen : de raven, die in 't geheel geene schuren hellen.
En die ziel des rijken nu, in de hoogere en hoogste beteekenis van het woord, wat is hare toekomst, na zoo vreeselijke verarming? — Daarover spreekt de lieer niet. De Gelijkenis blijft binnen den kring van hetaardsche, en spreekt alleen nog van alle zijne veldvruchten en deze zijne goederen, in de vraag; Maar wat gij —oi-. Wat gij dan bereid helt, voor wien zal het zijn ? — Zeker voor den man zelf niet, die er zich zoo voor vermoeid en afgesloofd heeft, en misschien niet eens voor wie hij het't liefst gunnen zou. 2) Anderen zullen er over twisten, en dc erfenis deden; en —hoe vreemd het ook schijne!—juist bij 't doelen eener erfenis, die ons de vlugtigheid van ons leven en 's mensehen rentmeesterschap herinnert, denken de minste menschen aan hunnen eigenen dood; aan het naderend tijdstip, heden nacht of morgen misschien, waarop ook hunne ziele zal worden afgeëischt, en anderen
weder hunne erfenis doelen zullen.
Immers wandelt de mensch in een beeld? Immers woelen ze ijdellijk? Men brengt bij een, en men weetniet, wie hel naar zich nemen zal! — En nu, wal verwacht ik, Ileere ? Mijne hope, die is op V. [Ps. XXXLX : 7 , 8.)
1) Het woord ifiv/tj wordt nooit, in zijne eigenlijke beteekenis, uitgedrukt door ons leven ; en wanneer men omgekeerd leven door yvx'] vertaalde, zon men Grieksehen onzin schrijven. — De bedoelde plaats is Luk. XVII ; 33 [Matlh. X ; 30.). Het verwondert mij, dat zelfs de uitstekende vertaling van vissebiks dit niet verbeterd heeft: want welken zin geeft het: «-zijn leven in 't leven te bewaren rquot;
2) Ik haatte ook, zegt de Prediker (II : IS , 19): al mijnen arbeid, dien ik learbeid had onder de zon, dal ik dien :ou aehlerlalen aan eenen mensch, die na mij Kezen tal. irant wie loeet, of hij wjs zal ziyn uf dwaas ? Evenwel zal hij heerschen over al mijnen arbeid, dieti ik bearbeid heb, en dien ik wijselijk beleid heb onder de zon. Dat is ook jdelheid.-Vu jebemia (XVII : 11) stelt in selülderaehtige beeldspraak het lot van den onreglvaardigen en roofzieken rijko dus voor ; Gelijk een veldhoen eijeren twy^AW, maar bront ze niet uil, alzoo is hij, ilie rijkdom vergadert, doch niet met rajl: in de helft zijner dagen zal hij 'hen noden verlaten , en in zijn laatste een dwaas zijn.
18
Dli 11IJKE DWAAS.
Laar zijn er, die rjk worden door naauwztcndheul en langheid, Eu dit is dan het loon, dal hun ten deel valt, dat zij zeggen hunnen; «Ah i/c mij rust verschaft heb, dan zal il. eten van mijn goed !quot; Maar zij loeten niet, hoe zij den lefetoamen tjd laten voorlij gaan, totdat zij het aan anderen achter laten en sterven. [Jezus Sir ach XI: 18, li).)
Is iemancl misschien nog niet tevreden met deze treffende waarschuwing tegen aardsch-gezindheid cu hebzucht ? AVii hij nog dieperen zin zoeken in de eenvoudige woorden ? — Hij kan weder te regt komen bij vitiunoa , die, met eene zeer goede verklaring van den letterlijken zin ook nog niet tevreden, daarna zonneklaar bewijst, dat hier worden bedoeld de Sadduceën, als //Epicureïsclie oversten der Joden, omtrent het einde der Joodsche Repu-blijken met de grootere schuren de grootsche plannen van heuodes aohu'Pa , als hij de muren van Jeruzalem uitbouwde. Ja ! hehodes agkuta en iedere andere wereldling, ook gij en ik, mijn lezer! met al onze weroldsche bemoeijiugen, wij worden hier bedoeld, zoo dra wij eenige gelijkenis toonen met deze karakterschets; — want dit is eigenlijk geheel de Parabel, en dat zegt ook het onderschrift: Alzoo die zich zeiven schatten vergadert, en niet rijk is in God, of liever tot God! 1) — Naar onze vertalers; u Alzoo is het met dien,quot; — zoo is hij gestemd of zoo gaat het met hem. Ik voor mij geef echter de voorkeur aan 't eenvoudige alzoo, als het onderschrift van een portret: //'Dit is 'smans becldlquot;— Verder heb ik nog op te merken , dat het schatten vergaderen ons ligt eene min juiste voorstelling van de bedoeling der spreuk zou geven. l'Jen schat doet ons aan grootcn rijkdom, eene belangrijke geldswaarde denken, maar bij de ouden wordt meer de oorspronkelijke beteekenis van een' opgei egden voorraad bewaard. Eijkdom doet alleen denken aan 't bezit, maar schatten ook aan de hand, die ze ophoopte; niet enkel geld, maar ook koren, kleedereu, alles metéén woord, wat waarde genoeg heeft, om het voor de toekomst to bewaren: schatten op aarde, die mot en roest verteert, en waar de dieven doorgraven en stelen ; want bij het opzamelen of opsebatten moest men inzonderheid in het Oosten allerlei voorzorgen nemen tegen natuur en menschen, — en nam ze toch dikwijls te vergeefs!
Ik gebruikte daar een barbaarscb woord: men sta mij toe, dit nog eens te doen, om beter den oorspronkelijken klank der spreuk te laten hooren: Alzoo die opsclat voor zich zeiven, — eenen schat, dien misschien anderen morgen reeds deelen ! — en niet rijk is 2) tot Cod; niets heeft opgezameld, eer hij aan dien aardschen overvloed dacht, waardoor hij bij
1) Is ook in , voor Eii, ons uit de Vulgata bijgebleven ? lu 't Latijn is die vertaling juist, in onze (nal niet. Zoo doopen wij altijd uog is dcu mum des Vaders enz. in plaats van tot den naam —
2) Trench vertaalt, om het parallelisme beter te bc waren : Die zich niet verrijkt. Maar quot;iXovieif beteekent nooit //rijk worden(zoo als het minder juist door de Onzen vertaald is 1 Tim. VI : 'J, en door vissmiXG tc regt verbeterd;) altoos «rijk zijn.quot; Do bedoeling is ook niet, dat liet dwazer is, wereldsehe dan hemelschc schatten te vergaderen ; maar dat hij een dwaas is, die, nog arm bij God, daaraan niet deukt, maar den aardschen schat tot zijn levensdoel stelt. — //Itijk tot Godquot; blijft evenwel eene eenigzins onbestemde uitdrukking. De eenvoudigste opvatting is misschien tccu rijkdom, die tot God nader brengt;quot; en de beteekenis is altijd de zelfde als van de sc/ialtcu in den hemel, die de lieer (in het volgende) wil, dat zijne discipelen verzamelen, terwijl bij er de veel bcteekenende woorden bijvoegt: Waar uw schat is, aldaar :al ook uw hart zijn. (Vs. 34.)— Quid diviliis tuis ioltis iitcubas, ut quo locupletior saeeulo fueris, pauperior Deo Jias? Cvrui axus , de O/tere cl Ele'èni, (Openh. 111:17, door velen hier aangehaald, schijnt op ingebcelden geestelijken rijkdom te slaan.)
] !)
DK KIJKE DWAAS.
Ciod rijk wezen kan; geeue schatten, dio hem tot God brengen, en die voor hem bewaard worden in de hemelen; zoo dat als God spreekt: nUive ziele!quot; en hij die moet overgeven, hij niets overhoudt, volstrekt niets, na zoo veel arbeid en kwelling zijner ziele.
Treffend tegenbeeld van de Christelijke levenswijsheid , gelijk de lieer ze nu verder aan zijne discipelen schetst, als eene kinderlijke onbezorgdheid des geloofs, die eerst het Koningrijk Gods zoekt en zijne (jeregtigheid. Reeds bij de oude Hebreen had wijsheid eu dwaasheid die diepe, zedelijke beteekenis ; want terwijl de dwaas zegt in zijn harte ; uDaar is geen God!quot; is van de ware wijsheid het beginsel de vreeze des iieeben. [Ps. XI\ : :ï; Spr. I : 7.)
En 't is niet alleen de rijke, die ons dikwijls aan deze treffende Gelijkenis denken doet. De kwaal ligt niet in de schatten, maar in wie ze opzamelen. Ook den burger zien wij dikwijls zwoegen, zich zeiven levensgenot onthouden en den armen eenen noodpenning, om ééns dat toppunt zijner wenschen te bereiken, waarop hij tot zijne ziele zal kunnen zeggen: uZiel! gij heil nu goederen genoeg, opgelegd voor vele jaren. Neem. dan nu eindelijk uwe rust, eet, drink, wees vrolijk !quot; quot;Voor dat ideaal van rustig levensgenot slijt de koopman in 't muffe pakhuis en de winkelier achter de enge toombank zijne beste dagen, en overspant menig een in een' afmaüenden werkkring zijne beste levenskrachten. Eindelijk is het doel bereikt, indien het, — gelukkiger dan in onze Gelijkenis! — bereikt wordt. En wat is dan dikwijls die lang geweusebte rust? Zij verveelt en vermoeit nog meer, dan de zwaarste arbeid. Wat blijft er van dat levensgenot? De dagen komen, te gelijk daarmede, waarvan de menseh zegt: nik heb geen lust in de zelve Tl) En waarvoor dienen ten laatste die schatten, waaraan soms meer dan eigen zweet kleeft: ook wel 't zweet van hongerige, afgebeulde arbeiders, bloed en tranen der armen? De dood vraagt ze terug.....
20
Ja! wij mogen zaaijen en maaijen en vergaderen in de schuren. Dat mogen en moeten wij : want dat hebben wij voor boven de vogelen des hemels. Maar onze afgod worde het nooit, noch ons levens-ideaal. Roemen wij in den dag van morgen niet. Gebruiken wij heden onbeschroomd, wat piigt ons niet gebiedt, voor morgen te besparen. Doen wij daarmede boven al armen en ongelukkigen wèl. En dat ons hart, aan 't aardsche niet verslaafd, vóór alle dingen zoeke , wat 't hoogste is en eeuwig blijvende, omdat de dood het ons niet afvraagt: rijk te zijn hij God!
1) Quam stidtum est, aetatem disponerc ! No craslino qavlem dominamur. O quonta dementia est, spes longas inchoantium: uEmam, acdificabo , eredam, exigam , houores geram ; turn dmum lassam et plenam sent c tut cm in otium rejeram.quot; Ststci , Epist. 10L
XLIII.
DE RIJKE MAN EN DE AEME LAZARUS.
Likas XVI : 19—31,
En daar was een zeker rijk mensch, en ivas gekleed viel purper en zeer fijn lijn • waad, levende allo dagen vrolijk en prachtig.
En daar was een zeiier ledelaar, met name laz.vrus, loelke lag voor zijne poort. vol zweren, en legeerde verzadigd te worden van de kruimkens, die van de tafel des rijken vielen; maar ook de honden kwamen en lekten zijne zweren.
En het geschiedde, dat de ledelaar stierf, en van de engelen gedragen werd in den schoot abrahams.
En de rijke stierf ook, en werd begraven. En als hij in de helle zijne oogen ophief, zijnde in de pijne, zag hij abiiauajj van verre, en lazaiujs in sjnen schoot. En hij riepen zei de: n Vader abraham ! ontferm n mijner, en zend lazarus, dat hj het uiterste zijns vingers in het water doope, en verkoele mijne tong; want ik lij de smarten in deze vlam.quot;
Maar abraham zeide: uKind! gedenk, dat gij uw goed ontvangen helt in uic leven en lazarus desgelijks het kwade; en nu wordt hij vertroost, en gij lijdt smarten. En loven dit alles, tnsschen ons en ulieden is eene groote klove gevestigd, zoodal de genen , die van hier tot n loillen overgaan, niet zouden kunnen, noch ook die daar zijn, van daar tot ons overkomen.quot;
En hij zeide: nik lid u dan , vader ! dat gij Item zendt tot mijns vaders huis ■ want ik heb vijf broeders; dut hij hun dit betuige, opdat ook zij niet komen in deze plaats der p jninge.quot;
Abraham zeide lol hem : uZij hellen mozls en de Profeten ; dat ze die hooren 1quot;
En hij zeide: uNeen, vader abraham! maar zoo iemand van de dooden lot hen henen ging, zij zouden zich bekeer en.quot;
Doch (abraham) zeide tot hem : uIndien zij mozes en de Profeten niet hooren , zoo zullen zij ook, al ware het, dal er iemand uit de dooden opstond, zich niet laten gezeggen.quot;
Wie kent niet de schoone Gelijkenis van den armen lazarus ?---AVie die niet meer
kent, of ten minste moeite heeft, om ze nog te herkennen ?...... Hij, die alles gelezen heeft _
of, daar dit onmogelijk is, ten minste het voornaamste, — wat van de dagen der kerkvaders af er over gesehreven is. Want zóó veel heeft men in deze eenvoudige beelden gezien, dat het II. 4
de rijke man en de arme lazarus.
ons schemert voor de oogen; en daar liet een steeds weder met liet andere strijdt, de verklaringen wederkeerig elkander vernietigen, zoodat wij er ten laatste mets anders dan een' vormeloozen chaos van overhouden. Al wat de Ihjbel leert of ook niet leert, al de hoofdzaken van liet christendom, de geschiedenis der Joden en der christelijke kerk , de stellingen der meest uiteenloopende godgeleerden, ze zijn in deze schilderij terug gevonden. Ja! liet is zelfs geheel onzeker gemaakt, of de Gelijkenis wel waarlijk eene gelijkenis is; of niet veel eer hier eene geschiedenis uit jezus' tijd verhaald wordt. En dat alles is niet de mecning van dezen of genen zonderling, die zich een' naam zoekt te maken door iets nieuws en vreemds voort te brengen, maar van de kundigste en achtenswaardigste
godgeleerden, nog van onzen tijd.
Maar nis gij zoo doende ten laatste naauwelijks meer weet, wat van den armen Lazarus te denken, heb ik voor u een' goeden raad. Yerhaal de Gelijkenis aan kinderen, levendig en aanschouwelijk, zonder één' enkelen trek over tc slaan, en terwijl gij hen zoo veel mogelijk in de zeden en leefwijze van den ouden tijd verplaatst. Sla dan de uitwerking gade, die deze beelden hebben op het kinderhart. Merk op, hoe diep hun medelijden is met den verwaarloosden arme; hoe zij den rijke veroordeelen, en toch ten slotte nog om zijne verblindheid beklagen moeten ; en ten laatste met eene kille huivering het oog afwenden van een tafereel, dat hun van nu af onuitwischbaar voor de verbeelding geschilderd blijft. Zie, hoe zij, heen gaande, niet zoo ligt meer een' arme zullen verachten, of door de schittering van het purperen kleed zich laten verblinden; — cn al betrachten zij het ook niet altoos, toch nooit meer zullen vergeten, dat er een betere rijkdom is, dan dat dagelijks prachtig en vrolijk leven.— Zie! die kinderen hebben de Gelijkenis verstaan, en zij doen ze u verstaan. 166 sprak jezus, niet opdat deze of gene geleerde, eeuwen later, door eene chemische kunstbewerking, uit een eenvoudig woord eene allervreemdste slotsom zou aan het licht brengen; maar opdat dc kinderkens hem verstaan zouden, en de wijzen der wereld beschamen.
Eer wij de vraag beantwoorden, reeds door de kerkvaders opgeworpen: //Hebben wij hier eene gelijkenis of eene geschiedenis voor oogen ?quot; willen wij de schilderij zelve nog eens van nader bij beschouwen, om daarover nog beter te kunnen oordeelen. Ook op den zamenhang letten wij vooreerst niet, maar alleen nog op den inhoud van het verhaal. En dan merken wij reeds terstond op, dat hier tweeërlei schildering voorkomt, en in beide eene tegenstelling; die van armoede cn rijkdom. Zoo eenvoudig deze opmerking is, zij werd, in0 betrekking tot den zin cn dc bedoeling van het verhaal, dikwijls voorbij gezien. De eerste schilderij behoort tot de zigtbare, dc andere tot de onzigtbare wereld. Tn beide staan lazarus en een ongenoemde in scherpe tegenstelling tegenover elkander; maar — hoe geheel anders in gene als in deze wereld!
De eene tegenstelling is kort, maar zegt veel in weinig woorden. Eerst is het: Er was nu cm zeker mensch, vjk , cn hij bekleedde zich met purper en bj/ssus, vrolijk levende eiken day op
II
de rijke man en de arme l.azahus.
prachtiye wijze. Zóó is lt;le letterlijke vertaling. Dat het purper eenc vorstelijke kleeding, 1) en liet onderkleed, van het fijnste Egyptische byssus-garen geweven, een der kostbaarste voorwerpen van weelde was, is algemeen bekend. Zóó gekleed tc zijn , in de fijnste onderklee-ding en niet den purperen mantel omgeworpen, drukt geen huiselijk leven uit, en even min nuttigen arbeid. De kleeding komt dus over een met de beschrijving van de levenswijs. Eiken dag is er feest in de rijke woning; 2) en dc poort van dat prachtige buis wordt door honden en bedelaars belegerd , die alleen in den afval reeds hun levensonderhoud vinden.
En nu de misdaad van dezen rijke, waarom wij hem later op zoo treurige plaats terug vinden? — Zeer juist heeft reeds U'Timi opgemerkt 3), dat noch in deze noch in de volgende beschrijving ons een eigenlijke misdadiger wordt voorgesteld. Noch moord, noch overspel of wat ook, wordt den rijke ten laste gelegd. — Is het dan misschien, dat hij den arme verdrukt, de smeeking van den bedelaar niet hoort, hem niets gunt en geeft van zij nen overvloed? — Dit denkbeeld dringt zich zoo natuurlijk als tussehen de regels van het verhaal in, dat wanneer ik één mijner leerlingen de Gelijkenis laat verhalen, hij als onwillekeurig twee verzen verder de woorden invoegt, die ook enkele afschrijvers en vertalers uit de Gelijkenis van den Verloren' Zoon hier overgebragt hebben : //Lazarus begeerde de kruimkens, cn niemand gaf ze hem. De rijke ging onmeêdoogend den arme voorbij; en schonk hem niet eens de kleinigheid, waarom deze smeekte en die hij zoo gemakkelijk missen kon!quot; 1) Maar wij zullen straks zien, dat dit in dc Gelijkenis gebragt, en niet er aan ontleend is.— Is dan welligt de zonde van den rijke ongehoorzaamheid aan Gods geboden, een leven, gelijk rat'mjs het noemt: zonder God in de wereld ? En — daar wij naar het vervolg hier een'zoon van abraham, een' Israëliet voor ons hebben , — misschien ook verzuim van zijnegodsdienst-pligten ? Ook dit lezen wij in het verhaal niet. De tweede helft der Gelijkenis, waarin de rijke van zijne vijf broeders spreekt, doet ons zelfs denken, dat hij gewoon was, bij zijn leven
1) Zoo wordt van Jonathan , 1 Mukk. X ; G2, gezegd; ÈvèSvauv uviöv nogqiÏQctv, als ecne bijzondere eer, hem door den koning bewezen. Ook bij de Ilcidcnsclie schrijvers zijn «purper en Mehte klcedereu (vergl. Matlh. XI: 8)quot; bet kenmerk van den wceldcrigen rijkdom, (puicakvs.) Met veel geleerdheid heeft tee lm an tegen guotius bewezen, dat hier aan eigenlijk purper moet worden gedacht, ofschoon het niet uit tc maken is, of de rijke Babylonisch, of wel Tyriseh of Griekseh purper gedragen heeft ! Ook over het Egyptische byssus-linnen, doorgaans of altijd hagelwit, en even lijn als sterk, kau men bij hem een' schat van aanhalingen vinden. — Spreuken XXX ; 22 behoort het tot dc beschrijving van cene deugdelijke huisvrouw, die door hare vlijt haar huis verrijkt: Ilure klecding is fijn linnen en purper.
2) Dc bedoeling van svrpgaivófisvo; xrt 'f ij/uepay )■quot;'lt;nnoj; komt nagenoeg over een met die van .!( woorden, 2 I'elr. JI; 13, i]dotnjv yyoifisvoi xijv tv yuei/u i(iv(fgt;ijv. Daar is dit één der vele trekken van het nmieljk en dus Herijk leven, waardoor, naar de overeenstemmende plaats bij judas (vs. 10—12), zulke mensehen, als beide beschrijven, difóftu); éavioi's -rroiuixtrovinv. — Het woord BXKfQalvsaamp;ut, wordt ook Luk. XV ; 23 en 24, bij de tehuiskomst van den Ferloreu' 'Zoon, xm feest vieren gebruikt,
3) Den reieh'n Mann mussen wir nicht ansehen nach srinem ausserlichoi Wandel; das Evanffelium sekilt ihn nicht, dasz cr E/iebrnch, Hauh, Mord, Frecel oder irgend Elv:as begangen kahe, das die IFe.lt oder Vernunfl tudeln mógtc, — De gevolgtrekking evenwel, dat hij i\m gar cinen feinen heiligen Wandel ausscrlich geführt mv.sz hulien, is minder juist. Beter onze jiugo de groot : Kon accusatur hie dives rapinae, nee qnod inutili aura ineuhuret, sed quod delicüs aflheret, cum alios consumeret egeslas.
4) «Als of hij zich,quot; zegt jiagenbach te regt: //met een stuk gebraad van zijne tafel van de helsche stratfeu had kunnen los koopen!quot;
dfc liuke man 1cn de arme lazarus.
mo zes en de Profeten in de synagoge te hooren. Het eenige, wat ons hier in korte trekken beschreven wordt, is een leven van rijkdom niet alleen, maar van weelde; het leven van den wereldling, egoïst in al zijne begeerten en genietingen, die op de ellende niet let en aan den dood niet denkt, omdat zelfs die gedachte zijne levensvreugde zou kunnen verstoren. — En waarom zegt jezus niet meer, niets ongunstigers van den man; niets, dat ons grooteren afkeer van hem kan inboezemen en later ons met zijn oordeel verzoenen? — Omdat dit de kracht der schilderij verzwakken zou, en de scherpte verstompen der tegenstelling, waarom het hier alleen te doen is. Al wat daartoe niet behoort, wordt voor het oogenblik weg gelaten. Hoe korter de tegenoverstelling cn hoe scherper de trekken zijn, des te sterker is de uitwerking. Voorkomen en klecding, woning en leefwijze worden geschetst. Voor het oogenblik wordt er van den man zelf niets meer gezegd.
En nu, tegenover dit beeld van wat de wereld genotrijks en prachtigs oplevert, de tegenstelling. Zoo als het eerste beeld een zeker rijke was, zoo is het nu; een zekere arme. Onze vertaling heeft ledelaar; en dit is ook de letterlijke beteekenis van het woord. Want de Grieksche taal heeft tweewoorden voorden arme; waarvan het een meer den minderen stand in het algemeen, het andere, dat hier voorkomt, volslagen ellende en hulpbehoevendheid uitdrukt. In het dialekt van het Nieuwe Testament is echter dit onderscheid niet iu het oog gehouden 1). Die zwervende troepen armen, die van aalmoezen leven, waren ook onder Israël niet zoo gewoon, als vanouds bij ons, en ook wel in de weelderige hoofdsteden der oude Ileidensche volken. Wij vinden althans in het Nieuwe Verbond alleen blinden en gebrekkigen aan de tempeldeur, of melaatschen bij den weg, die eene gift van den voorbijganger afsmeeken. Do bedelaars als een stand of klasse iu de maatschappij, zijn helaas! meer van den nieuweren tijd; eenigzins eene wanschapen vrucht van de christelijke weldadigheid , waarbij het bedelen, zoo wel als het uitreiken van aalmoezen, zelfs door de kerk werd geheiligd, en het een zoo wel als het ander als een verdienstelijk werk beschouwd; tot eindelijk in onze eeuw de steeds toenemende bedelarij den waren mensehen-vriend de oogen heeft doen open gaan, en men heeft leeren inzien, dat de armoede moet worden te hulp gekomen en gelenigd, maar de bedelarij met kracht bestreden eu zco mogelijk uitgeroeid.
24
Wij hebben hier dus geen' bedelaar van beroep ons voor te stellen, maar eenvoudig een' dood arme , hulpbehoevende. En zijn naam wordt genoemd : lazarus. Dat is iets geheel bijzonders, eu er is geen tweede voorbeeld van in al de Gelijkenissen van den Zaligmaker. Wat al gevolgen daaruit afgeleid zijn, daaiover later. Nu alleen nog iets over den naam zelf. Het is zoo goed als zeker, naar het Hebreeuwsche taaleigen, dat lazarus eene verkorting is voor eleazaii of eliëzeu , dat letterlijk beteekent God hulp [Golthelf] of Mjn Jmlp is God. Do vertaling van anderen: zonder hulp, dus //van
de uijke man en de arme lazarus.
allen verlaten en diep ellendig,quot; komt mij althans hoogst onwaarschijnlijk voor. 1) In de eerste beteekeuis heeft ook de naam een' veel dieperen en rijkeren zin. Met een' enkelen trek schetst hij niet alleen de diepste ellende, maar ook de innigste godsvrucht, die bij den arme niet, als bij den rijke de wereldsgezindheid , door zijne leefwijze kon worden uitgedrukt. Niemand toch is vrijwillig zoo diep ellendigj maar in die diepe ellende God tot zijne hulp te hebben, dat is de vrije keus des harten, gelijk het van een' echten zoon van abraham te verwachten was. Een enkele maal schijnt zich dus hier de Heer te bedienen van het middel, dat onze zedeschrijvers van een vroeger tijdperk doorgaans in hunne verhalen aanwendden, wanneer zij goedman , edelhaut enz., als voorbeelden reeds aan hunnen naam kenbaar, ten tooneele voerden. Moge dit ook in dc gelijkenissen en verhalen van jezus zonder een tweede voorbeeld zijn; dat hij toch van betee-kenisvolle namen gebruik wist te maken, zien wij in de bijnamen, die hij aan zijne discipelen gaf: petrus, den llotsman, en boanerges, de Zonen des donders.
De arme dan , die God alleen tot hulp en toevlugt heeft, lag daar, of, zoo als er eigenlijk staat, was neer geworpen aan dc poort van den rijke. Hij zelf kon niet eens de plaats bereiken, die voor hem een bron was van overvloed. De een of ander, een medelijdende nabuur of ook wel huisgenoot of bloedverwant, die zich van hem wilde ontslaan, had hem daar achteloos neder gelegd. 2) Het was aan de voorpoort, die door een portaal naar de binnenplaats van het huis des rijken voerde, zoodat de bewoner wel digt langs hem heen gaan moest, telkens wanneer hij uitging. En al staat er van dit uitgaan, het zien en ontmoeten , niets in het eerste verhaal, het blijkt uit de tweede schilderij, dat de rijke den arme kent , hem en zijnen naam.
Lazarus lag daar vul zweren. Men heeft hier niet aan een' mclaatsche te denken, schoon later de arme lazarus hun patroon en heilige geworden is. 3) Want daar tegen pleit, behalve de uitdrukking zelve, t) de bijzonderheid, dat de melaatschcn in Israël geheel af-
25
DE RIJKE MAN EN DE Al:.Ml' LAZARUS.
gezorulerd cn buiten de maatschnppij leefden, en dus van zoo nabij de woning van een' rijke niet zullen genaderd zijn. Ook was het voeden der melaatschen buiteu de poort, niet der woning maar der stad, een zekere godsdienstpligt, die niet ligt verzuimd werd, en leefden deze ongelukkigen, gelijk wij ze elders bij jezus' omwandeling ontmoeten, in zekere maatschappij en reeds van verre kenbaar, bij een.
La/.aiu's lag daar, met zweren bedekt, en legeerde verzadigd te worden van de kruim-kem, die er vielen]) tan de tafel des rijken. Gelijk ik straks reeds zeide: beproef het nu eens, dit te laten verbalen door kinderen of leerlingen, en het is tien tegen één, dat zij er met sommige handschriften en de Latijnsche vertaling bij zullen voegen: //en niemand gaf ze hem.quot; En toch, zoo goed als dit te pas komt in bet lGllc vers van het voorgaande Hoofdstuk, waar de verloren zoon in zijne ellende naar den zwijnendraf hongert, zoo zeer zou het hier tegen het oogmerk van het verhaal strijden. De overgeschoten brokken van den dagelijkschen maaltijd der weelde, zij werden niet gevraagd noch gegeven. Wie van mijnen of nog ouderen leeftijd is, herinnert zich nog, dat in vorige dagen, toen de eerste levensmiddelen veel goedkooper waren, en het den arme dikwijls de moeite niet waard was, ze aan de deur te vragen, ook bij ons het overschot van den maaltijd na het eten werd weg geworpen, en wel zóó, — uit een zeker natuurlijk overleg, of medelijden zoo men wil, — dat ten minste eenig levend wezen er nut van hebben kon. Als kind stond ik dik-wijls voorde glazen en tuurde op de boomen aan den Maaskant, om te zien, hoe kraaijen, mosschen en honden elkander die brokken en kruimels betwistten; en ik zag ook wel een' enkele arme (of neer geluk te, zoo als hier letterlijk het woord beteekent,) met de hongerige dieren het weg geworpen voedsel deden. Maar barmhartigheid omtrent den arme was het toch niet, al werd er un en clan genoeg neêr geworpen, om hem te verzadigen. Geen enkele bete werd er om uit den mond gespaard; niets, dat in huis nog nuttig was, aan den boomstam neder gelegd; zoo min als de kinderen, in het zinnebeeld der Kananésche, de brokken met opzet van de tafel laten vallen, om daarmeê honden te spijzen.
Bij het beeld, dat wij daar aanhaalden, hebben wij reeds gesproken over de verschillende wijze, waarop de honden voorkomen over de grenzen en binnen de grenzen van liet Joodsche land: naar de voorstelling der Kananésche vrouw, en dus bij de Heidenen: onder de tafel, in huis; cn bij de Israëlieten: buiten de poort of huisdeur. 2) Dit laatste behoort zoo geheel bij de oostersche beeldspraak in deze Gelijkenis. Ook bij ons zien wij nog sommige dieren als op de openbare weldadigheid of de verkwisting der weelde leven. Gansehe scharen van mosschen zijn overal dc medgezellen van den mensch,
1) Van tie kruimkem (tcov yixiwv) wordt door cenigo oude Handschriften, door de oudste vertalingen i;u Kerkvaders weg gelaten, zoo dat dan dc vertaling is ; van hel geen er af viel. Men meent, dat bet woord door de herinnering van Mnlth. XV ; 27 (het gezegde der Kananésche vrouw) hier is ingeslopen. Mij bevalt evenwel, als ik bet oorspronkelijke lees, de weglating niet. Door de gelijkvormigheid der letters met bet volgende iojv mnxóvtviv kan het ook gemakkelijk zijn uitgevallen.
2) Men vergelijke het Eerste Deel, Bladz. 195—198. — Tot de schilderij van bet hemelseh Jeru-zalem, waar niets inkomt, dal onrein is, behoort ook {Opcni. XXII :15): De honden luiten! quot;E^co öi oi xives. Natuurlijk in den zelfden overdragtelijken zin, waarin paulus zegt; Ziet op dc honden! (Filipp. 111: 3.)
20
de rijke man en de arme lazarus. 27
/
in de gematigde luchtstreek. Hier en daar is het ook nog ecu hond zonder meester, of die in de arme woning niet genoeg vindt tot zijn onderhoud. Maar wat bij ons uitzondering is, dat is in de Oostersche steden regel. Reeds in Konstandnopel, en verder op in alle groote plaatsen ziet men geheele zwermen van honden, als onreine dieren in de woning van den Oosterling niet toegelaten, op de straat zwerven: verwaarloosd, hongerig, gulzig en onkieseh, nog meer dan bij ons. Zelfs het doode aas is hun niet onrein; ja! in grooten honger schijnt de wolycn-aard in hen te ontwaken, waardoor zij ook den levenden, maar zwakken en weerloozen gevaarlijk worden. Met dat al zijn zij toch ook weder, even als de gieren, eene weldadige verschijning in de natuur van zoo heete landstreken, waar ligtelijk al wat dood is en onbegraven, verpestende ziekten verwekken kan. Dat dit reeds onder de Israëlieten van den ouden dag even eens was als in het hedendaagsche Oosten, leert ons de geschiedenis van achab, wiens bloed door de gulzige honden, bij het uitwas-sclien van zijn' krijgswagen, werd opgelekt, ja zelfs het lijk van zijne booze weduwe, op den schedel, de voeten en de handpalmen na, geheel verscheurd.
Stellen wij ons zulk een tooneel op de Oostersche straten levendig voor oogeu, dan zullen wij beter de tegenstelling vatten, die er ligt in het gezegde van den Heer: Lazarus hegeerde verzadigd te worden van den afvul, maar ook de honden komende, lilden (eigenlijk bel ik ten) zijne zweren. Er is veel, zeer veel om en bijgehaald, om de vraag te beantwoorden , of deze honden hier als vijanden voorkomen, of als vrienden; of het lekken van zijne zweren voor lazarus eene verzachting was, of eene verzwaring van zijn lijden. De een vond er een beeld van magteloosheid in, dat lazarus zelfs te zwak was, om dc booze Londen , die hem reeds gretig als een' half gestorvene aantastten , van zich af te weren ; — de ander eene treffende tegenstelling van de meelijdende dieren en den meêdoogcnloozen mensch: een' rijke, die den bedelaar naauwelijks de kruimels van zijne tafel gunt, en honden, die doen, wat zij kunnen, om het lijden van den ellendige te verzachten; gelijk het van alge-meene bekendheid is, dat die dieren gewoon zijn elkander te doen, en aan het lekken van den hond zelfs eene zekere genezende, althans zuiverende kracht wordt toegeschreven.— liet komt mij voor, dat bet denkbeeld van eene verzachting van lazarus'lijden, geheel vreemd is aan het doel van den lieer. De tegenstelling van mensch en dier valt ook weg, zoo dra het denkbeeld van eigenlijke onmeêdoogendheid, van het weigeren der overgeschoten brokken, in de Gelijkenis niet wordt ingeschoven. Het is ook nog de vraag, of de honden door het lekken eener wonde eens anders lijden willen verzachten, of zich zelf een zeker genot zoeken te verschaffen. Maar mij dunkt, al verergerde dit dc pijnen van lazarus niet, het kon in het oog van den Israëliet niets anders wezen dan eene grievende vernedering. Aan een' eigenlijken aanval der honden kan ik niet denken. Het lekken zijner wonden was veel eer een blijk van groote gemeenzaamheid , die de rijke, ook bij de hevigste smarten cn mogelijke verzachting, niet ligt zou hebben toegelaten. Van ouds, gelijk wij reeds vroeg: r opmerkten, zijn honden en zwijnen bij den Israëliet niet alleen onreine dieren, gelijk ook kemelen en ezels dit zijn, maar dc sterkst sprekende beelden van al wat onrein is, de onreinheid als 't ware in eigen persoon. Ook de Zaligmaker stelt beide diersoorten in dit opzigt gelijk, als hij zegt; n Werpt uwe paarlen niet
DE 1UJKE MAN EN' DE ARME LAZARUS.
voor de zwijnen, en geeft het heilige den honden nietquot; (Zie verder D. T, Blz, 195.) En het is opmerkelijk, dat de uiterste diepte der vernedering, in dit en het voorgaande Hoofdstuk van lükas, juist door deze heide onreinste der onreine dieren wordt uitgedrukt: de verloren zoon bij de zwijnen, iazauus te midden der honden.
De arme man wordt dan door zijne ziekelijkheid belet, zelfs het brood bij den weg te vragen; zijne zweren maken hem te onrein in het oog zijner regtgeloovige landgenooten, om met den blindgeborene aan de tempelpoort, waarvan men de honden wel zal geweerd hebben , zijne plaats te kiezen. Hij ligt daar als neergeworpen, en in den laagst moge-lijken kring der levenden ingewijd. De eenige wenseh, — gelijk ieder levend wezen zelfs liet ellendigst bestaan nog wenseht te rekken, — de eenige wenseh, dien hij nog voedt en ook redelijkerwijs nog voeden kan op aarde, is: dat als de feestzaal van den rijke eindelijk wordt ontruimd, ten minste eeue enkele maal op den dag zijn honger worde verzadigd, om dan op den harden grond in te slapen, zoo hij nog rusten kan. Dit begeert hij, maar — oolc de honden komen. Mij dunkt, hierin ligt duidelijk opgesloten: //maar ook dezen buit geniet hij niet alleen; de honden komen dien met hem deelen •quot; zij nemen het eerste en beste weg, vlugger en sterker dan hij, en de trotsehe knecht van den trotsehen rijke, die dat overschot daar buiten de poort werpt, ziet er niet naar, of het binnen het bereik ligt van eene mensehenhand; of misschien niet reeds, eer de arme er die hand naar uitgestrekt heeft, de schrokkige dieren alles hebben verslonden. Ja! de honden zijn het reeds gewoon, hem die brokken te betwisten, of wanneer zij overvloed hebben, ze met hem te deelen, Zij behandelen hem, gelijk zij het elkander zouden doen, wanneer daar een afgeleefd of krank dier, met zweren overdekt, nog zijn laatste voedsel zocht. En de slotsom van het tafereel , met zoo weinige, maar sterk sprekende trekken geschetst, is: — wat voor den Oosterling oneindig meer beteekent, dan voor ons! — een hondenleven; en dat niet eens van een' gezonden, krachtvollen hond, waarvan een hunner oude wijzen zeide, dat een levende hovd, een hond in zijne levenskracht, toch altijd nog heler was dan een doode leeuw. (Vrcd. IX : 4.)
28
'Nu geleurde het, 1) dat de arme stierf; — en, kort of lang daarna, de rijke stierf ook en werd hegraven. — Waarom de arme het eerst? Men heeft gezegd: //om den rijke gelegenheid te geven tot bekeering;quot; en misschien zou dit juist zijn, als het verhaal eene ge-
.1) Ook de uitdrukking lyévsto dè heeft uitleggers, wier al te weelderig vernuft in ieder woord een' diepen zin zoekt, tot velerlei uitweiding verleid. Jammer, dat al die diepzinnige opmerkingen schipbreuk lijden op de eenvoudige bijzonderheid, dat het W der Hebreen, in 't Griekseh xal iysvsro of ook iyiveto Jè, in lükas' Evangelie meer malen voorkomt , dan in geheel het overige Nieuwe Testament te zamen. Alleen zou de vraag kunnen zijn, of er tussehen deze twee uitdrukkingen: /1« het yeLeurde of H't gebeurde nn, cenig onderscheid is. Mij dunkt, voor zoo ver dit onderscheid door onzen schrijver is in 't oog gehouden, geeft èysveio dè een' naauweren zamenhang met het vorige te kennen, terwijl met xal sytvsro onder anderen de grootere pericopen beginnen. Dit is, bij de ontleding van lukas' Evangelie, waaraan wij hier niet kunnen beginnen, nog te weinig opgemerkt. Dr. js. van willes heeft van dit kenmerk met veel scherpzinnigheid gebruik gemaakt in zijne Overeenstemming der Evan-ff plinten, Bladz. 33 verv. der uitgave, die ik uit zijne nalatenschap, voor zoo ver zij was afgewerkt, heb uitgegeven , met het oogmerk om haar verder te voltooijen. {Sc/ioo»/iovegt;i, 1846.)
he lujke man en de arme laza-uus.
schiedenis was. In een verdicht verhaal geloof ik, dat het veel eer tot de schets der men-schelijkc ellende behoort, liet leven is zwaarder voor den hongerlijdende, den kranke, den ellendige. Onder de honden daar buiten, rekt lazuu's zijne dagen langzamer en met meer moeite, dan de rijke ze doorleeft daar binnen. Nog ruischt daar in de feestzaal zang en dans en fonkelt de wijn in de bokaal, en— lazaiujs is niet meer! — Geen klaaglied is er over hem aangeheven, geene begrafenis staat er vermeld. 1) Wanneer hij al niet onbegraven op het veld liggen bleef, aan de honden gelijk ook na zijnen dood , dan heeft men zijn lijk toch alleen opgeruimd, en, opdat het den levenden niet tot hinder of godsdienstige ergernis wezen zou, aan de moederlijke aarde terug gegeven. De laatste eer, waarop wij reeds vroeger zagen, dat de Israëliet niet minder dan ons volk gesteld was, is hem niet bewezen. —Maalais nu ook, korter of langer daarna, de rijke sterft, hij wordt begraven. Met pleg-tigheid wordt zijn lijk gebalsemd, en gewikkeld in het zelfde fijne lijnwaad, dat hij droeg bij zijn leven. Treurliederen worden gezongen, fluitspelers en klaagvrouwen gehuurd. De lange stoet zet zich in beweging naar de grafspelonk. Een vijftal broeders volgen hein en dragen rouw over den doode. Is het niet alles opregte rouw en droefenis , het is ten minste, wat aan zijnen stand toekomt; en niet voor daaraan geheel is voldaan, hervatten de broeders spoedig vveêr het eigen leven, waarbij de herinnering der dooden al ras vergeten wordt.
Zie daar de tegenstelling van mensch en mensch; en de zelfde tegenstelling behoort nog tot de ontroerendste beelden eener beschaafde maatschappij. Zóó was liet niet, tom gansch Israël leefde onder zijnen wijnstok en vijgeboom, en elk den vaderlijken akker bebouwde; zoo nog veel minder, toen de herdervorsten vaderlijk hun brood deelden met de minsten hunner lijfeigenen. Maar de rijkdom der staten kweekt armoede onder de burgers; de tweeling-zuster der weelde is ellende. Overzien wij slechts de landen van Europa: waar de meeste schatten zijn opgehoopt, daar is ook de diepste armoede te vinden. Zij, die met ons, door hunne betrekking in de maatschappij, met alle standen in aanraking komen, kunnen daarover het best oordeelen! Slechfs enkele schreden van het vorstelijk pnleis leven er nog velen, die wel zouden begeeren verzadigd te worden van het geen in vollen overvloed aan dc honden der rijken wordt voorgeworpen. Daarom, wanneer ik uit dit oogpunt de Gelijkenis bezie, komt zij mij nergens zoo goed te huis voor als in het weelderige Jeruzalem, waar zeker de tegenstelling van rijkdom en armoede veel grooter was dan in Galilea.
Wij zouden nu tot het tegenbeeld van dit tafereel moeten overgaan. Maar ik kan mij niet weerhouden, om hier, bij den afloop van het eerste tooneel, eenige woorden in te voegen van den edelen en weisprekenden chrysostomus , in eene zijner leerredenen over de/e Gelijkenis,
//De dood heeft alles veranderd. Nu eerst ziet men, wie in waarheid de rijke, wie de arme is. Want zoo als op het tooneel eenigen dc rol van koning, veldheer, wijze, redenaar en dergelijken spelen, zonder dat zij zelve iets dergelijks zijn, zoo kan men ook in liet tegenwoordige leven rijkdom en armoede slechts een rol en masker noemen. Wanneer gij
1) Over de begrafenisplcgtigheden bij de Joden vau jezus' tijd eu hunne gezetheid op die laatste eer, is reeds gesproken in het Eerste Deel, Bladz, 185,
II. 5
go 1)K UIJKF, MW EN DE ARMK LAZAUUS.
in het theater zit cu een' tooncelspeler in dc rol van eenen koning ziet, dan prijst gij hem daarom niet gelukkig; gij gelooft niet, dat hij werkelijk een koning is, eu voedt ook den wensch niet, hem gelijk te worden: want gij weet, dat hij niets meer is dan een zeer gewoon mensch. Van wege zijne rol en zijne kleeding noemt gij hem niet gelukbg, eu gij (rekt daaruit geen besluit op zijnen stand in de wereld; maar gij schat hem naar het geen hij anders eu in waarheid is. Zoo ook, wanneer gij in de wereld, als op het schouwtooneel, velen in de rol van een' rijke ziet optreden, geloof toch niet, dat zij waarlijk rijk zijn: want wanneer gij hun het masker afrukt, en het geweten onderzoekt, en de ziele beproeft, zoo zoudt gij ligt groote armcede aan deugd vinden, en juist den vermeenden rijke als den geringsten cn armsten van allen ontmaskeren. Even als op het tooneel des nachts, wanneer dc aan schouwers zich verwijderd hebben, alle tooueelapelers het valsche omhulsel afwerpen, en dc schijnbare koningen veldheer weder zijne ware gedaante aanneemt; even zoo is het ook, wanneer dc dood daar tusschen komt, het tooneel des levens ten einde is, cn allen het masker van rijkdom cn armoede afleggen.quot;
liet gordijn is dan gevallen. Van hot leven ziet het menschelijk oog niets meer; maar hier in quot;liet zinnebeeld wordt, wat nooit in de werkelijke wereld geschiedt, nog eens dit gordijn opgeheven, om ons ccne andere tegenstelling te toonen, nog grooter cn ontzettender
cu geheel in tegenspraak met dc vorige.
Lazarus slurf en werd van de engelen gedragen in abrahams school. Van den rijke staat niet, dat hij ergens werd heen gevoerd, maar alleen dat hij, na zijne begrafenis, de oogen opsloeg, zijnde in de hel, - of liever in den Hades, dc doodenwercld. - Een der nieuwste uitleggers merkt hierbij op, dat dudro.n de verdichte lazarus niet begraven wordt, omdat hij zelf en niet enkel zijne ziel door de engelen wordt weg gedragen. Dit heeft wol eenigen schijn, even als het inslapen en ontwaken van den rijke in de donkere diepte; het is ook zeer wel mogelijk, dat voor het aanschouwelijke der voorstelling deze beidebeel-den zóó gekozen zijn: maar al te letterlijk opgevat, zijn ze niet met het volgende over een te brengen. Want wanneer wij, - gelijk wij later zien zullen, dat hier moet gedaan worden, -geheel en al de Joodsche voorstelling volgen, dan zou lazarus, ware hij even als elu ligc hamel ij k opgenomen, in den hemel gebragt zijn en niet in dc doodenwercld, waar wij hem straks terug vinden. Zonder dat er dus eene altijd even heldere eu zich zelf gelijk blijvende [consequente] voorstelling hierbij wordt gevolgd, zoo is het toch even zeer cn alleen de ziel des afgestorvenen nrmen, die hier in eene andere wereld overgaat, gelijk daarentegen ook de rijke in het schimmenrijk ons lichamelijk (of als met de schaduw van een ligchaam) geschilderd wordt. Het dragen der engelen is, reeds naar de oude Hebrecuwsche voorstelling, een dienen, een hoeden en begeleiden, waarbij wij aan geen ligchamelijk opvoeren naar den hemel deuken moeten. 1)
11 Zoo in dc Psalmverzen. die dc verzoeker in dc woestijn aanhaalt: Hij zal zijne nujdni tan u bevelen, dal dj u bewaren in al uwe wegen. Zij zullen u or de HANDEN dbagbs . opdat gij uwen voet aan geenen .teen Sloof. /'«. XCI: 11 , 12 en Vallh. IV : fi.
dk iujke man en de arme lazauus.
Het gcheele beeld belioort in eeiie wereldbeschouwing te buis, die de onze niet meer is, en dus daarom ligt tot eene verkeerde voorstelling kan aanleiding geven. Gebeel de oud-beid, inzonderbeid die, waarvan Egyple wieg en bakermat was, (want de Indische wereld-bescbouwing is weder eene andere:) verdeelt bet heelal in be in el, aarde en onderwereld. De aarde beschouwt zij als eene groote, ronde vlakte, door den oceaan omspoeld, overdekt door het drie of zevenvoudig gewelf des hemels, en rustende, als op pilaren, in eene onpeilbare diepte. In dien donkeren grondslag nu der bewoonde wereld, was de onderwereld, bet gebied des doods. Van zelf kwam men tot deze voorstelling, als het lijk ten grave zonk, en bet bijgeloof zich de schimmen der afgestorvenen, als daaruit soms nog verrijzende in den donkeren nacht, verbeeldde. Dit doodenrijk, de Scbcool der Hebreen, de II a des (eigenlijk //onzigtbare wereldquot;) der Grieken, was een donker scba-duwland, waar geen arlcid noch geene verzinning meer is (Vred. IX : 10); dc schaduw vaneen leven, alleen nog door de herinnering van bet vroegere bezield. De latere, Farizee-sche hope der opstanding, blijft vooreerst nog van deze rust der dooden uitgesloten. (T?s. LXXXVIII ; 11—13.) Toch is die wereld der dooden niet gebeel zonder smart denkbaar, en even min zonder vreugde. Met do berinnering blijft ook de vergelding over. De dood beeft scheiding gemaakt tusscben de boozen en de goeden ; den Tar lams en de Elizeesche velden bij de Grieken en Eomeinen, het Paradijs en de Gehenna der .Rabbi jnen. Deze afscheiding in het schimmenrijk vinden wij evenwel nog niet in de boeken des Ouden quot;Verbonds, daar de zuivere Mozaïsche voorstelling loon en straf hier op aarde plaatste. Maar de ondervinding had geleerd, dat dit niet altoos doorging. In het Boeh der Wijsheid komt voor bet eerst duidelijk die tegenstelling van boozen en goeden in eene andere wereld voor. En in den Talmud vinden wij, — waarschijnlijk in navolging van de Grieksche beelden der onderwereld, — geheel het zelfde denkbeeld van den toestand der afgestorvene zielen, dat wij hier aantreffen; zelfs het rusten in abrahams schoot, en even zeer de scheiding tusscben paradijs en hel, door sommige Eabbijnen als een muur, door anderen als een eenvoudige grens, waar men over heen kan zien, afgebeeld.
Hieruit beoordeele men nu, wat vrij algemeen wordt gezegd : '/dat abrahams school in het evangelie een der zinnebeelden wezen zou van de eeuwige zaligheid.quot; 1) — Eeeds de beroemde Jezuïet maldonatus betwijfelde dit, en sielde, maar schoorvoetend en slechts als zijn eigen gevoelen, de opvatting voor van //eene boogere eer ouder de gezaligden.quot; Ook de plaats, uit een' Eabbijnschen schrijver bierbij aangehaald, schijnt daarvoor te pleiten 2); — en naar de Oosterscbe zeden komt het mij ontwijfelbaar voor. — Al is de voorstelling niet geheel en al de zelfde, zij is toch verwant aan die van bet groote feestmaal in 't Messiasrijk, waarvan de Heer zegt, dat er velen zullen komen van Oosten en Westen, en met AiiKAiiAM,
1) Eutiivmuis zegt (in navolging van ciirysostomus), dat lazarus juist iu abkaiïams schoot gedragen werd, als van den gastvrijen aartsvader, het tegenbeeld van deu rijke in de Gelijkenis. Maar elders (op Malih. VJII) noemt hij het „aanliggen in abrahams schootquot; een bij dc Joden aangenomen beeld van het hemelrijk.
2) Zij is te vinden in het bekende werk van ligutfoot, en door velen nageschreven; maar de duisterheid der woorden maakt mij huiverig, om er veel uit af te leiden,
31
5*
DE IMJKU MAN KN DE AUMli I.AZAltUS.
izak en Jakob aanzitten in het koning tijk Gods. De maaltijd is bij de Israëlieten eeu doorgaand beeld van feestelijke vreugde; maar uiet ieder, die er ceue plaats bekomt, zit in den schoot des gastbeers aan. Van johannks wordt het, bij de beschrijving van den laatsten maaltijd, dien de Heer met zijne discipelen hield, als eenebijzonderheid aangetee-kend, dat hij aanlay in den schoot van mus , dat is: op het zelfde rustbed , zoodat hij, zich ter zijde buigende, aau den boezem des Meesters rusten en hem ook iets toefluisteren kon. 1) Even zoo stellen wij ous hier abraham als den gastheer voor, die zijne ontslapene kinderen bij zich ontvangt. LAZAitus is een der geliefdsten. Hij heeft zoo veel geleden op aarde, dat hij, om hem te vertroosten en liefderijk te koesteren , op de eereplaats naast zijn' doorluchtiger! stamvader door de engelen wordt ter ruste gelegd.
Dit is de eerste trek der tweede tegenstelling: //de hoogste eer in gindschc wereld, tegenover de diepste schande in deze.quot; Om met chkysostomus te spreken: de lampen van het tooneel zijn uitgebluscht, en de rollen zijn verwisseld. Het gastmaal, vroeger dagelijks bij den rijke aangerigt, is nu aan de andere zijde der diepe klove. Lazarus heeft er de eereplaats, de hoogste rust en zaligheid verworven, en de verarmde rijke smacht naar dat geen, wat ginds in kwistigen overvloed genoten wordt. De wonden van lazarus zijn genezen ; de lompen der armoede hem door de engelen afgenomen ; maar ook het praalgewaad van den rijke is uitgetogen in het graf, en zijne woning veranderd in eene plaats van smart ea rampzaligheid.
En hij, die van het 22ste vers af geen rijke meer genoemd wordt, slaat in den l.'adcs zijne ougeu op, zijnde in de pijne (eigenlijk //in pijnenquot;). — Want dat hij, als door de diepte van het graf, in de onderwereld is neêr gezonken, dit is nog zijn lijden niet; maar wel, dat hij is overgebragt in de afdeeling, voor de boozen bestemd. — Hij heft zijne oogen op. Is dat het beeld van een ontwaken, of van eeu opzien naar hoogere gewesten? Beide kan door het woord worden uitgedrukt. Het eerste, dunkt mij, ligt nog meer in het geheele beloop van het verhaal; ten minste een openen van het oog, gelijk dit gesloten werd op het sterfbed, moet ook bij het opslaan en opzien, als om zich in zijn' nieuwen toestand te verplaatsen, niet worden vergeten. En wat hij ziet van verre, is toch nabij genoeg, dat zijn oog het onderscheiden en zijne stem het bereiken kan; gelijk ook naar de llabbijnsehe voorstelling de duoden mei elkander spreken, en elders de Heer aanzijn volk het ontzettend oordeel voorspelt, dat zij zien zullen abraham , izak en jakob en al de profeten in het koningrijk van God, maar zich zelve buiten v.ityeii;orjjen.2)— Ook
1) Van lazarus wordt gezegd, dat liij door de eugclen gedragen werd (eigenlijk weg gedïuijrii) eis toy kóKttov, als aau do borst van abraham ; waardoor hij later gezien werd sv toli «óknois aiioC, als in de ruime plooi jen vau ziju gewaad, in den boezem, door zijn' los hangenden mantel gevormd. (Vergl. T.nk. VI : 38.) Zoo ook ligt johaNNIs, aau den laatsten maaltijd, sv tm xóinoi loü 'Itjaov , waardoor hij, uyansawv èm to aiijamp;oi t. tot zijnen Meester vertrouwelijk spreken kan. (Jo/i. Xlll ; , 25; vgl. XXI : 20.) Overdragteiijk wordt van icneetiig geboren' Zoen van God gezegd: 6 wv sis toy xóinof tov TtuiQÓg , — die is of liever die was in (of aau) dm school des Vaders.
2) Deze voorstelling, Luk. XIII : 28, die daar reden geeft van hel gcicecn rn de knersing der tanden, beantwoordt aan de straks aangehaalde profetie Mallh. VIII: 11, 12, dat velen van ooUen en weslen komen zullen, en zullen aanliggen (*cu aiaxltamp;i/aoviai) met abraham, izak en jak.ou iu het koningrijk
32
dk ki,ike man en de aume lazauvs.
dit zien behoort tot de scliilderij der diepste ellende. Vaak is het den arme op aarde de wreedste pijniging, dat hij zien moet, wat hij niet mag genieten, en versmachten van den honger, terwijl alleen poort en voorportaal hem van den rijksten overvloed •scheiden. Die ellende heeft lazarus doorgestaan, en hij stond ze door zonder te twisten met God , die zijne toevlugt en zijne hulpe bleef. Maar het lijden van den rijke is nu, inzonderheid voor de verbeelding van den Oosterling, nog zoo veel te erger, als de dorst ondragelijker is dan de honger. De smart in gindsche wereld wordt zelfs door geene honden verzacht. quot;Wat in lazarus , bij zijn leven , alleen als een onuitgesproken wensch geschilderd werd, dat wordt nu in de plaats der rampzaligheid eene bede; maar niet een gebed meer tot Hem, die alleen verbooren kan; neen! een aanroepen slechts van zijnen stamvader. Waarlijk niet aanmoedigend voor hen, die nog de heiligen aanroepen! Gelijk de eerste verbastering der zuivere aanbidding van God van ouds her het aanroepen der afgestorvenen was, zoo is de eenige aanroeping der heiligen, die in den ganschen Bijbel gevonden wordt, hier eene vruchtelooze bede uit de plaats der rampzaligheid, waar de naam van God niet meer wordt genoemd.
Ook de vraag en het antwoord zelf verdienen onze aandacht. Weinig, zoo weinig mogelijk smeekt de ongelukkige. Ahkaham zelf durft hij niet eens vragen, dat die tot hem kome. De gastheer zal wel het gastmaal niet verlaten. Veelmin, dat hij hem daar opneme, waar zijn geweten hem zegt, dat hij niet behoort. Neen! wat hij vraagt, te midden der welverdiende straf, is alleen een oogenblik verademing. 1) Daarvan kan lazakus , de eenmaal verachte en lijdende op aarde, de bode zijn, en hij zal het ook wel willen: want hij weet, wat lijden is. Zoo alleen, als eene bede om ontferming, kunnen wij dit verzoek ons denken; en het strijdt geheel met de voorstelling van den Heer, wanneer men den rijke hier nog met zekeren hoogmoed over lazarus , — die toch ook nooit zij n dienaar geweest is , — laat beschikken.
Zoo riep hij dan en zeide: n Vader abraham!quot; Dc man, die God geen' Vader durft noemen, gevoelt toch nog de betrekking op zijnen stamvader, der Joden roem en eere. Tegen dien roem had reeds johannes zoo nadrukkelijk gewaarschuwd, met de woorden : quot;God kan uit deze sternen der woestijn abraham kinderen verwekkenquot; — terwijl jezus van hen eene zedelijke verwantschap vordert; zij moesten abrahams kinderen zich toonen, door de werken van abraham te doen. [Matth, III ; 9 ; Joh. VHI ; 33—39.)
Toch beroept zich daarop de ongelukkige. Het is de eenige betrekking, waarop hij zich nog beroepen kan. En wat hij vraagt, het is nog minder dan de kruimels, die vroeger van zijne tafel vielen, nOntferm u mijner, vader abraham! en zend lazarus, dat hij slechts het uiterste van zijn' vinger in het water doope en mijn tong ver koele: want ik lijd
der he mei I n, terwijl de tdwhirn des kouingrjh worden uitgeworpen enz. Hoewel daar hot groote Mos-siasimuil, dat de Jood zich op aarde dacht, het beeld is, tegenover de uiterste duisternis buiten de rijk verlichte feestzaal, zoo is het denkbeeld geheel het zelfde als hier. (Vcrgl. Deel I, Blz. 243 eu 270.)
1) Zonderling is het, dut volgens latere Joodsehe schriften, aan abbaham dc magt zou geschonken quot;zyu, om zelfs cnkeleu van zijne kinderen uit de plaatse der rampzaligheid te verlossen, (kisknmen-oek, 11:347.)
33
DE rijke man kn DE arme lazarus.
marl in deze vlammc,.quot; - Dat wij hier geheel in tie Joodsclie voorstelling van dien tijd' ons bewegen , blijkt onder anderen uit een Eabbijnsch verhaal, lief zegt, dat zeker rijk booswicht met pracht begraven werd, maar een' armen brave wierd die eer niet bewezen. En kort daarna zag iemand in den droom, hoe de voormalige arme in een weelderigen tuin rond wandelde, terwijl de gewezen rijke lekte aan den oever van cene beek, zonder het water met zijne tong te kunnen bereiken. (Liohttout.)
Met opzet is de vraag zoo bescheiden gesteld, opdat het afwijzend antwoord te treflender zijn zou. T)e toon daarvan is niet hard, eer vaderlijk meêdoogendj de inhoud echter beslissend en afwijzend. Eerst wordt daarin de regtvaardiglieid der goddelijke beschikking op den voorgrond gesteld; daarna de onmogelijkheid aangewezen van de ontferming, die de lijdende vraagt, nadat eenmaal de dood scheiding tusschen boozen en goeden heeft oemaakt. Eerst is het dus: uKindl — want dat hij tot zijn nakroost, tot het volk van Israël behoort, loochent de aartsvader niet; uKind! bedenk, dat gij uw goed weg hebt gehad in uw leven, en lazarus even eens het kwaad-, maar nu wordt hij al zoo vertroost, terwijl ■■ marie ijdC Met opzet hebben wij niet vertaald //ontvangen hebt,quot; maar nheht weg gehad, uwe keuze en uw deel gehadzoo als de eigenaardige kracht van het oorspronkelijke is. Met een daaraan verwant woord wordt van de hypokrieten gezegd, dat, daar zj; alles (|oen om van de menschen geëerd te worden, zij hun loon weg hebben; zij hebben dus niets meer te vorderen. 1) De Eabbijnen hebben dit denkbeeld overdreven, door ook hierin de strengste vergeldingsleer te willen handhaven; meenende, dat elke deugd den booze in dit leven vergolden wordt, zoodat hij hier namaals niets meer te vorderen beeft, terwijl voor den vrome het loon in cene andere wereld bewaard blijft. Enkele oude schriftverklaarders in de christelijke kerk, 2) hebben zelfs deze Eabbijnsche opvatting in onze Gelijkenis overgebragt. Zij komt er echter in het geheel niet bij te pas. Wanneer abraham spreekt van vw goed of uwe goederen, uwe goede dingen, die de rijke heeft weg had waarvan hij alles beeft genoten, wat er hem van toekwam; dan is dit volstrekt
O '
]) Matth. vi : 5 is liet ióv fita^óv Hier dnika^t ti dyaamp;a gov. Lukas
alleen cebruikt dit laatste woord in de bcteclienis van »tc ontvangen , wat ons toekomt, ook nog H. V [. i, WTlT- lO en XXm. 41. Op deze drie plaatsen ia aan loou of strafte denken, waarom men dit denkbeeld verkeerdelijk ook bier heeft toegepast. Want dan zou men ook van lwaeus , dio oftoicos t« La ontvangen bad , moeten denken, dat zijne zweren straffen waren; even als b„ i.miiirooT het quot;oleW wordt aangehaald van een' Rabbi, ge,.el .et z.eren overdekt, wien zijne leerlingen daarvan de reden vroegen, en die aan zijne onbarmhartigheid omtrent zekeren arme zelf daarvan de schuld gaf. Even eens is omtrent de boezen de Rabbijnsebe regel: „Zoo als iu bet eeuwige even den vromen ieder Koed werk. ook het minste, vergolden wordt, zoo ontvangen do goddeloozen reeds m dit leven het loon
vnor bet allerminste goede werk.quot; (wagenseil en anderen.) , , v ,1»
o) Zoo schrijft euxhïmius zigabenvs : .Abraham , die als zijn aartsvader en als grijsaard hem ,K ud
noemt zegt niet: Gij hebt ontvangen (èW«). : weder ontvangen (anaals) Het laatste
3t gebruikt van iets, dat verschuldigd is . en hiermede te kennen gegeven, dat de rijke hoewel een wmdaar toch nog eenige deugd bezat, waarvoor hij 't hem toekomende goed ou vangen had bij zijn leven En i-azarvs, ofsehoon regtvaardig, had i och nog eenige zonde, waarvoor h.j straf droeg--zoodat yii nu stervende scheidden, dc een niets dan zonde, de ander zuivere deugd overhoudende. Hoe was, Z 1 duizend jaren vdór den vromen monnik, de zuurduem der Fanzeen op nieuw doorgedrongen, in
angstige afrekening met den hemel!
ï!0
de rijke man en de arme lazarus,
gcene vergelding voor iets goeds, maar alleen de vervulling vau zijnen levenswenscli, het deel, dat ieder levend schepsel van zijn aanzijn als 't ware toekomt: //Gij hebt uwe keuze gehad; al wat gij verlangdet, hebt gij genoten; 1) gij hebt den drinkbeker tot den laatsten droppel toe ledig gedronken. Er is voor u niets meer te genieten; de tijd van lijden is thans voor u gekomen. Elk op zijne beurt: niets is billijker.quot; —Zie daar het eenvoudige, geheel populaire denkbeeld, dat de Heer met deze woorden wil uitdrukken. En het is geen onmeêdoogendheid, wanneer abraham weigert, wat, naar deze beschikking der goddelijke regtvaardigheid, aan hem niet te geven staat. //Want boven on behalve al deze dingen,— nu nog daar gelaten het billijke of onbillijke van deze lotsbedeeling, — er bestaat hier eene volstrekte onmogelijkheid. Eene diepe klove, eigenlijk eene groo te gaping, is er gevestigd, onwrikbaar vast gesteld, zoodat bij den besten wil niemand die overschrijden kan, noch van de eene, noch van de andere zijde.quot;
Tot dus verre de eigenlijke Gelijkenis, in de schilderij van het leven der beproeving en het leven der vergelding voltooid. Hierin is het hoofdoogmerk der Parabel volkomen uitgedrukt. Wat nu volgt, is een aanhangsel, maar dat toch, gelijk wij later zien zullen, natuurlijk voort vloeit uit het denkbeeld der beslissende scheiding hier namaals; ja! dat daarvan de onmisbare verdediging en regtvaardiging is.
En hij zeide, de man, die van het oogenblik van zijn sterven af niet meer dc rijke genoemd wordt: nik hid u dan, vader l dit zal toch wel niet onmogelijk zijn, dal gij hem, lazarus, zendt lol mijns vaders huis; want ik heb vijf broeders; opdat hij hun he-tnige, zoo dat ook zij niet komen in deze plaats der pijniging,quot; — Hoe veel is er niet gebeuzeld over deze vijf broeders van den rijken man, en vooral over de gewetensvraag voor de godgeleerden: of de veroordeelden nog vatbaar zijn voor goede en edele aandoeningen, als waarvan deze woorden schijnen te getuigen. Op de vijf broeders kom ik nader terng. Over het laatste nu een enkel woord.
Niets heeft ten allen tijde meer dc juiste en natuurlijke opvatting der Schrift in den weg gestaan, dan het dogmatisch vooroordeel. Ieder bijbelwoord, hoe argeloos ook of meteen geheel ander oogmerk geschreven of gesproken, het moest passen in het keurslijf van het nu eenmaal aangenomen stelsel, te regt of ten onregte als de algemeene bijbelleer beschouwd. Zoo kon men hier het denkbeeld niet verdragen, dat de gewezen rijke in zijne pijnen nog eenig menschelijk gevoel, eenige betrekking op zijne aardsche bloedverwanten en medelijden met hunne verblindheid zou getoond hebben. Men heeft er dus, en sommige nieuweren niet :het minst, een' bijna boosaardigen uitleg aan gegeven, even als in het dagelijksche leven sommigen de gaaf hebben van in het eenvoudigste voord eene slechte bedoeling te zoeken.
35
DE niJKE MAN EN DE AliME DAZAUUS.
//Wat hij hier van zijne broeders zegt/' zoo was liet: //dat meent hij eigenlijk van zich-zeiven. Bij beklaagt zich ingewikkeld, door deze toespraak aan zijnen stamvader, over het geen hij niet regtstreeks en openlijk der goddelijke genade en langmoedigheid durft verwijten. Want het is, als of hij zeide: //Indien mij lazakus na zijn' dood verschenen ware, of wie ook uit deze wereld der vergelding mij ware toegezonden, ik zou mij zeker bekeerd hebben.quot; quot; 1) —ik zie niet ééne reden, om hier een zoo boos opzet te verdichten; en weder roep ik de kinderkens en eenvoudigen tot getuigen, die van dit systematisch denkbeeld eener volstrekte zedelijke verdorvenheid en onmogelijkheid van eenige goede gedachte in de verdoemden, niets weten; die eenvoudig de dingen nemen, zoo als zij hun het natuurlijkst voorkomen, en zich een ander handelend of sprekend voorstellen, zoo als zij zelve zich verbeelden, dat zij in zulk een geval denken en spreken zouden. Nog nooit werd mij, in meer dan dertig jaren, door één hunner, terwijl zij met belangstelling naar deze vertelling luisterden, gevraagd, hoe de rijke man in de pijnen nog medelijden gevoelen kon. Zij vonden het integendeel hoogst natuurlijk. Ieder mensch toch heeft zijn' naasten kring, waarop hij betrekking gevoelt. Dat is geene deugd, maar onze natuur, uZelfs gij, die hoos zijl,quot; zeide de Zaligmaker: mveet, uwen kinderen goede gaven te geven.quot; En elders; // Wanneer gij lief heht, die u lief hellen, zijl gij nog maar den tollenaar en zondaar gelijk.quot; Als dus de veroordeelde daar ginds, in wiens plaats onze verbeelding ons stelt, geheel zijn vroeger leven terug denkt, hoe natuurlijk is het, dat ook zij, die hij op aarde achterliet, waarmede hij dagelijks plagt om te gaan en in te stemmen, hem voor den geest treden; en dat hij zijnen broeders zijn tegenwoordig lot niet gunt, omdat het zijne broeders zijn. Of dit gevoel nu in eene andere wereld al of niet even eens spreken zal, komt hier niet in aanmerking. Van die natuurlijke inspraak in het hart zijner hoorders, heeft de Heiland gebruik willen maken, om aan te toonen, dat den rijken man geen onregt is gedaan. Maar de veroordeelde in de Parabel zelf bedoelt die verontschuldiging niet. Tot de zwaarte van zijn lijden behoort juist, dat hij geene verontschuldiging heeft. De -iDorm, die niet aierjt, knaagt hem. Zijn geweten zegt luide: //God is regtvaardig.quot; Maar hij wil dit ontzettend lijden anderen besparen. En toch, ware dit op die wijze billijk en mogelijk geweest , dan zou er uit volgen, dat ook hij zelf gespaard had kunnen worden. Dit moest zoo niet zijn. En daarom zeide ik reeds vroeger, dat dit slot, door sommigen ten onregte als een los aanhangsel beschouwd, tot het geheel der Gelijkenis onmisbaar behoort. Want het zegt ons, dat tegen zin en lust en levenskeuze, niemand als met geweld zalig kan worden gemaakt; dat dus, met één woord, de rampzaligheid hier niet enkel als het tegenbeeld van den rijkdom, maar als het natuurlijk gevolg en het regtvaardig loon der wereldsgezindheid voorkomt.
1) Zoo, maar nog veel uitvoeriger eu harder, sitee. Redelijker en meer evangelisch schrijft mal-donatus: JYec quaerendum, quo animo dim loc pelieril, qui vere non petit; sed quo atnmo animüs iel eum petiisse fuixnit; ut nempe auditores dnceret, non esse e x speet an dum, ut a mor tuis doceamvr , cum Mosctn et profetas habeamus. Hij haalt verder chkysostomus , ambrosius eu anderen tot getuigen aan, dat de vraag wordt voorgesteld, als lom animo gedaan, even als de vorige; terwijl hij het gevoelen afkeurt van ohegoiiius , beoa en anderen, als of de verdoemde in het oordeel van zijne broeders verzwaring van eigen lijden vreesde, of daarvan verligting hoopte in hunne behoudenis.
36
dk hijke jian en 1)k ahme lazarus.
])e bede is overigens in den kring van voorstellingen, waarin wij ons bij deze Gelijkenis te vernlaatsen hebben , hoogst natuurlijk. De volstrekte onmogelijkheid maakte de herhaling der eerste bede onnoodig. Is er eene onoverkomelijke klove tussehen zalig en rampzalig in gindsche wereld, de ongelukkige komt dan ook opzijn vorig verzoek niet terug; maarzeker is het, dat die klove niet bestaat tussehen het land der levenden en het schimmenrijk. Hier is slechts, om zoo te zeggen, — niet een afgrond, dien niemand overschrijden kan, maar een gordijn, dat kan worden opgeheven. Ook de heidensche oudheid laat enkele malen een' levende doordringen tot de dooden, eu zeer dikwijls de schimmen der afgestorvenen aan de levenden verschijnen. En dit bijgeloof is zoo natuurlijk, dat het oproepen der dooden, in mozes' wetten reeds streng verboden, [Leut. XVTil : 11: Jes. VIII ; 10), toch altoos, met de vrees voor spookverschijningen, zonder tusschenpoos heeft stand gehouden , en nog voort duurt tot in onze zoo hoog verlichte eeuw. Kan dus lazarus het vuur der Gehenna niet betreden, zeker is het, dat hij uit de onderwereld verrijzen kan en zich vertoonen aan do menschen. Ja ! Gods bevel is daartoe niet eens noodig. Zoo wel als de tooveres te En dor het in de magt had van hare tooverspreuken, om samuël in zijne rust te sloren en voor zich te doen verschijnen, even zoo goed kon de vader der geloovigen dezen zijn' geliefden zoon met eene zending tot zijne nog levende kinderen op aarde vereeren. Dat hierbij de Godheid buiten aanmerking gelaten en in geheel de Parabel niet eens genoemd wordt, dit is eene waardigheid in de voorstelling, die ons gevoel weldadig aandoet. Waar de barmhartigheid Gods nog kou worden aangeroepen, daar zou eene weigering te harder wezen , omdat wel bij abraham , maar niet bij God iets onmogelijk was.
Eindelijk heeft men nog gevraagd; waarom juist lazarus moest gezonden worden, Cmn-sostomus antwoordt: //Omdat deze aan zijne broeders zeer wel bekend zou zijn;quot; een latere Iloomsch-Katholijke uitlegger: //Omaante toonen, hoe zeer hij nu den man noodig heeft, die eens zijne hulp vergeefs had ingeroepen.quot; Het komt mij voor, en de lezer zal het ook bij zich zeiven reeds gedacht hebben, dat er een veel eenvoudiger reden voor bestaat. In het geheele tooneel komen niet meer dan deze drie personen voor : abraham , lazarus en de rijke man. Dat abuaham zelf zijne kinderen, op aarde of in de Gehenna, bezoeke, — wij hebben het bij de vorige bede reeds gezegd, — het strijdt tegen het geen wij het decorum noemen. Maar lazarus kan hij zenden; lazarus , als den uitstekend braven zoon; den man, die weet, wat lijden is en wat zaligheid. Hij is daarvoor bij uitnemendheid geschikt.
En wat zou er dan van lazarus gevergd worden , bij deze zijne zending ? — Er is in de smeeking een tusschenzin ; nwani ik heh vijf hroeders.quot; Nemen wij deze woorden er uit, en vooronderstellen wij ze reeds bekend, als de reden , waarom hij nog ééne bede heeft, dan luiden de woorden zelve: uJk hid u, dat gij lazarus zendt, met den last, dat hij tot mijne hroeders getuigenis ajlegge, hen bezwere, dat zij hun leven rigten naar het geen hij als ooggetuige hun verklaren zal.quot; Onze vertalers hebben niet geheel ten onregte het woord dit hier ingevoegd. //Dat hij hun dit betuige; dat is; alles, wat hier te zien, hier vreeselijks en ontzettends te leeren is.quot; — En die betuiging moest strekken: opdat ook zijne broeders, nu nog in zijns vaders huis, niet komen zouden in deze plaats der pijniging. Wij zullen niet vragen, of die vijf dan nog bij zijn' vader in huis woonden; veel min, of hij
II. ' 6
:37
de rijke man en de a km k lazaius.
zelf bij zijn leven misscliien de oudste was in de vaderlijke woning. In hel eerste tafereel vonden wij hem in een eigen en vorstelijk verblijf. De uitdrukking //vaderlijk huis of erfdeelquot; heeft dan ook in den Bijbel eene vrij ruime beteekenis; voor geheel de omgeving, den kring, de stad of de plaats, waar hel geslacht te zamen woont; zoo als abraham zelf eens geroepen werd uit zijns vaders huis, ofschoon hij toen zelf reeds een vermogend herdervorst was. Bovendien , de Gelijkenis is geene geschiedenis, dat wij er zulke trekken zoo fijn in behoeven uit te pluizen. Van meer belang is het, dat de rijke hier zelf erkent , hoe geheel de levenswijze in dat huis zijns vaders hem hier gebragt heeft, daar hij voorziet, dat zij ook zijne broeders bij hem brengen zal. Het is dus niet, gelijk wij reeds vroeger opmerkten, zijn bijzonder gedrag omtrent den armen lazarus alleen, de onmeèdoo-gendheid, 1) die zijne handen voor den bedelaar sloot, die hem gebragt heeft in deze pijnen : want deze arme ten minste had de hulp van zijne vijf broeders niet meer noodig. En het is nog veel minder de rijkdom, als een stand in de maatschappij , het ongestoorde levensgeluk : want wat zou lazarus daar tegen le tui gen ? Het kan niet anders wezen, als levenskeuze en levensgedrag; schoon daaruit natuurlijk volgt, dat men, geheel voor de wereld levende, ook geheel voor zieb zeiven leeft.
He achtbare stamvader weigert het ongelukkig kind weder en ten derden male geen antwoord. En hij spreekt, nu en straks , op nieuw met de zelfde zachtheid en waardigheid. Ook hierin bewonderen wij, om zoo te zeggen , de vinding van dit tafereel , daar deze toon tussehen hemel en hel alleen in den mond van abraham tegenover zijn nakroost kon gedacht worden. Het antwoord is afwijzend; maar berust niet, gelijk straks, op eene onmogelijkheid; alleen is het volstrekt overbodig, wat de gewezen rijke vraagt. i/Zij heljhf.n mozes en de profeten; dat tij die hooren !quot; — Ook deze uitdrukking is weder geheel Israëlitisch. Wat wij nu noemen //de boeken des Ouden Verbondsquot; en de Joden van jezus' tijd (/de Schriften ,quot; het maakte sedert de dagen van ezra eene drievoudige boekverzameling uit, He eerste bevatte den zoogenaamden Pentateuch of de vijf boeken van mozes, nog bij de Joden de wet genoemd. He tweede verzameling bestaat uit de boeken jozua, de Eigte-ren, twee van samuel, twee der Koningen en vijftien profeten. (Danjël behoort er niet toe.) Hezc boeken worden de profeten genaamd. He overige heeten van ouds her eenvoudig de Schriften, ook wel Heilige Schrift, of naar het voornaamste dezer boeken, de Psalmen. Zoo komt de verdeeling reeds volledig voor, Lvk. XXIV : 4-4. He twee eerste afdeelingen, wet en profeten, werden geregeld in de synagogen voorgelezen. 2) Zij waren dus een voortdurend en levendig getuigenis tegen ongeloof en zonde. En daar hier de stem der Heilige Schrift
1) Tegen dit denkbeeld van onbarmhartigheid heeft a. l. koenigsmann eene uitvoerige dissertatie geschreven. (Thesaurus Novus II, png. 401 lt;//?.) Hij gaat echter veel te ver, als hij, — tegenover de seluldors , die lazauus van de deur der feestzaal lieten weg jagen, — bewijzen wil, dat de rijke veel eer als barmhartig wordt voorgesteld, daar hij armen aan zijne voorpoort van het oversehot voedde.
2) Want mozes heeft er van oude lijden in elke stad, die hem prediken, en hij wordt cp eiken sabbat in de synagogen gelezen. {Hand. XV ; 21.) De algemeen aangenomene Joodsclic overlevering zogt, dat reeds vóór jezus tijd ook voorde Profeten eene vaste leesorde bepaald was, in overeenstemming met de afdeelingen der Wet; (Vergl. Luk. IV: 1G;) — gelijk in de Katliolijke kerk, van oude tijden af en in navolging der Synagoge, Evangelie eu Epistel gelezen wordt.
38
de rijke man en de aume la zak vs.
tegenover de verlangde getuigenis van een' opgewekten regtvaardige wordt gesteld, zoo is het niet wet en profetie, maar //mozis en Je profeleu zelve als die steeds nog leven en spreken in hunne geschriften, en wier getuigenis alle ander onnoodig maakt. Wij zouden misschien zeggen: //Zij hebben een' Bijbel.quot; De Israëliet zegt dit niet. Een volledige bijbel was toen voor bijzondere personen een zeldzame schat; maar op iederen sabbat stond voor alle zonen van abraham de synagoge open ; duur werd wet en profetie voorgelezen en door de schriftgeleerden verklaard. De boeken van de derde verzameling, als die niet geregeld gelezen werden , worden daarom ook niet genoemd, maar hierdoor toch niet uitgesloten. In die Heilige Schrift sprak de stem Gods zoo krachtig en zoo menigvuldig; het werd daarin zoo duidelijk gezegd, hoe do kinderen van abraham hun leven hadden in te rigten, om niet le komen in deze plaats der pijniging; dat iedere andere zending tot hen daardoor onnoodig werd.
Weder houden wij hier de dogmatiek, als een' onbevoegde, buiten de schriftverklaring ; anders zou zij ons welligt op de onmisbaarheid wijzen van het geloof in christus, zonder het welk niemand, van het paradijs af, kon zalig worden. Dit eenmaal aangenomen zijnde, zou dus hier vooral de Messiaansche profetie in de Heilige Schrift moeten bedoeld worden. Deze getuigde echter niet tegen den zondaar, om hem op te wekken tot het geloof in den gene, dien hij nog niet kennen kon; maar wel getuigde de gehecle Schrift tegen hem, om hem te stemmen tot ootmoed eu berouw, tot de vreeze des Heeren, die hel beginsel is der ware wijsheid, als tegenovergesteld aan de dwaasheid van den wereldling.
Nog eene laatste tweespraak. De verarmde rijke herinnert zich maar al te goed, dat ook voor hem eenmaal de synagoge open stond, eu dat hij er, (want hij leefde immers niet als een heiden of tollenaar ?) dikwijls mozes en de profeten heeft gehoord; en toch, — hij heeft zieh niet bekeerd ! — Zijne eigene ondervinding schijnt hem dus te zeggen: //Dit was niet genoeg.quot;—i/Neenlquot; zoo herneemt hij ; nVader abraham! maar zoo iemand van de dooden tot hen henen ging, zij zonden zich leJceeren.quot;— Doch deze (de naam van den aartsvader, die daar juist genoemd is, wordt hier verzwegen,) zeide tot hem: u Indien zij mozes en de profeten niet hoor en , zoo zullen zij ook, al ware het, dat er iemand uit de dooden opstond , zich niet laten gezeggen.quot; — Er is verschil van uitdrukking in de vraag en het antwoord. //Zij zullen zieh bekeeren !quot; zoo had de ander verzekerd, en daarmede had hij eindelijk de volle waarheid uitgesproken, dat het de bekeering des harten was , die hem had ontbroken. Het woord van abraham is iets zwakker. //Zij zullen zich niet eens laten overtuigen.quot; — Gij gevoelt zelve, dat het le tul gen, hoor en , overtuigd wonh n en zich bekeeren op elkander slaat, of liever te zamen één geheel, ééne volgreeks uitmaakt. Zoo min als zij mozes en de profeten hoor en, dat is naar hen luisteren en hun woord aannemen, wanneer die getuigen, als getuigen optreden tegen hen; even min zullen zij zich laten overtuigen (naar onze vertaling zeer juist: zich laten gezeggen) door een' bode uit de andere wereld. Want de zelfde overtuigende kracht, die in zijne woorden liggen zou, — indien zij er vatbaar voor zijn, ligt zij reeds in het woord, dat mozes en de profeten niet ophouden tot Israël te spreken. Natuurlijk, dat het gevolg van dit //zich laten gezeggenquot; de gewenschte hekeering zou zijn. — Eindelijk is het misschien niet zonder oogmerk, dat het //zenden van lazarusquot; en het //tot hen henen gaan van de
G*
39
DK RIJKK MAN KN DK ARME T.AZARIS.
dooden,quot; 1) hier verwisseld wordt met een //opstaan uit de dooden;quot; als of abraham zeggen wil, dat niet alleen de verschijning van eene schim of een' geest uit de onderwereld, maar zelfs het zich openen van een graf eu het wederkeeren van een' doode in het leven, die kracht niet hebben zou, die aan het woord van God scheen te ontbreken.
Ts het toevallig of is het met opzet, dat de lieer juist in dit slot der Gelijkenis over de mogelijkheid der opstanding van eenen lazarus spreekt, terwijl later een andere en wezenlijke lazarus, in de nabijheid van Jeruzalem en tot een geiulrje tegen deze bloedstad, uit de dooden opstond ? Zoo als hier vóór mij (in de Synopsis van tischendouk) beide plaatsen juist nevens elkander staan, hebben zij eene treffende overeenkomst. De aanhef: Een zekere ledelaar, met name lazarus, en Een zekere kranke, lazarus van Bethanu; — het vervolg: u Indien er iemand uit de dooden opstonden; t/Uw broeder zal weder opstaan.quot; Eindelijk het slot: uZij zullen zich niet laten gezeggenen : Van dien dag af beraadslaagden zij, dat zij hem dooden zouden. — Ja! wel werd toen het woord des Heeren vervuld. Zij, die müzes en de profeten niet hadden gehoord, in hunne getuigenis voor den Christus Gods, zij lieten zich ook nu niet gezeggen, maar beraadslaagden zelfs, volgens Johannes' berigt, of zij ook lazarus, den uit het graf terug gekeerden getuige, niet dooden zouden! — En toen later de Heer zelf uit het graf verrees, ook toen nog hebben zij , die het woord Gods ongehoorzaam waren, zelfs door dit laatste en grootste der teekenen zich niet laten gezeggen. Te ver zouden wij gaan, wanneer wij hieruit wilden liesluiten tot het krachtelooze eu nuttelooze van al zulke teekenen, waarop toch jezus zich elders bepiep, als die getuigden , dat hem de Vader gezonden had. Zij waren voor zijnen tijd als een vinger Gods, de heerlijke openbaring van het Godsrijk, het zegel van jezus' Messias-schap; maar mogten zij ook al twijfelenden overtuigen en geloovigen versterken , de boosheid van het hart namen zij even min weg, als immer het wondergeloof' alléén het zedeloos eu verstokt gemoed tot ware bekeering gebragt heeft, al joeg het voor een oogenblik den zondaar een' doodschrik door de aderen.
Tot afwisseling willen wij hier eene talmudische parabel invoegen.
//Er waren twee goddeloozen, die in deze wereld gezamenlijk zondigdenj maar de een bedreef boete vóór zijnen dood, de ander niet. Nu wordt de eerste bevonden in den kring der regtvaardigen te staan, deze in dien der onregtvaardigen. Daarom, als de laatste zijn' voormaligen makker ziet, roept hij uit: //Wee mij, hier is aanneming des persoons. Hij en ik hebben te zameu gestolen, te zamen gemoord, en nu staat hij daar in den kring der regtvaardigen, en ik in het midden der veroordeelden.quot; Maar hem wordt geantwoord: //O dwaaste aller mensehen! gij waart veracht en vervloekt, nog drie dagen lang na uwen dood, en men had u de begrafenis niet waardig gekeurd; de wormen zijn uw bed geweest en de wormen uw dekkleed. Toen uw makker dit vernomen heeft, heeft hij berouw betoond. Het had ook in uwe hand gestaan, berouw te toonen; maar gij hebt het niet gedaan.quot; — Hij nu antwoordt: //Sta mij dan toe, dat ik nog heneu ga en boete doe.quot; Maar men
]) In onze vertaling kan het deu schijn hebben, als of niemand van 'Ie dooienquot; en «iemand uil de doodenquot; den persoon aanduidde; maar in liet oorspronkelijke is de bedoeling ongetwijfeld; Zoo iemand heen ging van de dooden [dn6 rexqüv no qev!)■lt;)), opstond teil de dooden (tx vsxqmv dvacnij).
40
I)li U1JKE MAN EN DE AUMF. LAZARUS.
sprak tot hem en zeide: wGij dwaaste der menscheu! weet gij niet, dat deze wereld gelijk is aan een en sabbat, en de wereld, die gij verlaten hebt, aan den avond vóór den sabbat? Zoo iemand in den voorsabbat niets heeft gereed gemaakt, wat zal hij op den sabbat eten? Of weet gij niet, dat de wereld, vaar gij zijt uitgegaan, aan het land gelijk is, en deze wereld, waarin gij nu zijt, aan de zee? Indien de mensch, zoo lang hij aan land is, zich geen' teerkost voor de zeereis gereed maakt, wat zal hij op zee eten?quot; En de booze knerste op de tanden en hij at zijn eigen vleesch.quot;
Is hier wel eenige vergelijking noodig? Liever vergelijken wij dan nog, met geheel de beeldspraak van onzen Heer, salomo's Spreuken: Rijken en armen ontmoeten elkander ; de HEER heeft ze allen gemaakt. De arme wordt zelfs van zijnen vriend gehaat; maar de liefhebbers des rijken zijn velen. Toch is de arme, wandelende in zijne opregtheid, beter, dan die verkeerd van wegen is, al is hij rijk. {Spreuken XXII: 2 ; XIY : 20 ; XXVIII: 6.)
Van de Gelijkenis zelve komen wij tot hare opvatting, hare verklaring en mishandeling.
Reeds zeer vroeg is de vraag opgeworpen , of wij hier eene g el ij k e n i s voor ons hebben of eene geschiedenis. Ja! in de Roomsch Katholijke kerk staat het gezag der uitleggers, bij meerderheid van stemmen, van ouds aan de zijde eener geschiedenis; ofschoon er ook onder de kerkvaders geweest zijn, die anders dachten, zoo als de woorden in enkele handschriften i/En hij zeide ook eene gelijkenisschoon zeker niet van u kas , daarvoor insgelijks pleiten. De vraag reikt dus tot in de eerste eeuwen der christenheid. Reeds iuenaeüs, tektülijanus, uieiionymus en anderen hebben hier eene geschiedenis gezien, 1) //omdat alles hier zoo duidelijk en bepaald verhaald wordt.quot; Maar dit juist is de grootste lof, die aan eene vertelling kan gegeven worden. Nog gebeurt het wel, dat wij bij het lezen van een verdicht verhaal ons zelve bezinnen, of wij dien of dien man niet gekend hebben, en wij ons maar niet kunnen voorstellen, dat hij alleen in de verbeelding van den schrijver heeft geleefd. De ongewone bijzonderheid, dat hier en hier alleen, in al de Gelijkenissen tezamen, een naam wordt genoemd, heeft zeker iets tot deze opvatting bijgedragen; 2) maar nog meer, dunkt mij, dat de spiegel zoo klaar was en zoo zuiver, dat men van zelf geneigd werd, er achter te grijpen, en de voorwerpen te tasten, waarvan alleen het beeld bestond. Overigens is de misvatting toch altoos zonderling, daar in ieder geval slechts de eerste en kleinste helft, vier verzen van de dertien, geschiedenis zouden kunnen zijn. De geschiedenis toch strekt zich nooit uit tot de onzigtbare wereld. De rijke werd begraven, dat is haar natuurlijk einde. De vergissing moet dus nog een'diepcren grond hebben, en zij heeft dien ook. Bij de tegenstelling:
1) Bij suiOEiies vindt men naauwkeurigcr opgave vaa het gevoelen der Patres. Clemens aucxas-diuncs is een der oudsten, die dit verhaal als Parabel handhaafde; anderen, zoo als augustinus en cnrysostomus, namen het nu eens als historie, dan weder als gelijkenis, zoo als over het geheel de kerkvaders in hunne oratorische opvatting zich niet altoos gelijk bleven.
2) ïnKoraïtACTUs daarentegen zegt, in navolging van enkele ouderen, dat lazarus genoemd wordt, tot een bewijs, dut de namen der vromen geschreven zijn in het boek des levens, terwijl der goddeloozen naam en gedachtenis vergaat. Het denkbeeld is bij de uitwerking dezer Gelijkenis bruikbaar , maar in den naam zeiven vonden wij vroeger van deze bijzonderheid reeds eene meer geldige reden.
41
dk kijke man en de arme lazaüus.
'/gelijkenis of gescliiedenis,quot; heeft men zich van de eerste een al te bekrompen denkbeeld gemaakt. //Was het eene gelijkenismeende men : //dan moest ook het verhaal zinnebeeldig wezen. Onder den persoon van lazaiivs moest een ander schuilen, en even zeer onder dien van den rijke. Was het echter geen zinnebeeld, dan moest het ren verhaal wezen; en had jezus het verhaald, dan zou het ook wel waar zijn. Al was misschien ook de voorstelling van eene andere wereld eenigzins zinnebeeldig, er diende toch wel een lazakus geleefd te hebben, die teu tijde van den Zaligmaker zijn ellendig leven in de straten van Jeruzalem had voort gesleept of aan de poort van een'rijke geëindigd.quot; — Men gevoelde niet de onkieschheid, die erin lag opgesloten, als jezus een' werkelijk bestaanden en bekenden bedelaar tegenover een' ongenoem-den rijke had ten tooneele gevoerd : eene persoonlijke zaligspreking dus, gelijk die in het evangelie anders niet voorkomt, en eene ingewikkelde beschuldiging, die men ligt op dezen of genen van Jeruzalems rijken kon toepassen, juist omdat geen hunner genoemd werd. Bij deze keuze: //gelijkenis of geschiedenisdie anderen reeds vroeg tot eene gedwongene zinnebeeldige opvatting dreef, zag men eene derde mogelijkheid voorbij: //eene verdichte vertelling.quot; Lazaiojs dus de type der godvruchtige armoede; 1) de rijke man die der heerschende weelde en wereldsgezindheid; een enkel verdicht persoon aan beide zijden, als de uitdrukking eener werkelijk bestaande menschenklasse. — En over liet geheel heeft men ook hier weder, bij de bepaling, of iets al of niet eene Gelijkenis kan genaamd worden , den vrijen geest van 's Heeren onderwijs te veel willen binden binnen de perken eeuer latere rhetorica.
Toen eenmaal de heerschende meening zich voor eene geheel of half ware geschiedenis, even als die van job bij voorbeeld, verklaard had, heeft de legende aangevuld, wat nog aan do volksmeening ontbrak. Tn en na den tijd van konsïantijn , dus gedurende de é110 of 5lt;le eeuw, vormde zich, door den onophoudelijkeu toevloed van pelgrims en de hebzucht der monniken, een vaste kring van overleveringen omtrent de gewijde plaatsen in het heilige land; en die zelfde legenden-kring wordt er nog getrouw gehandhaafd. Gedurende eenige eeuwen schijnt hij , onder de toenemende verdrukking der pelgrims, binnen den bepaalden omvang te hebben stil gestaan; maar tijdens de kruistogten werd die kring op nieuw uitgebreid. Toen heeft men eindelijk ook, onder de puinhoopen van het oude Jeruzalem, het huis van den rijken man gevonden, en — al had hij ook in het Evangelie geen rustplaats om zijn hoofd •.ieder te leggen , — waarlijk ook het huis van den armen lazaüüs. De bekende Ameri-kaansche reiziger Dr. e. kobinsok zag, met velen, die plaats, door de phantasie der overlevering digt bij den kruisweg gesteld; en hij zegt er van, dat naar het tegenwoordig aanzien te oordeelen, de bedelaar minstens even goed gehuisvest was als zijn rijke nabuur. Ook dc geschriften, waarin wij het eerst het huis van den rijke vermeld, of zijn naam (nineuïs) genoemd vinden, verwijzen ons naar de eeuw der kruisvaarders. 2)
1) Bij al liet reeds gezegde over de diepe veruedeinig, als hot kenmerkende van lazaeus' toestand, zou men nog do zwnlig koningen kunnen vergelijken , die adoni-bezïk ender zijne lujel, met ajgehoutccu duimen, als honden den afval liet oplezen, iiiyt. 1 ; 7.)
2) TnKOPUYLiCtus zegt nog slechts; «De overlevering der Hebreen verhaalt, dat er werkelijk zekere arme lazaeus geleefd heeftofschoon hij zelf het verhaal niet voor eene geschiedenis houdt. Doeh eutiiïmius zigaiïknus verhaalt reeds, dat «naar de overlevering der Hebreenquot; sommigen den rijken mau KivevXi heetten, en na beider dood jezus deze Parabel zou hebben uitgesproken. Verwijst deze//cirwa/c-
12
DE IIIJKK MAN EN DE ARME LAZAUUS.
Maar hiervan genoeg. Ik kan ten minste niet denken, dat de vraag ; ^geschiedenis ol gelijkeniséén mijner lezers meer moeite baren zal. Wij gaan dus over tot de Protes-tantsehe opvatting. Die van lutheu heeft iets zeer eigenaardigs. Ik heb vóór mij liggen zijn Sermoen over deze Gelijkenis, (van het jaar 1523,) het zelfde, waarbij hij getuigt: //Ik had gehoopt, dat men niijne boeken zou hebben laten varen, en zich regelregt tot de Heilige Schrift zou begeven hebben.quot; — Luthek stelt zich daarbij den rijken man als een' Farizeer voor, //dien wij niet moeten beoordeelen naar zijn'uiterlijken wandel: want hij had schaapsklcederen aan, en die dekken den wolf meesterlijk. Maar het Evangelie heeft scherpe oogcn, en ziet diep op den grond des harten : want hij mist de vruchten des geloofs. Het is niet om dc kostbare spijs en de heerlijke kleederen , dat hij gestraft wordt, maar omdat hij voor de wereld geleefd en haar alleen gediend heeft. Want waar geen geloof is, daar is niets anders dan de wereld, waarvoor de mensch leven kan, al verblindt hij zich zelfs met uiterlijke goede werken. En omdat hij voor dc wereld leeft, vergeet hij zijn' naaste, nllips raps nur ynn meynen sack, cyn ander hale was cr mag!quot; Vund 6b er personlich nicht heit yhm (lazarus) wollt cllwas helffen , das ers doch seynen knechten he-folhen licite, das sie yhi ynn eyn stall trügen uund seyn warteten.quot; Maar neen ! En nu sterft de rijke man, en hij ziet lazarus onder de zaligen, en hij spreekt met abraham. Dit alles kan terstond na den dood zóó niet gebeurd zijn: want in de regte hel is de rijke nog niet vóór den jongsten dag, en zijn ligchaam is zeker nog ouder dc aarde. Daarom achten wij de hel, waarvan hier gesproken wordt, niet anders dan het booze geweten. En vraagt men mij : //Hoe gaat dan dit gesprek met abraham toe?quot; Ik antwoord: Een ligchamelijk gesprek kan het niet wezen, noch wezenlijke tong of vinger of water; daarom moet dit alles in het geweten omgaan. Wanneer het in stervensnood geopend wordt en zijn ongeloof indachtig, dan rijzen er zulke gedachten in het geweten op, en men zou zulk een gesprek houden als men kon, een gesprek tusschen het veroordeelend geweten en Gods woord. En vraagt men eindelijk, wanneer dit geschiedt, en of de geest van den rijke dagelijks en onophoudelijk zulke dingen lijdt tot op den jongsten dag ? Men wete, dat cr in gene wereld tijd noch ure is, maar alles een eeuwig oogeublik.quot;
Maar om het eigenaardige van luthers opvatting en voorstelling te doen gevoelen, zou ik geheel zijne rede, in zijn krachtig Oud-Duitsch, moeten terug geven. En wat men er dan ook van denken moge, mij dunkt, dat er weinig vooruitgang is in de verklaring cener volgende eeuw, inzonderheid in de reusachtige, maar ook monsterachtige geleerdheid der
iche overlevering ous ook naar liet Heilige Land, als den geboortegrond van deze fabel ? — Ook van het huis des rijkeii, als dat te Jeruzalem getoond werd, spreken het eerst middeleeuwsehe reizigers, zoo als (volgens l'noer) andromachius , Descriptio terrae sanelae, — Maldonatus haalt nog, tot bewijs voor dc geschiedkundige waarheid, aan, dat do kerk tweeërlei lazaris als heiligen vereert. Ik geloof echter, dat hij zieh hierin vergist. 2 September is de heilige dag voor lazarus van Belhaniê; ook nog 17 December, maar tot ceu aandenken van zijnen marteldood, als hij later bissehop van Marseille (!!) was. Maar 23 Fehruarij is het de feestdag van een' geheel anderen lazarus, monnik en sehilder der negende eeuw, onder Tnnopiui.us gemarteld om zijne trouwe vereering van de heilige beelden. A. i.apide zegt evenwel, dat ter eere van den armen lazaius, (dien men misschien reeds vroeg met hem verwarde,) als den patroon der melaatschen, vele oude kerken zijn opgerigt; onder anderen eene met een hospitaal buiten de Engelen-pootl te Rome.
43
de 11ijke man en de aume lazauus.
Coccqanen. Als een voorbeeld voor allen, om wiens wille zelfs vitkinga liet kort maakt, kan de uitvoerige verklaring strekken van teklman, die niet minder dan bladzijden in kwarto vult met eene waarlijk verbazingwekkende massa geleerdheid , waarvan de slotsom is, dat lazarus hier niemand anders wezen kan dan de christus ; de rijke man de grooten en oversten der Joden ; de vijf broeders de tien stammen in de verstrooijing; en de hel de verwoesting van Jeruzalem. Beide laatste bijzonderheden zijn zeker van zijne vinding; 1) de eerste, i.azaeus als de christus beschouwd, niet. 2)
Nadat het gezond verstand der gemeente al deze geleerdheid overwonnen had , en lazarus weder eenvoudig een vrome arme was geworden, in zijne beproeving en zijne vertroosting geschetst, heeft de nieuwere mystiek, van schleyermacher af, weêr eene diepere beteckeuis in jkzus' beeldspraak gezocht. liet gevoelen van dezen is in ieder geval geestig, daar het de Gelijkenis, — in verband met vers 18 ; nEen iegelijk, die zijne vrouw verlaat enz.,quot; — op den overspeligen herodes antipas te huis brengt. Gelijk het echter moeijelijk is in de schriftverklaring iets nieuws te vinden, zoo is ook dit gevoelen (en wel: //antipas tegenover johannes den Dooperquot;) reeds door tertolijanus voorgestaan. — Onder de nieuweren is het vooral stier, die hier veel om en bijgehaald heeft, om in den rijke den Parizeer, den trotschen werkheilige, den man met ingebeelden geestelijken rijkdom, tegenover den arme van geest ten toon te stellen. Hieraan verwant is de opvatting, die wij ook reeds bij een' ouden schriftverklaarder (THEopim,actus) vinden , en volgens welke de rijke man het geestelijk rijke Israël, lazarus het heidendom verbeeldt. Met voorzigtigheid geeft echter de kerkvader te kennen, dat dit niet de meest algemeen nuttige en morele, maaralleen eene allegorische opvatting is.
H et was bewaard voor de afbrekende kritiek van onze eeuw, om deze allegorische opvatting tot het oorspronkelijke doel te verklaren, en haar als een wapen tegen het evangelie te gebruiken. En in de daad, wanneer het Christendom eenmaal door de geleerdheid moest overwonnen worden, strauss en de Tubingers zouden die zegepraal wel hebben weg gedragen. Daar ons vaderland, gewoon achter aan te komen, tegenwoordig als nieuw aangrijpt, het geen bij onze naburen reeds oud en versleten is, wil ik hier, wat meer opzettelijk dan anders, mijnen lezers een denkbeeld zoeken te geven van de wijze , waarop deze geleerden het kerkelijk christendom ontleden, en zoo zij meenen tot de oorspronkelijke Rabbijnsche wijsheid van jezus terug brengen.
Strauss merkt alleen op , dat de geheele Gelijkenis behoort tot de verachting van den
1) Ook vitkinga houdt de vijf broeders, die nog in vaclrrs huis waren, voor de Joden in Mesopoiamië cn Syrië, abrahaVs vaderland, die volgens de Talmudisten, (maar eerst na Jeruzalems val!) als de Oosterselie verstrooijing , een' eigen' overste hadden, even als de Westersehe. — Vernuftiger evenwel is liet denkbeeld der Miscell. Duisburg. (11 ; 503), dat de vijf broeders de opvolgende geslachten der Joden zouden zijn, in vijf tijdvakken der Christelijke kerk , (die men daartoe niiar willekeur verdeden kan,) zoodat de zevende der broeders, het in 't laatste tijdperk levende Joodsohe geslacht, eerst zalig worden zal.— Andere vernuftspelingen kan men reeds bij de kerkvaders vinden. Zoo vergelijkt chrvsostomus hier de vijf zintuigen van denmenseh; en algustinus zegt, dat de vijf broeders vijf boeken van mozes hadden.
2) Lacarum domiuum significore, aceipiamiis, jacentem ud januam diviiis, quia se ad aures superlnai-mus Judaeorum Incurnalionis humilitate dejeeit. Vlrera passionts sunt Domini, — sinus Abrahne sfcrctum Putris, quo post passionem resurgens assumptus etf. Augustinus , Quaest. Etang. II ; 38. Zoo ook. ambrosiüs.
DE IllJKE MAN KN' DK ARME LAZARUS.
rijkdom, die of jezus, of de overlevering der drie eerste Evangeliën (dc Synoptische tra/li lie) met de Esseërs gemeen heeft, terwijl de Joodsche Heilige Schrift eu dus ook de Joodsche godsdienst er nog als het eenige en toereikende genademiddel in voorkomt. De Tubingers echter gaan verder, en zoeken ook in deze Gelijkenis, — omdat het met kracht eu geweld overal gevonden moet worden ! — een bewijs voor hunne stelling, dat de twee boeken, aan j,ukas toegeschreven, even als de meeste andere van het Nieuwe herbond, Tendenz-Schriften zijn; dat is: met een bepaald dogmatisch doel en in het belang eener bijzondere rigting geschreven. Een aanhanger van paulus zou daarin de partij van petrus op den achtergrond hebben zoeken te plaatsen, om de voorkeur der Heidenen in dc Christelijke kerk door te drijven. Hier bij voorbeeld, zoo spreekt het eerst zeller , vinden wij in het beeld van lazarus geschetst wden heilbegeerigen Heiden tegenover den trotschen Jood.quot; Hieruit alleen is het te verklaren, dat die rijkdom zelf, zonder eigenlijke misdaad, de grond is tot zijne veroordeeling. En wat vers 36 en vervolgens gelezen wordt, de eerste woorden n En loven dit allesquot; wijzen genoeg aan, dat het later er is bijgevoegd.— Inde tweede plaats komt ii. Bauer, en zegt: //Neen! zulke rijken, dat zijn de Joodsche volkshoofden, lazarus stelt de arme Joden—Christenen of Ebionieten voor, en de honden de Christenen uit de Heidenen.quot; — Maar uitvoeriger behandelt een derde, scuwegleu , met goedkeuring van f. c. bauu, de gehecle Gelijkenis, als oorspronkelijk niets anders dan eene tegenstelling tusschen den rijkdom als eene zonde, de armoede als eene deugd; welk Esseensch of Ebionitisch beeld door den vermeenden luk as in eenen den Joden vijandigeu zin is voort gesponnen , zoodat de rijke in deze latere bewerking wordt, wat hij oorspronkelijk niet was : //het beeld van het Joodscho volk,quot; en lazarus, (evenals de Kananésche vrouw, die ook om kruimels vraagt,) //het zinnebeeld en de verheerlijking der Heiden-wereld.quot; — Eindelijk voegt hii.geni'li.d er nog aan toe, dat het slot noodzakelijk van een' lateren Pauliner moet wezen, omdat het der Joden ongeloof ten toon stelt. //Want,quot; zegt hij: //met het volste regt wordt de onloochenbare verscheidenheid der twee bestanddeelen van dc Parabel door eiken bevoegden uitlegger op den voorgrond geplaatst.quot;
Zie daar nu eene geheel moderne schriftverklaring, die ons een helder beelrl van het oorspronkelijk Christendom geven moet! De groote geleerdheid der voorstanders van zulk eene rigting moge haar nog eenigen tijd bij velen tot aanbeveling zijn, gerust durf ik voorspellen , dat haar reeds, — bij zoo vele kerkvaders , Coccejanen en anderen, die dan toch nog met oneindig meer eerbied de Heilige Schrift behandelden, — eene eereplaats is bestemd in het graf der theologische curiositeiten.
Bij eene zoo algemeen besprokene en hoogst belangrijke Gelijkenis , achtte ik het nuttig, eens meer opzettelijk de verschillende opvattingen daarvan in de Christelijke kerk uit een te zetten. Gaarne wilde ik ieder, wien mijne zienswijze te alledaagsch — om zoo te zeggen te nuchteren—is, eene ruime keuze geven tusschen verschillende opvattingen, waar zoowel de rationalist als de orthodoxe en mysticus zich in zullen kunnen te regt vinden : want de moeite, om nieuwe verklaringen uit te denken , kan men zich waarlijk wel besparen!
Voor mij zelven vond ik in al die vernuftspelingen al zeer weinig winst voor de M'are
45
dk uijke man en de arme lazarus.
en grondige uitlegkunde. Geef mij, indien gij zóó uitleggen wilt, het Code Napoleon, en ik zal er u de roeping der Heidenen uit bewijzen, of het vergaan van de wereld, of al wat gij wilt. Maar in allen ernst, en voort bouwende op onze beschouwing van al de bijzonderheden in deze onnavolgbaar schoone vertelling, meen ik met volle vrijmoedigheid te kunnen verzekeren, — wat toch wel in de allereerste plaats van belang zal zijn : — dat wij hier één geheel voor ons hebben, en de bekende Gelijkenis noch uit verschillende stukken is aan een gelapt, noch door eene fabelende overlevering of het drijven eener ingebeelde Paulinische tegenpartij in een' anderen geest is voort gesponnen. Mij dunkt, ieder, die met eenige onpartijdigheid, — ik zeg nog niet eens met eerbied voor de heilige oorkonden,— oordeelt, moet reeds terstond inzien, dat de geheel Joodsche kleur, die over deze beelden ligt, juist bij den meer humanen Griekschen schrijver voor de oorspronkelijkheid van het geheel getuigenis geeft. Het is onmogelijk, dat zulk eene , in den vorm bijna Rabbijnsche schets, in de Cliristelijke kerk van het tijdvak, dat de Apostelen is opgevolgd, ontstaan zij. Niets dergelijks, niets dat er zelfs in de verte naar zweemt, vinden wij bij de schrijvers van die dagen. En wat het laatste gedeelte betreft, zoo wij de geheele Gelijkenis opvatten als eene tegenstelling van de zigtbare en onzigtbare, tegenwoordige en toekomende wereld, dan pleit het reeds voor de eenheid van liet geheel, die zoo ligt-vaardig is aangerand, dat deze tegenstelling, na over de onzigtbare wereld der vergelding lang te hebben uitgeweid, tot het schouwtooneel dezes levens terug keert, zoodat het punt van uitgang is: mie rijke in purper en fijn lijnwaadquot; en het slot: neen vijftal hrueders, die nog even eens alle dagen vrolijk en prachtig leven, gelijk hij 't eenmaal deed.quot;
En is die tegenstelling tusschen het schijnbare onregt van dit leven en de herstelling van die grieven in de toekomst, hoofddoel van de Gelijkenis, dan konden ook de laatste verzen hier onmogelijk worden gemist. Hier op aarde is bij God geene aanneming des persoons, hoe menig een voor het [uitwendige misdeeld schijnt en miskend wordt; maar in een volgend leven moet er ook geen schijn van onregt overblijven. Gelijk wij reeds zeiden : het is een fijne trek in het verhaal, dat de verontschuldiging, die de veroordeelde zelf niet meer kan opwerpen, hier in bet beeld van zijne vijf broeders aan het licht treedt, en zóó de Iheodicée of regtvaardiging van het Godsbestuur volledig wordt.
Op één punt moeten wij echter nog eens opzettelijk terug komen. Men heeft, soms aan den Zaligmaker zelf, maar inzonderbeid aan zijn' berigt gever luk as, eene onbepaalde verachting van den rijkdom en verheffing van de armoede toegekend. Dit is in zoo verre waar, dat in de beginselen van het Christendom de rijke en magtige partij in maatschappij en kerk doorgaans meer tegen, dan vóór bet evangelie gestemd was, gelijk zelfs paultjs , die wist overvloed ie hehhen zoo wel als gehrch ie lijden, zegt: dat God het arme en zwakke dezer wereld had uitverkoren, om dal gene, wat rijk en sterk is, ie he schamen; terwijl jakobus te regt vraagt, wat verpligting zij toch wel aan de rijken en grooten hadden, om zich, wanneer dezen eens goed vonden zich bij de gemeente te voegen, zoo bijzonder vereerd te rekenen ? Het is even min te ontkennen, dat er in dit opzigt eenig verschil is tusschen de oorkonden der oudste Christelijke kerk, zoodat de eene schrijver sterker op den voorgrond zet, wat bij den ander minder uitkomt. Even als jakobus onder de apostolische schrijvers.
46
de iiijkk man en he arme laza1uis,
zoo is het ook i.tjkas onder de Evangelisten, die het meest de eer der armoede handhaaft tegenover de aanmatigingen van den rijkdom. Was hij, (naar Kol, IV : 14) een geneesheer, die vrijwillig de armoede des kruises gekozen had boven den beschaafden en geleerden kring, waartoe hij was opgeleid; is het dan te verwonderen, dat hij eenige meerdere sympathie voor den arme gevoelde, en den rijke stout onder de oogen zag? Maar deze neiging {Tendenz) is onwillekeurig eu ongezocht. Wij allen zullen bij voorkeur dat gene uit een boek of eene rede mede deelen , wat het meest onze sympathie heeft opgewekt. De uitdrukkingen zijn niet sterker bij i.ukas , dan bij mattueüs. Ook bij den laatsten vinden wij den kemel, die niet kan ingaan door hel ootj van een' naald, als het beeld van den rijken wereldling. Maar het is nog met meer welgevallen , dat iaikas de armen zalig spreekt, of liever die zaligspreking van den Heer, zoo als die bij mattheüs de Bergrede inleidt [Matlh. T ; 3—12), naar zijne gewoonte
eenig'/.ins uitbreidt: n Zalig zijl gij, armen !...... Maar wee n, gij rijken! want gij hebt
uwen troost weg. 1) IVee u , die verzadigd zijl; want gij zuil hongeren. Wee u, die nu lacht: want gij zuil treuren en weenen.quot; (II. quot;VI: 20—25.) — Tan deze woorden nu kunnen wij onze Gelijkenis den Commentaar of de nadere uitwerking noemen.
Nog iets. Men heeft gevraagd, of er eenige zamenhang is tusschen de verschillende stukken, die wij in dit Hoofdstuk en over het geheel in dit gedeelte van luk as' Evangelie aantreffen. Vissering teekent daarbij aan, dat lukas zijn doel om ordelijk te schrijven, [Luk. I : 3) niet altijd heeft kunnen bereiken. Mij komt het voor, dat wij te veel onze of logische of geschiedkundige orde aan de oude schrijvers opdringen. Wanneer ik nog menig echt Joodsch werk, zelfs van hunne latere geleerden , in handen neem, vind ik daarin dikwijls eene orde, die wij wanorde zouden noemen , omdat wij den draad er van niet zoo terstond kunnen vatten; en toch is er zeker leidend denkbeeld in, en een losse draad, die de verschillende bestanddeeleu aan een hecht. Zoo, dunkt mij, is het ook hier. Wanneer ik van het Hlt;le hoofdstuk af tot het l?^ toe den doorgaanden geest van lukas' bloemlezing uit 's Heeren woorden en gesprekken naga, dan heeft daarin steeds de armoede , of als vrijwillige zelfverloochening, of als ecu heilzaam Godsbestuur den boventoon. Eerst de waarschuwing tegen trotschheid aan het weelderige gastmaal, en de noodiging der armen, ook tot het feestmaal in het Messiasrijk; — daarna de verdediging van tollenaars en zondaars, iu het beeld van den verloren'' zoon bij de zwijnen trog; — vervolgens de rentmeester, die zijne laatste dagen besteedt, om zich met het goed der wereld de armen tot vriend te maken, — eindelijk het beeld van den armen lazarus. — Vóór dit laatste gaan drie verzen , vers 16—18, die men alleen door den ziti geweld aan te doeu, of er veel in eu tusschen te voegen, in den zamenhang kan opnemen, gelijk reeds ïektullianus dat beproefd heeft. Mij is het wel eens in de gedachte gekomen, of welligt i.ukas, wanneer er hier of daar eene plaats op zijn perkament open was, daar enkele spreuken heeft
1) Dit njy nuqaxltjcnv ifiüv beantwoordt aan't ünslufies ia cijfaamp;u aov xul siaicifjoi v
nai/axahliai. van onze Gelijkenis. Hierdoor wordt onze vroegere opmerking omtrent de kracht van dnoHafiflavBiv bevestigd. Tevens valt daarbij de tegenstelling van den troost [nu()uxi.gt;/ais , eigenlijk vriendelijke toespraak onder de vele levenszorgen,) duidelijk in liet oog. De een geniet ze hier, de ander ginds. Dit spreekt in de Gelijkenis nog sterker, wanneer wij de lezing wiJs voor lt;gt;Je, die veel gezag heeft, aannemen; Kn nu wordt hij alhier (Bladz. 34 staat bij vergissing (tlzoó) vertroost,
1.7
DE liIJKE MAN Lïf Dli ARME LAZARUS.
ingevoegd, die hij elders niet wist te plaatsen. Zoo bij voorbeeld lezen wij hier, vers 14-, dat de Farizeen, die geldgierig waren, jezus' redenen over den onregtvaardigen Mammon hoorende, hem beschimpten, waarop de Heer antwoordde; i/Gij zijl het, die u zelve regt-vaardigi voor de mensehen, maar God kent rnve harten: want wat hoog is onder de men-schen, is een gruwel voor God.quot; — Hier verbeeld ik mij in het handschrift een' open'regel, en het is, als of ik boven de drie volgende verzen las; //Dit zijn ook nog spreuken, die jezus tegen de Parizeen uitgesproken heeft.quot; Bij mattheüs, wiens tegenwoordig geschrift i.ükas zeker niet heeft ter hand gehad, vinden wij ze op hare plaats. — Daarop zouden wij weder eene tusschenruimte of streepje kunnen laten volgen, en dan , terug slaande op vs. 15; Baar was nu een rijk mensch enz. — Zulk eene schrijfwijze is zeker wel niet, wat wij een ordelijk geschiedverhaal zouden noemen. Ik zou niet eens durven verzekeren, dat de Heer de spreuk: nWat hoog is onder de mensehen, is een gruwel voor God!quot; onmiddellijk vóór de Gelijkenis van lazarus heeft uitgesproken; de zamenhang kan ook zeer wel alleen in den geest van t.ukas bestaan hebben. Maar juist dit is do verbaal-orde, die mij in hem, als oud en oostersch schrijver, natuurlijk en eigenaardig voorkomt.
De vernedering van bet geen boog is onder de mensehen, schijnt dan , naar de opvatting van luk as zelven, hoofddoel der Gelijkenis: want ook elders is hij gewoon, door zulk eene spreuk de Gelijkenissen van den Heer in te leiden of te besluiten; en jezus zelf deed het zeker meer malen. Ik geloof echter, dat vader luther, en in navolging van hem een enkele nieuwere, te sterk gedrukt heeft op dezen zamenhang, door van den rijken man een' Parizeer te maken. Zijne levenswijze, indien wij bier aan de heersebende partijen onder de Joden te denken hadden, was eer die van een' Sadduceër (of Epicurist), waarom ook en heiiodis antipas, en bet geslacht van aunas met zijne vijf zonen, van ouds den uitleggers is in de gedachte geweest. De Farizeën waren geldgierig; zij genoten zeker ook bet goede der aarde, als zij de huizen der weduwen opaten; maar de uiterlijke vertooning van pracht en weelde, zoo wel als het voorbijgaan van den bedelaar op de straat en dus in het openbaar, lag minder in hunnen geest; — om nu niet te zeggen, dat zij te stipt waren op hunne twee vastedagen in de week, om eiken dag overdadig en prachtig te leven.
Eene kastijding van de levenswijze der Farizeën zou dus, mijns inziens, alleen in de opvatting van luk as kunnen liggen , zoo zij er in lag; maar nooit in de bedoeling van den Zaligmaker. Het is althans niet tegenover hunne pracht en weelde, maar wel tegenover do hardheid van hun stelsel en hunne scherpe beoordeeling van andere mensehen, dat de Heer zieb bier openlijk verklaart. Gelijk in het vorige Hoofdstuk de minachting, waarmede zij op den Tollennar en zondaar neer zagen, zoo staat hier het ligtvaardig veroordeelen van armen en ongelukkigen op den voorgrond. Het Earizeesche leerstelsel toch was eene voortzetting en eene ontaarding van het beginsel der vergelding op aarde, gelijk wij dit in de Mozaïsche wetgeving vinden. De natuurlijke onheilen van dit leven zijn ook bij de Rabbijnen (zieblz. 34), en belaas! ook bij vele Joodsebgezinde Christenen nog altoos bepaalde straffen. In jezus' tijd vroegen zelfs zijne apostelen naar de zonde, waarom een arme bedelaar aan de temielpoort blind geboren was, in de meening, dat die waarschijnlijk wel aa i zijne ouders zou
48
de rijke max en' de armk i.azauus.
te wijten zijn. 1) Zoo ook werd de moord, door pilatus aan eenige Galileiirs gepleegd, als eeue zekere schande den Heer, die toch ook Galileër was, verhaald, waarop deze er de verpletterden onder den toren van SUoam , als Judeërs en Jeruzalemmers, tegenover stelde, en niet wilde, dat men een' grooter zondaar zien zou in hem, dien het oordeel getroffen had. Zoo bestreed .iezus dit vooroordeel in het openbaar, en zocht het vooral bij zijne discipelen tegen te gaan. Maar nergens komt deze tegenspraak , waardoor jkzus als volksleeraar geheel in zijnen tijd is, sterker uit dan in de Gelijkenis van lazarus.
De man, dien wij hier leeten kennen als abrahams echten zoon, die zijne hulpe up God stelt, zou door de heerschende wettische partij onder de Joden zeker een zond uur genoemd zijn; even als job eens door zijne vrienden, en gelijk den blindgeborene door de l'arizeën verweten werd, dat hij geheel in zonden geloren was. De rijke daarentegen, al wordt hij ook niet als een naauwgezette en vrome Parizeer voorgesteld, is een onberispdijk man; en dat hij vrolijk en prachtig leeft, daartoe heeft hij, naar het oordeel der wereld, even veel regt, als de rijke man in eene vroegere Gelijkenis, om nieuwere engroótere schuren te bouwen. Hij is rein en onberispelijk naar de wet ; hij is geëerd, hij en zijne broeders , in de wereld; dat hij alleen voor zich zei ven leeft en niet om rijk te worden in God , telt de wereld niet. Zij noemt zijnen rijkdom, zegen; de ellende van lazarus , afzigtelijk en onrein, een' vloek. Hiermede sluit het tooneel van dit leven. Maar de Heer heft het gordijn op. Er is eene andere wereld, die al het onregt der tegenwoordige goed maakt; daarin wordt zijnen hoorders een blik gegund. En al is het nu ook een raadselheeld, in een' spiegel gezien (1 Kor. XIII : 12) , dit is in ieder geval duidelijk : de rollen zijn verwisseld. Die gelukkig was, weid ellendig, de ellendige zalig; — den geëerden rijke is schande ten erfdeel, den verachten de hoogste eereplaats bestemd; — den bedelaar is overvloed geschonken, de eenmaal zoo rijke bedelt om de geringste lafenis. 2) — Zie daar het hoofddoel en de diepe beteekenis van het zinnebeeld. Het volk, dat geen exegese kende; of dogmatiek , heeft het ten allen tijde het best begrepen , en de juiste schatling van 's menschen zedelijke waarde is er door bevorderd. Juist daarom moest de rijke geen overspeler zijn, geen roover, geen moordenaar, even min als in eene vroegere Gelijkenis de Kijiïe Dwaas. En gelijk bij dezen de uitgestrekte plannen, die de zelfzucht voor de toekomst vormt, onverwacht worden van een gereten, zoo is hier bet genot van het tegenwoordige in smart en ellende overgegaan, daar de toekomst er geheel door vergeten werd.
1) Do woorden; «Wie. heeft er gezondigd, tfese of zijne ctidem, dot hij blind zou gehore)/ worde)/'quot; {Joh. IX ; 2) beteekenen, zoo ik wel zie, alleen ; //todcr onheil, zoo is ons geleerd, moet eene straf zijn. Maar do blindheid van dezen man. als hem aangeboren, kan bet moeijelijk wezen. Is 't dan ook de zonde zijner ouders, die hij draagt ?quot; — Mij is ook wel eens hef geval voorgekomen , dut eenvoudige menschen, wanneer een hunner kinderen naar ligebaam of geest gebrekkig ter wereld kwam, daarvooi eene zonde in hun eigen leven als reden opzochten.
3) Rabbi josua, •—zoo verhaalt do Talmud; — was eens zwaar krank geworden, en lag daar eindelijk als een sobijndoode. Toen hij weder tot zich zeiven gekomen was, vroeg hem zijn vader, wat hij in dezen toestand gezien had, »lk heb,quot; nntwoorddo hij: »eeuc omgekeerde wereld geziiu; het bovenste onder, en het onderste boven.quot; «Mijn zoon!quot; zcidc nu do vader: »ihm hebt gij eeist de ware wereldorde gezien.quot;— Dit zelfde denkbeeld ligt eenigzins in do spreuk van onzen Heer: / elr eenhn zullen hahten -i-'u rn U/alsten de eersten. In den Joodsehen geest is dit hier afgebeeld door twee maaltijden , écu hier en reu ginds, waarbij hij de waarlijk geUikkigo is, die brood eet in hel Konwe/rijk Godt, (Vergt. 1). 1, BI. 359 en 2quot;?.)
50 DE UUKE MAN EN DE ARME I.A/AUX'S.
*
Maar daartoe alleen is nu ook de Gelijkenis uitgesproken en opgeteekendj niet, om ons de geheimen der toekomstige wereld te ontsluijeren. Reeds de sterke Joodsch- Rabbijnsche kleur, die wij in geheel de schildering opmerkten, waarschuwt ons, om met onze gevolgtrekkingen uit deze beeldspraak voorzigtig te zijn. Vroegeren en lateren zijn daarin veel te ver gegaan, door de natuurlijke zucht van den mensch, om te weten, wat hij niet weten kan of mag. Wat al beschrijvingen hebben de kerkvaders, op grond onzer Gelijkenis, van het leven na dit leven uitgesproken of te boek gesteld! 1) Wat schrikbeelden hebben schilders en predikers der middeleeuwen aan deze beeldspraak ontleend ! Ja ! met allen ernst heeft de Roomsehe Katholijke kerk verklaard, dat het vuur daar ginds een werkelijk brandend vuur is, en niet een zinnebeeld; maar zonder ons daarbij te kunnen uitleggen, hoe dit vuur is over een te brengen met de hui lens te duisternis, 2)
Ook de eeuwige ruste der heiligen in abrahams schoot heeft men zich veel te lijdelijk voorgesteld, en uit de onpeilbare klove tusschen eeuwig wel en wee te sterke en stoute gevolgtrekkingen gemaakt. Maar vooral hebben enkele nieuweren zich vergeefs vermoeid, om deze beelden in overeenstemming te brengen met het eindoordeel ten dage der opstanding: want één van beide: bf bet oordeel moet terstond naden dood beslist zijn, en er is geene latere krisis of scheiding van boozen en goeden noodig; of de dooden slapen tot den jongsten dag en worden dan eerst geoordeeld. Indien ik hierin beslissen moest, onder de kerkvaders zou mijne keuze vallen op auoustinus , onder de nieuweren op lutheu. Beiden raden te regt aan, om niet te veel en vermetel te vragen ; wijzen op het onderscheid van tijd en eeuwigheid, en achten den tusschenstaat een' zekeren bangen droom, die lot het eindoordeel leidt. Al is het dan ook, dat de uiterst diepzinnige stier uden Heien luthehquot; van Blödsicht of onnoozelheid in de eschatalogische dingen verdenkt, en hem alleen weet te verontschuldigen, omdat hij het in de tegenwoordige zoo druk had.
Wat mij betreft, ik vind die vereeniging onnoodig. De tusschenstaat of het aanvankelijk oordeel over de afgescheidene zielen, zoo als de outle Protestantselie kerk dat pleeg aan te nemen, is noch bijbelsch, noch evangelisch. Het zijn volstrekt geene afgescheidene zielen, die later nog met hun ligchaam weder omkleed moeten worden, de dooden, die ons in dit zinnebeeld sprekende worden voorgesteld. En het heeft dan ook den uitleggers , die nu eenmaal zich aan de voorstelling van dien tusschenstaat gebonden achtten, onbegrijpelijk veel moeite gekost, dat de tong dier geesten in de onderwereld zou moeten verkoeld wror-
1) Bij teut ulli anus (ongeveer 200 jaren na cuiiistüs'geboorte) vinden wij, zoo ver mij bekend is, voor het eerst hel denkbeeld, uit deze Gelijkeuis afgeleid, dat er zekere localis determimtio is, genaamd abrahams sc/ioo(, en bestemd om de zielen zijner zonen, ook uit de volken, op te nemen: regio, etd non coelestis, sublimior lumen inferis, (omdat de rijke daar heen zijne oogen ophief,) en waaruit cuiusius hen bij zijne komst zal oproepen. — Wat later de Katholijke kerk over den I.imhus palrum heef gefabeld, is te veel om hier na te gaan.
2) Zoo spreekt de Roomsehe Catechismus, bij de verklaring van het achtste geloofsartikel , ook van eene poena sensus: want, zegt hij: clulntari non potest, iguis lornunta summum doloris sensum ej/icere, — Briëï (I. 230) zegt van deze eigenlijke opvatting, die ook door de oude Proteslantsche godgeleerden meer of minder sterk gedeeld werd ; »Iu de Joodsehe eschatologie zijn die ligchamelijke straffen te verklaren; maar op het Christelijk standpunt bevatten zij eene tegenspraak in zich zeiven. Eene ligchamelijke smart kan onmogelijk eeuwig duren. In johannes' Evangelie is die straf alleen zedelijke ellende.quot;
dk uijkk man kn dk arme lazarus.
den door den vingertop van andoren. Het verhevene wordt dwaas en bespottelijk, wanneer wij het op die wijze onder het vergrootglas brengen. De zaak is deze. Wij vinden in het Nieuwe Testament tweeërlei beeld van een toekomstig loven. Het eene, het oud-Israëli-tische, dat wij hier aantreffen, is de Scheool der oude Hebreen , het Schimmenrijk, waarvan de voorstelling bij de Joden zich eenigzins gewijzigd schijnt te hebben naar bet beeld van den Ilades der Grieken. 1) De, andere voorstelling is de opstanding der dood en in dc toekomende eeuw of de dagen van den Messias. Deze laatste is de heerschende, en daardoor is de vroegere als op den achtergrond geschoven. Alleen heeft .iiizus de grof zinnelijke voorstelling der Farizeën tot eene hoogere en meer geestelijke ontwikkeld, en op die wijze de denkbeelden van voortleven en herleven, onsterfelijkheid en opstanding nader tot een gebragt , in de verhevene uitspraak: t/God is yeen God der dooden, maar der levenden. Die Hem lief hebben en die Hij lief heeft, zij leven Hem allenquot; — Maar nu, in voorstelling en zinnebeeld, bedient zich de Heer en bedienden zich ook later zijne apostelen van beide denkbeelden : het schimmenrijk en de vallei der opstanding. Schoon in den aard onvereenigbaar, de zamenhang tussehen die beide voorstellingen wordt nooit aangewezen , juist omdat het, geen dogmatiek maar beeldspraak is. Hier bij voorbeeld is het, als of er nimmer eene opstanding , nooit eene andere onsterfelijkheid te verwachten ware, dan het leven in den schoot van abraham of in de Gehenna. Bij de opstandings-profetie daarentegen is het, als of de zielen jaren en eeuwen lang slapen in het stof, terwijl toch weder de Heer zelf van een heden in hel Paradijs en path s van een terstond hij chkistus zijn, spreekt. Slechts écnen doorgaanden regel heb ik , bij het gebruik dier dubbele beeldspraak, opgemerkt: het voortleven na den dood is meer van het individu , den enkelen mensch, het herleven van de menschheid in haar geheel gezegd; het eerste als de draad, dien de tijd vallen laat en de eeuwigheid voort spint; het laatste als het groote en heerlijke besluit der wereldgeschiedenis. En nu moge weder in onze dagen het mysticisme, dat oude spijzen aanbiedt op nieuwe schalen, zich afpijnigen op het eerste en tweede oordeel, de voorloopige en latere opwekking, het zielen-leven en het hemel-leven; — wat mij betreft, ik neem liever weer de eenvoudigen en kinderkens tot schcidsregters, Honderden malen heb ik zoo wel het een als het ander verhaald; op het eene oogenblik het lijden van den rijken man in de pijnen, op het andere het herrijzen der dooden, als de bazuine Gods gaat en chkistus komt op de wolken. Nooit heb ik gemerkt , dat die tegenstrijdigheid hinderlijk was. De eenvoudigen en onbevooroordeelden vatteden het beeld in eens, en dachten zich op dat oogenblik het andere niet. Men gevoelde de bedoeling, de kern dor waarheid, en had daarom van de eene zoo wel als van de andere voorstelling den zelfden indruk. Zoo is het zeker ook met jezus' toehoorders, zoo met de eerste discipelen der apostelen gegaan. Do zekerheid van de wereld der ver-
1) Hoe aamlaoktiger wij het beeld beschouwen , door jezus naar de volksdenkbeelden van zijnen tijd mgerigt, te meer valt ons die Joodseh-Gricksche klenr in het oog. Ook bij de Grieken hebben dc schimmen geheel de zelfde en kenbare ligchamelijke gedaante, en lijden dc boozen nog ligehamelijke smart in de vurige golven van den Pvriphlegethnn, terwijl de vromen door merkukhis, den Overbrenger der zielen (hichmks l'sychngogos of pMjchopompos) naar de Elyzeesehe velden gebragt worden. Zoo zingt hokatius (1 : 10) dezen God toe : Tu pias laetis onimas reponis Seddnis ; — even als de Chaldeeuwschc paraphrase op Vred. IV : 12 aanteekent, dat de zielen dor regtvaardigen door de engelen naar het paradjs worden gedragen.
51
de rijke man en de arme lazauus.
gelding, waarin al het onregt zou hersteld worden, veel weelde betreurd, maar ook veel tranen afgcwischt; de heerlijkheid eener toekomst, die nog slechts in beelden ons voor oogen schemert: — zie! dat was de waarheid zelve: maar de Gehenna daar beneden , zoo wel als de bazuin uit de wolken , slechts het kleed, waarin die waarheid werd gehuld. En het was eerst, toen men het christelijk geloof tot een theologisch stelsel, en de hope der heerlijkheid tot eetie beschrijving van het onzigtbare maken wilde, 1) dat men stuitte op eene tweespraak, die door de kunstmiddelen der menschelijke redenering nooit is weg te nemen. Een zeer eenvoudig apostolisch woord, een der laatste klanken van het avondlied der apostolische eeuw, heeft men daarbij geheel vergeten, het woord van den grijzen Johannes : Het is nog niet geopenbaard, wal wij zijn zullen.
Ten slotte, ook onze eeuw mag nog wel eens de laatste woorden der Gelijkenis ter harte nemen: de verzekering, dat geen nadere en zigtbare openbaring der onzigtbare en toekomende wereld krachtiger werken zou dan het woord van God. Al gelooven wij ook, dat het wonderbare en bovenmenschelijke noodig was bij de vestiging van het Godsrijk, en het onmogelijk kan geloochend worden, zonder geheel den Bijbel in stukken te scheuren; daarom hechten wij toch allereerst en allermeest aan de zedelijke kracht van het woord. Die boos en verdorven van hart is, die alleen voor zichzelven en voor het tegenwoordige leeft, die geen gevoel heeft voor de oneindige liefde Gods en den adel der menschheid, ook waar de arme tot de honden vernederd wordt; zijn boezem klopt voor geen godsvrucht of menschen-liefde. En al werd nog eens het gordijn der eeuwigheid voor hem opgeheven, de indruk van het vreeselijke loon der zonde zou alleen schrik en ontroering zijn; dus in den grond weder zelfzucht en het zoeken van eigen geregtighcid. Al dc vreeselijke sermoenen en akelige schilderijen , waartoe de rijke man de stof heeft geleverd, hebben de christenheid niet bekeerd en Europa niet beschaafd. En wie nog in onzen tijd wonderen en teekeiien eischt, hij zou zich ook nu, al ware hel, dat er een doode opstond, niet laten gezeggen. 2)
Een' geheel anderen indruk moet deze Gelijkenis bij ons achterlaten. Zij moet ons verzoenen met de vele raadselen van het Godsbestuur, en voor ons wezen, wat naar den omvang zijner godsdienstkennis voor den Israëliet het schoone boek van job was. 3) In zoo verre, maar ook in zoo ver alleen, is in den berg van Coccejaansche geleerdheid ten minste eenige waarheid opgesloten. Al wordt cimistus hier niet met opzet beschreven onder het beeld van een' armen bedelaar, hij zelf was toch in de geschiedenis, wat lazakus in de beeldspraak is; //god is mijne hulp,quot; nAl verlaten wij allen, de Vader is met mijquot; Dit is zijne levensspreuk, ellende eu verachting zijn lot; en waar hij verdrukt wordt en ge-
1) Het woord aStji , dc onzigtbare wereld, in onze Gelijkenis, is reeds aan deze eigenlijke opvatting uiet gunstig; ofschoon ik op de oorspronkelijke beteekenis vaneen Griekse h woord niet veel durf bouwen.
2) Wat de mogelijke gevolgen van zulk eene doodenverschijning zouden wezen, heeft reeds voor lang ui. baking aangetoond. [Diss, de praccone ex mor luis, in den Thes. novus, II; 470.)
3) Het zelfde denkbeeld is ook uitgedrukt in eene parabel van Eabbi eleazak , die met de onze ten minste eenige overeenkomst heeft:
//Zekere koning had zijnen dienstknechten eeuen maaltijd bereid. Nu kwam er een arme en stond aan de deur en zeide tot hen: «Geeft mij slechts ééne kruimel!quot; Maar zelfs van verre zagen zij niet naar hem om. Toen ging hij, door hun midden benen, tot den koning zelven, en zeide tot hem; „Mijn heer koning! van het geheele gastmaal, datgij bereid hebt, is het te veel, dat men mij ééne kruimel geve?quot;quot; (Naar koenigsmamn.)
DK KIJKE MAN l,N TIE AU ME LAZARUS.
53
srnaad, meer dan job en meer dan lazarus is daar. Al heeft dus de christenheid dit niet altijd betracht, en al is de man met den (jouden ring aan den vinger, in eene sierlijke Meeding, {Jak. II: 'l,) een type van de gedurig terugkeerende heerschappij des rijkdoms en de telkens vernieuwde verachting der armoede; toch blijft het leerzaam beeld in het Evangelie onuitwisch-baar staan. liet matigt ten minste de trotschheid van eene menigte rijken en grooten in de wereld; het doet duizenden geloovigen met meer lijdzaamheid bukken onder het kruis, en het cmiiSTUS nadragen ten einde toe, omdat zij God tot hulpe hebben; en in plaats dat de armen, als de paria's der maatschappij, met woest geweld aan rijkdom en weelde den oorlog verklaren, — gevoelt overal, waar het Evangelie, en ook deze Gelijkenis regt begrepen is en in het hart doorgedrongen , de arme Christen te zeer zijne hooge menschenwaarde en do nietigheid en vergankelijkheid van den rijkdom, om daarin het hoofddoel te zien van zijn leven en streven. Zoo is deze Gelijkenis, met die van den Kijken Dwaas en zoo vele andere woorden van het Evangelie, een krachtig middel, krachtiger dan geweld van wapenen , tegen het dreigend Communisme van onze eeuw, daar het een ander en hooger doel stelt voor het leven van den mensch, ook den armst en mensch , beter dan het plunderen der rijken; — en dat levensdoel is: rijk te zijn in God.
II.
|
IFanneer de onreine geest van den menseh uitgegaan is, zoo gaat hij door dorre plaatsen, zoekende ruste, en vindt ze niet. Dan zegt hij: nik zal weder Jceeren in mijn huis, van waar ik uitgegaan len.quot; En komende, vindt hij het ledig, met he zemen gekeerd en versierd. Dan gaat hij henen en neemt met zich zeven andere geesten , loozer dan hij zelf, en ingegaan zijnde wonen ze aldaar. En hel laatste des zeiven menschies wordt erger dan het eerste. |
IFanneer de onreine geest van den menseh uitgevaren is, zoo gaat hij door dorre plaatsen , zoekende rust-, en die niet vindende, zegt hij; nik zal wederkeeren in mijn huis, daar ik uitgevaren hen.quot; En komende, vindt hij het met bezemen gekeerd en versierd. Dan gaat hij henen, en neemt met zich zeven andere geesten, hoozer dan hij zelf is, en ingegaan zijnde, wonen zij aldaar. En het laatste van dien menseh wordt erger dan het eerste. |
Hoe velen ook, iu den laatsten tijd inzonderheid, eene verzameling en verklaring vau jK/xs' Gelijkenissen beproefd hebben, niemand bijkans schijnt het in de gedachte gekomen te zijn, daartoe de voorstelling te rekenen, die hier boven is afgedrukt. Alleen bij stuaut en drummond vond ik ze mede opgenomen, en bij den laatsten nog meer, zoo als ook Hugo de groot ze noemt, als eene zinnebeeldig opgesierde zedesehets, dan als eene eigenlijke Parabel. 1) 11 n toch meen ik te kunnen bewijzen, dat de Onreine Geest met even veel regt tot deze Verzameling behoort, als menige, andere; dat het eene zuiver ziune-beeldige voorstelling is van de dingen, die hel Koningrijk Gods aangaan; eene voorstelling, waarbij gebeurtenissen van het dagelijksch leven eene hoogere beteekenis verkrijgen. En het is alleen het vreemde van de spreekwijze en voorstelling, waardoor men niet zoo terstond het parabolische van de beeldspraak herkend heeft; ofschoon jezus zelf dit duidelijk genoeg had aangewezen iu de bijgevoegde woorden, volgens mattiiuis ; Al zoo 2) zal het ook met dit hoos geslachte zijn.
1) Mihi videtur hacc non esse parabola, sed commune cnuntialum, pictum muilis transtal ionum luminibus. Dit oordcel berust op de dwaling, die hij met de meeste oude uitleggers gemeeu liad; Dici autem patsim a spiritu maligna possideri eos, qui muudo hide serciunt, adeo obcium est ut probationis non egeat.
2) Zie over dit aizoo, als ,eene eouclusie uit de Gelijkenis,quot; Blz. 49 en 50 der Algemeene Inleiding. Bij de voorbeelden, dnnr uit lukas aangehaald, kan men uit mattiuüs nog voegen; het Onkruid en het Vhchi.H (11. XIII : 10, 49), den Onbarmharligfn Dienslhirchl (II. XVIII : 35), en de Arbeiders (H. XX : IC), behalve nog onderseheidene andere beelden eu vergelijkingen.
DK tlKZETKNK.
De lezer, die bij mijn onderzoek raij getrouw gevolgd is, herinnert zich, wat ik vroeger, bij de beelden van het Verdeelde Koningrijk en het Huis des Sterken (Deel I, lïladz. 129,) schreef: //Het is hier nog de plaats niet, oin de Joodsche geestenleer van dien lijd opzettelijk te behandelen. Ik had daartoe de Gelijkenis bestemd, die door jezus zeiven aan de toen algemeen aangenomen inwoning van booze geesten of démonen ontleend is,quot; — Aan deze belofte getrouw, wil ik hier over de lezetenen iets laten vooraf gaan , dat echter geene volledige verhandeling over een zoo veel besproken, — vaak met demonische woede, en maar zelden met wetenschappelijke diepte en helderheid besproken onderwerp zijn mag. 1)
liet valt iederen bijbellezer in het oog, dat in de boeken des Nieuwen Verhonds (nooit van het Oude) bij herhaling menschen voorkomen, van wie gezegd wordt, dat zij heiden waren van den duivel. De toestand van deze menschen wordt als zeer deerniswaardig beschreven , en echter beklagen zij zich daarover niet. Zij komen niet tot jezus om verlossing ; de lieer eischt ook van hen geen geloof. Hunue persoonlijkheid schijnt als het ware vernietigd, zoodat door hunnen mond een ander spreekt, een booze geest, die hun ligchaara bewoont, en die, als hij spreekt, ecne kennis aan jezus, als den chiustus, Gods Zoon, toont te bezitten, helderder en juister, duidelijker uitgesproken althans, dan het geloof der groote menigte j zoodat zij ons doen denken aan het woord van jakobus tot de Joden, die zich verhieven op hunne kennis aan den ééuen waarachtigen God: Ook de démonen gelooven, en zij sidderen! [Jak, II : 19.)
Zien wij nu al die verhalen naauwkeuriger in, en raadplegen wij daarbij den oorspronkelijken tekst, dan vinden wij deze werking van booze geesten zeer duidelijk onderscheiden van de heerschappij, die aan den Satan of Duivel, als Overste dezer wereld, den God dezer eeuw (2 Kor. IV : 4), wordt toegekend. Eegt jammer is het, dat dit verschil door onze bijbelvertalers niet is in het oog gehouden, en daardoor eene heldere voorstelling der zaak, enkel mot de Nederduitsche overzetting voor ons, bijna onmogelijk geworden is. Overal toch , waar van bezetenen sprake is, wordt een andere naam gebruikt; niet Satan of Duivel,
1) Do strijd over den Duivel en dc booze geesten is in ouze kerk begonnen met balthasar eekker's Betoverde Wcnrrld, (1(101,) een uitstekend en doorwrocht werk, dat door de demissie van den schrijver even min als door de vele en heftige tegensehriften overwonnen is. Veel, dat thans voor eene ontdekkingder moderne wetenschap gehouden wordt, is reeds bij hem , beter en grondiger soms, te vinden. In het algemeen is zijn beginsel: /,Chiustus werk was niet so seer, dc dolingen te wederleggen, als dc zeden te verbeteren.quot; Dc leer der démonen en de bezetenheid is behandeld in het Tweede Boek, II. XXVII en X.XVI11. Later is zijn gevoelen vooral door iiugii faumek (1777) weder opgevat, maar ook door Ds. c. van den- broek (1792) en anderen het kerkelijk stelsel op nieuw verdedigd. Onlangs (185G) behandelde Ds. c. a. klinken berg weder het zelfde onderwerp in den geest van b. bekkek (Ondrrzoek naar hetgeen de Bijbel leert over booze (/eesten enz.), terwijl het kerkelijk aangenomen idéé, schoon ecnig-zins gewijzigd, op nieuw verdedigd is door Dr. j. j. van oostebzee (Leren van Jezus, II : 147—107), die niet eene ligehamelijkc inwoning, maar eene inwerking der démonen aanneemt.
\ an beide kanten heeft men wel eens te weinig onderscheid gemaakt tusschen het bestaan van eenen Duivel en de bezetenheid door démonen : —die in onze Belijdenisschriften niet voorkomt, als zijnde alleen eene geschiedkundige bijzonderheid ; — en even zeer tusschen de geschiedenis zelve en dc gesohiedsehrij-vers. Dat dezen, althans dc schrijvers of verzamelaars der synoptische Evangeliën, de bezetenheid als een feit aannamen, aan démonen geloofden en daarnaar hunne verhalen inrigtten, is, mijns inziens, onwcdcr-sprekelijk. Op het standpunt der mechanische theopneustie en volstrekte onfeilbaarheid van ieder bijbelwoord was daarom bekkers gevoelen nooit vol te houden.
55
8*
de bezetenk.
maar démon (eigenlijk daimoon). Ook wordt, bij de ontmoeting van den Heer met zijne vijanden, die wij reeds vroeger beschreven en waartoe ook deze Gelijkenis behoort, als de Overste der Démonen beëlzebul genaamd, eigenlijk een Syrische afgod, en niet de booze geest, die als Tegenstander [Satan) of Lasteraar {Thdvcl) van liet rijk des lichts, elders voorkomt. liet is wel waar, dat jezus zelf dit verschil niet schijnt in het oog te houden, als hij de beschuldiging : //Deze icerpl demonen tiil door beëezebi'l , den overste der démonen !quot; beantwoordt met de vraag: nHoe kan satan satan uitwerpen?quot; Maar hieruit volgt alleen, dat jezus de demonische werking op het ligchaam en dc diabolische op de ziel van den mensch beschouwt, als in den grond éénc en de zelfde openbaring van het rijk der duisternis, Daar tegenover stelde hij dc openbaring van het koningrijk Gods, waarin alle zedelijk en natuurlijk kwaad door den Christus Gods wordt overwonnen of verzoend.
Dit onderscheid tusschen demonisch en diabolisch is zelden scherp genoeg in het oog gehouden. Zelfs de geleerde heeft moeite om zich geheel los te maken van eenc bijbelvertaling, die hem 't eerst de bekoorlijke heelden der Evangelie-geschiedenis voor 't oog der verbeelding geschilderd heeft. En toch is dit onderscheid zoo duidelijk cn zonder eenige uitzondering aangewezen. Toen judas iskahioth de Satan in 't hark voer, werd hij neen bezetene, maar een verstokt en arglistig zondaar; en als ananias en saffiea de Satan het harte had vervuld, dat zij den Heiligen Geest liegen*zouden, waren zij hierdoor niet krank , of door eenig uiterlijk kenteeken van andere menschen onderscheiden. —En omgekeerd: //de bezetene is geen zondaar.quot; Nergens wordt eenig zedelijk kwaad aan hen toegeschreven. Veel eer hebben zij alle zedelijke wilskracht verloren, en staat hun ligchaam, — gelijk dat bij het magnetisme en de biologie plaats heeft, en ook bij den slaapwandelaar of krankzinnige vaak schijnt plaats te hebben,—onder vreemden invloed. Nergens wekt jezus de bezetenen op tot berouw, cn nooit lezen wij tot hen het veel beteekenende woord : u Uwe zonden zijn u vergeven!quot; veel min : uGa heen, en zondig niet meer Jquot; — Dit laatste vooral is opmerkelijk. Wij zien er uit, dat niet alleen de bezetenheid zelve geene zondige inwerking van den booze was; maar ook , dat jezus de oorzaak er van niet aan eigen schuld toeschreef. Menschen, die verlamd cn verzwakt waren, cn alleen genezing en kracht van den Heiland vroegen, ontvingen te gelijk ook vergiffenis van hunne zonden; 1) niet als of jezus, met zijne tijdgenooten, in iedere ramp eene persoonlijke straf zag, maar hoogst waarschijnlijk, omdat vroeger zondig levensgedrag hunne kracht had uitgeput cn hunne gezondheid ondermijnd. Maar zelfs dit lezen wij van een'bezetene nooit. Hun toestand wordt altijd, als geheel buiten hunne schuld cn onafhankelijk van hunnen wil diep ellendig, voorgesteld; te ellendiger, daar zij zelfs het vermogen missen, om daarvan verlossing te vragen.
Houden wij dit laatste punt vast: 't gemis van schuldgevoel niet alleen, maar van helder zelfbewustzijn, of ten minste van het vermogen, om eigen meening en behoefte te uiten. En
1) '/ioo de bekende gemakte, door het dak neder gelaten; en de kranke in Belhenda, tot wieu dc Heer, eenigermate inden geest van de slotsom onzer Parabel, zeide : «Zie! yij zijl gezond geworden zondig niet meer, opdut n met wut ergers geschiedequot; (Joh. V : 11.) — Het voorbij zien van dit karak-(erestleke ondersclieid heeft bij voorbeeld aanleidiug gegeven, dat maria mag dalen a de type geworden is der berouwhebbende zondares, omdat van huar zecen démonen uuren uitgegaan, en zij daardoor behoorde tot de dankbare vrouwen, die van Looze geesten cn krankheden genezen waren, [Luk. V11I:2.)
56
DE B EZ El EKE.
vragen wij dan nu, welke de toestand is, dien de Evangelisten als bezetenheid voorstellen.
In dien toestand is niets bovennatuurlijks, en zelfs niets ongewoons. Al de bijzonderheden der bezetenheid , — het spreken dor booze geesten nu vooreerst daar gelaten : — komen nog meer malen voor, als ziekteverschijnselen, die hare natuurlijke oorzaken hebben, maar in wier werking op den menschelijken geest toch altoos iets vreemds en geheimzinnigs is. Eu zoo vond ik, bij naauwkeurig onderzoek , dat al de gevallen van bezetenheid, die ons de Evangelisten beschrijven, tot slechts drie ziekten kunnen herleid worden, die, helaas! nog maar al te dikwijls voorkomen: krankzinnig f/ei cl, vallende ziekte en doof stomheid. 1)
Van krankzinnigheid 2) zijn de sterkste bewijzen in die ongelukkigen, die geene klecderen kunnen aanhouden en soms de zwaarste betijen verbreken; die eenzame plaatsen onveilig maakten, en soms op de genen, die lien genezen wilden, woedend aanvielen. 3) Men bedenke hierbij, dat er toen geene krankzinnighuizen waren , en zulke menschen niet als kranken behandeld en verpleegd werden. En geen wonder ! Tot op onzen tijd toe zag men de razenden met ijzeren ketenen vast geklonken; en nog wel eens is een rond dwalende waanzinnige de schrik van wie hem ontmoeten. Hoe zon het dan niet zijn, wanneer al onze gestichten gesloopt werden, en daarbij zekere bijgeloovige eerbied den krankzinnigen de meest mogelijke vrijheid liet ?
Ook de vallende ziekte, dikwijls zoo naanw aan krankzinnigheid verwant, herkennen wij duidelijk ; en toch niet bij al deze ongelukkigen. De razende in 't land der Gadarenen is niet epileptisch ; en de jongeling, over wiens lijden een ongelukkige vader klaagt , wordt wel van der jeugd af telkens in vuur en water geworpen, en ligt dan voor dood daar neder, maar van zijn verstand beroofd schijnt hij niet geweest te zijn; alleen wezenloos, zoo als doorgaans, vooral kort na een nieuw toeval, zulke arme lijders zijn. 4) — Slechts in
1) quot;Vroeger meende ik met velen, dat jezcs' tijd- cn laudgeuooten elke ziekte of kwaal, waarvan zij geene natuurlijke oorzaak kenden, aan démonen toeschreven, even als do Heidenen aan den toorn der goden. Maar bij nader onderzoek vond ik er altijd verstoring der zielsvermogens mede gepaard, indien men slechts ■den toestand van eenen onopgevoeden doofstomme daar ook bij in aanmerking neemt; het geen, voor zoo ver ik weet, nog door niemand gedaan is.
2) Klinkenhekg beeft bier ecne juiste opmerking over bet natuurlijk verband tussebcu krankzinnigheid en zonde; maar die toeh, dunkt mij, hier niet te pas komt. Naar de Joodsche voorstelling is de itvev[.in zelf, als eene persoonlijkheid van die des lijders onderscheiden , wel uKuamp;aqrov (in tegenstelling van den Heiligen Geest en de heilige Engelen,) cn novr/qóv, maar de menseli zelf, die er door bezeten is , uiet.
3) Dc duidelijkste beschrijving van hevige krankzinnigheid lezen wij van den bezetene in bet land der Gadarenen. Uit bijzondere belangstelling in de zwijnen, heeft men dikwijls te weinig op den man zelven gelet. Sedert langen tijd was hij bezeten; geen kleed kon hij aanhouden; niemand kon hem hinden; den gansehen nacht en dag wan hj in de grafspelonken en oy, dc bergen , schreeuwende en zich zehen met slecnen slaande. Niemand kon door dien weg voorbij gaan. (Ulatth. VIII ; 2S—34 ; Mark. ; VI—20 ; Luk, VIII: 26—29.) Deze man kroeg echter geen toeval bij het uitvaren van bet legioen booze geesten, maar kleedde zich bedaard, en zette zich, wel hij zijne zinnen ((twqngojw) , aan de voelen van jezus , wien hij zelfs verzocht, met hem te mogen zijn. (m. l.) — Zie ook Hand. XIX : 16 , waarover later.
4) Bijna met medische naauwkeurigheid wordt do toestand van dezen jeugdigen lijder door den vader beschreven: »Waar de geest hem ook aangrijpt, zoo scheurt hij hem, en hj schuimt en knerst mei de tanden. Ook is hij maanziek (krijgt bij 't aankomen der maan de hevigste aanvallen), maar in don laatsten tijd wijkt de geest naamcelijks van hem. (Er is bijna geen tussohenpoos meer tusschen de toevallen.) Dc démon verplettert hem en werpt hem menig maal in vuur en water, zoodat hij geheel vervalt.quot; (Mullh. XVII: 14—21; Mark. IX : 14—29; Luk. IX : 37—43.) — Bij zulke epileptici ging de genezing gepaard met
57
dk bkzktene.
één eiilid geval schijnt de sprekende, en dus krankzinnige bezetene, ook aan toevallen onderhevig, gelijk dit nog dikwijls plaats heeft. {Mark. T ; 23—27; Luk. IV ; 3.'5—36.)
Dit wczcnlooze heeft ook de doofstomheid tot de klasse der bezetenen gebragt. quot;Wij lezen ten minste enkele malen van een' onreinen geest, die stom was, en tegen wien de Heer niet sprak, zoodat de kranke zeker ook doof moet geweest zijn. Eens voegt mattiieüs er, als het toppunt van mensehelijke ellende, ook nog de blindheid bij. 1) Zij, die enkel blind waren, worden nooit bezetenen genaamd, 2) En dit heeft zijne natuurlijke reden. De blinde verstaat de mensehelijke taal, en drukt er zijne gedachten in uit. Hij is diep beklagenswaardig, maar van de zamenleving niet uitgesloten, veel eer belangstellend en gevoelig. Maar de doofstomme, (dien wij ons naauwelijks meer in zijn' woesten natuurstaat kunnen voorstellen,) wanneer hij niet op eene geheel bijzondere wijze ontwikkeld is, leeft hij onder menschen als ware hij een minder wezen; drukt liartstogten uit, maar geene denkbeelden, althans slechts zeer onvolmaakte; en nu eens wezenloos rond ziende, dan weder, omdat hij niet begrepen wordt, in hevige woede ontstoken, wordt hij nog wel eens voor onzinnig of waanzinnig gehouden.
Onze slotsom is, dat de zoogenaamde bezetenen kranken waren; en wel zulke, die in de vrije werking hunner geestvermogens en 't vrij bestuur over hun ligchaam belemmerd w aren, als door eene geheimzinnige magt geregeerd. Deze slotsom staat te vaster door de hoogst belangrijke opmerking, dat juist deze dr\c kwalen, — krankzinnigheid, vallende ziekte en doofstomheid,—onder de vele kranken in het Evangelie nooit voorkomen. Of zouden (r dan toen in het geheel geene krankzinnigen enz. geweest zijn? — En men meene niet, dat dit eene opvatting is van den nieuwen tijd, aan de oorkonden van mus' omwandeling op aarde als met geweld opgedrongen; neen! den Evangelisten zeiven zweeft ze voorden geest, wanneer zij de bezetenen mede tellen onder de zieken, door den Heer genezen, en in wie de voorspelling van jesaja werd vervuld : Wij heefl onze krankheden op zich genomen. 3) En niet minder.
een laatst cn allerhevigst toeval, waarbij de démon den armen lijder in hl midden neder wierp, maar zonder hem te beschadigen (luk. IV ; 35); ■— of deze, als van een yescheurd , schreeuwende op den grond viel, zoodat velen zeiden, dal hij gestorven was. {Mark. IX ; 20.)
1) Mallh. XII : 22. Van dezen bezetenen blinde en stomme (doofstomme), zegt mattiieüs alleen, dat jezusgenus [tfretjartsvae), zonder den démon toe te spreken, Maith. IX. : 32 wordt weder van eenen mensch stom bezeten gesproken. Lukas (H. XI ; 14) noemt het een' stommen démon, d»i is «den démon der stomheid.quot; Ook dezen wierp jezus zonder toespraak uit, en de stomme sprak, tven als de andere maal; een wonder, te grooter , wanneer hier geboren doofstommen bedoeld worden, die nog geene mensehelijke taal geleerd hadden. Zulk eenen ten minsle moeten wij ons hoogst waarschijnlijk voorstellen in den epileptiseheu jongeling, van wien reeds gesproken is, en die niet een' stommen, maar een' sprakeloozen geest bad [nrnvua ui.uXov, Mark. IX ; 17, of ululuv xai xuic/ov, vs. 25). Bij deze gelegenheid bestrajle jezus evenwel den démon.
2) Het is dus niet juist, wanneer in een overigens lezenswaardig artikel van het Bijbelsch Woordenboek gezegd wordt : »Zij, die een daemon, boozen, onreinen , stommen geest hebben, zijn in 't algemeen stommen, blinden enz.quot; Van blinden is mij althans geen ander voorbeeld bekend, dan dat van den blinden doofstomme. En wat de overige stommen betreft, de man, die zwaarlijk sprul [fioyi).«kos), omdat hij, dooreen organisch gebrek, doof was, wordt geheel anders beschreven cn behandeld {Mark. VII ; 32—35), dan de sprakelooze of doofstomme.
3) Hatth. VIII : 1G, 17, naar Jes. LII1 ; 4. — Zie verder Matili. IV : 24; Mark. 1 ; 32; Luk. VI ; 18; VII ; 11 enz. — Ook de uitdrukkingen èy nveifiuri cxoamp;ayTM , in eenen slaat van bezetenheid, cn xaxMS Jnt/ioWfficu , zij is erg bezeten {M. V : 2 ; Ml. XV ; 22), duiden eenen ziektetoestand aan.
58
DL BKZfcTENK.
wanneer zij van den genezen' bezetene zeggen, dat hij gezond h, of (bij krankzinnigheid) wH hj zijn versland, of zelfs, als iets ongewoons en het gevolg van rustelooze stuiptrekkingen , te hed liggende. 1)
De vraag is nu alleen, of de zelfde ziekteverschijnselen, die thans eene natuurlijke oorzaak hebben, toen uit eene bovennatuurlijke voort vloeiden. Mij dunkt, dan is de gevolgtrekking der bijgeloovige menigte juister, wanneer zij meent, dat de zelfde verschijnselen ook nog de zelfde oorzaken hebben, zoodat zij bij onverklaarbare ziektegevallen aan booze geesten, heksen en toovenaars denkt, en in plaats van geneesmiddelen tot bezweringen de toevlugt neemt. 2) — Over den middelweg, als zouden wij hier //niet aan inwoning, maar aan inwerking van booze geesten,quot; te denken hebben, spreken wij niet. Ik kan niet inzien, dat daarmede de letter van het bijbelsch verhaal gered wordt; en dit kan toch de eenige bedoeling zijn, waarmede men eene geheel natuurlijke verklaring, (niet der genezing, maar der kwaal,) verwerpt. Zullen wij dus, met vele Protestanten, zekere tijdelijke inagt aannemen, aan de booze geesten geschonken, opdat Jiczrs' heerschappij over het rijk der duisternis te sterker zou uitkomen? Maar dan is het wel opmerkelijk, dat jezvs' tijdgenooten er niets vreemds in zien, maar in tegendeel de bezetenheid zoo wel als het uitdrijven der démonen beschouwen als eene zeer gewone zaak; maar ook alleen gewoon en erkend in de Joodsche, niet (althans niet op de zelfde wijze) in de Ileidensche wereld, en nog minder bij de oude Israëlieten, ja! naauwelijks bij de Grieksche of uitlandsche Joden. Want zoo als nergens in het Oude Testament bezetenen voorkomen, zoo ontmoeten wij ze even min in liet Evangelie van Johannes 3) en de apostolische brieven. Dus blijven alleen matïiieüs, markus en lukas over. En de laatste, die er ook eene enkele maal in de Handelingen (maar altijd in het
1) Die over de bezetenen van don nieuweren tijd, bij het. reeds door bekkeu verzamelde, ijzing-wekkende bijzonderheden lezen wil, llt;au die vinden in de Geschicilkundigc Voorstelling der cmchilUnde vormen van den Goisdiennligen Wuundn, door Dr. k. w. ideieh. Iu 't wezen der zaak is deze bezetenheid evenwel eene andere, als zijnde eene hevige krankheid van het dweepzuchtig opgewonden gemoed. Zij bewijst alleen, hoe het algemeen aangenomen volksdenkbeeld zulk eene krankheid beheerseht, en zelfs het persoonlijk bewustzijn verwart, zoodat de krankzinnige als in den persoon van zijn'boozen geest spreekt. Overigens heeft het »betooverd zijnquot; onder onzen boerenstand, als zuiver ligehamelijk en daardoor ook op dieren van toepassing, met de Joodsche denkwijze meer overeenkomst.
2) Zelfs van oostbbzee komt, in zijne geleerde en welsprekende apologie der bezetenheid, tot de slotsom: »Wij zouden niet durven beweren, dat bezetenheid ook nog heden ten dage volstrekt onmogelijk is.quot;
3) Bij joiiannks komt het «hebben van een' demonquot; alleen voor als een „uitzinnig, tol razernij toe opgewonden zijn,quot; zoo als do Joden het van jezus zeiden, en in éénen adem hem voor een' Samaritaan (dat is een' ketter of dweeper) verklaarden. (./«/;. VIII ; 48; X ; 20.) De uitdrukkingen zijn: Jaipóviov é'xei, fialvBtut,, Saifiovi^o^iévoi ëan. — Opmerkelijk is het, dat ook bij mattueüs de Joden het eerste van Johannes den Dooper zeggen. {Matth. XI; 18.) Ook markus noemt het eene lastering van den Heiligen Geest, als zijne vijanden van jezus zeiden, dat hij em' onreine» geest had. {Murk. Ill : 30; de Evangelist denkt aan eene inwoning van eefjzebll, vs. 22, waar de anderen van een zeker verbond met dezen spreken.) Het welwillender oordeel van jezus' vrienden en betrekkingen bij deze zelfde gelegenheid was, dat hij buiten zijne zinnen, in oenen staat van extase zich bevond [nu èSéati/), waarom het tijd werd, zich van hom moester te maken (xodrymt avtov), Mark. Ill : 21. Het zelfde woord extase, verrukking, wordt ook, in minder sterke beleckenis natuurlijk, van de verbazing der menigte gebruikt [Murk. II : 12; V : 43 en elders); en tot I'Aulus zegl ïestus: Maivy ['jij zijl uitzinnig'), en wel door de noXht yyaguara , te ingespannen studie. {Hand. WVI : 21.)
50
ür bkzetenk.
Joodsche land, of ten minste onder Joden,) van spreekt, gebruikt, als hij in zijn'eigen'' stijl schrijft, reeds meer twijfelachtige uitdrukkingen. 1)
Maar de Evangelisten staan daarbij niet op zich zelve. Zij spreken geheel in de denkwijze der Palestijnsehe of llebreeuwschc synagoge; minder, naar het schijnt, in die van de Alexandrijnsche Joden. Zoo spreekt flavius jozefus er ook van, geheel in den zelfden geest, en treffen wij er reeds vroeg enkele sporen van aan, later door de Farizcën tot eene-uitvoerige geestenleer uitgewerkt.
Dat krankzinnigen van ouds her door de godsdienst beschermd werden , als zijnde door eene geheimzinnige, bovenmenschelijke inagt beheerscht, is reeds te zien in david's list, toen hij zich krankzinnig veinsde, om zijn leven te redden. In de zelfde geschiedenis worden ook de vlagen van woede bij jsaul aan een' loozen geest Gods, of van jehova toegeschreven. Want eene eigenlijke Satanische magt, tegenover die van God, kenden de oude Hebreen nog niet. Zelfs dc leugengeest in den mond der profeten van aciiab werd door jehova gezonden. (1 Sam. XXI ; 13; XVI : 14; 1 Kon, XXII ; 22.) Het eerste, dat iets nader komt aan de Farizeesche geestenleer, is het boek tobias, waarin wel geen eigenlijke bezetene, maar toch eene betooverdc bruid de hoofdrol speelt, en een goede Engel den jongen tobias het toovermiddel aan de hand geeft, om den boozen geest te verdrijven.
Het denkbeeld, dat geheimzinnige ziekten aan de magt van booze geesten zijn toe te schrijven, vinden wij reeds bij dc Grieken door iiippokrates bestreden. Al wat, bij de meer ingewikkelde kwalen, die aan het leven in eene beschaafde maatschappij eigen zijn, al te zeer van het gewone en natuurlijke afweek, — wat den kranke uiterlijk gezond liet, en toch scheurde en martelde of geheel zijn' aard en karakter veranderde, — een démon of kwelgeest kreeg er de schuld van. — Dit viel vooral in den smaak der Farizcën, die, tegenover de Sadduceün, luchten aarde cu onderwereld met geesten bevolkten. Dc Talmud, in hunnen geest voort gesponnen, bevat de grootste ongerijmdheden hier over, eu beangstigde het reeds zoo ongelukkige volk nog meer door allerlei kwelgeesten, waarvoor de heilige Wet des lleeren spreuken of toovermiddelen hebben zou. Zoo had men reeds in jtzvs' tijd zich min of meer booze en krachtige démonen uitgedacht, en voor aller Overste eeueu naam verzonnen, lleeds toen waren er exorcisten of geestenbezweerders, en flavius jozefvs zegt, dat zij hunne tooverformulen aan salojxo toekenden; dus niet aan eenige hoogere profetische ingeving, maar aan dc wijsheid, die verborgen natuurwetenschap beoefent en over meer dan natuurlijke krachten beschikt; gelijk salomo voor den Oosterling dc persoonsverbeelding van alle menschelijke wijsheid is. Jezus zelf zegt ons, dat de zonen, dat is de leerlingen der Farizecn, ook démonen uitwierpen, en johannes spreekt van sommigen, die,
1) Zoo heeft i.ukas, II. IV : 33: een yceü van ectï onreinoi démon, waardoor de inwoning van den boozen geest zeiven minstens twijfelachtig wordt gesteld; —11. IX : 42 is het: jezis latrajtc den onreinen yeeU en genus hel land, zonder dat er van een uilvuren gesproken wordt;—en H. XIII ; Ji spreekt hij van eenen yeesl tan krankheid ot zwakheid (uaamp;ersias) , eene langdurige verzwakking en verkromming der leden, die geeiie de minste overeenkomst met bezetenheid heeft, — Eindelijk, Hond. XIX: 13—10, waar voor het laatst, en altijd in den kring der Palestijnsehe Joden, bezetenen voorkomen, spreekt wel de démon, maar dc krankzinnige mcmc/i valt op zijne les weerden aan, en seheiirt hun de kleederen van het lijf.
fiO
de bkzetekk.
schoon zij jeztjs niet volgen, daartoe toch zijnen naam gebruikten , en, naar het schijnt, met goed gevolg. Later mislukte de zelfde proef aan de zonen van zekeren Joodschen over-priester, en zij kwamen deerlijk pehavend uit de handen van den razende, dien zij hadden willen genezen. {Multh. XTl : 27; Lui-, IX : 49; Hand, XIX: 13.) Dat dus .tezus ook démonen uitwierp, zou minder voor een wonderwerk gehouden zijn, dan dat hij ongeneeslijke kranken genas. Het werd meer gedaan; en dit schijnt al weder een natuurlijk zenuwlijden aan te wijzen, dat door morele overmagt en blind vertrouwen in den bezweerder kan worden gebroken. Maar een bovenmenschelijk tecken was het, dat de lieer enkel vief hel woord allen (/etuis, die van démons gekweld werden; ook waar andere exorcisten vergeefs hunne wonderspreuken beproefd hadden, en zelfs, waar door doofheid en blindheid de kranke voor alle werking op zijne ontstemde verbeeldingskracht onvatbaar was.
Nu blijft dan alleen duister, hoe de démonen door den mond der kranken zrk) spreken konden, en ook jezus hen als werkelijk bestaande booze geesten toespreekt. Net eerste is alleen verklaarbaar door de algemeen heerschende volksraeening, zoodat de kranke zich zelf bezeten achtte niet alleen, maar ook zijne geheele persoonlijkheid als 't ware in die van den ingebeelden démon onderging. En wat zij zeiden, dat getuigde van den sterken indruk, dien jezl's' verschijning maakte op hunne ontstemde verbeelding. In zijne tegenwoordigheid werden zij onrustig, beangst, in vrees om hunne bandelooze vrijheid, die ieder krankzinnige lief heeft, te verliezen, en toch weder, als geheel onder zijne overmagt, onwillekeurig tot hem getrokken. {Mark. V : 6, 7.) — En het is weder opmerkelijk, dat hier, als overal, de waanzin slechts de beelden teruggeeft, die de fantasie van den verstandige reeds in zich had opgenomen. Ecne daemoniac in eene onzer krankzinnig-gestichten hoorde ik het uitschreeuwen , als in navolging van de oude bezetenen ; ecne Joodsche somnambule droomt van abraham, eene Christelijke van chiustusj eene bezetene non siddert voor de heilige hostie. Even zoo spreken de bezetenen in Judca en Galilea van den Zoon Gods, den christls , die de naderende krisis (het oordeel) aankondigt; terwijl de Heidensche slavin te Fitippi, die een' waarzeggende» (Pvthonischen) geest heef!, spreekt van dienstknechlen des levenden Gods, die ons den xveg der behoudenis verkondigen. {Hand. XVI: 16, 17.)
En is het nu zoo vreemd, dat jezus spreekt in dc taal van zijnen tijd, en het geloof, dat hij anders vooraf vroeg, opwekt door zijne toespraken aan de onreine geesten? Slaat dit niet gelijk met hot bestraffen van den stormwind, of zelfs van de koorts, dat soms [Luk. IV : 36, 39, 41) als in éénen adem met het heslraffen der démonen verbonden wordt ? — Stellen wij eens, dat jezus, die zoo veel gevaarlijker en onzedelijker bijgeloof te bestrijden had, ware begonnen met tebetoogen, dat er gecne démonen, geene bezetenen ten minste zijn; zou men hem niet terstond als een' Sadduceër, een' vrijdenker, die aan Engel noch Duivel geloofde, gelasterd en geschuwd hebben? — Ja! en te eer kon jezus zich in die denk- en spreekwijze verplaatsen, omdat hij alle natuurlijk en zedelijk kwaad aan 's menschen vervreemding van God en dc heerschappij van den Overste dezer eeuw toeschreef, zoo als hij ook van eene kranke, die niet bezeten was, zeide, dat de Satan haar nu zoo lang gebonden had. 1)
1) huk. XIII : 16. Het is de zelfde vrouw, die geheel krom getrokken was door een* geeU der krankheid. Hoe kan müijke dit noemen einen Ddnion, welcher ihre Muskelkra/le lahmle, so dass sic
de bezet enk.
Na al liet gezegde blijft dus den lezer tusschen drie gevoelens de keus: dat der meeste Eoomsch Katholijken , die de zelfde gevolgen nog aan de zelfde oorzaak , de werking van den Duivel, toeschrijven; — dat der oude Protestanten en nieuwere mystieken, die eene tijdelijke werking van booze geesten in jezus' tijd erkennen ; —en de natuurlijke verklaring, waaraan ik meer licht heb pogen bij te zetten. — Men zal mij wel toestemmen , dat het tweede gevoelen het minst consequent is , al meent men het ook nog, uit eerbied voor dc letter des Bijbels, te moeten aannemen. Daarbij vergete men echter niet, dat de verschillende opvatting der bezetenheid aan de kracht der teekenen, door jeztjs verrigt, niet toe noch afdoet: want de genezing van krankzinnigen, doofstommen of epileptici, door zijn enkel magtwoord, is een even groot wonder als de uitdrijving van een' wezenlijken démon. En even min staat of valt met de démonen-leer het bestaan van booze geesten , met wie de zondaar zich vrijwillig in gemeenschap stelt. Wij laten daarom ook den persoonlijken duivel, met al wat men daar véór en tegen gezegd heeft, hier geheel buiten beschouwing.
Maar hoe men ook over dit alles denke , de Gelijkenis, die wij thans te behandelen hebben, blijft de zelfde. De toestand van den bezetene, daarin beschreven, verandert er niet door; en het verschil zal alleen zijn , dat wij dien toestand ons als natuurlijk, anderen als werkelijk betooverd of bezeten voorstellen. Maar de verschijnselen zijn de zelfde, de toepassing is het insgelijks.
iyeiimcer de onteine /jeest vuu deu meusch is uityeyuau hr staat niet uityedveven. Men zou dus kunnen denken aan de natuurlijke onrust, aan al vat boos is, eigen, loch komt mij dit hoogst onwaarschijnlijk voor. liet uitgauu vein , na het inwonen bij den annen lijder, is de gewone uitdrukking, bij al dc door jezus genezenen. 1) De démon heeft zijne liefste woning in den mensch. Hij verlaat die slechts gedwongen. En wat nu?
Zoo gaal hij door, — hij divageeri, om eens eene vreemde uitdrukking tc gebruiken , hij zwerft rond, — door waterlooze plaatsen , zoekende rust. Naar de Joodsche voorstelling was 't van ouds de woestijn, het waterlooze en daardoor dorre en onbebouwbarc land, waarin de fantasie zich allerlei schrikbeelden schiep. Het wild gedierte hief er zijn dof gebrul of klagend gehuil aan; de doodende woestijnwind velde cr zijne slagtoffers; de brandende dorst deed cr den koortsachtig gejaagden reiziger do vreemdste luchtspiegelingen zien. Die woestij-
s:ch nicht aufrichlen Iconnle ? Ook waar eene enkele maal nvsv/ia alleen vau zulk ecu' kwelgeest voorkomt , wordt er toeli iu den zamenhang het gewone axaSaqiov bijgevoegd, (}fark, IX : 17, 25.) Eu jfzus zou den démon uitgedreven hebben, door haar de handen op te leggen!!
In deu zelfden geest, waarin dolleer de verkromming dezer vrouw aan den Satan toeschreef, zag hij, bij het uitdrijven der démonen door de zeventig discipelen, den Sulan als een hliksem uil den hemel vallen {Luk. X : 18); — en zegt ook petrus, Hand. X i 38, dat hij het land door ging, goed doende , en genezende allen, die van den duivel (diabolos, niet daimoon) overweldigd waren. Hier zijn zeker ook de gewone genezingen, die niet afzonderlijk genoemd worden, onder begrepen; en het is dus weder bij lu kas , dat de daemoniaci niet wezenlijk van andere kranken onderscheiden worden,
1) Maar eeno enkele keer {Maith. XVII ; 21) vond ik èxTtoQ6isa9ai., legen tien malen ftégxecramp;ai. Van een vrij willig uitgaan lezen wij nergens. Dit is voor de opvatting van het vervolg der Gelijkenis; ,eeu terug keeren met zevenvoudige magt, om te kunnen ingaan,quot; —ei(isl.dstv tegenover è^ekOet» — vangroot belang. Onze Vertaling heeft 't zelfde woord bij afwisseling door ■uitgaan en (altijd bij luk as , eens bij makküs,) door uilraren overgezet.
02
de bfzbtênk. (13
é
iien bevolkte reeds de verbeelding van hreh profeten en dichters met draken en allerlei andere gedierten, waarvan de geheimzinnige namen soms aan iets bovennatuurlijks doen denken. Daar nu de démonen niet alleen looze, maar ook onreine geesten waren , gaf men hun de woestijn ter woning, 1) niet akker en wijnberg en olijfgaard, 't land door men-schenhandeu bebouwd en aan jehova geheiligd; — of 't mogt, te midden eler bewoonde streken, een grafspelonk wezen, ook onrein, vol doodsbeenderen en verrotthuj, en niet zelden van melaatscheu , nog meer van krankzinnigen de toevlugt. 2)—De fantasie werkte hier even eens, als bij onze voorvaderen, toen zij de middeleeuwsehe ruïnen met spoken bevolkten.
In die waterlooze streken zoekl de démon rml, eigenlijk verademing, of liever eene rustplaats, waar hij van het doelloos zwerven adem scheppen kan. Maar lij vindt die niet. De boosheid jaagt hem voort, en hij treft in de woestenij niemand aan, om kwaad te doen. Lan zegt hij, (uikas heeft: en niet vindende zegt hij)-, nl/c zal terug keeren tut mijn huis , waar van ik hen uitgegaan.quot; Dit gezegde heeft velen aan een vrijwillig uitgaan doen denken, met de magt om vrij terug te keeren. Maar ik zou dit regt van eigendom uit het woord uviijn huis,quot; dat bij mattueüs zelfs voor aan staat {Naar mijn huis zal ik weder keeren), niet zoo stellig durven afleiden. Mij dunkt, wij zouden ook ligt spreken van //o.ns huis,quot; bedoelende: //waar wij 't laatst gewoond hebben,quot; vooral wanneer wij later geene andere woning //ons te huisquot; konden noemen.
De onreine geest doet bet, en komt. Maar komende vindt hij het ledig (maïïh.), met bezemen gekeerd, of al het stof opgeveegd 3) en opgeknapt 4). — Er is hier een groot verschil van opvatting, waarbij twee der nieuwste en scherpzinnigste uitleggers (de wette en meijek) lijnregt tegenover elkander staan. Do eerste vindt er een ongunstig teeken in voor den onreinen geest: //Hij kau er nu zoo gemakkelijk niet meer intrekken, in zijne vroegere woning, en moet dus hulp zoeken;quot;—de ander vat de zaak op als gunstig en verblijdend voor hem: vllij vindt de woning zoo goed (zoo comfortable, zegt uien thans,) ingerigt, dat zij wel voor meer dan voor hem alleen plaats heeft.quot; De vraag is niet zoo gemakkelijk; maar ofschoon de meerderheid van stemmen voor de hatste opvatting is, zou ik nog altijd aan de eerste verre weg de voorkeur geven. De woning—hier het menschelijke
1) ToLias Vlll : 3 wordt de boozo geest uitgedreven , rlie tl naar de. bovenste dealen vim Kgi/jde (de woestijnen van Opper-ËgypUi), en wordt diiar door den Kngel gebonden. Jiarnch IV : 35 behoort het door démons Lewoond worden, tot de schels eener algehecle verwoesting; Openb. XVIII : 2 is liuhel geworden tot eene tcoonslede der denoncv. Dat reeds in bet Oude Verbond, meer dun onze vertaling zou doen vermoeden, van de boozo geesten der woestijnen en bossehen gesproken wordt {Deut. X XXII : 17 enz.), is iu den laatsten tijd erkend {thjb. Il'oordb., Art. duivel), zoodat men niet meer zoo stellig zal verzekeren , dat dc Joden geheel hunne dcinouische en satanische geestenleer uit Bubel hebben mede gebragt.
2) Dat men de démonen voor geesten van booze afgestorvenen hield (flav. jozevus , Joods. Oor/. VII: 6, 3), en daarom meende, dat zij in de graven zich ophielden, geloof ik niet. 't Komt mij voor, geen .'oodseh denkbeeld te zijn, daar de geesten der afgestorvenen, uit bet schimmenrijk verschijnende, even zeer van de demonen-wereld onderscheiden waren, als dit in dc latere Noodsche Mythologie plaats vindt. En dat de krankzinnige van Gadara, iu eene woeste en bergnchtige. landstreek, oude en verlatene grafspelonken (fivi/fiela) tot woning koos, was ook buitendien zeer natuurlijk.
3) liet zelfde woord (aaijoïi') komt alleen nog voor in de Gelijkenis van den Verloren' Venning waaruit blijkt, dat hier vooral aan het storten van den vloer moet gedacht worden.
i) Ook bij dit tweede woord [xexoarftr/gsrov) is vooral orde, en niet opsiering het oorspronkelijke denkbeeld. Zoo staat het Matth. XXV ; 7, van de Mmigdeu , die hare lampen in ade bruglen
9*
g| DK BKZKTENt'.
ligchaam — was niet, geschikter voor onreine geesten, naar mate zij zuiverder was en ordelijker ingerigt. Wanneer wij onze volksdenkbeelden raadplegen, clan worden ook de spoken juist door metsebar, tiunncnnan en verwer verdreven. Hoe meer het gebouw er nnheimhch uitziet, te meer gevoelen de gersten er zich in te huis. In onze Gelijkenis nu heeft de bewoner van de afwezigheid van zijnen kwelgeest gebruik gemaakt, om het uit te vagen, alles weder te reinigen en op orde te zetten, gelijk de démon het in wanorde of geheel verwoest had achtergelaten. Het huis heeft rust en is in orde gelragt, — niet, zoo als onze vertalers zeggen: //staat ledig en is versierd.quot; — De onreine geest vindt, juist door die rust, het huis wel niet genoegzaam bewaakt, maar alléén kan hij er toch niet ingaan. — Van gaat lij leen en neemt mede [net zich, mt.) zeven [andere mt.) geesten, boozer dan hij zelf, en lomende (of linnen komende mt.) wonen zij aldaar. — Men heeft gevraagd, wanneer de onreine geest hulp noodig had, waarom hij dan loozere en niet sterher geesten zocht. Maar mij dunkt, in de meerdere boosheid ligt, bij de voorstelling van de kwelgeesten, ook meerder kracht. Overigens is eene zevenvoudige bezetenheid geen ongewoon denkbeeld. Wij zeggen doorgaans, dat zeven het heilige getal is ; een Joodsch schrijver van vóór jezus' tijd noemt het //'t getal der hoogste volkomenheid;quot; 1) die dus wel meestal in een'goeden zin ge-nomen wordt, maar ook de volkomenheid van het kwaad kan uitdrukken. Zoo heeft do Heer van ma ui a magdalena zeven démonen uitgedreven. Bij den krankzinnige in Gadara was zelfs hun getal legio, voor eene geheele kudde van twee duizend zwijnen genoeg.
Ontdoen wij nu ons zinnebeeld van de inkleeding der Joodsche geestenleer, dan hebben wij een' bezetene vóór ons, die, geruimen tijd door hevige toevallen gekweld, voor eene poos, hoe dan ook , geheel genezen schijnt. Hij komt nu op rust, en 't ligchaam hervat zijne geregelde werking. He kranke begint zelfs 't leven weêr te genieten , en vreest voor zijne vroegere ziekte niet meer. Daar grijpt hem op eens, onbedacht en onbewaakt, eene zeven-dubbele. magt aan, en werpt hem schuimend op den grond of stort hem in vuur en water. Toeval op toeval volgen onverpoosd, en slaan eindelijk tot geheelen waanzin over, zocdat hij zijne kleederen scheurt en zich zeiven en anderen bijt en slaat. Al do kracht cn gezondheid, die hij opzamelde, schijnt slechts nieuw voedsel voor dc ontzettende kwaal. Het huilste van dien mensch wordt erger dan het eerste. 2) — ^ ie zag niet wel eens, ook waar de ziekte minder hevige verschijnselen opleverde, zulk een treurig weder instorten, altijd „evaarlijker en hopeloozer dan haar eerste aanval ? En misschien had zich daarbij ook de arme lijder of zijne naaste betrekkingen te beklagen over achteloosheid cn onvoorzigtigheid, De vijand was te min geacht, de zegekreet te vroeg aangeheven; het huis tc vroeg opgesierd en gerust, in plaats van versterkt en beveiligd.
//Wanneer iemand hersteld is van eene ziekte dour kracht van geneesmiddelen, maar de
1) 'ESSouói xeXsucpuQoi. rniLO. In een' goeden zin wordt 0,.r„0. 1 : 4 gesproken van cl,: zeven „enten, ,lie toor Gods troon zijn; in een' kwaden, tyr. XXVI : 25 : g.^eten zijn in zijn hort.quot;
2) Dit heeft wel cenigzins het aanzien van een spreekwoord: //Eene zaik, die men nersteltl aelilte, is nog erger geworden;quot; even als dc overpriesters en ïarizeën do verzegeling vragen van JK/us' graf, omdat anders misschien, zoo er een gerucht van zijne opstanding uitging onder het volk, ite iuolsle Awalivg erger igt;jn zou dan de eerste. {Vatth. XXVII : 64, \ erg). Joh XLII : U.)
J
DK lil'.ZhTE.Mquot;.
oorzaak der ziekte zelve niet weg genomen, noch de vatbaarheid voor deze en andere ongesteldheden niet zorgvuldig gade geslagen wordt, dan keert de zelfde ziekte met nog veel gevaarlijker toevallen weder, en wordt de wederinstorting veel reddeloozer, dan de eerste ziekte was.quot; — Zoo schreef stuart, de eenige uitlegger der Gelijkenissen, bij wien ik hier het beeld zelf van de afgebeelde zaak naauwkeurig onderscheiden vond. Alleen zou ik op zijne soms wat al te nuchteren en verstandelijke verklaring aanmerken, dat juist de poëzij der démonen—wereld hier noodig was, om de diabolische boosheid van jezus' tijdgenooten krachtig voor hunnen geest te stellen. Eene met dubbele kracht terug gekeerde koorts, bij voorbeeld, zou op verre na 't zelfde niet hebben uitgedrukt. De boosheid van den kwelgeest is hier het beeld van de booze hartstogteu , die den mensch doen ontaarden, zijn' beteren aanleg geheel overheerschen en hem ten laatste diep ellendig maken; gelijk de Meer volgens matthi'.üs er bijvoegt: quot;A/zoo sal hei nok zijn met dit hoos geslachte!quot;
Deze woorden, die ons vroegere schetsen , door jezus van zijne tijdgenooten gegeven, herinneren, drukken zekerde eerste bedoeling der beeldspraak uit. A rij algemeen verklaart men ze dus: //De Joden zijn in Balei geheel genezen van afgoderij, den démon, die steeds hunne vaderen kwelde, hen bijna waanzinnig maakte, en ten laatste in ellende neder wierp. Zij schenen nu getrouw aan de dienst van God. Maar het z eldoodend Parizeïsmc, als een zevenvoudige booze geest, verdierf hen nog meer, dan ooit te voren de afgoderij; en na die schijnbare verbetering verergerde hun toestand hoe langs zoo meer.quot; 1) — Bij nader indenken is er echter tegen deze opvatting menig bezwaar. Want het is nog zeer de vraag, of jkzus een zoo lang tijdverloop, (niet minder dan zes eenwen !) tusschen de uitdrijving van den ouden démon en de woede der zeven nieuwe, het eerste en laatste van dien nunsch, heeft willen stellen. Mij dunkt, zulk een geschiedkundig overzigt lag minder in den geest van 's ITeeren ouderwijs, ten zij waar hij den voortgang der goddelijke openbaring, door wet en profetie tot het evangelie, aanwijst. En dan, als wij het beeld naauwkeurig overbrengen, dau zou ook de oude démon moeten teruggekeerd zijn; en wat men van 't Earizeesche Jodendom zeggen mogt, van overhelling tot de Heidensche godsdienst en lleideusche zeden was het allerminst te beschuldigen. Eindelijk, jezus zegt niet, zoo als elders: n Waarmede, zal ik dit geslacht vergelijken ?quot; Of: //Zij zijn aan dien mensch gelijk.quot; Het punt van vergelijking (het bij de Gelijkenissen gewone ai/00) wordt niet zoozeer in den persoon aangewezen, als wel in zijn toekomstig lot: niet //Zoo is dit geslacht,quot; en zelfs niet: //Zoo gaat het er mede;quot; maar: n Al zoo zal het zijn, ook voor dit loos geslacht.quot;
05
Zien wij nu nog eens op den zamenhang. Jezus heeft daar juist dc treurige ondervinding opgedaan, dat de laster niets ontziet. Er is eene onbegrijpelijke boosaardigheid in die
1) ViJclur mOn cumsTUS pojjuluui Ile'jroeum inlueri nb t'o lri/i/iorc , i/iw in Bubi/loiiiam wtdunlus nt art Tili e.vtilium. Zoo Giionus, cu honderden malen is hein dit vóór en nagezegd. Toch is de opvatting vau vissering eenvoudiger; „Al schijnt dit geslacht zieli te verbeteren, het is voor geene werkelijke verbetering vatbaar, en zal veel eer tot nog grooter kwaad vervallen.quot; — Wanneer wij hierbij in liet oog houden, dat de zecen déaionea niet specifiek onderscheiden, geene verschillende kwalen waren, maar alleen de kracht (het xaxlos) der bezetenheid versterkten, even als het zevental bij mahia mui-dallna en de twee duizend in den éénen krankzinnige van Gwlam, dan behoeven wij niet zoo zeer naar andere en nieuwe zouden te moeken, en hebben aan liet eenvoudige denkbeeld «van kwaid tot ergerquot; genoeg.
de bezetene.
aantijging: nheze werpt de démonen uit door beëlzkbul , den overste der démonen.quot; Toch heeft hij het uoodig gevonden, om der scharen wille, de ongerijmdheid van die verdenking aan te toonen. //De satanische magt kan zich zelve niet bestrijden. Dan ware het koningrijk van den booze tegen zich zelf gekeerd. Alleen voor eene magt, sterker dan de zijne, bukt de geweldenaar. Gods Geest is 't, die alle démon en duivel overwint, en daarin 't koningrijk der hemelen openbaar maakt.quot; Zoo heeft de lieer gesproken, en terwijl zijne vijanden verstommen, hangt de menigte aan zijne lippen. Maar nu ook, even als elders in de Gelijkenis der Eigeminnge Kinderen, geeft de Heer aan zijne verontwaardiging lucht over dit geslachte, het Farizcesche Jodendom van zijne dagen. 1) Hij doet het in een beeld, dat nu juist nog helder hem voor oogen staat. De bezetene, straks door hem genezen, is hem het beeld van den zondaar; de demonische werking op 't ligchaam, naar 't algemeen aangenomen gevoelen, van de diabolische heerschappij over 's menschen ziel. Maar te gelijk wordt hier die toon van verontwaardiging verzacht door een diep en roerend medelijden. Ook de zondaar, als de kranke, is een slagtoffer, al is 't dan ook vrijwillig slagtoffer van de magt des kwaads, die zijne zedelijke vrijheid verlamt. TIelaas! dat hoos en overspelig geslachte! Schenen zij een oogenblik naar Johannes den Dooper of naar jezus, of wel ii nar mozës en de profeten, te luisteren, of bekeerden zij zich voor het uitwendige van eenig kwaad , straks zou hun trots en hunne boosheid met nieuwe woede terug kceren. 2) Zóó diep verdorven bleef de aard van het gros des Joodschen volks, '/tot dat dc gansche natie waarlijk als bezeten scheen door eeneii algemeenen geest van razernij, wanneer vesi'.v-siantjs en titus haar, nog gecne halve eeuw later, voorden uitersten ondergang vruchteloos wilden behoeden.quot; (sTUAiir.)
Eer ik over de algemeene toepassing dezer Gelijkenis nog een enkel woord bij bet geschrevene voeg, wil ik een paar proeven van verklaring, verschillend van de mijne, laten vooraf gaan, om den lezer vrij te laten kiezen. Dc eene is van Orthodox-Koomsch-Katholijken, de andere van Orthodox-Protestantschen oorsprong.
De eerste proeve heb ik niet uit een hoek, en moet die dus zoo getrouw mogelijk uit bet geheugen mede deelen. Het was bij gelegenheid, dat ik een' Roomsch-Katholijk' geestelijke over de kracht der sacramenten hoorde spreken , inzonderheid van den doop. Om nu dc noodzakelijkheid van den kinderdoop te bewijzen, ging hij uit van de erfzonde, waardoor geheel het mensehdom onder de magt van den Satan ligt. A an hier het: //Haast u! Want elk, die een kind ongedoopt laat, heefteen' bezetene in huis!quot; En hier kwam nu onze Gelijkenis juist van pas, om te verklaren, hoe de genade, in 't heilige doopsel ontvangen, toch wedei' kan verloren gaan. Dc duivel is dan door den doop uit zijn huis, de
1) ]iij mattiiküs gaat nog vóór onze Gelijkenis de veroordeeling van dit geducht hx het aanstaande gerigt, zoo wel door dc mannen ran Ninevê, als door de koningin tan hei zuiden. Bij iokas rolgt dit.
2) (Ictiuii nMjninn , nc inhr i/iaos yiiidem elhnicos, turn grahm habitacuhm nactnrns til, quam in cor-ihhus Jadaeorum induraiorvm, iimcndtm est, ne ad Judacos redeat, ipsosqw; multo nwgis indut el ac pejores lariat. ScnöiTGjjN. Ik zie echter niet, dat door dc watertooze plaatsen de heidenwereld bedoeld is, hoe dikwijls dit ook is gezegd.
Dli BEZtTliSF.
ziel van het kind, verdreven. Hij zwerft om in woeste streken, de landen der Heidenen, waar geen geestelijk leven, en dus ook niets meer te verderven is. Dat verveelt hem. Hij zoekt zijne vorige woning weder op. Hij vindt die rein, liet eigendom van den Heiligen Geest. Nu gaat hij heen en zoekt zeven geesten op, nog boozer dan hij: (dan de duivel zelf?) Dat zijn de zeven hoofdzonden. Met dezen keert hij nog eens terug en vaart weder in de vorige woning. En van hier, dat de afvallige Christen met zevenvoudige magt, meer dan de onkundige Heiden , naar de hel gesleept wordt. 1)
ISTu de orthodox of zoo men wil mystiek Protestantsehe opvatting, die weder veel meer voorstanders heeft dan vroeger, en waarvan wij drummond tot voorbeeld kiezen. Zijn uitleg komt in korte woorden hierop neder:
//Onze ziel is het huis. De eigenaar en bewoner, die het 't zijne noemt, is — de bijzondere bedoeling op het Joodsche volk daar gelaten — de Satan. Deeld en beteekenis spelen hier door elkander heen. Met de inwoning van ons ligehaam, wordt de heerschappij over onze ziel bedoeld. De Satan nu gaat vrij uit en in. 11 ij verschoont den zondaar soms voor eene poos van sterke verzoeking, maar deze blijft niet minder zijn huis, zijn eigendom, zoo lang hij niet veranderd wordt van natuur, vernieuwd naar Gods beeld. De Satan is zijne zaak zeker, en zwerft vrij in dorre plaatsen , waar geen geestesleven is en hij vrij verwoesten kan. Eindelijk keert hij terug. Ledig is zijne vroegere woning, en niemand betwist hem daarvan den eigendom. De mensch is nog //zonder God in de wereld.quot; Uitwendig is er wel een schijn van verbetering. Gereinigd en geordend en opgesierd is 't huis, maar alleen voor zijn' waren eigenaar. De ziel heeft hare aangeboren vermogens ontwikkeld, zich verrijkt met kunst en wetenschapen wijsbegeerte; een' goeden naam heeft zij zich gemaakt; maar alles voor den Tïooze, wien de dienst niet voor eene betere is opgezegd. Nu is er ruimte voor nog meer zonde. Meer dienaren van den Satan kunnen er inwonen; zeven nog boozere geesten. Het laatste van dien mensch is erger dan het eerste !quot;
In beide opvattingen is zedelijke waarheid; en de moraal der parabel is ook te duidelijk, om geheel miskend te worden. Maar wil men de zuivere beteekenis van het beeld, buiten de bijzondere betrekking tot dit gedachte, ik geef dan liever de woorden van stuart.
C7
//Gelijk er niemand zonder misdrijf leeft, zoo leeft er ook niemand zonder bekeering. Geen leven van den mensch loopt er ten einde, hetwelk niet vele tusschenpoozen heeft gehad van opregten rouw over bedreven kwaad en vele voornemens voort gebragt tot betering van zeden. Zulke tusschenpoozen zijn reeds veelvuldig in de vroegere jeugd en keeren telkens weder in lateien leeftijd, tot dat zij zich schier dagelijks opdringen in afgeleefden ouderdom. — Ouderlijke vermaning, vriendelijke raad, het minste eigen nadenken en de verbindteuis aan de Christelijke kerk brengen ze voort in's levens morgenstond; het ouderlijke sterfbed, het verlies van tijdgenooten, eigene ziekten en wederwaardigheden maken ze nog nadrukkelijker, gedurende den vollen dag des levens; waarna het gevoel van verzwakking, de aanrandingen des doods en de zekerheid van eerlang zijne prooi te zijn, er des-
1) Eigenlijk is ook deze verklaring niet nieuw, maar reeds to vinden bij theophylactus , en alleen lücr en daar nog een weinig uitgewerkt.
de bezetene.
zelfs ganschen avondstond mede vervullen. Dit indenkende zou men, kende men de mensehen, kende men zich zeiven niet, den waan vormen van eenen zich altijd beterenden aard der stervelingen, wier zedelijke volkomenheid men alzoo zou mogen berekenen naar derzelver meer gevorderde levensjaren; — maar geene berekening blijkt meer ongegrond te zijn, dan deze; want zoo veelvuldig als de bekeeringen zijn in het menschelijke leven, zoo zeldzaam zijn de eigenlijke verbeteringen, zoo talrijk zijn veel eer de terugkeeringeu tot veroordeeld misdrijf, zoo alles behalve zeldzaam zijn integendeel de verergeringen, die, wanneer zij plaats hebben, veel zekerder de mate der ongeregtigheden naar die der levensjaren zouden laten berekenen, indien zulk eene verschrikkelijke berekening geene .misdaad was tegen den geest der christelijke liefde. Liever vrage het elk aan zijn eigen liart, hoe vele indrukken bij hem weg vloeiden , hoe vele voornemens ten goede voorbij gingen ; hoe veel aangevangen goeds onvoltooid bleef, hoe veel veroordeeld kwaad hervat werd, en in hoe verre hij voor zich zeiven de schijnbare wonderspreuk zou bevestigen, dat veelvuldige bekeering, maar zeldzaam door bestendige verbetering gevolgd , dikwijls door verergering vervangen wordt. De algemeenheid dier ondervinding, helaas! wordt, ter duldelooze beschaming van allen geestelijken waan, door den grooten menschenkenner jezis in het opmerkelijkste licht gesteld; en deze Gelijkenis is niet anders, dan de omkleeding van de zelfde wonderspreuk in beelden, gemeenzaam voor den Joodsehen geest, meer vreemd voor ons, en daarom bij den eersten opslag min bevattelijk.quot;
De lezer heeft dan nu de keus; maar hoe hij ook kieze, de zelfde waarheid ligt op den achtergrond: //Weder instorten is de ergste ziekte.quot; De herstelde krankzinnige heeft met te meer zorgvuldigheid de kalmte van zijn gemoed te bewaren, en de verrezene van het kraukbed de gezondheid van zijn ligchaam. De terugkeerende kwaal luistert niet meer naar de middelen, waarvoor zij vroeger geweken is, en nieuwe kwalen voegen zich bij de oude, zoodat ten laatste de geneesheer zelf hem moedeloos voorbij gaat. De kwelgeest is terug gekeerd niet alleen, maar heeft ook zeven démonen met zich gebragt, nog boozer dan hij. Het laatste van dien mensch is erger dan het eerste.
Even zoo is het op zedelijk gebied. Ook de zonde is eene kwaal, een demon, doodvijand van den mensch zeiven, die hem lief heeft en koestert. En ieder mensch heeft zijn' eigenen kwelgeest, een' hartstogt, die htm verontrust, eene drift, die hem jaagt, eene zwakheid, die hem neer drukt. Gelukkig reeds, die hierin zich zeiven kent; en gelukkiger nog, die aan de hand van ciimsïus van zijnen kwelgeest wordt verlost. Eustig en ordelijk en welvarend is zijn hart, vroeger de woning van onstuimige begeerten of onuitstaanbaren angst. Maar niet al te veel en al te vroeg zij hij gerust! //Yeel bckeering, weinig verbetering zegt de Eemonstrant. //Veel uitwendige verbetering, en geen ware bekeeringlquot; zegt de regt-zimiig gereformeerde. //Genade, die ontvangen is, maar niet bewaard,quot; zegt de Katholijk. Maar de waarheid is de zelfde, en 't verschijnsel maar al te gewoon. Vooral bij het tijdelijk overwinnen van hevige hartstogten merken wij dit op. Dieper is de tweede en derde val van den dronkaard, van de wellustige vrouw , van den oneerlijke of leugenaar. En telkens is het, als of nieuwe en nog boozer geesten zieh bij den terug gekeerden voegen; als of de
68
UK Bl'.ZKTlAï.
aangewouneii zedelijke kracht en liet opgewekt godsdienstig gevoel zelve in dienst treden van den booze. Met meer list en huichelarij, hardnekkigheid en schaamteloosheid wordt er gezondigd. Bij de hebzucht komt onmenschelijkheid, bij wellust onnatuurlijke hartstogt of
dronkenschap, bij oneerlijkheid huichelarij........ De démon is met zeven andere terug gekeerd.
Het laatste van dien mensch is erger dan het eerste.
Ook in vele harer eerste belijders ondervond chuistus' kerk de waarheid van des Meesters woord. De klaagtoonen hierover komen vooral uit den avond der apostolische eeuw tot ons. Patjlxis spreekt van een weder eindigen mei 7 vkesch , nadat men met den Gee.it legmnen was; jouannes van die uitgegaan waren uit de gemeenschap der geloovigen, om daarin niet meer terug te keeren. (Gal. III : 3; I Joh. II ; 19.) Maar twee pliat'en vooral (2 Petr. II ; 19—22 en Heir. VI : 4—8) hebben een' treurigen nadruk. Zij mogen hier ten slofte spreken in mijne plaats.
Van wien iemand overwonnen is, dien is hij ook lot een' dienstknecht gemaakt. Want indien zij, nadat ze door de kennis des lieer en en Zaligmakers JEzrs chuistus de besmettingen der wereld ontvloden zijn, en in de zelve wederom ingewikkeld zijnde, er van overwonnen worden, zoo is hun het laatste erger geworden dan het eerste.
Want hel ware hun beter, dat zj den weg der geregtigheid niet gekend hadden , dan dat zij , dien gekend hebbende, zich weder afkoeren van het heilige gebod, dat hun overgegeven was. Maar hun is overkomen, het geen met een waar spreekwoord gezegd wordt: nDe hond is weder gekeerd tol zijn eigen uitbraaksel; en de gewasschene zeug lot de wenteling in het slijk,quot;
Onmogelijk is hel, degenen, die eens verlicht geweest zijn, en de hemelsche gave gesmaald hebben, en des Heiligen Geestes deelachtig geworden zijn, en gesmaakt hebben hel goede woord Gods en de krachten der toekomende eeuw, en afvallig worden, die, zeg ik, wederom te vernieuwen tot bekeering, als die zich zeiven den Zone Gods wederom kruisigen en openlijk te schande maken.
Want de aarde, die den regen , menig maal op haar komende, indrinkt, en bekwaam kruid voort brengt voor de genen, door wie zij ook gebouwd wordt, die ontvangt zegen van God ; maar die doornen en dis telen draagt, die is verwerpelijk, en nabij de vervloeking , welker einde is tot verbranding.
Onmogelijk, te laat! — Zullen wij met dit treurige woord de beschrijving van het laatste van dezen mensch besluiten? Neen! maar met dat andere woord van den lieer zelf: Wat onmogelijk is bij de menschen , is mogelijk bij God,
DK BEZÏTENE,
Zomoe re onuMt «dlquot;*!' ik bown dar. reeks vim Gelijkenissen. Van 'l eerale, lie ZONDE — » tl«tgt; nu gesproken. Tie «iet beWndelde Gelijkenissen gaven ons van Je
liikheid .Ie treffendste proe-en. Toch waren het slechts enkele proeven van wa de Cehj-kenissen ons treurig, en hij„. ontmoedigend, over de »„de .eggen Het meest, .noesten «ij in 't Eerste Deel opnemen, van do doornen en d.stelen at, dio den artod
des zaaije» verstikken, en den harden ondergrond of veelbetreden oppervlakte,
die hem vruchteloos maakttot dc onlarmha rtighcid, wa.mver eenmaal een onbarm-
hartig oordeel gaan »1. Bijna in elk van die acht en dert.g Gehjkemssen, ,l.e he Konmg. rijk der hemelen ous „hetsen. treedt ook de zonde op als z.Jne v«t.g.„g ont,,kk.ln^ en vollooijing vijandig. De Heer, nis een cel,te volksleeraar. beschnjtt ot bestraf de ,,„do in het atgetrokkene niet. maar .aar hij haar ontmoet m bet leven en met haar ,lcn striid voert op leven en dood. Daardoor moealen wij reeds de .ncesle beelden van zonde en verderf in het geschiedkundig gedeelte opnemen. Zelfs de enkele proeven, die „ii „u behandelden, z.ijn bijna „iet los te maken van den Jcodsehcn bodem. waarop zij
rrownssen wftflnii zij ffcwortcld. zijn# i-« i»»* ^
0 Meer algemeen, boven tijden plaats verheven, zullen de beelden van Goddebjke lang-
moedighoid en genade wezen, waartoe wij nu overgaan: - liefelijke beelden di
„ns door de overmagt eener eeuwige Liefde, troosten en sterken m den onophoudeijk n
strijd tegen den geest des kwaads!-Want duizendvoud afwisselend zijn dc fantastisc ie
gedaanten van nevel en wolk en sehad.w, maar «n en onveranderlijk het zo.mebeht, zco :ok is leugen en zonde eindeloos afwisselend. maar «n cu eeuw.g dc l.efde Gods.
„ Heer', laa.1
luun ook.
dit
Lik. XIII : C—!).
Een zeker man had eenen vijyehoom, geplant in zijnen wijngaard; en hij kwam en zocht vrucht daarop, en vond ze niet.
En hij zeide lot den wijngaardenier: uZie! ik kom nu drie Jaren, zoekende vrucht op dezen vijgcloom, en vind ze niet. lloinv hem nil! Waartoe heüaat hij ook onnulleljh de aarde ?quot;
En hij antwoordende, zeide lot hein: //Heere! laai hem, ook nog dil jaar, lol dut ik om hem gegraven en mest gelegd zal hebben. En indien hij vrucht zal voort brengen, laat hem staan; maar indien niet, zoo zult gij hem nam aals uithouwen.quot;
Als mozes zijn volk van Gods vaderliefde spreekt, die hen kastijdt, gelijk een man zijnen zoon kastijdt, en daarop in verrukking uitweidt over het einddoel van hunne omzwerving , een doel, dat hij zelf niet bereiken zal, —is het: //Jehova uw God brengt u in een goed land, een land van waterleken, dalen en bergen; een land van tarwe en gerst, en wijnstokken en vijgeboomen..........quot; En wanneer later de geschiedschrijver den gelukkigsten toestand beschrijven wil, dien ïiozks zijn volk had kunnen toewenschen, de gouden eeuw van salomo , zegt hij: En Jnda en Israel rvoonden zeker , een iegelijk onder zijnen wijnstok en onder zijnen rij geloom , van Dan tot Berseba, alle de dagen van salomo. (Deid. VIII ; 8; 1 Kon. IV : 25. Vergl. zacii. III : 10.)
De eenvoudigste landelijke woning in Israël was door eigen wijnstokken omringd, en ieder dronk op het loofhuttenfeest van eigen' most; maar ook de vijgeboom sierde daarvan den ingang, en menige natiianaël zat daar neder inde vriendelijke avondkoelte, en plukte drie malen in 't jaar de zoete vrucht: eerst de groote vijgen , die de bladeren vooruit liepen , dan den eigenlijken oogst, waarvan men de vruchten tot vijgekoeken zamen perste, eu i-indelijk nog den napluk, die aan een' nieuwen groei reikte. Elk had — de stedeling van later dagen natuurlijk uitgezonderd — eigen' vijgeboom en wijnstok; maar niet ieder had eenen wijngaard, waarin hij den vijgeboom planten kon.
Een vijgeboom in den wijngaard; 1) het is niet bijgeval en nog minder bij vergissing,
1) Waarom marcion, in zijn verminkt Evaugdic van luk as , deze negen eerste verzen van II. Xlll met had, is in den laatsten tijd door de ïubingers veel besproken, maar daarvoor geen genoegzame dogmatische grond aangewezen, (meuer.) Het kan echter zijn, dat het geheele verhaal voor zijn stelsel 'ene te Joodsehe kleur had. Vergl. het vroeger gezegde: Deel 1, lilad/. 170—172,
10*
dk on vrucht ba uk vijfiebuom.
dat dit liier zoo sta;it. Vele wijnstokken vormden een' wijngaard , cn olijven een' olijvengaard; in aar vijgeboomen? Er staat niet, dat zij ooit tot eenen gaard of hof (boomgaard) werden bij een gezet. Dc vijgeboom groeide overal. Niet enkel de grovere sycamore (//wilde vijgeboomquot;, eigenlijk //moerbeziën-vijgeboomquot;), maar ook de echte en fijnere soort, die hier bedoeld wordt en die wij reeds vroeger beschreven (Deel I, Blz. üOO), vinden wij bij den weg, bij voorbeeld, dien jkzus zoo dikwijls wandelde in zijne laatste dagen , als hij van Beihaniê naar Jeruzalem ging. De palmen van de palmstad en de olijven van den olijfberg werden door den nuttigen en vruchtbaren vijgeboom afgewisseld. Maar al groeide die gemakkelijk en overal, hij, die sehoone en smakelijke vrucht cr van wensclito te plukken, moest er gcene moeite aan sparen, naar de spreuk van salomü ; Wie den vijgeboom bewaart, zorgvuldig verpleegt, zal eten van zijne vrucht. {Spr. XXVI[ : 18.)
Schoon wij er dan elders niet van lezen, 't is toch zeer natuurlijk, dat ook op de wijnbergen soms vijgeboomen werden gevonden. 1) De wijnstokken zelve werden in lange rijen, meestal amphitheatersgewijze oploopende, geplant. Wij behoeven niet verder dan 't naburig België te gaan, om dit nog te zien. Maar hier of daar schoot er ligt een hoek over, waar dc grond diep genoeg was voor den vijgeboom en zijn hoogere kruin beter voegde. Zeker iemand nu, zoo staat hier, had zulk eenen vijgeboom, geplant in zijnen wijngaard. Ik moet hier opmerkzaam maken op do komma in 't midden van den zin. Zij behoort tot de juistheid der vertaling. Er staat niet, ook niet in het oorspronkelijke, dat hij den boom geplant had, maar dat hij een' vijgeboom bezat, die geplant was. Wie hem plantte, wordt daar gelaten. Oenoeg, dat hij den wijnberg in eigendom had, en den vijgeboom er in.
En hij kwam, zoekende vrucht in of op hem, cn vond niet. Even zoo zeggen later mattueüs (XXI: 19) en .maekls (XI: 18), dat jezus van verre, op (of ter zijde van) den weg, een' vijgeboom zag, die bladeren had, en nader hij kwam, zoekende vrucht. Want de vijgen kon men niet, als onze appelen en peren, van verre zien, vooral niet den tweeden en grooten oogst, wanneer de boom reeds bladeren had, en de vruchten , die ook niet aan het eind der takken groeiden, kleiner waren ; behalve, dat de vijg zich weinig door hare kleur van de bladeren onderscheidde. Hij moest dus goed cn van nabij zoeken, dc eigenaar, maar vond niet. Toen sprak hij tot den wijngaardenier. Daaruit, dat die zeker iemand eenen wijngaard bezat, waarover een opzigter gesteld was, die hem dan ook lieer noemt, zien wij, dat wij hier een' dier gezeten en welvarende landeigenaars voor ons hebben, gelijk er ook elders in jezus'Gelijkenissen voorkomen. Hij zeide dan: nZie! drie jaren kom ik, zoekende, vrucht aan dezen vijgeboom, en vind niet:' Dit zal zeker beteekenen: //Het is nu het derde jaar; driejaren reeds!quot; — Van dat hij geplant is af? Dit wordt niet gezegd; en ook daarom geloof ik, dat men te onpas hier de Mozaïsche wet bij aangehaald heeft, volgens welke de drie eerste oogsten van den vruchtboom onrein werden gerekend, en dus nog niet geplukt, waarna de opbrengst van het vierde jaar den HEER geheiligd werd, en daarna eerst een
1) Deut. XXII : '.I wordt wel verboden, Jen wijngaard mei twccdertei te bezaajen, maar niet, cr andere boomen in (e planten.
72
DE ONVKUCHTHAKK VIJGEIiOOM.
oogst ingezameld. 1) De heer in de Gelijkenis ten minste komt duidelijk het derde jam-om vruchten te plukken. Eu nu hij niet vindt, is 't tot den wijngaardenier: nlfouw hem uit I Wnar toe ook maakt hij de aarde werkeloos ?quot; — Zoo staat er letterlijk, en niet: beslaat hij nutteloos de aarde. 2) De boom beslaat niet alleen onnut eene plaats, maar hij put ook de aarde uit, en maakt dus, dat zij haar voedsel vergeefs verkwist, vooral zoo hij een breede kruin heeft en daaraan geëvenredigde wortels. T)ie aarde, waarop hij staat niet alleen, maar waaruit hij zijne sappen trekt, kan nut doen, en doet het niet. 't Is zoo goed, als of zij ledig lag. Dat de vijgeboom ook nog door zijne schaduw licht en lucht benam en de wijnstokken van zonneschijn beroofde, is eene opsiering van de uitleggers , om weder eetien trek aan te winnen bij de toepassing, ü) Hier staat het niet, en wat hier staat, is genoeg. Want met opzet wordt er gesproken van een' vijgeboom in den wijngaard. Dat die op den weg, waar zijn schaduw ten minste dienen kon, zonder vrucht bleef voort groeijen, mogt men nog lijden. Het harde oordeel over den vijgeboom op den weg naar Jkt/tanië verbaasde jezus' eigen discipelen, en had ook zijne bijzondere reden. Maar hier, hier mogt een grond, waarvan het meest van allen werk was gemaakt, een vette en vruchtbare bodem, uitgezocht en ingerigt voor den edelen wijnstok, niet werkeloos worden gemaakt. Met een' boom en nog wel een' gewonen vijgeboom, die hier geeue vrucht droeg, was niets te beginnen!
nHomo hem uit!quot; Juist vertaald. Niet //Hak hem af!quot; maar //Met wortel en tak er uit!quot; — Weder is dit woord nog sterker gesproken in jezus' tijd en jezus' vaderland. De vrucht-boomen waren door Jtozus onder de bescherming der godsdienst gesteld. {Deut. XX : 19, 20.) Waar Israël doortrok of zich vestigde, mogt geen vruchtdragend geboomte worden omgehouwen. In den onrustigen ouden dag en bij de wreedheid van den oorlog, vooral burgeroorlog, was dit gebod hoogst nuttig. Jaren konden niet vergoeden, wat de bijl in weinige uren verwoestte. Bosschen waren er nog genoeg in Kanaan; vruchtboomen nooit te veel. Ook in de Rabhijusche schriften wordt het als een heilige pligt voor de nakomelingschap voorgesteld, vruchtboomen te planten. Zoo verhaalt de Talmud, dat keizer hadriants
1) l.evil. XIX : 2li—25. Was dit ecu gcboil voor de eerste planting in het onreine land Kanudn, of ook voor 't vervolg? Algemeen wordt liet laatste aangenomen, omdat het behoort tot de wetten omtrent de eerstelingen, waartoe de onvoldragen vrucht dor drie eerste jaren bij jonge vrueht-boomeu niet goed genoeg waren. Is dit de bedoeling, dan zou het ook minder slaan op oudere, in beter' grond overgeplante boomen , dan wel op den eersten aanleg van hoven en boomgaarden.
2) De uitdrukking ii/c xociu^yet zegt nog iets meer, dan de vraag aan een nutteloos menseh , die piucaecs uit aiibianus (III ; 20) aanhaalt: li axevoxtaQsïs xov xóouov ;—Het woord xaiayyeit' komt in de bistorisobc boeken des N. T. niet meer voor, maar dikwijls in de brieven, voor »kraebteloos. werkeloos maken,quot; en daardoor zelfs geheel »te niet doen.quot;—Nader aan onze Gelijkenis komt dus de vermaning van den apostel (2 Pctr. 1:8), als hij de Christenen oi x aQyoi's oïtii dxaynovs wenseht. — Onze Stateuoverzetthig volgt het ocevpat der Vulgata ; do oudste Latijnsehe vertaling (de Italu) had heter impedit.
3) Slat clesitp'r arbor infrurtunsa, at sublus terra stcrilis jacel. luj ruduosuc arbor is (kiupir umbra densalur, et talis radius ad terram drsemdere ncquaquam pcrmildtur. greg, Mags. Zoo ook a la fide. Groïius past dit, niet zonder vernuft, aldus toe: Judaei eximiis a Dro benpjiriis ajfccti pielate umbra' hra adeo caeleris (jmiibus utiles non e.runt, vt contra eorum vita homines caeteros a vera religionc alicniorex redde ret. {Rom. II ; 24.)
DE ONVRUCHTBARE VIJGEBÜOM,
eens, in de omstreken van Tiberias wandelende, een' honderdjarigen grijsaard opmerkte, bezig met graven, ten einde jonge boomen te planten. //Oude!quot; riep hij hein toe: //laat dat aan jongeren over. Denkt gij er nog vrucht van te eten?quot; En het edele antwoord was: //Tk werkte in mijne jeugd, en wil het nog in mijne grijsheid doen; de hemel doe met mijnen arbeid, wat hij goed vindt. Wanneer het Gods wil is, zal ik er de vrucht nog van geniefen; en zoo niet, dan doe ik het zelfde voor mijne kinderen, wat mijne ouders eens voor mij deden.quot; — En, zegt het Talmudisch verhaal: na verloop van eenige jaren bragt hij nog een' korf met vijgen van dezen boom naar het keizerlijk paleis, waar, in plaats van de vijgen, de korf met gouden denarieën werd gevuld; terwijl de keizer tot zijne verbaasde hovelingen zeide: //Zou ik een' man niet eeren, die door zijnen Schepper op zoo uitstekende wijze geëerd wordt?quot;—Met de angstige naauwgezetheid , die het latere Rabbi-nisme eigen is, wordt er zelfs in den Talmud gevraagd, hoe weinig vruchten wel een boom moet dragen , om de vrijheid te hebben van hein uit te roeijen. //Zoo lang de palmboom nog een kab dadels draagt, of de olijfboom nog een vierde deel van een kab olijven, roei hein niet uit!quot; zegt een rabbijn. Een ander zelfs klaagt; //Mijn zoon zou niet gestorven zijn, wanneer hij den vijgeboom niet had uitgehouwen.quot; 1) — Er moge voor ons gevoel iels overdrevens zijn in dien bijgeloovigen eerbied, die 't leven van een' vruchtboom bijna even heilig acht, als dat van eenen mensch; in een land, waar de boomvrucht voedsel is, is't natuurlijk, en is dit een der vele trekken van echte humaniteit, die dikwijls in de godsdienst en zeden der Israëlieten niet genoeg zijn op prijs gesteld. Eene oppervlakkige \ ergelijking van het tegenwoordige Palestina met het oude beloofde land, vloei jende van melk en honi], en waarin r/ansch Israel en Judu zeker woonde onder zijnen wijnslok en vijge-Ijoom, is genoeg, om ons, in tegenoverstelling daar van, de treurige uitwerking van het 'Mohammcdaansehe wandalisme te doen zien op zoo heerlijk schoone en rijke natuur.
Houw hem uil! Dit was dan ook van ouds her de treurige uitdrukking van een onherroepelijk en wel verdiend oordeel; en dit oordeel is het sterkst uitgesproken door den laatsten profeet en eersten evangelist, Johannes den Dooper: Be bijl is reeds aan den world der Ijoovien gelegd ; alle boom dan , die geen goede vrucht voort brengt, leordt uitgehouwen en in hel vuur geworpen,—gelijk gesteld met doorn en struikgewas, die alleen nog nuttig zijn om te verbranden. {Matlh. Ill r 10.)
Maar wij keeren terug tot het zinnebeeld van jüzus. Drie jaren scheen lang genoeg voor eene proef, al was de boom van elders hier overgeplant. In 't eerste jaar mogt hij geene , in 't tweede weinig vijgen voort brengen: het derde jaar moest hij toch eenen oogst geven. En dan, nu zoo min als vroeger iets; —bladeren van alle zijden, maar vijgen niet!
Toch heeft de wijngaardenier er nog leed van. Al had jezis met het beeld van dezen man volstrekt geene bedoeling, dan nog was het uitstekend schoon gekozen. De herder heeft betrekking op zijne schapen , maar ook de oude en trouwe tuinman op zijne boomen. Hij heeft er ook zoo lang mede omgegaan : 't valt hem hard, er van te scheiden. Zoo veel
1) Het laatste vindt men bij UGiirrooT; de auoktlote vau den grijsaard bij iüitsTENTUALcn andemi, die Bloendezingen uit den Talmud gaven, waarvan ik in de laatste jaren in onderscheidene maandwerken liet voornaamste heb mede gedeeld.
de onviachtbare vijgeboom.
werk lieeft hij er aan verrigt; 't is liem rnocijelijk , te wijken voor de overtuiging, dat er niets aan te doen is. n fleer! laat hem ook dii jaar! Gij hebt hein de beide vorige jaren gespaard: doe het ook nu nog!quot; Laat hem daan, zoo als men gewoonlijk zegt, is de uitleg, niet de vertaling. Laat hem heg aan, laai af van hem, zou juister zijn. Wanneer de Heer den wijngaardenier en den boom maar begaan laat, zal hij 't wel weten. //Laat hem, tot dat ik zal graven rondom hem en leggen mest.quot; 1) Het graven of uitspitten dei-aarde diende, om den grond, onder den gloeijenden hemel van het oosten soms als metaal verhard, rondom de wijnstokken en vruehtboomen luchter te maken. De Latijnen hebben er zelfs, in hunnen tuinbouw, een afzonderlijk woord voor. [Ablaqueare of OUaqueare.) Daardoor kou ook de mest, die er na het graven werd omgeworpen , eerst regt nut doen. 't quot;Was nu in den zomer, den lijd der vijgen, dus later dan 't Joodsche paasehfeest, waarop het, naar Mark. XI : 13, die tijd nog niet was. Als dus een weinig later het omgraven en bemesten geschiedde, kon de vroege regen, met de vruchtbaarheid der mest, tot den wortel doordringen.
n En indien hij vrucht zal maken,quot; laat hem staan, voegen onze bijbelvertalers in; doch het Grieksche taaleigen vordert: dan is het wèl; dan is 't immers alles goed? 2) nMaar indien niet, zult gij hem namaals, beter: tegen het volgend jaar 3) uithou-iccn,quot; — De wijngaardenier zegt niet: //Ik zal hem uithouwen,quot; schoon het hem was opgedragen j maar //Gij zult of gij kunt bet doen. Dan staat het nog in uwe magt, en ik zal er mij niet meer tegen verzetten.quot; Aan dit ééne jaar is niet zoo veel verloren.
1) De constructie, iu bovenstaande %'crtaliug letterlijk gevolgd, toont aan, dat het «om hem licucuquot; ook op het me4 leggen slaat. Ik geloof niet, dat menden mest door spitten onder den grond werkte, zoo als men dit in 't land doet. Ilicr, aan deu voet van den boom, werd alleen voorzigtig de aarde geligt, en daarna mester over gestrooid. Een Hebreeuwsclie Commentator op den Talmud (bij ugutfoot) besclirijft de zorgvuldige behandeling van vruehtboomen aldus ; tMen legt mest in de tuinen, graaft bij de wortels der boomen, rukt de uitspruitsels daar af, plukt de bladeren, strooit asch, on rookt onder de boomen, om de rupsen te dooden.quot; — Het spitten of graven wordt nog tegenwoordig op den Libanon inden regel op de wijnbergen niet gedaan, daar men met een' ligten ploeg tusschen de rijen wijnstokken doorgaat, (rosenmülli r ) Ook Jesaja V, waar aan den wijngaard niets meer gedaan tan worden, wat niH alreeds gedaan is, wordt van omspitten niet gesproken Het was dus eenc geheel bijzondere zorg voor dien éénen boom.
2) Dat lu kas biereene zuiver Grieksche spreekwijze gebruikt, en geen Hebrecuwsch-Griekscli schrijft, heeft pricaeds aangetoond, door onderscheidene plaatsen uit xinophok , plato enz., waar bijna letterlijk de zelfde phrase voorkomt. De constructie is : *n»' fièv — ei dè utj ys. liet eerste, waarbij pricaeus aanvult xoiwf txsi., drukt uit, dat het dan naar den zin vnn den spreker uitvalt. En dit is ook in onzen tekst genoeg: want dat de vijgeboom bij deze gunstige uitkomst mogt blijven staan, sprak wel van zelf en behoefde niet gevraagd te worden. Wij zouden eenvoudig schrijven: Misschien zal bij dan vrucht dragen.
Deze overeenkomst met do Attische schrijvers is te opmerkelijker, omdat juist het zuiverste Grickscli gevonden wordt in die stukken van ldkas' Evangelie, waarin hij alleen staat, en dus niet het Heile-nistisch dialekt van de algemeen aangenomene paradosis , maar andere bronnen volgde. — Evenwel, ook bij jfzus' zielelijden in Ge/hsemané, heeft alleen lukas zulk ccne aposiopésis, die denzin in 't gewenschte geval onvoltooid laat: n Vader ! indien gij wilt terg nemen dezen drinkbeker ran mij, (zoo is mijn gebed verboord;) doch niet mijn tuil, maar de uwe geschiede {Luk. XXIl : 12) Hier is de tegenstelling ui — nlLijv —. Vgl. ook Luk. XIX : 42.
li) Eis ró fièliXoy, sc. èxoi, Meijer.
75
yt. de onviu'chtbauk vuokboom.
Daarna wil hij voor den ondankbaren boom niet meer spreken. Er is dan ook al het mogelijke aan gedaan, en hij zelf weet niets meer te bedenken. Maar het vomns der uit-
roeijing moet ook dan nog van den lieer komen. 1) , . ,
Eene kleine uitweiding wil ik mij hier veroorloven, om eene proeve male te deelen, hoe de fantasie van den Oosterling eveneens zedelijke middelen op de onbezielde natuur toepaste, als jezvs , mot een beroep op het gezond verstand, zijne hoorders van het onbezielde tot het zedelijke opleidde. Zeker oud Arabisch schrijver, ibn-al-uaiidi, geeft in zijn boek, Parel der Wonderen, 't volgende voorschrift: //Onder de krankheden , waaraan de palmboom, evenals de mensch, onderworpen is, behoort de onvruchtbaarheid. In zul een geval neemt gij een bijl, gaat naar den boom met eenen vriend en zegt tot hem : //Ik wil dezen palmboom uithouwen, omdat hij onvruchtbaar is.quot; Hij antwoordt: //Doe het met. De boom zal dit jaar zeker vrucht dragen.quot; Dan zegt gij : //Het kan met anders zijn ; hij moet uitgehouwen worden 1quot; en gij geeft met den rug van de bijl drie slagen op den stam Maar uw vriend houdt u terug, en zegt: //Rij God, doe het met! Gij zult er ci iaar gewis vrucht van hebben. Heb nog geduld met hem , en overijl a met het uithouwen „iet. Draagt hij nu gcene vruchten, zoo houw hem uit.quot; Dan zal hij dat jaar zeker
vruchtbaar zijn en een' rijken oogst geven.quot; 2) . .
Maar wij keeren tot onze Gelijkenis terug. De wijngaardenier verkreeg zeker de verzochte vrijheid • - en de vijgeboom ? — Maar jkzvs breekt hier zijn verhaal af. Het gebeurde meer dat hij de voltooijing van het beeld aan 't geweten zijner hoorders overliet. Zien wij dus nu, wat voor hen deze Gelijkenis wezen moest, om daaruit op te maken, wat
/ij nog voor ons is. 3^
Omtrent de algemeene toepassing dezer Parabel bestaat onder de uitleggers eene zeld-yaine eenstemmigheid. En die is te opmerkelijker, omdat ™ zelf ze met aangeeft 't Is niet: „Ahoo zal hel zjn mei dit geslacht,quot; of iets dergelijks. Ook geen vraag aan het eind 'tis of Jezus er zich liefst niet verder over uit laat, maar alles liever wil overlaten aan 't eigen nadenken van zijne hoorders. En dezen hebben zeker wel, even als later de Overpriesters en Farizeën in den tempel [Mallh.Wl-Ah) , deze zijne Gelijkenis horende, verslaan, dat hij van hen sprak; - zoodat wij dan ook niet twijfelen, of de mj0eboom is
1) Rem referl ad damnum. Gnomon, liet er dan li .co, die hier Joh.\ : 22 cm. aanhaalt, waar
den Zoon Gods het gerigt gegeven wordt, zoodat hij dus de hovenier ls- -i i ^
2) RosENMiiLLi h zegt, dat jezus misschien dit Oostersche gebruik m de gedachte had, dewijl het ook elder* vooTkon.1 (vergl.%aieaeu8). en dnar reeds op zouo.stku wordt terug gebragt. 'tKom my xnet waarschiinlijk voor, schoon dergelijke hijgeloovige bezweringen met geheel buiten den smaak der tocn-malige Joden vielen. In ieder geval is het een nieuw bewijs van den eerbied, dien de Oosterling voor
HeTbeeWder^^ «. djgen , Jere*. XXIV : 8 en XXIX : 17. als van geheel anderen
aanleg, heb ik niet aangehaald. Het zou alleen kunnen bewijzen, dat 11 ^^ ^ Vwml «/.y, tot de edelste vruchten gerekend, en daarom als beeld der ware godsvrucht gebrmkt werd.
dl onvul'ciitbauk vijokuoom,
hier liet zelfde als dddr de wijngaardeniers: met dit onderscheid misschien, dat hiei minder aan Israels oversten, alleen aau liet Joodsche volk in zijn geheel gedacht wordt.
De beeldspraak was dan ook duidelijk genoeg. Was wijnstok en vijgeboora het beeld van den vrede in Israël, met een' ondankbaren wijnstok hadden dikwijls de profeten hun volk vergeleken: waarom ook niet met een' vijgeboom? En het vitroejen of uit-nikken uit het goede land, waarin jehova hen geplant had, was van ouds her voor Israël de laatste en zwaarste vloek der wet. Pauu s heeft het zelfde beeld weder op eenc andere wijze gebruikt, om de eenheid en onvergankelijkheid van het ware volk Gods helder aan 't licht te stellen. Hij kiest daartoe geen vijg, maar een' olijfboom, als een fijnere vrucht, die men gewoon was te enten. En nu vergelijkt iiij Israël bij een' tammen, goed gecultiveerden olijfboom, waarvan de takken zijn afgehouwen, als onvruchtbaar, om er die van een' wilden olijfboom op in te enten. En hij roept den Christenen uit de Heidenen toe: Gij draayt den wortel niel, maar de wortel n. Ook (jij zoudi wel eens kunnen afgehouwen worden, en de natuurlijke lakken weer ingeënt. [Hom. XI : 10—24.)
Dat jezus hier met den vijgeboom het Joodsche volk bedoelt, is ook daarom zoo eenstemmig aangenomen, omdat de Gelijkenis duidelijk met het vorige zamen hangt, waarvan wij dus eerst nog iets moeten zeggen.
Ons Hoofdstuk begint: Daar waren er nu eenigen te dier zelf der tijd (liever bij die zelfde gelegenheid) tegenwoordig, die hem boodschapten van de Gal'ileèrs, van ivelkc ph.atvs het bloed vermengd had (of heeft) met hunne offeranden. Deze geregtelijke moord staat nergens elders vermeld. Reeds oude uitleggers 1) dachten hierbij aan eenige aanhangers van judas den Galileër of Gauloniter, dien jozevds den stichter van eene vierde sekte onder de Joden (de Zeloten) noemt, omdat hij, een Farizeür in den strengst en zin, verbood, den keizer van Rome //heer en meesterquot; te noemen. Gamaliel zegt van hem (Hand. V ; 37); // Ka th kit das stond judas dc Galileër op , in de dagen der beschrijving (der volkstelling onder quiiu.ws of cyuemus , Luk. II: 2), en maakte veel volks afvallig uchter zich; au deze is ook vergaan, en allen, die hem. gehoor gaven, zijn verstrooid geworden.quot; — Het heeft ten minste allen schijn, dat pilatus eene oproerige beweging heeft willen voorkomen, daar de Romeinsche soldaten anders niet in den tempel mogten doordringen , en bovendien de Galileërs niet tot zijn regtsgebied behoorden. Misschien moest deze offerande eene zekere wijding van hunne zamenzwering zijn, of zouden zij althans aan 't ofl'ermaal zich naamver aan elkander verbinden. Zulk eene beweging was in Jeruzalem altijd hoogst gevaarlijk. De Joden waren op dit punt, inzonderheid bij hooge feesten, uiterst prikkelbaar. Om dus,— even als later in Samariê, — de zarnenspanning in hare geboorte tc vernietigen, overviel de landvoogd ben bij 't slagten hunner offerdieren , (dat, na de aanbieding aan den priester , (looide offeraars zelve gedaan werd;) en zoo stroomde hun bloed door dat der olleranden heen. 2)
1) Zoo oecomeniüs en xheofiiïlactus. Uitvoeriger kan men dit alles reeds bij orotius en vitringa vinden; ook de slagting onder de Samaritanen op den berg Geritim, zeer te onregt met (leze gebeurtenis verward.
2) Even eens zegt flavius jozefus van de Zeloten, in den laatsten Joodseben oorlog (V ; 1,3): noMol Tii/ó xioy 9v^di(av ineaov avtoi. — Een vroeger bloedig voorval, onder ahcuelaüs, verhaalt de zelfde schrijver in zijno Joodsche Oudheden , XVlf ;9, 3.
77
dk onvlluchtbare vijgeboom.
Hierop slaat ook zeer goecl, wat ixkas later verhaalt, dat vil at as met herodes antipas in onmin leefde. Hij had natuurlijk den Joodsclien vorst, die misschien op dit punt niet streng genoeg naar zijn oordeel was, door zijne onderdanen zonder vorm van proces te dooden, zwaar beleedigd. En als een erht staatsman maakte hij dit nu goed, door een' aangeklaagde, die weder tot iiehodks' regtsgebied behoorde, aan hem te verzenden , om zich Ie gelijk van eene lastige zaak af te maken. De ligtzinnige vorst was dan ook door deze soort van vergoeding bevredigd. (huk. XXT11 : 7, 12.)
Pit alles in aanmerking genomen, komt het gevoelen mij gnnscb niet onwaarschijnlijk voor, dat wij hier met eene strikvraag te doen hebben, in den zelfden geest, schoon minder boosaardig, als de bekende vraag, of 't geoorloofd was, den keizer schatting te betalen. Aan een terug slaan van deze tasschenspraak op 't voorafgaand onderwijs [Lui. XIl) zou ik minder denken. Zulk een verband, als men hier gevonden heeft, kan men overal vinden. 1) Daar waren er eenigen, die reeds wachtten naar eene geschikte gelegenheid, om hun verhaal te doen. De vrije zamenspreking, bij het onderwijs der Kabbijnen, lokte zoo iets uit. Zij verhalen 't ook niet alleen, dunkt mij , uit zekere Schadevfrcude , waardoor de menschen altijd liever het kwade verhalen , dan het goede. 2) /-ij hebben er een ander oogmerk mede. Kortelings van Jeruzalem gekomen, waar dit tragisch tooncel juist had plaats gehad, lootlscJiappen zij het jezus, die '1 dus waarschijnlijk nog niet weten zou; en zijn benieuwd, wat bij er van zeggen zal. Hoe ver ook van zulk een zelotisme verwijderd, bij zal tocli rii.ATUs' willekeur en wreedheid niet goedkeuren. En hoe zijn oordeel ook zijn moge, als zij willen, kunnen zij er een vijandig gebruik van maken, of bij 't volk , bf bij den landvoogd, even als later hunne bedoeling was met de vrang naar den schattingpenning. 3)
Houden wij dit alles in het oog, dan is er te meer wijsheid op te merken in het ant-
1) Lisco , stiek cu anderen hebben zulk eenen zamenbaug gezocht. Eer zou ik nog zeggen, dat deze toehoorders jezus zoehteu af te leiden van zijne ernstige strafredeneu over de teekenen des tijds (Xll : .-,4—57) ou het naderend oordeel (vs. 58, 59) ; terwijl de Heer, juist in 't geen zij zeggen, aanleiding vindt om er nog met meer nadruk op terug te komen.
Indien wij, met van willes. Luk. XI : 1—XUI : 21 voor écu geheel houden, dan beweegt jezus zich hier nog in den zelfden kring, waarin sommigen zijne wonderen aan den bijstand van beëlzebul hadden toegesebreven {_I.uk. XI ; 15); terwijl mahkis ons berigt, dat deze boosaardige aanmerking kwam van d.; Schriftgeleerden, die van Jeruzalem afgekomen waren. {Mark. Ill : 22.) Deze zamenbang zou aan de mcdedeeliug door deze of soortgelijke menseben gedaan, een nog hatelijker karakter bijzetten.
2) ïkench, die van dit denkbeeld uitgaat, merkt op. dat twee talen voor deze, zoo algemeene cu meest onbewuste eigensebap der mensehen een bijzonder woord bebben, de Grieksche en Duitsohc: Schadenfreude en Ons leedvermaak, ofsehoon weinig in gebruik, zou er nog kun-
nen worden bijgevoegd. ,
„Misschien vertelden sy hem snk, om hem te verstnklrn; even gelijk andermaal met de vrouwe,
iu oJrnl bevonden. Joh. VIII ; 3-6, endc met de vrage, of men Jen keizer schattingen moeHgeven
nfniet? Matth XXL1. Want een van tween konden zij vermoeden; Ofte, by sal de lt;/W van FxlaUis,
LL svue Landluiden begaan,;;.^; of. hy sal die laken M^rees cu /«««.hij deselve soo hadden
i\0reden om hem by PiMu* aan te klagen; ende pree, liyhet.M-. soo sonde by sig gehrat maken by
lit -meeue eolk, ende wel insouderbeid by sync Landlieden, de Galileërs.quot; n' outreik op vm,inga.
'J oo ook llghtfoot. — Al wil menjh/.us' hoorders, —menschen, die ten minste er bijstonden, toen hij
sprak , — zoo booze bedoelingen niet toeschrijven, dan waren zij toch zeker wel benieuwd, wat hij
spn
cr van zeggen zou.
78
de onvkuchïbaue vijgeboom.
woord, dat zich gelieel baitca do staatkunde houdt, en dit droevig voorval als een oordeel Gods opvat, maar waaruit men niet, naar de Joodsche toerekeningsleer, een al te ongunstig gevolg moest trekken omtrent hen, die zoo ellendig waren omgekomen. Was dit oordeel aan staatszucht en oproergeest te wijten, die't Godsrijk zocht in aardsche magt, de gehcelc Joodsche natie was met dien zuurdesem besmet, en werd telkens door zulke treilende voorvallen voor den naderenden ondergang gewaarschuwd.
En Jezus antwoordde en zeule tot hen; uMeent gij, dat deze Galileërs zondaars zijn geweest boven alle de Galileërs , omdat zij zulks geleden hebben ? Ik zegge u : Neen zij ; maar indien gij u niet bekeert, zoo zuil gij allen desgelijks vergaan. Of die achttien, op welke de toren in Siloam viel, 1) en doodde ze; meent gij, dal dezen schuldenaars zijn geweest loven alle mensehen, die te Jeruzalem wonen? Ik zegge n: Neen zij; maar indien gij u niet bekeert, zoo zult gij allen desgelijks vergaan.quot;
En nu volgt er: En hij zeide deze Gelijkenis.
De lieer rigt dus den blik, altijd genegen op anderen te zien, op eigen' zedelijken toestand 2), even als , in dit zelfde Hoofdstuk (vs. 21) met zijn : nStrijdt gij maar om in te gaan 1quot; en na zijne opstanding tot petrus : n Wat gaat het u aan? Volg gij mij!' [-loh. X.\ [: 22) — Treffend is hier de tegenstelling van Galileërs eu Judeërs, van rit. at us' zwaard en Siloams toren, vooral wanneer wij het geheele verhaal als eene hatelijkheid van Jeruzalemmers tegen Jezus en zijne landgenooten, de Galileërs, mogten opvatten; maar treffend boven al, in het slotwoord, dat inzonderheid dreigend is tegen de hoofdstad, de tegenstelling der achttien tegen de duizend maal duizenden. En dat te meer treffend, omdat het insgelijks niet alleen, maar ook het desgelijks 3) met zoo ontroerende naauwkeurigheid is vervuld. Het was ook
1) Naar dicu toren is veel gegist, maar zonder geuoegzamen grond. Zoo meent ligiitfoot, dat hij over tiet badwater of do gaterij stond, eu de achttien misschien ouder hunne godsdienstige reinigingen verplet werden. Sïiek denkt hier aan den muur bij Siloa/i (Nehem. 111 : 15), waar een toren kan geweest zijn, daar de gevangenen van het Sanhedrin bewaard werden. In beide gevallen zou er eenige meerdere overeenkomst zijn met den moord der Galileërs. Zie ook d' outrkin op vitkinga.
2) Te rogt heeft teescii tegen stkausz (11: 84—90), die ook hier weder eene tegenstrijdigheid in jkzus' onderwijs vindt, aangemerkt, dat de lieer niet leert : «Zulke onheilen zijn straffen,quot; en even min: //Zij zijn het niet;quot; maar alleen: //Zij geven den menseh het regt niet, zijueu naaste te oor-deelen.quot; — Aan de andere zijde wordt echter het schijnbaar toeval van een' ingestorten toren en dc bloedige daad van een' Romeinsehen stadhouder, als Godsbestuur en Godsgerigt gelijk gestekt, overeenkomstig dc vraag van den Profcot ajios: „Zal er een kwaad in de stad zijn, dal de HEER niet doel ?quot; [Amos III : 6.)
3) Er is onder de uitleggers verschil, welk woord sterker spreekt, het üaavxws bij 't voorval met Je Galileërs, of het o/ioiw,- (waarvoor tischendouf evenwel ook wom'iwi in den tekst opneemt) bij dat van Siloams toren. Itet eerste woord beteekent eceu eens of insgelijks, het andere desgelijks of op gelijke wijs. Onze Bijbelvertalers volgen hieromtrent geen' vasten regel: anders hadden zij niet juist dc zwakste uitdrukking het laatst (vs. 5) gebruikt. Tussehen do beide Grieksche woorden zal dan ook wel niet veel onderscheid te vinden zijn, schoon óftoiot; misschien nog meer de geheele gelijkvormigheid aanduidt, zoo als tiiaaittog de volle zekerheid, dat iets ook, dat het even zeer gebeurt. Zoo sterven de zeven broeders in 't Sadduceesche raadsel allen enen eens, namelijk vóór de vrouw, maar daarom nog niet o/ioiwj, aan de zelfde ziekte bij voorbeeld; en zoo neemt jezis, bij de instelling van het
7U
DE OXVUVCHTIURE VIJGKROOSf.
onder hunne offeranden, en wel't heilig paaschoffer, dat veertig jaren later het zwaard der 11 o me ine u de vreeselijkste slagtin^ begon; tot onder de puinhoopen en in de vlammen omkwamen , wie zwaard en honger en pest had gespaard. En indien liet .Teruza-1'quot;■miners waren, die dit jezus boodschapten, te ontzettemler kliikt dan't woord : n Gij zvJt aUen desgefijbs vergaan!quot;
Zie daar liet uithouwen van den vijgeboorn , en teeli laaf .tfzt s dit, nog in het onzekere. Vjtiunc.v zegt, omdat het //hatelijkquot; zou geweest zijn, dit ie zeggen, sehoon hij later, in eene andere Gelijkenis, aan den wijngaard ontleend, onbewimpeld verklaarde; n Zoo wordt hel koningrijk Gods van u weg genomen lquot; Maar er is ook nog eene andere reden, dan beleefdheid of zachtmoedige verschooning, waarom jeztis cleze laatste bladzijde zijner volksgeschiedenis oningevuld laat. Zij is uitgedrukt in de woorden ; Zon gij « niet bekeert! Zoo lang er bekeering wordt gevraagd, is altijd nog liet oordeel voorwaardelijk, al is'tin den verborgencn en voor ons ondoorgrondelijken raad des Eeuwigen besloten.
Nu zal wel de hoofdzin der Parabel geene verklaring meer behoeven. Wat de vruchten zijn, die God verlangt, zagen wij reeds in de Gelijkenis eler Booze Landlieden, Diuir wordt van de pachters liet bedongen (1cel der boomvruchten gevraagd , hier van den boom zelf zijn oogst. En al is zijne onvruchtbaarheid geen zedelijk kwaad , zij is er toch een duidelijk beeld van. Vruchten, noemt johannes ze, naar de aanverwante beeldspraak, die hij gebruikt: vruelten der hekeering (der gunstige gemocdsveraiulering) waardig.
jVog blijft ons de vraag te beantwoorden, of ook de bijzonderheden moeten worden over-gebragt. Er is in deze Gelijkenis duidelijk eene tegenstelling van regt en genade, 't Is niet //Te Heer zoekt vergeefs vrucht; cn die niet vindende, besluit hij , er nog eens alles aan te beproeven maar //Hij wordt er loc, overgehaald.quot; — Pat hier de Tleer van den wijngaard de Godheid zelve is, en niet ciiristcs, komt mij ontwijfelbaar voor. God was't, die Israel had geplant, als een' vijgeboom op den wijnberg;—zoo als elders het aanleggen van den wijnberg zeiven, (Jods zorg voor Israel uitdrukt.—Elke verklaring, die cnnisïirs in Zijne plaats stelt, als Israels Regter, voeit tot ongerijmdheden. 1) Ook 't opvatten van den wijngaard zeiven voor het Joodsche volk, den vijgeboom als hunne oversten of wie ook, strijdt met den zamenhang. 2) Er is geen ongelukkiger verklaring in mijn oog, dan
avondmaal , uiaavrtas, ook nog aan de tafel cn met de zclfilc hoogere bedoeling, den drinkbeker na liet brood. {LiiIl. XX : 151; XXIT ; 20.) Daarentegen wordt bij dc vermaning: «Don gij r/e*gelljhóuoioi,-gebraikt {lid. Ill : 11; VI; 31 ; X: 37.) Li kas gebruikt beide woorden het moest , vooral 't laatste.
1) d' OiTiuax hield cnnisïus voor den lieer des wijnbergs, en zug in den wijngaardenier de apostelen , die, /door hunne gebeden en hun geloof motsten te -weeg brengen, dat l.uaëls vijgeboorn werd uitgeroeid, om voor een' beteren plaats te maken.quot; Hij weck celiter later voor 't gezag vaa vithikga. — Ekgt;*gi:l laat bet in 't midden: Vineam hold, ruler, eumque colil Chnüus; vel, Vineam hahel Christus, eaviqw. colml mitiislri ejus. — Sïieu , die 't meest bocht aan het vaste parabolische spraakgebruik, noemt cuuisTUsden heer, omdat niet dc vijgeboom, maar dc wijngaard't loodsclie volk is, en de wijngaardenier, «de man, uitsluitend met de verpleging van dezen vijgeboom belast, (NB. o aune^ovQyói /)quot; hij is't beeld van Israels leidslieden {Mi/tlh. XXI : 33), hier met eine leider iibersehen* Feinheit unrl Fiille, juist geschetst zoo als zij niet zijn. En daarvan is een zoo geleerd en geestig man yW nhcrzevgl !!
2) n'Outüeik noemde den wijngaard dc algemeene kerk of het land Kanodn, den vijgeboom het Jodendom; bij geotics is de boom 't zelfde, en de wijnberg de gausehe aarde; maar bij stiku moet
80
Dh OKVKUCHTHAliii VIJGKHUUM.
die steunt op zeker //parabolisch spraakgebruik,quot; als of hier de wijngaard 't zelfde moest zijn, wat hij in eene andere beeldspraak is. Wij hebben nu eenmaal dogmatiek genoeg. Maken wij van 's Heeren beeldspraak, zoo dikwijls gewijzigd , toch geeue geloofspunten!
Is nu God de l'egter, wie is dan de Voorspreker ? Het is zeker een menschelijk, maar toch edel menschelijk denkbeeld, dat de regtmatige toorn Gods door de voorspraak der regtvaardigen •—menschen of engelen —kan worden afgebeden. Zoo smeekte abraham voor Sodom, met andere woorden: //Laat hun nog dit jaar!quot; En zoo spreekt weder ki.ihu tot job (H. XXXIII; 22—2G) : vA!s de ziele des zondaars vadert ten verrlerve, en er is dan een Engel, een Voorspreker, één vil duizend y om den menseh zijnen regten pligi ie verkondigen , zoo zal hij hem genadig zijn en zeggen: //Verlos hem, dal hij in V verdetf niet neder dale. Ik hel verzoening gevonden.quot; En zijn vleeseh zalfrisscher worden, ah het was in zijne jeugd. Hij zal lot de dagen zijver jonkheid weder keer en. Hij zal tol God ernstiglijk hidden, die in hem een welbehagen nemen zal.quot;
Natuurlijk, dat mi in onze Gelijkenis, bij den Wijngaardenier, van ouds aan Christus gedacht is, zoo als bij ons als een getrouw Hoogepriester, onze Voorspraak hij den Vader beschreven wordt. (1 Joh. TT ; 1 ; Hebr. quot;VT1 : 25: TX : 21.) 't Komt mij «-liter voor, dat dit nog meer een apostolisch denkbeeld is. Althans uit jeztjs' onderwijs herinner ik mij geen enkel woord, waardoor hij als Voorspreker optreedt tegenover Gods oordeelen; — of 't most zijne bede aan het kruis zijn: // Vader I vergeef het hun : want zij welen niet, wat zij doen!'
Met de vraag naar den Wijngaardenier, staat ook eenigzins in verband die naar de drie jaren. Sommige uitleggers, oudere vooral, hebben zich vermoeid, om de Joodsche Geschiedenis in drie tijdvakken te verdeden, terwijl de ouden zich ook dikwijls verlustigen in de voorstelling van het menschelijk leven in drie of vier tijdvakken, schoon dit hier geheel buiten 't verband is. 1) Weder anderen denken aan de drie jaren van jfzüs' openlijk leeraars-ambt, zoodat hij nu het vierde aanving, dat hij niet zou ten einde brengen. 2) Nog
de wijnberg Israel wezen, flus is de vijgeboom de enkele Jood in hracl, enz. Ook bij salmkkon is de wijngaard Israël, maar de vijgeboom Israels oversten, priesters en schriftgeleerden, de synagoge dei-Joden. En het eerste eenmaal aangenomen zijnde, is zeker liet laatste de beste verklaring.
1) Euihïmius beeft; »de regering van rigters, koningenen hoogepriesters.quot; TiiEornYLAcres: //het tijdvak van mozes, de profeten en chkistus.quot; Anderen (bij lisco) ; «jiozts, davib en de profeten.quot; Bij viTRiNGA en n' octbbik beeft men keus: of »van Mquot;zrs tot sai.omo, van salomo tot de ballingschap, van deze tot ciiiiistvs bf »vai) mozes tot de ballingschap, van deze tot johaknks den Uooper, van Johannes tot jezus;quot; of ook «de profeten, de Dooper, de ciibistus.quot;
In een' zedelijken zin en buiten 't geseliiedkundig verband , stelt auousukus : »de natuurwet , de ge-selu-evene wet en het evangelie;quot; tueopiiïlactus; ,de kindschlieid, den mannelijken leeftijd en den ouderdom.quot; Salmekon; »kindscliheid, jongelingsjaren en mannelijken leeftijd,quot; waarbij dan de ouderdom 't laatste jaar is , «dat hij z.ieh zeiven en anderen niet durft beloven.quot; — Al zulke opvattingen, de morele inzonderheid, kunnen misschien oratorisch gelden, maar liggen zeker niet in de bedoeling van chkistus , en hebben in zijne woorden zoo weinig grond, dat men steeds weder de eene in de plaats •der andere stellen kan.
2) Zoo bengel, en na hem oi.su a uses , stieü en anderen. Dat jezus nu in zijn laatste jaar was, wordt door de meesten aangenomen, ofschoon naar de rekening van wieseler, die slechts twee en een 4ialf jaar stelt voor 's Heeren openbare werkzaamheid , hij nu nog niet zou hebben kunnen zeggen ; Ik JiCM drie jaren enz.quot; althans niet in dien zin, dat er nog een vierde jaar werd bijgenomen.
SI
DE ONVRUCHTBARE VIJGEBOOM.
eens, eu nog weder zou in dit jaar het uiterste aan den vijgeboom worden beproefd , de laatste arbeid aan hem ten koste gelegd.
Ik laat dit alles, dat geheel van ieders gevoel en opvatting afhangt, liefst onbeslist, en wil er alleen bijvoegen, dat de opmerking van iiugo de groot: //Dc Joodsche staat werd eerst veertig jaren later omgekeerd, en deze omkeering kan hier dus naauwelijks bedoeld zijn,quot; niet zoo bijzonder veel afdoet, daarop den kruisheuvel het oordeel beslist was, en dus in zoo verre het laatste jaar van Gods langmoedigheid, voor het volk in zijn geheel en met name voor Jeruzalem, afgeloopen. Later was de roeping der genade slechts persoonlijk : // Wor 11 behouden van dit verkeerd geslachle, uit zijnen ondergang gered Iquot; {Hand. II : 40.)
Heeft nu iemand nog lust, om het omgraven en bemesten in 't bijzonder toe te passen, hij kan daartoe bij anderen te regt, waartoe hem in eene aanteekening de weg gewezen wordt. 1) Ik voor mij achtte 't nuttiger, met voorbijgang van alle kleinere bijzonderheden, op dit beeld van Gods langmoedigheid nog eens tot onze eigene leering het oog te slaan.
Langmoedigheid. Zoo noemt het Evangelie het geduld, dat God heeft met den zondaar, omdat Hij geen' lust heeft aan zijnen dood, maar daaraan, dat hij zich hek eer e en leve. {Ezech. XVIII : 23.) Reeds het eerste algemeene Godsoordeel, dat over dc wereld kwam, de zondvloed, werd door waarschuwende stemmen aangekondigd, en door een uitstel (eigenaardig zeggen de Duitschcrs Gnadenfrist) voorafgegaan. [Gen. VI : 3; 1 Veir. III: 20.) En nog een der laatste stemmen, misschien wel de allerlaatste, die uit de apostolische eeuw tot ons komt, spreekt: Be lieer vertraagt de belofte zijner toekomst niet, maar is lanymoedig over ons, niet willende, dat eenigen verloren gaan, maar dat zij allen tot he-Iceering komen. (2 Petr. III : 9.)
Wij moeten echter ook hierin ons van cene al te menschelijke voorstelling wachten. Geheel de openbaring is eene accommodatie naar de kinderlijke vatbaarheid van den mensch. De langmoedigheid van God is geen strijd inde eigen natuur des Eeuwigen, zoo als wat al te menschelijk in een onzer minst Evangelische Gezangen gezegd wordt:
Regtvaardigheid hield aan om straf.
Genade dong om vrijgeleide :
Hier trad Gods wijsheid tusschen heide,
Die ze allebei voldoening gaf. 2)
1) Wil men nog verder de bijzoult;lerhcden overbrengen, dan kan men bij vitiusg\ loeren, dat de westing scer aartigljk de gaven van den Heiligen Geest verbeeldt, en het omgraven de teer krachtige en levrndige predikatiën der Apostelen. Beter zegt Llseo, dat het graven 't wegruimen van hindernissen be-teekent, eu de bemesting toevoer van nieuwe levenssappen. Athanasius, het geheele beeld op Christelijk terrein overbrengende , zegt: «De wijngaard is dc kerk; de vijgeboom de ziel, in zonden verzonken, die door rampspoed omgraven eu door verzoekingen bemest, soms nog in liet derde jaar, den ouderdom, vrucht draagt.quot;
2) Gez. (JXXV ; 5, gevolgd naar de raadsvergadering van Gods volkomenheden, in iioogvl.u.i's Abruhum de Aarh vader.
82
ue on vruchtbatik vijgeboom.
Maar even min moeten wij ons de tusschenkomst van Christus voorstellen als oen verbidden, een vermurwen van de harde regtvaardigheid Gods, daar liet evangelie integendeel uitgaat van 't beginsel; Zoo lief heeft God de wereld gehad. Indien de wijngaardenier in onze Gelijkenis het beeld van cuiustus is, — en zeker heeft jezus er zijn eigen wenschen en pogen voor zijn volk in uitgedrukt, de liefde, waarmede hij Jeruzalem kinderen wilde vergaderen, gelijk de hen hare kiekens vergadert onder de vleugelen; — indien dus de wijngaardenier Christus is, dau spreekt hij niet tegen, maar in den geest des Vaders; en't is den Heer des wijnbergs welkom, dat zijn eerste en meest vertrouwde dienaar op aarde nog zoo veel zorg heeft voor den ondankbaren vijgeboom. De kerkvader augustinus heeft met veel scherpzinnigheid opgemerkt, dat reeds de uitspraak van het vonnis den weg der behoudenis open stelt; vüie een' boora kort weg uitroeijen wil, zegt het zóu niet.quot; 1) — En de langmoedigheid Gods verleent niet alleen uitstel, die toch de straf niet zou keeren of verminderen, 2) maar bezigt dien laatsten tijd, om nog het uiterste aan den onvruehtbaren boom te doen, terwijl de bijl nog aan den wortel rust. In zoo verre is de beperking tot het vierde jaar van jezus' leeraarsambt, — gesteld, dat de berekening juist is, — toch ook weder al te bekrompen, of moet ten minste alleen op den Joodschen Staat worden toegepast, daar paulus nog jaren later aan de Joden schreef;
Veracht (jij den rijkdom van Gods goedertierenheid, en verdraagzaamheid, en langmoedigheid, niet loeiende, dat de goedertierenheid Gods u Ud hekeering leidt ?
Maar naar uwe hardigheid en onhekeerlijk hart , vergadert gj u zeiven toorn als eenen schat, in den dag des looms en der openbaring van het regtvaardig oordeel Gods, die een' iegelijk vergelden zal naar z'jne werken, (liom. II : 4—C.)
De toepassing hiervan op ons zelve, laat ik den lezer over. Is het den vienseh gezet eenmaal te sterven, en daarna het oordeel, zoo zij ieder oogenblik ook voor ons een heilzaam uitstel, en in eiken oudejaarsnacht zij het ons, als of eene stem voor ons bad : nLaat hem mg dit jaar!quot; — Maar verwonderen wij ons dan ook niet, dat, terwijl wij den vroeg gestorven' regtvaardige zoo noode missen, menig zondaar lang wordt gespaard.
Een enkel woord nog over den vijgenboom in Ji.zis' beeldspraak. Drie malen komt hij daarin voor; eerst als het beeld van de goddelijke langmoedigheid, daarna als 't zinnebeeld van het oordeel; eindelijk als de vriendelijke bode van 't volmaakte Godsrijk, dat daarop volgen zal.
Na de waarschuwing in onze Gelijkenis, den eersten dezer drie vijgeboomen, sprak jezus nog menig ernstig en hartelijk woord, tot behoudenis van 't hem zoo dierbare volk
1) Si damnare vellet, facer ei. Nemo , volei/s ferire , dieit; «Observa /quot;
2) Van hier de woordspeling bij augustinus: Disluht tecurim , non ctedit securilatcw.
PK ONVlUXHTBAIiE VIJGEBOOM.
(iuds. Maar de vijandschap der Farizeesch gezinde partij en de tegenzin van ligtzinm'geii en wereldsgezinden werd lioe langs zoü grooter. Eindelijk gevoelt de lieer, dat de beslissing nadert. Eene donkere toekomst hangt, in de eerste plaats voor hem zeiven, over de bloedstad Jeruzalem. Onder gejuich haar binnen getreden, is echter daardoor zijn oor niet verdoofd voor al die ernstige roepstemmen. Den avond na den intogt keert hij ia stilte naar Bethanic terug, en gaat den volgenden morgen vroeg weder naar de stad. Honger hebbende, ziet hij van verre een' vijgeboom in vollen bladerdos. Hij gaat er henen, maar vindt niets, schoon de vijgenoogst nog niet voorbij is. En nu spreekt hij ; — 't is de eenige vervloeking op de lippen des Verlossers ! — nVan u ete niemand vrucht meer in eeuwigheid lquot; Zijne discipelen hoorden (lil, naar 't verhaal van markis. En toen zij nu den volgenden morgen vroeg weder den zelfden weg langs kwamen, zagen zij met verwondering den zelfden boom verdord van den wortel af. Dit is de tweede vijgeboom iu 't E\ angelie; en al heeft jezcs het niet nadrukkelijk gezegd, 't zijn de laatste regels, die nog aan onze Gelijkenis ontbreken. Jeruzalem» vijgeboom heeft geen vrucht gedragen, ook na al den arbeid, in 't vierde jaar daaraan te koste gelegd.
Nog eens keert, aan den avond van dezen zelfden dag, de vijgeboom in jezus' onderwijs terug. Na den laatsten strijd met de magthebbende partij in den tempel, heeft jezus zich op den Olijfberg neder gezet met zijne discipelen, en spreekt over de dingen der toekomst. En als hij nu, onder al die vreeselijke profetien door, den zijnen de heerlijke komst van het Godsrijk aankondigt, is het:
hLeert van den vijgehoom deze Gelijkenis: wanneer zijn tak nu teeder wordt, en de bladeren uitspruiten , zoo weet gij, dal de zomer nabij is Iquot;
Maar vroeger reeds (Deel I, BI. 395—100) spraken wij over dien derden vijgeboom. Ons blijft nu de keus, welk der drie beelden 't meest op ons zelve van toepassing wezen zal: en of wij, Gods langmoedigheid niet verachtende, het oordeel ontvlieden zullen, en met vrijmoedigheid verwachten de toekomst van den Zoon des menschen.
msiPi
HI ■
I
I
Luk. XV
|
Wat dunkl n? Indien eeni/j mensch honderd schapen luidde, cn één uil de zelve afge-dwaald, ware, tal hij niet de negen en negentig laten, en op de bergen henen gaande, het afgedwaalde zoeken ? En indien hel geschiedt, dat hij hel zelve vindt, voorwaar ik zegge n, dal hij zich meer verblijdt over het zelve, dan over de negen en negentig, die niet afgedwaald zijn geweest. AI zoo is de wil niet uws Vaders, die in de hemelen is, dat één van deze kleinen verloren ga. |
IFat mensch onder n, hebbende honderd schapen , en één van die verliezende, verlaat niet de negen en negentig in de woestijn, en gaat naar het verlorene, tot dal hij het zelve vinde ? En ah hij hel gevonden heeft, legt lij het op zijne schouderen, verhl jd zijnde. En le huis komende, roept hij de vrienden en de geburen tezamen , zeg ende lol hen; t/IVeest blijde met mij; want ik heb mijn schaap gevonden , dat verloren was Iquot; Ik zegge ulieden, dat er alzoo blijdschap zal zijn in den hemel over ééuen zondaar, die zich bekeert, meer dan over negen en negentig regtvaardigen, die de bekeering niet van noode hebben. |
Was liet mij steeds eene uitspanning bij inspanning, wanneer ik tot mijne geliefde Gelijkenissen kou terug keereu, nu vooral, uu het vijftiende Hoofdstuk van i.ikas opengeslagen vóór mij ligt. Want hier bevinden wij ons in 't middelpunt van het Evangelie. De goddelijke langmoedigheid, die straks in 't beeld van den On vruchtbar en Vijgeboom vóói ons stond, is nog slechts voorbode en inleiding tot die beelden der goddelijke genade, die met den otieindigeu rijkdom en de onpeilbare diepte der eeuwige liefde, ja! met zekere voorkeur zelfs, op den verloren'zondaar neder ziet; eene genade, reeds afgeschaduwd in dat heerlijk profetisch woord: Zoude Ik eenigzins lust hebben aan den dood des godde-loozen ? spreekt de Heere hberb : Is hel niet, als hij zich bekeert van zijne wegen, dat hij leve? Neen! Lust heb Ik niet aan den dood des stervenden. Daarom bekeert u en leeft! [Ezech. XVIII : 23 , 32.)
Dat dit de hoofdzin is der drie Gelijkenisseu van 't verlorene j dat zij dus hij elkander behooren en in éénen adem zijn uitgesproken, is zoo duidelijk, dat zelfs sïu.u-ss, dieandeis
HKT VERLOKEN SCHAAP.
zon onbarmhartig de Evangelieën uit elkander scheurde, het heeft ingezien. 1) Bij het groote verschil, dat er van zelf tusschen hei-der, vrouw en vader zijn moest, is er toch één leidend denkbeeld in alle drie deze beelden; verliezen en terug vinden, en vooral de daarbij afwisselende aandoening van onrustige of diepe smart en verrassende vreugde, terwijl de laatste zoo levendig is, dat zij zich in ruimer' kring moet mede deelen en uitroepen: I/ Wcest hlijde met mijlquot; En tegenover die verrassende vreugde van 't weder vinden, het kalme genot van 't bezit, dat daar tegen op verre na niet kan opwegen.
Dat dit 't essentiëcle keerpunt is in dit klaverblad van Gelijkenissen, valt vooral bij de laatste in het oog. De herder en dc vrouw, in eene soortgelijke omstandigheid geplaatst, geen wonder, dat zij zich met de eigen woorden uitdrukken; maar bij het beeld van den Verloren' Zoon zijn wij die al geheel vergeten. Ja! wij zouden hem niet eens dien naam geven, wanneer niet het slot met opzet tot 't gronddenkbeeld van dit drietal Parabelen terug keerde, waar wij 't reeds niet meer wachten: nH'j tvas verloren en is gevonden; men moest dus hlijde en vrolijk zijn /quot; 2)
Dat hieruit reeds de onmisbaarheid blijkt van 't slot der derde Gelijkenis; dat dus de ontmoeting met den oudsten broeder volstrekt geen aanhangsel is, daar zij ons integendeel in 't hart van mus' parabolisch onderwijs terug brengt:—teekenen wij bier slechts in voorraad aan , om nu bij 't denkbeeld zelf' nog eenige oogenblikken stil te staan.
(/Verloren en terug gevonden!quot; Met die vreugde der verrassing, waar onrust cn rouw zich ?.oo zalig in oplost, weet jezits ook nu zijn onderwijs aan te sluiten aan dc diepste en edelste aandoeningen van't mensclielijke hart. Dit begreep de kerkvader augustinus, als hij schreef: «De overwinnaar viert zijn' triumph; maar hij zou niet overwonnen hebben, had hij niet gestreden. En hoe meer gevaar er was in den strijd, des te meer vreugde is er in zijn' triomftogt. De storm slingert het schip, en dreigt de zeelieden met schipbreuk. Alles verbleekt voor den naderenden dood. Het uitspansel en de oceaan bedaren, en daar is uitbundige vreugde, naar de hevigheid van den doorgestanen angst. Een vriend is ziek, en zijn pols dreigt gevaar. Allen, die zijn behoud wcnschen, zijn in hun hart ziek met hein. Hij herstelt, en schoon hij nog niet met vorige krachten omwandelt onder de zijnen, er is eene vreugde, zoo als er nimmer was, toen hij vroeger gezond en sterk onder hen omging.quot; — Of wilt gij nog aandoenlijker voorbeeld van vader lutiieu hooren? n'i Is er eveneens mee gesteld, als met eene moeder, die veel kinderen heeft. Die zijn haar allen lief, en niet quot;aarne zou zij er tón uitkiezen. Maar zoo dra 't gebeurt, dat er een gaat liggen en krank wordt, daar maakt die krankheid 't onderscheid tusschen dén en allen, zoodat hei zieke kind nu het liefste is, en de moeder voor geen der overigen zoo trouw zorgt. Wie nu de
]) Dtns dime drei Parabeln unmittelbar hint er einawler geiprochen sein könwn, ist desamgen drukbar, tceil die tweile mir eine untergeordnele Variation der cr.Jen, die dril te aber weitere AusJUhmng und Ertautemig ton heiden ist.
2) Het schaap heet bij mkas opzettelijk niet ro n?.rcro\usi'ov, als bij maitheüs, maar t6 nnokmkós. Het zelfde woord, dat dikwijls van den menseli gebezigd wordt, door de zonde van God vervreemd, geheel verdorven en voor dc zaligheid verloren, keert ook vs. 8 en 9, en vs. 32 terug. Even zoo liet riyoi' of eioifrq, en de De zelfde woorden «verliezen, vinden, verblijd zijn,quot; duiden telkens, als't ware,
de drie Akten der Parabel aan.
8(gt;
tl KT VEKLOKEN SCHAAP.
liefde naar die verzorging wilde beoordeelen, dio zou moeten zeggen : De moeder heeft alleen 't kranke kind lief en de gezonden niet.— Alzoo, spreekt de Heer hier: gaat 't mij ook met de zondaars.quot; 1) — De laatste vooral, de man des volks, ldtheb , die geheel Europa in 't harte greep, heeft ook den Heiland der wereld in 't hart gelezen. En nu moge men vrij dit gevoel ontleden; zeggen, dat het uit onze onkunde voort komt, onzen angst, onze begeerte naar 't geen wij vroeger te weinig waardeerden of later niet meer zód waarderen zullen, — dat er zelfs ondankbaarheid omtrent het bezit en ongeloof tegen 't gedreigde verlies in ligt opgesloten, — dat dus dit alles allerminst bij den eeuwigen vrede des hemels past; —- ja! wij willen gaarne gelooven, dat onze godgeleerden en wijsgeeren een zoo gebrekkig mensehelijk beeld niet zouden gebruikt hebben ; maar dit weten wij ook, dat geen hunner woorden of redeneringen zoo diep in 't mensehelijk hart hebben ingegrepen, alle eeuwen door, a1s dit natuurlijk beeld van de blijdschap des hemels over éénen zondaar, die zich lekeert. Dat begrijpt elke landman, die zijn vee monstert aan den avond, iedere arme vrouw, die hare penningskens natelt, maar bovenal iedere vader of moeder, treurende over een' verloren' zoon ! — Laat ons toezien, ook bij de nadere behandeling dezer Gelijkenissen, dat dit natuurlijk gevoel van 's menschen hart niet verloren ga onder 't snoeimes der kritiek ; maar ook, dat 't niet omwolkt en beneveld worde door de diepzinnigheid eener even aanmatigende mystiekerij. Zoo dikwijls, bij mijne voorbereidende studie over dit drietal, eene van beide mij had koud gemaakt of verward, nam ik Luk. XV weder in de hand en 't werd mij weer warm en helder.
Na zoo het hoofddenkbeeld te hebben vast gesteld, moet ik nog iets laten vooraf gaau overliet onderling verband dezer drie beelden. Wij zullen ons daarbij niet lang laten ophouden door de vraag, of de twee eerste wel eigenlijke Gelijkenissen kunnen genoemd worden, daar zij in een' vragenden vorm vervat zijn. Sommigen hebben dit ontkend. Zij rneenen, dat luk as, schrijvende ; En hij sprak lot hen deze Gelijkenis, en later nog eens : En hij zeide, daar mede wil aanduiden, dat de tóie Gelijkenis, die hij belooft in den beginne, eigenlijk eerst vs. 11 aanvangt. En zoo zouden Schaap en Penning te zamen de inleiding uitmaken tot die ééne Gelijkenis, namelijk van den Verloren' Zoon, 2) — Mij komt deze
87
12*
August,, Confess. L. 111. C. 3; Lotueb, Ilauspost. IV : 252.
hot verloren schaap.
onderscheiding minder natuurlijk voor. Ieder zal ten minste bij 't eerste lezen, na het woord zeggende (vs. 3), terstond de Parabel wachten, en die ook vinden in liet Verloren Schaap. Liever zou ik nog dc uitdrukking deze gelijkenis van 't geheele klaverblad, de beeldspraak van 't verlorene, als in de daad céne en de zelfde, opvatten. Want dat de twee eerste beelden iets meer zijn dan eene inleiding, valt den aandachtigen beschouwer van zelf in 't oog.
Over het parallelisme der Gelijkenissen, waardoor de zelfde gedachte, in twee beelden wordt uitgedrukt, sprak ik reeds vroeger 5 1) eu wanneer 't mij vergund wordt, dit Werk ten einde te brengen, hoop ik daar, in het algemeene overzigt van je'/.rs' beeldspraak, nog eens op terug te komen. Nu wil ik alleen nog 't volgende opmerken.
In het parallelisme , als grondvorm der Hebreeuwsche poëzij, merken wij niet zelden eene tegenstelling op, die niet twee, maar drie leden heeft; waarbij soms de parallel van twee denkbeelden weder tegenover een derde denkbeeld gesteld wordt. Tot opheldering biervan strekke bij voorbeeld, Fs. XXXIII : 13 en 14:
Jehova schouwt uit den hemel,
En Hij ziet alle menschenkindereti;
Hij ziet uit van zijne vaste woonplaats op alle inwoners der aarde.
Of, meer in overeenstemming met ons tegenwoordig onderwerp, Ps. GIII: 8 en 9 ;
Barmhartig en genadig is jehova ,
Langmoedig en groot van goedertierenheid :
Hij zal niet altoos twisten, noch eeuvviglijk (den toorn) behonden.
Of nog meer, Jes. XL : 11 :
Hij (jehova) zal zijne kudde weiden, gelijk een herder:
Hij zal de lammeren vergaderen, en ia zijnen schoot dragen; De zogenden zal Hij zachtkens leiden.
Het zelfde beeft bier plaats. De vorm wijst dit reeds aan. Eerst worden er twee vragen gedaan, door or aan een verbonden, en die de zelfde geschiedenis: //Een uit velen verliezen, zoeken, vindenj zich verbeugen en zijne vreugde uitroepen,quot; onder andere beelden uitdrukken. Dan is 't of jëzus een oogenblik adem schept, om daarna een derde beeld,— door lij zeide ingeleid — tegenover dc twee te stellen. Het komt niet zoo naauwkeurig met de beide voorgaande over een. Niet alleen is 't verlorene hier meer dan eene bezitting, maar 't is ook niet één uit velen. En wat de grootste verscheidenheid geeft in 't verhaal, zoodat het laatste woord gevonden ons tot het punt van uitgang moet terug brengen: het verlorene in deze laatste Parabel wordt niet gezocht, het keert uit zich zelf terug. Dit kontrast is te fijn uitgewerkt en te schoon , om er aan den Evangelist dc eer van te geven. De Heiland zelf heeft 't zoo geschikt, en onder 't zelfde hoofddenkbeeld
veer 't zelfdebetcckent, als elders (VIII : 4, 10) h naqafloluis of Jiu naqafloXtjs finelv (matth. Xlll XaXelv), in Gelijkenissen oj bij gelijkenis spreken; dus weder //6ón doorloopeud parabolisch ouderwijs.quot;
1) Alg. Inl., Blz. LII, waar ook reeds van dit klaverblad met een enkel woord gesproken is. Men vergete vooral dc waarschuwing niet, om het echt dichterlijke parallelisme der Hebreëu niet te verwarren roet de tautologie van hun' ouden proza-stijl.
88
het verloren schaap.
eerstele zoekcmle liefde, daarna het terugkeerend berouw op den voorgrond gezet. Dit lag in de natuurlijke orde der dingen; en dat de Heer nog eene bijzondere reden had, om den verloren' zoon niet terstond te doen optreden, en den ouderen broeder geheel achter aan te plaatsen, hoop ik later aan te toonen. Voor het oogenblik wil ik nog alleen de opmerking van trench herhalen , dat wij dit selioone drietal niet scheiden mogen , om de almagt der goddelijke genade of de eigen werkzaamheid van den zondaar in zijne bekeering, eenzijdig op den voorgrond te stellen. Tiet schaap kan niet uit zich zelf terug keeren, het stuk gelds nog minder ; hier was dus voor de reddende liefde de schoonste beeldspraak le vinden ; maar de afgedwaalde zoon kan het wel, en werd dus van zelf '1. beeld van berouw.
Is ons zoo de innerlijke zamenhang van LvJc. XV helder geworden, dan volgt de vraag , of dit Hoofdstuk ook met 't voorafgaande of volgende zamen hangt. Ik zie allerminst reden, om het laatste te stellen. Eenmaal aangenomen zijnde, — en de sneesten zullen dit thans wel toestemmen, — dat lckas gccnc geregeld zamenhangende geschiedenis, maar eene verzameling van losse verhalen heeft willen geven, duidt Luk. XVI : 1 J'n hij zeidc ook tot zijne discipelen, een nieuw begin aan, en een' anderen kring van hoorders.
Eer zou ik nog het slot van 't vorige Hoofdstuk met 't onze verbinden : (.iezus zeide;) nWie noren heef t, om ir iiooren , die hoore iquot; En al de tollenaars en de zondaars naderden tot hem , OW' hem te hooren. Als wij de verdceling in verzen en Hoofdstukken, — die van veel lateren tijd is, — weg denken , is de zamenhang hier vrij duidelijk. Ik geloof echter, dat die zamenhang alleen in den geest des verhalers bestaat en niet in de opvolging der gebeurtenissen. Zulke overgangen zijn er bij lvkas meer. Zij verbinden dan de afzonderlijke verhalen, terwijl eene grootere afdeeling gewoonlijk geopend wordt door het bekende En het geschiedde. Met deze woorden begint 11. XIV. 't Verhaal loopt daarop door tot vs. 24, en eindigt in 't afwijzend slot der (ielijkenis van 't Gastmaal: uNiemand dier mannen zal mijnen maal-tjd smaken!quot; Xu begint met vs. 25 een nieuw verhaal, ook in den zelfden streng afwij-zenden toon tegen allen, die hun kruis niet kunnen of willen dragen en jezl's navolgen; en 't eind is: Die ooren heeft, hoorei Hierop volgt nu. Luk, XV , weder een verhaal, uitgaande van hen, die jezus' getrouwste hoorders waren. Het komt mij voor, dat men, door op die wijze te scheiden en te verbinden, beter de oorspronkelijke zamenstelling van lu kas' Evangelie zal ontdekken , dan door het als een Dagverhaal van jezus' omwandeling door zijn vaderland op te vatten. Mattheüs kon dit niet eens meer geven, maar lukas nog veel minder.
En aide tollenaars en de zondaars naderden tot hem, om hem te hooren (namelijk: //terwijl jezus z(5(5 sprakquot; of //als hij in dien geest leerdequot;). Ai.i.h, dat is eenvoudig: alle, die daar in den omtrek waren ; natuurlijk in den zelfden populairen spreektrant, waarin naderhand jezus' vijanden zeggen : uGeheel de wereld volgt hem natquot; en vroeger onze Evangelist schrijft: Allen, die kravken hadden, hragten ze tot hem. [Luk. IV : 40.) Over //tollenaars en zondaars,quot; zullen wij later nog meer moeten spreken. Ku wil ik er alleen van zeggen, dat daardoor allerlei menschen, die ter slechter naam en faam stonden, en die doorgaans in de
S9
iikt verloken schaap.
tolhuizen hnnnen omgang hadden, bedoeld worden. Zij wnren naderende, staat er eigenlijk in 't oorspronkelijke, en velen vertalen dit: //Zij waren gewoon, dat te doen,quot; 1) Maar al was deze vertaling taalkundig te verkiezen, — dat ik niet geloof,—ook dan nog schijnt ze mij met den zamenhang te strijden. De Parizeen morden niet over 't geen doorgaans plagt te geschieden, maar over 't geen zij voor hunne oogen zagen. De zin is: //Terwijl tollenaars toestroomden, murmureerden Fariztën en Schri/tgeleerdende Farizeesche partij, eu met name die den rang van Rahhi hadden en meestal tot die partij behoorden, 't Was de natuurlijke tegenpartij van tollenaar eu zondaar. Zij mompelden onder elkander 2), staat er eigenlijk, bromden en morden luid genoeg, dat ook anderen 't hoeren konden. Bij de schare, gewoon naar den eersten indruk te oordeelen, hadden zij den schijn vóór zich. Ook ons volksspreekwoord zegt; //Waar iemand mede omgaat , daar wordt hij mede besmet,quot;— en //Waar hij meê verkeert, wordt hij meê geëerd.quot; 3) Maar vooral vergete men niet, dat wij hier met het Joodsehe volk te doen hebben, bij wie de vrees voor aanraking van 't onreine zoo groot was, gelijk wij later, aan 't gastmaal van den Parizeer Simon, nog eens zullen zien. Tot die besmetting bestond natuurlijk de gereedste aanleiding aan de tafel, zoo als over 't geheel de ouden aan tafelgemeenschap meer dan wij hechtten. En hoe zou dan de echte Jood, die van eene Samaritaansehe geen teug water aannam en bij een' heiden den drempel niet overstapte, zich aan den tollenaars-maaltijd hebben aangezet? Was't wonder, dat de bittersten zijner tegenstanders jezus een'tafelschuimer {vraat en wijnzuiper) noemfan, overal te vinden, waar een goede tafel was, den ge-meenzamen gastvriend van tollenaren en zondaren l {Matth. XI: 19; IjuIc. VU ; 31.) — Gewoonlijk neemt men al deze oordeelvellingen te zamen, en schrijft ze dan op rekening van alle Parizeen, behoudens zeer enkele uitzonderingen, 't Komt mij voor, — en deze opmerking komt ons misschien straks te pas, — dat menig Parizeer, vooral in den eersten tijd, gansch niet afkeerig van jezus was, niet ongeneigd zelfs, om zich onder zijne welwillende hoorders of zelfs discipelen te voegen , maar afstuitende op deze al te groote en in de gevolgen bedenkelijke liberaliteit: //een Eabbi, die, als bij voorkeur, zondaars ontvangt niet alleen, maar zich ook door hen ontvangen laat, met hen eet!quot; 4) —Reeds vroeger, toen
1) Grotius , die schrijft: Artum continuum el quotidiannm genus hoe loquenJi significal, is door trench en anderen nttgevolgd. I)e daarvoor aangehaalde plaatsen bewijzen echter veel eer het tegendeel, en drukken steeds uit, zoo als 't mij ten minste voorkomt: //eene handeling, die juist plaats had, terwijl eene andere begon,quot; of liever nog: »dic tot eene andere aanleiding gaf.quot; — Zoo Mark. 11:18: He leerlingen van Johannes en die der Farize'én waren vastende, (het was juist maandag of donderdag,) m wx komen zij en zeggen lol jezus, enz. En luk. IV : 31, 33 : Jezus was hen leerende op de sabballen , en zij werden, terwijl hij leerde , terplagen ever zijn ondt-rrif/l enz.
2) Zoo v. oosTEUZEE. De uitdrukking ((Jteyoyyi/foc M-jovxei) komt sleebts twee malen voor, en ook de tweede maal {luk. XIX: 7) zien wij allen , — maar zeker 't meest de rarizeesehe partij, — zamen scholen, en hooren hen onder elkander mompelen , maar toch luide genoeg, dat ook anderen het hooren kunnen : yllij is lol eenen zondigen man (zaccheüs) ingegaan, om le herbergenquot; In bet enkelvoud zou eukas denkelijk dit woord niet gebruikt hebben. Anders I)r. d. iiaeting {Ihtidwoonhnhoek), die er alleen eene versterking der beteekenis in ziet; zeer morren. Zoo ook pape, die evenwel in diuXi^o^iat,, diudi-xójsaöm enz. de beteekenis Welteifer, Wechxelwirkung, dus een mil, unler finander erkent.
3) No.icilur ex socio, qui non cognoscilur ex se.
I) üc uitdrukking is puntig en scherp; »Deze (met ininaehting, even als elders; Deze mensch)
90
mux ve1ii.0ukn sciiaa1'.
jezus in 't huis van mattiilUs aanzat, en zijne discipelen de vraag dor Parizeen : n Waarom eet wo meester met tollenaren en zondaren ?quot; niet wisten te beantwoorden , had de Heer zich geregtvaardigd met de schoone spreuk : nDie gezond zijn, hebhen den medicijnmeester niet van noode, maar die ziek zijn.quot; {Matth. IX ; 12; M. II: 17; J,. V : 31.) Men zou het toch den geneesheer wel niet ten kwade duiden, dat hij met besmettelijke zieken omging! Nu wijzigt Jezus eenigzins dit oogpunt, maar zonder het denkbeeld van den omgang eens weldoener? met hulpbehoevenden te verlaten, terwijl hij daarbij niet van den kr anken mensch uitgaat, maar van 't uitgeputte en kranke schaap. In beide ontmoetingen was jkzus' zelfverdediging noodig, èn om den invloed zijner tegenstanders op 't oordeel der volksmenigte, en — kon 't zijn! — om de besten hunner tot andere gedachten te brengen. Hoe geheel anders is dan ook hier de toon als later, toen de besliste en onverzoenlijke vijandschap der magtige partij tegen jezus was los gebarsten, en hij geene reden meer had om haar, althans hare boosaardige en huichelachtige aanvoerders, langer te ontzien.
En wat nu verder de bijzondere beelden betreft; het eerste, 't Verloren Schaap, is het eenige, dat wij ook elders vinden. Anders staat lukas nog al veel op zich zeiven, bij jezus' parabolisch onderwijs, vooral bij «de Gelijkenissen in den trant van leerzame verhalen zoo als vak dek i'alji zegt. Elk der Evangelisten heeft ook, bij zijne verzameling van //Gedenkwaardigheden uit jezus' openbaar leven,quot; eigen plan en keus. Bij mattiieüs staat de Messias op den voorgrond, in verband met de profetie; bij lukas de Zoon des menschen; bij jouannes de Zoon Gods; — niet, zoo als dit door sommige nieuweren is opgevat: als of alles tot dit doel {Tendenz) kunstmatig was ingerigt; maar eenvoudig als eene eigenaardige bloemlezing , naar ieders smaak, uit den rijken schat der apostolische overlevering. Vandaar, dat er raakpunten zijn, waar de Evangelisten elkander ontmoeten, zoo als hier, waar de aanhef van jezus' rede ook bij mattiieüs wordt gevonden , en misschien bij jouannes daaraan trekken ontleend zijn voor het beeld van den goeden Herder. {Jolt. X.)
»1
De vorm der eerste Gelijkenis, zoo wel als van de tweede, is de vraag. Deze vorm is ons nu reeds gewoon in jezus' onderwijs. Hij wekt de aandacht, en gaat, nadat die is opgewekt, ongemerkt in den verbalenden trant over. flrat dunklu? zoo is 't bij matthküs, waar de herder eenvoudig als een zeker mensch wordt aangeduid, De zaak gaat er dus geheel buiten jezus' hoorders om , en alleen hun oordeel wordt ingeroepen. Natuurlijk! Jezus sprak in den kleinen kring van zijne discipelen, waaronder wel geene herders zullen geweest zijn. Maar bij lukas is 't: Wal mensch onder u ? Het menschenbeeld, als de hoofdpersoon in de Gelijkenissen, wordt hier dus met zijne hoorders vereenzelvigd, als onder hen zelve gekozen; en daarmede niet alleen hun oordeel, maar ook hun eigen hart tot
lt;i'lxianyl {nyorrdéxtiTai , ontvangt vriendschappelijk , zoo als Rom. XVI :2; Fit. 11:29,) zondaren, (niet »cUi of deze zondaren,quot; maar juist mot meer nadruk, omdat het artikel wordt gemist: zondaren; wij zouden zeggen: //zulk volk!quot;) cn (hij laat zich door hen noodigen eu ontvangen) hj eet mei hen zumen {(Tvveafttst, curor;).quot; Het wordt daardoor niet alleen cene aanmerking op 't geen jezus heden doet, maar op zijne doorgaande handelwijze.
het verloken schaap.
getuige geroepen; Kal mensc/i onder u ? even als elders: Wat vader onder u? [Luk, XT : 11.) En zoo kon jbzus hier spreken, in ruimer' kring, tegenover regtvaardigeu en zondaren bij menigte, waaronder ligt ook een sehaapherder, althans een eigenaar van klein vee, wezen kon, en zeker straks wel eene vrouw, die maar enkele drachmen rijk was. Nadat nu jezus eens de vraag gedaan heeft, gaat hij verhalende voort, zoodat wij in onze gedachte moeten invullen : //Wie zoekt niet terstond en met alle vlijt naar 't verlorene ? Ieder zeker; en als hij of zij 't vindt, enz.quot; 1)
De herder heeft honderd schapen. Ze zijn zijn eigendom; honderd, maar ook niet meer. Wij zien hier terstond, dat deze Gelijkenis, (en nog meer de volgende) ons verplaatst in den nijveren burgerstand, waarin de Heiland zelf was opgevoed en waaruit hij zich ook zijne apostelen koos. Dikwijls is dit uit 't oog verloren, terwijl men dezen herder over knechten en huurlingen laat beschikken, als een rijk man. 2) Ook dien hoogeren stand ontmoeten wij elders in de Parabelen en in dit zelfde Hoofdstuk, vooral den landeigenaar, — gewoonlijk lieer den huizen genoemd, — maar hier niet. Een herder was geen herdervorst. Job had zeven duizend schapen en nabal drie duizend [Job 1 ; 3; 1 Sam, XXV : 2), doch zij weidden ze niet: hunne knechten en herders deden dat Maar die er honderd heeft, kan er zelf 't opzigt over houden, en moet dat ook wel doen. Van 't inkomen, dat zulk eene kleine kudde geeft, houdt men niet veel dienstvolk. Maar juist daardoor vereenzelvigt zich 't leven van den herder met dat van zijn vee. //'t Zijn getelde schapen,quot; zegt eylekt te regt, en men krijgt ze hierom te meer lief. Aandoenlijk zijn in de Ilebreeuwsche poëzij de beelden dier innige betrekking, nog krachtiger en teederder door de hulpeloosheid van 't arme schaap, waarvan de herder zich den leidsman en beschermer gevoelt, en waar hij zich dus te meer aan hecht. Zorg voor zijne dieren was den Israëliet reeds uit een godsdienstig beginsel aanbevolen: u De reytoaardvje kent hel leven zijner beesten, den dor schenden os muilbandt hij niet, en ook zijn vee gunt hij de sabbatsrust.quot; Maar daarbij komt nu eene betrekking, zoo als alleen in 't eenzame natuurleven kan begrepen worden, al is ze nog niet zóó teeder als de liefde van den arme voor zijn eenig ooilam, dal slaapt in zijnen schooi, en eet van zijne bete, en drinkt uil zijnen beker, en hem als eene dochter is. Later, bij 't beeld van den Goeden Herder, komen wij nog eens terug op dit gevoel, dat een oorspronkelijk Nomadisch volk, zoo als de Israëlieten waren, veel beter begrijpen moest, dan wij; — wij, die aan 't schaap alleen 't wollen kleed zien, en de geldswaarde voor den slagter!
1) Casaubonus opperde reeds de bedenking, of het vraagteeken eigenlijk uiet aan Let einde der ge-beele Parabel moest gezet worden, en viikisga vindt dit atUrgeveegeljht: „want de redevoering is van ééneu trant.quot; Taalkundig kan dit missehieu doorgaan, maar in den popuiaireu spreektrant is juist die overgang van vragen tot verhalen natuurlijker. Raadplegen wij ook vele audere vragen van jrzus, dan zieu wij, dat het ov of ov^i alleen dea zin bebeersebt, waar bet zelf toe behoort. Bij matiheüs gaat dan ook die vraag (oi^l) in eene stellige verzekering [ij/jtj) over. De voorstelling vau het //«/'« des Sterken naar maitujsüs (XII: 29), en vau den Oorlog bij lu kas (XIV ; 31, 32) hebben den zelfden overgang ; terwijl bij het Licht op den Kandelaar volgens markus (IV : 21) door een herhaald ov de vraag wordt voort gezet.
2) Alleen voor salomo's hofhouding waren dagelijks honderd sc/wiyr» noodig (1 Kon. IV ; 23), zoodat zulk eene kudde uiet groot was in een land, zoo rijk aan vee. Aan de Kaap de Goede Hoop, bij voorbeeld , zou men een' herder van honderd schapen niet onder de gegoede boeren rekenen.
92
HET VKRI.ORKN SCHAAP.
Omtrent die zorg voor zijne iliereu deed jtzus bij eene andere gelegenheid, ook aan Faii-zeën, de vraag: // JFe/Zc menamp;eh h er onder u, die één schaap zal hellen, en 'indien dit op den salhal in een' huil valt., hel niet zal aanvallen en opheuren!quot; De Iletr doelt daarbij niet enkel op de geldswaarde van 't dier, maar ook op zijne hulpeloosheid, zijn lijdea ea levensgevaar, daar hij dit voorbeeld toepast op dc genezingen, waarmede men meende, dal hij den sabbat ontheiligde. En dc vraag, die hij daarbij doet, komt ook hier te pas; nlloe ver gaat een menseh een schaap te hoven?quot; 1)
Flonderd schapen heeft een menscli, maar één heeft hij er op dit oogenblik niet; het is a/gedwaald, zegt maïtheüs , maar luk as schrijft verloren , voor 't oogenblik geheel weg, zijn eigendom of althans zijne bezitting niet meer. — Dit onderscheid is karakteristiek, daarliet zamen hangt met de plaats, die de Gelijkenis in beider Evangelie beslaat: bij lukas als eeu eerste beeld van 't verlorene, bij jutïheüs als zinnebeeld van't hulpeloos dwalen der kleinen, die daardoor zouden verloren gaan. — En wat doet de herder nu ? llij gaal liet afgedwaalde zoeken (mt.) , gaal op 't verlorene af. (ult;.) 2) liet is opmerkelijk, dat bij EZECiuiii, (XXXIV : 4) van den ontrouwen herder juist het tegenovergeste lde gezegd wordt: uHel weq gedrevene brengt g'tj niet weder, en hel verlorene zoekt gij niet oj).quot; 3) Dit opzoeken is anders zoo natuurlijk, dat het niet de sterkst uitkomende trek is der Gelijkenis. Neen! nut 't zoeken zelf, maar dat de herder, om dit eéne te zoeken, de negen en negentig achterlaat in de woestijn, of bij mattheüs van zich ajlaat oji de Ier gen, l) Wij zijn van zelf geneigd, hier bij te voegen: //Natuurlijk onder het opzigt van zijne knechten ,quot; en ik herinner mij ; dat ik zelf, bij 't verhalen, er dit meer malen heb tusschen geschoven, omdat anders dc negen eu
1) Matth. XU ; 11, 12. De vraag heeft geheel den zelfdeu vorm als de eerste helft unzer (Jclijkenis bij lükas. Ook hier is het; xii èS uvfrgoinos , eu ook hier valt op hot hebben, bezitteu, de uadruk ; doch 't is één schaap , maar eeu enkel schaap , dat men heeft eu dat in een' kuil valt: dit verhoogt de betrekking op het hulpelooze dier, even magteloos om zich zelf te helpen, als de arme man, die aanleiding tot deze vraag geeft. In een dergelijk geval vra-.gt jezus : rCl/j yeceimile ! maakt hiel een iegelijk can u oy den sabbat zijnen os ef ezel van de krihtje tnx, en teidl hem hrcn om te dom driuken {Luk. Xill : 15.)
2) Lukas heeft: *«1 uogeisiap inl ró UTioXooXoi, het laatste als doel van den togt.
3) De Grieksehe vertaling van do laatste woorden: ró ünoicoXói oix ifz/nyaat» , komt half mei lukas en half met mattiieus letterlijk over eeu. Vau die schapfn zoml/'r hrrdcr wordt vs. 6 gezegd :
cci nijóflftioL /ion ty Ttavil (igst , — xul ovx Itv u txfi/ioï»' orJÈ ó unoaiqéipMV.
'1) Bij lukas is 't xaialsinsi, bij maïtheüs difijaei, ; in beide woorden ligt opgesloten, dat de herdervoor het oogenblik al zijne zorg aan het ééno schaap wijdt. Het 471I tol oy// bij maïtiikus is door üeza en door onze Statenoverzetting met rtogevamp;els verbonden; /,heen reizende over de bergen,quot; tegen dc parallel met lukas. Indien onze Bijbelvertalers deu gewonen tekst letterlijk hadden willen weder geven, zouden zij geschreven hebben: «Zoekt hij niet, latende de negen en negentig op de bergen i.ctu gegaan zijnde, het afgedwaalde?quot; Alles hing dan van 't zetten der comma's af. .Neemt n en evenwel, met TlscnENnoür, dc lezing xul nogevfre}; aan, dan is de zaak van zelf beslist, gelijk er buitendien veel racer te zeggen is voor ./laten op de bergenquot; dan voor het «reizen over de bergen.quot;
Mpum schrijft, dat tiil hier eene uitbreiding over de bergen aanduidt, daarin wpeïg het denkbeeld van los laten, vrij laten ligt opgesloten. Men moet dit echter niet zoo ver drijven, dat men 't opvat: «Hij laat ze vrij over de bergen dwalen; ' liever zou ik zeggen : «Hij Iaat ze van zich , dc bergen up,quot; als de veiligste weide, in zijne afwezigheid. De vertaling «over de bergen heen, daarover uitgebreid ,quot; is echter ook taalkundig juist eu zuiver Grieksch.
93
HET VKHLOltHN SCHAAP.
nogontiï schapen aan bet éénc zouden opgeofferd zijn, en de herder er nog wel veel meer zou hebben kunnen missen, toen hij met het afgedwaalde lerug kwam. Toch staat het er niet, en ecne diepere studie van jezus' Gelijkenissen heeft mij wat voorzigtiger gemankt, om die beelden niet maar zoo los weg bij te schilderen, en yAó misschien de fijne trekken van 't oorspronkelijke door ons geklad te bederven. De opmerkelijke bijzonderheid is niet, dat de herder zelf op 't verlorene afgaat, en niet een ander zendt; maar dat hij voor geheel zijne verdere kudde geen vrees schijnt te.hebben , door zijnen angst over quot;t éene, dat afgedwaald, dat misschien reeds reddeloos verloren is. Hij heeft niemand, dien hij zenden kan. Dit zien wij ook later, daar't geen dienstvolk is, als bij den vader der twee zonen, dat zich met hem verblijdt, maar vrienden en huren. Hij moet dus kiezen tusschen de 99 en het (6ne, en zijne keus is terstond beslist. De vraag van jjszus, die zich altijd grondt op de gewone handelwijze der menschen van zijnen tijd , wijst aan , dat hieraan niet te twijfelen valt: ff Welk mensch, ook onder u, die anders doen zou?quot;
Maar bier t-egenover staat, dat men van t //achterlaten in de woestijn, zioh geen te afschrikkend denkbeeld maken moet, als werden daardoor de 09 aan allerlei gevaren bloot quot;csfekl of zelfs nan 't wild gedierte prijs gegeven. De woestijn is in den bijbel eenvoudig do eenzame, onbebouwde landstreek, waar geene steden of dorpen zijn, noch afgepaalde akkers en omheinde wijnbergen: het gedeelte van 't bind, dat nog niet ontgonnen is. Bekoorlijk is het beeld, dat ons hiervan menig reiziger door 't oosten schildert; en wat er ook veranderd moge zijn, zeker wel niet die woeste maar rijke natuur, waarin rotsen en zandvlakten worden afgewisseld met vruchtbare dalen, daar de roos der woestijn in bloeit en die de balsemstruiken met bare geuren vervullen. Vooral na den regen strekken zich hier uren ver welige steppen of savannahs uit, zoo als nog in Mi (Met-A zie en Noord-Awerika , en zijn de waterwellen kenbaar aan den ranken palmboom en 't verlaten herderleger. Pat dit ook 't spraakgebruik is van bet Nieuwe Testament, zien wij bij voorbeeld, waar van Gad ar as woestijn gezegd wordt: Er wns ree' gras aan die plaats. 1)—Als dus de herder zijn vee over de bergen geleid heeft, en o\gt;grazige weiden hij zeer stille (veilige) wateren gebragt (Av. XXITI : 2), kan bij ze gerust bp't midden van den dag, als '1 roofgedierte slaapt, ecnigc oogcnblikken alleen laten, te meer daar hij den trouwen bond, en misschien ook den bok , die gewoon is de kudde vooraf te gaan , tot wachters achterlaat van de vallei, waarin de schapen zijn bij een gedreven.
Zoo gaat hij dan henen of reist af, alleen denkende aan dat éénc, 't verdoolde schaap. De angst drijft hem voort. Hij zoekt en zoekt verder, door de liette des daags en de ver-roocijenis van den weg niet afgemat, tol hij het vindt.
Mattiieüs beeft: En indien het gebeurt, als't hem gebeuren mag, 2) dut hij 't vindt,—
1) Mdl'h. XTV ; 13; M. VI ; 32; I. IX ; 12; Joh. VI ; 3 , 10. Jizus gaat daar «ii i'qiuov tónov. komt el; ró dito; (het gebergte), cn hier is ^oyio; noli;. Dus juist de zelfde combinatie van woestijn,
berg en weide, als in onze Gelijkenis.
9) Grieksoh : xcd taf yht/iai, evgetr arró. Meijer vertaalt, met aanhalingen uit de klassieken: Wviii es sirl gelroffen hu ben wird, es zu findrtt. Achter yévtjitti moet zeker m'rw ingevuld worden, niet ixitói'. Zoo komt deconstructie met het voorgaande vers overeen: iüv yévi/rai rwi txuiov nqciParn __ynl éai' yévf/ini (otrrw) Fiyeïv to nXctviofiBVOv.
hct verloren schaap.
omdat hierop bij dezen Evangelist terstond de vreugde volgt, grooter over liet ééne, dan orer de negen en negen l'uj, dieniet afgedwaald zijn. Bij luk as wordt van die vreugde eerst straks gewag gemaakt, waar zij zich tegen anderen uitspreekt, zoo als dit in elk der drie (ielij-kenissen het slot der beeldspraak uitmaakt. Daarentegen is er bij i.ukas nog een opmerkelijk toevoegsel, te opmerkelijker, omdat dit bij de vreugde, 't hoofddenkbeeld, niet noodig was, maar wel, om daarbij de teederste liefdezorg te voegen : want liet verblijd zijnde wordt hier vooraf gegaan door de woorden : En ah hij hel gevoudeu heeft, legt hij het op zijne schouderen.
Wien kan 't verwonderen, dat deze bekoorlijke trek te allen tijde bijzonder de aandacht tot zich getrokken heeft? De herder tuchtigt het ongehoorzame dier niet, dat zijne stem uiet. gevolgd is en bij de kudde gebleven, dat hem daardoor zoo veel angst heeft doen uitstaan; hij drijft het niet met slagen vólt;5r zich uit, en laat 't niet, — voorondersteld, dat hij andereu tot zijne beschikking heeft, — door knecht of huurling te huis brengen. De afdwaling zelve, met al haar leed en hare ontbering, tot het arme dier aamechtig neder zonk, is reeds straf genoeg. De blijdschap der liefde toornt niet, zoo min als straks iu het beeld van den verheugden vader. Zelf neemt de herder, na alle vermoeijenis , ook nog dezen zwaren last op zich. Geen lam, zoo als menige afbeelding ons schetst, dat daur gerust op ziju' schouder zit, maar een schaap, dat er met al zijne zwaarte over hangt, torscht hij met vreugde; even
als de herder in Israël de lammeren draagt in zijnen school.----Dit alles is waar
en juist. Toch is er in de natuur zelve nog eene reden voor, die ik niet weten zou, wanneer mij die niet door een' Drentschen boerenknaap was geleerd. Ik bezocht iu die zoo regt antieke provincie ook de scholen, en vond ze nog geheel aartsvaderlijk. Was 't al te heet in 't bekrompen schoolgebouw, dan zelte zich de meester onder ecu' ouden boom , en lagen de kinderen met boek en lei in 't gras, of zij spartelden in hunne tusschenuren met korte broek en bloote beenen in een' modderpoel, terwijl meesters hooiwagen of bag-gerbeugel al gereed stond, tegen dat 't onderwijs der lieve jeugd was afgeloopen. Op de school zelve was bijbelsch onderwijs nog geene contrabande, en een wakkere knaap zou mij de Gelijkenis vau 't verloren schaap verhalen, waarbij ik heinde vrijheid gaf, om liet //niet op't Hollandsch, maar als Drentquot; te doen. Toen hij nu zoo ver gekomen was, als wij daar ook gekomen waren, — eu als een echte schapenvriend, veel gemakkelijker en natuurlijker! — vroeg de onderwijzer:
//En waorum, jong! dreeg de harder 't op den scholder, 't verloren schaop?'
Zonder bedenken antwoordde de knaap; //'t Schaop was steès, master! kon nie loapen.quot; 1)
95
En nu verhaalde de meester in goed Hollandsch, dat dit werkelijk zoo is. 't Afgedwaalde schaap, nadat het eenigeu tijd rond gedoold heeft, legt zich moedeloos en onderworpen neer. Al rigt gij 't op, het loopt niet meer, eu zou zelfs met slagen niet verder voort
1) Misschien is hierdoor niet begrepen, wat bij zacuakia (XI . 16) vau een' dwazen hereter wordt gezegd : Dut ejeeeed is eni afgesneden te warden, (af te dwalen of verloren te gaan ,) zat hij niet bezoeken , het jonge zal hij niet opzoeken, en het verbroken* zal hij nirt heeten , en nkt stilstaande zal iuj nikt dragen (eigenlijk omvatten). Teu minste als hitzig vertaalt; Das auj seinen Fiissen atehl, wir'l er nicht druuf erhutten ; zou men haa^t vragen , of hij wel ooit een' herder ouder zijne schnpen gezien heeft.
13*
HET VE1U01U N SCHAAP,
to krijgen zijn. Het licrlceft eerst weder, wanneer liet op nieuw in de kudde is ingelijfd.
Tot zoo verre mijn Drentsclic schooljongen. Wij vervolgen,— De verblijde herder voelt dan don last niet. 't Schijnt, dat zijne vreugde hem nog de zwaarste last is. Tlij moet daar aan lucht geven, die mede deelen ; en le huis Jcomende — Maar lioe? Gaal hij dan met't terug gevonden schaap naar zijne woning ? Brengt hij het niet bij de negen en negentig anderen in de weide dei woestijn ? — Eigenlijk staat er niet, waar dc herder 't heen brengt. ITot was jkzus' oogmerk niet, dit tr verhalenj en even min, met den herder tot de andere schapen terug tc keeren. De hoorder had de vrijheid, om dit aan te vullen, zoo als hij wilde. Tlij kon zich voorstellen, dat de herder niet vor af was van dc schaapskooi, en dns 't vermoeide dier daar even gemakkelijk kon worden heen gebrogt. En even goed kon hij zich verbeelden , dat het éénc schaap weer met de negen en negentig is vereenigd, en aan frissche waterbronnen verkwikt, /oodat de herder straks wrêr met honderd schapen huiswaarts keert. Pit laatste is misschien dc eenvoudigste voorstelling. A\ ant waarom wordt het //te huis komen,quot; waarvan matthi-.üs ons niets zegt, hier zoo nadrukkelijk verhaald? 't Is om dc vrienden en gebwren , die onze herder, aan den avond met al zijn vee terug keerendc, ook met't hunr.e terug gekeerd vindt. En nadat allen hunne zaken hebben in orde gebragt en hun vee bezorgd, rocpi Ti'j :e Ie zomen: 't wordt een vrolijke kring, en daarin velen, naar't schijnt, die op den dag reeds van zijn verlies gehoord hchb.n : want hij spreekt ervan, als van iets, dat hun bekend is; iiM'Jn schaap, 1) hef verlorene, lel ik gevonden ; weest HjfJe met mij f' En dat zo zich met hem verheugen, gelijk hij ook in zulk een geval het met hen doen zou, behoeft niet verhaald te worden. Het spreekt van zelf.
En nu volge hier nog, tot afwisseling, eene parabel en cene logende van Joodschen oorsprong, beide zeker wel geheel onafhankelijk van jkzus' Gelijkenis ontstaan. De eerste, is bij schötglnn , de andere bij stxiaut te vinden.
//Een muilezeldrijver dreef twaalf ezels voijr zich henen, met zakken wijn beladen , toen cdn van dezen in dc herberg van zekeren heiden inliep. Hij liet daarop de elf staan, om het ccne tc volgen. En als dc mensehen vroegen; //Waarom verlaat gij de elf, en volgt het éénc?quot; antwoordde de muilezeldrijver: //Dc andere zijn op cene openbare plaats, waar ik niet kan denken, dat iemand den wijn uit de zakken zal laten loopen.quot;—Even zoo staat cr geschreven {Gen. XXXIX : 2) ; God was met JOZET. Want zijne elf broeders waren onder dc hoede des vaders, maar deze had Gods bijzondere bewaring noodig.'
//Mozt:s weidde dc kudde van zijnen schoonvader Jitiiro , toen hij cenen bok daarvan ïog weg loopen. Hij volgde het dier terstond, maar liet liep voort en stond niet stil, voor dat het aan cene waterkom gekomen was. //Ik wist niet, dat dc dorst u deed weg loopen. Ann dier! wat hijgt gij!quot; sprak dc trouwe herder, en hij bragt het op zijne, schouders
1) Het eigene komt, bij t.ukas sterk uit. Op zijn eigen sclioudcrs, M loi't ói/touï iaviox' legt hij het schaap, (lat hij noemt, als of ieder cr reeds van wist of van weten moest ró n^móv pov io (inoXioXós*
11 KT VEIU.ORKN SCHAAP.
naar de kudde terug. Toen geschiedde hel woord des Heeren tot mozis, zeggende: //Ontfermt gij u zóó over In t vee van vleesch eu hloed, zoo zult; gij uw leven lang Israel, mijne eigene kudde, weiden,quot; 1)
Schoon nu in het. algemeen de betcekenis dezer Parabel niet duister, en 't verhaal niet, zoo als enkele andere, een raadsel is, toch loopen in de bijzonderheden de verschillende toepassingen der uitleggers nog al uit een. Om ons daarbij niet door de aloude Christelijke overlevering of door cene nieuwere dogmatiek op den dwaalweg te laten brengen, zullen wij eenvoudig het voetspoor volgen, dat de Heiland zelf ons aanwijst met zijn plegtig alzoo. Meermalen hebben wij dit woord in den aanhef van de slotspmik eener Gelijkenis opgemerkt; en altoos, zoo ik mij niet bedrieg , geeft het ons de gehcele beteekenis van 't zinnebeeld , zonder dat wij, buiten deze, naar eene bijzondere bedoeling in de verschillende trekken moeten zoeken, daar zij, of deze éene beteekenis skehts nader uitwerken, of anders tot het aanschouwelijke der schilderij b hooren.
Dit ai.zoo wijst ons bij lukas op de hemelvreugd over den bekeerden zondaar, die nog twee malen terug keert. Daar Mvmiiüs hier niets van heeft, is bij hem de tegenstelling //1 meer dan 99quot; met een plegtig amen [voorwaar) reals in't beeld zelf opgenomen. Zijn alzoo luidt dan ook geheel anders, en zegt ons: n Even eens is het de wil niet, van uwen Vader, die in de hemelen is , dat één van deze kleinen verloren ga!' Want JLzrs heeft juist kinderen gezegend, en het eene zware misdaad genoemd , de zulken te ergeren, in gevaar of verzoeking te brengen. Na eene tussi henrede over andere ergernissen, waarscliuwt de lieer nog eens, dat men de kleinen niet minaehte, als wier beschenncngelen altijd Gods aangezigt zien. En nu volgt er, met (en uWat dunkt n lieden?quot; 't beeld van het afgedwaalde schaap, dat de trouwe herder niet wil laten verloren gaan, en dan: ai zoo ook mv Vader in den hemel!
Dit verschil met lukas is veel belangrijker, dan de kleine verscheidenheid in do voorstelling zelve buiten dat wezen zou. Nu werkt allis tot dit onderscheid zamen. Het dwalen bij mattheüs is meer hulpeloosheid dan schuld, en het schaap zelf stelt niet den verloren' z o n d a a r voor, maar kleinen en zwakken onder de g e 1 o o v i g en, die ligt zouden verloren gaan. Tiet zelfde verhaal kan 't dus onmogelijk wezen. En als wij ons hart zullen uitspreken : het verband bij lukas trekt ons onwillekeurig aan, terwijl dat bij ma'mitiis ons minstens bevreemdt. Als er nog een klein lam was achtergebleven , of een krank schaap néér gezegen op den
1) AVil men nog eene parodie op deze Gelijkenis, dc treurige vrucht van werklieillgheid en nionm-kendeugdP — He beroemde R K. uitlegger a lapide verhaalt met higcnomenheid het volgende; .Kau-loman, de zoon van karei, mautei. , koning vim Au4rasié eu Si.edr, beide waardigheden versmadende, nam iu 't jaar 750 de mouinkspij aan op Mottle Catsino. Terwijl hij liicr, om iu gehoorzaamheid en nederigheid zich te oefenen, op bevel van den abt peiuonax de schapen weidde, legde hij één van dezen, dat mank geworden was, op zijne schouders, bragt 't naar de kudde terug, en verheugde zich zeer, terwijl hel hem met slijk bespalle. Want dc C'hristelijko nederigheid eu de navolging vanciiKisius is de ware roem van Christenen en van koningen.quot; — Ja , dut is zij zeker; maar wanneer nam ohrisies een schaap op zijne schouders, tol een schouwspel van nederigheid? En zou kaiuoman , in plaats van zich in geestelijke traagheid en dweepzucht toe te geven , niet eindeloos meer nut aan de verlornia schapen in zijne beide koningrijken hebben kunnen doen ?
97
het vkulouen sc1hap.
weg, 't zou een gepast beeld voor een van deze kleinen zijn; maat' nu is 't getal alleen klein, 1 van 100, niet 't schaap zelf; en 't beeld kan alleen van beteekenis zijn, als wij de geheele kudde ons als de kleinen, de hulpelooze kinderkens voorstellen. Wij hebben dus tusschen twee gevoelens de keus: of, dat ju zus in dien geest het bekende beeld nog eens gebruikt heeft; of dat matthküs 't hier op eene minder geschikte plaats heeft ingelaseht. 't Hangt hierbij ecnigzins af van de min of meer letterlijke trouw der apostolische overlevering , waaruit onze Evangelieën zijn voort gevloeid. Die deze iu de strengste beteekenis handhaven , en meenen , dat ook de aanleiding en aaneenschakeling van jkzus' woorden altijd met volkomene juistheid wordt opgegeven, moeten wel gelooven, dat de Gelijkenis van 't Verloren Schaap twee malen en met tweeërlei bedoeling is uitgesproken. Op zich zelf bestaat hier tegen ook geen bet minst bezwaar. 15ij den gedurig afwisselenden kring van jkzus' hoorders zal hij wel meer 't zelfde herhaald of gewijzigd voorgedragen hebben, daar wij zelfs de zaligspreking der kinderen, bij den eigen' Evangelist en in den zelfden kring van hoorders , met eenigc verscheidenheid twee malen vinden. Dit is dan ook bet bezwaar niet, maar daar is een ander. Wanneer wij MaUh. XYTIT ; 1—20 met eenige aandacht lezen, heeft dit stuk geheel het voorkomen van eene bloemlezing, aan het ons bekende voorval //het kind in 't midden der discipelenquot; aangeknoopt, omdat de schrijver geen betere plaats voor al die bijzondere spreuken wist, of vergeten was, dat hij ze reeds had vermeld. Hoe oezus ten minste, waarschuwende tigen het ergeren der kinderkens , nog eens de spreuk uit de bergrede herhalen kon : // Indien hand of voel u ergert, houw ze af en iverp ze van % !quot; is mij een onoplosbaar raadsel, vooral, daar hij straks weêr op de kleinen terug komt. Men be-proeve eens, om vs. 7—9 en vs. 12 en 13 eenvoudig als aanverwante spreuken, de ergernissen en Gods zorg voor de kleinen betreffende, op den kant te zetten, en leze dan VSi l—0, 10, 11 en 14 inéénen adem, en er zal niet veel aan den zamenliang ontbreken.
Nu nemen wij dan voor goed van mattheüs afscheid, en zouden dus het alzoo van luk as, dat. door een plegtig: Ik zeg u heden 1) wordt ingeleid, als wegwijzer moeten volgen. Maar over de hemelvreugd, die hierdoor het eigenlijke punt van vergelijking wordt, wil ik liever aan 't slot der volgende Gelijkenis spreken. Nu nog een enkel woord over den hoofdpersoon in deze Parabel: den herder.
98
Houden wij ons aan zamenliang eu letter der beeldspraak, dan kunnen wij bij man, vrouw en vader, die zich over 't verlorene verheugen bij het terug vinden, naauwelijks anders dan aan God zeiven denken. Dit wordt dan ook door onderscheiden uitleggers aangenomen. Aan God behoort oorspronkelijk, als zijn eigendom , de verloren zondaar, die hier zonder eenigen twijfel wordt bedoeld. Zijne liefde is 't, die zich over het verloren men-sehenkind ontfermt. En de hemel, op den achtergrond van elk der drie Gelijkenissen , is inhet beeld zelf 't huis, waar 't afgedwaalde schaap wordt heen gebragt, de penning gevonden, voor den verloren' zoon een feest bereid. En moge't beeld der vrouw wat vreemder
1) Het Hf jM ii*iv staat bij mattheüs wel niet in hei slot, maar juist daardoor (nog met ecu plegtig liuijv versterkt) bij het zelfde denkbeeld: de vreugde over één meer dan over negen en negentig.
HET VElil.OUKN SCHAAP,
99
schijnen voor de Godheid, dat van een' herder is doorgaand profetisch spraakgebruik. Hoe aandoenlijk schoon is niet dit beeld in den drie en twintigsten Psalm en het vier en dertigste Hoofdstuk van kzechiël uitgewerkt! Later, als wij met jkzus' woordenden Goeden Herder schetsen, hopen wij hierop nog eens rustig terug te komen. Nu willen wij alleen nog opmerken , dat het dwalend schaap meer malen, reeds in Israels zangen en ornkelen , tegenover den herder staat, nis een beeld van den behoeftigen, onkundigen, maar voord zondigen mensch. Zoo eindigt het uitvoerig volkslied tot roem vaa Gods wet: Ik heh gedwaald ah een verloren schaap. Zoek uwen knecht: want mee geboden hel ik niet vergelen. {Ps. C.XIX : 176.) En in de beroemde lijdensprofetie is het; Wij dwaalden allen als schapen, wij keerden ons een iegelijk naar zijnen weg; waarna evenwel de groote Knecht des Heeren niet als herder wordt voorgesteld, maar als een lam , ter slagüng geleid, als een schaap, dat stom is voor het aangezigt zijner scheerders. [Jes. LIIT:6, 7.) Jezus zelf wordt eerst de groote Herder dei-schapen, herder en opziener onzer zielen [Ilebr. XIII: 20; 1 Pelr. II : 25) genoemd, nadat hij zich eene eigene kudde heeft gevormd, waartoe hij als de goede Herder in betrekking staat. En zoo zijn de tollenaars en zondaars wel verloren of dwalende schapen , maar als wij juist zullen spreken, waren zij nooit van JEZtis, wel van God afgedwaald.
Maar is de liefdezorg van God de ziel van 't zinnebeeld, hij in wien die liefde boven allen woonde, hij werd zelf die zorgvolle herder, zoo dra hij de zorg des Opperherders openbaarde en uitvoerde tevens. Gezonden tot de verloren schapen van het huis Israels, werd hij, de schare ziende, innerlijk met ontferming over hen bewogen, omdat zij vermoeid en verstrooid waren, als schapen, die geenen herder hebben. [Ilatth. XV ; 24; X ; 6; IX : 36.) Even als dus de Christus later tot petrus zeidc: nHoed mijne schapen! Weid mijne lammeren]quot; en herder de naam gebleven is voor hen, aan wie zijne gelouvigen zijn toevertrouwd, zoo waren hem zeiven de dwalende schapen van Gods kudde allermeest aanbevolen. Al heeft jezus dan niet juist zijn eigen beeld willen schetsen in dien trouwen herder, met 't verloren schaap op de schouders, de oude Christen kerk was in haar regt, toen zij den goeden Herder zoo afbeeldde. Reeds uit de tweede eeuw berigt ons een kerkvader (teutuluanus), dat op de kelk van 't avondmaal dit lieflijk beeld : /'de goede Herder met het verloren schaap op de schoudersquot; stond afgemaald. In do katakomben en op de sarkophagen der eerste Christenen ontmoeten wij het nog. Soms zijn er twee of meer schaapjes bij afgebeeld, die rusten aan 's herders voeten en vrolijk tot hem opzien, en in de regterhand heeft hij de herdersfluit, uitzeven rietjes zaam gesteld, — 't klassieke zinnebeeld van 't vreedzaam herderleven. — Soms ook is hij afgebeeld in zittende houding, als vermoeid van den langen weg, En altijd is dit beeld hot meest in 't oog vallend op de graven , in het midden van 't gewelf. 1) In deze kunsttaal spreekt een diep gevoel van 't woord des apostels : Q'j waart als dwalende schapen; maar gij zijl nn bekeerd lot den
1) Zie munt kil, Sinnhildcr der Alt. Christ., bij trench (pag 880) aangehaald, en vergelijk w. moll, fh't Kerkelijk leven dn Christ enen enz, II: 339. — Men kan hier nog bijvoegen, wat isidorius PELUsroiA berigt: dat reeds in zijnen tijd de priester of bisschop een schouderkleed van wol droeg, als minnebeeld quot;van het Verloren Schaap.
11 kt vekloiitn schaap.
Herder en Opziener uwer zielen ; — want bij, die, 't beeld der reddende liefdezorg Gods schetste, bij bad in zich zeiven dit beeld met leven bezield.
Maar niet enkel 't kunstgevoel der oude Cbristenbeid beeft dit beeld verbeerlijkt; zij bragt het ook in toepassing in 't kerkelijk leven. Toen omstreeks bet midden der derde eeuw, in eenen tijd va» verademing na lievige vervolging, de strenge partij te Ixome geene afvalligen weder in bare gemeenschap wilde opnemen, en de beroemde cypuianus , bisschop van Karlhaijo, Ineromtrent werd geraadpleegd, was zijn edel en echt evangelisch antwoord : //Ten dage des gerigts zou het ons toegerekend worden, wanneer wij voor het kranke schaap geen zorg gedragen hadden. Want als de lieer de negen en negentig gezonde schapen verlaten heeft en 't verdwaalde nagespoord, ja! het zelf op zijne schouders terug gc-bragt: boe zullen wij bestaan, wanneer wij niet alleen de gevallenen niet opzoeken, maar ben , ook wanneer zij tot ons komen, terug stooten ? Zie! daar ligt uw broeder , door den tegenstander in den strijd verwond. Van de eene zijde zoekt de Satan hem te dooden, dien bij gewond heeft; van de andere zijde vermaant tmusTis, dat wij toch e6n zijner verlosten niet reddeloos laten omkomen. Aan welke zijde zullen wij staan? Zullen wij den Satan in de hand werken, en den reeds half dooden broeder, even als priester en Leviet in 't Evangelie, voorbij gaan? Of zullen wij alles tot zijne heeling doen, wat wij kunnen, en Gode het oordeel laten ?quot;
O, ware die stem alom en altoos gehoord en ter harte genomen! Al stemmen wij dan uitlegkundig nog zoo gaaf niet toe, dat jezus' bepaalde bedoeling geweest is, zich zeiven onder dit beeld te schetsen, gaarne begroeten wij toch het Toevlugtsoord voor gevallenen, door Roomsch-Ka thol ij ken onlangs onder den naam uk cobdii iieudeu, naar de overgeleverde beeldspraak der Christen kerk, in ons vaderland opgerigt;—en ook in onze Evangelische Gezangen zouden wij niet gaarne de regels van den zaligen j. sciiakp (naar Zim
merman) mi?
Als een herder wil hij trouw 't Schaap, in een woestijn aan 't dwalen ,
Daar 't zich zelf verliezen zou, Van den doolweg weder halen.
Brengen op de regte baan :
100
Jezus neemt de zondaars aan! 1)
1) Liever dan de tocspelingcu opjizüs' kruisdrageu enz. aan te iialcu, wil ik hier nog de seiioouv woorden bijvoegen van een' ClirLsten dichter (puudentius) uit de eerste jaren der vijfde eeuw;
|
111e ovem morbo residem gregique Perditam saao, male Jissipauteni Vellus atlixis vepribus per kirtae Devia silvae Impiger pastor revocat, lupisque Gestat exclubis, Immeros gravatus; Jade purgatam revehens aprico Ileddit ovili. |
Reddit et pratis viridique campo, Vibrat impexis ubi nulla lappis Spina, nee gennen sudibus perarmaf Carduus horrens; tSed frequeus palmis nemus, et reliexa Vernat herbaruni eoma, turn pertnnis Gurgitem vivis vitreurn llueutis Laurus obumbrat. |
Of wal vrouw, hellende tien penningen, indien zij éénen penning verliest, ontsteeJcl niet ecne kaars, en Jceert hel huis met bezemen, en zoekt naarstigljk tof dat zij dien rinrlt ?
l''n als zij dien gevonden heeft, roept zij de vriendinnen en de gehurinnen te zomen, zeggende: n II'eest blijde met mij; want ik heb clen penning gevonden, dien ik verloren had !quot;
Alzoo, yzegye ik ulieden,) is daar blijdschap voor de engelen Gods over cénen zondaar, die zich bekeert.
Wat menseh onder u — Of wat vrouw —? — I'lr is hier een duidelijke voortgang en tegenstelling, 't Woord mensch wordt in den regel van een' man gebruikt. 1) En dat deze nu vcjot de vrouw gaat, het herdersleven boven de kleinere huiselijke bemoeijing, is natuurlijk. Daarbij is er eene zekere opklimming [climax) in de belangstelling, naar mate de waarde van 't verloren» daalt. Niet alleen voor een schaap geeft men zich zoo veel moeite. Dit zou nog ligter te begrijpen zijn. //Al had men geen belang bij de melk, of de vacht, of het vleesch der schapen, nog zou de natuurlijke teederheid van bet hart voor dit onnoozel vee het schaap willen beschermen voor der wolven muil; — de penning heeft aan zich zeiven niets treffends voor het menschelijk gevoel.quot; (stuakt.)
Een penning is verloren; liever zeggen wij, met den eigen' naam der munt, eene drachme: want onze bijbelvertalers zijn met het woord penning wat al te gul geweest. 2) En hier gaf het toch nog een al te gering denkbeeld van de reeds zoo geringe geldswaarde : want de Attische drachme, hier hoogst waarschijnlijk bedoeld, 3) kan op ongeveer acht stuivers van
1) Terwijl de Grieken ook avamp;yomos gebruiken, en wel in een' veraehtelijkeu zin, even als ons »liet mensehquot; of «het vrouwmcnscliis in Ixct N.T. 't woord altijd nuumelijk niet alleen, maar wordt nooit, soo ver mij hekend is, van »ééne vrouw in't bijzonderquot; gebezigd; terwijl mensob, in buwelijksbetrek-king, meer dau eens tegen over de vrouw wordt gesteld. Zie Mutth. XIX; 3, 5; 1 Kor. VII; 1.
2) Behalve de Grieksebe draebme, (hier en zeker ook Itamt. XIX : 19,) wordt er Mutth. \ ■ 20 de Romeinsebe quad rans, Mallh. XXVI; 15 en XXVU;3,5, 6 {„zikertn penningenquot;) de Ilebiccuwsche sikkel, overal elders de Eomeinscbe denarie mede aangeduid De draebme wordt op 40 ets. berekend , en dikwijls met de denarie gelijk gesteld, ofschoon do eerste zwaarder was. De gewone of halve sikkel stond ongeveer met de didrachme (dubbele draebme) gelijk; de volle of heilige sikkel (juuas' zilverling) gold bijna vier drachmen. De qnadrans daarentegen is sleehts „S; denarie, dus mgenoeg een oude duit. — Met Penningske worden twee a..dere kleine munten aangeduid : de «s, /„ denarie, Mallh. X : 29 en Luk XII ; 6 , en de leplon, de kleinste van alle , maar half zoo groot als een qnadrans. {Mark. XII ; 42; JaiL. XU ; 59; XXI; 2.) De opgegevene plaatsen vergelijkende, ziet men gemakkelijk, dat door deze eenvormige vertaling menig fijne trek in het verbaal verloren gaat.
3) De Attisebe drachme, toen de eenheid der Grieksebe munt, was ligter dan de oude Eginctische, gelijk ook bij de Israëlieten bet gewigt van den ouden sikkel op de helft was gedaald. Lang muntte men de drachmen nog met bet beeld van alexandeii den grooten. Ook Syrische zag ik, van't zelfde gehalte,
DE VERLOREN PENNING.
onze mant gerekend worden, liet stukje was dus hoogstens zoo groot als onze vroegere schelling, of eigenlijk nog kleiner, maar zwaarder. Ts'iet veel zeker; maar toch veel voor eene zuinige huismoeder, die maar tien drachmen heeft, en daarvan haar huisgezin onderhouden moet. Wel beschouwd , is ook de waarde niet gelegen in de drachme zelve, maar daarin , dat het er één van de tien was, een tiende gedeelte van al haar geld. Op de tien duizend talenten in eene andere Gelijkenis zou men geene drachme gemist hebben. Iti dit véén van honderd,quot; //één van tien,quot; • //van twee één,quot; is eene zigtbare opklimming, waarbij aan 't grootste gotal de uitdrukking der hemelvreugd ontleend wordt, en in 't kleinste al de kracht geschetst der vaderlijke liefde.
De ééne drachme is dus verloren, maar moet in huis zijn. Zoo blijft de vrouw iu haren kring, het huiselijk leven. Als zij dan nu haar geld natelt, en op de gewone plaats de tiende drachme niet vindt, wat is het eerste, dat zij doet ? Zij ontsteekt eene kaars, zegt onze vertaling; maar ik vertrouw, dat mijne lezers nu reeds van zelf 't woord kaars zulleu uitwisschen, en er licht iu de plaats zetten, 't Is de draagbare huislamp, die op den luchter gezet kan worden, maar ook iu de hand genomen, gelijk een paar vroegere beelden ons reeds geleerd hebben. Waar men licht in 't vertrek verlangde, deed men het eerste; maar de bezige dienaar had bij avond of nacht, waar hij zijn' meester te gemoet ging, zijn lampje in de hand. 1) Maar deze vrouw heeft even min dienstmaagden of slavinnen, als de herder knechten. Van de inkomst van honderd schapen houdt men die niet, en betaalt ze nog minder van tien drachmen. Zij ontsteekt daarom zelve haar licht.
Kn is 't dan avond of nacht? Dat juist niet; want dan zou de lamp al branden. Maar de huizen der ouden, ook (en nog wel) die der Oosterlingen, waren gansch niet zoo licht, als de onze. De lage deuren en kleine getraliede vensters, 2) lieten niet meer dan 't hoog noodige licht door, niet genoeg zeker, om in 't stof van den vloer, of in een' of anderen hoek of reet, een verloren zilverstukje te vinden. Wat wij dus misschien zouden doen, naar omstandigheden, datdeed do Israëlitische zeker, en van daar de vraag, die altijd de stelligste verzekering uitdrukt: uWaf rroupj onder u zou 't niet doen ?quot; 't Is niet denkbaar, dat ééne onder allen anders zou handelen.
Johannes ughtfoot , die voor ons, reeds twee eeuwen geleden, de doolhoven van 't
met lint beeld van antiociics Deze zal men in Odlitpn denkelijk veelgebruikt hebben. In Judra misschien meer Egyptische, met afwisseling vim Romeinsch en oud Joodsch geld; maar met liet laatste werd, buiten het tempolgebrnik , weinig meer gerekend en nog minder betaald. Bejaarden, die de oude muut gekend en de Fianschc overheersching beleefd hebben, kunnen dien verwarden toestand van het muntwezen, en het nut der wisselaars in zulk eenen tijd, zich bet best voorstellen Vergl. Deel I Blz.
1) Bij de verklaring van het hicht op den Kaudfiunr is reeds op de dwaling gewezen, waardoor Xixvos, een licht, door do Onzen kaars is overgezet. liét zelfde woord is bij de U'ukeme l)i'nsttnec.htcH ons voorgekomen, en wij vinden het hier nog eens. Overal, waar unreiv (uanst'ien o( opstckm) voor-komt, is 't een Uxvof, Heht, dat aangestoken wordt. Eigenlijk steekt men ook de lamp zelve niet aan, maar hn-ddt /,c {Matth. XXV ; 7), al zegt men iu 't dagelijkseh leven, dat eene lamp brandt (Opcnh. \ lil ; 10) of uit'jout {Matth. XXV : 8). Dat evenwel de lumpen (ht/inaJee) der wijze en dwaa e Maar,den , geene eigenlijke lampen, maar eene soort vim fakkels of toortsen waren, .is reeds bij die Gelijkenis opgemerkt
•J) Daar de vensters der Hebreen niet uil glas, maar uit traliewerk bestonden, konden zij niet zeer groot zijn, en lieten weinig Hebt door. Vensters, waarin men zitten kon, vond men b. v. Ie Troas {Hand. XX; 9); in het Joodsehe land sehijnt men meestal nog de kleinere of Fgyptis be venstersgehad te hebben- Verdere bijzonderheden vindt men in pabeus Archaeotogie, het Bijtjelsch H'oordenhoek en elders.
102
de veuloren penning.
Rabbinisme heeft doorgezocht, tot opheldering van 't Evangelie, haalt hierbij eeue plaats aan, die ons doet zien , hoe jezus' beeldspraak geheel in den geest van zijnen tijd en landaard viel. Het is eene Kabbijnsche verklaring {Midrasch) oj) Spr. II : 4 : Zou gj de wijsheid zocht als zilver, en 'naspeurt als verborgene schallen, liabbi phinehas, zoon van JA1K, teekent daarop aan : //De wijsheid, dat is de kennis der wet, te zoeken, dit staat hier gelijk met iemand, die een' dukaat {solidum) of eenig sieraad in zijn huis verliest, en eenige lichten of fakkels ontsteekt, tot hij 't verlorene vindt. Want indien men zóó doet voor de dingen der tegenwoordige wereld, hoe veel meer voor die der toekomende!quot; 1)
Wij keeren tot de vrouw terug. Nadat zij dan 't licht ontstoken heeft, keert zij het huis met bezemen. Jammer voor hen, die zulke diepe geheimenissen in de bezemen gezocht hebben, 3) dat deze alleen een bijvoegsel zijn van onze overzetters. Er staat eenvoudig, even als in de Gelijkenis van den Bezetene , dat ze 't huis veegt, al gelooven wij gaarne, dat zij dit met iets, dat naar een' bezem of stoffer geleek, gedaan zal hebben. Ongelukkig is ons van 't huisraad der Israëlieten weinig bekend en volstrekt niets bewaard. De verbeelding heeft dus ook hier ruim spel; maar niet, zoo als in sommiger geestelijke verklaring te pas kwam, om al de meubelen van hunne plaats te zetten en alles in huis om te keeren. Dit is weder eene voorstelling, die bij onze vaderen te huis behoort, tusschen al hunne massieve kasten en kabinetten, lessenaars en tafels, en bij de woede van het schoonmaken; maar volstrekt niet in de huishouding van eene arme Israëlitinne, die maar tien drachmen rijk is. Stond er een bed en kist, koornmaat en baktrog, het was al wel. De beeldspraak van jezus maakt hare armoede rijk en 't eenvoudigste diepzinnig.
Nadat dus de vrouw hoi ontstoken licht op den luchter heeft gezet, veegt zij 'thuis, stoft al 't vuil uit de hoeken , en zoekt dan weer, met haar lampje, naarstiglijk, eigenlijk zorgvuldig. 3) Zij wordt er niet door afgeschrikt, dat zij het niet terstond bij 't opvegen vindt. Zij doet het nu t
1) Nog zou men hierbij de goddelijke bedreiging kunnen vergelijken, Zefunja I; 12; Ik zal Jeruzulm met lantaurnm (Gr. Vert justci ).i xvüv) doorzoeken, dat op eene geheele uitpluudering , het doorzoeken der huizen (vs. 13), schijnt te doelea.
2) »De hesemen moeten hier noodsakelijk een sinnebeeld sijn van eenig zedelijk middel of werktuig, het gene van cimisius ende de Apostelen is gebruikt geworden, om het Jodendom eu Heidendom te xuivcren; ofte waar door de Meubiten (welke wy strax onderscheidentlijker noemen sullen) als het ware geroert ende van Itaure plaatse bewogen siju.quot; viteikga. Bewijs, dat die benemen dus 't Woord der Genade aanduiden, als ook de verkluriug der Meubilen, zal de lezer mij zeker gaarne scheuken. ILet denkbeeld vau «alles in huis door elkander halen, de meubelen verzetten, enz.quot; is, naar't schijnt, het eerst ontstaan uit eene schrijffout in de Vulgata: evertit voor ever r it, In de middeleeuwen, toen bijna niemand iets anders kende, dan den Latijnsehen bijbel, — zoo men dien nog kende! —werd uit dit everiil allerlei afgeleid: door ouegohius den Groote //de ontroering van't geweten,quot; door thalleu en wicnitji het «alles omver en van zijne plaats halen.quot; VmmGA volgt dit laatste, en zeker zou het in onzen tijd weder sommigen bevallen, daar liet zoo zeer het krachtdadige der bekcering zou uitdrukken , — als het er stond! — Met dat al is bij dit //vegen en keerenquot; veel goeds gezegd over de onvermijdelijke onrust, (w/W de vrede, maar't zwaard, naar jezus' uitspraak,) waardoor't woord Gods non sine pulvere (bengel) werkt, zoo als eli a reeds een beroerder Israels werd genoemd, en paolus en silas aangeklaagd, als die de wereld in rep en roer hadden gebnigt. (1 Kon, XV III ; 17 ; Hand. XVII ; C.)
3) Griekseh , even als in de Gelijkenis van den iamp;wwnYöa» gesproken wordt van tnt/AiiktiaOui., goed verzorgen. Om het sehaap te vinden, was een noysieat/ai-, een wijd on zijd henen gaan, maar voor den penning zorgvuldig navorsehen, een minutieus onderzoek noodig.
103
14*
db vkrlüukn penning.
met een vlugtig overzigt af, maar zoekt in alle hoeken en gaten, 't Geldstukje kan ook onder liet bed liggen, 't welk de Oosterling, om slangen of insekten af te weren, zoo hoog plaatst, dat er, naar eeue andere Gelijkenis, de lamp zonder gevaar van brand kan worden onder gezet. [Mark. IV : 21; Luk, VIII; 16.) Eu nemen wij, op het penningkabinet, ecne drachme in do hand, dan zien wij, dat't een vrij ru«'en ongerand klompje zilver was, dat wel nooit zoo zal geblonken hebben, als onze nieuwe munt. Maar de vrouw blijft zoeken; zij zoekt onvermoeid, tot dal zj vindt; — niet, zoo als onze Bijbelvertalers aanvullen, lot dat zij mm vindi: dit sprak van zelf; zoeken tot men vind! was de gedachte, die in al hare kracht moest worden uitgedrukt. 1)
En nu ? Ook zij spreekt luide hare vreugde uit: de herder tegen herders en de vrouw tot vrouwen. Zj roept ze zelfs, vriendinnen en ychurinnen , te zamen, om't haar toe te roepen; nWeest hlijde met mij !quot;—//Vrienden en burenquot; moeten wij hier, zoo min als in de vorige Gelijkenis, voor onderscheidene perso .en houden. 2) 't Zijn vriendinnen, die in de buurt wonen, of buurvrouwen, met wie zij goede vrienden is. 't Is dus (en dit is nog duidelijker bij het 's avonds te huis komen van den herder:) geene noodiging, die tot verre vrienden of verwanten uitgaat, — zoo als in 't beeld van het Gastmaal, 3) — maar een nieuwtje in de buurt. Wij lecren er uit, wanneer wij 't nog niet van elders wisten, dat het harem-leven der Oostersehe vrouwen van onzen tijd juist het tegenbeeld is van 't Israëlitische volksleven. Reeds in de dagen der Eigteren, als naomi 't ongedachte kleinkind op haren schoot heeft, komen vriendinnen en geburinnen (Jiul/i IV : 11, 17) de gelukkige zien en 't kind een' naam geven. — Hierbij is 't eene Scherpzinnige opmerking van Stuart, dat de Heiland met opzet in deze beide Gelijkenissen ons in eenen kring verplaatst, waarin 't blijde zijn met de blijden en weeneii mei de weenenden {Rom. XII : 15) veel algemeener is, dan bij ons. Laat een rijke een deel zijner schatten terug vinden, hij zal zich verheugen, maar de buren zullen het op zijn gelaat niet lezen , al deelt hij 't enkele vertrouwde vrienden mede. Maar in do achterbuurt hoort men den klaagtoon uit de open deur der enge woning, en schaart zich een kring, van vrouwen allermeest, meêlij-dtiul om 't klaaghuis; maar ook de vreugde wordt diWr in 't hart niet gesmoord, en 't // Weed blijde met mij!quot; vindt gereeden weerklank, 't Leven wordt voor den arme ook wel eens al te zwaar, waar hij 't alleen moet dragen! 1)—En van daar, dat de derde Gelij-
1) Opmerkelijk en misschien nog onopgemerkt, gelijk meer lijnere trekken in jezi s' beeldspraak, is hier het vei-sehil van uitdrukking. Van den herder is 't ; //;; yaat op 'l verlorene aj, tot nu m.T vindt (to), cuiti). Het sehaap zelf en het oogenhlik vau de wederontmoeting staan hierop Jen voorgrond. Vande vrouw: //V zorgtuUnj, zoo lang, tot daxzij vindt (cuj; öiou eSy//). Deze laatste eonstruetie is .Vttisoli {sril. /jtóvov, valckkxaaii) , en legt nog sterker nadruk op 't volhardend zoeken.
2) Zoo bij voorbeeld baktetu : «Door dit Ifui» (van den herder, vs, 6) verstaan \vy eenvoudig het Huis, daar jezus met de Tollenaars en /ontlaam aan tafel zat, in gezelschap , naar allen sehyn, van zijnu Apostelen, die zvne vuienden, en meerandere Goihaiirjcn, die zyne ojsbuurkn kunnen genu nit worden,quot;
3) Hij noodde cr velen, ixileas noXlois, hide. XIV : 10. Maar van herder en vrouw is het: üvyxakeC coi* (pil.ov; (gt;ji rei,- rpü.ug, roept ze. hij een , bij elkiinder, even als van de krijgslieden bijriL VTUs gezegd wordt, dat zij, om jezcs te bespotten, av/xuXot aty al'jv it]tgt; aneïyuv, {Mark. XV ; 10.) Hei zelfde woord gebruikt i.ukas ook van 't bij een roepen (couvocéren) eener ordelijke zamenkomst of vergadering.
1) Eeue kleine proeve van geheele misvatting daaromtrent viude bierbare plaats, daar zij die in den tekst niet waard was. Zekere abt f uhktikke schreef: Les Purahole.s de l'lüoatigile, Iraduilcs en vers (1072), en droeg die op aan louis XIV, niet de meest slaafsehe aanbidding van zijne grootheid en vroomheid, die
DE VKRLOUEN PENNING.
kenis in hoogeren stand verplaatst wordt, waar binnen 's huis genoeg gasten zijn voor een feest. Het terug vinden van een verloren schaap of verloren penning kon in de buurt worden uitgeroepen; niet dat van een' verloren' zoon.
uWeesl blijde met mijlquot; Deze woorden zijn geheel de zelfde als vs. 6. Maar in 't geen zij er bijvoegt, is een fijn onderscheid, dat men ligt zou verzuimen op te merken. De herder zegt: nik heb viijn schanp gevonden, het verlorene !quot; maar de vrouw; u Tk heh de drachme gevonden, dik ik vkkloukn if ad,quot; Een schaap verliest men eigenlijk niet. 't Verliest zich zelf, dwaalt af, en men bemerkt, dat het veuuiren is. Maar een stuk golds beweegt zich niet van zijne plaats; men sluit het niet goed weg, of laat 't vallen : men heeft het verloren. Of nu daarin meer zelfverwijt ligt, en daardoor grooter vreugde, zou ik niet durven zeggen, schoon het bij de mystieke persoonsverbeelding van de vrouw sommige uitleggers zeer te stade komt. Dit alleen wil ik nog eens opmerken, dat de vreugd en de zelfvoldoening van 't vinden in deze tweede Gelijkenis zuiver op den voorgrond treedt. Aan eene drachme hecht men zich niet. 't llecld der zoekende liefde treedt hier dus geheel op den achtergrond, en zou zeker in deze Parabel ook nooit gezocht zijn, wanneer zij niet de schakel uitmaakte tusscben twee zoo bekoorlijke beelden van liefde en van ontferming. Veel eer zouden wij dan uit 't gebruik van dit beeld een ander gevolg trekken, dat men geheel heeft voorbij gezien ; dat namelijk de Heiland aard-sche zorgc cu huiselijke bemoeijing in eene vrouw, 't leven der bedrijvige martha, garsch niet afkeurt, waar 't niet in tegenstelling komt met boogere belangen, en daaraan afbreuk doen zou. En in verband daarmede, dat jezüs ook in t.ukas' Evangelie niet die verachting van't geld predikt , die men in zijnen krachtigen eiscb tot wenhlverloochening cn hemclsgezindheid wel eens gezocht heeft. Iedere drachme, één van de tien vooral:—jezvs kende uit 't huisgezin zijner moeder hare waarde, en verplaatst ook hier zijne hoorders bij voorkeur in den kring, die de herinnering is zijner eigene kinderjaren.
Maar wie is die vrouw nu? — Voor ons, die de geheelo beteekeuis der Parabel in de slotspreuk van jk/.us vinden , is de beantwoording dezer vraag onnoodig. De vrouw is eenvoudig eene vrouw, als elke andere; maar die hier tot voorbeeld genomen wordt, gelijk LUTiuiti de moeder met 't kranke kind tot voorbeeld neemt. Wij zouden zelfs nog verder kunnen gaan, en met een welsprekend kerkvader (clemensvan Alexandria) zeggen: //Wanneer van een vogelnestje één jong afvalt, zoo verlaat de moeder 't nest, en ziet zij haar kieken door eene slang belaagd, dan fladdert zij met doodsangst in 't rond, niet gedenkende de jongen, die nog in 't nest zijn;quot; — of heriunereu ons de angst en zelfopoffering van eene kat, wie men 't overtollig kroost ontnomen had, om het te verdrinken , eu die ik moedig zag te water gaan, om't zinkend jong in den bek aan laud te dragen , en het daar
men zieli denkeu kan. En om nu onze Gelijkenis dan^ un stite nat.urel et meifione terug te geven, rijmt luj: Si quelque Dame riehe en bagues, eu anueaux, D'en visiter tous les eoins et les trous ,
Par quelque mauvaise fortune Taut que sa bague se presente,
Eu a laissó perdre quelqu' uue, Et ne conté pour rien tous ses autres bijous;
,1511e fait aussi-tost allumer des flambeaux, Et la trouvant enfin son allegresse est telle,
Balayer la maison , et u'est point uegligente Qu'elle eu court aux voisins anuoncer la nouvelle.
105
uk vekloiuon i'knmng
in dc zon te koesteren....... Maar jkzus kiest zulke beelden niet. De Gelijkenis wordt uooit eene
fabel. Hier, als overal, is 't de mensch in zijne wereldsehe bemoeijing, die ten voorbeeld strekt van het geestelijke; en waar zoo vele voorbeelden te kiezen waren, is de vrouw hier alleen gekozen, omdat zij het tegenbeeld is van den man, den herder. Ook vele vrouwen hoorden Jii/.rs gaarne, en zagen hier, als bij 't Zuurdeeg en in de smeekende Veeluwe , haar eigen beeld.
M aar van ouds heeft men er meer in gezocht. Het Evangelie is ook zoo eenvoudig! Dat de vrouw God zei ven voorstelde, — waarbij dan natuurlijk het denkbeeld van onachtzaamheid weg viel, — vond geen' algemeenen bijval. Wel heeft men daarvoor nog onlangs aangevoerd, dat de Allerhoogste reeds in het Oude Testament zoo wel onder 't beeld van eene vrouw, als van herder (Ps. XXHI ; 1 en elders) en vader [I's, C1II : 13) voorkomt, maar 't is tocii geheel iets anders , de vraag : Kan ook eene vrouw haren zvigc-ling vergeten, dat zij zich niet ontferme over den zoon van haren schoot? {Jes. XLIX : 15) of het beeld der zuinige huisvrouw, die eene drachme zoekt, Yan daar dat de kerkvaders, sinds de persoon, de zorg en de magt der kerk meer op den voorgrond trad, hier dikwijls haar beeld hebben opgemerkt, of althans in dien zin de beeldspraak gebruikt. Hit denkbeeld is door de nieuwere mystiek weer met ingenomenheid opgevat, en zelfs de drieëenheid in deze tri as terug gevonden: de Zoon als Herder, de Heilige Geest als waarvan de Kerk liet orgaan is, in de vrouw, en met zijn' eigen' naam de Vader; — of ook de orde des heils, waardoor eerst de Zoon op de redding des zondaars uitgaat in de woestijn, daarna de Heilige Geest hem bewaart in zijn huis, de kerk, eindelijk God zelf hem met open armen ontvangt in't vaderhuis. 1) Hierbij voegde dan zeer goed 't vrouwenbeeld, voor Israel zoo wel als voor de Christenheid, — .ik/vs' bruid, — doorgaande gebezigd; zoo als later, juist toen zij zoo stiefmoederlijk werd voor de geloovigen , //onze heilige moeder, de kerk,quot; heer-schend volksdenkbeeld geworden is. De lamp is dan natuurlijk Gods woord, reeds bij den Psalmdichter eene lampe voor onzen voel; en ook van 't keeren of aanvegen zijn gemakkelijk in de oordcelen en beroeringen der wereld of den schrik des zondaars toespelingen te vinden. Eindelijk is niet de minst schoone symboliek de vergelijking van den penning, door 't stof bedekt en met den voet getreden, maar toch altijd nog van innerlijk gehalte en met 's keizers (?) beeld gemerkt, — met den zondaar, in wien 't stof der wereld en 't slijk der zonde het beeld Gods niet hebben kunnen uitwisschen. Sommigen hebben hier zelfs gedacht aan het beeld des Verlossers in zijne geloovigen. 2) — Ofschoon ik nu zeifin al die gemoedelijke
1) Qui sunt isti, pater, pastor, muiier ? Nonne Deus pater, Christus pastor , muiier Ecclesia ? aïokoslus. Onlangs werd in den zclfdcu geest door ccn der geleerdste voorstanders van dc mystieke rigting in ons vaderland, I,u/-. XV voorgesteld als „bet beeld der goddelijke genade in de reddende liefde vau ciieisïhs, de opzoekende zorg der kerk , en de wederkeering van den zondaar tot God.quot; •— Zulk eene voorstelling, die malhonatus bij de kerkvaders meer oratoriseh dan excgetiscb noemt, beeft altijd dit tegen, dat onze hoorders nu ook stellig gaan meenen ; „jezus heeft 't zoo bedoeld,quot; eu zij daardoor den smaak voor den eenvoud van 't Evangelie verliezen. En toch blijven zij nog meer in den geest van jkzus' onderwijs, dan wanneer Mad. be savignac, naar de Gelijkenis van den Verleren' Penning , dc kinderen leert: Koui, ne devons pas nous glorifter des vertus, ejue mus avons , et eherehcr sant) reldehe celles, tiui nous restent a acquérir.
2) Het eerste neemt oElamp;iiNis aan, die er op drukt, dat de drachme in huis gevonden werd en niet er buiten; „Zoo ook zal de zondaar, als bij naar Gods woord zich zeiven reinigt, in zijn binnenste Gods beeld terug vinden.quot; — Bekend is het woord van ai.glstinus , bij wien de vrouw Sapientia Dei is, naar Spr. 1 ; 20 ; A«/« nummus Dei, thesauro aberraej, miserere mei t üok zijn imago imperuteris hebben velen.
10«
de veulore.n penning,
uitbreiding van .iezus' beeldspraak niet veel smaak heb, zou ik die niet zoo onbepaald durven veroordeelen, mits zij nimmer van het hoofddoel der Parabel afwijke, of dat zelfs geheel verlate. Het voorlaatste geslacht van godgeleerden, waar door ook ik met mijne tijdgenooten ben opgeleid, is misschien wel wat ver gegaan in die oppermagt der uitlegkunde, waardoor niets bij eenen tekst mogt gezegd worden, wat er niet logisch uit was af te leiden. I) De kerkvaders dachten anders, en vatten daarom de bijbelsche beeldspraak niet te aller ure op de zelfde wijze op; ja' de schrijvers van 't, Nieuwe Veibond zelve namen de uitspraken van het Oude niet altoos naar do letter. Kn om nu tot onze Gelijkenis terug te keeren, schoon en wïuir is de gedachte, dat de zondaar wel den glans eu de zuiverheid van 't beeld Gods, maar niet dat beeld zelf of zijne innerlijke gehalte verloren heeft; zoodat dit dan ook, bij de lampe des woords of t licht der goddelijke genade, weer aan deii^dag komt. Alleen moeten wij aan jkzis de bedoeling niet opdringen, om te zeggen, wat niet in zijn oogmerk lag, en ook voor zijne toenmalige toehoorders geheel zou zijn verloren gegaan.
En nu nog iets over 't hoofddoel dezer beide Parabelen: do hemelvreugd, inde derde Gelijkenis niet genoemd, maar des te duidelijker geschilderd.
Wij hebben de geregelde afdaling der getallen reeds opgemerkt, de anticlimax (tuench) van 100, 10 en 2. Het honderdtal doet meer den nadruk vallen op één enkele, het tweetal schetst meer de grootte van 't verlies. Van daar dat de vergelijkende spreuk aan de eerste Gelijkenis ontleend is: «meer vreugd over één dan over negen en negentig.quot; Deze vergelijking is bij den Penning niet herhaald, 't Zou het vorige verzwakt hebben, wanneer jezus nu gezegd had: i/Ik zegge u, dat er blijdschap over één is, meer dan over negen.quot;
Maar wiens is nu die vreugde? De meeste uitleggers zeggen ons kort weg: //God verheugt zich.quot; Jezus zegt liet niet. Wel ligt het in de beeldspraak : want de herder en de vrouw zijn verblijd, de eigenaars dus van 't verlorene. De Heere God, die zich verheugt in al zijne werken, is ook reeds de voorstelling van bet Oude Testament. {I's. C1V : 31.) Maar juist daardoor viel mij het onderscheid in 't oog. Kr is in den toon van 't Aieuwe Verbond een minder sterk anthropomorphisme ; minder grove en zinnelijke menschenbeelden. 't Snuiven van Gods adem, het plassen zijner voeten in bloed, of 't rommelen zijner ingewanden door barmhartigheid, zult gij in 't Evangelie vruchteloos zoeken; even min de blijdschap, waarmede God over zijn volk vrolijk is, zich verheugt met gejuich. [Leut. XXVIII; 63; Zef. lü ; 17.; 't Behoort tot dc dichterlijke fantasie der kindschheid, ook in Gods openbaring. Zoo wordt
zelfs nog onlangs v. oostbkzke (in lange's Ribelwerk) overgenomen, cu dus dc drachme met dc denarv verward, daar op de eerste nooit des keizers beeld stond. (Zie Bladz. 102.) Bij TKiiNCii vindt men eindelijk nog cene schoonc plaats uit Ignatius, die zegt. dat er tweeërlei munt is, elk met zijn eigen merk (xai/axt^) getoekend; daar de ongeloovigen het beeld der wereld, maar dc geloovigen Gods beeld dragen. —Hei beeld wordt dat van chuisïls voor bauuktu b. v., die in do vrouw zijne beeldtenis ziet; ofschoon g; : goiiiu.s en anderen dit ook gedaan hebben, zonder toch van «het beeld Godsquot; af te wijken.
I) Zoo phiijs tegen v. oostkuzee , in do Recensie van diens Leven van jezus: »Wat de stichtelj/,. aagt;,wending der gelijkenissen betreft, wij laten op dit grondgebied niets, volstrekt niets toe, wat niet overeen stemt met de gezonde verklaring, die vooraf moet gaan. Kris reeds zoo veel onkunde bevorderd en onzin te berde gebragt door vrome spelingen, die men op dit grondgebied toeliet, dat elke poging, om dit te versehoouen , in ons oog) afkeuring verdient.quot; Oi.dg. Bijdr., Jaarg. 1850, iiladz. 705.
107
d15 velllouen pennino.
hier op ccnc goddelijke vreugde wel gedoeld, — zoo als 't ook bij mattheüs de herder zelf is, die zich honderdvoud verheugt, en beiden, herder en vrouw, bij li:kas uitroepen: uWeesi blijde met mij !quot; — maar 't verrassende, feestelijke daarvan was van de blijdschap des Eeuwigen een minder kiesch beeld. In het vaderhuis zijn het de knechten en maagden, die genoo-digd worden tot gezang en gerei, terwijl 's Vaders oog is over beide zonen. In den zelfden geest ontmoeten wij hier ecne vreugde in den hemel, of voor het aangeziyl der EngeUn Gods. liet laatste schijnt mij volmaakt het zelfde als het eerste; even als elders het belijden voor den Vader in de hemelen , het zelfde is als 't belijden voor de Engelen Gods. 1) 't Is een Hebraïsme, dat men, mijns inziens, niet vertalen moet: fOod verheugt zich ten aanschouwen van zijne Engelen.quot; Vergelijken wij slechts, wat straks volgt (vs. 18) : nik heb gezondigd voon tiw aangezigt ,quot; dut toch wel iets meer beteekenen zal, dan //in uwe tegenwoordigheid,quot; waarom ook onze overzetters beide malen eenvoudig voor. vertalen. De zoo gewone Hebreeuw seheuitdrukking wordt vooral gebruikt van de vorstelijke hoven, waar alles voor 't aangezigt des konings geschiedt, en dus ook van wie zijnen troon omringen, het geheele hof. Vreugde in den hemel is dus zeker eene vreugde, die van God uitgaat en zich aan aide herael-lingen mede deelt; maar zóó dat de verrassing, de feesttoon, vooral in dezen gedacht wordt.
Te regt merkt van oostekzee op, dat't ook hier blijkt, hoe de Engelen Gods geene fantasiebeelden zijn (even als de Cherubs), om de goddelijke majesteit aanschouwelijk voor te stellen, maar ecne persoonlijk bestaande hoogere wereld, die zich over 't geen lager, nog in zinnelijkheid en zonde verzonken is, ontfermt. 2) Gelijk reeds de Joodsche voorstelling Kngelen weenen deed over der menschen zonde en ellende, zoo hooren wij hier over hun behoud, 't behoud van één enkele, der Engelen juichtoonen opgaan. Want de hoogste heiligheid is, naar 't Evangelie, ook de hoogste liefde; en ontferming 't karakter des hemels, gelijk zelfzucht en hardheid van oordeel dat der aarde is. Hij alleen, die uit den hemel was neder gedaald, kon zoo eigen en vertrouwelijk van den hemel spreken, dien hij in zijnen laatsten nacht noemt, en ook in de volgende Gelijkenis schetst als heihuis zijns Vaders, waar ruimte en woning in
1) Mailh. X : 32, 33, vergeleken met I/uk. XII : 8, 9 ; waar bij mattheüs ëfinqoaamp;sv tov nurqói fipv t. iv t. o. staat, en bij lukas ; eerst è'finyoaamp;ev , daarna svoimov tüv uyyékuiv tov dsnv. — Zonderling, dat juist lukas de eeuige der Euiiigelisfcn is, op het slotwoord van Johannes (XX : 30) na, die zieh van deze Hebraïsme [êvtómov =i'}ZÏ?) bedient, en 't dikwijls doet. Dit ,voor iemands aangezigtquot; duidt niet alleen aan «in zijne tegenwoordigheid,quot; maar vooral ook rr.óó dat hij het ziet, er getuige van is, er in deelt of althans belang in stelt.quot; Bij de volgende Gelijkenis komen wij hier nog eens op terug.
2) Minder kan ik mij met v. oosieezee vereenigen, waar hij zegt: -/Als bij den herder gesproken wordt van eene blijdschap, die er zal zltx in den hemel, kan ik bijna 't vermoeden niet bedwingen, dat. Jezus hierbij aan zijne eigene toekomstig* vreugde denkt, naar Joh. XIV : 2 en llehr. XII ; 2.quot; — Kr zat vreugde zijn («cricu , vs. 7) of Kr wordt, ontstaat vreugde {xotga ylvsxai, vs. 10, even als Hand. VIII; 8) , verschilt zoo veel niet, om daarbij aan eene andere vreugde te donken; bij 't laatste aan die der Engelen, die er thans reeds kennis van dragen, bij het eerste aan de vreugde bij chhisios' heerlijkheid, waarv.m hier, ook in de verte, niet, wordt gesproken. Het denkbeeld van hemelvreugd is eenvoudig en algemeen, zoo als bkrnako van Cluirvaux het. uitdrukt: Poenitentium laen/mae, vinum Angelorurn. — Misschien is die verwisseling van zat zijn met ouhtnat, een overgang tot de schilderij van den Verloren 7,(ion , waar voor het eerst., niet alleen de opwekking : « Wrest blijde mei mij!quot; maar de blijdschap zelve geschetst, en dus het tafereel steeds meer aansehouwelijk wordt.
108
de verloren penning.
is, ook voor boete en berouw; en waar, in plaats van 't eentoonig juichen, dat velen zich in den hemel voorstellen, met de hartelijkste belangstelling wordt gezorgd en gebeden voor 't redelijk schepsel, dat nog de veilige haven niet heeft bereikt, terwijl de hoogste hemelvreugd het
behoud van 't verlorene is....... Hoe geheel anders was de volksmeening omtrent den hemel,
ook bij de beschaafdste Heidenen , gelijk later de Christen redenaar tatianbs hun verweet; //Uwe goden vermaken zich| met de dwaasbeden en ellenden der menschen, even als de ongevoelige aanschouwers uwer spelen met de wonden der zwaardvechters!quot; (stuakt.)
Maar nu komen wij aan een allergewigtigst bezwaar , — voor godgeleerden ten minste : want 't is zeer wel mogelijk, dat de gewone lezer er nog niets van bemerkt heeft. Het betreft de neyen en negentiy regtvaardigen, die de bekeering niet noodig hebben. Want niemand is immers volmaakt regtvaardig, en elk mensch heeft, als zondaar, bekee-ring noodig? Hoe kan jezus dan bij mattheüs spreken van schapen, die niel af gedwaald zijn geweest, daar wij allen eertijds waren ah dwalende schapenquot;! (petrus.) En gesteld eens, dat er zulke en zoo vele regtvaardigen waren, zou dan daarover geene vreugde in den hemel wezen; of zoo weinig ten minste, dat de bekeerde zondaar dddr honderd maal meer gold ?
Ik herimier mij hierbij , uit de eerste jaren mijner evangelie-bediening, een van die theologanten onder ons volk, die zoo sterk hechten aan de algemeene en volstrekte noodzakelijkheid eener lijdelijke bekeering en wedergeboorte door den Heiligen Geest, waartoe de mensch zelf eigenlijk niets kan toe of afdoen. Was iemand niet, — naar den vasten term, — '/veranderd en bekeerd,quot; met alle christelijke deugd en christelijk geloove was hij nog niets. En toen ik hem nu wees op deze negen en negentig, die de beheering niet noodig hebben, vulde hij eenvoudig aan: //niet meer noodig, omdat zij al bekeerd zijn.quot; De zelfde man, toen ik hem beduiden wilde, dat reeds de doop, als aanneming tot chuistus, eene wedergeboorte uit water was [Joh. III; 5), antwoordde mij: //Neen! maar 't water der wedergeboorte zijn de tranen van berouw, door de uitverkoornen geweend.quot; — En toch was die man slechts een fiaauwe weerklank van de godgeleerdheid der twee vorige eeuwen : want waren van ouds Exegese en Dogmatiek zusters, lang heeft de jongste over de oudste geheerscht.
Maar om op de bewuste woorden terug te komen, de invoeging van mijn' goeden oefenaar , hoe kort en afdoende ook , past geheel niet in de Parabel. quot;Verbeeld u honderd schapen , die allen om beurte afdwalen! Eu dan zou nog die verbeelding alleen op lukas passen. Zij stuit voor goed af op jezus' zeggen bij mattheüs : die niet afgedwaald zijn reweest.
Daarom hebben andere uitleggers, inzonderheid de moderne antieken, eeuc andere invoeging beproefd, even kort en afdoend. Zij heeft dat vóór, dat dan de meerdere vreugde tevens verklaard is, die bij de eerste opvatting altijd nog een raadsel bleef. Deze meening vat regtvaardigen op voor ingebeelde regtvaardigen, die zich dus natuurlijk ook inbeelden, dat zij niet afgedwaald zijn geweest. Daar nu over dezen (de Earizeen) in 't geheel geene vreugde in den hemel is , zoo kan er ligt over den éénen zondaar meer wezen. Ja! men meent, dat 't meer sterker moet worden opgevat: //Over den eénen alleen is er blijdschap, over dc 99 in 't geheel niet;quot; en dat dit ook elders 'tspraakgebruik des Nieuwen Verbonds is, onder anderen in de Gelijkenis van den Farizeër en den Tollenaar, II. 15
109
ok veeloren penn1.nu.
waarop wij later terug komen. I) Maar al rijmde dit alles nu met de spreuk, tegen de schilderij in de Gelijkenis staat 't lijnregt over. Wie kan zich zulk eene inbeelding denken in een schaap? Eu hoe dan in eenen penning! En wat de derde Gelijkenis betreft, dat de oudste broeder altijd in zijns vaders huis was gebleven en zijn gebod nooit overtreden had, wordt volstrekt niet als eene inbeelding , maar als een feit voorgesteld.
Er bleef dus alleen over, dat men die regtvaardigheid als geheel wettisch, uitwendig, en dus den hemel tot weinig of geene vreugde, zich voorstelde. Maar ook deze titel van //wettische regtvaardigenquot; kwam anderen voor de Earizeën nog te hoog, voorde Gelijkenis te laag voor. En van daar, dat de nieuwere Mystiek is terug gekoerd tot de meening van sommige kerkvaders, die onder de negen e» negentig de Engelen, de hoogerc geestenwereld, verstonden, waarvan 't menschdom , als't eenig afgedwaalde schaap, is afgeweken. 2) Er is zeker iets dichterlijks in 't denkbeeld, dat de Zoon Gods, die in de ruime velden en 't hoog gebergte des hemels legioenen zalige geesten aanvoerde, die allen verliet, om den afgedwaalden mensch als op zijne schouders terug te brengen in de zalige hemelwoning. Maar aan deze voorstelling ontbreekt, althans in betrekking tot onze Gelijkenis, wat er nimmer aan ontbreken mag ; — de waarheid.
Verlustige zich dus, wie wil, in zulke bespiegelingen, waartoe wij hem gaarne den weg en de voorgangers wijzen; maar bij de eenvoudige opvatting van jezus' volksonderwijs passen zij in 't geheel niet. 'tls altijd weder de oude dwaling, waardoor men de woorden der schrift uit de schrift zelve losmaakt, ze op zijne wijze enkadreert, ener dan in de kerk van zijne dagen en zijne keuze, orthodox of modern, eene plaats voor zoekt. Hooren wij liever jezus zelveu, leerende voor achttien eeuwen en onder zijn eigen volk, met open oor en nuchteren zin.
Jezus leefde, gelijk wij allen, in eene reeds gevormde maatschappij, die hare geijkte denkbeelden en aangenomen woorden heeft. Deze hebben nu eenmaal in de algemeene volkstaal eene zekere beteckenis, en al wie tot 't volk spreken wil, moet ze in dien zin
1) ilct vergelijkende ij, bij matiueüs volledig fiaXkov ij, wordt dun /.66 opgevat, dat't mindere eigenlijk in 't geheel niet bestuat, en dus de uitdrukking nog meer beteekent, dun zij zegt. Of deze beteckenis bewijsbaar is, zullen wij bij de boven genoemde Gelijkenis onderzoeken. Hier strijdt zij tegen 't beeld, zoo wel van den herder, als van de vrouw. — Allerminst zou ik bij die weinige vreugde aan zekere heilige ironie durven denken. Dut de Farizecn, door hunne harde en koude regtvaardigheid, den hemel niet zoo bijzonder veel vreugde gaven (tuencii enz.), is waar, en komt aan 't slot van den Marloren' '/.aon duidelijk genoeg uit; maar het is geene karakteristiek der negen r.n negentig , waarvan de eenig opgegevene eigensehap is, dat zij niel afgedxraald zijn geweest; — het geen toeh in den hemel, die zich niel verblijdt in de ongeregtigh/id (1 Kor. XIII : 0), altijd eenige, zij het dan ook, als men 't zoo noemen wil, negatieve vreugde geeft.
2) De plaatsen van obigines, uienabus, ïueopiivi.actus (die het slechts als't gevoelen van eenige n aanhaalt,) en iulauius, vindt men bij slvliionaïus en trekcii aangehaald. Uitvoerig is dit denkbeeld nog zeer onlangs (tegen tkknch) verdedigd door duummond. — Veel eenvoudiger is de opvatting van gitkgoiuus ; »'t quot;Verlorene verheugt meer, omdat er moer van te wachten is.quot; Dit denkbeeld gaat echter onze Gelijkenis voorbij, cu zou heter bij die der Twee Schuldenaars {luk. VII ; 41, 42) passen. Zijne woorden zijn; Plerumque gralior est TJeo fervens post culpam vita, quam ucuritala torpens gt;mocentia. Quia et dux in praclio plus eum militem diligit, qui post Jugam r ever sus host cm fortiter pre mil, quam ittnm, qui nun quam ierga praehuit et mnqtiam a liquid fortiter gessit; He agricola illam amplius tsrram amut, quae post spinas uteres fruges profe.rt, qnam earn quae nunquam spinas habnit, cl nunquam fort Hem mesteni produxit.
110
DE VEIU.OREN PENNING.
gebruiken. Regt vaar dig was in die dagen, die de wet hield; een zondaar, wie haar overtrad. Mogt nu ook al de regtvaardige in Israël trotsch wezen, hard en ongevoelig,— de zondaar goedhartig, niet zonder geweten en godsdienstig gevoel: — beiden bleven toch, wat zij nu eenmaal waren, naar den maatstaf der wet en het oordeel der jwhlieke opinie. Eigenlijk vinden wij nog bij ons volk 't zelfde denkbeeld van //een' onberispelijk, onergerlijk mensch ,quot; op wien maatschappelijk niets te zeggen is, en van den man, //die slecht van levenquot; is, of aan wieu vroeger ten minste //een steekje los was.quot; liet is niet vreemd, dat ons door kranken of stervenden, bij voorbeeld, na eene algemeene en zeer vage schuldbelijdenis, niets anders wordt mede gedeeld, dan eene reeks van bewijzen of betuigingen, waaruit blijken zal, dat zij eigenlijk geene zondaars zijn; ten minste naar het oordeel der wereld, die bij stilzwijgende overeenkomst bepaalt, wat er al of niet mede door kan.
Nu was 't geheele doel der Joodsche, en met name der l(1arizeesche schriftgeleerdheid; opleiding tot die regtvaardigheid, die naar de wet is, en die zich zorgvuldig onthoudt van alle gemeenschap met't geen onrein is en dus van God vervloekt. Jlkvs dacht en sprak geheel anders. Terwijl andere Rabbi's de zondaren afstooten, trekt hij ze aan. Terwijl zij met trotschheid op hen neder zien, slaat hij er een oog van mededoogen op, dat tot het hart ingaat. Dit was eene gedurige ergernis, zelfs voor do besten onder de Farizeesche partij, gelijk wij reeds bij de vorige Gelijkenis cn de inleiding van luk as tot dit drietal opmerkten. Maar mus geeft aan dit vooroordeel nimmer toe. Hij handhaaft steeds zijne zending tot de verlorene schapen van hel huis Israels. (Mallh. XV: 24.)
Aan dit denkbeeld moeten wij ons houden. Er is hier geene sprake nog van Samaritanen of Heidenen, en veel minder van Christenen. Datgene, waarover de lieer zich ontfermt en waarvoor hij de ontferming zijnes volks inroept, is niet vreemd, maar eigen cn verloren. Het schaap was van de kudde , de drachme behoorde in huis, en ook de verloren zoon was een kind des huizes. De hemelvreugde, waarvan jezus spreekt, is dus de zelfde, die hij ook gevoelde, toen hij zijnen Vader dankte, als die de dingen des koningrijks aan de kinderkens had bekend gemaakt {Luk. X : 21); of liever nog, toen hij later bij zacciieüs juichte, omdat ouk aan 't huis van hem , schoon een'tollenaar cn zondaar, zaligheid was geschied, nademaal ook deze een zoon van abhaiiam was. {Luk. XIX ; 9.) In het eerste voorbeeld van jezus' vreugde vinden wij meer het / erloren Schaap terug naar de voorstelling bij mattheüs , als //zorg voor de kleinen;quot; bij de laatste ontmoeting meer de Gelijkenissen bij eukas : //behoud van 't verlorene en bekeering van zondaren.quot;
//Maar erkent jkzus dan waarlijk de Earizeesche partij als do regtvaardigen van zijnen tijd? Eu waarom niet ? Het Farizeïsme kon van twee kanten beschouwd worden ; naar zijn oorspronkelijk beginsel en in zijn' ontaarden vorm. Nog in zijne laatste strafrede verliest jezus dit niet uit het oog, en zegt tot 't volk : iiDe, Schriftgeleerden en de Farizeën zijn gezeten op den stoel van mozes. Daarom al wal zij u zeggen , dat gij houden zult, houdt e'd doet ; maar doet niet tiaar hunne werken: want zij zeggen het en doen 't niet.quot; {Matth. XXIII : 2, 3.) Maar van dit laatste, hunne schijnheiligheid, ging jezus in zijnen strijd mei het 1 arizeïsme niet terstond uit. Men verliest de kans , om zijne tegenpartij te overtuigen , wanneer men begint met haar te beleedigen; behalve dat de zedelijke verdorvenheid van vele
111
Ulv VERLOKEN PENNING.
T'ari/.eën not,' de bcgiiisclon van 't Parizeïsme onaau^etast lieten , om dat, het misbruik geen bewijs is tegen het gebruik. Jezüs geeft dus, bij zijn tegenwoordig onderwijs, den Pari-zeën alles toe, wat hij hun toegeven kan. Zij zijn, als zij naar hunne eigene grondstellingen leven, de gezonden in Israël, anderen de kranken; zij de regtvaardigen , onberispelijk naar de wet, anderen zondaren. Goed! maar ook deze zondaren zijn verloren nchanen van het huh Israels. In hunne teregtbrenging juicht de hemel. En nu vragen wij niet, in hoe verre wij uit een Christelijk oogpunt die negen en negentig regtvaardig zouden noemen. Hun beeld zullen wij nader heren kennen , gelijk 't op den achtergrond der derde Gelijkenis weer helder aan 't licht treedt. En wat het getal betreft, de tegenstelling,— te regt heeft reeds iiugo de groot dit opgemerkt, 1)—zegt niet, dat er zoo velen zijn, tegenover ééu' enkelen zondaar: want die tegenstelling daalt tot één tegen negen, en zelfs één tegen één. Zij zegt alleen: //Al waren er zoo velen , hun onberispelijke wandel is wel den hemel tot vreugde, maar niets evenaart 't feestaejuich, bij de bekeering eens zondaars aangeheven.quot; En daarom beschreef hij , van wien de profetie getuigde, dat hij 'l (jekrooHe riet niet verbreken zonen de roohende vlaswiek niel uitMusschen (Jcs. XL11 : 3; Mailh. XI£: 20), zijne zending, als Medicijnmeester , aldus: n Ik hen niet gekomen, om te roepen regtvaardigen, maar zondaars tot bekeering; 2)quot; — de schoone weerklank van 't geen hij aan den godsdiensthaat zijner discipelen tegenstelde: De Zoon des memehen is niet gekomen, om der tnemchen zielen te verderven, maar om d'e te hchonden, —en later bij zaccheüs: om het verlorene te zoeken en te behouden. {Luk. IX : 56; XIX: 10.)
THt alleen wil ik hier nog bijvoegen. Onze eeuw moge falen in de dogmatiek, maar in de praktijk, die van zoo veel meer waarde is, toont zij, den Heiland der wereld te verstaan, door '/de kleinen niet te verachten en 't verlorene op te zoeken.quot; Wat al scholen en gestichten, voor die kleinen opgerigt, en hoe menige hand, den verlorenen toegestoken! En nu mag de koele beoordeelaar van verre staan, en zijne aanmerkingen hebben op de hartstog-telijke voorliefde, die denegen cn negentig verwaarloost, de dwaze teerhartigheid , die'tééue bederft. Menschenwerk is nooit volmaakt. Maar zeker is die nederbuigende, opzoekende, reddende liefde eene levende getuigenis van den Geest des Heeren, een zegen voor de aarde en der Engelen vreugd.
1) Opponil Christus nonaginla {iwvcm) Jnstos nui prccalori, non quod ita se. res hahel: puurissimi enim ai norm nu vivunt; sed (/iinrl, eliamsi ita se res luihri-et, rel nniui itlius envsa labor magm's fur ril mimpien-—Hot t'/l ncnnaui oiuer van grotics drukt beter, dan de uitvoerige en ingewikkelde redenering van vele nieuweren , bet Joodscbe denkbeeld van regt,vaardigheid uit.
9) Mallh. IX ; 13; )/. 11 ; 17 ; Luk V : 32. — Li;k\s alleen heeft de laatste woorden ei; fiêiayoiav. Jlzvs zegt hiermede uiet: »Ik roep geeue regtvaardigen tot bekeering.quot; Dit zou voor zijne tijdgenooten onzin geweest zijn. De regtvaardige h^ft immers 'l hete ring niel nvodiy? Maar; »'t Is het hoofddoel mijner zending uiet, dat.ik regtvaardigen roep, hen uituoodig als regtbebbenden op 't Messiasrijk quot; Daartoe behoefde de Zoon Gods niet gezonden te worden! «Maar zondaren tot bekeering te roepen, en dus, met de waarlijk regtvaardigen, ook hen 't godsrijk te doen beërven.quot;
112
ïi i ^
tmom
fsn zeker mensch had /wee zonen. En de jongste ran hen zeide tof den vader; m Vader! geef mij he! deel den goeds , dat mij toekomt!' — En hij deelde hm het goed.
En niet vele dagen daarna de jongste zoon, at les Lij een vergaderd hebbende, is weg qc-rcisd in een ver gelegen land, en heef! aldaar zijn goed doorgehragt, lerende overdadiglijl'.
En als hij het alles verteerd had, tr'n-rd daar een groot e hongersnood in dat zelve land, en hij begon gebrek te lijden. En hij ging henen, en voegde cieh bij n'n' van de bvrgers des zelven lands; en die zond hem op zijn land, om de zwijnen te roeiden. En hij begeerile zijnen bvik te vvllen wet den draf, dien de zwijnen aten ; en view and gaf ze hem.
En tot zich zet ren gekomen zijnde, zeide hij: nlloe vele hunrlingen mijns vadem hehtjcn overvloed ran brood, en ik verga van honger ? Jk zal opstaan en lol mijnen rader gaan, en ik zal tol hem zeggen: n Vader! ik heb gezondigd tegen den Hemel en voor u; en ik ben niet meer waardig, nw zoon genaamd te worden; maak mij als éénen ran mee huurlingen.quot; quot; - En opstaande, ging hij naar zijnen rader.
En als hij nog verre van hem was, zag hem zijn rader, en werd met innerlijke ontferming bewogen; en toe hopende, viel hem om zijnen hals, en kvste hem.
Kn de zoon zeide tot hem : /// ader! ik heb gezondigd tegen den Hemel en roor v, en ben niet meer waardig, nw zoon genaamd te worden.quot;
Maar de vader zeide tot zijne dienstknechten ; nBrengt hier voort het beste kleed, en doe! het hem aan, en geeft renen ring aan zijne hand, en schoenen aan de roeten. En brengt het gemeste kalf, vn slagt het; en laat ons eten en vrolijk zijn. Ildnl deze mijn zoon was dood, en is weder levend geworden; en lij was verloren, en is gevonden !quot;
En zij begonnen vrolijk te zijn.
En. zijn oudste zoon was in het veld. En at zoo hij kwam , en het huis genaakte , hoorde hij het gezang en het gerei; en tot zich geroepen hebbende één' van de knechten , vraagde hij, wat dat mogt zijn.
Kn deze zeide lol hem: nVw broeder is gekomen, en uw rader heeft het gemeste kalf gestagt, omdat hij hem gezond weder ont rangen heeftquot;
Maar hij werd toornig , en wilde niet ingaan, /oo ging dan zijn vader uit, en had hem.
Doch hij, antwoordende, zeide tot den rader: uZie! ik dien n nu zoo vele jaren, en heb nooit nw gebod overtreden , en gij hebt mij nooit een boksken gegeven, opdat II. 16
uk vkkl.okkn /.(ion,
tk met mijne vrienden mgl vrolijk zijn, Maar als deze uw zoon gekomen }«, die uw goed met hoeren doorgehragt heeft, zoo hebt gij hem het gemeste kalf geslagt.'' Rn hij geide tot hem; nKind! gij zijt altijd bij mij, en al het mijne is uwe. Men behoorde dan vrolijk en blijde te zijn; want deze uw broeder was dood, en is weder levend geworden; en hij was verloren , en is gevonden.quot;
Wij zijn genaderd tot de Gelijkenis, die algeineeuj erkend wordt als de schoonste onder alhet selioone, dat jezus' parabolisch onderwijs ons aanbiedt, zoodat zij van ouds horden naam droeg van //het evangelie in het evangelie.quot; Vraagt aan den eenvoudigste der een-voudigen, zóó onkundig, dat hij naauweiijks tot lidmaat der gemeente kan worden aangenomen : of hij dan toch niets zich herinnert en niets begrepen heeft van jkzi's' onderwijs; iiij noemt n en verhaalt op zijne wijze de Gelijkenis van den Verloren Zoon. Vraagt aan den geleerde, die het evangelie in de grondtaal bestudeert; wat onder de woorden van jkzus, door de evangelisten opgeteekend , wel de rijkste bladzijde is, en tevens die , waarover bet meest en diepzinnigst is geschreven, iiij antwoordt weder: //De Verloren Zoon.quot; — Dit tafereel zag men van ouds in grove trekken afgebeeld in de boerenstulp en de visschershnt, en de grootste schilders en graveurs waagden er aarzelend penseel en stift aan. Het is nog steeds de lust en vreugde van onze, kleinen op de christelijke kinderschool , en de grijsaard op het sterfbed vindt er zijn' hemel in. Wat is er dan toch wel zoo bijzonders en uitstekends, zoo eenigs en onnavolgbaars in de twee en twintig korte verzen van dit dood eenvoudig verhaal ?
Moest ik deze vraag beantwoorden, ik zon zeggen: //Als verhaal beschouwd de natuur, en als zinnebeeld de genade.quot; — Dit verbaal toch is de uitdrukking van liet geen duizend malen en overal telkens gebeurt; onder de armen op de heide en bij de burgers in stad of dorp , en niet het minst van allen in de paleizen der rijken en bij de grooten aan In t hof; temidden van stijve Oud-llollandsche zeden, en van de weelderigste beschaving; — overal een vader-of moederhart, overal één zoon of dochter onder velen, die er zich van bis scheurt, overal de vader-of moederarmen geopend voor het berouw!—Dit is de natuur.— Kn in bet rijk der genade, altijd weder de goddelijke afkomst van den mensch, zijiu-afdwaling, en de terugweg, geopend voor het berouw. — En zoo is in dit beeld alléén reeds het eeuwig evangelie uitgedrukt , dat nieuw en friscb en levend blijven zal, zoo lang nog het vader- en moederhart klopt en de herinnering der kindschheid onvergetelijk blijft; zoo lang er nog een enkele zondaar op de wereld leeft, afgeweken van den hemel; zoo laug er nog één gebed opgaat van deze aarde; n Vader! ik ben niet meer waard, uw kind genaamd te. worden.quot;
Maar hiermede wordt dan ook terstond het bij ons gebruikelijke opschrift gehandhaafd, zoo als ik bet hier boven schreef. De ouden noemden dit verhaal ; //De verkwistende , losbandige zoon.quot; 1) Liever houden wij ons, naar de woorden van het verhaal zelf, aan
I) Do naam lt;i ihos 11110)101;, naar vs, 13, is in Filins pro'Hgus, the prodifjal sou , l'Eufant protlig/if behouden. Alleen bij de Duitsclicrs vond ik dc ouder ons gewone benaming. Wetsthn heeft aangetoond, dat hol Orieksche torwto* bijzonder in gebruik was voor den zoon, die zijn vaderlijk erfdeel verkwistte.
dk vkki.okkn /.0')n.
het denkbeeld van den verlorene. Wel heeft men, vooral in deze eeuw, opgemerkt, dat daardoor slechts de helft der (lelijkenis wordt aangeduid, en het slot, dat den oudsten zoon betreft , /00 doende ligt als een aanhangsel kan beschouwd worden. Van daar, dat men den naam heeft voorgesteld: //1 te vader met zijne twee zonenquot; (v. u. pm.m) , of beter nog «het Vaderhuisquot; (tikt.e). Maar hierbij, dunkt mij, heeft men te weinig den geheelen zamenhang van Lvhis XV in het oog gehouden. Het verlorene is de grondtoon , het vinden liet keerpunt, de blijdschap de kroon van dit schoone drietal Gelijkenissen; en dat het een drietal, een klaverblad is, 1) bewijst reeds de eenvoudige overgang, geheel ongepast en ongewoon bij eene gausch nieuwe Gelijkenis; Aw /rij zeidc. 2) De oudste broeder komt hier ook voor, het is waar; maar eerst slechts in het voorbijgaan, om te doen in het oog vallen, hoe ligt de jeugd afdwaalt, en hoe weinig de vader overhield; — de herder bad nog negen en negentig schapen over, en de vrouw negen penningen! — en dan weder komt hij voor aan het slot, in zijne verhouding tegenover de bekeering van zijnen broeder en de vreugde des vaders. Van zijn blijven in het vaderhuis, zijn gedragen zijne gezindheid, wordt ons niets gemeld, voor hij zelf zich daarop beroemt. Ware de jongste niet terug gekeerd, van den oudste zouden wij geen woord meer booren. 1'ïn van daar dan ook , zoo als wij later zien zullen, dat het karakter van den eeuen broeder ons geheel is geschilderd , dat van den ander alleen in betrekking tot dit voorval in de vaderlijke woning. Zijn beeld is zelfs aan het slot niet eens afgewerkt. Wilde hij een' meusch schetsen, zoo als die oudste zoon was, de Heiland zou daartoe nog wel nader gele genheid hebben. ■— Om het verschil nog beter te doen gevoelen, merken wij alleen op, dat niemand de Parabel der twee ongelijke broeders naar één van dezen zal noemen, of die van den Parizeer en den Tollenaar naar den laatste alleen. 1'ïn waarom niet? Omdat dfuir niet één, maar twee karakters in de scherpste tegenstelling geteekend worden , twee beelden tegenover elkander op de zelfde schilderij, terwijl hier 't beeld , dat op den achtergrond staat, slechts dient om bet andere, in verhouding tot (iod en menschen , beter te doen uitkomen. S)
Maar later zal dit alles ons van zelf duidelijker worden. Maken wij nu met het verhaal
1) »Luk\s in zijn Evangelie, gelijk de apostel zijn boezemvriend in diens Brieven, bemint het. drietal. Hier vinden wij bij hem de reeds uit matïhuh wel bekende en door alle de Evangeliën reehtstreeksch of bij zinspeling herdachte gelijkenis van het Verloren Schaap , uitgebreid tot een drietal v.ui dezelfde beteekenis.quot; Misschien verwondert zich iemand, dat dit woorden zijn van pa costa. (lim/ioiiwiiir/ vun het Evangelie van i.ukas, I), 11, Blz, 18.) Of vergis ik mij, dat zij van een ander verdacht zouden klinken ?
2) Zeer dikwijls komt é\m 81 bij i.ukas voor, veel meer dan bij matthküs. Overal wijst het een' voortgang der handeling of van M gesprek (soms ook alleen den voortgang van bet verhaal r) aan; maar nergens vontl ik liet zóó, geheel op zich zelf, tot inleiding van eene Gelijkenis, Altijd is er ten minste nog bijgevoegd; En iiij zeide tot hen rrnr I'arnhrl (VI ; 39), of; Kn hij zeide ook tot snmmiyrn enz. (XVlll : vgl, Mallh. XII ; 11,)
3) C'est iri Véonngite bii-méme, le salul du fiéeheiir. L'cglise l'tt xrn/i de toni iemps en appeilnnt rette fwruijolr relle dc l'enfaiit prodigue , qvoiqv'H y soil fail men/ion 'ir deux ftAv et d» pore. Le fils rndet est le personnagt central du talden u : Use trouve plneé rnlre le pèrc ef le frère , et rrur-ei n'ayisseut qw par rapport a lui. Chanteiik dr saussayi:,
I tl*
de VKliLORKN ZOON.
eerst nadev kennis: want hoe algemeen bekend liet ook zijn moge, de fijnere trekken zijn niet altijd genoeg opgemerkt. — Wij vinden het, gelijk ieder weet, alleen bij lukas. Waarom bij de anderen niet? Daarvan is geene reden te geven, dan alleen, dat elk der evangelisten uit den ruimen overvloed , waarvan johanhes aan het slot van zijn Evangelie spreekt, naar eigen smaak en doel gekozen heeft: en wel zóó, dat, gelijk wij meer zagen, bij matthküs de zone Davids, bij johannks de Zoon van God, maar bij lukas de Zoon des inenschen meer op den voorgrond staat.
Em zeker menseh had twee zonen. Al weder, als doorgaans in de Gelijkenissen, het hoofdbeeld de mensch, en wel in't algemeen Ken zeker mensch, de zeer gewone aanhef eener vertelling, inzonderheid bij lukas. 1) — Dien mensch nu moeten wij ons hier, naar geheel den toon van het verhaal, voorstellen als een gezeten burger, zoo als er meer inde Parabelen voorkomen. Een heer den huizes, een rijk en onafhankelijk man, maar die buiten woont en geheel naar de eenvoudige, aartsvaderlijke zeden van het Oosten leeft. Mij heeft land onder den ploeg (vs. 25) en vee in de weide (vs. 23) en daarbij vele onder-hoorigen. Allen hebben het goed bij hem; zelfs de huurlingen vinden hier overvloed van brood. Maar wie hem het meest ter harte gaan , zijn zijne twee zonen. Voor hen is al zijn werken en zorgen; tot hen kan hij zeggen : nAl het mijne is uwe.quot; — Dat van de moeder der zonen niet gesproken wordt , zal om het hooge doel der Gelijkenis niemand vreemd voorkomen. 2)
Hoe gelukkig was het niet, bij zulk een' vader zoon des huizes te wezen! Maar ook de onbezorgde overvloed wordt gewoonte, en door de gewoonte wel eens niet gewaardeerd. Den jongsten zoon is het leven in het vaderlijke huis te eentoonig. Te lang reeds heeft hij onder den hand gestaan; hij wil ook eenmaal vrij wezen; vrij wezen en de wereld zien,
1) Dit üvfrijomói ui vinden wij bij m arm eus nooit. Alleen staat het in denderden naamval inden aanhef van 't. Verloren Schaa/t. (II. XVIII : 12; naar de Latijnsche vertaling ook in dien van de Twen ongelijke Broeders H. XXI : 28.) Bij mkas daarentegen beginnen er mede; de Samaritaan (X : 30), de Rijke Dwaas (XII ; 16), bet Gastmaal (XIV ; 16), de iienimeesler (XVI ; I), lazarus (XVI : 19) en de Vonden (XIX ; 12). In de geschiedenis vond ik bet bij de Synoptici (markus beeft liet in 't geheel niet; johanxks alleen //. V ; 5) nog van den waterzuchtige, maar met een xn\ iJou , als bewijs der werkelijkheid, ingeleid, 't Kwam mij voor, dat deze kleine opmerking eenig gewigt beeft tegenover die uitleggers, die gaarne in sommige Parabelen wezenlijk gebeurde zaken zien. 't Is er mede als met den aanbef van onze oude kinderverhalen; „Daar was eens een man—■quot; De kleinen zelve hoeren bier reeds aan , dat die man, zoo in va go voorgesteld, er eigenlijk nooit geweest is.
2) De Benedictijner p. kom. iunincok gaf in 107ö te SaUzhurg vijftien preken uit over den Filius prodi-gns, of het Evangelie van /,«i. XV, met eene opdragt aan den aartsbisschop, en eervolle kerkelijke goedkeuring. Meer theologische curiositeiten zag ik zelden in één boekdeel bij een. Zoo is de aanleiding tot de negende predikatie de vraag, waarom de Verloren Zoon niet zegt: «Ik zal tót mijne hoëdjsrgaan ?quot; Tot antwoord verklaart de prediker: «IVas gestalten die, Mutter unsers verlohrnen So lm bestelt und beschamen gewesen, finde ieh nicAls darton im g.anlzen Eoangelischen Text. Doch bilde, ich mir leichl ein, es werde zmschen seinem Vuiler und Muller ein iihle Eke, und der Valter ein alter Greiner gewesen seyn. Datrn halte die Maller was (jollen in dem llausz, odsr ware sie Mann gewest , sprdehe der sohn nicht : lbo ad Patrem meum.quot; — En hieruit neemt bij nu den aanloop tot eene reeks van dwaasheden en grofheden omtrent de klagten der mannen over hunne vrouwen; waarnaar de preek het opschrift draagt; Die IVegber, segnd lohens werllt. En dit heeft op de akademische zaal vm ■Sallzburff, anno 1675, gedurende de vasten de goede geloovigen gesticht!!
116
me vkiil.oukn zoom.
waarvan hij uit de verte zoo veel schoons en genoegclijks gehoord heelt. En hij vraagt • u Vader, geef mj hel deel des goeds, dat aan mij komt cA dat op mij railquot; 1) Zoo staat er letterlijk, niet //dat mij toekomt.quot; Wij zonden hier ter verkeerder plaatse onze wester-sche zeden inschuiven, wanneer wij dachten aan het moederlijk erfdeel, dat de weduwenaar verpligt is aan zijne kinderen uit te keeren. Dit is (!ene in de oudheid (inbekende zaak. 2) Neen ! het was lel goed, eigenlijk het vermogen , (//al wat er voorhanden isquot;) van het gezin, of naar het tweede woord, dat ook door goed vertaald is; //de gansche leeftogt,quot; alles waarvan hét huisgezin bestaan moet: — dus 't geheele familie-eigendom. — Deze vraag, om reeds hij het leven van den vader te erven, 8) kon naar oosterscke zeden niet door den oudste, maar juist door den jongste gedaan worden; — ecne reden te meer om dezen te noemen, behalve dat van zelf reeds zijne jeugd, zoo al niet tot verontschuldiging, dan ten minste tot verklaring strekt van zijne ligtziunighcid. 4)—Van de aartsvaderlijke tijden af had de ccrstgeboreni' het regt om de opvolger zijns vaders, liet hoofd des huisgezins te worden , en naar de Mozaïsche wet kwam hem een dubbel erfdeel toe. [Deul. XXI : 17.) Het was dus niet zoo vreemd, wanneer de jongste de gelegenheid vond om zich te vestigen, dat hij zijn deel vooruit kreeg, maar daardoor un ook alle verdere aanspraak op de erfenis verloor. Hij was dan geheel uitgekocht, zonden wij zeggen, zoodat de oudste voortaan als de eeuige erfgenaam beschouwd werd. 5) Zoo zond reeds abraham kk'itiia's kinderen , nog bij zijn leven, met een behoorlijk uitzet de wereld in.
1) Reeds bij hbhoiiotus is ió juspo; «het op iemand vallende deel, uamleel(v. n. es, M'dlj.) — eu Tob. VI : 12 i.s liet; am tmfinXXti i, xkygovo/xia. Andere voorbeelden /.ie men bij üitonus. Dat onder handeldrijvende volken den volwassen' zoon een deel van het goed tot 't drijven van eigen zaken wordt toebedeeld, indien hij dit. verlangt, om later bij zijne erfenis in mindering te worden ge-bragt; — komt, dunkt mij, hier niet te pas. ü roti us stelt zulk een gebruik, ook bij de Feniciërs van dien tijd, als credibilc voor , en vitiunga haalt betn aan ten bewijze, dat het «in het Oosten gebruik( lijkquot; was. Zoo gaat het niet aanhalingen, en — zoo komen de leugens in de wereld! — Beter zegt uk wkïte, dat de uitkeering of afkoop iAitJiiidjiu/) van het geen bij den dood zijns vaders tocli op hem komen moest, misschien uiet tot ziju onderhoud genoeg was, zoodat hij toch later genoodzaakt zou zijn, elders zijn fortuin te zoeken, en 't voorwendsel, waaronder hij zijn erfdeel opvorderde , was, om in den vreemde handel te drijven. Dit regtvaardigl dan tevens de handelwijs des vaders.
2) Even min komt hier bij te pas het peculium of de eigen bezitting der kinderen, waarvan de vader 't vruchtgebruik had. Eene uitkeering of afkoop der erfenis bij het leven, bestond bij de Romeinen niét. De woorden van ciceuo, die i'iucah s aanhaalt, maar die ik niet heb kunnen vinden: liljeri (/ui-litisrum vivi Ijona nostra parlimur (in Verrem 1), hebben denkelijk ecne andere bedoeling.
3) Pricaeus haalt hierbij aau Dent. XXI : Ui, waar den vader verboden wordt, willekeurig te beschikken over de eerstgeboorte, ten dage ah hij zijne zonen zul doen er ren , ml hij heeft, liet schijnt echter, dat hier alleen van eene beschikking vóór zijn sterven, niet van ecne werkelijke uitkeering bij het leven gesproken wordt.
4) lieeds eutiiymius ziGA ren us zegt, dat hier met opzet van den jongste gesproken wordt, wf f/TnócfiJOvu xal eie^unuti/ioi'.
5) Van dek palm zegt ; «De jongeling wil gaan reizen; dit is in liet Oosten het zelfde als koophandel drijven. Tot dat einde verzocht hij om 't geen wij ««en uitzetquot; noemen; dat is, zoo veel de vader, die een vermogend man was, elk zijner kinderen had toegedacht, wanneer zij zich in het huwelijk begaven, of op eenigerlei wijze een afzonderlijk bestaan, buiten het vaderlijke huis, wilden beginnen.quot; — tk zie echter niet, hoe dit is over een te brengen met het volgende, dat dan ook door van dek palm zeer vrij wordt vertaald: En hij deelde hun nil, wat zij uoodig hadden om te beslaan.
117
DK VKKI.OUKN ZOON.
(im aan i/.ak zijne otfenis onlieslrcdeii lo laten ; en bewoog jakob zijn' broeder k/.ai tol eme ruiling, waardoor deze zicli zou laten uitkoopen en dus op jakob bet regt van eerstgeboorte overgaan. [Gen. XXV : (i en -'51—34.) Het was dus wel geen eiseh, die naar regt niet mogf geweigerd worden , maar toch mi verzoek , waaraan het billijk wagt; te voldoen.
l'ln de vader? Hij deelde hun het goed. Wij kunnen ons hierbij voorstellen, dat hij uitstelde, waarschuwde, met do gevolgen dreigde; dat men intusselien in huis veel van den weêrspannigen zoon te lijden had; maar dit alles zou bij mie geschiedenis behooren , niet hij eene Gelijkenis. Ware het verhaalde gebeurd, wij zonden er de waarschuwing bijvoegen: //Veroordeel ouders niet al te spoedig; er is reeds zooveel binnen 'slinis gebeurd, eer de, vlam naar buiten uitslaat !quot; Nu komt bet alleen op 't beginsel aan. De vnder wil zijn kind niet met geweld, tegen wil en levenskeuze, in huis houden, nu hij tot jaren van onderscheid gekomen is. Wj deelt het goed of den leeftogt onder hen. Waarom dit laatste woord //leeftogtquot; en niet //vermogenquot; hier gebruikt wordt? 1) Misschien zonder opzet , maar inisschien ook om te doem zien, dat dit nu alles was, waarvan beide zonen leven moesten; dat bet onroerend goed als het ware werd los gemaakt en beschikbaar gesteld; — mogelijk alleen de woning, eigen kleeding enz., als waarvan 't gezin niet leefde, er buiten gelioiuleu,—'t Ts in ieder geval opmerkelijk, (en later komen wij daarop nog eens terug,) dat de verdeelde leeftogt, voor 't aandeel van den jongsten zoen, vs. 1 •'!, weder zijn vermogen, en later, vs. 30 , in betrekking tot de ouderlijke woning, weer 's vaders leeftogt genoemd wordt.
Deze maakt dus, gelijk wij bet zouden uitdrukken, de boedelscheiding op, de rekening van 't geen onder de kinderen pleegt verdeeld te worden: want de vader heeft van ouds in het Oosten geen regt, om zijne kinderen te onterven, of den een boven den ander te stellen, waarom men er ook van testamenten weinig hoort. 2) Zoo ontvangt de jongste zijn deel : dus, volgens de wet , een derde van alles. Dit geschiedde in tegenwoordigheid of met medeweten van den oudsten, waarom er staat, dat de vader hmcfien hen het goed deelde. Deze evenwel, dieniets vroeg en niets kreeg, beschouwde deze uitkecring als een zeker verlies van 's vaders goed , daar bij liever alles in zijn geheel zou gehouden hebben. Maar hij behield daarentegen de kans, dat het vermogen nog steeds kon aangroeijen. Zijn vader hield er, om zoo te zeggen, alleen het vruchtgebruik van. Van nu aan toch was hij de cenige erfgenaam. Deze opmerking geeft meer nadruk aan het geen de vader nader-
t) Op de vraag om het hmfiaXlov /uéyos lifi ovalas volgt, dat do vader lór (tioy verdeelt. Het laatste woord is voor Mint gene, waarvan iemand leeft,quot; zijn levensonderhoud of vermogen, ook bij de Grieken aangenomen, eu komt in liet K. ï. (behalve hier en vs. 30), nog voor van do arme weduwe, die oioi' tó»' f.'iov ui lij; in de offerkist van den tempel wierp (.)f. XII •.44; Lid. XXI : 4) en van de kranke, die oXov zói' flior vruchteloos ann dc geueesheeren had te koste gelegd. (Lui. VJI1 ; 4:i, vgl. I Joh. 111 ; 17.) — Indien één van beide ruimer beteekenis heeft, dan zou het oiain moeten zijn , dat dc gchcele bezitting omvat, al wat er voorhanden is, dus niet alleen huis en vaste goederen, maar bij de Grieken ook huishouden en kinderen.
2) Zio bij uosknmüu.kr dr wetten der Hindoe's hieromtrent. Eerst in het Nieuwe Verbond en nam Grieksche zeden wordt vaneen testament gesproken : Onl. III ; 15 ; Hebr. IX : IG, 17.
11*
de VUm.mtKN ZOON.
hand tot zijn' oudste» zoon zegt: quot;Al het mijne /.« uwe; is, ook zoikIit dat ik u dit ot'dat gtïet', vau zeilquot; uw eigendom.quot;
Mn niet vele da;jen daarna — Uit de bijzonderheid, dat de jongste zoon ten imiii-t. nogeeuige dagen bleef, heeft men opgemaakt, of dat het scheiden van de vadevlijke woning en 't geheel tot zwijgen brengen van zijne eonscientie hem teji minste, nog eenigen strijd kostte, of zelfs, dat hij eigenlijk niet gevraagd had om heen te gaan, maar nlleen in huis vrij en onafhankelijk heer en meester van zijn eigen goed wilde zijn. I) Terwijl wij in zijne waarde laten al wat in de toepassing hieruit meusehknndig en juist is afgeleid, en waarop wij later nog wel eens terug komen, merken wij hier alleen op, dat de Gelijkenis van geen* twijfel tussehen blijven of heen gaan weet. liet is natuurlijk, dat na de deeling er nog het een en ander te zorgen en te beschikken overbleef, waartoe, wel eenige of niet vele dagen noodig waren. Niet alles kon de jongste zoon op zijne verre reis mede nemen, daar de bezitting, gelijk wij zeggen zouden, rn nalura en niet in geldswaarde, hem werd aanbedeeld. Sommigen hebben zich daarbij voorgesteld, dat hij zijn deel in koopwMieii verwisselde, en nu met eene wel voorziene karavune naar verre marklen heen trok, om daar handel te drijven; maar ook dit is in den geest van hel verhaal niet : er is tussehen zijne aankomst in den vreemde en zijne verkwistende levenswijze,- ■ wan den hoogcu boom af,quot; zoo als ons volk zegt , — geene plaats voor handel drijven. Zijn eenige toeleg was , om alles zóó in te rigten, dat hij gemakkelijk zijne sehatten kon met zich nemen; zeker door ze in goud, edelgesteenten en andere kostbaarheden te verwisselen. 2) Fm zijn eenige gedachte was : //Nu ben ik vrij en nu ben ik rijk \quot; zonder dat er in zijn karakter eenige plaats voor de zorgen en berekeningen van een' koopman overblijft. Ook de vermaningen zijns vaders heeft hij niet meer noodig, en het afscheid deert hem niet. Hij lamehle alle* hij een, zegt het verhaal, en trok meg; eigenlijk : rfing 't laad uit, werd nitlandig.quot; .'}) Waartoe? Om het leven te genieten. —• Kn wat daarna? De zorgen komen vroeg genoeg! —En waar heen is zijne reis? Dat is hem vrij onverschillig, als het maar /v/v, verre weg is, eene vreemde landstreek , ver verwijderd van de vaderlijke woning : want zoo lang hij nog iets ziet, dat hem zijne kiudsche jaren herinnert, is hel hem niet ruim genoeg om het hart.
I) Het eerste is door olnmni; (Ooritel en ll'jiikririh) voorgesteUl, liet laatste door ciiasiei'ii in: i,\ saüssayk {L'Enfant prodiyw). — Niet tele komt inccr voor, cn boteekent; slechts weinige; zoodot ile nadruk niet daarop valt, dat er nog enkele dagen verliepen, maar dat die /,00 weinig waren. Zoo, bij voorbeeld: jkzus en de zijnen bleven te Kaper »u Sm nul «ete dugtn. [Joh. II : 12; vg). //lt; «'. I : 5; XXVll : 11; Matth. XIII ; 58.)
ï) Vïko , J'riimrnlo, perwtihns reliquilt;que, ipaie a putre mto accrperat, in pecuniam errsis. I'Inlai'ebus 'f' Catone: Kkr/Qovofiiny aitiii nyouYBrujiévoi' fi» (ij/j'i (jt'/f '7 VKtyfx\ tjiv Puicakls.
'i) Hel avpufuyé» dnunia doet ons aait ccno groolc, veelsoortige bezitliug denken, die moesl \vi iden geordend, ingepakt, opgeladen; en urteiJijfii/ae beleckent , niet dat hij eene reis ging doen, maar dat hij volk en vaderland verliet. Ook ia de (iclijkeins der PoaJeu, bij voorbeeld, gaat do heer ili auxoui ,
maar omdat hij daar een bepaald doe! heeft (een koningrijk te ontouugi u) , is het niet linedijii'jus maar inof(»i9q, [Luk. XIX : 12.) Bij mumiikiis wu-dt echter het, woord ook gebruikt van eene verre lange reis, — eene uitlaadigheid met plan om terug te komen, — in de (ielijkenis van tie , t.andlieden en van de 'M'iilen. (XXI : '!'l ; XXIII : It, 15.)
DE VKKLOUKN ZOON.
En hij komt in deu vreemde. Alles is hem hier nieuw en bekoorlijk. Nooit heeft hij liet leven zoo gesmaakt, of zelfs het zich zóó gedroomd. Vrij van het vaderlijk opzigt en het strenge voorbeeld van zijn' harden broeder; vrij van alle banden der zedelijkheid; — inbeelding en vooroordeel immers ? — vindt hij hier in dit vreemde land al spoedig vrienden die, even als hij, slechts gestemd zijn om het leven te genieten. En hij is rijk genoeg , 'om hen te onthalen. Dag aan dag worden in maaltijd en brasserij, dronkenschap cn wellust doorgebragt. 1) En komt het al bij hem op, dat dit niet altoos zoo duren kan, de schuimende beker verdrijft die sombere gedachte. Be zorgen komen immers vroeg genoeg !
Pjt ,,11,.« _ zoo als later de oudere broeder het nog eens in hot hatelijkst daglicht stelt, _ a'it alles is hier vervat in twee woorden, die letterlijk beteekenen ; hij leefde reddeloos. Door sommigen wordt dit opgevat: quot;Zoodat hij zelf reddeloos werd, geheel verloren gin- ■quot; door anderen : //Zoodat hij niets spaarde, niets redde, alles in den maalstroom der verkwisting weg zonk.quot; Dit laatste komt beter over een met den geheelen toon van 't verhaal, daar het verkwisten van V vaders erfdeel hem allereerst, als eene zonde tegenover zijnen rader, wordt toegerekend. 2) En wat hij doorbragt, waren met alleen zijne inkomsten, maar de bezitting zelve, zoodat, gelijk wij straks opmerkten, wat nu Zijn gansche vermogen was, geheel in leeftogt, in levensonderhoud overging; al het
eigen dom als inkomst werd beschouwd en doorgebragt.
En zoo word hij eindelijk toch met schrik gewaar, dat aan alle schatten een einde is, „ok aan de zijne. Geld en goed zijn verteerd , en te gelijk ook vrienden en vriendinnen verdwenen, als een dansende muggenzwerm aan den avond, wanneer de zon is ondergegaan Nu staat bij alleen in de wereld. En juist nu, als hij het. olies, tot het laatste toe had verteerd werd er een groote hongersnood in dat land, en hij begon, gebrek te hjden. De uitdrukkingen zijn hier zeer juist, en tijn de teekening. Al zijn vermogen verkmstte hj^ tot bij alles verteerd had. 3) Het eerste woord: verkwisten, //nutteloos weg werpen, eigenlijk ,/verstrooijen,quot; laat geene gunstige opvatting toe {Ink. XY1 : 1); het laatste; verteren, '/kosten maken, in de. ruimte uitgeven» nog wel, zoo als het bij voorbeeld van de groote kosten wordt gebruikt, die eene langdurige ziekte, had veroorzaakt {M. :26),
n V SchöMt Her raraM mrd noch Murrh nKM. . .Usz mil schonendem Zarlgcfihl die Tiefesemr FnlrLo 'nrl' in vH'n /Aigen qeMdc.H , tondem spider ent urn dm Kunde des altetien Sohnet deruier
... fcl.il ».—» ' 7wo«,,k,,b.ck D,. v.« ....«
2) Het afhrrhium aawtug komt in I IS. I alleen imci (host naKevokd) wordt het vertaald onredbaar verloren; zoo ook Dr. uahting {TIandwdi. op hel A T) vn anderen. Vai.ckknaau {Setwlar in ltjcam) neemt, behalve deze passieve ook de actieve betcckcnis aan - m- senarr „on poleral. Ti.kncu laat tussehen be.de en de
keus en wil nog liever beide te g. lijk toelaten. (He is one who loses and ts tost.) De passieve vorm hot woord schijnt, de laatste opvatting niet te begnnstigen-, cn toch pleiten aristoteles, enuvsosxe-Mts cn •iiiKoi'itYi. utus voor het verkwistend (o, ^ oifr aU anoU,™ en K.), terwijl cl, m^s van Jlcrau'frië daarentegen het opvat als reddeloos verloren (lt;« = . aut*»»*,
dwnuévo;) - Het. zelfstandig naamwoord, Ma , komt in het K T dne malen voor van mW
lig , Sonrtiheid (K,. V -. 18; Til. 1 : 6 en I Pelr. IV -.4); bij de Gneken meer malen. - Men zie
verder de celeerde aanteekening vim TliKNCir. .
3) In 't oorspronkelijke^—^ r.gt; ouüur en daarop; 9. «.rov —.
120
DE VERLOREN' ZOON.
en waartoe ook al de leejiogt der kranke besteed was. Het ging den verloren' zoon als zoo velen: eens aan 't verkwisten, moeten zij ook wel hun laatste goed opteren. Al geven zij nn niet meer zóó roekeloos uit, het helpt hun niet. Zij zinken weg, en kunnen zich niet meer redden.
Ook de volgende woorden zeggen in 't oorspronkelijke nog meer: /Cen geweldige honger kwam door dat land, en zelf begon //ij te kort te komen; — het begon bij hem op zijn laatst te loopen, geheel op te raken. 1) — Misgewas, duurte en honger hadden eerst de armen om hem heen aangetast; zoo lang hij nog iets had, hechtte daaraan de verkwister niet; maar ten laatste moest hij het wel gevoelen, toen het hèm begon te raken: ook lij zelf begon gebrek te lijden. Deze trek , — dat er nu jnist hongersnood kwam in de vreemde landstreek, — zoo eenvoudig en achteloos daar heen geworpen, behoort onmisbaar bij het natuurlijke der schilderij. Zoolang het gewas des lands overvloedig was, leed niet ligt iemand in het Oosten broodsgebrek; vooral niet, die gezond van lijf en leden was en het landwerk verstond, zoo als onze jongeling. Maar nu was de vroege en spade regen uitgebleven, of sprinkhaan en kever hadden alles verteerd, en het gebrek overkwam ook hem: broodsgebrek en honger, zoo als hij vroeger naanwolijks bij naam of geruchte had gekend !
En hiermede is de toestand van vernedering en ellende begonnen, die in onze Parabel , gelijk duizend malen in het werkelijke loven, dc natuurlijke vrucht is van jeugdige onbezonnenheid en zondige, afdwaling. De weelderige reiziger gevoelt voor het eerst den scherpen prikkel van den honger ; maar nog is zijn hart niet gebroken. Als hij dan toch werken moet voor brood, hij zal hier ook wel werk vinden! Daartoe vervoegt hij zich bij een der gezeten burgers van deze vreemde landstreek: — want zelf is bij er nooit regt burger geworden ! — Eigenlijk is dit woord //vervoegtquot; nog niet sterk genoeg. Er staat: I j kleefde ziek rast, hij hechtte zich of verbond zich 2) aan één der burgers. Dit is in de oudheid de geijkte term voor klienten of voor lijfeigenen , die, — niet bij den dag of bij de week en tegen een vast loon, in eene vreemde dienst gaan, maar zich geheel daaraan overgeven, voor brood en voor kleeding al hunne krachten den meester toewijden. — De vreemde ontfermt zich over den jongeling en neemt hem aan, maar de barmhartigheden
1) Et ipse cncpit egcre. Vulg. — Uet denkbeeld van //lionger lijdenquot; ligt nog niet in vaxsqstafrai.. liet woord wordtb. v. gebruikt vau dc bruiloft te Kamt, waar wijn te kort kwam, en van de disoe pelen, wien opreis niets had ontbroken. (Joh. II ; 3; I,uk. XXII : 35.)
2) Jam luxurium soiilu sequitur inopia , eaque paulatim augetur calamitale. insolita, ut posireno se ohlrudal contemtim) viro gentili satis duro caet. lnoek. — 'Fxoi.).il,'h/ solt hier die he-dürftige und begehrliche Ahhangiglcnl bezeichner ; (de wetik) macht dus aujdringliche fiildhar. (jieijek). Er hing sich mil Gewult gteichisam au ihm fest, auf dasz er ihm heislehe in seiner Noth. (v. oosteiizee.) Haerere or adhaerere is in Talin often used, with something of contempt, of au inferior mho clings to some superior, through tchose help he hopes to advance his fortunes; see suirKR. (trench.) — In de Handelingen drukt LUKis er een' gemeenzamen omgang (ook met Heidenen, II. X : 28), een zicb bijvoegen (H. VIII ; 20), nog meer een' godsdienstigen aanhang (H. V : 13; IX : 2G; XVII ; 34) mede uit. Hier heeft't zeker eene vernederende betcekenis, ongeveer in den zin van 1 Sam. II : 30; En hel nat geschieden, dal al wie van uw huis zal overig zijn, zed komen, om zich voor hem neder te huigen voor ren stutje geldt, en een' bolle broods , en zal zeggen: «Neem mij toch aan---, dal ik eene hete broods moge eten
12]
üli V Kit 1,0 li KN ZOON.
der goddeloozen zijn wreed. Dit gevoelen wij, wanneer wij ons maar eeuigzins kunueii verplaatsen in den toestand van den Joodsclien jongeling. Reeds was het liem eenc onuitsprekelijke vernedering, in hot lieidensche land zijn eigen meester niet te zijn, den onreinen heiden te moeten dienen. Zelfs onder landgenooten neemt de Jood van ouds her niet zoo ligt als de Christen de dienstbaarheid op zich , en draagt liever armoede zoo lang hij kan. Maar bij den ongeloovige m dienst tc gaan, de wet liet het hem niet toe .11 zijne eerzucht even min. En tocli moest onze jongeling nog dieper vernedering verdragen : want zijn nieuwe meester zond /tem naar zijne landerijen , 1) om zwijnen te hoeden, ills het minste , het verachtelijkste, dat ook in 't buitenland een' verloopen' knaap kou worden opgedragen. 2) Ook hier moeten wij ons in den kring van jezus' hoorders verplaatsen. Hot zwiju en de hond zijn voor Jood en Arabier het zinnebeeld van al wat gemeen, onrein en verachtelijk is. En de diepste vernedering, die met mogelijkheid den Israëliet kon trelfcn, wordt in liet beeld van den armen lazarus uitgedrukt door de houden, die zijne zweren likken, en hier door de zwijnen, die zich wentelen in het slijk en wier herder hij is. Waren er ook iu Fa fed ma ten tijde van den Heiland kudden zwijnen , het was in liet land der Gadufenen ol liet GalHea der Heidenen; een Jood , zells een tollenaar ot' zondaar, weidde ze niet. En zoo sterk was onder de oudste beschaafde, volken van het Oosten die afkeer, dat, naar liet berigt van iierodotus, in het aloude iï/ijple alleen de zwijnenhoeders van iederen tempel waren uitgesloten.
Maar de nood is een harde meester, en wal doet de mensch voor den honger niet? Eu nog kan hij dien honger niet verzadigen van zijn karig loon in dezen duren tijd, zoodal /rij begeerde zijnen buik te rullen met den draf, dien de zwijnen aten. Al weder moeten wij ons hier verplaatsen in het Oosten, en door bet woord //drai , aan onze boerderij ontleend, ons niet opliet dwaalspoor laten brengen. De zwijnen worden ddar in bosschen eu moerassige streken geweid, maar bovendien aan den avond gevoederd mot eeno peulvrucht, die hier in het (Jrieksch hoorntjes (zoo als ons krombckken) heet. In onzen tijd draagt zij don naam van Johannesbrood, en wordt in nood nog wel door de armen gegeten.
Maar ik wil hun, die nog altijd den zwijnentrog met draf voor oogen hebhon, met de woorden van hosi;nmüi,i,eii , diode berigten van vele, reizigers heeft bijeen verzameld, eeno nog naauwkeiirigor voorstelling van do zaak trachten te geven.
//liet woord botoekent eigenlijk in liet algemeen de peul, waarin zaden besloten zijn, maar wordt in 't bijzonder gebruikt voor de vrucht van den Carob of Kharnub, een' hoorn, die in de lerant, zoo wel als in 't zuidelijk Europa, inzondorheidin Spanje en Italië, zeer overvloedig is, on wuarvan de vrucht daar nog tot voedoi voor de zwijnen dient. Hel
1) liet enkelvoud aygos betcekent mien akker, ook welia't algemeen tiet veld. Het meervoud wordt anders bij de Sp,optici van gehuchten ot buurtschappen gebruikt; misschien staat het hier, omdat de zwijnen niet op een afgepaald laad geweid werden, maar in eeue landstreek, op eenc alge-meeae of althans gemcenseliappclijke weide, gelijk wij dc bekende zwijnen in het land dei- Gaierenen op den rotsaehtigeu oever van het meer vinden. — Zoo was do jongste zoon iu den vreemde dt toi» «ygoi's gezonden; de oudste was op 's vaders bezitting sv werkzaam.
'2) Merilo porcarius fadus , qui vita el mribus immunJis porem imitaius fuerai. Pkicabus.
[:l:l
dk verloken zoom.
zijn grootc hoornen, wier takken zich wijd uitbreiden. De bladeren zijn breed en altoos groen. De peulen hebben een' vinger lengte en een duim breedte, en zijn krom als een sikkel. De smaak is zoet en aangenaam, niet ongelijk aan onze boonen, maar mot een' harder' en donkerder'bast, die bittere en zeer harde pitten heeft. Deze worden weg geworpen, maaide peulen zelve, met bet vleesehachtig gedeelte, gegeten. Daar deze vrucht in groote menigte voorhanden is, wordt zij tot het mesten van vee gebruikt, terwijl er ook een bijzonder zoet sap uitgeperst wordt, tot het inmaken van vruchten. Op het eiland Cup ruft, bij voorbeeld, zag een reiziger hoopen op een gestapeld , die met scheepsgelegenheid verzonden werden. Zij wordt ook Johannesbrood genaamd, omdat men meende, dat johannes de Dooper die in de woestijn had gegeten.quot; 1)
Men kan dus dit //eten der zwijnenquot; best vergelijken bij het mesten met eikels, die ook in den hongersnood wel door menschen gegoten zijn. En zoo stelt het verhaal ons den eens zoo rijken en weelderigen jongeling voor, gelijk hij aan den avond , na zijne dagtaak volbragt te hebben, de zwijnen binnen de omheining drijft. Maar het is zijn post niet, hun ook hun avondvoeder te geven, liet is dus eene dwaling, wanneer men vraagt : waarom hij niet, indien hij het verlangde, met de zwijnen mede at? 2) liet was zijne taak alleen: de zwijnen te weiden, even als die zwijnenhoeders (het zelfde woord wordt in 't oorspronkelijke voor hun hoeden of weiden gebezigd), waarvan de Evangelisten verhalen, dat zij vlugtten en in de xtad kwamen, toen hunne kudde van de steilte af in de zee was gestort. 8) Anderen komen er, vooral in dezen duren tijd, vertrouwde knechten van zijnen meester, en voeren het onreine vee, en de uitgehongerde staat er met een begeerig oog naar te zien. Aan smakelijk eten, aan gastmalen en feesten denkt hij niet meer; zelfs niet aan gezond of ligt voedsel. Met opzet gebruikt de Heer die grove, dierlijke uitdrukking, die heter op zwijnen dan op menschen past: zijnen buik te vullen. 1) Dat is het, wat in
1) De geleerde kan bij kosenmüller zelf, hij wint.ii, tuencii en anderen nog meer over deze xsyanu vinden, waarop, zoo ik meen, bochart het eerst opmerkzaam heeft gemaakt. Sciiöitoex haalt hierbij een Rabbijnsoh gezegde aan: /t Is noodig, dat de Jood peulen {chiroh of charulj) etc, om hocte tc bedrijven.quot; — Maldokaïus verhaalt, dat. de Spanjaarden ze met een Arabisch woord Alyurovas noemen, en zij 'm Afrika vooral overvloedig zijn, waar ze op de straat worden uitgevent aan armen en kinderen, ilie bast en sap opeten eu de pitten weg werpen.
2) IvAiiVUK gaat nog verder, en zegt, dat hij met de zwijnen mede at, omdat niemand hem iets anders gaf; ncque ruim, cum porcis ipse darrt hon cibi genus, carere potuil. — Maar er staat volstrekt niet, dat hij hun dit voedsel geven moest; hoeden of weiden is ook bij ons iets anders als voederen. En al wordt er alleen gezegd ; cn niemand gaf hem, van zelf vult ieder in, als ecu' terugslag op zijne begeerte: uniemand gaf zc hem, de kfqutki namelijk. JJegeeren en geien, of be.gecren en niet hehheu, staat ook elders tegenover elkander. (1 Kon. Ill : B ; Jak. I\ : 2.)
3) Daar er, nnar het berigt van markus (V : 13) , twee duizend waren, zoo was er ook een grooter aantal (Ivaxoviss noodig.
4) Cibus, quo corpus non reficihir, sed impletur. AmbrosIus. Hominem non saliant (siliquae), wd ventrem tantum yravunl. Stella. Minder dierlijk is de wenseh van den armen lazarus, om verzadigd ie. worden, /oyinijamp;rjnti , een woord, dat wel van beesten voeder, xoytog, is afgeleid, maar in het Jsieuwe Testament slechts op écne plaats [Opeitb. XIX: 21) van roofvogels, elders altijd van menschen gebruikt wordt. Van den Verloren'' Zoon hebben cenigc oude Handschriften dit woord ook, maar hoogst waarschijnlijk is 't uit die latere Gelijkenis hier ingeslopen, of vonden overkicsche afschrijvers de andere uitdrukking wat al te grof.
DE VEELOUKN ZOON.
hongersnood de hoogste begeerte wordt van arme menscheu, en wat ook onder ons m de laatste jaren hen soms weder liet beestonvoeder, — overvloed van zenielbrood en paarden-boonen I _ den redoloozen schepselen deed benijden. Of wordt niet voor dezen soms meer zorg dan voor arme inenschen gedragen? Althans de paarden en muilezels van koning aciiab hadden het beter, toen (Je honger groot was in Samarië, dan zijne onderdanen.
Den zwijnen werd in overvloed gegeven, al was er gebrek m het land. Zwelgden zij het eten slechts gulzig en hongerig, bijna zonder keur of smaak, naar binnen, zij weiden ten minste verzadigd. Als zij den hongerigen buik gPvuld hadden, legden zij zich neder en wentelden zich in het slijk. Dit gevoel van verzadiging en rust benijdt hun de arme jongeling. Het grove beestenvoeder zon hem nu ook wel smaken. Daarvan (er staat niet, nis in onze vertaling, daarmede), met iets slechts, een deel van dien overvloed, wenseht hij den buik te vullen. Hij begeert het, onrustig en gejaagd. 1) Het zouten minste zijn' honger stillen! — En vroeg hij er ook om? Dit staat er niet. Hij was wel een zwijnenhoeder, maar nog geen bedelaar. 11 ij verdiende geen beestenvoeder, maar brood, doch veelte weinig. En hoe schraal hij het had, dat wist men immers in het vreemde land ? Dat wist ook zijn Heideusche meester, dat wisten ook zijne knechten wel; en het was hem duidelijk genoeg aan te zien. Maar niemand bekommert zich om hem. \oor de zwijnen wordt er gezorgd, ook bij den algemeenen nood; maar of hij, de verloopen, vreemde
knaap, bier vergaat van gebrek, dat gaat hun niet aan........ Zoo verlangde, hij met die
grove, raauwe vrucht zijn1 buik te vullen, — maai' memand gaf ze hem. :l)
Zie daar het keerpunt in de geschiedenis. Niet enkel honger en gebrek , maar vooral ook de diepe vernedering , de geheele verlatenheid, de algemeene verachting, die hem het meest van alles krenkt, waardoor een onuitsprekelijk gevóel van eenzaamheid en ellende hem beklemt. En toen, toen kwam hij tol zich zeiven. Hoe veel ligt: er met in dit eenvoudig woord opgesloten! Zoo lang er nog iets is buiten hem, waaraan hij zich hechten, waarop hij hopen kan, leeft hij, gelijk iedere zondaar, als buiten zich zeil. Maar nu, in die diepe vernedering en verlatenheid, nu keert hij tot zich zelven in, eu terstond ligt geheel zijn verleden , als ware het tot nu toe met een' digten sluijer bedekt geweest, open voor hem. Alle verontschuldiging en zelfbedrog is geweken. \oor het eerst ziet hij levendig en helder in, wie hij geweest, wat hij geworden is. Een magtig heimwee naar het verlaten vaderhuis maakt zich van hem meester. En als dan die versmade overvloed en miskende vaderliefde hem weder met alle kracht voor den geest komt, zoo zegt hij, — natuurlijk tegen niemand als tot zich zelven: want wie bekreunt zich hier
121-
Ofseiioon tnifrufitlv ia het algemeen begcercu uitdrukt, zoo is er meest altijd het denkbeeld aan verbonden van ecu gejaagd, onrustig gemoed; (zoo, Luk. XXII : 15 , Enrfv/tia èmamp;iui/va,) waarom het hier en elders {luk. XVI : 21; XVI I : 22) van een' vergcefsehen wenscli, ook wel (vooral het afgeleide imamp;vjjia) van eeue zondige begeerlijkheid gebruikt wordt.
DE VEltl.OKE.V ZOON.
om licm en wie verstaat hem? — hij zegt : nlloe veh hmrlhige» mijns vaders hehben overvloed van brood, 1) niet, van zwijnenvoecler maar van gezond en smakelijk brood; en ik, eenmaal zijn zoon, ik verga 2) van honger!quot;
Deze gedachte, eenmaal ontwaakt, wil hem niet meer los laten. Zóó kan het niet blijven. Het trotsclie hart is gebroken; het ligtzimiig gemoed tot diepen ernst gestemdj een vloed van tranen geeft hem eindelijk lucht. Hij heeft daar voor bet eerst in langen tijd een' naam uitgesproken, die hem vroeger niet over de lippen wilde, en die vadernaam zeil' opent weder eenig uitzigt voor zijn beneveld oog. Ik zal opslaan , zoo spreekt hij na eenig nadenken of aarzelen, opstaan uit de diepte mijner ellende en moedelooze stompheid , opstaan en lol mijn' vader gaan , en als ik de ouderlijke woning mag bereiken en hem zien, zoo zal ik zeggen: quot;Vader, ik heb gezondigd legen den hemel en voor n, en hen niet meer waardig, uw zoon genaamd te worden; maak mij maar als ven van uwe huurlingen!quot;quot; — Er zijn toch, ook dit woord is hier niet zonder nadruk, bij zijnen vader zoo vele huurlingen, die allen overvloed hebben: ligt, dat er nog bene plaats is voor hem!
Om te gevoelen, hoe veel moed en zelfverloochening er tot dit besluit noodig was, moeten wij nog eens goed onderscheiden, wie er daar in die vaderlijke woning gevonden werden, liet eerst beide zonen en erfgenamen. Dan de diknahen , ingeboren of oude bedienden van het huis, die deelcn in alle lief en leed, en straks zich met den vader verblijden, gelijk zij zich vroeger met hem bedroefd hebben. Van deze dienaren worden onderscheiden de knechten, die het mindere huis- en landwerk doen, en van dezen weder de un ulingen of daggelders. -'5) De laai sten hebben eigenlijk geen deel aan voorspoed of tegenspoed van den landeigenaar. Zij worden alleen tijdelijk, vooral in zaai- of oogsttijd oi' bij het treden van de druiven pers, op daggeld in dienst genomen. En terwijl aan het einde onzer Gelijkenis de zoon de koning van het feest is, de dienaren dit feest vieren, en de knechten zoo smakelijk van het gemeste kalf sproken, zijn de huurlingen met hun loon naar huis gegaan. En toeh hun lot, hoe hij vroeger op hen heeft neer gezien uit de hoogte, het komt hem nu als hoogst benijdenswaardig voor. Voor ben wordt toch ook gezorgd, veel beter dan in dit vreemde land voor de zwijnen, op wie hij reeds met afgunst ziet. Zelfs voor die vreemden is zijn vader zoo goed. ^let hen, van wie men geen
1) Er is in 't Grioksch nog duidelijker tegenstelling tusschcu zijn gebrek eu hunnen overvloed, zijn to kort komen [vaieyeiad-ai,) en liun over hebben {nsQiaasisiv, iiscn. JtsiJicraBLBaO-ut).
2) Naar tisciiendorf en visseiuno ; /k verga hikr (toJs) van honger, — Dit vergaan wordt door 't zelfde woord uitgedrukt, als 't verloren zijn. De «tto/.oiAoj; lt;lt;7io).lviai, dc zedelijk verdorvene begint nu ook in 't natuurlijke zijn verderf te gevoelen, dc verlorene voor goed verloren te gaan.
3) Dc vloï zijn de hoofdpetsoncn; — de dniiot deelgenooten in de vreugde des vaders (vs. 22): want hoe wel (JoiUof oorspronkelijk slaaf beteekenl , vonden wij het in de beelden van liet Onkruid, dc Wakende Knechten , Talenten en liooze Tiandlieden , reeds in den zin van vertrouwde dienaren; de ■naiSsi (zoo als nog in onze Oost jongens) staan (althans bij LUK \s, vgl. Matth. XI V 12), beneden dezen en verder van den Heer af, zoo dat bij voorbeeld f.uk. X11 : 4-5 de dovKog magt heeft, om de naida; en naiSlaxnf te slaan; — de a itjOi oi eindelijk behooren tot het gezin niet: de heer van den wijngaard, bij voorbeeld , gaat ze huren [fiiaamp;iiioaaamp;ai è^j'óros) op de markt. {Matth. XX : 1—7.) V gl. Dr. vorstman, Blz, 87 reeds aangehaald.
125
dk verloken zoon.
kinderlijke liefde en trouw eischt, zal men lietn toch wel willen gelijk stellen, al kan zijn vader, even min ,'ils hij zelf, vergeten , wie hij geweest is en wat liij had kunnen zijn. Daarom staat er niet: «Maak mij tot —, //maar1' als één meer hunrlhtgen ; stel mij met hen in alles gelijk.quot; — Op liet verkwiste erfdeel toch kan hij geen aanspraak meer maken ; den naam van zoon zelfs heeft hij verbeurd; maar de vadernaam moet hem toch nog eens van de lippen: zijne afkomst kon hij nooit geheel vergeten. Zie! zulk eenedel besluit getuigt niet alleen van begeerte naar het brood, dat de huurlingen eten, maar veel meer nog van een heimwee naar het vaderhuis, waarin ook de minste plaats hem eene zaligheid schijnt; zoodat hij niet enkel voor den liefhebbenden vader zich vernederen wil, maar ook voorden harden broeder, ook voor de dienaren van het huis, ook voor de knechten zelfs, waar hij als huurling beneden staan zal, terwijl in dit vreemde land ten minste niemand op hem let, niemand in hem den vroeger zoo rijken en geëerden zoon en erfgenaam ziet. O! hoe weinig hebben zij den boeteling begrepen , die, geheel bevangen door hunne dogmatische vooroordeelen, ook nu nog den verloren' zoon van eigengeregtigheid beschuldigden, als of hij door loondienst zijn erfdeel wilde terug winnen; 1) — en even min begrepen hem anderen, die den verloren' zoon, — als of hij het nog voor 't kiezen had! — eene lofrede in den mond legden op het gelukkig en tevreden leven van den daglooner. 2)
ƒ/• zal opslaan , zegt hij. //Hij was dus gezeten of lag ter neder,quot; voegen sommige uitleggers er bij. 3) liet kan zijn; maar het //opstaande afreizenquot; heeft, naar't Hebreeuw-sche spraakeigen, eene andere beteekenis, die ik reeds in het verhaal zocht uit te drukken. Bij de zwijnen zit men zoo niet op den grond. Liefst stel ik mij den verloren' zoon voor, gelijk hij aan den avond moedeloos en krachteloos hangt over schop of stat, waarmede hij ook dezen dag de zwijnen hoedde, of leunt tegen de omheining, waar binnen hij ze gedreven heeft. L'it die diepte van ellende wil hij zich opheffen : want opstaan, zich opmaken , zich aangorden, is in den bijbel de uitdrukking der ontwakende wilskracht, waarmede men een kloek besluit ten uitvoer brengt, I) het hervatten van kracht en moed; en dat vooral sprekend bij de traagheid en dofheid der heete luchtstreek. Maar zich aan-
PlUCAEUS. Vgl. Hand. IX ; 11 , IS euz.
DE VUIil.OliKN ZOON.
gorden in den eigenlijken zin, neen! dat behoefde hij niet meer; hij, die alleen gedekt was met de. lompen van liet slavenkleed , en mantel en gordel van den vrij geboren' man reeds lang had afgelegd!
En nu de schuldbelijdenis, die hij tot den vader brengt en die zijn verzoek inleidt: — ook de uitdrukking daarvan is met opzet zoo gekozen. Eigenlijk staat er: vlk heb ye-zotuligd tegen den hemel en voor nw aangeziyt quot; 1) \\ ant het was eeue zonde teoksovkr den rader, in betrekking tot hem, daar hij zijn' vader wel niet te kort deed met zijn verzoek, maar toch toonde, den regten kinderlijken eerbied en gehechtheid te missen, en dus die betrekking miskende, liet gevoel zijns vaders kwetste; doch zijne eigenlijke zonde was tegen den hemel, tegen de zedelijke wereldorde der hoogere wereld, tegen God. Tegen den Vader in den hemel zondigt hij allereerst, die zich aan de verstandige en liefderijke leiding van een' aardschen vader onttrekt. En is, wel beschouwd, iedere zonde niet in de eerste plaats eenc zonde tegen den hemel, al wordt zij tegenover 3) den inenseh bedreven? Zoo lang men dit niet begrijpt; zoo lang men den mensch alleen ais den belee-digden beschouwt, dien men te verzoenen heeft, enkel tegen aardsche betrekkingen meent gezondigd te hebben, en niet gevoelt, dat het eene zonde tegen den hemel was; — is het ware en diepe schuldgevoel nog niet ontwaakt. 3)
Fm opstaande ging h'J naar, of liever kwam hij tot I) zijnen vader. Dit staat daar zoo
1) Meer in de klanken dan in de beteekenis, komt met deze betuiging die van farao [Exoil. X : 1(5) over een: tik heb gezondigd tegen den HEER moen Ood en tegen u heden. (Gr. èravriov Kvylöv tot fteov vfjwv , x«i Big iua;.)quot; Eer zou liet zelfde denkbeeld liggen in de vraag van david aan Jonathan : a IVat is mijne zonde voor het aungezigt uies vaders!quot; (1 Sam. XX ; 1.) Terwijl david later, na zijne grootste zoude tegenover uiua en zijne gade, belijdt.; «Tegen V, o God! U alleen heb ik gezondigd.quot; (Ps. LI : 6.)
2) Over èvumior ('t zelfde als ^intion^ev, dat Luk. XII .8, maar vooral bij maïtheüs , het He-breeuwsehe Uü1? uitdrukt,) zie ülz. Hls. Hartixo verklaart liet, zeer te regt: ,voor het aangezigt of in tegenwoordigheid van iemand, die meestal nis regter of beooideelend toeschouwer gedacht wordtik zou er alleen nog bijvoegen : »of als iemand , die mede in de zaak betrokken is.quot; — Das ethische Verhdtlniss der Thai zum beleidigten Subjeele ist (durch tvuniov) so versinntichl, ah ob dies Subject bei der That zugesehen halte; die Sittliche Hcziehmg is als Sichtliohc veramehaulichct. M i ijeh.
3) „Men merke in den vorm dier belijdenis zelve wederom eene eigenaardige fijnheid van leering op: de schuldige zoon belijdt gezondigd te hebben ihokn den lieme 1 (de naam vim (t igt;d wordt in een zinnebeeldig verhaal liefst niet gebruikt) en vooit zijnen vader.quot; da costa. —-/eer juist is de opmerking van vithikga : ,üod word hier de Hemel genaamt, door eenc maniere van spreken, indien tijd zeer gebruikelijk, welke de Joden hadden overgenomen van dc Chaldeën , als blijkt uit Dan. 1\ ; 26; vergl. Mallh. XXI : 25, en ziet i.igtfoot en iiuxtorf.quot; Het is wel opmerkelijk, dat ook de benamingen God des hemels, Koningrijk der hemelen enz. eerst in ol ua den tijd der ballingschap ontstaan ziju. aar dc oudste godsdienst sterredienst was, werd ook de Hemel de eerste en algemeenste uitdrukking van de Godheid, zoo als nog bij sommige Aziatische volken. — Kene andere verklaring hebben 'iiiEorini.achs eu MmnMics: «Ik heb gezondigd tegen den hemel, omdat ik het aardsche boven het hemelsehe heb gesteld— en maldonatus , die 't een Hebraïsme noemt, daar de Israëlieten, wanneer zij (religione qvadani) God niet bij zijn' eigen' naam durfden noemen. Hemel, Naam, Rotssteen en dergelijke uitdrukkingen gebruikten, die dus natuurlijk zijn in den mond van een' Joodseheu jongeling.
4) Zijn voornemen is: «vchttw? rro^eicro^tni , eu de uitvoering daarvan wordt beschrcven: arncaTas
Ook hier is de uitdrukking zeer juist, daar mct't. eerste woord de afreis, als 't gevolg van ziju opgevat voornemen ; met het tweede — want f,o/ouav beteekent meer komen dan gaan (ifautino),— de aankomst, als de blijde vrucht daarvan, wordt aangeduid.
137
DE TKIUjOKEN ZOON.
eenvoudig weg; maar als wij indenken, dat en hoe hij de verre reis van vroeger moet terug maken, wat zal liein dat hebben gekost! Juist liet tegenbeeld van zijnen vader jakob , die met zijn' staf over de Jordaau gegaan h, en bij zijn terug komen tot twee hel ren geworden: want den zelfden weg, dien hij henen toog met eene rijke karavane, maakt hij terug als een arme bedelaar, die met moeite het uitgehongerde ligckaam voort sleept, brood en reispenning bedelt , en slaapt in schuur en stal of onder de schaduw der bosschen , tot eindelijk het verarmde kleed geheel in lompen gescheurd is , en de versieten schoenen hem zijn afgevallen, — en hij toch altijd voort gaat: voort langs den bekenden weg, die hem bij elllt;e schrede zijne afdwaling herinnert; voort tot hij het oord zijner onbezorgde kinderspelen herkent: — altijd met die éénc gedachte in het hart, die hem een levensdoel geworden is; nJk zat opstaan en tot mijnen rader gaan.quot;
En ais hij nog verre af was 1), zag hem zijn vader. Mier kunt gij invoegen, zoo gij wilt, dat de bezorgde vader van tijd tot tijd berigten had ingewonnen, en dat hij steeds ongunstiger tijding van het losbandig en wellustig gedrag des jongelings gehoord bad, tot ten laatste niemand meer wist, wat ervan hem geworden was. Hij was verloten, hij was dood. En toch treurt het ouderhart geheel anders over den afgedwaalde, als over den doode. Er is vrede in het graf; niet in den zedelijken dood der levenden. De vader ziet telkens nog aan den avond, terwijl men aan huis den losbandigen knaap reeds zoo goed als vergeten is, — de vader ziet telkens uit naar den kant, waarbij het laatst de schaduw van zijn' zoon heeft gezien. ITet is hein, alsof hij van daar nog eens moet terugkomen. Zoo zit hij daar weder en staart in de verte. Baar komt een verarmde en ter dood toe vermoeide reiziger aan. Het vaderoog ziet scherp. Ja waarlijk! het is zijn gang, zijne houding, zijn gelaat. Het is zijn zoon, zijn jongste zoon; maar hoe geheel anders, dan toen hij bet ouderlijke huis verliet! Aeen , nu is er geene plaats meer voor toorn. Innerlijke ontferming met de diepe ellende van zijn kind, vervult op dit gezigt 2) zijn geheele ziel, om straks over te gaan in de blijdschap van het wederzien. Daardoor wordt hij bewogen, en looiende — niet enkel hem te gemoet gaande, maar den afgematten en langzaam naderenden tegemoet snellende, valt hij hem om den hals en kust hem', drukt zijnen zoon aan het vaderhart, en ondersteunt hem bij het verder gaan. Om het natuurlijke van deze voorstelling, bij de sterke uitdrukking der gewaarwordingen in het Oosten, regt levendig voor oogen te hebben, herleze men slechts de verzoening der twee zonen van tzak : jakob loog zich. zeven malen ter aarde, tot dat hij hij zijnen broeder kwam. Toen lieji ezav hem te gemoet, en nam hem in den armen viel hem aan den hals, Jl) en kuste
1) De Statenbijbel heeft: Kn ah hij nog ver van hem roas; dit zou ten miuste moeten ziju: ver van hem uf: want futxynv (oth'ji' uné/ortoi is c/een groot eind af zijnde:quot; —van den vader of van hel vaderhuis.
2) Het gezigt wekt meest de ontroering van het medelijden, die de Heer zoo goed bij ondervinding kende; gelijk het zelfde biÜb xal !}gt;i meer malen van Hem zelven voorkomt. (.¥. VI ; 36; Luk. Til : 13.) Naar 't Hebreeuwsohe taaleigen wordt die ontroering, ook door het gebruikelijke Hellenistische woord, aan de ingewanden toegeschreven.
3) Fabiu (11J: 70) baalt uit shaw (I: 336) de oostersche gewoonte aan, om iemands haud, hoofd of schouder te kussen, ea vindt daarin de verklaring van het «oar den hals vallen.quot; Ik kan dit echter
128
de verloken zoon.
hem ; en zij weenden; of de ontmoeting van jozef met benjamin en weder van ja kou niet zijnen jozef, waar beiden ook den zoo lang reeds verlatene of vermiste aan den hals vallen en zóó lang achter een van blijdschap weenen. {Gen, XXXIII: 3,4; XLV : 14; XLVI; 25).)
Maar de verloren zoon kan eene zoo teedere liefkozing niet aannemen. Misschien kent de vader nog al de schuld niet, die hem bezwaart. Hij begint dan uit te spreken, wat hij zich heeft voorgenomen, wat hij honderd malen bij zich zeiven herhaald heeft, sedert hij de zwijnen verliet; n Vader, ik hel gezondigd tegen den hemel en voor u, en hen niet.
meer waard, im zoon genaamd te worden......quot; — Tot zoo ver brengt hij het, verder niet.
Dit is een schoone trek in de Gelijkenis. Wilt gij u voorstellen, dat de vader door zijne liefkozingen en bevelen hem het verder spreken belet ; of dat de zoon tegenover zoo veel liefde de diepe vernedering verzwijgt, waartoe hij zich zeiven heeft veroordeeld : altijd is het de tegemoetkomende liefde, die alle slaafsche vrees weg neemt, niet toornt maar juicht, en geheel andere gedachten hoeft en opwekt, als om nu nog van het gedane te spreken, waarvoor het arme kind reeds zoo diep en zoo smartelijk de striemen der kastijding draagt.
Het uniaak mij als één van mve hmirlingen!quot; blijft dus den terug gekeerde op de lippen en in het hart. De dienaren des huizes zijn intusschen nader bij gekomen. Ook zij hebben misschien nog die schuldbekentenis uit de diepte der ellende geboord, en zijn daardoor bewogen geworden. Den vader althans is zij genoeg. Hij antwoordt er niet eens op; het is niet noodig, dat hij de vergeving uitspreke; hij roept hun — den dienaren — toe: nHaastig, 1) kinderen! brengt hier het feestelijke kleed, de kostbare, lange en witte talaur; werpt die lompen weg, en trekt hem dat aan; doet dan een' gouden zegel-//«y aan zijne hand. en sandalen aan de voeten.quot; 2) — Geheel mislukt is hier de verklaring, die //het eerste kleedquot; opvat voor dat, wat hij vroeger gedragen had: want toen de jongste zoon alles hij een vergaderde, zal hij toch ook zijne feestkleederen wel niet achter gelaten hebben. Neen! het eerste kleed is, gelijk onze vertalers goed begrepen hebben, liet beste, 3) dat van den
]2(t
de veulorkn zoon.
eersten en hoogsten rang, dat hem vanzelf boven de huurlingen niet alleen, maar ook boven de knechten en dienaren verheft, en bovendien hem een feestelijk aanzien geeft. Want dit kleed {stola) wordt onderscheiden van den gewonen mantel {toga) ; het werd door priesters en schriftgeleerden {M. XII : 38) gedragen, en komt zelfs bij de verschijning van eenen Engel voor. (M. XYT: 5.) En gelijk de talaar hel teeken is van den vrij geboren' man, even zoo de ring 1) en de sandalen. Men heeft hier, en misschien niet geheel ten onregte, vergeleken, wat in jezus'tijd bij de vrijverklaring der slaven geschiedde, wien ook ring en kleed , als teeken der emancipatie, gegeven werden. 2) — En dat eerekleed moesten /ij vrrnuENOKN, (onze vertalers hebben : Brengt hier mort!) «naar buiten, eer hij l buit-zelf binnen treedt, of wel, daar de rijke Oosterlingen veel werk maakten van een'goeden voorraad kleederen: //uit de kleederen-kamer,quot; 3)—om het hem, in de voorzaal of op den binnenhof, te kunnen aantrekken. V\ ant het kleed werd hein niet alleen gegeven, om het aan te trekken: neen! maar hij werd door de dienaren van 't huis gebaad, gekleed, feestelijk opgetooid , terwijl binnen 's huis het feest zeil wordt toebereid.
Zoo spreekt de heer des huizes tot sommigen hunner ; en tot anderen is het; Brengt (niet //brengt uit, hier, naar buiten,quot; maar //krijgtquot; of //draagtquot;) het westkatf mi den stal,— voor feestelijke dagen, het oogstfeest bij voorbeeld, bestemd: — en slagt het heden nog, opdat wij maaltijd houdende vrolijk zijn!quot; Want, zoo nis van ouds her overal, zoo is ook onder Israël de maaltijd, inzonderheid offcrmaal of sabbat smaal, het teeken van reine, broederlijke vreugde, en aan de blijmoedige en nationale godsvereenng miauw verwant. 1)
En nu de reden : vnvt deze mijn zoon was dood, voor mij en voor den hemel dood, en hij is weder lerend geworden ; hij was verloren , en is gevonden. — Met opzet heb ik het woord dood zóó omschreven, omdat voor mijn gevoel de uitleg te flaauw en te oppervlakkig is : // Ik dacht reeds, dat hij dood was;quot; zoo als nog wel eens een dood gewaande uit oorlog, gevangenschap of schipbreuk terug keert. Dan zou ook de uitdrukking te sterk zijn: „Hij is weder levend geworden— letterlijk : nllij was een lijk en leefde op, herleefde.quot; — Do doorgaande bijbelsche beschouwing van de zonde, als den zedelijk en dood, 5)
het verloren gaan, als eene geheele vervreemding van God en van den hemel, een
Oil v;
li JoxiiUov, annulum , apu(/ Romano» ingenuitatis , apud Gricitis po/mlos dignitalia exitmae signum, aep XLT : 42, anl cliam opulcntiae Jac. II : 2. Gkotius. Tiecds Gen. XXXYIII : 18 wordt door ju da zijn ring Ie pand gegeven; kóniug farao ring van zijn? W af, en deed hm aan jozefs W,
entiet hem L mtle kleedenn aantrekken {Gen. XL1:42); tnlMakk. Vx : 15 geeft de stervende aktio-cms IPIFASES aan zijn' vriend riLirrus zijne kroon en mantel en zegelring, om die aan zijnen zoon en
quot;PS)]8Zm Icgi^niTViliANes (de Kernrr. Carnis, C. 57) van den vrij verklaarden slaaf: resfis albae nilore, el aurei annnli honore et palroni nomine ac irihu memaque honoralur.
3) Zoo zeidc jr.nu tol dengenen, die over het klecderhuU va»: .Bkeng de kleed,ng
X : 22.) En voor jebemu werden oude lompen gehaald van onder de schatkamer. {Jer, aa.a.\ Jll ; 11.)
4) Ofl'ers slagten en vrolijk feed tieren (Gr. ,9wi«(rn/ wordt ook Itigt. XY J ; 2:i verbonden. Wen vergde hierbij niet, dal in de heete luchtstreek het geslagte vleesoh terstond toebereid
en ceseten wordt. ...
5) Zoo noemt pauuis de Christenen, in bun vroeger leven, roti *cu t«lk trials {E/. 11:]; Kol. II : 13), maar door hun christelijk geloof lx vbx^v fayxas. (Kom. \ 1 ; 13.)
DK VEULOKEN ZOONquot;.
bijna onherstelbaar verderf, wijst ons, dunkt mij, ook hier den weg, i Iet is in den mielijken zin, dat bij is dood geweest en herleeft, dat bij voor den vader verloren ging, maar weer werd terug gevonden (of eenvoudig gevonden). — Of zou de vader ook zoo gesproken hebben, als zijn zoon, nog altoos een dienaar der zonde, met een'weelderigen vriendenstoet uit het vreemde land overgekomen ware, om misschien nog onbeschaamd aanspraak te maken op de vaderlijke erfenis ? Dan leefde hij ook wel, maar dan ware zijn verdiende ontvangst naar de taal van het Evangelie geweest: nIk ken n niet lquot; want dan ware hij niet als zoon herleefd.
De vader heeft uitgesproken, met al de bedrijvigheid van de vreugde der verrassing. Spoedig en blijmoedig worden zijne bevelen uitgevoerd. 1) Ook de trouwe dienaren des huizes zien gaarne weder in hun midden, dien zij als een' vrolijken en aauvalligen knaap hebben gekend, en deelen van ganscher harte in de vreugde van den geliefden meester. Opperzaal of binnenplaats van de ruime woning wordt in allerijl tot een feestzaal ingerigt. Onder den maaltijd zal er muzijk zijn, met beurtgezang en reijendans. Gewoonlijk werden hiertoe in het Oosten de dansers eu danseressen gehuurd. De knechten zijn intussehen met allerlei toebereidselen bezig, en de dienaren gaan ter feestzaal iit. Kr heerscht
cenc algemeene, vrolijke bedrijvigheid. Eindelijk gaat 't feest aan den gang...... Men ziet,
dat hier eenige -tusschenruimte moet gedacht worden , en dus wel een nieuw vers had mogen begonnen worden met de woorden ; En zij, de dienaren, begonnen vrolijk te zijn. Dit staat, er niet van den vader, die zijnen kinderen een feest bereidt, maar zelf te diep en te ernstig gevoelt op dit oogenblik , om zoo kinderlijk vrolijkte wezen. En het staat er even inin van den zoon, bij vvien de zaligheid der wederaannerning wel eene andere gedaante , dan die van onbezorgde feestvreugde, zal hebben aangenomen. Zij begonnen vrolijk la zjn-, en juist waren zij begonnen, toen die vreugde op eens door een' scherpen en harden wanklank werd gestoord.
Die wanklank wordt, in dit Hoofdstuk van luk as , hier voor het eerst gehoord iu de hemelvreugde over den bekeerden zondaar , ofschoon deze reeds voor de derde maal wordt beschreven. Kn natuurlijk! Ook het tafereel van boete en berouw vonden wij in deze Gelijkenis voor het eerst, omdat hier de verlorene een mensch is; niet het weggeraakte geldstuk, niet het afgedwaalde schaap, maar een mensch: — zoodat dus, tegenover de vreugde van het wedervinden, hier voor 't eerst, als de kroon van het schoone drietal Parabelen, de stemming van den verlorene, zoo wel als van hem, die nimmer afdwaalde, kon geschilderd worden.
1) Er is wel eeuige overeenkomst in »dc kleeding als vergeving en wederaannerning,quot; lussclien deze voorstelling der Pivrabel en het gezigt van zacuaria, H. ill : I—5. Hij ziet daar jozua, den hooge-priester, staande voor het aangezigt van den Engel des HEEREN en in strijd met den Satan. Jozua na was bekleed mei vuile kleederen, ah hij voor hel aangezigt des Engels stond. Maar deze (of door hem Jehova zelf) bestraft den Satan, en gebiedt de genen, die voor zijn uanyezigl staan ; «Doet deze vuile ktrederen van hem weg!quot; Daarna spreekt Hij lol hmi (jozua) : rZie! Ik heh mee ongeregligheid can u teeg genomen, en Ik zul u wisselkleedeten aandoen. Dies zeg Ik: Laat ze eenen reinen hoed op zijn hoofd zetten!' Kn zij (de dienaren) zetleden dien reinen hoed op zijn hoofd, en zij togen hem kltederett aan ; en de Engel des IIHEREN stond daarbij. — De overeenkomst met deze plaats eu met andere zinnebeeldige uitdrukkingen in 't Nieuwe Testament, die ons later zullen voorkomen, ligt in de beteekeuis, door do Oosterlingen van ouds aan kleederen , vooral wissel- of feestkleederen, zoo wel als aan maaltijden gehecht. Men vergelijke hierbij het in 't vorig Deel gezegde over bet Gastmaal en den Gast zander bruiloftskleed.
18*
de verloren zoon.
Een zeker mensch had twee zonen. Van den jongsten alleen hebben wij tot nu toe gehoord. En stond hot niet in den aanhef, dat zij met hun beiden waren en hij do jongste, wij zouden kunnen denkon, dat tot nu toe de smart en de vreugde over een'eemg geboren zoon beschreven ware. Toch is de vader even min onverschillig omtrent zijn' oudste; met onverschillig, maar ook niet ongerust. Nooit hul die, zoo zegt hij zelf en de vader spreekt het niet tegen; zijn gehad overtreden. Zijn jonger broeder trok weg, en hij bleef; en hij bleef niet alleen, maar voordo ook stipt do bevelen van zijnen vader uit. Des morgens vroeg wao hij reeds op den akker. Met zorg dreef hij er den ploeg door, of hoedde het vee; on was or in den wijnberg of waar ook, iets te doen , altijd was de oudste on nu eenige zoon er bij. Hij droeg de grootste zorg voor hot vaderlijk goed. Maar of hij dit deed, omdat hot nu geheel alleen zijn erfdeel was, of uit gevoel van kinderpligt; en zoo al uit pligtgevoel, of hij daarom altijd eerbiedig, hartelijk, kinderlijk omtrent zijnen vader gezind quot;was .lit staat er niet. Hot vervolg doet het ons betwijfelen. Zeker althans was hij het daarin niet, dat hij met den vader woonde en had voor den verlorene. Er wordt alleen van gehoorzaamheid gesproken. Nooit overtrad hij , wat de vader uitdrukkelijk gebood , en — liefde laat zich niet gebieden.
^ Ook op don dag, waarop zijn jongere broeder te huls kwam, was hij op het veld. Zij, die zich beijverou om het donken' nog meer in de schaduw to stollen, bobben veol te zoggen op deze zijn eigenwillige loondienst. De Gelijkenis zegt dit niet. Hij betrachtte zip pligt, en deed zijn work. Hier opwas niets te zoggen. Th tegendeel, het was juist, wat hij quot;loon moest. Tntusschen was zijn broeder gekomen; maar onder de algomeeno vreugde, misschien ook door den verren afstand van den akker, had hem niemand goroo-pon^De verrassing van hot feest en daarbij het wederzien van zijn' eenigen broeder, blijft dus voorden avond bewaard. Toen kwam hij van zelf terug, on komende naderde hj het huis. De feestmaaltijd was intusschon reeds ingegaan, op den gewonen tijd van vijf of zos ure in den avond; do zangers on danseressen verhoogden do vreugde; ook do dienaren gingen wolllgt tor roljondans bij de toonon der muzijk; en nog doolt hij er niet in, en weet hij er niets van, die, buiten don vader, op den afgedwaalde do naauwste betrokking heeft.
Van den akker komende, nadert hij do vaderlijke woning, maar staat verwonderd stil. Hij hoort veol, maar ziet nog niets, of het mogten do lampen en flambouwen zijn, 111 doquot; feestzaal of onder do gaanderijen van do binnenplaats. Hj hoorde het gezang en gerei (dereijen), zegt onze vertaling. Letterlijk staat or (zonder de); symphwme en choren. Beide kan men van gezang, koorgezang, opvatten, maar zang en dans was m dien tijd naauw voroonigd, en die de zaïnensteinming (stymphome) der koorzangen hoorde, hoorde ook do koren zelve dansen. 1) — Wat is er toch te doen, waar anders do dagen zoo stil en eentoonig elkander opvolgen, sedert do afreis zijns broeders nog meer dan vroeger?
n Puu'aeus is geneigd, deze beide woorden, met de oude Syrische overzetting, als HendmluoV te vatten (zangkoren), eu haalt daarbij vansuetonius (amp;%. C. 37) aan : Tnler choros ac lymphomas. Giumus geeft de keus tusschcudczc opvatting en die van de .Yrabische overzetting, die t laatste woord met *0^1« . tripudium gelijk stelt (dns „zamenstemmeuil gezang en dansende chorenquot;). hral autem ctpnd Orieiilis pnpulos non inhonesta sallttlio.
UK V Kil LOK UN ZOON.
Hoe is daar nu op eens , als met een' tooverslag, een feest aangelegd, een feest als een bruiloftsmaal? Terwijl hij daar verbaasd stil staat, ziet liij eenigen van de knechten het huis uit- en ingaan, om water te putten of eenige andere huiselijke dienst te doen. Dezen toch behoorden, gelijk wij zagen, niet, als de dienaren, tot de eigenlijke feestge-nooten, hoewel zij deelden in de algemeene vreugde. Één van hen roept hij tot zich. Hij wil toch eerst iets naders weten, eer hij zoo onverwacht er in valt. Is het een bruiloft van een der vrienden, waarvan de feestelijke optogt, gelijk het plagt te gaan in het Oosten, hier is ingekeerd ? Of misschien een onverwacht vorstelijk bezoek ? Vreemd is het toch, dat liij er niets van weet, dat er zijne toestemming , althans zijne meening niet bij gevraagd is. Hij roept dus een der knechten. Hem vraagt hij: mvaf dit toch zijn moge.quot; 1) En de man antwoordt;, n Uw broeder is gekomen, en vw rader heeft het gemeste kat/' gc-slagt, onntdi hij hem gezond 2) weder ontvangen heeft.quot; Hij zrgl niets van afdwaling of van bekeering. Dit past den genieenen slaaf ook niet. De behouden terugkomst van den zoon zijns heeren is het eenige , wat hij vermeldt. Omdat deze nog leeft, omdat hij nog wel en gezond is, omdat de vader hem nu eindelijk en onverwacht heeft terug ontvangen, dien iiij miste, daarom is er feest in huis. En wat bij dat feest het voornaamste is voor een' slaaf, die van het zedelijk behoud van den verlorene zoo veel gevoel niet heeft als de dienaren; het mestkalf, voor den Oosterling de kroon van den feestdiseh en dat men voor buitengewone gelegenheden gereed hield, is er voor geslagt !
Dit hoorde de oudste broeder, maar hij werd toornig en wit de niet ingaan. Of hij dit ook aan den slaaf zeide? Het staat er niet, en is cenigzins beneden zijn karakter. Genoeg, dat hij zich onwillig afwendde en buiten bleef. Hier zal hij wachten tot het feest is afgeloopen, een feest voor zulk een' doorbrenger als zijn broeder geweest is!
Het wordt den vader geboodschapt; //Uw zoon staat buiten en wil niet in komen.' Eu deze, schoon liij met genoegen zijne kinderen daar binnen vrolijk ziet, — want ook de dienaren zijn hem als kinderen:—verlaat terstond den feestdiseh. Hij ging zelf naar hinten, 3) en hij bad hem. Dit laatste is wel wat sterk uitgedrukt. Er staat alleen : hij vermaande hem, of liever sprak hem vriendelijk toe, om hem te overreden. En dat zijne toespraak eene noodiging was, hooren wij aan het volgende ; Doch hij antwoordende zeide tot den vader : uZie! zoo vele jaren dien ik n, en nooit heb ik uw gebod overtreden , 4) en mij hebt gij nooit een hokje gegeven , o])dat ik met mijne vrienden mogt
1) l)c zelfde vraag naar een gedruisch , waarvan men do reden niet begrijpt, wordt niet de eigen woorden vermeld van den blinde te Jerichn, als jezus hein voorbij gaat: ènvvfravGio tl ei'/ rot to. Het eenig onderscheid is , dat daar gevraagd wordt, wat uit te beduiden heeft; hier, wat dk/.k minuen (dat alles) beteekenen.
2) »Dit gezond terug komen stelt den verloren' zoon niet zoo afzigtelijk voor, als hij wel eens wordt afgebeeld.quot; Vorstman.
3) Er is weder eene fijne tegenstelling in 't naar binnen en naar buiten gaan. Wat de zoon niet doen wil, doet de vader; den stap der toenadering. Gene oïk rjfteXev slaeld-elv, deze na^sxoiiei avtór.
4) Zoo vele jaren en nooit staan in 't oorspronkelijke in den aanhef van den zin, zoodat. de nadruk cr op valt; even zoo: mij hebt gij enz. Dit is door onze vertalers voorbijgezien, en noodeloos ecu nu er in gevoegd.
DE VERLOREN ZOON.
croljk zijn.quot; — Geheel verkeerd zou men dit opvatten, als men er bij dacht; //Ik heb u dit meer malen gevraagd, en gij hebt het mij geweigerd ; of zclis; //Ik had het zoo gaarne gewenscht, en het is mij niet gegund.quot; De eenige zoon en erfgenaam van een' zoo rijken landheer, kon toch wel om een geitenbokje niet verlegen zijn, als hij zijne vrienden eens onthalen wilde. In het antwoord van den vader ligt dit ook opgesloten ; uAl het mijtte ia uwe j 1) wat behoef ik u dan iets te geven?quot;—Neen! wij moeten ons geheel houden aan liet denkbeeld van een feest, een' maaltijd om vrolijk te zijn : want het zelfde woord wordt hier gebruikt, dat wij straks reeds twee malen hoorden. Zulk een feest logde nu de vader voor zijn' broeder aan; voor hem deed hij nooit iets, dat er naar geleek! Over hem nooit een juichtoon in de vaderlijke woning; geen geitenbokske 2) van de kudde, reeds in de aartsvaderlijke dagen het eenvoudig herdersmaal, dat men ter eere van vreemde gasten aanrigtte met brood en melk of roomkaas. Zoo iets zelfs was den vader nooit in de gedachte gekomen. Zijne vrienden — de jongere broeder had er geene ! — maar zijne vrienden, die toch ook wel aan huis kwamen, men liet ze komen en gaan , zonder ooit eens, tot loon van al zijne trouw en zijnen ijver, voor hen den feestdisch aan te ng-ten , waarbij de zoon des huizes de koning van 't feest is en waarin de dienaren juichen.
Er is hier nog iets bijzonder opmerkelijks, als behoorende tot de tijncre trekken dezci onvergelijkelijk schoone schilderij. Gelijk in deze morrende klagt de teedere vadernaam gemist wordt , die bij den jongste het eerste woord is, zoo spreekt hij ook van den anderen niet als van zijn' broeder. Ja! het is, als of hij den vader slechts als zijnen dienstheer toespreekt, en hem ingewikkeld verwijt, dat hij zulk een' zoon heeft,; dat hij om dezen hem , den trouwen dienaar, verwaarloost! En zoo wordt, bij de hatelijkheid van zijn oordeel over den eenigen broeder, do tegenstelling nog sterker: //Over mij nooit een vreugdefeest, voor mij nooit 't minste eerbetoon; maat- ah deze rw zoon gekomen is, die vw goed met hoeren doorgebragt (eigenlijk opgegeten) heeft, 3) — iets dat wij nu voor het
1) Ecnigzins anders is dc opvatting van sïuaivc : «Geschiedt den reg tv aardige geen onvegt Al het mijne is hel mee, is hierop het passend antwoord. liet is waar, de zondaar krijgt vergeving, welke de doorgaans deagdzame niet verlangen kan, omdat hij zeniet behoeft; - maar waar toch is hierover zijne reden van beklag ? Zal dan ook de gezonde zieh beklagen, dat hij dc herstelling, de veilige, dat hij de redding nooit ondervond ? Wat toch kau hij racer wensehen, wien God eene volmaakte gelukza-lierheid schenkt P Zon het hem kannen krenken, dal zich de bekeerde zondaar, indien zulks al mogelijk ware even gelukzalig bevond ?quot; — Maar dat dit nog niet de zuivere uitdrukking is van den zin der Gelijkenis blijkt uit het volgende: ,ln het aardsehe vaderlijke huis, waar het vermogen bepaald is, mogt hier'tegen eenige aanmerking gelden;quot; - neen ! dc Heiland wil juist aantoonen, dat die aanmerking niet ^cldt Dc bedoeling van den oudsten zoon is ook niet: *J.k kom er bij te kort. Dat genieste kalt wordt van mijn wettig aandeel afgenomen.quot; 't Is hem een punt van eer , en niet de klagt van eigenbaat of gierigheid. Dan zou het antwoord geweest zijn, als in dc Gelijkenis der Arbeiden: „Vnend! tk do,, r geen nnregl. Of is het mij niet geoorloofd, to doen mcl hel mijne, wat ik mi? Of is uw oog hoos, onnJat ik aocd hen?quot; [Matth. XX ; 13, 15.) //Het verkwiste erfdeel blijft verkwist, en de trouw gebleven zoon wordt geenszins genoodzaakt, van zijn goed weder een deel aan den ligtzinnigen broeder af te staan.quot; Sokius swaaoman. {Waarheid in Lief de, 1853. lilz. 723.)
2) Voor itjiffov leest men in een oud Handschrift: tyiifiov , zoo als ook onze veitalers, onwillekeurig misschien, hokske hebben.
3)n Nog eens moet ik hier op dc afwisseling opmerkzaam maken, die in de vertaling van twee
woorden door goed is verloren gegaan. De jongste zoon vraagt zijn deel r.;s oCuius. niet van 's va-
de verloren zoon. 135
eerst liooren, en misschien nog alleen eene gissing van den harden broeder is, 1) —zoo hehf gij hem (voor hem niet alleen, maar te zijner eere) /«/ gemeste ka// geslagt. Voor liein een bruiloftsmaal; voor mij nooit eens een vrolijke avond. Over hem het feestgejuich ; mij niet eens een woord van blijden dank en tevredenheid lquot;
Als wij, met de Joden van mus' tijd, naar verdienste rekenen, heeft dit eenigen schijn. En was hem ooit zoo iets geweigerd, zeker zou het onbillijk zijn geweest; maar, juist zoo als wij daar zeiden, het was den vader nooit in de gedachte gekomen. Daarom antwoordt deze ook op zachtzinuigen toon; nKind! — want het was toch ook zijn kind, zoowel als de jongste: — Kind! 2) gij zijl altijd lij (of met) mij, nooit heb ik met u die verrassing gevierd van het wederzien; en al het mijne is uwe, \wi geitenbokje niet alleen, maar ook het gemeste kalf, ja ai mijn vee: want gij zijt immers mijn eenige erfgenaam? Maar (zoo staat er letterlijk) feest te vieren en daarop zich van harte te verheugen, vrolijk te zijn, moest men, 3) omdat deze mo broeder dood was en weder lerend is gewon/en , en hij was verloren en is gevonden.quot; — //Deze uw broeder jquot; welk een zacht en toch treffend verwijt: '/hij, dien gij alleen mijn zoon noemt, en die toch ook uw broeder is — De geheele toespraak herinnerde mij die bij den eersten broedernijd en broederhaat, de woorden van God tot kaïn, als hij, ook de eerstgeborene, zijne voorregten miskent en zijn' broeder de gunst van God benijdt: nis er niet, al* gij wel doet, ver-hooging, en. zijt gij het niet, die over uw' broeder zult heerschen ?quot; En dan ook, 't geen hier verzwegen wordt : uMaar .zoo niet, de zonde ligt aan de deur !quot; — 01' het hier
dors goed , maar van 't gemeenschappelijk vermogen. De vader verdeelt daarop onder zijne zonen tóv ftlov , dat gene, waarvan 't gezin leeft. De jongste zoon zamelt anavia , alles wat, hem is toegevallen, bij een, en dit gedeelte van den algemeenen leeftogt, thans zijn vermogen, ti]v oialuv aixov, verkwist hij, tot alles is verteerd, nut of onnut te koste gelegd. Daarom verwijt de oudste zoon zijnen broeder, dat hij 's vaders leeftogt heeft opgegeten. Als wij zoo het verhaal nog eens geheel overzien, schijnen beide woorden hetzelfde uit te drukken, maar slechts van eene andere zijde bezien: als bezitting of als inkomen. Dat juist is de grieve van den oudsten broeder; hij deed steeds getrouw zijn' pligt, zorgde voor 't vaderlijk vermogen, terwijl do ander maar lustig voort leefde, xtttnqiayóiv (ook elders opvreten, verslinden, geheel naar binnen zwelgen,) oov i6v fliov, en dat in gezelschap van haar, die wel 't minst van allen verdienden, bokje en kalf en allen leel'iogt van 't ouderhuis op te maken; usta nogvoóv. Hoe weinig had hij dus aan 't vaderhuis nog meer kosten, aan den vader een feest, en aan hem feestelijke vreugde verdiend!
1) W. P. (van wili.esr) in het Magazijn van kroji (11 : 383, 5) merkt ook in het onderscheid tus-sehen het verhaal van jezcs zelf en van den oudsten broeder „eene der schoonheden van de Gelijkenisquot; op, «door de gewone af beddingen miskend;quot; en voegt er te regt bij: ,Even zoo wisten de Farizeen de zonden der tollenaars breed uit te nieten.quot;
2) Hier en in de Gelijkenis van denlijke en losurns, komt dit téxmv eenigermate bestraffend, maar Mutlh. IX : 2 tot den geraakte vertroostend voor. Altijd geeft het eene zachtheid, tèederheid en vertrouwelijkheid aan de toespraak, zoo als bij voorbeeld aan die van jtzus tot zijne discipelen {Mark. X : 24) en van paulus aan timotheüs. (] Tim. 1 : 18 ; 2 Tim. II ; 1.)
3) Men moest, «Jei,, dat zoo wel van eene natuurlijke noodzakelijkheid, als van eene zedelijke ver-pligting wordt gebruikt. En wat moest men? Eerst «iqogtiyfl-ijvat, weder voor de vierde maal't zelfde woord van opzettelijke feestvreugde, en dan , zie/i verlieugeii : want er is bij luide vrolijkheid nog niet altijd ware vreugd. Met dit laatste woord keert de Heiland weder, zonder het te zeggen, tot de xnQn sv no oi Qotpfi van de beide vorige Gelijkenissen terug. — Het geheele gesprek noemt ungkk te regt. dialngvm egregie pm/chologicum.
DE VERLOKEN ZOON.
even weinig als daav baten zal, dat don onvergenoegde zijne vele voorregten herinnerd worden ? Het staat er niet. Alleen, dat het geen tot nu toe geschiedde, den oudste niet behoefde gevraagd te worden. 1) Het behoorde zoo te wezen, liet sprak van zelf: //Er moest feest zijn in mijn huis, — of gij er in doelen wilt of niet.quot; — Het laatste ten minste ligt er in opgesloten, maar wordt, bij den zacht en en overredenden toon der toespraak , verzwegen. 2)
En zoo is nu het einde der Parabel; of liever; hier wordt zij afgebroken. De zoon staat nog daar buiten; de vader zoekt hem te overreden, te verzoenen; het gordijn valt, en Jezus zwijgt. — En waarom dit zoo op eens, daar anders de Gelijkenissen, zelfs die veel korter zijn, doorgaans een bepaald en afgerond slot hebben? — Op deze vraag kom ik later terug, nadat wij de beteekenis der beeldspraak nader beschouwd hebben. Nu nog slechts een enkele terugblik op het reeds behandelde.
Hier en daar heb ik de schilderij in den zelfden geest zoeken uit te werken, om de fijnere trekken beter te doen in het oog vallen, even als men een kunstwerk der natuur vergroot voor het oog, of eene fijne gravure door de loep beschouwt. Het werk van een' kladschilder kan dat niet verdragen. Maar om nu, aan het slot, de schoonheid dezer Parabel nog eens te betoogen , neen! dit zou een overtollige arbeid zijn. Wie die nog niet opgemerkt heeft, niet gevoelt, niet bewondert, voor hem spreek of schrijf ik liefst niet. Voor hem zou het ook nutteloos zijn, den strijd in het hart van den verloren' zoon nog eens te schetsen , zijn' terugkeer en de blijde verrassing hem bereid, of de reine vreugde van het vaderhart en zijne diepe ergernis tegenover den kouden, harden eerstgeborene. — En nu de morele zin en waarde van 't geheel?— De kinderlooze, ofwel hij, die nimmer verdriet aan zijne kinderen beleefde, zal misschien vragen: waarom de zondaar niet werd bestraft, wat hij toch zoo zeer had verdiend; waarom naar de opregtheid zijner bekeering niet vooraf onderzoek werd gedaan , of hem een proeftijd gesteld, om die te bewijzen; en of de vreugde niet wat al te overijld was, of de vader dan volstrekt niet voor nieuwe afdwalingen vreesde, of hij daar tegen zijn kind niet ernstig waarschuwde ? Doch de vader of moeder, die een' verloren' zoon of dochter met bittere tranen heeft beweend, maar ook met innerlijke ontferming aan het hart gedrukt, die weet liet ons te zeggen, dat in zulken oogenblik slechts eene gedachte de ziel vervult: iiMijn kmd was dood en is weder leveni geworden, hel was verloren en is gevonden!quot; En die verstaat dan ook, het geen wij reeds vroeger van den Heiland hoorden; Al zoo rs er blijdschap in den hemel over éénen zondaar, die zich bekeert.
1) Sclioon de kliigt: ,Kn dit alles geschiedt maar zoo buitcu mij!quot; niet in 't verhaal is uitgedrukt, kunnen wij ons ook dit als een reden van den toorn des eerstgeborenen denken. Reeds inde dagen van laban (Jieu. XXIV') voerde de oudste zoon, in betrekking van eigen broeder of zuster (van de laatste althans zeker) het hoogste woord.
2) Behalve het vroeger reeds gezegde, kunnen wij nog,—vooral ook om 't denkbeeld, dat de vaderliefde door dit feest niet minder werd voor zijn' eerstgeboorne , — hier quintilianus vergelijken, die van de kinderen zegt [JJcclum. V, bij ruiCAEUS aangehaald) ; Inler i/uos haec una differeniia est apad aninmni palris, quod stmper majorem locum hnbel is eujus miseremur; — waarbij hij ontkent, ex paienüs ujftclibus (uni) /(7io perire quicqui/l ht altero de necessitate praeponderat. Oe liefde , aan het eene kind bewezen , wordt bij don regtgeaarden vader nooit onttrokken aan het andere, zelfs al schijnt dit voor het oogenblik zoo
136
DF. VF.HLOKFA ZOON,
Nog sta hier aan 't eind een RabbijnSclie Parabel (of anekdote ?) volgens schöttoen. liet is cene aanteekening op Jes. LXTV : 8« nDoch nu, HEER! Gij zijt onze Vader.quot; Zij geeft ten minste van de eerste helft onzer Gelijkenis, die den jongsten zoon betreft, in de verte het denkbeeld aan.
//De zoon van zekeren aeciiiateii kwam een gemeen meiisch tegen, en begroette hem met de woorden: //Heer mijn vader!quot; Zijn eigen vader hoorde dit en zeide: //ffij zal mijn aangezigt niet zien, omdat hij een gemeen inensoh zijn' vader genoemd heeft.quot; Eenigen tijd daarna werd de zoon ziek, en liet zijn'vader vragen, dat hij bij hein komen zou. Zij boodschapten dit den vader, en zijne ingewanden werden bewogen van medelijden, zoodat hij zijnen zoon ging zien. Deze zeidei //Ik smeek u, vader! dat gij mij oppast.quot; En hij antwoordde; //Nu ben ik uw vader. Gisteren hebt gij een gemeen mensch als vader gegroet; maar nu, daar gij in de benaauwdheid zijt gekomen , noemt gij mij uwen vader.quot;
//Zoo ook zegt God tot de Israëlieten; //Nu noemt gij Mij uwen Vader; maar gisteren hebt gij de afgoden gediend en die zoo genoemd.quot; Gelijk er geschreven staat : To/ een. hout zeggen zij: Gij zijt mijn vader! [Jerem. IT : 27«.) Maar ten dage der benaauwdheid is 't; n-Kn nu, HEER! zijt Gij onze lm/er!quot;quot;
Eu nu de beteekeuis P ■— Maar zelfs de eenvoudigste; hoorder of lezer twijfelt daaraan geen oogenblik. Het is het beeld der goddelijke genade voor den armen boeteling, onhe-krompen tegenover de bekrompenheid der wereld ; van Gods liefde, die het neêrgebogene opbeurt, tegenover der mensehen liefdeloosheid, die den gevallene den voet op den nek zet.
Daar ik nu, sinds ik in mijne kindsehheid den Verloren' Zoon had leeren kennen, aan deze algemeen aangenomene beteekenis nimmer had getwijfeld , wil ik wel weten , dat ik eenigzins vreemd opzag , toen ik hoorde, dat in de laatste jaren door de zooge naamde Tubinger godgeleerden cene. geheel andere, opvatting verdedigd was. Deze school , die uu reeds tot de geschiedenis .behoort en als eeu schitterend dwaallicht verdwijnt , leidt het christendom der achttien eeuwen bijna meer van de apostelen dan van den Heer zelf af, en het allermeest van PAn.rs, Zij bouwt hare onderstelling op den strijd , die er in de apostolische kerk bestond, tusschen de petrus- en PAULvs-partij, de Jood-sche en Heidensebe. Al de schriften des Nieuwen Testaments, die zij zoo ver mogelijk iu de tweede eeuw zoekt te verschuiven, zijn in hare oogen Tendemschriften , met een bepaald doel en in dienst eerier partij opgesteld, om de eene rigting tegen de andere te verdedigen of boven haar te. verheffen. Zoo is luk as geheel op de hand van p.vri.rs. 1)
1) Iu zoo verre alleen kan dit, met olshausen en v. oostrrzke , worden toegestemd, dat U'kas in zijue keuze uit en voorstelling van jezus' woorden, den geest zijns leermeesters verraadt. /liet gansohe evangelie onzer behoudenis vindt gij liier. Hier allereerst die groote waarheid , die onze Heer openbaarde, en waarvoor paülus geleefd en geleden en gestreden heeft: gcregtvaardigd uit geloof en
niet uit de werken der wet....... Want zonder berouw geene bckeeriug, maar ook geene bekeering zonder
geloof.quot; (tiele.) — Indien zin zou men dus lukas' Evangelie Paulinisch kunnen noemen; schoon ook uit de andere Evangeliën de zelfde waarheid kan worden geleerd of afgeleid.
137
i)k VKlii.OltKN ZOON.
Ai wat hij verhaalt of verdicht, strekt om dc roeping der Heidenen te regtvaardigen; ook deze Gelijkenis. Al sprak jezxjs misschien iets dergelijks, al liad hij mogelijk daarmede een ander doel, u kas kan hier niets anders dan //de roeping der Heideueii in het Godsrijkquot; bedoeld hebben. Zij scluiilen in liet beeld van den jongsten broeder, door den oudste, den Jood, onbarmhartig veroordeeld, maar door God aangenomen. Dit is ook de reden,
dat het laatste tooneel ter beschaming der Joden is achteraan gehangen......... En zoo
hebben de Tubingers dit ten minste onwederlegbaar bewezen, dat hunne eigene gescliiiiïen Temleimchriften zijn, daar zij geheel dc geschiedenis vervormen naar bun plan, en aan jkzi's of aan ia kas een oogmerk toedichten, waarvan niets in het Evangelie blijkt. 1)
Maar mijne verwondering hield op, toen ik bevond, dat ook hier de oude spreuk van den Prediker van toepassing was : Er is niets nieuws onder de zon. Reeds dc Coccejaauscbe school beeft, ofschoon met een geheel ander doel, voor de Tubingers dezen weg gebaand, en ook zij was daarin reeds lang door anderen voorgegaan. Ilooren wij het van vitbinga zelf: //Edogh, die eenigsins geoeftent is in geestelijke saken, ende oenen regtmatigen indruk beeft van de allerdiepste wijsheid van jesus cmnsxrs, die en sal daar by niet koimen blijven rusten. Deze Parabel bestaat uit een overaartig en nadrukkelijk verhaal van seer vele bvsondere gevallen, 2) welke omtrent dien verloren soon gebeurt sijn, wiens be-keering in dese Parabel vermeldt word. Welke indien men brengt tot een iegchk son da ar, ofte een tollenaar, die sig bekeert, soo sal men daar van niet dan eenc seer magere verklaringe konuen geven. Egter is het niet waarscliijnelijk, dat de Hecre jesus , die , als een allerwyst Leeraar, alle sijne woorden gewikt ende gewogen heeft, ende niets gesegt dan naar sekeren regel en mate, inde Parabelen, eenigo woorden te vergeefs gesproken bebbc: welke wanneer sy geliragt souden worden tot de onderwerpen , waarop sy passen, niets bysonders souden te kennen geven. Het welk de aloude Kerken-leeraars iu aanmerkinge nemende, hebben sy gesien ende seer wel geoordeelt, dat er, onder dese woorden, sekere verborgen sin verholen is; ende wel, dat de overeenstemming van alle de deelen van dese Parabel medebragt, dat de beide sonen, die in dese Parabel worden beschreven, wegens hunne zeden en bedrijven ende gemoedsgestalten, voorbeelden sijn van de Joden endede Heidenen; welke laatste, hier verbeeldt worden , als , door eene waaragtige bekeering sullende wedergehragt worden tot Gods gemeenschap, na dat sy eenen langen tijd hadden geleeft iu afscheidinge van God ende van de gemeenschap der heiligen. Ja , dat in dese Parabel niet alleen word afgemaald de
1) Zelfs iuu1en1-k1.ii, die anders reeds veel van de Tubingselie paradoxen is terug gekomen, schreef hor in 1854 tegen kóvtlin , dien hij van ewen RiirMrUt beschuldigt : Man M mil lirchl srhon zicmlich dariiber ciuiu , dm bier in dm Verkül/nm der beiden Sohne zn ibrem gememamen Voter dus VerhaUuiu dn- Jiiditcbn, 'iind der Ihidtiischen Venscb/ieit zv Gotl bildMi darge-MH M. {Die Kwtigeliët, u. s. w. S. 198.) Jammer slechts, wanneer dit (naar liet vervolg) zoo nnverhennhur en deuilich blijkt, dat de overeenstem-
ming iiieromtrent nog maar zoo ziemlieh is !
2) Wil men van doze bysondere gevallen ecne aartige proeve, zoo leze men verder bij vitringa, dat dc hongersnood moet gebragt worden tot den tijd der Persiaansehe Monarchie, omdat /er strax uitdrukkelvk gemeld worden sal van dc Grieksche Philosophen quot; — als die de arme Heidenen in dienst namen om'zwüncn te hoeden !! — Geestiger is dan nog de vergelijking van huurlingen met proselyten.
DE VEI!LOKEN ZOON.
staat van liet Heidendom, maar ook de gantsclie Historie van het selve, geduurende den tijd, dat het is afgesondert geweest van Gods gemeenschap, ende hoe het tot God
sonde wedergebragt worden, niet benijdingen euvelnemige van de vleesehelijke Joden:_op
hoedanige wijse, behalven vele anderen, hieronymts deze Parabel in alle haare deelen, reeds seer voortreffelijk heeft verklaart, in sijnen brief aan iumascs , Opperbisschop van Rome, die liet gevoelen van hiehonymis over dese Parabel ge vraagt had/' Peze brief is te vinden onder de brieven van niERONYMüs, door eiiasmts uitgegeven, Lib. HI, Fo/. I I . E. 1) En het is waar. Ook vituinga heeft de geheime wetenschap niet uitgevonden, om in deze zonen het geheele mensehdom van de ovule wereld te zien. Reeds de kerkvaders zochten er dien dieperen zin in. In hun achtbare rij telkens terug gaande, verraste het mij, die verklaring het eerst te vinden bij een' der oudsten, teutuletanus, en wel uit den tijd, toen hij de Ivatholijke kerk verlaten had, om de sombere meeningen der Mon-tanisten aan te kleven; zoodat ten slotte deze nieuwste ketterij in de uitlegkunde de oudste van alle is. Deze kerkvader namelijk had de troostelooze leerstelling aangenomen, dat wie eens zijnen doop had verloochend en de daarin ontvangene vergeving verbeurd , niet meer in genade kon worden aangenomen. En toen men hem nu , ais de getuigenis van CHRTstos hier tegen, den Verloren' Zoon voorwierp, antwoordde hij, dat hier ganscli geene algemeene genade bedoeld wordt, maar de aanneming der Ifeidenen, vervreemd van God en van het vaderhuis, maar met berouw tot de ware kerk terug gekeerd, waar de Joden in gebleven waren. Iedere andere verklaring vond de gestrenge man gevaarlijk ; want hij kon zieh niet voorstellen , als die belofte van genade ook op afvallige geloovigen sloeg, dat iemand zich van zonde en afdwaling onthouden zou die dan immers zoo gemakkelijk wordt geboet, of de geregtigheid zou zoeken, die zelfs geen hokje verdient in het vaderhuis. 2) Waarlijk! met al zijne geleerdheid en regtsehapen-heid, had TERTTt.l.TANrs geen verheven denkbeeld van de christelijke deugd, indien hij meende, dat alleen de schrik van eene hopelooze ellende de zonde intooinen kon of den afval keeren , en dat de vroomste zelfs goddeloos worden zou , als er geen loon was op zijne dienst. Maar al was het , dat dit misbruik van de prediking der goddelijke gen: ulr kon gemaakt worden, — en wij ontkennen dat niet! — het moest worden gewaagd; de waarheid moet verkondigd worden, gelijk p.vrr.rs open en vrij cuiusTrs predikte, al scheen hij sommigen een dienaar der zonde. [Gal. II : 17.) Het misbruik neemt het gebruik niet weg. Die op dezen valsehen grond afwijken, zouden toch zijn afgedwaald. Wij mogen om hunnent wil , wat reeds zoo vele duizenden heeft getroost en gered, niet weg nemen uit het Evangelie of daarvan slechts eenigzins de kracht verzwakken. Dit is
1) Uitvoeriger is de verklaring van jouanni.s n' outreim , die, behalve zijne aaateckeningcn op vit ai no een afzonderlijk werk over deze cn andere Bjhehche atnfj'en uitgegeven heeft. [Ami/. 1092.) Hij laat de eerste «seer magere verklaringquot; geheel weg, cn vindt »lict oogmerk van de geheele gelijkenisquot; in ede l)e-kcering der Heidenen tot de goederen des Nieuwen Testaments.quot; Vele voorstanders van het zelfde gevoelen , van hieroxymos on auoustinus af, tot den geleerden moiitfoot toe , vindt men bij hem aangehaald.
2) Quis nnm timrhil pro'Uyrr, qun l hahehit pontM reenpemre ? tyti» enrahit perpeluo eottunare, qmd nou pcrpeluo polerit amillere ? Seeurilas flelicti etiam libido ent ejus. Men vindt de geheele redenering, die door het harde Latijn van thrti;i,t.ianus nog verduisterd wordt , in zijn geschrift lie PwHe.itia, Cap. VIT—IX.
19*
de velllorkn zoon.
dan ook de bedoeling niet van vitrikoa en anderen, die, minder consequent dan tertul-1,1 anijs , beide verklaringen te gelijk aannemen.
Maar wat hier hoofdzaak is, deze uitleg, al wierd die ook nog zoo dikwerf weder opgevat en met geleerdheid en scherpzinnigheid verdedigd, mist allen grond van waarheid. Het schoonste klaverblad van Parabelen in het Evangelie wordt er geheel door uit een gerukt, daar toch het verloren schaap en de vermiste penning wel door niemand voor bet beeld der heidenwereld zullen gehouden worden. En wanneer wij nog eenig gezag aan li-kas toekennen, zoo beeft deze opvatting een' onwraakharen getuige tegen zich, in de aanleiding tot het uitspreken van dit drietal Gelijkenissen: het mwrmnreren der Farizeën tegen JEzrs'omgang met de tollenaars. Want dat die tollenaars geen Heidenen waren, maar Joden , beeft reeds hiehonymus bewezen en wordt thans algemeen aangenomen. Bij die gekunstelde opvatting is ook deze Gelijkenis geeue bevestiging der zondaarsliefde van jeztjs , die kwam om het verlorene op te zoeken, en die toch niet tot de Heidenen ging, ja zelfs vooreerst nog zijnen discipelen verbood, heen te gaan op den wen ^er Heidenen of in eene stad der Samaritanen in te heren, daar zij veel meer, en zelfs bij jezt's' leven uitsluitend, gezonden, waren tot de rerloren sehapcn van het huis Israels. [Matth, X : 5, 6.) Bn om niet meer te zeggen, bij die opvatting zou het een wezenlijk gebrek zijn, dat de Gelijkenis geen slot heeft, als of de Joden nog onbeslist buiten staan, en niet reeds van zelf zijn veroordeeld, zoo dra het Koningrijk Gods , van hen weg genomen , aan een ander vol/c gegeven wordt. [Matth. XXl : l-'i.)
Maar het geheele denkbeeld van de roeping der Heidenen kwain thans volstrekt niet te pas; en weder verklaren wij ons hier ten sterkste; tegen iedere opvatting van jezüs' woorden , waardoor zijn eenvoudig volksonderwijs tot orakelspreuken voor een volgend geslacht, zonder betrekking op zijne toenmalige hoorders, misvormd wordt. Daarom onderscheidt te regt de nieuwste uitlegger van luk as' Evangelie (meijek) de eerst»: bedoeling der Parabelen van het gebruik, dat men er in de gevolgtrekking van maken kan [An wen dh ar kelt) : want door den algemecnen en zuiver morélen zin eigent zich deze Gelijkenis tot elke afdwaling van God, ook die der Heidenen, die toch ook oorspronkelijk kinderen Gods waren. Het is zelfs mogelijk,—ofschoon het mij volstrekt niet waarschijnlijk voorkomt en nergens blijkt,— dat reeds n kas aan deze toepassing kan gedacht hebben. Overigens heeft in iedere eeuw deze GeHjkenis hare eigene toepassing; en te regt merkt tüencu op, dat zelfs in latere dagen de verhouding is omgekeerd, zoodat dikwijls de Christenen de regtvaardigen waren in eigen oogen, de Joden de zondaren j en dezen door de eersten, als die het vaderhuis hadden verlaten, werden veracht of hunne behoudenis buiten hope gesteld. Altijd blijft het hoofddenkbeeld! quot;Over het geen uit Gods kinderen verloren was en behouden wordt, is vreugde in den hemel; maar de trotsche menscb, die zich de, voorregten van het Godsrijk bij uitsluiting toekent , deelt in die vreugde niet en sluit zich zelf daardoor er buiten.quot; — En het getuigt slechts voor het diep menschelijke van deze voorstelling, dat zij zich telkens weder in kleiner of grooter kringen opal wie van Ood is afgedwaald, laat toepassen; — even als bet voor de juistheid der teekening getuigt, dat sommigen haar voor eene ware gebeurtenis gehouden hebben: want er zijn soms beelden
DE VEKLOKKN ZOOM.
op eene schilderij, waarvan men zich niet kan voorstellen , dat ze, niet naar het leven zijn geteekencl.
Maar het allegorisch-historisclie standpunt der Coeccjaansche school, heeft in de gemeente nooit diepen wortel geschoten. Zij beoefeut het evangelie niet, om daarin eeue kunstig ingekleede kerkgeschiedenis te vinden ; neen! maar de geschiedenis van haar eigen zedelijk leven: afdwaling, berouw, genade, wederaanueming. Dit in gezonden ziu piëtistisch standpunt heeft het dan ook in de vorige eeuw geheel van al die geleerde kunste-narijen gewonuen: want de gemeente weerlegt die niet , maar vergeet ze eenvoudig. Als ééu der vele vertegenwoordigers van die rigting ligt op dit oogenblik vóór mij : c. boehs (Pred'. te Amersfoort), de Gelijkenis van den Verloren Zoon verklaard en opgehelderd, Utrecht- 177(i. Zijne verklaring is geheel praktikaul, beschrijvende des zondaars afdwaling en behoudenis. En zoo hij al de kerkvaders cu sommige hervormers volgt in de toepassing van enkele bijzonderheden, het is met matigheid. Chiusits is hem 't gemeste kalf niet meer; maar de verloren zoon, aangedaan met den mantel der geregtiglwid [Jes. LXI : 10) en met den zegelring des Heiligen Geestes, als onderpand zijner erfenis [Ff. 1:1), en geschoeid met de bereidheid- van het Evangelie des t-redes [If, NI : 15), keert tot de gemeenschap met God terug : want wie jezus' stemme hoort , tol hem zal hij ingaan en avondmaal honden met hem ; de lieer rigt de tafel toe voor zijn aangezigt. [Ojienh. 111 : iü ; Ps. XXI11 ; 5.) Aan 't slot wordt nog eens op alle menschen zonder onderscheid deze staat van ellende toegepast, en verklaard, dat er geen andere weg der zaligheid is.
Maar in dit laatste schuilt nu ook het eenzijdige, en daardoor soms gevaarlijke van deze nog vrij algemeen aangenoiiiene piëtistische opvatting. Men heeft daarbij al weder liet schoone tafereel van onzen Heiland tot eene bladzijde in het kerkelijk leerstelsel (//bet beeld der bekeeringquot;) gemaakt. Vraag slechts aan wien gij wilt onder het volk, op wien toch deze Gelijkenis slaat, en tien tegen één, of u zal terstond geantwoord worden; //op alle menschen.quot; Geen wonder! Men heeft van ouds niet anders geleerd. Als men ook het geheele menschdom in bekeerden en onbekeerden onderscheiden wilde, 1) even als de Jood in rein en onrein, moest men wel van zelf tot deze gevolgtrekking komen: //Dus zijn allen verloren zonen; en alleen die van dezen zich bekeeren , zijn het, die behouden worden.quot; En zoo is het zelfs ecu punt van regtzinnigheid, met name bij de Gereformeerden , geworden, om in dien tollenaar, die zich op de borst slaat, en in den verloren' zoon, die zich den kindernaam onwaardig rekent, het beeld te zien van iederen geloovige,
1) Tot mijne verbazing vond ik zelfs door bunsjjv {Bibelwerk), bij de negen cv negentig, die de hekeering niet noodig hchhcn, nog hei dilemma gesteld: Kann verslanden werden iroUen von hl omen Set hl-gerechlen , solchcn , die sich auf ik re G esetzlichheil sluizen, ode r von uirklich B e kehr lev, Jhe erUc A hvuhme is( tmzulassig, du nar der Kahrhdfl hekehrle Sinn, dm SiUliehe , Oegensland de* g'óltlichen iVnhlgeJiilIcns se in Icann. — Eenvoudiger en beter sehreef reeds MKi,AKCimtO!s ; Tilii proéligi appelleitinne viletligantvr hn-mines sine discipHnit in manifeslo Inrpilvdine virenles ; e! c coiilra fdins frvgvlior esl homo, qvi honola iiscipHva regilur. — Cohen stuari, die ook de bedoeling op Jood en Heiden aaureemt, vervlt;ilgt hierop; »Ten opzigte hunner betrekking tot God, zijn er onder dc tnensrhen, in den diepsten grond, ondanks alle oneindige, naauw merkbare overgangen in de veelvoudige toon- en kleurladder van bet innerlijk
leven, niet meer dan twee soorten. Maar loeh . die zeer onderscheiden zonen zijn broeders;——--
er is niet één regt vaardig, ook waar de o n-geregtigheid in den vorm van s c h ij n-gcregtigheid zich vertoont.quot;
14 J
HE VKli 1,01! K\ ZOON.
en dus ook in die diepe wegwerping van zich zeiven, in die algelieele vernedering door de ellende der zonde, don eénigen terugweg tot God. Gelijk men daarom de negen en negentig schapen, die niet afgedwaald :ijn. geweest, op den achtergrond heeft geschoven, zoo liet men ook hier den oudsten zoon hel liefst in de schaduw. 1) En toen nu eindelijk, bij naauwkeuriger (gt;11 vrijer schriftbeschouwing , hij daaruit noodzakelijk aan het licht moest treden, hebben zich de moderne orthodoxen met hem zeer bezwaard gevoeld, en hier allerlei moeijelijkheden of mysteriën gezocht, die, naar mijne innigste overtuiging, enkel in hunne verbeelding bestonden.
En deze misvatting der Gelijkenis is niet alleen eene uitlegkundige fout, maar heeft ook een groot zedelijk nadeel, dat zich bij voorkeur in de Hervormde kerk, op de grondslagen van at'opstisrs en kalvijn gebouwd, nog bij voortduring doet gevoelen. Voor hen, die vroeger iu een losbandig en goddeloos leven verkeerden, bestaat hier geen bezwaar. Zij kunnen zich zoo geheel in deze Parabel vinden , en missen in hunne herinnering de zwelgerijen en wellusten even min als den zwijuentrog , — al missen zij nog wel eens, meer dan zij zelve gevoelen, den echten kinder- en broederzin! — Maar vele op-regte en angstvallige christenen, die iu de herinnering van een kalm en onergerlijk leven zulk een punt van bekeering niei kunnen vinden, hebben zich daarover bezwaard gemaakt, en zijn afgunstig geweest op die roevers , dronkaards en hoereerders , voor wie een zoo sterke overgang onvermijdelijk noodig was, maar die daarin nu ook het onderpand bezitten der weder-aanneming. En zoo wordt — gelijk uit een geheel ander oogpunt de nieuwere wijsbegeerte dit gesteld heeftde zonde eene periode, die de mensch moet doorleven, zijne ontwikkeling tot het hoogere en betere, (gt;11 dus ten slotte geene zonde meer. Onzedelijke zedeleer! En zoudt gij uwe kinderen ook dood krank wenschen of met eene langdurige en hopelooze kwaal bezocht, om later met vrijmoedigheid te kunnen zeggen, dat zij nu gezond zijn ? Of verlangt gij ze in het tuchthuis , op het schavot, in de ballingschap , om ze daarna in hunne eer hersteld te zien en met te meer vreugde in uwe vader-ofmoederarmen te drukken? Neen! geen' enkelen verloren' zoon of dochter wenscht gij u ouder al uwe kinderen ; maar is er, tegen uw' innigsten vvenseh , ócn verloren, gestorven voor den hemel en voor u, dan houdt gij niet op te bidden, dat bij weder keere, dat hij herleve. En waarom zoudt gij dan zelf het liefst zulk een verloren zoon voor God willen wezen? Zegt de vader in de Gelijkenis ook tot zijnen oudste : //Uw broeder is beter dan gij. 't Zou u goed zijn, dat gij ook eens zóó en zoo lang mijnen omgang hadt gemist?quot; Neen! maar hij zegt : uGj-zjt altijd bij mij, mijn kind! en nl het mijne is uwe.quot;
11.2
Door den verloren' zoon tot het ideaal van den waren christen te verheffen, wordt geheel de orde des lieils omgekeerd; en het overwigt, dat de Joden te zeer aan de eene zijde legden, op de onbevlekte regt vaardigheid, op de andere zijde, de bekee-
1) Nog één der nieuwste uitleggers van de Parabelen (Dr. kikk, 1859) zegt van den oudsten zoon alleen, dat, in zijn persoon do Parizeen werden ten toon gesteld; maar het gedrag en lotgeval van den jongsten vat hij op, als Mc eo/irs of every child of Adam; en voegt er alleen bij: though it goes beyond the experience of some ; as it was designed to meet the verg extremest ease of apostate, and even abandoned humanity• — Tegen zulk eene methodistisehe opvatting, wat baat alle gezonde exegese?
DE VEI!LOKEN ZOON.
ring, overgebragt. Of wat zoudt gij zeggen van onze Parabel, wanneer, in plaats van den vader, de verloren zoon zelf buiten gekomen ware en aan zijn' broeder verweten bad, dat bij nog maar een natuurlijk menseli was, een 1 oondienaar, wiens werk volstrekt geene waarde had, ja! veel eer zijne schuld vermeerderde; dat hij zich zeiven eerst nog eens regt moest leeren kennen, en daartoe ook den breeden weg op zou moeien, wilde bij regt en erfdeel hebben in het vaderhuisP En indien dan, van nu af, de verlorene en teruggekeerde geheerscht had in do vaderlijke woning, met minachting neer ziende op de vele jaren, gedurende welke de ander nooit 's vaders gebod had overtreden, omdat dit hem slechts had belet, waarlijk veranderd en bekeerd te worden? — Men zegge niet, dat ik hier te sterk kleur. Die onze gemeente kent, weet, dat mijne kleuren daarentegen nog veel te flaauw zijn; dat dit juist de kanker is, die aan haar knaagde van ouds, de onreine geest, die weder ontwaakt in onzen tijd. Van een' protes-tantsclien leerstoel in de hoofdstad van ons vaderland, uit den mond van een jeugdig pmhker in een nieuw kcikgebouw, heb ikzelf hel hooren verkondigen: //dat al onze goede daden maar broddelwerk zijn, waarmede wij|het werk Gods bederven, daar toch de weg
naar den hemel niet is het pad der geregtigbeid, maar dat cler ongeregtigheid.quot; — ---
Zoo wordt de helder witte sneeuw , die van den hemel valt, door onreine voeten getreden, het slijk onzer straten.
Wij voor ons vatten liever bet Evangelie van MiinsTVs op, gelijk hij zelf het aankondigt: als cene boodschap van genade en zaligheid, wel van algemcenc toepassing, maar in bare eerste voorstelling ingeweven in zijnen tijd, geschikt naar de bevatting en denkwijze van JEZUS' eerste hoorders. Daarin moeten wij ons dus geheel zoeken in te denken , en in hunnen geest des Heilands woorden verstaan : want een wijs man spreekt de taal van zijnen tijd, zelfs waar zijne denkbeelden dien vooruit zijn. En dan is het vaderhuis de dienst van God, gelijk zij in dien tijd bestond onder Israël; het vreemde land de wereld buiten God, dus het heidendom in en buiten Israël; en de heide, zonen, de afgedwaalde zoo wel als dc niet afgedwaalde, zijn Gods kinderen, omdat zij menscheu zijn niet alleen, maar omdat zij Iraëlieten zijn. En zoo wordt voor ieder, die onbevooroordeeld zich onder 's Heilands toehoorders plaatst en niet hem zijn eigen woorden in den mond legt, de verloren zoon het beeld van wat het Evangelie als een telkens terug-keerende type noemt : de tollenaar en zondaar; de Israëliet van die dagen , van edele afkomst en in streng godsdienstige denkwijze opgevoed, maar in zijn leven geheel daarvan afgeweken: zoo zelfs, dat bij zich met de Heidenen gelijk stelt, de openlijke schande van den afval tart en de verachting der geloovigen uitdaagt. En toch, toch verloochent zich zijne afkomst in hem nooit geheel. De afvallige Israëliet staat nimmer met een' geboren' Heiden gelijk. Hij is een verloren schaap van dc kudde. Hij zwerft in den vreemde, maar behoort tot de lurgers van dat land niet. En terwijl de regt vaardigen in Israël meenden, geen' Verlosser noodig te hebben, waren het vooral zulke afgedwaalden, op wie jezus een oog van ontferming sloeg. Juist daarin zien wij de trouw van Israels Heiland, dat wie door anderen beschouwd werd als geheel afgesneden en uitgeworpen, door hem slechts tijdelijk maar niet hopeloos verloren werd geacht, opgezocht, gered, geroepen en weder
de verloren zoon.
aangenoincu; waarbij wij den weerklank van der engelen vreugde hooren in het woord des ITeeren, aan liet huis van den tollenaar zaccheüs : nHeden in dezen huize zaligheid geschied, nademaal ook deze een zoon van abraham is !quot; [Luk. XIX : 9.)
Maar is dit de eerste bedoeling van onzen Heer, omdat zij alleen voor het oogenblik noodig was, de schilderij zelve wijst aan, dat zij daarom niet de eenige is. Er is in den hemel niet enkel blijdschap over éénen Israëliet, die zich bekeert, maar over eiken zondaar. En nadat het koningrijk Gods, op jezus' uitdrukkelijk bevel, tot alle volken is uitgebreid, is nu verloren zoon en dochter een ieder, die zijne christelijke afkomst eu godsdienstige opvoeding verloochent, en voor eenen tijd geheel in de zonde leeft; — voor een' tijd, — indien het maar niet is voor altoos, of tot een te laat berouw alleen nog tranen aan het sterfbed en geen nieuwe kracliten meer aan het leven schenkt !
Nog ruimer kunnen wij deze toepassing nemen, daar het denkbeeld van vader, in het Evangelie op God toegepast, door niets beperkt wordt, en daardoor de geheele nienschhcid tot zijne oorspronkelijke bestemming als Gods geslachte wordt terug gebragt. Ieder incnsch , zelfs de meest verdierlijkte Heiden, kan worden beschouwd als een afgedwaalde uit het vaderhuis, wiens oorsprong en wiens bestemming de hemel met zijne heilige engelen is. Alleen moeten wij dan de toepassing der bijzondere trekken naar omstandigheden wijzigen. De herinnering van den Verloren' Zoon, tot wieu in zijne ellende de gelukkige dagen zijner kindschheid terug keuren , wordt dan hel heimwee der menscbheid naar het verloren paradijs, een onbewust gevoel van in de zonde, als eene vervreemding van God, niet te huis te zijn. En vraagt mij nu iemand: of dit dan toch niet bijna op 't zelfde neerkomt met de verklaring, die ik straks zoo ver heb weg geworpen? Ik antwoord: in 't geheel niet; want wanneer jezus in de eerste plaats en opzettelijk van Jood en Heiden had willen spreken, dan zouden wij de bijzondere trekken der Gelijkenis ook op die beide moeten loepassen, in zoo verre zij voor toepassing vatbaar zijn. Dit is dan ook de bedoeling der oude uitleggers, zoodat bij voorbeeld d'outbein schrijft; //Het eenige of voornaamste verschil tussehen de verklaringe van den heere vitringa en my, zoude daarin bestaan , of men door den Borger des lands, met hieronymüs den Duivel [collective, met syne hoose geesten) verstaan moet; of, met den heere vit hing a , de Philosophen.quot; — Maar hoe dan de Parabel te gelijk hare volle kracht behoudt voor den afgedwaalde onder de Christenen, die niets met de philosophen, even min als met geboren Heidenen te maken beeft , kan ik nog maar niet begrijpen. De Heiland heeft of het een bedoeld of het ander. Waar wij ziju onderwijs nu op toepassen, — dat is eene andere zaak.
Wij keeren van onzen uitstap terug , om bij het gezegde te voegen , dat er eindelijk nog een ander toepasselijk gebruik bestaat, waaruit voor ieder onzer veel te leeren is. Ook wij zijn menschcn van gelijke bewegingen als die Verloren Zoon, al is ook die rustelooze beweging van het uit- en inwendig leven voor ons geen verwoestende storm geworden. Zoo als niemand zijn geheele leven door volmaakt gezond is, zóó en veel minder nog is iemand volmaakt regtvaardig. Ik spreek nu nog niet eens van de toekomst; van het geen wij zouden kunnen worden; van afdwalingen, die wij ons misschien nu nog niet als mogelijk denken. De voorbeelden van rondom roepen; Wie meent te staan,
de vkiu.ohen zoon.
zie toe, dat hij niet vatte! Maar ook buiten die mogelijkheid ecnei' geheele afdwaling, staan wij aan menige afwijking van den Vader in den hemel schuldig. Het groote kwaad is diep treurig, maar het kleinere dikwerf te gevaarlijker, omdat liet meer onopgemerkt blijft. En tegenover iedere zonde staat in de Schrift de bekeering: niet als zekere kunstbewerking, die ieder in zijn leven ééns moet ondergaan, maar als de gedurige terugweg tot God. Ku zoo kan ieder, bij zijne afdwalingen, zijn berouw en zijn' terugkeer, aan bet beeld van den Verloren Zoon zich spiegelen, zonder dat hij tot eene onnatuurlijke zelfverachting zich behoeft op te winden , zich zelf als het w are te dwingen, om met den verst alge-dwaalde zieb bij de zwijnen te wentelen in liet slijk. 1)
Heeft nu iemand aan deze seboone zedeschets nog niet genoeg; wil hij ook het erfdeel zelf en het vreemde land, de brasserijen en den burger, de zwijnen en den draf, en bij den terugkeer kleed en ring en schoenen, dienaren en huurlingen, cn zelfs het gemeste kalf eene beteekenis geven, gaarne zal ik hem daartoe in eene aanteekening den weg wijzen; want die weg is zoo betreden, reeds door de kerkvaders, dat men zich geen' nieuwen meer behoeft te banen. 2) Wat mij betreft , ik gevoel mij niet opgewekt op dien weg volgeling of voorganger te zijn. (Jaarnc stem ik toe, wat zeil- de nieuwste,
1) Ook hier weder zijn de denkbeelden van kalvijn , inzonderheid als exegeet, veel gezonder ca meer evangelisch, dan die van velen zijner latere navolgers. Conlimm, zoo schrijft hij; in lolnm mttnn esse debet poenilentiar mndilalio: nee juisquam ah hac ncmsHute nimilur, qnuvi linyulos sua vilia ad quotidUnrum profectunt sollintcnl. Sed aliud est, intrr njj'endicula, vel lapsus, vel alerralioiies, ad melum eniti, ubi jam rectum cursum ingressus sis; aliud av.tem, uh errore prorsus devio se reeipere, rel rrchm eursum d earecribtts inehoare.
2) Over het geheel vindt men in de toepassing der bijzonderheden in deze Gelijkenis niet dat ver uit een loopend verschil, dat, wij dikwijls bij andere opmerkten ; zelfs niet bij de tweeërlei opvatting ; öf van den zondaar in 't algemeen, bf van de heidenwercld, die in genade wordt aangenomen.
Van hihbonvmus en atjgustinus af tot. olsiiaisen toe, is doorgaans de buryer van't vreemde land démon of duivel, en worden door zwijnen de booze begeerlijkheden, door xe^ana de genietingen der zonde, zoet in den beginne cn aan 't einde bitter, of ook wel beidensehe fabelleer en wijsbegeerte, verstaan. Dit is het meest uitgewerkt door hut a. zigabknus. Hij vat de huiirlini/eii op van de nog ongedoopte Catechumenen, die toch reeds met't ware zielevoedsel, overvloed van brood, worden) pespijzi^d, — Algemeen aangenomen was, dat het kleed de geregtigheid van ciikistus is, de ring dc verzegeling des Heiligen Geestes, de schoenen dc bereidheid of vastheid der gcloo-vigen (zoo zelfs nog guotius); of ook wel dc ring 't zegel des verbonds. (mixanchthox.) — Het gemeste kalf was natuurlijk het voor ons geslagte lam, chhistus aan 't kruis, cn vitüinga meent nog: het moet ieder wel van zelf in 't oog vallen, dat de feestmaaltijd hier een avondmaal is. Hij bedacht zeker niet, daar toch dc dienaren Evangeliedienaars moesten zijn (en dc knechten Engelen, UUTII.) , dat dan hieruit de Roomsch-Katholijkcn een sterk bewijs konden putten voor de onbloedige offerande, waarbij de priesters cjikisïus voor iedcren zondaar als 't ware op nieuw otferen; — zoo als ook salmekon dit gedaan heeft. — Maar reeds genoeg van eene stichtelijke vernuftspeling, die reeds jjaldonatus verwierp, en die toch door de Protestanten van zekere rigting in onzen tijd, even geleerde als vrome mannen zelfs , weder met voorliefde is opgevat. Ja ! terwijl de kerkvaders meer als eene allegorische speling, voor den indruk van het oogenblik , cn dus niet naar een vast stelsel, zulke vergelijkingen bezigden, wordt ons thans die schriftverklaring als dc ccnig ware en geestelijke, tegenover eene koude en oppervlakkige miskenning van de diepten der Heilige Schrift, opgedrongen, (stu b en anderen.) — Het gemeste kalf evenwel hebben de meeste nieuweren, zoo als trench bij voorbeeld, opgegeven, zich vergenoegende met't vreugdemaal, dat, bij de opvatting ;. Jood cn Heiden,quot; Ae nwallijd dei-volken van jesaja (XXV ; fi) wordt.
1 15
uk vkiit.olll'.n zoos.
meest moderne uitlegger beweert, dat wij liier niet een leerzaam voorbeeld vinden als inden Samaritaan, maar eene wezenlijke. Parabel, waarvan de beelden eene lioogerc bedoeling hebben en eene diepere, beteekenis; maar ik wenscb dit niet zoo ver uit te strekken, als onze lïeer liet zelf vroeger deed in de verklaring der Gelijkenissen van den Zaajer en bet Onkntid, Een tafereel uit bet rijke mensebenleven vordert van zelf zoo vele kleinere trekken, die in de Gelijkenis onmogelijk konden worden gemist, maar in de toepassing veilig als bijwerk beschouwd kunnen worden, liet gevraagde en verkwiste erfdeel; de verwijdering van 's vaders huis en 's vaders dienst; de ellende, die op het onbezorgde leven volgt; berouw en terugkeer, wederaanneming en vreugde in het vaderhuis: dit alles is zeker van toepassing; maar de vorm , waarin het hier gebragt is, de kleinigheden, die aan de schilderij natuur en leven bijzetten, zij dienen alleen om de hoofdtrekkeu krachtiger te doen uitkomen of sterker te kleuren. 1)
Zamelen wij dus nog eens bet toepasselijke in de bijzonderheden bij een, dan is vooral in deze Gelijkenis de naauwe betrekking uitgedrukt, niet alleen van een liefderijk Opperwezen op het verloren menscheukind, maar ook van den rnensch, in wien Gods geslachte, Gods beeld onvervreemdbaar is, op God; van dien meusch vooral, die de godsdienst zijner kindschbeid nooit geheel kon vergeten. Bij die innige en althans aan deze zijde vau het graf on verbreekbare betrekking, waarin alle mogelijkheid van bekeering en behoudenis haren grond vindt, en waarvan ieder moet uitgaan, die het verlorene zoekt te redden, lecren wij hier tevens den aard der zonde kennen. Zij is in den grond eene ontembare zucht naar vrijheid , 2) een zich los scheuren van de gemeenschap met God , omdat die afhankelijkheid is van God. Verre, verre van 't vaderhuis, in het midden der wereld buiten God, meent de zondaar bet goed te zullen hebben, alle zijne lusten te kunnen inwilligen, ontslagen van den hatelijken band der zedelijkheid. JWiir zal hij het gemakkelijkst vergeten, wie hij oorspronkelijk was, en wat hij bad moeten worden. .1) Zoo wordt, de zoude—de ondervinding bewijst dit maar al te zeer! — geen rustig genieten , maar een gejaagd voorthollen op don hreeden weg, eene poging tot geheele zedelijke zelfvernietiging. En God verhindert dit niet. Hij laat den meusch zijne vrijheid, omdat Hij in de zedelijke wereld alleen vrij-
1) Wanneer tieie zegt: »]k aarzel niet, deze Parabel (niet onder de Zedelijke Verbalen, als den Samariloan of Farhrcr en Toil-mm, maar) onder de volkomen gelijkenissen te rangschikken , waarin alles ovevdragtelijk is, enz.quot; meent bij toch, Mijkens zijne eigene verklaring, alleen de karakteristieke trekken; »dc vader, de zonen, liet vreemde land, bet vaderhuis.quot; Kr is dus tusscbeu bera en hoi.ksiba bij voorbeeld , geen verschil van opvatting, maar enkel van uitdrukking.
2) Tl h the expresmn of man's desire to te indeprndent of God, to betome a god to himself (Gen. 111:5), and to ton out his tife aeeording to his own witt and for his own pleasure. Tkk.ncii, — Dos Wx/ziehen des Solmes in die Frtmde, um sieh cine selhstslavdige Existenz zu grimden, tersinn!itdel den Tiitb des Mensrhen noch Frnheit, der (wie oveh bei dm crsten Merit im Puradiese und ici so vielen Jiinglingen) durch Miss-hrauth der F/dheit tur Send'', fiihrt. Ok wette.
3) Itegio longintjua obhvio Dei e4. Aüg«sïinus. — St. Bkbnarb onderscheidt het opvragen van't erfdeel en 't verre weggaan: Est oiileui interim homo sub se, en ut pro/trine sulisJOtiens votvnloti, ncelt;lnm tarnen possidetur a vitiis el pec to lis. Jam hint vero prnfdttilur od regunem tcnginqvam, qui prins quidem sepu-ratns er ai, sed need urn elongatus o potre. {De Dicers. Scrm. quot;VHI.) Zoo als ik vroeger reeds opmerkte, beeft vooral cu. de la saüssave dit denkbeeld zeer schoon en mensebkundig uitgewerkt.
ok vkiaoken zoon.
willige omlerdant'ii verlangt. 1) Miuir deze poging mislukt in zoo verre, dat iets vreemds, iets uitlandigs den zondaar eigen blijft; liij werd geen dier noch duivel, al wilde hij 't ook; zijn geweten slaapt diep, maar om eens te ontwaken, liet wordt echter nog lang in slaap gewiegd door het gcdruiseh en gewoel van een leven naar het goeddunken zijns harten. Maar biedt de beker der zonde velerlei genot, de droesem is ellende. Die ellende werd door een liefderijk God aan het kwade verbonden, om den hollende te doen stil staan, den sluimerende te doen ontwaken. Niet altijd is 't ligchainelijke ellende :i) , ziekte of armoede, maar toch dikwijls. En bij die ellende kómt het gevoel van diepe vernedering en harde slavernij, waartoe juist de hoogmoed en vrijheidszucht der zonde voert, daar zij den armen menseh verwijdert van de eenige bron van lichten leven, en hem zelfs het redeloos gedierte benijden doet. Die l erre ran U z jn, zingt a/.ak (/j.v. LX XI I [ : ^7), zullen vergaan.
u Ik verga!quot; met dat gevoel volgt nu ook, op meerder of minder diepte der vernedering, het keerpunt: het tot zieh zelf komen. Wij merkten het reeds op; schoon is vooral deze trek. Iedere zondaar leeft eeuigerinate buiten zich zeiven. liet zedelijk zelfbewustzijn kan bij hem niet helder wezen. Do opkomende gedachten over zijnen toestand, zijn verleden, zijne toekomst, breekt hij moedwillig af. Zijn geheugen zelfs, en zijne kennis aan 't geen hij is en doet, is soms zoo zonderbaar verward, dat een ander er zich moeijelijk het regie denkbeeld van maken kan. Ji) Uit dien toestand ontwaakt, ontnuchterd, komt hij lot ziek ze/ven; en zijne eerste gedachte is zijne diepe ellende, te dieper door do tegenstelling van de zaligheid, waartoe hij gescliapeu en geroepen was, waarnaar het heimwee nu in volle kracht bij hem ontwaakt, I) waarvan het minste deel hem nu reeds hemelvreugde wezen zou. Zegt men ons, dat zoo doende de bekcering in den grond eigenbaat is, terwijl de deugd om bare eigene voortrettblijkheid moest worden beoefend; zulk ecne Stoïcijiische zedeleer kent de Heiland der wereld niet. .luist bij den zondaar, die nog het regte gevoel voor deugd en godsvrucht mist, gebruikt bij meer
1) Te refjt teekeude reeds Bunmiiüs bij de verdceling van liet goed (vs, 1-2) aan ; quot;Jljow ui ieSovaiovi aixovi dneXuffe. (lu de bepaling van het verdeelde goed, dat de jongste misbruikte, heeft eclilcr de (oud Katholijke) dogmatiek zijne exegese op liet dwaalspoor gebrajt, als hij spreekt van de genadegave [xaqia^a), in den doop ontvangen.) — Lezenswaardig is hier ook iioikstra over de vraag: »Waarom laat God de zonde toe?quot; (Blz. 31—37) — aiaar geheel mislukt do rooi si cl ling der Comcdia Sacra, waarin de zoon zijnen vader meteen proces dreigt, zoo dezo het goed niet gewillig afstaat.
2) liet gevoel van geestelijke armoede beschrijft auiikosius kort eu kernachtig: Ktenin. qui ,wlit a eerbo Dei csurit, quia tun in solo pane «wil houw, srd in cmiii rerlo Driqui reecdit u ft ulo, si/il ; qui recedil a Ihesauro, eget; qui riccdil a supifntiu, hehetulur ; qui rrcedil a xirlnte, dhsoleilur. — Deze opvatting, waardoor het. goed, dat de zondaar verkuist, /.ijne edele vermogens zijn {les Hens mr.nm.i), de hongersnood geestelijke ellende (le dénümeut spirihel) enz. is zeer sclioon uitgewerkt door en. oi: la saussayi'. Of echter de Heer zijne bedoeling werkelijk zoo ver uitgestrekt heeft, is ecne andere vraag. Daarvóór zou kunnen pleiten , dat de tollenaars (een rijke znciteüs bij voorbeeld) alleen uit. geestelijke armoede lol jezcs naderden. In ieder geval staat deze mystiek veel hooger, dan die met kleed en schoenen, den ring eu 't gemeste kalf speelt.
3) Quare dtiu stut urmo eonfilelur? Quia elinm nunc in illis es/. Somnium narrare, rigilanlis fd , el cilia sua confUeri sanilalis indicium. Seneca, Ep, 53.
t) T)us hchni con seinrm Eit/enen hHlel dus siindliche losyelrennlsein von Goll ah, die fnlscho Ercihrif, das Verlranen auf die selhslische Kra/f. Ehen so deuh'l die Erinnerung an die Fiille itn Vultrhausc die riirk-kerende Besinnung des (lollesbewusztseins an, leu Anfang iter Smnesdnderung oder wahreu Brkehrang, Bi xsin.
20quot;
1 t7
de vjsiaoue.n zoon.
muien den prikkel van wees eu verlangen. Kn tocli is het zeker, dat koude, beredeneerde eigenbaat nooit bekeering wekt; dat een zondaar wel uitwendig beter, maar nooit inwendig een geheel ander menseh worden zal, door de berekening, dat dit hem voordeeliger is. 1)
Er is een ander gevoel noodig, door die ellende der zonde opgewekt. Dit gevoel wordt, in den levendigen stijl der Parabel, door eene alleenspraak uitgedrukt, die ons in weinig woorden de overleggingen des harten aanschouwelijk voorstelt. Zoo vonden wij vroeger het overleg der boosheid in den kwaden dienstknecht, die zegt in zijn hart: uMijn Heer vertoeft om te komen!quot; {MattJi. XXIV ; 1.8)—en de taal der verlegenheid in den Rijken Dwaas, met't zelfde woord, waarmede ook de Onregtvaardige Rentmeester vraagt: nV'at zul doen?quot; en straks zich zeiven beantwoordt: nik weet, wat ik doen zat.quot; [Ij/li-. X.II : 17 , IS; XVI : 3, !■.) — Even zoo wordt de klngt nik verga!quot; hier eene vraag, en 't besluit : quot;Ik zat opstaan!quot; het antwoord. Menig een, zoo hij tenminste gewoon is op zich zeiven te letten, zal zich zulke beslissende oogenblikken in zijn leven herinneren , waarin hem, aan zich zei ven geheel overgelaten, de gedachten woorden en gesprekken werden, die hem later nog levendig voor den geest staan : gedachten , die onder elkander zich heschutdigen of ook ontschutdigen. (Kom. 1,1 : 15.)
En 't geen nu de ontwaakte zondaar bij zich zeiven gevoelt en bespreekt , het is weder zoo onnavolgbaar schoon uitgedrukt in dat: n Vader! ik hen niet meer waardig, nw zoon genaamd te worden !quot; Wat wij hier vereenigd vinden in de schoonste harmonie, is 't gevoel van geheele onwaarde en toch van kinderlijk vertrouwen. '/Er is eene aandoenlijk schoone inconsequentie in dat zeggen, niet waardig te zijn een zoon te heeten, nadat bij toch reeds in dien enkelen volzin twee malen den naam van vader gebruikt heeft.quot; (cohex sti vut.) Waar die ootmoed ontbrak, zon hij ijdele verontschuldigingen gezocht hebben, die in den grond zijn vertrouwen zoo wel als zijn berouw ondermijnden. Of waar dat vertrouwen geheel werd gemist, daar zou de terugkeer hem onmogelijk geweest zijn. Zoo sluit de bekeering zich aan aan het menscbelijke, en dus godsdienstige in den menseh. Ware de betrekking op God voor altijd verbroken , zij zou ook onmogelijk kunnen hersteld worden, 't Is geen standbeeld, dat wordt bezield; geen dor gebeente, dat opstaat; maar een zedelijk verstorvene, die herleeft. Met dat herleven van 't zedelijk gevoel , komt ook de kinderlijke betrekking weer tot bewustzijn en herleeft het vertrouwen. 2) Zelfs een oxusnus, de weg geloopen slaaf, durft niet terug keeren, eer hij hopen kan, dat zijn heer nuaio.n, op bet schrijven van paulvs, hem in genade zal aannemen. Dit vertrouwen, dat in den diepsten ootmoed nog //Vader!quot; zegt, onderscheidt de droefheid naar God, die eene onherouwetjke bekeering werkt tot behoudenis, van de droefheid naar de wereld, die niet
1) «Was liet iillecn de honger geweest, hij zou zich liet scliukl belijden wel gemakkelijker hebben gemaakt, enz.quot; lloiiKSïitA.
2) Sein Verlranen zum Valer überwand alle Einwcndungen seiner eigenen UnwiiriHgleeil. Der Glaube wa/jt; tco hein Wagnin , da tcein Glunhe; wie der Glaube, so das Wagnisz. Solllc dieper Heldensehritt der Demulh vergeblich gemsen sein? Lavateb. — Van daar, dat het oude pictisaie onzer Hervormde Kerk de woorden van Eslinai (IV : 10, 17) plagt over te nemen: „Zoo zal ik hl den koning ingaan, hel welk niet naar de wel is. Wanneer ik dan cmkome, zoo kom ik om.'
1)K VEliLOHKN ZOON.
anders uitwerkt dan den dood; — het echte berouw van de onvruchtbare wroeging; — onderscheidt met één woord den Verloren Zoon van ecu' judas iskariot.
Maar belaas! waarom is dit ontwaken dikwijls zoo vlugtig en voorbijgaand, dat het niet eens komt tot het besliste voornemen : nik zal opstaan en tof mijnen Vader //aan , en alleen maar vragen, dat Tlij mij , als den onwaardigste van allen , niet gansch en al versloot e ?quot; — Omdat daartoe de offerande noodig is, die reeds n.vvii) de eenige noemde in zijne zware bloedschuld : een gebroken en verslagen hart. {I's. Li : 19.) —De, woorden , waarmede dit verder in de Gelijkenis wordt uitgewerkt, juist omdat zij in 't verhaal zóó treffend en natuurlijk zijn, laten geene. nadere overbrenging toe. Dienaren kunnen wij nog onderscheiden als de engelen; maar voor knechten en hvvrlinyen, in onderscheiding van zonen, is in het vaderhuis naar 't Evangelie geene plaats.
En bij dat voornemen is ook de moed en kracht, bij dien goeden wil de wilskracht, de doorzet tend li ei d met één woord noodig, die weder aan velen ontbreekt; maar die alleen daarom ontbreekt, omdat de afkeer van 't vreemde land en 't verlangen naar het vaderhuis nog niet groot, niet onverdeeld genoeg zijn. Is, naar 'l oude spreekwoord , de weg naar de hel met goede voornemens bestraat, dan waren 't zeker zulke, die de zondaar of zich inbeeldde, om daardoor zijn geweten tot zwijgen te brengen, of die hij opvatte in eigen kracht, om zich voor God en menschen (e regtvaardigen , of althans, die niet de volle, de eenige begeerte zijner gansche ziel uitdrukten. Geen treuriger beeld, dan dat van den zondaar, die op een vermeend goed voornemen rustig het hoofd neder legt, in plaats van op te staan; en daardoor slechts, als hij eenmaal voor goed ontwaakt, zijne ellende en zijn zelfverwijt heeft verdubbeld ! 1)
En nu zonden wij nog van de wederaanneming moeten spreken, wanneer die niet do herhaling, de fijnere uitwerking slechts ware van de vreugde in den hemel, die wij reeds vroeger schetsten. Alle bijzonderheden daarvan dienen hier slechts, om de tegenstelling uit te drukken tusschen den diep ontmoedigen wenscb, en de vervulling, die boven bidden en denken gaat. Dit alleen merken wij nog op: God wacht niet tot de zondaar zich zeiven geheel bekeerd heeft, tot hij zeggen kan: //Zie! hier ben ik; mijn hart is weder rein en mijn loven onberispelijk;quot; maar reeds van verre, als hij daar aankomt, nog met al zijne, schuld beladen en in 't diep gevoel van zijne onwaarde, ziet hem de Vader 2) en snelt hem te gemoet. En toch wil Hij ook dan nog de schuldbekentenis hooren: want de zonde wordt niet verzoend door haar te vergeten. 3) Eindelijk: wordt in elk dei-drie Gelijkenissen die vreugd in een' juichenden kring van bemellingen uitgedrukt , dit is ons het treffend beeld van de eenheid der zedelijke wereld. Gelijk de Engelen den regt-
1) Over de verijdelde goede voornemens , is vooral tiki.e lezenswaard.
2) tMc leiwHcn Regungen Siiwhrtwrzen kenvt fier filwissemle, Gotl. Lisco. — //Wie lot Mij eene span nadert , dien ijl Ik eene cl te gemoet; en wie Mij gaande te gemoet komt, dien snel Ik met sprongen tegen.quot; Oostersehe spreuk bij v. nammMl. {Tun'tg. d. Orten/s, S. IV , /mg. 01.) Of met eene bijbelspreuk ; Hierin is de liefde, niet dut wij God lief gehad hehhen, maar dat Hij ons lief heeft t/ef.ad. (1 Joh. IV ; 10.) En is niet bet bewustzijn van die vaderliefde de magneet , die den afgedwaalde als tot zich terug trekt ?
3) F,Hum post annnntialam hnmini reaissionm expedit illi rulpam suum agnoseere. Gkotius.
de VElU.Oli kn zoon.
vaardigen lazarus, aan 'i einde van ai zijne ellende, tot de eeuwige vreugde opvoeren, zoo juichen zij den berouw vollen zondaar tegen. 1) En die vreugde over éénen zondaar, die zich bekeert, in deze derde Gelijkenis zien wij, dat zij ook op narde gedacht wordt. De goed bewaarde penningen hadden er geen weet van, dat 't verlorene er weder werd bijgevoegd; en de niet afgedwaalde schapen gevoelden niet, wat groot gevaar één der honderd had geloopen. Zij konden tot de feestvreugde niet worden geroepen. Maar de oudste zoon had moeten binnen gaan en feest vieren en vrolijk zijn; hij, die zoo oneindig uaauwer betrekking luid op den verlorene dan de juichende dienaren.
Eu zoo is ons van zelf de weg gebaand om te spreken van den oudsten zoon , die den uitleggeren zoo vele en bijna onoverkomelijke bezwaren heeft opgeleverd, zoo lang zij •ikzts hier een hoofdstuk lieten behandelen van christelijke dogmatiek of moraal, en den verloren' zoon opvatten in zekeren geijkten kerkdijken zin. Hierbij stond nog niet eens de uitweg open, dien het vernuft bij de negen en negentig niet-afgcdwaalde schapen had uitgevonden. Men konden oudsten broeder, don regtvaardigen, toch wel niet in den hemel verplaatsen. Eu toch is ook dit beproefd, endoor een der nieuwste uitleggers de morrende Earizeër lot een beeld der heilige Engelen verheven !! si)
M aar beschouwen wij do beide broeders nog eens bij 't licht vau des Heilands omgeving en werkkring. De maatschappelijke en kerkelijke toestand der Joden is ons nu reeds bekend, nis geheel beheersclit door de wet. Wetteloos waren de Heidenen en dus zondaren van nature, maar zondaars onder de wet de afgedwaalde Israëlieten, die men daardoor nog minder verdragen kon. Hoe inzonderheid de tollenaar de type van zulk een' zondaar was; en die van den rogtvaardige, op wien zelfs de goddelijke wet niets wist aan te merken , de Pari ze tr, zullen wij nog eens bij eene latere (lel ijkenis zien. Uier merken wij alleen nog op, dat het bij ons nog zoo nlgemeene denkbeeld //de Farizeër een huichelaar,quot; verre is van deze Uelijkenis. Niets in dien oudsten zoon, dat den hvpokriet ken-
1) Dat in luk a s* Kvangelie de Engelen meest van alle voorkomen, is bekend; maar daarom verschilt aog zijne voorstelling niet van die der andere schrijvers van 't Nieuwe Testament. Ook nu nog zal de eenc l.vangelieprediker er veel meer dan de ander over spreken.
2) Niet alleen zie ik bij v. oosïkiizeh, dat n i iuii iuiKit de twee zonen opvat als het beeld van Fngelen en mcnscheu; maar vind zelfs door dromsiond het gedrag van den oudsten zoon ten volle geregtvaardigd, als van n yoitng c.vcei'dingli/ jeatovs for his fulliet's honour, mnappreleiuling for a moment his father's conduct, hui chce-fiiUg oc()U\ecin(j hi it when his father speaks lo him,-—en dus het beeld der heilige Engelen, die
zich in den beginne de verzoening der zondaars en hunne voorregten maar niet konden begrijpen........ Er
is toch niets zoo absurd, dat niet door een' geleerde is gesteld cn met allen ernst verdedigd! !
D.\ cost \, die natuurlijk reatcaarlig opvat voor hem, die zich regtvaardig waant, den eigengcrech-tigen, zegt er van: fDe zwarigheid (dat deze ook zoon des huizes is) verdwijnt, bij de eenvoudige opmerking, dat, zoo wel in het, mondeling onderwijs des Heilands, als in de verkondiging door Zijne Apostelen, inde daad wel de geloovige alleen uit kracht van vrije Godsgenado den titel en het voor-reeht van God tot Vader to hebben bezit, maar dat do uitwendige belijder, hoe ook in het wezen dei-zaak daarvan verstoken en verwijderd , niet uitgesloten wordt, maar zich zelveu uitsluit. Tot het huis des Vaders insgelijks behoorende, wordt hij als huisgenoot, als kind, toegesproken en behandeld, met aandrang alleen om het in waarheid te zijn, endoor een kinderlijk geloof, alle eigengerechtigheid afsnijdende, het woord alleenlijk aan (e nemen; al het mijne is uwe.quot; — Wil mende zwarig-lieid maken, dau is er zeker geen vernuftiger wijze om haar op te lossen.
150
I)K VKKI.ORKN /,OON.
merle t. TT ij is, werkelijk en opregt, in trouwe dienst bezig, nog heden op het veld, en beroemt zich op zijne gehoorzaamheid eerst, als hij meent, dat die miskend wordt. Zeker behoort deze Parabel dus niet tot jezis' laats)en strijd met de Farizeën. Er zijn meer proeven , dat in den beginne hunne partij niet zoo geheel vreemd van hem was, gelijk zelfs uit veler naam nikodemus getuigt. Was er echter in onzen lieer, wat deze opregtc maar slaafsehe dienaren der wet aantrok, — bij voorbeeldde hope der opstanding, van de wederherstelling aller dingen in het Messias-rijk en de toekomstige eeuw, — er was ook weder veel, wat hun bedenkelijk voorkwam. Indien wij onze, nieuwere spreekwijze mogen toepassen op den ouden tijd, dan was jezi s hun te liberaal , te ruim in zijne opvatting : hij lette niet genoeg op het rein en onrein ; hij ontweek niet zorgvuld g genoeg den omgang en aanraking van het geen tegen en buiten de wet was. En kon men zijne levenswijze ook niet TTeidensch noemen, gedroeg hij zelf zich niet als een tollenaar en zondaar, de heftigst en begonnen hem reeds in dit opzigt van ketterij te verdenken, en noemden hem in dien geest //een' Samaritaan.quot; Jezvs nu , schoon hij de Farizeesche partij nimmer vleide, wilde toch ook uit haar behouden, wat te behouden was. Wij merken dus zijne wijsheid en zachtmoedigheid reeds daarin op, dat hij vóór het uitbreken der openlijke vijandschap, hen niet slechter voorstelt dan zij zelve willen wezen ; ja, dat hij hun de kroon der regtvaardigheid naar de wet gunt, waarop zij zoo veel prijs stellen. 1) Legt jezvs dus den oudsten zoon woorden in den mond, die ons hard en hatelijk klinken, die nog inccr bijna ons ergeren dan het wangedrag van zijn' jongeren broeder; voor de Farizeën was dit eigenlijk geene beleediging. Tiet toornig worden, liet met binnen gaan, waar zulk een broeder met vreugde wordt aangenomen, beantwoordt het niet geheel aan hunne eigene woorden, die jezvs aanleiding tot spreken gegeven hadden: quot;Ziet! deze gaat gemeenzaam om, ja ! hij eet n et tollenaren eti zondaren ?quot; Zij moesten, wanneer zij maar eenigzins zich zelve kenden, dien oudsten broeder wel erkennen als één der hunnen , den regtvaard.ge in Israel. Maar zijne regtvaardigheid wordt onregt en zijne gehoorzaamheid weêrspannigheid , omdat hij er zich op verheft , en wel het werk voor zijn' vader doet, maar tevens in de zaligste oogenblikken van zijn leven zijn hart grieft en kwetst , cn de broederlijke betrekking miskent, waarin ook de zondaar nog tot hem staat. 2) Ook hier beroept jezvs zich op d ■ goddelijke stem , die spreekt in het meuschelijk hart. Gelijk hij elders zegt: zijne hoorders, hoe boos, hoe ongevoelig en haatdragend anders, nnnten wel hunnen kinderen goede garen te geren: want onder de oosterlingen is die liefde
]) Pont:/ ergo Ulo» (Judacos) in parabola, e/si non quale» eran', sort quale» rsse dehueranl, Ti rtui.-Manus, (If PndieUia.
2) Hor pesterius mrmhrum pinaholue inhumanilatis oo» acevsnt, qui Dri g ra tiara maligne reslringere vtlfn/, grnmi misnis prcc/i I oribus nmileant wlulem. Kai.vijk. — Dc roem van den oudsten zoon op zijn til en fn noemt BKKGEt, zeer te, regt ccnc t-onfesm lerr.iiuli*, de erkentenis van liet wettiscli standpunt , waarop hij staat. Overkens moet men in dit tieeld niet bij «itsluitiiig de Farizeen zelve zoeken, maar in 't algemeen alle Israëlieten, die naar limine beschouwing regtvaardig waren. Daartoe was het niet nood g, al de iFarizeesthe stellingen of gebruiken aan te nemen en op te volgen. Door ook dit te doen,—wij komen hier later nog eens op terug: — werd men meer dan regtvaardig in de oogen des volks; men werd volmaakt (niet alleen Jixcuoj, maar isleios).
151
t)e vkki.011en zoon.
iillhans niet minder dan onder ons, inzonderheid de betrekking van den vader tot zijne zonen. 1) En daar na liet cliristendom dit rein mensehelijke karakter draagt, is het hierdoor van zelf reeds de godsdienst van alle volken en van alle eeuwen, en dc Verloren Zoon het Evangelie der menschheid. Die schets spreekt niet tot den Jood, maar tot den mensch in Jood of Heiden. Al wie nog menschelijk gevoel in den boezem heeft, verstaat hier de stem van den Zoon des menschen, en tevens, hoe de liefdeloosheid der menschen door hun eigen hart en geweten wordt veroordeeld. En zoo keert, gelijk wij reeds in den beginne opmerkten, het slot van Luk. XV tot den aanhef, de murmurerende Farizeën en Schriftgeleerden, terug. Zonder dit slot zou jezus' onderwijs niet volledig geweest zijn; het moest juist aan het einde komen, om zijne hoorders te treffen; — en wie hier (of bij Lazarus en den rijken man) van een aanhangsel, een later bijvoegsel spreken, zij mogen geleerd en vernuftig zijn, maar het ontbreekt hun aan het allereerste, wat jEzrs bij zijne Parabelen vraagt: uWk ooren heeft om te hoor en, die /wore!quot;
En dit geeft nu eindelijk ons den sleutel aan de hand, waarom jezus deze Parabel zoo op eens afbreekt; want hiervan is de reden de zelfde als hij enkele andere Gelijkenissen: de Booze Landlieden bij voorbeeld en de twee Ongelijke Broeders, waarvan de Heer aan het geweten zijner hoorders het besluit overlaat. Bij dat plotseling afbreken der Gelijkenis, met het treilend woord tot den oudsten zoon : nDeze mo broeder was dood en is herleefd, was verloren en is gevonden /' stel ik mij nog eens den kring van jezus' hoorders voor. Hij zwijgt, en geeft aan liet zaad, dat hij heeft uitgestrooid, den tijd om te ontkiemen in de harten. De volkshoop verdeelt zich. De tollenaars en al wie gewoon zijn met hen om te gaan, het verworpenste der natie, gaan van zelf hun' eigen' weg. Wie daaronder waarlijk door jezus' woorden getroffen werden, zij gevoelen, hoe ver zij zijn afgedwaald, maar ook, dat hun de terugweg nog open staat, de weg van boete en van berouw. //O! dat is zeker het Godsrijk ,quot; denken zij; //dat zoo veel heil belooft!quot; Maar er zullen ook wel onder die tollenaars geweest zijn , die er alleen hun genoegen in vonden, dat die trotsche en hatelijke Farizeën nu eens goed de waarheid was gezegd, zonder dat zij zelve den prikkel van jkzus' ouderwijs in hun geweten hadden gevoeld. — En nu die achtbare Farizeesche Rabbi's met hunnen aanhang, hoe geheel anders is de trek op hun gelaat! .la, ik zie daar wel een' enkele, die peinzend zich afzondert en bij zich zeiven nadenkt, of ook hij niet tot nog toe als die, oudste broeder was ; wien juist dat afgebroken slot tot het geweten de vraag rigt: //Zult gij nog langer toornig en morrend daar buiten staan? Zie toe, dat die zondaars it, den regtvaardige, niet voorgaan in het koningrijk Gods!quot; Maar die zoo dachten, het waren slechts enkelen, wie het waarlijk te doen was om regtvaardig te zijn, ook door verootmoediging en zelfverloochening. De meesten zijn verbitterd, de sehijnheiligsten het meest van allen. De angel heeft hen geraakt, hoe ook nog in honig ingedoopt. //Dat heeft hij weder op ons gezegd!quot; zoo murmureren zij; //Ja, zoo wil hij
1) Verrassend is dc opmerking van tule: »Het is groot, dat de vader den zwijneuhoeder, in wien niemand zijn kind zou herkennen; zonder eenig verwijt in de armen sluit; ---doch voor den hoogmoedige, die rekenschap vraagt, terwijl hij geen regt heeft die te vragen, zich zóó te regtvaardigen,
dat is het toppunt der liefde,quot;
DK VKIiLUUKN ZOON.
het hebben! Het gemeenste slag van volk moet aan ons worden voorgetrokken, en zoo onze invloed bij de menigte ondermijnd!quot; En, zoo als doorgaans, zien zij in hunne eigene eer Gods eer, in het geen hen beleedigt, eene godslastering; //Hij verleidt de schare, hij, die zóó de grenslijn tusschen regtvaardigen en zondaren uitwisehl; die het koningrijk Gods voor alle goddeloozen en Heidenen open stelt .quot; Eu do hevigsten roepen : «Weg met dezen mensch! Zoo iemand behoort niet langer te leven. Laat men hem begaan, dan gaat Gods volk en Gods wet nog gauseh en al ten gronde.quot; — Hebben zij op dezen dag nog njet zóó gesproken, dan heb ik slechts weinige weken of maanden hunne gedachten vooruit geloopen. Jezus bad nu eenmaal den strijd ondernomen tegen de trotsche werkheiligheid zijner eeuw. Reeds vroeger, bij de Gelijkenis der Godclelooze Landlieden onder anderen, hebben wij gezien, hoe die op Golgotha werd beslist.
En vraagt men nu , of ook dit alles nog van toepassing is: dat beeld van den oudsten zoon, zoowel als van den jongsten ? — Men mceno niet, al is het christelijk spraakgebruik anders, zoodat wij nu eenmaal gewoon zijn te zeggen: //Alle menschen zijn zondaren;quot; dat daarom het menschelijke hart zoo veel veranderd is. Stellen wij in plaats van rcrjt-vaardig //onberispelijk van leven,quot; en voor zondaar //ergerlijk van gedrag;quot; gaat het dan niet nog even zoo? Zondaren willen allen wel genoemd worden, maar niet gelijk gesteld met hen, wie eenmaal de menschelijke strafwet getroffen of de openbare schande gebrandmerkt heeft. Voor hen gaat nog menig regtvaardige in eigen oogon voorzigtig uit den weg. Met zulk volk houdt men zich niet op. En wie voor hen pleit, omdat met elk hunner toch eene onsterfelijke ziel verloren gaat, die krijgt ot' regtstreeks of ingewikkeld ten antwoord: //Ja! aan zulke schepsels is toch niet te doen.quot; Of zelfs, wanneer zij hun gedrag verbeteren, neemt men de liefderijke taak op zich, om door de gedurige herinnering van vroegere afdwalingen hen telkens weder neêr te drukken , ja welligt den weg der bekeering te belemmeren of geheel te versperren. Zoo oordeelt en zoo handelt meu in de wereld, zes dagen lang; en als het dan zondag is, trekt men het beste kleed aan, en hoort met stichting het Evangt lie van den Verloren Zoon, en verootmoedigt zich met geheel de gemeente voor God ; — en men gevoelt nog niet eens, dat men tot den Vader in den hemel nadert met een leugen in zijne regterhand !
Onze slotsom is het woord van den Heer ; Indien uwe gereytigleid niet overrloediner is dan die der schrif tgeleerden en Parizeen , voorwaar! gij zult in het honingrijk der hemelen geenszins ingaan. Hoog schatten wij de regtvaardigheid, onberispelijke deugd en trouwe pligtsbetrachting, godsvrucht en vroomheid van der jeugd af aan; maar zoo de adem der alles bezielende liefde Gods er aan ontbreekt, laat ons totzen, dat het niet een Minkencl metaal worde en eene luidende schelle; eene ngtvaardigheid , die in den grond even zeer zelfzucht is, als de afdwaling van den zondaar , en die ons ten laatste zoti buiten sluiten , even als den oudsten zoen inde Gelijkenis, terwijl ook ons erkende zondaren zouden voorgaan in het koningrijk van God. Want ook bij alle uiterlijke en wettische deugd, is voor ons daarin geene plaats, indien wij koud en onverschillig blijven of zelfs wrevelig worden en hatelijk, terwijl de engelen juichen over éenen zondaar, — een zondaar, wiens broeders zij nimmer waren , •— over éénen zondaar, die zich bekeert.
DE VERLOREN ZOON.
Kn nu zie ik niet in, wat er over blijft van al die ophelderingen , waarmede men deze Gelijkenis heeft verduisterd, al die; verklaringen, die niets verklaarden, maar slechts noo-delooze bezwaren aanbragten. De ineusehen worden in deze Gelijkenis eenvoudig beschouwd uit het oogpunt van bun uitwendig gedrag. Het bijbelsch denkbeeld van bekecring zoo geheel verschillend van het kerkelijk begrip, waardoor geloof en bekeering, tegen het Evangelie in, twee voorwaarden der zaligheid geworden zijn: — het bijbelsch denkbeeld van bekeering slaat altoos terug op vorig wangedrag , op eene geopenbaarde verkeerdheid des harten. Eene methodistische bekcering van zes- of zevenjarige kinderen, waarin nog onlangs de Engelsehe revirals roemden, kent en verstaat de bijbel niet. Waar dus de zonde als daad niet vooraf ging, was de bekeering als daad niet noodig; en die regt-vaardigheid, schoon nog niet met de regte gemoedsstemming gepaard, zou ook zij den hemel niet tot vreugde geweest zijn, al wekte zij geen gejuich onder de engelen Gods; even als de bekeering van den zondaar? Maar had de oudste zoon vroeger geena eigenlijke bekeering noodig, nu wel, nu zijne regtvaardigheid eene trotsche eigengeregtigheicl, zijne gehoorzaamheid zelve weêrspaunigheid geworden is. Heeft hij nooit 's vaders gebod overtreden, nu althans heeft hij 's vaders wil weerstaan; en de tijd is gekomen, dat hij uit een hooger, zedelijk en niet wettisch oogpunt moet leeren inzien, dat alleen de liefde de vervulling is der wel, en zoo, met berouw en bekeering, beide vader en broeder in de armen vallen.
Nog een paar bezwaren, die men tegen deze Gelijkenis heeft ingebragt. Zij deden mij denken aan een oud en bekrompen besje, dat met eene andere do kork uit ging en haar toevoegde; //Ik weet niet, maar ik vrees, dat die preek toch wat al te ruim was.quot; //Maar,quot; was het antwoord: //het was toch alles evangelisch.'' //Ja, ja ! hernam dc bezorgde oude : //maar het Evangelie is toch ook wel wat ruim.
Ja, het is ruim, het Evangelie. En waar het door het aandoenlijk beeld van Gods vaderlijke liefde den zondaar wekt tot bekeering , denkt het niet aan de bezwaren , die eene latere kerkelijke dogmatiek er tegen zou kunnen opwerpen.
VVii vinden die vooral uitgedrukt in twee vragen :
vKan dc zondaar zelf terug keeren tot God?quot;
«Wordt dc terug gekeerde weder aangenomen, zonder het offer van chuistus aan het kruis ?quot;
//Kan de zondaar zelf terug keeren?quot; — Zeer zeker; zoo hij het zeil' niet deed, wie zou bet dan doen? Men neemt een afgedwaald mensch niet op als het afgedwaalde schaap, om het te dragen op zijne schouders. T)e mensch is geen mechanisme voor het goddelijke, alvermogen, maar een vrij werkend wezen; en zoo er een beter voornemen in hem ontwaakt, dan is dit niet eene ingeving, niet eene vreemde magt, die in hem werkt, als die van den magnetiseur of biologist, maar zijn eigen wil, die zich omkeert. Doch al wat wij zelve doen, doen wij daarom nog niet geheel uit ons zeiven. Waardoor kan de
164
de verloren zoon.
zondaar terug keeren ? Omdat hij het wil. Eu waardoor wil hij het? Omdat hij tot zich zelf komt, in zich zei ven inkeert, en daardoor wederkeert tot de waarheid en tot God. En wie hem nu daartoe brengt ? Hebt gij het niet opgemerkt ? De vernederende hand Gods , die hongersnood voegt bij het natuurlijk gevolg zijner uitspattingen. En zuo komen wij toch weder tot de grootewaarheid, dat al liet goede in den mensch uit God is. I)—Eindelijk, wij herinneren hier nog eens het vroeger gezegde, dat men het klaverblad van het verlorene te zamen nemen moet: tegenover het onbezielde en rcdelooze de sterkere uitdrukking van Gods opzoekende liefde, en hier, waar de afgedwaalde een mensch is, de vrijwillige terugkeer van den mensch tot God. Die opzoekende liefde behoort dus even zeer tot het beeld van 's mensehen behoudenis, als het terug keerend berouw. 2) Ja! wij kunnen nog verder gaan. Juist do vrije « il, vrij van de pressie der zonde, is het goddelijke in den mensch; en dus, zoo dra de wil is vrijgemaakt, is het weder God, die in den mensch werkt, heide het willen en het iverken naar zijn welbehagen.
En nu //Christus' offer.quot; \\ ij lezen er niets van: want zelfs de moderne mystiek van onze dagen heeft doorgaans toch nog te veel gezond verstand, om het gemeste kalf voor den gekruisten Christus te houden. //Het opregt berouw vindt eene volko-mene vergeving;quot; en: //De hemelsche Vader vergeeft gaarne, vergeeft om niet, daar reeds des zondaars bekeering een feestdag voor den hemel is.quot; Zie daar alles. En is dit alles uiet , dan vond ook, van adam en kaïn af, niemand vergeving bij God vóór christi n. Of dit nu over een te brengen is met de leer van hen , die God beletten willen te vergeven , zoo Hij niet eerst volkomen is betaald: — als of verdiende genade nog genade was ! 3) — dit laten wij aan de belijders dier leer te beoordeelen. Zoo veel weten wij zeker, dat deze leer van vergeving op het berouw niet in strijd is met het geen jkzi s elders leert
1) Bij augostinüs, die alles aan de goddelijke genade toeschrijft, wordt de Gelijkenis van den Verloren Zoon geheel door die van het Verloren Schaap beheerscht, zoodat dus eene inwendige roeping of levenswekking de bekeering moet vooraf gaan: Redil ovis pirdita, ncn turnen in virihus suis, sed in hnmeris reporlaia pastoris, quae se perdcre potuil, dum sponle vagantur, se au tem inoenire non potuil, nee omwno inveniretur, nisi pastoris misrricordia quaereretur. Non enim et ilte films ad haue ovem non pe.rti-nel, qui re oer sus in semetipsum dixit; , Surg am, el ibo ud putrem meiim.quot; Occulta ilaque vocalione el inspiratione etiam ipse quaesitus esl et resuscitalus, nnnnisi ah Ulo qui vicijieat omnia : el inventus, a quo, nisi ah illo quiperrexil talvare el quaerere quod perioral? {Kuarr. in Ps. LXXVII : 19.) Ofschoon hierin waarheid is , zoo brengt het een vreemd bestanddeel in deze Parabel; want met zijn »verloren en gevonden,quot; wil de vader zeker niet zeggen, dat hij zijn' zoon heeft opgezocht; ja! die vocalio occulta zou bijna de eigenlijke drangreden tot, bekcering, de diepe ellende, overbodig maken.
2) Het is daarom eene valschc vernuftspeling, wanneer da costa in schaap, penning en zoon drieërlei slaat van zonde of drie soorten van zondaren vinden wil. Stier drijft dit nog verder, daar hij de goddelijke Drieëenheid er tegenover stelt. Die in zulke mystiek zijne stichting vindt, zij naar hem verwezen : — mij is het te veel , gansche bladzijden niet zulken geestelijken onzin over te schrijven.
3) quot;Uit mijne kindsche dagen hangt mij altijd nog de catechisatie van een* pastoor in mijne geboortestad in 't geheugen. Het onderwerp was: de absolutie en allaat, in verband met de overtollige goede werken der heiligen, waarover de kerk tc beschikken heeft; en de catecheet scherpte gedurig zijn ouderwijs in met de woorden ; «Want, kinderen! ge moet niet vergeten, dat Onze Lieve Heer tot op een duit toe wil afbetaald worden.quot; — Regt jammer, dat deze zuurdesem van de kerk der middeleeuwen nog onzen voortreffclijken Catechismus (vr. 12) ontsiert.
4
I)K VEUr.ORKN ZOON.
van zijne werkzaamheid tot het opzoeken en redden van het verlorene, en van zijne offerande aan het kruis, waarop hij den vloek der zonde voor velen gedragen heeft, om die reddende liefde tot eene geheele wereld uit te strekken. Er is niets in onze Gelijkenis, dat strijdt tegen deze later meer ontwikkelde verzoeningsleer; 1) maar daar is ook niets in deze Parabel opgenomen, wat daarbij nog niet behoorde, omdat zij, hoe schoon en hoe rijk ook, het volledig Evangelie van chkisttjs nog niet was. 2)
Nog ééne opmerking ten slotte, Zij is deze: Pen naam van //Evangelie in het Evangelie,quot; handhaaft deze Gelijkenis ook daardoor, dat zij telkens op tien voorgrond trad, als de vraag: //Wat is eigenlijk het Christendom?quot; de gemoederen verdeelde. Wij zagen vroeger, dat dit reetls ten tijde van tkrtuu.ianüs het geval was. Wij kunnen er bijvoegen, dat ook de Co-moedia Sacra of gewijde tooneelvertoouhig, bij het lijden van cmusTt s en andere hoofdpunten uit het Evangelie, den Verloren Zoon tot onderwerp koos. Eene proeve daarvan in geleerden trant ligt vóór mij in den ylcolastus van oiii.iet.mus gnapheus , Gymnasiarchia llayienm, gedrukt te Keulen in 1540. Pitn.At Tus [zelfzucht) is daarin de raadsman van den ligtzinnigen acoiaütus; eubulus [welwillendheid) van zijn' vader pelauchus; ook de paramlus en meretrix ontbreken er niet. Er zijn goede regels in, al bevalt ons zulk eene nabootsing der ouden niet, en , met de Ovis perdita van jac. zovmis en andere, schijnt het mij eene lofwaardige proeve, om, in eenen tijd van ontwaakte godsdienstbe-hoefte en hevigen godsdiensttwist, uiteen onzijdg standpnnt het Evangelie aan te prijzen.
Maar inzonderheid bedoelde ik, wat in de laatste jaren ons vaderland hieromtrent heeft opgeleverd. Mannen van geheel verschillende rigtmg hebben op deze Gelijkenis het oog gevestigd, en het is verblijdend, dat, bij zoo ver uit een loopende opvatting van het Christendom, hier, als in een gemeenschappelijk brandpunt, aller rigting zich schijnt te vereenigen, tiet verschil is ten minste naauwelijks noemenswaartl, en betreft de hoofdzaak
1) «Daar behoort vct'1 gebrek het zij aan diepte van opvatting of aan goede trouw met zich zeiven toe om niet ceue wel bekende Godgeleerde school in Ncdnlund, uitliet voorbijgaan van de leer der jdaatsveivanging in deze en dergelijke gelijkciiiusen te besluiten tot bet onevangelische van dat begrip in liet geheel. De gevolgtrekking zoude in elk geval te veel bewijzen ; want niet alleen de verzoening door bet bloed maar ook geheel de tussclienkonist van den Persoon van ciiristus, zoude op die wijze weggeredeneerd zijn , en het Christendom al/oo ten eeneninale volledig zijn zonder den cu iustus zeiven.quot; — Ik weet niet , of pa costa met deze woorden reeds doelen kan op de vei handeling van j. s. swaagman, daar deze eerstin het laatst van 1852, en dus in liet zelfde jaar als zijne verklaring van ldk\s, het lieht zag. Misschien heeft hij die van pakeaxj opliet oog, waarvan het hoofddenkbeeld is: «liet geweten doet ons alleen hopen met den verloren zoon, dut God zich zal lal en verbidden, verzoenen; het evanquot;-elie leert, dat Hij nooit ophield ons lief te hebben.quot; —De vr ag zelve, of hier eene genade buiten de verlossing door cimiSTfS bedoeld wordt, is uitstekend behandeld door hoikstka (Blz. 123—133), terwijl bi' zijn onderzoek besluit met de woorden van den Uandsl.ecker Bode: «Die niet in cmusius gelooven wil, moet zien, hoe hij er zonder hem kan komen. Ik en gij , an dries ! kunnen het niet.quot;
2) Nol are tee lo erpeet thai every paxsage in Scripture shall rtmlvin the tekole circle of Chrialiun doctrine, '/oo te regt irkkch ; maar nu treedt hij tot het oudkerkelijke standpunt terig, met er bij te voeden ; Bul ihe different portions of truths being gathered hj the Church out of the different perls of Scripture, are hy her piesented to her children in their due proportion ani entire eomp'eleness. — cu. bb la saussayk zegt er van: 1' oeuvre de in redemption nous est exposée iri, non du point- de vue de la vérilé ohjeclive, muis de celui de I' experience subjective.
i)k verloren zoon.
niet. Eene vergelijkende beoordeeling te geven van hunnen arbeid, ligt buiten mijne bedoeling. Enkele proeven zijn er reeds uit aangehaald. Het zal genoeg zijn, nu alleen nog namen en titels op te geven.
In het Groninger Tijdschrift Waarheid in Liefde zijn mij vooral twee verhandelingen voorgekomen: h. c. paheau, Wie is God tiaar de meenivg des leschu!dig enden gewetens, en wie is God naar de waarheid des rein en Evangelies? Eene overdenking van jezus' woorden, Luk. XV : 18—24. (1843.) En j. somus swaaoman, De vergeving der zonden, naar de Gelijkenis van den verloren zoon. (1852.)
Hierop volgen in tijdorde :
liet Evangelie der genade, door JEzrs zelj' verkondigd in de Gelijkenis van den verloren' zoon i door Er. s. hoekstra. 1854. (Tweede herziene druk, 1860.)
De verloren Zoon. Eene Bijbelstudie door m. cohen sttaut. 1859.
De Gelijkenis van het vaderhuis, praktisch toegelicht door c. i». tiele. 1861.
La Parahole de V Enfant prodigue, Meditations evangeliques jiar r». chantepie de la saussaye. 1863.
157
En zoo stappen wij af van eene Parabel , waaraan de geleerdheid dor uitleggers en de welbespraaktheid der evangeliepredikers op alleiüei , en soms op de zonderlingste wijze is verkwist , maar die ten slotte altijd begrepen moet worden door dat menschelijk gevoel , waarop jezus weet, dat hij rekenen kan ; de ovren om te hooren en het hart om te verstaan; want aan het geen in den menseh van zijnen oorspronkelijk goddelijken aanleg is overgebleven, hecht de Heiland van zondaren liet anker onzer behoudenis. Die in dien zin geen menseh meer is , geen vader of moederhart, geen kinderzin of geweten in zich omdraagt, en zelfs bij den zwijnentreg der zonde alleen magtelooze woede kent, maar geen schuldgevoel; — voor hem, indien wij ons zulk eeneu menseh denken kunnen, is deze Gelijkenis als een verloren paradijs; maar voor den zondaar, wien het hart verbroken is, is zij de boom des levens.
22
XL1X.
Matth. XXI : 28—•'}Ja.
Een menscJt had twee zone». En gaande tot den eersten, zeide /tij: nZoon ! (ja henen, werklieden in mijnen wijngaard.quot; — Doch hij antwoordde en zeide: nik wil uld jquot; — en daarna berouw hebbende, ging hij henen.
En gaande tot den tweeden, zeide hij desgelijks; en deze antwoordde en zeide: nik ga, heer!quot; en hij ging niet.
Wie van deze twee heeft den wil des vaders gedaan ?
Er is eenige overeenkomst tussclien dene Gelijkenis en de vorige, eu zij valt terstond in het oog. Ook een vader met twee zonen, geheel ongelijk van aard en gedrag. En die vader weder van den zelfden wel varenden burgerstand; want een' wijnberg had de arme niet; maar ook van de zelfde eenvoud ge en aartsvaderlijke zeden, zoodat zijne zonen in den wijngaard arbe.den, even als de broeder van den verloren zoon op den akktr. Maar liij die overeenkomst, hoe groot is 't verschil! Het kader als ik mij zoo eens mag uitdrukken — is veel kle'.ner. Het omvat slechts eene enkele ure, hoogstens dénen dag, terwijl met het vroegere tafereel een geheel tijdvak van het meiischenleven gemoeid,
ja ! dat leven zelf in gevaar is.
De schilderij is dan ook naar het kader; klein en beknopt. Zeven woorden van den vader, twee van eiken zoon, een doen en een niet doen; zie daar alles. Die eenvoud.gheid zou hier zelfs wel eens, voor den oppervlakkigen beschouwer, den schijn kunnen hebben van onbeduidendheid. //Nu ja!quot; zegt men aan 't eind: //Doen is beter dan zeggen, en volbrengen dan beloven. Dat spreekt. Zoo wij 't nog niet wisten, wij zouden bet reeds geleerd hebben uit dat andere woord van den Zal gmaker; Niet een iegelijk, die tot mij zegt: ulleere! lieere!quot; zal ingaan in 't koningrijk der hemelen, maar die daar doet den wil mijns laders, dia in de hemelen is.' [Matt/i. \ 11 ; ~ I.)
Fs dit mogelijk ook eene schilderij bij die woorden, of een vlugt'.g schetsje liever, met eene vraag aan't eind om de aandacht te wekken, eene vraag, die ook de domste kan beantwoorden? — Laat ons zien, en nadat wij het eenvoudig verhaal nog eens hebben overgelezen, hooven wij den Heiland zelf, die toch ook hier wel de beste uitlegger van zijne eigene woorden wezen zal.
.
ï/':
(IB TWEE ONGELIJKE BltOEDERS.
Fen mensch had twee zonen. De zelfde uaiilicf als in 't vorigo verhaal; alleen stond daar: Een zeker mensch. 1) Die twee zonen au sprak liij aan tot hen gaande, één voor één. 'tWas dus geen gezamenlijk, maar een afzonderlijk bevel, dat hij hun gaf; en had do eerste het terstond opgevolgd, hij zou het denkelijk den tweeden niet gegeven hebben.
En wat was zijn bevel of zijn verzoek? uKind! — niet, zoo als onze vertaling heeft //Zoon !quot; maar als in de vorige Gelijkenis: //Kind! 2) kom aan, -i) werk heden in den wijnberg.quot; Zoo staat er letterlijk , en zoo valt het vriendelijke van 't verzoek nog meer in het oog. Mijn wijnberg, zoo als onze vertaling heeft, hebben wel vele handschr.ften, maar op verre na niet alle. liet schijnt bier niet noodig. 't Is niet eene bijzondere bezitting van den vader, waarbij hij de li nip inroept van zijne zonen, die misschien reeds eigen huis en akker hebben; maar zijne zonen zijn nog ia huis, en de wijnberg is 't gemeenschappelijk eigendom van het gezin, der kinderen erfgoed. Een landman zegt tot zijne zonen niet-; //Werkt heden op mijn land !quot; of tot zijne dochter : //Melk mijne koeijen zoo min als wij aan onze kinderen zullen toestaan: //Gij moegt \\\ mijn' i\\\\\ gaan.quot;—Zoo valt ook de billijkheid van 't bevel in het oeg, hoewel het den vorm van een verzoek heeft, vriendelijk en aanmoedigend. Want van den uitgang van 't paradijs af, waar den mensch werd opgelegd, ?'// 't zweet zjvx aavschjns zijn brood te eten, was 't van zelf kinderpligt, dat wie dat brood mede aten, ook in 't zweet des aanschijns deelden, en langzamerhand het zwaarste van den arbeid van den vader overnamen. Reeds aium , zoo dra hij twee zonen had, verdeelde het landwerk tusschen hen : kaïn werd een landbouwer, en abel een schaapherder. In den burgerstand kan dit niet altijd zoo wezen; maar buiten, in den boerenstand, is het nog zoo. Van daar ook, zoo als salmeron te regt opmerkt, dat hier geen loon beloofd wordt, evenals elders, waar arbeiders, en geené zonen, naar den wijnberg gezonden worden. 4) — En wat nu het werken in den wijngaard betreft, reeds vroeger
1) Ondorscheideno handsohriften hebben ook hier nvttyionó; tig , denkelijk omdat de plirase uit 't bekende ver' aal van den /-Wt-mr' Zoon den afschrijver in 't geliengen hintr. Vroeger zagen wij, dat lu kas den aanhef; Ken fker wnsch — meer malen heeft. Bij matimkus vond ik dien maar één maal, en dat nog in den derden persoon, bij het l'quot;t'torcn Srhaup: tav yévytni zlit- dvifycuncAj x. t. 1.
2t Zie de, tweede aanteekening op Hlz. 135; waar ik nog oij k n voegen, dat viè , met den naam van den vader, (/onn caquot; Gad, can Davi'!, vm dm dquot;ivel,) meermalen in het X. V, voorkomt, maar vié (jiov alleen //e^r. Xll ; 5, in overdragtelijken zin, als eene aanhaling van S/ir. Ill ; 11; waaruit blijkt, dat xixvov de gcmecnzan.e, om zoo te zeggen huiselijke toespraak van era' vader tot zijnen zoon was.
I?) Gr. vnnye, ga hem. Naar de llcbreeawsehc spreekwijze wordt dikwijls met dit woord du handeling als 't ware geaaaliseerd, even als in 't bekende: .Hij deed zijnen mond open en sprak;quot; «Antwoordende (of; het woord opvattende) zeide hij,' enz. Alleen verdient het opmerk ng, dat, hoe dikwijls ook dit //heengaande iets doen' in het Nieuwe Testament voorkomt, nooit door *«1 de twee werkwoorden verbonden worden, als alleen — zoo ik mij niet vergis— Vurjf. VJ : 33 en O// /.'/. XVI ; I, waar 't heen gaan meer eene afzonderlijke handeling is. Door deze opmerking verkrijgt, althans in mijn oog, dit gebruikelijke vnoye of inayete meer den aard van een tussehenwerpsel, even als ons «kom aan!quot; .wel aan!quot; ofschoon er altijd de beweging van 't (opstaan en) weg gaan b:j gedacht kan worden.
4) Ook in de toepassing heeft dit zijne eigenaardige beteekenis. De Israëliet, aan wien wij hier in de eerste plaats te denken hebben, was als zoon de^ huizes, uit kracht zijner geboorte, tot Gods dienst verpligt; deChristcn, op wien de Gelijkenis der artrndn-s slaat, werd er toe geroepen.
oo*
DE TWEE ONGELIJKE BEOEDEUS.
(bij de Boo ze Landlieden en de Arbeiders) spraken wij over de drukte, die er vooral tegen den druivenoogst liccrsclit. Maar komen er dan handen tc kort, werk is er liet geheele jaar door. Een wijnberg is, in aanleg en inr'gting, nog minder natuur dan 't korenveld, en kan eerst bij gestadg onderhoud vruchtbaar blijven; maar dan ook is er op veel arbeids veel vrucht te wachten. En wat er nu heden in den wijnberg te doen is, de zoon zal 't zelf wel weten, 't Is niet alleen zijn persoonlijke arbeid , die gevorderd wordt, maar ook zijn loezigt. Als do zoon mede werkt, arbeiden de huurlingen eens z )0 goed.
Tegenóver het vriendelijk verzoek van den vader, staat ccne lomps en grove weigering; nik wil niet!quot; Een Heidensch schrijver zegt, dat, wanneer men verpl.gt is, zijnen vader niet te gehoorzamen, men dit zacht en eerbiedig doen moet, en 't liever ongemerkt ontwijken en nalaten, dan kort af weigeren, 1) om den verschuld gdsn k.nderlijken cevb.ed niet te kwetsen. Dat doet deze zoon niet, en kan hij ook niet: hij heeft g3en andere reden, dan zijn'onwil. Niet eens, als de onwillige gisten, eene andere baz g'.ie d en een beleefd: nik bid u, hond mij voor verontschuldigd.quot; Neen! 't is hier eenvoud g : vlk heb er g3en lust in!quot; Hij zou juist voor zijn genoegen uitgaan, of wil ten m.nste heden eens vrij zijn. Misschien was hij er gisteren of eergisteren nog, en nu heden al weder in d.en vervelenden wijngaard, in de brandende zon...... //Neen, ik doe 't niet; ik wil niet!'
Zóó de eene zoon. Of het juist de oudste is, zegt de Heer niet, en het is zijn oogmerk niet, het tc zeggen. Daarom spreekt hij straks eenvoud g van den ander, //die nog overig is,quot; letterlijk. 2) Indien 't ook eene geschiedenis ware en wij kiezen moesten, wij zouden den eerstee liever voor den jongsten nemen, zoo als hij ook meest aan den eigen-willigen, losband gen knaap der vor.ge Gelijkenis beantwoordt.
En wat zal nu de vader doen? Men kan zijne kimieren wel minnen, maar niet zinnen, zegt 't bocren-spreekwoord. Een liefhebbende zoon doet het dubbel vin een huurling, maar een onwillige veel minder dan deze. Men dwingt hem zoo gemakkelijk n;et, wanneer hij geen kind meer is; cn wat men van eigen kinderen wd, kan ook zonder zorg en liefde
niet worden uitgevoerd,
Gelukk g heeft dc vader nog eenen zoon. Nadat hij dus met een' weemoedigen en smar-telijken bl.k den onwill ge verlaten heeft, gaat hj tot den ander en zegt't zelfde. — Het werk moet toch gedaan worden, en wel heden nog: want 't is in den vroegen morgen; en voor den vader zelf, die bovendien ook andere bemoeijingsn heeft, is 't wat al te
vermoeijend._Hij den tweeden wordt hij niet te leur gesteld. Zijn antwoord is even kort,
maar juist het tegenovergestelde in inhoud en vorm. Hij stemt t:)e en doet het met gepasten eerbied. Er staat eigenlijk: nik, Heer!quot; Dat is naar 't Griekscbe taaleigen, zoo als onze vertalers't hebben: '/Ik ga, ik zal werken;quot; of naar 't Hebreeuwsche: //Zie!
1) tiu quae juthi nbfqui non nportfi, huiler el vorecunle, cl sennm pntius deelinania et relmqwnila, q'tam respwndu sunt, Aulus gellius, II t 7.
2) In de vorige Gelijkenis werden zorgvuldig aangeduid: 6 vsmisoo; en d nQnaflviByo;. Hier is 't alleen: iw ngwia en rlt;i iiéffo, (of, naar don gewonen tekst: rói tsviépu). liet eerste woord vervangt ook in 't Nieuwe Testament dc plaats van den comparativus npóiapos, maar nergens heb ik het voor oudste of oudere aangetroffen.
IfiO
DE TWEE ONGELIJKE BHOEÜERS.
hier ben ik;quot; //Geheel tot uwe dienst zouden wij Ziggen. Aan het laatste zou ik de voorkeur geven. 1) Het ik kan ook zijdelings op den broeder zien: //Hij niet; ik wel!quot; In 't verhaal is dit wel niet uitgedrukt, en in den zamenhang n et volstrekt noodig, daar elk afzonderlijk wordt aangesproken, en de een wel haast van den ander niet schijnt te weten; en toch ligl het eengzns in den nadruk van bet persoonlijk voornaamwoord, dat anders in het Grieksch doorgaans wordt verzwegen. Zoo is de tegenstelling in het oorspronkelijke nog sterker; // Wil niet /quot; // Ik, Heer ! Ik wel!quot; — Juist het karakter van den Parizeer, gewoon zijn ik op den voorgrond te stellen, omdat hij //niet is gelijk andere mensehen.quot; Tevens zou het, in de Gelijkenis zoo wel als in de toepassing, eene reden te meer kunnen zijn, waarom hij niet gng, nu hij zijnen broeder nog naar den wijnberg spoeden zag: met dezen knaap wil hij niet werken!
Maar wij koeren op onze voetstappen terug. De morgen is voorbij gegaan, Verder op den dag wil de vader eens gaan zien, of alles op den wijnberg goed gaat. Hij vindt er zijnen zoon aan 't werk:—zijn' zoon, maar juist dien hij er niet gewacht had, den ander niet.
Wat is er dan gebeurd? — Do laatstgenoemde, gewoon de vormen te bewaren en zijnen vader gelijk te geven, heeft met de uitvoering geen' haast gemaakt. Hij kan en wil wel den ouden man niet tegenspreken, maar heeft in den arbeid toch ook geen' lust. De wijnberg ligt er morgen ook nog wel. 't Gemak verleidt hem , en hij wacht en wacht, en eindelijk komt er niets van. lij (jhuj niet.
Gansch anders is het met den eersten gegaan. Juist de zachtzinnigheid, waarmede de vader zijn nik wil niet!quot; heeft aangehoord, zonder in toorn op te stuiven, heeft zijnen onwil ontwapend. Hij wil iets anders beginnen , maar kan 't niet van zich af zetten, flij zoekt
1) Vreemd is dc uitdrukking: lyw xifis. Geeu wonder, dat iu enkele handschriften is aangevuld: IfM xifjs vTjayoj of vixl xi'fie enz. Eisner heeft echter, inzonderheid uit aiusïopiianes, de bewijzen bijgebragl, dat en vooral ijoiyn in den gcoieen/.amen stijl voor ecne toestemming gold; zoo als, waar sokkates vraagt; ovfl cpQoni^eis ; en stkkpsiades antwoordt: (akiSt. A«/a 721.) Meer gewoon is bij de ouden, (de Romeiiien vooral, die ons ja missen,) de herhaling van 't werkwoord bij een toestemmend antwoord. Zoo zou de gewone uitdrukking, in den zin onzer vertalers : ijxuycn, xtfiie ween. Daar das op het èyu) zoo veel nadruk vult, deuk ik liever aan 't Hebreeuwsche 'JOfl (Gr. Verl. tJoi fy(ó) ,Zie! hier ben ik!quot; waardoor men zich geheel tol iemands beschikking stelt, en dat in de oudste Ara-meesehe aanteekeningen van mattiiküs (dc bekende Lyic, volgens papias,) kan gestaan hebben.
Taalkundig zou zeker de gemakkelijkste vertaling zijn die van een' Recensent (van willes??) iu dc Goihjeleerdi' li'jdragrn, XVII: 885, «Wij zouden geneigd zijn,quot; schrijft bij: «deze woorden op te vatten als eene vraag: U-, Heer? de verbazing van iemund, die meent, dat het van hem niet kan gevergd worden; een' Farizeër, die reeds meen Ie te zijn, wat hij wezen moest, eu daarom noch ooihnnks, noob Jezus gehoor gaf,quot; —• Ik zie echter volstrekt niet in, hoe dit in den z imenhaug een' gezo iden zin geven kan, ofschoon j. prins {Amst. Muuw'-sehnfl, 1857 , Blz. 622) het verklaart: «Ik Heerf Ik, die al zoo langen zoo getrouw in uwen wijngaard gearbeid heb!quot; zoodat hierin quot;het puntige van het gezegdequot; zou liggen, dat vde Farizeër, zoo ijverig en naauwgezet, zich verwondert, dat hij nog tot. nieuwen arbeid geroepen zou worden.quot; Maar dan vervalt de eigenlijke tegenstelling, en tollenaar en Farizeër beide weigeren, slechts op verschillende wijze. Kn wat weigeren zij f Den «nieuwen arbeid,quot; dien jou annks dc Dooper van hen vraagt ? Maar juist de tollenaars weigerden dien niet. In dc tegenstelling van Ik toil niet! cn Ik, Heer ! ligt de verhouding van regtvaardigen en zondaars, niet. tegenover jouannes, maar tot God. Eindelijk hebben wij nog , — behalve de overeenstemming van alle andere, nieuwere en oudere uitleggers, — tegen deze verklaring in te brengen, dat Kiijts bijna dertig malen bij mattueus voorkomt, en altoos de uitdrukking is van eerbied en onderdanigheid, soms zelfs (H. VII: 21, 23) van kruipende vleijerij.
161
de twee ongelijke broeders.
vrolijk te zijn, maar telkens weder klinken zijne eigen harde woorden hem in de ooren. Hij heeft zijn' vader toch slecht behandeld! Eindelijk staat hij stil, en komt geheel lot zich zeiven. 't Is nog niet te laat. Met ijverig doorwerken, zal hij 't verzuimde nog wel inhalen. Zoo alleen kan hij rust vinden. Hij spoedt zich naar den wijnberg en arbeidt met vreugde, ook waar de zon brandt en 't werk zwaar is. De eerste, later heronw hebbende, ging henen.
Zie daar het dood eenvoudig verhaal. Het heeft eene vraag vóór en achter. Eer jezus begint te vertellen: wWat dunkt « lieden?quot; opdat zijne hoorders goed zullen toeluisteren, begrijpende, dat hun eigen oordeel zal worden ingeroepen. En dan aan 't einde de beslis, sende vraag ; n Wie van deze twee heeft den wil des raden gedaan ?quot;
Dat dit vragend leeren, waarbij doorgaans het verlangde antwoord niet te ontwijken was , tot de Rahbijnsehe leerwijze behoorde , hebben wij reeds meer opgemerkt. Zonder dat zij sok hates kenden of zelfs van een' Heidensch' wijsgeer zouden hebben willen leeren, was de Sokratische leerwijze, d.e de waarheid ontlokt in plaats van aanbrengt, den Schriftgeleerden niet vreemd. T)at jezus van die leerwijze meer malen een uitstekend gebruikmaakte, hebben wij ook reeds vroeger gezien. Hier wil ik er alleen neg bijvoegen, dat hij 't niet deed bij zijn Rabbinaal onderwijs m de synagoge, waar de aloude sebr.ft werd uitgelegd, en ook niet, waar hij zich op eenen berg of aan 't zeestrand neder zette om te leeren; maar of onder zijne discipelen, of tegenover andere leeraars, m't vrijere gesprek.
Het antwoord oj) de vraag, die jezus hier doet, is — zoo als ik reeds zeide, — niet te „„(wijken. Zelfs zijne tegenstanders durven, ten aanhooren van 't volk, niet zwijgen. Men is die manier te veel gewoon, en er is een antwoord noodig, ook om hfinnc achtbaarheid ids Rabbi op te houden. En /.ij kunnen niet, als daar straks nog, antwoorden: quot; Wij weten 'f, — want een kind wist het wel!—jezus vraagt niet, wie in allen deele een braaf,
navolgenswaard g zoon, en zelfs niet, wie de braafste der twee is : want een volmaakt voorbeeld is in den eersten even min als in den laatsten te vinden. In beiden is iets af te keuren. De vraag is eenvoudig: wie den wil des raden gedaan, zijn bevel opgevolgd heeft, en dus ten slotte toch nog den meesten lof verdient. Hoe kon het antwoord twijfelachtig zijn?
Maar eer wij lezen, wat de Heer op dit antwoord volgen laat, moeten wij nog eens geheel den zamenhang van het geschiedverhaal nagaan, schoon wij reeds bij vroeger behandelde Gelijkenissen, maar d.e hij mattheüs op dezen volgen, [Landlieden Bruiloft,)
daarvan meer opzettelijk hebben gesproken.
Onze Parabel dan, schoon alleen bij matthküs te vinden, behoort tot jezus' laatsten openlijken strijd met zijne tegenpartij, waarvan ook markus en i.ukas zoo veel te verhalen hebben. Het tooneel van dien redestrijd is de tempel; de tijd, de dr.e eerste dagen der laatste week van jizus' leven. De vraag: uDoor wat magt doet gij deze dingen? 1) En wie heeft u deze magt gegeten ?quot; heeft hij afgeweerd door de wedervraag ; //Zegt mij eerst, of de doop van joiianms vit den. hemel was, of uit de mensehen .'quot; — Nu zij hierover -zich niet
1) ,.Jlet uitdrijven van de verkoopers en koopers, en liet aannemen van de hulde der schareu.quot; VlSSl 1UNC,.
162
DE TWKE 0N0KUJK1C BROKT)KUS.
durven uitlaten, hoeft jkzus zigtbaar de bovenhand 1) en brengt zijnen tegenstanders slag op slag toe, vooral in deze drie Gelijkenissen (volgens matthküs). De beide volgende hebben wij daar genoemd. Deze raakt in twee punten die van de Jiigetizinnige Kinderen, bij eene vroegere lofspraak op johannks den Dooper voorgesteld: vooreerst in de eenheid van de leer des Doopers met de zijne, hoe verschillend ook de vorm was; en vervolgens in den onwil, de eigenzinnigheid van zijne tijdgenooten, waardoor zij zoo wel hem zeiven als johannks verwierpen. Nadat nu zijne tegenstanders het antwoord gegeven hebben , dat zij niet liiin-nen ontgaan: nBe eerste !quot; geeft de Heer van zijne beeldspraak nog de volgende verklaring:
I oorwaar ik zegge u , dat de tollenaars en de hoeren % voorgaan in 't koningrijk Gods. Want Johannes is tot u gekomen in den weg der geregtigheid, en gij hebt hem niet geloofd; maar de tollenaars en hoeren hebben hem geloofd; doeh gij, zulks ziende, hebt daar na geen berouw gehad, om hem te gelooven.
Gij: — wie? — Naar vs. 23 overpriesters en oudsten des volks, waaronder ook Farizeën waren, schoon wij die meest aantreffen bij de derde klasse der hiërarchische partij : de schriftgeleerden. (Ygl. vs. 45.) Maar daar deze laatsten jkzi's' trouwste hoorders en gevaarlijkste spionnen waren, zijn zij hier zeker ook wel bij geweest. En zoo rigt mi's zijne beeldspraak en zijne vraag, zoowel als deze krachtige slotrede, tot al wat geleerd, aanzienlijk en heilig geacht wordt in Israel, de mannen, die geheel te huis zijn en voor aan staan in de synagoge en inden tempel. Met zijn plegtig ambn {Voorwaar!) leidt hij de verzekering in, dat tollenaars en hoeren, al wat uit de synagoge gebannen en van de Joodsche godsdienst en goede zeden vervreemd was, hun, de regtvaardigen in hra'él, — niet eenmaal zullen vooruitwezen, maar reeds nu voorgaan, 2) in 't Godsrijk. Kn dit voorgaan sluit nog geenszins in, dat zij later volgen zullen; ofschoon het, zoo als trkncki te regt opmerkt, schijnt gt;5) te kennen te geven, dat de deur neg n.et gesloten is, dat zij dus nog kunnen ingaan. Zullen zij het doen? Dit zou, gelijk ook het slot der Gelijkenis van den Verloren' Zoon aanduidt, de toekomst keren. Tot nu toe waren zij daar niet ingekomen, niet er toe genaderd zelfs; — en waarom niet?
Jezus beklaagt z.ch nog daarover niet, dat zij hem zelf niet hebben aangenomen. Dit kon nog verschil van meening wezen , omtrent wel en overlevering; of als hij sprak van lumnc moorddadige, aanslagen, konden zij, als vroeger de schare in den tempel [Joh. Vil ; 20) , schijnbaar onnoozel vragen: nGij zjt vit zinnig; wie zoekt w te duoden?quot; — ■ Neen ! mus
1) Te regt noemt lange de vraag: »Wat dunkt u ?quot; Veberyung tur OJJciuiv.
2) Nicht von eihtm «zukiin/liyenfondern von drm chen s'hcn gtgentcarligen Eingehen in das Heich Gol/es. Lang n.
3) Ik schroef .schijntquot; omdat a la pi de (die echter zegt, dat zij 't konden, maar niet deden), lange, lisco en anderen hier aan eene bepaalde uitsluiting denken. Deeerste beroept ziel) op MulUi. V ; 19, waar Inj meent, dat hij, die ie minx/e cal genaanul wrr'len in 'l knnin'jrjic tier hemelen, er wordt buiten gesloten Eu de laatste schrijft: Igt;i/l Vevgleichun'! ist v~ilt;' l.uk. XVUT : 14 aussehliesse/iil, und der Sinn : Sit wevden'ehg werden , ihr aher nicht. — Hij vat dus het ingaan, in den tegenwoordigeu tijd, van toekomstige zaligheid op. Vreemder is 't nog, dat lange, die deze dwaling vermijdt, toch aan het exclusive vast houdt. Of in de Gelijkenis van dquot;n F/rizeër en den Tollenaar, daar lisco zich op beroept, de comparatief uitsluitend is (rainde'r geregtvaardigd, dat is: in 't geheel niet), zullen wij later te onderzoeken hebben. gt;
163
JJK TWEE ONGELIJKE BllOEDERS.
houdt lien vast bij hun laatste antwoord ! /'Of de doop vau johannes uit den hemel was of uit de menschen, wij weten het niet!' En tocli konden en moesten zij het weten. In den Dooper kon hun ten minste niet tegenstaan , wat hen in jezus hinderde, wJohannes h tot u gekomen in den weg der geregtigheidquot; Men heeft gevraagd, of de weg hier op johannes' levenswiize slaat of op zijne leer. Mij dunkt, dit kan niet gescheiden worden. Bij den Oosterling , en niet name ook bij de Joden van jezus' tijd, maakte iedere denkwijs zich ook' door eene e genaardige levenswijze kenbaar. Beide te zamen genomen heette daarom een weg, en waar die weg zich geheel van 't algemeene volksleven verwijderde, eene scheuring of sekte. Patjix's, hij voorbeeld, waar wij in zijne plaats zeggen zouden: //Ik belijd, dat ik jezus van Nazareth, zijne leer en godsdienst aanneem;quot; verklaart: nDit helcenne ik, dat ih naar den weg, dien zij sekte noemen, den God der vaderen dien quot; {Hand, XXIV : 14.) Als jezus dus zegt , dat johannes tot de Joden gekomen is in den weg der geregtigheid, drukt dit vrij wat meer uit, dan dat hij een braaf en regtvaardig man was. 1) Neen! maar hij was een leeraar, een boetgezant, die door leer en leven de strengste geregtigheid uitdrukte, waarop zij zelfs, die Jiezrs weerstonden, niets te zeggen hadden. Niet de wet alleen, maar zelfs de l'arizeesche vasten onderhield en leerde hij. En verder g ng hij niet. Hij was nog geen evangelist, alleen profeet. En zij nu, die onder Israël de vertegenwoord gers moesten heeten der regtvaardigheid, die vaar de wet is, zij hadden, op zijne prediking van boete en bekeering, hem niet geloofd. Die hem geloofd hadden, waren de zondaren in Israël, en niet de regtvaardigen: hoeren en tollenaars. En zelfs het voorbeeld van dezen had hen nog niet beschaamd: het ziende, hadden zij niet eens daarna berouw gehad, — met dezelfde uitdrukking als straks in do Gelijkenis, 2)—om te gelooven.
Wat is dan nu het overdragtelijke in de Parabel? — Zeker in de eerste plaats het //arbeiden in den wijngaard.quot; Wij hebben reeds vroeger gezien, dat de aanleg en kuituur van den wijnberg een profetisch zinnebeeld is van Gods verbond. Als het oude verbond vinden wij het in jezus' onderwijs terug in de Gelijkenis der looze Landlieden, die onmiddellijk op deze volgt, en als 't nieuwe in die der Arbeiders, in den kring der discipelen gesproken. Hier denkeu wij, door de vermelding van johannes, van zelf aan het oude verbond, de wet. In dien wijngaard te arbeiden, was, Gods geboden te onderhoudenj zoodat ook hier, als in de andere Gelijkenis der twee zonen, die beiden Israëlieten zijn,
1) M riJEii heeft nog: ahein sittlich rechtbfschojfen wondelnrfer Mann. Die Predigt dT Gprectitiykfit ist nichl ausyilriickl. - Maar al is dit niet uitgedrukt, zeker wordt geheel zijn optreden hier bedoeld, zoo als elders JEZUS zegt; «JomKNES de I) toper is gi komen, geen brood etende en ye-n' uijn (hinkendequot; {Luk. quot;Vil : 33; m\ïtiikus heeft: noch etende, noch drink en'te.) Leer en levenswijze was hier veel te uaauw verbonden, om alleen met euth. zigad. te zeggen, dat johaNNks zoo braaf leefde «om daardoor geloofwaardig Ie zijn.quot;—De weg Oods of des Hecren, de ueg dee tiehoudeni», komt, behalve ter aangehaalder plaatse, meer malen van het Christendom voor {Hand, XVIII: 25 ; X VI : 17), en zelfs eenvoudig de wg {Hond. IX : 2 ; XIX : 9, 23; XXII : 4); — en zachaUUs zingt reeds van zijn kind, dat hij een profeel des Allerhocgsten zal genaamd worden , — om onze voeten te rigte» op den weg des vred.es. {Luk. I : 70—79) — Xoo eindelijk slaat liet gelooven, als een volgen op dien weg en daardoor ingaan in't Godsrijk, gned op het voor.f gaande.
2) De eerste zoon, bet beeld der lollenuars en hoeren, vatepor [larautHvamp;sls , ging tienen naar den wijnberg; maar gij, regtvaardigen in Israël! 't ziende oiSè fieie/jtsXtjamp;riia vaispoy.
164
de twee ongelijke broeders.
kinderen van eéueu vader, arbeidende in éene dienst, die zoo vele voorregten, boven alle volken der aarde, Israël aanbood. En zoo stellen weder deze beide zonen do tweeërlei Joden van jezus' tijd voor ; regtvaardigen, met de Farizeën aan 't hoofd; zondaren, waarvan de tollenaar de type is.
Maar dit gesteld zijnde, moeten wij jezus' woorden geen geweld aandoen door eene vergeefsclie proeve, om den gang der Parabel in overeenstemming te brengen met dien van jezus' beselmldigmg. Dat sehijnen die afschrijvers bedoeld te hebben, die in hun handschrift de twee zonen omzetten: 1) eerst den schijnbaar gewillige, dan den onwillige; misschien ook, omdat overal elders de Farizeër eerst wordt genoemd, daarna de Tollenaar, en zij begrepen, dat do eerste zoon ook de oudste moest zijn. Maar zoo neemt men het natuurlijke der voorstelling weg. Als de eerste gezegd had: //Ik ga. Heer!quot; had de vader denkelijk den tweeden niet gevraagd. En de beteckenis wordt ook door deze omzetting slechts verduisterd : want de Farizeesche aanhang had aan joh an nes niets beloofd, aan zijne vermaning zich zoo ootmoedig en gewillig niet onderworpen: —• wel aan den Vader van zondaars en regtvaardigen beiden, aan God.
Dat voorkomen van vóór alle dingen en boven alle anderen regtvaardig te willen zijn , bestraft jezus, omdat het een uiterlijke schijn is zonder wezen, een zelfbedrog of eene tooneelvertooning, eene hypokrisie. Om dit beter te doen uitkomen, stelt hij het tegenover den ruwen onwil van hoeren en tollenaars, die zich zelfs de moeite niet geven, om eenige regtvaardigheid naar de wet te veinzen. Maar zoo is ten minste hunne verhouding tot den God der vaderen, tot zijn woord en zijne wet, opregt. En dat die aan de andere zijde niet opregt was, bleek, zoo dra zij op de proef werd gesteld. Eceds bij jesaja klaagt God : nltit volk ge-tmakl Mij met hunnen mond en eert Mij met tie li/ipen , muur htm hart houdt zich verre van Mijquot; {Je». XXIX : 13, naar jezus' aanhaling Matth. XY : 8.) Op nieuw was dit in joiiannes gebleken. Wanneer het hun, die de gruven der profeten versierden , door hunne vaderen gedood, waarlijk te doen ware geweest om godsvrucht cn deugd, zij zouden met vreugde johannes begroet hebben, die immers, geheel in hunnen geest, een hervormer van zijn volk was. Maarnoen! Zij namen van dien lastigen zedepreker zoomin mogelijk kennis. Hunne bereidvaardigheid, om God te dienen, bleek slechts in woorden en uiterlijke vormen te bestaan. Zij vergaten moedwillig, wat van samvëi, af (1 Ham. XV : 22) de gedurige stem was der profetie, door jezus zelf zoo nadrukkelijk herhaald: Gehoorzamm is
1) Onder de nieuweren volgt dit alleen, zoo ver ik weet, bunsin. Tkencii (en even eens mkijjïb) meent, — cn ook dit kan waar zijn; —dat die omzetting haren oorsprong heeft in de aloude meening, dat ook hier de roeping eerst der Joden, daarna der Heidenen, beschreven werd. Zoo de beroemdslen der kerkvaders: Oiugkxks , hiekonymbs, chrvsostomus en atiianasius; zoodat alleen de onbekende Auctor Ojier. imperf. de Purabel juist verklaart, hoewel ook oeigenes zijne verklaring slechts als een tog «,uol iïoysl voorstelt, en hiekonïmus uitdrukkelijk zegt: Jlii non jmtani OetiHlium el Judaeorum esse purtiijolum, sul ümplinter pect.alorum rt juslorum. Trench zelf wil de toepassing op Jood en Heiden niet geheel uitsluiten , since the whole Jewish nation stood to the Gentile world in the same relation which the more sel/rit/hteous among themselves did to notorious transgressors. Op die wijze kan op hen , zoo wel als op anderen , maar ook niet meer , de Parabel worden toegepast. Overigens zijn zelfs de Roomseh-Katholijke uitleggers hier van de kerkvaders afgeweken, of halen hunne woorden alleen ais eene oneigenlijke of mvslieke verklaring aan.
165
DE TWEE ONGELIJKE BROEDERS.
heter dan stay toffer. — En nu zij daarentegen, die tot nog toe de onwilligen in Israël 1) waren, gelijk zij later als verloren zonen en dochtercn JEzrs toestroomden, zoo waren zij reeds aandachtige hoorders van johannes , en lieten zieli, als geloovige boetelingen, door hem doopen. Zij hebben, na hun wangedrag, later herrmw gehad; de Farizeën, zelfs op het voorbeeld van de verworpensten in Israël, viel. Zulk eene huichelarij, wij hooren het telkens, kan .ru/.rs veel minder verdragen dan besliste zondedienst, waarop ook nog meer hope is. 2) Zoo schrijft i.T'kas , waar de Heer elders johannes een eervol getuigenis geeft: Fm al het volk, (.lEzrs) hoorende, en de tollenaars, d\e met den doop van johannes gedoopt waren, r egt raar dig den Ood. Maar de Farizeën en de wetgeleerden hehhen den raad Gods tegen zieh zeiven verworpen, van hem niet gedoopt zijnde. [Luk. VII ; 29, 30.)
Onze slotsom is, dat wij jezus hier in eene geheel andere verhouding vinden tegenover de Farizeesche partij, als tijdens het uitspreken der Gelijkenis van den Verloren' Zoon, Hoewel de Evangelisten goen dagboek schreven van jezus* omwandeling door zijn vaderland , zoo geven zij ons toch even min eene ordelooze compilatie van legenden, zonder eenheid of gang. Er zijn — en dit is eene nieuwe proeve van hunne geloofwaardigheid — in hunne verhalen zekere algemeene tijdvakken op te merken, die hoe langs zoo nader leiden tot het doel: //de stichting van het koningrijk der hemelen in zijn bloed.quot;
Zoo is het ook hier. Nadat Jtzt's opgetreden was in zijn vaderland en zoo grooten aanhang zich had gemaakt, was hot onmogelijk, dat hij buiten aanraking bleef met de wettische, de Farizeesche partij, die school en synagoge en daardoor de meerderheid van het volk beheerschte. De liberalen van zijnen tijd (de Sadduceën), zoo wel als de hofpartij (de Herodianen), kon jezus nog cenigen tijd ontwijken; de orthodoxen (Farizeën) niet. Hij moest met hen in verbond treden of in strijd komen, hen tot vrienden hebben of tot vijanden. Jezi's begon met tegenover hen eene kalme onafhankelijkheid te bewaren; maar werd al spoedig gedrongen, den kouden, wettischen geest te weerstaan, die van hen over het volk uitging. Van hier zijn strijd tegen hunne eigengeregtigheid, waaraan de Gelijkenis van den Verloren' Zoon de kroon opzet. Maar de oudste broeder, in dat onvergelijkelijk schoone tafereel verdient toch nog ecnige achting. Zijne trouw en zijn ijver zijn even opregt, als zijne hardheid en zijn trots. De vader erkent ook in hem 't geliefde kind. 't Zou hem en ons smarten, als hij zich niet bedacht, niet getroffen werd, niet nog naar binnen ging. Geheel anders is het hier. De fleemende toestemming: //Ziel hier ben ik. Heer \quot; door geen enkele daad gevolgd, mist zelfs de opregtheid van het: //Ik wil niet terwijl de ruwheid van dezen onwil door later berouw wordt goed gemaakt.
Van waar, dat jezus' toon, tusschen de eene en de andere Gelijkenis, zoo veel harder geworden is? Oe verklaring is eenvoudig. Jezus ontziet de Farizeesche partij niet meer, en zij hem niet. Bij bare toenemende verbittering, is hare schaduwzijde ook meer aan
T) Vita pecculorum nihil aliud est, qnam realis quidam clamor et professie: nNolumm faeere T)eivolnn-tatsm.quot; Gerhard. Hij zeggen tot God: „Wijk vun ons; want aan de kennis uwer wegen hebben wij ger,-neti lust.quot; Joh XXI ; 11.
2) ITanc hgpocrisin minus tolerahilem esse doeel Christus quam ferorium, quae temporis suceessu dome.-iur. Kalvijn.
Kit)
m; twee ongeu.ike broeders.
het licht getreden. Zelfs een nikodemus heeft zich van haar afgescheiden, niet door zijn geloof nog, maar juist door zijn gevoel voor regtvaardigheid: omdat zij onverhoord, en dus tegen de wet, veroordeelt, {Joh. VII ; 51.) Met één woord, jezus staat niet meer of niet alleen meer tegenover hunne werkheiligheid, maar tegenover hunne huichelarij. En nadat hij al zijne tegenstanders heeft tot zwijgen gebragt, spreekt hij M zijne discipelen en tot de schare, zeggende: ul)e schriftgeleerden en de Farizeën zijn gezel en op den stoel van mozes. Daarom, al wat zij n zeggen, dat gj houden zult, houdt en-doet 't; — want wat oproerig is en onwettig, begunstigt ook nu nog de Heer, zelfs tegen zijne doodvijanden , niet ; — maar doet niet naar hunne werken : want zij zeggen het en doen 't niet. Want zij hinden lasten, die zwaar zijn en kwalijk om te dragen, en leggen ze op de schouderen der mensehen, maar zij willen die met hunnen ringer niet verroeren.
Fm — hier gaan wij weder van het terrein der huichelarij op dat der werkheiligheid over:_
al hunne werken doen zij, om ran de mensehen gezien te worden,quot; (Matlh. XXIII: 1—5.) — Werkheiligheid en huichelarij: wanneer en waar waren zij, ook in de christelijke kerk, niet verecnigd: de eerste als het beginsel, de laatste als de ontaarding eener koude, trotsche, eigenwillige godsdienst, waaraan de liefde zoo wel als de reinheid des harten ontbreekt?
En vragen wij nu naar de toepassing dezer Gelijkenis op onzen tijd; — wanneer wij daarvan afzonderen, wat tot den heeten strijd van jezus' dagen behoort, dan blijft er nog genoeg over; niet alleen, wat ieder er in ziet en wij in den beginne uitdrukten: //Doenis beter dan zeggen, en volbrengen dan beloven;quot; maar ook nog: //Er is vaak een zonderlinge strijd in den mensch tusschen spreken en doen.quot;
Reeds in onze kinderen merken wij vaak de twee verschillende karakters op, waarin dit hier is uitgedrukt: eenigermate den ezau en den jakob der aartsvaderlijke dagen, schoon de laatste zich gelukkiger ontwikkelt, dan menig kind, dat zijn'zachten , voorkomenden, maar vreesachtigen en onopregten aard , tegenover de woeste ruwheid eens broeders toont. Onwil bij natuurlijke goedhartigheid, uitwendige woestheid met inwendig gevoel, zijn niet vreemd in den krachtvollen knaap; stugheid en koppigheid, tegen beter weten aan, even min in't eigenzinnige meisje. En zij zijn gevaarlijk, deze eigenschappen. Zij worden niet verschoond door de goedhartigheid, die men dikwijls in zulke kinderen, en vooral in zulke jongelingen roemt. Want woestheid en onwil verwijderen van den hemel en van 't vaderlijke huis, en de tranen van berouw , al komen zij nog tijdig, maken 't gedane niet ongedaan. Maar gevaarlijk ook zijn die zachte, ordelijke karakters, die den schijn beminnen en met woorden en beloften zoo gul zijn, natuurlijke vleijers zonder waarheid, wier vriendelijke woorden in den grond eigenbaat zijn, en allerminst krachtige, opofferende liefde. Nog is het lieftallige en aanhalige kind, dat van een geestig uiterlijk verwonderlijk weet partij te trekken, niet altoos de trouwe zorg in nood en de steun des ouderdoms; nog heeft wel eens de ouder de meeste hulp en troost van 5t kind, dat vroeger opbruiste tegen het ouderlijk gezag, en dat te onaangenamer werd, naar mate het zich tegenover het meer beminnelijke miskend gevoelde. Maar geen van beiden is toch het ideaal van eenen
de twee ongelijke buoedehs.
zoem of dochter, zoo als wij ons die wenschen zouden, gelijk liet ook jezus' oogmerk niet geweest is, zijn gcheele volk in die twee uitersten tc verdeden: of tot welk der beide klassen zoudt gij een' petbüs en johanxes brengen ? 1)
En later, in de maatschappij, vinden wij de zelfde karakters terug. Ons, die zoo dikwijls tot vermanen en bestraffen geroepen worden, is het bijna een regel : //Hoe meer godsdienstigheid, bestudeerde vroomheid vooral, voor het oog, hoe minder innige godsvrucht;quot; en: //Hoe gereeder belofte, te gebrekkiger vervulling.quot; Wij hooren wel eens gaarne het stoute nik wil niet!quot; dat de volle openbaring is der zonde, als verklaarde opstand tegen God. Want het beginsel van alle bekeering is de waarheid, waardoor de mensch zich zijne eigenlijke verhouding tegenover den hemel bewust wordt, en vergeefs de hand zoekt te ontworstelen, die magtiger is dan hij. Maar wie zich zeiven en de wereld bedriegt door't uHeere ! Heere!quot; zeggen, — de huichelarij, die jezüs met deze woorden niet enkel in zijne tegenstanders, maar ook onder zijne aanhangers bestraft, zij is maar al te dikwijls onbereikbaar voor den scherpen angel in 'i geweten, de droef heul naar God, die eene onherouweljJce bekeering werkt tot zaligheid.
En toch wil Gods genade do bekeeriug van den eenen, zoo wel als van den anderen zondaar. Er is blijdschap in den hernel , wanneer de onwillige woestaard het hoofd breekt en 't hart hem verbrijzeld wordt, en hij weder keert met berouw. Maar er is ook blijdschap onder de engelen Gods, als de ingebeelde brave of schijnvrome, dit ziende, later berouw heeft om tc gelooven. Ook 't ingaan van den oudsten zoon, op 't vriendelijke woord des vaders, zou gejuich verwekt hebben in de feestzaal; en ook de ontrouwe zoon, die niet arbeidde in den wijngaard, al had hij 't beloofd , —als straks zijn woeste broeder hem beschaamt en tot naijver opwekt, zal hij den vader tot vreugde wezen.
In deze aandoenlijke en onvergankelijke betrekking van God als Vader, lag reeds de kracht der profetie, als zij tot het volk van Israël dc Godsstem bragt : uKeert weder, (jij aftceerige kinderen! Ik zal moe nf keeringen genezen. Alleenlijk kent uwe ongeregtigheid.quot; Waarop het antwoord is ; uZie! hier zijn wij; wij komen tot U: want Gij zijt jehova, onze Vader en onze God!quot; {Jer. Ill : 14—25.) En terwijl dit denkbeeld van kinderlijke betrekking tot God door jezts nog dieper opgevat en ruimer uitgebreid wordt, ligt daarin vooral de geheel eenige, voortreffelijkheid van zijn Evangelie, dat het in zondaren de kiem eener vernieuwde regtvaardigheid opzoekt, en de zonde ontdekt der r egt vaardigen; en dat het zóó de harmonie herstelt tusschen zeggen en doen, beloven en volbrengen , schijn en wezen, en ten slotte de harmonie tusschen aarde en hemel, den zondaar en God.
En hiermede achten wij het algemeene tafereel van zonde en genade voltooid, en openen eene andere beeldengalerij , waarin de Heiland van zondaren zelf meer zigtbaar optreedt, en 't niet enkel meer zijn woord is, maar ook zijn geheele persoon, in wien zich de goddelijke genade aan ons zigtbaar maakt.
1) Het was te verwachten, dat het moderne piëtisme dit ontkennen zou, gelijk bij voorbeeld drcm-MOSi), — op wiens oordeel wij reeds geleerd hebben, niet veel prijs te stellen, — zegt, dat onder deze twee menschen allen begrepen zijn, tot wie het Evangelie komt, daar elk menschenhart het van nature vijandig is, en dus dc een er tegen strijdt, de ander zich geveinsd en vormelijk er aan onderwerpt.
168
TWEEDE GEDEELTE.
D E' T O L V R IJ E KONINGSZOO N.
'/ IFaf dviih v, Simon ? koningen der aarde, van wie nemen zij tollen of
schatting: van hunne zonen , of van de vreemden?quot;— uVan de vreemden.quot;_nZoo
zijn dan de zonen vrij.quot;
Is in hot denkbeeld van heiligheid en regtvaardigheid het beginsel der Mozaïsche wet gelegen , dat van zonde en genade duidt den grondslag van Christus' evangelie aan. Maar naamver dan mozes met de wet, is ciimsTiis zelf met het evangelie verbonden. De middelaar des Ouden Verbonds wordt, nadat dc wet is in werking getreden, een historische persoon; men kan de wet onderhouden zonder hem; maar de Middelaar des Nieuwen Verbonds is onmisbaar bij zijn evangelie; zonder hem zelf kan men het niet aannemen; een christelijk geloof zonder geloof in Christus, en een koningrijk der hemelen zonder koning is ondenkbaar.
Het is vooral in onzen tijd, nu men jezus van Nazaret als een natuurlijk verschijnsel in de geschiedenis der menschheid zoekt te verklaren , meer dan immer noodig, deze oude opmerking te herhalen. Dat men hem, dien de christelijke wereld tot nu toe haar' Heer en Heiland noemde, verkleine tot een groot man, altijd opmerkelijk in de ontwikkeling van het menschdom: hot is wol! Maar dan moest men ook niet meer van een goddelijk evangelie on concn Zaligmaker, niet meer van het voorspelde en vervulde Godsrijk
op aarde spreken. Want dit alles zou dan niet anders zijn geweest dan eene dwaling;_
eene onschuldige, gemoedelijke, edele dwaling misschien, maar dan toch altijd cone onwaarheid, waarop men nietmeer voort bouwt, zoo dra men haar heeft loeren inzien.
dk ïolv1uje koningszoon.
En deze dwaling kan onmogelijk aan de kerk, kan zelfs niet aan jezus' apostelen worden toegeschreven, als die hem, na zijnen dood, zoo zonden verheerlijkt en vergood liebhen. Neen! zij schuilde,—waarheid of dwaling — in jizrs' eigen zelfbewustzijn, en werd in zijne leer uitgedrukt. Zoo lang men nog iets hechten zal aan dc dingen, die onder de eerste geloovigen volkomen zekerheid hadden, als hun overgeleverd door hen, die van den beginne zelve aanschouwcrs en dienaars des mords geweest waren {Luk. 1:1, 2); — ja ! zoo lang nog jezus' woorden zelve voor hunne echtheid en oorspronkelijkheid getuigen, daar nooit eenig mensch al zoo gesproken heeft, gelijk deze rnensch {Joh. VII : 46); — zoo lang zal men wel telkens tot de bekentenis moeten terug komen : //Jezus zelf gevoelde zich meer dan mensch; in hem leefde een bewustzijn, dat of eene hoogere waarheid bezat, of de overspanning was der dweeperij.quot;
Toen ik, voor jaren reeds, dit onderzoek begon, deed ik het ook in de meening, dat wij vooral in de Gelijkenissen de zuivere uitdrukking vinden zouden van jezus' eigene leer. Niemand, zelfs der twaalve, die dezen leertrant heeft nagevolgd. Wat dus de overlevering-of de apostelleer, — naar veler meening, —aan de woorden van jezus mag hebben toe of afgedaan; hier vinden wij de oorspronkelijke beelden van het Godsrijk, gelijk hij zich voorgenomen had, het te stichten. En ook uit die beelden is dat hoogere bewustzijn niet weg te nemen. Is het valsch geweest, dan heeft het Sanhedrin regt geoordeeld: i/Wij hebben eene wet, en naar onze wet moet\hij sterven: want hij heeft zich zeiven Gods Zoon gemaakt.quot; {Joh. XIX ; 7.) If
H Ik schreef dit alles niet, om strijd te voeren of uit te lokken, maar omdat het mij wenschelijk voorkomt, dat de vraag: //Wat dunkt n ran den ciiiustl's?quot; tot helderheid kome, en elk in zijn gemoed daaromtrent ten volle verzekerd zij. Met ontkennen zoo min als met twijfelen of ontveinzen, wordt de gemeente opgebouwd. Meent echter iemand een' middelweg te kunnen bewandelen , hij hebbe zijne vrijheid f
En wat nu nog eens de Gelijkenissen betreft, schoon zij een groot deel uitmaken van jezus' leer, kon ook daarbij zijn persoon niet buiten beschouwing blijven. Al herkenden wijniet duidelijk zijn beeld in den wijngaardenier, die vóór den ontruchtharen vijgeboom spreekt, of den herder, die 't verloren schaap op de schouders draagt; reeds in het eerste Deel ontmoetten wij jezus zeiven meer dan eens in zijne Parabelen , zoodat eigenlijk reeds veel, wat tot dit Gedeelte zou kunnen gerekendjworden, vroeger behandeld is. De Zaaijer is do Zoon des mensehen;—het Onkruid des akkers zal hij eenmaal, komende met zijne engelen, uitzuiveren; — hij is 't, die den Sterke bindt, den booze zijne prooi ontrukt; — bij de Bruidegom, in wiens bijzijn zich zijne vrienden verheugen, tegen wiens wederkomst de lampen worden opgestoken ; •— en niet enkel is hij de Zoon des menschen, maar ook de Zoon, de eenige Zoon en erfgenaam, die door den Heer des Wijnbergs tot de booze Landlieden het laatst gezonden wordt; — en in zijne toekomst is hij zelf de fleer des Huizes, de Regter en Koning.
Dit verheven zelfbewustzijn van een geboren Koning te zijn, dat vooral in jezus' laatste dagen met zóó sterken nadruk spreekt: »Daartoe ben ik geboren en in de wereld gekomen— ook vroeger vinden wij er nog meer proeven van. Eene van deze heb ik nu onder de
170
DE TOLVRIJE KONINGSZOON.
Gelijkenissen opgenomen, schoon zij er anders wel bij kon gemist worden. Eene vergelijking is het in ieder geval; maar dit niet alleen, ook een zinnebeeld, een raadsel zelfs, dat veel te raden geeft, en waarbij dan ook menig maal mis geraden is. In zoo verre kan het zelfs goed zijn, dat wij deze vraag onder onze Parabelen mede tellen. Wij zijn reeds gewoon, daarin het aardsche als beeld van het hemelselie te zien, en zullen 't dus gemakkelijker hier herkennen: die dit niet deden, dwaalden vanderegte beteekenis,—• althans naar mijne overtuiging, — geheel af.
De vraag van jlzus , waarover wij dan nu te spreken hebben, hangt mauw zamen met een wonder, alleen bij matthküs vermeld: //de stater, gevangen in den viseh.quot; Over de wonderen der schrift kan ik hier niet uitweiden. Ik wil alleen doen opmerken, dat die van Jezus in den regel eene waardigheid en verhevenheid bezitten, die ze van ijdel goochelspel en ongerijmde fabelen terstond doen onderscheiden. Dit valt vooral in het oog, wanneer wij ze vergelijken met die der latere, apokrjf» Evangelieën, waar het kind jezus kunstjes met de letters maakt, vogels van klei vliegen doet, en ingezouten of gedroogden viseh zwemmen; of in Gethsemané zijne vangers drie malen neder slaat, in den naam des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes. Wat men ook van de evangelische wonderen denke, hier ligt eene onpeilbare klove tussehen de echte apostolische overlevering en 't schijnvrome kinderspel van volgende eeuwen.
Enkele malen evenwel schijnt dit kenmerk van waardigheid en verhevenheid te ontbreken; en tot die enkele gevallen behoort //de stater in den viseh,quot; Wanneer jezus tol of seliatting te betalen had, kon hij hierop niet vooruit rekenen? En had hij, wien rijke vrouwen dienden van hare goederen, zoo dat er nog voor de armen overschoot, die kleine som niet in de beurs; of was 'i hem niet gemakkelijk, die te vinden of te vragen? Was er niet iets tooverachtigs, om zoo te zeggen, eenige onnoodige ostentatie ten minste, in die rijke vangst, die ons menige Oostersche legende van visschen, die paarlen of diamanten inluidden, in 't geheugen roept; — zoodat wij dit verhaal eer zouden wachten in een der latere apokrvfe Evangelieën, dan in het oudste, dat de kerk erkend heeften bewaard?—■ Do vraag, waarin onze Gelijkenis schuilt, heft, althans eenigermate, dit bezwaar op. Want het voorverhaal van wattheüs motiveert, om zoo te zeggen, het wonder; en omgekeerd, dit wonder had de vraag zelve in gedachtenis bewaard; zoodat hier weder de onver-breekbare zamenhang tussehen jezus' woorden en werken in het oog springt. Een volledig onderwijs van den Heiland kan, zonder zijne bovenmensehelijkc geschiedenis, nooit worden gegeven.
De plaats, die dit korte verhaal in mattheüs* Evangelie bekleedt, doet ons denken aan den laatsten tijd van des Heilands openbare werkzaamheid. Reeds had hij vele kleine togten gedaan door Galilea en het omgelegen land. Hij eenJ van deze (den laatsten ?) voorspelde jezus aan zijne discipelen, dat, als zij nu weder op reis gingen , het de weg des doods voor hem wezen zou, naar Jeruzalem, (Vs. 22, 23.) Wat hij dus, bij zijne verheerlijking op den berg, aan zijne drie vertrouwdste vrienden had gezegd, dat maakte hij nu , eer do reis begon, aan al de twaalve bekend. Zoo kwamen zij te Kapernaüm.
21*
171
de tolvrije koningszoon.
Reeds voor lang was jezijs daar heen verhuisd , omdat een profeet niet geëerd ü in zijne vaderstad en zijns vaders huis, terwijl de nabijheid van de Galileesche zee ook zijne nieuwe woonplaats voor hem meer gelegen maakte. Kwam nu het reisgezelschap, van zijne kleine togten, te Kapernaiim terug, dan gingen zeker de discipelen wel eens de hunnen zien, vooral wanneer de regentijd het spreken in het open veld belette. Zoo schijnt, jezus nu niet van al dc twaalve omringd to zijn geweest, als de tolgaarders petrus aanspraken, vragende: uUw (nlicder) meester, betaalt hij de didrachmen niet.'quot;' — De vraag zelve bewijst, dat zij er aan twijfelden; 1) dat jezus den dag had laten voorbij gaan, of geene aanstalte maakte tot de betaling, terwijl anderen het wel deden. Van de discipelen wordt niet gesproken. Misschien werd door hen of voor hen, aan hunne eigene woonplaats, voldaan; of behoorde die niet tot 't ressort van deze beambten. Naar petrus zei ven wordt even min gevraagd, schoon ook hij nog niet betaald heeft. Misschien denken zij dit aan het huis van jona te ontvangen. Zij stellen het ten minste niet in twijfel. Alleen naar jezus is de vraag, als die eigenlijk tot geen huisgezin meer behoort. Waren het andere inzamelaars, dan 't vorig jaar? Of woonde jezus toen nog niet te Kapernaiim? Althans, zij weten 't niet. Petrus zal 't wel weten. Zij vragen, en hij zegt volmondig: //Ja!quot;—Mij dunkt, al is petrus in zijn antwoorden wel eens voorbarig, iiij zou dit toch niet gezegd hebben, zóó zonder jezus te raadplegen, of er hem zelfs iets van te zeggen, wanneer hij het niet van vroeger jaren wist; //De Meester betaalt de didrachmen wel.quot;
Maar nu eene vraag, waar de beteekenis van jezus' woorden van afhangt. In de bepaling der geldswaarde is geen bezwaar. Wij spraken reeds vroeger (Blz. 101) over de waarde der drachme, naar onze munt ongeveer 40 cents. Hiervan is de didrachme het dubbele, en de stater 't vierdubbele. Dat 't een hoofdgeld was, is insgelijks duidelijk, daar jezus voor twee personen betaalt. Alleen is 't de vraag, of het eene Romeinsche of Joodsche schatting was, voor tempel of kapitool opgebragt. Wieseler heeft, ten behoeve zijner vrij gekunstelde tijdrekening, nog eens de meening opgevat en verdedigd , dat wij liier aan eene llomeinsche schatting moeten denken; 2) maar het komt mij voor, dat de vraag reeds lang door uuoo de oroot , in een' tegenovergestelden ziu, beslist was, zoodat ik dan ook bij de nieuweren niets nieuws meer gevonden heb.
Reeds schijnt het beslissend, dat de inzamelaars niet tot de gewone klasse der tollenaars wonbn gerekend, en dat zij het al of niet voldoen der verlangde penningen jezus in keus geven. De Farizeen mogten in hunne scholen {in ahstraetó) de vraag behandelen : nis
1) Wanneer er eene bevestiging wordt gewacht, staat ovxi inonne) aan't begin van den zin. Zoo, bij voorbeeld: „Doen niet ook de lollnuars het zelfde?quot; «h niet de ziel meer dan hel voedsel ?quot; «Worden niet hcee mimrhen voor een, pemhg terkochl ?quot; (J\Iullh, V ; 46, 47; VI ; 35 ; X : 29.)—• Hier is de eonstrue'.ie anders, en zou, als dc toon niet vragend was, even goed kunnen vertaald worden: «Uw meester betaalt de didraehmen niet.quot; Dc persoon wordt voorop gesteld, als de reden , waarom hij zich misschien uitzondert: ó DiDdaxaXos t'jUw*, en de zaak. in twijfel volgt: ov xtXtl ta (JicJfa/jUa ;
2) Dc argumenten van wiesixkii, die dit voorval in September verplaatst, zal ik hier niet herhalen, veel min wederleggen. Nooit lieb ik mij den grooten opgang kunnen verklaren van een werk , waarop zoo ten volle dc spreuk past: «Die te veel bewijst, bewijst niets.quot; Misschien vond men het gemakkelijk, zonder verder onderzoek, nu alles naar den almanak te kunnen rangschikken. Maar de Evan-gclieën zijn iets geheel anders, dan dagboeken van jezus' laatste levensjaren!
J 72
DE TOLVUUK KONINGSZOON.
het ml geoorloofd, den keizer schatting te geven ?quot; — zij betaalden, zoowel ais de anderen , al deden zij het gedwongen en met inwendigen wrevel. En bij je/us bestond zelfs dit bezwaar niet. nGeeft den keizer, wat des keizers is!quot; was zijne spreuk. Eene Romeinsche schatting zou de tollenaar gciiischt hebben, en jezus had ze betaald, als zijn' burgerpligt. iïier geeft bij zelf eene andere reden op. Hij betaalt alleen, //om dien mensrheii geen' aanstoot te geven.quot; — En wat was dan nu dit hoofdgeld? — Het wordt bij de munt genoemd, oven als bij ons vroeger //de tiende penning.quot; Eu hier komt ons nu flavius josephis te hulp, die verhaalt, dat //Vespasianus aan alle nog levende Joden eeue schatting oplegde, hun bevelende, dat zij elk twee drachmen aan het kapitool zouden opbrengen, zoo veel als zij vroeger opbragten aan den tempel tc Jeruzalem.quot; Het was dus een kerkelijk hoofdgeld, I) dat reeds in mozes' tijd voor den tabernakel geheven was, later enkele malen als eene buitengewone opbrengst herhaald, en dat in jezus'tijd als eene vrijwillige schatting werd opge-bragt, daar men het gebod als van blijvende kracht beschouwde, en ook de tempel het wel noodig had. Eerst na de verwoesting van Jeruzalem , omdat de Joden nu eenmaal gewoon waren het te betalen, ging dit hoofdgeld van den tempel op het kapitool (de keizerlijke schatkist) over. Vau deze belasting kon 't dus onzeker schijnen, of jezus ze wel betalen zou, en het lag niet in 't oogmerk der inzamelaars, hem met geweld daartoe te dwingen. Daar waren er zeker meer, die onder allerlei voorwendsels zich ternquot; trokken, omdat het regt van door dwang schatting te heffen, den Joden zelfs in Judea niet meer toekwam. Men kon daardoor aanstoot geven, meer niet. Volgens de wet, waren nu wel niet de Rabbi's, maar toch de priesters en Levieten vrij. Rekende jezus zich dus, als profeet, met het heilige geslacht gelijk, zoo kon hij zich vrij achten.
De inzamelaars worden, gelijk wij meer dergelijke voorbeelden lezen, door omvillekeu-rigen eerbied belet, 't jezus zelf te vragen, schoon zij 't misschien reeds een en ander maal zich voornamen of beproefden. 2) Maar nu hebben zij petrus aangetroffen op den weg, nabij 't huis, waar jezus reeds is ingegaan, en vragen het hem. Petrus antwoordt, en volgt nu zijnen Heer naar binnen. Als hij in huis komt, meent hij juist deze ontmoe-
1) De qua miror dahUari, zegt ir. de groot (Anno/, ad hunc locum) ; ca in de daad, wanneer wij aandachtig nagaan, wat zijne verbazende geleerdheid op een paar bladzijden heeft bij een gebragt, is dit te verwonderen. Onder de Romeinsehe belastingen komt de didraehme nooit voor, terwijl onder hmêl, reeds in mozks'tijd, vaniederca Israëliet boven de twintig jaren een hoofdgeld van een' hal ven sikkel des heiligdoms (das even veel als twee attisehe drachmen) voor den tabernakel geheven werd. (lixcd. XXX : 13—16.) Die heffing schijnt sleebts tijdelijk tc zijn geweest; maar werd later herhaald , als er nood was. (2 Kron. \X1V ; Oen 9, vergl. XXXIV ; 9.) Zij bleef echter meer eene daad van vrijwillige vroomheid, dan van dwang. In Jeruzalem was 25 Adur de dag, om deze schatting in den tempel te brengen ; elders werd zij door inzamelaars of afgezanten opgehaald; bniten het land in eene offerkist gestort, en daaruit naar Jeruzalem gebragt. (Zie de bewijsplaatsen bij ouotius.) Het voorval moet dus in de maand Maart hebben plaats gehad, of een jaar, of zeer kort vdór jezls' laatste reis.
2) Respenls-Mehiehten toerden millknrlirh angenonmen, zumal bei soUhtn offenllichen Dienslleulen, zegt meijer ; maar juist als het «beambten van het heiligdomquot; waren, is zulk een eerbied natuurlijk. Zij kennen jizus en zijne apostelen; want schoon zij petros alleen spreken, is 't. u uk dek mekster, (d didaaHaXos u,u(.gt;) ,dc Rabbi, dien gij met velen volgt.quot; — Een' soortgelijken indruk maakte jezus zelfs op Farizeën en schriftgeleerden , die liever de discipelen, dan hem zelf aanspraken ; (bij voorbeeld Mallh. IX; 11;)—en hoe gemakkelijk hij ook tc naderen was voor al wie tot hemde toeviugt wilde nemen, zijn blik ontwapende vijanden en vangers, zoo hij wilde, zoo wel te Nazaret als te Jeruzalem.
DE TOLVlilJK KONINGSZOON.
ting te verlialen; maar jkzus voorkwam hem , Het hem niet aan 't woord komen, toonde, als meermalen, dat hij zijne gedachten lende, oi' althans, na do ontmoeting van pethüs met de inzamelaars, zulk eene vraag wachtte. 1) De Heer voorkomt die met cene andere vraag: //Wat dmU u, simon?quot; Wij hebben deze inleiding reeds meer malen van jkzus gehoord, waar hij de aandacht wekken wil en 't oordeel van het gezond verstand inroepen, doorgaans bij een voorbeeld of zinnebeeld , om dan uit het antwoord te besluiten tot 't geen hij leeren wil. 2) Men neemt do waarheid het gemakkelijkst aan, wanneer men die zelf heeft gevonden. Maar de vraag, waarom het hier eigenlijk te doen is, volgt nu eersten luidt: I/ l)e Icomngen der aarde, van wie nemen zij tof Jen of schatting (impost of hoofdgeld 3)): van hunne zonen of van de vreemden ?quot; 4) — Het is eene in 't oog vallende kunstenarij, wanneer men koningen der aarde verstaat van de llomeinsche keizers, ais die over de gehoele aarde regeerden. Van den keizer, als de hoogste wereldlijke magt, sprak de Jood altijd in't enkelvoud, en noemde zijn gebied de geheele wereld. {Luk. 11:1.) Ook zon hier dan eene andere tegenstelling gepast hebben : //Van wie, van Bomeinsche burgers of barbaren?quot; En dan was .n;zrs zeker niet tolvrij, daar hij niet eens, als paulus, het llomeinsche burgurregt bezat. Koningen der aarde zijn eenvoudig aardsche vorsten, wie en waar ook, in tegenstelling van den Ilemelschen Koning, die de Koning der koningen is; naar don eersten regel van jkzus' parabolisch onderwijs, dat het aardsche tot symbool van 't hemelsche verheft. 5)
1) l)e uitdi'ukking npoéqpamp;cKrsy avzóv léyuit' komt hier alleeu voor, maar kan uict twijfelachtig ziju, liet „kenneudc hunne gcdaclitenquot; wordt dikwijls door dc Evangelisten er bij gevoegd of er bij gedacht, wanneer zij jezus lillen spreken naar aanleiding van iets, dat bij niet kan gehoord of gezien hebben, hoogstens bemerkt of vermoed. {Murk. II : 8 ; /,«/. IX . 47 enz.)
2) De vraag ri i/iiv iïoxil gaat vóór de Gelijkenis van 't Verloren Schaap en de Twee ongelijke. Broeileix bij mattiieüs , gelijk ook 't xi lt;rot êoxel alleen bij dezen Evangelist voorkomt in jezus' redewisseling met zijne tegenstanders; en weder ti vfilv doxei (makkus: cl iixh qaiveiat), waar de hoogepriester een beslissend vonnis van den raad over Jizus wil uitlokken. {Matlh. XVIII; 12 ; XXI; 28; XXII : 17, 42 ; XXVI : 00.)
3) Be rék)/ of lollen werden van waren geheven, de xijvaos, (een Latijnseli woord met Grieksche letters,) van personen, zoo als dc schattingpenning {Malltt. XXII ; 10) zó ró/Ji(tfia tov yijvaov wordt genoemd
4) liet woord uV.oipio; staat tegenover ïdio;, vreemd — eigen, en kan zoo wel een vreemd land, als een ander geslacht bctcekcncu, ook eenvoudig »cen ander.quot; Dc bcteckenis wordt door dcu zamenhang bepaald; dus hier : «-die vreemd zijn aan 't koninklijk geslacht.quot; — Dat hier de llomeinsche burgers, als zonen, schattingvrij worden genoemd, en jkzus zich zelvcn en petuus met hen gelijk stelt, omdat dc wijzen koningen der aarde zijn, is eene verdichting van wits ki.uk. Naar den vrijdom van ri.iüus wordt niet gevraagd. Het meervoud //Zonen zijn vrij,quot; is een algemeene regel {locus com-nntnis, meij uk) , die dus omtrent het meervoud der bedoelde personen niets beslist.
5) Dc tegenstelling van hemel en aarde behoort, van Oen. 1 :I af, tot de vaste bijbeltaal. Ook Jezus stelde ze dikwijls, onder anderen in het Allervolmaaktste Gebed, tegenover elkander, en vergelijkt aardsche vaders met den Vader in dc hemelen God des Hemels of Hemelkoning werd reeds in dc ballingschap ecu gewone naam voor Israels God. Daarentegen zou ol (iaaiksts Tij; yijs eene allervreemdste uitdrukking van den Romeinsclien keizer wezen: dan zou men nog eer wachten (Uou tov y.Mnioi of nümjg ji/i oixoi^iérrj;. Maar aan den Romeinsclien keizer is hier niet bijzonder gedacht, (waarom ook dc vrijdom van llomeinsche burgers slechts als eene uitzondering gelden kon -.) veel eer aan dc menigte vorsten der kleinere landen, die zich (bij voorbeeld de viervorst antipas,) zoo gaarne koning lieten noemen.
174
DE TOLVltUE KONINGSZOON.
Pethus kan niet anders antwoorden, dan hij doet. Ook dit behoort, zoo als wij meor-malcn opmerkten, tot den Rabbijnschen leert rant. De vraag is zoo beider en zoo beslissend , dat zij 't antwoord reeds insluit. // Van de vreemden!quot; zegt de apostel, en jezus besluit; uZoo zijn dan de zonen vrij?quot; — Hij zegt dit, om te doen gevoelen, dat geene, zelfs zedelijke verpligting tot bet betalen der didraehmen op hem rust. Hij wil 't alleen doen, om. hun geen' aanstoot te geven. Maar liij heeft op dit oogenblik zelfs deze kleinigheid niet. Jezus spaarde niet in de beurs, en hield geen geld voor zich achter. Toch wil hij 't niet vragen, of zelfs aan petrus den schijn geven, als of hij om de betaling zelve bezwaar maakte. En van hier nu het bevel, — waarbij wij alleen opmerken, dat juist petrus, na zijne bestemming tot vissc/ier van menschen, menig maal aan of op de zee, door vischvangst en stormwind geleerd werd, terwijl hij ook best 'tgeheel buitengewone van jezüs' magt over de natuur op dit terrein beoordeelen kon; — het bevel: nMaar opdat wij hun geen' aanstoot geven, ga heen naar de zee , werp den angel, en den eersten vi.seh, die opkomt, neem , en zijnen mond geopend hebbende, zvtt gij eenen stater vinden. Xeem dien, en geef hem aan hen voor mij en u quot;
Wij zullen ons niet ophouden bij de reeds lang verouderde natuurlijke veiklarinc: //Gij zult een' visch vangen , die een' stater waard is.quot; De viscli was toen in Cali/ea zoo duur niet; en hoe kon jezus, ook al ware dit anders geweest, een zoo ruime vangst vooruitzien? Indien men dit verbaal niet, met vele andere, als eene legende wil ter zijde schuiven , is 't of een wonder van bovenmenscbelijke wetenschap, of van btvemnenschelijke magt.
Maar wij spreken hier eigenlijk niet van het wonder. Wonderen worden nooit, en ook hier uiet, om zich zelf verhaald; ja! nu wij het nog eens goed inzien, ontdekken wij , dut het wonder in 't geheel niet verhaald wordt. Het is den Evangelist, en ons ook , om de slotsom van jezus' redenering te doen; //Koningszonen zijn tolvrij.quot; Hot is duidelijk , dat jezus hiertoe zich zeiven rekent. Maar deze toepassing is valsch , wanneer w ij de dulraclmen voor eene Romeinsche schatting houden. Tegenover den keizer was jezt s een vreemde, een man van ander geslacht en barbaarsch volk. De tollenaars hadden, als staatsbeambten, niets te maken met ecu koningrijk , dat niet van deze vcrehl was. Juist omdat de Romeinen van alle vreemden schatting invorderden, acht ook jezus zich daaraan onderworpen; cn zijne betrekking tot het tolhuis zou minder vriendschapnelijk zijn geweest, zoo jezus den tol had geweigerd. Maar geheel anders wordt de zaak, wanneer wij aan de tempelschatting van josephüs denken. Dan is de vergelijking van aard-sclie en hemelsche vorsten hier op hare plaats. Uit 't zelfde beginsel werd aUrons geslacht vrij gesteld. Zij waren de huisgenooten; de andere stammen en geslachten 'n\ Tsraëf, met hen vergeleken, vreemden. Even als de zonen des konings, de prinsen van koniiik-lijken bloede aan 't regerend stamhuis eigen, de onderdanen vreemd aan het huis des konings waren.
Nog moeten wij hier opmerken, dat tol en schatting van ouds geheven werd voor den vorst. Onze staatsinrigting, waarbij de bijzondere kas des konings van die van 't land i -afgescheiden, en ook wie van 't vorstelijk geslacht zijn, ja! de koning zelf voor zijne bijzondere bezittingen aan 's lands schatkist opbrengt, zou voor den oosterling van den
175
de toi.vuijk koningszoon.
ouden tijd ondenkbaar geweest zijn; ja! 't wordt niet eens nog door ons volk goed begrepen. Velen brengen nog schat en last, in hunne gedachte , aan den koning op , en wachten nu ook, dat deze voor alles zorgen zal. Zoo werd ook aan jehova opgebragt , wat tot zijne tempeldienst noodig was. Hij was , naar 't verbond van Sinm, Israels Koning. Hem kwam de hulde toe en de schatting van zijn volk. Maar, — even als bij de koningen der aarde, — de Zoon is vrij.
Dit was zelfde beginsel, waardoor jezvs ongehouden den doop van Johannes onderging , zeggende : nHct betaamt ons, alle geregtigheid te vervullenen waardoor hij tegen de beschuldiging van sabbatschennis de verklaring stelt: nZoo is dun de Zoon des menschen heer, ook over den sahhat,quot; [Matth. III : 15; Xll : 8.) — Er is eene vastheid en zekerheid iu dat zelfbewustzijn van onzen Heer; een stellig weten, ook van 't geen telkens door de omstandigheden schijnt te worden tegengesproken; eene zekerheid met één woord, die alleen of door de waarheid zelve, of door de dwaling van een geheel leven kan worden verklaard. Jezus is zich van zijne bovenmenschclijke bestemming, van zijne magt over de wereld bewust, even als wij het bewustzijn met ons omdragen, dat wij menschen, dat wij zedelijke wezens zijn. Hij is een geboren koningszoon, Israels Messias en Heer. 1) Zegt hij dit niet openlijk van den beginne af, 't is hem zelf daarom niet minder helder en zeker, reeds bij zijnen doop en in de woestijn. Misschien had reeds zijne moeder hem hare zalige verwachting ingefluisterd ; nDeze zal groot zijn , en de Zoon des Allerhoogsten genaamd worden ; ev God de Heer zal hem den troon van zijnen vader david geven , en hij zal over 't huis jakobs koning zijn in der eeuwigheid, en zijns koningrijks zal geen einde wezen!' {Lu-k. 1 : 32, 33.) Dat bewustzijn doet hem spreken als mag tl ellende, en niet als de schriftgeleerden. {Matth. Vil : 29.) Toch heeft hij zijne wijze redenen, om zich voor het volk liever den geheiinzinnigen naam van Zoon des mensehen te geven, dan dat hij openlijk als de ciiKiSïi's, de Godsgezalfde optreedt. Maar petiuus , die het eerst onder de twaalve uit aller naam de verklaring aflegt; nH ij roeten, dat gij zijt de chkistvs, de Zoon des levenden Gods!quot; — petrus mag en moet het weten: uDe zonen zijn vrij! Als Israels toekomstige Koning en (lt;ods Zoon , sta ik boven de wet, ben ik van tol en schatting ontheven.quot;
170
Het is waar, die volle zekerheid van 't zelfbewustzijn is op zich zelf nog geen bewijs van zijne waarheid. Eekend is de kracht van het idee fi.ee. Ik heb een' armen krankzinnige, die overigens vrij gezond redeneerde, gelaten zien sterven, onderworpen aan Cods ondoorgrondelijk bestel, maar toch met de onwrikbare overtuiging, dat hij de wettige vorst was uit '1 huis van ouakje kassau , koning van Nederland. Vooral op 't gebied der godsdienst zag men dit verschijnsel menig maal. In de minste gevallen zeker was het bedrog, wanneer een dweeper zich geroepen achtte, om 'I Godsrijk te openbaren, de wereld te bekee-ren of haar einde aan to kondigen. Vooral onder de Joden kon ligt die verwachting ontstaan.
1) Gdijk vroeger reeds is opgemerkt, er is alleen sprake, of de Meester de didrachmen hetaatl. l'Eiius blijft das geheel builen de redenering, al kon bij zich misschien, als in gemeenschap van goe-deren u.ct zijnen lieer lm ende, verontschuldigen, zoo dra jkzus zicli onttrok. Indien zin zou het. wu {opdat wij hun y en' aansloot yevfu) ook op den discipel kunnen worden toegepast. Maar in ieder geval is dc Roomsch-Katholijke gevolgtrekking, op dc tolvrijheid der geestelijken, geheel ongegrond, (meijeu.)
DU TOLVRIJE KONINGSZOON. ]77
Het ideale Godsrijk in de toekomst was het einddoel huimer profetie, de levensadem en grootheid van Gods volk. Meer malen, nog na Jeruzafems val, is er een gewaande, Messias opgestaan, die door zijne innerlijke overtuiging en zijne geestdrift zich zeiven en anderen in 't verderf stortte. Maar in JKzrs is opmerkelijk, dat geen enkel oogenblik aardsehe eerzucht zich mengde in die verwachting eener hemelsehe grootheid. Hierin blijft hij zich zeiven gelijk, van het begin tot het einde. Wetgever in de bergrede, Evangelist van het Godsrijk aan 't zeestrand. Behouder en Heiland onderarmen en verlorenen, Wonderdoener aan 't ziekbed en zelfs in 't sterfhuis, Gods getuige tegenover de blinde leidslieden der blinden, wil hij nooit anders heerschen, dan door zedelijke kracht, de meeste slechts wezen door do minste te zijn en aller dienaar. Had jezcs niet met alle kracht weerstand geboden aan den aandrang van het volk, dat zich met geweld van hem wilde meester maken, om hem tot koning uit te roepen; zoo ware zijn koningnjk , met hoe veel voorspoed misschien ook gekroond, eene wereldsche magt geworden, met al de smetten der wereld bezoedeld en aan hare wisselvalligheden onderworpen ; eene wereldsche magt, die met de wereld voorbij gaat, als het rijk van bau-cocuba of van de wederdoopers, of hoogstens als dat van maiiomed of van den Paus. Maar jezus hield onwrikbaar vast aan het beginsel, reeds in zijne eerste gelijkenis (de Zaaijer) uitgedrukt, en zoo duidelijk uitgesproken op den laat sten dag van zijn leven : uMijn koningrijk in viel van deze wereld. Tod hen ik een Koning: wani hiertoe hen ik géboren en hiertoe in. de wereld gel-omen , opdat ik der waarheid getvigenis geve, en een iegelijk, die vit de waarheid is, hoort Mijne stem.quot; Een PILATUS moge die magt niet kennen, en liglzinnig of weifelend vragen: i/Uatis waarheid?quot; Jkzus zelf sterft, gelijk zelfs het opschrift boven zijn kruis ons zegl, als een Koning. En ontwaakt uit zijnen doodslaap, haast hij z eb om de zijnen te overtuigen, dat, naar den raad Gods, de chimstüs al deze divgen tijden moest, en zoo tot zijne heerlijkheid hu/aan. [Luk. XXIV : 26.)
Maar ik heb daar twee namen genoemd, die, juist door de sterke tegenstelling, welgeschikt zijn, om Jtzus' zedelijke grootheiden 't goddelijke van zijn verheven zelfbewustzijn te doen uitkomen ; «Maiiomkd en de Paus.quot; — De tijd is voorhij, die den eerste kort weg als een' valsehen profeet veroordeelde en den laatste als den Antichrist vervloekte, zonder iets groots en goddelijks te zien in het wereldrijk, door beiden gesticht. Neen! zeker was 't eene inwendige roeping, die den koopman van Mekka aandreef, om het heidensch Arabië tv. bekeeren tot den God van abraham. Groot was en bleef hij, zoo lang hij, onder bespotting en vervolging, met ongeschokt geloof zijn verbeven ontwerp doorzette. De Islam heeft hiervan een duister bewustzijn, als hij niet maiiomids overwinningen, maar zijne vlugt uit Mekka neemt tot uitgangspunt voor eene nieuwe tijdrekening. Maar in zijnen voorspoed, te Medina , werd de pmfeel een wereldlijke vorst , en zijn rijk eene aardsehe magt, al geloofde hij altoos nog, daardoor zijn hoogcr zedelijk doel te hereiken.— Zoo ook Rome's bisschop, 't Was geen opzettelijk bedrog, toen hij, 111 naam van i'KTiu s, de voogdijschap op zich nam over de onmondige Duitselie volken. Het bloed tier martelaren heeft den weg gedrenkt, waar laugs Jtone, tot do oppemiagt geklommen is. Zelfs de ijzeren wil van iiildumiani) , die de volstrekte oppermagt van de geestelijkheid II. or.
I
uk tolvrijk koningszoon.
uvcï de kerk en van de kerk over de wereld doordreef, werd door een hoogcr beginsel bezield. Ook hij was een wereldhervormer; maar zijne wapenen waren aan de wereld zelve ontleend, en moesten zich dus ten laatste tegen zijne eigene raagt keeren : Die hel zwaard nemen, zullen door het zwaard vergaan.
Die grootheid van het zedelijke godsrijk, en do magt der waarheid en dor zelfopofferende liefde, die het. stichtte , konden ji.zus' vijanden niet begrijpen. Het is slechts de uitdrukking hunner eigene zielsstemming, wanneer zij bij pii.atus lasteren : nDeze verbiedt, den keizer schatting te geven, zeggende, dat lij zelf Ciiiusïus de koning is.quot; Zoo zouden zij immers zelve gedaan hebben? Dat hadden zij van hem gewacht en gevraagd, ja! gcëischt zeker, als zij zich aan zijne partij hadden aangesloten. En dat nog jeztjs' eigen discipelen niet vrij waren van zulke aardschgezinde verwachtingen, bewijst hunne vraag na zijne opstanding ; n lieer! zult gij in dezen tijd aan Israël het koningrijk weder oprigten ?quot; [Hand. I : 6.) — Intusschen sprak 't verheven voorbeeld van den Heer toch zoo sterk, dat nergens het christendom der drie eerste eeuwen revolutionaire woelingen verwekte of de hand uitstrekte naar wereldsche magt. Het kruis was 't zinnebeeld zijner heerschappij geworden; zijne zinspreuk: //De meeste te zijn, door de, minste te wezen,quot; en //Tc heer-schen door te lijden,quot;
In dien geest moet het christendom voort gaan, zal het de wedergeboorte der meusch-beid voltooijen, en hel onfeilbare zelfbewustzijn der overwinning van 't Godsrijk bewaren. Den keizer te geven, watdes keizers, en (lode , wat Oodesis; — te heerschen door waarheid en liefde, en daardoor alleen; — moet ook ons beginsel zijn. En daarbij ook, tol I-a schatting aan Gods huis vrijwillig op te brengen, zoo als jezus zelf dat geheel onver-pligt dbed. Want zoo lang het koningrijk der hemelen op aarde bestaat, heeft het, als ieder rijk, ook zijn tol en schatting noodig : onze kerk, als de tempel te Jeruzalem. Arinenbedceling en volksonderwijs, bijbelverspreiding en zending, met één woord al wat den geestelijken arbeid schragen kan, behoort tot onzen pligt , gelijk de eerste geloovigen jezus zeiven dienden van hare goederen. Maar het moet eene vrijwillige schatting zijn , door 't dankbaar en godvruchtig hart gebragt: onze didraelnne, en 't penningske der weduwe. Wij weten, dat ook zonder ons 't Godsrijk overwint; maar 't zij ons eene eer, aan die overwinning deel te mogen hebben, schoon anderen zich onttrekken. Alle opoffering van kracht en tijd en geld en goed, wordt rijkelijk overwogen door het uitzigl op dat woord: Alsdan zal de koning zeggen: uGj Mt 't mij gedaan — En ten slotte zal toch nimmer door aardsche middelen, maar alleen door de magt, die van boven is , het koningrijk des lichts en der waarheid triumphereii.
17b
fVcK'do herder Hlei l zi[n levt .'••Mt Kaïnüi.
DE GOEDE HERD EH - DE DEUR DER SCHAPEN.
Voorwaar, voorwaar zegge ik ulieden; die niet ingaat door de deur in den stat der schapen , maar van elders inklimt , die is een dief en moordenaar. Maar die door de deur ingaat , is een herder der schapen. Dezen doet de denrwaehter open , en de schapen hoor en zijne stem; en hij roept zijne schapen hij name, en leidt ze uit. En wanneer li j zijne schapen uitgedreven heeft, zoo gaat hij vóór hen henen • en de schapen volgen hem, overmits zij zijne stem kennen. Maar een en vreemde zullen zij geenszins volgen, maar zullen van hem vlieden ; overmits zij de stem der vreemden niet kennen.
Deze gelijkenis zeide JBZrs tot hen; maar zij verstonden niet, mat het was, dat hij tot hen sprak. jezus dan zeide wederom tot hen .*
Voorwaar, voorwaar zegge ik v : ik tien de deur der schapen. Allen , zoo velen als er vóór mij zijn gekomen, zijn dieven en moordenaars; maar de schapen helhen hen niet gehoord. Ik hen de deur: indien iemand door mij ingaat, die zul behouden worden, en hij zal ingaan en uitgaan , en weide vinden.
De dief komt niet, dan opdat hij stele, en slag te, en verderve; ik hen gekomen, opdat zij het leven hebhen , en overvloed lehhen.
Ik ben de goede herder; de goede herder stelt zijn leven voor de srhapen. Maar de huurling, en die geen herder is, wien de schapen niet eigen zijn , ziet den wolf komen, en verlaat de schapen, en vliedt • en de wolf grijpt ze, en verstrooit de schanen. F.n de hnnrling vliedt, overmits hij een huurling is, en heeft geene zorg voor de schapen.
Ik hen de goede herder; en ik ken de mijnen, en word van de mijnen gekend. Gelijker wijn de Vader mij kent, alzoo ken ik ook den Vader ; en ik stel mijn leven voor de schapen.
Ik heh nog andere schapen, die van dezen stal niet zijn : die moet ik ook toebrengen , en zij zullen mijne stem hooren ; en het zal worden écne kudde, één herder.
Voor het eerst, in dit uitgebreide werk maken wij hier kennis met het Evangelie van den discipel, dien jEZfS liefhad. Pit zou ons ten hoogste kunnen verwonderen, zoo als wij ook in menig ander opzigt zijn werk onvolledig zouden vinden, indien wij niet wisten, dat Johannes eerst laat en met een bijzonder doel geschreven heeft. Den anderen Evangelisten was het alleen te doen, om een zoo naauwkeurig mogelijk verslag te geven van al het geen jezus begonnen heeft heide te doen en te leer en, tot op den dag, in welken
or.*
DK imm DEll SCHAPFN.
180
de goede herder -
hij opgenomen in. [Hand, T : 1 , 2.) Doen zij dit ieder in zijnen geest en uit zijn bijzonder oogpunt, dit is onbewust. Van een ander doel blijkt in hunne schriften nergens, met hoe veel kunst en geleerdheid men het er ook in heeft gezocht. Maar jomannes geeft ons zijn bijzonder doel op. Veel, zegt hij ous; was er in zijn boek niet geschreven, maar wat er in stond, schreef hij, opdat zijne lezers fjelooeen mogten, dat jezus is de Christus, de Zoon Gods, en geloovende hei leven hebben in zijnen naam. [Joh. XX : 30, 31.) Enkele trekken slechts zijn het, maar die ook uitgewerkt eu in helder licht gesteld. Juist wat reeds algemeen bekend is, gaat hij stilzwijgend voorbij. Die eene volledige geschiedenis van den Heiland schrijven wilde, zou (om nu niet eens van geboorte en hemelvaart te spreken) jezus' afzonder.ng in de woestijn, zijne vele reizen in Galilea, de bergrede, keuze en uitzend.ng der twaalve, ja zelfs de instelling van het avondmaal, het lijden in Gethsé-mavé en je/as' doodvonnis niet hebben overgeslagen.
Daar jezus hier minder als de groote volksleeraar van Galilea wordt afgebeeld, zoo lag het minder in jomannes' plan, zijn parabolisch onderwijs op te nemen. De Gelijkenissen waren ook, door het oudere Galileesche Evangelie, vooral aan de aanteekeningen van matïiceüs en de verhalen van pctuus ontleend, reeds algemeen bekend. Hierbij komt, dat joha.nnes' stijl en schrijfwijze zich in het verloop eener halve eeuw reeds te ver van die zijns grooten Meesters had verwijderd. Waren vele van jezus' spreuken hem onuit-wischbaar in 't geheugen geprent, en nog dieper jezus' denkbeelden hem in de ziel doorgedrongen; de gang van des discipels deuken en redeneren was anders geworden, en in zijne herinnering sprak de Meester wel niet geheel als jouannus zelf, maar toch ook niet meer, zoo als hij wezenlijk gesproken had. In plaats van do photographic, naar 't leven genomen, ontvangen wij hier een geïdealiseerd portret, uit 't geheugen geschilderd.
Dit komt mij de eenige, maar ook geheel natuurlijke weg voor, om het tastbaar onderscheid tusschen den Johanneïschen Christus en dien der andere Evangelisten te verklaren. De ongewijde oudheid geeft er het treffend kontrast van in den sokrates van xenophon en van plato. Het zou ook alleen door een wonder kunnen geweest zijn, dat Johannes zich de letterlijke volgorde der woorden en gesprekken, in zijne jeugd gehoord, nog in zijn' hoogen ouderdom had kunnen herinneren. Dit schaadt echter aan zijn hoofddoel niet. Het pleit alieen jezus vrij van eene ondenkbare afwisseling van stijl, al naar mate hem mattuküs of johannes hoorde, en tevens van die onbestemde, zwevende uitdrukkingen , dat gedurig om en om wenden van 't zelfde donkbeeld, den vromen grijsaard bij zijn schrijven eigen, maar ons in jezus vreemd.
\¥ij vinden dan bij johannes geene eigenlijke Parabelen of Gelijkenissen. Verwijst mij hiertegen iemand naar zijne eigene woorden (vs. fi) : Deze gelijkenis zeide jezus lot hen; hij wete, dat hier in het oorspronkelijke een ander woord staat, dat beeldspraak of liever leenspreuk beteekent. Even zoo waren de Hebreen gewoon, hunne veelal op 't eerste hooren raadselachtige wijsheidsspreuken te noemen. 1) Toch heeft de voorstelling van den
t) Do beeldspraak van deu goeden Herder wordt niet Trnfrt/Wy genoemd , maar nnpotula. 'Dit woord komt Jn/i. XVI nog drie malen van duistere, zinnebeeldige redenen voor, in tegenstelling van het vrij uil, met ronde en eigenlijke woorden spreken. Elders (2 Pelr. II ; 22) beantwoordt het aan 't Hebreeawsehe
de i)ki'r de 11 schapen.
Goeden Herder minder van eene allegorie en meer van ecue Parabel, dan die van den Waren Wijnstok. Ja! ik zou niet vreemd zijn aan de meening, dat jms bij deze gelegenheid, nog meer dan joiiannes berigt, eene afgeronde Gelijkenis uitgesproken heeft. Aan vs. 1—5 ontbreekt daartoe alleen de geschiedkundige voortgang, 'tls eene schets, een beeld, niet een eigenlijk verhaal. Maar in één opzigt bleek het, reeds bij 't booren , eene volkomene Gelijkenis te zijn, doordien zijne hoorders niet verstonden, wat het was, dat hij tot hen sprak. De boogere beteekenis schemerde niet eens door het zinnelijk kleed henen, al gevoelden zij, dat er die in schuilde. Waar die beschrijving van den herder der schapen (nog niet de goede genoemd) op sloeg, had jezus nog met geen enkel woord gezegd, toen hij een oogenblik stil hield, om straks weder met zijn plegtig : /'Amen, Amen!quot; {Voorwaar, voorwaar!) te beginnen,
Wat jezus nu wederom zegt, is niet de verlangde verklaring der leerspreuk, maar een nieuw zinnebeeld, dat eenigzins het voorkomen van eene paradox of wonderspreuk heeft: n Voorwaar, voortvaar zeg ik u: ik hen de deur der schapen.quot; Ik begrijp niet, waarom de meeste nieuweren dit verklaren ; de deur tot de schapen, zoodat //men alleen een waar herder der schapen kan zijn door en in gemeenschap met jezus.quot; (vissukixo.) De vertaling tot is zeker minder vloeijend, dan voor de schapen. Aan hen, //die vóór hem gekomen waren,quot; (in 't volgende vers,) kon toch ook nooit worden verweten, dut zij niet door jezus kwamen. Maar het geheelo denkbeeld van andere goede herders, vóór of na jezus, is, dunkt mij, bier buiten gesloten. De uitdrukking nik ben de deur,quot; is van gelijke beeloeling, als elders ; nik hen de weoquot; {Jok. XIV : (i); waarop volgt, met eigenlijke woorden: wNiemand komt tot den Vader, dun door mij.quot; 1) — Beide zinnebeelden klinken in onze westersche ooren wat bard, maar zijn het niet voor den Oosterling, [k vinei er dan ook niets geen bezwaar in, dat jezus ebt beeld gebruikt, maar wel, dat deze tusseihen-reele zijne redenering afbreekt, dat zij tusschen de beeldspraak van den herder en hare verklaring in 't midden valt. Wij zijn dit van jezus minder gewoon. Ik zou daarom niet vreemd wezen aan het denkbeeld, dat johannes hier twee beelden uit 't herdersleven, bij verschillende gelegenheden of in anderen znmenhang gesproken , heeft in een gevloc.iten , om te beter den Meester in zijne goddelijke grootheid en onmisbaarheid voor te stellen.
Is jezus de deur , de eenig veilige weg voor de schapen, dan verwondert ons do tegenstelling niet van andere, valsche leeraars, al gaat zij weder eenigzins buiten het beeld: nAllen, zoo velen er vóór mij zijn f/ekomen S), zijn dieven en moordenaars; maar de schapen hehhen, hen niet gehoord. 3) Deze uitdrukking wijst stellig terug op vs. I : nDie niet door
diohtspreuk of leenspreuk. (Df hond keert tceilev tot zijn eigen ia! braakt el, fu Je (jcviasschen zeug tot de wentehm/ in hel slijk, Spr. XXVI : 11.) De drie eerste Evangelisten zouden die waarschijnlijk ook eene parabel genoemd hebben, even als 't bekende: Medicjnmeeüer, genres u zeken.' (luk. JV ; 23.) Vergl. de Algemeene Inleiding op dit werk, Blz xxix en xxxix.
1) Op het voetspoor van ciikïsostomus, verkl mrt dan ook reeds Eimmnus zfgabenus: vDcdeur, door welke de schapen ingaan tot de hemelsehe schaapskooi. Want op andere wijze gaat niemand in , dan door hem, en door hot geloof in hem, en door zijne leer.quot; (of »zijn onderrigt.quot;)
2) Gekomrn slaat, van volksleeraars gebruikt, gelijk met ons opgetreden.
3) Hoor en in den zin van luisteren, gehoor geven, verhooren, dus «gaarne en met een toegenegenoor booren,quot; komt dikwijls voor. Zie Mutth. XVIII: 15, 16, Joh. XI: 11, 42 enz.
181
de deuk der schapen.
de deur ingaat, maar van elders inklimt, die ineen dief en moordenaar.quot; Maar de tegenstelling van roover en herder was juist; die van dief en deur is liet niet. Dit kau ons echter in den gedachtengang van .10hannes niet verwonderen ; want die is mystiek, meer dan logisch. Dat jezus mot die vroegeren de Farizeën en schriftgeleerden bedoelt, de algemeen erkende leeraars, met wie het volk zelf hem vergeleek (Matth. Vil 1 28, 29), is duidelijk, ten zij men liever aan een' theüdas of anderen denke, die als profeet of Messias waren opgetreden. Van vroegere geslachten wordt hier stellig niet gesproken: want tot de xclfde schapen komt jezus. De opvatting van //oude profeten quot; bij enkele afwijkende oude sekten, had dan ook alleen in een redeloos vooroordeel tegen Israël en het Oude Verbond haren grond. 1) En dat jezus zich zoo sterk tegen de blinde leidslieden der blinden uitlaat, verwondert ons minder, dan wel, dat hij het reeds nu, op het loofhuttenfeest , zou gedaan hebben.
Jezus herneemt nog eens het beeld, gelijk zulk een hervatten van de zelfde gedachte een eigenaardig kenmerk is van den Johanneïschen stijl : nik ben de deur. Indien iemand door mij ingaat, die zal behouden worden; en hij zal ingaan en uitgaan, en weide vinden!' — Wie de deur der schapen opvatten als //de deur tot de schapen,quot; moeten wel verklaren , //Hij zal zelf voor onheil bewaard worden, en zijn werk ongehinderd voortzetten, en weide vinden voor de schapen.quot; (vissering.) —- Mij komt het voor, dat het behouden (elders vertaald zalig) worden, hier reeds een' anderen weg wijst. Is de lieer de regte deur der schapen, gelijk hij den zijnen de weg is, dan slaat het in en uitgaan, behouden worden en weide vinden, ook op de geloovigen, de schapen zelve en uiet op hunne herders. Die veilige weg van de schaapskooi naar de weide en terug, is juist, wat zij behoeven.
182
Nog eens komt jezus' rede op de tegenstelling terug, die wij straks reeds herhaald vonden, waarbij hij nu het nik hen de deurquot; geheel laat varen; do tegenstelling namelijk tusschen den dief, die komt om te stelen, te slagten, te verderven, en zich zeiven, als die kwam, opdat zij het leven en overvloed hebben. En dit leidt hem tot de verklaring dor eerste en oorspronkelijke leenspreuk; zij ligt in het woord: //tk ben de goede Herder;quot; eene uitspraak , die vs. ü nog eens wordt herhaald.
Zoo ver meende ik den zamenhang te moeten nagaan, om vau nu aan alles weg te laten , wat dien verstoort, en 't schoonc beeld verduistert, door er een ander beeld over hoon te schetsen. Opdat dit duidelijk in het oog villc, geef ik nu de leenspreuk van don Goeden Herder nog eens in haar geheel, vooreerst nog zonder do nadere verklaring, die er van nu af (vs. 11—16) wordt tusschen in gevlochten.
1) Sommige Gnostieken en de Manicheen pasten dit gezegde ook op het Oude Testament toe. Tegen de laatsten schreef augusïinus {Contra Fast urn.) — Veel meer waarschijnlijkheid heeft het gevoelen van petrus nieuwland. (Uitlei/k. Vermankeljkheden, I. 229) Volgens hem doelt jezüs op allen, die vo'or hem als de Christus (0 ïy/owoi, Matth. XI: 3, Joh. VI: 14,) waren opgetreden {•'iltïor), waartoe hij dosithiüs en theudas {Ilond. V : 30) rekent. Hetzelfde gevoelen is met veel scherpzinnigheid verdedigd door w. p. (b. van willes ?) in krom en van willes , Verzameling run Bijdragen enz. 1: 76—85.
DK GOEUK ilEJinEU.
/ oorwaar , voorwaar zeg ik ulieden :
Die niet ingaat door de deur in den stat der schapen , maar van elders inklimt, die is een dief en moordenaar. De dief kond niet, dan opdat hij stele, en slagie, en verderve. Maar die door de deur ingaat, is een herder der schapcn. Dezen doet de deurwachter open, en de schapen hooren zijne stem; en hij roept zijne schapen Ij name, en leidt ze nit. Kv wanneer h j zijne schapen uitgedreven heeft, zoo gaat hij vóór hen henen ; en de schapen volgen hem, overmits zij zijne stem kennen. Maar eenen vreemde zullen zij geenszins volgen , maar ztdlen van hem vlieden; overmits zij de stem der vreemden niet kennen.
De goede herder stelt zijn leven voor de schapen. Maar de huurling, en die geen herder is, wien de schapen niet eigen zijn , ziet den wolf komen , en verlaat de schapen , en vliedt; en de wolf grijpt ze , en verstrooit de schapen, Kn de huurling vliedt, overmits hij een huurling is, en geene zorg'heeft voor de schapten.
Om al de kracht van deze beeldspraak te gevoelen , inoeteu wij ons kunnen verplaatsen in die landen , waar reeds van overoude tijden af de vrije herderstammen omzwerven. JV arme, onbeschaafde man, die in ons land op de schrale heide voedsel voor zijne schapen zoekt, is, als wij hem daar gedachteloos droomend zien staan of al gaande zijne kousen breijen , niet meer de vrije herder van het oosten. Pc herdershond alleen, die onvermoeid rond draaft , de trage schapen opjaagt en dc afdwalende aanblaft, behoudt nog steeds liet instinkt, dat hem tot eeu' trouwen dienaar van zijnen meester en beschermer van 't zwakkere gedierte bestemde; maar den echten herder zouden wij nog moeten zoeken op de voorposten der beschaving: in do hooge steppen van Azië en Afrika, of America's prairiën.
Opmerkelijk is het daarbij, dat enkele bepaalde diersoorten door den Schepper bestemd zijn, om 't gezin van den mensch te vergrooten en in zijne behoeften te voorzien. I';it men nieuwe soorten ontdekke, of ondc en bekende veredcle en elders acelimatere, nooit zal men paard en ezel en kameel als lastdier vervangen , nooit vergoeding vinden voor het zuivel van rendier en rundvee, nooit een' anderen vriend stellen in plaats van den trouwen hond, of de kudden van 't gebergte en de wildernis zonder geiten en schapen vormen. Het schaap vooral, zoo gemakkelijk en goedig, zoo in alle opzigten nuttig voor den mensch, is tevens zoo weerloos, dat wij ons niet begrijpen, hoe het ooit in de vrije natuur heeft kunnen voort bestaan. De hongerige wolf en beer, de bloeddorstige leeuw en tijger azen er even zeer op, en zelfs gier cn arend bespieden uit de lucht zijne jongen. En de natuur gaf hem niets tot verdediging: geene sterke, kina uwen oi horens, geen scherpe tanden of stekels, zelfs niet de vlugheid, list en schuwheid, die anders hel instinkt der zwakken zijn. Rustig en vertrouwend weidt 't schaap op dc bergen , als of de gouden eeuw reeds was aangebroken , waarin de wolf met hel lam verkeeren zal en de leeuw stroo eten met 't rund. {Jes. XI; 6 , 7.) Dreigt er gevaar, dan dringen de kudden zich angstig op elkander of verstrooijen zich zonder doel, tot dc vijand geroofd en verslonden heeft, wat hem aanstond. Maar dit natuurlijk gevoel van zwakheid cn gezelligheid tevens, doet het schaap dan ook zoo gemakkelijk zich hechten aan den mensch. Naar het bijbelsch verhaal behoefde het niet eens te worden lam gemaakt, maar vergezelde den inensch uil 't paradijs of voegde
de ooede heuder.
zicli terstond bij hem daar buiten. Reeds ABi'X was een schaapherder, en kort daarna vond jaiïaIj de tenten der zwervende herders uit. Ook Israël leidt van aijhahaws herderstenten zijne herkomst af, en vergat die nooit. Zelfs toen het een landbouwend volk geworden was, waren steeds de herders in eere. David werd van achter de schapen geroepen, oin (zoo als ook homeiu'S de koningen noemt) een herder dor volken te wezen; en op de eerste bladzijde van het Evangelie bekoort ons het beeld van de herders te Bethlehem.
En gelijk bet schaap zich gemakkelijk hecht, en met den mensch gerust de grasrijke heuvelen en de beiden der woestijn doorzwerft, zoo hecht zich de herder, meer dan wij ons bijna kunnen voorstellen, aan zijne kudde. Het is niet enkel zijn eigendom, dat hij gaarne bewaren en vermeerderen wil, maar 't is zijn leven en zijne liefde; do schapen zijn zijne eerste gedachte bij het ontwaken, zijne laatste zorg bij het inslapen. Hij gevoelt zich de leidsman der dwalenden, de beschermer der hulpeloozen; hunne gehechtheid en bun vertrouwen legt een' heiligen pligt hem opj even als de moeder vooral aan 't on-noozele, gebrekkige of afgedwaalde kind zich onuitsprekelijk gehecht gevoelt. Eu in gevaar ontziet hij zich zei ven niet , liever dan den scliandnaam te dragen van een' herder, die zijne schapen niet verdedigen kon.
Dit gevoel was't, dat david vormde tot overwinnaar van het oosten. Als knaap hoedde hij de kudde van zijnen vader isaï. Nog niet in staat, het zwaard aan te gorden met zijne broederen, had hij met de vlugheid der jeugd van Juda en Benjamin geleerd, zijnen slinger te hanteren, om den afdwalenden schapen een kluit aarde of steentje toe te werpen en ze te doen stil staan. Maar toen nu eerst een leeuw en later een beer zijne kudde aanviel , had hij ook met 't ligte wapen pal gestaan, en met ecuen steen uit zijn' slinger hen gedood , zonder te denken aan het doodsgevaar, waaraan een enkele verkeerde worp hein zclven blootstelde. Hij ken toch zijne arme en wecrlooze schapen niet zien verscheuren ! — Opmerkelijk is het en te weinig opgemerkt , dat, als hoogmoed en weelde david geheel hebben doen ontaarden, de profeet kathan in den kon.ng als 't ware den jeugdigen herder weer oproept, dien eens de Heer van de schaajishooijen nam, van adder de zofende schapen, ow jakob, zijn mik, te weiden. (/'.*. LX A VIII ; 70—72.) Het verhaal van't eenig ooilam, dal sliep in den schoof des armen, en at ran zijne hele, en dronk vit zijnen beker, en hem ah eene dodder was, moest vooral eenen david sterk treffen en diep roeren. De herderstenten van Bethlehem stonden hein daarbij weder voor den geesl , vaak gelukkiger dan het koninklijk paleis. Want geen vergonoegder, gelijkmatiger, kalmer leven, dan dat der herderstammen. Het is overal opgemerkt , dat zij in den regel onbewegelijk blijven staan o]) eenen trap van beschaving, dien duizend jaren niet veranderen. Weinig zijn hunne behoeften, eenvoudig en vreedzaam hunne zeden, kalm en langdurig hun leven, 't Is of het schaap, terwijl 't op den moed en het beleid van den mensch zich geheel verlaat, hem ook wederkeeng iets van zijnen kalmen , vreedzamen en vergenoegden aard heeft overgedaan.
Uit een' herderstam voort gesproten, behield dus het volk der Hebreen, ook in spreek-en denkwijze , daarvan steeds de herinnering. De vergelijking van Israël met eenc kudde schapen is geëikt in zijne poëzij, zijn volksleven, zijne godsdienst vooral. Mozes , die zelf zoo vele jaren laug de kudden van jeïiiho weidde, als hij eindelijk zijne aardsche taak
DE GOEDE HEUDEIi,
heeft volbragt, kan niet rusten voor God een' ander gesteld heeft, dk voor het aangezlyt des volks uitga en inga, opdat 's HKEUEN volk niet zj a/s schapen, die geenen herder hehben. [Num. XXVII : 17.) En david, als do pest zijn volk, als het vee ter slagtiug, weg raapt, bidt: nik heb gezondigd, maar deze schapen, wal hebben die gedaan?quot; (1 Kr on. XXI : 17') — Het beeld van den herder is daarom zelfs voor Israels Opperkouing niet te gering. Bekend is het liefelijk schoonc lied van david: //Jehova is mijn Herder, mij zal niets ontbreken. Hij doet mij neder liggen in grazige weiden; Hij voert mij zachtkens aan zeer stille -wateren!' {Ps. XXIII : 1,2.) — Ji j is onze (lod, zoo juicht een andere psalmdichter; en wij zijn het volk zjner weide, de schapen zijner hand. Eu gedachtig aan het willig hoeren en volgen van 'i klein vee, voegt luj er bij: J leden, zoo gij zijne stem hoort, verhardt nw harte niet! {I's. X('\ : 7, S, vgl. I's. C : ;5 en /'«. LXXX : 3.) En ouder velen maakt jesaja van dit beeld ecu treffend gebruik, als hij zegt: De II HER komt, en Hij zal zijne hulde weiden als een herder. Hij zal de lammeren in zijne armen vergaderen en dragen in zijnen schoot, en de zogende schapen zal //;/ zachtkens leiden. {Jes. XL : lü, J 1.)
In deze beeldspraak is het denkbeeld van hulpeloosheid, zwakheid en vertrouwen aan de eene zijde, moed en krachten be chermende liefde aan de andere, treffend uitgedrukt. Het Israëlitische volk, klein en door vijanden omringd, werd alleen groot en sterk door de beschermende hoede dlt;s Almagtigeu. In zich zelf verdeeld, al ligt afdwalende tot bijgeloof en zedeloosheid, kon het alleen onvergankelijk zijn en slerk door zijn geloof: //Jehova is onze Herder!quot;—Maar die Opperherder van Israel, die aan dit volk zijne vurigste liefde, zijne tecderste zorgen toewijdde. Hij liad hei opzigt en du zorg over zijne geliefde kudde aan menschelijke herders toevertrouwd. 1) Van hier in latere dagen, toen priester en profeet zelfs afvallig werden, de bittere klagt en 't ernstig wee over de ontrouwe herder's, en de belofte van den goeden herder, dien jeiiota eenmaal aan zijn volk geven zou: Wee den herders, die de schapen mijner loeide ombrengen en verstrooijen, spreekt de Heer. Nu zal Ik het overblijfsel mijner schapen zelf vergaderen en in de kooi weder brengen, en ware herders verwekken. Want ziet! de dagen komen, spreekt de HEER, dat üavjdsregtvaardige sprint koning zal zijn, {Jer, XXIII : 1—5, vgl L; 6.) —- Wee den herders van Israel, die zich zelve weiden ! Gij eet het vette, gij kleedt u me! de wol, gij slagt het gemeste en de schapen weidt gij niet. Het zwakke sterkt gij niet, en het kranke heelt gij niet, en het gebrokene verbindt gij niet, en het weggedrevene brengt gij niet weder, en het verlorene zoekt gijniet op); maar gij heerscht over hen met strengheid en hardigheid, dat mijne schapen om-dooien op de bergen. {Ezech. XXXIV : 1—:6). — Eindelijk de beeldspraak bij zachahia: // Weidt deze slagtschapen, welker bezitters hen dooden en het voor geene schuld honden!quot; de uitvoering van dit bevel, waarbij de eene herdersstaf liefde en de andere eendkagï heet; het herdersloon, de verbroken stuf, de dwaze herder, die der kudde tot hare straf gegeven wordt; en toch weder de vloek over hem, daar de HEER zijne schapen lief heeft, ook als Hij hen tuchtigt: //Wee den nietigen herder, den veriater der kudde! Het zwaard
1) De Rabbijnen noemen mozes »clcn trouwen herder dor heilige kuddeen één hunner zegt: „Men zal niet ligt eenen herder vinden , die zijne ziele zal geven voor do kudde, gelijk mozes, van wien de bede beschreven staat (Exod. XXXII : 32): Delg mj uit nw hoek!quot; (schootigen.)
185
de gokde herder.
zal over zijnen arm zijn en over zjn regferoog; zijn arm zal te eenenmale verdorren, en zijn regteroog zal te eenenmale donker worden!quot; [7,ach. XI.) — Rij dit alles voegen wij alleen nog de opmerking, dat deze uitvoerige beeldspraak, aan het herdersleven ontleend, en waarvan wij nog maar een kort uittreksel gegeven hebben, gelijken tred houdt met de ballingschap, als de verstrooijing der kudde Gods, onder valsche en ontrouwe herders over herg en Imwel rond dwalende, zoodat zij hunne legerplaats vergaten , en door hunne vijanden verscheurd werden • maar Rij, die Israël verstrooid had, zou hem weder vergaderen, en hem heivaren als een herder zijne hulde. [Jer. L:6, 7; XXXI; 10 enz.)
quot;Wij komen tot do beeldspraak van den Zaligmaker. Men heeft zich wel eens voorgesteld, dat jeztts aan den avond de kudden zag huiswaarts koeren, en naar aanleiding daarvan, als met de hand naar 't beeld zelf uitgestrekt, den goeden herder beschreef. Er is voor mijn gevoel iets kleins in zulk eenen uitleg. Jezus behoefde niet op eenen akker van den zaaijer te spreken, of van 't zuurdeeg bij den baktrog zijner moeder. De beelden uit het volksleven stonden zoo wel zijnen hoorders als hem zeiven, altijd en overal levendig voor den geest. Daarbij vergeet men ook, dat te Jeruzalem, waar jezus dit zinnebeeld uitsprak , niets van 't herdersleven te zien was, — of 't mogten zijn de kudden slagtscha-pen, die daar, in de nabijheid en ten behoeve van den tempel, de schaapspoort werden binnen gedreven!
Neen! maar wat aan alles blijkt; het profetisch woord had jezus den sleutel gegeven tot do beeldspraak der natuur, die hem van kinds af op de weiden van Galilea voor oogen was. Zoo dra hij nadere kennis maakte met de Farizeën en Schriftgeleerden, de leidslieden en herders van Gods volk, en van hun beeld het waas der heiligheid geweken was, dat voor de vrome jeugd den man Gods bedekt; gevoelde jezus zich door diep mededoogen getrokken tot het volk, waarover hij met ontferming bewogen werd, daar zij vermoeiden verstrooid waren, als schapen, die geenen herder hehhen. [Matth. IX : 36.) Hij had zijne roeping in de profetie gelezen, en las die nog duidelijker in zijn eigen hart, als gezonden tot de verlorene schapen van het huis Israels. [Matth. XY : 21; X : 6.) En die liefde en trouw, die hij tegenover list en haat stelt, zelfverloochening, maar ook onpartijdig oordeel, tegen zelfzucht en trots, de Heer heeft ze drie maal in het beeld van den herder voorgesteld. Tweemalen spraken wij er reeds van. Hot waren de beelden van genade en van oordeel; de herder, die de negen en negentig schapen laat in de woestijn, om uit te gaan op hef éene, dat afgedwaald, dat verloren is; en de herder, die aan den avond, als hij zijn-klein vee binnen de schaapskooi drijft, de bokken van de schapen afscheidt. Maar al behandelden wij het vroeger, dit beeld van 't jongst gerigt staat in de geschiedenis later. Aan dat van den goeden Herder sluit zich naamver dat van 't verloren schaap aan. Het grootste onderscheid in de voorstelling is, dat hier eene wederkeerige betrekking wordt geschetst, niet enkel 't lijdelijke en hulpolooze der schapen; en in de bedoeling, dat hier niet de minste twijfel overblijft , wie de goede Herder is. En voegen wij nu het drietal beelden bij een, dan hebben wij daarin het herdersleven volledig ; de morgen, met het uitgaan uit de kooi, de dag, met zijne gevaren en afdwalingen, de
186
DE GOEDE HEBDEE.
avond, als de herder de kudde scheidt: — dus trouwe liefdezorg, genadige ontferming, en schiftend oordeel.
Beschouwen wij nu dit beeld nog eens van nader bij; eerst zoo zacht en zoo liefelijk, daarna zoo krachtig en edel.
Een stal is de plaats, of liever, om niet aan onze boerenwoningen te denken, eene schaapskooi: dat is eene ruimte in de open lucht, met eene stevige heining of doorgaans met een' muur afgesloten. 1) Meer voor de veiligheid dan voor de koude, werden de schapen er des avonds ingedreven, en een deurwachter overnacht bij hen. Wie nu door den eenigen ingang niet binnen komt, maar van elders, over den muur henen, inklimt, hij komt met geen goed doel en zonder goed regt. Hij is dief en roovcr. Maar de man, die door de deur ingaat, deze is herder 2) der schapen. Hij klopt, en terstond doet hem de deurwachter open; hij spreekt, en terstond hooren de schapen zijne stem, als die van eenen vriend. En hij roept zijne schapen hij name. Ieder weet, dat landlieden en wie ook veel met vee omgaan, ze gaarne namen geven, waaraan dc dieren zelve zich ook gemakkelijk wennen; maar oen' ander, die geen herder is, zou het niet in de gedachte komen, tusschen de wollige en doorgaans elfen gekleurde schapen zulk een onderscheid te zoeken. Gelaatstrekken hebbende dieren niet, en kenbare teekeuon do schapen het minst. Maar de herder kent ze toch , even als de moeder in salojio's eerste regt haar kind onderkende, zonder dat zij 't een' ander uitleggen en bewijzen kon. Het zijn zijne, letterlijk naar het oorspronkelijke //de hem eigenequot; 3) schapen. — 13e herder roept ze, maar niet om ze één voor één naar buiten te brengen. Hij spreekt ze veel eer aan , en brengt hun zijn' morgengroet. Die krank was of kreupel in de laatste dagen , zogende schapen en lammeren, hij heeft voor ieder een woordj en daarna leidt lij ze uit, of drijft ze uit. Dit laatste woord is niet te sterk. Men kan de schapen niet zoo gemakkelijk naar buiten roepen, 't Zijn zulke lijdelijke dieren , dat zij rustig in de kooi zouden blijven liggen, althans het eerste morgenuur laten voorbij gaan, eer zij naar buiten kwamen. Hot zachten drang cn op 't geblaf van den hond, moeten zij worden uitgedreven. Maar dan ook is er geen verder aandrijven noodig. De roovcr moet zich achter de schapen plaatsen, om ze voort te jagen; maar de herder stelt zich aan hun hoofd. Hij gaat voor, en zij volgen. Hij heeft nu en dan slechts de bekende stem nog eens te doen hooren. Zij volgen. Zelfs houden zij zich onder weg niet op, al weiden zo in 't voorbijgaan wat af. Zij gaan voort, tot eerst
1) Het oorspronkelijke avir; beteckent eenvoudig eene opene plaats, een erf of hof {Luk. XI; 21), tot eene bewoonde plaats behoorende. liet wordt dus hier door ons kooi terug gegeven, en moet niet met eeue eigenlijke stalling verward worden. Eütuïmius zigabknus verklaart het door pavSQa, dat bij de Grieken de meer eigenlijke naam van eene /,stalling voor veequot; was.
2) Niet, zoo als onze vertaling heeft; een herder. Hij is Tmiiiijv , de ander xlfmy; xaï Xt/utiji. De bijvoeging van een verzwakt eenigzins dit generisch onderscheid.
3) In het oorspronkelijke staat voor: Hij roept zijne schuilen bij name (vs. 3), ririjft zijne schapen uil (vs. 4), niet ia jtfóflaTtt avtov of snvxov , maar ra ïdia npóflara. Even zoo onderscheidt jeztjs (vs. 12) den huurling, als ov oix elal ra npóftata ïSta. — Al wordt, bij 't gemis van bezittelijke voornaamwoorden in 't Hellenistisch , ïdiog wel meer gebruikt, altijd heeft't toch, en hier vooral, eenigen nadruk.
187
26*
de goede herder.
de harder stil staat. [Iet is of zij weten, dat deze alles in hun belang doet. Waar liij rust , is ruime en grazige weide of een frissche waterbron. De scliapen doen wel, dat zij bem volgen. Maar een' vreemde volgen zij niet. Veel eer, vreesaebtig van natuur, vlieden zij van hem, omdat zij niet hennen van de vreemden \) de stem.
Oj) dit kalme tooneel aan den vroegen morgen, volgt er een op 't midden van den dag of tegen den avond. Be wotf komt, de natuurlijke vijand der scliapen, zoo sterk en zoo woedend, dat tegen één enkele eene gebeele kudde zich niet verdedigen kan. De wolf komt, hongerig en bloeddorstig als altijd; en is nu de man, die voorgaat, een huurling, een daggelder, wien de selapen niet eigen, wiens eigendom ze niet zijn; zoo dra bij den wolf ziet komen , dus nog eer die zijn vee beeft aangevallen , verlaat hij de schapen en vliedt, alleen op zelfbehoud bedacht. En de wolf grijpt ze en verstrooit de schapen - gelijk dit vraatzuchtig dier gewoon is, hij verscheurt meer dan hij behoeft, valt regts en links de schapen aan , en met verlies van wie er in zijne klaanwen vielen , verstroo jen zich de schapen heinde en verre. Orermiü de, man een huurling was, had h j er geen hart voor.— Maar is 't de herder zelf, de goede herder, 2) hij stelt zijn leven 3) voor de schapen. Terwijl bet weerlooze vee zoo angstig en vertrouwend zich om hem zamen dringt, en zelfs tegenover den open' muil van 1t roofdier stand houdt, zoo lang de herder daar nog staat, kan hij niet vlugten en zijne kudde dus aan haar lot overlaten. Hij stelt er zijn leven voor. Met ongelijke wapens zelfs , waagt hij den gevaarlijken kamp. Moet bij in die worsteling bezwijken, liever dat, dan ontrouw te worden aan zijne roeping. Bebloed valt de herder neder j maar ook de wolf is doodclijk gewond, en geen schaap heeft hij verscheurd.
Bij dit beeld van den Goeden Herder merken wij alleen nog op , dat er twee andere tegenover staan. Waar je/.us de kennis en betrekking schetst van den herder en zijn vee, is zijn tegenbeeld de dief en roover , die (naar vs. 10) niet komt, dan opdat hij stele, en slag te, en verderve. Ik heb hier en vroeger met opzet roover vertaald, niet moordenaar, omdat de laatste vertaling van het woord onjuist is, al spreekt men altijd nog van //den
188
en Jok. XV : 13.
Eli GOEDE JlKill)ek.
moordenaar aan liet kruis.quot; 1) — De schapendief is nog geen moordenaarj hij gaat alleen op roof uit. Herders weten daar nog veel van te verhalen, vooral in min bewoonde landen. Gohcele stammen leven er van dien roof, eu zijn juist het tegenovergestelde van de vreedzame herdervolken. Zulk eon roover, (Boschjesmm of Zigeuner hij voorbeeld in onzen tijd,) wanneer hij alléén is vooral, sluipt in stilte de kooi rond. Hij komt er niet op de wettige wijze biimen, maar klimt over of breekt door, eu vrijwillig volgen hem de schapen daar buiten niet. Zij vlieden veel eer van zijne stem. — Dit is het eerste en sterkste tegenbeeld.
Het andere is de huurling. Hij komt nog om iets anders, dan om te slagten en te verderven; //om zijn loon.quot; Er staat ook niet, dal de schapen van hem vlieden; maar in tegendeel, dat hij van hen weg vlugt. De kudde volgt den huurling ook, zoo dra zij maar eens aan hem gewend is; maar in 't gevaar verlaat hij lien, en vliedt.
In één opzigt evenwel komen deze twee beelden met elkander over een : van belden , roover en daglooner, is zelfzucht het beginsel. Het is om de schapen niet, dat zij zich zoo veel moeite geven, dat zij veiligheid of leven wagen; van daar, dat er bij den roover geen ontferming is, maar ook bij den huurling geen moed in gevaren. Alleen zijn loon heeft hij lief, niet zijn vee.
Dat beeld nu validen Goeden Herder, het is geheel van toepassing op hem, in wiens mond het te gelijk eeue profetie is. 2) Bij de zuiver menschelijke beschouwing van jezos' leven, zal die sombere lijdenspro let ie, in vereeuiging met den stouten zegekreet over de aanstaande overwinning van het godsrijk, wel altijd een raadsel blijven. Ieder ander, die als hervormer der mensehheid is opgetreden, begon met het bemoedigend uitzigt op de Verwezenlijking zijner edele plannen; en iiij eindigde, onder den weemoedigen indruk der teleurstelling van jeugdige idealen , met zich met 't mindere te vergenoegen, of de voltooi-jing van zijn gebouw over te laten aan de toekomst, zoo hij daarvan niet moedeloos de hand aftrok of stierf als een mcnschenhater. Jezus alleen,—wij zullen het nog in een ander zinnebeeld geschetst vinden, — ving zijne taak aan , in het vooruitzigt van daaronder te bezwijken, en juist daardoor te overwinnen.
Hier is dat bezwijken niet, gelijk elders, als eene schuldverzoening voorgesteld, maar
1) Het moordemar geeft in onze Gelijkenis gcone juiste voorstelling van tic zaak. Dief en roover drukt juist liet Grieksche xlénrt/s ««I Xyntij; uit. De zelfde opmerking geldt omtrent den mau iu cone andere Gelijkenis, die onler de moordenaars (beter roevers) vervallen was, {Luie. X ; 30.) De bekende moordenaar {roover) aan 't kruis {Matlh, XXVII : 31), heet bij lukas kaxocpyoi,
2) Van de toepassing der verdere bijzonderlxeden bob ik bij deze leenspreuk naar joiianneü niet een» willen sproken. Zoo is do deurwachter door somimgen voor mozes, door anderen voor jouannes den Doopcr, ook wel voor den Heiligen Geest (en dan de deur voor de schrift, ciirïs.) gehouden. Maar zijn beeld staat hier eenvoudig als een bewijs voor 't regt des goeden herders op zijne schapen.— He schaapsstal is natuurlijk bj de Kerkvaders (\UGUiTisin ens.) do Katholijke kerk , roevers de dwaalleeraars, wolf de duivel enz. —Wie hiervan meer verlangt, kan het vinden bij salmkron {fay. 73—00), cn (uiteen oud-protestantsch oogpunt) bij koexigsmann'. {Thes, Nov, tl; 501—521.) Al leert men niets anders nit al deze eompres gedrukte folio bladzijden, de verbazende geleerdheid der schrijvers zal men zeker moeten bewonderen.
189
DE GOEDE HEKDEI!.
als de zelfopoffering dor liefde, 't Ts tot verdediging en behoud zijner schapen, dat de goede herder vrijwillig zijn leven opoffert, in den strijd met de vijanden van het gods-rijk. Nog eens verklaart liij stellig (vs. 17 , 18) , dat niemand tegen zijnen wil zijn leven van hem neemt, maar hij het van zich, zeiven ajlecjt, en daarom de Vader hem lief heeft; en dat hij de magt bezit en 't fjehod ontvangen heeft, om zijn leven af te leggen , en het wederom te nemen, ja! dat hij 't aflegt, ten einde het weder te nemen.
En zoo zag de Heer het nachtelijk tooneel van Qethsemané vooruit, waar 't profetisch woord zou vervuld worden: Sla den herder, dat de schapen der hulde verstrooid worden! [Zach. XTÏt : 7 ; Matth. XXVI : 31.) En omdat hij het voorzag en zich er tegen wapende, vlood hij ook niet, toen de wolf kwam; — de wolf, die nu eindelijk de schaapsvacht had afgelegd. (Vergl. Matth. VTl ; 15.)
Maar niet minder opmerkelijk is de beschrijving der wederkeerige kennis tusschen herder en schapen. Het liefelijk beeld hebben wij beschouwd; maar de toepassing reikt verder, dan wij in den aanvang zouden gedacht hebben. Deze diepere zin van jeztis' woorden is wel eenc nadere overweging waard.
tedere godsdienstleeraar, wiens persoonlijkheid eenigen indruk maakt, vormt rondom zich eenen kring van aanhangers , die zich liefst door hem laten leiden, en zijne stem herkennen uit velen. Ook jezüs had, als zoodanig, duizenden meer of min getrouwe volgelingen, en bijzonder een tal van discipelen, die zich reeds geheel aan hem hadden toegewijd. Hen kon hij zijne schapen noemen, on zich zeiven hun' herder, zoo als hij ook later (vs. 36 en 27) de denkbeelden gelooven en volgen, het kenmerk van leerlingen en van schapen, naauw verbindt. De geloovigen zijn dus zijne schapen. Maar de Heer zegt (vs. 8) , dat vóór hem dieven en roovers gekomen zijn; doch de schapen , dus nog niet zijne schapen, hellen hen niet gehoord. Hunne stem was den schapen vreemd, terwijl zij, toen jezüs kwam, terstond naar zijne stem, als hun bekend en eigen, luisterden. — Verder zegt bij (vs. 16); nik hel nog andere schapen, die van dezen stal niet zjn. Deze moet ik ook toebrengen; en zij zullen mijne stem hoor en ; en het zal worden ééne kudde, één herder!' 1) T)it schoone woord is reeds daarom merkwaardig, omdat het doelt op de roeping der heidenen , 2) die anders bij johannes, als eene voorlang besliste zaak, met stilzwijgen pleegt te worden voorbij gegaan. Maar wij vinden hier dan ook tevens een bewijs, dat je/.us niet alleen zijne schapen noemt, die't reeds zijn, maar ook, die het nog worden zullen, en die hij toch reeds tot de zijnen rekent; en dat wel, niet alleen de verlorene schapen van het Inns Israels, maar ook die zelfs tot deze kudde nog niet behooren. .Ta! die ijdele afgo-dendicnaars te Epheze en Athene, die zedeldoze aanbidders van Venus to Korinthe, die trotse he mannen van 's keizers huis te Home: 't zijn zijne schapen, alleen van een' anderen
1) Misschien is hier deu Heiland wel het profetisch woord in de gedaelite; Mijn knecht david zal koning over hen zijn, en tij tullen, allen tezamen éénen herder hebben. {Ezeeh, XXXVII; 24.)
2) Ik geloof niet, dat dit twijfelachtig is, ofschoon jezos' hoorders misschien, even als vroeger {Joh. VII : 35) , zullen gedacht hebben, dat het in jezüs' oogmerk lag, de verstrooide uitlandsohe Joden {diaspora) te bezoeken; waarom wij ook niet lezen, dat dit gezegde hun ergernis gaf. Jhzus denkt, ook bij Johannes, hoe langs zoo meer aau de uitbreiding van zijn koningrijk over de geheele wereld, hoe meer hij bij zijn eigen volk tegenstand vindt, {.Toh. XII ; 20—24 en 32; XVIII; 37.)
190
de gokde herder.
stal. Zij weten liet niet, zij denken er niet aan, zij zouden er meé gespot hebben, als iemand 't hun gezegd had; en toch zijn ze zijuc schapen. Duidelijk doelt mus hierop zekere voorbestemming of voorbeschiktheid, of beide te gelijk, waardoor een deel der mensch-heid van zelf tot zijne schapen behoort, zoodat zij slechts zijuc stem behoeven te hooren , om die te herkennen, en door hem tc worden toegebragt. Het tegenbeeld hiervan vinden wij in een later woord van den Heer tot de Joden, door johannks in dit zelfde Hoofdstuk bewaard, maar, — naar de volgorde vaxi zijn verhaal ten minste, — eerst op het feest der tempel vernieuwing gesproken. 1) Op hunne vraag ; ulloo lang houdt gij onze ziele op ? Indien gij de chiustüs zijl, zeg het ons vrij uit!quot; antwoordt jezus ; nik heb het u gezegd, en gij gelooft het niet. De werken, die ik doe in den naam mijns Vaders, die getuigen van mij. Maar gijlieden gelooft niet: want gij zijt niet van mijne schapen, gelijk ik u gezegd heb. Mijne schapen hooren mijne stem, en ik ken de zelve, en z'j volgen mij. En ik geef hun het eeuwige leven; en zij zullen niet verloren gaan in eeuwigheid, en niemand zal de zelve uit mijne hand rukken. Mijn Vader, die zc mij gegeven heeft, is meerder dan allen; en niemand kan ze rukken uit de hand mijns Vaders. Ik en de Vader zijn één. [Joh. X : 24—30.)
Dit gezegde heb ik in zijn geheel mede gedeeld, om te doen zien, hoe er meer in jezus' ziel is, dan otu zijue tegenwoordige discipelen //zijne schapenquot; te noemen en zich zclven //hun' herder.quot; — //G j gelooft niet: want gij zijt niet van (behoort niet tot) mijne schapen.quot; 3) Wij zouden oppervlakkig zeggen, dat do zin moest omgezet worden: //Gij zijt mijne schapen niet, omdat gij niet gelooft.quot; Toch drukt alleen het eerste jezus' denkbeeld uit. De Joden, — in den zin, dien johannes er aan hecht //ongèloovige en vijandige Joden— konden in jezus niet gelooven, wat hij ook zeide en wat hij ook deed, omdat zij niet van het getal der genen waren, die tot jezus' schapen geschikt waren en verordend. Maar even onmogelijk was het ook, dat zij, die voorbestemd waren om de zijnen te wezen , hem vreemd blijven zouden of van hem vervreemden. De eenheid vau zin en doel met zijnen quot;Vader, die ze hem gegeven had, was hem ten waarborg van hun onvervreemdbaar eigendom. Niemand kan ze teil zijne hand als los rukken , omdat niemand ze ruiken kan uit de hand zijns Vaders. Even eens spreekt jezus in 't hoogepriesterlijk gebed [Joh, XVH) van de mensche/i, die de Vader hem uit de wereld gegeven heeft. nZj ivaren uwe,quot; zegt hij : // Gij hebt ze
1) Wanneer wij de volgorde bij johannes letterlijk overnemen, kan hot wel niet anders, oi Joh. VII : 2—X ; 21 behoort tot het loofhuttenfeest, en Joh. X : 22—:i9 tot dat der tempelver-nieuwing, zoo als dit ook, zoo ver ik weet, door allo uitleggers wordt aangenomen. De overgang is echter niet zoo scherp afgebakend , als elders; bij voorbeeld Joh. V : 1; Na Hezen, was er een feed der Joden; Joh. VII ; 2 ; Het feest der Joden nu , de loofhidlenzeiling, teas nabij. Hier is 't alleen : En het was (of werd?) te Jeruzalem de tempelverniemeing, en hel was winter. — Zou dit berigt ook op een deel der vroegere gesprekken of gebeurtenissen, hoe naauw ook in liet verhaal aan een geschakeld, kunnen betrekking hebbenP — Zoo niet, dan moeten wij deuken, dat jezus met 't beeld van den goeden Herder een vorig maal plegtig afscheid genomen had vau Jeruzalem, en daarom nu, bij zijn weder optreden, bijna drie maanden later, zich daarop nog beroepen kon; als of hij zeide: «gelijk ik n de laatste maal gezegd heb,quot;
2) Eigenlijk staat er niet vau, maar nit mijne se hu pen; even als door lx wordt aangeduid, dat nikobemus tot de ïanzeën en ïiliw'us tot de zeven eerste diakenen behoorde. (Joh. Ill : 1; Hand. XXI : 8.)
191
jjjj) de coede iieudeh.
mij gegeven, en ik heb hen bewaard. Niemand uil hen is verloren gegaan, aan de zoon der verderfenisquot;
Deze laatste wooidon waarschuwen cns voor eene al tc sterke opvatting, als waren do bestemden om jkzcs'schapen te zijn , nu ock allen cnvooraaaidelijk ten eeuw gen leun voor-beschikt. Ook judas was een uitverkoorne, en werd toch een duivel. (Joh. VI ; TO.) Bovendien is deze voorverordening niet willlt;keurg, maar gaat gepaard met zekere voorhescliiktheid, zender dat wij den zamenhang van beide denkbeelden kunnen bepalen , en dus oek, zonder dat wij ons behoeven te wagen op het doornenveld der Eemon-strantsche gescbiller. Dit alleen is z(k(r. Zoo als Jtzvs de vijandschap der wereld niet verwondert, enidat hij ran de wereld niet is [Joh. 711 : 7 5 X\I : 83), zoo rekent hij ook zeker op een deel van het mensehdem , door God bestemd en in zich zelf reeds geschikt, om hem ie volgen. Waar 't geldelijke zijner zending wordt betwijfeld, is het: „Zoo iemand roil den wille Gods doen, die zal van deze leer Mennen, of zij uit God is, dan oj é van mij zeken qreehquot; {Joh. 711:17.) Als hij zich bitter te beklagen heeft over dit geslachte, als dat hem even min als jouactes bet oor leent, troost hij zich niet liet nitzigt: Maar de wijsheid wordt geregiraardigd van al hare kinderen. {Lvk. quot;VU : 35.) Eu waar endelijk imlatvs den armen dweeper, die zich koning zou genoemd hebben, zoo als men zegt, met nu delijdin aanstaart, beft do diep vernederde lijder fier bet hoofd omhoog ze-t: nMijn koningrijk is niet van deze wereld. Maar daartoe hen ik geboren, en daartoe henik in de wereld gekomen, o^dat ik der waarheid getuigenis geve; en al wie vit de waarheid is, hoort mijne stem.quot; — Pat gevoel van egendemsregt doet oe.k jvzvs belden, voor de elve niet alleen, 11 aar roor allen, die door hvn woord in lew geloor en- zvllen {Joh. II: 20) j ,,, het n,reekt neg van de lippen des Opgewekte n , als hij tot peieüs zegt: „Hoed mijne «haven , weid mijne lammeren !» {Joh. XXI : 15-17.) Pe zelfde petris spreekt later ook de ouderlingen der gemeente als opzieners .11 herders toe, ókmet een vokaaraig gemoed en als rood eel den der hulde, niet om wil gerei n , de hulde Gcds (0 weiden hel.ben, als lu t eigende m van den oversten herder, die weldra verschijnen zal. (1 Petr.~V : 1-4.) — Kn .uwill.Wp drukt de eerste gescbieelscbrijvcr van't jengehg christendom dit eigendoms-rrgt van den Heer uit, als bij zegt, dat er op de eene plaats zoo velen geloofden , als er verordend waren ten eevwigen leven ; en op de ande re-, de Heer zijnen dienaar over eene eerste teleurstelling troost met de woorden; nik heb reel volks m deze stad;' terwijl eindelijk de éc'ne; kudde, uit Joden en Heidenen vergaderd, meermalen jezüs' eigen volk , de uitverkorenen Tiods onder het Nieuwe Verbond, genoemd wordt. {Hand. XLII : 48 5
XVI11 : 10 ; Tit. IT : 14 ; 1 Petr. 1: 2 enz.)
In bet gezegde I gt eene groote waarheid opgesloten. Jkzvs gaat daarom met zoo volle zekerheid voort, omdat bij niet alleen bet gevoel van eenswillendbeid met God in zich omdraagt, maar oe k rekent op al wat waarlijk mcnscbelijk (en dus goddelijk) m't mensch-dom is: op allen, die vit de waarheid, die kinderen oer wijsheid (naar de Hebretuwsche opvatting) zijn, en dus geneigd, om den wil Gods te doen. Dit zijn zijne schapen, zijn volk; ze zijn he m door den Vader gegeven. En zijne verwachting heeft hem niet bedrogen. Het Christendom heeft eene ondervinding van achttien eeuwen achter zich. Altijd en overal vond
DE GOEDE IIEIiDER.
het jezxis' schapen. Uit Jeruzalem verdreven, maakte het zich meester van 't Romeins.ehe rijk. In Rome verbasterd, bloeide het bij de Duitsche volken. En ware het mogelijk, dat 't in Europa onderging, het zou elders weder opgaan, al ware het van de eilanden der Zuidzee. Overal vond steeds het evangelie ooren en harten geopend. Telkens als het dwalend mensehen-verstand moede was van liet tasten naar de waarheid, en 't zondig men-sehenhart zat van onrust en strijd, klonk dat woord liefelijk in de ooren, als de vader-landsche taal in 't vreemde land, als 't verdwaalde kind de stem zijner moeder : nKomt tot mij, die belast en hel aden zijt. Ik zal u rust geven voor uwe zielen !quot;
Maar op dit denkbeeld: //het algemeen menschelijke, de waarborg der onvergankelijkheid van het Christendomquot; komen wij nader terug. Ku wil ik er alleen nog bijvoegen, dat allen, die de stem des Heilauds als die van den goeden Herder herkennen, reeds daardoor een' waarborg hebben van hunne inwendige roeping; zoodat alle angstige vragen naar eene goddelijke voorverordening daardoor van zelf vervallen. Ons blijft daarbij alleen de taak over, om onze roeping en verkiezing vast te 'maken. En hoe? Eenvoudig door te volgen. Niels anders wordt er van de schapen geëischt. Doch te volgen, niet door angst gejaagd, maar door liefde getrokken; te volgen, ook in den strijd en't lijden, ook inden nachten op den doornenweg, ziende op den oversten Leidsman en Voleinder des geloof». [Hehr. XII : 2.)
De arme mensch heeft daar behoefte aan. Hij kan niet op zich zeiven staan. Iels moet hij hebben, waaraan bij zich houdt, waar hij zijn vertrouwen opstellen, dat hij volgen kan. Hij heeft te veel behoefte, en te weinig kracht. Hij is geschapen voor du eeuwigheid, en weet den weg niet. Zijne ziele dorst naar God, en hij kent Hein niet. Hem bezwaart de zonde, en hij kan ze niet afwerpen. IIij staat met blindheid geslagen voor 't graf, en kan zich zeiven de oogen niet openen. Het kind roept om zijne moeder, het schaap om den herder, 's mensehen ziele om God, en wie hem tot God brengt. Dus neemt hij chhistus aan, niet op uitwendig gezag alleen , maar door een inwendig geloof. Maar dat geloof wordt hein nu ook een gezag, hecht zich aan de woorden niet alleen, maar aan den persoon. Zoo hij zich aan den goeden herder niet hechtte, hij zou den huurling volgen, of zelfs door den roover zich laten weg drijven. Nu heeft hij rust, en kan de apostel ook tot hem zeggen: Eertijds waart, gij ah dwalende schapen, maar nu zijt gij bekeerd tot den Herder en Opziener uwer zielen. (1 Petr. II : 25.)
Als wij bij deze ondervinding de onrustige wereld van onzen tijd beschouwen, dan biedt zij ons nog maar al te dikwijls, met al hare wijsheid en heerlijkheid, het beeld aan van «ohapen, die geenen herder hebben, een beeld, waarbij elke ware menschenvriend door innerlijke ontferming bewogen wordt. Aan dil gevoel van behoefte moet zich alle evangelieprediking aansluiten ; van die ontferming moet zij uitgaan; hierin moeten zich allen vereenigen, die nu nog verschillen, maar toch tot die ééne kudde behooren, die den éenen herder volgt. De herder zelf zal wel, als hij komt, de schapen van de bokken scheiden.
De God nu des r redes, die den groot en Herder der schapen , door het bloed des eeuwigen testaments, uit de dooden heeft wulergebragt, namelijk onzen Ileere Jezus ciuustus; die volniake u in alle goed werk, opdat gij zijnen wil moogt doen; werkende in u het geen voor Jlem we/hehagelijk w door jezus christüs; wien zij de heerlijkheid in alle eeuwigheid l Amen. {Hehr. Xllf : 20, 21.)
198
I) E W A 11 B W IJ ]N S T O K.
Ik hen de ware Wijnstok, en wijn Vader is de Landman. Alle ranke, die in mij geene vrucht draagt, die neemt Tij weg, en alle die vrucht draagt, die reinigt Hij, opdat zij meer vrucht drage.
Gijlieden zijt nu rein, om het woord, dat ik tot u gesproken héb. Blijft in mij, en ik in v. Gelijhenoijs de rank geene vrncht kan dragen van zich zelve, zoo zij niet in don wijnstok blijft; al zoo ook gij niet, zoo gij in mij niet blijft.
Ik ben de wijnstok, en gij de ranken; die in mij blijft, en ik in hem, die draagt veel vrucht; want zonder mij kunt gij niets doen. Zoo iemand in mij niet blijft, die is buiten geworpen, gelijkerivijs de rank , en is verdord; en men vergadert de zelve, en nun werpt ze in het rnur, en zij worden verbrand.
Meermalen reeds, bij de belmudeling der Evangelische beeldspraak, is ons de wijnstok en zijne vrucht voorgekoinen : het planten, aanleggen en verpachten van den wijnberg, bij de Booze Landlieden; 't huren van werkvolk in dc drukte van den oogst, in 't beeld der Arbeiders, en de dagelijksche arbeid op den wijnberg, in de twee ongelijke Broeders; het bewaren en vervoeren van den wijn eindelijk, in de oude en nieuwe Zakken. Altijd kwam ons dit beeld voor , als de bloei en weelde van Palestina, een der vele voorregten van Gods uitverkoren volk in 't land der belofte; een beeld, zoo edel en schoon, dat 't reeds bij voorkeur door Israels profeten en zangers in een' hoogeren, godsdienstigen zin gebruikt werd. Over Israels wijnberg en dien des Nieuwen Verbonds, als 't zinnebeeld der goddelijke gunst, spraken wij dus meermalen; thans hebben wij nog, naar eenc andere beeldspraak, niet wijnberg en druivenoogst, maar een' enkelen wijnstok ons voor te stellen.
Wij hebben dit beeld gedurig voor oogen, en toch niet, zoo als jezus' hoorders het vóór zieli hadden. He dorre ranken, die bij ons langs muur of dak slingeren, die't laatst van alle haar spaarzaam blad dragen in de spade lente, en waaraan de schoone maar kleine trossen nog dikwijls half rijp door den winter overvallen worden;—'t zijn slechts eenzame en kwijnende kinderen van het zuiden, die uaauwelijks ons een denkbeeld kunnen geven van wat de wijnstok in het oosten is. Hoewel thans 't eenmaal zoo bloeijende heilige laud zucht ouder de roede der verdelging, vond een nieuwere reiziger (scnri.z) nog aan de zuidelijke
I
de made wijnstok,
helling van den Libanon een' wijnstok van dertig voeten hoogte en anderhalf in de door-made, die togen de brandende hette eene schaduw van vijftig voeten lengteen breedte aanbood. Een ander at, in 't zuiden des lands , trossen van bijna eene el lengte en meer dan tien pond zwaarte, gelijk die ons in 't oude beeld der verspieders haast ongeloofelijk voorkomen. En wordt nu slechts hier en daar die edele vrucht nog gezien, in de eeuwen, waarvan de bijbel spreekt, werden daarmede telkens de akkers en weiden van Kanaün afgewisseld. Van de Eilistijnsche kust tot aan den voet van den Libanon, en van Sarons en Jizreëls valei tot de weiden der woestijn, hieven telkens de wijnbergen 't groene hoofd vrolijk opwaarts, of breidden op zich zelf staande wijnstokken langs en over den muur der landhuizen hunne ranken uit. I ) Ook de Heiland der wereld zag ze vriendelijk zich buigen over de woning van moeder of gastvriend , zag de zee van Tiberias aan den voet der wijnbergen hare golven breken, of reisde langs hun welig loof en de roode, purperkleurige vrucht, waarvan, naar de menschlievende wet van mozes, men geen' reiziger verhinderen mogt, vrijelijk te eten. [Dent. XXIII : 21.)
En verre was daarbij van den Heiland die strenge en harde kluizeuaars-deugd, die in noodelooze onthouding van wat aangenaam en liefelijk is, verdienste bij den hemel zoekt. Aan de bruiloft van Kan a trad hij 't eerst op in zijne boveninenschelijke grootheid ; en met de kelk in de hand nam hij van zijne discipelen afscheid, zeggende : nik zal niet meer drinken van deze vrucht des w jnstoks, lot ik met v die nieuw drinken zal in het koningrijk mijns Vadersquot; [Matth. XXVI ; 2!).)
Het was nog aan dezen zelfden disch, bij 't ingaan van den aandoenlijksten nacht. De Heer had reeds met dien beker het avondmaal ingezet, en den wijn vergeleken met zijn bloed, nik zal niet veel meer met n spreken.had hij kort daarop gezegd; en toen : iiStaat oj), laat ons van kier gaan !quot; — Was 't oude gebruik niet meer in zwang, om het pascha geschoeid en staande, geheel reisvaardig, te vieren, misschien zong men den lofzang of 't groote hallel toch eerst, nadat men was opgestaan. Mattuküs en markus berigten ons, dat dit gezang het slot van 't bijeenzijn in de paaschzaal is geweest. Naar tohan nks schijnen wij het ons zoo te moeten voorstellen, dat jk/x's opstaande met dc elve, nog als aan de plaats gebonden, zijne rede hervatte en vooral door troostrijke beloften de zijnen opbeurde, tot hij al sprekende overging in 't gebed, waarop nu eerst de lofzang volgde. Het woord nu, waarmede jezus opstaande zijne rede herneemt, is; nik ben de ware wijnstok,quot;
Wil men dus tot ieder beeld eene aanleiding zoeken, — schoon ik niet zie, waarom de
1) Dat niet enkel wijngaarden in liet Joodsclie land werden aangelegd, maar ook dc wijnstok nis op zich zelf staande boom geplant, waardoor hij sterker groei en grooter uitbreiding verkreeg, blijkt, niet alleen uit de spreekwijze: Gansch Israel leefde in vrede, onder zijnen wijmtolc en vijgeboom; maar ook uit onderscheidene profetische beelden. Zoo, bijvoorbeeld, vinden wij Ezeeh. XVII de fantastische voorstelling van oenen arend , die nam van het zaad des lands en Iride het in eenen zaadakker, en het sijroot uit en werd lot eenen welig vitloop'ndcn wijnstok, nederig ran stam enz. JN'og meer als een regt opgaande stam wordt dc wijnstok geschetst, die Ps. LXXX het beeld van TsraH is, welks schaduw de hergen bedekte, enzijne ranken waren ceder boo men Gods. Deze voorstelling moge grotesk wezen, zij rust toch op dc natuur. Ook de reusachtige gouden wijnstok (of wijnrank?), die den ingang van het heiligdom in jezus* tijd overschaduwde, en waarop sommigen mcenen , dat de Heiland hier zinspeelt, is daarvan het beeld.
de ware wijnstok.
Heer niet overal en altijd van den zoo nationalen wijnstok spreken kon;—maar wil men die aanleiding zoeken, zoo ver als reeds sommige ouden behoeft men niet te gaan, daar de kelk vóór hem , dubbel gewijd en gezegend heden avond, vrij natuurlijk den wijnstok m de gedachte hragt. 1) Het gebruik, dat jezus van dit beeld maakt, is, nog meer dan bij den goeden Herder, zuiver allegorisch. Er wordt geeno geschiedenis verhaald, geen raadsel opgegeven. Wie de wijnstok is en de wijngaardenier, wat de vruchtbare en onvruchtbare ranken , wordt telkens duidelijk gezegd. De eigenlijke en oneigenlijke gezegden worden zelfs zoo door een gemengd en de overgangen zijn zoo onmerkbaar, dat bij voorbeeld vs. .'5 er zou kunnen worden uitgelaten, of wel vs. 7 en 8 er bij gevoegd, zonder dat de beeldspraak daarom minder goed een geheel zou uitmaken.
Gelijk nu de Parabol eene bedekte vergelijking is, waar de beteekenis iu weg schuilt, zoo is de Allegorie eene voortgezette vergelijking, waarbij terstond de tegenstelling van 't natuurlijke en geestelijke wordt aangewezen, en te gelijk beider overeenkomst (ciiiiis'its == de wijnstok); daarna wordt telkens in bijzondere trekken die vergelijking nader uitgewerkt, of een groep van andere beelden rondom het eerste geschaard. Over den zin kan dus weinig of geen verschil zijn; maar tot waardering dier bijzonderheden is 't niet ondienstig,—wat wij toch bij jezi's'parabolisch onderwijs gewoon zijn,—eerst 't natuurlijke, eigenlijke, 't beeld zelf, nog zonder den dieperen zin, ons voor oogen te stellen.
Een wijnstok wordt afgebeeld, onder de zorg van eenen landman. En waarom, vraagt men; eenvoudig een landbouwer, en geen wijngaardenier? — Omdat deze alleen bij een' wijnberg te pas kwam, en dan doorgaans de eigenaar nog niet eens was. 2) Even als de bezitter van eenen wijngaard, naar eene vroegere Gelijkenis, eenen vijgehoom daarin hebben kon , die met zorg was geplant en gekweekt; even zoo had iedere landman ligt zijnen wijnstok, waaraan hij, juist omdat het er maar een enkele was, alle zorg besteden kon. Juist deze bijzonderheid, dat 't niet één der vele wijnstokken op den wijnberg
1) Sermochia/ur hnec Ohrislm itlico pu*t mstitulam eueharutwm. Liobtfoot. Of daarom jkzus evenwel, met het oog op Psalm LXXX, Je*. V enz., heeft willen zeggen, dat van nu af niet meer Israël, maar hij met de zijnen de wijnstok Gods wezen zou, is minstens zeer twijfelachtig. Over het geheel beu ik niet ingenomen niet de uitlegkunde, die vooral bij Engelsehe schrijvers thans weder zoo veel opgang maakt, eu waardoor do bijhelsflio beeldspraak , — ik weet 't niet duidelijker uit te drukken : — gesystematiseerd wordt, zoodat hier, bij voorbeeld, alle zinnebeeldige druiven en wijnstokken in den bijbel worden in verband gebragt. Men kan bij drummond zien, hoe dit de gelegenheid geeft, om veel en diepzinnig te s| reken. Naar mijn gevoel ontbreekt eehter aan die luchtkasteelen de grondslag; waarheid. De bijbel is geen kunstmatig geheel, maar eene gewijde bibliotheek, en als jezus een vaderlaudsch beeld gebruikt, telt hij niet eerst alle vroegere bijbelplaatsen, waarin het reeds gebruikt werd vóór hem.
2) Het woord ysaiyyos komt overeen met ous landbouwer. Paulus zegt van hem, dat hij alleen op zijnen arbeid ile vruchl geniet, en jakobus, dat hij die gediddig afwacht, na den vroegen en spaden regen. (2 Tim. 11 ; 0; Jal. V : 7.) Buiten deze twee plaatsen komt het woord alleen nog voor van do booze landlieden {Matth. XXI: 33 enz,), waarbij men gewoonlijk aanteekent, dat het, ook bij Gi'ieksohe schrijvers, soms wijngaardenier beteekent. Dit is alleen in zoo verre waar, als de wijnbouw oen tak van het akkerwerk was , en iedere landman bijna in Palestina ook den wijnstok aankweekte. De tiitnaXovi/yamp;g Luk. XIII :7 (elders komt het woord niet voor) is een ander man: de tuinman van den wijnberg, en niet de landman zelf.
DEi WA11K WIJNSTOK.
is, maar een op zich zelf staande boom, even als Je onvruchtbare vijgeboom, geplant hi den wijngaard, doet 't beeld meer uitkomen, en deze zorg waarderen. 1)
En die zorg betrof voornamelijk de ranken. Ü) 't Is eene eigenschap van den wijnstok, dat nooit, als bij den vijgeboom, 't zware hout, maar altoos de dunne ranken vrucht dragen. Bij 't veelvuldig snoeijen, dat zelfs bij ons dit welig gewas zoo zeer behoeft, let de landman voornamelijk op don aard der ranken. Daar is goed vruchthout onder, en dorre takken of wilde waterloten. .VI dit onvruchtbare en daardoor nuttelooze hout, neemt de landman weg. Hij weet, dat 't nooit goed meer worden kan, al is de wijnstok nog zoo goed. Hij behoeft ze niet eens af te houwen, gelijk men den nut-teloozen vruchtboom doet of zijne onvruchtbare takken; hij neemt ze eenvoudig weg met de hand: want bij de voeg, waarin zij wassen, laten zij gemakkelijk los. .'5) En wat wordt er gedaan met die nuttelooze ranken? Hier herinneren wij ons, wat reeds in de Algemeene Inleiding (Hlz. xxi) uit Ezech. XV is aangehaald. Wanneer liet hout van den wijnstok geen vrucht draagt, staat het gelijk met liet slechtste howt eens icouch. Geen hout wordt daarvan genomen , om een stuk werks te maken, zelfs niet eene pin, om daaraan eenig vat op te hangen. Zie! aan het vuur wordt het overgegeven, opdat het verteerd worde: het vu/ur verteert heide zijne einden, en zijn middelste wordt verbrand. He kronkelende, taai je ranken, tot werkhout ongeschikt, waartoe zelfs de stam niet deugt, worden aan beide einden aangegrepen door de vlam van den oven. Want de Israëliet, die dagelijks zelf zijn brood bakte, zamelde ijverig takken en stoppels, doornstruiken en lang gras bij een, om telkens 't vuur in zijn' bakoven op te stoken. Dat is 't eenige, waartoe nog de onvruchtbare ranke goed is!
En de vruchtbare nu? He landman verblijdt zich er in, maar laat ze niet aan zich zelve over. Alle ranke, die vrucht draagt, reinigt hij, opdat zij meer vrucht drage. 't Is vooreerst noodig, zal zij op den duur vrucht dragen, dat zij in den wijnstok blijft. He besterank is niets in zich zelve, niets dan door den wijnstok. Indien liet mogelijk was, dat zij zich daaruit los scheurde, zij zou naanwolijks eene wonde achter laten, maar zelve 't leven verliezen. Als nutteloos is ze reeds, bij 't eerste opruimen, buiten geworpen; en zij is daar, waar 't afval van houtgewas bij een ligt, verdroogd, van alle levenssappen beroofd ; want eene rank van den wijnstok maakt uit zich zelve geen' wortel. Niet door
1) Drummond, de eeuige, bij wien ik deze Gelijkenis uitvoerig behandeld vind, zegt wel; Our Lord implies thai Ihc vine lo which he. refer» ia planted in a vineyard, maar hij bewijst dit niet. Een wijngaard, die uit éénen wijnstok bestaat, is ondenkbaar; en Je ware wijnstok onder honderd andere, binnen de zelfde omtuining, strijdt geheel met Jezus' bedoeling.
2) Als eene proeve, hoe de wijngaardenier oudtijds de ranken besnoeide, en dit beeld ook den Grieken niet vreemd was, kan de plaats van a use in nes dienen, bij meijhu aangehaald: dfinnXoviiyoïrrl TivBS rtjy nókiv, dvateTfiijxaal itvej ia xXtlfiata in roiquot; iïijfiov.
3) Van de ranke wordt eenvoudig gezegd: avió. Van den ouvruehtbaren boom hxxóntsini. [hij wordt uitgehouwen)', van de verworpen takken aan den olijfboom èZexlacrd-t/crnv , of ook, als eene bedreiging, êxyonrjarj. (UTallh. 111:10; Hom. XI: 17—92.) — Geen bijl en zelfs geen snoeimes is voor de doode ranken noodig; misschien het mos voor do onvruchtbare, maar voor de vruchtdragende zeker.
197
DE AVA11E WIJNSTOK.
stekken, maar door afleggers , die uog aan den ouden wijnstok vast zitten, kweekt men nieuwe planten. En zijn er genoeg bij een, men zamelt die ranken op, en werpt ze in 't vuur, en zij brandenI 1)
Dit zelfde lot wacht dus de ranken, die worden weg genomen, om hare onvruchtbaarheid, en de vruchtbare, die van den stam los laten. —• En die er aan blijft en vrucht draagt ? De landman reinigt ze, 3) opdat zij meer vrucht drage. Hij spaart 't snoeimes niet; hij neemt onnutte öf dorre bladeren weg; hij kort de overtollige draden, waarmede de ranken zich hechten, in; hij dunt de druiven, of snoeit er de kleine trosjes uit. Geen vruehthout, dat zoo teedere zorg zoo goed beloont. Zelfs in ons land beeft men slechts de onverzorgde boerendruiven te vergelijken met die in 't westland worden aangekweekt of door een' hovenier verzorgd, om in de grootte, de schoonbeid, den smaak het onderscheid op te merken.
Tot dus verre het beeld; nu de bedoeling. Reeds terstond merk ik daarbij op, dat die geheel in den Jolianneïschen stijl is uitgedrukt, zoodat ik wel denkbeelden en gezegden, maar niet den vorm en de volgorde der uitdrukkingen aan den Heer zeiven zou toeschrijven. Tot dien Johanneïschen stijl behoort, dat de rede als in eenen kring rond gaat, die telkens weêr wordt hervat en uitgebreid, tot zij ten laatste zich hoog boven den aanvang verheft, of geheel daarvan afdwaalt; even als de arend, — waarmee van ouds johannks vergeleken is, — in steeds mimer kringen tot boven de wolken opstijgt, de zon in 't aangezigt. Het zou ons te ver afleiden, wanneer wij dit in bijzonderheden aanwezen, zoo wel waar .ionan'ni-S, in denaanbef van zijn evangelie en elders, zelf spreekt , als waar hij, in't hoo-gepriesterlijk gebed [Joh. XVII) bij voorbeeld, jeztjs sprekende invoert. Ik herinner dus alleen de vorige Gelijkenis , schoon daarin de eigenlijke Parabel zuiver op den voorgrond staat, nog door de hoorders niet begrepen. De allegorische uitlegging begon (.Joh-, X : 7) met; nik hen de deur der schapen,quot; en wordt straks nog eens opgevat: nik hen de deur.quot; Daarna, meer in den eigenlijken zin der Parabel: nik ben de goede Herderen na de natuurlijke tegenstelling van berder en huurling, nog eens: nik hen de goede Herder ,quot;
1) Miuiu niiiakt opmerkzaam op liet verschil vau tijjen ; *Waiiueei' iemand in mij gelilcven zal zijn, uitgeworpen werd hij, als de ranke, eu is verdord, en men zamelt die bij een enz.quot; Hij leidt daaruit af, dat het afsterven, weg werpen en verdorren tot dezen tijd behoort, liet opzamelen en in 't vuur werpen tot het laatste gerigt. 'Zoo veel is zeker, dat wij hier één der vele punten van overeenstemming vimlcn tusscbcn joiiaxnk.s en de andere Evangelisten, die gedurig dit vuur (de Gehenna) met het Messiaansehe ciiulgerigt vereenigeu, als dat, naar eene andere Gelijkenis (.Ua/t/i. XIII : 40), alle onkruid verbranden zal. Ook het buiten werpen, als uitsluiting van de zegeningen van't Messias-rijk , is ons reeds meennaleu bij de andere Evangelisten voorgekomen. Naar de analogie der andere Gelijkenissen zegt MEUEii, dat met hen, die iu 't vuur werpen, de Engelen worden bedoeld. (Mat/ti XIII ; 41.)
2) Er is een tcïcrc ryl/imw!, die misschien niet geheel toevallig is, in de behandeling van de oa-viuehtbare en van de vruchtbare rank : «iont, avtó en nvtó. Het laatste woord is anders in den landbouw , on met name bij 't nazien en besnoeijen der boomen , niet gebruikelijk, maar wordt dikwijls in een' godsdienstigen zin gebruikt van reiniging, heiliging, verzoening, naar 't algemeene beginsel der oudheid van rein en onrein, als afgebeeld in do natuur. Do eigenlijke bctcefcenis schemert dus hier weder door de allegorie henen. Het is echter te ver gezocht, wanneer mghtfoot meent, dat .tezus doelt op de Levitische wet omtrent de onreinheid der boomvruchten in de drie eerste jaren (Lrvit. XIX : 23) ; en meent, dat de discipelen daarom rein genoemd worden , omdat zij reeds ('v'i?) driejaren liii jezcs geweest zijn, zijn woord gehoord hebben, en dus nu reine vrachten naar de wet beginnen te dragen. Eene zoo echt Rabbijnsehe voorstelling wachten wij allerminst in het Kvangelic van johannks.
198
DE WARE WIJNSTOK,
terwijl bij de uitwerking van dit laatste woord, de Heer geheel 't beeld verlaat, om er toch later (vs. 26—29) nog eens op terug te komen.
In kleiner' omvang kunnen wij hier het zelfde opmerken. Eerst; ulh hen de ware wijnstok en na de uitwerking van dit beeld, waarmede de Heer had kunnen eindigen, nog eens de zin hervat ; nli hen de wijmtok, gij de ranken.quot; — Deze tweede gedaehtenkring is weer ruimer, en breidt zich aan de eeue zijde uit tot 't belsche vuur, aan de andere tot de verheerlijking des Vaders in de geloovigen. Dit laatste is reeds niet zinnebeeldig meer. De allegorie is afgeloopen. Daarom rekende ik vs. 7 en 8 er niet meer toe. En toch slaat nog éene uitdrukking er op terug : nHierin is mijn Vader verheerlijkt, dat gij veel vrmU draagt quot; (vs. 8) — niet enkel, als vruchtdragende ranken, in mij blijft, maar gereinigd zijt om nog meer vrucht te dragen. (Vs. 2.)
Na dit overzigt, dat mij noodig voorkwam, zou de Johanneïscbe stijl ons helder zijn, komen wij tot de uitdrukkingen zeiven, eu wel 't allereerst tot den aanhef: Ik hen de ware wijmtok. Is de ware, hier 't zelfde als bij den Herder de goede? Oppervlakkig kan dit zoo schijnen, en toch is 't zoo niet. Men kon herder wezen, zonder de goede herder te zijn. Voorbeelden genoeg zijn ons bij de uitwerking daarvan voorgekomen. Er wordt slechts eeue, al is 't dan ook geheel eenige zedelijke voortreffelijkheid aangeduid. Maar tegenover den waren wijnstok staat geen valsche; er staat niets tegenover, dan de houtmijt, waarop de ranken verdorren en verbranden.
De ware wijnstok is dus de eenige, de echte, die 't in waarheid is. Ook dit woord waarheid wordt in de Johanneïscbe schriften, meer dan elders in 't Nieuwe Testament, in den ruimsten en diepsten zin van 't woord gebruikt. Van God, als den Eenigen , den Waarachtigen, gaat in die geschriften, niet waarheid alleen, maar de waarheid uit, als een zedelijk beginsel, door en in Christus den zijnen geopenbaard, en dat hen van zonde vrij maakt. Men zou dus ook hier dien dieperen, mystieken zin kunnen zoeken, 1) maar ik zie niet in , dat dit noodig is. Vergelijken wij slechts soortgelijke Johanneïscbe plaatsen. In den aanhef van zijn Evangelie zegt de apostel van zijnen naamgenoot den Hooper: Jij was het licht niet, maar gezonden opdat hij van het licht getuigen zou; en noemt dit (het Woord (Jods zelf,) het waarachtige licht. [Joh. I :'.*.) Later, waar de Joden zich beroepen op 't brood uit den hemel, het manna der woestijn, noemt jkzus
zich zeken het ware hrood uit den hemel of het brood des levens.quot; [Joh. VI : .'52___85.)_
Het ware licht, het ware brood, de ware wijnstok, (overal in 't oorspronkelijke het zelfde woord, dat ook elders tegen valsch en onecht overstaat,) beteek ent mijns inziens niets
1) Zoo mei JEU : Din Realildt der Idee, die, sich im nulürliehen H'emloeke abtnldlich dar.stdlt._Jk kan
nog niet zien, dat deze typische voorstelling zuiver Johannoïseh is. Zij valt meer in den geest van den schrijver aan de Hebreen, die mus noemt den bedienaar tyg axt/ry; rijs alLijamp;ivi/i , terwijl de zigtbare heiligdommen slechts dniiivnn imv aktjamp;ivöjv waren; (Hehr. VIII : 2 en IX : '24) — naar het Rabbijn-sclie idee, dat de realiteit der aardsche dingen, 't oorspronkelijke, waarvan wij slechts de afbeelding aanschouwen, in den hemel is. Zoo verklaart drummond i] üXtjd-iv,] „originalquot; «urcheiypaV', en zegt, met aanhaling van de archetype der tabernakel, die mozks op den berg zag (Itctir. Ylli ; 5); The vine, which we sec ruing from the ground at our feet, and hanging its heauteous branches tad'-n with luscious fruit, is the mere type of this /'True Vine,quot;—of the great original archetype — Christ.
DE WAHK WIJNSTOK.
anders, dan 't geen in waarheid licht, brood, wijnstok kan genaamd worden, en niet enkel daarvoor gehouden wordt, of er den naam cn den schijn vun heeft.
En nn de nadere uitwerking van 't beeld , zoo als die eerst vs. 5 duidelijk wordt toegepast: Ik hen de wijnstok, gij de ranken. Slaat dit gij bepaaldelijk op de elvc, als die in de naauwe gemeenschap met Christus alleen kracht konden vinden voor hun gewigtig en moeijelijk werk? Zeker wel in de eerste plaats, maar volstrekt niet uitsluitend; even min als jezus zich bij uitsluiting hun herder noemt, al zijn zij voor het oogenblik de schapen der kudde, verstrooid, waar de herder verslagen wordt. {Matth. XXVI : 31.) Het is geheel in den zin van .tohanni s en jkzds beide, dat de apostelen hier worden toegesproken als de kern en 't beginsel van de gemeente der geloovigen, die deze Evangelist zoo scherp onderscheidt van de wereld; zoodat wat tot hen gezegd wordt , ook in voorraad geldt van allen, die door hun woord in hem gelooven zullen. {Joh. XVII; 2D.) Hier is 't zelfs iu het beeld aangewezen : want de landman reinigt de vruchtdragende ranken, en zij, de discipelen, zijn reeds rein, behoeven dat niet meer: dus zijn de ranken, die nog gereinigd worden, natuurlijk andere. 1)
200
En zoo slaat het beeld wel inde eerste plaats op hen, wien 't zoo noodig was, reeds bij jezus' leven, zich naauw aan den Heer aan te sluiten; maar ook, op den zelfden grond, op alle geloovigen. Verder is het duidelijk, dat hier 't beeld van de naauwste levensgemeenschap ons wordt voorgesteld. De wijnstok staat daar niet, om voor zich zeiven, aan eigen'stam of zwaarder takken, vrucht te dragen. Hij wordt daarom ook niet bestraft of met uitroeijing bedreigd, als de vijgeboom of andere, aan wier wortel de bijl reeds ligt. De wijnstok is goed : in de ranken openbaart zich zijne vruclitbaarheid. Maar daartoe moeten deze hare sappen ontvangen van den wijnstok. Zoo dra die ophouden te vloeijen, is 't met de vruchtbaarheid, maar ook met 't leven der ranken gedaan. Een wijnstok zonder ranken is weinig, maar ranken zonder wijnstok zijn niets.
1) Het Fransche spreekwoord , tdat mende feiten nanr dc data moet beoordeelenvond ik ook hier bewaarheid. In den tijd der heldere en rationeele, maar ook wel eens koude en oppervlakkige sehrift-verkiaring (1817) schreef muntingue [Geschiedenis der Mensrhheid, \ : 44); „Zij moesten jkzus getrouw aanhangen, zijne leer cn zijne bevelen standvastig aankleven, en zich door de hartelijkste liefde met hem ten naauwste vereenigen; eene vermaning, den leerlingen te dien tijde zeer noodzakelijk, daar zij anders geene vrueht dragen, geenc nuttigheid ter bevordering van zijn Evangelie aanbrengen konden.quot; — In den tijd van overgang (1828) schreef Cobstii s (Spreuken van onzen lieer J. C. Dl. III): „In dc eerste plaats zag dit onderwijs op de jongeren; maar jouannes teekende het buiten twijfel ook op ten dienste der Christenen enz.quot; Hij zegt verder, dut hij tegen de toepassing op de ware geloovigen van alle tijden »wel eens eene bedenking gehoord heeft;quot; maar beroept zich, voor die opvatting van johahnes, op vele soortgelijke plaatsen in zijn' eersten Zendbrief. — En in onzen mystiek-modernen tijd kan men bij voorbeeld bij dkummokd een uitvoerig betoog lezen, dat wijnstok en ranken het beeld zijn der uitwendige, zigtbare kerk, zoodat het weg nemen van sommige niet strijdt tegen dc volharding der heiligen. Eenvoudiger schrijft v. wessenbekg ; IVie der Zweig zur Rehe, .so verhalt sich der Christ zu Christ»», If oher hvunl'er Kahruvg zum geisiigen Tebennnd Wachühum Lekommen , al» wn Ihm ? Ostmann : Christus iV es, der ihren Ge.ist crleuehte!, ihren Willen heiligt, ihre Kraft verjiingt; der sie tragi und halt und erfr he hl, und durch seinen immer nev. in sic ausströmenden lehenssaft in allen guten Werken fruchtbar macht. Meuur : Christus ist der Weiustoek im Verhallnisse zu seinen Glaubigen (den He hen), deren Zusammenhung mil ihm die tchendige, hestandige end fniehihare innerste Lebensgemeinschaft ist. Ganz iientisch der Sachc nncli ist das Paulinische llild torn Ilavple und den Gliedern. (Eph. V : 30; Kol. II : 19.)
Tgt;K WAKE WIJNSTOK.
Het zelfde denkbeeld drukt paulus uit in de meest parabolische voorstelling, die wij in zijne brieven vinden. Hij vergelijkt er Israël met een' tammen, gecultiveerden olijfboom, waarvan, door de verwerping van ciiiiistiis , eeuige takken zijn afgebroken, en in der zei ver plaats die van een' wilden olijfboom ingeënt, zoodat zij des wortels en der vettigheid des olijfbooms mede zijn deelachtig geworden; en hij leidt daarvan de eenvoudige waarheid af: Gij draagt den wortel niet, maar de wortel n, en de waarschuwing: Zie dan , dat gij ook viel wordt afgehouwen. {Rom. XI : 16—24.)
Maar op dit zinnebeeld van paulus hopen wij later terug te komen. Hier sta het alleen als 't beeld van levensgemeenschap, die de zelfde apostel op cene andere wijze uitdrukt, als hij christüs het hoofd noemt en zijne geloovigen de leden. De Heiland zelf leidt er in duidelijke woorden het gevolg uit af; n Gelijkerwijs de rank geene vrueht kan dragen van zich zelve, zoo zij niet in den wijnstok blijft; al zoo ook gij niet, zoo gij in mij niet blijft quot; en nog eens: uZonder mij kunt gij niets doen.quot; — Later wordt aan dit blijven, (//Tk in u, gij in mij!quot;) nog toegevoegd: en mijne woorden in n blijven , zonder dat daarmede echter geheel 't zelfde wordl uitgedrukt; want het zijn niel de woorden, deleer, afgescheiden van den persoon, die zulk cene levende en vruchtbare gemeenschap van cinttsTus en de geloovigen kunnen daarstellen en onderhouden.
Hier maken wij, eer wij verder gaanquot;1, een' kleinen zijstap op kerkelijk gebied. Toen in de Latijnsche kerk de twist over genade en goede werken ontbrand was, greep de go-leerde kerkvader aitgustinus , in zijn' orthodoxen ijver, ook deze gezegden vin den [Teer aan, en riep uit: //Zoo sprak jkzus, als tot antwoord op pklagius, die komen zou!quot; — Maar, zoo als het meer gaat, de partijzucht verblindde den scherpzinnigen man, en de dogmatiek bedroog de exegese. Als jkzus zegt; nZonder mij kunt gij niets!' spreekt hij volstrekt niet van 't natuurlijk goede, dat de mensch doen kan, ook zonder luim, en dat hij bij voorbeeld in den barmhartigen Samaritaan zoo treffend heeft geschetst; maar alleen van 't christelijk goede, de vruchten van zijnen geest en zijn woord in de zijnen, die alleen door een levend geloof in hem en gestadige levensgemeenschap niet hem duurzaam kunnen zijn. 1) En Jezus spreekt daarvan met te meer nadruk, omdat hij gereed staat van ben te scheiden, eu dus de band van zijn' dagelijkschen omgang weldra zal worden afgebroken. Het tegenbeeld van jf.zus' woord vinden wij in dat van paulus [Filipp. IV ; 13): Ik vermag alle dingen door hem , die mij kracht geeft; cmnsTUS.
Maar wij keeren tot het beeld terug. Het afscheiden der ranken, waardoor deze bun leven verliezsn, niet de wijnstok zelf, wordt op tweeërlei wijze voorgesteld ; van Gods zijde en van die der menschen. Mijn Vader is de Tmtdman. Hij was 't, die tot heil der mensch-heid den wijnstok plantte, die hem verzorgt en over de ranken 't oog laat gaan. Jlle ranke, die in mij geen vrucht draagt, die neemt Hij weg. Het kan dus zijn, dat iemand door 't geloof met chiustus verbonden is, naauw verbonden zelfs, als rank en wijnstok,
201
'/jondir mij is hier liet zelfde als buiten mij, j-van mij afgescheiden, ni eens met mij vereenigd t« zijn geweest/wplf ifiov — xuqiafrsvTei an' ifiov. —Te regt schrijft reeds luiiier, d'/si er tiirr nicht r •d',t van nitUirlir/iem o tpr wcMichem H'esea utnl teben, .lOHilern von Fr lichten des ICoang'lii.
H. 28
de wark wijnstok.
en toch bij ondervinding dit geloof onvruchtbaar blijkt te zijn; omdat de aard der ranke zoo slecht is, dat zelfs het kostbare levenssap van den wijnstok er geene druiven aan kan voort brengen. Zulke onwaardige Christenen worden , niet naar goddelijke voorbestemming of willekeur , maar door 't welverdiende Godsgerigt afgesneden en buiten geworpen. Dit laatste woord ontmoetten wij reeds meermalen, als beeld van 't Messiaansche gerigt, bij voorbeeld in de Gelijkenissen van het Gastwaal en de 'falenten. — Maar behalve dit Godsgerigt over de onvruchtbaarheid, wordt er nog van de zijde der menschen een vrijwillig los laten van Christus gedacht, dat natuurlijk van de ranken niet kon gezegd worden, die eerst los laten van den stam, als zij reeds gestorven zijn. nBlijft in mij, en ik blijf in u!quot; is jezis' vermaning, is de noodzakelijke voorwaarde der vruchtbaarheid. nTiw in mij niet blijft, die is buiten fjeworpendie heeft reeds over zich zeiven het oordeel der verwerping gebragt. — De scheiding van chiustis kan dus, zoo als gezegd is , op tweeërlei wijze gedacht worden : //de rank is onvruchtbaar , en wordt als onnut en onwaardig door God weg genomen;quot; of: //de rank laat van zelf los, en wordt daardoor onvruchtbaar en verworpen.quot; 1) Maar iu beide gevallen is het eind de verbranding, het vuur der Gehenna, dat van zoo menige parabolische en profetische voorstelling des Heeren den achtergrond uitmaakt.
En nu nog de vruchtbare ranken. De hemelsche Landman reinigt ze, zegt jezus, oplat zij meer vrueht dragen. Door de hoede van Gods Voorzienigheid bewaard, door zegen en kastijding geoefend , door Gods Geest bezielden doorzijn woord onderrigt, nemen /ij steeds toe iu zedelijke reinheid, die het einddoel der verlossing is , en de vruchten des geloofs overvloediger maakt. Dit is duidelijk voor allen, die het zedelijke doel van 't Evangelie willen verstaan, en rizrs' arbeid, om zich een eigen volk te reinigen, ijverig in goede werken. Zonderling kan het alleen schijnen, dat Jfzus terstond de kracht zijner woorden zelf schijnt te verminderen, door er bij te voegen ; // (Ij lieden zijl nu rein —quot; of liever: //Wat u betreft, reeds zjt gij rein, 2) door het woord, dat ik tot n gesproken heb.quot; — Dus, al mogt 't voor anderen noodig zijn, zij hadden aan die zedelijke reiniging geene behoefte meer? De elve niet; en dat één uur voor hunne vlugt, in den eigen nacht van petrus' verloochening ?
Misschien kan hier tot opheldering strekken een soortgelijk gezegde van jezus , in den aanvang van dezen avond gesproken. Hij wascht den zijnen de voeten. Petrus weigert, zich dit te laten deen. Maar op jezus' zeggen: nIndien ik n niet wassehe, gij hebt geen deel met mij!quot; valt zijn levendige aard in een tegenovergesteld uiterste, en hij roept uit: n Heer ! niet alleen mijne voeten , maar ook de handen en het hoofd.quot; Jezus herneemt : // hie gewasschen is , heeft niet van noode dan de voeten te wassehe» , maar is geheel (of //in zijn geheelquot;) rein. En gijlieden zjt rein, doch niet allen.quot; [Joh. X111 : 8—10.) —
1) Anders is de beeldspraak Jerenia 11:21, omdat daar de wijnstok /elf (fsraët) als verbasterd of vervreemd gedacht wordt, sehoon dit vooral aan de onvruehtbaarheid der ranken blijkt: nik had u toch geplant, ren' edelen wijmtok, een geheel getrouw zaud. En hoe zijl gij Mij zoo veranderd ? /A r-busier de ranken run een' vreemden wijnstok !'
2) Op xlt;tf}ai(J8i folgt i/'/y {fisti xnltayn èots , waarin natuurlijk ligt opgesloten; »[Iet is voor u eigenlijk niet meer noodig.quot;—I)a'.i ihre Rein heit retaliv gemeivl sei, verstehl tieh von mlbtl. M kijeii.
2(12
pk wa uk wijnstok.
Om de gelijkheid van 't gezegde, zou ik wel geneigd zijn, voor de tweede maal ie vertalen : nReeds ziji gij rein, naak het woord (en in den zin van 't woord), dat ik straks tot n gesproken heb.quot; Er is echter een bezwaar in het door, dat nooit naak beteekent , maar //door middel van,quot; Misschien echter zou men kunnen invoegen : // (Jij zjt rein , gelijk gij reeds weten kunt door het woord enz.quot; of nog liever: nReeds zij! gij rein uit kracht van dat woord, door dat ik u rein verklaard heb met het woord, dat ik daar tot u sprak.quot; Johannes heeft dikwijls zulke toespelingen op vroegere gezegden van den Meer.
Meent men echter, met de meeste uitleggers, dat dit niet kan, dan moet men tot de algemeène beteekenis van //het woordquot; komen, en 't zoo opvatten: //Door de kracht van 't evangelie, dat ik u verkondigd heb, van Godswoord, dat ik u heb gesproken, zijt gij reeds zedelijk rein.quot; — Maar altijd moeten wij jezijs' gezegde natuurlijk zóó begrijpen, dat 't beginsel van zedelijke reinheid door zijn woord reeds in de elve leefde, even als vroeger jezus hen in dit opzigt tegenover jidas stelde: quot;Rein zijt gij, maar niet uilen.quot; Nu judas vertrokken is , valt deze beperking weg. Zij allen waren aanvankelijk rein. Maar zoo als straks de Heer 't gedurig voeten wasschen , de telkens herhaalde reiniging van stof en slijk op den levensweg, tot eene voorwaarde der reinheid gesteld heeft; zoo is nu het uBlijft in mj!' J) de steeds naauwe vereeniging met hem, onmisbaar tot meerdere volmaking en vruchtbaarheid. Werden zij zóó standvastig en overvloedig in zijne dienst, hunne gebeden zouden verhoord, en de Vader in de, vele vruchten van hun geloof verheerlijkt worden - ■— en in vollen nadruk zouden zij hem tot discipelen zijn, zijne hem dierbare leerlingen, 2) die, naar een vroeger woord , hun licht tieten schijnen voor de menschen, opdat dezen hunne goede werken zonden zien , en niet hen , maar hunnen ! ader m den hemd verheerlijken. {Maith. V ; I(j.)
Aan 't eind van onze beschouwing gekomen , noemen wij dit beeld , dat wij ook daarom met com ge. uitvoerigheid behandelden, leerzaam voor onzen tijd. Steeds is bij afwisseling meer het oog, óf op jkzus' persoon, of op zijne leer geslagen. Nadat vroeger de lijdelijke toepassing ven cnuisms' geregtigheid , als schuld verzoenend en heiligend, bij de Protestanten overdreven was, sprak men in 't begin dezer eeuw bijna uitsluitend van Christelijke leer en Christelijke deugden; tot op nieuw de persoon van den Verlosser, als de
1) Uit dit Nieuw Testanieutiscli, of eigenlijk reeds Hebreeuwsche spraakgebruik, waardoor iv niet «het besloten zijn bluuen in iets,quot; maar ,de naauwe vereeniging met iets of iemandquot; uitdrukt, verklaart zieli het: Ik in u, gj in mij, dat anders, als eene lokale voorstelling, ongerijmd wezen zon. Vergl. 1 Joh. Ut ; 24 enz,
2) Te regt heeft van willes (Hij tl rug en, III : 391) opmerkzaam gemaakt op liet fijne onderscheid tussehen yevrjaeaamp;e èfiol , (of t. fi. htrs Xlll : 35) tot de elve, en akr/thiii /iaamp;i/tai /ioï huih tot de Joden, Vlll : 31. De derde naamval drukt uit, wat iemand voor ons is, dus eene teederr betrekking, die ons ter harte gaat. Zoo, bij voorbeeld: «Ifij is mij een rteniggehorene /quot; in den mond van den ongelukkigen vader (/,«£. IX : 38) ; en het gezegde: voor zijne moeder ceniggehorcn zoon , van den jongeling te Nain, Luk. Vil : 12, Zie ook Hand. i : 8, vergeleken met tl. 11 : 32; 111 : 15; V: 32, eu weder XXII; 15. De invoeging ware discipelen is dus oimoodig Jezus zegt niet; »Gij zult mijne discipelen zijn of worden,quot; Dit waren zij reeds, maar ,discipelen voor mij,quot; ^lus ongeveer 't zelfde , als vs. 14 mijne vrienden.
2(S*
20,3
de wa he wijnstok.
204
eigenlijke openbaring Gods , op den voorgrond trad, en men zelfs met ernst begon te vragen, of aan Jezus wel eene eigenlijke leer kon worden toegeschreven. Sedert de laatste jaren is weder 't blad omgekeerd. Velen willen alleen de abstracte waarheid, en meenen, dat deze slechts in zoo verre , als zij de instemming heeft van ons verstand en ons geweten, godsdienst en Christendom kan genaamd worden, terwijl de persoon van chuistus, als door de zijnen later verheerlijkt en vergood, in een' nevel van legenden op den achtergrond terug treedt. Ja! 't is reeds op een' Christelijken leerstoel gezegd : »jezus' woorden zouden even waar en goed zijn, al had de duivel ze gesproken.quot;—Maar dan toch zeker niet 't woord, dat wij dit maal behandelden, en zoo menig ander, waarin hij zijne persoonlijke onmisbaarheid voor't Godsrijk en voor de zijnen handhaaft, belovende bij 't scheiden: nik ben met u/ieden , (mijn woord niet alleen, maar ik zelf,) tot de voleinding der wereld!' Gelijk jezus van schapen, die hij op aarde nooit zien zal, verklaart: nlJie moet ilc ook toebrengen jquot; zoo gaat zijne zegenende en persoonlijke werkzaamheid voort, ook nadat hij verhoogd is aan Gods regterhand, en //naar zijne genade en zijnen geest wijkt bij nimmermeer van ons.quot; Een Christendom zonder Christus is even onmogelijk, als eene kudde zonder herder en ranken zonder wijnstok. De betrekking van den Christen op Christus is eene geheel andere, als die van den Indiaan op boedha, van den Muzelman op Mahomed, en zelfs van Israel op mozes. Hij jezus'leer kunnen wij hem zeiven nimmer missen. Niet de schat zijner schoone spreuken, maar de Gekruiste en Opgewekte zelfheeft de wereld veroverd. En gelijk zijn evangelie als een zuurdeeg overal doordringt, zoo verbindt de levensgemeenschap met hem de aarde aan den hemel. Ziet dan toe, dat gij in hem blijft en vele vruchten draagt. Zonder hem kunt gij niets doen. Maar ook in hem blijvende, hebt gij gedurige reiniging en loutering noodig : aan de vruchtdragende ranke spaart de groote Landman het snoeimes 't minst! En geeft die ranke niet de rijkste schaduw en naauwlijks zigtbare bloesem , — met eigenlijke woorden : munt de geloovige door kennis en vertoon van godsdienst niet uit, en durft hij niet veel beloven, — daarin alleen wordt ook de Vader verheerlijkt, dat gij veel, dat gi j boe langs zoo meer vrucht draagt.
HET LICHT DER WERELD. HET BROOD DES LEVENS. DE WEG. DE MEDICIJNMEESTER.
Eer wij nog eeu paar beelden, die meer op het lijden en sterven van CHuistus betrekking hebben, bij Herder en Wijnstok voegen, wilde ik meteen enkel woord spreken over andere namen, die jezus zich zeiven geeft, maar die hij niet tot eene eigenlijke Parabel of Allegorie heeft uitgewerkt. Ik geef ze als een Aanhangsel tot de vorige, om vooral het Johanneïseh beeld van den ciuusïxs geheel afgewerkt vóór ons te hebben.
HET LICHT DER WERELD.
Zoo noemt jezus zich drie palen bij johaknes , en de apostel zelf zinspeelt er op, als hij in de Inleiding van zijn Evangelie zegt, dat johamnes de Dooper het licht niet was, maar alleen bestemd, om daarvan te getuigen, als hel Waarachtige licht, dat, komende in de wereld, een iegelijk mensch verlicht. {Joh. 1: 8, 9.) — Jezüs zelf begint [Joh. YIII : 12) eene nieuwe rede tot de Joden met deze woorden; nik ben het Lieht der wereld. Die mij volgt, zal in de duisternis niet wandelen, maar zal het licht des levens hebben.quot; De denkbeelden licht en leven wisselen meer bij johannes af (11,1: 4 enz.), en zijn ook naauw verwant. Is 't licht der natuurlijke wereld de zon, met haar licht stroomt leven en levenswarmte door de natuur; en ontelbare malen in de Schrift wordt nacht en don. kerheid, als angstig en doodelijk, tegenover licht en leven gesteld. Is jezus dus in de zedelijke wereld als de opkomende zon, zoo vindt 't oog, dat op hem zich vestigt , het ware levenslicht, zoo als de Psalmdichter van jehova zong : Bij U is de fontein des levens; in uw licht zien wij /iet licht. [Ps. XXXY1 : 1U.)
In dat gevoel zijner verhevene en weldadige roeping, te midden eener duistere wereld» zag jezvs daarvan kort daarop het beeld in den armen blindgeboorne , en sprak, bij hem std staande : nZoo lang ik in de wereld hen , zoo ben ik het licht der wereld.quot; {Joh. IX : 5.) — En nog eens , in de laatste dagen van zijn leven , nep hij de schare toe : n Tk ben een licht, in de wereld gekomen, opdat een iegelijk, die in mij gelooft, in de duisternis niet blijte. — Nog eenen kleinen tijd is het licht bijv lieden: wandelt terwijl gij het licht hebt, ofidat de duisternis u niet bexange. Terwijl gij het licht hebt, gelooft in het licht, opdat gij kinderen des lichts nwogt zijn.quot; {Joh. XII : 46 , 35, 36.)
het licht dik wkruli).
Al geeft jkzijs zich nu bij de andere Evangelisten (lieu naam niet, het denkbeeld vonden wij toch bij hen reeds vroeger (D. I, Blz. 313 verv.), in den wensch van .ibzüs, dat bet liclit, door hem aangebragt, niet onder de korenmaat zm gezet worden, maar op den kandelaar. Ook noemt hij zijne discipelen , die toch alles vau hem alleen hadden , het licht der wereld, en wil, dat zij hun licht laten schijnen. [Ma'th. V : ]4lt;—16.) En gelijk het licht, dat aan de zon ontstoken is of hare stralen terug kaatst , 't zonlicht niet verduistert, maar 't slechts van een nieuw braudpunt doet uitgaan; zoo is 't met allen, die aan ohristits , als het Licht der wereld, bun licht ontleenen. Eene andere zon zal aan den hemel niet opgaan over de zedelijke wereld , zoo lang de wereld staat. Ongelukkig hij, die tot het licht niet komt, omdat het zijne werken bestraft! {Joh. III : 20.)
Gelijk al het natuurlijke in 't Evangelie eene hoogere beteekenis verkrijgt, als zinnebeeld van het geestelijke, zoo merken wij dit vooral in het Evangelie van Johannes op. Op het wonder der spijziging volgt bij hem de vraag der Joden, die er niet bij waren geweest, om een teek en. Dit kan ons bevreemden, maar het hangt zimen met de vraag om een teeken uil of aan den hemel, waarvan wij vroeger (D. 1, Blz. 145 verv.) spraken, en waarmede, naar der Joden verwachting, de Messiaansdie dagvn zouden worden aangekondigd. Zoo had immers Israël in de woestijn brood uit den hemel gegetsn ? — Juzus antwoordt hierop, dat niet toen, doormozus, maar nu eerst het ware, brood uit den hemel bun door den Vader gegeven werd. nWant het brood Gods is hij, die uit den hemel neder daalt, en die der wereld het leven geeft. — ik ben het brood des levens. Die tot mij komt, zal geenszins hongeren!' Deze verklaring wordt later nog eens herhaald , en de derde maal afgewisseld met; nik ben dat levende brood, dat uit den hemel neder gedaald is: zoo iemand van dit brood eet, die zal in der eeuwigheid leven.quot; En als .ikzus er nu bij voegt; n En het brood, dat ik geven zal, is mijn vleesch {Joh. VI ; 30—58) — zoo naderen wij hier en in 't volgende weder tot do instelling van het avondmaal bij de drie oudere Evangelisten, waar ook hot brood 'tzinnebeeld van zijn verbroken ligchaara wordt, als 't leven der wereld; en wij booren in dien maaltijd des Nieuwen Verbonds, als het beeld der voortdurende en naauwe gemeenschap met Christus, telkens dat woord: nik hen de ware wijnstok, het brood des levens!quot;
Is brood en water, bij de eenvoudige zeden van 't oosten, het levensonderhoud van den mensch , in jkzüs' zinnebeeldige taal treffen wij ook 't laatste zoo wel als het eerste aan. Reeds in de aangehaalde uitvoerige rede van jezus bij johannes ligt het in de tegenstelling; n Die tot mij komt, zal geenszins hongeren; en die in mij gelooft, zal nimmermeer dorstenquot; {Joh. VI; 35.) Maar duidelijker is 't, waar de Jakobsbron een beeld wordt van de bronnen des levens, en je/,i s tot de Samaritaansche zegt; uindien gij de gave Gods kendet, en wie hij is , die tot u zegt: Geef m j te drinken ! zoo zondt gij van hem hebben begeerd, en hij zou u levend water gegeven hebbenquot; — Levend water werd door de vrouw zeker
HUT BliOOl) dus I,EVENS.
van frisch bronwater verstaan, in tegenstelling van 't geen in de vergaftrputten van den regen bij een vloeide; maar .nzus heeft er eenc hoogere bedoeling mede: nj){e het gedronken zal hebben, dien zal in eeuwigheid niet dorsten; maar het water, dat ik hem geren zal, zal in hem worden eene fontein van water, springende tot in het eeuwige leven?' [Joh. I.V ; !()•—14.) En nog eens spreekt jkzus 't zelfde denkbeeld nit in den tempel te Jeruzalem,, als hij op den laatsten dag van het loofhuttenfeest, bijjfe plegtige waterplenging misschien, uitroept: «Zoo iemand dorst , die kome tot mij en drinke. Die in mij gelooft, geljkerwijs de Schrift zegt, stroomen des levenden waters zullen uit zijn binnenste vloejenquot; — 't geen Johannes verklaart van de milde uitstorting van den Heiligen Geest. {Joh. Vil : 37—39.)
In dit alles is niet het meest opmerkelijke, dat met brood en water vergeleken wordt, wat 't hooger leven voedt en onderhoudt. Menig malen, reeds in het Oude Testament, vinden wij deze beeldspraak; en vooral de verkwikkende bron in de woestijn, waar 't aêmeehtig hert henen snelt, of de frissche beek , waaraan de sehapen gedrenkt worden en 't geboomte groent, zijn er do blijde beelden van jehova's gunst en zijn woord. Neen! maar dat is opmerkelijk, dat JE/.rs die geestelijke voorregten verbindt aan zijnen persoon, zijn werken zijne zelfopoffering, aan de uaauwe gemeenschap met hem. Wie nog niet het wezen des Christendoms aan de apostelen toeschrijft, wie nog zoo vele kernachtige spreuken als woorden van Jezus erkent, — ook bij johannes , van wiens opvatting (die niet altijd de ware schijnt te zijn) zij duidelijk worden onderscheiden : —hij moet wel erkennen, dat jkzus op oenen toon van zich zei ven spreekt, die of de verontwaardiging der ongeloovige Joden, of de vereering der geloovigen regtvaardigt.
DE WEG, DE WAARHEID EN HET LEVEN.
Zoo noemt zich jezus in den vertrouwelijken vriendenkring, als ïhomas tot hem zegt. // lieer! wij welen niet , waar gj henen gaat , en hoe kunnen wij den weg weten ?quot; {Joh. XIV : 5 , (i.) Eigenlijk is alleen de eerste imam bepaald parabolisch ; want als de Heer zich de waarheid en het leven bij uitnemendheid noemt, beteekent dit alleen, dat de oorspronkelijke, zedelijke waarheid (in den Johanneïschen zin) en het ware, eeuwige leven in hem, door zijne eenheid met God, wonen, en dus ook voor menschen te vinden zijn: de waarheid, die vrj maakt {Joh. VIII: 32), en het leven, dat nimmer sterft; zoo als jezus tot mautiia gezegd had, vóór de opwekking van i.azarus : nIk hen de opstanding en het leven : die in mij gelooft, zal levenquot;', al ware hij ook gestorven; en een iegelijk, die leeft en in mij gelooft, zal niet sterven in der eeuwigheid.quot; {Joh. XI : 25, 20.)
Deze plaats haal ik alleen aan, om geen' zinnebeeldigen naam, waarmee jezus zich noemde, met stilzwijgen voorbij .te gaan, en tevens om te doen zien, in welken zin hij zich het i.kven noemt, als de Zoon, wien de Vader gegeven heeft, het leven te hebben in zich zeiven {Joh. V ; 26), opdat hij leven wekke in de zijnen, ook 't leven uit den dood, —-de opstanding.
Maar een eigenlijk zinnebeeld is : nik ben de weg.quot; — Dit wordt ook, van de drie namen in het aangehaalde gezegde, alleen uitgelegd in 't volgende; nNiemand komt tot den Vader
207
de weg , de waarheid en het leven.
dan door mij.quot; — Ééne weg en de cenig mogelijke weg, if» in de oostersche berglanden minder vreemd dan bij ons. Vroeger (Blz. 3 verv.) zagen wij, boe jezus dien weg ten hemel, dien hij aanwijst, als naauw en de poort als eng beschrijft. Nu is de beeldspraak nog sterker, bijna te hard voor onze westersehe ooren. Even als jezus niet alleen zich den Herder noemt, maar ook de deur der schapen, zoo is hij niet enkel 't licht, de leidsman en voorganger, maar de weg zelf, de eenig mogelijke toegang tot den Vader. Tot God kon men naderen en God aanbidden en dienen, ook vóór en buiten ciiiustiis ; maar om tot God //als Vaderquot; te gaan, daartoe was hij alleen de weg.
T)E MEDICI.7NMEESTER.
Een laatste naam , niet ontleend aan afgetrokken of algemeene denkbeelden, waarin JOHANNES zich bij voorkeur beweegt, maar uit het dagelijksehc, praktische leven genomen, brengt ons weder tot de drie oudere Evangelisten terug.
Het was te verwachten, dat de menigvuldige genezingen van kranken, door jezus ver-rigt, ook wel in 't Evangelicals de uitdrukking van eene betere genezing, van hoogere levenswekking zouden worden uitgelegd. En niet alleen, dat zij voor dien uitleg vatbaar waren, maar 't was hare bedoeling. Het is waar , jezus genas niet enkel de kranken naar een bepaald plan, als een soort van symbolisch onderwijs; hij deed het ook en allereerst uit innerlijke ontferming; maar hierdoor juist sprak daarin het groote levensdoel, dat hem steeds voor oogen stond : menschen te behouden, naar ziel en ligchaam te behouden, en nooit zc te verderven, 'tl? dus niet zoo geheel en al woordenspel, wanneer de eerste Evangelist, die gaarne in alles de vervulling ziet der profetie, bij de genezing van eene groote menigte ongelukkigen, 't woord van jesaja aanhaalt: Hij heeft onze krankheden opgenomen , en de ziekten gedragen. [Matth. VIII: 17 ; verg. Jes. LUI : 4.)
Er was in den onden tijd voor kranken niet zoo menigvuldige en gemakkelijke toevlugt , als in onzen tijd. Toch waren er, reeds lang vóór jezus (Vergl. Jezus Siraeh XXXVIII :
1__15) j ook onder de Joden, geneesheeren, en van óéne der genezenen door den Heiland
wordt zelfs gemeld, dat zo alles, wat zij had, vergeefs aan vete medicijnmeesters opgeofferd, en nog bovendien veel van hen geleden had, zoo dat het veel eer erger was geworden. {Mark. V ; 20.)—Nu heeft jezus wel niet reglstreek* gezegd, maar toeli duidelijk genoeg te kennen gegeven, dat hij voor't kranke mensehdom in hoogeren zin wezen wilde, wat de geneesheer voor 't ligchaam zijn moest. Eerst is 't in de aanhaling van eene Parabel, zoo als jezus ze noemt, maar die onze vertalers niet teonregt //een spreekwoordquot; noemen j dus niet een beeld van jezxis' vinding, maar een algemeen bekend gezegde, waarmede men de bemoeizucht terug wees van hem, die vergat, waar hij 't eerst aan denken moest: Medicijnmeester! genees u zeken. (Luk. IV : 23.) .Tkzus vermoedt, dat men ligt dit spreekwoord op hem zal toepassen, als die in Kapernaüm zoo vele teekenen gedaan heeft, en niet in zijne vaderstad; maar, zeide hij: ugeen profeet is aangenaam in zijn vaderland:quot; — en de Nazareners gaven daarvan weldra het bewijs!
Maar duidelijker is nog die toespeling in de bekende spreuk: De gezonden hebben den
208
de medicijnmeksteu.
medicijnmeester niet noodig , maar die ziek zijn. [MaU/i. IX : 12; Marl. li ; 17; Lvk. V : 81,) Bij alle drie de Evangelisten staat deze spreuk in verband met den maaltijd ten huize van Levi = mattheus, waar mus aanzat met eenc menigte tollenaars en zondaars. De Farizeesche sclniftgeleerden vallen hierover de discipelen aan, die zich zoogoed niet verdedigen kunnen, en vragen: n Waarom eet en drinkt me Meester met dc toJlenaren en zonduren ?quot; Maar mus zelf vat voor hen het woord [op niet de spreuk, die wij daar aanhaalden, en voegt er hij (volgens maïtheüs na eeuc herinnering, dat barmhartigheid meelis dan offerande) : nik hen niet gekomen om te roepen regtvaardigen, maar*, zondaars tot tjekeering.quot; (Yergl. Bladz. 112.)
Wij zullen ons niet lang ophouden hij de vraag, oi' jezus dan [dc regtvaardiglieid, en dus in zedelijken zin de gezondheid der Farizeën en van al wie genade vonden in hunne oogen, erkende. De Heer plaatst zich eenvoudig, zoo als hij meer deed, op Inm eigen standpunt. Waren zij en dc hunnen gezond, wel nu ! dan hadden ze den geneesheer niet noodig; maar moesten zich dan ook verhlijden , dat hij zoo trouw de kranken opzocht. Niet om der regtvaardigen wil kwam hij; en allerminst, om den zondaar nog dieper te vernederen , dan hij reeds door het oordeel der wet en hun nog harder doemvonnis vernederd was. Neen !j maar om zich midden onder die afvalligen te hegeven , hen te roepen als vriend , tenoodigen als hun Heiland , maar—te roepen tot helceeriwj. Zoo dus do Farizeesche pari ij waarlijk Gods eer bedoelde en de regtvaardigheid van Israël, moesten zij dan daarin zich niet verheugd hebben? Maar neen! 't Is weder het beeld van den oudsten broeder in de Gelijkenis van den Verloreri Zoon!— Doch ook die kroon eener trotsche en harde eigen geregtigheid viel hun in den strijd tegen jezus af, en de krankheid hunner zielen, diep ingeworteld en in alle levenssappen doorgedrongen , bleek, zelfs voor den grooten Medicijnmeester, zoo goed als ongeneeslijk te zijn.
209
Hoe schoon en liefelijk komt ook hier weder het beeld van den Heiland der wereld uit; schoon en liefelijk, en met geen ander te vergelijken! I) De krankheid, die sedert het paradijs 't mensebdom drukt, 't leven in zijnen wortel aantast, uitput en verteert, is de zonde. Hij, die van den hemel kwam, is de Geneesheer, en zijn Evangelie medicijn. Zou hij 't licht en leven der wereld zijn , brood en water ten eeuwigen leven, eerst moest de kranke worden gezond gemaakt. Maar den genezene drukt nog zwakheid en onlust. Die zoo lang krank was, stort weer ligt in. Daarom bleef den verlosten voortdurende behoefte aan den Verlosser. Een volgen van zijne stem, zoo als schapen de stem des herders kennen; eenc, innige levensgemeenschap met hem, die kracht ten goede geeft, zoo als dc ranke vrucht draagt in den wijnstok, was hun onmisbaar. Maar wie, ook die behoefte niet gevoelt, wie als de zieke, die zich inbeeldt gezond te zijn, den Medicijnmeester van zich stoot, het doodend beginsel der zonde werkt in hem voort, 't leven uit God is in hem niet of niet meer: hij gaat verloren , en — hij kon toch ook behouden zijn; want ook over hem ontfermde zich de Heiland; maar hij heeft niet gewild!
1) Ecne praktische uitbreiding en toepassing van dit beeid vindt men bij cousin's, Spmiten enz. Dl. II, Rlz. 1—13.
pt, weg, de waarheid en het leven.
dan door mij.quot; — Ééne weg en de eenig mogelijke weg, is in de oostersche berglanden minder vreemd dan bij ons. Vroeger (Blz, 3 verv.) zagen wij, hoe jezus dien weg ten bomel, dien hij aanwijst , als naauw en de poort als eng beschrijft. Nu is de beeldspraak nog sterker, bijna te hard voor onze westersche ooren. Even als jezüs niet alleen zich den Herder noemt, maar ook do deur der schapfin, zoo is hij niet enkel 't licht, de-leidsman en voorganger, maar de weg zelf, de eenig mogelijke toegang tot den Vader. Tot God kon men naderen en God aanbidden en dienen, ook vóór en buiten Christus; maar om tot God «als Vaderquot; te gaan, daartoe was hij alleen de weg.
Een laatste naam, niet ontleend aan afgetrokken of algemeene denkbeelden, waarin Johannes zich bij voorkeur beweegt, maar uit het dagelijksche, praktische leven genomen, brengt ons weder tot de drie oudere Evangelisten terug.
Het. was te verwachten, dat de menigvuldige genezingen van kranken, door jezüs ver-rigt, ook wel in 't Evangelie als de uitdrukking van eene betere genezing, van boogere levenswekking zouden worden uitgelegd. Eu niet alleen, dat zij voor dien uitleg vatbaar waren, maar 't was hare bedoeling. Het is waar , jezus genas niet enkel de kranken naar een bepaald plan, als een soort van symbolisch onderwijs; hij deed het ook en allereerst uit innerlijke ontferming; maar hierdoor juist sprak daarin het groote levensdoel, dat hem steeds voor oogen stond : menschen te behouden , naar ziel en ligebaam te behouden, en nooit ze te verderven, 't Is dus niet zoo geheel en al woordenspel, wanneer de eerste Evangelist, die gaarne in alles de vervulling ziet der profetic, bij de genezing van eene groote menigte ongelukkigen, 't woord van jesaja aanhaalt: Jij heeft onze krankheden opgenomen, en de ziekten gedragen. {Matth. VIII : 17 ; verg. .Tes. LUI : 4.)
Er was in den ouden tijd voor kranken niet zoo menigvuldige en gemakkelijke toevlugt , als in onzen tijd. Toch waren er, reeds lang vóór jezüs (Vergl. Jezus Sirach XXXVIII ; \—15)} ook onder de Joden, geneesbeeren, en van óéne der genezenen door den Heiland wordt zelfs gemeld, dat ze alles, wat zij bad, vergeefs aan vele medicijnmeesters opgeofferd, en nog bovendien veel van hen geleden had, zoo dat het veel eer erger was geworden. [Mark. V : 26.) — Nu heeft jezus wel niet regtstreeks gezegd, maar toch duidelijk genoeg te kennen gegeven, dat hij voor 't kranke menschdom in hoogereu zin wezen wilde, wat de geneesheer voor 't ligebaam zijn moest. Eerst is 't in de aanhaling van eene Parabel, zoo als jezus ze noemt, maar die onze vertalers niet teonregt //een spreekwoordquot; noemen; dus niet een beeld van jtezus' vinding, maar een algemeen bekend gezegde, waarmede men de bemoeizucht terug wees van hem, die vergat, waar bij 't eerst aan denken moest: Medicijn-meesterJ genees u zei ven. {Luk. IV ; 23.) Jezus vermoedt, dat men ligt dit spreekwoord op betn zal toepassen, als die in Kapernaüm zoo vele teekenen gedaan heeft, en niet in zijne vaderstad; maar, zei de hij: ngeen profeet is aangenaam in zijn vaderland:quot; — en de Nazareners gaven daarvan weldra het bewijs!
Maar duidelijker is nog die toespeling in de bekende spreuk: De gezonden heihen den
208
DE MEDICIJNMEESTER.
medmjnmeeüerniet noodig , maar die ziek zijn. [Matth. IX : 12; Mark. II : 17; Lvk. V : :il.) Rij alle drie de Evangelisten staat deze spreuk in verband met den maaltijd ten huize van Levi = mati'heüs, waar jezus aanzat met eene menigte tollenaars en zondaars. De l'ameesehe schriftgeleerden vullen hierover de discipelen aan, die zich zoo goed niet verdedigen kunnen, en vragen: t/Waarom eet en drinkt uw Meester met de tollenaren en zon-duren ?quot; Maar jezvs zelf vat voor hen liet woord Op niet de spreuk, die wij daar aanhaalden, en voegt er bij (volgens mattheüs na eene herinnering, dat barmhartigheid meer is dan offerande) : uJk hen niet gekomen om te roepen regtvaardigen , waar\ zondaars tot bekeering.quot; (Vergl. Bladz. 112.)
Wij zullen ons niet lang ophouden bij de vraag, of jezus dan [de regtvaardigheid, en dus in zedelijken zin de gezondheid der Farizeen en van al wie genade vonden in hunne oogen, erkende. De lieer plaatst zich eenvoudig, zoo als hij meer deed, op Imn eigen standpunt. Waren zij en de hunnen gezond, wel nu! dan hadden ze den geneesheer niet noodig; maar moesten zich dan ook verblijden , dat hij zoo trouw de krankeu opzocht. Niet om der regtvaardigen wil kwam hij; en allerminst, om den zondaar nog dieper tc vernederen, dan hij reeds door het oordeel der wet en hun nog harder doom vonnis vernederd was. Neen !j maar om zich midden ouder die afvalligen tc begeven, hen te roepen als vriend, tenoodigen als hun Heiland, maar — te roepen tot bekeer mg. Zoo dus de Fari-zeesche partij waarlijk Gods eer bedoelde en de regtvaardigheid van Israel, moesten zij dan daarin zich niet verheugd hebben? Maar neen! 't Is weder het beeld van den oudsten broeder in de Gelijkenis van den Verloren Zoon!—Doch ook die kroon eenor trotschc en harde eigen geregtigheid viel hun in den strijd tegen jezvs af, en de krankheid hunner zielen, diep ingeworteld en in alle levenssappen doorgedrongen, bleek, zelfs voor den grooten Medicijnmeester, zoo goed als ongeneeslijk te zijn.
Hoe schoon en liefelijk komt ook hier weder het beeld van den Heiland der wereld uit; schoon en liefelijk, en met geen ander te vergelijken! 1) De krankheid, die sedert het paradijs 't menschdom drukt, 't leven in zijnen wortel aantast, uitput en verteert , is de zoude. Hij, die van den hemel kwam, is de Geneesheer, en zijn Evangelie medicijn. Zou hij 't licht en leven der wereld zijn , brood en water ten eeuwigen leven , eerst moest de kranke worden gezond gemaakt. Maar den genezene drukt nog zwakheid en onlust. Die zoo lang krank was, stort weêr ligt in. Daarom bleef den verlosten voortdurende behoefte aan den Verlosser. Een volgen van zijne stem, zoo als schapen de stem des herders kennen; eene innige levensgemeenschap met hem, die kracht ten goede geeft, zoo als de ranke vrucht draagt in den wijnstok , was hun onmisbaar. Maar wie ook die behoefte niet gevoelt, wie als de zieke, die zich inbeeldt gezond te zijn, den Medicijnmeester van zich stoot, het doodond beginsel der zonde werkt in hem voort, 't leven uit God is in hem niet of niet meer: hij gaat verloren , en — hij kon toch ook behouden zijn: want ook over hem ontfermde zich de Heiland; maar hij beeft niet gewild!
1) Eene praktischc uitbreiding en toepassing van dit beeld vindt men bij coasnus, Spreuhen enz. Dl. II, Blz. I—i:i.
II.
T)E WEG , TIE WAARHEID EN HET I,EVEN.
dan door wij.quot; — Ééne weg en de cenig mogelijke weg, is in de oostersche berglanden minder vreemd dan bij ons. Vroeger (Blz. 3 verv.) zagen wij, hoe jezus dien weg ten hemel, dien hij aanwijst , als naauw en de poort als ong besobrijft. Nu is de beeldspraak nog sterker, bijna te hard voor onze westersche ooren. Even als jezüs niet alleen zich den Herder noemt, maar ook de deur der schapen, zoo is bij niet enkel 't Hebt, de leidsman en voorganger, maar de weg zelf, de eenig mogelijke toegang to/ den Vader. Tot God kon men naderen en God aanbidden en dienen, ook vóór en buiten christus ; maar om tot God vals Vaderquot; te gaan, daartoe was hij alleen de weg.
DE MEDICIJNMEESTER.
Ben laatste naam, niet ontleend aan afgetrokken of algemeene denkbeelden, waarin Johannes zich bij voorkeur beweegt, maar uit het dagelijksebe, praktische leven genomen, brengt ons weder tot de drie oudere Evangelisten terug.
Het was te verwachten, dat de menigvuld ge genezingen van kranken, door jezus ver-rigt, ook wel in 't Evangelie als de uitdrukking van eene betere genezing , van hoogere levenswekking zouden worden uitgelegd. En niet alleen, dat /.ij voor dien uitleg vatbaar waren, maar 't was bare bedoeling. Het is waar , jezus genas niet enkel de kranken naar een bepaald plan, als een soort van symbolisch onderwijs; bij deed bet ook en allereerst uit innerlijke ontferming; maar hierdoor juist sprak daarin het groote levensdoel, dat hem steeds voor oogen stond : menschen te behouden, naar ziel en ligchaam te behouden , en nooit ze te verderven, 't Is dus niet zoo geheel en al woordenspel, wanneer de eerste Evangelist, die gaarne in alles de vervulling ziet der profetie, bij de genezing van eene groote menigte ongelukkigen, 't woord van jesaja aanhaalt: 7f!J heeft onze krankheden opgenomen, en de. ziekten gedragen. (Matth. VIII: 17 ; verg. Je ft. LUI : 4.)
Er was in den ouden tijd voor kranken niet zoo menigvuldige en gemakkelijke toevlugt, als in onzen tijd. Toch waren er, reeds lang vóór jezus (Vergl. Jezus Sirach XXXVIII : 1—15)) ook onder de Joden, geneesheeren, en van ééne der genezenen door den Heiland wordt zelfs gemeld, dat ze alles, wat zij had, vergeefs aan vele medicijnmeesters opgeofferd, en nog bovendien veel van hen geleden had, zoo dat het veel eer erger was geworden. {Mark. V ; 20.) —Nu beeft jezus wel niet regtstreeks gezegd, maar toch duidelijk genoeg te kennen gegeven, dat hij voor 't kranke mensehdom in hoogeren zin wezen wilde, wat de geneesheer voor 't ligchaam zijn moest. Eerst is 't in de aanhaling van eene Parabel, zoo als jezus ze noemt, maar die onze vertalers niet te onregt //een spreekwoordquot; noemen; dus niet een beeld van jezus' vinding, maar een algemeen bekend gezegde, waarmede men de be-moeizuebt terug wees van hem, die vergat, waar hij 't eerst aan denken moest: Medicijn-meesterJ genees v zeiven. {Lnk. IV ; 23.) Jezus vermoedt, dat men ligt dit spreekwoord op hem zal toepassen, als die in Kapernaüm zoo vele teekenen gedaan hoeft, en niet in zijne vaderstad ; maar, zeide hij: ngeen profeet is aangenaam in zijn vaderland:quot; — en de Nazareners gaven daarvan weldra het bewijs!
Maar duidelijker is nog die toespeling in de bekende spreuk: De gezonden hebben den
208
de m edicijnmkesteu.
medmjnmeesler niet iioodig , maar die ziek zijn. [Matth. fX ; 12 ; Mark. 11 ; 17; luk. V : 81.) Hij alle drie de Evangelisten staat deze spreuk in verband niet den maaltijd ten huize van Levi = matïiieüs, waar jezus aanzat met cene menigte tollenaars en zondaars. De Farizeeseho schriftgeleerden vallen hierover de discipelen aan, die zich zoogoed niet verdedigen kunnen , en vragen ; // Waarom eet en drinkt uw Meester met de tollenaren en zondaren ?quot; Maar mes zelf vat voor hen het woord [op niet de spreuk, die wij daar aanhaalden, en voegt er bij (volgens m.vjtheUs na eene herinnering, dat barmhartigheid meer is dan offerande) : nik ben niet gekomen om te roepen regtvaardigen, maar] zondaars tot bekeering.quot; (Vergl. Bladz. 112.)
Wij zullen ons niet lang ophouden bij de vraag, of jezus dan [de regtvaardigheid, en dus in zedelijken zin de gezondheid der ïarizeën en van al wie genade vonden in hunne oogen, erkende. De Heer plaatst zich eenvoudig, zoo als hij meer deed, op Imn eigen standpunt. Waren zij en de hunnen gezond, wel nu! dan hadden ze den geneesheer niet noodig; maar moesten zich dan ook verblijden, dat hij zoo trouw de kranken onzochi. Niet om der regtvaardigen wil kwam hij; en allerminst, om den zondaar nog dieper te vernederen , dan hij reeds door het oordeel der wet en hun nog harder doem vonnis vernederd was. Neen !jmaar om zich midden onder die afvalligen te begeven, hen te roepen als vriend, tenoodigen als hun Heiland, maar — te roepen tot bekeering. Zoo dus de Fari-zeesche partij waarlijk Gods eer bedoelde en de regtvaardigheid van Israël, moesten zij dan daarin zich niet verheugd hebben? Maar neen ! 't Is weder het beeld van den oudsten broeder in de Gelijkenis van den Verloren* Zoon!—Doch ook die kroon eener trotsche en harde eigen geregtigheid viel hun in den strijd tegen jezvs af, en de krankheid hunner zielen , diep ingeworteld en in alle levenssappen doorgedrongen, bleek , zelfs voor den grooten Medicijnmeester, zoo goed als ongeneeslijk te zijn.
Hoe schoon en liefelijk komt ook hier weder het beeld van den Heiland der wereld uit; schoon en liefelijk, en met geen ander te vergelijken! 1) T)e krankheid, die sedert het paradijs 't mensebdom drukt, 't leven in zijnen wortel aantast, uitput en verteert, is de zonde. Hij, die van den hemel kwam, is de Geneesheer, en zijn Evangelie medicijn. Zou hij 't licht en leven der wereld zijn , brood en water ten eeuwigen leven, eerst moest de kranke worden gezond gemaakt. Maar den genezene drukt nog zwakheid en onlust. Die zoo lang krank was, stort weer ligt in. Daarom bleef den verlosten voortdurende behoefte aan den Verlosser. Een volgen van zijne stem, zoo als schapen de stem des herders kennen; eene, innige levensgemeenschap met hem, die kracht ten goede geeft, zoo als de ranke vrucht draagt in den wijnstok, was hun onmisbaar. Maar wie ook die behoefte niet gevoelt, wie als de zieke, die zich inbeeldt gezond te zijn, den Medicijnmeester van zich stoot, het doodend beginsel der zonde werkt in hem voort, 't leven uit God is in hem niet of niet meer : hij gaat verloren , en — hij kon toch ook behouden zijn; want ook over hem ontfermde zich de Heiland; maar hij heeft niet gewild!
1) Eene praktische uitbreiding en toepassing van dit beeld vindt men bij cousnes, Spreuken enz. Dl. II, Blz, 1—13.
11.
«-
Voonoaar, voorwaar zegge ik u: hullen het lanoegraan in de aarde niet valt en sterft, zoo blijft het zelve alleen; maar indien het sterft, zoo hrengt het veel vrucht voort.
Hoe men ook mecueii moge, dat het Johanneïsch beeld van den Christus liiev en daar een' anderen tint draagt nis dat der drie eerste (synoptische) Evangeliën , zeker komt bij allen even zeer de reinste mensehenlieicle en hoogste zelfopoffering, als een der hoofdtrekken, helder uit. Allen stellen daarom ook even duidelijk aan het licht, dat jezus geheel vrijwillig leed en stierf; dat hij den uitgang, waarvan mozes en euas tot hem spraken, met volle zelfbewustheid ging volbrengen te Jeruzalem.
Bij de drie Evangelisten hangt dan ook met die verschijning op den berg, de eerste profetie viin JK/.rs' laatste lijden zamen. Daar vóór gaat het berigt; \ an toen aan begon «zus zijnen discipelen, aan te tomen , dat hij moest henen gaan naar Jeruzalem, en dat hij daar veel zou lijden, verworpen van de ouderlingen , overpriesters en schriftgeleerden , en gedood worden, en ten derden dage iveder opslaan. [Matth, XVI : 21; M. VIII : .'51; Luk. IX : 22.) — En kort na de verheerlijking wordt die profetie herhaald, met de bijvoeging; nDe Zoon des menschen zal overgeleverd worden in der menschen handen ,quot; en het slot: De discipelen werden bedroefd, of naar markus en i.ukas : Zij verslonden dit woord niet, maar vreesden, er naar te vragen. {Malth. XVII ; 22, 2.'5; M. IX: .'iJ, .'52; Luk. IX : l--'3—45.)
Die voorspelling wordt nog eens in den kring der discipelen plegtig herhaald bij den' aanvang der laatste reis naar Jeruzalem; en nu wordt er ook de overlevering aan de heidenen, bespotting, geeseling, en bij mattheüs ook de kruisiging bijgevoegd, terwijl M'kas weder aan teekent, Aai dit woord voor hen verborgen was. {Mittk. XX : 17—19; W. X ; •'i2—•') I-; Luk. XV Hl : —;J1.)— Intussehen liad jezus reeds bij zijn openbaar onderwijs hierop gezinspeeld, in het kruisdragen, het teeken van jona , het afbreken van den tempel, en ingewikkeld in de Oelijkenissen , die spraken van zijn heen gaan en
HET TA. RW EO KAAN.
weder komen. Maar vooral is opmerkelijk een woord in hel eerste der drie verhalen, die u'kas ons omtrent jeziis' laatste reis bewaard heeft. {Luk. IX ; 51 verv.) Te midden van zijn onderwijs wordt de Heiland op eens aangegrepen door het vooruitzigt van de bloedige gevolgen, die zijne aankondiging van het evangelie des vredes noodzakelijk hebben moest. Geen zweem van vrees is er in hem voor die ontzettende ontknooping , geen kreet van wraak ontsnapt er aan zijne lippen ; maar alleen het diep weemoedig gevoel van den man des vredes, die het ontzettend slagveld voorziet, en het toch niet afscheiden kan van zijne grootsehe onderneming; de zielesmart van dm Zoon des menscheu, gekomen om der menschen zielen te behouden, en die toch zijne eigene ziele opofferen moet niet alleen, maar velen in dien strijd mede slepen, nik ben gekomen,quot; zoo roept hij op smartvollen toon uit: uom, vuur op de aarde te werpen; en wat wil ik, indien het alreeds ontstoken is ? Ik mod met een' bloedigen doop gedoopt worden; en hoe word ik geperst, tot dat het volhragt zij! Meent gij, dat ik gekomen hen, om vrede te geven op aarde? Neen, zeg ik u: niet den vrede, maar het zwaard?' [Luk. Xll : 49—51 ; vergl. Matth. X ; ;51.)
Duidelijker nog herhaalt jeziis die lijdensprofetie in de laatste dagen: bij het besluit van zijn openbaar onderwijs in het beeld der booze Landlieden, en in den vertrouwden vriendenkring door de instelling van het avondmaal. En weder zien wij in Gethsewané bij die gedachte zijne ziele ontroerd, en huivert hij van den drinkbeker, dien hij toch niet mag en niet wil weigeren. — Zijn verheven aandoenlijk woord eindelijk op den kruisweg: // Veent niet over mij, doehters van Jeruzalem ! maar over v zelve en uwe kinderen. M ant indien zij dit doen aan het groene hout, wat zal aan het dorre geschieden ?quot; [Luk. XXIII: 28—31) bewijst op nieuw, dat geen opzien tegen ligchaamssmart of stervensnood, maar veel eer de barensweeën van den grooten wereldstrijd, waartoe zijn kruis liet sein wezen zou, den Zoon des menschen zoo diep in de ziele greep.
Bij Johannes vinden wij de lij densprofetie reeds vroeger, maar meer in beelden gekleed. Bij het eerste pascha wordt al aangeteekend, dat jezüs zelf ziek niet eens aan zijne Jern-zalemsche discipelen toevertrouwde, daar hij hen allen kende, wetende, wat in den menseh was. [Jol. II: 24 , 25.) Tot nikodkmus spreekt hij over eene verhooging van den Zoon des menschen, gelijk aan die der slang in do woestijn. (H. lil : 14.) Na het teeken der brooden is het: u Het brood, dat ik geven zal, is mijn vleesch, hetwelk ik zal geven voer hef leven der wereld.quot; (H. VI: 51.) De bedreiging om hem te dooden, te steenigen, wordt bij iedere feestreis luider en bloeddorstiger te Jeruzalem) maar duidelijker verklaart mrs ook, dat, bij als de goede Herder zijn leven stelt voor de schapen, het aflegt en wederom neemt. [Joh. X ; 11, 17.) Intusschen beeft kajapas, tegen het laatste paaschfcest, dc weifelende leden van den raad tot het besluit overgehaald: Het is ons nut, dat één menseh sterve voor het volk, en het geheele volk niet verloren ga; een besluit, waarin de Evangelist eene hoogere beteekenis zoekt. (H. XI : 50—52.) Nu komt jezus, onder de Hosanna's van het volk, dat hiervan niets vermoedt , Jeruzalem binnen. En hierop volgl dan het verzoek van eenige Grieken, dat tot de zinspreuk van het tarwegraan aanleiding geeft.
21]
29*
HET TARWBGRAAN.
Die naam, anders verschillend gebruikt, beteekent hier ongetwijfeld Heidenen, 1) en wel hoogst waarschijnlijk zulke, voor wie in den tempel van iiekodes liet Voorhof der heidenen was ingerigt. Zij werden ook wel //proselyten der poortquot; genoemd, 2) in tegenstelling van de wproselyten der geregtigheid /' die niet alleen het Joodsche geloof, maar ook de besnijdenis, en daardoor de gehoorzaamheid aan de wet hadden aangenomen. Die onbesnedenen werden niet toegelaten op den eigenlijken heiligen grond, maar mogten toch in hun eigen voorportaal hunne vereering brengen aan Israels God. Jezus, die de Jeru-zalemsche Joden toch reeds zoo veel ergernis geven moest, leerde dadr waarschijnlijk nooit. Sommigen dezer Grieken gingen dan lot filippus, die van Itethsaïda in Gal ilea was, en baden hem, zeggende: nlleer! wij willen jezus zien quot;— Die wensch sloot natuurlijk racer in zich, dan die van zaccheüs , om den beroemden leeraar op den weg of de straat te zien voorbij gaan. Zij wenschen, aan jezus voorgesteld te worden, om hier of daar, waar het den Joden geene ergernis geven kan, met hem rustig te spreken. Maarzij durven jezus in 't openbaar niet aanspreken : zoo groot is de afstand tusschen den Joodsehen Rabbi en de onbesnedenen; zoo zeer gevoelen zij hunne minderheid, even als de hoofdman, die zich niet waardig acht, dat jezus onder zijn dak inkomt, en de Kananceselic vrouw, die slechts de kruimkens van de tafel der kinderen, als het deel der honden, vraagt. Zij vervoegen zich dus tot hlippïfs, waaruit wij wel haast moeten gissen, dat zij dezen kenden, en dat daarom Johannes met opzet Belhsdida noemt, de stad van fm.ipptjs , waar zij misschien ook in of digt bij woonden; gelijk er in Galilea nog altijd, vooral in het noorden, vele heidenen schijnen gewoond te hebben.—Deze vindt het verzoek bedenkelijk genoeg, om er eerst zijn' stadgenoot andbeas, een der allereerste discipelen van jezus, over te spreken. Hij kiest dezen te eer, omdat hij jon a's zonen reeds van vroeger kende, en door hen tot jezus gebragt is. liet bedenkelijke der zaak was daarin gelegen, dat voor de roeping der Heidenen de tijd nog niet gekomen was. Jezus zelf had bij herhaling betuigd, dat hij alleen gezonden wat tot de verlorene selapen van het huis Israels; en zijnen discipelen, toen hij hen uitzond, had hij gelast: //in geen stad der Heidenen of vlek der Samaritanen te vertoeven.quot; Berst moest het Godsrijk onder Israël worden gevestigd, en de banier der Heidenen op Sion ge-
1) Men vergelijke i/b^. VII: 35 en audere plaatsen. Tc regt voegt evenwel n artint; [Han'bcoordenbnrk) er bij, dat die beteekenis alleen geldt, «omdat de niet Joodsche of hcidensche -wereld, wat beschaving, wetenschapen godsdienst betrof, meerendeel Grieksch was.quot; — Deze beteekenis van slli/v strekt dus niet zoo ver als die van èd-vixöe (het Hebreeuwsche Gojim), en ik twijfel zeer, of men bij voorbeeld den kamerling of liever (.aanzienlijken gesnedenequot; uit Moorenlund («Pijp tvvoifos) ooit zoo zou genoemd hebben. Deze was een barbaar en niet een Griek, zoo als i'aui.us onderscheidt /torn. 1:14.
2) Volgens de Rabbijnen, was aan dezen slechts de onderhouding der zoogenaamde zeven Noaohicdisehe wetten — tegen afgoderij, godslastering, moord, hoererij, dieverij, oproerigheid en bloedig vleesch, — opgelegd. Dat de genoemde Grieken tot deze soort van .Todengenooten behoorden, is daarom hoogst waarschijnlijk, omdat zij waren uil degenen, die plegen c/j te gaan (Ik roiy avafinivovtcov^ opdat zij op hel Jeest zouden aanbidden, eu zeker alleen of althans hoofdzakelijk voor de zulken hot Voorhof der Heidenen bestemd was. — De opvatting van »Grieksohe of uitlandsche Joden,quot; heeft aanleiding gegeven tot de vreemdste verklaringen, zoo als die van kuinoeI/, dat, zij hooge cercpostcn in het Messias-rijk zochten, en van van willes, dat zij jezus aan het gevaarlijke verblijf onder de Palestijnsche Joden zochten te onttrekken, (kkoïi , Nieuw Chl. Magazijn, 11 : 00—71.)
het tahwequaan.
plant. En nu, te midden van het dweepziek Jeruzalem, zouden zij geloovige Heidenen tot Jezus brengen ! Toch vindt andreas het 't best, te zamen ronduit dit verzoek aan jezus mede te deelen. En jezus antwoordt—wij moeten scherp toeluisteren, om te hooren, dat het een antwoord is ; — n De ure is gehomeu, dat de Zoon. des metmhen zal verheerlijkt wordtin quot; — terwijl intusschen de Grieken met hun verzoek geheel in den achtergrond terug treden, zóó zelfs, dat wij er geen enkel woord meer van hooren.
Toch slaat dit woord van jezus op hot hem gedane verzoek jterug. Zijne verwerping door Israel en de prediking van zijn evangelie aan de Heidenen, de uitbarsting van den vreeselijken strijd en zijne verheerlijking, hangen in jezus' verheven' geest naauw te zamen. Want wat is zijne verheerlijking? Is 't niet de stichting van het godsrijk en zijne krooning? En wanneer is die te wachten? Wanneer anders, dan bij zijne verhooging aan het kruis? Vroeger reeds deed het uitzigt op zijne aanstaande zelfopoffering als do goede Herder hem terstond denken aan zijne andere schapen., die niet van dezen stal zijn. Nu is iiet omgekeerd. Zij komen van zelve reeds, die andere schapen, en het is, ids of zij hem de boden zijn van zijn aanstaand lijden en sterven, waardoor zijne bijzondere betrekking tot Israël zou opgeheven worden, en 't koningrijk Gods aan een ander volk gegeven, dat daarvan betere vruchten zou opleveren. En zoo is van zelf ook de zamenhang aangewezen van jezus' verheerlijking en de leenspreuk van het. tarwegraan, die er onmiddellijk op volgt.
Van die spreuk is de zin altoos, hoe wij haar nok opvatten; //Leven uit den doodquot; niet alleen, maar //Leven door den doodjquot; een nieuw leven, waartoe eerst het oude sterven moet, dat zich 't nieuwe daaruit ontwikkele.
Elke winter is ons het beeld des doods, iedere lente dat van het leven uit den dood. De tijd des jaars, waarin wij de laatste woorden van den Heer plegen te herdenken, is daarom met 't feest der opstanding iu de schoonste harmonie. Maar men vergeet wel eens, dat dit in Palestina niet zoo was. Bij zijnen laatsten dagelijkschen gang van Jiethanië naar Jeruzalem, zag jezus reeds de vele vrucht, waaronder de graanhalmen zich bogen, wachtende op de zeissen des maaijers, die er terstond na het paaschfeest werd ingeslagen. Maar 't is ook niet juist dat beeld van onze lente; //leven uit den dood,quot; dat jezus wil uitdrukken. Iu dien zin kent de natuur van het Oosten de lente niet, daar veel eer een verschroeijende zomer er het beeld des doods is, en de vroege of najaarsregen dat van 't nieuwe leven, (iclijk ik reeds zeide, door dit beeld van den Heiland wordt niet enkel //leven uit den doodquot; voorgesteld, maar nog meer //leven door den dood.quot; Het is niet 't verstorvene, dat weer opleeft in de natuur of door nieuwen bloei wordt vervangen ; maar dc dood zelf, die de kiem des levens in zich bevat. Met een plegtig amen, amen! [Voorwaar, voorwaar!) verzekert jezus; nllet tarwegraan, — eigenlijk de graankorrel,!)—indien het niet in
1) Gr. ó xóxxos tov aiiov. Het woord alios bctcekcnt eigenlijk koren, en nvqoi tarwe. Maar daar het laatste in het N. ï. niet voorkomt, on altos ook bij tie Grieken doorgaans vau tarwe wordt gebruikt, kan men deze beteekenis veilig als dc doorgaande in het N. ï. aannemen; alios wordt zelfs Openb. Yl :0 tegenover gerst [xqiamp;iÏ) gesteld, als drie maal kostbaarder. Misschien dat liet meervoud
icit tak. weg r a a n.
de aarde vallende sterft, zelf blijft het alleenquot; blijft iets op zich zelf, zonder zamenlmng met de groeijende natuur, zonder deel aan den oogst. Zoo lang de tarwekorrel in wezen blijft, en in zoo verre in zijn eigen leven, wordt zij niet anders dan zij is, hecht zich aan niets, bestaat als 't ware alleen voor zich zelve. uMaar indien het derft, — ontbonden wordt en vergaat, zoodat er geen graankorrel meer te vinden is, — zoo brengt het veel vrucht voort.quot;
Ook hier weder is de wijsheid van .nzrs even diepzinnig als eenvoudig. Wat vragen wij, hoe 't zaad, dat wij bij handen vol op den akker werpen, ontkiemt en opwast? Toch is ieder zaadje eene gehcuncnis, waarin de Schepper het leven der natuur verborg, zonder dat de mensch het kan uitvinden. In de zaden, waarvan de groote overvloed mensch en dier voedt, schuilt de kiem, voorzien van haar eerste voedsel, dat bij het koren slechts ééne , bij boonen en erwten twee zoogenaamde zaadlobben vormt. Die kiem zelve bevat reeds , al is 't onzigtbaar klein, het biadpluimtje of den toekomstigen stengel en het worteltje. Zoo dra nu het zaad door eene vochtige eu donkere warmte wordt gekoesterd en door het licht aangetrokken, zwelt de kiem, doet den bast der zaadkorrel bersten, eigen! zich haar eerste voedsel uit 't moederblad toe, en zendt hare spruiten uit. Ttoe ook de korrel viel, altijd wendt zich de wortel naar de donkere diepte toe, om daar zijn verder voedsel te zoeken, en de stengel zoekt even eens lucht en licht op, om daarin te groenen en te bloeijen. Zoo werkt het levensbeginsel in 't verborgen, terwijl nog de dood dr oppervlakte van den akker, waar 't zaad in weg zonk, beheerscht. tn die diepte, ongezien van 's menschen oog, stierf de graankorrel, maar leeft nu als een halm weder op door zijn sterven. Pc aarde werkte ontbindend op 't kleine zaadje, gelijk aarde en zee alles in zich opnemen en verteren. Maar krachtiger nog werkte de levenskracht, in dat kleine zaadje gelegd, op de aarde terug, en dwong haar voedsel af voor de nieuwe, plant, uit het stervend graan geboren, /let zaad, in de aarde geworpen, sproot vit en werd lang, en de mensch, die het daarin geworpen had, wist zelf niet hoe? Want de aarde brengt va» zelve vrucht voort: eerst het kruid, daarna de aar, daarna het volle horen, in de aar. En als de vrucht zich voordoet, terstond zendt hij de sikkel daarin , omdat de oogst daar is. \)
[alta), dat slccLts eenmaal [Ihnid. VII : 12) voorkomt, graan of koren in 't algemeen, of ook graanspijzen, brood beteekende, — het laalste te eer, als (Uiia de ware lezing is. — Evenwel, zoo als wij vroeger bij 'iXXi/y opmerkten, ligt ook bij (rtin,- altijd dc oorspronkelijke beteekenis op den achtergrond, Zoo is, bij dei alle koren in de aire, inde Gelijkenis van't van zelf groeijend zaad {Mark. IV : 28), het meer algemeeuc woord door onze vertalers te regt gekozen. Daarentegen zou ik denken, dat zij (en zelfs visseiii.no) alto; te onregte tegenover ander graan hebben gesteld, 1 Kcr. XV : 37. pallus spreekt daar (straks komen wij er op terug) van al wat de menseh zaait: een htoole korrel, naar 't vuil, van tarwe (lees koren), of cmuj der overige — natuurlijk der overige planten, die in tuin- eu akkerbouw gezaaid worden en, niet enkel van andere graansoorten. De oorspronkelijke en ruimere beteekenis komt dus ook hier weder uit. (»Koorn of graan, bijzonder tarwe.quot; iiarting.)
1) Zie over deze Gelijkenis {Mark. IV : 26—20) het vroeger gezegde Dl. I, Blz. 53—64. In den meermalen aangehaalder, nikooemis worden dc twee Gelijkenissen, Zaad en Tartcegraan gezamenlijk behandeld. Bij al het zonderlinge dezer B. K. mystiek, zijn er toch schoone denkbeelden ia , zoo als de kraebt der heraelsthe zelfopoffering van chumts: U 'ie vrnehieden sich avck die Dinge auf Er den gestalten mogen; ob das Aite wieder hergeatdll cder dureh Neves verdringt wird; ob Gctl noch Jiirder in Marmortempeln oil er
MET TAItWEOUAAN.
1'In zoo blijft ook de graankorrel niet alleen, maar dertigen zestig en honderdvoud geeft zij zieli zelve terug iu den dag des oogstes. Wie 't zaad ontziet en spaart , deelt in de vreugde der garvenmaaijcrs niet. Dit is de groote wet der natuur, die gansch de levende schepping heheerseht en in 'i kleinste zaadje hare uitdrukking vindt: ^Ontbinding tot za-menstelling, leven uit den dood.quot;
Brengen wij nu deze natuurwet in verband met de ondervinding van je/.us' leven en het voorgevoel van zijnen dood. Jezus is gekomen in de wereld, om der waarheid getuigenis te geven en zondaren zalig te maken. Zijne jeugd en jongelingsjaren door heeft hij daarover gepeinsd, zich geoefend in de Heilige Schrift en in 't gebed, en is zich hoe langs zoo meer van zijne hooge roeping bewust geworden. De jaren van zijnen mannelijkcn leeftijd heeft hij daartoe in het openbaar besteed. Doch hij gevoelt meer en meer: het hooge doel van /.ijn leven, de stichting van het Godsrijk op aarde, kun door dat leven alleen niet worden bereikt. Ilij heelt dan slechts de keus, om een Joodschc Rabbi of een aardsche Messias te zijn. Wil hij zich niet naar de heerschende hiërarchische partij schikken, zoo moet hij haar met geweid overwinnen, of door haar overwonnen worden. Onmogelijk is, wanneer liij zijnen beginselen getrouw blijft, die groote strijd te ontgaan. Uit het bliksemend oog zijnor vijanden dreigt reeds dc dood, en zijne Galileërs hebben maar eenen wenk noodig, om zich voor hem te wapenen. Neen! dat niet. Ilij zelf zal ten zoenoffer vallen voor de zonde. Op hem, op hein zal de vijandige wereld hare woede koeion, en vrede zal er ontspruiten aan zijn bloed. Dat is zijne wijding tot den bloeddoop, waarin zoo vele profeten hem zijn voorgegaan, ook Johannes de Dooper. 1) Maar tevens verklaart zicli hieruit de diep weemoedige stemming, die hem zoo vaak aangreep. Op nieuw werd die door het schijnbaar zoo weinig beduidend aanzoek der (irieken opgewekt. Ilij ziet in die eerstelingen uit de Heidenen zijne aanstaande verheerlijking; maar even als hij aan den laatsten avond, juist na het vertrek van den verrader uitriep; tiAu is de, Zoon des menschen verheerlijkt!quot; (II. XII1 : 81) zoo gevoelt hij ook nu, dat zijn leven de prijs dier verheerlijking wezen moet. En niet zijn leven alleen! Vuur en bloed en 't zwaard overal. Maar hij troost zich met de beeldspraak der natuur in 't tarwegraan. Zijn plegtig Amen bewijst, dat de zaak hem na aan 't harte gaat, en hij ze ook zijnen discipelen diep wil inprenten. Ook bij hem zal dit aardsche leven de prijs van hooger en vruchtbaarder leven wezen. De koning van Israël zal sterven
215
HET TAUWEGRAAN.
aan 'i kruis, oin als de Middelaar Glt;jds en der ineusclien weer op te staan. Even nis het tarwegraan door de aarde ontbonden wordt, om de aarde vruchtbaar te maken , zoo zal liij de zondige wereld al hare verwoestende kracht op zich laten uitoefenen, opdat hij haar dwinge, dat zij het koningrijk der hemelen m zich opneme, het voede en doe opwassen uit zijn bloed...... Dat is 't, wat de profeet jesaja voorspelde, zeggende (H. LUI):
Om onze overtredingen is hij verwond, om onze ongeregtigheden verbrijzeld; ah een lam ter dagiing weg geleid, afgesneden vit het land der levenden : want het behaagde den HEER , hem te verbrijzelen. Maar ah zijne ziele zich lot een schuldoffer zal gesteld hebben, zoo zal hij een talrijk nakroost zien en zijne dagen verlengen; en gelukkig zal door zijne hand 's IIEKRKN welbehagen voort gaan.
Maar bij de heldere voorstelling van dit alles, bevangt .tkzüs op nieuw eene aandoening, die hij zich niet schaamt uit te spreken. //Nu — bij de gedachte aan dat zu;li ontbindend tarwegraan—nu is mijne ziele ontroerd. Kn wat zal ik zeggen? Zal ik bidden: lader! verlos mij uit deze ure? Maar hierom ben ik in deze ure gekomen. Fader! verheerlijk slechts in alles uwen naam!quot;—Als jezus dit gebeden heeft, antwoordt hem eene stom uit den hemel : n Kn ik heb verheerlijkt, en Ik zal wederom verheerlijken!quot; En jezus besluit met don zegekreet der overwinning: «Jin is het oordeel dezer wereld. Nu zal de overste dezer wereld buiten geworpen worden. En ik, zoo wanneer ik van de aarde zal verhoogd zijn , zal ze allen tot mij trekken.quot;— Wie gevoelt niet, dat in dit allen het laatste antwoord op 't verzoek van andueas en filippus ligt? Maar wie gevoelt dan ook niet, hoe jezus' lijden en sterven, als eene onvermijdelijke noodzakelijkheid, aan zijne taak verbonden, van den beginne af en met steeds klimmende bewustheid, zijn uitzigt was en het besluit der edelste zelfopoffering ? Al wilde men met sommigen aannemen, dat enkele gezegden van den Heer de bedoeling niet hadden, die men er later aan toeschreef; dat de lijdensprofetie niet zoo letterlijk is gedaan, als zij naderhand in 't geheugen stond geschreven, toen de uitkomst ze had verwezenlijkt; de zaak zelve blijft niet minder waar, bij de synoptici ca bij .ioiiasnes geheel anders geboekt, in eigenlijke woorden uitgesproken en in heelden geschilderd: De ciimsTrs moest alle deze dingen lijden, om lot zijne heerlijkheid in te gaan, [Luk. XXIV : ;2(gt;)—en reeds lang te voren was hij zich hiervan helder bewust.
Maar jezus zelf geeft aan de leenspreuk van het tarwegraan nog eene ruimere toepassing, dan die op zijn eigen leven en sterven. Althans, johaxnes laat er onmiddellijk, en vóór de reeds aangehaalde bede, op volgen; «Die zijn leven—Neen! zoo staat er niet; lees: //Die zijne ziele lief heeft, zal haar verliezen ; maar die zijne ziele haat in deze wereld, zal haar bewaren tot het eeuwige leven. Zoo iemand mij dient, die volge mij; en alwaar ik hen, aldaar zal ook mijn dienaar zijn. En zoo iemand mij dient, de Vader zal tem eeren.quot; — Door de beide eerste malen in plaats van leven te schrijven ziele, herstellen wij slechts den oorspronkelijken tekst. Eene letterlijke vertaling, zoo als die des bijbels is, mag o-eene verklaring zijn; geene westersche wereldbeschouwing — om nu eens liet woord van den dag te gebruiken - in de plaats van de oostersche, geene nieuwere voor die der oudheid in plaats schuiven. Do ziele is bij de Hebreen het levende in mensch en dier,
het tarweokaan.
tcgeiiovci'de doode, onbezielde stof gedacht, liet onzigtbare tegenover het zigtbare ligcliaam. En daar nu liet leven door voedsel wordt onderhouden, en dus de ziele er door bewaard, even als het ligcliaam door kleeding gedekt wordt, zoo zegt de fleer elders: nlVeest over uwe ziele niet bekommerd, wat gij eten , over uw ligcliaam, waarmede gij n kleeden zult; ziel en ligcliaam zelve, — de niensch in zijn geheel, — zijn meer dan spijs en hl eed.quot; 1)
In het gezegde van jkzus , dat wij hier moeten behandelen, is sprake van een lief lellen , een bezorgd zijn voor zijne ziele, door haar lijden en dood te besparen. Waar twee malen vroeger deze spreuk voorkomt, is het: Wie zijne ziele vindt, — en Vie haar wil behouden, — [Matth. X : 39, XVI ; 25; Mark. VILT : ,'55; Luk. IX : 24; XVII : 3:1.) Maar altijd is de bedoeling de zelfde. Het beeld zagen wij reeds in den rijken dwaas, die ook zijne ziele koestert, en in den zelfden nacbt wordt zij van hem afgeëischt# Wie zoo bezorgd is voor zijne ziele, haar lief heeft en behouden wil, haar lijden en dood besparen, zal haar, in nog treuriger' zin dan door den dood, verliezen. Het geen leeft en gevoelt in hem, het mensehelijke inden menscli, zijne onsterfelijke ziele zal verloren gaan. Maar wie zijne ziele haat (elders verliest, dat is opoffert, om mijnent wil) in deze wereld, zal haar bewaren tot het eeuwige leven; daar in deze wereld de ziel verloren zijnde, zij eerst daarna en daardoor eeuwig leeft. En hierop volgt nu de spreuk, aan die van 'l kruis dragen achter jezus gelijkvormig: rtfoo iemand mij dient, die vohje mij!quot;
Het is duidelijk, dat jezus bier de leenspreuk van bet tarwegraan niet enkel op zijn eigen sterven, maar ook op den marteldood der discipelen toepast; of zoo johannes deze spreuken, vroeger en elders gebezigd, hier heeft ingevoegd, dat dan de evangelist de beeldspraak niet enkel op den Meester, maar ook op dc discipelen toepasselijk acht. En met 't hoogste regt. Maren die discipelen, nis tussclien bet paasch- en pinksterfeest, een afgesloten gezelschap gebleven, men zou den kring der geloovigen kunnen vergelijken met het tarwegraan, dat op zich zelf blijft, zoo lang het niet in de aarde gelegd wordt. Maar toen zij, door den Heiligen Geest bezield, zich in 't midden der wereld waagden met gevaar van hun eigen leven , toen breidde het mosterdzaadje van het evangelie wijd en zijd zijne wortels en takken uit. Het bragt veel vrucht voort; en de moed om te sterven bleek sterker te zijn, dan die om te dooden. Stefam'S en jakobus, pai lus en petrus, en zoo vele anderen, als hunne zielen voor den naam des Heeren hebben overgegeven , en hun leven niet dierbaar achtten voor zich zelve, opdat zij hunnen loop met bl jdschap niogten
;2J7
11 KT TM! \V KOU AAN.
volbrengen, [Hand. XV : 36; XX : 24) —/ij hebben tegenover de spreuk van liet evangelie: //Tiet tarwegraan draagt vrucht door te sterven;quot; die der kerk gestold: //Het bloed der martelaren is liet zaad der kerk geweest.quot;
En ligt eindelijk in die gezegende vrucht .riizus' eigene verheerlijking opgesloten , even zoo is de zelfopoffering der martelaren hunne kroon geweest. Ja ! nog, nu die bloedige vervolgingen hebben opgehouden, kan men zeggen, dat het lijden en strijden des Christens, als de ontbinding van het tarwegraan, voor hem zeiven en voor de wereld de schoonste vruchten oplevert. De egoïst, die zijne ziele lief heeft en bewaart in deze wereld, blijft alleen, onvruchtbaar voor de wereld, en verliest ten laatste alles, omdat hij alles winnen wilde. 1) Maar die zich opoffert, verrijkt zich; die 't leven aan de wereld geeft, wekt leven»; die de ziele getroost en bemoedigd varen laat naar Gods wil, vindt haar in't sterven schooner weder, terwijl hij hier op aarde nog spreekt, nadat hij gestorven is, en menig (H'ii den wensch ontlokt van bti.ëam : nMijne ziele sterve den dood des opregten, en mijn uiterste zij gelijk het zijne!quot; Want op den dood van ciiuiSTi'S en de zijnen kan in zeker opzigt de SIMSONS-Spreuk worden toegepast: Meer vijanden versloeg hij in zijn sterven, dan hij in zijn leven verslagen had. [lligt. XVI : •'50.)
Vonden wij in de behandelde spreuk eene dubbele beteekenis; jezvs'eigen verheerlijking cu den wasdom der kerk in zijn bloed; — in de eerste bedoeling: //door den dood de opstanding,quot; gebruikt ook i'Ari.rs de zelfde beeldspraak. Want als deze de opstanding verkondigt, en daarbij van de Grieken, die zoo gaarne alles weten en natuurlijk verklaren willen, de tegenwerping voorziet: nJIoe zullen de dooden opgewekt worden , en met hoedanig een ligchaam zullen zij komen?quot; antwoordt hij: Gij dwaas! het geen gij zaait, wordt niet levend, ten zij dat het gestorven is; en het geen gij zaait, zaait gij het ligchaam niet, dut worden zal, maar een Mooie korrel, naar het valt, van koren of van eenig der andere zaden. Maar God geeft het een ligchaam, gelijk Hij wil; en aan een iegelijk zaad zijn eigen ligchaam. (I Kor. XV : 35—38.)
218
Het beeld is 't zelfde; de algemeene gedachte, die er door wordt uitgedrukt: //Leven, hoogcr en schooner leven, uit en door den dood,quot; is het ook. Of men nu daarom stellen kan, dat pauijjs het aan mus' onderwijs ontleend heeft, zou ik niet durven zeggen, daar deze apostel minder dan iemand anders zich op dc eigen woorden van jezus beroept of zelfs stilzwijgend daarvan uitgaat. Daarbij is de toepassing van pauixs anders, naar
1) CoiiSTtL'S (Spreuken tan omen Heer Jezus Christus, III: 188—207) grondt op beide onze spreuken, naar vooral op dc laatste: Die zijn leten lief heeft enz. eene goede en praktische verhandeling over »de welbestuurde liefde tot het leven.quot; — De onderscheiding van. zie! en leven is daarbij echter niet in het oog gehouden, en het leidend denkbeeld is: //Eene overdreveue liefde tot het leven eu levensgenot, doet den mensch in wereldsgezindheid toenemen , zoodat het hem eindelijk onmogelijk wordt, in het leven des hemels te deelen , en hij dus met den dood alles mist. Hij daarentegen, die dit leven matig en dankbaar geniet, maar het levensgenot met afkeer beschouwt, zoo dra het strijdig is met zijne ware bestemming, hij wordt dagelijks meer rijp voor den hemel, eu met den dood zijns ligehaams begint eerst regt zijn leven,quot; — 1 )e voorbeelden van een leven voor genot, — voor zijne gezondheid, — in vreeze des doods, — zijn lezenswaard.
zijn tegenwoordig oogmerk niet alleen, maar naar zijne eenigzins gewijzigde voorstelling van den menscli. Bij paulds is deze niet meer //ligehaam en ziel,quot; zoodat het laatste woord soms op menscli en dier eveu eens, soms ook wel op den menscli in lioogeren zin wordt toegepast. Neen! bij patoüs is liet //geest, ziel en ligehaam,quot; en met het eerste woord is 't goddelijke, met het tweede 't dierlijke, met het laatste 't stoffelijke in en aan den menseh uitgedrukt. Daar nu pavi.iis duidelijk eene ligchamelijke opstanding leert, zoo wel van cnristus als van de geloovigen, neemt hij hier de bedenking weg, die hem vroeger als Farizeër onoplosbaar was: //Hoe kan het zelfde ligehaam, ontbonden, tot stof vergaan , en bovendien de kiem des doods steeds in zich omdragende, herleven tot een hooger en eeuwig aanzijn?quot; -— Er is, zoo leert paulvs nu, eene oneindige verscheidenheid van ligchamelijke vormen, in hemel en op aarde. Zoo is ons tegenwoordig ligehaam //'t kleed der ziele,quot; //aan de ziel eigen (onze vertaling heeft, bij gebrek van een beter llollandscli woord : natuurlijk;) —maar het opgewekte zal geestelijk, het orgaan van den geest en niet der ziel, van hooger en niet van lager leven zijn. 1) En zoo is in onze zinspreuk bij pavlus de graankorrel het zinnelijke, aardsche ligehaam, en de halm het geestelijke, hemelschc. Ook het ligehaam wordt eerst waarlijk levend, even als 't graan, door te sterven; en het is niet een nieuw schepsel, dat daar in do eeuwigheid wordt geboren, maar de zelfde menseh, naar geest en ligehaam de zelfde, die uit den doodslaap herleeft in heerlijkheid. 3)
1) Dat 1'auliis zioh, als Farizeër, geeno onsterfelijkheid zonder opstanding denken kan, is wat sterk gesproken. Het ligt ten minste niet in zijn uitzigt; «ontbonden cn met cinusms te zijn, dat verre weg het beste is.quot; — Aan den anderen kant is het zeker, dat hij — even als de Heiland zelf tegenover de Sadduceën— de dvaatcuns vexyMi' als eene groote godsdienstige waarheid vasthield, en zelfs haar zót) vast bouwde op het feit van jhz is' opstanding, dat hiermede zijn evangelie staan of vallen moet. Aan die opstanding hecht de apostel tc meer, omdat hij zich ook aan gene zijde van het graf hot leven niet anders dan als organisch denken kan. In 't orgaan van het tegenwoordige leven, dat der ziele (aujna iiiv/moy), dragen wij het beeld van onzen aardschen stamvader, adam-, want deze was tx )'ijs, XoVkós. Maat daarin schuilt reeds do kiem van het orgaan des gccstcs, en dus des hoogeren, onsterfc lijken levens (ffwfta nvsvfiaiixóv), waarin wij het beeld van don tweeden adam, dat is van civristus dragen zullen , die tfi oryavoi was. De overgang van het eene tot het andere leven kan öf door den weg des doods gaan, dien des verderfs of der ontbinding (aneltieiai t.v of door plotselinge omsehepping (ttliayyaróiiaamp;a èv dtófito). Pauwis vergeleek dit later (-2 Kor. V) met ecu ontkleeden of een overklceden [êxISiarnaamp;ai cn èrrsriïlaaaif'ui) , cn wenscht, door een natuurlijk opzien tegen den dood zoowel, als uit verlangen om den dag van cinusTis nog tc beleven, voor zich het laatste. Maar meest van allen wenscht hij't zich en zijnen lezers toe, dat zij niet naakt (yvftvol), — dat is zonder het nienwc geestelijke ligehaam, — bevonden worden. Over de ligchamelijke opstanding der genen, die buiten Christus zijn, heeft paolus, zoo ver ik weet, zich nooit uitgelaten.
Bij het hoogc belang van 1 Kor. XV, in den strijd onzer dagen, kwam mij deze nitvoerige aantee-kening niet onnoodig voor. Zij bewijst tevens de juistheid van paulcs' beeldspraak; de ontwikkeling van veel schooner' levensvorm uit den stervenden zaadkorrel.
2) «Dit voorbeeld,quot; —■ zegt borger in zijne Leerrede over 1 Kor. XV ; 30; — «wordt door paui.us bij-gebragt, om dc dwaasheid dergencn aan te toonen, die niets willen gelooven, hetgeen zij niet begrijpen, ---omdat het zaad in den akker zulk eene treffende overeenkomst heeft met het ontzielde
ligehaam, dat, in den schoot der aarde ontbonden, daar onder het oog van God ligt te rijpen tot een
vernieuwd cn verheerlijkt leven.--— Hoe veel voorzigtiger zouden velen handelen, zoo zij, vóór
dat zij den zegetoon over de godsdienst bliezen, hunne aandacht vestigden op het zaad, in dc aarde gestrooid! --Hoe vele wijsgcerige aanvallen tegen onzen heiligen godsdieust, die nu zoo vele gemoederen ontrusten, zoo veler geloof doen wankelen, zoo veler uitzigten in de eeuwigheid vei donkeren ,
mkt tauweoraan.
Dood! waar is uw prikkel ? — Zoo iemand, dan had paui.us regt, om het opstandingsta-fcred, dat liij den !voririthi(:rs toezond en voor alle eeuwen achterliet, met deze woorden te besluiten. De helden, die Israël verlosten, die Griekenland en Rome groot maakten, muntten uit door verachting des doods. Maar het Christendom alleen vond in den dood de kiem van hooger leven, en schreef boven de sombere begraafplaats den naam, die eene wereld van troost bevat: Godsakker. De dood maait om te zaaijen. Menschen weenen, maar Engelen juichen; want hooger leven ontkiemt uit den dood. De akker Gods voorspelt den oogst der eeuwigheid.
En is dit altoos nog een gelooven zonder zien, eenmaal heeft het de wereld aanschouwd, lioe het tarwegraan levend wordt door te sterven, en hoe het dan eerst vrucht en veel vrucht draagt. Jezus, de eersteling der ontslapenen, werd door zijnen dood het leven der wereld , en door het lijden des kruises verwierf hij de heerlijkheid der opstanding , die hij den zijnen heeft toegezegd. Maar wie in deze wereld zijne ziele lief heeft, haar 'i kruis niet opleggen, veel min haar opofferen wil, zal met de ziele, waaraan hij schade lijdl, geheel de wereld verliezen, die hij meende te gewinnen. Hem is de dood eerst waarlijk dood, gelijk voor de verstorven zaadkorrel, die vergaat in den grond, zonder dat er een wortel uit neer schiet en eene kiem oprijst.
zouden door ééuen graankorrel, door ééncn grasscheut of kooruhalm worden ontzenuwd!quot; — De welsprekende man hoeft echter de geheelc diepte van paulus' beeldspraak niet gepeild, toen hij schreef.■ »De overeenkomst tusschen het zaad en het mensehelijk ligchaam, door pailus bedoeld, bestaat slechts in beider bedekking ouder de aarde en wederverschijning boven hare oppervlakte, terwijl beider natuur en wijze van herleving onderling zeer verschillen.quot; — De leerrede zelve blijft dan ook bij het algeraeene denkbeeld : »lict onbegrijpelijke daarom nog niet onmogelijk.quot;
Eene vrouw, wanneer zij baart, heeft droefheid, dewijl hare ure gekomen is; maar wanneer zij hel kindeken gebaard heeft, zoo gedenkt zij de henaauwdheid niet meer, om de blijdschap, dat een mensch ter wereld geboren is.
Nog één Johanneïsch zinnebeeld, eer wij scheiden van dezen Evangelist, om nog maar een enkele maal , als in 't voorbij gaan, tot hein terug te keeren. De beeldspraak is zuiver parabolisch, niet allegorisch: want nemen wij dit vers op zich zelf, dan moet de beteekenis nog gezocht worden, en is niet uit de woorden op te maken. In zoo verre alleen is zij geene Parabel , als hier geene algemeene waarheid van 't koningrijk Gods, onder 't zinnebeeldig kleed, wordt voorgesteld, en even min de toepassing verder gaan mag dan tot de algemeene beteekenis //vreugd na smart,quot; of zoo men wil: //vreugde uit smart;quot; — hoogstens'//een nieuw leven na en uit doodsgevaar;quot; terwijl door dit laatstede vergelijking der moedervreugd weder op die van het tarwegraan terug wijst.
Het is de laatste avond van jezus' leven. Lang en veel heeft de Heer tot zijne getrouwe elve gesproken, opdat zij, door en na zijn heen gaan, niet geërgerd worden. Het slot is de stellige, aankondiging: nHenen kleinen tijd , en gij zult mij niet zien; en wederom eenen kleinen tijd, en gij zult mij zien: want ik ga heen tot mijnen Vader.quot; — Eu als jezus bemerkt, iioe zij hierover onderling (luisteren en 't hoofd schudden, beschrijft hij die smartelijke scheiding verder met de aandoenlijkste trekken, zeggende: n Voorwaar, voorwaar ik zegge u, (weder 't zelfde .uee.v, amen, als bij de vroegere lijdensprofetie:) dat gij zidt schreijen en klagelijk weenen, terwijl de wereld zich zal verblijden; maar uwe droefheid zal lot blijdschap worden.quot; Het zelfde denkbeeld, de blijdschap der discipelen over jezus' bijzijn, en hunne droefheid, als hij niet meer bij hen wezen zou, vonden wij vroeger bij de andere Evangelisten, in jezus' antwoord op de vraag der joiiamnes-leerlingen, waarom /.ijne discipelen niet vastten, n Kunnen ook,quot; zegt hij: u de bruiloftskinderen treuren, terwijl de bruidegom nog bij hen is? Be dagen komen, waarin hij hun wordt ontrukt: laat hen dan treuren en vasten Iquot;
232 de moedervreugd.
T'iti die dagen zijn nu aanstaande. Eene korte poos nog, — eer de zon, nu reeds lang onder de kimmen gezonken, wéér zal ondergaun, — en zij zien hem niet meer in liet land der levenden, en een jammerlijk klaaggeschrei klimt er, inde stilte van den naelit, uit den vriendenkring op tot God. Maar dat bitter wee is de moeder der grootste zaligheid, 'tls niet enkel, zoo als de Psalmdichter zegt: Des avond» vernacht let geween, en des morgens is er gejuich. Oeene afwisseling, waarbij in ons leven telkens smart de vreugde, maar ook vreugd de smart vervangt. Neen! veel eer wat een andere Psalm getuigt: Zaajen met tranen , om te maaijen met gejuich. — Te droefheid zelve , zegt jezus : zal tot blijdschap worden, eene blijdschap, die zij zonder dat nimmer zouden hebben gesmaakt, liet weemoedig, ja! zoo ontzettend afscheid wordt de weg tot een zalig wederzien.
En hiervan is nu in de natuur liet krachtigste beeld: //de moedervreugd na (Ie smarl der vrouw.quot; .Reeds bij de profeten is dit eene geliefde beeldspraak; en daar onder Israel 't moeder worden zoo groot eene eer gerekend werd, hadden zijne dichters en godsmannen ook geen denkbeeld van de ver gedrevene kieschheid, die ons zulke beeldspraak doet verzachten of bemantelen. Zeer dikwijls (nog 1 Th ess. V : 3) wordt dit beeld gebruikt van eene hevige smart, die daarbij plotseling overvalt. De grievende teleurstelling en doode-lijke angst der vrouw, wie op 't punt van moeder te worden, de kracht om te baren ontzinkt, is 't kleed der somberste bedreiging [Jios. XHI : 13; Jes. XXXYII : 3); de weeën, waarbij het de barende uitgilt, het beeld der beangste ziele, die roept tot God {Jes. XXI : 3; XXVI: 17); en de moedervreugd over de voorspoedige geboorte vaneenen zoon, eer nog de smart regt was doorgebroken, het schetst de heerlijkste verhooring: Een land is als geboren op een' eenigen dag; met éenc enkele wee een volk geboren! Zion heeft gebaard, en hare vrienden laven, zich aan de borst harer xertroosting, zich verblijdende, nadat zij over haar zijn treurig geweest. Zij, hare kinderen, ivorden op den arm gedragen, en liefderijk getroeteld op hare knie. (Jes, LX AM : 7—12.)
Ik haal deze laatste plaats het uitvoerigste aan, omdat zij het naaste grenst aan de onze, en de zelfde zaligste vreugde uitdrukt nu dc hevigste smart. Maar in natuurlijke, teedere eenvoudigheid heeft toch dit beeld van den Heiland zijns gelijke in de profetische beeldspraak niet. Eene vrouw, — of zoo als er eigenlijk staat de vrouw, 1) nog geen moeder, maar alleen vrouw , voor wie die hooge eer en die diepe smart bestemd is, — wanneer zij baart en haar de weeën aangrijpen, heej't droejheid, dewijl hare ure gekomen is. Ook van zijne ure, den bestemden tijd der smarte, sprak Jkzis dikwijls, en gebruikt daarom bij voorkeur deze uitdrukking. 2) Zij lijdt dan bittere smart, en de smart bedroeft voor liet oogenblik, al is 't de prijs, door den Schepper op hare grootste vreugde gezet, toen (lij sprak: t/A/et smarte zult gij kinderen baren.quot; (Gen. UI: 16.) Die smart is benaanwd en bang. Maar wanneer zij het kin dek e gebaard heeft, zoo gedenkt zij de benaauwdhieid
1) liet bepalend lidwoord duidt de algemeenheid der zaak, de bestemming van 't vrouwelijk geslacht aan. Het is geenc uitzondering, en onder Israël allerminst, dat dc vrouw moeder wordt.
2) Joh. VU ; .'!ü; \ 11 1 : 20; XII ; 27 ; XIII ; 1 ; vergl. Mark. XIV : 41. — Zonder het denkbeeld van smart wordt het woord ure v;ui een' bestemden of geschikten tijd gebruikt aan de bruiloft te Ka na {Joh. 11:4), en van ji zus' vijanden in Gelhsemuvé. (luk. XXII : 53.)
BE MOKOKRVKEUnu,
niet meer. Het is eene bekende bijzonderheid, en iedere moeder kan 't getuigen, dat bij eene gelukkige geboorte geen lijden spoediger vergeten is. Wat men lang vooruit vreesde, wat men zoo luide uitgilde, toen de ure was gekomen, daarvan schijnt zelfs het geheugen voorbij te gaan en de heldere voorstelling tegen een volgend maal te ontbreken. Scheen de vrouw het naauwelijks te kunnen dragen, de moeder gedenkt de henammdheid niet meer, om de blijdschap, dat een mensch ter wereld geboren is. Een inensch meer in de wereld, in 't volle gevoel van den adel onzer natuur een mensch, en die mensch, van zoo verheven' aanleg en rijke toekomst, haar kindeken: dat is blijdschap genoeg, om alle henaauwdheid te vergoeden niet alleen, maar geheel te vergeten, als of die nooit was doorgestaan.
Zoo zou het ook met de discipelen wezen. Zij zullen bedroefd zijn; Ja! zij zijn't reeds nu. Hun harte is ontroerd, door den somberen Hjdens en afscheidstoon. liceds nu kunnen zij treurenden worden genoemd; al is het straks, door den goeden Meester verlaten, nog meer. Daarom is het verder (in den tegenwoordigen tijd); nEn gij dan hebt nu wel droefheid; maar ik zal u wederom zien, en nw hart zal zich verblijden , en niemand zal moe blijdschap van n iveg nemen,quot;
Mij dunkt, deze eenvoudige verklaring van den Heer snijdt alle ingewikkelde en duistere toepassingen der beeldspraak af, waarin zich reeds de kerkvaders verlustigden, en die de nieuwere inystiek weder gretig heeft opgevat. 1) Zoo ais ik zeide in den aanvang, de eerste beteekenis der beeldpraak is //vreugd na smart,quot; de tweede //vreugd uit smart;quot; en wil men nog eene schrede verder gaan, men kan er bijvoegen; //het leven uit de worsteling met den dood.quot;—Maar dan moet men ook hierbij blijven staan, al was het slechts, omdat ui al deze gesprekken bij johannes het denkbeeld van wederzien, van hereeniging des ITeeren met zijne discipelen, zeer onbestemd is. Het sluit de ligchamelijke opstanding niet
1) Allerdings is! nach Apollinuris, Chrysostomm, Rupert, Otshausen n. A. der Tud Christi der sehmerzvolk Oeburtrnkt der Mensckheit, aus dem der Gottmensnk zur ewigen Freudo des Games verherrlicht tiervorgeht. iVae.h Lulkardl solt con der Nctigohurl der Gemeinde die Bede sein, vou ihrem Uebergang in den Stand der
l'erkldrung, welcher mit Christi /uttunfl zur Oemeinde ein/ritl----L'nd so int er demi aueh geboren
worden aus dem Gehurlssehmerz der Theotcratie, den ganzen alten Mensckheit in ihrer h'óhcren liichlung als Sehnsuchl nach dem Heil, weieher Sehmerz aller dings sein Centrum in seinem Ilerzen hatte, zuglcic/i aber '/»•• Olieder der Gtdubigen durchzuckle und. zn e.inem To tesleiden werde fiir ihre alle Weltanschauung, Lange.— Het zal wel onnoodig zijn , hier uit sir er en anderen nog meer bij te voegen. Elk, die eenige fantasie heeft, kan zulke opvattingen zelf uitwerken, en aan het ./gekruisigd, begraven en opgewekt met cnuisiusquot; (naar i'aulus) verbinden, of met het ,geboren worden tot een nieuw leven in den dood,quot; (unde sanctorum solemnia non funebria sed natalitia vocantur, beda ,) de moedersmart en moedervreugd over de geboorte vergelijken. — Meest verwonderde het mij , bij de wette te lezen : Diese tiefgegriffene Vergiet''hung bczeichnet die mit dem Jüngern vorgehemde Verdnderung als cine innere, als einen znm Sicgc führenden innen Kampf. Die XvitTj zzz. fïkiiiii-s der Gebdreri» ist dem Todesschmerze vcrgleiehbar, denn es handelt sich bei der Geburt um ihr Lehen. Ihre l'Vcude darüber dass ein Menseli zur AVelt geboren ist, ist treffendceegliehen mil der Freude der Jiinger am geistigen Anschauen des lebmdigen Christus; und dieser ist wirlelieh, der Subjectue Wendung unch, ein Kind ihrer geistigen Productiviteit.—Het eerste is in zoo verre Waar, als «.het leven uit den doodquot; zuo wel door de moedersmart als door het tarwegraan wordt afgebeeld; maar het laatste kan, dunkt mij, gcene beteekenis hebben voor iemand, die de herleving van cubistus nog houdt voor een objectief feit; niet — om den mystieken term tot zijne eenvoudigste beteekenis terug te brengen — voor ■/een kind der verbeelding, uit de smart geboren.quot; Eu dit zou jezüs zelf hebben voorzegd!
DE MOEDERVREUGD.
uit, maar kondigt die ook niet duidelijk aan, en schijnt, soms meer in liet algemeen ecu geestelijk aanschouwen, eene voortdurende naauwe verecniging door den Heiligen O eest aan te duiden. (H. XIAr : Ifi—20.)
Het is hier de plaats niet, om di) nader uit te, werken. Soms hebben de denkbeelden ifl 't Johannes—Evangelie iets van dat zwevende en licht-donkere, dat in eene latere mystiek tot diepzinnigheid en onklaarheid niet alleen , maar soms tot gelieelen onzin verbasterde. Hier echter is 't niet noodig, diepten te zoeken, waar die niet zijn. Ho be-teekenis is eenvoudig, als wij haar slechts niet verder uitbreiden, dan tot den vriendenkring , waartoe jezds zelf haar bepaalde. Doodsangst en bitter wee greep die trouwe vrienden aan, toen, met den goeden Meester, ook hunne Messias-vcrwaehting in't graf daalde; maar een blijde levenskreet, als van en over een' mensc//,, in de wereld géboren, volgde op «■n uit die smart. He ure der benaauwdlieid was voorbij gegaan, de korte droefheid vergeten , maar de vreugde nam niemand van hen weg. Het nieuwe leven des Heeren, zigt-baar of onzigtbaar voor het oog, werd door den dood niet meer verstoord, en hunne gemeenschap met hem niet afgebroken.
221
u Deze dingen— zoo besloot de Heer: — i/Z/eb ik door gelijkenissen tot v. gesproken; maar de v.re komt, dat ik niet meer door gelijkenissen tot n spreken zal, waar n vrij uit van den Vader zal verkondigenquot; En zijne discipelen verheugden zich, zeggende: u7Ae! nv reeds spreek! gij vrij uit, en zegt geene gelijkenis!'
Ook onze (Jelijkenissen , voor zoo ver zij den Heiland zeiven zinnebeeldig voorstellen, hebben hiermede een einde. . Nog een paar beelden zullen ons de zijnen schetsen, in hunne betrekking tol den Heiland zoo wel, als tot God zijnen Vader. Ik wil niet zeggen, dat zij hier alleen, en ook niet elders, hunne eigene plaatsvinden; maar zij zullen hier dan toch het tegenbeeld vormen: //Verlosser en Verlosten.quot; — Wilden wij deze tegenstelling volledig uitwerken, wij zouden menig beeld moeten herhalen, vroeger reeds in den geschiedkundigen gang van 't Godsrijk opgenomen, de Tien Maagden bij voorbeelden de Wakende Knechten. Want men vergete niet, dat de geheele omvang van al de Gelijkenissen en baar onderlinge zamenhang slechts een hulpmiddel is, om ze gemakkelijker te overzien. Van ciiiitstus gaat het leven uit; van ons godgeleerden 't stelsel, waarin altijd slechts gebrekkig dat leven past.
I) E T W EE S C II IJ L 1) E N A A 11 S.
Een zeker schuldheer had twee schulden aars; de een was schuldig vijf honden! penningen, en de ander vijftig; en als zij niet hadden om te betalen, schold hij het hun heiden kwijt. Zeg dan, wie van dezen zal hem meer Uefhehhen?
Eenvoudiger voorstelling kan men zich wel niet denken en gemakkelijker vraag niet doen, als liier boven staat. Zoo iets kan ieder verhalen en ieder vragen; en hoe de vraag moet beantwoord worden, is waarlijk ook niet twijfelachtig: een kind kan 't zeggen. — 't Is alles waar; maar ook dit is waar, dat de wijze best gekend wordt aan een eenvoudig woord, op zijn pas gesproken, terwijl de dwaas met een' omhaal van woorden niets zegt, of schitterende beelden geheel te onpas brengt.
Maar daardoor is dan ook menig woord van onzen Heiland onmogelijk los te maken uit liet geschiedkundig kader, waarin het past. Jkztjs' leer zonder jezus zelf, is niet te geven. En ook hier moeten wij cene korte Gelijkenis inleiden door een vrij uitvoerig geschiedverhaal, dat te schoon, te welsprekend is, om er niet gaarne deze kleine Parabel door op te luisteren.
Ik wilde wel, dat ik bij die gebeurtenis tijd en plaats kon noemen. Maar zij komt alleen bij lukas voor,—den evangelist, die 't meest ons jezus schetst in al het uitstekende en innemende van zijne menschelijke grootheid; — en ik ben niet zoo zeker, dat bij hem dit verhaal met het voorafgaande te zamen hangt. Die uitnoodiging van een' Farizeer volgt wat vreemd op de scherpe bestraffing van Parizeen en wetgeleerden en van geheel dit onwillig en ongeloovig geslacht. Toch zou het kunnen zijn, dat de man heeft willen tooneu : //Ik versta mijne wereld, en weet, wat een' Rabbi toekomt. Die dwaze en halsstarrige kinderen op de markt, daar behoor ik niet onder.quot; Het komt mij echter veel waarschijnlijker voor, dat lukas, die de hem bekende verhalen zoo goed mogelijk aan een voegde, hier eenvoudig op eene bijzonderheid, de tollenaars betreffende, vs. 2!)—35, dit verhaal aangaande eene zondares laat volgen, zoo als men toen gewoon was, beiden in éénen adem te noemen, qh jezus juist (vs. 34) gezegd had, dat men hem een' vriend van tollenaren en zondaren uitschold. Elders {Matth. XXI : 32) worden zelfs tollenaars en hoeren vereenigd. II. 31
db twee schuldenaars.
Het was dan in ieder geval écu van de Farizeën der stad, — zeker eene der vele kleine steden van Galilea, — die .il/.us ter maaltijd noodigde. En de Heer nam het aan, hier bij den Earizeër even goed als vroeger en later bij een' tollenaar. Want de Heer zaaide, gelijk eene oude spreuk zegt, aan alle wateren; en 't is ook niet de eenige maal (zie XI: 37), dat lukas hem ons voorstelt aan der Parizeen disch.
Zulk eene noodiging was, naar de Joodsche zeden, nog meer eene eer voor den gastheer als voor den gast : want men betwistte elkander het voorregt, om een' beroemden leeraar bij zich aan tafel te zien. En was de maaltijd zelf eenvoudig, de tafelgesprekken waren niet zelden belangrijk. Daarbij stond , naar de wetten der oostersche gastvrijheid, de deur open, en het was niet vreemd, dat onder het eten en spreken de hoorders ongenood binnen kwamen, inzonderheid bij de Farizeën, die de openbaarheid beminden cn gaarne de bewonderende menigte rondom zich zagen.
Deze laatste opmerking maakt veel geschrijf nutteloos over het binnen komen eener vrouw, waarin geleerde uitleggers, maar die meer op hunne studeerkamer dan in het Oosten tehuis waren, veel meer hebben gezocht, dan er in te vinden is. liij de onveranderlijkheid der oostersche zeden, kunnen nog hedendaagsche reizigers hiervan getuigen. Hooren wij één hunner.
// Bij een dim' aan het luiis van den Consul te Bamietta, namen wij met belangstelling de gebruiken dezer landstreek waar. In het vertrek, waar wij ontvangen werden, ter zijde van den divan, waarop wij zaten, waren zitplaatsen langs den wand rondom. Menig een kwam m, en nam er ongenood zijne plaats. Zij spraken tot de gasten, die aan tafel zaten, over het nieuws van den dag, en ook onze gastheer sprak vrij uit met hen. Dit deed ons de Evangelische tafereclen, waar jezus aan den maaltijd ligt en zelfs vrouwen vrij binnen komen, beter verstaan. Het zelfde zagen wij later te Jeruzalem. Wij waren rondom den disch van Mr. nicolayson gezeten, toen eerst één en daarna meer vreemden de deur openden, en binnen komende plaats namen langs den muur, van waar zij, voor over gebogen, spraken tot wie aan de tafel zaten.quot; 1)
Maar wij koeren tot het Evangelisch geschiedverhaal terug. Jezus is dan, en zeker zijne discipelen ook, bij een' Farizeër, met name simon, genood, en heeft Bonder aarzelen die noodiging aangenomen. Maar de man ontvangt hem eenigzins uit de hoogte. Hij was zeker één van de aanzienlijksten der kleine plaats, bekend door zijn' stipten en vromen wandel; maar het is daarom nog niet noodig, in hem een'Eabbi of erkenden leeraar te zien. Men vergist zich hierin dikwijls. De Farizeën waren niet allen wetgeleerden of schriftgeleerden, 2) maar allen waren zij erkende vromen, die zich door hun' stipten levensregel
1) Narrative of a Mission to the Jews from the Church of Scotlund in 1839, bij iri.nch aangehaald. Maar hierdoor vervalt dau ook eeu goed deel van de vrome onbeschaamdheid (pia impudent ia), die augustïnes cn na hem vele anderen bewonderen. Althans, niet het binnen komen der vrouw, maar hare daad alleen zou men zóó kunnen noemen.
2) Toen jizls een andermaal bij een' Farizeër ten eten was, en bij die gelegenheid aan de Farizeën in het algemeen harde waarheden zeide, voegde hij bij zijn laatste weel aan dc ïarizeën ook do Schriftgeleerden toe, waarop één der Wetgeleerden zeide: hMeester ! zoo afrekende doet yij ook ons smaad-heid aun.quot; (Luk. XI ; 45) Men moet dus deze drie namen vooral niet verwarren, al worden zij niet zelden in éénen adem uitgespiokcn.
DE TWEE SCHULDENAARS.
van het algemeen ondeiscliciddeii. Daarom heeft ook deze man anderen niet willen laten voorgaan, om den beroemden leeraar van Nazaret te gast te hebben; maar hij meent, dat toch eigenlijk de eer aan jezits' kant zijn moet, om bij een zoo vroom en heilig man aan huis to eten. Er bestond ook reeds, al was de openlijke vijandschap nog niet losgebarsten, van den beginne af eene zekere koelheid, eene terughouding of wantrouwen, cn in den grond gebrek aan overeenstemming tusscben de heersehende Farizeesche partij en den nieuwen leeraar uit Nazaret, die tot hunne verbazing en ergernis zoo veel opgang maakte.
SutQN verwelkomt dan ook jeztjs niet met de broederlijke omarming en den vriendschaps-kus, naar de wijze des lands. Veel minder nog wordt het bezoek van den aanzienlijken gast als een feest beschouwd en zijn hoofd met olie gezalfd. ]) Ja zelfs liet meest gewone teeken van gastvriendschap wordt verzuimd: het water tot ;t wasschen der voeten. Dit laatste is sommigen zoo vreemd voorgekomen , dat zij i.ukas naauwelijks konden gelooven. 't Is bekend, dat in het Oosten de voeten alleen van onderen door sandalen of schoenzolen bedekt zijn, die men bij 't in huis komen los maakte en aflegde. Daarbij vorderde het landsgebruik, dat hem, die van de reis kwam, terstond water word gebragt, en door een' slaaf de voeten van stof en slijk gereinigd. Tiet zou eene verregaande grofheid, en dan nog bij oen' Farizeër aan buis eene verregaande onreinheid geweest zijn , als men een' vreemdeling dezen eersten pligt der gastvrijheid had geweigerd. Zóó stel ik mij de zaak dan ook niet voor. Ik verbeelde mij, dat het water gereed stond : — hier, waar men op alle gebruikelijke reinigingen zoo stipt was, vooral! — Jezus en de zijnen hadden er dus slechts om te vragen, als hun niet reeds elders in de stad de voeten waren gewasschen. Maar do aanzienlijke man rekende het beneden zich , met de gewone voorkomendheid van een' gastheer, die met zijn bezoek vereerd is, jezi s te gemoet te komen, om het hem aan te bieden. Ja! het is niet onmogelijk, dat hij juist door zijn stilzwijgen hem eens op de proef wilde stellen, of hij ook met ongewasschen voeten zich aan de tafel durfde zetten, zoo als hij immers wel bij een' anderen .Farizeesehen maaltijd, tot verbazing van den gastheer, was gaan eten zonder zich eerst (de handen) te wasschen. {Lu/c. XI : 38.)
Jezus komt dan binnen, — ontvangen, zoo als hij ontvangen wordt, als merkte hij't niet eens op, — cn zet zich aan tafel. Zoo als uit het volgende blijkt, heeft simon nog andere Parizeen, de aanzienlijksten der plaatsen voorgangers in de synagoge, genood. Wij kunnen ons zoo verbeelden , dat bet gezelschap stijf is en de gesprekken weinig: een bespiedend oog ginds van de zijde der Farizeën, de lieer met een stil en peinzend gelaat, de discipelen eenigzins verlegen in zoo vreemde omgeving. Mij dunkt, deze en gene stadgenoot, vrijmoedig binnen gekomen en eerbiedig van verre staande, is reeds te leur gesteld in zijne verwachting van iets vreemds te hooren in zoo belangrijk gezelschap, — als het onverwacht
1) Dat dit in mes'tijd bij feestelijke gelegenheden, en zelfs aan gewone gastmalen, ecu vrij algemeen gebruik was, blijkt uit den raad, dien hij geeft aan wie in 't verborgen vasten wil voor God: Zalf uw hoofd cn wasch uw aangniut. {Mutlh. VI : 17.) Ook david waschle, cn. zalfde zich , aan het einde van eene vasten, eer hij weder brood al. (2 Sam. XII. ; 20.) Men zie ook Ps. XXIII : 5 en CXL1 ; 5. Van liet voeten wasschen en den kus des v re des bij de oosterlingen, reken ik het onnoodig, voorbeelden aan te halen.
31*
dk, twee schuldenaars.
binnen komen eener vrouw aller aandacht trekt. Deze vrouw, zegt ltikas, woonde ook in. de stad, en zij was eene zondares. Ongetwijfeld wordt hiermede een openbaar ontuehtig leven bedoeld, en ik zie niet ééne reden, om dit te verzaehten, of tot een vroeger tijdperk van haar leven terug te brengen. Zij was in die stad eeue zondares, 1) kan, in de eenvoudigste on natuurlijke beteekeiüs der woorden, niet anders beteekenen, dan dat zij er algemeen bekend was door hare losbandige zeden. Van haren man gescheiden misschien of verlaten, wat toen al ligt gebeurde, was zij zoo diep gezonken, als eene vrouw zinken kan. En toch , ook haar is jezus van Nazaret niet onbekend gebleven. Mogelijk heeft zij hern, in 't openbaar leerende, gehoord, en zeker veel van hem gehoord, en nu verneemt zij, dat hij bij simon den Farizeër aan huis en aan tafel is. En zij verstout zich, hoe smadelijk vooral in dezen kring aangezien, daar binnen te gaan, een albasten flesch met kostbare reukolie bij zich, om zijne voeten te zalven, als zijne nederigste dienares.
— Weder moeten wij ons hierbij de zeden des lands voorstellen. Jezus zat niet aan de tafel, gelijk wij. Dat doet de oosterling nog niet. Hij lag aan op een rustbed. Daarbij leunde zijn hoofd op den linkerarm, zijn gelaat was naar den disch gekeerd en de ontbloote voeten achterwaarts gewend , zoodat de vrouw deze naderen kou, zonder door jezus gezien te worden.
— En zij is genaderd en neder geknield, omvat zijne voeten en stort een' stroom van tranen cr op neder, die ze zich haast, met hare lange en loshangende haren af te wisschen. 2) Hierop kust zij zijne voeten, opent haar albasten lleseh, en stort den inhoud er over uit. En jezus laat haar in alles begaan, en keert zich niet eens om naar de vrouw......
Dat ziet de gastheer, en zegt bij zich zeiven: //Waarlijk! wanneer deze een profeet tons, waarvoor bet volk hem houdt, hij zon roei weten, hoedanige vrouw hem daar aanraakt: eene groote, openlijk beruchte zondares!quot; — Wij moeten den Farizeër wèl verstaan. Het staat bij hem vast: jezus kan zoo iets niet dulden, als hij het weet. 3) En dat hij het niet weet, is te begrijpen, omdat hij een vreemdeling is. Maar dan is hij ook geen profeet, die het verborgene kent, geen ziener, die 't voor anderen onzigtbare ziet. Men heeft liier tegen opgemerkt, dat ook op die wijze de Earizeër in zijne gevolgtrekking te ver ging. En te regt. Het kennen van 't verborgene, was niet altoos en overal den profeten gegeven; 't was geene alwetendheid. Menig een der oude profeten had zich in zijne men-schen vergist. i) En joiiannks brengt het elders bij als een bewijs, niet dat jezus profeet, maar dat liij de Zone Gods was: IIj had niet van noode, dat iemand getuvjen zoude van
1) Kaar de lozing; j/itj gt;]v iv tij nóXsi, u/xayxojlói. Sie war in der Stadt cine Vnzuchl treibende Person. Meijek. —- Uc aangenomen tekst heeft: yvvt] èv t. n. vci; tjv uu.
2) liet kussen der voeten, als de nederigste hukte, was bij de ouden, in het westen zoo wel als in liet oosten niet ongewoon, la den Talmud komt het ook als een eerbewijs aan een'beroemden Rabbi voor. /foeu eens r. jonathan cu k. jannai bij elkander zaten, kwam een man binnen, die den eersten de voeten kuste.quot; — Het gebruik, dat de zondares van hare loshangende haren maakte, was ook niet met de zeden strijdig, daar zelfs deftige Romeinsohe matronen , bij het inroepen van de bescherming der goden in grooten nood, met de haren den tempelvloer afwiessehea, door hare tranen besproeid. (Polybius.)
3) Bij Spr. V ; 8 wordt door de Rabbijnen de vraag gesteld: Qiiaiilo simlio u merctrice rcccdendnm est ? en k. cu as da antwoordt: Ad (lualuor cubilos, (Schoettgen.)
1) JS'ach 1 Kon. XIV ; ö ; 2 Kon. V ; 2(5, isles zwar in einze! neu Fallen wahr, uber uiehl allyemein. Lisco.
228
de twee schuldenaars.
den mensck; want hij zelf wist, wat in den mensch was. {Joh. 11:35; vergl. 1:49, 50, en IY : 39.)
De bitse aanmerking, die jezus leest op liet trotsche gelaat, is dus reeds een bewijs van des Farizeërs ongunstige stemming omtrent zijnen gast. Jezus toont niet, dat hij dit bemerkt heeft. Ilij schijnt slechts, nadat zijn eerste honger is gestild, een tafelgesprek te willen beginnen, zoo gewoon aan den disch der schriftgeleerden, even als aan dien der wijzen van Griekenland. Maar Israels wijzen waren daarbij van ouds her gewoon, elkander met spreuken en raadsels te beproeven. Niet vreemd, dat jezus dit ook doet; en dan maakt hij 't den Farizeër niet moeijelijk. //Simon!quot; zoo spreekt de Heer: nik hel u wat te zeggen!' En 't antwoord is; nMeester!quot; — want de eernaam van Rabbi werd jezus door niemand betwist, ook al erkende men hem niet als profeet: — //Meester! spreek op. Ik luister.quot;—Die overal diepten en hoogten vinden in de Schrift, hebben ook hier weder veel bij op te merken; maar 't was een zoo gewone aanhef bij 't llabbinaal onderwijs, dat wij dien letterlijk in den Talmud terug vinden. 1)
Nu daardoor de algemeene aandacht gespannen is, en vooral de gastheer de ooren spitst, verhaalt jezus: nEen zeker selmldh-eer — of liever geldschieter, maar daarom nog geen woekeraar, en misschien niet eens iemand, die geld op rente zet; maar eenvoudig een rijk man, die veel geld uitstaande heeft, 2) — had twee schuldenaars. De een moest hem vijf honderd denarieën betalen en de ander vijftig, maar geen van heiden was daartoe in staat. De schuldeischer zag dit, maar was barmhartig. In plaats van al de hardheid der wet op hen toe te passen, schold hij heiden hunne schulden hoijt. Zeg mj eens, simon! van wien der twee mag hij nu wel de meeste Vief de en dankbaarheid venvachten?quot;
Bij deze eenvoudige beeldspraak van den Heer merken wij op, dat reeds de Mozaïsche wet den schuldenaar in bescherming nam, door te verbieden, dat de Israëliet van den Israëliet woeker of intrest eischen of het onmisbare te pand nemen zou. Wel was in jezus' tijd dit in zoo verre veranderd, dat 't regt der geldschieters werd erkend, en men zelfs bij lijfsdwang schulden kon invorderen ; maar daarvan geen gebruik te maken en den armen zijne schuld kwijt te schelden, werd toch altoos eene echt Israëlitische deugd geacht, zoo als reeds bij de stichting van den nieuwen staat, na de ballingschap, daarin neiiemia was voorgegaan. In de Gelijkenis van den Onharmhartigen Dienstknecht zullen wij het zelfde beeld aantreffen; maar daar is 't verschil met opzet veel grooter gemaakt (tien duizend
1) //Rabbi Simeon, de zoon van Gamaliel, zcido tol Rabbi ismaël, zoon van elisa : ,ls bet u aau-genaarn, als ik u wat zeggen ga?quot; eu deze antwoordde: «Spreek op!quot;quot;
2) Het woord iavBccrtt}; komt bier alleen voor, maar duvaiSiu, geld sebieten, Luk. VI :34, 35, en liet Medium , in de beteekeuis van leeneu (ontleenen), Matth. V : 42. liet denkbeeld van woeker is er nergens aan verbonden, niet eens dat van eenig geoorloofd voordeel. Zoo is ook deze gcldicliieter te beschouwen als iemand, die leent, zelfs zonder iels weder le hopen {Luk. VI : 35), niet als de , die van geld handelen zijn vak maakte, bij wien men Let op rente plaatsen kou en die bet voordeel ig uitzette. (Malt//. XXV ; 27.) — Be seb uldenaars worden bier, en bij den Onreglvaardigen llent-meesier {TaiIc. XVI : 5), met den ougewoneu naam van genoemd, waarop wij bij de üclij-keuis moeten terug komen. — Over dc waarde der denarie (bijna aebt stuivers) spraken wij vroeger reeds, Blz. 101.
de twee schuldenaars.
talenten tegen honderd penningen) om duidelijk te doen in 't oog vallen, dat er geene vergelijking tusschen beide, — onze schuld voor God en die van denevenmensch aan ons, — mogelijk is. Hier is de schuld in haren aard de zelfde, maar tien raaien grooter bij den een, dan bij don ander. Wel beschouwd, is echter de kwijtschelding even groot, omdat hij die niets heeft, even min vijftig denarieën kan betalen als vijf honderd; en buitendien leert ons de reeds genoemde Gelijkenis, dat de dankbaarheid niet altijd naar den maatstaf der weldaad te berekenen is. Maar zoo als de vraag hier, als bij verrassing, door mus is gedaan, en zonder dal tusschen de twee schuldenaars overigens eenig onderscheid gemaakt wordt, moest Jt antwoord, waarop jezus rekende, ieder wel zoo van zelf op de lippen komen. In het doen van zulke vragen, waardoor de hoorder gebragt wordt, waar men hem hebben wil, en zelfs zijn eigen vonnis moet uitspreken, hebben wij meer jezus' wijsheid opgemerkt. De Farizeër antwoordt dan ook, wat hij zeker wel niet zoo vlot zou geantwoord hebben, wanneer hij jezus'bedoeling had kunnen gissen: nMij dunkt, weester! dat hij van hem de meeste liefde verwachten mag, men hij hel meeste van de twee, de. vijf honderd denarieën, heeft kwijt gescholdenquot; — En jezus zegt: nGij hebt re/jt yeoor-deeld.quot; ]) Maar nu ook wendt hij zich ter zijde, en strekt de regterhand uit naar bet aandoenlijk tooneel daar achter hem , terwijl zijn toon van 'I eenvoudig tafelgesprek eens schriftgeleerden klimt tot den verheven' ernst en de strenge majesteit van den profeet: //Simon! ziet gij deze vrovw ? Jk hen a/s gast in uw huis gekomen. Water hebt gij niet tot mijne voeten, gegeven; maar deze heej't ze met tranen nat gemaaht, en met 't haar van haar hooj'd afgedroogd. Gij hebt mij geen' kus gegeven; maar zij, van dat zij is linnen gekomen 2), heeft niet afgelaten , mijne voeten te kussen. Met olie hebt gij mijn hoofd niet gezalfd; maar deze heeft 't met balsem mijne voeten gedaan. Daarom zeg ik u: .'}) hare zonden zijn vergeven, die vele waren : want zij heeft veel lief gehad; maar dien weinig vergeven wordt, die heej't weinig lief.quot;—En nu ziet de Heer voor 't eerst de berouwhebbende zondares aan, en zegt op minzamen toon: //Vrouwe! uwe zonden zijn vergeven!'
■Simon antwoordt op jezus'beschamende toespraak niet, maar de andere gasten. Parizeen zoo als hij, begonnen bij zich zeiven te zeggen: n Wie is deze, die ook de zonden vergeeft?quot; — In 't volgend Hoofdstuk (VIII ; 25) doen de discipelen cene dergelijke vraag: uWie is toch
1) Het zelfde denkbeeld, dat de grootste uitredding of bewaring de meeste dankbaarheid wekt, past ook senega op de godsdienst toe: //Van lien, die veilig de zee bevaren, acht hij zich het meest aau NEi'TV/NUS verpligt, die het meeste en kostbaarste goed bij zieh heeft. De gelofte van den koopman was vuriger dan die van den schipper; en ouder de kooplieden uitbundiger de dank van hem, die reukwerk eu purper en kostbaarheden van goudswaarde aau boord had , dan die gemeen tuig en enkel ballast vervoerde.quot; {Epist, LXXIII.)
2) Volgens eeue andere lezing; van dat ik binnen kwam (elaijXamp;ov voor siaykamp;tv). Dit strijdt eeliter tegeu het vooraf gaande verhaal , dat de vrouw eerst kwam , nadat zij vernomen had, dat jkzus aanlag in des Farizeêrs huis,
3) Men zou ook kunnen afdeden ; o\ /«yic [ksyiD aoi) «qssoiyiat x. t. i. Weswege, zeg ik u, hare zonden vergeven zijn, de vele, omdal zij enz, Deze vertaling zou geen' twijfel overlaten aan de »vergeving om de liefde der zondares.quot; De gewone schijnt echter eenvoudiger. Bij iedere opvatting heeft oi xwnv, cujus {rei)gralia, liier misschien eenigen meerderen nadruk dan ous daarom, als wijzende op de handeling der vrouw terug.
DE TWEE SCHULDENAARS,
deze, dal Ji j ook de winden en het water gebiedt ?quot; eu daar is 'i natuurlijk een woord van opregte bewondering j maar in dit gezelschap kunnen wij 't niet anders opvatten, dan als eene vraag van veroordeeling en verontwaardiging, op zijn zachtst gesproken van onwil en verbazing, die bij de wettische deugdsbetrachting der Farizoën ook zeer natuurlijk was. Zij rekenden met God, en God met den zondaar; niets werd daarbij vergeten, en niets kwijt gescholden; en 't was een geheel buitengewoon gunstbewijs, wanneer de Heilige zonden vergaf, die zelfs met eene offerande niet te verzoenen waren, zoo als aan ü.vvid , den man vaar Gods harte, overspel en moord was kwijt gescholden. //Maar wat matigt deze mcnsch zich wel aan? Voor wien geeft hij zich toch uit? Dat hebben zelfs mozbs en de profeten niet durven doen: zonden te vergeven \quot; — Ook bij eene andere gelegenheid, toen Jezus de zelfde woorden tot een' ongelukkige sprak, vroegen de Farizeën: nWie kan de zonden vergeven, dan alleen God?quot; {Mark. II : 7.) Toen had jezus door een wonderteeken bewezen, dat den Zoon des menschen ook die magt geschonken is. Ku stoort hij zich aan dit gemompel in 't geheel niet, maar geeft toch nadere reden van de vergeving, der zondares aangekondigd, als hij er, altijd tot haar sprekende, bijvoegt: //Uw geloof heeft u hehoiulen. Ga heen in vrede lquot; — Jezus zegt niet eens, zoo als tot de overspeelster, wier berouw onzeker is: uEn zondig niet meer lquot; [Joh. VIII: 11.)
Zoo gaat zij, gelijk zij gekomen is, de zondares, zonder een enkel woord te spreken, of ons zelfs haren naam te noemen. Toch is haar beeld in het Evangelie onuitwisehbaar, en te regt zegt de heilige bernaud: //Heb dank, o,allergelukkigste zondares! Want gij hebt der wereld eene veilige wijkplaats voor zondaren getoond: de voeten van jezus, die niemand verachten, niemand verwerpen, niemand afstooten, allen opnemen, allen toelaten. Duur verandert de Moorman zelfs zijne huid en de luipaard zijne vlekken; maar de Farizei r alleen legt er zijne trotschhcid niet af.quot; — Jammer slechts, dat cr onder de Latijnsche kerkvaders, inzonderheid sedert gregorius den Grooten, zulk eene zonderlinge verwarring tusschen de Evangelische vrouwen ontstaan is, zoodat men de zalving door maria van Bethanië met die der zondares heeft verward, en weder deze laatste vereenzelvigd met maria magdai.ena , van wie de Heer zeven démonen had uitgeworpen, daar dan de kerk van later dagen de zeven doodzonden van maakte. I) Eene zwaar bezetene, vriendin van jezüs' moeder, eene openlijke zondares! En toch hebben nu eenmaal de schilders zich van die kerkelijke overlevering meester gemaakt, en ten overvloede hebben de magdalena-stichtingen haar vereeuwigd; en de vrome vriendin des lleereu moet zich de schande eener diep gevallene getroosten.
Maar is voor de wetenschap, — al is 't dan ook niet in de volkstaal,— magdai.ena reeds
1) Uitvoeriger is dit aangewezen bij tkencii. Zonderling, dat nog lightfooï en zeer vele anderen bezetenheid met zonde, en de démonen met den duivel verwarren, waardoor zeker reeds vroeg het denkbeeld, dat dc zondares niemand anders dan maria magdalena was, zoo algemeen is aangenomen. Men vergelijke, wat vroeger bij de Gelijkenis van den Bezetene., over dc ziekte der daemoniaci gezegd is. Dat nog in den laatsten tijd beroemde uitleggers aan «de berouwhebbende magdalexaquot; hebben vast gehouden, verbaast mij. Alleen reeds ligchamelijk maakte haar epileptische of krankzinnige toestand haar voor zulk een leven volstrekt ongeschikt.
dk twee scucldenaars.
laiiR in hare eer hersteld, de andere verwarring, die der beide zalvingen, eerst het gevolg van onkunde, werd in den laatsten tijd juist door de kritiek der geleerden vernieuwd. Men merkte op, dat de zalving van mama wel door de drie andere Evangelisten wordt verhaald, maar niet door luk as, wien daarentegen deze uitsluitend eigen is. Daarbij is de gastheer op beide plaatsen simon, en gaf beide malen de zalving tot bitse aanmerkingen van de aanliggende gasten aanleiding. Ligt kon dus, meende men, 't zelfde voorval tot tweeërlei traditie aanleiding hebben gegeven. Maar wel beschouwd is deze overeenkomst schijnbaar, en 't verschil wezenlijk. De naam van simon is te algemeen , om daaraan te bechten; het eerbewijs niet zoo zeldzaam, dat 't niet twee malen in jezus' openbaar leven kon plaats hebben. En de berisping der gasten is van geheel anderen aard. Judas berispt mama, on simon de Farizeer niet de vrouw •maar jezus zelf. Hoe zou hij dit hebben kunnen doen te Bethaniè, na de opwekking van lazarus ; hoe de reine mama , die jezus zoo lief had, omdat zij 't goede deel had gekozen, zoo smadelijk als eene zon-dares hebben kunnen ten toon stellen? Neen! zoo men niet van alles alles maken wil, is 't karakter van beide tafereelen hemelsbreed onderscheiden; cn 't cenige, wat beide gemeen hebben, is de balsemkruik der liefde. 1)
Dat nu deze zondares, zonder naam en zonder geschiedenis, — in het Evangelie eens voor altijd het beeld van zonde, van vergeving en van liefde, — aan den schuldenaar van vijf honderd douarieën beantwoordt, is ons door jezus zelf gezegd. Hare schuld te verkleinen, gelijk sommige uitleggers beproefd hebben, is jezus' woorden verzwakken. 2) Men moge zich voorstellen, dat zij lang cn zwaar heeft gestreden, eer de gevierde ijdel-hcid en ontwaakte bartstogt deugd cn schaamte overwonnen, toch is haar de kroon van het hoofd gevallen. Be wereld, al is haar oordcel bard en zwaar haar Vonnis, beeft gelijk: zij is cene zondares. Maar dit belet ons niet, om, te midden van een zondig levensgedrag zelfs, ons oogenblikkcn te denken , uren en dagen zelfs van drukkend schuldgevoel. Maar het wordt niet aangemoedigd, niet op den weg der bekeering geleid. De heiligheid der vromen drukt haar nog dieper neder. De Earizeër verklaart haar onrein, verloren, cn wendt zich van do smeekendo af. Maar 't koningrijk Gods is nabij. Eene stem in de woestijn roept; ttBekeert v!quot; en eene andere stem, van Galilecis heuvelen af antwoordt : uKomt tot mij. Ik zal u ruste geven!quot; En ook zij komt, met hare vijf honderd denarieëu
]) Met zijne gewone geleerdheid cu scherpzinnigheid heeft Tiu xcu de identiteit dezer drie vrouwen bestreden. Indien de zaak mij nog eenigzins twijfelachtig voorkwam , ik zou aan zijn betoog nog meer bewijzen hebben kunnen ontkenen. Zoo wijst liij elf simoks of simkoxs aan in het N. ï; — terwijl bet nog in 't geheel niet zoo vast staat, dat simon de melaatschc {Multh. XXVI ; 0) te Belhanii zelf gastheer was.
2) Zoo baalt lightfoot hierbij de beuzelachtige redenen aan, waarom de Rabbijnen eene vrouw als zondig (overtrcedstcr der wet) beschouwden; en li-co zegt, dat zij nog zondara wordt genoemd, omdat zij het vroeger was geweest, even als men nog sprak van MAïTirrüs den tollenaar {Malth. X : :i). Anderen willen haar alleen een' enkelen vroegeren misstap toeschrijven. Ik, geloof, dat het gezond verstand der lezers van zelf al zulke verzwakking der geschiedenis zal afwijzen. Dat zij in de laatste dagen, sedert zij jezus gehoord of van hem gehoord had, zich van hare gewone zonde had onthouden, kunnen wij echter wel aannemen. Maarzij had daarmede haar'goeden naam nog niet terug; en de vraag is zelfs, of nog wel aan iemand deze verandering was in het oog gevallen.
232
DE TWEE SCHULDENAARS.
schuld, maar met een hart vol liefde. En zij verstaat beter da» een Schriftgeleerde jezi's' Gelijkenis: veel liefde en veel vergiffenis!
Maar is dan het tegenbeeld in die Gelijkenis de Parizeer? Die koude, liarde, hatelijke man de scluildenaar van vijftig denarieën, tien maal beter dan deze vrouw, of ten minste tien maal minder slecht? — En waarom niet? Wij moeten nooit vergeten, dat jezus, met Israëlieten, vooral van de strengste rigting, sprekende, zich geheel op hun eigen wettisch standpunt plaatst, en dus van zonde spreekt als van //overtreding der goddelijke wet,quot; zonder nog, bij het veel of weinig der dadelijke zonden, de meer of min zondige gemoedsgesteldheid in aanmerking te nemen. 1) Bovendien, wij zien hier den Parizeer nog voorgesteld van de lichtzijde, als een' regtvaardige, en niet als een' huichelaar. De tijd was nog niet gekomen, om die huichelarij te ontmaskeren, en er was toch ook nog meer dan eéne nikodemus , Gamaliel of saülus onder. Later zullen wij nog eens op dat beeld van den echten Farizeër moeten terug komen, gelijk wij het reeds in den broeder van den Verloren' Zoon. leerden kennen. Genoeg, dat simon hier alleen beschouwd wordt als de man van onberispelijke zeden; — onberispelijk voor do menschen, maar niet voor God. 2) Want al heeft hij zich met dc grootst mogelijke naauwgezetheid zoeken vrij tc houden van de overtreding der goddelijke wetten, de steilste; Parizeer zal zich toch niet volmaakt heilig durven noemen. Ligt, dat hem nog een vijftig denarieën zijn kwijt tc schelden; en hij heeft immers even min om te betalen, als die arme zondares? Hij behoeft dus evenzeer de vrijspraak van dien God, die zich reeds aan mozes openbaarde als barmhartig en genadig, daar Hij de sonde vergeeft. En zal ook hij daarvoor niet dankbaar zijn? God niet lief hebben in den bode zijner genade, jezus den Christus ? Maar hij denkt er niet aan. Zijne schuld is ook zoo klein, en die andere zoo groot. 3) Daardoor rigt zich der Parizeen blik naar buiten: want met zich zelve zijn zij inliet reine. Zij luisteren scherp, maar voor een ander. «Deze vrouw is ecne zondares!quot; //Die jezus is toch geen profeet!quot;
1) Door dit niet in tc zicu en van jezus'Parabelen een theologisch systeem te willen maken, schrijft DRUMMOND : We must not suppose, that Simon himself is alluded to in the debtor which otced fijty jiehce. This would throw the grrated perplexity into the whole subject. Maar zoo wordt dc natuurlijke beteckenis eu kracht van jezus' woorden aan eene dogmatische spitsvondigheid opgeofferd. — Andere dogmatische verklaringen, zoo als dat dc twee schuldenaars Joden en Heidenen, of Christen en onehristen verbeelden (ijugo iii: sr. victor), ga ik liever met stilzwijgen voorbij.
3) Ik begrijp niet, hoe meijeu schrijven kan; Der Glauhiger ist Christus, daar toch tegca jezus beider vele of weinige zouden niet bedreven waren, al werd hem, als den vertegenwoordiger van Gods genade, de liefde bewezen. Zoo bedriegt eene tc gestrenge en letterlijke toepassing van de trekken der Gelijkenis ook den scherpzinnigsten uitlegger. Paulus en kuinoel hebben er zelfs bij verzonnen, dat beiden, simon en de vrouw, door jezus genezene krank en waren! Anderen vinden in de 600 denarieën ecuc vroegere genezing van maria magdaeeka, en in de 50 de eer van jezus'bezoek , aan simon bewezen.
3) Tlabebat sanctitatem in eorpore, non in corde, et quia non habchat earn in eorde, nlique falsam habebat in eorpore. (auoustinus.) Vera justitia compassionem habd, falsajmtitia dedignationem. (eusebius.) Iu zoo verre is , naar onze wijze van beschouwen, dc Farizecr eigenlijk de grootste zondaar, maarniet in die ran jezus' hoorders, waarnaar hij zijne rede inrigtte. Ik kan mij dan ook hier niet vereenigen met het denkbeeld van ecuc ingebeelde kleine schuld. (Aro« quia parum dimittitur, sed quia paramputas esse quod dimittitur, auoustinus, en met trench velen zijner geestverwanten.) Even min, als de 99 schapen zich inbeeldden, dat zij niet afgedwaald waren geweest, is ook de verhouding van 50 tot 500 ingebeeld Vergl. liet gezegde Blz, 109.
DE TWEE SCHULDENAARS.
//Hoe kan een mensch de zonde vergeven?quot; Dat zijn hunne gedachten, die als een stalen harnas .11:zus' roerendste woorden afweren. Zijne ontferming verstaan en behoeven zij niet. Weinig vergeving en weinig liefde!
Tot afwisseling sta hier cene vertelling van den beroemden Perzischen dichter saadi , al was 't alleen tot eene proeve, hoe (liepen indruk de Evangelie-verhalen in het Oosten hebben gemaakt, schoon de kopij niet in de schaduw kan staan van het origineel:
wToen Jezus nog op aarde verkeerde, was hij eens gegaan in de cel van een'derwisch (monnik), die in grooten roep van heiligheid stond. In de zelfde stad nu woonde een jongeling, in allerlei zonden verzonken, ja! wiens hart zoo zwart, was, dat zelfs de satan ervan gruwde. Deze verscheen voor de cel van den derwisch, en getroffen door het gezigt van den goddelijken profeet, begon hij met diepen ootmoed de zonde en ellende van zijn vroeger leven te betreuren, en met ecu' stroom van tranen te smeeken om vergiffenis. De derwiseli viel hem met verontwaardiging in de rede, en vroeg, hoe hij de onbeschaamdheid had, om in zijne tegenwoordigheid te verschijnen, en in die van Gods heiligen profeet; hij verzekerde hem, dat 't voor zulk eenen zondaar vergeefsche moeite was, genade te zoeken; enten bewijze, hoe zeker hij zijne verdoemenis achtte, riep hij uit: //Mijn God! vergun mij slechts dit céne , dat ik van dezen man ver af moge staan in den dag des oordeels!quot; — Waarop jezus zeide : //Zoo zal het zijn. liet gebed van beiden is verhoord. Deze zondaar heeft genade gezocht, en zocht ze niet vergeefs. Zijne zonden zijn vergeven, en ten jongsten dage zal zijne plaats zijn in liet paradijs. Maar deze derwisch heeft gebeden, dat hij nimmer nabij dien zondaar staan mogt. Ook zijn gebed is verhoord: de hel zal zijne plaats zijn, waar deze zondaar nimmer meer komen zal.quot; 1)
234
De lezer vergelijke zelf en oordeele tussehen geschiedenis en legende. Wij koeren tot het Evangelie terug.
Terwijl wij dan nu nog met welgevallen staren op die beelden, die ons hart reeds zonder nader' uitleg begreep; en wij geen oogenblik twijfelen, of die eerste indruk is ook de bedoeling, waarmede jezus sprak en luk as schreef, komt de godgeleerdheid met hare goudschaal in de hand, en weegt geschiedenis en gelijkenis tegen elkander op, en wijst er eene tegenstrijdigheid in, die wij niet opmerkten, zoo lang het verhaal ons roerde, en die toch den geleerden veel peinzens en schrijven» en twistens heeft gekost, 't Is met het Evangelie als met de zon aan den hemel. Wij allen, die haar met het bloote oog aanschouwen, noemen haar de bron des lichts, en om ons niet blind te staren op die zee van vuur, zien wij vrolijk in 't rond, waar dat licht aan alles een nieuw leven bijzet. Maar de geleerde beschouwt haar met de telcskoop , en zegt ons, dat er vlekken zijn in do zon, ja! scheuren en afgronden, zoo groot, dat geheel de aarde er in zou kunnen verzinken.
1) Tuoltjck , Rlütherisammlnng mts d. Morgenl. Mystik, S, 251.
DE TWEE SCHILDE NAMIS.
En wat heeft men dan toch voor zonnevlekken gevonden in dit heerlijk tafereel van mensehelijke liefde en goddelijke genade? — Ik zal het n zeggen, mijne lezers. Toen de menschen die goddelijke genade in Christus en die liefd' des geloofs in den zondaar binnen de enge grenzen van het geloofsstelsel zijn gaan insluiten, toen heeft ieder naar zijn eigen vooraf opgevat gevoelen dit tafereel zoeken uit te werken in de eene of andere rigting, en
men heeft 't elkander uit de hand getrokken, en bijna in stukken gescheurd..... Wilt gij
't hoeren? Dddr is er een, die uitgaat van hei. beginsel der kerkhervorming '/Alles is genade,quot; dat ook het antifarizeesche beginsel van rAii.us is. Maar hij drijft dit zoo ver, dat hij niets goeds in den mensch erkennen wil, en vreest., dat wij ook maar het geringste deel van 's menschen zaligheid aan hem zelf zullen toeschrijven. Hij wijs' op dit verhaal, en zegt; quot;Ziet gij 't niet? Volgens de (jelijkenis dei twee seliuldmaar.- wordt er vooraf, geheel om niet, vergeven, en eerst na de redding wekt dankbaarheid tot wederliefde;. Clods vrije genade is dus het begin, midden en einde van 's mensclien behoudenis.quot; — Maar tegenover dezen treedt een ander op, die naar het beginsel der Kat holijke kerk aan boet vaardigheid en werken der liefde eene wezenlijke waarde toekent, om de door chiusti's verworvene en door God ons aangebodene genade te verdienen. Hij zegt: //i)c Gelijkenis moge op den klank af zoo schijnen te spreken, de geschiedenis wijst ons een' anderen weg. Ho vele zonden der vrouw zijn vergeven, omdat 1) zij veel heeft lief gehad. Berouw en liefde gaan dus vooraf, en vergeving volgt.quot;—'/Nog niet!quot; spreekt een derde, dieper in den geest der twee Christelijke hoofdkerken doorgedrongen: //Gij beiden dwaalt, maar de laatste 't meest. Hier ook, als meermalen, is jezus' laatste woord de sleutel van al het voorafgaande. Der zondares wordt wel veel vergeven; zij heeft wel veel lief; maar — jezus zegt het zelf:'—niet dat alles, maar haar geloof heeft haar behouden. Want alleen omdat zij gelooft, ontvangt zij genade, en beantwoordt die door hare liefde. 2) Dat geloof in den Heiland was 't juist, dat simon en zijnen gasten ontbrak.quot;
Zoo trekt men ons van verschillende kanten, en wat zullen wij zeggen? Is nu Gods genade of 's menschen berouw, liefde of geloof de eerste oorzaak onzer behoudenis? Of is
1) N. Rogers, die in zijnen Spieyel der Barmhertighcj/l (Amst. 1601) 224 B!z. in Quarto heeft vol gcsclircven over ,l)c bekeerde Burgeres ofte de Bekeeringc vau m:\uia maodalena,quot; bestrijdt natuurlijk . als Oud Gereformeerde, dit gevoelen (der RhemistenF), en zegt, dat lt;m meermalen niet de oorzaak aanduidt, maar het bewijs voor eene zaak. //Dat hare zonden vergeveu zijn, die vele waren, is daaruit te zien, dat zij veel lief heeft gehad;quot; even als joiianHes schrijft: Ifj ueten, dat wij overgegaan zijn uit den dood in het leven, omdat wij de broeders lief hebben. En zelfs mkijeu vereeuigt zich, maar alleen om het verband, met deze opvatting van on , niet als oorzaak der vergeving, maar als Erkennlniszgrunde. — Nog gekunstelder is de tegenovergestelde verklaring, die maldosatus ten voordeek; der Roomsohe opvatting aan de Gelijkenis geeft: /-Wie zal hem het meest lief hebben? beteekent: Wie had hem meest lief, en verdiende daardoor reeds meer vergeving?quot; — This way of eseape. jrom a doctrinal embarrassment,—zegt trench zeer te regt: — by some violence done to the plain words of the text, will at once be rejected by all, who justly believe that in the interpretation of scripture, grammar, and the laws of human speech, should first be respected, and that the doctrim can and will fake care of itselj.
3) De kerkvaders, die nog niet deze uitsluitende waarde aan het geloof hechtten, meer aan de boete en 't berouw, spreken hier van eene poemtentia ex fide, als waardoor de zondares geregtvaardigd werd (ïhutullianus) ; en venvarren dit geloof zelfs met de erkentenis der schuld, met ;/hct geloof, dat men een zondaar is.quot; (clemens alexandrinüs.) Zie de plaatsen bij u. gkotius.
235
32*
DE TWEE SCHULDENAAKS.
«• tegenspraak in jh zus'woorden, waardoor ook hier iedere ketter zijn letter heeft?'—Mijn antwoord tot al die sprekers zou zijn: '/Gij hebt allen gelijk; want er is waarheid in uwe woorden. Maar daarin hebt gij allen ongelijk, dat gij meent, uitsluitend de waarheid aan uwe zijde te hebben.quot;
Het Evangelie is te rijk en te vrij; bet voegt zich in die regtsgeleerde vormen eener bekrompene toerekening niet. Het is waar, dat hier, als overal, op den heerlijken achtergrond van dat Evangelie de naam gelezen wordt van cenen Vader, die om niet vergeeft, en door veel vergeving veel liefde wekt; — het is ook waar, dat het geloof in den Christus der arme zondares de deur van den Farizeër en den toegang tot jezus opende, en baar dus de weg werd tot vergeving, zoo als simon den Farizeër zijn ongeloof daarvan terug hield5 — maar het is eindelijk even waar, dat alleen het roerend liefdeblijk der doodschuldige haar de volle vrijspraak verschafte van hare vele zonden.
Die zonden gaan vooraf, — de vijftig of de vijf honderd denarieën: want altoos is de mensch een schuldenaar 1) voor God; — en nemen reeds terstond alle denkbeeld van verdienste weg, allo rekening met God, die niets anders dan of een oordeel, of eene misrekening kan ten gevolge hebben. Op die zonden volgt de openbaring der goddelijke genade, die vooral daiir gewaardeerd wordt, waar een levendig schuldgevoel is ontwaakt; zoo als, naar jezus' verklaring, reeds johannks' prediking door hocron en tollenaars werd geloofd, door Earizeën verworpen. Want het Farizeïsme, al erkende het nog schijnbaar eenige eigen schuld, verdoofde liet schuldgevoel, en dus ook de liefde van het heweldadigd en dankbaar hart. Zoo ver gaat de Gelijkenis. Het heden der genade met blijdschap en liefde begroet door de zondares, terwijl 't den Farizeër koud laat. nDien weinig te vergeven is, — en die van dat weinige nog veel te weinig gevoel heeft, — die heeft weinig lief.quot; Pat is de spreuk, die den Farizeër kenmerkt. Paar blijft't bij, en met opzet heeft jezus aan 't slot die niet omgekeerd, zoo als de andere: //Hij beeft weinig liefgehad, en daarom wordt hem weinig vergeven.quot; Neen! zoo was het met simon niet. Jezus heeft juist aangetoond, dat hij geen enkel liefdeblijk van hem heeft ontvangen, al was ook voor hem genade even noodig. Tot de volle vrijspraak komt het daardoor bij den Farizeër niet. Maar wel bij de. zondares. Pe groote genade Gods, die zij geloovig aanneemt, wekt haar tot vurige liefde op: liefde tot God, en tot hem, die Gods woord is op aarde. En nu ook erlangt zij door dit liefdeblijk de volle vrijspraak, waarvan reeds het voorgevoel haar zalig maakte: vZóó en zóó heeft zij gedaan; die overmaat
1) Het Ijeeld van schulden voor zondenis ons, reeds door liet Ome Vader, zoo eigen geworden, dat hot bijna geeuo beeldspraak meer is. Ook Luk. XIII : 2 en 4 wordt ocpeiXetai met afia^talol verwisseld. Later zullen wij in het beeld van den Oubannhartigen Diouslknecht dit breeder uitgewerkt vinden. Jammer slechts, dat de Christelijke kerk al vroeg de beeldspraak in eigenlijken zin heeft opgevat, en er het betalen tegenover gesteld: een onuitwischbare smet op de katholijke kerk niet alleen, maar zelfs op onzen sehoonen Catechismus en geheel onze oude gereformeerde kerk.
Rogebs gebruikt deze Gelijkenis, en niet te onregte, ook tegen de dwaling van jovinunus, reeds door uieronvmus en aügustinus weerlegd, als of alle zonde even groot ware. »Wy lesen,quot; zegt hij: «van een splinter en balk, van muggen en kcmelen, van koorden der ydelheyt, banden der sonden en dikke wagenzeclen.quot; Geestig is ook, wat hij er, met eene verbazende belezenheid, bijvoegt overliet gevaarlijke van kleine zonden.
236
de twee schuldenaars.
van liefde mij betoond; daarom, hare zonden zijn vergeven, die vele waren: want zjheejï veel lief gehad; maar dien weinig vergeven is, (of //wieu weinig te vergeven was/') die hee/( weinig lu'f,quot;
Zoo is er overal , waar zieli Gods genade openbaart, eehe wisselwerking van liefde en liefde, een wederontmoeten van den zondaar en (lod, aan de hand van christus. 1) Daardoor is het berouw de wortel, en tevens de vrucht des geloofs; liefde de weg tot genade, maar ook weder hare uitwerking. En toeh, nimmer kan de geredde zondaar zeggen; //Ik heb met mijn geloof, met mijne tranen, met miju liefdewerk mijne zaligheid verdiend!quot; Omdat, zoo dra de zondaar zegt: nl/c zal opstaan en lot mijnen Vader gaan, en zeggen: Ik hen niet waardig uw kind genaamd Ie worden!quot; hij alle denkbeeld van eigen verdienste varen laat, om alleen do toevlugt te nemen tot de goddelijke genade; en ook waar wij in liefde uitmunten, wij altoos met johanwes zullen moeten zeggen: Hierin is de liefde, niet dat wij God lief gehad hehhen , maar wij hehhen Hem lief, omdat Hj ons eerst heeft lief gehad. (1 Joh. IV : 10, 19.)
Nog eene waarschuwing ten slotte. Het is de schuld van 't Evangelie niet, dat het schandelijk misbruikt is, en nog maar al te dikwijls misbruikt wordt. Zoo voorzagen de kerkvaders reeds van deze plaats het misbruik, waar tegen paulüs al waakte bij zijne genade-leer: Zullen wij dan zeggen: nlaat ons zondigen, opdat de genade meerder worde f' Dat zij verre! Want die met Christus der zonde gestorven zijn, hoe kunnen wij nog in de zelve leven? {Rom. VI; 1, Ü.) Maar al zal niet ligt iemand dit //met opzet zondigen, opdat de genade meerder worde,quot; openlijk prediken; 't is toch ganseh niet vreemd, dat men 't als een zeker voofregt beschouwt, vroeger veel gezondigd te hebben, en.daardoor te kunnen roemen in veel vergeving. Dit denkbeeld, zoo gevaarlijk als eene bron van zonde aan de eene, van geestelijken hoogmoed aan de andere zijde, is de gevolgtrekking der dogmatiek, waartoe men jezus' woorden verwrongen heeft. De Heer sprak, bij zulke ontmoetingen althans, geheel naar de behoeften van het oogenblik (pro re na la), en volstrekt niet om de grondslagen te leggen tot eenig godgeleerd stelsel, en een' alge-meenen regel te stellen voor des zondaars behoudenis. liet schuldgevoel wijst hij aan, als de bron van berouw en liefde, tegenover de koude eigen geregtigheid. Totdat schuldgevoel geven de vele zonden aanleiding, maar zij zijn daartoe niet onmisbaar noodig. He hemel is niet bij voorkeur het eigendom van hoeren en tollenaars.
1) CoBDEiuus, als hij tegen de mvantes het gevoelen der II. K. kerk verdedigt, geeft den Heiland deze woorden in den moud: uSicut ille debitor dilcxil mullum credUorem, quia mullum ei remiseral ; i/a huie mulieri c contrario multa remitlo, quia midltm me dilexil.quot; Remissio cnim debiti et amor ereditoris comexa sunt; cl uti remissio parit amorem, ita amor parit remissionem. Provocat amor amorem. En melanchlilon schrijft: Cui mullum remittitur, mullum diligil; (piasi dieas. Quo mag is agnosees remissionem, eo magis agnosees magnitudinem ienijicii erga te; major ergo flamma Jidei et dileclionis oritur, el vieissim magis diligil Deus magis diligenlem. Zoo ontmoeten elkander de Roomseh-Katholijke en Protes-tantsehe opvatting, van het harde juk der dogmatiek ontslagen.
DE TWEE SCHULDENAAHS.
238
Integendeel, liet druisclit tegen g(;hcel den Bijbel in, wanneer wij de waarde miskennen van een' onberispelijken levenswandel, de gevaren en gevolgen der zonde, zelfs nog na de bekeering. Daarom is eene niet minder wrange vruelit van deze rigting, dat menig een zich zeiven pijnigt, om toch maar veel zonde te vinden, ook waar die niet is, tranen te weenen zonder berouw, oi' zich berouw op te dringen zonder kwaad; met één woord, den tollenaar speelt met bei- hart van een' Parizeer, of 't gebed des Farizeers doet met het gebaar van den tollenaar. Zelfs den welmeenenden raad van anders beider denkende evangeliedienaars kan ik niet aannemen, om ons zoo lang voor God te verootmoedigen, tot wij ons met patjuis quot;de voornaamste der zondarenquot; kunnen noemen. Paxii.us zou dit nooit gedaan hebben, als hij niet de gemeente des Heeren vervolgd had. Neen ! niet de vergelijking met anderen maakt ons ootmoedig, veel min het gekunsteld en ingebeeld schuldgevoel; maar dat diep besef van Gods heiligheid en liefde, waardoor ook de kleinste zonde in ons wordt beschaamd, zoo als het minste zonnestofje zigtbaar wordt in den vollen zonneschijn. 1)
Ik wil besluiten met een tegenbeeld op beide de beelden van onzen Heer; want niet over allen beeft simon regf. geoordeeld. Er zijn menschen, wie oneindig veel te vergeven is, en die toch volstrekt niet lief hebben; die de vijf honderd denarieën slechts willen hebben uitgewischt, om er weêr duizend schuld te maken. Zij zijn verre, verder dan de blmdste Heiden, van het koningrijk Gods. Maar daar zijn er ook, wie betrekkelijk weinig is vergeven , en die toch veel lief' hebben, omdat dat weinige oneindig veel was in hun oog. Hunner is het koningrijk der hemelen. Mijn broeder of zuster! Ik wenseh u de liefde van den grootsten , bij de schuld van den minsten schuldenaar toe. Wanneer eens die adem der goddelijke liefde over ons gegaan is, dan oordcelen wij den broeder niet meer, dan is cmusTtis ons boven alles lief geworden, en die liefde schrijft de vrijspraak in ons hart.
1) Er sei der Vnterschied ifes ausserlir/ien T.chens hall) mier uns, wie es tcolle, teenn /air vor Gotlrs Gericht kommen, so heiszl es also: «Jl'ir hahen nicht zu hezohlen, nnd mussen Sehuldner hleiben der elen sowohl mi! dein H'enigen, als jener mil der grossen Summe. Luthek.
■
■ -.
_
..Omgord u, en dien my en eet en dnnTc lt;51 aaarna1
DE KNECHT, DIE VAN DEN AKKER KOMT.
En wie van u heeft eenen dienstknecht ploegende, of dc beesten hoedende, die tot hem, ah hij van den akker inkomt, terstond sal zegyen: n Kom bij, en zit aan?quot; Maar zul hij met tot hem zeggen: uBereid, dat ik te arond zal eten, en omgord u, en dien mij, tot dat ik zal gegeten en gedronken hebhen , en eet en drink gij daarna ?quot;
Bankt Uj ook den zeiven dienstknecht, omdat hij gedaan heeft 't geen hem, bevolen was? Ik meen, neen.
Weder cene Gelijkenis, en weder eene vraag. Geen leeraar, die meer dan jezus het gezond verstand van zijne hoorders zelf te hnlp roept en hun menschelijk gevoel, de wetten van billijkheid en regt, liefde en wijsheid, die hij van de dagelijksehe zamenleving der mensehen overbrengt op het koningrijk der hemelen. Maar de vraag is dit maal van eenen anderen vorm dan de vorige. Soms laat de Heer, terwijl zijne vragen slechts éénen weg open laten, zijn'hoorder zelf uitspreken, wat hij leeren wil. Zoo is het, waar hij den Tolvrijen Koningszoon aan simon petrus beschreef, en de liefde van het berouw aan Simon den Parizeer. Maar somtijds ook gaat zijne vraag den kring zijner hoorders rond, eu wordt daardoor de sterkste ontkenning: //Welk vader onder u geeft zijn hongerig kind eenen steen ? Welke landbouwer noodigt zijn landvolk als gasten aan den disch ?quot;
De aanhef en schijnt deze kleine Parabel aan 't vorige te verbinden. Toch is dat verband ver te zoeken. Zoo gij een geloof hadt als een mosterdzaad, gij zoudt tegen dezen boom zeggen: // Word in zee geplant!quot; en hij zon u gehoorzaam zijn. En wie van u heeft een' dienstknecht... Grooter overgang is in jezus' onderwijs niet te vinden. Die ploegende knecht heeft niets te maken met den moerbeziënboom, noch de gehoorzaamheid van een* slaaf met het gebed van een kind. Ik weet wel, met eenig vernuft kan men ook hier wel verband vinden; maar wat de een vindt, wordt door de uitvinding van den ander weer om ver geworpen; 1) en had jezus zoo iets bedoeld, zeker zouden zijne eenvoudige hoor-
l) Xn soldier Wirksamkeil wird euch der Glaube Jiihren, aber Anspruche eigener VenlienMichkeil werdtn euch damtl nicht gegeben. Zoo meijer, die evenwel opmerkt, dat maluonaius en anderen hier geen'zameu-hang erkennen. Stuakt geeft een drietal zulke «tusschendenkbeeldeuquot; aan, maar voegt er bij, dat
de knecht, die van den akkek komt.
tiers den zamenhang niet begrepen hebben, waarnaar nog do geleerden gissen. Eu om eenc proef te nemen van hun noodeloos cn valscb vernuft, zou men gerust al de verhalen van luk as kunnen door een werpen, en geheel willekeurig verschikken: weder zouden die geleerden gereed staan, om ons het schoonste verband aan te wijzen, dat ten slotte tusscheu alle godsclienstige en christelijke waarheden en lessen te vinden is.
Ik kom dus tot do eenvoudige slotsom, reeds door groote uitleggers van vroeger eeuwen gemaakt, dat er in 't geheel geen zamenhang tusscheu deze Gelijkenis en 't voorafgaande bestaat. Meer malen hebben wij opgemerkt, dat men door de Inleiding van lukas' Evangelie , — waar bij belooft in orde te stelten, wat hij van voren aan naarstig heeft onderzocht,— zich op het dwaalspoor beeft laten brengen, als of lukas willens en ook instaat zou geweest zijn, om alles te verhalen in de volgorde, waarin bet was gebeurd of uitgesproken. En hadden dan de apostelen een aan teek enboekjo bij zicb, of een wonderdadig geheugen van Ji.zrs' woeligen werkkring? Even gemakkelijk kon men de golven der zee tollen of de branding regelen aan de kust, als een naauwkeurig register maken van jezus' woorden. Do zaak is eenvoudig deze. Lukas scbreef zijn Evangelie bij afdeelingen, die in den regel beginnen met Fm het geschiedde'—. Ilior is hij weder aan het eind van zulk oene Afdeeling genaderd, en voegt aan de uitvoeriger Gelijkenissen van H. XV en XVI nog eenige gezegden van jezus toe, waarvan bom de gelegenheid niet bekend is, en die hij dus nergens beter weet te plaatsen: de ergernis, — do vergevensgezindheid, •— het geloof, — de verpligte deugd. — Daarmede besluit i.ukas dit gedeelte van 't Evangelie, om dan vs. 11 weêr te beginnen En het geschiedde.
Maar er is nog eene reden, waarom wij hier geenen zamenhang kunnen erkennen. Vs. 5 sproken de apostelen tot don lieer, en vs. 7 vraagt bij : u Wie van u heeft eenen diemthiecht ploegende of weidende ?quot; En dat zou do Hoer aan dc apostelen gevraagd hebben, die alles hadden verlaten om zijnent wil, en waarvan verre de meesten, visscher of tollenaar, ook vroeger even min slaven zullen gehad hebben, als akker of weide! Do vraag Wie onder n ? ziet in ruimer' kring rond, cn behoort ook elders tot jezus' volksonderwijs, bet zij hij tot zijne vele volgelingen (discipelen), of tot de nog grootere schare sprak. Verliezen wij dit lichtpunt niet uit 'I oog, dat ons straks den weg tot do regte opvatting der Parabel wijzen zal.
210
Hoe eenvoudig toch dc woorden zijn en hoe natuurlijk hot denkbeeld , zoodat jezus het gerust aan aller oordeel kon onderwerpen, er is wel eenig bezwaar in de boteekenis, inzonderheid als wij die beschouwen in don zamenhang van hot evangelisch onderwijs. Dat do mensch in zijne betrekking tot den hemel hier als dienstknecht, dat is, naar de zeden der oudheid, als lijfeigene of slaaf wordt voorgesteld, is zonneklaar, en dat zijne aanmatiging
«■hel verschil derzelver gcwixagdhcid aantoont.quot; — Het meest algemeen (ook door sai.meeon) aangenomen verband: «Verhef u niet op zulk een geloof, al is het, dat 't bergen verzet,quot; kan hier niet gelden, omdat jezus duidelijk van eene wettische gehoorzaamheid spreekt, en niet van de heldendaden desgeloofs. Het gezegde van jezus: » Vcrhljdl u daarin niet, dat de geesten u onderworpen zijn, maar verblijdt u veel meer, dal moe namen geachrcoen lijn in de hemelen T' (Luk, X : 20) door saimehon aangehaald, heeft eene geheel andere betcekeiiis.
DE KNECHT, DIE VAN' DEN AKKER KOMT.
op getrouwe, pligtsbetrachting wordt tegengegaan, oven zeer. Maar hoe nu deze voorstelling te rijmen met eene andere, waarin juist het tegenovergestelde wordt gezegd? Wij vonden ze reeds vroeger Juk. XII : 3G—38, In de vooronderstelling, dat do lezer beide Gelijkenissen vóór zich en nevens elkander gelegd heeft, ga ik hem wijzen op de tegenstelling aan 'i slot, die door de overeenkomst aan 't begin nog sterker uitkomt.
Hier zien wij, tegenover hunnen heer, knechten, die bun' pligt doen, en daur ook. Aan dezen is liet landwerk toevertrouwd, aan genen bet bewaken der woning. Beiden doen, wat zij doen moeten. De knecht komt van den akker, en zijn meester laat hem eerst bedienen, eer hij eten mag, en denkt er niet aan, om hem dank te zeggen, hem als gast aan tafel te noodigen. En de bedoeling is niet twijfelachtig: want met zijn gewoon A1 z o o 1) voegt Jezus er zelf de toepassing bij : Alzoo ook gj, wanneer gij zult gedaan liehhen al het geen v hcvolen is, zoo zegt: uit Ij zijn onnutte dienstknechten; want wij hebben maar gedaan, het geen loj schmldig waren te doen.quot; — Goed! maar naar de andere Gelijkenis komt de Heer te huis, en vindt er zijne knechten, die veel gemakkelijker arbeid gehad hebben, dan ploegen of weiden : waken en wachten eenvoudig ! En bij noemt hen zalig, omgordt zich, als ware hij in hunne dionst, en doet hen aanzitten, en hijkomend e dient hij hen. Wie is die lieer, die zoo ongelijk zijne knechten behandelt? Wie die knecht, onnut bij 't dagwerk en zalig door cóne nachtwake, en toch in beide slechts gehoorzaam aan zijnen heer, hoewel hij aan den avond zich zelf omgorden en dienen moet, en in den nacht de heer zich omgordt en hem dient ?
Gaan wij weder, — daar geen zamenhang of verband ons hulp biedt, — tot de voorstelling zelve terug, eene kleine, huiselijke schilderij , gevat in de lijst van haren tijd. Die voorstelling is gegrond op do wetten der slavernij of lijfeigenschap. Kaar die wet der oude maatschappij, behoorde do dienaar geheel aan zijnen meester. 1 lij was tot alle dagwerk verpligt, en de meester beloonde het eigenlijk niet eens met hem te voeden en te kleeden: want dit was eenvoudig do natuurlijke zorg voor zijn eigendom, die men ook aan den dorschenden os en den muilezel , naar kunne behoefte en met 't zelfde gevoel van gehechtheid en menscbelijkheid, toewijdt. De slavernij als een onregt, als de overmagt van geweld en willekeur, — dit is een denkbeeld van don nieuweren tijd, waarin de behandeling dor slaven ook veel onmensebelijker is, omdat zij mot 't geweten strijdt. Maar gevoelde van ouds her do lijfeigene zich tot den arbeid verpligt, en achtte de meestor zich zijn' natuurlijken beschermer en vader, juist daardoor was alle denkbeeld van eene bijzondere dienst, waarvoor men dank zegt, uitgesloten. De slaaf werkt voor zijnon beer: dit is even natuurlijk, als dat onze leden ons ten dienste staan: en wie zal zijne voeten danken, dat '/c hem dragon, de hand, dat ze voor ons arbeidt ?
1) Ileeds in de Algemeene Inleiding, Bladz. xux , is opgemerkt, dat jezüs meermalen door zijn oiim of o'tms aan het slot der Gelijkenis het eigenlijke punt van vergelijking (Jtrlium comparationis) aanwijst. Nu kan ik er nog bijvoegen, dat wij dit op die wijze bijna uitsluitend bij lukas vinden, eu wel bij de Gelijkenissen van den Rijken Dwaas, Torenbouw en Oorlog Verloren Schaap, Verloren Penning en Uitbollenden Vijgeboom, en de zinnebeelden vaii den Bliksem en den Zondvloed in de profetie van jezus' toekomst. {Luk. XVII : 24 , 20.)
24]
bjo knecht, die van den akker komt.
Met zijn II 'ie ran u ? plaatst jezus zich in den gewonen kring van zijne hoorders, den Galileeschen burgerstand, 't Is dan ook hier geen aanzienlijk landeigenaar, als de heer der Arbeiders in den wijngaard, of de vader van den Verloren Zoon. Dezen hebben slaven en daglooners voor den veldarbeid, en huisknechten onder eenen Oehmoom of huisbezorger aan hunne woning. Maar de Wie van n? heeft éénen knecht, die, naar de eenvoudigheid van 't oude landleven, daar buiten werkt en hier binnen de tafel dient. Het is de tijd van den avondmaaltijd, en 't dagwerk buiten is afgedaan. Was het een stuk lands om met ossen te ploegen, of eene kudde om te weiden: 't is om het even. i) De slaaf komt binnen. Zijne verhouding is niet de zelfde als in onzen boerenstand, waar de meester aan tafel zit met knechten en arbeiders, He lijfeigene staat, waar zijn meester zit. Vraag het aan iederen oosterling. Wanneer de meester, bij 't binnen komen, terstond zeide : n Kom bij en zit aan !quot; •— of zoo als men ook zou kunnen vertalen: als hij zeide: n Kom terstond hij en zit aan !quot; 2) — in plaats van hiermede verblijd en vereerd te wezen, zou de knecht verbaasd zijn en verlegen. Hij zou niet weten, hoe hij het had. 3) Hij heeft immers niets bijzonders gedaan, ja! nog niet eens zijn dagwerk ten einde gebragt ? Hij zou zijne slaven bederven, die zóó allen afstand verloor; gelijk reeds de wijze spreuk-dichter zeide: Als men zijnen knecht weelderig houdt, hij zal in 't einde een zoon willen zijn. [Spr. XXIX ; 21.) Neen! de meester zegt: n Bereid mijnen maaltijd, — eenvoudig en spoedig afgeloopen , — omgord n en dien mij; als ik gegeten en gedronken hebben zal, eet en drink gij daarna!quot; Of, met behoud van den toekomenden tijd, in het oorspronkelijke gebruikt: uDaarna zult (moogt) gij eten en drinken?'
Daar er op die wijze nu toch ook voor hera gezorgd wordt, heeft de knecht geen klagen, en ziet hierin niets ongewoons, nBankt zijn meester ook, 4) — vraagt jezus nog ten overvloede:— den zeiven dienstknecht, omdat hij gedaan heeft in 't veld, wat hem geboden was? Ik meen, neen!quot; — 't Laatste heeft nog sterker beteekenis, dan de klank der woorden is: want 't staat gelijk met: «Zeer zeker niet!quot; En 't is nog zoo. Ook wij zullen nief telkens onze dienstboden bedanken voor 't hun opgedragen huiswerk; maar wel, als zij
1) Sïiek vindt in het ploegen eu weiden het zwaardere en ligtere werk van het aiicstelsehap. Al wat hierover door hem en anderen stichtelijks is gezegd, laat zich bij eenige fantasie gemakkelijk nazeggen, maar past in onzen uitleg niet.
2) Men kan svamp;slt;ag bt met bet voorgaande, of met het volgende verbinden. Het laatste (Kom terstond —) wordt thans meest aangenomen, om de tegenstelling met pexa zavta (Tiet daarna—). Ik kan echter niet zien , dat die tegenstelling anders is naar de oude vertaling, die mij nog altoos eenvoudiger en natuurlijker voorkomt. Mij dunkt, dat er anders zou moeten staan: Ilu^eXamp;mv bvamp;bws avansaui,
3) Maimonides zegt evenwel, dat de oude wijzen niet alleen aan hun dienstvolk alles plegen mede tc dcelen, wat zij zelve aten, maar ook «hunne lastdieren en slaven vodr zich zeiven voerden.quot; Ligjitpoot noemt dit supererogatio. Zou men het ook eene Farizeesehe ostentatie kunnen noemen? Of zou het betrekking hebben op eene rustplaats bij het reizen, waar men zich eerst verzekerde, dat er voor vee en knechten werd gezorgd ?
4) Of Hij zal toch geen dank weten!' (iirjx.s.) De spreekwijze /agiv üxeiv nrl beteckent niet enkel •/dankbaar zijn,quot; maar bepaaldelijk //dank zeggen, gr alias ayere.quot; — De overste kan den krijgsman en de heer zijnen slaaf in zijn hart dank weten, dat hij hem gehoorzaam is, en dus veel moeite bespaart, die hij van aaderen heeft, maar hij zal hem daarom nog geen' dank zeggen.
DE KNECHT, DIE VAN DE.V AKKER KOMT.
ons iu ziekte getrouw opgepast, of bij langdurige afwezigheid ons huis goed bewaakt en bezorgd hebben. 1)
Dit laatste stelt het andere tafereel voor, dat der Walende Dienstknechten, waarvan wij vroeger (Dl. I, Igt;lz. 365 verv.) reeds spraken. Zij worden ook wel, met 't gewone woord, dienaren of slaven genoemd, maar wij zien, bij de autokratie van het oosten, zelfs aan aanzienlijke staatsbeambten dien naam geven, en liet is niet zonder beteekenis, dat zij reeds vroeger genoemd zijn: Memchen, die op hunnen heer waehten. De gemcene slaaf is ook wel een mensch, maar wordt toch minder als zoodanig beschouwd, 't Zijn hier dus huisbedienden, die in des meesters vertrouwen en gunst deelen, wien bij zijne afwezigheid huis en hof wordt toevertrouwd. Zij hebben niet te werken, maar te waken, wachtend up hunnen heer, als hij van de bruiloft terug komt. Gemeene of onnutte, onbruikbare slaven, die alleen voor werktuigelijken arbeid geschikt zijn, voor niets anders goed, dan om slaaf te wezen, zouden mat of matras in gang of voorportaal ontrold hebben, en zijn ingeslapen. De trouwe, en belangstellende dienaren hebben den ganseiieii nacht door de lendenen omgord en de lampen brandende gehouden, om terstond hunnen heer open te doen en te dienen. In feestelijke stemming komt hij te huis , en is hun dankbaar, dat hij alles zoo in orde vindt. Hij zelf heeft reeds aan 't bruiloftsmaal aangelegen, en gunt zijn' trouwen dienaren nu ook die vreugde. ////' doel hen aanzitten, en bijkomende dient hij hen.
Tegenover de verpligte taak van den daglooner, staat dus de beproefde trouw van hartelijke dienaars, liet denkbeeld wordt eenigzins terug gevonden in 't bekende werk van één der apostolische vaders, den Herder van hekmas, dat eenen tijd lang groot gezag had bij de oude Christenheid. Hij verhaalt van eenen knecht, wien zijn heer gelast had , palen bij de wijnstokken te zetten; maar toen hij naar zijn werk kwam zien, vond hij, dat do knecht niet alleen gedaan had al roat hem bevolen was, maar ook overal liet onkruid uitgewied en den wijngaard omgraven, zoodat zijn meester hem niet meer slaaf, maar kind noemde en met zijn eigen'zoon erven liet. 2) (heumae Paslor, L. III, Sim. 5.)
Maar er is meer. De heer in de beide Gelijkenissen is niet de zelfde. Die der Wakende
1) //Indien jezus nergens elders van dienstknechten of slaven had gesproken, zou het ongeloof welligt den Heiland het gevoelen hebben toegedicht der genen, die van oordeel zijn geweest, Jat een heer nimmer eenige verpligting hebben of dank verschuldigd zijn kan aan zijne lijfeigenen, tegen welk gevoelen de wijsgeer seneca de eer der menschheid allervoortreffelijkst heeft verdedigd; maar het blijkt elders middagklaar, dat de Heiland het tegendeel van dat gevoelen heeft gekoesterd. Wie herinnert zieh hier niet de Talent-Gelijkenis....'tquot; Stuart.
2) Reeds de Joden hadden een spreekwoord : »Hem wordt de prijs gegeven, die iets onbevolen gedaan heeft.quot; (Maxmokides) En ouk.enes teekent op Rem. 1 : 3 aan; «Zoo lang iemand slechts doet, wat hij doen moet, is hij cononnulle dienstknecht; maar indien hij nog iets toevoegt aan het gebod, zoo wordt tot hem gezegd: » Wel u, gij goede en getrouwe dienst knecht — Door in dien Joodschen geest voort te gaan, en enkel op het doen te zien, is de Katholijke kerk gekomen tot de gedrochtelijke leer der overtollige goede werken {opera supererogationis). In zijne oorspronkelijke zuiverheid vinden wij het denkbeeld nog bij chrysostomus, als hij, van Joden en Christenen sprekende (opRom. VIII), zegt: «Genen doen alles gedreven door vrees voor straf, maar die geestelijk zijn, door lust en begeerte, en dit toonen zij door zelfs meer te doen dan hun geboden is.quot;
DE KNECHT, DIE VAN DEN AKKER KOMT.
knechten schotst ons den Zoon des mcnschen in zijne toekomst. Met de blijdschap der hemelsche bruiloft keert hij torug , en uoodigt zijne trouwe dienaren, om in te gaan in de vreugde hv.nnen Hoeren. Er is geene sprake van eigenlijke verdienste of afrekening , van voorgeschreven taak of belooning; maar alleen van de regte stemming'des gemoeds, waardoor men makt en lult, niet wetende dag en wre, waarop de heer des huizes komt. Niets van dien aard in de Gelijkenis, waarvan wij thans te spreken hebben. Tiet dagwerk is afgedaan, zoo als 't gisteren en eergisteren gedaan werd, en morgen weer zal gedaan worden: anders niet. Als de slaaf 't niet doet, verdient lüj honger en slagen; en doet hij 't wel, wat dank zou hij verdienen? Hij werkt immers slechts voor hem, wiens brood hij eet.
Zoo vroeg reeds ki.ua/. aan job ; i/Zal ook een man Gode voonleelig zijn ? Is het voor den Almagtige nnttigheid, dat gij r eg tv aar dig zijt? of gewin, dat gij meewegen volmaakt?quot; en RLiHü : tiIndien gij regtvaardig zijt, wat geeft gij Gode ? Of wat ontvangt Hij uit mee hand?quot; Ook PAn.rs schrijft: Wie heeft Hem eerst gegeven, dat hem zou weder vergolden worden ? {M AX1T ; 3, 3; XXXV ; 7; Hom. XT : 35.) En llabbi jochanan , een leerling van den beroemden jiii.lei., plagt te zeggen: //Zoo gij regt goed de wet beoefent, beroem u hierop niet: want daartoe zijt gij geschapen.quot;!) — Maar de doorgaande denkwijze was toen anders. De zegen der wet was ouder de Joden meer en meer als ecu loon beschouwd, waarop men billijk kou aanspraak maken, en de deugd als eene dienst, een wederdienst waard. Reeds hiskia bad: n Gedenk, Heer! hoe ik voor uw aangezigt heb gewandeld!quot; en nehemta zelfs bij herhaling: nVergeld mij naar 't geen ik mijn volk heb gedaan!' En hoe, van eska's en nehemia's dagen af, het wettisch beginsel van toerekening meer en meer in een bekrompen Farizeïsme is overgegaan, hebben wij meer malen gezien. Geen wonder! zelfs iu de Christelijke kerk, op het Evangelie der genade gebouwd , is nog veel bekroinpener afrekening met den hemel doorgedrongen. 3) O! de mensch wil zoo gaarne rekenen, verdienen, roemen.......
1 let is duidelijk tegen dien geest, dat jezus hier getuigenis aflegt, misschien door eene bijzondere aanleiding, die ons onbekend gebleven is. Hij brengt daarbij den mensch terug tot de natuurlijke betrekking van het schepsel op zijnen Schepper, een lijfeigenschap, veel billijker en edeler dan mcnschen elkander ooit kunnen opleggen. 3) T)ie daarbij zijn' pligt betracht, hébhe roem, zoo als path,us zegt: maar hij heeft dien niet bij God. 4) —
1) Men vindt deze spreuk in de Pirke Atwih (Spreuken der Vaderen), het oudste en merkwaardigste gedeelte van den Talmud. Ew\ld staat te zeer onder den indruk van jeztjs' gezegde, als hij haar vertaalt; Ilasl du deine rjlicht rrjiillt, to lobe dieh nicht, dem en ist deine Sc huldig keit.
3) ConüEiuus is niet best geslaagd in zijne verdediging van de verdienstelijkheid der goede werken, door tegenover «de ketters, die hier aan lijfeigeneu denken,quot; te verzekeren, dat er huurlingen bedoeld worden, die buiten het aangenomen werk nog eenigeu vrij willigen arbeid (de genoemde opera supererogationis) volbrengen kunnen, en dus meer belooning verdienen. — Ongelukkig voor dezen uitleg, zijn JoOXoi. nergens [tirrfhoi of (Vgl. Dl. I, Blz. 347, en 11 Blz. 125.) Salmeron begrijpt
dit beter; hij zegt ten minste; non mercenarius, scd proprie servus,
3) Deze tegenstelling is door stuart uitnemend uitgewerkt.
4) Finis hu jus parabolae est, quum Deus jure svo nostra omnia sil/i vindicet, nexuque el mancipio nos possideat, quicquid impendere studeamus officii, non tarnen ohstringi nobis ullo merilo, quia quum ejus simux, ipse vicissim nihil nobis deberc potest. Kalvijn.
dk knecht, die van dkn akker komt.
En nu gaat jezus nog uit vau de onderstelling, dat do arbeider a/Av gedaan heeft, wat hem' bevolen werd. Wie gevoelt niet, dat dit nooit kan gezegd worden van den raensch tegenover God? Maar de Heer weet dit wel, en geeft het ook elders genoeg te kennen. Do vijftig denarieën schuld blijven den besten over, en hij heeft niet om te betalen. Maar des te meer klemt het bewijs. //Ook al ware het anders mogelijk , ook al hadt gij gedaan al het geen u bevolen is, zoo zegt; II j zijn onnutte dienstknechten, want wij hebben gedaan het geen wij schuldig waren te doen.''
Maar die benaming //onnutte dienstknechtenquot; schijnt toch wel wat sterk, daar zij elders alleen voorkomt van den knecht , die ■'s meesters talent in de aarde begraven heeft, en daarom als de onnutte dienstknecht in de duisternis wordt uitgeworpen. (Matth. XXV ; 30.) En toch is ook bij wel boos en lui van aard (vs. 26) , maar als slaaf alleen nutteloos, werktuigelijk : hij steelt of vernielt liet goed zijns meesters niet, maar doet ook niets meer dan bet te bewaren.
Mi lar het is ook niet 't zelfde, of de Heer eenen slaaf als onnut veroordeelt, of dat deze zich zei ven zoo noemt; waarbij wij niet vergeten moeten do sterke uitdrukkingen van ootmoed en onderdanigheid in den mond van den oosterling, zoo als david zich bij voorbeeld tegenover saul een' dooden hond noemt, — terwijl reeds een levende hond als onrein werd veracht! — Neen! het is God niet, die na trouwen arbeid zijne dienaren als onnutte slaven veracht; het is de nederigheid en ootmoed, die zich zeiven zoo noemt: even als do verloren zoon zich den naam van kind onwaardig rekent, terwijl de vader hem toch nog als zijnen zoon erkent. Een geestig schrijver (bekokl) teekent daarom bij deze onze Gelijkenis, vergeleken met die der Talenten, te regt aan : //Rampzalig , dien God een' onnutten dienstknecht heetj maar gelukkig, wie zich zelf zoo noemt!quot; 1)
Doch er is toch meer dan eene bijna overdrevene nederigheid in dit woord. Strikt genomen, is wel de slaaf, die het vee weidt of den akker ploegt, niet onnut voor zijnen heer. Deze kan hem zelfs in 't geheel niet missen. Maar als iemand, die slechts voor werktuigelijken arbeid geschikt is en geen eigen zorg voor do zaken van zijnen heer heeft, is hij toch, in vergelijking met de trouwe en beproefde dienaren van den huize, slechts //een gemeene slaaf.quot; — Dat dit de bedoeling is, zien wij onder anderen in don brief aan filemon, wien patjlus een'weggeloopen, maar door hem bekeerden slaaf terug zendt, met de aanbeveling: Mijn zoon onesimüs , wiens rader ih geworden hen in mijne banden, was u eertijds onnut, maar nu is hij en mij zeer nuttig. 2)
1) Nadat salmeroïj heeft opgemerkt, dat de Heer de conclusie «Alzoo zal ik (of zal God) u ook geen' dankzeggen,quot; (zoo als het elders is; /ilzoo zal mijn llcnuhche Vader u doen P) weg laat, omdat Christus de trouw zijner dienstknechten nèl erkennen en beloonen wil, besluit hij ; Agnosce ergo te mrvum, el ille voruhit te fdiuni; die, te invtHem, el eris maxime u lil is ; nomina le peeeatorem, tl ille te hahehil pro juslo. — Op dien grond verdedigt hij ook, tegen kalvijn en anderen, de verdienstelijkheid der gotde werken; alleen mag de mensch zich hierop niet laten voorstaan, en is er geen loon voor gedwongen' arbeid, zoo als paulus verklaart: Indien ih hel evangelie verkondig, het is mij geen roem, xcant de nood is mij opgelegd; en wre mij, indien ik hel evangelie niet verkondig'. Wanl indien ik tut gewillig doe, zoo helt ik loon; maar indien cnvillig, de uitdeeling is mij toch tcererlrouwd. (1 Kor. IX : 16,17.)
2) De axgijaxo*; was exl/qtjatog geworden. liet eerste woord beantwoordt geheel aan het axgeloe
245
we knechtj die VAN bek akker komt.
knechten schetst ons den Zoon des menschen in zijne toekomst. Met de blijdschap der hemelsche bruiloft keert hij terug, en noodigt zijne trouwe dienaren, om in te gaan in de vreugde hunne» tkeren. Er is geene sprake van eigenlijke verdienste of afrekening , van voorgeschreven taak of bcloouing; maar alleen van do regte stemming'des gemoeds, waardoor men waakt en hidt, niet wetende dag en ure, waarop de heer des huize» komt. Niets van dien aard in de Gelijkenis, waarvan wij thans te spreken hebben. ITct dagwerk is afgedaan, zoo als ^t gisteren en eergisteren gedaan werd, en morgen weer zal gedaan worden: anders niet. Vis de slaaf 't niet doet, verdient hij honger en slagen; en doet hij 't wel, wat dank zon liij verdienen? Hij werkt immers slechts voor hem, wiens brood hij eet.
Zoo vroeg reeds ei.iva/, aan job ; i/Zat ook een man Gode voordeelig zijn ? T» het voor den Atniagtige nuttigheid, dat gij regtvaardig zijt? of gewin , dat gij uwe wegen volmaakt ?quot; en ei.ihtj : nIndien gij regtvaardig zijt, wat geeft gij Gode? Of wat ontvangt Hij uit uwe hand?quot; Ook p.u i.rs schrijft: Wie heeft Hon eer»! gegeven , dat hem zon weder vergolden worden? (Jot) XXII : :l, .'5; XXXV ;7; Jtom. XI : •'55.) En Rabbi jochakan , een leerling van den beroemden inr.ux, plagt te zeggen; //Zoo gij regt goed de wet beoefent, beroem u hierop niet: want daartoe zijt gij geschapen.quot;!) —jVlaar de doorgaande denkwijze was toen anders. De zegen der wet was onder de Joden meer en meer als een loon beschouwd, waarop men billijk kon aanspraak maken, en de deugd als eene dienst, een wederdienst waard. Reeds iiiski.v bad: nGedenJc, lieer! hoe ik voor vw aangezigt hetj gewandeldlquot; en neiiemta zelfs bij herhaling: wVergeld mij naar 't geen ik mijn volk heh gedaan?' En hoe, van esra's en sehemta's dagen af, het wettisch beginsel van toerekening meer en meer in een bekrompen Farizeïsme is overgegaan , hebben wij meer malen gezien. Geen wonder! zelfs in do Christelijke kerk, op het Evangelie der genade gebouwd , is nog veel bekrompener afrekening met den hemel doorgedrongen. 2) O ! de mensch wil zoo gaarne rekenen, verdienen, roemen.......
Het is duidelijk tegen dien geest, dat .lE/.rs bier getuigenis aflegt, misschien door eene bijzondere aanleiding, die ons onbekend gebleven is. Hij brengt daarbij den mensch terug tot de natuurlijke betrekking van het schepsel op zijnen Schepper, een lijfeigenschap, veel billijker en edeler dan menschen elkander ooit kunnen opleggen. 3) Die daarbij zijn' jiligt betracht , lêbhe roem, zoo als pait.us zegt : maar hij heeft dien niet hij God. 1) —
1) 'M'cn vimll deze spreuk in de Pirke Ahoth (Spreuken der quot;Vaderen) , het oudste en merkwaar-digste gedeelte van den Talmud. Ewald staat tc zeer onder den indruk van jezus' gezegde, als hij haar vertaalt: Ilast du deine l'Jlicht erfülll, io lobe dich nicht, deun es ist ikine Schuldig/ceit.
2) CouDF.ums is niet best geslaagd in zijne verdediging van de verdienstelijkheid der goede werken, door tegenover »de ketters, die hier aan lijfeigenen denken,quot; te verzekeren, dat er huurlingen bedoeld worden, die buiten hei. aangenomen werk nog eenigen vrijwilligen arbeid (de genoemde ojwrn supererogationii) volbrengen kunnen, en dus meer belooning verdienen. — Ongelukkig voor dezen uitleg, zijn (toi'/Uu nergens filufhot. of ÏQyatui. (Argl. Dl. I, Blz, 347, en II Blz. 125.) Salmkuon begrijpt dit beter; hij zegt ten minste: non merennarius, std proprie servus.
3) Deze tegenstelling is door stuart uitnemend uitgewerkt.
4) Finis h/'jus parabolae est, qunm Deus jure suo nostra omnia siOi vindicel, nexuque el mandpio nns possideat, quiequid impendcre studcamvs officii, non lamen ohsiringi nobis ullo merilo, quia quum ejus simui, ipse vicissim nihil nobis debere potest. Kalvijn,
de knecht, die van den akker komt.
En nu gaat jezus nog uit van de onderstelling, dat de arbeider alles gedaan heeft, wat hem bevolen werd. Wie gevoelt niet, dat dit nooit kan gezegd worden van den mensch tegenover God? Maar de ITeer weet dit wel, en geeft het ook elders genoeg te kennen. De vijftig deuariecn schuld blijven den besten over, en hij heeft met om te betalen. Maar des to meer klemt bet bewijs, //Ook al ware het anders mogelijk, ook al hailt (jj rjedaan al het geen u bevolen is, zoo zegt: H ij zijn onnutte dienstknechten, want wij hebben gedaan het geen wij schuldig waren te doen.quot;
Maar die benaming //onnutte dienstknechtenquot; schijnt toch wel wat sterk, daar zij elders alleen voorkomt van den knecht, die 's meesters talent in de aarde begraven heeft, cn daarom als de onnutte dienstknecht in de duisternis wordt uitgeworpen. [Matth. XXV : 30.) En toch is ook hij wel boos en lui van aard (vs. 2fi), maar als slaaf alleen nutteloos, werktuigelijk : hij steelt of vernielt het goed zijns meesters niet , maar doet ook niets meer dan bet te bewaren.
Maar bet is ook niet 't zelfde, of de Heer ecnen slaaf als onnut veroordeelt, of dat deze zich zeiven zoo noemt; waarbij wij niet vergeten moetende sterke uitdrukkingen van ootmoed en onderdanigheid in den mond van den oosterling, zoo als david zich bij voorbeeld tegenover saul een' dooden bond noemt, — terwijl reeds een levende hond als onrein werd veracht! — Neen! het is God niet, die na trouwen arbeid zijne dienaren als onnutte slaven veracht; het is de nederigheid en ootmoed, die zich zeiven zoo uoemt: even als de verloren zoon zich den naam van kind onwaardig rekent, terwijl de vader hem toch nog als zijnen zoon erkent. Een geestig schrijver (benc.kl) teekent daarom bij deze onze Gelijkenis, vergeleken met die der Talenten, te rrgt aan : //Rampzalig, dien God een' onnutten dienstknecht heet; maar gelukkig, wie zich zelf zoo noemt!quot; 1)
Doch er is toch meer dan eene bijna overdrevene nederigheid in dit woord. Strikt genomen, is wel de slaaf, die bet vee weidt of den akker ploegt, niet onnut voor zijnen heer. Deze kan hem zelfs in 't geheel niet missen. Maar als iemand, die slechts voor werktuigelijken arbeid geschikt is en geen eigen zorg voor de zaken van zijnen heer beeft, is hij toch , in vergelijking met de trouwe en beproefde dienaren van den huize, slechts //een gemeene slaaf.quot; — Dat dit do bedoeling is, zien wij onder anderen in den brief aan filemon, wien vaulus een'weggeloopen, maar door hem bekeerden slaaf terug zendt, met de aanbeveling: Mijn zoon ones mus, wiens vader ik geworden ben in mijne banden, was u eertijds onnut, maar nu is hij u en mij zeer nuttig. 2)
1) Nadat salmeron heeft opgemerkt, dat de Heer de conclusie fAlzoo zal ik (of zal God) u ook geen' dankzeggen,quot; (zoo als het elders is; Jitoo zal mijn llemlt;hche Vader u doen!) weg laat, omdat ct1uistds de trouw zijner di(nstkneeliten wM erkennen en beloonen wil, besluit hij: Agnosce ergo ie aervum, et tlle voruhit le fdium ; die te inutilem, gt;.t eris marine u til is ; nomina te pereatorem, ft ille te habebit pro justo. — Op dien grond verdedigt hij ook, tegt-n kalvijn en anderen, de verdienstelijkheid der gor de werken ; alleen mag de mensch zich hierop niet laten voorstaan, en is er geen loon voor gedwongen' arbeid, zoo als faultjs verklaart: Indien ik hel evangelie, verkondig, het is mij geen roem, want de nood is mij opgelegd; rn wee mij , indien ik hel evangelie niet verkondig! Want indien ik tut geicillig doe, zoo heb ik loon; maar indien onvillig, de uit deeling is mij toch toeverlrouwd. (1 Kor IX : 16,17.)
2) De cijQrjcnos was evxyt/axo; geworden. Het eerste woord beantwoordt geheel aan het o^gsfot
245
DE KNECHT, DIE VAN DKN AKKER KOMT,
En zoo neemt het beeld van den knecht, die van den akker komt, niet de waarde der deugd weg, ook al is zij slechts ecne loondienst, die alleen in 't uitwendig doen bestaat; niet hare waarde, maar alleen hare verdienste; niet haren roem voor de men-schen, maar wel de aanspraken, die zij zou willen doen gelden bij Hem, die niet gediend wordt van menschen handen als iets behoevende. Het is en blijft waar, dat God alles in 't gerigt zal brengen, en niet onregtvaardig is, zoodat lij het goede werk vergeten sou ; en dat wij allen voor den regterstoel van Christus zullen gesteld worden, om weg te dragen, wat door het ligchaam geschied is, het zij goed, het zij kwaad. Maar, gelijk onze Catechismus zegt; //deze belooning geschiedt uit genade, en niet uit verdienste.quot; He Vader moedigt gaarne de kinderlijke deugden aan, maar daarom is 't kind nog geen loondienaar, die zijne denarie eischen mag.
Eu stellen wij nu nog eens de wakende dienaren tegenover den ploegenden knecht, dan vinden wij inden laatsten het beeld der wet, in de eersten dat der genade. Als lijfeigene staat van nature de mensch tegenover God. Niets heeft hij te eisehen, alles te vreezen, onnutte dienstknecht als hij is. Al wat hij goeds doet, is het gevolg van een gebod; zijne eerste en in zeker opzigt eenigc deugd, gehoorzaamheid. Maar in de dienst van chiustus, wanr trouwe liefde in de plaats getreden is van afgepaste goede werken, deelt hij in de vreugde zijns Ileeren, de overwinning van het Godsrijk. Alle denkbeeld van loondienst valt voor den waren Christen weg. Alles is hij door chhistus, alles uit God. IHj vraagt naar verdienste niet meer, en heeft het rekenen met den hemel afgeleerd. Maar juist daardoor arbeidt hij vrijer, krachtiger, overvloediger: want er is in de liefde eenc kracht, die door niets wordt geëvenaard. Haar arbeid is door loon niet te verkrijgen, en toch is die arbeid voor de liefde zoo natuurlijk, als of hij van zelf sprak. En al noemt de christen zich juist den grootsten der zondaren nog niet, gaarne zal hij tegenover God zich een' onnutten dienstknecht noemen, maar toch steeds meer een getrouwe dienaar trachten te zijn. En wat hij volstrekt niet meer om loon deed, dat zal zijnen loon niet missen in de toekomst des Ileeren. 1)
in de beide Gelijkenissen. Elders komen beide woorden iu het Nieuwe Testament niet voor; maar sv/Qtjatos gebruikt r au lus ook van hem, die bf hem zeiven, bf den lieer wèl dient, to( alle goed werk tvebereid. (2 Tim. IV : 11 ; 11 : 21.) Vgl. ook het vroeger gezegde, Deel I, Blz. 4:i5 , en van willes. Bijdragen, 1, 343—345. — Vak ber palm zegt; «Sommige slaven bragten hunnen hecren voordeel aan, door de beoefening van ecuig handwerk of kunst, waaronder voornamelijk de muzijk en geneeskunst; andereu — do onnutte dienslknechter — verrigtten slechts gemeen slavenwerk.quot; Deze opmerking is juist, en zoo gaat 't nog, waar de slavernij inheemseh is De slarAn te Filippi bragt haren heeren groot gewin toe met waarzeggen {Hand. XVI : Ifi), en werd dus, door paulüs genezen, onnut.
1) «Al moge de vergelijking van uw' wandel met den wandel des broeders u soms doen meenen, dat gij beter en heiliger zijt dan hij, leg voor God althans uw' hoogmoed, uw zelfbehagen af'. Al ware 't, dat gij geen zijuer geboden hadt overtreden, gij zoudt nog weinig meer, dan een onnutte dienstkneeht wezen. Niemand onzer heeft aanspraak op loon. Want het zij de Vader den boetvaar-digen zondaar als kind weder aanneemt, het zij Hij den ijverigen dienstknecht noodigt, om mede aan tlt;; zitten bij den diseh van zijn koningrijk, nooit, nooit is het om hun verdienste, maar altijd uit louter genade.quot; Tiele, De Gelijkenis van hd Vaderhuis, Blz. 95.
246
EEN JUK, EEN LAST EN EEN KRUIS.
Neemt mijn juk op u: — — want mijn juk u zacht, en mijn last Is ligt.
(Vergl. M. VIII : U en LvL IX : 21; — Matt/i. X : 38 en LuL XIV ; 2 7.)
Zoo iemand achter mij wil komen, die verloochene zich zei ren, en neme zijn krui» op en volge mij.
Weder sluiten wij deze Afdeeling met een paar spreuken van den lieer, die den gewonen vorm missen van het geen wij gewoon zijn, eene Gelijkenis te noemen; zinnebeelden, die hier alleen zijn ingelaseht, om nog duidelijker de betrekking van de geloovigen tot den Verlosser te schetsen, gelijk hij zelf die heeft bepaald. En hoe eenvoudig de beeldspraak ons schijntbijna geene beeldspraak meer door het veelvuldig gebruik, — er ligl tocii meer parabolische voorstelling in, dan men bij den eersten oogopslag denken zou.
Volgen wij bij de eerste woorden, die alleen mattiieüs heeft, den zamenhang van het voorafgaande bij luk as, dan hebben wij ons hier jezus voor te stellen bij do terugkomst der uitgezonden discipelen, wier goede berigten jezus verheugden in zijnen geest, en hem deden uitroepen: uJk dank U, lader! lieer des hemels en der aarde! dat Gij deze dingen, voor wijzen en verstandigen verhor gen, den kinderkens helt geopenbaard!' - Dp deze ontboezeming volgt tot zijne d.scipelen de verklaring, dat hem alle dingen zijn overgegeven van den Fader; en dan in ruimer' kring de noodiging: nKomt herwaarts tot mij, allen die vermoeid en heiast z jt, en ik zal n ritste geven. Neemt mijn juk op n, en leert van mij, omdat ik zachtmoedig hen en nederig van hart; en gij zult rust vinden voor uwe zielen : want mijn juk is zacht 1) , en mijn last is ligl.quot;
1) Zacht, eigenlijk goed, heilzaam: y.^oioi is hel tegenovergestelde van noy/^os.
34*
HEN JUK , EEN LAST EN EEN KRUIS.
In die vcmoeijenis en verademing, dat juk en dien last, ligt een Oostersch zinnebeeld, dat ons ligt ontsnappen zou. De poëzij der oudheid, die de spraak is der natuur, drukt inensclielijke toestanden uit door beelden uit de dierenwereld, die zicli in haar karakter steeds gelijk blijft: want de mensch is dat gene, wat hij wordt en wat hij kiest; maar het dier is, wat het is; de duif eenvoudig en opregt, de slang gluipend en listig, van geslachte tot geslachte. Zoo is van ontembare woestheid en onafhankelijkheid de woudezel 't beeld, als die geen juk verdraagt en geens menschen stem gehoorzaamt; van volkomen vrijheid en onbeperkte ruimte, de ongezadelde kameel in de wildernis. Maar zijn ze eens door den mensch getemd, dan kromt de ezel geduldig den nek onder't juk en trekt met vasten tred wagen of ploeg; dan buigt gewillig de kameel de knieën, om zich den zwaren last te laten opleggen. En de reglmanlige kent het leven zijner heesten. Hij zal dat juk zacht maken, dien last J) zoo ligt hij kan. Maar de meêdoogenlooze drijver vergt van het arme dier meer dan het kan, en verdubbelt slechts zijne slagen, wanneer het van vermoeijenis hijgt onder den zwaren last, of het harde juk 't vel afschaaft.
Ziet daar het Oostersch beeld van onafhankelijkheid, van gehoorzaamheid, van dwingelandij. Zoo was reeds, naar do oude profetie, Ismail de woudezel-memch, en 't weerspannige Joodsche volk de togtige kemelin, die haren drijver ontloopt. En zoo plegen nu ook de Rabbijnen te spreken van het juk der wet, den last der goddelijke geboden en voorvaderlijke inzettingen. Zij zien daarin juist hot voorregt van Israël. Want de Heidenen kenden (ïods heilige wetten niet. Zij waren aan den woesten woudezel en wilden kameel gelijk. Maar Israël was door de wet getemd, een beschaafd, zedelijk en godsdienstig volk geworden. Ea de taak van Israels leeraars was, om hun volk aan dat weldadig juk en dien goeden last te gewennen. Buigt uwen hals onder het juk, schrijft .11 zus siiiACii (LI ; 34): en neemt gezonde leering aan; zij is nabij u te vinden. 2)
Doch de schriftgeleerden van die dagen honden lasten, die zwaar en kwalijk waren om te dragen, en legden ze o/) de schouders der mensehen; maar zelve wilden zij die met hunnen vinger niet verroeren. {Matt/i. XXITÏ : 4.) Be oudste regel van den Joodschen Talmud gebood: //eene omtuining te maken rondom de wet.quot; 3) Maar die omtuining was
1) Last of vracht {Jtt. cpóiJtog , Hellen, q out int') is, wat mensch, dier of schip dragen kau. Hand. XXV11: 10 komt het van ecue scheepslading voor; hier is het beeld de last van ezel of kameel (de laatste het schip der woestijn), waarmede de Oosterling vervoert, wat bij ons eene wagenvracht zijn zou.
9) Bij scriOKTTGEN vindt men eene menigte voorbeelden aangehaald van die Rabbijnsehc spreekwijze. Vooral was het een gewoon zeggen, dat Israël, toen liet bij Sin al de wet ontving, het juk van het koningrijk der hemelen had op zich genomen. Het werd ook genoemd Het juk der wet of des gebods, hot juk Gods of het hemelsch juk. Zelfs wordt aan abraham het juk des gcloofs toegeschreven, aan den boeteling liet juk der boetvaardigheid; — en als hot tegenovergestelde, aan den zondaar het juk van vleesch cn bloed, of de begeerlijkheden des vleesches.
3) In de Virkc Aboth of Spreuken der Vaderen, — de merkwaardigste Afdeeling van den Talmud, waarin zeker ook spreuken van vóór jezus' tijd zijn bewaard gebleven, — worden aan de mannen der groote Verzameling, die ezra zou hebben bij een geroepen, deze drie grondregels der Joodsche schriftgeleerdheid toegeschreven: /Zijl voorzigtig in het oordeel; neemt vele leerlingen aan; miakt eene omtuining rondom de wet.quot;
248
een j ik, een last en een kruis,
een doovneiiliaag, een harnas, een ijskorst, die, in plaats van de wet te beschermen, gelieel de blijmoedige godsdienst van het oude Israel in eene recks van harde, scherpe, doode vormen had doen ontaarden; een juk, zoo als later petrus betuigt : dat onze vaders noch wj hehlen Jcnnnen dragen;—• zoodat jezus op de schare, door zulke leeraars geleid, met ontferming neder zag, als vermoeid en verstrooid, gelijk schapen , die geenen herder hebben. (Hand. XV : 10; Matth. IX : 36.)
Zoo spreekt jezus haar ook liier toe : de vermoe ij en is doet ons daarbij aan een hard en knellend juk denken, het beladen zijn aan een' zwaren last. En jezus noodigt die vermoeiden herwaarts, tot zich. Hij belooft hun rust, rust voor hunne zielen ; of, zoo als er eigenlijk staat: verademing, een uitrusten hij hem. De volkomen rust, die er nog overblijft voor V volk van God, wordt elders door een ander woord (sabbatsviering) aangeduid. 1) En die verademing zouden zij vinden door van jezüs te leemt en zijn juk op zich te nemen , zich aan zijne leiding te onderwerpen, omdat 2) hij zachtmoedig en nederig van harte, en dus zijn juk zacht en zijn last ligt was.
En zijn er nog bezwaarden en vermoeiden te over, door eigen zonden zoo wel, als door menschelijke inzettingen, door leven en lotgeval; en nog gaat de roepstem de wereld over: hKomt allen herwaarts tot mij Iquot; En wie er komt, vindt bij den lieer verademing voor zijne ziele. Maar hoe hieruit 't weldadige van het christendom blijkt, en 't zich getuigen aanwint onder alle geslachten, door den Christus tot rust gebragt, daarover had ik juist dezer dagen elders te spreken. 3) Hier is 't ons om de beeldspraak des Heeren te doen, en merken wij daaruit op, dat jezus zich, al is 't op geheel andere wijze als de Farizee-sehe schriftgeleerden, toch ook eene school vormen wil van discipelen en volgelingen , die zijne voorschriften opvolgen, 4) zijne voetstappen drukken. Zijn juk is zacht, omdat het niet tegen 's menschen natuur aandruisclit, maar daarnaar juist berekend is; zijn last ligt, omdat die niet boven 's menschen kracht en aanleg gaat; maar 't is dan toch altijd een last en een juk: het is eene leer, maar die der ware godsdienst, eene wet zelfs, maar die der liefde. Wie zich Christen noemen , en niet aan de voeten van jezus zich neder zetten, van hem leeren en zijne woorden aannemen en opvolgen wil, die speelt met eenen naam en is zijns niet waardig.
1) IMr. IV : 9. Daar is hot (jufidaruj/ioi, hier uvtinavais , even als jezus .Var/c. VI: 31 tot de vermoeide leerlingen zegt: avunaieaamp;e okifov, Rust een weinig uit,
2) De gewone vertaling leert van mij, dai ik zaehlmoedig hen, geeft geen' gezonden zin, selioonzij taalkundig even veel regt heeft. (Zóó fiuamp;cov o'u , Hand. XXIII : 27.) Juist bij mmtheüs komt on dikwijls in de betcckcnis van omdat voor, en hier slaat het terug op anquot; ifiov , van mij en niet van anderen.
3) In liet Apostolisch Evangelie, Toespraken aan de Vaderlandsche Kerk, No. \ II. Het zul wel niemand hinderen, dat ik daaruit een paar Bladzijden, die de verklaring der spreuk bevatten, heb overgenomen. Ik wilde echter niet meer dan noodig was , naschrijven.
4) In den geest van zijnen tijd, die bijna uitsluitend op jezus' leer het oog had, heeft coestics {Spreuken van onzen Heer Jezus Christus, II : 19), naar aanleiding van de spreuk Neemt mijn juk op n ! een Betoog geleverd over de «Zaehtheid en Heilzaamheid van jezüs' Voorschriften;quot; dat nog wel dei-lezing en betrachting waardig is.
een juk , een last en een' kruis.
Eu die laatste uitdrukkiug is niet te sterk. Zij is van jezus zelf, in de tweede spreuk, die wij hierboven schreven, eene spreuk, die zoo zeer in onze volkstaal is doorgedrongen, dat bijna niemand meer aan de oorspronkelijke beeldspraak denkt. Ieder huis heeft ziju kruis, zeiden onze voorvaderen, die in hunne berijmde spreekwoorden een' schat van levenswijsheid voor de kinderen oplegden; en nog menig maal wenschen wij den lijdende kracht naar kruis. Wij behoeven niet te vragen, van waar deze en dergelijke spreuken bij ons «volk ontstaan zijn, daar de bijbel er de milde brou van was, al werd ook de wrecde kruisstraf reeds sedert vele eeuwen, lang voor dat het woord in onze volkstaal overging, afgeschaft. Maar is op die wijze bij ons de bron dier spreuk van zelve aangewezen, hebt gij er wel eens op nagedacht, mijn lezer! van waar zij in het Evangelie zelf oorspronkelijk is? Aau het eind daarvan staat het beeld van den Gekruiste; maar reeds lang te voren, in de verzameling van spreuken, die de stoutste twijfelaar niet aan .tezüs van Nazaret zal durven ontzeggen, vinden wij reeds het beeld van 't kruis. Vijfmalen lezen wij het bij de drie eerste Evangelisten, zoodat minstens twee malen jezus dit beeld moet gebruikt hebben: eens in den vorm, waarin 't hier boven staat, bij de plegt:ge lijdensprofetie, die de verheerlijking op den berg vooraf gaat {Matth. XVI, Mark. VIII en Luk. IX); en dan nog eens in strenger woorden, zoo als jezus ze bij de uitzending der twaalve sprak {Matth. X): tiDie zijn kruis niet neemt en mij navolgt, is mijns niet waardig'quot; welke woorden wij bij den derden Evangelist {Luk. XI V) nog eenigzins anders, en als tot de schare, die hem volgde, gesproken vinden: ttWie zijn kruis niet draagt en mij navolgt, die kan mijn discipel niet zijn!quot; — Ook bij de meest vrije opvatting van jezus' woorden bij de Evangelisten, vinden wij hier, zoo er nog eenige geschiedkundige trouw bestaat, eene spreuk, die jezus meer malen op de lippen was, en op de zijnen, even als 't herhaalde Volg mij! een' diepen indruk gemaakt heeft.
Vergeten wij hierbij niet, dat het kruis geen Joodsche straf was, en het ook niet wezen kon, daar het langdurig martelen van den veroordeelde, zoo wel als het laten hangen van stervenden en van lijken, tegen de Joodsche zeden streed, en buitendien zelfs de vloek der heidenwereld kleefde aan het kruis. In de boeken des Ouden Verbonds lezen wij er dan ook niet van, en zoo ver ik weet, even min bij de oude Rabbijnen. — Hoe kwam jezus nu aan die voorstelling van een kruis? — Johannes vindt 't reeds, waar jezus zich vergelijkt met de slang, in de woestijn verhoogd, en later weder over zijne verhooging can Je aarde spreekt, opmerkelijk, dat hij vooruit beteekent, hoedanigen dood hij sterven zon. {Joh. ill : 14; XII : 33, ü-i.) Maar al mogt men dezen uitleg op rekening van den Evangelist stellen; al moge men ook de steil ge aanduiding bij de andere Evangelisten: zullen den Zoon des menschen te Jeruzalem kruisigen, voor eene latere uitwerking van jezus' donker voorgevoel houden; — dan blijft toch altijd nog het kruis eene beeldspraak, die jezus eigen, en die toch uit taal en zeden van zijnen tijd niet te verklaren is. 1) Wanneer
1) Da die Kreuzigung keine Jüdische Todeutrafe war, der bildliche Ansdruck aho auch nicht nationell sein konnle, so icird mit Recht hier cine profetische llindeutung Jesu auf seine Todesari gpfunden. Meueh. ScnoEïTGP.N, die er geen voorbeeld van viudt bij de Rabbijnen, haitlt de gewoonte der Romeinen aan.
250
ken juk , een t.ast en een kuuis.
de Heiland alleen een vrij natuurlijk en verklaarbaar voorgevoel gehad heeft, dat hij als martelaar voor zijne zaak vallen zou, dan hood zich een ander beeld hem gereedelijk aan. Pe burgers van Nazarct hadden hem van de steile rots willen werpen , de Jeruzalemmers namen de steenen tegen hem op. Zulk eenen dood kon je zus zich van de bloeddorstige oversten en het dweepzieke volk voorstellen. Sxkfanus is op die wijze gesteenigd, paulus ontkwam het op den dood af, jakobus de regtvaardige werd naar de overlevering van de tinne des tempels geworpen; maar geen der discipelen van jkzvs is, zoo ver men weet, den kruisdood gestorven, indien men de fabelachtige overlevering omtrent petrus uitzondert, die ons dan ook in lateren tijd en te 'Rome verplaatst. Hoe kwam de lieer — van deze vraag is mij nog, zoo als van menige andere, geene natuurlijke oplossing bekend : — aan dat schrikbeeld van een kruis voor zich zeiven, aan dien wreeden eisch voor zijne volgelingen? Want hij wil niet alleen, dat zij het, als onvermijdelijk, met gelatenheid dragen, maar dat zij 't gewillig op zich nemen, hem met dat kruis beladen volgen, en daardoor bewijzen, dat zij zelfs /i/i?ine ziek' haten ter liefde van hem.
Gelijk vroeger, bij de Gelijkenissen van Torenlouw en Oorlog, merken wij hier op, dat de Heiland der wereld met de eene hand schijnt terug te wijzen, die hij met de andere beeft genoodigd; even als de magneet met de eene pool afstoot, wat zij aantrok met de andere. En toch is er iets natuurlijks, of liever was er voor den Heer zelf iets onvermijdelijks, hoe hard het hem soms vallen moest, in die strenge eischen na zoo ruime noo-diging. Te zeer leerde hem de ondervinding, hoe vlugtig de opgetogenheid der schare was, hoe weinig doordacht de levenskeus der meeste menschen. Het was nu eenmaal zoo, 't koningrijk der hemelen eischte een' zwaren strijd. De wereld had den Meester gehaat, zij zou ook de discipelen haten. Wie 't worden wilde, nam wel — wat godsdienst en zedeleer betreft—een zacht juk op zich en een' ligten last, bevrijd van de drukkende inzettingen der ouden, en den vloek der Parizeen over al wat zij zonde noemden. Maar juist daarom moest jezus hen waarschuwen: quot;Ju de wereld :ult gj verdrukling heihen; maar tveest welyemoed, ik heh de wereld overwonnen!'
Ons is 't kruis der verdrukking zeldzaam, en dan nog nooit in die mate, opgelegd; en zij kennen het al weinig, die in een nagemaakt en ingebeeld martelaarschap zicli verlustigen. Het kruis, dat elk huis heeft, is hot lijden als de noodzakelijke voorwaarde van 's menschen leven, en niet het uitsluitend deel van hen , die jezus volgen. Maar door de zelfverloochening, waarmede 't gedragen wordt, verkrijgt hot toch een christelijk karakter; en , zonder dat de geloovige ongeroepen een kruis behoeft te zoeken en op zich te nemen , — wat ook zijn Heiland niet deed, —voert de ernst, waarmede hij liet leven opneemt, en de strijd, dien hij tegen het booze in de wereld voert, hem niet
om de slaven, tot hunne straf, eeu soort vau kruispaal door de stad te laten slepen, terwijl zij door geeselslagen werden voort gedreven. De gissing, dat zij dit ook iu de steden van Palestina zonden gedaan hebben, en jezus daaraan zijne beeldspraak ontleende, is echter ver gezocht. De kruisiging als doodstraf, was zeker den Joden veel beter bekend; en men weet, dat daarbij de veroordeelde zelf 't schandhout dragen moest. Toen JKZUs v.ilging gt; dragende :ijn kruis (Joh. XIX : 17), was hij liet welsprekend beeld van zijne eigene woorden.
251
een juk, een last en een kruis.
zelden op den kruisweg, i) Doch al ware ook, in de eigenlijke beteekenis van het woord, het kruis naar de tijden of landen der vervolging verwezen, niet alzoo hot juk en de last. Deze legt jezus nog op aan wie hein volgen, nu als toen. Die ze niet op zich nemen wil, hij meene daarom niet, dat hij zijne volle vrijheid en onafhankelijkheid bewaren kan. Want die 't zachte juk en den ligten last van jezus weigert, hij draagt één van beide: of den veel zwaarderen last der zonde, die geene verademing schenkt als in 't vergeten van zich zei ven; of het veel harder juk van menschel ijke meeningen en inzettingen, die vermoeijen en bezwaren zonder ooit ware rust aan te brengen.
Leert van mij ! dat is des Heilands woord tot wie zijne eerste roepstem opvolgen en komen; en wij leeren, door te volgen en te dragen. Leert tan mij! Voor onze kinderen zullen wij geene school zoeken, waar de onleerzame knaap nooit wordt gestraft; waarvan ons kind nooit weenend of mismoedig zou te huis komen ; en nog minder eeue school, waar men op éénen dag of zelfs binnen één jaar alles leert. Wel nu, zoeken wij dit dan ook in de school des levens niet, maar zijn wij tevreden met de verademing, die ons den last ligter en 't juk zachter maakt, — tot de Heer ook dit ons van de schouders komt nemen , om nu niet meer verademing te schenken, maar volkomen rust.
1) In den grond blijft liet altijd waar, wat dc vrome ihomas a kempis schreef, al ligt cr iets kloostcraehtigs over geheel zijne levensbeschouwing; //Wat zijt gij bevreesd, het kruis op u te nemen? lu het kruis is do zaligheid, m het kruis het leven. Ga heen, waar gij ook wilt, gij zult het niet ont-vlugten ; want waar gij ook komt, overal neemt gij u zclvcn mede. Als gij uw kruis gewillig draagt, zal het u dragen. Het geheele leven van Christus was één kruis. Wat zoekt gij dus een' anderen, dan dezen koninklijken weg?quot; (Navolging can Christut, 15. II, II. 12.)
DERDE CJEDEELTi;
ÏI E T C II RIST E L IJ K L E Y E N.
J.IX.
D E O N Z I G T B ARE W I N 1).
Joh. Ill : S.
De wind Haast, waar henen hij wit, en gij hoort zjn getuid, maar gij weet niet, van waar hij komt, en waar hij henen gaat. At zoo is een iegetijk , die uit den Geest gehoren is.
Het Evangelie dos Koningrijks: zoo noemden wij den Tweeden Bundel Gelijkenissen, nadat wij in den eersten het Koningrijk der hemelen zelf, in zijne geschiedkundige ontwikkeling, hadden nagegaan. Van dat Evangelie hehben wij reeds Zonde en Genade als den grondslag leeren kennen, Christus en de zijnen als den vorm, waarin liet zich openhaart; wij hebben nu nog te spreken van Jlct Christetji- Leven, als de schoone vrucht des Evangelies, en Het Gebed, als de kracht, die dat leven telkens met een' nieuwen levensgeest bezielt.
Wat ik reeds vroeger zeide, zal ik hier wel niet behoeven te herhalen: de rijkdom van het leven is uit God , — zoo van het zinnelijk als van het geestelijk leven; — de verdeeling in soorten en afdeelingen is uit de menschen. Jj zus leerde niet in vakken en hoofdstukken : heden dogmatiek en morgen moraal. Onze indeeling is daardoor altijd gebrekkig. Indien wij het Christelijk Leven volledig schetsen wilden, wij zouden veel van 't reeds gezegde moeten herhalen, en ook andere, niet parabolische spreuken en vermaningen er moeten tusschen voegen. Om dit niet te doen, bepalen wij ons tot enkele hoofdpunten. Vooreerst zullen wij uit een drietal korter uitgewerkte zinnebeelden het algemeene denkbeeld van moraliteit, in den ruimsten en diepsten christclijkcn zin, leeren kennen. II. ' 85
DE ONZlGTIiAltK WIND.
Daarna zullen wij ons hem, in wien de geest van Christus woont, in den omgang met menschen voorstellen, waarbij nederigheid en liefde de grondtoonen van zijn karakter uitmaken. Hiertoe hehooren eenige van de uitvoerigste en schoonste Gelijkenissen, die meer den vorm van een voorbeeld, dan van een zinnebeeld hebben. Met de besliste keuze, die tot. het Christelijk Leven onmisbaar is, besluiten wij dit Gedeelte. De weinige, maar sprekende Gelijkenissen, die op het Gebed betrekking hebben, zullen nog een vierde en laatste Gedeelte uitmaken.
'De wind blaast waar heen /tij wil. Met dit. zinnebeeld keeren wij nog eens en waarschijnlijk voor het laatst tot johannks terug, den getuige van Christus , die vroeger het hoogste werd geplaatst, en die thans bij velen naauwelijks nog onder de getuigen van den tweeden rang eene plaats vindt. Wij zijn hier niet geroepen, om zijn gezag te handhaven. Rene algemeene opmerking echter, die ook onder het bereik van den ongeleerde valt, wil ik niet verzwijgen.
Bij aandachtige vergelijking van het vierde Evangelie met de drie vroegere, als geschiedboek beschouwd, vallen ons twee eigenschappen in het oog, die weder onderling m eene naauwe betrekking staan: het schilderachtige en het idealiserende. Wij hebben hier niet te doen met eene verzameling van verschillende fragmenten, zoo als ongetwijfeld do andere Evangelieën zijn, en waarom die stukken zich ook zoo gemakkelijk lieten verplaatsen. Neen! het Evangelie van johannes is één geheel, waarvan de slotsom is uitgedrukt in jezus' eigen woord; Ik heb de wereld overwonnen. En de verschillende phasen van dien strijd, zij worden zoo aanschouwelijk uitgewerkt, dat het ons is, als of wij voor eene schilderij staan, waarvan wij onwillekeurig zeggen moeten: //Dat heeft geleefd. Zoo phantaseert men niet \quot; Nathanakl en nikodemus, de Samaritaansche en de blindgeboorne, 't huisgezin te Bethanië, en na jezus' opstanding mauia magdalena , thomas , petros : — die zulk eene Messiade verdichten kon, zou den Meester overtroffen hebben ; in geheel de apostolische eeuw en in de daarop volgende, vinden wij zijns gelijken in de verste verte niet.
Maar daar zijn schilders—ik noem slechts onzen kuüsesian — die geen portret kunnen maken, zonder het in meerdere of mindere mate te idealiseren, zoodat aan al die beelden liet merk des meesters diep en zigtbaar is ingedrukt. Tiet zelfde merken wij bij Johannes op. Hij kan onmogelijk de referent zijn, die jezus' woorden geheel letterlijk mede deelt. ■Iezus kan geen twee talen te gelijk gesproken hebben, die der drie eerste Evangelisten en de Johanneïschc. Somtijds zelfs, gelijk bij dit gesprek met mkodemus , is de grenslijn niet te trekken tussehen jezus' woorden en die van den Evangelist. Nog meer! ook de geil eele zamenhang van denkbeelden en voorstellingen is Johanneïsch; en 't is naar de oudere Evangelieën hoogst onwaarschijnlijk, dat jezus van den beginne af zich zóó zal uitgelaten hebben, in zoo diepzinnige beschouwingen van licht, leven en liefde zul hebben uitgeweid.
de 0nz1gtbare wind.
Beide opmerkingen wijzen ons, dunkt mij, telkens weder op joh an nes in zijnen ouderdom. Wij ouderen begrijpen 't hoe langs zoo beter, lioe het gaat met de herinneringen onzer jeugd. De uitstekendste beelden , de pikantste woorden en gezegden blijven onge-sclionden, het karakter van 't geheel blijft bewaard en komt zelfs boe langs zoo sterker uit. Maar de vormen der voorstelling vereenzelvigen zieh hoe langs zoo meer met de onze; en na eene halve eeuw laten wij dikwijls onze ouden niet meer spreken, gelijk zij gesproken hebben, maar gelijk wij '1 zouden hebben gedaan, indien wij hadden gedacht en geleefd in hunne plaats. 1) En moest dan niet johannks, na eene halve eeuw, waarin het opkomend Gnosticisme hem tot dieper wijsgeerig nadenken dwong, zijnen meester soms termen en zegswijzen leen en , die eigenlijk mus vreemd waren, vooral daar bij in eene andere taal schreef, als die zijn Meester dagelijks sprak? ^are het anders gebeurd, wij zouden johannks eene bijna wonderdadige scherpte van geheugen moeten toeschrijven, die zelden met zoo veel oorspronkelijklieid, gevoel en verbeelding zamen gaat. En toch is hem de spreekstijl der vroegere Evangelisten even min geheel vreemd , als de (in gezonden zin) mystieke stijl van joüanni-.s geheel vreemd aan dezen is.
Zoo staat ook hier joiiannes niet alleen, als hij Jizrs aan ntkodemvs den eiscb laat doen, die dezen zoo verbaast: Zoo iemand niet wederom (liever van boven, 2) uit den hemel) ge'joren wordt, hij kan het koniityr jk Gods viel zie»; en weder: Zoo iemand niet géboren wordt uit water en geest, hij kan in het koningrijk Gods niet ingaan. Het worden nts de Jcinderkens , om in 't koningrijk Gods in te gaan , is ook bij de andere Evangelisten jeztis' eisch aan de discipelen; de wedergeboorte wordt ook door i'avi.us en pmuis als 't karakter der eerste christenheid vermeld, en met den doop in betiekking gebragt, zoodat deze zelfs het lad der wedergeboorte heet , waaruit men als een nieuwe mensch,
1) Gelijk men vroeger te sterk hcelitte aan de letterlijke getrouwheid der Evangelische verhalen, die loch bij hare onderlinge vergelijking onmogelijk was vast te houden, zoo maakt men in de laatste jaren zich met eene verwonderlijke gemakkelijkheid van dc historisehe waarheid af. Zoo zal dit verhaal (letie we^en, omdat er niemand hij het gesprek met mkodemi s tegenwoordig was, die 't later op kon teekenen. Maar waar zegt joiiannes dit? Schrijft hij niet veeleer als een ooggetuige, maar die langzamerhand van zijne herinnering afdwaalt, en meer den geest dan de woorden van jezus' verder onderwijs mede deelt? Reeds kka-mus rekende vs. 16—21 niet lot jezus' toespraak aan nucohemus. ik voor mij zou reeds aan vs. 13 twijfelen, indien niet. dit slot (vs. 11—13) juist beantwoordde aan het geen vroeger (II. I , vs. 51, 52) tot naïhanaël werd gezegd. De eerste woorden van den lieer zijn in dit Evangelie doorgaans 't meest in den proverbialen, soms paradoxen stijl van jezi s, terwijl johannks, al voort schrijvende, ongemerkt in zijnen eigenen, meer breedvoerigen en onbestenvl diepzinnigen stijl overgaat.
2) Met ltjckk cn anderen, blijf ik ciyoi9er in den zin van ovQnvóamp;ev voor meer Johanneïsch houden , zoo als het dan ook in dit zelfde II ofdstuk vs. 31 voorkomt, cn weder II. XIX ; 11. Zelfs de zan'cu-hang van vs. 7 en 8 schijnt dit aan te duiden, daar jezus de verwondering over het ciriodev weg neemt, door het beeld van den wind, en dus niet de noodzakelijkheid van het wederom bewijst, maar de levenwekkende kracht, die van boven komt. Of daarom jezus, in de tad zijnes vidks niet een' Rabbi sprekende, dit zoo naauwkenrig heeft uitgedrukt, is eene andere vraag. juvtinus ten minste , die slecht? kort na joiiannes leefde . drukt den zelfden eisch des Ileeren uit door het meer Joodsclie vvnysifrjt} . Ilij wederlegt daarbij dc zelfde bedenking, die hier nikouemijs maakt. Ook c lemens , zijn jongere tijdgenoot, heeft 't zelfde denkbeeld.
255
35*
DE ONZIGTBARE WIND.
met CHiusTus opgewekt, opstaat. Waar wij eindelijlc nog kunnen bijvoegen, dat onder de eerste navolgers der apostelen, clemens en jusïinüs het zelfde beeld gebruiken, liet zij zij dit aan johannes, of langs oenen anderen weg aan jezvs hebben ontleend.
Ik geloof, dat het dus aan geen'redelijken twijfel onderhevig is, of wij hebben hier eene beeldspraak van jezus zeiven vóór ons. En daar in tien laatsten tijd de moderne mystiek zich weder, meer dan vroeger, in het denkbeeld eener wedergeboorte uit den Heiligen Geest verlustigt, wilde ik daarmede, als met het beginsel van het Christelijk Leven, dit gedeelte van jezus' parabolisch onderwijs inleiden.
Wanneer wij de woorden van den Heer terug brengen tot de eerste beginselen van het christendom, waarin zij te huis behooren, dan kan ik er al tlie diepte en donkerheid niet in vinden, die velen er in zoeken, en die aan de praktijk van het christelijk leven niet altijd bevorderlijk is. De doop der bejaarden staat hier ons duidelijk voor oogen. Jezus zelf was eerst gedoopt, en daarna was de Heilige Geest op hem neder gedaald. Zoo was ook later de apostolische doop. De gebeele onderdompeling en in later' tijd ook de nieuwe naam, was't sprekend zinnebeeld van 't geen patxus noemt: den ouden mensch te dooden of af te sterven , en den nieuwen mensch aan te doen, die vaar God geschapen is, in ware geregtigheid en heiligheid. Zulk een //ander mensch wordenquot;, //een nieuw leven beginnenquot; was jezus' eisch. En hoe eenvoudig ons dat nu ook schijne, vooral wanneer een ongeloovige Christen wordt, voor nikodemus , den Farizeesehen leeraar, moest het wel eene verborgenheid wezen. Dat hij nog veel leeren kon van den leeraar, door God gezonden; dat zijne geregtigheid nog overvloediger, zijn geloof vaster en helderder worden kon, dat kon hij zich begrijpen. Maar eene nieuwe geboorte voor hem, den man van jaren, van beginselen, van algemeen erkende vroomheid en deugd : scheen dat niet ccne verloochening van geheel zijn vorig leven, waar toch niemand een smet op wist aan te wijzen ?
Jezvs laat dit bezwaar rusten, maar spreekt in het algemeen, na de herhaalde verklaring van de noodzakelijkheid der wedergeboorte, over haren aard. Wat tdt het vleesch geboren is, dat is vleesch, en wat uit den geest geloren is, dat is geest. Van den Heiligen Geest wordt niet gesproken, maar van het geestelijke levensbeginsel, in tegenstelling van het natuurlijke. Zijn zinnelijk leven heeft de mensch door zijne geboorte , vleesch uit vleesch ; het hooger geestelijk beginsel door eene nieuwe geboorte, geest uit geest . Hierbij wordt de middellijke werking van Gods woord zoo 'weinig uitgesloten, dat jezus, in een later gesprek, tot zijne discipelen zegt (VI : (l.'i) : nDe geest is het, die levend maakt; het vleesch is niet md. De woorden, die ik tot u spreek, zijn geest ea zijn leven!'
En nu volgt het beeld, waarmede wij ons nog eenige oogenblikken moeten bezig houden ; he wind blaast, waar heen hij wil. Het spreekt wel van zelf, dat wij hier eene persoons-vorheelding vóór ons hebben, waarbij aan den wind een vrije wil wordt toegeschreven, onafhankelijk van menschelijke magt, zoo wel als van mensehelijke berekening. Nu waait hij uit 't noorden, dan uit 't zuiden, en schijnt daarbij, aan geen regel of bestuur uiiderworpen, naar eigen willekeur te handelen. I'm gij hoort zijn geluid, en weet niet,
25«
dk onzigtbare wind.
am waar hij komt, en waar hij heen gaat. (jij gevoelt, dat hier niet de windstreek kan bedoeld worden. Wij weten zeer goed, en kunnen het zoo naauwkeurig weten, als wij zelve willen: vult welken hoek de wind waait.quot; — Neen ! wij moeten in de persoonsverbeelding blijven, en ons daarbij de plotseling opkomende stormen en onweders van het Oosten voorstellen. Daar loeit op eens de westenwind, en brengt regenvlagen aan; of de dorre en verzengende woestijnwind steekt op uit het oosten. (Jij hoort hem door 't geboomte ruischen. Van waar kwam liij zoo op eens? Gij weet 't niet. Straks hoort gij hein niet meer. Waar bleef hij bij 't heen gaan? //Hij gaat leggenquot;, zegt 't volk, maar waar hij neder ligt, weet men niet. Of waart gij hij God, gij nietig sterveling! toen Hij van den wind hel gewlgt hepaahle? [Joh XXVIII ; 25.)
Het is zeker, dat ook de wind, als ieder ander natuurverschijnsel , zijne bepaalde oorzaken heeft, en niet willekeurig de door den Schepper ingestelde orde der dingen verstoort. Bij onze minder dichterlijke, maar ook veel meer ontwikkelde natuurbeschouwing, kunnen wij van die beweging der lucht, die wij wind noemen, gewigt en kracht bepalen, en in 'i algemeen dc oorzaken opgeven. Vooral in den laatsten tijd heeft de kennis der vaste en afwisselende winden groote vorderingen gemaakt, en is men er zelfs tot op zekere hoogte in geslaagd, de stormen vooruit aan te kondigen, als een noodzakelijk gevolg van de onderscheidene digtheid der lucht op verschillende plaatsen, waar tusschen de wind bet evenwigt herstelt. Toch is er nog altijd , waar zoo veel onderscheidene en plaatselijke oorzaken zamen werken, veel dat aan dc menschelijke berekening ontsnapt, en die waarschijnlijk wel altoos in menig opzigt zal doen falen. Maar al ware dat zoo niet, in populaire beteekenis — en populair is de natuurschildering van Bijbel en Evangelie altijd — blijft het even waar : Het geluid van den wind hoort gij, zijne krachtige werking kunt gij zien, waar hij boomen velt en dijken scheurt; maar gij weet niet, van waar hij komt, en waar hij henen gaat. 1)
257
Dezen geheimzinnigen omloop der winden, inzonderheid in een land, waar even min als in het onze, vaste passaatwinden zijn, trok reeds van ouds de aandacht van den denker iu Israël. De Prediker schrijft: Wie op den wind acht geeft, die zal niet zaajen; en mie op de wolken ziet, die zal niet maaijen. Met andere woorden : wie zijne studie maakt van het weer, en wind en regenwolken zoekt te berekenen of te verklaren, hij zal verzuimen, wat zijne hand vindt om te doen: het zaaijen en maaijen, dat toch altoos op zijnen tijd moet gedaan worden, 't Is eene les van 't gezond verstand, en zij herinnert ons het oude beeld van den sterrenkijker, die in den put valt, omdat hij verzuimt, vóór zijne voeten te zien. En waartoe zal den landman dat peinzen over weer en wind leiden? Hij kan toch den weg des winds niet navorschen. Wel nu,—zoo vervolgt de Prediker: — even min kan men de wegen des Allerhoogsten doorgronden. De krachten, die de natuur bewegen, de beginselen van 's menschen leven, en de oogmerken der Voorzienig-
1) Nou magis e.vilus ejus qutim origo iu compeclum venit. Gkoiius. Oorsprong en afloop, liet komen cu heen gaan, of gelijk men van den wind zegt, het opkomen cu gaan liggen, is duidelijk liet denk -beeld van tp/sreu en vnuyet,, niet de hoek, waaruit, of de streek, waar heen de wind waait.
de onzigïbare wind.
heid zijn even zeer voor ons verborgen; en 't is de ware wijsheid niet, zich daarin nutteloos te verdiepen, en daardoor te verzuimen, wat ons voor de voeten ligt. Gelijk gij niet weef, welke de weg des winds zij, of hoedanig de heenderen zijn m den schoot van eene zwangere vrouw , alzoo weet gij het werk Gods niet, die het alles maakt. {Pred. XI : 4, 5.) — Het zelfde denkbeeld vinden wij ook bij Ji'.zrs sirach (XVI; 21) : Gelijk de stormwind, dien geen mens:h zien kan, zoo is het meerder deel van Gods werken in het verhor gene. 1)
Hier gebruikt do Zaligmaker die geheimzinnige kracht des w'nds, als een beeld van het geestelijk leven. Alzoo is een iegelijk, die uit den geest geboren is. Het spreekt wel van zelf, dat niet do geestelijke mensch, maar het hooger leven in hem met den wind vergeleken wordt. De uitdrukking nadert de gewone parabolische taal der andere Evangeliën. Ook daar zagen wij meermalen, dat dit alzoo niet het eigenlijke derde der vergelijking aanduidt, maar ia 't algemeen beteekent: //Even zoo is het met enz.quot; 2) Er is bovendien in 't oorspronkelijke eene woordspelig , die in onze taal moeijelijk kan worden overgebragt. Wind en Geest is in de kinderlijke taal der oudheid het zelfde woord. Wij kunnen dit reeds in den grootsehen aanhef des Bijbels opmerken , waar de geest Gods, — of do wind, als de adem des Allerhoogsten, —• zweeft op de wateren. Eu dit was natuurlijk. Zoo lang het spreken nog een schilderen met klanken was, kon het geestelijke niet beter worden uitgedrukt, dan door de onzigtbare kracht, die de natuur beweegt. Het hooger leven in den mensch is de adem Gods in zijne neusgaten; de omgang van den Schepper met het schepsel, een spreken aan den wind des daags. Zoo ook hier. Van de twee woorden, die in het Grieksch wind betcekenen, 3) vndt men hier juist het minder gewone, dat ook den geest aanduidt; zoodat het zelfs onzeker zou zijn, «f hier wel aan den natuurlijken wind moet gedacht worden, indien niet het blazen of waaijen, en het hoor en van zijn geluid of zijne stem dit boven allen twijfel stelde. Zelfs het blazen is in het Gr eksch een woord van den zelfden stam. Alleen door twee woorden kunnen wij 't in onze taal uitdrukken, of wij moeten aan één dier twee (geest en adem) eene eenigzins ongewone beteekenis geven. Bij voorbeeld : //De adem der lucht ademt, waar heen hij wd. Alzoo is al wie geboren is uit den adem van omhoog/'4) — ILeraan verwant, maar meer op de bijzondere werkingen van den Geest
1) Sokkates (}UnioTah. L IV,) vermaant kuïiiïdemus , het onzigtbare niet gering te schatten en de Goden te vercereu, daar ook lt;hi winden on/igthaar zijn, al gevoelen «ij hunne krachtige werking; en wat 't meest de Goden nabij komt, dc mensciielijke /.iel, even ais do wind, wel gevoeld, maar niet gezien wordt.
2) Zie de Alg. hdeiling Blz. xux; 1)1. II, Blz. 19 enz. Ook Matlh. XIII: 19 beteekent ohó; iaii /Zoo is hij,quot; even als hier Zoo is het met hem Even eens is de aanhef der Gelijkenis van Het van zelf opschi'tPHile saai: «Ahno is h/ t Koningrijk GW.s-, enz.quot; ( Mark. IV ; 26)
3) Niet cirsfiog, maar nysviin. Van hier dc woordspeling 10 nyev/xn nvet, Kal ttjv (fiovtjv aiitoi dxoisig. Dit laiitste : Ggt;j hoarl zijne niem, (tenminste indien zin woidt het woord bij voorkeur gebruikt,) maakt in 't oorspronkelijke de persoonsverbeelding nog aanschouwelijker.
4) Spiritus uii vult spiral, et.vocem rjus audis, heeft dc lulgnia. Van daar, dat bijna al de La-tijnsche Kerkvaders reeds dit eerste nyeC/iu van den Heiligeu Geest opvallen. Kamen en plaatsen vindt men bij maldonatus, die te regt aanmerkt, dat dan het alzoo, kven zoo, geen' gezonden zia heeft: want hieruit blijkt, dat jf.zus in't voorafgaande een voorbeeld gebruikt heeft: Exemplum autem
258
dgt;; on/jgthark wind.
in de eerste gemeente toegepast, is hot denkbeeld van paulus , dat de Heilige Geest aan een iegelijk zijne gaven uitdeelt, geljkerwjs hij wil.
En nu de beteekenis en bedoeling van dit beeld. Het doet ons minder denken aan een'verwoestenden storm,—dien wij ook niet enkel hooren, maar in zijne verschrikkelijke uitwerking zien,-—rnaar aan den liefelijken zuidenwind, die alles met een nieuw loven bezielt. 1) En als beeldspraak ligt er duidelijk in opgesloten, dat hot eigenlijke beginsel van het hooger leven en zijne werking in den monsch, voor ons onzigtbaar, nnnagaanbaar is. De goddelijke levenskracht beweegt en bezielt de natuur; haar zelve zien wij niet, maar alleen liet leven, dat zij wrocht; even zoo is het met het hooger en geestelijk levensbeginsel in den goloovige. Uitwendig gereinigd en in bet koningrijk Gods ingewijd door het bad van den waterdoop, wordt hij nu inwendig bezield door dat nieuwe, hemelsche levensbeginsel, waarvan ook paui.us zegt : Die geestelijk is, onderscheidt, wel alle dingen, maar hij zelf wordt run niemand onderscheiden; en: ine van de menschen weet hetgeen des nienschen is, dan de geest des menschen, die m hem is ? Al zoo weet ook niemand het geen Godes is, dan de Geest Gods. (1 Kor. II: 15, 11.)
Den weg des winds moge men hebben nagespoord sedert den tijd van .mus, van jouannus, van pa ui, us; maar de geest dos levens in de natuur, en de werking van het hooger geestelijk loven in don inenseh, blijven nog even zeer eene verborgenheid. En zij zullen dit wel blijven, al hooren wij de spraak des geestes en zien wij zijne kracht, als die van zomerkoeltje of stormwind. 2) liet is daarom zeker niet in den geest van jkzus, wan-
ab co, cujus eauta affertur, oportei esse dhtinctum. Cukysostomus beeft, zoo ver ik zicu kan, het eerst de opvatting van den wind verdedigd. Mm.donatus zelf stelt een derde gevoelen voor : dat namelijk hier do levensgeest {animu) zou bedoeld zijn, die op onverklaarbare wijze het lerenlooze bezielt, en zich door de stein van menseb en dier kenbaar maakt. Maar ik zie niet ééne reden, om van de eenvoudigste'verklaring af te wijken. De tegenwerping van augosïinus , dat ieder wèl weet, uit wat, hoek de wind komt en waar henen hij blaast, meen ik reeds genoegzaam weerlegd te hebben.
1) Zoo nrummonn, Blz. 286. Seboon is zijne beschrijving van den zomeravond, bij 't suizen van den zuidenwind; en juist zijne opmerking, dat er geen wind is zonder kracht, geene wedergeboorte zonder teekeu van leven; minder juist schijnt mij dc toepassing van hrt schijnbaar willekeurige in de werking en wisseling van den wind, op dc vrijmagt des Heiligen Geestes, die aan geene middelen of wegen gebonden is. He mor.eth as he lintelh. Ook meijer , dien niemand van mystiekerij verdenken zal, noemt als eerste punt van vergelijking die freie Selbslbeslimmuny des heiligen Geistes, en vergelijkt het onov 'filsi van den wind met 't xnamp;üs firn /.mui, van den Heiligen Geest, 1 A'or. XII : 11.— 'i'ocb heeft mij geen van beiden overtuigd, dat de vrije wil, die slechts in populairen zin aan den wind kan worden toegeschreven, («De wil van den wind is de beweging, xivjai-s eutii. zioah,) bier op den Heiligen Geest zou moeten worden overgebragt. Deze wordt immers niet eens genoemd? Hij, die uit den geest (niet uit den Heiligen Geest, maar uit een geestelijk levensbeginsel) geboren is, wordt besebreven, in tegenstelling met de natuurlijke geboorte: het onzigtbare, onuagaanbare is dus hoofdpunt der vergelijking.
2) De verschillende opvatting der woorden daar gelaten, is er veel waars in dc opmerking van drummond, dat wij den zondaar bewogen zien door Gods Geest, als 't geboomte door den wiud, maar die goddelijke werking in zijn hart niet kunnen nagaan. Whence came this ? We rannot tell. Whence s/trang this holg influence first ? We cannot tetl, H'hat shall he the end thereofwhiter will he go next? None can tell. — Jammer, dat bet metbodisme geen' anderen weg tot hot geestelijk leven kent, dan de verbrijzeling en bekecring des zondaars, als of ook hier het leveu zich niet in duizend vormen openbaarde, naar ieders aanleg en behoefte.
259
DE ONZIGTBAHK WIND.
neer men in bevindingen en bovennatuurlijke werkingen, of in eene onnatuurlijke omkee-ring van het leven, de proeven der wedergeboorte en bet onderpand van zijn burgerschap in het koningrijk Gods zoeken wil. Bovendien verwart men den eersten schok, dien het Christendom noodwendig moest aanbrengen, met zijne latere meer geleidelijke werking. Hel echte beeld der wedergeboorte naar het Evangelie, beide uit water en geest, zou men in de gedoopten onder de Heidenen moeten zoeken, die met eeneu nieuwen naam een nieuw leven beginnen. Zoo herinneren velen mijner stadgenooten zich zeker nog wel den ouden Neger, die voor weinige jaren met paschen zijh' vijftigsten verjaardag vierde, schoon hij zeker meer dan zeventig jaren telde; want bij zijne belijdenis en doop, zcide hij, — en 't was bij dezen eenvoudigen man geene dogmatiek, dat hij dit zeide! •— //was hij als mensch geboren.quot; — Maar door die wonderbare bekeeringen in de bestaande Christelijke gemeenten over te brengen, en in onvruchtbare aandoeningen het teeken van de verkiezing der geloovigen te zoeken, heeft men den zedelijken aard van het Evangelie jammerlijk miskend, de onvruchtbaarste en vaak onreinste mystiek aangekweekt, en het woord des Heeren vergeten, dat gelijk de wind alleen aan zijn geluid en zijne kracht, de boom aan zijne vruchten wordt gekend , zoo ook het geestelijk leven des Christens. Geest wekt geest, ook waar de mensch op den mensch werkt, maar de HEER alleen weegt de geesten, en bet ware hten des geloovigen (Kol. Ill : 3) h met Christus verborgen in God. 1)
1) //as nunc Leben des Christen ist verborgen, mil es innerlich, «c im (Rom. II ; 29; 1 Pe/r,
111:4), iiie/ii auf das Sichlbare (2 Kor. IV : 18), Irdisdtc, sondern auf das Unsiehibure, llimmlische , Göttliche, in Gott Verborgene geriehlet ist; ideal, wcihrend das des Wellmenschen auf das Sichtbare gr-riddel, im gemeinen Sinn real oder offenbar ist. — Es ist verborgen : dem es euibehrt der aiissern Qliickselig-leit, alle.in es hat den innern Frieden. De wette.
DE LAMPE
Matth. VI : 22, 2;3, Lvk. X] : 34—36.
De kaars des Ugchaams is hei oog. In- He kaars des Ugchaams is het oog. ll'av-dien dan uw oog eenvoudig is, zoo zal uw neer dun uw oog eenvoudig is, zoo is ook uw geheele ligchaam verlicht wezen ; maar in- geheele ligchaam verlicht; maar zoo het boos dien mv oog hoos is, zoo zal geheel uvgt; lig- is, zoo is ook uw gelicelc ligchaam duister, chaam duister zijn. Ziet dan toe, dat niet het licht, het
Indien dan het licht, dat in u is, dui- welk in u is, duisternis zij!
sternis is, hoe groot znl de duisternis Indien dan nw ligchaam geheel verlicht zelve zijn? is, niet hebbende eenig deel, dat duister is,
zoo zal het geheel verlicht zijn, gelijk wanneer de kaars met het schijnsel v verlicht.
Wanneer de woorden, die hier boven staan, het. voorkomen hebben van eene wonderspreuk, is dit ten deele aan de overzetters te wijten. Wat het eerste woord betreft, reeds vroeger hebben daarover gesproken, 1) Toen onze vaderen hunne anders zoo sehoone bijbelvertaling bij kaarslicht afwerkten, hebben zij hier en elders de kaars ingebragt, die oudtijds niet bestond, als zijnde eene uitvinding van de Katholijke kerk der middeleeuwen. En als zij verder het oog eenvoudig noemen of boos, is die vertaling wel letterlijk getrouw, maar niet naar den aard van onze taal, daar wij gewoon zijn te spreken van gezonde en kranke, goede en slechte oogen , maar niet eenvoudige en booze.
Maar pogen wij eerst wat dieper in de beeldspraak van licht en duisternis naar den Hijbei door te dringen, zoo zal de schijnbare wonderspreuk van onzen Heer ons ook gemakkelijker licht en helder worden.
Wat het licht waardis in het Oosten, kunnen wij ons naamvelijks verbeelden, daar wij er zoo zelden het gemis van gevoelen. Is de dag er helderder en feller de zonnegloed, vreeselijker is er ook do duisternis van den nacht. Binnen de steden is het even donker als daar buiten; ginds brult leeuw en tijger tot onder de wallen, hier sluipt de dief en moordenaar door de enge. straten. Eene openbare verlichting is er onbekend. Wie in
1) Zie over //lt;•/ Licht op den Kandelaar, D. 1, Blz, 313.
DE I, AM PK DES LIGCHAAMS.
(iuister uitgaat, laat door een' slaaf lantaarn of fakkel voor zich uit dragen. Van hier het bekende beeld; Gods woord een lamp voor onzen voet, een licht op ons pad. Maar zulk eene lamp of fakkel is 't niet, waarvan in ons zinnebeeld sprake is; het is een licht in -huis, eene huislanip, die men gewoon was den ganschen nacht te branden, 1) zoodat wakende knechten er hunnen heer mede afwachtten, en het grootste onheil, de zwaarste vloek over een huis wordt voorgesteld door het zinnebeeld van ocw hmpe, mlgebluscld m zwarte duisternis.
Onze spreuk komt bij matthküs in de Bergrede voor. Luk as heeft haar, zeker om de verwantschap der beeldspraak (ten zij mus ze twee raaien gebruikt heeft), doen volgen op die andere en meer bekende; Niemand, die een Held ontsteekt, zet het onder eene korenmaat. .N'eou! dat doet meuniet, maar op den kandelaar of luchter wordt het geplaatst , en 't schijnt ieder, die het vertrek inkomt, vriendelijk tegen. Die kleine vlam geeft aan alles een geheel ander oog. Haar licht dringt tot in de duisterste hoeken door, en alle dingen verkrijgen uu eerst hare gedaante eu kleur. 'Daar om henen vereenigen zich de huisgenooten , en daarbij ontvangt men den vreemdeling. quot;Voor het feestmaal ontsteekt men meer lichten, maar voor het dagelijksch gezellig leven is de huislamp genoeg.
De lampe des ligehaams 2) is het oog: — zulk eene huislamp, die het alles helder maakt. Indien dan nw oog gezond is, eenvoudig 3) en zonder gebrek, juist zoo als een oog wezen moet, zoo zal uw geheel Ugchaam licht wezen. J) Maar indien nw nog slecht is, (hoos zeggen wij alleen van zedelijk kwaad;) slecht ziende en krank, zoo zal geheel nw Ugchaam duister zijn.
Het oog is ons kostbaarst eigendom. Door het gevoel komen wij slechts in aanraking met wat ons het naast omringt; het gehoor brengt niets anders tot ons, dan het geluid, door de beweging der dingen veroorzaakt. Wat ons niet aanraakt en in rust is, bestaat uog voor ons niet, eer wij het oog openen. En nu weten wij wel, dat de oogen zelve geen licht geven, 5) en dus meer met cenJ spiegel over een komen, dan met de lamp. Maar zij vangen dan toch het licht op voor geheel het ligchaam, waarvan geen lid liet gemis der oogen zou kunnen vergoeden. ,V1 zijne bewegingen worden door het oog bestuurd. Die in den dag wandelt, zegt mus elders: stoot zich niet, overmits hij het licht dezer
1) Zoc spreekt uerodotus (II: 130) van een Ai ^co,- ndwuxoi.
i) «Van cw ligchaamquot; {corporis lui) heeft de Vulgata, die natuurlijk alleen voor de II. K. uitleggers een beslissend gezag hebben kan.
3) Lange weidt breed uit over ankois, als de eigenschap, waardoor het oog enkelvoudig en niet dubbel ziet, eu men dus God en deu Mammon niet gelijk zoekt te dienen. Maar eenvoudig, natuurlijk, ongeschonden, is de echt Hebreeuwsche voorstelling van't geen wij gezond noemen, welke beteekenis ook door de tegenstelling wordt aangeduid. Theofim lactus verklaart die te regt: xyLtji en voer did t/s,
4) Mattheüs en i.l'kas beiden hebben (puisiyov éviiti of iatiy. Dus licht, en niet verlicht (nsyoitKrusvov). De beteekenis versehilt echter niet, daar iptomvos zoo wel helder verlicht be-teekent, als lichtgevend, in welke laatste beteekenis het Mailh. XVII : 5 van eene tcolh {reyHt) ywmivrj) voorkomt. liet woord is hier gekozen in tegenstelling met ohotbivov , donker.
5) De Latijnen noemden echter even zeer overdragtelijk de oogen lamina, de Grieken yasn.
262
dk i,am pk des i.igcuaams.
wereld ziet; maar hullen iemand in den nacht wandelt, zoo stoot hij zich, overmits het licht in hem niet is, en hij weet niet, waar hij henen gaat. {Joh. XI : 9, 10; vergl. Vin : 12 en XII : 85.) — Do voet dwaalt op den weg niet,, de hand grijpt niet in den blinde : 't is of al de leden zien kunnen, waar liet oog goed ziet. En zoo kunnen wij zeggen: Geheel uw ligchaam is licht, of in het licht. Daarom is de dag ook voor den arbeid op velden akker bestemd. De nacht komt, ook de laatste nacht, als voor altijd liet licht der oogen wordt uitgeblusebt, — de nacht, wanneer niemand werken kan. De arme blinde wandelt altijd in dien nacht, daar het licht niet in hem is.
Lukas heeft, nog na de toepassing der spreuk, een''bij voegsel, dat ons eer aan eene aan-teckening op den kant (GVcwe), of ten minste aan eene verklaring van den schrijver denken doet, dan aan een eigen woord van den lieer, die veel eer gewoon was met eene korte, soms raadselachtige spreuk te besluiten, dan met eene breedsprakige uitweiding. Dit bijvoegsel geeft ons niets nieuws, maar zet alleen de vergelijking breeder uit een: Indien dan uw ligchaam geheel verlicht is , niet hebbende eenig deel, dat duister is, zoo zal het geheel verlicht wezen , gelijk wanneer de. lamp met het schi jnsel h verlicht.
//liet oog is dus voor het ligchaam, wat de huislamp is voor het vertrek/' Is dit de geheele beeldspraak? Xiet waarschijnlijk, daar al de parabolische gezegden van den fleer eene hoogere, geestelijke beteekenis hebben. De eigenlijke bedoeling van het beeld ligt dan ook in de volgende woorden, die. bij matthMs den vorm van eenen uitroep van ontzetting hebben, bij i.ukaS dien van eene vermaning.
Indien dan het licht, dat in v. is , duisternis is, hoe groot de duisternis! Onze over-zetters hebben zich door de Latijnsche vertaling op het dwaalspoor laten brengen, 1) en aangevuld: uhoe groot zal de duisternis zelve zijn?quot; - Maar wat dit beteekenen moet, begrijp ik niet. Do duisternis zelve zou dan in tegenstelling staan , als nog veel donkerder, tegenover het verduisterde licht in den mensch. Maar van 't geen elders heet de buitenste duisternis, de hoogste rampzaligheid, komt niets voor in onze spreuk, die zich geheel beweegt binnen liet inwendig licht, in huis of in den mensch.
Die uitroep van ontzetting: Hoe groot de duisternis! heeft bij i.ukas een'anderen vorm: /jiet dan toe, dat niet het licht, hetwelk in u is, duisternis zij! — Maar in beide vormen der spreuk is de vraag, waarop alles aankomt, de zelfde; //Wat is dat licht in u?quot; Het zal toch wel het oog zelf niet zijn? Of wie verwacht van den Heer eene vermaning, om goed voor onze oogen te zorgen! Neen, er schuilt hier een beeld in ecu beeld. De huislamp wordt vergeleken met liet oog, en weder het oog des ligchaams met dat der ziel.
Dat licht in een' zedelijken zin het beeld is van waarheid, geregtigheid en vrede, behoeft naauwelijks herinnering; even min, dat licht en leven ten naauwste verwant zijn, en de bron van beide in God is. De Hebreeuwscbe dichter loofde reeds Hem, die met het licht zich omgeeft als met een kleed; of zong Hem toe: Bij U is de fontein
1) tpsae lo.mhrue ijuaidae erunl ? Vuig. Maldonatus , daaraau geboadcu, verklaart het van de overige leden, die van nature zonder licht zijn : hoe duister zullen die nu wel wezen!
30*
de i.amfe dbs i.iochaams.
des levens. In uw licht zien wij het licht. In 't Nieuwe Verbond noemt jakobus de Godheid Vader der lichten, johannbs een Licht, waarin gmsch geem duisternis gevonden wordt. En zoo als de zon het licht is, dat God voor de zinnelijke schepping ontstak, zoo is Christus het Lie h t Gods voor de zedelijke wereld, en zijne jongeren lichten in de wereld.
Maar 'i is niet genoeg, dat het licht schijnt. Voor den blinde schijnt het niet. Ook hij, die de oogen sluit, ziet het niet. Zoo is 't ook met het licht, dat voor een hooger leven ontstoken is: — waarheid, geregtigheid, vrede. — Er is een oog der ziele noodig, om het te zien, het te onderkennen, en — wat elders als een kenmerk van Gods kinderen wordt opgegeven: — in het licht te wandelen. Maar wat is dat zieleoog? Jezus noemt 't het licht, dat in u is, niet een licht, niet iets, dat in den menach zijn kan, maar het licht, iets, dat tot zijne hoogere natuur behoort, even als het oog bij een gezond lig-chaam. I) Wij kunnen de vergelijking nog verder voortzetten, en vermijden daardoor al den onzin, door oudere en nieuwere mystiek over dat inwendig lieht uitgestald. Gelijk het oog des ligchaams geen eigen licht bezit, maar alleen het vermogen, om dat der zon op te vangen, en bij dat. licht de natuurlijke dingen te zien, even zoo is het met 't oog der ziel. Het licht in om is geen oorspronkelijk licht, maar slechts het vermogen om het goddelijk licht te aanschouwen en daarbij de geestelijke dingen te onderscheiden. En dat vermogen is den inensch van nature eigen: want de mensch is naar Gods beeld gemaakt. Heidensche en Joodsche schrijvers plegen daarom het menschelijk verstand het oog der ziele te noemen. De wijze heeft oogen in 't hoofd, zegt de Prediker, maar de dwaaa wandelt in de duisternis. En de spreukdichter (XX ; 27) noemt de ziel des menschen zelve eene lamp des ItEEWEN, een licht door jehova ontstoken, omdat zij de binnen ka-meren van zijn inwendig leven (eigenlijk //van het ingewandquot;) doorzoekt. 2) Er is hierbij evenwel tusschen do Grieksche en Hebreeuwsche wereldbeschouwing een kennelijk onderscheid. Bij de Grieken is het 't abstrakte, redenerende verstand, dat bot licht der wijsbegeerte ontsteekt, en waarbij men, door kracht van nadenken, de verklaring van alle dingen zoekt. Bij de Hebreen is het geweten meer het beginsel van het geestelijk leven. Dat is de lampe des IJE EU EN, die het inwendige van den menscli doorzoekt. De Hebreen kennen geene wijsheid, dan waarvan de rreeze des HE EREN het beginsel is.
Noem nu dat inwendig licht de mensehelijke rede of zijn geweten; noem het 't door liet godsdienstig gevoel geheiligd verstand, of dat godsdienstig gevoel zelf; noem
1) De uitdrukking io (püi to «e aol bij do beide Evaugelisteu, kan niet auders beteekeneu , dan iets, dat vau nature iu den menseh is; niet enkel een ii^of maar een lt;pöis . geen lichtdrager, maar werkelijk licht. Zoo zegt jezus in 't natuurlijke van hem, die niets ziet, omdat het naeht is; to qcw, oxx è'atty èv «vrw.
3) ./Daaromteekent de Talmud hierbij aan: vis liet geoorloofd, op sabbat een licht uit te blus-sehen, dat den krauke hindert, omdat het beter is, dat het aardsche, dan dat het hemelsche lieht worde uitgebluscht,quot; Hühwitz, Vertellingm uit den Talmud. — Ook plutahchus schrijft: lt;pSti yay ion? ij êrtós yx'/.
364
dk lampe des ligchaams.
het geloof, zoo gij wilt; 1) altijd is het dat orgaan der ziel, waardoor de raensoh liet iioogere, eeuwige , goddelijke in zich opneemt, 2) iu gemeenschap komt met den Vader der lichten, en zoo in het licht wandelt.
Maar dat licht zelf kan duisternis zijn. Van nature is liet licht er, in den mensch. Er zijn in de zedelijke wereld geene blindgeboornen. Maar het kan verduisterd worden ,
zoo geheel verduisterd, dat het de donkerheid zelve schijnt te wezen. En dan....... even
als 't vertrek, waarin dc lamp is uitgchluscht, is het ligchaam van den blinde; maar erger nog de ziel, waarvan 't inwendig licht, liet geestesoog van alle licht beroofd werd : — welk eene duisternis!
Maar hoe kan licht, en wel inwendig licht, duisternis worden? — Ik moet beginnen met te doen opmerken, dat er niet staat; Indien de lampe in u, wat in n licht geeft, hot zielcoog, duisternis wordt; — niet de lamp der ziele, maar het licht, dat zij vroeger gaf, is in duisternis overgegaan. Daar, waar het in eenc gezonde ziel licht incest wezen, is het donker geworden, even als 't geheele ligchaam duister wordt door de ziekte der oogen, en het vertrek door het weg nemen of uitblusschen der lamp. Als wij nu hierbij den diepen zedelijken zin opmerken, die in de Heilige Schrift doorgaans aan het zinnebeeld van lichten, duisternis verbonden is, dan kunnen wij bij de verduistering van het inwendige licht niet enkel aan onkunde denken, in den gewonen zin van het woord. De dwaas is naar den Bijbel de zedelijk blinde, die de lampe voor zijnen voel, Gods woord, niet volgt, en voor cmasTTis, het Licht der wereld, geen open oog heeft. Als dus jezus, optredende in de synagoge te Nazaret, zich op de woorden van jesaja beroept: De Heer heeft mij yezonden, om den armen hef evangelie te verkondigen, om te genezen, die verbroken zijn van harte, den gevangenen te prediken loslating en den blinden het gezigt; zijn het niet alleen dc natuurlijk blinden, die hij bedoelt, maar ook even min de onverstandigen. En toen, na de genezing van den blindgehoome, jezus zijne rede besloot met de spreuk; nik ben tot een oordeel in deze loereldgekomen, opdat degenen, die niet zien, zien mogen, en die zien, blind worden-'' gevoelden dc Parizeen terstond, dat hij niet van eigenlijk blind zijn of van onverstand, maar van zedelijke blindheid sprak, daar zij driftig vroegen: uZijn wij dan ook blind?quot; {Luk. IV ; 18, 19; Joh. XIX ; !J9, 40.)
Zedelijke blindheid: — een gesloten zijn, of zelfs opzettelijk gesloten houden van
J) Die Aneignung des Lichtes is/, das Glauben au Je sum Christum. So machtig ml gewaltig audi die Wirkungen der Sonne sind, toir tonnen ihrern. Lich/r muthwillig ms enteiehen; so hangt es van nus ah oh toir glauben icolten. Das gesunde Auge freut sich des'lichtes, das kranke ziehl sich vcr deni stlben zuriick tend liebt die Finsternisz. Lisco , Bildentojf des N. T.
2) Volgens dc Gricksche of Joodsch-Grickschc schrijvers is dit orgaan d voCs. Zóó ckevsostoml-lerwijl edt1iïmiüs zigabenus omschrijft: ó vovg d lt;)uiijgt;iamp;b\s quot;is to ymitstv xat ódi/ysiv trp yvx^v. Meijek verklaart; die Vermnfi, hesonders die praktische. — Gok fiiilo {de ('ond. Wnnd.) schreef: oVis^i voii èv fvxö, Tot1 io (xf.iïnX/joi èr aojfxatt, en ARISTOTELEs; wj ó'i/us otfftaXixm , yoiV if ifivjij. Zie verder grotius. De Grieksehc opvatting van '1 denkend verstand {voi's), voldoet mij eehter bij jezus' woorden niet. Oostehzee (lange's Jlibeltcerl-, I.uk. XI) zegt; »Er schijnt een oorspronkelijk, ontnid-itclbaar Godsbewustzijn door te worden aangeduid, waarop ook i'au las, Ifand. XVJ1:27, zich beroept, en waardoor ook in den gevallen menscli nog het orgaan voorhanden is, om de geopenbaarde waarheid te aanschouwen.quot;
[)K LAM PK DES I.IGCHAAMS.
het oog der ziele, dat 't de waarheid Gods niet onderkemie, niet voJge; dat is't, wat Johannes schrijft: DU is het oordeel, dat het licht in de wereld gekomen is, en de mensehen hebben de duisternis liever gehad dan het licht: want hunne werken waren hoos; maar die de waarheid doet, komt tot het licht, {Joh. Ill; 1!)—21.)—Eet licht maakt openhaar en bestraft [lifez. V: 13)j die 't niet verdragen kan, shut do oogen digt enquot;] ziet nog minder dan vroeger: — xoelk eene duisternis!— Beklagen wij dus den blinde, niet alleen omdat hij het licht der zon en den aanblik der schoone natuur mist, maar ook omdat hij Wiiarheid van dwaling, vriend van vijand zoo moeijelijk onderscheiden lean, bijna geen werk verrigten en niet eens den weg vinden zonder hulp; ook de, zedelijk blinde dwaalt en tast rond in de duisternis. Hij wandelt in de waarheid niet. In bezwaren beeft hij geene
leiding, in donkere dagen geen' troost, in den nacht des doods geen licht...... Hoe groot e.
dvisternis !
//Wat bet oog voor 't ligchaam is , bet geweten of het inwendige licht is 't voor de ziel. Het geweten heeft geen licht in zich zelf, maar zijne taak is, het zuivere licht van den Vader der geesten te weerkaatsen, het hemelsch licht, dat onafhankelijk van deu niensch bestaat, even als de zon van het oog. Wanneer de lampe der ziel is uitgebluscht, kan geen der krachten, die in haar zijn, dat gemis vergoeden , zoo min wij met de hand of het oor zien kunnen, als het oog is donker geworden.quot; Drummond. 1)
Doch van de oogzieken zijn er, die toch nog dag en nacht weten te onderscheiden; anderen, die de omtrekken der dingen zien, of zelfs reeds kleur en gedaante herkennen. Even zoo is't met hen, bij wie 't oog der ziele niet eenvoudig is, maar boos. En buitendien, geen zedelijk blinde is ongeneeslijk; geen licht in ons, dnktemn geworden, dat niet -weder kan ontstoken worden. Christus is de Medicijnmeester, die ook den blinden het gezigt aanbrengt. Eertijds waart gij duisternis, schrijft daarom vaulus : niet enkel in dc duisternis, maar zelve duisternis; nu zijt gij licht in den Heere: wandelt dan als kinderen des lichts! Eu 't morgenlied der eerste gemeente aan de in zonde sluimerende menschheid luidde: Ontwaakt gij die slaapt, en staat op uit de dooden, dat CHUisrus over u lichte. {Kfez. V ; 8, 14.)
Ziet toe, zegt daarom Jtzus bij i.ukas: dut niet 't licht in u duisternis zij! 't Is niet genoeg, voorliet licht te danken, of de duisternis te betreuren; konden wij de zon niet doen opgaan, wij kunnen en moeten de oogen er voor openen; en wij moeten die oogen bewaren, of zoo ze krank zijn , zoeken te genezen, ook al zou 't licht ons meer pijn, dan genoegen doen, wanneer het op nieuw daarin doordringt. De duisternis is de dood; bet licht is leven. Wel peinst ons verstand zich stomp op 'i wezen der Godheid, even als
t) Uczc is dc ecnige degelijke schrijver over de Parabelen, die ook dit zinnebeeld heeft opgenomen (Bk. S, 9). Selioou hij, door de dogmatiek gebonden, het zonder grond als eene algemeene beschrijving der menschelijke verdorvenheid en) magteloosheid opvat, zegt hij toch in weinig woorden veel, dat goed eu waar is. — Osimann vat liet inwendig iielit van het hart des mensclien op, als dat met het licht van Gods woord moet vervuld worden, door het geloof in ciuustus, in wien de volheid des lichts woont. Zijn denkbeeld is zwevend en niet bijzonder helder. Wissenbkro (Blz. 38) stelt er das Gewimn in de plaats, maar in deu beperkten zin, waarin ook onder ons het woord geweten algemeen in gebraik is.
DJi LAM PK DES UGCHAAMS. 2(1 /
dc oogen zich blind kuimou staven in de zon; maar het goddelijk licht, dat van christus ons toe straalt, doet de oogen goed,
En vraagt mij iemand, hoe het oog der ziele bewaard wordt of genezen? Jkzus' raadselspreuk breekt te kort af, om ons daaromtrent voor te lichten ; maar de zamenhang, waarin de Evangelisten haar plaatsen , al heeft de lieer ze missclucn niet juist 7,66 uii-gesproken , doet ons 't verband zijner denkbeelden kennen, gelijk dit hun voor den geest stond. Rij luk as is 't; Zef het licht op den kandelaar, en—ziel toe, dat niet V licht in v duisternis zij! 11e volle openbaring van Gods woord, in open oog en hart opgenomen, geeft dus ook inwendig licht. Bij mattiiküs is de spreuk er mede verbonden: Vergadert u schatten in den hemel: want waar vw schat is, zal uw hart wezen; en volgen wij zijne aanwijzing, dan is jkzus' eisch : Een harf voor den hemel, een oog voor de waarheid.
En nu besluiten wij met een'wensch van i1 al lus , waaruit wij zien, hoe hij zich dat oog des geestes voorstelt, — hoe hoog hij 't acht , — hoe 't nog allen gedurig uoodig is, — en dat ten slotte, hoe ook wij toezien, God alleen 't geeft, middellijk of onmiddellijk. De apostolische wensch is deze; God sclenJce u verlichte oogen des verstands, 1) opdat gij moogi weten, welke de hope zij zijner roeping, de rijkdom z'jner erfenis, :jne vitnemende kracht in ons, die gelooven. (Ef. T : J1 —19.) 2)
]) In 't Grieksch nequnaftLvovi; xovg oqi)aXuovg jijt Siayoius vfiiov. Nog nader staal aau 't beeld vau den Zaligmaker Clemens , die uiet lang na paulds dc Korinthiërs vermaande, om met de oogen der ziel op Gods genadigen raad te zien ; ixflXfytitfiev toIs ofiftaai itj; ipv^ijs els 10 /uaxyd-frvftoy aiioi (loi Isv/xa.
2) Het zou ons te ver afleiden, wanneer wij ook bij de kleinere Gelijkenissen van onzen lieer alle mislukte verklaringen wilden aanhalen, — waarmede ik misschien bij de meest belangrijke en algemeen bekende reeds al te gul geweest ben! — Zoo verklaart onder dc ouden augustinus onze zinspreuk ; ,Üuze werken moeten door een opregt hart bezield worden,quot; onder de nieuweren zegerus; «Ziet toe, dat gij mij, het Licht der wereld, niet voor duisternis houdt!quot; Lighlfoot en schottgek : «Als uw oog afgunstig is, als gij gierig zijt en karig weldoet (en dus uwen schal op aarde hcht, vs, 19), zoo zal de geheele mcnsch van 't licht der waarheid beroofd zijn.quot; Enz. enz. Weinig nader komt luthre aan de ware beteekcuis, als hij schrijft; Das ist cine Warmng, dass icir unts nicht lasuH betriiyn durch die schone Farbe nml tichein , damit M der Gei: kann sclmücken vnd den Schalk deden.
Matth. VII: 16—20 en XII: 33—35. • Luk. VI: 1.3—15.
Aan hnnne vruchten zult 'jij ze kennen. Leest men ook Want het is //een goede
eene druive van doornen , of vijgen van distel en ? hoorn, die kwade vrucht
Al zoo een ieder goede boom brengt voort goede vruchten, voortbrengt,noch geenhoade en een kwade boom brengt voort kwade vruchten. Een goede boom, die goede vrucht voort
boom kan geen kwade vruchten voort brengen, noch een kwade brengt; want iedere boom
boom goede vruchten voort brengen. wordt uit zijne eigene vrucht
Een ieder boom, die geen goede vrucht roort brengt, wordt gekend.
uitgehouwen en in 't vuur geworpen. Want men leest geen vijgen
Zoo zult gij dan de zelve aan hunne vruchten kennen, van doornen, noch men snijdt
------geen druive van bramen.
Of maakt den boom goed, en zijne vrucht goed; of maakt J)e goede niensch brengt
den boom kwaad, en zijne vrucht kwaad; want uit de vrucht het goede voort uit den goe-
wordt de boom gekend. den schat zijns harten; en
Gij adderen-gcbroedsels! hoe kunt gij goede dingen spre- de kwade mensch brengt het
ken, daar gij boos zijt? W ant uit den overvloed des har- kwade voort uit den kwaden
ten spreekt de mond. schat zijns harten : want uit
De goede mensch brengt goede dingen voort uit den goeden den overvloed des harten
schat des harten, en de boozc mensch brengt booze dingen spreekt zijn mond.
voort uit den boozen schat.
//Mcu keilt den boom aan zijne vruchten.quot; Dat is één van die spreuken, die zoo zeer met onze denk- en spreekwijze zijn iu een gegroeid , dat men ze niet meer kan missen; — maar ook , dat zij tot do vaste gemeenplaatsen, en zelfs tot do onbeduidende stopwoorden zijn gaan beliooren , en niet meer worden mede geteld door wie iets nieuws en doordachts, iets pikants en geestigs verlangen. De jeugdige redenaar, die van zulke spreuken uitgaat, vindt meer toestemming dan belangstelling, en wekt meer gedachteloosheid dan opmerkzaamheid. //De boom wordt aan zijne vrucht gekend nu ja ! wie weet dit niet, en heeft 't niet duizend maal gehoord, en honderd maal zelf gezegd?
Intusschen, niet altijd is die spreuk zoo algemeen bekend en gebruikt geweest. Eu het zal u misschien verwonderen, wanneer ik u zeg, dat zij — even als eene vroegere van zelfverloochening en kruis •— niet alleen een woord van jezus is, maar ook oorspronkelijk
de boom en' zijne viu'chïen.
evangelisch; zooclat wij haar nog niet vinden in de rijke Oostersche beeldenpracht der Hebreen, hoe zij ook voor de. hand scheen te liggen. Ik althans vond haar in de boeken des Ouden Verbonds niet, 1)
Geen land andeïs, dat rijker is in boomvruchten, en waar zij meer gewaardeerd werden, dan Palestina, Gaven dennen en cederen er goed timmerhout, en doornstruiken brand voor den oven, de vruchtboomen waren niet enkel tot verkwikking , als bij ons , maar voorzagen in de eerste levensbehoeften. De prachtige druiventros was de roem van 't beloofde land, olijf en vijg de rijkste zegen. Tiet vruchthout werd dan ook zoo hoog gewaardeerd , dat zelfs bij het belegeren eener stad de Israëlieten liet niet mogten afkappen : want hef was den menseh ten spijze. {DevJ. XX ; 20.)—Reeds vroeger, bij den On vrucht-baren Vijgehoom, hebben wij gezien , dat er zelfs onder de Rabbijnen cene zekere heiligheid aan werd toegekend, zoodat er een vloek rustte op hem , die eenig vruchtdragend geboomte had uitgehouwen, eer het tot 'i laagste, peil van vruchtbaarheid gedaald of geheel onvruchtbaar geworden was. In een land, waar 't geboomte zich niet zoo gemakkelijk herstelt of voort plant, door de brandende hette, is zulk eene bescherniende, hand der godsdienst hoog noodig. De reiziger in 't hedendaagsche Oosten betreurt het dikwijls, dat die beschermende hand aan de wijnbergen en olijfgaarden van Palestina, zoo wel als aan de talrijke wegen, vroeger met vijgeboomen omzoomd , onttrokken is.
Dat dus ook de vruchtboomen van zelf hunne plaats innamen in de beeldspraak der Israëlieten, is natuurlijk. Van den wijnstok en den vijgeboom hebben wij het vroeger gezien, en aan den olijfboom ontleent pai'lus eene uitvoerige allegorie. Maar gaan wij de beeldspraak des Ouden Verbonds naauwkeuriger na, dan zijn daarin vruchten doorgaans het beeld van zegeningen, ook wel van heilrijke, gevolgen, aan 's menschen arbeid verknocht. En dit heeft zijne reden. Het vruchtbare Kanaiin was het land der belofte; te wonen in vrede, een iegelijk onder zijnen wijnstok en zijnen vijgehoom , het ideaal van den echten Israëliet. De regtvaardige zou zijn als een boom aan 't water geplant, en die vrucht draagt op zijnen tijd • hij zou vrucht dragen tot in den ouderdom, of de vrucht zijner werken eten. En 't bezwaarde meest den vrome in Israël, wanneer hij dien zegen opmerkte, juist waar die, allerminst was verdiend; li'aar om is der goddeloozen weg voorspoedig, en hebben zij rust ? Gij hebt ze geplant, zij zijn ook ingeworteld; zij gaan voort, ook dragen zij vrucht ! {Ps. 1:3; XC.II : 15; Jcs. Ill : 10 ; -Ter. XII : 1, 2.)
liij deze voorstelling is't altijd eene vrucht voor den menseh en niet van den menseh, een zegen en niet eene deugd. In zedelijken zin vinden wij de vrucht alleen in den twist van jehova met zijnen wijngaard, bij jesaja. De HEER heeft er alles, alles aan gedaan, en toch brengt hij slechts giftbessen, geene druiven voort. Zulk een wijnberg verdient te worden uitgehouwen; cn van zijn hout maakt men zelfs geen pin : voor niets anders dan brandhout deugt, hij meer. [Tes. V; Ezeeh. XV.)
Dit denkbeeld nu vinden wij het eerst door joiiaxxis den Dooper op alle vruchtdra-
1) Niet de beeldspraak, maar wel het denkbeeld vindt men in hel spreekwoord der ouden, 1 Sam. XXIV ;14: Van de. goddeicoze» komt goddeloosheid voort, van hen is niets anders te wachten.
269
DE BOOM EN ZIJNE VRUCHTEN.
gend geboomte toegepast. Als hij het koningrijk der hemelen als nabij gekomen aankondigde , had hij hierbij vooral het Messiaansche gcrigt voor oogeu; den Messias als den man, wiens wan in zijne hand is, om zijnen dorschvloer te doorzuiveren, de tarwe zaam te brengen in zijne schuur en het kaf met onuilbluschlijk vuur te verbranden. Die voorstelling gaf kracht en haast aan zijn ; nBekeert u!quot; En toen hij nu ook Farizeën en Saddu-eeën, het adderengebroedsel, dat vooral den toekomstigen toorn te olieden had, tot zijnen doop komen zag, voegde hij bij dit //Bekeert u!quot; ook nog: uBrengt dan vruchten voort, der bekeering waardig!quot; En nadat hij hun den roem van abrahams kinderen te zijn, ontnomen heeft, vervolgt hij, wijzende op liet oordeel, dat nabij is: nOok is alreeds de bijl aan den wortel der hoornen gelegd; 1) alle boom dan, die geen goede vrucht voort brengt, wordt uitgehouwen en in het vnur geworpen.quot; 3) {Matth. III : 10 ; ljuk. III : 9.)
De Heiland vat dit zelfde denkbeeld op: want de laatste woorden van joiunnes [Alle boom, geen edele vrucht makende, wordt uitgehouwen en in of op het vuur geworpen !) vinden wij letterlijk terug, Matth. VII : 19. Maar te gelijk geeft hij dien diepen en toch eenvoudigen zedelijken zin aan het beeld, waarin 't tot alle christen volken van den nieu-weren tijd, en ook in onze volkstaal is overgegaan. Even als de boom, zoo wordt ook de menseb aan zijne vrucht gekend.
Weder geldt hier 't vroeger gezegde, dat de onveranderlijke aard der natuur het beeld is van de afwisselende zeden en gedragingen van den menseb. Beurtelings is hij nu aan 't eene, dan aan het andere gelijk: in 't dierenrijk aan de duif door zijne opregtheid of door list aan de slang, aan den moedigen leeuw of 't lijdzame lam; en in het plantenrijk : aan den trotsehen ceder of nietigen distel, aan onvruchtbare doornen of den milden wijnstok. Maar wordt het lam nooit een tijger, of de duif eene slang, liet vruchtbaar gewas kan te leur stellen; de akker kan misdragen , de boomgaard geene of slechte vruchten voort brengen. — En zoo verkrijgt onze beeldspraak eene dubbele betcekenis:
of het van nature onvruebtbaar geboomte wordt aan 't gemis van nuttige vrucht, en aan deze het vruchtbout onderkend ;
of het van nature vruchtbare hout is ontaard en daardoor onvruchtbaar geworden.
1) Dk'jmmond (Bk. 01) stelt 't beeld zóu voor, dat ceu landman ol' hovenier in den morgen zijnen boomgaard doorgaat, met een bijl in de hand, Een' onvruelitbaren boom ziende, besluit hij, dien uit te roeijen, maar bedenkt zich nog en legt de bijl aan den wortel, om ieder oogenblik ie kuiinen toeslaan. Hij vergeet echter, dat er staat aan den wortel der boomen, dus van alle, die naar dezen toetssteen moeten beoordeeld worden, vruchtbare en onvruchtbare. «De bijl auu den wortel,quot; is het zelfde als /Vewun in zijne handquot; of elders: „De regter voor de deur.quot; Ook de tegenwoordige tijd, wordt uilgehouwen, duidt aan, wat leder oogenblik geschieden kan. Liegt die Axt schon au der Wunel des Baumen, to id das Strafgericht nahe. Lisco. — Tc regt merkt evenwel diu'MMOnd op, dat het oordcel altijd over daden gaat, ook naar het apostolisch woord: IVij allen zullen voor den reglerstoel van cilRISTUS^eo/)?»-baard worden, om weg te. dragen naar hel geen in 't ligchuam geuhied is, het zij goed, het zij kwaad.
2) derem. XXII: 7 is de vloek over 'skonings huis, vergeleken met eene hoogte van Libanon : *//i- zal verderven tegen u heiligen, elk met zijn gereedschap ; die zullen me uitgelezene cederen omhouwen en in hel vuur werpen. (Gr. ixxóipovat Kal tnfiakoColv els ró trg.)—De brandstof is in Palestina niet overvloedig, terwijl toch iederen moigen de oven moest worden aangestookt, 't zij met dor gras (Matth, VI : 30), doornen (Jes. XXVII : 't) of ander onbruikbaar hout.
370
de doom en zijne vruchten,
Bij eenig nadenken zal de lezer ligt begrijpen, dat jehova's wijnstok bij jesaja. en de Onvruchtbare Vygeboom in de Gelijkenis van jezus, tot deze laatste voorstelling be-hooren. Ook joh ank ra de Dooper zal het zieli zóó liebhen voorgesteld. Alleen reeds 't ■woord goede, eigenlijk schoone of edele vrucht, wijst dit uit. Het zou ook dwaas en onbillijk zijn, wanneer men de bijl gereed legde aan den wortel van hvi geboomte des wonds, om het vonnis der uitroeijing te voltrekken, wanneer het geen vrucht droeg, die bet onmogelijk dragen kan. Even zoo zal de wijngaardenier aan het doornenbosch niet de moeite der kuituur te koste leggen, die hij voor den onvruchtbaren vijgeboom over heeft. Alleen het vruchthout verdient die zorg, maar ook het vonnis der uitroeijing. Men plantte het niet om bladeren, maar om vrueht er aan te zien! —Gij gevoelt, dat op die wijze de morele kracht van bet beeld wordt verhoogd : de deugd nooit ecne onmogelijkheid, de zonde geen natuurlijke noodwendigheid, al is beide een gevolg van den inwendigen aard des mensclien, vrucht en onvruebtbaarheid beide eene openbaring van den verborgen meusch des harten.
Maar eer wij bet gezegde op de beeldspraak van jezus toepassen, herinneren wij nog eens, dat zij bet eerst voorkomtin do bergrede, die wij in baar geheel bij maitheus, en in een kort uittreksel bij i.ukas vinden. De tweede maal treffen wij bij mattheüs de zelfde beeldspraak aan in eene strafrede tegen de Earizeen. (11. XII.) Daarliet echter ook in de bergrede een bestraffend woord is, heeft lukas beitic plaatsen in zijne fragmenten uit die rede vereenigd. In onze verklaring blijven wij vooreerst nog bij de eerste plaats; Mntlh. VII en Jsuh. VI. Over Matlh. XII en wat bij lukas ermede over een komt, later.
Bij de algemeene stelling //Zóó de boom, zoo de vrucht!quot; gebruikt de Heer in de Bergrede beide straks genoemde en aanverwante beelden, zoo wel het van nature onvruchtbaar struikgewas, als het slechte vruchthout. Het eerste bij mattheüs het eerst, maar bij lukas het laatst. Beginnen wij daarmede:
Leest men ook eene druif van doornen, of vijgen van dist eten ? (Mattheüs.)
Vit doornen zamelen zij geen vijgen, noch van hramen plukken zj geen druif. (Lukas.) 1)
Van doornen en distelen hebben wij vroeger reeds gesproken, als van taaije, houtachtige gewassen, die in het oosten den landbouw grootelijks belemmeren, en waar deze verwaarloosd wordt, met bijna ondoordringbare en kwetsende doombosschen dc akkers bedekken. Sommige hunner mogen nog wilde bessen voort brengen, maar vijgen zijn't niet. 2) Ook de hraamstndk kennen wij, en zij komt in den Bijbel reeds in 't brandend braambosch van
1) Sc.neca gaat, in zijn Stoicijnsoh phlcgraa , te ver, wanneer hij deze natuurlijke noodwendigheid (dit delerminisme, zou men thans zeggen,) gebruikt als een motief om zich over niets te vertoornen; Nemo naturae nanus irascilur. Quid enim ui mirari veld, non in sylvcstrUms dumis poma pendere? Quid si miretur spineta sentesque non utili aliqm frugc compleri ? — Ik vond dc plaats, met vele andere uit de Klassieken, bij piucaicus, Wat dc beeldspraak zelve betreft, komt daaronder met 't bovenstaande en vooral met Jah. Ill : II, 12 meest over een de plaats uit ixutaiiciius ; Thv cifinelov crCxa ysqsiv ovk a%iov(tev, oiSi itjv èkniar fióiyv;. Vgl. ook a. scuotti Jdagiaiibu* sacris N. T., in Matlh. VII : IC, 18. Een spreekwoord der Arabieren haalt imoo de ohoot aan; «•Die doornen zaait, zal met deze geen druiven maaijen.quot;
2) De Rhumnw spina Christi, die zijnen naam beeft van 's Heilands doornenkroon, draagt zoetachtige bessen. Dit maakt dc tegenstelling tegen vijgen nog juister, even als de braamstruik het tegenbeeld van den wijnstok is.
271
37*
de h001i en zij is e vruchten.
.\io/es voor, zonder dat het zeker is, of liier geheel 't zelfde gewas als het onze bedoeld wordt. Maar al ware dit zoo, bramen zijn geene druiven; en in de wildernis, waar zij groeijen, boort men 't vrolijk lied der wijnlezers e» druiventreders niet. ^Xog minder zamelt men nuttige vrucht van doorn en distel; ze missen bet vermogen , om die voort te brengen; niemand wacht of zoekt ze er op.
Mi »ar bet kan ook gebeuren , dat 't van nature goede vruchthout is ontaard, gelijk wij liet reeds in de Parabelen van jesaja en jezus zagen. Niet elke wijnstok draagt bij tot den druivenoogst, en niet iedere vijgeboom — denken wij slechts aan jezus' vervloeking van den onvruebtbareu op den weg — biedt den reiziger drie maal 's jaars zijne vrucht. Zulk eene ontaarding van de natuurlijke vruchtbaarheid is de bedoeling der spreuk, die bij j.ukas vooraf gaat, en bij siattueüs volgt. Dit is nog duidelijker, door het onderscheiden gebruik van goed en schoon, slecht en rot of vermolmd. 1)
Iedere loom , die goed ran aard is, maah whoone vruchten, maar de vermolmde loom maakt slechte vruchten, Be goede loom kan geen slechte vrlichten maken, noch de vermolmde hoorn schoone vruchten. (Mattheüs.)
IVant er is 1) geen schoone loom , die vermolmde (of rotte, stinkende) vruchden maakt, noch wederkeerig een vermolmde loom , die schoone vruchten maakt. (Lukas.)
Om het oorspronkelijke duidelijker terug te geven, is in belde plaatsen het woord schoon behouden, ofschoon dit woord in bet Grieksch een veel ruimere beteekenis heeft, als die van uiterlijke schoonheid, cn meer met ons edel, voortreffelijk over een komt.
Niet velo woorden zullen cr meer noodig zijn, om den morélen zin dezer dubbele beeldspraak te verklaren. Of als onvruchtbaar van nature, of als inwendig verkankerd cn ontaard , wordt de boom onderkend door gemis van edele vrucht; terwijl aan de andere zijde die vrucht bet ontwijfelbaar bewijs is van een' edelen aard, die ze voort brengt. En wel beschouwd, verwonderde het mij niet, dat ik deze beeldspraak eerst in het Evangelie regt te huis vond. Ouder de wet waren daden de hoofdzaak, al werd het hart niet onverschillig gerekend , dat 's menschen weg overdenkt. Maar in 't Evangelie is de inwendige tnensch alles; daden cn woorden slechts 't geen noodzakelijk voort komt uit dat gene, wat in den mensch is. Van bier de wonderspreuk [i/aradox), die de discipelen zoo verbaasde, en een Evangelist zelfs Parabel noemt: Niet wat den mond ingaat, verontreinigt den mensch, maar wat den mond uitgaat, als dat voort komt uit 't booze hart.
T)c laatste woorden bij luk as , omtrent den goeden schat des harten (bij mattheüs vonden wij ze bij de herhaling der Parabel, vijf Hoofdstukken later,) brengen de slotsom van de beeldspraak: //Zóó de boom, zóó de vrucht,quot; geheel op dit terrein van 't inwendig zede-
1) 7,io over auniiós , als vuil, vermolmd of rotlig, met 't nevendenkbeeld van onrein naar de Le-vilisclie wet, dc Gelijkenis van ket Vischncl, Dl. I, Blz. 113. De natuur zelve geeft bij den boom de beteekenis van vermolmd aan dc hand, gelijk het ook voorkomt Job XL1:18; Hij acht hel ijzer voor stroo , en hel staal voor vermolmd hout, in de Grieksche vertaling: SiAo»' aanyóv.
2) Er is, niet liet is, zoo als onze Vertalers hebben. Ware hunne overzetting juist, zoo zou dc constructie der Grieksche woorden anders zijn. In het tweede lid van den zin heeft tisciiendoef oids ttó/Uv, noch wederom, omgekeerd, wederkeerig.
272
de boom en zijne vruchten'.
lijk leven over. Met een ander beeld wordt het hart daarin voorgesteld als een schat, of liever als de bewaarplaats van dien schat, dc schatkamer.
Wij herinneren daarbij, dat elke voorraad, bij voorbeeld ook van granen en zelfs van nuttelooze zakengt; in den Bijbel een schat, een opgezamelde en goed bezorgde bezitting genoemd wordt. Het boeren-spreekwoord Men tapt uit een vat niet, wat er niet in is, beantwoordt dus eenigzins aan deze slotsom van onze Parabel, althans in negatieven zin: want 't is hier niet enkel, wat niet, maar wat zeker gebeurt. De goede mennek brenyt uit den goeden schat zijns harten het goede voort j en de kwade hrengt uit den kwaden het kwade voort. Want uit den overvloed des harten spreekt zijn mond. Zoo heeft ia'kas het, als gewoonlijk, iets uitvoeriger. Beide Evangelisten hebben hier weder het woord goed (niet schoon of edel), in tegenstelling van slecht.
Maar wat bijzonder onze aandacht Irckt, is dat de Heilaiul hier meer van woorden dan van daden schijnt te spreken. 1) Beide liggen even zeer in de beteekenis der spreuk. Woorden zijn in zeker opzigt ook daden , en van daar dat er Ml. XIl volgt: Van ieder ijdel woord zal men rekenschap geven. Vit uwe woorden zult gij geregtvaardigd of veroordeeld worden. Deze opmerking nu doet niets toe of af aan den algemeenen zin der spreuk, maar bepaalt alleen het bijzondere gebruik, dat jezus er van maakt, De Joden waren uiterst naauwgezet op de uiterlijke vormen der wet; doen en laten, 'i laatste vooral, kenmerkte hunne godsdienstigheidj maar in 'l spreken waren zij dikwijls onopregt, gezet op de vormen der zamenleving en der godsdienst, gelijk nog dc Oosterling, zonder te meenen, wat zij zeiden; en in hunne oordeelen waren zij doorgaans hard en scherp, 't Zijn inzonderheid de Parizeen, met hunne liefdclooze Oordeelvellingen over zijne leer en wonderen, die de Heer Malth. XII bestraft, terwijl hij in de bergrede ook aan andere rulsche profeten denkt. Jezus wil, dat dc mond spreke, gelijk liet hart ingeeft, en men dan ook de bron onrein achte, waaruit zoo veel verkeerds opwelt , gelijk jakoucs, die het meest de parabolische spreekwijs van jezus navolgt, de zonden der tong, die beide zegent en vloekt, bestraft met de woorden: Welt ook eene fontein uit eene zelfde ader hel zoel en hel hitler ? Kan ook, mijne broeders! een vijgeboom olijven voort brengen, of een wijnstok vijgen? Zelfs goede vruchten wassen slechts aan hun' eigen boom; al zoo brengt geene bron te gelijk zoet en brak water voort. {Jak. III : 11, 12.)
Om tot jezus' beeldspraak terug te keeren, ook de zamenhang wijst minstens even zeer op woorden als op daden. In de Bergrede bij mattiieüs , gaat de waarschuwing vooraf: Waclt u van de valsche profeten, 2) welke in schaapskleederen tot u komen, maar van binnen zijn ze grijpende wolven. Dan is 't: Aan hunne vruchten zult gij ze onderkennen ;
1) Het tegenovergestelde //schoone woorden en slechte daden,quot; verwijt jezus den Schriftgeleerden eu Parizeen, als hij tot de schare zegt: quot;Al wal zij u zengen, dat gij houden zult, houdt m doel 'l: want ui zijn uezelen op den steel van mozlis ; muur doet niet naar hunne werken : want zij zeui/en hel, en doen hel niet. (Mutth. XXII f ; 1-3.)
2) Gkotius denkt hier, in profetischen geest, aan de Gnostieken en andere dwaalleeraars der oude kerk, waarvan reeds r au lus schrijft (2 Tim. 111; 9): Maar zij zullen niet meer toenemen: wunt hunne uitzinnigheid zal allen openhaar worden.
de boom en zijne vui'chten.
aan geheel hun doen en hun spreken, juist, aan die voorkomende en gemaakte zachtheid, bij gemis aan zedelijken ernst en onbaatzuchtige liefde. En hierop volgt nu de beeldspraak van boom en vrucht, waarbij doornen m distelen, als 't beeld dier valsche profeten, voor aan staan , en het oordeel der uitroeijing , met de woorden des Doopers, volgt. En ten bewijze, dat geheel het zinnebeeld op de valsche profeten slaat, nog eens ten slotte; Zoo zult (j j dan de zelve aan hunne vruchten kennen. Hierop volgt nu de veroordeeliug van hen, die alleen ulfeere! I leer e!quot; zeyyen , soms wel profeteren en démonen uitwerpen in naam, en toch als werkers der ongeregtvjhcid door hem zullen worden afgewezen.
Bij j.i'kas komt deze spreuk, zoo als wij reeds vroeger zeiden, voor onder de fragmenten der bergrede. W ij kunnen dus dfór op den zamenhang niet bouwen. Splinter en Balk gaan bij hem vooraf, en 't lleere! lleere! zeggen volgt.
Maar de laatste zinsnede bij u-k.vs (van den goeden schat des harten) verwijst ons naar Matth. XI1, waar meer bepaald op woorden wordt gedoeld. Gaan wij dus nog eens die tweede uitspraak van jezus na. Zij heeft, met de Bergrede vergeleken, geheel en al het voorkomen eener korte herhaling van vroeger uitvoeriger onderwijs, waarom wij ze ook liefst in den zelfden geest opvatten.
liet beeld volgt Matth. XII op de lastering van den Heiligen Geest, waarin jezds' vijanden vervallen waren, door zijne wonderen aan Beëlzebul toe te schrijven. Jezds heeft hen eerst weerlegd door te bewijzen, dat het rijk des Satans zich zelf niet verwoesten kan, en veroordeelt daarna ten sterkste hun Godslasterlijk oordeel. Gewoonlijk vertaalt meu de woorden, die nu volgen: nof maakt, — dat is Oordeelt, of Vooronderstelt, 1)—dat de boom goed (schoon en edel) is, en de vrucht goed; hf oordeelt den boom vermolmd en zijne vrucht eren eens. Want vit de vrucht ivordt de Loom gekend.quot; Dat is: //Noemt mij goed, wanneer mijne daden goed zijn, of omgekeerd; als gij mijne weldaden erkennen moet, erkent ook mijne weldadigheid; schrijft ze niet aan een' démon toe, maar aan God.quot;—Ik kan mij echter met deze zoo algemeen aangenomene verklaring niet vercenigcn. Taalkundig is zij gewrongen. Maken beteekent wel, even als bij ons: of aan iets oenen schijn geven , of 't zich valschclijk zóó voorstellen, althans iets vooronderstellen, zonder zekere wetenschap : — //Er iets vau maken,quot; zeggen wij;—maar zoo ver ik zien kan, beteekent het nooit: iets onpartijdig beoordeelen, ergens zijn oordeel over uitspreken, het goed of kwaad noemen. Ik geloof ook niet, dat mts een beter, een verstandiger en juister oordeel van zijne tegenstanders wacht of verlangt, van hen, die geen. goede dingen kunnen spreken, daar zij boos zijn.
1) Fac, Pinc, verklaart grotius, cn velen met hem; maar als ik wel zie, is 't altijd eene
(jcmuaklp onderstelling, geen gezond of verbeterd oordeel, dat op die wijze wordt ingeleid. Zoo is bij voorbeeld do bedoeling der Joden in de vraag Joh. VIII: 53, door meuer aangehaald, maar die juist het tegendeel bewijst van 't geen hij wil: , tl'ien maakl gij u zeiven ?quot; — Fe rus sensus mi hi videtnr esse, qtiem muilis locis d. aigushnos exposuil, arborem el honam et mal am ipsos Pharisaeos appellari. ReprehcnJil cnim Christus eorum hypcerisin, qued enm honu arbor videri vellenl , malos tarnen fruelus fucerent, eaet. Maldonatüs.
BE BOOM EN ZIJNI. VRUCHTEN.
Maar wat beteekeneu tie woorden dan? Laat ons zien. Dc verzekering, dat zij, boos zijnde, ook wel niet anders dun kwaad spreken kunnen , volgt er terstond op; en deze wordt weder vervolgd in cene uitweiding over de booze woorden, die uit den booten schat des harten voort komen , en waar uit de mensch zal veroordeeld worden. Mij dunkt, dit alles wijst ons op eene andere bedoeling van het; nMaaU den loom goed (schoon of edel), en zijne vrucht goed! —Jezus wil er medezeggen: //Wanneer gij nog het oordeel ontvlieden wilt , verbetert dan den boom, (den schat des harten of uw inwendig zedelijk leven,) opdat er betere vrucht uit voort kome. 1) Eu anders, maakt den loom slecht (vermolmd) en zijne vrucht slecht! Want uit dc vrucht wordt deloom gekend!' Het komt mij voor, dat men al weinig jrzvs' spreekstijl verstaat, door tegen dit laatste: Maakt den loom slecht! bedenking te hebben. De vorm is eenvoudig eene onvermijdelijke tegenstelling van het voorafgaande: Maakt den loom goed! En de beteekenis: uV.én van beide zult gij moeten doen. Zonder verbetering van den boom, geen goede vrueht. Will gij den boom slecht maken of slecht laten, dan is er ook geen beter vrucht van te wachten.quot;
Dit brengt mij eene spreuk van jezus sirach (II. XXVII : 0) in dc gedachte: he rrucht doet de kuituur van den loom aan het licht komen ; — de wijze , waarop hij wordt gekweekt, misschien ook den grond, waarin hij geplant werd; 2) — zoo ook het spreken de gezindheid des harten. En deze spreuk herinnert mij weder ciihysosto.mus, die te regt opmerkt, dat wel, naar de zinspreuk des Heeren, een kwade boom onmogelijk edele vruchten kan voort brengen , maar jezus niet zegt, dat hij niet zou kunnen verbeterd, en zoo er weder toe in staat gesteld worden. Zoo verzacht dit nMaakt den loom goed!quot; ook de vreeselijke uitspraak omtrent het onvergeeflijke der lastering van den Heiligen Geest; — eene uitspraak, die reeds zoo velen nutteloos heeft beangst, en in den zamenhang van jezus' strijd met zijne vijanden alleen hare juiste plaats vindt, gelijk zij daar uit moet beoordeeld worden.
En zoo wordt de spreuk van Boom en Vrucht, oorspronkelijk eene waarschuwing bijonzen omgang met anderen , ook een woord van ernstige z elf be proev i ng. inheide opzigten is zij nog dagelijks van toepassing. 3) Het verborgen leven des harten blijft • nis eene verborgenheid. Zoo min wij de aderen van 't geboomte kunnen openen en daarin de sappen onderkennen, die vruchtbaarheid beloven, zoo min kunnen wij ook de roerselen van't inwendig godsdienstig en zedelijk leven nasporen, —niet eens altijd bij on- zelve,
1) /iehel den Baum yut mul nnue J'rucht gut, Ewald. Muien, noiBiv , is ook de vaste uitdrukking voor vrucht dragen. Dus is 't denkbeeld: „Maakt dca boom goed, veredelt hem: Zoo maakt bijgoede vrucht; maar maakt gij deu boom kwaad, laat gij hem vermolmen of inkankeren, dan moet bij wel kwade vrucht makenquot; Het Maakt den boom slecht! klinkt althans niet barder dan elders {Malt/,. XXtH ; 32) : Vervult de mate uwer vaderen
2) Het woord yeuiyyiov , ruslieulio, euliuratAvlA\. verschillende opvattingen, waarover men Flu izscni {Kung. Rv. ffandlj.) kan nalezen.
3) «Let op de vrucht, waar gij die ziet, om over den boom te oordeelen, en op den boom, waar u die voorkomt, om de soort zijner vruchten te verwaehtcu. Zorgt, om zelve goede vrucht te dragen, en kweekt de spruiten, aan uwe zorg toevertrouwd, tot goede boomen op,quot; Siuam, Het laatste inzonderheid , dat anders minder regtstreeks in jezus' bedoeling ligt, is met de echte welsprekendheid van het hart uitgewerkt.
DE BOOM EN ZIJKE VRUCHTKN.
veel minder nog bij anderen. Zij, die in de kenmerken van bekeering en wedergeboorte het wezen des Christendoms, den maatstaf van hun oordeel en den grond hunner eigene hope zoeken, bedriegen zich gedurig of worden bedrogen. Er is maar één veilig kenmerk: De boom wordt aan zijne vrmJd gekend. Tiet einddoel van 't Christendom, hoe ook opgevat , is zedelijk. Door rjoede werken laat de Christen zijn licht schijnen voor de menschen; zijne gemeenschap met chbistus en zijne verzoening met God ondervindt hij bij zich zeiven, door bevrijding uit de dienst der zonde en den lust om Gods wil te doen. Waarheid, reinheid, liefde, zijn de onmisbare vruchten des Geestes, en zij kunnen niet verborgen blijven. 1) Onwillekeurig doordringen zij geheel het leven, en maken zich in spreken en handelen openbaar. Tie dus deze kenmerken missen, al waren hunne leerstellingen nog zoo verleidelijk, ja! al is er waarheid in, zijn vahche profeten; en die ze in zich zeiven mist, hoe hij ook op wijsheid en vroomheid roem drage, heeft eerst nog den boom goed te maken, opdat ook de vrucht waarlijk goed worde.
Eindelijk heeft deze regel het groote voorregt, dat hij binnen het bereik valt, ook van den onkundigste. Het volk , in de algemeene beginselen van godsdienst en zedelijkheid door het Christendom opgevoed, gevoelt daarvan het noodzakelijk verband, en zonder over godgeleerdheid te kunnen oord eel en , wijst het alle godsdienst af, die den mensch niet beter maakt, en door het gedrag harer voorstanders en predikers niet wordt aanbevolen. Alleen bijgeloof en vooroordeel kunnen voor eene wijl scheiden, wat God vereenigd heeft, en onvrnehtbare dweeperij of een uiterlijk vertoon van godzaligheid in plaats stellen van ware en vruchtbare godsdienst des harten. En met dat al, ja! daardoor juist wordt toch het evangelie nooit de loondienst der Earizeën. De goede werken, die het leert, zijn geen afgepaste taak, geen lastige slavendienst, maar vruchten, die den boom versieren en die hij gaarne en van zelf draagt. Vergeefs, dat aan doorn en distel een vijg of druiventros worde gehangen; maar het vruchthout brengt die voort uit eigen levenssappen , en de Heer des oogstes legt er leven en zegen in.
Ten slotte voeg ik hier, tot vergelijking met de bijbelsche beeldspraak, nog die van een der oudste Christelijke schrijvers bij, den bekenden hehmas, in het boek de Herder genaamd (Hl , 8, 4), dat bij de oude Christenen zoo hoog werd geschat. In een ge-zigte staan hem eene menigte boomen voor oogen, maar alle dor en bladerloos. Toch zijn zij niet gelijk. Maar het is winter. Met de lente openbaart zich het onderscheid. Dan bot 't levende hout uit, en het doode blijft dood. Zoo zal het ook in de toekomende eeuw met de regtvaardigen en goddeloozen gaan! 3)
1) Men vergelijke nog Jak. III- : 17 : wijsheid, die vun boven is , is vol van goede vrvehlen, en Uebr. XIII : 15: Hel lo/'gt;ff(r voor God is de. vrucht der lippen, die zijnen naam belijden.
2) Even zoo augustikus, waar hij (op \ Jnh , Truet. 5) van den Christen zegt: Gloria ejus occulta est; cum venerit Domitius, turn appare/nt gloria. Viget enim, sed ad hue in hieme; vigel radix, sed quasi aridi sunt rami. Int us est medulla quae viget, intns sunt folia arborum, inlus fructus, sed aeslatem exspedant.
276
üeir 'ne'fcn.de op zijn ei (Ton bcosi. voéi-de hi; iw-m in de heT'bery', en verzorgde hem.
DE BARMHARTIG E SAM A H IT A A K.
iJ?» zeker mensch kwam af ran Jeruzalem naar Jericho, en viel onder de moordenaars , welke hem ook uiige!or/en en daarloe zware slayen gegeven hehhende, gingen henen, en lieten liem half dood liggen.
En bij geval kwam een zeker priester den zelfden weg af, en hem ziende, ging hij tegenover liem voorhij,
Rn desgelijks ook een Leviet, als hij was bij die plaatse, kwam hij, en zag liein , en ging tegenover hem voorhij.
Maar een zeker Samaritaan, reizende, kwam omtrent hem, en hem ziende, werd hij met innerlijke ontferming bewogen. En hij, tot liem gaande, verbond zijne wonden, gietende daarin olie en wijn ; en hem heffende oj) zijn eigen beest, roerde hem in de herberg, en verzorgde hem.
En des anderen daags weg gaande, langde hij twee penningen uit, en gaf zeden waard, en zeide tot hem: n Draag zorg voor hem - en zoo wal gij meer aan hem te koste zult leggen , dut zal ik u weder geven, ah ik weder kom.quot;
De Barmhartige Samaritaan is één dier beelden, die ons van kinds af vriendelijk toespraken, en ons het menschelijke in den mensch reeds vroeg leerden liefhebben. En Ziet ilij ons zoo vriendelijk aan, zelfs in het wcstersch gekleurde beeld of op de half mislukte schilderij; reizigers in het Oosten, die den zelfden weg bereisd hebben, zeggen ons, dat zij eerst daiir, op het terrein zelf, het verhaal volkomen hebben begrepen. Met dat al kan de bedoeling eerst regt verstaan worden uit het Evangelie. Wij moeten dus terstond op den voorgrond stellen , dat de Gelijkenis daarin het antwoord is op de wel bekende vraag: nlVie is mijn naaste?quot;
Wie is mijn naaste? Die vraag schijnt den meesten gemakkelijk. Onze leerlingen reeds zijn doorgaans vlot om te antwoorden: //Onze naasten? Wel! dat zijn onze even-ineuschen , die wij, naar Jezivs' gebod, moeten lief hebben als ons zei ven.quot; — • Zot) zegt men algemeen, en gaat henen, en-—doet het niet.— Wat geeft dan de ruime toepassing van een zoo gewigtig hoofdgebod ?
Maar zij, die zoo vlug zijn met hun antwoord, hebben waarschijnlijk nog nooit diep nagedacht op het onderwijs van Jezus hieromtrent, ilij maakt zich zoo gemakkelijk van deze vraag niet af, en beantwoordt haar ook geheel anders. Laat ons zien.
DE BABMHAHTIOE SAMA1UTAAN.
De man, die dc vraag deed, was een wetgeleerde. Zoo werden die schriftgeleerden genoemd , die bijzonder van liet wetgevend gedeelte der heilige schrift, de Thora of vijf boeken van mozes, werk maakten, en wier uitspraken vooral in zaken van theokratisch regt werden geëerbiedigd. 1) Zijne ontmoeting met den Heer hangt met het voorafgaande, zoo ver ik zien kan, niet te zamen. Men heeft bij lvkas over het geheel voel te veel orde en zamenhang gezocht, daar zijn Evangelie voor een groot deel uit kleinere, op zich zelf staande afdeelingen bestaat, die doorgaans beginnen : Fm het geschiedde; — hier: En ziet!
Een zeker wetgeleerde dan stond op, hem verzoekende en zeggende; uliahhi! wat doende zat ik het eeuwige leven leërren ?quot; — Gij vraagt misschien, waar die verzoeking in gelegen is, en hebt, naar ons gebruik van het woord, regt. 2) De zaak is deze. Naar den aard van het Joods lie onderwijs, werden den Eabbi dikwijls in het openbaar vragen gedaan. Jezus zelf deed het reeds op zijn twaalfde jaar. Daartoe stond men op, wanneer men in huis of naar zijnen rang in de synagoge gezeten was; of uit de schare trad de vrager te voorschijn. Aan jezi's nu werden zulke vragen gedaan met een tweeledig doel : of uit ware heilhegeerte, zoo als dc rijke jongeling deze zelfde vraag deed; of om jezus' wijsheid op den toets te zotten, zelfs wel, om hem door eene strikvraag in het net te lokken, zoo als in liet geval met de overspeelster en dat met den schattingpenuing. Aan dit laatste, boosaardige oogmerk hebben wij hier niet te denken. Lvkas wil eenvoudig zeggen, dat de wetgeleerde de vraag niet deed om het eeuwige leven te beërven, maar eenvoudig om te hooren, wat do beroemde Rabbi er van zeggen zou.
Dit wordt ons nog duidelijker, wanneer wij, met mattheüs en makkus, dc vraag in de laatste week van JEzrs' leven verplaatsen, cn haar zijo stellen: nWelk is het grootste gebod der wet?quot; Lvkas, die zich niet altijd zoo geheel indenkt in de Babbijnsche termen, heeft de bedoeling der vraag (//eene volkomene of voldoende geregtigheidquot;) met andere woorden weder gegeven, en daarbij waarschijnlijk de vraag van den rijken jongeling voor oogen gehad. 3) Het is hem duidelijk te doen om de Gelijkenis, meer dan om het vooraf gaand gesprek zelf, zw als deze Evangelist gaarne de aanleiding tot jezi's' onderwijs mede deelt, en dit misschien niet altijd even juist doet. 4) Ik kan mij ten minste
1) Men vergelijke over liet verschil van roftixó; eu ypa^juarsi s het AV oorden boek van iiarting. De Schriftgeleerden hadden, zouden wij nu zeggen, meer exegetische, dc Wetgeleerden meer juridische studie, waartoe voor beiden niet bet minst de traditie (jutradosis) behoorde,
2) liet woord neiQaieiv bet eekent zoo wel verzoeken als beproeven, en kan daardoor wel eens meer tot misverstand aanleiding geven, b v. Jak, 1:2, 1? enz.
3) Het verdient opmerking, dat de vraag van den rijken jongeling bij i.ikas (11. XY1II;18) letterlijk met die van den Welgeleerde overeenkomt. Bij mabkus (II. X : 17) verschilt zij iets, bij maitheüs (II. X1 \' : 10) meer.
4) Eene naauwkeurige ontleding van i.ukas' Evangelie zou misschien tot geheel nieuwe resultaten leiden. Zijne inleiding (II. I : 1—4) heeft velen op bet dwaalspoor gebragt. Ik geloof met Dr. ottema [Jaarhoehen, 1849), dat i.ukas ecu defekt exemplaar van makkus, met andere mondelinge cn schriftelijke bronnen, beeft geraadpleegd. Dat hij nu, bij liet inlassehen dezer afzonderlijke stukken, zoo veel mogelijk de aanleiding tot jezus' spreuken cn beelden mede deelt, kan ieder aandachtig lezer zelf opmerken, liet werk van lok as, nadat reeds ttoo velen het hadden ter hemd genomen, moest noodwendig meer den vorm krijgen van eene compilatie.
278
de barmhabtioe samaritaan.
niet voorstellen, dat liet zich letterlijk zoo zal hebben toegedragen, als hij ons jkzus' antwoord verhaalt.
Fm jkzus zeide tot hem: uWal is in do wet geschreven? Hoe leest gij?quot; En hij antwoordende zei de : nGij zult den lieer uwen God lief hebben uit geheel uw hart, en uit geheel uwe ziel, en uit geheel uwe kracht, en uit geheel uw verstand, en uwen naasten als u zei ven.quot; Eu hij zeide tot hem; u Gij helt regt geantwoord. Doe dat, en gij zult leven (het eeuwige leven beërven).quot;
Hoe? Een onbekend wetgeleerde zou hot eerst de twee hoofdgeboden der christelijke zede leer, die geen Rabbijn immer tot de koninklijke wet verhief, in het wetboek hebben opgespoord ? Eu hij, de letterknecht, zou met zijn uen uwen naastenquot; op eens uit Deutero-nomiuM in levitikus zijn overgegaan? Dan was later jezis' aanwijzing van het grootste gebod slechts navolging? — Tot zulke ongerijmdheden moet men wel vervallen, wanneer men de letterlijke naauwkeurigbeid der Evangelie-verhalen wil handhaven. Hierdoor moet men dan ook tot allerlei gedrongene verklaringen, die niets anders dan het vernuft der uitvinders bewijzen, de toevlugt nemen. Zoo heeft men zich hier beroepen op de gedenkcedels, die de naauwgezette Joden voor het voorhoofd en om deu linkerarm droegen. Tot de uitgelezene spreuken, daarop geschreven, behoorde ook die over de liefde jegens God, en — zoo gist men — mogelijk ook de andere omtrent de liefde tot den naaste, f) Jezus zou dan met den vinger daarop gewezen hebben, vragende: u Wat leest gij daar ?quot; En zoo komt ten slotte toch aan het Rabbinisme de eer toe van de grondslagen te hebben uitgevonden voor de christelijke moraal.
27!)
Maar wij laten do taak, om door eene opeenstapeling van zulke gewrongene verklaringen de letter van den Bijbel te redden, aan hen over, die er heil in zoeken. Ons komt het natuurlijk voor, dat ook bier mattheüs beter in het Eabbinisme te huis is als luk as. Hij verhaalt, hoe, na de nederlaag der Sadduceën, de Earizeën vergaderden, en één hunner, een wetgeleerde, de taak op zich nam, om nu ook jiz.T's' wet kennis eens te beproeven met de vraag naar het grootste gebod. Jezus'antwoord {Ma/th. XXH : 37—10, naar Deut. V1; o en Levit.W\ : 1^,) is bekend. Hij gal in twee gezegden van mozis den sluitsteen van al wat wet en profeten, — niet enkel de Thora, maar ook al de over ge heilige schriften, — van den menseh vorderen. En vragen wij nu, hoe luk as het antwoord van jezus den wetgeleerde kon in don mond leggen, markus heldert dit op; — en hoogst waarschijnlijk is wel zijn Evangelie, maar niet dat van mattJ)eüs, aan lukvs hekend geweest.— Het was namelijk bij het onderwijs der Rabbi's niet vreemd, dat leerling of toehoorder het gezegde herhaalde, om te toonen, dat hij het goed begrepen had en cv mede instemde. Zoo is 't ook hier. Ofschoon hij met geen vriendschappelijk oogmerk gekomen was, werd de wetgeleerde zóó door jezus'antwoord getroffen, dat bij zeide: uRalM! dat hebt gij wel in waarheid gezegd, dat er een eenig God is, en daar is geen ander dan Hij; en Hem liej te hehhen uit geheel het hurt, en uit geheel het verstand, en. uit geheel
l) Dat ook Irmt. XIX : 18 op de zoogenaamde gedenkcedels (phylaktericëu , Mutlh. XX111; 5j stond, is door kuinotjl geheel uit dc lucht gegrepen. Zie uouifoot op mattuhK
38*
DK BAllMllARTIGK SAMARITAAN.
do. ziel, en uit geheel de kracht, en den vaasten lief te hebben ah zich zelren, is meer dan ai de brandofferen en de slagtojjeren.quot; ■—- Zoo verklaart zich ook de vorm, dien liet antwoord van den welgeleerde bij x/dkas heeft. De man, die de Thora aanbidt, is door deze keur van hare woorden getroffen, en vergeet zoo zeer zijn eerste oogmerk : //Jezus te beproeven;quot; dat wij ons ook van den liefderijken Heiland gemakkelijk het welwillend oordeel kunnen begrijpen, waarmede maekus zijn verhaal besluit: En Ji'/us, ziende dut hij verstandig geantwoord had, zeide tot hem: //Gj zjt niet ver ran het koningrijk Gods!quot; {Mark. XIII : 32—34.) 1)
Van hier af vervolgt lukas alleen, en bewijst met dit vervolg, dat de man wel niet verre van het koningrijk Gods was, maar toch de gewone hinderpaal, de Farizeesche e gen geregt gheid, hem nog in den weg stond , om daar binnen te gaan.
Maar lij, willende zich zelren regtvaardigen, zeide tot jezus: u En wie is mijn naaste ?quot;
Dut deze vraag op het gebod slaat, in de tweede plaats door jezus opgegeven, begrijpt ieder; minder misschien, hoe de man die vraag kou doen om zich te regtvaardigen. 2) Maar ook dit is niet moeijelijk te verstaan, als wij altijd maar van den Farizceschen grondregel uitgaan: //Oie de wet (dat is: de letter der wet) houdt, is regt-vaard'g; die haar overtreedt, een zondaar/'' — Natuurlijk, dat een zoo aanzienlijk wetgeleerde toch wel zelf do wet mogt onderhouden. Dit uu hing af van de min of meer ruime opvatting van het woord naaste. Werd dit beperkt tot hen, wien de. wetgeleerde broederliefde toedroeg en bewees, zoo kon hij met den rijken jongeling zeggen: uAl deze dingen heb ik onderhonden van mijne jeugd af aan. Hat ontbreekt, mij nog?quot; — Zich geregtvaardigd hebbende, (en hij zou zich schamen, als hij dat niet doen konde!) zou hij nu toch nog, naar de leer der llnbbijncn en 't onderr gt van ji zus aan den genoemden jongeling, eene hoogcrc volmaaktheid kunnen najagen. 3)
En wie gevoelt nu niet reeds, dat in zulk eene stemming do wetgeleerde volstrekt niet.
1) Hot is vennoeijend, al de vcrscliillende tticcningcn op te tellen over de vraag, of de ontmoeting met dezen welgeleerde de zelfde is, die mattiIeüs ca markis later stellen. In een zoo veel bewogen leven, met gedurig veranderde omgeving, is het natuurlijk niet te bewijzen, dat jkzi'S niet tnee malen het zelfde kan gezegd hebben, cn blijft duarover het oordeel altijd subjectief. In het algemeen ga ik van hot beginsel uit, dat verrassende ontmoetingen niet ligt twee maal op de zelfde wijs gebeuren ; — dal lukas, als getuige van den tweeden rang, in letterlijke naauwkeurigbeid bij do oudere Palestijnsche achter stoat;—en dat 't hem dikwijls zigtbaar te doen is, om van jezds'spreuken eene aanleiding op te geven , waarin bij dus wel eens kan gefaald hebben.
2) liet is mij niet regt helder, hoe, volgens mi ijkh en vissering , do wetgeleerde zich zou. hebben willen regtvaardigen wegens zijne vraag. Ink. XVI: 15 komt het zich telre» rcglvaardigen voor th mem dun geheel in den zin, zoo als wij het hier hoven opvatten, voor; en in de Gelijkenis van W/n.w cn Toller,aar (11, XVII1 ■. 14), zullen wij weder Dixaiovy in de zelfde wettische beteekcnis terug vinden.
3) Op zijn' gewonen originelen loon zegt i.ütii er van deze vraag; Da mil hekmnel er frgt;i, (Jat.: n ifitim Nachslrn nicht gp'iebcl hnhc, ilvltmul er tipch nicht dahin kommen Int, (lngt;: cr .innen Ndchs/m kennrte. Was hit ft Hm deun Mosn mil sruem Gesetc? Maar toch juister elders: Er/ragt nicht; ffer iit mei» Öotl ? Ah soltle er spriclien; M tin Gelt niehts sehu'dlg, mil Goll kal es kcln Feht; aveh las-ich mieh dhnken , das: iek teirem Memeken eltcas schuldig tin: denncck mille ieh gerne wissen, wer mem Ndihster ware.
280
Dl, BAUMHAUÏIOE SAMARITAAN.
kou tevredengesteld worden met liet antwoord: //Alle mcnsckcn zijn uwe evennaasten?quot; — Hij z 'U het n et aangenomen, niet geloofd, niet eens begrepen hebben. Maar wij willen z'jne vraag v mreerst laten rusten, de, naar jezis' voorbeeld, verschuivende tot het slot der Gelijkenis, waarmede de Heer ze beantwoordt, en die ik nu ga verhalen.
Zeker mensch kwam af van Jeruzalem naar Jericho, 'l Is geen zinnebeeldige uitdrukking, dat afkomen of afdalen. IN'adat men van Sion is afgedaald, klimt men wel weer, en nog hooger, tegen den olijfberg op; maar aan het einde van het bergland, waartoe Jemzcitem grond behoort, heeft men een allerprachtigst gez'gt in de depte, en daalt ru in J'ljOD voeten af in de Jordaanvlakte. 1) Aan hier de. vaststaande uitdrukking van op te gaan naar Jeruzalem. In grootc karavanen en oud r juichend psalmgezang trok men jaarlijks daarhenen, over heuvelen tn dalen, tot men de hoogvlakte beklom; cn even eens daalde men, na 't vrolijk pascha, weder van de stad der bergen af. Maar ook bij meng andere gelegenheid bezocht d ■ Israëliet den tempel; of wel, enkele feestgangers vertoefden er langer, om clan met weinigen of alleen terug te koeren. En zoo hebben wij ook hier renen Jood voor ons, d;e te Jeruzalem zijnen tempelgang gedaan heeft. Ware het een vreemde, jr.zrs zou bet zeker g.-zegel hebben. Later zullen wij ook zien, dat de man zelf betrokken is in do vraag, de alleen Israëlieten gold: Wie-is mijn naaste?
En waar heen g ng zijne reis? Kaar Jerhho, de beroemde palms tad, waar men doorredde naar het overjordaansche; ook de Clabk-ërs, d e het vijandig Samarlc wilden ontwij ken. Sprak jkzis de Gelijkenis in zijné laatste levensdagen uit, dan had bij juist d.en togt, van de andere zijde af, gedaan: uit Perea de Jon/aan over naar Jerlclo, dat na aan de r.vier lag, en van bier naar Jeruzalem.
Maar was de omtrek der beide steden bloeijend schoon, de weg zelf, van Jtelhanu' af tot in de nabij be d van Jericho, ongeveer vijf uren gaans, loopt door eene woestenij van steenklompen, schaars met doornstruiken en onknrd bewassen. Tbans wordt zij de woestijn Quarantania genoemd, naar bet veertigdaagscb verblijf van den Zaligmaker. Di-, weg, die er door henen leidt, is sinds meer dan twee duizend jaren als zóó onveilig bekend, dat eenzame reizigers in jkzus' tijd vaak den veü.ger' omweg over Belhlehm verkozen, en men nog niet dan met een goed gewapend escorte de reis durft doen. .luis! ben ik in de gelegenheid , om d t door bet verhaal van twee mijner vrienden , beide ooggetuigen, oji Ie helderen.
Het eerste is van Dr. F. mppouh (in de Profest. Monatsllöller, 1803): //Wij hadden omstreeks zes uren noodig, om bet bergland tusscben Jeruzalem en bet Jordaandal door
1) .hrmalem iiftt 1200 a 1300 voeten hoven de oppervlakte der zee; de vlakte van Jeric/o, die tre-lioudeu wordt voor de laagste plek van de gelieele aarde , ligt even diep beneden de ?,ce.
DE BARMHARTIGE SAMARITAAN.
te trekken. Voorbij Bethanië hadden wij nog een' tijd Lang vruchtbaar land, maar kwamen toen in het onherbergzame, met diepe kloven doorsnedene rotsgebergte, van ouds de woestijn van Jiuhi geheeten. Men kan zich geen terrein denken, dat beter past voor de Gelijkenis van den Samaritaan. De verscheurde rotsklompen en steil afzinkende dalen daar tussehen , vormen een veel akeliger woestijn , dan de stille majesteit der Egyptische of Lybische vlakten ons te aanschouwen geeft, schoon hier zoo wel als daar naauwelijks de matige kameel eenige stekelige kruiden vindt. Toch is niet altoos Judas woestijn zóó verlaten geweest: althans, wij zagen hier nog de ruïnen van een' ouden Khan, en 't overblijfsel van enkele watermolens. Prachtig is, aan den uitersten rand van dit rotsgebergte, het gezigt, diep in de vruchtbare vlakte.quot;
De tweede getuigenis is van onzen landgenoot Dr. e. m. meima , die in het jaar 1852 met den lieer heemstra het heilige land bezocht, (grootendeels afgedrukt in de Lectuur voor de Huiskamer, 1856:) //Hoe wel wij voorzien waren van eenen Eirman van Sultan Abdul, waaraan men eene bijna goddelijke eer bewijst, verklaarde de Pacha van Jeruealem, dat hij voor de rooverijen der Dedoumen niet kon instaan. Onze vrienden raadden ons ernstig, ons met den Scheick dier roovers in betrekking te stellen. Wij gaven hem voor elk onzer honderd piasters (ongeveer tien gulden) en een schaap. Daarvoor kregen wij een' gewapenden Bedouïn te paard mede, die, mogt het noodig zijn, den roovers zou toeroepen, dat wij geassureerd waren. Naauwelijks anderhalf uur van Jtru-zalem kwamen er werkelijk uit het gebergte eenige kleine troepen op ons aan , doch onze Bedouïn reed op hen toe, en gaf met veel geschreeuw van onzen toestand kennis, waarop zij zich verwijderden. Zulke ontmoetingen hadden wij op dien dag nog twee of drie maal. Somtijds hoorden wij ook geschreeuw in de gebergten, zonder dat wij iemand zagen, het welk dan telkens door onzen Bedouïn beantwoord werd, en waarop onmiddellijk stilte volgde. Alles, ook het afgaan naar de diepe vallei van Jericho, herinnerde ons de bekende Gelijkenis. Wij zeiden het meer malen tot elkander: //Het is, of hier in die achttien eeuwen niets is veranderd.quot;
//Den nacht bragten wij door in liet in de rotsen gehouwen en gebouwde klooster San Saha, met vele pelgrims, en vertrokken des morgens vroeg, na een hartelijk afscheid van onze gastheeren. Terwijl wij vrolijk en wel voort reden, kwam er eensklaps van achter eenen berg, een van top tot teen gewapende Arabier te paard in vliegende galop o]) ons aanrennen, en gebood ons stil te staan. In een oogenblik zagen wij ons van eene menige Bedouïnen , zoo te voet als te paard, omringd : de eersten liepen geducht hard. Na eenige woordenwisselingen tussehen onzen Hedouïn en den eerst aangekomen' Arabier, die vrij wel gekleed was en een Scheick scheen te zijn , kregen wij vrijheid om verder te gaan, en werden ons daarenboven nog acht man , zoo te voet als te paard, tot geleide mede gegeven. Nu vernamen wij, dat een twintig kameelen, die wij onder weg gezien hadden, nog geen uur geleden door hen veroverd en daarbij drie men-schen gedood waren. Later ontmoetten wij reizigers, die acht dagen daarna nog hunne lijken onbegraven op het veld hadden zien liggen. Zoo hebben wij bijna vier en twintig
282
de barmhartige samaritaan.
uren lang onder het geleide van deze met bloed bevlekte menscheu gereisd , langs de Doodc zee en den snol vlietenden Jordaan. Zij vermaakten ons met hunne bewonderenswaardig snelle manoeuvres en hun eentoonig gezang , pinkten bloemen en zochten steentjes voor ons; met één woord, zij waren zoo gedienstig, zoo erkentelijk en zoo getrouw, dat wij ze voor do zachtaardigste mensehen van de wereld zouden gehouden hebben, indien wij geene kennis gedragen hadden van hunne wandaden, waaraan zij intusschen niet meer schenen te hechten, dan de jager aan het wild , dat hij gedood heeft.quot;
Na ons zóó op het terrein verplaatst te hebben, vatten wij het verhaal van den Heiland Weder op. De reiziger in de Parabel had geenerlei voorzorgen genomen. Hij kwam van ver, had nog veel wegs te maken , en achtte misschien die geruchten van onveiligheid overdreven. De omstandigheid, dat juist priester en Leviet achter hem op den weg waren, doet ons denken aan den afloop van eenen feesttijd: eene uitstekende gelegenheid voor de roevers, om op de nakomende feestgangers jagt te maken. Was deze man met de veilige feestka-ravaue gekomen, maar te lang opgehouden iu de heilige stad, dan begrijpt het zich te eer, dat hij geen gevaar kende. Maar hoe berouwt het hem ! Aan bet meest woeste en eenzame gedeelte van den weg gekomen, ziet hij van achter een rotsblok of tusschen het kreupelhout verdachte vreemdelingen op zich afkomen. J)e open weg laat hem geene gelegenheid tot de vlugt. Er staat ook niet, dat hij op de gewone wijze, op een' ezel, de reis deed; en was hij voetganger, zoo was er nog minder kans van ontkomen. Hj viel dus onder de moordenaars, 1) — liever struikroovers, — die hem uUplmderden en daarenhoven slagen (houwen of steken) toébragten, ~) en half dood Helen Hijgen. Zoo duur mogelijk zijn leven verkoopende, is hij eindelijk voor de gewapende overmagt bezweken, en ligt daar nu naakt uitgeplunderd en zwaar gewond, reeds half stervende van bloedverlies.
Do booswichten hebben zich met hunnen buit weg gemaakt. Zij hebben zich daarbij geen' tijd gegund, om te onderzoeken, of hun slagtoffer nog leeft, om hem anders verder af te maken. Hij haalt dus nog adem. Hij is zelfs niet eens doodelijk gewond, maar toch geheel bewusteloos, ten minste buiten staat om zich op te rigten, of zelfs om hulp te roepen. En wien zou hij ook geroepen hebben in deze barre woestijn? Geen enkel huis is er verre in den omtrek, en dagen gaan er voorbij, waarop in dezen stillen tijd geen enkele reiziger zich waagt op den akeligen weg.
Verschrikkelijk lot, zoo hulpeloos te moeten sterven! Maar het geval is den armen reiziger gunstig. Zoo ten minste noemt jkzis , die, daarbij inde gewone volkstaal spreekt,
1) UeaihiBttev , .so Htm er ringsvm von ihncn umgebcn war. Meijkb, liet woord Igatyg, struik-roover, is door ouze Bijbelvertalers (ook van hen, die met jezus gekruisigd waren,) te ouregt moor-Henaars vertaald.
2) Het herhaalde xut, de eerste maal door ook overgezet, wordt missehieu beter dus vertaald ; welke., f'.i hem uilgepluntlerd t cn hem (als hij weerstand bood) .slagen loegebrcttjl hebbenHe t heen gingen, veria-le. Ie he.iii, half Hood zijnde. — Slagen zijn hier stooten, houwen of steken, door wapenen ioegebragt. Wut dus de beleekenis betreft, kan men ook zeggen , dat /.ij hem toovden loebrugien ; de wonden zelve worden echter door een ander woord (uiel, nXr/yij, maar r^u un) uitgedrukt, vs. 34. Het eerste be-toekent overal den slag, met of zonder wapen, die de wonde toebrengt.
28;s
DE BARMHARTIGE SAMARITAAN.
het zamentretfeu van gebeurtenissen, die niet te bere'kenen zijn of te voorzien; al weten wij, Jat cr bij Goil geen toeval bestaat, en wat wij zoo noemen , dikwijls eene verrassende uitkomst is van het hooge godsbestuur. 1)
Zoo is liet oolc Lier. En bij geval kwam een zeker 2) priester den zelfden mg af. Ook hij daalde dus af van 8ions gebergte. Hij heeft er zijn heilig dienstwerk verr gt. Dc priesterlijke geslachten waren daartoe verdeeld in vier en twintig afdeelingen, d e ieder eene week dienst hadden. Wij kennen deze dagordeningen reeds uit de instellingen van DAVID, en nog uit de geschiedenis der geboorte van johanms den Doojxt. (1 Krov. XXIV; Luk. 1:5, 8.) Nadat voor dezen priester de beurt zijner dagordening, of de buitengewone bezigheid der feestdagen, voorbij is, keert hij naar huis terug. Want de priesters behoefden in ■Jeruzalem niet to wonen. Men vond er over 't geheele gebergte van Jndea, velen ook in den omtrek van Jerieko. 3) Nu wordt dan toch zeker de ongelukkige gered. Dit toeval is Gods vinger. Dc priester, die juist in den tempel dienst heeft gedaan , zal den man niet hulpeloos voorbij gaan, die dfiiir heeft aangebeden, zijn' naaste,
zijn' broeder..... Hij ziet hem reeds; maar — hij schrkt en denkt: //Hier is 't niet
veilig. Misschien zijn de roovers nog in de nabijheid, 't Is zaak, dat .k voort maak, en mij niet ophoud bij dien vcrslagene, om niet straks te worden als hij!quot; — Een iijk aan te raken, is ook voor den priester eene onthcil ging. Nog gaan zij, die van priesterlijk geslacht (cohen) zijn onder de Joden, met dooden niet om. Hij gaat dus voorhij, ontwijkt zelfs het akelige gezigt, en wijkt uit naar de over/.ijde van den weg, en drijft haastig zijnen ezel voort........ De priester , hem ziende, ging tegenover voorbij. 4)
Deze tweede reiziger is uit liet gezigt; de eerste ligt daar nog even hulpeloos; maar
1) De uitdrukking xnta avyxvyiay, cu zelfs liet laatbte woord, komt hier alleen voor. Het be-teekeut door zamentreffen. Do altisohe vorm is niet crvyyvyia, maar (rvyxii/i/ais of (rvyxi(iijpa. Van hek palm zegt, dat de ontmoeting van Priester en Leviet toevallig vos, omdat dezen meer gewoon waren, den veiliger'weg over Relhlchem te nemen, terwijl een Samaritaan, in Judni reizende, van zelf eenzame wegen koos. (Jverred enen, X[]I:22i,) Ik zie hiervoor nog geen bewijs.
2) De uitdrukking avftQumd; rij, :f/rer metisc/i, ng, zekere prieüer, aaftdQeirijS t'é tn , rn cckere Sumarifaun, is bijzonder luius eigen (11. I ; 5, Vlll :27, X : 25 enz.), inzonderheid o. k in de Gelijkenissen: van den Rijken Dtceas (Xll ; Ifi), van het Gastmaal (XIV ; 10), van den Verlorrr, Zoon (\V ; 11), van den Reiitmeei-ter (XVI:!), van ^^. ?(//•«» (XVI: 19, 20), van den Ihgier (X VIII: '■gt;). van de Ponden (XIX : 12), misschien ook van de Bcoze Tandliclen (XX : 9). Deze opmerking trof mij te meer, omdat ik bij de andere EvangKlisten deze meer Grieksehe eonstnetie in 't geheil niet vond; want in den aanhef van twee Gelijkenissen bij maithiüs (XXI; 28, 33) heeft tischendoi^ï te regt dit Ttg achter nvamp;qtanos weg gelaten.
3) Bij liguïfoot op tuk. I ; 5 en X:30, kan men veel vinden over de viste staties of dagordeningen van Jer ie to , (berekend op dc helft van die te Jeruzalem,) dat echter liet helder is. Misschien heeft d'e Rabbijnsehe overlevering liet meeste regt, d'e verhaalt, dat te Jer'cto zich altijd een deel der priesters en Levieten ophield, om te zorgen, dat dc tempel steeds van lut noodige voorzien werd.
4) liet woord uvnrtn^^Xlfev komt in het Nieuwe Testament hier alleen voor, en is zeer sehilderaeh-tig; //Hij ging voorbij, maar koos met opzet dc tegenovergestelde zijde van den weg.quot; Van den Leviet wordt het zelfde gezegd. Het woord heeft in het Boek der wijsheid (XVI : l'i) juist eene tegenoveree-stelde, maar even schilderachtige beteekenis: «tegen het gevaar, dat den ongelukkige dreigt, erbij komen, en hem helpen.quot; — Gkotius dwaalt, als hij hier vertaalt; prneteriit contrnrio iiinere, dns , naar Jeruzalem want ook de priester kwam af, en er staat niet, dat hij omkeerde, maar dat hij voorbij ginp.
281.
IE lUKMIIAliTIGE SAMARITAAN
liet geval is dit maal den armen man gunstig; het biedt hein, meer dan é6ic kans tot redding. Daar nadert weer een reiziger; hij komt zeker ook van Jeruzalem, en is een Leviet: een Jood van den heiligen stam, afgezonderd, om de pr.esters (aürons zonen en dus hunne stamgenooten) in hun godsdienstwerk bij te staan. Ook van hem mag men dus met regt belangstelling in den ongelukkigen feestganger verwaehten. Hij houdt dan ook, aan de plaats gekomen, zijn lastdier even op; komt nader bij, en ziet den bewuste-loozen, zieltogenden menseh liggen. Zal hij afstijgen, en tenminste nog hulp beproeven? Maar ook hem grijpt de angst voor veiligheid en leven aau. Dit oponthoud kan hem doodelijk zijn, en zal toch wel niets geven. Aan dien man is immers niet meer te doen! 1) Straks valt de avond, en overvalt hem misschien het gevaar. Zoo denkt hij, en wendt
zich haastig af, en drijft zijn lastdier aan..... Desgelijks ook een Leviet, als hij was hj
die plaats, kwam hij, en zag, en ging tegenover voorhij 2)...... De zwaar gekwetste, zoo
hij nog het oog kan in 't rond slaan, ziet in de naakte, gele steenklompen het beeld van het koude hart zijner landgenooten ; maar waarschijnlijk kan hij dit niet meer. — //Deerniswaardige toestand,quot; schrijft stüart: //rampzalig boven alle beschrijving! Beroofd, tot op het lijf toe uitgeschud van eigendom, van deksel, van noodpenning op den weg; gescheurd, geslagen, gekneusd, gewond, getrapt; naakt en bloot achtergelaten door na-tuurgenooten, die men niet beleedigde, niet kende, wier onregtvaardigheid men slechts niet terstond voldeed, wien men daarna toch alles gaf, en vruchtelocs om lijf en leven smeekte! Het verlies van zelfbewustheid is de cehgc zegen bij zulk eene overmaat van smart. (Jelukkig is zij het deel van dezen ellendige, die geenen der voorbijgangers bemerkt. Tot zich zeiven te keeren in zulk eenen staat, moet nog schrikkelijker dan de mishandeling zelve zijn.quot;
Nog ééne kans op redding nadert. Zal het de laatste zijn? Maar deze reiziger komt hier niet bij geval; hij is ook niet afkomende van Jeruzalem. Reizende, hoogstwaarschijnlijk als koopman, kwam hij omtrent hem. Het is een zeker Samaritaan. O! wanneer wij maar eenigzins den weerzin kennen, dien deze naam bij iederen regtgeloo-vigen Jood van jezcs' tijd opwekte, dan kunnen wij ons zoo voorstellen, dat hij van hem allerminst hulp wachten zou. 3) Ja! de echte Farizeesche dweeper zou liever in zijne reinheid en heiligheid gestorven zijn, dan dat hij gered werd door eene (eng water, die een vervloekte Samaritaan hem reikte. — (üj kent immers de oorzaak van deze diepe, nu reeds veel meer dan twee-duizend-jarige veto? In Sam ar ié had zich het nietig overschot der tien afgevallen stammen met heidensche volkplantingen vermengd, l) De Joden,
1) Li.sco uoemt hem nog onmcnscbclijker dan dc priester, daar hij gtmuere. Kei.nlnhz seiner tdilfostn lage crlongt,. Ook 'ruisen zegt; Tu his cruelty there was an additional- aggravation; fcr he, il might he out of curiosity, drew near etc. Ik geloof niet, dat dit in deu geest van JEZUS ligt,
2) Hoe schandelijk het was, wanneer Priester en Leviet geen voorbeeld gaven van regt en van liefde, wordt Mal. II en elders aangewezen.
3) Jezus sib.acu stelt hen reeds beneden Israels erfvijanden, de Edomieten en ïilistijnen, zeggende: Twee volken tijn mijne tiel tol een walg, en hel derde is zelfs geen volle; — het verachtelijhe volk, dat te Sichem woont ! (11. L ; 25 , 20.)
4) Tbekcii (Blz. 310, 11) beklaagt zich er over, dat in den jongsten tijd het gevoelen van een'
2S5
DE BAHHHAllTIGE SAMARITAAN.
uit Bahel terug gekeerd, wilden met dit basterdvolk niets te doen hebben. Dezen bouwden nu, in bittere vijandschap, een' eigen' tempel op den berg Gerizim, en ontvingen denkelijk door een' gebannen' Joodschen priester, in nehbmia's dagen, de boeken van mozes. Later werd hun tempel door de Makkabeën verwoest, maar met te meer woede verdedigden zij het rogt van hunnen altaar: ttGerizim trgenover Jeruzalem.quot; Het was vooral tegen de, jaarlijksche feesten, dat die godsdiensthaat ontbrandde. Aan jezus zelf werd eens nachtverblijf in écu der vlekken van Samaric geweigerd, omdat zijn aangezigt was als reizende vaar Jeruzalem; zoodat zelfs de liefderijke johanhes hun vuur uit den hemel toewenschte. Zoo was het, en zoo is het nog, Hoe gering in getal, arm en veracht in hun eigen vaderland, nog vloekt met den laatsten adem de Jood den Samaritaan, en de Samaritaan den Jood, en de puinhoopen van Jeruzalem en Gerizim roepen elkander vloek en verderf toe. Wat was er voor een' Jood, afkomende van Jeruzalem, van een' Samaritaan heil en hulp te wachten?
En toch, ook onze koopman kwam omtrent hem, hield zijn lastdier op, en hem ziende, werd hij met innerlijke ontferming bewogen. Hij dacht niet: //Deze man is zeker een Jood. Hij komt ook al uit dien vervloekten tempel te Jeruzalem. Wat gaat hij mij aan? 't Is mijn broeder, mijn naaste niet. Hij zal toch geen teug water van mij begeeren, als hij nog leeft. En zeker zou hij allerminst zich om mij bekommeren, als ik daar lag.quot; — Hij dacht even min : //Misschien zijn de roovers nog in de nabijheid. Ieder oponthoud is gevaarlijk, terwijl ook reeds de avond valt. Die man zal toch niet meer te helpen zijn, en straks overkomt mij het zelfde lot.quot; — Hij denkt niets of vraagt niets, maar volgt alleen de inspraak van zijn hart. Hij heeft medelijden, diep medelijden met den uitgeplunderden reiziger, die, zonder tijdige hulp, hier jammerlijk versmacht en ellendig omkomt. //Zou hij nog te helpen zijn?quot; is zijne eenige gedachte. Daarna springt hij van zijnen ezel af, gaat naar den man toe, rigt hem op, en ontdekt met vreugde, dat hij nog adem haalt, en er zelfs geene doodelijke wond te bespeuren is. Wat nu te doen? Spoedig weg rijden van deze gevaarlijke plaats , om hulp voor den armen vreemde te zoeken ? Maar dan wordt 't morgen welligt; en morgen — dat haalt hij niet! Of zal hij hem achter zich op zijn lastdier zetten, en dan, zoo haastig hij kan, deze onveilige plek ontvlugten ? Maar reeds is de ezel met koopwaren bepakt, de zwaar gewonde kan zich niet opbeuren of aan hem vast houden, en zulk cenen togt zal hij ook nooit goed maken. Neen ! de Samaritaan zet alle gedachte aan eigen gevaar verre van zich, en onderzoekt bedaard, als een ervaren reiziger, zijne wonden. Was er nu maar een frissche bron in de nabijheid, dat hij die zuiveren en den aamechtigo drenken kon! Maar
gemengden oorsprong der Samaritanen ontstaan is en vrij algemeen aangenomen, tegen de meening der Christelijke oudheid en de getuigenissen der gesehiedenis (2 Kon. XVII ; Ezra IV : 2) , terwijl ook JOKEFÜS ze aXUtttvtii, jezus uXXoyevel; noemt {Luk. XVII; 18). Aan de andere zijde is het zeker, dat er ten tijde van jozia nog v.v.ngaitsc/i overblijfsel van hruêl was (2 Kroti. XXXIV : 0), het geen later denkelijk met de oorspronkelijke lleidensehe bewoners zamen smolt; waardoor de Samaritaansehe met vrij wat meer regt van onzen vuiler jakob spreken kon {Joh. IV: 12), als wij onzen oorsprong van de Uatavieren plegen af te leiden.
286
DE BARMHARTIGE SAMARITAAN.
ja, hij heeft nog een weinig olie en wijn bij zich, van ouds her den reizigers in liet oosten bijna even onmisbaar als hun watervat. Deze gebruikt hij er voor, verbindt den armen man met de zalf, naar de wijze der oosterlingen iu der haast van olie en wijn gemaakt, ]) en verkwikt hem met de laatste teugen van den wijn, zoo dat hij hoe langs zoo meer bijkomt; want brandende dorst is de ergste kwaal der woestijn. Zoo dra hij de vreugde smaakt, dat hij den gewonde weer ziet bijkomen, tilt hij hem voorzigtig op zijn eigen lastdier. 2) Hij zelf gaat te voet er naast, om den zwakke te ondersteunen en het dier zaehtkens bij den toom te leiden. En zoo komen zij, laat en vermoeid, in de vlakte van Jericho, 3) of ook in de stad zelve, waar hem een vrij goede herberg bekend is, daar hij den man henen voert en hem verzorgt.
Ook dit laatste is in het oosten niet zoo eenvoudig, als bij ons. Jsog zijn cr maar zeer weinige herbergen of slaapsteden. Ook de reiziger van onze dagen moet dikwijls op straat of weg zijne tente opslaan, wanneer er geen gastvrij klooster in de nabijheid is. Tn sommige steden, die aan den grooten weg lagen , had men van ouds her zoogenaamde Karavanserais. De reiziger vond in die openbare gehouwen huisdak en niets meer, allerminst voor kranken verpleging. Behalve deze karavanserais vond men ook nog op enkele druk bezochte plaatsen een eigenlijke herberg of khan, hier door het woord bajert of allemanshuis aangeduid, 4) en alleen door zwervelingen of kramers bezocht , daar geachte vreemdelingen bij bijzondere burgers gastvrijen intrek vonden. Zulk een huis hield reeds, tijdens de inneming van Kanaiin , eene vrouw van slechten naam, EACHAB genoemd, in dit zelfde Jericho. Misschien wel was zulk een khan te gelijk bazar voor wie er langer toefde. Een regtzinnige Jood hield haar zeker niet. De Samaritaan is er een oude bekende; hij bezorgt, zoo goed hij maar eenigzins kan, zijn kostbare vracht, en blijft er zelf dien nacht bij.
Den volgenden morgen is de vreemdeling het doodsgevaar te boven , maar nog niet in staat om af te reizen. De Samaritaansche koopman moet vroeg in den morgen 5) weg.
1) In den Jeruzalcmsohcn Talmud wordt de vraag opgeworpen, of men op sabbat een pleister smeren mag voor een' kranke. De eene Rabbi meent, dat het geoorloofd is, wanneer men daartoe vooraf de olie en den wijn gemengd heeft; de ander lant ook dit op den sabbat toe (Ligiitfoot.) Tlceds van ouds diende de olie tot verzachting van wonden. {Jrs. I ; 0.) Zelfs jakob, toen hij alleen mei tijnen stuf over de Jon/aan ging , had toch olie bij zich. (Gen. XXVlIl: 18; XXX11 : 10.) Azijn of wijn niet olie komt ook bij Grieken en Latijnen als heelmiddel voor. (trench.)
Ab uïkechï duesseuiuis (Over Tukat Evangelie , 11. Gen. 1839, Bladz. 77) haalt ook deze plaats aan onder de kleine, maar opmerkelijke bijzonderheden in lukas' Evangelie, die den geneesheer kenmerken.
2) De uitdrukking inï tó ïiïiov y.i^vo; geeft te kennen, dat hij zijne plaats op het dier den armen man afstond , en dus zelf te voet ging.
3) Trkkcii gi-t, dat het te liuhurim kan geweest zijn, eene rustplaats zijdelings van den weg. (2 Sum. XVI; 5 enz.) Eene geheel Joodsche plaats zou echter niet ligt een' Samaritaan nachtverblijf hebben verleend,
4) Lu kas onderscheidt duidelijk de xatalvfia, uitspanning of verblijfplaats, karavanserai te BetMetiem (11:7) van de nuvDoxsioy, (attisch ntivdoxsloy het huis dat allo man opneemt, in onze Gelijkenis. In het latere, Rabbijnsche Hebreeuwsch is dit Grieksehc woord overgenomen.
5) Tegen Jen morgen , t'/v ax Qiov , even als Hand. III : 1 legen de gebedsvre.
287
.'59*
de barmhartige sa5ia11itaan.
Zijne zaken roepen hem elders. De gekwetste Jood is nog ver van huis, arm en uitgeplunderd. Ziju redder voorziet ook hierin. Hij kanwel niet veel, maar doet wat hij kau. En des anderen da ays weg gaande, langde hij twee penningen uit, 1) en gaf ze den waard. De twee denaricen, die hij uitleide, uit de beurs nam en den waard voorlegde, maakten een dubbel dagloon uit, naar de geldswaarde van die dagen, en reikten dus voor eenige dagen toe. 2) Maar hiermeê is hij nog niet tevreden. De waard mogt den kranke eens half genezen en zonder teerkost weg zenden. Van zulke mensehen als toen vooral een bajert hielden, was niets te wachten zonder geld. Kj zelde dus tot den waard: nDraag zorg voor hem, en zoo wat gij lovendien zult te koste leggen, dat zal ik 3) v weder geren, ah ik terug kom,quot; — liever: als ik de zelfde reis wéér opwaarts maak. 4) Nu op reis naar het overjordaansehe en misschien nog verder, denkt hij den zelfden weg naar zijn land terug te maken. Het veer over de Jordaan en de herberg maakten dit tot zijn' vasten gang. Hij is daardoor ook hier bekend, en heeft er krediet. Heeft hij zijne zaken gedaan of zijne waren verkocht, dan zal bij, zoo hot noodig is, voor den vreemde betalen. De waard heeft 't dus slechts op zijne rekening te schrijven; en hij kan zeker zijn, dat deze zich niet haasten zal met een' gast, voor wien betaald wordt, de deur uit te zetten.
En zoo reist de Samaritaan heen, en reist zijnen weg met blijdschap. Al zal hij denkelijk den man, wiens naam hij naauwelijks weet, nooit terug zien j ja! al weet hij niet, of de Jood misschien later zijnen weldoener niet in het aangezigt spuwen zal, als hij hem weder ziet:-—'tis hem genoeg: hij heeft een' mensch gered.
Tot zoo verre mus' varhaal, waaraan ik niets heb toegevoegd, dan 't geen noodig was, om het lokale der schilderij op te helderen en de kleinere trekken der vertelling meer in 't lieht te stellen. Wie de fijnere kunstwerken der natuur onder het zonne-mikroskoop zet, voegt er immers niets aan toe, al ziet men zóó doende veel meer? Zie ze dan nu nog eens in, die zes verzen. Wie was er ooit, die in zoo weinig woorden zoo veel te verhalen wist? Eenvoudigheid en diepte, verhevenheid en klaarheid, daarin is jezvs nimmer geëvenaard. Kooit heeft eenig mensch gesproken als deze mensch. 5)
1) Arischautich: ixfinXoiv aus dm Giirtet. Meijer.
2) Zie over de denarie het vroeger gezegde, Dl. 1, Bh. 348, eu Dl. 11, Bk- 101.
3) Met nadruli iyut. //Gij behoeft dus den man zelf er niet om lastig te vallen.quot;
4) Eigenlijk betcekent tr ifi inavt^yeadoi fie : hij mijn toeder opgaan. Het wordt II. XIX : 15 van den v:elgeboren' man of vorst gebruikt, die den koninklijken titel iu een ver land is gaan halen, eu nu zijn' teruglogt., en dus zijnen optogt naar zijne nieuwe residentie doet. Hier is de beteekenis lokaal: een weder bestijgen van het bergland, waar hij is afgedaald. De algemeen aangenomenc beteekenis van terug koeren komt mij niet bepaald genoeg voor. Van een terug keeren uit Jeruzalem naar Jerieho bij voorbeeld, zou bet zeker niet gebruikt zijn: dit was «weder afdalen.quot;
5) Tam vrisimilia el probahitis esl haec na rralio, ut potius historii quam parabola a quihusdam judical a ail, id Icslaiur lyrantis. (salmi.uok.) In de Catena Patrum Graecorum van coiideuius kan men hiervan het bewijs vinden, liet is er dus even eens mede gegaan als met den armen lazarus Wonder, dat nog de monniken de plek niet aanwijzen, of de denarieën bewaren! — Ineen werk van den Groning-sclien hoogleeraar a. dkikssen {Jesus doc'or sine parabolis et per parabolas , 1742), dat ik eehter
288
DE BAltMHARTIOE SAMARITAAN.
28!»
Wilt gij lol afwisseling eeno Rabbijnscho vertelling (uit de Mldrasch op den Prediker), die men hierbij heeft aangehaald ? Vergelijk dun liever niet, maar eerbiedig ook daarin het beginsel der opofferende menschenliefde, die des noods zich boven de wet verheft.
//Aan den vooravond van den sabbat naderde ahba wh vnna, bijgenaamd de barmhartige, zijne stad, een pak op de schouders dragende, terwijl 't reeds duister begon te worden. Baar vond hij aan eenen kruisweg een' man, door de hitte bevangen of ook aan eene wond (zweer) lijdende, die tot hem zeide: //'Rabbi! bewijs mij deze barmhartigheid, dat gij mij naar de stad draagt!quot; —• Maar hij overlegde zóó bij zich zei ven: //Wanneer ik mijn pak achterlaat , van waar zal ik mij en mijn huis (tot sabbatsmaal) voeden ? En laat ik den kranke liggen, dan zondig ik tegen do ziel.quot; Eu wat deed hij nu? Door de goede begeerte overwon hij de kwade, zoodat hij den man naar de stad droeg. Daarna keerde hij terug, nam zijn achtergelaten pak op, en kwam tegen zonneopgang inde stad. Doch allen verwonderden zich en zeiden: //Is dit abha ïecuanna de barmhartige, en vreest hij in zijn hart niet, den sabbat te schenden?quot; En te zelfder ure deed God de zon opgaan, zoo als geschreven is bij mai.kachi (II. Ill : 20); En over n, die mijven naam vreest, zal de zon der geregiigheid opgaan. Tc, dier ure nu vreesde techanna bij zich zelveu, bedenkende, of hij niet reeds zijn loon weg had. Maar daar werd eene stem uit den hemel gehoord, die zeide: //Ga, en eet uw brood met blijdschap, en drink uwen wijn met een vrolijk hart, omdat uw werk bij God is aangenomen.quot;
Zet nu onder dit tafereel de woorden van het zeven en dertigste vers, dat geheel de zamenspraak met den wetgeleerde besluit: Ga heen , en doe gij desgelijks! zoo hebt gij hier een dier onschatbare beelden van het Evangelie, die ten allen tijde meer nut gedaan hebben, dan de geleerdste dogmatiek en de schoonste moraal. De barmhartige Samaritaan, de weldoener zonder onderscheid van landaard of godsdienst, is overal, waar het Evangelie goed begrepen werd en in hart en leven zijne plaats vond, de type geworden van den waren Christen. En waar wij nog in Christen landen zoo vele inrigtingen van ontferming en hulpvaardigheid zien, als nooit het meest beschaafde en rijkste Heidensche land wist aan te wijzen, daar sluiten wij wel het oog niet voor zoo vele uitspattingen der zonde,
niet heb kuiincu inzien, moet deze Samaritaan worclcu voorgesteld als een der geloovigeu van Sichar. {■/o/i. ,1 \ : 41.) Dat vóór honderd jaren de vraag naar het al of niet gescliiedkandige karakter van dit verhaal, missehien als reactie tegen de Cocoejnatisehe mystiekeiij, ernstig werd besproken, zag ik onder anderen bij één mijner voorgangers in deze gemeente: fktuus kikuwland , in zijne lil/eghtuJi//? I rr-vtiidkclyhhedi n, 1:197. ('s Hoge, 1701.) Hij zit bezwaard met de vraag naar de kenmerken van eene geheel verdiehte Parabel; noemt anderer gevoelens hieromtrent ep, en is zelf geneigd, alle waarschijnlijke vertellingen ook voor waarlijk gebeurd te houden, in de hoop, »dat ermissehien een Uitlegger voor den dag komt, die het hobbelachtige hier tot een elfen pad zal makenquot; !)e grootste fout bij deze al te eigenlijke opvatting was altijd , dat men het verhaal te veel op zieb zelf nam , zonder jezus' oogmerk en de gewone Rabbijnsehe leerwijze in aanmerking te nemen.
DE BAKMHARTIGB 8AMAE1TAAN,
maar leggen toch met vertrouwen de hand op het woord der Schrift i De barmhartigheid roemt tegen het oordeel.
Maar met deze populaire opvatting der Parabel, hoe zeer zij ook in den geest van jezüs is , wordt hare heteekenis nog niet uitgeput. Of zou er niet eenc reden te vinden zijn, waarom do ongelukkige juist een feestganger wezen moet, afkomende van Jeruzalem!' En dan de eerste en tweede, die den man voorbij gaan, waarom zijn ze juist priester en Leviet, de derde, die hem helpt, een verachte Samaritaan? Het ligt toch in jezus' geest niet, om den Joodschen wetgeleerde met opzet eene hatelijkheid te willen zeggen; en even min kan het zijn oogmerk wezen, om de Samaritanen in het algemeen, als zoo veel verdraagzamer en barmhartiger, den Joden tot voorbeeld te willen stellen. Wel merken wij meermalen op, dat do Heer het goede in Heiden, Samaritaan en tollenaar tot beschaming van zijne trot-sche landgenooten aanwendt, met de verzekering, dat er van ooden en westen zullen komen, die de hinderen des JconingrjJcs voorgaan ; •— maar een verdichtverhaal is hiervoor geen bewijs; en van de Samaritanen, door jezus zelf vreemdelingen genoemd, heeft hij waarlijk niet altijd zoo veel gastvrijheid ondervonden!
Om nu reden te geven van die opvolging, die niet anders dan opzettelijk zijn kan : priester, Leviet, Samaritaan, hebben vele oude godgeleerden hier een' dieperen zin gezocht, eene toespeling van jezus op zich zeiven en zijn Evangelie. Dan is de verslagene de zondaar (of adam, dat is de menschheid); de priester de wet, die den armen zondaar niet helpen kan in zijne ellende; de Leviet de profetie misschien, die hem ook al voorbij gaat; en de Samaritaan het Evangelie, of liever de chuisïus zelf: •—waarbij dan natuurlijk over olie, wijn en herberg, en zelfs over de twee denarieën veel gemoedelijks en stichtelijks (voor wien het stichten kan) te zeggen is. 1) Nadat die soort van schriftverklaring, die wij reeds zoo dikwijls ontmoetten en bestreden, lang in het stof der vergetelheid bedolven was, is zij weder voor nieuw, echt diepzinnig en geestelijk uitgevent door onze eeuw , die al het oude nieuw maakt, nadat zij eerst al hei nieuwe heeft oud gemaakt. 2)
1) Al deze mystiekcrij, reeds van oiugenes af, op te tellen, is al te vermoeijend. Men zie die bij Meijer en anderen. Vooral de Grieksche kerkvaders munten daarin uit. (/ie euthymius , cordeuius enz,) Jammer, dat ook lutiieii en, melakciithon zich daartoe hebben laten verleiden. Van ciiiustus' liefde moge ook de Samaritaan het beeld wezen, omdat hij zelf en zijne leer iu zeker opzigt één zijn, maar het allegoriseren der bijzonderheden is een smakeloos vernuftspel, dat daarbij gansch niet onschuldig is. Kalvijn noemde het reeds eene alleyoria futilis , waarom salmeeon dan ook ambkosius en andere kerkvaders tegen zijne //opgeblazene en onbeschaamde onkundequot; in bescherming neemt. Hij zelf neemt beide, de eigenlijke en allegorische heteekenis, aan. Hoe cv nu a sus een veel edeler gebruikmaakte van deze Gelijkenis, om bet mededoogen voor afgevallen broeders op te wekken, zagen wij reeds vroeger. (Blz. 100.) — Zeer voor-zigtig is bet oordeel van maldonatos , waar, zoo als gewoonlijk , het gezond verstand van den kun-digen Jezuïet doorschemert: Ulrum, praeler sensum literalem , sil sensus aliquis mijsticus, non affirmaverim , ncgai'crimr.e; sed quia om/ies veler es Patres id tradiderunt magno consensu, est vulde piobahile, non solum a lieg or ia m, in qua omncs utique eonvenissent, sed mysterium eliam esse, quod Deus omnium menlihus in-stilluverit.
2) Om slechts één uit velen te noemen, kan men eenc uitvoerige verdediging van deze mystieke of typische opvatting bij den geleerden trench lezen. Hij erkent echter, dat in this direclion latere Gnostieken van de Gelijkenis een schromelijk misbruik maakten. — Dat ook hier de uitersten elkander raken , be\vij--t de moderne schenkel , die in priester en Leviet die unauslöschlichen Chmakterhilder htrzlosen
290
I
de bahmhautige samaritaan. 291
Maar gchikkig heeft de gemeente over het geheel nog gezond verstand genoeg, om deze eu zoo vele geleerde dwaasheden af te wijzen, en te begrijpen, dat eene opvatting niet geestelijk zijn kan , wanneer zij met den geest van Christus strijdt, en dat de Bijbel te goed en te schoon is, om vernederd te worden tot een raadselboek, waar ieders vernuft vrij mee spelen mag.
Ook al konden wij van do opgenoemde bijzonderheden geene andere reden geven, dan dat zij de levendige en krachtige kleuren zijn, die het hoofdbeeld op de schilderij beter doen uitkomen, wij zouden daarin gemakkelijk berusten. 1) Maar daar is, ook buiten zulke kunstenarijen , voor ieder woord en ieder beeld in deze Gelijkenis wel eene gezonde reden te vinden, wanneer wij maar de schilderij beschouwen in de lijst dor geschiedenis, de kunstplaat bij de bladzijde van hot Evangelie, die zij opheldert. Daartoe hebben wij eenvoudig terug te keeren tot de vraag, waarop onze Parabel het antwoord geven zal : Wie. is mijn naaste?
//Wie is mijn naaste, dien ik moet lief hebben als mij zei ven, naar het gebod?quot; — Wij hebben reeds gezegd, dat het antwoord, zoo algemeen in onzen tijd: //Alle menschen zijn onze naasten !quot; den wetgeleerde slechts bevreemd , maar allerminst bevredigd zou hebben, zoo als het ook niet in den geest van jezus lag. Mij dunkt, de man zou met de vraag: //Als ieder mij het naast is, wie is mij dan de verste?quot; en met een schouder ophalen over onze gebrekkige wetkennis, zich omgewend hebben en zijn weg gegaan; en — hij had gelijk gehad.
Wij moeten niet vergeten, dat het //lief hebben van den naaste als zich zeiveneen gebod van mozes is, door jezus slechts aangehaald en overgenomen. In het geheele Oude Testament nu is de naaste altijd iemand, met wien men in de eene of andere naauwere betrekking staat : //makker, medgezel.quot; 2) Ook mozes verwisselt het woord met; //broeders , kinderen uwes volksdaar hij wil , dat de Israëlieten elkander als leden van één
flehnn/mszeifm ziet, en in den Samaritaan die von confcssionelUn, feudalcn, nationnlrn Vorurlhcile.n yrrriiiii/te Mcnachrnliebe van JEZUS; zoodat erst auf 'hr Jlóhc des meminnhchen Beutusztsrms Jesu, deze Gelijkenis ontstaan kon. {Da* Churuktcrhild Jrsu, S. 177.)
1) Vithinga. zegt, dat. »als er niets geheims schuilde ouder deze Parabel, do TIeer niet noodig had, er eenige bijzonderheden in te voegen, welke niets doen tot het gemeen verstand van deze Parabel: als het beest, de herberg, de waard, de twee penningen.quot; — Wat zouden onze godgeleerden toch sclioone Gelijkenissen gemaakt hebben! ! — Dat bij vitiunga de gewonde hot Joodsehe volk is en de herberg de ware kerk, waar citristus twee penningen aan geeft, het Oude en het N ieuwe Testament, — zal nu wel niemand meer belaag inboe/omea.—In den zelfden geest, maar met meer praktischen zin en beter gebruik van de eigenlijke opvatting, is de Gelijkenis in het breede uitgewerkt door N. aooi.ns, die er 184. Blz. in qu0 mede vult. {Am4, 1()61.) Van de 08 leeringen, die bij er uit afleidt, ziju deze de minste niet; «Het ooge beweegt het hertevEen medelij dig herte en is noyt ledig noch onvruchtbaeryDo geneoskoust is van een nootsakelijk ende goet gobruyk //Borgtocht is geoorloft;quot; »Wat goet is iu yemant, moeten wy prijsen, al was liet onsen vyant;quot; »üaer en is niets aen gelegen wie het zy , die exempelen geeft; het Exempel goet zijnde moet nagevolgt zijn,quot;
2) Het Hebreeuwsehe woord, ook inliet later Rabbijnsch ia gebruik gebleven, is Vquot;*, door geskniüs zeer juist vertaald qu'ms alius quocum virimus. Het Grieksehe, dat er aan beantwoordt, is eigenlijk een adverbium met een artikel; d. i/ nlrjaioD. Ilicrover straks nader.
DE BARMTIARTTGE SAMARITAAN.
groot huisgezin zullen beschouwen. Niet te onregte teelcenen dus lt;lc Rabbijnen hij dit gebod aan : //Mo/es sluit hier de Heidenen uit.quot; 1) En waarlijk ! er was iu zijnen lijd en nog vele eeuwen daarna reden genoog, om den vricndscliappelijken omgang iler Tsraé-lieten met de TIeidenen niet aan te moedigen. Alaar te ver gingen de scbriflgeleerden van jkzus' tijd, als zij daaruit bet gevolg trokken: //Uwen naaste zuil gij lief hebben, dus moogt gij uw' vijand haten;quot; 2) — waar jezus zijnen eiseli tegenover stelt: hHebt uwe vijanden lief; want bemint gij alleen, die u beminnen, heiden en
tollenaar doen ook nlzoo.quot;
Maar deze uitsluiting van de liefde werd nog venler uitgebreid door de Farizecselie kasuïstick, die te allen tijde ten doel had: zich zei ven te regtvaardigen. EIoc? Zou een onberispelijk en vroom Israëliet iets kunnen lief hebben, wat onrein, zondig, en dus van God vervloekt was? Op dien grond voort gaande, werd do uitzondering ruimer dan de regel : niet alleen de Heiden, en natuurlijk ook de Samaritaan, werd van de broederlijke liefde buiten gesloten, maar ook zondaar en tollenaar, als den naam van Israëliet onwaardig; ook vijand en tegenstander; — en zóó werd de heiligheid dor wet ongeschonden bewaard, maar dc toepassing tot zoo engen kring beperkt , dat het gemakkelijk viel, te zoggen: uAlle deze dingen heb ik onderhouden van mijne jeugd af aan.quot;
Deze geest van uitsluiting, van liefdeloosheid onder don schijn van liefde, gaat je/.us hior, als overal, togen met al zijne magt. En vanhier nu, — terug slaande op de vraag iu het begin, die letterlijk luidt: // F.n wie is mij het naaste'quot;—de verrassende vraag van den Heer, aan hot einde van zijn verhaal: »Wie dan van deze drie dunkt u 3), het naast geweest (of geworden) te zijn ran den genen, die onder de moordenaars gevallen
1) Maimonides (bij lightfoot) leert niet alleen, dat de moord van een' vreemdeling door het Sanhedrin niet met den dood gestraft werd, maar schrijft ook; «Heidenen, met wie wij niet in oorlog zijn, vreemde herders enz. doode men niet; maar als zij in levensgevaar zijn, is het ook met noodig, hen te verlossen. Wanneer, bij voorbeeld, iemand hunner in zee viel, zou men hem er niet behoeven nit Ie halen. Want er wordt wel gezegd: * Bezondig n aan liet bloed (de ziel of het leven) van uwen naaste niet!quot; maar zoo iemand is niet uw naaste.quot;
2) Jezus noemt dit onder hetgeen bij de ouden gezegd is {èqQêamp;q rots dgxalois)', zelfs nog sterker als het hier boven is uitgedrukt: uwen vijand zult gij haten. (lyVM.V : 43.) Reeds deze proeve bewijst, dat jezus zijne leer, tegen de ouden gerigt, niet tegen die van mozes en de profeten over stelt, maar tegenover het Itabbinisme, de paradosis of dogmatische en ethische, zoowel als exegetisehe overlevering van vroegere Rabbijnen , waar men in do scholen van dien tijd zich even zeer aan gebonden achtte, als iedere orthodoxie aan hare kerkelijke bepalingen. Men behoeft slechts een' vlugtigen blik in den Talmud te slaan, om te zien, dat de gcheele Joodsche theologie bestond uiteen zamenweefsel van zulke gezaghebbende uitspraken, die dc wet commentarieerden, en, zoo als mus elders naar waarheid zegt, haar
daardoor krachteloos maakte».
3) Dc uitdrukking: Wat of Wie dunkt u (Joxsi) ? is bij zulk eenigermate Sokratiseh onderwijs niet ongewoon, Zoo bij de vraag omtrent de didraehmen: »Wat dunkt u , simon ?quot; {Vatth. XVII : 25.) Zoo ook bij dé Gelijkenis van het Verloren Schaap (11. XVIII: 12), van dc Twee ongelijke Broeders (li.XXI -,28), en bij jezus' laatste redewisseling met de schriftgeleerden in den tempel (11. XXII: 17, '12). Als be-hoorcude tot den Rabbijnschen vorm van het onderwijs, vinden wij deze vraag, op onze Gelijkenis na, uitsluitend bij mattiieüs, Zelfs waar ujkas er elders aanleiding toe had, (zoo als II. \ll; 42,) gebruikt hij ze niet.
293
I)1C BAKMUAIITIGU SAMAUITAAN.
mas?quot; I) — Wij zouden als conclusie gewacht hebben: niet //De ongelukkige vond in den Samaritaan zijnen naaste,quot; maar //De Samaritaan erkende hem als zijnen naasteon dus de vraag: //Wie van deze drie heeft het best het gebod der naastenliefde begrepen en betracht rquot; 3) — Ji'Zus doet anders, en beter. Hij stelt zich geheel op het wettische standpunt van den wetgeleerde, en neemt ook het woord naaste in den zin, dien hij er aan geeft; //iemand, d;en men als broeder erkennen, wicn men, om zijne naauwe betrekking op ons, achtingen liefde niet onthouden mag.quot; En van hier nu de vernuftige overgang, in de gewone opvatting der Joden even sterk afdalende, als de- weg van Jeruzalem naar Jericho zelf: priester, Leviet, Samaritaan. Als jezus, buiten zijne vertelling om , den wetgeleerde gevraagd had: //Telt de feestganger ook den priester onder zijne naasten .quot; O zeer zeker ! Welke Jood zon er geen eer iu stellen, aürons heilige zonen broeders te heeten? En mogt de Leviet lager staan, ook hij was zeker voor iederen Israëliet een naaste. Maar de Samaritaan! Zijn naam alleen, als scheldwoord ook tegen jezus gebruikt, had do zelfde afstootende kracht, als het woord ketter in de dagen der hevigste vervolging, Hij stond zeker het verste van den regtgeloovigeu Israëliet af!
En daar ligt nu een Jood gekwetst bij den weg, en het verste van hem af blijft de priester, en weinig nader (een fijne trek in de Gelijkenis!) komt de Leviet; maar de Samaritaan, die niet vraagt, of deze man zijn naaste is, komt naast van allen bij hem, en trekt zich hem als broeder aan, en verpleegt en verzorgt hem met eigen hand en eigen levensgevaar. Daarom doet jezus de vraag, wie 's mans naaste is geweest. Meer malen reeds hebben wij gezien, hoe jezus bij zulke vragen aan 't einde van zijn onderwijs , geen ruimte om uit te wijken overliet. Zoo is er ook hier maar één antwoord mogelijk, 't Valt den wetgeleerde hard, het uit te spreken, en do gehate naam van Samaritaan wil hem nog niet over do lippen. 3) Hij zegt dus : //Zeker is den ongelukkige de naaste geweest, die barmhartigheid (liever de barmhartigheid, de hulp, die
1) Wanneer wij den Griclcschen tekst met aandacht lezcu, treft ons vooreerst het xaï, waarmede do wetgeleerde zijne vra-ig inleidt; (/EN wie is — ?quot; »Ga verder!quot; zouden wij zeggen; «Zeg mij nu ook nog, wie mijn nanstc is.quot; —Maar wat ons voornamelijk treft, is de weglating van liet artikel. Overal in het Nieuwe Testament, waarvan den naaste sprake is, staal 6 nkqcrlov. Hier heeft de aangehaalde wet zelf (vs. 27) het ook. Maar nu daarvan de uitleg gevraagd wordt, is het; Tig èauv fiov nlt/aiov, En even zoo vraagt ook jezus; ris nXiaiov iïoxsl x. x. i.. Ik zie niet in, op wat grond bottnemann schrijft; l/i nostra lingua haee duo lemandem nalie stehen H leniaudcs Kachster seyu magis in/er se i/iversa c.v.w videnlur, quam graeca nXi/criov slvd uvo; el lóv nXrjniov slyttl tivn,-. Wik eb noemt de uitlating van het lidwoord hefremdend. Naar ouzo voorstelling is zij veel eer opzettelijk en naauwkeurig. Zoo wordt ook eene enkele maal nXyaiov, als zuiver adverbium, zonder artikel, van de nabijheid eener plaats gebruikt. [Joh. 1V ; 5 ) Bij de ongewijde schrijvers is dit de doorgaande bcteekenis.
2) /oo hebben ook de Kant teekenaars op onzen S'atenbijbel het begrepen, toen zij schreven: nWie in de naaüe geaeed ? dat is ; Wie is het, die den pligt eens naasten bewezen hoeft rquot; Eu matjïO-natus, die schrijft: Quit ergo? An sacerdos ilte el Levila proximi non eranl ? It cc cnim vide/ur scqui, Krnnl quideui jjroxi tn , i-el nan se qesscranl ut proximi. Samarilanus el eral, el se. gesseral caet. Hij heeft het bezwaar gevoeld en erkend, maar de oplossing niet gevonden. 11 is one of the many merits of this m si intolerant and most ahmiv Jesuit, that he necer slights a difficully , hot pretends not lo see it, hut fairly and full;/ states it, whether he can resolve it or not. (Tkench.)
3) It'ill den Samaritaner mil Namen nicht nennen , der hojfahrligc Ueuehter ! Lutiteh.
dk baum1iartiok samaritaan.
hij behoefde,) aan hem gedaan leeftquot; En Jezts heeft er niets meer bij te voegen dan het korte woord, waarmede hij den wetgeleerde aan zijn eigen nadenken overlaat. Zoo zeide dan mus tot hem: iiCIa heen, en. doe gij (met nadruk: //ou ook, al wetgeleerde als gij zijt !quot;) desgelijks.quot;
Hebt gij Jezus reeds begrepen, mijn lezer? Gelijk hij meer deed, hij beantwoordt de vraag, wie de naaste is van den wetgeleerde, niet, en beantwoordt die toch 1); of eigenlijk beantwoordt hij eene vraag met eene vrang, even als, en dat juist ook in deze laatste dagen, die naar zijn gezag en naar de schatting. {Matlh. XXJ : 2'5; XXII : 1 /.) t Is igt;i hij zegt: //Zift do goddelijke; geboden niet. Vraag niet, of iemand uw naaste is, eer gij hem helpt en wel doet. Een Samaritaan kou soms uw naaste zijn , nader dan priester en Leviet. Wie in nood elkander bijstaan, zijn elkander de naasten. De liefde sluit niet uit, maar brengt vreemden en vijanden nader tot elkander. \ raag dus niet , maar zoek ieders naaste te zijn in den nood. ~) Leer die ruime en ontfermende men* schenliefde, al was 't van een' Samaritaan !quot; — Wel beschouwd, beantwoordt jezus dus de vraag met die af te keuren, even als hij aan pethus, die van r/.even maal vergevenquot; spreekt , de som opgeeft: nZeventig maal zeven maal.
En vraagt mij nu iemand, of wij toch eigenlijk niet, langs een grootcn omweg, op het zelfde punt zijn teruggekeerd: Alle raenschen zijn onze naasten.-' Ja en neen. liet woord is nu eenmaal in dien zin bij ons gangbaar, en dat zij zoo; maar al den rijkdom van jezos' onderwijs drukt het niet uit. Toch is het in zijnen geest, in zoo verre hef Joodsehe particularisme daardoor wordt overwonnen, en in plaats van de broederliefde van land- en geloofsgenooten , de algemcenc menschenliefde gesteld als beginsel, en als hare betrachting de mensch 1 ie vendheid. AJlcen moeten wij daarbij nog eens opmerken, dat OEzrs hier weder de wet en de profeten vervult, en alleen het Uahbijnsche Jodendom bestrijdt. W ant al ziet mozes alleen in dc kinderen zijnes volks naasten en broeders, door menig ander gebod beveelt hij den Israëlieten ontferming en mededoogen omtrent den vreemdeling in hun land, den slaaf zelfs in hunne woning, waarbij hij telkens herinnert, hoe zij zelve vreemdelingen en slaven geweest zijn in Egypteland.
1) Er staat eigenlijk niet, dal jezus antwoordde, maar dat hij het woord opnam. {vnola(lü)v eïnev, Jezus nu hervatte en zeide, visseking.) Bornemann merkt te regl op, dat de uitdrukking m liet oorspronkelijke geen Hebraïsme is, maar zuiver Oriekscli, zoodat zij b. v. meermalen bij Xenophon
voorkomt. ,
2) Stall auf die theoretische Frage des Sehrifilehrers Bescheid zu geven, gieht Jesus eme prn/chsc/ie Ue-lehrung darüher, wie man tholsarhlieh der Ndchste des Andern vierde. Meijer.— Ook de plaatsen, waar tiij paulus liet woord ó nlr/viot' voorkomt, berusten niet op ons denkbeeld «Mie menschen zijn onze naasten;quot; cu bet wordt er, mijns inziens, nergens door evenmenscli goed vertaald. /A\ zijn (behalve dlt;', aanhaling van 't gebod) ; Rom. Xlll : 10; XV ; 2 ; liphez. IV -.25. In de laatste plaats b. v. wordt M diiiir gezegde uitdrukkelijk tot de broeders bepaald, met de woorden: want wij zij» elkanders te lei/. Zoo ongeveer is het ook Jak. IV ; 12.
291
be barjuiartkik sama1utaan.
M enschen 1 ilt;;fde is Jezis' boginscl; een inensch de eenige naam, dien de ongelukkige draagt, onder de moordenaars gevallen tussehen JeruiaUm en Jericho, (fij licrin-nert u, lioe het beeld van den mensch de meeste Gelijkenissen van jezi s beheerseht .
en de adel der menselxelijke natuur daarin telkens uitblinkt. Een zeker mensch:_liebt quot;ij
hem reeds, zonder meer, als u zeiven lief? Een zware eisch, dien de meesten met eerbied besebouwen; maar zij roeren dien met den vinger niet aan! //Ik moet tocli eerst weten, wie die mensch is, of hij zóó is, dat ik hem kan lief hebben, of hij mij ook bemint.quot; Mijn lezer! Zoo spreekt ook de Heiden en tollenaar. Wilt gij kinderen van uwen Hemelschen Vader zijn, breid dan uwe liefde uit over allen, die zijne zon bcsehijnt, zijn regen besproeit. Waar ginds in verre landen een Heiden leeft in de diepste ellende, of waar beneden u, in't slijk der maatschappij, de verdierlijkte alleen zijnen hartstogt involgt zie in den een zoo wel als in den ander den inensch, en in zoo verre uwen naaste. Dat vooral de godsdienst, bestemd om de menseben te vereenigen, u niet nog meer verdeele en
t
vervreemde. Was het uJeruzalem of Gerizim?quot; de bron van zoo vele duizenden beleediuingcn tussehen do reeds zoo zeer verzwakte naburen, nog is het land, dat wij't heilige plegen fe noemen, het tooneel van den bittersten godsdiensthaat; en ook onder ons lm nut hij veel vreemd vuur op den altaar. Het is reeds op zich zelf een zeer onbillijke maatstaf, om iemand naar het geloof zijner vaderen te beoordeelen. Vele menschen zijn beter, velen helaas! ook slechter dan de godsdienst, die zij belijden. Jezis doet dit telkens in Heiden en Samaritaan uitkomen; en brengt zóó Inngzamerhand zijne apostelen tot de overtuiging, die i'etrüs uitsprak aan het huis van koukemus • nik verneem, in der tvaar/eli/, dut God gen aannemer des persoon» is; maar in allen volke, die Hem vreest en geregligheid irerk!, is Hem aangenaam.quot; [Hand. \ : 3t, 35.) En zelfs al verkeerde een ander in eene gevaarlijke en hardnekkige dwaling, ook dan nog bewijst gij uw geloof met dien haat de slechtste dienst. Dan eerst zult gij, als Christus en zijne eerste volgelingen, de wereld overtuigen, dat gij bet beste geloof bezit, wanneer gij ook het meeste lief hebt.
Om die liefde aan te kweeken, beroept jezus zich op de innerlijke ontferming, die het gezigt van een ongelukkig mensch opwekt in ieder welgeplaatst hart. Er is iets eigenaardigs in t oorspronkelijke woord, dat eene roering der ingewanden beteekent, en zoo dikwijls van jezus zei ven wordt gebezigd , als hij bewogen werd met de ellende, het lijden en de verdorvenheid van den mensch. 1) Mij dunkt , het ligt in 't verhaal, dat ook priester en Jjeviet dit gevoel bij zich zeiven moesten onderdrukken, dat 't in hen overwonnen werd door de eigenbaat, die altijd en alleen zich zelve de naaste is. Had daar een lam gelegen, door den wolf verscheurd, oen duif, de klaauwen van den havik ontvallen, zij hadden zich zoo niet gedrongen naar de overzijde van den weg, om toch maar luuistig
1) Meermalen vinden wij dit ianlayx'tadij bij de SynoptiH. Daar hel een Hebraïsme is, koml't hij joiiannks niet voor. Doorgaans wordt het van jezus gebruikt, zoowel waar hij over kranken (Valt/,. XIV ; 14) en rouwdragenden {Luk. VII: 13), of over hongerigen [Marl-. VIII : 2) zich ontfermde, als waar hij de geestelijke ellende der seharc beklaagde. {Mark. VI ; ,34.) Bij i.ukas komt het woord drie malen voor, en telkens (ook bij dc weduwe to Nain, en in de Gelijkenis van den Verloret,' Zoon,) als de oogen-blikkelijke indruk van het zien der menschelijke ellende.
i-ll*
295
I
de bakmhahtigk samaliitaan.
voorbij te gaan. quot;If 't alleen uit overgroote vrees van verontreiniging bij do minste aanraking van een lijk? Neen! maar de natuur behoudt haar regt, hoezeer geschonden door hare kinderen; zij dwingt don onbannliartige ten minste, de tegenoverzijde der ellende te zoeken, even als zij den schurk de oogen doet nederslaan voor den blik des eerlijken mans.quot; (sti aht.)—De Samaritaan volgt die inspraak van zijn hart, en vergeet daarvoor zich zelven. (Dj dan, ga heen, en doe desgelijks !
Zoo wordt do menschenliefde in de. beoefening menselilievendheid. Onze eeuw behandelt haar systematisch en wetenschappelijk, onder veler krachtige zamenwerking, cn dan heet zij philanthropic. Ik zal niet laag vallen op den vreemden naam, en dikwijls ook vreemden vorm. De philanthropische instellingen, waarin onze eeuw vruchtbaarder is dan al hare voorgangsters te zamen, zijn hare kroon cn haar roem. Alleen wil ik waarschuwen, dat niemand mecne, daarmede nu ook persoonlijke hulp cn opoflcring te kunnen afkoo-pen. Die priester cn Leviet gaven zeker ook hunne aalmoes aan lammen cn blinden bij de tcmpclpoort, — de philanthropic van hunne dagen, die ook reeds godsdienst m weldadigheid vereenigde;— maar hier in de wildernis wordt meer van hen gevraagd, niemand is er ook getuige van, cn zij gaan door. In onze dagen levende, zouden zij misschien bij de politic te Jericho hebben aangegeven, dat er een mensch aan den weg lag, of te Jeruzalem
hebben aangedrongen op meerdere veiligheidsmaatregelen voor de feestgangers....... Zoo ook,
wie Van zoo vele hulpolooze kranken hoort, zal zijn geld aan de opr.gting van een zie kenhuis of aan pleegzusters geven; wie met gebrekkigen , zedcloozen, gevangenen bewogen is, de philanthiop'.sehc inriglingen daarvoor begunstigen. Goed! Uitmuntend zelfs! Maar mcenc nu toch niemand, dat hij genoeg gedaan heeft met een' plaatsvervanger in 't leger der barmhartigheid tc leveren. Als t vaderland in nood is, worden de burgcii-zelve door den vorst opgeroepen. Zoo is liet ook in het koningrijk God?, het gebied der liefde en der ontferming. Wanneer wij geroepen worden , om zelve de ellende der armen door te worstelen , onzen goeden naam te wagen aan de bekecring van den tollenaar en de zondares, of nachten door Ie waken aan het ziekbed; dan vrage men niet: //Kan ik cr ook buiten? Is dat mijn naaste wel, voor wien zoo grootc liefdedienst van mij 1c vergen is ?quot;' maar de innerlijke ontferming van chuisïus woue in ons. En wij zullen , even als hij, n et het onze alleen, maar ons zelve geven; en 't zij de arbeid der liefde gelukke of mislukke, vereerd of vergeten worde, wij daarin overwinnen of daaronder bezwijken, ons hart zal er vrede bij hebben.
DE ONREGTVAARDIGE RENTMEESTER.
Daar was een zeker rijk mensel, welke eenen rentmeester had; en deze werd hij hem verklaayd, ah die zijne goederen doorhragl.
Kn hij riep hem, en zeide tot hem: ui foe hoor ik dit van u? Geef rekenschap van uw rentmeesterschap; want gij znlt niet meer kunnen rentmeester zijnquot;
Fm de rentmeester zeide hij zich zei ven: // II 'at zal ik doen, dewijl mijn heer dit
rentmeesterschap van mij neemt ? Graven kan ik niet, te bedelen schaam ik mij.......
Ik weet , wat ik doen zal, opdat, wanneer ik van het rentmeesterschap afgezet zal wezen , zij mij in hunne huizen ontvangen.quot;
En hij riep tot zich een' iegelijk van de sehvldenaars zijns heeren, en zeide tot den eersten : nlloe veel zijl gij mijnen heer sehiddig ?quot; — En hij zeide: nHonderd vaten olie!' — Rn hij zeide tot hem: uNeem uw handschrift, en neder zittende, schrijf haastelijk vijftigquot;
Daarna zeide hij lot eenen anderen: it En gij, hoe veel zijt gij schuldig — En hij zeide: n Honderd mudden tarwe.quot; — Tin hij zeide tot hem-, n Neem mv handschrift, en schrijf tachtig.quot;
En de heer prees den onregtraardigen, rentmeester, omdat hij voorzigtelijk gedaan had: want de kinderen dezer wereld zijn voorzigtiger, dan de hinderen des lichts, in hun geslachte.
En ik zegge vlieden: Maakt u zeiven vrienden uit den onregtraardigen Mammon, opdat, wanneer u ontbreken zal, zij u mogen ontvangen in de eeuwige tahernakelen.
De geoefende bijbellezer neemt zeker dit blad met eenige nieuwsgierigheid in lianden. Wat de schrijver daarvan zeggen zal? De ouregtvaardige rentmeester is nu eenmaal geworden, wat men vroeger //het kruis der uitleggers [crux inter prelum)quot; pleeg te noemen. Bergen van verklaringen zijner over geschreven; en er was een tijd,— nu zijn er grootere dingen te bespreken!—toen niemand zich haast een' godgeleerde durfde noemen, die ten minste niet iets geschreven had over den Onregtvaardigen Rentmeester. En intusschen is de Parabel door al die ophelderingen nog duisterder, en door die ver uiteenloopende verklaringen bijna geheel onverklaarbaar geworden; tot de vrijmoedige (bijna schreef ik brutale) kritiek onzer eeuw eenvoudig den Gordiaanschen knoop heeft doorgehakt, met te zeggen; IL 41
de okiu'-otvaardige hentmeesteil.
//Zóó kan JEzrs onmogelijk deze Gelijkenis hebben uitgesproken.quot; En daarmede wordt dan 't verhaal, — als in den ouden dag jeeemia's boekrol door jojakim, — met een pennemes uit elkander gesneden en als nutteloos voor ons op 't vuur geworpen.
Maar is dan de voorstelling zoo duister? Mist zij het naïeve, schilderachtige, in liet leven grijpende, dat 't onvervreemdbaar en onnavolgbaar karakter van Jtzrs' Parabelen is? — Dat juist niet, maar er is iets in, dat ons zedelijk gevoel kwetst. En dit is reeds vroeg opgemerkt. Toen in do vierde eeuw keizer juliaan 't christendom weer afzwoer, (dat ook in zijne familie meer een staatkundig programma, dan een heiligend geloof was geworden!) verweet hij aan jtzus onder anderen, dat hij zijne leerlingen door de streken van een' uitgeleerden bedrieger onderwees. De kerkvaders waren er dan ook reeds vroeger op uit geweest, om dezen smaad van het Evangelie af te wentelen. Zoo haalt 11 icuonymcs liet gevoelen van den Antiocheensehen bisschop theophilus (uit de tweede helft der tweede eeuw) aan, dat de onregtvaardige rentmeester den apostel patjlus zou aanduiden, die eerst zoo wettisch en hard was geweest, maar later door de genade Gods zich het hart der Heidenen won. En ïeeïullianI's geeft (in de eerste helft der derde eeuw) als de les, in dit leer-bccld opgesloten, het volgende aan: //De Joden moeten den Heidenen de schuldvergiffeiiis brengen, door jezus aangekondigd, om doorhuil geloof te leven.quot; 1) Gij ziet, de ouden hebben de verklaring reeds van erre gehaald, en ze dus nabij niet kunnen vinden.
Maar na vele vergeefsehe pogingen, heb ik er van afgezien, om al de verschillende gevoelens over deze Gelijkenis op te geven. Tot het begin van onze eeuw zijn zij geregeld en uitvoerig bijgenouden door sciiretter 2), bij wien dus do liefhebber van theologische curiositeiten te regt kan. Ik denk zijn' zwaren en ondankbaren arbeid niet met den oogst der laatste zestig jaren te vervolgen. Er ligt ook weder eene allernieuwste verhandeling vóór mij 3), en het zal wel de laatste niet zijn!
Om toch iets te doen, geef ik den lezer het overzigt van «ertholdt 4) ten beste, en
1) Evenwel, gelijk meer is opgemerkt, wij kunnen uit het gebruik, dat een kerkvader Wer of daar van eene Gelijkenis maakt, nog niet liet gevolg trekken, dat hij dit ook als haar doel, bare oorspronkelijke beteckenis beschouwde : dat gebruik is meer oratoriseli als exegetiscli. Zoo vind ik weder elders [Contra Murcionem) in 't gewone duistere latijn van tekicixiancs, de ware opvatting terug; Jtlmonens enm tics, de seculariijus stijlragia nobis prospicere amiciliarum, secundum servi illius exemphm, quiabadu summotus, (tomimcos debit ores diminnit, cautionibm releval in .inhsidium sibi.
2) Rrpliraiio Parabolae de lm],roLo Oeeonomo, Lipsiae ISO:!. Eene beknopte opgave van bronnen heeft Meijer, waaraan van oosïeuzee (in lakge's liitelwerek) nog de verklaringen van ïksfimeii en vau willes toevoegt. Ouder vele anderen, kan men er nog van onze godgeleerden bijvoegen: wilschut, in 't vierde deel van bet Amsterdamsche Christelijke Maandschrift, en moumeu, in eene brochure ('s Ilertogenhoseh , 1840), waarin liij den rentmeester zoekt te verdedigen tegen zijnen heer, en in licm het beeld ziet van jezus' trouwe discipelen. Zijn denkbeeld komt eenigzins over een met dat van olsitausen , maar is zeer te regt afgekeurd di or w. sciiei-teii, wiens Verhandeling {Wessel Cansvcrt, ll'clenschappfljkt Bijdragen enz. Dl. 1, Biz. SI—73) mij eerst onder het afdrukken in handen komt. Jk hoop er echter in liet volgende nog gebruik van ie maken.
li) D. nuEDRicn koster , AnaMteti tut Atislegutig der Parabel mm nngcrechten Jfnufshaller, in de Theologische. Studiën und Kritihen, Jahrgavg 1865, vierles Heft. Hij onderstelt, dat do rentmeester tot nu toe eerlijk geweest is, maar bij zijnen heer belasterd, zich op 't laatst tot een schurkenstreek verleiden laat; — en juist deze zou dan de grond cener lofspraak en een voorbeeld tot navolging z,ijn!
4) In zijne Opuscula academica, uitgegeven door winek, TApzig ISS't.
298
DE ONIUXiTVAARDIGE BEMTMEESTEU.
zal daarna ccnige verklaringen aanstippen, die door den naam der uitleggers of 't vreemde der opvatting bijzonder in liet oog vallen. Beiitiioldt dan schreef vóór eene halve eeuw: //Al de uitleggers, zoo oudere als nieuwere, hebben in deze Gelijkenis gevonden;
of de toekomstige lotgevallen der christelijke godsdienst onder de Joden, en den ellen-digen toestand van dezen;
of de opneming in de christelijke kerk, door het doen van aalmoezen of de teruggave van kwalijk verkregen goed;
of de voorzorg des wijzen voor kwade dagen, in het beeld van een nuttig gebruik van onregtvaardig verworven goed;
of het verstandig gebruik daarvan, door het aan vromen of tot vrome doeleinden te besteden;
bf wel in het algemeen: 't zij weldadigheid, 't zij ecu verstandig gebruik van aardsche goederen ;
of eindelijk de afschaffing der Joodsche godsdienst, als door de leer der Farizcën bedorven; 1) terwijl eindelijk beiitiioldt zelf, na al deze gevoelens te hebben afgekeurd , met eene geleerdheid, eene betere zaak waardig, aantoont, dat de onregtvaardige rentmeester niemand anders is, dan — judas iskauiot! —Nieuw is dit denkbeeld echter niet. Het zelfde gevoelen vond ik in 't breede uit een gezet in eene oude Hoogduitsche verhandeling 2) , waarvan de schrijver met vrij wat aanmatiging meent, eindelijk den steen der wijzen gevonden te hebben. Hij ruimt dan ook alle bezwaren flink uit den weg, en past alle trekken op judas toe, meenende bij voorbeeld, dat deze niet zelden mudden tarwe en vaten olie ontving van de genen, die jezus dienden van hare goederen enz. enz.
Nu wij eens judas genoemd hebben, willen wij aan anderen het zelfde regt gunnen : want er zijn meer namen onder dit beeld gezet. Orossmann heeft met veel antiquarische en litterarische geleerdheid, maar juist niet bijzonder helder, de overeenkomst aangetoond tussehen onzen rentmeester en de Eomeinsche stadhouders, met name pontics iti.atus. 3) Zekere oude en overigens onbekende prediker (sciijiid te Bayreut), bij unger (pag. 85)
|
]) Als het gevoelen der oudste kerkvaders, vind ik bij maldonatüs opgegeven, dat de rentmeester de apostelen en bisschoppen aanduidt, en de twee sebukleaaars Joden en Heidenen (THEOrmuJs antio-chencs); —of dat de rentmeester 't Joodsehc volk is, en de Heidenen sehuklenaars (tertülliani's).
Zoo heeft men zieli reeds in de tweede en derde eeuw met deze Gelijkenis beswaard gevoeld. Salmerox bewijst dit door den brief van iiriiUONYMUs aan damasus. Later (ambbosiüs, chrvsostomus enz.) ismen toch weder tot de natuurlijke opvatting van «eene vermaning aan de rijkenquot; terug gekeerd.
2) Der rechte Schliissel sum wahren Verstande der Straf- und Gleiehniszrede Jem, Lued am XVI vs. 1 bis 13; oder Bewrisz, das: unter dm ungerechten Ilamhalter der zwöl/te Apostel des Ilerm Judas Ischarioth verborgen liege, Hamburg 1763. — Het verwondert mij, dat zelfs de seherpzinnige h. kbom {Nieuw-Christelijk Magazijn, IV: 381—393,) na de opgave van andere onhoudbare gevoelens, bebtiioldt bijvalt.
Daartoe moet de epilog us, vs. 9, juist bet tegendeel zeggen [ironice) van 't geen hij zegt: »Beproeft vrij, u vrienden te maken uit den onregtvaardigen Mammon. 'tZal u weinig baten!quot; Ik hoop, dat de lezer mij bij deze en zoo vele andere verklaringen zal toestemmen, dat verlegenheid met de zaak niet de beste uitlegger is. Het'zelfde geldt van bornemann, die zich eenvoudig uit die verlegenheid redt, door ov aehter iUy» in te voegen: //Ik zeg u , maakt u geene vrienden enz.quot; Dat pleeg van willes • inleggen in plaats van uitleggenquot; te noemen.
3) De procuratore parabola Christi, ex re provinciali Ilomanorum illustratn, Lips. 1824.
299
41*
DE ONRESTVA VRDIGE ÜENTMEESÏEU.
aangehaald, herkende daarentegen in onzen rentmeester jezüs ciiiustüs zelf, door mozes aangeklaagd, waardoor hij niet langer rentmeester over de Joden blijven kon, maar elders arbeiden moest. Doch meer bijval vond toch eene tegenovergestelde opvatting, waarbij de duivel rentmeester wordt, en de zielen der mensehen bedriegt, door Imn absolutie van zonden te beloven, (gatoentius.) Eu weder staat hier 't gevoelen van oi.shausen tegenover, die in den rijken man ook den duivel ziet, maar als één der twee ITceren, waarvan jezüs later spreekt, en wien men gerust bedriegen mag, door zijnen Mammon aan te wenden m Godsdienst!—De oudere school bleef doorgaans liever bij larizeèrs en follenaars staan, en had ten minste de verdienste, van de Gelijkenis uiet uit haar kader te ligten en aan t Evangelie te vervreemden. Zoo vinden vttiunga en d'oütbetn in den onregtvaardigen rentmeester het beeld der Parizeen, ontrouwe rentmeesters, die zich schamen te bedelen om Gods genade, terwijl zij niet werken kunnen, naar de wet; waarom zij zieh zoeken te redden , door Gods scbuldenaars (de Joden) willekeurig afslag te geven. Natuurlijk , dat dit in den geest der Cocccjaansche school, die overal zinnebeeldige kerkgeschiedenis leest , in het tweede gelid ook op den paus, den grooten antichrist, wordt te huis gebiagt. Eu al heeft nu noch de Heer, noch zijne hoorders, aan al die geleerdheid gedacht , ver-nuftiger is deze opvatting zeker, dan dio van soui.kijermaciiek. (bij stikh) , die in den rentmeester het beeld ziet van den Joodschen tollenaar, en in de geheele (lelijkcnis deze vermaning leest: //Tollenaars! bedriegt den Romcinschen keizer gerust, om de Joden te bevoordeelen. /óó zal u eene plaats in het Messiasrijk niet worden geweigerd.quot; — Wal keizer .in,taan wel van deze laatste opvatting zou gezegd hebben ?
Terwijl eindelijk de geestelijke opvatting van het bedelen om Gods genade, waartoe de zondaar maar niet komen kan l), ook door de nieuwere mystiek wordt vast gehouden (,tension enz.), heeft het rationalisme, altijd met hot minimum van den zin der Schrift tevreden, hier eenvoudig eene vermaning gezien, om te zorgen voor zijn ouden di'g. (uaivtmann.) De Roomsch Katholijken daarentegen houden doorgaans vast aan de oud-kerkelijke verklaring (van tuk ronvmi's ?), waardoor in deze Gelijkenis aan do bisschoppen, als ciiiitstus' rentmeesters, medelijden en toegevendheid omtrent zondaren wordt aanbevolen,
en de aflaat toegestaan. (Sai.meron enz.)
Het laatste woord komt aan de kritische rigting, als de jongste, toe. Niemand zal daarbij do vooraanzitting misgunnen aan den man, die voor vijf en twintig jaren (in zijne schrifteu namelijk) plegtig uit Nederland werd gebannen, en die er thans door velen als de coT.UMBTis der nieuwste wereld met gejuich wordt ingehaald: David ftukdiucu straits/,. In zijn nieuwste werk {Das Leien Tesn J'ür das Deutsche Volk bcarheitet, 1861, S. 258)
1) Zie vitrtnoa. Vernuftig is zijne opvatting, (lat de ongelpovige Joden. daar zij door hunne goede werken de zaligheid niet konden verdienen, en niet bedelen wilden om de genade, in de synagogen en akademicu, als huizen der sehuldenaars van God, na .Terumlems vvX hunne toevlugt hebben quot;czoeht. Het afdingen van die schuld, of verkleinen van 's menschen pligt, was hun daartoe (le we„d_j. ,,'outrun, die in den zelfden geest 162 bladzijden in quarto heeft laten drukken over onze Gelijkenis {/lm si. 1092), heeft daarvan ecu zeer stichtelijk gebruik gemaakt, in zoo verre sticht ca kan, wat in den grond onwaar is.
DE ONUEOTVAAUÜIfrE RBNTMEKSTEB.
verklaart hij ouzo Gelijkenis, met die van den Rijhn Dwaas, van Regter en Weduwe en den Smeekenden Vriend, eenvoudig weg voor liet werk der Ebionitische of Joodsch Christelijke partij , daar jezus zulke sleehte karakters , als de twee laatste, niet als voorbeeld kan geteekend hebben, en, wat den Rentmeester betreft, ontrouw niet de baste aanbeveling van weldadigheid is. Lr kas heeft, volgens hem, deze beelden van vrijwillige armoede en gebed, de hoofddeugden der Ebionieten, niet willen achterhouden , om ook de uiterste regterzijde der kerk aan het woord te laten komen,—Tot dus verre stiiausz. Men lioude het mij ten goede, wanneer ik nog niet genoeg op de hoogte ben, om in zulk een ligtzinnig spel met de geschiedenis eene hoogere kritiek te zien; en wanneer ik even min begrijp, van waar op eens in de eerste eeuw al die groote geesten kwamen, die als jezus spreken, en als Johannes of path,us schrijven konden.
Benan , die door elegante vormen alle diepere studie zoekt te vergoeden, verzekert eenvoudig, dat verachting van allen rijkdom en verheerlijking der armoede [Bhionisme) de oorspronkelijke geest was van het Christendom, llij rekent zeker ook deze Gelijkenis tot de proeven daarvan.— Dr. schenk ei, (vde halvequot; volgens strai'sz !) weerspreekt daarentegen de meening, als of jezis den rijkdom in zich zeiven voor verwerpelijk heeft verklaard. Van onze Gelijkenis vindt hij den sleutel in de verklaring, dat men geen twee heereii dienen kan (vs. I-'!). Den eencn — den Mammon {zeker rijk wa)i) — ontrouw te worden, is dus geen onregt, maar pligt. Men moet 't goed aan deze wereld, wie. 't regtstreeks toebehoort, onttrekken, om het te besteden tot bevordering en uitbreiding van het Godsrijk. (Dan Cha-rakterhild Jem, S. — Die onmiddellijk op schenkel volgt, c. wkizsUckeii, weet
.'501
echter het kritisch snoeimes beter te hanteren. Nadat hij in eene halve bladzijde heeft aangetoond, dat zonder een gen twijfel de Verloren Zoon, althans naar de bedoeling van den Evangelist, bet beeld is van de roeping der Heidenen, wat hij oorspronkelijk echter niet was; vervolgt de schrijver; //Even zoo is het met de Gelijkenis van den Onregtvaar-digen Rentmeester. Oorspronkelijk behoorde zij tot de Joodseh-Christelijke rigting , maar zij is door don evangelist in een' tegenovergestelden zin gebruikt. Om haar wel to verstaan, moet men de volgend.' spreuken, vs. 10—13, er van afzonderen: zij behooren hier niet, en verwarren slechts den zin. Het achtste vers is er door den verbaier bijgevoegd: want behoorde het tot do Gelijkenis, zoo moest op dezen:1 of eenig loon volgen. Nu wil het alleen zeggen, dat jezus zulk eenen rentmeester prijst. En welke menschen worden met dien man bedoeld? Heidenen, die ook mede de eeuwige tabernakelen beërven, omdat zij de arme kinderen des koningrijks (Christenen uit de Joden) wel doen. Misschien was wel de man, op wien jezus doelde,—een Heidcnsclie stadhouder, die goed voor do Joden was, — toen algemeen bekend. Dat is dan de oorspronkelijke zin: «Een rijke Heiden zalig door anno Joden.quot; Maar de verzamelaar van jezus' spreuken en beelden heeft de bedoeling omgekeerd, en er een' rijken Parizeer of ongeloovigen Jood van gemaakt, die nog zalig worden kan door aan arme Christen-Joden wel te doen. 1)—Behalve alles, wat
1) C. weizsücker, Unlvrsuchungen über die emngelkehe Oesehichle, ihrc Qwllen uud den Gang ihrer EntmcMtmg. Qoïha, 1864, S. 313—5.
de onrkgtvaardige rentmeester.
de lezer hier verder Biogt kunnen leeren, ontvangt hij tevens eene proeve van de grondig-lieid en onpartijdigheid der zoogenaamde Tendenz-Vvli'yvk., die de geschiedenis verklaart door de denkwijze des geschiedschrijvers, en het kostbaar geheel der oude christelijke oorkonden in een' bundel partij schriften oplost.
Om de kritische school in ons vaderland niet met stilzwijgen voorbij to gaan, wil ik nog mede deel en, wat (ten minste in 1856) het gevoelen van Prof. scholten was. De beide meest gewone verklaringen: //Weest even zorgvol voor de toekomst hier namaals/' (naar vs. S1»,) of; //Maakt u door weldoen vrienden in den hemel,quot; (naar vs. 9,) acht scholten onhoudbaar, als beide jezus onwaardig, en met elkander, naar de gewone eenheid der Gelijkenissen, onvereenigbaar. Hij vooronderstelt dus , dat de Parabel zelve met den lof des rijken mans, dien de rentmeester zich door bedrog verwierf, sluit. Zij was dus oorspronkelijk het beeld van den huichelenden Farizeër, die desgelijks bij demenscheu zich goed wist voor te doen, en ton gevolge daarvan door hen als vroom en goed geprezen werd, ofschoon hij van binnen onrein was. Deze toepassing maakt jezus zelf, vs. 15. Misschien zijn de woorden: De kinderen dezer wereld zijn listiger dan de kinderen des lichts, en: Maakt u vrienden wit den Mammon der ongeregtvjheid enz. (het zij die woorden bij eeue andere gelegenheid door jezus gebezigd zijn, of niet,) eene toen reeds gangbare verklaring der Gelijkenis, maar afwijkende van de oorspronkelijke bedoeling. Ook vs. 10—L'J, over trouw en ontrouw , behooren oorspronkelijk niet in dit redeverband. 1)
Als 't den lezer nog niet alles voor do oogen schemert, zal bij in dezen berg van verschillende opvattingen drieërlei exegese kunnen onderscheiden ; 1°. de schriftverklaring der Kerkvaders en Katholijken, die 't geschreven Evangelie, met veel vrijheid, tot een moreel en kerkelijk doel gebruiken; 2°. de Oud-Protestantsche exegese, die door de verheerlijking der onfeilbare letter tot allerlei verklaringen uit du verte, historische allegorieën enz. overgaat; 3°. de kritische methode, die of tot eeue steeds voortfabelende legende, öf tot meer of min opzettelijke vervalsching van het oorspronkelijke christendom de toevlugt neemt. — En misschien zal ten slotte de lezer mij toestemmen, dat gcene van alle ons veel vasten grond onder de voeten geeft, 't Zou mij anders kunnen spijten, dat ik geene' //Nieuwe verklaring, bevattende den regten sleutel enz.quot; geven kan, maar mij tot de naauwkeurige uiteenzetting van een zeer gewoon gevoelen bepalen moet.
Ik wil die inleiden met eenige eenvoudige opmerkingen. Zij zijn weder gansch niet nieuw, maar toch menig maal verzuimd en vergeten.
De eerste is, dat wij hier en overal jezus vóór ons hebben als volks leer aar: die dus in den geest van zijnen tijd en zijn volk moet verstaan worden, die door zijn spreken krachtig in het volksleven van zijnen tijd ingreep, en die dus zeker voor ons vele dingen anders zeggen zou. Het komt mij dikwijls voor, dat juist de geleerdste mannen, beter op hun studeervertrek of op hun collégie dan onder het volk te huis, dit het meest vergeten, of liever 't niet regt begrijpen kunnen. Zij maken van jezus' onderwijs een' leer-cursus voor de wereld, een wetboek {Code) voor allo volken; en vergeten geheel, dat
Hislorisc/t-Kritische Inleiding lol de Schrijlen des Nieuwen Testaments, Tweede Druk , Blz. 59 en 60.
db oxregtvaardige kentmeesteu.
Jezus niets had kunnen zijn voor de wereld, indien liij niet alles geweest ware voor zijn volk.
Deze opmerking betreft ook de meerdore of mindere moraliteit der gekozene beelden. Zoo dra dezen niet als voorbeelden worden gesteld voor 't zedelijk gedrag zijner hoorders, kunnen zij op zich zeiven afkeuringswaardig, althans weinig lof waard zijn, en torh , ja! soms juist daardoor nog beter, beantwoorden aan hun doel. 1) He rentmeester is niet de eenige immorele mensch, die in een ander opzigt ten voorbeeld wordt gestold. De onregt vaardige Reg ter en do weigerende Vriend zijn nog veel meer onwaardig , om ons de Godheid voor te stellen, als de Rentmeester om den waren christen af te beelden. De ijskoude, maar scherpzinnige stratjsz heeft dit zeer goed ingezien, en met eenen ijver voor je/,us' reino zedelijkheid , dien wij van hem niet verwacht hadden, allo drie deze Gelijkenissen verworpen. Maar met 't zelfde regt zou men kunnen beweren, dat jkzus nooit slangenlist aan zijne discipelen ten voorbeeld heeft kunnen stellen. En wat de zoogenaamde utiliteits-leer betreft, //het goed doen om loon,quot; hoe dit uit jezus' onderwijs kan worden uitgezuiverd, ook met de moedigste kritiek, begrijp ik niet. Maar hierover nader. Ku wilde ik maar zeggen, dat het alleen de vraag is, of het punt van vergelijking [tertinm eomparationis), niet of de denkwijs en het karakter van den handelenden persoon jezus waardig is. Hoe nader die persoon stond nan de gewone, en waarlijk niet verhevene moraliteit van jezus' hoorders, des te heter werd hij door hen begrepen.
Verder merken wij op, dat jeztjs, hoewel steeds als volksleeraar sprekende, toch zijne rede inrigt naar den kring, waarin hij spreekt, en die doorgaans door do evangelisten wordt aangewezen. Hier, bijvoorbeeld, zijnde drie voorafgaande Gelijkenissen tot de Fa-rizeën gcrigt; in de onze spreekt jezus tot zijne discipelen (in de ruimste beteekenis) • en vs. 18 weder regtstreeks tot de Farizeën, welke rede dan, met de Gelijkenis van lazarus, weer in een algemeen volksonderwijs overgaat. Wij teekenen dit voorloopig op, om er later op terug te komen.
Eene andere opmerking is , dat wij ons jezus' beeldspraak geheel en al denken moeten naar den maatschappelijken toestand van zijnen tijd, die in zoo menig opzigt van den onzen hemelsbreed verschilde. Maar hierover behoeven wij op het oogenblik niets meer te zeggen, 't Zal de grondslag onzer voorstelling, bij deze zoo als reeds bij menige vroegere Gelijkenis, uitmaken.
303
Ik voeg er dus alleen nog bij, dat wij den Evangelist, als 't naast aan den levenden Heiland, gclooven moeten, zoo lang wij hem maar eenigzins gelooven kunnen; en dus noode ons begeven op het veld der gissingen, waar aan subjectiviteit en willekeur zóó ruim spel gelaten is, dat gewoonlijk de een weder afbreekt, wat juist de ander heeft opgebouwd, en wij dus niets wezenlijks en duurzaams winnen. Volgens dezen regel is dus eerst de Heiland zelf, (altijd volgens zijn' verslaggever,) de beste uitlegger van zijne eigene woorden. En verder heeft ook luk as , zoo geene beslissende, dan toch eene eerste
1) Vergelijk hot gezegde over het regt van den kooper op den Schal in den aider, Deel I, Black. 8.
DE ONK KOT V A A111)10 E KENTMBESTEK.
cu dubbele stem, daar wij liet er voor lioudeu kunnen, dat hij de opvatting der apostelen zelve, bij hunne latere evangelie-prediking, uitdrukt.
Dit laatste is inzonderheid het geval bij 't onderwijs van den Heer, dat wij bij i.ukas alléén vinden, en dat hij dus niet aan mattheüs of markus kan hebben ontleend. De taal zelve wijst reeds aan, dat dit allerminst aan eeue schriftelijke bron van Joodseh-Christelijken {Mionitischen) oorsprong kan ontleend zijn, 't Is Griekseh gedacht, en Jiiet uit 't Hebreeuwsch vertaald. Er zijn zelfs uitdrukkingen in, die wij in de allereerste oorkonden 1) geheel missen. Zoo, bij voorbeeld, zullen wij in de alleenspraak van den rentmeester eene opmerkelijke overeenkomst vinden met die van den rijken dwaas. Alles wijst aan, dat lukas hier in zijn' eigen'quot; stijl oververhaalt, wat hij (blijkens de Inleiding tot zijn Evangelie) in zijnen omgang met de apostelen of hunne leerlingen gehoord heeft. Het is dus te verwachten, dat hij het ook in dien geest (al is 't niet juist met de eigen woorden) verhaalt, waarin dezeiv het plegen te verhalen. 2) —- En al kan lukas zich in zijne opvatting van 's Ileeren onderwijs vergist hebben, het is duidelijk, dat hij de bedoeling daarvan helder zoekt aan het licht te stellen, en 't hem hierom alleen te doen is. Wij vinden bij hem, — wat wij bij de twee oudere Evangelisten doorgaans missen, maar weder bij Johannes terug vinden, — telkens van die kleine inleidingen of aanteekeningen, waarin liij ons jezvs' doel leert kennen; terwijl hij ook meer malen vereenigt, wat op verschillende tijden, maar in den zelfden geest gezegd is.
Ik hoop, dat mijn lezer zich deze breede inleiding getroost, en die ten einde gelezen heeft. Ik heb mij wel heel wat meer moeten getroosten ! Maar nu is ons dan ook de weg gebaand tot onze verklaring, zonder dat wij later, door al 't geroep ter regter of ter linker zijde, ons van dien weg behoeven te laten afbrengen. Wij beginnen weder, als gewoonlijk, met 't beeld zelf, de beteekenis nog vooreerst daar gelaten.
Er was een zeker rijk mensch, welke eenen rentmeester had. liet beeld van een mensch, en in 't algemeen zeker mensch, zijn wij nu al gewoon in jezis' Gelijkenissen. Reeds terstond begunstigt deze aanhef de handigheid niet van lien, die dadelijk gereed staan, onder het beeld van den rijken mensch en zijn' rentmeester een' naam te schrijven, 't Komt er niet op aan, hoe zij heeten. 't Zijn menschen zonder naam, iictieve personen, waarbij alleen 't rentmeesterschap, als de betrekking tusschen beiden, hoofdzaak is. Dat daartoe de een rijk moest wezen, is natuurlijk. ])c arme houdt er geen' rentmeester op na.
1) Elders hoop ik beter gelegenheid te hebben, dau hier, om aan te toonen, dat deze oorkonden hoogstwaarschijnlijk de «Redenen des Heeren , door mattheüs en de «rETiius-prediking door markus geweest zijn, terwijl lukas misschien alleen een defekt exemplaar van onzen markus in geschrifte heeft voor zich gediad.
2) Een voorbeeld van elders. Paulus herhaalt {ï Kor, XI) de instelling van het avondmaal, gelijk hij die uit de apostolische overlevering {paradosis) kende, en wij vinden zijn berigt bijna letterlijk bij lukas, die 't uit do zelfde bron had, terug. Ook de sehtijvor aan do Hebreen (aïollos ?) schijnt in zijne voorstelling van 't lijden in Gethsemané het naast aan lukas tc komen.
304
DE ONRKOTVAAUDIGE llENTMEESTEl!.
30i;
I
| iH
lil
■i
li
Rentmeester: — het Grieksclie woord is hier huisbezorger, oekonoom , 1) welke naam in de laatste jaren weder is in zwang gekomen; niet opzigter, waarnemer, zoo als met een ander woord hekodes' rentmeester elders {Luk. VIII: 3) wordt genoemd. Geen van beide Griekscbo woorden geeft ons rentmeester , dat de bijbelvertalers voor beide gebruiken, naauwkeurig terug. 2) — Men moet zich zulk een5 oekonoom niet met die beperkte magt en onder die strikte rekenpligtigheid voorstellen, die onze naauwkeurige administratie cist.'ht. De betrekking komt reeds in de aartsvaderlijke dagen voor. Eliëzek wordt door a H ka h am geroemd onvertrouwd, als de bezorger van zijn huis, dien hij zelfs in zijne kinderloosheid tot zijn' erfgenaam stellen wil. Jozef was potifars huisbezorger, en genoot insgelijks het onbepaaldste vertrouwen. 3) En beiden waren toch maar slaven of lijfeigenen. Maar later, in de dagen der koningen, lezen wij ook van vrij geboren mannen, die door zulk een vertrouwen zich vereerd gevoelden, en daarin de ruimste volmagt genoten. In onze Gelijkenis heeft men zeer te regt opgemerkt, dat de oekonoom geen slaaf {dienaar) was, maar een vrij geboren man. Dienaren worden, in andere Gelijkenissen, om hunne ontrouw gekastijd en in de gevangenis geworpen. {Luk. XII; 46—tSj Maüh. XXV : 30.) Onze rentmeester wordt eenvoudig afgezet. Ook wordt van hem niet gezegd, dat hij zich een deel van zijns meesters goed oneerlijk heeft toegeëigend; dan zou hij ook wel eenige toevlugt voor den kwaden dag
1) De Vulgata zot het over door Villicus, de huisbewaarder en oiizigter over eeue landhoeve , en gaat dus buiten hot oostorschc beeld, Ilct inbrengen en besturen van den oogst, ligt alleen in dit woord ook. IIieüon ymus hooft dispensator.
2) Er is oen bepaald verschil tusschen ènixijono; en olxovóftos. De opzigtor sebijnt maar óeno bepaalde betrokking gehad to hebben, bij voorbeeld: het toozigt over den wijngaard (Mal/h. XX; 8), over vorsehillende vaste goederen (J,u/c. VIII: 'i), enz. De hulsbezorger daarentegen had bot behoor over ontvangst en uilgaaf der huishouding, in don rulmsten zin genomen. Do betrekking wordt in 't Oude Testament aangeduid mot de woorden «die over hot huis is,quot; in onze vertaling meest: /wfmees/er. Zij hoeft haren oorsprong in't lijfeigensebap, en was de post van bevoorregte slaven. Aan het hof was do betrekking hooger, en dikwijls een eerepost voor vrijgeboornon. Zoo bad jozef er één als onderkoning {Gen. XL111: 10), en later ook do Israëlitlsobo vorsten. In hot N. T. komt het woord oekonoom bij luicas nog eens voor , in de aartsvaderlijke betookonis, van don man, diende heer over zijne dienstboden zei, om te regter tijd hel bescheiden deel spijze legeven. {Luk. XII ; 42, zie vroeger D. 1, BI. 370 verv.) In onze Gelijkenis kan het eobtor deze engere betookonis niet hebben. Elders vinden wij hot (behalve van den stedelijken ontvanger of kashouder,/torn. XVI; 23,) nog bij fallus en petbtjs, in een' overdragtelijken zin: van bon, aan wie de bediening dor goddelijke genade is toevertrouwd, en wier eerste pligt, juist om hot in ben gestolde vertrouwen, getrouwheid is. (1 Kor. IV ; 1, 2; Til. I ; 7; 1 Petr. IV ; 10.) De eenige plaats, die nu nog over is, verdient wat meer opmerkzaamheid, daar beide woordenor vereonigd voorkomen, en zokor niet als synonymen. De erfgenaam, zegt I'aulus {Gal. IV ; 1, 2); zoo lang hj kind is, staat onder ènuyónov; *al oixovófiov;. Bij hot eerste denken wij van zelve aan de paedagogen, {tuchtmeesters, slaven met 't opzigt over jongens belast,) waarvan paclus elders spreekt. Do èniiyono; had dus meer over don persoon , do oixoyófjo; over het goed, de voeding enz, dor minderjarigen to zeggen. Dit alles strekko ter aanvulling en verbetering van het geen ik vroeger sobrcof, 1). I, Blz. 379, Aant. 2. — Do ruime betookonis van het laatste woord bij de Grieken, vindt men bij groszmanr, pag. 21.
3) In the tombs of Egypt are found paintings representing a steward taking account of the grain brought in by the various servants or tenants of his lord. Such a steward teas Joseph in Potiphar's house ; and such he had under his control, afterward, in Pharaoh's house, (kirk,) —Nadat potipar jozee over zijn huis en over al wat het zijne teas gesteld had, on daarvoor in iiuis en akker word gezegend, liet hij alles, wat h'j had, m jozefs hand, zoodal hij net hem van geen ding kennis had, behalve van h't brood, dal hij at. {Oen. XXXIX : 5, 0.)
ilkl
■ $1
'iH i
i
1
ii
Hl'j '1
■
K'i
: 'tl
m
DE ONREGTVAARDIOE RENTMEESTER.
hebben overgehouden; maar eenvoudig ; lij werd hij den rijke verklaagd, als die zijne goederen doorhragt ;—met het zelfde woord, 1) waarmede vroeger van den Verloren' Zoon gezegd was, dat hij al zijn eigen goed doorhragt, reddeloos levende.
De rentmeester moot dus bijna do zelfde magt over zijns meesters goed gehad hebben, als de verloren zoon over zijn erfdeel; behalve dat de laatste alles had te gelde gemaakt, en de eerste natuurlijk de vaste goederen van zijnen beer niet vervreemden kon. Ook moet hij de inkomsten, een goed doel althans, zijnen beer hebben opgebragt; anders had deze zijn wangedrag met van anderen behoeven te hooren, maar zou hij, als de heer van den wijnberg in de Gelijkenis der Booze Landlieden, om ■'t hem wettig toebe-hoorend inkomen reeds vroeger gevraagd hebben.
Ik stel mij, ook in verband met het volgende, dezen oekonoom voor, als in het bezit van dat onbepaald vertrouwen, dat de Oostersehe zeden mede bragten, en waar tegenover stond, niet eene bestraffing en betere controle, maar kort weg afzetting. De rijke mensch heeft vele goederen, en kan of wil ze zelf niet beheeren : akkers , olijfgaarden, wijnbergen , hij laat 't alles aan zijnen rentmeester over, die het weder met de pachters vinden moet. Jaarlijks bezorgt hij slechts aan zijnen meester 't gezamenlijk bedrag der inkomsten ; of liever nog, bij voorziet in al zijne uitgaven: ontvangt dus, maar betaalt ook. Anders zou hij alleen rentmeester zijn, nu is hij ook oekonoom, huisbezorger, op wien de geheele zorg der geldelijke zaken, zonder eenige verantwoording, neer komt. 2) In langen tijd is er, daar de heer niet meer noodig heeft, geene rekening van hem gevraagd. Alleen door zulk een onbepaald vertrouwen kon er een te kort in de kas ontstaan, gelijk wij in de Gelijkenis van den Onharmlartignn Biensiknecht vinden zullen: 10.000 talenten. Van zulk een te kort evenwel kan hier geen sprake zijn , en even min van bijbetaling of lijfstraf. De rentmeester heeft eenvoudig verkwist, niet gestolen. Van do pachters heeft hij 't meeste geë'scht, de landerijen uitgemergeld, dooreen weelderig leven veel verteerd; zeker ook wel, door de slordigheid van zijn beheer, veel doen verloren gaan. Dit moet ten laatste wel in 't oog vallen, en wordt zijnen heer overgebragt. Niemand heeft ook reden om den man te sparen, die alleen voor zich zeiven leeft. En — het eind zijner weelderige dagen nadert met rassche schreden.
Wij moesten deze betrekking naauwkenrig bepalen, om het volgend verhaal uit het juiste oogpunt te beschouwen. Men zegt, dat iets dergelijks in Engeland plaats vindt, waar de schalrijke Lords de rentmeesters hunner goederen, inzonderheid in Ierland, geheel de vrije hand laten, zoodat zij kunnen verpachten en verhuren naar willekeur, en alleen de hoofdsom der inkomsten verantwoorden; (sehoon zij ook dan alleen nog rentmeesters, geen huisbezorgers zijn;) — en zeker is het, dat zulk eene wijze van beheer in den geest der oosterlingen lag, maar ook even natuurlijk, dat zij in 't meer bere-
1) II. XV: 13: Sieaxóqniae Tr/v ovalav aviov , £wy aawicos.
2) Ten voorbcclil van liet onbepaald vertrouwen, bij Je oostersehe autokratie, kan strekken, dat bij bet herstellen van dea tempel, onder koning joas, van de opzigters (jtene rekening geëischt, en dus alles aan hunne eerlijkheid overgelaten werd (2 Kon. XII : 15). Het zelfde wordt nog eens onder josia herhaald, weder met de eigen bijvoeging: want zij handeldenJroutoeljk (2 Kon. XXII: 7).
306
i
de onukgtv a a lidi ge eextmeestee.
kenende westen niet begrepen werd, zoodat men daar aan den rentmeester allerlei boos en listig overleg, en ten laatste nog een goed maken en door bedrog sluiten van zijne rekening heeft te laste gelegd.
De rijke menseh dus, toen liem dit kwaad van zijn' rentmeester werd aangebragt, riep liem en zeide tot liem: // Wat hoor ik dit van «? Geef rekenschap van uw rentmeesterschap; want gij zult niet meer kunnen rentmeester zijn!'\) Sommigen, voor den rentmeester partij trekkende, hebben liet zijnen heer zeer kwalijk genomen, dat hij, alleen op booze geruchten, 2) terstond den man van zijn* post ontzet. Dit zon eenigon grond hebben, wanneer hij hem niet eerst voor zich ontboden, en naar zijn wangedrag gevraagd had. Die vraag, letterlijk uit't Grieksch vertaald: // Wat hoor ih dit van u?quot; beteekent ongeveer 't zelfde als: //Hoe is 't mogelijk, dat ik dit van u hooren moet?quot; 't Is een blijk van verwondering, na zoo onbepaald vertrouwen, niet een hard en scherp verwijt. 3) De oeko-noom werd daardoor in de gelegenheid gesteld, om zich te verantwoorden; en wij moeten er bij denken, wat in eene andere Gelijkenis is uitgedrukt: Ik hij verstomde, Als hij iets tot zijne verdediging had te zeggen gehad, hij zou 't wel niet verzwegen hebben. De toespraak van den Heer is beslissend, maar kalm, niet onvriendelijk zelfs. Zoo iets had hij van dien man niet gewacht! Maar nu 't zoo is, kan hij ook geen rentmeester blijven. Van eene eigenlijke straf, zoo als reeds is opgemerkt, is geen sprake. Het verlies van zijnen post, is ook voor den weelderigen verkwister straf genoeg.
Geef rekenschap — letterlijk: //Geef af de rekening.quot; Wij zouden zeggen: //Maak de afrekening op van um rentmeesterschap!quot; of //Sluit uwe rekening af,quot; —- De uitdrukking is zeer algemeen, en wordt voor alle rekenpligtigheid gebruikt; maar dat de oekonoom niet voor zijnen heer gedaagd werd, om zich te regtvaardigen, zoo hij kon; om zijne rekening over te leggen, opdat zijne schuld of onschuld er uit blijke: is reeds daaruit duidelijk, dat de heer hem gebiedt //de rekening af te geven,quot; en niet: //rekenschap te geven, zich
1) Hugo de GKooi vergelijkt de afzetting van shbna, ihzkia's hofmeester of seliatmeestcr, om zijne trotsche en weelderige levenswijze (Jcs. XXII : 15—25). De betrekking, waardoor de sleutel van hei huis davids op zijn' schouder yclegd was, is evenwel eene andere en hoogcre,
2) liet is niet tegen te spreken, dat (fia^aXlsiv kwaadspreken, verdacht maken (of zoo als wij zouden zeggen , zwart maken) beteekent, en als zoodanig staat tegenover xnit/ynystv , ;/ecnc openlijke aanklagt voor de regtbank inleveren.quot; In dien ziu is ook JiafioHo; ervan afgeleid, tot vertaling van hot Ilebreeuwsehe Satan, om den boozen , aan't menschdom vijandigen geest aan te duiden: den tegenstander, zoo als zijn oorspronkelijk beeld in liet boek Joi geteekend staat. Daarmede is echter de onschuld van den rentmeester nog verre van bewezen. Wat van hem aangebragt wordt, is waar, even als het geen mededienaren van den onbarmhartigen dienstknecht den koning bekend maakten [Smaacfijoav), schoon uil edeler beginsel. {Malth. XVIII : 31.) liet woord zelf wordt in de Qriekscbe vertaling van eene vijandelijke , maar ;niet onware beschuldiging gebruikt, als de Chaldeërs Daniels drie vrienden, en later de Perzische grooten hem zelf tiièpui-uv. {Dan. III : 8 en VI : 24; vergl. 2 Makte. III ; 11.) Sen ei'feu vertaalt het (naar het gebruik bij xenophok en anderen): //aanbrengen, beschuldigen buiten het gerigt (tegenover xnitjyoqttv)quot;
3) Bij pricaeus kan men vele voorbeelden van deze zegswijze vinden; zoo als: tl tan toi'to ó' owoid); (1 Sam. 11: 24) — ji rovto inoirjusv yutv d öeóg ; {Gen. XL11: 28). — Wat donatüs bij tehkk-titjs aanteekent: Non interrogantis sed mirantis est el non intelligentis, komt ook in onze vertaling duidelijk genoeg uit.
307
it
i
42*
i?
DE ONREGTVAARDIOE RENTMEESTER.
tc verantwoorden.quot; 1) TToe ook die slotrekening moge zijn, liet staat vast, zijn rentmeester zal hij niet kunnen blijven. 2) Het is zeker, dat liij ver boven zijn vermogen geleefd heeft, en dat hij, die niets van zich zeiven heeft, dit nergens anders van beeft kunnen doen, dan van het goed zijns meesters. De gehee 1 e afrekening, met den staat der goederen, sehuldbrieven enz. moet dus worden opgemaakt, omdat het eene besliste zaak is: mmnt gij zult niet meer (niet langer) hunnen rentmeester zijn,quot;
Maar om die rekening te kunnen afgeven, moet bij ze eerst opmaken; en daartoe is eenige tijd noodig. Hij heeft er niet op kunnen rekenen, toen hij zoo onverwacht bij zijnen heer geroepen werd. Hem moet dus wel 't rentmeesterschap nog eenigen tijd gelaten worden •. niet lang, maar toch eenige dagen of weken, ook om hem in dien tijd een' opvolger aan te wijzen. Dat de man het zelf zoo opvat, booren wij aan zijne alleenspraak, die wij ons natuurlijk in de eenzaamheid, na zijne tehuiskomst, moeten voorstellen. De rentmeester nu sprak in zich zeken: 3) v Wat zal ik doen, omdat (of daar) mijn heer het rentmeesterschap afneemt van mij?quot; Hij aebt 't dus zeker. Niet voor 't mogelijke geval, wanneer zijn rentmeesterschap hem eens ontnomen werd, wil hij zich eene toevlugt verzekeren. Vruchteloos heeft men aan de duidelijke woorden dezen zin pogen te geven. Neen! 'tis nu eenmaal niet anders. Zijn heer neemt 't van hem af. Eene treurige toekomst staat voor de deur. vWaf zal ik doen? Graven? Ik heh er de kracht niet toe. 4) Bedelen? 5) Daar schaam ik mij voor!' Deze indeeling der woorden, moge zij al niet ten volle zeker zijn, geeft aan de alleenspraak meer levendigheid. Dat 'tniet kunnen letterlijk moet worden opgevat, van gemis aan ligchaamskracht, kan ieder bij ondervinding getuigen, die maar ééns beproefd heeft, do pen met de spade te verwisselen. De beste schrijvers en administrateurs zouden do slechtste boerenarbeiders wezen, v Ik versta dat werk niet,quot; is minder naauwkeurig vertaald en drukt ook de bedoeling niet uit. Spitten en graven werd oudtijds 't laagste werk gerekend, dat er altijd nog voor een'man overschoot, een slavenwerk, als hij niets anders vinden kon en er de kracht toe had. Onderscheiden voor-
1) Dit laatste wordt bedoeld 1 Pelr. IV : 5 : Die rekenschap zulten geven {uTtoticoaovcn Xóyov) aan hem, die gereed staat om te oordeelen levmden en dooden. Rom. XIV : 12 vinden wij, in den zelfden zin, het enkelvoudige Xófov (Jwast iw fffü. Hier echter is het een overgeven van de geheele rekening, waarmede zijn rentmeesterschap wordt afgesloten; anóSos tov Xoyov tij; oixovopias aov. Op dit artikel heeft men te weinig gelet.
2) «Paulsen, lieg. der Oosterlingen, zegt: vDit zien wij, dat de lieer hom geene rekenschap afvorderde, voordat hij, van zijne onregtvaardigheid overtuigd, besloten had hem af te zetten,quot; enz. Hij beroept zich op cbaudin, wiens herigt hij Blz. 510 mededeelt, en waaruit blijkt, dat geen algemeene rekening gecischt wordt, dan wanneer men wegens groote onregtvaardigheid besloten heeft, het met hem tot het uiterste te brengen.quot; van willes.
3) Anslatl wahrhafl in sich zugehen [slg énvtóv, H. XV : 17) , spricht der [laushaller èv tavXM. Stiek.
4) Versans inter agticolus, supponilur nulltus artifieii esse peritus: quin quod si ad virtum mnnihus quae-rendum sit ad actus, neeesse sit ei, ut ad fodiettdnm in vineis, aut agris, ant olivctis, sese applicet. Li Gin foot.
5) Hier, en II. XVIII : 35 (naar tisciiendobï) , ishet inaixBïv, elders {Mark. X:46, /o^. 1X;8, en naar de gewone lezing ook Luk. XVIII ; 35) nQoaaixsir, of {Hand. 111:2) aitsly èker/noavvriv : maar altijd wordt bedoeld het bedelen, zittende aan den openbaren weg. Voor ieder, die gezond van lijf en leden was, werd dit van ouds bij de Joden de grootste schande geacht. Jezus sibacii zegt (XL: 28): Mijn kind t leid niet een leven van bedelarij; het is beier, te sterven, dan te bedelen (ênaneiv).
1)1! ONREGTVAARDIGE RENTMEESTER.
beelden heeft men aangehaald, om te bewijzen, dat vanouds de spade veel minder in eerc was dan de ploeg; even als bij ons aard- en polderwerk niet 't meest in trek is. Maar al wilde de rentmeester zich ook zoo diep vernederen, hij heeft er de noodige kracht niet toe. En dat hij, die op dit oogenblik nog zoo groot gezag heeft en zoo weelderig leeft, zich 't vooruitzigt om te moeten bedelen schaamt, is natuurlijk. Behalve dat ieder 't zich schamen zal, die in beter' staat geweest is, en het voor 'teerst doet, zijn do bedelaars, die wij in 't Nieuwe Testament ontmoeten, of lammen, bf blinden, of melaatschen; en nog onder ons zal zelden een Jood, hoe arm ook, zich tot openbare bedelarij verlagen, daar hij 't woord van mozes: Da( er geen ledelaar onder u zij! [Leut. XV: 4) als een heilig gebod beschouwt.
Zoo zit de rentmeester eenigen tijd in zijne treurige overpeinzing verdiept, zonder hoop en zonder uitweg. Maar zijn gezigt heldert op. Tlij bedenkt zich wat, en zegt: nik weet, wat ik doen zal, opdat, wanneer ik hen afgezet van mijn rentmeesterschap, zij mij ontvangen (of opnemen) in hunne huizenquot; — Hij behoeft voor zich zei ven die zu niet te noemen. Dit behoort tot 't natuurlijke der alleenspraak. Voor den hoorder maakt het vervolg van 't verhaal duidelijk, wie hij bedoelt.
Intussehen is te regt opgemerkt, dat de vorm dezer alleenspraak geheel de zelfde is als die van den rijken dwaas. De zelfde verlegenheid, waarmee de mensch in 't onbestemde staart en op een' gelukkigen inval hoopt: u IFat zal ik doen?quot; en de zelfde verrassende ontdekking: nik weet 't. Dit zal ik doen.quot; De scherpzinnige stradsz, die met arendsoogen de Evangelisten bespiedt, vindt er een bewijs van lictie, iets minder oostersch zelfs in, en schrapt daarom eenvoudig beide verhalen op de lijst der echte Parabeien van Jezus uit. Wat zijn tweede bezwaar beteekent, dat zulk een vorm niet oostersch zou zijn, begrijp ik niet. In de Gelijkenis van den rijken dwaas, is de aansporing aan zijne eigene ziel, om te eten en te drinken, zoo door en door Israëlitisch, dat ik mij niet begrijpen kan, hoe dit uit de pen van een'Griek zou kunnen vloeijen, indien hij 't niet uit een Hebreeuwsch verhaal had. Hoogstens zou eene waarlijk onbevooroordeelde {vorauszetsunglose) kritiek, zoo als die van strausz wezen wil, uit deze alleenspraken kunnen besluiten, dat i.ukas iets van zijn' eigen' vorm aan het oorspronkelijke verhaal, dat toch ook in eene andere taal was uitgesproken, heeft toegevoegd. Wat mij betreft, het is mij altijd voorgekomen, dat de Parabelen, die i.tjkas alléén vermeldt, in vrijeren, hier en daar meer Griekschen vorm gesteld zijn, dan die, welke hij met markus en mattheüs gemeen heeft; en de oplossing van dit verschil schijnt mij daarin gelegen, dat hij de laatste uit zijn mabkus-E vangel ie heeft overgenomen, terwijl hij de eerste waarschijnlijk aan de mondelinge overlevering, van de Apostelen tot hem gekomen, ontleent. Dit verdient echter nog nader onderzoek; het staat ook al te zeer met eene diepere taalstudie en met de ingewikkelde vraag naar den oorsprong der Evangelieën in verband, om het hier nader uit een te zetten, hoe gaarne ik dit anders doen zou. 1)
309
Maar het is meer dan tijd, dat wij tot het verhaal terug keeren. Het vervolgt: En
J) Vergelijk hier cn later hel gezegde bij de Gelijkenis van den Rijken Dwaas, Blz. 11 en 12.
de onkegtvaaudioe rentmeester.
tol zich geroepen hehhende elk en een iegelijk 1) van de schuldenaars zijns heeren, zei de hij tot den eersten enz. —■ Sommigen van hen, die in deze Parabel, om liaar een' voeg-zamen zin te geven, hebben ingelegd, wat er niet in verhaald wordt, hebben hier bij gedacht, dat de gansche onderhandeling in de tegenwoordigheid van den heer plaats had; dat de rentmeester uit eigen middelen een deel van de schuld betaalde, enz. —■ Uit eigen middelen: de man, die morgen misschien voor eene dniarie daags 't land moet gaan spitten, of om een' penning bedelen! — Voor ons, die Jt verhaal uit het verhaal zelf zoeken op te helderen, zijn er vooral twee vragen te beantwoorden: vooreerst, of de rentmeester al de schuldenaars bij een riep, en dan vooral, wie die schuldenaars waren.
Op de eerste vraag zou ik antwoorden, dat eene algemeene oproeping, maar waarbij elk op zijne beurt voor den rentmeester komen moest, het meest in den aard der zaak ligt. Er is geen tijd te verliezen. Allen worden geroepen. Een eigenlijk geheim kan toch de reden van deze oproeping niet blijven. Maar de onderhandeling geschiedt best met ieder afzonderlijk, terwijl anderen in 't voorportaal of onder de gaanderij wachtende zijn. Mij dunkt, een klein woordje wijst dit ook aan. 't Is niet: //tot dezen zeide hij dit, en tot gene dat;quot; maar met den eersten is alles afgehandeld, en daarna, toen de man plaats gemaakt had voor een' ander: daarna zeide hij tot een' anderen enz. De vorm van het verhaal wijst ons terug naar de vroeger behandelde Gelijkenis der Talenten of Vonden, waar ook velen op eens worden geroepen, en elk op zijne beurt voorkomt. (//?lt;/•. XIX : 15 enz.)
310
Maar nu eene hoofdvraag in de verklaring; wie zijn die schuldenaars? Natuurlijk menschen, die onder zijne administratie stonden, eu van wie hij dus namens zijnen meester geld of geldswaarde had in te vorderen. Die waarde bestaat in gewone voortbrengsels van Palestina's vruchtbaren grond. Tot een voorbeeld, — want die twee doen ons zien, hoe 't met allen ging: —honderd vaten olie, honderd mudden tanc. Doch hoe waren zij die schuldig? Hadden zij ze van de vrucht des lands gekocht, en nog niet betaald? Maar dan zou de schuldbrief niet koren en olie genoemd hebben, maar de zilveren sikkelen of andere munt, waarvoor ze verkocht waren. Anderen (meijer enz.) hebben verdicht, dat ze deze naturalieën hadden geleend. Maar hoe een rentmeester, die zoo verkwistend leefde, aan eene schare van menschen, zonder 's meesters goedkeuring, de vruchten van akker, olijfgaard enz. zou geleend hebben, en die niet liever te gelde gemaakt, begrijp ik niet. Doch er komt nog iets bij. Wanneer wij deze olie en wijn eenvoudig beschouwen als eene schuld, die nog moest worden aangezuiverd, dan was zeker een geschenk van vijftig vaten olie en twintig mudden tarw niet te verachten; maar 't was dan ook maar een geschenk voor eens, en het was zeer twijfelachtig , of de schuldenaars, die als kooplieden of naburen verder volstrekt geene betrekking op den rentmeester hadden, na dit eenmaal genoten te hebben.
1) Tan ■willes vertaalt eva ëxaaiov «ieder afzonderlijkquot;, ,/allen één voor één,quot; zoodat alles in 't gclieiia toegaat. In de uitdrukking, die meermalen bij lukas ca enkele malen bij paumjs voorkomt, ligt dit geheim evenwel niet. Zij is door onze vertalers zeer juist overgezet; elk en een iegelijk. Men zou ook kunnen zoggen: «elk in 't bijzonder,quot; maar niet: «ieder afzonderlijk.quot; — Men vergelijke, bij voorbeeld, Luk. IV ; 40: Ji zus Inde den kranken elk in 't bijzonder de handen op ; en Hand. II; 3, 0 : Op uen iegelijk van hen telle zich hel vuur, — elk en een iegelijk hoorde zijne eigene taal.
de onllegtvaardige rentmeester.
levenslang hem zouden opnemen en verzorgen. Een geheim bedrog, waardoor rentmeester en schuldenaars heiden er belang bij hadden om 't schelmstuk te verbergen, laat zich ook niet denken. Daartoe gaat do zaak veel te openlijk toe, en komt ook al te spoedig den heer ter ooren , die er niet aan denkt, ze te straffen, en de bedriegelijke schuldenaars nog de volle honderd vaten en honderd mudden te laten betalen of opbrengen.
Er is eene andere, en mijns inziens eenig ware verklaring: //deze schuldenaars zijn de pachters.quot; Het ligt wel inden aard der zaak, dat hij met dezen als oekonoom het meest te rekenen had. Waarin zou anders de bezitting van den rijken mensch bestaan hebben? Wisselaars en kooplieden dreven hunne zaken niet door een' huisbezorger! Nu spreken de oude Joodsche schrijvers (bij bertholdt en anderen) van drieërlei verpachting. Vooreerst die voor eene vaste som gelds, nu de algemeeneregel, maar oudtijds eene zeldzame uitzondering, daar het geld nog zeldzamer was en men meer in natnra leverde en betaalde. Zoo gaf men voorde vrucht van salomo's wijnberg te Raai- llarnon duizend zilverlingen. {lloogl. VIII: 11.) In de tweede plaats de verpachting tegen een zeker deel der vruchten , zoo als nog wel de boeren bij ons kleinere stukjes land vom de helft uitgeven ,quot; zoodat eigenaar en bruiker den oogst deelen. Misschien wordt deze wijze van verpachten bedoeld, waar de heer des wijnbergs ten tijde der vruchten de booze landlieden , die hem gehuurd hebben, om zijne vruchten laat manen. [Matth. XXI: 34; zie Deel I, Bladz. 207.) Maar er was nog een derde soort van pacRteontracten, waarbij een vaste tax van veldvruchten, naar een' gemiddelden oogst berekend, bedongen werd. Waarschijnlijk was dit in gebruik gekomen, omdat met 't vaste deel aan eiken oogst zoo veel bedrog kon gepleegd worden, en men nu in eens wist, waarmede men af kon, even als ia later' tijd meer en meer do tienden in eene vaste grondrente veranderd of geheel afgekocht worden.
Nemen wij dit laatste aan, dan komen wij ligt, met meer uitleggers van den nieuweren tijd, tot het besluit, dat wij hier met de pachtbrieven zelve te doen hebben. Het woord, door de onzen handschrift vertaald, beteekent eigenlijk letter, of ook schrift, en is zoo algemeen, dat het zich op elke schriftelijke verklaring of verbindtenis, misschien nog heter op een enkel woord, liever nog een lettercijfer of getalmerk, laat toepassen. 1) Deze pachtbrieven zijn 't dus, die zulleu veranderd worden, en waardoor aan de pachters eene gedurige weldaad bewezen en eene voortdurende dankbaarheid opgelegd wordt.
Zoo ver en meer nog had ik geschreven, toen een vernieuwd onderzoek mij weder in twijfel bragt. Ik wil ook dien twijfel niet verbergen, opdat de lezer zelf oordeele, en de geleerde verder onderzoeke.
1) Er staat eigenlijk wNeem uw leiter (JéSai crov to yQdfxun) iquot; — Ik vind uict, dat ergens, ook buiten den Bijbel, het enkelvoud zoo gebruikt wordt, waarom ook sommige oude afsehrijvers het in tqaiifinia (door lachmann en tischesdorp zelfs in den tekst opgeuomen,) of y^a^i^ciielov hebben veranderd. Zelfs de Septuaginta, waar zij woorrl (schriftelijk bevel) of hoek er doorvertalen (bij Esther o[ Daniel), gebruiken het meervoud. Op dit enkelvoud starende, kwam de gedaehte bij mij op, of wij misschien niet beter zouden vertalen; «-Neem uw curea (lettercijfer)!quot; daar het alleen op de verandering van het yijaaixti 100 in 80 of 50 aankwam. — De Latijnsche vertaling heeft Cautio, even als tektüllianus. H. nu Guooi verklaart het door syngrapha, chirographu, Eutiiymiüs zigabencs omschrijft : xo yiJiifiun x ov xqiovs.
311
DE ONltEfiTVAAUDIOE HENTMEKSTER.
Wat ik het eerst op gezag van geleerde aanhalingen ea Arameesehe woorden eenvoudig had aangenomen, bleek mij bij verder voortgezet onderzoek mg geheel onbewezen te zijn: namelijk dat het woord schuldenaar ook pachter zou kunnen beteekenen. Het komt in 't N. T. slechts twee malen voor, en heeft do eerste maal (ook hij luk as) stellig de gewone beteekenis. Hier komt bij, dat als afslag van pacht, 50 op de 100 toch wat al te sterk is, en te veel met 20 op de 100 verschilt. Ik zou dus nu meer overhellen tot eene andere opvatting. Dc schuldenaars blijven pachters. Dit bewijst de schuld in naturalia, en niet in 't daarvoor bedongen geld. De verkwistende en onregtvaardige oekonoom heeft hen gedrukt en onder de schuld gehouden; misschien ook door slordig beheer de schuld niet bij tijds ingevorderd , zoodat zij al te hoog is opgeloopen. In zoo verre kunnen ook elders de pachters schuldenaars genoemd zijn : zij worden het van zelf door de achterstallige of over 't loopend jaar verschuldigde pacht. 1) Van pachtbrieven lezen wij, zoo ver ik weet, inden Bijbel niet, wel van schuldbrieven. 2) En zoo stel ik mij voor, dat van 'tnog verschuldigde door olijfgaarder en akkerman een handschrift is opgemaakt, bij den laatsten oogst. Wordt dit nu op de gezegde wijs veranderd, dan zullen wij nader zien, dat de afslag van 50 en 20 ten slotte op 't zelfde neêr komt.
Maar wij vervolgen. De onderhandelingen worden dan geopend. Of de pachters reeds iets weten van de aanstaande aftreding des rentmeesters? Het behoorde niet tot mus' oogmerk, al zulke kleine bijzonderheden te bepalen. Men kan ze zich denken, zoo als men wil. Eene Gelijkenis is gccnc geschiedenis. In den gewonen loop der dingen zouden wij zeggen; zij hadden er zeker wel iets van bemerkt, al mogt 't hier nog niet hard op gezegd worden, en begrepen dus ligt, iioe de anders inhalige rentmeester op eens zoo gul kwam.— De eerste staat vóór hem. n[foe veel zjt (jij ook weer schuldig aan mijnen heer 'quot; Ik heb in deze vraag een paar woorden ingevoegd, om te doen gevoelen, dat de rentmeester eigenlijk naar den bekenden weg vraagt. Met zekere voornaamheid sprekende, is 't of hij zich al die kleine bijzonderheden niet zoo naauwkenrig herinnert. Ook valt de afslag beter in 't oog, en is er meer dankbaarheid voor de weldaad te wachten, na den eersten schrik van dc oproeping en de vraag, wanneer de pachter zelf het oorspronkelijke bedrag heeft genoemd. Bevende komt dc schuldenaar voor den rentmeester, van wien hij niet veel goeds te wachten heeft; misschien weder eene nieuwe afpersing!— nHonderd vaten olie moet ik jaarlijks opbrengen,quot; of: //ben ik ten slotte nog schuldig.quot; Eigenlijk staat er;
1) Het woord xytoxpsiXBrt/g of XQBoym.kéiy; , waarop hier zoo veel aankomt, wordt alleen door j.okas gebruikt, hier en H. VII; 41, waar het zeker de gewone beteekenis (.sc//!lt;/(/egt;i«ffr) heeft, en tegenover lt;1afsiatj}g {schuldeischer) staat. Daar wordt evenwel dc schuld in geld, niet, zoo als hier, \n naturalia opgegeven, Dat schuldig zijn of schuld betalen (^sco/lvTeiy) ook van paehten en tienden gebruikt wordt, bewijst gboszmann uit flavius josephus. Bertiioldt verzekert, dat de Aramaeiirs de pachters plegen te noemen schuldenaars maar hij bewijst het niet. Waar het oorspronkelijke woord in 't Hebreeuwseh voorkomt, beteekent het eene geldelijke schuld, waarvoor onder de Israclieten pand pleeg gegeven te worden, (tizech. XVIII : 7.) Van hier de wijziging in mijne eerste opvatting der zaak, zoo als ik die in den tekst heb uit een gezet.
2) Wat mij ook in mijn'twijfel versterkte, is, dat ik bij geen der ouden het denkbeeld »verniinderiug van jaarlijksche pacht,quot; gevonden heb. Zoo ver ik weet , is deze opvatting van nieuweren tijd.
312
DK ONIILGTVA AUDIGE li KNTMEESTEU.
//Honderd Bath,quot; eenc maat voor vloeibare waren, die met de Eplia gelijk stond, en (naaide ruimste berekening) veertig Nederlandsche kaïmen of een anker vocht bevatte. Honderd zidke vaten zijn misschien — ik kan dit niet beoordeelen — juist de gemiddelde of wat ruime pacht voor een' goeden olijfgaard. He rentmeester antwoordt op deze herinnering : nNeem uw handscJirft, (uw letter of uw cijfer,) en haasleljk }) u vederzettcnde, sclrjf v'ïjfügquot; — He man stond dus, en bem werd, om te schrijven, een zetel aangewezen. Het handschrift berustte natuurlijk bij den rentmeester. Hij zocht het onder zijne papieren, en reikte 't den schuldenaar met zeker ongeduld toe. Er is nog zoo veel te verbandelen, en ieder oogenblik kan do bode van zijnen heer komen vragen, of zijne rekening nog niet gereed is. Haastig dus!—Hit laatste wordt door onze vertalers met 't schrijven verbonden, en taalkundig is deze overzetting onberispelijk. Ik geloof echter, dat de constructie dor Grieksche woorden voor eene andere pleit: //Ga haastig zitten, schrijf vijftig!quot; 2) Misschien echter zijn beide opvattingen te vercenigen , daar bier de twee handelingen als naauw aan een verbonden gedacht worden: //Ga zitten en schrijf, maar baast u wat!quot;
Men heeft gevraagd, of de schuldenaar 't zelfde handschrift veranderen, en dus verval-schen moest, of wol een' nieuwen schuldbrief maken. Ook dit behoort tot de bijzonderheden, die de verhaler aan onze verbeelding overlaat, en waarbij wij nog eens zeggen: //Eene Gelijkenis is geene geschiedenis.quot; Neemt men de voorstelling aan van een nieuw bandschrift, dan kan men zich verbeelden, dat de rentmeester het model om te copiëeren, of wel pacht- of schuldbrief zelf, waar alleen de som was in te vullen, in voorraad gereed heeft gelegd. Liever zou ik dan nog van doze twee gevoelens het eerste kiezen, 't Gebeele geschrift moest van do hand des schuldenaars zijn, en zulke stukken waren toen zoo omslagtig niet. Maar die nieuwe schuld- of pachtbrieven waren in 't geheel niet noodig. //Met verandering van eene enkele letter,quot; zegt van wit.i.ks te regt: //in den ouden pachtbrief, van bet zelfde schrift, wordt alles •afgedaan. De rentmeester geeft niemand tijd tot
]) Oifo est hominis fraviulenÜ et male a gent in. Mat.donatcs. Braüss , die alles iu tegenwoordigheid van den lieer laat geschieden, terwijl de edelmoedige rentmeester zich haast, om uit eigen middelen de schuldenaars te gemoet te komen, maakt van de schoone Gelijkenis een' zeer middelmatigen roman. Men zie zijne Verhandeling in de Bijdragen van huitenlandsctie Oodgeleerden, Derde Deel, 18-13. — Hij hel Blz. :ilO aangeteekende kan ik nog voegen, dat deze haast tegenover liet denkbeeld van geheim staat, het geen ook beter door «ntt' ëvn éxaatov zou zijn uitgedrukt, dan (zoo als hier) zonder *«id. Verg!, Uanit. XXI : 10 cu Et'ez. V : 'M.
2) Kal xaamp;ivas ro/»wf yiJiiifiov, duldt zoo wol do eene als de andere vertaling. Pricakus verbindt met bet voorgaande woord, omdat ro/r en jn^éiag doorgaans betrekking hebben op werkwoorden vanbeweging! komen, heen gaan, opstaan, en hier gaan zitten. (Vergl. Maith. XXVIII: 7, 8; luk. XIV; 21; .hh. XI: 29; Han't. XVJI : 15 ; Openh. 11:5, XXII: 7, 12, 20.) Scuum-.u daarentegen zegt: «Wanneer eene daad de hoofdzaak uitmaakt, maar met. spoed verhonden, dan staat laxims aehtcr aan (t.ntr. XIV ; 21) ; wanneer echter de spoe'l de hnof'tzaah is, dan voorop [doh. XI : '51 ; 2 Th es*. II : 2). Ilierdus: Rehrijf schieljte.quot; In 't algemeen is het waar , dat do ouden de woorden voorop stellen, waar de nadruk op valt. maar boe moet men, bij voorbeeld, naar dezen regel Matth XXVIIl:7en8 verklaren, waar tnxv eerst vóór, dan achter staat? Eer zou ik zeggen, dat men dit odeerhium gaarne in het midden zette, vooral van eene geheele phrase, waarop het sloeg, liij voorbeeld : /sifag vnxsMg /ii/JsA fnnlamp;er (I Tim. V : 22). Daarom ben ik bij nader inzien op de gedachte gekomen, of het ook hier niet op de geheele phrase slaat, als of er stond: xaamp;hras yyatpov, «/1/1« Taxéms.
tgt;e onheotvaakdige 11eotmeesteu.
bedenking, en laat zijn eigenlijk doel niet blijken. De schuldenaars moesten het beschouwen als loutere gunst.quot; — 't Is toch bekend, dat in 't Hebreeuwseh de letters voor cijfers dienen. Dat lettercijfer, of 't handschrift daarvan, moest de schuldenaar nemen.— De rentmeester heeft't intusseheu opgezocht: //Daar, neem aan!quot; — Waartoe het te nemen, als hij 't niet veranderen moest? Schrecf hij een nieuw stuk, dan kon de rentmeester zelf het oude wel verscheuren, of na liet nieuwe ontvangen te hebben, terug geven. — Eindelijk merken wij nog op, dat de rentmeester niet zegt //uw heer,quot; maar //mijn heer,quot; als met wiens volmagt hij nog bekleed is; zoodat de schuld wel op naam van zijn' meester staat, maar hij zelf de bewaarder is der stukken, die hij ook aan een' volgenden rentmeester weder moet overgeven. Wanneer een geleerde hier spreekt van een grootboek, door den heer gehouden, en waarmede die stukken moesten over een komen, kan men wel zien, dat hij geen oosterling is. Met den rentmeester alleen hebben pachters en schuldenaars te maken; met den heer komen zij nooit in aanraking: iiij bemoeit zich met al die bijzonderheden niet!
De man zet zich terstond neder, en doet, zoo als hem geleerd is. Dit wordt wel niet gezegd, maar er van zelf bij gedacht. Wat kon iiij er ook tegen hebben ? De verantwoording kan hij gerust den rentmeester overlaten. — De zaak is afgedaan. Een tweede 1) staat reeds gereed en volgt, terwijl de eerste verheugd en dankbaar henen gaat. i/Fm (jj, hoe veel zïjt gij schuldig?quot; De vraag is in zoo verre minder volledig, dat er niet bijgevoegd wordt: aan mijnen heer. De man is zeker reeds nader bij getreden, en heeft dus gezien, dat het om de schuld- of pachtbrieven te doen is. nHonderd mudden lamquot; is het antwoord, of eigenlijk : //Honderd kor graan.quot; Vroeger liebben wij reeds gezien, dat dit laatste woord doorgaans van tarwe, als liet graan bij uitnemendheid, wordt gebruikt. De kor, 't zelfde als homer, was de grootste inhoudsmaat, en bevatte tien epha's. Honderd kor was dus (altijd naar de ruimste berekening) ongeveer vier honderd Nederlandsche mudden. Ook deze schuldenaar ontving op de zelfde wijze afslag; alleen wordt er het haastig gaan zitten niet bijgevoegd, 't Is eenvoudig: uNeem nw hand-nchriff, en schrijf tachtig.quot; 't Is of de rentmeester gaande weg rustiger wordt.
Daar al de bijzonderheden van dit korte verhaal zoo naauwkeurig zijn uitgeplozen, hebben de uitleggers er zich ook zeer over vermoeid, waarom hier tachtig, en vroeger vijftig in de plaats van honderd wordt geschreven. Sommigen vinden er de les in van eene naar omstandigheden wèl berekende weldadigheid, 2) maar dit is tamelijk ver gezocht, 't Kan eenvoudig tot afwisseling zijn, even als in 't vorige Hoofdstuk: honderd schapen, tien •penningen, twee zonen. Maar dan had ook de hoofdsom kunnen gevarieerd worden. Er is misschien nog eene andere reden. Zoeken wij die eerst voor hen, die hieraan pachtbrieven denken. De opbrengst van olijfgaarden was, even als die der wijnbergen, minder na te gaan. 't Kon dus bij de tarwe zoo veel niet lijden: want do afslag moest toch wel binnen zekere
1) Daarna zeide hij tot eoi' andaren , sneu et étiQO) tinsv. Dat is : //Zoo ging hij voort: eerst den oen , dan den ander;quot;—• zoodat deze twee, even als elders {l,uk. IX : 59, 61; XIX : 20 enz.), ten voor-beeld strekken. Hoe meer er nog volgden, des te heter was zijne toekomst verzekerd.
2) Zie then en, eu het bij hem aangehaalde van gregorius den grooteti; Si rede, of eras, et non reete, dividas, pecrasti.
dfc onukgtvaaudige rkntmeestku.
perken blijven. Die den rentmeester ook de bedoeling toeschrijven, om zijne rekening effen temaken, meenen, dat bij de paebt ttot een' billijken prijs verlaagde, waarmede bij zich verantwoorden kon. Het meerdere bad bij afgeperst en verkwist. Daar echter de man zelf ons zoo duidelijk de reden van geheel zijn doen opgeeft, zie ik niet in, dat wij vrijheid hebben, cr nog eene geheime beweegreden in te schuiven; eene voorzorg, die, wel beschouwd, de andere zou onnoodig maken. Het is dus genoeg, bij het algemeene denkbeeld te blijven: //Hij verminderde zoo veel mogelijk hunne pacht, en kon daardoor aanspraak maken op hunne dankbaarheid.quot;
Misschien echter is de zaak eenvoudiger, wanneer wij aan achterstallige pacht, en dus aan wezenlijke schuld, denken. Zoo als liuhïfogt te regt opmerkt: 30 kor is 200 bath of epba. Er werd dus eigenlijk vier maal zoo veel koren, als olie, vrij gegeven. Als wij nude waarde van koren tot olie stellen als 1 tot 4, staat de gift gelijk, en bedraagt misschien de waarde van 400 gewone zilveren sikkelen of f 300; in dien tijd, toen bet dagloon naauwelijks acht stuivers was, eene aanzienlijke som. 1) Voor zulk eene gift konden zij den rentmeester wel eenigen tijd onderhouden! Het bevreemdende van zoo grooten en ongelijken afslag, valt nu geheel weg. De gift wordt wel merkelijk minder, en daarmede ook de aanspraak op voortdurende dankbaarheid. Maar 't is den rentmeester ook slechts te doen, om vooreerst geholpen te zijn, van 't graven en bedelen bevrijd!
Zoo als gezegd is, treden deze twee schuldenaars als vertegenwoordigers van de anderen op, en moeten wij er bij denken, dat 't met allen zoo giug. Maar dan blijven ons nog twee vragen te beantwoorden. Vooreerst naar 't doel, en daarna naar 't middel; met andere woorden ; //Waarom handelde de rentmeester zoo ?quot; cu //Had hij er regt toe ?quot;
Waarom? Deze vraag wordt door den rentmeester zelf reeds vooraf beantwoord: opdat, ivanveer 2) hij van zijn' post ontzet is, zij hem in hunne hulzen opnemen-, 3) dus //beurtelings kost en huisvesting geven;quot; wat bij de hcerscbende gastvrijheid en de goedkoopte der levensmiddelen in het oosten, niet zoo bezwarend zijn kon. //Lest heugt best,quot; zegt het oude spreekwoord. Al had hij dus vroeger de pachters niet zoo bijzonder goed behandeld , de laatste weldaad zou hen gunstig stemmen , en 't medelijden met den man,
1) Voor de betrekkelijke waarde van koren en olie, heb ik geen' maatstaf kunnen vinden. Het tarwemeel gold, in goedkoopen tijd (2 Kon, VII: 1), een sikkel (75 ets.) do Seah, zijnde gt; Epha. (De Epha is voor de drooge waren het zelfde, als Bath voor de natte.) Daarentegen werd, bij groote duurte, de choinix t;irw, zijnde ^ Epha, met eene denatie (40 ets.) betaald, {fipenh. VI; 0.) Hierop is bovenstaande berekening gebouwd.
2) Vanneer (ó'rav) beteekent niet: »in het mogelijke gevalquot; (van oosterzee), waardoor de rentmeester het nog voor onzeker houdt: want hij had straks als zeker gesteld ; Mijn her nreml mj het rentmeesterschap uf [«(panieltai} ; maar ten tijde ah. Do conjunctions achter ötnv is de gewone constructie (winer , HAHTiNG, enz,), en de verbinding met 't futurum ; »■ Wanneer dit gebeurd is, zal dat gebeuren,quot; is even zeer gewoon, met of zonder tors. Zie Mntth. XXIV ; 15 , 16 ; XVII: 10 enz. — Tk stem evenwel schepfer toe, dat ötnv kan beteekenen ingeval, en dus op zieli zelf de zekerheid nog niet insluit, dat het ook gebeuren'za 1, Altoos evenwel heeft .het' op den tijd cener mogelijke of te wachten gebeurtenis betrekking. Vergl. huk, XI : 36 en XVII ; 10, als ook winer, N. T. Sprachi'Uom , S. 356.
3) Het zelfde, wat bij 't ia huis nomen van Maria door johannes wordt uitgedrukt: è'lnÜRy si;
Ja ï()ia.
315
dk 0sregtvaard1ue uenïmeesïek.
vdie tocli wel wat gestreng werd behandeld,quot; opwekken. Zuo toch gaat het in de wereld. Het medelijden verzacht het oordeel. Of hot nu ook zoo gebeurd is, verhaalt de Heiland niet, daar liet doel der Parabel zoo ver niet strekt, 't Laat zich echter denken. Maar wat sommigen er hebben ingelegd; dat namelijk de rentmeester nog een ander doel hiermede zou hebben bereikt, en door vermindering der schuldbrieven zijne rekening geëffend , daar mede kan ik in geen geval instemmen. Voor de derde.maal moetik daarbij herinneren, dat eene (jlelijkcnis geene geschiedenis is; dat 't dus niet de vraag zijn moet, wat in dergelijk geval nog meer zou kunnen gebeuren; maar wat wij ons, naar 't hoofddoel [tertiim eomparatiouk) der Parabel, moeten voorstellen. Eu dan komt bij den rentmeester, in zijne alleenspraak, even min 't plan op om zijne rekening te doen sluiten, als de vrees voor mogelijke straf, in geval zij niet sluit. Heteenige, waarover hij denkt en peinst, is zorg voor de toekomst. 1) Ook de overeenkomst van zijne woorden met die van den Rijken Dwaas bewijst dit. Had hij zich kunnen regtvaardigen eu dus zijnen post behouden, alle andere voorzorg zou onnoodig geworden zijn. Maar het denkbeeld van eene onherroepelijke lotsverandering ligt zoo wel in het beeld, als in dat gene, wat de Heer wil afbeelden. Alleen in zoo verre hebben zij, die van eene andere meening zijn, gelijk, dat het jezus' oogmerk niet is, de afzetting van den rentmeester te verhalen. De lieer breekt zijne Gelijkenissen af, waar haar doel is uitgedrukt; en wat men verder bij eene geschiedenis vragen zou, krijgt men niet te weten. Alleen als de geheele afwerking noodzakelijk behoort tot het punt van vergelijking, voegt hij er die bij. Zoo weten wij niet, of de onvruchtbare vijgeboom in 't volgend jaar is uitgehouwen, of de oudere broeder van den verloren' /,oon nog binnenkwam, enz. Het deed niets ter zake, en zou de aandacht slechts afleiden, als 't er bij verhaald werd.
Komt mij het antwoord op deze eerste vraag volstrekt niet twijfelachtig voor, moeije-lijker is de tweede: //of de rentmeester binnen de grenzen zijner bevoegdheid bleef, of wel met een nieuw en nog schandelijker bedrog het vorige dekte.quot; — Wanneer wij aan eene eigenlijke vervalsching van koopbrieven denken, waardoor den heer een deel van het hem wettig toekomende goed onttrokken werd, dan is er geene verontschuldiging voor. Maar dan is hot ook nog minder te begrijpen, dat de bedrogene er 't zegel zijner goedkeuring aan hechtte, en de vervalschte schuldbrieven erkende. Als de rentmeester de stoutheid had gehad, om in zijne laatste dagen zijnen heer te bestelen , had hij, dunkt mij, ook wel op eene andere wijze iets kunnen invorderen en mede nemen, dat hem ten minste voor bedelen bewaarde. Blijkens het volgende, is er alleen sprake van zich vrienden te maken. Dat doet men zelden door gemeenschappelijk bedrog. Als wij nu verder lezen, dat die vrienden gemaakt worden uit den Mammon, //den rijkdom, die te onzer beschikking staat,quot; kan ik mij niet voorstellen, dat onze rentmeester buiten de wettige magt, liem verleend, zal gegaan zijn, al was zijn gedrag voor de regtbank der hoogste zedelijkheid niet prijselijk. Men vergetc vooral niet, dat hij, tot op 't uur van zijn ontslag, de
1) Din Para hein Jesti sind nicht (hr Art, dass sie die Hauptmomente yradquot;, auf tcelchm die Dootrm heruhni solt, dem Hirer hinzuzudenken über'. assen. Mkijir.
DE ONIlECiT V A AI! DI( i E RENTMEESTEIU
vrije en volle beschikking had over het vruchtgebruik van het goed zijns meesters, zoo als 't den oekonoom in 't oosten is opgedragen; dat hij dus, daar de inkomsten toch later niet meer door zijne handen zouden gaan, gemakkelijk de pacht kon afslaan, zonder er iets bij te verliezen. Bij de onbepaalde volmagt, den rentmeester verleend, geloof ik zelfs niet, dat hij buiten zijne bevoegdheid ging, door op de achterstallige pacht iets te laten vallen. Het ligt in geheel den gang der Gelijkenis, dat, wat hij deed, later niet meer nietig kou verklaard worden; eu dus de Heer, die hem buitendien niet hard, maar veel eer vriendelijk en met een gevoel van teleurstelling heeft toegesproken , nog eindigt met den man, die zoo lang zijne liefde en zijn vertrouwen genoot, als een verstandig man te prijzen. Daar nu de rentmeester aan dezen laatsten maatregel van zijn beheer volstrekt geene voorwaarden verbond, had zijne laatste daad al 't voorkomen van eene edelmoedigheid, die zijn vroeger onregt deed vergeten. //De man was toch zoo kwaad niet. W at heeft hij den laatsten dag nog goed voor ons gezorgd. Daardoor wonen wij nu zoo goedkoop,quot; of: //zijn nu onze schulden verligt.quot;—Wanneer men aan het verlagen der pachtbrieven denkt, zou het zelfde nog kunnen gebeuren, waar in Silezie bij voorbeeld of zelfs in de onmiddellijke nabijheid onzer hofstad de pachters landerijen bebouwen, die aan ons vorstelijk huis toebehooren, zonder ooit in eenige regtstreeksche betrekking te komen met hun' eigenlijken landheer, die in zake van verhuren en verpachten zijnen rentmeester gewoonlijk plein pouvoir geeft. Al werd later bevonden, dat de bruikers hierbij te zeer waren bevoordeeld, zoo lang pacht of huur liep, zou daaraan niets tc veranderen zijn.
Het grootste bezwaar tegen onze opvatting, die den rentmeester geheel schijnt te regt-vaardigen, is de naam , vs. 8 aan den man gegeven: de onregtvaardige rentmeester. Er staat eigenlijk; de oekonoom der onregtvaardigheid. Dit beteekent evenwel niets anders; maar is weder eene door en door Hebreeuwsche uitdrukking, die wij in't oorspronkelijke Grieksch van i,tik as niet verwachten zouden, en die dus tot den oosterschen tint van 't verhaal behoort. 1) Deze vorm van spreken komt hier twee malen voor; vs. 0 ook van den Mammon der ongeregtigheid, en later nog eens, ook in eene Gelijkenis, die lukas uitsluitend eigen is, van den Regter der onregtvaardigheid. {Luk. XVHI : 6.) Telkens, wanneer wij naauwkeurig toezien, is daarin eene tegenstelling opgesloten;
Zelfs van een' onregtvaardigen, ontrouwen 2) rentmeester kunnen wij billijke voorzorg leeren;
Zelfs van 't geld, waar zoo veel onregt aan kleeft, kan een nuttig gebruik worden gemaakt;
Zelfs een harde en onregt vaardige regter kan ons een voorbeeld van 't verhoorde smeekgebed geven.
Maar dan ligt de onregtvaardigheid ook niet in het tegenwoordige, in deze zijne laatste daad, maar in 't vcrledene. 't Is eene eigenschap van vroeger. De regter is niet onregt-
1) Zoo spreekt ook jakobus (I : 25) van den hoorder der vergetelheid [dxgonrtjg irtikt/a/uoyi^s).
2) Wil men den rentmeester ontrouw noemen,^ik heb er niets tegen, nuts men niet verge te, dat het woord ntftxos onr eg tvaard i g beteekent, en dus alleen bij gevolgtrekking ontrouw, zoo als bet vs, 10 tegenover niaróg staat, misschien omdat amaiog in het Evangelie doorgaans de beteekenis van ongeloovig heeft. De oekonoom eener vroegere Gelijkenis wordt maios val (f^óvifiog genoemd. {Luk. Xll ; 42.) Onze rentmeester was wel het laatste, maar niet het eerste.
om onregtvaardige rentsieestee.
vaardig, omdat hij de weduwe verhoort; dc Mammon niet, omdat hij dienen kan om ons vrienden te maken; cn de rentmeester even min , omdat hij van de laatste oogenblikken zijner volmagt in zijn eigen belang een verstandig gebruik maakt. Zijne ougeregtigheid—• een woord van ruimen omvang, (in de andere Gelijkenis is het: die God niet vreest, en geen mensck ontziet}) — ligt in zijnen aard; in zijn vroeger gedrag, toen nog de zorg voor de toekomst hem niet beknelde; in het doorbrengen van zijns meesters goed. 1)
En de heer prees den onregtvaardigen rentmeester, omdat hij verstandig had gehandeld. Deze bijvoeging heeft menig een in verlegenheid gebragt. Zij was om het volgende noodig, zoo als wij later zien zullen; maar dat de heer, de rijke mensch, zijn' afgezetten rentmeester nog zou geprezen hebben, omdat hij hem zoo listig had bedrogen, klonk toch wat al te sterk. Sommigen hebben daarom in den heer, die prijst, jeztjs willen zien, maar dan is de stijl zoo duister en verward, als wij dien van lük as allerminst kunnen verwachten : want vs. 8 zou dan do Evangelist spreken, en vs. 9 op eens weer jezus. 2) En zou Jezus dan den man prijzen, dien hij alleen als een' verstandig' wereldling schetsen wil? T)e Floer is hier eenvoudig, als in andere Gelijkenissen (.Lu/:. XII : 36; XIV : 23 enz.), de rj/a' mensch, die als heer wordt voorgesteld, en reeds vs. 5 zoo genoemd was.
Om dus aan den lof des meesters eene andere wending te geven, hebben anderen het omdat of want niet verstaan als reden van dien lof, en er veel ingelegd, waarover wij vroeger reeds hebben gehandeld. Zoo wordt de zamonhang deze : nDe heer keurde ten slotte het beheer van zijnen, rentmeester goed: want hij had 't zoo verstandig aangelegd, dat zijne rekening aan 't eind nog goed uitkwam/' 3) — Maar behalve dat deze verklaring onze Gelijkenis op een geheel ander terrein brengt, beveelt dc opvatting zich zeker niet door eenvoudigheid aan. De natuurlijkste zamenhang blijft altijd deze: //De heer prees hem om
1) «Hoewel hij anders ecu onregtvaardig man was, werd hij in dezen zelfs van zijnen heer geprezen. Uet epithfton behoort nu eenmaal bij den man, zoo als mattiiküs nog een tolUnuar , de boetvaardige eene zondares cn smoN een nelaahche genoemd wordt, ook al zijn zij het niet meer. llullh. X : 3 ; Luk. Vil : 37 ; Matlh. XXVI. ö.quot; V. oostf.bzke. — Zie ook bet later gezegde over den Mammon der ongereqliqhcid.
2) GroszMaxn zegt, dat, ixkas anders dc eenige is, die in verbalenden trant jezus *i§toj noemt. Het is waar, dat bij dit meer malen doet, maar wij vinden liet even zeer Mnrk. XVI : 19 ; Joh. IV : 1, VI: 23 ea X[;2. Menzon dns alleen kunnen zeggen, dat bet een later evangelisch spraakgebruik is, 't welk in de oudere synoptische berigten nog niet voorkomt. Het is ook niet dit gebruik van het woord xiato; , maar geheelde zamenhang, die ons verbiedt, deze lofspraak op jezus over te brengen. Door dit te doen, schijnt akselmus reeds in zijn oordeel over den Oekonoom belemmerd te zijn, schrijvende {llomil. XII) : Luudari a Dcmiro meruit; el nns ergo laudemus eum —■ nee pulemus in his quae er ga debitores eyit, domino fraudm fecisse, sed polius eredamus, eum in lus lucra Domini sui pruden/i comilio f/uaesisse, el ejus voluntatem implt'sse,
3) Met zijne gewone scherpzinnigheid heeft van willes deze opvatting nit een gezet in zijne Kjdragen enz. 1:93—139. «De rentmeester werd eerst aangeklaagd, later nog geprezen: want hij had 't daartoe voorzigtig aangelegd, en zijn heer had niets van 't bedrog gemerkt, daar de pachters , als medepligtig, wel zwijgen moesten. Zoo ook zijn dc Farizeën, die zich zeiven weten te regtvaardigen voor de men-schen, vs. 15,quot; Zóó sluit de Parabel op zich zelf goed, maar valt ook dc geestige tegenstelling van
ontvangen i* hunne huizen tegenover dn eeuwige tabcrnakrlen , geheel weg. — V. ocsterzee , ofschoon de gewone opvatting volgende, meent toch ook, dat de rentmeester aan 't eind zijne rekening met de ver-valschtc pachtbrieven goed maakte, en liet das in 't midden gelaten wordt, of hij misschien nog (zoo als baumgartex CRtjsius meent,) dparmede zijn' post behield.
DE O X It E (: T V A A. I! DIG £ RENTMEESTER.
zijn listig overleg/' 1) Even als de rijke man gul van vertrouwen is geweest, en zelfs van pachten of schulden weinig geweten heeft, zoo mist hij gemakkelijk deze 20 kor tarw en 50 bath olie, en doet ^t hem ten slotte genoegen, dat de rentmeester, dien hij wel heeft moeten afzetten, zich nog zoo goed geborgen heeft.
Maar wij moeten hierbij nog iets opmerken, dat onze verwondering over dezen lof geheel kan bevredigen. Ook waar jezus, zoo^als doorgaans in de drie eerste Evangelieën, parabolisch en niet allegorisch spreekt, en dus den sleutel van 't raadsel in de hand houdt, doet hij doorgaans zulko trekken sterk uitkomen, die hem in de toepassing meest te pas komen. Zoo is 't ook hier. //De heer prees, en ik zeg n —quot; slaat tegenover elkander. //Alzoo zal God den menseh prijzen, die nog tijdig op 't oordeel bedacht was.quot; //Hier in dit beeld ziet ge, wat de kinderen dezer eeuw prijselijk achten; ik zal u zeggen, wat er in de kinderen dos lichts prijselijk tegenover staat.quot;
En nu volgt de slotspreuk, 2) zoo als wij inzonderheid bij j.ukas , maar ook wel bij mat-theüs en markus, ze meermalen aan 't eind van eeue Parabel vonden, 't Is de sleutel der beeldspraak; en denken sommigen, dat lukas ons een' valschen sleutel in handen geeft, het zal toch wel zaak zijn, dat wij dien eerst drie malen beproeven, eer wij daar een ander in de plaats stellen, vele eeuwen later uitgevonden. Eu dat te meer, omdat die slotspreuken (want daar zijn er twee) zoo naauw met 't voorafgaande verbonden zijn, en daarbij zoo geheel in den kernachtigen, min of meer paradoxen stijl van jezus, die niet de stijl van lukas is. Om de kracht dezer opmerking te gevoelen, vergelijke men hiermede de aanteekeningen, die johannes hier en daar tusschcn jezus' woorden heeft ingevoegd: Dit zeide hij, beleekenende, hoedanigen dood hij sterren zow; — of: zoo sprak jezus, want de Heilige Geest was er nog niet, enz. Dat zijn woorden van den verhaler; maar bij lukas vinden wij die van den spreker, jkzus, zelf. Die ze niet als sleutel der Gelijkenis aannemen, hebben daarom ook wel beweerd, dat deze spreuken, schoon van den Heer oorspronkelijk, door eene vergissing van lukas herwaarts zijn afgedwaald.
Maar laten wij den Evangelist het eerste woord. Geeft hij ons licht genoeg, zoo hebben wij het kunstlicht van latere uitleggers niet noodig.
De eerste spreuk is eene opmerking bij den lof, aan onzen rentmeester door zijnen heer toegekend; of liever nog, deze lof is met opzet vermeld, om de spreuk te kunnen plaatsen. De rentmeester handelt verstandig: de rijke merkt dit op en keurt het prijselijk; want •']) (zoo staat er letterlijk) de kinderen dezer eeuw zijn verstandiger, hoven de kinderen des lichts, '1) omtrent hun geslachte.
1) Stuart zegt, dal de heer, ziende, dat de rekening met de schuldbrieven over eenjkwam, den rentmeester niet in regten vervolgen kon, en zich zeiven van vroegere onoplettendheid beschuldigende , des te meer de slimheid van den berooiden knaap prijzen moest. Dit is echter meer Hollandseh, dan Oosterseh gedacht.
2) Kpiloyvs, im/ii'Siov.
3) Daar ön hier twee malen achter een voorkomt, vat van willes't ook eveneens op: »De heer prees zijnen rentmeester, omdat hij 't zoo verstandig had aangelegd, ja! omdat altoos de kinderen dezer eeuw enz.,quot; als eene hervatting of uitbreiding van 't zelfde denkbeeld. Liever zou ik dan nog beide malen want zetten.
•1) quot;Vau den eomparatiw» met vni; , als Hellenistisch , kan men meer voorbeelden vinden bij vkicaeus.
319
320 Dli ONRKGÏVAARDIGE EENTMEESTER.
De kinderen dezer eeuw zijn //de mensehen der tegenwoordige wereld/' //die in haar leven, en haar geheel toebehooren;quot; — die haar lief hebben, zoo als paailus van demas klaagt , die hem daarom ook verlaten heeft. I) — Want naar de Joodsche wereldbeschouwing, die wij reeds dikwijls in jezus' redenen opmerkten, is deze eeuw de tegenwoordige wereldorde, en de eeuw die komt, de volmaakte staat der dingen, in't Messiasrijk te wachten. De gewone tegenstelling zou dus zijn ; //de kinderen van deze cn van de toekomende eeuw maar dit zou aan opgewekten en zaligen doen denken; waarom de Heiland liever tegenover de kinderen dezer eemv (niet dezer wereld) stelt: de kinderen des lichts. 2) De eersten worden, in den persoon des rentmeesters, geroemd om hun verstand. Dit laatste woord heeft geene zedelijke, maar even min ecne onzedelijke beteekenis. Het duidt een wol berekend overleg aan, waarbij de zedelijkheid der daad wordt buiten beschouwing gelaten. Zoo is het ook, waar jezus //den list der slangenquot; aan zijne discipelen ten voorbeeld stelt. 3) De vermaning is hier in den grond de zelfde: //Weest verstandig, listig, bedachtzaam, even als de slangen, even als de kinderen dezer eeuw.quot;
Van deze laatsten wordt gezegd, dat zij verstandig handelen omtrent hun geslacht: want deze bijvoeging slaat niet op de kinderen des liehts. (Van oostuuzek enz.) Huoo de groot heeft vertaald en anderen hebben dit nagevolgd //in hunne zaken.quot; Het Griekseh heeft
1) De uitdrukking is ook diiar (2 Tim. IV : 10); uyant/aag i6v vvv aioiva.
2) Vergl, Joh, XI f : 35 ; Ëf. V ; 8; 1 Thess. V : 5, enz. — Kin Kind Jemandes sein, heütt in drf heiligen Schrift iiberhaupl, die Natur, Arl und IVeise Jemandes an sich halen. Lisco. Van Oen. IV : 20 af, komt deze spreekwijze ontelbare malen voor. De vraag is nu alleen, of de hinderen dner eeuw, naar 't Joodsche spraakgebruik bij sciiottgen , waarop ook bertiioldt zicb beroept, slechte menschen zijn: homines, qui concilia prava et perverrbs mores sequunfur, of wel in zachtere beteekenis: »wereldsche menschen , die aan de zaken van dit leven al hun overleg wijden.quot; Voor bet laatste, waaraan ik verre weg de voorkeur geef, — meer dan voor het eerste, dat hij verkiest, — getuigt de hij Bi imioun aangehaalde plaats Joh. Vlll;23. Want ji:züs stelt daar vtieig tx iov xoijfiov loérow serrè, tegenover hot »van boven zijn,quot; cn zegt elders (Joh. VII; 7) ingewikkeld het zelfde van zijne nog ongcloovigc broeders. — Het Rabbijnsche gebruik van «iwv, voor »de tegenwoordige cn toekomende gedaante der wereld,quot; of rde historische cn Mcssiaansche tijd,quot; (deze en do toekomende eeuw,) komt bij jomannes niet meer voor. Daarentegen zeer dikwijls xóafios , in tegenstelling van God en bet Godsrijk.'—Overigens stellen de Rabbijnen gewoonlijk tegenover elkander : ^Kinderen dezer eeuwquot; en «der toekomende.quot; Van de eersten zeggen zij, dat zij de geheimenis Gods niet verstaan, de wet niet kennen enz.; van de laatsten, dat zij de grijsheid eeren, om Israels verlossing bidden, enz. Zie sciiottgen en anderen.
3) Scuei.z en guoszmaNN zeggen, dat qoóvr/aig cn (jujónpoi bij dc Grieken altijd in bonam partem dicilur, cn zelfs bij philo tegenover navovf/yia, doortraptheid, geslepenheid, gesteld wordt. Andere uitleggers noemen het een voeahulum [léaov (sïier) , dat dus in zedelijkeu of onzcdclijken zin beide kan worden opgevat. Als jezus echter de slang, als verstandig, den zijnen ten voorbeeld stelt [Malih. X : 10) , is dit zeker wel gccnc deugd in de slang, maar toch iiltoos eene goede eigenschap, die geprezen wordt. Overal elders in het N. ï. valt dit prijselijke nog meer in het oog, vooral in .iezus' Gelijkenissen: van den man, die zijn huis op cene rots bouwt (Malth, Vil : 24), den trouwen knecht (XXIV ; 45) en de vijf maasden (XXV : 2). Naar de rijke en diepe opvatting der wijsheid bij de llebreën , staat echter (pqóviftos ver beneden aixpót, Vergl. D. I, Blz. 409. »De Heidenen noemen de (pQÓvt/aie ecne deugd, en beschrijven haar als de onderscheiding van goed en kwaad, van het geen incn doen en laten moet. In de Schrift evenwel wordt de slang in het paradijs het eerst (pQnvtfiói-rnrotf nuvtow töiv genoemd [Gen. III : 1); en ook hier worden de kinderen dezer eeuw niet wijzer, maar verstandiger genaamd, en dat niet onbepaald, maar alleen in hun geslachte.quot; Zdó de oude Grieksche schrijver geometba, bij conrEaius aangehaald.
de 0nuegtvaa.ed1ge uentmeesteh.
die beteekenis niet. Zij is ontleend aan het Syrische woord, dat in liet (irickscli door geslacht pleeg vertaald te worden. Men zou dit kunnen laten gelden, wanneer iajkas eene vertaling gaf van een oorspronkelijk Arameescli Evangelie, even als wij in de oudste vertaling van het Oude Testament Hebreeuwsch lezen met Grieksche woorden. Maar nu luk as zijn verhaal voor zijne eigene rekening neemt, zie ik niet, dat wij regt hebben, om hem eene Syrische beteekenis van het woord, die, zoo ver wij weten, nooit in het Hellenistisch is overgegaan, op le dringen. 1) En dat te minder, daar die uitvlugt volstrekt niet noodig is. Gedacht ia een gewoon woord op jezus' lippen, waar hij van zijne tijd-en landgenooten spreekt, en zich over hen beklagende, met eene profetische bestraffing hen een loos en overspelig ges/acht noemt. Het woord beteekent ook: //eene soort van menschcn,quot; niet van ééne afkomst, maar van dezelfde geaardheid, zoo als wij, bij voorbeeld, nog zeggen, dat het geslacht der Pharizeën nog niet is uitgestorven. Kn valt geheel dc handeling der Parabel onder het geslacht van de kinderen dezer eeuw; 't zijn wereldsche zaken en wereldsche menschen: de rijke en zijn rentmeester, de rentmeester en de pachters, het opgezegde beheer en de veranderde schuldbrieven. In deze hunne zaken, in hunnen ouderlingen omgang, handelen de menschen van deze soort verstandig, hechten daaraan het meest, en prijzen dat in elkander. De kinderen des lichts mogen er, in dc behartiging hunner zoo veel hoogere belangen, nog wel een voorbeeld aan nemen! Wij zouden zeggen: //In wereldsche zaken gebruikt men meer oordeel en overleg, dan in geestelijke dingen;quot; 2) of nog nader aan 't keerpunt der gelijkenis: //Er wordt beter gezorgd voor de toekomst op aarde, dan voor die hier namaals.quot;
Dat dit laatste de eigenlijke bedoeling der Gelijkenis (het terlium comparationis) is, althans zeker naar het verslag en de opvatting van i.ukas, blijkt dunkt mij zonneklaar uit de tweede spreuk (vs. 9), die duidelijk bestemd is, om dit zinnebeeld op 't leven van jezus' hoorders toe te passen. Zij begint met: En jk zeg u. Daar het in 't Grieksch niet noodig is, dit persoonlijk voornaamwoord cr bij te voegen, blijkt uit het vooropstellen daarvan, dat er eene tegenstelling wordt bedoeld: //De rentmeester neemt zijne voorzorgen, de heer in de Gelijkenis prijst hem zelfs daarover; en nu zeg ik u ook iets, dat goed en prijselijk, dat daarvan het tegenbeeld is; Maakt u vrienden uit den Mammon der onge-
1) 15iiimioi.dt (pag. 103) onderstelt , dat lukas bij zijn' Aramocschen bcrigtgever het woord gelezen heeft, dat in den regel geslacht, maar ook wel zaak beteekent, zoodat bij 't eigenlijk niet juist heeft overgezet. Lukas is evenwel, in dc hem eigene Parabelen, allerminst een slaafsebe vertaler.
2) De kerkelijke gesebiedsohrijver sok rites verhaalt, dal een monnik, door athanasiüs uit de woestijn naar Alexandric geroepen, weende, toeu hij eene schoon opgosohikte vrouw aller oog tot zich zag trekken; en naar de reden gevraagd zijnde, antwoordde: *lk ween, omdat ik niet met zoo veel ijver cr mij op toeleg, om God te verzoenen, als deze vrouw om aan zondige menschen te behagen.quot; — Bij dit voorbeeld haalt schot (Adagia) er meer aan, onder anderen van houatius, Epist,
UI jugulenl homines, surgunt de nocle latrones;
Ut le ipsum serves, non expefgiseeris.
Alles ten bewijze, dat de boozeu alleen verstandig zijn om ktcaad te doen {Jee. IV ; 23), even als vleermuizen en nachtuilen in dc duisternis scherper zien, dan andere dieren in het licht. Dit is op zich zelf waar, maar gaat van de onzes inziens verkeerde onderstelling uit, dat hiervan »lisl in kwaad doenquot; gesproken wordt. Daarom ga ik de andere proeven, die b. v. tkencii er van geeft, met stilzwijgen voorbij.
321
DK ONKKGTVAARDIGE liENTMEESTBE.
De kinderen dezer eeuw zijn //de menschen der tegenwoordige wereld,quot; //dieinhaar leven, en haar geheel toebchooren;quot; — Ak haar liefhebhen, zoo als paulus van demas klaagt, die hem daarom ook verlaten heeft. 1) — Want naar do Joodsche wereldbeschouwing, die wij reeds dikwijls in jezus' redenen opmerkten, is deze eeuw de tegenwoordige wereldorde, en de eeuw die komt, de volmaakte staat der dingen, in't Messiasrijk te wachten. De gewone tegenstelling zou dus zijn: vde kinderen van deze en van de toekomende eeuw maar dit zou aan opgewekten en zaligen doen denken; waarom de Heiland liever tegenover de hinderen dezer eeuw (niet dezer wereld) stelt: de kinderen des lichts. %) De eersten worden, in den persoon des rentmeesters, geroemd om hun versta n d. Dit laatste woord beeft geene zedelijke, maar even min ecne onzedelijke beteekenis. Het duidt een wel berekend overleg aan, waarbij de zedelijkheid der daad wordt buiten beschouwing gelaten. Zoo is het ook, waar jezus wden list der slangenquot; aan zijne discipelen ten voorbeeld stelt. 3) De vermaning is hier in den grond de zelfde: //Weest verstandig, listig, bedachtzaam, even als do slangen, even als de kinderen dezer eeuw.quot;
Van deze laatsten wordt gezegd, dat zij verstandig handelen omtrent hun geslacht; want deze bijvoeging slaat niet op de kinderen des lichts. (A vn oosteuzee enz.) Huoo de groot heeft vertaald en anderen hebben dit nagevolgd quot;in hunne zaken.quot; Het Gricksch heeft
1) Dc uitdrukking is ook daar (2 Tim. IV : 10) ; dyantjaas tóv vvv ahovu.
2) Vergl. Joh. XII ; 35; Ef, V ; 8 ; 1 Thess. V ; 5 , enz. — Ëin Kind Jemandes sein, hcUzt in der heiligen Schrift ilberhaupt, die Natur, Art und IVcise Jemandes an sich halen. Lisco. Van Gen. IV: 20 af, komt deze spreekwijze ontelbare malen voor. De vraag is nu alleen, of dc hinderen deter eeuw, naar 't Joodsche spraakgebruik bij scuöttgen , waarop ook beutiioldt zich beroept, slechte menschen zijn: homines, qui con ilia prava cl perversos mores sequuntur, of wel in zachtere beteeken is: «wercldsclio menschen, die aan de zaken van dit leven al hun overleg wijden.quot; Voor het laatste, waaraan ik verre weg de voorkeur geef, — meer dan voor liet eerste, dat hij verkiest, — getuigt de bij li nu IIOLDT aangehaalde plaats Joh. Vlll; 33. Want jezos stelt daar v/xeli tx tov xoafiov roiiov èaiè, legeuover het »van boven zijn,quot; en zegt elders {Joh. VII : 7) ingewikkeld het zelfde van zijne nog ongeloovige broeders —Het Rabbijnsehe gebruik van otioij', voor »de tegenwoordige en toekomende gedaante der wereld,quot; of rde liistorische en Messiaansche tijd,quot; (deze en de toekomende eeuw,) komt bij joh annus niet meer voor. Daarentegen zeer dikwijls xóa/xos , in tegenstelling van God en het Godsrijk.— Overigens stellen de Rabbijnen gewoonlijk tegenover elkander: .'Kindereu dezer eeuwquot; en ^der toekomende.'1 Aan dn eersten zeggen zij, dat zij de geheiuieuis Gods niet verstaan, dc wet niet kennen enz.; van de laatsten, dat zij de grijsheid ecren, om Israels verlossing bidden, euz. Zie scuöttgen en anderen.
3) Sciu'i.z en groszmann zeggen, dat (pgdvi/ais en rp^óvifioi bij de Grieken altijd in bonam partem dicitur, en zelfs bij puilo tegenover nayouoy ia , doortraptheid, geslepenheid, gesteld wordt. Andere uitleggers noemeu bet een vocabutum aéaov (stieu) , dat dus in zcdelijkeu of onzedelijken zin beide kan worden opgevat. Als jkzls echter de slang, als verst nvtig, den zijnen ten voorbeeld stelt (i/o////. X : 10) , is dit zeker wel geene deugd in de slang, maar toch altoos eene goede eigenschap, die geprezen wordt. Overal elders in het N. T. valt dit prijselijke nog meer in het oog, vooral in jezus' Gelijkenissen; van den man, die zijn huis op ecne rots bouwt {Matth, VII : 24), den trouwen knecht (XXIV : 45) en de vijf maagden (XXV : 2). Naar de rijke en diepe opvatting der wijsheid bij de llehrei'n , staat echter yyovifiog ver beneden aocpós. Vergl. D. I, Blz. 409. «Vc Heidenen noemen de (pqüvt](jis eene deugd, en beschrijven haar als de onderscheiding van goed en kwaad, van het geen men doen en laten moet, In de Schrift evenwel wordt dc slang in het paradijs het eerst (pgnvifiói-laxoi itavxatv loiv amp;q^i(,)v genoemd {Gen. III : 1); eu ook hier worden de kinderen dezer eeuw niet wijzer, maar verstandiger genaamd, eu dat niet onbepaald, maar alleen in hun geslachte.quot; Zód de oude Grieksche schrijver geomi.tua , bij coiidehius aangehaald.
m
DE ONli EOT VAARDIGE UENTMEE8TE1!.
die beteckenis niet. Zij is ontleend aan het Syrische woord, dat in liet driekseh door geslaclit pleeg vertaald te worden. Men zou dit kunnen laten gelden, wanneer xükas eenc vertaling gaf van een oorspronkelijk Aramcosch Evangelie, even als wij in de oudste vertaling van liet Oude Testament Hebreeuwscli lezen niet Grieksclio woorden. Maar nu i.ukas zijn verhaal voor zijne eigene rekening iicemt, zie ik niet, dat wij regt hebben, om hem cone Syrische betcekenis van het woord, die, zoo ver wij weten, nooit in het Hellenistisch is overgegaan, op te dringen. 1) En dat te minder, daar die uitvlugt volstrekt niet noodig is. Gedacht is een gewoon woord op jezus' lippen, waar hij van zijne tijd-cn landgenooten spreekt, en zich over lien beklagende, met eene profetische bestraffing hen een loos en overspelig (jedaeld noemt. Het woord beteekent ook: //eene soort van menschen,quot; niet van eéne afkomst, maar van dezelfde geaardheid, zoo als wij, bij voorbeeld, nog zeggen, dat het geslacht der Pharizeën nog niet is uitgestorven. Nu valt geheelde handeling der Parabel onder hot geslacht van do kinderen dozer eeuw; 't zijn wereldsche zaken en wereldschc menschen: de rijke en zijn rentmeester, de rentmeester cn de pachters, het opgezegde beheer en de veranderde schuldbrieven. In deze hunne zaken, in hunnen onderlingen omgang, handelen de meuseben van deze soort verstandig, hechten daaraan het meest, en prijzen dat in elkander. De kinderen des lichts mogen er, in de behartiging hunner zoo veel hoogere belangen, nog wel een voorbeeld aan nemen! Wij zouden zeggen: //In wereldsche zaken gebruikt men meer oordeel cn overleg, dan in geestelijke dingenjquot; 2) of nog nader aan 'tkeerpunt der gelijkenis: //Er wordt beter gezorgd voor de toekomst op aarde, dan voor die hier namaals.quot;
Dat dit laatste de eigenlijke bedoeling der Gelijkenis (het terliv.m comparationis) is, althans zeker naar het verslag en de opvatting van i.vkas, blijkt dunkt mij zonneklaar uit de tweede spreuk (vs. !)), die duidelijk bestemd is, om dit zinnebeeld op 't leven van jezus' hoorders toe te passen. Zij begint met: Ik ik zeg u. Daar het in 't Grieksch niet noodig is, dit persoonlijk voornaamwoord er bij te voegen, blijkt uit het vooropstellen daarvan, dat er eenc tegenstelling wordt bedoeld: //De rentmeester noemt zijne voorzorgen, de heer in de Gelijkenis prijst hem zelfs daarover; en nu zeg ik u ook iets, dat goed eu prijselijk, dat daarvan het tegenbeeld is: Maakt n vrienden uit den Mammon der onge-
321
ill
11
lil
li
I
311
Ê ■ 'i 11 P.. S
1.11
fci
m
i r
i HA
1) Bertholdt (pag. 103) onderstelt, dal lukas bij zijn' Aramecschea bcrigtgever het woord gelezen beeft, dat in den regel geslacht, maar ook wel zaak beteekent, zoodat bij 't eigenlijk niet juist beeft overgezet. Lukas is evenwel, in de bem eigene Parabelen, allerminst een slaafsebe vertaler.
2) De kerkelijke gesebiedsebrijver sokk\tes verbaalt, dat een monnik, door athanasius uit de woestijn naar Alexandrië geroepen, weende, toen hij eene seboon opgesobikte vrouw aller oog tot zich zag trekken; en naar de reden gevraagd zijnde, antwoordde: n-lk ween, omdat ik niet met zoo veel ijver er mij op toeleg, om God te verzoenen, als deze vrouw om aan zondige menseben te behagen.quot; — Bij dit voorbeeld baalt scnor {Adagia') er meer aan, onder anderen van uouatius, Epist.
VI jugulcnl homines, surgunl de noctc latrones;
UI te ipsurn serves, non erpcrgiscerii.
Alles ten bewijze, dat de boozen alleen verstandig zijn om kwaad te doen (Jer. IV : 22), even als vleermuizen en nachtuilen in de duisternis scherper zien, dan andere dieren in het Hebt. Dit is op zieli zelf waar, maar gaat van de onzes inziens verkeerde ouderstelling uit, dat hiervan »list in kwaad doenquot; gesprokeu wordt. Daarom ga ik de andere proeven, die b. v. tuencii er van geeft, mot stilzwijgen voorbij.
II. 44
Ï;1
■f' If R 11
iNl
DE ONli EGTVA a HD1GE IIENÏIIEESTER.
regtvjJieid!quot;—Dat dc Mammon liet geld, den rijkdom betcekcnt, is duidelijk, ook waar Jezus (vs. 13) zijne dienst onvereenigbaar noemt met die van God. Van waar echter de uitdrukking komt, is onzeker; eu of't wezenlijk, gelijk men beweert, een Syrische afgod is geweest, met den Griekscli-Eomeinschen god plutus over een komende, zou ik nog zeer betwijfelen. Zeker is 't, dat het woord den Rabbijnen gewoon is, even als de bijgevoegde eigen-scliap {epitheton) der onregt vaardigheid of ongeregtigheid. Aan 't geld kleeft veel onregt, en zelfs van overgeërfde schatten zou men, wanneer men 'tkon nagaan, dikwijls de eerste bron niet zuiver vinden. Liefst zou ik bij deze algemeene beteekenis blijven staan, liever dan te denken, dat ,im's bij voorkeur onregtvaardig verkregen geld tot een goed doel wil besteed hebben. 1) Dit ligt ook in de Gelijkenis niet: want do volmagt, die de rentmeester in zijne laatste dagen gebruikt , heeft hij door onregt niet verkregen. Maar wat zegt 't nu: »zich daaruit vrienden maken?quot; Er staat niet daarmede, met behulp of door middel daarvan, maar daaruit, door er van te gebruiken, er uit weg te schenken. 2) En dan, dunkt mij, dringt het overleg des rentmeesters, als de ziel dor Gelijkenis, ons tot de opvatting van weldadigheid aan armen en verdrukten, (ook die men vroeger misschien hard behandelde,) gedurende den korten tijd, dat men op aarde nog Gods rentmeester •quot;i) is: opdat, wanneer u ontbreken zal, zij u ontvangen in de eeuwige talermkelen.
Maar deze laatste woorden uu , wat al strijd hebben zij niet veroorzaakt, en iu hoe velerlei zin zijn zij opgevat en verklaard! Beschouwen wij zo nog eens naauwkeurig, en in verband met al het vorige.)
Wanneer u ontbreken zal: — de lezing is hier niet geheel zeker. Sommige handschriften hebben; wa nneer het (of hij) ontbreken, ophouden zal, het geen men of algemeen opvatten kan, of op den Mammon toepassen; andere: wanneer gij ophouden, verlaten zult; 1) het leven verlaten, opliouden te leven, of wel den Mammon verliezen.
J) J)k ethische Beschaffenheit seines Gebruuchs isi, als ihm setlist anklebend, dargeslelll, IIeijlh.
2) Van willes vertaalt uMaakl u trienden , die uit den Mammon zijn ; die vroeger dcu Mammon dienden, maar 't nu niet meer doeu , en u dus in den hemel ontvangen.quot; Uit beteekeut dan bijna 't zelfde als buiten, zoo als anderen willen: «die van den Mammon zijn uitgegaan.quot; (Zie sniiu.) — Taalkundig zou dit missohieu kunnen gelden, maar hoe liet in dcu zamenhang past, begrijp ik niet. Veel eenvoudiger is de vertaling; uit, door middel van, door er iets uil te gebruiken voor dit doel.quot; Zoo wordt elders, ook bij lukas, van den verrader gezegd: dat hij eenen akker verwitrf lx xov fxiattov rijg utiixia; {Hand, I : 18).
3) liet denkbeeld, dat ten grondslag ligt aan onze Gelijkenis, heeft ook de geleerde llabbijn kimciu , in zijne verklaring van Jcs. XL : «De wereld is als een wol gebouwd huis. De hemel is het dak , de sterren de lampen, de kruiden des velds als een wel toebereide tafel. De heer des huizes en die het gebouwd heeft, is de Heilige en Gezegende. De menseli in de wereld is als de huisbezorger, in wiens handen God al zijne werken gesteld heeft. Als hij zich goed gedragen heeft, zal hij genade vinden in de oogen Zijnes Heereu; indien kwalijk. Hij zal hem ontzetten van zijn rentmeester-sebapquot; liguitooï. In den achtsten Psalm vinden wij dit denkbeeld reeds met andere woorden.
4) De gewone lezing is óiuv txi.inrjin , waarvoor TisciiENnonr, op gezag der oudste Handschriften, heeft txXiiinr/. Dit kan vertaald worden, bf uals (de Mammon) u begeeft,quot; of: «als het ophoudt, op een eind met u loopt.quot; Ook dc gewone lezing betcekcnt altijd, bf don dood, bf hot verlies van den Mammon. Het woord is door jezus, in plaats vau sterven, gekozen, om uit te drukken; «Wanneer ook uw rentmeesterschap ophoudt,quot; of; «ook gij 't moet opgeven,quot; — Ik geloof niet, dat de verklaring van maldosatus : alas bonis operibus destitui, prioari divina gratia , (dus /■ door God omzijn vorig leven veroordeeld worden,quot;) nog verdedigers vinden zal, schoon hij zich op ibeNaeüs beroept.
322
DE ONREGTVAARDIÖE UENTMEESTEK. •'523
Het komt altijd op het verlies va» geld en goed, liet ophouden van magt en leven neder: den tijd, wanneer de mensch eene andere toevlugt behoeft, hij het ophouden van 't tegenwoordige. Teder ziet terstond, dat er eene merkwaardige overeenkomst is,—•eene overeenkomst, die niet anders dan opzettelijk wezen kan,— tusschen het overleg van den rentmeester, en de voorzorg, die jkzus zijnen discipelen aanbeveelt: de verstandigheid van de kinderen dezer eeuw, ter navolging voorgesteld aan de kinderen des lichts.
De rentmeester, wanneer wij zijne alleenspraak aanvullen door zijn volgend gedrag, zegt: //Ik zal mij, door mijn rentmeesterschap, dat ik nog bezit, door het goed van mijnen heer, waarover ik nog de volle beschikking heb, de schuldenaars tot vrienden maken, opdat, wanneer ik zal afgezet wezen, zj mij in hunne huizen ontvangen,quot; Jezus vermaant: nMaakt uit den Mammon u vrienden, opdat, wanneer gij zult ophiouden, zij n ontvangen in de eeuwige tabernakelen.quot; 1) De tegenstelling vordert, dat die zu geene vreemden zijn (Engelen 2) bij voorbeeld), die in de Gelijkenis in 't geheel niet voorkomen, maar de zelfde, die men door zijne magt over leven en goed, die men uit den Mammon zicli heeft te vriend gemaakt; en wol, door hunnen druk, hunne schuld te verligten. En wanneer tegenover de woningen der pachters, waarin de rentmeester gastvrij hoopt ontvangen te worden, de eeuwige tenten worden gesteld, is 't duidelijk, (vooral tegenover de kinderen dezer eeuw, vs. 8,) dat hiermede de woningen der toekomende eeuw, waaraan geen einde komt, bedoeld worden; met andere woorden; het Messiasrijk, dat den verdrukten en ellendigen een blijvende troost en toevlugt wezen zal. Iedere andere verklaring verbreekt het verband, verstoort de tegenstelling, en neemt de kracht en betce-kenis weg der slotspreuk, die de sleutel der Parabel is. Alles hangt daardoor zoo naamv te zamen, dat wanneer de toepassing niet van jezus is, het ook niet de moeite waard is, de Parabel aan hem toe, te schrijven; en ik nog liever zeggen zou met strausz: //Deze Gelijkenis is door een Ehionitisch christen uitgevonden.quot;—quot;Vreemd genoeg, dat dan van al die verdichtselen en ondergeschoven stukken, die zoo na aan de echte woorden van jezus en zijne apostelen komen, van elders niets blijkt; en de talrijke schriften der christelijke oudheid ons nergens van zoo uitstekende vernuften de proeven geven!
1) De vergelijking van de herderstent met 's meuschen leven of zijn ligehaam , ligt van ouds in de zeden der Israëlieten. In doodsgevaar zegt iiizkia: .'//;« tecenitjd ii weg gelogen, en van my we// ge-voerd gelijk een» herders hut.' {Jen. XXVilt : 12.) En iu't uitzigt op een verheerlijkt ligehaam sehrijft pah.us; IF/j ice'eK, dat, zoo ons tiardsche. huh dezes tabernakels (olxitt rov axf/vovi) gehrojcen word/, wij een gebouw (oixortoaijv*} van God hebben enz. (2 Kor. V : 1.) Do ontvangst els tai atuviovg axr/ya; , «tenten, maar die eeuwig zijn,quot; bevat iu zicli de tegenstelling van 't vergiinkelijke en voorbijgaande geluk, zoo als de aartsvaders i.t tknikn (ék woon hoi, verwaehiente de sTVD, die fond amen! en heeft. {Ilebr. X[:9, 10.) Dit blijvende wordt ook door jkzus uitgedrukt, als hij spreekt van de vele woningen (juovnl) in het huis zijns Vaders, (Joh, XIV : 2, vergl. vs. 23.) Evenwel heeft reeds jesaja aan het beeld der tent dat blijvende verbonden, als hij Jeruzalem belooft, dat zij eens eene geruste woonplaats wezen zal, eene tent, die niet ter neder geworpen zal worden, welker /;(««quot;« in der eeuwigheid niet zullen uitgetogen, jV// van welker zelen //eene zullen verscheurd worden {Jei, XXXIII : 20). — Een tegenbeeld van de blijde Messiaansehe verwachtingen, is do sombere levensbeschouwing van den Prediker (XII: 5) ; De menseh guut naar zijn eeuwig huis ; — de Egyptenaars zeiden (naar diouokds sioulus bij trknch) ; uïdiovg oixovf.
2) Zoo reeds ambhosiüs, eu later I'.wai.d, mkijek euz.
41.*
DH ON U K(iTV;VA I! UlCi E 1! KNT1U KESTfeIt.
Want zclcor, vernuftig is de Gelijkenis, Een rentmeester, die groote magt heeft over veel goeds, en toch ieder oogenhlik kan worden afgezet,— dat is een getrouw beeld van den mensch, en getrouwer, hoe rijker hij is. — En de voorzorg van den man, die nog de laatste ure gebruikt om wèl te doen, is een treffend beeld van den rijke, die nog zijn goed weldadig besteedt en voor de eeuwigheid op rente zot, eer het hem ontbreken zal.
Deze opvatting ligt dan ook zoo voor de hand, dat men op allerlei wijzen haar heeft pogen te ontduiken, om van heinde en verre verklaringen te zoeken, die alleen door haar vernuft zich aanbevelen. Maar nog eens moeten wij 't herinneren: jezus schreef geene Sibyllijnsche boeken en sprak geen Pythisch orakel, waarop het vernuft van latere geleerden zich zou kunnen oefenen. Hij was de volksleeraar bij uitnemendheid. Lukas zegt ons daarbij, dat hij dit alles zcidc tot zijne discipelen; — niet tot de twaalve, maar tot den kring van vaste volgelingen, die zich reeds aan hem (als Rabbi) had aangesloten, 1) en die meermalen van de schare onderscheiden, en tegenover de schriftgeleerden en Fanzeën gesteld worden. Onder zijne discipelen nu was jezds allerminst gewoon, raadselen te spreken.
Gaan wij dan nu nog eens de bezwaren na, die de gewone toepassing drukken, en die den uitleggers zoo zwaarwigtig schenen, dat zelfs sïbausz de eer van jezus meende te handhaven , door hem deze Parabel te ontzeggen.
Wij noemen het geen bezwaar, dat jezus over den rijkdom tot zijne discipelen spreekt, die reeds alles om zijuent wil verlaten hebben : want dit berust op de misvatting , dat deze discipelen de twaalve zouden zijn. Br ligt even min bezwaar in de benaming van dien rijkdom: //Mammon der ongeregt igheid.quot; Eeeds vroeger zeiden wij, dat met deze bijvoeging eene eigenschap bedoeld wordt, den Mammon even eigen, als de ontrouw aan den rentmeester en het onregt aan den regter. Men heeft met voorbeelden uit de scbriftcn der ouden, en inzonderheid der Rabbijnen, 'l) bewezen, dat de eigenschap van onregt en onzedelijkheid van ouds aan het geld pleeg toegeschreven te worden ; zoo wel, omdat het dikwijls met onregt verkregen, als omdat't vaak tot omkooping en allerlei zonde misbruikt wordt. Jezus' bedoeling kan dus niet zijn: //Besteedt dat geld, dat gij door onregt verworven hebt, tot een weldadig doel;quot; maar: //Maakt een goed gebruik van aardsclic schatten, waar dikwijls zoo veel kwaad om of door gedaan wordt.quot;
Doch wij komen op den Mammon, bij de Gelijkenis der Twee Ileeren, nog eens terug.
1) In den zelfden zin komt naftt/iyg voor, b. v. Lui. VI: 13, 17; XIV : 2G, 27, 33; Joh. VI; GO, 60 ; terwijl T.uk. XVII ;1 eu 5 discipelen cn apostelen onderscheiden worden.
2) De Chaldccuwsche paraphrase verklaart meermalen geldgierigheid of oneerlijk gewin door Mam-in on der ong eregtigheid. Zoo 1 Sum. VIII : 3; Spr. XV ; 27; Jes. XXX1I1 ■. 15; Ezeeh. XXII : 27. Augustinus (door mai.don.vtus aangehaald) getuigt, dat het ook een Punisch woord was voor den rijkdom. Dit, en de wijze, waarop dit woord persoonlijk gebruikt wordt, heeft reeds tektuilianus doen vermoeden , dat het do naam van een' Syrischen ou Phenicischen afgod is, do verpersoonlijking van het geld. Misschien eehter, daar wij van zijne vereering nergens eenig spoor vinden, noemt men het beter: ieen zinnebeeldig wezen,quot; gelijk wij spreken van de ïoriuin, en die zelfs wel afbeelden. Aan don Mammon werd dc eigensehap van onregtvaardigheid toegeschreven, om de auri sacra fames; dit kan niet beteekenea : «ontrouw, ijdel, bodriegelijkwant onregtvaardigheid is alleen ontrouw bij gevolgtrekking, bij voorbeeld in eenen dienaar, gelijk onze rentmeester. Daar wij niet kunnen zeggen ongeregtig, zou snood misschien het beste woord zijn.
de onkl'gtvaaudtoe 1!enïmeesïli!.
en vervolgen dus nu met een ander bezwaar: //Als de armen hunnen weldoener in de eeuwige tabernakelen ontvangen, zou daaruit volgen, dat alle armen zalig worden. Hit is Ebionitiscli, daar deze sekte, in navolging der Esseën, de armoede zelve als eene deugd roemde, den rijkdom als eene zoude veroordeelde.quot;—Dit bezwaar lieeft, mijns inziens, don meesten schijn; maar het drukt niet alleen, en zelfs niet zoo veel zwaarder op deze Gelijkenis, liet is niet te weerspreken, dat door de eerste evangelie-predikers de rijken vernederd, de armen opgebeurd worden; cn jakoihs merkt te regt aan, dat de gemeente, als in den regel door de rijken verdrukt, waarlijk geeue reden had om hen voor te trekken, maar veel eer om den armen, als broeders van hem, die om onzent wil is arm geworden, de versmading der wereld te vergoeden. Zeer juist heeft men ook opgemerkt, dat vooral het Evangelie van lukas het Evangelie der aimen is, schoon de Ebionieten door hunne Joodsche vooroordeelen belet werden, het aan te nemen. Was luk as vroeger f/eneesleer, naar 't berigt van pait.us , dan had ook hij den rijkdom verloochend, met barnabas en anderen, cn kon hen, die 't geld zoo liefhadden, niet hoog schatten. Onwillekeurig moest hij van jezus' onderwijs dat gene vooral mede doelen, wat de armen, als uitverkoornen des koningrijks, uit hunne vernedering ophetlen kon. Onwillekeurig moest hij zelfs enkele gezegden van jezus in dien zin aanscherpen, zoo als wij het Zalig de armen gt;an geest! dat bij mattiieüs zoo juist op zijne plaats staat, bij lukas wedervinden als Zalig de armen , en ivee den rijken! [huk. VF : 20, 21.) — Maar al nemen wij nu dit alles aan, al vinden wij in den armen lazarus m kas' ideaal, het lag toch ook in jezus' eigen' geest, dat hij de armen in die mate voortrok, als de wereld hen achter uit zette, liet woord : Eer gaat een hemel door het oog van een' naald, als een r jhe in 't Godsrijk; de vermaning, om armen en ellendigen tot zijne gastmalen te nood'gen, cn vele andere trekken in jezus' onderwijs, doen ons in hem den vriend der armen kennen, die in de gehechtheid aan 't wereldsch goed bij ondervinding den sterksten hinderpaal zag tegen de regie waardering van 't godsrijk, en tegen de opolieringen, die het vroeg. Overal, waar het evangelie met al zijne zelfverloochening is gepredikt, waren waarlijk de rijken, grooten, magthebbenden do eerste bekeerlingen niet!
'/Maar al nemen wij nu dit alles gaaf aan, zoo klinkt het toch wat al te vreemd, dat alle beweldadigden zalig worden, en dat zij bovendien de magt zouden hebben, om hunne weldoeners zalig te maken.quot; I)—■ Het eerste klinkt, dunkt mij, niet vreemder, dan dat jezus, in het tafereel van den vergeldenden koning [Matlh. XXV), al do armen zijne broeders noemt, en het geen hun gedaan is, als aan zich zelf gedaan beschouwt. Er is ten minste geen stellig bewijs, dat duar enkel armen en verdrukte geloovigen bedoeld worden. (Vergl. Deel I, Blz. 166.) Men moet eene zinnebeeldige en populaire voordragt niet zóó uitziften. Maar vooral moet men niet vergeten, dat onze voorstelling van hemel
t) Om deze zwarigheid te ontgaan, vat melanciituon (in zijne Postille) de eeuwige lalernaketen op van de kerk, waarin reeds hier op aarde door cn kist u s en de zijnen wordt welkom geheeten, die hun weldoet. Maar hij verplaatst op die wijze de Gelijkenis in een'lid eren tijd, toeu liet diw.h der heiligen (dc weldadigheid aan geloofsgenooten en hunne voorgangers) eene noodzakelijke christelijke deugd werd. 7'ie 1 Kor. XVI : 15; 2 Kor. VIII ; 4; Fitipp. IV : 18; I Tim, V : 10 enz.
Dp; ON'RKGTVAAUDIGE ukntmeestku.
niet geheel over eon komt met die der eeuwige tabernakelen. Wanneer de Messias komen zou in zijne heerlijkheid, en dus de tegenwoordige eeuw plaats maken voor dr toekomende, dan zon menig armo lazauus, tot vergoeding voor het onregt dezer wereld, daarin eene eeuwige woning vinden, menig rijke die missen. Maar gelijk hier op de wereld de rijke de voorspraak van den arme is, zoo zijn 't omgekeerd, in de eeuwige woningen, de bewehladigde armen voor hunnen nu verarmden weldoener. Ook al hnd deze er anders geene eigene woning, dankbaar staan zij gereed, hem in de hnnne op
te nemen..... Ja! dit -faat er nog niet eens 1); alleen, dat zij hem ontvangen, inleiden en
verwelkomen. W at is er (och iu deze voorstelling aanstootelijks, wanneer wij haar maar niet tot een paragraaf van een godgeleerd handhoek over den weg der zaligheid maken? 2) 't Is eene schilderij, waarvan Jt onderschrift is: Tte barmhartigheid roemt tegen het oordeet; die deze spreuk uitwerkt en schildert, en ook ons toeroept: u Vergadert u schatten in den heme/, ook uit uwen aardschen schat!quot;— Hoe? Is deze leer minder ji/ziis waardig, dan wanneer hij elders, bij den zelfden Evangelist, tot de Parizeen zegt: nGj reinigt het buitenste van drinkbeker en sehotel. Geeft liever tot aalmoes het geen daar in is , en ziet! alles is u reinquot; of tot zijne discipelen: n Verkoopt het geen gij hebt, en geeft aalmoes. Mankt zóó v zei ven. buidels, die viel verouden, eene» sehat in de hemelen, die niet afneemtquot;? (H. XT : 39—11; XH : 33.) 3)
//Maar dit is eene utiliteitsleer : goed doen, niet uit mildheid of liefde, maar om zijn geld , als men 't toch binnen kort zelf moet missen, op intrest te zetten voor den hemel. Alleen eene deugd, die men om haar zelve bemint, heeft voor den christen waarde.quot; —'tTs maar jammer, als wij het Evangelie wat naauwkeurig ontleden, dat ons overal die wanklank der utiliteitsleer tegenkomt. Om maar een enkel voorbeeld te noemen, niet eens uit jkzus' volksonderwijs, maar uit zijn' intiemsten omgang: als de rijke jongeling bedroefd is heen gegaan tot zijne vele goederen , en petrus nu vraagt , uit naam van al de apostelen, wat hun loon zal zijn , daar zij alles om zijneut wil hebben verla-
1) Vernuftig is de opmerking van bengix, dat er niet staat, als straks bij de sohuldeimars: «hunne woningen;quot; — non sua, quia- tal.eniacula Dei,
2) 'Zelfs kalvijn, als exegeet liberaler dan als doginaticus, komt zonder eenige bedenking tot deze slotsom; Summa hu jus parabolae est, humaniler el beni/jne rum proximh nostris esw ai/endum , nl (juum ad Dei Iri/junal oenlunt fuerit, Hberalitalk nostras frurlm ad nut redeal. Nog naauwkeuriger melanoutuon : Diese Enahlung ragt die mensrhliche Nachldssigkeit iu den Angelegenheileii misers cpir/ien If cites, and ist fine Beiehrung iiher die Anwendung zeillicher Outer, und zugteich die herrtiehste Zusicherung der godliehrn Vergeltung fir gciibte Wohl/hatigkeit,
3) Gebeden en aalmoeten worden gewoonlijk, als do blijken van ware 'godsvrucht, die zeer zeker beloond wordt, door de oosterlingen bijeen gevoegd. Zoo ook door jv./.is in zijne bergrede, door likas in Cornelius den hoofdman, enz. T)e kracht der aalmoezen wordt door den l' ngel bij tobias (II. XII: 10) zóó uitgedrukt: Aalmoezen red ten van den dood, en zuireren van atle zonden. 'Zoo ook Jizus miiacii, tl, III : .'50, vcrgl. XXIX. : 12 enz. —Een Rabbijn (bij nokk aangehaald), chesed samuel , begint zijn geschrift dus: «Ik schrijf dit boekje ten nutte van armen en rijken : van de armen, omdat het de rijken bewegen zal, hun aalmoezen te geven; van de rijken, omdat hunne weldadigheid de armen zal bewegen, om in den hemel hunne voorbidders te zijn. üe een behoeft don ander; in dit leven holpt de rijke den arme, in het toekomende de arme den rijke.quot; — Axgustinus merkte reeds met verwondering het denkbeeld van den Heiland bij virgilius op, als deze ook in de Elyzeesehe velden plaatst, niet enkel die 't verdiend hebben, maar ook : quique sui memores alios fecere merendo.
DE ONRliGTVAAUDlGE RBNTMEESThK.
ten, antwoordt jkzus niet: //Gij moet 't goede niet doen om loon!quot; en zegt hun zelfs niet eens enkel geestelijke goederen toe, maar eene liouderdvoudige vergoeding van huizen, akkers enz. Is dit ook geene utiliteitsleer? 1) — Waarlijk ! de volksleeraar vindt de meuschcu nog zoo weinig vatbaar voor die abstracte selioonlieid der deugd, dat hij al zeer blij mag wezen, wanneer zij het hemelseh loon boven het aardsehe genot stellen; en de verhevene deugd van jkzus, wiens spijze hel was, 's laders wil te doen en zijn werk te volbrengen, is voor de meeste inensehen slechts als eene hoogere ontwikkeling der eerste loondienst te bereiken.
De laatste zwarigheid eindelijk, die ook de eerste was; //Oe streke.n van een' uitgeleerden bedrieger het voorbeeld van zorg voor de eeuwigheid \quot; hoop ik, door naauwkeuriger voorstelling van het beeld zelf, reeds grootendeels ontzenuwd U1 hebben. Maar al wil men ook (tegen het gevoelen van zijnen meester, naar't schijnt,) inden rentmeester niets anders dan een' sluwen bedrieger zien, jkzus roemt ook zijne zedelijkheid niet, en geeft zelf te kennen, dat hij alleen uit baatzuchtige oogmerken handelt. Het meer of min zedelijke der handelwijze, is het punt van vergelijking niet. Ji.zvs zelf geeft 't op; het is: //verstand of slim overleg.quot; 2) En stuausz heeft zeer goed gezien, dat, wanneer men om du immoraliteit van den hoofdpersoon deze Parabel verwerpt, dis van den Heyter en de Weduwe en den Smeekenden Vriend het zelfde lot verdienen. Ook in nog andere Gelijkenissen, zoo dra wij ze als geschiedenissen gaan behandelen, zou men zelfzuchtige bedoelingen kunnen opmerken, 't Was toch niet uit liefde, dat de vrouw haren tienden penning opzocht, noch uit onbaatzuchtigheid, dat de Heer zoo gaarne zijne talenten verdubbeld zag. Maar bovendien, juist die baatzucht van de kinderen dezer eeuw is hier bel tegenbeeld der hemelsgezindheid van de kinderen des lichts. De wereldling weet zijn belang beter te betrachten, dan zij het hunne!
Na al het gezegde, kan ik den lezer gerust de toepassing besparen, die men van de bijzondere trekken der Gelijkenis gemaakt heeft. Reeds de slotspreuk weert de vragen af; '/Wat beteekent do olie, do, tarwe enz.?quot; Alleen zouden wij nog kunnen vragen; //Wieu stelt de lieer van den rentmeester voor?quot; Mi ijer en anderen, vooral die den rentmeester tegen hem in bescherming nemen, noemen den Mammon. Deze komt echter, noch in de Parabel, noch in de slotspreuk persoonlijk voor. Het is God, die tot den mensch spreekt; n Bereid uw huis; want (jij gaal sterren!quot; [Jes, XXX VIII : J.) 't Is God, die ook van den rijken dwaas de ziele afcischl, en wiens rentmeesters wij allen zijn.
Vergl. Mallh. X: 42 enz. — Te regt zegt wilschut, dat het evangelie geene Kantiaansche deugd leert, en beroept zich ouder anderen op 1 Tim. VI ; 17—19, waar de rijken vermaand worden, uctdadiy le z;jn , zich een goed fondumenl weg leygeiule voor de. toekomst , ojidat zij het ware teven verwerven.
de onb kotv a akdige kentmeesteb .
Indien liet dus noodig is, hier een' persoon te noemen, kan ik niet anders dan aan (lt;od denken.
N u eindelijk nog iets over den zamenhang, dien ik tot nu toe buiten aanmerking gelaten lieli, om de Gelijkenis , met haar onderschrift, geheel op zich zelve te beschouwen. Onderscheiden wij //den zamenhang van jeziis' redeen //van i.i k as' verhaal.quot; ïot den eersten breng ik vs. 10—15; tot den laatsten de geheele afdeeling Lid'. XV en XVI.
Beeds uit de herhaling van den onregtvaardigen Mammon (vs. 11), blijkt, dat de volgende verzen nog tot de zelfde rede van jezüs behooren. Alleen merken wij daarbij op, dat de Heer begint te spreken tot zijne discipelen, en toch ook de Parizeen al deze dingen hoor en (vs. 14). 't Schijnt dus, dat jeztjs, in den kring zijner volgelingen en tot hen sprekende, zoo weinig de schare uitsluit, dat de overal zich indringende Farizeën reeds nabij genoeg gekomen zijn, om alles, inzonderheid de laatste spreuken te hooren, en er hun oordeel achter zijn' rug of fluisterend over uit te spreken. Ja ! ik zou niet vreemd zijn van het denkbeeld, dat vs. 13, omtrent het gelijktijdig dienen van God en den Mammon, opzettelijk, met 't oog op hen, wat luider is gezegd.
J ezus vervolgt dan , na 't uitspreken der Gelijkenis: Die gel rouw is in het minste, die is ook in het groote getrouw; 1) en die in het minste onregtvaardig is, die is ooi- in het groote onregtvaardig, 2) Zoo gij dan in den onregtvaardigen Mammon niet getrouw zijl geweest , wie zal u het ware toevertrouwen ? En zoo gij in eens anders goed niet getrouw zijl geweest, wie zal u het uwe 3) geven ?
Onregtvaardigheid en trouw worden hier tegenover elkander gesteld, en dit pleit eenigzins voor de vertaling van hen, die in plaats van den onregtvaardigen rentmeester, den ontrouwen stellen. Verder wordt met het minste, het schijngoed van den Mammon, dat den mensch eigenlijk vreemd blijft, al schijnt 't voor eene wijl zijn eigendom, de
1) De Talmud zegt: irGod vertrouwl dcu menscheu nooit groote dingen, zonder hen eerst in kleine beproefd Ie hebben. D.win beproefde Hij bij de kudde, die hij in de woestijn moest verdedigen (Vs. LXXVIII; 71); zoo ook was mozks herder van hut vee zijns schoonvaders, eer God door Zijne hand Israël weidde {I's. LXX Vil; 21).quot; ScnömiKN,— ïukncii merkt te regt op, dat deze vermaning tot trouw alle misbruik der voorafgaande Gelijkenis afsnijdt.
2) Niet te onregt noemt van willes dit eene algemeene spreuk, een spreekwoord , dat men op verschillende wijze kon toepassen, zoo als jkzus in 't volgende doet op den Mammon. Later heeft hij echter van het eerste lid eene andere vertaling gegeven, die noodeloos zoo wel het parallelisme als den zamenhang verbreekt, hoewel zij taalkundig te verdedigen is. Zij luidt; I)c getrouwe (de waarlijk eerlijke man) is in hel minste en in val gquot;trouw. {Bjdr. 111:55—00.) Ik kan mij ook in't geheel niet verecnigen niet zijn motief, dat menig een, die in't grootsteelt, in 't klein eerlijk zou wezen. Het tegendeel vooronderstelt ook de heer in de Gelijkenis der talenten, als hij bij herhaling zegt: * ird, gij goed' en getrouwe diensltonehl Oeer weinig zijl gij gelrouw gewce.il, over veel zal ik u zeilen.quot; {Mailt. XXV; 21, 23.) — Eene Rabbijnsehe Gelijkenis hieromtrent is niet onaardig; //Zekere koning had twee opzigters aangesteld; den een tot zijn' schatmeester, den ander tot bewaarder van het stroomagazijn. Later viel deze in verdenking van ontrouw ; en toen hij nu toeh aanspraak maakte op den zoo veel hoogereu post van schatmeester, werd hem geantwoord: «Gij dwaas! reeds bij het stroo hebt gij u verdacht gemaakt; hoe zou men n's konings schatten toevertrouwen?quot; (Schöïtgën.)
3) Hel uwe komt in eene andere Gelijkenis {Mntlh. XX : 14) voor van «het wettig iemand toekomend loon.quot; Hier wordt dit uwe gegeven, straks het ware toevertrouwd.
DE ON11LGTVAAU 1)1(1 E 1! BNTMEESTER.
aardsche rijkdom bedoeld; met htt groote, het ware 1) en in waarheid oaze, de he-melsche schatten. Eenmaal zijne discipelen, voor zoo ver zij over meer of minder \vc-reldsch goed te beschikken hadden, met een' rentmeester vergeleken hebbende, leert jezus op eenc andere wijze 't zelfde als in de Gelijkenis: ween verstandig en weldadig gebruik van het aard se he goed, naar den wil en onder de hooge goedkeuring (als vs. 8) van den fleer, die 't geeft.quot; Trouw en ontrouw worden daarnaar beoordeeld, en den getrouwen rentmeester hoogere belangen toevertrouwd. Want Ji./.rs schetst ook elders de zaligheid van het Messiasrijk niet als een louter genieten of juichen, maar als een besturen, oordeelen, ijveren voor 't Godsrijk. Dit wordt in de belofte aan zijne discipelen, met het zitten op den regterlijken troon; in de Gelijkenis van Talenten en Ponden, met 't beheer van geld en het bestuur van steden vergeleken.
En hierop volgt nu de spreuk, die wij ook elders vinden, maar die hier toch uitstekend past; Geen huisknecht kan twee heeren dienen: want of hij :al den renen haten en den anderen lief heMen , of hij :al den éenen aanhangen en den anderen veraehten. Gij hint God niet dienenen den Mammon. Later zullen wij van deze spreuk, die ock Matth. VI: 21« voorkomt, meer zeggen. Hier merken wij alleen op, dat je'/.vs geld en goed niet veracht wil hebben, maar zell's getrouw en naauwgezet gebruikt, doch zóó, dat men er zich nooit aan verslave. Ook uit den Maiuinon dicne men God, 2)
Maar wij ga fin verder. Lukas, gewoon de aanleiding voor je/xs' woorden op te geven, waar hij maar eenigzins kan, doet dit ook bij't volgende. De Fa rizeen, zegt hij, die geld/jierig waren (eigenlijk »het zilver bemindenquot;),//öon/ew dingen en besehimpten hem. ■gt;) Kn hij
zeide tot hen: //Gij zijt/et, die u zelren reglcaardigt voor de luensehen, maar God kent uwe harten: want dat hoog is onder de mensehen, is een gruwel voor God.quot; Somm gen hebben in deze woorden den sleutel der (lelijkenis , en dus in den Rentmeester het beeld van den Farizeër gezocht. Maar behalve dat, zoo er iets vau onze verklaring juist is, de sleutel niet past, staan deze woorden ook te ver van het verhaal af, en worden alleen door de schampere aanmerking der Farizeen uitgelokt. Ik zou dan nog eer denken, dat zij op II. XV : 2 terug sloegen, en dit brengt mij van zelf tot den ruimeren zameuhang van deze beide hoofdstukken. Ik wenschte daarbij echter vs. 10—IS uit te sluiten, drie spreuken, die wij bij aiattheüs elders vinden, en waarbij men 't vernuft van simi en dergelijke uitleggers hebben moet, om verband te vinden tusschen den Mammon, joiiannes den Dooper, tittel of jota der wet, en — echtscheiding! — liet is duidelijk, dat lukas zameuhang en aanleiding in jezus'woorden zoekt, maar niet altijd vindt; en dan schrijft hij de
1) Nuf/i biblüchem Sprachgehrauehe isl dasjetugr, uas seinm Itegrijfe volkommen enlspriehl (Joh, XV :1). Die irdischen Giilcr si ml nnr Sch'tngïUer. lil.-co.
2) L'Sciüi, ilic tu regt opmerkt, Jat inca soms naar allerlei geleerde uitleggers luistert, waar meu liever Ji zus zalven, als uitlegger zijner eigene woorden, hooreu moest, voegt er bij, dat men tc veel eenheid tusschen al deze spreuken en ile Öclijkeiiis zelve gezocht heeft, daar »dc regtc waardering tier aardsche schatteu, in het licht van 't Godsrijk (quulis iHviliarum ratio ül hat.emlu)quot; hoofddeukbeeld is, ea hierin weldadigheid, voorzigtigheid en trouw zijn opgesloten.
3) »Zij trokken den neut: voor hem op [è^Sfivxn/Qiiov ai ivf), als voor een die, zelf arm zijude, over den rijkdom ligt met minachting spreken kou.quot; Vissisuing.
dk om!kotv aardt ge 11entmkkstf.ii,
Indien liet dus noodig is, hier een' persoon te noemen, kan ik niet anders dan aau G od denken.
Nu eindelijk nog iets over den zamcnhang, dien ik tot nu toe buiten aanmerking gelaten lieb , om de Gelijkenis, met haar onderschrift, geheel op zich zelve te beschouwen. Onderscheiden wij //den zamenhang van .ikzi s' redeen //van i.tkas' verhaal.quot; Tot den eersten breng ik vs. 10—15; tot den laatsten de geheele afdeeling Luk. XV on XVI.
Reeds uit de herhaling van den onregtraardigen Mammon (vs. 11), blijkt , dat do volgende verzen nog tot de zelfde rede van jkzus behooren. Alleen merken wij daarbij op, dat de Heer begint te spreken tot z'jne discipelen, en toch ook de Farizeen al deze dingen hooren (vs. 14). 't Schijnt dus, dat jezüs , in den kring zijner volgelingen en tot hen sprekende, zoo weinig de schare uitsluit, dat de overal zich indringende Parizeen reeds nabij genoeg gekomen zijn, om alles, inzonderheid de laatste spreuken te hooren, en er hun oordeel achter zijn' rug of fluisterend over uit te spreken. Ja! ik zou niet vreemd zijn van het denkbeeld, dat vs. 13, omtrent het gelijktijdig dienen van (Jod en den Mammon, opzettelijk, met 't oog op hen, wat luider is gezegd.
Jiczus vervolgt dan, na 't uitspreken der Gelijkenis; Die getrouw is in het minste, die is ooi' in het groote getrouw; 1) en die in het minste onregtvuardig is, die is ooi- in het groote onregtvaardig. 2) Zoo gij dan in den onregtvaardigen Mammon niet getrouw zijl geweest , wie zal u het loare toevertrouwen ? En zoo gij in eens anders goed niet getrouw zijl geweest, wie zal u het uwe 3) geven ?
Onregtvaardigheid en trouw worden liier tegenover elkander gesteld, en dit pleit eenigzins voor de vertaling van hen, die in plaats van den onregtvaardigen rentmeester, den ontrouwen stellen. Verder wordt met het minste, het schijngoed van den Mammon, dat den mensch eigenlijk vreemd blijft, al schijnt 't voor eene wijl zijn eigendom, de
1) De Talmud zegt: ,God vertrouwt den menschen uooit groote diugeu, zonder hen eerst iu kleine beproefd te liebbon. D.wm beproefde Hij bij de kudde, die hij in de woestijn moest verdedigen (Vs. LXXVin : 71); zoo ook was mozes herder van het vee zijns sclioonvaders, eer God door Zijne hand Israël weidde (Vs. LXXVII; 21).quot; Sciioxtgen.— Then en merkt te regt op, dat deze vermaning tot trouw alle misbruik der voorafgaande Gelijkenis afsnijdt.
2) Niet te onregt noemt van willes dit eene algemeene spreuk, een spreekwoord, dat men op verschillende wijze kon toepassen , zoo als jkzus in 'l volgende doet op den Mammon. Later heeft hij echter van het eerste lid eene andere vertaling gegeven, die noodeloos zoo wel het parallelisme als den zamenhang verbreekt, hoewelzij taalkundig te verdedigen is. Zij luidt; De getrouwe (de waarlijk eerlijke man) h in hel minste en in veel getrouw. (Bjdr. ill ; 55—00.) Ik kan mij ook in 't geheel niet vercenigen met zijn motief, dat menig een, die in't grootsteelt, in 't klein eerlijk zou wezen, liet tegendeel vooronderstelt ook de heer in de Gelijkenis der talenten, als hij bij herlialing zegt ; ntFel, gij gned' en gelromee dienstknecht ! O eer weinig zijl gij gel rouw geweest, over veel !al ik u zetten.quot; (Matth. XXV : 21, 23.) — Eene Rabbijnsche Gelijkenis hieromtrent is niet onaardig: //Zekere koning had twee opzigters aangesteld : den een tot zijn' schatmeester, den ander tot bewaarder van het stroomagazijn. Later viel deze in verdenking van ontrouw; en toen hij nu toch aanspraak maakte op den zoo veel hoogeren post van schatmeester, werd hem geantwoord: ,Gij dwaas! reeds bij het stroo hebt gij u verdacht gemaakt; hoe zou men u's kouings schatten toevertrouwen Pquot; (SciröïïGEN.)
3) ]fet nice komt in eene andere Gelijkenis (Matt/i, XX : 14) voor van »het wettig iemand toekomend loon.quot; Hier wordt dit uwe gegeven, straks het ware toevertrouwd.
DE ONRLOTVAAllDlCiE 1!ENTMEESTEB.
aardsche rijkdom bedoeld; met lut groote, het ware 1) en in waarheid o aze, de he-melsehe schatten. Eenmaal zijne discipelen, voor zoo ver zij over meer of minder we-reldsch goed te beschikken hadden, met een' rentmeester vergeleken hebbende, leert Jezus op eene andere wijze 't zelfde als in de Gelijkenis : //een verstandig en weldadig gebruik van het aardsche goed, naar den wil en onder de hooge goedkeuring (als vs. 8) van den fleer, die 't geeft.quot; Trouw en ontrouw worden daarnaar beoordeeld, en den getrouwen rentmeester hoogcre belangen toevertrouwd. Want jezus schetst ook elders de zaligheid van het Messiasrijk niet als een louter genieten of juichen, maar als een besturen, oordeelen, ijveren voor 't Godsrijk. Dit wordt in de belofte aan zijne discipelen, met het zitten op den regterlijken troon; in de Gelijkenis van Talenten en Ponden, met 't beheer van geld en het bestuur van steden vergeleken.
En hierop volgt nu de spreuk, die wij ook elders vinden , maar die hier toch uitstekend past: Geen huisknecht kan twee heeren dienen: want of hij zal den eenen halen en den anderen lief hebben, of hij zal den éénen aanhangen en den anderen verach/en. Gij kunt God niet dienenen den Mammon, Later zullen wij van deze spreuk, die ock Mat///. VI : 21 voorkomt, meer zeggen. Hier merken wij alleen op, dat jezus geld en goed niet veracht wil hebben, maar zelfs getrouw en naauwgezet gebruikt, doch zóó, dat men er zich nooit aan verslave. Ook uit den Mammon dienc men God. 2)
Maar wij gaan verder. Luk as, gewoon de aanleiding voor jezus'woorden op te geven, waar hij maar eenigzins kan, doet dit ook bij 't volgende. l)e Farizeën, zegt bij, die geldgierig waren (eigenlijk «het zilver bemindenquot;), hoorden al deze dingen en beschimpten hem. :3) En hij zeide tot hen: nGj zijl het, die u zeiven regtcaardigt voor de menscien, maar God kent uwe harten: want dat hoog is onder de menschnn, is een gruwel voor lt;iod.quot; Soinm gen hebben in deze woorden den sleutel der Gelijkenis, en dus in den Rentmeester het beeld van den Earizeër gezocht. Maar behalve dat, zoo er iets van onze verklaring juist is, de sleutel niet past, staan deze woorden ook te ver van het verhaal af, en worden alleen door de schampere aanmerking der Farizeën uitgelokt, (k zou dan nog eer denken, dat zij op H. XV : 3 terug sloegen, en dit brengt mij van zelf lot den ruimeren zamenliang van deze beide hoofdstukkeu. Ik wenschte daarbij echter vs. 10—is uit te sluiten, drie spreuken, die wij bij mattiieüs elders vinden, en waarbij men 't vernuft van s-mii en dergelijke uitleggers hebben moet, om verband te vinden tusschen den Mammon, joilvnm.s den Dooper, tittel of jota der wet, en — echtscheiding ! — Het is duidelijk, dat lükas zamenliang en aanleiding in jezus'woorden zoekt, maar niet altijd vindt; en dan schrijft hij de
1) Nach biblischem Sprachgehruuchie isl uXrjamp;iiiii» dasjenige, teas seiuem Begriffe volkommen entspnchl (Joh. XV ; 1). Die irdischcn Güler si ml nnr Sclifingüier. la.-co.
2) Unokh , dio te regt opmerkt, dat men soms naar allerlei geleerde uitleggers luistert, waar men liever Ji zus zei ven, ais uitligger zijner eigene woorden, hooren moest, voegt er bij, dat men te veel eenheid tussehen ai deze spreuken en de Gelijkenis zelvegezoclit heeft, daar »de regte waardering der aardsche schatten, in het licht van 't Godsrijk {qualis Hwiaruni ratio sit luit endu)'' hoofddenkbeeld is, en hierin weldadigheid, voorzigtigheid en trouw zijn opgesloten.
3) «/ij /rokken den neus voor hem op (èSsixvxitjgiiov aiuóy), als voor een die, zelf arm zijnde, over den rijkdom ligt met minachting spreken kon.quot; Visskbing.
DE ONREOTVAARDltlfc HHXTMEKSÏE1!
spreuken hier of daar bij, misschien waar zijn blad perkament nog eenige ruimte over had; J) mogelijk hier wel, omdat deze spreuken toch ook op jezus' strijd met de Fari-zeën betrekking hadden.
En nu beide Hoofdstukken in hun geheel. Dat i.dkas ze zóó geordend heeft, is nog geen bewijs, dat jezus alles in die orde heeft uitgesproken; maar toch wel, naar 'l schijnt, dat u'kas er eenig verband in zag. 2) Het vers, waarbij wij straks gebleven zijn, is er misschien eene proeve van. De Parizeen en de schriftgeleerden murmureren, omdat tollenaars en zondaars tot jezus naderen, hom hooren, vertrouwelijk met hem omgaan. .Tezus heeft daarop vier (jlelijkonisscn uitgesproken, en de Farizeen, die al deze dingen gehoord hebben, en zich — de bij uitstek godvruchtigen in Israël! — er door be-leedigd achten, gaan nu nog verder: ojnenljk IjescJiimpen zj hem. {Lui. XV : i en XV 1; 14.)
Maar gaan wij nu nog eens den zamenliang der vijf Gelijkenissen in deze twee Hoofdstukken, althans naar evkas' opvatting, na.
Meer en meer wordt jezus do geliefde volksleeraar. Vooral die door der Farizeen trots afgestooten worden, voegen zich bij hem, of noodigen bem tot zich. De Farizeesche schriftgeleerden, die toch ook niet kunnen laten hem op don voet te volgen, zien met ergernis zicli door iollenarcn en zondaren bijna verdrongen. Zij morren onderling, en zeggen 'taan wie het hooren wil; //Zulk gemeen volk hoort hem gaarne, en hij gaat er als vriend meê om. 't Is schande voor een' Rabbi in Israël!quot; — Jezus bemerkt dit, en spreekt zijne roerende Gelijkenissen over 't verlorene uit, waar, aan 'l slot van den verloren' zoon, in diens ouderen broeder de nijdige l'arizeër optreedt. Maar nu heeft hij ook .'}) voor zijne discipelen nog eene Gelijkenis, het tegenbeeld der verkwisting in de laatste Parabel. Er zijn vele tollenaars onder, en onder dezen ook vermogenden. Jezus verlangt van hen
1) //Het is mogelijk, dat tusschcu vs. 15 en het daarmede zamenhangend verhaal van lazarus cd den Kijke, aan het elude eener bladzijde of van ct'ne zijde der rol, eene kleine ruimte was overgebleven, waarop men dit verhaal niet wilde begluncn , en dat deze ruimte door lukas zelvcn , of dooréén zijner eerste afschrljvereu is aangevuld met spreuken van jkzus, die elders in dit Boek hare plaats niet vindenquot; van deu talm. Van avii.u's zoekt eehter verband ; of hij't ook vindt, is eene andere vraag.
2) «Sommigen syn van oordeel, dat dese Parabel aan de voorgaande gevoegt , ende ter selver tijd van jesus chrisïüs gesproken is ; ende syn derhalven bedagt, om eenen sam'.nhung te vinden, bet gene wy ook oordeelen dat gemakkelijk gesehleden kan. Dogh wy sijn egter van oordeel, dat dese Parabel gesproken is op eenen an leren lyd ende by een ander yeoal. Want waarom zoude anders lukas hebben geschreven: ^Endc hy selde ook tot syne Discipelen.quot; Dogh dit blijkt nog klaarder uit vs. 0, waar uit openhaar is , dat de lieer, als Hy deze Parabel voorstelde, gesproken had van het regte gebruik der tijdelijke goederen ; 't welk veel verschilt van het gene hy voofhciifn had gesproken, Dies moet men denken, dat lukas syn Evangelie heeft te samen gcstelt, uit het gene hy nopens jesus christüs uit anderen verstaan had, of het gene anderen hadden opgeteekent, en uit dien hoofde somwijlen niet onder-scheidentlijk heeft geweten, wat er is tusschcn-yelcomen; en dat hy derhalven somwijlen maar heeft gebruikt een gemeen formulier van overgang, waardoor hy de redenen van jesus ciibistus aan raal-kanderen hegtede,quot; Viïiunga.
ii) Over xnl, als ook, ook nog, bij lukas, waardoor hij dit Hoofdstuk aan het voorgaande verbindt, zie men vak willes, Bk. 94. Dat echter die band zeer lo3 is, en't woord volstrekt niet aanduidt, dat jezus zelf zóó in éénen adem doorsprak, kan de opmerkzame lezer gemakkelijk zien in den aanhef van twee Gelijkenissen, waarop wij later moeten terug komen (huk. XVIII: I en 9). Veel eer zou ik daaruit opmaken, dat 't verband alleen in de combinatie van iukas sehuilt, in dezen zin : //Iets dergelijks zeide jezus ook nog —quot; «Behalve dat heeft de Heer ook nog gesproken, enz.quot;
DE OiNUEGTVAAHDKilC I!entmeestell.
geen'onbepaalden afstand van hun goed, maar integendeel een verstandig gebruik. Door de prediking van oordeel en genade getroffen, moesten zij zich beschouwen als rentmeesters, wie reeds liet beheer van hun goed was opgezegd.— Dit punt van vergelijking moeten wij vooral niet over 't hoofd zien. Overal in 't evangelie wordt de tijd als kort, het oordeel als aanstaande voorgesteld. Al de apostelen hebben dit van jezüs overgenomen.—'t Was dan niet genoeg, dat men zijn geld en goed voor 't Godsrijk verlaten kon, dat men er niet meer aan hechtte. In dit opzigt waren de kinderen dezer eeuw verstandiger. Zij wisten van den Mammon, ook waar die hun ontviel, nog een listig gebruik te maken, om limine toekomst te verzekeren en eeue toevlugt over te houden in nood. Zóó moestem ook jezüs' discipelen doen. Waren zij tollenaars, voor hen inzonderheid was wel 't geld een Mammon der ongeregtighéid. Zelfs een edele zacxiieüs spreekt van 't geen hij anderen door bedrog heeft te hort gedaan, wil 't vierdubbel weder geven, en daar dil na eenigen tijd moeijelijk gaat, biedt bij de helft van zijn goed voor de armen aan {Lui;. XIX : 8). 1) Zie daar juist, wat de Heer wil, en wat hij, naar de bevatting van zijne hoorders, zelfs als hun wel begrepen eigenbelang voorstelt,—-Eu nu volgt nog 't tegenbeeld van den lv ml meester ; de rijke, aan wiens poort i,\zaiuis hulpeloos ligt en sterft, en die in de eeuwigheid geen toevlugt vindt, daar bij, ontrouw in zijn rentmeesterschap, van zijnen rijkdom alleen overdadig en prachtig leefde. Het is daarbij opmerkelijk, dat bij juist van lazarus lafenis wacht. Had hij hem wel gedaan en anders geleefd, lazarus zou ook hem ontvangen en welkom heeten in de eeuwige IdHemalcelen ! — I'm zoo vinden wij in deze twee Gelijkenissen den rijke, tegenover de armen en verdrukten iu de wereld: deu eenen rijkaard hier, den ander eerst in de eeuwigheid tot helder bewustzijn gekomen van 't geen bij is.
Ik zie niet in, dat er bij deze opvatting iets overblijft van den ouzuiveren geest der moraal van onze (lelijkeuis, waarom zij aan zoo vele geweldige kunstbewerkingen beeft bloot gestaan. Men vergele slechts nooit, dat jk/.us' onderwijs in tie eerste plaats paste in zijnen tijd en zijnen kring. De oude woekeraar, die zich door weldadige beschikkingenen vrome, slichtingen nog eene eereplaats in deu hemel denkt te knopen, of de wellusteling, die een tiende deel tot redding geeft van 't geen bij vroeger besteedde om de onschuld te bederven, meene toch nooit, dat hij inden geest van jezus en deze zijne Gelijkenis handelt. Zelfzucht is zijn beginsel , en bij wil ook met deu hemel handel drijven, 't Is er even eens mede, als met de verkeerde toepassing van bet //ter elfder ure komen.quot; De tollenaars konden geen Christenen worden, eer de ciirtstus kwam, en zij tot hem naderden en hoorden. Was hun goed door onregt verkregen, dit was nu eenmaal zoo, en de algemeene verachting bad er mede schuld aan. De vraag was nu slechts, of zij dien rijkdom wilden blijven aankleven en dienen, of God; en zoo zij. God dienende, kinderen des Holds werden, of zij dan met den Mammon nog iets te maken hadden, //Zeer zeker!quot; zegt jezus: //gij zijt voortaan rentmeesters. Aan 't nuttig gebruik van uw aardsche goed wordt uwe trouw beproefd, en 't bezorgt u zelfs vrienden, die voor u getuigen in 't Godsgerigt.....quot; Gevoelt
]) Naar do liabbijnschc spreuk : «Voor niemand is liet terug geven van onregtvaardig goed moeijc-lijker, dan voor een' roover of tollenaar.quot; LmirrrooT,
DE ONUKdTVAAKDIflE RENTMKl.STER.
gij niet, dat dit geheel iets anders is, dan wanneer de oude zondaar met 'tgeld, waaraan het zweet en bloed der armen en de tranen van wees en weduw kleven, of waartegen de verleide onschuld getuigt, zich eene plaats denkt te koopen in den hemel, terwijl hij liever met de helft zijner schatten jeugd en kracht zou terug koopen, om op nieuw den Mammon der ongeregtigheid of de wellusten dezer eeuw te dienen?
En nemen wij nu dit denkbeeld in den ruimsten zin, hoe weinig hebben dun jezüs begrepen, die in vrijwillige armoede de hoogste deugd vonden, of zoo laag neer zagen op dat aardsche slijk! Neen! 't is geen slijk, en als wij ons hart regt uit spreken, wij houden heter ook niet voor. Indien wij dan maar iets meer van't overleg en do list hadden, die de kinderen dezer eeuw in 't geldhandelen kenmerkt; hoe veel meer goeds, niet aan de armen alleen, maar ook voor de belangen van't godsrijk, zouden wij er mede kunnen doen; en hoe kostbaar zou ons de Mammon worden in de dienst van God! De dagelijksche ondervinding leert het. Ook waar nog velen gaarne iets geven, wordt er met de zelfde som gelds veel meer gewoekerd door de kinderen dezer eeuw in hun geslachte.
332
Houden wij alzoo ten slotte, — na al deze uitweidingen op het ruime eu niet altijd bekoorlijke of ook vruchtbare veld der uitlegkunde, — die gedachte bij ons, dat wij van al onze aardsche bezittingen niet meer dan rentmeesters zijn, 1) en ieder oogenblik onverwacht tot het doen der rekening kunnen worden opgeroepen, dan zullen wij zeker de beste winst doen met dit onderwijs van onzen Heer, en do spreuk betrachten, die de overlevering van hem bewaard heeft, dat zijne discipelen de bekwaamste wisselaars zijn moestem. Kn zoo sluit zich deze Gelijkenis aan zoo vele andere aan, —die der Wakende Dienstknechlen, der Tien Maayden, van den Rijken Dwaas, den Ournic/dharen Vijgeboom enz. •— die ons alle toeroepen: Waakt, want gij weet dag eu ure viel! en waarvan de grondtoon is het oude gebed van mozes: [jeer ons alzoo onze dagen tellen, dat wij een wijs harte bekomen! {Ps. XC : 12.)
1) Het denkbeeld komt, buluilve bij den reeds aangehaalden Rabbijn, ook elders voor, zoo als ononus, behalve eene uitvoerige plaats bij ruii.0, van senica aauhaalt: Quid lannuum tno parcis? Procurator fs.
eener Oostersche phantasie, en geven dus geene denkbare voorstelling, veel min een verhaal uit 't dagelijkseb leven; terwijl de Kemel boven Splinter en lialk nng dit voor heeft, dat bij één der zinnebeelden is van liet koningrijk der hemelen. Maar de getrouwe lezer weet, dat ik reeds sedert lang ben afgezien van het tellen der wettig zoo genoemde Gelijkenissen; dat is, der voorstellingen, die aan onze deiinitie van bet woord volkomen beantwoorden. Het vrije onderwijs van onzen lieer laat zich zoo niet elassilieeren.
//Een kameel vóór het oog van een naald;quot; — de tegenstelling van groot en klein onder de aardsehe dingen is hier zeker wel zoo sterk als zij zijn kan. Is die tegenstelling oorspronkelijk? Of was zij eene spreekwijze van jkzus' tijd? ITet laatste zou geen wonder wezen, en veel minder nog jezüs onwaardig. Wie verstaan wil worden, moet dc taal van zijnen tijd spreken. Bewezen is het evenwel niet. Wel heeft men uit den Tiilmud twee gezegden aangehaald, die hiermede eenige overeenkomst hebben, maar daarin komt de Kameel niet voor. Ze zijn; //Zij (de droomen) toonen den menseh geen' palmboom van goud, of een' olifant, gaande door liet oog eener naald;quot; 2) en; //Zijt gij misschien van de inwoners van Pombedita, die een' olifant door het oog eener naald kunnen doen
1) Stuaut en wessenbebg licbbca het dan ook l)ij dc parabolische redenen, corstics onder do spreuken van den Heer opgenomen. Hoe gumming van geheel de ontmoeting met den rijken jongeling schrijven kan: This passage stems to be un actual history rather than a mere parable, is mij een raadsel, cn hoe hij haar onder Our Lord's Parables Vow opnemen, nog meer. Hij had zeker, onder zijne forethadows, een tegenbeeld noodig van den Rijken Dwaas.
i) De (ilosse (Aanteekening) iiierbij zegt: «Eene zaak, die men niet gewoon is te zien, en waarover men nooit gedacht heeft.quot; En zoo bij het volgende: «Die onmogelijke dingen zeggen.quot;
DE OMUXiTVAAUmOE RLNTMKKSTllR.
gij niet, dat dit geheel iets anders is, dan wanneer de oude zondaar met 't geld, waaraan het zweet en bloed der armen eu de tranen van wees en weduw kleven, of waartegen de verleide onschuld getuigt, zioli eeue plaats denkt te koopen in den hemel, terwijl hij liever met de helft zijner schatten jeugd en kracht zou terug koopen, om op nieuw den Mammon der ongeregtigheid of do wellusten dezer eeuw te dienen?
En nemen wij nu dit denkbeeld in den ruimsten zin, hoe weinig hebben dan jezus begrepen, die in vrijwillige armoede de hoogste deugd vonden, of zoo hing neêr zagen op dat aardsche slijk ! Neen! 'tis geen slijk, en als wij ons hart regt uit spreken, wij houden heter ook niet voor. Indien wij dan maar iets meer van 't overleg en do list hadden, die dc kinderen dezer eeuw iu 't geldhandelcn kenmerkt; iioe veel meer goeds, niet aan do armen alleen, maar ook voor de belangen van't godsrijk, zouden wij er mede kunnen doen; en hoe kostbaar zou ons de Mammon worden in de dienst van God! De dagelijksehe oudervinding leert het. Ook waar nog velen gaarne iets geven, wordt er met de zelfde som gelds veel meer gewoekerd door de kinderen dezer eeuw in hun geslachte.
Houden wij alzoo ten slotte, — na al deze uitweidingen op het ruime en niet altijd bekoorlijke of ook vruchtbare veld der uitlegkunde, — die gedachte bij ons, dat wij van ai onze aardsche bezittingen niet meer dan rentmeesters zijn, 1) en ieder oogenblik onverwacht tot het doen der rekening kunnen worden opgeroepen, dan zullen wij zeker de beste winst doen met dit ouderwijs van onzen Heer, en do spreuk betrachten, die de overlevering van hem bewaard heeft, dat zijne discipelen de bekwaamste wisselaars zijn moesten. Eu zoo sluit zich deze Gelijkenis aan zoo vele andere aan, — die der Wakende Dlenstkneehlen, der Tien Maar/den, van den Rijken Dwaas, den Om:rnc/itharen Vjgeboom enz. — die ons alle toeroepen: Waakt, want gij weet dag en ure niet! en waarvan de grondtoon is het oude gebed van wozes; Leer ons alzoo onze dagen tellen, dat wij een wijs harte bekomen ! {I's. XC : 13.)
1) liet dcukbecld komt, behalve bij den reeds aangehaalden Rabbijn, ook elders vooi', zoo als grotius , behalve eeue uitvoerige plaats bij ruiio, vau senlca aauhaalt: Quid tno parein? Procurator es.
DE KEMEL
NAALD.
Matth. XIX : 21.; Makk. X : 25; Luk. XVIIl : 25.
liet is Hg ter, dat een kemel rja door het. oorj van eene naald, dan dat een rijke hi het koningrijk van God inga.
Wil iemand bij het lezen van bovenstaande woorden zeggen, dat dit geene Parabel is, ik zal hierover niet met hem twisten; maar alleen opmerken, dat men dit beeld even goed eene Gelijkenis kan noemen, als dat van den Splinter en de Balk, dat vrij algemeen er voor gehouden wordt 1). Reiden verplaatsen ons in het rijk der onmogelijkheden, op 'tgebied eener Oostersche phantasie, en geven dus geene denkbare voorstelling, veel min een verhaal uit 't dagelijkseh leven; terwijl de Kemel boven Splinter en Balk nng dit voor heeft, dat hij één der zinnebeelden is van het koningrijk der hemelen. Maar de getrouwe lezer weet, dat ik reeds sedert lang ben afgezien van het tellen der wettig zoo genoemde Gelijkenissen; dat is, der voorstellingen, die aan onze definitie van het woord volkomen beantwoorden. Het vrije onderwijs van onzen Heer laat zich zoo niet classificeren.
//Een kameel vóór liet oog van een naald;quot; —de tegenstelling van groot eu klein onder de aardsche dingen is hier zeker wel zoo sterk als zij zijn kan. Is die tegenstelling oorspronkelijk? Of was zij eene spreekwijze van Jezus' tijd? liet laatste zou geen wonder wezen, en veel minder nog jezüs onwaardig. Wie verstaan wil worden, moet de taal van zijnen tijd spreken. Bewezen is het evenwel niet. Wel heeft men uit den Talmud twee gezegden aangehaald, die hiermede eenige overeenkomst hebben, maar daarin komt de Kameel niet voor. Ze zijn: »/,ij (de droomen) toonen don mensch geen' palmboom van goud, of een' olifant, gaande door het oog eener naald2) en: //Zijt gij misschien van de inwoners van Pombedita, die een' olifant door het oog eener naald kunnen doen
I) Stuart en wessenbebg hebben liet dan ook bij de parabolische redenen, cohstius onder do spreuken van den lieer opgenomen. Hoe gumming van geheel de ontmoeting met den rijken jongeling schrijven kan: This passage seems to be un ucluul histcry rather than a mere parable, is mij een raadsel, en hoe hij haar onder Our Lord's Parables kou opnemen, nog meer. Hij had zeker, onder zijne Foreshadows, een tegenbeeld noodig van den Itijken Dwaas.
i) De Glosse (Aantcekening) hierbij zegt: .Eene zaak, die men niet gewoon is te zien, en waarover men nooit gedacht lieeft.quot; Eu zoo bij het volgende: »Die onmogelijke dingen zeggen.quot;
DE KEMEL VOOR, HET OOG KKNKR NAALD.
gaan?quot; 1) — 't Is opmerkelijk, dat liier een ander en nog kolossaler dier in de plaats van den kameel is gezet. J)it geoft de prioriteit aan mus' beeldspraak, het zij die van hem oorspronkelijk of in zijnen tijd gebruikelijk was. Voor Arabier en Israëliet was de kameel het grootste der inlandsche beesten, en met name der lastdieren; maar toen het overblijfsel van Israël uit zijn land gebannen was, en de Eabbijnsche scholen naar Babyion werden overgebragt, werd het gezigt van olifanten hun meer gewoon, en werden dezen hun het beeld van 'tgrootste der landdieren. Yan daar dat Mahomed, de Arabier, weder tot de oude beeldspraak terug keert, als hij zegt: //Wie onze geboden weerspreken en zich er tegen verheffen, hun zullen de poorten des hemels niet worden geopend, en zij zullen het paradijs niet binnen gaan, voor (of tot) dat een kameel ingaat door het oog eener naald.quot; 2) De overeenkomst is zoo treilend, dat Mahomed hoogst waarschijnlijk zijne beeldspraak, zoo niet uit het geschreven Evangelie, waarmede hij weinig bekend was, dan toch uit de christelijke overlevering heeft geput.
De westersche volken hadden voor de phantastische beelden der oosterlingen weinig smaak. Tan daar dat twee der laatste 3) Grieksche uitleggers (theophylactus en i.uthy-mius zigabenus) ons zeggen: //Sommigen denken hier niet aan een' kameel, maar aan een zwaar ankertouw.quot; Hieruit blijkt, dal het woord ook voor eeue andere opvatting vatbaar was. Dan evenwel werd het, althans naar de getuigenis der oudste taalkundigen, een weinig anders gespeld; Kamiel en niet Kameel 4). In die beteekenis is het ook
1) Met deze twee plaatsen is 't gegiiau, als met zoo vele uil den Talmud. Nadat buxtoju' of LtGHTPOOT die gevonden bad, beeft steeds de een ze van den ander overgeschreven, en niet altijd juist; terwijl de jongste uitleggers cr gewoonlijk bijvoegen ; „Het was van ouds een spreekwoord ouder do Joden, enz.quot; Zoo verliest de beste wijn zijn geur door 't gedurig oversebenken ! Hier heeft suickbus: • Zijl gij misschien uit de stad PomhedUu, waar men een kameel door een mialdenoog binnen leidt
eu dit is misschien de ware opvatliug. Fomhedilu schijnt, onder de ontelbare Joodsehe fabelen, de naam van eene wonderstad, even als bij ons van ouds Luilekkerland. — In de voorrede van het boek y.ohar (bij buxtoef) wordt bet zelfde beeld gebruikt voor ,gcwigtige zaken in een klein bestek.quot; — Schöiïgen beeft nog een ander spreekwoord aangehaald, bij gelegenheid dat een ongeloovige (Cutheër) vruchteloos de dochter van een'Rabbijn ten huwelijk vroeg: /lu Medië danst een kameel in een kub.quot; Daar dit de kleinste drooge maat der liebreën was (ongeveer twee kop) , zal het spreekwoord moeten beteekenen : «Daar gebeuren ongeloofelijke, onmogelijke dingen; maar bij ons niet.quot; Over het dansen, dat m«u de kameelen leerde, kan uuimig (Heiliye /.innebeeldcn, Leiden 1745,) worden nagelezen.
2) De plaats is door vohstius overgeschreven, maar niet aangewezengt; zoodat ik die in den koran niet kou opslaan, om den zamenhang na te gaan.
3) Oudere schriftverklaarders, zoo als clemess alexandrimis , augustikcs, hihionymus eu ohrï-sos lom us (ziescuoTT, Adayiaiia sacru) deuken hieraan nog niet. De deftige berijmer van hel evangelie, jüvekcüs , heeft: Na m ciiius tenuis per ucus Iransire foramen
Deformis polerunl inmauia membra cumeli,
Cluam queat ut dives caclesliu reyna videre.
In den zelfden geest ook sedulius.
4) SuinAS onderscheidt op deze wijze xufAr/lo; en xapiko; (Hebr. ^H,. Zoo ook de scholiast op Aius'i'Oi'ilANEs. Elders schijnt hel laalste woord niet gevonden te worden. Hier ter plaatse hebben hel zeer enkele en latere handschriften, zonder eenig gezag. Dat bet twee geheel verschillende woorden zijn, hoe veel ook in klank overeenkomende, blijkt reeds daaruit, dat ons kameel afstamt van de Uebreeuwsche radix 'toJ, en kabel van Bovendien wordt in de eenige Ilabbijnsche spreuk, die eenigzins voor deze gekunstelde opvatting zou pleiten (//Zwaar is de uitgang der ziel uit 't ligchaam , als van een zwaar touw door eeue naauwc opening ;quot;) een geheel ander woord gebruikt. (Vorsïics.)
.'534.
quot;Tfcjn
de kemel vooh het ooo eener naald.
385
1
in vele Europesche talen, zoo van Latijnschen als van Germaanschen stam , overgegaan, en luidt het in de onze kabel. Ook sommigen nienweren uitleggers (castai.to enz.) scheen het waarschijnlijker toe, dat men een' kabel door het oog eener naald wilde trekken, dan dat een beladen kameel er zou willen doorgaan. Met eene bewonderenswaardige geleerdheid heeft evenwel vorstiüs 1) bewezen, dat dit de ware beteekenis der spreuk niet zijn kan. Ons is 't reeds genoeg, dat die beteekenis niemand inde eerste eeuwen, zoo ver wij weten, is in de gedachte gekomen. En nog meer dan al de geleerde bewijzen van vorstius, zou ik hechten aan de bijzonderheid, dat hier niet het doorhalen van een' draad, maar het ingaan of naar binnen gaan van een levend wezen wordt voorgesteld, als tegenbeeld van 'tingaan der rijken in 'tgodsrijk. Om nu niet te zeggen, dat ten slotte het een zoo wel als het ander eene onmogelijkheid is, die dus niet waarschijnlijk kan gemaakt worden 2), Er is nog eene spreuk van den Heer, waarin de kameel als de grootste tegenover het kleinste gesteld wordt, 't Is waar jezüs de huichelende Farizeën, die de zwaarste geboden der wet nalieten en de allerminste angstvallig onderhielden, verwijt: uGij zjgt de ving uit en den kemel zwelgt gij door.quot; [Matth. XXIII; 24.) Jezus doelt hier op het doorzijgen van den wijn, opdat niets onreins, geene insekten bij voorbeeld, onrein naar de wet, met den wijn zouden worden opgedronken. De voorstelling is niet minder hyperbolisch, dat iemand een' geheelen kameel onnadenkend zou inzwelgen, als dat deze door de kleinste opening zou binnen gaan. Het zijn, in deze spreuk, eenvoudig het grootste en kleinste der onreine dieren, die tegen elkander worden overgesteld.
Voor zoo verre de voorstelling onzer Parabel denkbaar is, moeten wij ons het koningrijk der hemelen voorstellen als eene oostersche stad, waarin men door vrij enge en lage poorten binnen komt. De kameel, zoo gedwee wanneer hij goed is afgerigt, buigt den langen hals en kromt den rug, als hij er ingaat; en gaat dit niet, dan legt hij zich eerst op de knieën, om ontladen te worden. Vooronderstellen wij nu, dat aan de zijde, van waar de kameeldrijver do stad nadert, geene poort te vinden is; niet anders dan eene opening, wel van den zelfden vorm, maar — het oog eener naald! -i) — Zal de kameel, die om zijn' hoogen bult en zwaren last reeds zoo inoeijelijk door de lage poorten der oosterlingen te leiden is, daar binnen gaan? Zeer zeker niet. En toch nog eer, dan dat een rijke in het koningrijk van (iod binnen ga!
iifii
11
li li
lil H
m
P
. L
fél»
p
ïi
mm
•II
i
iHf
il
1) De Adagiis No ei Teslamenti, Cap. Ill, zijnde het elfde tier Opusculu ad HUloriam et l'hilologium sacrum specluntiu, Rolt. 1093.
2) Hoe voel tijd eu arbeid de oude godgeleerden aan .sulke miuuüeuse quaesties besteedden, kan men onder anderen aan de lijst van schrijvers over dit onderwerp bij kuimio zien. In onze eeuw hebben zij wel wat anders te doen!—Intnsschen hebben ook nienweren jezus' goeden smaak op hunne wijze willen redden, en het beeld minder onnatuurlijk willen maken, door te denken aan de lage deur vau eene Arabische tent, waarvoor de kameel knielen moet; of aan een' bergpas in Palestinu, die zoo zou geheeten hebben. Wij zullen bij zulke gekunstelde verklaringen ons wel niet behoeven op te houden. (ZiecuMMiNG, die zo echter afkeurt.)
3) Nog oenc laatste proeve, hoe het naaldenoog, even als in anderen zin 't mosterdzaad, bij de Rabbijnen het beeld is van 't allerkleinste, biedt ons deze spreuk aan: ^Voor twee vriendenis het oog eener naald niet naauw; maar de omvang der gansehe wereld is voor twee vijanden niet ruim genoeg.quot; (BuxTQRr.)
Hl*
i P J
■
Hl Ir xk
■ É
UK KEMEL VOOli 11CT OOG JiENER KAAI,I),
Nu moge de Orleksclie smaak, op de latere Europeesehe volken overgegaan, oordeelen, dat een beeld, naar de uitspraak der Rabbijnen zelfs in den droom ondenkbaar, te ver boven de natuur en buiten onze voorstelling gaat om schoon te wezen; — en bet koelzinnig gezond verstand der Latijnen voege er bij; //Wie te veel bewijst, bewijst niets;quot; — één ding is zeker: zulk een beeld vergeet men niet. Leer bet volk al de gevaren van den rijkdom kennen, en het zondige der wereldsgezindheid; put u zeiven uit in sehoone beeldspraak , die niet boven de natuur en buiten onzo voorstelling valt; — wanneer uwe hoorders dit alles reeds lang vergeten zijn, zien zij nog den kemel in zijne stomme wanhoop staan voor hot oog der naald; en de kunstregter zelf kan het beeld berispen en afkeuren, maar vergeten kan hij 't niet. Dat is het karakter der bijbeltaal. Waar men haar ook aanraakt, heeft zij een' weerhaak. Zij hecht zich, en laat niet los..
Doch nu de spreuk zelve. Stond er, in plaats van de rijke, iets anders: ongeloovige, spotter, huichelaar bij voorbeeld, wij zouden met het beeld dier volstrekte onmogelijkheid vrede kunnen hebben Maar nu? Jezus' discipelen, toen hij nog alleen van't bezwaarlijk ingaan der rijken sprak, verbaasden zich reeds over zijne woorden. En toen de fleer er ten overvloede het beeld van den kemel aan toevoegde, werden zij nog meer verslagen, zeggende {tot elkander, volgens mak kus) : n Wie kan dan zalig worden?quot; — Later heeft men jezus' doemvonnis over de rijken tot een' prikkel voor vrijwillige armoede gebruikt, en de bedelmonniken meenden, met zich van allen bijzonderen rijkdom te ontdoen, hunne aanspraak op het godsrijk te kunnen bewijzen. En in de laatste tijden heeft men het vermoeden van Ebionisme, waarvan wij reeds spraken, ook op deze plaats gegrond, alsof het oorspronkelijk evangelie, zoo als het sprak uit jezus' eigen mond, de armoede tot een der hoogste deugden verhief, en den rijkdom bijna eene misdaad noemde. schoon dan dit evangelie later door omstandigheden verzacht, en door jezus' discipelen gewijzigd zou zijn.
Laat ons de zaak nog eens van nader bij bezien. De spreuk zelve is allerminst twijfelachtig. Zij komt in onze vertaling bij de drie Evangelisten zoo letterlijk over een, dat deze Gelijkenis de eerste is, waarvan ik den tekst maar eens heb laten drukken, om niet de zelfde woorden drie maal naast elkander te zetten. In 't oorspronkelijke is de overeenkomst minder letterlijk, daar het oog eener naald door verschillende woorden, maar van de zelfde bedoeling, wordt uitgedrukt. 1) Ook wordt bij mattiieüs de lezing koningrijk der hemelen, zoo als hij het Godsrijk altijd noemt, waarschijnlijker geacht. Maar dit doet tot de beteekenis niets. Iets meer zegt de opmerking, dat jezus minder eene onwaarschijnlijkheid, onmogelijkheid, ongerijmdheid wil schetsen, dan wel eene ovorgroote moeij elijkheid, die evenwel zoo groot kan zijn, dat zij eene volstrekte onmogelijkheid wordt. Eerst is 't : nlloe bezwaarlijk — lquot; daarna: uhigter zou 't zijn,quot; eigenlijk: //Gemakkelijker
1) MatthI'.üs heeft: dia TQvntjfintos (iaqtidos, markus: dia Tfts Kiv^aXiUs ilt;tS (gt;a(pidoi, lukas: dta lü^ftato; (ielóv/i , volgens tisciikndow ; de gewone tekst komt met markus over een, behalve dat bet artikel ontbreekt. Men zou dus bet eerste en laatste kunnen vertalen : door een nuuldenoog ; bet middelste: door hel oog van de naald. Dat overigeub markus geen cpUomalor van mattiieüs is, en lukas meer met hem, daarnet mvrmi.üs over een komt, valt in dit gebeele verhaal weder sterk in liet oog.
330
uk kemei. voor iict goh een er naald.
arbeid, geringer moeite zou 't kosten—1) Dit heeft men, dunkt mij, te weinig opgemerkt , vooral in betrekking tot den zamenhang. Eindelijk voegen wij hier nog onze gewone opmerking bij, dat 't koningrijk Gods of der hemelen niet de hemel is , de plaats der eindelijké gelukzaligheid, maar het Messiasrijk, in deze eeuw gesticht, inde toekomende voltooid. Die daar ingaat, wordt behouden, (niet zalig, dan alleen bij gevolgtrekking,) bewaard voor het oordeel, dat over de wereld komen zal. De zin is dus niet; //De rijke kan niet in den hemel komen;quot; maar: //Zijn rijkdom maakt het hoogst moeijelijk, dat hij burger worde van het Messiasrijk, eene moeijelijkheid, die aan het onmogelijke grenst.''
Zoo opgevat, past deze spreuk uitnemend in den zamenhang, de schoone maar donkere lijst, waarin het evangelie haar plaatst. De geschiedenis is bekend. Op jkzusquot; laatste reis, terwijl hij vervuld is met de gedachte aan het kruis, dat hij dragen, de zelfopoffering, die hij volbrengen zal, ontmoet hem een rijk jomjdmy, een aanzienlijk jong mensch van tussehen de twintig en dertig jaren, dus reeds onder de oversten in Israël mede geteld, en in alles zijn eigen meester. Tn plaats van de nieuwsgierige of twistzieke vragen der meeste Joodsehe grooten, komt hij met eeno vraag van 't heilbegeerig hart: nGoede meester! wat moet ik doen, om het eeuwige teven te beërven?quot; Maar de Heer, die altijd nog kalmer schijnt te worden tegenover zoo opgewonden geestdrift, antwoordt terughoudend. Eerst waarschuwt hij hem, om niemand goed te noemen, daar God alleen volmaakt is; en daarna verwijst hij hein naar de geboden, reeds uit mozes' zedewet den Israëliet bekend. // Dit allesquot; roept de jongeling, min of meer te leur gesteld, uit: uheh ik onderhouden van mijne jeugd af aan. Wat ontbreekt mij nog?quot; — En jezus, hem aanziende, beminde hem, laat markus hier op volgen. Indien wij den Heer, bij zijne omwandeling op aarde, gcene onbepaalde Goddelijke voorwetenschap willen toekennen, dio met zijne men-schelijkheid strijden zou en die hij elders zelf afwijst, is 't natuurlijk, dat hij hier één dier edele jongeren hoopte te vinden, die geheel bereid waren, zich zeiven te verloochenen en zijn kruis hem na te dragen. Beminnelijk is in den jongen mensch die zucht, om alles voor God en zijne dienst tc zijn en te doen, gepaard aan het gevoel —al is dat gevoel soms hedriegelijk of overspannen — van dat alles ook te kunnen. Van den jongeling , die met liet gevoel van onmagt zijne godsdienstige ontwikkeling begon, heb ik nooit veel groots of edels gezien. Jezus kreeg dan ook dezen jongen mensch lief, gelijk hij petrus beminde, bereid met hem in de gevangenis en in den dood te gaan, maar nog door do beproeving niet gelouterd. Doch om, niet met de schare der discipelen, maar met die uitverkoren jongeren gelijk te staan, moest iiij, even als zij, alles verlaten, om jezus te volgen. Van daar de eisch, den Heer bijna afgeperst: nGa heen, verkoop wat gij hebt en geef het den armen, en gij zult eenen schat in den hemel hebben; en kom dan terug, neem uw kruis op en volg mij!quot; — Geen enkel woord volgt hierop; geene klagt: //Het is tc
1) Bij al de Evangelisten wordt de moeijelijkheid uitgedrukt door SvaxóXus , het ligtere door tvKonuistjóv éutif. De laatste uitdrukking vindt men ook Lut. XVI ; 17: Hel is lig ter, dat de hemel en Je narde voorhij gauii, dun dat één tittel der wel valle, waarvoor ma'itlii üs (V : 18) de meer lie-breeuwsehe uitdrukking heeft, bij onze spreuk ook door mahomed gebruikt: Tot dal de hemel en de aarde voorbij guuv, enz.
837
de kemel voor het oog eeneu naat.d,
zwaar. Heer. Vraag iets anders, iets minder. Hit kan ik niet doen!quot; Neen! hij zou het wel kunnen; maar hij gevoelt nu zelf, dat er iets anders is, waar hij nog meer aan hecht, dan aan het eeuwige leven. Be jongeling ging bedroefd heen: want hij had vele goederen.
O! het behoorde zeker tot de treurigste oogenhlikken van jezus' openbaar leven, als hij hierop de angstige stilte, gevolgd op zijnen eisch, afbrak, en rondom zich den kring zijner discipelen overziende, zeide: tt Hoe bezwaarlijk zullen de genen, die goed hebben, in het koningrijk Gods ingaan!quot; Of was het zoo wonder, dat ook de diep gevoelige Menschen-zoon soms donker, soms ook weêr helderder zag? — Markus, die dit geheele voorval met eene opmerkelijke naauwkeurigheid beschrijft, is de eenige, die hier reeds de verbazing der discipelen volgen laat, en naar aanleiding daarvan de verbeterde lezing, die jkzijs van zijne eigene woorden geeft: u Kinderen! hoe bezwaarlijk is het, dat de genen, die op het goed hm vertrouwen zetten, in het koningrijk van God ingaan !quot; En wanneer nu hierop de Gelijkenis volgt van den kemel voor het oog van eene naald, hoe kon zij verkeerd verstaan worden? Al wilde men de nadere verklaring bij markus aan den Evangelist toeschrijven, en niet aan jezus zelf, de discipelen hebben het dan toch zóó verstaan. Anders kwam hunne verslagenheid ook niet te pas. Een algemeen doeinvounis over de rijken behoefden zij zich toch wel niet aan te trekken. Ook zou de vraa? : u Wie kan dan behouden worden?quot; zoo doende gemakkelijk en in hun voordeel hebben kunnen worden beantwoord : n'Zalig de armen, hunner is het Godsrijk!quot; Zoo zou een Esseër , Eb ioniet. of bedelmonnik misschien gesproken hebben, trotsch op zijne armoede. Zoo spraken jezus' discipelen niet. Gelijk meer, beangstigde hen de strenge eisch van het Godsrijk. Geen' zondaar noch tollenaar, geen' Samaritaan noch Heiden zelfs sloot de Heiland uit; maar hij stelde aan den ingang den zwaren eisch eener geheele toewijding, eener volkornene zelfverloochening. Voor schat en parel werd alles verkocht; zoo moest 't ook zijn voor het koningrijk der hemelen. Vader en moeder mogt men boven hem niet lief hebben. Zich zei ven verloochenende, moest men gewillig zijn kruis op zich nemen. Daarom waarschuwde jezus , dat men niet te spoedig dien torenbouw ondernemen, den strijd om in te gaan beginnen zou. De weg was zoo eng, dc poort zoo naauw. Voor hem , die 't goed der wereld bezat, en daar zijn hart op zette, zelfs naauw als voor eenen kemel het oog eener naald!
En dat jezus hier geene eigenlijke uitsluiting van de rijken , geene onmogelijkheid van hunne behoudenis bedoelde, bewijst ten overvloede zijn antwoord op de vraag: //Wie kan dan behouden worden?quot; n Wat onmogelijk is (eigenlijk ondoenlijk, boven vermogen) bij de menschen, is mogelijk hij God. God kan den zwakken mensch de kracht schenken tot zoo groote opoffering, hem los maken van het aardsche goed, waaraan hij zoo innig verkleefd is.quot; 1)
Wil men nu bij dit beeld zich ook de toepassing voorstellen , dan verplaatse men zich
1) Te regt merkt sïl'AKT aan, dat hieruit blijkt, hue 't ingaan der rijken geene ongerijmdheid, maar alleen eene zeer bezwaarlijke zaak wordt genuht. «Want tegenzeggelijkheden zijn geene onderwerpen van magtmet andere woorden: ,llet ongerijmde is ook bij den Almagtige onmogelijk, omdat hel ondenkbaar is.quot; Hoogstens kan er dus, volgens stuakt, aan «eene zedelijke onmogelijkheid ' gedacht worden.
338
de kemel voor het oog eener naald. 339
in die eerste tijden, waarin zoo veel moest verlaten, zoo veel opgeotïerd en geleden worden voor het ééne noodige; en de geloovigen ook dc rooviny hunner poederen met blijdschap moesten aannemen, wetende, dat zij in zich zelven een heter en blijvend goed hadden in de hemelen, [liehr. X : 34.) Dat ook de toetreding der rijken mogelijk was bij God,
bewijzen een jozep en nikodemus , en in zeker opzigt nog meer zaccheüs de tollenaar.
Maar hoe toch die gehechtheid aan 't aardsche goed een werkelijk beletsel was, bewijst even zeer, behalve het terug blijven van vele rijken, de daad van an an jas en saffira ,
die eerst alles beloven, en daarna nog de helft terug houden. Overal was later, zoo lang de verdrukking en vervolging duurde, de rijkdom een sterke hinderpaal voor het aannemen van deze godsdienst der armen. Waren velen dier armen rijk, waren zij priesters, edelen, koningen geweest, zij zouden ook zoo gemakkelijk niet zijn toegetreden.
Toch waren er ook vermogenden in de gemeente, van wie paolus, geheel in den geest des grooten Meesters, aan zijnen timotheüs schreef, niet dat zij zich hoe eer hoe beter van hunnen rijkdom zouden ontdoen, alles verkoopen en den armen geven; maar: nBeveel
den rijken in deze tegenwoordige wereld, dat zij niet hoogmoedig zijn , noch de hoop stellen
• • • • • iÉ?
op de ongestadigheid des rijk doms, maar op den levenden God, die ons alle dingen rijkelijk
verleent om te genieten-, dat zij weldadig zijn, rijk worden in goede werken, gaarne mededeel ende zijn, gemeenzaam, leggende zich zelven weg tot eenen schaf een goed. fondament tegen het toekomende, opdat zij het eeuwige leven verkrijgen mogen.quot; (1 Tim. VI ; 1.7—1Ü.)
Iedere tijd van beproeving heeft vooral de rijken op zware proef gesteld, 't Was niet alleen de gehechtheid aan hunne schatten, het was ook de gewoonte van gemak en weelde,
waardoor hun het deelgenootschap aan de vervolging bezwaarlijk werd. Het zijn nog de schatrijken niet, noch edelen of vorsten, die het kruis op zich nemen , om het onder velerlei zelfverloochening den Heidenen te brengeji!
Armoede en rijkdom — de wijze ACiUR wist het reeds! — hebben beide hunne bezwaren;
maar vergeten wij niet, dat het eigenlijke bezwaar niet ligt in 't wereldsch goed of de ellende der wereld , maar in de wereldsgezindheid van ons hart, slechts bij den rijken man en den armen lazarus heide op zwaarder proef gesteld, dan bij het gros der menschen.
Slrjdt dan ow in te gaan door de enge poortel En verliest daarbij den moed nooit: want al scheen die poort uwer kleinmoedigheid niet grooter dan het oog eener naald, — wat onmogelijk is bij de menschen , ook uwe behoudenis, is nog mogelijk bij God.
inl;.
n
m
D E VOO R Z I G T I G E G A S ï
en
Wanneer gij run iemand ter hruiloft genood zuil zijn, zoo zet u niet op de eerste zitplaats, opdat niet misschien een waardiger dan gij van hem genood zij; en hij komende, die u en hem genood Jieeft, tot u zegge: ttGeef dezen plaats!quot; en gij alsdan zondt beginnen met schaamte de laatste plaats te houden.
Maar wanneer gij genood zult zijn , ga henen en zet u op de laatste plaats, opdat, wanneer hij komt, die u genood heeft, hij tot u zegge: u Vriend! ga hoog er op!quot; Alsdan zal 't n eere zijn voor de genen, die met u aanzitten,
Wanneer gij een middagmaal of avondmaal zult houden, zoo roep niet moe vrienden , noch uwe hroeden, noch uwe magen, noch rijke gehnren ; opdat ook de zelve n niet te eeniger tijd weder nooden , en u vergelding geschiede.
Maar wanneer gij eer! 'maaltijd zult houden, zoo nood armen, verminkten, kren-peleu, blinden; en gij zult zalig zijn, omdat zij niet hebben om u te vergelden.
Als er nog eon bewijs noodig ware , hoe onbestemd altijd het denkbeeld van Parabel of (ielijkenis blijft, wij zouden het hier viWr ons hebben. Wat alleen een goede raad schijnt aan de gasten , waarmede jezi s is aangelegen, dat noemt lukas cone Gelijkenis. Dit heeft velen doen zoeken naar verborgenheden, die aan de eenvoudige voorstelling met gewold moeten worden ondergeschovon. En de algemeen erkende Gelijkenissen, die nu volgen; het Gastmaal, den Verloren' Zoon, den Rentmeester, Lazarus, even als vroeger reeds den Samaritaan , noemt lukas zoo niet, waardoor liij sommigen op de gedachte heeft gebragt, of wij hier ook eigenlijke geschiedenissen voor ons hebben. Mij komt 't voor, dat veel eer lukas den naam met opzet niet gebruikt, waar het ieder van zelf moet in 't oog vallen, dat liij ecne Parabol mode deelt; even als hij 't soms wèl doet, waar hij op het zinnebeeldige, of althans spreukmatige dor voorstelling wil opmerkzaam maken.
DK VOOBZIGTIGE GAST EN DE WIJZE GASTHEER.
Maar verplaatsen wij ons eerst nog eens op liet terrein van dit parabolisch onderwijs: het sabbatsmaal van een' Overste der Farlzeen. Daar de grootere Parabel van bet Gastmaal bier ook te huis behoort, hebben wij van deze omgeving reeds vroeger gesproken (Dl. I, Blz. 230—233), en zullen het toen gezegde over het feestelijk en eenigennategodsdienstig karakter van zulk eenen maaltijd hier niet herhalen. Jezus is er vriendschappelijk genoodigd, als Rabbi onder zijns gelijken, en heeft die noodiging niet afgewezen, 't Is vooral luk as , die op deze nog minder vijandige houding der Earizeen ons opmerkzaam maakt, en drie malen ons jezüs schetst als hunnen gast; maar hij is 't ook , die het gebrek aan sympathie tusschen jezüs en de heerschende partij in zijn vaderland ons bij elk dezer gelegenheden doet opmerken. 1)
Jezus is dan binnen gekomen en verwelkomd, maar nog niet gezeten. Zijne discipelen zijn er, zoo ver wij weten, niet genood; maar dit belet niet, dat zij binnen komen en staande luisteren. Bij gelegenheid van den maaltijd aan 't huis van simov, spraken wij reeds vau de zeden en gebruiken der Joden in dit opzigt. Het gerucht nu, dat jezus bij den aanzienlijken en vromen man te gast is, gaat op de kleine plaats van mond tot mond. Dit wekt ook de hoop van een' kranke op. Waterzuchtig en daardoor bcnaauwd en moeije-lijk ter gang, was hij binnen gekomen, stond voor hem (als in zijne tegenwoordigheid), maar vroeg niets. Hij durfde dit hier en vooral op den rustdag niet doen. Zijn smeekend oog sprak luide genoeg tot den Heer.
Hem ziende, nam jezus 't woord {antwoordde) en zeide tot de wetgeleerden en Farizeen; — de Farizeesche wetgeleerden, niet schriftgeleerden, omdat het hier eene vraag van goddelijk regt, van geoorloofd of ongeoorloofd naar de wet betrof; — i/Is//et ook geoorloofd, op den sabbat gezond te maken ?quot; Eene uitgemaakte zaak was deze vraag bij de wetgeleerden van die dagen niet. 2) Zij letten slechts naauwkeurig op, of jezus, als hij het voor zich geoorloofd achtte, er cenige handeling aan verbond, die een werk kon genoemd worden: zoo als, bij eene andere gelegenheid, het maken van slijk voor den blindgeboorne, bet dragen van een beddeke door den verlamde, enz. Maar in hunne angstige naauwgezetheid zagen zij ook het genezen zelf ongaarne, en wijst elders een opziener der synagoge zulk een' ongelukkige terug met dc woorden: u'/jn er met zes dagen in de week? Kom op een'anderen dag!quot; — Toch durven deze wetgeleerden het enkele gezond maken niet //bij de wet verbodenquot; noemen, en zwijgen stil; waarop jezus denman aangreep, (dus niet enkel tot hem sprak,) hem genas en daarop vervolgde: uWiens ezel of os van u lieden zal in eeneli put vallen, en die hem niet terstond daar uil trekken op den dag des sabbats ?quot; Lukas had dit ook wel eene Gelijkenis kunnen noemen, een onderwijs door een voorbeeld
1) huk. XI ; 37 verv. spreekt jezcs, bij een' Farizeër genoodigd, over liet huichelachtige hunner uitwendige reinigingen, waarbij misschien lukas het Wee u! van elders { \tatlh. XXIII) heeft ingevoegd. Over den maaltijd bij sumon den Farizeër (VII : 3ö—50) is bij do Gelijkenis der Twee Schuldenaars gesproken. — Dat jezus, bij zulke gelegenheden, eene hoogere zending had tegenover de Farizeën, dan die der beleefdheid (Urbatntdl) , merkt te regt mkijeu aan. Men kan er do Kabbijnsehe gewoonte van in 't openbaar en aan tafel te redetwisten , bijvoegen.
2) Als het dc Talmud toestaat (ligiiti'Oot) , is dit nog geen bewijs, dat deze latere bepaling in jezus' tijd reeds algemeen was aangenomen.
Vgt;K VOORZIGTIGE GAST EN DK WIJZE G \STHEEU.
uit 't dagelijksch leven; en een voorbeeld , dat scherp genoeg raakte. Want hebzucht en eigenbaat waren in 't oog vallende trekken bij den Farizeer. Wat in zijn eigen belang was, wist hij wel met de letter der wet over een te brengen. En wat men nu wel aan een dier deed, het te redden van een' wissen dood, dat zou zonde, zon sabbatsehennis wezen , als het de redding gold van eenen mensch ? Likas schrijft nog eens: En zij konden hem daarop niet weder antwoorden. Dus waren zij moer tot zwijgen gebragt, dan overtuigd : — een nieuw bewijs van den gewapenden vrede, bij gemis aan innerlijke over-eenstemming tusschen jeztjs en de rnagtige Earizeesche partij.
Opmerkelijk is, bij dit wederzijdsche wantrouwen, het verschil van uitdrukking bij u k as. Van de i'arizeën heet het, reeds in den aanhef van 't verhaal, dat zij hem waarnamen, goed in 't oog hielden of bespiedden , hoe hij zich gedragen zou; van .iezüs wordt nu gezegd, dat liij aanmerkte of opmerkte, boe het aanzienlijk gezelschap zich aan tafel zette. Ieder gevoelt, hoe veel zachter het laatste woord is, als het eerste. En wat merkte jeztjs nu op? Hoe de genooden de vooraanzittinyen verkozen. De Oosterlingen zijn doorgaans stipter op hun ceremonieel dan wij, en op de onderscheiding, die hun naar 's lands zeden toekomt, zeer gezet, lüj de Joden behoorde hiertoe inzonderheid de voor-aanzitting, eigenlijk het eerst aanliggen, aan den maaltijd. In zijne laatste strafrede tegen de Earizeesche schriftgeleerden, verwijt jeziis hun nog, dat zij de vooraanzitting hij de maaltijden en de voorgestoelten in de synagogen beminnen. [Matth. XX111 : 0.) Daar de plaatsen niet , zoo als bij ons algemeen is in gebruik gekomen, te voren waren aangewezen , rangschikten de gasten zich zelve, en liet de gastheer hen daarmede begaan, zoo lang er geen twist over ontstond. Hoe diep die gezetheid op orde en rang in de volkszeden was doorgedrongen, blijkt uit den twist der discipelen bij het laatste pascha, wie van hen scheen de meeste te zijn. {Ln/i. XXI1 : 24.) Want hoogstwaarschijnlijk had ook deze twist betrekking op de plaatsing aan tafel, en werd daarom door de voetwassohing {Joh. XIII) gevolgd. En hoe aanmatigend de ïarizeeschc Rabbi's op dit punt waren, zien wij onder anderen uit eene kleine anekdote, in den Talmud verhaald, llabbi simeon , zoon van scmetacii, werd bij den Makkabeeschen vorst .ianmoüs ter maaltijd genoodigd. Het is bekend, hoe dez: vorst zich te vergeefs verzette tegen der I'arizeën trots, maar zijne vrouw hen begunstigde, en daardoor, toen zij jannküs opvolgde, de liefde van liet volk herwon. Op hare gunst steunende, had simeon de stoutheid, om zich tusschen den koning en de koningin aan tafel te plaatsen; en gevraagd zijnde, hoe hij dit durfde doen, antwoordde liij ; //Er staat geschreven: de wijsheid zal u onder de vorsten zetteit.quot; 1)
Ook hier, aan hot sabbatsmaal van den Earizeër, door mus' tegenwoordigheid opgeluisterd, en door velen, ook buiten do aanliggende gasten, bezocht, was de naijver groot.
1) Dc aangehaalde plaats is van Jtzus siraoii (H. XI ; 1); De wijsheid cerhcft hel hoofd des gerin-gen, en doel hem zitten in het middin der uereldgrooten. (Naar v, d. palm.) tipr. JV : 8, hier ook wel eens bij aangehaald, staat alleen, dat de wijsheid vereert en verhoogt.— Hoezeer er bij de ouden gelet werd op de hoogere of lagere plaats aan tafel, blijkt ook uit tene vermaning van seneca {Dc Jru, 111 ; 37); Minus honorato loco positus, i'asci eoepisti convivalori, vocatori, ipsi qui tihi iirae/erebutur. Bemens, qui! interest quum leeti premis partem? Uonestiorem te uut turpiorem Jacere pulcinur potest? Vergl. ook nog ] Som. IX : 22 en Juk. II : 3.
342
oe voorziotigk gast enquot; de wijze oast11fer.
De genooclen kozen, zochten bij voorkeur uit vele (uitlezen is het woord) de eerste aanlegbedden. Jkzüs merkte dit iu stilte op, wachtte zeker tot nllen gezeten waren en ook hem zelf eene plaats was aangewezen, en sprak toen tot de gaston; // Wanneer gj van iemand ter bruiloft genood zult zijn , zoo zet u niet neder op het eerde aanlegbed, opdat niet misse/tien een meer geëerde dan gij van hem mogt genoodigd zijn; en die u beiden 1) heeft genoodigd, home en tot n zegge: uGcef dezen de plaats!quot; en dan zondt gij beginnen met schaamte de laatste plaats te bezetten.quot;
Stier is hier wat al te veel Diutscher , als hij van eiu Wohlgebornerer oder gar Ifoch-wohlgeborner spreekt. De Joden kenden geenen adel: 't was hun genoeg, abrahams kinderente zijn. Maar in eere was daarom de een boven den ander; 't zij in familie-betrekking, of als raadsheer, als rabbi, als overste der synagoge, of ook door rijkdom en invloed; waarbij weder de opmerking van stier vernuftig is, dat groote lieden doorgaans laat komen. Maar liever nog zou ik het woord zóó opvatten : '/den gastheer meer waard , bij hein hoo-ger geacht.quot; (Vergl. Luie. VII : % en FUipp. II ; 29.) Men kon niet weten, of zoo iemand ook genood was. En kwam hij nog, en moest men voor hem de plaats ruimen, dan — zoo vervolgt stier te regt — was 't, bij de omslagtige Oostersche wijze van aanliggen, niet te vergen, dat at de gasten zouden opschikken, en ligt kon men dan niet anders als de laatste plaats onbezet vinden, 't Schijnt wel haast, dat het beginnen hierop doelt. 2) He van zijne plaats verjaagde moet nu nog beginnen te zoeken, en , daar gewoonlijk op ieder aanlegbed twee gasten plaats namen, de rei rond gaan, of hij nog éene plaats open vindt, tot hij, hoe langs zoo meer beschaamd en vernederd, zich eindelijk op de laatste, die alleen nog is open gebleven, neder zet, Hoe echt oostersch deze voorstelling is , bewijst onder anderen een verhaal van sciu i.z (bij Rosenmüller) : //Te St. Jean d' Acre werden wij door den zoon des consuls ter bruiloft van een' aanzienlijken Griek ingeleid. Al de gasten verecnigden zich zonder onderschei 1 in eene zaal, maar nu kwam de eercmonic-meester, om ze in oogenschouw te nemen. Eenigen moesten hooger, anderen lager plaatsnemen; en toen wij binnen kwamen, werden er twee, die zich reeds aan 't hooger einde hadden neder gezet, naar eene lagere plaats gezonden , waarbij mij je/.us' woorden regt duidelijk werden.quot;
En nu het tegenbeeld, waarin wij weder zien, dat de gastheer zijne gasten in 't kiezen hunner plaatsen vrij laat, en als allen gezeten zijn, den kring komt overzien. Even zoo was de voorstelling der Koninklijke Bruiloft, waarvan wij vroeger spraken. Ook hier wordt van eene bruiloft gesproken, als onder de Joden de gulste en vrolijkste maaltijd. Dat er
1) Geheel mislukt is de vertaling van d its xnl aiióv nnXéirng door HORN KM \ N N ; 'lie ook « .v//' ye-f' 00'ligd heeft.
2) /yie over dit aqxeofrm, de aimteekening bij de Gelijkenis van het Gastmaal, Dl. .1, blz. 235. Met het begin drukt dit woord dikwijls ook den voortgang uit, of liever , wordt die er bij gedacht, maur verzwegen. Men vergelijke, balialve de vroeger aangehaalde plaatsen, ook nog de Gelijkenis van den Hnishezorger, van de Gesloten ileur en van den Torenbouw, allo bij lukas (II X11.45; XIII : 25 en VIV : 23). In die van den Verloren' /con {L'ttc. XV ; It, 21) behoudt het woord meer /.ijne gewone (niet praegnnntr') beteekenis. Niet geheel te onregt zegt stikr; Sic hl wcr ml(n silzt, wohl uher iter igt;oii Ohen hinunler gewtesen wird, hul Sehunde laven, was in d'.m agSfj Jein angedeutcl lirgf.
DE VOOBZIGTIGE GAST KN DE WIJZE GASTHEER.
ieder ander maal mede bedoeld zou zijn, kan ik niet deuken. 1) In de volgende Gelijkenis, tol den gastheer gesproken, worden gewone maaltijden er duidelijk van onderscheiden.
Het tegenbeeld is dan; Maar wanneer (jij genood zjt, ga henen en leg u neder 2) op de laatste plaats; opdat, wanneer de gastheer komt, hij tot u zegge: n Vriend! nader digter lij, hoog er op !quot; Dan zal het u eene eer zijn, voor het aangezigt van hen, die met u aanliggen:' — Opmerkelijk is hier het vriend! dat in do vorige toespraak ontbreekt. De nederige gast wordt als een der beste vrienden geëerd, en voor allen geëerd. Het denkbeeld is overigens niet geheel nieuw in den bijbel. Met toepassing op het hof-ceremoniëel heeft sat,omo het reeds. En heeft het bij liem zeker zijne eigenlijke beteekenis, als cene les van zedelijkheid en levenswijsheid beide, waarom bij Jezus niet? Onder de spreuken toch van den wijzen koning, die nog lang in den mond des volks leefden, tot koning hizkia zo liet verzamelen en te boek stellen, was ook deze: Vraal niet voor het aangezigt des konings, en sta niet in de plaats der grooten; want het is heter, dat men tot n zegge: quot;Kom hier hoven aan !quot; 3) dan dal men n vernedere voor het aangezigt eens prinsen, dien uwe oogen gezien heliben, [Spr. XXY : 6, 7.)
En nu de, slotspreuk, waarom vooral luk as de gekcele voorstelling eene Varubel genoemd heeft, als 'i beeld eener algemtene waarheid, opgehelderd dooreen bijzonder voorbeeld: Want elk, die zich zeiven verhoogt, zal vernederd worden •, '1) en die zich zeiven vernedert, zal verhoogd worden,— Dit is in ji-zus' mond eene gewone spreuk. Zij behoort bepaaldelijk tot het anti-farizeesche in zijne leer. AVant zij waren het, die zich zeiven regivaardigden ; maar wat hoog was voor de menschen, tras een gruwel voor God. AV aar jezus bij ji attiieüs met eene scherpe strafrede tegen de Parizeen zijn openbaar ouderwijs besluit, waarschuwt hij zijne discipelen tegen hun hoogmoedig vertoon , hun najagen van rang en eer. Onder de zijnen zou niemand als Meester of Vader begroet worden; dc meeste zou aller dienaar zijn: want wie zich zeiven verhoogen zou enz. [Matt:/, XX1IT ; 12.) Xog eens zullen wij bij li-kas de zelfde spreuk aantretfen, als het slot der Gelijkenis van Parizeer en Tollenaar. Deze drievoudige tegenstelling tegen de handelwijze der Earizeën : aan den maaltijd, op openbare plaatsen en in den tempel, bewijst, dunkt mij , dat jezus een' algemeenen leefregel, heeft willen stellen, eene les geven van bescheidenheid, nederigheid en gedienstigheid, die vooral de Earizeën past. 5) Die eigen grootheid zoekt, en zich overal tracht voor aan te plaatsen, bereidt zich gedurige vernedering, bij (ïod en bij de menscbcn. Ik zie niet
1) Even min als huh, Xll : 36; vcrgl. Dl. I, Blz. 370.
2) Over ulvoltibucu als linpertit, Aor. 1 Mcdii, zie mkijku.
3) Ecu der Rabbijnen legt dit zoo uit: * Ga van uwe plaats twee of drie aanlegbedden nederwaarts, CU zet daur u ucder, opdat men tol u zegge enz.quot; (ugutïoot.) De Griekscbe Vertaling heeft • zoo als 't hier is ; nooijavu^r/fh. — Eene soortgelijke Rabbijnsche parabel, waarvan hugo de groot spreekt, {in tibro Judaica, cui lilulus Electuarium Oevmarum,) heb ik niet kunnen vinden.
4) A.an dit eerste denkbeeld beantwoordt eenigzins de spreuk van jezus si hack (1: 29, 30); Verhef u zeiven nid, opdat gij niet vail, cn u zclven schande berokkent: want de Heer zal openharen, wat yij verbergt, en in het midden der vergadering u ter neder werpen.
5) !• Meisterhaft ist diese Rede darin , dasz sie ohne den Schein von Tie/'e md Strenge doch die hinter dem Fehler, den sie riigl, verborgene Qesinnung so klur ins Licht setzt.quot; SCIII.euermaciiek.
314
dk v001ïzigtige cast ek de wijze gastheer.
déne reden, om verder te gaan, cn hier eene zinnebeeldige voorstelling te zoeken van het groote Messiasmaal. De nieuwere mystiek heeft hierbij veel gemoedelijks en stichtelijks gezegd van den ootmoed, waardoor de waarlijk bekeerde zich. den grootsten der zondaren acht, en zich dus met dc allerminste plaats ouder de verlosten vergenoegt ; maar zij heeft vergeten te bewijzen, dat het jezus' oogmerk was, zulks te kennen te geven met deze les van ware levenswijsheid. 1) —De vraag is wel eens bij mij opgekomen, of zulke uitleggers ook daarmede den onaangenamen indruk zochten uit te wisschen, dien de verdienstelijkheid der goede werken in het volgende zinnebeeld op hen gemaakt had.
Dat volgende zinnebeeld is regtsfreeks tot den gastheer gerigt [den yenen , die hem genood had), hoewel natuurlijk ten aanhooren der gasten, en van anderen, die de tafelgesprekken der Fan zeen plegen bij te wonen, of hier jezus komen hooren. u Wanneer (jij een ontbijt of middagmaal aanrigt, — niet middag- of avondmaaltijd naar onze zeden, zoo als wij vroeger (Dl. I, Blz. 233) reeds opmerkten, maar een tweede ontbijt, tegen twaalf ure, of een eigenlijk maal, te vier of vijf ure, waarop dan geen ander meer volgde:—zoo roep niet uwe vrienden , noch uwe broeders , noch woe verwanten , noch rijke naburen; opdat niet misschien ooh zij zelve u weder vragen, en n vergelding geschiede.quot; Men heeft al zeer weinig jezus' spreukstijl gekend, toen men tegen deze woorden met zoo veel omhaal het geoorloofde van vriendschaps-maaltijden of familie-partijen beeft verdedigd. Jezus was er immers zelf aangelegen , en had de noodiging niet afgeslagen? En in de volgende grootcre Gelijkenis van het Gastmaal, zijn de eerst genoodigden zeker wel vrienden, verwanten en rijke naburen , terwijl de armen later worden genood. Wat nu jezus tot zinnebeeld stelt van 't Koningrijk Gods, keurt hij zeker niet onbepaald af. 2) Wij zagen ook in het beeld van den kemel, hoe gepast jezus zich van de groteske, niet logisch juiste maar des te meer pikante oosterschc spreekwijze wist te bedienen, die juist in hare overdrijving een' weerhaak heeft, waardoor zij zich in het geheugen hecht en gedurig weder voor de verbeelding staat. Zoo is het met 't afhouwen van hand en voet, het geven van 't onderkleed aan hem , die den mantel ons afvraagt, het haten van zijne eigene ziel enz. Bovendien moeten wij niet vergeten, dat jezus aan een sabbatsmaal is aangelegen, cn de Fari-zeën aan quot;'t uithalen op zulk een maal, als eene daad van godsvrucht, waardeen verdienste hechtten, 't Is of jezus zegt: wWanneer gij, onze gastheer! nu eens in 't vervolg een rcgt vroom en verdienstelijk sabbatsmaal aanleggen wilt, vraag dan niet zulke aanzienlijke
1) Het eenige bewijs, dat dkummond (Bladz. 330) hiervoor aauvoert, is de naam van Gelijkenis, die lukas aan deze voorstelling geeft. The Evangelist hy calling the words a parable, indicates lo us the deeper meaning they contain. Dit berust op de zelfde dwaling, die den grondslag der Cooeejaansche exegese uitmaakt, en die wij meenden, reeds lang ovcnvoniica te hebben. De verklaring van stier, die alleen de slotspreuk; Die zich verhoogt enz. verder uitstrekt, is ten minste redelijker; maar de zamenbang, dien hij vindt tussehen de drie Gelijkenissen, aan dezen maaltijd uitgesproken en ook daaraan ontleend, (Gust, Gastheer en Gastmaal,) is, bij een zoo occasioneel onderwijs van den Heer, wel wat gezocht.
2) Jesus invitationes ex necessitudine naturali et chili quasi sua loco reiinquit, ipse meliores praecepit, Humanitatis officia non plane tollit. Bengel. — Inde eerste dezer twee Gelijkenissen, daar zij voorschrijft, hoe bij zulke gastmalen zich te gedragen, lag ook reeds van zelf eene goedkeuring, althans zeker niet het denkbeeld van iets ongeoorloofds opgesloten.
315
de voühzigtigb oast kn de wijze gastheer.
gasten als heden. En waarom niet? Wel! als zij u terugvragen, is 't afgerekend. Dan hebt gij geene weldaad meer op 't register uwer goede werken.quot;— Het is te denken, dat de Farizeeseh-gezinde Joden, voor wie 't geheele leven eene rekening was , ook op dit terug vragen {revanyiren, zegt stieb) stipt waren. In onzen boerenstand, meer dan wij aan 't oudva-dcrlijke ceremoniëel gehecht, heb ik meer dan eens hij 't afscheid de gasten hooren zeggen: //Kom uwe schade eens weerom halen!quot; Is dit niet juist het denkbeeld van onze Gelijkenis ?
En wat dan ? uMaar wanneer g j een maal aanrigt, te middag of avond , —letterlijk zou men kunnen vertalen: receptie houdt, 1)—noodig armen, verminkten,, kreupelen, Hinden; en gij zult zalig zijn, omdat zij niet heihen om n te vergelden.quot; — Er is hier een fijn onderscheid in de noodiging : de rijke gasten worden geroepen, met den noodigen omhaal van het ceremoniëel der oosterlingen eerst uitgenoodigd en daarna nog eens gewaarschuwd , zoo als in de Gelijkenis van 't Gastmaal wordt beschreven ; de armen alleen genood en binnen gebragt. 2) De vierderlei gasten, hier opgegeven, zijn juist de zelfden, die ook in die volgende Gelijkenis worden Linnen gebragt, daar zij eigenlijk niet behoeven genoodigd te worden. (Dl. II, blz. 238.) Melaatschen zijner natuurlijk niet bij; even min andere zieken, die of onrein zijn, of toch geen genot van eenen maaltijd kunnen hebben. Arm zijn ze eigenlijk allen: de een omdat hij verminkt, gebrekkig van lijf en leden, de ander omdat hij kreupel, (beter verlamd, zoodat hij niet gaan kan,) een derde, omdat hij blind is. Zulke armen, die — naar den barbaarschen kunstterm van onze dagen — uiet werk vatbaar waren, plegen toen op straten en pleinen, of aan de deur van synagoge en tempel , op de openbare weldadigheid te leven , zoo als uog in die landen het geval is. Zulke gasten waren dus gemakkelijk op iedere plaats te vinden. Hen tot zicb te roepen en te onthalen,—ook dit zagen wij vroeger, —• was in het Oosten geen ongewone zaak, en werd als eene daad van bijzondere vroomheid aangemerkt. 3) Tobias, toen hij zoo vele gercglen vóór zich zag, op het pinkstermaal na zijn' terugkeer in zijn huis, zei de tot zijnen zoon: quot;Ga heen, en breng herwaarts, dien gij vinden zult van onze broeders , die. behoeftig en den Heer gedachtig is; en zie! ik zal wachten!' [Tob, II : 2.) — Besteedde .iezus' gastheer aan zulk een onthalen der armen een volgend maal al 't geld eens, wat hem mi de ontvangst van vrienden, verwanten en geburen kostte, dat zou eerst een regt goed sahbatsmaal wezen ! Deze voorstelling is zoo eenvoudig en natuurlijk, dat wij alle gekunstelde verklaringen, — waarbij jezvs bij voorbeeld de arme wordt, dien men noodigen moet,— gemakkelijk kunnen missen. Van zulk een maal had men geene vergelding op aarde te wachten. Hij den armen beuelaar kon men zijne schade niet terug gaan halen. Zahg mogt hij gesproken «orden, die zóó deed ; quot; Want het zal n vergolden worden in de opstanding der regtvaardigen.quot;
1) llicr, even als I/uk. V ; 29, bij den maaltijd van levi, waar eene groole schnre aanlag, wordt het woord gebruikt, dat aan geen' tijd van den dag gebonden is.
2) Vs. 12 is het juij qpwvs* , vs. 13
S) Dit ligt ook reeds in de Mozaïsche wet, die aan de armen de nalezing en liet in 't wild ge-wassene in 't sabbatsjaar toestaat, en van de tienden voor levid en vreemdeling , mes en wdlnwe. maaltijden aanrigt. {J)eut. XXVI: 13, IS.) Zoo ook vermaanden ezra en neiiemia bet volk, van hun feestmaal (leelm Ie zenden aan hen, tttor wie nielx tfrei'l teas. (Neh. VIII : II.)
346
11
DE VOOllZIGTIGE GAW EN DE WIJZE GASTlII.Llt.
;i47
; ,
Ui.
H
I',..
35 I
Jezus vut hier zijnen gastheer in zijne eigene leer. De Farizeën toch stonden vast in het uitzigt op de opstanding, inzonderheid der regtvaardigen, die mei den Messias heersehen zouden. 1) Meermalen zien wij, hoe zinnelijk daaromtrent hunne verwachtingen zijn. We! nu , wanneer zij 't dan goed willen hebben in die opstanding en aan dat groote Messias-maal, dat zij zich een' schat van goede werken opzamelen, die hier door de beweldadigden niet kunnen worden vergolden. Want het spreekt van zelf, dat in die liefdemaaltijden voor de armen ook alle andere weldadigheid ligt opgesloten. Dohkas, die klecderen mankt voor de weduwen van Joppe, doet haar nog meer goed, dan wanneer zij ze ter maaltijd had genoodigd.
//Gij ziet,quot; zegt de Jezuïtische pater salmekon: «te dezer plaatse, dat de goede werken het eeuwige leven vooruit verdienen, en het loon door God te zijner tijd gegeven wordt aan hen, die gastvrij zijn en zich andere verdienste verworven hebben. Wat kunnen dus de ketters, die de goede werken verachten en op 't enkele geloof steunen, tegen deze plaats inbrengen?quot; — Lakoniek is hierop het antwoord van onzen Catechismus: //Deze belooning geschiedt niet uit verdienste, maar uit genade.quot; Of echter met een zoo gemakkelijk huismiddel de zaak op eens is afgedaan , geef ik eiken onbe vooroord eel den lezer in ernstige overweging. Ik voor mij geloof, dat een leven van vergelding bier namaals zoo zeer den grondslag uitmaakt van JEzrs' wereldbeschouwing, dat het uit 't evangelie niet is weg te nemen. Ook elders wordt den Farizeën voorgeworpen, dat zij, op hunne wijze vroom en weldadig zijnde, hun loon weg hebben {Malih. VI : 2, 5, 16; Luk. quot;Vl ; 24), en dus geene vergelding van Gods wege hebben te wachten. Ons Christen volk beeft deze verwachting, zelfs onder de strengste Kalvinistische orthodoxie, steeds bewaard; ja! bij kalvijn zelf is zij te vinden. Vergelding nu is altijd eene daad van regt, niet van genade; waarom ook de Schrijver aan de Hebreen verzekert: God is nikt onuegtvaardig , rfat Hij uw werk vergeten zou, en dm arbeid der liefde, die gij aan zijnen naam bewezen hebt, ah die den heiligen gediend hebt en nog dient, (llehr. VI : 10.) Maar of hieruit nu het denkbeeld van toerekening aan God, van verdienste bij God volgt, is eene geheel andere vraag. En dat het even zeer in den geest van JEzrs ligt, dat de menscb naar 't strengste regt met God nooit rekenen kan, en hij dus eigenlijk en altijd alleen door genade zalig wordt, zal ons de volgende Gelijkenis leeren.
si I \
■ 1 • : ' lif
li
; I
i 11
Eindelijk nog dit over beide Gelijkenissen, die tot de gasten en tot den gastheer. Daar zij tot jiziis' tafelgesprekken behooren, en de lieer gewoon is, aan 't geen voor de hand ligt zijne beeldspraak te ontleenen , zoo bevatten ook deze lessen algemeene levensregelen , waarvan de maaltijd het zigtbaar kleed is. liet eene is eene les van bescheidenheid, het andere van weldadigheid, beide praktisch voorgesteld, en aangedrongen door redenen, die vooral geldig en tastbaar waren voor den kring, waarin jezus sprak. Ik heb reeds
1) Het is hier de plaats niet, om uit tc weiden over do Farizcesche leer der opstanding, en het ouderselieid tusschen eene eerste opstanding {'ter rrgtvnarrtiym) cn eene tweede of algemeene, waaruit later de leer van liet duizendjarig rijk tusschen die beide is voortgekomen. Muutn geeft daaromtreut eenige belangrijke wenken. Ik geloof evenwel, dat jezus hier alleen de Farizeesehe voorstelling volgt, even als op eene andere wijze in de Gelijkenis van lazakus, zonder omtrent de zaak zelve iets te beslissen.
■
DE VOOli/. KiTIOB GAST EN DE WIJZE GASTHEER.
318
gezegd, dat utkas daarom jezus' toespraak eene Gelijkenis noemt, hetgeen hij zeker niet zou gedaan hebben, als hij de woorden alleen letterlijk, als een voorschrift voor gastmalen, had opgevat. 1) 't Is er even eens mede gelegen, als wanneer jezus, tot besluit der Parabel van den Barmlartujen SamarHaan, zegt: wGa heen, en doe desgelijks.quot; Wie toch zal zoo onnoozel zijn om te mecnen, dat dit bcteekent: //Reis ook den weg naar Jericho, en zoek er een' beroofde op om te helpen ?quot; — Plet is daarom de grootste parodie op de schoone lessen van den Zaligmaker, wanneer men ze naar de letter in praktijk wil brengen; en s a lm er o \ heeft gelijk, wanneer hij uit zijn oogpunt zegt, dat eene hoogmoedige ostentatie van zulke bescheidenheid of gastvrijheid er alle verdienste van weg neemt. Vooral wordt 't zulk eene parodie, wanneer men de zeden van het oosten onder ons westersch klimaat overbrengt. In die landen, waar geene armenbedeeling bestaat, en nog minder ons talloos tal van phi-lanthropische maatschappijen en genootschappen, is het voeden der armen in 't openbaar eeno natuurlijke zaak. Zij azen er op de maaltijden der rijken , even als lazarus onder de bonden. Een armemnaal, onder de gaanderij of op de binnenplaats, was er dus gansch geene ongewone zaak. Bij pbtcaeus, bij voorbeeld, kan men zien, hoe do ouden het zelfde van ciMON den Athener verhalen. Maar laat nu onze rijken en grooten eens, in hunne prachtige eetzalen, de armen, gehrekkigen, lammen en Winden binnen leiden! — Bij ons is het leven huiselijker, en moet de weldadigheid dut dus ook wezen. Nog dwazer vertooning is het, wanneer paus of keizer, die zich zelf nooit voor den maaltijd de voeten laat was-schen, en 't ook zijnen gasten waarlijk niet zal aanbieden, voor eene enkele maal zich de toppen der vingeren nat maakt aan de voeten van eenige arme grijzen, om daardoor te pronken met eene gemaakte nederigheid. Aan gelijke ostentatie zouden wij als gasten ons schuldig maken, wanneer wij met opzet ons zelve op den achtergrond zetteden, opdat men ons op den voorgrond roepen zou. Waar die rang zoo streng wordt in acht genomen, geldt nog jezus' regel: //Stel u zeiven liever te laag, dan te hoog;quot; maar doorgaans wordt er zoo naauw niet op gelet, en zoogenaamde nederige hoogmoed, die er met opzet op doet letten , is of hatelijk, of belagchelijk. Zoo herinner ik mij altijd nog van mijne eerste gemeente eene vrouw, die er van tijd tot tijd vertoefde, en bij de vromen en eenvondigen in grooten reuk stond van heiligheid, maar door ben, die wat dieper doorzagen, als eene gevaarlijke indringster werd gevreesd. Hare komst kondigde zich gewoonlijk door zulk eene vertooning aan. Bij 't eerste liefdemaal te harer eerc, kroop zij zoo ver mogelijk terug, en beweerde steeds, dat haar, als eene arme zondares, niet meer dan de laagste plaats toekwam. Natuurlijk waren er altijd geestverwanten, die baar eene hoogere toekenden en aanwezen!
Dit zijn, helaas ! de eenige voorbeelden niet, en ook nog niet eens de ergste, hoe van de letter der woorden van onzen Heer misbruik is gemaakt, en daarmede 't komediespel (de lit/poknsié) der Farizecn met de wet vernieuwd, door hen, die aan den verhevenen geest van Christus vreemd waren.
1) Parabol»m appellat, quia exemplo rei ronowaüs ostendit, quid ia omni vita nolissitfaciendum, Gbotiis.
])E ONBARMHARTIGE DIENSTKNECHT.
Daarom wordt het kovivgr jk der hemelen vergeleken hij een' zeker' koning , die rekening mei zijne dienüknechten honden wilde.
Als h j nu begon te rekenen , werd tot hem gehragt één, die hem schuldig was Hen duizend talenten. 1'M ah hij niet had om te letu/en, leval zijn heer, dat men hem zonde rerkoopen, en zijne trouw en kinderen , cn al wal hij had, en dal de schuld zoude betaald worden.
])e dienstknecht dan nedervallende, aanbad hem, zeggende: u lieer! wees lang-moedig over tnj, en ik zal u alles betalen.quot;— /''w de- heer dezes dienstknechts, met barmhartigheid innerlijk bewogen zijnde, heeft hem ontslagen, en de schuld hem kwijt gescholden.
Maar de zelve dienstknecht, uitgaande, heeft gevonden éénen zijner mededienstknechten , die hem honderd penningen schuldig was, en hem aanvallende, greep hem bij de keel, zeggende: u liet aal mij, dat gij schuldig zijl!quot; — Zijn inededienstknecht dan, nedervallende aan zijne voeten, bad hem, zeggende: i/JI'ees langmoedig over mij, en ik zal v alles betalen!' — Doch h ij wilde viel; maar ging henen , en wierp hem in de gevangenis, tot dat hij de schuld zonde betaald '.ebben.
Als nu zijne mededienstknechten zagen , hiel gene geschied was, zijn zij zeer bedroefd ge wot den ; en komende, verklaarden zij hunnen heer al wat er geschied wan.
Toen heeft hem zijn heer tot zich geroepen, en zeide tot hem: nGj booze dienstknecht ! alle die schuld heb ik v kwijt gescholden , dewijl gij mij gebeden hebt. Behoordet gij ook niet u over uwen meeledicnslknecht te ontfermen, gelijk ik ook mij over u ontfermd heh ?quot; — En zijn heer , vertoornd zijnde, leverde hem den p jnders over , lot dat hij zonde betaald hebben al wat hij hem schuldig was.
Het is meer malen gezegd, en wij zelve liadden reeds dikwijls do gelegenheid om hei op le merken, dat ook in de ons bewaarde Gelijkenissen het eerste en 't derde Evangelie elk hun eigenaardig karakter behouden. Mattiieüs , die bij voorkeur ons jezüs als den Zoon van david sehetst, den van ouds beloofden Messias Israels , is ook het naauwkeu-II. 'IS
de onbaemhaetige dienstknecht.
rigst in de beelden van liet nieuwe Godsrijk. De Gelijkenissen, door hem geboekt, zijn het meest zuiver parabolisch, overdragtelijk tot in de fijnere trekken der schilderij, en te gelijk historisch, als zij ons den gang van het Godsrijk in zijn verleden en zijne toekomst beschrijven. Bij ltjkas daarentegen, daar hij ens den Zoon des menschen schetst in al zijne verhevenheid, vinden wij het meest 't beeld der echte humaniteit, en de fijnere trekken der schilderij dienen veelal, om het hoofddenkbeeld, — de goddelijke genade en menschelijke liefde, — sterker te doen uitkomen. Maar bewijst dit, dat beiden uit don nog levenden stroom der mondelinge overlevering naar eigen keus hebben geput, het bewijs staat er tegen over, dat zij gaven, wat zij vonden, zoodat bij elk van beiden ook gevonden wordt dat gene, waarin de ander meer uitmunt. Zinnebeelden van het Godsrijk ontbreken ook bij lukas niet; eu bij mattheüs even min Gelijkenissen als het Verloren Schaap, die door gevoel en teederhoid uitmunten. En zoo zouden wij die van den Onharmhartvjen Dienstknecht, wanneer wij niet wisten, aan wien zij toebehoorde, waarschijnlijk eer aan lukas dan aan mattheüs toeschrijven. Zelfs wordt, zoo als lukas gewoon is, deze Gelijkenis gemotiveerd: dat is, de aanleiding verhaald, die haar uitlokte. Het eenige karakterestieke, aan mattheüs' Evangelie ook hier eigen, is dat de Godheid bij hem alleen, hier en inde Parabel van de Koninklijke Bruiloft {Matth. XXII), als een Koning wordt voorgesteld, gelijk weder alleen bij mattheüs de Messias in zijne toekomst als koning optreedt. {Matth. XXV : 3é.) Mij dunkt, dit hangt te zamen met het meer zuiver Israëlitische, maar daarom nog volstrekt niet Joodsehe idee van het Messiasrijk in het eerste Evangelie. I) Een koningrijk is het daarin altijd , maar een koningrijk der hemelen, en daarom, omdat een ander beginsel hot bezielt en ruimer wetten het besturen, daarom kan het met dc ontferming, maar ook met den toorn van eenen koning vergeleken worden, zoo als onze Gelijkenis hom beschrijft.
Maar laat ons niet vooruit loopen, en keeren wij terug tot de aanleiding, die deze Gelijkenis uitlokte.
Het is de bekende vrang van pktküs: //hoe dikwijls hij zou moeten vergeven.quot; Daar mattheüs schrijft (vs. 21): Toen kwam petrus tot hem en geide, schijnt deze vraag terug te slaan op het straks verhaalde. Het verband met het onmiddellijk voorafgaande, vs. 18—20, is evenwel gezocht. Petkus schijnt, — indien deze tusschenzin ten minste op hare plaats staat, 2)—daarop minder gelet te hebben, nog geheel verdiept in jezus' onderrigt, vs. 15—17, hoe men bij bijzondere beleedigingen zich te gedragen had, om zoo mogelijk zich met zijnen, broeder weer te verzoenen; —een onderwijs, dat men, tegen alle gezonde uitlegkunde in, op de kerkelijke tucht heeft te huis gebragt! — De apostel
1) liet beeld van eencu vorst komt in jezus' Parabelen nl'een nog voor in den krijgvoerenden koning [J.uk. XI\r;31j, waar het echter geen zinnebeeld, maar een zuiver voorbeeld is.
2) Eene aandachtige lezing der drie eerste Evangelieën overtuigt mij meer en meer, dat hier en daar aanverwante spreuken, waarvoor men geen beter plaats wist, zijn ingevoegd, waar zij eigenlijk niet te huis behoorden. Dit valt evenwel bij lukas meest in 't oog. Hier bij voorbeeld, kan vs. 18—20 aan de handeling der gemeente vs. 17 verbonden worden, terwijl tktrus nog op 't vorige blijft denken.
350
DE ONBARMHARTIGE DIENSTKNECHT.
vindt dien verzoenenden geest edel en gruof. Hij ook wil alles doen, wat hij kan, om zijnen broeder te winnen. Maar aan allo dingen is toch maat en perk. De onverzoenlijkheid der wraakzucht zit diep in het karakter der Oosterlingen. Het oudste regt was op weerwraak gegrond: //Oog om oog, tand om tand, ziele voor ziele.quot; De Mozaïsche wet had dit beginsel erkend, maar de toepassing bij bijzondere vijandschap beperkt. Ook de Rabbijnen erkennen wol liet regt, maar schrijven, naar 't goddelijk voorbeeld, een drie maal vergeven voor, eer men zich wreke. Zoo stond reeds de Israëlitische wetgeving boven den tijd en 't land , waarover zij heerschte. Nu gaat petrus van het denkbeeld uit, dat men in 't nieuwe Godsrijk zeker nog een' stap verder moet gaan, en althans in broedertwist (want van eigenlijke en openlijke vijandschap spreekt hij niet) tot vergeven bereid zijn. Wat, indien hij nu het volgende heilige getal neemt, en van drie tot zeven opklimt? Is dan zijne geregtighexd niet overvloediger (naar Matth. V ; 20) dan die, der Schriftgeleerden en Parizeen ? I) — ulieer! hoe menig maal zal mijn broeder tegen mij zondigen,, en ik hem vergeren? Tot zeven maal?quot;— Het ligt zoo geheel in petbtjs' aard, dat juist hij dit vraagt, en het niet vraagt als een' regel voor anderen, maar voor zich zeiven. Voor een zoo prikkelbaar karakter is toch eindelijk de wrake zoet , al bestond die slechts in het terug stooten van den om vergilFenis smeekenden bcleediger!
Het antwoord van Jezus is bekend; nik zeg u, niet tot zeven maal, maar tot zeventig maal zeven quot; Onze bijbelvertalers hebben het laatste aangevuld : nzeven maalen tellen dus 70 X 7. Het is evenwel opmerkelijk, dat reeds de Grieksche kerkvader origenes telde : 70 maal en nog eens 7 maal: dus 77. Men zou zeggen, dat hij de in het oorspronkelijke eenigzins ongewone uitdrukking beter verstaan moest, dan eene eeuw later de Latijnsche kerkvader iiieronymus, wiens rekening door de nieuweren het meest gevolgd is. Aan de andere zijde is de berekening 7X7, en dus ook 7 X 70 , meer in den ouden Israëli-tischen geest, dan 11X7. Zoo veel is alleen zeker, dat de uitdrukking ontleend is aan de Grieksche vertaling van Genesis Iquot;V ; 24. Treilend is de tegenstelling. In het oudste gedicht, dat wel een lied der wrake mag genoemd worden, zegt lamech, met een' onbe-schaamden roem op zijnen stamvader:
Kaïn zou zeven rmuil gewroken worden ;
Lvmëch zeventig maal zeven maal! 2)
In den mond des Verlossers is 't: //Zoudt gij zeven maal vergeven? Neen, petrus! zeventig maal zeven maal.quot; — En als nu hierop terstond volgt: Daarom wordt het) koninq-
1) Deze opmerking is reeds van chbysostomus. De Rabbijnen bouwden hun voorschrift van drie maal vergeven op Amos I ; 6; II : 6 (Om drie overtredingen en om [vier zal Ik de straf niet a/wen-i/en), en Jot/ XXXIII : 29, 30, waar evenwel van eene twee- en drievoudige bezoeking Gods wordt gesproken.
2) Zoo hebben onze overzetters, en van dek palm vol^t hen zonder bedenken. Bij den uiterst beperkten woordensehat (ook in de getalrekening) der oude Hebreen, is 't wel mogelijk, dat 70 X 7 bedoeld wordt, maar er staat toch eigenlijk in 't Ilebreeuwseh zeventig en zeven, Gr. tfidonr/xovtttMi; snxa, oeskNIüs sepiies el sepluagies. Bij [.ukas staat éwj èfMopr/KoviaxK énia tegenover êogt;g énnixis.
351
48*
DE ONBAUMHAUTIGE DIENSTKNECHT,
rijk der hemelen vergeleken, of is het gelijk 1) — blijkt hieruit zoo duidelijk de bedoeling der volgende Gelijkenis, dat zelfs vitiunga die niet heeft kunnen ontkennen, ofschoon hij op den achtergrond, als de Inalste en eigenlijke bedoeling, de veroordeeling van het pausdom ziet, dat zoo hard is omtrent de mede-onderdanen en dienaren van koning jezhs. Behoef ik wel te zeggen, dat zelfs 70 digt gedrukte bladzijden, met eene geleerdheid vol geschreven, die eene hetero zaak waardig was, daarvan niet ligt meer iemand zullen overtuigen? De mystieke of gemoedelijk-zinnebeeldige opvatting der Parabelen , ofschoon zij op geen' hechter' grondslag rust, dan dat ook haar de eenvoudige zin der woorden en beelden te eenvoudig is, heeft tot onder de nieuwste schrijvers, en juist onder dezen, ijverige voorstanders gevonden; maar dat ji.zus voor zijne tijdgenooten eene //kerkgeschiedenis in profetische zinnebeeldenquot; zou hebben gegeven, die geen zijner hoorders met eenige mogelijkheid kon begrijpen, gelooft niet ligt iemand meer, sedert de Cocccjanen met hunne onvruchtbare geleerdheid zijn uitgestorven. 2)
Maar het wordt tijd, dat wij het beeld zelf iu zijne edele eenvoudigheid schetsen, om daarna over de toepassing in jezus' geest nog iets te zeggen.
Een zeker honing wilde rekening honden met zijne dienstknechten. Weder komt het in 't oorspronkelijke sterker uit dan in onze vertaling, dat het meuschenbeeld het middelpunt is der parabolische beeldspraak; eenvoudiger gezegd, dat de Gelijkenis meestal is eene voorstelling van het goddelijke onder het beeld van 't menschelijke. De letterlijke vertaling zou hier, en even zeer in de Koninklijke Bruiloft, Mutth, XXIT : 2, wezen: Een mensch koning, zoo als het elders is: Een mensch lieer enz. — Om nu die koninklijke rekening goed te verstaan, moet men niet vergeten, dat de kas van den staat in het oosten die van den vorst is; — gelijk cr nog menschen genoeg in ons land zijn, die meenen, dat de belastingen aan den koning worden opgehragt, en dus het gebod der oude wereld ook ons nog letterlijk geldt: Geeft den keizer, wat des keizers is. Alle inkomsten van zijne landen komen dus den oosterschen vorst toe, en die last wordt op verre na niet zoo gelijk gedragen en zoo geregeld verantwoord als bij ons. Iedere landstreek is op zekeren vasten tax gesteld, en de satraap of landvoogd moet dat geld bij een brengen , zoo goed hij kan. Of wel, er is een hoofdgeld bepaald, en er wordt tol of accijns geheven, maar deze inkomsten voor eene ronde som verpacht en dikwijls vrij willekeurig geïnd. Over al deze inkomsten beschikt de vorst naar behoefte
1) Daar ö/xotóa gelijk mutcen is, schijnt mij (ook Malth. XITI ; 24 en XXII: 2) eenvoudig te beteckcnen („is gelijk gemaaktquot; dus) is gelijk (dat is : «te vergelijken metquot; vissering); en de opmerking van MEUi'K (op II. XIII) is ai te spitsvondig: Der Aor. erkldrl sirh duraus, dass der Messiai hereU* uufgetrelen und in seiner Thaligkeil für dus (demndehtsl zu er richt end-) Messiasreieh hegrijjen UI.
2) Van de willekeur der geleerdste kerkvaders in de opvatting der Gelijkenissen, is hier onder anderen eene proeve, dat ouigeses in den schuldenaar van 10.000 talenten den Duivel ziet, — en daarentegen theovuvlactos in do mededienstkneehten de Engelen.
352
dp; onballmiiaiitige dienstknecht.
of welgevallen; eu wanneer slechts de rijksgrooten aan zijne wenschen voldoen, blijft dikwijls langen tijd en zonder vereffening de rekening van ontvang en uitgaaf voort loopen. Kortom, do staatsdienaar of satraap is voor den koning, wat de rentmeester voor den rijken grondbezitter is.
Door deze voorstelling van het geen in 't oosten nog eene gewone zaak is, wordt de schijnbaar onverwachte ontdekking van eene zoo enorme schuld denkbaar: want n den rtgel wordt in de parabolische verhalen (van paradoxen of sterkgekleurde beeldspraak spreken wij nu met) n.ets onmogelijks en zelfs niets onwaarschijnlijks verteld. De hooi dor moest zich gemakkelijk kunnen voorstellen, hoe zoo iets dagelijks gebeuren kon. Deze gemakkelijke voorstelling verliezen die uitleggers, die do groote schuld beschouwen als toevertrouwd geld, even als in eene andere Gelijkenis de talenten zijn. Maar daar is de grootste som 5, en bier 10.000. Daar wordt ook alleen over het gebruiken de winst, hier over 't kapitaal zelf gesproken. Do koning komt hier als schuldeiseher voor, en de dienaar als schuldenaar. Tn het andere geval,— misbruik van vertrouwen, — zou de dief moeten gestraft worden; hier wordt alleen eene schuld naar de burgerlijke wet ingevorderd. Zelfs de voorstelling van anderen, dat wij hier aan een' koninklijken schatmeester te denken hebben, strookt met het verhaal niet. De dienaar is één uit velen, en niet de man, die (als koninklijke huisbezorger) boven anderen is geplaatst. Door zijne rijke landvoogdij of pacht is bij een aanzienlijk staatsbeambte, en toch, naar den aard der oostersche autokratie, een dienaar, een slaaf, zoo wel als de minste, die in 's ko-nings dienst is.
De koning dan, nadat hij 't in lang niet gedaan heeft, wil eindelijk eens met zijne beambten afrekenen, en do gelden innen, die hij onder hen nog uitstaande heeft. Alle landvoogden der provinciéii en pachters van tollen en accijnsen worden opgeroepen, om hunne rekening over te leggen en het te kort aan to zuiveren. /;'/lt; als hij nu begOMien was te rekenen, werd lot hc.m gehragt een schufdenaar van Hen, (Innend talenten. Dat hij gebragt moest worden en n:ot van zelf kwam, is reeds een trek, die met 't bewustzijn van groote schuld in betrekking staat. Willen «ij de Gelijkenis nader uitwerken, zoo kunnen wij ons verbeelden , dat de schatmeester of eenig ander hoog ambtenaar één voor één de rekeningen opmaakte, om ze daarna den vorst voor te leggen. Deze is bez'g met ze na te zien en te laten verellenen, als daar, s.dderend en bevend, de man voor hem wordt gebragt, wiens schuld zoo hoog is geklommen. Nemen wij do vroeger (Dl. [, Blz. 131) opgegevene berekening van een talent zilver aan, zoo bedraagt do schuld vijf en veertig millioenen guldens. Wel behoeft men dit zoo naauw niet te nemen: want hier en elders is 10.000, als het grootste getal bij de Hebreen, 1) de uitdrukking eener bijna onberekenbare som; maar ook naar dc letter opgevat, is de ophooping van schuld tot zulk eene
1) Itccils in de fiSste Psalm (vs. 18) komt 10000 van dc onberekenbare lieirmagt Gods voor. Vgl. llehr. X1I:22; Jud. 14; OpeiJ/. V ; II en 1 X. ; Ifi.— luk. Xl[;l wordt ftvyias {de tunduizenden der volkmenigte) zelfs in 't meervoud van jezds' toehoorders, en Hand. XXI ; au van zijne geloovigen te Jeruzolem gebruikt. Nog onbepaalder gebruikt pa it. us het woord 1 Kor. IV : 15 en XIV : 19. Alleen Hand. XIX : 1!) geeft, het eene naamvkeutig berekende geldswaarde aan.
DE 0NBA11MHAHTIGK DIENSTKNECHT.
ontzettende hoogte gansch niet onmogelijk. Tien duizend talenten bood dab.ius aan ALEXANDER den grooto, om den voortgang zijner veroveringen te stuiten, en de zelfde som werd door do Romeinen aan antiochos den groote, na zijne nederlaag, als oorlogsschatting opgelegd. Een satraap of pachter, vooral die scliattingen van overwonnen volken voor zijnen vorst te ontvangen had, kon gemakkelijk zulk eene som schuldig zijn; en even gemakkelijk kon hij, door eene oostersche weelde, waarvan wij naauwelijks ons een denkbeeld kunnen vormen, die hebben verkwist.
Baar hij nu met had om zoo groote schuld af te betalen, 1) beval zijn heer , dat hij zou worden verkocht, en de vrouw van hem en de kinderen, en alles wat hij had, en dat zou afbetaald worden. 2) Met de benaming heer treedt dc koning hier in de regte verhouding tot zijnen dienaar. Want zijn bevel is geenc eigenlijke regterlijke uitspraak, en de verkoop geene straf: eenvoudig eene geregtelijkc uitwinning, waardoor alle eigendom, door deze pretensie aan den heer vervallen, bij parate executie wordt verkocht. Vrouw en kinderen komen dus hier eenvoudig voor als bezitting, gelijk niet alleen de ongewijde, maar ook de Israëlitische geschiedenis onderscheidene voorbeelden aanbiedt, dat voor de schuld der ouders kinderen verkocht werden. Het laatste : //en dat zou afbetaald worden,quot; is door sommige nieuwere uitleggers verkeerdelijk vertaald: //en dat de opbrengst daarvan aan den koning zou worden ter hand gesteld.quot; Hot woord beteekent aan liet einde van 't vers liet zelfde als aan 't begin : //het betalen of afbetalen van de schuld.quot; 3) Onze vertalers hebben dus regt, als zij er 't laatste woord invoegen, ofschoon men den zin ook zonder dat in onze taal kan weder geven : //en dat er zou afbetaald worden.quot; Dat de geheele som uit dien verkoop kon worden gevonden, volgt hier niet uit, en is ook niet denkbaar, Ieder, die zoo iets leest, voegt er van zelf bij in: //zooveel mogelijk;quot; want geene verpligtiiig eu geen bevel kan de grenzen der mogelijkheid overschrijden.
Maar de zifterijen der uitleggers zouden ons verhaal storen. Het vervolgt : De dienstknecht dan (of hierop) neder vallende aanhad hem, zeggende: iiITeer! wees lang moedig over mij, en ik zal u alles betalen.quot; 4)—-Weder moeten wij, naar oostersche zeden, het
1) De zelfde uitdrukking vinden wij letterlijk terug iu dc reeds behandelde Parabel der Twee tichul-denaurs , Lvtc. VII : 42.
2) liet verkoopen van zich zelf voor schuld {Isvit. XXV ; 39) en het ia beslag nemen der kinderen door den schuldeiseher (2 Kon. IV: 1; Neh. V ; 5) behoorde van ouds her tot de Israëlitische zeden, maar werd door de vrijlating in het jubeljaar bij de wet verzacht, en door dc godsmannen in Israël afgekeurd. {Neh. V : 8; Jcs. LVIII; O ; Jfr. XXXIV : 8—11; Amos II : C ; VIII : 6.) Hier hebben wij echter niet alleen met het regt van een'gewonen sehuldeischer , maar tc gelijk ook met de onbeperkte magt van een' oosterscben vorst te doen, cn is naar de zeden van het oosten het voanis zeker niet te gestreng. De sehnldenaar bidt dan ook niet om medelijden met zijn gezin, vraagt niet, dat men zijne kinderen spare, maar wil ontferming voor zich. Hij beschouwt dus dien verkoop als een noodzakelijk gevolg der toerekening van de schuld. —Kosenmüllkii (bier cn op 2 Kon. IV -. I) haalt phjtarcuus en dionïsius p.Aligasnassrnsis aan als getuigen, dat ook te Athene en Rome, zoo wel als in Azië, kinderen voor de schuld hunner ouders werden verkocht.
3) Nog vijf malen, en altoos vaa geheele afdoening, komt anoSoxvni iu de volgende verzen voor,
4) Der Narr meint, er wolle noch hezahlen, und billet um Geluld. Das isl die Plage aller Gewissen, icenn (tie Simde kommt und beisset, dasz sie fühlen, tcie sie mil Golt üiel daran sind; so hahen sie keine Uuhe, laufen hin und her, snehen hier und du Hülfe, dasz sie dei-Simden los werden, und vermessen sieh , norh Viel ze thun, dan sie Golt beiahlen. Lutheu.
354
DK ONBAIiMHAETIGE DIENSTKNECHT.
aanbidden, //met 't aangezigt voor den koning in Jt stof vallen,quot; even als men voor de goden deed, letterlijk opvatten, l-n wat de belofte betreft aan zijnen heer, 't is het woord van alle kwade betalers. Die eens aan eene grenzenlooze wanorde in zijne zaken gewoon is, zoekt alleen het oogenblikkelijk gevaar af te weren, en trekt gemakkelijk onbetaalbare wissels op de toekomst. De koning begrijpt dit zeer goed. Waar zoo vele millioenen zijn verloren gegaan, heeft hij alleen de keus tussehen regt en genade; en waar de oostersehe vorst deze uitoefent, doet hij 't, in de volheid zijner magt, op 'regt vorstelijke wijze. Enkele 1 angtnoedigheid, dat is geduld en uitstel van regt, zou in dit geval niets hebben gebaat. De lieer nu van dien dienstknecht, door innerlijke ontferming bewogen, liet hem los en de schuld schold hij hem kwijt, 't Is een dubbele weldaad, zoo als men heeft opgemerkt , 1) althans tweeërlei akle vim de zelfde weldaad: vooreerst, dat de koning hem ontslaat van de reeds bevolene inhechtenisneming, hem vrij uit laat gaan; en dan, dat hij hem bij 't heen gaan niet met de schuld bezwaard laat, maar hem volkomen vrijstelling toestaat, ja zelfs, zoo als aan alles blijkt, hem in
zijne hoogc betrekking laat , natuurlijk onder de stilzwijgende voorwaarde, dat hij zich die niet weder onwaardig make.
De man gaat uit, uit 't koninklijk paleis en naar zijne woning: dit slaat duidelijk op het los laten terug. Het eerste gevoel is natuurlijk de grenzenlooze vreugde van iemand, die ongedeerd het hol van den leeuw verlaat. Maar bij den trotschen , ongevoe-hgen mensch paart zich daaraan zekere wrevel over de vernedering, die hij zich, om zoo groote genade te verwerven, tegenover andere aanzienlijke staatsbeambten'heeft 'moeten getroosten, 't fs dus, hoe vreemd het ook schijne, zeer menschkundig geschetst dat juist nu zijn hart zich zoo hoog verheft en zijn gemoed zoo bitter gestemd is. Den trotschaard, wien edele gemoedsaandoeningen vreemd zijn, is iedere weldaad eene belecdi-ging, en allermeest, die hij heeft moeten afsmeeken. Over zijne laagheid tegenover zijne meerderen, wreekt hij zich door hoogheid of hardheid tegen zijne minderen.
Zoo gaat 't ook hier. Uie dienstknecht nu, uitgaande, vond één zijner mededienstknechten, welke hem schuldig was honderd denuriem. En hew aangrijpende worgde hij hem zeggende: „Betaal mij, wat gj schuldig zjt.quot; Dat deze man een mededienstknecht genoemd wordt, zegt volstrekt niet, dat hij in rang met den ander gelijk stond, maar alleen, dat zijne betrekking tot den koning de zelfde was. 2) 't Was de slaaf van den verkwister met, en even mm een vreemde koopman, maar een burger als hij, al leefde iiij m veel kleiner' kring, \\ ij kunnen ons honderd redenen denken, waarom hij aan den ander eene schuld had, voor hem op 't oogenblik even onbetaalbaar, als voor den groote zijne tien duizend talenten: hij kan ze geleend, er goed voorgekocht, er een stuk,,, land voor gepacht hebben, 't Is geene geschiedenis: de aanvulling van zulke ontbrekende trekken, onnoodig tot de Gelijkenis, staat ons dus geheel vrij. De hoofdzaak is de tegenstelling van beide schulden , en die der invordering naar hot strengste regt tegenover
1) Vnvtn pelierai, duo imwlravU beneficia. Bengel,
2) Hij was wel zijn avvSovXos, zegt tiiencu , maar niet 6aó3ovXo;.
355
DJi ONliAKMHAUTKiE DIENSTKNECHT.
ontferming en kwijtschelding. Wat de eerste betreft, de waarde der deuarie is ons uit vroegere Gelijkenissen bekend, zoodat wij do som op hoogstens veertig gulden kunnen schatten. Eu wat nu de behandeling aangaat, zij is nog harder, ruwer ten minste, dan het eerste bevel van zijnen voist. Deze beval ten minste geene onnoodigc mishandeling. Toch lag ooli de geheel in den geest der oudheid, waar ieder nog meer zijn eigen regter, en de schuldenaar geheel in de magt van zijnen schiddeischer was. 't Is zelfs onder de Romeineu — en daarom behield ik het eigenaanhge woord worgen — een aangenomen km:: //iemand met omgedraa den hals of keel naar de gevangenis slepen.quot; Dit werd den schuldeischer als zijn regt toegekend. De geleerde 1'etius kieuwi.and merkt hierbij aan, dat niet de hals zelf, maar het halsboord van het onderkleed bedoeld wordt, waarbij men den armen schuldenaar greep, en dat men lot st.kkens toe vast wrong, om hem meester te blijven. 1) De opmerking was in ieder geval te vernuftig, om door alle volgende uitleggers,— zoo ver mij bekend is, — te worden verwaarloosd, Ln wat eindelijk de woorèen van den harden schuldeischer betreft, 't is zonderling, dat do oudste lland-schriflen hebben: nBetaal mj, zoo gj ie/s sc/m/i/ig zijt.quot; Het gaat te ver, als men h eruit 't onzekere der s-huld en daardoor eene dubbele hardheid afleidt. Rekening vragen, om te zien of er schuld is, doet men op die wijze niet. Eerst bewezen schuld gif tot zulk eene hardheid regt. Hoogstens zou ik — indien deze lezing de ware is, 2) — er uit afleiden, dat het juiste bedrag den voornamen verkwister niet duidelijk voor den geest stond. Maar dat er schuld is, weet hij toch zeker. //Zoo wat er nog mogt open staan,
betaal het mij!quot;...... Ka zoo harde ondervinding, d;e hem de waarde van het geld heeft
leeren kennen, zal hij voortaan wat beter op zijne zaken passen; en hij neemt hiervan terstond de proef op den eersten den besten, dien hij toevallig, bij het uitgaan, vindt of ontmoet.
De man was zijn mededienstknecht, maar van veel minder stand dan hij: want liet ging toen al even als nu; men berekent iemands stand niet enkel naar zijne bezitting, maar ook naar zijne schuld. Hij, wiens krediet zoo gering is, dat hem honderd dena-
1) uOil rlo collo ilijU 'ut rafcrc of collum terquerf, bij den hals of met onigedraaiden hals naar het pcrig' slepen. ITcl was de rcUum lunicre, naar liviusIA/ : 53 , waarbij men hein giecp , niet smenschen ej,rCll balsquot; —Zoo teekendo ik vroeger uit r. nieuwlvku aan, maar kan de plaa's nu inde Vtllrg-kundige Vcrwakcljkhrtlcn niet terug vinden. In 't (iriekseh slaat eebter bet woord lials niet, maar wel, dat bij hem cvermenlerenrle Korgde, ytjettyroi ax iov i'nftye. 1'uicai ls vergelijkt uil bet Onowash-con van PoLtt'X unontiyiov toi's óqeiXonn;, en liet. w/xeir {collo cohslriclo, A ri: 11,1 I's) , als/// thuis ne'Uloribus .vl'-mmlcr uturpat*». Men vergelijke vooral suicebus op bet woord , die onder vele andere voorbeelden, van enins istomi s (// / 1'op. AhI. Ül) lid verwijt aanhaalt: ,(jij vertreedt, verstikt, (grijpt bij de keel,) sleept weg, om een weinig gouds!quot;
2) Reeds op de akademie herinner ik mij, dat de vraag bij mij opkwam: «■Heeft de kritiek maar dezen éénen regelvquot; vanl altijd weder werd mij herhaald: *De moeijeüjkste lezing verdient de voorkeur;» en ik geloof nog, dat er op dezen regel veel is af te dingen. De afsehrijvers der gewijde boeken waren d iorquot;aans naauwgezet genoeg, om zoo naauwkeurig mogelijk te eopicren, maar zelden oordeelkundig genoeg, om bet gemakkelijkste woord te kiezen. Hier eebter is 'tgezag der Handschriften voor fin al te groot , en beeft de aaagenomene lezing te weinig grond om liaar te handhaven. Toeh blijft mij dit «1 t. vreemd in de ooren klinken, en juist zACcnKiis en miLtMoN, die men er bij aanhaalt (naar j v/r. gt;;i\:8 en 1'kV. 8), getuigen voor eene onzekere schuld, die bier slecht te pas komt.
856
de ONBAEJtUARTIGE DIENSTKNECHT.
rieën in ecne onoverkomelijke verlegenheid kunnen brengen, moet al een zeer arm man wezen. Maar in dat geval bezwaart ook de kleine schuld hem even zeer, als den rijke de tien duizend talenten. En toch is ook de arme een vrij geboren man. Hij valt wel neder voor zijn' schuldenaar, maar aanbidt hem niet, doet hem geen slaafsch eerbewijs, brengt hem, zoo als reeds oeigenes zeer juist opmerkte, geene vorstelijke eer toe. Pat hij aan zijne voelen neder viel, zegt onze vertaling naar een deel der oude Handschriften; waar het niet te lezen staat, wordt het echter van zelf er bij gedacht. Hij aanbad dus w-el niet, naar oostersch hofgebruik, maar des temeer had, smeekte hij hem, zeggende: tt Wees fang moedig over mij, en ik zal u alles hel alen.quot; Juist dezelfde woorden, die de staatsdienaar straks tot den koning gesproken had. Deze overeenkomst moest den harden man getroffen hebben; terwijl buitendien, bij eenig uitstel, deze honderd denarieën gemakkelijker door een' werkman of kleinen pachter waren op te winnen, dan door hem de duizenden talenten. Doch hij wilde niet, maar ging henen en wierp hem in do gevangenis, tot dat hij de schuld zou af betaald helben. 1) Er staat niet, hoe: 't zij door verkoop van al zijn goed, of door tusschenkomst van zijne vrienden. Genoeg! Zijne vrijheid was alleen voor de honderd denarieën, zonder uitstel of afslag, te koop.
Naar de letter der wet was hierop niets te zeggen; en toch, ah zijne mededienstknechten, de andere staatsbeambten, die van zijne vernedering getuigen waren geweest, zagen hetgeen geschied was, zijn zij zeer bedroefd geworden, en komende, verklaarden zij hunnen heer al ivat er geschied was. Met dit zien wordt juist niet bedoeld, dat deze mededienst-knechten bij 't geval tegenwoordig waren. Dan zou er ook staan: //Zij zagen, wat er geschiedde.quot; Nu zagen of hoorden, vernamen zij het, toen 't geschied was, de man reeds inde gevangenis was geworpen. En 't bedroefde hen zeer: zij hadden dit van van hun' mededienaar niet gewacht, en konden niet laten, het aan den koning mede te deelen. 2) Tot de fijnere trekken der Gelijkenis behoort ook , dat do dienaren bedroefd worden, maar de heer toornig. Hen ergert het, dat iemand na zulk eene weldaad zóó handelen kan; 3) maar 't is toch eigenlijk geen vergrijp, tegen hen gepleegd. Maar de koning, die in deze handeling met zijne knechten altijd heer genoemd wordt, acht er zich door belcedigd, ziet er eene miskenning in van zijne groote weldaad, de schandelijkste ondankbaarheid, en te gelijk de harde en redelooze mishandeling van cén zijner onderdanen.
1) Of het in de gevangenis zetten, voor schuld gijzelen, tot de oude Israolitischc wetgeving behoorde, wordt door michaëhs te regt betwijfeld. Waarschijnlijk was dit (en daarmede de pijuigers, vs. 34) in lateren tijd uit 't Romeinsche regt overgenomen.
2) Ofschoon dit aanbrengen in den eigenlijken zin geene toepassing op den Alwetende toelaat, is toch het gebruik geestig, dat lutiim er van maakt: Gleichwie Jrommer Leute Fiirbitte nicht nmsonst urd ver ge,hem int, so ist der gemeine Ftueii, dus gemeine Klagen über die lïósen aueh nicht vergebens und umsonst.
3) Die droefheid is hier een eigenaardige en regt humane trek. Er kan geen medelijden bedoeld zijn met het lot van den ongelukkigen mededien siknee hl want dan hadden ligt de staatsdienaren te zamen deze honderd denarieën kunnen voldoen; maar zij bedroeven zich, weit es Jiir jedes edtere tmd zarifithlendc Uerz üheraus telrühend ist, Liehlosigkeit zu bemerken, iceil sie uns einen roh'n und wahrhaft ungebitdeten Menschen zeigt; denn iiehtc Bildung ist Liebe, der Geist Christi in uns. Lisco.
357
de on harm halltig b d1enstknkcht.
Toen heeft hem zijn heer tot zich geroepen en zei de tot hem: n Gij booze dienstknecht! 1) al die schuld heb ik u kwijt gescholden , dewijl gij mij gebeden hebt. Behoor dei gij ook niet u over uwen mededienstknecht te ontfermen, gelijk ik ook mij over u ontfermd heb ?quot; 2) Even zoo vangt , in de Gelijkenis der Talenten, liet gerigt over den laatsten dienaar aan met dc woorden : Zijn heer (die dus rogt over hem had) zeide tot hem : u Gij booze en lui je dienstknecht l Gij moest — —quot; [Matth. XXV : 2C, 27); en even als ddar, kunnen wij er uit eene derde Gelijkenis [Matth. XXII; 12) invoegen : Kn hij verstomde. — Nadat dus de man in zijn eigen geweten van zijn onregt overtuigd is, volgt het vonnis: Fm zijn heer, vertoornd zijnde, leverde hem den pijn der s over, tot dat hij zou afbetaald hebben al wat hij hem schuldig was.
Over dit vonnis, dat daar zoo eenvoudig en natuurlijk uit 't verhaalde voort vloeitj is onder de uitleggers veel te doen geweest. De eerste vraag is naar het regt van den schuld-eischer, om nog eens door lijfsdwang in te vorderen , wat hij reeds heeft kwijt gescholden. 3) Of dit bezwaar in de toepassing weegt, daarovtr straks nader; nu hebben wij alleen nog met de iukleeding, het verhaal zelf, te doen. En dan zouden wij kunnen beginnen met de opmerking, die wij reeds vroeger een en ander maal maakten , dat JBZrs in zijne Gelijkenissen dc dingen voorstelt, zoo als zij plegen te geschieden, zonder het regt of onregt der gewone menscheüjko handelingen zoo fijn uit te pluizen. Wij konden er bij voegen, dat in die kwijtschelding de stilzwijgende voorwaarde lag opgesloten, dat de bcweldadigde zich die zou waardig maken, en ze niet weder door zijn gedrag verbeuren. Maar ook dit is niet volstrekt noodig, en 't verhaal geeft er geen'den minsten wenk van. Genoeg is het, dat de heer, die ook in andere Gelijkenissen zoo dikwijls hoofdpersoon is, hier met opzet wordt voorgesteld als een koning, een oostersch vorst, die onbeperkt is in zijne magt, en van wien een onderdaan niets te eischen, tegen wien eigenlijk niemand eenig regt heeft. 4) Hij laat zich dus, als hij zijnen rang waardig is, alleen doorgevoel van b.llijkheid, zoo wel als door belangstelling in zijne onderdanen besturen: beveelt en trekt zijn woord weder in, scheldt vrij en rekent weêr toe, uit de volheid zijner magt. In verband hiermede is dc opmerking juist, dat de koning eerst eenvoudig als schuldeischer, maar nu als regtcr optreedt. Vroeger was er sprake van geld in te vorderen, waartoe niet alleen inboedel en huisgezin, maar ook de schuldenaar zelf zou worden verkocht; nu is er van dit verkoopen geen sprake meer. Erger lot wacht hem. Hij wordt, door de uitspraak des koninklijken regters, in zijnen regtmatigen toorn , den pijnden overgeleverd, tot hij zal afbetaald hebben alles, wat hij zijnen heer schuldig is.
1) Sic non vocalus fuernt ob debitum. Bengel. Ook de dienstknecht, die het éénc talent in de aarde had begraven, wordt novt^È Soi ls genaamd, maar mot de nadere bepaling xnï oxvrjqé.
2) Jizus' hoorders konden de juistheid dezer vraag reeds heoordeelen naar dc bekende spreuk van uiliel; «Wat gij niet wilt, dat u geschiede, doe dat ook een ander niet;quot; — eenen regel, dien jezus nog verder uitbreidde, als iiij sprak: «Al vat gij wilt, dat u de mcnachcu dom, doe kun ook ahoo.quot;
3) 'Zie tuencn, die hier zelfs simh en adoma (1 Kon. II) bijliaalt. De meening van thomas aqcinas en cajki'anus, dat niet de vroegere schuld, maar latere ondankbaarheid wordt gestraft, past ten minste in het zinnebeeld niet.
4) Ulitvr hie rex ille non solo credit oris jure, sed el Judicis. GuotIUS.
.358
de on harm ha ut kik dienstknecht.
Omtrent deze pijnders loepen weer de gevoelens ver uit een. Terwijl de een slechts aan gevangenbewaarders denkt, heeft de ander hier de pijnbank voor oogen. Het is niet te ontkennen , dat het woord voor eenvoudige bewaarders van eene gevangenis er wat barsch uitziet. Eigenlijk was in die dagen — men denke slechts, onder velen, aan paui.us en silas te ï'ilippi! — reeds de enkele gevangenis eene plaats der pijniging. Maar 't woord schijnt bovendien aan te duiden, dat zulk eenen stokbewaarder (cipier) niet alleen werd aanbevolen , als dien te Filippi [Hand. XVI : 23) , dat hij den gevangene zekerlijk bewaren zou ; maar ook, dat bij door harde behandeling hem tot betaling zou noodzaken. Zonder eigenlijke pijnbank, waarvan de eer der uitvinding aan Christen volken toekomt , had hij daartoe middelen genoeg. Oude schrijvers, die van dergelijke gebruiken, ook elders in de oude wereld, spreken, 1) doelen vooral op tweeërlei wegen, waardoor op die wijze betaling kon verkregen worden: het ontdekken van verborgen schatten, en de tusschenkomst van vrienden en betrekkingen. Zoo verwachtte, maar met minder regt, de landvoogd mix eenig voordeel van 't gevangen houden van pai i.us. {Hand. XXIV ; 26.) De gijzeling voor schuld, naar onze wetgeving, is in den grond niets anders, al is daarbij natuurlijk alle mishandeling uitgesloten.
Eindelijk is in den duur der gevangenis: //tot dat bij alles zou betaald hebben,quot; door Roomsch Katholijke schrijvers steun gezocht voor de leer van het vagevuur, en door Protestanten een bewijs gevonden voor de eeuwigheid der straf. Het eerste heeft al heel weinig grond, daar juist het onbetaalbare der schuld van deu beginne af op den voorgrond staat. En wat het laatste betreft, schoon die eindelooze, onherstelbare gevolgen der zonde hier nainaals, in de doorgaande leer van jezus liggen, is het zeker niet zijn oogmerk geweest, dit hier opzettelijk te leeren. 2)
Dit oogmerk geeft de Heiland, als meestal, te kennen iu eene kernachtige slotspreuk, die geheel zijne rede bij deze gelegenheid besluit:
Alzoo zal ook m jn Hemelschc Fader u doen , indien gij niet van harte vergeeft een iegelijk zijnen broeder zijne misdaden.
Het zal ons niet moeijelijk vallen, in deze kernspreuk van jezus den sleutel te vinden van de geheele Gelijkenis. Wij kunnen daarin niet mistasten, en 't woordenspel van sommige kerkvaders, of van latere mystieken en Coecejanen , die altijd in 't evangelie weten te lezen, wat er niet in staat, behoeft ons niet op te houden. Luisteren wij naar nie-
1) //Volgens livlus werden schuldenaars niet alleen gevangen gezet, maar ook gegeeseld,quot; schrijft ïKiixcn , die zeer juist opmerkt, dat de straf niet opzet erger is als die aan deu inededienstknecht. De mishandeling van dezen was ook geene straf, maar alleen eene geregtelijke uitwinning, even als het eerste bevel van den koning. l)c pijnigers worden door ghotius genaamd; het woord fiauavKjjtj; zegt echter stellig meer. Ook bij ongewijde schrijvers is si; finauvov iJnJciyai AOp de pijnbank brengen.quot;— Vitiunoa vergelijkt met deze pijnigers den tr/iókrwp, £«/!■. XII : 58, waarvan wij weldra zullen Ie spreken hebben.
2) Bij den Gang naar dm lieg ter, Mutth. V ; 25, 2(5 en Lu/,-. XII ; 58, 59, komen wij ook hierop terug.
4igt;*
359
de onbarmhartige diknstknecht.
mand anders dan naar jezus. Wij lioorcn dan terstond, dat hij niet tot petrus alleen meer spreekt, gelijk geheel do Parabel minstens tot de twaalvo, denkelijk nog wel tot meer discipelen gerigt was. Verder heeft reeds chuysostomus opgemerkt, dat jezus zegt: //mijn llemelscho fader,quot; als wilde hij zeggen, dat althans voor den onverzoenlijke, God goeu Vader meer, niet zoo als elders uw Hcmclschc 1 ader is. Wel heeft men deze opmerking pogen te verzwakken door ecne andere: dat namelijk do uitdrukking //mijn Vaderquot; meer bij mattheüs voorkomt, bij voorbeeld vs. 19 van dit zelfde Hoofdstuk, waar die reden volstrekt niet gelden kan; maar zóó veel schijnt mij toch na naauwkeurig onderzoek zeker, dat er altijd ecne bijzondere reden toe is, het zij deze of eene andere, wanneer jezus bij mattheüs //mijn llcmehchc Vaderquot; zegt, en niet: //de uwe.quot; 1)
Maar keeren wij tot het hoofdpunt der vergelijking terug. liet al zoo geeft zonder eenigou twijfel, hier zoo wel als elders, dit hoofdpunt aan. Gaan wij dus nog eens uaauw-keuriger na, wat het in zich sluit; wat daardoor hoofdtrekken worden, wat bijwerk in het geschetste tafereel.
Zeker is een eerste hoofdpunt de onderlinge betrekking van koning en onderdaan, heer en dienstknecht, maar inzonderheid van schuldeiscber cn schuldenaar. De Joodsche, geheel wettische beschouwing der godsdienst bragt die betrekking mede, en jezus nam zo zonder aarzeling over. Reeds in de Parabel der Twee Schuldenaars zagen wij de meerdere of mindere zonden van 'den mensch voor God, onder het beeld eener schuld van vijftig en van vijf honderd douarieën voorgesteld. Slechts in zoo verre wijkt jezus van de Parizeesche voorstelling af, dat hij lederen mensch eeu' schuldenaar noemt, al was 't dan ook voor tien maal minder, dan wie openlijk een zondaar wordt geacht. Alleen zich zeiven heeft de Heer — en dit is bij zijne bekende nederigheid opmerkelijk — daar nooit onder betrokken; maar ook nooit, als de regtvaardigen in Israël, zijne geregtigheid uitgemeten cn daardoor afgerekend met God.
Deze beschouwing nu van zonden als schulden , die moeten worden betaald of kwijt gescholden, de nieuwere wetenschap moge haar als verouderd weg werpen, het geweten der mcnschheid zal zo steeds weder opvatten. ^ an daar dat het reeds in jesaja's mond een evangelie, cene blijde tijding heet, als hij die kwijtschelding aan Juda cn Jeruzalem verkondigt. Eene Rabbijnsche Parabel, bij sciiötgenn aangehaald, hoe ver zij ook beneden
1) De uitdrukking Ihmehche Fader (o èv rots oiyavols, ovQavtog of ènovQuuo;) is bijzonder aau het eerste Evangelie eigen. Bij markus cn lukas komt zij slechts enkele malen voor, bij ooiiannes in 't geheel niet. De bijvoeging f/ou in plaats van aov of rfiüv komt alleen voorbij mattheüs, en wordt, zoo ver ik zien kan , steeds met opzet gebruikt, waar jezus in zijne Messiaansche waaidigheid spreekt. (Mntl/i. VII: 21; VIII ; 21; X ; 32, 33; XII : 50; XV :13; XVI : 17 ; XVI11 : 10, 19, 35, vergl. X-Vi ; 27.) Nimmer wordt onder (Onze /V/ilef) jezus en de zijnen te zamen begrepen, zoo als ook
Joh. XX : 17 onderscheiden wordt: »Ik vare o/i lui mijnen Fader en uwen Vader?'—De aangehaalde plaatsen zijn, in vergelijking met die, waarin vfiitiv voorkomt, ecu naauwkeuriger onderzoek waard, dat echter hier tc uitvoerig worden zou. Ik weet uict, dat het karakteresticke verschil tussciicu Gods betrekking op zijn menschenkind in 't algemeen, en den Zoon des menschen in t bijzonder, nog zoo naauwkeurig is opgemerkt. In 't j on a n n ks-k vangelie is de laatste {Mijn lader, zonder de bijvoeging die in de hemden is,) verre overwegend.
860
DE ONBAHMIIAllTIGE DIENSTKNECHT.
die van den Heiland staat, kan in dit opzigt met het eerste gedeelte daarvan vergeleken worden. Zij luidt, eenigzins verkort, aldus;
«Zekere provincie was den koning schatting schuldig. De koning zond om die in te vorderen, maar zij betaalde niets : want de som was zeer groot. Na nog een cn ander maal gezonden te hebben, ging de koning zelf. Toen hij nu omtrent iien mijlen had afgelegd (of //nog zóó ver van de stad af was,quot;) hoorden het de burgers, en zonden de voornaamsten van don staat hem te gemoet om te smecken, of de koning genade met hen gebruiken wilde, daar zij niets hadden om te betalen. De koning antwoordde: //Om uwent wil scheld ik de helft der schuld kwijt.quot; Weder kwam hij vijf mijlen nader, toen ook mannen uit het volk hem te gemoet kwamen, zeggende: //Wij kunnen niets dan smee-ken: Ontferm u onzer!quot; En de vorst zeide: //Do helft heb ik reeds kwijt gescholdenj ook de helft der andere helft zij n geschonken.quot; Maar als nu de koning de stad naderde, zijn alle burgers, groot en klein, tot hem uitgegaan; cn op hun sraeeken heeft hij ook het laatste kwijt gescholden. Zoo wordt Israël (op den grooten verzoendag) dc schuld vergeven, die 't geheele jaar heeft opgehoopt.quot;
Het spreekt wel van zelf, dat jezüs, door deze beschouwing van 's menschen betrekking tot God over te nomen, niet verantwoordelijk kan gesteld worden voor het kleingeestige en onzedelijke stelsel van afrekening, waartoe later do christelijke kerk vervallen is. God wordt van 's menschen handen niet gediend ah iets behoevende, zegt pAl lus te regt {Hand. XVII: 25); cn wij voegen er bij: Waar dc schuldeiseher vader is, vordert hij van zijne kinderen den uitersten penning niet, maar verheugt zich, als hun berouw en hun smeekgebed hem in de gelegenheid stelt, zelfs de tien duizend talenten om niet kwijt te schelden.
36]
//Maar de schuldeischer ia de Gelijkenis rekent toch twee malen de zelfde schuld toe; vordert op nieuw in, wat reeds was kwijt gescholden; en juist dit schijnt door het veel-beteekenend alzoo op God te worden overgebragt.quot; — Deze bedenking heeft velen bezig gehouden , en op verschillende wijzen is daarvan de oplossing beproefd. Op den voorgrond zetten wij, dat het verloop der zaak natuurlijk is in dc Gelijkenis, maar niet in allen deele op het Opperwezen van toepassing. 1) Anders zouden wij Gods alwetendheid moeten betwijfelen, die door de aanbrengers van des bcweldadigden onbarmhartigheid moet worden voorgelicht; en 't zal toch waarlijk wel niet noodig wezen, dat andere menschen ons daarvan bij do Godheid aanklagen. — Verder is iu het algemeen dit uit 't zinnebeeld te leeren: //God wordt niet tot vergeven bewogen door onze vergevensgezindheid ; maar zijne genade gaat vooraf, en moet ons daartoe opwekken.quot; De bekendmaking dier ge-
1) »IIct ooghmerek Christi en is hier niet om te leeren , dat Godt de sonden eens vergeveu hebbende deselve daer na noch soudo straffen. Want dat cn doet Godt niet, HeJ.r. quot;Vlll vs. 12, maer hy verklaert sijn ooghmerek selve vs. 35, cade het is bekent dat de parabelen oflc gclijokenissen, niet verder en beboeren getroekcu tc worden, als het voornaemste ooghmerek der selvcr lijden kan.quot; AVW-teekeniny op den Slalenbijbel.
ok onbattmiiabtigk dienstknecht.
uade is het evangelie, God was in christus de wereld met zich verzoenende, hunne zonden hm niet toerekenende. De kwijtschelding, de koninklijke amnestie om zoo te zeggen, is dus afgekond gd, is van Gods wege volbragt. De bode des evangelies roept: n Verzoent u dan (niet Laat u verzoenen) met God!quot; (2 Kor. V : 19, 20.) Maar er is, wat deze verzoening kan verhinderen , van onze zijde de vrijspraak krachteloos maken; en dat is in de eerste plaats onze onverzoenlijkheid, als het sprekendst bewijs, dat wij de genade niet regt aangenomen hebben , dat de liefde Gods in ons niet woont. Tiet blijft dus waar, wat pai'lus zegt {Bom. XI; 29): ])e genadegiften Gods zjn onherouivelijk; maar er kan een onoverkomelijk beletsel zijn, dat ons verhindert, ze te ontvangen. De liefde alleen kan de liefde begrijpen en genieten. Dit is, wal wij vroeger //eene wisselwerking van liefde en liefdequot; noemden: veen wederontmoeten van den zondaar eir God, aan de hand van en i'.isti's,quot; (Z e verder het Blz. 2.'57 geschrevene en aangeteekende.) Het evangelisch denkbeeld van schuld verzoening wordt daardoor verre verheven boven do banale voorstelling van het kwijtschelden der straf. En van daar nu, dat in de spreuken en beelden van het Evangelie nu eens de goddelijke genade vooraf gaat (Koloss. III : 19 enz,), en dan weder der menschen liefderijke steinniing {Matt/i. VI: 14 enz.).
Een der schoonste hoofdtrekken eindelijk in de/ie Gelijkenis is zeker de tegenstelling tusschcn de tien duizend talenten en — honderd denarieën! •—-Nu ja! 't zij zoo, onze, naaste hebbe schuld aan ons; naar den ouden regel der wedervergelding kome ons, indien wij de magt hebben, het regt toe om hem betaald te zetten , wat hij ons misdeed; maar plaatsen wij ons op dit standpunt van regt, dan is 't immers natuurlijk, dat met ons ook zoo gehandeld wordt? Met welk oordeel gj oordeelt , zult gj geoordeeld worden, en met welke maat gj meet, zal u rveder gemeten worden, zegt jezus in de bergrede, en jakobus, wiens brief de meeste overeenkomst heeft met de spreuken van den Heer, schrijft: Een onbarmhartig oordeel over den genen, die geene harmlartigheid gedaan heeft, en (ïe barmhartigheid roemt tegen het oordeel. [Mattl. Vil : 2; Jak. II : 13.) En wat wint de mensch nu, met z66 op zijn regt te staan? Honderd denarieën, tegen tien duizend talenten verlies!
Vindt iemand die tegenstelling toch wat al te groot; vraagt hij, of jezus bij voorbeeld de vijandschap der wereld, die hem aan 't kruis bragt en zijne discipelen steenigde of onthoofdde, eene zoo geringe schuld noemt; mijn antwoord is, dat de Heer van do vijandschap der wereld hier volstrekt niet spreekt. Het u 1 leb t uwe vijanden lief, en zegent ze die u vloeken!quot; is een andere pl'gt der christelijke liefde, nog hooger en moeijelijker. Petrus vraagt, hoe te handelen, als zjn broeder tegen hem gezondigd heeft; en jkzus schetst een geschil tusschcn mededienstknechten van den zelfden koning, waarvan alleen om do inkleeding van 't verhaal de een als van hoogeren stand dan de ander wordt voorgesteld, 't Is dus broedertwist, waarvan jkzus spreekt, en dieti hij zoo dikwijls en zoo krachtig in den kring der twaalve bestreed, tot hij zijn onderwijs besloot met de woorden: «Hieraan zal u de wereld kennen , dat gij liefde hebt onder elkander. Wie onder u de meeste zijn toil, die zij de minste en aller dienaar.quot; — Jezus wil, dat elk der zijnen, ook al scheen zijne schuld tegenover die van anderen slechts als 50 denarieën tegenover 500, ze voor't hooge
362
dk on ba u miiaiitigb dienstknecht.
godsgerigt als ecne onbetaalbare bcschouwe,— 10.000 talenten! I) — opdat hij door de onpeilbare genade, die dat fdles vergeeft, te meer tot vergevensgezindheid zou bewogen worden; hij wil met één woord , dat in plaats van rogt en van toerekening , de liefde Gods onder de zijnen hcerseho; dat het vergeven hun geene opoffering zij, maar een genot, eene tweede natuur. Petrus neemt de wet der vergelding in hare zwakste en zachtste toepassing, maar jbzus laat haar geheel vallen: uNiet zevenmaal, petrus! maar zeven lui maal zeven maal, zonder tellen en toerekenen/'
Maar daar onder ons die seherpe grenslijn tussehen de christelijke broederschap en de wereld buiten chuistüs is uitgswiscbt, kunnen wij te meer aan deze Parabel eene alge-meene uitbreiding geven, tot alle leed, dat de menschen ons aandoen. Jezus zelf deed dit bij eene andere gelegenheid. Want geheel de Christenheid bidt op zijn woord: // Vergeef ons onze schulden , gelijk wj vergeven onzen schuldenaren!quot; En waar jezus deze bede in de bergrede leert, volgt op haar alleen, niet op de andere beden van bet Onze Vader, een woord van uitleg en aandrang, dat reeds op onze Gelijkenis vooruit wijst: llani indien gij den menschen hutine misdaden vergeef l, zoo zal nw Hemelsche Vader ook u vergeven; maar indien gij den menschen hunne misdaden niet vergeeft, zoo zal ook nw Vader uwe misdaden niet vergeven.
Deze algemeene spreuk kan eindelijk nog eene vraag beantwoorden , waarmede de men-schelijke bekrompenheid op den eiseh der vergevende liefde zou kunnen afdingen. Ik herinner mij ten minste, dat aan een ontwikkelden zelfs geleerd man, maar die het verder in de waarheid als in de liefde gebragt had, werd gevraagd, waarom hij eene hem aangedane beleediging naar jezus' voorschrift niet vergaf. Hij antwoordde, met den vinger op vs. 2!) van dit verhaal; «Ik zal 't doen, zoo dra mijn broeder mij om vergeving bidt.quot; — Die nog deze vernedering zien , en daarin 't zoet der wraak smaken wil, in hem is de liefde Gods nog niet volmaakt geworden; hij kan dus ook niet, wat jezus in de slotspreuk der (ielijkenis zoo nadrukkelijk eiseht, van harte 2) vergeven; en ik geloof, dat hij even iiini dat diepe gevoel beeft van de goddelijke heiligheid en eigen zonde, waardoor naar deze Gelijkenis ieder sterveling, — ook petrus zelf, en alleen jezus niet, — als een schuldenaar van tien duizend talenten tegenover God staat. Dat schuldgevoel ontbreekt misschien het meest van allen aan do christelijke wereld van onze eeuw. Daardoor wordt ook een heimelijke wrok, een staan op eer en regl gevoed, dat den Christen allerminst past. ü) En duizend en nogmaals duizend malen verongelukt het Allervolmaaktste Gebed, eer het den troon der genade bereikt, omdat hot schipbreuk lijdt op die vijfde bede: Vergeef ons onze schulden, gelijk wij vergeven onzen schuldenaren! Want de Vader
i 9
■
ife jf! f 3
H
iSh
1) Quisqw m pro dlo uno tuibTe debet, far e/iim est omnium ratio. Bengel.
2) De uitdrukking vs. •'i.') anó xüiv xctychwy is wel wat vreemd; de meer gewone is , niet van, maar uit hel hart ó'Ays tiyï xagSiai, Mallh. XXII; 37 of è* xogJius , Hom. VI: 17).
3) Het bclioelt wel geeue herinnering, dal jezus hiermede do straffende hand der geregtiglieid niet weêrhouden wil, die geene wraak bedoelt, maar handhaving van regt en orde iu de maatschappij. Solch Otbot fall man nicht in das Weltrnch ziehen. Da soil man der Bosheit nicht zusehen, noch leilermann thun lassen , tea* ihn grlnstft, Lutueb. Zoo ook mei.anchtuon.
ü
i
DE OMBARMHARTIOE DIENSTKNECHT.
iu dc hemelen verhoort niet, wie tot het altaar des gebeds nadert met eene leugen in zijne regterhand.
Ik eindig met eene aanhaling uit jezi's sitiach (TT. XXVTTT : 1—5), den eenigen der apokryfe schrijvers, op wien hier en daar dc spreuken van het Nieuwe Testament duidelijk terug slaan, zonder dat hij toch ergens wordt aangehaald ;
Die wraak oefent, zal in God een en Wreker vinden j Hij zal zijne zonden voorzeker in gedachtenis houden. Vergeef uwen naasten, und hij tegen u misdreef; zoo zullen, op uw gebed, uwe zonden vergeren worden. Een menseh behoudt den toorn tegen zijn' even-men seh , en — zoekt bij God vergeving! Omtrent een' menseh, zijn' gelijken , oefent hij geen barmhartigheid, en hij wil die voor zijne zonden afimeeken. Wanneer hij, een sterveling zijnde, den wrok niet kan afleggen, wie zal dan zijne zonden verzoenen ?
En wil men nu hierbij nog eene geestige Kabbijnsche allegorie? Tk vond zc aangehaald bij noek , eu zij luidt aldus :
«Gij zondigt zwaar tegen Mij, zegt dc Heer, en Ik heb geduld met u. Dagelijks komt uwe ziel, wanneer gij inslaapt, tot Mij, en legt rekenschap af en blijft mijne schuldenares. Ik echter geef uwe ziele, die toch in mijne mngt vervallen was, u terug, en gij ontwaakt. Even zoo gebood Ik in mijne wet [Exod. XXII : 26, 27), dat gij uwen schuldenaar zijn kleed, van hem tot pand genomen, zoudt weder geven iedcrcn avond.quot;
364
Zoo :/ij dan uwe gare zult op den altaar offeren, e» aldaar gedacMu, wordt, dal uw I,roeder reü tegen u heeft; laat daar uwe gare root den altaar, 'en „u hem,, verzoen u eerst met uwen broeder, en kom dan en offer mee gare.
Eindelijk worden wij ook eens door één vnn jkzus'Oelijkcnissen verplaatst in .leu tempel te Jeruzalem, liet middelpunt der Israëlitische eercdienst. Is 't niet opmerkelijk dat .u./is /00 veel hij kan in den tempel is, en toch /,00 weinig mogelijk van priester en ollera.ule en feestdagen spreekt? Ook dat zal de dweepzieke Jern.alemmers wel geërgerd hebben, vooral toen hij begon te voorspellen, dat men eerlang niet meer bij uitsluiting te Jeruzalem of op Gerizim zou aanbidden; dat zelfs deze tempel zou worden afgebroken en verwoest, en toch de aanbidding in. geest en in waarheid zou toenemen. \\ elk eene ketterij voor 'den regtzinnigen Jood, zoo geneigd om, in zijn' nationale., trots op't prachtige heiligdom, te vergeten, dat het reeds eens had woest gelegen, en in vroeger eeuwen niet eens bestaan, zonder dat de ware godsdienst daarmede schade had geleden!
Maar verachtte en verzuimde jkz. s dan de vormen der voorvaderlijke eemlienst., waarvan hij zelf toch den goddelijkeu oorsprong erkende? Verre van daar! Ook hem was de tempel lief, reeds in zijne jeugd als het huh zijns laders, later als een huis des geheds ■ maar het was met de tempel, die zijne gebeden heiligde: integendeel, door het gebed van een vroom hart wordt eerst .le tempel heilig. En over de offerande dacht jezus als over den sabbat, 't Is al voor den mensch ingezet, om tot ware godsvrucht hem op te leiden : met de mensch geschapen, om een slaaf van sabbat of otFerande te zijn.
Dit beginsel, - de vrijere beschouwing der wet, die zoo lijnregt tegen 't farizeïsme overslaat,-bezielt van den beginne af de Bergrede. De Schriftgeleerden en Farizeén hielden zich angstig aan den vorm; zij eisehten letterlijke betrachting der wet, en hechtten aan de uiterlijke daad alleen waarde. Jizis stelt deugd en hemelsgezindheid, reinheid van hart .u eene ontfermende, allen omvattende liefde hoog boven de vormen der eemlienst, terwijl hij de daad beoordeelt naar het beginsel, de aanbidding naar het hart waaruit zij voorkomt. Zoo is het in het voorafgaande: //Te onregt toornen, schelden, verdoemen, dat is het straf-nare in den moord, gelijk de begeerlijkheid der oogen reeds overspel in 'r hart heiden kan/'
de tempelgang.
Aan die strafbaarheid van den toorn nu (vs. 32) voegt je/a's twee zinnebeelden toe, waarin hij vredelievendheid en verzoening aanbeveelt. Het eerste noemde ik den Tempelgang, het tweede den Gang naar den Regter. 't Eerste heeft mattheüs alleen, maar het tweede ook lukas.
Naar de wet was er drieërlei offerande, die Israël op bet voorhof verzamelde: brandoffer, dankoffer, zoenoffer. Maar waar nu jezus eindelijk ook eens van de offerande spreken zal, gebruikt bij bet algemeene woord gave, dat van elke offerande (Matth. XXIIt: 18), inzonderheid van de bijzondere en vrijwillige, (dus niet nationale) wordt gebezigd, l) zelfs van het geld, in de tempelkist gestort. Alleen als eene gave van 't vroom en dankbaar gemoed, kan elke offerande Gode welgevallig zijn, niet als uiterlijke en slaafsebe wetsbetrachting.
Stellen wij ons het geval voor oogen, dat jezus voor den geest staat. Daar komt een Israëliet met zijne gave in den tempel, zoo als eens maria, het kind jezus op den arm, 't vrouwen voorhof binnen kwam, met een paar duiven en 't losgeld voor haar' eerstgeboorne in de hand. En nu spreekt de Heer: nZoo gij gereed daal uwe gare op den altaar te
offeren......quot; Eigenlijk offerde men zelf niet, en legde even min zijne gave op den altaar.
[lit was het werk van den priester, hierin door de Levieten getrouw bijgestaan. Maar het aandragen, zoo als er eigenlijk staat, 2) het vrijwillig opbrengen der gave aan (iod, dat was 't werk van lederen Israëliet, de offerande van 't hart. Den priester was slechts het eeremoniëel, de uitvoering der offerande naar de wet, opgedragen, en daarvan spreekt jezus hier zoo min als elders.
Maar nu was 't natuurlijk, dat bij het aanbieden der offeranden, de een wel eens naar den ander wachten moest. Zoo verbeelden wij ons de nederige makia , terwijl zij anderen en rijkeren laat voorgaan , en intusschen sim eon reeds haar en haar kind heeft opgemerkt. En zoo stelt jezus nu een' Israëliet voor, op liet uitgestrekte voorhof waehtende, tot bet altaarvuur ook zijne offergave verteren zal. Maar intusschen bedenkt hij zich wat. uGij wordt aldaar indachlig, dal uw broeder iets tegen u heeft.quot; — De broeder is hier een Israëliet, minder met opzettelijke uitsluiting van vreemden, als wel omdat de Jood in den regel enkel met landgenooten vertrouwelijk omging, en dezen ook alleen bet voorhof van den tempel zamen betreden inngten. Naar het scboone bedevaartlied [Vs. CXXXUI) moest t hier liefelijk zijn, waar broeders zamen woonden, als werden allen te zamen door de gewijde zalfolie van aüron besproeid. Maar dat was niet altijd zoo. Voorondersteld dus , dat er iets tusschen u en uwen broeder in den weg is, en dit komt u te binnen, wachtende, voor
1) De Rabbijnen hebben «elfs dit wnoid (1m(j0v in hun later Hebreeuwsch overgenomen , en vergelijken het met een ecregcschenk, dat men aan een' koning bragt. — In oezus' tijd gebruikten de Wetgeleerden evenwel nog liet Hebreeuwsehe woord Korhaan, dat. men met Grieksehe letters geschreven vindt Murk. VII ; II.— Wat de zaak betreft, te zondigen, daarvan geen boete te doen , en toeli te offeren, noemt de Talmud het werk van eeuen dwaas; «omdat bij niet weet, of hij teu goede of ten kwade offert.quot; (Scuöttgkn.)
2) Het oorspronkelijke woord nyouipéiio) drukt, minder liet priesterlijke eeremoniëel der offerande uit, dan wel liet ten offer brengen; zoo wordt het van adels en Israels offeranden {fh/ir. XI,: 4 ; //aii'l, VII : 42), en van den Heiland in Gethsemnné (FTehr. V : 7) gebruikt. 'Rnï heeft ook een ruimer bctec-kenis dan ons op , zoo als bet bij voorbeeld bij i.ukas voorkomt van naar of voor overheid of regter gebragt te worden, (/.uk. XXI : 12 , en in de volgende Gelijkenis, T,uk. XII : 58.) Men kan dus vertalen : ••Als gij uwe gave aanbrengt, om op den altaar gelegd te worden;quot; maar ook eenvoudig: «Wanneer cij uwe gave ten offer brengt naar den altaar.quot;
DE TIMPKl.dANO
den altaar, wat clan? — Hebt gij iets tegen uwen broeder , dat is voor 's Heeren altaar hissclum God en u af te doen, Maar heeft uw broeder iets tegen u, heeft hij regt om zieli over u te beklagen; 1) heeft bij het //Raka !quot; van gisteren , door je zus zoo ernstig bestraft, u nog niet vergeven: wat dan? Verzoening is aan te raden, zeer zeker! Dat zal ieder leeraar n zeggen. Maar wat heeft op dit oogenblik het eerste regt en den meest en haast? //De offerande,quot; zegt gewis de Schriftgeleerde: //want God gaat vóór de menschen, en de tempel boven alles.quot; Een bewijs, hoe ver zij dit dreven , haalt jezus elders aan. Wanneer een kind zijnen ouders de hun wettig toekomende ondersteuning weigeren wilde, had hij slechts (met 'i zelfde woord, dat hier gebruikt wordt,) te zeggen; //Ik heb het als eene gave aan den tempel gewijd, wat anders aan mijne ouders zou toekomen;quot; — en iiij mogt, altijd volgens de moraal der Schriftgeleerden en Farizeën, zijne ouders gebrek laten lijden. Hoe veel meer reden was er, om door eene verzoening met zijnen broeder in het aanbrengen en otteren van zulke gaven zich niet te laten storen! Menschelijke plig-ten konden immers voor bet hoogste en heiligste wel eenige uren uitstel lijden ?
Ganscb anders leert jezus: //Komt u voor het altaar die broedertwist te binnen, is hij bij uwe offerande u een hinder, Iaat daar uwe gave voor den altaar liggen , en spoed n weg.quot; Haast u, even als iemand, die zich bedenkt, dat hij te huis vuur heeft laten branden, en zijne kinderen daarbij in doodsgevaar zijn. — Het gebeurde zeker wel eens meer, dat het offer tc vroeg werd aangebragt of er al te velen te gelijk kwamen, en dat dan van dezen en genen de gave, terwijl zij zich nog voor eenigen tijd verwijderden, onder de hoede van de tempelwacht werd gesteld. 2) Maar waarom die haast, die den priester zelf verwondert, wanneer hij straks met offeren niet kan voort gaan, omdat de offeraar zelf daar onder Tsraël bij moest zijn?—nSpoed n voort I Ferzoen u eerst met uwen tjroeder. Fm kom dan 3), en offer uwe gavequot; Zeg het hem, die gij van uw'naaste of vriend u ten vijand gemaakt hebt: //Mijn broeder! ik heb u beleedigd. (jij zijt nog toornig op mij. Ik kan met rust niet offeren. Wilt gij 't mij vergeven ?quot; Zoo hij niet wil, is uw geweten vrij; maar zoo hij zich met u verzoent, des te, beter. Gij hebt uwen broeder gewonnen, Kom dan ! Alle dingen zijn gereed. Offer uwe gave. Zij zal welgevallig zijn aan uwen Vader, die inde hemelen is, die in zijne kinderen allermeest de liefde, en tus-
schen hen den vrede wil...... Hoe koud is, hierbij vergeleken, het Talmudisch voorschrift,
om, wanneer men gereed staat, zijn paaschlam te slagten, en zich bedenkt, dat er nog zunr-
1) In dien zin, van eene regtvaardige grieve, komt crov ook Opcnb. 11 : 4 en 20 voor. Paui.us noemt het, eene ktugl legen iemand hehben , Kol. Ill ; 13.
2) Lightkooi daarentegen zegt, dat dit geheel buiten de Joodsohe tempelgebruiken valt; dat de broeder wel eens aan het andere einde van 't land wonen kon, en jezüs in dal geval iets onmogelijks bevelen zou; en dat hij dus waarsehijnlijk doolt op het gebruik, om bijzondere offeranden tot de feesttijden uit te stellen, wanneer alle Israëlieten elkander gemakkelijk in den tempel vinden konden. De groote geleerde toont — dunkt mij — hier meer kennis aan de Rabbijnsohe geleerdheid , dan aan den paradoxen spreukstijl van onzen lieer, die juist daardoor zoo treft en hecht. Dat het niet zoo geheel en al van de Joodsohe zeden afweek, zal ons straks schöttgek leeren.
3) Bengel merkt op, dat er staat Kom, en niet Keer weder, omdat de eerste tempelgang vergeefs, ijdel was (Prior itio irrila) , en dus niet mede telt. Scherpzinnig zeker, als altijd, — maar ook juist, en niet al te spitsvondig?
5(1*
DE THMl'KUiAM!
deeg in huis is, toch haastig terug te keereu om het uit te zuiveren ; of zoo dit volstrekt onmogelijk is, het althans te doen in zijn hart! (schöïtgkn.) 1)
Men zou Jii'/rs verkeerd verstaan, wanneer men hier de balans meende te vinden der liefde tot God en tot den naaste, als of hij zeggen wilde: //De offerande komt er zoo veel niet op aan!quot; — zoo als velen onder ons de godsdienstoefening verzuimen, voorgevende, dat braaf leven en weldoen de ware godsdienst is. Zoo ergens, dan komt hier de spreuk van jezüs te pas : Dit moes/ men doen , en het andere niet nalaten. Er is volstrekt geen strijd tussclien offerande en verzoening, liefde tot God en liefde tot den evennaaste; de eerste, zegt mus elders, is wel het groote gebod, maar de andere een pligt, daaraan gelijk. Hoogstens zou men er uit kunnen afleiden, dat de verzoening meer haast heeft dan de offerande, 3) dat daden van liefde onvrede vóór die der uiterlijke eeredienst gaan. Wie voor eene enkele maal de kerk verzuimt, om eene noodige liefdedienst te bewijzen of vrede to stichten , om de ellende ie verligt en en in kommer en zorg te troosten, zal zeker wel bet minst van allen zicb te beschuldigen hebben, dat hij den dag des Heeren ontbeiligt!
Maar er ligt nog iets anders en iets meer in dit beeld. Niet enkel : //De verzoening heeft haast, eer 't misschien te laat is, of ook uwe goede stemming voorbij gegaan;quot; maar ook - //De offergave na de verzoening is Gode veel aangenamer, dan die er vooraf gaat, omdat God op bet liarte ziet, waar liefde in woont, en dat voor die liefde zich des noods opoffering van gemak en genoegen, van regt en eer getroost.quot;— Komt hierbij niet, mijn lezer! u onwillekeurig eene andere offerande te binnen, de eerste gave, waarvan de bijbel spreekt, en die toch door God werd verworpen? Het offer van kaïn zag God niet aan. En waarom niet? Omdat bet te min was, van veel minder waarde dan het uitgelezenste zijner schapen en hun vet, door abel geofferd? Maar zegt niet te regt de profeet, dat al 't gedierte van den Libanon voor Gods grootheid nog geen voldoende offerande zijn
1) I'iulo , die — in tegeastclliug mei liet Palestijnsche 'Farizeïsme — de gclieele wet geestelijk opval, zegt, dat liet uaauwkcurig onderzoek (ook vau liet binnenste) der offerdieren is ingesteld, opdat hij, die offert, zich zclven beproeve , of er ook een booze harlslogl ia hem seliuilt, Zie de plaats aangehaald bij raiCAias, en bij r. non us do gezegden van sekeca ea rtATO over de vroomheid des harten , als de eigenlijke waardij oazcr offeranden.
2) Verzoen u eerst—, niet vooraf [nyctsijoi'), eergij offert, maar »Doe dit het eerst (nyonoy) van de twee.quot; De verzoening heeft, om zoo te zeggen, de prioriteit. Daarop dit nyMtov evenwel een iot« (dan, daarna) volgt, kan men ook't welgevallige van de offerande na de verzoening er uit afleiden. Wat die verzoening zelve betreft, i/frt rw ddblifioj aov wordt misschien 't meest letterlijk vertaald ; t.eg h-l bj utri uwen broeder. »Miiak, dat gij 'I te zamen eens wordt.quot; Het woord komt hier alleen in 't N. T. voor. (Zie uahting.) I'ai i.us gebruikt, ook voor zich verzoenen (1 Kor. Vil : 11; 2 Kor. A': 20), y.aiakkaytjTM en xaiaMoyr/rs. Dut de laalste, zoo dikwijls naar onze overzetting verkeerd aangehaalde plaats, vertaald moet worden : t'erzoenl v mei (lel ! is reeds vroeger opgemerkt. Tittmann meent, dat lt;5i nXXinruei t die Aiifhehioiy der ycgenfedigen , xotoAAoaasi»' der einseitigen Feindschaft bctee-kent Dit wordt door tholuck, fbitsciik en mkijer ten stelligste ontkend Ik zie eeliter niet in, dat het op goeden grond geschiedt. Voor ik éénen uitlegger had geraadpleegd, kwam het mij reeds voor, dat lt;Ji« in deze zamenstelling meer de onderlinge handeling, en xma de beslissende daad van ééne zijde beteekent. Alleen de beide aangehaalde plaatsen zouden mij nog doen twijfelen, of dit onderscheid wel zoo wordt vast gehouden,
DK TKMP1 liOANCI
/ou , nocli (U-s zelfs ccderbosschen genoeg ten brandoffer? Neen! de twoe tortelduiven van Maria, waren Hem welkom, meer dan de schoonste lammeren der rijken, en het penningske der weduwe boven huiuie schatten, in do tempclkist gestort. Het was niet, om de mindere waarde oi gebrekkigen vorm van kaïns offer, dat het verworpen werd, maar omdat in zijn somber gemoed geen liefde en vrede, maar wrok en bitterheid woonde. Ware hij heen gegaan en had zich volkomen verzoend mot zijnen broeder, verzoend ook met zijnen (iod , en had hij dan geofferd, de minste gave, die kaik op den altaar bragt, ware kostbaar geweest in de oogen des Heeren.
En wat nu de toepassing van jkzus' les op onzen eigen' levenskring betreft, men betracht die woorden, die geest en leven zijn , wel het minst van allen , door ze naar de letter en als eene wet te willen opvolgen, Naiipen is geen gehoorzamen, en nadoen geen volgen. Die (naar eene andere los van den lieer) zijn' bcleediger, na den slag op zijn cene wang, zeer flegmatiek de andere toesteekt, speelt komedie met jezus' woorden. Even zoo zou 't zijn, wanneer men niet zonder gedruisch de kerk verliet, om zich mei zijnen broeder te verzoenen. Onze godsdienstoefening is eene gemeenschappelijke; en .inzrs spreekt niet van het algemeene morgen- en avondoii'er of van den paaschdisch , maar van een bijzonder dankoffer, dat wachten kon. Ook bij de openlijke eeredienst moet in het hart reeds hekeering en verzoening rijpen, door den indruk van Gods altaren, eer de offergave vau ons gebed Hem kan welbehagelijk zijn; maar dat toch minder de gemeenschappelijke godsdienstoefening, dan wel de bijzondere aanbidding bedoeld wordt, zien wij ook, waar jiahkus de reeds vroeger (Hlz. 363) aangehaalde vermaning van jkzus , orn tc vergeven als men vergeving wcnscht , aanhaalt. Want zij luidt bij hem (XT : 25) : Wanneer gij slaat om te hulden , zoo vergeef enz. Stieh noemt dit te regt : //de vermaning van onze Gelijkenis ueutedamentlkli wiederhall.quot;
In één opzigt slechts is, naar een eerwaardig voorvaderlijk gebruik, de meer letterlijke opvolging van jkzus' woorden aan te bevelen. Reeds onder de godvruchtige Joden werd, tegen het naderen van den grooteu verzoendag, ook onderlinge verzoening een heilige pligt geacht (sciiokttge.n), en bij de oude Christenen was het gebruikelijk, dat vóór het avondmaal , toen veel meer gevierd dan thans , de huisgenootcn elkander vergeving vroegen , zoo zij elkaar in iets beleedigd hadden. 1 it de oude Oh risten kerk is dit tot de Hervormde, uit de meer huiselijke avondmaalsviering in die der gemeenten overgegaan. Hel formulier gebiedt het nadrukkelijk, en stelt //het hartelijk voornemen, om van nu voortaan in ware liefde en eenigheid met den naaste te leven tot één der kenmerken van den waren avondmaalgangcr. Onder ons volk is dit denkbeeld diep geworteld. Niet zelden ben ik geraadpleegd over de vraag , of bij heerschende familie-twisten men wol aan het avondmaal mogt gaan. Maar nog meer zag ik er jaren lang, ja soms voor altoos om die reden van wegblijven. Ongelukkig genoeg, dat op die wijze de les van .iK/.rs maar voor de kleinste helft wordt betracht: wel het Ga heen ! maar niet: Verzoen u met meen broeder. Wie den dag der verzoening verschuift, en daarom ook dien van het schuldoffer des Nieuwen Testaments; hij eet zich geen oordeel, het is waar, maar toont even min, dat hij een christen is. En zelfs, al is het avondmaal en 'f paaschfeest vooral ter verzoening bijzonder geschikt ,
3Ö9
1
870 DE TBMPELGANO.
wie het daarop uitstelt, heeft het apostolisch woord nog niet begrepen ; haai de zon niet ondergaan over mee toornigheid! [Ef. TV : 26.) 1)
En om nu eindelijk nog eens tot het punt van uitgang ; //do waarde en betrekkelijke noodzakelijkheid der uiterlijke godsdienstpligten,quot; terug te keeren, het kon niet anders, of jezus moest hieromtrent in onaangename botsing komen met de partij, die toen zijn volk en des zelfs godsdienst overheersehte. Zijne leer, dat het hart alleen bierbij geldt, geesten tcaarheid hoofdzaak is bij de aanbidding, was een gruwel in de oogen der streng Joodsche partij. Maar wat vreemder is, de kerk van Christus zelve kwam hieromtrent met haren Stichter in de snijdendste tegenspraak. De kracht der uiterlijke vormen, — of, zoo als de kunstterm is, van het opus operatum , — werd in de Katholijke kerken, oostersche en westerscbe, nog veel verder dan door de Rabbijnen gedreven. Onder de Protestanten is hierin merkwaardig de tegenstelling van luthek en kat.vun , en van den geest, die van beiden is uitgegaan. De eerste, die van het priesterlijke nno:t g.dieel los werd, wilde met geweld de mensehen tot de vaste kerkvormen drijven en 't jaarlijks avondrnaalvieren hun opdringen. Xog kan in Zweden en Noorwegen niemand een' post bekleeden, die ten minste niet eens in de drie jaren communiceert, —met of tegen zijn hart!—Maar wordt dddr het denkbeeld van pligt zuiver wettisch toegepast, de Kalvinistisehe goest heeft er al teveel dat van regt in de plaats gesteld, en misbruikt het christelijk offermaal, om af te schrikken in plaats van te verzoenen.
Nog een antwoord eindelijk aan hen, die het beginsel, dat harmhartigheid mcr is dn» offerande, zóó ver drijven, dat zij vragen: //Waartoe dienen die uiterlijke vormen van gods-vereering, wanneer het leven zelf de eigenlijke godsdienst is?quot; — Indien de kerk is, wat zij wezen moet, dan komt de vraag; //Waartoe dient al dat kerk gaan?quot; over een met eene andere , die alleen het onnoozele kind doen zal ; //Waartoe dient de bron, daar de rivier vol water is ?quot; of //Wat is de zon noodig ? Over dag is het toch licht.quot; De bron droogt uit, en niet op eens, maar langzamerhand verloopt de stroom. T)e zon gaat onder, en op de toenemende avondschemering volgt de nacht. Zoo ook kwijnt dc deugd, waar de godsdienst wordt verzuimd of min geacht. Het groote gebrek is, dat men de uiterlijke godsvereering te veel als een' afzonderlijken pligt beschouwt, als eene gave, eene schatting, ons tegenover het Opperwezen opgelegd. Juist die godsvereering moet ons, niet van de wereld afzonderen, maar veel eer indachtig maken, wat in'de wereld en in ons hart tegen de godsdienst strijdt. Mijn lezer! met het oog op onze eenvoudige Gelijkenis: bebt gij wel eens die zelfontdekkende kracht van 's Heeren altaar ondervonden ?
1) Peccant, qui non nisi turn, quum sacrum coenam accêpturi sunt, cum /rutrc transiyunt. Maxime lam*» /lecfssuria cal rcconciliaiio , et maxime urgens in conscienliu reeordatio, rem divinnm factnns. Bengel.
LX VUL
|
Matth. V : 35 , 3(i. II '/'es haastehjk wel gezind tegen vice vgt;c-derjiaitj , terwijl gij nog me! hem op den weg zijl ; opdat de wederpartij niet missehien ■u ilen regter ocerlerere, ev de regter v den dienaar orer/evere , en gij iv de gevangenis geworpev wordt. Voorwaar ik zegge v : gij zvdt daar geenszins uitkomen , tot dat g j den laatsten penning zult betaald heljhen. |
II aid als gij henen gaal met uwe loeder-partij roor de overheid, zoo doe naarstigheid op den weg, om van l/em verlost te worden ; opdat hij misschim n niet voor den regter treil;e, en de regter v den geregtsdienaar overlevere, en de geregtsdienaar n in de gevangenis werpe. Ik zegge n; G j zult van daar geenszins uitgaan, tot dat gj ook het laatste penningsken betaald zult hehhen. |
Wat, je/.us hier leert, is reeds op zich zelf een wijze raad. Proeessen zijn lastig-, en de nitslng nooit niet, zekerheid te voorzien. Zelfs die ze wint, betaalt liet duur, en de verliezende partij wordt er ongelukkig door. En daarbij wordt het gemoed er door in zoo groote onrust gebragt, Z(W veel haat en bitterheid er door aangekweekt, dat de godsdienst zelve er sehade door lijdt. Daarom wil patt.vs, dat Christenen elkander in 't geheel niet voorde regtbank trekken, en vraagt,—wat hij nog wel honderd maal vragen niogt, omdat de mensehen er zoo slecht aan willen:— n Waarom. Ijdt g j niet liever onregt?quot; (1 Kor. VI; T.) En al is 't uit een lager oogpunt , dat der praktische en in den grond wel wat zelfzuchtige levenswijsheid , de wijze sat.omo waarschuwde ook al {Spr. XXV : 8) : Vaar niet haasteljk voort om te twisten, (Ga niet te spoedig met uw' tegenstander naar de gerigls-plaats,) opdat niet misschien aan 't eind, wanneer uw naaste v beschaamd doet staan (of smadelijk bejegent), gij iets doet, dat u berouwen zon.
Ook de wijze les van mrs is op ons eigen belang gegrond, waar toch ook het meereii-deel der menschen het gevoeligst voor is; en voor menschen gaf mra zijne moraal, niet voor engelen. Bij het beeld , dat hij ons schetst, moeten wij ons eene oostersehe regtbank denken, vrij wat eenvoudiger dan de onze. Geen omslag van regtsgeleerde vormen, maar eenvoudig, althans voor dagelijksche geschillen en geldzaken, een enkele regter of Khadi in iedere plaats, die naar oude en onveranderlijke volkswetten , dikwijls ook alleen naar
de ran o naar den 11egteh.
gebruik of herkomst, vonnis velt. Eiken morgen vroeg /,it hij, met zijne geregtsdienaars, in de deur of onder de gaanderij. Partijen komen voor hem, en bepleiten zelve hunne zaak. He getuigen worden gehoord, het vonnis gevelden door de geregtsdienaars I) uitgevoerd. Alles in een enkel morgenuur !
Hees iaasielijk welgezind jegens uwe wederpartij, — zegt jezus : — terwijl gij nog mei hem op den weg, op weg naar den regter, zijl. 3) Naar het volgende is hier sprake van eene schuldvordering. Heelt iemand die tegen u, en sleept hij u (naar zijn regt als sehuld-eischer, zoo als wij reeds zagen,) naar de regtbank, haast u, wees welwillend en vriendelijk , zoek 't met hem af te maken op weg. Doe al uw hesl, om van hem los te komen, schrijft iajkas , en roept ons zoo doende nog levendiger het beeld voor den geest van den schuldenaar, dien wij in eene vroegere Gelijkenis bij de keel grijpen en naar den regter slepen zagen. Doe, wat gij kunt: betaal, beloof, smeek en bid! 3) Tedere schrede brengt u nader tot den regter. Zijt gij eens daar, dan levert uw tegenstander n den regter uit; en vindt deze den eisch gegrond, dan zijt gij verloren. Misschien rekent gij nu anders , eu mogelijk zelfs beter; gij zijt in uw eigen oog weinig of niets schuldig; maar de uitspraak des regters is onherroepelijk en zonder hooger beroep. De regter, vindt hij den eisch gegrond , geeft u den geregtsdienaar, en deze den kerkermeester 4) over. Al zoudt gij zelf nu wel anders willen, het regt moet zijn' loop hebben. En zijt gij eens voor schuld gegijzeld, gij komt zoo spoedig niet vrij. Voorwaar ik zeg u, — spreekt de Heiland met zijne plegtigste verzekering: gij ivlt daar geenszins uit komen, tot dat gij den laatsten penning zult betaald hebben. En zult gij dien kunnen betalen? Zult gij misschien niet uw leven in de gevangenis moeten doorbrengen? — Om kracht aan deze vraag te geven, gebruikt jezus, voor den laatsten penning, niet het woord denarie, dat wij nu reeds meer malen ontmoetten, maar een veel kleinere koperen munt, de quad rans, die mei
1) 7V/Geriehtsdiener gehort zur Larslellung (ten gcrichttichen Jcles, und iccr damit gemeint sfi, er hell l tms X [I I : 41, 42. meueu. Het is waar, ilat daar cn elders de Engelen uitvoerders zijn vau het Mcssi-aansche gerigt. Of eehter de lieer er hier op doelt, is ceue andere vraag.
2) Roseniiüi.i.eu haalt hier de Komeinsehe gebruiken aan, als toen ook in Palestinn in zwang. In 't algemeen zal dit wel waar zijn, gelijk wij aan het coltum lorqvere vroeger gezien hebben; maar de dagelijksehe regtspraak was toch nog in Israëiitisehe handen. Op dit beeld van een' oostersehen Regter komen wij bij eene latere Gelijkenis terug. Lukas gebruikt hier eerst het algemeene woord overheid maar verklaart dit later door regter (xytr^v). Lightïoot stelt den laatsten boven den eersten, maar zonder genoegzamen grond, gelijk hij over 't geheel de spitsvondige onderseheidingen van latere Rabbijnen wel eens te veel op de eenvoudiger zeden van jezus' tijd toepast,
.3) PniCAEUs haalt uit het Roineiusehe regt aan; Qui in jus vocatus cl, dimiltendus est, — ü tliif.i in jus vemril, de re Iransactvm fueril.
4) Terwijl bij MATrnEns een dienaar op last van den regter, den schuldenaar naar de
gevangenis brengt, levert bij lukas de regter hem over aan den nqaxnog of g er eg t elij k en uit-winner, naar een ambt van dien naam, dat Ie Athene, althans voor boeten en belastingen, bestond. De vertaling geregtsdienaar (UAJIting enz ) is dus voor het laaiste woord wat flaanw, en de gelijkstelling met de pijnigers (miotius) wat te sterk. Ker zon ik de (fWaWorfu besehouwen als in dienst van den nadycoip, en allen gezamenlijk als het personeel van die gevangenis, dio bepaaldelijk tot gijzeling diende. Wat. het overleveren aan de dienaren aangaat, ir. nu gkooï haalt uit aiustides aan; t De redenaar (aanklager) stelt de sehnld aan 't lieht, en geeft den schuldige den regter over. Deze, nadat hij 't heeff aangehoord en er kennis van genomen, levert hem aan de geregtsdienaars over.quot;
•372
DE ganf! naar DEN REOTEli.
onze oude duit nagenoeg over een komt; ja! bij iajkas is 't een lep ton, die nog de helft ligter weegt, en liet kleinste muntstuk der oudheid was. 1)
Tot zoo ver de letterlijke zin der woorden. Lazen wij ze, zoo als zij hier staan, zonder dat er ecnige nadere uitleg aan is toegevoegd, in de Spreuken van salomo , wij zouden er niet meer in zoeken dan de woorden zeggen, en het ware, bij voorkomende gelegenheid, eene goede les van levenswijsheid. Maar mrs kwam niet, om lessen te geven voor regts-znken. Toen eens iemand hem betrekken wilde in eenen twist, dien hij met zijn' broeder over eene erfenis had, vroeg hij (in dit zelfde Hoofdstuk van i.vkas, vs. II ,) met diepe verontwaardiging; iiMensch ! wie heeft mij tot een' regter of scheidsman over n lieden gesteld-Kn al heeft geen' naderen uitleg bij deze Gelijkenis gevoegd, — of liever, niet eens
aangewezen, dat het eene (ielijkonis is, 2) — zijn ernstig .//■ zegge v., zelfs bij mattueus versterkt doorliet plegtig Amen (Voorwaar), doet ons toch reeds terstond vermoeden, dat eene hoogere bedoeling hier achter schuilt.
En letten wij nu op den zamenhang. Bij aiattueüs kennen wij dien reeds. Het beeld behoort tot die schoone tegenstellingen van .iezus' leer tegenover 't geen van de ouden (eigenlijk den ouden) gezegd is; dat is; de regtzinnige Rabbijnsehe leer, en niet liet Oude Verbond of de Mozaïsclie, wel , waar jezi s nooit mede in strijd kond. Tegenover de strafbaarheid van den moord als daad, gelijk die in de Rabbijnsehe scholen naar de wet geleerd werd, stelt .jkzus die van haat en drift, strafbaar tot in het helsche vuur of de Gehenna van bet Godsgerigt. Hiermede is jkziis reeds van de aardsche regthank tot de hemelsche overgegaan , en vervolgt nu het zelfde denkbeeld, eerst met den Tempelgang, daarna met den Gangvaar den Reg ter. Mij dunkt, 't kan niet anders, of hier wordt van den hemelsehen Regter, onder het beeld van den aardsehen, gesproken, en de zwaarste straf is hier, even als vs. 30, het slot der tegenstelling. Op den zamenhang bij i/ükas zou ik minder bouwen, daar wij in het Twaalfde Hoofdstuk van zijn Evangelie eene spreukverzameling vinden, van onderscheiden kanten bij een gebragt. 3) Jezus heeft daar aan 't slot het woord tot de scharen ) en bestraft hunne huichelarij en hunne kortzigtig-heid , waardoor zij het aanschijn van aarde en hemel wel wisten te heoordeelen, om bran-
1) Zie over deze en andere kleine munten, het aangeteekende Blz. 101.
2) Salmkron gaat uit van het denkbeeld, dat jezus eerst Mallh. XIII in Gelijkenissen begint te leeren, maar erkent toch ook liet zinnebeeldige van deze en andere spreuken der bergrede, zeggende: Sml aliae similitudvws quaedam , etui parabolit non dissimiles, ut iltud apttd Maitheüm : Esto consenticus adversario caet.
3) Stuk, die overal zamenhang weet te vinden, meent, dat bij li-kas de vermaning een meer algemeen en geestelijk karakter verkrijgt, en de wederpartij daar de wet is, mozes, die ons aanklaagt. Daardoor worden dan deze, verzen (in zijn oog althans) een heter slot der geheele rede II. XII.— Dit ten dienste van hen, die niet stier lust hebben, om diepten te zoeken, waar zij niet zijn; en die gelooven kunnen, dat een latere verzamelaar van jkzus' spreuken, zoo als toch ongetwijfeld i.ukas was, zijne redenen in haren zamenhang met volkomen juistheid (stenographiseh) heeft opgeteekend.
de GAJiC VAAR wen ukgteli.
deiule hette of overvlocdigen slagregen te voorspellen, maarniet de teekenen des t ij tl s. Hierop volgt nu; Ba waarom oordeel! //Ij ooi ran n zeiven niet, het (/een regt is? Oi //Waarom ook oordeelt gij 't regt niet uit n zelve, zonder dat liet u gestadig voorgehouden en uitgelegd moet worden?quot; Jlan/ ah gj met uwe wederparty heen gaat naar de overheid, doe niv hen!, om van hem af te komen 1) op den weg, opdat hij misschien n niet voor den regter trefche, me^ slepe naar de regtbank. 2) Zoo veel zien wij hier, dat ook luk as schijnt gedacht te hebben aan de regtvaardigheid, de billijkheid en vreedzaamheid, die ons inden omgang met menschen betaamt, en waarvan wij voor de regtbank des Allerhoogsten rekenschap zullen moeten afleggen. De ernstige teekenen des tijds, waarvan jms gesproken had, schenen reeds zijnen tijdgenooten toe te roepen, wat later een apostel schreef; iij)e Tiegter staat voor de deur!quot;
Op weg naar den Regter; — dit is eene eenvoudige en toch treilende voorstelling van het menschelijke leven. Dat leven wordt zoo verschillend beschouwd en gebruikt. Velen is 't een gestadig vreugdcinaal, maar dat toch ten laatste walgt, en waarvan het zoo vurig begeerde genot weg zinkt in het graf. A oor anderen is t een zware arbeid , waarvan zij zwoegen en zweeten, tot zij rusten in het stof des doods. Den een is t leven een spel, den ander eene gestadige bekommernis; dezen enkel liefde, en genen enkel haat. Maar naar de voorstelling van het Evangelie., zoo elders als hier, is ons levenspad //de weg naar den Regter.quot; Want van het begin tot het einde schetst jezus ons tweeërlei leven en tweeërlei wereld (Deze en de toekomende eeuw); hier de beproeving en daar de vergelding , hier de heerschappij der zonde , en ginds de overwinning des gerigts. Ja ! dat is , en wordt steeds duidelijker, de voorstelling van geheel de Heilige Schrift, van waar de Prediker schrijft : heef vaar den lust moes harten, o jongeling l waar hedenh, dat gij om al deze dingen komt in 't gerigf; — tot waar pauu's nog eens herhaalt ; II ij alten zulten (jeopenhaard worden voor den regterstoel van chuistus, om weg te dragen , wat in t lig-rhaam geschied is, het zij goed , het zij hoaad.
Is de eindelijke toekomst naar het Evangelie het groote Messiaansehe wereldgei igt, zoo is ons leven de weg derwaarts, en iedere voetstap brengt ons daar nader bij. En niet alleen , dat de Regter, die voor de deur staat, over ons oordeelt, hij zal ook tussehen ons oordeelen. Wij zijn op weg met elkander, gij en uwe wederpartij, en zijne aanklagt zal ons voor den regterstoel vergezellen, als wij vooraf mei ons verzoenen op den veg. ITo( die uitspraak zijn zal , wie zal 't voorspellen ? Misschien ziet onze vijand in een verkeerd licht, wat wij hem misdeden; vergroot en overdreven; maar misschien ook zien wij even partijdig , verkleinen of vergeten wij, het geen wij hem hebben misdaan. Meden zijn wij
1) Dc uitdrukking $Ó£ h^ynalotv a-n / gt;. /.a ^ tf n i a n: nvtov heeft iets scliilderaclitigs, dat ik zoogoed mogelijk ia bovenstaande vertaling licb zoeken terug te geven. Grotii s noemt de eerste woorden een Latinismus {du operam).
2) Lu kas heeft hier het krachtiger woord xaiaai qij, even als hij van saulus' vervolging (Han l. VIII ; 3) en laler van die der ongeloovige Joden [Han't. X1N : 19 ; XN II; 6) cnyeir gebruikt. In deze (regtskundige) beteekenis komt bet woord alleen bij dien Evangelist voor.
874
DE O a Is'O na a It DEN HEOTEK
nog op weg. Morgen misschien , althans te zamen, niet meer. 't Zal ons toch zwaar genoeg zijn voor 't hooge goclsgerigt. Wat zou 't ons haten, dat ook onze wederpartij dimr schuld had p Haast « — dit is veiliger; — verzoen n met uwen Iroeder, zoek Lij fijds af te komen van den lastigen schuldeischer, 1) die u vergezelt tot voor den troon van
(iod..... Een vijand verzoend is een aanklager minder voor den eeuwigen Regter. Te regt
schreef reeds j mis sik ach , aan het slot der vermaning, die wij bij den Onharmhartigon Diemihiecht aanhaalden (XXVIII: 6«): Gedenk aan uw uiterste, cx Jtoud op, rijands.hap te plegen.
Xog eens komen wij terug op dien taatsten penning, waar reeds de kerkvaders de eeuwigheid der straf uit bewezen, en die — gansch en al tegen de bedoeling in — later in deKatholijke kerk op het vagevuur werd toegepast. 3) Toen ik, zelf nog jong zijnde, een'pastoor do kinderen hoorde inprenten, dat //Onze Lieve Heer tot een' duit toe wil afbetaald worden,quot; ging ik bedroefd en verbaasd naar huis terug, en vroeg mij zeiven af, hoe men dit toch met mogelijkheid uit het Evangelie heeft kuimen afleiden. De verloren zoon, de zondares, de misdadiger aan 't kruis, betalende tot den laatsten penning! Toch hebben ook de oude protestanten zich van dit denkbeeld eener geheele voldoening, — al is 'l dan ook alleen door de verdiensten van cmusTUs, en niet door de genademiddelen der verlatene Eoomsche kerk, — niet kunnen los maken. Hieruit volgde, dat voor de onge-loovigen de volkornene en uit den aard der zonde eindelooze voldoening, in 't vrceselijkst strafgerigt, van volle kracht bleef. Ik wil niet ontkennen, dat de voorstelling van een eeuwig en onherstelbaar verderf overal op den achtergrond van het Evangelie staat. H ij overreden de vienschen, schreef daarom pavia's (naar de gewone vertaling; bewegen hen tot geloof), wetende den schrik des Ueeren. Maar uit deze en vele andere plaatsen blijkt duidelijk , dat dit ter waarschuwing gezegd wordt , en niet als eene geheele afrekening of schuldbetaling voorgesteld. Ons verderf is Gode geen voordeel, maar zou alleen 't natuurlijk gevolg van onze diepe zedelijke verdorvenheid zijn.
//Maar staat er dan toch niet, hier zoo wel als in de Parabel van den Onbarmhartigm hievatknecht, dat in de gevangenis de laatste penning zal moeten tjetaaht worden , of
M 5
it
m ,*M
BI
. : =: s.
IHI ■ Kp |
Üi
iis
m A
Mis
l |
• r j
ifi Wê
I
]) Teutui.i.ianus ziet iu deze tegenpurtij den duivel, aiuanasiis liel vleesch of wel het geweten; augustinus, anselmus en beda God of Gods wet. Te regt voegt (ouoehus er bij: seit haec magis wystira vi'tcntar ijudiH literaria, liet behoort tot 't oratorisch gebruik der l'ariibelea, waarbij de kerkvaders dea gezondea zin geweld aaudoeu, ea niet zelden, gelijk hier aïiianasius, zieh zelve tegenspreken. Hikronvmus daarentegen is ook hier zaiver exegeet, en verdient nog wel eens te worden nagelezen. — Om den Satan toch niet buiten het Godsgerigt te laten, ziet stikk hem ia den i'nijyiti/s bij jMATTHeüs, en noemt dit enkelvoud ein liefer Vink, uur so im J'orbeii/e/iu geyeben. Natuurlijk is hij dus ook de nqnyiMQ bij lv.kas, het hoofd der (iaactriaim'. Maar men behoeft nog het aanzijn van booze geesten niet stout weg te loochenen, om hun het genoegen te misgunnen, van de pijnigers der verdoemden te zijn. Dit middeleeuwsehe denkbeeld komt niet voor rekening van jezus en zijne apostelen.
2) Ik vind echter die toepassing bij de beste Jezuïtische uitleggers , saimkros en maldonaxus , niet; en even min bij asibrosius, oj) wien toeh coaoEluus zieh beroept, als liij schrijft: Ad pfrgiilori'im iudinnt parlicuta donee.
■ f'i I
ii
: n ii
u
de oano naar den keöteii.
anders aan die gevangenis geen einde komen ?quot;—Het laatste staat er niet; en het eerste, een spreekwoordelijk gezegde, duidt alleen aan, dat liet regt zijn'vollen eiscli hebben zal , dat er geen genade of ontferming meer zal gebruikt worden, zelfs voor den laatsten quad rans of lep ton niet. 1) Hij, die hier voor zijn' schuldenaar (zoo als in de eerste Gelijkenis) hard was, of (gelijk in deze) jegens zijnen schuldeischer onredelijk, heeft zelf die aanspraak op ontferming verbeurd. Hij wil regt; wel nu, hem zal regt geschieden !
»Dus wordt hier dan toch de eigenbaat, de berekening van gevaar voor ons zelve, tol liet beginsel der vergevensgezindheid gestehl!J Konden wij er geen kwaad meê, gerust zouden wij mogen haten en ons wreken.quot;.... Hei , mijn lezer! dat zegt mus niet. Maar dat hij geen Kautiaansche deugd predikt, die alleen om zich zelve wordt beoefend en alle loon veracht, dat stemmen wij gaarne foe. Gaf jezus zelf het voorbeeld van 'I hooger beginsel, dat geene berekening is maar zelfverloochening , dat in 't bezit van den schat in den hemel den prikkel der Gehenna gemakkelijk missen kan, — anderen kende hij te goed , om niet in hunne zinnelijkheid zelve een' prikkel tot het goede te zoeken. Daardoor werd jezus de volksleeraar van alle eeuwen, dat een kant nooit worden kon.
Gelukkig dan, voor wien iedere Tempelgang een weg des vredes is en der geregtig-heid ; maar dubbel gelukkig, wie 't geheele leven een blijmoedige Gang naar den E eg ter is, en die van deze aarde, door de distels en doornen van twist en haat zoo rijk bezet, eens in vrede henen gaat!
1) Ad nummam solvere, of ad e.dremum assem, \s 't Latijusche spreekwoord, Ciirvsostomis zcidc reeds toviéart (Jiz/csxms, en leidde er dus de eeuwigheid der straf uit af; minder stellig augustinus (/.over dc Bergredequot;) Miror si non ram significal poenatn, i/uae vocatur aeterna. Onder de nieuwere uitleggers, wijkt bij voorbeeld de solierpziuuigc lngkr hiervan af, schrijvende: ynn aeteruilas ted nequilas poenae perlinet ud collalionem ipsam.
Indien nu de blinde den hlmde Ir.]dl, zoo Kan ook wel een blinde eenen blinde op zullen zij heide in de gracht' vallen. den weg leiden ? Zullen zij niet beide in
de gracht vallen ?
Lu kas b('cft dit bekende beeld onder zijne fragmenten uit de Bergrede, waarbij hij zeker de oorspronkelijke spreukverzameling van mattueüs (de veel besprokene logici) niet beeft gebruikt, maar die op eene andere wijze tot liem gekomen zijn. Dat wij hier weder, zoo als meermalen in bet derde Evangelie, losse spreuken aantreffen, die de Evangelist niet beter wist te plaatsen, zien wij reeds uit de korte inleiding (vs. 3'J«): En lij zeide tot hen eene Gelijkenis, Air parabolische voorstelling vond hij het dus door de overlevering bc-waard, maar de gelegenheid, waarbij zij werd uitgesproken, was in zijne bronnen verloren gegaan. Zien wij echter op bet onmiddellijk volgende ; De discijwl is niet boven z jnen Meester, dan kan het zinnebeeld, ook in het berigt, dat lu kas volgde, wel tol den strijd met de Farizeën behoord hebben.
En daarin is het dan ook volgens mattheüs te huis. Bij hem is de zamenhang niet duister. Ook maekvs heeft dien , maar zonder ons zinnebeeld.
Het is in het midden van jkzus' werkzaamheid en onder steeds aangroeijenden toeloop van het volk, terwijl meer en meer de Fanzeesehe partij hem met argwaan bespiedt. Beide Evangelisten zeggen, dat zij zich tot hem vervoegden, — maar afgezonderd van de schare, als altoos, — en wel dit maal onder aanvoering van eenigen hunner Schriftgeleerden, daartoe opzettelijk gekomen van Jeruzalem. 1) De verhouding van jezus tot deze magtige partij
11 MaTTUFÜs solirijfl : Tute (terwijl hij het land Gennesatel omging) iw 'it/irov oi
unó ijuwc xal lt;pa(/iaaioi. Dit heette vroeger eene IfrndiaiUs, voor «Farizecscbe
Schriftgeleerden.quot; Ik heb nooit voor die rhetorisobe figuur veel geloof gehad. Meu hcebt ook veel te veel het denkbeeld van leeraar aan dat vim Farizeer. 't Is er even min onafscheidelijk aan verbonden . als aan ons orthodox. Eene pnriij is nog geen stand. Mahkps becff ook hior, als meer malen, eene fijnere leokening ; A«l avvuyovxai nyó( avrór ol ipa(gt;KJaioi xnl imv yijufifiniiiov èlttoniii
lt;xnó '/8(joaoXifiu)v. Je Farizeën schoolden zamen, en aan hun hoofd stelden zich schriftgeleerden van .hunne partij, gekomeu van Je.uzolem , als den gewijden zetel der Farizeesche scholen.
I)K HI.IMDK LEIDSMAN.
was dus al inecr on meer gespannen. Zij luisterden goed, maar alleen om te liooren, of hij wol van de Imnnen, wel naar den regol van liet strengste Rabbinisme regtzinnig was. Al die snrouken en lessen, nu ja! dat was wol voor het domme volk, maar 't was het iijne der wet niet. Zij zagen scherp too, maar niot naar zijn karalcter en zijne daden, veel meer naar de uiterlijke vormen van hot leven. Zij hebben döar althans iets op aan te merken. Zo zagen .nr/.rs' discipelen brood eten, — o gruwel!—zonder eerst de handen te wasschen. Hot spreekt wel van zelf, dat hier van geeno zindelijkheid of onreinheid sprake is, maar van eene godsdienstige handeling, zoo als die nog bij de Mahomedanen en andere Oosterlingen in gebruik is. Marktis weidt er over uit voor zijne Romeinsehe lezers. Zoo waren de inzettingen der ouden, 't Stond wol in de wet van mozks niet, maar de stichters dor Rahbijnscho scholen hadden het, als veene omtuining rondom do wet,quot; zoo als de Talmud zegt, or bij gevoegd. Men kon immers niet weten, hoe, nog in do laatste oogenblikken vóór het eten, door aanraking van eon onrein of dood in sekt, de bandon bezoedeld waren ! »Waarom wijken dan uwe discipelen van die inzetting der rogtzinnige vaderen af?quot;
Maar jezi s eert of ontziet die inzettingen en overleveringen der ouden nooit. Hij toont (Kik thans in ceit voorbeeld aan, hoe zij soms do wet Guds zelve daardoor overtreden en te niet doen , krachteloos maken door hunne uitvlugton en sophisinen. Eu nu, terstond na dit gesprek , roept hij de schare tot zich , en leert ; uJToort mij allen , cn verstaat! Het lt;ieen den mond iiujaat, ontrehiifjt den rnensch niet.; maar V geen den. mond uitgaat, dat ontreinigt den menseh. Zoo iemand ooren heeft om te hooren, die hoore!quot; — En de schare verlatende , ging hij naar huis.
Dit gezegde was cent! raadselsprenk, eene paradox voor de Joden, aan de uiterlijke, bepalingen van rein en onrein, en niet aan dieper nadenken gewoon. IVlattuküs en makki s noemen hef daarom eene Parabel, dat hier beteekent een geheimzinnig gezegde, I) anders bedoeld, dan bet letterlijk was uilgosproken: want de spijs, wéér uit den mond uitgeworpen, kon toch niet gemeend zijn. Voor onzen lozer zal de verklaring nu wol niet meer noodig zijn: anders kan hij ze in do volgende verzen , als do discipelen in huis er naar vragen, van .iiizrs zelf hooren. Nu hebben wij alleen te doen met eene andere vraag van .uzi's'leerlingen, die deze nog vooraf gaat: u Weet gij wol, dat de Farizecv, deze rede hoorende, zijn geërgerd geweest?quot;— Men moet bij deze vraag niet vergeten, dat de discipelen nog gansch niet vrij zijn van de vooroordcelen eener streng .Toodsohe opvoeding. Al nomen zij gaarne de woorden van den Meester aan, zoo ver zij die nog begrijpen, zij kunnen toch niet nalaten, die mannen naar de oogon te zien, die bij 't .Toodsche volk golden voor toonbeelden van regtvaardigheid. In hun oog, in hunne trekken hebben zij de ergernis gelezen, of misschien er reeds over hooren mompelen. Zou .)izrs 't wel weten, het ook wel hebben opgemerkt? In deze vraag ligt dus eene zijdelingsche waarschuwing: quot;Wees toch wat voorzigtiger, Meester! Wij krijgen zoo doende geheel de Furizeesche partij tegen ons.quot; — En hierop slaat nu jkzus'
1) Hut Eli/motnf/icvm Magnum (bij mi i.ikr inuigeliaald) noemt naqapoktj een alviy/tatwJi/e lóyoe, o nolkol Xéyovr/i Ztjit/jiu , raadsel, onxlat liet een' verborgeu' zin heeft, die niet terstond uit de letlerlijke beteekenis der «'oorden is op le maken.
DE liUNDE LEIDSMAN.
antwoord: nAlle plavte, die mijn Hemehche i'adcr niet geplant heeft, — ook hunne overleveringen en inzettingen, — zal en moet uitgeroeid worden. Laat ze dus varen ! Stoor u aan hunne goed- of afkeuring niet. Zij zijn Uinde leidslieden der blinden. Indien nu de blinde den blinde leidt, zoo zvllen zij beide in de gracht vallen,quot;
Op deze vertaling heb ik reeds dadelijk iets aan te merken. Onze vaderen maakten zoo vele grachten, dat zij er hier ook een gemaakt hebben, die er slecht te pas kwam. In eene echte Hollandsche stad is 't geene zeldzaamheid, dat iemand, die niet goed ziet of in mist en duisternis voort gaat, in gracht of vaart of haven valt; maar zulke gegraven kanalen kennen de oostersche steden niet. Men moet dus liever het tooneel daar buiten stellen, en dan beteekent het woord eene groeve of kuil. Aan een cisterne of regenbak , gelijk MEiJEK wil , zou ik hier het minst denken. Het woord wijst ons eer op iets, dat de natuur zelve heeft daar gesteld. I) En hebben wij een Oostersch landschap luider voor oogen , zoo kunnen wij dit gemakkelijk aanwijzen. De wegen, soms reeds terstond buiten de- poort der steden, voeren er door woeste streken, met rotsen en stcenen afgewisseld , of waar het harde , geelachtige zand door winterstroomeu is uitgehold , hier en daar ook wol steen of klei uitgegraven. Tn zulke guilen of gaten kon men ligt neder storten, wanneer men niet goed voor de voeten zag. Wie in berglanden, vooral een weinig van den grooten weg af, door do duisternis is overvallen , kent dit gevaar.
En wat nu, als de blinde den blinde leidt? Dit is reeds op zich zelf eene dwaasheid, maar die toch nog zoo onnatuurlijk niet is. Die gedienstigheid — wij zullen het ook bij 't volgende zinnebeeld zien - wortelt vaak in hoogmoed. Hoe zonderling het schijne, de mensch beroemt zieh gaarne juist op dat gene, waarin hij 't minst uitmunt. Die slecht ter been is, beroemt zich, dat hij nog wel zóó ver kan gaan, en de doove schreeuwt u toe, dat gij zoo niet behoeft te schreeuwen. Zoo kon ook de blinde, die nog eene schemering van licht ziet, zich ligt inbeelden, dat hij een' anderen blinde wel tot leidsman strekken kan, vooral wanneer hij beter dan deze den weg weet. De ander vertrouwt zich aan hem toe. Zelf kan bij nu minder tasten, en den grond beproeven, dan hij alleen zou doen. Zoo sukkelen zij voort, tot de weg door een diepe ravijn doorsneden wordt, die men zorgvuldig mijden moet. De voorste stort er in, en sleept hem, dien hij ten leidsman strekte, mede. Beiden vallen in den huil, 2) niet omdat er twee blinden te zamen reizen, maar omdat de een des anders gids wilde zijn. Alléén of elk op zich zelf gaande, hadden zij nog meer kans op behoud gehad , of misschien bij een' ziende hulp gevonden.
n Laat ze varen: zij zijn blinde leidslieden der Hinden!quot; In dit woord van Jezus hooreu
1) Het woord {16amp;vvos (of beteekent iedere diepe plaats in't veld ; zdd bij voorbeeld de holte in de sneeuw, door het smelten met vuur uitgegroefd, in Xenopiions Anabasis. In bet N. T. komt 't, behalve hier, ook nog voor XII: 11, van 't schaap, dat in een' kuil valt op den sabbatdag, en wanneer het op zijn' rug gevallen is, zich niet weder oprigten en tegen de steilte opklimmen kan.
2) Bij de Latijnen is in joveum cadere een spreekwoordelijk gezegde , maar meer van fin den val loopenbedrogen of gevangen worden. Zie pricaeos en anderen. Bij de Grieken schijnt fó'ht/o; in dien zin niet voor te komen.
379
52*
de blinde ll'.tdsman.
wij, ik zou bijna zoggen zekere bitterheid, gelijk nog bij den regtschapen' man eene edeln verontwaardiging opwekt; //Zij verdienen het wat, die ingebeelde wijzen, die beoordeelaars en bedillers, dat wij aan hen ons zouden storen!quot; Op den zelfden toon klaagt jesaja, naar het bekende Tiebreeuwsehc beeld van den wachttoren, over de blinde wachters van zijn volk Israël, (.ƒlt;?#. LVT ; 10.) — Maar even zeer hooren wij in jbzus* woorden het diepste medelijden met de verdoolde schare, door zulke leidslieden op den dwaalweg gebragt. Schapen, die geen' herder hehhen, dat is elders de naam, aan de schare gegeven, terwijl jezus met innerlijke ontferming over hen bewogen- wordt. Want hij weet, welk eenen afgrond van ellende zijn volk wordt te gemoet gevoerd door zulke verblinde! leidslieden, in wie het, als die toch do wet en schrift verstaan , een maar al te groot vertrouwen stelt. 1)
Maar daarom juist stelt jezcs de blindheid van beiden op de schaal der zedelijkheid niet gelijk. Er is eene blindheid van onkunde, die te beklagen, van moedwil, die te veroor-deelen is. Van de eerste geldt liet profetisch woord , waarop jezus zich hij den aanvang van zijn werk beroept ; De Heer heeft mij geroepen , om- te openen de Wtnde oogen. {.Ten. XLTT : 7; TmL TV : 19.) Johannes heeft hieromtrent bij eene andere gelegenheid eene treffende uitspraak van den Heer bewaard. Aan 't eind der ontmoeting met den blindgeboorne, na zijne genezing en de ergernis der Farizeën, zegt jezus; rik hen tot een- oordeel in deze wereld gekomen, opdat, de genen , die. niet zien, zien mogen , en die zien, hfind worden.quot; — Dit nu, — zoo vervolgt de Evangelist:—hoorden wie hij hem waren, uit de Farizeën, en zeiden tot hem: nWj zijn toch niet blind?quot; — Zij begrepen dus de hoogere beteekenis van 't //blind zijn,quot; en wilden dat allerminst zich laten aanleunen. En jezus onderscheidt hen van de blinde schare, blind uit onkunde: nIndien gij werkelijk hlind waart, zoo zondt gij geene zonde hehhen. Maar nu zegt gij: quot;H ij zien!quot; zoo blijft dan uwe zonde.quot; — En van hier, dat jezus, in zijne bekende strafrede tegen de Schriftgeleerden en Farizeën, over zoo opzettelijke verblinding het Wee! uitspreekt: *Wee u,—gij blinde leidslieden, die de mug uilzjgt en den kemel doorzwelgt. [Matth. XX111: 16 , 24.)
Och of ze nog niet maar al te veel de onkundige schare op den dwaalweg hielpen, die blinde leidslieden der blinden, die zeggen //Wij zien!quot; 2)—Het is een zoo stree-
1) Vrrm stiverseits /tie Krlrnniniss rirr gMtliehrn Wahrheil abgeht, schrijft MKIJKR ; der kunn Andere , denen .tic fehlt, nicht zum Mcmnsheile leiten ; sic vierden Beide der Gehenna ver fallen. — üp zieli zelf genomen is dit waar, maar ik geloof toch nog niet, dat het jkzüs' bedoeling is. Deze nieuwsle commentator zet. wat al te veel op den voorgrond , wat anderen te veel hadden verwaarloosd : het Messi-aansehe heil aan de eene, de Gehenna aan de andere zijde. De (lóamp;vvos , waaruit een schaap, en dus ook een menseli, nog zoo gemakkelijk kou worden gered, wanneer men er maar tijdig genoeg bij was, is niet 't beeld der Gehenna. P.uilus heeft de eenvoudige beteekenis van jezüs' zinnebeeld beter terug gegeven , als hij de booze mcnsthoi en toovcnaars noemt rtknvwvtsg xuï nXavui/mvoi- , door vissering U regt vertaald: anderen en zieh zelve misleidende, anderen op den dwaalweg brengende, omdat zij zelve dwalen. (2 Tim, UI ; 1!5.)
2) Het is niet onnatuurlijk, dat de Katholijken dit bij voorkeur op de ketters toepassen, als wier voorgangers zelve twijfelen en dwalen. Zoo schreef reeds ïemuixianl's {de Pracser, C. XIV): Tu i/td jgt;rowde quaeris, spectuns ad cos qui clipsi qiuicruut, duhius ad du bios, incerlus ad ineerlos, coccus tu! caccos, in foveam deducaris meeste est.
380
DE BTJNDK LEIDSMAN.
.')S1
I
I
i 1
^ ü
üS
si
lend gevoel voor menig een , die naauwelijks den bijbel lezen kan , cn hem zeker niet verstaat, als leeraar en leidsman aangegaapt te worden door de domme menigte, die in veelheid en stoutheid van woorden en in eenen stortvloed van bijbelteksten ecne openbaring ziet van den Heiligen Geest, Met veel goeds uit de oude Hervormde kerk , is ook dit gebrek, dat haar steeds ontsierde, in onze dagen met nieuwe kracht ontwaakt, en treurig is 't, die verblinde schare te zien, door blinde leidslieden op den dwaalweg geleid; terwijl aan de andere zijde, maar met minder algemeenen bijval, de voorgangers in 't ongeloof, die zelve geen'vasten grond meer onder de voeten hebben, de menigte uitlokken om hen te volgen. Wij voor ons vragen, als evangeliedienaars, bet monopolie niet van alleen anderen vuor te gaan en te leiden; maar dit alleen vragen wij, dat wie voorgaat, zelf goed zie, en dit toone door een kind des lichts te zijn, bij wie 't oog der ziele zuiveren daardoor geheel 't leven gezond zij.
En storten nu beide, de blinde leidslieden en de blinde schare, in den kuil, of dwalen zij verre af van den goeden weg; het smart ons, maar dat troost ons toch weder, dat alle plaute, die de Hemlsehe Vader niet (jeplanl heeft, zekerlijk zal uitgerueid tvorden.
Woest dan voorzigtig in 't kiezen van een' gids, op den weg naar de eeuwigheid ,— houdt vooral de lampe van Gods woord, en boven al het Licht der wereld 111 't oog; cii zijt zelve niet re/a meestens, broeders ! metende, dal wj dan te zwaarder ourdee! zullen ontvangen. (.! akobüs,)
LXX.
Maitii. VH : 3—5. Ijiïk. VI : 41, lü.
|
[in vuil ziet g j den splinter, (tie in het oog mos broeders is, maar den latk, die in uw oog is, merld gij niet? Of, hoe zult gij tot meen broeder zeggen: nhaat toe , da! ik den splinter vil uw oog uitdoe!quot; en zie, daar is een balk in we oog? Gij geveinsde! werp eerst den balk uit uw oog , en dan zult gij bezien t om den splinter uit mes broeders oog uit te doen. |
En wat ziet gij den splinter, die in mos broeders oog is , en den balk, die in itw eigen oog is, merkt gij vief? Of hoe kunt g j tot uwen broeder zeggen ; •■t.Broeder / laat toe, dat ik den splinter, die in uegt; oog is, uitdoe!quot; daar gij zelf den balk, die in uw oog is, niet ziet ? Gij geveinsde! doe eerst den balk uil uw oog, en dan :utt gij bezien , om den splinter uil Ie doen , die in uws broeders oog is. |
Toen ik nog liet voornemen had, om al de Gelijkenissen ook door platen aanseliouwelijk te maken, was 't of mij deze altijd van verre dreigend aankeek. Nog steeds zie ik in den ouden prentenbijbel dien man met den balk in 't oog, —en men bouwde toen met vrij wat steviger balken! —en ik verwonder mij ais kind, dat bij zijn balans niet verliest en voorover valt. En dan nog de gedachte, dat men dit een oogenbbk zou kunnen uithouden ! De oogen , waar wij terstond 't minste stofje uitwrijven, jeukten er van. En die man, die zelf wel niets moet kunnen zien, is toch zoo gedienstig voor een ander: //Och lieve vriend! sta eens even stil. Laat mij toe, dat ik uit uw oog dien lastigen splinter uittrek,
al doet't u een weinig pijn.quot; En ziet! een balk steekt ver uit het zijne........... Zeker! het
was, in plaat gebragt, eone dwaze voorstelling (/im gtob Gleie/iniss, zegt lvtheu) ; maar juist door het dwaze en ongerijmde hecht zij zich in de verbeelding. De andere platen uit den prentenbijbel zou ik zoo goed niet meer kennen als deze, Is dat reeds zoo bij de nuchtere levensbeschouwing van ons westerlingen , hoe veel meer voor de verbeelding van den Oosterling, die het groteske en fantastische hartstogtelijk bemint!
Toch valt die overdrijvende {Jiijperljolischè) spreekmanier anders niet zoo bijzonder in den smaak van jezus , die veel eer den zin voor bet eenvoudige en natuurlijke zoekt op te wekken. 't Is dan ook opmerkelijk, dal iiier weder, (even als bij den kameel voor 't oog van eenen naald,) Rabbijnsehe plaatsen ons doen twijfelen, of jezus het beeld van splinter en balk niet reeds in de taal en de scholen van zijnen tijd gevonden heeft. Onder velen, heeft de Talmud een gezegde van Itabbi t/lIU-iion (tüvphon?) bewaard: «Ik verwonder mij, zoo nog iemand onder dit geslachte /ich vaneen ander bestraffen laat. Want wanneer iemand zegt:
de splinter rn oe balk.
//Hoe toch dien splinter uit uwe oogeu !quot; kan wederkeerig tot hem worden gezegd; * Doe gij uit uwe oogen den balk!quot;quot; 1) — Bene soortgelijke [lebreeuwsche spreuk luidt: //Hoe zult gij zeggen : //Neem dat stuk splinter uit uwe oogen \quot; en boven uwe oogleden is als een balk van hout.quot;—Mij dunkt, dit laatste gezegde 2) is van lateren tijd, toen mende oostersche hyperbool reeds meer naar Jeu vvesterseheu smaak wilde buigen, en die uit't rijk der fantasie in dat dor werkelijkheid overbreugeu. 'l Is maar een klein, afgebroken splintertje, dat in 't nog zit; en dat gene wat, eu nog maar vergelijkenderwijze, een balk wordt genoemd , ligt in de dwarste er boven. Maar daarom juist is 't even onnoodig ah ongepast, 's Ileilauds woorden hiernaar te verwringen. He voorstelling is dwaas, maar jkzi s wil met opzet eene dwaasheid zeggen , om eene nog grootere dwaasheid te bestraffen. /VI blijft 't nu evenwel, zoo als altijd, mogelijk, dat de lalciv Rabbijnsche seliriften dit beeld bij overlevering van ja/,us hebben, juist om het vreemde er van iu jm s'mond komt't mij altijd nog waarschijnlijker voor, dat, zoo niet de spreuk zelf, dan toeb lt;le beelds])raak (splinter eu balk , mug eu kemel , mosterdzaad eu berg , voor het kleinste tegenover het grootste,) reeds in de volkstaal van zijnen lijd was opgenomen.
Wij hebben meer opgemerkt, dat ziekten en gebreken aan de oogen in het Oosten gansch niet ongewoon waren , eu met de hetle eu droogte daarbij bel gevaar vau blindheid grooter-'t Schijnt dus een wezenlijke vriendschapsdienst, wanneer iemand een ander ontmoet, wieu een splinter in 't oog gesprongen is, en hem daarvan verlost. In de Ilabbijnscbe spreuken is het: //Doe dien er uit!quot; Maar dat gaat zoo gemakkelijk niet. Natuurlijker is «lus, in de voorstelling van jezds , de gudienstigbeid : nB roeder! laat toe, dal ik den tylinier, die in vw oog in, uitdoe!quot;—Maar 't is geen bewijs voor hel goed regt van den migeroepen' geneesmeester, dat rr ecu balk (een veel grooter stuk hout) in zijn eigen oog /,it, en hij't niet eens bemerkt. .quot;5) Eu't is geene aanheveling voor zijne, geschiktheid, dat hij er dien niet weet uit te doen. Dit is 't, wat in de Talmudisebe spreuk het meest spreekt. I!ij jkzus daarentegen komt de zedelijke beteekeuis van zulk eene val se he gedienstigheid iikvt uit; het beeld wordt, eene bestraffing en eene vermaning beide: //Hoe durft gij 4) uwen broeder uwe hulp aanbieden, om hem van een klein splintertje in 't oog te bevrijden r
1) '/Ac. dc plaats bij MGHitoot cu vorstius. Zij schijut Ie bctcekeneu, zoo al.s ook de Glosse het lieefl, opgeval: »Waar allen zondaars zijn, kan niemand den ander bestraffen en verbeteren.quot;- Elders in den Talmud wordt Hit gezegd van de dagen, waarin liet, volk zijne reglcrs zal oordeelen ,quot; dus ook pen' tijd van algemeen zedebederf. Men ziet, dat, zoo als nicer niet dc liabbijnselic spreuken liet geval is , de overeenkomst met het parabolisch gezegde van ji.zus nog meer in den klank der woorden ligt, als ia den zin.
2) Het is door vohstios ('tr A'tugiu .Y. T.) aan eene Verzameling van Ilcbrecuwsehe Spreuken door CASPAR skid el ontleend, zonder dat hem do eerste oorsprong bekend was. De spreuk, uit 'I Hebreeuw-sche bock Musar aangehaald: ,/Neein den splinter weg uit uwe tanden!quot; is. denkelijk uit eene schrijffout ontstaan, daar tanden cu oogen in 't Ilebreenwsch waar ééne letter verschillen.
3) Xfan sie h ^ i vnn (luszcn 'ten Spti'tef des lirwtcrs , nhcr umu lertt nicht ten ei.eneu Batten, «■,/.-t'neti viel nciher tage, sogar \chon zu fü/it-n ware. Stiku. — Ook de opmerking van hraim: is juist: Sptitter, Unlt-en , das i*f non Kinem Sloff; der rine t'ntersehied tügt in. ilcti Grnsze.
4) Mattiieüs heeft; xi Sè fIXiitBii iö naqcpos--ij itüis tgeïi— - Lukas; nws itvaaai ksyeiv —
In beide, in nugt;s (v/«o £gt;/■■', fjun/)'on/e, i'iiic'ai;i's,) en in övvnani (tyuomc/o awlfs , grotius,} ligt het denkbeeld: »lloe is t moidijk ? Hoe durft gij ?quot; — Vergl. orcr deze beteekenis van hoe, bij voorbeeld .Ier. 11 : 23.
.38;}
DE sn.INTER EN DE BALK.
Gij geveinsde! werp eerst den balk uit uw oog ; en dan zult (jij bezien, om den splinter uit mvs broeders oog uit te doen quot;
Hoe vreemd en onmogelijk nu dit beeld is, des te zekerder is de beteekenis. Splinter en balk zijn kleine en groote fouten en gebreken: daaraan twijfelt niemand. En de alge-mecne waarheid, die ien grondslag ligt, is reeds door alle oude zedescbrijvers opgemerkt: de inenscli ziet veel gemakkelijker eens anders fouten , zelfs al zijn die kleiner dan zijne eigene. Aesopus drukt dit uit door twee zakken, waarvan de eene, met eens anders gebreken beladen, voor de borst hangt, de andere achter den rug, waardoor wij onze eigene fouten maar niet te zien krijgen. Vader cats heeft 't zelfde denkbeeld populair gemaakt door de spreuk, dat niemand zijn eigen bult ziet. De Grieken en Latijnen, wieu een balk in 't oog niet naar den smaak zou geweest zijn, gebruiken eene andere vergelijking. u'i Ts even eens zegt senkca : //als of iemand blein of blaasje (do kleinste brandwond) bij een ander opmerkte, terwijl hij vol zweren zit, of in een beeldschoon ligehaam de kleinste vlekjes berispt, terwijl hij zelf met schurft is bedekt.quot; 1) — De beeldspraak van .te/.us heeft echter nog dit voor, dat juist het oog krank is van den man, die in dat van een ander splinters wil zien.
't Is onbegrijpelijk, boe blind wij mensclien doorgaans voor onze eigene gebreken zijn. Wij zijn er mede opgegroeid en er aan gewoon geraakt: en moeten wij soms toestemmen, dat 't niet geheel en al in den baak is, er zijn veronlschuldigingen van allerlei aard bij de hand. De gedachte aan onze eigene verkeerdheid is verre van aangenaam, en wordt dus, wanneer zij ons niet al te sterk is, al spoedig op zij gezet. Maar wat wij in ons zelve niet meer zien, of in een geheel verkeerd licht zien , dat valt ons terstond hij anderen in het oog: de splinter eer dan de balk. Bij de meeste mensclien is dit niet opzettelijk , maar blindheid en zelfbedrog. Hoe kan het oog der ziele, waarvan de Heiland kort te voren sprak {MuitJi. VI : 23, 23), ook gezond zijn en goed zien, met een' balk er in? Zijn 't nu ligchamelijke gebreken, dan is dit alleen eene dwaasheid , die ons bespottelijk maakt. Niet zelden hoorde ik menschen, die zelve meer dan leelijk waren, over ligchaams-gebreken of wanstaltigheden van anderen met zeker genoegen uitweiden , of zag hen die spottende aanwijzen, 't Is belagchelijk, maar in zeker opzigt toch eene verzachting van 't leed, waar men geen schuld aan heeft: want het bewustzijn van als de leelijkste der stervelingen onder hen om te wandelen, is verre van aangenaam. Maar in quot;t zedelijke, waar die afzigtclijkbeid onze schulden voor verbetering vatbaar is, wordt deze verblinding zondig en allergevaarlijkst. Zoo iemand een hoorder is des woords en niet een dader, die is een' man gelijk, welke zijn aangeboren aangezigl bewerkt in een en spiegel; want hij heeft zich zelren bemerkt, en is weg gegaan, en heeft terstond vergeten, hoedanig hij was. {Jak. 11 : U'i, 2i.) En indien zulk een man nu, in plaats van zich zeiven te verootmoedigen en te verbeteren, den zedemeester over anderen wil spelen , wordt hij geen dader der wet, waar een rogter, terwijl er slechts één eenig Wetgever is, die behouden kan en verderven.
1) Papula» observant** alienas, ipsi obsiti pluritjus ulcrribus. Hoc talent qualesiquis pulchcrnmorum cm-j.n urn naeoos aut verrutas dervtoal, quern vera scabies depaseitur. Zie verder vousTlüs , giiotius cn anderen.
de spuntkr kn dk balk.
Zijt dun niet vele meesters, mijne broeders! wetende, dat wij daardoor slcclits te meerder oordeel ontvangen zullen. Want wij struikelen allen in velen. [Jak. IV : 11, 12; III: 1 , 2.)
Dat jakobus , die geheel doorvoed is van de zedeleer der bergrede, ook hier den geest van zijn' goddelijken Broeder juist heeft uitgedrukt, al gebruikt hij diens beeldspraak niet, bewijst ons de zamenhang der Gelijkenis in de Evangeliën. Ltjkas heeft, zoo als bekend is, van de bergrede maar eenige fragmenten, die hij zoo goed mogelijk aan elkander knoopt. Al is het dus niet zeker, dat de Heer zijne spreuken in die orde heeft uitgesproken , het is duidelijk te zien, hoe de Evangelist ze heeft opgevat. Zoo is hier de zamenhang (vs. 37 verv.), wanneer men een' enkelen tusschenzin uitlaat: Oordeelt niet,
opdat gij niet geoordeeld wordt.----Kan ook de Hinde den Hinde leiden ? ---Wat ziet
gij in uws broeders oog den splinter? Doe eerst den balk uit uw eigen oog,— J)e goede hoorn moet ook goede vrucht dragen. M at noemt g'j mij nlleere! Heere!quot; en doet niet, wat ik zeg ?
In de bergrede zelve, gelijk die in haar geheel bij mattiikus gelezen wordt, 1) hangt onze Parabel even eens zamen mei, de algemeene spreuk (vs. 1) : Oordeelt niet, opdat gij niet geoordeeld wordt. Er is ook verder eene merkwaardige, overeenkomst in den gang der denkbeelden niet alleen, maar in de woorden, waaruit wij tot eene gemeenschappelijke, en wel Grteksebe bron der beide Evangelisten besluiten. 2) Eerst wordt het zien van den splinter, met voorbijzien van den balk, berispt; en daarna het zeggen: uLaat toe, (daar dit niet geschieden kan, zonder dat de ander zich daartoe leent,) dat ik den splinter uit uw oog uitdoe!quot; — Ji.zrs keurt wel op zich zelf deze gedienstigheid niet af, om een ander zijne gebreken onder het oog te brengen en die te genezen ; maar wel, dat hij dit doen wil, die zelf zoo veel grooter gebreken heeft, die er dus noch geschikt, noch geregtigd toe is, en wiens bestraffingdaar de menschen zich toch reeds zoo ongaarne laten bestraffen ! — geen de minste kans heeft van doel te treffen. Er is iets anders voor hem te doen, dat veel meer haast heeft: ulVerpt eerst den balk uit uw oog. Dan zult gj bezien, 07)i den splinter uit uws broeders oog ■uit te doen.quot; — Het woord, hier door b e z i en vertaald, beteckent «doorzien, scherp uitzien, staren.quot; He zin is dus, niet: //Dan zult gij zien, of gij 't doen wilt, er plan op maken;quot; maar : //Dan zult gij scherp genoeg zien , van den balk
1) Tusscheu de fragmenten der bergrede bij li;kas een' doorloopenden zamenhang te zoeken, komt mij uiterst gedwongen voor. He onbevangen lezer legge slechts T/uk. VI vddr zich , cn oordeele zelf.
2) Het is deskundigen bekend, dat de Overeenstemming der Evangelisten eene geheel andere studie geworden is, dan zij vroeger was. Toee poogde men, enullijd weder vruehteloos , alle verbalen volkomen te doen over een stemmen, en ze in tijdorde te brengen. Thans is liet ons te doen, om de onderlinge verwantschap, en daardoor de bronnen der Evangeliën op te sporen, liet geen weder in 't naanwste verband stiiat met de beschouwing van liet oorspronkelijk Christendom. Hoe vele en hoe geleerde werken evenwel reeds hierover geschreven zijn, ik geloof dat men, van allerlei hypothesen uitgaande, nog maar al te weinig den regten weg heeft gekozen. Daar 't hier de plaats niet is , om er over uit Ie weiden, wil ik alleen 't volgende opmerken. Het blijkt, door naauwkeurige vergelijking, dat lukas wel ons Evangelie van «akkus heeft gekend, althans een groot gedeelte er van, maar niet maltimls. Wat hij dus met dezen gemeen heeft, cn niet aan makkcs kan ontleend hebben, zoo als deze Gelijkenis, moet uit eene gemeenschappelijke bron genomen zijn. En dat deze bron niet de Hebreeuwsehe spreukverzameling (de J.ogid) van matïiieüs was, maar eene Gricksche, zien wij aan de letterlijke overeenkomst, onder anderen hier aau de vreemde uitdrukking: è.xflalsïv, die niet ligt twee vertalers zouden gebruikt hebben.
385
de spmntkh en ok balk.
in 't oog bevrijd , om ook den kleinsten splinter in mvs broeders oog te onderscheiden ea te vatten.quot; 1)—Jezus betwist dus niet alleen de bevoegdheid, maar ook en vooral de gescliiktbeid van zulke ongeroepene, zelve nog zoo zedelijk verdorvene zederneesters.
Wat eindelijk nog mijne bijzondere aandacht trok, is dat jezus, om de zaak nog aanschouwelijker te maken, zulk eenen zedemeester in 't enkelvoud aanspreekt, schoon het Oordeelt niet I i.lgemeen gezegd was. 't Is of de Heer iemand uit den hoop grijpt, en hem bestraft als hypokriet. Elders heb ik reeds opgemerkt, dat dit woord niet geheel en al door ons geveinsde of huichelaar wordt terug gegeven. 3) liet héteekent eigenlijk t ooneel spel er, en Ji-zus gebruikt het doorgaans of uitsluitend van de Pari-zeesche partij en rigting in zijne dagen , die de godsdienst uit 't hart in de uiterlijke vormen overbragt, zoodat zij iets gekunstelds en kunstmatigs werd. Dit is dus nog iets anders als ons huichelaar, waardoor iemand wordt aangeduid, die om eer of belang eene gods-dienstigbeid voorwendt, welke hij in 't geheel niet bezit. De hypokriet van jezus' dagen — en helaas, ook van de onze!—beeft zich met zijne rol geheel vereenzelvigd. De kunst is hem eene tweede natuur geworden. Hij beeldt zich werkelijk in,—-Eabbi, monnik of oefenaar! —dat er geen vromer mensch op de wereld is, dan iiij. Hem komt dus natuurlijk het regt toe, daar hij met zich zeiven in het reine is, om voor anderer geestelijk welzijn te zorgen. Dit is hem een aangename pligt, daar't stilzwijgend de hoogte aanduidt , die hij zelf bereikt heeft. De Farizeën, die het airen plukken of 't dragen van een bed-deke op den sabbat hoogelijk afkeuren, en zelfs in 't oog van den vlekkeloos Heilige, maar die toch met tollenaren en zondaren omgaat, meer dan éénen splinter zien, zijn zieb
zelve bewust, dat er op hunne sabbatsviering en hunnen omgang niets te zeggen is......
Neen! die splinter niet, maar een veel grootere, een balk is er in hun oog! Al is de spreuk van onzen Heer ook van algemeene toepassing, zeker heeft .tkzüs op die vitters en bedillers, die ook zijne schreden overal volgden en bespiedden, in de eerste plaats gedoeld.
Met een enkel woord wil ik bier nog bijvoegen, dat juist het pikante der voorstelling de kerkvaders bewoog, deze beeldspraak ook op verschillende andere omstandigheden toe te passen; zoo als bij voorbeeld tku'itlliani's zegt, dat de ketter wel eerst den balk uit eigen oog mag uitdoen, eer hij zich vermeet, om in 't oog des Christens naar splinters lt;e zoeken. •quot;)) Jammer maar, dat in hare jagt op ketterij, de Katholijke kerk zoo vaak 't zelfde verwijt verdiende, elders door jKzrs uitgedrukt met liet spreekwoord : Merlicljn-meester, genees u zeiven! — Nog, onder kerkelijke twisten niet liet minst, komen maar al te dikwijls beide spreuken te pas. Hoe velen gaan daar henen, —wij misschien ook , — met hunnen splinter of hunnen balk , en weten 'tniet, en hebben nog veel in anderen te bedillen !
1) Weder imperaimsch , noch concessit), aondern ftdnmch. Mkukr. In zeker opzigt is dit waar, mits rnen 't uiet zóó opvatte: »Wie zich bekeert, zal terstond andereu gaan bekeeren.quot; liet intent a acie ipectare (meueb) is het toekomstige, als gevolg der genezing van het oog. Priu* disce i/ui doces, et anteijuum aliorum mores corrtgus, tuos corrige. Lactantiüs bij pricakus.
2) Mkijer zegt: Dus Ailrihut (Houchler, der dn fehlerfrei dich anstcllxt) isl hirr von der ohjeeiivn Krschcinung tninommen; suhjeeliv isl, wtis hier ah Ucuchelei erseheinl, Selbst lerblendung.
3) Xie deze plaats, en andere van iuehonymus, hasimus, sEBiaiuson isiookuü, bij vokstius.
386
O reft het hellirje rten honden niet, noch werpt uwe paart en niet voor de twijnen ; opdat zij niet te eenicjer tijd dezelve met hunne voeten vertreden., en zich omkeerende u verscheuren.
Weder eene parabolische spreuk uit de bergrede, en wel eene, die de andere Evangelisten ons niet hebben bewaard. Zij sluit zich omniddellijk aan bij die van den Splinter en den üalk, Slaat /.ij daarmede in ecnig verband? Noodig is dit niet. 't Is eene eigen-schap der oostersche wijsheidsspreuken, dat zij vaak raadselachtig klinken, en even eens, d.it zij dikwijls los en ordeloos daar heen worden geworpen; gelijk van dek palm van de Salomonische spreuken zegt ; //eene reeks losse paarleu, alle aan bet zelfde, snoer geregen.quot; Oppervlakkig beschouwd, schijnt ook hier geen ander verband tusschen beide spreuken te bestaan, dan het excentrieke en ongerijmde der voorstelling: een man, met een' balk in 't oog, en paarlen , den zwijnen voorgeworpen , wat is dwazer? Toch komt 't mij voor, dat er verwantschap is tusschen deze lessen. Zij gaan uit van het zelfde beginsel. Jezus spreekt in 't bijzonder tot zijne discipelen, als die het zout der aarde zijn en het licht der wereld. Wat hij zelf deed, dat zouden zij, onder zijne leiding en na hem, ook doen: leeren, vermanen, bestraften. Maar terwijl hij hun nn beveelt (II. VI : 24—34), dat zij daartoe met eene besliste keuze en onbezorgd in de wereld zouden uitgaan, voegt hij er de waarschuwing bij (II. quot;Vil: 1, 2); Oordeelt niet! en geeft daarop een' regel van bescheidenheid : n/joekt geen splinters in eens anders oog !quot; en een' regel van bedachtzaamheid : n Werpt uwe paarlen voor de zwijnen niet!quot;
In de spreuk zelve merken wij terstond het meer vermelde parallelisme op, waardoor bij de Hebreen de zaken rijmen, en niet woorden of klanken. De zelfde waarheid of de eigen les wordt dus van twee kanten beschouwd , of wel onder twee beelden voorgesteld. Het laatste is hier het geval. De zwijnen staan duidelijk tegenover de honden, het heilige tegenover de paarlen. Hieruit volgt, dat wij het heilige niet als eigenlijk gezegde kunnen opvatten. //Het heilig evangelie,quot; //de godsdienst- of wat men er van maken moge,—
53*
paarlen a'ootï de zwtjnen.
kan aan geene honden worden gegeven. Maar wat is dan nu, in 't eerste lid der spreuk, liet zinnebeeld : iets uitwendig heiligs tot voorstelling van 't geen nog hoogere, geestelijke heiligheid bezit, even als de parel iets van nog hooger kostbaarheid voorstelt?
Bij de beantwoording dezer vraag veroorloof ik mij een' kleinen uitstap. Voor veertig jaren, toen ik 't eerst exegese studeerde, was kiunoei. do algemeen aangenomen commentator op de geschiedkundige boeken van het Nieuwe Testament. Men heeft ziju portret slechts aan te zien, om in hem de type te herkennen van zijnen tijd, toen alles zóó verstandig was, zóó verlicht, zóó gekuischt van smaak en zuiver van uitdrukking. In geleerdheid en belezenheid overtreffen latere commentatoren hem ook niet, en hoe weinig zijn werk thans geacht wordt, het bevat nog een' schat van aanhalingen, waardoor veel, dat den nieuweren nieuw schijnt , van nader bij beschouwd oud wordt. ITet groote gebrek van dien tijd was evenwel, dat van alles, wat de voortijd groots en krachtigs had achter gelaten, de scherpe hoeken werden afgeslepen , — alles geëffend naar 't gezond verstand en den goeden smaak der negentiende eeuw. Zoo kwam hier den uitleggers de tegenstelling tusschen het heilige en de paar 1 cn niet juist voor, en de paarlcn als zwijnenvoeder een al te stout beeld. bolten vond dus eene andere verklaring uit, eiciiiiorn nam die over, cn kuinoei. volgde hem na. Volgens deze had de Grieksehe vertaler van 't mattheüs-Evangelie een TTebreeuwsch woord vóór zich gehad, dat oorring beteekende (eigenlijk //een heilige amuletquot;), cn dit, daar hij 't niet verstond, naar de oorspronkelijke heteekenis //het heiligequot; vertaald. 1) De eigenlijke voorstelling der spreuk zou dus zijn : //Sier een' hond niet met een' gouden oor-ving op, geen zwijn met een parelsnoer.quot;—Vernuftig zeker, maar daardoor juist eene van die verklaringen, zoo als er van tijd tot tijd schitteren, — als een vallende ster! — Behalve in het gekunstelde en gezochte, brengt zij reeds haar eigen vonnis mede in het geven en voorwerpen, terwijl hier ook van geen opsieren spraak is, in den zin van 't bekende woord des Spreukdichters : Eene schoone vrouw , die van rede af wijkt, h een (jouden ring in eenen rarkenssmiit {Spr. XI : 22) , of van ons volksspreek\voord :
Al draagt een aap een' gouden ring .VI evcl is 't een leelijk ding.
Maar in allen ernst, wat is dan nu het heiUge, als zigtbaar beeld van het bovenzinnelijke? Het ligt in de rede, dat wij hier aan iets eetbaars denken , of dat er door een dier voor kon gehouden worden. Tiet laatste waren de paarlcn. De zwijnen, gelijk wij vroeger zagen , gewoon des avonds met kromboontjes gevoerd te worden, konden de voorgeworpen paarlcn ligt voor iets dergelijks houden. Zulk een zinnebeeld van iets bedriege-lijks (zoo als elders //steenen voor brood, slang voor viseb, een schorpioen voor een ei,quot;) kan ik iu het heilige niet vinden. Ik zou hier dus eenvoudig denken aan gewijde spijs, die den honden niet mogt gegeven worden: 2) offerkoeken, toonbrooden , offervleesch.
1) M atiheüs zou geschreven hebben N^np, waaruit, door vergelijking met't Chaldeeuwsch en Syriseb, de hoven vermelde bcteekenis wordt uitgesponnen.
'2) Pit gebod, schoon niet bepaald uitgesproken, ligt reeds eenigzins in de wet omtrent hd vlecsch, dal op hel vH'l verscheurd is. Het mogt niet gegeten worden, maar moest den hond trordm vnoryetoorpen. (iix. XX.11: 31),
388
F AARLEN VOOR DE ZWIJNEN.
De liond zal zoo iets niet. weigeren. Voor hem is niets heilig. Maar niemand, die nog eerbied voor liet heilige heeft, geeft het hem. — Dit geven is iets anders dan het voorwerpen, toewerpen, dat voor de zwijnen geschiedt. En beide is naar de natuur geteekend. Varkens laat men niet uit de hand eten, als de honden; men zet of werpt hun het voeder voor.
Tegen deze verklaring zou men kunnen inbrengen, dat dan het vertreden en verscheuren, aan 't einde der spreuk, op de honden niet slaan kan, die integendeel zich aan het heilige regt te goede zouden doen. 1) Dit is ook zoo. Op zieh zelf beschouwd , zou het aanvallen op zijnen weldoener en zelfs het verscheuren, wel kunnen worden toegepast op den hond van liet Oosten. ïïij is ddar geen huisdier als bij ons, zoo min bij de hedendaagsche Muzelmannen, als bij de oude Israëlieten, maar alleen een nuttig roofdier, dat straat en mestvaalt zuivert, (zelfs van achabs bloed en izebels lijk !) even als gieren en hyena's het de velden doen. Maar in deze spreuk wordt die woestheid toegeschreven aau dieren, die de paarlen met hunne pooten vertrappen, 't geen alleen van de zwijnen kan gezegd worden. Dat met dit dezelve (in't meervoud) ook liet heilige zou bedoeld zijn, wordt wel door velen gezegd , maar ik zie geen' grond , om het aan te nemen, liet strijdt met de eenvoudigste regelen van het taaleigen. Zoo gaat dc tegenstelling niet verder dan de spreuk zelve: »*tls ongepast, het zou weinig eerbied en even weinig gezond verstand verraden, als men heilige en kostbare dingen gaf of voorwierp aan dieren, die allerminst zoo iets waarderen kunnen.quot; De andere reden, waarom het wordt afgeraden, de kans om levensgevaar in plaats van dank in te oogsten, wordt dan alleen in het tweede beeld voorgesteld, op deze wijze:
Geeft het heilige den honden niet ,
EN
Weijd mee paarlen niet voor de zwijnen , opdat enz.
Beschouwen wij de woorden van deze bedreiging nog wat van nader bij, dan passen zij ook meer op het zwijn, als op den hond. Varkens hechten zich aan menschen niet. ITuime grenzenlooze vraatzucht maakt hen, zelfs in den tammen, gebonden' staat, waarin wijze zien, soms gevaarlijk. Het is gebeurd, dat zij kinderen, door toeval of kwaadwilligheid in hun hok gekomen, verscheurden en verslonden. Hoe veel eer was dit Ie wachten, waar zij over dag in het wild geweid werden , en aan den avond, nog altijd hongerig, huiswaarts keerden. Het //met de pooten vertreden, wat hunne vraatzucht niet voedt, en dan zich omkeeren,quot; is ook meer den zwijnen eigen; de hond zal u aanzien, of gij hrni wat geeft, dat het zwijn niet doet; hij behoeft zich dus naar u niet om te keer en; en
1) Om deze Icgenwcrping te ontgaan, schrijft kuom : //Wil men volstrekt hier eene toespeling vindcii op den Israëlitischen eeredienst, dan denke men liever aan de heilige kleederen en sieraden, of de gewijde vaten.quot; Het gedwongene van deze verklaring valt van zelf in 't oog; en dat te meer wanneer bij, zoo alsook anderen (van theophvI/Actus af) gedaan hebben, eerst het met voeten treden op dc zwijnen toepast, en dan weder het zieli omkeerende u verscheuren op de honden. Zie .VVof Christ. Hhgazijn , 1 ; 8'l verv.
I'AAlir.KN VOOR DÜ ZWIJNEN.
krijgt liij niets, hij zal eer weg loopen en elders snuffelen , of hij wat vindt. Wie dus de dwaasheid heeft, van paarlen den zwijnen toe te werpen, zal niet alleen het edele en kostbare ontwijden, maar daardoor zelf ook gevaar loopen. Het woeste dier, dat zijne gewone erwten , linzen of kroraboontjes verwaeht , als hij 't edelgesteente oneetbaar vindt, vertoornt zich ligt, treedt 't eerst met voeten, en keert zich daarna om tegen don man, die hem zoo te leur stelde, vat hem woedend aan en scheurt hora lijf en kleederen stuk. nDoe het niet,quot; is dus de les : uopdat niet som» (of misschien) u erger overkome.quot; — De vertaling i/te eeniger tijdquot; is onjuist. 1)
En wat nu liet parabolische der spreuk aangaat, de diersoorten , gelijkvormig en onveranderlijk in hunnen aard, zijn van ouds de typen van bepaalde toestanden en eigen-schappen. Dit is de wortel van eene menigte spreekwoorden en spreekwijzen, en de grondslag der fabel, die het dierlijke in den mensch, hoogstens het verstandige en dwaze, zeldzaam het edele en goddelijke voorstelt. Sprekende dieren vallen misschien juist daarom niet in den smaak der llebreeuwsche poëzij, maar wel de volgzaamheid van 't schaap , de nijverheid der mieren , het instinkt van den trekvogel , en dergelijke. Zoo beval ook Jezus den zijnen slangenlist met duivenopregtheid aan. In deze symboliek nu van het dierenrijk, die in iedere taal en bij elk volk zijne eigenheden heeft, bekleeden hond en zwijn bij de ITebreën, door den aard hunner godsdienstwetten, eene eigenaardige plaats. Het zijn beide onreine dieren, die niet mogten gegeten of geofferd worden; die daarbij door hunne gulzigheid en onreinheid dubbel dieu naam verdienen; en 't zijn daarenboven vun de onreine dieren die, welke het meest met den mensch in aanraking komen. Van de houden was dit van oudsher zóó, daar de herders die niet kunnen missen, ü) en zij later ook in alle (lostcrsche steden inheemseh waren. Met de zwijnen was hot zeker minder liet geval in vroeger eeuwen, toen Palestina uitsluitend door Israëlieten bewoond werd. Vandaar, dat in de Salo-monische spreuken die vereeniging van hond en zwijn nog zoo niet voorkomt, 3) Maar in JJi/.us' lij 1 moest men ze op bet platte land , vooral in 't noordelijk en oostelijk gedeelte des lands, wel dulden. In Gaclara, aan de overzijde van het Galileesche meer, werden zij in kudden van duizenden geweid. {Mark. V ; 13.) Houd en zwijn waren dus onder de tamme dieren de paria's der maatschappij ; niet wie men wel eenigermate moest omgaan, en wier aanraking men toch schuwde als die van een dood kreng. Kon er sterker beeld gekozen worden voor al wat onder de menscben onrein was, en den zegen der goddelijke wet onwaardig?
1) liet Oneksche fiijiioie , bij weikwoordeu van vreezen, toezien enz. beteekent iets, dat ligt zou kunnen gebeuren. (Zae uauïing.) De aanmerking vau krom , ais op onze Statenvertaling gebouwd, komt hier dus niet te pas. Van een' lateren tijd is hier geen sprake.
2) De herdershond is dan ook dcecnige, die in een' goeden zin voorkomt, waar jisaja. op zijne waakzaamheid zinspeelt, de wachters vim Israël vergelijkende bij honden, die niet uatmlaan. {Jes. LVi;10.) Toeli wordt hij de minste der dienaren geacht , dien de herder /nj de honden zijner kudte stel/, {dob XXX : l)
.'?) Van het door petrus aangehaalde spreekwoord, vinden wij alleen de eerste helft Spr. XXVI ; 11.
890
paarlen voob de zwijnen.
Zoo als nog in het Oosten de dweepzieke Muzelman met verachting spreekt van //den Christen-hond,quot; zoo vonden wij door jüzus zelf, al was 't met een weldadig doel, in zijn gesprek met de Kananeescho, de Heidenen honden genoemd. Eu in het half Heidensche land der Gadarencn werd 't den boozen geesten, die in geen reine dieren wonen konden, toegestaan, in de zwijnen te varen.
Tegenover deze geschiedkundige bijzonderheden staan de parabolische voorstellingen , waar van wij reeds vroeger spraken: Lazarus onder de houden, en de verloren' zoon bij de z wij nen, beide als het toonbeeld der diepste vernedering, waartoe een Israëliet vervallen kon.
Eindelijk viuden wij nog bij petrus beide onreine dieren vereenigd , als hij ons in een waar spreekwoord (2 Petr. II ■ 22) het afschuwelijk beeld schetst van den afval ; De hond keert tot zijn iiithraaJcsel weder, en de gewasschene zeug let hare wenteling in het slijk.
Dat nu ook hierdoor hond en zwijn de hoogst mogelijke onreinheid wordt uitgedrukt, is duidelijk. 1) In den geest van jezus hebben wij daarbij natuurlijk aan zedelijke (niet aan Levitische) onreinheid te denken, aan al wat onheilig en profaan is, zonder eenigen eerbied voor het heilige en goddelijke. Zoo waarschuwt ook pauujs voor de honden, en sluit johannes' Openbaring ze buiten het hemelscb Jeruzalem: 2) al wie onrein is, dierlijk, en daardoor in zijnen afkeer van het goddelijke zelfs woest en vijandig.
Nu zou het niemand, geen' Israëliet althans, inde gedachte komen, een'hond te noo-digen aan hetoffermaal, of voor hem het priesterdeel te bewaren; nog minder, paarlen voor te werpen aan de zwijnen. J)it ware al te ongerijmd. Maar is het dan niet even ongerijmd, wat nog heiliger is dan het offer, zuiverder en kostbaarder dan de parel, te profaneren door het aan geheel verdierlijkte en Code vijandige menschen prijs te geven, op het gevaar af, dat zij het met voeten treden niet alleen , maar, omdat 't hen ergert en beleedigt, zich vijandig werpen op den gever? Wie dit overkomt, heeft 't aan zich zelf te wijten. Het waste berekenen. Waarom gaf hij 't heilige den honden ook, en wierp zijne paarlen voor de zwijnen ?
In een oud Hebreeuwsch geschrift 3) komt dit laatste zinnebeeld reeds voor, met deze verklaring: //Werpt niet de paarlen voor het aangezigt der zwijnen, en geeft de wijsheid niet aan hem , die hare voortreffelijkheid niet kent. Want zij is kostbaarder dan edelgesteenten , en die haar niet zoekt, is erger dan het zwijn, dat woelt en wentelt in 't slijk. Zoo zal hij, die de waardigheid der wijsheid niet kent, haren roem ontheiligen.quot; - Wat nu
1) Ciibvsostomi s onderscheidt de liomlea.als het beeld der woeste onbeschaamdheid, der bepaalde vijandschap, de zwijnen als dat der dierlijke lusten en van onrcineulevenswandel. Solioon velen, met eenige wijziging, hem navolgen , zie ik daartoe geene reden. De onreinheid is 'talles beheersthende denkbeeld.
2) Wat de waarschuwing: Ziet op de honden (Fil. lil : 2) beteekent, is niet duidelijk. Doelt pai;lus op Cynische wijsgcerea ? Of gebruikt hij in ovcrdragtelijken zin het Cave canem (Pas op den hond!) aan de imisdeureu der Romeinen? — Oj.enh. XXII . 15, waarop de honden toovenaars enz. volgen, zou men het eerste misschien eigenlijk kunnen opvatten. »Het hemelsch Jeruzalem een stad zonder honden, is een sterk sprekend Oostersch zinnebeeld. Zwijnen zijn van zelf uit iedere Joodsche stad uitgesloten
S) Het boek Misr.har Hnpjieninim, door vohstius aangehaald.
l'AAKLEN VOOR DE ZWIJNEN.
de Hebreen , zoo als reeds sai.omo in zijne Spreuken, van de liooge waarde en wijding der wijsheid roemden , dat zegt «zus van 't geen hij //uwe paarlenquot; noemt. Op deze uit-drukMug moeten wij bijzonder letten. Ik geloof dat zij, in de betrekking der geheele bergrede op jezus' discipelen, niet beteckent: //de paarlen, die u toebehooren/' maar //die u zijn toevertrouwd.quot; Dus de heilige waarheden der godsdienst, hun ter verkondiging aanbevolen, hel evangelie des koningrijks, hun toevertrouwd, en dat wij elders vergeleken vonden met eene parel van groote waarde;—niet mysteriën of verborgenheden, die lloomsch Katholijke uitleggers in het heilige zoeken. 1)
Maar hoe is nu deze les van bedachtzame terughouding over een te brengen met het //prediken op de daken,quot; het //evangelie aan alle creaturen;quot; dat toch jezus bepaalde, uiterste wil is ? En zoo wij nog eens tot de. eerste der Gelijkenissen terug keeren, onderzoekt de zaaijer zoo naauwkcurig vooraf den grond, of strooit hij zijn zaad over weg en rots en doornen heen ? En zou dan hij , wiens geheele werkzaamheid en al zijne liefde zich naar 't verachte en verlorene uitstrekte, hier weder de Earizeën genaderd zijn, die tollenaar en Samaritaan en beiden, als onreine honden, van hunnen omgang en hun onderwijs uitsloten?—Maar dit is onmogelijk. Ken enkele blik op den geest van jezus' onderwijs en vooral op jkzus' eigen voorbeeld, zal ons dit beter doen inzien.
Als jezus zwijnen en honden noemt, heeft hij niet, even als de Farizeün, op eenige bepaalde klasse van mcnschen het oog. Allen waren hem, met een geheel ander zinnebeeld uit't dierenrijk, verloren schapen. Neen! J i.zus bedoelt het karakter, de stemming der menschen, waartoe men de heilswaarheden spreken zou. Die stemming blijft zich niet altijd gelijk. De mensch is niet hond of zwijn geboren , of onherroepelijk daartoe bestemd. \ an daar, dat jezus zelfs de dienaren van den raad verbaast door zijn onderwijs in den tempel, maar bij kajatas zwijgt hij op hunne lasterlijke taal. De spottende krijgslieden van pii.atus antwoordt hij niet, maar den hoofdman en zijne soldaten op Golgotha beschaamt hij. liet gedurig en soms langdurig zwijgen, op den laatsten en bangsten dag van jezus' leven, als iets opmerkelijks telkens door de Evangelisten vermeld, is de welsprekendste verklaring der Paarlen voor de zwijnen. Als men hem valschelijk beschuldigt, of spot //Profeteer, wie u sloeg!quot; cn //Wees gegroet, gij koning der Joden!quot; als heiiodes oen wonder vraagt, of 't volk //Kruist hem !quot; roept, en als ten laatste Golgotha weergalmt van het hoongelach; //Kom af van 't kruis!quot; zoodat hem het lied door de gedachten ging, waarin een Psalmdichter
klaagt : Honden hehhen mij omsingeld! (/'?.XXIT : 17, 21.)........ O! hoe veel ging er niet
392
om in zijne groote ziel! Hoe veel zou hij niette zeggen gehad hebben in die uren, terwijl
1) Zoo onder anderen do geleerde Jcnuïci a. schoti {Adagialia): Mijsteria el tacramenla hlasphrmis ac /xrsiruloribux t/oit rommunicni'h, eiiet. Onder lionden verstaat liij do vervolgers der Katholijke kerk, onder zwijnen, die een dierlijk leven leiden. Hij hem knn men ook de voorbeelden vinden van het gebruik dezer spreuk door de kerkvaders. Reeds i usebu s beroept zieh daarbij op de mysterieëu der Heidenen , — naar het bekende ; Pror/il c.ile, prnfani! en Odi profauum vulgus el arceo; dat eeliter minder in jt7,rs' geest vall.— Van de waarsehuwing zelve, om de wijsheid niet aan veraehting en verguizing bloot te stellen, haalt u. nr. ouoor vele voorbeelden nit de ongewijde schrijvers aan: onder anderen van den Pvthagoreïsehen wijsgeer lysis het zinnebeeld ; „Wie zuiver water giet in een' diepen en onreinen put, verliest het water en roert den modder.quot;
1'AAULEN VOOll DIS ZWIJNEN.
zijn gemoed zoo vol was en zijne smart zoo diep over de verharding van zijn volk, den smaad, zijnen \ ader aangedaan. 11 ij sprak ook wel tot de weenende vrouwen, tot den stervenden boeteling, tot zijne aardr-che moeder, tot zijn' Hemelschen Vader boven al. Maar tegenover die godslasteiiijko woede hield hij zicli in: zijne paarlen wierp hij den zwijnen niet voor, en gaf het heilige don honden niet.
Is ons de godsdienst het heilige, t evangelie de parel van groote waarde, wij zullen wijs doen met het voorbeeld niet na te volgen dier onverstandige ijveraars, die tijdig c'n ontijdig, gepast en ongepast over de godsdienst spreken, of liever preken en vermanen, en er eene eer in stellen daarom bespot te worden. Behalve dat zulk een ongepaste en ontijdige preektoon doorgaans uit geen nederig hart voort komt, geeft hij de heilige dingen noodeloos aan verguizing prijs. De vloekende dronkaard, de ijskoude spotter met God en godsdienst, en dergelijkcn, zijn de geschikte toehoorders niet voor 't evangelie, dat niet alleen verworpen, gesmaad en bespot, maar soms ook schandelijk misbruikt wordt door de onreinen van harte. Op 't ^Kruist hem!quot; volgt soms later het //Bergen, valt op ons!quot; of //Mannen broeders, wat zullen wij doen ?quot; Dan is het zwijn een schaap geworden , en de woeste hond buigt leerzaam den kop..,.., quot;Van daar dat reeds chkmkn.s alexanduims (bij sclioit aangehaald) schreef: //Ons wordt verboden, het heilige deu honden te geven, zoo lang zij beesten blijven.quot; —De kostbare parel en 't heilig offer van het evangelie is voor do verslagenen van harte.
Vergeten wij slechts nooit, dat wij dc paarlen van het evangelie niet aan anderen met al den aandrang der overtuiging en der liefde kunnen aanbevelen, zoo lang het niet onze paarlen zijn !
II.
öi
Matth. VI : 21. Luk. XYI ; 13.
|
Niemand kan twee heeren dienen: want of hij zal den eenen haten en den anderen lief hehhen, of h ij zal den, eenen aanhangen en den anderen verachten; gij hint niet God dienen en den Mammon. |
Geen huisknecht han twee heeren dienen : want of hij zal den eenen haten, en den anderen lief heblen; of hij zal den eenen aanhangen, en den anderen verachten; gij kunt God niet dienen en den Mammon, |
Men kan geen twee heeren dienen. Deze bijbelspreuk is, met vele andere, een spreekwoord onder ons volk geworden. De een zegt dat zoo gedachteloos den ander na, en past het toe, waar 't te pas komt, — of ook wel, waar het niet te pas komt. — Of het echter hij da inrigting onzer maatschappij wel als algemeene regel gelden kan , zou nog de vraag zijn. Menig oppasser of bode, werkman of handelaar moet 't al menig een naar den zin maken. Zou er dan ook bedoeld zijn, dat men twee heeren niet te gelijk dienen kan, wel ieder op zijne beurt ? Of zou de Heiland doelen op een' anderen maatsehap-pelijken toestand eu eene andere dienst ?
Het laatste is hier zeer zeker de waarheid, en 't eerste niet: want juist dat beurtelings dienen, den een zoo wel als den ander zoeken te behagen, veroordeelt de Heer, Er is ook maar eene oppervlakkige kennis noodig van de oude wereld, om te weten, wat dit dienen hier beteekent. ITct woord is aan de slavernij ontleend, en meermalen zagen wij, dat zelfs de hoogst geplaatste dienaren in jkzus' Gelijkenissen beschouwd worden als het eigendom van hunnen meester, die tegenover hem geen regt kunnen laten gelden, hoogstens de billijkheid, die ieder weldenkende ook omtrent zijne onderhoorigen zal in het oog houden. Luk as heeft hier een ander woord , door huisknecht vertaald. Het beteekent eigenlijk huisgenoot, dus //een huisslaaf,quot; die geheel voor het huis en de bediening daarvan leeft. 1) — Weder moeten wij ons hierbij te binnen brengen, dat de lijf-
]) Het woord oixéirji is ook bij de Grieken in dien zin gebruikelijk , en komt bij de Septuaginta meermalen voor. Ju het KT. vindt men het, behalve hier, nog van de twee huiskneehten, die Cornelius tot petrus zond {Hand. X: 7), in de straks aan te halen plaats van paulus, iJow. XIV 14, en 1 1'etr. II ; IS, waar de apostel den cbristelijken huisslaven aanbeveelt, dat zij ook harden meesters zullen onderdanig zijn. Deze harde meesters waren inden regel heidenen, en altijd, zoo als uit vs. 19 blijkt, ongeloovigen. Het denkbeeld van huisbediende vinden wij ook//«!r. III ; 3—0, waar mozüs,
twie heeren.
eigenen der oude wereld, maar vooral die der Israëlieten, door de Mozaïsche wetten beschermd, veel menschelijker behandeld werden dan de slaven van den nieuweren tijd. Van abraham af, die zijn' vertrouwden, in huis geboren' knecht om eene schoondochter uitzond , tot den hoofdman in 't Evangelie, die als Romeinseh militair zich wel diep vernederen moest, om van jkzus het leven van zijnen knecht af te smeeken , vinden wij in den bijbel vele aandoenlijke voorbeelden van verkleefdheid en trouw aan de eene, liefde en vertrouwen aan de andere zijde. Maar die geheele toewijding van den eenen mensch aan den anderen — onze Oosterlingen zien er in de Javanen het voorbeeld van , — kon dan ook niet verdubbeld of verdeeld worden. Zulk een huisknecht of lijfeigene heeft maar éénen meester. Het hoofd van 't gezin of wien ook hij toebehoort, zal hij aanhangen, en niemand anders. Een treffend voorbeeld uit velen , hoorde ik onlangs in mijnen werkkring. Het onderwijs van eene Javaansche in de Christelijke godsdienst was door do meesteres aan iemand toevertrouwd, dien ik om zijne overdrevcne en harde denkbeelden daarvoor minder geschikt keurde. Maar hij was de eenige, die het in 't Maleisch geven kou en wilde. //En 't kwam er ook volstrekt niet op aan,quot; zeide do Oostcrsche dame : //want haar Javaantje kwam haar alles getrouw oververtellen, Als Aom/a liet nu ook zóó zeide, was 't waar, maar anders niet.quot; Zij onthield dus alleen , wat door deze werd goed gekeurd, en dacht zelfs aan al 't andere niet meer. Van zulk eene ondergeschiktheid en verkleefdheid, heeft misschien nog wel de oude en trouwe Duitscher, maar zeker geen Hollander moer't regte denkbeeld. Deuken wij ons dien maatschappelijken toestand, — alleen met wat meer verstandelijke ontwikkeling, dan nog de volken van den Indischen Archipel bezitten,—zoo begrijpen wij beter het uitsluitende van zulk eene dienst, en verstaan tevens de vraag van pai lus ; If le zijt gij, die eens anders huisknecht oordeelt ? Hij staat of valt z jn' eigen' leer.
De Heiland nu vooronderstelt in onze Gelijkenis de mogelijkheid, dat zulk een dubbele dienst eens werd beproefd. Maar 't komt zeker verkeerd uit. Tiet is onmogelijk, dat twee mensehen altijd het zelfde willen. Daardoor ontstaat er spoedig strijd. Men kan toch geen twee dingen te gelijk doen, of wattegen elkander indruischt beide verrigten, eu moet dus kiezen, wien te gehoorzamen. Maar allerminst kan men die innige gehechtheid, die trouwe toewijding van kracht of tijd, lust en liefde, aan meer dan éénen meester schenken; en daarop vooral, nog meer dan op de bevelen zelve, die men volvoert, doelt de Zaligmaker. Deukt u dus — zoo vervolgt jezbs — twee meesters in één huis, of éénen huisslaaf voor twee huizen. Wat zal het gevolg zijn ? Hij zal bf zijn' eersten meester gaan haten, 1) omdat hij den
hoewel getrouw in (jchcel Gods huis (uiuir ISTum. XII : 7) , ws OsQanow, ver beneden den Zoou wordt gesteld — Overigens vergelijke men het gezegde over de rangorde »zoon, dienaar, jongen of slaaf, huurling bij de Gelijkenis van deu Verloren' Zoon.
1) Men kan haten {inaeln) in min of meer sterken zin opvatten. Bij de Hebreen werden «de gehate eu de bemindequot; twee vrouwen genoemd, zoo als lea en kachel, iianna en peninsa, waarvan ana de eene de man de voorkeur gaf. Bekend is ook het «-jakob lub Ik lief gehud, en is.\ö heb Ik gehaatquot; bij malkacui , waarvan pavlus gebruik maakt Rom. IX : 13. Zoo ook moet het halm van nader, moeder, enz. Luk. XIV : 26, niet in onze besliste beteekenis van het woord worden opgevat. Bij de armoede en de dichterlijke kracht der Hebreenwscbe taal, wordt hierdoor alleen eene besliste keus, de overwinning in den strijd van twee met elkander onvereenigbare neigingen, uitgedrukt. De vertaling minder lief hebben, door sonuuigen voorgeslagen, drukt do kracht van het Hebreeuwsch niet uit.
1395
64*
twee heeiien.
ander lief krijgt; of wel, liij zal den eersten trouw blijven aanhangen, maar daardoor ook den ander versmaden en zijne bevelen niet achten.
Pc zelfde waarheid drukken wij uit in de spreuk: //Zelfs de houd kent zijnen meester,quot; en twee meesters heeft hij niet. T)c Israëliet, bij wien hondentrouw niet in die bijzondere achting stond, die zij bij ons geniet, zeide: Zelfs een os kent zjnen bezitter, en een ezel de hnhle zijnes heer en, en de profeet gebruikt dit tot een beschamend voorbeeld voor den mensch ; maar mijn volk, zegt jehovah , verstaat Mij niet! {Jes. 1: 3.) — Eenigzins anders, maar toch in den zelfden geest, is het Ghineesche spreekwoord: //Gij zult geen twee zadels leggen op één paard. Even zoo dient de trouwe onderdaan geen twee vorsten , en eene deugd, zame vrouw neemt geen' tweeden man.quot; (Stier.) 1)
Daar het denkbeeld zoo algemeen is , zou 't volstrekt niet te verwonderen zijn, wanneer de Heiland deze spreuk meer dan eens en in verschillenden zamenhang had gebruikt. Zoo vinden wij haar bij mattheüs in de Bergrede, waar jkzus het uiterlijk vertoon der Farizeën verwerpt, en leert, wat het hoogste en noodigste is in 't godsdienstig en zedelijk leven: //een schat in den hemel en het oog op God.quot; Maar waar die schat is , daiir en elders niet, is dan ook ons gansche hart. Daarom dringt jezus met onze spreuk op eene onverdeelde dienst van God aan, om dan in 't volgende alle noodelooze bekommering over wereldsche dingen af te wijzen. Want één ding slechts is noodig: eerst en boven al 't koningrijk Gods te zoeken en zijne geregtigheid. — Bij lukas volgt de zelfde spreuk op de Gelijkenis van den Onregtvaardigen Rentmeester. De man , die zoo roekeloos de hem toevertrouwde schatten verkwist had , maakte daarvan wel tegen het einde nog een verstandig gebruik, maar rentmeester kon hij toch niet blijven: want te gelijk zijnen meester te dienen en aan diens schatten zich te verslaven, dat ging niet. Treffend denkbeeld! De man, die zoo vrij en ongebonden geleefd had, was juist in die schijnbare vrijheid't meest slaaf geweest,— slaaf van den Mammon.
Hoewel't nu op zich zelf genomen niet vreemd zou zijn, wanneer jezus deze algemeene waarheid //Geen twee heeren !quot; meermalen en in verschillende beteekenis, of liever met verschillende toepassing had gebruikt, is dit laatste althans zeker het geval niet. De beeldspraak heeft ééne bepxalde bedoeling, op beide plaatsen uitgedrukt door de conclusie; Gij kunt niet God dienen en den Mammon. De spreuk is dus de zelfde bij mattheüs en lukas , gelijk zij ook bijna letterlijk over een komt. Maar daarom is 't nog niet gezegd, dat jezus ze niet twee malen en in verschillenden zamenhang kan hebben uitgesproken. Zoo ids meer, moeten wij deze vraag, die ook weinig vrucht belooft, onbeantwoord laten. Stelt men, dat de Gelijkenis slechts bij éénen Evangelist op hare oorspronkelijke plaats staat, dan is de keus nog niet zoo gemakkelijk. Die de Bergrede, of althans hare uitwerking, voor eene spreukverzameling van .mattheüs houden, kunnen aan taikas de eer der oorspronkelijkheid toekennen. Ik voor mij zou dit n:et doen. De bekende Logia of oudste Hebreeuwsehe
1) Andere spreuken uit ongewijde sehrijvers , die echter meer assonauten zijn, heeft onder anderen schoït verzameld. Van du oude uilleggers heeft nic. urands, die in de bijbelverklaring voorlooper van LUTimi werd geaeht, regt puntig gesehreven: Cor humunuju non potest simui capere Usum et diabolun : a d suscoplo diabolo per jieicalum, exit Deus; susepto Dro per rhantutem, ex'l diuljolus.
396
TWEE II KEUEN,
sprcukenschat van mattheüs, waartoe zeker de Bergrede behoort, staaf veel nader aan hef onderwijs van don lieer; en i.tjkas, die hem zelf niet gekend heeft, is hier duidelijk een compilator, die van heinde en verre met groote zorg bij een brengt, wat de apostolische overlevering van jezus verhaalt, en dan zoo goed 'mogelijk die verhalen aan een sclmkelf, of er de aanleiding en gevolgen , of wel de bedoeling van den 1 leer in aanwijst. Zoo zou men boven dit 16de Hoofdstuk kunnen schrijven: //Rijkdom en armoede,quot; waar dan alleen vs. 18, bij wijze van bladvulling, tusschen in verdwaald is.— Evenwel, oorspronkelijk of niet, de rede vloeit ook bij i.ukas goed, en gaat geleidelijk voort. Eerst het vernuftig denkbeeld van den rentmeester, met een' goeden raad aan de rijken, om den hun nog overigen levenstijd de armen wel te doen , en zóó van 't geleende goed eigen schatten op te leggen ; daarna (vs. 10—12) eene algemeene opwekking tot getrouw beheer der aardsche goederen; en dan de onmogelijkheid om God te dienen, als men verslaafd is aan den Mammon. Hierop volgt: Al deze dingen hoorden ook de Far heen , die geldgierig waren, en zij hesehimpten hem ; waarna met eene bestraffing der Parizeen deze Afdeel mg sluit; door de Gelijkenis van i.AZAüus, tot het zelfde thema //Rijkdom en Armoedequot; behoorende, gevolgd.
De twee heeren, wier dienst niet te vereenigen is, zijn dus bij name genoemd: //God en de Mammon.quot; Van den laatsten hebben wij vroeger reeds gesproken, en ik heb er niet veel bij te voegen, 1) Dit alleen wil ik nog opmerken, dat de Mammon der ongereg-tigheid, i] in quot;quot;t rede verband bij lukas, eerst meer als eene zaak, en nu als een persoon
1) Hoe ligt men dwalen kan op eens anders rekening, bewijst weder 'l geen ik schreef lilz, 324 : «Ree ls TEMULUAN'US vermoedde, dat het de naam van een' afgod is quot; — Ik schreef dit schi.kusner na maar heb later ontdekt, dat het onwaar is. Tektult.iasis (.ƒ//;, ^farcioneni) zegt eenvoudig, dat het 't geld is, dat veel onregt bewerkt, en geheel de wereld regeert. InjustHiae ruim auclorem et domino-toren lotius neen li nummum seimus omnes. En hij gebruikt zelfs deze algemeene bekendheid der beteekenis van Mammon, die hij ook uit vs. 14 bewijst, om het tweegodendom van makcion te bestrijden: K' quis exisliuui, in Mammom erealorem intelligen tum, eaet.De plaats bij aügusiisus (amp;/w. 113, C. i) luidt: (Juorf Punici'Ucunt mammon, hatine lucrum vacatur-, quod Uehraei dicunt mammona, Latine dmliae vccantur. De dwaling, dat hier een Punisehe afgod voorkomt, schijnt eerst van de Scholastieken oorspronkelijk. Nomine daemonis dimtiac vocantar , teilieel Mammona. Kst enim Mammon nomen daemonis, quo nomine, vocantur divitiae secundum Sy ram ling uam. (Petrus lombauous, II; G.)—Dc naam Jtammon wordt doorgaans afgeleid van jDX, als iets , waarop men steunt of zijne hooit stelt. (1 Tim. VI : 17.) Andere afleidingen kan men in menigte vinden in dc uitvoerige verhandeling van j. c. wakius {Si/U. Dis*, bij dc Critici Sacri, II: 447—400). Uit den daarin opgestapelden schat van geleerdheid , kan oiis alleen dienen het bewijs uit de Chaldeeuwsehe paraphrase der oude synagoge, dat Mammon toen eenvoudig (leid beteekende.
2; Over dit epitheton kan men bij oude uitleggers veel lezen, dat er niet bijzonder veel licht over verspreidt. De kerkvaders lieten er zich soms, door allen rijkdom te vcroordeelen, in commuuistischen geest over uit; zoo als A ig ijst in us: Mammon aut de iuiquilale acquisila a ut ipia iniquitas ent: quod tu haijes, alter non hnhel; en IIIUKON vmus : Dices aul iniquu.i aut iniqui hacres. (M aldonatus.) BeiitiiolI) en andere nieuweren meenen, dat hier alleen de opes male partae (zoo als die van den llentmecster) worden bedoeld. Mij komt de verklaring uit de spreekwijze des volks, reeds Blz. 324 gegeven, cn dooide Chaldeeuwsehe paraphrase bevestigd, veel eenvoudiger voor. Zoo zegt hij voorbeeld ook ons spreekwoord: .Geld, dat stom is, maakt regt wat krom is.quot; — Tc regt teekent mixancuihom aan, dat aan den rijkdom deze naam alleen gegeven wordt propter ahusus muUiitlie.es, qui in hac infirmilate humani generis teqni solent. (Trench.) Zoo noemt ook paüeus (1 Tim. VI : 10) de (pUaqyvqia den wortel can alle hcaad.
307
twf.e heeren.
voorkomt. Uit dm Mammon (met zijn geld) moest men zich vrienden maliën, vs. 9; !n den Mammon (in 't bestuur van zijn' aardschen schat) moest men getrouw zijn, vs. 11 ; maar hier treedt de Mammon zelf handelend en bevelend op, en die Gode ontrouw is , wordt zijn dienaar, zijn huisknecht, zijn slaafj een duidelijk bewijs, dunkt mij, dat wij hier met eene eenvoudige persoonsverbeelding van het Geld, niet met een' Svrischen afgod of iets dergelijks, te doen hebben. Dit bewijst ten overvloede ook de volgende opmerking, dat de Farizcën geldgierig (liefhebbers van 't geld) waren, zich daarom jezus' woorden aantrokken, als op hen doelende, en hem bescJnmpien: — hij kon gemakkelijk verachten, wat hij niet bezat, die arme Nazarener!
Keeren wij nu nog eens tot de persoonsverbeelding terug. Zij is van gelijken aard, als die wij dikwijls in 't Oude en eens in ;t Nieuwe Testament vinden: Be Hal. Oorspronkelijk gebruikt van al wat onnut of verachtelijk was, zoodat verdorvene menschen //kinderen helialsquot; worden genoemd, stelt pavlus (2- Kor. VI ; 15) Belial, als 't zinnebeeld van ongeregtigheid eu duisternis , (niet, zoo als men doorgaans zegt, als een' eigen' naam van den persoonlijken Satan,) tegenover Christus, die van duisternis en zonde verlost.
Overigens vinden wij voor de persoonsverbeelding van den rijkdom, als veler menschen heer, aan wien zij zich vrijwillig verslaven, inde godsdienstige begrippen der Joden een' bijzonderen nadruk. De grondwet van Israël was : Gij zult geen andere (vreemde) goden hebben voor mijn aangezigl , voor geen gesneden beeld u buigen oj dat dienen. En hoe dikwijls ook dc vaderen hiervan afweken, het tegenwoordige geslacht roemde: uil ij, eu wij alleen te midden der Heidensche wereld , gelooven, dat Uod één eenig God is. Maar gelijk jakobus dezen roem beschaamt door de opmerking, dat zij dit met de demonen gemeen hebben [Jak. 11: 10), zoo verklaart hier jezus, dat zij met de dienst van dien eeiugen (Jod ecue andere dienst vcreenigen, die cr even iiiin mede te vereeuigen is, zoo als later rAVi.us [Kol, UI: 5) , bij zijne waarschuwing tegen de gierigheid, 1) zegt: wdke is afgoderij. 2)
Kr lag in de omstandigheden van dien tijd cene reden te meer, waarom Jtzus deze slavernij onvereeuigbaar noemde met de dienst van God, en die waarheid reeds in de Bergrede, als grondwet van het koningrijk dor hemelen, uitsprak. Ik zal niet zeggen, dat er toen zoo bijzonder veel menschen waren onder de Joden , die den Mammon dienden. Die zijn er overal en altijd; en nu althans niet minder. Maar een bijzonder verschijnsel in dien tijd was, dat uiterlijke vroomheid en geldzucht doorgaans zameu gingen in de Farizcën, wien j uzi s ook elders verwijt, dat zij de huizen der toeduiven opaten, onderden schijn van lang te bidden. Die mannen, die zich zoo veel ontzeggen moesten door hun
1) Eigenlijk is nUove\ia. „do zucht oui altijd meer te licbbeuquot;, en komt dus met ons hebzucht of inhaligheid meer over een dan met gierigheid. Oorspronkelijk is het laatste wel 't zelfde, maar het spraakgebruik hecht er meer bet denkbeeld van vasthoudendheid aan. Mot een ander woord worden de i'arizeen, in 't vervolg van ons zinnebeeld bij lukas (XVI : 14), ipilayyvyoi genoemd.
i) liet denkbeeld van ecue e/tii.ehc afgoderij, zonder eigenlijke vereering van de goden der Heidenen, nog onder ons zeer gemeen, ligi ook iu eene andere uitdrukking van paulus: H'eiker God is ie buik. {/'/,//. 111 : !!•.)
151)8
TWEE HEEKEN.
stipt en streng leven, zochten hiervoor zekere schadevergoeding in 't bezit van geld en goed. En hoe zonderling het schijnt, nog kunnen wij het zelfde opmerken: de verloochening van 't genot doet hechten aan 't bezit, en in den banalen zin van 't woord, zijn gierige vromen en vrome gierigaards gansch niet zeldzaam, om nu van de rijke kloosters der bedelmonniken niet eens te spreken ! Ecne regt treurige uitspanning, zijn geld te tellen en geldswaardig papier te bestuderen, tot afwisseling van kerkgang, bijbellezing en gebed; en in 't geheim te aanbidden, wat men in het openbaar niet durft gebruiken of genieten.
Maar deze vereeniging van vroomheid en geldzucht mogt in der Farizeën geest zijn, in dien van jezus is zij niet. Gelijk de oude profeten, — van samuel tot elisa—'t schoonste voorbeeld gaven van zelfverloochening, zoo ook hij, die arm werd om. onzent wil, daar hij rijk was, opdat hij door zijne armoede ons rijk zou maken. Het hinderde een' judas genoeg , — en deze spreuk behoort tot de vele lessen , die hij in den wind sloeg ! — dat JEzrs niet een weinig meer werk maakte, van den Mammon ; en terwijl hij van vermogende vriendinnen, die hem dienden van hare goederen, slechts '( hoogst noodigc aannam voor zijne reizen, hij altoos nog iets uitspaarde, om uit te deelen aan hen, die nog armer waren dan hij. Die geest bleef het kenmerk van zijne ware belijders; en zoo kon later PAtLUs roemen, dat God niet het rijke, maar het arme der wereld had uitverkoren, en jakobus aan de gemeente vragen, wat verpligting zij wel aan de rijken hadden, om hen te ontzien. Maar dat met dat al jezus geene rijken heeft uitgesloten of den zijnen vrijwillige armoede opgelegd , zagen wij reeds vroeger, bij de beschouwing van den Kemel door het ooy eener naald. (Blz. .3-'57 — 339.) Onze Parabel drukt het wezen van jezus' vermaning juist uit. Het slaafsehe dienen, de geheele toewijding moest den Mammon worden opgezegd. Tot de opofferingen, die het koningrijk der hemelen bij zijne vestiging eischte, was dit volstrekt noodig. Geheel ongeschikt was daarvoor de menseh, dien een spreekwoord van ons volk zoo juist beschrijft: '/Hij heeft het geld niet, maar het geld heeft hem.quot;
Dat verder in het beeld der Tioee lleeren do noodzakelijkheid eener beslissing iigf opgesloten, valt iederen nadenkende van zelf in het oog. Er leven en woelen in ons men-schen hoogere en lagere begeerlijkheden; zij strijden om de heerschappij, en bij het mee-rendeel der meuschen blijft die strijd onbeslist. Maar de Bijbel eischt van het begin tot het einde; //Kiest!quot; Mozrs, jozua, elia zijn daarbij de woordvoerders van het Oude, Christus en zijne apostelen, tot johannes in zijne grijsheid toe, van het Nieuwe Testament. Noem de twee vijandige magten , die beide ons aantrekken , God en den Mammon, of noem ze in ruimer' zin God en de wereld, Christus en de zonde; maar eene keuze moet er gedaan worden. Zoo iemand de wereld lief heeft, de liefde des Vaders is niet in hem. (1 Joh. II : 15.) Er is geene zamemtemming tusschen Christus en belial. (2 Kor. VT: 15.) De beeldspraak van jezus , zoo eenvoudig en natuurlijk, dat 't ons verwondert , ze niet reeds vroeger bij anderen te vinden, keurt niet alleen die gemengde en afwisselende dienst van twee heeren af, maar noemt ze onmogelijk. Aan een van beiden slechts, aan den hemel of aan de aarde, kan ons hart toebehooren, ons leven gewijd zijn.
.399
TWEE 1IEE11EN.
too
Onze tijd is ecu lijd van beslissing. Dat ten minste heeft hij voor. Het bijbelsch beeld, dat nimmer veroudert, komt thans vooral uit, de elia. op Kar mei: n H at hinkt gij langer op twee gedachten ? Kiest u heden , wien gij dienen wilt,quot; Eene pijl kan slechts naar écu wit worden afgeschoten; zoo 's menscheu leven alleen gerigt worden op één doel. Zegt niet ; //Ik wil vrij zijn, en niemand dienenwant dat is de ergste slavernij. De menseh is nu eenmaal een beperkt en afhankelijk wezen. Wij moeten den eeneu of anderen aandrang volgen: 't zij dien eener hoogere, geestelijke wet, of van onze begeerlijkheden en de omstandigheden des levens, van de genietingen der aarde eu het oordeel der wereld. Die het hoogere en lagere zoekt te vereenigen wordt de dubbelhartige man (eigenlijk //de man van verdeelde zielquot;) van jakobus , ongestadig in al zijne xcegcn, {Jak. 1 : 8.) Daarom dringen de teekeneu des lijds tot beslissing tusschen de twee Heeren , die onze dienst in beslag nemen. Het Evangelie roept ons toe ; //Kiest!quot; en de bode, die omgaat door de straten, antwoordt: //Haast u !quot; Maar de Heer getuigt van de zijnen, als van makia: hEen ding was noodig. Zij hebben het goede deel gekozen, dat hun met zal ontnomen worden; —doch van hen, wie deze keus te veel is, even als van de Joden, die zich beroemden: //Wij zijn vrij, en hebben nooit iemand gediend;quot; getuigt hij: u Voorwaar! wie de zonde doet, is een slaaf der zonde!'
Luk. IX : 62.
Niemand, die zijne hand aan den ploeg slaat, cn ziet naar het geen achter is, is bekwaam tol het koningrijk Gods.
De uitvoerige Afdeeling van //Het Christelijk Leven,quot; met eene korte spreuk geopend, wilde ik met eene andere dergelijke besluiten, nog korter zelfs, en die toch, al wil men ze misschien geene eigenlijke Parabei noemen , de stof er toe in zich bevat. De vergelijking vanden wind deed ons uitgaan van een krachtig levensbeginsel, liet beeld van den ploeg stelt er eene doorzettende levenskracht tegenover.
Stuakt, die ook dit beeld in zijne verzameling van Parabelen opneemt, zegt er van : //Hoe kort ook, in het zelve is de meest passende gelijkenis gekozen, en met een enkel woord volmaakt te huis gebragt. Den ploeg te sturen, is een voornaam gedeelte van den veldarbeid. De zelve werd wel verligt (verrigt?) in het Oosten door ossen, gelijk bij ons door paarden, die hem trekken door den harden cn /waren grond, maar vordert, behalve eene sterke en vaste hand, die hem op zijne behoorlijke hoogte houdt en in zijne voegzame rigting stuurt, tevens een bestendig toezigt en een ingespannen oog, het geen zich niet raag laten aftrekken. Te zien vaar het geen achter is, of om te zien bij het ploegen, is liet grootste gebrek , liet geen iu dezen arbeid plaats kan hebben. Dan toch verliest het lijf (leszelfs houding en drukking, waardoor het ploegijzer te diep in den grond getrokken wordt, of bij onbestuurde kracht der hand te hoog wordt opgeheven; maar dan vooral gaat de rigting geheel verloren, zoodat dc voren afwijken of liet werk bedorven wordt.
quot;Van daar was het oudtijds een spreekwoord: De omkijker is geen goed ploeger.-----
Gelijk nu geen landman eenen omzienden ploeger begeerde, zoo begeerde jkzus geenen zendeling, wien iels nader, dan deze zending aan het harte lag, die zich in zijne zending door iets ter wereld zou laten aftrekken. Betwistte nu niemand den akkerman liet regt, om zulke arbeiders alleen aan te nemen, die geheel hun hart zoo wel als hunne hand alleen tot een werk mede bragten, het welk geen omzien gedoogde; wie mogt zich
DK OMZIENDE PLOEG Eli.
daaraan stooten, dat jezus openlijk verklaarde, dat ook hij zulke arbeiders niet kon gebruiken?quot; 1)
Tüj deze voorstelling van liet beeld heb ik niets te voegen, dan dat de ploeg, zoo oud als de eerste beschaving des mensebdoms, in bet Oosten zoo eenvoudig en onveranderd gebleven is, dat nog de Arabische Fellah gemakkelijk zijn land zou kunnen bewerken met den ploeg, dien samuel met eigen band door zijnen akker dreef, of waarvan ei.isa werd afgeroepen, om den profetenmantel te dragen. Hoe eenvoudiger nu het werktuig is, ook bij eiken anderen arbeid, zoo veel te meer moet persoonlijke kracht, oordeel en vlugheid doen, en hangt er dus van de hand dos werkman» af. De man, die den ploegstaart in de hand hoeft, moet daaraan voelen, hoe de grond is, dien de kouter doorsnijdt, en geen oogenblik kan hij , met ossen ploegende nog minder dan met paarden , het oog er van afhouden. Van daar, dat reeds de oudste Griekscbe dichter, die den landbouw beschrijft, hesiodus, daarbij tot regel stelt: //Wie voor zijn werk bezorgd, een regte vore ploegen wil, zie naar zijne makkers niet om, maar legge zich met de borst op zijn werk toe.quot; 2)
Wat de toepassing betreft, men zal hebben opgemerkt, dat stuakt van zendelingen spreekt, terwijl het voorgaande vers, waarop dit een antwoord is, alleen op volgelingen doelde. Dit komt omdat hij, op den zamenhang bij lukas afgaande, deze ontmoeting aan jezus' laatste reis verbindt. Tic/ geschiedde, als de dagen zijner opneming vervuld werden, zoo rigtle /tij zijn aangezigf, om vaar -Jeruzalem te reizen, (vs. 51) .. . . En hef geschiedde op den weg als zij reisden , dat één tot hem zeide enz. (vs. 57—02.) En dan volgt op jEzrs' bevel //Po hand aan den ploeg, en niet omgezien!quot; In na dezen stelde de Heer nog andere zeventig, en zond hen heen voor zijn aangezigt, twee en twee, in iedere stad en plaats, daar hj komen zon, (TT. X: T.) ■—Maar uikas hervat nog twee malen het verhaal van Jizrs' laatste reis naar Jeruzalem , waarvan hij de beide eerste malen telkens weder
1) Der Vergleichungspvnki isl hier, dasz man nicht lurück, sondern nur vorwarU blieken soli, wenn wan mil Erfolg cine hegonucne ThïdigkeU treilen nnd ctwas Tuchtig es ausrichten will. In der Nuchfoltje Chrisli isl eine griindliche nnd verstandige Selbsl- und Wellverlengnung noting, das gelheilte Hert macht urn für das Uimmelrtich ungcschickt, mil Ernst nu cl bcharrlicher Aus'lauer mussen Kir vorwarls streben. Vgl. Luk. XIV : 33 ; 1 Kor. \' 11 ■. 29—31; Phil. III ; 12 ff. — Zoo lisco. {Vierte Aitjl. S. 501.) Als algemeene spreuk, in betrekking tot het Godsrijk, is zij hier goed verklaard; de bijzondere bedoeling, waarmede jtzus liuar gebruikt »liet omzien naar 't gecu men voor liet Godsrijk moet achterlaten,quot; is beter in het oor? gehouden door MEIJER: Kelner, welcher in meinc/n Dienste zu arbeilen sick angeschickt hal, und dabei noch auf seine frïtheren Vcrhdltnisse sein Interesse richlel, isl tcohlbeslelll (geeignet, tuchtig) f ür das Messiasreich.
3) De woorden (Kegel 443—5) zijn :
quot;Oi x' èiiyov fieleicov Ifteiav aïkax IXaxvoi Mr/xén nuninlvdiv , «ü' ènl ti/yio
Qv^ioy
llisronus laat er op volgen: »üan zal geen jongere hem het zaaijen verbeteren, of een overzaaijen voorkomen: want den jongeren man trekt meer naar zijne makkers liet hart.quot; — Men kan hierbij ook het Romeinsehe spreekwoord vergelijken, waarop zeker stuart doelt; Arator, nisi incureus, praevariealur. (Plinius, XV111 : 19.) — Plaatsen uit tertollianus en andere kerkvaders, die men bij sciiott en anderen vinden kan, ga ik hier voorbij, daar zij aau de spreuk van den Heiland ontleend zijn.
402
de omziende plok oft!.
is afgedwaald. Over het geheel hecht ik aan de tijdorde in zijn Evangelie het minst, en heb daarvan elders (in de Inleiding tot het Derde Deel van mijnen Huisbijbel) uitvoeriger rekenschap gegeven. In ieder geval zou iemand, die juzrs op zijne laatste fecstreis wilde volgen, dit niet gedaan hebben, om tot zijne zeventig zendelingen te behooren, daar van dit plan nog niets bekend was,—-zoo 't niet tot veel vroegeren tijd behoort.
Bij mattheüs komt deze Gelijkenis niet voor, maar wel wat daartoe aanleiding gaf. Daar (TI. VIII: 18—23) is het verbonden aan jk/.cs' omreize door Galilea, Om den aandrang der schare, gaf jezus aan zijne discipelen bevel, dat zij een scheepje zouden gereed maken, om het meer over te varen. Intusschen bood zich bij de algurueene geestdrift deze en gene, een schriftgeleerde onder anderen, aan, om zijne bestendige volgelingen te worden. Dit gaf aanleiding tot drie antwoorden, waarvan wij het derde bij uk as alleen vinden. Ik twijfel geen oogenblik, of beide Evangelisten doelen op de zelfde gebeurtenis, 't Kan echter zeer wel zijn , dat- jezüs die antwoorden niet zoo terstond achter elkander, maar bij verschillende gelegenheden gegeven heeft. De Evangelisten hebben ze dan bij een gevoegd, 1) — mattheüs twee en luk as drie, —om te doen zien, hoe jezus de keuze, om zijn vaste discipel en volgeling te zijn, niet al te zeer aanmoedigde of gemakkelijk maakte, maar er zijnen hoorders al het bezwarende van voorhield, om hun latere teleurstelling en afwijking te besparen; geheel in den zelfden geest, waarin hij elders van zelfverloochening en krui* spreekt, en in de Gelijkenissen van Torenbouw en Oorlog al te ligtzinnige volgelingen terug wijst.
De eerste ontmoeting is, volgens mattjieüs , met een'schriftgeleerde, (lie tot hem komende zegt: u Meester! ik zat u volgen., waar gij nol- henen gaat!quot; 1) De man doet ons denken aan de twee johannes-leerlingen, die jezus vragen: n luMi! waar woont gj?quot; Hij wil in de school van den nieuwen Kabbijn worden opgenomen, en dan ook, gelijk onder de Joden gebruikelijk was, zijnen Rabbi overal vergezellen. Voor een' schriftgeleerde al een kloek besluit ! Maar gepast is daarop jezus' waarschuwend antwoord : nlJe vossen hehhen holen , en de vogelen des hemels nesten; maar de Zoon des menschen heeft niet , waarop hij het hoofd neder leggequot; — veel min dus eene school, waar op Oostersche wijze zijne discipelen hun tapijt kunnen uitspreiden, en van hunne zwcrltogteu uitrusten nan zijne voeten.
Bij eene tweede ontmoeting is het jezus, die zegt: u Volg mij!quot; evenals hij dit eens tot mattheüs aan het tolhuis te Kapernaim zeide, zeker omdat hij bijzondere belangstelling en geschiktheid las in zijne trekken. Maar de man heeft ééne voorwaarde, een verzoek althans; tiHeer! laat mij toe, dat ik eerst henen ga, en. mijnen vader hegrave /quot; W as hij tussdion den dood en de begrafenis van zijnen vader even 't huis uitgeloopen, om jezüs'onderwijs niet te missen? Dat klinkt nog al vreemd, wanneer men bedenkt, hoe weinig uren daar tussehen verliepen , en hoe die door de naastbestaanden, met gescheurde kleedereu en op den grond gezeten, in stillen rouw, door huisgonooten , geburen en gehuurde tluit,spelers en klaagvrouwen met groot rouwmisbaar werden doorgebragt. De meening, onlangs geopperd, heeft
1) Zoo, om slechts een voorbeeld te noemen , worden elders eenige ontmoetingen vereenigd , waarbij Ji zus' denkwijze over den sabbat met die der Farizeën in botsing kwam.
2) Dit volgen heeft i.ükas doen schrijven: Tin hrt geschiedde op den teer/, als zij reisden. Hij beeft ook niet bet tidaaxuls (Rabbi) van mattheüs, die meer in de Joodsche zeden leeft.
403
de omziende ploeg eb.
dus wel iets voor, dat 's mans vader nog leefde, en hij hem eerst, zoo als onze boeren zeggen, //aan zijn eind wilde brengen,quot; dat nabij scheen. Dan slaat daarop ook jezus' antwoord goed. Hij kou die taak gerust overlaten aan hen ouder zijue betrekkingen, in wie nog geen hooger geestelijk leven gewekt was: u Laat de dooden hunne dooden, hegraven; doch gij, ga henen en verkondig het koningrijk Gods.quot; 1)
En nu de derde ontmoeting, die lükas alleen heeft, 't Is weder iemand die, ongenood naar 'i schijnt, aanbiedt om jezus te volgen. uMaar,quot; voegt hij er bij: nlaat mij eerst toe, dat ik afscheid neem van de genen , die in wijn huis zijn.quot; — Het woord, hier en op enkele andere plaatsen door afscheid nemen vertaald, betcekent eigenlijk zich van iets los maken, en wordt ook elders bij lükas voor het verlaten van al 't zijne gebruikt: Een iegelijk van u, die niet verlaat (zich los maakt van) alles, wat hij heeft, die kan mijn discipel niet zijn. (huk. \IV : -'i.'i.) Er ligt dus iets meer in, dan een enkele afscheidsgroet. Bij 't kiezen van een' nieuwen levenskring had de man enkele, en misschien vele beschikkingen te maken niet zijne huisgenooten. En,—■naar de vernuftige opmerking van stuakt, — dat dezen te huis bleven, terwijl alles naur Jizrs toe stroomde, bewijst, dat zij inJEZTis' ouderwijs geen belang stelden, zoo zij al niet hem vijandig waren. Maar men kan ook vertalen: //van dc dingen, die in mijn huis zijn,quot; of //er betrekking op hebben;quot; dus; //Laat mij toe, dat ik eerst mijne huiselijke zaken rogele.quot; 2) Hoe veel moeite zou 't misschien den man kosten, van zijn huis, bezitting en levenskring, als hij er eens weer in was terug gekeerd, zich los te rukken! En dit vorderde jezvs toch, maar wil 't dezen man liever besparen, door hem terstond bij zich te houden. Van daar nu zijn antwoord: uNiemand, zijne hand arm den ploeg slaande, en omziende naar de dingen, die achter zijn, is goed gesth'xM of wel gesteld 3) voor het koningrijk Gods.quot;
Uit deze ontmoeting moet men het beeld verklaren ; en dan drukt het juist de stemming uit, die jezus' eerste discipelen, die ook latere kruisgezanten, ook nog onze zendelingen, waar zij alles verlaten, wat hun vroeger lief was, onmisbaar uoodig is. Geene gehechtheid daaraan mag hen terug houden, geene nagedachte hen hinderen in 't werk, dat zoo wel het oon als de hand, en dus het gansche hart, even als de ploeg bij don akkerman, geheel in beslag neemt, 'tls dus minder op de belijders, dau wel op de gezanten van het evangelie in al zijne kracht van toepassing. In zeker opzigt is deze leenspreuk weer verwant aan do Parabel van het Gastmaal, waar van de eerst genoodigden de een zijnen akker, de
1) Maiïheüs li(cft alleen Vohj mj! Lu kas denkt ook liier niet eukcl aan oen' volgeling, maar aan een' zendeling, dien jezus (naar 't, geen vooraf gaat en volgt) uilzond voor zijn aanyezigt. (H. IX : 52 ; X : 1.)
2) ]k. zou niet ongeneigd zijn, om iofs eis ióy oixór /uov op te vatten als neutrum: »mij los te maken van dc dingen, die op mijn linis bel rek king hebben;quot; dan is tevens het ongewone eis voor tv verklaard, dat Meijer als attractie opvat »die tot mijn huis zijnquot; voor »die ik naar of tot mijn huis gaande , daarin vind.quot; Wat mij ook daarbij aanlacht, is, dat er nog een neutrum (i« oniou)) volgt, eu lukas de eenige is, die unoiaZaoltai nog eens van zaken gebruikt, terwijl het elders bij voorkeur van personen wordt gebezigd,
3) liet woord evDeio; komt in de Evangeliën alleen hiervoor, eu A/«/r. Xl\ ; 35 van het bedorven zout , noch voor hel land, noch voor Jen meslhoop geschikt.
rgt;E OMZIENDE Pl.OKGEli.
ander zijue ossen, de derde zijne vrouw niet verlaten kan. Zulk een los scheuren van alle banden en verlaten van al 't onze, wordt echter niet van allen gevorderd. Toch kunnen wij, met sTUAiiT, de spreuk toepassen op de onverdeelde dienst van God, waarvan ous niet» mag aftrekken, waarbij wij niets betreuren mogen, dat wij er om moesten verlaten of er voor moeten missen. 1) Wie tot God komt, moet de wereld kunnen vergeten, naar de spreuk dor Pythagoristen ; n Die den tempel ingaat, zie niet om !quot;
Ons spreekwoord: //Doe wel, en zie niet om!quot; is van ruimer' omvang, en verwant aan een ander: //Die timmert aan den weg, hoort veel gezeg,quot;—Ook van menschenoordeel moet de arbeider in 't godsrijk onafhankelijk wezen, en — al ligt dit in 't beeld van den ploeger op zijn' eenzamen akker minder, — niet omzien , hoe anderen zijnen arbeid beoor-deelen , wanneer die slechts goedkeuring vindt bij God , wien hij geheel en onverdeeld is toegewijd.
405
Alles eindelijk, — het omzien naar het verlatene, naar het reeds verrigte en naar het oordeel der wereld : — is zamen gavat in 'iet schoone woord van paulvs (Fit, III : 13, 14): Broeden! ih acht niet, dat ik zelf het gegrepen hel. Maar één ding doe ik: vergelende het geen achter n, en strekkende mij tol het geen vóór is, jaag ik naar het wit, Int tlev prijs der roeping Gods, die van hoven is in Christus JKzrs.
1) Dat het omzien vim lots huisvrouw (zelfs niet aanhalingen uit den Talmud) hier door oudere uitleggers wordt bijgehaald, is natuurlijk. In zoo verre hebben zij gelijk, dat ook de vrouw van lot zeker door eene al te groote betrekking op huis en bof iu 't »Voorwaarts !quot; werd belemmerd. De overeenkomst is dan ook, naar de Grieksehe vertaling, bijna letterlijk. Gen. XIX; 20, *al ènéfileiiii* els ra om'(tm , en hier; xn] fUinuiy sis i« oniaco. Zoo wordt ook (H, XVII ■ .'(2) in de voorspelling dei bange toekomst, alleen bij lukas de waarschuwing; Wh op den akten ia, kcere niet leruy ! (fii, iniun/e-¥quot;gt;?(lt;) ais ra otrlaio,) aangedrongen met de herinnering ; Gcdmkl lots huisvrouw.'
11.
H ET H O N G E R. I G E KIND. ----
|
Of wat mensch is er onder u, zoo zijn toon hou zoude hidden om brood, die hem eenen ut een zal geven? Fm zoo hij hem om een' visch zoude bid' den , die hem. eene slang zal geven ? Indien dan gij, die boos zijl, weel vwen kinderen goede gaven le geven, hoe veelte meer zul mv l'ader , die in de hemelen is , goede gaven geven den genen die ze van 11' 'tn hidden ! |
Kn wat vader onder u , dien de zoon om brood bidt, zal hem eenen steen geven ? Of ook om eenen visch, zal hem voor eenen visch eene slang geven ? Of zoo hij ook om een ei zoude bidden , zal hij hem een' schorpioen geven ? Indien dan gij die boos zijl, weet uwen kinderen goede gaven te geven, hoe veel te meer zal de Hemelsche Vader den Heiligen Geest geven den genen die Hem bidden? |
De schets van het christelijke leven , dat jezüs' Gelijkenissen ons vau zoo onderscheidene kanten leerden beschouwen , zou niet volledig zijn, wanneer zij niet werd aangevuld door het Gebed : want is Gods woord , is chuistus zeil' in de eerste plaats daarvoor het brood des levens, het gebed is van dat leven de polsslag, de ademtogt, en waar het gebed zwijgt op de lippen en in 't hart, daar kwijnt en sterft het geestelijk leven. En omgekeerd, waar dat leven kwijnende is of verstorven, daar zwijgt de stem des gebeds, of dringen hare zwakke klanken niet meer tot den hemel door. Ontroerende voorbeelden levert onze tijd er van op. Wij moeten wel gelooven, wat zelfs groote geesten ons zeggen: //Mijne wereldbeschouwing is niet meer die van jezus ; ik zie in de wereld en het leven niets meer, dan de ijzeren wet der noodzakelijkheid, die door ons gebed niet kan gebroken worden. Het gebed — ern gewezen prediker van het evangelie heeft 't onlangs gezegd—is slechts eene
alleenspraak in het mateloos heelal.quot;......... Wij moeten het wel gelooven, als een eerlijk
man ons verzekert; //Ik bid nooit meer maar nog nimmer heb ik iemand gulhartig
HET HONOKRKij; KIM).
liooren verzekeren ; //En ik bevind mij zoo regt gelukkig daarbij!quot; Neen voorzeker! die geleerde of wijsgeer, die bet gebed beeft weggeredeneerd, en liet zelfs baat als een buicbel-a( litig \eitoon, mij dunkt., bij kan toob niet anders dan met geweldige overspanning een1traan van weemoed terug dringen in bet oog, bij 't gezigt vaneen biddend kind.
Een biddend kind: — dat is in de vraag van jezus, hier boven geschreven, het zinnebeeld des gebeds. En met bet oog op dat beeld ben ik volstrekt niet in de stemming, om eene godgeleerde verhandeling over het gebed te schrijven. Integendeel, gaarne wil ik bekennen, dat, moest de gebeele waarheid door verstandelijke redenering worden uitgemaakt, er weinig ruimte voor gebed en gebedsverhooring overblijft. Gaat men bij onze lotgevallen en die der wereld uit van eene volstrekte noodzakelijkheid — het zij goddelijke voorbeschikking of natuurnoodwendigheid (praedestinatie of determinisme) — dan zal het uitspreken van onzen wensch niet weêrhouden of veranderen, wat volstrekt gebeuren moet. Of redeneert men uit het geloof in eene alwijze en liefderijke Voorzienigheid , zij heeft zeker onze aanwijzing niet noodig, zoo min als Gods alwetendheid onze mededeeling, of zijne ontferming ons smeekend overhalen. Dat alles is waar voor het verstand, maar in de godsdienst komt aan het hart de eerste stem toe, en 't hart dringt ons tot spreken, vertrouwelijk en ootmoedig spreken tot God , vooral nu wij Hem hebben leeren kennen als Onzen Vader in den hemel. En hij, die ons den vadernaam op de lippen legt, jkzus Christus , hij is ons tevens in dat vertrouwelijk spreken tot den Vader liet schoonste en verhevenste voorbeeld. Wie niet meer kinderlijk bidt, hij is zeker geen christen meer. En vragen wij, door den maalstroom der redenering in twijfel gebragt, en toch daarbij onvoldaan; //Ons bidden is immers niet vsrgeefs ?quot; De Heiland antwoordt met de stellige verzekering: /gt;'/gt;// en. n zal f/egeven worden, zoekt en g\j zult vinden, klopt en u wordt opengedaan. En dan is 't nog eens: limit een iegelijk die bidt, hij ontvangt; en die zoekt, hij vindt; en die klopt, hm zal open gedaan worden. 1)
Zoo wel bij m kas als bij mattiiküs volgt op deze sterke verzekering onmiddellijk het beeld van 't hongerige kind. De verdere zamenhang is verschillend. Bij mattheüs staat deze afdeeliug over de gebedsverhooring geheel op zich zelve in bet midden van de schoone spreukverzameling , die wij Bergrede noemen. Luk as beeft ze niet opgenomen in zijn uittreksel uit die rede, H. VI : 20—49, maar zamelt II. XI: l—13 het een en ander uit jkzus'onderwijs omtrent het bidden bij een, ingeleid door de vraag der discipelen; quot;Heer! leer ons hidden.quot; Op die vraag volgt eerst bet allervolmaaktste gebed . 'dan de Gelijkenis van den Smeekenden Vriend, en daarop de belofte; Bidt en n zal gegeven worden! met al wat er bij behoort. Wat vooraf gaat of volgt, staat met deze Afdeeling van
407
50*
das ,Ver da billet, der teerde empfangenso viel einsehrdnke, dasz am Knde nicht s wahr dar au bleihl. Ewai.p.
het hongeuioe kind.
luk as' Evangelie in geeue de minste betrekking, maar wordt door zijn gewoon gezegde: En het geschiedde, er van onderscheiden.
Genoeg over den zamenhnng. Beschouwen wij nu den vorm der Parabel. Zoo als meer andere is zij ingekleed in eene vraag, maar die geene twijfeling, veel eer de stelligste zekerheid uitdrukt, daar zij op het gezond verstand niet alleen, maar op het natuurlijk gevoel der hoorders zich beroept. De vraag herinnert ons eene andere bij den lievelingsprofeet van onzen Heer, jksaja (H. XLIX : 1 t—1 lt;gt;•): Zion zegt: de HEER heeft mij verlaten, en de Heer heeft mij vergeten. Kan ook eene wouw haren zuigeling vergeten, dat zij zich niet ontferme over de vrucht van haren schoot ? Ofschoon deze vergate, zoo zat Ik toch u niet vergeten. Zie ! Ik hel u in de heide handpalmen gegraveerd.
De stellige verzekering, in de vraag opgesloten, komt nog sterker uit in het oorspronkelijke, dat in onze taal moeijelijk naar de letter is weder te geven. Bij mattheüs is het: Of wie (welke) uit ulieden mensch , welken vragen zal zijn zoon om brood,—hij zal toch niet een' steen geren aan hem!' Bij luk as : IVien nu uit ulieden den vader zal de zoon brood vragen, hij zal toch niet enz.— Wij merken in deze, zelfs inliet Qricksch ongewone constructie 1) vooreerst de stellige ontkenning op: '/dat zult gij toch zeker niet doen,quot; cn dan de nadruk: //(Jij zult't niet doen, als gij mensch, als gij vader zijt.quot; Eene schoone bijdrage tot het menschenbeeld, in bijna alle Gelijkenissen naar het leven en in zijne schoonste vormen uitgewerkt.
Maar het wordt tijd, dat wij het beeld zelf nog eens met aandacht beschouwen. Misschien valt ons daarbij een of andere trek in liet oog, dien wij bij liet oppervlakkig zien van reeds lang bekende beelden niet zoo in 't oog vatten.
Gelijk vooral de moederliefde zelfs het dier is ingeschapen, zoo werd onder Israël wel het kind eerbied voor zijne ouders geboden , maar de betrekking van ouders op hunne kinderen als iets, dat van zelf sprak, aangenomen, het tegendeel iets onnatuurlijks geacht, dat zich even min verwachten als begrijpen liet. Die betrekking sprak bij den Oosterling, die zijn' roem stelde in een talrijk nageslacht, althans niet minder sterk dan bij ons. Vooral was de zoende trots der moeder en de vreugde zijns vaders. Een aüron, zwijgende bij de lijken zijner schuldige zonen, of david, jammerende over eenen absalom, zijn er slechts enkele sterk sprekende proeven van. Dat dus een Israëlitische vader zijn hongerig kind vergeefs zou laten roepen, als hij er brood voor had, dat acht jezus onder zijne toehoorders ondenkbaar : —zijn kind, en vooral zijnen zoon!
408
Maar wat misschien niet ieder zoo terstond ziet, jkzus stelt als beeld van het ongerijmde, ondenkbare, niet zoo zeer een' onverschilligen vader, die zijn kind laat honger lijden. De voorstelling is nog sterker. Er ligt eene ijskoude wreedheid in, die de onnoo-zelheid van 't behoeftig kind zou bespotten, vijandschap zelfs, die het benadeelen en kwellen, 't misschien dooden zou. //Uw zoontje staat daar, cn smeekt om brood. Gij zult
1) Ik noem de constructic ongewoon om dc dubbck. vraag, niet om liet gebruik van ju»/, waaromtrent uartim; zeer juist opmerkt: »A.ls viaugwonrd slaat liet, waar een ontkennend anlwooid ondersteld of gewaeht wordt, hl onderscheiding van oé , iat een toestemmend antwoord doet verwachtenquot;
hi.t hongfcuige kind,
't immers geen' steen geven ?quot; Vergelijken wij hiermede de verzoeking in de woestijn: quot;Zet/, dat deze steenen broaden worden!quot; dan vinden wij die vereeniging van steen en brood natuurlijker in het Oosten dan bij ons. De harde, platte en ronde broodkoek, op gloeijende steenen of in heete asch gebakken, heeft er veel meer overeenkomst, dan ons brood zou kunnen hebben, met de steenen der woestijn. 1) Ook waren die broodkoeken niet zoo groot, of zij konden door één menseh geheel worden opgegeten. Eusa vraagt er één van do weduwe te Zarfat, die er juist voor zich en haren zoon twee denkt te bakken. Verbeeldt u nu een' vader, die den schijn aanneemt, als of hij 't vragend kind zulk een'broodkoek geeft, en het intussehen een' steen in handen duwt, die niet alleen den honger niet stilt, maar ook de tanden breekt of pijn doet..... Maar neen ! dit is ondenkbaar. Het zou al te wreed zijn.
Tiet tweede voorbeeld bewijst, dunkt mij, dat onze opvatting van het eerste juist is. Het behoort, met geheel de Bergrede, tehuis in je/.us' eigenlijk vaderland, Galilea. De zee van Tiberias of 't meer van Gennemret, van ouds her rijk in visch, deed er gemakkelijker nog dan elders het vlecseh , dat men meer bij feestelijke gelegenheden en oilennaa.tijden gebruikte, aan den huiselijken disch ontberen. Ji zus' discipelen waren meestal visschers, en gewoon zich daarmede te voeden. Uit de evangel ie-verhalen weten wij , dat men ze soms versch braadde, maar nog meer, gedroogd zeker, op reis mede nam , om als toespijs bij zijn brood te gebruiken. Het was dus eene zoo bijzondere weelde niet, wanneer de zoon aan zijnen vader een' visch vroeg; vooral wanneer wij, naar den zarnenhang bij lukas, ons Jezus onder zijne discipelen, in den omtrek van visschersdorpen voorstellen. Maar wat doet nu de onnatuurlijke vader? Flij geeft zijn kind een slang, die waar hij in rust of verstijfd is, een adder vooral, melden gedroogden visch nog de meeste overeenkomst heeft. 2) Maar het vergiftig dier, door de beweging ontrust of door de warmte der kinderhand uit zijnen sluimer gewekt, bijl den armen kleine...... Neen! dat kan niet. Tiet zou al Ie wreed zijn.
Een derde voorbeeld bewijst weder onze opvatting van hel tweede. Tiet komt alleen bij lukas voor. De wreedheid is hier zoo mogelijk nog verder gedreven. Ook de eijeren behoorden tot het gewone voedsel van Palestina's inwoners. Misschien had men ze in Galiha ook van de watervogels, die aan den oever van het meer van Galilea nestelden. Het zoontje vraagt zijnen vader een ei , en— hij geeft hem een' schorpioen! Deze diereu komen in zuidelijke landen menigvuldig voor, en hebben oppervlakkig rnct onze rivierkreeften (ook wel met dc zeekrabben) eenige overeenkomst. De angel, in den staart geplaatst, brengt vergiftige, ofschoon zelden of nooit doodelijke wonden toe. li) Er is ook
1) Puicaeus hnalt uit piiaEDHUS (111 ; 2) aan: Mniini, qui me aaxo peticriht, qui panna dedrrin!; en bij semca. iemand die eene weldaad, niet hardheid bewezen, steenenbrood {punem lapidosum) noemt. 11. de ghoot uil flautus ; Altera manu ferl htpidem, panem ostentut altera.
2) Bij suidas wordt als een Gneksch spreekwoord aangehaald; //Wat hebt ge, slang of viseh
3) Dat een gevaarlijk en vergiftig dier bedoeld wordt, zien wij ook /,«£. X : 19 , waar in óénen adem wordt gesproken van nop ^lnnyen en schorpioenen te treden? En dat de beet dor schorpioenen wel pijnlijk, maarniet, zoo als de naam Andnclonu* zou doen vermoeden, doodelijk is, blijkt uit Openh. IX ; 5, (i: Aan deze (sprinkhanen) werd gegeoen , niet dat zij zouden dovd-n, maar pijnigen ah een schorpioen enz. De vriend, van wieu ik hier boven sprak, meldt mij, dat van de drie soorten, door nieuwere reizigers in Palestina gevonden, — liuthus pulmalus, Androctonus nigrotinetu» en Androctonus Incolor, — de twee eerste geel zijn en de taaiste zwart; iu nog heetere landen komen doorgaans zwarte voor. Dal aeuancs
het iionohugk kind.
eene bijna geheel Ideurlooze, ligt gele soort, waaraan het spreekwoord ontleend is, om kort-zigtigheid of domheid uit. te drukken ; «Hij ziet een' witten schorpioen voor een ci aan.quot; (stuaüt.) Het is dezen dieren eigen , dat zij over dag meest in oude muren of onder vochtige steencn schuilen, maar met warme zomernachten tot op de trappen der huizen gezien worden. Op 't midden van den dag zijn zij dus doorgaans in een gekromd en in schijn levenloos, vooral in den winter, dien zij in een' staat van verdooviug doorbrengen. Hierdoor, en door de harde schaal, wordt de gelijkenis met het ei groot genoeg. Maar beproef het eens, ze onvoorzigtig aan te vatten, als een ei, dat men breken en uitzuigen wil! De bewegelijke staart slingert met verbazende vlugheid linksen regts, en zoekt zijne prooi voor
een' steek in den blinde, die nooit mist en nog lang pijn doet...... Neen ! daaraan een on-
noozel kind te wagen, zou al te wreed zijn !
Nadat ik het bovenstaande geschreven had, werd mij door een' geleerden vriend, wien ik het ter beoordeeling mede deelde, tegen geworpen, dat hier veel eer verschil bestaat dan overeenkomst, en de vergissing tusschen brood en steen, visch en slang, ei en schorpioen onmogelijk is. ik antwoordde, en herhaal het hier: wJa zeker, voor ons, die met nuchteren blik de zaken beschouwen, is dat zoo, maar niet voor de O os terse he fantasie, en dan nog wol toegepast op een kind. Daar zouden eene gansche menigte vergelijkingen en beelden, uit de poëzij en sprenkstijl der Hebreen, zijn aan te halen, die ons te grof, maar daardoor juist grotesk en pikant zijn; om nu niet te zeggen, dat bij den levenden schorpioen , eirond en ligt geel, ter grootte van een duiven- of hoenderei, met den staart onder het ligchaam gekromd, pooten en scharen ingetrokken , de gelijkenis grootcr zijn moet, dan op onze Musea of in plaat gebragt. Wil men de proef op de som maken, zoo beproeve men slechts, de beelden om te zetten: Voor brood een schorpioen, voor visch een steen, voor een ei eene slang. Teder ziet, dat 't geheel nu minder sluit. Er moest voor de, verbeelding van den Oosterling eene oppervlakkige overeenkomst zijn , waarin wel het kind, maar onmogelijk de vader zich vergissen kon. 1)
En nu de toepassing: Indien derhalve gijy hoos zijnde, weel goede garen 2) te geren aan vwe kinderen , — Men moet het //boos zijnquot; verklaren uit de dubbele tegenstelling: »Boos zijt gij, en niet 't booze maar 't goede geeft gij en: /'Wat gij boozen doet, uw
het !»ocl wit noemde, is niet vreemd. De ouden waren zóó naauwkeurig niet. — De reiziger ehbenbebg , zelf door een der gevaarlijkste soorten gestoken, had slechts eenige dagen van zwelling en pijn last. De groote plaag lag ook hier in de menigte , waarom onder anderen een berg aan do zuidelijke grens van Pnlestiria .Opgang der sehorpioenenquot; werd genoemd. {Num. XXXIV ; 4 enz,)
1) Even eens bijna is het in 't Grieksche spreekwoord, door puicaeis aangehaald; air! né(fxr/s rryntminy, .schorpioen voor baars.quot; De spreuk, hier boven op gezag van stuaut aangegeven, heb ik nergens kunnen vinden.
2) Valckenaaii (Scholae) merkt op, dat dófiarn in 't zuiver Griekseh onbekend is, en dus aan de volkstaal of aan 't Alexandrijnsehe dialekt ontleend. Toeh is het, dunkt mij, hier bij opzet, gekozen, en van Smqov even eens onderscheiden, als ons gave van geschenk, zoo als weder ióai,s eigenlijk de daad van geven (als het, woord in gebruik was; eene geving of een geefsel) beteekent. Zoo zegt jakobus (I : 17); nncra iïónfis uyuftrj xaï nav Swqtjfia xfXbiov avioamp;év itrn. En .S^r. IV : 2 , waar het 11e-breeuwseh heeft; Ik geef u goede leer, vertalen de Septuaginta : iïwijov yaQ aynfróv ihogovgai vfiïv. De Vulgata vertaalt hier en elders üóftnia door data.
410
H KT HONG EK 10 li KIND.
Ilemelsche \ tidcr zihi t mot doen 1 — Jezcs btïdocïlt niutj dut cr boozc iucuscIigu zijn onder zijne hoorders; nog minder, dat zij juist boozer zijn dan anderen; — wat hij van zijne discipelen toch wel niet getuigen zal ! — en allerminst, dat zij het doen in eene vlaag van boosheid; 1) maar eenvoudig, dat de inensch, tegenover den Heilige en Al-goede, boos, zedelijk verdorven en daardoor dikwijls boosaardig is, naar den regel, dien hij den rijken jongeling stelt: //Noem geen' mensch goed; niemand in goed dan één, namelijk God!' 2) Doch hoe veel zonde en hoe veel haat er ook in de menschen woont, op één punt zijn zij goed, en komt in den regel niet dan goed van hen voort; zij welen home kinderen goede gaven te geven. Zij weten wel, wat goed is voor hunne kinderen niet alleen, maar de natuur heeft hun ook geleerd, dit hun te geven. 3)
bil nu de tegenstelling: Hue veel te meer zal uw lader, die in de hemelen is, goede dingen (of //het goedequot;) geven aan. wie Hem hidden. Zoo althans heeft mattiieüs , en mij dunkt, de zuiverheid en eenvoudigheid der tegenstelling pleit voor zijne redactie, even als in t Onze \ ader, dut voorafgaat, bij hem de bede beter sluit: Vergeef om ome schulden, gelijk wij vergeven onzen schuldenaren. In den antieken [lebreeuwschen spreukstijl worden gelijke woorden en uitdrukkingen eer gezocht dan vermeden. Lik-vs heeft: Hue veel ie meer zal de lader, die uit den hemel 4) geeft, den Heiligen Geest geven aan wie Hem hnlden, 5) /oo keert de belofte eenigermate terug tot de vraag, waarvan geheel dit onder-vijs is uitgegaan: nHecr! leer ons bidden!' Want de Vader zelf, dien wij sineekend aan-
1) Hoyij^óg beteekent altijd iets, dat van nature boos, verdorven is: vruchten, dagen, men-selien , endezei' hart, oog of daden; dus niet, — naar de beteekenis van ons boos, — boosaardig tegen iemand of driftig. J tzus verdeelt elders de menschen in booten en goeden {Mutlh. V : 45; XH : 35; XXII; 10); maar spreekt ook van zijne tijdgenootcn iu't algemeen als van eene yevsct ttovi/qo {\latth. XII : 39 —15 ; XVI: 4 ; Luk, XI: 29), zoo als paulus ((?«/. 1:4) hen noemt aimv noyi/gói. Deze voorbeelden pleüen eehter meer voor eene openbare rede volgens mattiieüs, dan voor een gesprek met de discipelen naar lukas.
In dezen zin vat chkysosiomus het op, als hij schrijft; ^Dit zegt jezus, niet om van de men-sehelijke natuur kwaad te spreken, noch om zijn geslacht boos te noemen; maar in tegenstelling met de volmaakte goedheid Gods, noemt hij zelfs de natuurlijke liefde der ouders boosheid.quot; (MiljtR.)
Het denkbeeld is 't zelfde, als waar jezus tot de schare zegt, dat zij wel de teekenen des hemels tccten Ie ondencheiden (oiJixia dhxiua^t^), maar niet de teekenen des lijds. {Lui, Xll ; 50.) Ook daar ligt het w-ten (kennen, er in staat toe zijn,) niet enkel in 't verstand, maar ook in het hart.
4) Wanneer de eerste woorden van het Onze Vader, gelijk de weifeling der Handschriften doet vermoeden, uit mattii i üs zijn aangevuld, zoodat lukas (11. XI ; 2) alleen Vader.' schreef, komt de
uitdrukking Kader, die in de hmrlen is, bij hem noch iu het Evangelie, noch in de Ihnvhdinyen voor._
De praegnante beteekenis van £? («die in den hemel woont, zal uit den hemel geven,quot;) is hierboven zoo kort mogelijk uitgedrukt.
5) Moet men hier invullen, wie Hem daarom (om den Heiligen Geest) hidden ? Het schijnt wel haast zoo, daar bij ahéu , als vragen, in den regel een bepaald object gedacht wordt. Hier tegen kan niet gelden 1 Joh. V : 10 , waar vragen en geven één en het zelfde object heeft: het leven. Eer zou men voor do absolute beteekenis bidden zich kunnen beroepen op/o//. XVI : 20: /« dien dug zult gij iquot; mijnequot; naam bidden. Mij blijft echter de vertaling ,wie Hem daarom bidden,quot; taalkundig de waarschijnlijkste , oon om mattiieüs, bij wien onze Staten-overzetters de zei fde constructie zó(5 vertalen , terwijl zij het bij lukas niet doen. Toch past bidden om den Heiligen Geest, ook bij lukas, in dezen zamenhang slecht. Waren er meer getuigen voor, ik zou geneigd zijn, om nvsifta dyiov vooreen schrijffout, uit (Jo/xa dyaamp;óv ontstaan, te houden. — Over nqoaaxxeaamp;ai, het eigenlijke woord voor bidden, spreken wij nader bij de Gelijkenis van den Fariteêr enden Tollenaar.
411
hkt iionokktoe kind.
roepen, leert het ons, en geeft ons allereerst den Heiligen Geest, den geest des gebeds. Wij hehhen ontvangen den //eest der aanneming tot kinderen-, die in ons roept Ahha ! Tader! En ook wanneer wij niet weten-, wctf wij hidden moeten cjelijk i hehoort, hidt die Geest in ons met onuitsprekelijke verzucJitingen, {Rom, V1 [[ : 15, 20.) Maar lioe schoon en verheven dit denkbeeld ook is, het past nog meer in 't kader van paulvs denkwijze , dan in den eenvoudigen sprcnkstijl vfin jk/ns. ij11 t zon niij niet verwonderen, wanneer utkas* het eer van den discipel lind , dan van don Meester zeli; zoodat dan jkzus do G('lijkenis alleen heeft uitgesproken in den vorm, waarin wij haar hij jiattheüs vinden.
Wat liet eigenlijke punt van vergelijking hetreft, wij moeten vooral niet vergeten te letten op liet //ne veel te meer, dat den Hetnelschen Vader verre boven aardsche vaders stelt, en in de liefdezorg van dezen slechts eene afschaduwing ziet van dc eeuwige liefde.
Ofschoon wij nu de openharing van God als Vader alleen aan den Zoon zijner liefde dank weten , en de aanroeping van een' Vader in de hemelen nieuw is met bet Nieuwe Verbond ; het denkbeeld wordt in het Oude niet geheel gemist Vonden wij hij een' profeet het aandoenlijke beeld van eene moeder met haren zuigeling op God toegepast, een Psalmdichter voegt er het tegenbeeld bij ; Gelijk ziekeen Vader ontfermt over de kinderen, ontfermt jrhovati zich over degenen, die JTem vreezen. Maar wanneer God nog bij den laatsten profeet vraagt: n Een zoon zal zijnen radereeren, en een knecht zijnen heer vreezen. Ben Jk dan een Fader, waar Is mijne eere? Ben Ik een Heer, waar mijne vree ze?quot; is het duidelijk, dat die kinderlijke betrekking alleen op Israël wordt toegepast, van wien jkiiovaii elders zegt; iiAf jn zoon, m'jn eerslgehorene, is Israel.quot; [h.vod. IV : i2 ; vergl. I/en/. Xl\ : 1; XXXII: 6; Jeremia XXXI ; 20 enz.) Paui.us, in deze denkwijze opgevoed, brengt baar op de Christenen over, en voegt er het denkbeeld van volwassenheid aan toe, als hij schrijft, dat de wet de tuchtmeester der kinderen is, en ons in CHltiSTUS de aanneming tot zonen is geworden. Maar men heeft verkeerd gedaan niet deze denkbeelden van den discipel tusschen de spreuken van den Moester m te schuiven, ^oo als wij m de beide Gelijkenissen der Twee Zonen gezien hebben, bij den Heiland hoerscht meer het algemeen menschelijke beginsel, dat allen Gods kindemi zijn, de zondaars verloren zonen, maar die toch nog van hunnen Vader kunnen spreken, al hebben zij zich den kindernaam onwaardig gemaakt. 1) Jn den geest van jnzrs komt dus de vroeger veel besprokene vraag , wie het regt hebben om God als Vader aan te roepen, volstrekt niet in aanmerking. De verloren zoon denkt er niet aan, rn het Onze Vader sluit niemand uit. Van die groote waarheid : //God is Vader, dc mcnsch zijn kmdquot; uitgaande, onderstelt jkzus van zelf ook eene Alwetendheid, die boort, en eene Almagt, die verhooren kan. En nu beroept hij zich op het vaderlijk gevoel van zijne hoorders. Hoe zedelijk verdorven ook de mensch is, dal zegt ziju hart hein toch : een vader kan niet ongevoelig, niet wreed zijn voor het schreijend kind !
412
Nog merken wij op, dat het gebed hier en in dc twee volgende Gelijkenissen nog
1) Hierbij kunnen nog eens onze nieuwste uitleggers van den Verloren' Zoon vergeleken worden: Hoekstra, Blz. 86 verv., tielk, Blz, 5, 77, 78; cohen stuart, Blz. 62, ciiantepie de n saüssaye , Blz. 13. Ieder op zijne wijze, liebben zij daarvan veel goeds en schoons gezegd.
1IEÏ HONG Ell IGE KIND.
slechts ill (lcn engeren zin v.-iu het smeekgebed, een vragen uit behoefte, wordt voorgesteld, waarop dan ook alleen het denkbeeld van verhooren toepasselijk is, terwijl wij eerst in den Fanzetr en Tollenaar liet beeld der aanbidding zullen zien. Dit vragen is nu zeker wel de laagste en meest kinderlijke vorm van 't gebed , zoo als de gemeeusehaps-oefeuing met God, het leven en ademen in God, ook zonder den aandrang van dezen of genen nood, er de hoogste ontwikkeling van is. Maar wilde jh/.us waarlijk volksleeraar en dus het ÏAcht der wereld wezen, dan moest hij wel populair spreken , en hierin, zoo wel als bij de aanbeveling der deugd met het oog op hare vergelding, tot het peil der groote menigte afdalen. Kn waarlijk ! dat peil is nog niet hooger. Neem het denkbeeld van vergelding weg, en de deugd zal schade lijden; hef de verhooring op, en het gebed zal verstommen.
Maar juist in die populaire voorstelling van het biddend kind , beperkt dan ook Ji-./.rs terstond de onbepaalde belofte van gebedsverhooring binnen hare natuurlijke grenzen. IVult
en u zal gegeven worden, of---Dit of geelt den hoorder de keus tusschen 't geen
natuurlijk is, van zeli spreekt, en wat ongerijmd is. De gebedsverhooring moet men aannemen, of de vaderlijke liefde ontkennen. Maar nu volgt er niet: //Of welk vader onder u zal zijn kind niet brood, visch en ei geven, zoo dra hij er om vraagt?quot; Dat zou meng vader zeker niet doen. Want de een zou 't niet hebben, en de ander do vraag van zijn kind onbescheiden vinden, de inwilliging er van zelfs schadelijk en gevaarlijk. Kinderen kunnen zoo veel vragen, en weten zoo weinig, wat hun nut is! Neen! mus rigt altijd zijne vragen zoo in, hij sokratiseert zoo, zouden wij zeggen, — dat het antwoord niet twijfelaeh-tig iS, dat men het niet ontwijken kan. I'n is nu de geschetste wreedheid ondenkbaar, d;in staat het ook vast, dat het biddend kind niet anders dan goede garen van den Hemolselien Vader ontvangen zal. Zoo zegt ook jakouis, die 't meest in den stijl van zijn' goddelijken broeder spreekt, waar hij aantoont, dat geene verzoeking tot zoude van God komen kan : Dwaalt niet, mijne geliefde broeders ! alle goede gare en alle volmaaktegifte is ia». Ijuveu, van den lader der lichten afkomende. — Goede gaven, maar daarom nog niet altijd , wat het kind goed achtte en vroeg. Het is dus geheel inden geest des Meesters, wanneer jojianms de belofte der gebedsverhooring aldus beperkt: Dit is de vrijmoedigheid, die wij lot Cod hehhen, dat zoo wij iets bidden naar zijnen toil, lij ons verhoort.
Maar wij kunnen ook deze omschrijving van het Bidt, en u zal gegeven worden! missen, wanneer wij slechts tegenover den biddenden zoon in de Gelijkenis, de geschiedenis stellen van den Zoon Gods zelf, gelijk hij in Gethsemané gebeden en smeekingen offert lot Den gene, die htm uit den dood verlossen kon; maar toch aan zijne angstige smeek mg do woorden toevoegt: niet gelijk ik wil, maar gelijk Gj wilt, lader I ~lht biddend kind, dat daarin hem navolgt, zul geene steenen voor brood ontvangen, maaralleen goede gaven en volmaakte giften , op hem afdalende van den Vader der lichten.
0 I
II.
Lük. XT : 5—8.
H ie ran n zal eenen vriend hébhen , en zal ter middernacht tot hem gaan , en tot hem zeggen: n I 'riend! leen mij drie Irnoden , overmits mijn vriend, van de rek tot mij gekomen is, en ik hel niet, dat ik hem voorzette;' en dat die van linnen antwoordende zonde zeggen : n Doe mij geene moeite aan; de deur is nu gesloten, en mijne kinderen zijn met mij in de slaapkamer; ik kan niet opslaan, om u te geven.quot;
Ik zeg ulieden, hoewel hij niet zonde opstaan en hem geven, omdat hij zijn, vriend is, nogtans om zijner onheschaamdheid wille zal hij opstaan , en hem geven zoo veel als hij er lehoeft.
De verklaring dezer nieuwe Gelijkenis begin ik met eene opmerking, die mij het over-zigt van het geen nog te behandelen overblijft, in de pen geeft. In het begin van het Derde Gedeelte ontmoetten wij voor liet laatst toiiannes. Dit verwondert ons minder j daar wij meermalen opmerkten , dat de eigenlijk gezegde Parabel in het vierde Evangelie wordt gemist, zoodat wij alleen enkele aanverwante spreuken en beelden, allegoriën of paradoxen, daaruit in onze verzameling konden opnemen. Vreemder is het, dat ook markus ons hier verlaat, en aan geheel liet Derde Gedeelte slechts éene spreuk, — den kemel voor het oog van eene naald, — toebragt, terwijl wij verder met hem niets meer te maken hebben. De reden is misschien daarin te zoeken, dat bij markus de Gelijkenissen bijna uitsluitend breiden zijn van het Godsrijk, en dus de zedelijke verhalen en zinspreuken bij hem minder voorkomen. Maar nu begeeft ons hier ook matïheüs, en eerst bij de Gelijkenissen , die wij tot Besluit van bet geheel kozen , komt hij weder bij ons. Van 't Gebed heeft hij geen ander beeld, dan het biddend kind. Dit komt, dunkt mij, omdat wij al meer en meer op het bijzondere terrein van luk as beland zijn : de echte humaniteit. Duiir vooral heeft hij bij zijne bloemlezing van jkzus' spreuken en beelden , ijverig gezocht en veel gevonden. Lukas spreekt het meest van jkzus' gebeden, en heeft ook 't meest uitgewerkte onderwijs van den Heer omtrent het gebed , als de schoonste uitdrukking van de verhevenheid der m en se h olijke natuur, vooral ook in den Zoon des mensehen.
Wat dan de Gelijkenis betreft, waarvan wij nu te spreken hebben, daarvan is de zamen-
DE SMEEKIvNDE VRIEND.
hang reeds bij de voorgaande aangewezen. Vooraf gaat liet Allervolmaaktste Gebed, naar aanleiding van eene vraag der discipelen. Dan volgt er; En hij zeide lot hen s — natuurlijk tot de zelfden, zonder dat het hierdoor nog zoo bepaald zeker is, dat hot volgende in eénen adem werd gezegd, 't Kan in den stijl van lukas ook beteekenen: //Jezus zeide ook nog tot hen,quot; —over het eigen onderwerp, en misschien ook bij de zelfde gelegenheid.
En wat nu jezus zegt, dat is weder eene vraag, en met die vraag een beroep op zijne hoorders. ^ Hun eigen hart zou 't hun zeggen, hun gezond verstand oordeelen. De vraag strekt tot inleiding van het Bidt en u zal gegeven worden! gelijk de andere vraag, waarvan wij reeds spraken, er onmiddellijk op volgt: tusschen den smeekenden vriend en het biddend kind in, vinden wij do belofte der gebedsverhooring.
Maar de vorm der vraag is weder eenigzius vreemd. Wadr zij begint, kan ieder zien; maar waar zij eindigt, is niet zoo gemakkelijk te bepalen. En hoe wij ook de grannnatikale constructie maken, iets schijnt er uit gelaten te zijn, wat vroeger of wat later.
Geven wij nog eens de letterlijke vertaling; dan valt het beter in 't oog. H ie uit u/ieden zal een vriend hebben, en zal tot hem gaan te middernacht, en zou hem zeggen: // Vriend! leen mij drie brooden , naardien een vriend kwam van den weg tot mij, 1) en ik heb niet wat 2) lk hem zal morzelteMquot; Vn deze van binnen antwoordende zou zeggen: u Boe mij geene moeite aan! Reeds is de deur gesloten, en mijne kinderen zijn mei mij in de rust. Ik kan niet opstaande u geven.quot; — Hier is do vraag uit, en .toch is zij niet uit. Ik heb opzettelijk de tijden der werkwoorden zoo naauwkeurig mogelijk terug gegeven, opdat men zou zien, dat de toekomende tijden dus do vraag zelf half wegblijft steken, en dus de zin niet volledig wordt uitgewerkt. 3) Er ontbreekt nog, bij voorbeeld; //En zal hij (die iemand uit ulieden) het daarbij laten? Zal het hiermedo afloopen ? de buurman onverzettelijk blijven? En dan is t antwoord: Neen! ik zeg u, hij zal geven enz.
Het is noodig, dat wij zoo het oorspronkelijke helder vóór ons hebben, omdat 't anders, n.iar onze \ert.iliiig, zou kunnen schijnen, als of jezus vroeg: //Zal uw buurman aldus spreken? Zal hij niet veel eer terstond en uit zich zeiven opstaan, indien hij ten minste uw vriend is ? Maar jezus heeft de eerste weigering volstrekt niet onzeker willen stellen. Dan kwam de onbeschaamdheid, het sterk aanhouden van den vrager, niet te pas. Ik merk hierbij eindelijk nog aan, dat wij zelfs in 't oorspronkelijke altijd, nog maar eene vertaling hebben , daar jezus stellig in den kring zijner Galileesche discipelen geen
415
57*
Dt SM EEK UNDE VRIEND.
Grieksch sprak. En dan is 't bij i.hkas nog ceno vertaling, die uit de mondelinge overlevering is gevlooid. Eerst wanneer men eens naauwkeurig het onderscheid, in 't gebruik der woorden zoo wel als in de woordvoeging, zal hebben nagegaan tusscheu liet geen u'kas met maltkvs en mattheüs gemeen, en 'I geen bij alleen heeft, zal liet misschien naauw-kenriger te bepalen zijn, hoe veel van den vorm aan hem en zijne berigt gevers toekomt, en in boe verre hij, even als op geheel andere wijze Johannes , van jezus' eigen' stijl is afgeweken.
(ienoeg van den bast: gaan wij nu tot de kern over, die zeer zeker van den Heiland is lt;gt;11 net van zijn' Evangelist,
Er wordt dan iemand gedacht, die twee vrienden heeft: één nabij en één ver; één wien hij eene. dienst vraagt, en een ander, wien hij dienst bewijzen wil.
De eerste dus, op wien 't hier eigenlijk aankomt, is zijn nabuur. Ieder kent de oud vaderlandsehe spreuk : //Beter een goede buur, dan een verre vriend.quot; Er is zoo menig kleine handreiking en hulp, die goede buren elkander bewijzen. Is dat reeds zoo in onze bevolkte steden, waar gemakkelijker hulp te vinden en voor geld alles te koop is; hij, die buiten gewoond heeft , zal u nog beter kunnen zeggen, hoe veel goede buurschap waard is. Het leven der Oosterlingen, — en natuurlijk in JEZits' vaderland Galt ka nog meer dan te Jeruzalem, — had hierin met ons buitenleven de meeste overeenkomst. Het gemak o/i de veiligheid is er zelf» veel minder. De reiziger moest, bij gebrek aan geschikte herbergen, veelal tot de vriendschap zijner bekenden, of anders tot de gastvrijheid van vreemden zijne toevlugt nemen. En bij gebrek aan winkels op kleine plaatsen, moest men door leenen of ruilen elkander bijstaan.
En zoo stelt .tezi's hier minder eigenlijke armoede, dan wel oogenblikkelijke behoefte en verlegenheid voor. Een reiziger is nog laat op den weg. Schoon anders de nacht niet veilig is, op het midden van den dag laat de bette het reizen dikwijls ook niet toe. Daarom wandelt of reist de Oosterling gaarne — denkt slechts aan de Emmaüsgangers! — in of tegen de avondkoelte. Maar wordt hij dan opgehouden of mist hij den regten weg, — die ook niet altijd gemakkelijk te vinden is!—zoo dwaalt hij ligt in den nacht, en moet zelfs somtijds , te ver van alle menschelijke woning , even als jakob te Bethel, den eersten steen of boomstronk dien bij vindt, tot hoofdpeluw kiezen, en zijn' mantel over zich heen slaan, om zich te dekken. De reiziger in de Gelijkenis heeft echter het geluk, tegen middernacht, of liever //in 't midden van den nacht,quot; 1) de woning van eenen vriend te bereiken, Deze is nog wakker, of wordt gewekt. Hij wil hem gaarne herbergen, maar zit daarbij in eene groote verlegenheid. Hij heeft niets, om den vermoeiden en hongerigen vriend voor te zetten. Met zijn gezin heeft hij den eenvoudigen avondmaaltijd gebruikt. Er is niets overgeschoten, dat. den vreemdeling kan worden aangeboden. Morgen eerst wordt
1) Meaovixtiov is niet, eene juiste bepaling vau het uur, zoo als bij ons middag en midder-nacht de klok van twaalf ure aanduidt, mair //ongeveer in't midden van, bijna half weg den naelit.quot; (Vgl. IJaiicl. XVI : 25; XX ; 7.) In dien zin komt. het echter alleen bij lukas voor. Bij markus wordt er de tweede nachtwake, naar onze uurtelling van 9 tot 12 ure, mede aangeduid. {Mark, XI11 : 35.)
DE SMKtKENDK VlilESD.
op nieuw bij hem brood gebakken. En nu was er in steden of vlekken nog wel brood te koop, zoo als bij voorbeeld de discipelen bet kochten te Sichar [Joh. 1\ : 8), en vooral te Jeruzalem, in de bakkerstraat; maar hier, op cenc kleine plaats of in den omtrek van eene eenzame buitenwoning , was bet niet te krijgen. En al Mas over dag een bakker b.nnen het bereik , te middernacht niet.
Ku zal zijn andere vriend, die tevens zijn nabuur is, hem te pas komen, nu of nooit. Deze, bij weet het, heeft brood in huis. Misschien is hel een opzettelijke afspraak tus-scben de geburen, om niet allen op den eigen' dag te bakken, en daardoor elkander in nood te kunnen bijstaan. Of — voorondersteld, dat men 't in die warme landen eiken dag deed — hij kan berekenen, dut zijn buurman, met zoo veel hongerige kinderen, altijd iets in voorraad moet hebben. Buiten weet men zulke kleinigheden van elkander, en onder onzen boerenstand, vooral in afgelegen streken, zou iets dergelijks nog plaats kunnen vinden, liet uur is wel wat ongelegen, maar voor een enkele maal zal zijn buurman, met wien hij op zoo goeden voet staat, daarop niet zien. Hij gaat dan naar zijne woning, en klopt. Als hij gehoor krijgt, vraagt hij op vriendelijken toon; //Och, mijn vriend! help mij eens aan twee brooden!quot;—Daar ieder brood of elke broodkoek gewoonlijk voor één rnensch voldoende was, en de gastvrijheid vorderde, dat hij zich nog eens met den vreemde aan tafel zette, kon hij wel niet minder vragen. Ook gebruikten de ouden hunne brooden, als wij onze borden, om er andere spijzen op te leggen, en mogten er dus niet te weinig wezen. Een of drie, dat ging ook met de zelfde moeite door. //Help mij eens aan drie brooden, mijn vriend! Gaarne wil ik u die morgen terug geven. Voor het oogenblik zit ik er dringend om verlegen, daar nog onverwacht een vriend van de reis tot mij gekomen is , en ik niets in huis heb om hem voor te zetten.quot;
Pe bede is zoo billijk, als zij zijn kan. Hij vraagt ook alleen te leen, en niet te geef; niet voor zich zei ven , maar voor een' ander, en niet voor een' vreemde, maar aan een' vr.end voor een' vriend. Gelijk — naar 't oud vaderlandsclie spreekwoord — een vriend een' vriend mag meebrengen, zoo mag hij ook wat voor hem vragen. En is het uur wat ongelegen, 't is geheel buiten zijne schuld. Hij heeft 't niet kunnen voorzien , en is toch dooiden heiligen pligt der Oostersche gastvriendschap gehouden, zijnen vriend brood en zout voor te zetten. Zeker! in hel omgekeerde geval zou hij die kleine dienst niet weigeren.
117
Toch vindt hij zich te leur gesteld. Die van binnen denkt er anders over. Hij antwoordt wrevelig, zonder de buitendeur te openen of zelfs den nabuur wederkeeng vriend te noemen : njtoemij loch geeneriet ■moeilê aan! De deur is gesloten ; de kinderen zijn met mij te bed: ]) ?'/■ kan nu niet meer opstaan, om u die brooden le gevenquot; — Onze vertalers zeggen, dat het huisgezin op de slaapkamer is, en mijn teekenaar laat hem door het tralievenster van de opperzaal kijken, omdat hij toch onmogelijk //do stem van binnenquot; kan uitteekenen. Maar naar de letter van 't verhaal is de man met zijne kinderen — van eene
1) De vertaling in de slaupkumer heeft volstrekt geen' groud. Er staal eli rijf yolujv eiaif, ca tiAuiiNG merkt te regt op, dat wij iu ouze taal juist het zelfde zeggcu; De kiudereu zijn naar bed; dat is; »Zij zijn naar bed gegaan, en ziju er dus nu in.quot;
DE SMEKKKNDË VRIKND,
vrouw spreekt hij niet 1) — in de rust of op zjn bed. Of wij dit nu zoo letterlijk moeten opvatten? Dan is 't een klein burgerhuis geweest, waar het bed digt genoeg bij de deur lag, om van daar af tc spreken met iemand , die buiten stond. Maar die letterlijke opvatting is juist niet noodig. Ik herinner mij ten minste, hoe een buitenman ook een' vriend van mij na middernacht voor de deur liet staan, terwijl hij inden gang en achter de voordeur kwam roepen: //Ik lig al te bed!quot; en er ook spoedig wéér in lag. En die dat riep,— hij ruste in vrede! — was ook iemand, die misschien meer dan eens over deze Gelijkenis tot de gemeente gesproken bad.
Vraagt men, wat die kinderen bier doen? Misschien beschrijft de man er alleen zijne drukke huishouding mee. Hij heeft voor de zijnen geuoeg te zorgen, en is blij , wanneer 't gezin in de rust is. Nu nog weêr op te staan, zich ten minste een weinig te kleeden — de Oosterling was van ouds kieschop dat punt, en 's nachts geheel ongekleed, — neen! dat is hem te veel moeite en ongemak. Zelfs een nabuur en vriend heeft geen regt, dat van bem tc vergen, alleen om de eer van zijn huis op te houden en zijn' vriend de dienst der gastvrijheid te bewijzen. Mogelijk ook maakt hij van zijne kinderen melding, die, als jonge mensehen, vast slapen, omdat anders zijn zoon het zou kunnen doen; maar die is ook al in de rust. Tiet woord doet echter meer aan kleine kinderen denken. Sommigen, maar hiervoor is ipij in 't bijbelsch spraakgebruik volstrekt geen bewijs bekend , denken met adgustinüs aan de huisslaven (jongens), die hij voor zijn' buurman toch niet wekken en weêr aan 't werk zetten kan. Zij hebben over dag genoeg te doen, en mogen dus 's nachts wel rusten. 2)
En dan is't met het opstaan en 't krijgen der brooden nog net afgedaan, het geven er van is ook wat. Onze sluiting is te gelijk eenvoudiger en zekerder dan die der Oosterlingen. Bij gemis van onze kunstige ijzeren sloten, en bij de mindere veiligheid van den nacht, wordt de buitendeur met sluitboomen goed verzorgd. Hoe omslagtig en zeker die sluiting is, blijkt onder anderen daaruit, dat de dief in den nacht gemakkelijker den muur doorgraaft, (waarvan later bij den Schat in den heme/,) dan dat hij liet slot breken zou, :5) Daarbij gaat men er vroeg ter ruste, 't Is te veel gevergd ! //Stoor mij dus niet. Ik kan u toch niet helpen. Staak dat nutteloos en hinderlijk kloppen maar!quot;
Xu komen wij aan onze invulling, //Zal nu hiermede de zaak afloopen ? Zal hij, die
1) Alfokd merkt niet geheel te onregt de kieschheid op van den stijl oazes Zaligmakers, die hier even min als in de Gelijkenis van den Vertoren Zoon van de moeder spreekt, en elders, waar de e!iRilt;-Tus als Bruidegom wordt voorgesteld , geene bruid noemt. Zeker is er tussehen de beelden van onzen lieer, en die b. v, van EZEcniÈr,, in dit opzigt een verbazend groot onderselieid.
2) Jam cum suis semis dormieniem petitor instantisnimus et mofeslis.iimvs rxcitacU, schrijft aügustini s [Ep. 130, e. 8); maar ofschoon rtnfj dikwijls in deze beteekenis voorkomt (b. v. itnidns xaX naiilatmt, luk, X11: 45), vind ik nniDia zoo niet gebruikt. Als dindnutivum beteekent het «kleine kinderen;quot; léxya zou van grootere, die het huis voor den vader ontsluiten konden, gezegd ziju. Bij de Grieken komt naiSlov een enkele maal van een' nog jeugdigen slaaf voor.
3) The door is now shut, I/or is implied in this than merely closed. He would say ; uThe house is made up for the night; the door barred and bolted; and at this unseasonable hour I'cannot disturb my household hy rising and giving thee. Trench.
ns
dk smeekende vriend, 419
builen staat, zich laten afschrikken, en die van binnen antwoordt, in zijne weigering volharden?quot;— Neen zeker! de gastheer kan toch zijnquot; verren vriend zoo hongerig niet herbergen, en hij heeft geen andere toevlugl in den nacht. Had die vanbinnen geantwoord; /''t Spijt mij, maar ik heb zelf geen brood in huis,quot; dat zou wat anders wezen; maar liet brood is er, en de buurman verhouwt het hem ook wel toe; 't is de moeite maar. Wanneer de knorrige luim van het ontwaken uit den eersten slaap voorbij is, zal hij iiem nog wel helpen, 't Is te beproeven in ieder gevai : want een andere toevlugt heeft hij niet. Hij houdt aan. Hij klopt nog eens, — zoo als in de Evangelische geschiedenis pbtb.us bleef Moppen, toen hem niet werd open gedaan [Hand XII : 16). — Hij verzoekt 't nog dringender, nog vriendelijker, 'tls hier wel letterlijk; Klopt, en v zal open gedaan worden. En , met hoe veel moeite dan ook, de deur gaat eindelijk open, en de gevraagde broo-den worden hem toegereikt, waarmee hij verheugd zich naar zijn huis spoedt en naar zijnen gast.
//■ zeg v heden , zoo besluit de Heiland ; indien hij al niet geren zal aan hem opstaande, door dat hij zijn vriend is, door zijne onleschaamdheid uit den slaap gewekt, zagt; hij hem geven, wat hij lehoejt; — waarop dan volgt: en ik zeg v lieden: bidt, en u zal gegeven worden; zoekt, en gij zult vinden; klopt, en n lieden zal open gedaan worden.
Hierbij heb Ik enkele opmerkingen, en wel in de eerste plaats omtrent kleine taalkundige bijzonderheden , die altoos in eene vertaling moeijelijk zijn terug te geven , en die toch bij een' zoo lijn' stylist als m'kas niet zonder beteekenis of bedoeling zijn.
Vooreerst dan is hier boven door verschil van letter zoo goed mogelijk het onderscheid aangewezen tusschen ik zeg en ik zeg, met het uitgedrukte voornaamwoord. Het eerste wordt gebruikt in de conclusie der Gelijkenis , waar mrs spreekt als verhaler, en het tweede bij hare toepassing, waar de Heer op het gebed tot God overbrengt, wat den man in de Parabel zoo goed geholpen Imd; Klopt, klopt door, klopt aanhoudend, u zal open gedaan worden, en gegeven, wat gij vraagt; — of eigenlijk niet al wat gij vkaaot, maar gelijk inet opzet het laatste woord der Gelijkenis is gekozen ; wat oij behoeft. Want alleen uit behoefte had hij 't den vriend zoo lastig gemaakt.
Verder moet ik opmerkzaam maken op eene armoede in onze anders zoo rijke taal, waardoor het enkelvoud en meervoud van gij en u niet te onderkennen is. Waarom heeft ook onze beschaafde boekenstijl het antieke du (doe) of 't populaire jij, je, niet aangenomen ? Nu moeten wij ons, ter onderscheiding van het meervoud, met het statige gijlieden en ulieden behelpen. Daaruit zal men hebben opgemerkt, dat de geheele redenering in 't meervoud voort gaat. En wanneer wij op het Wie uit ulieden? letten, zoo gewoon bij jezvs' volksonderwijs , schijnt wel haast de Gelijkenis in ruimer' kring dan dien der twaalve te zijn uitgesproken , hoewel vs. 1 ons , zonder liet echter uitdrukkelijk te zeggen , alleen aan dezen denken deed.
Nog één woord, dat in de vertaling minder gemakkelijk te onderscheiden was; opstaan. Onze statenvertaling heeft niet anders, dan dit ééne, maar het oorspronkelijke heeft er twee, waarvan het laatste sterker is, daar het van een opwekken uit den slaap, en zelfs uit den
ük smkekode veten'd,
dood, plagt gebruikt te worden. Tn onze vertaling liebben wij dit zoo goed mogelijk weder gegeven: //Als do buurman niet opstaat als vriend, — en op die vriendschap , niet enkel op de nabuurschap heeft de man gerekend, 1) — hij zal worden gewekt 2) door 't onbeschaamd aanhouden.quot; Tlij zal niet alleen van zijn leger zich oprigten, zoo als terstond een bereidvaardig vriend zou doen, maar hij zal 't daarop niet kunnen uithouden, al poogt hij wéér in te slapen. Door 't alarm gewekt, zal hij er op die wijze een eind aan maken.
En nu nog iets over die onheschaamdhetd. TTet spreekt wel van zelf, dat wij het woord niet in don ongunstigsten zin moeten opvatten. 3) 't Was toch niet eene onbeschaamde, brutale vraag. Al was't aankloppen vrijmoedig, vrijpostig kan men 't naauwelijks noemen: want onder goede vrienden en buren staat het vragen om hulp in nood altijd vrij. Wij moeten hier dus alleen aan een sterk aanhouden denken, en dus niet daaraan, dat bij ter ongelegener tijd iets vroeg, maar dat hij zich door de weigering niet liet afschrikken. 1gt;) Deze beteekcnis van bet woord rust op 't I[ebreeuwsche taaleigen. Zoo drongen de profetenzonen op het zoeken naar klta aan, en zag i t.:za later met zwijgend en doordringend oog op hazaël , tot schamens toe (2 Kon. li: 17; VTTE : 11), om er verlegen meê te worden.
En zoo zijn wij nu, hoop ik, genoeg op de hoogte , om ook voor ons zelve tot eene conclusie omtrent dit ouderwijs van den Heer te komen. Maar daarmede wilde ik liever nog wr.chlen, tot wij ook het beeld van Reg ter en Weduwe hebben geschetst, ten einde later niet in herhaling te vervallen. Want al geeft iukas het niet te kennen, deze twee Gelijkenissen liebben te veel verwantschap met elkander, om ze niet onder één oogpunt te brengen, waarbij het verschil zoo wel als do overeenkomst beter in het oog vallen en zin en bedoeling duidelijker worden zullen. Ik verwijs dus hier alleen nog naar het vroeger gezegde omtrent de G esloten deur. (Gelijk. XXXV11.) Kr is eene treffende tegenstelling tusschen die en deze. Zal in den dag der vergelding de toegang onherroepelijk zijn afgesloten , hier blijft nog altijd , of wordt gedur g weder de deur des gebeds geopend.
Deze schoone beteekcnis is voor niemand twijfelachtig. Intusschen gaf dit tafereel van drie vrienden van ouds in al zijne bijzonderheden ruime stof aan hen, die met de eenvoudige beteekcnis Klopt, en n zal open gedaan worden! niet tevreden zijn, maar diepere gc-lic.imenissen in .Tizrs' Parabelen zoeken. De Katholijke opvattingen vindt gij onder anderen
1) Petitorem (chbisti s) a micum facit, non alienum, et ad amicum pvlsaniem, non ad ignotum. Ti u-tuiIjIANüs. Sed apul homines plus potest importunUuH, quant amieitia, Sai.meuon.
2) Ik zie, na het boveustaande geschreven te hebben, dat ook tkinch de zelfde opmerking heeft gemaakt: ,1/oslt; translations miis the distinction Mween the avumas and ijftyamp;ele of this verse, rendering them bolk , as ours has done, hg the same word. Hut in the original tie word would seareetg have h-en changed, unless a difference has teen intended. The second means rather, — I,eingrousod, thoroughly wakened.
3) Daar avnlSiia hier alleen voorkomt, kunnen wij naar spraakgebruik tusschen onbeschroomdheid of volharding en onbeschaamdheid niet kiczca ; maar de afleiding geeft de laatste beteekcnis, en het Grieksehc spraakgebruik, bij voorbeeld van den bedelaar bij homerus (Odyss. XVII; 449), bevestigt dit. Ook iu de Grieksehc vertaling en de Apokrjphen van het O. T. komt uraiift/s en de daarvan afgeleide woorden altijd in ongunstigen zin voor.
4) De Statenbijbel omschrijft! «Moeijelijk en ontijdig aaiihouden , hetwelk wel somwijlen onaangenaam is bij de mensehen , maar niet bij God.quot;
420
de smeek en de vetend.
bij salmeron. De vriend, tot wieu de zondaar de toevlugt neemt, is Christus, die tot de zijnen zegt; nik heb u vrienden genoemd!' {Juli. XV : 15.) Te middernacht duidt de donkerheid van verzoeking en rampspoed aan. De drie hrooden beduiden (volgens avc.ustimis) het geloof in de heilige drieëenheid, of wel de drie hoofddeugden //geloof, hoop en liefde;quot; of ook, naar theophylactüs, de verkwikking van geest, ziel en ligehaam. En zij worden te hen gevraagd, omdat de genadegaven, als de talenten ia eeue andere Gelijkenis, met woeker moeten worden terug betaald. De vriend eindelijk, die van de reis komt, is naar theophylactüs de Engel Gods, die den Christen tot bidden aanspoort; of 't is, volgens St, Bernard, do bekeerde menseh , die tot zich zelf komt. Naar augustinus komt een wereldling tot den Christen, die hem wel tot petrus en pa ui, us brengen zou, maar de Enderen slapen reeds, en nu klopt hij zoo lang, tot de Heer zelf open doet. Dit tafereel is bij den Kerkvader welsprekend uitgewerkt, en droeg men het in zekere kringen voor, het zon als iets nieuws en geestigs worden toegejuicht.
Maar hooren wij vitringa , die alles in 't Coccejaansche keurslijf der kerkhistorie inkleedt, dan is 't zoo klaar als de middernacht zelf, dat de vriend, die te middernacht van den wegkomt, het beeld is der Heidenen; de vriend , die hem ontvangt, de. apostel paulus; en de derde vriend, die om de broeden gewekt wordt, jezus Christus , die tot nog toe nog binnen was, dat is binnen het Jodendom. Maar hij staat toeh op, en leent den Heidenen het brood des levens, opdat zij 't inde voleinding der tijden den Joden weder geven.
De nieuwere mystiek heeft in deze profetisch-historische droomerijen geen' smaak, maar keert met zekere innigheid, — die velen flaauvvheid toescliijnt, — tot do gemoedelijke exegese der kerkvaders terug. Zoo drummond , die uitweidt over dc middernachtelijke donkerheid van dit leven, en de toevlugt van den zondaar tot den gcloovige, die hem tot Christus brengt, even als do Kananeesche jkzus voor hare dochter aanroept, en door eene eerste afwijzing zich niet laat afschrikken. 1)
't Is bijna jammer, dat ik hier onder moet schrijven , met een woord van trench : //Ik kan in deze woorden geene diepere beteekenis zien, dan die op de oppervlakte ligt; maar onze verklaring zou onvolledig zijn, wanneer wij niet daarbij aanteekenden, dat deze Parabel ten doelwit heeft gestrekt voor menig mystieke ca allegorische uitlegging, waaronder sommige van aanmerkelijke schoonheid.quot; — liet laatste behoudens den regel van boileau : Rïen n'est beau que le vrai, le vrai seul est aimahle.
58
1) Ouder het afdrukken komt mij in handen h. w, j. tiiiebscii, Die GMehnissc Christi, ncie/i Uier moralifchen uud profetischen Bedeutuny betrachtet, Frankfurt a. M. 18()7; een stichtelijk boekske, waarin de toepassing op het middernachtelijk donker enz. niet hindert. Tim:useil verklaart de vermelding der k i n deren, door: Es int ihn umniiemhn , wenn durch das Klop/en , Rufen , Lichthanziinden und Herumgehcn die Kinder im Schlnfzimmer uiiftoacheu, die nachher nicht so leicht wider einscMufen. Deze verklaring heeft in hare naïviteit iets , dat haar aanbeveelt.
Baar was een zeiier regler in eene stad, die God niet vreesde, en geen' mensck ontzag. En daar ivas eene zekere weduwe in de zelve stad, en zij kwam tot hen, zeggende: // Doe mij rcgt tegen mjne wedarpartj!quot;
En hj wilde voor eenen langen t jd met; maar daarna zeide hij hij zich zeiven : nHoewel ik God niet vreeze, en gt-.en', menseh ontzie; nogtans omdat deze weduwe mij moejel jk valt, zoo zal ik haar regt doen, opdat zij niet eindelijk kome en mij het hoofd hreke,quot;
De Bijbel is, raeer dan eenig ander, bet Boek der Weduwen. Niet alleen in zoo verre bij rust aanbrengt allen, die hel ast en heiaden zijn; maar ook in 't bijzonder, omdat hij bet regt der weduwen bandbaaft, en deernis toont en wekt met haar lot.
Verlangde de Israëlitische vurig naar een' zoon, en was het baar eene smart niet alleen, maar een smaad, die moedervreugde te moeten missen, bet was om die vreugde en die eer alleen niet; maar omdat in bet Oosten, onder alle geweld en willekeur, eene kinderlooze weduwe bet toonbeeld was van ellende en verlatenheid. Zij kon geen regt laten gelden op haar erfgoed, of dat van baren echtgenoot; voor baar was geeno plaats meer onder de geslachten van Jsra'èl; en zelfs waar zij nog regt bad, was, zonder natuurlijken bescbermer, dat regt voor baar ver tc zoeken. Wel inogt zij zeggen met de arme weduwe van elime-lech: nNoem mij geen kaomi meer! Noem mj ma ra : want de HEER heeft mij bitterheid aangedaan!'
Maar van daar nu ook, dat ouder Israël de godsdienst haar in 't bijzonder beschermde tegen het ruw geweld, en JiiHOVAii 't zicb een' eeretitel rekende, de Toevlugt der weduwen tc zijn en de Vader der weezen. Reeds in de wetten van mozes , en inzonderheid onder de vele voorschriften van menscbelijkbeid in bet bock Denteronomium, vinden wij te baron voor-deele menige aandoenlijke uitspraak of bepaling. Wie tc ver af woonde van bet heiligdom, om jehovaii de schatting zijner tienden op tc brengen, moest er in zijnen naam weduw en wees en vreemdeling medu voeden. U anneer de Israëliet zijn koren op den akker had afgeoogst, en eene garf daarop vergeten, zoo mogt bij niet weder keeren, om die op
HHHRnBHSBBBB
1
„Omdat deze weduwe mij moeijelijk; valt ?,oo zal ik haar re^t doen.'1
DE keoteil kn de weduwe. 1'2-s
to nemen. Zij was ddur, met de nalezing van den akker, door de goede zorge van Gods quot;Voorzienigheid achtergelaten voor den vreemdeling, voor den wees en de weduwe. Of had hij den olijfboom geschud, hij mogt de takken niet daarna doorzoeken; voor hen, Gods gunstelingen, was de nalezing van olijf en wijngaard bestemd, opdat .rKHOVAii, Jsraels God, het werk hunner handen zegende,. 1)
Het beeld van den regter, getrouw in zijnen post, wordt — naar het voorbeeld van God zeiven — overal door deze trekken geschetst: Die het aangezigt niet aanneemt, noch door geschenken wordt omgekocht, die het regt handhaaft van weduwen en weezen. (Bent. X ; 17, 18.) Op eene menigte plaatsen (reeds Exod. XXII i 22) wordt hierop door wetgever en profeet aangedrongen; wordt het afwijken daarvan als een vloek het volk verweten, en in het opheffen van dien vloek het kenmerk der bekeerhig gezocht: Vervloekt, die het regt der weduwen buigt! — Doe den weezen regt; behandel de twistzaak der wedmee: dan eerst zal Ik uwe gebeden v er hoor en, spreekt de heer. — Ja! van het regt, dat anders den schuldenaar toekwam, mogt mrn tegen haar geen gebruik maken. Gij zult het kleed der weduwe niet te pand nemen, zegt de wet, en job rekende 't zelfs als eene zonde, wanneer men Jaar os of ezel tot onderpand genomen had. 2) — Hier als overal, is du strafwet een spiegel der zeden. Wat niet gebeurt, behoeft niet verboden te worden. Dus zijn de talrijke plaatsen, te veel om hier op te tellen, die voor de v duwen spreken, zoo vele bewijzen van hare v erd r ukk ing.
Zoo was Jehovah, naar de Israëlitische voorstelling, der weduwen Goül, Handhaver harer zaak, haar Beschermer en Regter. (JPs. LXYIH : 6.) Maar ook onder het Nieuwe Verbond was het de zuivere en onbevlekte godsdienst voor God en den Vader, weduwen en weezen te bezoeken in hare verdrukking; verded-gde jm s hare huizen tegen de ïarizeën, die ze opalen onder den schijn van lang te bidden j en waren aan de zorg der eerste gemeente inzonderheid de weduwen toevertrouwd, gelijk de Heer zelf het voorbeeld van innerlijke ontferming gegeven had, in zijne weldaad aan de weduwe te Xain. .'5) Zoo was ook Jtzus' laatste zorg aan het kruis voor zijne moeder, de verlatene weduwe geweest; en de troost van zijn evangelie voor die veriatenen niet 't minst bestemd ; De weduwe, alleen gelaten , loopt op God, en blijft in smeekingen en geleden, nacht en dag, (1 Tim. V : 5.)
Deze inleiding liet ik daartoe vooraf gaan, opdat men zich van de weduwe eene zuiver bijbelsche voorstelling zou maken , overeenkomstig de zeden der oudheid, en in menig opzigt nog van 't hedendaagsehe Oosten. Wij zijn gewoon, de weduwe te beschouwen als een voorwerp van beklag, inzonderheid wanneer zij arm is en veel kinderen heeft. Doch in den bijbel vinden wij de weduwe, niet in hare armoede, maar in hare verdrukking, juist te zwaarder, omdat zij geene kinderen, althans geen volwassen zonen heeft. De bescherming, door Jehovah haar beloofd, moest door do priesters en oudsten, als handhavers der goddelijke wet, haar worden verleend. Daartoe ook moest in iedere stad eeu regter
I
I
{
J
1) Deal. XIV: 29; XXVI: 12, 13; XXIV: 19-21.
2) Ikut. XXVII: 19; Jm. I : 17 j Job XXIV : 3.
3) Jak. 1:27; /W. VI: 1 enz.; Luk. VII •. 12—15,
58*
DK REGTER EN UK WEDUWE.
worden aangesteld (Deut. XVI : 18), zeker uit de oudsten gekozen; en zulk een' r eg ter ontmoeten wij in onze Gelijkenis.
Hier is dus geen sprake van een gamp;rujt, eene regtbank, uit meer regters bestaande, waarop men meent, dat jezüs doelt in de Bergrede, als lager in rang dan hot Sanhedrin (Matlh. V ; 22), — schoon mijns inziens zonder eenigen grond, 1) — maar van écu' enkelen regtcr. Had in dien tijd Jeruzalem een eigenlijke regtbank, althans in het Sanhedrin, in kleinere plaatsen berustte de regtsraagt in ('éne hand, en was liet beroep op eene hoogere inagt niet toegestaan, of toch vruchteloos, daar door het kort regt der Oosterlingen het vonnis dadelijk werd uitgevoerd. Wel stond oudtijds onder Israël voor iederen klager, die door deu regter niet werd geholpen, de toegang tot den koning open; maiir aan het weelderige hof der hekodessen was allerminst voor het regt der armen en verdrukten plaats, en de Romeinen , die zich alleen het doodregt hadden voorbehouden, bemoeiden zich met die kleinere regtspraak naar de Mozaïsche wetten niet. Er bleef dus niets anders over, dan om, bij herhaald pligtverzuim, onregt en omkooping, den regter zelf aan te klagen, waarop hij van zijn' post kon worden ontzet; — zoo ten minste de klagers meer invloed hadden, dan zijne beschermers aan het hof, en dat had althans eene arme weduwe uiet.
In zekere stad dus, — verbeelden wij ons slechts eéne der kleinere steden van Galileo,,— was zulk een regter. Thans zou men hem in 't Oosten Kadi noemen, de hoogste overheidspersoonzijner woonplaats, die in alle dagelijks voorkomende zaken uitspraak deed, zonder iiooger appel. De vrederegters onzer vroegere republiek hadden er de meeste overeenkomst mede, behalve dat zij veel minder magt bezaten. Naar de wijze des lands moest deze regter iederen morgen vroeg, op de binnenplaats of onder de gaanderij vóór zijne woning gezeten, alle klagten en twistzaken aanhooren, die tot hem werden gebragt. Maar het beeld, dat jfzus met enkele trekken van hem schetst, is juist het tegenbeeld van wat de wet eischt in Isrels regters: hij vreest God en ontziet 2) een mensch niet, en is onbeschaamd genoeg, om dit even min voor zich zei ven als voor anderen te verbloemen. De hoogste regterlijke magt in 't land, door Rome aangesteld, bewaarde ten minste altijd nog de vormen; zelfs een felix , als hij paulus gevangen houdt, hopende, dat hem geld zou gegeven worden, opdat hij hem los liet. Zulk een regter had den roem der Eomeinsehe regtvaardigheid op te houden : want de Romeinen hadden de gewoonte niet, eenig mensch uit gunst over te leveren. {Hand. XXIV ; 26; XXV : 16.) Maar deze regter stelde zelfs
1) Ik zie volstrekt uiet iu, waarom wij, naar de gewone opvatting van xqivn op deze plaats, daarbij aau eene regtbank zouden deuken, daar ook vs. 25 slechts van «énen regter spreekt, tot wien de partijen op den weg zijn. Ook daar maakt de xtjurjs met ziju' V7ii/uéigt;;g de geheele xyiatg of regtbank uit. Ue uitleggers hebben zich hier, zoo als meermalen, op het dwaalspoor laten brengen door de Rabbijnen, die doorgaans doelen op latere toestanden, of de oude fabelachtig opsieren. Zoo haalt men hieruit hunne schriften aan, dat deze lagere regtbanken uit 23 leden bestonden. De Gang naar den Regter, slechts drie verzen verder, schildert echter geheel het zelfde willekeurige kort regt, waarop onze Gelijkenis is gebaseerd.
2) In tegenstelling met het rpo^oipsfog tegenover God, staat hier en vs. 4 ivvQEno/xevog van .een mensch ontzien, voor hem schaamte of ontzag hebben.quot; Zie Matlh. XXI; 37 en Uebr. XII ; 'J, — Stieu vindt in het laatste woord sterker beteckenis dan iu het eerste, eu leidt daar veel en velerlei uit af, dat meer vernuft dan gezond verstand verraadt.
•124
IJE Hl,GTE 11 liN DE WKDL'WE.
op dien schijn geen' prijs, daar hij geen mensck ontzag, en hoorde niet eens aan, waar hij voor zich zeiven geen voordeel in vond. Zijne magt was zijn regt.
En er was eene zekere weduwe in de zelve (of die) s/W, 1) dus onder zijn rcgtsgebied: en zij kwam tot hem, zeggende-. uBoe mj regt tegen mijne wederpartij!quot; 2) Het verhaal vooronderstelt, dat de vrouw regt heeft, dat hare zaak zelfs in 't allerminst niet twijfelachtig is. Zij wordt om eene valsch opgemaakte schuld vervolgd, is uit haar wettig erfdeel verstooten, of op eenige andere wijze onregtvaardig verdrukt. Zoo vervoegde zich de bekende Sunamitische, zeker weduwe geworden zijnde gedurende eene uitlandigheid van zeven jaren, tot den koning, als den hoogsten regter des lands , om haar iiuis en haren akker terug te vragen, door een ander wcderregtelijk in bezit genomen, en werd gelukkig door okhazi herkend. (2 Kon. VEIl : 1—-ö.)
De regter in de Gelijkenis heeft dus niets anders te doen, dan de zaak, die eenvoudig en klaar is, te onderzoeken, en te bevelen, dat haar regt geschiede. Maar hem kau 't geen voordeel opleveren. Veel eer maakt hij zich daardoor de rijke en magtige wederpartij — die hem des noods ook wel de handen vullen kau ! — tot vijand. Hij behoort tot die reg-ters, waarover de wet haren vloek uitspreekt, als die geschenken aannemen en de persoon des mensehen- aanzien; die den weezen geen regt doen, en de twistzaak der weduwen komt voor hen niet. {Je-s\ I : 23.) Niet, dat zij haar our egt doen, maar zij doen haar in 't geheel geen regt. Hare zaak komt niet eens in behandeling. — De vrouw kwam dus vergeefs. Hij wilde voor eenen tijd niet. Onze vertalers hebben aangevuld //voor een' langen tijd,quot; en wat den zin betreft, hebben zij misschien geen ongelijk, schoon de invulling niet noodig was, en de beteekenis niet in 't woord zelf ligt. 3)
Maar iets anders voegen wij er van zelf in , ook zonder het er bij te schrijven. En dat is : //de weduwe keerde eiken dag terug.quot; De toegang tot den regterstoel kon haar niet ontzegd of belet worden. Er zijn volksdenkbeelden, die ook den vermetelste te sterk zijn ; en tot deze behoorde, dat de regter iederen morgen zitten moest, en ieder ontvangen en aanhooren. Zijne uitspraken werden geëerbiedigd, hoe onregtvaardig ook. Het waren iu zekeren zin godspraken voor 't volk, daar het regt in tiods naam werd gesproken, en men berustte er in. Maar zijnen post mogt hij niet verzuimen, zijne deur niet sluiten , of de klagers , zoo als te Kor in the gallto deed , weg drijven van den regterstoel. [Hand. XV11I; 16.) lederen morgen waagde zij liet dus weder, bij den ouregtvaardigen regter, — naar Hebreeuw-sche spreekwijze den regter der onregtvaardigheid, 4) — regt te zoeken. Immers
1) In die stad, dc zelfde, waarin de regter woonde en regt sprak. Dit wordt uitgedrukt door iiV ti] nóXsi. ixsiytj.
2) Hegl doen , èxdixatv, is minder wat wij noemen «regt spreken,quot; dau wel «iemands regt haudluiveu en daar de Oosterling de wraak als eene zekere regtspleging bescliouwdc, ook wreken; waarbij dan de verdrukkende partij, als van wien het regt werd gevorderd, door anó wordt aangeduid: ExöLxriaóv fis utió tov dvxiöixov pov. Vergl. /{om. XII ; 19, Openh. VI : 10; XIX : SJ enz.
3) In sn\ xyóvov ligt geene andere beteekenis dan een' tijd lang. Wanneer die tijd lang of kort is, wordt liet er bij uitgedrukt. Zie Joh. VII ; 33 ; Hom. VU; 1 enz.
4) Vergelijk met het d xym/i i/;,■ uiïixiui , vs. 6, het vroeger gezegde over den Mammon (ter on-je-regligheid, blz. 317.
425
DE If EO TER EN DE WEDT'WK.
was hij de eenige , bij wien zij het zoeken kou? En zoo is het reeds de dagelijksche gang der gt; aduwe geworden , en haar dagelijksche klagt tot don eenigeu, dio haar redden kan, hoe langs zoo luider en dringender herhaald: nJJoe mij regt tegen mjne wederpartij !quot;
Ce arme weduwe vindt geen gehoor. Zij wordt smadelijk afgewezen zelfs. Maar zij houdt aan; want zij heeft geen andere toevlugt. Een' tijd lang houdt de regter vol, en wil van hare zaak geen kennis nemen. Maar daarna zeide hij hij zich zeiven: nHoewel ik God niet vrees en geen' mensch ovtzie, nogtons omdat deze weduwe mij moe je'jk valt, zoo zal ih haar regt doen , opdat zij niet op het eind komende mij het hoofd breke.quot;
Dit hoofd breken heeft den uitleggers nog al hoofdbreken gekost. Ik moet beginnen met te zeggen, dat do vertaling op het einde, ten laatste, gansch niet zeker, en misschien met eens geoorloold is, daar de uitdrukking overal elders, — en zeker althans in den re^jl, — beteekent Ion einde toe, ook wel bestendig, gedurig. Daarom vertalen sommigen : //dat zij niet door haar komen mij voortdurend kwelle.quot; Men kan echter het woord ook naauwer met komen verbinden, en dan vertalen : nopdat zij niet, telkens terug komende, mij (leu laatstquot;) het hoofd breke.quot; ])
Dit hoofdbieken is eene spreekwijze geworden, aan deze Gelijkenis ontleend, voor alles, wat ons deidm rn: igen vermoeit en afmat; maar daarmede is nog niet uitgemaakt, wat corspronkelijk de bedoeling van dit woord geweest is, of liever, wat de bedoeling van het oorspronkelijke it. Deze gaat verder dan ons hoofdbreken, het geen reeds in het moeite aandoen, lus, ir' vallen, 1'gt opgesloten. Willen wij de beteekenis in onze taal duidelijk uitdrukken,— het klinkt wel wat plat, maar dan staat er: //opdat zij niet kome, en mij een blaauw oog sla.quot; — Onze overzetters hebben door hoofdbreken, blijkens de kant-tckening, willen uitdrukken versuft rnakeu, maar niets gaf hun tot deze vrije vertaling het regt. 2)
Is de gewone voorstelling reeds niet edel of verheven , dit laatste woord maakt haar nog
426
tie regteu en df. wkduwe.
ruwer, grover, onedeler. Do regtcr wordt volstrekt niet bewogen met liet lot der arme verlatene, niet verontwaardigd over het onrrgt, haar aangedaan, 't Is even min mededoogen als gevoel voor regt, waarom hij haar regt doet, door zijne regtspraak hare zaak uitmaakt. Het is alleen omdat zij hem moeite veroorzaakt, 't hem lastig maakt; met 't zelfde woord, waarmede in de vorige Gelijkenis de onbarmhartige vriend zijnen vriend afweert: nlJoe mij geen moeile aan !quot; 1) — Tot zoo verre laat 't zieh hooren , al is het motief niet edel. Maar zou nu in ernst die regter, die geen' memch ontziet, gevreesd hebben, dat de arme, zwakke vrouw ten laatste tot geweld haar toevlugt zou nemen? Of zouden wij zijne woorden als een soort van ironie, — waarlijk geen fijne scherts !—moeten opvatten ? liet laatste zeggen de nieuwste uitleggers. Ik ben echter volstrekt nog niet overtuigd , dat de man in eene «temming is, om eene aardigheid te zeggen. Eer zou ik het eene te sterke, harde [h/jperho-lische) uitdrukking noemen , zoo als pavlüs van de Korinthiers zegt, dat zij zich in V aan-gezigt laten slaan, 2) Maar waarom ook het woord, nu het er toch eenmaal staat, niet in vollen ernst opgevat? De wanhoop is tot alles in staat. //Overal en altijd weder, zie ik die vrouw; zij dringt hoe langs zoo digter op mij aan ; zij zal mij nog aanvliegen, en niet los laten , eer ik haar haar' zin geef. Eer het zoo ver komt, — de moeite is toch ook zoo groot niet! — zal ik haar regt doen.quot;
Zie daar weder het beeld , en nu de beteekenis. Wat den naasten zamenhang betreft, is deze Gelijkenis aan die van Earizeër en Tollenaar het naauwst verbonden. Vooraf gaat de aankondiging der toekomst van den Zoon des menschen, en op beide Parabelen volgt terstond de kinderzegening, waarmee ujkas' Evangelie zich aan mattheüs en markus aansluit, om verder geregeld met hen voort le gaan tot het einde, liet zou dus kunnen zijn, dat er eenig verband met het voorafgaande bestond j maar dan bestaat het waarschijnlijk niet in het onderwijs van jezus zelf, als of dit in éunen adem met het voorgaande ware uitgesproken, maar in de aaneenschakeling der losse stukken van luk as' Evangelie. Want deze wordt hier aangeduid door ook, dat soms aan 't begin der kleinere afdeelingen van zijn Evangelie 't nog meer gewone En het geschiedde vervangt.
Maar voor het oogenblik nog die zamenhang daar gelaten, als jlzus' bedoeling wordt vs. 1 opgegeven : inj nu zeide hun ook eene Gelijkenis, daartoe, dat men te allen tijde hidden moet, en den moed niet verliezen. 3)
Daarbij merken wij vooreerst op , dat hier, zoo wel als in de volgende Gelijkenis, niet
]) Daar is het ; fxoi, xdnovs nays/e , hier : Jiaye có nayéxeiy fjoi xónov ttjv Xijgnv tant/y. — Wat STim rtdeneert, om te bewijzen, dat de uiau zóó slecht niet was, als hij zieh zeiven maakt, daar hij toeh ten laatste waarlijk bewogen wordt, enz. rust op de valsehe vooronderstelling, dat hij de weduwe voor goed tiad kunnen weg jagen, en haar 't klagen beletten.
2) Hyperbole judicix in'n.sti cl impaüe'du fenonae. ennvenum. Bengel. De uitdrukking vau taulus, 2 Kor. XI ; 20, is: 'Avèxsaamp;B , si ris tifiü; nis nyódcoTToi' öbi/bi.
3) Scimus, quam rara sit uc difficUis virtus precandi assi'Juitas : atquein hoe se prodil nostra wjidelilas, quod nisiprimis vo/is sucedut, prolxnus una cum spe studium quoque ahjicimus. Alqui demum haec legitima est fiduciae prohalio, si quis desiderio suo fruciratus, non tarnen unimum despondeal. Kalvijn.
427
DE EEGTEll EN l)li WEDUWE.
het woord vragen wordt gebruikt, als van 't Kind en den Vriend, maar hidden of aanbidden, Gods naam aanroepen, ook zonder iets bepaald te, vragen. 1) Het te allen Zijde hidden , wordt dan ook vs. 7 verwisseld met nacht en dag tot God roepen. — Verder, dat het laatste woord , door onze overzetters vertragen vertaald, beteekent: //door het kwaad overwonnen, in't ongeluk moedeloos worden.quot; 3) De vermaning is dus niet geheel en al de zelfde als die van paulits : Bidt zonder ophouden! 3) 't Is ook niet de les, om het zelfde te vragen en te blijven vragen, tot men het verkregen heeft. Maar de bedoeling is, dat men door overmaat van rampspoed niet wanhopig worde en den moed verlieze, zoodat zelfs het gebed om uitkomst, hoe dan ook , ten laatste zwijgen zou. 4)
Eene dorde opmerking betreft de overeenkomst van deze Gelijkenis met de laatst behandelde, van den Smeekenden Vriend. Zij moet wel ieder, die beide naast elkander legt, in het oog vallen. Even dringend is de bede, even onvriendelijk de stemming, even sterk het aanhouden. Beide Gelijkenissen zijn, nog zonder hare hoogere beteekenis in aanmerking te nemen, eene illustratie van 't oud vaderlandsche spreekwoord: De aanhouder wint. Tn beide verhalen zijn dan ook de omstandigheden zoo ongunstig mogelijk voorgesteld, en de trekken zoo ruw als't kan:-—in den onbeschaamden vriend en de onstuimige weduwe, zoo wel als in den onvriendelijken nabuurenden onregtvaardigen regter,— ten einde alleen op dit aanbonden, niet op mededoogen, vriendschap of regtvaardigheid het gewigt to leggen, en dus aan de volharding alleen de verhooring toe te schrijven. 5) Men kan bij zulke schilderijen van den Heer op het grove, hardgekleurde der beelden aanmerking maken, maar — en dit is reeds veel! — ze weer vcrge(en kan men niet.
Vraagt nu iemand, of dan die onvriendelijke vriend of die onregtvaardige regter het beeld is van den Hemelschen Vader? Zeer zeker niet; maar juist — en daarom zijn de trekken zoo grof, de kleuren zoo donker gekozen,—juist liet tegenbeeld. 6) Deze Gelijkenissen
1) In de laatst. Ijchaiideldo Gelijkenissen was het aheiv , iu deze en de volgende nyoasixeaamp;ai.,
2) In dicu zin komt inxaxelf ook 2 /Tor. 4 ; 1 en Gal. VI : 9 voor. Het beeft eene meer bepaalde beteekenis dan «kieijr'i of iïialsi ioi. (J,h!c. YII : 45.) —Tischundokf beeft êyxaxsly (tyxaKSlr), dat cobter bij de iets anders (verdriet of afkeer hebben, walgen) beteekent.
3) 'ASinXulniMS 77fgt;oirrn^i(r{gt;p, 1 T/iess. Y:17; onophoudelijk in de beteekenis van gedurig, zoo als paulüs bet zelfde woord gebruikt van zijne onafgebroken belangstelling in, en zijne voortdurende gebeden eu dankzeggingen voor de gemeenten : Hom. I; ü ; 1 T/iess. 1:3; II: 13. — Men vergelijke, wat de volharding in 't gebed betreft, VI: 18, waar ongeveer het zelfde wordt uitgedrukt door nyodsvxvuevui, iv nnvil xniQiquot;.
4) Bij deze opvatting van het Ttaftoie nqooeixeaamp;ai (niet altoos dóór, in éénen adem, maar te allen tijde bi lden) valt, dunkt mij , dc veel besprokene vraag weg, in hoe verre het mogelijk is, altijd tc blijven bidden. Augustimis zegt er van, dat liet verlangen zelf een gebed is, en geheel des Christens leven een honi sanctum desiderium. (Tkench.)
5) Men heeft te regt, bij den onedelen beweeggrond van den regter, het woord der apostelen omtrent de Ivauaneesohe vergeleken: jHeer ! laat huur van u , help haar toch maar: want zij roept ons na !quot; (Matth, XV : 23.) Hoe menige aalmoes wordt uit het zelfde beginsel uitgereikt! — Tkench heeft nog andere voorbeelden van volhardend smeeken, in 't hedendaagsohe Oosten.
G) üoor dat men dit niet begreep, hebben sommigen zoo lang aan deze sehoone schilderij geknoeid, tot het beeld van den regter minder hatelijk werd. Zoo maakt reeds tiieoi'IIïlactus gewag van eene verklaring, volgens welke de ziel weduwe is, na van den duivel gescheiden tc zijn , die nu haar tegenpartij is geworden, zoodat zij de toevlugt neemt tot God, alsllegter der onregtvaardigheid.
428
de regteil f.n de weduwe.
worden beheerscht door het Hoe veel te meer —, uit die van liet biddend kind, en de grondslag is weder: nGij, die hoos zijl, weet nog wel het goede te doen.quot; De mensch is, wat men ook zeggen moge, van nature niet menschlievend, barmhartig, hulpvaardig, en allerminst genegen, zich moeite en opoffering voor anderen te getroosten. Veel eer is hij zelfzuchtig, en daardoor vaak onbarmhartig. En nu zal toch de mensch zijner kinderen bede hooren , zal zelfs 't aanhoudend smeeken van anderen niet kunnen uitstaan. Hoe veel te meer is verhooring van Hem te wachten, dien onze gebeden het hart niet meer behoeven te vermurwen, daar zijn wezen Liefde is. En als wij do zaak omkeeren : zelfs na zulk eene harde afwijzing en bij zulke menschen, houdt men met vragen aan; hoe veel te meer past ons bij den Hemelsch en Vriend, den liegt vaardigen llegter, een voortdurend aanhouden in 't gebed.
Bij deze overeenkomst van beide Parabelen verwondert het ons, dat de Evangelist zelf zeniet in 't allerminste verhand beeft gebragt, en zij in zijn Evangelie zoo ver van elkander staan; te laeer, daar ze luk as alleen eigen zijn, en hij anders zulk een paar of klaverblad van Gelijkenissen, die den zelfden zin hebben, gaarne bij een voegt. Zouden deze twee ook bij een gestaan hebben in de bron, door hem gebruikt? Wij weten daar te weinig van, om er over te oordeelen. In dat geval had hij reeds de eerste, die hij misschien ook elders vond, in een vroeger verband gebruikt, en wil nu toch de andere ons niet onthouden; te meer, daar er na 't voorafgaande eene geschikte plaats voor is, juist door dat gene, wat 't beeld van den llegter en dc Weduwe weer bijzonders heeft. 1)
Overal toch, waar wij een twee- of drietal Gelijkenissen aantreffen, die den zelfden hoofdzin hebben , ontdekken wij bij nadere beschouwing ook een karakterestick verschil, waardoor de eene zich van de andere onderscheidt. Dit hebben wij reeds opgemerkt in Schat en Parel, Zuurdeeg en Mosterdzaad, in de drie Gelijkenissen van 't verlorene , enz. Nog sterker is dit verschil hier, en daarom verwondert het ons al weer minder, dat lukas ze niet als eene parallel mede deelt. Het aanhouden, of naar de vorige Gelijkenis de onbeschaamdheid, staat wel volkomen gelijk. De verlegen vriend zoo min als de verdrukte weduwe heeft een andere toevlugt, en daarom houden beiden zoo onvermoeid aan , al hangt er van hare bede veel meer af dan van de zijne. Maar er is in den grond dier bede een wezenlijk verschil. De vriend vraagt om eene gunst, de weduwe om haar regt;
die zich zelf even miu als de menschen behoeft te vreezen , enz. ,\Virn't bevalt, neme dit aan,quot; zegt de geleerde aartsbisschop; maar wij zeggen het niet; want van onzen smaak mag de beteekenis der bijbelwoorden nooit afhangen.— Men zie verder suicerüs op het woord yyinjg. — Het schijnbaar aanstootelijke van het beeld heeft zeker ook irenai i s en niPPOLYirs (als de/.e de sehrijver is van bet boek „Over dcu Antichristquot;) er toe gebragt, om onder het beeld der weduwe bet aardaebe Jeru:al'm of ongeloovig Israël te zien, zijn toevlugt nemende tot den Antichrist. Om de zelfde reden herkent vitiunga, die in al de Parabelen een Compendium der kerkgeschiedenis ziet, in den onreglvaardigen llegter de Romeinsche keizers , bij wie de gemeente van christcs bijna drie eeuwen lang te vergeefs regt zocht.
I) Dc studie der bronnen van lukas is altijd nog een belangrijk onderdeel der Evangeliën-kwestie• en daartoe is, mijns inziens , nog de eenvoudigste en zekerste weg niet ingeslagen. In de Inleiding op mijn' Huisbijbel, K. T., heb ik daarvan reeds gesproken, en in algemeene omtrekken dien weg besehreveu. Hier zou mij dit te ver afleiden,
429
de eeqtku en du weduwe.
't is onbillijk, dat de nabuur nu niet kan opstaan, om hem te helpen, maar 't is onregtvaardig, dat de regter haar niet helpen wil. 1)
Dit verschil is gansch niet toevallig. Wij hooren het aan de toepassing, door jezus zelf aan de laatste Gelijkenis toegevoegd, en die wij nu in haar geheel overnemen.
Hoort wat de onregtvaardiye regter zegt !
Zal God dan geen regt doen zijnen uitverkorenen, die dag en nacht tot Hem roepen, hoewel Hij langmoedig is over hen ?
Ik zegge u, dat Hj hun haastelijk regt doen zal. Doch de Zoon des menschen, ah hij kond, zal hj ook geloof vinden op de aarde ?
Jezus vestigt dus de bijzondere aandacht zijner hoorders op het geen de onregtvaardige regter (regter der onregtvaardigheid) zegt; dat is, niet zoo als sommigen het opgevat hebben //wat hij ons leertwant de man sprak volstrekt niet om ons te leeren; maar op 't geen hij daar zegt, op zijn besluit om eindelijk der weduwe regt te doen. En hierop volgt nu het hoe veel te meer, waarvan wij straks spraken: Zal God dan geen regt doen zjnen uitverkorenen , die dag en nacht tot Hem roepen, ook langmoedig zijnde over hen ?
Het spreekt wel van zelf, dat de verhooring onzer gebeden geen regt is. Tn zoo verre is deze Gelijkenis—men heeft dit wel eens uit het oog verloren — niet zoo in allen deele op ons toepasselijk als do beide vorige. Doch er wordt ook niet gesproken van een regt tegenover God, maar van regt tegenover de menschen, even als de verdrukte weduwe vraagt uregt tegen hare wederpartijquot;
Het gevoel van regt was den Israëliet diep ingeprent. Jehovah was de Ilegter van hemel en aarde, en als zoodanig de Goël of handhaver van het regt der verdrukten. De grondtoon van Israels poëzij, die ons dikwijls als een schelle wraakkreet in de ooren klinkt, is steeds: Mjne ziele bezwijkt in mij van verlangen, om moe oordeelen te zien! {Fs. CXIX : 20.) Zoo stelt nu jezus ook de kinderen des koningrijks voor, de uitverkorenen ai geloovigen, 2) in hunnen strijd tegen do wereld, als de wederpartij van het Godsrijk. Aan hen (vs. 1), — dat is, blijkens II. X\It; 22, lot zijne discipelen, — sprak hij deze Gelijkenis, opdat zij niet moedeloos zouden worden onder de verdrukking. Zoo wij ons aan den zamenbang aan 't voorafgaande houden, word jezus op zijne laatste reis naar de
1) Zwischen diesen beiden Gleiclnissen aind überhaupt viele Bezichungeu, nohen grosser Aehnlichheil aher auch mnnni'jfacher Vcrfchiedndwit. Daszdortein Richter, hier ein Tnund der Oebetene, dort cine Wilt tee, hier em Frennd der Bittciidc isl, ist weniger :ii beaehten, ah dasz dort die Bitte nicht augenbtuklidi Gehör fndtl a us Mangel an mensehlichen Gefühle, hier nicht, aus Ihwg zur Bequemlichkeit; dort beirijft die Bilte Beisland, Sr.hutz unci 11 wife , hier ein Darle/ien, eine Gahe. Lisco op Luk. XI: 5—8.
2^ Dat viturkorfnen inde schildering van jezus' toekomst de ware kiideren des koningrijks zijn, het nieuwe Israël, uitverkoren uit ecne ongeloovige wereld, zien wij in de vroeger behandelde spreuk: Feten zjn geroepen , weiuigen uitverkoren , en inde woorden bij maitueüs (XXI\r: 23, 24): Otn der uitvcrkoor~ nen toil zullen die dagen der verdrukking verkort wordt n; — en; zoo 't mogelijk teus, zouden rk valscle profeten ook de. uitverkorenen verleiden. — Men vindt het denkbeeld reeds in het boek Damël (XII: 1), d-1 op de Messiaansehe verwachtingen van jezus' tijd zoo groeten invloed had.
130
db regtee en de weduwe.
komst van Gods koningrijk gevraagd, en verbindt aan die vraag de profetie van de dingen der toekomst, tot zijne discipelen gerigt, eu die wij bij mattheüs later vinden. In dit verband nu, hetzij van den Heer zelf of van zijn' Evangelist, ligc de sleutel dezer Gelijkenis.
Na jezl's' vertrek zou zijne gemeente, elders met eeue bruid vergeleken, die haren bruidegom inwacht, niet zelden gelijk zijn aan eene arme, verdrukte weduwe, die tot God om regt roept tegen eene onregtvaardige en vijandige wereld. 1) Maar God is langmoedig. In den meest gewonen zin van het woord, ten minste waar het op God wordt toegepast, beteekent dit het geduld, dat God met den zondaar heeft, en waardoor Hij het oordeel vertraagt, (r2 Makk. VI; 11 enz.) Zoo wordt in den Tweeden Brief van petri's (III; 9) de spotternij over het uitblijven van 's Heeren toekomst beantwoord met de verzekering : De Heer vertraagt de belofte niet, maar is langmoedig over ons, niet willende, dat eenigen verloren gaan, maar dat zij allen tol bekeering komen.
Nemen wij deze gewone beteekenis aan, dan is nog de vraag; «Over wie is God langmoedig? Over de wereld, die verdrukt, ofoverde uitverkorenen, die verdrukt worden?quot; — Daar men het eerste natuurlijker vond, heeft men over hen verklaard; //in betrekking tot hen, in het handhaven van hunne zaak.quot; Ik zie echter niet in, dat wij daartoe de vrijheid hebben. Met over hen worden altijd de personen bedoeld, die de goddelijke lang-moedigheid spaart; en dat kunnen in dezen zamenhang niet anders zijn dan de uitverkoornen. 2)
Om dit bezwaar weg te nemen, zien sommigen geheel van het gewone denkbeeld der goddelijke langmoedigheid af, zoo wel als van de gewone vertaling hoewel. Wat het eerste betreft, het is waar, dat van menschen het woord eenvoudig in de beteekenis van geduld wordt gebruikt; van abraham, die geduldig de belofte, en van den landman, die met geduld den oogst afwacht, terwijl het zelfde geduld den geloovigen, in do afwachting van jezis' toekomst, wordt aanbevolen, {llelr. VI ; 15; Jak. V; 7, 8.) En ofschoon hoewel de gewone beteekenis van en of ook in dit verband is, verhindert niets ons , daarvan af te wijken. Dan wordt de vertaling; nZul nu God geen regt doen zijnen uitverkorenen, die dag en nacht tot Hem roepen, terwijl Hij bovendien geduld met hen heeft ? Z) — Anderen evenwel blijven ook dan nog bij het gewone denkbeeld van langmoedigheid,
1) Ipsa tero vidua potest habere simililwliuent Ecclesiae, quae iesolala videlur dunee renial Dominus, qui tamoi in secrelo etiam nunc curam ejus geril, Acgistixls, Quaest. Evang. II ; 45.
2) Hoe voorzigtif; men zijn moet met bewijsplaatsen over te nemen, zag ik hier op nieuw. Voor de vertaling van xal fiaxQo^vfiüv èn' ai roï;, door uhoewel Hij te hunnen opzif/te, in Imnne zaak langmee-digis,quot; waardoor die langmoedigheid op de verdrukkers wordt toegepast, vond ik aangehaald jm:s siracii XXXII; 23 (bij van df-ll palm XXXV : 19). Daar wordt hetzelfde denkbreld uitgewerkt: dat (iod den verdrukten zeker regt doet, en verzekerd: not y.niiri v , o t t tij oidi t(iil uaxoo'h'u
en' m rot;, eoig x. i. I, God zul regt deen , en lij zul niet vertragen noch langmoedig zijn over hm (de verdrukkers) , tol dal enz. De plaats bewijst dus juibt het tegendeel.
3) Met zijno gewone seherpzinnigheid heeft v.\n wili.es {Hijdrugen I : 1S5 verv.) deze vertaling voorgesteld en aanbevolen. Dat evenwel bij deelwoorden dikwijls beteekent ofschoon, hoewel, heeft VAicKiiKAEU reeds opgemerkt, en schijnt eenvoudiger dan bovendien ook, ofschoon het laatste taalkundig juist is. — De vaste construetie met è io vonden wij reeds in eene vroegere Gelijkenis: fiaxQoOift//-aov in' èfioi. {Malth. XVIII: 26, 29.) Zie ook de plaats bij jakobus, waar tn' nvtro slaat op dlt;; vrucht des lands.
de begteb, en de weduwe.
dat dan ook , van GoA gesproken , zeker verkregen rogt lieeft, en zeggen , dat ook de goloo-vigen Gods ontferming en verdraagzaamheid behoeven ; of ook , dat hier het tegenbeeld van den onregtvaardigen Regtcr geschetst is iji Hem, die met geduld en verschooning de onstuimige beden zijner vervolgde gemeente aanhoort. Andere lezingen of vertalingen , die zonder het oorspronkelijke niet kunnen begrepen worden , verwijzen wij naar de aanteekemng. 1) Zonder nu op een' beslissonden toon uitspraak te doen, trekt mij de laatst vermelde vertaling het meest aan. De woorden laten, dunkt mij, niet toe, aan eene langinoedigbeid omtrent de wereld , die de gemeente vervolgt, te denken. Maar m ieder geval, en niettegenstaande die langmoedigheid, — zegt de Heer zal die dag van 's Hoeren toekomst, de dag der geregtigheid en der wrake, nog velen verrassen, komende als een dieMii den nacht. Daarom beantwoordt jezus zijne eigene vraag: «Zal God geen regt doen?quot; door: nik zeg ulieden, dat Hij hnn haast, binnen kort, regt zal doen , voor hen tegen hunne vijanden gerigt houden, en hunne regtvaardige zaak handhaven.quot; 2)
Wij herinneren hier weder, wat vroeger meer malen is opgemerkt, dat de geheele apostolische eeuw do ontknooping der wereldgeschiedenis door de vestiging van 't Messiasrijk en bet Messiaanschc gerigt. spoedig verwachtte, en die verwachting gevoed werd doordien de Heer Jeruzalem verwoesting voorspelde , mg eer dH memclengeslacht zou zijn voorhj gegaan. En dat niet alleen, maar het schijnt mij hoe langs zoo meer ontwijfelbaar, dat jezus zelf in de verwachting van eene betrekkelijk spoedige wederkomst is heen gegaan, daar, naar zijne eigene verklaring, ooi de Zoon van dien dag en die me niet wist. Toch zou dit haast, binnen kort, nog velen te lang duren, en de ongunstige tijdsomstandigheden vóór Jeruzalem val — de Brief aan de Hebreen en de Eerste van petrus getuigen er van! — zouden velen doen twijfelen, of zelfs afvallig worden. En van daar nu de vroeger behandelde beelden van waakzaamheid, waaraan dit beeld van 't gebed zich aansluit, zoo als steeds het H aakt en Bidt! op jezus' lippen ten naauwste verbonden was. Zouden de zijnen volharden teneinde toe!' Zouden de wakende knechten en wachtende maagden hunne lampen hrandendc houden?........ Eu wat is de lampe des Christens, in den nacht van rampspoed
I
en verdrukking, anders dan zijn gebed?
Met deze opmerking vervalt iedere redenering, waardoor men in plaats van het haast, weldra, een ander denkbeeld, dat van onverwacht, plotseling, zoekt in te schui-
Ti /ocTde lezing VHU TisciiENDOUf (naar do Vulgata enz.) : , door meijeu gevolgd,
ca insgelijks voor verschillende vertaling vatbaar;-en de gissing van elsnkk {Ois Sacrae),Aio sclmift en lint als adjeetief opvat: wfe dag en narhl tol God roepen, en daarom geduldig z,jn. De f i; ™ J»'..■■..K door daarom i. hio, .cll.r - m l
t quot;fvpi zoo quot;eeft de vertaling van ukoer: Si vel tardier dl ad eo* (juvandos), .schoon hy hunne reddiiïgquot;vMtraagt,' \vel een goefeu zin, maar is taal.nndig niet te verdedigen. De traagheid van
den reuter was g. ene ^ctxgo9v[ua. _ ,
2) Er slaat niet, als van den Regier tegenover de weduwe, tx/Sixely, maar no^r , cu
daar beide tot Uvee malen toe herhaald wordt, is dit niet toevallig. Het onderseheid is m eene verta-li,,, moeijelijk weder te geven, maar het bestaat toeh. Aan het tweede is meer het denkbeeld van tc plcHigenregtsdag, eene openlijke en seint terende handhaving van het regt, verbonden; zoo als de Heiland lr. xxi: 22 spreekt van de inh*,}™»: . de gerigtsdage n {dagen der wraak. naar ome ver-
taling), die met Jeruzalems val zouden aanbreken.
432
de reoteft en de weduwe.
ven. 1) Weldra zou 't zijn, maar tocli deu wachtenden veel te langzaam, en sommigen misschien te laat. Lang genoeg zou 't wachten duren, om in den tijd van Gods lang-moedigheid veler geloof in gevaar te brengen. Uit wordt uitgedrukt door de vraag, die nu nog volgt: nDoch (niettegenstaande dit haast,) de Zoon des menschcri, wanneer hij komt, zal hij dan ook het geloof op de aarde vinden?quot; Of nog twijfelachtiger : Zal hij wei, enz. 2) — Ja! hij zal het vinden bij de uitverkoornen Gods, die ITem niet kunnen missen, en dag en nacht door blijven roepen; gelijk reeds de geloovigen des Ouden Verbonds niet los lieten, al was 't soms : Ik schreje tot U, en Gij antwoordt niet [Tol .XXX ; 20); Hoe lang , 11 EER ! schreeuw ik, terwijl Gij niet antwoordt; roep ik geweld, en Gij verlost niet? [tlah, I ; 2.) Voortvaar ! Gij zijt een God, die U verborgen houdt! {Jes. XLV : 15.) Of zoo als de weemoedige zang van asav luidt [Ps. LXXVtl) : 'Jen dage mijner benaauwdheid zocht ik U. Mijne hand was des nachts tot U uitgestrekt, en hield niet af. Mijne ziele weigerde getroost te worden. Weifelmoedig vroeg eindelijk mijn geest: uZal de lieer in eeuwigheid ver-stooten, vergeten genadig te zijn ?quot;.... O dat zou smart zijn, dat de regterhand des ,111 er-hoog sten veranderde !
Ik behoef immers niet te herinneren, hoe in hare bijzondere , profetische beteekeuis, de Gelijkenis der arme weduwe is vervuld geworden, toen het eerste Messwansehe gerigt, dat over de bloedstad Jeruzalem, der gemeente regt deed tegenover hare wederpartij ? Wel waren dit de dagen der wraak, niet in den zin eener lage, persoonlijke wraakneming, maar als de openbaring van het hooge Godsgorigt over de volken der aarde! En zoo is het later steeds gegaan, waar de aarde gedrenkt werd met het bloed der martelaren, maar in den hemel de gebeden der heiligen in gouden ollerschalen gedragen lot voor Gods troon. [Opienh. V ; 8 ; VIII; 3 , 4.) In de dagen harer verdrukking was de gemeente hot sterkste in haar goed regt, sterk door hare gebeden; en dat zal zij weder zijn, hoe heftiger de aanvallen worden, in spot en ernst op haar gedaan. Zoo do Ileor nog maar hel geloof vindt op de aarde: — niet geloof aan zijne komst, want daartoe zal hot dan geen tijd meer zijn, maar het geloof, dat volhard heeft ten einde toe. Want dit geloof overwint de wereld; en 't gebed is de bazuin dier overwinning, de bazuin, die de ge heele wereld niet overstemmen kan, al schijnt zij soms zoo zwak als de adem van een kind. 3)
En wat nu den algemeenen zin betreft: //het uitstel der verhooring,quot; wij zouden buiten
1) Ik zie niet, dat èv xdxat, hier en So»/. XVI ; 20, Openh. 1:1, XXII :0, iets nnJers kan betec-kenea, als biunea kort, weldra. Waar lukas zeggen wil, dat iets onverwacht, plotseling gebeurt, gebruikt hij mfvu. Van augustinus tot uNöer is hierbij veel goeds gezegd over Gods tijdige hulp, al schijnt zij ons te traag.—- Eene zonderlinge vertaling heeft petrus meuwi.and (III ; lö) voorgesteld. Het bezwaarde hein, dat socisus zich op deze vraag beriep, om te betoogen: «dat er niet altijd eene kerk op aarde is.quot; Hij stelt dus voor, om te vertalen ; «God zal verhooren en wrake doen , ten zij (nirji' ayn) de Zoon des mensohen geloof (eu dus berouw eu bekeering) vond in het (Joodsehe) land.
2) Zie HARTiNsop nQu , en vergelijk tlan'l. VIII; 30.
3) Uoc uulem Dominus adjicil, ut ostendat, quod si files deficit, oratio peril. Quis enint orat, qui non. credit*' Files funilü orationem , fusa oratio fidei impetrat Jirmxlatem. Augustinus,
433
DE ItEGTEE EN DE WEDUWE.
de beteekenis van deze en de vorige Gelijkenis gaan, wanneer, wij daarvan de redenen en het nut wilden opsporen. De Christen, die dikwijls gebeden en lang on verboord gebeden heeft, kent die vrucht van 't beproefd, geoefend en eindelijk bekroond gebed. Even als de arme Kananeesche moeder, in schijn bard afgewezen, hoorde hij ten laatste met te meer vreugde bet; Ga heen in vrede! Uw geloof heeft u behouden.
Wat ik nu alleen nog wil opmerken aan het slot der verklaring van deze drie Gelijkenissen, is, dat er eene zekere opklimming [climax) plaats viudt in de drie beelden. Het kind bidt tot den Vader, op wien het rekent; de vriend tot zijnen nabuur, waarop hij hoopt; de weduwe tot den rog ter, maar, zoo als paulus van auraiiam sebrijft, op hoop tegen hoop. — Verder beantwoordt het klaverblad van beelden aan de drievoudige belofte van den Heer. De zoon, die hïdt, hem wordt gegeven; de weduwe, die regt zoekt, zij zal'l vinden ; de nabuur, die klopt, hem zal open gedaan worden.
Eindelijk, jezis sprak deze Gelijkenissen, — hij die zeggen kon: tt Vader! ik weet, dat Gij mij altijd hoort!quot; — opdat wij niet op den zandgrond van een onzeker misschien onze gebeden zouden bouwen , gelijk soms zelfs de spotter en ongeloovige of godlooze het wagen in den uitersten nood. Neen! ons vertrouwen moet vaststaan: God verhoort altijd, of Hij verhoort nooit; God verhoort, of er is geen God. Wanneer dus iemand iets van God begeert, dat hij het vrage in 't geloof, niet twijfelende, J! ant die twijfelt, is eene bare der zee gelijk, die van den wind op en neder geworpen wordt. Die mensch meene niet, dat hij iets verkrijgen zal van den Heer, een wankelmoedig (of dubbelzinnig) man, ongestadig in al zijne wegen. (Jakobus.)
4.31
Tr
. 0 God 1 ik dank U, dat ik mei ben ^oJijk dè andore menschen,
of ook öelirk deze Tollenaar,quot;
O ^
Twee menschen gingen op in den tempel om te hidden; de een was een Parizeer, en de ander een lollenaar.
De Parizeer, staande, had dit hij zich zeiven: i/O God! ik dank U, dat ik niet hen gelijk de andere menschen, roovers , o nr eg tv aar dig en , over spelers ; of ook gelijk deze Tollenaar. Ik vast twee maal ter iveek; ik geef tienden van alles wat ik bezit.quot;
En de Tollenaar, van verre staande, wilde ook zelfs de oog en niet opheffen naar den hemel, maar sloeg op zijne horst, zeggende: nO God! wees mij zondaar genadig!quot;
Zoo men jezüs van Nazaret do kroon ontrooven kon, die hem als Heilanden Zaligmaker der wereld toekomt, nog zou men hem moeten laten do magt van het woord, waarvan niemand zich bediend heeft gelijk hij. Wij hebben hier vóór ons een dood eenvoudig verhaal, van vier kleine verzen, waarbij nog, in één vers, de toepassing is gevoegd. Het bevat niet anders dan twee gebeden, gedaan in den tempel te Jeruzalem. En wie telt nu, zelfs bij berekening of gissing, al de boeken en geschriften, de redenen en toespraken, daar aan ontleend? wie de indrukken van verootmoediging en beschaming, door deze twee eenvoudige beelden verwekt, de tranen van berouw bij de tollenaarsbede, den troost der verzoening op het woord van jezus, dat hem zalig spreekt? Parizeer en Tollenaar beiden zijn sints achttien eeuwen vaste typen voor de christenheid. Ja! hun beeld is haar zoo eigen geworden, dat bij sommigen in vollen ernst de vraag gerezen is, even als bij Lazarus en bij den Samaritaan: //Gelijkenis of geschiedenis?quot; — De lezer weet reeds, dat ik voor mij zeiven aan deze vraag niet veel hecht. He parabolische leerwijze was onder de Joden van dien tijd te zeer inheemsch, dan dat iemand van jezus' hoorders zal getwijfeld hebben, of hij ook eeno werkelijke gebeurtenis verhaalde. Even zoo bij voorbeeld, als de Sadduceën op stelligen toon zeggen: uKr waren, bij ons zeven broedersquot; enz. {Mattl. XXII : 25), heeft wel zeker niemand aan het werkelijk bestaan dier broeders geloofd. De Gelijkenissen van jezus, waarbij de bedoelde vraag is gedaan, waren ook reeds als zinnebeelden niet vleijend voor de Joden; op bepaalde personen doelende, zouden zij eene hatelijke personaliteit gc-
60*
DF FAllIZEËE EN' DE TOLLENAAR.
weest zijn. Eindelijk, wanneer hot nng nooclig ware, is de inleiding van i.xikas, waarover wij later spreken zullen, hier ten minste het merk der Gelijkenis, daar de Evangelist haar uitdrukkelijk zoo noemt. 1)
Twee memchen gingen in den tempel op om te bidden. Tiet opgaan in den tempel is, even als 't opgaan naar Jeruzalem en 't van daar afkomen, eene vaste spreekwijze, zoo als wij vroeger reeds opmerkten. Van de Jordaan af, den reisweg van velen, ging hei drie duizend voeten opwaarts, en uit Jeruzalem zelf klom men do hooge trappen op, om in den tempel te gaan, die, als een kunstmatig bijgewerkt bergplateau, het reusachtige altaar vormde van het heilige land.
De opgang naar den tempel had tot doel: te hidden. Reeds bij de vorige Gelijkenis is opgemerkt, dat hier in 't oorspronkelijke niet het woord vragen gebruikt wordt, waar een bepaald voorwerp bij wordt gedacht, zoo als het biddend kind en de smeekende vriend beide om brood vragen. Toch is het niet. enkel aanbidden, doelen in de algemeene Godsverheerlijking, op sabbat en feestdagen. Dit mogt naar de wet alleen in den tempel gedaan worden, en het is bekend uit jezus' ontmoeting met de Samaritaansche vrouw, hoe streng de Joden het regt dier Inilige plaats handhaafden. 2) Hier wordt niet van aanbidden, maar van bidden gesproken. Wij zouden zeggen: //Zij gingen om hun gebed te doen.quot; Het waren zeker beiden Jeruzalemmers, feestgangers althans niet: want dan zou onder het gewoel en gedrang de eene aanbidder den anderen niet zoo hebben opgemerkt, liet was een gewone, stille dag, moeten wij ons voorstellen, en niet onwaarschijnlijk één der gewone gebedsuren. Want 't is bekend, dat de stipte Joden, in navolging van daniël, drie maal daags baden. Erkende vromen deden dit ook wel, wanneer de tijd daar was, in de hoeken op de straten, maar het liefst deed men het toch in het nationale heiligdom, gelijk van de oude ANNA gezegd wordt, dat zij niet week uit den tempel, met vasten en hidden, God dienende nacht en dag. Wat de profetie voorspeld had, dat de tempel een huis des geheds voor alle volken zon genaamd worden {Jes, LVI: 7), was in zoo verre vervuld, dat Joden en proselyten uit alle oorden der wereld er hunne gebeden bragten niet alleen, maar zelfs in 't buitenvoorhof onbesneden heidenen kwamen aanbidden. Daartoe stond het Godshuis den ganschen dag open. Wij Protestanten hebben hiervoor het
1) Niettegenstaande lukvs' verzekering: eins ós nnniafiijktjv raizr/v, schrijft weder de
nieuwste uitlegger (iiuercu) , dat het verhaal .lich ebfn/alls auf cin wirkliches Ereignisz zu sluizen scheint, alsof de tempelgang niet eene dagelijksche zaak ware, cu jkzos er de gebeden afluisterde! Ware het eene geschiedenis, zij zou, even als het penningske dor arme weduwe, op de plaats zelve zijn opgemerkt. Wat overigens deze vraag ,Gelijkenis of Geschiedenis?quot; betreft, bij oudere uitleggers kan men daaromtrent veel en velerlei vinden. Z,oo brengt salmkron den rijken brasser en lazarus tot de geschiedenis, en noemt Ifarizeër en Tollenaar alleen in zijne verzameling op op't gezag van uikas, boewei het vera narratio vidflur, quia Publicanus desceniil jusiificatus,— Y)a is in het algemeen be
handeld en de kenmerken der Parabel, schoon met veel aarzeling, opgespoord door petrus meuwlanc, in zijne Uil leg kundig! Vermakelijtf heden , Hock II, 8c Briff.
Joh. IV ; 20—H lezen wij tot negen malen toe, uiet ngojaixeattai of nhsiv , maar TtgoiTKwelv. liet zelfde woord wordt Joh. Xll ; 20 gebruikt van de Griekeu, opgekomen om op het feest te aanbidden.
de farizeer en de tollenaar.
ware gevoel niet. Onze kerken zijn koud en ledig, zoo dra de godsdienstoefening is afgeloopen. De plaats als plaats heeft voor ons geene de minste heiligheid. In Eoomschc, en misschien nog hier en daar in Luthersche landen, is dit anders. Ddar vindt men te allen tijde kerkgangers, die zonder op ons vreemdelingen te letten, in alle stilte hunne (of meestal hare) devotie doen. Ik wil wel bekennen, dat meermalen dit gozigt mij trof. En wat zal dan wel niet de indruk geweest zijn, dien juist eene stille ure in den tempel maken moest op hem, die opging om te lulden! Geen lioomschgezindc, die neerknielt op do steenen van zijn gewijd bedehuis, geen Muzelman, d,:e zijn bidtapijt uitspreidt op den vloer zijner moskoe, kan daarbij gevoelen, wat de regtgeloovigo Israëliet gevoelen moest bij het binnentreden van de plaats, door Jehovah verkoren, om zijnen naam aldaar te doen wonen; — den tempel, dien men in woedenden geloofsijver verdedigde tegen den laster der Samaritanen, ja! tegen allen, — ook jezüs zelf, — die men slechts van verre vermoedde, dat zijne heiligheid aantastten.
De twee, die nu opgaan, in het diep gevoel van die heiligheid, zijn beiden menscheu. Al weder het menschenbeeld op den voorgrond van het parabolisch tafereel. En zij hebben nog meer met elkander gemeen: want zij zijn zeer zeker beiden Israëlieten. Anders toch had do een, op het voorhof van Israël staande, den ander, die op het vooriiof der Tlei-denen bad, niet kunnen zien. Juist dit, dat beiden regthebbenden waren op de zelfde godsdienstige voorregten, maakt de tegenstelling nog grooter, nog scherper; de een was een Fatkeer, en de ander een Tollenaar- 1)
In den vorm is hier geen contrast. Ongelijksoortige zaken en personen laten geene ver-gelijking toe. Farizeër was men door overtuiging; ieder Israëliet kon 't zijn, welke plaats hij overigens ook bekleedde; Tollenaar was een stand in do maatschappij, maar zeker ook de eenige, waaronder geene Earizeërs werden gevonden, de stand, dien geen hunner met mogelijkheid kiezen kon. En hierin juist ligt nu de tegenstelling: de Farizeër was in zijne levenswijs de vroomste, en de Tollenaar de minst vrome, om niet te zeggen de goddelooste, althans in de oogeu van het volk.
Maar hoe zeer die beide namen een' bekenden klank hebben, en wij reeds in vroegere Gelijkenissen de zelfde tegensteliing hebban ontmoet, moet ik er tot regt verstand van deze parabolische voorstelling nog iet-s meer van zeggen.
Wat dan den Farizeër betreft, het is eene vrij algemecne misvatting onder het volk, dat inen aan dien naam onafscheidelijk het denkbeeld verbindt van een' huichelaar. Er is geene godsdienst of godsdienstrigting, die het huichelen, als haar eigenlijk karakter, op den voorgrond zet, al geven sommige denkwijzen of godsdienstvormen meer dan andere er aanleiding toe. In 't Evangelie zelf komt een opregte Farizeër voor en een huichelende Sidduceër; Nikodemus en kajafas.
Maar niet minder is het eene dwaling, die men zelfs onder geleerden soms aantreft, dat
1) Na (inzonderheid bij keil onder de uieuweren eu ughtfoot onder de ouderen,) veel over den Herodiaanschen tempel te hebben nagelezen, waag ik mij niet aan eene naauwkeurige beschrijving, of aan bet bepalen der plaats, waar larizecren 'tollenaar stonden. Ik geloof, dat eerst e'*!! naauwkeuriger onderzoek in loco, waartoe nu de toegang open staat, deze zaak tot helderheid brengen kan.
437
DE I'AMZEËH EN UK TOLLEN AAI!,
de Farizeër per se ook Rabbi of schriftgeleerde was, die naar de grondbeginselen zijner school het volk in de synagoge onderwees. Zoo min in onzen tijd orthodox, liberaal of modern een uitsluitend kenmerk is van den leeraarsstand, al geeft dezo daaraan den toon; even min was het Farizeër en Saddueeër, Door dezo namen werd alleen eene rigting, ook wel sekte genoemd, aangeduid; en de groote menigte, al toonde zij voor de eene meer sympathie dan voor de andere, behoorde eigenlijk tot deze zoo min als tot gene sekte.
Elders 1) heb ik de resultaten mede gedeeld van mijn onderzoek naar den oorsprong van het Joodsche sektenwezen; en ik neem do vrijheid, daarop bij deze gelegenheid nog eens de aandacht der geleerden te vestigen. Hier kan ik alleen de korte slotsom herhalen.
Met Ezra begint een nieuw tijdvak der Joodsche geschiedenis, waarbij de profetie zwijgt en de schriftgeleerden hunnen arbeid beginnen. Men moet dien arbeid niet gering achten. Zij hebben den kostbaren letterschat der gewijde oudheid ongeschonden bewaard. Daarbij was eene zekere gehechtheid aan de letter zeer begrijpelijk, en hare overdrijving natuurlijk. De oudste schriftgeleerden stelden tot regel, dat men //eene omtuining moest maken rondom de wet.quot; Lateren vonden die in nadere uitleggingen en bepalingen van beroemde Rabbi's. Toen nu door alexandeus veroveringen Grieksche taal en zeden doordrongen in het Oosten, hield zich de Hebreeuwsche synagoge nog strenger aan de letter der wet. Volgens de oude Joodsche overlevering is er reeds in de derde eeuw voor cheistüs , eene scheuring ontstaan tusschen 't geen wij zouden noemen de orthodoxe en de liberale partij. De eerste werd genoemd de pharizeesche (jgt;erusc/iim), dat is afgescheidenen, omdat zij zich afzonderden van anderen, zoo wel in het gevoel van hunne heiligheid, als om alle besmetting te ontwijken. Hun beginsel was de beoefening eener volkomene geregtigheid, door strikte gehoorzaamheid aan de wet, in hare strengste opvatting. Later grondden zij daarop het onderscheid tusschen regtvaardigen en volmaakten, waarop waarschijnlijk in het N. T. reeds wordt gedoeld. 2) Aan dezo praktijk dor godsdienst was het denkbeeld verbonden eener naauwere gemeenschap van tien mensch met goede en kwade geesten, en het uitzigt op do belooning, den opgewekten regtvaardigen toegedacht in de toekomende eeuw, die de Messias-regering op aarde zou aanbrengen, —Do Sadduccën zijn meest als tegenpartij der Farizeën, door hunne ontkenningen, berucht geworden. Het schijnt wel haast, dat hun naam oorspronkelijk regtvaardigen beteekent, en zij in eigen deugd, zonder zulke wettische vormen of invloed der geestenwereld, hunne waarde en hun regt vonden. Beiden stonden dus op den grondslag van liet aloude Israëlitische geloof, maar de Earizeesche partij werd de stiptste geacht, zoodat paulus zich nog jaren later te
1) De Parizeen, Sadduccën en Nerodianen. Drie Schetsen cm. 's Gravouhage, 1862.
2) Bij UGirri'ooi' ea schöttgen op Tai/c. XV enz., kau men hieromtrent meer vinden. Even als de Jezuïeten van later eeuwen, hielden de l'arizeöu door deze onderscheiding eene aehterdcur open tot eeue vrijere leer voor liet volk. Het was voor den Israëliet voldoende, regt vaardig te zij a naar de wet; maar volmaakt te wezen, daartoe behoorde oneindig meer. Die sleehts eenmaal, bij voorbeeld, de gebedsriemen verkeerd had aangedaan, of eene mug iu zijnen beker had geduld, had daarmede dit voor-regt verbeurd! —• Het verdient een dieper onderzoek, in hoo verre door jezus zelf en door paolüs dit onderscheid tusschen 'Tixiuo; en rsAsto; op christelijk gebied is overgebragt. Ik stel mij voor, dat dit over plaatsen als Matth. V ; 20, 48; 1 Kor. II; G, Fit. lit; 15, een nieuw licht verspreiden zou.
438
I)K FAUIZEËll EN UK TOLLENAAR.
Jeruzalem er op beriep, dat hij aan de voeten van Gamaliel naar de gestrengheid 1) van de ivet der vaderen is opgeleid, en tot ageippa zegt: ulk heb naar de gestrengs te sekte onzer godsdienst als Farizeer geleefd,quot; [Hand. XXII : 3; XXVI : 5.) In den grond is liet dus de zelfde tegenstelling, die in onzen tijd door orthodox en liberaal wordt aangeduid.
Eerst in 't midden der tweede eeuw vóór Christus vindt men de zekere sporen van dezen strijd, en to gelijk van den invloed der Farizeën op de menigte. Zij schijnen zich van de schriftgeleerde scholen geheel meester gemaakt te hebben. Want wij lezen veel van Sadduceesche priesters, maar nooit, — zoo ver mij bekend is,—-van Schriftgeleerden dezer partij.
In jezus' tijd was 't geen oorspronkelijk goed was in beide partijen al zeer verbasterd. Terwijl de Sadduceën, ofschoon vast houdende aan 't geloof in den éénen waren God, al meer en meer tot een ligtzinnig ongeloof vervielen, had de letterzifterij der Farizeën haar hoogste toppunt bereikt. Hunne geleerdheid bestond, behalve de kennis der Schrift, in de overlevering, die de uitleggingen en inzettingen dor oude Rabbijnen bewaarde. Daardoor achtten zij zich verpligt, veel te onderhouden, wat in de wet of in 't geheel niet, of althans niet uitdrukkelijk was geboden, en zochten hunne inzettingen zoo veel mogelijk ook aan het volk opteleggen, de wel Gods krachteloos makende dour hunne overlevering, en vergeefs God eerende, naar hunne leeringen, die geboden ran mensehen waren, {Matth, XV : 6—9.) Ieder, die hunne levenswijze volgde en hunne beginselen aannam, was Farizeër, ook al miste hij neiging of bekwaamheid om leeraar te zijn. 2)
Intusschen gaf juist al dit openlijk vertoon van werkheiligheid aanleiding tot eene huichelarij, die niet de oorspronkelijke bedoeling hunner rigting was. Jezus noemt ze den zuurdesem der Farizeën; en wij behoeven hier niette herhalen, in wat sterke bewoordingen hij de diepe verdorvenheid van velen hunner schetste, als ook de (wij zouden zeggen//echt Jezuïtischequot;) casuïstiek, waarmede zij de betrachting der zedewet wisten te ontduiken. Bijna zou de gedachte bij ons kunnen opkomen, of jezus niet wat al te sterk tegen deze zijne persoonlijke vijanden was ingenomen, wanneer niet in den Joodsehen Talmud, die anders doorgaans op Farizeesche beginselen is gebouwd, de zelfde schilderij van deze magtige en gevaarlijke partij gegeven werd.
Eindelijk merken wij nog op, dat jezus' leer op tweeërlei wijze tegenover die der Farizeën staat. Vooreerst als tegenovergesteld aan hunne trotsche eigengeregtigheid; en dan, als bestrijdende hunne geveinsdheid, die in den grond ongeloof is. Het ligt in den aard der zaak, dat de eerste bestrijding vooraf gaat, en jezus begint met wederleggen, om later.
1) Als onze Statenbijbel op beide plaatsen ytm bcsrhiidenheid spreekt, bedoelt hij daarmede, blijkens de kantteekening, stiptlieid of scberpigheid [axyiflsia).
2) Die Pharisiier waren bei den Juden gleich wie im l'a pet t hum die \fönclie , halten sonderlicht Kleidung, soaderliche Ta ge mm Fasten und lieten, und triehen der Ileitigkeil so viel, dasz die andern MenscLen citel Sunder gegen sie waren. Daher hutten sie aueh den Namen , dasz sie Pharisiier hi essen, welches in Hehra-ischer Sprache so viel heiszl, als ein Sonderling, der sich aussondert aus gemeinen Iluufen, und wilt etwas Sander He hes sein, LuiilER.
439
DE FAIUZEÜR EN DE TOLLENAAR.
naar mate der Parizeen vijandschap toe nam, al scherper te bestraften. Is dat zoo , dan behoort onze Gelijkenis niet tot het allerlaatste tijdvak, maar is veel eer tijdgenoot van den Verlor en' Zoon, waarin wij ook den Earizeër in al zijne verwatenheid en kouden trots ontmoetten, maar niet als huichelaar.
Genoeg over den Farizeër; nu ook nog iets , schoon korter, over zijn tegenbeeld : den Tollenaar.
410
De Joden stonden onder Rome in jezus'tijd. Eigenlijk werd nog alleen Jmlea en Samarië, naden dood van arciielaüs, als eene provincie, een deel van het Romeinsclie rijk, geregeerd ; maar dat in Galilea en het Overjordaansehe nog Joodsche vorsten, onder den naam van Home's bondgenooten [socii) regeerden, maakte in het wezen der zaak weinig verschil. Het Romeinsclie tolstelsel schijnt over het geheelc Joodsche land uitgebreid te zijn geweest : wij vinden ten minste zoo wel te Kapernavm als te Jericho aanzienlijke tolkantoren. Daar werden accijnsen en inkomende regten geheven; en dat die aan de Heidenen moesten worden opgebragt, ergerde de stipte Joden zoo zeer, dat tusschen i'arizcën en Herodianen in vollen ernst de vraag werd betwist, of het wel geoorloofd was, den keizer schatting te geven. Anderen evenwel zagen cr geen bezwaar in, of werden zelfs door den nood gedwongen, den Heidenen daarbij de hand te reiken. Want de geheelc tol werd aan een' of meer Eomein-sche ridders verpacht, maar de Tollenaars zelve waren in den regel mensehen, die land en taal kenden, dus liier Israëlieten. Dit moeten wij vooral in liet oog houden. Nergens in het N. T. lezen wij van Heidensche Tollenaars, al zijn er misschien wel enkele vreeindelingen onder geweest; 1) en ook do overste der tollenaren of ontvanger zelf te Jericho was, naar jezus' verklaring, een zoon van abraham. Het is er dus geheel anders mede gesteld, als met de Romeinsclie krijgsmagt in het Joodsche land. Deze bestond alleen uit Heidenen. Van daar, dat men met hen zich beter verdroeg. Soms vinden wij eene regt vriendschappelijke betrekking tusschen de Romeinsclie officieren en het Joodsche volk, zoo als bij den hoofdman te Kapernavm en Cornelius te Cesarea. Met tollenaars daarentegen liet de regtgeloovige Israëliet zich nimmer in. Door dezen post aan te nemen, hadden zij zich zelve tot de paria's der maatschappij verlaagd, niet enkel als handlangers der Heidenen, maar ook als hunne makkers en dischgenooten, en dus onrein gelijk zij. De verloren zoon, die in de dienst van een'.Heiden de zwijnen hoedt, is hun beeld, en zeker was er menig zoon van goeden huize onder, die door verkwisting en wangedrag zoo diep was gezonken. De diepe verachting, die men hun toedroeg, spreekt reeds genoeg in de gewone gezegden //tollenaars en zondaars,quot; en zelfs //hoeren cn tollenaars.quot; En wie men algemeen veracht, hij wordt doorgaans verachtelijk, daar hij geen' goeden naam meer heeft op te houden. Ook de Tollenaars vonden eene vergoeding voor den smaad, hun aangedaan, in allerlei afpersing, waarbij zij op do bescherming der Romeinsclie krijgsmagt konden rekenen; cn hoe zulk geld werd verteerd, is ligt te begrijpen. Hot is dan ook opmerkelijk, dat do Heiland wel Samaritaan of Heiden prijst, maar nooit eeu' Tollenaar, nooit anders
1) Dat de Tollenaren van het N. T. Joden waren en geeue Heidenen, heeft reeds hierom'mus tegen ïertulliastjs bewezen, Epist, 21 ad Damasum.
de l'arizëër en de tollenaar,
ten minste dan om zijn berouw : een bewijs, dat ook hij den Tollenaar zondaar acht bij uitnemendheid; althans in zoo verre de zonde bestaat in eene openlijke verkrachting der wet.
Maar hoe ook die smaad op hen drukte, uit den tempel kon men geen'Tollenaar weren, zoo lang hij niet Levitisch onrein verklaard was door don priester. In do synagoge ging dit gemakkelijker. In de Evangelie-geschiedenis ontmoeten wij er ton minste geene; en in de Rabbijnsche scholen liet men hen zeker niet toe. Zoo waren dus de Tollenaars bijna geheel van het zoo zeer opgewekte godsdienstige leven dier dagen uitgesloten; en het is niet vreemd, dat deze en gene dat gemis, die geheele vervreemding van zijn volk en zijne opvoeding, diep gevoelde. Maar ontwaakte al in hem het berouw, hot huis van den Rabbi en de kring, waarin deze leerde, was voor hem gesloten. Waagde hij er zich in, met smaad werd hij afgewezen. Al had hij zijne betrekking laten varen, — dat niet zoo gemakkelijk, ja! voor sommigen, met huisgezinnen bezwaard, bijna onmogelijk was,— nog kleefde hem voor zijn gansche leven dc naam aan , dien hij eenmaal had gedragen.
Intusschen leefden de Tollenaars, door hunne ambtsbetrekking, in het midden der maatschappij, die hen verfoeide, en moesten dus ook wel bemerken, wat groote gisting in het godsdienstig leven van hunnen tijd en hun volk plaats had. Naauwelijks was johannes de Dooper opgetreden in de woestijn, of in het tolhuis van Jericho werd er veel over hem gesproken; en terwijl sommigen spotten, verlangden anderen, den vreemden boetgezant te hoeren. En zij werden niet te leur gesteld. Zonder aarzeling ontving hen de gestrenge man, die Farizeën en Schriftgeleerden als addorengebrocdsels had terug gewezen. Hij vergde zelfs, als eene vrucht der bekeering waardig, niet eens van hen, dat zij hunnen post zouden neder leggen, maar alleen, dat zij zich daarin van afzetterij en onregt zouden onthouden, {Luie. 111:12, 13; vergl. Matth. XA'I ; 32.) Ook Tollen! lars werden gedoopt, en door johannes gewezen op Dengene, die na hem komen zou. Hoe natuurlijk , dat ook mus' optreden juist in hunnen kring, aan de groote handel wegen van Valeamp;tma, terstond werd opgemerkt. Toen jezvis van Nazarel naar Kapernaüm verhuisde, kwam hij nog meer met hen in aanraking. Zijn gerucht verspreidde zich van tol tot tol. Zijne ontvangst stond in het meest snijdend contrast met die der Farizeesche Rabbi's. Zonder zich dus aan de verachting der menigte of de smaadredenen der Farizeën te storen , naderden zij hem meer en meer. De roeping van mattheüs den Tollenaar bleef zeker voor de anderen geen geheim; even min dat jezus daarbij met tollenaars en zondaars had aangelegen, en later, dat hij te Jericho zich zelf bij zacciieüs had ter maaltijd genoodigd.
Der Parizeen smaad keerde zich nu tegen jezus , en niet weinigen vielen hun bij. Dat was toch wel, de volkszeden in het aangezigt slaan I Meer dan eens hoorden wij reeds jezus zich daarop verdedigen: niet door de zonden der Tollenaars te verkleinen of er hunne deugden tegen op te wegen, maar juist omdat zij zondaren waren. Kranken zijn het, die den Medicijnmeester behoeven. Over verloren en terug gekeerde zonen is blijdschap in den hemel.
Zoo zien wij jezus altijd uitgaan van hot volksdenkbeeld, dat ook veel grond had: //de Tollenaar een zondaar;quot; terwijl hij den Farizeën hunnen roem laat, dat zij naar de letter van de wet het niet waren. Zelfs in het laatste en scherpste beeld, dat der Twee
44]
DE VAKIZEKU EN DE TOLLENAAH.
ongelijke Broeders, munt hij, die den Tollenaar voorstelt, alleen uit door zijn berouw. En zoo is liet nu oolc in deze Parabel, do eenige, waarin Farizcër en Tollenaar onder hun' eigen' naam optreden.
Een Farizecr dus, eerlijk en regtvaardig en vroom, maar ook gewoon, dit Gode en den menscheu toe te rekenen, gaat op, de straten van Jeruzalem door, naar den tempel, om ddar zijn gebed te doen : naar wij ons voorstellen in den vroegen morgen , reeds vóór de gebedsure, om één der eersten op liet voorhof te zijn. Het volk gaat eerbiedig voor bem uit den weg, en de moeders wijzen op hem, als op een voorbeeld van stipte vroomheid, hare kinderen. Hij beantwoordt die hulde met een' nederbuigenden groet , of hij beantwoordt haar niet, als in godsdienstig gepeins verzonken. Zoo treedt hij den tempel binnen, de wijde portalen door, het voorhof der vrouwen en der Heidenen langs, naar het groote voorhof. Als wij daiir met hom staan , zien wij in het midden en iets hooger het priesterlijke voorhof, daarop het koperen brandofferaltaar, en in den achtergrond het eigenlijke heiligdom in zijne stille majesteit. Elk gaat voor den man uit den weg, die aan zijn' breedgozoomden mantel, lange gedenkdraden en breede gebedsriemen kenbaar is als één van Israels vromen. Bij het opgaan der trappen ging hij ook een' man voorbij, voor wien hij uitwijkt, als of 't oen melaatsche was. //Wat doet die hier? denkt hij bij zich zeiven : //Men moest zulke tollenaars en zondaars uit den tempel kunnen weren !quot; En zoo gaat lii| als een gewoon en regthebbend bezoeker door, tot het priesterlijke voorhol toe, en heft handen 1) en oogen naar den hemel: — want ons handen vouwen en oogen sluiten was den Israëliet onbekend.
De Farizecr, slaande, 'Z) had dit hij zich zeiven. Anderen vertalen //op zich zelf, afgezonderd van anderen staande, bad hij aldus.quot; De veranderde zamenvoeging tier woorden maakt hierbij volstrekt geen bezwaar. Het wtot of bij zich zelfquot; staat tussclien de beide werkwoorden in. Maar dat dit //or zich zelf, afgezonderdquot; kan beteekenen, is niet bewezen. 3) Anders zou ik tot deze vertaling overhellen, daar afzondering zoowel in den naam als in den aard der Farizeën lag, en zij er zoo bijzonder niet op letten, om bij zich zelf, in stilte en zonder dat een ander het hoorde, hun gebed te doen.
Ilij bidt, de vrome man! Maar neen, hij heeft niets bijzonders te vragen: hij dankt alleen, en wel: //O God! ik dank U, dat ik niet hen even als de anderen der menschen.quot; Door deze letterlijke vertaling vervalt de overdreven beschuldiging van sommigen, dat de
1) Het oplieffen der handen, wanneer de mannen bidden, wil ook taulus, 1 Tim. II ; 8, Van de vrouw zegt hij dit niet, en lezen wij liet ook, zoo ver ik weet, nergens. — GnoiUiS verdient hier vooral te worden nagelezen. Van de vrouwen spreekt hij echier niet.
2) Staftsls nolal P har Isa ei superhium , qui in loco Templi cons/ncuo instar slatuae stans ereclus magua cum affedatione pietalem menliebatur (?), Valckenaak.
^ ' Op dch zelf zou Kaliquot; iaxtóv zijn, als Jak. 11 ; 17, Zach. Xll; 12 enz. Bij zich zeiven wordt ook Mark. XIV:4; luk. XX: 5; XXIV: 12 enz. door nyo; éuvióy uitgedrukt. Dit bewijs weegt mij zwaarder tlan dat van meijkb.: Taul werden durfle er nnliirlich ein solehes Gebet nicht lassen. Ilij voegt er bij; Anders der Zóllner; en in der daad, deze althans verbergt, ook door uiterlijk gebaar, den inhoud van zijn gebed niet. Hij is er niet in staat toe.
U2
de fauizekil en de tollenaar,
man het gelicole overige mensclidom aan do ééne zijde plaatst, en zich alleen, als den volmaakt regtvaardige, aan de andere zijde. Als de man zulk eene scheiding zich dacht,— en dit spreek ik niet tegen—dan stelde hij zeker al zijne 's gelijken aan do zelfde zijde, in tegenstelling van het gros der menschen. Eene fijne zinspeling op de beteekenis van den naam Earizeër, Hij dankt God, dat hij ook zulk een afgezonderde, uitverkorene in Israël is. In de zelfde beteekenis, maar zonder dien trots, wil de gewezen Farizeër paüli's , dat de Christenen te Thessalomka zich, door het matigen van hunnen rouw, onderscheiden zouden van de overigen; dat is van het gros der bevolking, nog in de hopeloosheid van heidensche onkunde en ongeloof verzonken. 1)
Die overigen, het gros der menschhcid, ook van zijn eigen volk, stelt de Farizeër waarlijk laag genoeg. Ook dat was der i'arizeesche partij niet vreemd. Zonderling! de menigte, wier vereering de trotschaard zoo hoog schat, veracht hij zoo diep, dat hem haar oordeel niets moest waard zijn. Een zonderling, en tocli ganscli niet ongewoon verschijnsel. I)e zelfde Rabin's, die om de toejuiching der synagoge bedelen, zeggen: uDeze schare, die de ivet niet kent, 'is vervloeid lquot; En de Farizeesche vrome, zoo gaarne van do menschen gezien als hij bidt, noemt het gros dier menschen in zijn gebed: rooiers, bedriegers, 2) over spelers j en hij dankt God, dat hij zuó niet is, of ook als deze Tollenaar!' 3) Dit is do fijnste, en daardoor de scherpste trek der kleine, maar schoone schilderij. Een biddende, die dankt, dat hij niet is als een ander, die daar bidt! Dien man ziende, heeft hij al zijne waardigheid gevoeld, en half ziet hij om bij 't bidden, om zich daarop nog eens te verheffen !
Maar wat is er dan, dat den Earizeër zoo bijzonder onderscheidt? Ilij zegt het ons zelf, of liever hij zegt hot aan God, en telt Hem zijne verdiensten op. Niet alleen onderhoudt hij de wet: naar de gewone opvatting deden dat in dien tijd de Israëlieten in het algemeen. Dc sabbat was hun heilig, hot onreine een gruwel, en de Heiden niet minder. Openlijke wetschennis, zoo als hot dragen van lasten op den sabbat en vooral het ontheiligen van den tempel, behoefde in Jeruzalem slechts genoemd te worden, om al liet volk in beweging te brengen. Die met den rijken jongeling zeggen kon, zelfs van de verhevener zedewet: n Alle deze dingen heb ik onderhouden van mijne jeugd af aanwas daarmede nog geen Earizeër. Hiertoe behoorde het vast houden aan de wet niet alleen,
1) 1 'Ihess, IV ; 13. Zoo ook II. V : 6 (*gt;} xafrsidcausv wj xal ol Komoi.
2) Do ü'hxoi, zijn hier do Ungeree.kle im engern Sinne, niet in het algemeen menschen, die niet regt-vaardig voor God waren; want als zoodanig besehouwt de Earizeër al de overigen, terwijl hij hier op eene bijzondere soort van zondaars doelt.
3) Om den Farizeër eenigermatc te rehabiliteren, merkt sepp aan, dat de graad van gelijkheid , door üansy eu door wj uitgedrukt, niet de zelfde is. Dc opmerking is fijn. De Earizeër dankt dus, dat hij niet is even als dc anderen, niet hun gelijk, of ook een man ah deze, namelijk Tollenaar, Het artikel ó taXtiipi/i verklaart hij »ócn uit dc klasse der Tollenaren.quot; Dc Farizeër veroordeelt dus den man niet, dien hij zeker uict nader kout, maar alleen zijnen levenskring.—• Puigaeüs heeft hierbij schoone spreuken van seneca en anderen aangehaald over het ongepaste en dwaze vau den hoogmoed, die zioli zelvon prijst, omdat anderen slechter zijn: «als of hij een vlugge looper ware, die ons zwakken en manken toonen kan 1quot;
li 3
61*
de farizekr en de tollenaar.
maar ook aan de overlevering. Deze verklaarde twee dagen der week voor de vrienden der wet heil'g; den donderdag , waarop mozes Sinaï was opgeklommen, enden maandag, waarop hij van daar was afgedaald. Op die dagen hielden de Farizeën eene vrijwillige vasten , daar de wet alleen den Grooten Verzoendag tot vasten verordend had. Het schijnt zelfs, dat do johannes-leerlingen dit van hen hadden overgenomen. Op het getrouw onderhouden dier dagen beroept zich nu de biddende Parizeer: nik vast twee maal ter week, 1) en ik vertien alles, hoe veel ik verkrijg.quot; 2) Zoo staat er letterlijk, en dit laatste heeft voor den gewonen lezer nog eenige opheldering noodig.
Tot onderhoud van den Levieten-stam, die geen erfdeel kreeg in 't heilige land, maar alleen steden ter bewoning, was door de Mozaïsche wet bepaald, dat van akker en boomgaard een tiende der vrucht zou worden opgebragt. [Nim. XV lil : ïil; Levit, XXVII: 30; Deut, XÏV ; 22—27.) Dit tiendregt, de oudste en eenvoudigste belasting , bestaat nog hier en daar. Dat onder Israël deze wet niet altijd even trouw werd nagekomen, spreekt van zelf. De priesterstam regeerde er alleen door zedelijken invloed, nooit door kracht van wapenen. Er waren tijden, dat do Levieten in armoede door het land zwierven, zoekende, wat hunne hand vond om te doen, of azende op de nalezing van den tarweakker. In jezus' tijd was dat anders. Bij de algemeen opgewekte belangstelling in wet en tempel, werden in den regel de tienden trouw opgebragt. De Farizeën deden dit met zekeren bij-geloovigen angst, als of er een vloek liggen zou op't allerminste, waar do tiend niet van betaald was. Jezus verwijt hun: //Gij vertient de munt en dille en komijn!quot; //Van alle toekruiden, die men in den tuin kweekt in kleine hoeveelheid, en die zoo goed als geene geldelijke waarde hebben, meet gij zorgvuldig het tiende deel, eer gij er • van proeven durft.quot; Tn zoo ver dit uit eene angstige naauwgezetheid voort komt, keurt jezus het niet geheel af; maar hij bestraft hen gestreng, omdat zij daarentegen het zwaarste der wet nalaten : de nnif/ uitzijgen en den kemel doorzwelgen! 3)
Die naauwgezetheid is het nu, waarop ook deze Parizeer roem draagt. Hij spreekt niet.
1) Sommige Latijnscho kcikvadcrs, misleid door het (J!s 'oü aa^arov, hebben hier aan twee vasten op cénen dag gedacht, dat eene volstrekte onmogelijkheid was; aafiflatov en ifitionas worden meer verwisseld, ook buiten den bijbel. Het verwondert mij, dat van willes {Bijdragen, I: l'JO) deze vertaling «twee maal op den Sabbatquot; bijvalt. Behalve Mallh. XXV11I rl, Murk, XVI; 2, 9 enz., strijdt bier reeds legen, dat vasten op den sabbat geen Joodseh denkbeeld is; juist een ruim feestmaal werd op dien dag eene daad van godsvrucht geacht. — Over de Farizecsche vasten zie lightfoot en anderen, die hem naschrijven ; maar vooral ook n. de gboot , die hier belangrijke bijzonderheden heeft omtrent liet vasten der oude Christenen, die, om zich van de Joden te onderscheiden, er den woensdag en vrijdag toe kozen. (Igkatus, teutlliiaküs enz.) — Bekend is 't, hoe Jizrs hierover denkt, Ma'.lh. Yl;10—18. liet vasten heeft voor hem alleen waarde als eene verootmoedigirg, die in 't verborgen geschiedt.
2) !)o uitdrukking is nog sterker dan alles wat. Dat he: it ten zijn moet verkrijgen, zullen wij straks zien.
3) Wee u , gij t'eh riff gele erdtn tn Farizeën, gij geveinsden ! leant gij terlieni (ook linodsxmovis , even als hi(r,) de ttmnle en de dille en den komijn, en yij laat na hel zwaardere der teel: hel air-deel en de harmlurliglwid en de /rouw. Veie dngen moetl men doen, en gene niet mlaten. Ma/th. XX11I;23. Bij deze plaats haalt mhjek de schrijvers aan, die dc Rabbijusche overleveringen hieromtrent vernielden.
444
DE FARIZEËE EN DE TOLLENAAR.
zoo als onze vertaling heeft, over al wat hij lezit; want het tiendregt is eene belasting op de inkomsten , en niet op de bezitting. Maar wat hij verkrijgt, 1) wat vrucht hij van akker of tuin, boomgaard of wijnberg trekt, hij wacht zich wel er aan teraken, eer er de tiend, hoe gering ook, van aan den priester gebragt is.
Zoo bidt de l'arizeür. Om straks onpartijdiger over hem te oordeelen, vergete men niet, dat het optellen van eigen deugd en verdienste niet zoo aanstootelijk was voor deu Israëliet, in de wet der vergelding opgevoed, als voor ons. Men leze slechts de gebeden \an ni/.KTA, NhntMiA en anderen Kon, XX ; 3j Keh, XIII ; 14), (om van job en zoo vele Psalmen niet te spreken!) en vrage, of zulke gebeden den Christen van de lippen zouden willen. — Niet geheel onjuist is verder de opmerking van een' ouden uitlegger (tiïeoi hylactus) , dat er eene tegenstelling is in des 1'arizeers gebed. Tegenover anderer
onregt en rooverij, hij zoo stipt op zijne tienden; zij wellustig en hij vastende!......... Maar
heeft hij niets meer te zeggen ? Oeene verschooning te vragen voor onwillekeurige overtreding of verzuim, geen kracht ten goede, niet eens de bekeering van die roovers , bedriegers en overspelers, ook van dezen Tollenaar? O neen! Hij heeft gerekend met God en is goed uitgekomen: zie daar alles! 2) — En zijne dankzegging nu, is die gemeend of geveinsd ? Ik zou bijna, — altijd naar de voorstelling van deu Heiland, — het eerste stellig durven verzekeren, hoe dikwijls ook het tegendeel is beweerd. De l'arizecr, die de raenschelijke vïijheid voorstond en daardoor de verdienste der goede werken, erkende daarbij toch ook het hooge Godsbestuur, dat hem geplaatst had in zoo heiligen levenskring. 3) Maar die dankbaarheid is meer redenering dan gevoel. Ware het de regte uitstorting des gemoeds, hij zou niet geteld hebben en gerekend, niet geschimpt en gesmaad tot in zijn gebed; maar juist het gezigt van dezen Tollenaar zou hem verootmoedigd hebben bij de gedachte, waar God hem al voor heeft bewaard. Maar neen! hem vervult niet de gedachte aan Gods genade, maar aan zijne eigene deugd, die hem ook genoeg heeft gekost en dus haar loon waard is, en die hij alleen bij uiterlijke stiptheid afmeet. Hij vergeet geheel, wat zijne profeten en psalmdichters gezegd hebben van een' God, die bij den ootmoedige en nederige woont, en wiens liefste offerande een gebroken hart is; 4) — waarop ook de Rabbijnen zelve, hoe trotsch anders, (naar de vertaling van scuüttoen,) het voorschrift hebben gebouwd :
445
D1C FAMZEËl!, EN DE TOLLENAAR.
//Als gij bidt, zoo tel in uw gebed uwe deugden niet op, 1) maar bid om genade en barmhartigheid te verkrijgen van God.quot;
Maar geheel anders deukt deze Farizeer. Statig gaat hij daar weer heen, nadat ook deze pligt is volbragt, en wijkt nog eens omzigtig voor den diep neêr gebogen' Tollenaar uit. En terwijl hij dezen en genen genadig groet, gaat er misschien van de lippen der eenvoudigen en kleinmoedigen menige bede op: //O God! dat ik maar was als deze man 1quot;
Maar vergeten wij dien anderen tempelganger uiet, in wiens naam eene dubbele geschiedenis ligt opgesloten : die van een volk en van eenen mensch. Wij behoeven over hem uiet zachter te oordeelen, dan de Heiland, dan hij zelf het doet. Verloren zoon vm Israël, heeft hij misschien in jeugdige losbandigheid zijn erfgoed verkwist, en in zijne armoede en radeloosheid zich aan de Heidenen verhuurd. En eenmaal Tollenaar zijnde, was hij even min naauwgezet als de anderen. Toch is er in hem eene stem, die niet zwijgt. Zit hij daar aan den avond vóór het tolhuis, of waakt hij in den nacht aan de grenzen, het is of zijne moeder hem toefluistert: //Heb ik u daarvoor aan mijne borst gezoogd?quot; of zijn vader spreekt: //Zijt gij mijn kind, gij ontaarde zoon van Israël ?quot; — Ileeds lang onderhoudt hij den sabbat niet meer, onderscheidt niet het reine van het onreine , en denkt dus nog veel minder aan tienden, vasten en gebeden. Maar nu kan hij 't niet langer uithouden. Waar heen zal hij zich wenden in den angst zijner ziele? Tot zijne half of geheel Hei-densche medgezellen? Maar zij bespotten hem. Tot de Rabbi's van zijn volk ? Maar zij werpen hem met smaadwoorden uit de synagoge, en spuwen hem na. Wel aan, hij zul het wagen. Tot den Heer zal hij vlugten; want zijne barmhartigheden zijn vele. Misschien zal Die zich zijns ontfermen. En zoo verdraagt hij de spotternij zijner ligtzinuige medgezellen, en den smaad der vromen op den tempelweg. Daaruit kan hem ten minste niemand weren. En hij heeft immers alleen met God te doen, dien hij beleed igde door zijne zonden? Zijn oog, door tranen beneveld, ziet niet eens den smadelijken bl ik des Earizeërs. Met een gebukt hoofd en kloppend harl beklimt hij de trappen van het heiligdom. Daar blijft hij aan den ingang van het voorhof staan , onder de ruime galerij half verscholen, 2) En hier is nu weder in de schilderij een iijne trek, die in eene vertaling inoeijelijk is weer te geven. Van den Parizeer wordt gezegd, dat hij zich stelde, ging staan als iemand, die regt op zijne plaats heeft; maar van den Tollenaar is 't: //van verre staande.quot; 3)
1) Weder zag ik bier, toen ik de Pirke Aboth zelf opsloeg (II : 18) , hoe voorzigtig men moet zijn met het overnemen van aanhalingen. R. simon zegt letterlijk ; //Maak niet uw gebod staande of bestemd.'' Hij schijnt hierbij liet werktuigelijk bidden in hot oog te hebben, en beveelt daarentegen de hartelijke smeeking aan, waarop God genadig zijn zal.
2) Meijkr zegt «verre van of achter den Farizeer.quot; Ik geloof niet, dat de Tollenaar op dezen zoo bijzonder lette. Mrtxuóiïet' lieeft hier, als H. XXIIi : 49 van jezus' bekenden, betrekking op dat gene, waar men om komt en naar ziet; diiar Gol(/ol.ha , en hier het heiligdom: — dat is niet ro iejo'c, de geheele tempelruimte, maar d fcó; , het eigenlijke tcrnpolgobouw.
3) Van den Farizcër is het mat}si;. Aor. 1 pass., van den Tollenaar taió); (voor «ot^xw;) perf. act.
446
DE l'AUIZEËIl EN ÜK TOLLKNAAU.
Hij bleef staan, zoo dra liij op het voorhof was, nog ver van het eigeulijke heiligdom, en wilde, durfde zelfs zijne oog en niet opslaan naar den hemel, of liever beproefde het niet eens. 1)
Daar staat hij , als aan den grond genageld door de majesteit der plaats. Hij gedenkt aan hetere dagen, toen hij nog pleeg op te gaan in Gods huis. Hij wil bidden, maar beproeft 't niet eens, naar de wijze zijner laudgenooten, daarbij het open oog ten hemel te slaan. 2) En alles vergetende, wat rondom hem gebeurt, ook den Farizeiir, die juist naar hom omziet, slaat hij in diepen rouw zich met de vuist oj) de horst, 3) scheurt zich als boeteling het opperkleed , en stamelt eindelijk ook zijn gebed, dat door tranen en snikken heen zich den weg baant: // Verzoen gij mijne schuld , 4) O God! wees mij den zondaar, zondaar bij uitnemendheid 5), genadig!quot;
En nu gaat ook de Tollenaar heen. En ziet ook al de menigte, die opgaat naar het morgenoffer, met diepen afkeer op hem, zelf is hij als van een' zwaren last verligt. Die schuldbekentenis gaf hem lucht, en 't was of het licht van Gods vriendelijk aanschijn
Het laatste beteekcut eenvoudig staan, of blijven staan. (Zie win er , 88 sqq., 407.) Matth. VI : 5 wordt saiujiBS van de Farizcën gebruikt, als die iu de honken der straten Heven staan, om hun gebed te doen. Hot laatste is daar, even als hier, (maar pracs., niet aor, 1) rtyoaaixscramp;ai.—Beiden, ïarizeer en Tollenaar, bidden dus staande, naar de gewoonte dor Joden , waarvan men allerminst in den tempel afweek, i/t)i srdere nemini p'rmitt'hatur. (Sciiöttgf.s.) In zijn eigen huis of buiten in do eenzaamheid, zoo als jezi s in Gethsemané, wierp men zich soms, in heftige gemoedsbeweging ol' zwaren rouw, met het aangezigt ter aarde.
1) Het verwondert mij, dat do uitleggers oxx ijS-BXev ovSe met stilzwijgen voorbijgaan, terwijl over andere woorden de een den ander zoo veel uasehrijft; en nog meer, dat iiarting aan den onwil van den oudsten broeder, Luk. XV :28, de zelfde beteekenis geeft («•geen' lust hebbenquot;). Durven drukt wel de bedoeling uit, maar niet de beteekenis; beproeven is beter. De tollenaar doet 't niet; ja! wil, beproeft 't niet eens! Zoo merkt josehu's op {Anl. 11:5, pag. 309), dat mi\ de handen wel naar den hemel ophief, maar zieh schaamde, om de zonden van zijn volk, derwaarts op te zien. Tgl. Ezra IX: 0. — Eene menigte voorbeelden uit ongewijde schrijvers heeft pkicakos.
2) Oudtijds was zeker het opheffeu van oogen en handen algemeen. Latere Ilabbijucn willen , dat men de handen opheffe, maar de oogen neêr sla. Weder lateren, dat men ze sluite. Zie schöïtgf.n.
3) Het op de borst slaan is reeds bij iiomubos een teeken van droefheid, maar was 't bij do Joden vooral van berouw. De uitdrukking komt nog eens bij luk as voor van de schare, die weder keerde van Golgotha, zimovtsg tavxüv t« artjamp;t/, /,iik, XXIII : 48. Hieraan verwant is het xónttaamp;ai, als *rouw over iemand bedrijven,quot; Luk, VIII :52, XX III ;27. — Geestig zegt, aogüstinus : 7'i/nrlere pectus,
tjuid est, nisi argnere quod la let in peet ore, et evidenti puhu occult um eastigare percaium...... (luid est homo
puenUens, nisi homo siii iraseens ?
4) Tc regt merkt tuencii op, dat er niet staat «Wees mij genadig, vergeef mijne zonde!quot; maar //Verzoen mij (Uanramp;^u ,uot) !quot; — De toepassing op ciinisTiis' offerande (naar He/jr. II: 17) is echter te ver gezocht, daar wij ons bier nog op het terrein van het Oude Verbond bewegen; misschien niet, die op den tempel als de plaats der verzoening, en't verbroken hart als de beste offerande. Hisvcnrus verklaart iXauxtafiui door è^akBovaamp;ai,, rHAVOlUNüs 'tXairxw door iSef/isn'fw on HdafryTi door iKewg juot yéroio. De Gricksche vertaling van bet O.T. heeft ook J's. XXV : 11 en Dan. IX : 19 iXuaffyti in de zelfde beteekenis, waarin het hier voorkomt.
5) Dat dit de beteekenis van het artikel is, heeft onder anderen stehkiiof opgemerkt, in de Bijdragen van van wiLLKS 111:2. Misschien evenwel zou men het als eene eenvoudige qualifieatie, eene beoordeeling van zieh zei ven, en het soort van mensehen, waar hij toe behoorde en zich toe rekende, kunnen opvatten. Dan slaat het beter op het slot van des Farizeërs dankgebed, vs. 11: »deze man, die een Tollenaar is;quot; »mij, die ecu zondaar ben.quot;
447
t)e pae.izekh en dk tollenaar.
uit liet heilige der heiligen hem bescheen. En blijft hij ook al een Tollenaar, hij is van nu af een zacciieüs, die alle aangedaan onregt zoekt te vergoeden, en den armen meer dun tienden geeft, omdat heden zijnen huize zaligheid is geschied.
Ik zeg u, deze ging geregtvaardigd af naar zijn huis meer dan die: want een iegelijk , die zich zeiven verhoogt, zal vernederd, die zich vernedert, verhoogd worden.
De laatste spreuk vinden wij ook elders; de eerste is de eigenlijke sleutel der Parabel, zoo als wij dien meermalen, vooral bij lukas, in zulk eene aan 't verhaal toegevoegde spreuk vonden. Zij wordt ingeleid door bet nadrukkelijke Ik zeg ulieden, dat bij dezen Evangelist zeer dikwijls jezus' plegtige uitspraken vooraf gaat. {Luk. XI : 8; XII: 5, 8; XV : 7, 10 enz. Vgl. Blz. 419.) Daarin zijn twee zaken opmerkelijk : de regtvaardiging en de v e r g c 1 ij k i n g.
Men beeft opgemerkt, dat hier juist bij paxilus' vriend en leerling, lukas, bet Paulinische begrip van regtvaardiging, reeds in het Evangelie zelf gevonden wordt. Daar jezus deze Gelijkenis zeker niet in 't Grieksch uitsprak, zou het ook aan de vertaling kunnen liggen. Ik herinner mij echter niet, dat bij lukas elders van zulk een Paulinisch spraakgebruik de sporen gevonden worden. Liever zou ik dus de zaak omkeeren, en zeggen; //Jezus en paulus beiden volgden bierbij het Earizeesche spraakgebruik.quot; Want voor de Parizeen was het een levensdoel //regtvaardig voor God te zijn,quot; en dus ook geregtvaardigd, in 't Godsgerigt als regtvaardigen aangenomen, vrij gesproken te worden. Jezus wil dan zeggen , dat bij God het hart geldt en de inwendige mensch; dat dus de diepe ootmoed en hartelijke schuldbelijdenis van den Tollenaar zwaarder woog bij God, dan de koude en trotsche naauwgezetheid van den Parizeer. 1)
'/j66 opgevat, kunnen wij ook in do vergelijking niet dat bezwaar vinden, dat velen er in gezocht hebben. Hoe onzeker de lezing is in 't oorspronkelijke, 2) de beteekenis is altijd dezelfde: //boven den Parizeer of meer dan bij geregtvaardigd, keerde de Tollenaar naar zijne woning terug.quot; — //Maar,quot; vraagt men ons : //was dan toch ook de Parizeer geregtvaardigd, al was 't minder dan de Tollenaar?quot; De meesten antwoorden met
1) Sepp {Godg. Bijdragen, 1804, Vlll) wil liicr aiin geregtvaardigd gecuo dogmatisoho beteekenis gehecht hebben, maar stelt het met regtvaardig = vroom = gesticht (?) gelijk, zoodat het betee-kenen zou: «de Tollenaar verliet den tempel, meer opgebouwd in de gemeenschap met God, genoot meer zegen van het huis des gebeds dan de larizeer.quot; Ik kan mij niet voorstellen, dat dit door jezus' hoorders er uit kon verstaan worden. Het is ook, reeds in den zelfden Jaargang der Bjdragen (N0. X) , grondig wederlegd door boon , die bewijst, dat geregtvaardigd nooit eene stemming des ge-moeds kan aanduiden, daarliet altijd eeu oordeel te kennen geeft. Vgl. Matlh. XI : 19, Luk.yil; 29 , Matlh. XII; 37 enz. — Vat ik geregtvaardigd hier in dogmatischeu zin op, 't is niet naar een later christelijk systeem, maar naar 't ïarizeeseh-Joodsche dogma, dat ook bij Luk. XV tot grondslag ligt. Minder of niet yeregtvaardigd heeft dus (dit is luther's dwaling) volstrekt gcene betrekking op eeu laatste oordeel of eeuwige zaligheid.
2) De aangenomen lozing ij ixelvos hoeft geen gonocg?,aam gezag. Do critici weifelen tussehen ij yaq IxeTyog en nay ixsivoy (als Luk. XIII; 2 , 4). liet eerste heeft de meeste getuigen vddr zich , maar is, volgens meijeu, sinntcidrig. Zou het evenwel niet in goed Grieksch kunnen beteekenen: meer namelijk dan gene ? Ik geloof ja. (Vgl. wiser, § 30.)—liet dichterlijke gt;/ )dngt;, voorwaar! (Attisch niet waar ?) kan hier niet in aaumerking komen, omdat daarbij alle vergelijking weg valt.
448
de farizeër en de tollenaar.
vilder lutiiee : »Necn, volstrekt niet! liij was veroordeeld, de trotsche huichelaar.quot;!) Maar als een huichelaar komt hier de Farizcër volstrekt niet voor. Vrij van de overdrijving vau latere dagen, erkent ji zus ook de waarde der wettische geregtigheid, van een stipt eu onberispelijk zedelijk leven. Hij meet ook bier, als in de Gelijkenis van den Verloren' Zoon, den Parizeer de volle maat toe. Do oudste broeder van dezen wordt daar in zijn volle regt erkend , als die nooit zijns Vaders yehod hoeft overtreden. Ook over de negen en negentig regtvaardigen, die de helceering niet noodig hebben, is blijdschap in den hemel, al is een verbroken hart de reinste offerande. Het komt er slechts op aan, dat men hier onze christelijke dogmatiek, ook de Paulinische, geheel ter zijde zette, en zich helder voor-stelle, wat jezus' toehoorders bij zijne woorden moesten denken. Dan valt vooreerst het denkbeeld van een onherroepelijk oordeel, eene eindbeslissing over 's mensehen zedelijke waarde geheel weg. De tem pel ganger wordt al of niet, meer of minder ge regt vaardig d, 2) — dat hier bijna 't zelfde is als dat zijn tempelgang met welgevallen wordt aangenomen, gelijk God reeds 't olfer van abel aannam en dat van kaïn niet. Dat de Parizeer in 't geheel niet geregtvaardigd, als zondaar verworpen werd, zouden de Joden zich niet hebben kunnen voorstellen, en leerde ook jezus elders niet. li ij wil alleen, dat do geregtigheid van de kinderen des koningrijks overvloediger zij. {Maith. V : 20.) De naauwgezetheid des Farizeërs was prijselijk; alleen woog die op verre na niet op tegen den ootmoed des Tollenaars. liet is dus niet geheel ten onregte, dat een nieuwere uitlegger 3) hier do tweeërlei rigting opmerkt van de Oud-Testamentische
1) Jencr ist nicht gerecht, sondern verdammt hHmyangen. Zoo reeds ïertuli.ianus (79»(3,s adorantes diversa menie describit, 1'harisaeum in superhia, Vuhlicanum in hnmililate: idecqne alterum reprobntiim, alterum jus/ificatuM descendisse), en na hem augüstinus , kutiivmius enz. Tkencii, die hier ook mede instemt, vindt het opmerkelijk, dat juist de E. C. uitleggers, zoo als maldonatüs , dit weerspreken.— MëIJKR zegt: Der Cont( x' entscheidet, ob das 1'rüdicirte iteni betrcffendcn Andcrn nur in geringeren Grade, wie Xlll:2, 4, oder gar nicht zukommt (vgl. xen. jT/». I t 4, 14), ob also der ausgedriickte Vorzug relativ, oder absolut ist. — Voor het laatste had hij zieh ook kunnen beroepen op 2 'Hm, lil ; 4 y iltflovoi ftitiXov ij rpiinlhoi ; want de daar besehrevene mensebeu beminden zeker God in 't geheel niet. Ik kan eeliter in onze Parabel de beteekenis ,meer of minderquot; niet los laten. Zij is zeker do meest gewone. Zoo wordt, bij voorbeeld, tot de Farizeeseh gezinde Joden gezegd: «Gij neemt eer tan elkander, en zoekt de eer van God alleen niet;quot; maar van wie hen vreesden: Zj hadden de eer der mensehen tuf, meek dan {ftaXkov ijna(j) de eere Gods. [Joh. V : 44; XII : 43.)
2) Amaiovv komt niet enkel bij luk as in deze beteekenis voor. Ook Matth. XII: 37 is het: Uit mee woorden zutt gij öf geregtvaardigd of veroordteld Korden; tegen 't Farizeeseh e gevoelen, dat alleen werken en vormen in rekening bragt. Bij lukas wil de wetgeleerde zich zeken regtvaardigen (X: 29), en zegt jezus legen de 1'arizecn (XV! : 15): Gij zijl 't, die u zehen regtvaurdigt voor de mensehen, maar God kent mee harten ; want dat hoog is onder de mensehen , is een gruwel voor God, Tegenover dit oordeel der mensehen en't hoogmoedig oordeel over zich zelven (o'rt eial dixuioi, vs. ö), stelt jezus nu 't oordeel Gods. Regtvaardig zijn zij in zeker opzigt, ja! maar nog beneden den berouwhebbenden Tollenaar.— Men moet vooral, om jezus goed te verstaan, de Joodsche spreekwijze in het oog houden ; «Die inden tempel op de regte wijze voor zijne zonden oiïert, gaat regtvaardig van daar.quot; (Schöttgen.)
3) Sepp, die in ieder geval volkomen gelijk heeft, als hij bet denkbeeld afkeurt, dat jezus hier de huichelarij der Farizeën berispt. Niet deze, maar toch wel de eigen geregtigheid, ook van hen, die geen huichelaars waren. Zoo heeft ook lukas liet opgevat. AI te gemakkelijk schijnt mij sepp de slotspreuk : Die zich verhoogt enz. van de Parabel zelve te scheiden, alleen omdat zij II. XIV : II ook en in een geschikt verband voorkomt. Zulke spreuken gebruikte de Heiland zeker meer. Het zelfde
41.9
62
DE FA.EIZEË11 EN DK TOLLENAAR.
bedeeliiig : als leidende of tot wettische regtvaardiglieid, of tot zedelijk berouw, al naar mate men dieper of oppervlakkiger de wet opvatte.
Maar al wordt de Farizeër in zijne deugd en vroomheid niet veroordeeld, wel zijn gebed. En waarom ? Omdat liij zich zeiven verhoogt, en daardoor verdient, door God vernederd te worden. Die vernedering was reeds diep genoeg voor een' Farizeër; gesteld te worden beneden een' Tollenaar! Brengen wij toch geene latere denkbeelden, van eene regtvaardiging uit het geloof bij voorbeeld en niet uit de werken, iu het Evangelie over, dat nog geheel in den door den Zaligmaker geheiligden geest van Israël gesproken en geschreven is. 1)
Misschien wel verwondert zich iemand, dat ik aan de inleiding van den Evangelist nog geen stem gegeven heb. Zij is het bovenschrift der Parabel, zoo als de behandelde spreuken het onderschrift , en luidt woordelijk aldus :
Hj nu zeide ook tot sommigen, de 2) vertrouwenden op zich zelve, dat zij regtvaardig waren, en de overigen verachtende, deze Gelijkenis.
Men heeft gevraagd, of die sommigen Parizeen waren; en doorgaans is het antwoord geweest; //Neen! het waren gewone discipelen of hoorders, maar van den Parizeeschen zuurdesem niet vrij/' Eu dan beriep men zich hierbij op het vooraf gaande, als waaruit bleek, dat jlzus tot zijne discipelen het woord rigtto. Ik voor mij hecht hieraan weinig. Niets bewijst, dat jezus in cenen adem van de weduwe voor den regter, en den Tollenaar in den tempel gesproken heeft. Lükas' inleiding tot deze laatste Gelijkenis is mij een bewijs voor liet tegendeel. Hij ontving de Parabel zonder eenige tijdsbepaling, en lascht haar nu in zijn Evangelie in , bij gelegenheid, dat er toch van het gebed gesproken wordt. 8) En om nu dit tafereel niet zoo los en ongemotiveerd in 't midden te laten vallen, geeft hij, als meer, vooraf het doel op. //Voorde zulken is do Parabel gesproken, die in hun hoogmoedig zelfvertrouwen 4) de anderen verachten,quot; — weder de overigen, als het gros der menschen, waarvan erkende vromen zich afzonderden.
verwijt hij elders (XVI; 15) nog eens aan do Farizeën.— Met de conclusie «jkzus wil zijnen jongeren in sprekende voorbeeldeu de zeer niteenloopende werking toonen van het voorbereidend karakter der oude bedeeling kan ik mij volstrekt niet vereeuigen. Zij is mij te gekunsteld, te ver gezocht. Iets anders is 't, dat wij er dit uit kunnen opmaken.
1quot;) licbalve de aangehaalde verhandelingen van sepp en dlom, kan men ook nog vergelijken: Nieuwe Boekzaal, Dec. 1853, en Amiï. Maandschrift, IX : 555—592 , Jaargang 1834. De eerste is mij niet ter hand gekomen. Het laatste bevat eene Verhandeling over het .regtvaardig zijn in eigen oogen.quot; De Tollenaar wordt er wel wat hoog in gesteld, wat ten minste zijne vroegere moraliteit betreft.
2) Winer. (5 17, S. 122,) verklaart dit artikel: Hier nind nvei einige, die nicht yenauer hezeichnet werden kottnen, in ol ntn. aber werden sie von Seiten einer bestimmten Kigenschafl charaklerisirt •. einige, und das waren solchc, wclche vc.rtrauten u. s. w.
3) August IN us zoekt het verband in de voorafgaande vraag: «Zal de Zoon des menschen hel geloof vinden op de aarde ?quot; — Quia fidei non est superborum scd humilium, praemissis subjeeil parabolam de humt-litate contra superbit,m.
4) Zij mHrouwden op zich zehen, dal (niet omdat) enz. Niet, zoo als onze vertaling heeft »bij zieh zeiven.quot; De Kantteekening heeft het beter. Vgl. ook 2 Kor. 1:9.
450
de parizeer en de tollenaar.
Ik geloof niet, dat lukas, dit schrijvende, veel meer wist dan wij van tijd en kring, waarin de Heiland over Parizeer en Tollenaar gesproken heeft. 1)
En wat nu de toepassing op lateren tijd betreft, ik laat al de gekunstelde uitleggingen daar, waarvan de meest algemeene is de toepassing op het Joden- en Heidendom; eene opvatting van het beeld, waarin de oudste en nieuwste uitleggers elkander ontmoeten, en waar toch in jezus' woorden geen de minste aanleiding toe is. 2) Integendeel, loUenaan en zondaars zijn voor jezus altijd de verloren kinderen zijnes volks, en worden van de Heidenen, als vreemden, bepaaldelijk ouderscheiden. Het bezwaar van sleuer-macuer, dat de beelden eener Parabel iets anders moeten beteekenen, is ongegrond. De Tollenaar is eenvoudig een Tollenaar, zoo als de Samaritaan niet anders was dan een Samaritaan.
Maar vruchtbaarder is de morele toepassing van deze beelden , waartoe overal aanleiding genoeg is. Zoo herinner ik mij, uit vroegeren werkkring, eeue van die duistere sekten, gelijk er telkens op christelijken bodem als paddestoelen opwassen, en ook even zoo vergaan. Zij volgden zekeren knik man , wiens nagedachtenis misschien te Dordrecht nog leeft. Hunne voornaamste stelling was, dat de wedergeborene alleen nog te danken, niet meer te bidden heeft. Zeker ook te danken, dat hij niet is gelijk de andere menschen!
Maar anders is dit beeld ten minste zoo algemeen bekend, dat niemand ligt de woorden van den Parizeer als een gebed zal op de lippen nemen, al heeft hij ze ook in zijn hart. Er behoort zelfkennis toe, om de ware dankbaarheid voor goddelijke leiding en bewaring, te onderscheiden van die trotsche zelfverheffing, die Code met den mond, maar zich zei ven met 't hart de eer geeft, en anderen vernedert tot een voetstuk, waarop men zich zelf verhoogt, terwijl toch ieder zijn eigen oordeel zal dragen, en anderer zonden ons niet vrij spreken. 3) Doch ook de tollenaarsbede, hoe dikwijls ook overgenomen , is niet altijd de
1) Bij anderen kan men nalezen, of ook ligt zelf uitdenken, welk verband met het voorafgaande al verder te bedenken is; of (met meijkr) gissen, dat zij, tot wie jezus sprak, geeuc Farizeen, maar Farizeeseh gezinde Joden waren, enz. Naar mijne wijze van zien, heeft dit alles luttel waarde. Ik stel mij het grootste deel van lukis' Evangelie voor als eene verzameling van Anfcdctn, en zou al die afzonderlijke stukken door een streepje van elkander willen scheiden. Daarbij merk ik hier alleen nog op, dat bij de vorige Parabel quot;EXeys avroig de aanhef eener vertroostende toespraak, en hier Eins dt ngói rivas die eener bestraffing is.
2) /loc latius accipientes, intelligamw; duos pcpuhs, Judaeorum et Gentium , caet. Augdstinus. Bij vitbihoa kan men dit gevoelen met zijne gewone geleerdheid opgeluisterd vinden. Ue Tublngsohe school heeft, zonder bewijs, eenvoudig de zaak als zeker aangenomen, en den Tollenaar, even ids den Verloren' Zoon en den armen lazarus , tot typen van het geloovige Heidendom geproclameerd, waarbij ons even zeer de stoute verzekering als de oppervlakkige bswijsvoering (zoo zij dien naam verdienen kan !) verbaast. Zoo verzekert nog schenkel {Das Charakterbiid Jesu S. 196)) : Daft der Zi'illner in dtr I'm-gehung des Tempels sein Gebet verricht ei, ist kein Beweis da far, dasz Jesus sich vnter demselben einen Jaden denkt; stlttd er doch ton feme; wagte er sic/i doch nicht in den Vothof der Juden (?) hiliein ; tvdruchtete er sich doch ledigtich als einen Vremdling im llause Goltcs.
3) Non ilte Pharisaetis tam sua sanitate, r/uam morhorum alienorum comparatione gaudehat. Ulilius autem illi erat, quoniam ad medicum venerat, ea de quibus aegrotabul monstrare, quam de cicutricihus uliems andere gloriari. Auqustinüs.
451
DK FAllIZKËll EN DE TOLLENAAR.
uitdrukking van opregten ootmoed. Er zijn Parizeen genoeg geweest, die ze op de lippen namen, en op dit vertoon van ootmoed hoogmoedig , juist allerminst hunne eigenlijke zonde gevoelden. Ja! over 't geheel vond ik dikwijls in 't gebruik van deze, even als van eene vroegere Parabel, veel gekunstelds en onnatuurlijks. Is onze vroomheid opregt en ons levensgedrag van der jeugd af zedelijk , dan zijn wij geen verloren zonen en geene Tollenaars, en moeten liet ons zeiven niet opdringen. Ik kan niet gelooven, dat jezüs het gebed van den Tollenaar op de lippen des Tarizeërs heeft willen leggen, 't Zou dezen nooit van harte zijn afgegaan. Hij had genoeg reden om zich te verootmoedigen voor zijnen God, en zich zijne hardheid en liefdeloosheid te schamen, zonder eene geregtigheid weg te werpen en te verachten, die in ieder geval liare goede zijde had. Gods leiding is met Tollenaar en Parizeer ■— altijd in een' goeden zin genomen — niet de zelfde. De groote fout van het Methodisme, dat weder de vroomheid van onzen tijd veel meer dan vroeger beheerscht, is juist, dat men dit voorbij ziet, de deugd verachtelijk maakt, — ook eene deugd, die meer waarde heeft dan vasten en tienden, — en verloren zonen en Tollenaren eene kroon opzet, die den Parizeen door onzen Heiland is ontnomen.
Maar wij kunnen hierover niet verder uitweiden. Onze taak — jezus' parabolisch onderwijs omtrent het gebed — is afgedaan. Volharding en ootmoed was daarvan de leus. Mogten zij ook van ons gebed de kracht en het sieraad wezen!
452
IIE T
EENE
in
DRIE GELIJKENISSEN TOT BESLUIT.
;/Mogt dat ééne noodige— liet goede deel, door mart \ uitgekozen — ous, bij het be-schouwen vande beelden des Koningrijks, steeds helderder, zekerder en dierbaarder worden! En wanneer eindelijk de schrijver de pen en de lezer het boek uit de handen logt , dat het dan ons allen het ééne blij een de zij
Zoo schreef ik voor twaalf jaren, en dacht daarbij wol aan de mogelijkheid, dat de dood mij beletten zou, mijne taak te voleindigen, maar niet aan die, dat ik eerst na zoo lang verwijl met dat //Ééne Noodigequot; haar zou ten einde brengen.
Onder de redenen dier vertraging zijn er , die het publiek minder aangaan, of mij daarbij toch niet zouden verontschuldigen ; maar ééne is er, waarop ik meermalen doelde, en die ik toch nog eens vermelden wil : //het hoog belang van dit werk.quot; Ik zeg niet //van mijn werk,quot; gelijk het daar eindelijk vodr mij ligt, en waarover aan anderen, niet aan mij zelf, het oordeel toekomt, maar //van dit werk;quot;—-dat is van de onderneming, om het Parabolisch Onderwijs van onzen Heer goed te verstaan, in zijnen zamenhang met den tijd, waarin jezus leefde en werkte, en met het grootscbe plan eener wereldgodsdienst, gelijk het in zijne innigste overtuiging zoo wel, als — naar ons geloof—in eene hoogere zending wortelde.
Wat in de laatste jaren over de boeken des Nieuwen Testaments en het leven van jezus geschreven werd, en inzonderheid wat daarvan ter kennisse van het groote publiek kwam, was wel geschikt, om alle geloof aan den geschiedkundigen grondslag van het Christendom aan het wankelen te brengen , en jezus van lazaret te verlagen tot die schemerachtige gedaanten uit den voortijd, wier grootheid vooral aan ecne steeds voortfabelende overlevering is dank te weten. In dit mijn onderzoek had ik slechts voor een deel met jezus' geschiedenis te maken, met zijne goddelijke afkomst en zijne wonderen, of zijne opstanding en verheerlijking. De Gelijkenissen zijn bepaaldelijk 1 eerbeelden. Maar juist nu men zelfs 't geen jezus geleerd heeft, zoo onzeker maakt, dat het oorspronkelijke evangelie, waaruit de onzen zouden ontstaan zijn , niet ongelijk wordt aan de onmerkbare kern eener nevelachtige komeet, verkrijgen de Parabelen voor ons eene hooge, eene onschatbare waarde, 't Is bekend, en in de Narede hoop ik daarop nog eens terug te komen, dat zij, op Christelijk grondgebied althans, het uitsluitend eigendom zijn van den Heiland zelf. Geeft de llabbijnsche
het een e blij venue.
leerwijze er het voorbeeld van, de apostelen en eerste evangelie-predikers hebben haar niet nagevolgd. Wij hebben hier dus zeker de eigene leer des Meesters vrfór ons. Het lag ook in den aard der zaak, dat schilderijen veel eer en veel gemakkelijker ongeschonden bewaard bleven, dan geschriften of mondelinge verhalen. De Gelijkenis bij voorbeeld van den Zaaijer, van den Verloren' Zoon, den Samaritaan en zoo vele andere hebben veel meer inwendige waarborgen van authenticiteit, dan gesprekken, zoo als johannes ze mede deelt, vooral wat vorm en kleur betreft. liet zelfde beginsel zou alleen nog op Jezus' kernspreuken uu paradoxen kunnen worden toegepast, die daarom ten deele, met uitbreiding van het oorspronkelijke plan en tot afronding der verseliillende Afdeelingen, in onze Verzameling zijn opgenomen. Wie dus weten wil, wat jezus van Nazarel eigenlijk geleerd en gewild heeft, moet beginnen met 't geen meest van alles vast staat. Daaraan kan zich dan gemakkelijk de verdere evangelische overlevering aansluiten.
Elders 1) heb ik de gelegenheid gehad, om in hoofdtrekken zamen te vatten, wat, naar mijne overtuiging, de eigenlijke leer van jezus geweest is, en hoe zich daar het apostolisch evangelie op grondt. Mij kwam dit het meest afdoende bewijs voor, inzonderheid bij het groote publi-k, voor de echtheid en geloofwaardigheid van verre weg de meeste boeken des Nieuwen Testaments, en tevens voor onze vrijheid bij de verschillende opvatting van hel zelfde evangelie. Vroeger had ik gemeend, met zulk een overzigt van jezus' leer, als slotsom van dit mijn onderzoek, mijn werk over de Gelijkenissen te besluiten. Ik heb echter later daarvan afgezien: zoo wel om het uitvoerige van dezen arbeid en de onvermijdelijke herhalingen vnn 't reeds bij de afzonderlijke Gelijkenissen geschrevene, als omdat ik dan toeb ook het overige onderwijs van jezus mede binnen dit kader zou moeten betrekken , en zoo nog verder buiten mijn plan gaan. Ik geef dus liever de bouwstolten , hier verzameld tot eene volledige uiteenzetting van jezus'leer, aan anderen ter bewerking over. De verst uit een loopende rigtingen zullen er toch ligt iets in vinden , waarmede zij hun voordeel kunnen doen; en de vrije evangelische zal er eenen geestverwant in
herkennen.
Eindelijk hoop ik , dat ook de meest vrijzinnige juist in jezus' Gelijkenissen veel zal erkennen, dat nimmer verandert, omdat het algemeen menschelijk is. Alleen wie een fatalistisch naturalisme in de plaats stelt van alle godsdienst, zal daarmede niet instemmen; maar met die denkwijze kan dan ook de meest vrije opvatting van het Christendom niet anders dan eenen strijd voeren op leven en dood. Voor ieder ander, ook al erkent hij niet met ons in jezus den Zoon Gods, den verheerlijkten Koning van het Godsrijk , is het nog even waar, wat paulus schreef, en waar wij deze drie laatste Gelijkenissen mede willen inleiden :
En nu bluft Geloof, Hoop, Liefde, dlze drie; maar de meeste van dezen is de liefde.
1) Het opost clinch Evongelit. Toespraken aan de Vader landamp;che Kerk y Tweede Serie, blz. 17 04.
45t
LXXVI1I.
Matth. Vil ; 21—27.
Luk. YI : 47—49.
|
Een iegelijk dan , die deze mijne woorden hoort en de zelve doel, dien zal ik vergelijken, hij een' voorzigtïg man, die zijn huis op eene Heenrots gebouwd heeft; en daar is slagregen neder gevallen, en de waterstroomen zijn gekomen , en de winden hebben gewaaid, en zijn tegen het zelve huis aangevallen, en het is niet gevallen, want het was op de steenrots gegrond. En een iegelijk, die deze mijne woorden hoort, en de zelve niet doet, die zal bij eenen dwazen man vergeleken worden, die zijn huis op het zand gebouwd heeft; en de slagregen is neder gevallen, en de waterstroomen zijn gekomen , en de winden hebben gewaaid, en zijn tegen het zelve huis aangeslagen, en het is gevallen, en zijn val was groot. |
Een iegelijk, die tot mij komt, en mijne woorden hoort, en de zelve doet, ik zal n toonen , wien h j gelijk is. Hij is gelijk een! mensch, die een huis bouwde, en groef, en verdiepte , en leide het fondament op eene steenrots ; als nu de hooge vloed kwam, zoo sloeg de waterstroom legen dat huis aan, en kon dat viel bewegen : want het was op de steenrots gegrond. Maar die ze gehoord, en niet gedaan zal hebben , is gelijk een' menseh , die een huis bouwde op de aarde, zonder fondament j legen het rvelk de waterstroom aansloeg , en het viel terstond, en de val van dat zelve huis was groot. |
//T)e menscli in zijnen strijd met do verwoestende krachten der natuur.quot; Dat is ten allen tijde het treffendst beeld van 's raenschnn grootheid en van 's rnensclien nietigheid. Reeds david zong in zijne herdersnaclitwake : Als ih -uwen hemel aanzie , het werk uwer vingeren, maan en starren, die Gij hereid hebt, o God! loat is de mensch, dat Gij zijns gedenkt, hem gesteld hebt over al het werk uwer handen? {Ps. VIII.) Dat zelfde kunnen wij met nog dieper' nadruk zeggen in onzen tijd. De zegen des Scheppers: f/JFeest vruchtlaar en vermenigvuldigt; vervuil de aarde en onderwerpt ze!quot; is luisterrijk bewaarheid geworden. Bergen zijn doorgegraven en zeeën worden ingedijkt, woestijnen zijn ontgonnen en landengten doorgestoken; op vulkaan en ijskorst, in do zandwoestijn en aan de uiterste stranden der zee woont en heerscht de mensch; en met duizenden bij duizenden schepen tart hij de stormen op den oceaan. Maar als in dien strijd de elementen hem te sterk worden, dan is weder de mensch de nietige aardworm, aan het strand geslingerd als schipbreukeling, door eene aardbeving verzwolgen, onder asch en lava verkoold , of een versteend lijk tusschen ijsbergen en gletsehers, tot loon van zijne vermetelheid.
63*
kots en zand.
Aanhoudend vooral eu met afwisselende kansen gestreden is de strijd met liet water, dat zijne oorspronkelijke heerschappij over het land zoekt te heroveren. Wel heeft de belofte Gods bij den zondvloed niet gefaald, en hebben nooit weder in die vier duizend jaren do wateren geheel de aarde bedekt. Toch weet van gedeeltelijke overstrooming inzonderheid ons vaderland te spreken. Ieder voorjaar, vooral na een' strengen winter, legert zich onze dijkweer langs de rivieren , tot den strijd tegen de natuur gewapend. Do sneeuw smelt op het hoog gebergte van Zwitserland, en de opgezwollen lijn stuwt den ijsgang voort met ontzettende kracht. Maar inzonderheid wanneer de noordwestenstorm de opgeruide zee tegen de gezwollen riviermonden aanjaagt, klimt de nood. Of de dijken het houden zullen? Ieder uur rijst het rivierpeil, een ijsdam houdt het water op , de stevigste dijken worden door de aangeperste schotsen doorsneden of opgeligt, de stroom wielt zich een diepe kolk, en stort met gedruisch door de gemaakte opening heen..... Het loeijend vee en de verjaagde bewoners vlieden in doodsnood de raagt der waterstrooraen, die alles overstelpen en
mede slepen , terwijl het kanon 't sein der doorbraak geeft en de sombere noodklok luidt........
(Jeheel anders weêr is de watersnood in het Oosten, waar jezus aan de natuur zijne beelden ontleende. Palestina, het aloude Kanaiin, is niet aan de zee ontwoekerd als ons vaderland, maar een land van bergen en dalen, doorgaans hoog boven het peil der zee gelegen. Maar ééne rivier doorstroomt het van het noorden naar het zuiden, de .Tor daan, door het hooggebergte van don Libanon gevoed ; doch zij heeft de magt niet om het land te overstrooraen, daar hare bedding afloopt tot drie duizend voeten beneden do hoogte van Sion en Jeruzalem. Maar een ander gevaar dreigt ieder jaar het heilige land. Het is doorsneden met diepe voren, diode Arabieren wudv's noemen, in den winter de bedding eener beek , in den zomer een diepe en holle weg. Want na den spaden regen, die ongeveer in 't begin van Maart invalt en den oogst rijpen doet, valt er weinig water meer. Dan brandt de zon op de vlakte, en stooft druif en vijgen olijven rijp. De beken zijn uitgedroogd ; het Galileesche meer en de Doode zee zijn tot haar laagste peil gezonken; en de Jor daan sluipt zwaar en traag langs hare modderige of rotsachtige oevers, die zich tot elkander schijnen over te buigen. Maar in den natijd, tegen dat het nieuwe gewas wordt gezaaid, ziet de landman met vreugde de //wolk als eens mans handquot; opkomen uit de zee, en zegt; //Dat is de vroege regen, dien Clod aan zijne erve geeft. Wij zaaijen niet te vergeefs \quot; — In weinige oogenblikken groeit het wolkje aan , en opgezet door den westenwind breidt zich eene zee van wolken tot een graauw zwerk uit. Zij legeren zich rondom de bergen, en dalen al lager en lager. Eindelijk breekt de plasregen los met eene kracht, waarvan wij in ons vaderland ons naauwclijks een denkbeeld kunnen maken. Wolkbreuk op wolkbreuk overstorten de bergen. Woest kokend en schuimend baant zich de woudstroom een' weg door de diepe voren. Maar zelfs de talrijke wady's kunnen die watermassa niet op eens verzwelgen. Opgehouden in haren loop, rukt zij do wanden van 't gebergte los, ontwortelt struik en boomen, woelt huizen en dorpen om, en stort zich, alles medeslepende inbare vaart, in de diepte neder. Het kabbelend beekje, straks nog gemeten door eene kinderhand, is eene breede rivier geworden, en de vallei, waar gisteren het vee rustig graasde, een uitgebreid meer. Duurt die verwoesting korter dan eene over-
456
rots en zand.
strooniing in ons vaderland , omdat zij slechts voorbijgaande is , en ophoudt zoo dra het walcr eenen uitweg gevonden heeft, geweldiger is ook hare kracht. Wee den armen bewoner, wiens huis door hare reuzenarmen wordt aangegrepen en in dc diepte weg geslingerd ! Hij mag nog van geluk spreken, als hij zich en den zijnen het leven redt, om later de plek niet moeite terug te vinden, waar zijn huis heeft gestaan. En dubbel gevaar loopt dat huis, wanneer de noordwestenstorm den woudstroom er tegen aan slaat, en dus de wind de kracht van het water verdubbelt.
Zulk een tafereel schetst nu de Heiland met zijne gewone eenvoudigheid. Want voor zijne landgenooten, die het kenden, was 't genoeg, dat hij alles in deze drie hoofdtrekken zamen vatte : de dagregen is veder gevallen , de water stroomen 1) zijn afgekomen van 't gebergte, de winden hehhen gewaaid. Dat hier één en het zelfde natuurverschijnsel beschreven wordt, heb ik hierboven in uitvoeriger omschrijving duidelijk zoeken te maken. Luk as, wiens geheele voorstelling hier minder schilderachtig en oostersch is, heeft het ook zoo opgevat, daar hij alleen schrijft: de hooge vloed kwam, en de toaterstroom sloeg tegen het huis aan. 2)
In dien nood der natuur staan er twee huizen. Stellen wij ze ons voor, niet ver van een, aan de afhelling van een' berg of den oever eener beek, dus aan de zelfde gevaren bloot gesteld. Op het oog zijn zij even hecht en ruim gebouwd, en worden even rustig bewoond. Maar als het water gedurig hooger rijst en geweldiger wielt en woelt, en de storm den opgezwollen woudstroom er tegen aan slaat, blijkt het onderscheid. Hier beukt hij tevergeefs, slaat wel hoek en kant er af of woelt enkele steenen los, maar breekt muur en gebindte niet. Daar waggelen de muren en kraken de biudten, en stort 't alles in en over elkander, zoodat weldra geheel 't huis als een puinhoop in een stort en weg spoelt.... Van waar dit onderscheid? — Het was de proef, die uitwees, hoe dc huizen gebouwd zijn. De eeue bewoner, toen hij zich een huis stichten zou, legde het fondament op eene steein'ots, 3) om veilig te ziju tegen storui en watersnood. Maar de ander heeft zijn huis op het zand gebouwd. Niet op ons stuifzand, waar niemand een huis zonder fondament op zetten zal, maar op het gele zand der woestijnen van Palestina en Egypte, dat in den droogen tijd bijna even hard en vast schijnt als de rotsgrond. 4) Het zou wel houden, meende hij, en hij kon zich dus de moeite van dieper graven of verder zoeken besparen.
1) Niet, zoo als het woord oppervlakkig zou doen denkea, rivieren: want deze vloeijen zomer en winter door. Zeer te regt haalt puicalus hier aan, uit de lliatle IV : xeiiiuyuoi noxaftoï ; later weid ook wel enkel gebruikt.
2) valckknaau toekent op nQoaeq^i/^B aan: «met geweld ergens tegen los breken,quot; hier altidere ilomum , ui fracli reMiant.
3) Vroeger is mij eens de opmerking gemaakt. Jat bet buis niet »op eene rotsquot; werd gestiebt, daar het dan geen' nood zou gehad bebben, maar /'Op een' rotsgrond.quot; Deze bedenking is regt Hollandseb , ea kan dus ook anderen in de gedachte komen. Wij stellen ons rotsen en bergen voor, als oprijzende uit de vlakte, en zouden dus bouwen bovks op eeue rots, boog boven de oppervlakte der aarde. In berglanden is dit zoo niet. Hoogten en diepten wisselen daar af, en rols of rotsgrond is 't zelfde, m attiiklis schrijft niet alleen *01' eene rots,, maar *0? dl rots, ènï itjv netyetp (tot twee malen toe),quot; in tegenstelling van ènï tïjv cc^uov. In de Gelijkenis van 'len Zaaijcr is fi/rl tfjv nèt^itv bij luk vs het zelfde als ènï ra iratywdt/ bij mattueüs , en ènï 16 netyMÖas bij maukus.
1) Arena suepe petrae vi /efur sim/lis, sed non conmlil. 13i.ngi l,
ROTS EN ZAND.
Lukas heeft ook hier eene meer Grieksche en minder Oostersehe voorstelling. De eene bouwmeester — schrijft hij—■ groef en verdiepte \), en legde het fundament op eene steenrots. Hij groef zoo lang en zoo diep, tot hij den vasten en harden ondergrond bereikt had, en daarin funderen kon. Maar de ander bouwde een huis op de losse aarde zonder fundament. En wat onder den grond ligt, men ziet 't niet, en waardeert 't niet voor het wordt beproefd, — zoo als lukas zegt, — of het schoon, goed en deugdelijk, gebouwd is. 2)
Bij windstilte en zonneschijn, of minder hevigen val van het water, woonde men dan ook even rustig en veilig in beide huizen. Maar de plasregen is neer gevallen, en de wa-terstroomen zijn afgekomen, en de winden hebben gewaaid. In de rots konden zij niet indringen, maar hot zand werd er door omgewoeld eu weg gespoeld; de muren, van hunnen grondslag beroofd, bezweken, en het eene huis is gevallen, en zijn val was groot. Lukas, naar zijne meer Grieksche voorstelling, 3) schrijft letterlijk: de overstrooming brak er tegen aan, en terstond is het in een gevallen, en de breuk van dat huis iverd groot. M aar nog altijd, schoon zwaar geteisterd, staat daar dat andere. Hel is niet gevallen,— de overstrooming kon het niet bewegen (lukas), — want het was op eene steenrots gegrond. 4)
M aar al valt op die twee huizen meest ons oog, weder staat, als in bijna al de Parabelen, het menschenbeeld op den voorgrond. Een mensch, zegt lukas kort weg van beiden; maar bij mattheüs staan tegenover elkander een wijs en een dwaas man. Het zijn de zelfde woorden, waarmede de tien maagden in eene andere Gelijkenis onderscheiden worden, al hebben onze bijbelvertalers hier aan voorzigtig de voorkeur gegeven. En niet te onregte, daar eene wijze bedachtzaamheid tegenover ligtzinnige onbedachtzaamheid, gezond verstand bij 't berekenen van mogelijke gevolgen tegenover de dwaasheid van het oogenblik wordt bedoeld; even als vijf der Maagden, die den bruidegom te gemoet
1) Valckenaah merkt hierliij aan, dat wxaifs xcd met één woord liad kunnen gezegd worden xarstrxai/zs , alle fodi'':ido egessit,
2) Lukas spreekt niet van zand, maar van de aarde, en het bouwen daarop met of zonder fundament. Daardoor schrijft lil] liet staande blijven van het eerste huis aan don goeden, degelijken bouw, lo Hulcus olxoJo/jslvO-ai , toe.
3) Dat lukas eene minder Oostersehe, en dus min juiste voorstelling van de zaak geeft, blijkt bij naauwkeurig inzien nog duidelijker. Bij matthküs vall regen, xncéSi/ tij fiyoxtj. j-De natte mousson ,quot; zou men in de Oost zeggen, «valt in.quot; Daarna komen de walerilroomen., tjiamp;oy oi rtotn/xoi , het regenwater, zoo als noinixói eigenlijk «■drinkbaar waterquot; betcekent. Eindelijk komt er de kracht der winden bij. Lukas daarentegen schrijft; nlrjfx^itQag ysvofiévys , do ooemtrooming (in den regel wordt het woord van zeewater gebruikt) gp.schiedende, brak de waterstroom (d notafj.6; in den meest algemeenen zin, als Jona TI ; 4 ,) tegen hel kuis aan. Stuart heeft zich daardoor laten verleiden om aan eene overstrooming, zoo als wij die kennen, te denken: »In het Joodsehe land, hetwelk rotsachtig was, met een lossen zandgrond overdekt. dreigde aan de eene zijde de Middellandsohe zee bij hoogen vloed met overstrooming, aan do andere zijdede Galilecsche zee, de Jordaan en Roode (üoode?)zee, door afstroomingen van 't naburige gebergte.quot;
4) Van reamp;sftakiwto, als jilusquamperf. zonder augment, zegt reeds j. albuuti, Ohs. phi/, in N, T. 1723 : Suepe non tanlun tones, iel elium Alliei, morepoelarum, Apud JOSt.vnvM olirjnoties, Hebr. VII ; 11; Aet. XIV : S eaet.
458
rots en zand.
gaan, wijs of voorzigtig worden genoemd, omdat zij , door het mede nemen van olie, op een mogelijk langer verwijl hadden gerekend. 1)
En nu de toepassing van het beeld. Zij staat hier reeds voor aan ; Een iegelijk die dete mijne ivoorden hoort en de zelve doet, (ik zal n toonen, wien hij gelijk is, luk as;) dien zal ik vergelijken 2) hij een voorzigtig man, die zijn huis op eene steenrots gehonwd heeft, — en even zoo ; wie ze hoort en niet doet, die zal hij eenen dwazen man vergeleken worden, enz.
Lvkas staat hier weder bij mattuküs in oorspronkelijkheid achter, daar bij schrijft: die tot mij komt en mijne woorden hoort. Jezus toch spreekt bier niet in het algemeen van zoo velen als er dagelijks toestroomden, om naar hem te hooren, en van alles, wat hij hun zeide, maar van deze zijne woorden, die hij daar juist gesproken had, en waarom zij niet meer tot hem behoefden te komen.
Want wij moeien niet vergeten , dat aan deze Parabel bepaaldelijk bare plaats is aangewezen, en dat die gansch niet onverschillig is. Wij vinden hier namelijk het slot der Bergrede, zoo als zij bij matïheüs in haar geheel, bij lukas in een uittreksel is mede gedeeld. Terwijl die duizenden luisteren, voorziet jezus hunne toejuiching. Het volk van Galilea was niet zoo dweepachtig ingenomen met de dorre geleerdheid en koude vroomheid der Parizeen, als dat van Jeruzalem. Het deed hun zelfs goed, dat er eindelijk eens een welsprekend volksredenaar opstond , die hun de waarheid durfde zeggen. Maar die toejuiching begeert jizus even min, als de profeet ezeciuël , bij zijne prachtige beeldspraak van jehovah's trouw en Israels afval, tevreden kan zijn met hoorders, wie zijn woord is als een lied der minne, als één die schoon van stem. is of die wel speelt: zij hooren en zij doen 't niet! {Ezech. XXXIII : 32.) De Heer wil trouwe discipelen , en geen toejuichende hoorders. Daarom, als de Bergrede op haar eind loopt, laat jizus de Farizeën varen, blinde leids-liedeli der blinden, en dringt nog eens met nadruk op de betrachting zijner woorden aan : Tedere hoorn., die geen goede vrucht voort brengt, wordt uitgehouwen. Kiel een iegelijk, die tot mij zegt lie ere ! lieere I zal ingaan in het Koningrijk der hemelen, maar die doet den wil des Vaders, die in de hemelen is. Ja! al zouden zij in zijne toekomst zich beroemen, dat ze in zijnen naam geprofeteerd hadden en teekenen gedaan, hij zou hun openlijk aanzeggen: nik heb u nooit gekend; gaat weg van mij, die de ongeregtigheid werkt 1quot; En nadat hij nu dit laatste beeld //rots en zandquot; cr nog heeft bijgevoegd, zoo treffend en onvergetelijk , ook door de bergstreek , waar hij het uitsprak, klom bij van den berg af, en liet de schare ontzet over zijne leer, omdat hij leerde als magthehbende en niet als de schriftgeleerden. 3)
1) Vroeger zagen wij reeds, dat óuoioiaoi of ómou'n!) tj (ook itt fut.), ofwel ófioiv; (ófioin) saiïy zeer gewoon is iti jezus' Gelijkenissen, Het is daarvan zelfs een bepaald kenmerk. Ongewoon is daarbij liet vnoJeiico van lukas, ofschoon het van jkzüs' aanwijzend en uitleggend onderwijs ook Lui. Xll : 5 wordt gebruikt, het enkele dnxvxsiv insgelijks Mall/i. XVI : 21.
2) Vergl. over cpqóvifios de Gelijkenis der Maag/len, Deel I, lilz. 409. Ook de goede Huisbizorgrr en de Rj-ntmeester worden zoo verstmdig of voorzigtig (niet croqtoV, wijs) genoemd. Zie inzonderheid betoverde laatste Gelijkenis gezegde, D. II, Blz. 320.
3) Das isl der Beschiusz und dus Knde daton, da ran es gnr liegt: Wer diese Predigt nicht allcin mil den Ohren hort, sondorn (hut, der ist ein weiser nnd kluijer Man». Denn die Lehre is' wc hl gut und
t59
ROTS EN ZAND.
Wanneer dan nu jezüs zijne hoorders bij liet uit een gaan als in tweeën deelt: sommigen, die zijne woorden doen, en anderen, die er zich niet naar gedragen, schoon zij zeeven goed gehoord hebben, bedoelt hij daarmede natuurlijk geheel den inhoud der Bergrede. Die inhoud is rijk, en omvat het gebed der binnenkamer zoo wel als 't schijnend licht der goede werken , zachtmoedigheid met krachtige volharding, hemelsgezindheid met onbepaald vertrouwen op Hem, die de lolieëii des vekls bekleedt en de vogelkens voedt: met één woord, de echte en vruchtbare godsdienstigheid, in tegenstelling van het kleingeestig vertoon der Parizeen. Die zedelijke en godsdienstige beginselen des levens, zijn hier de rots, waarop de mensch zijn huis houwt; storm en watervloed de beproevingen, waarin het blijkt, of de beginselen van ons zedelijk leven de kracht hebben, om verzoeking, rampspoed en doodsnood te weerstaan. Tiet is daarbij opmerkelijk , dat jezüs het bouwen of liever bet leggen van een fundament niet vergelijkt met het aannemen, maar met het doen van zijne woorden. Elke godsdienstige waarheid en iedere zedelijke levensregel , die niet eene kracht in 't leven wordt en in daden overgaat, is als een losse zandgrond. Zij werd ons eigendom niet, en kan dus 't gebouw niet dragen, dat wij er op zouden willen oprigten. Eene groote en gewigtige les voor onzen dogmatizerenden tijd, die in de eerste plaats vraagt, hoe iemand denkt, terwijl hij liever eerst vragen moest, hoe hij leeft. Gelooven is niet toestemmen alleen, en leven niet denken; maar het geloof is eene zedelijke kracht, die handel en wandel, ons eigenlijke leven, bezielt en bestuurt. Dit geloof moet dus op vaste en onwrikbare grondslagen rusten , en in zoo verre kunnen wij jezüs' woorden zelf de rots noemen, waarop de geloovigc bouwt. Want dat ieder mensch zich hier op aarde zijn huis bouwt, waarbij dat huis alleen bestaat, wat op de vreeze des HEKKEN , op deugd en geregtigheid gebouwd wordt: dit is reeds een oud beeld bij de Hebreen, wier leven even huiselijk was, als vanouds dat van ons volk.]) Rots en zand, als beelden van duurzaamheid en onbestendigheid, komen overigens even dikwijls in den Bijbel voor, als in de natuur van het Oosten. Door Psalmdichters en Profeten wordt jehovah zelf de rots genoemd, waarop men steunen kan, de rotsvesting, waarin zijn volk veilig woont. 2) Dit beeld is den Hebreen zoo eigen, dat moderne geleerden in vollen ernst beweren, dat zij oudtijds stcenen en rotsen hebben aan-
iósllich j uher es i\t nichl urn Wurcns willen geprediyt, sondern dasz mail's Ihue nnd in's Leben hringe. Dem wnn nun's daktn will sparen, hi* das Sliindlein hetgehel und Tod und Ttufel tu uus du her stiirmen mil seinem Vlaszregen und Slurmwinden, so ist's zu lange geharrel. Dnrum heiszl es nichl allein hóren und kennen, sondern kdmpfen und lhun. Luiiiee.
1) De yoddtloozcn worden omgekeerd, dal zij niet zijn, maar het huis des reglvaardigen zal beslaan. Hel huis des hoovaardigen zal de HEER afrukken , Maar de landpale der weduwen zul Hij vast zeilen. Elke wijze vrouw bouwl haarhuis; maar die zeer dwaas is, breekt hel af mei hare handen. Spr. Xll : 7 ; XV : 25; XIV : 1. Ook hier, als overal in den bijbel, is godsvrucht cn deugd dc ware wijsheid. Wat hot beeld betreft, vergete meu niet, dat in den ouden en eenvoudigeu tijd men doorgaans letterlijk zelf zijn eigenhuis bouwde, zoo als bij voorbeeld al de inwoners van Jeruzalem, in neubmia's dagen, mede bouwden aan de muren der stad.
2) Deal. XXXII : 4; Ps. XVIII ; 3; Jes. XVII ; 10 enz. Bekend is ook het daaraan ontleende van li tiieu ; Ein veste Burg isl unser Galt. — Nader aan de beeldspraak van Jiizus komt die van oesua , waar bij jiiiovaii's magt een* overstroomenden watervloed voor Israels vijanden, maar een schuilplaats tegen de overstroomiug voor de zijnen noemt. Jes. XXVrIII:2; XXV ; 4 ; XXXII:2.
4C0
kots en zand.
gebeden! In het Nieuwe Testament is deze beeldspraak bewaard in den naam petrus, rots man , als de rots , waarop jezus zijne gemeente bouwen zou. 1) Paulus noemt jezüs zelf het vaste en onwrikbare fundament, waarop men wel verschillend bouwen , maar waar men geen' anderen grondslag in de plaats leggen kan; en waar hij aan Israels togt door de woestijn en het water uit de steenrots eene hoogere beteekenis geeft, zegt hij: ndie rots was christus— terwijl hij elders wil, dat men in Christus gebouwd en gefundeerd zij. 2) (1 Kor. III : 10—15; X : 4.)
Doch wij keeren nog eens tot de Gelijkenis zelve terug, omdat men haar op Imogen toon de oorspronkelijkheid heeft betwist. Hot Tijdsehrift dc Dageraad, 3) nork en anderen naschrijvende, heeft zich sterk gemaakt om te bewijzen: //dat jezus in zijne wereldberoemde Bergrede niets nieuws geopenbaard heeft niet alleen , maar letterlijk onderwezen , het geen de Parizeen hebben verkondigd , hoewel hij het deed voorkomen, als of hij hen bestreed en hunne leer verafschuwde.' — Tot een bewijs hiervoor wordt bij deze laatste verzen het volgende aangetcekend;
Deze gelijkenis behoort aan Tract. Aboth, de (?) r. natiian, Afd. XXIV. (of XXXIII?) Elisa , de zoon van aisuja , zegt: //Een menseh , die de heilige leer dikwijls beoefent, en naauwkeurig hare voorschriften opvolgt, is gelijk aan den man, die een grond met vaste rotssteenen metselt, en daarop een huis van tigchelsteenen bouwt. Al komen dan nog zoo vele stortregens, en al woeden nog zoo vele stormen, het huis zal niet van zijne plaats gerukt worden. Maar wie zich met de beoefening der leer bezig houdt, en van goede daden ontbloot is, hij gelijkt den man, die den grond met leem belegt, en er een mu ur van steenen op bouwt; zoodra de regen komt, stort de muur in puin.quot; 4) —
1) De bekende beeldspraak van Ps. CXV11I : e/e steen, door de bouwlieden verworpen , wordt door petrus (misscliien ook reeds door jezus zelf, Matth. XXI; 4'! ,) iu verband gebragt mol eene profetie van jesaja ; Hij zulu lijn tot ent steen des aanstoots, een rots der struikeling. {Jei, VIII: 14; 1 1'elr, 11 ; 7, verg. Rom. IX : 33.) Een bewijs, dat het «bouwen op rotsquot; een gewoon zinnebeeld was.
2) Tnanem et ventosam professionem Evangetii cnuisius comparat specioso quidem sed non solido aedificio eaet. Zoo kalvijn, met aanhaling van taulus, qui jutiet nos bene etpenitus fundatos esse in Chrhto. —■ Jizes bedoelt echter in dit slot der Bergrede, mijns inziens, meerde vergeleVjtcehoorders van jakobus, dan wie jlleere, Heere!quot; zeggen, eu alleen in selüjn zijne diseipelen zijn. De tegenstelling aan het slot is zoo algemeen mogelijk; »doen — niet doen.quot; Bij alle oude protestantsehe uitleggers, die mij ter hand gekomen zijn, vond ik evenwel dezelfde toepassing op naamelmstcaen, en oen stilzwijgend aangenomen verband met 't »Hcere, Heere!quot; zeggen zonder doen, vs. 31.
3) Vergelijk onze aanhaling uit de zelfde troebele bron. Deel I, Blz. 355.
4) Het beeld van den boom — dat straks volgt — is van k. eleasah, eu komt in het oudste Traktaat van den Talmud , de Virkc Aholh (Spreuk en der Vaderen) voor. Dc beeldspraak van elisa in een later werk, de Ahoih R. Kuthun. Naar de vertaling van sCUÖïxgen luidt zij aldus : //Indien iemand goede werken heeft en veel in de wet leert, deze is gelijk aan een' menseh , die een huis zdo bouwt, dat hij natuurlijke steeuen (suxi) onder legt, maar er later tigehelsteeneu (tuteres) boven op legt. Al komeu naderhand vele wateren, en dringen tegen dc wanden aan, nogtans kunnen zij die niet van de plaats bewegen. Maar de menseh, die geen goede werken heeft, eu veel werk van de wet heeft gemaakt, is hem gelijk, die de tigehelsteenen onder plaatst, en boven op deze de natuurlijke steenen. Indien gaande weg (semim) de wateren aankomen , keeren zij het dadelijk om.quot; — Nog eens vergelijkt elisa de zelfde menseheu met bouwmeesters , die de kalk goed invoegen, of sleehts los er op werpen ; — met een gesloten of opeu drinkschaal; — een paard niet of zonder teugel.
II. 64
461
HOTS EN zand.
Ecnc nog sclioonere, en die van mattheüs (?) verre overtreffende gelijkenis is die, voorkomende in Tract. Abotli, Afd. III, slot: //Hij wiens kennis grooter is dan zijne goede daden, liij gelijk! een boom met vele takken en weinige wortelen. Steekt een wind op, dan wordt die boom omvergeworpen en sterft. Docli hij, wiens deugd zijne kennis overtreft, is gelijk aan een boom met weinige takken en vele wortelen; alle stormen der aarde kunnen hem niet verwrikken.quot; Nog eene andere gelijkenis te dier zake vindt men in Tract. Sabb. fol. 31, aldus luidende: //Wie kennis bezit, maar geenc goede daden verrigt , is gelijk aan den schatbewaarder, wien men, ja! de sleutels van de binnenste, maar niet die van de buitenste vertrekken of van de poort heeft toevertrouwd. Hoe kan hij er nu bijkomen?quot; Men ziet hieruit, dat de gelijkenis van mattheüs niet oorspronkelijk is, en wij zullen zoo dadelijk gelegenheid hebben te zien, dat de gelijkenissen des N. T., waarop zoo hooge prijs wordt gesteld, in schoonheid en aantal voor die des Talmuds onderdoen.
Tot zoo verre cle Dageraad. Wat de laatste belofte betreft , de lezer kan haar nu 't best beoordeelen , nadat wij bij elke Parabel, die er aanleiding toegaf, de Eabbijuscho parallelen hebben aangehaald. Van deze drie kunnen wij de laatste met stilzwijgen voorbij gaan. I)e tweede deed mij denken aan de inleiding van den Psalmbundel: V'iens lust jkhovaus wet is, kij zal zijn als een hoorn, geplant aan waterleken, die zijne vrucht geeft op zijnen tijd, en welks llad niet afvalt. Maar de godloozc is als het haf, dat de wind henen drijft. (I's. 1: 2—4.) Alleen de eerste der drie aangehaalde Rabbijnsche Parabelen zou de oorspronkelijkheid van jkzus' woorden in verdenking kunnen brengen. Ik zou hier tegenover kunnen stellen de quaestie van prioriteit, daar ju/rs' woorden minstens twee eeuwen vroeger zijn te boek gesteld, dan het oudste gedeelte van den Talmud, waartoe deze Parabel nog niet eens behoort. Maar liever wil ik aan beiden , Rabbi elisa zoo wel als jezüs, de oorspronkelijkheid toekennen. In een land , waar de verwoesting van den woudstroom bijna even dikwijls voorkomt , als in ons vaderland het vergaan van schepen op het strand , is het gebruik van een soortgelijk beeld nog volstrekt geen bewijs van navolging; alleen van 'i geen wij reeds lang wisten, dat namelijk JKzrs de parabolische leerwijze der Rabbijnen overgenomen heeft; of liever, dat beiden hierin de profeten, met name nathan , navolgen.
Maar er is ook meer verschil, dan men bij den eersten oogopslag zou denken. De Talmud is zoo overdreven in zijne lofspraken op de studie van wet en overlevering, dat het niet te verwonderen was, wanneer sommigen meer waarde aan de studie dan aan het leven, aan de kennis dan aan de beoefening toekenden. Tegen de zulken zijn al de drie aangehaalde Parabelen gorigt. Wij betwisten den Israëliet het regt niet, om ze veel fraaijer te vinden dan die van jezus, maar merken alleen op, dat de Rabbijnsche beeldspraak te huis behoort in den Talmud, die van den Heiland in 't Evangelie. Want jezus heeft iets anders op het oog, dan geleerdheid zonder deugd. Minder in den vorm, maar meer in het wezen der zaak, komt met de Gelijkenis van den Heiland over een, wat de Joodschc wijsgeer piiilo (door n. de geoot aangehaald) schrijft: //Met regt en naar de wet kunnen wij zeggen, dat de onzigtbare ziel des menschcn eene aardsche woning is van
462
kots in zand.
den onzigtbaren God. Opdat nu het huis stevig en allerschoonst zij, moet een goede inborst en onderwijs als fundamenten er onder worden gelegd, en deugden met edele daden er op worden gebouwd.quot;
En wat nu eindelijk het toepasselijk gebruik betreft, te allen tijde van deze Gelijkenis in dc Christelijke kerk gemaakt, men heeft zich daarbij niet altijd aan jezcs' oorspronkelijke bedoeling gehouden, maar wat bij in morelen zin sprak , ook wel eens in dogmatischen geest overgebragt. Zoo is de rots, waarop de burger van het godsrijk bouwen moet, verstaan van den 13 ij bel, de openbaring of Gods woord, het Evangelie of den Christus
zelf 1), of ook van do regtzinnige waarheid , als vasten grond voor geloof cn leven. 2)_
Zoo veel is daarvan zeker, dat eene gestadig wisselende denkwijze, een onderzoek dat nooit tot een vast resultaat komt, zoo als velen in onzen tijd het willen, dc rots niet is, waarop de christen leven en sterven , zijn huis storm en watervloed tarten kan !
Maar zoo voortgaande, zou ik ligt buiten mijn onderwerp gaan. De lezer denkc er zelf op na, of hij voor geloof en leven beide reeds de rots gevonden heeft, die 't gebouw van zijn leven en sterven dragen kan; en beproeve anders daartoe nog eens dc eigen woorden van hem , die met meer dan simsons krachten den Dagonstempel der zonde om ver rukte, en met meer dan salo.mo's wijsheid den tempel der aanbidding in geest cn waarheid heeft gesticht. Dien tempel zal niets doen waggelen of instorten: op cene rols gebouwd, zullen hem de poorten der hel niet overweldigen. Maar ons huis? Storm en watersnood zullen niet uitblijven, die daarvan dc hechtheid beproeven, al zijn 't juist nietje dagen der beproeving, van verdrukking en vervolging, die mus in zijnen tijd en voor do zijnen vooruit zag, en waarop hij meermalen doelt. 3) Maar van welken aard ook de beproeving dos geloofs zijn moge, die op zijne wijze ieder Christen moet doorstaan, als de slagregen valt, de waterstroomen van 't gebergte dalen en de storm opsteekt, is de tijd van bouwen voorbij.
1) Zoo schrijven de Kauttcckeuaars op deu Statenbijbel kort weg; ȟczo steenrotzo beteekeut Christum met aanhaling van Hand. IV : 12 enz.
2) Niet geheel onwaar, maar toch eenzijdig is 't, wanneer stüabt bij deze Gelijkenis, sprekende van aide rampen, die dogmatische twisten over de kerk hebben gebragt, schrijft: „Grooter afwijking, meer regtstreeksche tegenwerking van het doel Acs Eodugeuu.us laat zich niet denken, dan deze ijdete vraag: »VVat moet ik gelooven rquot; voort brengt. Schier de gansehe prediking des ileilands was zedeleer; geloofsleer zelve werd zedeleer op zijne lippen.quot;—Gausch anders lutiieu: Hirr forderl cumsius uurh den niaube», denn wo nicht Qlmbe hl, thul man die Gebote nicht rtgl, Rom. 111:27, uud uilc gate Werke nach dcvi Schcin ohne Gluuben ge/chehcu , sind Süude. — Men ziet hier weder het onderscheid tusscheu de Paulinische en Jakobeïsehc opvatting van geloof cn werken. Vergl. de boven aangehaalde Toespraken, Tweede Serie. Dc nieuwere Mjstieken gaan inde rigting van lutiier en kalvijn {.quot;/'per urerwm aedifi-cant quicumque intus nod fodiunl um/iee ml sui abnegalionem) nog verder, zoodat bij voorbeeld orummokd zegt »Eeiie oppervlakkige wereld noemt den geloovigcn Christen niet praktikaal, omdat hij zoo diep graaft naar 'i geloof en zoo stevig fundeert in ciuustus enz.quot; — Maar was dit alles Jtzus' bedoeling?
3) in de Gelijkenis van den Zaaijer is het juist 't zaad ènl tijs néit/as, dat t* xdifjo) nsiiJitvfKiv {luk. VIII-.IS), ytvo/Asvt/e ttKiijjsuii Jicoyfiov (Uatth. Xill; 21), niet bestaat: wantdegrond, best geschikt om op te bouwen, is het allerminst om in te zaaijen.
463
hots en zand.
Ik wit daarom eindigen met do woorden van jakobus, denman, die het meest in den geest en toon der Bergrede spreekt, en die van 't //hooren en niet doenquot; eene andere beeldspraak heeft, niet minder vernuftig dan waar {Jak. I: 21—25):
Ontvangt met zachtmoedigheid het woord, dat n ingeplant wordt; zijt daders des waards, en niet alleen hoorders. Want zoo iemand een hoorder is des woords en niet een dader, die is een' man gelijk, welke zyn aangeboren aangezigt bemerkt in een en spiegel; want hij heeft zich zeiven bemerkt, en is iveg gegaan ^ en heeft terstond vergeten, hoedanig hij was. Maar die inziet in de volmaakte wet, die der vrijheid is, en daarbij blijft, deze, geen vergetelijk hoorder geworden zijnde, mei ar een dader des werks, deze zal gelukzalig zijn in dit zijn doen.
464
Matïh. VT : 19—21.
|
Vergadert u geene schatten op de aarde, maar ze de motte en de roest verderft, en waar de dieven doorgraven en stelen; maar vergadert u schatten in den hemel, waar ze noch motte, noch roest verderft, en waar de dieven niet doorgraven , noch stelen : want waar mo schat is, daar zal ook uw hart zijn. |
Verkoopt het gene gij hebt, en geeft aalmoes. Maakt u zeiven buidels, die niet verouden, eenen schat, die niet af. neemt, in de hemelen, daar de dief niet bijkomt, noch de mot verderft: want waar uw schat is, aldaar zal ook uw hart zijn. |
De getrouwe lezer, die liet geduld heeft gehad en de volharding, om mij van den beginne af bij te houden, weet, dat ik sedert lang de vergeefsche poging heb opgegeven , om het juiste getal der Gelijkenissen te bepalen, of beslissende kenmerken te stellen, waarnaar moet worden uitgemaakt, of iets al dan niet eenc Parabel is. In den meest bepaalden zin van het woord , is bovenstaande vermaning het zeker niet. In de gewone Verzamelingen van (ielijkenissen wordt zij dan ook niet gevonden. Het is geen zinnebeeldig verhaal, geen raadselachtig kleed voor eene hoogere waarheid. Toch is er iets parabolisch, iets zinnebeeldigs in die voorstelling van tweeërlei schatten. En daar ik nu met den Schat in den Akker de reeks Gelijkenissen opende, wilde ik met de Ilemelsche Schatten haar besluiten, of liever den weg banen tot het besluit, dat mus zelf ons aan de hand geeft.
Wij zullen ons vooreerst alleen bij mattheüs bepalen. Dat de vermaning er in de Bergrede voorkomt, ziet ieder; maar in welken zamenhang, is niet zoo gemakkelijk te zeggen. Over 't geheel is ons denkbeeld van eenc wel zamenhangende rede den Oosterling vreemd. Hij heeft zijn onderwerp gekozen en zijn doel, en spreuken en beelden vloeijen nu inde meest vrije orde daarheen, wel alle tot onderwerpen doel in betrekking staande, maar niet in onafgebroken {logischen) zamenhang onderling. Best kunnen wij dit verschil opmerken in i.ukas' Eerste en Tweede Boek. In zijn Evangelie, door zijne bronnen gebonden, is hij nog meer Oosterling; alleen de verhalen, ook de verhalende Gelijkenissen, hebben er een' geregclden voortgang; maar in de Handelingen is luk as geheel een Griek, en is er logische orde in iedere redenering.
DE SCHAT IN DEN HEMEL.
Toch is er voortgang in do Bergrede, en genie ordelooze compilatie. Eerst eene alge-meene schets van 't geen de Heiland in de kinderen des Koningrijks verlangt [Matth. V : 3—16); daarna de betrekking zijner zedeleer tot die des Ouden Verbonds, en vooral tot het naauwgezette Jodendom van zijne dagen (V ; 17—VI: 18). En hier sluit zich nu onmiddellijk de vermaning aan, om gcene aardsche schallen zich le verzamelen. Na eene korte tusschenrede over «het gezonde oog,quot; wordt dit onderwerp vervolgd in de keus tusschen hvee heer en, God en den Mammon (vs. 24), en de vermaning tot christelijke onbezorgdheid (vs. 35—31), waarvan weder de slotsom is; Zoekt eerst het Koningrijk Gods en zjne geregliyleid. In zoo verre nu Je Parizeen hunnen loon op aarde zochten (vs. 2, 5, If!), en als geldgierig 1) bekend waren {Lidc, XVI; 11«), is ook dit deel der Bergrede tegen hen gerigt.
Schallen vergaderen is dan het onderwerp. Wilden wij letterlijk vertalen, wij zouden moeten zeggen: schatten opschatten. Maar ook dan zou ons schat, in de gewone betee-kenis van het woord, nog niet geheel het oorspronkelijke uitdrukken. Bij ons is de kostbaarheid, de geldswaarde, daarbij hoofdzaak, en wij denken ons //een schatrijk man,quot; als iemand van ontzettend veel geld. Maar in den bijbel staat het denkbeeld van bewaren op den voorgrond. Voor de Hebreen was een schat valles wat, als van eene bijzondere waarde, te zamen wordt opgelegd en voor de toekomst bewaard.quot; Zoo schreef ik bij de verklaring der eerste Gelijkenis (Deel t, Blz. 5 en 6), en voerde daarbij het voorbeeld aan van verborgen schallen in het veld, van larwe en gerst, olie en honig. {-Ier. XLT ; 8.) Zoo ook vergadert do rijke dwaas zich schatten op aarde, als hij nieuwe schuren laat bouwen voor al zijn gewas. Niet minder dan aan de koornschatten {gr an aria) en het opge-zamelde goud, zilver en kostbaarheden, moet men ook aan kieederen {wisselkleederen) denken, waar de rijkdom van den Oosterling niet het minst in bestaat. Men zou er nog reukwerk en dergelijke zaken kunnen bijvoegen. 2)
Als nu Jezus spreekt van zulke bezittingen van waarde, opgesohat 3) op de aarde of in den hemel, behoort deze nadere bepaling der plaats bij 't werkwoord en niet bij het naamwoord; 't is niet //schatten op aarde,quot; maar //vergaderen, opleggen op aardejquot; — ofschoon natuurlijk de aard der schatten daarmede ook verandert, i) Wat men voor de
1) Hugo de üroot merkt zeer juist aan, dut de vermaning: Vergadert u geene schatten op aarde ! minder tegcu de nlsove^iu is gerigt, dan wel tegen de (pilaqyvQla , daar aan de eerste meer het denkbeeld van oneerlijkheid verbonden is, Evenwel, al is men van beginsel nog niet oneerlijk, die rijk trillen worden, vallen in verzoeking en den .strik, en vete dwaze, en schadelijke begeerlijkheden, welke de menschen doen verzinken in verderf en ondergang. (1 Tim. Vt : 9.)
2) lloMKKiis (Odysf. II; 338, 9) spreekt van ulvsses' slaapkamer, waar »goud en koper was opge-Loopt, kleeding in do kisten en overvloed vaa welriekende olie.quot; Ea job zegt, dat de goddelooze zilver zal opgehoopt hehhen ah stof, en kleeding bereid als leen ; maar de regtvaardigc zal die uantrekkeH en hel zilver deelcn. (11. XXVII ; 10, 17.)
3) Oijaavyiamp;iv wordt door paulüs gebruikt in een' goeden zin, van het geld, dat ouders voor hunne kinderen vergaderen, of dat men bij een legt voor do armen; in een' kwaden zin voor schatten van toorn. 2 Kor. XII ; 14 ; 1 Kor. XVI : 2 ; Rom. II; 5.
4) Bij lukas is het anders. Diiar hangt tv tolg ovqavois van Ot/aavQav af, als apposituni van flnXXavrift.
dk sch at in dek ii km fj,.
aarde opzamelt, liecft voor den hemel geeue waarde. Zulke schatten kunnen cn moeten in den eigenlijken zin van het woord worden opgevat: //edel metaal, kleederen en tapijten, allerlei kostbaarheden,quot; op cene bepaalde plaats (do schatkamer) opgelegd, en zoo veel mogelijk aan 't begeerig oog onttrokken; — maar //hemelsche schatten,quot; in denzin van «-voor den hemel opgelegde goederen,quot; is natuurlijk een oneigenlijk denkbeeld.
Verder merk ik hier reeds terstond op, dat wij den schat, naar de Oostersche voorstelling van het woord, niet verwarren moeten met bezitting. Ilnis en akker, de voorvaderlijke erve van den Israëliet, wordt geen schat genoemd; even min dienstvolk en vee, waarin toch van ouds her de rijkdom bestond van den Oosterling. 1) Een schat is alleen dat gene, wat men voor het oogenblik volstrekt niet gebruikt of behoeft, waar men geen rente of voordeel van trekt, (dus ook niet het geld, waarmee men handel drijft of dat bij de wisselaars wordt uitgezet, Matlh. XXY : 16, 27,) maar dat men alleen bespaart voor de toekomst. Het behoeft naauwelijks herinnerd te worden, hoe men van zulk een' opgelegden schat zeer dikwijls geen ander genot heeft, dan het genoegen van hem te bezitten. Ja! de regte gierigaard zal zich van dit genot niet berooven door het opgespaarde te gebruiken. Veel eer laat hij het bederven, in geldswaarde verminderen, of althans nutteloos cn renteloos in 't donker weg schuilen. Maar ook dit bezit is niet zonder zorg. Do schat van den Oosterling, veelal in naturalia bestaande, vereischte veel meer toezigt, cn ook 't goud en zilver was er zoo veilig niet. Van daar het verbergen, waarover wij spraken bij de eerste Gelijkenis.
Ook hier spreekt jezus van gevaren, waaraan de opgespaarde schat is blootgesteld. Vergadert n geene schatten op de aarde, waar ze de motte en de roest verderft, cn waar de dieven doorgraven en stelen. — Over de mot is men het vrij wel eens. Wij kennen ook dit gevaarlijk insekt, en het doet ons aan eene bewaarplaats van kostbare klecderen cn tapijten denken , waarin het zoo groote verwoesting kan aanrigten. Hot beeld is bij de Hebreën van ouds her bekend. Ihj veroudert als een ld eed, dat de mot opeet, zegt job van zich zeiven (II. XIII: 28), en het zelfde voorspelt jesaja den godloozen. (II. L ; 9; LI : 8.) — Minder zeker is de beteekenis van het woord, door roest vertaald. Het komt elders, in en buiten den Bijbel, nooit anders voor, dan in de beteekenis van spijs of eten. Daar dit hier niet past, kan het niet anders beteekenen dan invrcting, een verteren of vergaan , als of iets door insekten ware afgeknaagd. 2) Waarschijnlijk hebben dus onze bijbel-
1) Men vergelijke liet gezegde over het ondcrselieid tussetien ovaia cn fliot, bij de Gelijkenis v n den l'crl(,ren boon.
2) Frass, Zernagung iiherhnujiL Jele, ndhere Bestimmung, man mug nun mil (ter Vvtg, Rost (Je//-. V: S, 3) odcr Kornwürmcr (Kuinoel, Baunig. Crus.) (tenten, is/ willknrtkh, Meijeu, Evenzeer keurt hij het gevoelen van casaubonus af, (door tricaeus als dat van zijn' vriend CLAUn. sarraviüs aango-liaald en goed gekeurd ,) dat ofjï xul flycZatg eeu Hendiadis zou zijn voor lt;yr]i Pqóxjxovau , waarom jakobus spreekt van Ifiana crT/ivfliJcoia, terwijl hij de roest der edele metalen ló; noemt. Bij de verwantschap van jakobus'brief met de Bergrede, zou dit laatste bewijs nog al bij mij gelden, wanneer ik meer sympathie voorde bovengenoemde rhetorisehe figuur had De Vulgaat heeft aerugo el tinea. ■— Over cn dijf als inwendig en uitwendig bederf, door jakobus /.amen gevat in do algemeene waarheid o nXovtos rréerr/ns, heeft stikb veel diepzinnigs.
4()7
UB SCHAT IN DEN HES!EL,
vertalers liet rcgte woord gekozen. Wij zeggen ook, dat iets //door roest is ingevreten/' en passen dit zoo wel op stoffen , als op metalen toe. Hoewel nu de edele metalen niet verroesten in den eigenlijken zin des woords, zoo zijn zij toch, vooral in een' voelitigen grond, aan toenemenden aanslag en een langzaam voortgaand vergaan der oppervlakte bloot gesteld. Dit seliijnt dus meer op seliatten van geld te slaan. Op den geheelen schat slaat natuurlijk het gevaar van diefstal. Er is altijd gevaar, dat do dief doorgrave en stele. De sluiting, zoo als wij vroeger zagen, was doorgaans, bij de onveiligheid der landstreek, zoo goed, dat in plaats van sloten grendel open te breken, men gemakkelijker den muur kon doorgraven. 1) — Maar hoe ook die schat bedorven is of ontroofd , treurig en donker is het beeld van hem, die er zijn hart op stelde, en nu handenwringend zijn verlies betreurt. De beroofde rijke is armer dan de armste der armen.
De slotsom is dus: //Schatten, die men op aarde oplegt voor de toekomst, zijn, de onzekerheid van het leven nu nog daar gelaten, (waarop de Gelijkenis van den Rijken Dioaas doelt,) nooit geheel veilig. Zij kunnen den waakzaamste worden ontroofd; de kostbaarste en duurzaamste dingen staan nog voor bederf bloot, en worden dan onnut. Zoekt dus elders uwen schat en uwe schatkamer.quot;
Meermalen heb ik gewezen op de verwantschap van jakobus' Brief met de Bergrede. Die springt op nieuw in het oog, wanneer wij met deze vermaning van den lieer vergelijken , wat hij tot de rijken zegt, die /tel loon der werklieden verkort hellen, en wellmt'ig geleefd op de aarde [Jak. V : 2, 3) : n Uw rijkdom is verrot, en mee kleederen zijn van de motten gegeten geworden. Uw goud en zilver is verroest, en hun roest zal u zijn tot eene getuigenis, en zal uw vleeseh als een vuur verteren-, gij helt schatten vergaderd in de laatste dagenquot;
Dat voor dit alles geen nood is, wanneer men een veiliger plaats kiest, om den voorraad op te leggen, dan deze aarde aanbiedt; — met andere woorden, wanneer men schatten vergadert inden hemel, — spreekt van zelf. Dadr dringt do mot niet door, en verteert de roest niet; dddr kan geen dief doorgraven noch stelen. Het spreekt echter even zeer van zelf, dat dan ook die schatten niet de zelfde kunnen zijn. Wat in de toekomst op aarde- ons voeden en kleeden kan, heeft daar geen waarde meer. Wat zijn dan nu die schatten? Ook niet het zelfde als de schat in den akker, in de eerst behandelde Gelijkenis; want die schat was het koningrijk der hemelen zelf, in zijne aardsche openbaring. Die het herkent in zijne waarde, offert er alles aan op en wordt er rijk door, hier op aarde reeds. De godzaligheid is hem een groot gewin; hij acht alles schade, om de uitnemendheid der kennis van CimisTUS. (Paulus,) Maar de opgelegde schat, dien ji.zus hier bedoelt, wordt in de hemelen voor ons bewaard. Wij kunnen er hier nog niet aan komen of van genieten.
1) Van hier het Gricksche , munrdoorgravers, dat ik bij stiugeiiüs (Jlyfiomnemata in N, T.t
1505) vind , maar in het woordenboek van Pape mis. Strigi.lius onderscheidt de dieven in drie soorten : de twee andere warende Jlamp;moJireu (die iemand de kleederen uittrekken) en de §aXavxioxónoi (beurzensnijders), Cato noemde vita veclieularia liet leven van een' dief, als die met het breekijzer omgaat, en festus pompejus , die dit zijn woord aanhaalt, verklaart het: tila eorum, qui vectibus alienos parieten perfodiuni. — Dit tol aanvulling van 't ge/.egde, Deel 1, Blz. 390.
468
de schat in den hemel,
Wij staan daarbij met een' vreemden werkman gelijk, die al wat hij van zijn loon kan opsparen, naar huis overmaakt, om er met de zijnen rustig genot van te hebben na den arbeid. Eu zoo brengt ons dit beeld de vergelding te binnen, 1) die jezus hier en overal erkent: het loon, dat hij, bij elke opoll'ering der deugd en godsvrucht, don zijnen toezegt. Wat hier op aarde in 't verborgen geschiedt, zal de Hemelsche Vader daar in 't openhaar vergelden (vs. 4, 6, 18). Zoo wie om christis' wil al 't zijne zal verlaten hebben, hij zal honderdvoud ontvangen en het eeuwige leven beërven (XIX ; 29). Door overdreven stelselzucht hebben velen die leer der vergelding, die geheel het Nieuwe Testament ons predikt, zoeken uit te wisschen of tenminste op den achtergrond te stellen; maar het is niet de ware regtzinnighcid — wij merkten het ook bij de vroegere Gelijkenissen op — wanneer wij den regten zin van jezus' woorden verduisteren, door er die van p.ulus of anderen tusschen te schuiven. Jezus erkent overal eene toekomstige vergelding, maar wil daarom niet, dat men met Farizeesehen hoogmoed zich die toeëigene. Men heeft al te zeer het denkbeeld van verdienste en betaling er in de plaats gesteld; en in dien vorm is 't denkbeeld te regt door de hervormers, ja! reeds door den apostel paultjs afgekeurd.
Ik wil hier tot afwisseling eene oude Joodsehe vertelling tusschen voegen, door schöttgen aangehaald , en waar ik alleen de bijbelplaatsen, die er doorgaans op Rabbijnsche wijze met geweld zijn ingedrongen, uitlaat.
In een jaar van droogte en misgewas deelde koning mombas zijne schatten en die zijner vaderen aan de armen uit. Daarop kwamen zijne broeders en verwanten tot hem , en zeiden ; «Uwe vaderen hebben aan de schatten hunner voorouders allijd iets toegevoegd, en gij verkwist het alles !quot; Maar de koning antwoordde ■ //Mijne vaderen hebben schatten vergaderd op aarde, ik in den hemel; zij, waar de hand ze bereiken kan, ik , waar geene hand aankomt; zij, wat hun geen vrucht aanbragt, ik, wat mij vruchten geeft; zij geld, ik den schat der zielen. Zij hebben voor anderen opgelegd, ik voor mij zeiven; zij in deze wereld schatten verzameld, ik in de toekomende.quot;
Maar het wordt tijd, dat wij ook lukas vergelijken. Het denkbeeld vim vergelding, als waardoor al wat voor den hemel wordt verrigt, een veilig opgespaarde schat is, zal er nog duidelijker door uitkomen, terwijl tevens de algemeene bedoeling van jezus bij
1) Durch Reehlbeschaffenheit (Jixmtorr wj], nicht specif tl Almosen (so Chrys. u. V.), erwir'jt man sich Sehdtze {(Hf Metsianische S'Hgkeit), «telf he m» bri Goll im Uimmel aufbehaltcn bleiben bis zur Krrichlung des Messiasreichs, ugt;o dann ihre Mittheilung er/olgl. Zoo meiji r , die ook hier wel wat veel op do Joodsch-Messiaansche voorstelling drukt. Zie ook het door hem aangetcekende op Mallh. XIX : 2!), vergeleken met Mark. X ; 30 en huk. XVIII : 30, waar ook vergoeding en vergelding, het zij dan in deze of in de toekomende eeuw, wordt beloofd.—Dat ciirysostomüs en anderen hier aan het bekende: Die den armen geeft, leent den lieer, dachten, heeft vooral zijnen grond in de voorstelling van lukas. Hier is het denkbeeld meer algemeen. Qqaavqovs hic inlellige uyitD'Mi' nyal-soji', ut Orat. 6 Themislius loeulus. Pbicaeüs.
4fi9
dk schat in din htmisl.
MATTHiiüs (goede werken) meer tot het bijzondere doel der aangehaalde llabbijnsche legende (aalmoezen) nadert.
liij ia'kas heeft de vermaning een' vrijeren en korteren vorm. Zij komt ook niet voor in het uiltreksel uit de Bergrede, dat wij H. Arl vinden. Men zou daarom kunnen denken, dat JKzrs nog eens hetzelfde, en wel met meer nadruk tol zijne discipelen (vs. 22) gezegd had. Bij nader inzien geloof ik dit evenwel niet. Vroeger zagen wij reeds, dat geheel het Twaalfde Hoofdstuk van lik as veel heeft van eene Anthologie, eene Bloemlezing uit Jezus'redenen, waarbij geen strenge tijdorde is in acht genomen. Daarin vinden wij meer fragmenten uit de Bergredej en drze vermaning staat er, even als daar, niet ver van de sehoone verwijzing naar de leliën des velds en de vogelen des hemels ; alleen met dit onderscheid, dat zij die niet vooraf gaat, maar volgt. De bron schijnt dus de zelfde; maar luk as heeft die denkelijk alleen naar een vrijer afschrift of uittreksel, of door de mondelinge overlevering, leeren kennen.
Op de vermaning tot christelijke onbezorgdheid volgt bij hem, altijd tot de discipelen: ii freest niet, gij klein huldeken ! u H 'ant het is uws Vaders welbeha'jen , ulieden het honingrijk te geren!' En dan : » Verkoopt hel geen gij helt, en geeft aalmoes. Maakt u zeiven buidels, die niet v er ouden , een en sehat, die niet afneemt, enz.quot; Merkwaardigis de overeenkomst met het gezegde tot den rijken jongeling (H. XVIII : 22) : //Verkoop alles, wat gij held 1) , en deel het onder de armen , en gij zult eenen sel/at hébhen in den hemel.quot; 2) — Meermalen is opgemerkt, dat i.lkas 't meest partij voor de armen trekt, en vrijwillige armoede als eene groote verdienste aanmerkt. Het zelfde denkbeeld, dat men door aalmoezen zich vrienden in den heinel maakt, en zóó wat oplegt voor den nood, vonden wij bij hem ook in de Gelijkenis van den Onregt vaardigen lle/tt meest er. Maar men is te ver gegaan, met daarom aan zijn Evangelie een Ebionitisch karakter toe te schrijven, als zou, volgens ltjkas, de armoede zelve reeds eene deugd , rijkdom eene misdaad zijn. Daarbij heeft men vergeten 0]) te merken, dat die gelieele en vrijwillige armoede, bij lvkas zoo wel als bij de andere Evangelisten, alleen aan de apostelen, bet kleine kuddeke, dat steeds den Heer vergezelde, en waarin ook de rijke jongeling zou zijn opgenomen , wordt opgelegd. 3)
Zoo veel echter zien wij duidelijk , dat lukas bij de hemelsche schatten vooral aan het geld gedacht heeft, dat men in aalmoezen voor den hemel op rente zet. Dat zijn de buidels, die niet ver ouden, de sehat, die niet afneemt. 4) In het volgende komt lvkas
1) Nog ietterlijker is de overeenkomst tussclieu onze plaats (nwXtjnais to \ nayxona t ftM* , t,uk. XII : 33) en de parallele van /.«/. XVjll : 22 bij mattiiuh (XJX;21); nuiAyixdv oov ia i'nuyfona.
2) Zoo reeds Jlizes sihach (XXIX: 15); heil fchulkamfrs van oalmcetin ai/n ; zij zullen u redden vit alle omjcrul; en tobias (IV ;5—10); Doe t/nlmoez n : — wanl danrdoor le/jl ff/j een' tcoslbaren sehat op , tegen den (tug van nood en behoefte; d-u/jt de ttalmces nem iten dood verlost-,— beiden echter meer, in dea oud Israëlitisehen geest , met hel oog op de goddelijke vergelding in dit leven.
3) Diss (bet zich ontdoen van alle «creldsche bezitting) mrdnicht vun allen Christen gejordenl (vs. 22), wie dk wettk will, sondern von dsn Jüngern, weiche in ihrem Amte der viilligen Knthundenhcil vom /ei'.-hchen hednrftcii, M i i IE tt.
4) Liever «die u niet bef/eeltquot; of *dte niet ophoudt,quot; dyvitvyot' uvéxXstnror. Zoo noemt het Poeh- der V/ijshid de wijsheid zelve t)iimioov en nXox iov avtxXmij, H. VII ; II en VIII ; 18. — Over het denkbeeld der Hebreen, dat wijsheid en regtvaardigheid de grootste schat is, spreken wij nader.
470
DE SCHAT IN DEN HEM El..
met matt muis over een , daar hij er bij voegt: de schat in de hemelen, daar de dief niet bijkomt, 1) noch de mot verderft; — maar van roest spreekt lukas niet, en het eigenaardige' doorgraven der schatkamer gaat bij hein verloren.
Maar wat mij vooral tot de overtuiging bragt, dat lukas uit de zelfde bron put als mattheüs , al is 't dan ook door de tweede of derde hand, is do bijgevoegde spreuk, die anders bij hem gemakkelijk zou kunnen gemist worden, ja! er zelfs wat vreemd tusschen komt, omdat in onze Gelijkenis aarde en hemel bij lukas niet tegenover elkander staan, zoo als bij matthküs. Toch is de overeenkomst woordelijk, en bijna letterlijk:
Want waar uw 2) schat is, aldaar zal ook uw 2) hart zijn. 3)
Dit is een dier onnavolgbare kernspreuken , waarin jezüs boven allen uitmunt : kort, eenvoudig, en toch zoo diepzinnig en verheven. Waar ons kostbaarste goed schuilt, daar zwerven onwillekeurig onze gedachten heen; en onze gedachten niet alleen, maar ons hart, onze liefde, onze weusehen en ouzo plannen, I) Do moeder, hoe ver vau hare kinderen verwijderd, hoe zeer ook in andere bemoeijingen ingewikkeld, is met haar hart bij haren grootsten schat: het klopt van vreugde of van angst over hare kinderen. Maar ook de gierigaard is met zijn hart bij zijnen schat, 'l Is zijne laatste zorg bij liet inslapen, en zijne eerste gedachte bij het ontwaken. Waar hij zich ook bevindt , zijne brandkast vergeet bij niet; en van uit de schoor.e natuur, waarin de levenslustige jeugd zorgeloos dartelt, jaagt hij naar zijne duffe binnenkamer: want dddr is zijn schat. Die dus schatten vergadert op aarde, en niet rijk is in God, op do aarde is ook zijn hart, zijne zorg en zijne hoop, zijne smart en zijne vreugde; en geheel gerust kan hij niet zijn op een bezit, dat, hoe goed ook verzekerd, uit zijnen aard niet onverderfelijk , niet onvervreemdbaar wezen kan. Maar die een' steeds aangroeijenden, veiligen en zekeren schat heeft in den hemel, daar heen gaan zijne gedachten , gaat 't heimwee zijner ziele. Overal op aarde ziet hij den hemel, en rigt cr zijn gebed en zijn leven heen. En zoo koeren wij met dubbelen nadruk tot de spreuk van den ouden wijze terug (.%•. [V : 2;5) : Behoed uw hart hoven al tvat te bewaren is: want daaraan ontspringen de. bronnen des levens, 5)
En zoo komt ook het want vóóv deze spreuk tot zijn volle regt. Vergadert in den
1) Weinige verzen verder is het xXsnrtj; to/srou, r/c Hquot;! in dcu naclit komt; liier , hij komt ur hij.
2) Ti sen kndori' heeft, met ile Vulynla en andere oude vertalingen, beide malen ctou voor vuütv. Het laatste past beter in den zarnenhang met het meervoud van vs. 19en20; het eerste heeft meerden vorm van een spreekwoord, en — ha er numeti mulalio in rcncione mujorem hoh'i vim, ut vs. 17. \l \ i noxvrus.
3) /Ms etrrat, macht mil Jem srrtiv Kohtrasl. Stier. Dit is In zoo verre waar, dat het bestaan van den sehat vooraf gaat, en de geheehtheld daaraan het noodzakelijk gevolg is.
4) Von de.m Schatze, dem Krfolge. 'les Stvehens nnd dem (legenstan'la der T.iehe, kana nurh. das Ucrz nichtgelrennt sein. Mkijeu. — Pimo beantwoordt de vraag, waarom de pas gehuwde , die een huis gebouwd of een'wijnberg geplant had, in de Mozaïsche wet van de krijgsdienst was vrij gesteld, met te zeggen: „Omdat, als zij met't ligehaam in het leger waren, toch hunne ziel zou achterblijven.quot; (Piucaeus.) — Similis csl r/iiloiiofihorum aententia Latinis usitata ; Cujusfiiic auimum illio magis esse, ubi amat, quamubi animat. Schoïï, Adagialia Sacra.
5) Hoe de pligt des Christens eigenlijk nooit goed kan volbragt worden , zonder dat het ook zijn lust is, en jvzrs daarom door dit woord de ware hemtIschgezindheid in de zijnen verwekken wilde, heeft, naar aanleiding van deze spreuk, corstius aangetoond. Spreuken van cn:en Heer jezus cumsTts, I ■ S.
G6*
171
DK SCHAT IN DEN HEMEL.
hemel v schatten: want — niet alleen dat gij ze daar eenmaal wel bewaard vinden zult, maar hier heiligt en zaligt het uw leven. Is daar uw schat, daar is dan ook nw
hart; en zoo eerst kunt gij waardige burgers zijn van hot koningrijk der hemelen.
In een' anderen vorm wordt de bedoeling der spreuk uitgedrukt door pavix'S , als hij schrijft [Kol. 111:1—3): Indien gij dan met Christus opgewekt zijt, zoo zoekt de dingen, die hoven zijn, waar chetstüs is, zittende aan de r egt er hand Gods. Bedenkt de dingen, die loven zijn , niet die op de aarde zijn. II unt gij zijt gestorven, en nw leven is met Christus verborgen in God,
Nog éénc vraag. Wordt door jezus, en op zijn voetspoor door paultis, nu alle opzamelen en bewaren van aardsche goederen verboden? Moeten wij zóó ver het niet lekoturnerd zijn voor den dag van morgen uitstrekken? — Elk, die de kracht der tegenstelling in den ïlc-breeuwschen spreukstijl kent, zal dit anders begrijpen. Als levensdoel wordt zeker het opzamelen van schatten den burger van het godsrijk verboden; zijn hart en zijn lust moet 't niet zijn, zoo als reeds de Psalmdichter zegt; Als het vermogen gedurig aanwast, zet er het hart niet op. [Vs. LXI1 : 11.) Maar dat, even min als die oude dichter, de Heiland het opleggen van eenen schat als voorzorg afkeurt, ja! het zelfs prijst als het met belangelooze gulhartigheid zamen gaat, zullen wij bij de volgende en laatste Gelijkenis zien.
Voor dit maal wil ik besluiten met een woord van paulus tot zijn' jeugdigen vriend TiMOTHtüs. Het is de beste commentaar up jezus' woorden.
Beveel den rijken in deze tegenwoordige wereld, dat zijniet hoogmoedig zijn, noch hunne hope stellen op de ongestadigheid des rijk doms, maar op den levenden God, die ons alle dingen rijkelijk verleent om te genieten; dat zij weldadig zijn, rijk worden in goede werken, gaarne mededeelende zijn en gemeenzaam ; leggende zich zeiven weg eenen schat, als een goed fondament tegen het toekomende, opdat zij het eeuwige leven verkrijgen mogen. (1 'Pm. VI ; 17—19.)
472
DE VOORRAADKAMEll VAN DEN HUISVADER.
Daarom ecu iegelijk schrij(geleerde, in het koningrijk der hemelen onderwezen , is gel jk aan een' heer des huizes, die uit zijnen schal nieuwe en oude dingen voort hrengt.
Met fe meer vrijmoedigheid neem ik dit beeld onder de Gelijkenissen op, hoe kort ook en door weinigen mede geteld, oindut mattheüs (de eenige, die het heeft,) er terstond op volgen laat: Als mos deze Gelijkenissen voleindigd had, vertrok hij van daar. De Evangelist heeft het dus zeker er onder gerekend, en te regt; want hoe kort ook, er is handeling in, even als in de Parahel van 't Zuurdeeg, bij voorbeeld, die even kort is.
De handelende persoon is een heer des huizes, •— letterlijk men sch-huis heer. 1) Wij ontmoetten dat beeld reeds meer in jezus' Parabelen, en zagen, dat hij zich daarbij een welvarend man voorstelt, die eigen huis en hof heeft, een' wijnberg, dien hij verpacht of waar hij zelf de werklieden in uitzendt, eene feestzaal, waarin hij gasten noodt of bruiloft houdt, bezittingen van waarde, die hij verdedigt tegen den dief in den nacht,
Hier wordt de huisvader in zijne gulheid en gastvrijheid voorgesteld. Hij heeft eenen schat, of liever, naar de oorspronkelijke beteekenis van het woord, eene schatkamer. 2)
1) De üyamp;Qüjno; oixoöscrnütr/ï komt ook nog voor in de Gelijkenissen vau de Arbeiders inden Wijngaard en do Uoozt landli'ten, dus enkel (als eene meer llebreeuwsehe zamenvoeging) bij matïhküs ; olxodnijnÓTi/; alleen in die van liet Onkruid des akkers, hel Gastmaal, deu Die/ in den nacht en dc Ge dolen Deer, meest bij i.uk\s. Mahkus heeft het woord maar eens, in de lijdensgesehiedenis, waar lükas er nog tijj olxin; bijvoegt, l/ark. XIV : 14; /yuk. XXII : 11.
2) De eerste beteekenis van ttrjnavijó; is ,de plaats, waar iets wordt bewaard of opgelegd.quot; Zoo wordt van de wijzen uit het Oosten gezegd, dat zij hunne schuilen, kofl'ers met kostbaarheden, openden. (1/rt/M. 11:11.) IIvrting brengt hiertoe ook den goeden of hoozen sehul van hel monsehelijk hart, Multh. XII : 35; Luk. VI : 45. Op de eerste plaats blijkt dit vooral , wanneer xijs xaydiai cr uitt\jKAS ingeslopen is (tisciihndouf) , en er dus alleen gelezen moet worden ; 6 ayaamp;oi avamp;ywnoi ix tov uyaamp;ov 9gt;iaavij0v èx^a/ixei ayaamp;a x. j. 1. Dan is het hart niet genoemd , manr bedoelt men de schatkamer. Ook voor onze Gelijkenis geldt natuurlijk niet de afgeleide beteekenis sehat, maar de oorspronkelijke schatkamer; en exfinklsi, dat hier even als Mall/i. XII; 35 staat, wordt verklaard door het njtxpspst , voor deu dag brengen, van Luk, VI: 45.
DIO VOOUKAAÜKAMEE VAN DEN IIUISVADEH.
Ik herinner den lezer, wat. hieromtrent bij de voorgaande Gelijkenis gezegd is, opdat hij niet enkel denke aan geld of edel gesteente. De schatkamer bevat van allerlei, kleederen en tapijten niet 't minst. I) Tn eene huishouding, die jaren lang bestaan heeft, en reeds van ouder tot kind overging, hoopen zieh de dingen op, die niet altijd zoo kostbaar zijn, maar die men toch niet wil weg doen. Oud en nieuw wordt er in weg gelegd , al wat voor het oogenblik niet noodig, en toch het bewaren waard is. Maar de huisvader is er niet gierig op. 't Ts hem niet te doen , om schatten te verzamelen voor zieh zeiven alleen, en voor eene eindelooze toekomst, die hij althans niet ten einde leven zal, voorraad op te leggen. Noodigt hij nu gasten, ontvangt hij vreemden onder zijn dak, of kan hij buren eene dienst bewijzen , hij houdt de schatkamer niet gesloten , maar brengt er uit voor den dag, wat bij de gelegenheid past: liet oude, dat men niet meer bij hom dacht te vinden, het nieuwe, dat door zijne nieuwheid verrast. Zoo heeft hij voor alles en voor ieder wat; en veel, dat nutteloos scheen te schuilen in zijnen schat, komt nog het meest te pas. 3)
Ik merk bij dit beeld vooreerst op, dat wij waarschijnlijk eene huismoeder zouden geschetst hebben, waar jkzus een' heer des huizes noemt. Zulke verborgen schatten, eerst van waarde als men ze noodig heeft, bewaart bij ons de zuinige huisvrouw meest. Maar zelfs in het Evangelie, hoe hoog het haar anders boven haar' maatschappelijken toestand in het Oosten verheft, staat evenwel de vrouw in het huisbestuur op den achtergrond. Zij bereidt haar brood of bewaart haar' spaarpenning, — verder komt zij in jkzus' Parabelen niet voor. — Eene andere opmerking is, dat wij bier weder eene proeve vinden, boe wij door den paradoxen toon van jkzus' spreuken en de scherpte zijner tegenstellingen ous niet moeten laten verleiden, om over de bedoeling heen te gaan. Wie bij voorbeeld uit de laatst behandelde vermaning : Vergadert n ge ene fteJiatten op de aarde! den lof der vrijwillige armoede, het ongeoorloofde der aardscho bezittingen, of eene gedwongene gemeenschap van goederen hebben afgeleid, kunnen hier zien, in welken geest het opleggen van eenen schat geoorloofd en zelfs prijselijk wezen knn. De heer des huizes in onze Parabel is niet als de rijke dwaas, die alleen op eigen eten, drinken en vrolijk zijn bedacht is ; zijn hart is niet bij zijnen schat, om dien angstig te bewaren en steeds nog te vermeerderen. Hij is er in tegendeel op bedacht, om ten dienste van vrienden en van
1) Men zou hier, behalve het reeds vroeger aangehaalde, nog kunnen vergelijken Jrr. XXXVIII : 11, waar bij de redding van den profeet uit den kuil gezegd wordt; Khnl-Mélech ging in des koning* huis (di ontlrr de schol kamer, en nam van daar eenu/e. oude cerscheurde en cerslelen lompen, enz.
2) tiet verwondert mij, dat de meeste uitleggers van lïqanvijni , tegen don aard van het woord, eene spijskamer maken, als of de huisvader aan vrienden en gasten niet anders dan eten had aan Ie bieden. De anofrijx'/ was de bergplaats voor granen en vruchten, de schuur, en launlov de spijs-of voorraadkamer {hik. XII : 24), maar geen van beide is Dtjaavqói.— Ka hoe dan daarbij «nieuw en oudquot; te verstaan ? Stiku antwoordt; Das sin / im Gldehnisz heurige and ferniae Friiehle (Hohel. VII: 13) zu Nuhnimi and Ferson/ung d^s l/uus's. — Over de vên non; naXttln , de onde vruchten der mantraghra eer na lis, die er nog zijn, terwijl de nieuwe reeds rijpen, zie nrizio op het Hooglied. Hoe dit eehter zi56 kan worden opgevat, (de aanhaling is natuurlijk uit do Si-plua';inta,) en hoe dat dan nog hier te pas komt, moge stimi zelf verantwoorden. Wat anderen van die nieuwe en oude spijzen hebben gefabeld , is te veel, om hier te noemen.
•t7 !•
DE VOOIUiAADKAMEU VAN DEN HUISVADEU.
vreemden oud en nieuw er uit te voorschijn te brengen : aan liet oude is hij niet te zeer gehecht , en 't nieuwe is hem daartoe niet te kostbaar. Zoo iemand is een' schat en schatkamer waard. Rn wil men hier nu (met stihu) bijvoegen, dat het nieuwe vóór aan staat, omdat de heer des huizes 't zijnen gasten door iets nieuws aangenaam wil maken, hoewel hij toch het goede oude allerminst vergeet, of omdat hij aan het oude een' nieuwen vorm weet te geven: — ik heb er niets tegen, al schijnt 't misschien sommigen wat al te fijn uitgeplozen.
Enkel als curiositeit geef ik bij deze laatste Gelijkenis nog eens eene proeve van het verregaande vergeestelijken en daar tegenover het verwateren, waaraan do schoone Parabelen van onzen lieer bij afwisseling hebben bloot gestaan.
Elsneh {Ohs. sacrae in N. T. Lil/ros, 1720) schrijft (wij verkorten veel!) over //Nieuw en Oudquot; het volgende: //Ik geloof, dat hieronder moeten verstaan worden oude en nieuwe vaten, het geen volgens PAüi.rs be toekent natuurlijke mensehen en wedergeborenen. De leeraar moet er dus in berusten , dat hij beiden in de schatkamer zijner gemeente vindt; zoodat deze Gelijkenis, in haar' geestelijken zin, op die van het Vischnel terug slaat.quot; 1)
47Ö
Kuim eene halve eeuw later gaf baiikd van de Gelijkenis deze omschrijving : //Een herbergier wist de vreemden aan te lokken, daardoor, dat hij zich naar ieders neiging schikte, en nu eens oude, dan weder versche spijzen, in aangename afwisseling en verscheidenheid , opdroeg. Dus was hij in staat om ieders bijzonderen smaak tellens op te wekken en te voldoen.quot; —//Dat is,quot; zegt zelfs a. i,. baoeii : //de Evangelistcii wel al te zeer gemodernizeerd 1quot;
Tot dus verre het beeld. Zien wij nu , wat daarmede wordt bedoeld.
Jizvs heeft voor het eerst iu eigenlijke Gelijkenissen gesproken, en wel, om de verhor-genheden ran hel koningrijk der hemelen zóó voor te stellen , als zijne toehoorders ze dragen kunnen , als die nog een geheel ander Messiasrijk wachtten , en daar niet zoo gemakkelijk van af te brengen waren. De schare verlustigde zich met den liefelijken klank, maar de discipelen vroegen den Meester om naderen uitleg. Bij do laatste, die van het Vuchnet, gaf Jezus die ongevraagd , maar is toch , zoo noodig , nog tot nadere verklaring van al het gesprokene bereid. Hij vraagt dus nog eens; iillehl gij dit alles verslaan!quot;' En zij antwoorden, wel wat vlug misschien : //ƒ«, lleeie !quot;—De Heer, die straks nog gevraagd had; quot;H eel gij deze Gelijkenis mei ? Ev hoe zuil gj dan al de Gelijkenissen verslaan?quot; {Mark. IV : 18) vergenoegt zich met hunne welmeenendbeid en leerzaamheid, en besluit nu geheel zijn onderwijs aldus : uDaarom ,—omdat ik u dit alles geleerd heb en gij 't hebt
1) Een' magtigen omhaal van gcloerrlcii en diepzinnigeu uitleg, de/.e Gelijkenis betreffende, en, zoo ik mij wel herinner, in den zelfden geest, vond ik ook in r. ii ;i'stkt)k. Bijzonderheden over de Heilige Sehnfl, 3 l)ln. qu. 170(1. Het boek is mij eeliter nu niet voor de hand.
DB VOOltKA A I) KAM EU VAN DUN HUISVADER.
verstaan ; 1) — een iegelijk Schriftgeleerde, in — of liever tot 2) —• het koningrijk der hemelen onderwezen, is aan een' huisvader gelijk, die oud en nieuw uit zijne voorraadkamer aan hei licht brengt.
Het is opmerkelijk, dat .tezus hier van Schriftgeleerden spreekt. De Joodsche Schriftgeleerden van zijnen tijd bedoelt hij er zeker niet mede. Zij lieten zich door hem tot de dienst van het koningrijk der hemelen niet opleiden. Jezus zelf is't even min. Want wie zou hem hebben opgeleid? Hij sprak, zoo als hem de Vader geleerd had. Er kunnen dus niet anders bedoeld worden dan de discipelen, — zoo als in het oorspronkelijke het woord zelf .'5) aanduidt (leerling tegenover geleerd of onderwezen), — maar ook wie hen later volgen en vervangen zouden ; mannen, die voor jezus' gemeente, in de dienst des koningrijks, het zelfde zouden zijn, wat de Schriftgeleerden voor de Joden waren.
Schriftgeleerde is eigenlijk, naar het oorspronkelijke woord, geletterde; maar daar letter en schrift, allo geleerdheid en studie bij de Joden een uitsluitend nationaal-godsdien-stig karakter had, was de geleerde stand er van zelf de stand der godgeleerden, zoo als ook met de Schrift nooit anders dan de gewijde boekenschat der synagoge werd bedoeld. liet eerst lezen wij van schriftgeleerden in jeeemta's tijd, toen het naschrijven, voorlezen en uitleggen der oude nationale schriften reeds eene bijzondere studie vorderde. Van de nieuwere schriftgeleerdheid na de ballingschap, die in jezus' tijd zoo zeer bloeide, maar ook doornen en giftbesscn droeg, wordt ezra algemeen als de Vader erkend. 4)
1) Over de botcckcnis van dit Sia xovio zijn niet allen het eens. Gedwongen is de verklating, die het met 't vorige ftrjuaintos , den schat in den akker vs. 44 , in verband brengt: «D^arotn, dewijl het koningrijk der hemelen aaneen' sehat gelijk is, zoo is de schriftgeleerde de man, die er ouden nieuw uit voort brengt.quot; Behalve de afstand der twee verzen van elkander, getuigt hier tegen de dubbele boteekenis schat en schatkamer, waarvan de eerste alleen daar, de tweede Lier past.— Beter LtiTIIER; W'il ihr 'hnn Alles verstehet, so seid ihr zu dm künfiiyen Amie wiirdig, Wer fin Apostel sein will, der soil sein wie ein reichev llousvutci' t der soil sein Huus coll huhen von (tllem Gul t dusz er könne wevllich uujlragen, was er wdl and was man will,
2) Onze vertalers hebben do Vulgata gevolgd, die schrijft in regno coelorum, Maldonatos twijfelt tusschen eene fout in de Latijnsche Handschriften voor in regnum, (maar hij voegt cr voorzigtig bij: sed debebd alieujus veteris eodieis autiritale pilium prohari,) en eene andere oorspronkelijke lezing in 't Grieksch. — Tischkndorf leest den dativus ; rj (iaaiXslu, zonder èv of els. Met de gewone lezing, waaraan ik altijd nog de voorkeur zou geven, vergelijkt n. de groot te regt evamp;eioy tig Ttjv paiiUeiav xov fteov. Lui. IX: 02. De lezing van nsciriNDOKF vertaalt mi iji r zmt Dienste.
3) De lunOt/ial, in hot algemeen jezüs' volgelingen, maar nog meer en in 't bijzonderde twaalve, die toen nog geene «rróaioJlot (afgezanten) waren, zijn natuurlijk in de eerste plaats de fiaamp;iTsv-frévrs; els Ttjv (taaileluiv twv ovquvÜv,
4) Ghotius leckent op onze plaats aan : ytiaujuuieï; proprie dicehardur adsessores Mayislraluum, en zet dit uitvoeriger uit een bij Mutth. 11:4, maar zonder het te bewijzen. Zoo ook schreef het Fxeye-tisches Ilandhuch des N. 7'. (17Ö7); So wurden Kat' tSoxyv die 'óffenllichen Notarien in den Gericht en, Reuistruloren in den Synagogen, und überhaupt ctiejenigen genannt, welche den leut en Scheidehriefe, Kauf-hnefe , Kontrakle und dergleichen schrieben , 3 Sum. V III : 17 ; 3 Kon, XII; 10; lather III : 12. — Dit is in zoo verre juist, als j^c/ujuam'ï aan het Hebreeuwsche ^30, schrijver, beantwoordt. Het woord had echter reeds in jkrkmia's tijd de bcteekenis van naschrijvers en uitleggers der wet, als die zich op eene valsche wijsheid verhoovaardigden, terwijl zij Gods woord verminkten. {Jer. VIII: 8, 9.) Met
47(5
DE TOOUKAADKAMER VAN DKN Hl'lSVADtK.
Maar daar nu jeztjs aan de Schriftgeleerden en Farizeën van zijnen tijd zulke liarde waarheden zeide, en zij hem wederkeerig zoo doodelijken haat toedroegen j noemde ik het opmerkelijk, dat hij tot het koningrijk der hemelen schriftgeleerden verlangde niet alleen , maar er zelf de discipelen toe opleidde. Dit is niet zonder heteekenis tegenover dweepzieke sekten en partijen, die in naam van het christendom de wetenschap minachten. In de Eoomsch-Katholijke kerk is deze Waudaalsehe kruistogt gepredikt door den stichter der meest onchristelijke monnikorde, La Trappe, die met veel geleerdheid heeft trachten te bewijzen, dat alle geleerdheid den Christen schadelijk is. Op Protestantsch grondgebied werd of wordt dit nog beweerd door alle sekten, die, van de wederdoopers af, op zeker inwendig licht bogen, en meenen , door God zelf geleerd te zijn. 1) Jezus zelf denkt anders, en wil, dat zijne discipelen onderwezen , dat zij zelfs geletterden of schriftgeleerden zullen zijn.
Nog eens gebruikt jezus dien zelfden naam van zijne discipelen , als hij in zijne laatste strafrede, juist tegen de 8chnflgeleerden en Farizeën , zegt: n Daarom, zie! ik zend toi n profeten en wijzen en schriftgeleerden. / au hen zvft gij er dooden en kruisigen , en van hen zult gij er in uwe synagogen geeselen en van stud tot stad vervolgen.quot; {Mattl. XXI11: ;J4.) Jezus gebruikt bier de namen der drieërlei mannen, die van oudsher zonde en afval ouder Israel bestreden hadden: de profeten door hunne orakelen, de wijzen door hunne spreuken, de schriftgeleerden door handhaving der beschrevene wet. In onze Parabel zou ik mij echter liever houden aan de algemeene beteekenis van geletterden, omdat ik niet geloof, dat jezus hier Schriftgeleerden bedoelt in den aangenomen' z'n, als //uitleggers der Heilige Schrift,quot; Daarmede hadden de Gelijkenissen, door een daarom er aan verbonden, weinig te maken. Sprak jezus zelf in de synagoge als Schriftgeleerde, terwijl hij den dagtekst of een eigen gekozen profetisch woord uitlegde en op den Messiaanschen tijd toepaste; — gaf hij soms in den tempel een raadsel uit de Heilige Schrift aan de Farizeesche quot;Rabbi's op, of bragt hij hen ook elders daarmede tot zwijgen hier buiten, in de vrije natuur, sprak lij als 'Magthehbende, en niet als de schriftgeleerden. Wat nu de discipelen van hem leerden , moesten zij opzamelen , oud en nieuw, om het aan anderen mede te deelen : n Gij helt het om niet ontvangen, geeft het om niet. Wat u in de ooren gefluisterd is, predikt het op de daken!quot; ■—• En niet zij alleen waren die nieuwe Schriftgeleerden van liet Godsrijk, maar ook allen, die limine voetstappen zouden navol-
kzba verkreeg deze titel zijne eigenlijke eervolle beteekenis , als »««« sekHttgcU-rrh., ervaren in hei woord en de wel van den God des kemels.quot; (Ezra Vil -.li, 21.) Het spreekt eehter van zelf, dat hot naselirijven der gewijde ïehrift, dat met bijzondere zorg gesehiedde, zoo wel als de beoefeniug van het Mozaïsche regt, naauw met de schriftgeleerdheid verbonden bleef. Die zich bijzonder op de tbeokratische regtsgeleerdheid loelegden, werden vofiixol genoemd. {Malik. XXI1; 35 enz.) — LiciaNus (De morle peregri/ti, bij i.lsniiit aangehaald,) waar hij »de wonderbare wijsheid van der Christenen priesters en schriftgeleerden in l'aleslimquot; roemt, beeft hen zeker met de .lodon verward.
• 1) liet is bekend, iioe de Mennonieten en Kwakers in dit opzigt van deu oorspronkelijken geest hunner stichters meer of minder zijn afgeweken. Minder bekend is het, dat onze oude Nederlandsebe Hervormde kerk in den beginne ook wettig eikende profeten heeft gehad, welk ambt echter al zeer spoedig, door toenemenden invloed der wetenschappelijke rigting van kalvijn, is afgeschaft.
DE VOÜERAADKAMER VAN DEN HlISVADEtt.
gen , in de gemeente en tot de ongeloovigen spreken zouden , uit hun' rijken schat, over de dingen van het koningrijk der hemelen. 1)
De nieuwe Scliriftgeleerde nu heeft zijne schatkamer. Waar? Indo natuur, in zijn eigen hart of in ile Schrift? Als ik kiezen moest, zou ik zoggen: «in zijn hart,quot; zoo als wij vroeger jkzus van den goeden en hoozen schal des harten hoorden spreken. Maar dan moeten wij het woord hart hier in don ruimen zin der Hebreen nemen, ook van 't geen de mensch denkt en leert. Want den schat zeiven bezit hij in dat gone, waartoe hij onderwezen is. Reeds de Israëlitische spreukdichters plegen wijsheid en rogtvaardig-heid een' kostbaren schat te noemen [Spr, A'IH : 10, 11 ; XV : 0); en jezus siuach (I; 16 , 24) zegt van de wijsheid : Haar geheele huis vnlt zij met hegeerlijk goed, en voorraadschuren met haar overvloedig gewas. Tol hare schatten lehooren gedenkspreuken der wetenschap.— Maar de schatkamer van den Evangelischen Schriftgeleerde munt vooral uit door afwisseling en verscheidenheid. Hij brengt daaruit voort nieuw en oud.
Nieuw en oud: 2)—dat is niet onbedacht of zonder oogmerk gezegd. Het was juist het gebrek der I'arizcesche Schriftgeleerden , dat zij geheel hun onderwijs grondden op de overlevering, en alles uitmaakten door het gezag der ouden; waardoor zij dikwijls het alleroudste, de Heilige Schrift en de wet Gods, krachteloos maakten. Jezus wil dat oude vooral niet verzuimd eu verwaarloosd hebben. Zelf beroept hij zich gedurig op dc Heilige Schrift, 'tIs zijn steun in de verzoeking, zijn wapen in den strijd, zijn laatste troost in nood en dood. Maar hij knaagt aan de letter niet; hij vreest daarvoor niet angstig; hij bezielt het alles met een' nieuwen en Heiligen (Jeest; en voor hom spreekt do zelfde natuur, die ook Israels profeten en zangers bezielde; zj spreekt tot hem van de dingen des Koningrijks; terwijl telkens nieuwe opmerkingen in de rnenschenwereld, die bij met belangstelling gade sloeg, aan zijn onderwijs frischheid en leven bijzetten. Het schoonste bewijs hiervoor hebben wij in jezus' Parabelen gevonden. Geheel de Joodsche Talmud, die de gevoeleps van honderden Rabbijnen, al wat //bij de ouden gezegd is,quot; bevat,— een berg tegenover een mosterdzaadje! — weegt daartegen niet op.
//Oud en nieuw — dat moet dan de lous zijn van iederen schriftgeleerde , tot het honingrijk der hemelen onderwezen; cn zijn lust, het op te zamelen, maar vooral, het uit te deelen. Broeders! schrijft Johannes in zijnen ouderdom: ik schrijf u geen nieuw gelod, maar een oud gelod, dat gij van den beginne gehad hebt; en toch schrijf ik u een nieuw
1) Het komt mij voor, dat hlgo de Gitorr de beteekenis te veel beperkt , als hij schrijft; Proprie xols i'uaLfJiiaievatv respondcMt ii, qui in Ecclesia Christiana dicli sunt üiSaöHctXoi. üf waren niet de rondrcuendc Evangelisten, on zelfs eenigermate de profeten in do eerste gemeente, zulke schriftgeleerden? Vgl. 1 Kor. Xli -.28, waarvan de letterlijke opvatting en toapassing op onzen tijd dc grondslag is van dc hiërarchie der Irmgianen.
2) De ouden, door luther en anderen nagevolgd, verstaan door nieuw en out meestal «-de wet eu het evangelie.quot; Maldoxatus maakt dit goed door te zeggen: Si antiqui fere omne auctores nova et vetera novum et velus Texta ment urn intelltgunl, dicere noluerunt Christum veins et novum, quod nonium erat, Testament urn significare voluise; sed quod genernhter Christus de omni doctrinae eojjia dixerat, id ills ad novum et velus Teslamentum aple atque prulenter aecommodarun'. — Wat al zoo tot oud en nieuw kan gebragt worden, somt muijeb op; profetie en vervulling bij voorbeeld, wet en evangelie , ook die Form hereiti gebrduehliehcr Paraljein, und die Mtssianisehe Mre, wkhe darein geklndet vird.
478
DK VOOUKAADKAMEU VAN DEN HUISVADER.
gebod. (1 Joh. II : 7, 8.)—Oud in 't wezen is de godsdienst, als gegrond in de êerste beginselen der wereldgescliiedenis, ja! in de eeuwigheid zelve; nieuw in vorm, ontwikkeling en toepassing moet zij zijn, levende in den tijd en met den tijd. Jezus wil niet, dat zijne discipelen zich telkens en alleen op de letter zijner uitspraken zullen beroepen, zoo als de leerlingen van pytiiagouas bekend waren door hunne spreuk : //Hij zelf heeft 't gezegd !quot; en zoo als de discipelen der Rabbijnsche scholen altijd de uitspraken hunner meesters herhaalden en uitplozen, 't Is zelfs opmerkelijk , hoe weinig do discipelen jezus' woorden aanhaalden, zoo lang nog de Heilige Geest de gemeente met zijn'eersten levensgloed bezielde. Even zoo was het den profeten niet te doen geweest, om mozes' woorden te herkaauwen , maar om voort te werken in zijnen geest. En wat nu in 't bijzonder de Gelijkenissen betreft, waarop het Daarom van deze laatste slaat, ik lees met iiesz 1) daarin de vermaning, om zoo telkens nieuwe beelden van 't godsrijk te bedenken, in plaats van met echt Coceejaansch vernuft uit jezus' Parabelen uit te persen , wat hij er nooit in heeft gelegd.
Terwijl ik, jaren lang, mijne vrije uren aan de studie der Gelijkenissen wijdde, zijn steeds scherper de partijen gescheiden in staat en kerk. In plaats van de leus des Heeren /'Oud en Nieuwquot; heeft men de vraag gesteld //Oud of Nieuw ?quot; en dwingt ons, als met het pistool op de borst, tot eene beslissing. Maar wij willen die keus niet doen, al roept men nog zoo hard, dat er voor een derde geen regt van bestaan meer is. Wij, die ons aan geen der beide uitersten aansluiten, leven nog, en zullen aan niemand het regt vragen, om te blijven leven.
Dit juist is het gebrek der radikale partij, in de kerk als in den staat , dat zij het oude voorbij ziet, als of het niet bestond en nooit bestaan had, en alles naar hare denkbeelden nieuw maken wil ; dat zij dus het historisch verband verliest, waarin alleen de wereldgebeurtenissen passen, en het goede oude verwerpt, dat door het nieuwe en vaak onbekookte niet kan worden vergoed. Alleen in een' zedelijken zin, als de leus der bekeering, kon pat;i,is schrijven: Het oude is voorij gegaan, het is alles nieuw geworden. Van de godsdienst der vaderen zeide jezus zelf 't niet. Hij wierp niet om ver en brak niet af, om van meet af te bouwen. Het Godsrijk is de gouden draad, die door geheel de wereldgeschiedenis loopt. De Zoon Gods was daarvan niet de eerste, maar de hoogste openbaring. Die nu in onzen tijd achttien eeuwen eenvoudig uitwisschen, om een nieuw christendom te verkondigen, bouwen even zeer luchtkasteelen, als wie den staat, zonder op het volk te letten, overal naar de zelfde afgetrokken beginselen willen constitueren.
Maar even eens is het 't gebrek der behoudende en reactionaire partij, dat zij oude vormen wil bewaren of die terug wenscht, nadat het leven is uitgeput , dat ze eens be-
1) Uiese letzle li'merkung ziel te ohnc /.weifel darnuf ah, den Jiingern cu zeigen, dasz sie als tcünftioe l.ehrer uirhl eb?n nur dieter Bilder, die sie von ihm gelt 'órl, sieh bedienen soltien; sondern darnuf immer bedacht seie nmszten, aurh selbxt narh der ZukSrer vngteiehen Fdhigkeiten und Bediirfnissen tich zu richten, mi' riem langst Brkannten auch das, teas einen Reit der Neuheil hube, zu verbinden, und wo die Etner-teiheil ermüdend wiirte schiektich ahzuKeehsetn. Ik geloof alleen, dat iiesz en anderen te veel op deu vorm van liet onderwijs zien, terwijl jezüs wel degelijk ook den inlioud bedoelt.
47!)
de v oürua \ dk am ek van des' fluisvadell.
■/iel'le. De middeleeuwen hadden hare poëzij, en de oude Vcreenigde Provinciën hare roemrijke geschiedenis; maar die den eenen of den anderen tijd terug wenseht, is te laat geboren. Hij kan slechts een karikatuur daarstellen , anders niet. Zoo was 't in mus tijd met de Joodsche godsdienst. Eerwaardig was die reeks van oude schriftgeleerden, die van eziu af de gewijde boeken zoo zorgvuldig hadden bewaard, zoo naauwgezet onderhouden; maar een muggenziften werd en bleef het Eabbinisme, door zich aan hunne woorden vast te ketenen ; ja ! het vertoon van die oude vormen zonder leven , vergelijkt de Heer zelf met een wit gepleisterd graf. Zoo is 't ook in de Christelijke kerk gegaan» zoo dikwijls (niet de orthodoxie, maar) het orthodoxisme de vrije geloofsgetuigenis der vaderen tot geloofsboeijen voor de kinderen smeedde.
Oud en nieuw beide, dat moet ons de godsdienst, dat moet het Christendom ons blijven, gelijk het daar levend en krachtvol vóór ons staat in jezus' Gelijkenissen, in zijn leven, dood en opstanding, in het beeld der apostolische kerk. De geloofsgemeenschap met vroegere geslachten en met den Zoon Gods allerminst, mag niet worden verbroken, liet goede oude mag niet verloren gaan. Toch moet weder dat oude nieuw worden en dat geloof zich verjongen , met het voortgaande leven der menschheid. De schatkameren van het koningrijk der hemelen zijn onuitputtelijk. De schriftgeleerde, er toe opgeleid, zoo hij tevens een geloovig discipel is , zal telkens meer het oude en het nieuwe, en altijd wat goed en schoon is, er uit tevoorschijn brengen;—en de menschheid zal steeds dien schat behoeven.
480
Met een dankbaar gevoel besluit ik dezeu mijnen arbeid, die ik hoop, dat mij nog eenigen tijd overleven zal, tot weer ander en beter werk hem verdringt en vergeten doet. Ik meen daardoor ten minste mede gewerkt te bebben , om op nieuw en met de opmerkzaamheid die zij verdienen, bet oor te Iconen aan |de woorden van bcm, die sprak, zoo als nooit iemand gesproken heeft. Men neme die woorden aan of verwerpe ze, of wel daarvan uitgaande bewego men zieb in deze of in gene rigting; maar men spele er niet ligtzinnig mede, of werpe ze onbesuisd door elkander. Dit is zeker wel-—liare resultaten nu nog daar gelaten — een der grootste en meest onkritische gebreken van de zoogenaamde kritische school, ook in ons vaderland. Met een bodemloos subjectivisme , — of wil men liever ingoed Ilollandseh • met den meest willekeurigen eigenwaan, — beslist men, wat jezus al of niet kan gezegd of bedoeld hebben , en hoe zijne getuigen die woorden hebben door een geworpen, verdraaid of zelfs geheel verdicht. Uitgaande van de Parabelen, als die in zich zelve de meeste kenmerken van onweersprekelijke echtheid dragen, heb ik pogen aan te toonen, dat wij niet zoo in 't onzekere zijn omtrent de eigen leer \an juztjs, ja! dat die met zorg voor ons is geboekt, al beeft iedere Evangelist in keus en rangschikking zijne eigene sympathiën. Tegen hen, die, even oppervlakkig als vijandig, dc Evangeliscbe literatuur tot de tweede en derde eeuw terug zetten , of zelfs van eene menigte Evangeliën spreken, waar uii de kerk slechts een' greep zou hebben gedaan, deed ik elders (in de Inleiding tot mijnen Umslijbel, N. T.,) de getuigenis der oudheid booren, Hel komt mij altijd voor, dat velen, die haar weerspreken , niet ongelijk zijn aan den knaap, die zoo lang 't water ten bodem toe omroert, tot hij zeggen kan: //Zie toch eens, hoe troebel die beek is Iquot; — Maar daar bet geschiedkundig bewijs, zoo wel als de ontleding en synopse onzer Evangelieboeken altijd wel boven veler bereik zal blijven, hoop ik in dit werk dat inwendig bewijs gegeven te hebben , dat aan ieders natuurlijk verstand en godsdienstig gevoel de vraag stelt: //Is dit nu legende of geschiedenis? de eigen leer des Meesters, of de opvatting eener volgende en reeds veel verbasterde eeuw ?quot;
En staat dan nu 7.66 dat Koningrijk der hemelen, welks Evangelie van jkzus' lippen werd opgetcekend, helder vóór ons, bet staat daar niet, om naar mcnschelijken maatstaf gemeten of aan de wijsbegeerte der eeuw getoetst, maar om door het hart aangenomen of verworpen , bestreden of in beoefening gebragt tc worden. quot;Die iets beters heeft dan dat Evangelie, stelle het daar in plaats; maar voor twijfelingen en ontkenningen ruilen wij bet niet. Op deze past altijd nog het woord van paxjlus ; Daar de wereld God niet II. 67
nark d e.
gekend heeft door de wijsheid, zoo hecjt het (lode behaagd , door de dwaasheid der predlkinu zalig te maken, die gelooven.
Van deze vaste beginselen uitgaande, maar daardoor ook aan geen kerkelijk leerstelsel of overgeleverde uitlegkunde gebonden, meen ik, niettegenstaande den langen duur van dit werk, één geheel te hebben geleverd. Dit is ten minste een voorrcgt van den gevorderden leeftijd, dat men niet meer behoeft te herroepen of te weerspreken, wat nog naauwelijks is afgedrukt. Toch heeft die langere duur eenige herhalingen voor zijne rekening, of heb ik later aangevuld, wat aan 't vroeger gezegde ontbrak. Maar dit zijn kleinigheden. (Jrooter fout is het, dat, nadat in het Eerste Peel Ploegen zonder Omzien reeds was opgenomen, in het Tweede nog eens De Omziende Ploeger — en dus het zelfde beeld onder een' anderen naam — voorkomt, liet lag niet in mijn plan; maar toen ik het Derde Gedeelte der Tweede Afdeeling bijna had afgewerkt, kwam mij dit beeld geschikt voor om hot sluiten. Eerst na het afdrukken ontdekte ik mijne dwaling, maar zij was niet meer te herstellen. De lezer versehoone haar, en rekene ais niet geschreven, wat bij vergissing voor den tweeden keer geschreven werd. Ik heb ten minste, zoo ver ik zien kan, jaren later en zonder aan het vorige te denken, mij zei ven niet tegengesproken.
En vraagt mij nu iemand, of ik dan zoo ingenomen ben met mijn eigen werk? De laatste bekentenis dingt reeds op die ingenomenheid iets af. De langdurige en telkens afge-brokene studie, waarvan dit werk de vrucht was, heeft ook het geheel omslagtiger gemaakt, dan ik wel had gewenscht. 't Is nu misschien bruikbaarder compilatie geworden, waarbij de lezer den schrijver bij zijn moeijelijk en langdradig onderzoek gezelschap houdt; maar had ik in eens af aan het werk kunnen blijven, en na het verzamelen der bouwstoffen het geheel ontwerpen en afmaken, het zou, dunkt mij, beknopter en helderder zijn, eu op de conclusie, nu door 't geheele werk verspreid, beter licht doen vallen Maar in't praktische leven telkens weg gesleept en voort geslingerd, en ook als schrijver aan meer dan ééue taak gebonden, gaf ik, wat ik kon , en niet altijd, wat ik wilde.
Wat er nu ten slotte nog to zeggen is, zal met regt eene Nalezing mogen heeten, waartoe reeds gaande weg het een en ander is aangewezen of ter zijde gelegd. Zij sluit zieh ten deele aan de Algemeene Inleiding aan, en strekt om die, na voleindigd onderzoek , te bevestigen en te completeren. Eerst dus heb ik nog iets te zeggen over den Vorm der Gelijkenissen, en hare plaats in onze vier Evangeliën. Daarna wil ik de Spreuken aanwijzen, die nog min of meer tot jezus' parabolisch onderwijs kunnen gerekend worden, en daarbij nog eens den totaal-indruk weder geven , dion dit onderwijs op ons maakt.
In eene Tweede Afdeeling zullen wij nagaan, in hoe verre jezus' parabolische leerwijze bij de apostelen en latere evangeliepredikers navolging gevonden heeft.
De Derde Afdeeling zal in 't kort zaïuen vatten, wat reeds door 't geheele werk henen van de Uitleggers der Parabelen is gezegd.
Een Register van behandelde of Ier loops aangehaalde en verklaarde bijbelplaatsen zal 't geheele werk besluiten.
482
NOG 1 ETS OMTRENT JEZUS' PARABOLISCH ONDERWIJS.
OVElf DKN VOH.M DER BEHANDELDE ÜELIJKEMSSKN , 1IAHK l'I.AATS
in 't evangelie en onderling verband.
Bij herhaling iicb ik de onmogelijkheid aangewezen , om het juiste getal der Gelijkenissen van onzen Zaligmaker te bepalen, te meer omdat het woord Parabel door de drie eerste Evangelisten zoo ruim en onbepaald, en bij johannes in 't geheel niet wordt gebruikt. 1) Dit sluit echter niet uit, dat wij thans, aan het einde van ons overzigt gekomen, nog eens de verschillende vormen kunnen nagaan, die in mindere of meerdere mate aan ons denkbeeld van Gelijkenis beantwoorden, en die ons geleidelijk den weg banen van de naauwkeurig afgewerkte Parabel tot de eenvoudige spreuk, zoo als wij er later nog meer van den Heiland zullen aanhalen.
Vatten wij dus nog eens al de trekken te zamen , die wij gewoon ziju aan het denkbeeld van cene Gelijkenis te verbinden, dan wachten wij er een verhaal in, niet aan eene fantastische fabelwereld, maar aan het dagelijksch leven ontleend; terwijl echter die schijnbaar alledaagsche beelden een tegenbeeld hebben in het hooger, geestelijk leven : het zij iedere trek in't bijzonder, het zij de schilderij in haar geheel. Het verhaal zelf, dat de inkleeding der godsdienstige waarheid is, moet dus den eersten hoorders duidelijk en begrijpelijk zijn geweest; maar de beteekenis was hun doorgaans een raadsel. Hierin vonden wij reeds in den beginne de verklaring van het opluisteren en bedekken, beide als 't oogmerk der Gelijkenis opgegeven. Zij bedekt, zoo lang haar ware zin niet geraden nf verklaard wordt. Maar eens begrepen zijnde, heldert zij de godsdienstige waarheid, die er de kern van uitmaakt, op, en bevestigt die. En daar nu de Gelijkenissen wel zeer bepaald tot jezus' onderwijs behooren , en even als zijn ander onderrigt, ééne beteekenis en een bepaald doel hebben, zoo was het reeds het gevolg eener bedorvene uitlegkunde, die van alles alles maken kan, als men aan dit zinnebeeldig onderwijs alle kracht van bewijs ontzeide.
1) Buiten de drie eerste Evangeliëu komt nayufloXij alleen noj; voor in den Ikief aau de Hebreen: van een symbool of voorbeduiding (IX : 9), eu eene vergelijking of zinnebeeld (XI ; 19).
67*
.V A a li D E.
De Gelijkenissen, die het best aan al deze vereischten beantwoorden, zijn de volgende; — waaronder enkele in 't bijzonder als een raadsel zijn aangewezen door de spreuk : IFie ooreu heeft om tc hoorcn, die hoore! 1) even als bij daniël reeds, maar vooral in .roHANNEs' Openharing 2) eene dergelijke uitnoodiging, om de aandacht te wekken en het vernuft te scherpen, gevonden wordt:
Oe Schat in den Akker, de Parel, de Zaaijer, het Opschietend Zaad, Mosterdzaad, Onkruid, Zwardeerj, Vmhnet, de FAgenzinnxge Kinderen, Boo ze Landlieden, Gastmaal en Bruiloft met Bruilofiskleed, Arbeiden in den Wijngaard, Uitbottende Vijgeboom, Maagden, Gesloten Deur, Talenten en Ponden, Bezetene, Onvruchtbare Vijgeboom, On.geljke\ Broeders, Twee Schuldenaars, Onbarmhartige Dienstknecht, lieg ter en Weduwe, Rots en Zand.
Op de volledige Gelijkenis volgt die, waarin het verhaal den vorm aanneemt van eene vraag of soms ook van eene spreuk (door * onderscheiden), die zich op de gewone handelwijze der menschen beroept, zonder dat die handeling in jezus' mond haar parabolisch karakter verliest. Werd de verklaring er niet bij gegeven, meii zou kunnen antwoorden: //Nu ja! zoo doen wij, of zoo wordt er gedaan; maar wat beteekent dit?quot;
De bedoelde beelden zijn: Teekenen des hemels*, Bruiloftskinderen, Kleed en Wijnzakken*, Brood der kinderen*, Licht op den Kandelaar*, 'lorenbouw, Oorlog, de Kundige en Onwetende Dienstknecht*, Dief in den nacht'* , Tolvrije Koningszoon, Knecht die van den akker komt, de roorzigtige Gast en Wjze Gastheer, het Hongerige Kind, de Smeekende Vriend;—-waarbij wij kunnen voegen, die meerden vorm eener vermaning hebben: Wakende Knechten en Uuisbezorger, Boom en vruchten, Tempeljang, Gang naar den Regter, Paarlen voor de Zwijnen , Schat in den hemel.
Verder wijken van onze voorstelling eener Gelijkenis af de onafgewerkte Parabelen, of ook, die meer den eenvoudigen vorm eener vergelijking hebben , en waarin dus niets raadselachtigs wordt gevonden, maar het beelden 't afgebeelde eenvoudig nevens elkander gezet. Tot deze laatste kategorie zou men nog veel kunneu brengen, dat in onzo Verzameling niet is opgenomen, fif omdat het niet, als een geschikte schakel, daarin paste, of omdat er volstrekt geene handeling in zigtbaar was. Later zullen wij zien, dat sommige uilleggers daarin nog ruimer van opvatting zijn geweest dan ik.
De bedoelde Spreuken en Vergelijkingen zijn: Het Verdeelde Koningrijk, Huis des Sterken, Hen en Kiekens, Stad op een' berg. Twee IVegen, Licht der Wereld, Brood des levens, de Weg, de Moedervreugd, Juk, Last eu Kruis, Onzigtbare Wind, Lampe des ligchiaams, Voorraadkamer van den Huisvader.
Eene uitbreiding der vergelijking is weder de Allegorie, waarin de zinnebeeldige en eigenlijke voorstelling gedurig met elkander afwisselen , en die dus hare eigene verklaring met zich brengt. Wij vonden als zoodanig bij johannes: den Goeden Herder, de Beur der Schapen ,
1) De Zauijer, het Onkruid, het licht op den Kandelaat, het Bedorven Zout, en bij mabkus de Paradox van 'l geen denmand ingant. — Synouiem is, bij de Paradox der Gesnedenen, waarvan straks nader: Die hel vatten kun (xioyaCv'j, vatte het. [Matth. XIX: 12.) Vergl. ook de vraag Mark. VIII ; 18.
2) In deu zelfden zin Dan. XII : 4; maar in de Openharing letterlijk, aan het eind van elk der zeven brieven en II. XIII ;
181.
\ a r k d e,
den Ifaren IVjmtok, liet Tanoegraan; terwijl uit de andere l'lvaiig^ilii'ii Ik nier en Koning (T toe kan gebragt worden; — misschien ook beelden als het Brood dos Levens en dergelijke.
Een zijtak der Parabel, dien wij slechts zeldzaam bij jezus vinden, is de Hyperbool, of voorstelling, die boven de natuur en buiten het gebied der mogelijkheid gaat. Wij vonden daarvan alleen: Den Kemel voor hel oog van een' naald, en Splinter en Balk,
Tot het gebied der Spreuken behoort ook de Paradox of Wonderspreuk, die eene waarheid voorstelt in het kleed eener onwaarheid, en daardoor bijzonder de aandacht scherpt en tot nadenken opwekt. Wij zagen reeds in den beginne, dat ook deze, al heeft zij niets van 't geen wij ons als eene Gelijkenis voorstellen, door de Evangelisten soms zóó wordt genoemd. In onze Verzameling namen wij er geene op. In 't Evangelie zelf wordt een Parabel genoemd, een raadsel inzonderheid voor den Israëliet, in de strenge Mozaïsche reinheidswetten opgevoed; Niet wal den mond ingaat, verontreinigt den memch, maar wat daar uitgaat. Wij zouden er meer kunnen bijvoegen; bij voorbeeld: Laat de dooden hunne dooden hegraven ; Wie zijne zgt;ele vindt, zal haar verliezen, enz. {Mutlh. XV : 11; YIII : 23; XI: 39.)
Onder de zuivere Spreuken eindelijk — die spreekwoorden worden, zoo dra zij in de volkstaal zijn opgenomen,— zijn er vele, die de stof tot eene Parabel in zich bevatten. Tot nu toe hebben wij er nog slechts van opgenomen :
Arenden oj) het slagveld; Oogst en Arbeiders; Ploegen zonder omzien; Bedorven Zout; Medicijnmeester ; Blinde Leidsman ; Twee lieren,
In deze geregeld voortgaande reeks was geene plaats voor do //Gelijkenissen in den trant van leerzame verhalen quot;—zoo als van der palm ze noemt,—bij lukas. En als wij er toch sommige reeds van genoemd hebben, wil ik zo hier nog eens herhalen , omdat de inkleeding iets geheel eigenaardigs heeft. Niet de beelden zijn het, die hier hunne verborgene beteekenis hebben, maar van het geheele verhaal moet de bijzondere bedoeling worden begrepen. Dit bragt mij, bij nader inzien, tot de overtuiging, dat het niet volkomen juist was, wanneer ik ze vroeger als Voorbeelden van de eigenlijke Zinnebeelden onderscheidde. Het parabolisch element, dat is 't op te lossen raadsel, is er even eens, maar op eene andere wijze in te vinden. De Samaritaan is niet enkel onze voorganger in barmhartigheid; dat zou een menschlievende priester of Leviet evenzeer kunnen geweest zijn. Even min is lazaküs de voorbeeldige Christen, of des Tollenaars bede het model van ons gebed. Maar de eerste Gelijkenis lost de vraag op u Wie is mijn naaste?quot; eene vraag, den Jood bij de betrachting zijner wet van 't hoogste gewigt. De tweede ontdekt ons het verband tus-schen dit en een volgend leven. De derde eindelijk leert ons den aard kennen van 't Gode welgevallig gebed, als een ootmoedig toevlugt nemen tot God. Ik beveel deze opmerking, als de vrucht van langdurig nadenken en mijn' leiddraad bij de verklaring dezer Parabelen, den geleerden ter nadere toetsing aan.
De Gelijkenissen, die dezen eigenaardigen vorm hebben, zijn :
De Rijke Dwaas, de Arme Lazarus, de drie beelden van 't Verlorene, de Barmhartige Samaritaan, de On regie aardige Rentmeester, de Parizeer en Tollenaar.
Men zou aan al deze zinnebeeldige spreekwijzen nog de parabolische handeling kunnen toevoegen, bij de profeten zoo gewoon, (Zie Inleiding, Blz. xvnr, xix,)
t85
N A li E n li.
maar waarvan ik mij uit het Evangelie slechts drie voorbeelden herinner: het kind, in 't midden van Jtzus'discipelen gesteld, de voet w assching en het avondmaal; ten zij men iets symbolisch zoeken wil in 't vervloeken van den vijgeboom [Matth. XXI : 19), of het met den vinger schrijven in de aarde. {Joh. VIII; 6 , 8.)
Met den vorm van je/xs' parabolisch onderwijs staat ook in verband de verklaring, die bij zelf daarvan gaf, of waartoe hij althans op eene of andere wijze den weg wees. Hierin moeten wij natuurlijk op de getuigenis der Evangelisten afgaan. Zeker is het, dat Jtzus nog meer Gelijkeir'ssen aan zijne bijzondere leerlingen heeft uitgelegd, zonder dat die uitleg ons geboekt is; en hoogst waarschijnlijk, dat ook die beelden , die nu geheel op zich zelve staan , in do aanleiding daartoe of jezi's' verder onderwijs bij die gelegenheid eenen sleutel gehad hebben, die nu voor ons verloren is. Toch is er, meer dan men doorgaans denkt, tot verklaring der Gelijkenissen in de Evangeliën zelve te vinden.
Weder staan hierbij op den voorgrond de Parabelen, door mus eerst als raadsels aan het volk voorgedragen , en daarna aan zijne discipelen in alle bijzonderheden verklaard. Dit is ons alleen met zekerheid bekend van den Zaajer en het Onkruid des Akkers,
Hierop volgen die Gelijkenissen, waar jtzus zelf de verklaring aan het slot heeft bijgevoegd, doorgaans met een A/zoo is of zal—--; zoodat ten minste de hoofdzin niet
te betwijfelen valt. Zij zijn; Vischnet, Booze Landlieden, Torenlouw en Oorlog, Dief in den nacht, Uitholtencle Vjgeboom , Rijke Dwaas, Bezetene, l'irloren Schaap en Penning , Twee ongelijke Broeders, Rentmeester, Onbarmhartige Dienstknecht.
Verder die Parabelen, waarbij jezcs het onderwerp der vergelijking, doorgaans reeds in den beginne, opgeeft; en wel ndit Geslachtequot; bij de Eigenzinnige Kinderen en den Bezetene; en uhe.t Koningrijk Godsquot; of ader hemelenquot; in de volgende; Schal in den Akker, Parel, Opschietend Zaad, Mosterdzaad, Onkruid, Zuurdeeg, Vischnet, Bruiloft, Onbarmhartige Dienstkneclt en Maagden.
Maar inzonderheid maakte ik reeds vroeger opmerkzaam op eene wijze van verklaren, d;e ook bij de ongewijde oudheid als klassiek bekend is. Wanneer de fabeldichters hunne taferee-len uit eene sprekende dierenwereld tot leering voor de menschen voorstelden, werd er doorgaans voor of achter eene spreuk gesteld, een tweeregelig vers meestal, opdat liet volk denzin niet zou missen, of vergeten op te merken. De spreuk vooraf noemde men nqofiid-iov, die aan het slot èm^ifhov. Ik zou niet stellig durven verzekeren, dat ook de Rabbijnen die gewoonte hadden; ten minste, ik vond er maar enkele voorbeelden van, en dan is 't nog meer eene wetgeleerde stelling, die zij door de daarop volgende Parabel zoeken te bewijzen. Maar jezus heeft meermalen eene spreuk, die op deze wijze het hoofdpunt der Gelijkenis aanwijst; aan het slot doorgaans met Alzoo. 1) En daar dit nu bepaaldelijk tot de eigene
l) Over dit oi ioi of ovtiag, als bijna uitsluitend aan lukas eigen, zie 11:241. — Uitvoeriger is over de eigen verklaring van jizus en van do Evangelisten, als een belangrijk exegetisch hulpmiddel, gesproken in de .Vlgemeene Inleiding, Bladz. xlix—liii. Uier geven wij alleen het overzigt van alle be-handelde Parabelen.
NARED li. 487
leerwijze van jezus behoort, gelijk zij door de zijnen niet is nagevolgd , heeft men geen regt, om willekeurig zijn onderwijs van een te scheuren, en te zeggen : //Water boven en onderstaat, beeft men, met de schilderij zelve, ons als jezus'eigen woorden overgeleverd; maarzij zijn het daarom nog niet.quot; Hiertegen pleit ook nog, dnt deze spreuken een' echten Hebreeuwschen tint en vorm hebben, en in den Oosterschen stijl heantwoorden aan het Diatixov der (jrieksohe fabeldichters.
De slotspreuk vinden wij bij liet Huh ran den Sterke, de KonrnUjke Bruiloft, Maagden, Talenten, Verloren Schaap en Penning, Samaritaan, li en tm eest er, Farizeër en Tollenaar. Aan 't begin en aan bet einde staat zij bij de Arbeiders in den Wijngaard,
De genoemde en ook nog ongenoemde Gelijkenissen ontkenen eindelijk aan den zamen bang of de aanwijzing van den Evangelist hare verklaring, of zij doet die ten minste gissen; zoodat slechts zeer enkele geheel onverklaard en ongemotiveerd daar staan. Bij deze moesten wij dus geheel en alleen uit 't beeld zelf, in verband met jezus' doorgaand onderwijs, redeneren; maar haar getal is dan ook veel kleiner, dan men denkt. Ik'althans zou niet anders weten te noemen, dan den Armen Lazarm, den Onvrmhtharen Vijf/etjoom en den Gang naar den Reg ter. Al de andere hebben of in den zamenhang, of als zinnebeelden van 't Godsrijk reeds van zelf eene aanwijzing, die ons op weg brengt tot hare verkla-rng,-—ten zij men den Evangelist hierin niet gelooven wil.
Eindelijk nog een woord over de Evangeliën, waarin ons jezi s' spreukenschat is bewaard. Dat bij johannes de eigenlijk gezegde Parabel niet voorkomt, is reeds in den beginne opgemerkt. Wij missen zelfs bij hem het woord: want waar onze bijbelvertaling Gelijkenis beeft, staat in 't oorspronkelijke niet parabel, maar zinspreuk (na^ot/uV). Wij behoeven hier dus met de verhalen der drie oudere Evangelisten volstrekt geene parallel te trekken. Want wie meenen , dit de schoone Allegorie van den Goeden Herder bij johannes , bij voorbeeld, slechts een andere vorm zo» wezen van 't Verloren Schaap, schijnen aan jezus het regt te betwisten, waar toch iedere volksleeraar ruimschoots gebruik van maakt, om de zelfde populaire beeldspraak dikwijls en op onderscheidene wijzen te gebruiken.
Met de Allegorien van johannes, kunnen wij ook enkele kortere spreuken in onze Verzameling voorbij gaan, en dan komen wij, wat de drie eerste Evangeliën betreft, tot het volgende overzigt:
Bij de drie Evangelisten worden gevonden :
Zaaijer, Mosterdzaad, Verdeeld Koningrijk en Huis des Sterken, Bruiloftskinderen, Kleed en Wijnzakken, Booze Jandlieden , Licht op dun Kandelaar, Bedorven Zout, Uitholten de Vijgeboom, Kemel voor'toog van een' naald, — Men kan er bijvoegen Knechten en Iluis-hezorger, als in den grond één beeld.
Bij mattheüs en markus te zamen, niet anders dan het Brood der Kinderen, in een geschiedverhaal ingeweven. Dit is te opmerkelijker en verraste mij zelf bij het onderzoek ,
n a i! e d e.
rlanr in die andere punten de overeenkomst tusschen de twee eerste Evangeliën de grootste is.
Bij mattheüs en hik as daarentegen vond ik veel meer, dat alleen hun beiden gemeen is, dan ik aanvankelijk had gedacht ; en wel :
Zuurdeeg, Teekenen des hemels, Eigenzinnige Kinderen, Hen en Kiekens, Dief, Iwee Wegen, Bezetene, Verloren Schaap, Tampe des Ligchaams, Room en Vruchten, Gang naar den Reg ter, Blinde Leidsman , Splinter en Balk, Twee Heer en, 't Hongerig Kind, Bots en Zand, Schat in den hemel. — Bovendien nog 't Gastmaal als parallel met de Bruiloft, en Talenten — Bonden,
Bij mattheüs alleen: den Schal in den Akker, Parel, Onkruid, Vischnet, Arbeiders in den IVijngaard, Maagden, Herder en Koning, Twee ongelijke Broeders, den Tolvrijen Koningszoon , Oniarmhartigen Dienstknecht, Jempelgang, Paarlen voor de Zwijnen, de Voor-raadkanier.
Bij markus alléén slechts 't Opschietend Zaad.
Bij i/uk as alleen; De Omziende Bloeger, Torenlouw, Oorlog, Gesloten Deur (vergl. de Maagden bij mattheüs), Rijke Dwaas, Lazarus, Onvruchtbare Vjgebooni, Verloren Venning en Zoon, Twee Schuldenaars, de Knecht van den Akker, Samaritaan, Rentmeester, Gast en Gastheer, Snieekende Vriend, Reg ter en Weduwe, Farizeër en Tollenaar.
Om niet weder te herhalen, wat meer malen van het Israëlitisch-Messiaansclie in 't Mat-theüs-Evangel ie gezegd is, wil ik hier alleen nog iets over lukas bijvoegen.
Zijn Evangelie bestaat duidelijk uit tweeërlei bouwstof, die men nog niet scherp genoeg, ook wat taal en stijl betreft, onderscheiden heeft. Ten deele toch heeft zijn naarstig onderzoek {Luk. I; 3) zich tot schriftelijke bronnen, gedeeltelijk ook tot de mondelinge overlevering uitgestrekt. Schriftelijk kwam waarschijnlijk tot hem, — misschien ten deele door een' defekten maukus, (Zie mijne meer genoemde Inleiding tot den lluishijhel:) — wat niet 't kenmerk van zijn' Griekschen stijl draagt. Tiet zou echter mogelijk zijn, dat ook het andere gedeelte, vooral de hem eigene Gelijkenissen bevattende, reeds vroeger door een' Griek ware opgeschreven. De vraag, of jezus, die zeker doorgaans van de Arameesche landtaal gebruik maakte, ze ook, ter wille der vreemdelingen, in het Grieksch kan hebben uitgesproken, is wel eens bij mij opgekomen; maar daar juist deze Gelijkenissen doorgaans tegen de Parizeen gcrigt, of anders onder eenc digte volksmenigte (en dus onder Palestijnsche Joden) zijn uitgesproken, kwam mij deze gissing te gewaagd voor.
En wat nu lukas vond en hoorde, dat schakelde hij zoo goed mogelijk aan een , en verhaalt gaarne do gelegenheid, waarbij iets gezegd is. Zulk eene aanteekening is , even als de glossen van Johannes , geheel onderscheiden in toon en vorm van de spreuken , waarmede jezus zelf zijne beelden in- of uitleidt, 't Is onmiskenbaar , bij lukas althans , waiir de Evangelist spreekt en waar de TTeor. Een voorbeeld buiten ons terrein is de aanleiding, die lukas opgeeft voor het Onze Vader {Luk. XI : 1), door mattheüs eenvoudig in de Bergrede ingelascht. Bat bij de Parabelen zulk eenc aanleiding of bedoeling te gelijk den hoofdzin aanwijst, is duidelijk. Wij weten nu ten minste zeker, zonder aan zijne
488
NAREDE.
opvatting onfeilbaarheid toe te schrijven, hoe lukas die heeft opgevat. Zulke inleidingen vinden wij bij hot Ver deel de Koningrijk, Bruiloftskinderen, Torenbouw eu Oorlog, de Ponden, Rijke Dwaas, lieg ter en Weduwe, Farizeer en Tollenaar, behalve nog meerandere, waarbij de Evangelist in den zaraenhang de bedoeling aanwijst.
Eene enkele maal geschiedt dit ook door eenc opmerking aan liet slot, zoo als bij de Booze Landlieden cn den Onregtvaardigen Rentmeester.
Niets heb ik hier meer bij te voegen, dan de herinnering van 't geen in de Inleiding gezegd is over die Gelijkenissen, die tweemalen in verschillenden vorm voorkomen, of die de zelfde waarheid in tweeërlei beeldspraak voorstellen.
Het eerste merkten wij twee maal op, met de bijzonderheid, dat de eenvoudigste en dus schijnbaar oorspronkelijke vorm de ccne maal bij mattheüs , de andere bij lukas gevonden wordt. De Parabel der Talenten bij matthküs schijnt wel te zijn uitgebreid in de Vonden bij lukas, cn 't Gastmaal bij dozen in de Koninklijke Bruiloft van matthküs. De vraag nu in het midden latende, of wij dit duplikaat aan don Heer zolf of aan zijn' Evangelist te danken hebben, willen wij nog alleen herhalen, dat de eene Gelijkenis wel uit de andere kan opgehelderd, maar 't verschil vooral niet moot vereffend of uitgowiseht worden. Mijns inziens is de zelfde regel toepasselijk op het Verloren Schaap, dat bij mattheüs een' eenigzins anderen zin heeft dan bij iafkas.
Wat ten slotte de parallelen betreft, over dezen is in de Inleiding opzettelijk gesproken. Zij zijn Mosterdzaad en Zuurdeeg, Kleed en Wijn zakken, het lAcht en de Berg stad, Weg en Voort, de Tempelgang en die naar den Regter; — buitendien zijn ook parallel de beelden van Hond en Zwijn;— terwijl wij inde Gelijkenissen van 't Verlorene, Luk. XV, zelfs een klaverblad vonden, en er een tweede zouden kunnen vinden in Irood, visch en ei; ja zelfs een derde, schoon door den Evangelist niet aangewezen, in 't Gebed van Kind, Vriend en Weduwe.
TWEEDE HOOFDSTUK.
VETIDEHE SPREUKEN EN BEELDEN VAN JEZUS.
totaal-indruk van zijn parabolisch onderwijs.
Het kan natuurlijk mijn oogmerk niet zijn , eene volledige verzameling te geven van mus' spreuken , en nog veel minder eene voldoende verklaring. Daartoe zou ik do grootste
489
narede.
helft van het Evangelie moeten uitschrijven en ophelderen; want de sprcukstijl was jezus eigon, en wat hij daarin sprak, bleef zeker het best in 't geheugen, naar het woord des Predikers (XII : 11): Be woorden der wijzen, zijn gelijk prikkelen, ja! gelijk nagelen, die diep zijn Ingeslagen. Het was alleen mijn oogmerk, nog eens op den vorm van jezcs' spreuken te wijzen, en vooral op het parabolische, dat ook daarin te vinden is: //het lagere en zinnelijke, als beeld van de hoogere en geestelijke waarheid;quot; — waardoor jezus' onderwijs eene mate vau populariteit bezit voor alle volken en door alle eeuwen heen, als
geen ander ter wereld.
De eenvoudigheid en beknoptheid van jezüs' spreuken , met zinrijkheid en diepte ver-eengd, doet ons aan die van salomo denken, die zij echter verre overtreffen, daar zij nog dieper ingrijptn in 't leven, en hooger den geest eu 't gemoed verheffen. Welke spreuk van Israels wijzen evenaart in eenvoud en rijkdom die van den Heer: nOordeel niet, opdat i/j niet geoordeeld wordtquot; n IFie het zwaard nemen, zullen door het zwaard vergaan quot; iiWat gij wilt, dat u een ander doe, doe hem ook alzoo?quot; — Ook het parallelisme der Hebreen, dat wij dikwijls opmerkten in do Gelijkenissen, vinden wij in menige spreuk terug; insgelijks de tri cis of 't klaverblad , bij voorbeeld in t bekende: Tiidt, en u zal gege-ren worden; zoekt, en gij zult vinden ; klopt, en n zal worden open gedaan. {Matth. VII: 7.)
Wij merken nu alleen nog op, dat het hyperholiselie, of do voorstelling, die boven de bedoeling gaat , even min in jkzüs' spreuken wordt gemist. Het is toch zeker niet , om het in letterlijken zin te beproeven of te betrachten, dat jezus vermaant: uIndien uw regteroog u ergert, trek het uit en werp het ran u; indien uwe hand, zoo houw ze a/ ! Of: n Als 'iemand u op de regter wang slaat, keer hem ook do linker toe; (en de parallel.) twist hij met u om den mantel, geej hem ook het onderkleed /quot; {Matth. V : 29; .30; */■) 11.) Bij zulke vermaningen past wel zijn woord: Die ooreu heeft, om te hooren, die hoore! en Mijne woorden, (niet naar de letter op te vatten,) zijn geest en leven. {Joh. VI : 63.)
Het zelfde geldt, op eene andere wijze, van de paradoxen of wonderspreuken. Behalve de straks genoemde, zijn reeds bij de Gelijkenissen behandeld: o Vele eersten zullen de laatsten zijnquot; u IVie heeft, hem zal gegeven wordenquot; enz.
Maar het zijn inzonderheid dc beelden, die ons aantrekken; en wij hebben slechts de Rvangeliën vlugtig door te loopen, om er nog eene rijke nalezing van to vinden. Reeds in de Bergrede ontmoeten ons de vogelen des hemels en dc leliën des velds {Matth. VI: *!(), 28), die zoo vele duizenden vertrouwen geleerd hebben op Gods zorgende Voorzienigheid , als bij wie al tie haren onzen hooj'ds zijn geleld. En straks daarna zien wij, wel niet met afgunst maar toch met weemoed, jezus zelf tot die musclijes opzien, waarvan er twee om één penningsken worden verkoeht, als hij klaagt: nDe rossen hebben holen en de vogelen des hemels nesten, maar de Zoon des menschen heeft niet, waar hij het hoofd kan neder leggen.quot; Tc midden dier gevaren , die ook zijne getuigen zouden ontmoeten in do wereld, waarschuwt hij de discipelen : tt JVeest opregt als de duiven, maar listig als de slangen.' Toch vermaant hij ook weder: ullet geen ik u zeg in de duisternis, zegt het in 't licht; en (als nog sterker parallel) het geen gij hoort in het oor , predikt dat op de daken'.quot; {Matth. \ 111:20; X : 16, 11.)
Verder noemt jezus de jongeren, door hem van het vischnet geroepen, vissehers van
190
n a 11 k li k
memchen. Van Johannes den Dooper spreekt liij als liet tegenbeeld van een riet aan den Jordaanoever, door den wind op en neder lewogen. (Maüh. XI : 7.) Den Parizeen verwijt hij, dat zij wel een schaap uit de gracht redden op sallat, en niet willen, dat hij een' menseh redden zal; en hij noemt de geveinsdheid een' zuurdesem, waarvan zij geheel doortrokken zijn. [Matlh. XII: 11; Luk. XII; 1.) Om den zijnen een' anderen geest in te boezemen, neemt hij het levend beeld van den eenvoud , een kind, in zijne armen, of stelt het in 't midden van zijne apostelen , en spreekt met hoogen en bestraffenden ernst over hem , die één van deze kleinen ergert: n't Hare hem heter, (weder ecne hyperbolische spreekwijze:) dal een molensteen om zijn' hals gedaan en hij in het hart der zee geworpen , (met andere woorden //dat hij nooit geboren) ware!' {Matlh, XVIII : 1—6,)
Van de onthouding van 't huiselijk geluk ter wille van het Godsrijk, spreekt jiszus onder het beeld der Eunuchen of Gesnedenen, die Isrels wet iret duldde; maar dezen hebben ook zich zeiven die onthouding opgelegd. [Matlh. XIX ; 13.) En van zijn aanstaand lijden eindelijk spreekt de Heer als van een' bitteren drinkheicer, en een' Oloed-doop; maar eerst nog is 't, of hij tegen zijne doodvijanden, do rarizeën, den ganschen schut zijner beeldspraak uitput: als die den kemel inzwelgen en de mug uitzijgen; het buitenste des lekers reinigen, en 't binnenste niet; wit gepleisterde graven, vol doodsbeenderen en verrotting, wolven in de schaapsvacht. En wanneer hij nu eindelijk den lijdensbeker vrijwillig zal aan de lippen zetten en zijn kruis op zich nemen, laat hij aan zijne discipelen de parabel der parabolen achter, het heilig en onvergankelijk symbool van het Evangelie: het zinrijk avondmaal. [Matlh. XX . 22; XXIII ; 24, 25, 27; Vil: 15; XX VI : 26—29.)
AVij zijn met mattheüs ton einde, wien doorgaans mar kis vergezelt; zien wij, of luk as ook iets nieuws heeft. Nieuw is het niet, maar echt Israëlitisch, wanneer de discipelen gelast worden, bij het verlaten ecner stad, die het evangelie vijandig is, het slof af te schudden van de voelen, tot eene getuigenis tegen haar; en het schijnt veel eer een gezigt dan een zinnebeeld, als jêzus den zeventig discipelen verklaart, dat hij bij den voorspoed hunner prediking, den Satan zag als een bliksem uit den hemel vallen. Zuiverder beeldspraak is de vereeniging [tri as) van een vuur, dal lij op aarde werpt, een' bloedigen doop, waarmee hij wordt gedoopt, en een zwaard, dat h'j brengt, als zinnebeelden van den geweldigen strijd , die tot vestiging van het Godsrijk onvermijdelijk was; of als bij , door de Farizoën verzocht, om de Hosanna's der kinderen te verbieden , verzekert, dat, als dezen zwijgen, de sleenen haast roepen zullen; of weder in den vertrouwden kring der zijnen waarschuwt, dat de Satan zeer begeert hen te ziften als de tarwe; of eindelijk, als hij de dochters van Jeruzalem toeroept: nIndien dit aan het groene hout geschiedt, wat zal aan liet dorre geschieden ?'* [Luk. X : 11,18; XII: 49, 50; XIX: 40; XXII: 31; XXIII; al.)
Bij jouannes lezen wij, vroeger reeds dan bij de andere Evangelisten, de beeldspraak : vBreekt dezen tempel af, en in drie dagen zal ik hem opbouwen;' — verder de verklaring, dat het Ji.zus' spijze is, Gods wil te doen; de spreuk ; uEen ander is het, die zaait, een ander, die maaiten, zoo wij aan dit gezegde eene spreekwoordelijke beteekenis toekennen: vflog vier maanden, en dan de oogst.quot;— En zoo als jouannes met zekere voorliefde jlzus'
OS*
4-91
nark d k.
beelden van licht en duisternis, brood en bronwater aanhaalt, zoo vinden wij bij hem ook dat. van V lerend water, dat den geloovige uitzijn eigen binnenste ontspringt.— T)c dood als een nacht, waarin niemand werken kan, of als een slaap, waaruit jezüs zijnen vriend gaat wakker maken , is ook dit Evangelie eigen. 1) Tegenover bet symbolisch avondmaal , staat bij johannks in den kaatsten nacht de zinnebeeldige voetwassching. Eindelijk wordt dit Evangelie, na jezüs* opstanding, besloten met den zinnebeeldig uitgedrukten last aau petbus; uWeid mijne schapen, hoed mijne lammeren/quot; en de even eens zinnebeeldige profetie: u-Tong zijnde, gord Jet gij u zeiven, om te gaan, waar henen gij wildet; oud geworden , zal een ander u gorden, om u te brengen, waar gij niet roezen wilt— eene voorspelling, die ons later aha bus herinnert, als hij met paulus' gordel zich zelven bindt, tot eene voorbcduiding van zijne gevangenschap. {Joh. IT : 19; TV : 3!•—38; VEI; 37, 38; TX : 4; XT : 1]; XTTT : 1—17; XXT ; 16—18.)
Kleiner en toch niet onbelangrijk is .Ie oogst, wanneer wij uit de Evangeliën verzamelen, wat als beeldspraak aan Israels geschiedenis en Heilige Schrift ontleend is. Het paradijs is den stervenden Heiland 't beeld der hemelsehe gelukzaligheid; de dagen van noach en die van Sodoms verwoesting bij zijn laatste onderwijs dat der wereldsche zorgeloosheid, en lots huisvrouw een prikkel tot waakzaamheid. Uit de dagen van mozes wordt de koperen slang het beeld van den verhoogde aan het kruis, 't manna der woestijn van hemelsch brood, en uit zijne wet het zont der offerande het beeld der beproeving. Uit lateren tijd gedenkt jezps aan david, als wien de Messias een zoon zou zijn en toch zijn Heer, en wijst do bekrompen Farizeen op de toonhrooden, die hij, tegen deletter der wet, op zijne vlugt gegeten beeft. Salomo wordt herdacht in al zijne heerlijkheid, zoo als hij bezocht en bewonderd werd door de koningin van 't zuiden; T/jrus en Sidon in hunne weelde en hunnen ondergang. En weder uit later' tijd zijn het elia en eltsa , die bijzonder jezüs' aandacht trekken, do eerste bij de weduwe van Zarfat, de laatste bij de genezing van naüman , den melaatschen Syriër;—• terwijl hij eindelijk in jona's predicting aan hinevé en zijne wonderbare redding zijn eigen beeld aantoont. {Lulc. XXTV ; 13; XVil ; 26—32 ; Joh. Ill : 11; VI : 32; Mark. IX : 19; MaHlt. XIT ; 15; XTI : 3, 4; VT; 29; XII: 39—12; XI: 21—24 ; huk. IV : 25—27.)
Daar jezus alleen aan de Hebreeuwsche Heilige Schriften van zijn volk zijne aanhalingen en zijne beeldspraak ontleent, ontbreken daarbij de vijf laatste eeuwen en de Griek-sche Apokryfen geheel.
Terug keerende tot de eigenlijke beeldspraak van onzen Heer, merken wij daaromtrent in het algemeen op, dat zij voor hem geen sieraad der rede is, maar één doorgaand leerbeek!, waarbij de zigtbare wereld de spiegel is der onzigtbare, en die zich zoo geheel met jezüs' denken en spreken heeft vereenzelvigd, dat hij zelfs in zijne hevigste ontroering van vuur
l) Het laatste hebben ili; Synoptici ook bij de opwekking van jaïkus'dochtertje.
NAREDE.
en zwaard, in zijne eenzaamheid van een' drinkbeker spreekt. Dit figuurlijk denken (van waar ons denk-beeld en,) is ook geheel en al Israëlitisch. De Psalmen doen ons zien, dat ook do in eenzaamheid verlatene ziele tot God» in boelden spreekt, als haar Rots en Burg, de Levende, naar wien zij dorst als een hert naar waterleken. Maar juist daarom is do aard van Jtzus' beelden onze bijzondere opmerkzaamheid waardig. De van ouds bij ons geëikte, zoo genaamd klassieke beeldspraak was, als geleend en overgeërfd , volmaakt karakterloos. Onze regtzinnigo en vrome vaderen riepen Heidensebe Nymphen en Muzen aan, ja! al de goden van den Olympus. Stedelingen mot enorme pruiken zongen een herderslied, en leeuwen en tijgers, vergiftige slangen en adders, arenden en gieren, wolven en hyaena's, krokodil en nijlpaard :—eene geheele menagerie met éën woord van uitlandseh gedierte leeft van ouds her in onze Tlollandsehe verzen, terwijl wijnstok, olijfboom en dadel er welig groeijen, en zicb de ceders van den Libanon er boog in verheffen. Maar dicht eens op een vaers of pink, paling of brasem, en zet aardappels in plaats van 't //golvend graan — gij hebt terstond alle aanspraak op den naam van dichter of redenaar verbeurd!—En waarom dan toch? Bestond do hooge en blijvende waarde van de poëzij der oudheid daarin, dat zij van zelf opwies uit eene hoogere natuurbeschouwing, de beschouwing van die natuur, die hen omringde; waarom moeten wij met de geleende veêren der ouden pronken ?
In dit opzigt bezit jezds vooral eene oorspronkelijkheid, die zjlfs de schare in 't oog viel, als zij uitriep: ullj spreekt niet als de Farizeën en Schriftgeleerden. 'Nooit heeft eenig mensch gesproken ah deze menschquot; Jezus leent de beelden der ouden niet, hoe vol daarvan de Heilige Schrift van Israël is. Hij neemt d e zelf uit de natuur, uit de menschenwereld, uit zijn eigen hart. Dit inwendig bewijs voor do authenticiteit zijner woorden, weegt bij mij veel zwaarder, dan de uitwendige getuigenissen voor de Evangeliën, hoe boog ik die schat. Honderd jaren later was hot onmogelijk, zóó te spreken en te schrijven. Reeds de apostolische schriften zijn hiervoor bet bewijs, en nog veel meer de oud christelijke literatuur, die er op volgt en er zoo ver beneden staat. Zoo schetst jeztis bij voorbeeld hel ontluiken van den vijgeboom in Talesthm, cn reeds i.ukas, de firiek, heeft getoond , dat hij de fijnheid dier teekening niet begreep (I : 396).
Karakterestiek is ook het onderscheid, dat er is tusscben de beeldspraak des Ouden Verbonds en die van onzen Heiland, Ontbreekt het ook de eerste aan zachte en liefelijke beelden niet, doorgaans is zij toch forsch en stout, en dikwijls krijgszuchtig. De Jehovah Zebaöth, Heer der heirseharen, wordt in mus' mond vervangen door den Vader in de hemelen; de hemelzalen met den schitterenden troon, met Cherubs en Serafs, door een huis des Vaders met zijne vele woningen. En van het rnrjestueuze onweder, dat Jehovahs vijanden verdelgt, blijft alleen het alom zigtbare bliksemlicht cn de bazuin der toekomst van den Zoon des mensehen over. Beelden des vrede? en der liefde zijn het, die 't Evangelie zoo liefelijk en bevallig maken, terwijl alleen de heftige aanvallen zijner vijanden een enkele maal den Heer van zwaard en vuur doen spreken.
Nog iets. Uit jkzls' beeldspraak, — zoo natuurlijk is zij,—zouden wij eene welgelijkende schets kunnen ontwerpen van 't volksleven in zijn vaderland; en die schets heeft
493
x A jt e 1) e.
vooral een' aandoenlijken nadruk voor den reiziger, die dat thans zoo ontvolkte, verarmde, verwaarloosde land aanschouwt. Met eene kleine proeve van zulk eene schets wil ik de behandeling van jezus' parabolisclf onderwijs besluiten.
Slaan wij eerst een' blik op de natuur. Ginds de woestijn, de vermeende woonplaats der démonen, hier do heryen, waarop soms eene bergvesting, voor allen en van verre zigt-baar, den trotschen toren verheft, of langs de bedding van een' woudstroom het kuis op eene rols wordt gebouwd. Verre beneden ons de Galileesche zee, vervrolijkt door 't gezang der visschers; op dc bergruggen de herder, die zijne schapen weidt, of de zwijnen in 't land der Gadarcnen. En in 't vruchtbaar Galilea akkers, waarover de zaaijer henen gaat om ie zaaijen, waar dc ploeger niet omziet, of waar de maajers de zizanien in busselen binden, en 't graan vrolijk dragen in de schuur; of weder de hooge dorschvloer, waar de
wan het koren opwerpt in den wind , of de zeef 't zuivert.---Hoe vele beelden vonden
wij niet, aan akkerbouw, visschersbedrijf of herdersleven ontleend, en in die allo de geschiedenis van't Godsrijk! Maar ook de boomgaard ontbreekt niet, waar de goede hoorn goede vruchten voort hrengt, de wijngaard, waar soms de v'jgéboom in geplant wordt, wiens takken teeder worden, als dc zomer ontluikt; de tuin, waar munt en dilte en komijn in wordt gezaaid, en 't mosterdzaadje hoog opschiet ; en weder even min de leliën op't veld, of de doornen der woestijn, waarvan men geen vijgen leest, de distelen, waar men geen druiven aan plukt; en over die alle dc zon, die opgaat, de regen, die neder daalt, of wel de
bliksem , die in een stip des tijds den hemel klieft, en do watervloed van 't gebergte.---
Is hier niet geheel de rijke natuur van Palestina geschilderd? En mist cr iemand de cederen of de sneeuw van 't gebergte, het was ook niet tusschen de bergkloven of op de trotsche helling van den Libanon, dat jezus leerde. De natuur, die van jongs af hem Gods woord had toegefluisterd, was de zelfde, die nog sprak tot zijne hoorders.
En van daar nu ook , dat het dierenrijk in jezus' beeldspraak zoo veel minder vertegenwoordigd is, vooral het wild gedierte, dat in eene digt bebouwde landstreek steeds minder gezien wordt: een enkele maal de hrieschcnde leeuw, de slang, en als de natuurlijke vijand van den schaapstal de wolf ; ook slangen en adders, niet zeldzaam in de wildernis, en de vossen in hunne holen. Maar weder ontbreken hier geheel, voor hem die het forsche en grooto zoekt, de zeemonsters, nijlpaard en krokodil: want nooit wandelde jazus, zoo ver wij weten, langs de kust der Middellandsche zee, en nog minder reisde hij (na zijne kindsche dagen althans) naar Egypte. In plaats van dezen zijn het duiven en musschen, en al 't gevogelte, dat aast op den akker; de honden, onder Israël voor dc poort, bij de Heidenen onder de tafel; — en de hen met hare kiekens, waar dc gieren op azen.
Maar het was in die schoone natuur van zijn vaderland vooral de mcnsch en het men-schelijke leven, waarin jezus belang stelde. 'Die belangstelling begint reeds bij de moeder, die al haar wee vergeet, uit vreugde, dat er een menseh geboren is. Daarna zijn 't de kinderen inzonderheid, die jezus' belangstelling wekken: voorbeelden van eenvoud en nederigheid, waar menig volwassene zich aan kan spiegelen; en van een toevlugt nemen tot de vaderlijke liefde, die voor brood geen steenen geeft. Maar in de kinderen op de markt zag jnzus ook reeds de eigenzinnigheid en den onwil, het beeld van zijne tijd- en land-
494
NAREDE.
genootm, en schetst hunne kinderlijke spelen , het zij zij den optogt eener bruiloft ver-toonen of de uitvaart eener begrafenis.
Uit 't huiselijk leven, in den stand, waartoe de discipelen zoo wel als jezus zelf behoorden, vonden wij het liefelijk beeld der nijvere en zuinige huisvrouw, die 't zuurdeeg mengt, om haar huis brood te bezorgen, ai fa huisïamp ontsteekt en ijverig zoekt naar den verloren' penning, waarna zij de lamp 07; den luchter zet. Maar veel talrijker zijn de mannenbeelden in jEZrs'Gelijkenissen en vergelijkingen. De verdwaalde reiziger keert in tot zijnen vriend, en deze wekt met moeite zijn' nabuur om brood te leen. De re gier eener kleine stad houdt dagelijks zitting, en zijn onwil wordt door eene arme weduwe overwonnen. De landman zaait en oogst, ook waar zijn vijand onkruid zaait time7/en de tarwe. De herder gaat zijne schapen voor, en zij kennen zijne stem en volgen hem • ja ! hij stelt zijn leven voor ile schapen, terwijl de huurling vliedt, en zoekt het verlorene op, zelfs in de wildernis. En als toonbeelden van menschelijke ellende, behoeft de kranke den Medicijnmeester, of wordt de Bezetene gemarteld door zijne démonen.
Wat hooger in stand klimmen wij op, waar wij een heer des htizes ontmoeten, die ai beider s, een vader, die. zijne zonen in den wijngaard zendt. Vrolijk lagchen ons daarbij Kanadns wijnbergen toe, en zien wij er 't loon uitreiken aan den avond, nadat de daglooners den last des daags en de hitte hebben gedragen. Of weder ziet de rijke landheer met smart zijn' jongsten zoon vertrekken, hoedt deze onder de heidenen de zwijnen, maar wordt ook bij zijne terugkomst in 't vaderhuis het gemeste kalf geslagt.
Anders weder is het gastmaal, waartoe armen en vreemden worden genoodigd, of van waar de lieer terug komt, en zijne knechten wakende vindt. En gelijk onder de Joden het offeren sabbatsmaal tot de godsdienst zelve behoorden , terwijl jkzus zelf zich daarin van johannes den Dooper onderscheidde, dat hij aan die gezellige vreugde van 't leven deel nam, zoo schetst hij meermalen zulke maaltijden, waar de nederige man de laagste plaats inneemt, waar do armen worden genoodigd , en die dus 't beeld zijn van het hemelseh gastmaal, waar ahkaiiam aan lazarus zijne plaats aanwijst. Ja! ook de bruiloft stelt Jfzus ons levendig voor oogen, in den optogt bij fakkellicht met bruidegom en maagden, en in nog hooger stand daar, waar de koning zijnen zoon eene bruiloft bereidt, en de gasten in feestgewaad worden binnen gelaten.
Weder anders is 't beeld der huishoudelijke zorg en der gastvrijheid, in de voorraadkamer-, of van do zorg eens rijken in de toevertrouwde talenten, en den handel der wisselaars. Te Jeruzalem vooral zag jezus dien rijkdom en dien geldhandel, de rentmeesters der groeten en do afrekening der vorsten met hunne dienaars. En hij bestrafte alleen de vereering van dien on r eg tr aar dig en Mammon, wanneer de rijke dwaas er zijne toekomst op bouwt, of de weelderige brasser den armen lazarus veracht. Dan schildert hij, in een zinnebeeldig tafereel, de armoede des doods en de ellende eener hopelooze eeuwigheid.
Eéne bijzonderheid wil ik hier nog uit het vroeger gezegde (IT : .365) herhalen. Het is opmerkelijk, hoe weinig jezus van het vormelijke der Joodsche godsdienst spreekt, en hoe zelden hij in zijne beeldspraak daarop doelt. Tempel en offerande, priester en Leviet, en de toonbrooden zoo wel als de sabbat, wanneer zij in jezus' spreuken en beelden voor-
495
n a ii is d h.
komen, is liet slechts als eene voorbereiding tot de vrijere aanbidding in geest en in waarheid.
Bij dit alles hebben wij slechts voor etsne klip ons te hoeden, daar vroegere uitleggers wel eens schipbreuk op leden, en waarop ik met verbazing weer nieuwere mystieken zie stranden. Men heeft, om zoo te zeggen , jezus' beeldspraak willen systematiseren, door te bepalen: //Dit beteekent een schaap, en dat een boom, of zuurdeeg of mosterdzaad;quot; terwijl die beelden verschillende beteekenissen hebben, naar hunne omgeving, en nooit typen zijn, maar altijd beelden blijven. Zoo vonden wij bij voorbeeld het zuurdeeg in een' goeden en in een' kwaden zin gebezigd, poorten en vestingwerken zoo wel aan het rijk der duislernis toegeschreven als aan dat des lichts, en de honden in hunne onreinheid geschetst, zoo wel als in hun mededoogeu met den armen lazarus.
Alles spreekt tot jüzis en spreekt door hem. Zijn Evangelie verplaatst ons van zelfs in zijne omgeving, en het Oosten is er door bekend geworden iu 't Westen, Zuiden en Noorden. Maar zoo veel dit immer mogelijk was, zijn die beelden, met al hun lokale kleur, algemeen menschelijk. Zij doen ons weldadig aan. Zij spreken tot armen en tot kinderen. Zij ademen der onrustige wereld vrede toe, en lluisteren tot ons van de liefde Gods; en het hart verstaat die stem der natuur en des levens. Kortom, het Evangelie van het Koningrijk der hemelen, hoe vaak den wijzen en verstandigen verborgen, is in d.e beeldspraak den eenvoudigen en kinderkens geopenbaard.
NAVOLGING VAN JEZUS' PARABOLISCHE LEERWIJZE ÜOOR DE APOSTELEN EN LATERE EVANGELIE-
Van den beginne af vestigde ik de aandacht op de opmerkelijke bijzonderheid, dat de zuivere parabolische leervorm bij johannes reeds niet meer voorkomt. Tk kan er thans bijvoegen , dat hij ook in het oudste apostolisch onderrigt, naar de UandeVingen en de brieven, wordt gemist, en eerst in de tweede eeuw, als een flaauwe weerschijn van liet oorspronkelijke evangelie, nog eens terug keert. Mijns inziens is dit inwendig bewijs voor de echtheid van jezus' woorden het sterkste van alle. Dat men jezüs' wonderen of zijne opstanding niet aanneemt, als in strijd met eigene levensbeschouwing, kan ik begrijpen; en acht het wondergeloof op zich zelf niet een eerste vereischte voor het christelijk leven, al is 't bij mij en anderen daarmede naauw verbonden. Maar de ligtvaardigheid, waarmede men , om dit te ontwijken, de helft van jezus' woorden, spreaken en beelden hem eenvoudig ontzegt en op rekening der legende zet, begrijp ik mij niet. quot;Wiidr schuilde dan toch in de apostolische of daarop volgende eeuw het genie , dat zoo gemakkelijk woorden bedenken kon , geheel gelijk aan die van hem, die sprak zoo als nooit iemand gesproken heeft ? 1) In de schriftelijke oorkonden der twee eerste eeuwen treffen wij het nergens aan. De eigenaardige welsprekendheid van jezüs zwijgt op den dag zijner hemelvaart.
heeds gedurende jezus' omwandeling op aarde verstonden de discipelen niet eens zoo gemakkelijk zijne parabolische spreekwijze. De Evangelisten tcekenen dit allen, en meer dan eens aan. Wij, van jongs af eraan gewoon, kunnen ons naauwelijks die stompheid voorstellen; en toch heb ik ze ook bij leerlingen, wie het evangelie nog eene vreemde zaak was, even eens opgemerkt. Toen jezus het eerst in Gelijkenissen begon te spreken, raadde niemand
1) In eene aanteekeniug wil ik hiervan eeue proeve geven , omdat zij niet behoort tot ons eigenlijk onderwerp. De overlevering legt jezus, bij zijne verschijning aan jakobus (1 Kor, XV :7), die zich bij zijnen dood eene vrijwillige vasten zou opgelegd hebben , de woorden in den mondt uEet nu en drink, mijn hroeder ! nadut de Zoon lt;fcgt;- mensehen uit de dooden is opgestaan.quot; Dit woord is den lieer niet onwaardig, maar heeft ook niets, dat hem bijzonder kenmerkt. Hoe geheel anders is het met het woord tot thomas, waarin zelfs 't parallelisme van jüzüs'spreukstijl, anders aan johannes vreemd , te hooren is; hoe geheel anders ook met de drie maal herhaalde vraag aan petrus! {Joh, XX ; 2Ü; XXI; J5—18.)
n a r k d k1.
daarvan den zin , ook niet de Apostelen, die anders nog het meest zijnen geest begrepen. En ook later, was 't niet alleen eene Samaritaansehe, die het levend water in eigenlijken zin opvatte, maar zelfs een leeraar in Israël, sikodemüs, die van het wederom geboren worden zicli geen begrip kon maken. Ook simon de Parizeer begreep , v66t mus haar uitlegde, de Parabel der twee schuldenaars niet; en mus moest zijne bestraffende beeldspraak al zeer duidelijk maken, eer de Overpriesfers en Parizeen begrepen, dat dit op hen gezegd was. Wat wonder, dat eenvoudige Galileesche vissehers, in het raden van spreuken, althans Isrels leeraars niet vooruit waren? Jezus waarschuwt: n Wacht u voor den zuurdesem der Parizeen en Sadduceen Iquot; en zij zeggen: /'Dat ziet op ons, omdat wij geene hrooden mede genomen hebben.quot; Hij zegt: //La/arus onze vriend slaapt, en ik ga hem wekken.quot; Zij antwoorden, dat slapen gezond is voor een' zieke, T5ij den uitgang naar Gethsemané schetst jezus den aanstaanden nood des tijds door het verkoopen van 't opperkleed voor een zwaard, en terstond zoeken zij twee zwaarden op! Zoo dikwijls in do war gebragt door jezus' figuurlijke spreekwijze, was hunne vreugde natuurlijk, als zij den laatsten avond zeggen konden: i/Nu spreekt gij open en vrij uit, en gebruikt geene zinspreuk meer.quot; 1)
Zelfs later, al was het, dat de Heilige Geest hen indachtig maakte alles wat jezus hun geleerd had, was het daarom nog niet zoo zeker, dat zij de diepte van zijne woorden peilden. De beide eerste Evangeliën, waarvan de schrijvers zelve, naar oud Hebreeuwsche wijze, geheel op den achtergrond terug treden, geven ons geene gelegenheid om dit op te uierken. Maar bij luk as meenden wij het een enkele maal te hooren, dat hij den diepsten zin van jezus' woorden niet vat. En ook de nadere verklaringen (Fpe.regesen), die het Evangelie van Johannes kenmerken, schijnen niet altijd juist of volledig: bij voorbeeld waar hij in het van de aarde verhoogd worden, alleen eene voorspelling ziet van jezus' op-heffing aan het kruis. {Joh. XIT : S2,)
Ik voer dit alles aan als een bewijs , dat jezus' spreuken en beelden, zelfs boven de bevatting van zijne beste hoorders uitgaande, onmogelijk door hen of anderen kunnen zijn uitgedacht. Maar te gelijk ook tot verklaring van het verschijnsel, dat de strikt parabolische leerwijze met jezus zelf ophoudt.
Ik voeg er het woord strikt bij, omdat alleen van de volkomene en geheel uitgewerkte Parabel, — naar de beschrijving, in de vorige Afdeeling er van gegeven,—de apostelen en apostolische mannen zich, zoo veel ons bekend is, nooit hebben bediend. Anders is het, schoon ook deze niet veelvuldig zijn, met de half afgewerkte Parabelen; maar inzonderheid met de spreuken en beelden , die er de stof toe bevatten. Het is vooral in betrekking tot de laatste , dat wij het eerst van allen jakobus noemen.
198
De verwantschap tusschen jakobus' brief cn de Bergrede van den Heer , heeft in den laatsten tijd meer dan vroeger de aandacht getrokken , cn het oordeel van t.uther , die het reen brief van strooquot; noemde, zal niet ligt meer bij iemand bijval vinden. Er ligt over geheel dit geschrift een antieke, echt Hebreeuwsche tint, die ons jezus' spreuken herinnert, vooral die kennelijk in 't Hebreeuwsch opgeschreven en daaruit eerst later in 't Grieksch
1) Joh. I V : 11 15; 111:4; luk. VlI:-)3; MM. XXI ; 45; XVI ; 7; ,/oA. XI: 12 ; luk. XX; :!8; .Mi. XVI ; 29.
vertaald zijn. ïe gelijk met deze meerdere waardering van den echt apostolischen brief, heeft ook de meening veld gewonnen, dat wij hier een' eigen' hroeder des Heren , zoon van jozef en maru, hooren, den zelfden, die zoo vele jaren als opziener der Jeruzalemsche gemeente in groot aanzien stond , en zelfs door de ongeloovigen als de regtvaardige werd geacht en betreurd. De diep gevoelige en innig morele zin van zijn' goddelijken broeder leeft in hem, al is 't ook nog eenigzins in wettische vormen, — maar ecner volmaakte wet, die der vrijheid is. — Eigenlijk gezegde Parabelen heeft hi j niet, maar des te meer kernachtige spreuken en krachtige beelden; bij voorbeeld ;
Uie twijfelt, is eene bare (ter zee get Ijk, die van den wind gedreven en op en neder geworpen wordt. (1; 6.)
he zon ü opgegaan met de hitte, en heeft het gras dor gemaakt, en zijne hloem is afgevallen, en de schoone gedaante kaars aanschijns is vergaan. Alzoo zal ook de rijke in zijne wegen verwelken, (I ; 11.)
Zoo iemand een hoorder is des woord» en niet een dader, die is een' man gelijk, welke zijn aangeboren aangezigt lemerkt in eenen spiegel: want hij heeft zieh zei ven henier kt, en is weg gegaan , en heeft terstond vergeten , hoedanig hij was, (I; 23, 21.)
Om niet te veel aan te halen , ga ik den man met een'' gouden ring aan den vinger , wien eeno eervolle plaats in de christelijke synagoge wordt aangewezen, en den arme, dien men met een: //Ga heen in vrede, word warm en word verzadigd!quot; afscheept (If: 2, -'5; 15, 1(1), voorbij. Ook de schilderachtige beeldspraak, waarmede de ontembare magt der tong wordt geschetst, kan ik slechts aanwijzen. (111:3—8.) Zij is te uitvoerig, om haar over te nemen; de beelden — de toom van het paard , het roer van een schip, de vonk van eenen houtstapel — verdringen elkander. Eenvoudiger en toch even sprekend is het voorbeeld van den man, die zegt: ulieden of morgen zal ik naar zulk eene stad reizen , en aldaar één jaar overbrengen, en koopmanschap drijven , en winst doen ,quot; en niet weet, wat de por gen zijn zal, daar zijn leven eene damp is, die voor eene wijl gezien wordt, en daarna verdwijnt. (IV : 13, 14.) Wie denkt hier niet aan den Rijken Dwaas, die ook voor vele jaren plannen maakt, terwijl in den zelfden nacht zijne ziel van hem wordt afgeëiseht?
Ik wil deze aanhalingen uit .iakobus besluiten niet zijne vermaning tot geduld aan hen, die jaagden naar de toen algemeen verwachte toekomst des 11 eer en (V : 7, 8):
Ziet! de landman verwacht de kostelijke vrucht des lands, langmoedig zijnde over de zelve, tot dat het den vroegen en spaden regen zal lebben ontvangen. H eest gij ook langmoedig ! 1)
Op jaroiiüs laat ik liefst zijn' broeder judas volgen, wiens beeldspraak grootendeels in den Tweeden Brief van pktbus is nagevolgd. Hij mist echter, bij eene even levendige verbeelding, den geoefenden en gekuischten stijl van zijn' ouderen broeder, en werpt zijne beelden door een of stapelt ze op elkander, in plaats van ze uit te werken , als hij de verleiders in de gemeente noemt: waterlooze wolken , van den wind omgedreven ; onvrucht-
1) Vergl. j. i,. j. li ai.10 , leis over de heelden e» vergelijkingen in den Brief van jakobus, in den vanpdip-Spiegel voor Augustus 1804,
499
08*
NAREDE.
bare en twee maal verstorven hoornen in den af gaanden herfst; wilde haren der zee, hunne eigene schande opschuimende; dwalende sterren, gedoemd tot eeuwige duisternis; {Jud. 12, 13) — terwijl in den Tweeden Brief van petrus nog op hen liet spreekwoord wordt toegepast, aan 't Joodsehe beginsel van rein en onrein ontleend: De hond is wedergekeerd tot zijn eigen nitbraaksel, en de gewassene zeug tot de wenteling in het slijk. (II : 22.)
Nog minder stof geeft ons de eerste en onbetwijfelde Brief van petrus, al wordt daarin de beproeving dos geloofs in de bette der vervolging vergeleken met de smeltkroes, waarin 't vergankelijke goud, dat zoo veel minder waard is, door het vuur beproefd wordt (1:7); en de gemeente met een gebouw van levende steenen, op den verworpen' hoeksteen aangebouwd. (II; 4—8.) Maar over 't geheel is petrus' stijl te vurig en zijn gevoel te levendig, om aan zijne verbeelding den tijd te laten , dat ze hare beelden uitwerke en schildere.
Even min is johannes, die reeds uit zijn Evangelie de Parabelen weg liet, de man om nieuwe te bedenken. T)o grootc tegenstelling van lichten duisternis, leven en dood. God en de wereld beheerseht geheel zijnen stijl , omdat zij het leven is zijner ziel; maar hij is te weinig met zijn hart in het dagelijksoh leven te huis, om daaraan het kleed van zijne vermaningen te ontieenen.
I'm zoo komen wij tot paui.us , den eenigen geleerde ouder de apostelen, die aan de voelen van gamaliki, met do overlevering der ouden te gelijk de Rabbijnsche bewijsvoering beeft geleerd. Ecu enkele maal zelfs bedient hij zich van hunne woordspelingen en kunste-iiivrijen, die de gezonde logika van jezus en zijne twaalve niet gebruiken kon; maar dan voornamelijk in zijne bewijsvoering tegen de Joden, die hij zoo doende met hunne eigene wapenen bestrijdt. En 't is wel waarschijnlijk, dat hij, in liunne synagoge redetwistende, meermalen argumenten zal gebruikt hebben, als dat, waarbij hij het Oude Verbond met ismakl , den zoon der slavin, vergelijkt, omdat Agar dc Arabische naam is van Sinaï. [Gal. IV ; 22—31.)
Maar tegenover dit enkele voorbeeld staan eene menigte woorden van gezond verstand [Hand. XXVI; 25), waarbij pavi.us, den man van opmerkzamen blik en bedrijvigen geest, geheel de natuur en het woelig menschenlcven ten dienste staat als beeldspraak van het Evangelie. Even als jezus en jakobus , trekt hem daarbij meest de akker aan. De ge-lieele gemeente is hem Gods akkerwerk. Hij zelf is 't die plant, Apollos die nat maakt, God, die den wasdom geejt. Jij ploegt en hij dorscht in de gemeente op hoop. Of ook vergelijkt hij des menschen leven bij den zaaitijd, waarvan een ieder maaijen zal naar hij gezaaid heeft. Ofwel, in dc prachtige schilderij der toekomstige opstanding, wordt het zinnelijk ligehaam gezaaid en daaruit het geestelijke opgewekt.
Om niet alle beeldspraak van paulus op te noemen, gaan wij bij voorbeeld die van den tuchtmeester. of paedagoog der kinderen, van melk en vaste spijze, van des christens zuurdeeg enz, voorbij; en bepalen ons tot enkele allegoriiin, die het naast bij komen aan de Parabeien van den Heer.
500
N A It K I) K.
De eerste is die van den gecnten olijfboom , een beeld van de inlijving der Heidenen
in 't Godsrijk, tegenover do verwerping en wederaannemuig der Joden, {Rom. XI: 10i)_21.)
Pauiis spreekt daarbij tot de geloovigen uit do Heidenen, Wij deelen zijne woorden met eenige uitlating mede; want goo als meermalen in den Bijbel, wordt de allegorie soms een oogenblik los gelaten, om haar terstond weer op te vatten.
Indien de wortel heilig is, zoo zijn 't ook de lalden. En zoo eenige der takken afgebroken zijn, en gij, een wilde oljfhoom zijnde, in der zeker plaats zijn ingeënt, en des wortels en der vettigheid des olijfbooms mede deelachtig zijl geworden; zoo roemt niet tegen de takken. Gij draagt den wortel niet, maar de wortel ?/, 1) Is het, dat God de natnur-lijke takken niet gespaard heeft, ziet (oe, dat Hij ook mogelijk n niet spare' En indien gij afgehouwen zijl uit den olijfboom , die van nature wild was, en tegen nature in den goeden olijfboom ingeënt, hoe veel te eer kunnen de natuurlijke takken weder in hun' eigen olijfboom geent worden ?
Tegenover deze sierlijke en te gelijk zoo juiste beeldspraak kunnen wij, als even oorspronkelijk , de vergelijking stellen van het groote Godsgebouw , waarvan de hoeksteen is Christus , en waarop ieder verder bouwt goud, zilver, kostbaar gesteente, liout, stroo, stoppelen, terwijl de duurzaamheid van ieders bouw door vuur beproefd wordt, en hij, wiens werk tc ligt was en vergaat, behouden wordt als door 't vuur henen, omdat hij iocli op den eenigen grondslag bouwde. Elders weder is dit gebouw door God zelf opgerigt, en staan in den gevel deze beide zinspreuken van 't godsrijk te lezen; De lieer kent, die de zijnen zijn, en Wie den naam ran cnmSTrs noemt, sta af van ongeregtigheid! Of in dat Godsgebouw zijn, als in ieder groot huis, gouden en zilveren, maar ook houten en aarden vaten , allo even noodig, al zijn niet alle even kostbaar, (1 Kor. 111:10—15.)
Het zelfde denkbeeld , dat ieder zich in de gemeente op zijne plaats moet gevoelen en niet die plaats tevreden zijn , drukt patjlüs uit in eene geestige allegorie (] Kor, XII ; 12—27), waarvan wij weder hot voornaamste mede deelen.
501
Het Ugchaam is niet één lid, maar vele. Indien de voet zei de: u Dewijl ik de hand nkt hen, zoo ben ik niet van het Ugchaam 1quot; is hij daarom van het Ugchaam niet? En indien het oor zei de : n Dewijl ik het oog niet ben, zoo len ik van let Ugchaam niet /quot; is dat zoo? Ware het geheele Ugchaam oog, waar zou 'i gehoor, ware 't geheel gehoor, waar zou de reuk zijn? Maar vu heeft God de leden gezet, een iegelijk in 't Ugchaam, zoo als lij gewild heejt. En het oog kan niet zeggen tot de hand: nJk heb v viel van noode!quot; of wederom het hoofd tot de voeten: nV hel ik niit noodig!quot; De leden, die 7 zwakste schijnen, zijn juist onmisbaar noodig; die V minst in eere zijn , doen wij overvloedig eer aan ; en de onsierlijke sieren wij meest op : want de sierlijke hebben 't niet noodig....... Gij lieden
1) Do vergelijking van liet volk Israël niet een' olijfboom, zoo wel als zijne verwerping, onder dit beeld gesclietsl, vindt men reeds, maar in eenvoudiger vorm, Jerem.W : 10. Ik heer had 'mm naam gnicemit een' groenen nVjfhnom , srhncn va» Hrjeljke wurhlen ; — U,, heeft een vuur er om henen aangek», ken , en zijne takken zullen verbroken wcr'hn !— Over rAul.rs' beeldspraak kan ook vergeleken worden: BOETCHER, de Paronomasia J'müimi,que ei fijuris, Paulo fiequenlatis, Lips. 1824.
N ABED E.
m zijl alleu te zameii het lujchaam van chkistus , en elk m 't bijzonder zijne leden. Zoo nu één lid lijdt, zoo lijden al de leden mede. 1)
Ten besluite lieb ik nog van een beeld te spreken, dat pauias bijzonder eigen is, als geheel ontleend aan zijnen levenskring, 't Is een dier velejdeine proeven van do authenticiteit zijner brieven, en in tegenstelling daarvan van die der andere schriften van het Nieuwe Testament. liet is algemeen bekend, welk een groote rol de openbare wedspelen vervulden in het Grieksche volksleven. Door de vrijzinnige of Herodiaansche partij ook te Cesarea ingevoerd, bleven zij evenwel den echten Jood, als eene Heidensche schaamteloosheid, waarbij men zich in 't openbaar ontblootte, een gruwel. Even min als de Rabbijn het beeld der Kananeesche, van //de honden onder de tafelzou gebruikt hebben, zou ook de Palestijnsche Jood de edele eerzucht van 't ren- en strijdperk tot een beeld hebben gesteld van hooger godsdienstig leven. Maar paulüs was, niettegenstaande zijne streng Farizeesche opvoeding, van kinds af aan zulke tooneelen gewoon, en vooral later had hij ze telkens voor oogen. Er was in ieder geval iets groots in die langdurige voorbereiding en geweldige inspanning van alle krachten, alleen om de lauwerkrans magtig te worden, aan 't eind •der baan opgehangen. Met die gymnastiek —'dit is letterlijk het woord, — die den kampvechter lang te voren bereidde voor den beslissenden strijd, vergelijkt paulus de geestelijke oefening des Christens. En de wapenen in een' ernstigen strijd,—geen steekspel, — zijn hem het beeld van des Christens uitrusting in den strijd van het leven , die hij zelfs uitbreidt tot de schoone allegorie , waarbij geheel de Romeinsche wapening ten voorbeeld strekt. [EpL VI; 1:5—17):
Neemt aan de geheele wapenrusting Gods, opdat gij kunt we denlaan in den boozen dag. Slaat dan , uwe lendenen omgord hebbende met de waarheid, en aangedaan hebbende het borstwapen der geregtigheid; en de voeten geschoeid hebbende met bereidheid van hel evangelie des oredes. Bovenal aangenomen hebbende het schild des geloofs, met het welk gij al de vurige pijlen des boozen zult kunnen uitblusschen, Tin neemt den helm der zaligheid, en het zwaard des Geesles, het welk is Gods woord.
Maar wanneer paulüs in zijn eigen leven al meer en meer een' rusteloozeu strijd ziet, keert hij telkens met zigtbaar welgevallen terug tot de kampspelen der Grieken, en de kroon der overwinning, aan het einde opgehangen. Niet, zoo schrijft hij nog uit Home [Filipp. [II : li—14) : dat ik het aireede gekregen heb, maar ik jaag er naar, of ik hel ook grijpen mogt, waartoe ik van Christus jezus ook gegrepen ben. Broeders! ik acht niei, dat ik zelf hel gegrepen heb ; maar één ding doe ik : vergetende hel geen achter is, en strekkende mij lol het geen vóór is, jaag ik naar het wil, tol den prijs der roeping
1) Dit zinnebeeld heeft eenige overeenkomst met de fabel, waardoor — volgens eivfus — menhmis .vg.bippa , in 't jaar 492 vóór cimsivs , do uitgeweken Plebejers bewoog, in dc stad Rome terug te keereu : .Eens waren de leden van 't mensehelijk ligebaam verontwaardigd, omdut zij zagen, dat aller zorg en arbeid wasvoor den buik; en deze, rustig levende in 't midden van aller beweging, niets seheen te doen te hebben, dan de vruebt van dat alles te genieten. Zoo spanden zij dun te zamen, dat de hand geene spijs meer naar deu mond brengen, deze ze niet ontvangen, do tanden ze niet vermalen zouden. Maar al spoedig ontdekten zij, dat ook zij zelve bloei en kracht verloren, en geheel het ligebaam uitteerde. Toen begrepen zij, dat de buik zoo wel voedt als gevoed wordt.quot;
602
NAREDE.
Gods, die van boven is in Christus jëzus. — Tocli vond hij die gewcnschte rust na 't rusteloos jagen nog, in 't voomitzigt van zijn' nabij zijnden marteldood, als liij , weder uit Rome, schreef aan zijn' jeugdigen vriend en geestverwant ; Tk hel den goeden strijd gestreden , ik heb den loop geëindigd, ik heb het geloof behouden. Voorts is mij weg gelegd de kroon der r egt va ar dig heid, welke mij de lieer, de regivaardige Ttegter, in dien dog geven zal; en niet mij alleen, maar ook allen, die zijne vei schijning hebben lief gehad. (2 Tim. IV : 7, 8.)
Aan patji.us sluit zich van zelf de schrijver aan de Hebreen aan, als do man der (irieksche synagoge aan dien der Hebreeuwsclie. Wat zijn' naam betreft, wij houden er met i.utiier nog het liefst apollos voor; en stellig is deze onder de bekende apostolische mannen wel de eenigo, die hier in ernstige aanmerking komen kan. Maar de. naam daar gelaten, zoo is weder persoon en leeftijd zoo naauwkeurig in het geschrift zelf uitgedrukt, dat wij ons daarin onmogelijk kunnen vergissen. Slechts een geleorde Jood kon zoo schrijven, en hij moet wel geschreven hebben kort v66v Jernzalems verwoesting, toen dc oude eeredienst nog prijkte in haren vollen glans en vele geloovigen uit Israël tot afval van Christus verleidde. Tegenover dien zinnelijken praal stelt do schrijver, weder geheel in den geest der Alexandrijnen, don dieperen allegorischen zin der oude bedeeling; het geestelijk Sion , den waren hoogepriester melchizedek, de sabbatsviering van 't hemelsei) Kanaiin. Maar al die schitterende beeldspraak ligt, minder op onzen weg. Wij bepalen ons dus tot het beeld van den wedstrijd, dat zich aan 't aangehaalde van paiii.us aansluit, cn eenc vergelijking, aan den landbouw ontleend , die ons weder aan jakobus donken doet. Bij 't eerste beeld is een nieuwe trek de wol ie van getuigen, dat is de menigte geloovigen van den ouden tijd, die reeds hunnen strijd hebben volstreden, en die nu met welgevallen op dien hunner kinderen neer zien , gelijk ouder de Grieken zoo menig grijsaard, in vroeger jaren zelf met de lauwerkrans getooid.
Alzoo wij zoo groot eene wolk der getuigen rondom ons lebben liggende, laaf ons afleggen allen last, en de zonde, die ons ligteljk omringt, en laat ons met volharding loopen de loopbaan, die ons voorgesteld is; ziende op den oversten Leidsman en Voleinder des ge' loofs, jëzus, de welke voor dc vreugde, die hem voorgesteld was , /iet'kruis heeft verdragen en schande veracht, en is gezeten ter regter des troons Gods. {Ilehr. XTI : J, 2.)
Eindelijk , om zijn' donkeren blik op de afvalligen te regtvaardigen (VI; 7 , 8): JVant de aarde, die den regen, menigmaal op haar komende, indrinkt, en bekwaam kruid voort brengt voor de genen , door welken zij ook gehouwd wordt, die ontrangt zegen van God, Maar die doornen en distelcn draagt, die is verwerpelijk en nabij de vervloeking , welker emde is tot verbranding,
Van al de boeken des bijbels is ons alleen het laatste nog over. Wij zullen er evenwel hef minste van zeggen. Niet dat het daarin aan beelden ontbreekt; veel eer bestaat het daaruit bijna geheel en al; maar deze beeldspraak is profetisch, apokalyptisch, niet didak-lisch. Het zijn geene leerbeelden , maar zinnebeeldige verschijningen, gezigten, zoo ala
503
NAREDE.
wij die in menigte vinden bij de profeten, vooral de Chaldeeuwsche, ezechiël en inzonderheid daniël. Zulke gezigten hebben meer van Parabelen, wanneer het eigenlijke leer-beelden zijn, zoo als het kleed met reine en onreine dieren, voor petrus nederdalende uit den hemel, tot een teeken, dat dé scheidsmuur tusschen Jood en Heiden van nu aan is afgebroken. Maar in de Apokaljpse zijn 't beelden der toekomst, en worden zij niet eens, als bij Daniël , in eigenlijke woorden verklaard. Zulke gezigten vallen buiten den kring onzer beschouwing, al zou het nieuwe Jeruzalem, als de toekomstige Godsstaat [Openb. XXI), ons anders nog Jt meest aantrekken. Wil men toch enkele kleinere beelden, die van des schrijvers aanleg tot natuurschilderingen getuigenis geven, ik kies dan daartoe den gesehudden vijgeboom, den oogst der aarde en den maaltijd der roofvogels.
Kn de sterren dei hemels vielen op de aarde, yelijlc een vijgeboom zijne onrijpe vijgen afwerpt, ah hij van eenen grooten wind geschud wordt. (II. VI: 13.)
En een andere engel Iwam uit den tempel, roepende met eene gtoole stem. tot den gene, die op de wollc zat: i/Zend uwe sikkel en maai; want de ure om te maaijen is u gekomen, dewijl de oogst der aarde is rijp geworpen!quot; En de aarde werd gemaaid. — En een andere engel hvam uit den hemehehen tempel, en de engel des vuurs zeide tot hem ; uZend uwe tcierpe sikkel, en snijd af de druijtakken van den wijngaard der aarde; want zijne druiven zijn rijp.quot; En hij sneed ze af, en wierp ze in den grooten wijnpersbak van Gods toorn. En die werd haten de stad getreden, enkel bloed, tot aan de toornen der paarden. (XIV : 15—20.)
En een engel, staande in de zon, riep met eene groote stem tot al de vogelen , die in het midden des hemels vlogen: nKomt herwaarts, en vergadert u tot den maaltijd des grooten Gods, opdat gij het vleesch der koningen en vorsten eet, vrijen en slaven, klein en groot;quot; — en al de vogelen des hemels werden verzadigd. (XIX : 17—21.)
Ik behoef naauwelijks te herinneren, dat, zoo als geheel de beeldspraak der Apokalypse veelaan vroegere is ontleend, de wijnpersbak van Gods toorn ons de profeten herinnert, en de maaltijd der roofvogels de korte, maar even ontzettende spreuk des Heeren: Waar de lijken zijn, vergaderen zich de gier ar enden.
Wij staan aan het einde van ons Bijbelsch onderzoek, en liet smart mij bijna, dat ik met die ontzettende voorstellingen van liet jongste gerigt besluiten moest, wat met zoo liefelijke beelden van het koningrijk der hemelen is begonnen. Intusschen zal de lezer zelf wel hebben opgemerkt, dat de eigenlijke Parabel, als een onderwijs in raadsel en zinnebeeld, waarvan de Heer gewoonlijk tot het eind toe den sleutel in de baud houdt, bij de apostelen niet meer wordt gevonden; hoogstens de allegorie, waar terstond reeds de eigenlijke be-teekenis doorschemert, maar veel meer nog de eenvoudige vergelijking of beeldspraak, zoo als wij die bij alle volken aantreffen.
Van de oudste christelijke lektuur, die ons van een volgend geslacht is overgebleven,
504
naked e.
zal ik weinig zeggen. 1) Zij mist te zeer de eerste kracht en frischheid der apostolische eeuw. Toch ontbreekt het ook daarin niet aan onderwijs door zinnebeelden. Rij voorbeeld waar clemens van home, aan de Korinthiërs schrijvende, ook daarin paulus navolgt, dat hij in de natuur zelve de opstanding aanwijst:
O gij dwaas! vergelijk u zeiven hij eenen loom, een' wijnstok b'j voorbeeld. Eerst vallen de bladeren af; dan krijgt hij knoppen ; daarna nieuw blad en bloesems; daarna wranqe druiven; en eindelijk ziet gij, dat in korten tijd de rijpe trossen groeijen. Zoo geschiedt in de natnur de opstanding gedurig. De nacht gaat ter ruste , de dag staat op; de dag gaat onder, de nacht breekt aan. Het zaad is gezaaid, en de korrel ontbonden; maar dooide kracht der Goddelijke Voorzienigheid wordt zij weder opgewekt, en komen uit één zaadje veel vruchten voort. 2)
Krachtiger nog en meer gespierd is de taal van ignaïu s; vooral het beeld van den strijd des martelaars is schoon bij hem uitgewerkt. Maar ik zio gecne reden, om hier nog eens te herhalen, wat ik elders van hem heb aangehaald; of het mogt 't laatste woord zijn, dat hem wordt toegeschreven: nik ben Gods tarwegraan. De landen der wilde dieren vermalen mij, tot het gezuiverde brood van mijnen God.quot;
Ook van polykakpus wil ik hier zwijgen. Uit zijn langdurig leven en van zijn veelvuldig onderwijs zijn ons maar enkele fragmenten, die hier minder te huis behooren, over. Even zoo kunnen wij den Brief van barna bas, hoe veel schoons die overigens bevat, — zoo wel als het uitstekende geschrift van een' onbekende aan zekeren diognltds, —met stilzwijgen voorbijgaan. Maar zwijgen mogen wij niet van den Herder van heumas, waaraan de oude kerk, vooral tot onderwijs van eerstbeginnenden , zoo groote waarde hechtte. liet igt; 't meest parabolische van alle oude christelijke geschriften. Zelfs de gezigten, waaruit het voor een goed deel bestaat, hebben geheel het voorkomen van met een leerzaam doel te zijn opgesteld, en getuigen meer van nadenken , dan van geestvervoering. Er is zekere breedsprakigheid, zoo wel in de voorstelling als in de verklaring, die het oordeel der oud,, kerk wettigt, als zij dit boek meer tot de melk der kinderen dan tot de vaste spijze di r volwassenen rekende. Met dat nl heeft het toch de verdienste der oorspronkelijkheid, die anders aan het geslacht, dat op de apostelen volgt, — zoo als meer na geweldige omkeeringen in 't geestesleven der menschheid , — niet bijzonder eigen is.
Ai te uitvoerig om hier in zijn geheel aan te halen, is de verschijning der oude vrouw,
1) Van mijn Apostolisch Evangelir, Tcesproten aan de vadfrlanische kerk, 18fi5 , kan men hierbij N0. XI van de Tweede Serie «De Apostolische Vadersquot; vergelijken, waar nog iets meer uit hunne schriften is overgenomen. Jammer, dat van de Bloemlezing uit de Christelijke Oud/ieid door J. M Schkam (Legden, j. w. van leeuwen , 1836), slechts het Eersten Deels Eerste Stuk is in 't licht verschenen.
2) Den Tweeden Brief der Gemeente van Rome aan die van Korinlhc, bij vergissing ook aan clemios toegeschreven, ga ik voorbij. Wil men ook daaruit eene proeve, het zij dan't profetisch beeld van den Pottenbakker, dat, hij gebruikt om tot boete op te wekken ; Want het vat, onder zijne hawten verdraaid, of cerlroken, vormt hij op nieuw ; maar heeft hij 't eens in den oven gezel, zoo kan 't niet meer eerheter gt; tcordrn. Even zoo is er voor den menseh na dit leven geen tijd van boete meer,
505
n a r k d k.
in 't wit gekleed , en vergezeld door zes jongelingen. Dezen leggen den breeden grondslag van eenen toren op het water, zinnebeeld van den doop. Groote vierkante steenen , die de apostelen en apostolische mannen aanduiden, vormen den grondslag. Andere, uit de diepte der aarde opgehaald , passen terstond , zonder reet of voeg : 't zijn de martelaren. Weder andere steenen bouwen do jongelingen daarop, maar sommige werpen zij ook weg; en deze blijven of in de nabijheid liggen, bf zij rollen verder, zoeken vergeefs het water te bereiken , en storten ten laatsten in den vurigen afgrond ; het beeld der afvalligen, die ten deele nog behouden worden, ten deele reddeloos verloren gaan.
Nog een paar kleine allegoriën , met de eigen woorden van heumas , al is 't ook niet met al zijne woorden :
//ie! gij dien wijnstok en dien olm? De wijnstok is vruchtdragend, de olm onvruchtbaar hont. Doch zoo de wijnstok ter aarde ligt, brengt hij slechte vruchten voort; maar leunt hij op den olm, dan draagt hij voor heiden. Zoo heeft de rijke vele goederen, maar door zijne schutten afgetrokken , is hij arm voor God. Als dan de rijke den armen het noodige verschaft, zoo bidt deze voor hem: want de arme is rijk in 't gebed, en zijn gebed heeft groot vermogen bij den Heer,
/iet gij die ontbladerde hoornen , aan dorre gelijk ? Zij zijn het beeld der menschen in deze wereld H'ant gelijk in den winter alle boomen, het loof afgeworpen hebbende, aan dorre gelijk zijn, en men de groene hoornen van de dorre niet onderscheiden kan , zóó worden ook in deze wereld de regtraardigen nog niet onderkend, maar allen zijn elkander gelijk. Doch ziet gij deze boomen, deels dor , deels met looj bedekt? De groene hoornen zijn de regtraardigen, die de toekomende wereld bewonen zullen. Die toekomende wamp;reld toch is zomer coor de regtvaardigen , maar voor de zondaren winter.
Nog ééne Parabel van heumas, al riekt zij reeds eenigzins naar do opera superahundantia (quot;overtollige goede werkenquot;) der latere katholijke kerk. Wij laten weder eene menigte woorden weg.
Iemand, die een landgoed en vele knechten had , plantte op een deel daarvan voor zijne erfgenamen een' wijnberg. Op reis gaande, koos hij zijn' getrouw sten en besten knecht, en beval, dat hij bij de wijnstokken palen zou steken: daarvoor zou hi) hem de vrijheid schenken. Maar als de dienstknecht zijn werk gedaan had, en bemerkte, dat do grond rondom de wijnstokken digt met gras bezel was, groef hij daar in 't rond, en trok hel gras uit, zoodat de wijnberg een vrolijker aanzien kreeg , en door het gras niet langer werd verstikt. Eenigen tijd daarna kwam de heer terug, bezag zijnen wijnberg, riep zijnen erfgenaam en zijne vrienden hij een, en stelde den trouwen dienaar tot zijn' medeërfgenaam. Weinige dagen later, zijne vrienden verzameld hebbende, die zijne beschikking goed keurden , zond de huisvader dien knecht een aantal spijzen van zijne tafel, Deze nam daarvan evenwel slechts zoo veel als hij behoefde, en verdeelde het overige onder zijne mededienstknechten ; en nu wensehUen
506
n a r k d k.
hem ook dezen nog grootamp;re gunst van zijnen heer. — Bewaar alzoo de geboden des lleeren; ja! doe altijd nog eenig goeds hooen het geen lij u bevolen heeft.
Had ik zoo ver mis, toen ik de zinnebeeldige taal der tweede eeuw slechts een' flaauwon weerklank noemde van jezus' Parabelen? Uiaisus althans, die er zich met opzet op toelegt en 't zoo hartelijk goed meent, kan beter met de Rabbijnen zich meten; ja! naauwe-lijks nog met de besten van hen,
A'an do eigenlijke kerkvaders, opvolgers van de eerste leerlingen der apostelen, zal ik weinig zeggen. Er bestaat eene oude verzameling van zinnebeelden , aan hunne schriften ontleend; 1) maar zij hebben meer den gewonen vorm van vergelijkingen , tot opheldering of bevestiging van hun onderwijs; eigenlijk gezegde Parabelen zijn er zeer weinige onder, 't Meest parabolisch is, onder de oudsten althans , nog de stijl van tukophilus (t 182), in zijn verdedigingsschrift aan aütolykus. Bij voorbeeld :
God wordt gezien door wie Hem kunnen zien : want al is 't dat de blinden de zon niet zien schijnen , zij schijnt toch. Zoo ook als er roest in den spiegel (den metaalspiegel der ouden) is, kan 's menschen gelaat er niet in onderscheiden worden, hie roest in den spiegel der ziel, is de zonde.
Een granaatappel heeft van buiten een schors, welke hem omvat, maar van binnen vele rakken, door vliesjes van een gescheiden, en in elk van die eene kern, die de schil niet zien kan, daar zij zelve in den appel besloten is. Even zoo omvat de hand Gods geheel de schepping , maar de mensch kan haar niet zien.
Maar den hoogsten bloei van christelijke welsprekendheid, aanschouwen wij in de Latijn-sche kerk eerst in avgustinus , in de Grieksche in chrysostomüs. Munt de eerste uit door keurigen en gespierden stijl, bij diepte van denkbeelden , en is hij daardoor de godgeleerde der kerk bij uitnemendheid geworden , de laatste was de volksprediker , wiens bezield en krachtig woord de menigte ontroerde en wegsleepte: — een christelijke dkmosthenes tegenover een' christelijken senega of cicero.
Augüstinus heb ik vorre weg 't incest in dit werk aangehaald , omdat hij met iiiëho-kymus de grootste exegeet is der oude kerk. Van zijne beeldspraak, meestal de bloemen dier exegese, nog slechts eene enkele proeve.
Be dwaas verstaat 't niet, zegt de Psalmdichter. En wal verstaat hij niet? T)at hij als
1) Seketae atiquii Si itiWwliue» sine ColMiom» , turn ex BiUii* sacrls, hm ex vclerum orthodororum (/ommen'nrii.s per ai.akoi'm iquot;mxlelrc(tiimum lomis (tWus accuratius concinnntae caet. 1538. — Nog vind ik vermeld Dissimilin cmnsosmMi van clai diüs esi-knzaivs ; cn Micliaelis Christophili (s. o. jungkndres) Amoeuilates putristiene, Nüni'erg 1717, die echter na mlgave der eerste Aflevering gestaakt zijn, 'X J. a, WElssENiivoH gaftegen hot eind dor vorige eeuw, eene vrij sterk Roomseh gekleurde Summluny ausnlesen-r Oleichni'se aus t'en Kireherr.dle.nt, naar de oaderwerpen gerangschikt ,ten gobruike van predikers en zielzorgers,quot; nuar zonder opgave dor oorspronkelijke plaatsen. De tweede uitgaaf (te Annahurn') is van ]7!)4-.
507
70*
NAKED K.
het gras voorbij gaat. Want het bloeit in den winter (den regentijd), en verdort terstond met den zomer Verlustig u in zijnen bloei niet, zonder te bedenken, hoe spoedig het verdort. Maar de regtvaardige zal hloeijen als de palmboom, die een' scherpen wortel heeft in de aarde, en een schoone kruin in de hoogte. Als de zon brandt, verdort hel gras, maar palm en ceder groenen. Zoo is het in 't gerigt.
Daar ik nu toch den naam van hiëronymus genoemd heb , wil ik ook van hein eene uü'gelijkmg mede dealen, aan die van atigustinus verwant :
Ééne is de warmte der zon, hoe wel zij 't een smelten doet en 't ander verhardt, sommige dingen oplost en andere £ zamen pakt. Want het was wordt week in de zon, en de klei hard. Keen zoo gaat het met de langmoedigheid Gods, die den een verteedert, den ander rerlardt.
Ik neem slechts, wat mij 't eerst voorkomt, en vertaal vrij. Nog veel te weinig heeft de rijke schat, dien de kerkvaders ons nalieten, de belangstelling der protestanten tot zich geüi kkcn. Vooral enuysostomus wordt door jeugdige evangeliepredikers veel te weinig gekend. Als volksredenaar, die zijne vrijmoedigheid en zijnen ijver, door den snooden invloed van hofkabalcn , met lijden en ballingschap boeten moest, beweegt hij zich geheel in t werkelijke leven van zijnen tijd, en ontleent daaraan ook het verrassende, dat de Parabelen van jkzus kenmerkte, en dat niemand beter dan hij navolgde, juist omdat hij niet navolgen wilde. Eene enkele proeve slechts van 't aangrijpende zijner voorbeelden en het karakterestieke zijner zinnebeelden.
Gij zit in uwe werkplaats , en ziet een slecht mensch voorbij gaan, die de wenkhraauwen ttotseh te zamen trekt, van vleijers en tafelschuimers omgeven en prachtig uitgedost. Wanneer nu iemand u zegt: nTs dat niet een benijdenswaardig man?quot; zoo antwoord: 1/Waarom zou ik dien man gelukkig noemen of benijden ? Om zijn wonderschoon paard met kostbaren toom, zijne vele dienaars, zijn prachtig kleed, zijne weelderige lerenswijs? Maar ik hoor wel, dat (jij van hem zelf niets te roemen hebt, daar gij enkel van dingen spreekt, die niet behoor en tol zijn eigen wezen. Kan er armer mensch zijn dan hij, die daar henen trekt over de straten, om alles aan zich te laten beivonderen, — alles, behalve zich zelf?quot;
Gij zit in den schouwburg , en ziet er een tooneelspeler in de rol van een' veldheer of koning. Noemt gij dien man daarom gelukkig? Benijdt ge' zijne grootheid? Maar gij iveet, dat hij maar een gewoon mensch is. Denk dan ook zoo over hen, die gij voor eene korte poos in de wereld de rol van r jken en grooten ziet spelen: ze zijn soms, even als die tooneelspeler, van zich zelve doodarm en ellendig. De avond valt, de toeschouwers verwjdetei. zich uit 't theater, de tooneelsprfers leggen hunne maskers af, koningen en veldhiecren roerpen hunnen valschen tooi weg : men ziet elk in zijne ware gedaante. Zoo maakt ook de dood aan het schouwspel van 't leren een eind, en rukt de maskers af. Ban eerst zal men zien , wie
508
N A R K D K.
waarlijk arm of waarlijk rijk is. De rijke in de Gelijkenis is dan niet eens meer een' droppel water rijk: is er grooter armoede denkbaar ? 1)
Van de nicuwercn zal ik weinig zeggen, gelijk er ook bf veel of weinig van te zeggen is, al naar men liet neemt. Elk volksredenaar moge zijne beeldspraak liebben , ontleend of oorspronkelijk , niet velen zijn er, die zoo de natuur en bet menscbelijke leven met een' hoogeren geest weten te bezielen, dat ze in Parabelen spreken, en deze genoog naïviteit en innerlijke waarde hebben , om in 't geheugen bewaard en van geslacht tot gcslaclit overgeleverd te worden. Ons volk bad van ouds zijnen vader cats ; maar boe rijk aan zinnebeelden, hij is daarin wel volksdichter en zedemeester, maar geen evangelist. — De Engelschen roemen bunnen bunyan , wiens Christens Reis naar de Eeuwigheid bij velen in de protestantsche kerk van ouds de zelfde plaats innam, die de Herder van hurmas bekleedde bij de ouden. De stijl is dan ook even gerekt en plat, de beelden even fijn uitgeplozen , de gemoedelijke toepassing niet binnen in maar boven op gelegd. Heiimas en bunyan denken voor den lezer , en dit is voor velen gemakkelijk ; terwijl het praktikale, en vooral het ingrijpende in den geest van bunnen tijd, aan hunne geschriften de groote populariteit verzekerde, waarin zij zich langen tijd rnogten verheugen. En wat den laatsten betreft, behoort dit nog niet tot 't verledene. liet debiet van bunyan en de herdrukken van zijne Hemelreis, —-eene van bet begin tot het eind volgehoudene allegorie, waaruit wij juist daarom geene proeven kunnen mede deelen, — zijn de standaard vau't methodisme, dat in onzen tijd weer veld wint en den thermometer rijzen doet.
1) Ungeu (pag. 251—3) haalt van ephraïm sybvs een paar Gelijkcnisseu aan, die slechts zwakke nabootsingen van jezus' Parabelen zijn. De eene verandert de toevertrouwde Talenten inéén entwee juk ossen. Ia de andere gaat een heer op reis , nadat hij eerst zijnen dienaren elk een stuk lands ter bebouwing heeft aangewezen. Maar liet ligt aan de overzijde eener brcede rivier. Sommigen weigeren die over te trekken. Daarop maakt de lieer de onwilllgen dronken, en brengt hen dus over. Zij ontwaken. De een begint met dubbelen ijver zijn werk, getroffen door zoo veel goedheid, maar de ander slaapt weder in, tot doornen en distelen over hem henen groeijen. — En nu de verklaring? Citristus is de lieer, het erfdeel't geloof, de dienaren regtvaardigen en zondaren,—en wel de laatsten bekeerd of verhard.
De middeleeuwen ga ik geheel voorbij , omdat toen het volksonderwijs, voor zoo ver het nos bestond, bijna alle oorspronkelijkheid miste. In de twaalfde eeuw gaf echter nog alain van rijssel, in zijnen tijd een wonder van geleerdheid, eene ver/.ameling van berijmde zinnebeelden, onder den titel alanüs, Doelrinale allum , sine T.iher porabotarum melrice descriptus cum tententiis. Er zijn goede en zelfs verlichte denkbeelden onder; bij voorbeeld deze twee ;
Aon quo nnutn volet, sed quo volet aura , vehetur Puppis, enm fumidi venerit unda maris.
Non quo propositum , fed quo sors duril runlem,
ICxt homini lieilum quo doeet ire via.
Ajijmrel tl funlenma viris; sed rursus ah illis Vertilur in nihilum , quod fuil anle nihil.
Sic adest el ahesl fugiti'ii gloria ensus Non prius u hental, quam quasi fumus eal.
509
N A It K I) K
Muur 't is vooral onder de Duitschers, dat wij de zuivere en te gelijk oorspronkolijke navolging van jezus' paraboliscli onderwijs moeten zoeken. Hoe veel ware liiei'Lij uit m'Thkii niet aan te halen ! Waar in den loop van dit werk is dit reeds gedaan, zoodat ik alleen ten slotte een paar lateren noemen wil , die zich opzettelijk op het dichten van Parabelen luhben toegelegd , en daarin ook uitnemend geslaagd zijn.
Onder den titel van OottkolcCs zufaJHge AwlaeUe» gaf christiak .--ciuvkb eene recks van vrome opmerkingen, aan de natuur en liet leven ontleend, in 't licht, die tusscheu 1670 1752 twee en twintig drukken beleefden. Daarna langzamerhand in de vergetelheid verzonken, werd dit verouderde werkje als ürbauliche l'arahcln of Glelchnhz-Andachten in 1810 op nieuw uitgegeven en met graagte ontvangen. 1) Onder de vruchten der renaissance waren er dan ook zeker weinige, die dit zoo goed verdienden. De lezer oordeele naar het geen ons van deze 400 zinnebeelden 't eerst in handen valt. Gotthold is daarbij de christen pelgrim , die overal Gods woord hoort, en dien sciavui sprekende invoert.
Tot iemand, die Idaagde gt; dat het Godshestunr zoo weiv'uj iu de wereldsche dingen was op te merken, zeide üotthoi.i): // Kom ! Iaat ons eens naar den uurwerkmaker fjaan. Daar liggen eene menigte raderen, pinnen, veren, alles op 't naauwkenrigst af ge nieten. Beproef eens, om 't in een te zetten. Gij zult er niets van maken , en 't niet op gang brengen. Maar laat eens de kunstenaar zelf komen, en 't in een zetten ; en er'ontbreekt niets aan.quot;
i'.cnige knapen hadden een grooten sneeuwbal gemaakt, en rolden dien bij zacht weder zoo lang om en om door ele sneeuw, dat hij hun ten laatste al te zwaar werd.... Zoo geiat 't met ons inenschen, als wij ouzo kleine zorgen tn bekommernissen zoo lang om en om ivenlelcn , tot zij onlilbaar geworden zijn.
Hene vrome en verstandige vrouw bemerkte, ded haar man des nachts van zorg en droej'heid niets geslapen had. Toen zij nu opstond, weende en jammerde zij luide, tot de man ha er vroeg, waarom? n Ach!quot; klaagde zij: mnij is deiar in den droom een bode verschenen, die het berigt bragt, ded Gael in den hemel gestorven is , en hij al elc engelen heeft zien wee-nen.quot; — »Zottin !quot; antwoordde de man : ngij weet immers wel, dat God niet sterft ?quot; — nEi wat?quot; hernam de vrouw: n wanneer gij dat weet, waarom treurt gij dan en tobt, als ot' er geen God meer leejde ?quot;
Kene bij zweefde over een vat vol honig, tot zij eindelijk, in de meening van zich daarop neder te zetten en naar hartenlust te genieten, er in viel, en van alle kanten in den honig qewikkeld, niet meer vliegen kon, zoodat zij omkwam. Zoo gaat het, daeht GüTniou): met de aardsche goederen. Eene bij is gelukkig, zoo lang zij den honig me' moeite en vlijt uit de bloemen vergadert, meiar de overvloed wordt heiar verderf.
1) Onder den titel van „Kleine stichtelijke Parabelen,quot; zijn zij ,vertaald en bewerkt'- door Dr, n i. m klink weddik , en ia twee Stukjes uitgegeven bij u. poktiklji; , Anmlerduni 1812. — Ik meen , dat later ook Ki-ISK, onder den titel van «Spraak der K ut uurquot; er eene Nedeiduitsclie bewerking van gegeven heeft.
N A II K D h
Ook van den onder ons meest bekenden Parabel-dichter, friediuch adolph krumaivciier , neem ik nog een paar beelden over. Zijne Parahein, in drie Deeltjes en meer malen uitgegeven, (onder anderen bij o. d. büdkkkr to Essen, 1829,) missen liet ongekunstelde van scrivke, zijn soms meer bijbeUche allegoriën, soms kinderverbalen; maar hebben toch ook hun' eigenaardigen, en meer dan bij sckiver. oosterschen gloed. 1)
In den grijzen voorlijd verhuisde eene schare van menschen uit hunne oude woonsteden, en toog naar het /and, dat de Njl doorstroomt. Zij verheugden zich in den stroom en 't Nijldal, en bouivden woningen, aan zijne oevers. Maar weldra, hief de krokodil den vreeseljken kop uil den vloed, en vermaalde menschen en dieren. Toen riepen zij tot hunnen God ostrts , maar deze antwoordde door den mond der wijze priesters: vis 't niet genoeg, dat de Godheid u kracht en verstand gaf?quot; Toen grepen zij zwaard au stang, wierpen dam en schutsweer op, en werden zich de kracht hewust, die later pyramidcw opriglte: want wat sluimert, ontwaakt door den strijd.
Maar een later geslacht was trqag en lafhartig; ft et aanhad den krokodil, en hij ekehite hoe langs zoo meer offers. Toon streed hel volk weder, en de Xjl zag rood van hloed. Maar de strijd werd hun te zwaar, het gebed klom op nieuw opwaarts, en de ivjze priester zei de: u Ziet! daar zendt osiris ons hulpquot; Maar het volk meende, dat hij spotte: want men zag niets anders dan een klein diertje (den Ichneumon). Fm toch werd van dien dag af het aantal der Nijlmonsters al minder en minder : want de kleine muis ontroofde het
zijne eijeren..... uZiet!quot; sprak de wijze priester toen: 'i wie een kwaad vernietigen wil, g rijpe
het hij den wortel aan.quot;
Een jager wandelde met zijn' jongen door 't veld, maar een diepe heek vloeide tussehev hen heiden. De knaap wVde er over, maar zij was hem te hreed. Toen sneed hij een' langen lak uit 7 hosch , zette dien midden in 't water , leunde er op en nam een' geweldigen sprong. Maar zie ! het was een tak van den vlierstruik, zoodat hij hrak en de knaap in 't water viel. Dat zag een herder, en snelde verschrikt toe; maar reeds kwam de jongen weer boven, snoof het water van zich, en zwom lagehend naar den oever, nik zie,quot; sprak nu de herder: ndat gij uw' zoon vrij wat geleerd hebt, maar één ding held gij vergeten. Waarom hebt gij hem ook niet geleerd, hel uitwendige niet te vertrouwen, eer hij het inwendige kent.'' Dan zou het weeke. merg van den vlierboom hem. gewaarschuwd hebben, om zich aan den schijnbaar harden bast niet toe te vertrouwen.quot; — Maar de jager antwoordde: quot;Mijn vriend I ik heb het oog van mijn' zoon gescherpt en zijne kracht geoefend. Hel wantrouwen zal hem ae ervaring wel leeren.quot;
1) Scherpzinnig is het oordcel van unger over kri mmaciieb. Hoc hooj; hij Item acht, mist, hij er den cemond zoo wel als don mannclijkcn, gespierden stijl van .imis' Parabelen in, en acht zo voor kinderen nog meer dan voor volwassenen geschikt. Misschim komt dit ook, omdat dc oosterschc lint nagehiiütst, en dus geen zuivere nalinir is. Overigens zegt nok ongkii, dat hij gcenc eigenlijk gezofde Parabelen kent, welke die van jtzus ook maar nabij komen, en noemt alleen nog, quae rx Va ten ti ui A n Ir cue l'ara hot is ah Herctero rrjrniiilur in episttlis, scd e ger.ere mylhico cl xronioo
511
De trant van kiiummaciier heeft rarer beoefenaars uitgelokt, en is onder anderen niet ongelukkig nagevolgd door geoug Joseph kei.leb. {Parahein, Würzhurg 1828.) Zoo als bij alle imitatie komen echter de gebreken, vooral het gemaakt Oostersche, 't sterkst uit. Toch zijn deze dichterlijk bewerkte Geschiedenissen en vertellingen (want eigenlijke Parabelen zijn het niet) nog altijd lezenswaard, en inzonderheid, om den reinen en vromen zin, voor de jeugd aanbevelenswaardig. De hartstogt der werkelijkheid bevangt haar toch vroeg genoeg!
Ook o. m. ma.enle gaf Vopuliiro, Gleicknisze unci Glekitniszreden Jiir Vrediger, Lehrer imd die rejere ■Twjend. {Franlfurt a. M. 1880.) Ik zou daaruit wel de geheele Voorrede willen overnemen, als het helderste en kernachtigste, dat ik ooit over het gebruik van Parabelen in den geest van jezus, gelezen heb. Van de lateren betreurt hij 't, dat abraham von i.vncta Clara, die in zijnen tijd voor een wonder van welsprekendheid gold (t 1709), zijne geestige vergelijkingen zoo ruw en smakeloos daar heen strooide. — Zelf schrijft malnlk geheel in den trant van scuiver; alleen heeft bij dezen de vrome eenvoud, bij mainlk de praktische levenswijsheid den boventoon, bij het opmerken van de lessen der natuur.
Laat mij eindelijk bij al deze Duitschers eu Protestanten nog eencn Roorasch-Katholijken Franschman voegen. De auteur der Histoires et Paraholes par le PP re bonavëstüee , dien ik bedoel, heette eigenlijk gtraudeau. Hij was een geleerde Jezuïet, en zijn boekske is door zijnen achterneef onlangs op nieuw uitgegeven. [Doornik 1853-.) Hij, wiens blik en wiens hart ruim genoeg is, om ook eene echt Jezuïtische, maar toch innige vroomheid te erkennen en te waarderen, zal niet zonder genoegen en stichting deze waarlijk lieve verhalen lezen.
Als eene proeve deel ik er één verkort mede. Ik kies dit, ook om de fijne en geestige verdediging zijner Orde, toen die nog zoo vrij het hoofd niet durfde opsteken als in onze dagen.
n et m i k r o s k o o p
foor vele jaren reisde Pater tv.ver , een vrome en geleerde Jezuiet, van Praag naar Insjirüclc, tot herstel van zijne gezondheid, maar stierf op weg in oen onbekend dorp. Het qeregt nam het weinige, dat hij achterliet, in bewaring, en vond daaronder een doosje van vreemd' maaksel, ir hoven op teas een glas. De eerste , die er doorzag, sloeg een kruis, en riep; //Abrenuntio tibi, Satana!quot; 'Nu keken ook anderen er in, maar schrikten even. eens: want allen zagen een ontzettend groot zwart dier, dal leefde en met zijne vervaarlijke hoornen dreigde. Eindelijk kwam er een jong mensehi, die juist zijne studie in de phdosoplie had volhragt, en deed de menigte opmerken, dal 't geen in de doos zich bevond, veel g rooter was dan de doos zehj; dat dit niet natuurlijk kon toegaan , en zich dus daarin een hooze geest bevond, onder de gedaante van zulk een monsterdier.
Nu tw jfelde niemand meer, oj Satan zelf zal in het doosje, leder keek er in , van heinde en vtT, en. elk riep vit: n Heden hebben w j den duivel gezien ! — M in' hieruit volgde nu
N A 1! L 1) K,
ook, dat de overledene een duivelskunstenaar was geiveest. iJe regter gelastte, dat hem de kerkelijke legrafenis zou onthouden worden, eu in de kerk etne plegtige duivelbezwering zou plaats hellen, om Satan uit het land te lannen. Maar de staatkundige tinnegieters van het dorp gingen nog veel verder. Naar hun oordeel en naar den regel van vmoiurs : wCriinine ab uno disce omnesmoest de geheele Orde worden in den lan gedaan.
Maar terwijl allen hier nog vol van waren , doorreisde toevallig een wijs man de kleine plaats. Hij hoorde alles aan, lachte luidkeels , en riep uit: n Wel, 't is een mikroskoop T' boeh de dorpelingen kenden noch het ivoord, noch de zaak; en zeker zou ook deze vreemdeling als een too venaar zijn veroordeeld, als hij niet het gevreesde doosje had open gemaakt , en — een onschuldige schallel jter wandelde over de tajel! — Toch vond men nog lang daarna menschen, die van Pater tanner en zijn wonderdier wisten te verhalen, zonder er de verklaring lij te voegen van den wijzen man.
Het mikroskoop is ons hart; de lens, waar wij door zien, onze eigene hoosheid; de schallebijter eene fout of ondeugd van omen naaste. Die er naar geruchten over spreekt, zet gewooniijk nog een mikroskoop op 't mikroskoop van den ander.......
Ach! hoe vele landen, steden en huizen zijn er, waar men het gezigtshedrog van 't mikroskoop nog niet kent!
11
YERSCMTLLENDE OPVAT'I ING EN YERKLAR1NG DER PARABELEN, VAN DE VROEGSTE TIJDEN AF.
Nadat in de tweede helft der tweede eeuw de apostolische schriften meer en meer algemeen al? Heilige Schrift aangenomen waren, en men het over de voornaamsts boeken des Nieuwen Testaments reeds lang was eens geworden, begonnen ook omtrent de opvatting en verklaring dier schriften verschillende gevoelens zich te ontwikkelen. Die naauwkeurig te bescluijven en door alle volgende ecuwen heen na te gaan , is de taak van anderen , die eene geschiedenis schrijven vr.n de uitlegkunde des Nieuwen Testaments, Hier wil ik slechts opmerken, dat al spoedig tweeërlei neiging zich openbaarde: de eene om jkzus' woorden, als die van ieder ander mensch, in hunne natuurlijke beteekenis, en met 't in acht nemen der omgeving, waarin zij werden uitgesproken, te verstaan; de andere, om, in navolging der Joodsche schriftgeleerden, in de Heilige Schrift, meer dan in eenige andere, geheimenissen te willen lezen; ofschoon zelfs door de Coccejanen, die hierin het verste gegaan zijn, de gematriek en cabbalistiek der Joden, op letters en getallen gebouwd , wordt afgekeurd,
Onier de oudste kerkvaders, die aan jkzvs' parabolisch onderwijs hunne bijzondere aandacht wijdden en daarvan een gezond denkbeeld hadden, staat vooraan tertüi.lianus. //Zelfs de Gelijkenissen quot; zegt hij : //verduisteren het licht des Evangelies niet. Men vrage daarbij slechts niet: Waarom honderd schapen? Wat beteekenen de tien drachmen? Wat is daarbij bezem en lamp? Want om Gods genade uit te drukken, was 't noodig, zeker getal te noemen, waarvan er één verloren ging; en om het doen der vrouw te schilderen bij haar zoeken, was lamp en bezem noodig.quot; — In den zelfden geest spreken ook hiKronymus, avot'stims, ciirysostoju's, T)e eerste vergelijkt den eigenlijken zin der Parabel met het goud in de mijn, de kern in noot of kastanje; en auoi'stinus schrijft: //Alleen de kouter doorsnijdt de aarde ; toch zijn ook al de overige deelen van den ploeg onmisbaar; alleen de snaren der either geven klank, maar om dit te kunnen doen, is er iets noodig, waarop zij worden uitgespannen. Zou is niet alles gelijkenis, wat in de Gelijkenis voorkomt.quot; — In dien zin heeft ook oüicems een reeds in zich zelf schoon beeld, om de regte beteekenis van 's Heilands beeldspraak aan te toeren : //Eene schilderij geeft de kleuren, maar niet den vorm der dingen weder; een standbeeld den vorm, en niet de kleur; en ook waar 't standbeeld van was is, geeft het wel kleur en vorm beide, maar toch alleen de oppervlakte der dingen, niet het inwendige. Zoo geven de Gelijkenissen van het Koningrijk der
n a ïi. e i) k.
hemelen alleen enkele punten van gelijkheid aan, maar zijn de beelden in andere opzlgten aan 't afgebeelde ongelijk.quot; Waarom ook thlophylacïus zegt: uDo parabel, die in alle opzigten geleek, zou niet een zinnebeeld, maar het afgebeelde zelf zijn.quot; I)
Hoe weinig evenwel sommige kerkvaders, met name oiuotNES en augustinus, hun beginsel zijn getrouw gebleven, reeds meer dan eens zijn wij in de gelegenheid geweest, om dit op te merken, liet is vooral augusti.ms, die de minste kleiniglieden overbrengt j waarbij hij dan soms vergeet, dat hij ze elders op eene geheel andere wijze heeft toegepast. Zeer juist is dus de aanmerking van een' R. C. uitlegger, dat wij zulke verklaringen meer als oratorisch, dan als dogmatisch of exegetisch gemeend, moeten opvatten.
Intusschen vestigde zich hierdoor meer en meer eene uitlegkunde, die van alles de over-dragtelijke beteekenis weten wilde, en die CHRYSOSTomis door zijn gewoon zeggen //Vraag naar 't andere niet!quot; niet weren kon. Schijnbaar vend ook dtze uitlegkunde een' vasten grondslag in de egen verklaringen van den Heiland, omtrent Zaaijer en Onkruid gegeven, en waarbij aan elke bijzonderheid hare bekeken s wordt aangewezen.
In dien geest is mie der oudste verklaringen, die over verschillende Gelijkenissen loopt. Zij wordt gevonden onder de werken van aïhanasu s, maar schijnt, wel van eene latere hand, misschien als een uittreksel uit 't geen in de werken van dezen kerkvader verstrooid voorkwam. 2) De verklaring is in den vorm van vragen en nntwcorden gegoten, en bevat; Do Onbarmhartige Dienstknecht, Twee Ongelijke Broeders, Ilijke Dwaas, (de Bijl aa'n den wortel,) Rots en Zand, Koninklijke Bruiloft, Verloren Zoon, Ponden, Boo ze Landlieden, Zaaijer, Samaritaan, Arbeiders in den Wijngaard, Verloren Penning, Schat in den Akker, Zuurdeeg, de Weg naar den Regter, Mosterdzaad, Regter en Weduwe, Onvruchtbare Vijgeboom. — Ik deel dit mede, als den oudsten of althans op den na den oudsten Catalogus der Gelijkenissen. Hij heeft echter, ook als zoodanig, weinig waarde. Want niet alleen ontbrak er iets in 't oorspronkelijke Handschrift; maar tusschen de vragen naar den zin dezer Gelijkenissen zijn allerlei andere gezet, zelfs over 't verbod, om de hoeken van hoofd of baard niet rond af te scheren! {Levit. XIX : ;37.) Soms is de beteekenis goed getroffen , maar soms ook wordt er in 't wilde naar geslagen, zoo als bij de Parabel der twee Ongelijke Broeders: //Wie is de vader? God. Wie de zoon, die zeide
1) Ik geef hier noch den tekst, noch de naauwkeuriger opgave, waar die te vinden is, omdat de patristiek, in betrekking tot de Gelijkenissen, uitvoerig behandeld is door ukger en tbench. De eerste geeft vooral de gevoelens op omtrent het «ophelderen of bedekkenquot; als doel der Parabel , waarvan wij vroeger spraken. De slotsom van zijn onderzoek trekt hij in deze] woorden zaaien : «Clemens alixan-mmus meent, dat de Parabelen de waarheid bedekken, «opdat 't mysteriën zouden blijven;quot; ïheo-phyuctus en eutiiymius «opdat de waarheid door onwaardige Parizeen niet zou worden outbeillgd;quot; hieronïmüs «om den leergierige tot nader onderzoek aan te sporen.quot; Cukysostomus daarentegen noemt, het »aan 't lielit stellen der waarheidquot; hoofddoel, v aarloe den aandaehtigen ook het duistere dienen moet. Theopiukes vcreenigt beide: «liet ophelderen voor de weiwillenden, en het verduisteren voor kwaadwilligen.quot;
2) De titel is 'I'ijaeu 'E^^rjvBiai nuqafiolwv totquot; «yiou BvafyaXlox:, Ik vond dit eurieuse geschrift onder de werken van atiianashs, IcKfuUn (bij weidmann, 1C8(1) uitgegeven (in Folio), Deel II, Blz. 39't verv.
515
NAREDE.
Ik ga! (II ging niet ? judas. Wie hij die zeide Tk ga niet! en ging toch? Het volk uit de Heidenen.quot;
Wij bezitten evenwel uit do vierde eeuw eene veel belangrijker lijst van Gelijkenissen, die maar zeldzaam opgemerkt is of aangehaald. Toen namelijk de vrome en geleerde GKKGORius naztanzenus , ver van de kerkelijke woelingen en hofkabalen zijner eeuw, in stille afzondering zijnen ouderdom doorbnigt, had hij er genoegen in, vele bijbelsche stoffen, —tot zelfs een geslachtregister van den Heiland, uit dat van mattheüs en i/jkas zameu gesteld! —te berijmen. Gelijk alle dergelijke berijmingen, staan ook deze in dichterlijke waarde juist niet bijzonder hoog; maar ze zijn ten minste eenvoudig en getrouw, beknopt en degelijk. Zoo brengt ook ghkgoiuus eerst de wonderen, en daarna de Parabelen op rijm , en wel die der verschillende Evangelisten afzonderlijk. Maar aan deze afzonderlijke gedichten, die in 't kort de Parabelen bij matïhi.üs , bij maiikus en bij i.ikas opgeven, wordt nu nog een algemeen overzigt toegevoegd, dat ik hier — als hot oudste dokument van dezen aard — in zijn geheel wil mede deelen; uitgezonderd natuurlijk dc dichtmaat, waar echter de lezer niet bijzonder veel aan verliest. 1)
»lk vrees, dat de grondslag van mijn leven in 't zand liggende, ik door stortregen, watervloed eu wind zal worden weggespoeld; of gelijk het zaad, in een dorre en onvruchtbare aarde vallende, ik wel terstond zon opwassen, maar al spoedig door de zonnestralen verdorren, de vogels mij eten of de doornen doorboren; en dat ook mij in den slaap de zaaijer van booze zizanüin kwaad zaad zou tnsschenstrooijen, als een nijdige vijand; of dat, te gelijk goede en kwade planten , terwijl zij nog groenen, aangrijpende, ik met de zizaniën ook 't goede zaad zou verliezen. Wiinigen toch weten de repterliand juist te besturen, waar goed en kwaad zoo digt bij een wonen, dat beide als in een zijn gegroeid.
»lk roem het kleine mosterdzaad, dat zoo vlug een boom wordt, en zulk eene hoogte bereikt, dat 't zelfs den vogelen des hemels ten huisdak strekt. O kostbare en schitterende parel! ik bon begeerig naar uwe schoonheid. Och of ik de groote koopman werd , die alles , tot mijn laatste klecl toe, voor dien dierbaren e:gcndom veil hebbe , opdat ik allen in rijkdom overtreffe , deze ééne parel bezittende voor alles, of wel den schat, in den schuilhoek des akkers verborgen.
«Maar ik ken ook de wereld, omsloten door het visehnet, dal in gehoorzaamheid aan Christus dc vissehers van menschen uitspannen, opdat zij uit do kolken der zee optrekken en Christus aanbieden, wie daar zwemmen in de brakke golven van dit leven. Wanneer Gij, o God! die visschen uitzoekt en schift in twee deelen, mogt ge mij dan niet als nutteloos wegwerpen, maar in de vaten doen, als bewaard voor mijnen koning!
»In den grooten , schooueu en belommerden wijngaard van God ben ik wel vroeg in den morgen gekomen, en heb er drn mccsten arbeid gedragen; toeh zal ik loon en eer hebben, aan de laatstengelijk. Zou ik ook afgunstig zijn, wanneer God geheel naar welgevallen den arbeid loont?
„Een vader zond zijne zonen in den wijngaard, om dien te bewerken: den oudsten eerst, die wel quot;ewillig het bevel aannam, maar toch des vaders wil niet deed, zoo als hij beloofd had. Maar de jongste, die vroeger geweigerd had, deed het nog; en hij komt mij beter voor en den vader welgevalliger. — Buiten een' anderen wijnberg wordt de erfgenaam gedood door landlieden, wie 't vuur der wraak zal verteren.
1) Het is ISquot;. 37 van zijne Gedichten in do prachtige Parijschc uitgaaf (1840), Deel II, Blz. 276 verv. onder het opschrift- toJ ot'tow (^/atovquot;) neij/afjoXni xnï nlviyftata.
516
NAR f. Ü K.
*Er is een bruiloft, die de beminde vadiT voor zijn' besten zoon vrolijk viert. Mogt ik daarin deel en! O dat ik er bij ware, en elk die mijn vriend is! Maar hij blijve buiten, die boven het gastmaal stelt of buitenverblijf, of nieuwe jokken ossen , of eene buisvrouw. Maar ook als onder de gasten, met bruiloftskleed getooid, ik aan/at met slordige klee.leren, geboeid aan banden en voeten zou ik ver van bruiloft en vrienden worden uitgeworpen. — Of wanneer 't kuische tiental maagden, met brandende lampen wakend, niet door den slaap bevangen den beminnelijken bruidegom, cnniSTus den Koning, afwachten, maar mei brandende lampen hem die komt tegemoet gaan: och dat ik dan tot de dwazen niet moge gerekend worden, die eerst waar cniusrrs slaat te komen in zorge zijn; cn dat ik niet, als ik der fakke'en vlam reeds zie, te laat de vloeijende olie van 't leven zoeken zou, en de gesloten deur mij ter bruilof zou uitwerpen; daar waar 't Woord aan wie rein zijn en die hij lief heeft, heerlijkheid en eere gcefi.— Maar wanneer mijn koning, terug keerende van de bruiloft, op eens overvalt wie van de dienstknechten hem alen wie niet wachten, moge hij mij onder de wachtenden vinden en mij prijzen om mijne vrees, als een' goeden dienstknecht, en voor hen over wie ik gesteld was, van het koorn of 't cebte woord een trouwe huisbezorger. — En wanneer in dien vreeselijken dag schapen en bokken worden gescheiden, mogt ik dan, onder de bokken niet geteld, de plaats ter regterband behouden!
«•Eene lamp lichte mij schitterend van builen toe, op den kandelaar geplaatst. Want 't is goed, dat ales God.' kenbaar wordt, wiens oogen alles zien. Moge ik maar steeds God meer en meer beminnen, hel zij Hij mij zuur of zoet toezendt ; want wat van God kom' , is goed.
»Wanneer ik door de roovers mogt gestoken zijn, uit de groote stad van Christus afdalende, (als de geredde door den Samaritaan,) laat niet toe, dat ik door de hand des moordenaars omkome !— Indien gij een' boozen geest uit mijne ziel uitwerpt. dat dan mijn vijand mij later niet traag vinde en weder keere met velen! — Verderf den onvruchtbar en vijgeboom niet, maar hoop nog op vrucht, o koning; houw hem niet uit, maar rigt met zorg hem op. Dan zult gij den penning, het schaap, den zoon, die gij allo verloren luidt, terug vindende op den grond, op de bergen, of in ellende wederkeerend naar 't vaderhuis, ze weder tellen onder uwe zonen , vee cn drachmen.
*Maar laat ik niet, wanneer de koning voor mij, armen schuldenaar, zoo toegevend is, een onbarmhartige dienstknecht zijn, en voor mijne mededienslknechten een harde uitmaner; of dat ik (als de rentmeester) van de scbuld niet heimelijk wal aftrekke, met het overleg, om in latere ellen Ie verligling te vinden. Lazarus zij ik hier en hier namaals; een ander de trotsche hier, maar diuir van eer beroofd cn tot verzadiging der vlammen! Moge ik niet roemen, daar ik slcehts een'zondige tollenaar ben, die door tranen erbarming vind, terwijl Earizeën uitvallen! Maar wanneer ik eens eene bedrukte weduwe voor mijne deur onverrigter zake weg zend, en zoo ik een steen of wreede slang voor 't smakelijke brood en lekkeren visch uit vijandschap met deze mijne regterband mogt uitreiken , God zou mij 't zelfde doen. Bijaldien mijne schuren bewaakt werden door 't zegel en door de hoop (op nog grootere), hoe spoedig zau dat goed mij ontvallen, cn deze naolit dxir bioze droomen mij (als den rijken dwaas) verderven!
«-Tiet talent, door God mij toevertrouwd, al gaf Hij anderen meer, ik bid, dat 't niet ongebruikt blijve in mijne handen; of bet pond van 't natuurlijke woord, door genade gelijk verdeeld. Moge ik slechts werk kunnen loonen, en eer voor werk ontvangen; geen harde stralfen en schande ten prooi worden !quot;
Ik heb dit overzigt, omdat het zoo oud is en zoo eenig in zijne soort, in zijn geheel en woordelijk vertaald willen mede deden. Al is hier en daar do toepassing wat gezocht en de aaneenschakeling gedwongen, men zal den vromen kerkvader den lof niet kunnen
517
nare d ic.
ontzeggen, dat hij, zonder aan de kunstmiddelen van anderen zich te wagen, van jezus' parabolisch onderwijs een regt gemoedelijk gebruik heeft gemaakt. — Zijn vriend BAsmrs moet ook een werk over de Gelijkenissen hebben gesebreven, waarvan wij echter even min den omvang als de strekking kennen, 1)
Dat eindelijk ook de ouden een dogmatisch gebruik maakten van dit onderwijs des TIeeren, hebben wij in het voorbeeld van augüstinüs, en zelfs reeds van mai.cion opgemerkt. De latere regel Theologia par al olie a non est argumenfativa was dus toen nog niet in zwang.
Als wij van de Kerkvaders afscheid genomen hebben, — daaronder ook de Grukscbe Commentaar van EUTimiirs ziGAnmi s, als de eeho van chrvsostomus, begrepen, — is het ons, of wij eerst na eene lange reis door de wildernis weer op bebouwden grond onzen voet zetten. In de duizend jaren, die de patristiek van de reformatie scheiden, is mij geen werk over de Parabelen en zelfs geene oorspronkelijke proeve van Evangelische exegese bekend. Behalve dat nu en dan de Scholastieken, bij hunne wij sgeerige en godgeleerde spitsvondigheden, en de Mystieken in hunne vrome droomerijen, ook eens eene Gelijkenis tot bewijs of tot opheldering aangrijpen , zijn do Catenae en Thesauri, waartoe de Kerkvaders zonder eenig oordeel werden geplunderd, alles wat deze tijd oplevert. Thomas aqoinas geeft daarbij den standaard der middeleeuwsche geleerdheid aan, en nicolaxis de lyra doet de morgenster schemeren van een gezonder opvatting der Schrift. Hoe deze door luther werd populair gemaakt , hoe de geleerde kai.vijm vooral bij auc.usttnits ter school ging, en hoe later iu'go Di'. groot zich op dit terrein onsterfelijke verdiensten verwierf; maar hoe ook aan de andere zijde de Jezuïeten hen waardiglijk op zij streefden , kan bier niet worden nit een gezet-De voetstappen der Exegese op hare verschillende wegen, van vooruitgang zoo wel als van afdwaling, zijn reeds vrij duidelijk gtteekend door onze vroegere aanhalingen van verschillende uitleggers. Daar heen moet ik dus verwijzen voor de exegese der hervormers en van zoo vele anderen; want hoewel er in de zestiende en zeventiende eeuw hoogst zeldzaam een afzonderlijk werk over de Parabelen werd geschreven , komen zij natuurlijk in alle commentaren enz. voor. Veelmeer vonden de afzonderlijke Gelijkenissen hare bewerkers, vooral in leerredenen en stichtelijke geschriften, en ik meende eerst ook die op te geven; maar alleen reeds de onoverzienbare stapel over den Onregtvaard igen Rentmeester was genoeg, om mij hiervan af te schrikken. Dat zij rusten in vrede! Ik geef dus verder alleen nog, —en dat zeker zeer onvolledig, — die werken op, die over eenige of alle Parabelen handelen, met mijne aanmerkingen, voor zoo ver ik ze zelf heb kunnen te zien krijgen. En daar de namen der behandelde Gelijkenissen zoo dikwijls bij de inhoudsopgave dier boeken voorkomen, heb ik die merkelijk bekort, en daartoe altijd den naam gebruikt, in onze Verzameling gebezigd, ook al noemden de aangehaalde schrijvers ze anders.
1) Ofxümf.nio leste in EpisMam priorem ad Tmotleum, b. basilitjs integrum in Parabclas Domini interprelaudas edidit volumen. Salmfiuk, — Ik vind hieromtrent elders niets, ook niet in de uitvoerige Nnm Bibliotheca Auctorum ecdniiutirorum van dcpin. {Colon, 1692.)
518
NAREDE.
1. ROOMSCH KATHOL!JKEN.
Z under cr voorin te staan, dat onder de vele andere titels geene van R. Kallioiijken oorsprong zijn, geef ik hier, wat mij in handen kwam. Dat de dcgelijkste R. K, exegese door de Jezuïten is geleverd, zeiden wij reeds meer malen. Onder hen staat mai.donatus {Comm. in Evang.) hoven aan. En is deze de kalvijn en tevens de melanchtho.n van Home, de veel te weinig hekende piucaEUS komt in klassieke geleerdheid m no de oboot meest nabij. Maar wij gaan over tot de eigenlijke werken over de Gelijkenissen,
//Acolastls. De Filio prodigo Comoedia , aulorc guilhelmo gkaphko. Coioniar, 1510. — Ovis Pcrdita. Comoedia sacra , autorc jacobo zovitio, Antvcrpiae 1541. — Petki patei Samarites, Comopdia de Sama-ritano Euangelico. Culouiac 1540.quot; — Deze tooncelslukken, (In ééneu band met de Geschiedenis van jozkf, lazabls' Opstandingen Magdalena bij 'i graf, in den zelfden trant bewerkt,) haal ik hier meer aan als eene letterkundige curiositeit, mij tocva'lig in handen gekomen. Zij lichben eenige verwantschap met de Comoedia Sacra der middeleeuwen, die nog in Italic en misschien ook elders (b. v. in de grafkerk te JeruzaUm) in wezen is, als eene aanschouwelijke voorstelling der Bijbelschc Verhalen. Terwijl echter de middeleeuwsche openbare vertooningen van de monniken uitgingen^, isdeComoedie der zestiende eeuw, waarvan cr meer moeten geweest zijn, op 't gymnasium cu uit navolging van terentius geboren, en schijnt zij hier en daar aan de Katholijke rigtiug van eeasmds verwant,
»Alfonsi Salmeronis Toletani, e soeietate Jesu thcologi, Conimcntarii in Evangelicam Hisloriam et in Acta Apostoloium, Ton.ns Septimus. De Parabolis Domini nostri jesü chkisti. Coloniae Agrippinae Ant. Hierat. Fo., 1603.quot; — Dit werk is reeds op zich zelf belangrijk, als het eenige geleerde boek, in de R. C. kerk over de Parabelen geschreven. De schrijver blijft echlei beneden de geleerdheid en helderheid van den Jezuïet maldohatus, en vervalt telkens in eene vermoeijende uitvoerigheid. Na wederlegging, zoo noodig, van verkeerde opvattingen, geeft hij doorgaans vrij juist de voorstelling en den letterlijken ziu {Cortex et Smsus), cn daarna de allegorische en morele verklaringen der Kerkvaders. Na eene breed uit-gewerkte Inleiding, behandelt hij: de 7 Parabelen Matth. XIII, met't üpsch. Zaad; Onb, Dienstknecht; Goede Herder, Samaritaan, Smeek. Vriend, Rijke Dwaas, Wakende Knechten, Huisbezorger, ünvr. Vijgeboom, Gast, Gastmaal, Torenbouw, Oorlog, Zout (l,uk. XIV), Het verlorene in 3 Parab., Rentmeester, Knecht v.d. Akker, Regter, Farizeër, Arbeiders, Ponden, Ong. Broeders, Landlieden, Bruiloft, Maagden, Talenten, Schapen en Bokken. — Enkele beelden en spreuken noemt salmeeon nog op, als door anderen er toegerekend, maar door hem bij het Evaiigelisch geschiedverhaal, waarin zij voorkomen, (lus in andere Deelen van het groote werk) behandeld, terwijl hij de Parabel van lazarcs voor eene geschiedenis houdt; zoo als ook Farizeër en Tollenaar, die hij alleen heeft opgenomen, jtara-hola a Domino nuncu]gt;uia est.
«Seb. Barradii, e Soc. Jesu doetoris 'Iheologi, in Eborensi Academia quondam saer. lit. prof., Commen-taria in Goncordiam et historiam Evangelicam, 2 T. folio. Moguntiae, 1018.quot; — Hoewel geene afzonderlijke behandeling der Parabelen, wilde ik dit werk met voorbijgaan. Het munt uit door (in R, K, zin) gezonde ex -gese en degelijke patristiek, maar is voor onzen smaak vreesplijk langdradig.
»Les parabolcs de 1'Evangile traduitcs cn Vers, Avee uae explication morale et allcgonque tirée des S. S. Peres. Par Mousieur Furetiere, abb6 de Chalivoy. Paris 1072.quot;—Wanneer wij de vleijende opdi agt aan koning lodewijk ter zijde leggen, is dit werkje niet onaardig. Het bevat deze 26 Parabelen: Verl.Zoon, Dwaas, Zaaijer, Onkruid, Mosterdzaad, Zuurdeeg, Schil en Parel, Visehnet, Verl, Schaap, BI, Leids-
519
na 11 k d e.
mu, Dienslkncchtcu , KinderzpgetjiDg , Vorsten cu Apostelen , Kemel, Arbeiders, Ong. Broeders, Landlieden, Bruiloftskleed, Gewitte graven, Teckenen des gerigts, Dief in den nacht. Maagden, Talenten, 'tLaatste Oordeel, Rots en Zand,
Enkele (zoo als Mullh. XIX: 13, 14 en XX: 25—38) zijn geene Gelijkeuisseii. Zijne opvatting is doorgaans gezond, en hij neemt de mystieke en allegorische beteekenissen , qui a la vcrité sont par fox s un peu éloignez, bijna alleen op uit respect pour les pensées de ces grandi Hommes (de Kerkvaders); terwijl hij, als om zijn' eigen' twijfel op dit punt te bezweren, uit de Homiliën van sï. geigokhs aanhaalt: jCmusTUS heeft slechts twee Gelijkenissen verklaard, om de leeraars der kerk op te wekken, den mystieken zin der overige te zoeken, en de volken eerbied voor hunne denkbeelden in te boezemen,quot; — De berijming zelve is, in den geest zijner eeuw, vloeijend , maar zonder verhelling van stijl of gedachte.
»Nikodemus, oder die Gleiehmszreden des Herru voni Rciche Gottes, aus den heiligen Viitern und Schnftstellern der Katholisehen Kirche erliiutert, und mit Glossen versehen, zur Warnung und zum Troste für unsere Zeit, Olmütz , gedruckt bey alois skahnitzl, 1831.quot; — Over dit zonderlinge Katholijke boekske is reeds af en toegesproken. liet geeft in uieuweren votm de mystiek der Kerkvaders terug; bevat, bij veel excentrieks, tcch geestige opmeikingen en praktikale wenken; is in den grond eene Compilatie, en vormt toch een zonderling geheel, door de Parabelen te rangschikken onder de Artikelen des geloofs , op deze wijze:
Ik f;eUof in God, de» Vader, den Almagtige, Schepper des hemds en der aarde; En in jezi's cuwstits, Zijnen eeniggeboren Zoon, omen lieer. — Do Zaaijer, Arbeiders, Opseh. Zaad, Tarwegraan.
Die ontvangen is van den Heiligen Geest, geboren uil de. maagd marli ; die geleden heeft onder pontius PiLA'ius, is gekruisigd , gestorven en begraven, nederg* daald Ier helle, —Schat en Parel, Landlieden.
Ten derden dage weder opgestaan van de dooden , opgevaren len hemel, zittende ter regterhaud Gods, des almagligen Vaders; van naar hij komen zal om le oordeelen de levenden en de dooden, — Ünvr. Vijgeboom , Ponden en Talenten.
En in den Heiligen Geest. — Mosterdzaad , Zuurdeeg.
Eene heilige algemeene Christelijke Kerk. — De Herder, Onkruid, Visehnet,
Gemeenschap der heiligen. — Stad op een berg. Gastmaal, Rijke Dwaas, Smeekende Vriend , Regter en Weduwe, Parizeer en Tollenaar, Samaritaan.
Vergeving van jowr/ew, — Scbaap en Penning, Verloren Zoon, Twee Schuldenaars, Rentmeester, Onbarmhartige Dienstknecht,
Opstanding des vleesches. — Lazarus (ykh sowohl ein Gleichnisz als vielmehr eine wahre Ge chichh).
En eeuwig leven. — Bruiloft, Maagden.
Amen. — Rots en Zand.
»Die Parabeln und Gleiehnisse des llerrn vom lleiche Gottes, Ein Volksbuch für alle Zeilen. Von j, h. v, wessesbekg. Zweite verbesserte Auflage. St. Gallen, Scheitlin und Zollekofer. 18't5., —Dit op zich zelf niet veel beduidende boekske ontleent eenige belangrijkheid aan den persoon des schrijvers, onder de geestelijkheid van de R. K, kerk in Dudschland een der laatste moedige strijders ^egen het overheerscheud ultrarnontauisme. De echt Christelijk-Kutholijke geest van zijn spreken en schrijveir, zonder eigenlijke ketterij, maakte dezen schrijver bij velen bemind, hoe gehaat ook en vervolgd door Rome. Voor onze beschouwing heeft het werkje nog dit belang, dat het de ruimst mogelijke optelling van Parabelen bevat, en die in bepaalde rubrieken afdeelt. Hierin, maar ook hierin alken, komt wessenbeug met dkummond (van wieu later) over een. Zijne indeeliug is :
1. Het Godsrijk; Zaad, Mosterdzaad, Zaaijer, Zuurdeeg, Schat cn Parel.
2. 'sMenschen Roeping: Wind, Bruiloft en Gast, Arbeiders, Broeders, Ligenziniiige Kinderen, Landlieden.
3. IVare Burgers. üooden begraven. Hand aan Ploeg, Geweldenaars (1//. XI: 12), Enge Poort,
NARE D E.
Kameel, Ergerend Oog en llund, Torenbouw en Oorlog, Kind (1/. X ; 15), Reut mees'er. Slangen en Duiven, Paarlen, Talenten, Vruchten, Uitgehouwen Boom (.W. VII : 18, 19), Rots en Zand, Kleed en Wijnzakken, Verdeeld Koningrijk, Zout, Niet brood alleen (.1//. IV : 4), Oog der Ziele, Liefde der duisternis (Joh. Ill; 10—21).
4. Liefde: Samaritaan, Schuldenaars, Weg naar altaar, Splinter en Balk, Zonen Regen (W. V : 45), Aalmoezen (VI: 3), Gastheer, Molensteen [L. XVII ; 2), Ilcgter en linker wang, Rok en Manttl.
5. Ootmoed: de Eersio (.W. XX : 27) , Kind, Gast, Farizcër , Knecht van den Akker.
fi. Boete: Verloren Zoon, Bezetene, Huis des Sterken.
7. Tijdelijke Zorgen: Vogels en Leliën, Sehat in den hemel, Buidels {T,. XII: 33), Rijke Dwaas, Levend Water {Joh.W), Opoffering (.I/V. XIX : 28), Wakende Knechten.
8. Huichelarij: Teekenen des Hemels, Wat den mond ingaat, Muggen, Bekirs en Graven, Wolf in Schaapsvacht, Blinde Leidsman, Aalmoezen, Bidden en Vasten.
t). Langmoedigheid Gods: Planten {Mt. XV : 13), Maten (VII: 2), Mossehen, Biddend Kind, Smcekende Vriend, Onvruchtbare Vijgeboom, Reg ter en Weduwe, Geloof als mosterdzaad. Lazarus, Onbarmhartige Dienstknecht.
10. Chhistus: Juk, Kruis, Zwaard, Vuur, Medicijnmeester, Brood des levens. Wijnstok, Weg, Deur, Herder, Verloreu Schaap, Penning, Vos en Vogel, Tarwegraan, Hen en Kiekens, Groen en dor hout. Prediking op daken.
11. Toekomst: Vergoeding {Ml. XIX :2S), Dronk water (X ; 42) , Moedervreugd, Huisbezorger, Bliksem en Arenden, Maagden, Bokken ca Schapen, Wormen Vuur.
Hoe ruim nu deze opvatting ook wezen moge, in elk der opgegevene voorstellingen is toch, naar de ruime opvatting der Evangelisten zelve, het parabolisch element niet te miskennen.
2. OUDE HOLLANDSCIIE THEOLOGIE.
NB. De werken van n. lijnskens ,—b. s. cke.meu, — a, leck, die ook over de Parabelen moeten geschreven hebben, zijn mij zelfs bij name niet bekend. I5n alleen bij naam groenewegen. De Gelijkenissen, Franeker, 1G92. 4°.
«Henriei Teelmanni Commentarius Criticus et tlieologicns in Caput XVI Euangelii Lucae, aliasque insigniores utriusquo Sacri Instrumenti partes, continens explioationem parabolarum Euangelicarutn de Eermcnto, Oeconomo, Divite et Lazaro etc. Item Dissertationem ad locum Matthci Cap, XXIV: 98. Praefationem adjeeit campegius vitringa. Amstclaedami, excudit geuardcs borstiüs, Bibliopola, 1695.quot;— Dit werk is in de eerste plaats merkwaardig door de voorrede van VITRIKGa , waarin deze de grondslagen zijner uitlegkunde opgeeft. Hij neemt daarbij niet alleen éénen grammatikalen en één'mystieken zin der Schrift aan, maar zelfs meer dan éénen, //mits die er uit kan worden afgeleid, niet er wordt ingebragt.quot; Teelman zelf brengt do beginselen der Coccejaanschc exegese tot bepaalde Theses, terwijl zijne verklaring zelve getuigt van eene waarlijk verbazende geleerdheid, zoodat de schrijver, na zulke uitweidingen , wel zeggen mag : Sed quo rapior ? Aut quid intendo ? Minus cogitanti mihi haec extorque.nhtr. Dabitur oliqualis seribendi aesiui tenia. En toch is de vrucht van zoo veel geleerdheid cn scherpzinnigheid dat bij voorbeeld de arme lazarus Christus zelf is, de Rentmeester het beeld der Earizeën, die zich schamen bij Christus te bedelen enz.—in mijn oog althans, meestal louter vernuftspel zonder waarheid.
Overigens weerspreekt teelman te regt den regel Thtologia Paraboliea non est argumentaiiva {pay. 22), daar ook de Parabelen een deel zijn der Schrift, de verborgenheid van 't Koningrijk der hemelen bevatten, Christus zelf er mede argument eerde, en de Earizeën ze op zich toepassen. Hij zegt, dat de regel alleen geldt, wanneer men de woorden van 't verhaal in een' zin opvat, die buiten de bedoeling ligt, of uit de letter gevolgen trekt, als bij voorbeeld dit van irenaeus: »De ziel moet iets ligchamelijks
52)
N' A li K D K.
weten en zekere gedaante hebben; amlers had do rijke in do pijne lazarus niet kunnen zien in
ABRAHAMS SCllOOt.quot;
„Drie Parabolen ofte Gelykenifscn der Heylige Schrift: van den Wyngaerl, Jes. V; 1—7; vandfn Schttltheer, Luc. VII ; 40—60; van den Samaritaen , Luc. X: 30—37. TJytgelegt ende eerstmael in 't Engelseh bcsohrevcn door neuemia «ogeks, vertaelt door p. uebinga. AmsMredam, j. van someben , 1661.quot;—Ue beide laatste ook onder den afzonderlijken titel: »Spiegel der Barmhfrtigheyt, van de zijde Godts ende des Menschen. Voorgestelt in twee Gelijkenissen : 1) de bekeerde Sondares ofte de Bekee-ringc van makia magpalena. (!) 2) Den goeden Samaritaen.quot; — Nog uitvoeriger dan do (hier bekorte) titels, is het werk zelf, bevattende 220 en 18'! Bladz. qu0. Uit de Gelijkenis van den Barmhartigen Samaritaan alleen zijn 98 Leeringen en Aentnerkingen afgeleid, waaronder «avau is den afgesetten ende beroofden menschen Jericho oen afbeelding van dese werelt ,de duyvelen zijn dieven;quot; «dooiden val heeft de mensch sijn kloet verloren;quot; enz. behalve nog de alledaagsche opmerking; ,/Herbergen zijn van een goot gebruyk voor de Reyseiiaers,quot; eu dergelijke. De analytisehe methode, met hare onder-deelen van onderdeelen, is daarbij ver genoeg gedreven, en wordt in eeno Tabel of »Korte Vertooniugequot; voorop gesteld.
»Do Gelykenissen van den Verloren Zoon en Onregtveerdigen Rentmeester, met nog eenige andere Bijbelsche Stoffen , verklaard en toegepast door joiiannes d'octhein. Amstcldam, g boestius, 1692. qu0.quot; — Onder de andere Bijbelsche Stoffen komen hier in aanmerking: de Kinderen op de markt, de Onvruchtbare Vijgeboom, het Opschietende Zaad. Vooraf gaat eene «Voorrode, nopens de Parabelen in het gemeen,quot; — Daar wij d'outrein reeds vroeger leerden kennen, als uitgever van vitrikga, behoeven wij niet te vragen naar den aard van zijn eigen werk : gezonde woordverklaring en kolossale geleerdheid, vereenigd met de verst gezochte woordspelingen, ten einde in de Gelijkenissen eeu' profctisclien zin te leggen. Zoo vinden wij hier 37 Bladzijden in quarto gewijd aan de vraag, waarom de verloren zoon niets op zijn hoofd krijgt, on tot opheldering van't ongedekte der kerk, als bruid van Christus, dient eene zeer uitvoerige verklaring van Hoogl. 1:7 Want waarom zou ik zijn als eenc, die lich bedekt bij de kudde uwer medr/eiellen ? Met dat al zal reen niet ligt elders zulk eenc volledige verhandeling vinden over het al of niet dekken van 't hoofd in de oudheid.
/Verklaring van de Evangelische Parabolen. Voormaala opgegeven (in de Latynsche Tale) aan de Voedsterlingen van de Academie te Franeker, door den Hoogwaarden cn seor Vermaarden Heer campe-oids viTRiNGA, Hoogleeraar in de H, Godgeleerdheid en Kerkelijke Geschiedenissen aldaar. En nu vertaalt ende met eenige Byvocgselen en Aanteikeningen opgeheldert door johannes d'outrein , Predikant \ei Amsterdam, t' Amsterdam, bij hendrik strik, Bockverkooper, besyden het stadhuis 1715,quot; — Meermalen haalde ik dit werk aan, belangrijk door de geleerdheid en scherpzinnigheid, (eenc betere zaak waardig!) waarmede de Gelijkenissen tot eenc profetische kerkgeschiedenis worden verwerkt. De Neder-duitsche bewerking is door vitrikga zelf goedgekeurd; en bevat Zaaijer, Onkruid, Mosterdzaad, Zuurdeeg, Schat, Parel, Vischnet, Onbarmhartigen Dienstknecht, Arbeiders in den Wijngaard, Ongelijke Broeders, Booze Landlieden, Bruiloft, Maagden, Talenten, Samaritaan, Smeekenden Vriend, Kijken Dwaas, Onvruohtbaren Vijgeboom, Verloren Schaap, Penning cn Zoon, Rentmeester, Lazarus, Rogier en Weduwe; — terwijl d'outrein zelf er nog heeft bijgevoegd den Parizeer en Tollenaar.
,De predikende cn wonderdoende ciiristus. Of do grote Propheet en Leraar Israels, kragtig in woorden en in werken, geblekeu uit zyne zielroerende Predikatiën, zinrijke Parabelen en verbazende Wonderwerken; welke uit overeenstemming der vier Evangelisten, schrivtmatig worden verklaart en ter oefeninge van ware Godvrugt toegepast, door johannes barueth , Predikant te Dordreyt. 2 Dln. ququot;. Te Rotterdam, bij jacobus boscu 1752—SLquot; — Deze twee Bundels, te zamen 88 leerredenen bevat-
Ö22
N A .11 L I) E,
fendc, zijn wel niet uitsluitend aau jezus' parabolische leerwijze toegewijd, maat bevatten die echter geheel cu al. Is de |irecktooii niet meer die van onzen tijd, het is eene verblijdende proeve, hue men van de Coccejaansche droomcrijen tot den gezonden en pragtnatischen zin van het Evangelie begon terug tc keereu. «Overalzegt de schrijver; »heb ik in de Verklaring Vryheid gebruikt, om myn Oordeel over de voorkomende zaken te zeggen; zonder dat ik ergens eens anders Gevoelen , van het myne verschillende, hatelyk, veel min bespottelyk heb voorgestelt. Men is verpligt inde Lievde tc geloven, dat elk zyn Ligt zoekt te volgen. Ik laat dan ecnen anderen zyn Vryheid; cn behoudc de myne.quot;
»J. boskoop, De begenadigde Zondaressc cn de Twee naar den Wyngaard gezondene Zooncn , beschouwd in 13 Leerredenen, dmst. 1708.quot; — Overeenkomstig de admiruiion miduMe van de regtzinnige leeraars der vorige eeuw, worden deze Predikatiën door Klinkdichten enz. van collega's bij het heilbegcerig publiek ingeleid. Praktikaal zijn zij zeker, en naar den verschillenden genadestaat der hoorders, waarvan men toen veel werk maakte, even als die van dakueth , toegepast. Maar de beknoptheid van dezen missen zij geheel eu al, daar aan de boetvaardige (en de Gelijkenis der twee Schuldenaars) niet minder dan 408 digt gedrukte bladzijden in quarto zijn besteed. Onderdeelen van onderdeden, met cijfers, Latijuschc, Gricksche en Hebreeuwsehe letters aangewezen, (»tot groote vermoeijenis der hoorders,quot; gelijk bakuei'h zegt,) ontbreken dan ook niet, maar de exegese is vrij gezond, schoon ook hier en daar ver gezocht.
3. LATIJN SC HE VERHANDELINGEN, VAN INVLOED OP DEN GANG DEK EXEGESE VAN DE GELIJKENISSEN,
»L. heinuaud, Instit. thcol. parab. sivc Dn recta ratione interpret, praecipue C. parab. Lips. 17'i0,quot;
»G. i. sïbel. Super parab. sacr. Tentamen. Hal. 1767.quot;
»D. a. ueguleth, Diss, de Parabolis evangelicis. Pars prior. Traj. 1770.quot;—Eene gewone dissertatie, maar waarin reeds de gezonde exegese van bengel en anderen op de Gelijkenissen wordt toegepast. Of het tweede gedeelte ooit in 't licht vcrschcncn is, weet ik niet.
»G. c. siOKR, de Parabolis Cbr. Tub. 17S8.quot; Later opgenomen in zijne Opusc, Acad. Tom, 1, 1796.quot; — Eene doorwroAte Verhandeling, die tot de rationele, maar ook tot de rationalistische opvatting der Parabelen veel heeft bijgedragen.
,G. a. van liubükg buoüwer, Specimen acadcmicum de Parabolis Jcsn Christi. Luyd. Bat. hazenberg, 1825.quot;
/^Wesseui scholten. Diatribe de Parabolis J. C. Delphis Bat, bruins et Luyd. hazenberg, 1827.quot;
»Do parabolarum Jesu natura, interpretatione, nsu, Scholae exegeticae Ilhetoricae. Juvenibns potissi-mum theologiae Cultoribus aperuit a. f. ukgeii, Lipsiae, reclam. 1828.quot;
Ik voeg deze drie werken bij een , omdat zij, kort na elkander in het licht verschenen , dc vaste grondslagen gelegd hebben tot eene gezonde verklaring der Gelijkenissen. Ofschoon elk hunner een veilige gids is, staat UNGtR in helderheiden scherpzinnigheid boven zijne jeugdiger tijdgenooten. Vroeger zijn hier reeds meer dan eens proeven van aangehaald.
Bijna gelijktijdig verschenen nog;
#A, h. a. scuuetze. De parabolarum J.G. indole poëtica, Oottingae, 1827.quot;
»P. w. ketïberg , de Parabolis J. O. 1827.quot; — Beide bekroonde akademische verhandelingen, op de zelfde prijsvraag ingezonden. De poëtica indoles wordt, naar lessing, herder, krumiiacher enz. als grondslag van dc verklaring der Parabelen aangenomen.
72*
NAREDE.
«J. g palms, Belrachtuugcn übcr die Gleiclmissc des N. ïcst. Hamburg 1735.quot;—In 2gt;5 Betracht ungen verden nur bieben Gleicbniise erlautcrt, (Lisco.)
,G. lorekz bauer (Prof. zu Altdorf), Sammlung uud Erklarung der Paiabolisclien Erzahluogen vinscres Hernn. heiptig. 17S2 '' — Lisco zegt er van ; ,EnthaU viel Schönes, nur ist die Moral der Parabeln nicht kurz genug angegeben.quot; Naar de Nieuwe Uitgave der Ilollandsclic Vertaling [Zutphen, ihieme, 1814) te oordeelen , zou ik eer zeggen , dat eene oppervlakkige en slordige exegese het grootste gebrek is, ofschooa de hoofdzin der Parabel gewoonlijk vrij juist wordt opgegeven, soms mot keuze tusschen meer gevoelens. Behalve de acht Gelijkenissen van Matlh. XIII, zijn behandeld: de Onb. Dienstknecht, Arbeiders, Ong. Breeders, Landlieden, Bruiloft, Knechten, Maagden, Talenten, Groeijend Zaad, Sm. Vriend, Kleed, Wijnzakken, Samaritaan, Dwaas, Onvr. Vijgeboom, Gastmaal, Torenbouw, Oorlog, 't Verlorene , Rentmeester , Lazarus , Regter en Weduwe , Par. en Tollenaar , Ponden (of »de Prins, die zijn rijk iu bezit neemtquot;).
„Der Bliek jesus auf Natur, Mensehheit und sich sclbst; oder Betrachtungen über die Gleiohnisse unsers Herrn. Ein Lesebuch für Christusverehrer von jouann ludwig ewald. Zweite, verbesserte und vermehrte Autiage. Hannover 179C, bei denGebrüdern haiin.quot; — Heb ik van dit werk , dat ook inNeder-duitsch gewaad in der lijd veel bijval gevonden heeft, uiet zoo bijzonder veel gebruik gemaakt, 't is alleen, omdat het in wetenschappelijke waarde eenigzins is verouderd. Maar als een boek vol gezonden bijbelzin en echt Christelijke stichting acht ik 't nog steeds hoog, ja! van alle populaire en praktikale behandelingen der Parabelen bijna het boogste ; zeker althans van 't geen bij ons, vertaald of oorspronkelijk, het licht zag. Het werk bevat bijna uitsluitend de Gelijkenissen in den engereu zin van't woord. Uit mattheüs: de Beelden van 't Godsrijk, H.XHI; ünb. Dienstknecht, Arb. iu den Wijngaard , Broeders, Landlieden, Bruiloft, Maagden, Talenten, Vergeldende Koning;—uit lukasi Samaritaan, Vriend en Kind, D.vaas, ünvr. Vijgeboom, Gastmaal, Torenh, en Oorlog, Het Verlorene, H. XV, Rentm., Laz., Weduwe, Far. en Tollenaar ; — uit joiiannes nog: het Brood des Levens, Licht der Wereld, Goede Herder en Ware Wijnstok.—Van ewald af begint reeds dc neiging, om het thema der Gelijkenissen tot een puut van algemeen opgevatte Christelijke zedeleer te maken, eu daardoor de miskenning van het Oostersch en hislotisch karakter. Wij zien bij hem reeds het levend beginsel, maar nog niet den kov^on en armc-lijken bloei van het rationalisme.
„C. in, cokz , Morgenliindisehe Apologen , oder die Lebrweisheit Jesu in Parabeln und Senteuzen. Hcilbronn , eb. weisert , 1803.quot; — Het belangrijkste van dit werkje is ue uitvoerige Inleiding , waarin aardige fabelen en Gelijkenissen van elders voorkomen. Van het overige bevat de grootste helft eene Mcrgeuldndieche Anthologie; de kleinste ceno berijming van 20 Gelijkenissen en eenige kortere spreuken van den Heer.—Er schijnt ook een druk van 1809, Leipzig, te beslaan.
„H e, gittebmann , die Gleiehuisse Jesu , oder moralisehe Erzahlungen aus der Bibel. Bremen, 1803.quot; — Door h, brouwer vertaald en in twee stukken uitgegeven te Groningen, bij j.oomkeks, 1S04. Gfhet derde ook nog in het licht verscheen, is mij onbekend. —'t Is eene opmerkelijke, maar niet navolgenswaardige poging , om dc Parabelen te verwerken tot uitvoeriger verhalen in zekeren nicuwerwetsehen
osterschen stijl, die eenen tijd lang sterk in de mode was , en vooral met oostersche namen speelt. Zoo vraagt rascha , de O nregt v aa r d i ge Rentmeester, aau achas den pachter , ofbij, bij eene jaarlijk-sche opbrengst van //honderd emmers olie,quot; nog wel »een stuiver opleggen kan!quot; Eu zulk een namaaksel werd in 't begin onzer eeuw in Duilsehland en Nederland .met goedkeuring ontvangen!quot; Het bevat
524
(zoover mijne twee stukkeu gaan) ; den Sam., Laz,, Tar. en Tollenaar , Oni). Dienstknecht, Verl. Zoon , Reutm., Gastmaal, Ponden , Arbeiders , Zaaijer, Bmiloft, R. Dwaas , Ong. Broeders.
»P. jak, die Parabeln J. C. Sittengeisszeln. In predigten. 2 Th. Augüj. 1801.quot;
«Kiuimmacher , über den Geist und die Form der evangelischen Gesehichte in historischer und iisthcti-scher Uinsicht. Leipzig, 1805.quot; (Ltsco)
„R. jlyleut, llomilien über die Parabeln Jesu, nebst einer Abhandlung über das Charakteristische derselben. Ualle, 1818, Zweite Auflage.quot; — Do eerste druk is vertaald door Ds. n. westendoiip , en uitgegeven bij w. zuidema , Oroningcn 1810. De Voorrede, als »eene vrij uitvoerige Verhandeling aangaande het kenmerkende der Gelijkenissen van J.G.,quot; afzonderlijk in 1812. De llomilien loopen over het Mostz., Zuurd., Parel, Landt., Verl. Schaap, Onvr. Vijgeboom, Lazarus, Zaaijer: do beide laatste elk in zes Iloniilicn. Zij hebben in gekuischten stijl en deftigen trant, zoo wel als iu den ernstigen zedelijken geest, de meeste overeenkomst met de Leerredenen van onzen stuakï.
i/N. von bednn, Das Reich Gottes nach den Lehren J. Chr., besonders seinen Gleichniszreden erkliirt. Uasel 1816.quot; — Es umfaszt nur die meisten P. aus dem Evangelio Matth. und eine aus dem Lukas. (Lisco.)
»D:e Sammtliohen Parabeln jesu. Uebersetzt, crliiutert und besenders praetisch-homiletisch bcarbeitet für den Ileligionslehrer, von joiiann jacou kromsi, Evangelisohem Frediger. Vul da 1823. In der Hoos'seben Buehhandlnng.quot; — Eene goede handleiding voor leeraars van het ratioualistischo tijdvak; die er onder anderen uit leeren konden, om voor landgemeenten sprekende over de Gelijkenis van don Zaaijer, te handelen von den PJlicht, Jen Icindtichen Boden iu verbessern und in der Cullur wei/er zu gehen; terwijl in eene stad de gemeente kon worden gesticht met de algemeene grondstelling: Jeder soil seinem Berufe leben Er zijn echter betere dingen in. De exegese is in den trant van kdinoel. De Gelijkenissen zijn naar de orde In de synoptische Evangeliën behandeld. Uit mattiieüs : De 7 H. XIII; Onb. Dienstknecht, Arb. in den Wijngaard, Ong. Broeders, Landlieden, Bruiloft, Maagden, Talenten. En (behalve de reeds genoemde, nog eens naar de parallelen behandeld,) uit markus: Opsch. Zaad, Uitbottende Vijgeboom. Uit lukas: Spreuken der Bergrede VL;39—49, het Licht op den Kandelaar, Samaritaan, Dwaas, Dienaars (XII: 36—46), Onvr. Vijgeboom, Gastmaal, Torenbouw en Oorlog, liet Verlorene, Rentmeester, Lazarus, Regter en Weduwe, Ear. en Tollenaar, Ponden.— Van den zelfden schrijver bestaan ook nog llomilien über die Gleichniszreden unseres Ilerrn. Fier Qunrtale , Nüruberg 1830.
. nosziucn , Predigten, fünfte Sammlung; Predigten über einige Gleichniszreden des Erlöscrs. Berlin, 1837.quot; (Lisco.)
,Df. k. Zimmerman , die Gleichnisse und Bilder der Heiligen Schrift; in Predigten zur Förderungdes Schriftverstandnisscs und der Erbaunng behandelt. FünfBande, Darntsladl, 1840—47.quot; (Lisco.)
,Dr. de valenti, Med. Dr., die Parabeln des Ilerrn, für Kirche, Schulc nnd Haus erkliirt. Zwei Biindehen, Bas-l, 1841, 42.quot; (Lisco.)
«Kinkel, Predigten über ausgewiihltc Gleichnisse und Bildreden Christi, nebst Anhang einigerFestpre-digten. Köhi, 1842.quot;— l''s sind eelf Gleichnisse darin betrahtet. (Lisco.)
»W allrotii , die sieben Gleichnisse des Herrn vom Ilimmelreich , Matth. XIII, vorgetragen in nenu Predigten. Bremen , 1842.quot; (Lisco.)
.v a ii k d e.
• Fr. arndt, die Gleicbniszredeii Jesu Christi, Magdtburg, iieiniuciisiiofen , 1841—47, 6 Th.quot;—Zes jaren lan!» (1840—40) Meld do soiirijver deze leerredenen (Ie zameu 111) in der Trinitatiszeit, ie Berlijn. Zij zijn stichtelijk en in behoudend Chriftelijken geest, maar zonder diepgaande uitlegkunde. De Qtlij-kenissen worden regtstreeks op de hoorders toegepast, zonder het lokale en tijdelijke van jezus' omgeving genoeg in het oog te houden. Zoo bij voorbeeld, waar de weduwe wordt voorgesteld, als met hare tegenpartij in proces, terwijl zij vooral voor hare kinderen bezorgd is, dat hij 't winnen zal; en dit wordt toegepast op des Christens strijd met do verleiding der wereld. Zulke preken kunnen voor 't oogenblik nuttig zijn, maar bevorderen de bijbelkennis weinig. De hoofd verdeeling is: Das Himmelreich. 1. Die Herrlichkeit des Ilimmelreiehs. 2. Bedingungen beim Eiutritt in das Himmclreich. 3. Ilindernisse, 4. Die Reichsgenossen.—Jesuspredigtes. 1. Seine Person und sein Werk. 2, Jesu Verliiiltnisz zur mensehliehen Seele.—Jüngerpredigten, 1. Die Bestimmung der Jünger Jesu. 2. Die Bedingungen zur Jüngerschaft. 3. Verhaltungsmaszregeln. 4. VVarnungen. 5. Verhciszungeu. 6. Aeuszere Schioksale. 7. lunere Erfahrungen. 8. Die letzten Dinge,
«Die Parabcln Jesu, exegetisch-homiletisch bearbeitet. Nebst cinem Auhauge über den BilderstolT des Neuen Testamentes von iuiudeich gustav lisoo. Vierte sehr vermebrte und verbesserte Auflage, Berlin, bei gusïav betiige, 1847.quot; — De lezer zal zich herinneren, dat ik van dit werk en dat van trencu het meest heb gebruik gemaakt. De verdienste van lisco is echter zeer onderscheiden van die van den oorspronkclijken Engelschen schrijver. Hij is een zoo ijverig compilator, —en in dit opzigt is zijn werk nog niet overtroffen, — dat zijn eigen gevoelen weinig helder en bepaald is, en ons ook niet veel belang inboezemt. Zijne rigting is behoudend, zonder het woordenspel der nieuwere mystiek. Hij behandelt de Gelijkenissen eenvoudig naar de orde der Evangeliën. En wel, uit matïheüs : Rots en Zand, De 7 beelden Malik. XIII, met bijvoeging van de Voorraadkamer, ünb. Dienstknecht, Arbeiders, üng. Broeders, Landlieden, Bruiloft, Maagden, ïalenteu;—uit makkus : Opseh. Zaad;—uit luk.as ; Kleed en Wijnzakken, 2 Sclmldenaais, Samarit., Smeek. Vriend, Dwaas, Dienaren (11.XII: 35—48), ünvr. Vijgeboom, Gastmaal, Torenbouw, Oorlog, Het Verlorene, Rentmeester, Lazarus, Knecht v. d. Akker, Regter en Weduwe, Ear. cnïollcnuar. Ponden.
Lisco is ook de eerste, die de verschillende systematische indceling der Parabelen opgeeft: die van gbay: 1) Werking van 't Evangelic. 2) Joden en Heidenen. 3) Zedelijke Parabelen ; — en die van bourns : 1) Algemeene Beelden Mallh. XIII. 2) Zedelijke Parabelen Luk. XV. 3) Nationale en 4) Apostolische Parabelen. — Zelf ziet hij zeer juist in, dat 't Godsrijk in jezvs'Gelijkenissen de hoofdzaak is, en onderscheidt: 1) Algemeene Beelden van 't Godsrijk. 2) Parabelen, de kerk betreffende. 3) Beschrijving der burgers van 't Godsrijk. — Hij geeft ook eene lijst van schriften, die ik, voor zoo ver zij de Parabelen in het algemeen betreffen, overneem, waar mij de werken zelve niet zijn ter hand gekomen. Do bijgevoegde Bildentojf is alphabetkch ingerigt. Bij den vijfden druk is nog gevoegd, en mij afzonderlijk toegezonden: Der Lehntoff der Parabel». — Het gcheele werk is den godgeleerde onmisbaar.
„Die Gleichnisse des Herrn. i'ür Lehrer und Christlichc Pamilien dem Inhalte nach dargelcgt von r. ostmasn. Berlin, g. keimer 1851.quot; — De schrijver telt in het Evangelie 54 Gelijkenissen , namelijk : Zout, Licht, Oog, Kind, Boom en Bols uit de Bergrede; Bruiloftskindr., Kleed, Wijnz.; de 7 Mallh. XIII; het Verdwaalde Schaap. Onbarmh. Dienstknecht, Arbeiders, Ong. Broeders, Landl., Bruiloft, Vijgeboom, Dief, Afwezige Heer {Mark. XI11: 34—37), Knechten (J/lt;. XXIV : 25—51), Maagden. Talenten, Ponden, HetGerigt {Mallh. XXV). Opsch. Zaad, Blinden, Spl. en Balk, Sanrar., R. Dwaas, Wak. Knechten, Vijgrboom (luk. XIII), Gasten, Gastmaal, Torenb., Oorlog, Het Verlorene {luk. XV) , Rentmeester, Lazarus, Kn. v. d. Akker, Regter, Smeek. Vriend, Earizrër, Deur tot d. Schaapsstal, G. Herder, Tarwecjraan , Wijnstok. — Ik geef deze lijst, omdat zij (naar de volgorde in do Evangeliën) de naamv-keurigste is. Slechls een enkele wezenlijke Parabel (de Bezetene b. v ) wordt er in gemist. Overigens heeft
52(i
liet boekje weinig gebreken en weinig verdienste, maar is voor Christelijk schoolonderwijs niet ongeschikt, gelijk ook de schrijver Rector der h', Garnisonschule zu Potsdam was of welligt nog is.
»Die Gleichnisse Chiisti, naeh ihror moralischen uud propbetischcn Bcdentung betrachtct. Von IIeinricii W. 1. Thiersch. Frankfurt a. M. Verlag von ueudeb u. zimmer. IS1)?.quot; — Dit eenvoudige en echt praktikale boekje is mij eerst onlangs in handen gekomen. Het kan in de orthodoxe kringen vandeu niouweren tijd als stichtelijk leesboek veel nut doen. Dat de opvatting van den schrijver niet in alles de mijne is, zal de lezer gemakkelijk opmaken uit deze verklaring van den Samaritaan. Na eerst gezegd te hebben , dat het voel eer eene geschiedenis is, daar ten minste eltcas gum ahnliches den Heer in 't leven moot zijn voorgekomen, vraagt hij , nu de lieer dit voorval tot eene Gelijkenis verheven , en er dus eine Profetische Bcdeutuny in gelegd heeft : Wer sollte nicht in den Gestalt des larmherzigen Sama-riitners Ihn Selhst, den gut en Jlirten , der Sein Tehen für uns daran gegeben hat, erkennen ? — De bier behandelde Gelijkenissen zijn: de zeven Beelden Matlh, XIII, de Samart., Vriend en Weduwe, 't Verlorene, Rentm., La/.r., Far. en Tollenaar, (die hij beide ook ten deeleGeschiedenissen acht,) Oab.Dienstknecht, Arbeiders, Landlieden, Bruiloft, Maagden, Ponden.
»Die Gleichnisse unseres Ilcilandes J. Chr. Herausgg. v. d. Tractatgesellschaft v. Bischöfl. Methodisten-kirche in Urmen. 10° (IR Ghromolithogr Bliitter mit Text) Bremen, j. g. iieïse quot;
B. kbacii , Gospel Mysteries Unveiled ; or, an Exposition of all the Parables. Polio. Lond. 1701.
F. bragge , Practical Discourses upon the Parables of our blessed Saviour. 2 Vol. 8°. Lond, 1710.
W. dobd , Discourses on the Parables. 2 Vol. 8°. 1757.
S, EOüits , Discourses on the Parables of our Saviour. Lwl. 1763. (Zie lisco.)
Andrew gray , A delineation of the Parables. Lond. 1777. (Zie lisco.)
Jons fakukii, Sermons on the Parables. Lond. 1809.
W. bengo collyer , Lectures on Scripture Parables. Lon t. 1815.
W. Upjohn, Discourses on the Parables. 3 Vol. 8°. Wells 1824.
B bailey, An exposition of the Parables of our Lord, showing their Connection with his Ministry, their prophetic Character ctc. Land. 1828.
E. greswell. An exposition of the Parables and other Parts of the Gospels. 5 Vol. Oscf. ISSd-.
The Parables of our Lord and Saviour J. C. with 21 Ulustr., engraved by Holman and Ball. T.ondon longman 1858.
N. B. Van deze alle is mij alleen de titel bekend.
«rNotos on the Parables of our Lord By e.g. trench, B. D. Firth Edition, Revised. London, j. w. Parker and Son 1853.quot; — Van dit werk is in het mijne zoo veel gebruik gemaakt, dat ik er weiuig inrer heb bij te voegen. Het is wel in den methodistisoh-ortliodoxen geest, die de theologie van Engeland geheel beheerscht, maar toch zeker sommigen nog niet orthodox genoeg. Niemand zal echter den lof van hoogen Christelijker, ernst, met logische scherpzinnigheid en diepe, veel omvattende studie, er aan kunnen ontzeggen. Vooral de aanhalingen uit Kerkvaders enz. zijn belangrijk en oorspronkelijk tevens. ïrencii zelf haalt, als zeer belangrijk, gkestvell aan. Zijn eigen werk bevat, behalve eene uitgewerkte Inleiding; Do 7 Gelijkenissen Matth. XIII, Onb. Dienstknecht, Arbeiders, Ong. Broeders, Lmdlieden, Bruiloft, Maagden, Talenten, Groeijcnd Zaad, Twee Schuldenaars, Samarit., Sm. Vriend, Dwaas, Onvr. Vijgeboom, Gastmaal, 't Verlorene Luk. XV, Rentmeester, Lazarus, Kn. v. d. Akker, R. tn Weduwe, Far. en Tollenaar, Ponden;—dus dertig eigenlijke Parabelen, naar de volgorde der drie eerste Evangeliën.
527
n a 11 li d k.
»Foresli!\do\vs. Lectures on our Lord's Parables, by (he Rev. john gumming , D. D. Philadelphia, lindsaï and blakistok. 1854.quot;—In den bekenden apokalyptifchen geest van dezen schrijver, en daardoor met meer oratorisohen gloed en profetisch vuur, dan wetenschappelijke helderheid geschreven. Zij bevatten: De Zaaiier, Gastmaal en Bruiloft, Lazarus, Arbeiders, 2 Schuldenaors, Zuurdeeg, Onkruid, Dwaas, Kemel, Far. cn Tollenaar, Samaritaan, Landlieden, Verl. Zoon, Onb. Dienstknecht, Onvr. Vijgebüom, Talenten, Vischnet, Maagden,
;/Tiie Engravings of the New Testament or The Parabolic Teaching of Christ. By the Rev. d.t. h. drummond, B. A., Oxoii. Incumbent of the Thomas' English Episcopal Chapel, Edinburgh. Edinburgh: William P. Kennedy, St. Andrew Street. London: hamilton, adams and Co. Dublin: i. m. olasiian. 1855.quot;— Een zeer bruikbaar werk, in orthodoxen geest. Eet behandelt alle Evangelische Beelden, dus niet enkel de eigenlijk gezegde Parabelen, cn maakt daarvan oen systematisch geheel, van dezen inhoud;
1. De Mensch in de raagt des Satans. Zijn toestand, Handelingen en Uitzigten.
Wat den mond uit cn ingaat, de Lamped, ligch.; Medicijnmeester, Huis d. Sterken, de Onreine Geest;—Dwaas; — Kind, op d. Markt, Splinter en Balk, Mug en Kemel, geschuurde Bekers, gewitte eu verborgen Graven, Parizeen en Sadduceën ; — Bijl aan den AVortcl en Gereinigde Dorsch-vloer (beide van joiianses den Dooper), BI. Leidsman, Knecht v. d. Akker.
2. De Koning van het Rijk des Lichts.
De Deur, G. Herder; — Wijnstok;—Rots der gemeente. Verworpen Hoeksteen, Sterkere, Medicijnmeester; — Vrienden vau den Bruidegom, Wijnzakken cn Wijn; — G. Herder, Tarwe-graan , Verhoogde Slang; — Levend Water, Brood d. Levens.
3. Christus' Genadewerk in zijn persoonlijk en ondervindelijk karakter.
Verl. Schaap, Penning en Zoon; — dc Wind , üng. Broeders, Onvr. Vijgeboom; — 2 Wegen, Torenb., Oorlog ; — Voorz. Gast, Rots en Zand, 2 Schuldenaars, Samaritaan ; — Onb. Dienstknecht, Arbeiders; — Rentmeester, Lazarus; — Far. en Tollenaar, Sm.Kind, Vriend eu Weduwe;—Zout d. Aarde, Licht d. Wereld , Ergernis van Oog, Voet en Hand, Broeder, Zuster cn Moeder.
4. Christus' Genadewerk , in zijn geschiedkundig en profetisch karakter.
De Zaaijer , Opsch. Zaad, Onkruid; — Mosterdz., Schat, Parel, Vischnet;—(Met betrekking op Joden cn Heidenen;) Gastmaal; — Landlieden, Bruiloft; — (ciirisius' Wederkomst:) Dc dagen van no ac li eu lot. Moedervreugd, Uitbottende Vijgehoom, Bliksem, Gieren, Wakende Knechten, Maagden , Talenten = Ponden, Schapen en Bokken.
Men ziet, aan drummond komt de eer toe, van een' ruimen blik geslagen'te hebben over de beeldspraak van onzen Heer, en daarvan een vrij wel sluitend geheel te hebben gemaakt. Hij is echter nog te veel aan zijn methodistisch systeem gekluisterd, Een exegeet, die uit Mailh. XVI : 18 bewijst, dat cnuistus zelf de Rots der Kerk is, boezemt mij ten minste niet veel vertrouwen in.
«The Parables of the n. T. practically unfolded. By the Rev. w.b.stevens. Royal 8°. Elegantly illustrated. Philadelphia 1855 (of 5G).quot;
«Parabels of our Lord , illustrated hij Franklin, Engraved in the finest Style of line Engraving. Imp. 4°.quot;— Een prachtwerk, ook te Parijs uitgegeven; alleen om do gravure, niet eens om het antieke costuum of dc waarschijnlijke voorstelling, die er slecht in bewaard is, merkwaardig.
«Lectures on the Parables of our Saviour. By edwards. kirk D. D., with Preface by Professor m'crie, London, james blackwoon , 1869.quot; — De Engelsehc uitgever zegt naar waarheid van den Amerikaanschen schrijver; olie is one of those close terse thinkers in the production of whom the Transatlantic soil seems to be peculiarly prolific. In his leading sentiments it will be seen that he belongs to the evangelical school. But Dr. kirk's mind is eminently practical, liberal and independent.quot; Wordt verder gezegd, dat innige
528
NAREDE.
vroomheid de beste waarborg is voor eene goede opvatting der Parabel, dan is iu 't algemeen bier nog wel wat op af te dingen; maar de vroomheid van dezen schrijver is helder en gezond, zijne dictie bref, zijn Christendom wel kerkelijk regtzinnig, maar nog meer praktikaal. Do praktische waarde is daardoor crooter dan de wetenschappelijke, met name de exegetische. De inhoud is systematisch geordend :
Inleiding—De Znaijer.
Eerste Gedeelte. Het Evangelie, in lijnen aard; (Zaaijer), Verl. Sch. on Penning.— tn zijne algemeene uitwerking : De Wijnstok. — In zijne vruchten: Zuurdeeg, Groeijend Zaad , Twee Schuldenaars, Arbeiders, Tollenaar, Weduwe, Samaritaan, Onb. Dienstknecht. — In zijne vereischten : Rentnneester.
Tweede Gedeelte. Ontvangst van liet Evangelie Zijne verwerping en aanneming: Do Zaaijer, 2 Zonen, Gastmaal, Verloren Zoon.
Derde Gedeelte. De Kerk. — Haar invloed: liet Licht der Wereld. — Haar onvolmaaktheid: Het Onkruid. — Aanneniing der Heidenen: Landlieden. — Haar voorspoed: Mosterdzaad.
Vierde Gedeelte. Vergoldkg: Lazarus, Vischnet, Ponden, Dwaas, liet Verwaarloosde Talent, Bruiloft , Onvr. Vijgeboom, Maagden.
»Notes , Questions and Answers on Our Lord's Parables. By the Rev. a.wilson, M. A. London: The National Society's Depository, Sanctuary, Westminster.quot; — Een klein maar degelijk werkje ; als behoorende tot eene serie van dergelijke boekjes, eerst onlangs, maar zonder jaartal uitgegeven. Het bevat, in populairen stijl, echt praktikaio wenken en vragen omtrent de navolgende Gelijkenissen : Zaaijer, Onkr Mosterdz., Zuurd., Schat, Parel, Vischn., Samrt., Dwaas, Onvr, Vijgeboom, Dienstknecht, Arbeiders Ong. Broeders, Landlieden, Bruiloft en Gastmaal, Torenbouw en Oorlog, Schaap, Penning en Zoon Rentmeester, Lazarus, R. en Weduwe, Ear. en Tollenaar, Maagden, Talenten en Ponden.
Behalve deze allen vind ik nog, — ten bewijze, hoe zeer de Parabelen in den laatsten tijd de aandacht getrokken hebben van onze overzecschc naburen, — genoemd (zeker meest stichtelijke werken of leerredenen) ;
cabett, stanley, close, knight, clow eu, dallas, draper, horlock, bell, mackenzie, mount,
simmer, davis en eenige ongenoemden. Ook nog van j g. lonsdale eene handleiding voor de onderwijzers op elementair-scholen. (London 1855.)
«Explication des principalcs Paraboles du Nouveau Testament, adressée principalement a la jeuncsse. loulouse, cadaux, 1838.quot; — De houtsneêplaatjes zouden hier een kinderboekje doen verwachten; de stijl is echter meer berekend voor jonge lieden, die zich voorbereiden tot hunne belijdenis. In evangelischen geest en met gemoedeüjken ernst worden hier 2G Gelijkenissen besproken.
'Les Paraboles de l'Evaugile, expliquées et développées en XIX discours par e, buisson. Pasteur de 1'Eglise róformóe de Lgon, Paris en Geneve, cuekbuliez, 1818.quot; — Uitstekende leerredenen, die do kalmte en verhevenheid van t Evangelie ademen, te midden van een vooral in Frankrijk veel bewogen jaar. Den inhoud wil ik liefst met de woorden van den schrijver opgeven. Daaruit kan even zeer zijn echt christelijke zin en praktische exegese blijken, als zijn gebrek aan 't geen men «hoogere bijbelkritiekquot; pleeg te noemen.
«J'ai suivi a, pen prés l'ordre indiqué par 1'Evangile luimême, et qui semble être ii la fois celui des temps et celui des matieres. Sans prétendre, en effet, introduire ici uno division artifioielle, qui scrait d'ailleurs peu utile, les paraboles peuvent néautnoins sc ranger assez uaturellement sous trois groupes prineipaux. 1°. Les quatre paraboles du Semcur, de l'lvraie, du Grain do Séncvé et dn Trésor, pro-
52!»
nark d e.
noncées par J. C. dos les premiers temps de son ministère. Elles se rapportent loutes a ce rovfiume de Dieu qu'il veuait fonder. 2°. lluit paraboles sur les priucipaux suje's de la donirine et de la morale chrélicnnc considércs seulement au point de vue pratique, savoir: la cliarité, dans le Samaritain; le néaut des ricliesses, dans le Jlichc ct son aine; lour bon cmploi, dans I'Econome infldcle; leur opposition a la pauvreté, dans Lazare et le Mauvais riclie; le pculié, le repentir et la reconciliation, dans rEnfant prodigue; le pardon des injures, dans les deux Débiteurs; la perseverance de la priere, dans le Juge inique; 1'orgueil et I'liuinilitc, dans la prière du Pharisien et du Péager. 3°. Les cinq dernifcres paraboles, qui out, toutes un rapport plus ou moins direct aux derniers moments du ministère de J. C. et a la solennité de scs derniers appels, Elles out pour sujet principal; 1'infidélité d'lsiacl, dans les Méoliants Viguerons; la vocation des Gontils et la miséricordo de Dieu dans les Ouvriers loués a des hcures diiférentes; l'universalité do cette vocalion et les conditions du salut, dans le Jtepas des Nooes; la néoessilé de la vigilance, dans les Vierges; enfin le jugement dernier ou la rétributiou finale, dans les Talents,quot;
,/C. adimun, Elude? sur les paraboles de Jesus Christ, Tiiï'je presentee a la faculté de Théologie protestante do Strasbourg, 1859,quot;
• Mad. de Savtgnac, Paraboles do 1'Evangiic, expüquées ct raises a la portée des petits onfants par une mère; — Vertaald door a. wassen berg ii, predt. te St. Anna Paroehie, Leeutearden, sciniauiEEK (zonder jaartal). — Ecu lief kinderboekje, waarin de morele zin dor voornaamste Gelijkenissen in vertellingen uil onzen tijd wordt aanschouwelijk gemaakt. Stellig hebben deze ongekunstelde vertellingen uit'I moederhart veel hooger waarde, dan 't nagemaakte Oostersoh van ecne vroegere periode.
7. ÜOllSPUOKK ELTJKE KEDERLiVNDSCHE GESGTIRIETETV YAN LAT EREN TIJD.
.Spreuken van onzen Heer jezus ciikistüs, in (35) Christelijke vertogen. Zijnde eene proeve van Bijdragen tot de zede- en booefeningslocr van het Christendom, Door J, coestius, predikant te linkhuizen. 3 Doelen. Groningen, schiekueek 1825—8,quot;—Een en ander maal reeds haalde ik dit werk aan. Het behandelt niet de eigenlijk gezegde Parabelen, maar toch menig zinnebeeld, meer in den spreukstijl voorgesteld; bij voorbeeld van de in ons werk verklaarde: Schat in den Hemel, Splinter en Balk, Paarlen voorde Zwijnen; twee Wegen; — Medicijnmeester, Juk en Kruis, Kemel, Onnutte Dienstknechten, Enge Poort, Omziende Ploeger; — Tarwegraan, Ware Wijnstok. —De vertoogen hebben al da deugden en de gebreken, aau de school van van der palm en andere Koryfeën van het oude liberalisme eigen. De schriftverklaring is gezond en praktikaal; de stijl kalm «met verwijdering van het alledaagsche en van het zonderlinge,quot; meer dan dit ecu later geslacht lief is; do geest hoogst ernstig, zoodat cokstius in zijnen zoo optioiistischen tijd, om eenige zeer beleefde vermaningen en gematigde waarschuwingen, door som. migen voor een pessimist, //oen man van zwaarmoedige geestgesteldheid, die het vele goede van de negentiende eeuw miskenden,quot; werd uitgekreten.
/Nagelaten Leerredenen van m stuaut, Christen-lceraar bij de Remonstrnntsch-Gercformeerdc Gemeente te Annlerdum, Gr. van clew 1827, Zes Deelei:;quot; waarvan de drie eerste en ook grootendoels het vierde over Gelijkenissen. — Meermalen heb ik dit werk aangehaald. Daar het dooi den zoou a a, stuart is uilgegoven, heeft de redenaar zelf er de laatste hand niet aan gelegd, en van zijtte vervolgpreken geen geheel gemaakt. Zij omvatten, gelijk wij meermalen opmerkten, jezus' parabolisch onderwijs in den ruimsten zin, en wel; Genecsmeostoi, Bruiloftskinderen, Kleed en Wijnzakken, BI, Leidsman, Boom
530
N A. 11 e D hl.
en Vruclit, Rots tn Zand, Eif;«. Kinderen, 2 Schuldenaars, Smeek. Vriend, Biddend Kind, Verd. Koningrijk, Bezetene, Zaaijer, Onkruid, Op?cli. Zaad; — Motterdz., Zuurd., Seliat, Parel, Vischnet, Voorraadkamer, Wat d. mond uitgaat, G. Herder, 2 Schuldenaars, Ploegen zonder omzien. Oogst en Aibei-ders, Samaritaan, Dwaas, Wak. Knechten en Onwt. Knecht, Onvr. Vijgeboom, Enge Poort en Gesloten Deur, — Gasten, Gastmaal, Torenb. en Oorlog, Schaap, Penning en Zoon, Rentm., Lsziirus, Mosterd/,., Knecht v. d. Akker, Regtcr; — Parizeer, Arbeiders, Ponden, Ong. Broeders, Landlieden, Bruiloft, Uitspr. Vijgeboom, Knechten, Maagden, Talenten.— In 't vijfde Deel nog het Brood der Kinderen, en in 't zesde de Kemel.
»De belangwekkende Gelijkenissen van den Heiland der wereld. Ecne Handleiding voor mijne leerlingen, door n. anneveli), Amsterdam, i. n.vAN iietf.rin, 1830.quot; — Een boekje, dat voor leerlingen zijn nut hebben kan. In den geest van van di b palm en zijne tijdgenooteu, worden er ruim veertig Gelijkenissen in omschreven. Stijl en voorstelling konden echter meer uitlokkend voor kinderen zijn.
„De Gelijkenissen van onzen Heer jezus chiusius, verklaard, toegepast en tot een leesboek bewerkt door li. a. benit. Kampen, k. van hulst. 1853.quot; — Een praktikaal onpopulair boekje, dat echter hier en daar nog aan de oppervlakkigheid van het rationalistisch tijdvak lijdende is; bij voorbeeld, wanneer als beteekenis van de Voorraadkamer des Huisvaders wordt opgegeven: /Als aanslaande Godsdienstleeraren behooren ook wij voor afwisseling zorge te dragen, ten einde allen alles te wezen;quot; of als de Gelijkenis van den Torenbouw »De Paleisbouwer'' wordt genoemd. Er zijn echter ook betere dingen in. Behalve de acht zinnebeelden van Matth. 13 zijn hier behandeld: Onbarmb. Diens-1knecht. Arbeiders, Broeders, Landlieden, Bruiloft, Dienstknechten en Huisbezorger, Maagden, Talenten, Groeijend Zaad, Kle(d en Wijnzakken, Samaritaan, Smeekende Vriend, Rijke Dwaas, Onvr. Vijgeboom, Gastmaal, Torenbouw, Oorlog, 't Verlorene, Rentmeester, Lazarus, Regtcr, Parizeer, Ponden.
Het spreekt van zelf, dat bij dezen boekenschat niet opgegeven is de uitgebreide en neg dagelijks aangroeijende literatuur over het //Leven van jezus.quot; 1) Na 't geen vroeger hesz, en in navolging van dezen onder ons van dee palm, biunk en anderen hadden geleverd, heeft sthausz eene geheele reeks van schriften in het leven geroepen, waarvan wij alleen neander, uase, schlkijbbmacheii, iienan, schenkel, weiszsückee, lange, en van de onzen oostkii/.ke , meijboom en stiucker noemen. Zoo veel mogelijk heb ik ook van aller arbeid gebruik gemaakt;—nu nog niet eens gerekend de onoverzienbare stapels van oude en nieuwe Commentaren op de Evangeliën , van hieuonymds af, tot de allerlaatste dagen toe.
Nog is, vooral na euasmus, het verzamelen van Adagia'm den smaak gekomen. Van de kernacliligc verklar.ng der Adagialia van het N. T. door a, schot, uitgegeven door tii. chemi s {Exercil. Phil. Jlist. Lugd. Ui'.U)), heb ik veel gebruik gemaakt; ook wel van die van joh. voiistius {Ojiusc. Rottd. Iti9;}j.
1) Het oudste, en nog niet eens het minste, zal waarschijnlijk wel zijn de Histnria Evangrlica van den Spaanscben Presbyter juvbxcüs, een uitvoerig Latijnseb gedicht, in vier boeken: uitgegeven door g. faiïuicius {J'oe/arum veterum ecrlesiasticonim Opera Christiana, Bazel 1502.)
VAN BEHANDELDE OF AANGEHAALDE BIJBELPLAATSEN.
NB. De enkele Romeinschc cijfers i—lvi hebben betrekking tot de A!g. Inleiding; overal waar bij
do andere alleen de Bladzijde is opgegeven, wordt, liet Eerste Deel bedoeld.
Bij voorbeeld : Gen. I; 1 wordt aangehaald in het Tweede Deel, Blz. 174; Gen. I : 11 in het Eerste Deel, Bk. 67. Zoo verder Gen. Ill; 1, 5 , 16, 17 en 18 enz. Gen. XVI : 12 eu Gen. XL1X worden aangehaald in de Algemeene Inleiding, Blz. 14.
|
Genesis 1 : 1 .. II ; 174 ; 1157 ; — 3 :1.. II: 320 ; 5 ..II : 140; 16.. II : 222 ; 17, 18..219; 18 .. 27; 20 .. 466 ; — 4 : 20 .. 11 ; 320; — 6 : 3 .. II : 82; — 8 : 22 .. 27; — Ö ; 2, 3 .. 110; 20 .. 204, 255; — 16; 12 ..xiv; — 17 : 32 .. II ; 405 ; — 18 : 1 .. 466; 6 . 93 , 100 ; — 19 : 3 . 93, 251; 26 .. 11 ; 405 ; — 21-. 14. 168; —23:16 .. 16; —25 : 6; 31—34 .. II :118; 11 . 466;—26:12 .. 33; —28 :18 ..II:287j — 29 : 22 .. 254; — 30 •. 32, 33 .. 402; — 32 : 10 .. 11:287; —33 : 3, 4 II: 129 ; — 38 ; 18 ..II: 130; — 39:2.. 90; — 39:2—9.. 379; — 39 :5, 6. II:305; — 40 : 2 .. 99; — 40:4 . 379; — 41 : 7 .. 57; — 41 : 33—13 . 379; — 41: 42 .. II ; 130 ; — 42 : 28 .. II : 307 ; — 43 : 32 .. 206; — 43 : 10 .. 11 : 305; — 45 :14 .. II : 129; —45 : 22„268; —46 :4..11:426; — 46 : 29,. II, 129 ; —47 : 12 .. 378 ; — 49 .. xiv. Exodus 2 : 14 .. II ; 14; —4 : 22 ..II : 412 ; —10; 16 .. II: 127 ; — 12 ; 29 .. 418;— 10; 16 ..100 ; — 19: 4-6.. 219; —19' 17 .417; —22; 5.. 205; — 22:6.. Hl; —22:22. II : 423 ; — 22 : 25 .. 431; — 22 ; 25, 27 .. II ; 364; — 22 : 31 .. II : 388; — 30; 13—16 .. II : 173; — 82 ; 32 .. 11: 185 j — 33 : 12 .. 420; —39 .. U. Lovitikus 2:11, 12 ., II : 102, 33S ; — 7 : 13 .. 102, 103; —11 ;9, 12 .111 ; —21 ; 5 .. 77; -19:13.. 351;—19: 18 . II : 279; — 19 : 23 ..II; 198; — 19; 23-25 ..11:73 ;—23 17 ..102; —24; 23 ..226 ; 25 ; 39 ., II ; 354; —26 ; 26 .. 99 ; — 27 ; 30 .. II; 444. |
Humeri 11:5 .,110; —12:7 „ 360,395; — 18:19.. 338; — 18 ; 21 .. II; 444; — 22 ; 24 .. 205 ; — 27 ; 17.. 11:185; —34:4.. 11:410. Deuteronomium 5:27—29 ..49;— 6 : 5 .. II ; 279; — 8; 8 .. II ; 71 : — 10:17, 18 .. II : 423; — 11 : 10.. 69; —12:18.. 370;— 13:4.. 466;— 14 ; I .. II : 412 ; — 14 ; 13 288 ; — 14 : 22—27 .. II ; 444; — 14:29 ..II : 423 ; — 15 : 4 .. II ; 309; — 15 ; 9.. 352; — 10 ; 11, 12 ,.— 370,-16 ; 18..11 ; 424; — 18 : II ..II; 37; —20:19, 20 .. II ;73 ; — 20 ; 20 ,. II : 209; — 21 : 16 ,. II : 117 ; — 21 : 17 ,. II ; 13, II ; 117; — 22 : 9 .. II ; 72 ; — 23 ; 24 .. II : 195 ; — 24 ; 6 .. 237; — 24:15.. 302, 351; — 24; 14..347; — 24:19-21 „11 ; 423; —25;3,.338; —26; 12, 13.. 11:346,11:423;-27:19. II: 423; —28 ; 14 „ II : 5; — 28:49 ..292; —28:63 .. II : 107 ; — 29: 23..340; 30 :11—14 ., 21, 317; — 30 : 20 .. xxvi; — 32 ; 4 ,. II ; 400; —32 : 6.. II ; 412; — 32:11, 12.. XIV; — 32: 17 .. II : 63. Jozua 6 : 5 .. 56 ; — 7 ; 21 .. 6; —9 : 4 .. 168, 169; — 14:11 .55; —22: 8 .. 140. Eigteren 1 ; 7 .. II : 42 ; — 4 : 14, 17 .. 11; 10t; — 6 :19 .. 98 , 100 , — 8 : 7 , 16 . 31 ; — 8 : 9 .. 326 ; — 9 ; 8—15; 16-21 .. xv; — 9: 13 „204; —9 ; 27 .. 205; — ]B;99 „381; —9 : 45 „340;—21 : 34—38 .. IS3 ; — 14 ; 10 .. 405 ; — 14 ; 11 .. 158 ; — 14 ; 12 .. 254, 268;—14:14—18.. xiv; —16:23 „11:100; — 16 ; 30 ., II : 218 ; — 21 : 21 .. 183. |
II E G 1 s T E R.
|
Ruth 2 ; 17 .. 100 ; — 4 : li , 12 .. '109. 1 Samuel 1 . 21 .. 100, — 2 : 24 II; 307; —2:36 .. 121 ; — 8 : 3 ..II: 324; — 8 ; 13 .. 99; — 9 : 22 .. 11 : 342; — 11 : U . 451; —13 : 22 .. 139; —14:6 .. 333; — 14 : 14 .. 237; —15:22 ..II: 165; — 15 : 32—34 ..451;—15: 33 .381; — 16:14,. 11:60; — 16: 20 .168;—18: 4..268;—20:1,.11 ;127; — 21 : 13 .. II : 60; —24 :14.. II: 269; —24: 15..196; 25 .. 11 :17 ; — 25 : 2 .. 11 : 92; — 25 : 18 .. 168; — 25 : 24—31 ,. Xlv ; — 28 : 24 . 98; — 31 : 9 .. II: 2. 2 Saimiel 3 : 8 ., 196 ; - 8 :17 .. II : 470; —9:8.. 190; — 10; 1 5 . 210 ; — 12 : II)-4 . XVI; — 12:20.. II: 227 : —12 :31 .. 210 , 381 ; —13:5—10 .. 99; — 14 : 51)—ll..xvn; — 16 : 5 . II : 287 ;— 16:9.. 196; —18 :19, 20. 27., 11 : 2; - 20; 16—22.. XvIII 1 Koningon 1 ; 9 .. 255; — 2 .. II : 358 ; — 3; 5 ,. II ; 123 ; — 3 : 25 . 381; — 4 : 23 .. II ; 92; — 4; 25 203, II ;11; —10 ; 1 .. XIV;—13 : 4 ,. 222; 14 ; 6 ,. II ; 228; —14 : 11 .196;— 17 ; 12 , 99; — 18 ; 13 ,. 222 ; — 18 ; 17 .. II; 103 ; — 18 : 44-46 ., 148 ; — 19 ; 10 .. 222 ; — 19 : 19 . 236; — 19 ; 20 .. 311; —20 : 39, 40,. XVIII; —21 : 2..69; —21 :16., 236; — 22 :11 . XVI11J — 22 ; 22 ., II ; 60; - 22 : 24—37 .. 222, 2 Koningon 3 : 5—23 ,, 268; — 2 :17 . II: 420; — 2 : 20,. 242;--4:1 ., II : 354 —5 : 26 ,. 11:228; — 6 : 32 ., 222 ; — 7 : 1 . 11; 315 ; — 8 : 1-6,. 11: 425; — 8:11. 11 : 420 ; — 8:13.. 196; — 10 ! 22 .. 11:130; —12:10.. II; 476; — 12:15 .,11 ; 306; — 14:9; 10—13 ..XVI;— 17 . 11:286;-17 :13, 14.. 221; — 18 ; 17 .. 165; — 20 : 3 . II : 445 ; — 22 ; 7 .. II . 306. 1 Kroniiken 4 : 23 .. 239 ; — 21 ; 15 ,. II; 17 ; — 21 : 17 .. 11:185;—24. 11:284; 29:22 .,255. 2 Kronijkon 13 : 5 .. 338 ; — 24: 6, 9 .. II: 173; — 24:21..222; —25:9 .. 252 , 357! —34:9..II;286. Ezra 4:2 .. 11:286; — 7:11, 21 .. 11:477; — 9 : 6 .. II : 447. Nehernia 3 : 15 .. 11 : 79 ; — 4 : 3 .. 205 ; — 4 :17 . 335 ; — 5 : 5, 8 .. II : 354 ; — 8 : 11 .. II : 346 ; — 9 : 26.. 222 ; — 13 : 14.. II : 445 ; — 13 : 16 „ 110. Esther I : 5 .. 359 ; — 1 : 7 .. 15 ; — 2 :18 .. 259; — 3 : 12 .. 11 : 476 ; — 4 : 16, 17 .. II : 148 ; — 6 : 8 .. 268;—6:14 .. 234;—9:17,19 .436; —9:22,.259, Job 1:3..1I:92; — 1:3, 14 ., 237 : — i: 19.. 149; 6:7.. 338 ; — 6 : 24 .. 84 ; — 7 : 2 .. 351 ; — 12 : 8 .. |
84 ; — 13 : 28 . 11 : 467 ;— 15: 15 .. 84 ; — 18 : 8 .. 116;— 20 ; 29 .. 382 ; — 21 i 14 „ II: 166 ; — 22 : 2 , 3 .. 244 , II : 126 ; — 24: 3 .. 423 ; — 25 : 7 . II i 244 ; — 27 : 8 .. 11 : 17 ; — 27 : 13 . 382 ; — 27 :16, 17 .. II: 466 ; — 28 .21; —28:18 .. 15, 19 ; — 28 : 25 .. 11 : 257 ; — 30 : 1 ,. 196 , II: 390 : — 30 : 20 ., II : 433 ; — 31 : 17 ., 238 ; — 32 :19 , 169 ; — 33:15 , 78; —33:22 .. II ; 17; — 33 : 32—26 .. 11 : 81 ; — 33 : 29 , 30 ..11: 351 ; — 87 : I 4—17 .. 149 ; — 39 : 30—33 ., 286 ; — 41 : 18 „ II : 272; — 42 : 12 „ II : 64, Psalmen I : 2—I ..II: 462 ; —1:3 . 32 , 11 : 269; — 2:11, 12 „ 264 ; — 3 : 6 .. 55 ; — 8 ., II: 455 : — 8:3 .. 182 ; — 9 ; 16 .. 116 ; — 11:6.. 382 ; — 14:2.. II : 20 ; — 16 : 5 .. 382; — 18 : 3 , II :460; — 19 : 6 .. 415 ; — 22 : 13 .. 257 ; — 22 : 13 , 14 .. 245 ; — 22 : 17 : 196 ; — 22 : 17, 21.. II : 392 ; — 23: 1 .. II : 106; — 23:1, 2 .. II : 185 23 : 2,. 70, II : 94; — 23: 5,. 241, II : 141, II, 227; — 23:7, 8 ,. 116 ; — 25 : II .. II : 477; —33:8. 9 , 13,14..11:88; —36:8 . 280; — 36 : 10 .. 11:205; — 39 : 7 , 8 . II : 18 ; — 39 : 8 .. 375 ; — 41 .. 39 ; 45 ; 11, 12 , 15 , 16 .. 403 ; — 45 .. 159;— 45 : 15 . 406 ; — 48 : 2 , 3 .. 323 ; — 51 ; 6 .. II : 127 : — 51 : 19 .. 11 : 149, II : 445 ; — 57 : 7 .. 116; — 62:11 ..472; —64:6.. 119 ; — 68 : 6 .. II : 423; — 68:8..417; —68:13. 140; —68: 18.,11:353; — 73 : 26 ,. 382 ; - 73 : 27 „11: 147 ; — 77 .. II : 433; — 77 : 19 .. II : 155 ; — 77 : 21 ., II : 328 ; -78: 2 ,. XL; — 78 : 49 ,. II : 17 ; — 78 : 70—72 ,. 11 : 184; — 78 :71,. II : 328 ; — 80 ,.11 : 195, II : 196 ; — 80 : 2 ., II: 185 ; — 80 : 8—16 „ xxn : — 80: 14.. 205 ; —81:12, 14., 285; —88 : 11—13,. II: 31 ; — 90 : 12 .. II : 332; — 91: 11,12 ., II : 30; — 92 : 15 ,. II : 296 ; — 95 : 7, 8 ., II : 185 ; — 97 : 1 .. 219 ; — 99 : 1 .. 219 ; — 99 : 105 ,. 317 ; -100 : 3 .. II : 185 ; — 103 : 13 ., II : 106 ; — 104 : 12 , 16 , 17 .. 70 ; — 104 : 23 .. 55 ; — 104 : 31 .. 11:107; — 107: 34 ..340: — 107:43.. 378; — 118 .. II : 461 ; - 119 : 20.. 11:430 ; —119 : 176 .. II: 99 ; — 122 .. 281; — 125 :I , 2 . 323 ; — 126 : 5 ., 52, 303 ; — 127 : 2 . 56 ; —130 : 3 ,. 375 ; — 133 : 11 : 366; — 137 : 5 ,. 281 ; — 138 : 6 „ II: 445 ; — 139:2, 3..55; —139:19 ., 96; —141 : 5 .. II: 227. Spreuken 1 : 7 ,. II: 20 ; — 1:9 .. 249; — 1: 20 .. II : 106 ; — 2 : 4 .. 19, II : 103 ; — 3 : II .. II: 159; — 3 : 14, 15 .. 10; —3 : 15 .. 19 ; — 3 : 15, 22.. 15; |
R l'. GIST h li. 5;if)
|
Spreuken 4:2 . II : 410 ; — 4:8.11; 342 ; — 4 : 23 ..II ; 471 ; — 5:8. II : 228 ; — 0 : (!—S .. XIV; 0:23., 317; — 8: 2.. 19; —8:10, n ,.11:478; — 9: I —10.. 241;— 9 ; 2 .. 257; —10: 5 ..79; — ll : 23 .. II : 388 ; - 12 : 7 .. 11 : 400 ; — 14 : 1 II ; 400 ;— 14 : 20 ..II : 41; — 15 : 0 .. II : 478 ; — 15 : 25 .. II: 400; — 15 ; 27 .. II : 324 ; — 16 ; 19 .. 140 ; — 20 ; 15 .. 19 ; — 20 : 27 .. 11 : 204 ; — 21 ; 15 .. 198 ; — 22 : 2 .. II : 41 ; — 23 : 6 .. 352 ; — 23 : 23 .10 , 17 ; — 24 : 30 , 31 .. 50 ; — 24 ; 31 ., 39, 205;- 25; 6, 7 .. 11 : 344; - 25 : 8 ,. II: 371; 20 ; II .. XXIX ,105, 11 : 181 , 11 : 300; — 20:25 .. II ; 64; — 27 ; IS ..II: 72; — 28 : 0 .. II ; 41 ; — 28 : 22 .. 352 ; — 29 : 9 ..191 ; — 29 : 18 .. 383 ; — 29 : 21 . II : 242 ; — 30 ; 8 .. 379 ; — 30 : 17 .. 280; — 30:22 ..11:23;—30:31 ..463;—31 ; 10 ..19; — 31 ; 15 .. 379; — 31 ; 15 , 20 .. 100. Prediker 2:18, 19 .. II : 18, — 4 : 12 II; 51 ; — 4 ; 13—10 .. xxill; — 7 : 2(3 .. 116 ; — 9: 8 ., 208 ; — 9 : 4 .. 11 : 28; — 9 ; 0 11 ; 35 ; — 0 :10..11 ; 31; — 9:11, 12 ., 110 ; — 19 ; 14, 15 .. XXIII;— 11 : 4. 5 .. II : 258; — 11; 6 . 50, 349; — 12:1—7 .. xiv ; — 12: 5 .. II ; 323; — 12 ; 11 442 , 490. Hooglied I : 0 .. 79 ; — 2 ; 15 .. 70 , 205 ; — 4 :12 .. 317 ; — 7 ; 4.. 320; — 8 : 11 .. 11 ; 311. Jesaja 1 : 3 .. II : 390; — 1 : 0 .. II : 287 ; — 1 : 8 79, 207 ; — 1 :17 .. 11 ; 423 ; — 1 ; 23 11; 425 ; — I : 27 .. 31; — 3 ; 10 11 ; 209 ; — 3 : 14 .. II ; 209 ; — 5 .. II ; 75, 11:190, 11 ; 206; — 5:1—7 ..XX, 204; —5 ; 2 .. 79,205; —5 ; 5..205 ; — 5 : C .. 218; — 5:8..11:15; —5;11..308; —0:9, 10.. XXXVII; 7:3.. 105 ; — 8 ; 14 . II; 461 ; — 8 ; 17 .. 375; — 8 : 10 .. II : 37: —9; 1 7 .. 31 ; — 11: 5.. 273 ;— 11:6, 9 .. XLI ; - 11:0,7 .. 183 ; — 11 : 9 .. 401; —14 ; 0 .. 403; — 15 ; 5 .. 237 ; — 10 : 10 . 205 , 206 ; — 17 ; 10 .. II ; 400 ; — 20 .. xvin; — 21 : 1.. 140 ; — 21 : 3 .. 11 ; 222 ; — 21 ; 0—12 .. 372 ; — 21 ; 12 .. 375 ; —21 : 31 , 43,.xuil;—22:15—25.. II : 307 ; — 25 ;4.. II; 460; — 25 : 0 .. 170, II: 145 ; — 25 ; 0, 7.. 242 ;— 26 ; 17 .11; 222; — 27:2-0 . 218; —27;4.,31 ; —28: 12 ,. II ;323; — 28 : 23-28 .. 302; — 28 ; 23 -20 . xx ; — 28 ; 24 -20 28 ; — 29 ; 7, 8. XXI; —29 ; 11,12,. XXI ; — 29 : 13.. 11 ; 105 ; — 32 : 2 ,. II : 400 ; — 33 ; 15 „ 11 ; 324 ; — 33 ; 20II; 323; — 34 ; 13 .. 31; — 34 : 15 .. 288; — 30 ; 2.. 105; — 37 ; 3 .11; 222 ;—38 ;1 .11:327; — 38 ; 2 .11:460;-88 : 12 .. 154;—38 :13 .. 58; — |
40 .. 71 , 138 , 11 ; 322 ; — 40 : 9 ,. II : 2 ; — 40 ; lü, 11.. II ; 185 ; — 40 ; 10 „ 140 ; — 40 ; 11 . 11; 88 ; — 42 : 3 .. II ; 112; — 42 ; 7 .11: 380; — 43 ; 18, 19 ., 171 ; — 45 :1 ..10; —45 ; 3.. 6; — 45 : 15 .. II; 433 ; — 45 ; 19 . 138 ; — 40 ; 7 -12 . II : 222; —48:10.. 138; — 49 :14-10a ..II: 408 ; 49 ; 15 ., 279. II: 100 ; — 49 ; 24 , 25 .. 138 ; — 49:20. 174; —50; 9.,11:467; —51:8. 11:467; — 52 ; 7 ., II ; 2 ; — 52 : 11 ., 80 ; — 53 .11; 216 ; — 53:4 .11 : 58, II ; 208 ; — 53 : 0, 7 ,. 11 ; 99 ; — 53 ; 12 „ 140 ; — 55 : 1—5 ,. 242; — 55 ; 6 ,. 414: — 50 : 7 .. 11 ; 430; —56 ; 10 .. 190, 11 ; 380, 11 : 390 ; — 57 ; 15 .. 11 : 445 ; — 58 : 5 , 6 .101 ; — 58; 0 .. 11 : 354; — 01 ; 10., 273, 11 : 141; — 01 ; 11 ..60; — 05 ; 1 „ 21 ; — 05 : 13 .. 241 ; — 66 ; .5 .. 105. Joremia 2 : 21 : 218, 11 ; 202; — 2 ; 23 .. 11 ; 383; — 3 : I I—25 ..II ; 108; - 4: 3 „ 31 ; — 4 ; 11, 12 .. 149; —4; 22 „II ; 321 ; — 7 : 18 ., 99; — 7:25,26.. 222 ; — 7 ; 34 404 ; — 8 ; 7 .. xiv; — 8:8,0.. 1] : -1.70 ; _ 0 ; 17 , 18:185: — 11 :7, 8.. 222; — 11 : 10 „ II ; 501 ; —12 ; I , 2 „ 11 ; 209; —12 :10.. 205 , 218 ; — 12 : 13 „31 ;— 13 ; 1—11 ., XIX ; — 10:9 .. 404; — 17 : 6 . 340 ; — 17 ; 8 .. 32 ; — 17 : 11 .. II ; 18 ; —18 : 1-10., XIX; - 20 : 2 „ 222; — 22 : 7 .,11 : 270; —23 ; 1—5 „11 ; 185 ; — 23 : 29 .. 51;—24: 8..11: 70 ; — 25 ; 4-7 .. 222 ; — 25 :10 ., 404 ; — 25 : 30 ,. 205 ; — 20 : 20—23 .. 222 ; — 27 : 4..II : 270; —29; 17.. II : 70; —31 ; 5 .. 204; — 31 ; 10 .. II ; 30 ; — 31 ; 20 .11: 412 ; — 31 : 27 .. 39; — 34 ; 8—11.. 11 ; 354; — 37 .. 222; — 37 ; 21.. 90 ; —38 ..222; — 38 : II .. II : 130, 11 : 474; — 41 : 8 ., 0 , II ; 400 ;—44:4,5 „ 222 ; — 44 : 19 .. 90 ; — 48 ; 33 .. 205 ; — 49 : 3 .. 239 ; — 50 ; 6, 7 .. 11 : 180;- 50:8 ..403; —52 : 10,. 451. Klaagliederen van Jeromia 4:7., 15. Ezeehiël 3:17.. 220; —0 : 11 .,238;— 15 ,. xxi. II ; 107, II ; 269; — 10 .. xxii, 275 ; — 17 ; xxu, 71, 1T;195;-17:1—10,. 219;— 17:2.. xi,; — 17 : 5, 8 ,. 204; —18 : 2 ,. 228; — 18 : 7 , II; 312; — 18 : 23 ., 11 : 82 ; — 18 : 23, 32 .. 11 : 85 ; — 19 ; I—0 .. XXH ; — 19 : 10 — 14 .. xxil ; — 20 ; 49.. XL ; — 22 : 27 „ II ; 324 ; — 24 ,. II : 188 ; — 31.. 71 ; — 31 ; 4—12 .. xxi ; — 32 ; 3 , 4 .. 113 ; — 33 : 1—9 „ XXII; — 33 ; 31 .. II ; 401 ; — 33 ; 32 .. 40, 100 . II; 459 ; — 34 : 1 — 6 .11 ; 185; —34:4.. 11 ; 93; —34; 17 .,462; —37 .. xix; — 37 ; 24 ..II: 190; — 43 ; 24 ,. 338; — 50 : 6 ., II : 185. |
STEE.
536
r e g 1
|
Daniël 3 ; 21 4'13 ; — 2 ; 44 .. 72, 7R; — 3 ; 2, 29 .. 381; — 3 : 8 .. II; 307; — 4 .. 71; — 4 :11,13.. 70; — 4 : 20 .. II ; 127; — 4 : 31 ..11:17; —5:1 2(16 ; — 5 : 29 .. 268 ; — 6; 24 ..II ; 307 ; — 7 : 13 .. 84; — 8 ; 5 , 21 .. 463 ; — 7 ; 13, 14 .. xliu 9 ; 19 ,. 11 . 447 . _ 12 ; I.. 11 : 430 ; — 12 : 4 .. II : 484. Hosoa 2 .. 159; — 7 : 4, 6 ..99; — 7; 4-7 .. xxi; — 7 ; 12.. 116; —8 : 1 .. 292 ; — 10 : 1 .. 218; — 12 ; 11 .. xr,; — 13 ; 13 .. II : 222 ; — 13 ; 5 .. 349. Joël 1:5.. 170 ; — 2 : 30, 31 .. 150 ; — 3 . 13 .. 58. Amos 1 : 6 .. 11: 351; — 2 : 0 .. U : 351, 11 ; 354; — 3 : f) II : 79; — 8 : 6 .. II : 354 ; — 9 : 13 204, Jona 2 ; 4 .. II; 458. MatthOÜs 2 : 4 .. II : 476 ; — 2:11 .. II ; 473 ; — 2 :17 ..II : 91, II: 112; —2 : 18,. 300; - 2:22 .. 454. 3:2,. XLIII; - 3:4.. 267; - 3 : 9 .. 4,11: 33; - 3: 10 .. 11:74, II: 197, 11 : 270 ; — 3 : 11 ..140, 342; —3:15.. 11:176. 4 . 2 m 161; — 4: 6 .. U : 30; —4 : 12 .. 304;- 4 : 13 .. 3 , 110; — 4:18.. 109; -4:18,22,. 111; —4:23 j ., II : 1; — 4 : 23 , 24 .. 406 ; — 4 : 24 .. II : 58, 5 ,. 342 ; — 5 : 2 .. II :58 ; -gt;5: 3—12 .. 11 : 47; — 5 : I 3—16 .. II ; 466; — 5:8,. 362; — 5 : 12 .. 300; — 5:13„105, 337,-5 :14b.,322; — 5: 14-16 ..316, II . 206 ; — 5 :15 „ 313 ; — 5 : 16 .. 11 ; 203 ; — 5 : 17 tot 6: 18 .. 11 : 466 ; — 5 : 18 .. II ; 337 i — 5 :19 .. II : 163 ; — 5 : 20 „ 11 : 3, II : 10 , II : 351 , [] : 4.4,1). — 5 : 20, 48 . 11 : 438; — 5 : 22 .. 11:366, 11 . 424; — 5 : 23, 24 .. II : 366 ; — 5 : 25, 26 . II . 359; — 5 ; 26 .. II : 101, 11: 120 ; — 5 : 29, 30, 39- 41 ..11 : 490; — 5 : 35„281; — 5:40., 164;- 6 : 41 „ 11 : 411 ; - 5 : 42 .. 11 . 229; -- 5 ; 43 .. II : 292; - 5 : 40 , 47 „ 11 : 172. v , 6.. 6, 11 : 387; — 6 : 1 .. 166; — 6:2.,237; — 6 :2, 5,16 , i 11:347;- 6 : 4, 6, 18 .. II: 469; — 6 : 5 „ 183, II : | 34, 11 : 447; -6 :14 .. 11:362 ; —6:10.. 158;—(i: | 16-18.. 161, U: 444; — 6 : 17 . U : 227 : - 6 : 17, 19,20 .11 : 471; —6 : 19.. II: 267; — 6 : 19, 21. 6, 11 : 4fl5; — 6 : 20 .. 390; — 6 : 20—25 .. 11 : 47 ; — 6 : 22, 23 ..II; 261,11; 384; - 6 : 24.. 11 : 329, II: 394; — 6 : 24, 25—34 .. II : 466 ; - 6 ; 25 .. II : 172 ; -6 ; 25 , 28 .. 267 ; — 6 ; 26 .. 44 ; — 6 : 26, 28 ,. II : 190 ; - 6 ; 29 .. II ; 492 ; — 6 ; 30 .. 57, II; 270 ; - |
Micha 4 : 4 .. 203; — 4 : 7 .. xuii; — 7 : 7 .. 376. Habakuk l ; 2 ., 11:433;— 1 : 8,. 292; —1:16 .. 111 ; — 1 : 15, 16 ..116. Zophanja 1:8 ,.273; — 1:12, 13,. II: 103; —2 : 9 .. 337, 340;— 3:17.. 11:107. Haggaï 2 : 11—16 ., xxxiv. Zacharia 1:4,. 222 ; — 3 :1- 5 „ II; 131; — 3 ; 10 ,.203, II; 71 ; —4: 11—14 ,.318 ; —7:3 „159; — 7 : 5 .. 161; — 8 : 5 .. 183 ; — 8 : 19 ., 162 ; — 9:14.. 149; — 10 : 3., 462;—11 : 11:95, II: 185; — 12 : 10 .. 374 ; — 12 : 12 .. 11 : 442 ; — 13 : 7 .. 11:190; — 14: 1 .. 140. Maleachi 3 : 20 ., II: 289 ; — 4: 2 . 280, 319. 6 : 32 ., II: 94; — 6 : 33 ., XLIU , 1, 10 ; — 6; 36 .. 11: 128 ; — 6 ; 43 ,. 198 ; — 6 : 45 „251. 7 ,. 11:271- 7:1 .. 11: 386; - 7: 1,2.. 11 ; 387; — 7 : 2 ., II: 362 ; - 7 : 3, 6 .. II : 382 7:4., 269 ; 7 : 5 .. 148 ; — 7 : 6 „ 18, 195, II ; 387; — 7 : 6, 16 . U ; - 7 : 7 „ H : 490 ; - 7 : 9 137 ; - 7 : 9- 11.. 11 . 406 ; — 7 : 12 ,. 8 , 11 : 10 ; - 7 :13 .. 423 , 424 ; - 7 : 13,14 .. 422, H : 3; — 7 : 15 .. 267, H : 190, II : 491; — 7 :16 .. 43; —7 : 16,18., 11 : 271 ; -7 : 16—20 .. II : 268 ; — 7 : 17 .. xxx, 114 ; — 7 : 17, 18 „113; — 7:19 .. H : 270;-7:21 ..11 : 158, 11 : 360 ; - 7 : 21, 22 .. II : 161 ; - 7 : 22 , 23 „ 422; _ 7 : 24 : li, II : 320 ; — 7 : 24-27 „ H : 455 ; - 7 : 26.. 187, 415; - 7 : 28 .. 198 ; — 7 : 28, 29 . 40, II : 182; — 7 : 29 ,. II : 176. 8 „II : 31; — 8 : 8, 19, 20 .. 198 ; - 8:11, 12 „242, 422 ,11 : 32;-5: 12 . xliu, 114, 426; —8 : 14—16 „102; —8:16, 17 , II : 68; — 8: 17 .. 11:208; — 8 : 18-23 .. 11 ; 403 ; — 8 : 19, 21 „ 309 ; — 8 : 20 .. 70, II : 490 ; — 8 : 21 .. II : 360; - 8 : 22 .. II; 485 ; - 8 ; 28- 34 ,. 11; 57 ; - 8 ; 34 ,. 409,11: 247. 9 : 1 „ 257; — 9 ; 2 , II : 135; —9 : 4 „ 130; — 9 ; 9, 37 „ 309 ; — 9 ; 10 . 11 .. 246 ; — 9 ; 11 .. II ; 173 ; 9:11, 12 130 ; — 9 ; 12 „ 11 ; 91 ,11; 209 ; — 9:13 , II : 112; — 9 ; 14 ., 158; - 0 ; 14, 15 .. 155; - 9 ; 15 „ 323, 406 ; — 9 ; 15- 17 .. 177 : - 9 : 16, 17 „ Lil, 163; - 9:20 .. 164; — 9 : 23 .. 185 ;— 9:31,32., II ; 210;-9; 32.. 11 ; 68; — 9:32-34 . 128; —9:36 .. II : 99, II ; 186, II ; 249 ; — 9 ; 37b, 38 „299. |
K K G I S T JS li.
|
10.. II: 190, II ;360;— 10 :1 „131; —10:3.. 11: 232, II; 318; — 10 : 5 .. 302 , 309 ; — 10 : 5, 6 .. 199, 11 : 140; —10 ; 099, 11: 1SG10; 8.. 10, 243; — 10 : 10„347; — 10 : 14, 23 ..250;—10: IS„406; — 10 : ir,.. 117, II: 320; — 10 :16, 27 .. II: 490 ; — 10:17 .. 11:278; —10:23.. 366; —10:25 „78; — 10126, 27..316; —10: 27 .. 318; —10 : 29 „11: 101, 11 : 172; —10:32, 33 ..11:108, II:360; —10:32— 34 . 11:210; —10; 34 .. 142, II : 211; —10:37 .. 311; — 10 : 37—39 .10; — 10 : 38 .. II : 247; — 10 : 39 „ II : 18, II: 217; — 10 : 40—42 „ 466 ; — 10 : 42 .. II : 327 : — 10 :46—52 ,. 30. 11:2—6 „153; —11: 3..II : 182; —11 : 7..II: 491; — 11 : 7—9 „ 406 ; — 11 : 8 .. 164, II: 23 ; — 11:11 .. 170;—11 : 16 .. LI; — 11: 16, 17.. 181;—11:18 ..128, 11: 59; — 11 : 18, 19 „L, 18S; — 11: 19 „ 246, 11:90, 11:448;— 11:2I—24..2S3. 11:492; — 11 : 25, 26 .. 461; — 11 : 29, 30 . 11 : 247 ; — 11: 39 ..II ; 485. 12 ..II : 271, II : 273, 11: 274; — 12 : 1 .. XXX; — 12 : 3, 4, 45 .. II: 492 ; — 12 : 5 .. 137 ; — 12 : 8 .. 11 : 176; — 12:10 .. 11 :8; — 12 : 11 .. II: 115, II: 379, II: 491;—12 :11,12.. 11:93; — 12: 16—19 .. 189: —12 : 20 .. II : 112; — 12 : 22 .. II: 58; — 12 : 24, 26, 27 .. 130; — 12 : 251).. 127; — 12 : 26.. 133;—12:26,28 .. 134;— 12:27 „188,11 : 61; — 12 : 28„xi,ui, 131, 152; —12:29 .. 137, 11:92; — 12 : 30 .. 136 ; — 12 : 33 . 113 ; — 12 : 33-35 .. II: 268 ; — 12 : 35 „ 302 , II : 411,11: 473 ; — 12 : 37 .. 11 : 448, II : 449; —12:38 . 129, 11:130; — 12 : 38—40 .. 146, 147 ; —12 : 39—41 .. II: 411; — 12 : 39—42 .. II : .192; — 12 : 41 , 42 .. 186; — 12 : 43—45a.. II : 54; — 12 : 44..II: 118 ;— 12:45 .. 61; —12:48—50 ..426; —12:50 ., 467, 11:360; — 13..XXX, XXXIII, XL, L,LI, 128, 148, 182, 367, 11:88, II : 352 , II: 373 ; — 13 : 1, 2, 36 .. 109; — 13 : 3 . 304; — 13 : 3, 52 . 123; —13 : 3, 10, 13, 34 . xi,; — 13 : 31)—8 .. 25 ; — 13 ; 4 ..78; - 13 : 10-17 .. xxxvi, 123; — 13 :12 .. 443 ; — 13 : 13 . 212 ; — 13 : 19 .. 258 ; — 13 :19—23 „ 36; — 13 :18—23 , 37—43,49, 50..XLIX; —13:21 11:463;— 13:24 .. 37, 415; — 13 : 24, 37 ..18; — 13 : 24b—30 .. 77; — 13 : 25 .. 56, 117;—13:26 .. 57 ; - 13:28 .. xxx; — 13 : 28 , 29 .. 56 ; — 13 ; 31, 32 .. 65; — 13 : 33 .. 97; — 13:34 .xxxix; — 13 ; 36 .. 35 ; — 13: .quot;(i- 13 .. 84; — 13 ; 37 .. 60; — 13 ; 38 .. 460; — 13 ; 39 .. 60; — 13 ; 39—43, 49, 50 .. 366 ; — 13 : 40b—12, |
49, 50„ 114; —13 : 40, 41 „ II 198; —13:40, 49.. 61, 11:54; —13:41, 42.. 11:372; - 13 : 42.. 83, 381; —13 : 44 „252, 317, II:4/6; —13:44—46.. 3: — 13 ; 45„LU; — 13 : 47..LII, 113, 187;— 13:47, 48.. 109, 114; — 13 : 49 .90, 406; — 13 ; 51..118; -13:52.. 16, 204, 305, 346, II ; 473; — 13 : 53.. xxx ; — 13 ; 54, 53 .. 40; — 13 : 58 .. 1] : 119. 14: 2 „ II : 125; — 14:6..400;— 14:13.. II :94; — 14 : 14 .. 293; — 14 ; 20 .. 198 ; — 14 : 22 .. 251; — 14 : 36.. 164; — 14: 48 .. II ; 148 15 ; 6—9 . II; 439; — 13:8 .. II ; 163 ; — 15 ; 11 „ 11:485; — 15:13 .. 39, 73, 305, 11 : 360 ; — 13:14, 13 .. 39;- 15 ; 11b .. II ; 377; —15 ; 15..xxx;-! 15 ; 16—20 .. xxxix ; — 15 ; 22 .. II : 58;— 15:23 .. II : 428: — 15 ; 24 .. II ; 99, II ; 111, II ; 180; — 15:26..462; — 13: 26, 27 .. 193; -15:27 .. Il;20; 15 ; 28, 30 „ 194; — 13 : 34 .. 111; — 15 : 37 198, 10 .. 117, 11 ; 250; — 10 ; 1—3 . 145 ; — 16 : 1—4 .. 147, 150; —16:2 .. .304; 16:2,3.. 147; —16:3 .. L; — 16 : 4 ..II : 411 ; — 16 ; 4—12 .. 151 ; — 16 : 5 .. 150, 11 : 1,(0; — 16 ; 6, 7 .. 102;— 16 : 7 .. XXXIX, II : 498; — 16:8.. 102; —16 ; 17.. II .360; — 16:18.. 134; — 10 : 19 „ 183, 382; —10; 21 .11; 210, 11 : 459; — 16:23 „91; —16 : 24 II ; 247;_ 16:24-26 „ 10; —16:25. II ;217; —10:27.. II: 360. 17 : 5 .. II ; 262 ; — 17 : 14—21 „ II : 5/ ; — 17 ; 17 , 20..1S0; — 17:20 ..05;—17:21,.186, 187, 11:62; — 17:22, 23 .11; 171,11: 210;- 17 : 25.. II ; 292; — 17 : 25, 26 .. II : 169; — 17 ; 27 .. 111. 18:1 ..378; —18:1—6.. II : 491; —18:1—20, 7—9, 12,13, 1—6, 10, 11, 14.. 11:98; — 18:3-5.! 147 ; — 18 : 5 .. 279; — 18 : 7.. 94; —18 : 8 , 9, 32.. 11 ; 86; — 18; 10, 19, 35 . II : 360 ; — 18 ; 12 .. II: 116, II ; 174, .'I ; 292; —18 ; 12—1 t.. 11:85; — 18 : 15, 16 ., II ; 181 ; — 18; 17 .. 92; — 18 ;21 .. XLIV; — 18:21, 18—20 , 15—17 II ; 350; — 18 ; 23—34 ..11:3 19; — 18 ; 25 ..8; — 18 : 20 .. 11:126; —18:26, 29 .11 : 431 ; —18:31 .11:307; — 18: 35 ..II; 54. 19 : 3, 5 .. II : 101; — 19:12.11; 484, II ; 491 ; _ 19 ; 14 ., 147; - 19 ; 15, 27 .. 378 ; — 19 : 16 „ 11 : 278 ; — 19 : 16 , 17.. II ; 4 ; 19 ; 21 .. II ; 438 , ] I; 470; — 19 ; 22 . 42 ; — 19 : 24 . xLUI, 11 ; 333 ; — 19 : 27 ., 115, 309;— 19 ; 28 . xi.I, 383, 463; — 19 ; 29 .. 34, 11; 469; — 19 ; 30 .. XLIX . 422. 20; 1.. 204; — 20 ; 1—7..11; 125 ; — 20 : 1—15 ..345; 20 : 3 .. 183 ; — 20 : 4 .. 349; — 20 ; 4—7 . 302; — |
K E G 1 S T E 11.
538
|
20 : 8 .. 255 , 11 : 305 ; — 20 : 13 .. 200, 359; — 20:13, 15. II ; 134; —20:11-..11:328; —20:15 ..137;—20:10 „xlix, 422, II !B4;-20:17-19 .. Jl : 210; — 20:22. 11:491 ; — 20 : 25—28 .. 302; — 20 : 20 .. 01 ; —20 : 28 ..224;—20:29—34..462. 21 : 12.. 431 , 435; — 21 : 15 .. 182; — 21 : 15, 16.. 181 ; —21:10..182; —21 : 19 30, 11 :72, 11 : 480; — 21 : 20 ..II: 174;—21:22 ..8 ;— 21 : 23 .. 79, 11:294; — 21 : 23—27 .. 150; — 21: 23. 45 .11:103; 21; 24—27 .. 189; — 21 :25 .. 11:127; — 21 : 28 .. 347, 11:116, II: 292; — 21 : 28—31a..ll: 158;— 21 : 30—32 .. 156; — 21 : 31 .. L, 210; — 21: 31, 32 .. 240; — 21: 32 .. II : 225, II: 441; —21: 33 ., xxx, 320, 346, 357, 11 : 80, II : 119, 11:196,11: 284; — 21 : 33-41 .. 201; — 21 : 34 .. 11: 311; — 21 : 35, 30 .. 209 ; —21 : 37 .. II : 424; — 21: 41.. 381 ; — 21 : 43 .. L, 212, 214, II : 140 ; — 21 : 44 ., II ; 401 ; — 21 : 45 .. xxx, xnxix, 11 : 70 , II : 498. 22:229, 440,11:78, 11:350; — 22:1 ..xxx,ui, 203 : — 22 : 1—14 .. 452 ; — 22: 2—4, 8—12 .. 254; — 22 : 2—10 .. 253 ; — 22 : 2-14 .. UI;— 22 : 3 400; — 22: 4..233, 234;—22:5 .. 16; —22:10.. 200, 272 , 11 : 411 ; — 22 : 10 , 11 .. 239 ; — 22 : 11—14 .. 205 ; — 22 :12 .. 359, II : 358; —22:13 .. 114, 339; —22 : 14;xux , 358 ; — 22: 15, 10..151; — 22 : 10 ..150; — 22:17 .. II: 294; —22 :17,42 .. 11 : 174, II : 292 ; — 22 :1Ö .. II : 174; — 22 : 24-28 .. XXV; — 22 : 24, 29 .. 150; — 22 : 25 .. 11 : 435 ; — 22 : 35 .. 153 , 11 : 477 ; — 22 : 37 .. II : 303 ; - 22 : 37—40 .. II : 279. 23 .. 11 :34123: 1—»..11:273; — 23 : 1—5 .. II : 107; — 23 : 2, 3 .. 11 : 111 ; — 23 : 4 .. 11 : 248;- 23 : 6 .. 11 : 342; — 23 : 7 .. 183; — 23 : 8 .. 400 ; — 23 : 10 .. XXV ; — 23 :12 II: 344 ; — 23 : 18.. 381; 23: 14,15.. il: 119 ; — 23 : 10, 24 11 : 380; — 23 . 18 .. 11 : 300 ; — 23 : 23 ., 11 : 444 ; — 23 : 24.. 11 : 335,11: 352 ; — 23 : 24, 25 , 27 .. II: 491 ; — 23 : 29—32 .. 223; — 23 : 32 .. II : 275 ; — 23 : 34 .. II ; 477 ; — 23 : 35, 30 .. 187 ; — 23 : 35—37.. 223; — 23 : 37 .. 277. 24.. 300, 377, 394, 390, 415, 455, 458 , 408; — 24 : 2, 7 .. 132 ; — 24 : 3 .. 152 , 458 ; — 24 : 4-8 .. 458; — 24:4—41, 42, 42—51 .. 459; — 24 : 5 .. 398; |
— 24 : 9 .. II : 1 73 ; — 24 : 9—13,14,15—22, 23—28, 29—30. 37—51 .. 459 ; — 24 : 14 .. 401; — 24 : 14, 15 .. 290 ; — 24 :14 , 42 , 44 .. 420 ; — 24 . 14, 40, 41, 46 .. 460; —24:15, 16 .11: 315; — 24 : 21 .. 227; — 24 : 22, 24 .. 11 : 430; — 24 : 27 , 37 , 39 .. 61; — 24 : 28 .. 280 , 287 ; — 24 : 30 .. 152 , 185; — 24 : 30 , 31 , 40 , 41 .. 401 ; — 24 : 32 .. xix , 154 ; — 24 : 32, 33 .. 395 ; — 24 : 40, 41 .. 420;— 24:42, 44 .. 418; — 24 : 43, 44 ..390;— 24 : 45 .. II : 320 ; — 24 : 45—51 .. 370 ; — 24: 40 .. 370; — 24 : 48 ., 408 , 414 ; — 24 : 51.. 114, 148. 25 .. 202, 289, 330, 394, 390, 414, 415, 445, 458, 459, 11 : 325 ; — 25 : 1 309, 407, 409, 446; — 25 :1-12., 423;— 25 :1-13.. 401 ; — 25 : 1-13, 14-30.,459 ; — 25:2.. II : 320; — 25 : 5 .. 370; —25:6 .. 102; — 25:0,10.. 309; —25 : 7 .. 11 : 63;-25 : 7,8.. II: 102 ; — 25:10.. 423;—2S : 10,19.. 400; — 25:10b-12 .. 422 ; — 25 :13 .. L, 114 , 420 ; — 26 : 14—30 .. ui, 429 ; — 25 :10, 17 .. 407 ; — 25 :18 ., 0 ; — 25: 18, 27 .. 431; — 25:21, 23., 435, II ;328 ; — 25 : 24 .. 305 ; — 25 : 20 , 27 .. II: 358 ; — 25 : 20, 30 .. 245; — 26 : 27..11: 229; —25 : 28—30..433; — 25 : 29.. xlix; — 25 : 30,.270, 339, 381,11: 305 ; — 25 : 30, 31 .. 408 ; — 25 : 31 .. 90 ; — 25 : 31—40 .. 457 ; — 25 : 32 .. 461; — 25 : 32—34 .. 437 ; — 25 : 34 .. II : 350; — 25 : 34—40 .. 301; — 25 : 37 .. 404 ; — 25 : 44 .. 407. 26 : 1 ., 458 ; — 20 : 0 .. II : 232, II : 318 ; — 20 : 7 .. II : 129 : — 26 : 11 .. 470; — 26 : 15 ..II: 101 ; — 26 : 19 ., 238 ; — 26 : 29 .. 11 : 196 , 11 : 491 ; — 26 : 31 .. II : 190, 11 : 200 ; — 20 : 41 .. 375 ,420; — 20 : 48 .. 152 ; — 20 : 50 .. 209: — 20 : 04 .. 393 ; — 26 : 66..II : 174. 27:3, 5,0 .. 11 : 101;—27 :12 .. 78; —27 : 14.. 194; — 27 : 31 .. 11 : 189 ; — 27 : 40 .. 349 ; — 27 : 64 .. II : 04. 28 : 1 .. II : 444 ; — 28 : 7, 8 ., II : 313;— 28 : 10 .. 467 ; — 28 :19 .. 260 Markus 1:7.. 140; — 1:14 .. 304; - 1:15 . II ; 1: — 1:16, 19 .. 109 ; — 1 ; 16—20 ,. Ill ; — 1 : 14 tot 2 : 22 .. 150; — 1 : 23—27 .. II : 58; — I : 32 .. II : 58; — 1 : 35 .. 348. 2:0.. 43 ; — 2 : 7 .. 11 : 231 ; — 2 : 8 .. II : 174 ; — 2 :12 .. 11: 59; — 2 : 17 .. II : 209; —2 :18 .. 11 : 90: — 2 : 18—20 .. 155 ; — 2 : 21, 22.. ui, 103. 3 : 7 .. 3Ü0 ; — 3 : 21 .. 128, 11:59; —3 : 22.. 11 : 78; — 3 : 22 , 30 .. II : 59; — 3 : 23 .. xxx , 127 ; — 3 : 24 , 25 .. 127 ; — 3 : 20 .. 130 ; — 3 : 27 .. 137. 4 : 2,.xxx, xl: —4: 3—8 .. 25; —4:9,23 ..85; — 4 : 12 ., xxxvn ; — 4 : 12 tol 9 : 17 .. 160; —4 : 13 .. 47, 123,11 : 475 ;-4: 14.. 00; —4 :14-20 .. 36: — |
n K O I S T E R.
|
4: 21 ..313,11:93, 11: 104; — 4:2], 23 ..315;— 4 : 14, 25 „ 443 ; — 4 : 20 .. 258; — 4 : 26—29 .. 53, I] : 214; — 4: 28 ..II : 214; — 4:30.. xxxni; — 4 I 30, 32 .. 65 ; — 4 : 33 ,, xxxvin ; — 4 : 34 .. I,; — 4 : 36 .. 55 ; — 4 : 36 v. v. .. 35, 5:6, 7 .. II : 61; — 5 : 13 .. 11 : 123 , II : 390 ; — 5 : 25 , 26 .. II : 371; — 5 : 26 .. 11 : 208 ; — 5 : 38 ,.185; —5 : 42 „11:59. 6:5.. 323 ; — 6 : 20. 11 : 67 ; — 6 : 31 .. II : 249 ; _ 6 : 34 ..II: 295 ; - 6 : 36 .. 99, II : 415 ; — 6 : 38 ., II : 159. 7:11 ..II: 366; - 7 : 21 .. 43; — 7 : 21, 22 „352; — 7:27, 28 ,. 193; — 7:28.. xxv j — 7:32—35 ..11:58. 8 „ II 250 ; — 8 : 2 .. II : 295 ; — 8 : 7 .. 111;— 8 :11, 12..147; — 8:13-21 ,.151 ; — 8:14,. 150; - 8 : 18 .. II : 484; — 8 : 35 .. II ; 217. 9:14 . 300; — 9 : 14-29 ,. 11 : 57 ; — 9 : 17, 25 ,. 11 : 58, 11:62; - 9 : 26 .. 11: 58 ; - 9 : 38 „131; — 9 : 40 .. 136; — 9:48 „342 — 9 : 49 „11 : 492; — 9 : 50 .. 337. 10 : 4, 32 „ 453; - 10 : 21 , 30 .. 11; — 10 : 22 .. 151; — 10 : 24 .. II ; 135 : — 10 : 94, 25 .. 244 ; — 10 : 25 ,. II : 333;—10:29, 30 „252; —10 : 30 „34; — 10 : 46 .. II : 308 ; — 10: 46—52 .. 452. 11 :13 .. II : 72 , II : 75 ; — 11 : 25 ,. II : 369, 12 : 1 „ XXX ; — 12 :1—9 .. 201;-12:1, 12 „215; — 12 : 30 .. 43; — 12 : 42.. II : 101. 13 : 2, 8 „ 132; —13 :13 .. 37; — 13 : 28, 29,. 395; — 13 : 32-34 „LI: 280; —13 : 33 „375; —13:33—36 .. ,'505; — 13 ; 33, 35—37 „ 420; —13 : 34 ,. 431; — 13 : 35 .. 348,11: 416 ; — 13 : 37 „ 376. 14 : 4 11 : 442 ; — 14 : 8 ., 11 : 415; — 14 : 14 .. 78, 204,11:47314: 41 „11:223;—14:54, 65 ,.383. 15 :16 „11 : 104; — 15 : 20 .. 257. 16:2 ,, 348; —1(5:8,9„ II : 444; —16: 16,.381; — 16: 1!) .. II : 318, Lukas 1 : 1,2.. 11 :170; — 1 : 1—4 .. 278, II : 278; 1:2., 383 ; — 1 : 3 „ LUI, 452, 11:47, 11:488; — 1 : 5 ,. 384, 11 : 284; — 1 : 8 „ II : 284 ; — 1 : 32, 33 „II: 176; —1:76—79 ..II: 164. 2 : 1 ., II : 174; —2:2 „11: 77; —2:7 „ 11 : 287; — 2:8.. 79 ; — 2 : 15 „ 424; - 2 : 43 .. 182; — 2 : 46, 47 .. 212 ; — 3 : 51 .. 43 ; — 3 : 53 .. xiir. 3:9.. II: 270; — 3 :11.. II : 80; —3:12, 13.,11:441; — 3 : 16 ., 140; —3 : 18 „ 11 : 101. 4 : 14 . 304; - 4:14 tot 5 : 39 „156;--4 :16.. II : 38 ; — 4:18, I9..I1 :265;—4:19.. 11:380;—4:20..383; |
— 4 : 23 „ xxx, II: 181, II : 208, II : 415 ; — 4 : 25 .. 55 ;—4:25-27 ..11 : 492 ; — 4 : 31, 32„ II : 90; — 4 : 33 „ II : 60; —4:33—36 „ 11:58; — 4:35 „11:58; —4:35, 39,41 „ 11:61;—4:40 .. 11:89, 11 : 310, 5 : 1 „109; —5 :2 v. v. .. 35; — 5 : 3 ..4; — 5: 5„ 111; — 5 : 6 „ 111 ; 5 :10 .. 4— 5 : 29 ,. II: 364; — 5 : 31 .. II : 91 , II : 209 ; — 5 : 32 „ II : 112 ; — 5 : 33—35 „ 155 ; — 5 ; 36 ., xxx; — 5 : 36—39 ., Lil, 163 , 11 : 87. 6..II: 271, II : 385, II: 470; —6:13, 17.. 11:324; — 6 :18 .. II : 58 ; — 6 : 20, 24 „ II : 335 ; — 6 : 20-49 „ II : 407 ; - 6 : 24 „ 11 : 347;- 6 : 31 „ II:80;-(5: 34 ., 11:34;-6 : 34, 35 ..II: 229; - 6 : 37 ., II : 385; — 6 : 38 ., II : 32; — 6 : 39 ,. xxx, II ; 115; —6 : 39, 47—49.. II : 87; —6:39b .,11; 377 ; — 6 : 41 .. 257 ; — 6 : 41 , 42 ,. 11 : 382 ; - 6 : 43—113 ; — 6 : 43—45 „ II : 268 ; — 6 : 45 .. II: 473; —6:47-49.. II : 455. 7:2 ..II: 343; —7: 8..xxv, 141, 198 ; — 7: ll.JI: 58; — 7 : 12 ,. II : 203 ; — 7 :12—15 .. 11: 423; — 7:16 „41;—7:13.. II ; 128, II : 295; —7 : 29.,11 : 448; — 7 : 29, 30 „ II ; 166; — 7 : 29—35, 41, 42,. 11: 225 ; - 7 : 29, 31 ,. 187 , 188 ; - 7 : 31 „ LI ; - 7 : 31, 32 ,. 181; - 7 : 33 „11: 164 ; — 7 : 33-35 ., L, 188 ; — 7 :34 ,, II: 90 ; — 7 : 35 „11 : 192; — 7 : 36—50 .. 11 : 341 ; — 7 : 37 .. 249 , II: 318 ; — 7 : 37—39 .. II: 207 ; — 7:40—42 .. 316; — 7 :41 „ II : 312; —7 : 41, 42 „ 11 : 110; —7: 42 „II: 292, 11 : 354 ; — 7 : 43 „ 11: 498 ; — 7 : 44 „ L ; — 7 : 45 ..11:428 ; — 7: 46 ., 11:139. 8 : 2 „ II: 56 ;-8 : 3 „ 379,11:305 ; — 8 : 4—9 .. xxx; — 8 : 4. 10 ,. II: 88 ; -8 : 5—8 ,. 25 ; — 8 : 10 .', xxx vil ; — 8 : 11b—15 .. 30 ; — 8 :13 ,. 11 ; 4.03 ;_ 8:14.. 31, 41 ; —8: 16.. 313,II: 104;-8:16, 17., 316 ; — 8 : 18 „ 40, 443 ; — 8 : 25 .. II: 230; — 8 : 26-29 „ 11:57; —8 :27 ,. 164, 208, II: 284;' — 8 : 43 .. II: 118 ; — 8 : 52 ., 185 , 11 : 447, 9 „II: 250; —9: 12 ..11:94;— 9 : 14 , 15 .. 871 ; _ 9 : 17 „ 198 ; — 9 : 22.. II: 210; —9 : 24 .. II : 217, II : 247 ; — 9 : 37-43 „ II: 57; — 9 : 38 „ II: 2031 — 9 : 42 „ II : 00 ; — 9 : 43—45 ,. 210; - 9 : 47 II : 174; _ 9 : 49 ..11:61; — 9: 50 .. 136 ; —quot; 9 : 51 .. 11 : 211 ; — 0 : 51 , 57—62 .. II; 402 ;' — 9 : 52 ,. II : 404; — 9: 5(5 ..II: 112;—9: 59, 01 ., II : 314; — 9 i 60 .. 309 : — 9 : 62 ., 47, 253, 307 , H : 401 , 11 : 476. |
|
10 : 1 .. II ; 403 , 11: 404 ; —10: 1—3 .. 301; —10; 2 .. 2il9; — 10 : 6 .. 160. 192 ; — 10 :11, 18 .. II: 491; — 10 : 18,. 142, II; 62; — 10 ; 19 .. II : 409; — 10 ; 20,. II : 240; — 10; 21..182, II ; 111; —10 : 25 153, II ; 284; — 10 ; 27 .. H ; 293 ; — 10 : 20 .. i, 11 : 4J(J ; _ 10 ; 30.. II; llfi, TI; 189, II ; 284 ; — 10; 30—35 ..II 277; — 10 : 34 ., II: 283; —10 :37 11 ; 80; — 10 ; 40 .. 11 ; 13 ; — 10 ; 41.. 283 ; — 10 : 41. 42 .. 1. 19. 11 ,. LU, 316. 11 ; 205 ; — 11 ; 1 .. 158 , II ; 488 ; - 11 :1—13 ..II ; 407; — 11 ; 1 tot 13:21 . 11 ;78; — 11 ; 2 .. 11 ; 411; — 11 ; 5—8.. 11 : 414, II : 430; — 11. 5—8 , 11 ..II; 415; — 11:7 ..424; - 11 ; 8 .. II . 448;— 11 : 11,. 11; 92; —11; 11—13. II :406; — 11 ;12 .. 280;—11 ; 14 II;58; —[li : 14. 15.. 128;—11:15 II; 73;-11:10 ..129 ; — 11 ; 16, 29 , 30..147; —11:17b .. 127 ; — 11:18 .. 130; -11 ; 20 ..131; — 11 ; 21 ,. II; 187; —11 ; 21, 22 .. 137 ; — 11 ; 23 ,. 130 ; — 11 ; 24—20 . II; 54 ; — 11 : 29 ., II : 411; — 11 ; 33 .. 313 . 319 ; — 11 ; 33-35 .. 316 ; - 11; 34—36 .. 11 ; 201; - 11 ; 35.. 842; — 11; 30.. II; 815; — 11 ; 37 ,. H; 220, II; 341; — 11 ; 38 .. II; 227 : — 11 ; 39-41,. 11; 326; — 11 ; 42 .. 06. 09; — 11 : 45 ., 226; — 11 ; 50—52.. 11 ; 211. 12 ,. 147. 307, 11:78, 11 : 373 ; — 12 :1 .. 30, 102, II; 353, II; 491; —12; 1-12, 13-22, 22-34,. 372; -12:4 ,. 269, 381;—12; 6.. 11 ;459;— 12:5,8 .. 11 ; 448 ; —12 ; 6.. 11 ; 101; —12 ;8 . 374, 11:127; 12 ; 8 , 9 .. 11 ; 108 ; 12 ; 14 .. 11: 373 ; — 12 : 16.. 11 ; 116, 11; 284 ; — 12 ; 16 , 29 . 80 .. 140 ; — 12 ; 16, 41., xxx ;—12 ; 10b—21 ..11:11 ;—12; 17., 210;— 12; 17. 18 ..II ; 148; — 12:23,. 207;- 12 ; 24 .. II: 474 ; - 12 ; 21 .. XL1X ; — 12 : 23 .. II ; 217 ; —12:32 .. 72 ; — 12 ; 33 .. 390, II; 326, 11 . 470; —12 ; 33, 34 .. II ; 465;— 12 ; 34,.1I;19; — 12 ; 35 .. 314 ; — 12 ; 30 ,. II; 317 ; — 12 ; 35 , 39 , 42, 47 .. 307 ; — 12 ; 35—38 .. 365 , 440 ; — 12 : 35—48 ., 366 ; — 12:36.. LI, 259, II: 344; — 12 ; 36-38 .. 11 ; 241 ; — 12 ; 38 . 370; — 12 ; 39 ., 204 , 372 ; — 12 ; 39 , 40 ,. 390 , 391; — 12 : 39, 40, 41 .. 370 ; — 12 : 40 ,. 387 ; — 12 ; 41 ,. xxx , 381 , 11 : 305. 11 ; 317; — 12 ; 42-46 ,. 376 ; — 12 ; 45 „ 182, 373, 408, 11 ; 125, 11 ;343. 11:418; — 12 : 45-47 .. 386 ; — 12 ; 46—48 ,. 11 ; 305 ; — 12:47 .. 381;- 12 ; 47, 48 .. 385 ; — 12 ; 48,. 440; — 12 : 49 ..142; — 12; 49 , 50 ., II: 491; - 12; |
49—51 „ 11; 211 ; — 12 ; 49, 50, 51—53 ,. 373; — 12 ; 49—56 .. 148 ; — 12; 54—56 .. 145, 147 ; — 12 ; 54—57, 58, 59 .. II; 78; — 12 ; 56 ..11;411 ; — 12 ; 58 .. II: 359, II; 366 ; — 12 ; 58 , 59 ,. II: 371 ; — 12 ; 59 .. II ; 101, 11 ; 359. 13 .. 11 ; 71; — 13 ; 2, 4 .. II : 236, 448 , 449 ; — 13 : 5,.II; 79; — 13:5, 6—9 ,. LI; —13 ; 6 „ xxx; — 13 : 0—9 ., II ; 71 ; — 13 ; 7 ., 11 : 196 ; — 13 ; 9 „166; — 13 ; 10 .. 255 , 256; —13; 11 ..11:60; — 13 ; 11, 10 .. 142 ; — 13 ; 15 ., II : 93 ; — 13 ; 16 . 11 ; 01; —13 ; 18 .,71,114; — 13; 18,19.. 65; — 13 ; 20., LU; — 13; 20, 21 .. 97; — 13:23 .,44. II ; 217 ; — 13 ; 23—30. 423 ; — 13 ; 24,. II : 79 ; — 13 ; 24. 26 ; 424; — 13 ; 24—30 .. 366 . 422 ; — 13 ; 24a .. 11; 3 ; — 13 ; 25 ., 204, 420, 424, II: 79 , 11 ; 343 ; — 18 : 25—27 ,. 421, 424 ; — 13 : 28 .. 381, II: 32 ; — 13 : 30 .. 358 ; —13 ; 32 , 33 .. 202 ; — 13 ; 33 .. 282 ; —13 : 34 ,. 277 , 393 ; — 13 , 34 , 35 .. 278. 14.. 11:250;—14; 1 — 17, 10—18 ., II : 47 ; — 14 ; 1—24 ,. II ; 89 ; — 14 : 5 , 6.. II ; 207 ; — 14 : 7 .. xxx; —14; 7—23, 10—24, 15 „11 ; 87; —14:8,. 259 ; — 14 ; 8—10 , — 121)—I4a .. II: 340 ; — 14; 11 .. II ; 449 ; — 14; 12 , 13 ,. 11 ; 346 ; — 14 ; 12 , 13 , 21 ,. 233 ; — 14 ; 13 ,. 238 — 14 ; 14, 15 .. 11; 48; — 14 ; 15 ,. LI , 198, 270 ; — 14 :16 ,. II : 104, 11 ; 116, II : 284; — 14 :16—24 ,. Lil, 229 , 452; — 14: 21 ., 204 , 11; 313 ; — 14; 23 . 217,11 ; 317;—14: 24 ,. 231, 424; —14 ; 25 „ 328; 14 ; 26 .. 311 , 11 ; 395 ; — 14 ; 26, 27, 33 „11; 324; — 14 ; 27 .. II; 247 ; — 14: 28—30 „ 325 ; — 14 ; 28—32 „ Lil; — 14 : 30 .. 427; —14 ; 31 ,. 11: 350; — 14 ; 31, 32 ,. 332, II; 92; — 14; 32 „ 166, 44!); — 14 ; 33.,L, 10, 11:402, 11; 404; —14 ; 34, 35a , 337; — 14 ; 35 .. 11 ; 404. 15 .. LI 1, 11:12, 11; 87,11: 89, 11 ; 106, 11 : 115, II ; 116, 11; 152, II : 240. U ; 328, II; 438, II; 448,11: 489 ;— 15 ; 2 ,. 330; — 15 ; 2, 16—18 .. 329; — 15 ; 3 „ XXX ,11 ; 87 , II : 88 ; — 15 : 4—7 ., II : 85 ; — 15 ; 0 „ 11: 104 ; — 15 ; 7. 10 ., L. II; 108. 11 ; 448; — 15 ; 8 ,. 314 ; — 15 ; 8—10 .. II ; 101 ; — 15 : 11 ,. 284; —15 ; 11—32.. II; 113;—15 ; 12,. 11 ; 147; 15 ; 13 ,. II ; 114 , 11 ; 306; — 15 : 13 , 30 .. 11 ; 118 —15 ; 14, 24,. 11 ; 343 ; —15 ; 17 „ 302, 11 ; 308 ; — 15 :18 ,. II ; 108 ; — 15 ; 18—24 „ 11; 157 ; — 15 ; 22 ., 268, 11 : 125 ; — 15 : 23, 24 „11:23; — 15:23,26..1I ; 116; —15 : 24.. 328;-12; 25 ,. 270; — |
R E G I S T K li. 54]
|
15 ; 28 .. II; 447; — 15 : 29 .. 241 ; — 15 : 29, 34 .. 462 ; - 15 ; 30 .. 331. Ifi ..240, II ; 328; — Ifi;] „11 : 89, 11 : 116, II : 120, II : 284; — 10 i 1, 3, 8 .. 37«; — 10 : 1—9 „II: 297; — 10: 1—13 ..II ; 299; — 16 : 2, 5, 16.. II : 406; — 16 ; 3 .. 210; — 10 : 3,4.. 11 ; 148; — 10; 5 .. II : 220;— 16:8 . xxxvm, 186, 192, 336, 11 : 329; — 16:8,9. II : 318; —16: Sb, 9, 10-13.. 11 : 302; — 16:9. i , 11:321, II ;330; — 10; 9, 11 ..11:398; — 10; 10 .. 449; — 16; 10—12, IS .. 11 ; 397; — 10 : 10- i 3 .. 11: 301. — Ui : 11.. 11 ; 240 ; - 16:11, 13, 14 .. II ; 328 ;— 10 ; 13 .. 11 : 322, II : 394; — 10 : 14 .. 11:330,11:898, 11:449 II :46G; —16; 15..11:280, II ; 318, 11:330, II ; 450; — 10 : 17 .. 11 : 337 ; — 16:18. 11 ; 44; ■— 16:19.. IJ, II ; 110; —16:19, 20 . 11 ; 284 ; — 10 :19—31 .. 11 : 21 ; — 10 : 21 .. II . 124; — 16 : 22 .. 11 ; :12; — 16 : 23 .. 426; — 16 ; 26 .. 11 ; 45. 17.1-5 .. 11:324;—17 : 5,7 ..11 : 240; — 17 : 5-10.. 361 ; - 17:6 ,.05; —17:7 .. 371; — 17 : 7, 8 .. 370; — 17: 7—9.. II :239; —17-.8, 37 ..369;—17:9 238; —17; 10 ..435,11 ;?15;— 17 ; I8..11: 286, 290; _ 17 ; 20 .. 105;—17 : 22 .. 11:124, II ;430; — 17 : 22-37 .. 360 ; — 17 : 24, 20 ., II :24l ; — 17 : 20—32 .. 11 : 492; —17 : 31, 32 .. 31?; —17; 33 ,. II ; 18, II ; 217 ; - 17 ; 37.. 280, 287,291. 18., ,.1,:—18:1 ..430;— 18:1-9 „xxx, LUI, 11:330; -18:2 . II : 284 : — 18 : 2—5 .,11: 422; — 18 : 0 ., II 317; —18:9 ..II ; 115, 11 :449; —18 ; 10-13 II : 435 ; — 18 ,11 .. 11 ; 447 ; — 18 : 14 .. II : 163, II 280 ; — 18 ; 18 .. 330, 11 ; 27S ; — 1 8 : 22 .. 11 , 140, II , 470 ; — 18: 25 .. II ; 330 ; — 18 ; 30 .. II ; 34,11; 469 ; — 18:31 —34 .. 11 : 210; —18:32 258 ; — 18 : 35 .. 11 ; 308 ; — 18 ; 35—43 .. 452. 19 .. 262; —19 ; 7 .. II: 90; —19 ;8 .. II : 331 , 11:356; _ 19:8—10 .. 162; — 19 : 9 .. 215, II: 111, II; 144; — 19 10 , 11 ; 1 12 : — 19 ; 11 .. XXX , Lin ; — 19 ; 11—27 ..360; —19; 12 ,. 11:110,11:119, 11:284; — 19 ; 12—27 ..ui, 431, 445; —19 :14, 15, 17, 19 , 27 ..449; — 19:15. 11,288, II : 310; —19 : 20 ..11:314;-19: 20—20 .. 451; — 19; 20.. xLix; — 19 ; 26, 27 . 241 •, — 19:27.. «8 . 262; — 10 : 35 .. 164; — 19: 40 ., II ; 491; — 19 : 41.. 285 ; — 19 : 41—44 .. 278; — 19 ; 42 .. 322,11: 75. 20:5 ., 11:442; — 20:9 . xxx, 11 ; 284; —20 ; 9—16a . 201; —20 : 19,. xxx, 308; —20 ; 22, 26. 153; 20 ; 31 .. 11 ; 80. |
21 ; 2., II : 24,11 ; 101; — 21 ; 4 „ II : 118;- 21 : 6, 10 .. 132 ; — 21 ; 7—36 .. 366 ; — 21 ; 12 .. II ; 366; — 21 ;19..37;—21:22.. 11:432 — 21 : 24 ..343; — 21 ;28 ..397; —21 : 29 .. xxx; — 21:29, 31 ..395. 22:2..II: 352; — 22: 11 .. 78, 204, 11 ; 415, 11 ;473; — 22 ; 15 .. II ; 124; — 22 ; 20 . II ; 80; — 2 ; 24 ..11; 342; — 22 : 27 .. 371; - 22 ; 29. 30.. 374; — 22 : 31 .. 283, 11: 491 : — 22 : 32 .. 466; — 22 : 35 .. 11:121; — 22 : 36 .. 164 ; — 22 ; 38 .. II ; 498 ; — 22 ; 42 .. 11 : 75 ; — 22 : 53 .. 135, 11 ; 222. 23: 5.. 255, 351 —23: 7, 12.. II ; 78: —23 ;S..208; — 23 ; 27 ., 11 : 447 ; — 23 : 28 .. 282; — 23 : 28—31 „11 ; 211;—23 ; 31.. II; 491; — 23 : 41 ..11; 34; — 23 ; 48 .. II ; 447 ; —23: 49 ., 11 : 446. 24 ; 12 .. I I : 442 ; — 24 ; 20 .. II ; 177, II : 216 ; — 24 ; 27 .. 235 ; — 24 ; 29.. 251, 368; — 24 : 43 ..II: 492 ; — 24 ; 44 ..11:38: — 24 : 52 .. 160. Johannes 1 ;4. 317, 11 ; 205; — 1:8..318; — 1; 8,9 .11 ; 205; — 1 ; 9 .. I] : 199 ; —1 ; 11..455; — 1 ; 14 .. 9, 318 ; — 1 ; 41—45 ..109 ; — 1 ; 43 .. 244; — I ; 15), 50 .. II ; 229 ;— 1:51, 52 ..11:255. 2:1.. 406; - 2:2 .. 234, 406; —2 : 3 ,.11 ; 121; — 2:4.. II ; 222; — 2 : 6 .. 30; — 2 ; 9, 10 . 406; — 2 ; 12 .. II ; 119; — 2 ; 15 . 431 ; — 2 ; 19 .. 11 ; 492; — 2 ; 24 , 25 .. II ; 211 ; — 2 : 25 .. 11 ; 229. 3 ; 1 .. 11 ; 191;—3;2,.225; —3 : 4 .. xxxix, II ;498; — 3 ; 5 ., 11 : 109; — 3 : 7 , 8 .. 11 : 255 ; — 3 : 8 .. 107,148, 253; — 3 :11-13, 13,16—21 .. II : 255; — 3 ; 14 .. II ; 211, 11 : 250, II : 45)2; — 3 : 16.. 224 : — 3 ; 19 .. 191; — 3 ; 19—21 . 266; - 3 ; 20 ., 323; 11:800; —3 ; 20, 21. 321.-3:2«.. 157; — 3 : 28, 29 .. 159; — 3 : 31 ..11:255. 4 ; 1 .. II : 318; —4:1—3 .. 304; — 4 : 5.. II: 293;— 4 ; 8 .. 99, 11 ; 417; — 4 : 10—14..11: 207; — 4; 11—15 .. XXXIX., II : 498;--1; 12 ..II ;286; — 4 ; 20—24 ..II : 436 ; — 4 : 22 .. 280; - 4 ; 29 .. 11 ; 229; — 4 : 34—38 II : 492; - 4 : 35 .. 56 ; — 4 : 35, 36 .. «4 ; — 4 ; 35—38 ., 47, 221, 299 ; — 4; 36-38.. 304, 360; — 4 :41 .11; 289; — 4 :48 .. 146. 5 ; I ..II ; 191; —5 ; 5. II ; 116;—5 : 14 .11: 56; — 5:22 ..11: 76; —5:22, 27 .. 461; — 5:26.,n ; 207; — 5 : 28, 29 .. 393; — 5 ;35 . 318 ; — 5: 40 ., 284; 5 ; 44 .. II ; 449. 6 : 3—10 .. II ;94; — 6:0.. 153; — 6; 10 ..57; — 6 ; 11 ., 140;-6:1.2, 13.. 198;— 6: 14. II ; 182; — 6 ; 23 . II ; 318 ; — 6 : 30 . 140 ; — 6 : 30, 33 ,. 150; — 6 : 30—58 ..II ; 206: — « ; 31 .. 150 ; — |
H K (i 1 S T E I!,
542
|
6 ; 31—35 .. *243; — G ; 33 ..11: 492; — 6 ; 32—35 J t ; 199 ; — 6 ; 35 11 : 20G ; — 6 : 44 .. 46, 235; — 6 ; 47 .. 333 ; —0 ; 48—58 . 243, — « : 51.. 224, II; 211; — 6 ; 60 .. XXV ; — 6 ; 60, 66 . JI ;324; — 6:63 . 11: 256, II : 490; — 6:66 330; —6 :67-69 ,.11; —6:70.. II : 192. 7 tot 10 : 21 . 11 : 191 ; — 7 : 2 .. II : 191; — 7 : 7 .. II: 192, 11:320; —7:15., 150; —7:17. II: 192; — 7 : 20 .. 129, 188, II : 163; — 7 ; 30 .. 308 ; — 7 : 32 .. 383 ; — 7 : 33 .. 11 : 425; —7 : 35 .. II : 190, II : 212 , II : 222 ; — 7 : 37, 38 .. II : 492; — 7 : 46 .. 11:170; —7: 48, 49..244; —7 :51 .. 11 :167. 8.. 85;—8: 3-6 ..11:78; —8 : 6, 8 ,. II : 486 ; — 8:9.. 255, 351 ; — 8 : 11.. II : 231;— 8 : 12 ..318, II : 205, II: 263; — 8 : 20 ., II : 222; — 8 : 23 .. 11 : 320; — 8 : 31 .. II : 203, II : 210; — 8 : .32 .. II : 207; — 8 : 33-39 .. 11 : 33 ; — 8 : 34 .. 425 ; — 8 : 35 .. 224; — 8 : 44 ,. 135 ; — 8 : 47 .. 192 ; — 8 : 48 129 , II: 59; — 8 : 48—52 .. 129; — 8 : 53 ..II: 274 ; — 8 : 59 .. 322. 9:2.. 187 , II: 19 ; — 9 : 4 ..II: 492; —9:5.. 318, II : 205 ; - 9 : 8 .. II : 308 ; — 9: 22, 34 .. 226 ; — 9 : 39.. xnv. I0„ II : ' 1 ;— 10 : 1 . II : 181 ;—10 : 1-5,11, 14.. 11:188; — 10 : 1—16.. II : 179; — 10:3, 4, 12 .. II : 187 ; —10: 4 .. 302; — 10 : 6 .. XXIX, 11:180; 10:7. 11 : 198 ;— 10: 10 .. 257, II : 188 ; — 10 : 11-16.. II 182; — 10: 11 , 17 ..11 : 311; —10:14 .. II : 182; —10:17.. 11:188; — 10:17, 18..II: 190; — 10: 20 .. 189, II : 59; — 10 : 20, 21 ..129; — 10 : 22-39 ..II; 191 ;- 10 : 24—30 ., II : 191 ; — 10 : 26—29 .. II : 199. 11 : 2 . II : 318 ; — 11 : 8, 16 .. 202; — 11 : 9, 10 .. 11:203;- 11 : 11 .. IT: 492 ; — 11 : 1 2 .. 11 : 498; — 11:25, 26 .. XL1V, II: 207 ; — 11 : 29 .. II : 313; — 11 : 31 .. II : 313; — 11 : 41, 42 .. 11 : 181 ; — 11 : 14 .. 448;— 11 : 47—50 .. 225 ; —11:48.. XLII. 12 : 20 .11 : 436; — 12 : 20—24, 32 11 : 190 ; — 12 : 22 , 458; — 12:24.. 09, 72, II: 210;— 12 : 27 .. 11:222; —12:31. 135;— 12:32 .235,11:498; — 12 : 32 , 33 .. II : 250; — 12 : 34 .. XLI, 84 ; — 12 : 35 .. II : 263, 11:320; — 12 : 36 .322; — 12 : 35, 36, 46 .. II : 203;-12: 42, 43..981; — 12 : 43 .. 244,11:449. 13 .. 342; — 13 : 1 .. II : 222, 11 : 426 ; — 13 : 1—17 .. If : 492; — 13 : 4 .. 369 , 11: 188; — 13 : 8—'0 .. 11. gt;2(gt;2; _ 13:23, 25 .. 11: 32; — 13 : 31.. T1: 215; — 13:37 .11:188. |
14:2..250, 332, 11 : 108;— 14:2, 23 ,. II : 323; — 14: 2, 23 ,. 11 : .323;— 14: 3,18 ,. 366; — 14 : 3, 16—18, 23 „393; —14: 6.. 11 :181; —14 :9 .. 282; — 14 : 16—20,. 11:224; —14:18 ,. 373; — 14: 29 ..11 : 343; — 14 : 30.. 135, 453; — 14 : 31.. 454. 15 : 1 .. 52, 11 : 329; — 15 : 1—6 .. 11 : 194; — 15 : 2, 7, 8 .. 11: 199; — 15 : 13 .,11 : 188; — 15 : 14.. II: 203; — 15 : 14, 15.. 269;— 15 :15.. 11 : 421. 16 ., 11:180;—16:11 ..135; —16 : 21 ., II : 221; — 16 ; 21 , 22., 160;-16: 25, 29 .. xxix; —16 : 26,. II : 411; — 16 : 29 „ xxv, xxxix, II : 498 ; — 16 : 33 ..11 : 192. 17 .. II : 191, 11 : 198; — 17 : 20 .. II . 192, II : 200. 18 .. 69; — 18 : 20 ,. 138; — 18 : 20, 21 .. 319; — 18 : 37 ,. 192, 11 :190. 19 .. 69 — 19 : 7 „ 11 : 170 ; — 19 : 11 .. II : 255; — 19 : 17 ., II : 251; — 19 : 37 . 374; — 19 : 39 , 40 ., II: 265. 20 : 1 .. 318 ; — 20 ; 7 .. 448 ; — 20 : 9 ., 150 ; — 20 : 16, 29 ., 282 ; — 20 :17 .. 467, 11 : 360 ; — 20 : 29 .. i| ; 497; _ 20:30.. II: 108; — 20; 30, 31 II : 180. 21.. 366; — 21 : 2 ,. 115; — 21: 3,4.. 111; —21: 4, 5.. 233; —21 : 5 ., 110, 182; — 21 : II .. 111; — 21 : 15, 17 „ II: 192 ; — 21 : 16—18 ., II : 492, — 21 : 20.. II : 32 ; — 21 : 22, 366, 373, 11 : 79 Handelmgon der Apostelen 1:1, 2 .. 180; — 1:5 .. II : 119; —1 : 6 .. II : 1 78 ; — 1 ; 7 .. 152, 399; — 1 : 8 .. U : 203 ; — 1 : II .. 39.3; — 1 : 18.. 178, 11 : 322;—I : 22,. 255, 351; — 2 : 3, 6 ,. 11:310; — 2 : 32 „ II : 203; — 2 : 39 ., 247 ; — 2 : 40 ,. 186, II : 82;-2: 41.. 40 ; — 2 :42 „ 93;—3:1,. II : 287; — 3 : 2 ,. II : 25, II : 308; — 3 : 14-17, 225 ; — 3 : 15 „ II : 203 ; — 3 : 18 224; — 4:3 .. 308 ; — 4:6, 36. 187; — 4 : 12 ., II : 463; — 4 : 19, 20 . 319 ; — 4: 90 „ 323 ; — 4:32 ..93, 235 ; - 4 : 35 ,. 140; — 5 : 13., II: 121;—5:32 .. 11 : 203; — 5 : 36 ..IT: 182;— 5:37 .11 :77;— 5:38, 39 .. 73;-6:1., II : 423; — 6 : 7 „ 248 ; — 7: 12 .. II : 214; — 7 : 27-35 .. 11:14;- 7 : 28 , 3937:42.. II: 366; — 7: 51, 52 ..223; —7: 54, 57.. xxxix ; — 7 ; 58.. 164; — 8: 3 .. 11 : 374;—8:8 .. 11 : 108; — 8: 10 ..351; — 8: 11 „908;-8:29 .. II : 121; —8:30 ,.11:433; — 8 : 33 .. 186; — 8: 35 .. 255 ;—8: 39 .. 162; — 9 : 2 .. II: 164;— 9 : 11 „ 237; —9 : II, 18 ., II : 126; — 9 :26.. 11.121;— 9: 43.,208; — 10 : 7 ,.II:394 ; — |
I! K O I S T K l(. 51;l
|
10: 9—16 .. xtx, 248; —10:13 ..257; —10;28 .. II; 121; —10:34, 35.. n : 295; —10:38 ..]1:62; — 12:10..50, 237; —12:15 ..129; —12: 10 .. II ; 419; — 13: 2, 3..162; — 13 3..158;- 13 : 5 . 383; — 13 : 30 .. 186, 259; — 13 ; 46 .. 200, 248 ;— 13 : 48 .. 11 : 192, - 14 : 3 .. 208; —14 : 5 ..258 ; — 14 : 8 11:458; —14 : 16 .. 180, 219, 248; — 14 : 19 .. II : 374 ; — 14 : 23 .. 158, 162 ; — 14 : 27 .. 11 : 5; — 15 : 7.. 300; —16:10..11 : 249; — 15 : 11 .. 393; — 15: 21 .. 186, 11 : 38; — 15 : 26 .. 311, II : 218; — 15 : 33 .. 351 ; — 10: 15 „251 ;— 16 : 16 ..432,11: 246; —16: 16,17 ..11:61; —10:17 .. 11 : 164; — 16: 23 ..11:359;—16:25 .. 11 : 416; —17 :5 ..349; — 17: 6.. 11 :103, II : 374, — 17: II .. 40; — 17 : 15.. II : 313; — 17 : 25.. II : 126, II : 361 ; — 17 : 20 ..73; — 17:27.. 11:265; — 17:28.. 187; — 17 : 31 ,. 461 ; - 17 : 34 .. 162. 11 : 121; — 18 : 10 .. II : 192; — IS : 16.. II : 425; — 18 : IS .. 208; — IS : 23 .. 351 ; — 18: 25 .. II : 164; — 19 : 9 .. II ; 164; — 19 : 13 .11: 61; — 19 : 13—26 ..II: 60; -15): 16 „131, II : 57; — HI : 19 .. 11 : 101, II : 353 ; — 19: 25 . 347; — 19: 34.. 235; —20: 3 ,. 351; — 20:7..11:416; —20:9,.11 : 102; —20:22..142; -20: 24 ..II: 218;- 20:37 .. II : 129 : —21 :8„11: 191; — 21 :19.. 11: 313; — 21 : 20.. 179,11: 353 ; — 22: 3..11:439;-22:4 .. II: 164;—22:15 .. 11:203; — 23:27 ..II : 249; —24: 14 . 11 : 164; —24: 26.. 11 : 359,11: 424;—25: 16 .. 11 : 424; - 26 : 5 .. 158, 11 : 439 ; — 26 : 12 : 879 ; — 26 : 16 .. 383; — 20 : 24 .. xlvi, 381, II: 59; — 26 : 24, 25 .. 129; — 20:25 ., 11 : 500; - 26 : 26 ..319; —27 : 7, 9..20?; — 27:10 .. II : 248; —27:14 .11 : 119;— 27 : 25 .. 393 ; — 28 : 10 .. 325 ; — 28 : 15 .. 409. Romoinen 1 : 3 .. 11 : 243 ; — 1 : 9 .. II : 428; — I : 14 .. II : 212; — 2 : I . 3 .. II : 14; — 2 : 4—6 .. II : 83 ; — 2 : 5 „ 6, II: 466; —2:14,15 ..260, 387; — 2:15 .. 11:148;- 2 : 24 .11:73, —'2 : 29 . II : 260; — 2 : 35 .. 6 , — 3 : 24 .. 10 ; — 3 : 27 .. II : 463 , — 6:1, 2 „ 11 : 237 ; — 6: 13 .. II :I30; — 6:17 .. II : 363 ; — 7:1.. 11 : 425 ; — 7 : 2 .. 142 ; — 8 „11 : 243; -8 :15, 26 ..II: 419; — 8 : 17 .. 225; 8 : 18..10; — 8 : 19. 23 .. 375; —8 : 28 .. 234; — 9:11 .. 260 ; — 9 : 13 .. 11 : 395 ; — |
9 : 22 .. 300 ; — 9 : 31 .. 131; — 9 : 31—33.. 427; — 9 : 33 .. 11 : 461 ; — 10: 3 .. 38 . — 10: 17 ., 48 ; — 11 :11 .. 200. —11 :12 .. 248 ; — 11 :12, 25, 26.. 227:- 11:16-24..II : 77, II:201: — II : 16li-24 ..11 : 501; - 11 : 17-22. 11 : 197 ;-Il : 29 ..234, II : 302; — 11 : 35.. 11 : 244; — 12:4—9 .. 439,— I2:15..1I:I04;-I2:I9.. 11:425; —13 : 10.. 294; — 14 : 2 ,. 69 ; — 14 : 4 .. II : 394, — 14 : 12 ..II : 308; - 15 : 2 .. 11 : 294; -15:6 „ 235; — 15:8.. 200 ; — 16:2., II : 91 ; —16:20 .. 11:433; 16:23 „ 11:305. 1 Korinthon 1:13..133; — 1 : 18—24 .. 192; — 1 : 24 ..234; — 1 : 25 .. 140.-1 : 20—29 .. 247; — 2 : 6 .. II : 438 ; — 2 : 0 , 8 .. 135; —2:11, 15.. II: 259 ; — 3 : 1 .. 182; — 3 : 2 .. 243 ;—3:9.. 305; — 3 : 10-15 .. II : 461 , 11:501 ; — 3: 13.. 341 ; — 4:1, 2 .. 382, 11 : 305; — 4 : 11 .. 160, — 4:15 .. II : 353; — 5:2 .. 92, 117; — 5 : 6, 8 ..102; — 6:5-7 ..II : 13; — 0:7.. 11:371; —0: 20 ..10; — 7:1 „II : 101; — 7 : 5 .. 158 , 102; — 7 : 11 .. 11 : 368; —7; 23 .10: — 7 : 27 .. 142; —7: 29, 31 .. .. 398 ; —7 : 29-31 .. II : 402; — 8:2.. 443;- 9 :10 .. 303 ; — 16 .. 439 ; — 9 : 10, 17 .. II : 245 ; — 9 : 24 .. 353 ; — 9 : 27 .. 11 : 426 ; — 10 : 4 ..II : 461; — 10 : 18.. 216 ; _ 10 : 22 .. 139 , 140; — 10:27 „234; —11 „ 11:304; —11:3, 7 .. 11 :129; — II : 19 , 94; — 12.. 439; - 12:10, 28 „113;-12:11 ..11:259;-12: 12-27.. II : 501 ; — 12 : 28 .. 305 , 11 : 478; — 13 : 6. II : 110; — 13 : 9 .. 346; — 13:12 .. xxxn, II : 49; — 14 : 10.. 113; — 14 : 19.. II : 353, — 14 : 20 .. 182; — 15.. 11 : 219. — 15 : 7..11: 497; — 1 5 : 18 .. 419 ; — 15 : 35—38 ..11 : 218; — 15: 36 .. II : 219; — 15 ; 37 ..69, 11:214; —16 : 2 .. II : 466; —16:15 „11: 325 ; — 21: 15—18 .. 11: 497 ; — 23 : 11 . 182. 2 Korinthen 1:9.. 450; — 1:15, 17 .. 333 ; _ 3:3.. 30, — 4 : 1 .. 11 : 428; — 4 : 3, 4 .. 12, 381 ; — 4.4 .11 : 55;—4:17 .. 10; —4 : 18..40, 11:260; — 5.. II: 219;— 5 : 1 .. 11 : 323 ; - 5 : 9-21 .. 12; — 5 : 10 .. 464; — 5 : 14 . 252; - 5 : 17 „172; — 5 : 19, 20 .. 11 : 362: — 5 : 20 .. 11 : 308; -6:5.. 160; — 6 : 15 .. 11 : 398, 11:399; — 8:4.. II 325 ; — 9:6 .. 43 ; — 9 : 9 .. 11 : 24 ; — 11 : 2 .. 252; — 11 :13 .. 347 ; — 11 : 20 .. II: 427; — 11 : 24 . 38S; — 11 : 27 .. 160; —12 : 7 „ 31 ; — 12 : 14 . 11:466. Galaten 1 : 4..1I :41 I ; - 2 :9 . 438 ; —3: 3 ..II : 69; — 3:15.. 11:118; —4:1 „182; — 4:1,2..11: 305 ; — 4 : 2 .. 379; — 4 : 4 . 243; — 4 : 9 .. 269; — 4 : 22 ..182; —4 : 22—31 .. II ; 500;—5 : 9.. 102; 5 : 22 .. 43; — 6 : 3 443 ; — 6:7,8.. 43 ;__fi : 9 .. II : 428. |
75*
R K G l S T E R.
544
|
Efozen 1 : 4 . II ■ 141; — 1: 17—19 .. 11: 2(17;- 1 : 21 .. 143 ; —3:1.. II: 130 5 — 2:2.. 135,143; — 3 ; 10 .. 180; —2 : 12 .. 240;—3 :14 .. 217, 248; — 3 : 5 .. 180 ; — 3 : 10 .. 143 ; — 3 ; 17 .. 49 ; — 4 ; 23—34 . 374; — 4 ; 25 IL ; 294; — 4 : 30 .. II: 370 ; — 4 : 39 .. 113 ; — 5:8 .. 318, II: 320; — 6:8, 14 .. II; 200; - 5 : 9 .. 43; — 5 : 11—14 .318; — 5 -. 13 II:2005:18.. 11 : 120; — 5 : 25-27 . 255 ; — 5 : 30 ,. 11 : 200 ; — 5 : 33 .. II: 313 ; — 0 .. 139 ; — 0:0,. 382 ; — 0 : 12 44, 143 ; — 0:13-17 .. 144, II : 502; - 0 : 14 .. 375; —ö: 14. 15 .. 139 ; — 0 ; 15 .. II : 141 ; — 0 : 18 .. II : 428. Filipponson 2:7.. 243 ; — 3:15.. 180, 318 ; — 2 : 27 ,. 133 ; — 2 ; 29 .. II : 91, Jl : 343: — 3:2,. 347 , II: 391; —3:3.. 11:20; — 3:8. 10; — 3 : 8. 12,14 .. 311;—3 :13 .. 11 : 403 ; —3: 12—11 .. 353 , II : 502 ; — 3 : 13, 14 .. II : 405 ; — 3 :14 .. 234 ; — 3 : 15 .. II : 438; — 3 :19 .. 11 : 398; — 3 : 20 ..375; —4: 13 „ II : 201; — 4 :18 ,.11 ; 325. Kolossonsen 2 ; 3 .. 10; — 2 ; 12-15 .. 144; — 2:13 .. 11:130; — 2 : 19.. 11 : 200; — 3 : 1—3 ..11:472; — 3:3.. 11: 200 ; — 3 : 5 II : 398 ; — 3 : 9, 10 .. 274 ; —3: 13..1I : 307 ; — 3 : 19 ., II : 302 ; — 4 ; 0 ,. 338 : — 4 : 14 .. 11 : 47. 1 Thossalonicenson 1:3 .. 11: 428; — 1: 6 .. 40; — 2:2.. 258 ; —2 : 13 . II : 428; —2:10 .. 11:420; -4:13.. 419 . II; 443; — 4 : 17 . 77 . 400 ; — 5:2.. 391 ; — 5 : 3 .. II: 222 ;— 5 : 5 .. II .. 320; — 5:0.. 375 , II : 443;— 5 :10.. 77; - 5 :17 .. II: 438. 2 Thossalonicenson 2:2.. 391,11 : 313;— 3 : 17 .. 152. 1 Timothoüs 1:18.. 11:135; — 2 : 8 .. 11; 442; — 2 : 9 .. 14 ; — 3 : 1 .. 383; — 4 : 3 .. 101 ; 5:5.. ] 1 . 423 ; —5:10 .. II: 325;— 5 : 17 .. 383; — 5 : 18 ..347; —5 : 22 ..II : 313; —5 : 25 „ 322; —0:9.. II : 19 , II : 400 ; — 0 : 10 .. II : 397; —0:17 .. II: 397 ; — 0 : 17—19 ., 11:327, II : 339, 11:472 2 Timothoüs 1:9. 234; — 3 : 1 .. II : 135 ; — 3:3 .. 439 ; — 2:0.. 50, II: 190 ;— 2 : 9 .. 142, 319; — 2 : 15 .. 347 ; — 2 : 19 .. 420 ;— 2 : 21 .. II: 240; - 3 : 1 .. 391 -, — 3:4.. II : 449 ; — 3 : 8 .. 393 ; — 3 : 9 ., II : 273; — 3 : 11., 40; — 3 ; 13 .. II: 380; — I : 7, 8 .. I I : 503;—4 : 10 .. 245, II : 320; —4: 11 .. 54, 11 : 240. TitllS 1 : 0 .. II : 120; - 1 : 7 .. 383, II : 305; — 3 : i3 .. 375 ; — 2 :14 .. 210, II : 192. Pilóraon s .. 11 : 350 ; — 20 .. 198. |
Hobreën 1: 1 .. 223, 224 ; — 1: 2 .. 225 ; — 1 : 11 „164; — 2:10, 14 ..II : 215; — 2 : 11 ..100; — 2:14, 15 .. 224; — 2 :17 .. II: 447; — 3 : 1..234; — 3 :1—6 .. 300 ; — 3 : 3—0 .. 394; — 3 : 0 .. 300; — 3:12.. 344; — 3 : 13 .. 43 ; — 4 : 9 .. II ■ 349 ; — 5:7.. 383, II : 300 ; — 0 : 4-0 .. 312, 343 ; — 0 : 4-8 .. II : 09 ; — 0 : 7 , 8 .. 90 , 344 , II : 503; — 0 : 10 .. 405 , II : 347 ; — 0 :15 .. II : 431; — 7 :11 ..II : 458 ; — 7: 25 „ II : 81 ; — 8 :2 .. II: 199; — 8 ;5 .. II : 199; — 8 :12, 35 .. II: 301; — 8 : 13 ,. 171, 175 ; — 9 : 9 . xxx, II : 483 ; — 9 : 15 .. 234; — 9:10,17.. II: 118; — 9: 24.. 11:81,11 : 199; — 10 : 25, 37 .. 398; — 10 : 20 .. 344 ; — lü : 34 .. II : 839;—11 : 4,. 11:300; — 11.9 . 10.. II :323; — 11 : 10 .. 450 ; — 11 : 19 .. xxx , II : 483 ; — 11:25..40;—11 : 34„139; — II : 30—38„323; — 11 : 37 .. 381 ; — 12:1, 2 „ II : 503 ; — 12 : 2 .. II : 108 , II : 193 ; — 13 : 5 .. II : 159 ; — 12 : 9 .. II : 434 : — 13 : 33 .. II : 353 ; — 13 4 .. 354 ; — 13 : 13 „ 220 ; — 13 : 15 .. II : 270;— 13: 17..383; — 13 ; 20 .. 11 ; 99 ; — 13 : 20 , 21 .. II ; 193. Jakobus 1 : 2, 13 . II: 278 ; — I : 5 . 275 ; — 1: 0 ,. I 11 : 499; — 1 : 8 .. II ; 400; — 1 : 11 ., II : 499 ; — j 1 : 17 .. II ; 410; — 1 ; 21 .. 52 ; — 1 ; 21—25 . II : 464 ; — 1 ; 22, 23 „ 425 ; — 4 ; 23 , 24 „II: 499 ; - 1 : 25 ..180, II : 317; — 1 : 27 ..II ; 423;— 2 ; 2„ II : 53 , II : 130 ; — 2 : 2 , 3 .. II : 499 ; — 2 : 3 .. II ; 342; —2 :13 ,. 407 , II; 302; -2:17 ..11: 442; — 2 : 19 .. II : 55, II ; 398 ; — 2 ; 23, 24 .. 11 : 384» — 3 : 1, 2..11 : 385 ; — 3 : 3-8 .. II : 499 ; — 3 : 7 .. 148;- 3 : 11,13,. II -.371, II; 373; —3 ; 17 .. II: 276; —3:18 ..43;—4; 2 ,. II : 123 ; - 4:4..345; -4:11,13.. II : 385 ; — 4 : 13 .. II: 294; — 4 : 13 .. 10; — 4 ; 13 , 14 .. II ; 499 ; — 4 : 17 .. 388 ; — 5:3, 3 .. II ; 407 , U : 408 ; — 5 : 3 .. 0 ; — 5 ; 4 .. 302, 347 ; — 5:7.. 50, 95 , 11:190;—5:7, 8 .. 11:431, 11:499;— 5:8.. 398. 1 Petrus 1: 2„II; 193 ; — 1 : 4, 5 „ 463 ; — 1:7.. II : 500 ; — 1 : 8 .. 466 ; — 1 : 13 .. 375 ; — I ; 18 „ 10; —1; 18, 19 .. 18 ; — 2 : 7 ., II : 461; — 2: 18. 19 ., II: 394; — 2 : 23 ., 58; — 2 : 25 .. II ; 99, II : 193 ; — 3 : 3-5 .. 274 ; — 3 ; 4 .. 0 , 11: 200 ; — 3:20 „ II: 82;—4 : 4„ II : 120; —4 ; 5.. 11:308; — 4:7,.375; 398; — 4:10.. 383, II ; 305; — 4 : 10 , 11 .. 439 ; — 4 : 17 .. 255 ; — 5 : 1—4 ,. II : 192 ; - 5 : 2—4 „ 384 ; — 5 : 8 104 ; — 5 : 13.. 54. 2 Petrus 1 : 8.. 11 : 73;— 1 :19 .. 317;— 3:1.. 10; — |
It E G J S T E K. 545
|
2 ; 4—8 .. II : 500 ; — 2 : 13 ..11: 23; —2 : 19—22 .. 11 : 09; —2 : 22..XXIX, 195, 312, 11 ;1S0, 11:391, II; 500; —3:4, 9, 10 .. 392 ; — 3 ;7..6;—3:9 ..94, 285, 11 :S2, 11:431; —3; 12, 13 .. 375;— 3 ; 10.. 411. 1 Johannoa 1: 5 .. 317; — 2 ; 1.. II; 81; — 2 : 7, 8 . II : 479 ; — 2 ; 15 .. 399 ; — 2 ; 10 .. 42 ; - 2 ; 18 ..182, 398;—2; 19,.329, II ; 69; —3 : 2..340; — 3 : 8 .. 134 ; — 3 : 17 .. II : 118 ; - 3 : 24 .. U ; 203 ; — 4 : 10 ..II: 149; —4:10, 19 ,. II ; 237 ; — 5 : 10 .II ; 411. Judas 6 .. 142 ; — 10—12 .. II; 23; —12, 18 .. II; 499; — 14.. II ;353. Openbaring 1:1.. 433; — 1; 4 . II : 64 ; — 2 : 4 , 20 .11:367; — 2:5. 320, II : 313; —2; 13.. 134; — 2 : 20 .. 450 ; - 3 : 3 .. 392 ; — 3 : 4, 5 .. 274 ; — 3 : 7..427 ;— 3 : 17..U : 19; —3 : 17, 18.. 246; — 3:18 .. 10, 268; —3:20 .11:141;—4:7.. 292; — 5 : 2 .139 ; — 5 : 5 .. 104 ; — 5 : 8 .. 11 : 433 ; — 5 : 9 .. 10 ; — 5 : 11 .. II : ,(53 ; — 6 : 0 .. 11 ; 213, |
11: 315 ; — 6 : 10 .. II : 425; — (i : 13 . II ; 5(14 ; — 7 : 13—15 .. 274 ; — 8:3, 4 ..II: 433 : — 8 : 10 . II: 102 ; — 8 : 13 .. 292 ; — 9 : 5, 6 .. II: 409 ; — 9:14 ., 142 ; — 9 : 10 ,. 11 : 353; — 9 : 20 .. 30; — 10: 1 .. 139; — 11 : 4 .. 318; — 12:9 .. 142; — 12 : 14 .. 292 ; — 13 : 9 .. II : 484 ; — 13 : 18 327 ; — 14:3,4.. 10;— 14: 15 ..92 ; —14 : 15 , 16 ..58; — 14 : 15—20 .. II ; 504 ; — 16 : 1 .. II : 159; — 10 : 2, 11.. 11 : 25 ; — 10 : 15 . 392; — 17:4 ,. 14, 271 ; —17 ; 13 ..140;— 18.. 16;— 18 : 2 .. II: 63: — 18:8, 21 .. 139 ; — 18 ; 12—1(1 , 14 ; — 18 ; 2; .. 369; — 19 ; 2 ., 11 : 425 ; — 19 : 7 .. 255 ; — I'.l 7, 8 .. 274 ; — 19 : 7, 9,. 869 ; — 19 ; 7—9 . 160; 19 ; 9 .. 235, 270, 407 ; — 19 ; 1 7—21 .. II ; 504 ; 19 : 2111 : 123; — 20 : 2 ., 142; — 20: 3 .. 142 ; — 20 : 4 .. 456 ; — 20 :12 ., 470; 21.11: 504: — 21 : 2., 409; — 21; 8 ., 381, 382; —21 : 21..14, ■ 22 : 0 .. II : 433 ; — 22 ; 7 , 12, 20 ., II : 313; 22 : 15 ..II ; 26, II ; 391 ; — 22 : 17 .. 10; - 22 20.. 198. |
Bladï.
HET BVANGKLIE DES KONINGREJKS, . . |.
EERSTE GEDEELTE.
zonde en genade.
XLI. De twee wegen. {Matlh, VII; 13, I t; Luk. XIII: 21«.). . . . ;j.
XLII. De iujke dwaas. {Luk. XII: 104—31.)....................llf
XLIII. De kijke man en de arme lazauis. {Luk. XVI: 19—31. . ... 21.
XIjLV. De bezetene. {Malth. XII : 13—45«; Luk. XI : 26.) .... 54.
XLV, De onvruciitbahe vijgeboom. {Luk. XIII : 6—9.). ..... 71.
XLV1. Het veki.ouln schaap. {Malth. XVIII : 12—14; Luk. XV ; 1_7.). 85.
XLVII. De verloren penning. {Luk. XV : 8—10.). . ........joi.
XLVIII. De verloren zoon. {Luk. XV : 11 — 32.)........... l;3i
XLIX. De twee ongelijke broeders. {Malth. XXI: 28—31«.). . . 15^
TWEEDE GEDEELTE.
christus en de zijnen,
L. De tolvrije koningszoon. {Malth. XVII : 25, 26.)........i(ilt;).
LI. De goede herder - de deur dee schapen. {Joh- X : 1—16.). . . 179.
LIL De ware wijnstok. {Joh. XV : 1—6.). ...........194.
LIIL Het licht der, wereld. Hit brood dls levens. De weg. De
medicijnmeester. ..... .... ... 205.
IiIV. Het tarwegraan. {Joh. XII: 21.). ... . ^if).
LV. De moedervreugd. {Joh. XVI : 21.)..........221.
LVI. De twee schuldenaars. {Luk, VII : 41, 42.)........ . 225.
LVII. De knecht, die van den akker komt. {Luk. XVII t—9.). . . . 239.
fjVlII. Een juk, een last en een kruis. {Mt.W : 29, 30; Ml. XVI • 24.). 247.
/
j k 11 o ii 1).
het ciïiiistklijk leven.
De o v'ziotbabe wind. (Joh. III: 8.).......
Dk eampe des ligciiamis. {Mai!/,. VI; 22, 23; Luk. XI : 34___36.).
De doom es zijne vruchten. [Mailh. VII: 10—20 en XII: 33—85;
Luk. VI*; 43—45.)...............
De barmhaiitioe samakitaan. [Imk. X lt; 30—35.). ....
DB onkeotvaardioe lient.mekstkii. (Luk. XVI : 1 — 9.).
De kemel voor het oog ee ver naald. [Matlh. XIX : 24; Mark.
X : 25; Luk. XVIir : 25.)......
De voorzigtioe gast en De wijze gastheer. [Jjvk. XIV : 8 — 10
He onbarmhartige dievstkneciit. {Matlh. XVIII : 23_34.).
De tempelgang. [MaUh. V : 23, 24.)........
Df gang naar den regtkr. {Matlh. V : 25 , 20; Jmk. XII : 58, 59,).
De blinde lh dsm an. {Mallh. XV : 14«; Luk. VI : 39«.).....
De splinter en de balk. {Matlh. Vil : 3—5; Luk. VI ; 4], 42.)
Paarlen voor de zwijnen.. {Matth. VH : 6.).........
Twee hekken. {Mallh. VI : 24; Luk. XVI : 13)........
De omziende ploeger. {Luk. IX : 02.).........
Bladz.
253. 261.
IJX. LX. T XI.
IA II.
LXIII, LXIV.
IA V.
LX VI. LX VII. LXVIII. LX IX. LX \. LX XI. LXX1I. LXXIII.
268. 277. 297.
333.
340. 349. 305. 371. 377. 382. 387. 394. 40 J.
het gebed.
Het hongerige kind. {Matth. VII : 9—1 1 ; Luk. XI : 11—] 3.).
De smekkende vriend. {Luk. XI : 5—s.).......
De hegter en de weduwe. {Imk. XVI11 : 2—5.)......
De parizeer en de tollenaar. {Luk. XVIII : 10—13,).
HhT EKNE BLIJVENDE; In drie gelijkenissen tot besluit.
Kots en zand. {Matth. VII : 24—27 ; Luk. VI : 47—49.).
De schat in den hemel. {Matth. VI : 19—2]; Juk. XII: 33, 34.). De vookraadkamer van den huisvader. {Matth. XIII : 52.). .
481. 533.
Narede.........
Uegister van behandelde op aangehaalde bijbelplaatsen.
LX X I V. LX XV. LXXVI. LXXVII.
LXXVI II LXXIX. LX XX.