I
FERDINAND HUYCK.
au - stl r.ou - ^
\%. \ L v. hv
mR. j. van lekner.
FERDIXAXl) HÃYCK
MET ILLUSTRATIÃN
1) 1ï1gt;i
A quot;V' T
i gt;
II.
bibliotheek der
rijksum versiteit u t r f c h t /
â
FERDINAND HUYCK.
TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
WAARIN VERHAALD WORDT. WIE DE HEER IX 'T KARMOZIJN WAS, EN HOE DEERLIJK FERDINAND ZICH ER IN WERKTE.
Terwijl ik. in mijn zak schommelende, de meid riep om haar een fooi te geven, hoorde ik mij zachtjes bij mijn naam noemen. Ik keerde mij om en zag Amelia op de trap staan, die naar haar kamer geleidde.
âHebt gij een oogenblik tijd voor mij?quot; vroeg zij, met een gesmoorde, eenigszins bevende stem.
âKan ik u van dienst zijn?quot; stamelde ik, insgelijks onthutst en kwalijk tevreden van opnieuw in hare zaken bemoeid te worden.quot;
âVolg mij!quot; zeide zij. op een toon, die meer gebiedend dan smeekend was: en mij bij de mouw vattende, als wilde zij mij den weg wijzen op de donkere trap, ging zij mij voor naar boven. Ik volgde werktuiglijk: en de Hemel vergeve mij de dwaze gedachten, die op dat oogenblik mijn brein vervulden, en den verkeerden dunk. dien ik van hare voornemens opvatte.
Wij kwamen in haar kamer, waar een licht op de tafel brandde. Zij zette de deur aan, zonder echter de kruk om te
II. - F. H. 1
draaien, nam toen achter de tafel plaats en wenkte mij tegenover haar te gaan zitten, terwijl zij een stoel, die bij haar stond, wegschoof, als wilde zij zorg dragen dat ik niet naast haar zou komen. Deze voorzorgen en nog meer de waardigheid, over haar geheele wezen, in weerwil van haar blijkbare ontsteltenis verspreid, deden mij blozen over mijn i ingepaste vermoedens.
âIk ben recht verheugd,quot; zeide zij op een haastigen toon, âdat ik u nog aantref. Ik had al een poos op de trap vertoefd en vreesde zoo dat er een ander kwame. En ik moet u zoo noodwendig spreken; ik heb hier toch niemand buiten u in de geheele stad, waar ik op vertrouwen kan.
âIk hoop,quot; zeide ik, met de meeste koelheid, die ik voor kon wenden: âik hoop, dat ik in staat zal zijn, uw bezwaren weg te ruimen; maar uw toestand is van zulk een ingewikkelden aard...quot;
âOm u niet op te houden dan .... Ik moet van hier. Ik kan niet langer in dit huis blijven.quot;
âEn welke reden noopt u tot dat besluit?quot;
âHoor toe; ik begin te vreezen, dat het een afgesproken werk is ... . dat mij hier een strik wordt gespannen .... dat men mij met opzet hierheen gebracht heeft. Die Ileynsz .... o, 't is afschuwelijk....! Hij is een verklikker: een geheime dienaar der Justitie.quot;
âDat wist ik,quot; zeide ik: âmaar ik wilde u door de mede-deeling daarvan geene ongerustheid baren.quot;
âHoe! gij wist dit? Hebt gij dan zelf misschien?. . .. maar neen! uw aangezicht is te eerlijk.... foei mij, dat ik zulke gedachten van u voeden zou! â Maar hoor verder en oordeel over mijn angsten. Ik was straks op de trap, om .... hier kleurde zij hevig en zweeg plotseling stil.
âWelnu ? om . .. .quot;
âNiets. â Ik hoorde u juist zingen. â In 't kort, ik was op de trap: daar is een reet in 't beschot: â ik keek er
door _ en ziet: in een vertrekje, waarvan ik het bestaan
niet kende, stond de huisheer, die Heynsz, in gesprek met denzelfden Jood, die mij hier bracht.quot;
3
âDien Simon? â Gelukkig kent hij u niet, en weet alleen dat gij met mij hier gekomen zijt. Hij heeft u niet met uw vader gezien.
âAch! Gij zoekt mij gerust te stellen.quot; zeide zij, het hoofd schuddende: âmaar luister verder: in den beginne verstond ik niets van hun discours; maar langzamerhand merkte ik, dat de Jood aan Heynsz berichten gaf omtrent zekere dievenbende, die zich te Naarden heeft opgehouden. Dit ontstelde mij reeds; maar verbeeld u mijn schrik, toen de Jood, op een vraag, hem door Heynsz gedaan, hem vertelde, dat iemand, wien zij alle moeite deden om te ontdekken, en dien ik aan de beschrijving voor mijn vader herkennen moest, in Zuid-Holland had rondgezworven, zich in 's-Hage had opgehouden en morgen, volgens zijne berichten, met de schuit van Utrecht hier te Amsterdam moest komen.quot;
âHier! in den muil des leeuws?quot;
âOordeel, hoe ik te moede was? Ik hoop nog, dat het niet waar moge zijn: want o! mijn vader is verloren, zoo hij herwaarts komt. Alleen uit zijn bezorgdheid omtrent mij zou ik een zoo onvoorzichtigen stap in hem kunnen verklaren. Doch, hoe dit zij, heb ik niet te vreezen, dat men hem naar dit huis wil lokken om hem in de gespreide netten te vangen ? Moet ik mij niet uit deze gevaarlijke plaats verwijderen?quot;
âMet uw verlof?quot; vroeg ik, na een oogenblik te hebben nagedacht: âhebt gij voor u-zelve iets te vreezen voor de nasporingen der Justitie?quot;
âIk!quot; antwoordde zij, blijkbaar verwonderd: âwat zou ik met haar hebben uit te staan ? of strekt men in dit land vijandschap tegen den vader tot op zijn kinderen uit.quot;
âDat juist niet,quot; hernam ik: âmaar er worden soms maatregelen van voorzorg genomen.... Ik zou u afraden, deze kamer vooralsnog te verlaten. Weet men nog niets, dan zou dit alleen argwaan wekken en oorzaak zijn, dat men uwe gangen bespiedde: â is men reeds achter de waarheid gekomen, dan is het toch een onnutte voorzorg eu geen verwijdering kan u meer baten. Bovendien: gij schijnt zelve onbewust, waar
4
x.it'h uw vader bevindt. Zoudt gij, ingeval gij van hier gaat. hem kunnen verwittigen, waarheen gij u begeeft? De Heer Bouvelt. die de eenige tusschenkomst schijnt te zijn, is ongesteld: zóó zelfs, dat hij voor niemand te spreken is; â ik weet u geen anderen raad te geven, dan de toekomst met
gelatenheid af te wachten.
âMet gelatenheid!quot; herhaalde zij, oprijzende, en de kamer op 'en neer gaande; ..God! Is dat een mogelijkheid in mijn
toestand? _ o! het ergste lot ware minder onlijdelijk dan
deze verschrikkelijke onzekerheid. â En dat is de eenige troost, dien gij mij bieden kunt?quot;
âHelaas!quot; zeide ik. zuchtende: âwat wilt gij, dat ik voor ii doe? Wanneer zelfs mijn betrekking als zoon van den Hoofdschout mij niet verbood, krachtdadig voor u werkzaam te zijn. zou niet de zorg voor ons beider goeden naam mij van alle dadelijke bemoeiingen in deze moeten doen afzien, ten einde den laster geen stof te geven om iets schuldigs in
mijn deelneming te vinden?quot;
Dit gezegde van mij was hard en zij gevoelde het diep: want. opeens stilstaande, zag zij mij aan met oogen. waarin zich bij eene hevige verontwaardiging eene diepe smart liet lezen.
Men had het mij voorspeld,quot; zeide zij met bitterheid, ,,dat
ik in dit land slechts koele harten vinden zou. De laster----
ja voorzeker! â Ziedaar de voorwendselen, waarachter men zich verschuilt, wanneer het er op aankomt zijn naasten een dienst te bewijzen; men zou een mensch zien verdrinken, eer men een vooroordeel opofferde, â Is het niet, omdat do Godsdiensten verschillen, dan is het omdat men voor zijn reputatie vreest. - Maar ik zal u niet langer lastig vallen, Mijnheer Huyck. Ik vraag u om verschooning voor de moeite,
die ik u veroorzaakt heb.quot;
âMejuffrouw!quot; zeide ik. niet zonder verlegenheid: âik heb u onwillig beleedigd: â en, God weet het, dat was verre van mijn voornemen. â Gij hebt, en hier in dit vertrek, en ten huize mijner tante, naar ik geloof, kunnen bespeuren, dat ik. zoodra het in mijn vermogen stond, bereid was u van
ö
dienst te zijn. Waarlijk, ik heb een innig medelijden met uw toestand en wenschte slechts, dat iemand mij kon zeggen, wat mijn plicht ware, en hoe ik tot uw voordeel handelen kan?quot;
,Gij hebt gelijk,quot;' zeide zij, zich een traan uit de oogen wisschende: âen ik ben het, die onbillijk en ondankbaar ben. (Jij hadt, na al wat gij voor mij gedaan hebt, iets beter dan verwijtingen van mij verdiend. En uw tante ook, zij is zoo goed, zoo minzaam jegens mij geweest. â Ach! zoo mijn vader het mij slechts veroorloofde.... hoe gaarne zou ik haar de vertrouwde van mijn lijden maken. â Zij zou mij bijstaan, daar ben ik zeker van, mij uit dit huis helpen, waar alles mij doet beven: mij verlossen van de onbeschei-dene aanzoeken van den Heer Blaek, die mij geen oogenblik met rust laat.quot;
âHoe!quot; riep ik uit: âheeft hij opnieuw pogingen gedaan om u te spreken?quot;
â't Is vruchteloos,quot; zeide zij, âof ik hem zijne brieven en geschenken terugzend: den volgenden dag vind ik die weder op mijn kamer liggen: hij moet hier in huis medeplichtigen hebben. Zie wat hij mij durft zenden.quot;
Dit zeggende, rukte zij met drift een lade open en haalde er een fraai garnituur uit, hetwelk zij voor mij op tafel neerlei: âEn dan zijne brieven,quot; vervolgde zij, âwaarin hij mij voorslagen doet, die ik mij schamen zou te herhalen! O! ik ben diep ongelukkig.quot;
Hier zegevierde de droefheid over haar kracht van geest: zij bracht den zakdoek voor de oogen en snikte luide. Ik was opgestaan om de juweelen te bezichtigen. Zij stond naast mij en boog onwillekeurig het hoofd voorover, zoodat het op mijn schouder te rusten kwam. Mijn toestand werd netelig: en ik wist niet, hoe ik best daar vandaan zoude geraken, toen wij opeens menschen de trap hoorden opkomen.
Amelia trad sidderend ter zijde. âMijn God!quot; riep zij: âzou men hier komen? op dit uur!quot;
âHierheen, Mijnheer Van Beveren!quot; zeide de stem van
6
Heynsz: de deur ging open en de gepoeierde Heer met den karmozijnen rok trad binnen, door Heynsz gevolgd.
âIk ben het, Amelia!quot; zeide de Heer Bos (want hij was het zelf): ..ik wist niet,quot; voegde hij er op een gestrengen toon bij: âdat gij gezelschap hadt.quot;
Amelia stond als verplet. Zij wrong de handen en zag haar vader aan, met oogen, waarin een onbeschrijfelijke angst was uitgedrukt. Wat Heynsz betrof, hij meesmuilde achter den rug van den Heer Bos en hief spotachtig dreigend den vinger tegen mij op; maar ik was onzeker, of de vroolijke uitdrukking van zijn gelaat teweeggebracht was door zijn blijdschap, dat hij den man, dien hij zocht, in de knip had, of wel alleen uit zekere schalksche vreugde ontstond, dat ik door Amelia's vader zoo te onpas verrast werd.
âJa mijn kind!quot; vervolgde de Heer Bos, waarschijnlijk om haar gerust te stellen; âgij hadt mij zoo vroeg niet verwacht; maar ik heb mijn zaken spoediger gedaan gekregen dan ik gehoopt had: en daarenboven is mij, gelijk ik den Heer Heynsz verteld heb, een onaangenaam avontuur overkomen, dat mij wel noodzaakte mijn komst alhier niet langer uit te stellen. Ik merk ook,quot; vervolgde hij. met een verheffing van stem en terwijl hij mij scherp aanzag, âdat het tijd werd dat ik kwame.quot;
âMet uw verlof,quot; zeide Heynsz, tusschen beiden tredende: âdeze Heer is de Heer Huyck, zoon van onzen achtbaren Hoofdofficier en een eerlijk cavalier, wien Mejuffer zich niet behoeft te schamen van te kennen.quot;
..Met uw verlof,quot; zeide Bos, zich naar Heynsz keerende en op een hoogen toon sprekende, welke mij vreemd genoeg voorkwam jegens iemand, van wien hij zooveel te duchten kon hebben: âik ben zelf de beste beoordeelaar der kennissen, welke het mijner dochter betaamt te onderhouden: en, terwijl hetgene ik deswege met haar te spreken heb best zonder getuigen wordt afgehandeld, zal ik de vrijheid nemen u te verzoeken____quot; hier wees hij op de deur met een gebiedenden wenk.
âNiets is billijker,quot; zeide Heynsz, eenigszins overbluft: âik zal u niet storen:quot; en meteen verliet hij het vertrek. Ik stond onzeker of ik hem volgen of blijven zoude.
âBlijf Mijnheer!quot; zeide Bos: âik heb een woord met u te spreken.quot;
âO God! mijn vader!quot; zeide Amelia, met een gesmoorde stem, terwijl zij hem omklemde: âwat hebt gij verricht? Weet gij welke onvoorzichtigheid gij begaat? wie de man is, die de kamer daar verlaten heeft?quot;
âIk weet alles,quot; antwoordde Bos: âen ik geloof, dat ik niet de onvoorzichtigste ben van ons drieën. Slechts toen was ik het, toen ik op het eerlijke gelaat van Mijnheer vertrouwde.quot; Hier zag hij mij ernstig aan.
âMijnheer!quot; zeide ik, geraakt: âik heb uwe geheimen bewaard. zelfs ten koste van mijne rust. Maar spreek zacht, bid ik u. Men kon ons beluisteren, en . ..
âEn men zou nog niets verstaan,quot; viel Bos in, âzoolang de vrienden beneden zoo luidruchtig blijven, dat onze woorden door hun gezang gesmoord worden. Ik spreek niet van het bewaren mijner geheimen; â ik vraag, wat uw bezoek op een zoo ongelegen uur, wat de juweelen te beduiden hebben, die ik op de tafel zie?quot;
âDe Heer Huyck is onschuldig, mijn vader!quot; zeide Amelia, eer ik antwoorden kon: âhij is hier op mijn verzoek gekomen .... hij heeft met deze juweelen niets te maken.quot;
âHoe!quot; herhaalde de vader, meer en meer verstoord: âop uw verzoek? En waart gij dan....? o ik onnoozele!quot; riep hij, zich voor !t hoofd slaande.
âDe geheele toedracht der zaak is doodeenvoudig,quot; zeide ik, op een toon, zoo kalm als mij maar eenigszins mogelijk was aan te nemen: âindien UEd. aan Mejuffer of mij vergunt, u te verhalen al wat sedert onze komst te Amsterdam heeft plaats gehad, zal het u niet bevreemden dat zij, door den uitersten angst gedreven, mijn raad heeft ingenomen, als van den eenigste, op wien zij wist te kunnen vertrouwen. Door eenige andere uitlegging aan mijne tegenwoordigheid te
s
geven, zou UEd. en haar en mij onbillijk beoordeelen.quot;
,,Welaan!quot; zeide de Heer Bos, terwijl hij plaats nam: âik luister; het zou mij al te veel kosten, mijn achting en liefde te moeten verliezen voor het eenige voorwerp, dat mij nog aan het leven hechtte.quot;
Hier stak hij de hand aan zijn dochter toe, die zo met vurigheid kuste. Daarop gaven wij hem een beknopt verslag van het voorgevallene. Hij maakte niet een enkele aanmerking, noch gedurende, noch na den afloop van het verhaal, maar vergenoegde zich met nu en dan bedenkelijk het hoofd te schudden en zich het poeder van den rok te schuieren. Hij eindigde met de hand zijner dochter, die nog altijd in de zijne lag, minzaam te drukken; hetgeen mij ten bewijze strekte, dat hij met de gegeven opheldering voldaan was.
âEn thans. Mijnheer!quot; hervatte ik na een korte pauze; âthans moet ik u bekennen, dat de Juffer zich mijns inziens niet zonder recht ongerust maakt, en dat uwe komst alhier niet wol geschikt is, die ongerustheid te doen ophouden.quot;
âIk ben er zelf evenzeer over verwonderd van mij hier te zien,quot; antwoordde hij, âals de Doge was, toen hij zich aan het hof van Lodewijk XIV bevond: maar ik heb door de ondervinding geleerd, dat onbeschaamde stoutheid soms beter in staat is, de menschen te bedriegen, dan de fijnst gesponnen list. Ik was, Amelia! sedert uw vertrek, hoogst ongerust, geen brief van u te ontvangen, vooral nadat ik reeds een paar reizen onder couvert van den Notaris Bouvelt geschreven had, dat ik mij in 's-Hage bij den Russischen Gezant ophield ____quot;
âWelke brieven,quot; zeide ik. âwaarschijnlijk nog ongeopend bij Bouvelt liggen, die gevaarlijk ziek is.quot;
âIk had intusschen bemerkt,quot; vervolgde de Heer Bos, âdat mijn gangen gevolgd werden door datzelfde Joodje, hetwelk te Soest zoo ongenadig door mij begroet werd. Bekommering over uw lot kwelde mij: ik kon niet langer aan de begeerte weerstaan om iets van u te vernemen. Aan Mijnheer dorst ik niet schrijven: hij had reeds last genoeg van ons gehad: en
9
ik wilde hem geen nieuwe onaangenaamheden veroorzaken. Eindelijk kon ik mijn geduld niet langer bedwingen en ik besloot hierheen te reizen. Maar ik moest eerst mijn lastigen verspieder verschalken. Gisteren was ik te Utrecht: daar zat hij mij weder op de hielen. Ik had mijn plan gevormd en toen ik hem op de straat tegenkwam, vroeg ik hem, of hij een boodschap voor mij wilde doen. Ik zag zijne oogen van blijdschap fonkelen. Toen gaf ik hem geld om de roef af te huren naar Amsterdam voor de schuit van morgenmiddag, niet twijfelende of hij zou de heuglijke tijding van mijn overkomst dadelijk aan zijn betaalmeester overbrengen. Hem dus van 't spoor geleid hebbende, wandelde ik de poort uit, nam te Zeist een rijtuig, dat mij naar Amersfoort bracht, en wachtte daar de komst van den Deventerschen wagen, die mij hier voerde. Onderweg had ik mijn kleeding stuk voor stuk veranderd, mijn haar gepoederd en mij door het opzetten van een bril nog meer onkenbaar gemaakt. Hier gekomen, nam ik mijn intrek in het beste logement, onder den naam van Van Beveren, begaf mij dadelijk naar Bouvelt en vernam daar uw verblijf. Zoodra ik den naam van Heynsz hoorde, was mijn besluit gevormd. Ik kende, om 't even hoe, de geheime betrekkingen, die deze Sinjeur vervult: en wetende, dat niets beter in staat is om ook de schranderste personen te misleiden, dan het streelen hunner ijdelheid, begaf ik mij naar hem toe. Reeds hier beneden had ik aanvankelijk het genoegen van te zien, dat mijn vermomming gelukt was, daar zelfs de Heer Huyck mij niet herkende. Kort na uw vertrek. Mijnheer Huyck! kwam Heynsz binnen. Ik verzocht hem alleen te spreken, ik meldde hem dadelijk, dat ik de vader was van Amelia, de Overijselschc koopman, waar hem Bouvelt over gesproken had. Voorts verhaalde ik hem, dat ik opgelicht was door zekeren schelm, wion ik zoo juist beschreef, dat zijn portret volkomen overeenkwam met dat van den man, die u bij Naarden heeft aangerand: en zeide, dat hij, Heynsz, mij was aan de hand gedaan als de bekwaamste man om dergelijke fielten te doen opsporen. Ik eindigde mijn
10
verhaal met een fatsoenlijk present en oordeel nu den man gewonnen te hebben. Dat hij mij met dat al te slim is, is mogelijk: doch, naar zijn houding te oordeelen. geloot ik, dat hij niets vermoedt.quot;
âMaar Papa!quot; zeide Amelia: âal misleidt gij Heynsz. zijt gij niet beducht, dat er hier te Amsterdam nog vele lieden zijn. die u herkennen zullen ?quot;
âEn wie zou thans in mij den cadet der marine herkennen, die voor vijf en twintig jaren hier over straat slenterde ot den galant speelde bij de jonge schoenen ?quot;
âBij den eersten opslag niet; â maar wanneer men weet dat gij u hier in de buurt bevindt? â En dan. vloeit deze stad niet over van vreemdelingen, die u vroeger, in andere landen, hebben kunnen ontmoeten?quot;
âOok denk ik mij niet meer dan noodig is op straat te vertoonen, In allen gevalle, ik heb besloten, het te wagen. Hier is toch eene betere gelegenheid dan elders, om mij naaide plaats onzer bestemming in te schepen. Bovendien, ook buiten deze stad was ik niet langer veilig: want ik weet, dat de Spaansche Ambassadeur op mijn uitlevering aandringt, en dat de Staten-Generaal, die anders zoo prat zijn om de vrijheden des lands te bewaren, in dat geval hunnen bondgenoot ter wille zullen zijn. â Wij moeten dus voort: en wel zoodra ik in het bezit ben dier noodlottige papieren,quot;
âEn zal ik hier blijven?quot; vroeg Amelia.
âIk zie daarin geene zwarigheid. Integendeel, ik heb Heynsz gevraagd of hij mij insgelijks huisvesting verleenen kan: en daar er. zoo hij zegt. bij deze kamer nog een kabinetje is. waar een ledikant gezet kan worden, zal zich dit zeer goed schikken. Voor dezen nacht keer ik naar mijn logement. Wat die juweelen betreft, berg die maar weer: ik zal voor de terugzending zorg dragen.quot;
Ik wilde nu mijn afscheid nemen. De Heer Bos verzocht mij, daar hij toch éénen weg met mij op moest, hem mijn gezelschap te schenken: waarop wij, na Amelia vaarwel gezegd te hebben, het huis verlieten.
11
Wij gingen eenige oogenblikken zwijgend naast eikanderen. De Heer Bos was de eerste, die het gesprek aanving;
âIk ben u groote dankbaarheid verschuldigd,quot; zeide hij: âmaar ik wensch mijn schuld niet te vermeerderen. Of liever â ik zal u nog erkentelijker zijn, indien UEd. voor het vervolg uwe bezoeken staken wilt.quot;
âMijnheer!quot; antwoordde ik, op een koelen toon: âofschoon ik medelijden met u en met uwe dochter heb, verlang ik niets liever, dan dat ik niets meer van u hoore: de zaak heeft mij reeds kwelling genoeg veroorzaakt.quot;
âDan verstaan wij elkander volkomen. â Intusschen, wij scheiden in vriendschap. Ik ben u de betuiging schuldig, dat mijn vermoedens mij leed zijn, en dat ik u voor een eerlijk-man houde. Het is alleen, omdat ik weet hoe gevaarlijk het is, wanneer jonge lieden elkander vaak, vooral op zulk een geheimzinnige wijze, spreken, dat ik als vader eenige zorg gevoele.quot;
âMijnheer! Ik schroom niet, u te zeggen, dat mijne affecties elders geplaatst zijn.quot;
â'tls mogelijk,quot; zeide hij: âmaar het hart mijner dochter is nog vrij; en â zonder u een compliment te willen maken â het is niet voor u, het is voor haar, dat ik mij bekommer, en dat ik een dergelijke gemeenzaamheid noodlottig zou achten.quot;
âMijnheer!quot; hernam ik: âuw dochter is een beminnenswaardige Juffer, aan wie ik het hoogste geluk toewensch: doch zoo weinig verlang ik, eenige genegenheid voor mij onwaardige bij haar op te wekken, dat ik het als een dei-aangenaamste tijdingen zal rekenen, wanneer ik verneem, dat zij met u in veiligheid van hier is.quot;
Dit gezegde was niet beleefd, maar het scheen hem echter tevreden te stellen: en hij sprak met weder, tot wij de deur van de herberg genaderd waren. Toen zeide hij, terwijl hij mij de hand op den schouder legde, op een plechtigen toon: âjongeling! mijn leven is tot nog toe een afwisseling geweest van hoogheid en tegenspoeden, van macht en vernedering.
12
van weelde en gebrek; maar mocht ik mij ooit weder in do gelegenheid bevinden wèl te doen aan anderen, wees dan verzekerd, dat mijne dankbaarheid jegens u zich met meer dan ijdele woorden toonen zal, en dat ik u door daden liet verdriet zal pogen te vergoeden, dat ik u thans onwillig veroorzaakt heb.quot;
Met deze woorden verliet hij mij, en ik vervolgde mijn weg, door deze nieuwe ontmoeting in een vrij onaangename stemming gebracht, mijn gesternte verwenschende, dat mij met dien Bos, Van Beveren, of wat namen hij verder voeren mocht, in kennis gebracht had; en toch begeerig te weten, hoe het met hem en zijn beminnelijke dochter zoude afloopen. Wat mij het meest kwelde, was de valsche stelling, waarin mij deze lastige historie tegenover mijn ouderen geplaatst had. Ik was bijna zeker, dat mijn vader reeds vermoedens koesterde en dat het tot een onderhoud zoude moeten komen, waaruit ik niet wist, hoe mij te redden, daar het aan de eene zijde tegen mijn gemoed en kinderplicht streed, de waarheid voor hem te verbergen, en aan de andere zijde mijn belofte mij het zwijgen opleide. O! hoe folterde mij de gedachte, dat het onderling vertrouwen, hetwelk altijd tusschen mijn ouders en mij had geheerscht, en waar ik zoo grooten prijs op stelde, wellicht voor langdurigen tijd stond verbroken te worden: en dat, al werd mijn gedrag later eenigszins gerechtvaardigd, de eens gegeven indruk niet zoo ras zoude worden uitgewischt. Had iemand mij veertien dagen vroeger gezegd, dat ik, eene week na mijn terugkomst in het ouderlijke huis, met looden schoenen zou derwaarts gaan en zelfs opzien tegen een ontmoeting met mijn vader, hoe buitensporig, ja onmogelijk zoude mij de vervulling eener dergelijke voorspelling zijn voorgekomen. En echter: zoo stonden thans de zaken! â Ik trok met een bevende hand aan de huisschel : ik wenschte. dat mijn ouders, daar het reeds laat was zich ter ruste mochten begeven hebben, en ik gevoelde een angstige gewaarwording, toen de dienstbode mijn vraag, ot mijn ouders nog op waren, toestemmend beantwoordde.
13
.Met een kloppend hart trad ik de eetzaal in. waar de goede lieden mij wachtende waren, beiden in hun nachtgewaad. bij het licht van een paar kaarsen, die reeds dreigden in de pijp te branden. Het gewone avondmaal, brood, kaas en vruchten, stond nog op de tafel: en mijn zorgvolle moeder had een waterkaraf voor zich, met een fleschje spiritus, voor het geval dat ik te veel gebruikt mocht hebben.
âZoo Ferdinand! ben je eindelijk daar?quot; vroeg mijn moeder, terwijl ik haar omhelsde: âis dat nu vroeg te huis komen, gelijk gij beloofd hadt? Hoe is het, ben je nuchteren of niet? Laat ik u eens in de oogen zien. Ja: uwe oogen staan goed; maar anders zie je er geweldig ontdaan uit. 't Is goed voor eens; anders deugen u die slemppartijen en dat nachtbraken niets.quot;
âIk hoop,quot; zeide mijn vader, mij bij de hand nemende, en mij insgelijks, doch met een ernstigen blik, aanziende, âdat de slemppartijen en het nachtbraken nog maar de eenige redenen zijn van uw verbleekte kleur en ontstemde pols. Maar, mag ik u vragen, is Helding verhuisd? of zijt gij de nachthuizen nog rondgeloopen met uw poëten? Ik weet, dat zulks wel eens de gewoonte is ... . een gewoonte, die de zoon van den Hoofdofficier niet moest navolgen.quot;
âHoe meent UEd. dat?quot; vroeg ik, niet weinig verlegen; âik begrijp niet. . . .quot;
âReeds een uur geleden heb ik. op aandrijven uwer moeder, die bezorgd was dat gij de gracht voor den wal zoudt aanzien, Joris met de lantaren naar het huis van Heynsz gezonden ; en hij is teruggekomen met de boodschap, dat de Jongeheer reeds vertrokken was.quot;
Ik begreep terstond, dat de knecht daar gekomen was toen ik mij bij Amelia bevond en toen ieder beneden mij vertrokken waande.
âIk heb,quot; zeide ik stamelend, âeen der gasten, met wien ik een zeer belangrijk gesprek voerde, te huis gebracht en ben wat lang met hem blijven staan praten. Maar ik kan u
14
verklaren, dat ik niets gedaan heb. waarover ik mij behoef te schamen.quot;
âDan behoeft gij ook niet te kleuren,quot; zeide mijn vader: âhoe heette die nieuwe vriend, die zoo belangrijk sprak?quot;
Deze vraag bracht mij deerlijk in 't nauw; want, in omstandigheden als de mijne waren, zijn de eenvoudigste doorgaans het moeilijkst te beantwoorden. Nu moest de draaierij wel een logen worden; âVelters,quot; zei ik, bevende.
âVelters? â Nu ja, wat schort er aan, dat gij zulk een moeite schijnt te hebben om een zoo eenvoudigen naam uit te spreken? ik ken Velters bij reputatie. Hij is een braaf jong mensch, die vlijtig oppast, en wel voort zal komen, indien zijn gezondheid zijn goeden wil evenaart. Maar het belangrijkste gesprek had u niet moeten doen vergeten, dat uw moeder ongerust was en gij haar wakende hieldt.quot;
âNu!quot; zeide die goede moeder: âwij moeten ook denken, Ferdinand is zoo lange jaren buitenshuis geweest en de gewone sleur wat ontwend. Hij zal vergeten hebben, dat wij lieden van de klok zijn. Ik hoop maar, dat dergelijke invitaties niet te dikwijls zullen komen. â Nu! Ik ga naar bed: want ik heb werk dat ik uit mijn oogen zie. Blijft gijlieden nu ook niet langer plakken..quot;
Dit zeggende kuste zij ons goeden nacht en verliet de kamer. Mijn vader rees ook op, en, zich tot mij wendende; âslaap wel!quot; zeide hij: âmaar voor gij u ter ruste begeeft, bid God, dat hij u vertrouwen inboezeme in een vader, die u liefheeft.quot;
De tranen ontsprongen mijn oogen op het hooren dezer toespraak: âLieve vader!quot; riep ik, de hand des braven mans tusschen de mijne drukkende en die aan mijn mond brengende: â(iod weet het, ik zou niets liever verlangen, dan dat ik spreken mocht; maar . . . .quot;
âIk zal geduld hebben en de ure des vertrouwens afwachten.quot; zeide mijn vader, hedaard: âGij zijt geen kind meer en ik wil u niet tot spreken dwingen, wanneer gij beter acht te zwijgen. Dit slechts wensch ik, dat de Alwijze uw geest ver-
lichte, en u leere wat uw plicht medebrengt.quot; â Met deze woorden drukte hij mij nogmaals de hand en vertrok, terwijl ik mij zuchtende naar mijn slaapvertrek begaf. Zoo had ik dan voor 't eerst mijn ouderen voorgelogex! â Ach! ik gevoelde te wel de behoefte, om het voorschrift mijns vaders na te volgen; en in angstige verzuchtingen smeekte ik den Almachtige, mijn gangen te bestieren en mij licht te geven op mijn donkeren weg. Dit besluit nam ik echter, om, wat er ook de gevolgen van wezen moesten, mijn vader te overtuigen, dat ik, hoezeer misschien verkeerdelijk mijn woord gegeven hebbende, door hem zelfs niet van mijn belofte ontslagen kon worden.
Het was dan ook met dit oogmerk, dat ik den volgenden dag, na den eten, en toen ik wist, dat Heynsz zich verwijderd had, mijn vader kwam opzoeken. Ik had dit oogenblik verkozen, omdat ik wenschte uit te vorschen, of Heynsz den Heer Bos ook verklapt had, in welk geval mijn verplichting tot geheimhouding ophield en ik, door voor de zaak uit te komen, dezen laatste misschien dienst kon doen. Mijn vader bespeurde wel aan mijn houding, dat ik iets op het hart had, en, zijn papieren ter zijde schuivende, vroeg hij met een on-gemeene vriendelijkheid:
âHebt gij iets met mij te spreken? Dan zal ik die stukken wel even laten rusten. Echter heb ik niet lang tijd,quot; vervolgde hij, op zijn uurwerk ziende: âwant waarschijnlijk zal er straks een bezoek komen.quot;
âIk heb u slechts weinige woorden te zeggen. Vader!quot; zeide ik, âmaar ik wenschte wel, dat ons gesprek langdurig zijn kon.quot;
âWat meent gij? Dat klinkt eenigszins raadselachtig en duister. F al lax so Hert ia nobis.quot;
âHelaas!quot; zeide ik. âUEd. heeft te recht opgemerkt, dat er iets is, hetwelk mij als een pak op het hart ligt. Ik ben soms afgetrokken, verstrooid: mijn gangen, zoo UEd. die hadt doen nasporen, zouden wellicht zonderlinge vermoedens bij u hebben doen ontstaan: ik heb, zeer mijns ondanks, vreemde
16
i ^ . pn hGt£r66Il mil
m r*»i» - quot; - quot;
niet ontdekken mag. schouders ophalende, âniet
r^dXi
telding n.et â.mM oplettend m.ken op
sr^u- - quot;irJZTS uJT%£
zijn slechts weinige zak , wanlieer het geheimen â
âiet zoude mogen opehbn ^ testlt;,m; doch een
van derden geldt, k? betreft kan, dunkt mij, zulk
geheim, dat n me ^ dien, -etteh
r^Xergl^m» doen zien dat hij nis teweeg-
^â¢â ls een ZÃ
2quot;^- een^im. waar «t dooi- een samenioop van omstandigheden ben ingewikkeld. bedacht te
lHs%Ãr'ÃÃdetogÃ'ttwomide it, nit deze vraag de
lijke oorzaak nog mets ⢠quot; piet mij het leven
vraag, mijn vader ! mdl^ d^de z'oude UEd. dan oordeelen,
Sr^ver^M X; het aan den Hoofdschout te openbaren,
bijaldien deze er ^ar vi-oeg^ vader met
âC4ii weet waar Zwarte nei
drift. v^io..i-,onfip- en ik heb ook aan
Neen,quot; antwoordde ik, gi slechts als een
hem geene verpiiehüng; maar ik stel dit
voorbeeld.quot; d dat ofschoon de
âGij weet te goed,. ^ 1 -fectum is, en
dankbaarheid slechts een officium nu
IT
het inlichten der Justitie een officium perfectum, als zijnde dit laatste bij Keuren en Ordonnantiën voorgeschreven, de tweede plicht in dezen voor den eersten zoude moeten wijken, aangezien de dankbaarheid door een hoogere dan de aardsche wetgeving is voorgeschreven. Dan, dit daargelaten: zoo gij een geheim bezit, hetwelk gij mij niet vertrouwen moogt, waarom er mij dan over gesproken? want nu kan ik niet nalaten, te gaan gissen en raden.quot;
âSlechts daarom, mijn vader! omdat mij het denkbeeld onverdraaglijk is, dat gij mij van gebrek aan vertrouwen beschuldigen zoudt: omdat ik u smeeken wilde, uw oordeel over mij slechts zoolang op te schorten, tot ik in staat zal wezen, u de noodige opheldering van mijn gedrag te geven en te openbaren wat u thans onverklaarbaar moet voorkomen ?quot;
âGij hebt welgedaan, mijn zoon! En ik zou een slecht rechter zijn, indien ik u condemneerde, zonder u den tijd te laten om aan te voeren, wat tot uwe defensie dienende kan zijn. Dit slechts moet gij mij verzekeren, dat siij niets hebt beloofd, wat tot nadeel van dezen lande zoude kunnen strekken. Gij weet, dat wanneer het de veiligheid van den Staat geldt, het crimen reticentiae hem, die hot begaat, tot medeplichtige maakt aan het gesmede landverraad,quot; 3 ,,De veiligheid van dezen lande loopt zoo weinig gevaar,quot;
zeide ik, glimlachende, âdat UEd, zelf mijn stilzwijgen zult n billijken.quot;
ii âDan ben ik tevreden,quot; zeide mijn vader,
i. ' Op dit oogenblik werd hard aan de voordeur gebeld en hield
| er een rijtuig stil.
âIs het reeds zoo laat?quot; vroeg mijn vader, op zijn horloge et i ziende: âja waarlijk! nu moet gij voort; want ik verwacht een deftig bezoek: of blijf hier: ik zal in de zijkamer gaan: an bij, wien ik verbeid, is een man van gewicht en dient als
en zoodanig ontvangen te worden.quot;
Dit zeggende, haastte hij zich naar de zijkamer; maar de de ; persoon, dien hij verwachtte, verscheen niet; en, gelijk mij en later bleek, was het alleen de Onderschout, die met een koets
11. - F. H. 2
IS
aan de Beerebijt de aankomst der Utrechtsche schuit had staan wachten, ten einde den Heer Bos bij het uitstappen te knippen. Daar deze niet was komen opdagen, en de schipper verklaarde, dat de gehuurde roef ledig gebleven was, kwam de Onderschout alsnu eenvoudig verslag geven van het mislukken der hem opgedragen commissie, en de zaak liep voor 't oogen-blik af met een schrobbeering, die Simon ontving, ondat hij zich had laten verschalken.
EEN-EX-T WINT1GSTE HOOFDSTUK,
WAARIN EENIGE OUDE KENNISSEN WEDER OP HET TOONEEL VERSCHIJNEN EN EEN PAAR NIEUWE WOEDEN INGEVOERD.
Den volgenden morgen (Zaterdag) begaf ik mij, volgens de met Tante gemaakte afspraak, weder naar Heizicht, waar ik met een kloppend hart mijn Dulcinea terugvond en door Tante ter verantwoording werd geroepen over mijn ontmoeting met Zwarten Piet. Dewijl ik op haar vragen voorbereid was, kostte het mij minder moeite, die te beantwoorden: en zonder haar de geheele waarheid te vertellen, wist ik haar omtrent de reden van het bezoek des roovers zoodanige opheldering te geven, dat ik haar tevreden stelde en haar ongerustheid wijken deed. Wij aten dien dag zeer vroeg en zeer overhaast, vermits het oogmerk van Tante was, met ons naar een boerderij te rijden, welke zij eenigen tijd geleden in de omstreken van Oud-Naarden gekocht had, om daar met wandelen en koffiedrinken den avond door te brengen. Wij reden tegen twee uren af; trokken over de heide naar Laren en van daar over Blarikum den Tafelberg langs, waar wij een zijweg insloegen, die ons in korten tijd aan het doel van onzen tocht voerde. Hier hielden wij voor een schuur stil, welke tot stalling'
19
diende, stapten af, en wandelden naar het woonhuis; en niet weinig keek ik op, toen de vrouw, die ons aan de deur verwelkomde, niemand anders bleek te zijn dan de oude Martha, en haar woning dezelfde, waarin mij de Heer Bos ontvangen had. Zoo ik de gelegenheid niet dadelijk herkend had, het was omdat wij deze reis langs een anderen weg waren gekomen. Nu werd mij duidelijk, waarom de oude vrouw mij op dien noodlottigen avond zoo had aangekeken: en ik verwonderde mij, haar toen reeds niet herkend te hebben, daar zij vroeger tuinvrouw bij mijn Oom Van Bempden geweest was.
De oude vrouw ontving Tante met de gebruikelijke for-m u 1 e s van:
âWel Mevrouw? hoe vaart Mevrouw? Mevrouw is hier in lange niet 'eweest. Ik kan niet zeggen, dat Mevrouw 'er uitzien er op 'ebeterd is!quot; â een compliment, waar schier alle lieden van die klasse gewoon zijn hunne meesters op te vergasten, als ware het de uitgezochtste vleierij. Mij herkennende, geraakte zij min of meer in verlegenheid en zocht mijn blik te vermijden. ..Ik heb het koffiegoed boven klaar gezet,quot; ging zij voort.
,.Ja! dat is wel,quot; zeide Tante: âmaar het is zulk mooi weer. Wat zeggen de meisjes er van? Zouden wij de koffie niet liever buiten de deur gebruiken?quot;
Dit voorstel werd toegejuicht en de bevelen dienvolgens gegeven.
âIs uw zoon niet hier?quot; vroeg Tante, ziende, dat Martha zelve met een tafel en stoelen kwam aandragen.
De oude vrouw zuchtte en haalde de schouders op: âoch Mevrouw!quot; zeide zij, âmen zoon is men kruis: sedert acht dagen heb ik hem niet 'ezien: waar liij zit. God weet het.quot;
Ik kan niet ontkennen, dat deze gemaakte of schijnbare ongerustheid der moeder mij genoegen deed, want ik beschouwde de tegenwoordigheid van Andries aan de hoeve niet slechts als hoogst gevaarlijk voor de nabuurschap, maar ook als zeer schadelijk voor de belangen mijner Tante; en ik nam
lipt mocht kosten wat het wilde, haar in t( U*l voor. om. het mocm npvsoon Intusschen
ten omtrent de hoedanigheid van die
nmzoo\^ ik teer- ZSI' a' beVem,e: -°m
Gods «II! maak ons niet «quot;Selukkag. ^
Ik sreloof ook,quot; vervolgde ik. âdat net ^aüzaaii
i ,ir-h niet weei hier te vertoonen; want het is 0ei g Z1Jquot; hekend bU de JnstBe, dat h» met Zwarten Piet en T.nait.eit, en. »0 ,n» hem krijgt, za, hij den dan,
.ie weet niet. wat ik van â¢â¢ ⢠quot; , gt; Och 1 lüi heit nooit willen deugen,
ltóquot; 'ifk-an het warentfe niet helpen: Ik heb hem vermaningen - Vervolgens den
^fia^jXen Lt^ van de .«hen, die ÃEd. hier
heit 'ezien?quot; mii hoe kent
Volstrekt niet,quot; antwoordde ik. âmaai zeg j,
â¢iTtwssisfass
:^.B»nrssx'Ss.,sfi
'ÃfC an, Ik mot het theewater Uniten
x:-rz Jn ^^
âogen ontmoette, die op ^Xdeur, door welke ik
, Ik SrwentgleC: wai, in de kenken
de oeiste iels quot; uitkwam. Naast deze achterdenr was
0Pende TJL Jquot; en voor dat raam, 0,, het tuinpad.
^een man, in havelooze lompen gekleed, mij aan te
â 21
gluren. Zoodra hij merkte, dat ik hem van mijnen kant gezien had. begun hij op een smeekenden toon:
âMeneertje! zoo waar G;od leeft, gheen dijt rijk! Hik 'el) nog gheen 'andgift gead van dhaag: gheen dijt rijk, zoowaar zei je ghezond blijven.quot;
,.Gij hier Simon!quot; riep ik, den man herkennende: âwat komt gij hier zoeken? En waar is de negotie?quot;
âNeghoossie? Och! was ik mhaar zoo gelikkig, dat hik een klein beetje neghoossie thoen kon; â mhaar een vrouw met zeuven kinderen! Je mot dhenken, dat kan wat an: â gheen dijt rijk . . ..quot;
âFoei!quot; zeide ik: âis het geld al op, dat de Jongeheer Blaek u gegeven heeft om de gangen van eerlijke meisjes te bespieden?quot;
âHeerlijke meissies! Xa doch!quot; zeide Simon het hoofd schuddende.
âJa zeker eerlijk! En zoo ik mijn vader dergelijke stukjes van u verhaal, zal hij u afleeren, u met zulke knoeierij op te houden.quot;
âKhom! word dan thoch maar niet boos. Khan ik 't 'elpen? Een bhoodschap is een bhoodschap! As Meneer Blaek theugens me zeit: âShimon: ga en khijk waar die Jiörouw blijft: je zelt een ghilden van mier 'ebben â nou khijk! wat mot Shimon dan doen? der stheekt gheen kwaad hin. dat Meneer Blaek weet, waar die Jiffrouw whoont, en der stheekt veul goeds hin, dat Shimon voor een dhag of wat den kost heit mit zen hijshouwen. â Maar je vraagt men of het vertheerd is sinds dien thijd? â Och! hik eb sedert gheen dijt verdiend: gheen penning! khan men dhaar van leven hacht dhagen mit 'en hijshouwen? zoowaar zei je ghezond blijven.quot;
âMisschien zult gij mij ook zoeken wijs te maken, dat Heynsz u de reis niet betaalt, die gij heden doet.quot;
âNou khijk Meneer Hyk! 't Is homdat je de zeun van den 'Oofdhoffesier bent â God zegen hem â 't is een schraal loon, dat hik van 'Eynsz ontvang. â Hik khan er waarachtig niet van bestaan. â En hik 'eb ommers gheen woord er
van ghesproken, dat je met die Jiffrouw in de Naarder schijt 'eb gheseten?quot;
âDenkt gij,quot; zeide ik wrevelig, âdat ik mij bekommer ovei hetgeen gü van mij vertelt? Maar wat doet gij nu hier? Wie valt hier te bespieden? Het is hier geen publieke grond; en zoo Tante hoort, dat gij op haar erf zijt, zou zij er u wel eens door den koetsier kunnen doen afjagen.quot;
âNa doch! je weet wel, wien hik ier zoeken khora; â 't his oraraers je papha, die 'et ghelast 'eeft. Shimon ^ ommers gheen dhief, die wat wegnemen zal.quot;
âIk geloof, dat gij vergeefsche moeke doet,' zeide ik. wel gissende wien hij zocht: âmaar wees gewaarschuwd, en pak u weg; want zoo iemand anders u ziet. gij zult niet vriendelijk
ontvangen worden.quot;
Met deze woorden wendde ik mij van hem af en keeue terug bij de dames, die reeds onder de breede takken dei eiken om de theetafel gezeten waren. â âWel!quot; zeide Suzanna, zoodra zij mij zag: âwaar heb je nu weer gestoken? Ik dacht, gij waart uitgegaan ora de oude Martha te helpen, en gij komt met ledige handen weer. Gij slacht de poes wat, die men naar Rome zendt en die mia au w zeit, als zij terugkomt. Nu! daar hebben wij ook veel aan, aan zoon cavalier, die ons alleen laat zitten: en dat nog wel m een tijd. dat het van dieven en struikroovers grimmelt. Maai zeker! aan uwe hulp zouden wij weinig hebben, daar gij toch
ook maatjes zijt met de bende.quot; ^
Ik dacht. Santje! wij zouden daar niet meer over spreken, zeide Tante, die niet hield van scherts over zulk een onderwerp.
âGij ziet hoe mijn lot is,quot; zeide ik tegen Henriëtte, âen hoe ik door mijn zuster behandeld word. Gij. die zoo goed zijt. zoo gij een broeder hadt, zoudt hem zeker met zoo
kwellen.quot;
âHoe weet gij. of ik goed ben,quot; zeide zij lachende: âvraag maar aan Lodewijk, hij zal u wel zeggen, dat ik er hem ook
van langs kan geven.' _ , ⢠⢠.
âJa kom!quot; zeide Suzanna; âmaar daar heb je geen pleizier
van; want Lodewijk wordt boos als men hem kwelt; en dat moet ik tot eere van mijn broeder zeggen, hij neemt het altijd nogal wel op.quot; Hier klopte zij mij op den schouder.
âDat is nu het beste, dat gij in lang gezegd hebt.quot; zeide ik: âdaarvoor moet ik u omhelzen.quot;
âWeg! weg!quot; zeide Suzanna, mij afwerende: ..jeux de mains, jeux de vilains. Gebruik uw mond en niet uw handen.quot;
âWel, 't is ook juist mijn mond, dien ik gebruiken wil,quot; zeide ik, haar kussende.
âOch Jetje! help mij toch!quot; zeide Suzanna: âgij blijft daar maar zitten en trekt u het lot niet aan van uw mishandeldo vriendin.quot;
âIk zal wel deugdelijk oppassen, van er mij mede te bemoeien,quot; zeide Henriëtte.
âIntegendeel!quot; zeide ik: âSantje heeft gelijk: en gij zoudt mij een bijzonder genoegen doen, zoo gij er u mede wildet bemoeien.quot;
âWat is het toch kinderen?quot; vroeg Tante, die intusschen met Martha geredeneerd had: âop deze wijze krijgen wij geen koffie.quot;
âOch! 't is Ferdinand, die mij plaagt,quot; zeide Suzanna.
âMen plaagt wie men liefheeft,quot; zeide Tante.
âZoo dat waar is, dames!quot; zeide ik, terwijl ik, hoewel in 't algemeen sprekende, het oog bepaaldelijk op Henriëtte gevestigd hield, âhoe meer gij mij dan plaagt, hoe aangenamer het mij zijn zal.quot;
Met deze en dergelijke praatjes, welke toen voor de belanghebbenden vermakelijk waren, maar wier mededeeling den lezer vervelen zoude, hielden wij ons bezig gedurende het koffiedrinken, waarna Tante een wandeling voorsloeg, bij welke gelegenheid ik niet verzuimde alle pogingen aan te wenden om meer en meer de gunst mijner schoone te verwerven. Eindelijk maakte ik het zoo bont, dat zij den arm van Suzanna nam en vooruitholde, bewerende niet meer naar mij te willen luisteren.
2-i
Ik was zelf bang wellicht te ver te zijn gegaan, en bleef dus een wijl met Tante achter, aan wie ik, zoowel bijwijze van gesprek als uit nieuwsgierigheid, de vraag deed, of de diule Martha niet vroeger tuinvrouw op Heizicht geweest was.
âJa!quot;' antwoordde zij: âtot den dood van haren man. Toen heeft zij een woning op het dorp gehad: en naderhand, toen ik deze hoeve kocht, heb ik haar daarop gezet.quot;
..Heeft zij,quot;' vervolgde ik, âniet eerst bij Kapitein Reefzeil gewoond?quot; â ik wist wel beter, doch wilde zoodoende het gesprek op die familie brengen.
âDat geloof ik niet,quot; antwoordde Tante: âhet is echter mogelijk; want toen ik met uw oom Van Bempden trouwde, was zij reeds op Heizicht; maar hoe vraagt gij dat zoo ?quot;
Daar zat ik vast. âOch! dat weet ik zelf niet,quot; zeide ik: âdaar lag mij iets in 't hoofd, betreffende die Reefzeils.quot;
âDe moeder van Jetje was een Reefzeil,quot; zeide Tante: âwas het dat, wat gij meendet?quot;
âInderdaad?quot; zeide ik: âneen, dat wist ik niet. Maar was er niet nog een zuster?quot;
âJa voorzeker! â Keetje Reefzeil: zij waren beiden mooi. Keetje en Letje: de eene was een blonde en de andere een bruinet. Jetje, de blonde, trouwde met den Heer Hendrik Blaek: en de goede man had er niet veel pleizier van; want zij stierf in 't kraambed. Keetje, ja, die heeft het niet best laten liggen: zij is het pad opgegaan met den Baron Van Lintz. Dat is indertijd een fameuze historie geweest.quot;
âMochten zij dan niet trouwen?quot; vroeg ik, meer en meer belang stellende in het verhaal.
âZij had, geloof ik, weinig of niets,quot; zeide Tante: âen Van Lintz ook niet veel meer dan zijn gage als Luitenant bij de Marine. Bovendien was hij Roomsch; maar dat alles hielp niet: hij wist haar te bepraten en trok met haar het land uit. Do familie zoude wel weer bijgedraaid zijn; maar hij was deserteur: en dat was erger. Hij heeft zich een poos sobertjes moeten generen, nu hier, dan daar: en vervolgens maar dat weet gij zoogoed als ik â vervolgens is hij in
Spaanschen zeedienst gekomen en een groot Heer geworden: en nu is hij, geloof ik, dood of weg: althans men heeft rare dingen van hem verteld. Hij is in ongenade vervallen, dat is zeker, en toen verdwenen. De hemel weet: hij is misschien Turksch geworden en Pacha met een half dozijn paardenstaarten; want ik geloof dat hem de godsdienst ook wel om 't even zijn zoude, mits hij maar voortkwame. Ik had laatst werk genoeg, om Van Baaien te beletten van door te slaan, toen hij in tegenwoordigheid van den Heer Blaek en Jetje over dat onderwerp begon. Zij heeft met de folies van haar Tante niet noodig. 't Was anders een aangenaam mensch, die Van Lintz: ik herinner mij nog zeer goed, met hem menig-malen gedanst te hebben. Hij was la plu ie et le beau temps in zijn tijd.quot;
âZijn dwaze stap verdient, dunkt mij, eenige verschooning,quot; merkte ik aan. âEr zijn zoovele van die adellijke Heeren uit de landprovinciën, die alleen te Amsterdam komen om een rijk huwelijk te doen, en enkel op geld zien. Hij werd ten minste door liefde gedreven en niet door zucht naar schatten.quot;
âNeen! die waren bij de Reefzeiltjes niet te zoeken,quot; hernam Tante: ânu, Hendrik Blaek is er ook om gebrouilleerd geraakt met zijn familie; want hij was ook slecht bij kas en is te Cadix, of te Lissabon, weet ik het, arm gestorven. Gij weet zeker, dat Henriëtte geheel afhangt van de goedheid van haar oom .... en zij heeft wel reden om dankbaar jegens hem te zijn; want al ware zij zijn eigene dochter, hij kon haar niet teederder liefhebben en beter behandelen. Zij zal ook wel eindigen, denk ik, van zijn wensch te vervullen en met haar neef te trouwen. â Waarom zegt gij hm?quot;
âHeb ik hm gezegd. Tante?quot;
âJa neef! Gij hebt gezegd hm! En waarom? Zoudt gij liet zoo bespottelijk vinden, dat zij Lodewijk nam of Lode-wijk haar?quot;
âWat zal ik u zeggen? Ik bespeur niet, dat zij veel werks van elkander maken: en ik weet althans wel iemand, aan wien ik haar liever zoude gunnen.quot;
2(5
âQuel est done ce héros ou bi en ce téméraire?quot; vroeg Tante, mij scherp aanziende: ..gijzelt'toch niet. hoop ik?quot;
âEn al ware ik het zelf, Tante? Wat zou UEd. daartegen hebben ?quot;
âFerdinand!quot; zeide Tante: ..gij jaagt mij een schrik op het lijf. â Niet, of het is een lief meisje, maar wat zouden uw vader en moeder wel van mij denken: â alsof ik u beiden had samen willen brengen. En uw vader zou het zeker maar half goedkeuren; want zij heeft niets. Neen I dat zou ik vooralsnog maar uit mijn hoofd stellen.quot;
Hier werd ons onderhoud, hetwelk voor mij geene zeer troostrijke wending begon te nemen, afgebroken door Suzanna, die van een hoogte, welke zij met Henriëtte beklommen had. ons toeriep:
âKomt toch hier; men heeft hier zulk een heerlijk uitzicht.quot;
Wij versnelden onzen tred en stonden welhaast bij de jonge dames, om met haar het bevallige natuurtooneel te bewonderen, dat zich beneden ons vertoonde. Aan de eene zijde strekte zich, zoover het oog kon reiken, als een gebloemd tapijt de golvende vlakte uit, waarvan de eentonigheid werd afgebroken door enkele partijen eikenhakhout, dat reeds hier en daar de gele najaarskleur bij het malsche groen van het Augustusloof vertoonde. Ten Zuidwesten vertoonden zich de torens Van Naarden, en verder op die van Weesp en Muiden; terwijl Amsterdam slechts even door een grauwen nevel zichtbaar was. Oostwaarts lag het bevallige Huizen en daarachter het netgebouwde Blarikum: en ten Noorden liep de heuvel glooiend af tot de plek, waar de Zuiderzee zijn voet kwam bespoelen: verscheidene vaartuigen van allerlei grootte en soort kruisten eikanderen en in de verte over de stille oppervlakte der wateren: naderbij lagen eenige visschersbooten en kon men de visschers onderscheiden, die hun netten in zee wierpen. Eindelijk, kort aan den wal, lag een rijk verguld en nieuw opgeschilderd speeljacht ten anker, waarvan de rijzige mast en de nette tuigage zich scherp en luchtig afteekenden tegen het groene water en de heldere lucht daarachter.
â t
âIk geloof waarlijk, dat daar het jacht van Lodewijk is,quot; zeide Henriëtte, na eenigen tijd daarop gestaard te hebben.
âIs hij een liefhebber van zeilen?quot; vroeg ik.
âO! Lodewijk heeft alle liefhebberijen van dien aard,quot; antwoordde zij: âmaar het zeilen is een hartstocht bij hem. Hij blijft somwijlen dagen achtereen op het water.quot;
âHet schijnt een aardig gebouwd vaartuig,quot; zeide ik: âzeker gaat het er goed door.quot;
âO! het moet een eerste snelzeiler zijn: althans volgens het zeggen van Lodewijk.quot;
âHoe! Zijt gij er zelve nooit op geweest? â Of houdt gij niet van zeilen?quot;
âHij heeft mij nooit verzocht om mede te gaan.quot;
âDat geloof ik wel,quot; zeide Suzanna: âdie Heeren hebben veel te veel pret onder elkander, dan dat zij er dames zouden bij vragen.quot;
âHet schijnt, dat hijzelf aanboord is,quot; hernam ik: âalthans daar komt iemand op het dek.quot;
âInderdaad! Ik herken hem,quot; zeide Henriëtte; âmaar hij heeft nog een paar Heeren bij zich. Zie eens: zij richten hun kijker op ons.quot;
âWel! dat is niet het gekste, dat zij doen kunnen,quot; zeide ik,
âWat gaan zij nu uitrichten?quot; vroeg Tante, een groote drukte aan boord gewaarwordende.
âZij maken de sloep los,quot; zeide ik; âpas op! zij komen ons nog verrassen.quot; â En inderdaad, wij zagen drie personen achtereen in de sloep springen en met kracht naar wal roeien.
âKijk! zou waarlijk Lodewijk eens galant worden en ons komen verzoeken, zijn bodem te bezichtigen?quot; vroeg Henriëtte.
âInderdaad!quot; zeide Suzanna:
...... etjusqu'aux bords que la mer vient 1 aver
Sur son v a i s s e a u tout p r ê t i 1 v i e n t nous
[retrouver:
Ik herken uw neef; maar wie zijn die twee andere Heeren?quot;
âIk weet het waarlijk niet,quot; antwoordde Henriëtte: âhij
heeft somtijds zulke rare kennissen. Maar ja: de een is. geloof ik, de Heer Weinstübe, een associé van een Duitsch kantoor: den anderen ken ik niet.quot;
Wij waren intusschen den heuvel afgegaan en naar de zeezijde opgewandeld. De drie Heeren sprongen op het strand, maakten hun sloep vast en kwamen met haastige schreden naar ons toegetreden.
..Hoe, zijt gij het?quot; riep Lodewijk, toen hij, dichterbij gekomen, ons herkende.
..Zoo! Het is dan geen bezoek, dat gij ons kwaamt geven?quot; vroeg Henriëtte.
âWij hadden dames gezien,quot; antwoordde Lodewijk, âen kwamen hooren, of zij ook lust hadden eens aan boord te komen.quot;
âGij zult zien,quot; zeide Suzanna zachtjes, âdat zij ons onbekend zouden verzocht hebben, en ons niet willen hebben, nu zij weten wie wij zijn.quot;
..Maar was hiendert das?quot; vroeg een van Lodewijks kameraden in zijn platduitschen tongval, terwijl hij de jonge meisjes beurtelings op een vrij onbescheiden wijze aanzag: âzoo je ze kent, kottorie! tes te peter, dan oef je te kennisch niet te machen.quot;
âStil,quot; zeide Lodewijk, hem aanstootende: âMevrouw Van Bempden, uw dienaar: ik stel u den Heer Weinstübe voor, en den Heer Reynhove. â Mijne Heeren! Mevrouw Van Bempden, mijn nicht Blaek, Mejuffrouw Huyck.quot;
âMefrouw fon Pempten!quot; herhaalde Weinstübe, terwijl hij dadelijk een zeer nederigen toon aannam en een menigte strijkages maakte: âick pin zeer verheugd, die eere te heppen. Wie faart de familie?quot;
âIk hoop,quot; zeide Reynhove, terwijl hij insgelijks, doch-op een meer hoffelijke wijze zijn compliment maakte, âdat de dames ons toilet zullen excuseeren. AVij konden ons op deze charmante rencontre niet verwachten. Ik ben waarlijk gede-sespereerd er zoo genegligeerd uit te zien.quot; ââ Onder het uiten dezer laatste woorden maakte hij de bovenste knoopen
los van zijn net gemaakte visscherskiel en vertoonde daardoor een keurig hemd. met prachtige kanten gegarneerd; terwijl hij de andere hand aan zijn das bracht, als wilde hij de aandacht vestigen op een kostbaren ring, die zijn vinger versierde, en op den juweelen gesp, waarmede de strop was vastgemaakt.
âAch noe ja!quot; zeide Weinstübe: âdie dames sollen ons kenadik bardon schenken wollen: 't is waraftig onze schuld nicht. Herr Plaek sagte: âda sind tamen: wollen wir ons combliment machen kaan.quot; Aber wir woesten nicht, dat er eine so achtbare keselschaft da ware.quot;
âDat valt u dan tegen,quot; zeide Suzanna.
âHoe vaart uw vader. Mijnheer Blaek?quot; vroeg ïante.
âKlagend en hypochonder. Mevrouw! de oude deun. Hebben de dames ook trek, om mijn vaartuig eens te zien?quot; vroeg hij vervolgens, op een toon, die wel te kennen gaf, dat hij deze uitnoodiging alleen deed, omdat hij niet wel anders kou.
âDat zal ons wat lang ophouden, vrees ik,quot; zeide Tante: âwij moeten naar de boerderij terug en dan naar huis.quot;
âWel Mevrouw!quot; zeide Eeynhove: â't zou immers een al te groote cruauteit in u zijn, ons niet te perrnitteeren van zulk een aangename sociëteit te profiteeren.quot;
â't Is solk een schones wetter,quot; zeide Weinstübe: âen Plaek kan oe immers weer afzetten waar Je woelt. We motten toch weer nach Amsterdam mit ten abend.quot;
âWelnu! wat zeggen de jonge dames er van?quot; vroeg Tante; âik ben wit papier.quot;
Ik vleide mij, dat zij bedanken zouden; maar het scheen, dat beiden een groot verlangen hadden om het jacht te zien (een begeerte, die ik toen allerbespottelijkst vond) en na elkander een wijl aangekeken en met de oogen geraadpleegd te hebben, gaven, eerst Henriëtte en toen Suzanna te kennen, dat zij niet ongenegen waren, om van het vriendelijk aanbod van den Heer Blaek gebruik te maken.
âKomaan dan maar, hoe eer hoe beter,quot; zeide Lodewijk. terwijl hij den arm aan Tante Van Bempden bood: en eer ik
nog gereed was, het voorbeeld te volgen, had zich die hatelijke Mof van Henriëtte, en Reynhove van Suzanna meester gemaakt, terwijl ik volgde, het jacht en zijn geheele equipage voor Sint-Feiten wenschende.
Wij stapten in de sloep, die ternauwernood groot genoeg was, om ons allen te bevatten, en werden door Lodewijk en Reynhove met kracht naar het vaartuig geroeid. Alvorens wij dit echter betreden, zij mij een korte uitweiding vergund over de twee nieuwe personages, met wie ik bij deze gelegenheid kennis maakte.
Caspar Weinstübe was, gelijk ik naderhand kwam te weten, een gelukzoeker geweest, gelijk Westfalen die jaarlijks overzendt naar Amsterdam. Hij had die groote stad als een knaap van vijftien jaren betreden met een schraal voorziene beurs, maar met het onverzettelijk voornemen, om die te vullen: en hij had zijn doel bereikt langs die middelen, welke, ofschoon toen meer zeldzaam, thans helaas! van jaar tot jaar meer algemeen worden. Vijf jaar lang had hij op een klein kantoor gewerkt, gekropen en honger geleden. Toen was hem een gering deel in de winsten toegekend geworden en weldra bekwam hij, als loon voor zijn onvermoeiden arbeid, de tee-kening per procuratie. Van deze had hij zich bediend om zaken voor zichzelven te beginnen; de actiehandel was hem te stade gekomen: het huis, waar hij deelgenoot in was, had tot tweemalen toe moeten ophouden met betalen; maar hij zelf was na elk bankroet rijker voor den dag gekomen, en bevond zich nu aan het hoofd van een aanzienlijk vermogen en van een winstgevende zaak. Maar het was hem niet genoeg, zijne wenschen bereikt en schatten verworven te hebben : hij verlangde nu ook in de groote wereld ontvangen te worden : en dit was voor hem te Amsterdam, waar de lijn van afscheiding tusschen de verschillende kringen misschien scherper afgeteekend is dan in eenige stad ter wereld, geen gemakkelijke zaak. Hij vond zich dan ook overal teruggedrongen, zoo vaak hij het beproefde, de uitsluitende gezelschappen dei-patriciërs binnen te dringen; maar hij gaf daarom den moed
31
niet verloren. Het spreekwoord zegt, dat de Arragoneezen, quot;in een spijker te slaan, geen hamer behoeven, maar hun hoofd gebruiken: en Caspar Weinstübe deed voor de Arrago-neezen niet onder. Hij wist zich aan te sluiten bij jonge lieden, die, zooals Lodewijk Blaek, er minder op zagen, met wie zij omgingen, mits het slechts liefhebbers waren van rijden, rossen en geld verteren: en door middel van dezulken hoopte onze Westfalinger langzamerhand met hooger standen in betrekking te geraken. Dit middel was hem wel is waar vrij kostbaar; doch hij had sinds lang vaarwelgezegd aan die taaie zuinigheid en ontbering, die hem tot ladders hadden verstrekt om tot de fortuin te geraken: en hij wist thans zijn geld even schoon te verkwisten, alsof hij het van zijn vader geërfd had. Ofschoon niet misdeeld van eenige schranderheid, en zelfs vlug van geest, zoo vaak het zijn geldelijk belang betrof, was hij in alle andere zaken dom en onkundig gebleven, bezat geen manieren ter wereld, en was, gelijk de meeste gelukzoekers, even trotsch en lomp tegen hen, die hij als beneden zich beschouwde, als laag en kruipend tegen zijn meerderen. â Het was voor hem, om dit in 't voorbijgaan aan te merken, dat Heynsz dat fraaie blazoen geschilderd had. waarvan vroeger gesproken is.
Wat den Heer Reynhove betreft, hoewel zijn onderhoud wat veel doorspekt was met Fransche woorden, zijn toon en manieren waren echter die van een fatsoenlijk man: en hetgeen hij zeide, zoo niet altijd even belangrijk, was echter nooit dom of ongepast: ja, schoon hij vaak over beuzelingen sprak, wel voorgedragen beuzelingen zijn, gelijk men weet, door de bank, meer dan gesprekken over gewichtige onderwerpen geschikt, om in gemengde gezelschappen aan iemand den naam van een aangenaam mensch te doen verwerven. Hij was bovendien welgemaakt van persoon, keurig op zijn kleeding, en dus in vele opzichten welkom bij de schoone kunne. Wat zijn maatschappelijke positie betrof, hij had noch beroep noch affaire: doch het had slechts van hem afgehangen in deze of gene politieke betrekking geplaatst te wezen; daar
zijn vader in zijne woonplaats 's-Gravenhage een der hoogste ambten van de Republiek bekleedde. Hij had Lodewijk op de paardenmarkten leeren kennen, waarvan beiden trouwe bezoekers waren, en was op de uitnoodiging van dezen eenige dagen bij hem komen doorbrengen.
TWEE-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
HETWELK AANTOONT, DAT MEN NIET NAAR DE OOST-INDIEN BEHOEFT TE VAREN, OJI SCHIPBREUK TE LIJDEN.
Zoodra wij het jacht hadden bestegen, liet Lodewijk het anker lichten en alle zeilen bijzetten, ten einde gebruik te maken van een flauw zuchtje, dat uit het zuiden woei en ons langzaam de kust langs tegen den stroom opdreef. Lodewijk, die recht als een schipper uitgedost en met een kort pijpje in den mond aan het roer post hield, scheen zich weinig over onze tegenwoordigheid- te bekreunen en het aan zijn vrienden de zorg over om ons de honneurs van zijn vaartuig te doen. Reynhove had dadelijk met voorkomende beleefdheid al de vouwstoelen uit de kajuit gehaald en zette die op het dek neder, ten einde de dames plaats konden nemen, terwijl Klaas, de schippersknecht, een tafel aanbracht en Weinstübe een paar flesschen opentrok en de glazen inschonk. Waarschijnlijk wist hij niet hoe anders het gesprek op een betamelijke manier aan te vangen en begreep hij, dat het aanbod van een glas wijn daartoe de geschiktste gelegenheid zoude verschatten.
âWol de Jiffrouw nicht een klaasje nemen?quot; vroeg hij aan Henriëtte, die in stille aandacht de kust zat te beschouwen, die langzaam voorbijgleed: âik kan 't wel anpefielen: ofschoon
33
ik aan Plaek kezegd ep, dat hij nicht aan 't peste gandoor iesch. Xiet of die witwe Pieter Plutz en Soonen ieseh ein gnappe fent; maar ie heeft keen koete gorrespondens: en wie wil er nou mienderen wein trinken. as men de peste kriegen kan? Da iest Peter Trauketropf, die hat koeten wein; und nicht meliert: â wel tierder, ja! â dat ist waar; aber was kan das schelen, wie tier dit: wein iest as tie maar goet iest ? -fooral foor soon reike blitz als Plaek iest.quot;
âIk bid u, accepteer toch een glaasje, Mevrouw!quot; zeide Reynhove, zich overeenkomstig de betamelijkheid eerst tot Tante wendende: ,,aan boord mag zulk een offerte niet gerc-' fuseerd worden; wanneer men zooveel water om zich heen ziet, mag men wel wat wijn gebruiken om een contrepoids te geven.quot;
âMijnheer schijnt wel te huis in de gewoonten aan boord,'' zeide Suzanna.
âJa! ik heb altijd, van mijne jeugd af, veel van de marine gehouden, en was er eigenlijk voor gedestilleerd: maar ik had er dit tegen, dat de meeste zeelieden zoo ruw en ongemanierd zijn, en het zou mij wat al te veel gegeneerd hebben, mij naar hunne formen te pliëeren.quot;
âMaar dat zie ik volstrekt niet in,quot; zeide Tante: ,.het is toch niet noodzakelijk, dat men juist de manieren van het scheepsvolk aanneemt: ik herinner mij zeer goed den Graaf Tromp, onzen gewezen buurman op 's-C4ravenland: die had zeer beschaafde en hoffelijke manieren: en zooals ik van mijn vader dikwijls gehoord heb, de Admiraal De Ruyter, die toch uit een minderen stand was, had insgelijks een zeer ordente-lijken toon en was een vijand van vloeken en drinken.quot;
âTante heeft gelijk,quot; zeide ik: âik heb veel bulderbasten gekend onder de zeelieden: maar ook anderen, die tot een voorbeeld van wellevendheid hadden kunnen verstrekken en op wie het pek geen smet had achtergelaten.quot;
.,0! dat wil ik niet niëeren,quot; hernam Reynhove: âmaar UEd. gevoelt, als eenige stamhouder van mijn familie. .. .quot;
âO! nu vat ik het,quot; hernam Suzanna: âUEd. was van te
II. - F. H. ;i
uoedfn huize misschien om met Jan en alleman om te gaan. Maar. om niet van zoovele anderen te spreken, daar hadt gij 1,. v. den Heer Van Obdain, die was nogal van een redelijk-goede familie.quot;
âMejuffer schept er behagen in. mij niet te willen verstaan,quot; zeide Reynhove: âik bedoel mijn stand niet, maar mijn betrekking als eenigen zoon. Het zou een te groot chagrin voor mijn ouders geweest zijn, indien ik mij aan de gevaren der zeedienst had geëxposeerd.quot;
âJa. dat is zeker waar,quot; hernam Suzanna: âmaar gelooft UEd. niet. dat men op het land evenveel gevaar kan loopen. van 't hoekje om te gaan? b. v. bij slempmalen, harddraverijen, en andere vermakelijkheden?quot;
ik zag, dat Reynhove een kleur kreeg. Suzanna had juister getroffen, dan zij zelve wist.
âEn dan.quot; vervolgde zij: âsterft men aan een galziekte ten gevolge van het lekker eten of drinken, of breekt men zijn nek door van zijn harddraver af te tuimelen, er is niemand die u beklaagt: maar dan is het t u 1' a s v o u 1 u George Dan din: boontje komt om zijn loontje, enz.; terwijl men, in een zeeslag sneuvelende, ten minste sterft met het bewustzijn van nuttig geweest te zijn en nog een lofspraak in de courant bekomt bovendien.quot;
âDat is zeker zeer troostrijk voor de erfgenamen,quot; zeide Reynhove, lachende: âik moet echter avoueeren, dat UEd. volkomen waarheid spreekt; doch UEd. zult mij toestaan te observeeren, dat men ook op andere wijzen zijn Vaderland dienen kan, en dat, wanneer men, zooals ik, eenige zoon is, men beter doet een betrekking te kiezen, welke ons niet obligeert onze familie gedurig en soms voor zeer langen tijd te quiteeren.quot;
âEn in welke betrekking dient UEd. het Vaderland dan?quot; vroeg Suzanna.
âTot nog toe in geene,quot; antwoordde hij, half lachende, half beschaamd: âmaar ik zal met genoegen de carrière volgen, welke gij mij aan wilt wijzen.quot;
85
âIk vrees, dat ik een slechte raadgeefster zoude zijn,quot; zeide Suzanna: âen ik zou u beklagen, zoo UEd. in dezen den raad van een ander noodig luidt.quot;
Terwijl zij aldus voortging met hem tot het doel te nemen van haar plagerijen, welke hij echter wel opnam, ja, waarin hij zelfs behagen scheen te scheppen, overlaadde Weinstübe Henriëtte met een vloed van zoutelooze vleierijen, waar ik bijna tevergeefs een woordje poogde tusschen te voegen. Tante, die ongaarne een gelegenheid liet voorbijgaan om zich te onderrichten, had zich bij Lodewijk gevoegd, wien zij met hare gewone levendigheid allerlei vragen deed betreffende de zeevaart en stuurmanskunst, welke hij nu en dan beantwoordde, zoo dikwijls hij zijn pijpje uit den mond nam, om een slok uit de nevens hem staande tlesch te nemen.
Wij waren onder dit alles een goed eind verder gekomen en bevonden ons reeds op de hoogte van Muiderberg, toen Tante, die al pratende niet vergat dat de tijd voortging, aan Lodewijk vroeg, of li ij niet welhaast terug zoude keeren, en haar, volgens belofte, aan de hoeve afzetten. Niettegenstaande het beklag van Reynhove en van Weinstübe, dat de dames hen zoo spoedig weder verlaten wilden, begon Lodewijk, die misschien in zijn hart wel van ons ontslagen wenschte te zijn, bereids klarigheid te maken om den steven te wenden, toen Henriëtte hem een vraag deed, welke, hoe onschuldig ook, de gewichtigste gevolgen had.
âAan wien behoort die fraaie boeier,quot; vroeg zij, âdie daar achter ons komt aanzetten?quot;
âTe deksel ja!quot; zeide Lodewijk: âaan wien behoort die boeier. Klaas ?quot;
âDat is de nieuwe boeier van Jan Pergens,quot; antwoordde de knecht: â die ons vooruit wil; hij heit er al 'ang op 'eloerd.quot;
âOns vooruit!quot; riep Lodewijk: âneen voor den d...,! dat zullen wij hem anders leeren. Je mot het mij niet kwalijk nemen, Mevrouw! maar dat laat ik mij niet doen.quot;
âMaar Mijnheer Blaek!quot; zeide ik: âhet wordt laat en de
dames wenschten wel, aan wal te zijn. Wat gaat het u aan. of hij vooruit komt. daar hij toch op de stad aanzeilt, en wij op Oud-Naarden moeten aanhouden?quot;
âWat het mij aangaat?quot; herhaalde Lodewijk, met het geheele gewicht van zijn lichaam over het roer buigende: âKlaas! man! pas op je tellen. â Wat het mij aangaat? â Zet het zwaard nog wat neer, Klaas! â¢â Wat het mij aangaat? -Wel! zoo ik op den wal aanhield, zou hij denken, dat ik voor hem loopen ging.quot;
âMaar Mijnheer Blaek!quot; zeide Tante, na mij eenigszins verlegen te hebben aangezien; âwij wenschten gaarne te huis te wezen: en UEd. is te beleefd om aan het verzoek van dames geen gehoor te geven.quot;
â't Is waarachtig mijn eer te na. Mevrouw! â Klaas! haal de fokkeschoot nog wat aan.quot; Hier zag hij achter zich om, met een angst op het gelaat, als ware de boeier een roofschip geweest: â't Is maar voor tien minuten. Mevrouw! om hem mijn meerderheid te toonen; en dan zeilen wij in een ommezien weer terug naar de hoeve.quot;
â O! nu gaat het recht pleizierig. Mevrouw! Dat mag zeilen heeten. Tante!quot; zeiden Henriëtte en Suzanna, die er juist zooveel kwaads niet in zagen of zij een uurtje later te huis waren, en er beiden vermaak in schepten, om te zien. met welk een snelheid het vaartuig, daar de wind nu was aangewakkerd. de golven kliefde.
Wat mij betreft, ik was minder voldaan met het antwoord van Lodewijk; want ik berekende, dat, hoe meer de wind thans in ons voordeel was, hoe meer moeite wij zouden hebben om weer naar de hoeve te zeilen: en mijn ongerustheid werd niet verminderd door een leelijke wolk, die uit het noordwesten tegen den wind kwam opzetten.
âZiet gij die bui daar opkomen?quot; vroeg ik, zoo zachtjes mogelijk, om de dames niet te verontrusten, aan den schippersknecht: âhet zou mij ontgaan, indien wij daar geen regen uit kregen.quot;
âWij zullen geducht sop hebben,quot; antwoordde Klaas: âmaar
37
wat wil je der an doen? Meneer kan den boeier toch niet laten voorbijzeilen?quot;
âMijnheer Reynhove!quot; zeide ik, den Hagenaar naderende: ..heeft UEd. ook invloed genoeg op den Heer Blaek, om hem te beduiden, dat hij aan het verlangen der dames gehoor geve ?quot;
âComment!quot; vroeg hij; âUEd. heeft zelf gehoord, dat het zeilen de dames amuseert en dat zij prefereeren, nog niet aan wal te gaan.quot;
âWel mogelijk! maar,quot; beet ik hem in 't oor: âdaar is zwaar weer ophanden: en wij zeilen de bui vlak in 't vizier.quot;
âVous croyez?quot; vroeg hij. eenigszins van zijn stuk geraakt: âja! en effect! maar wij kunnen immers terstond ergens binnenloopen: â intusschen! ik zal het hem vragen. â Zeg eens, Blaek!quot;
âUit den weg!quot; riep Lodewijk, zonder op zijn woorden acht te slaan: âsta mij niet in 't gezicht.quot;
âMaar kijk dan voor u,quot; zeide Reynhove, knorrig: âzie je de bui niet, die daar aankomt?quot;
Maar Lodewijk, in stede van naar de bui te kijken, wendde keer op keer het oog naar het andere vaartuig, dat, hetzij het scherper zeilde, hetzij het beter bestuurd werd, ons meer en meer naderkwam.
âIs het waar? Vreest UEd. een bui. Mijnheer?quot; vroeg Tante, met bezorgdheid, aan Reynhove: âik smeek u, Mijnheer Blaek! laat ons dan terugkeeren.quot;
Maar Lodewijk antwoordde niets. Hij stond, bleek van spijt, op den boeier te turen, die hem reeds op zijde was. Eenige jonge lieden, daarop gezeten, wuifden met de hoeden ten teeken van overwinning, en de eigenaar, die aan het roer stond, hief een glas wijn op en dronk spottenderwijze onze gezondheid.
âWacht! Ik zal u weerom salueeren met een flesch,quot; schreeuwde Lodewijk, woedend, en, naast zich tastende, greep hij de ledige wijnflesch en smeet die met kracht naar het zegevierende vaartuig. Het werptuig bereikte echter zijn be-
88
stemming niet; maar viel halverwege in het water; terwijl een schaterend gelach van den anderen boeier oprees en deze mislukte poging eener machtelooze woede bespotte: al hetwelk Lodewijk nog gramstoriger maakte.
âFoei Lodewijk!quot;' zeide Henriëtte: âis dit nu handelen gelijk een fatsoenlijk man betaamt?quot;
âZij moeten niet denken, dat zij 't gewonnen hebben,quot; zeide Lodewijk, zonder acht te slaan op de afkeuring, welke zijn gedrag bij ons allen gevonden had: âzie eens! zij minderen al zeil. Klaas! hou je goed! Wij zullen hen wel weer voor-bijraken.quot;
âZij minderen zeil,quot; zeide ik: ..en zij hebben gelijk ook; want zij willen niet door de bui verrast worden. Het is onvergeeflijk van u. Mijnheer Blaek! de dames aldus bloot te stellen om doornat te worden.quot;
âGekheid! â Wij keeren terstond terug. â Klaas! haal de kluiffok nog wat aan. Hoezee! Wij halen hen in! Wij halen hen in, zeg ik. Hij heeft er niet op gelet dat de wind gekrompen is. â Ja. voor-de-wind kan hij zeilen; maar hij verstaat er niets van om met halvewind vooruit te komen. Is dat een zeiler ? Kijk, wat doet hij nu ? Hij gaat ver .... nog een zeil strijken! â Hoezee! Wij zijn hem al voorbij! -Hij erkent zijn minderheid! Lacht hem uit, vrienden! nu is het onze beurt.quot;
Vreemd genoeg, hoe weinig de jonge meisjes ook met Lodewijk ophadden, en hoe ontrust zij een oogenblik te vuren waren, scheen haar echter de nu behaalde zegepraal te streelen, als deelden zij daarin: en zij schreven aan Lodewijks bekwaamheid een overwinning toe, welke alleen aan de meerdere voorzichtigheid van den bestuurder des boeiers te danken was. Het was mij duidelijk, dat deze, tevreden met het bewijs zijner meerderheid gegeven te hebben, en de bui ziende aankomen, zijn voorzorgen genomen had: en de schippersknecht versterkte mij in deze opvatting, door mij te verklaren, dat, zoo zijn Heer niet spoedig alles bergen liet, het te laat zou zijn.
39
,.En waarom zegt gij het niet?quot; vroeg ik. niet zonder ontsteltenis over dit bericht.
âWel ja!quot; zeido hij: .dan was mijn paspoort geschreven: âje kent Meneer niet.quot;
âDan zal ik het zeggen,quot; zeide ik: âMijnheer Blaekl ik weet niet, of gij al dan niet een weerkenner zijt; maar ik vraag u nogmaals, of gij die opkomende bui niet bemerkt ? Laat toch strijken. Wilt gij de dames aan gevaar blootstellen ?quot;'
âGevaar!quot; riepen allen, onthutst zich naar achteren dringende.
âOch! wat gevaar!quot; zeide Lodewijk: âwij zullen eenvoudig terugkeeren: en, voor de bui er is, zijt gij aan de hoeve terug. â Wenden Klaas!quot;
Maar het was te laat! Toen hij wenden wilde, weigerde het vaartuig aan de beweging van het roer te gehoorzamen en bij-de-wind te draaien. Op ditzelfde oogenblik deed zich een dof gegons hooren over de oppervlakte van het water: de zee. nog kort te voren zoo helder, werd zwart en vuil van kleur, alsof een onderaardsche beweging het water beroerd had: donkere, laaghangende wolken sloten zich aan het zwerk ineen, en de beide oevers waren in een oogenblik achter een dicht gordijn van regen verborgen, terwijl de wind, plotseling omschietende, met zulk een geweld in de zeilen voer, dat het vaartuig over één kant ging en stellig zou omgeslagen zijn. indien niet de sterk gespannen touwen aan stukken waren gesprongen. Een algemeene kreet van ontsteltenis deed zich hooren. Lodewijk werd bleek als een laken en een krachtige vloek bestierf op zijn lippen.
âAch! mein Kot!quot; zeide Weinstübe: âset mihr aus: ich wil er aus. Ich wil nicht langer hier pleiben.quot;
,,'tls niets!quot; zeide ik. de dames wenschende gerust te stellen: âwij hebben het ergste al geleden. Alle man aan 't werk: dames! gaat in de kajuit!quot; â En, te gelijk mijn best doende, hielp ik Klaas om de einden touw te kappen waar de gescheurde zeilen in smalle reepen en strooken nog aan bleven fladderen. Reynhove, die bij ongeluk een verkeerd
40
touw had aangegrepen, werd door den schippersknecht op zijde gestooten eu liep heen en weder, met de verlegen houding van iemand, die gaarne van dienst wil zijn, maar niet weet op welke wijze.
De bui was intusschen meer en meer genaderd, en weldra viel de stortregen op het dek. De dames, hoewel in de kajuit geborgen, waren ook daar niet veilig voor het water, dat als een cascade de trappen afstroomde. Weinstübe was insgelijks naar binnen gevlucht en prevelde al de gebeden, die hij in zijn leven geleerd had. Lodewijk stond in sombere verslagenheid bij het roer en Reynhove zag mij aan alsof ik er wat aan doen kon. Wij waren allen tot het hemd toe nat; ofschoon Lodewijk het voordeel had van een duffelsche jas, die hij dadelijk had aangeschoten.
âWat zoudt gij nu denken, dat het beste ware?quot; vroeg ik aan Klaas, op wiens doorzicht ik in dit geval meer vertrouwen stelde dan op dat van zijn meeester.
âJa!quot; zeide hij, om zich heenziende: âte Muiden kunnen wij niet komen, 't Zal best wezen, dat wij aan de overzij een opperwal zoeken en daar ten anker blijven tot het opklaart.
Tot mijn genoegen keurde Lodewijk het voorstel goed. Wij heschen een fokje op, en het gelukte ons, na een paar gangen te hebben gedaan, een goede ligplaats te bereiken, waar wij het anker uitwierpen en nu aan het eind van onzen kabel slingerden, dat het een lust was om te zien.
Dit alzoo geschikt zijnde, ging ik naar de deur der kajuit, om te vernemen, hoe de dames het maakten: hoe is het daar binnen gesteld?quot; vroeg ik.
âKom in,quot; riep Suzanna: ,,'t is hier een lief huishouentje.quot;
Ik trad af. Een akelig en tevens walgelijk schouwspel wachtte mij. De tafel was omgeworpen met alles wat er op stond, en de vloer met pot- en glasscherven bedekt. Tante zat, of liever lag op den grond uitgestrekt, bleek als een doek van zeeziekte, met de kleederen bemorst door het instroo-mende water. Henriëtte zat naast haar op een voetenbankje en ondersteunde haar het hoofd, terwijl Suzanna een paar
41
servetten had samengefrommeld, die zij als een dweil bezigde om den vloer wat te boenen. Wat den Duitscher betrof, deze had, sedert wij ten anker lagen en dus oogenschijnlijk buiten gevaar waren, niet bidden opgehouden en lag zoolang hij was op de rustbank, met het gezicht in een stapel kussens gedompeld.
âWat zou onze Aagt wel zeggen, als zij mij zoo aan 't werk zag?quot; vroeg Suzanna: ..maar hoe is het? liggen wij ten anker ? En waar ergens zijn wij ?quot;
âWij liggen bezuiden Burgerdam, kort bij den dijk,quot; antwoordde ik: âIs Tante niet wel ?quot;
âTante mag wel zeggen: Qu' all ais-je faire dans cette galère?quot; zeide Suzanna: âen dat nog wel om onzentwil.quot;
âWelk een ongelukkige reislquot; zeide Henriëtte: ..is L'Ed. niet doornat, Mijnheer Huyck?quot;
.,Zooals UEd. ziet, Mejufler!quot; zeide ik: âen ik ben waarlijk eenigszins beschaamd, mij aldus aan li te vertoonen.quot;
..Net alsof het de eerste reis ware, dat Jetje u met een nat pak ziet,quot; zeide Suzanna. Henriëtte glimlachte even: maar haar lach had iets droefgeestigs en de blik. dien zij op mijn zuster wierp, scheen aan deze te verwijten, dat zij in zulk een oogenblik schertsen kon.
âMaar lieve Ferdinand!quot; vervolgde Suzanna, bij wie de spotzucht geen hartelijkheid uitsloot: gij zult waarlijk ziek worden. Moet gij nu in die doornatte kleederen blijven?quot;
âComme c'est malheureux!quot; zeide Reynhove, die nu insgelijks binnentrad: âen dat wij de dames zulk een fataal moment geprocupeerd hebben.quot;
..Mijnheer Blaek weet allerliefste partijtjes te geven,quot; zeide Suzanna: âjammer maar, dat zij zoolang duren.quot;
..Maar wat doet gij dan toch. Mejuffrouw?quot; vroeg Reynhove. âPermitteer mij, dat ik den knecht roepe om den boel hier wat in orde te brengen.quot; â En weg was hij.
..Die is ten minste beleefd,quot; zeide Suzanna, en wierp een zijdelingschen blik op Weinstübe.
42
âJa! dat is ook waar,quot; zeide ik, den onbeschoften knoet naderende: âMijnheer 1quot; zeide ik, hem op den schouder tikkende: âzoudt gij zoo goed willen zijn, uwe plaats aan de dames af te staan ? â Mijnheer 1quot;'
Eerst op de tweede uitnoodiging gaf Weinstübe teekenen van leven. Hij lichtte even het hoofd op en zag mij aan met een versuften blik en een open mond.
âKom Mijnheer!quot; zeide ik: âals er dames in 't gezelschap zijn, zult gij toch wel de beleefdheid hebben, de rustbank niet voor u alleen te nemen.quot;
âAch Kot! ich pin so krank,quot; zuchtte hij, met de oogen draaiende als een schelvisch, die op het strand ligt.
âDat is wel mogelijk,quot; zeide ik: âmaar die dames zijn ook niet wel:quot; en, zonder meer plichtplegingen te maken, nam ik hem bij den kraag met de eene en om het midden met de andere hand en wentelde hem van de bank af; waarna ik. mijn natten rok uittrekkende en mijn mouwen opstroopende, Tante optilde en op de ontruimde plaats neder-leide. nadat de jonge meisjes de kussens weer wat hadden opgeschud. Beiden namen nu naast haar plaats en poogden haar toestand zoo gemakkelijk mogelijk te maken. Wat Weinstübe betrof, hij bleef liggen waar hij nedergekomen was, met de ongevoeligheid van een zeeziek mensch. Weldra keerde Reynhove met Klaas terug, welke laatste nu knaphandig den boel opredderde.
âWaar is de Heer Blaek?quot; vroeg ik, eenigszins verwonderd, dat Lodewijk niet opdaagde.
âDie zit in 't vooronder,quot; antwoordde Reynhove, âzijn pijp te rooken en een glaasje brandewijn te drinken: en, in 't passant gezegd, wij mochten ook wel iets nemen tegen de nattigheid. Ik geloof, dat onze vriend wat confuus is over hetgene gearriveerd is en zich niet aan de dames durft presenteeren.quot;
âHoelang zullen wij hier nog moeten blijven ?quot; vroeg Suzanna.
Ik haalde de schouders op: âzoolang de storm duurt, kunnen wij hier niet vandaan,quot; zeide ik: âen vooreerst schijnt het weer niet te zullen bedaren.quot;
48
âNeen,quot; zeide Klaas: âen ais wij hier vroeger vandaan kwamen, zou liet fout wezen; want dan gingen wij zoo zeker tegen den overkant als tweemaal twee vier is: en dan bleef' er geen spaander van het heele jacht over. .Tal ja! daar zijn-der hier wel met een minder windje naar den kelder 'egaan.quot;
âEen aangename consolatie,quot; zeide Reynhove.
âZiezoo!quot; vervolgde Klaas tegen de dames: ânou doe jelui zeivers ook 'ereis ondervinding op, dat het niet allemaal pleizier is aan boord. Xou dat's tot daaraantoe. â Ja. nou wou jelui wel een zoopje brandewijn hebben (dit tegen ons;) Ik 'loof dat er nog wel wat in 't lakkeurkeldertje wezen zei.quot;
Dit zeggende haalde hij een fleschje voor den dag: en Reynhove en ik verkwikten ons met een paar goede teugen.
âMot je ook niet wat hebben. Sinjeur?quot; vroeg Klaas, Weinstübe schuddende: âof ben je er vies van?quot;
Weinstübe poogde op te staan; maar nauwelijks had hij zich half opgericht, of het vaartuig onderging zulk een schok, dat hij weder achterover tuimelde; terwijl Klaas, onder den uitroep van: âGod help ons! het anker!quot; de kajuit uitvloog. Reynhove en ik snelden hem na. Het was maar al te waar: wij waren van ons anker geslagen en dreven nu voort waaide wind en de golven ons heenvoerden.
Op het dek ontmoette ik Lodewijk: en nooit zal ik de uitdrukking vergeten, welke zijn verwilderde oogen en bleeke gelaatstrekken in dit oogenblik vertoonden : âvervloekte boeier !quot;
riep hij: âwij zijn naar de w......!quot; En staroogende bleef
hij vooruit zien, zonder eenig bevel te geven.
Op dit oogenblik voelde ik een hand, die mij op den schouder gelegd werd. Ik keerde mij om. Het was Suzanna, die met Henriëtte de kajuit had verlaten: en sprakeloos van angst schenen zij mij met de oogen omtrent de hoegrootheid van het gevaar te ondervragen. Ik drukte aan beiden dc handen: mijn antwoord bestond uit een schouderophalen: waarna ik mij tot Klaas wendde, die tegen zijn Heer stond te spreken, zonder dat deze eenige acht op zijn woorden scheen te geven.
44
âKlaas!quot; riep ik; âwat moet er gedaan worden?quot;
âLensen op 't fokje,quot; antwoordde hij: âen zooveel mogelijk van wal houen en in 't open vaarwater trachten te komen.quot;
âWelnu! doe dat.quot; zeide ik: âen ik zal terwijl op het roer passen.quot;
Maar het was te laat: de wind had ons reeds te dicht op de kust gedrongen: nauwelijks had Klaas de fok geheschen en ik de roerpen losgemaakt, of het vaartuig raakte grond, en het roer, de zandbank ontmoetende, gaf mij een slag tegen de beenen, dat ik op het dek nederkwam.
âFerdinand! Mijnheer Huyck!quot; riepen de beide meisjes, met een angstigen gil toeschietende: en ik voelde vier zachte handjes, die mij poogden op te helpen.
âHebt gij u bezeerd?quot; was beider gelijktijdige vraag.
,,'tls niets,quot; zeide ik, opkrabbelende: âmaar ik houd het er voor, dat wij aan den grond zitten.quot;
âVier voet!quot; zeide Klaas, den peilstok uitwerpende: âwij zitten secuur vast ook : Mijnheer Black! zouden wij niet een schot doen?quot;
Lodewijk gaf geen antwoord; maar in zijn zakken tastende, scheen hij den sleutel van de kruitkast te zoeken. Eindelijk, na eenige oogenblikken, welke zoovele uren schenen, bracht hij een sleutelring te voorschijn en begon, met bevende handen, sleutel voor sleutel te hanteeren. Ik zag, dat het hem nooit zoude gelukken, dien, dien hij hebben moest, van de overige te onderscheiden, en, hem den geheelen bos uit de handen rukkende, zeide ik tegen Klaas: âvolg mij! waar bewaart Mijnheer zijn kruit?quot;
Klaas bracht mij in de kajuit. âHet kruit zit in het kastje onder die bank,quot; zei hij.
âTante!quot; zeide ik: âliet spijt mij, dat ik u moet lastig vallen; maar wij moeten hier binnen wezen:quot; en meteen lichtte ik Tante met kussens en al op en ontsloot het kastje.
âZijn wij aan wal?quot; vroeg zij met een flauwe stem.
âAch! jounge! kellner!quot; riep Weinstübe, die weder wat
bijgekomen zijnde, in een hoek tegen den wand aanzat : âpring mij wat matera en een pescheitje. Ich pin soo vlauw.quot;
âWij hebben wel tijd, om Mijnheer madera en beschuitjes te bezorgen,quot; zeide ik, wrevelig, terwijl ik de ammunitie voor den dag kreeg. Van het noodige voorzien, keerde ik met Klaas op het dek terug, die zich hierop met Reynhove (welke laatste daarvoor beter berekend was dan ik) met het laden van het geschut belastte. Toen verzocht ik de meisjes dringend, weder naar binnen te gaan, daar zij onnoodig in den Aveg stonden en zij bij Tante meer van dienst konden zijn dan op liet dek. âIkzelf zal u het voorbeeld geven,quot; zeide ik: âmijne hulp zoude hier toch niets baten en ik moet Tante waarschuwen tegen hetgeen er gebeuren zal.quot;'
Wij keerden dan terug in de kajuit. âTante!quot; zeide ik. haar weder op de rustbank helpende: âschrik niet: er zal meteen geschoten worden; wij moeten een sein geven, dat wij aan den grond zitten.quot;
âO God!quot; zeide zij, even het hoofd oplichtende: âmoeten wij hier omkomen?quot;
âIk hoop voorwaar van neen,quot; antwoordde ik, mijn best doende om een opgeruimd gezicht te zetten: âwij bevinden ons hier niet op een onbekende kust noch bij een onbewoond land. Er zwerven hier altijd zooveel visschers rond. dat het wel wonder zoude zijn, indien men ons niet bespeurde.quot;
âAch Kot! 't zal wel de laatste maal seijn. dat ich op 't water kom,quot; zeide Weinstübe.
âKom,quot; zeide ik: âSinjeur Weinstübe! Wees een man. Wat drommel! als het niet was om het ongerief, dat zulks aan de dames veroorzaakt, zoude ik mij, wat mijzei ven betreft, niet verlegen maken.quot;
âVloek maar niet,quot; zeide Suzanna: âdaar is het nu geen tijd toe.quot;
âMeent gij dat oprecht, hetgeen gij zegt. Mijnheer Huyck!quot; fluisterde Henriëtte, terwijl zij mij ernstig aanzag: âmeent gij stellig, dat er geen gevaar is?quot;
Ik werd rood en sloeg de oogen neder, terwijl ik op Tante wees.
46
âEr is gevaar,quot; ging zij voort, altijd op denzelfden toon sprekende, ..en gij wilt het maar verbloemen om ons niet ongerust te maken. Maar!quot; en hier blonk een traan in haar oog: âwanneer een oogenblik ons de eeuwigheid kan doen ingaan, is het dan geoorloofd een ijdele gerustheid voor te wenden, en ons af te trekken van die gedachten, welke ons op zulk een gewichtig tijdstip betamen.quot;
Ik gevoelde mij beschaamd en diep getroffen. âMejuffrouw!quot; zeide ik, haar bij de hand nemende: âik handelde om bestwil. Maar gii doet mij mijn ongelijk gevoelen. AVat er ook gebeure,' laat mij ten minste dezen troost, dat gij niet ontevreden op mij zijt.quot;
Zij antwoordde mij niet, maar drukte mij met aandoening de hand, en toen. de hare wegtrekkende, veegde zij zich de oogen af en wendde het gelaat om.
Op dit oogenblik ging het schot af.
âMein Kot!quot; riep Weinstube, opspringende: âWas ist das?quot;
âDames!quot; zeide Reynhove, die terstond daarna binnentrad: âik kom u vragen, of gij ook prefereert in 't vooronder te zitten: niet, omdat het séjour daar zeer gerechercheerd is, maar omdat aldaar vuur aan ligt, en gij er u warmer zult bevinden dan hier.quot;
De dames ^agen elkander aan: âwij danken u wel voor uwe attentie,quot; zeide eindelijk Suzanna: âmaar wij zullen liever bij Tante blijven.quot;
âIs er vuur aan?quot; vroeg Tante, met vaardigheid opstaande: âdan ga ik er stellig heen; want ik verga hier van de koude.quot;
âJa!quot; zeide Weinstübe: âdan ka ich er auch heen: denn ich pin sehr kaut.quot;
âMet verlof,quot; zeide ik tegen Tante: âdan moeten wij zien, dat wij u tegen den regen beveiligen. De overtocht is wel kort; maar toch lang genoeg om nat te worden.quot;
Dit zeggende nam ik de tafellakens en hing die aan de dames als regenschermen om. Weinstübe liep vooruit, zeker met het oogmerk om de beste plaats voor zich te nemen. Reynhove en Suzanna ondersteunden Tante en ik volgde met
Henriëtte. Dan nauwelijks waren wij op het dek, of een windvlaag kwam met zooveel geweld tegen ons aan, dat wij werk hadden om nns op de been te houden. Te gelijk bespeurden wij dat het vaartuig op zijde ging.
âO God!quot; zeide ik, Henriëtte aan mij vastklemmende: âindien ik u slechts kon redden.quot;
âWij zijn in Clods hand,quot; zeide zij met een onbeschrijflijke uitdrukking: âen toch,quot; voegde zij er fluisterend bij: âhet is mij, alsof ik, met u zijnde, niets te vreezen had.quot;
Een nooit te voren gekend gevoel doorstroomde mijn aderen op het hooreu dier woorden en vooral van den toon, waarop die werden uitgesproken: en, midden in het ijselijke van onzen toestand, gevoelde ik mij gelukkig, bij de gedachte dat ik weder bemind werd. En toch â want tot langdurige overdenkingen bestond thans geen tijd â toch verzuimde ik tevens niet, voor onze veiligheid te zorgen en klemde mij, op het voorbeeld der anderen, aan het gangboord vast; in spra-kelooze verwachting bleven wij allen een oogenblik staan, en staarden op een geweldige golf, die op ons afkwam als wilde zij het geheele vaartuig overstelpen. De uitwerking was echter anders. De golf lichtte het jacht, als ware het een stuk kurk geweest, van de zandbank af: wij werden bespat en gedurende eenige seconden verblind van het schuimende water; en toen wij onze oogen weder konden openen en voor ons uitzagen, bespeurden wij den dijk op geen twintig voet afstand.
âft Is gedaan!quot; riep een stem uit ons midden.
Suzanna scheurde zich los van Tante en viel mij om den hals: ik drukte haar en Henriëtte tegen mij aan. Een nieuwe golf nam ons op. Er was weder een oogenblik. dat wij niets als water zagen.
Toen voelden wij, dat het vaartuig een beweging onderging, als werd het door een weeke zelfstandigheid heengevoerd: en plotselings hield het stil, met een schok, die ons allen op het dek wierp. AVij hoorden het zeenat als grommende van rondom wegloopen; â maar toen wij, wanende dat ons
48
laatste uur gekomen was, weder oprezen, zagen wij nergens water meer.
Het jacht was over den dijk heengeslagen en lag togen do binnenste helling in het slijk vast.
DEIE-EX-TW1NTIGSTE HOOFDSTUK.
VERMELDENDE HOE DAMES VOOR SPOKEN WORDKX AANGEZIEN, EN WAT DE SCHIPBREUKELINGEN AL ZOO VERDER DEDEN OM EEN VERKOUDHEID TE VOORKOMEN.
Het gadeslaan der verschillende aandoeningen, welke ons na een zoo wonderbare redding bezielden, zou aan den zoodanige, die, zonder in onze gevaren gedeeld te hebben, eensklaps in het gestrande vaartuig verplaatst ware geweest, een niet onbelangrijk schouwspel hebben opgeleverd. In de eerste oogenbllkken, en wel voordat men recht wist, hoe men het had, heerschte er een soort van verbijstering, en waren wij gelijk aan lieden, die. op een vreemde plaats geslapen heli-bende, bij hun ontwaken in de war zijn en eenig herinneringsvermogen moeten aanwenden, alvorens zij zich kunnen bezinnen, waar zij eigenlijk zijn. Daarbij, het was avond geworden: de wind en regen bleven aanhouden, en alles om ons heen was in nevel en duisternis gehuld.
Voor zooverre ik mij herinner, was ik de eerste, die sprak; en de oogen om mij slaande, om de dames te zoeken, die door den schok van mij afgeraakt waren, riep ik in vervoering uit: âGod lof! wij zijn gered!quot;
âDat mag wel 'ezeid worden, bij 't walletje langs,quot; zeide Klaas: âop zoo'n rare manier ben ik nooit aan wal 'ekomen.quot;
âGoddank! dat was boven verwachting!quot; riep Lodewijk;
49
maar met deze uitboezeming scheen hij zijn geheelen voorraad dankbaarheid te hebben uitgeput; want, op het dek heen en weer loopende. begon hij bij zichzelven te mompelen: â't is
een mooie winkel! hoe d.....krijgen wij het jacht hier weer
vandaan ?quot;
De drie dames zeiden niets. Henriëtte en Suzanna hielden Tante omvat en alle drie schenen in stille, eerbiedige overpeinzing verzonken.
Wat Reynhove betrof, zijn blijdschap was de luidruchtigste. Hij sprong en danste over het dek rond, drukte Lodewijk. mij, de dames, zelfs de schippersknecht, de handen, beurtelings lachende, zingende en weenende, tot eindelijk zijn voet op de natte planken uitgleed en hij achterover rolde, .,'tls niets,quot; zeide hij, terstond weder opspringende: ..het gevaar is voorbij, en wij zijn allen gesauveerd:quot; en hij begon van voren af aan handjes te geven en elk in 't bijzonder geluk te wenschen met een hartelijkheid en een uitbundigheid, welke merkelijk afstaken bij zijn gewone geaffecteerde vormen, en bewezen, hoeveel guller en beter hij in den grond zijns harten was dan hij oppervlakkig scheen te zijn.
..Maar waar zijn wij toch eigenlijk?'quot; vroeg Tante.
..Op een veilige plaats. Tante-lief!quot; was mijn antwoord: âen waar wij op de vreemdste manier ter wereld zijn aangekomen.quot;
..Nu zal ik nooit meer lachen over den vreemden Jood. die zich verbeeldde, dat hij met trekschuit en al over de brug heen getrokken zou worden,quot; zeide Suzanna, die haar vroolijkheid terugbekomen had.
..Mevrouw!quot; zeide Lodewijk, die toch scheen te gevoelen, dat hij eenige apologie noodig had. terwijl hij zich bij Tante vervoegde, âdat is waarlijk gelukkig afgeloopen. Het doet mij recht leed, dat UEd. er zoo ongelukkig bij te pas zijt gekomen.quot;
..Ja Mijnheer!quot; zeide Suzanna: âTante mocht u wel toevoegen, gelijk Athalia tot Abner:
dans quel piège as-tu conduit mes pas?quot;
50
âHet schijnt,quot; zeide Tante, met reden eenigszins gevoelig over de handelwijze van Lodewijk, âhet schijnt, dat Mijnheer Blaek weinig gewend is dames aan boord te hebben.quot;
...Ja Mevrouw!quot; vervolgde Lodewijk, eenigszins verlegen: ..tegen 't weer kan niemand; en wie had zich op zulk een onvoorzienen en geweldigen storm kunnen verwachten? â Al had ik niet met dien boeier om 't hardst gezeild, wij waren toch niet vrijgekomen.quot;
âMocht de drommel!quot; zeide Klaas, wiens zeemansrondheid deze logenachtige verontschuldiging niet verdragen kon; âJan Pergens lag warm en wel binnen Muiden, toen het zware weer begon: en dat hadden wij ook kunnen doen.quot;
âWat reutel je Klaas?quot; zeide Lodewijk, zich omkeerende, op een barschen toon: âbemoei je met je werk en niet met ons discours, of je krijgt je paspoort op staanden voet.quot;
âMijn paspoort!quot; herhaalde Klaas, zich ter zijde begevende: âhm! er zal op het jacht in de eerste weken toch niet veul te verdienen vallen.quot;
âXu Mijnheer Blaek!quot; zeide Tante: âgedane zaken hebben geen keer, en het beste is, dat wij alle verwijtingen maar daarlaten.quot;
âTe mee:-, zeide Henriëtte, âdaar Lodewijk al genoeg gestraft is: want hij zal zijn jacht ook niet even gemakkelijk aan de overzijde van den dijk krijgen als het aan deze zijde gekomen is.quot;
âNeen!quot; zeide Reynhove: âtenzij er een aardbeving kome, die het weder teruglanceert.quot;
âJa!quot; bromde Lodewijk: âjelui hebt goed spotten. Hoe ik het hier vandaan krijg, weet Joost.quot;
âMij dunkt,quot; zeide ik: âwij moesten liever zien, hoe wijzelf hier vandaan komen. Op wat hoogte zijn wij zoowat?quot;
âAVij zullen een heel eind beoosten Muiden zijn,quot; zeide Lodewijk: ..wij konden verd .... nergens ongelukkiger te land komen: wij zijn een half uur van alle bewoonde plaatsen af: en het wordt zoo donker, dat men niet zien kan welken weg men op moet.quot;
51
..Dat is zeker ongelukkig,quot; zeide ik: âmaar wij kunnen toch niet hier blijven: en ik geloof zelfs, dat eenige beweging goed zal doen aan de dames en de slechte gevolgen voorkomen, die koude en nattigheid teweegbrengen.quot;
..Ik zal gaarne de dames accompagneeren,quot; zeide Reynhove: âmaar ik moet alleen remarqueeren, dat het in de kajuit droog is, en dat zij buiten geëxponeerd worden om nog meer doornat te worden.quot;
âJa dat mag zoo zijn,quot; zeide Henriëtte: âmaar ik voor mij zal van harte gaarne loopen: â indien echter Mevrouw Van Bempden het afkeurt. . .
âIk doe alles liever, dan langer in dit noodlottige jacht te blijven,quot; zeide Tante: âKom! terstond maar opgewandeld! Wij zullen toch wel ergens te land komen.quot;
âVergezelt gij ons?quot; vroeg ik aan Lodewijk, âof blijft gij aan boord ?quot;
..Ik heb altijd gehoord,quot; zeide Lodewijk, âdat de kapitein het laatst aan boord moet blijven; maar zoo gijlieden ergens aankomt, stuurt mij dan in 's hemels naam wat vertrouwd volk, om hier den boel te bewaken.quot;
..Ik zou u gaarne van dienst zijn,quot; zeide ik: âmaar gij gevoelt dat ik de dames niet verlaten kan.quot;
âEn ik evenmin.quot; zeide Reynhove; âeerst moeten de dames on lieu de sure té zijn: zij hebben waarlijk bij nacht niet te veel aan de assistentie van ons beiden: en zoo gij ons Klaas met de lantaren wildet medegeven, ware zulks, geloof ik, niet te veel geëxigeerd.quot;
âEn wie zal mij dan volk gaan halen en hier brengen ?quot;
âWel, stuur Weinstübe op kondschap uit,quot; zeide Reynhove: â maar dat is waar ook: o ü d i a n t r e e s t - i 1 ?quot;
âJa! waar is Weinstübe?quot; riepen wij allen, onszelven het stil verwijt doende, dat wij hem niet eerder gemist hadden.
âDe hemel beware ons!quot; zeide Tante: âik hoop niet dat hij overboord is gevallen!quot;
Weinstübe werd overal gezocht: doch vruchteloos: nergens, noch in de kajuit, noch in het vooronder was hij te ontdekken.
Sommigen onder ons meenden zich te herinneren, dat zij hem, een oogenblik voordat wij over den dijk geraakten, nog aan de voorplecht hadden zien staan: en wij konden niet nalaten de gevolgtrekking op te maken, dat hij te dier gelegenheid over boord was geslagen en zijn dood in de golven gevonden had. Hoe gok en lastig de vent ook ware, het was toch een schrikkelijke gedachte, onzen reisgenoot verloren te hebben door een zoo noodlottig toeval, hetwelk evenzeer elk onzer had kunnen treffen. Er was echter niets aan te herstellen: en deze gebeurtenis versterkte zelfs de begeerte der dames om hoe eerder hoe beter het tooneel van zooveel treurigs te verlaten. Ten einde zij echter een geschikte plaats zouden vinden om af te stappen, liet ik mij overboord glijden en zocht nu welke plek de droogste ware en tevens de naastgelegene om den weg te bereiken, die beneden langs den dijk liep. Nauwelijks echter had ik een oogenblik rondgeloopen, of ik hoorde een flauwe stem kort bij mij. die erbarmelijke klaagtonen aanhief, welke ons de wind en de regen tot nog toe waarschijnlijk hadden belet te hooren.
âWie is daar?quot; riep ik, zonder in de duisternis eenig voorwerp te kunnen onderscheiden: âKlaas! licht eens bij. Hier in de buurt is iemand, die angstig kermt.quot;
..God beware onslquot; riep Klaas, die niet geheel vrij was van bijgeloovige denkbeelden: ..als het de geest maar niet is van dien armen mof.quot;
âOm 't even!quot; zeide ik: ..wij moeten het toch onderzoeken.quot; Klaas vatte echter moed en, met een brandende lantaren gewapend, liet hij zich naast mij afzakken. Wij vernamen nu nog duidelijker het gesteen en een flauwe stem liet deze woorden kort bij ons hooren:
..Ach lieber Gott! zum hülfe! Ick pin todt.quot;
..?t Is wel Weinstübe zelf en niet zijn geest,quot; zeide ik, op het geluid afgaande: en weldra ontdekten wij, met behulp der lantaren, den armen Duitscher in eigen persoon, die ongeveer tien passen van het vaartuig af tot aan den hals toe in een moddersloot was gezakt en ontwijfelbaar gestikt ware bij ge-
lirek aan spoedige hulp. Hoe hij daar kwam was ons een raadsel; maar dewijl het niet te vergen was, dat hij ons in zijn tegenwoordigen toestand daarvan de oplossing geven zoude, staken wij hem een roeispaan toe en trokken wij hem uit de sloot, waaruit hij deerlijk toegetakeld voor den dag kwam en nu aan den kant te beven stond als een juffershondje, buiten staat om eenig antwoord te geven. Wij raadden hem. zoo het hem zijn krachten toelieten, met ons mede te gaan en zich warm te loepen; daar er toch aan boord geen gelegenheid was, om hem van andere kleederen te voorzien.
Nu werd de trap uitgezet op de geschikst bevondene plaats: en de dames verlieten het vaartuig; waarna wij Lodewijk, hoezeer tegen zijn zin, alleenlatende, ons gezamenlijk op weg begaven, vooruitgelicht door Klaas, die in de eene hand de lantaren droeg, en in de andere een roeispaan om den grond te polsen en te zorgen, dat wij niet van den weg afdwaalden. Na hem volgden Henriëtte en Suzanna; dan ik. Tante geleidende : en vervolgens Reynhove met een tweede lantaren: terwijl AVeinstübe hompelend en strompelend zich achterna sleepte. Het was geen gemakkelijk noch aangenaam werk, alzoo door de modder te ploeteren, ofschoon de wind tot ons geluk merkelijk verminderd was en de dijk ons eenigs-zins beschutte; maar het was stikdonker; terwijl een fijne regen den grond zoowel als onze kleederen doorweekte.
Wij hadden ongeveer een kwartieruurs voortgesukkeld, en ik bemerkte, dat Tante, hoe goed zij zich ook poogde te houden, hoe langer hoe minder in staat was om voort te gaan en al zwaarder op mijn arm leunde. Zij was uitgeput van angst en vermoeidheid en liep slechts werktuiglijk voort. Eindelijk bleef zij geheel staan met den uitroep: âo weel daar verlies ik mijn schoen!quot;
âHou op!'quot; riep ik, tot hen die voor mij waren: â en de trein stond stil.
âTante is haar schoen kwijt,quot; zeide ik: ..waarachtig, de weg is al te slecht. Is er hier geen woning in de nabijheid?quot;
54
âAls je nog een amerijtje geduld heit,quot; zeide Klaas: âdaar gunter aan den weg zie ik een lichtje.quot;
âis quot;t nog ver?quot; vroeg Tante: ..ik kan waarachtig niet verder voort en ik zal u liever hier tegen den dijk blijven wachten.quot;
..Dat zal ik nooit dulden.quot; zeide ik: â't ware om te besterven. Maar zoo de Heer Reynhove mij zijn rotting wil toesteken, zie ik wel kans om u voort te helpen.quot;
Reynhove was dadelijk bereid en gaf zijn licht aan Wein-stübe, waarop wij, ieder een einde van den rotting nemende, Tante verzochten daarop te gaan zitten en haar armen om onze schouders te slaan. Op deze geïmproviseerde draagbaar, die zeker niet van de gemakkelijkste was, droegen wij haar verder voort, niet zonder vrij wat te struikelen en dikwijls op te houden. Xog kan ik het mijzelf niet verklaren, hoe het mogelijk was, dat wij. op den smallen weg, waar wij telkens tot de enkels toe inzakten en gedurig uitgleden of afweken, niet honderdmalen met onze vracht zijn omgerold: en ik beken, dat ik recht in mijn schik was, toen wij eindelijk voor een boerenhek stonden, hetwelk naar een boerderij geleidde, en dat ik het ongastvrij hondengeblaf met welgevallen begroette.
Xu hielden wij allen stil voor het geslotene hek. en Klaas, een stentorstem opzettende, begon uit |al zijn macht te schreeuwen: âheidaar! boer! boer!quot;
Wij ontvingen echter op dit eerste geroep geen ander antwoord dan een nog gevaarlijker gehuil en gejank van de honden. Wij begonnen dus allen eenparig mede te schreeuwen, elk zijn best, en de honden des te harder te blaffen, alsot wij wedijverden, wie het meeste leven kon maken: en het was een geweld, dat men op een uur afstand had kunnen hooren.
Eindelijk werd er een deur in de boerenwoning ontsloten en zagen wij licht door de opening schemeren. Wij zwegen allen, als door een gelijktijdig gevoel van hoop en verwachting overvallen.
00
âWat wil jelui? Wat is er?quot; vroeg een stem.
Schipbreukelingen!quot;quot; riep de een. âKunnen wij opkomen?quot;' vroeg een ander. ..Eilieve hoor eens!quot; schreeuwde een derde. âGoed volk!quot; riepen wij eindelijk, allen te gelijk.
De persoon, die in de deur stond en wiens donkeren omtrek alleen wij tegen den verlichten muur achter hem konden onderscheiden, deed geene beweging om te naderen en scheen besluiteloos. Toen verzocht ik mijn tochtgenooten wat stil te wezen, en. mijn stem verheffende: âkom eens hier, goede vriend!quot; riep ik: âgij kunt een goede fooi verdienen, zoo gij ons helpen wilt.quot;
Het woord fooi maakte blijkbaar indruk: de persoon kwam naar buiten, en, ofschoon wij hem door de duisternis weder uit het oog verloren, hoorden wij aan het geklos zijner klompen, dat hij ons naderde. Maar toen hij, naar onze gissing, halverwegen den afstand tot het hek gekomen was, bemerkten wij, tot onze bittere teleurstelling, dat hij eensklaps met een vervaarlijken kreet terugkeerde en vrij wat sneller dan bij zijn aankomst den weg naar huis nam, en de deur achter zich toesmeet.
âDat zal hem de duivel leeren,quot; zeide Klaas; âwij motten er toch binnen.quot;
âKan dit hek niet geforceerd worden?quot; vroeg Eeynhove.
Het hek was wel voorzien en de sloot te breed om er over te springen; maar bij onderzoek bemerkten wij, dat er kans was om op zijde van het hek om te klimmen en ik stelde voor aan Klaas, dit gezamenlijk te doen.
âOm Gods wil, doe het niet, Ferdinand!quot; zeide Tante: âzoo de honden u eens aanvielen.quot;
âGeen nood Tante! zoo wij in Friesland waren, waar de honden altijd losloopen op de werf, dan zou ik weinig zin in de expeditie hebben; maar in dit gewest liggen zij meestal vast.quot;
Dit zeggende,- was ik reeds aan de andere zijde, en, door Klaas gevolgd, wandelde ik op het woonhuis aan; doch nauwelijks hadden wij eeihge schreden gedaan, of het bleek ons.
56
dat men van binnenshuis deze schennis van het grondgebied had bespeurd; want een raam werd opengeslagen en een hoofd kwam voor den dag.
..As jelui niet gauw maakt, dat je wegkomt,quot; werd ons toegeschreeuwd, ..zei ik er op losbranden, in dat geval 1quot;
âMaar hoor dan toch eens!quot; riep ik: âwij zijn geen dieven : wij . . .
Hier werd mijn rede op een zeer onaangename wijze afgebroken door het afgaan van een vuurroer, dat de man aan* het venster in de hand hield. Gelukkig trof het schot geen van ons beiden: maar het baarde niettemin een grooten schrik bij ons gezelschap, dat een angstig gegil aanhief. Ik besloot echter nog eene poging te doen, en, mij achter een boom stellende, waar ik schootvrij meende te zijn, riep ik wederom;
âWees toch voorzichtig. Het is Mevrouw Van Bempden van Heizicht, die aan het hek staat: en ik ben Huyck van Amsterdam.quot;
âWat zeg je?quot; hernam de stem van boven: âMevrouw Van Bempden: scheer je ze wat? ja, in dat geval, wil ik ereis zeggen . . .
âKen je mij niet. Roggeveld!quot; riep ik; want ik herkende nu duidelijk de stem, die mij al in den beginne niet vreemd was voorgekomen: â ik ben Huyck! geloof mij toch: Mevrouw Van Bempden staat daar buiten.quot;
âWel, wie heit van zijn leven!quot; riep hij: âverakskeseer mijn onbeleefdheid. Ik kom zoo bij je.quot;
âTt Is warempel 'elukkig ook, dat de man je kent,quot; zeide Klaas: âaêrs hadden wij nog werk 'ehad het hum aan zijn domme verstand te brengen.quot;
Ondertusschen riep ik hun die buiten stonden toe, dat zij maar gerust zouden wezen en dat er hulp zoude komen opdagen. Niet lang duurde het ook of de voordeur ging weder open en Roggeveld trad te voorschijn en kwam naar ons toe, terwijl zijn vrouw, zijn knecht en een paar meiden nieuwsgierig aan de deur bleven staan.
O /
..Wel wie heit van zijn leven!quot; herhaalde Roggeveld, naar ons toekomende, âik heb jelui ummers niet 'eraekt? â Nou! 't was maer los kruit, wil ik ereis zeggen; maer ik dacht niet aêrs, of het dieven waren, in dat geval.quot;
âDat had uw knecht wel anders kunnen gewaarworden, indien hij niet was gaan loopen.quot;
...Jae! Kees dacht, quot;et waren spoeken: en jelui ziet er ook al pover uit, hoor.quot;
Ik kon den man geen ongelijk geven; want op den afstand, waarop wij ons bevonden, leverden zij, die buiten stonden, vooral de dames, die, zooals ik vroeger verhaald heb. tafellakens hadden omgeslagen, bij het twijfelachtige licht der lantaren een vrij kluchtige vertooning op, en de schrik van Kees kwam mij vrij natuurlijk en verschoonbaar voor.
Het hek werd ontsloten, en terwijl wij ons ongeval in korte bewoordingen aan Roggeveld mededeelden, bracht deze ons naar zijn woning. Ik laat aan mijn lezers over zich de uitroepen voor te stellen van: âwel kijk ereis: Heere bewaar ons! lieve tijd! wel jemenie! wie heit zoo iets meer beleefd!quot; en diergelijke, die het Roggeveldsche gezin deed hooren bij het vernemen dezer wederwaardigheden.
âNou vraag ik je reis,quot; zeide de vrouw van den huize, terwijl zij haar best deed om een goed vuur aan den gang te krijgen, âwat of die rijke lui zich al in gevaar begeven, en op zee gaan uit plezier, wanneer zij warm en wel te huis kunnen zitten.quot;
Intusschen werd de breede raad gespannen, wat er te doen stond. Ik stelde voor, dat, indien Roggeveld de noodige ligging bezorgen kon, de dames zich hoe eerder hoe beter te bedde zouden begeven, terwijl wij Heeron den nacht bij het vuur zouden doorbrengen. Tante had niets in te brengen tegen het eerste gedeelte van mijn voorstel; maar vroeg of er intusschen niet iemand zoude kunnen gaan naar Heizicht of naar de hoeve van de oude Martha, om haar rijtuig te zoeken en te zeggen dat men haar afhalen kwam.
âO!quot; zeide ik, âer valt nog veel bovendien te beredderen:
58
maak maar eerst, dat gij in bed komt: dat is nu het voornaamste.quot;
De dames begrepen, dat dit inderdaad de verkieslijkste partij was en verwijderden zich met de vrouw en de dochters van den huize: terwijl wij ons. zoodra het vuur goed brandde, om den haard sloten en op Engelsche wijze, naar een recept van Reynhove, die er zich goed op verstond, van brandewijn, water en suiker ons een verwarmenden drank bereidden, terwijl wij ons langzamerhand van schoenen en bovenkleederen ontdeden en die op de warme plaat voor het vuur lieten drogen.
âKu hebt gij ons uog niet verhaald. Weinstübe!quot; zeide Reynhove, toen wij een poos gezeten hadden, ..hoe gij daar in die sloot zijt gearriveerd.quot;
âWat sol ich er lang ofer braten?quot; zeide Weinstübe: âich stond an de foorblecht, und da kingen wir den dijk ober: und ich dacht zo, wir kingen nach de blitz: und ich flel und ich hield mihr selbst an ein tauw fest: und die tauw schlin-gerde mit mlr, und ich flel pijten poord; und ich dacht das ich versaufen waar: aber nein: ich lag in 't gras. Und ich stund op und ich dacht: dat tijfelsche schip komt ofer mich hin, und so lief ich voraus, und ich sakte bis de oren in eine motterschloot und da lag ich zu sportelen, und zu dreien, und zu schreien; aber da waar niemand, die mihr achtte.quot;
,.Ik geloof inderdaad,quot; zeide Reynhove, ..dat uw positie verre van amusant was; maar laat u raden, Weinstübe, en vertel dat gedeelte uwer lotgevallen aan niemand over. Het is waarlijk al te vernederend, om. wanneer men zulk een schooue kans heeft geloopen in de open zee te verdrinken, slechts in een stinksloot te land te komen.quot;
Terwijl Reynhove op deze wijze voortging met Weinstübe te plagen, wendde ik mij naar Roggeveld, en vernam of er ook gelegenheid ware, iemand, zoowel naar het gestrande vaartuig, als naar Oud-Naarden of 's-Gravenland te zenden: en op deze punten ingelicht zijnde, vroeg ik aan de beide Heeren, wat hunne verdere voornemens waren. Nadat ieder
59
zijnu meening en verlangen geuit had, werd alles dienovereenkomstig geregeld en bepaald, en ik wilde juist de vrouw van Roggeveld roepen om van het afgesprokene aan de dames kennis te geven, toen zij de keuken binnenkwam en mij berichtte dat Tante mij wenschte te spreken. Ik volgde haar naar een opkamertje met twee bedsteden: in de eene zag ik Tante zitten, die het nachtgewaad der boerin aan 't lijf had en bezig was een kandeeltje te drinken. Op de andere bedstede, waarvan de gordijnen waven dichtgeschoven, durfde ik slechts een zijdelingschen blik te slaan.
âHoe bevindt gij u. Tante?quot; vroeg ik, mij tot haar begevende.
âDat schikt wel,quot; antwoordde zij; âen ik ben blijde, dat ik in bed lig. Maar hoor eens, Ferdinand! Ik vrees, dat men op Heizicht doodelijk ongerust zal wezen.quot;
âDat vrees ik ook. Tante!quot;
âEn ik ben bang, dat men boodschappen naar Amsterdam en naar Guldenhof en de Hemel weet waar verder zal sturen, en overal alles in rep en roer brengen.quot;
âDat is niet onwaarschijnlijk.quot;
..Ik wenschte daarom wel,quot; vervolgde Tante, âdat Baas Roggeveld of iemand van zijnentwege kon gaan zeggen, dat wij ons allen wel bevinden.quot;
âIk ben bereid er heen te rijden,quot; zeide ik.
âNeen! dat wil ik volstrekt niet: gij behoeft u niet opnieuw aan nattigheid en koude bloot te stellen.quot;
âLaat dat aan mij over, lieve Tante! Gij zult toch niet langer verkiezen hier te blijven dan tot morgenochtend, en wel eenig schoon goed willen hebben, om behoorlijk gekleed te huis te komen.quot;
â't Is gelukkig juist Zaterdag-avond,quot; zeide de stem van Suzanna van uit de andere bedstede: en zij liet er een halfgesmoord gelach op volgen, terwijl een ander stemmetje âst! stil!quot; fluisterde.
âStil wat, meisjes!quot; zeide Tante: âwel foei!quot;
âWilt gij eens weten, wat wij hebben afgesproken, onder
60
uw welnemen,quot; zeide ik: âRoggeveld zal zijn boerewagen inspannen, en daarmede zullen Reynhove, Welnstübe en ik naar Muiden vertrekken.quot;
.,Beau trio de baudets,quot; mompelde Suzanna.
..De Heeren zullen van daar hun weg wel vinden naar Amsterdam: en ik den mijnen naar 's-Gravenland, vanwaar ik iemand naar de hoeve zal sturen, om te zien of uw rijtuig zich daar nog bevindt.quot;
âGoed overlegd,quot; zeide Tante.
..En wat Klaas betreft, die zal. met al wie hier in de buurt kan opgeloopen worden, naar zijn meester terugkeeren, ten einde hem de hulp te bewijzen, die hij noodig mocht hebben.quot;
.,'t Zou ook jammer zijn, dat zij den armen jongen wegstalen,quot; zeide Suzanna.
âXul ik vind alles zeer goed geschikt,quot; zeide Tante, âals gij dan maar met Kaatje de kamenier overlegt: die weet, wat ons gezonden moet worden.quot;
âDit zoo zijnde, wensch ik u een goeden nacht,quot; hernam ik. ik bleef echter nog een oogenblik staan, en vroeg met een bevende stem:
âHebben de jonge dames ook nog iets te gelasten?quot;
Ik bekwam in het eerst geen antwoord; maar er was eenige beweging, en 'een dof gemompel achter de bedgordijnen. Ik stond zelf eenigszins verlegen, niet wetende of ik gaan of blijven zoude. Opeens vertoonde zich het hoofd van Suzanna tusschen de gordijnen door.
âHenriëtte vraagt, of gij niet een boodschap aan haar oom zoudt kunnen zenden, die anders in ongerustheid zou wezen over zijn lieve zoontje.quot;
âIk was bevreesd om onbescheiden te wezen,quot; fluisterde het lieve stemmetje van Henriëtte: âmaar UEd. zou mij zeer verplichten, Mijnheer Huyck, indien het in uw vermogen ware.quot;
âIk neem dit stellig op mij,quot; zeide ik, mij buigende.
âEn dan verder,quot; vervolgde Suzanna, âverzoekt Henriëtte,
5W
d C' I
r t
G1
dat gij aan Kaatje haar kapsel met rozeroode strikken vraagt, en haar kleed met de fontanges en haar zijden keurs, en haar Brusselsche schoenen en . . .
âIk verzoek om verschooning. Mijnheer Huyck,quot; zeide Hon-riëtte: âik heb niets van dat alles gezegd; zooals Kaatje quot;t schikt, is 't mij wel. Foei Santje.....quot;
âFoei Santje!quot; zeide ik op mijne beurt: en het schelmachtige gelaat mijner zuster verdween weder achter de gordijnen; â-waarop ik, de dames nogmaals een goede nachtrust wen-schendë, mij naar beneden begaf. Welhaast was nu de boere-wagen ingespannen en schokten en hotsten wij naar Muiden, waar wij de halve stad in opschudding brachten. Ik zond eenig volk aan Lodewijk tot bewaking van het gestrande vaartuig, en een man te paard naar de hoeve van de oude Martha: ik nam afscheid van mijn reisgenooten, terwijl Reynhove op zich nam mijne familie te Amsterdam gerust te stellen, en, een fourgon nemende, reed ik naar 's-Gravenland, waar, als men denken kan, niemand te bed was gegaan. Ik deelde aan de kamenier de bevelen van Tante mede, schreef een briefje aan den Heer Blaek, om hem in korte woorden met de toedracht der zaken bekend te maken, en begaf mij vervolgens ter ruste. Ofschoon het gebeurde van den avond wel geschikt was geweest, om mijn ziel te ontstemmen, en mij, in het begin, de beeltenis van de verbolgen zee en het geteisterde vaartuig en daartusschen dat van de beminnelijke Henriëtte gedurig voor de oogen speelden, en hare liefdevolle woorden mij tusschen het geruisch der golven en het gegier der winden in de ooren suisden, zoo zegevierde toch eindelijk de vermoeidheid over deze kinderen van het brein en viel ik in een diepen slaap, waaruit ik niet eerder ontwaakte, dan toen de bediende mij kwam waarschuwen, dat het rijtuig van Heizicht teruggekomen en weder met versche paarden bespannen was. Ik kleedde mij spoedig aan, ging naar beneden, en vond de kamenier reeds met een half dozijn doozen, gereed om mij te vergezellen. Wij begaven ons terstond op weg naar de boerderij van Roggeveld : van waar de dames, na een haastig toilet, met ons
terugkeerden. Alle drie waren naar tijdsomstandigheden vrij welvarende, alleen Tante klaagde over hoofdpijn, en ging dus, zoodra zij op Heizicht kwam, weder naar bed; terwijl wij jonge lieden onze krachten poogden terug te bekomen door het gebruik van een stevig ontbijt.
VIER-EX-TW1XTIGSTE HOOFDSTUK.
hetwelk over 'ï geheel vax een vrij sentimenteelex aard is; doch vrij slaperig eindigt.
..Ik hoop,quot; zeide Henriëtte tegen Suzanna; ..dat de gezondheid van die goede Mevrouw Van Bempden maar geen slechte gevolgen moge ondervinden van dezen ongelukkigen tocht.quot;
..Ik hoop het met u,quot; zeide ik: âmaar ik durf denzelfden wensch koesteren met betrekking tot allen, die van de partij zijn geweest.quot;
..Wel jalquot; zeide mijn zuster: âneem den wensch zoo algemeen mogelijk: 't zou jammer zijn u-zelf te vergeten. Gij doet zooals nicht Bender, die, als zij gasten heeft, nooit zegt: âik hoop dat het den vrienden,quot; maar: âik hoop dat het ons wel zal smaken.quot;
âWat mij betreft,quot; zeide ik, ,.ik ben niet van zout of van kraakporselein en zal aan een nat pak of aan een weinigje vermoeienis niet sterven.quot;
..Ei kom!quot; zeide Suzanna: ..gij praat als een held, en on-dertusschen, laatst, toen gij terugkvvaamt van de reis, waart gij ook mooi ziek van de bui, die gij op uw dak hadt gehad.quot;
âInderdaad?quot; vroeg Henriëtte, op een toon van bezorgdheid, die mij verrukte: âdan zou het u toch waarlijk wel kwaad kunnen doen, mijn Heer Huyck! van zoo kort daarna opnieuw aan zulk een weer te zijn blootgesteld.quot;
63
âHet zou hem kwaad doen,quot; /.eide Suzanna, haar napratende: âwel Jetje! gij zoudt mijn broeder in den grond bederven. 't Is goed, dat gij mijn zuster niet zijt.quot;
âDat zeg ik ook,quot; zeide ik, Henriëtte aanstarende met een veelbeteekenenden blik, die haar de oogen neer deed slaan.
âIk moet zeggen, 't is al zeer beleefd,quot; hernam Suzanna: âwaar heb je die fraaie complimenten leeren maken?quot;
âO!quot; zeide ik: âMejuffrouw Blaek houdt niet van complimenten : en ik durf hetgeen ik zeg staande houden, zonder wegens onwellevendheid veroordeeld te worden.quot;
âDat loopt mij te hoog,quot; zeide Ãuzanna.
âJa, mij ook,quot; zeide Henriëtte: âen wij zullen Mijnheer de verklaring zijner woorden maar niet afvergen. Zie!quot; zeide zij. na eenige oogenblikken zwijgens en met het blijkbaar inzicht om van gesprek te veranderen: â't is mij nog even of ik de beweging van het vaartuig voel.quot;
âEen gewone sensatie wanneer men op het water is geweest,quot; zeide ik: ..en die van zelve wel slijten zal.quot;
âNu!quot; zeide Suzanna: âik begeer die van mijn leven, noch in schijn, noch inderdaad weder te ondervinden: ik denk als Poot: 't Is varen, maar met groot gevaar: en zoo ik ooit trouw, zal ik de voorwaarde maken, dat mijn man er geen boeier op nahoude. Ik zou geen oogenblik gerust zijn.quot;
âDan moogt gij evenzeer de voorwaarde maken,quot; zeide ik, âdat hij geen rijtuig houde; want ik geloof, dat men, alles bijeenrekenende, meer ongelukken met rij- dan wel met vaartuigen tellen zal.quot;
âDat leert mijne ondervinding niet,quot; zeide Suzanna: âwant ik heb wel honderdmalen in een rijtuig gezeten en nog nooit eenig ongeluk gehad: en voor de eerste reis dat ik op het water ben, loopt liet zoo deerlijk af.quot;
âLodewijk zou u een tegenovergestelde ondervinding voorwerpen,quot; zeide Henriëtte: âhij is wel twintigmaal van 't paard gevallen en heeft, de hemel weet hoe dikwijls, met de sjees omgelegen; terwijl deze rampspoed de eerste is, die zijn jacht overkomt.quot;
64
â'tis dan zeer gracieux van zijnentwege,quot; zeide Suzanna: dat hij die juist voor ons bewaard heeft.quot;
Op dit oogenblik kwam de kamenier van Tante binnen, en verzocht, of Mejuffrouw Suzanna even bij Mevrouw wilde komen.
âOhé!quot; zeide Suzanna: âik voorzie het al: de beschikkingen van den maaltijd zullen mij worden opgedragen. Wat eet gij liefst, Jetje? â En gij, Ferdinand?quot;
âKom!quot; zeide ik: ..maak maar dat gij boven komt: Tante wacht u immers.quot;
âAha! â Mijnheer wil gaarne van mij ontslagen worden! Kii! ik zal u verlossen van mijn overtollig gezelschap; ik ga al.quot; â Eu. een spotachtigen blik op ons slaande, verliet zij het vertrek en liet ons samen.
Wij bleven, gelijk veelal in dergelijke gevallen plaats heeft, een geruimen tijd zwijgende over elkander zitten: ik. vast besloten hebbende, mijn zielsverlangen te uiten, maar verlegen, hoe best het onderhoud aan te vangen: zij, ten gevolge van dat fijne voorgevoel, hetwelk aan alle vrouwen eigen is. vermoedende wat er in mij omging, en ijverig voortwerkende met het hoofd voorovergebogen en de oogen stijf op haar borduurwerk gevestigd; terwijl echter haar kleursverandering en het zwoegen van haar boezem de onrust van haar gemoed verrieden.
Ik wilde beginnen mijn hartsgeheim te ontdekken, maar wist niet hoe: mij dacht, ik kon toch niet zoo plompweg met de deur in huis vallen en in de plaats van: â't is mooi weer,quot; tegen haar zeggen: âik bemin u.quot; Ik vergat, dat tus-schen twee gelieven, al spreekt men geen woord, het onderhoud zijn loop vervolgt, de geest dezelfde gedachtenreeks bij beiden doorloopt en langs dezelfde schakels voortgaat, zoodat indien beiden na een uur zwijgens den mond opendeden, men tien tegen één zou kunnen wedden, dat beiden hetzelfde woord zouden uitspreken; evenals twee gelijkgestemde harpen, die hetzelfde akkoord uitslaan.
Eindelijk, toen de pauze een geruimen tijd had geduurd, en
65
ik reeds beducht begon te worden dat Suzanna terug zou komen eer ik nog een woord gesproken had, hervatte ik hel gesprek daar, waar wij het gelaten hadden.
âWij spraken daar van ongelukken met rijtuigen en schepen. â Daar ligt al een zeer troostrijk denkbeeld voor mij in opgesloten.quot;
âVoor u? En hoe dat?quot; vroeg zij, zonder de oogen op te slaan, terwijl mijn onbeduidend gezegde haar een kleur als bloed aanjoeg.
âOmdat,quot; zeide ik, âik geen rij- noch vaartuig houd, en dus minder dan anderen in de gelegenheid ben om ongelukken daarmede te krijgen.quot;
Xu had die fraaie, zoogenaamde troostgrond, wel beschouwd, noch zin noch slot: want, ofschoon geen speeljacht hebbende, had ik niettemin den vorigen avond tot het getal der schipbreukelingen behoord; en ik reed dikwijls genoeg, zoo niet in mijn eigen, dan toch in eens anders rijtuig: maar het ging mij, zooals het zelfs verstandiger lieden bij dergelijke gelegenheden gaat. ik sprak, zonder dat het mij schelen konde, wat ik zeide, mits ik maar aanleiding vond om tot het punt te komen waar ik wezen wilde: en deed evenals de Jager. die. het wild navolgende, er weinig om geeft, of hij een gebaand pad inslaat en veeltijds door heggen en struiken kruipt of over slooten en dammen springt om zijn doel te bereiken. Henriette nam dan ook de moeite niet, mijn argument tegen te spreken; maar deed er het zwijgen toe: zoodat ik mij genoodzaakt zag, op denzelfden toon voort te gaan.
âEn ik geloof niet. dat ik ooit een speeljacht of een rijtuig bezitten zal.quot;
Dezelfde stilte.
âIk geloof, dat men zeer gelukkig kan zijn zonder een van beide.quot;
Dezelfde stilte: maar haar lieve vingertjes begonnen te beven, alsof zij bespeurde, dat ik weldra duidelijker spreken zoude.
âEn gij, Mejufferlquot; vervolgde ik, niet minder bevend: âge-
II. - F. H. 5
Gtj
looft gij insgelijks.... ik meen: zoudt gij gelukkig kunnen zijn .... zonder rijtuig .... zonder al die gemakken, waaraan gij thans.... aan liet huis van uw oom.... gewoon zijt geraakt ?quot;
Dit was een vraag: en hier diende een antwoord op. Dit antwoord was echter datgene, hetwelk altijd gegeven wordt, wanneer men schroomt of zich ongehouden acht, rechtstreeks of onbewimpeld te antwoorden.
..Dat weet ik niet.... dat is betrekkelijk.quot;
.,Vergeef mij,quot; zeide ik: âmijn vraag was misschien onbescheiden. Maar,quot; vervolgde ik, opstaande, en mij nevens haar plaatsende, met de eene hand op de tafel en de andere op den rug van haar stoel: âindien ik die vraag doe, 't is omdat bijaldien uw hart gehecht ware aan die genoegens, welke de rijkdom alleen kan verschaffen, ik schromen zoude, u een verklaring te doen, die .. ..quot; hier zweeg ik een oogenblik en begon nog harder te beven. Zij bleef stip op haar werk zien, beurtelings rood en bleek wordende.
âGij hebt mij gisteren,quot; vervolgde ik, âtoen wij ons in levensgevaar bevonden, eenige woorden toegesproken, welke ik nimmer vergeten zal en die mij ook thans nog als hemel-muziek in de ooren ruischen. Ik zou echter geene gevolgtrekkingen durven maken uit hetgeen wellicht aanleiding vond in de ontroering van het oogenblik en in den staat van opgewondenheid, waarin wij toen verkeerden. Maar zoudt gij thans, bij bedaarder zinnen, mij vergunnen, aan die woorden een uitlegging te geven, welke mij voordeelig ware?quot;
Hier lichtte Henriëtte de oogen op en zag mij aan met een engelachtigen blik, maar terstond weder voor zich ziende: âik durf mij vleien,quot; zeide zij, âdat ik toen bedaard was en geen bewijs van opgewondenheid gegeven heb. Wat ik dus toen zeide .. . .quot;
âBlijft gij dat ook thans gestand doen?quot; vroeg ik, in verrukking, haar bij de hand vattende en mij over haar schouders neerbuigende.
Zij beantwoordde mijn handdruk en liet terzelfder tijd het
hoofd tegen mijn arm nedervallen. Maar weldra richtte zij zich weder op, en, het hoofd schuddende, zeide zij met een weemoedigen blik: âKom! Ik ben een zottin. Verschoon mij, Mijnheer Huyckl Het is beter, dat wij dit onderwerp niet verder aanroeren .... en zelfs, dat wij elkanders gezelschap vermijden.quot;
âHoe!quot; riep ik uit, verbaasd en terneergeslagen: âgij geeft mij de zoetste hoop en tegelijker tijd, in één adem, wilt gij mij die weer ontnemen.quot;
âIk gevoel dat ik verkeerd heb gehandeld,quot; zeide zij: âmaar âik beschouw u als edelmoedig genoeg, om geen misbruik te maken van een oogenblik van zwakheid. Uw woorden hadden mij verrast. . ..quot; (Met allen eerbied gesproken, ik geloof dat dit een weinig bezijden de waarheid was) âen ik heb niet welgedaan die zoo onbedachtzaam te beantwoorden.quot;
âNiet welgedaan,quot; herhaalde ik: ,,door aan de inspraak van uw gevoel gehoor te geven liever dan aan die van de koele rede? Doch. ik zie niet in, waarom deze beide in dit geval in tegenspraak behoeven te zijn. Zoo uw hart, door de beant woording mijner liefde, mij tot den gelukkigsten der stervelingen maken wil, begrijp ik niet, welke gewichtige gronden de rede daartegen kan inbrengen.quot;
âIk ken u nog sinds zeer kort,quot; zeide zij: âen niet genoeg, om te weten of het gevoel van .... voorkeur, dat ik u toedraag, behoorlijk te rechtvaardigen is!quot;
âIndien dit zoo is, wil ik de hoop niet opgeven,quot; zeide ik: âwant ik ben overtuigd, dat de narichten, die men over mij zoude willen inwinnen, niet zoo geheel tot mijn nadeel kunnen uitloopen,quot;
âIk geloof u, Mijnheer!quot; hernam zij, het hoofd schuddende, met een droefgeestige uitdrukking op het gelaat, die mij bewees, dat zij de ware reden van haar terughouding niet vermeldde: âmaar toch! . . ..quot;
âWelnu! wat kan er meer zijn? Ik bid u, verzwijg uwe zwarigheden niet: ik vlei mij, dat, zoo gij mij slechts wederliefde schenken wilt, ik in staat zal zijn alle andere bedenkingen te overwinnen.quot;
âIk hang van mijn oom af,quot; zeide zij, de oogen neerslaande: âen ik twijfel, of hij ...
âHoe!quot; zeide ik: âzou hij iets tegen mijn persoon of familie kunnen in te brengen hebben? Of is het mijn gebrek aan fortuin, dat mij in den weg zoude staan ? 't Is waar, rijk ben ik niet; maar ik ben thans deelgenoot eener bloeiende firma en hoop weldra in staat te zijn, eene vrouw, wel niet op een weelderigen, maar toch op een ordentelijken voet te kunnen onderhouden.quot;
âMijn oom zal dat nimmer willen,quot; herhaalde zij: âen ook dan zelfs, wanneer ik mondig en mijn eigen meesteresse ware, zou ik nimmer iets doen, hetgeen hem mishagen kou. hem aan wien ik alles verschuldigd ben en dien ik eeren moet als een vader, ja meer dan een vader: want hij heeft mij welgedaan, zonder daartoe gehouden te zijn.quot;
âMen kan het hem ten minste vragen,quot; zeide ik: âgeef mij slechts uwe toestemming om mijn vader te verzoeken, met den Heer Blaek te spreken: dat is al wat ik verlang.quot;
âHoor! ik wil oprecht met u zijn,quot; zeide zij, âen u niets verzwijgen. Mijn oom heeft zich vast in het hoofd gezet, dat Lodewijk mij trouwen moet. Tot nog toe (moet ik zeggen gelukkig voor mij ?), stommen vader en zoon niet overeen in hun wenschen: anders weet ik waarlijk niet, wat ik zou moeten doen. Zoolang Lodewijk dus nog ongehuwd blijft, zal mijn oom zijn hoop niet laten varen, en ieder aanzoek afwijzen, dat hem om mijn hand gedaan wordt.quot;
âDus zou ik dan moeten wachten, tot Mijnheer Lodewijk goedvindt, zich in den echten staat te begeven, of op te stappen? â Mij dunkt toch, dat uw oom, bespeurende dat gij over en weer geen genegenheid gevoelt om zijn plannen te bevorderen, niet dwaas genoeg zal zijn, om die vol te willen houden. Hij heeft u en zijn zoon beiden lief: en zal uw beider ongeluk toch niet willen. Mij dunkt, ik zou mij sterk maken, hem zulks aan zijn verstand te brengen.quot;
âIk vrees, ik vrees,quot; zeide Henriëtte; âmaar ik heb er in
69
zooverre niets tegen, dat gij het beproeft,quot; voegde zij er bij met een betooverenden lach.
âHeb dank voor deze vergunning,quot; zeide ik, haar hand met vurigheid aan mijn lippen brengende: âlaat nu gebeuren wat wil, eenmaal toch zullen wij vereenigd zijn.quot;
Op dit oogenblik ging de deur open. Wij stoven verschrikt uit elkander en zagen, tot onze niet geringe ontsteltenis, de Heeren Blaek, vader en zoon, binnentreden. De eerstgemelde scheen onze verwarring niet te bespeuren; althans hij toonde daar niets van: maar terstond naar Henriëtte toegaande, omhelsde hij haar hartelijk en vroeg haar of zij reeds van den schrik bekomen was, en of zij zich niet ongesteld gevoelde.
âO!quot; zeide zij: âIk ben zoo wel, of er niets gebeurd was.quot;.
âIk weet niet, Nichtje!quot; zeide Lodewijk, die intusschen ons beiden met een spotachtigen blik beschouwd had: âmaar mij dunkt als men u wel aankijkt, gij ziet er toch wel wat ontdaan uit. Laat eens zien,quot; vervolgde hij, haar hand nemende: âgij beeft er waarlijk nog van.quot;
âIn allen gevalle,quot; zeide ik, niet zonder eenige verontwaardiging: ..zou het geen wonder zijn, indien Mejuffrouw de gevolgen van dien noodlottigen avond nog ondervond.quot;
..Zoo, vriend Huyck,quot; zeide Lodewijk, als zag hij mij eerst nu: âwel gerust? â Ja! 't was een ongelukkig geval. Maar wie drommel kan het helpen? Ik lij er het meest bij! En hoe heeft die stoffel van een Weinstübe het toch gemaakt ? Jongens! wat zat de vent in de benauwdheid!quot;
..Ik ben uw dienaar. Mijnheer!quot; zeide de oude Heer Blaek. zich buigende: âwij waren eens komen vernemen naar de gezondheid van de dames: en tevens moet ik u mijn dank betuigen voor de spoedige mededeeling. Lodewijk dient ook zijne verontschuldigingen te maken: â hij heeft gewis wat onvoorzichtig gehandeld; doch, zooals hij zegt, hij lijdt er het meeste bij: want het zal geen kleintje kosten om het jacht weer in quot;t water te krijgen: â en er zullen wel wat reparation aan moeten gedaan worden ook.quot;
70
..Eu verhaal ons eens,quot; zeide Henriëtte, âhoe is het u verder gegaan?quot;
O!quot; antwoordde Lodewijk: âmen heeft mij wel lang genoeg laten wachten; maar eindelijk kwam er toch volk opdagen, en toen heb ik Klaas bij 't jacht gelaten en ben naar G-uldenhof getrokken en terstond, zoodra ik gekleed was, was het wederom inspannen om hierheen te rijden.quot;
âGij gevoelt,quot; zeide de Heer Blaek tegen Henriëtte, âdat Lodewijk zich geen oogenblik rust wilde gunnen, voor hij vernomen had, hoe het met zijn lieve nicht was gesteld.quot;
Onder dit praten kwam Suzanna weder binnen, met de boodschap aan de Heeren, dat Tante eenigszins vermoeid was, doch meende op te staan om hen te ontvangen. Het ontbrak nu niet aan stof tot gesprek, waartoe al de gebeurtenissen van den vorigen avond weder werden opgehaald. Na verloop van eenigen tijd kwam Tante ook beneden, en kort daarna reden mijn ouders, die vroeg in den morgen door Reynhove bericht van het gebeurde bekomen, en, niet weinig bekommerd, dadelijk rijtuig besteld hadden, Heizicht binnen. Ik zal hier van de blijdschap des wederziens niet gewagen, die men zich licht kan voorstellen: en evenmin van de gesprekken, welke dien dag gevoerd werden en waarvan de reeds verhaalde gebeurtenis het hoofdonderwerp uitmaakte. Ik was vermoeid en verveeld van zoo dikwijls over hetzelfde te hoeren praten, en bovendien belette mij de verliefde stemming, waarin ik mij bevond, behoorlijk aandacht te schenken aan hetgeen er gesproken werd.
Het was mijn oogmerk geweest, met Suzanna den volgenden morgen vroegtijdig weder naar Amsterdam te vertrekken: de komst mijner ouders bracht echter eenige verandering in ons plan teweeg: en. daar zij twee plaatsen in hun rijtuig open hadden, werd er goedgevonden dat wij beiden na den eten met hen zouden terugkeeren: een schikking, waar niet veel tegen in te brengen viel; hoezeer Tante zich bitter beklaagde, dat men haar juist nu, nadat zij zulk een schrik
71
had gehad, zoo alleen liet (want Henrietta zoude ook den volgenden dag vertrekken); dat dit niet vriendelijk of beleefd was, enz. Intusschen wisten wij allen zeer goed, dat zij van den schrik reeds genoeg bekomen was, en inderdaad liever alleen wenschte te zijn, om op haar gemak al de toebereidselen te kunnen maken voor de feestviering, welke zij voornemens was, veertien dagen later, ter gelegenheid van den jaardag mijner moeder, op Heizicht te geven, en waarmede haar levendige verbeelding reeds sedert lang werkzaam was geweest. â De tweede persoon, die reden had om zich over de bespoediging van ons vertrek te beklagen, was ikzelf: want ik zag mij daardoor teleurgesteld in het aangenaam vooruitzicht om nog dien avond in het gezelschap door te brengen van haar die ik liefhad. Men begrijpt echter, dat ik mijn verlangen om te ' blijven niet aan den dag dorst brengen, vreezende, zoo ik daarvan sprak, mijn zielsgeheim te verraden, hetwelk ik, gelijk verliefden gewoonlijk doen, mij verbeeldde, dat ieder reeds in mijn oogen lezen kon. Alleen een droevige blik, op Henriëtte geworpen, en een handdruk, die meer dan gewoonlijk beteekende, bij ons vertrek, moesten haar doen weten, hoeveel mij dit afscheid kostte: â en ik geloof mij niet bedrogen te hebben, zoo ik, toen wij reeds in het rijtuig gezeten waren en her laatst vaarwel over en weder klonk, een traan in hare oogen meende te zien glinsteren.
In het naar huis gaan was ik stil en afgetrokken, zoo zelfs, dat Suzanna mij daarover bespotte; ik had echter twee zeer goede verschooningen gereed, namelijk: slaap en vermoeienis, welke mijn goede moeder alleszins geldig vond: en ik bekwam alzoo verlof om niet te spreken en mij tot slapen te zetten. Suzanna, die, niettegenstaande zij er mij mede gebruid had, zelve toch eenigszins de uitwerking der doorgestane vermoeienissen voelde, begon weldra te gapen en te knikkebollen, en raakte, zoodra het donker was, in een diepe rust; zoodat ik nu volle vrijheid bekwam, om, met geslotene oogen en in een hoek van het rijtuig gedoken,
mij over te geven aan mijn verliefde droomen, welke langzamerhand in werkelijke droomen overgingen; zoodat ik, toen wij de AVeesperpoort binnenreden, in een genisten slaap lag gedompeld.
VIJF-EX-TWIXTICtSTE HOOFDSTUK,
HETWELK EE.N' VERVOLG IS OP HEà VIEK-E.VTWIXïKiSTE.
âDat zijt gij gelukkig ontkomen,quot; zeide de Heer Van Baaien, toen hij mij den volgenden morgen op het kantoor begroette: âgij hadt waarlijk tot spijs voor de visschen kunnen verstrekken; â- belieft het u dezen brief in te zien, die gisteren met de Hamburger post is aangekomen.quot;
âIn waarheid,quot; antwoordde ik, den brief aannemende: âhet is eene bijzondere bewaring Gods!quot; en ik doorliep vluchtig het blad, dat ik in handen had.
âMen wil wel zeggen,quot; vervolgde hij, âdat die Jongeheer Blaek de rechte man niet is, om een jacht te besturen! â Is UEd. niet van oordeel, dat wij die commissie zeer goed kunnen volbrengen ?quot;
âMij dunkt, dat de risico niet groot is,quot; antwoordde ik op de laatste vraag. âJa Mijnheer! Het is eigenlijk een gewaagde onderneming, met hem te gaan zeilen,quot; was mijn bescheid op de eerste.
âNeen voorwaar!quot; hernam hij: âik heb ook in mijn jongen tijd een boeier gehad; maar ik ben er vroeg mede uitgescheiden: ik trof nooit goed weer: de spullen waren altijd onklaar: ik kon nooit een geschikten helper krijgen: ik was altijd ongelukkig in al dat soort van ondernemingen. Maar, om die commissie te volvoeren, wenschte ik gaarne een meer ijveri-gen makelaar te nemen dan die De quot;Wijs is: â ik heb nogal
die nota niet ontvangen, waar ik laatst over sprak. â Bovendien ben ik stellig onderricht, dat hij somtijds zaken voor zichzelf doet: en de zoodanigen wil ik niet gebruiken. Zij, die zaken voor zich doen, moeten die van hun patroon noodwendig verwaarloozen.quot;
âWat dunkt UEd.,quot; zeide ik, mij mijn vriend van de dich-terenvereeniging herinnerende: âzoo wij Velters gebruikten?quot;
âHm! hm! Hij is niet onknap, en heeft een goeden wil, maar hij is wat jong.quot;
âDes te ijveriger zal hij zijn en des te minder eigenwijs.quot;
âDat moet ik u toegeven; ââ maar er is nog iets anders: â hij rijdt te paard: â en ziedaar iets ongehoords voor een makelaar.quot;
âNiet anders als zeer vroeg in den morgen,quot; zeide ik: âen op voorschrift van zijn dokter; â⢠maar ik geloof niet, dat iemand hem ooit in gezelschap met anderen heeft zien rijden.quot;
..En dan,quot; vervolgde Van Baaien: âwat het ergst van alles is, hij maakt rijmpjes. â Hoe wil er nu ooit een degelijk en bruikbaar mensch van groeien?quot;
âWel!quot; zeide ik: âdat bewijst alleen, dat hij te veel ledigen tijd heeft. Hij is waarlijk niet onknap: en, zoo ik er eenigs-zins over durf oordeelen, dan heeft hij veel kennis van zaken en een helder, gezond verstand. Verschaften wij hem werk, dan zal hij dat rijmen vanzelf wel laten varen.quot;
âNu, fiat! UEd. heeft zijn zaak zoowel bepleit, dat ik er niets verder tegen kan inbrengen. Zijn vader was bovendien een braaf man, aan wien ik veel verplichting heb gehad. â Wij kunnen het beproeven. â Zien wij verder: Willem Bartelsz. en Co. te Enkhuizen schrijven, dat zij op ons trekken zullen. Eilieve! Mijnheer Wijdveld! Hoe staat onze rekening met dat huis? â Mij dunkt, wij moeten reeds in avans voor hen zijn.quot;
âZoo is het, Mijnheer!quot; zeide de Boekhouder, het folio opslaande.
âDaar zal over geschreven dienen te worden,quot; zvide Van Baaien: âdat kan zoo niet gaan.quot;
âHeeft UEd. geen vertrouwen op de lieden?quot; vroeg ik.
74
..Hoor. mijn waarde Heer Huyck! Vertrouwen is een goede zaak en buiten dit kan men geen handel drijven: maar ne quid n i m i s! zooals wij op de school plachten te zeggen. In de negotie moet men zelfs zijn eigen vader niet te veel vertrouwen schenken; dat is een vaste regel: hou u daaraan. Niet of de firma Willem Bartelsz en Co. staat ter goeder naam en faam: en ik zou gaarne een dik pak wissels op haar bezitten, door een solide huis getrokken ; â maar alles kan mee- en tegenloopen; en ik heb er zoovelen in mijn leven zien vallen, die zoo vast schenen te staan als het stadhuis. â Monsieur Snijders! zijt gij bij den Notaris Bouvelt geweest? â En hoe luidde de boodschap?quot;
..Ja Mijnheer!quot; antwoordde de kantoorbediende: ..En het briefje was meer geruststellend: de patiënt heeft een redelijken nacht gehad en bevindt zich iets beter.quot;
..Xu! dat verheugt mij.quot; zeide Van Baaien: ..zou hij er waarlijk bovenop komen? Er zou ook veel aan den man verloren zijn geweest. â Hij bezit het vertrouwen van de halve stad, ja van menigeen buiten de stad: â ik geloof zelfs, dat men weinig handelskantoren zoude vinden, die zulke uitgebreide relatiën hebben als hij.quot;
..De Hemel geve dat hij spoedig herstelle!quot; dacht ik bij mijzelf: âdan is het te verwachten, dar mijn geheimzinnige vriend Bos ook spoedig klaar komt en opdrost.quot;
Die naam van Bouvelt had intusschen opnieuw een snaar aangeroerd, welke een reeks van herinneringen deed ontstaan, en ik had werk om behoorlijke aandacht te schenken aan hetgeen mijn Compagnon mij verder mededeelde. En toen ik eindelijk, aan mijn lessenaar gezeten, mij tot den arbeid zoude begeven, zag ik mij opnieuw buiten staat om een behoorlijke oplettendheid te wijden aan datgene, waar ik mij mede bezig moest houden, en schenen de letters, die ik voor mij had, zich telkens te vereenigen om geen anderen naam aan mijn oogen voor te stellen, dan dien van Henriëtte Blaek.
Ik schaamde mij echter, niet over mijn liefde, maar over den invloed, dien een hartstocht over mij uitoefende: en ik
vormde het besluit om niet langer uit te stellen mijn ouders met liet gebeurde bekend te maken. âHet is,quot; dacht ik, âalleen de onzekerheid, welke mij het werk moeielijk maakt. Is eens mijn lot op deze of gene wijze beslist, dan zal ik kalmer zijn en weder in staat mijn plichten naar behooren te vervullen.quot;
Hoe zegende ik het geluk, een moeder te bezitten. Want men gevoelt het, het was voor haar, dat ik in de eerste plaats mijn hart wenschte te ontboezemen. Zij, dit wist ik. zou mij met verschoonende deelneming aanhooren; zij zou wat in mijn hart omging op rechten prijs stellen: zij zou mij ten voorspraak strekken bij een vader, dien ik liefhad en eerde, maar die wellicht mijn liefde af zoude keuren, of als een voorbijgaande neiging aanzien, bestemd om even spoedig te verdwijnen als zij was opgekomen.
Ik nam dan ook nog dienzelfden middag de gelegenheid waar, dat mijn vader in zijn kamer aan 't werk zat, en dat Suzanna met de jongere kinderen een grachtje rondging, om de lieve vrouw over mijn huwelijksplannen te onderhouden, en haar te bidden, mijn vader te bewegen, om een bezoek bij den Heer Blaek af te leggen en hem voor mij de hand zijner nicht te vragen. Mijn moeder luisterde naar mij met de belangstelling, waarop ik wist te kunnen rekenen: maar toch kon ik aan de eenigszins ontevredene uitdrukking van haar gelaat bemerken, dat het medegedeelde haar niet volkomen welkom was. Ik was echter op zwarigheden voorbereid en wist met de welsprekendheid eens verliefden al de bedenkingen op te lossen, welke zij, zoowel uit de kortstondigheid mijner kennismaking met Henriëtte, als uit ons gebrek aan fortuin wist te putten. Het viel mij echter zwaarder dan ik gedacht had, haar te overreden om mij haar hulp te beloven ter bereiking van een oogmerk, dat, naar ik duidelijk gewaar werd, hare meer verhevene verwachtingen teleurstelde. Want, welke moeder, zij moge overigens de nederigste en verstandigste vrouw zijn, koestert geene inzichten en wenschen omtrent haar kinderen, hooger en grootscher dan de wezenlijk-
beid kan teweegbrengen? Eindelijk ecbter, toen zij vernam, dat ik mijn liefde reeds verklaard had, en dat de zaak tus-schen Henriette en mij zoogoed als beklonken was, deed zij, zooals alle moeders zouden gedaan hebben : zij omhelsde mij en beloofde, mijn belangen te zullen voorstaan en bij mijn vader bepleiten.
Den volgenden namiddag riep mijn vader, die aan tafel buitengewoon stil en afgetrokken was geweest, mij met hem naar zijn kamer. Ik volgde bevende als een misdadiger, die in het verhoor zal gaan; want zijn gelaat stond strak en ernstig en voorspelde weinig goeds. Hij wees mij zwijgend een stoel aan en zette zich over mij. Xa een snuifje te hebben genomen, begon hij aldus:
âUw moeder heeft mij gezegd, dat gij huwelijksplannen in quot;t hoofd hebt.quot;
âInderdaad, Vaderlief! En ik zou mij hoogstgelukkig achten, indien zij uwe goedkeuring konden wegdragen.quot;
âGij hebt altijd een bedaard oordeel gehad, Ferdinand! en waart nooit gewoon u te overijlen. Des te meer bevreemdt het mij, dat gij. nu het den gewichtigsten stap uws levens geldt, u blootstelt, wegens onberadenheid veroordeeld te worden.quot;
..Ik hoop,quot; zeide ik, âdat mijn keus mij voor een dergelijk vonnis vrijwaart.quot;
âRechtuit gesproken, dat doet zij niet. Ik heb altijd veel goeds van de bedoelde Juffer gehoord:quot; ('t is zonderling, dat vaders in een dergelijk geval nooit den naam uitspreken, als waren zij bang dat daarin een mystieke kracht lag opgesloten), ..zij ziet er lief uit, en ik kan klaar begrijpen, dat een jong-mensch haar naar zijn zin vindt; â maar toch! een meisje, dat gij nog den tijd niet hebt gehad te leeren kennen, zoo opeens tot de gezellin uws levens te kiezen, dat is wat vlug, wat wild geprocedeerd, en, zooals ik zeide, dat had ik niet van u verwacht.quot;
,, Ik moet bekennen,quot; zeide ik, ..dat uw beschuldiging veel grond heeft; maar ik neem de vrijheid, u te doen opmerken.
dat ik, door een samenloop van toevallige omstandigheden, gelegenheid heb gehad, haar karakter te leeren kennen en waardeeren. Toen ik haar voor het eerst ontmoette op den koepel van Guldenhof, trof mij haar beschaafde toon. haar ingetogenheid en minzaamheid: later op Heizicht vond ik een nieuw behagen in haar ongedwongen en toch recht fatsoenlijken omgang: â en op het jacht, in de ure des gevaars, kreeg ik eerbied voor haar beradenheid, haar kalmte van geest en godsdienstzin. UEd. zult mij toestemmen, dat die weinige dagen mij beter hebben in staat gesteld, een oordeel over haar te vellen, dan dat ik haar jaren lang op gastmalen en danspartijen ontmoet had.quot;
âDaar is wat van aan: â en met welk oog ziet zij u aan?quot;
Ik verhaalde aan mijn vader de omstandigheden van mijn onderhoud met Henriëtte.
âIk had niet verwacht,quot; hernam hij, âdat gij een derge-lijken stap zoudt doen, alvorens uwe ouders daarover te raadplegen.quot;
âIk betuig u, mijn vader!quot; zeide ik, âdat het volstrekt mijn voornemen niet was, toen ik naar Heizicht vertrok, mijn liefde te verklaren; doch na hetgeen op het jacht was voorgevallen, kon ik niet nalaten te spreken.quot;
âIntusschen zie ik niet. dat gij nog ver* gevorderd zijt.quot;
âNiet! â daar ik de zekerheid heb, dat mijn aanzoek aan Henriëtte niet onverschillig is?quot;
âGoed! maar zij heeft u te kennen gegeven, dat haar oom zijn toestemming waarschijnlijk zal terughouden: â en ik moet u betuigen dat ik niet anders zeggen kan. of de man zal gelijk hebben ook. Zoolang zij nog minderjarig is, zou hij zeer verkeerd handelen, alle meer schitterende uitzichten, die zich voor haar zouden kunnen opdoen, te vernietigen, door haar weg te geven aan iemand, wiens fortuin slechts in verwachtingen bestaat; â want gij weet het, wat ik u kan medegeven is weinig of niets.quot;
âIk verlang ook niet,quot; zeide ik, âdat de Heer Blaek terstond in een huwelijk toestemme. Zoo hij slechts verlof geeft, dat ik
zijn nicht oppasse, en zoo 't heet, nadere kennis met haar make: ziedaar alles, wat ik voor het oogenblik vergen kan.quot;
Mijn vader haalde de schouders op. âNa hetgeen gij met de Juffer gesproken hebt,quot; zeide hij, âhebt gij mij in een zekeren zin wel in de noodzakelijkheid gebracht om accès voor u te verzoeken. Ik zal den Heer Blaek belet doen vragen.quot;
âVader!quot; riep ik, uitgelaten van blijdschap: âuw goedheid is grooter dan ik verdien. Hoe zal ik dat vergelden?quot;
âStil,quot; zeide hij: âverheug u niet te spoedig en bouw geen luchtkasteelen; want het antwoord van den Heer Blaek kon die wel opeens vernietigen. â Intusschen, ik moet het u zeggen, de mededeeling van uw liefde heeft mij in zeker opzicht genoegen gedaan. Ik was inderdaad bezorgd, dat gij andere dingen in uw schild voerdet, en dat uw afgetrokkenheid in de voorgaande week een andere, min verschoonbare oorzaak had. â Doch ik hoor Heynsz de trap opkomen; â ianitor ante fores: ga nu heen: â ik beloof u, hedenavond nog zal ik aan den Heer Blaek schrijven.quot;
Ik kuste vurig de hand mijns goeden vaders, en na aan mijn moeder en Suzanna den stand van zaken te hebben medegedeeld, snelde ik met een opgeruimd gemoed naar het kantoor. Bij mijn terugkomst in den familiekring, verhaalde mijn vader mij, dat hij aan den Heer Blaek had geschreven, en dat deze geantwoord had, hem den volgenden avond te zullen afwachten.
âNu hoop ik. Papa!quot; zeide Suzanna, âdat UEd. toch niet vergeten zult, al de goede hoedanigheden van Ferdinand op te tellen, ten einde den Heer Blaek te overtuigen, dat hij aan niemand anders zijn nicht beter kan besteden, dan aan hem.quot;
âGij zoudt weldoen, mij die op een lijstje te geven,quot; zeide mijn vader: âmisschien mocht ik er sommige vergeten.quot;
âUEd. zoudt kunnen beginnen, hem het lofdicht van Helding te laten lezen,quot; zeide Suzanna.quot;
âGarminibus confide bonis,quot; zeide mijn vader: âmaar
Ovidius beweert nergens, dat men ook op prulverzen vertrouwen moet.quot;
Nu!quot; hernam Suzanna: ,,dan moet UEd. het over een anderen boeg wenden en vooreerst hem prijzen wegens het buitengewoon doorzicht, dat hij aan den dag legt door zoo, in vier of vijf dagen, welke hij met haar heeft doorgebracht, zich in staat te bevinden om al de voortreffelijke hoedanigheden te ontdekken, waarmede Jetje Blaek begiftigd is.quot;
âIk zou die snaar maar niet aanroeren,quot; zeide mijn moeder, het hoofd schuddende: âik vrees, dat de Heer Blaek al wel uit zichzelven de opmerking zal maken, dat die liefde al vrij spoedig is opgekomen.quot;
âIn de tweede plaats,quot; vervolgde Suzanna: âmoet UEd. hoog opgeven van Ferdinands zelfvertrouwen, hetwelk hem vrijmoedigheid geeft om, hoewel hijzelf niets bezit, een Juffer te vragen, die ook niets heeft, in de vaste overtuiging, dat iiij spoedig fortuin zal maken.quot;
âOch! gij maakt weer paskwillen,quot; zeide mijn moeder: ..maar al heeft Ferdinand nu niet veel, hij is toch niet geheel zonder vooruitzichten: en, zooals ik mijn schoonzusters ken, vlei ik mij, dat zij wel iets zullen bijbrengen, om hem in staat te stellen, zijn huishouding te beginnen.quot;
âWel ja!quot; zeide Suzanna: âwat zou men niet voor zulk een lief neefje doen? â Nu! ik zal eens zien, of zij in de bos voor hem blazen; want zij zullen voor mij vast niet minder doen, en dan weet ik, ingeval ik eens gevraagd worde, waar ik op rekenen kan; â maar laten wij niet afdwalen: â UEd. moet verder zijn standvastigheid roemen in het bewaren van 't geheim, 't geen zich daaruit bewijzen laat, dat hij aan niemand, zelfs aan mij niet, die hem toch nog met goeden raad had kunnen dienen, iets van zijne liefde heeft laten blijken.quot;
âDat was juist zoo lofwaardig niet,quot; zeide mijn moeder.
âGa maar voort,quot; zeide ik tot Suzanna: âik ben nu best gestemd om geplaagd te worden.quot;
âWel, gij zoudt mij haast doen zwijgen,quot; hernam zij;
8(i
âwant in dat geval heb ik er weinig eer van. â Voorts moet Papa breed uitweiden over de welsprekendheid, die gij bezit, en waarmede gij zoo in één wip het hart van een onschuldig maagdelijn veroverd hebt, zoodat gy zeggen kunt als César:
ik kwam. zag en overwon.quot;
âIk weet niet,quot; zeide mijn vader: ..of het juist veel voor het oordeel van de Juffer bewijst, dat zij haar jawoord zoo spoedig aan dien Sinjeur gegeven heeft.quot;
..Foei Willem!quot; zeide mijn moeder: ..hoe kunt gij zoo iets
zeggen.quot;
.Och! 't is maar één paar bedorven,quot; zeide Suzanna: âmaar gij moet denken. Papa, dat Jetje ook niet te streng veroordeeld moet worden. Zij kan haar vrijers wel tellen: en dewijl haar neef. die bullebak, haar toch niet hebben wil, doet zij zoo mal niet, de gelegenheid bij de haren te pakken. Ik weet. helaas! zelve bij ondervinding, dat de liefste, beminnelijkste. aardigste, geestigste meisjes, zonder geld. vruchteloos op den uitkijk zitten, en als Mevrouw Blauwbaard roepen: Anna! zuster Anna! ziet gij niets komen?quot;
âEi zoo. Santje!quot; zeide ik: âik wist niet dat gij er zoo over dacht? Hebt gij zulk een haast om getrouwd te zijn.'
âOho! hadt gij hoop, mij als een oude vrijster te zien sterven, en rekent gij al op mijn erfenis voor uwe kinderen?
Op potgeld, rente, kustinghbrieven;
En schimmelpenningh, lang vergaert.
En spaerpot uyt myn mont gespaert? â
zooals Vondel zegt: â Och jongenlief! Stel dat maar uit uw zinnen: het zou de bloeien toch uit de hand vallen: en zij zouden hun vingers aan Tantes geld wel niet blauw tellen. Maar Vaderlief! zeg mij toch eens, wij hebbeu er laatst ook over gesproken, Ferdinand en ik: hoe komt de oude Heer Blaek toch zoo schrikkelijk en geweldig rijk en zijn nichtje zoo arm? â heeft Jetjes vader er den boel wezenlijk
doorgelapt, gelijk men verhaalt ?
âGij vraagt mij meer dan ik u zeggen kan, antwooidde
SI
mijn vader: ..Ik ben ambtshalve genoeg gedwongen om in de geheimen van anderen te dringen, zoodat ik mij daar uit nieuwsgierigheid zelden over bekommer. Wel weet ik. dat zoowel Jacobus als Hendrik Blaek weinig vermogen bezaten: zoo zelfs, dat zij beiden, eens weduwnaars zijnde, het vaderland hebben verlaten om hun fortuin elders te beproeven. Den eenen is dit gelukt; de andere is gestorven eer hij tijd had gehad, iets te vergaderen.quot;
âHij moet wel schrikkelijk veel geld hebben, die oom Blaek,quot; zeide Suzanna: âalthans zijn zoontje maakt nogal vertering, zonder dat het hem schijnt te hinderen.quot;
..Lodewijk Blaek heeft geld van zijn eigen,quot; zeide mijn moeder: âmaar wat bekommert gij u daarover kinderen! het geld maakt iemand immers niet gelukkiger: uw vader en ik zijn nooit lieden van vermogen geweest en wij hebben toch genoeglijke dagen te zamen gesleten. Ik heb, dat beken ik, wel eens gewenscht, dat uw vader niet verplicht ware, een zoo drukke bediening waar te nemen als hij doet, en dat hij wat meer tijd overhad; maar zonder werkzaamheden zou hij zich ook ongelukkig voelen.quot;
De komst van mijn jongere broeders en zusters, die zooeven door den cijfermeester verlaten waren en nu het vertrek binnenstoven, deed het gesprek hier afbreken, en er werd dien avond over dat onderwerp niet meer gerept.
Men kan licht beseffen, dat ik den daaropvolgende)! dan-weinig rust of duur had en den Hemel dankte, toen de werkzaamheden aan het kantoor des avonds waren afgeloopen, en ik, hoewel met een beklemd gemoed, mij naar huis kun spoeden, alwaar ik mijn moeder en zuster, benevens tante Letje, die mede in 't geheim was, gezeten vond. insgelijks in pijnlijke verwachting de terugkomst mijns vaders verbeidende.
Er verliep echter nog een goed half uur, alvorens wij de bekende schel hoorden overgaan. Ons aller hart klopte hevig bij zijn binnentreden, maar toen wij hem aanzagen, stond zijn gelaat zoo strak, dat de vraag: âwel! hoe is het alge-
loopen ?quot; ons op de lippen bestierf en wij elkander zuchtend aankeken.
Mfln vader plaatste zijn hoed op de tafel en nam zwijgend plaats.
âIk zie het al,quot; zeide ik; âhet aanzoek is niet gunstig-opgenomen.quot;
..Ziehier in substantie waarop het antwoord is nedergeko-men. De Heer Blaek heeft mij zeer beleefd ontvangen, en betuigd, dat een verbintenis met onze familie hem zeer zoir vereeren. Maar, volgens zijne meering rustte er, ten opzichte zijner nicht, een nog zwaardere verantwoording op hem dan er bestaan zoude, ingeval de Juffer zijn dochter geweest ware. â Zoolang zij nog minderjarig was, kon hij, als haar voogd, zijn toestemming niet geven tot een huwelijk met iemand zonder middelen: zij was nog te jong en te onbedreven om zelve te kiezen: hij kende u volstrekt niet; â en hij moest u dus verzoeken alle verdere pogingen om zijn nicht te zien of te spreken te laten varen, tot zij meerderjarig was en zelve gerechtigd een keus te doen.quot;
..Hoe! mag ik zelfs de kennis niet onderhouden? ââ Dat is toch wat hard en onbilijk.quot;
âVeroordeel den Heer Blaek niet,quot; zeide mijn vader: âik kan hem zoo groot ongelijk niet geven: hij is aan God verantwoording schuldig van het lot zijner nicht, en hij behoort voor haar te waken. Gij hebt haar reeds alleen gesproken, uwe liefde verklaard en antwoord van haar ontvangen; hij mag, nu hij het aanzoek afslaat, de hernieuwing van dergelijke pogingen niet toestaan.quot;
âHij bewaart haar zeker voor zijn lieven Lodewijk,quot; zeide Suzanna wrevelig; âmaar zoo zij dien neemt, wil ik haar nooit meer zien.quot;
âKom! omhels mij, Ferdinand! en troost u,quot; zeide mijn goede moeder; âde tijd baart rozen; zoo gij haar wezenlijk blijft liefhebben en gij haar mede niet onverschillig zijt, kan alles nog terecht komen.quot;
âRechtuit gezegd,quot; zeide mijn vader; âis het misschien
83
beter zoo: â gij zult nu gelegenheid hebben om uw hart te beproeven en te ontdekken of liet alleen een voorbijgaande neiging dan wel een duurzame, oprechte liefde is, die u bezielt. Het is voor u. ik beken het, een teleurstelling; maar het is nuttig en heilzaam voor ons, zwakke stervelingen, beproevingen te ondervinden en die standvastig te leeren dragen.quot;
Ik zweeg en zag voor mij; want hoe waar en verstandig ook de woorden mijns vaders waren, het was van mij toch op dat oogenblik niet te vergen^ dat ik er mede instemde. Ik zette mij mistroostig neder; ook de overigen waren weinig tot vroolijkheid gestemd: en de avond zoude vrij treurig zijn afgeloopen, had niet een onvoorzien bezoek ons eenige afleiding-geschonken.
Het was namelijk Keynhove, die zich liet aandienen; wij konden niet nalaten, hem te ontvangen, daar men hem reeds gezegd had, dat wij te huis waren; ofschoon wij, althans in de eerste oogenblikken van gedachten waren, dat hij zijn tijd al zeer verkeerd uitkoos. Hij werd dan binnengelaten, en zijn ongedwongen, vroolijke zwier leverde een zoo sterk contrast op met de donkere, betrokkene gezichten der aanwezigen, dat hij in het eerst geen aangenaam denkbeeld van onzen huise-lijken kring kan hebben opgevat.
âIk kan niet mankeeren,quot; zeide hij. na eenige strijkages, âmij te komen informeeren naar de gezondheid van Mejuffrouw Huyck. Ik hoop, dat UEd. geene suites van die fatale historie hebt ondervonden.quot;
âVolstrekt geene,quot; antwoordde Suzanna: âen het eenige. wat er mij van bijblijft, is een vast voornemen om niet weder met zulke wilde zeilers scheep te gaan.quot;
âEn tevens kwam ik mij de eer procureeren,quot; vervolgde Reynhove, âvan kennis te formeeren met den Heer en Mevrouw Huyck: een satisfactie, welke ik mij tot nog toe had moeten refuseeren, en welke het gunstigste resultaat is van dat facheus geval.quot;
âWij zijn zeer verplicht voor uwe goedheid,quot; zeide mijn
84
vader, glimlachende: ..het doet ons echter leed, dat er een zoo gewichtig voorval noodig was, om ons de eer van uw bezoek te verschaften.quot;
âDe Heer Reynhove,quot; merkte Suzanna aan, ..kan met recht zeggen, dat hij hier is komen aanwaaien; vermits hij zonder den storm niet hier zou geweest zijn.quot;
âMejuftrouw drijft er den spot mede,quot; zeide Reynhove, een weinig verlegen: ..en ik beken, dat ik mij \eikeeid expii-meerde. Ik heb tegen mijn eigen belang gehandeld, dat ik hier niet vroeger een visite ben komen brengen; maar ik declareer oprecht, dat zoodra ik aan Mejuffrouw Huyck gepresenteerd was, ik het project geformeerd had, dat ik thans effectueer.quot; Dit zeggende, keek hij Suzanna zoo veelbeteekenend aan. dat zij een kleur kreeg en dat mijn moeder eenigszins bezorgd opzag.
âMen kan wel zien, dat Mijnheer uit Den Haag komt.quot; zeide Suzanna, en zag te gelijk haar moeder aan, als wilde zij zeggen; ..heb geen zorg.quot; â âWat mij betreft,quot; vervolgde zij tot Reynhove; ..ik blijf nooit achterlijk, wanneer ik complimenten ontvang, en ik zal op mijne beurt avoueeren, dat ik. hoewel eerst na den storm, het plan geformeerd had. Mijnheer te bedanken voor de attenties, ons bij gelegenheid van het ongeval getemoigneerd.quot;
..Foei Santje!quot; zeide mijn moeder; ..gij moet dit niet als een compliment doen voorkomen. Het is niet meer dan plichtmatig dat gij Mijnheer bedankt, en wij, als ouders, doen hetzelfde.quot;
âHet weinige, dat ik verrichtte, meriteert geen e log es,quot; zeide Reynhove; âik ben te gelukkig van in de occasie te zijn geweest, om de dames eenige geringe diensten te kunnen bewijzen, en heb niets gedaan als hetgeen ieder, die eeniii' sevoel van compassie en betamelijkheid bezit, in mijne plaats
zoude verricht hebben.quot;
..Dat is een mooi compliment voor Weinstübe, zeide Suzanna.
,Jk kan het niet helpen,quot; zeide Reynhove, âzoo hij geen beter meriteert.quot;
85
..Nulquot; zeide mijn moeder, altijd geneigd om alles van de beste zijde te zien; âhij is verschoonbaar: ik kan nogal vergeven, dat men bij een storm anderen vergeet en alleen om zichzelven denkt. Aan wal zou hij waarschijnlijker beleefder geweest zijn.quot;
..Ik twijfel er aan,quot; zeide Ãuzanna, het hoofd schuddende.
âEn dan,quot; voegde Tante Letje er bij: ..ik ken den mensche niet; maar, een zondaar zijnde, gelijk wij allen, zal hij misschien, toen hij de stemme Gods hoorde spreken op de wateren, gedacht hebben, dat de ure des oordeels over hem gekomen was, en zijn ziele hebben gewend tot boete en bekeering.quot;
âDat is wel mogelijk,quot; zeide Eeynhove: âwant hij heeft dien avond meer gebeden gereciteerd, dan hij anders, geloof ik, in een jaar doet.quot;
âWelnu,quot; hernam Tante: âUEd. ziet, dat ik gelijk heb: -en alzoo acht ik het vergeeflijk niet alleen, maar zelfs betamelijk en lofwaardig in dien Weinstübe, dat hij, vervuld zijnde van die dingen, welke dienstig zijn tot de zaligheid, zich alleen bezighield met het noodige, en die kleinigheden verwaarloosde, welke de wereld voorschrijft, maar die in een zoo plechtig oogenblik niet meer zijn dan asch en drek.quot;
Eeynhove keek eenigszins zuinig bij het aanhooren van deze tual; maar hij was te wellevend om er iets op te antwoorden: Suzanna beet zich op de lippen, als wilde zij het stekelige antwoord bedwingen, dat haar op de tong zweefde. quot;Wat mij betreft, ofschoon hulde doende aan de gevoelens, welke de woorden mijner Tante hadden ingegeven, ik kon niet verdragen, dat Weinstübes gedrag op het jacht als lofwaardig voorgesteld of ten koste van dat van Eeynhove geprezen zoude worden, en vatte daarom het woord op.
..Tante!quot; zeide ik: âneem mij niet kwalijk; maar ik moet een opmerking maken. UEd. hebt menigmalen, in mijn bijzijn, die kluizenaars veroordeeld, die wanen den hemel te zullen winnen, door zich af te zonderen en hun leven met bidden te slijten, zonder van eenig nut voor hun medemenschen te zijn.quot;
8(5
âDat hel. ik.quot; zeide Tante: ..want er staat geschreven: Xiet zij, die roepen: âHeerel Heere!quot; maar zij die den wille des Vaders doen, zullen het koninkrijk Gods beërven.quot;
..Welnu.quot; vervolgde ik: ,,op de groote levensreis zijn wij verplicht ons leven zoodanig in te richten, dat het niet slechts rot onze heiligmaking strekke, maar ook aan den naaste nut en voordeel aanbrenge. Is dit in het algemeen waar, zoo is het zulks ook in bijzondere gevallen als op onzen tocht met het jacht, dien ik een afschaduwing der levensreis durf noemen. in zooverre als wij. reisgenooten zijnde, met moeilyk-heden en wederwaardigheden te kampen hadden. Nu, op dien kleinen tocht handelde Weinstübe juist zoo, als de kluizenaars, die UEd. veroordeelt. Hij vergat, dat er anderen met hem waren, zwakker en meer hulpbehoevend dan hij, en in de plaats van hun nood te verlichten, bemoeide hij zich niet met hen, maar strekte hun tot last en maakte hun toestand nog moeilijker en onaangenamer. De Heer Reynhove daarentegen, die voorzeker, zoowel als ik, met ernstige gedachten bezig was. bleef echter in het oog houden, dat zijn welbegrepen plicht niet medebracht, om op een bank te liggen zuchten, maar wel. om zijn reisgenooten te ondersteunen en op te beuren: en zoo wij in die ure vergaan waren, zou hij met de zelfvoldoening gestorven wezen, dat hij bij het op-ontbod werkzaam gevonden was.quot;
..Zoo gij het op die wijze beschouwt, Neef!quot; zeide Tante, âdan hebt gij gelijk: en dan had zeker die Duitsche Heei beter gedaan, zoo hij niet alleen zelf gebeden had, maar ook de overigen in een lofwaardige stemming had pogen te brengen.quot;
..Mijnheer!quot; zeide Reynhove, mij met warmte de hand drukkende: âik declareer u op mijn eer, dat UEd. een perfect Advocaat zoudt zijn! maar waarlijk! ik meriteer niet, dat UEd. met zulken lof spreekt van de stemming, welke mij toen bezielde. Ik had een pressentiment, dat wij er wel zouden afkomen; en dacht daardoor zeer weinig aan die zaken, waarover ik had moeten denken, gelijk Mejuffrouw mij zeer
j uist doet inzien. Ik schaam mij wel een weinig, dat te avou-eeren; maar ik begeer geene louanges, die mij niet toekomen.quot;
âDat is braaf van u gedacht, Mijnheer Reynhove!quot; zeide mijn vader, âen doet u in mijne opinie rijzen. UEd. zal het misschien onbeleefd vinden, dat ik u de eerste reis, dat UEd. ons met een bezoek vereert, zoo onbewimpeld de waarheid zeg; maar ik moet u ronduit verklaren, naar het wemigje, dat ik van u gezien heb, oordeelende, dat het van u afhangt, een voortreffelijk mensch, en wat meer zegt, een godvreezend Christen te worden.quot;
âEn ik. Mijnheer!quot; zeide Reynhove, âkan u van mijne zijde declareeren, dat ik niets meer ambitionneer dan uwe goede opinie te meriteeren.quot;
âIs UEd. niet een zoon van den Heer Ambrosius Reynhove, die lid is van HH. Hoogmogenden ?quot; vroeg mijn vader. â Reynhove boog.
.. Wel! dat verheugt mij. Wij zijn nog te zamen aan de academie geweest. Hij was een mijner beste vrienden.quot;
âHij heeft mij ook met hooge achting over UEd. gesproken,quot; zeide Reynhove, âen mij gechargeerd, UEd. zijne complimenten re brengen.quot;
âWij zeiden dikwijls onder ons.quot; vervolgde mijn vader: âReynhove zal nog eens een aanzienlijk persoon worden; want toen reeds was hij de primus inter pares en de geboren Voorzitter van alle mogelijke Studenten-commissiën. â En UEd., Mijnheer Reynhove! bekleedt zeker ook reeds deze of gene betrekking?quot;
âTot nog toe niet. Ik kan niet zeggen, dat ik die ooit zeer geambitionneerd heb.quot;
âDes te erger. Mijnheer! â Iemand van uwe jaren, die niet geheel van bekwaamheden ontbloot is, behoort werkzaam te zijn, en niet te vergeten, dat de Staat recht heeft op zijn arbeid eu talenten:
Hos ante effigies ma lorum pone tuorum. Bovendien, de ledigheid is een duivelsoorkussen.quot;
..Spreek toch niet zoo, Papa!quot; zeide Suzanna, die ik alreeds wegens haar langdurig stilzwijgen bewonderd had: â't Is uit klinkklare edelmoedigheid, dat Mijnheer niets uitvoert.quot;
âUit edelmoedigheid, Mejuffrouw!quot; herhaalde Reynhove, verbaasd.
âWel ja.quot; hernam zij: ..er zijn zoovele arme slokkers, die niets bezitten en naar een postje hunkeren, om er van te bestaan, dat de Heer Reynhove, die rijk genoeg is, geen hunner daarvan berooven wil.quot;
âUEd. is te goed, Mejuffrouw!quot; zeide Reynhove: âmaar ook dezen lof moet ik refuseeren; want ik beken, dat mij dit excuus nimmer voor den geest is gekomen.quot;
..Het zou bovendien geene verschooning zijn,quot; zeide mijn vader: âzoolang er eereposten genoeg zijn, die werk verschaffen en die men zonder bezoldiging waarneemt. Ik ben overtuigd, Mijnheer Reynhove! dat uw vader er over denkt gelijk ik.quot;
Reynhove boog, niet wel wetende wat hij zeggen zoude.
âMaar ik vergeef,quot; vervolgde mijn vader, âdat UEd. mij niet zonder reden zoudt kunnen betichten mij te bemoeien met hetgeen mij niet aangaat. Schrijf dit toe aan mijn post van Hoofdschout, die mij in de noodzakelijkheid brengt van mij met eens andermans zaken te bemoeien.quot;
âIk schrijf,quot; zeide Reynhove, âdit liever toe aan UEd. belangstellende vriendschap en neem in die suppositie uwe raadgevingen met dankbaarheid aan, gepersuadeerd, dat UEd. mij niets kunt zeggen dan hetgeen door mij verdient gemediteerd en betracht te worden.quot;
âUEd. neemt het recht heuschelijk op,quot; zeide mijn moeder: âmag ik vragen, waar UEd. gelogeerd is?quot;
âBij den Heer Blaek,quot; antwoordde Reynhove: âik heb zijn zoon op de paardenmarkt leeren kennen en heb niet kunnen weerstaan aan zijn pressante invitatie, om eenigen tijd bij hem te komen passeeren.quot;
Mijn vader keek eenigszins strak; maar hervatte spoedig met minzaamheid: âik twijfel niet. Mijnheer! of uw verblijf
89
bij den Heer Blaek is genoeg berekend om u allerlei genoegens te doen smaken: ook wil ik hem zijn gasten niet aftroggelen. Intusschen, zoo UEd. eens een dag vrij zijt en den gewonen pot bij ons voor lief wilt nemen, wees dan zoo goed daarvan gebruik te maken. UEd. zult ons altijd welkom zijn.quot;
âO ja, Mijnheer'.quot; zeide mijn moeder: âmaar vergeet niet, dat het geen Haagsche festijnen zijn, welke wij u kunnen verschaften.quot;
âUEd. heeft te veel goedheid,quot; zeide Reynhove: âzijt geassureerd, dat ik er met het grootste plaisir van profiteeren zal, en mij feliciteer, van zoo wel in eene estimabele familie als deze geaccueilleerd te zijn.quot;
Na eenig verder onderhoud stond Reynhove op en nam afscheid. Toen hij vertrok, deed ik hem uitgeleide. Zoodra wij in de gang waren, nam hij mij bij de hand: âIk had nog een verzoek aan u,quot; zeide hij: âmaar ik dorst er daarbinnen niet mede voor den dag komen: uw ouders zijn zulke deftige lieden: ik was bang, dat zij mij railleeren zouden. Ik zal u zeggen, wat liet geval is. Ik beweerde gisteren tegen Blaek. dat ik met mijn Engelschman naar Haarlem en terug zoude rijden in zeven kwartier: hij pretendeert hetzelfde te kunnen doen met de harddravers, die hij van den Heer Van Baaien gekocht heeft: en daaruit is een pari ontstaan, wie onzer het eerst den weg heen cn weder zoude afgelegd hebben. Wij moeten dit morgennamiddag beslissen: te vijf uren rijden wij af aan de Tweehonderd Roe. Hebt gij lust om het te komen zien en naderhand een glas wijn te blijven drinken?quot;
âIk dank u,quot; antwoordde ik, âik moet aan 't kantoor zijn. Er is een schip van ons, dat op zijn vertrek staat, en dat geeft mij veel drukten.quot;
âHet spijt mij,quot; zeide hij: ânu, au re voir dan.quot;
Hij vertrok en ik keerde in de huiskamer terug, bij mij-zelven denkende dat Reynhove wel gedaan had, zijn voorstel niet te doen in tegenwoordigheid mijner ouders, bij wie een harddraverij contrabande was. Toen ik binnentrad was mijn
90
moeder bezig, mijn vader in 't vriendelijke te beknorren, dat hij dien vreemden Heer, bij zijn eerste bezoek, zoo de les gelezen had.
âKom! kom!quot; zeide mijn vader: âik zon het niet gedaan hebben, indien ik niet de overtuiging bezat, dat bij dien knaap een goede grond ligt en dat de kern beter is dan de schil, 't Is maar jammer, dat hij met dien Lodewijk Blaek omgaat.quot;
âEn dat hij zooveel Fransche woorden bezigt.quot; zeide mijn moeder.
..Dat is Haagsche stijl,quot; zeide ik: âen hij doet het niet erger dan anderen.quot;
..Hij zal nog veel te leeren hebben, eer hij de tale Kanaans spreekt,quot; zeide Tante Letje.
..En gij Santje! Hoe denkt gij over onzen nieuwen kennis?quot; vroeg ik, bemerkende dat Suzanna, tegen haar gewoonte, stil was: âhoe gevalt hij u?quot;
..01 ik vind hem zeer naar mijn zin,quot; antwoordde zij: âgij weet, ik hou veel van kapellen, en duizendschoonen. en gouden torren, en palmpaschen- en pinksterbloemen en al wat blinkt en sierlijk is.quot;
..Dat is geen bepaald antwoord op mijn vraag,quot; zeide ik: ..hij verdient, volgens de getuigenis van vader, niet verward te worden met die pronkers, wier eenige verdiensten in hun mooien rok bestaat.quot;
âVolstrekt niet,quot; hernam zij: âwant hij draagt bovendien een bijzonder nette pruik en keurige lubben en een schitterenden diamant aan zijn das. â Het portret van den saletjonker uit den Verliefden Poëet van Buysero is volkomen op hem toepasselijk:
'k Zag nooit netter van mijn leven: Wel driemaal op een dag werd hem schoon goed gegeven.
Geen kreukje zag men in zijn kleeren, en, om recht Te gaan, 't was in dien tijd een keuning van een knecht.
Hij wou zijn handen maar in rozewater wasschen.
Men heeft zijn leven zoo geen man een pruik zien passen.
En zijn handschoenen, ho ! die waren klaar Jasmijn.quot;
91
âSantje! Santje!quot; zeide ik: âbiecht zuiver op; want ik bedrieg mij zeer, of die Hagenaar heeft een goed oog op u: en zoo gij iets tegen hem hebt, is het beter, dat hij maar spoedig daarvan kennis bekome; anders zal hij het u nog lastig genoeg maken.quot;
âSantje heeft volkomen gelijk, dat zij het met een Jantje van Leiden afmaakt,quot; zeide mijn moeder: âeen jong meisje moet zich nooit uitlaten over een Heer; het mocht haar naderhand berouwen.quot;
âJuist zoo!quot; voegde mijn vader er bij: âwant de oude spreuk zegt terecht, dat men met zijn spot naar bed gaat.quot;
Met deze grap was het onderhoud over Reynhove besloten en wij vervielen langzamerhand weder tot de zwaarmoedige stemming en de stilte, waaruit zijn bezoek ons voor een poos gered had. â Mijn zuster zelfs, anders zoo levendig en opgeruimd, deed geen moeite om het gesprek gaande te houden, en zat in gepeinzen verdiept: ?t zij dat haar genegenheid voor mij haar de slechte uitkomst van mijns vaders pogingen even diep had doen gevoelen alsof het haar eigene zaak geweest ware: 't zij dat werkelijk het bezoek van Reynhove eene bijkomende aanleiding tot overdenking had opgeleverd. Eindelijk vroeg mijn moeder, onder andere onverschillige zaken, aan Tante Lotje, of zij de Juffer nog gezien had, die bij Heynsz aan huis woonde?
âWel ja!quot; antwoordde Tante: âheeft Xeef u niet verhaald, dat hij haar tot mijnent ontmoet heeft?quot;
Allen zagen mij aan en mijn vader zelfs met een ernstigen blik. Ik gevoelde terstond, hoe verkeerd ik gedaan had, van deze toevallige ontmoeting niet te reppen; daar ik nu van achteren den schijn op mij laadde, als had ik die opzettelijk verzwegen.
,,'t Is waar!quot; zeide ik: âik had het vergeten.... ik had het hoofd zoo vol. Ook heb ik niet gedacht, dat er iemand belang in stelde.quot;
âNu! die jonge Jutter stelt dan wel beiang in u,quot; zeide Tante in haren eenvoud des harten: âzij is nog tweemalen
sedert dien tijd bij mij geweest, en heeft mij telkens naar u gevraagd, Xeef! â Een zoet meisje, dat moet ik zeggen: jammer maar, dat zij Roomsch is. Haar vader had mij heden ook bezocht, om mij te bedanken voor de vriendelijkheid, die ik, zoo hij zeide, voor zijn dochter gehad had. Een beleefd mensch, die Heer Van Beveren, dat moet ik zeggen.quot;
âVan Beveren!quot; herhaalde mijn vader, die met aandacht naar de woorden zijner zuster geluisterd had: âwaar hoort die man te huis?quot;
..Te Deventer,quot; antwoordde Tante: âdoch hij schijnt hier welbekend; althans hij heeft mij over vele lieden gesproken en wist bijna aller betrekkingen.quot;
..Te Deventer! zoo!quot; herhaalde mijn vader, nadenkend: âen heeft u die Heer Van Beveren geen geld ter leen gevraagd?quot;
âNeen Broeder! En hij zag er ook niet uit als iemand, die geld behoefde. Hij was goed gekleed en had het geheele voorkomen van een man, die in de groote wereld leeft.quot;
âIk behoef u niet te vertellen, Zuster?quot; zeide mijn vader, âdat de duivel zich somtijds in een engel des lichts verkleedt, om zijn oogmerken te bereiken. Ik zou u aanraden, wat voorzichtig met die lieden te zijn.quot;
âHoe dan: weet gij eenig kwaad van hen, Broeder?quot; vroeg Tante, met eenige bezorgdheid.
âNiet het minste; maar ik wil dat toch eens onderzoeken .... er is toch iets, dat mij vreemd voorkomt.quot;
âGij zult toch niet denken, Willem!quot; zeide mijn moeder: âdat Heynsz verdachte lieden zal herbergen?quot;
â't Is zeker, dat zulks nogal grappig zoude wezen,quot; hernam mijn vader: âmaar gij hebt gelijk en uw aanmerking is juist. â En Zuster! sprak de dochter van dien Heer zoo belangstellend over Ferdinand ?quot;
âOch Vader!quot; zeide ik, alle vermoedens wenschende af te wenden: âTante zal de zaak waarschijnlijk een weinig ver-grooten. Zij en ik zijn misschien de eenigen, die Amelia behalve haar huisgenooten kent.quot;
âEi! heet zij Amelia?quot; vroeg mijn vader: âgij schijnt reeds
vrij familiaar met haar te zijn, om haar zoo bij haar doopnaam te noemen.quot;
Ik zag, dat Suzanna bleek werd en ik merkte dat ikzelf een kleur over mijn onvoorzichtige uitdrukking kreeg. Mijn zuster, waarschijnlijk om mij uit de verlegenheid te redden, zei met een gemaakten lach:
â't Zal een prinses zijn, die incognito reist; en prinsessen worden nooit anders als bij haar voornamen genoemd.quot;
..Dat is zeker,quot; zeide ik, moed vattende, ..dat ik haar doopnaam beter weet, dan haar familienaam; maar overigens is onze kennis al zeer gering en ik verlang die niet nader aan te knoopen, hoe lief zij ook wezen moge.quot;
..Niet?quot; zeide Tante: âen gijzelf, Neef! hebt haar zoo zeer tot voorspraak gestrekt, toen ik haar wilde verstoeten.quot;
âWel Tante! Wat zal ik u zeggen? Uw goedheid spoorde u aan, haar, die u onbekend was, bij u te ontvangen: en mijn hart zeide mij dat de leer, die zij beleed, haar aanspraak op uwe bescherming niet verminderde. Dat is alles.quot;
Mijn vader zag mij aan, schudde bedenkelijk het hoofd, nam een snuifje en verwijderde zich om in zijn vertrek te gaan arbeiden: zoodat, zeer tot mijn genoegen, het gesprek over Amelia en haren vader hierbij rusten bleef.
ZES-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
WAARIN GELEERD WORDT, HOE MEN BEST OUDE PAARDEN VERKOOPT EN JONGE BEDERFT.
Het was gelukkig voor mij, bij de stemming, waarin ik mii bevond, dat het ophanden zijnde vertrek van Kapitein Pulver mij vrij wat bezigheid aan 't kantoor verschafte en daardoor buiten de mogelijkheid stelde om mij over te geven aan mijn leedwezen over de ondervonden teleurstelling. Al
94
had de arbeid geeno andere nuttigheid als deze, dat hij den geest bezig houdt en belet het verdriet te gevoelen, dan nog zou hij als een weldaad voor het menschdom moeten beschouwd worden. En boven alle andere zijn, in gevallen, wanneer de ziel ontroerd en geschokt is, de zoogenaamde dorre eentonige werkzaamheden, welke ons beroep verschaft, verkieslijk boven die, welke een meer aanlokkende zijde hebben en waarbij de verbeelding mede in 't spel gebracht wordt. quot;Wijsbegeerte en fraaie letteren mogen op den duur kalmte en vertroosting aan den geest bieden: haar beoefening zoude ik vergelijken bij die van de gezondheidskuur, waarvan de invloed, hoe heilzaam ook. eerst later gevoeld wordt; beroepsbezigheden zijn als de pijnstillende opium of de blaartrekkende pleister, welke de kwaal niet wegnemen, maar ons beletten die te gevoelen.
Maar toen ik. na afloop van het kantoor, weder te huis kwam, en do avond te schoon was, om dien op mijn kamer door te brengen, terwijl de dames uit waren, keerde mijn zwaarmoedigheid. âKom!quot; dacht ik, na een wijl gepeinsd te hebben: âik heb op dit oogenblik geen grooter vijand dan mijzelf en mijn gedachten: ik moet of werk hebben of bezigheid zoeken. quot;Waarom zou ik niet naar den Haarlemmerweg gaan en zien hoe de weddenschap is afgeloopen?quot;
Dit besluit gevormd hebbende, begaf ik mij dadelijk op weg, wandelde- de singels om naar de Haarlemmerpoort en kwam ongeveer tegen halfzeven aan de Tweehonderd Roe; waar ik weldra vernam, dat de beide wedders te vijf uren precies waren afgereden, en dus, bijaldien er geen ongeluk had plaats gehad, welhaast moesten terugwezen. Een vrij talrijk gezelschap zat in den tuin en voor de deur der lier-berg bijeen, met de wijnflesch of bierkan voor zich, naarmate de staat hunner geldbeurs meerdere of mindere uitgaven gedoogde: anderen wandelden langzaam den weg op en neder, blijkbaar den uitslag des wedrens verbeidende; terwijl enkelen, te paard of in hun sjeesen gezeten, met hetzelfde oogmerk stapvoets op en neder reden. Daar waren, ouder dien toevloed
van menschen, lieden van eiken rang of stand, vermogende renteniers, deftige kooplieden, beunhazen, pikeurs, stalhouders en voerlieden; doch allen, op weinige uitzonderingen na. ridders van de zweep: en de onderscheidene gesprekken, welke hier en daar gevoerd werden, hadden overal slechts één onderwerp, de edele rijkunst. De verdiensten der paarden van Lodewijk Blaek, die bij allen bekend waren, werden overwogen: de groote feiten, door hen verricht, in al hun kleuren 'opgevijzeld; hun betrekkelijke waarde vergeleken: do prijs, dien zij gegolden hadden, genoemd, enz. enz. Wat het paard van Reynhove betrof, daarover dorst men een minder beslissend oordeel vellen, vermits het slechts aan weinigen bekend was; doch men was van gedachten, dat het, ofschoon uiterlijk van weinig apparentie, echter droog en fraai was, en tot die soort van paarden behoorde, welke niet bij uitstek snel loopen. maar een gestadigen gang hebben en het lang uithouden zonder zich te vermoeien.
Ik keek ondertusschen rond, of ik niet hier en daar onder de menigte een gezicht van een kennis zoude aantreffen; maar ofschoon ik met dezen en genen, die mij van de beurs of van elders bekend was, een groet, of een kort: âhoe vaart Mijnheer?quot; wisselde, zag ik niemand, met wien ik het de moeite waardig achtte, een bepaald gesprek aan te knoopen. Daar ik eerst aan de Academie, en toen buitenslands geweest was, had ik weinig bekenden, althans onder dat slag van lieden, hetwelk zich hier bevond. â Eindelijk, mij langs een hoopje begevende, dat nog luidruchtiger en drukker was dan de rest, hoorde ik mij eensklaps bij mijn naam noemen: en. mij omwendende, herkende ik Weinstübe, die met een grooten roemer in de eene en een zweep in de andere hand, den redetwist, waarin hij gewikkeld was. afbrak om mij aan te spreken.
âHuyckquot;' riep hij: âfoor wien wed jij?quot;
..Voor geen van beiden,quot; antwoordde Ik. mijn hoed even aflichtende, als wilde ik mijn wandeling vervolgen.
âNein! Pots tit und tat! Je komt er zoo nicht af! Je solt
96
seggen voor wien j6 pint. Wed jij togBii mich. Ik heb een sakkie sesthalven kewed op de plessen van Plaeck: en er is niemand, die meer dan een sakkie toepeitjes teugen houdt. Toe jij me nou de frundschap und neemt de rest.
âik zou u gaarne dat genoegen doen,quot; zeide ik; âmaar ik wed niet zoo maar in den wilde: de blessen van Biaek ken ik ternauwernood en het paard van Reynhove in t geheel niet: zoodat ik over hunne vergelijkende waarde niet kan oordeelen.quot;
Ik dacht er hiermede af te zijn; maar weldra had ik berouw, van maar niet ronduit verklaard te hebben, dat ik in quot;t geheel niet wedde; want nu kreeg ik terstond het loon voor mijne valsche schaamte.
âLaat je dat niet afschrikken. Mijnheer!quot; zeide een dikke vent. wien ik naderhand vernam, dat een kastelein van den Overtoom, en een beroemd paardenkenner was: dit-beestjes van Blaek loopen drommels goed, dat 's waar; 't bennen poppetjes, daar niks aan mankeert: zoo rond as appeltjes en as een zij zoo zacht in den bek, daarom niet; maar kijk! daar hebje dien anderen: heb ik jou daar ? het biest mag zoo mager wezen as het wil: des te minder zit hem zijn vet in den weg: â en as je 7t zoo ziet afrijen, je zoudt zeggen: het slaat zien bienen deur mekaër of het mal was; â maar laat hem gerust zijn gang gaan: hij zal het uithouen op den langen weg â en ze alle achter hem laten. Kijk! -het zakkie dubbeltjes durf ik op hem resikeeren; en het past mijn en mijns gelijken niet om meer te doen: â maar hou jij gerust de rest; 't zei je geen schaê doen; zoowaar ik Krijn Jaspersz hiet.quot;
âIk wil het best gelooven,quot; zeide ik; âmaar in zoodanige gevallen ga ik niet op goed geloof af, en dat zult gi] mij niet kwalijk nemen. Gij zoudt ook niet gaarne een paard koo-pen of er op wedden, zonder het alvorens gezien te hebben.
âNou, dat 's waar ook,quot;' zeide hij; âmaar anders!.... Ik heb de eer niet, van Meneer parteklier te kennen, en ik weet niet. of Meneer verstand van paarden heit; want anders ben
97
je nog niet sekuur al heb je ze gezien: dat heit die makelaar ondervonden, die laatst bij ons was. daar Black die ouwe knol van hem an verkocht heit.quot;
...Ja!quot;' zeide Weinstübe, grinnikende: ..dien heeft hij oud peet kehad.quot;
,.Zoo! heb je ook al gehoord van den moord van Parijs? â Nou! die goeie man had het paard ook gezien en geprobeerd: en hij docht, dat hij wonder wat kocht; maar jawel! â hij liet zich royaal weg een ouwen blinden knol in de handen stoppen en mag den hemel danken, zoo hij er den volgenden dag den nek niet mee gebroken heeft.quot;
âMaar dat is niet veel beter dan stelen,quot; zeide ik: ..op deze wijze van eens anders onnoozelheid partij te trekken.quot;
..Hei ho! daar komen zijl daar komen zij!quot;' riepen eenige stemmen. Alles stoof op en keek den weg op; hoewel er nog niets te zien was. dan een stofwolk, die aan deze zijde van het tolhek opsteeg.
Ongeduld, verwachting, hoop en vrees, waren op de aangezichten te lezen, en men staroogde, alsof men den blik door het stof heen had willen laten dringen, om te ontdekken, wie de overhand had. Het duurde echter niet lang. of beide rijtuigen waren naast elkander zichtbaar, zonder dat men nog door den afstand kon onderscheiden, welk het eerste was.
..Zij zijn er waarachtig allebei!quot; riep de een, â ..zij hebben mekaar goed bijgehouon!quot; riep een ander. â âNou! wat braatje nou van uithouen?quot; vroeg Weinstübe aan Krijn Jaspersz: ..je ziet immers, dat de peesten an mekaar kewaagd zijn. Heb je ook perauw? Sol je quot;t afmaken willen tooide helft.quot;
..Patientie! zei de kastelein: âde laatste loodjes wegen het zwaarst.quot;
..De ruin is voor!quot; riep opeens een stem.
âNeen! neen!quot; zeide een ander: âde blessen winnen liet.quot;
âDe blessen winnen het!quot; riepen onderscheidene stemmen. En inderdaad zag ik nu ook. dat de twee paarden een eind dichter bij waren dan het eene; ofschoon het rytuig, dat
II. - F. H.
OS
door de eerstgemelden getrokken werd, wild over den weg heen on weder slingerde, terwijl de sjees van Reynhove met. een gelijken gang vorderde.
âHoera!quot; riep Weinstübe, met den hoed zwaaiende: ..had je nu mijn foorschtel maar aannemen willen. Het sakkio toeppeltjes is mein.quot;
..Hoezee!quot; riep de menigte, en opende zich voor het rijtuig van Blaek. die, met purper aangezicht, schreeuwende eii juichende kwam aangereden. Maar nauwelijks had hij de plek bereikt, als de uiterste grens van den wedren bepaald, of een zijner paarden stortte en hij zelf tuimelde uit de sjees. Hij was echter dadelijk weder op de been en werd nu door de toestroomende liefhebbers met luid gegalm als overwinnaar begroet. Reynhove was intusschen insgelijks aangekomen, mede vrij verhit en ontdaan; doch zijn paard toonde slechts weinige blijken van vermoeidheid en wettigde daardoor de lofspraak, daaraan door Krijn Jaspersz gegeven. Alleen het schuim, waarmede het bedekt was, een korte hoest en een trillende beweging van het lichaam, toen het stilstond, gaveu bewijs dat het hard geloopen had. Een lakei van Reynhove schoot dadelijk toe, dekte het met een warm kleed en bracht het op stal met behulp van den kastelein der Tweehonderd Roe. i )fschoon nu onze Hagenaar het onderspit gedolven had, bleek mij echter dat de oordeelvelling van den Overtoomschen kastelein juist geweest was; want de paarden van Blaek hadden zich overloopen: het eene lag. zooals ik gezegd heb, op den grond en scheen meer dood dan lovend; het andere stond nog, doch hijgende als een juffershondje en zoo onvast op de beenen, als ware het op het punt van neer te storten. Met veel moeite deed men het gevallene opstaan, en bracht men beide op stal.
âJongen! dat is jammer! â Ik hoop, dat het den beestjes geen kwaad zal doen! â Zij hadden zich zoo mooi gekweten! Je bent den ander toch vooruit gebleven! â t Mag wezen hoe 't wil: quot;t is beter, dat ze crepeeren, dan dat die magere knol je voorbij ware gereden, enz. enz.quot; â Zoo klonken de
99
troostredenen, die nu in ruime mate aan Lodewijk werden toegevoegd; maar waar hij geen oor naar had, zoo grootsch was hij op zijn overwinning; ofschoon hem die waarschijnlijk een paar goede paarden kosten zoude.
.,Ik ben toch de baas gebleven!quot; riep hij Reynhove toe, met een zegevierenden blik.
âDat geloof ik wel,quot; zeide deze, met spijtige bedaardheid: âgij waart schier aan 't hollen geslagen: en ware uw paard niet gestort, dan zoudt gij ze niet gearrêteerd hebben. Op zoo'n wijze zoude ik niet willen triomfeeren.quot;
âHeb ik het niet gezeid?quot; zeide Krijn Jaspersz: â't is een bloot toeval en meer niet, zoo de blessen eerst an zijn; maar ik vraag maar an iedereen, of die prijs mooi gewonnen is? Ik heb gezeid, en ik blijf er bij, dat de ruin op den langen weg beter loopt: en as Meneer hem niet had willen sparen, was hij nog de baas gebleven.quot;
âAs! As!quot; herhaalde Weinstübe: âasch is verbrante tourf: en je pint toch je toeppeltjes kwijt, man.quot;
âDat ben ik,quot; zeide Krijn: ..heb daarover geen zorg; maar dat belet niet, dat ik op zoo'n manier geen weddenschap zou willen winnen.quot;
Onder dit praten waren Reynhove en Lodewijk, door de omstanders heen, de herberg binnengedrongen: en geen trek hebbende, om mij in dien wilden boel te mengen, noch om langer naar de klaagliederen van Krijn Jaspersz te luisteren, begaf ik mij naar den tuin, zette mij neder en bestelde een roemer wijn, met oogmerk om na het gebruik daarvan huiswaarts te keeren. Ik had nauwelijks eenige minuten gezeten en was, bij de algemeen heerschende drukte, nog niet geholpen geworden, toen de waard in persoon naar mij toekwam en mij uit naam van Reynhove vroeg, of ik hem en aan de overige Heeren de eer aan wilde doen, mij bij hen te vervoegen.
Ik bedank Mijnheer wel voor zijn beleefdheid,quot; antwoordde ik: âhet is mij daarbinnen te vol en ik ga zoo aanstonds heen.quot;
..Vol! Mijnheer!quot; herhaalde de waard: âwel neen! zij zitten
100
maar metter zessen daar gunter in den koepel: 't is zeker anders wel de gewoonte, datter meer van de partij zijn, maar die Heer uit Den Haag valt nogal grootsch en wil niet graag met anderen als met zijns gelijken converseeren. â Xou! 't is mij wel wat scha; maar wat zal ik zeggen ?quot;
Ik keek in de richting, welke hij mij aanwees, en zag inderdaad, dat Reynhove, Blaek, Weinstübe en een drietal Officieren, zich in een der bij de herberg behoorende koepeltjes bevonden.' dat voor hen was vrijgehouden: en het gaf mij juist geen kwaden dunk van Reynhove, dat hij niet verlangde met Jan en alleman te zitten.
âNou, wat mot ik zeggen?quot; vervolgde de waard.
Ik had voorzeker wijzer gedaan, en mij vrij wat verdriet bespaard, indien ik bij mijn voornemen gebleven ware en de Heeren alleen had gelaten; maar eensdeels deed een misschien kwalijk gepaste schaamte mij vreezen, dat Reynhove het euvel zoude opnemen, indien ik het voorstel afsloeg; te meer, daar ik mij den vorigen dag verschoond had en nu toch was komen kijken; en daarbij dreef een dwaze ijdelheid mij aan, om mij geroepen te wanen, ten einde aan die liefhebbers een nuttige les te geven. Kortom, ik stond op en volgde den waard naar het koepeltje, waar onze Heeren onder de flesch bijeenzaten.
âWel! ik moet zeggen,quot; zeide Reynhove, toen hij mij zag: âhet kost niet weinig moeite de eer van Mijnheers gezelschap te bekomen. Gisteravond verzoek ik u, en gij refuseert: vandaag verandert gij van idéé, en dan laat gij u nog bij de ooren trekken, om ons uw sociëteit te schenken.quot;
âIk houd niet van mij in te dringen,quot; zeide ik : âen blijf slechts een oogenblik.
âWel, ik hoop van beter,quot; hernam hij: âmaar neem plaats: ik weet niet of gij deze Cavaliers kent: de Heeren Contour. Reekalf. Van Ranst, officieren te Kaarden in garnizoen.
Ik boog mij en nam plaats.
âWat is dat voor een bocht van wijn?quot; riep Lodewijk. die mij slechts even met een hoofdknik had begroet: âJan! haal
101
anderen wijn: denk-je, dat wij zulke vergifte kost willen zuipen? Haal van den Klooster Baserac: immers zoo de baas er nog van dezelfde heeft als laatst.quot;
..Het heeft weinig gescheeld,quot; zeide ik tegen Reynhove. âof gij hadt den prijs behaald.quot;
..quot;t Heeft genoeg gescheeld,quot; zeide Lodewljk: âja! laten zij maar komen, die het tegen de blessen uithouden.quot;
âNu ja,quot; zeide Reynhove, niet zonder wrevel over het blaffen van Lodewijk: âindien ik mijn paard had willen abi-meeren, zcoals gij uwe beesten gedaan hebt, dan had ik u op Halfweg al vooruit kunnen zijn.quot;
âNu vraag ik aan elk verstandig mensch,quot; zeide Lodewijk, met een luiden lach, âof zulk een verschooning wel iets anders als een uitvlucht is? â- Wat duivel! die zijn paarden sparen wh, moet niet wedden. â Wat zegt gij er van, Wein-stübe ?____quot;
âDas ist recht,quot; antwoordde deze: ..onze freund Reynhofe sol het auch gaar nicht meinen wollen. Maar met dat al, zijn rein is ein gnap peestje und loopt blaisierig: ich sol hum er nog een sakkie koeltens voor pieten wollen.quot;
âWacht eerst, tot het te koop is,quot; zeide Reynhove; âintus-schen ben ik gereed, zoo vriend Blaek wil. morgen weer tegen hem te rijden, tot aan Guldenhof toe: en voor het dubbele geld.quot;
âOf ik mal ware,quot; zeide Lodewijk: âkom over veertien dagen eens weer, dan zullen wij er nader over spreken.quot;
âOver veertien dagen,quot; zeide Reynhove: âzullen de blessen wel denzelfden weg zijn opgegaan als de witvoet.quot;
..Dat ware altijd een laatste uitkomst,quot; zeide Lodewijk. lachende: âja! van dat ouwe dier ben ik zeker wel afgekomen.quot;
..Van den witvoet?quot; herhaalde Reynhove, met verbazing.
âWat was dat? â Eilieve vertel eens!quot; vroegen de Officiers: âheb je nog geld aan dat oude beest verdiend?quot;
âJa kottorie!quot; zeide Weinstübe: âlaat Plaek dat eens vertellen : je houdt waaraftig je pijk fast fan 't lachen, as je 't hoort.quot;
102
âWel, luistert dan,quot; zeide Lode wijk, zijn glas inschenkende, waarna hij zich, met de handen in de vestzakken, achterover in zijn stoel wierp en de houding aannam van een ouden gediende, die een treffelijke krijgsdaad gaat verhalen: âGijlieden kent Jan Velters van de Leliegracht, die in de wandeling Jan Rijstenbrij wordt genoemd?quot;
âEen best goed kalt' van een jongen,quot; zeide Contour: .. t is nog zoo wat een brok van een neef van mij: wij plachten hem altijd te foppen, toen hij klein was: maar er was geen eer met hem te behalen; de sul liet zich alles doen.
âIk heb hom een paar reizen ontmoet,quot; zeide ik: âhij kwam mij voor een beleefd, werkzaam mensch te zijn, wien niets ontbreekt als een betere gezondheid en wat ruimer middelen.
âJa!quot; zeide Weinstübe: ârecht zoo! 't is een khale rot; maar hij werkt koet: hij petient ons wel als makelaar: en ik moet zeggen, hij is altijd bront en oblizant.quot;
âJuist zoo!quot; zeide Lodewijk: âwelnu! â Gij hebt allen dien witvoet van mij gekend: een goed en deugdzaam paard in zijn tijd; maar die nu mooi oud, gebroken en hardademig was, en zoo blind, dat ik al last had gegeven om hem dood te schieten. â Maar of ik blij ben, dat ik het niet gedaan heb. â Verleden week, moet gij weten, zit ik bij den ouwe in zijn kamer; daar komt mij die Jan Rijstenbrij met zijn bleeke tronie aangewandeld, met een pak papieren onder den arm, van een graf, dat de ouwe in de esterkerk voor zich had laten koopen.quot;
âJongen!quot; viel de Luitenant Reekalf in: âheeft de oiu\e plan om op te stappen? Dat zou je goed komen, vrindje?quot;
âDat zou het net.quot; zeide Lodewijk, terwijl Reynhove een blik van verontwaardiging op den officier wierp: ânu: â de knaap zag er zoo ontdaan uit van de kleine wandeling, die hij gemaakt had, dat de ouwe hem verzocht te gaan zitten en hem vroeg, hoe hij het al zoo maakte; âniet te best,quot; was het antwoord: âik ben verleden week naar Leiden geweest om Professor Boerhave te raadplegen: en die heeft mij het paardrijden aanbevolen.quot; â âZoo!quot; zeide mijn vader: âen
heb je zijn raad al gevolgd?quot; â âJa Mijnheer!quot; was het antwoord van Velters: âik heb al een tochtje of wat gedaan met paarden uit de rijschool: ik wenschte wel, dat ik een goed mak beestje in eigendom kon krijgen; doch ik weet niet hoe er aan te komen. Veel geld er voor uit te geven schikt mij niet: en ik ben bang, dat zij mij in den nek zullen zien; want ik heb er geen verstand van.quot; â Toen kwam mij de witvoet voor den geest: ik trok af, liet onzen maat zijn zaakjes met den ouwe afhandelen en wachtte hem aan de voordeur af: ..Zeg eens, Sinjeur Velters!quot; zeide ik, toen hij aftrok: âjij woudt gaarne een mak beestje hebben, nietwaar?quot;
âJawel! Mijnheer Blaeklquot; zeide hij. â âNu man! zoo weet ik er een voor je,quot; zeide ik. âEr staat er nog een bij Jaspersz op stal; dat is net je gading. Zij zullen er misschien wat veel voor vragen; maar met loven en bieden komt men ver: en ik zal je de vriendschap doen, en gaan met je, om te zorgen, dat je niet beetgenomen wordt. â- Daar was onze man over de huizen, gelijk gij denken kunt. Wel tienmalen zeide hij, hij wist niet, waar hij zooveel beleefdheid aan verdiend had: enfin! 't was aandoenlijk om zijn dankbaarheid te zien. â Ik sprak met hem af. hij zou den volgenden morgen tegen zeven uren bij Jaspersz op stal komen, om het beestje te zien. en dan zou ik er ook wezen. Xu! gij kunt denken, wat er gebeurde: ik dadelijk naar stal, stuur den witvoet bij Jaspersz; ga zelf den man spreken en zeg hem zijn les voor. Den volgenden morgen kom ik met opzet wat later: daar stond onze maat al sedert een kwartier bij het beest, met Jaspersz, die hem er al de fraaie hoedanigheden van aanprees, alsof er nooit een beter een zadel op den rug had gedragen. Jongens! ons Veltersje was zoo blij, dat ik kwam; want hij wist niet meer wat te zeggen. â âZoo!quot; zeide ik: âvriend Velters! heb je den knol al eens geprobeerd?quot; â âXeen Mijnheer!quot; antwoordde hij: âen ik weet niet, of hij mij wel lijken zou: want, naar Jaspersz zegt, moet het beest al mooi wild en vurig wezen: en dat lijkt mij niet; maar Mijnheer!quot; vervolgde bij, terwijl hij mij zachtjes
104
ter zijde trok: âheeft het paard niet een ingezonken rug? dat is immers een gebrek?quot; â âHm!quot; zeide ik: .,dat hindert niet, wanneer het gezadeld is; anders, mooi staat het niet, daar hebt gij gelijk in; â maar wij zullen eens zien. Haal het beestje maar eens uit, Jaspersz! â Jongens!quot; fluisterde ik Velters in, terwijl Jaspersz het beest liet opzadelen: âzie je wel hoe zuur of Jaspersz kijkt, dat ik meegekomen ben? hij weet wel, dat hij je nu niet kan foppen, al wou hij.quot; -Dat alles slikte vriend Rijstenbrij op als zoeten koek. Toen het paard nu buiten stond, ik er op en reed er wat mede de laan op en neder, nu stappende, en dan weer op een hand-galopje: â want ik was bang dat hij er in 't geheel niet mede voort zou komen, zoo ik het hem eerst berijden liet. Toen het beest wat los en lenig was geworden, verzocht ik hem mijn plaats te nemen. ..quot;Wel! wat zeg je er van?quot; vroeg ik, toen hij een keer of wat heen en weer was geweest. âMij dunkt, het loopt vrij aardig,quot; zeide hij: âmaar zou het niet wat te gauw moe zijn? Het zweet staat hem een duim dik op het lijf.quot; â â âJa!quot; zeide ik, âdat dunkt mij ook, Jaspersz!quot;
âOch Mijnheer!quot; zeide deze, terwijl hij een groote pruim tabak in den mond stak, om niet te lachen: âdat is van de heetigheid; het beest is in geen zes dagen van stal geweest.quot; -âMaar!quot; zei Velters wederom, die toch minder onnoozel was dan ik dacht: âstruikelt het niet nu en dan wel eens?quot; -âDan heb je hem niet goed op den toom gehouden,quot; zeide ik: âtoen ik hem reed heeft hij niet gestruikeld.quot; â âEn hoe oud is het beest wel?quot; vroeg hij alweer. âJa,quot; zei Jaspersz: ..piepjong is hij niet meer; maar Monsieur Velters verkiest ook geen heel jong beestje; meer dan een jaar of acht zal hij toch wel niet halen.quot; â- âEn,quot; vroeg ik, âwat moet dat juweel nu gelden?quot; â âHonderd dukaten,quot; antwoordde Jaspersz: âen daar valt niets af te dingen. Ik heb er nog gisteren vijfhonderd gulden voor geweigerd aan Mijnheer Zadelhoff, dien Mijnheer kent.quot; â âHonderd dukaten!quot; herhaalde ik op een toon van verontwaardiging, terwijl ik bij mijzelven lachen moest om het scheef gezicht, dat Velters
105
zette: âwel dat zou de duivel! â Neen man! mij dunkt / 400 is een mooi bod â of althans â Monsieur Velters moet het weten; maar ik voor mij zoude niet gaarne meer geven.quot; â âNeen zeker!quot; zei Yelters, die bleek van angst
as: âen zelfs / 4U0 is wel een honderd gulden boven mijn prik; ik bon geen man van de Nieuwe Heerengracht, zooals Mijnheer Blaek.quot; Toen trok ik hem op zij: âhoor,quot; zeide ik. ,,'t is wel wat duur; maar in uwe plaats betaalde ik liever wat meer voor een goed paard, dan dat je een knol koopt, die u in den steek laat.quot; Hij zat er deerlijk in. maar dorst niet teruggaan. â en om het maar in korte woorden te vertellen, na veel over en weer praten werd de koop voor f 450 gesloten: en onze vriend trok af, na herhaalde dankbetuigingen voor al de moeite, die ik mij gegeven had; terwijl Jaspersz hem achternariep, dat hij nu een beest had, waar hij de wereld mee uit zou rijden, 't Kan wel waar zijn ook; want vandaag of morgen rijdt de blinde knol den Amstel met hem in.quot;
âNu! die was heerlijk!quot; riepen de Officieren; âvierhonderd vijftig gulden voor een knol, die het doodschieten nauwelijks waard is. â Nu! dat verdient zoo'n beunhaas. Wat behoeft hij ook te rijden? Je hebt je dan recht dapper gehouden.quot;
Ik zag met genoegen, dat Reynhove niet instemde met den lof, welken de overigen Lodewijk toezwaaiden; maar, evenals ik, stilzweeg en het hoofd schudde. Wat mij betrof, ik was verontwaardigd over een zoo schandelijk bedrog, te minder verschoonbaar, omdat het gepleegd was jegens iemand die er zich bij geen mogelijkheid tegen hoeden kon: en, wat mij nog meer ergerde, was de onbeschaamde wijze, waarop men zich nog dorst verhoovaardigen en lofspraak vergen op een daad, die mijns oordeels een geeseling waardig geweest ware. Ik kon mij eindelijk ook niet meer bedwingen; maar, niet gezind mijn gedachten ongevergd te uiten, bij lieden, die mij niet verstaan zouden, vergenoegde ik mij met de vraag, wat de arme Velters toch wel gezegd had. toen hij naderhand ontdekte, hoe deerlijk hij bedrogen was geworden.
106
âBedrogen!quot; herhaalde Lodewijk, mij schuins aanziende: âvergun mij u te zeggen, Mijnheer Huyck! dat dit een uitdrukking is, welke ten dezen niet te pas komt. Gij meent ongetwijfeld: toen hij bemerkte, dat ik hem bij den neus had gehad.quot;
âIndien gij oordeelt, dat deze laatste uitdrukking zachter is,quot; zeide ik, koeltjes, âdan heb ik er vrede mee: de betee-kenis blijft toch dezelfde.quot;
âToen hij het bemerkte,quot; vervolgde Lodewijk, zonder schijnbaar aan mijn woorden te hechten, toen zag hij, dat hij zijn geld kwijt was, en daar bleef het bij. Denk je, dat hij zoo gek is, zich te beroemen, dat men hem beet heeft gehad? â Of dat hij zou durven klagen over mij ? en gevaar loopen mijns vaders gunst en de mijne te verbeuren?quot;
..Des te erger,quot; zeide Reynhove, met warmte: âik zou het ii pardonneeren, indien gij dezen of genen maquignon had gedupeerd, of wel een cavalier, gelijk gij zijt, die u satisfactie kon vragen; maar dat gij abuseert van de goede trouw eens mans, die van de affaire geheel ignorant is en bovendien van u dependeert, dit is geen nobele manier van ageeren.quot;
Ik knikte goedkeurend bij deze redeneering, die mij zeer behaagde, al was zij in onzuivere taal gesproken. Wat Lodewijk betrof, hij toonde zich ten hoogste gebelgd over hetgeen hij een beleediging noemde: en er zou twist ontstaan zijn, indien de overigen er zich niet tusschen gevoegd hadden en verzocht, het onderwerp daar te laten.
âHei ho!quot; riep nu opeens Lodewijk: âwie komt daar aan? â Lucas Helding, zoo waar ik leef! blazend en zwee-tend als een narrepaard. Hier!quot; schreeuwde hij, tegen de ruiten tikkende: âhier vriend Helding! hier moet gij wezen! Toe vrienden! ziedaar een heerlijk voorwerp om ons mede te vermaken. Wij moeten hem binnenroepen en besissen.quot;
Ik keek uit! en inderdaad, daar kwam Helding voorbij, met den hoed in de hand, en het gezicht zoo rood als een kal-koensche haan, terwijl hem het zweet tappelings langs de
107
wangen droop. Zoodra hij hoorde dat er getikt werd, draaide hij het hoofd om, en zijn gelaat helderde op. bij den aanblik van een volgeschonken roemer, dien Lodewijk hem voorhield. Ik had den goeden man wel willen waarschuwen tegen het gevaar, dat hem bedreigde, maar het was te laat: hij was den tuin ingewandeld en stond reeds op den drempel van den koepel te buigen.
âWel poëet, kom binnen!quot; riep Lodewijk; âwaar komt dat zoo vandaan? Maar drink, eer gij antwoordt. Gij schijnt warm en hebt wat verfrissching noodig.quot;
,.Veels te veel goedheid,quot; zeide Helding, nadertredende en het hem aangeboden glas met nieuwe buigingen aannemende: âuwe gezondheid Hoeren! â Ik was de slatuintjes eens rond-gekuierd; ik dacht niet, dat ik op weg naar huis nog kennissen zoude vinden.
âAllons! ga zitten,quot; zeide Lodewijk, hem bij de schouders vattende en op een stoel plakkende: âen drink nog lei^. Zeker ben je weer aan 't verzenmaken geweest onderweg. Toe! laat hooren; wat heb je bij je?quot;
âIs Mijnheer een dichter?quot; vroeg Contour, een blij gezicht zettende.
âEen dichter!quot; herhaalde Lodewijk: âpuf nou poëetjes! quot;t is de baas van 'tgansche land! Is dat een vraag, of Lucas Helding een dichter is?quot;
âIs UEd. waarlijk die vermaarde Lucas Helding, wiens verzen mij zoovele aangename uren hebben doen doorbrengen?quot; vroeg Contour, met een gemaakte verbazing: âwel, ik had nooit durven droomen, dat ik het geluk ooit zou hebben mogen smaken, van uwe kennis te maken. Gun mij, uwe gezondheid te drinken.quot;
âTe veel goedheid,quot; zeide Helding, zijn glas op nieuw ledigende: âmaar hoe kan Mijnheer zoo bekend zijn met mijne gedichten, als ik vragen mag? want ik heb nog nooit iets laten drukken, als eenige ...quot;
âO Mijnheer!quot; zeide Reekalf, zijn kameraad in verlegenheid ziende: âalsof wij geen kopieën van uw werken hadden;
108
maar mijn vriend is mij vooruit geweest: gun mij thans ook de eer. . . En er werd op nieuw geklonken.
âIk ben niet minder gecharmeerd van uwe kennis te ma-ben,quot; zeide Reynhove. âIch wil auch een klaasje wein mit UEd. trinken,quot; zeide Weinstübe. âIk mag mij mede dat genoegen niet ontzeggen,quot; riep Van Ranst; â en Helding, hoezeer zich tegen die al te groote eer verzettende, zag zich genoodzaakt met elk afzonderlijk een glas te ledigen. Zeker deed hem de wijn naar meer smaken; want toen hij de ronde gedaan had. verzocht hij mij uit zichzelven, de eer te mogen hebben, van ook met mij te klinken.
âIk kan u zeggen, mijn waarde Monsieur Helding!quot; zeide Contour, âdat er geen dichter is, wiens verzen meer bij ons regiment bewonderd worden, dan de uwe.quot;
âHet gaat zooverre,quot; zeide Reekalf, âdat twee Luitenants, een Vendrig en drie Kornetten in arrest zijn gezonden, omdat het lezen uwer gedichten hen het parade-uur had doen verzuimen.quot;
âWat praat gij van arrest,quot; zeide Van Ranst: âik ken er verscheidenen, die zich moedwillig naar de provoost laten brengen, om op hun gemak uw voortreffelijke dichtwerken te kunnen bestudeeren.quot;
â't Gaat zooverre,quot; hernam Contour, âdat onze Kolonel laatst, in stede van het commando te geven, een regel uit een uwer werken opzeide.quot;
âWij hadden bij ons een Cadet,quot; zeide Reekalf, âwiens dood gij op uwe rekening hebt.quot;
âZijn doodlquot; riep Helding in verbazing uit: âUEd. spot er mee.quot;
âVolstrekt niet: hij wilde uw schrijftrant navolgen en heeft zich, uit wanhoop over het mislukken zijner pogingen, een kogel door 't hoofd gejaagd.quot;
âWel! is het mogelijk?quot; hernam Helding, de handen van verbazing in elkaar slaande: âik ben er waarachtig van ontsteld.quot;
âToe geschwind! trink tan tegen den schrik,quot; zeide Weinstübe, hem inschenkende.
109
âVoor den drommel!quot; zeide Van Ranst: âik, die hier zit. heb al zes officieren van de Garde in tweegevecht overhoop gestoken, omdat zij ontkenden, dat Helding de eerste dichter van het gemeenebest was.quot;
âHemel beware ons!quot; riep de goede Helding uit, verschrikt op zijde schuivende; want Van Ranst, die een groote zwaarlijvige kerel was met dikke knevels en bakkebaarden, zag er inderdaad vervaarlijk uit.
âUEd. is immers,quot; hervatte Contour, âde maker van dat lieve dichtstukje op ... . hoe heet het ook?.... Eilieve, Reekalf! help mij eens op den weg.quot;
âWel ja! van dat geestige gedichtje, dat wij te zamen lazen,quot; zeide deze.
âWelk bedoelt UEd.?quot; vroeg Helding, zijn oogen beurtelings van den eenen naar den anderen kant wendende: âik kan niet nagaan . . . .quot;
âWel! dat verliefde stukje,quot; zeide Van Ranst: âik heb het den vijfden van mijn weerpartijders nog in de ooren geschreeuwd, toen ik hem den kop gekloofd had: maar nu ben ik het waarachtig vergeten.quot;
âDat waar eine frolijke manier om hum naar de eeuwigkeit te promenieren laten,quot; zeide Weinstübe.
âMisschien,quot; zeide Helding, âmeent UEd. dat gedichtje op het kuiltje in het kinnetje van Phyllis!quot;
..Juist! antwoordde Contour: ,.'t geen aldus begint .. .. och! hoe begint het ook weer?quot;
..L i e f kuiltje!....quot; hief Helding aan.
âJuist: liet kuiltje.... Stilte, Mijne Heeren! Ga voort, mijn waarde Heer Helding!quot;
âJa! maak dat wij uit dat kuiltje komen,quot; zeide Lodewijk. â En Helding, die alles voor goede munt opnam, hief op deze wijze aan:
âLief Kuiltje! waar de God der liefde in ligt verscholen,
Als in een zacht satijnen bedl....quot;
âEen satijnen bed. â Juist! recht poëtisch!quot; â viel Reekalf in.
110
âVan waar hij pijltjens schiet, die in het wilde dolen.
Maar treffen steeds, en gloeiend zijn als kolen.
Wier vier elk hart in vlammen zet.quot;
âPrecies!quot; zeide Contour: âer kwam van kolen in.quot;
âDie kolen maken een lumineux effect,quot; zeide Reynhove.
âWier vier het hart in vlammen zet,quot;
herhaalde Reekalf: âwat is het aardig uitgedacht en geestig volgehouden: gloeiende kolen en een v 1 a m m e n d hart! Laten wij eens drinken, om dien geweldigen brand te blusschen. Uwe gezondheid. Monsieur Helding!quot;
âOm u te bedanken. Mijne Heeren!quot; vervolgde hij: âmaar het zal mijn tijd worden, orn huiswaarts te keeren.quot;
âJa!quot; zeide ik: âik begin ook te vinden, dat het laat genoeg wordt. Wij zullen een eindweegs samen gaan, vriend Helding!quot;
âWel ja! Waarom niet den geheelen weg,quot; zeide Lodewijk, mij spottend aanziende: âdan kunt gij nog in quot;t voorbijgaan een bezoek afleggen bij uw Dulcinea, die beneden hem woont. â Neen, neen! Wij gaan allen samen heen.quot;
âIk heb geen Dulcinea, die beneden Helding woont,quot; zeide ik. op een ernstigen toon: âen gij. Mijnheer Blaek! weet dat zoogoed als iemand.quot;
âNu! wij blijven ook niet lang meer,quot; zeide Reynhove: âen wij gaan samen heen; â maar wij moeten toch het vervolg van het gedicht hooren.quot;
âKottorie neen!quot; zeide Weinstübe: âwou je nu al opkrassen? het mooie moet nog ankomen.quot;
âWel, het zij zoo!quot; hernam ik: âmaar dan gaan wij ook.quot;
âAls de Heeren het dan zoo verkiezen,quot; zeide Helding: en hij vervolgde aldus met zijn gedicht:
âLiet' Kuiltje! zeg mij toch, indien gij 't kunt verhalen.
En prent het mij ter dege in,
Hoe zijt gij toch ontstaan ? en wat toch deed u pralen,
Zoo schoon, als geen Apèl het beter konde malen,
In ?t midden van die ronde kin?quot;
Ill
âBravo! bravo! â Maar drink eens, Helding! dat opzeggen moet u vermoeien na een zoo lange wandeling.quot;
,In 't minste niet: â nu antwoordt het Kuiltje, Mijne Heeren!quot;
âEen sprekend Kuiltje! hoe geestig!quot;
âToen Venus zelf 't gelaat, waarin men mij ziet prijken,
Door hare gunst, te voorschijn bracht.
Deed zij haar eigen merk in alle trekken blijken.
Zij schiep die schoone verf, waarvoor de roos moet wijken, Die oogen, vol van tooverkracht.quot;
,,'tls onnavolgbaar!quot; galmde Reekalf uit.
âDat geestig kopje, rijk versierd met blonde lokken.
Dien fijnen neus, zoo wel besneên.
Dien wenkbrauwboog, om 't oog zoo zuiver heengetrokken, Dat mondje, slechts bestemd tot kussen en tot jokken.quot;
âFoei! Jokte Phyllis?quot; merkte Eeynhove binnensmonds aan.
,,'t Komt zoo in 't rijm te pas,quot; fluisterde ik hem toe.
âJokken beteekent hier zooveel als schertsen,quot; zeide Helding, aan wiens nauwluisterend oor de aanmerking niet ontsnapt was. Hij vervolgde:
âDie tandjes, wit als elpenbeen,'*
âToen zei zij: âaan mijn werk mag heden niets ontbreken.
En, als de moeder van de min.
Wil ik, hetgeen ik schiep, doen prijken met een teeken.
Dat elk herken.quot; Zoo sprak ze, en drukte, al onder 't spreken.
Haar duimpjen in de kin.quot;
Hier werd dit kreupele rijm vervangen door een algemeen concert van toejuichingen, en zoovele gezondheden den maker gebracht, dat ik begon berouw te gevoelen, van hem niet vóór het einde van het gedicht te hebben medegevoerd, daar ik wel voorzag, dat hij den hem gespreiden strik niet ontgaan zou. Vreezende bovendien, dat ook de overigen, terwijl zij hem de laag gaven, zeiven mede hun bekomst zouden krijgen, rees ik op en wenschte nu de eerste gelegenheid te baat te nemen om te vertrekken, en, zoo mogelijk. Helding mede te
112
krijgen, toen het gesprek opeens een wending begon te nemen, welke mij blijven deed.
âWat ik bovenal admireer,quot; zeide Reynhove, terwijl hij ⢠den dichter bij zijn knoopsgat hield, âis de variëteit, respi-reerende in de differente poësies, die gij aan Mejuffrouw Blaek hebt gedediëerd. Zeker heeft u het sujet geïnspireerd.quot;
âOngetwijfeld, Mijnheer!quot; zeide Helding: âwie zou niet in heilig vuur ontstoken raken, wanneer hij zulk een engel moet bezingen? Zouden wij hare gezondheid niet eens drinken. Mijne Heeren?quot;
Ik gevoelde een hoogst onaangename gewaarwording, en het was mij, of de naam van Henriëtte ontheiligd werd, dat men dien bij een gelegenheid als deze dorst uitspreken. Dan ik had spoedig meer gegronde reden tot ontevredenheid.
De gezondheid van Mejuffrouw Blaek werd gedronken, en die ellendige Weinstübe voegde er bij: âdat is een gonditie, die onze frnnd Plaek zich vooral wel zal aantrekken wollen. Immers; hoe staat es? Pin je al keënkacheerd met haar? En wanneer sollen wir op je prijloft tansen?quot;
âNiet zoo mal,quot; antwoordde Lodewijk: âzij is geen onaardig bekje en zou wel willen, geloof ik; maar wij zullen er niet aan doen.
Ik gevoelde een innigen trek, om den pochhans op zijn gezicht te trommelen â en bedwong slechts met moeite mijn toorn.
âMaar toch, Plaek!quot; zeide Weinstübe: âman sagt, der Her papa wil mit alle kraft und keweld, dat je haar trauwen solt.quot;
âJa! dat heeft de ouwe zich in 't hoofd gezet, Joost weet waarom! althans hij gunt haar aan geen andere.quot; â Hier zag hij mij aan met een schampere uitdrukking, die mij het bloed in 't gezicht deed stijgen: âdoch,quot; vervolgde hij: âals ik ooit zoo gek worde om mijn vrijheid te verkoopen, zal ik ten minste een half millioentje in ruil moeten hebben, en geen kale rot, die op haar best,quot; enz. Hier bezigde hij eenige uitdrukkingen, te gemeen om herhaald te worden, maar die door Weinstübe en de officieren met een luid gelach werden aangehoord.
113
Er had een hevige strijd iu mijn binnenste plaats. Ik had te veel eerbied voor Henriëtte, om haar op zulk een tijd en plaats en in een dergelijk gezelschap tor onderwerp van een twist te doen strekken, en haar partij te trekken tegen haar eigen bloedverwant: maar aan een anderen kant was het in mijn oogen een ellendige laagheid, te dulden, dat zij in mijn bijzijn tot onderwerp moest strekken van zulk nietswaardig gesnap. Terwijl ik mijn denkbeelden zocht in orde te schikken, ten einde aan Blaek mijn ongenoegen op een betamende wijze te kennen te geven, kwam Eeynhove mij voor en gaf mij daardoor de gezochte aanleiding, om mij, zonder stof tot opspraak te geven, in het onderhoud te mengen.
..Vriend Blaek!quot; zeide Eeynhove: âgij doet verkeerd, aldus over uw cousine te spreken: zij is een charmant meisje, en zou ook zonder geld in staat zijn, iemand gelukkig te maken, die haar wist te appreciëeren; en daar zijt gij de man niet naar.quot;
âDunkt u dat?quot;' vroeg Lodewijk: âwelnu! trouw haar dan zelf: en geluk er mede.quot;
âHet verwondert mij,quot; sprak ik nu op mijn beurt, âdat de Heer Blaek op een zoo losse wijze spreekt van een naastbe-staande, die wellicht door geene onzer jonge dames overtroffen wordt, en wier zedigheid althans boven alle lofspraak verheven is.quot;
âWat weet gij daarvan?quot; vroeg Lodewijk: âomdat gij een paar keeren alleen met de meid geweest zijt, en zij tegen u misschien de preutsche gespeeld heeft, denkt gij, dat zij tegen een iegelijk zoo zijn moet. Loop heen! wij weten, wat wij weten.quot;
âIk weet,quot; zeide ik, âdat ik in twijfel sta, of ik uwe taal met den naam van laster of met dien van kinderpraat moet bestempelen.quot;
âWat!quot; riep Lodewijk uit. terwijl hij opstoof van zijn stoel: âweet gij wel wat gij zegt?quot;
âNiet alleen, dat ik het weet; maar ik ben bereid, het te herhalen, en geen woord meer te verdragen ten nadeele van Mejuffrouw uwe nicht.quot;
114
âEn wie duivel heeft u opgedragen, haar ridder te zijn?quot; vroeg Lodewijk: âmaar dat is hetzelfde: wij zullen elkander nader spreken, Mijnheer Huyck!quot;
âIk ben uw seconde, Blaek!quot; zeide Van Ranst, zich p-richtende en de breede borst omhoogzettende.
âJa kottorie! dat kun je niet onder Je laten, Blaek!quot; zeide Weinstübe.
âWees toch zoo dwaas niet, Blaek!quot; zeide Reynhove, tus-schen beiden tredende: âonze vriend Huyck heeft perfect gelijk. Gij hebt op een impardonnable wijze van uwe nicht gesproken: en gij zoudt de zaak niet amelioreeren, door er verdere suites aan te geven. Laat alles liever en état blijven, haar naam niet meer geprononceerd, en de cjuaestie afgedronken worden.quot;
âJa!quot; mompelde Helding: âdat is naar mijn hart gesproken, laat de quaestie afgedronken worden.quot;
âDe Heer Reynhove heeft volmaakt gelijk,quot; zeide Contour tegen Lodewijk: âgij kunt niet vechten tegen iemand, die het opneemt voor uwe eigene nicht.quot;
âJa! das ist auch waar,quot; zeide Weinstübe: âlaten wij er maar nicht meer over spreken und ein klaasje von frundschap trinken.quot;
âMet genoegen,quot; zeide Lodewijk: âindien Huyck mij naar behooren excuus wil vragen voor de onbehoorlijke taal, die hij zich tegen mij heeft veroorloofd.quot;
âIk geloof,quot; zeide ik, âdat mijne uitdrukkingen gematigd genoeg zijn geweest, en kan geene verschooning vragen voor hetgeen ik op goede gronden gezegd heb. Dit alleen wil ik verklaren, dat ik geen oogmerk had, u te beleedigen, maar alleen de eer van Mejuffrouw uwe nicht tegen alle blaam te handhaven.quot;
âDie reparatie moet u genoeg wezen, Blaek!quot; zeide Reynhove: âkom! wees geen kind en begin geen dispuut, waardoor gij u-zelf een ridicule zoudt geven. â De eer van een jong meisje is een teeder punt en behoort niet zoo lichtvaardig onder een glas wijn gecompromitteerd te worden.quot;
âAch ja!quot; zeide Helding, terwijl Lodewijk, hoezeer onwillig.
115
het glas aannam, dat Contour hem opdrong; âde eer van een meisje is een teeder punt. Och! mijn Klaartje! mijn Klaartje! wa meer men zoo los over u sprak, niemand zou het voor u vquot;quot;ien opnemen!quot; â Hier liepen de tranen den man, wien de â wijn in een aandoenlijke stemming gebracht had, langs de wangen.
âWat ist das!quot; vroeg Weinstübe: âwat hebje te hijlen und te lamenteeren ? Trink liever een schlok, dan dat je zoo staat te balken.quot;
âOch! mijn waarde Heer!quot; zeide Helding, terwijl hij den aangeboden roemer al snikkend ledigde: âIk kan nooit over een lief meisje hooren spreken, of ik denk om mijn arme dochter, die ook eens zoo braaf en goed was, en thans .... och! och! â Mijnheer Lodewijk zal zich wel herinneren, welk een braaf, beminnelijk schepseltje het was, alvorens een schelm haar .... och! och !quot;
âIk!quot; zeide Lodewijk, terwijl hij bleek werd, hetzij door de uitwerking van den wijn, of uit eenige andere oorzaak: âwat weet ik van uw dochter af? .... Doch ja! . . . . ik herinner mij.... zij is het pad opgegaan, nietwaar?quot;
âJa Mijnheer!quot; antwoordde Helding, blijkbaar door de woorden van Lodewijk beleedigd, en hem aanziende met een vrijmoedigen blik; want de kracht des wijns had de afstanden tusschen hen gelijkgemaakt; âzij is het pad opgegaan: en ik kan het zonder blozen zeggen; want ik heb haar altijd het goede voorgehouden en liefgehad: â en haar schande komt alleen op den schelm neer, die haar bedorven heeft. Ziet Mijne Heeren! ik ben maar een oude, afgeleefde vent; maar indien ik den verleider wist, die mijn geluk verstoord heeft: ik zou hem opzoeken en in 't aangezicht slaan. Neemt liet mij niet kwalijk. Mijne Heeren! Gij allen zijt nog jong en neemt het misschien zoo nauw niet; maar indien gij nadacht, hoe uwe onbezonnenheid iemands geluk voor eeuwig kunnen verstoren, gij zoudt over zulke onderwerpen niet schertsen. Och! Ik zou al die verzen, welke UEd. geprezen hebt, met vermaak op het vuur gooien, indien ik daardoor slechts mijne arme dochter terughad.quot;
116
Helding had op dit ©ogenblik iets ernstigs, iets waardigs in zijn houding; het gevoel van eigenwaarde, dat anders bij hem sluimerde en hem eiken hoon lafhartig deed slikken, was opgewekt geworden nu het zijne dochter gold: de wijn had hem vrijmoedigheid geschonken om zich te uiten, en de beschroomde, laffe, kruipende tafelschuimer had in mijn oog iets eerbiedwekkends verkregen. â Het was echter niet meer dan een flikkervlam, bestemd om even spoedig te zijn uitgedoofd als zij ontstaan was.
Het scheen, dat zijn zedenpreek Lodewijk en zijn vrienden weinig aanstond; althans de eerste deed weldra het voorstel, om de paarden te gaan zoeken: en ik nam deze gelegenheid waar, om den dichter te beduiden, dat wij nu lang genoeg gebleven waren en het tijd werd om naar huis te gaan. Xa een korte tegenstribbeling liet hij zich gezeggen, en, afscheid van het gezelschap genomen hebbende, verlieten wij de herberg.
ZEVEN-EN-TW1NTIGSTE HOOFDSTUK,
WAARIN ONZE HELD IN NIEUWE ONAANGENAAMHEDEN WORDT GEWIKKELD.
Ik had nog nauwelijks twintig stappen stadwaarts gedaan, toen die zelfde Helding, die even te voren zoo verstandig gesproken had, mij plotseling bij den arm nam: âhet is toch zonde en jammer,quot; zeide hij: âte moeten aftrekken, zoolang er nog zulke goede wijn in de flesch is.quot;
Ik zag hem aan: de oogen puilden hem uit het hoofd; en een misstap, dien hij op dat oogenblik deed, en waardoor hij bijkans tegen mij aantuimelde, deden mij overtuigend zien.
117
dat hij dronken was, althans door den plotselingen overgang uit den warmen koepel in de lucht, bevangen geraakt.
âHou u maar bedaard, vriend Helding!quot; zeide ik: âen laat ons voortstappen, zonder de menschen te dwingen van naar ons te kijken.quot;
Wij wandelden verder op, en ik deed mijn best, den sukkel voort te krijgen, die bij eiken stap tegen mij aankwakte en met de beenen al de bewegingen maakte van een schaatsenrijder. Het begon gelukkig al te schemeren, en er waren weinig menschen meer voor de herbergen; maar ik schaamde mij toch om met een dronken man de poort in te komen. Reeds had ik een paar keereu stilgestaan en rondgezien naar iemand cm een rijtuig te bestellen, toen tot mijn blijdschap Reynhove met twee der Officieren ons achterop kwam geloo-pen. Ik wenkte hen toe en zij hadden niet veel moeite om te zien hoe de zaak geschapen stond. De Hagenaar bood mij terstond zijn hulp aan; doch de beide anderen, die waarschijnlijk haast hadden, wenschten ons in 't voorbijgaan plei-zierige wandeling en stapten voort, zonder zich wijders over ons te bekommeren. Reynhove nam nu Helding bij den anderen arm en op die wijze gelukte het ons, hem tot in de poort te krijgen. Op het Haarlemmerplein gekomen, bestelden wij een slede en pakten onzen maat, die zoo gedwee als een schaap was en nergens meer besef van had, daarin, terwijl wij gearmd naast het voertuig voort bleven wandelen. Ik vroeg aan Reynhove, hoe het met zijn paard gesteld was.
âO!quot; zeide Reynhove: âhet is zoo gezond als een visch. Ik laat het uit precautie op stal staan; moest hij morgen weer aan den gang, hij zou aan de blessen van Blaek desnoods een zeshonderd roe vooruit geven; want, wat die betreft, ik geloof niet, dat hij er ooit weer mede zal kunnen rijden.quot;
..Dit is dan,quot; zeide ik, âeen weddenschap geweest, waar niemand bij gewonnen heeft: gij zijt het geld kwijt, en Blaek een paar brave paarden.quot;
..Hij verliest er meer bij dan ik,quot; zeide Reynhove, lachende.
us
âIk zie niet, dat zulks u eenigen troost kan geven, dat twee edele schepselen buiten gebruik raken en het wellicht met den dood bekoopen; terwijl zij buiten deze dwaasheden den eigenaar tot nut en genoegen hadden kunnen strekken.quot;
âMa foi! het is hun lot! waar zijn de harddravers voor. anders als om te loopen? Gij zult toch een echt nationale gewoonte als de harddraverijen niet willen condemneeren ?quot;
âVolstrekt niet,quot; hernam ik: âmaar de paarden, welke men daartoe bezigt, worden er uitdrukkelijk toe bestemd, en door een gestadige oefening bekwaam gemaakt om het lang uit te houden en sterke beweging te doen zonder nadeel voor hun gezondheid: en bovendien bereden door lieden, die de noodige zorg dragen, dat zij zich niet boven hunne krachten inspannen. Wat ik veroordeel, zijn die bijzondere weddenschappen, waarbij welopgevoede lieden zich met rostuischers gelijk stellen, hun paarden slaan, mishandelen en bederven, en per slot slechts een schralen roem inoogsten. Ik geloof, dat ik mij des te vrijer jegens u aldus mag uitlaten, omdat ik bespeurd heb, dat gij, uit liefde voor uw beest en om het niet te bederven, de kans der overwinning verspeeld hebt. Doch juist dit toont aan, dat gij althans voor dergelijke grappen de man niet zijt. Om die mede te doen, moet men beginnen met alle gevoel van deernis uit te schudden.quot;
âIk geloof, dat gij gelijk hebt,quot; zeide Reynhove: âmais que voulez-vous?quot;
âGij althans,quot; vervolgde ik, âzoudt niet handelen, gelijk Blaek gedaan heeft ten opzichte van Velters, Gij ziet, waar die paardekoopers-zedenkunde toe brengt,quot;
âIk verzeker u,quot; zeide Reynhove, âdat, toen ik kennis maakte met Lodewijk, ik hem voor een bon compagnon aanzag, die wellicht zijn gebreken had, maar rond en voor de vuist was; â maar hij is mij erg tegengevallen: â en dan, de manier, waarop hij over zijne cousine spreekt! -foei! â Apropos! is het een indiscretie, u te vragen, of gij vues op haar hebt?quot;
â't Is nu de tijd niet, daarover te spreken,quot; antwoordde
I
no
ik, ongenegen hem tot mijn vertrouweling te maken.
âIntegendeel!quot; hernam hij; âen gij behoeft voor mij niet te vreezen: â er zal tusschen ons geen rivaliteit bestaan. â Maar wat kan de reden zijn, dat haar oom zoo geweldig op een huwelijk tusschen haar en Lodewijk gesteld is, en zich daar zoo zonderling en dringend over uitlaat?quot;
âHeeft hij dat in uw bijzijn gedaan?quot; vroeg ik, verrast.
âAha! â die vraag is een antwoord op hetgeen ik zooeven vroeg: â In mijn bijzijn? mieux que (ja, tegen mij-zelven, vriendlief!quot;
âHoe dat?quot;
âLuister eens. In den gepasseerden nacht lag ik gerust op mijn bed, toen opeens de deur van mijn slaapkamer wordt opengedaan: âwie is daar?quot; vraag ik, â Geen antwoord, â Ik ga overeind in mijn bed zitten, en zie: daar nadert mij een lange gestalte, blootsvoets en 't lijf in een nachtjapon gewikkeld, met een slaapmuts op en een kaars in de hand, die naar mij toetreedt. Het was de oude Heer Blaek,quot;
âInderdaad! En wat kwam die u vertellen?quot;
âDaarnaar was ik niet minder nieuwsgierig dan gij, âMijn God! Mijnheer Blaek! Wat is er gebeurd?quot; vroeg ik, â Maar hij, zonder mij te antwoorden, zette de kaars op de tafel, en, een stoel nemende, plaatste hij zich aan het hoofdeneind van mijn bed. Toen bemerkte ik eerst, dat hij een slaapwandelaar was,quot;
âEn hij sprak met u ?quot;
âHij nam mijne hand tusschen de zijne, en toen, mij met een gelaat vol angst aanziende: ââom Gods wil, Lodewijk!quot; zeide hij: ââmaak uw ouden vader niet ongelukkig. Heb medelijden met mij. Geef mij de rust mijner ziel weer en neem Henriëtte tot vrouw. Ik heb heden weer een aanzoek voor haar afgeslagen,quot;quot;
âHij zeide dit?quot;
âIk herhaal u zijn eigen woorden: âO! Wist gij,quot; vervolgde hij, âwat het zegt, jaren lang de folteringen des gewetens te gevoelen en slechts één middel tot herstel van het misdrijf
120
te kennen ? Het is in uwe macht, mijn Lodewijk! mij de rust terug te geven. Ik heb u altijd uwen wil laten doen; â ik heb u wellicht te veel liefgehad: ja! God weet het: veel te veel: â doe gij dan het eenige, wat gij voor mij doen kunt.quot;quot; Onbegrijpelijk! En welk geheim kan het zijn, dat hem zoo zwaar op het hart ligt?quot;
âIk weet het niet; en ik was liever de kamer uitgeloopen dan op een zoodanige wijze de confident te worden van iemand, aan wiens huis ik hospitaliteit geniet. â De slapende vervolgde: ââgij weet het niet, waarom ik zoo sterk op dat huwelijk insteer. En gij zult het ook nooit weten dan in de ure mijns doods. En die zal niet ver meer verwijderd zijn, indien gij aldus voortgaat, mijn beden te weerstreven.quot;quot;
âSchrikkelijk! En wat toch kan het zijn, dat hier achter schuilt.quot;
âHet tooneel begon mij te vervelen. Ik trok mijn hand los, en kroop zoo dicht tegen den wand, dat ik buiten zijn bereik lag. Hij tastte nog eenige oogenblikken naar mij, zuchtte toen diep, rees op, nam den kandelaar en trok af gelijk hij gekomen was.quot;
âIk zou dit geval maar niet rondvertellen,quot; zeide ik: âhetgeen u gezegd is, was niet voor uwe ooren bestemd, en openhartig gezegd, steekt er niet een soort van misbruik van vertrouwen in, het aan derden mede te deelen?quot;
âDat zegt gij nu gij 't weet,quot; zeide Reynhove, lachende: âmaar gij hebt gelijk, en ik zou het u ook niet verhaald hebben, dacht ik niet, dat het u interesseeren kon en u den sleutel geven van het refus, dat gij geleden hebt. Aan Lodewijk echter heb ik gemeend het te moeten zeggen, die er hartelijk om heeft gelachen, en gezegd, dat hem dergelijke bezoeken zoo dikwijls gebeurden, tot hij eindelijk de resolutie had genomen, van zijn deur te sluiten, wanneer hij naar bed ging. Ik geloof, dat ik zijn voorbeeld volgen zal voor de weinige dagen, die ik nog denk te blijven; want ik ben niet op de herhaling dier visites gesteld en zou wellicht meer hooren dan mij aangenaam was.quot;
121
âDenkt gij spoedig weer naar Den Haag te gaan?quot;
âIk geloof van ja: ik verlang met die Blaeken niet intiem te worden: en bovendien, uw vader heeft mij een goeden raad gegeven: en het zal den mijnen aangenaam zijn, indien ik mij in deze of gene carrière begeef. â Voor mijn vertrek echter, kom ik stellig nog eens ten uwent aan.quot;
Wij spraken nu over onverschillige zaken, totdat wij ons aan de deur der woning van Heynsz bevonden. Mijn oogmerk was om, ten einde de gelegenheid te vermijden van Amelia opnieuw te ontmoeten, onzen patiënt aan Heynsz over te leveren, en dezen de verdere bezorging op te dragen. Doch de huisheer was uit: en daar de meid natuurlijk geen kans zag, om Helding, die gevoelloos als een blok in de slede lag, naar de derde verdieping te sjouwen, zagen wij ons genoodzaakt deze taak zeiven te aanvaarden. Juist op het oogenblik, dat wij den poëet uit de slede tilden, kwam Lodewijk aange-loopen, gevolgd van zijn bediende. âZoolquot; zeide hij: âzijt gij daar eindelijk? Ik heb mij in 't zweet geloopen, om u in te halen. Gij vergeet, dat ik ook bij de grap hoor.quot;
Dit zeggende, pakte hij mede een been van Helding aan; doch ik bemerkte dadelijk, dat zijne hulp ons weinig baten zoude, want hij waggelde zelf, en had allen schijn van onder den invloed van den wijn te handelen. Ook liet hij, zoodra wij den beschonkene de benedentrappen opgesjouwd hadden, dezen los, en ging op het portaal zitten. Intusschen sleepten wij Helding hooger op; maar ik had in 't voorbijgaan gemerkt, dat de deur van Amelia's kamer even was geopend geworden, en dat haar vader, waarschijnlijk ongerust over het buitengewoon gedrulsch, om het hoekje gekeken had. Lodewijk, die misschien ook niet zonder doel was achtergebleven, had hem ook bespeurd, was weder opgestaan en de kamer van Amelia binnengetreden. Ik zag dit met een zwenk.
..O wee!quot; zeide ik tegen Reynhove: âlaten wij ons haasten : anders komt er gekheid daar beneden.quot;
Wij legden dan ook, zonder verderen omslag te maken, den snorkenden Helding op zijn bed, en stoven de trappen
weer af. De deur van Amelia's kamer stond open: zijzelve zat aan haar werktafel, bleek van schrik, en met de handen krampachtig saamgevouwen. Haar vader stond midden in het vertrek, met de armen over elkander geslagen, en staarde Lodewijk aan, die nauwelijks op de beenen staan kou en al vloekende uitriep:
âNu zie ik het eindelijk, Juffertje! â Al wil je mij niet tot galant, gij ontvangt toch visites van Heeren. â Voor Huyck blijft de deur niet gesloten, en wie is deze snaak? Zeker de betaalmeester en chef! He?quot;
..Blaek'quot; riepen Reynhove en ik, hem van weerszijden bij de hand nemende: âStel u toch zoo niet aan. â Ga met ons!quot;
âMet uw verlof!quot; zeide Bos: âis deze de Heer Blaek, die de onbeschaamdheid heeft gehad, aan mijne dochter schandelijke voorstellen te doen?quot;
âUw dochter!quot; herhaalde Lodewijk, een oogenblik verrast: ..nu ja! wat doet het er toe?quot; vervolgde hij met zijne gewone onbeschaamdheid: âik heb haar rijk willen maken: en zoo gij een verstandig man zijt, zul je er niets tegen hebben. Er steekt immers geen kwaad in, op een mooi meisje te verlieven? â En zij neemt ook wel presenten aan, al houdt zij zich fijn.quot;
âWacht!quot; zeide Bos: en meteen, een lade openhalende, kreeg hij het doosje met juweelen voor den dag, en stak het Lodewijk tusschen vest en hemd; waarna hij, zonder er een woord bij te voegen, hem met de andere hand een heftigen slag in ?t aangezicht gaf.
âMijnheer!quot; zeide Reynhove, onthutst: âwij zullen wel zorgen, dat hij u niet incommodeert: maar zoo gij hem slaat, laten wij hem los.quot;
âMijne Heeren!quot; zeide Bos, op een bedaarden toon: âhij bekomt niet als het honderdste deel van hetgeen hij verdient; en het is hoog noodig, dat hij eens leere, hoe hij hier in 't vervolg ontvangen zal worden.quot;
âGüj zult het mij betalen,quot; brulde Lodewijk, pogingen aan-
123
wendende om zich los te rukken; âhoudt mij niet vast, lamme, valsche vrienden die gij zijt! Pieter! mijn zweep! Ik wil dien schoft mores leeren.quot;
En Pieter, die geen haar beter was dan zijn Heer, stormde binnen en kwam met opgeheven zweep op Bos aan. Ik sprong tusschen beiden; maar zag mij hierdoor genoodzaakt, Lodewijk los te laten, die, zich nu ook van P^eynhove bevrijdende, als een razende Roeland op Bos toeschoot. Maar deze, hem zonder schroom afwachtende, greep hem met de eene hand in de das en met de andere in den gordel, droeg hem. ondanks zijn tegenspartelen, de deur uit en smeet hem toen van al de trappen af.
âO God! wat zal het gevolg van dit alles zijn?'' riep Amelia: âMijnheer Huyck! in 's Hemels naam! â Help hem toch aan 't bedaren.quot;
âGa uw Heer oprapen,quot; zeide Bos, terugkeerende, tegen Pieter: âof ik zal u denzelfden weg wijzen.quot;
Pieter, hoewel anders een onbeschofte, ruwe kerel, en voor geen kleintje vervaard, scheen echter ongenegen een nieuw bewijs uit te lokken van de kracht des forschgespierden mans, die voor hem stond, en begaf zich, zonder een tweede bevel af te wachten, naar beneden. Reynhove trad nader: âis dit niet wat hard geprocedeerd. Mijnheer?quot; vroeg hij : âonze vriend is een weinig beschonken, en . . .
âEn ik behandel hem als zoodanig,quot; zeide Bos: âgij zult mij genoegen doen, hem te volgen: ik verlang vrij op mijne kamer te zijn en van bezoeken verschoond te blijven. â Mijnheer Huyck! een woord met u eer gij gaat.quot;
âIk verlaat u. Mijnheer!quot; zeide Reynhove: âwant ik erken, dat gij hier meester zijt; maar permitteer mij om u te zeggen, dat ik hier toevallig ben ingekomen, en wel, om een dispuut, dat ik vreesde, te preveniëeren: en dat ik uwe forsche manier van ageeren jegens iemand, die zich niet wel defen-deeren kan, nimmer zal approbeeren.quot;
âAl genoeg!quot; hernam Bos. met een beweging van ongeduld, en terwijl hij hem de deur wees. Reynhove haalde de
124
schouders op, boog zich voor Amelia, gaf Bos zijn trotschen blik terug en vertrok.
âWat is de aanleiding van dit tooneel?quot; vroeg Bos, zoodra hij weg was: âik had niet verwacht dat dergelijke onaangenaamheden herhaald zouden worden.quot;
Ik gaf hem een kort verslag van de ooi-zaak onzer komst en betuigde, hoezeer het mijzelf speet, zonder opzet opnieuw in een geschil als dit gewikkeld te zijn geweest.
â'tls wel!quot; zeide hij: âik geloof u: en ik ben overtuigd, dat ik niets van den Heer Huyck te wachten had, als wat betamelijk en voegzaam is.quot;
âDe Hemel geve,quot; zeide Amelia, âdat deze ontmoeting geene onaangename gevolgen voor u hebbe.quot;
âDat ware van weinig aanbelang,quot; zeide ik: âmaar zij kan de aandacht der Justitie trekken: en zoo Blaek, om zich te wreken, een beklag inlevert, vrees ik, dat UEd. wellicht niet langer hier veilig zult zijn.quot;
âHet is zeker, dat ons alles te duchten staat,quot; zeide Bos: âmaar het baat mij niet, of ik angstig de toekomst inzie; ik heb mij in erger gevaren bevonden, en mijn gestarnte heeft mij immer daaruit gered. Tot nog toe schijnt men geen achterdocht tegen mij te voeden: en wellicht heb ik slechts twee dagen meer noodig, om mijn zaken hier af te doen en voor altijd dit land te verlaten.quot;
âVlei u niet te veel,quot; zeide ik, het hoofd schuddende: âUEd. begaat onvoorzichtigheden, â Of is het geene onvoorzichtigheid, aan de zuster van den Hoofdschout een bezoek te geven?quot;
âIntegendeel!quot; zeide hij: âniets is meer geschikt, om de vermoedens af te wenden; â maar ik wil u niet langer ophouden. Vaarwel! En dat de Hemel met u zij.quot;
Ik vertrok. Op straat gekomen, zag ik de slede vertrekken, met den bediende van Lodewiik er naast, terwijl Reynhove mij nog stond af te wachten.
âIk heb Blaek aangeraden, om van die équipage gebruik te maken,quot; zeide hij: âmaar verhaal mij. bid ik u, wie is
toch die Sinjeur daarboven, die een paar vuisten heeft als een smidsgezel, en een houding als een Burgemeester? Gij schijnt hem te kennen.quot;
âIk was op deze vraag voorbereid, en antwoordde zonder aarzelen: ..dien Heer heb ik laatst op een dichterskrans bij Helding ontmoet: zijn rechten naam weet ik u niet te zeggen.quot;
âMa foi! hij heeft een schoone dochter, en ik begrijp licht, dat Lodewijk er een kansje op wagen wilde;â maar in allen gevalle heeft de oude Heer het toch wat erg gemaakt en ik zal het Lodewijk niet kwalijk nomen, indien hij hem satisfactie vraagt wegens de geledene injurie; â zoo namelijk die Heer een man is, aan wien men, zonder zich te compromitteeren. een uitdaging zenden kan.quot;
âLodewijk zal, hoop ik, verstandiger zijn,quot; zeide ik, beschroomd over de gevolgen, welke een zoodanige handelwijze, ook voor mij, zoude kunnen met zich brengen: âhij is de oorspronkelijke beleediger geweest: en niemand zou het toch kunnen goedkeuren, dat hij den vader voor den degen eischte, omdat deze het voor zijn verongelijkte dochter had opgenomen.quot;
âDat is waar ook,quot;' zeide Reynhove: âen gij moet niet denken, dat ik het gedrag van Lodewijk approuveer; -â maar die andere, met zijn rooden rok, heeft het toch ook wat erg gemaakt.... Enttn! het is zooals het is: â â en nu zult gij mij niet kwalijk nemen, dat ik u verlaat en naar mijn logies ga: Lodewijk zou anders met reden klagen, dat ik hem geheel aan zijn lot abandonneer: en ik zal toch al werks genoeg hebben, om hem te apaiseeren. â Vaarwel!quot;
Wij namen afscheid: Reynhove volgde den weg, dien de slede gegaan was, en ik trok naar huis. Waarschijnlijk droeg mijn gelaat eenige blijken van de gemoedsaandoeningen, door het gebeurde bij mij verwekt; althans mijn vader zag mij ernstig en mijn moeder eenigszins bezorgd aan, terwijl Suzanna, toen ik, zonder van de laatste ontmoeting te reppen, in korte woorden verhaalde, dat ik in gezelschap met Blaek, Reynhove
12G
enz. geweest was, mij verklaarde, dat zij mij op mijn verjaardag een zweepje en een bokaaltje zoude present doen, aangezien ik bij mijn overige beminnelijke hoedanigheden die van een rostuischer en een drinker scheen te willen voegen. Mijn moeder zuchtte, en mijn vader zeide bij het scheiden: âFerdinand! teleurgestelde liefde kan somtijds tot dwaze stappen vervoeren. Xeem u in acht!quot;
ACHT-EN-TWmïIGSTE HOOFDSTUK.
WAARIN LEEUJKE DONDERBUIEN BOVEN HET HOOFD VAN FERDINAND SAMENPAKKEN.
Den volgenden dag op de beurs zijnde, werd ik aangesproken door den makelaar Velters, die, na met mij eenige woorden gewisseld te hebben over de commissies, welke hij voor ons kantoor te verrichten had, mij vergunning verzocht, mij een eindweegs huiswaarts te vergezellen. Ik verbeeldde mij, dat er deze of gene verkooping ophanden was, waarbij hij in aanmerking wenschte te komen en deswege mijn voorspraak verlangde: en ik was niet weinig verwonderd toen hij, zoodra wij de beurs verlaten hadden, mij vroeg, of het mij hetzelfde was, de Pijpenmarkt om te loopen, dewijl wij daar minder gedrang zouden vinden en meer ongestoord kunnen spreken, dan op het Rokin of in de Kalverstraat.
âIs het zoo belangrijk?quot; vroeg ik, verwonderd over deze geheimzinnige handelwijze: âwaarom komt UEd. dan niet liever bij mij aan huis?quot;
âVerschoon mij,quot; was zijn antwoord: âmaar het is beter, dat ik met UEd. spreek, voordat UEd. te huis zijt.quot;
âEr is toch geen samenzwering ophanden,quot; vroeg ik lachende.
127
terwijl Ik aan zijn verzoek voldeed en met hem den stillen weg ging, dien hij verkozen had. Nauwelijks waren wij op de Pijpenmarkt, of hij ving het gesprek aan door mij met warmte te danken, voor hetgeen ik ten zijnen behoeve gedaan had.
âGij meent mijn voorspraak bij den Heer Van Baaien,quot; zeide ik: âmaar lieve vriend! daarvoor hebt gij mij gisteren immers reeds aan de beurs uw dank betuigd.quot;
âDaarvoor kan ik nooit dankbaar genoeg zijn,quot; zeide hij : âmaar ik bedoel een dienst van een anderen aard .... in die zaak over dat paard van den Heer Blaek: â niemand als UEd. kan mij die hebben bewezen.quot;
âGij zijt misleid,quot; zeide ik, âof ik begrijp u niet. Ik verklaar u, dat ik eerst gisteravond kennis ontvangen heb van de geheele geschiedenis.quot;
âNu! dat is om 't even,quot; zeide hij: âdat bewijst mij alleen, dat UEd. niet rust, zoodra UEd. het onrecht verneemt, om het ook te herstellen.quot;
âGij spreekt raadsels,quot; hernam ik, âen wekt mijn nieuwsgierigheid op. Wat is er dan gebeurd? En welk onrecht is er hersteld? â In allen gevalle is het buiten mijn toedoen geschied.quot;
âWel!quot; zeide Velters: âUEd. weet dan, op welke lage wijze de Heer Lodewijk Blaek mij misleid heeft. Hij dacht voorzeker, dat, omdat ik in zekere opzichten van zijn vader afhankelijk ben, hij met mij zou kunnen handelen gelijk de leeuw met zijne jachtgezellen; maar, toen ik de ware toedracht der zaak vernam, zegevierde mijn verontwaardiging boven alle andere bedenkingen en liep ik naar een Advocaat om raad te vragen. Deze stelde mij voor oogen, hoe dwaas-het zijn zou tegen een vermogend man te procedeeren, ik. de aarden pot tegen den ijzeren. Zijn taal overreedde mij : ik besloot, hoe ongaarne ook, mijn wraakzucht op te geven, en dacht aan de zaak niet meer; dan, hedenmorgen vroeg ontving ik een uitnoodiging om mij aan het kantoor van den Heer Hoofdschout te vervoegen. Ik kwam daar op den be-
128
paalden tijd, meldde mij aan en werd terstond bij uw Heer vader binnengelaten, waar ik ook den schelmschen Jaspersz vond, die nu, door de scherpe ondervraging van den Heer Hoofdschout gedrongen, alles moest opbiechten. Uw Heer vader vroeg mij toen, of ik mijn geld terugbegeerde, dan of ik vreesde, dat zulks mij nadeel in mijne betrekking zoude doen. Ik aarzelde een oogenblik; doch de zucht om te toonen, dat geene vrees voor geldelijke schade mij verhinderde mijn recht te zoeken, en de hoop, dat alle eerlijke lieden mijne partij nemen, en mij daarom hunne klandizie niet ontzeggen zouden, deden mij besluiten, aan Z.-Ed.-Gestr. te antwoorden, dat ik mijn geld gaarne terug zou bekomen. Toen Z..Ed.-Gestr. dit hoorde, gelastte hij, dat de Heer Lodewijk, die mede ontboden was en in een ander vertrek toefde, zou worden binnengeroepen. Hij kwam en stond eenigszins beteuterd, geloof ik, van mij en Jaspersz daar te zien. Uw Heer vader stelde hem op een treffende wijze het schandelijke van zijn gedrag voor oogen en besloot met hem te zeggen, dat hij de som terug moest geven of de gevolgen van een proces wegens oplichterij afwachten. De jonge Heer bromde en pruttelde wel wat; doch beloofde eindelijk zulks te doen. Hij liet zich bij die gelegenheid ontvallen, dat UEd. het zeker waart, die den Heer Hoofdschout tegen hem had opgezet door de zaak te verdraaien. â- Daaruit nam ik aanleiding om UEd. te houden voor dengenen, die mijne voorspraak bij Z.-Ed.-Gestr. waart.quot;
âGij hadt het beiden mis,quot; zeide ik: âde Hoofdschout behoeft niet door zijn zoon onderricht te worden, om te weten wat er omgaat: en er is geene voorspraak bij hem noodig om hem rechtvaardig te doen handelen.quot;
âMaar dit is niet alles,quot; vervolgde Velters; âin 't heengaan herhaalde de Heer Lodewijk, dat hij zeer wel wist, aan wien hij dit alles te danken had, en dat niets dergelijks hom verwonderde van iemand, die hem in een vreemd huis lokte, om hem te mishandelen.quot;
âHoe! meende hij mij?quot; riep ik uit, ontsteld en verontwaardigd tevens.
129
âDe Heer Hoofdschout vroeg hem terstond, wat die woorden te beduiden hadden, en zeide, dat, zoo hij een klacht had in te brengen, al ware die tegen zijn eigen zoon gericht, hij daarmede dan terstond voor den dag moest komen. De Hoer Blaek scheen zich nu een wijl te bedenken, en zeide vervolgens, dat hij de zaak liever blauw blauw zoude laten.quot;'
âDat geloof ik wel,quot; hernam ik: âhij kan door laster mij meer nadeel doen dan door een loyale aanklacht.quot;
âVervolgens,quot; zeide Velters: âvroeg hem Z.-Ed.-Gestr.. wie-hem gisteravond, ten huize van den Portretteur Heynsz van de trappen gesmeten had, en of UEd. dat gedaan had.quot;
âHoe! mijn vader wist dit reeds?.... maar waarover verwonder ik mij ?quot;
âMijnheer!quot; zeide Blaek toen: âik beschuldig voor alsnog niemand; maar uw zoon heeft zich niet zoo gedragen, gelijk ik van een fatsoenlijk man verwachtende was. Zoo UEd. mijn knecht verkiest te hooren, zal deze u zeggen, dat uw zoon hem verhinderde mij ter hulpe te komen, terwijl een ander mij in de borst greep en mishandelde.quot;
âDie ellendige!quot; riep ik: âvoorzeker, als de zaak op die wijze wordt voorgedragen, moet mijne handelwijze vreemd en berispelijk schijnen.quot;
âZ.-Ed.-Gestr. antwoordde niet; maar. na zich een korten tijd bedacht te hebben, zeide hij: âMijnheer Blaek! wij zullen deze zaak nader onderzoeken. en hoe dat onderzoek atloope, wees verzekerd, dat wij UEd. recht zullen doen wedervaren.quot; â Daarmede kreeg de Jongeheer zijn afscheid. -Maar toen kwam er nog wat, en ik vrees daarbij verkeerd gehandeld te hebben. Uw Heer vader vroeg mij, zoodra wij alleen waren, of ik UEd. kende. Ik antwoordde toestemmend.quot; âJa!quot; zeide Z.-Ed.-Gestr.: âik weet, gij hebt te zamen een avond bij Monsieur Helding doorgebracht. Vergun mij, u eene vraag te doen. Is UEd. het niet, dien hij naar huis heeft gebracht?quot; â âNeen Ed.-Gestrenge!quot; antwoordde ik, eenigs-zins verwonderd; âdie eer heb ik niet gehad: uw zoon is vroeger vertrokken.quot;
II. - F. H. 9
130
âAchIquot; zeide ik: âdaar begint de straf van mijn logen.quot;
..Het ernstig gelaat van uw Heer vader,quot; vervolgde Velters, ..liet geen de minste verandering bespeuren; en toch was het mij, toen hij mij zeide, dat ik afgedaan had, alsof zijne stem mij te kennen gaf, dat hij ontevreden was: en ik gevoelde,, dat ik UEd. een kwaden dienst gedaan had, door de waarheid te spreken. Dat smertte mij; â maar ik mocht toch niet liegen: - en nu meende ik, ware het best, UEd. vooraf te waarschuwen van het voorgevallene, ten einde UEd. in staat te stellen, van naar bevind van zaken te handelen.quot;
âHet is waar,quot; zeide ik, na eenig stilzwijgen: âgij hebt mij een slechten dienst gedaan; maar God beware mij van te wenschen, dat gij om mijnentwille aan de waarheid zoudt hebben te kort gedaan. Ik heb, ofschoon om bestwil, mij met een logen moeten behelpen, en dien er thans de gevolgen van te dragen. â Maar wij naderen ons huis! laten wij hier afscheid nemen: het zou ook u in onaangenaamheden kunnen wikkelen, zoo men ons thans bijeen zag. Geloof, dat ik u dankbaar blijf voor den dienst, mij door n bewezen: â al is die dienst genoegzaam geweest, om mij mijn eetlust voor dezen middag te benemen.quot;
Yelters verliet mij en ik kwam in een vrij onaangename stemming te huis. Nauwelijks dorst ik de oogen opslaan toen ik binnentrad: mijn vader was ernstig en sprak weinig: mijn moeder zuchtte, zag mij nu en dan met een weemoedigen blik aan, en ik kon duidelijk aan haar gezwollen oogen bemerken, dat zij geweend had. Mijn zuster Suzanna deed in den beginne eenige pogingen om het gesprek gaande te houden ; doch zij bemerkte alras, dat zij zich vruchtelooze moeite gaf, en onze afgetrokkenheid, althans die van mijn moeder en de mijne, waarschijnlijk toeschrijvende aan verdriet over het mislukken mijner vrijage, hield zij af en zweeg; zoodat ons middagmaal, zonder de kinderen, die nu en dan hun stem verhieven, veel op een Trappisten-vergadering zoude geleken hebben. â Zoodra het nagebed was gedaan, rees mijn vader op en zeide tot mij, dat het hem aangenaam zoude zijn, mij
131
een oogenblik te spreken, indien namelijk mijn kantoor-
;sr zaken â âof andere bezigheden,quot; voegde hij er op een
et schamperen toon bij, âmij den tijd tot een kort onderhoud
m vergunden.quot;
Ie, Ik betuigde, dat ik tot zijn dienst was en volgde hem met
id een kloppend hart naar zijn studeervertrek. Aldaar gekomen,
et nam hij plaats en verzocht mij te gaan zitten, met een
te plechtigheid, die mij tot een slecht voorteeken strekte van
at | hetgeen volgen zoude. Zijn gelaat stond strak als gewoonlijk;
maar, behalve dien trek van ernst, was er in de bijna on-
) t merkbare beweging van het oog en in de opgetrokken hoeken
m van den mond een uitdrukking van droefheid te lezen, die
dt getuigde, dat zijn ziel meer leed, dan hij verlangde dat zou
et ; opgemerkt worden.
sn âMijnheer!quot; zeide hij, na mij gedurende eenige oogenblikken
er te hebben aangezien, als had hij in het diepste mijns gemoeds
sn willen lezen: âik begin zeer goed te begrijpen, dat de Heer
u Blaek uwe verdere kennismaking met zijn pupil niet heeft
is willen toelaten: en het doet mij leed, dat ik mij door de
or gebeden uwer goede moeder tot den dwazen stap, dien ik
deed, heb laten bepraten.quot;
ie i âHoe dat. Vader?quot; vroeg ik, bevende: âeen dwaze stap!____
m Ik begrijp u niet.quot;
jn âIk prijs den voorzichtigen man,quot; vervolgde mijn vader,
?n ..die het hem toevertrouwde pand niet wil overgeven aan
e- iemand, wiens gedrag niets dan ongunstige waarborgen op-
in levert voor liet toekomstig geluk zijner gade.quot;
u- âMijn gedrag!quot; herhaalde ik, verblijd over de gedachte, dat
te ik mij ten minste van die zijde onschuldig gevoelde: âwat
er kan de Heer Blaek mij te verwijten hebben?quot;
er ! âHoe, Mijnheer! -â Iemand, die zich niet schaamt, op den
at dag zijner terugkomst bij zijn ouderen, den dag, waarop zijn
m hart alleen vervuld behoorde te zijn met reine en beramende
?n gedachten aan het geluk, dat hem te beurt viel, van zijns
er vaders huis en zijne betrekkingen in gezondheid terug te
lij zien, die, zeg ik, op zulk een dag zich niet schaamt, een
â
132
maitres met zk-h te brengen en te kameren! die gedoogt, dat zijn vrome en niet ergdenkende Tante in kennis komt met een slecht voorwerp: die, om zijne bezoeken bij haar te bewimpelen, mij wijs maakt, dat hij nachtwandelingen met Velters doet: die, van een dronkenmanspartij terugkeerende, een medevrijer van de trappen laat smijten!....
quem frangere postes Non pudet. et rixas insernisse iuvat.
Gij ziet dat ik van alles onderricht ben .... en die, onder de bedrijven, zich nog inbeeldt, dat hij aanspraak op de hand van een fatsoenlijk meisje kan maken! â Ferdinand! Ferdinand! hoe diep zijt gij gevallen!
Tantane te, fallax! cepere oblivia nostri?quot;
âVader!quot; zeide ik, met zooveel bedaardheid als ik machtig kon blijven; âvan al wat TJEd. daar opnoemt is er slechts ééne aantijging, waarop ik schuld bekennen moet: â namelijk, dat ik u voorgelogen heb betreffende mijn wandeling met Velters. â Wat mijn kennis betreft aan de Juffer, die bij Heynsz logeert, â deze schaam ik mij niet. UEd. hadt mij beloofd, daarnaar niet meer te vragen.quot;
âDit had ik gedaan, omdat ik een vast vertrouwen stelde in uw oprechtheid en in uw godsdienstig gevoel. â Maar nu gij eenmaal, en gij bekent het zelf, mij bedrogen hebt in één punt, hoe wilt gij dan, dat ik. in het overige, staat make op de woorden van iemand, quem non periuria ter rent? Is het nu mijn plicht niet, als vader, die zijn zoon moet terughouden, wanneer hij hem met rassche schreden den weg ten verderve ziet inslaan, en als Hoofdschout, die voor de goede orde in de stad moet waken, een perk te stellen aan dergelijke ongeregeldheden ?quot;
âIk ben wel te beklagen,quot; zeide ik; âte meer, omdat mijn verdediging zoo gemakkelijk mogelijk zou zijn, indien mij niet een heilige, maar noodlottige plicht het spreken verbood.quot;
âHet is genoeg. Mijnheer!quot; zeide mijn vader, oprijzende;
133
âik weet dergelijken kinderpraat op zijn waarde te schatten. Voortaan zullen uwe gangen worden nagegaan, daar kunt gij op rekenen. Als vader zal ik zorg dragen, dat gij mijn eerlijken naam geen verdere schande aandoet: als Hoofdschout zal ik waken, dat gij de goede orde in deze stad niet weder verstoort. â Gij hebt afgedaan: ik wil u niet langer ophouden.quot;
âNeen, mijn vader!quot; riep ik uit, oprijzende en hem de hand drukkende, die hij niet gaf noch terugtrok, maar bewegingloos in de mijne liet: âzoo kunnen wij niet scheiden: ik moet ten minste de hoop medenemen, dat UEd. eenmaal mijn gedrag beter beoordeelen zult.quot;
Hier werd aan de geheime deur getikt: het was het sein van Heynsz.
âWacht een oogenblik!quot; riep mijn vader, snel het hoofd omwendende: âmaar neen!quot; vervolgde hij, zich bezinnende: âhet is beter zoo! â binnen!quot;
Hij ging weder zitten. Heinsz trad de kamer in en zag mij eenigszins verwonderd aan.
âG-a gerust uw gang,quot; zeide mijn vader: âgij kent mijn zoon. Welk nieuws is er?quot;
Heynsz nam zijn boekje en begon te lezen:
âNquot;0. 1. De zielverkoopers op den Zeedijk hebben opgelicht twee knapen, die bezopen kwamen uit een nachthuis. Het zijn lichtmissen, daar niets aan is bedorven en die geteekend zijn met een zwarte kool.quot;
âOm 't even!quot; zeide mijn vader: âer moet huiszoeking gedaan worden bij dat volkje, en de beide knapen zoowel als de zielverkoopers morgen voor mij gebracht worden. ⢠Verder!quot;
X0. 2. De zoon van de Weduwe Lette is geprest door de zielverkoopers van de O.-I. Compagnie, 't Is wel jammer! Zulk een oppassende jongen: â do eenige kostwinner zijner moeder!quot;
,,'t Is jammer!quot; herhaalde mijn vader, het hoofd schuddende: âmaar hier valt niets aan te doen. Zorg, mij de woonplaats der Weduwe en hare bestaansmiddelen te doen weten.
134
Het is niet meer dan billijk, dat de O.-I. Compagnie haar onderhoude, nu zij haar haren zoon neemt.quot;
Ondanks de kwellingen, die mij bezig hielden, kon ik niet nalaten, een onaangename gewaarwording te gevoelen bij de gedachte, dat gewone zielverkoopers streng gestraft werden, terwijl de menschenroof, voor rekening der Compagnie gepleegd, onverhinderd zijn gang mocht gaan: en ik had een zucht over voor de arme Weduwe, aan wie men het verlies van een zoon met een geldelijke schadeloosstelling zoude denken te vergoeden. â En dan nog was ik verzekerd, dat het niet de Compagnie, maar mijn vader zoude zijn, van wien zij die aalmoes zoude bekomen.
Heynsz vervolgde zijn lijst:
rXu. 3. Men is voornemens te bestelen hedenavond het pakhuis van de Wed. Pietersz en Comp. Een der dieven heeft zich laten opsluiten daarin, en zal de klokke 12 uren zijn makkers daar binnenlaten.quot;
âWij zullen zorgen,quot; zeide mijn vader, âdat zij er niet alleen hun maat, maar ook nog een behoorlijk aantal dienaars in vinden.quot;
,.N0. 4. Het gouden horloge van den slachter Fleischhauer is terugbekomen bij Mozes Nathans. Hij had het van Fleisch-hauers eigen zoon gekocht, die van zijn vader zeker te weinig ontvangt om te verslempen.quot;
âDe Jood en de jongeling beiden zullen een plaats in 't Spinhuis bekomen. Geen genade voor een zoon, die zijn vader bedriegt. â Is er niets meer? â Xiets van den Vliesridder?quot;
âNiets: ofschoon hij zich naar alle gedachten nog hier, of in de buurt moet ophouden; want er is weer geld voor hem uit de Bank gelicht, gelijk onze spion bij de Bank mij verteld heeft. Het is onbegrijpelijk, dat wij hem niet op het spoor komen,quot;
âVrij onhandig zeker: en zoo ik u niet beter kende, Heynsz, zou ik waarachtig denken, dat de Vlies-ridder u omgekocht heeft. â Is er niets meer?quot;
âNiets, Ed.-Gestrenge!quot; buiten eenige zakkenrollerijen op
135
den Haarlemmerweg gisteravond gepleegd, bij gelegenheid eener harddraverij.quot;
âNiets anders?quot;
âWaarlijk niets,quot; antwoordde Heynsz, zijn zakboekje naziende.
âNiets? â Ei! ei! dan is het mijne beurt,quot; zeide mijn vader, hem scherp aanziende: âNc. 1. Er heeft gisteravond ten huize van Zacharias Heynsz een twist plaats gehad, ten gevolge waarvan de Heer Lodewijk Blaek van al de trappen is gesmeten. â Monsieur Heynsz, die zoo goed bekend is met al wat in de stad omgaat, schijnt dus niet te weten, wat er in zijn eigen huis gebeurt.quot;
âEdel-Gestrenge!quot; stamelde Heynsz, terwijl hij mij verlegen aanzag: âmet uw permissie. Die zaak heeft gehad geen gevolgen. Ik achtte het niet waardig de moeite, daarvan te spreken.quot;
âDat staat u niet te beoordeelen. Wie heeft aanleiding tot dat rumoer gegeven? Nu! kijk mijn zoon maar niet aan. â Antwoord zonder omwegen.quot;
âEdel-Gestrenge! Ik weet waarachtig weinig of niets van de zaak af. Ik was niet te huis, en dacht, toen ik vernam wat er had plaats gehad, het ware best, dergelijke gevalletjes, waar jongelieden van de eerste familiön in betrokken zijn. maar niet te fijn uit te pluizen.quot;
âZoo! dus denkt uwe wijsheid, dat er een andere schaal bestaat, waarin de eerste, als waarin de mindere klasse behoort gewogen te worden ? â Maar ik ben nog niet ten einde. -Nquot;. 2. De gezegde Zacharias Heynsz geeft huisvesting aan verdachte personen, en schaamt zich niet oogluikend te dulden, dat zekere Juffer, die een kamer tot zijnent betrokken heeft, bezoeken ontvangt van jonge losbollen.quot; â Hier zag mijn vader mij veelbeteekenend aan.
âMet uw verlof, Edel-Gestrenge! kan ik kwaad denken van een Juffer, die is vereerd geworden door UEd. Gestrengen zoon met zijn bezoeken, en bekend is bij Mejutter uwe zuster? En bovendien, wat heb ik er mede te maken, sedert haar
136
eigen vader gekomen is en mede bij mij inwoont? Laat elk zorgen voor de zijnen. Ik kan den man geven geen ongelijk, zoo hij gooit den Hoer Blaek van de trappen, omdat die dringt in zijne kamer. Elk moet wezen vrij in zijn huis.quot;
âVoorzeker!quot; zeide mijn vader. âHoe heet uw logeergast ook?quot;
âDe Heer Van Beveren uit Deventer.quot;
.,XU. 3. Zacharias Heynsz huist iemand, die zich Van Beveren uit Deventer noemt, zonder te onderzoeken, of er een zoodanige persoon bestaat. Intusschen kan ik hem verzekeren, dat, volgens mijn berichten, zoodanige naam en zoodanige persoon te Deventer onbekend zijn.quot;
âOnbekend!quot; herhaalde Heynsz, met verbazing: ..en de Notaris Bouvelt heeft mij nog wel aanbevolen die lieden.quot;
âPas maar op,quot; zeide mijn vader: âis, qui fugitivum celavit, fur est. Maar misschien zal mijn zoon u den waren naam van die personen wel kunnen aan de hand doen.quot;
âIk ben geen verklikker,quot; zeide ik, wrevelig; âen al wist ik de geheimen van dien vreemdeling, het zou een laagheid zijn, die te openbaren. Dit kunt gij niet eischen, mijn vader!quot;
Mijn vader zag mij lang en scherp in 't gezicht; â- maar omtrent dit punt althans was mijn geweten zuiver en wist ik, dat ik naar behooren handelde en de oogen niet behoefde neder te slaan. Na een langdurig stilzwijgen hervatte hij:
âEr schuilt hier iets achter, dat ik niet begrijp. âIntusschen, Ferdinand! ofschoon ik vooralsnog wil gelooven, dat gij minder schuldig zijt, dan ik waande, mag ik niet nalaten, zoodanige maatregelen te nemen als de omstandigheden vorderen. Heynsz! gij zorgt, dat ik in alles van de gangen uwer huisgenooten onderricht worde, en tevens houdt gij ook mijn zoon in 't oog. Zoodra gij iets bespeurt, dat u verdacht voorkomt, zult gij er mij van onderrichten. Bemerk ik, dat gij voor mij de minste kleinigheid verzwijgt, dan heb ik voor 't vervolg uwe diensten niet meer noodig.quot;
âHoe, mijn vader!quot; riep ik uit: âhet is op een blooten schijn, dat UEd. mij gelijkstelt met misdadigers, waarvan
187
het ergste te wachten is. Ik bid u, laat Heynsz nog eeu oogenblik blijven. Hij kan getuigen, of ik meer dan driemalen te zijnen huize ben geweest, en of niet telken reize Helding de oorzaak mijner komst was, terwijl slechts toevallige omstandigheden mij mot dien vreemdeling of zijn dochter in betrekking gebracht hebben.quot;
âIk heb n reeds te kennen gegeven, dat ik mijn oordeel wederom opschort,quot; zeide mijn vader: ..zoo gij onschuldig zijt, hebt gij niets van een onderzoek uwer daden te vreezen: en zoo gij verkeerd gehandeld hebt, welnu! gij zijt gewaarschuwd voor het vervolg. â Maar ik houd u niet langer op: men zal u reeds wachten aan het kantoor.quot;
Hier viel niets op te antwoorden: ik groette, verwijderde mij met een beklemd hart en ging naar het kantoor.
âAha!quot; zeide de Heer Van Baaien, zoodra hij mij gewaar werd: âik wachtte u reeds met ongeduld. Gij moet mij en u zelf een dienst bewijzen, en even naar den Notaris Bouvelt wandelen. Hij is beter, en ik weet, dat hij reeds menschen gesproken heeft. Gij moet u niet laten afschrikken door een afwijzende boodschap en u vooral niet tevreden stellen, zoo men u zegt, dat de eerste Klerk u wel helpen zal.quot;
âNaar den Notaris Bouvelt!quot; herhaalde ik: âen wat moet ik hem vertellen?quot;
âZiehier de zaak: hij heeft altijd onze volmachten opgemaakt op onze vrienden van over zee. Heden heb ik die wederom als naar gewoonte ontvangen: maar zoo het mij voorkomt zijn er abuizen in, en is men althans, ik weet niet om welke reden, van het gewone formulier afgeweken. Ziehier de stukken. Gij, dio gestudeerd hebt, zult mij wel kunnen zeggen, of ik gelijk heb.quot;
âDat is nog niet zeker,quot; antwoordde ik: âwant tusschen theoretische en practische kennis bestaat een groot verschil. Een rechtsgeleerde, al is hij een Bijnckershoeck, zal somtijds in dergelijke stukken een flater over 't hoofd zien, die een kantoorklerk ontdekken zal. â Maar laten wij de volmachten eens doorloopen.quot;
138
Ik zette mij naast Van Baaien neder, terwijl deze mij, onder 't lezen, de verkeerdheden aanwees, welke hij in de opgemaakte stukken meende te vinden. Ik kon niet nalaten, mij, in de meeste opzichten, met zijn gevoelen te vereenigen.
âIk begrijp zeer goed, waaraan die abuizen moeten worden toegeschreven,quot; zeide Van Baaien: âgedurende de ziekte van den Notaris heeft zijn eerste Klerk die stukken gesteld, en Bouvelt, te zwak van hoofd om dat alles over te lezen, heeft maar op goed geloof geteekend. Intusschen moet dit geredresseerd, en wel spoedig; want Pulver wacht er op en kan zonder dat niet vertrekken. Eilieve! wees dus zoo goed, en ga zelf naar den Notaris. Het i.s beter dat UEd. er heengaat, dan ik of een ander! want uw titel als Meester in de Eechten zal nog eenigen invloed bij hem hebben, ingeval hij eens koppig ware en geen ongelijk wilde erkennen.quot;
âIk ga,quot; zeide ik, âofschoon ik geloof, dat hij nog meer deferentie zoude hebben voor uwe opinie dan voor de mijne. â Maar UEd. zal mij een parapluie moeten leenen; want ik zie, dat het frisch is begonnen te regenen, sedert ik hier ben.quot;
âVan harte gaarne. â Wil ik anders de koets ook laten inspannen.quot;
âIk dank u wel,quot; zeide ik: âdat houdt maar op. â Tot straks; want ik zal u bescheid komen brengen.quot;
Ik ging dan op weg, bij mijzelven de zonderlinge grillen van mijn lot overdenkende, waardoor alles, wat ik hoorde of verrichten moest, zich op deze of gene wijze in verband stelde met den Heer Bos of zijn dochter. Ik was niet ongelijk aan iemand, die zich in een sterrebosch bevindt, en, welke laan hij ook insla, altijd den grooten boom of het standbeeld voor oogen heeft, waar al de lanen op uit loopen. Met dat al gevoelde ik eene zekere nieuwsgierigheid, om dien Notaris te zien, wiens naam ik in de laatste dagen zoo dikwerf had hooren noemen, en aan wien ik niet denken kon, zonder mij een machtigen toovenaar voor te stellen, die den sleutel bezat der ingewikkelde geheimenissen, welke mij zooveel kwelling veroorzaakten, en door zijn wil in staat zoude zijn, de ont-
139
knooping te bewerken dier voor mij zoo lastige raadsels. Want dat dit bezoek, hoezeer ten gevolge van zeer prozaïsche en alledaagsdie beroepsbezigheden afgelegd, wederom aanleiding zoude geven tot nieuwe verwarring in het drama, 't welk ik onwillig medespeelde, daar aan twijfelde ik geen oogen-blik: en de uitkomst deed zien dat mijn voorgevoel mij niet bedroog.
KEGEN-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK,
VERMELDENDE WAT ER TEN HUIZE VAN DEN NOTARIS BOUVELT VOORVIEL.
De kantoorbediende van den Notaris, die mij de deur opendeed, liet mij, nadat ik mijn naam en betrekking genoemd, en hem verklaard had, dat ik zijn Patroon persoonlijk spreken moest, een zijvertrek binnen, hetwelk tot spreekkamertje diende, en waar hij mij verzocht mijne beurt af te wachten. Ik vond aldaar slechts één persoon aanwezig, wien ik aan zijn duffelsch gewaad, aan zijn vierkanten lichaamsbouw, aan de stevige wijze, waarop hij met de knieën wijd van elkander en de handen op de knieën gezeten was, en vooral aan het in een bont geruiten doek geknoopt pakje, dat tusschen zijn beenen lag, voor een Zaankanter, althans voor iemand van de overzijde van het IJ herkende. Hij beantwoordde mijn groet als een Chineesche Mandarijn, namelijk met een hoofdknik : en vermoedende, dat er geen heil uit een onderhoud met dit lomp stuk vleesch te halen ware, ging ik voor het raam staan, en keek, zooveel de tegen de ruiten kletterende regen zulks gedoogde, naar de voorbijgangers. Nauwelijks had ik eenige minuten aldaar doorgebracht, of een rijtuig hield
140
voor de deur stil, waarvan ik de kleur en livrei spoedig genoeg herkende. Ik zag, nadat er gebeld en opengedaan was, den Heer Jacobus Blaek uit het portier stijgen en een oogen-blik later het vertrek binnentreden.
Er zijn weinige ontmoetingen lastiger, dan die tusschen twee personen, waarvan de een kort te voren den anderen een gewichtig verzoek heeft afgeslagen. Beiden maken bij die gelegenheid een gek figuur, vooral wanneer zij overigens van denzelfden stand in de maatschappij zijn en elkander vroeger op een gemeenzamen voet gezien hebben, zoodat er althans eenige woorden van beleefdheid gewisseld moeten worden. De een is dan bang, dat er op het verzoek zal teruggekomen, en dat hem verklaring of uitlegging zijner handelwijze zal afgevergd worden: hij vreest, zoo hij te beleefd is, bij den anderen hoop te verwekken op iets, dat toch niet verwezenlijkt kan worden, en hij wil toch niet, door lomp te zijn, nieuwe en onnoodige reden tot misnoegdheid verwekken: -de ander is evenmin op zijn gemak; want bij den wrevel, dien men in hem over de geleden weigering veronderstellen moet, wil hij niet te beleefd zijn, uit angst dat men hem van laagheid verdenken zal, en toch wil hij ook niet, door gebrek aan beleefdheid, de goede kansen, die hij misschien nog hebben mocht, ten eenemnale verspelen. In mijn geval kwam hier nog de onaangename omstandigheid bij, dat ik niet wist, of den Heer Blaek het geval met zijn zoon ten huize van Heynsz bewust was, en zoo ja, op welke wijze hem zulks voorgesteld was en of ik mij deswege al of niet moest verontschuldigen.
Hoe dit ware, het bleek mij duidelijk, dat mijn tegenwoordigheid hem alles behalve aangenaam was. Hij beantwoordde mijn groet met een stijve buiging, nam geen notitie van den Zaankanter, zette zich, haalde een zakboekje voor den dag en doorliep eenige papieren, welke hij daaruit nam. Dit gold zooveel als een wenk, dat hij in geen onderhoud verlangde te treden: en ik hervatte dus mijn vorige houding, zonder acht op hem te slaan.
141
Op deze wijze verliep er een vrij onaangenaam kwartier-uurs, en ik voorzag, dat mijn toestand nog lastiger zou worden, wanneer de derde man, die zich in 't vertrek bevond, en wiens tegenwoordigheid ons wederzijdsch stilzwijgen nog eenigszins wettigde, zou binnengeroepen worden, en ik mij alzoo met den Heer Blaak alleen bevinden. Weldra scheen dat oogenblik te zullen komen. Ik hoorde do schel van den Notaris klingelen, den Klerk de trappen ophollen en kort daarop weder beneden komen, om dengenen, wiens audiëntie was afgeloopen, uitgeleide te doen, en een nieuwen bezoeker op te roepen. Werkelijk werd de deur van het vertrek geopend en de stem van den Klerk noodigde Kneel Foppes uit. hem te volgen.
De Zaankanter rees op, mompelde een goeden avond tegen ons en volgde den Klerk naar boven. Terzelfder tijd hoorde ik den man, die van boven gekomen was, zeggen: âmet uw verlof! ik heb mijn parapluie in de zijkamer laten staan.quot; -De spreker trad binnen: en tot mijn spijt herkende ik in hem niemand anders dan Amelia's vader, met zijn scharlaken rok en zijn bril.
Hij herkende mij insgelijks, gelijk ik uit een schier onmerkbaar gefronsel zijner wenkbrauwen opmaakte. Om zijn parapluie te krijgen, die in een hoek van het vertrek stond, moest hij den Heer Blaek voorbij, die nog altijd in dezelfde houding was blijven zitten en geen acht op hem scheen te slaan. Voor hem gekomen, bleef de Heer Bos even staan, hield het oog op hem gevestigd, deed een stap achteruit en zeide toen met een duidelijke, doch zachte stem:
âJacobus Blaek!quot;
âFrederik quot;Van Lintz!quot; riep deze, verbloekende, terwijl hij opsprong en zijn bekende van vroegere jaren met een blik van verbazing en schrik aanstaarde.
âIkzelf!quot; zeide Van Lintz: âik zie dat gij, in spijt mijner vermomming, mijn stem nog herkent.quot;
âMaar hoe durft gij . . . .? Lieve God! .... bedenk toch____quot;
en de Heer Blaek scheen hem door een zijdelingschen blik te
142
willen doen opmerken, dat zij zich niet alleen bevonden.
..O! dat is niets!quot; zeide Van Lintz. met een glimlach; âde Heer Huyck zal mij niet verklappen: â en bovendien, ik heb geene keuze en moet de gelegenheid, nu zij zich voordoet, bij de haren vatten. Er kon voor mij geene gelukkiger ontmoeting zijn dan deze; want ik had al op de middelen gepeinsd om een onderhoud met u te hebben.quot;
âMet mij! en wat kunt gij mij toch te zeggen hebben?.... Maar spreek toch zacht om 's Hemels wil! Bedenk, dat uwe veiligheid .. ..quot;
..Die hangt van u af. Gij alleen kunt mij helpen: gij zult dit doen om onzer oude vriendschaps wille: om de wille van onzen braven broeder, die in den Hemel is.quot;
Ik zag, dat de Heer Blaek opnieuw van kleur verschoot. âZwijg toch, bid ik u,quot; fluisterde hij: âik wil u immers gaarne helpen; maar laten wij ergens anders gaan dan hier!quot; En hij haalde zijn zakdoek voor den dag om de zweetdroppelen af te vegen, die langs zijn voorhoofd dropen.
Ik trad nader. âVergeeft mij, Mijne Heeren!quot; zeide ik: âik wil niet onbescheiden zijn. Ik zal wel even in het voorhuis gaan en u gelegenheid geven, te zamen te praten. Men zal mij wel zoo aanstonds roepen.quot;
âAch! wat helpt dat?quot; vroeg de Heer Blaek, terwijl hij zijn angstige blikken beurtelings van mij op Van Lintz liet wandelen: âMijnheer Huyck heeft toch reeds te veel gehoord! â Hoe kan men zoo onvoorzichtig zijn!quot;
âEn wat is er toch,quot; vroeg Van Lintz. terwijl hij met gekruiste armen tegen den wand stond, âwaarover gij u bekommert ? Wie toch in de wereld kan het u kwalijk nemen, dat gij eenige woorden wisselt met een ouden kennis, met den zwager van uw broeder ? De Lieer Huyck weet, zoogoed als gij, dat ik vogelvrij verklaard ben: en het had slechts van hem afgehangen, het had hem slechts één woord gekost, om mij mijn vrijheid, en bijgevolg mijn leven te doen verliezen : maar hij heeft dat woord niet gesproken, en zal het ook niet spreken. â Van zijnentwege heb ik dus niets te
143
vreezen: en ik vertrouw, dat hij het u ook niet kwalijk zal nemen, indien gij mij hoe eerder hoe beter hier vandaan helpt.quot;
âIntegendeel!quot; zeide ik. met overhaasting: âhet verblijf van den Heer Van Lintz, of zooals Mijnheer heeten mag, en dat vervloekte geheim, hebben mij reeds last en onaangenaamheden genoeg veroorzaakt, en ik zal den Heer Blaek uiterst dankbaar zijn, indien zijne bemoeiingen daar een einde aan maken.quot;
âAlzoo,quot; zeide Van Lintz, glimlachende: âzoudt gij u van het bewaren van ons geheim ontslagen rekenen, wanneer ik eens van hier ware.quot;
âOngetwijfeld!quot; antwoordde ik: âdat was immers de afspraak ?quot;
âVoorzeker!quot; zeide Van Lintz: âmaar het zou den Heer Blaek wellicht onaangenaam zijn, indien men wist, dat hij eenig aandeel in mijn ontkoming had.quot;
âWaarom zou ik dit uitbrengen?quot; vroeg ik: âik hoop, dat de Heer Blaek te goede gedachten van mij heeft, dan dat hij mij voor een verklikker zoude aanzien.quot;
âVoorzeker!quot; zeide Blaek, in blijkbare verwarring: âik heb uitmuntende, ik heb de beste gedachten ter wereld van den Heer Huyck; maar,quot; vervolgde hij tegen Van Lintz: âis het hier een plaats, om over uwe zaken te spreken? Kom met mij, naar mijn huis, of....quot;
âNaar uw huis?quot; herhaalde Van Lintz: âneen dat niet! Het zou wellicht uw zoon niet zeer aangenaam zijn, mij te ontmoeten, na de les, die ik hem gisteravond gegeven heb.quot;
âHoe! wat! â Zijt gij die Heer Van Beveren, met wien hij die affaire gehad heeft?.... doch gij hebt gelijk; mijn huis is ongeschikt; . . . . maar ga toch met mij: ik zal een veilige schuilplaats voor u uitdenken. Wij zullen dat in het rijtuig overleggen. Mijnheer Huyck zal wel zoo goed willen zijn, mij bij den Notaris te willen verontschuldigen, door hem te zeggen, dat ik geen tijd had .... of wat hij verkiest.quot;
..Wel! het zij zoo!quot; hernam Van Lintz: âMijnheer Huyck!
144
Ik zeg ii nog geen vaarwel; want het schijnt, dat ons noodlot ons, quot;t zij wij willen of niet, telkens weder in aanraking wil brengen: en wij zullen elkander waarschijnlijk nog wel eens ontmoeten.quot;
âXog slechts één raad heb ik u te geven.quot; zeide ik; âhaast u! want een uur verwijl kan u noodlottig zijn; en daarvan althans kan ik u de verzekering geven, dat het huis van Heynsz voor u tegenwoordig een onveilige schuilplaats is.quot;
âEn UEd. belooft mij, van deze ontmoeting niet te zullen, spreken,quot; zeide Blaek, zich naar mij toewendende en mij de hand krampachtig drukkende, terwijl Van Lintz mij met een hoofdknik voor mijn raad bedankte.
âIk heb u reeds gezegd, dat ik geen verklikker ben,quot; antwoordde ik met eenigen trots; âen ik herhaal u, wat ik eenmaal aan den Heer Van Lintz zeide, dat ik slechts dan zal spreken, wanneer mijn plicht het gebiedt.quot;
Ik weet niet of de Heer Blaek zich met deze belofte volkomen tevreden stelde; doch hij diende er wel genoegen mede te nemen; de beide Heeren vertrokken en ik zag hen een oogenblik daarna gezamenlijk wegrijden; waarheen, was mij onbewust.
Weinige oogenblikken daarna kwam de Zaankanter de trappen weder af en werd ik bij den Notaris binnengelaten.
Ik zal mijn geschrijf niet nutteloos vermeerderen met een verslag te geven van hetgeen ik met den Heer Bouvelt verhandelde; want hoe dikwijls zijn naam ook in den loop mijns verbaals genoemd zij, en welken invloed hij onwetend en middellijk uitoefende op de gebeurtenissen, welke ik te boek stel, zijn deel daaraan was echter van een ondergeschikten of liever van een verwijderden aard, en hij was in zekere opzichten te vergelijken met den kaarsenmaker van den Schouwburg, die de verlichting bezorgt en zonder wien het spel niet vertoond, althans niet gezien zoude worden; maar die zelf nimmer ten tooneele treedt. â Voor hen echter, wier nieuwsgierigheid eenigszins door het voorafgaande geprikkeld en thans teleurgesteld is, wil ik er wel bijvoegen.
145
dat de Notaris Bouvelt een klein, schraal ineengedrongen ventje was van ongeveer zestig jaren, met een ziekelijke, saffraangele tronie, een baard van zes dagen en een knijpbril op den neus. een slaapmuts op het hoofd en een servet daarover heen; een gebloemde japon met een roode sjerp aan 't lijf, dat lijf gedoken in een met sits bekleeden leunstoel en de in pantoffels gestoken voeten rustende op een koperen stoof: dat hij gezeten was achter een breede tafel, vol schrifturen, akten, drankfleschjes, contracten, cachoutdoosjes, schepenkennissen en likkepotjes: en dat hij na een vrij langdurig gesprek, hetwelk hij door herhaalde hoestbuien meer dan eens gedwongen was af te breken, erkende, dat zijn oudste klerk gedwaald had, en de akten naar mijn zin of liever naar dien van den Heer Van Baaien veranderde.
DERTIGSTE HOOFDSTUK,
HETGEEN LAXGER DAN HET VOORGAANDE, EN NIET MEER OF MINDER BELANGRIJK WEZEN ZAL.
Ik was met een eenigszins luchtiger gemoed van den Notaris teruggekeerd dan ik bij het heengaan bezat; want de aanwezigheid van Van Lintz daar ter plaatse had mij doen vermoeden, dat hij de papieren, in welke hij zooveel belang scheen te stellen, en waarom hij eerst zijn dochter naar Amsterdam gezonden had en vervolgens zelf gekomen was, eindelijk had ontvangen en dus geene reden meer bezat om langer in een stad te vertoeven, waar zijn verblijf hem aan gevaar blootstelde; terwijl aan een anderen kant de weinige woorden, tusschen hem en den Heer Blaek gewisseld, mij alle hoop gaven, dat deze zich het lot zijns voormaligen bekenden zou aantrekken en de noodige middelen in het werk II. - F. H. 10
UÃ
stellen, om hem over de grenzen te helpen: en, hetzij dit gelukte, hetzij Van Lintz betrapt werd, ik voorzag, dat in beide gevallen het oogenblik niet verre meer af was, waarop het mij vergund zou zijn te spreken. Hierbij nog kwam, dat, even gelijk een minnaar in de kleinste zwarigheid reden vindt tot bittere ongerustheid en angst, zoo ook de geringste straal van hoop door hem als de morgenstond eener blijde toekomst verwelkomd wordt: en de omstandigheid alleen,, dat de Heer Blaek mij om geheimhouding verzocht had van hetgeen er tusschen hem en Van Lintz was voorgevallen, een omstandigheid, welke hem alzoo in zekere opzichten aan mij verplichtte, was genoegzaam om mij met de hoop te streelen, dat hij goede gedachten van mij opvatten zoude, en zich, ingevalle Lodewijk en Henriëtte afkeerig bleven van het door hem gewenschte huwelijk, niet langer ongenegen zoude toonen, mijn zielswensch te vervullen. De ondervinding had mij toen nog niet geleerd, dat verplichtingen van dien aard bij hem, die ze aangaat, geene genegenheid, maar enkel vrees en zelfs een zekere afkeerigheid ten opzichte van den verplichter doen ontstaan.
Den achtermiddag van den volgenden dag zat ik op mijn kamer te werken, toen Helding bij mij werd aangediend. Wrevelig, dat opnieuw iemand uit dat noodlottige huis van Heynsz zich bij mij vervoegde en door zijn komst versche aanleiding tot vermoedens wekken kon, beknorde ik de meid, die hem gezegd had, dat ik thuis was, en stond een oogenblik in beraad, haar met de boodschap weg te sturen, dat ik bezigheden had en niemand kon afwachten. 13ij eenig \eidei nadenken echter en gedreven door de hoop, dat Helding wellicht een welkome tijding zoude brengen, veranderde ik van besluit en gaf last, hem bij mij te laten.
Hij verscheen dan ook weldra, nam, na eenige buigingen, plaats, en verhaalde mij, dat hij, vernomen hebbende op welke wijze ik hem thuis had gebracht, mij daarvoor zijn
dank kwam betuigen.
âWat /.al ik u zeggen. Mijnheer Huyck!quot; zeide hij, eenigs-
zins verlegen en zijn hoed tusschen de handen draaiende: ..ik had wat diep in 't glaasje gekeken; maar in san i vim us omnes, gelijk wij op de Latijnsche school zeiden. Intusschen, ik kan het haast niet verklaren, hoe ik zoo weinig c o m p o s mentis was. 't Is waar, ik had wat hard geloopen: en dan wil men wel zeggen, dat men daardoor vatbaarder is voor den invloed van Bacchus. â En dus: van den wijn alleen kan het niet gekomen zijn.quot;
Ik kon niet nalaten, te glimlachen, want ik kende de waardij van dergelijke verschooningen. Aan welke reden men ook de dronkenschap, waarin men verkeert, toeschrijve, de wijn heeft er nooit geen schuld aan.
âTroost u. Monsieur Helding!quot; zeide ik: ..wij waren allen min of meer onder den invloed van Bacchus.quot;
âJa,quot; hernam hij: ..dat is wel mogelijk; 't was anders goede wijn; misschien wel wat sterker dan ik gewoon ben. Het spijt mij intusschen recht; want ik heb daardoor wellicht aanleiding gegeven, dat liet gezelschap spoediger opgebroken is, dan anders het geval zou geweest zijn. Het was jammer! wij zaten zoo genoeglijk bij elkaar, en die Officieren waren aardige Heeren en schenen vrij wat kennis en smaak te hebben in de poëzie. â Zij wisten wat iemand toekwam.quot;
âDat hebben zij ten uwen opzichte getoond,quot; zeide ik.
Hij zag dit als een compliment aan en lachte witjes. â âO verblinding der vleierij!quot; dacht ik bij mijzelven.
âMaar,quot; vervolgde hij: âik heb tot mijn leedwezen gehoord, dat de Heer Lodewijk bij ons aan huis zoo leelijk is te pas gekomen!quot;
âDat is hij,quot; antwoordde ik: âmaar het zal beter zijn, dat onderwerp maar niet aan te roeren.quot;
âUEd. heeft gelijk, zeide hij: âja, het is wat onbegrijpelijk : er gebeuren buitendien meer rare dingen bij ons aan huis. Wie had het ooit kunnen denken? Die Heer Van Beveren ....quot;
âWelnu?quot; vroeg ik, nieuwsgierig om te vernemen, wat er nu weer gebeurd was.
148
âWel.quot; vervolgde hij; âom met Vader Vondel te spreken:
Hy trock al heimlijck af en zonder eenigh teecken Van wapen of trompet.quot; â
âHij trok weg!quot; riep ik: âGoddank! '
âMet de noorderzon verhuisd,quot;' hernam hij, eenigszins verwonderd over den uitroep van blijdschap.
âEn zijn dochter?quot;
Neen die is er nog,quot; antwoordde hij: âmaar zij zal niet lang meer blijven: althans Heynsz wil haar niet in huis houden.quot;
Met? En wat is er dan voorgevallen?quot; vroeg ik, eenigszins minder in mijn schik met dit tweede bericht.
âDat zal ik UEd. verhalen. Ik was gisteravond bij mijn buurjuffer op een kommetje koffie genoodigd; want UEd. moet
weten, zij verzoekt mij nog wel eens 's avonds----en ik
heb er altijd vrij entree---- een eer, die aan alle Heeren
niet gegund wordt. He! he! he!
âJa!quot; zeide ik: âik begrijp, dat zij zwak voor u heeft.'
âNu! dat is tot daar aan toe,quot; hernam hij: âmaar het is in allen gevalle niet in haar te misprijzen, dat zij niet te ij del is om met een oud man, als ik ben, wat te keuvelen en zij vindt er smaak in, als ik haar nu en dan eens een
versje voorlees.quot;
Ik was eenigszins verwonderd over dezen smaak van Amelia; maar bij verder nadenken begreep ik. dat zij, in de afwezigheid haars vaders, na het voorgevallene liever niet alleen was, en dat het gezelschap van Helding, al was het niet onder de belangrijkste te stellen, haar toch altijd eenige
gerustheid moest inboezemen.
âEn was haar vader niet te huis?quot; vroeg ik.
quot;Dat is het mooie,quot; antwoordde hij, glimlachende: âik zat moerziel alleen met haar, in vie ze vie, zooals de Franschen zeggen, en ik had een pijp opgestoken: - ik zou haar juist mijn gedichtje op het Kuiltje gaan voorlezen, dat aan de Messieurs zoo beviel, weet UEd.?
149
âIk weet al! â En toen?quot;
âDaar kwam net haar Papa thuis. âWel Papa!quot; vroeg zij zoo: âis üEd. geslaagd in uw bezoek?quot; â âJa!quot; zeide hij: en toen haalde hij een dik pak pampieren uit zijn rokzak en lei het op tafel. âIk begon al ongerust te worden over uw lang wegblijven,quot; zei zij. âJa!quot; zei hij, âik heb nog een ontmoeting gehad.quot; â En toen keek hij mij zoo schuins aan van onder zijn bril, alsof hij wilde zeggen: âpak je biezen.quot; -..Ik was juist voornemens,quot; zeide ik, âaan de Juffer een gedichtje te gaan voorlezen.quot; â âG-a uw gang,quot; zeide hij, âMonsieur Helding! en laat ik u niet storen.quot; Ik dacht, de man wil het toch eens hooren; maar daar kwam niet van: hij haalde een cassette voor den dag, opende het pak, dat hij medegebracht had, nam eenige pampieren daaruit, die hij weder bij zich stak, en verborg de rest in de cassette, zonder bij dat alles de minste acht te geven op hetgeen ik voorlas.quot;
âDat was niet beleefd,quot; zeide ik: âmaar inderdaad, het scheen mij dien avond op uw kransje reeds toe, dat die Heer geen rechten smaak vond in de poëzie.quot;
âAllesbehalve! â En toen ik gedaan had, in de plaats van toen het een of ander te zeggen over mijn werk, of mij ten minste voor de genomene moeite te bedanken, daar draait hij zich op eenmaal naar mij toe, en zegt: âMonsieur Helding! als UEd. nog van een kommetje koffie gediend blieft, zoo is het u gegund; maar drink het dan spoedig op: want ik heb het een en ander met mijn dochter te onderhandelen.quot; â âOch!quot; zeide ik: âik ben niet gaarne tot overlast ; dan ga ik liever direct heen. â Want ik was knorrig. Zie, ik ben doodgoed, maar ik heb niet graag, dat iemand mij affronteert.''
âEn ging UEd. toen heen?quot;
âNog niet; als UEd. hooren zal. Het mooiste moet nog komen. Terwijl ik mij gereed maakte om te vertrekken en nog een kommetje aannam, dat Mejuffrouw Amelia, die het; geloof ik, weer goed wou maken, mij toereikte, daar komt
150
Heynsz binnen en begint een praatje. ..Zoo, Sinjeur Heynsz!quot; zei de Heer Van Beveren: âUEd. komt juist van pas: ik moet hedenavond nog de stad uit,quot; (âei! ei!quot; dacht ik) âen wilde u betalen, hetgeen ik u tot heden schuldig ben, en u meteen verzoeken, zorg te dragen, dat mijn dochter geene bezoeken meer tegen haar zin ontvangt.quot; â âWel! wel!quot; zei Heinsz: âgaat UEd. heden nog op reis? Zeker naar Deventer?quot; voegde hij er bij, met een spotachtig gezicht. De Heer Van Beveren keek hem aan, als wilde hij zeggen; âdat zijn uwe zaken niet.quot; â âWees maar zoo goed,quot; zei hij, âmij uw briefje van verschotten :e geven: dan zal ik u betalen en de maand uit meteen.quot; â âHm! hm!quot; zeide Heynsz: âmag ik u vragen of er nog meer Heeren van uw naam te Deventer zijn?quot; â âGij zijt nieuwsgierig van avond. Sinjeur Heynsz!quot; zeide de Heer Van Beveren, met een gezicht alsof hij hem van de trappen wilde gooien, â't Is maar,quot; vervolgde Heynsz: âomdat er lieden zijn, die beweren, dat er nooit iemand van dien naam binnen Deventer bestaan heeft.quot; â âDat zou al toevallig zijn,quot; zei de andere: âmen vindt die anders overal. Maar Sinjeur Heynsz! wacht tot gij ten minste Onderschout geworden zijt, alvorens mij met dergelijke onbescheidene vragen lastig te vallen.quot; â Daar had UEd. het gezicht van Mejuffer Amelia moeten zien: het arme schaap werd zoo bleek als een dook. En Heynsz keek ook zuur, dat beloof ik u; âMijnheer!quot; zei hij: âgij moogt dan Van Beveren heeten of niet, maar al ben ik geen Onderschout, zoo zou er toch een Onderschout kunnen komen en u vragen doen, die u niet aangenaam waren.quot; â âSinjeur!quot; zei de ander: âals er een Onderschout komt, zal ik hem antwoorden. Aan u ben ik geen rekenschap verschuldigd. Indien gij werkelijk een zoo knap verklikker waart als gij voorgeeft te zijn, zoudt gij mij terugbezorgd hebben hetgeen Zwarte Piet mij ontstolen heeft, of mij althans aanwijzing daarvan gedaan hebben. âIk sloeg de handen in elkander. âHeynsz een verklikker!quot; dacht ik. âHadt UEd. daar ooit gedachten op gehad. Mijnheer Huyck?quot;
151
âZoo eenigszins,quot; antwoordde ik glimlachende: âen hoe liep dit af?quot;
âWel! Heynsz werd zoo rood als een kalkoensche haan en antwoordde vrij vinnig, en ik voorzag nog het oogenblik, dat Van Beveren, of zooals de man dan heeten mag, hem bij de kladden zou krijgen. Maar hij scheen opeens te bedaren, ging zitten, haalde een schuiertje uit den zak en begon zich het poeier van den rok te borstelen of er niets gebeurd ware, zonder verder eenig antwoord te geven. Toen zag Heynsz in, dat hij met zijn drift niets won en begon een toontje lager; âhoor Mijnheer!quot; zei hij: âik moet u waarschuwen dat gij een verdacht persoon zijt: en daarom, zeg mij oprecht, wat gij hier verrichten komt. Als eigenaar van dit huis, heb ik toch wel eenig recht dit te vragen.quot; â âHoor, Monsieur Heynsz!quot; zeide de andere: âik betaal u als een eerlijk man de huur uwer kamers, en ik weet niet, dat er iets tot mijn last is: en aangezien wij in een vrij land leven, zoo zie ik niet, dat gij recht hebt, mij te beletten te gaan, waar ik wil. Bovendien, mijn dochter blijft hier, althans zoo lang zij niet beter vinden kan. Ik ga dus hedenavond heen, en gij kunt gerust uw spionnen uitzetten en mijn gangen laten nagaan ; maar thans, verzoek ik, van uw verder bijzijn ontslagen te worden. Gij zult dan wel met mijn dochter afrekenen.quot; -Heynsz scheen nu te begrijpen, dat hij niet verder komen zou, mompelde wat binnensmonds en ging heen, zoowel als ik: -en, zooveel als ik hedenmorgen vernomen heb, is die Van Beveren met de nachtschuit naar Utrecht vertrokken.quot;
âIk wensch hem goede reis,quot; zeide ik, eenigszins verbaasd over de stoutheid en onvoorzichtigheid van Van Lintz, dat hij aldus vertrokken was, met een gelegenheid, waarbij hij niet kon missen bespied en achtervolgd te worden.
Het overige van ons gesprek was onbeduidend; althans het verdient hier niet opgeteekend te worden. Voor Helding vertrok, bad hij mij, mijn vader nog eens te willen herinneren aan de hem beloofde nasporingen omtrent het lot zijner ongelukkige dochter.
152
âDat wil ik gaarne doen,quot; zeide ik: âmaar het behoeft niet. Wat mijn vader eens voorneemt en belooft, dat vergeet hij niet: heb dus maar geduld, vriend Helding! gij zult de verlangde narichten bekomen. God geve, dat zij tot een gelukkig einde mogen strekken.quot;
Nauwelijks had Helding mij verlaten, en nog zat ik te peinzen over het medegedeelde nieuws, toen de deur mijner kamer zachtjes openging en ik in den tegenover mij geplaatsten spiegel mijn moeder herkende, die bleek en bezorgd van uitzien, met langzame schreden naar mij toekwam.
âWas het Monsieur Helding niet, die daar uitging?quot; vroeg zij, terwijl zij met de eene hand, waarin zij een open brief hield, op den rug van mijn stoel leunde, en met de andere zich een traan uit het oog wischte.
..Dezelfde, Moederlief!quot; zeide ik, rood wordende.
âWat had die nu weer te vertellen?quot; vroeg zij, met een ontevreden blik.
Hij kwam mij bedanken, omdat ik hem laatst te huis gebracht heb, toen hij te veel gedronken had.quot;
âEn was deze de eenige reden zijner komst?quot; vroeg zij, het hoofd langzaam buigende: âFerdinand! Ferdinand! wat hebben uw ouders u gedaan, om hen zoo te misleiden? wat beteekenen die gestadige gangen en boodschappen naar en van dat huis van Heynsz ? O! zoo gij wist, hoeveel tranen gij mij kost, en hoe ik om uwentwille reeds twee nachten slapeloos heb doorgebracht! zoo gij wist, hoe uw brave vader zijn leed verkropt, en, wanneer ik vraag, wat hem deert, het hoofd schudt, en alleen met een zucht antwoordt. Hoe zijt gij veranderd, Ferdinand! gij, wien wij eens oprecht en vroom gekend hebben! Ach! het was niet zonder reden dat ik opzag tegen die verre reize, die gij nog zoo jong en zonder opzicht ondernomen hebt. Wij steunden op de vastheid van karakter en de brave grondbeginselen, die wij, in onzen ouderlijken hoogmoed, ons verbeeldden dat gij bezat. Maar bitter zijn wij voor onzen eigenwaan gestraft. Helaas! gij waart nog te jong en onervaren! en gij zijt tegen de verleiding niet
bestand geweest. Het gebed, dat ik dagelijks tot God voor u opzond, is niet verhoord geworden. Zeg mij, Ferdinand! zeg mij toch, heb ik mijn zoon verloren ? â Ach! ik was zoo innig verblijd over uwe terugkomst: ik had mij zooveel genoegen van u voorgesteld: â en thans zie ik, dat mijn blijdschap droefheid had moeten zijn.quot; â Onder het uiten dezer laatste woorden boog zij haar hoofd op mijn schouder neder en weende bitterlijk.
Haar innige smart verscheurde mij de ziel, en ik was zelfs zoo onthutst en ontroerd, dat ik in de eerste oogenblikken vruchteloos naar woorden zocht, en niet anders doen kon, dan haar koude hand in de mijne te klemmen, den arm om haren hals te slaan, haar bleek gelaat te kussen en tranen van weemoed aan haar boezem te schreien. âMoeder!quot; zeide ik eindelijk: âlieve moeder! matig uw verdriet. Clod weet, hoe gaarne ik eiken traan, dien gij om mijnentwille stort, met mijn bloed zoude willen betalen; maar ik ben waarachtig onschuldig! geloof mij toch, ik ben uwe liefde, uwe achting niet onwaard.quot;
âIk zie ten minste,quot; zeide zij, terwijl zij zich langzaam uit mijn omhelzing losmaakte en zich naast mij nederzette: âik zie, dat gij nog niet geheel verdorven zijt, dat er nog hoop is op uw behoud; want uw hart is nog vatbaar om getroffen te worden. O! beloof mij, dat gij den verkeerden weg zult verlaten, dien gij zijt ingeslagen, dat gij alle banden, die u aan dat slechte voorwerp verbinden, zult losscheuren: en alles, alles zal vergeven en vergeten zijn: ik zal juichen en zeggen met den vader uit de gelijkenis: âziet! mijn zoon was verloren en hij is wederge vonden.quot;
âMaar,quot; zeide ik: âik betuig u, dat er geene banden te verbreken vallen: dat ik door u, door mijn vader verkeerd word beoordeeld: dat.. . .quot;
âEn waarom dan uw gedrag niet opgehelderd? Wie heeft recht op uw vertrouwen, op uw openhartigheid, zoo uw vader dit niet heeft? Hoe kunt gij vergen, dat hij of ik geloof zouden slaan aan de ongerijmde en nietige uitvluchten, waar-
154
mede gij uwe verkeerdheden poogt te bemantelen. Ferdinand! wees niet verstokt in het kwade. Een gulle bekentenis, een oprecht berouw zouden uws vaders rechtmatiger! toorn ontwapenen; maar een hardnekkigheid als de uwe moet hem verbitteren.quot;
âMaar vader,quot; zeide ik, âhad mij beloofd zijn oordeel te zullen opschorten, tot zich het oogenblik zoude opdoen, waarin ik hem een volkomene. geheel voldoende opheldering zoude kunnen geven. Dat oogenblik nadert met rassche schreden. En dan, geloof mij, dan zal mijn gedrag u in een ander licht voorkomen, dan het thans doet. Waarom dan ook niet een weinig op mij vertrouwd, wanneer ik u mijn onschuld betuig en u verzeker, dat gij zonder billijke oorzaak tranen stort?quot;
âIs dat geheim dan zoo diep, zoo vreeselijk,quot; vroeg mijn moeder, âdat gij het ook aan mijnen boezem niet kunt uitstorten ? Ach 1 , het zou u goeddoen, en mij ook, Ferdinand! want, hoe fraai uw woorden ook zijn, ik ben nog niet gerust. Misschien misleidt gij uzelf: er moet stellig eenig kwaad, iets verkeerds zijn bij een geheimenis, die men aan eene moeder niet kan openbaren.quot;
âLieve moeder!quot; zeide ik, de hand drukkende, die zij mij vleiende toestak; âgeloof mij, mijn vurigste wensch op dit oogenblik zoude wezen, om mij aan uw hart te storten en u alles te ontdekken. â Ja. ik gevoel, dat zoo gij langer bleeft aandringen, ik de kracht niet zoude hebben, u weerstand te bieden: dat ik, tot welken prijs dan ook, de bron uwer tranen zoude willen drogen. Maar zoo ik nu sprak, zou ik een woordbreker, en bijgevolg een schurk zijn: â en dat toch wilt gij van uw zoon niet maken ?quot;
âHet kan dan niet anders,quot; zuchtte mijn moeder: âneen, eon woordbreker moet gij niet worden: â alleen maar begrijp ik niet, waartoe dergelijke dwaze geheimen dienen. Ik zie niet, dat iets, dat goed en ordentelijk is, behoeft verborgen te blijven. Misschien dwaal ik, en heb ik geen ondervinding genoeg; maar ik kan het mij maar niet voorstellen,quot;
Zij sprak wel waarheid, die goede moeder, want nooit had
1-55
haar geest of haar verbeelding eene gedachte gekoesterd, welke zij niet zou hebben durven openbaren; en haar reine ziel was een spiegel, waarin zij ieder vergunde te lezen.
âIn allen gevalle,quot; vervolgde zij, âhoop ik, dat die oplossing spoedig moge plaats hebben; want ik zou ziek worden van die onzekerheid; en dan,quot; terwijl zij mij den brief toereikte, âhier is een uitnoodiging van uw Tante Van Bempden tegen Zaterdag over acht dagen, om mijn verjaardag op Heizicht te komen vieren: ik had mij veel genoegen van die partij voorgesteld; â â maar nu weet ik waarachtig niet of ik het wel aanneem; ik kan met geen opgeruimd hart aan tafel zitten en de gelukwenschingen der gasten ontvangen, zoolang dit geval niet is opgehelderd.quot;
âGij zijt onbillijk, lieve moeder!quot; zeide ik: âwaarlijk, gij zijt onbillijk tegen mij. Ik kan beseffen, dat deze zaak u hindert; maar dewijl ik u mijn woord heb gegeven, dat uw bezorgdheid ijdel is, mocht ik toch hopen, dat gij nog vertrouwen genoeg in mij zoudt bezeten hebben, om met eenige kalmte den loop der gebeurtenissen af te wachten. â Voorheen, lieve Moeder! was het genoeg, dat ik u eenmaal iets verzekerde, om er u de vaste overtuiging van te geven. Heugt het u nog, toen eens de girandolle in de zaal aan gruis was gevallen, en iedereen beweerde, ik moest het gedaan hebben; want ik had den ganschen morgen in de kamer gezeten en niemand buiten mij was er geweest, dat gij toen zeidet: âneen! Ferdinand heeft het niet gedaan; hij zegt het zelf.quot; â En zou ik sedert dien tijd zoo veranderd zijn, dat er op mijn woord geheel niet meer te bouwen ware?quot;
âJa Ferdinand!quot; zeide zij. mij met aandoening omhelzende: âik geloof u; want het zou al te afschuwelijk zijn, indien ook deze betuigingen valscli waren: en echter,quot; vervolgde zij. mij met een weemoedigen blik aanziende: ..gij hebt onlangs een weinig .... gedraaid.quot; Het goede mensch wilde niet zeggen: gelogen. âMaar spreken wij daar niet over,quot; voegde zij er bij, ziende, dat ik rood werd en haar smeekend aanzag: âdat
15G
was voor het eerst en voor het laatst, nietwaar? O! zeg mij, dat liet voor 't eerst en voor 't laatst was: ik heb er behoefte aan, dit te gelooven. â Ach! zonder die noodlottige misleiding had ik u nooit verdacht.quot;
Moeder!quot; zeide ik: âgij beschaamt mij te recht: ja! dat was voor 't eerst, en, God is mijn getuige, het zal ook voor 't laatst zijn. Daar! deze kus moge u tot bevestiging strekken dat ik deze belofte heilig houden zal.quot;
..Dat wensch ik,quot; zeide zij: ânu, wij zullen dan het geval laten zooals het is, en ik zal trachten, mijne bekommernissen te overwinnen. Zoo ik u verkeerd beoordeeld heb, gij zult het mij niet kwalijk nemen, nietwaar ? Ach! gij weet niet, hoe teeder een moeder aan haar kind gehecht is, en hoevele angsten haar hart benauwen, wanneer zij slechts veronderstelt, dat het van den rechten weg zoude kunnen afwijken.quot;
Hier droogde de beste vrouw haar tranen af, en verliet mij, meer gerust te mijnen opzichte, dan toen zij gekomen was.
Dienzelfden avond ontvingen wij een afscheidsbezoek van Reynhove, die aan mijn vader meer omstandig kwam mede-deelen hetgeen hij mij reeds met een paar woorden gezegd had, dat hij naar Den Haag ging en moeite zoude doen om geëmployeerd te worden.
Er was, had hij gehoord, een bediening opengekomen, waar aan geen onbelangrijke werkzaamheden verbonden waren, en hij hield zich overtuigd, dat zijn vader, zijn besluit vernemende, zich daarover verheugen zou en alle pogingen in het werk stellen om hem zijn doel te doen bereiken. âIk heb,quot; zoo eindigde Reynhoves verhaal, âlang genoeg als een oiseux meubel rondgeslenterd en UEd. heeft mij doen zien dat het tijd wordt, iets degelijks bij de hand te nemen.quot;
Het behoeft niet vermeld te worden, dat het voornemen van Reynhove door mijn vader hoogelijk goedgekeurd werd: mijn moeder wenschte hem insgelijks allen voorspoed op zijne voornemens: Suzanna zeide lachende:
âIk weet niet, Mijnheer Reynhove! maar mij dunkt, het
zal u vreemd voorkomen, den dag op een bureau door te brengen met over allerlei vervelende schrifturen te gapen, en
Omschanst te zitten niet papieren.
Die door de slaafsche zinnen zwieren.
Mij dunkt ik zie u daar zitten met een groote pen achter 't oor, een morslap vol inktvlakken op de rechtermouw, en een aschgrauwen overrok aan, waar de kantoorlucht niet meer uit te kloppen is.quot;
âIk zie wel, dat gij nooit naar Den Haag geweest zijt. Santje!quot; zeide ik; âgij stelt u de kantoren aldaar voor, gelijk dat van een Amsterdamsch koopman, waar het licht door de lantaren van de binnenplaats invalt en men te drie uren al bij de kaars moet zitten. Neen! ginds gaat het vroolijker toe: men zit in ruime, luchtige kamers, en de groote bezigheid bestaat er, in de courant te lezen, in te praten over de nieuwtjes van den dag en om het uur eens een pen te versnijden.quot;
âWel! hoor mij dat jongmensch eens aan,quot; zeide Suzanna: âdie praat over kantoren en maakt vergelijkingen, en denkt, dat hij het recht heeft om aardigheden te zeggen, omdat hij een blauwen maandag in den handel is. Denk je dan, Ferdinand ! dat men in Den Haag niets uitvoert, omdat men er juist niet den geheelen dag lettertjes zit te kladden en sommetjes te maken, trots den besten schooljongen?quot;
âMejuffrouw neemt het zoo goed voor Den Haag op,quot; zeide Reynhove, âdat ik er niets weet bij te voegen. Maar is het mogelijk, dat UEd. daar nooit geweest is? â Mij dunkt, de familie moest daar eens eenige dagen komen passeeren; het zoude mij een innige volupteit zijn, u rond te leiden en het interessantste te laten zien.quot;
âJa, indien UEd. dat van papa gedaan kost krijgen,quot; zeide Suzanna, âdan zou ik u voor den welsprekendsten man uit de Zeven Provinciën houden: maar daar is geen kijk naar.quot;
âWacht maar,quot; zeide mijn vader: âals ik eens oud word, en op mijn muiltjes ga leven, dan zullen wij eens zien wat wij doen.quot;
158
..Ja!quot; hernam Suzanna: âals ik zoo lang moet wachten, dan zal ik zelve al wel te hokvast geworden zijn. om nog uit te vliegen. Wat zijn de mans toch gelukkig! daar heb je Ferdinand, die is half Europa al rond geweest, en ik, die evenzoo goed recht had iets anders te zien, ik zal misschien mijn leven ten einde zien loopen, zonder ooit in Den Haag te zijn geweest.quot;
âDen Haag zou er het meeste bij verliezen,quot; zeide Reyn-hove, âmaar, als ik vragen mag: waarom zoude uw broeder u daar niet heenbrengen? dan had UEd. een Mentor van ondervinding bij u.quot;
âEen mooie Mentor!quot; riep Suzanna uit: âik bedank u hartelijk. Wel ja! met een Broeder te reizen is ook wel een laatste toevlucht! Weet UEd. dan niet, Mijnheer Reynhove! dat van al de meisjes op den aardbodem er geene is, waarover men zich minder bekommert, dan over eene zuster?quot;
âDaar laat gij u onvoorzichtig uit. Santje!quot; zeide ik; âik wilde u juist voorstellen, u in het volgende voorjaar eens derwaarts te brengen; maar, nu ik dat hoor, zal ik er wel deugdelijk op passen.quot;
âO! Mejuffrouw meent het niet,quot; zeide Reynhove: âik recommandeer u ernstig aan, bij die goede intentie te volharden. Het zal u wel bevallen, en wij zullen alles in het werk stellen om u een goed a c c u e i 1 te procureeren.quot;
âGij ziet, Mijnheer wil ons volstrekt in Den Haag hebben.quot;
zeide ik.
âDat wil ik,quot; zeide Reynhove: âof liever, want het zoude inconvenant zijn, van mijn wil te praten, ik wensch het vurig.quot;
âJa,quot; zeide Suzanna: âom als een berenleider met ons rond tc loopen en ons aan de menschen te toonen als iets nieuws, al roepende: âkijkt! menschen! kijkt! Hier heb je den nieuwbakken Amsterdamschen koopman van het mannelijk geslacht, met zijn zusje, een onnoozel ding, dat nog van geen toeten of blazen weet. Ja! denk je, dat ik niet weet, hoe
men ginds met onze kleeding en manieren den spot drijft?quot; _____-- ----â
159
âTJEd. is het toch niet, die voor spotternij beducht kan zijn ?quot; vroeg Reynhove.
âDie kan je in uw zak steken, Santje!quot; zeide ik.
âVolstrekt niet,quot; zeide Reynhove, eenigszins verlegen over de uitlegging, die ik aan zijn woorden gaf: âik bedoelde alleen te zeggen, dat Mejuffrouw boven alle bespotting verheven is.quot;
âWat zeggen de Hoeren Blaek toch wel over uw spoedig vertrek?quot; vroeg mijn moeder, een andere wending aan het gesprek willende geven.
âO!quot; antwoordde Reynhoven: âden ouden Heer heb ik weinig gezien, en die zal over mijne absentie niet treuren: â en wat Lodewijk betreft. .. .quot; hier zweeg hij opeens, en zag mij zijdelings aan.
âWel!quot; zeide mijn vader; âik hoop toch niet, dat gij kwade vrienden scheidt? â ofschoon ik erken, dat gij beter gezelschap kunt kiezen.quot;
âNeen,quot; antwoordde Reynhove: â't is maar: ik dacht, dat ik hem goed kende, en ik zie alweder, dat ik mij in hem bedrogen heb .... ofschoon deze reis strekt het niet tot zijn schande: â⢠maar ik wil daar liever hier over zwijgen. -Heeft UEd. al gehoord, dat zijn jacht weer in 't water is gewerkt, ik zoude het voor een mirakel gehouden hebben; er zijn toch knappe werklieden hier ter stede; â er is bijna niets aan het vaartuig beschadigd en het zal met een kleine-reparatie weer zoo goed wezen, als ware er niets gebeurd.quot;
âEr zijn lieden, wien alles medeloopt, tot zij eindelijk het lid op den neus krijgen,quot; zeide mijn vader.
Na nog een wijl gezeten te hebben, vertrok Reynhove. âIk weet niet,quot; zeide hij, toen ik hem uitliet, âwat ik van Lodewijk denken moet. Hij was dezen middag louter attentie en beleefdheid jegens zijn cousine, die heden voor een paar dagen in de stad is, en zeide haar meer douceurs, dan zij anders in een jaar van hem hoort. Zij scheen er zelve verbaasd over; wat dit voorspelt, weet ik niet; maar het zou mij niet verwonderen, indien hij eens begon te beseffen, dat
160
het tijd werd, wijs te worden. â Men bemerkt de waarde van een schat ook nooit beter, dan wanneer men gevaar
celoopen heeft, dien te verliezen.
In waarheid!quot; zeide ik; âwat gij mij daar vertelt bevreemdt mij. Ik kan toch niet denken, dat hij inderdaad
oogmerken op haar heeft.'
âNoch ik,quot; hernam Reynhove; âmaar de zaak is waar en
oii quot;kunt er uw profijt mede doen. Adieu.quot;
Den volgenden dag had ik toevallig, door het afspringen eener comparitie, welke ik had moeten bijwonen, een uurtje voor den eten vrij, en Suzanna, die zich reeds memg-malen beklaagd had, dat zij niets aan mij had, nam die gelegenheid waar om mij met haar naar Tante Letje te
^Wel!quot; zeide deze, toen ze mij zag: âhet is goed. dat gij komt Neef! Ik had u anders al een boodschap willen sturen. Ik wenschte u eens onder vier oogen te spreken, wanneer
het u gelegen komt.quot; (
Ei! ei!quot; zeide Suzanna; âmag ik er met bij wezen. Mi. dan zal ik zoo aanstonds maar optrekken: 't is toch hard. dat ik mijn cavalier zoo spoedig weder verliezen moet: men
heeft al moeite genoeg om hem te krijgen.quot;
Neen' dat is juist de bedoeling niet,quot; zeide Tante; âmaai van avond of morgen, als 't u belieft.quot; - En zij zette daarbij zulk een statig gezicht tegen mij, dat ik alweder ook wn dien kant een donderbui voorzag. â Ik was echter gecl\\ ongen mijn nieuwsgierigheid op te schorten, en wij zaten, na eemg onderhoud over verschillende zaken, te luisteren naar het verslag dat Tante ons gaf van een dierbare predikatie, welke zii in de weekbeurt een paar dagen te voren gehoord had, toen wij een koets hoorden stilhouden. Er werd aan de huisdeur gescheld; er kwam iemand de trappen op: de deur ging 0pen;S_- en Henriëtte Blaek stond voor onze oogen. Zij was bevalli0- gelijk altijd; maar zag toch eenigszins betrokken van uitzicht, en bleef, toen zij ons bemerkte, onthutst en verlegen aan de deur staan.
161
..Kom binnen, Jetje-lief!quot; zeide Tante Letje: ..daar doet gij wel aan, kind! van mij eens te komen opzoeken.quot;
âUw dienaresse. Juffrouw Huyck!quot; zeide Henriëtte, terwijl zij nader trad met het voorkomen van iemand, die een kloekhartig besluit neemt: âverschoon mijn vrijpostigheid: de meid zeide, ik zou maar boven gaan: â ik wist niet, dat UEd. bezoek had. Ik kwam u het boek terugbrengen, dat UEd. mij geleend heeft. Goeden morgen, lieve Santje! hoe gaat het u?quot; En zij drukte met minzaamheid de hand van Suzanna. Wat mij betrof, ik bekwam geen enkel woord: een nijging, zoo stijf en afgepast alsof zij een onbekende gold. was alles, waarmede zij te kennen gaf, mijne tegenwoordigheid te hebben opgemerkt: en hoewel een lichte blos haar wangen kleurde, haar oogen teekenden koele onverschilligheid en geen trek in haar gelaat veranderde. Suzanna en ik kekt,-n elkander aan: wij wisten niet, waaraan die stijfheid toe te schrijven.
Ik ging een stoel voor haar krijgen; maar zij hield zich, of zij zulks niet opmerkte en nam plaats op een anderen, die nevens haar stond.
âEn hebt gij er smaak in gevonden?quot; vroeg Tante, het boek aannemende: ..heeft u de lezing nogal gesticht?quot; â Het waren predikatiën, ik weet niet meer van wien.
âO ja! mijn waarde Juffrouw!quot; antwoordde zij: âhet is een uitnemend schoon werk: en mijn oom heeft de goedheid gehad er een exemplaar van voor mij te koopen.quot;'
..Zoo! dat is goed. En hoe maakt het uw Heer oom? -quot;Wel? â Dat verblijdt mij hartelijk. En hoe maakt gij het zelve, lieve Jetje? Mij dunkt, niet zoo wel, als toen ik u de laatste reize zag.quot;
âIntegendeel, Mejuffrouw!quot; antwoordde zij: âik ben wel, volkomen wel!quot; en zij beet zich op de lippen.
âNeen waarlijk!quot; vervolgde Tante: âUEd. ziet er niet te best uit. Ik kan het nogal begrijpen: de schrik van dat ongeval op zee bij dien storm zal u nog door de leden zitten. -Nu! dat is al een gezegende bewaring geweest! En wel mocht
II. - F. H. 11
162
gij zeggen; ââlaet mij de watervloet ende laet de diepte mij niet verslinden.quot; quot;
âGij hebt er toch geen nadeelige gevolgen van gehad, Mejuffrouw?quot; vroeg ik.
âNeen Mijnheer!quot; antwoordde zij, op een koelen toon: âen ik doe mijn best, om die gebeurtenis met al haar gevolgen uit mijn geheugen te wisschen.quot;
Ik was geheel uit de lijken geslagen door deze verklaring, waarvan ik den zin maar al te wel begreep; en Suzanna keek haar vriendin aan, als wilde zij zeggen; âhoe heb ik het met u ?quot; â doch Tante, die de bedoeling van Henriettas woorden niet opmerkte, nam weder het woord;
âDat is niet goed, Jetje-lief! Een zoo verschrikkelijke gebeurtenis en welke zoo duidelijk aantoont, dat de Heere hen niet verlaat, die in nood tot Hem roepen, moet gij niet moedwillig vergeten; maar zij moet u tot een spoorslag strekken om uw leven toe te wijden aan Hem, die u behouden heeft.quot;
âUEd. heeft volkomen gelijk, Mejuffrouw!quot; zeide Henriëtte; âik heb mij slechts verkeerd uitgedrukt; ik gevoel zeer wel, welk een plicht van dankbaarheid op mij rust en hoop dat nimmer te vergeten.quot;
âJa!quot; vervolgde Tante; âdat zware weer heeft al wat schade gedaan; daar is, hoor ik, bij Colhorn een gat in den dijk geslagen en ik weet niet, hoe vele duizenden dat aan herstellen kosten zal. Wel is dit wederom een bezoeking des Heeren en een straf der ontrouwe gemeente, dat zij zulke ongeloovige en bedrieglijke leeraars en herders beroept, gelijk nog onlangs hier heeft plaats gehad in de verkiezing van den Sociniaanschen Boterbloem, die mede een van dezulken is, âdie ydelheyt spreecken ende leugen sien, ende seggen; do Heere heeft gesproken; daer de Heere haer niet gesonden en heeft; en daarom zeyt de Heere; ik sal hen door eenen grooten stormwint in mijne grimmigheyt splijten ende daer sal een overstelpende plasregen zijn in mijnen toorn, ende groote hagelsteenen in mijne grimmigheyt, om dien te verdoen.quot;quot; âHeden Tante!quot; zeide Suzanna, met een onnoozel gezicht:
163
âis het de schuld van Ds. Boterbloem, dat de dijk doorgebroken is? Vader zeide, het was de schuld van het Dijkcollege, dat met de Vijf Steden overhoop lag.quot;
âEn wat is dit anders,quot; vroeg Tante, het gezegde mijner zuster ernstiger opnemende dan het verdiende: âdan een bevestiging van hetgeen ik zeide? Zijn dezen niet de mannen, âdie ongerechtigheyt bedencken, en die quaden raet raden in de stadt?quot; â En zijn zij geen blinde leidslieden der blinden, die de gemeente in haar afval voorgaan?quot;
âIk geloof wel, dat UEd. gelijk heeft,quot; zeide Suzanna: âwant daar is de Dijkgraaf Mr. Coenraad van Vlingerhoed, die draagt een bril: de Secretaris, Jonker van Bitterenvleugel, is zoo bijziende, dat hij mij laatst op een salet voor Tante Van Bempden aanzag; van de Heemraden heeft er een de grauwe staar, de tweede is eenoogig, de derde is scheel, en nummer vier is alle namiddagen zoo dronken, dat hij den weg naar zijn huis niet alleen kan vinden. â UEd. zegt dus wel te recht, dat het een blind college is.quot;
âNichtje!quot; zeide Tante, eenigszins geraakt: âhoe lange suit gij de slechtigheyt beminnen, ende de spotterye begeeren.quot; Wat gij zegt, is bijwijlen zeer aardig; maar wanneer men ernstig spreekt, is het gekscheren ongepast en onwelvoeglijk. Gij weet zeer wel, dat ik geestelijke blindheid bedoel en met geene lichaamsgebreken spot, zooals gij doet.quot;
Suzanna keek eenige oogenblikken vrij zuur: ik zelf was een weinig verwonderd geweest over haar uitdrukkingen; want, hoe geneigd ook om met alles te schertsen, was zij nooit gewoon den spot te drijven met ernstige zaken, of door hare gezegden iemand te ergeren en te ontstichten. Ik schreef dan ook haar woorden aan de ware oorzaak toe: namelijk aan wrevel over de koele handelwijze van Henriëtte jegens mij, dien zij achter een voorgewende luchthartigheid wilde verbergen: en waardoor zij, gelijk doorgaans in diergelijke gevallen plaats heeft, scherp in stede van geestig werd. Zij gevoelde echter haar ongelijk: âTante!quot; zeide zij, na een oogenblik zwijgens opstaande en haar een kus gevende: âver-
164
geef mij; ik sprak zonder nadenken, gelijk mij wel meer gebeurt. Ik ben.... ik heb iets dat mij hindert. Hiei begon zij te schreien en zag Henriëtte aan met een vei wijtenden blik.
Neen!'quot; zeide Tante, haar omhelzing beantwoordende: âik weet het ook wel, gij behoort niet tot de âspotters onreyne,quot; waarvan in den eersten Psalm gesproken wordt, noch ook tot de zoodanigen, die de bestrafflnge niet hooren.quot;
..Zullen wij den Heer Blaek ook op het feest bij Tante Van Bempden zien?quot;' vroeg ik aan Henriëtte: ik dorst haar niet vragen, of zijzelve komen zoude.
âIk weet het niet. Mijnheer!quot; antwoordde zij, op de klok .ziende, als iemand, die vertrekken wil, maar het bezoek toch niet korter wil maken dan de betamelijkheid vordert.
..UEd. komt toch, Tante?quot; vroeg Suzanna.
âIk heb de noodiging aangenomen,quot; antwoordde Tante: âofschoon ik wel gewenscht had, dat zuster quot;Van Bempden een anderen dan den dag van Zaterdag tot deze feestviering had uitgekozen. Het wordt somtijds laat: en dan is men minder gestemd, den dag des Heeren behoorlijk te
vieren.quot;quot;
Ja! lieve TanteIquot; zeide ik: ..dat is waar; maai LEd. zal met mij instemmen, dat Mama niet wel haar verjaardag verzetten kon, en dat Tante bovendien gebruik maakt van de gelegenheid, dat Papa eens uit kan gaan, daar hij altijd iu liet midden van de week zoo bezet is.quot;
âJa dat weet ik,quot; hernam Tante: âmaar, naar mijn begrip ware het voegzamer geweest, dat de plechtigheid ten huize uwer ouders had plaats gehad; er zouden dan wel zooveel gasten niet hebben kunnen zijn; maar mij dunkt, op een verjaarfeest behoort ook niemand buiten de naaste bloedverwanten; en die had uw moeder wel kunnen bergen.quot;
Zeg dat maar niet, dat Mama het hoort, zeide Suzanna. âhet goede mensch treurt er al genoeg over, dat er om harentwille zooveel omslag gemaakt wordt; maar Tante was er zoo op gesteld: en men begreep, dat de groote en kleine
165
kinderen zich buiten meer dan in de stad zouden vermaken, enz.quot;
Hier stond Henriëtte op. ,,Mejuffrouw Huyck!quot; zeide zij, na een wijl te hebben geaarzeld. UEd. zal mij verschoonen; maar ik mag niet langer blijven: het is later dan ik dacht, en .. . .quot;
âWel heden! wilt gij nu reeds vertrekken?quot; vroeg Tante; ..gij zit pas.quot;
âMijn oom wacht mij: wij eten vroeg, om na den middag weder naar buiten te rijden: ik durf niet vertoeven.quot;
âRijdt gij naar huis, Jetje?quot; vroeg mijn zuster, opstaande, met de houding van iemand, die een besluit neemt.
âJa lieve!quot; antwoordde Henriëtte: âhet is wat laat en uit den weg: anders zou ik u voorstellen orn u te huis te brengen ; maar ik durf aan de paarden van oom zulk een omweg niet te laten doen.quot;
âNeen! dat behoeft ook niet,quot; hernam Suzanna: âmaar ik wil toch gaarne een eind met u rijden; ik moet bij Carlin wezen om lint te koopen: dat is toch in uw weg en gij kunt mij daar afzetten.quot;
âO! zeer gaarne!quot; zeide Henriëtte, op een toon, die aanduidde, dat zij het gezelschap van haar boezemvriendin voor deze reis wel zou kunnen gemist hebben.
âGij blijft toch nog wat, Neef!quot; zeide Tante: âdan kan ik u dadelijk zeggen wat mij op het hart ligt.quot;
âIk ben tot uw dienst,quot; zeide ik, terwijl Henriëtte afscheid nam en Suzanna mij in 't heengaan een blik toewierp, die zooveel zeggen wilde, als dat zij voor mijn belangen zoude waken. Met een zucht zag ik beiden vertrekken.
âWel neef! dat trof ongelukkig,quot; zeide Tante, toen wij alleen waren: âmaar verbeeld u, daar dacht ik in het eerst geheel niet aan uw mislnkt aanzoek bij den Heer Blaek. Ik verwonderde mij reeds, dat gij alle drie zoo stil en zoo zonderling waart. Maar om u de waarheid te zeggen, ik zou haast denken, dat zij nogal instemt met de meening van haar oom: want ik kan niet vinden, dat zij u bijzonder voorkomend behandelde.quot;
166
âDat heeft mij ook getroffen,quot; zeide ik: âen ik was er verre af. mij op zulk een koelheid te verwachten. Ik weet niet, waarmede ik haar welwillendheid zoo op eenmaal verbeurd heb; en dat kwelt mij.quot;
,.Ik wil het wel gelooven, hernam zij: âmaar gij moet u in deze beproeving troosten met de gedachte, dat alles naar Gods wijzen wil geschiedt en dat elke kleine teleurstelling tot bevordering van uw eeuwig heil moet strekken. â Maar om te komen tot hetgeen ik u zeggen wilde; uw vader is gisteren bij mij geweest en heeft mij gewaarschuwd tegen die lieden, die bij Heynsz wonen. Hij zegt, dat de man onder een valschen naam bij mij gekomen is: en de dochter is, naar hij gelooft, ook van dezulken, tegen wie ik op mijn hoede moet wezen. Her rechte wilde hij niet zeggen; maar hij verwees mij tot u om nadere uitlegging van zijn woorden. Wat is daarvan? Is dat Juffertje wezenlijk zoo slecht ? dan heb ik mij in haar bedrogen; want ik zag haar aan voor zulk eene âdie rein van harte was ende yverig in alle goede wercken.quot;quot;
âIk weet van haar niets kwaads,quot; antwoordde ik, verheugd van te ontwaren, dat mijn vader zijn vermoeden omtrent mij ten minste niet aan Tante had medegedeeld: âen wat haar vader betreft,quot; vervolgde ik, âHelding heeft mij verhaald, dat hij vertrokken is.quot;
âJa,quot; hernam zij: âdat heeft mij uw vader ook verteld; doch dat is ook al wonderlijk in zijn werk gegaan; want hij is, volgens het zeggen van uw vader, eergisteravond met de nachtschuit heengegaan en te Nieuwersluis er uitgestapt en er niet weder ingekomen; maar verdwenen, niemand weet waarheen. â Dus wil ik maar zeggen, ofschoon ik mijn naasten niet veroordeelen mag, dat daar toch iets achterschuilt. 't Is wonder, zooals uw moeder laatst aanmerkte, dat Heynsz zulke lieden bij zich heeft ontvangen.quot;
âInderdaad!quot; zeide ik: âmaar zooals ik zeide: ik weet van beiden geen kwaad; ofschoon ik beken, dat het mij aangenaam zijn zal, niets meer van hen te hooren; want sedert mijn terugkomst alhier kan ik mij niet bewegen of ik ben ge-
167
dwongen, over hen te hooren spreken; het is of zij mijn booze geesten zijn, die mij in wezenlijkheid of in verbeelding altijd en overal vervolgen.quot;
Ik had deze woorden nauwelijks geuit, of zij werden bevestigd. De deur ging open, en Amelia trad binnen. â Men moet weten, zoo men het niet reeds heeft opgemerkt, dat mijne goede Tante altijd voor iedereen te huis was: en dat haar meiden dus nooit iemand aandienden; maar elk, wiens gezicht zij eenmaal gezien hadden, dadelijk naar boven stuurden.
Wij waren alle drie onthutst. Amelia was echter de eerste, die de verrassing te boven kwam; en zelfs geloof ik, dat mijne tegenwoordigheid haar bemoedigde.
âMejuffrouw!quot; zeide zij, zich tot Tante wendende, eer deze nog het vermogen had van haar toe te spreken: âik kom als smeekeling tot u. Ik heb, in deze groote volkrijke stad, niemand, op wiens goedwilligheid ik staat kan maken, buiten ii â en uw Heer Neef,quot; voegde zij er blozende bij: âik weet, dat mijn komst en mijn verzoek onbescheiden zijn: â en ik zal het u niet euvel duiden, zoo UEd. mij ongetroost terugzendt; maar u niettemin dankbaar blijven voor het goede, mij bewezen.quot;
âGa zitten. Juffertje!quot; zeide Tante, die aan de buitengewone ontroering, welke op Amelia's wezenstrekken zichtbaar was, wel bespeurde, dat zij door geen onbeduidende oorzaak tot haar gedreven werd: âik help gaarne, wie ik kan: want dat is ons voorgeschreven: maar wilt gij ook iets drinken? Gij ziet er zoo ontdaan uit. Is u een ongeluk overkomen ?quot;
âWil ik mij niet liever verwijderen?quot; vroeg ik, weinig trek gevoelende van opnieuw in Amelia's belangen gemoeid te worden: âMejuffrouw heeft u wellicht iets in 't geheim te zeggen.quot;
âNeen, blijf nog wat hier. Neef!quot; zeide Tante, die, geloof ik. bevreesd werd zich met Amelia alleen te bevinden: âen krijg dat fleschje met die droppeltjes eens uit het hoekkastje
168
en de waterkaraf. â Toe! drink eens, arme ziel! gij zijt waarlijk geheel van uw stuk.quot;
âIk dacht niet, dat ik nog vatbaar was voor een diergelijke ontroering,quot; zeide Amelia: âik heb grootere tegenspoeden en bekommernissen, dan die ik heden ondervind, moedig doorgestaan ; maar nooit ook, neen, nooit te voren had ik een vernedering ondergaan als deze. Ik heb de wederwaardigheden der wereld met gelatenheid gedragen; â maar ik was niet geboren om mij door een ellendigen spion te zien beleedigen, als ware ik een schandvlek mijner kunne.quot;
âWat is er gebeurd? â- Wie heeft u beleedigd?quot; vroegen Tante en ik, bijna gelijktijdig.
âWat hij gezegd heeft,quot; zeide Amelia, âdoet er niets toe; zijne uitdrukkingen zijn misschien te verschoonen: hij is niet gewend met beschaafde lieden om te gaan: hij kon mij zijn huis uitzetten: hij is er meester in en heeft daar het recht toe; maar het is laag en onverschoonlijk van hem mij te beleedigen, op een oogenblik, dat ik alleen en van elk verlaten ben. â Ik kan, ik mag niet langer onder zijn dak blijven; â maar waarheen zal ik mij wenden? â Gij alleen Mejuffrouw, gij kunt mij helpen. O! ik bid u, wijs mij een wijkplaats aan bij eerlijke lieden, waar ik mijn intrek nemen kan. Ik zal er niet lang vertoeven, ik beloof het u. â Geld ontbreekt mij niet: ik verlang niet als een verblijf, hoe klein ook, waar ik rust kan vinden en voor alle bezoeken veilig mag zijn.quot;
âJa!quot; zeide Tante: âdat is nu goed en wel; maar er worden zooveel rare dingen van uw vader en u verteld, dat ik eerst nog wel wat naders van u dien te vernemen, eer ik u bij anderen recommandeer.quot;
âDaar zult gij gelijk aan hebben, Zuster!quot; zeide een stem achter ons. Wij wendden alle drie het hoofd om; â en mijn vader trad de geopende deur binnen. Hij was, gelijk ik naderhand vernam, naar de woning van Heynsz gegaan om met Amelia te spreken; doch, daar zij juist vertrokken was, haar op den voet gevolgd, en kort na haar de opene voordeur bij Tante ingetreden.
169
Geheel verschillend was de indruk, welke zijn plotselinge verschijning op ons maakte. Tantes gelaat helderde op: en het was te zien, dat de komst van haar broeder haar uit een machtige verlegenheid redde: Amelia zag hem aan zonder schrik, maar met verwondering en ongerustheid, en als vermoedde zij, dat het van dien man afhing hoe haar lot zoude beslist worden. Wat mijzelf betreft, ik was geheel uit het veld geslagen; want ik voorzag niet slechts nieuwe onaangenaamheden voor mij, en verkeerde uitleggingen van mijne tegenwoordigheid daar ter plaatse; maar ook beefde ik voor Amelia; en alleen de kennis, die ik van mijns vaders strikte eerlijkheid bezat, boezemde mij eenige hoop in.
Mijn vader zag eerst Amelia, en vervolgens mij met een navorschenden blik aan. Zij sloeg de oogen niet neder; maar rees op, en haar gelaat nam die uitdrukking van hoogmoed aan, welke haren vader zoo eigen was en die ik ook vroeger in haar had opgemerkt. Zij was blijkbaar geraakt over hetgeen zij als een onbeleefdheid beschouwde. Tante was de eerste, die het stilzwijgen brak: âGij komt juist bijtijds. Broeder !quot; zeide zij : âdeze is de Juffer, waarover ik u gesproken heb.quot;
âIk zie het,quot; zeide mijn vader: âjonge dochter!quot; vervolgde hij, zich tot Amelia wendende; âhet smart mij, in iemand van uwe jaren en voorkomen zooveel verstoktheid te vinden. Hoe hebt gij u kunnen verstouten, u in te dringen bij een eerbiedwaardige Juffer, terwijl gij bij u-zelve bewust moest zijn, dat uw ware plaats in het spinhuis is.quot;
âMijnheer!quot; riep Amelia, op een toon van hevige verontwaardiging, terwijl zij het hoofd ophield met een waardigheid, die een Koningin eer zoude hebben aangedaan: en toen, zich naar mij toekeerende: âwie is die man?quot; vroeg zij.
..Het is mijn vader!quot; fluisterde ik: âom Godswil....quot;
âWelnu!quot; ging zij voort: âzeg dan aan uwen vader, dat ik van zijnentwege een andere behandeling had verwacht. Zoo iemand zonder opvoeding, gelijk Heynsz, mij beleedigde, ik dacht niet, dat de Heer Huyck een dergelijke handelwijze zou navolgen.quot;
170
âIk zoude u aanraden, een toon lager te zingen,quot; hernam mijn vader: âik ben heusch jegens een met lompen bedekte vrouw, wanneer haar gedrag betamelijk is; maar ik zou ook aan een Vorstin mijn verachting toonen, wanneer zij handelde zooals gij.quot;
âVaarwel Mejuffrouw!quot; zeide Amelia, even met het hoofd buigende en zich willende verwijderen.
âBlijf!quot; zeide mijn vader, op dien toon van gezag, dien elk wie hem hoorde gedwongen was te eerbiedigen: âen wees liever dankbaar jegens mij, dat ik u niet door mijn dienaars voor mij op het Stadhuis heb laten brengen, maar hier ben gekomen om u te ondervragen: en bedenk, dat een rondborstige bekentenis u meer nut zal doen dan het aannemen eener ongepaste fierheid.quot;
Amelia bleef midden in het vertrek staan, de armen over elkander geslagen, de oogen vlammende van spijt en de lippen stijf gesloten; terwijl haar geheele houding aanduidde, dat zij alleen toegaf aan dwang, maar besloten had, geen antwoord op de tot haar gerichte vragen te geven.
âIk weet zelfs niet,quot; vervolgde mijn vader, eenigszins verwonderd over een dergelijke minachting van zijn gezag, waaraan hij weinig gewend was, ..of ik nog wel zooveel inschikkelijkheid jegens u betoond zoude hebben, indien het niet ware geweest om den wille van dien onrechtvaardige daar!' fhier wees hij op mij:) âik moet bekennen, hij heeft zijn afl'ecties wèl geplaatst.quot;
..Hoe!quot; riep Amelia uit, terwijl de uitdrukking van haar wezen opeens veranderde en zij mij met een blik van verwondering aanzag.
âIk versta vi niet,quot; vervolgde zij, mijn vader met angstvalligheid aanziende.
âGij verstaat mij niet?quot; vroeg mijn vader, zelf verwonderd over de plotselinge verandering in haar gelaat.
Ik achtte het oogenblik geschikt om er tusschen in te komen; âMejuffrouw kan u niet verstaan,quot; zeide ik: âwant er is hier geen quaestie hoegenaamd van affecties.quot;
171
âWacht tot men u het woord geeft, eer gij u in het gesprek mengt,quot; zeide mijn vader, met een gestrengen biik: âis uw samenkomst hier ook toevallig, evenals al het vroegere ? Gij hebt voor altijd mijn vertrouwen verbeurd.quot;
âVader!quot; zeide ik: âik verzeker u . . .
âVertrek!quot; zeide hij: âik wil niets meer hooren.quot;
Ik zuchtte en maakte mij gereed om aan dit bevel te gehoorzamen ; toen Amelia, die, gedurende deze woordenwisseling, ten prooi was geweest aan eene hevige gemoedsbeweging en beurtelings rood en bleek geworden was, zich tusschen mij en de deur in plaatste: âToef een oogenblik!quot; zeide zij: âIk weet niet,quot; vervolgde zij, tot mijn vader sprekende: âwaar ik van beschuldigd worde; maar slechts dit moet ik voor den alwetenden God betuigen, dat uw zoon zich de geringe kennis, die hij aan mij heeft, noch de diensten, welke hij mij bewees, behoeft te schamen: dat zijn handelwijze edel, mensch-lievend en onberispelijk was, en dat alleen vuige laster een valsche uitlegging aan zijn gedrag kan geven.quot;
Er lag zulk een toon van waarheid in de woorden, die zij gesproken had: het geluid van haar stem, thans ontdaan van die bitterheid, welke er te voren in lag, had iets zoo treffends en overtuigends: een zoodanige edelaardigheid was over haar wezen verspreid, dat mijn vader er van getroffen werd. Gewoon, om in de geheime plooien door te dringen, waarachter het bedrog zich verbergt, en het ware van het valsche te onderscheiden, twijfelde hij niet, of Amelia, al ware zij dan in zekere opzichten schuldig, was echter niet de vrouw, welke men had afgeschilderd. Hij dacht een oogenblik na, wenkte mij toe, dat ik blijven kon, en vroeg toen snel aan Amelia:
âHoe is uw naam?quot;
âAmelia,quot; antwoordde zij, haar vorige houding van behoed-zamen argwaan hernemende.
âUw familienaam?quot;
âVoor het oogenblik draag ik geen anderen naam dan Amelia.quot;
âEn uw vader dan? â Hij heeft zich Van Beveren doen noemen: maar dat is zijn naam niet: hoe heet hij?quot;
âHijzelf zal best in staat zijn u daarop te antwoorden.quot;
âGoed! Maar hij is hier niet. Waar bevindt hij zich thans?quot;
âIk heb mij altijd gewacht zijne gangen na te gaan,quot; antwoordde Amelia: âik laat zulks aan anderen over,quot; voegde zij er bij op een scherpen toon.
âGij schijnt dit onderwerp niet te willen behandelen,quot; zeide mijn vader: âen ik kan het in u niet misprijzen, dat gij uw vader niet verraden wilt. Maar gij zult niet aarzelen, hoop ik. mij te antwoorden betreffende hetgene u-zelve aangaat. Waar hebt gij mijn zoon leeren kennen?quot;
Amelia zag mij even zijdelings aan, en antwoordde toen op een bedaarden toon: âhij zal het u waarschijnlijk zelf verhaald hebben.quot;
Ik dacht één oogenblik, maar ook slechts één oogenblik, dat mijn vader het gewone hulpmiddel zoude bezigen om aan beschuldigden een confessie af te dwingen; namelijk: door hen te doen gelooven, dat hun medeplichtige reeds bekend heeft. Maar, hetzij dat hij te oprecht van harte was, om tot dergelijke listen zijn toevlucht te nemen, hetzij dat hij begreep er geen baat bij te zullen vinden, na de gevatheid, waarvan Amelia reeds blijken gegeven had, hij schudde het hoofd en zeide:
âJonge dochter! Ik moet u vaderlijk en met nadruk tevens herhalen, dat gij uw zaak slechts verergert door uw hardnekkigheid. Gij komt met mijn zoon, niemand weet van waar, in de Naarderschuit: gij verlaat hem te Amsterdam; doch ontvangt later herhaaldelijk bezoeken van hem: uw vader komt en verdwijnt weder van hier gelijk een schim, en draagt een naam, die blijkbaar valsch is. Er hebben ten uwent onbetamelijke tooneelen plaats: â moet dit niet geschikt zijn, om vermoedens tegen u op te wekken ?quot;
Van deze gansche toespraak had Amelia blijkbaar slechts één punt met opmerkzaamheid aangehoord, namelijk: dat ik haars vaders geheim had bewaard.
173
âO!quot; zeide zij: âMijnheer! uw zoon heeft edel, heeft braaf gehandeld! Hoe! Hij heeft zich aan verdenking blootgesteld! Hij heeft zich het misnoegen der zijnen op den hals gehaald! Hij heeft zich den laster prijsgesteld om onzentwille! Ach!quot; vervolgde zij, zich tot mij wendende: âbeschuldig mij niet van onedelmoedigheid, van ondankbaarheid, zoo ik in mijn zwijgen volharde en u niet zuivere van de blaam, die men op u. . .. en ook op mij geworpen heeft. Maar God weet het â ik mag niet spreken.quot;
âGij zult des Heeren naam niet ijdelyck misbruycken!quot; mompelde Tante Letje, het hoofd schuddende.
âEn nu. Mijnheer!quot; zeide Amelia tot mijn vader: âlaat mij naar de gevangenis, naar het spinhuis brengen: gij hebt er de macht toe en ik ben buiten staat u te weerstaan. Maar ik verklaar het u, ik heb geen kwaad bedreven; en het zal u eenmaal, als gij later van mijne onschuld overtuigd zult zijn. in de ziel grieven, dat gij mij hard en onrechtvaardig behandeld hebt. Ziedaar dan die Nederlanden, die gewesten, geheel de wereld door als de zetel der Burgervrijheid beroemd. Men vervolgt, men bespiedt, men vonnist zonder reden een onschuldig meisje, wier eenige misdaad is, dat zij haar ongelukkigen vader liefheeft en niet aan zijn vijanden verraden wil.quot;
âNeen Mejuffer!quot; zeide mijn vader op een zachten toon: ..zoo gij onschuldig zijt, hebt gij ook voor geen straf te schromen. Ik zal u geen vragen meer doen. Verre zij het van mij, een dochter te willen gebruiken tot werktuig om haar vader in de handen der Justitie te leveren. Maar zulke vreemde en geheimzinnige omstandigheden hechten zich aan uw verblijf alhier, dat ik u niet kan vergunnen, deze stad te verlaten, alvorens die zijn opgehelderd. Gij kunt zelve uw verblijf kiezen en zult daar tegen alle u onaangename bezoeken beveiligd worden. Het zal dus van uw vader zelf afhangen, den duur van dat verblijf te verlengen of te verkorten.quot;
Op dit oogenblik trad de dienstmaagd binnen en gaf mijn
174
vader een briefje, hetwelk een onbekende gebracht had, met last om het onmiddellijk aan Z.-Ed.-Gestr. te overhandigen. Hij las het: zijn gelaat teekende verwondering: hij zag Amelia oplettend aan en zeide toen op halfluiden toon:
âHoe is het mogelijk, dat ik niet vroeger op dat denkbeeld gekomen ben? Zij is haars vaders evenbeeld. Lees dit briefje, Ferdinand! Misschien zult gij, na de inzage daarvan, u onbezwaard vinden van te spreken.quot;
Ik las het briefje, dat van den volgenden inhoud was:
âWel-Edel-Gestrenge Heer! zooeven geeft kleine Simon mij de stellige verzekering, dat de Heer Van Beveren niemand anders is als de Graaf van Talavera, dien wij zochten. Te denken, dat die persoon zoolang bij mij aan huis gewoond heeft, zonder dat ik vermoeden op hem had! Hij moet echter in 't net loepen; want er zijn overal wakers uitgezet. â Ik verblijve met diepen eerbied
Uw Ed.-Gestr. Nederige Dienaar
HEYÃtSZ.quot;
âIk vermoedde dit,quot; zeide ik, hem het geschrift teruggevende: âmaar ook deze mededeeling verleent mij nog geene vrijheid, om u de aanleiding onzer kennismaking te verhalen. Eerst als hij of gevangen, öf in veiligheid is, zal ik mogen spreken.quot;
âZoo!quot; zeide mijn vader op een koelen toon: en toen zich omwendende, nam hij Amelia op een hoffelijke wijze bij de hand.
âZuster!quot; zeide hij tegen Tante Letje: âik stel u de Freule Van Lintz voor, de dochter van Keetje Reefzeil, die gij u herinneren zult.quot;
âMijnheer!quot; riep Amelia uit, verbleekende en mijn vader vol angst aanziende.
âVerschoon mij,quot; vervolgde mijn vader: âik had wellicht moeten zeggen: Donna Amelia De Talavera. â Het smart mij, dat ik gedwongen ben, uw vader, aan wiens groote ver-
175
diensten ik in vele opzichten hulde doe, te moeten vervolgen. Maar de plicht, dien ik jegens hem te vervullen heb, zal mij niet beletten, jegens u die menschlievendheid in acht te nemen, waarop uw ongeluk aanspraak heeft. Waarin kan ik u van dienst zijn? Gij hebt hier nog bloedverwanten van moeders zijde? Begeert gij dat ik u bij hen breng en u aan hunne bescherming vertrouwe ?quot;
âHelaas!quot; zeide Amelia: âwie hunner zou zich willen ontfermen over de rampzalige dochter des zwervers? â Neen! het is niet bij hen, die wellicht mijn vader haten of verachten, dat ik een toevlucht zoeken zal. Wijs mij een afgelegene, een veilige woonplaats aan, het zal slechts voor weinig tijd zijn .... aan geld ontbreekt het mij niet: â en ik zal u danken. Mijnheer! â maar niet bij bloedverwanten, die mij een genade zouden meenen te doen.quot;
âHoor!quot; zeide Tante Letje, terwijl zij Amelia bij de hand nam: âgij zult niet bij vreemden gaan, en ook niet bij Heynsz terugkeeren. Ik heb nog plaats in huis: blijf bij mij inwonen: âgy suit bevinden, dat mijne tente in vrede isgij kunt hier zoo stil leven als gij wilt en op uw eigen kamer blijven, waar gij zon noch maan behoeft te zien, als gij niet verkiest, ik zal het aan de meiden zeggen, dat zij niemand bij u laten, zonder hem aan te dienen.quot;
âBij u, mijn goede Jufirouw,quot; zeide Amelia, zich schreiende over Tante heenbuigende en haar omhelzende: â Ach! waaraan heb ik zooveel goedheid verdiend?quot;
âWel!quot; zeide Tante: âstaat er niet geschreven: âik was vreemdeling en gij hebt mij geherbergd?quot; Gij neemt dus aan, nietwaar ?quot;
âBij wie zou ik liever komen, dan bij u. Mejuffrouw!quot; hernam Amelia: âzijt gij de eenige niet, die u mijner hebt aangetrokken ?quot;
âDat is te zeggen,quot; zeide Tante: âdaar komt Neef de meeste eer van toe: heugt het u nog. Neef?quot;
âMaar neen!quot; zeide Amelia, zich opeens bezinnende: âneen! dat kan toch niet. In een onbedachte opwelling van
176
erkentenis vergat ik. dat uwe familie reeds onaangenaamheden genoeg om mijnentwille heeft gehad. Neen! â dat kan waarlijk niet.quot;
âEn waarom dat niet?quot; â vroeg Tante: âvan de familie zult gij geen last hebben, noch de familie van u; ik heb u immers gezegd, dat gij stil op uw kamer kunt blijven.
âIk eerbiedig de nauwgezetheid van de Freule,quot; zeide mijn vader: âen toch geloof ik. dat zij niet beter kan doen, dan uw voorstel aan te nemen. â De wereld zal daaruit kunnen opmaken, dat de nadeelige geruchten, die omtrent haar geloopen hebben en waaraan ikzelf geloof hechtte, logenachtig Zijni __ Voor 't overige zult gij. Freule! hier geheel vrij leven en niemand zal u kwellen met vragen of bezoeken.quot;
âNeen!quot; zeide Amelia: âook om uwentwille. Mijnheer Huyck I moet ik niet bij uwe zuster blijven. â Zouden de menschen. die altijd liefst genegen zijn het ergste te denken, u niet beschuldigen van te heulen met iemand, dien gij vervolgen moet, door aan zijne dochter huisvesting bij uwe naastbestaande te verleenen?quot;
âUwe bedenking is vol juistheid,quot; antwoordde mijn vader: âen zij doet mijn achting voor u rijzen; want na de wijze, waarop ik u behandeld heb, is het meer dan grootmoedig in u. bezorgdheid voor mijnen goeden naam te toonen. Maar in dit geval zal ik de lieden laten spreken en mij niet storen aan wat zij verhalen. Uw goede naam is van niet minder gewicht dan de mijne; en ik zie geen beter middel om dien te herstellen en alle zotte praatjes te doen zwijgen, dan door het aannemen van het voorstel mijner zuster.quot;
Ofschoon met moeite, gaf Amelia eindelijk toe, en Tante gaf terstond last, dat haar goed zoude gehaald worden; terwijl mijn vader een briefje aan Heynsz schreef, met machtiging om het te laten volgen. Daarna namen wij ons afscheid en lieten de beide dames alleen.
âZij bezit denzelfden onafhankelijken geest, die haar vader altijd gekenmerkt heeft,quot; zeide mijn vader, nadat wij een wijl zwijgend over de straat hadden geloopen: âik beklaag
haar; want, de Graaf moge zich nog een wijl aan onze nasporingen onttrekken; hij moet toch eindelijk in de val loopen: en wat zal dan haar lot zijn?quot;
âGij zijt niet meer ontevreden op mij, Vader!quot; zeide ik. hem bij de hand vattende.
âIk begin te begrijpen, dat gij in een mocielijk praedicament hebt gezeten; maar nog vat ik niet recht, waarom gij in uw zwijgen volharden blijft, nu alles toch ontdekt is.quot;
âVerschoon mij.quot; zeide ik: âmaar, zoo ik u zeide, hoe en waar ik met den Graaf heb kennis gemaakt, zoude UEd. dan ook niet weten, hoe en waar hem te vinden?quot;
âDaar is wat aan,quot; antwoordde mijn vader, lachende: âwelnu! ik zie uw nadere ophelderingen te gemoet. Het doet mij in allen gevalle genoegen, dat gij niet op dit meisje verliefd zijt.quot;
EEN-EX-DERTIGÃTE HOOFDSTUK,
WAARIN HET GEDRAG VAN MEJUFFROUW BLAEK TEX OPZICHTE VAN FERDINAND WORDT VERKLAARD EN DE VADER VAN AMELIA WEDER OP DE PROPPEN KOMT.
Na het middagmaal riep ik Suzanna ter zijde: âwel!quot; vroeg ik: âzijt gij iets te weten gekomen?quot;
âJa voorzeker! antwoordde zij: âik heb schoone dingen van u gehoord. Sinjeur! waarlijk, mijn vriendschap voor u heeft mij een zotte rol laten spelen.quot;
âNamelijk!quot;
â't Lijkt zeker wel goed om twee koorden aan zijn boog te hebben; maar in sommige gevallen is het noch voorzichtig, noch verstandig; en zooals Cats zegt:
âTwee op eenen tyt te vryen Siet men selden wel gedyen.quot;
II. - F. H. 10
ITS
âWat wilt gij zeggen? Kom toch ter hoofdzaak!quot;
..En vertel mij eens, Ferdinand! die mamsel, die gij van uw reizen hebt medegebracht, is zij een Hoogduitsche of een Italiaansche? Zij zingt zeker heel fraai? En wat kost haar toilet u wel in de maand?quot;
..Oho!quot; zeide ik; âik zie al, waar de knoop ligt. De laster is aan 't werk geweest en heeft waar en valsch zoo fijn dooreengeklutst, dat zelfs de Engelen aan het twijfelen zouden raken.quot;
âXu, antwoord dan!quot; zeide Suzanna: âik, die een onnoozele Amsterdamsche burgerdochter ben, heb geen verstand van die nieuwerwetsche Fransche beschaafdheid. Zeg mij toch, hoe zoudt gij, indien de oude Hoer Blaek uw aanzoek had aangenomen, het hebben aangelegd, om zonder fortuin twee huishoudens te verzorgen?quot;
âEn hebt gij ook al aan die dwaasheden geloofd?quot; vroeg ik.
âWelke gronden zou ik kunnen aanvoeren, om het tegen te spreken. â Wat deedt gij in dat huis?
Prince, qnelques raisons que vous me puissiez dire,
Votre devoir labas n'a point du vous conduire.
Maar het ergst van alles is, dat gij de onbeschaamdheid hebt gehad, dat schepsel met een vroom onschuldig mensch als Tante Letje in kennis te brengen: zoo die eens hoort, welk een lief persoontje zij aangehaald heeft, dan geef ik geen duit voor uw aandeel in de erfenis.quot;
âDat zal zulk een vaart niet loopen,quot; zeide ik glimlachende: âTante weet alles wat haar betreft en is best met haar tevreden.quot;
..Dan heeft zij plan om haar te bekeeren,quot; zeide Suzanna: âanders vat ik het niet. - Foei! dat gij zoo slecht zijt geworden! Het spijt mij, dat ik mij om uwentwille heb boos gemaakt op Henriëtte, die toch wel degelijk gelijk had, dat zij u schuins aanzag.quot;
âMaar wat heeft zij u dan gezegd?quot;
179
âIk weet haast niet, waarom ik mij de moeite geve van het u over te vertellen; want zij heeft mij niets gezegd dan hetgeen gij zeker zoogoed weet als iemand. Ja! ik heb moeite genoeg gehad, om haar de woorden uit de keel te halen: en toen zij eens sprak, had ik haaf wel willen doen zwijgen. Wel! zij heeft mij verteld, hoe gij bezoeken aflegt bij een jonge juffer, die bij Heynsz woont, en die gij van uw reis hebt medegebracht. â (Zij zou het zelve nooit geloofd hebben, indien zij u niet te Muiden gearmd met die Juffer had zien loopen:) en hoe gij haar daaromtrent met mooie praatjes gepaaid hadt: -â en hoe Lodewijk van de trappen gesmeten was en gij zijn knecht belet hadt hem bij te staan -en nog heel veel, te lang om te vertellen: zoodat ik met een mond vol tanden ben blijven zitten en de koets heb verlaten, zonder een woord ter uwer verdediging te hebben kunnen uitbrengen.quot;
âHet is gelijk ik dacht,quot; zeide ik: ânu! de tijd zal mij wel rechtvaardigen.''
âJa! maar intusschen gaat Lodewijk met haar strijken en dan helpt u uwe rechtvaardiging wat!quot;
âDat is ook waar!quot; zeide ik, nadenkend: âen het is gek genoeg! â quot;Want wat baat het, of ik haar slechts een gedeeltelijke opheldering geef, en of ik haar al vertelle, dat die Juffer, waarover zij zich bekommert, haar eigen nicht is, en zoo weinig een ergerlijk gedrag leidt, dat mijn godvreezende Tante zelve haar, met voorkennis mijns vaders, huisvesting verleent ?quot;
âWat vertel je daar?quot; vroeg Suzanna, ten toppunt van verbazing.
âDe loutere waarheid.quot;
âNu! dat gaat mijn begrip te boven: heb je nu niet alleen Tante, maar ook Papa zelf een rad voor de oogen weten te draaien ?quot;
âWaarlijk niet,quot; antwoordde ik: en ik gaf haar een kort verslag van de zaak, zooals die zich had toegedragen, alleen voor haar, gelijk voor mijn vader, de aanleiding mijner ken-
nismaking met den Heer Van Lintz verbergende, daar ik die niet kon openbaren zonder te spreken van zijn verblijf in de boerderij, die ik van gedachte was, dat hem wellicht nogmaals tot toevlucht verstrekken kon.
..quot;t Is een raar avontuur,quot; hervatte zij; â't lijkt wel een roman. Maar met dat al weet ik niet, of Henriëtte er wel volkomen door tevreden gesteld zoude worden. Al is die iuffer haar nicht en de dochter van een Graaf, daarom kon zij wel uw liefste zijn; 't is misschien een reden te meer om haar jaloezie op te wekken. Ferdinand â man! ik kan ii maar slechten troost geven. â Ik wilde gaarne het zesdubbele parelsnoer, dat ik van Grootje geërfd heb, tegen een streng breikatoen verruilen, dat gij u niet in die malle historie gemengd hadt, die ons niets dan verdriet veroorzaakt heeft. Papa heeft er al een week zoo zwart van gekeken als de Reus in 't Doolhof; Mama is er ziek van; mijn geheel humeur is er door bedorven; want wie heeft het hart om te schertsen met zielsbedroefde lieden; gijzelf hebt een gezicht van een el lang en Henriëtte zal misschien uit d espera tie met haar neef trouwen en haar leven lang ongelukkig zijn. â Ik wenschte dat die Heer Van Lintz of Van Talavera, zooals hij heeten mag, op den heeten rooster zat.quot;
..Dat juist niet,quot; zeide ik; âik ware dubbel tevreden, zoo hij maar Staatsminister in Spanje gebleven ware, zoodat ik nooit van den man gehoord had als uit de couranten. Gij hebt gelijk intusschen; maar het is niet genoeg te weten, hoe mal het er voor mij uitziet, wij dienen ook op een middel te peinzen, om de kwade gedachten weg te nemen, die men van mij heeft. Met Vader en Moeder zal dit wel schikken; gij hebt kunnen zien dat zij mij over tafel weder vriendelijk behandelden, als vanouds; â maar hoe of ik Henriëtte van mijn onschuld overtuig, weet ik waarachtig niet. Ik ben bij haar belasterd; en de laster is als de houtskool; verbrandt hij niet, hij maakt toch zwart. â Alleen spreken kan ik haar niet en zoo ik haar schrijf, ben ik niet zeker, dat mijn
181
brief in hare handen komt: â en al kon ik haar spreken of schrijven, hoe zal ik mijn gedrag kunnen rechtvaardigen, zoolang ik haar de drijfveeren mijner handelingen niet geheel kan blootleggen? â 't Is voorwaar om.... tureluursch te worden: ik weet niet waarom ik, die alles behalve singulier of excentriek verlang te schijnen, en nooit eenigen smaak in romans heb gehad, tot mijn beproeving in zulk een maalstroom van avonturen moet geslingerd worden, die zoo romanesk zijn en zoo verward door elkander woelen, dat ik er mij op 't laatst niet meer weet uit te helpen, en somtijds denk, dat alles maar een benauwde droom is, waaruit ik t'avond of morgen ontwaken zal.quot;
âJa! dat is alles heel onaangenaam,quot; zeide Suzanna: âmaar het baat niets of gij daar over redeneert en gij verspilt alzoo den kostelijken tijd althans tegen mij, die toch niet kan beoordeelen of het al dan niet uw schuld is, dat gij er zoo in zit. â Wat nu Henriëtte betreft, ik zou haar wel kunnen schrijven; â maar gij dient mij voor te zeggen, wat. â Of nog beter, schrijf gij haar: â⢠dan zal ik het adres op den brief zetten; anders loopt gij nog gevaar, dat hij u ongeopend terug wordt gezonden.quot;
âJa!quot; zeide ik: âgij hebt gelijk: schrijven moet ik: en waarom zoude ik er tegen opzien? Ik heb mij niets te verwijten en behoef slechts tijd te vragen om mij te verantwoorden. Men weigert dit aan een misdadiger voor de rechtbank niet: en waarom zou mij dit verzoek worden afgeslagen ? â Ik weet wat ik te schrijven heb.quot;
âZoudt gij niet eerst een kladje maken,quot; vroeg Suzanna: âeer gij Mama's beste papier gebruikt?quot; (zij zag, dat ik een voor mij staande portefeuille opnam) âen wil ik ook heen gaan ?quot;
âNeen Santje! blijf maar; â wanneer men een minnebrief te schrijven heeft, dan zal men dralen en peinzen en kladjes maken en vreezen nog, dat stijl en uitdrukking ongenoegzaam zullen zijn om de liefde te schetsen, die men gevoelt, en het hart der beminde te vermurwen; maar wanneer het er op
182
aankomt, zijn naam als eerlijk man te handhaven, dan behoeft men slechts ronde, onbewimpelde waarheid: dan heeft men geen fraaie keus van woorden, geen sieraden noodig. Geef mij dat papier: ik zal u laten lezen, wat ik geschreven heb.quot;
Ik plaatste mij aan de tafel en schreef den navolgenden brief, waar ik geen woord van veranderde:
âMejuffrouw! uwe meening was gegrond, en uw oom heeft mijn aanzoek om uwe hand afgeslagen. Het voegt mij niet de redenen zijner handelwijs te onderzoeken; maar zoo deze mij getroffen heeft, nog sterker trof mij hedenmorgen uwe koele houding te mijwaarts, welke ik, vergeef mij mijn openhartigheid, verre was van te verwachten, omdat ik weet, die niet te verdienen. Toen ik op Heizicht afscheid van u nam, streelde ik mij met de gedachte, dat UEd. mijn oprechte liefde niet hadt versmaad; deze gedachte maakte mijn hoogste geluk uit en deed mij ook het antwoord van den Heer Blaek met meer gelatenheid dragen; daar ik mij troostte met het denkbeeld, dat de tijd en mijn standvastige trouw eenmaal over zijne weigering zouden zegevieren, wanneer UEd. bij dezelfde gevoelens bleeft, welke UEd. omtrent mij koesterdet. Thans echter vind ik u geheel te mijnen opzichte veranderd: en wel, gelijk ik van mijn zuster verneem, ten gevolge van omtrent mij loopende geruchten, welke UEd. voor waarheid aanneemt. Uw oom zou het mij ten kwade duiden, indien ik tegen zijn wil u over mijn liefde onderhield; doch hij kan nimmer wraken, dat ik de pen opneme ter verdediging van mijn goeden naam. Ik mag vooralsnog, daar het mij niet vrijstaat, geheimen van derden te openbaren, u de aanleiding niet ontvouwen mijner kennismaking met zekere Juffer, met welke UEd. mij eens te Muiden gezien hebt: ik kan u alleen herhalen, dat mijne betrekking met haar geheel onschuldig is, en dat ik voor haar geen ander gevoel heb, dan achting voor haar zielshoedanigheden en medelijden met haar ongeluk. Die Juffer is thans, met voorkennis mijns vaders, bij mijn tante Huyck gehuisvest, die stellig geene lieden bij zich
183
zoude ontvangen, wier gedrag berispelijk was. â Wat verder â den laster betreft, dien men omtrent mij heeft geuit, ik weet, aan wien ik dien moet toeschrijven, en tevens, dat alleen de eer van uw naastbestaande te zijn, den lasteraar beveiligt voor de welverdiende straf, welke ik hem anders had toegedacht.
âNog eene vraag, Mejuffrouw! Zoo UEd. nog argwaan tegen mij mocht voeden, schort, bid ik u, slechts veertien -dagen lang uw oordeel op; als die verstreken zijn, houd ik mij overtuigd, dat het mij licht zal vallen, mij van alle blaam te zuiveren, en u te overtuigen, dat ik niet onwaardig ben mij te noemen enz.quot;
âEn denk je, dat dit stuk veel zal uitwerken?quot; vroeg Ãuzanna, toen ik haar den brief had laten lezen: ..mij dunkt, in hare plaats zoude ik niet bijzonder gesticht wezen met die achting en dat medelijden, die gij voor uwe protégé gevoelt. Dat is wel geen liefde; maar het grenst er toch machtig na aan.quot;
âAan u zou ik misschien anders schrijven,quot; zeide ik, lachende: âmaar Henriëtte zal, naar ik vertrouw, het op zijn waren prijs weten te stellen, dat ik de reputatie van een onschuldig meisje zoowel als de mijne verdedig. â Heeft zij mij lief, dan zal zij mij gelooven en nadere ophelderingen afwachten: doet zij dit niet, dan is het ook een teeken, dat zij mij niet bemint; â en dan zal ik haar miskenning met meerdere gelatenheid dragen.quot;
Suzanna nam nu de verzending van den brief op zich, en ik begaf mij naar het kantoor.
In de dagen, welke er tusschen dit gesprek en den jaardag mijner moeder verliepen, viel niet veel voor, dat des lezers belangstelling waardig is. Van drie omstandigheden echter moet ik melding maken: de eerste was, dat de Kapitein Pulver uitzeilde en mij door zijn vertrek wat meer ruimen tijd liet: de tweede, dat Heynsz, wiens betrekking tot de Justitie nu door het babbelen van Helding spoedig algemeen bekend was geworden, en die alzoo niet langer in 't geheim van dienst
1S4
kon zijn, een openbare bediening verkreeg. Een der Onderschouten was kort te voren gepensionneerd geworden en Heynsz werd benoemd om dien post voorloopig te vervullen, met toezegging, dat hem een dadelijke aanstelling geworden zoude, zoodra het hem gelukt zoude zijn den zich nog altijd schuilhoudenden Graaf Aran Talavera aan de Justitie over te leveren. Eindelijk, ten derde, Suzanna ontving een briefje van haar vriendin, waarin deze, in zeer korte bewoordingen, te kennen gaf, dat zij mijn brief ontvangen had, en wel gelooven wilde, dat men mijn gedrag in een ongunstiger licht stelde dan het verdiende; doch dat, wetende hoezeer haar oom, wien zij alles verschuldigd was, tegen onze nadere kennismaking was, plichtmatig begreep te moeten handelen door mij te doen verzoeken, alle verdere moeite ten haren opzichte te staken en mij mijn woord teruggaf. Deze harde taal sloeg mij geheel ter neder; maar ik begreep, dat er voor 't oogenblik niets tegen te doen was: en dat ik moest afwachten of wellicht de tijd in de gezindheid van den Heer Blaek, om mij zijn nicht te ontzeggen, of in hare gezindheid om zijn wil op te volgen, eenige verandering teweeg mocht brengen.
Een dag vroeger dan dien, waarop het verjaarfeest te Heizicht zou gevierd worden, vertrok ik derwaarts, ten einde mijn Tante Van Bempden, op haar verzoek, in het maken van eenige voorloopige schikkingen behulpzaam te zijn. â Ik vond Tante in blakenden welstand, en, als naar gewoonte, het zeer volhandig hebbende. Nauwelijks gunde zij zich den tijd mij welkom te heeten, maar liep het huis op en neder en in en uit, en riep, nu de keukenmeid, om nog eenige veranderingen in de ordonnantie van het maal te maken: dan weder de linnenmeid, om met haar de benoodigde tafellakens en servetten te krijgen en af te tellen: dan de kamenier, om haar do bloemen te helpen schikken, die hijgende tuinknechts rusteloos in potten en manden aanbrachten: dan weder de werkmeid, om de stoeptrappen nog eens over te doen, die de tuinknechts met hun beslikte schoenen hadden vuilgemaakt. En dan liep zij weder naar den moestuin om den tuinman
185
te zoeken, en hem nog eenige bevelen te geven of te vernieuwen : er moest nog hulst wezen voor guirlanden. en nog spergetakken voor de vazen, en nog ijs uit den ijskelder: en er moesten paden geschoffeld, waar het gezelschap door wandelen zou: en het plein moest opgeharkt worden: en de haag van de groote allée gesnoeid, en het water van den achthoekigen vijver schoongemaakt: â en dan ging zij naar den stal en onderzocht of de leidsels wel wit en de paarden wel gerost en het koper en zilver der tuigen wel glanzend waren: en of er niets aan de rijtuigen haperde, en of de zadelmaker de kussens der zittingen nieuw opgevuld en de nieuwe zweepen had gezonden: en of het galon om de hoeden der koetsiers en der palfreniers was vernieuwd: â en dan werd zij weder binnengeroepen om een twist te beslechten tusschen haar tegenwoordigen knecht en haren vroegeren, die getrouwd, maar voor dit feest overgekomen was om zijn hulp te ver-leenen: en waarvan de eene beweerde, dat het oude olie- en azijnstel met de drakenkoppen, en de andere, dat het nieuwe met de laurierbladen moest gebruikt worden: en dan was het weer wat anders, dat haar tegenwoordigheid vereischte.
..Wel Xeef!quot; zeide zij, toen zij eindelijk een weinig dooide drukte heen was, of liever, toen het koffie-uur der booien en de schofttijd der werklieden een parenthesis in de beslommeringen van den dag daarstelden: âhet verheugt mij dat gij komt. Mijn hoofd loopt om: en ik weet niet hoe ik met alles nog klaarkomen zal. Wat hebben wij een weer gehad in den verloopen nacht. Ik heb geen oog toegedaan en dacht, dat het heele huis omwoei. Het is dan vrij buiig en onstuimig van ?t jaar: gelukkig, dat het nu wat bedaard is, anders zou de partij geheel mislukken; want uw ouders komen zoo zelden buiten, dat, als zij mij eens de eer aandoen van op Heizicht te verschijnen, het ook niet is om den geheelen dag in huis te zitten.quot;
âJa lieve Tante!'' zeide ik: âhet heeft boos gewaaid: het ziet er erg genoeg uit voor Pulver, die pas is uitgezeild: en hij kon wel een geduchte averij krijgen.quot;
ISÃ
âSpreek daar niet van,quot; hernam Tante: âgij zoudt mij al het genoegen, dat mij dit feest belooft, gansch en gaar bederven: â niet, dat ik over de schade zoozeer treuren zoude; maar te denken, dat wij hier warm en wel zitten en ons vermaken, terwijl die arme zeelieden, die hun leven wagen om ons schatten te bezorgen, met stormen en golven kampen! Sedert dien akeligen tocht met Blaek heb ik een dubbel medelijden met die arme zielen. â Maar met dat al moeten wij onzen tijd niet verwaarloozen. Gij kunt, als gij eerst koffie met mij gedronken hebt, mij een groot genoegen doen; zoo het namelijk niet te veel van u gevergd is.quot;
âIk kom hier om u behulpzaam te zijn,quot; zeide ik: âen het spreekt dus vanzelf dat UEd. vrijelijk over mij kunt beschikken.quot;
âBest!quot; zeide zij: âWelnu: mijn plan was, het gezelschap hier te ontvangen en dan terstond met ons allen naar de hoeve bij de oude Martha te rijden, aldaar een collation te gebruiken en voorts hier terug te komen om te eten.quot;
âZiedaar een zeer goed plan,quot; zeide ik: âen dat gehos heen en weder over de heide zal het best geschikt zijn om aan het gezelschap een goede digestie van het ontbijt en een vernieuwden appetijt voor het middagmaal te geven.quot;
âJuist! nu wenschte ik wel, dat gij eens naar de hoeve reedt en een oog liet gaan over de daar gemaakte toebereidselen : want de timmerman, die het bezorgen zoude, is een wijsneus, die alles zeker naar zijn kop en niet naar mijne verkiezing zal willen doen.quot;
âNaar de hoeve!quot; herhaalde ik, met een gevoel van onaangename teleurstelling.
âJa Neef!quot; hervatte zij, zonder zulks te bemerken: âgij kunt het bruine sjeespaard nemen: dat is a deux mains; ik zou u wel laten brengen; maar ik kan niemand missen. Gij zijt toch niet bang voor struikroovers? Het is tegenwoordig hier volkomen veilig, heeft de Schout mij verzekerd: en bovendien,quot; voegde zij er schertsende bij: âde Kapitein van de bende is immers een intieme van u ? â Het verwondert mij nog, dat die vent niets uit de zijkamer heeft medegenomen.
187
toen hij u dat bezoek kwam geven, dat gij mij nooit geheel hebt opgehelderd.quot;
âEn wat moet ik aan de hoeve verrichten?quot; vroeg ik. om Tante maar spoedig van het onderwerp, dat zij aanroerde, af te brengen.
âO! heel wat. Ik heb het alles opgeschreven, vooreerst opdat ik, en ten tweede opdat gij het niet vergeten zoudt. Ziehier de lijst. Ik hoop dat er niets aan ontbreken zal. -Maar zeg mij toch even. wat is dat voor een geschiedenis met dat Juffertje, dat Tante Letje bij zich aan huis heeft genomen? Is dat werkelijk een Freule Van Lintz?quot;
..O Tante-lief!quot; antwoordde ik: ..dat is een geschiedenis, veel te lang om u thans te verhalen: vraag mij daar eens over, als wij geheel op ons gemak zijn.quot;
âOok al goed! dan zal ik geduld hebben. â Maar Fer-dinand-lief! wat hebt gij u gehaast met die vrijerij met Jetje Blaek. Ik had u immers ook gezegd, dat daar nooit iets van zou komen. â Hadt gij mijn raad maar gevolgd en haar intijds uit uw zinnen gezet, dan hadt gij u die onaangename teleurstelling bespaard. Het spijt mij wel van achteren, dat ik u te zamen in kennis gebracht heb.quot;
..Ik herinner mij niets van uwe waarschuwingen. Tante-lief!quot;
..Niet! weet gij ons gesprek niet meer op het strand, eer wij Lodewijk Blaek ontmoetten? Toen zeide ik immers reeds: zet dat uit uwe gedachten. Maar goeden raad vergeet men gauw.quot;
Nu herinnerde ik mij dit gesprek zeer wel; ofschoon ik die enkele woorden, bij die gelegenheid aan Tante ontvallen, niet zwaar geteld had; dewijl zij geene redenen ter wereld had aangevoerd, om aan haar advies eenige klem bij te zetten. Ik vond echter beter, ook dit punt te laten rusten, en na een haastig ontbijt gebruikt te hebben, spoedde ik mij naar stal, zadelde den bruin en draafde de heide over en den weg op naar de mij te welbekende boerderij.
Ik vond ook daar geene geringe drukte. Overeenkomstig de bevelen van Tante was men er bezig met latten te slaan,
1S8
die van boom tot boom liepen en waarover zeildoek gespannen moest worden om een tent te vormen, in welke het gezelschap den volgenden dag zou onthaald worden en tegen de ongestadige luimen van het najaarsweer beveiligd zijn. Xa aan den opzichter over dit werk den wil van Tante, gelijk ik dien op de medegebrachte lijst vond uitgedrukt, nogmaals herhaald, en mij overtuigd te hebben, dat de man haar bedoelingen volkomen begrepen had en geheel niet van plan was om, gelijk zij vreesde, alleen zijn eigen hoofd te volgen, zag ik het tweede artikel na, dat ik te volbrengen had. Het luidde, dat ik aan de oude Martha moest vragen, of de stal genoeg opgeruimd was om al de paarden in te bergen, die er den volgenden dag zouden komen. Ik riep de oude vrouw dus, die al dadelijk met een bedremmeld gelaat naar mij toe kwam geloopen, en mij blijkbaar onthutst vroeg wat er van mijn dienst was.
,.0!quot; zeide zij, zoo ras zij verstaan had. wat ik van haar verlangde: âdaar kan Mevrouw gerust op wezen: de stal is kant en klaar: en ik heb schelen Thijs en Peer Govertz al besproken om een handje te kommen helpen, want nou men zeun weg is en weg blijft, zit ik, och arm! allienig voor het werk. â Heit Meneer nog wat te belasten?quot;
âWacht!quot; zeide ik, mijn lijst bij de hand nemende: ânummer drie: zien of de tafels en de banken gekomen zijn. â Ja! die staan ginder reeds; â nummer vier: vragen aan Martha, wie haar helpen zal, koeken te bakken? â Ja wie zal dat doen?quot;
âO! heere men tijd! maakt Mevrouw zich daar ook al verlegen om ? Wel! dat zou ik allienig wel of kennen, al kwam jelui met je vijftigen. Maar daar is rooie Els van Crailo en 'er zuster, die hebben men al beloofd, als dat ze kommen zeilen. O! an hulp zei het niet ontbreken, er zei volks 'enoeg wezen. Als er zoo wat rijkdom bij mekaar is, hoeft men nooit om menschen verlegen te zijn. â En kostelijke koeken zei ik bakken, dat beloof ik je.quot;
âDat behoeft gij mij niet te verzekeren,quot; zeide ik, lachende:
189
.,ik heb die immers al eens bij u geproefd en weet hoe ze smaken.quot;
.,'t Is waar ook,quot; zeide zij met een bezorgd gelaat; âMeneer heit men toch niet verklapt, hoop ik?quot;
âWees niet bang,quot; â zeide ik; âmits het maar niet weder gebenre. â Nummer vijf; nazien hoeveel stoelen er op de boerderij zij n, en of die nog bruikbaar z ij n. â Dat zullen wij eens gauw gaan kijken,quot; zeide ik, naar de woning snellende, terwijl ik in mijzelf lachte om de tot in alle kleinigheden afdalende voorzorgen van Tante. Nauwelijks was ik echter in de keuken, of Martha kwam mij, met zooveel snelheid als haar oude beenen het haar vergunden, achterop geloopen;
âWat wil Meneer?quot; vroeg zij: en zij sloeg onwillekeurig een angstigen blik naar het trapje, dat naar het opkamertje leidde.
âJuist!quot; zeide ik, haar blik volgende; âdaar boven moet ik wezen. Ik meen, dat daar stoelen staan.quot;
âOm Gods wille: Meneer! maak mij niet ongelukkig!quot; zeide zij, met een gesmoorde stem en de handen wringende: âhij is weer hier.quot;
âWat!quot; mompelde ik; âis hij dan dwaas?quot; â En. schier onwillekeurig, maar toch met behoedzaamheid, besteeg ik het trapje en zag door het sleutelgat naar binnen, waar ik niet slechts Van Lintz, maar nevens hem den ouden Heer Blaek herkende.
âIk weet er waarachtig geen ander middel op om u hier ongemerkt vandaan te krijgen,quot; zeide de laatstgenoemde.
âWij zullen er dan toe moeten besluiten,quot; zeide Van Lintz; âin de hoop, dat men mij voor dien tijd niet gevangenneemt.quot;
âEn gij belooft mij,quot; hernam de lieer Blaek, âdat, ook al mocht dit gebeuren, gij .... die .... de zaak.... niet zult uitbrengen.quot;
âEn waarom zou ik dat? Gij zegt immers, dat uw zoon en uw nicht elkaar beminnen.quot;
Ik had mijn hoofd reeds terug willen trekken; want ik schaamde mij den luistervink te spelen; maar deze laatste
190
vraag prikkelde mijn nieuwsgierigheid te zeer, dan dat ik den trek kon weerstaan om het antwoord af te wachten.
âZij beminnen elkaar____zij zullen een paar worden,quot; zeide
de Heer Blaek: âgij zijt aan niets verbonden, zoo ik u bedrieg. Ik verzeker het u. Vernietig toch dat.... dat noodlottige stuk. â Het kon in vreemde handen komen____ geef
het mij liever .... ik zal. . . .quot;
âNeen! dat niet. Jacobus Blaek!quot; zeide Van Lintz, met een spotachtigen lach: âals ik in veiligheid ben â en niet eer â zult gij het bekomen â en het zelf kunnen verbranden. Ik weet, waaraan ik de hulp, die gij mij bewijzen zult, dank moet weten â en ken mijn voordeel te goed om er afstand van te doen, nu het mij dienen kan.quot;
âAch!quot; hernam Blaek: âgij zult er geen misbruik van maken: gij zult mij niet met schande ten grave doen dalen. Ik help u immers zooveel in mijn vermogen is ... . ik heb zelfs meer gedaan dan ik u beloofd had: ik heb naar Den Haag geschreven.... al mijn invloed zal ik aanwenden om de vervolgingen te doen staken.... om onzer oude vriendschaps wille, maak mij niet ongelukkig.quot;
âGij hebt mijn woord,quot; zeide Van Lintz; âen dat moet u genoeg wezen: morgen zal ik u verwachten. Tracht nu ongemerkt van hier te komen en de plaats te bereiken, waar uw rijtuig u wacht. Ik zal Martha bellen om te hooren of de uittocht veilig is.quot;
Xa het uiten dezer woorden verhief hij zijne stem om Martha te roepen: ik aarzelde een oogenblik; doch bedenkende, dat Van Lintz toch van haar zoude vernemen, dat ik er geweest was, besloot ik, zelf binnen te gaan, wenkte der oude vrouw, die bevende achter mij stond, toe, dat zij wel terug kon blijven, en opende de deur.
âDe Heer Huyck!quot; riepen beiden, de een op een toon van verwondering, de andere met een uitdrukking van schrik.
âVergeeft mij. Mijne Heeren!quot; zeide ik, glimlachende: âzoo ik uw bijeenkomst stoor. Maar ik ben hier door Mevrouw Van Bempden gezonden om eenige toebereidselen te maken
191
voor het feest van morgen, en ik had ook in dit vertrekje iets te doen; â weinig dacht ik, dat het bewoond was.quot;
âIk beken,quot; zeide Van Lintz, âdat ik mijn tijd slecht gekozen heb.quot;
âZoo de Heer Blaek,quot; vervolgde ik, dezen aanziende, die vast beefde, âzich wenscht te verwijderen, zonder dat het opzien bare, zal ik hem gaarne een eindweegs vergezellen.quot;
âUEd. is al te goed. Mijnheer Huyck,quot; zeide Blaek, stotterende : âik neem uw vriendelijk aanbod dankbaar aan.quot;
âIk hoop u nog te zien als gij terugkomt,quot; zeide Van Lintz, mij met zijn doordringende oogen aanstarende.
Ik boog en verliet het vertrek. De Heer Blaek volgde mij, en beiden traden wij de achterdeur uit, den tuin door, waar zich niemand bevond, en het boschpad op. Ik bemerkte, dat mijn tochtgenoot moeite had om voort te wandelen, zoozeer was hij van zijn stuk, en bood hem dienvolgens mijn arm aan, in mijzelven lachende om het zonderlinge spel des nood-lots, dat mij tot den geleider maakte van iemand, die aan mijn vurigste wenschen den bodem had willen inslaan.
Gaarne had ik hem nadere uitlegging gevraagd van de woorden, die mij het toeval had doen hooren; maar de zaak was van een te teederen aard, dan dat ik die snaar dorst aanroeren, zonder daartoe een voegzame aanleiding te hebben. Ik bemerkte, dat hij van zijn kant iets op het hart had, maar niet wist, hoe het gesprek aan te vangen. Ettelijke reizen opende hij den mond als om mij een vraag te doen: maar de woorden bleven hem in de keel steken. Eindelijk scheen hij moed te vatten: en na een zwaren zucht, bracht hij met een flauwe stem en nedergeslagen oogen het navolgende uit:
âIk kan niet van mijn verwondering terugkomen, dat ik den Heer Huyck, den zoon van den Heer Hoofdofficier.... in betrekking zie met iemand, die .... die ... .quot; hier scheen hij naar zijn woorden te zoeken.
âOnze verwondering is wederkeerig. Mijnheer!quot; zeide ik met een glimlach.
192
âO!quot; zeide hij, mij zijdelings aanziende, alsof hij op mijn gelaat wilde uitvorschen of ik geloof hechtte aan zijne woorden: âmet mij is het een geheel ander geval. Ik heb----hem
vroeger gekend.... en zaken met hem uitstaande gehad.quot;
âMijne kennis aan hem is niet van een oude dagteekening,quot; zeide ik: âhij kan echter gerust zijn wat mij betreft: ik zal hem niet verraden.... en ook niet ongevraagd van uw bezoek spreken, indien UEd. dit eenige gerustheid kan verschatten.quot;
âNeen! dat is ook beter,quot; zeide hij, blijkbaar opgeruimd door mijne betuiging: âik heb deze démarche om bestwil moeten doen. â Ik blijf UEd. intusschen zeer verplicht: -het doet mij recht leed, dat ik mij in de noodzakelijkheid gezien heb .... het vereerend aanzoek van Mijnheer.... af te slaan.... maar.... het geluk mijner nicht.... UEd. gevoelt. ...quot;
âUEd. zal niet vergen,quot; onderbrak ik hem, âdat ik juist de man zal zijn, die gevoelen moet, dat uw nicht met een ander gelukkiger zal zijn dan met mij.quot;
âGeenszins,quot; hervatte hij : âik bedoelde maar.... ziet UEd.... ik kan mij vooralsnog moeielijk over dit onderwerp uitlaten. -Over een paar jaren, als zij mondig zijn zal, en dan nog vrij is, zal ik zeer gaarne uw voorspraak bij haar zijn; maar vooralsnog . ..
âIk wil u niet verbergen,quot; zeide ik, âdat ik zooeven in het opkamertje hoorende spreken, een oogenblik aan de deur heb geluisterd en UEd. bij die gelegenheid heb hooren zinspelen op een huwelijk tusschen uw zoon en uw nicht.quot;
âGij hebt ons beluisterd!quot; zeide hij, sidderende en bleek van toorn zoowel als van angst: âdat was zeer verkeerd van u. Mijnheer! ofschoon,quot; voegde hij er bij, waarschijnlijk bedenkende dat ik meer kon gehoord hebben dan hem lief was, en dat hij mij dus te vriend moest houden: âik kan het u niet kwalijk nemen; want UEd. hadt recht een weinig verwonderd te zijn van ons daar te vinden. Xu ja! 't Is waar! Ik wilde u zulks zooeven niet zeggen, om u niet te bedroeven.
193
Dat huwelijk is altijd mijn vurigste vrensch geweest: en het zal, vleie ik mij, weldra voortgaan.quot;
âOnmogelijk!quot; riep ik uit, geheel ternedergeslagen door deze mededeeling.
.,'tls stellig waar: de jonge lieden beminnen elkander: en ik verlang niets zoozeer als hun beider geluk. Geloof mij. mijn waarde Heer Huyck! stel die neiging uit uw hoofd. Er zijn genoeg schoone meisjes in onze Nederlanden, en die beter door de fortuin bedeeld zijn dan mijn nicht. â Maar ik bid u, doe geen verdere moeite: ik zal nu zelf mijn weg wel vinden.quot;
Wij waren op dit oogenblik het hakhout uit en aan een binnenweg gekomen, waar ik op eenigen afstand het rijtuig van den Heer Blaek zag staan: en, zelf oordeelende dat hij mijn geleide niet verder noodig had, keerde ik, na weder-zijdsche groete, langs den weg terug dien ik gekomen was.
âGij ziet,quot; zeide Van Lintz, toen ik bij hem in het opkamertje was teruggekeerd, âdat ik, bij gebrek aan een betere, mijn oude schuilplaats weder heb moeten opzoeken.quot;
âIk zie het,quot; antwoordde ik, het hoofd schuddende: âmaar ik vrees, dat zij niet lang meer veilig zijn zal. Gij behoeft het hoofd aan de andere zijde slechts buiten te steken, om u te overtuigen dat het hier geen eenzame plaats meer is: â¢en morgen komen hier nog meer gasten.quot;
âIk zal hunne komst niet afwachten,quot; zeide Van Lintz.
âEn hoopt gij waarlijk ongemerkt te ontkomen?quot; vroeg ik: âHeynsz heeft ongetwijfeld uw gangen laten nagaan: en zoo hij u niet eerder heeft doen vasthouden, is het, omdat hem nog onbekend was, dat de Heer Van Beveren en de Graaf Van ïalavera één persoon waren; maar thans weet hij dit: en ik twijfel er niet aan, of hij zal zijn onbedachtzaamheid hersteld hebben en geene middelen verwaarloozen om u niet weder te laten ontsnappen.quot;
âIk weet het,quot; hernam hij somber: âik speel een schaakpartij met tien kansen tegen ééne, dat ik mat gezet worde; en toch, zoolang mijn Koning nog één vak open vindt, zal ik
II. - F. H. 13
19-4
het spel niet gewonnen geven. Zoo echter mijn vervolgers niet voor morgen hier zijn. loopen zij groote kans van het nest ledig te vinden: â en dan tart ik hunne nasporingen.quot;
âGij verlaat dus dit land ?quot;
..Voor altijd, zoo ik hoop. Ik heb er waarlijk geen genoegzame verplichtingen aan om het te betreuren.quot;
..En uw dochter?quot;
âZij zal.... mij volgen, hoop ik,quot; antwoordde hij zuchtende.
âWeet gij, waar zij zich tegenwoordig ophoudt?quot;
âIk weet dit; en, wanneer gij liet eenmaal oorbaar vinden zult, dank dan uw waardige tante uit mijnen naam voor hetgeen zij aan een ongelukkige, verlatene wees heeft gedaan. -Wat u betreft. Mijnheer Huyck! ik ben u ook grooten dank verschuldigd, want ik weet het, mijn verblijf, en dat mijner dochter vooral is u de bron geweest van vele onaangenaamheden. Ik wenschte ook eenmaal iets voor u te kunnen doen.quot;
Ik zweeg eenige oogenblikken. Ik had hem willen vragen, welk groot belang hij toch stelde in het huwelijk van Hen-riëtte met haar neef, welke laatste hem toch geene redenen had gegeven om zijne partij te nemen; maar een gevoel van bescheidenheid weerhield mij. Ik begreep dat er onder dit alles een geheimenis school, waar Henriëtte in gemoeid was, maar tevens dat ik daarmee niets te maken had. Terwijl ik aldus stond te peinzen, hielp Van Lintz zelf mij op den weg:
âGij hebt ongetwijfeld zooeven het een en ander van ons gesprek gehoord?quot;
..Dat heb ik,quot; antwoordde ik: âik beken het tot mijn schande; maar ik was zoo verbaasd van u te zien; dat. . . .quot;
âGij behoeft u niet te verschoonen: vromer lieden dan gij zijt zouden de verzoeking niet weerstaan hebben. En wat hebt gij vernomen?quot;
âNiet veel,quot; antwoordde ik: âhet was mij omtrent, of gij Chaldeeuwsch spraakt, zoo geheimzinnig waren uw woorden.quot;
âNiet veel, maar toch wat, nietwaar?quot;
Ik was op het punt van hem mijn verwondering te kennen
195
te geven over hetgene Blaek hem verteld had nopens de wederzijdsche liefde van Lodewijk en Henrietta; maar eene bedenking wederhield mij. Zooveel had ik uit het gesprek opgemaakt, dat daarvan het stilzwijgen scheen te zullen afhangen van Van Lintz omtrent iets, hetwelk Blaek bedreven had en dat het licht niet zien mocht: en met dat stilzwijgen moest weder de hulp gekocht worden, die Blaek hem bewees. Ik achtte dus mijzelven ongeroepen, mijne meening omtrent die voorgewende inclinatie der jonge lieden te uiten en daardoor de bedoelingen van Blaek bij Van Lintz verdacht te maken, en misschien aanleiding te geven tot een twist, die voor beiden noodlottig zijn konde. Dit stilzwijgen van mijne zijde, hoewel het uit een edelmoedige oorzaak voortsproot (want ik behoefde noch Blaek noch zijn zoon te ontzien), was echter in het vervolg de middellijke oorzaak van het verlies van twee menschenlevens.
âIk herhaal u,quot; zeide ik, ..dat ik niets van ulieder gesprek heb begrepen. Alleen heeft het mij verwonderd, den anders vrij hooghartigen Heer Blaek zoo beangst te zien.quot;
âMetwaar?quot; vroeg Van Lintz: ...Ia voorwaar! het moet al een vreemd schouwspel zijn geweest voor een derde, den rijken Heer van Guldenhof, den trotschen Amsterdamschen koopman, wiens woord meer gewicht heeft dan de manifesten van een half dozijn Duitsche Mogendheden, te zien blozen en sidderen voor den blik van een armen zwerver, die reeds in zes of zeven Staten ter dood veroordeeld is, wien de spoorhonden der Justitie nazitten, of hij een huisbreker ware, en die nauwelijks een plek kan vinden, waar hij het hoofd ter ruste kan leggen. Maar hij weet het, de rijke man, dat ik slechts één woord heb te spreken om hem ellendiger te maken dan de arme zwerver ooit worden kan. â Genoeg hiervan: het is niet mijne hand, die zonder noodzaak het gordijn zal opentrekken, wanneer alles tot nog toe samenge-loopen heeft om het dichtgeschoven te houden. Daarom, mijn jonge vriend! vergeet wat gij gezien â en ook wat gij mocht gehoord hebben.quot;
19(3
âIk wilde, dat ik alles kon vergeten, wat mij in de laatste weken gebeurd is,quot; zeide ik zuchtende; âmaar het wordt laat: ik moet vertrekken, mijne tegenwoordigheid alhier zoude tot vermoedens kunnen aanleiding geven: . . . . vertoon u toch niet buiten â en hou zelfs, zoo ik u raad schuldig ben, u ver van het raam: er kon zoo licht een oog van uit dien tuin naar binnen dringen. â Wat zeide ik u?quot;
Beiden hadden wij gelijktijdig in den tuin gekeken: en beiden hadden wij de gluipende oogjes van Simon den marskramer op ons gevestigd gezien van achter de heining, waar hij tegen leunde. Wij traden terug en zagen eikanderen aan. Toen ik nogmaals aan ?t raam kwam, was hij verdwenen.
âGij behoeft er niet meer aan te twijfelen,quot; zeide ik: âmorgen, wellicht dezen avond nog is het huis omringd.quot;
âIk heb hem herkend,quot; zeide Van Lintz: âhet is dezelfde Jood. die mij vroeger te Utrecht achtervolgd heeft en wien ik toen verschalkt heb. Welnu! waarom zoude het mij thans niet weer gelukken? â Dan ik ben wars van nieuwe listen in 't werk te stellen. Ware het niet om mijn dochter, ik had mij reeds overgeleverd aan hen, die mij zoeken.quot;
âIk kan u,quot; zeide ik, âbij ons afscheid dan niets beters toewenschen, dan dat ik u morgen hier niet meer vinden moge.quot;
âHet zal zijn, gelijk het noodlot over mij beschikt heeft,quot; antwoordde hij, de schouders ophalende, en mij hartelijk de hand schuddende, knikte hij mij een vriendelijk vaarwel toe, zonder er een woord meer bij te voegen. Waarschijnlijk begreep of voorzag hij, dat wij ook thans niet voor het laatst zouden afscheid nemen. Ik beantwoordde zijn handdruk, en, de woning daarop verlatende, zette ik mij weder te paard en draafde met dubbelen spoed naar Heizicht terug.
197
TWEE-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK,
WAARIN OVERTUIGEND BEWEZEN WORDT, DAT DE BEHENDIGSTE VOGELAAR OOK WEL EENS VOGELS LAAT ONTSNAPPEN.
De gasten, die Tante Van Bempden verwachtte, waren den volgenden morgen op hun tijd aanwezig: het waren, behalve mijn ouders met al hun kroost, Tante Letje en een half dozijn neven en nichten uit de stad, waarvan het onnoodig zou zijn hier de afbeeldingen te geven, daar zij op alle mogelijke neven en nichten geleken. De Heer Blaek (wiens nicht mede genoodigd was, maar zich wegens onpasselijkheid had laten verschoonen), Lodewijk Blaek, Van Baaien en eenige andere bijzondere vrienden van Tante, zoo uit de stad als uit de nabuurschap, zouden onmiddellijk aan de hoeve komen, zonder alvorens Heizicht aan te doen. Na de gewone plichtplegingen en gelukwenschingen, welke de lezer zich best zal kunnen voorstellen, kwamen de noodige rijtuigen voor. Aan elk werd volgens de voorafgemaakte regeling onzer gastvrouw, zijn plaats aangewezen, en zoo begaven wij ons te gader naar de hoeve, waar wij, onder begunstiging van een uitmuntend weer, ongeveer tegen twaalf uren met vrij hongerige magen aankwamen. De Heer Blaek was bereids verschenen en wandelde in een blijkbaar vrij onrustige gemoedsbeweging onder de eikeboomen op en neder. Mijn vader bejegende hem zeer beleefdelijk; waarschijnlijk wilde hij de koelheid goedmaken mijner moeder, die hem nog de slechte ontvangst van mijn aanzoek niet wel vergeven kon. Terwijl men aan de plichtplegingen bezig was, kon ik niet nalaten den blik nu en dan op de woning te slaan, alsof ik op de muren lezen kon, of het den vervolgden zwerver reeds gelukt ware te ontsnappen. Het was echter niet wel doenlijk daaruit iets op te maken en het gelukte mij evenmin, uit de gelaatstrekken van de
198
oude Martha, die ik met twee meehelpsters door de keuken op en neder zag trekken, iets anders te lezen, als dat zij het zeer druk had met het bakken der beloofde koeken en het aanbrengen van hetgeen verder noodig was voor het ontbijt.
âIk heb u het leedwezen mijner nicht te betuigen, dat zij door een lichte ongesteldheid verhinderd wordt, hier te verschijnen,quot; zeide de Heer Blaek tegen Tante Van Bempden, terwijl mijn ouders zich met eenige nieuw aangekomene gasten onderhielden.
âIk hoop dat die geene gevolgen zal hebben,quot; antwoordde Tante, die zeer wel begreep, hoe het met die voorgewende ongesteldheid gelegen was; âmaar mijn waarde Heer Blaek! ik hoor daar van mijn koetsier, dat ÃEd. uw rijtuig teruggezonden hebt. Het had immers hier zeer goed kunnen blijven. Ik heb met opzet mijn neef gisteren nog hierheen gezonden, om te zorgen dat er plaats gemaakt werd voor al de paarden, die er te wachten waren.quot;
âIk wilde niet onbescheiden zijn,quot; zeide Blaek, op haltluiden toon, als vreesde hij, dat deze op zichzelf weinig beteeke-nende woorden zouden verstaan worden: âik heb het rijtuig naar .... Huizen gezonden: het is daar ook zeer goed . . . .quot; en tevens wierp hij mij een smeekenden blik toe, die mij bevroeden deed, dat er meer achter deze schijnbaar nietige omstandigheden zat en dat hij mijne hulp wenschte om hem uit de verlegenheid te redden.
âWel Tante!quot; zeide ik: âhoe staat het er mede? Ik geloof wanneer ik de aangezichten van uw jongere gasten aanzie, dat zij zeer verlangende zijn, om zich te overtuigen of de smaak uwer Gooische koeken beantwoordt aan den aangena-men reuk, die uit gindsche keuken tot ons overwaait.quot;
âJa! ik wensch niets liever dan te beginnen,quot; zeide Tante: âmaar al de gasten zijn nog niet aangekomen. Ik mis den jongen Blaek nog en den vriend Van Baaien.quot;
âO! wat mijn zoon betreft,quot; zeide Blaek: âik bid, datUEd. om hem geen complimenten maakt, 't Is zijn eigen schuld,
199
indien hij niet op zijn tijd past; en al komt hij wat later, er zal nog wel altijd iets voor hem overschieten.quot;
âNu ja! â maar Van Baaien!quot; zeide Tante; âUEd. weet, dat indien wij begonnen eer hij er was, hij zich den onge-lukkigsten man van de wereld zoude vinden.quot;
âO!quot; zeide Suzanna, naderende: âdat zal hij in allen gevalle, 't zij gij op hem wacht of niet.quot;
âHet zou mij slecht staan het hem kwalijk te nemen, zoo hij wat later kwam,quot; zeide ik: âwant er kunnen zoo licht kantoorzaken opgekomen zijn, die hem beletten, zoo vroeg te vertrekken als hij had voorgenomen, en ik heb hem vandaag alleen voor 't werk laten zitten.quot;
âIn dat geval,quot; zeide Tante, âware het misschien best. hem maar te wachten als de koetjes in de wei, etende en drinkende; â te meer, daar ik den Heer Lodewijk ook zie aankomen.quot;
Lodewijk reed inderdaad op dit oogenblik de werf op en trad ons weldra met zijn gewone onbeschroomdheid nader. Hij bloosde niet, toen hij mijn vader groette, maakte slechts een flauwe verontschuldiging bij Tante, dat hij zoo laat kwam, sprak terloops een paar woorden met Suzanna, en zeide mij vrij koeltjes goeden dag. Ik beken, dat mijn wedergroet ook allesbehalve beleefd was; doch ik kon niet veinzen tegen iemand, die mij zooveel verdriet berokkend had en wiens tegenwoordigheid mij al de genoegens van het feest vergalde.
Daar de tijd van vertrek bepaald was en men niet om éénen genoodigde al de overige kon laten wachten, liet Tante nu de koeken en het verdere gedeelte van het ontbijt op tafel brengen. Wij namen onze zitplaatsen onder het zeil en begonnen met graagte de smakelijke voortbrengselen van Gooiland te betwisten aan de vliegen, die, door de strooplucht verlokt, als echte tafelschuimers haar aandeel in ons maal kwamen opeischen. En het waren niet alleen de vliegen; maar weldra kwamen ook de meer gevaarlijke wespen, als de Harpijen vanouds, schrik en angst onder de aanwezigen verspreiden: vooral hadden zij het op een mijner nichten
200
Yuorzien, die, van natuur van alle insecten afkeerig, elk oogenblik, wanneer slechts eene dier onwelkome gasten haar bord of wijnglas genaakte, gillende opsprong en zich vergeefs met haar servet van de vervolging dier lastige wezens zocht te ontslaan. Suzanna zocht haar te troosten, en beweerde, dat Tante die lieve diertjes alleen besteld had om aan te toonen, dat de buitenvermakelijkheden ook haar schaduwzijde hadden, en om aan de zoodanigen, die door de omstandigheden genoodzaakt waren in de stad te leven, tevredenheid met hun lot in te boezemen. Op deze kleine onaangenaamheden na, ging het maal vroolijk zijn gang en was het gesprek vrij levendig geworden, toen een der bedienden mijn vader naderde en hem zachtjes iets in het oor fluisterde, bij het vernemen waarvan deze eenigszins donker keek, gelijk men doorgaans doet, wanneer men uit een aangenaam gezelschap wordt opgeroepen tot de lastige beslommeringen, die ambtsbetrekkingen met zich brengen.
âIs er eenige zwarigheid?quot; vroeg Tante Van Bempden, terwijl mijn moeder angstig mijn vader aanzag, die oprees om zich te verwijderen.
âIk ben dadelijk terug,quot; antwoordde hij: âik bid u, laat niemand zich over mij bekommeren.quot; â En hij ging naar den kant van de schuur.
Ik oogde hem bekommerd na; want een geheim voorgevoel, of liever de opsomming van het vroeger voorgevallene, zeide mij, dat het opontbod mijns vaders in verband stond met het opsporen van Van Lintz. En ik werd niet weinig in mijn vermoeden versterkt, toen dezelfde bediende mij een oogenblik later kwam zeggen, dat mijn vader mij liet roepen.
..Wel zool vertrekt gij ook al?quot; vroeg Tante Van Bempden.
âLe combat finira faute de combattans,quot;
voegde Suzanna er bij: âde Heeren willen ons zeker een verrassing bezorgen.quot;
,,'t Zou mij niet verwonderen,quot; zeide ik, âindien er werkelijk een verrassing plaats had.quot; En ik wierp in 't heengaan
201
een blik op den Heer Blaek, die, met een gelaat zoo bleek als een doek, onbeweeglijk op zijn plaats zat en de eene teug water voor, de andere na, opdronk.
ik vond mijn vader in de schuur, en bij hem een ander Heer, die mij naderhand bleek de Onderschout van Naaiden te zijn; tegen hen over stond Heynsz, die aan een hevige gemoedsbeweging ten prooi scheen.
âMijnheer!quot; zeide mijn vader, zoodra hij mij zag, op een gestrengen toon: âkunt gij mij ook zeggen, waar zich de persoon bevindt, met wien gij gisteren in de boerenwoning een geheim onderhoud hebt gehad ?quot;
âNeen, vader!quot; antwoordde ik: âik heb den man, dien UEd. waarschijnlijk bedoelt, bij toeval hier ontmoet, daar ik een boodschap voor Tante verrichtte, en weet niet waar hij gebleven is.quot;
âIk zeg Uw Ed.-Gestr., dat hij nog moet zijn hier,quot; zeide Heynsz: âal mijn maats, die hier in den omtrek de wacht hebben gehouden, declareeren, dat zij hem niet hebben zien uitgaan: en de dienaars van Gooiland declareeren het ook.... had ik maar kunnen vermoeden, wie die Heer Van Beveren was! . . .. maar wie kon ook veronderstellen zoo iets ? â Te denken, dat de man, dien wij zochten, heeft gewoond veertien dagen lang te mijnen huize! 't Is om te worden ijlhoofdig! â Maar hij moet gevonden worden!quot; â En de goede man liep stampvoetende heen en weder, beurtelings gekweld door de gedachte, dat men hem zoo had beetgenomen, en bemoedigd door de hoop van den zwerver in zijn macht te krijgen.
âJuist! indien hij niet van hier is, moet hij zich hier nog bevinden,quot; zeide de Naarder Onderschout, deze alleszins logische redeneering met een veelbeteekenend hoofdknikken verzeld doende gaan: âwat dunkt er u van. Heer Hoofdschout?quot;
âIk ben het volkomen met u eens,quot; antwoordde mijn vader: âen wij zullen, geloof ik, best doen, het huis en de aanhoo-righeden nog eens te onderzoeken, terwijl de dienaars al de uitgangen blijven bewaken.quot;
âHunc procul obscura latitantem parte videbis.
202
quot;VVat u betreft,quot; zeide hij, mij aanziende: âgij zult ons vergezellen, Wij kunnen beginnen met deze schuur.quot;
De schuur werd van alle kanten doorsnuffeld: er was aldaar weinig gelegenheid om iemand te verbergen. De ronde hield ons dus niet lang bezig. â Van daar gingen wij de woning binnen. Martha, die voor het vuur tusschen haar medehelpsters zat neergehurkt, liet van ontsteltenis den inhoud van haar koekenpan over de plaat druipen, toen zij den Onderschout met een barsche stem hoorde roepen: âwaar heb je dien vent verstopt, die hier dezer dagen gehuisd heeft?quot;
âIk Meneer!quot; antwoordde zij, bevende: âach God! ik ben een arme weduwvrouw en leef hier eenzaam en alleenig, sinds men zeun mij verlaten heit: zou ik hier iemand in huis 'ehad hebben ?quot;
,,WTij zullen deze trap op moeten,quot; zeide, zonder zich aan haar taal te bekreunen, mijn vader, die mij al dien tijd in 't oog gehouden had en bespeurd, dat ik bij 't binnenkomen een blik naar dien hoek had geslagen. â WTij liepen allen naar boven; maar het opkamertje was ledig.
âDoorzoekt de bedsteden!quot; zeide mijn vader.
Heynsz ontsloot de deuren; maar daar achter was niemand te vinden. Het beddegoed was opgerold en de kussens in 't midden er boven op gelegd, gelijk gewoonlijk geschiedt, wanneer men van de slaapplaats geen gebruik maakt. Met dit oppervlakkig onderzoek echter niet voldaan, haalde Heynsz den ganschen toestel over den vloer.
â't Is een mooie boel, dien je maakt,quot; zeide Martha, die ons gevolgd was: âals je 't maar allemaal weer in orde brengt. Ik heb vandaag warentig al drukten genoeg.quot;
âDeze lakens hebben gediend,quot; zeide Heynsz, met een zegevierenden blik, terwijl hij aan de beide hoofdbeambten de kreukels deed opmerken.
âNou jae,quot; zeide Martha: âwat zou dat? Die lakens zijn ook 'ebruikt 'eweest; niet lang 'eleden, met kermis, heit men zuster in 't iene bed 'eslapen en men zusters zeun in het aere. Maar vertel het toch niet an Mevrouw; ze mocht het temet kwalijk nemen.quot;
203
Ondertusschen had Heynsz, al snuffelende onder de dekens, een geëmailleerden gesp opgeraapt, gelijk die bij een stropdas gebruikt worden.
âEn deze gesp,quot; vroeg hij : âbehoort die ook al aan uw zuster?quot;
âNeen, an men zuster niet, maar an der zeun,quot; antwoordde Martha, die niet licht van haar stuk te brengen was; âdie heittie op de Uitersche kermis 'ekocht. Wat zei ie blij wezen as ie hem weerom heit.quot; â En zij stak de hand uit om dien terug te nemen.
âHei! hei wat! dat gaat zoo niet,quot; zeide Heynsz, terwijl hij den gesp nader beschouwde: ,. dat is geen versiersel voor een boerenknaap. Wat zegt Uw Ed.-Gestr. er van?quot;
âHet is als gij zegt,quot; zeide mijn vader; âde boerenknapen zijn meer op plomper fatsoen gesteld. â Intusschen, hier is de man niet, dien wij zoeken. Zijn hier geen andere vertrekken in huis?quot;
Wij begaven ons verder. Alle kamers, zolders, kelders en hokken, zelfs de hooibergen en houtstapels werden doorzocht; maar alles vruchteloos: en wij bevonden ons weder op het plein, met de overtuiging, dat het voorwerp der nasporing ontsnapt was.
âIk dacht, dat uw dienaars beter wacht zouden gehouden hebben,quot; zeide mijn vader tegen zijn ambtgenoot.
âSapperloot!quot; zeide deze: âMynheer Huyck! zij hebben het werk gedeeld met uw eigen volk: en wie zijn plicht heeft verzuimd is moeilijk uit te maken. En was die Jood. die hem gisteren hier zag, het mij maar terstond komen zeggen, in de plaats van naar Amsterdam te gaan om het den Heer Heynsz te vertellen, dan had ik hem gisteravond reeds laten pakken. Maar dat helpt nu niet. â Jij, vrouwtje! hoor eens. Biecht nu eens oprecht, anders zul je kennis met de boeien maken. Waar is de vent gebleven?quot;
âOch, mijn goeie Heer! Wat zal ik zeggen? Ik ben een arme weduwvrouw en weet niets van 't geval af.quot;
âJe kunt toch niet ontkennen, dat die Heer Van Lintz, of zooals hij heeten mag, bij u gehuisvest heeft.quot;
204
âWat zou het mij baten,quot; hernam zij: âal wou ik het ontkennen? Uw Ed.-Gestr. gelooft mij toch niet. Maar al zei ik nou: ze binnen naar Amsterdam: clan zou Uw Ed.-Gestr. emmers toch denken dat ik je foppen wou.quot;
âZij heeft gelijk, collega!quot; zeide mijn vader: âmaar gij, Ferdinand! zult ge mij nu nog niet verklaren, welk belang gij stelt in den Graaf Van Talavera, waarom gij u gestadig met hem in gezelschap bevindt, en of gij niet wellicht ook thans zijn vlucht begunstigd hebt ?quot;
Ik oordeelde, dat dc tijd tot spreken gekomen was, en dat een rondborstig verhaal van de toedracht der zaak den Graaf niet meer schaden, maar wellicht van dienst kon zijn. âOnze ontmoetingen,quot; zeide ik, âzijn altijd toevallig geweest; maar Vader kon toch niet verlangen, dat ik den man verraden zou, die mij het leven gered heeft?quot;
âHet leven! En wanneer?quot;
âZiedaar, wat ik u thans kan openbaren.quot; â En ik was op het punt van een verslag van het gebeurde te geven, toen Tante, gevolgd van de overige gasten, naar ons toekwam, ongerust over ons lang wegblijven en over het zien dei-gerechtsdienaars, die zich van tijd tot tijd op verschillende punten vertoonden.
âWat is er toch aan de hand?quot; vroeg Suzanna: âTante klaagt al;
d'ar mes et d'ennemis je suis en vironnée.quot;
âWat wil men?quot; vroeg Tante: âwie van het gezelschap moet er gepakt worden.quot;
âVan het gezelschap niemand,quot; antwoordde de Naarder Onderschout: âmaar het zal UEd. niet weinig bevreemden, van te vernemen, dat die vrouw daar goedvindt uw hoeve tot een logies voor verdachte lieden te bezigen.quot;
âHet is zoo. Zuster!quot; zeide mijn vader: âde Baron Van Lintz, dien gij u nog wel herinneren zult, heeft hier gisteren, en zoo ik mij niet bedrieg, ook vroeger nog, zijn intrek gehad.quot;
205
âNu ja!quot; zeide Martha, de zwijgende ondervraging van Tantes blik beantwoordende: âhij is hier 'eweest, en zijn dochter ook: en nou binnen zij Goddank weg en vrij ook. naar ik hoop. En al moest Mevrouw men er op men ouwen dag voor op straat zetten, ik kon niet aêrs doen als ik 'edaan heb. Wie zou nou zoo barbaarsch wezen, om as iemand, dien men met zijn eigen melk het 'evoed, bij je komt en zeit: moeder Martha! ze zitten men overal op het lijf, en ik kan nergens een veilige schuilplaats vinden, om dan te zeggen; scheer je van men deur weg.quot;
âDaar is wat van aan,quot; zeide Tante: âen ik kan toch ook niet vinden, dat mijn erf er door onteerd is, dat er een Grande van Spanje op gelogeerd heeft. â â En wat is er van hem geworden? â Die arme Van Lintz! hij is zoo dikwijls mijn Cavalier geweest.quot;
âDat is juist de vraag, wat er van hem geworden is,quot; zeide de Naarder Onderschout: âhij heeft, ondanks al onze voorzorgen, weten te ontsnappen.quot;
âDat verblijdt mij,quot; zeide Tante Letje: âwant het zal tot een vertroosting strekken voor zijn arme dochter, die hedenmorgen, toen ik haar verliet, bittere tranen schreide, uit ongerustheid over het lot haars vaders.quot;
âHoe! Is het dan werkelijk zijn dochter, die ten uwen huize is? Gij zult mij dat alles nader vertellen. Zuster!quot; zeide Tante Van Bempden.
âZij behoeft niet voor de misslagen haars vaders te boeten,quot; zeide mijn vader: âen ik vlei mij, dat zij bij mijn zuster een meer betamend verblijf heeft gevonden, dan bij Heynsz, en er althans aan geen lastige bezoeken zal blootgesteld worden.quot; Dit zeggende zag mijn vader Lodewijk aan, die verbaasd een stap achteruit deed.
âHoe!quot; riep hij: âwas die Juffer....?quot; Hij (indigde den volzin niet, met reden begrijpende, dat de wijze, waarop hij haar kennis gemaakt had, hem niet tot eer verstrekte.
âEd.-Gestrenge!quot; zeide Heynsz, mijn vader ter zijde trekkende: âik heb nog eens geïnterrogeerd al die lieden: zij
206
hebben niemand zien gaan van hier, als alleen den koetsier van den Heer Blaek met het rijtuig.quot;
âDat rijtuig zou te Huizen stallen,quot; zeide mijn vader zachtjes: âHaast u derwaarts en hoor of het er werkelijk geweest is. De Heer Blaek en de Graaf zijn oude bekenden.quot;
Dit gezegd hebbende, begaf mijn vader zich met zijn ambtgenoot ter zijde, ten einde de meest geschikte maatregelen te beramen: waarop deze laatste zich verwijderde, en ook Heynsz met de dienaars in verschillende richtingen aftrokken. Dit voorval had intusschen de genoegens der partij gestremd: tot zelfs de kinderen toe dorsten zich niet aan hunne gewone, vroolijke luidruchtigheid overgeven, bij het zien der opschudding, die plaats vond, en der ontsteltenis, welke op veler gelaat te lezen was. Tante Van Bempden bemerkte dit. en oordeelende dat alleen de verandering van tooneel de gemoederen weder tot rust zoude brengen, gaf zij last om in te spannen. Terwijl dit plaats had en de dames zich weder met de gewone toebereidselen ter afreize bezig hielden, deed ik aan mijn vader het verhaal van mijn kennismaking met den Graaf.
..Indien gij verkeerd gehandeld hebt,quot; zeide hij, na mij met bedaardheid te hebben aangehoord, âzult gij genoeg gestraft zijn door de kwellingen, die gij deze laatste weken hebt ondergaan. Ik zal u geene verwijten doen: uw toestand was moeilijk: en sterkere hoofden dan het uwe zouden er van aan 't malen zijn geraakt. Ik zal intusschen blijde zijn indien de Freule gelegenheid vindt om Tante te verlaten. Ik weet niet of het wel goed voor u en voor haar is, dat zij daar langer blijft.quot;
âIk verzeker u,quot; zeide ik, âdat ik voor haar alleen deelneming en niets meer gevoel.quot;
â't Is mogelijk! Maar zij â zij is ongelukkig: en dan hecht men zich lichtelijk aan hen die ons diensten bewijzen: â en wanneer dan hij, die den dienst bewezen heeft, een knappe jongen is, en zij, die dien dienst ontvangt, een meisje met een niet ongevoelig hart, dan deugt zulks voor geen van beiden.
207
en is de laatste vooral te beklagen. â Dan, nu geen woord meer over dat onderwerp.quot;
Ik kon niet nalaten van bij mijzelven te glimlachen over de samenstemming van hetgeen Amelia's vader mij vroeger had te kennen gegeven en hetgeen thans de bekommering van den mijnen wekte. Ik had echter geene zoo grnote inbeelding van mijzelven. om te gelooven, dat ik nu juist de persoon zoude zijn, op wien Amelia verlieven zoude.
Een oogenblik daarna kwam het rijtuig van den Heer Blaek terug: een schijnbaar onbeduidende wenk, door dezen aan den koetsier gegeven, en welken de laatste met een hoofdknik beantwoordde, bevestigde mij in mijn vermoedens omtrent de wijze, waarop de Graaf ontsnapt was.
Wij reden nu allen weer naar Heizicht, alwaar wij met een wandeling door de plaats den tijd poogden te korten en nieuwen eetlust op te doen tot het middagmaal. Nauwelijks had de bel het teeken hiertoe gegeven, of wij zagen het rijtuig van den Heer Van Baaien oprijden en hijzelf met een bezorgd gelaat daaruit stappen.
âWel, mijn waarde Van Baaien!quot; riep Tante hem toe; âhebt gij zoovele drukten aan het kantoor gehad? AVij rekenden al niet meer op u.quot;
âWat helpt het klagen!quot; zeide hij, de schouders ophalende : âhet is mijn lot, en ik tref het altijd ongelukkig, dat, zoo. vaak ik uit verzocht word, er iets in den weg moet komen. Vriend Huyck! ik moet u even spreken, met verlof van het gezelschap.quot;
âIs er zwarigheid?quot; vroeg ik, met hem ter zijde gaande.
âNiet gering!quot; antwoordde hij: âde Fortuin is door den storm op de Terschellingsche banken geslagen. De equipage is gered, en men is bezig de lading te lossen; maar het schip, zal. vrees ik, verloren zijn.quot;
âDat is voorwaar een Jobstijding!quot; zeide ik ontroerd: âen is UEd. zeker dat niemand er het leven bij ingeschoten heeft?quot;
âNiemand,quot; zeide Van Baaien: âen dat is waarlijk een wonder te noemen. Nu ik hoop maar, dat Pulver wijs genoeg
2US
zal zijn om een spoedige gelegenheid te vinden, om de goederen verder te zenden: vooral de thee; want daar is nog een kapitaal op te winnen; en wordt dat nu verzuimd, dan is binnen een maand de markt overhoopt. Het is drommels uit den koers; anders ware het nog altijd wel zaak. er iemand heen te zenden, om te zien hoe de zaken staan en wat er nog van te halen is, eer die strandvonders en kust-waarders met alles gaan strijken.quot;
,,Dan is het misschien best, dat ik er zelf maar heen zeile,quot; zeide ik.
âIk dorst het u niet voorstellen,quot; zeide Van Baaien; âmaar dat zou voorzeker een brave daad van u zijn. â Wanneer zoudt gij in staat zijn te vertrekken?quot;
âWel! dadelijk, als het noodig is.quot;
âNeen! Heden zoudt gij toch geene gelegenheid meer vinden : en wij dienen vooraf nog dezen en genen te spreken; want ik kon dezen morgen, met den Zaterdag, slechts de helft aantreffen van hen, die ik noodig had. Zoo gij morgen met den Harlinger beurtman vertrekt, en verder een visschers-vaartuig naar Terschelling neemt, zal het toch altijd het beste middel van overtocht zijn; want de gewone route met de postschuit kan ik u niet erg aanraden.quot;
Dit punt alzoo geregeld hebbende, begaven wij ons weder bij het gezelschap, waar wij natuurlijk geen geheim maakten van het voorval en de betuigingen van deelneming der aanwezigen erlangden. Een en ander was echter weinig geschikt om de genoegens, die men zich van het feest had voorgesteld, te verhoogen.
âWel lieve moeder!quot; zeide ik, de beste vrouw bij de hand nemende: âuw jaardag wordt onder geen blijde voorteekenen gevierd.quot;
âO!quot; zeide zij, mij een kus op het voorhoofd drukkende; âbeklaag mij niet; ik gevoel mij gelukkig; want ik heb op dezen dag de zekerheid bekomen, dat wij u onschuldig verdacht hebben gehouden; en zou ik dan nog over iets anders kunnen bedroefd zijn?quot;
I
209
De gebeurtenissen van den dag waren echter nog niet ten einde geloopen: op het nagerecht ontving mijn vader met de 's-Gravenlandsche schuit een pakket uit Amsterdam. Behalve eenige berichten voor hem, bevatte het een brief voor Tante Letje, dien hij haar ter hand stelde. Zij opende dien: hij was van Amelia, die haar, onder warme dankbetuigingen voor het haar verleende verblijf, kennis gaf, dat zij vertrokken was, om haar vader terug te vinden en met dezen de Vereenigde Provinciën voor altijd te verlaten, terwijl zij verschooning verzocht, van zich dus zonder afscheid te verwijderen, hetgeen men toch vooral aan geen gebrek aan hartelijkheid moest toeschrijven: maar alleen aan de gebiedende noodwendigheid, welke haar gedwongen had, op een zoo verhaaste wijze van de zich opdoende gelegenheid gebruik te maken.
âZij maakte zich op en ginck heenen,quot; zeide Tante Letje: âmaar ik zegge: de Heere heeft haar laten gaen; want zij volgt haar vader, wien zij verplicht is te eeren en te gehoorzamen, ofschoon hij een man Belials zij, vol van twistzoeking en ongerechtigheid!quot;
âIk slceg haar 't heilig kruis, naardien zij optrock, na,quot;
zeide Suzanna.
âJa! ik ben ook maar blijde, dat zij weg is,quot; zeide mijn moeder: âwant zij moge dan zoo mooi en verstandig zijn als men wil, ik hou niet van die vreemde floddermadammen, die zoo geheel anders zijn, als wij gewend zijn.quot;
Ik kon mij niet weerhouden, te glimlachen over dezen uitval van mijn anders zoo goede moeder; maar ook zij was niet vrij van het verschoonbare vooroordeel, hetwelk gemeenlijk door al ue zoodanigen, die aan een ordelijke, afgepaste, alledaagsche sleur gewoon zijn, wordt opgevat tegen hen, die daarvan met voordacht of onschuldig afwijken. Ik gevoelde geen trek om ais Amelia's verdediger op te treden, daar ik zelf innerlijk over haar vertrek verheugd was en niet verlangde verder over haar te praten; en ten andere verhinderde ook de tegenwoordigheid van Lodewijk, voor wien het onder-
II. - F. H. 14
210
werp mede niet aangenaam kon zijn, zoowel mij, als de overige Heeren, iets meer betreffende haar in 't midden te brengen. Al het gebeurde had echter eenige stilte bij de aanwezigen teweeggebracht, en maakte dat het feest, wat althans de vroolijkheid betreft, niet volkomen aan Tantes verwachting beantwoordde: vooral de Heeren Blaak, vader en zoon, waren afgetrokken van gedachten, en het kwam mij voor, dat het beiden een verlossing scheen, toen hun rijtuig werd aangemeld, waar zij dan ook niet vertoefden gebruik van te maken, maar zich dadelijk verwijderden: terwijl ik kort daarna met den Heer Van Baaien den terugtocht naar Amsterdam ondernam.
DRIE-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK,
VERMELDENDE, WIE FERDINAND IN DEN BEURTMAN AANTROF, HOE HIJ OP TERSCHELLING AANKWAM EN WELKE ZONDERLINGE ONTMOETING HIJ ALDAAR HAD.
De volgende morgen werd door mij besteed om van mijn compagnon en een paar andere, bij de zaak belang hebbende lieden, de laatste instructiën te ontvangen, mijn goed te pakken en daarbij uit mijns vaders boekerij eenige werken te voegen, handelende over het strandrecht; welker lezing mij eenigszins in staat zoude kunnen stellen om met meer kennis van zaken de mij opgedragen taak te volvoeren cn tevens eenig tijdverdrijf aan boord zou bezorgen. Na afscheid genomen te hebben van mijn ouders, die, ofschoon het noodzakelijke mijner reis inziende, echter (en vooral mijn moeder) niet konden nalaten eenige bekommering deswege te gevoelen, te meer na de slechte ondervinding, die ik kort te voren van een zeetochtje had opgedaan, en de rampen, welke do
-'11
Texelsche lijst vermeldde, trok ik tegen zes uren naar den beurtman. Het was nog vroeg toen ik aankwam, en er bevonden zich nog maar weinig passagiers aan boord; doch wier getal van lieverlede aangroeide. Eindelijk ging de bel, welke de leuteraars en achterblijvers waarschuwen moest, dat het vertrek ophanden was; doch niet weinig stond ik verwonderd, toen ik, den steiger langs kijkende naar de passagiers, die nu hijgende en blazende aan kwamen geloopen, onder hen vriend Lucas Helding herkende, het lijf in eene dichte overjas gewikkeld en met een mantelzak onder den arm.
âWel zoo!quot; riep ik, toen hij aan boord stapte: âgij hier, vriend Helding? Gij waart wel de laatste man, dien ik tot reisgenoot verwachtte.quot;
âIs het mogelijk!quot; riep hij van zijn kant uit: âMijnheer Huyck! wel dat is een aangename verrassing! ik kon niet hopen zulk een vereerend gezelschap aan boord te vinden. En gaat UEd. ook naar Harlingen, als ik vragen mag?quot;
âDat zal wel waar zijn.quot; antwoordde ik lachende: âwant ik geloof niet, dat de schipper ons ergens anders zal aan wal zetten: althans dat zou een slecht teeken zijn; â maar in zooverre is uw vraag zoo onjuist niet, ingeval gij het doel mijner reis beoogt, want die moet zich nog verder uitstrekken dan Harlingen. Maar wat jaagt u naar Frieslands kust?quot;
âOch Mijnheer! een treurige reden; maar die ik zoo niet vertellen kan,quot; en hier zag hij om zich heen. als wilde hij mij te kennen geven, dat hij zich in tegenwoordigheid van zoovelen niet vrij kon uitlaten. Later echter, toen wij onder zeil waren en de meeste passagiers zich naar beneden hadden begeven, deelde hij mij in 't vertrouwen de reden zijner reis mede. Hij had namelijk van Heynsz, wiens, op last mijns vaders, in 't werk gestelde nasporingen eindelijk van uitwerking geweest waren, het bericht bekomen, dat zijn dochter Klaartje, na lang her- en derwaarts te hebben rondgezworven, eindelijk was te land gekomen te Harlingen en aldaar als meid diende in een kroeg, welke juist niet in den besten reuk stond en gewoonlijk door varensgezellen bezocht werd.
Bij het ontvangen dier mededeeling had Helding, zonder lang beraad, het besluit genomen dadelijk op reis te gaan om het verdoolde schaap op te zoeken en zoo mogelijk weer terug-te brengen. Het was aandoenlijk op te merken, hoe hij, aan de eene zijde, huiverde tegen de ontmoeting en zich schaamde over haar, die zijn onberispelijken naam onteerd had, en, aan de andere zijde, verlangde haar terug te zien en, kon het zijn, weder tot zich te nemen. âOch!quot; zeide hij: âik weet het wel. Mijnheer Huyck; zij heeft gezondigd; maar zij is toch mijn dochter, mijn eenig kind, en was eenmaal het sprekende beeld van haar nu zalige moeder â en Goddank! dat deze niet geleefd heeft, om haar schande te zien â ofschoon, indien de brave vrouw was blijven leven, zij wellicht ons kind weerhouden had van den slechten weg op te gaan; want daartegen kan een vader toch zoo niet waken als een moeder doet; â och! het is misschien grootendeels ook mijne schuld, omdat ik het kind niet genoeg heb gadegeslagen of te mal met haar geweest ben: â ik had haar zoo lief: en als ik haar maar eens weer bij mij heb en zij berouw toont, dan zal zich alles wel weer schikken en wij zullen nog blijde dagen samen beleven.quot;
Deze en dergelijke redenen had Helding overvloedig de gelegenheid mij te herhalen, gedurende onzen overtocht, die ruim vier en twintig uren duurde, daar wij den wind vlak tegen hadden en dus genoodzaakt waren gedurig te laveeren: en, ofschoon zijn stof tot onderhoud dus noch gevarieerd noch opbeurend was, hoorde ik hem echter liever over dit onderwerp spreken, hetwelk ten minste van zijn goed hart getuigde, dan dat ik gedwongen ware geweest, hem over poëzie te hooren redekavelen of, wat erger was, naar het opzeggen zijner dichterlijke voortbrengselen te moeten luisteren.
Het was ongeveer 's namiddags zeven uren toen wij Har-lingen bereikten. Reeds gedurende den overtocht had ik aan Helding den raad gegeven, om zich dadelijk bij de Overheid te vervoegen en van deze assistentie te verzoeken tot het doen zijner nasporing; daar ik met reden beducht was, dat
2J3
de lieden, bij wie zijn dochter inwoonde, zwarigheid zouden maken in haar vertrek te bewilligen, en misschien voorgeven, dat zij nog schulden had, of andere dergelijke voorwendselen oprapen, of ook haar verborgen houden: en daar ik dien avond toch niets beters te doen had, bood ik aan hem te vergezellen; een voorstel, 't welk hij dankbaar aannam, overtuigd, dat mijn naam en tegenwoordigheid meer klem aan zijn verzoek zouden bijzetten. Na alvorens met een visschers-man, dien ik had doen ontbieden, een akkoord getroffen te hebben om mij den volgenden morgen met het krieken van den dag naar Terschelling over te brengen, verliet ik met Helding de herberg, waarin wij onzen intrek genomen hadden, en vergezelde hem bij den Schout, die zich dadelijk tot medewerking geneigd betoonde en ons een dienaar medegaf, met last om ons behulpzaam te zijn in onze nasporing, en zoo men zwarigheid maakte, partijen voor hem te brengen. Minder gunstig echter viel ons bezoek in het wijnhuis uit, waar wij tot bescheid bekwamen, dat de persoon, die wij zochten, wel sedert drie weken daar aan huis had verkeerd, doch sedert een paar dagen met een varensgezel, die een oude bekende scheen, was afgetrokken. Deze tijding sloeg, gelijk men denken kan. den armen Helding geheel ter neder; want behalve de teleurstelling in zijn verwachting, was het voor hem bij den bekrompen staat zijner geldmiddelen, geheel geen aangenaam vooruitzicht, om, ter verdere nasporing zijner dochter, nieuwe uitgaven te moeten maken, die wellicht even vruchteloos zouden besteed zijn als die, waartoe hij reeds was verplicht geweest. Ik gaf echter den moed niet zoo ras verloren, maar ging voort met de lieden in het wijnhuis te ondervragen, en gaf hun zelfs te kennen, dat ik nog eenigszins de echtheid hunner berichten bleef wantrouwen.
âZoo jou me niet 'elooven wilt,quot; zeide eindelijk de waard, terwijl hij op een der lieden wees, die in zijn voorhuis onder hun gelag bijeenzaten: âdaar zit Janke Sikkes, die heeft hen zelf met zijn schuit weg 'ebracht.quot;
Ik zag om en herkende den visschersman, dien ik voor den
214:
overtocht had besproken. Deze, hoorende wat het geval was, rees op en bevestigde de verklaring van den waard, er bijvoegende, dat hij de jongelui naar Terschelling had overgebracht.
âIndien dit zoo is, vriend Helding!quot; zeide ik: âdan behoeft gij den moed nog niet te laten zakken: en daar het gelukkig toeval wil, dat ik juist denzelfden weg op moet, dien onze vluchtelingen hebben genomen, zoo kunt gij de reis kosteloos met mij maken; en tenzij de vluchtelingen het zeegat uit zijn, kan het niet missen, of wij moeten het verloren schaap terugvinden.quot;
âOch!quot; zeide Helding, op een zwaarmoedigen toon: âik vrees, het zal wel weer vruchteloos zijn;.... maar desniettemin zal ik met dankbaarheid van UEds. vriendelijk aanbod gebruik maken; . . . . want ik heb juist op zoo een verre reis niet gerekend, en het zou mij licht aan geld ontbreken om verder te gaan. Hoever ligt dat land wel, daar zij is heengegaan?quot;
âO!quot; antwoordde ik, met moeite een glimlach onderdrukkende over de geographische kennis, welke de man ten toon spreidde: âwij hebben wel geen voordeeligen wind; maar toch, morgen met den namiddag zullen wij er wel zijn.quot;
quot;Wij verlieten de kroeg en gingen na het nuttigen van een goed avondmaal vroegtijdig ter ruste, ten einde den volgenden morgen op het afgesproken uur bij de hand te zijn. Wij waren dan ook op den bestemden tijd aan boord en hadden weldra aan de haven van Harlingen vaarwelgezegd. Janke Sikkes was met het vaarwater bekend sedert zijn geboorte af; en, aangevuurd door de hoop op een goede belooning, deed hij zijn uiterste best om ons op de spoedigst mogelijke wijze naar ons bestemmingsoord te voeren. Onderweg poogden wij nog eenige berichten bij hem in te winnen omtrent den persoon, die Klaartje op reis vergezeld had; hij wist ons weinig dienaangaande te vertellen; alleen zeide hij, dat de jonkman een knap slag van een kerel was, die de zeemanskunst goed scheen te verstaan en zelf eens mede een hand
215
aan 't werk geslagen had; maar dat hij zich over zijn naam of betrekking niet had willen uitlaten, en dat het meisken ook weinig gesproken had, maar den geheelen overtocht zeer bedroefd en mankeliek was geweest.
Het was ongeveer middag, toen wij het eiland in het gezicht kregen. Het was een dier schoone, warme dagen, welke men meermalen in de eerste helft van September geniet; en hoewel de wind nog uit den Noorderhoek woei, was hij echter eenige streken meer naar het Oosten geloopen, en deden alle voorteekenen zich op, dat wij meer bestendig weer zouden krijgen, dan wij tot dusver hadden gehad. Niet onbevallig deed zich weldra het dorp West-Terschelling, met zijn hoogen Brandaris, aan ons voor; en zijn roode, door de zon beschenen daken, tusschen het groen der lindeboomen, staken vroolijk af tegen de witte duinen, die ten Noorden aan het eiland ten bolwerk verstrekken; terwijl een menigte loods- en visschersschuiten, die in de haven lagen, of af- en aangingen, het tooneel verlevendigden. Ten Noordwesten liet zich, op eenigen afstand, tusschen de ver vooruitstekende zandbanken, een half op zijde liggend wrak zien, dat reeds van masten en tuigage ontdaan was, en hetwelk ik aan den nieuwgeschil-derden, naar ons toegekeerden spiegel, voor de (ditmaal zoo o n f o r t u i n i g e) Fortuin herkende.
Aan de haven gekomen zijnde, zagen wij, hoe reeds een groot gedeelte der jeugdige bevolking, welke ons van verre had zien aankomen, ons van het strand en van het havenhoofd stond te verbeiden met de nieuwsgierigheid, welke de komst van vreemdelingen vooral op zeedorpen pleegt te verwekken, en nu met de handen in den zak onze ontscheping aangaapte. Ik zag echter onder den hoop ook enkele meer bejaarde inwoners, en het was tot een dezer laatsten, dat ik mij wendde om te vernemen, of zij ook wisten waar Kapitein Pulver te vinden was.
âWijs deuzen Heeren den weg eens naar Geurt Reynszen,quot; zeide de man tegen den naastbijstaanden knaap: en deze, na ons nog even te hebben aangekeken, sloeg zonder overhaasting
21G
den gullen zandweg in, die naar het dorp bracht. Wij volgden onzen wegwijzer, geleid door de gansche jonge bevolking, die zich om ons heen drong, als had zij in last bekomen ons op te brengen. Enkelen draafden vooruit om bericht van onze komst te brengen, en dit had ten gevolge, dat wij weldra Kapitein Pulver in persoon ons te gemoet zagen komen.
âWel patroon!quot; riep de man uit, toen hij mij gewaarwerd: âben je daar warempel zelf komen aanwaaien: dat is een leelijke interval met ons schip! â Het spijt mij danig-van de ouwe Fortuin: en ze heeft 'er naam slecht gedragen : 't Is jammer van de kostelijke verf, die er nog aan gespendeerd is; maar, niemand kan 't helpen, zooals de man zei, toen hij zijn vrouw van de trappen gegooid had. 't Is dan ook een boos weertje geweest: een wind, dat geen vier heerenknechts een mand met bruidsuiker tegen een sluis zouden opgetrokken hebben: en raakt men in dat gindsche vaarwater maar eenmaal grond, dan is het: zie er van af, en wij mogen nog onzen Lieven Heer wel danken, dat er niemand bij omgekomen is, als twee geiten, die verzopen zijn. Ondertusschen, patroon! 't Is mij lief, je wel te zien,quot;
âEn hoe staat het met het schip en de lading?quot; vroeg ik. âIs er veel schade.quot;
âO! wat de lading betreft.quot; antwoordde Pulver: âdie is grootendeels geborgen; maar het schip, â kijk er van af, zeg ik: â dat woelt al gedurig meer in het zand: en ofschoon UEd. het vandaag nog hebt kunnen zien, zal het morgen wel heelendal naar den kelder zijn.quot;
âZoo! dan is de lading toch in zekerheid: â dat doet mij genoegen.quot;
âWel mag het u genoegen doen; maar wat helpt het? zoo als de man zei toen hij klontjes te huis bracht en de koffie al gedronken was. Ik heb, sedert de boel hier in 't pakhuis (en 't is er een pakhuis naar!) is opgeslagen, er al zooveel over te zeggen, als een koksmaatje over de kluifjes, die de kat benaderd heeft. Ik had anders zulk een schoone gelegenheid om de thee, waar een kapitaal op te winnen is, verder
217
te zenden; maar 't is: blijf er van af. Ze zullen u een rekening maken van Jan Kalebas: en 't is maar goed, dat UEd. hier is om een oog in 't zeil te houden; want zij zullen wel wat meer respect voor UEd. hebben dan voor mijn persoontje. â En wie is Mijnheer? als ik vragen mag? want onbekend maakt onbemind.quot; Hier wees hij op Helding.
Ik gaf hem zulks in korte woorden te verstaan, terwijl wij vervolgens gezamenlijk de woning binnentraden van den hier-bovengenoemden Geurt Keynszen, die bij de hoedanigheid van Onderstrandvonder ook, gelijk mij naderhand bleek, die van voorzittend Schepen bekleedde en dus een der gewichtigste personages van het eiland was. Het bovenlijf van een dikken zeegod, met roode bolle wangen en een blauwen baard, hetwelk vroeger den voorsteven van een schip had versierd, en volgens de daaronder geplaatste aanwijzing den God Neptuin verbeeldde, prijkte boven de voordeur, en scheen in zijn voorovergebogen houding de voorbijgangers uit te noodigen om binnen te treden en den brandewijn van vriend Reynszen te proeven, terwijl de woorden goed logies op den deurpost nog verder het bedrijf van dezen nuttigen eilander aankondigden.
Het was dus met dezen Reynszen voornamelijk, dat ik over het doel mijner komst zoude moeten spreken; terwijl ik mij tevens vleide, dat hij beter dan iemand in staat zoude zijn eenig bericht aangaande de dochter van Helding te verschaften.
Reynszen, een man van ongeveer zestig jaar, maar nog wakker en sterk, en wiens grauwe kat-oogen sluwheid en overleg verraadden, ontving ons met een voorkomende vriendelijkheid, die echter eenigszins verflauwde, toen Pulver hem mijn naam en betrekking als reeder van het gestrande schip deed kennen: en het viel mij niet moeilijk, uit de wijze, waarop hij mij opnam, te gissen, dat hij trachtte zijn oordeel op te maken, in hoeverre ik vatbaar was om mij te laten blinddoeken of bepraten. Zijn gelaat klaarde echter weder op, toen ik voor Helding en mijzei ven logies bij hem bestelde:
â 218
waarschijnlijk begreep hij, dat twee Heeren uit Amsterdam in allen gevalle goede vertering bij hem zouden maken, en dat hij als kastelein wel datgene aan mij zou terugverdienen, wat hij als Strandvonder door mijn komst zou moeten missen. Hij bood ons pijpen aan en begon een praatje over weer en wind, terwijl zijn dochter stoelen bijschoof en op onzen last eenige boterhammen ging smeren; want de zeelucht en de reis hadden ons honger gegeven. Pulver begon hierop het verhaal van zijn geleden schipbreuk, hetwelk men mij verschoo-nen zal, zoo ik het niet in zijn geheel geve, daar in dit geschrift reeds tweemalen een diergelijke ramp vrij omstandig beschreven is. Het bleek mij echter reeds toen, en later werd het ook door de getuigenis van de equipage van de Fortuin bevestigd, dat Schipper en Stuurman hun plicht tot het uiterste hadden volbracht en dat de geleden wederwaardigheid alleen aan het geweld van den storm te wijten was, die het vaartuig op de Robbeplaat had gesmeten, waarvan het niet mogelijk was af te komen.
Het ontging mij niet, dat Helding, gedurende het vrij lange en door allerlei aanmerkingen en uitweidingen afgebroken verhaal van den Schipper, al op heete kolen zat, en gedurig rondkeek, als wilde hij vragen, wanneer de beurt toch eens aan hem komen en over de zaak zoude gesproken worden, welke hem op Terschelling riep. Juist wilde ik daarover beginnen, toen een nieuw personage de herberg binnentrad. Deze was een dor schraal kereltje, wiens onbeduidende lichaamsbouw sterk afstak tegen de kloeke gestalte van Reynszen en van de Terschellingsche visschers, die ik aan de haven gezien had. Ook was hij niet in 't duffel en baai gekleed, gelijk de overige dorpelingen: en zijn rok en hoed, hoewel ouderwetsch fatsoen, kenmerkten meer de dracht van den vasten wal of een nabootsing daarvan. Zijn door de kinderziekte sterk geschonden gelaat had weinig behaaglijks; terwijl de omgekrulde onderlip en vooruitgezette borst geen geringe mate van zelftevredenheid en verachting van anderen schenen aan te kondigen.
219
âZoo Drost! ben je daar?quot; vroeg Reynszen, den nieuwaan-gekomene de broederhand toestekende. Deze scheen blijkbaar het niet te durven wagen, zijn mager handje aan den krach-tigen aangreep des kasteleins bloot te stellen, en stak hem slechts een vinger toe.
Ik stond een oogenblik in twijfel, of de naam van Drost, aan den onbekende gegeven, 's mans eigen naam of een verkorting van den titel van Drossaard moest beteekenen. ik wist, dat deze laatste ambtsbetrekking door een der Burge-meesteren van Enkhuizen werd bekleed; en ik kon te minder gelooven, dat ik dezen voor mij zag, daar de toon en houding van Reynszen jegens den nieuwgekomene die gemeenzaamheid aanduidden, welke tusschen goede bekenden plaats heeft.
âZei je een pijp rooken?quot; vervolgde Reynszen tegen den onbekende, die ons van ter zijde bekeek: â âdat zijn Am-sterdamsche Heeren, die komen hier vanwege de Fortuin!quot; en toen, zich naar ons keerende: âdat is de Drost,quot; zeide hij.
A tous seigneurs tons honneurs. Ik rees op, en groette den Dignitaris, die, na mij kortaf goeden dag te hebben gewenscht, zich tot Reynszen wendde, in de navolgende afgebroken bewoordingen;
âNiet rooken .... weinig tijd .... zieken bezoeken .... Raad bijeengeweest. . . . hoe is de patient?quot;
âNiet te bestig,quot; antwoordde Reynszen: âik wou dat zij weg waren gebleven.quot;
âHebt gij hier een zieke in huis?quot; vroeg ik.
âJa,quot; antwoordde Reynszen: âeen vrouwken van den vasten wal: de Dokter heit er ook al geen zinnigheid in.quot; Hier wees hij op den Drost: en nu werd het mij opeens duidelijk, dat deze niet de Drossaard zelf. maar zijn Substituut moest wezen, die, tevens met dit ambt, de hoedanigheid van geneesheer bekleedde. Ik dacht echter over dit punt slechts vluchtig na; want het gezegde had mijn aandacht getrokken.
âVan den vasten wal?quot; herhaalde ik: âen wanneer aangekomen?quot;
âEerst sedert drie dagen: van Harlingen, 'eloof ik.quot;
il20
Helding was doodsbleek en keek beurtelings mij en den kastelein aan.
âEn haar naam?quot;
âDe vent, die met haar is â haar man wil ik hopen â noemt haar Klaartje; en dat is al wat ik er van weet.quot;
..0 mijn dochter! mijn Klaartje!quot; riep Helding, terwijl hem dikke tranen langs de wangen rolden. âWaar is zij ? Breng mij bij haar!quot;
âBedaar, mijn goede Helding!quot; zeide ik; âgij hoort, dat zij ongesteld is: uw onverwachte verschijning zou nadeelige uitwerkselen kunnen teweegbrengen. Wat zegt er de Dokter van?quot;
âHm!quot; zeide deze: âontstoken hersenen.... galachtig bloed.... raaskallen.... aandoeningen te vermijden.... abstinentia et qui es.quot;
âUEd. denkt dus,quot; hernam ik, âdat haar vader, wien zij in lang niet gezien heeft, niet zonder eenige voorbereiding bij haar behoort te worden toegelaten?quot;
âHm! hm! â nog niet -â eerst zien â oordeel opschorten â straks beslissen,quot; antwoordde de geneesheer.
Het kostte mij eenige moeite om Helding te overtuigen, dat hij zijn ongeduldig verlangen naar zijn dochter bedwingen moest; doch na eenigen tegenstand gaf hij toe en beloofde zich bedaard te zullen houden, terwijl ik op zijn verzoek aannam, den Dokter bij zijn bezoek te vergezellen en hem nauwkeurig kondschap te brengen aangaande den toestand zijner dochter. Reeds vreesde ik, daar de woning mij toescheen niet zeer groot te zijn, dat de lijderes zich misschien in een nabijgelegen kamer bevond en van daar iets van ons gesprek gehoord of de stem haars vaders herkend zoude hebben; maar deze vrees bleek mij ongegrond te zijn; want het ziekvertrek waarheen ik mij thans met den Dokter begaf, bevond zich in een afzonderlijk huisje, mede aan Reynszen toebehoorende, en waarmede men door een achterdeur en binnenplaats of tuintje gemeenschap had.
Wij vonden bij het inkomen de zieke in een vrij zindelijke
bedstede gelegen, voor welke iemand gezeten was, met den rug naar ons toegekeerd, die haar hand in de zijne hield, terwijl hij, voorovergebukt, met het hoofd op de andere hand leunde. Hij had zijn buis uitgetrokken en dit, waarschijnlijk om de lijderes te verwarmen, op het voeteneinde neergelegd. Bij onze nadering zag hij op, en ik herkende â hoewel niet geheel onverwacht â Sander Gerritsz â of, anders gezegd. Zwarten Piet.
âPlaats maken!quot; zeide de Dokter: âwat gerust? â Nog ijlende ?quot;
âZij is bedaarder, maar doodzwak,quot; zeide Sander, met een zucht; âzij ligt geheel wezenloos en heeft mij nog geen woord toegesproken,quot; en toen, mij herkennende: âMijnheer Huyck!quot; riep hij verbaasd uit.
âOngelukkige! gij hier?quot; zeide ik, het hoofd schuddende: âmaar kom even ter zijde, en laat den Dokter bij de patiënt.quot;
De Dokter nam de plaats in, welke Sander ledig liet, en voelde den pols van Klaartje, die nog geen bewijs had gegeven dat zij onze komst bespeurd had en met het gelaat naar het schot gekeerd lag. Ik nam onderwijl Sander in een hoek van het vertrek en fluisterde hem in 't oor:
âHaar vader is gekomen.quot;
âGod! ook dit nog!quot; zeide hij, en bedekte zich het gelaat met beide handen.
âZou zij in staat zijn, hem te zien?quot;
âAch! wat zou het baten? Zij kent niemand â zelfs mij niet.quot;
âKoorts af!quot; zeide de Dokter, opstaande: âbedaarder.... meliora symptomata.... gerstewater drinken.... citroensap .... likkepot zenden .... morgen weerkomen . . . .quot;
âZou 't mogelijk zijn!quot; riep Sander uit, verheugd toetredende: âbevindt zij zich inderdaad beter?quot;
âNog zwak,quot; zeide de Dokter: âversterking ingeven. â Kecept schrijven!quot; â Dit gezegd hebbende, haalde hij een papier uit den zak en ging zijn voorschrift opschrijven.
âKlaartje!quot; hernam Sander, zich over het bedheenbuigende: âherkent gij mij niet?quot;
222
Klaartje lichtte bij deze toespraak even het hoofd op en keek om,, zoodat ik haar vlak in het aangezicht zag. Zij had nog schoone en regelmatige trekken; maar de fletsheid der wangen en de lichtroode strepen en vlekken onder de oogen en langs den neus getuigden dat een ongebonden leefwijze, nog meer dan de ziekte, haar vroegere bekoorlijkheden vóór
den tijd had doen vervallen.
âWaar ben ik?quot;' vroeg zij met een flauwe stem, zich met de vlakke hand over het voorhoofd wrijvende: ..hoe kom ik hier? Ik ben hard ziek geweest, geloof ik; â maar nu is het beter: ik wilde wel wat drinken.quot;
âHier hebt gij drinken,quot; zeide Sander, haar een komnietje aan den mond brengende: âbevindt gij u waarlijk beter, mijn liefste?quot;
âZoo! zijt gij daar nog, Sander?quot; hernam zij: âdat is goed: â maar hoe kom ik toch hier? â Ik ben wat in de war geweest en heb veel geleden .... maar t is zonderling, ik voel nergens pijn meer.quot;
Niettegenstaande de verklaring van den geneesheer, kon ik niet deelen in de betere hoop, die hij Sander had ingeboezemd. Dat ophouden van alle pijn, gevoegd bij den strakken blik der half gebroken oogen, scheen mij een onrustbarend kenteeken te zijn, en ik begon te duchten, dat Helding zijn dochter slechts zou terugvinden om haar terstond weder te verliezen.
âAVie is die Heer?quot; vroeg zij, op mij wijzende.
Ik beschouwde deze vraag als geschikt om er aanleiding uit te ontleenen, ten einde haar op het bezoek haars vaders voor te bereiden, en voorkwam dus het antwoord, dat Sander geven wilde.
âIk kom uit Amsterdam,quot; zeide ik, âen heb een boodschap voor u, van iemand, die u van harte liet heeft.
âIemand in Amsterdam.... die mij liefheeft!quot; herhaalde zij met een uitdrukking van twijfel en smart: âwie is ei, die mij liefheeft in Amsterdam? â O God! er is er wel een geweest, die het mij gezegd heeft.... maar hij was
223
een verleider.... hij was de oorzaak van mijn verderf en ellende.quot;
âHij, van wien ik spreek,quot; vervolgde ik, âis iemand, die nooit als uw welzijn beoogxl heeft. Bedenk eens wel: is er niemand in Amsterdam, wien natuur en plicht beide u voorschrijven lief te hebben en het verdriet te vergoeden, dat gij hem veroorzaakt hebt?quot;
âWat!quot; zeide zij, met verheffing van stem; âvan mijn vader komt gij! van mijn vader! .... hoort gij Sander? . . . . die Heer komt van mijn ongelukkigen vader! â En denkt hij nog aan zijn slechte, nietswaardige dochter, die hem zooveel verdriets heeft gekost? â En weet hij, dat ik nog leef? â O! het ware immers veel beter, dat ik dood ware, â dan behoefde hij geen leed meer te gevoelen over een schepsel, dat niets dan schande over zijn eerlijken naam heeft gebracht.quot;
âMeisje!quot; zeide ik: âonze Vader in de Hemelen is lankmoedig jegens hen, die berouw toonen: en moet uw aardsche vader dat voorbeeld niet volgen? Gij zijt nooit uit zijn gedachten geweest en hij verlangt niets vuriger, dan u aan zijn hart te drukken en alles te vergeven.quot;
Zij weende: â Sander weende: ik was mede diep ontroerd, de Dokter borg zijn recept in een groot lederen zakboek en zeide, terwijl hij opstond: âgeen gevaar .... ouden Heer roepen .... gerust hier komen.quot;
âWie? welke oude Heer?quot; vroeg Klaartje met levendigheid.
âZoo uw vader zich hier bevond,quot; zeide ik: âzoudt gij dan kracht genoeg bezitten om hem terug te zien?quot;
âMijn vader! â Hier? O God! laat ik hem nog eenmaal vergeving bidden en dan sterven. â Maar neen: dat is niet mogelijk.quot;
âZie of het mogelijk is,quot; zeide ik, terwijl op hetzelfde oogenblik de Arts terugkwam, gevolgd door Pulver, die Helding geleidde, daar deze werk had om zich staande te houden, zoo beefde hij.
âWaar is zij? Waar is mijn kind?quot; riep de oude man.
224
terwijl hij met uitgestrekte armen en wankelende knieën het vertrek binnentrad. Zij was half opgerezen in haar bed, en het was slechts met moeite, dat Sander haar kon terughouden er uit te springen, om zich aan de voeten haars vaders te werpen. Helding viel haar om den hals en snikte luid.
âVergeving, myn vader!quot; was alles wat zij uit kon brengen, terwijl Sander, van aandoening overstelpt, zijn gelaat in de handen verborg.
âVerduiveld!quot; zeide Pulver, zich een traan uit het oog wisschende, ,.ik zit liever een heelen nacht bij slecht weer in de bramzaling, dan dat ik zoo iets bijwoon.quot;
âHou u maar bedaard, kindlief!quot; zeide Helding, terwijl zijn eigen stem beefde: âGod zij geloofd, dat ik u weerom heb: wij zullen over het verledene niet meer spreken en alleen over de toekomst denken: maak maar spoedig weer beter te worden, dan gaat gij met mij weer naar Amsterdam en wij zullen een stil en genoeglijk huishouwentje hebben, als vanouds.quot;
âNeen vader!quot; zeide zij, treurig het hoofd schuddende: ânaar Amsterdam terugkeeren, dat zal niet gaan â ik voel hier ietsquot; (op haar hart wijzende) âdat mij zegt, dat het met mij niet lang meer zal duren. O! wie had mij ooit dien onverdienden zegen durven voorspellen, dat ik nog voor mijn dood mijn vader zou terugzien en dat hij zich mijner ontfermen zou? Helaas!quot; vervolgde zij, hem beschouwende: âuw haren waren niet grijs, toen ik u verliet. â Wee mij! ik heb dat verdriet u veroorzaakt! â Maar vaderlief! Gij moet ook een vriendelijk woord tot Sander spreken: hij heeft mij te Harlingen teruggevonden en, ondanks al mijn slechtheid, had hij mij nog lief en wilde mij met zich nemen, hoewel ik hem zeide, dat ik zijn liefde door mijn wangedrag verbeurd had: en hij heeft mij in mijn ziekte niet verlaten, maar zoo trouwhartig opgepast, als geen baker beter had kunnen doen.quot;
âSander Gerritsz!quot; riep Helding verbaasd uit, toen de jongeling hem met een treurigen blik aanzag.
225
âSander Gerritsz!quot; herhaalde Pulver, niet minder verwonderd. âSandertje! wat drommel!....quot; Hier zweeg hij, daar ik hem toewenkte, dat hij zich niet met de zaak bemoeien zoude.
âSander Gerritsz!quot; herhaalde ook de Dokter, als scheen hij zich dien naam insgelijks te herinneren: en te gelijk een andere portefeuille, dan die, waarin hij zijn recepten borg, voor den dag halende, begon hij in de daarin vervatte papieren te snuffelen.
âAch! mijn goede Monsieur Helding!quot; zeide Sander: âUEd. weet, ik heb haar altijd liefgehad. Ik zou haar ook gaarne tot vrouw genomen hebben, niettegenstaande al wat er gebeurd is; â maar de Heer Huyck weet, dat ik hier niet kan blijven, dat.... in 't kort, dat het beter voor haar is, dat yAj met haar vader naar Amsterdam terugkeert.quot;
âJa mijn hartje!quot; zeide Helding: âkeer met mij naar huis; wij zullen wel wat voor u vinden: ik heb nog veelvermogende beschermers, die ons niet in den brand zullen laten: daar is de waardige Heer Huyck .... daar zijn de Heeren Blaek____quot;
âBlaek! .... Blaek! . . . .quot; herhaalde Klaartje, met een uitdrukking van afgrijzen: âliever leed ik het ergste, wat een mensch kan overkomen, dan dat ik aan iemand, die Blaek heette, iets te danken had.quot;
âHoe!quot; riep Helding: âwat hebben die Heeren u toch gedaan?quot;
âO! spreek er mij niet van,quot; hernam Klaartje: âis niet Lodewijk Blaek de bewerker van mijn ongeluk? Heeft hij niet, toen de goede Sander het zeegat uit was, mij met een zoet praatje verleid, en mij overreed om mijn braven, besten vader te verlaten? Heeft hij mij niet, arm en naakt, in schande verlaten en gedwongen, daar ik niet te huis durfde keeren, â om .... O God!quot;
âEn waarom durfdet gij niet tot mij terugkeeren? vroeg Helding: âwist gij dan niet, dat het hart van den ouden man altijd voor u openstond?quot;
II. - F. H. 15
âLodewijk Blaek!quot; mompelde Sander: âwas hij de schurk, die u bedierf? â O! dat ik hem hier had, om hem zijn laagheid betaald te zetten !quot;
âAch! ik schaamde mij zoo, terug te keeren,quot; zeide Klaartje : âen daardoor ben ik van kwaad tot erger gevallen .... en zoo is het dat ik sterven moet, zoo jong nog en door mijn eigen schuld! â- Maar ik heb vergiffenis ontvangen van die twee, die ik het meest beleedigd heb, van mijn vader en van mijn goeden Sander â en dit vertroost mij. â Ween niet, Sander! het is zoo beter : â toen ik, op uw verzoek, Har-lingen verliet, was ik nog loszinnig en dacht alleen om het geluk van weer met u te zijn; maar thans heb ik een beter inzicht verkregen .... ik was niet waardig, uw vrouw te zijn â en ik moest geen schande brengen in het huis mijns vaders; â het is voor mij, voor u beiden beter, dat ik sterve.''
âFoei! zoo moet gij niet spreken,quot; zeide Helding: ânietwaar Dokter?quot;
âWel neen!quot; antwoordde deze, zijn papieren weder bergende: âniet sterven â weder gezond worden â niet zooveel praten! -f e m i n a animal 1 o q u a x â te veel vermoeien. â Hm 1 Zonderling â⢠Sander Gerritsz â dien naam meer gehoord -hm! â brief van den Drost â zeeroof â inbreken â Jaco -niet vinden â thuis liggen â hm!quot; Deze laatste woorden sprak hij slechts halfluid en mompelend uit, zoodat zij door de meesten, die te veel met Klaartje bezig waren om op hem te letten, niet of slechts half verstaan werden.
âKom!quot; zeide ik tegen de zieke: âgij moet u zoo ongerust niet maken, noch u het ergste voorstellen: tracht wat te slapen; want gij hebt rust noodig. Wat dunkt u, Kapitein! zoo wij die goede lieden eens alleenlieten. Ons bijzijn is hier toch overbodig.quot;
âJa,quot; zeide de Dokter: âhier te vol â rust noodig â ik ook weg â veel drukten â likkepot bereiden â archief nazien â zieken bezoeken â twee klisteeren â aderlating â twee boeren overhoop liggen â brief aan den Drost schrijven â Maaike Jansz linkerarm gebroken â heengaan.quot;
Met deze woorden vertrok hij; ik volgde hem met Pulver, en weldra vervoegde zich ook Sander bij ons, die waarschijnlijk gevoelde, dat de bescheidenheid hem gebood vader en dochter een wijl alleen te laten. Op de opene plaats echter, die de twee woningen vaneenscheidde, hield Pulver hem staande.
..Nu zei je mij toch niet ontkennen,quot; zeide hij: âdatje Sander Gerritsz bent en dat ik je op het buiten van Mevrouw Van Bempden heb gepraaid.quot;
âStil wat!quot; fluisterde ik, bevreesd, dat de Dokter, die juist de herberg intrad, hem hooren zoude.
âNeen voorwaar niet, mijn goede Schipper!quot; antwoordde Sander, hem de hand toestekende: âmaar laat het tusschen ons blijven. Ik heb dien naam sedert lang, en om billijke redenen, laten varen.quot;
âDaar heb je verkeerd aan gedaan,quot; hernam Pulver: âmen moet zich de vlag nooit schamen, daar men jaren onder gevaren heeft. Wel man! dat verhoopte ik niet, toen ik je daar onder die zeeroovers aan twee ankers vastliet. dat ik je ooit weer in ons land aan boord zou komen: nu! bergen en dalen ontmoeten mekaar niet; maar menschen wel. En waar heb je al gezworven, zooals de ouwe vloo tegen de jonge zei?quot;
âJa Schipper! dat zal ik u naderhand wel reis vertellen,quot; antwoordde Sander: âwaar ik geweest ben, komt er minder op aan,quot; vervolgde hij met een zucht: âhet zal eerder te bezien staan, waar ik heen moet: hoewel ik verklaar, dat het mij in deze treurige oogenblikken vrij onverschillig is.quot;
âJa!quot; zeide ik, hem ter zijde trekkende: âgij moet op uwe hoede zijn. Die Dokter is tevens Substituut van den Drost, en, voor zooveel uit 's mans woorden te verstaan is, maak ik op, dat hij reeds berichten omtrent u heeft, en dat dit eiland u geen veilige schuilplaats biedt.quot;
âIk wijk niet van hier, zoolang Klaartje in dezen toestand blijft,quot; zeide Sander; âen wat dien Meester Doedes aanbelangt, ik ben juist niet erg voor hem beschroomd: ik weet nog wel
âLodewijk Blaek!quot; mompelde Sander; âwas hij de schurk, die u bedierf? â O! dat ik hem hier had, om hem zijn laagheid betaald te zetten!quot;
âAch! ik schaamde mij zoo, terug te keeren,quot; zeide Klaartje: âen daardoor ben ik van kwaad tot erger gevallen .... en zoo is het dat ik sterven moet, zoo jong nog en door mijn eigen schuld! â Maar ik heb vergiffenis ontvangen van die twee, die ik het meest beleedigd heb, van mijn vader en van mijn goeden Sander â en dit vertroost mij. â Ween niet, Sander! het is zoo beter: â toen ik, op uw verzoek, Har-lingen verliet, was ik nog loszinnig en dacht alleen om het geluk van weer met u te zijn; maar thans heb ik een beter inzicht verkregen.... ik was niet waardig, uw vrouw te zijn â en ik moest geen schande brengen in het huis mijns vaders: ââ het is voor mij, voor u beiden beter, dat ik sterve.quot;quot;
âFoei! zoo moet gij niet spreken,quot; zeide Helding: ânietwaar Dokter?quot;
âWel neen!quot; antwoordde deze, zijn papieren weder bergende : âniet sterven â weder gezond worden â niet zooveel praten ! â femina animal loquax â te veel vermoeien. â Hm! Zonderling â- Sander Gerritsz â dien naam meer gehoord -hm! â brief van den Drost â zeeroof â inbreken â Jaco â niet vinden â thuis liggen â hm!quot; Deze laatste woorden sprak hij slechts halfluid en mompelend uit, zoodat zij dooide meesten, die te veel met Klaartje bezig waren om op hem te letten, niet of slechts half verstaan werden.
âKom!quot; zeide ik tegen de zieke: âgij moet u zoo ongerust niet maken, noch u het ergste voorstellen: tracht wat te slapen; want gij hebt rust noodig. Wat dunkt u. Kapitein! zoo wij die goede lieden eens alleenlieten. Ons bijzijn is hier toch overbodig.quot;
âJa,quot; zeide de Dokter: âhier te vol â rust noodig â ik ook weg â veel drukten â likkepot bereiden â archief nazien â zieken bezoeken â twee klisteeren â aderlating â twee boeren overhoop liggen â brief aan den Drost schrijven â Maaike Jansz linkerarm gebroken â heengaan.quot;
Met deze woorden vertrok hij: ik volgde hem met Pulver, en weldra vervoegde zich ook Sander bij ons. die waarschijnlijk gevoelde, dat de bescheidenheid hem gebood vader en dochter een wijl alleen te laten. Op de opene plaats echter, die de twee woningen vaneenscheidde, hield Pulver hem staande.
..Na zei je mij toch niet ontkennen,quot; zeide hij: âdat je Sander Gerritsz bent en dat ik je op het buiten van Mevrouw Van Bempden heb gepraaid.quot;
âStil wat!quot; fluisterde ik, bevreesd, dat de Dokter, die juist de herberg intrad, hem hooren zoude.
âNeen voorwaar niet, mijn goede Schipper 1quot; antwoordde Sander, hem de hand toestekende: âmaar laat het tusschen ons blijven. Ik heb dien naam sedert lang, en om billijke redenen, laten varen.quot;
âDaar heb je verkeerd aan gedaan,quot; hernam Pulver: âmen moet zich de vlag nooit schamen, daar men jaren onder gevaren heeft. Wel man! dat verhoopte ik niet, toen ik je daar onder die zeeroovers aan twee ankers vastliet, dat ik je ooit weer in ons land aan boord zou komen: nu! bergen en dalen ontmoeten mekaar niet; maar menschen wel. En waar heb je al gezworven, zooals de ouwe vloo tegen de jonge zei?quot;
âJa Schipper! dat zal ik u naderhand wel reis vertellen,quot; antwoordde Sander: âwaar ik geweest ben, komt er minder op aan,quot; vervolgde hij met een zucht: âhet zal eerder te bezien staan, waar ik heen moet: hoewel ik verklaar, dat het mij in deze treurige oogenblikken vrij onverschillig is.quot;
âJa!quot; zeide ik, hem ter zijde trekkende: âgij moet op uwe hoede zijn. Die Dokter is tevens Substituut van den Drost, en, voor zooveel uit 's mans woorden te verstaan is, maak ik op, dat hij reeds berichten omtrent u heeft, en dat dit eiland u geen veilige schuilplaats biedt.quot;
âIk wijk niet van hier, zoolang Klaartje in dezen toestand blijft,quot; zeide Sander; âen wat dien Meester Doedes aanbelangt, ik ben juist niet erg voor hem beschroomd: ik weet nog wel
228
een huismiddeltje, om hem de oogen te doen dichtknijpen.quot;
Dit zeggende opende hij de deur der herberg, waar wij binnentraden en den Dokter reeds vertrokken vonden. â Ik verzocht Reynszen, zorg te dragen voor een goede waakster om de zieke op te passen; waarop hij mij verzekerde, dat zijn vrouw en dochter zich reeds bereid hadden verklaard, die taak op zich te nemen, en dat overigens niets ontbreken zou om haar toestand zooveel mogelijk te verzachten.
Xiet ongenegen een weinig lucht te scheppen, sloeg ik aan Pulver een wandeling voor, waarop wij onze zaken zouden kunnen bepraten. Wij begaven ons, na van Sander afscheid genomen te hebben, het strand langs, en ik vroeg hem, wat er al zoo geëischt werd en hoe wij best ons goed terug zouden krijgen en geschillen of processen vermijden.
..Ja!quot; antwoordde hij: âwat zal ik veel zeggen? Wie in de schuit is, moet meevaren: en het helpt niet of men tegen dat volkje hier met grof geschut aan boord komt en hen bedreigt met de Commissarissen tot de Pilotage of met Gecommitteerde Raden; want daar geven zij al zooveel om als een walvischhaalder om een dooie schelvisch. Ze liggen hier buiten schoots, weet je! en storen er zich niet aan, of zij brieven en bevelen krijgen; hebben is hebben, denken zij ; en wil je niet naar hun pijpen dansen, dan leeren zij het je tot je schade; ik heb nog liever met royale zeeroovers te doen dan met zulk slag van volk. Daar ligt nu de Hyson en de Souchong in het pakhuis: en ik heb niet later dan van morgen een kattebelletje ontvangen van Schipper Holmfeld, die op de ree van 't Vlie ligt, dat hij die met alle gemak bergen kon en ze meenemen naar Kopenhagen: een gelegenheid, zoo schoon als men wenschen kon; maar nu wil die verbruide Strandvonder de waren niet laten volgen dan tegen een derde van de waarde voor bergloon; terwijl hem volgens alle ordan-nantiën en costuymen niet meer dan zes twintigsten kunnen toekomen.quot;
âZoo hij al eens recht heeft op zooveel,quot; zeide ik: âwant er is hier minder quaestie van geredde, dan wel van geborgen
229
goederen; daar gij met de equipage bijna alles gedaan hebt. â Intusschen, indien het daarmede gedaan ware .... het is ons veel waard, ons goed terug te bekomen.quot;
âDan is er,quot; vervolgde Pulver: .,nog een klein bagatelletje bij van anderhalf percent voor den Strandvonder, en nog een rekening van onkosten, voor gebruikte schuiten en wagens en gegeverw-fooien, daar een mensch de oogen van overloopen.quot;
âDat is toch wat grof,quot; zeide ik: âwant waar vraagt men het een-derde bergloon voor, indien men nog een extra-rekening maakt voor onkosten ? â Maar kunnen wij, de quaestie over het bedrag daarlatende, de goederen niet loskrijgen onder borgstelling?quot;
âWel ja!quot; zeide Pulver: âreken daarop (zooals de schoolmeester zei, toen hij den jongen een schellingskoek in plaats van een lei in de hand stopte). Zij zullen geen goed laten volgen, voor en aleer er een volkomen afrekening heeft plaats gehad.quot;
âDat zullen wij dan zien,quot; hernam ik. âWanneer vertrekt die Deensche schipper?quot;
âZoo ras er goede gelegenheid is: en, gelijk ik het weer aanzie, schiet de wind al meer en meer uit en zal hii niet lang meer op zijn ligplaats blijven. Hij heeft mij zelfs bericht, dat, zoo hij eenigszins kon, hij naar Maklijk-Oud zou opzeilen en dan onze thee in 't voorbijgaan innemen.quot;
âVoortreffelijk! zorg dan, dat gij in allen gevalle morgenochtend een vaartuig bespreekt, om de lading in te schepen en over te brengen: ik zal ondertusschen met den Strandvonder spreken, on zien, wat ik van den vent gedaan kan krijgen.quot;
Aldus ons plan gemaakt hebbende, zetteden wij onze wandeling nog een eindweegs voort, over onverschillige zaken pratende, tot wij het dienstig vonden terug te keeren. Nauwelijks waren wij het dorp weder binnengetreden of ik zag den gewiehtigen man, die de betrekkingen van Substituut-Drossaard en geneesheer vereenigde, uit een der huizen voor den dag komen, en, zoodra hij ons gewaarwerd, zijn koers tot ons richten.
230
âAls UEcl. dien man tot vriend kunt maken, zal alles goed gaan,quot; zeide Pulver: âhij is hier zooveel als de admiraalswimpel. waar alles naar kijkt, die meester Doedes: en zij moeten wel ontzag voor hem hebben: want zetten zij hem den voet dwars, en knijpt hij ze dan niet als Drost, dan pepert hij het hun in als Dokter.quot;
âGevonden!quot; zeide Doedes (gelijk ik nu vernomen had dat 's mans naam was), zoodra hij ons zag: en meteen klopte hij op zijn zak: âgoed geheugen â Monsieur Weerglas â Sander Gerritsz â struikroover â zeeschuimer â brief van den Drost â knevelen â naar den vasten wal zenden â hm!quot;
âWat zegt UEd. ?quot; vroeg Pulver, eenigszins verschrikt: âIs Sandertje een roover? â Och! dan heeft die verbruide Don Manoël het op zijn rekening; want beter kalf van een jongen heb ik nooit aan boord gehad; maar zoo gaat het: wie met pek omgaat, wordt er mee besmet.quot;
âEn zijn uw orders zoo gestreng?quot; vroeg ik, niet zonder eenig leedwezen te gevoelen over het lot, dat Sander boven 't hoofd hing.
âOrders, hm! hm! â Terschelling een vrijplaats â refu-gium â Staten niet achten â vervallen privilegium â orders gestreng.quot;
Ik zweeg en begreep dat het beter voor mij was, dit punt niet verder aan te roeren. Vooreerst had ik er overvloedig mijn bekomst van, om mij met eens andersmans zaken te bemoeien: en, ten tweede, kwam het mij voor, dat meester Doedes, ondanks zijn beslissenden toon, het nog maar half met zichzelven eens was, of hij het oude recht van vrijplaats, waar Terschelling aanspraak op maakte, al dan niet zou eerbiedigen, en achtte ik het, als Zoon van den Hoofdschout, ongepast, mij in een geschil van zoo teederen aard te mengen. 't welk mij later waarschijnlijk kwalijk zoude genomen worden. Ik vond het dus verkieslijker, den man over mijn eigen zaken te onderhouden, en deelde hem in korte woorden de redenen mijner komst en den onhebbelijken eisch des Strandvonders mede.
âHm!quot; zeide hij, het hoofd schuddende: âgaat den Strandvonder aan â mij niet â u voor Schepens beklagen â goed recht uitspreken!quot;
âJa,quot; zeide ik, âmaar ik zou liever de zaak zonder vonnis in der minne zien te vinden, en daarom wenschte ik uwe tusschenkomst in deze in te roepen.quot;
âHm! â mij niet in moeien â mijne zaken niet â maar â als de zaak in orde is niet vergeten; â tiende penning mij betalen â ten profijte der gemeente â- oud recht van Terschelling â hm!quot;
âHoe.quot; riep ik: ..nog meer exacties! dat recht is immers afgeschaft bij een besluit van HH. Staten?quot;
..Hml edict van 12 December 1663 â gekheid â Staten hun macht te buiten gegaan â hm! â volhouden.quot;
âHoe!quot; riep ik: âgij, die hier den Drossaard vertegenwoordigt, zoudt u kanten tegen een edict der Staten, waarbij een middeleeuwsche vexatie paal en perk gesteld is?quot;
âHm! â Drost â Enkhuizen â nooit hier komen âgeld trekken â niets uitvoeren â Doedes al het werk doen -Staten oude wijven â het eiland niet kennen â makkelijk besluiten nemen in Den Haag â Terschelling zware lasten -vele rampen â schrale verdiensten â leven wagen bij schipbreuken â qui one ra â etiam fructus.quot;
âIk wil gaarne toegeven.quot; hernam ik, âdat de brave lieden, die het hunne hebben gedaan om bijstand te bieden aan de manschap van de Fortuin, of die tot het bergen der lading hebben medegewerkt, aanspraak hebben op belooning, en die zal hun ook geworden, maar ik zal nooit toestemmen in de verplichting om zulke hooge bergloonen te betalen als van ons gevorderd worden, noch recognitiegelden, die afgeschaft zijn; en zoo de Strandvonder geen rede verstaat, dunkt mij, dat gij. Mijnheer! mij recht moet verschaffen, en althans niet, bij reeds bestaande, een nieuwe exactie voegen.quot;
âHm! â Zaak van den Strandvonder â geen belang er bij â negotium a me alienum âvoor de Rechtbank â zeven Schepenen â goed recht â naar huis gaan.quot; â Met
dit bescheid verliet hij ons en begaf zich binnen zijn woning,, waar wij op dit oogenblik voorstonden.
âGoed recht! âJa, dat kan UEd. denken,quot; zeide Pulver: âwij komen bij den duivel te biecht. Met dat al, ik geloof, dat zoo UEd.
den man een kleine fooi voor zijn beleefdheid beloofd hadt____quot;
âDat in eeuwigheid niet,quot; zeide ik: âdenkt gij, dat ik de Justitie om wil koopen?quot;
âNu!quot; hernam Pulver: âwij zullen zien wat er van wordt, zei de blinde, en hoe UEd. met Eeynszen varen zult. . . .; maar, dat Sandertje een roover geworden is, dat spijt mij tot in mijn ziel.quot;
Hier waren wij aan de herberg terug, en ik trad nu met den Strandvonder in onderhandeling; doch ook hier vond ik het onmogelijk om den man af te brengen van zijn eisch, die, volgens hem, op goed recht en oude herkomsten steunde: zoodat ik, daar ik toch verlangde de thee te verzenden, per slot nog blijde was, hem in mijn voorstel te zien treden, om het gevorderde, gelijk ook de 10 pCt. recognitie, onder protest te betalen, terwijl Pulver, die inmiddels volgens afspraak een schuit was gaan bestellen, terugkwam met de tijding, dat de hoeker Kjöbenhavn, Schipper Holmfeld, zich reeds in het Maklijk-Oud bevond.
VIER-EN-DERÃIGSTE HOOFDSTUK,
WAARIN VERHAALD WORDT, HOE DE THEE AAN BOORD VAN DE HJÃBENHAVN WERD GEBRACHT EN DEN LEZER VELE VERRASSINGEN WORDEN VOORBEREID.
De toestand der zieke, waarvan Helding mij van tijd tot tijd bericht kwam geven, was intusschen niet verbeterd: zij scheen van uur tot uur zwakker geworden en de kenteekenen eener spoedige ontbinding begonnen zich te vertoonen. Haar
geest bleef echter helder en opgeklaard, en zij had zich met meer kalmte dan zich verwachten liet, met den Predikant onderhouden, die op haar verlangen haar was komen bezoeken. Sander, die bij den Drost was ontboden geweest, was van daar teruggekeerd en week niet van haar sponde; terwijl de vrouw en dochter van Eeynszen bij afwisseling bij haar waren en met alle hartelijkheid die diensten bewezen, welke een vrouw meer dan een man in staat is waar te nemen: ja zelfs aangeboden hadden den nacht bij haar op te zitten.
Hoewel voor Helding een bed in een afzonderlijk vertrek gereedgemaakt was, verkoos hij, gelijk niet te verwonderen was, den nacht in de ziekekamer door te brengen. Wat mij betreft, ik begaf mij met Pulver, nadat wij het avondeten gebruikt hadden, in de ons aangewezen slaapkamer, waar wij ons in twee tegenover elkander geplaatste bedsteden ter ruste schikten. Ik was echter ook thans niet bestemd, die ongestoord te genieten: althans, nauwelijks was ik onder de dekens gekropen, of een luid gepraat, gevloek, gezang en geloop, dat mij zoo duidelijk in de ooren klonk alsof het in mijn slaapvertrek plaats had, schonk mij de onaangename overtuiging, dat mijn bedstede allernaast den zoogenaamden ge-meenen haard gelegen en daarvan slechts door een dun beschot was afgescheiden. Voorts bleek het mij, dat de herberg bezocht was door een aantal varensgezellen en visschers, die zich vrij luidruchtig aanstelden en wier gemeene taal verward dooreen klonk. Onder die stemmen was er een, welke het mij voorkwam meer te hebben gehoord; doch ik kon mij niet te binnen brengen, waar en wanneer zulks had plaats gehad. Dit alles hield mij uit den slaap, en ik kon niet nalaten, het lot van Pulver te benijden, die, meer verwijderd van het gedruisch, of beter daaraan gewoon, was ingeslapen zoodra hij de veeren geroken had, en met een luide basstem lag te snorken. Ik troostte mij echter met de gedachte, dat die drukke gasten niet den geheelen nacht in mijn nabijheid blijven, maar ook weldra hun kwartier zouden zoeken, en besloot inmiddels geduld te nemen.
En inderdaad, langzamerhand dropen de gezellen één voor één af, en hoorde ik Reynszen elk op zijn beurt een goeden avond wenschen: zij waren allen op één na weg, toen de laatst overgeblevene, dezelfde, wiens stem mij bekend voorkwam, tot den waard begon te spreken:
âWel! hoe is 't? Is die vent met zijn duffelsch buis hier niet meer, die met die bleeke meid is komen andwalen?quot;
âJawel!quot; antwoordde Reynszen; âmaar ik weet niet, of hij jou nu wel te woord zal staan; want zen liefste is dan maar erg ziek. 't Zal krap an zijn, as ze den morgen haalt.quot;
âDat d... . niet. Zeg hem, dat hij hier komt, dat Andries er is, en hem spreken moet.quot;
..Andries!quot; herhaalde ik bij mijzelven, terwijl het koude zweet mij over het lijf liep. En ik verwonderde mij niet langer, dat mij de stem bekend was voorgekomen. Ik ging recht overeind zitten en spande mij nu zoozeer in om te luisteren en geen woord te verliezen, als ik vroeger mijn best gedaan had om niet naar het gepraat te hooren.
âNu, ik wil hem wel roepen,quot; zeide de waard: âmaar toch ik twijfel, of hij hier zal komen.quot; Met deze woorden verliet Reynszen het voorvertrek. Andries bleef met de vingers op tafel trommelen en een liedje neuriën, terwijl ik, geheel ontroerd over het zonderlinge toeval, dat mij opnieuw in de nabuurschap bracht van een zoo gevaarlijken fielt, bij mijzelven overdacht, of het ook raadzaam zou wezen, hem aan te geven. Spoedig echter hoorde ik de deur, welke naar het achterhuis leidde, weder opengaan.
âWel!quot; klonk do stern van Andries den binnenkomende te gemoet: âlag je vertuid, dat je zoolang noodig hadt het anker te winden?quot;
âWat wilt gij ?quot; vroeg Sander met een sombere stem.
âWat ik wil? â Wel nu nog fraaier! Hebben wij geen afspraak gemaakt om mekaar hier te praaien? En waarvoor ben je anders hier angeland ?quot;
â't Is waar!quot; antwoordde Sander met een diepen zucht;
235
âmaar het was al verklikt, dat ik hier zou komen. Ik ben bij den Drost ontboden geweest. ...quot;
âWelnu! En hij heeft u weer laten afzeilen; anders zou je nu niet hier met mij spreken: â wat wou hij?quot;
âHij heeft mij te kennen gegeven, dat hij in last ontvangen had, mij in verzekering te nemen; maar tevens dat dit eiland vanouds een vrijplaats was voor zoodanigen, die hier stil verkozen te leven en borg stellen voor hun goed gedrag.'quot;
âBij (),quot; zeide Andries: âwij zouden borg voor elkaar kunnen wezen.quot;
,.lk heb hem een goeden borg op rafel gelegd,quot; hernam Sander: âen die heeft hij ter griffie gedeponeerd: zoodat wij als beste vrienden gescheiden zijn.quot;
âBij mijn zolen,quot; zeide Andries: ..ik zou hem ook zulk een borg wel willen geven; maar, dan is het eerst noodig, dat ik die zelf ga koopen: â en daarover moeten wij nu samen scheepsraad beleggen.quot;
,.Ik dank u,quot; zeide Sander: ,.ik heb reeds genoeg op mijn rekening, en begeer mijn zondenregister niet te vergrooten.quot;
âHoe! wat!quot; riep Andries uit; âis de man een kind geworden? Zet () die grillen uit den kop: neem een glas brandewijn en verzuip daar alle viezevazen in. Ga zitten vent! Denk je, dat ik hier ben ten anker 'ekomen om bot te vangen?quot;
Er was een oogenblik stilte: ik hoorde stoelen verschuiven, en bemerkte, dat beiden zich aan de andere zijde van het beschot, dat ons scheidde, hadden geplaatst.
âJongen!quot; zeide Andries: âer is zulk een schoone zaak voor ons te doen. Dat pakhuis.... ik ben er heen gelaveerd .... met eenen trap ligt de deur in ... . kostelijke thee man, en geen averij : en Joosje ligt met zijn aak in de haven. In een ommezien is het voort, zonder dat iemand lont ruikt of vermoeden op ons heeft.quot;
âDat zal nooit gebeuren!quot; zeide Sander: _die Huyck is een braaf slag van een kerel, en ik zal niet dulden, dat iemand de hand slaat aan 't geen hem toekomt.quot;
236
âHuyck zeg je? Welke Huyck?quot; vroeg Andries, blijkbaar verwonderd.
âDe zoon van den Hoofdofficier,quot; antwoordde Sander: âhij is gisteren gekomen en logeert hier in de herberg.quot;
âTe droes! doet hij? â Wel dan zou ik een dubbelen trek in de zaak hebben; want ik heb met dien verbrusten zandhaas nog een ouwe afrekening te houen â en zoo ik hem op de eene of andere wijze averij bezorgen kan, ik zal het, de d .. . . haal mij, niet laten.quot;
âGij zult wel,quot; zeide Sander: âofwij worden kwade vrienden.quot;
âNu! dan wat anders,quot; hernam Andries: âik bedank om mij hier te vertuien: en dien meester Doedes vertrouw ik zooveel als een verrotte plank en heb ook geen plan hem anders als het voormarszeil te betalen. Hij zal, als hij onze borgtochten beetheeft, er net zooveel consciëntiewerk van maken om ons uit te leveren, als ik om dit glas brandewijn te drinken. Hoor! ik weet iets, dat ons er uit helpt. De pleit is hier toch van het schip en wij moeten zien hoe wij verder komen. Nou is er van avond een hoeker op Maklijk-Oud voor anker gekomen, die wel niet voor overmorgen het zeegat uitgaat. Wat dunkt je, zoo wij die eens een bezoek brachten en de reis op eigen gelegenheid deden?quot;
âHoor Andries!quot; zeide Sander: âIk ben hier gekomen, 't is waar, om met u en de overige makkers te overleggen, wat ons te doen stond; maar ik ben van gedachten veranderd: wat gij voorhebt is mij om 't even: ik zal u geen stroobreed in den weg leggen; maar reken niet op mij om u te helpen.quot;
âWel die en dat, hoe heb ik het met je? Ben je bekeerd of heb je een schat opgevischt? â- En zou je ons nou verraaien, nou we je hulp het meest noodig hebben?quot;
âIk herhaal, dat ik u niet verraden zal, maar stil uw gang laten gaan: dit moet u genoeg zijn. De reden, waarom ik mij niet, als vanouds, aan uw hoofd stel, is u, dunkt mij, tamelijk onverschillig. Ik wil niet, en daarmee uit.quot;
âBrui naar de pomp,quot; zeide Andries, wrevelig: âheeft die
237
sloerie je omgepraat: 't is er ook een lievertje naar! â⢠En hoe wil je, dat ik zulk een boodschap an de maats overbreng? Zij zullen het immers niet 'elooven. En wat koers zei je dan verder honen? Of ben je een stille verklikker 'eworden.quot;
âWat ik doen wil, of doen zal, is mijne zaak,quot; zeide Sander: âik heb gehoord, wat gij te zeggen hadt, en wensch u goeden nacht: â ik kan mij thans niet langer met u ophouden: vaarwel.quot; â- Dit zeggende stond hij op.
, Maar wat deksel! Is het Zwarte Piet, dien ik spreken hoor? of is hij 't niet?quot; vroeg Andries, oprijzende en hem volgende: âbedenk toch: een spiksplinternieuw vaartuig, -en een rijke vracht â je bent nou zeker wat dingsig onder je baaitje om de ziekte van die seldrementsche meid; maar denk er reis over na, en zoo je er nog toe besluit, geef er mij dan morgen met den dag maar sein van. Wij ankeren zoolang bij . . . .quot; Hier veranderde zijn stem in een zacht gefluister, hetwelk ik niet verstaan kon. Sander scheen echter geen voldoend antwoord te geven; want ik hoorde ten slotte Andries met een zwaren vloek van hem gaan onder den uitroep van: âje verdijt het? wel ga dan en laat je opknoopen!quot; â Een oogenblik later hoorde ik hem de voordeur uitgaan, die hij met geweld achter zich toetrok, terwijl ook Sander zich van zijnen kant verwijderde.
Ik bleef de zaak overpeinzen. Naar het weinige, dat ik begrepen had, te oordeelen, kwam het mij niet onwaarschijnlijk voor, dat Andries en zijn makkers het oogmerk hadden, om het Deensche vaartuig te verrassen en prijs te maken; doch het denkbeeld boezemde mij eenige gerustheid in, dat zij die onderneming te gewaagd aanzagen om die zonder de leiding of medehulp van Sander te doen. Ik achtte het ondertusschen mijn plicht, zoowel den Kapitein van het schip ais de Overheden op Terschelling te waarschuwen van het gesmeede ontwerp, en het deed mij leed, dat ik het adres van de plaats, waar de booswichten bijeenkwamen, niet had kunnen verstaan. Ook was ik niet geheel zonder bezorgdheid over de
koopwaren, die in het pakhuis lagen; doch ik vleide mij, dat daar vooreerst geen aanslag op gedaan zou worden en dat ik in allen gevalle aan Sander een steun zoude hebben om die goederen, al werden zij gestolen, weder terug te bekomen. Lang nog hielden de ontroering over het gebeurde en de overpeinzingen, die daarvan het gevolg waren, mij uit den slaap, totdat eindelijk de vermoeidheid zegevierde en ik het geluk had in te sluimeren. Toen ook was mijn slaap zoo vast, dat de zon reeds hoog aan den hemel stond eer ik ontwaakte. Ik bemerkte dat Pulver reeds was opgestaan, en waarschijnlijk uit bescheidenheid, het vertrek verlaten had zonder mij te wekken. Ik kleedde mij spoedig aan en haastte mij naar het voorhuis, ten einde hem op te zoeken. Ik vond echter noch hem, noch Eeynszen; maar op mijn geroep kwam de vrouw van laatstgemelde aangeloopen.
âZoekt Mijnheer mijn man en den Schipper?quot; antwoordde zij op mijn vragen: âo heden! die zijn al sedert drie uren aan het pakhuis. Zij wilden Mijnheer niet wakker maken: Mijnheer sliep zoo gerust.quot;
âEen fraaie reden!quot; zeide ik, eenigszins ontevreden: âdenken zij, dat ik hier op Terschelling gekomen ben om te slapen? â En hoe staat liet met de zieke?quot;
âSlapjes!quot; antwoordde vrouw Reynszen: âhet arme schaap zal het niet lang meer maken: och! 't is stichtelijk om te hooren, zoo onderworpen en gelaten als zij is; en de ouwe man is dan danig en danig bedroefd, en de andere ook, zoodat het met geen droge oogen is bij te wennen. Gisteren gaf de meester nogal hoop, dat het schikken zou; maar hedenmorgen had hij er ook al geen zinnigheid in.quot;
âHoe! â is de Dokter ook al reeds hier geweest?quot; vroeg ik, hoe langer hoe meer ontevreden op mijzelven, dat ik mij verslapen en op Pulver, dat hij mij niet gewekt had en de noodzakelijkheid gevoelende, van mij terstond naar het pakhuis te begeven: ik legde echter vooraf een kort bezoek af bij de zieke, verzocht aan Helding alles te bestellen, wat hij tot gemak of lafenis mocht noodig oordeelen: en, Sander ter
239
zijde nemende, gaf ik dezen te kennen, dat ik hem een oogenblikje afzonderlijk wenschte te spreken.
âIk heb gisternacht uw gesprek met Andries gehoord,quot; zeide ik, zoodra wij ons alleen bevonden.
Hij bloosde en zag een wijl voor zich neder: âwelnu!quot; zeide hij toen, het hoofd met eenige fierheid opheffende, ..dan zal UEd. ook gehoord hebben, dat ik genoten weldaden weet te erkennen.quot;
âDat heb ik,quot; zeide ik: âen ik dank u voor de ridderlijke wijze, waarop gij voor mijn thee in de bres zijt gesprongen. Ik beklaag u, arme man, want gij wilt den goeden weg op, en gij weet slechts niet, hoe zulks aan te vangen: is het zoo niet?quot;
âAch Mijnheer! moet ik het u bekennen?quot; zeide Sander, terwijl hij weder voor zich zag en het hoofd met weemoed schudde: âUEd. hebt betere gedachten van mij dan ik verdien. Toen ik op dit eiland aanlandde, was het niet met het voornemen om mij te beteren. Het is waar, dat het leven, hetwelk ik in Gooiland leidde, mij tegen de borst stuitte; want ik was niet in de wieg gelegd om een gemeene straatroover te zijn. Neen! het leven en bedrijf in de West-Indiën, dat was meer voor mij geschikt: en echter: zelfs daartoe ware ik nooit gekomen, had mij het voorbeeld van Don Manoel niet aangevuurd. Maar hij had aan mijn tot dien tijd toe sluimerende verbeeldingskracht een nieuwen weg aangewezen; hij had mij geleerd, datgene als iets grootsch en verheven te beschouwen, hetgeen ik voorheen zondig en schandelijk gerekend had. Hem te volgen, met hem op den Oceaan te strijden, dood en vernieling aan te brengen, was mij een wellust, een verdienste geworden. Zijn vijanden waren ook de mijnen; en zoo het mij reeds een onvolprezen voorrecht toescheen, als zijn Luitenant zijn manschap aan te voeren, hoe moest mijn hoogmoed dan niet stijgen, toen ik, na zijn vertrek, mij zelf tot opperhoofd verheven zag! â Ik weet, dat het handwerk, dat ik dreef, onwettig en ongeoorloofd was; dat de dood mijn loon was, indien ik gevangen werd; â maar aan
240
een anderen kant: ik was machtig, onafhankelijk, zonder iemand, die mij te bevelen had: ik schatte mij hooger dan een Admiraal; want deze moge de eerste op de vloot zijn. hij mag die vloot toch niet voeren, dan waar Heeren Staten het hem gelasten. Welnu! -â het was dat leven, het was die hooge rang, waar ik naar reikhalsde, dien ik weder herwinnen wilde: en ik wilde er Klaartje in doen deelen: want ondanks haar ontrouw, en ondanks al wat er gebeurd is, heb ik haar altijd blijven liefhebben, en de gedachte aan haar was de eenige, die mij soms kwelde, toen ik in de West-Indiën was. Het was daarom, dat ik Andries en zijne makkers hier had ontboden: mijn voornemen was â en hij weet het goed die schoelje â om zoo mogelijk een goed zeebouwend vaartuig weg te kapen: en eenmaal in het ruime sop gekomen, zou ik den weg naar het Meer vau Maracaibo en mijn oude makkers wel weder hebben teruggevonden.quot;
âEn,quot; zeide ik, âom aan uw dwazen, doemwaardigen wensch te voldoen, zoudt gij in koelen bloede de manschap vermoord hebben van het schip, dat gij behoefdet?quot;
âDat alles is voorbij,quot; vervolgde Sander, zonder mijn vraag te beantwoorden. âIk heb Klaartje teruggezien: ik ben getuige van haar lijden, van haar berouw geweest: ik heb
gevoeld, dat ik nog te weekhartig was om____ vergeef mij....
een rol vol te houden, die een hart van staal vereischt. Ik heb van mijn voornemen afgezien: â en ik ken mijn makkers genoeg: zij zullen het zonder mij niet durven ondernemen, veelmin ten uitvoer brengen: â zij zullen zich verstrooien : â en de hemel geve, dat ik nooit weer van hen hoore.quot;
âEn gij,quot; vroeg ik: âwelke zijn uw verdere plannen?quot;
âKan ik aan de toekomst denken, zoo lang zij ginds ligt te sterven?quot; vroeg hij op een eenigszins verwijtenden toon.
âJa, dat kunt en moet gij,quot; antwoordde ik, na een oogen-blik geweifeld te hebben: âgij moet uw leven beteren en dat moogt gij geen oogenblik uitstellen. Gij moet dit land verlaten, waar gij niet langer als een eerlijk man kunt leven,
241
maar de wereld staat voor u open. Ga naar Rusland: daar worden wakkere gezellen als gij, die het zeemanswerk verstaan, met open armen ontvangen: bied daar uw diensten aan en gij zult door de wereld komen: is het al niet in een hooge betrekking, dan althans in zulk eene, welke gij u nimmer behoeft te schamen.quot;
âGij meent het wel met mij, Mijnheer Huyck!quot; zeide Sander, met aandoening: âen ik zal uw woorden overdenken; maar verg mij niet, thans reeds eenig besluit te nemen. Ik moet eerst aan Klaartje de oogen sluiten; dan misschien.... God zegene u, Mijnheer Huyck!quot;
Met deze woorden wendde hij zich af en keerde naar het ziekvertrek terug. Zijn verhaal had een diepen indruk op mij gemaakt.
âAl weder een slachtoffer van kwalijk geplaatste eerzucht,quot; dacht ik bij mijzelven, terwijl ik de herberg verliet: âdie Sander had een braaf en nuttig mensch kunnen worden, indien zijn ongelukkig gesternte hem niet het al te verleidelijke voorbeeld van Don Manoël had voor oogen gesteld: en deze zal eens, op den dag des oordeels, behalve zijn eigen schuld, ook de wandaden te verantwoorden hebben, waaraan zich deze ongelukkige heeft schuldig gemaakt.quot;
Aldus peinzende, was ik weldra de bergplaats der gestrande goederen genaderd, en zag van verre den braven schipper-, die zweetende en zwoegende zijn matrozen bevelen gaf, terwijl zij onder zijn opzicht de kisten thee op een paar wagens laadden, en Reynszen hen voor de open deur van het pakhuis stond aan te zien. Zoodra Pulver mij in 't oog kreeg, liep hij naar mij toe, roepende:
â't Is al afgewasschen Patroon! zooals de kajuitsjongen zei, toen hij de hemden van den kapitein overboord had laten vallen: ik heb den deurwaarder van morgen al uit zijn bed getrommeld, en hij heeft een exploit aan Reynszen gedaan, je leven zoo niet.... en het geld betaald ook: en nou gaan wij den boel naar de Kjöbenhavn brengen. Kijk eens. Patroon! 't is een lust om te zien, zoo kurkdroog als de
II. - F. H. . 10
242
kisten gebleven zijn; er is geen druppel water bij de thee gekomen: â nu in allen gevalle, dat zou aan hem, die ze drinken moet, de moeite van 't zetten bespaard hebben.quot;
âEn drink jelui waarachtig dat goed non te Amsterdam?quot; vroeg Reynszen, nader tredende: â't is bylo een rare kost: ik heb 't eens gezien: maar ik zou 't niet lusten.quot;
âKom! kom!quot; zeide ik: âmettertijd zult gijlieden er ook wel smaak in krijgen, als 't wat algemeener wordt. Maar wat ik zeggen wilde, Kapitein! gij hebt mij een leelijke poets gebakken, met mij zoo te laten slapen. Ik weet, gij deedt het om bestwil; maar anders: ik ben daar niet op gesteld.quot;
âOch Patroon! je sliep zoo gerust: ik wou je niet wakker maken, zooals de dief zei, toen hij het horloge van den huzarenofficier van het beddetafeltje nam en de officier hem bij de lurven pakte: â en wij konden dat alles immers best afdoen, Reynszen en ik?quot;
âMet verlof!quot; zeide ik tegen dezen: âkendet gij de lieden, die gisteravond laat ten uwent waren?quot;
âNeen!quot; antwoordde Reynszen: âhet is eerst sedert een paar dagen, dat zij bij mij aankomen: de eene, zooals hij zegt, wil veulens koopen: de andere heeft weer een negotietje van snuisterijen: en een derde is een matroos, die verlof heeft: en een vierde is voor pleizier mee, maar wat verscheelt het mij ? zoolang zij betalen, vraag ik niet, wie zij zijn, of hoe zij heeten: -â en bovendien, Terschelling is een vrijplaats vanouds: al hadden zij wat uitgericht, dan mag niemand hen hier molesteeren.quot;
âIk weet niet,quot; zeide ik, âof de Heeren Staten veel om uw vrijplaats zouden geven; maar zoude het u aangestaan hebben, indien zij, gelijk hun eerste voornemen was, dit pakhuis leeg gestolen hadden?quot;
âDe duiker haal me!quot; zeide Reynszen, verbaasd: âvoerden die lieve jongens zulke dingen in hun schild?quot;
âOf wat zoudt gij er van denken,quot; vervolgde ik, met genoegen den indruk bespeurende, dien mijne redenen maakten: âindien zij eens in den volgenden nacht het vaartuig beklom-
248
men, dat ginds op de reede ligt, de manschap afmaakten en overboord smeten en met het schip gingen strijken?quot;
âMet onze thee gaan strijken!quot; riep Pulver, opstuivende.
âZoudt gij dan wel in uw schik zijn,quot; vervolgde ik, âvan dat voorgewende recht van vrijplaats te hebben volgehouden, en daardoor aanleiding te hebben gegeven tot den moord van die ongelukkigen, die zich ginder veilig wanen, en het vast vertrouwen koesteren dat een goede Justitie voor hen waakt.quot;
âO die schelmen!quot; riep de waard, met vuur: âhebben zij zulke voornemens? Wacht! daar zullen wij toch even met den Drost over dienen te spreken; want voel je, die dient de zaak toch te beslissen. â En hebben zij zoo openhartig en luidruchtig over hun plannen gesproken, dat UEd. het hooren kon? Maar wanneer hebben zij dat toch gedaan? want, zoolang ik in de kamer was, is er geen woord over gevallen.quot;
Ik bedacht mij een oogenblik, alvorens te antwoorden; want ofschoon ik het hoogst noodig oordeelde, dat Andries en zijn makkers gepakt werden, wenschte ik Sander wel te sparen. âHoor eens!quot; zeide ik eindelijk: âhoe ik er achter gekomen ben is hetzelfde, en dat zal ik op zijn tijd wel aan de Justitie ontdekken. Draag gij intusschen zorg, dat men een wakend oog over die kerels houde en hun gangen naga: dat moet, dunkt mij, hier op 't eiland niet moeilijk wezen.quot;
âNeen voorwaar!quot; zei Pulver lachende: âzij moesten in een konijnshol kruipen; anders weet ik niet, waar zij zich hier zouden verstoppen.quot;
âEen goed verstaander heeft aan een half woord genoeg,quot; zeide Reynszen: âen Mijnheer wordt voor zijn inlichting bedankt. Jawel, Terschelling is een vrijplaats; maar 't behoeft daarom geen boevennest te worden. Nu! ik kuier op en zie of ik den Drost kan vinden. Tot straks dan.quot; â Dit gezegd hebbende, verwijderde hij zich, mij met Pulver bij de vrachtwagens latende.
âWat dunk je, Patroon?quot; vroeg Pulver, toen hij weg was: âzou UEd. ook lust hebben om met de schuit mee te gaan naar de Kjöbenhavn, voor een veranderingetje? Er is hier
244
toch niet veel raars te zien. Kapitein Holmfeld is een hup-sche vent. die ons goed onthalen zal, wees daar zeker van: en dan kan UEd. hem de kisten zelf aanbevelen. Dat heeft altijd meer klem, dan dat ik het doe. '
Ik omhelsde dit voorstel met genoegen; daar het verblijf op Terschelling toch niet zoo vermakelijk was, of het kon wel eenige variatie gedoogen; ik liet mijn mantel door een der matrozen halen, en weinige minuten waren er verloopen, toen ik, met Pulver en een gedeelte der manschap van de Fortuin, mij in het vaartuig bevond, hetwelk de theekisten naar het Deensche schip moest overvoeren. In een klein half uur tijds waren wij de haven uit en op de reede gekomen, en zag ik Kapitein Holmfeld aan de trap staan, onze komst verbeidende. Niet verre van hem stonden twee in mantels gewikkelde personen, die insgelijks naar ons uitkeken.
âHet schijnt dat er passagiers aan boord zijn,quot; zeide ik tegen Pulver.
âDat dunkt mij ook,quot; zeide Pulver: âja, dat is geen wonder: er trekken tegenwoordig heel wat lieden dien koers uit.
Nu! wij zullen zien.quot;
Weldra lagen wij naast de kof: âalles wel! alles wel! klonk het nu over en weer. âHier breng ik je een heele winterprovisie,quot; riep Pulver zijn confrater toe: âzoo geurig, dat je schip er wel een jaar naar rieken zal.quot;
â't Is mij welkom,quot; gaf Kapitein Holmfeld, een stevige vierkante Deen, hem in goed Hollandsch ten antwoord. âMaar gij komt immers ook aan boord, met dien Heer, dien gij bij u hebt?quot;
âWel gewis!quot; zeide Pulver, terwijl hij de ladder besteeg: âdat is een van mijn patroons, dien ik meebreng: hij zal u, hoop ik, ook geen belet doen.quot;
âIn 't minste niet,quot; antwoordde Holmfeld; terwijl twee matrozen van zijn manschap aan die van ons vaartuig een paai handspaken toestaken, die mij bij het opstijgen tot een leuning
veistrekken moesten.
âNu blijft gijlieden toch eten?quot; vervolgde de Kapitein: âik
245
ga toch niet voor morgen het zeegat uit. Stuurt uw schuit maar weg, en laat die u t'avond terug komen halen; of anders, ik zal u wel met de sloep aan wal laten brengen; want de wind gaat toch liggen: wij krijgen stilte.quot;
âWat mij betreft,quot; zeide ik, na Pulver even te hebben aangezien: âik neem gaarne uw aanbod aan: te liever, daar ik betere gedachten van uw keuken heb, dan van den Ter-schellingschen pot.quot;
âNu!quot; dat is mij lief,quot; hernam Holmfeld: âwel! wel! 't is een macht van kisten, die gij mij aanbrengt: als ik ze alle maar plaatsen kan: â en staat gij er voor in, Schipper! dat er geen avarij aan is?quot;
âGij kunt ze zelf bezien,quot; zeide Pulver: ,.er is geen drop water bij gekomen.quot;
De kisten, die intusschen aan boord waren overgebracht, werden met de vereischte nauwkeurigheid bezichtigd en voor-loopig op het dek bijeengezet en met een zeil bedekt, terwijl men bezig was er tusschendeks een geschikte bergplaats voor gereed te maken.
âIk behoef u de zorg voor de waren, die ik meebreng, niet aan te bevelen,quot; zeide ik tegen Holmfeld: âmaar wat ik u in de eerste plaats op het hart moet drukken, is de zorg voor uw eigen schip; want het kon wel gebeuren, dat gij in den volgenden nacht een bezoek ontvingt, dat u alles behalve welkom ware.quot; â En ik verhaalde hem in korte woorden het plan, waar ik onderricht van bekomen had: er bijvoegende, dat het bestuur van Terschelling, naar mijne gedachten, wel de noodige maatregelen zou nemen om een aanslag te voorkomen.
âDat wensch ik,quot; zeide Holmfeld: âmaar in allen gevalle dank ik Mijnheer voor de waarschuwing: en zoo zij het in den kop kregen, zoo iets te beproeven, zouden zij ook ondervinden, dat Kapitein Holmfeld handen aan 't lijf en fiksche gasten aan boord heeft. Maar zij zullen het niet zooverre laten komen. â Wees zoo goed en zeg er maar niets van dat de passagiers liet hooren. Die menschen mochten zich
246
maar noodeloos ongerust maken: ofschoon, wat den ouden Heer betreft, ik niet bang zoude wezen, dat hij mij in den steek liet zitten, 't Is een kerel als een boom, en die mee in zijn leven de plankenvloer heeft beloopen; dat zag ik direct wel toen hij aan boord kwam: geen landrot zou zoo op zijn gemak over het dek gekuierd hebben.quot;
âDat is waar ook,quot; zeide ik: âgij hadt, dunkt mij, passagiers aan boord, waar zijn die gebleven? Ik hoop niet, dat zij bang voor mij zijn.quot;
âWel neen!quot; zeide Pulver, zich in het gesprek mengende; âwij zullen ze niet opeten, zooals de matrozen zeiden, toen zij de vaatjes rum van den bottelier hadden gekaapt.quot;
âZij zijn naar beneden gegaan,quot; zeide Holmfeld: â't schijnen hupsche menschen; maar wat schuw van vreemde aangezichten. Wij zullen hun echter laten vragen, of zij niet mede een kopje koffie komen drinken. Toe Melis! loop eens gauw naar beneden, en vraag, of Mijnheer en de Juffer ons met hun gezelschap willen vereeren. Zeg dat er niemand vreemds is als de Kapitein van de Fortuin en Mijnheer Huyck.quot;
Wij begaven ons hierop in de kajuit, waar koffie, brood en boter werd aangebracht; en nauwelijks had Pulver zijn koperen tabaksdoos uitgehaald, en een pijp met een geweldige pruik gestopt, of de deur ging open en ik herkende in de binnentredende passagiers â¢â Amelia en haar vader. Ik stond eenigszins verzet; echter was mijn verwondering over hun onverwachte verschijning minder groot dan bij vorige gelegenheden ; ik geloof, dat ik reeds aan dergelijke verrassingen gewoon was geworden. Niet wetende, in hoeverre hun ware naam en betrekking aan den kapitein bekend waren, vergenoegde ik mij, hen beleefdelijk te groeten, terwijl alleen een glimlach, dien ik niet weerhouden kon, aan een derde zoude hebben kunnen doen gelooven, dat ik hen vroeger gekend had: en ik besloot mijn handelwijze naar de hunne te regelen; daar zij toch van den kajuitsjongen bericht hadden ontvangen, wien zij boven zouden vinden, en zich dus konden voorbereiden, hoe zich jegens mij te gedragen. Maar zoo ik al zweeg
247
en mij goed hield, er was iemand in ons gezelschap, op wien de komst van de nieuwaangekomenen een indruk maakte, die zich niet zoo licht bedwingen liet. De goede Pulver namelijk had hen nauwelijks in 't aangezicht gekeken, of hij sprong van de bank, waar hij op gezeten was, zoodat de versch gestopte pijp in stukken vloog en, met een goed deel tabak, asch en vuur daarnevens, op den grond rolde, staarde vader en dochter met open mond beurtelings- aan en sloeg toen de handen ineen, dat het klapte:
âWat drommel!quot; riep hij eindelijk uit: âheb ik het mis, of heb ik het wis?quot;
âHoe zoo?quot; vroeg Holmfeld: âkennen de vrienden mekaar?quot;
âDezen Heer ken ik,quot; zeidc Van Lintz, met een onveranderd gelaat: en naar mij toetredende, drukte hij mij de hand.
âNeen maar....quot; hernam Pulver: âbij mijn zaligheid zou ik er op durven zweren: â en toch is het niet wel mogelijk. â Maar zoo ik niet wist dat het geen droom is, en dat wij hier werkelijk in 't Maklijk-Oud bij Terschelling lagen, op den hoeker de Stad Kjöbenhavn, Kapitein Holmfeld, dan zou ik denken, dat wij ons in de zee van de Antilles bevonden.quot;
âDat is wat ver van hier,quot; zeide Van Lintz, met het on-noozelste gezicht van de wereld, terwijl hij eenige vonken uittrapte, die de pijp van Pulver op de vloermat gestrooid had.
âWel! Wel!quot; vervolgde Pulver: âhadden wij nu Sandertje maar hier: â die kon getuigen, of er ooit zoo'n gelijkenis bestaan heeft. â Eu de Jufter ook â net datzelfde vriendelijke bakkesje, schoon wat grooter en bleeker dan toen: -neen! nu kan ik er toch niet meer aan twijfelen.quot;
âEr bestaat geen onmogelijkheid, dat wij elkander vroeger gezien hebben,quot; zeide Van Lintz, op een koelen toon: âmaar uw gezicht staat mij niet voor.quot;
âWel mogelijk!quot; zeide mijn metgezel: âKapitein Pulver, tot uw dienst â vroeger schipper van de Compagnie op de Prins te Paard, thans van het huis Van Bempden, Van Baaien en Comp. op de Fortuin, die, God beter 't, ginds in 't zand ligt bedolven. â En heeft UEd. alzoo het. . ..
248
handwerk vaarwelgezeid? â- Nu! dat is prijselijk: â er was toch weinig eer mede te verdienen,quot;
Amelia zag beangst en bevende, eerst haar vader, vervolgens mij aan met een smeekenden blik. Eerstgemelde bleef echter op denzelfden koelen toon tegen Pulver voortgaan:
âIk weet niet,quot; zeide hij: âwat gij bedoelt. Mijn naam is: Bos: en ik ben op de Antilles nooit geweest.quot;
âUw herinneringsvermogen bedriegt u, vriend Pulver!quot; zeide ik; âik ken dien Heer zeer wel: en de gelijkenis, die gij vindt, kan niet streelend noch aangenaam voor hem zijn.quot;
âNu! ik ontgeef het mij dan,quot; zeide Pulver: âik vraag verschooning, zoo ik den verkeerde voorhad, gelijk de soldaat zei, die zijn Kornel overhoop schoot: er is meer gelijk als eigen; maar die ontmoeting, op twaalf graden Noorderbreedte» ligt mij altijd door het hoofd te malen. Ik moet u die toch eens vertellen,quot; zeide hij, terwijl hij een versche pijp stopte.
âStraks!quot; zeide ik, het gesprek willende afleiden: âwij zitten pas en wij hebben den tijd nog. â Gij hebt het goed getroffen, Kapitein Holmfeld! Waart gij een paar dagen vroeger van Amsterdam gezeild, dan hadt gij den storm ook niet misgeloopen.quot;
âIk had niet verwacht, u hier aan te treffen, Mijnheer Huyck!quot; zeide Van Lintz, die inmiddels met zijn dochter had plaats genomen: âhet is waarschijnlijk de ramp, aan uw schip overkomen, die u herwaarts gevoerd heeft. â Wanneer is UEd. van huis gegaan?quot;
Ik voldeed aan zijn vraag en gaf hem een vrij omstandige beschrijving van mijn reis, minder uithoofde van de belangrijkheid mijner ontmoetingen als om te voorkomen, dat het gesprek tot het vroegere onderwerp terugkeerde. Toen ik gedaan had, vroeg Amelia:
âGij hebt dus Mejuffrouw uw tante nog vóór uw vertrek gesproken ?quot;
âJa!quot; antwoordde ik, beseffende, waar deze vraag op doelde: âzij was zeer wel en had bericht van u ontvangen.quot;
âIk verzoek u, haar minzaamst van mij te groeten,quot; hernam
249
zij : âeenmaal ter plaatse mijner bestemming gekomen, zal ik niet verzuimen haar te schrijven en nogmaals voor al haar goedheid te danken.quot;
âGij verhaaldet zooeven,quot; zeide Van Lintz, âvan de moeite, die gij gehad hebt, om uw eigendom, en dan nog wel tegen betaling van schandelijke bergloonen, uit de handen van den Strandvonder terug te bekomen, maar gij moogt nog van geluk spreken, dat uw vaartuig niet gestrand is op een plaats waar heerlijke rechten op de zeedriften en strandvonden worden uitgeoefend; want dan hadt gij wel geheel onverrichterzake kunnen terugkeeren.quot;
âOf op een plaats, waar zeeroovers wonen,quot; zeide Pulver er bij: âwant dan ware niet alleen schip en lading, maar ook leven of vrijheid er mede gemoeid geweest.quot;
âIk heb,quot; vervolgde Van Lintz, zonder zich aan de aanmerking van Pulver te storen, âvan nabij voorbeelden gezien, tot welk een uiterste die af knibbelingen en gewelddadigheden gedreven worden, welke men zich tegen hulpelooze schipbreukelingen veroorlooft, en hoe in een land, hetwelk roem draagt op vrijheid en verlichting, de winzucht ook te dezen opzichte alle menschelijkheid uitdooft. Ik was in mijn jeugd zeer bekend en zelfs nauw verwant met een Heer, wiens waren naam ik verzwijgen zal, daar een zijner zonen nog heden een aanzienlijk staatsambt bekleedt, en dien ik dus gemakshalve Murèl zal noemen. Deze Heer van Murèl woonde op zijn voorvaderlijk slot aan de noordkust van ons land gelegen; doch van het gezag, hetwelk zijn voorgeslacht had uitgeoefend, was hem slechts weinig bijgebleven, en het ontbrak hem bovendien aan middelen om zijn stand behoorlijk op te houden. Wel had hij grond genoeg in eigendom, en de afnemende zee vergrootte jaarlijks zijn grondgebied; maar om dit te bebouwen had hij de kosten eener indijking moeten dragen: en daartoe was hij niet in staat; te meer, daar hij geen slag, of geen lust had om van zijn inkomsten iets ter zijde te leggen; maar die verteerde naarmate hij die ontving; ja eer hij die ontvangen had. Wat hem nog het meest
250
opbracht, was bet strandrecht; wat op zijn wadden aan kwam spoelen of aan den grond raakte, was goede prijs; en daar kraaide nooit een haan naar; en wee den armen schipbreukelingen, die hulp of herbergzaamheid bij hem kwamen zoeken; want zij mochten zich gelukkig achten, indien zij vrij kwamen met opoffering van al hun geredde plunje, en indien hij hen niet de zee weer instuurde, waar zij pas uit gered waren. â Maar het was niet altijd stormweer: en niet altijd raakten er vaartuigen in het gezicht van het slot te Murèl aan den grond: doch mijn bloedverwant zaliger had een vrij zonderlinge en geheel eigene manier om te zorgen, dat dit gebeurde, en de kans zoo voordeelig mogelijk voor hem te maken. Hij was niet ongelijk aan sommige spelers, die, wanneer de fortuin hun niet gunstig is, raad weten om haar een weinig in de hand te werken en een zetje vooruit te geven. Zoo had hij b. v. altijd een loodsboot in zee, die bereid was haar diensten den voorbij varenden schippers aan te bieden ; doch wee dengenen, die ze aanvaardde; want hij kon zeker zijn, dat zijn vaartuig op het droge raakte en dat de lading in de bergplaats van den Heer van Murèl overging. Langen tijd was dit middel met een goed gevolg bekroond geworden; doch ten laatste kregen de schippers het in den neus en bedankten den Heer van Murèl voor zijn loodsen: â en nu moest er op een andere wijze raadgeschaft. Een zestal kloeke en welgewapende kerels werd den loods toegevoegd, en wanneer dan een voorbij-zeilend vaartuig aan boord werd geklampt, was het wel genoodzaakt zich aan hun bedrieglijke leiding over te geven en den gevorderden tol te betalen.quot;
âOnbegrijpelijk!quot; riep ik uit: âen werd dit geduld?quot;
âIk zoude het niet gelooven, veelmin verhalen,quot; ging Van Lintz voort, âindien ik het niet bad gezien; maar ik heb zelf, ik durf het thans wel bekennen, meer dan één dier tochten bijgewoond: ik was toen nog zeer jong, had geen recht besef van het mijn en dijn, en het kwam niet in mij op, dat mijn oom iets onbetamelijks of onwettigs zoude gelasten; te meer daar hij mij dikwijls onderhield over zijn voorvaderen, die.
251
naar hij beweerde, tot de Noordsche zeekoningen hadden behoord, wier leus was, op den Oceaan geen vrienden te kennen.quot;
âDan heeft UEd. toch zoo een beetje aan de zeerooverij gedaan,quot; zeide Pulver: âen ik was straks niet zoo geheel buiten koers, dat ik u voor dien anderen aanklampte, die een effectieve zeeroover was.quot;
âEn liet het Landsbestuur zulke gruwelijke dingen ongestoord heur gang gaan?quot; vroeg Holmfeld met een verbazing, welke ik deelde.
âWat zal ik u zeggen,quot; hernam Van Lintz: âde Heer van Murèl was geen gemakkelijke patroon, en zeker geen kat om zonder handschoenen aan te vatten. Zijn schuldeischers betaalde hij niet en hij lachte er wat mede, of zij hem voor de Rechtbanken citeerden. Eens kwam er een gerechtsbode uit Groningen, met voornemen van beslag op zijn goederen te leggen, zoo roerend als onroerend; maar nauwelijks was hij het slot genaderd. of de Heer van Murèl liet de brug ophalen en weigerde hem den toegang: toen de gerechtsbode hierop aandrong, binnengelaten te worden en met luider stem zijn mandaat begon te ontvouwen, liet de Heer van Murèl hem aanzeggen, dat hij zich spoedig van zijn grondgebied had te verwijderen, en dat hij hem in het tegenovergestelde geval zonder eenigen vorm van proces zou doen ophangen. De ambtsdienaar liet zich deze waarschuwing niet herhalen en dankte den Hemel, toen hij zich weder buiten de grenzen der Heerlijkheid bevond. â En die zelfde Heer van Murèl zat in de vergadering van H. E. Mogenden en was een van 's Lands bestuurders. Prijs wie lust heeft, na dit voorbeeld, de vrijheid, welke men in dit Gemeenebest geniet,quot; voegde de Heer Van Lintz er met een schamperen glimlach bij.
âMet verlof,quot; zeide ik: âjuist de omstandigheid, dat UEd. dit bijzonder geval aanhaalt en als iets schier ongeloofelijks vertelt, bewijst, dat het eenig in zijn soort is en daaruit alzoo geene gevolgtrekking ten nadeele onzer staatsinrichting in 't algemeen kan getrokken worden.quot;
Pulver, als een goed patriot, rangschikte zich bij mijn gevoelen; terwijl Holmfeld daarentegen beweerde, dat zijn passagier gelijk had en dat in de Vereenigde Provinciën eigenlijk niemand van die zoo hooggeroemde vrijheid genot had, buiten eenige bevoorrechte familiën. Hieruit ontstond een vrij langdurige woordenwisseling; waaraan Van Lintz een einde maakte, door mij voor te stellen, zijn verblijf beneden eens te bezichtigen; ik nam dit gereedelijk aan, te meer,quot; daar ik bemerkte, dat Amelia zeer naar de vrije lucht begon te verlangen: en, inderdaad, de damp, welke de beide schippers uitbliezen, had het vertrek zoodanig vervuld, dat men er den rook kon snijden.
VIJF-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK,
WAARIN DE GESCHIEDENISSEN VAN DE HEEREN BOS, VAN BEVEREN, DEN VLIES-BIDDER, DEN BARON VAN LINTZ, DEN GRAAF VAN TALAVERA, DEN ZEEEOOVER DON MANOEL ENZ. ENZ. WORDEN VERHANDELD, EN HETGEEN EVENWEL, WAT DE LENGTE BETREFT, MEE ZAL VALLEN.
Ik begreep, dat het bezoeken van zijn verblijf aan boord slechts een glimp was, door den Heer Van Lintz aangewend, om gelegenheid te vinden, mij alleen te spreken. Wij liepen dan ook de nauwe slaapplaatsen slechts even door, en, langs een andere trap weder op het dek komende, begaven wij ons naar de voorplecht.
âHet verheugt mij,quot; zeide ik, âdat ik u hier beiden in veiligheid en van alle vervolging ontslagen zie.quot;
âJa Mijnheer!quot; zeide Van Lintz, terwijl hij met den vinger de blanke streep aanwees, die, van Vlieland naar Terschelling
253
loopende, de grenzen tusschen het ruime sop en de binnenzee scheen af te teekenen; âdaarginds is het open vaarwater en de weg der vrijheid.quot;
âDroevig genoeg,quot; zeide ik, âwanneer men dien buiten zijn vaderland moet zoeken.quot;
âMijn vaderland!quot; herhaalde hij, met een bitteren lach: âwat noemt gij mijn vaderland? Is het dat rampzalige Graafschap, waar ik geboren ben en waar de eenzelvigheid van een onbeduidend plantenleven alleen gevarieerd wordt door buurt- of familietwisten? Zijn het die Zeven Provinciën, die, verdeeld in zeden en belang, gestadig met elkander overhoop liggen, en waar eenige laatdunkende kooplieden, die men in andere landen nauwelijks de tafel der lakeien zoude waardig keuren, onbeschaamd het meesterschap voeren en de wereld willen regeeren? Is het dat Spanje, dat mij vogelvrij verklaard heeft? â Ik ben een wereldburger. Mijnheer!quot;
Ik achtte het onnoodig, dezen onbillijken en onbetamelijken uitval te beantwoorden, welken ik overigens zag, dat door Amelia niet werd goedgekeurd: want zij schudde het hoofd en zag haar vader met weemoed aan.
âIk versta u, mijn dochter!quot; zeide hij, zich tot haar wendende: âik weet, wat gij denkt, schoon gij het schroomt te zeggen; gij beschuldigt mij in uw hart, dat ik menschen en staten onrechtvaardig beoordeel, en dat ikzelf in vele opzichten de rampen, die u en mij troffen, door mijn handelwijze heb verwekt. Het is mogelijk: ik heb nooit willen buigen voor onrechtmatig gezag, noch voor wetten, door willekeur ingesteld. â Maar hierover genoeg: de oogenblikken zijn kostbaar en behoeven niet verbeuzeld te worden: ik ben den Heer Huyck schuldig, zijn weetgierigheid te voldoen en hem die omstandigheden uit mijn levensloop mede te deelen en op te helderen, welke hem nog duister mochten voorkomen. Ik had gedacht, dit bij brief te doen; onze wederontmoeting biedt mij een gemakkelijker gelegenheid aan, om mij van die taak te kwijten.quot;
Ik betuigde hem mijn genoegen over zijn toezegging: en
254
zich op een affuit gezet hebbende, begon hij zijn verhaal: âIk ben geboren uit een adellijk geslacht van het Graafschap Zutfen, de jongste en thans eenig overgeblevene van een aantal kinderen. Mijn vader, de Baron Van Lintz, bracht zijn dagen op zijn afgelegen landgoed door, daar hij geen eigen middelen bezat om in de groote wereld eenig figuur te maken, en de Roomsche godsdienst, welken hij beleed, hem van het bekleeden eener winstgevende bediening uitsloot. Ik scheen dan ook bestemd om, gelijk mijn broeders, stil en onopgemerkt als een boeren-edelman voort te leven; maar het was anders door het lot beslist. Mijn moeder, die tot de heerschende Kerk behoorde, had in 's-Hage en elders vele en aanzienlijke bloedverwanten: en dezen, een meer dan gewonen aanleg in mij meenende te bespeuren, beduidden haar, aan mijn opvoeding een meerdere zorg ten koste te doen leggen, dan mijn broeders ten deel viel; terwijl zij met eikanderen de daartoe vereischte uitgaven op zich namen. Ofschoon ik door mijn vorderingen aan hun verwachting vrij wel beantwoordde, en een kennis van zaken en personen verkreeg, welke mij in mijn volgende loopbaan wel te stade kwam, had ik echter geen trek, om, gelijk zij verlangden, een geleerde te worden. Ik helde meer tot den zeedienst over, waartoe ik â 't geen zeker vreemd genoeg scheen in iemand, die, als ik, in een land-provincie geboren was â een bijzondere neiging gevoelde, welke nog versterkt was geworden door de tochtjes, die ik jaarlijks, staande mijn verblijf bij mijn oom te Murèl, op de Noordzee deed en waarvan ik u zooeven het een en ander verhaalde. Deze, mijn oom Van Murèl, was de eenige, die mijn neiging billijkte. Tegen den zin mijner overige bloedverwanten, die het belachelijk vonden, dat ik een loopbaan in zou treden, waar ik het, uithoofde mijner kerkleer, nooit ver in kon brengen, werd ik, door zijne bemoeiingen, als adelborst aangesteld: en na een paar jaren dienst zag ik mij, 'tzij door toedoen mijner beschermers, 'tzij omdat ik het werkelijk wel maakte, tot Luitenant bevorderd. Dit was nu zeer goed en wel; maar nu was ik ook tot dien rang ge-
255
stegen, waar de slagboom neerviel: en kleingeestige staatsinstellingen moesten mij beletten, hier te lande ooit hooger op te klimmen.
Ik leerde ondertusschen, te Amsterdam zijnde, de dochters van den op pensioen gestelden Kapitein Reefzeil kennen. Ik werd verliefd op de jongste, en zag mij weldra gelukkig door haar wedermin. Het verschil van Godsdienst was echter een hinderpaal, waartegen mijn ouders minder zouden hebben opgezien (daar, gelijk ik zeide, mijn moeder insgelijks de hervormde leer beleed), doch die voor den ouden streng rechtzinniger. Reefzeil onoverkomelijk was. Bij de teleurstelling, welke ik hierdoor ondervond, voegden zich de verdrietelijkheden, welke mij dagelijks kwelden, wanneer ik jongere of min bekwame officieren mij over 't hoofd zag stijgen, alleen omdat zij der heerschende Kerk waren toegedaan. Ik had dit vroeger, bij 't aanvaarden mijner loopbaan minder geteld; doch nu ik het ondervond, werd het mij onverdraaglijk. Ik was, daar mijn geboorte mij den toegang tot de hoogste klingen verschafte, in kennis geraakt met den Spaanschen (iezant, en deze opende mij de gunstigste vooruitzichten, indien ik konde besluiten, in den dienst van Z. Katholieke Majesteit te treden. Dit voorstel kwam mij te aanlokkelijker voor, nademaal ik begreep dat ik op deze wijze mijn twee vurigste wenschen, het bezit mijner dierbare Cornelia en een hooger stand in de maatschappij, zoude kunnen bereiken. Ik haalde haar over, met mij te vlieden, zond mijn ontslag inr trouwde heimelijk in de kapel van den Gezant en vertrok, door hem van goede brieven van aanbeveling voorzien, met mijn echtgenoote naar Spanje. Ik werd aldaar goed ontvangen. Men had juist bekwame zee-officieren noodig: en het leed niet lang of ik zag mij aan boord van een oorlogsbrik geplaatst. Alles liep mij in den aanvang mede: ik had het geluk, gewichtige diensten aan mijn nieuw vaderland te bewijzen en genoot een snelle bevordering. Door toevallige omstandigheden geraakte ik ook in diplomatieke betrekkingen: en een voordeelig tractaat, met Portugal gesloten, deed mij in de
256
gunst des Konings klimmen. Ik werd Admiraal, Grande vamp;n Spanje, Vlies-ridder, Graaf van Talavera, in één woord, ik zag weinigen mij gelijk en alleen den Koning boven mij verheven. Mijn eenige smart was, dat mijn gade de mij beschoren eer niet had kunnen deelen: zij was kort na mijn aankomst in Spanje overleden, na mij een dochter geschonken te hebben.
Mijn voorspoed (en hoe kon dit anders?) had den nijd van velen opgewekt, en men zocht mij van de hoogte, waartoe' ik was opgestegen, te doen nedertuimelen: dagelijks kwamen den Koning geheime inblazingen ter ooren; men klaagde mij aan van geldverspilling, van misbruik van gezag, in 't kort van tallooze wandaden, welke ik, zoo ze mij openlijk waren verweten geweest, met gemak had kunnen wederleggen; doch waar ik mij, zoolang ik die niet kende, niet tegen verdedigen kon. Langen tijd weerstond de Koning de kuiperijen mijner haters; maar eindelijk begon hij te wankelen, en zijn vertrouwen op mij verminderde. Ik ontving een zending naar Mexico. Ik begreep, dat deze verwijdering met een ballingschap gelijkstond; maar er viel niet anders te doen dan te gehoorzamen. Ik oordeelde echter, mij tegen de omstandigheden te moeten dekken en zond daarom verscheidene papieren van waarde, ook eenige bescheiden, welke tot mijn justificatie konden strekken, en bij sommige waarvan aanzienlijke lieden uit Spanje gecompromitteerd waren, met een zekere gelegenheid naar Holland, met last om die bij een Notaris te deponeeren, onder voorwaarde van die aan niemand, dan op mijn schriftelijke vergunning ter hand te stellen. Ik vertrok dan naar Mexico en nam mijn dochter mede, die na den dood van haar moeder in een klooster was opgebracht geweest. Mijn afwezigheid gaf ruim baan aan mijn beschuldigers, en zij verzuimden de gelegenheid niet. Een half jaar had ik in de nieuwe wereld doorgebracht, toen een vaartuig de tijding kwam brengen dat ik naar Spanje teruggeroepen werd om mijn gedrag te verantwoorden. Ik moest gehoorzamen; maar nauwelijks was ik met mijn dochter aan boord van het transportschip gekomen, of mijn degen werd mij afge-
257
éischt en ik zag mij als gevangene behandeld. Op de terugreis werd ons vaartuig door zeeroovers aangerand en genomen. Alles werd over de kling gejaagd en ik had mijn behoud en dat mijner dochter alleen te danken aan de omstandigheid, dat een der roovers, die vroeger onder mij gediend had, mij herkende. Terwijl men mij naar de schuilplaats der vrijbuiters voerde, kwam mijn oom Van Murèl met zijn verhalen mij voor den geest. Ik vormde het besluit mij op het ondankbare Spanje te wreken en voortaan als een Noordsche Zeekoning te leven. Ik liet mijn voornemen aan mijn beschermer bemerken: deze juichte het toe: en toen hij, aan wal gekomen, mijn naam, de smadelijke behandeling, die ik tot loon mijner diensten ondergaan had, en mijn besluit om mij bij hen te voegen, aan de zeeroovers openbaarde, werd ik met algemeene stemmen tot hun opperhoofd verkoren. Wat in de jaren, die ik in het Meer van Maracaibo doorbracht, door mij verricht is, ga ik liefst voorbij : genoeg zij het, dat ik geduchte wraak op Spanje nam van de beleediging, mij aangedaan: en de goede Kapitein, die ginds zijn pijp zit te rooken, kan u verhalen, hoe gevreesd de naam van Don Manoël in den Mexicaanschen zeeboezem en in de Zee der Antilles was.quot;
Hier viel ik den verhaler in de rede. â â(üj wildet wraak â¢op Spanje nemen,quot; zeide ik: âmaar kwam die wraak over beleedigingen, u door de Rijksgrooten aangedaan, niet op het hoofd neder van onschuldige kooplieden en schippers, die wellicht te voren uwen naam met eerbied genoemd en uw bestuur gezegend hadden? â moest op deze wijze niet de onschuld het gelag betalen?quot;
âIk erken, dat uw aanmerking juist schijnt,quot; zeide Van Lintz: âmaar is dit niet bij eiken oorlog het geval? Boeten de soldaten, die in den veldslag sneuvelen, de arme landlieden, wier oogst vernield en weggeroofd wordt, de burgers, die hun woningen geplunderd en verwoest zien. niet voor het vergrijp der vorsten, in wier raadsvertrek de krijg besloten is? Ik ook, ik had den oorlog aan Spanje verklaard lt;jn aan al wie met Spanjaards heulde: en ik strafte den
F. H. - IL 17
1208
ondankbaren vorst in zijn onderdanen. Gij zult mij wellicht tegenwerpen, dat ik â naar het gewone gevoelen, een roover was en geen vorst door Gods genade; maar ik erken het onderscheid niet, dat door een partijdige beschouwing gemaakt is! ik was Souverein; ik heerschte met onbepaalde macht over de mijnen, en het eenige verschil tusschen mijn tegenpartij en mij bestond daarin, dat ik slechts over vijfhonderd, hij over vijftig millioen onderdanen gebood â maar des te grootscher scheen het mij, zijn overmacht te tarten.quot;
âIk zal hierover in geen woordentwist treden, die ons te verre zoude leiden,quot; zeide ik, glimlachende over de drogredenen, waarmede Van Lintz zijn handelingen zocht te vergoelijken; ..ik acht het met dat al gelukkig, dat niet iedereen zich geroepen voelt, om een dusdanige nieuwe maatschappij te stichten en op roof en doodslag te gronden. Intusschen schijnt die tijdelijke heerschappij, hoe grootsch ook, u verdroten te hebben. ÃEd. heeft die, meen ik, vrijwillig verlaten.quot;
âVrijwillig!quot; herhaalde Amelia, zich aan haar vader klemmende: âja gewis. Mijnheer Huyck! Vrijwillig, en uit weerzin tegen de leefwijze, die wij leidden. O! geloof toch niet, dat mijn vader in ernst het gevoelen voorstaat, dat hij zooeven uitte. Neen! de omstandigheden, de dwang der roovers, in wier macht wij ons bevonden, noodzaakten hem, in het eerst, hun opperhoofd, of hun slachtoffer te worden; en een gevoel van wraakzucht kan zich daarmede gemengd hebben; â maar ik heb te vaak gezien, met deelneming bijgewoond, hoe dat lijden van onschuldigen, hoe die buit, op ongelukkigen verworven, hem bittere uren en slapelooze nachten gekost hebben, hoe de omgang met zijn woeste gezellen hem tegenstond, en hoe het besef, dat hun handwerk strafbaar in Gods oogen was, hem ieder oogenblik den boezem benauwde. Vergeef mij, mijn vader, zoo ik te vrijmoedig spreek; â maar uw hart was beter dan uw daden: en vaak hebt gij ook naderhand het uur gezegend, waarin gij het besluit volbracht, om aan die leefwijze voor eeuwig vaarwel te zeggen.quot;
âIk zal ten minste altijd het uur blijven zegenen, dat mij u tot
259
dochter gaf,quot;' zeide Van Lintz, Amelia vriendelijk over de wangen streelende: âen ik wil gaarne bekennen, dat ik zonder u, dat besluit, waar gij van spreekt, niet zoo licht zoude genomen hebben; â want, hetzij mijn beroep schuldig ware of niet, ik was er in vele opzichten aan gehecht: en men moet zeeman geweest zijn. Mijnheer Huyck! om zich het alles overwinnende genot voor te stellen, dat men smaakt, wanneer men, met een goed schip onder de voeten en aan 't hoofd eener stoutmoedige en voor niets vervaarde manschap, de zeeën beheerscht en geen meester erkent: â doch genoeg hierover: welke dan ook mijn beweegreden moge geweest zijn, ik verliet mijn nieuwe onderzaten en droeg het bevel over de bende aan een jongeling over, die met dienzelfden Kapitein Pulver, die mij straks herkende, in mijn handen geraakt is. Gij hebt den knaap gezien: hij was het, die aan den weg nabij Xaarden, op dien avond . . .
âO!quot; riep ik uit: âik heb hem sedert genoeg weder gezien: en wat meer is, hij bevindt zich op dit oogenblik hier geen half uur vandaan: UEd. zoude hem desnoods met een gewonen kijker kunnen zien. â Doch daarover nader; laat ik uw verhaal niet storen.quot;
âHet overige,quot; hernam Van Lintz, âheeft weinig te betee-kenen. Ik trok weder naar Europa en kwam behouden in Frankrijk aan. Daar bood ik mijn dienst aan verschillende hoven; maar reeds had zich het gerucht, althans het vermoeden verspreid, dat de Graaf van Talavera en de Zeeroover Don Manoël één persoon waren: en ik ontving allerwegen afwijzende beschikkingen op mijn voorslagen. Eindelijk slaagde ik er in, betrekkingen aan te knoopen met het Russische hof. Het werd echter noodig geoordeeld, opdat de zaak haar beslag krege, dat ik een persoonlijke samenkomst had met den Gezant van den Czaar te 's-Hage en zijn agent te Amsterdam. Ik kwam derhalve naar de Nederlanden: doch werd reeds aan de grenzen gewaarschuwd, dat men mij in Holland als deserteur beschouwde, omdat ik indertijd zonder verlof was weggereisd, en dat bovendien de Spaansche Gezant mij
260
opeischte. Men raadde mij dus, zoo ik het wagen wilde, onder een bedekten naam over te komen. Ik had in het Graafschap mijn ouden vader teruggezien; maar helaas! het was alleen om hem de oogen te sluiten: mijn moeder, al mijn broeders waren reeds lang gestorven. â Niemand van al mijn naaste betrekkingen was meer in leven, dan Martha, mijn oude voedster, welke ik vernam, dat thans de hoeve nabij Naarden bewoonde. Ik vormde toen het plan mij aldaar schuil te houden, tot ik bericht ontving, of ik mij in Amsterdam mocht wagen, en inmiddels mijn dochter derwaarts te zenden, om de gewichtige papieren te lichten, welke onder den Notaris Bouvelt berustende waren. Het overige is u bekend.quot;
âOmtrent,quot; antwoordde ik; âalleen weet ik niet, hoe gij beiden u thans hier bevindt, noch welke uw uitzichten voor de toekomst zijn.quot;
âGij weet,quot; hernam Van Lintz, âdat mij de heer Black, om redenen voor u van geen belang, zijn dienst had toegezegd. Op den morgen, toen het feest aan de hoeve zoude plaats hebben, zorgde hij een half uur voor de andere gasten aanwezig te zijn; en, in zijn koets verscholen, reed ik naar Huizen, waar mij een boot wachtte, die mij naar den boeier bracht van den Heer Blaek, met welken ik naar dit vaartuig werd gesmokkeld, hetwelk gedeeltelijk door hem bevracht is, en waar hij voor mij en mijn dochter plaatsen had besproken. Amelia, in stilte van ons plan verwittigd, was in Amsterdam reeds scheep gegaan; en het gelukte ons alzoo ten einde toe de vervolging en de list van uw Heers vaders agenten te ontduiken. Thans vlei ik mij, op de plaats onzer bestemming gekomen, gelegenheid te vinden om mij naar Rusland te begeven, alwaar de Hemel mij vergunne, mijn dagen, na zooveel wisselvalligheden, in vrede te slijten en aan mijn arme dochter die rust te bezorgen, welke haar geschokt gestel behoeft. â Neem gij intusschen, Mijnheer Huyck! nogmaals mijn dankbetuiging aan. Ik weet, dat het bewaren van ons geheim u een bron van verdriet is geweest.quot;
âNeen mijn vader!quot; zeide Amelia: âgij weet nog niet
261
alles: â ach! gij weet niet, welk leed wij den Heer Huyck onwillekeurig veroorzaakt hebben. Zijn zoetste hoop, zijn vurigste zielswensch hebben gevaar geloopen, van door onze noodlottige kennismaking voor altijd verstoord te worden. â Ja!quot; vervolgde zij met klimmende aandoening, ziende dat ik zwijgend voor mij staarde, terwijl haar vader ons beurtelings met eenige verwondering beschouwde: âeen paar woorden, aan Mejuffrouw Jetje Blaek ontvallen, hebben een lichtstraal bij mij doen geboren worden, en ik heb niet gerust voordat mij alles was opgehelderd: â ik heb vernomen, hoe gij. Mijnheer Huyck! Mejuffrouw Blaek bemindet: hoe zij u met wederliefde loonde, hoe haar oom deze verbintenissen tegen was, en hoe lastertongen, die haar onze betrekking als misdadig voorstelden, haar hadden doen besluiten, u alle verdere aanspraak op haar te ontzeggen.quot;
âHoe!quot; riep Van Lintz uit, mij met een blik aanziende, waarin zich de uiterste verbazing teekende: âbestond er een teedere betrekking tusschen u en Mejuffrouw Blaek ? . de nicht van den ouden Blaek?quot;
âIk kan het niet ontkennen,quot; antwoordde ik: âmaar thans, daar uw vertrek mijn gelofte heeft opgeheven, vlei ik mij, mijii gedrag ook bij haar te zullen kunnen rechtvaardigen.quot;
âVoor uwe rechtvaardiging zal ik zorgen,quot; zeide Van Lintz, terwijl hij opstond en onstuimig heen en weder op het dek wandelde: âvervloekt zij de belofte, die mij de oude zondaar heeft afgeperst! â Maar ben ik er dan aan gehouden, nu het blijkt, hoe hij mij misleid heeft ? â Hij heeft mij verhaald dat het huwelijk tusschen zijn zoon en zijn nicht een stellig bepaalde zaak was.quot;
âTk weet,quot; zeide ik, âdat zulks zijn verlangen was; en men gelooft gaarne wat men wenscht; maar tot nog toe is het mij niet gebleken, dat de beide jonge lieden genegen waren, de door hem gekoesterde hoop te vervullen. Wat echter de reden betreft, waarom hij zoo sterk op die verbintenis gesteld is, deze kan ik niet gissen.quot;
âMaar ik des te beter,quot; riep Van Lintz: âhij heeft mij
262
misleid, ik herhaal het; maar hij moet niet denken, dat men mij straffeloos tot speelbal neemt. Ik zal hem schrijven: â hij zal u zijn nicht geven â en een goeden bruidsschat bovendien, of ik zal hem het masker afrukken en aan de kaak stellen, den schijnheiligen bedrieger; ik heb er de middelen toe: en hij weet dit.quot;
âHoe!quot; vroeg ik, op mijne beurt verbaasd; âUEd. zou in staat zijn . . ..quot;
âIk ben de oorzaak van uw verdriet,quot; zeide Van Lintz: âen het is niet meer dan billijk, dat ik goedmake, wat ik bedorven heb. Wees gerust: het hart van een jong meisje laat zich niet dwingen; doch, zoo het slechts aan de toestemming van Jacobus Blaek mangelt â hij zal die geven, dat zweer ik u. De zwarigheid zal alleen daarin bestaan, om zijn nicht van de verkeerdheid harer vermoedens te overtuigen.quot;
,.0!quot; zeide Amelia, terwijl zij mij met een betooverenden glimlach aanzag, en tevens eenige tranen afwischte, van welke ik mij geen rekenschap wist te geven: âeen vrouw slaat zoo gaarne geloof aan de onschuld van hem, dien zij liefheeft. Laat de Heer Huyck geen moed verliezen; hij zal, vlei ik mij, bij zijn terugkomst geen moeite hebben, om zijn Henriëtte te overtuigen, dat hij nooit iemand buiten haar bemind heeft.quot;
âHoe!quot; zeide ik, aangenaam gestreeld door de hoop, die zij mij gaf, en tevens verrast door het stellige van haar belofte: âgij gelooft waarlijk . . . .quot;
âIk ben er zeker van,quot; zeide zij: âmaar,quot; vervolgde zij, zich half omwendende: ânu niet meer over dit onderwerp.quot;
âNeen!quot; zeide Van Lintz, ziende dat zij hevig ontroerd was: âover iets anders gesproken. â Gij zeidet mij zooeven, dat gij mijn voormaligen Luitenant Sander Gerritsz, of Zwarten Piet, zooals hij zich naderhand noemen liet, op Terschelling hadt gelaten?quot;
Ik voldeed op dit punt aan de nieuwsgierigheid van Van Lintz. Mijn verhaal wekte zijne deelneming en die zijner
263
dochter: en beiden gaven den wensch te kennen, dat Sander hen op de reis vergezellen mocht en evenals Van Lintz zelf, gelegenheid zoeken om in dienst des grooten Czaars een nieuwe en meer eerlijke loopbaan te beginnen. Aan de toestemming van Sander viel niet te twijfelen; want het was bij mij zeker, dat hij nog de oude gehechtheid voor zijn voor-maligen meester koesterde, en ik maakte mij sterk hem te overtuigen, dat, al bleef Klaartje in 't leven, zij toch voor hem verloren was. Er bleef dus alleen over, door Kapitein Holmfeld het innemen van een nieuwen passagier te doen goedkeuren: en wij waren juist voornemens hem deswege te gaan spreken, met verzwijging natuurlijk der omstandigheden, waarmede het raadzaam was niet voor den dag te komen, toen de beide Kapiteins naar ons toekwamen.
âWel zoo! zijn de vrienden een luchtje gaan scheppen?quot; vroeg Pulver, en zich toen tot Van Lintz wendende, die op wilde staan: -blijf zitten, Mijnheer! hou uw gemak, zooals de havik tot de duif zei terwijl hij haar plukte: ja, wou jelui zien. waar de Fortuin gebleven is? â naar den kelder. Mijnheer! en de visschen zitten er misschien al in de kajuitkamer een kaartje te spelen.quot;
âInderdaad!quot; zeide ik, den blik naar de zandbank wendende, waar ik den dag te voren het wrak nog herkend had en nu niets meer te zien was: âzij is verdwenen! Hoe kan, in zulk een korten tijd .. ..?quot;
âO!quot; zeide Pulver: âhet zand is hier in eeuwigdurende beweging, en een Loods behoeft geen drie weken ziek te zijn om het vaarwater te verleeren. Wij liggen hier nu goed en wel op Maklijk-Oud en hebben water in overvloed; maar Joost weet, hoe het over ettelijke jaren zal wezen, als die verwenschte Robbeplaat nog verder kuiert.quot;
De vrees van Pulver werd bewaarheid; want, cp dit oogen-blik dat ik schrijf, is sedert lang die reede voor gewone vaartuigen ontoegankelijk geworden en biedt zij alleen bij hoog water den visscher een tijdelijke schuilplaats aan.
..Bedrieg ik mij?quot; vroeg Schipper Holmfeld, die middelerwijl
2U4
met zijn kijker naar den kant van het Vlie had uitgezien: ..of is het de boeier, die den Heer Bos aan boord gebracht heeft, die ginds komt opzetten? Gelieft UEd. eens te zien?quot;
âInderdaad!quot; zeide Van Lintz, na op zijne beurt te hebben uitgekeken: âik heb er niet veel op gelet; maar nu gij 't zegt. hij heeft er veel van.quot;
âUEd. heeft toch niets vergeten?quot; vroeg Pulver.
..Niets van zoo groot belang, dat men het mij zou komen nabrengen: â ja waarlijk .... hoe meer ik hem beschouw: â zie zelf eens, Mijnheer Huyck ... .quot;
..Het is het jacht van Lodewijk Blaek!quot; riep ik uit, door den kijker ziende, en den groenen voorsteven met verguld beeldwerk herkennende, waar het zilveren schuim tegen opspatte: â en vervolgens. Van Lintz ter zijde trekkende: âwas hij mede in 't geheim van uw vertrek?quot; vroeg ik hem.
âDat gewis niet,quot; antwoordde Van Lintz: âen al wist hij er van. hij althans zoude de onbeschaamdheid niet hebben, mij opnieuw onder de oogen te komen.quot;
âHet zou toch nogal toevallig zijn,quot; zeide ik, âindien hij juist in den zin gekregen had, ook dezen koers uit te komen. In allen gevalle zullen wij geduld dienen te hebben, en afwachten wat het geeft.quot;
Wij bleven aldus een geruimen tijd uitkijken, zonder dat het vaartuig ons merkelijk naderde, daar het door den tegenwind genoodzaakt was te laveeren, en ons, nu zijn voorplecht, dan zijn, met sierlijk, in den zonneglans fonkelend loofwerk pronkenden spiegel vertoonde. Eindelijk kwam men ons van onze beschouwing afroepen met het bericht, dat de maaltijd was opgedischt, en begaven wij ons in de kajuit. Aan tafel gezeten, had Pulver nauwelijks een mondjevol soep binnen, of hij begon weder over de groote gelijkenis tusschen den Heer Bos en zijn ouden kennis den Zeeroover; en wij moesten met of tegen dank, het verhaal zijner ontmoeting in de Zee van de Antilles hoeren, en tevens, hoe hij op Terschelling zijn ouden kennis Sander teruggevonden had. Ik nam hieruit aanleiding om den Heer Van Lintz, na hem een geheimen
2(35
wenk te hebben gegeven, de vraag te doen. of hij niet een bediende noodig had en hem Sander als zoodanig aan te bevelen.
âWat drommel, Patroon!quot; riep Pulver uit: âwou UEd. nou van Sander een huisknecht maken? Is dat een werk voor een jongen, die het zeegat uit geweest is, en als Stuurman heeft rondgezwalkt ?'quot;
âDaarom zou hij mij des te liever zijn,quot; antwoordde Van Lintz. âIk heb iemand noodig, die de zeevaart verstaat; want tusschen ons gezegd: mijn reis staat met de zeevaart in betrekking .... ik ben in mijn leven verder dan op moeders bont boezelaar geweest: â en zoo die Sander Gerritsz . . . .quot;
âUEd. heeft zijn naam goed onthouden,quot; zeide Pulver, wiens vermoedens weder bovenkwamen en versterkt werden dooide zeemansuitdrukking, welke Van Lintz gebezigd had: âen ik wil mijn leven op een vermolmde ra doorbrengen, zoo het heden de eerste reis is, dat UEd. dien heeft hooren noemen. Nu! â dat daargelaten: Harmen Pulver is ook niet mal: en ik weet wat ik denk, zooals de vent in 't dolhuis tegen den oppasser zei.quot;
Van Lintz wilde antwoorden, en ik zag het oogenblik komen, waarin een verklaring onvermijdelijk werd, toen wij opeens een groote drukte aan boord vernamen, en een geluid als van een vaartuig, dat het onze langs zeilde; terwijl het over en weer roepen en praten ons gissen deed, dat er iemand aan boord gekomen was.
âIk hoor vreemd volk. Kapitein Holmfeld!quot; zeide ik: âpas maar op: men zou uw boeier prijsmaken eer gij er op verdacht waart.quot;
â't Zal misschien die Don Manoël wezen, daar de Schipper zooeven van vertelde,quot; zeide Holmfeld, lachende, terwijl hij opstond.
âNeen: daar wil ik mijn kop wel op verbeuren van neen,quot; zeide Pulver: âofschoon, een kennis van hem, dat ware mogelijk:quot; en hij zag A'an Lintz wantrouwend van ter zijde aan, terwijl Holmfeld de kajuit verliet om te gaan zien, wat het wezen kon.
âHet is, zoo waar ik leve, het jacht van den Heer Blaek.
266
dat van ons afgaat,quot; zeide Van Lintz, uit het raam ziende: ..wat kan dit beduiden?quot;
Nog had hij niet uitgesproken, toen de deur openging. Kapitein Holmfeld trad binnen, deed een stap zijwaarts en liet iemand door, wiens bijzijn wij er verre af waren te verwachten of te wenschen â Lodewijk Blaek.
ZES-EX-DERTIGSTE HOOFDSTUK,
WAARIN ZICH HET OUDE SPKEEKWOORD BEVESTIGD VINDT, DAT
MEN GEEN HEI MOET ROEPEX, EER MEX OVER DEX DAM 13.
De aankomst van dezen onwelkomen gast bracht geen geringe ontsteltenis teweeg bij de personen, die zich in de kajuit bevonden. Amelia werd doodsbleek, haar knieën knikten en zij hield zich aan den rug van haar stoel niet beide handen vast om niet te vallen. Haar vader stond verrast en wierp op Lodewijk een blik vol toorn en verontwaardiging: en ik zag met bezorgdheid de toekomst te gemoet, overtuigd, dat de verschijning van dezen laatsten niets goeds voorspelde, en tot ergerlijke tooneelen zoude aanleiding geven; te meer, toen ik den glimlach bespeurde, die op zijn lippen zweefde.
âIk heb de eer het gezelschap nederig te groeten,quot; zeide hij, een spottenden blik op Van Lintz werpende; maar de uitdrukking van zijn gelaat veranderde en zijn kleur verschoot, toen hij mij herkende.
âGa zitten. Mijnheer Blaek!quot; zeide Holmfeld: âwaarlijk, wij waren er verre af, van ons op uw bezoek te verwachten: dat is hupsch van u.quot;
âEn waarom niet?quot; zeide hij, zijn onbeschroomdheid terugvindende, en plaatste zich meteen op den hem aangeboden stoel naast Amelia, die den haren verschoof: âik ben immers een liefhebber van op het water rond te zwalken. Maar laat ik niemand storen. Houdt uw gemak, mijne Heeren! Ik hou.
2ü7
zooals ik zeide, veel van een speelreisje; en bovendien, ik wenschte Mijnheer (zich tot Van Lintz wendende) te bedanken voor de eer, die hij mijn jacht heeft aangedaan, door het tot zijn overtocht te gebruiken. En de Heer Huyck ook hier! maar dat verwondert mij minder; men ziet den rook, waar het vuur is: â en als men zulke trekpleisters heeft....quot; hier zag hij, schamper lachende, naar Amelia.
âMijnheer!quot; zeide Van Lintz, met nadruk: âik ben hier slechts passagier aan boord, en de Kapitein kan toelaten wie hij verkiest; maar ik moet u zeggen, nu het mij blijkt, dat gij bewast waart van onze tegenwoordigheid alhier, dat uw ongewenscht bezoek de maat vult van al uw onbescheidenheden te mijwaarts.quot;
âKom Heer Graaf! of welken naam UEd. thans verkiest te dragen,quot; zeide Lodewijk: âUEd. kan het zoo kwaad niet meenen: er is, zoo ik wel onderricht ben, ook een tijd geweest, dat UEd. ongewenscht aan boord kwaamt bij dezulken, die u voor St.-Felten wenschten. Daar is Kapitein Pulver, die weet er een geschiedenis van te vertellen.quot;
â't Is bij mijn zolen niets anders als ik dacht,quot; zeide Pulver: âja! ja! Pulver laat zich geen brik voor een barkas verkoopen, zooals ik zei.quot;
âEn gij. Kapitein Holmfeld!quot; vervolgde Lodewijk tegen den verbaasden Schipper: âgij moogt ook wel toezien, of uw geëerde passagier zou uw schip wel eens naar de Baai van Venezuela kunnen sturen.quot;
âEllendeling!quot; riep Van Lintz, bleek van woede en zich met moeite bedwingende: âWat hebt gij voor? Wat beduidt uw komst, en de taal, die gij voert?quot;
âIk begrijp er niets van,quot; zeide Holmfeld: âuw eigen vader. Mijnheer Blaek! heeft mij deze lieden aanbevolen en aan boord doen ontvangen.quot;
âMijn vader is, met verlof gezegd, een oude suffer,quot; zeide Lodewijk: âmaar hij had wel anders gehandeld, indien hij geweten had, dat gindsche Heer, die zulk een hoogen toon voert, een deserteur is en een zeeroover.quot;
268
Er volgde een oogenblik van algemeene stilte op deze woorden. De oogen van Van Lintz rolden hem vreeselijk in 't hoofd, het schuim stond hem op de lippen, en hij ware Lodewijk ongetwijfeld aangevlogen, had niet Amelia, eene uitbarsting willende voorkomen, zich voor haar vader geplaatst en hem omvat.
âMijnheer mag wezen wie hij wil,quot; zeide Holmfeld, na zich een wijl bedacht te hebben: âhij is mijn passagier: ik héb geld voor den overtocht ontvangen en ik versta niet, dat hij aan mijn boord beleedigd worde.quot;
âGoed gesproken!quot; zeide Pulver: âof hij een deserteur is geweest weet ik niet; maar, zoo hij al een zeeroover was, kan ik getuigen, dat hij mij op een bescheiden wijze behandeld heeft en mij ongemolesteerd heeft laten gaan, toen hij mij zonder genade had kunnen opknoopen.quot;
âMet u praat ik niet,quot; zeide Lodewijk, âen wat Kapitein Holmfeld betreft, hij mag zich tweemaal bedenken over hetgeen hij zegt; want het zou wel kunnen gebeuren, dat hij anders geen zaken meer te doen kreeg voor ons kantoor.quot;
âHoor eens,quot; zeide Holmfeld, op zijne beurt warm wordende; âMijnheer Bos, of zoo hij heeten mag, is onder bescherming van de Deensche vlag en niemand zal hem hier verder affronteeren. En wat u betreft. Sinjeur! die hier twist komt zoeken, ik raad u, maak maar gauw, dat gij van mijn bodem afkomt, of ik laat u tusschendeks smakken en pak u mede naar Denemarken. Wat hagels! ik ben baas op mijn schip.quot;
Lodewijk beet op zijn lippen: âik ga,quot; zeide hij, op een sarrenden toon: âen zal te Amsterdam bericht brengen, dat Kapitein Holmfeld misdadigers laat ontsnappen en dat de zoon van den Hoofdschout een afscheidsglaasje met hen drinkt.quot;
Ik had mij voorzichtigheidshalve niet in den twist gemengd; maar deze persoonlijke beleediging begreep ik niet voorbij te kunnen laten gaan: âMijnheer Blaek!quot; zeide ik: âik heb tot nog toe gezwegen: maar ik moet u zeggen, dat gij hier een ellendige rol speelt.quot;
269
âMet u heb ik thans niets te schaffen,quot; zeide hij : âmaar later zult gij mij voldoening voor deze woorden geven.quot;
âIk had u die reeds lang afgevergd,quot; zeide ik; âindien de eerbied voor uw vader en nicht mij niet weerhouden hadden.quot;
âMijn nicht!quot; hernam hij, schamper lachende: âhet voegt u wel van mijn nicht te spreken, wanneer ik u met uw maitres in gezelschap vind.quot;
âDat is te veel!quot; riep ik uit: âzoodra wij aan wal zijn____quot;
âGij hebt gehoord, wat ik gezegd heb,quot; zeide Holmfeld, terwijl hij Lodewijk in den kraag vatte: ânog één woord en ik smijt u in den kelder.quot;
âEen oogenblik!quot; zeide Van Lintz, die inmiddels zich geweld had aangedaan om bedaard te blijven: âindien hier iemand beleedigd is, zoo ben ik het. Tk had wellicht, uit aanmerking van den dienst, welken mij des jonkmans vader gedaan heeft, zijn onbezonnen uitvallen kunnen verschoonen; maar het is de eer mijner dochter, welke hij aanrandt, en bij den Hemel! hij zal niet naar Amsterdam terugkeeren om daar haar goeden naam door zijn schandelijke lastertaal te bezwalken. Welke wapenen verkiest gij, mijnheer Blaek?quot;
Aller oogen waren op Lodewijk gevestigd; hij sloeg even de zijne neder onder den ontzagverwekkenden blik van Van Lintz; maar zijn gelaat bleef dezelfde spotachtige uitdrukking behouden, welke het van zijn binnentreden af niet verlaten had.
âO ho!quot; zeide hij: âbegint Mijnheer eindelijk te begrijpen, dat er een fatsoenlijker wijze is om tusschen cavaliers een twist te beslechten dan met de vuist, gelijk gemeene kruiers? â Wat zal ik u antwoorden? De wapens zijn mij vrij onverschillig ; maar liefst vecht ik op den vasten wal; ik heb nooit het ambacht van zeeroover uitgeoefend: en schoon ik redelijk vast sta op de planken van mijn jacht, ben ik nooit gewend geweest â¢â zooals andere lieden â het rapier of de pistool aan boord te bezigen!quot;
âHet zij zoo!quot; zeide Van Lintz: âwij zijn in quot;t gezicht van Terschelling, en daar zal zich wel een eenzaam plekje bevinden waar wij onze zaak kunnen afdoen. Gij zult er zeker
270
niet tegen hebben, dat de Heer Huyck en Kapitein Pulver ons tot getuigen strekken.quot;
âIk zie niet, dat wij getuigen noodig hebben,quot; zeide Lodewijk; âmaar, wat mij betreft, ik heb er niets tegen. â Hoewel de duinkant eenzaam zij, is het verkieslijk, zoomin geruchts mogelijk te maken: en alzoo stel ik voor, den degen te gebruiken.quot;
Van Lintz boog het hoofd ten teeken van goedkeuring. De Kapiteins en ik zagen elkander met verwonderde blikken aan; want de keus van Lodewijk scheen ons vreemd en gewaagd toe: immers, al had hij ook den naam van een geoefend schermer te zijn, hij kon, op 't oog af, niet gerekend worden zijn forsch gespierden weerpartijder in kracht of behendigheid te evenaren: en een gevecht met pistolen, had, naar onze meening, meer gelijkheid tusschen partijen gevormd. Er viel echter niets aan te veranderen, daar Lodewijk het zelf zoo gewild had; doch de achtelooze, onverschillige wijze, waarop hij zijn keuze gedaan had, bleef ons, evenals die keuze zelve, onverklaarbaar.
Droevig was echter de uitwerking, welke de afloop van den twist op Amelia deed. Schoon haar oog geen traan ontvloot, teekenden al haar gelaatstrekken hevige ontroering en bezorgdheid. â0 God!quot; riep zij, de handen angstig wringende: âmoet er dan om mijnentwil een tweegevecht plaats hebben? â Heb ik niet reeds genoeg uitgestaan, mijn Vader! en moet de laatste stap, dien gij op uw geboortegrond doet, met bloed geteekend worden? â Kunt gij dat niet beletten, Mijnheer Huyck?quot;
Ik haalde de schouders op: en in waarheid, welk een afkeer ik van nature ook tegen die onmenschelijke en onchristelijke gewoonte koester, om elkander als wilde dieren naar het leven te staan, ik zag niet, hoe er in dit geval aan een vergelijk of verzoening kon gedacht worden: âal wat ik kan voorstellen,quot; zeide ik, âis om zelf de plaats van uw Heer vader te nemen en den Heer Blaek, voor zijn lastertaal de straf te geven, die hij verdiend heeft.quot;
271
âIs het op die wijze, dat gij mijn zorg denkt te verminderen ? en is deze de eenige troost, dien gij mij geven kunt?quot; zeide Amelia met een verwijtenden blik.
âWees vooralsnog niet voor uw lief bekommerd. Mejuffrouw!quot; zeide Lodewijk: âik hoop later mij met den Heer Huyck te meten en hem zijn smadelijke woorden te doen opslikken: â eerst moet de zaak met uw vader afgedaan zijn.quot;
âWees toch bedaard Amelia!quot; zeide Van Lintz, eenigszins ontevreden over den twijfel, welken zijn dochter over den uitslag van het tweegevecht scheen te voeden: de Heer Blaek verlangt een les: hij heeft die noodig: en ik ben bereid, hem die te geven: zou UEd. de goedheid willen hebben. Kapitein Holmfeld! van de sloep vaardig te doen maken. Ik vlei mij. dat wij niet lang zullen wegblijven.quot;
âTe drommel!quot; fluisterde Pulver mij in 't oor: âwie had dat kunnen vermoeden? Zou UEd. den Heer Lodewijk niet kunnen raden alsnog zeil te minderen ? Hij mag groot en sterk zijn: maar tegen dien driedekker van een Don Manoël is hij niet opgewassen.quot;
âHet heeft zoo moeten zijn,quot; zeide ik: âen het ligt er nu eenmaal toe; maar ik had wel gewenscht, dat die thee op den bodem van de zee lage en dat wij hier nooit aan boord waren gekomen; want de hemel weet, hoe men dit geval ten onzen nadeele zal uitleggen.quot;
Wij waren intusschen de kajuit uitgetreden: Holmfeld was zijn bevelen gaan geven tot het klaarmaken der sloep: Van Lintz was naar beneden om zijn degen en mantel te gaan halen, en Lodewijk, tegen het gangboord leunende, stond een deuntje te fluiten en naar wal te zien. Nu naderde mij Amelia en zeide:
âGij belooft mij, toe te zien. Mijnheer Huyck! dat alles naar behooren toega. Ik kan het niet helpen, maar ik mistrouw dien Heer Blaek.quot;
âIk heb nooit de beste gedachten van hem gehad,quot; zeide ik: âmaar wij zullen zorgen, dat alles volgens de regels geschiede. Ban uw vrees; het zal beter afloopen, dan gij denkt.
Uw vader is zich zijner kracht bewust en de jaren voorbij, waarin men onbesuisd te werk gaat en zonder nadenken handelt. Ik bedrieg mij zeer, of zijn voornemen is alleen, dien onbedachtzamen knaap een aandenken aan zijn meerderheid te geven. â Intusschen ik wenschte met u, dat dit alles geen plaats had gehad.quot;
De sloep was nu gereedgemaakt en Kapitein Holmfeld verzocht ons, den meesten spoed aan onze verrichtingen bij te zetten, daar hij zijn manschappen niet langer dan noodig ware wilde missen. Lodewijk steeg eerst af: vervolgens de Heer Van Lintz, na zijn dochter hartelijk vaarwelgekust te hebben. Ik drukte haar zwijgend de hand tot afscheid en volgde met Pulver; maar, nog waren wij niet allen gezeten, toen Amelia boven aan de trap verscheen en, eer iemand het verhinderen kon, zich naar beneden liet glijden.
âWat wilt gij? En welke dwaasheid is deze?quot; vroeg haarvader, op een strengen toon.
âIk wil met u naar wal gaan,quot; zeide Amelia: ..niet dan door dwang zal ik u verlaten: mijn besluit is onverzettelijk: en gij weet, mijn vader, dat ik. wat vastheid van wil betreft, uw waardige dochter ben â vrees niet dat ik uw opzet storen of verhinderen zal. Ik zal bij de sloep blijven: gebeurt er eenig ongeval â 'tgeen de Heiligen verhoeden -dan ben ik immers bij de hand, en er behoeft niet naar het schip gezonden te worden om mijn hulp te vorderen.quot;
Er viel hier niets tegen in te brengen. Wij staken af en roeiden naar de haven; terwijl wij allen, en zelfs Pulver, wien het moeilijk viel, het zwijgen bewaarden. Het jacht van Lodewijk, dat minder diep ging dan het Deensehe vaartuig, lag tusschen dit en het dorp in ten anker: alles was stil aan boord: slechts een enkel persoon stond onbeweeglijk aan de voorplecht. Eerst toen wij naderbijkwamen, bespeurde ik, dat die man een kijker in de hand en op ons gevestigd hield. Opeens verdween hij: en nu zag ik. dat de jol aan bakboordzijde gehaald werd. Ik veronderstelde eerst, dat de knecht van het jacht, Lodewijk in ons midden herkennende, zijn be-
273
velen kwam vragen; maar niet weinig verwonderd was ik. toen, één voor één, een viertal personen op het dek van het jacht verschenen en in de jol afdaalden, die nu met alle kracht van riemen naar wal werd geroeid. Ik zag Lodewijk aan, en ik bemerkte, dat ook zijne oplettendheid op deze manoeuvre gevestigd was, en dat een echt duivelsche lach zich op zijn lippen vertoonde. In andere omstandigheden zou ik hem gevraagd hebben, wie die personen waren, die hij op zijn vaartuig had; thans echter schroomde ik het stilzwijgen te breken, dat in onze sloep heerschte, en wellicht een onhebbelijk antwoord uit te lokken. Weldra was de jol tusschen de in de haven liggende visschersschuiten en achter het paalhoofd verdwenen. De Heer Van Lintz had haar niet bespeurd of er geen acht op geslagen, en zijn dochter was te zeer in haar droevige gepeinzen verdiept, oin te letten op iets, wat rondom ons gebeurde. Wat Pulver betreft, hij was juist bezig met vuur te slaan en zijn pijp aan te steken, toen de jol van het jacht afging, en zij had dus ook zijne opmerkzaamheid niet getrokken.
Wij waren eindelijk aan het paalhoofd gekomen, hetwelk wij beklommen, uitgenomen Amelia, die zich tegen de koele zeelucht in haars vaders mantel wikkelende, in de sloep bleef zitten. Wij drongen door de hier wederom verzamelde menigte heen en bevonden ons weldra op het gulle zand voor het dorp.
âDunkt u niet best,quot; vroeg ik aan Van Lintz, âdat wij eerst naar de herberg gingen en ons van daar, quasi om een wandeling te maken, naar het duin begaven? â Dat zou minder opziens baren en geen argwaan verwekken.quot;
âDie wandeling zal u wel bespaard worden,quot; mompelde Lodewijk; en, op hetzelfde oogenbük trad iemand, die uit den volkshoop te voorschijn kwam, naar Van Lintz toe en legde hem de hand op den schouder met de woorden: âGij zijt mijn arrestant.quot;
âUw arrestant!quot; riep Van Lintz, verbaasd terugtredende, en de hand aan zijn degen slaande.
âWij bidden n, niet te bieden eenige resistentie,quot; zeide
II. - F, H. 18
274
Heynsz: â want hij was het zelf: â âmijn dienaars zijn gewapend en ik heb slechts te vertoonen mijn mandaat, om te verkrijgen de noodige assistentie.quot;
âGeef in 's Hemels naam toe,quot; zeide ik tegen Van Lintz: ..alle weerstand zou voor het oogenblik nutteloos zijn.quot;
âHeer Graaf Van Talavera!quot; zeide Lodewijk Blaek, met een hoonenden lach, tegen Van Lintz: âgij zijt een fijne diplomaat; maar de kunstgreep, dien ik thans gebezigd heb om u van het Deensche schip te lokken, was toch nieuw.quot;
âGij zijt de verachtelijkste mensch, dien ik ken,quot; zeide ik. over zulk een helsche list verontwaardigd.
âEn de onvoorzichtigste,quot; zeide Van Lintz: âwant zijn fieltestreek kan hem zijn halve vermogen kosten. â Maar dat daargelaten! Ik moet zwichten. Hier is mijn degen, Monsieur Heynsz! waar is het uw plan mij heen te voeren ? Ik wensche vooraf nog mijn dochter eens te spreken en afscheid van haar te nemen.quot;
âOm Godswille! Wat is er gebeurd?quot; riep Amelia, die, door een der matrozen ten halve onderricht, angstig kwam toesnellen.
âNiets, lief kind!quot; zeide Lodewijk: âals alleen dat het plan veranderd is, en dat gij met uw vader en mij in vrede naar Amsterdam terugkeert.quot;
âIs dit noodzakelijk?quot; vroeg ik aan Heynsz: âen moeten die lieden gedwongen worden, het gelaat van dien schoft op de terugreis voor oogen te hebben?quot;
âIk zal u verzoeken, liever een vaartuig te mijnen koste te nemen,quot; zeide Van Lintz.
âZiedaar een billijk voorstel,quot; zeide ik tegen Heynsz: âgij zijt bovendien afgezonden, om Mijnheer gevangen te nemen, en niet om hem te pijnigen door den aanblik van iemand, die hem met reden hatelijk is.quot;
âEr is geen zwarigheid ter wereld,quot; antwoordde Heynsz: âwij willen den Heer Graaf niet jagen op kosten: wij willen huren een vaartuig en bedanken den Heer Blaek voor zijn verder konvooi. Zoo de Heer Graaf verlangt, wij zullen aan
Z I O
de roeiers, die hem gebracht hebben hier, last geven, van boord te gaan halen zijn bagage.quot;
âDie bagage zal zeker onderzocht worden?quot; vroeg Van Lintz, hem met een doordringenden blik aanziende: âdoch om 't even: â ik verlang er zelfs naar; want daardoor zal de wraak volkomen worden, die ik van dezen Judas nemen moet.quot;
âWat.... wat beduidt dat toch?quot; vroeg Lodewijk, eenigs-zins ongerust: âwat hebben uw bagage en mijn vermogen onderling uitstaande?quot; Hij ontving geen antwoord en bleef eenigszins beteuterd staan. Het was mij duidelijk, dat hij gaarne naar zijn jacht zou zijn teruggekeerd, doch dat de zoo stellige woorden van Van Lintz indruk op hem hadden gemaakt: hij bleef dus, schoon op eenigen afstand, om ons draaien.
âZouden wij niet inmiddels naar de herberg gaan?quot; vroeg ik aan Heynsz: âwij hebben hier zooveel bekijks.quot;
Deze voorslag werd te gereeder door dezen aangenomen, daar hij de Overheid van Terschelling toch verwittigen wilde van het op haar grondgebied gedaan arrest: en terwijl een paar dienaars met de sloep naar den hoeker voeren om de bagage te halen, begaven wij ons naar de herberg: Heynsz ging vooruit met den goeden Pulver, die onophoudelijk zijn verbazing te kennen gaf over den zonderlingen loop, dien de zaak genomen had: Van Lintz volgde, den arm aan zijn dochter gevende, terwijl ik aan zijn andere zijde liep en twee dienaars den trein besloten: de halve bevolking klotste achter en om ons heen, en Lodewijk. blijkbaar met zijn figuur verlegen, liep aan de andere zijde van de straat. Hij volgde ons in de herberg, eischte een glas brandewijn, dat hij dadelijk naar binnen sloeg, en zette zich in een donkeren hoek, terwijl Van Lintz en Amelia aan een andere zijde plaats namen.
âWaar woont de Drost?quot; vroeg Heynsz aan Reynszen: âik wenschte hem dadelijk te spreken.quot;
âWaar hij woont kan ik u makkelijk beduien,quot; antwoordde de waard: âmaar gij zult hem thans niet aan zijn huis vinden, vermits hij hier is.quot;
27(j
âHier! â Welnu! wees dan zoo goed, hem te roepen.quot;
âHij zal zoo aanstonds terug zijn,quot; hernam Reynszen: âhij is hier achter bij een zieke; want hij is tevens Dokter, moet je weten.quot;
âJa! dat is ook waar,quot; zeide Pulver: âhoe maakt het die arme meid?quot;
Reynszen schudde het hoofd en gaf ons te kennen, dat zij op het uiterste was. Ik begaf mij aan het raam, bij mijzelven nadenkende over het zonderlinge noodlot, dat in dit oogenblik zooveel verschillende personen, doch die allen in zekere betrekking tot eikanderen stonden, bijeenverzameld had. Nu vervoegde zich Heynsz bij mij en ik vroeg hem in stilte, hoe hij te weten was gekomen dat de Heer Van Lintz zich op het Deensche vaartuig bevond. Het geval had zich, gelijk hij verhaalde, op de navolgende wijze toegedragen: Lodewijk Blaek had van zijn schippersknecht vernomen tot welk einde zijn vader het jacht buiten zijn weten had doen dienen. Hij had terstond vermoed dat de ontsnapte persoon niemand anders als Amelia's vader kon zijn, en zulks dadelijk aan Heynsz te kennen gegeven, die nog altijd in de omstreken van Naarden naar den voortvluchtige zocht. De vermoedens stegen bij verdere nasporing tot zekerheid, en nu had Lodewijk, die zich waarschijnlijk op deze wijze op Van Lintz en Amelia wilde wreken, zijn jacht aan Heynsz aangeboden, ten einde daarmede den vluchteling te achterhalen. Dit was hun. gelijk wij gezien hebben, gelukt; maar daar Heynsz eenige zwarigheid maakte om zonder specialen last een onder vreemde vlag zeilend vaartuig aan te doen en te doorzoeken, had Lodewijk op zich genomen, bij Holmfeld aan boord te gaan en den Heer Van Lintz weder van het vaartuig en op Hollandsch grondgebied te troonen.
..Het doet mij leed,quot; zeide ik, âdat gij in uw plan zoo wel geslaagd zijt; de Heer Van Lintz heeft mij het leven gered en het zou, geloof ik, ook mijn vader innig verheugd hebben, indien de man ontkomen ware.quot;
âIk mag ook best lijden,quot; zeide Heynsz: dat Zijne Excel-
lentie er behouden af kome; â maar toch 1 on/.e reputatie, van uw Heer papa en de mijne, zoude geweest zijn naar de maan, indien hij ware ontsnapt: bedenk eens, hoe zij konden hebben uitgelachen Monsieur Heynsz, als zij gehoord hadden, daarna, dat de man, dien hij zocht, gewoond had in zijn eigen huis en hij hem had laten echappeeren!. . . . maar die Dokter blijft lang weg.... ha! hier is hij.quot;
En op dit oogenblik trad de Heer Substituut-Drossaard en Geneesheer Doedes door de achterdeur binnen.
ZEVEN-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK,
WAARIN TREURIGE E.N INDRUKWEKKENDE TOOXEELEN VOORKOMEN, GELIJK MEN DIE SOMTIJDS IN HET DAGELIJKSCHE LEVEN, MAAR ZEER DIKWIJLS IN ROMANS EN VERSIERDE GESCHIEDENISSEN AANTREFT.
âHm!quot; zeide Doedes, verwonderd rondziende: âgroot gezelschap â veel vreemde gezichten â dienders met stokken! â hm!quot;
âHoe is het met de arme lijderes?quot; vroeg ik, naar hem toegaande.
âHm! â zooeven afgeleid -â omnes mor tales su-m u s ââ a f f e c 11 o pulmonaris â mijn taak afgeloopen -naar huis gaan â rekening schrijven â hm!quot;
âHeb ik het genoegen, den Heer Drost te zien?quot; vroeg Heynsz, terwijl hij groette en zijn naam en hoedanigheid bekend maakte: âik wenschte UEd. even te spreken.quot;
âHm! â dieven zoeken â pakhuis bedreigd â aanslag op het Deensche schip â reeds vier gepakt â â deze Heer mij gewaarschuwd.quot;
278
âMet uw verlof!quot; zeide Heynsz: âik weet niet, wat UEd. bedoelt; maar mijne komst heeft een andere oorzaak.quot;
Dit zeggende, trok hij den Dokter naar het venster, waar beiden zich een wijl onderhielden. Ik bespeurde intusschen uit de gelaatstrekken van den Drost, dat de hem gedane mededeeling hem niet bijzonder naar den zin was.
âHm!quot; mompelde hij eindelijk: âTerschelling een vrijplaats â oude privileges â inbreuken genoeg â volhouden â hm?quot;
âHoe!quot; riep Heynsz uit, twijfelende of hij wel gehoord had: âwat bedoelt gij?quot;
âNiet toelaten â Schepensbank bijeenroepen â zaak van gewicht ââ violatie van jurisdictie â hm!quot;
âWat meent gij toch?quot; vroeg Heynsz: âacht gij het noo-dig te roepen bijeen een Schepensbank om te beslissen een zaak zoo eenvoudig als deze? Gij ziet immers mijn orders: die zijn duidelijk en peremptoir. Gij kunt lezen, hoop ik.quot;
âOrders â hm!quot; zeide Doedes, het hoofd schuddende en het hem aangeboden bevelschrift afwijzende: âhier niet geldig â Amsterdamsche Hoofd-Officier te huis regeeren â hier niet den baas spelen.quot;
âMaar ziet gij dan niet, dat het is een bevel van de Staten,quot; hernam Heynsz onverduldig.
âHm! â jawel â maar dit een exceptioneel geval â voorrecht â hm! â Terschelling een vrijplaats â appre-hensie zonder jurisdictie â Schepenen beslissen.quot;
Heynsz bleef met open mond staan, een oogenblik buiten staat tot spreken, zoo verbaasd was hij, dat een gerechtelijk ambtenaar een bevel dorst weerstaan, waar zelfs de Amsterdamsche Eegeering aan had toegegeven. Terwijl hij, zijn gewone gevatheid en tegenwoordigheid van geest voor een wijl verliezende, scheen te overpeinzen, hoe hij best den kop-pigen Drost tot toegeeflijkheid zoude brengen en van zijn ongelijk overtuigen, wendde hij, 't zij toevallig, 't zij uit vrees van hem uit het oog te verliezen, den blik naar Van Lintz: en de angst, dat deze het zonderling beweren van den Terschellingschen overheidspersoon gehoord zou hebben en
daarvan partij trekken, deed hem het zweet op het aangezicht stijgen; terwijl zijn gelaat een zoo kluchtige uitdrukking aannam, dat ik, in weerwil van mijzelf, niet kon nalaten te glimlachen.
Ook Van Lintz glimlachte; want, schoon op een afstand gezeten, had hij de woorden van den Drost zeer goed verstaan ; hij was geen man om die onopgemerkt of ongebruikt voorbij te laten glippen. Hij rees op en naar de beide rechts-beambten toetredende: âmij dunkt, vriend Heynsz!quot; zeide hij: âdat gij u een weinig vergaloppeerd hebt, althans naar het oordeel van dezen Heer.quot;
âNiet in het minste,quot; zeide Heynsz, zijn spijt vruchteloos zoekende te bedwingen: âik heb mijn orders om u te appre-hendeeren waar ik u vinde, â orders, geëmaneerd van onze Heeren Staten: â en het is maar een plaisanterie dat die Heer zich zou opposeeren daartegen: â of behoort Terschelling niet langer aan de Heeren Staten van Holland en West-Friesland? par exemple!quot;
âOngetwijfeld!quot; antwoordde Van Lintz: âsedert het door Karei, Hertog van Aarschot aan H. H. M. M. is verkocht en overgedragen: maar die koop kan hun geen recht geven de privileges te vernietigen, welke dit eiland bevorens van zijn wettige Heeren verkregen had en sedert onheuglijke jaren bezat.quot;
âDat geloof ik,quot; zeide Heynsz, met een smalenden lach: -âzoo onheuglijk, dat niemand zich kan herinneren, door wien of wanneer die ooit gegeven zijn.quot;
âHm!quot; bromde Doedes er tusschen in: ..de geapprehen-deerde heeft gelijk â privilegium rite concessum â Schepenen uitwijzen â morgen partijen hooren â beiden cautie praesteeren â hm!quot;
âMorgen!quot; herhaalde Heynsz, met de uiterste verbazing: âdenkt gij, dat ik hier kom om mij te amuseeren en dat mijne praesentie zoo maar kan gemist worden te Amsterdam dagen achtereen.quot;
..Het is voorwaar wat erg,quot; zeide Van Lintz. glimlachende.
280
..ik wed, dat de dieven reeds illumineeren wegens uwe afwezigheid : en, zonder gekscheren gesproken, het doet mij oprecht leed, dat gij zooveel moeite om mijnentwille hebt gedaan.quot;
..Parbleu!quot; riep Heynsz: âin welk wespennest ben ik gevallen? Mijnheer Huyck! Schipper Pulver! â Zijt toch zoo goed en helpt mij dien Drost, of wat hij wezen mag, te brengen tot rede. Beduidt hem toch, dat hij zich blootstelt te worden gesuspendeerd, gecasseerd, ja exemplaarlijk met boete en aan den lijve gestraft als rebel, zoo hij niet obtem-pereert aan de instruction en bevelen van H. H. Staten, onze hooge Souverein.quot;
..Hm!quot; zeide Doedes: â âcautie stellen â Terschelling-een vrijplaats en daarmede uit â hm!quot;
..Voor den duivel!quot; schreeuwde Heynsz: âTerschelling zal geen vrijplaats zijn voor u, dat beloof ik u: en ik zal een relaas opmaken waar het behoort; â maar al deze praatjes hebben niets te beduiden: geef mij een behoorlijke sententie of andere legale afwijzing, en ik zal zien wat ik te doen heb.quot;
âGij kunt dat niet weigeren,quot; zeide ik tegen den Drost; âen in allen gevalle moet ik u dringend aanraden, te bedenken wat gij doet, en of de gronden, waarop gij uw beweren bouwt, eenige kracht hebben; â bedenk, dat gij moeielijk iets tegen 's Lands Hooge Regeering kunt volhouden,quot;
âMij dunkt!quot; zeide Reynszen, die geheel niet van oordeel ontbloot was en, als zelf Lid van Schepensbank, begreep, zich in de zaak te moeten mengen; âwat Mijnheer daar zeit, is zoo gek niet; en je meugt wel bedenken wat je doet, Meester Doedes; want wat gij verricht, dat moet het eiland naderhand ontgelden, zooals gij weet,quot;
âHm! â Zelf Schepen ââ daarom meepraten â Drost beter weten â hm!quot;
âJuist!quot; hernam Reynszen; âik ben zelf Schepen en een geboren Terschellinger daarenboven; en ik dien de oude herkomsten dus al zoo goed en beter te weten dan iemand, die hier van den vasten wal gekomen is.quot;
281
Hoe!quot; riep Heynsz, deze omstandigheid in zijn voordeel aangrijpende: âis de Drost geen Terschellinger? dan mag hij dubbel voorzichtig zijn, hoe hij het aanlegt in deze zaak.quot;
Twee of drie andere personen, die gedurende het gesprek waren binnengekomen en, gelijk mij naderhand bleek, tot de Notabelen van het dorp behoorden, vereenigden zich met de gevoelens van Reynszen en drongen bij den Drost aan, dat hij Schepensbank zou beleggen, en niet, om een onzeker privilege vast te houden, de ontevredenheid wekken van het hooge Landsbestuur. Terwijl al de aanwezigen met het behandelen van dit vraagpunt bezig waren, naderde mij de vrouw des huizes, en fluisterde mij in het oor, dat de oude Heer, die met mij op Terschelling gekomen was, mijn terugkomst vernomen hebbende, mij liet verzoeken even bij hem te komen.
Ik gevoelde een oogenblik berouw, den goeden Helding in het midden der drukte vergeten te hebben en te gelijk kwam het denkbeeld bij mij op, dat het raadzaam ware, Sander te waarschuwen, eer hij binnenkomen en Heynsz met zijn dienaars in den mond mocht loopen. Ik begaf mij dus naar achteren, waar mij een treurig schouwspel wachtte. Helding zat naast de bedstede, en hield de hand der ontslapene tusschen de zijne, terwijl hem de stille tranen langs de wangen liepen; en zijn blikken waren met een uitdrukking van diepe, maar gelatene droefheid naar den hemel gewend. Tegenover hem stond Sander tegen den wand te leunen; zijn oogen waren strak en stijf op het lijk gevestigd; maar het hevige zwoegen van zijn boezem verried de innerlijke gemoedsbeweging die hem kwelde.
Zwijgend drukte ik de hand van den goeden Helding: âHet heeft zoo moeten wezen,quot; zeide de arme man: âen ik zal in Gods wijzen wil berusten; maar het is hard voor een vader, te moeten zeggen; haar dood was beter dan haar leven.quot;
âIk beklaag u,quot; zeide ik: ..ook u, Sander Gerritsz! maarquot; â vervolgde ik, laatstgemelde ter zijde trekkende: âwees voor-
â 28-2
zichtig; want ook uw eigen leven loopt gevaar: Heynsz en zijn dienaars bevinden zich hiernaast.quot;
Hij zag mij aan met een verwilderden blik, die mij nauwelijks deed gelooven, dat hij mij verstaan had.
âIk herhaal het,quot; hernam ik: âvertoon u niet: blijf hier, tot ik u waarschuwe. Er is misschien gelegenheid voor u, om met Kapitein Holmfeld te vertrekken. Ik zal u een brief voor hem medegeven. Het is hier voor u te gevaarlijk :quot; â en meteen sloeg ik het raam open, dat een uitgang naar den duinkant opende. Hij zag mij een wijl als sprakeloos aan, en toen, zich bezinnende, knikte hij, dat hij mij begreep.
âWat is er?quot; vroeg Helding, opstaande en hem verbaasd aanziende.
âOnderzoek het niet,quot; antwoordde ik: âhij is hier in gevaar: ik zal u de opheldering later geven. Spreken wij thans over de schikkingen, die er in deze treurige omstandigheden te maken zijn.quot;
Hiertoe werd ons echter weinig tijds gegund: wij hadden slechts even het punt der begrafenis aangeroerd, toen de vrouw van Reynszen weder aankwam.
âDie vreemde Heer,quot; zeide zij, zich tot mij wendende, âheeft mij gezeid, hij wilde u nog gaarne eens spreken, aleer hij naar boord keerde.quot;
âWelke Heer? Wien bedoelt gij?quot; vroeg ik, eenigszins verwonderd.
âHij zeit dat hij ... . â ja .... wie kan al die vreemde namen onthouen .. .. ? Blaek hiet hij, 'eloof ik.quot;
âBlaek!quot; herhaalde Sander, plotseling opspringende met een uitdrukking van hevige drift.
âBedwing u,quot; zeide ik, voor een uitbersting bevreesd: âdenk aan de gevolgen! Wees bedaard.quot;
âBlaek!quot; zeide Helding: âWie? Lodewijk Black? Komt hij hier, om den ouden man te tergen, wiens kind hij bedorven, wiens grijze haren hij met schande bedekt heeft? â Hou mij niet tegen. Mijnheer Huyck! Ik wil hem spreken! â Gij
zult het een vader niet beletten, den moordenaar zijner dochter op te zoeken.quot;
Ik zag het oogenblik, dat beiden zich naar het voorhuis zouden begeven, en daar ik beiden niet kon tegenhouden, achtte ik het raadzaam den onstuimigen Sander, wiens drift ik het meest vreesde, bij den arm te nemen en den doortocht te beletten. Helding was mij intusschen ontsnapt; maar nauwelijks was hij met vrouw Reynszen de deur uit, of ik volgde hen, stootte Sander naar binnen, sloeg de deur dicht en schoof er den grendel op, waarna ik mij in de herberg spoedde.
Hier was men gedurende mijn afwezigheid tot een besluit gekomen, in den zin als door Reynszen was voorgesteld, en had men rondgezonden om de Schepenen bij elkander te roepen. Lodewijk, die tot dien tijd getoefd had, om te zien. of hij kon te weten komen, wat de raadselachtige uitdrukking van Yan Lintz bedoelde, had eindelijk, bemerkend, dat het nog lang kon duren, eer deze vervoerd werd, besloten naar boord te keeren; doch mij eerst willende spreken, stond hij alsnu mij midden in do herberg af te wachten, toen Helding, wien ik op den voet volgde, eensklaps voor zijn oogen stond.
âHelding!quot; riep hij, verbaasd; âhoe drommel komt gij hier verzeild, poëet?quot;
âKomt gij uw werk zien, moordenaar van mijn kind?quot; riep de verbolgen vader uit, zich voor hem plaatsende: âha! gij dacht, omdat gij gewoon waart den ouden man te bespotten, dat het u ook vrijstond, de dochter te misbruiken. Maar kom ! â volg mij, en zie wat gij hebt uitgericht.quot;
âWat beduidt dit?quot; vroeg Lodewijk, wrevelig: âvertoont gij een treurspel van uw maaksel? â Of is het een klucht?quot;
âNeen! God weet het,quot; zeide Helding: âhet is wel een wezenlijk en waarachtig treurspel, en wee, driewerf wee u, die er de stoffe toe geleverd hebt. Mijn kind is dood: dood. verstaat gij ? en van hier kunt gij haar beschouwen. Zie of zij u nog bekoren zal.quot;
L'S-i
âWat heb ik met uw dochter uitstaande?quot; mompelde Lodewijk, op wien door dit voorval de algemeene oplettendheid gevestigd was.
..Hebt gij een dochter verloren?quot; vroeg Amelia, den ouden man met deelneming naderende.
âEn UEd. ook hier!quot; riep Helding, haar de hand drukkende; ,,0 Mejuffer! gij hebt welgedaan, dien man daar uw kamer te ontzeggen. Hadt gij aan zijn verleidelijken praat gehoor gegeven, wellicht ware ook uw lot aan dat van mijn arme Klaartje gelijk geworden. O! waarom heb ik ook niet, evenals uw vader, den slang van mijn kamer geworpen, in stede van zijn verfoeilijke geschenken aan te nemen! â Maar kom! -volg mij!quot; vervolgde hij, Lodewijk bij den arm grijpende: âgij moet, gij zult uw slachtoffer zien.quot;
Het was voorwaar voor iemand, die, als ik, deze beide personen _te voren gekend had, een opmerkelijk schouwspel om den geheelen omkeer gade te slaan, die er in hun onderlinge betrekking had plaats gevonden. Helding, de anders zoo kruipende, vreesachtige, afhankelijke slaaf van de grillen zijner meerderen, dwong thans, met het hoofd omhoog, den arm gebiedend uitgestrekt, zijn voormaligen patroon hem te volgen: terwijl deze, de trotsche, rijke, laatdunkende jongeling, met neergeslagen oogen en bevende stappen zijn geleider, voor wiens zedelijk overwicht hij zwichtte, naar het achterhuis volgde.
Ik, en verscheidene onder de aanwezigen met mij, vergezelden hen naar de kamer, waar Klaartje op het doodsbed lag uitgestrekt en waar zich, tot mijn blijdschap, Sander niet meer bevond. Waarschijnlijk had hij zich, op het hooren dei-naderende voetstappen, door het open venster verwijderd. Aan de bedstede gekomen, sloeg Helding het dekkleed op, en de ziellooze gelaatstrekken zijner dochter aan Lodewijk vertoo-nende, zeide hij: âaanschouw uw slachtoffer!quot;
Lodewijk stond een oogenblik als verplet: zijn gelaat was doodsbleek, zijn lippen blauw, en zijn oogen rolden hem wild door 't hoofd. Hij vermande zich eindelijk, en, mij een woe-
285
denden blik toewerpende, zeide hij: âhet is aan u, dat ik dat alles verschuldigd ben. Maar ik zal het u betaald zetten.quot;
âAan wie wilt gij mij overleveren?quot; vroeg ik, hem met verachting aanziende.
âVervloekt!quot; riep hij, stampvoetende; en zich met een heftige beweging van den arm van Helding losrukkende, verliet hij de kamer en herberg.
Na zijn vertrek bleef ik insgelijks niet langer, dan noodig was om met Helding en de vrouw des huizes de noodige schikkingen voor de begrafenis te maken, en begaf mij toen naar het Raadhuis, waar de Schepensbank reeds vergaderd en Heynsz met zijn gevangene heengetrokken was. Terwijl men alhier beraadslaagde, kwam de bagage van Van Lintz van het vaartuig terug: en kort daarna meldde zich iemand bij Heynsz aan, dien ik terstond voor een der boden van mijn vader herkende.
âGelukkig, dat ik u vinde. Sinjeur!quot; zeide hij, zich met Heynsz een weinig ter zijde begevende: âUEd. kon nauwelijks Pampus uit zijn, toen Z.-Ed.-Gestrenge, ten gevolge van berichten, uit Den Haag ontvangen, mij gelastte u te gaan opzoeken. Hier is de brief.quot;
Heynsz had dien nauwelijks gelezen, of hij riep mij ter zijde: âdit verandert de zaak merkelijk,quot; zeide hij: ,.Z.-Ed.-Gestr. gelast mij, zoo ik in handen krijge den Heer Van Lintz, hem te houden in custodie tot nader order, en alleen op te zenden de papieren, die bij hem gevonden worden.quot;
âDat is een goed teeken voor den Heer Van Lintz,quot; zeide ik: âliet bewijst, dat men het in Den Haag nog niet eens is, of men hem houden wil.quot;
Heynsz ging terstond den bekomen last aan schepenen mede-deelen, en hun verzoeken, hem in het uitvoeren daarvan behulpzaam te zijn. Zij bewilligden gereedelijk in den voorgestelden maatregel van bewaking, waardoor hun voorgewend privilege vooralsnog ongeschonden bleef, en er werd een tijdelijke verblijfplaats voor den Heer Van Lintz en zijn dochter aangewezen: terwijl diens bagage onderzocht en zijn papieren
286
na behoorlijk verzegeld te zijn, met een geleidenden brief van Heynsz aan mijn vader, waar ik er zelf een bijvoegde, aan den bode ter hand werden gesteld, die een paar uur later weder onder zeil ging.
Het eerste voornemen van den Drost was geweest, Van Lintz in de gewone gevangenis van Terschelling te doen bewaren; maar Heynsz, de middelen van voorzorg en bewaking, die het eiland aan mocht bieden, weinig vertrouwende, had beter geoordeeld, den gevangene zijn woord als edelman af te nemen, dat hij niet ontsnappen zoude, en op deze belofte gerust, hem met zijn dochter logies bezorgd bij een der gegoedste ingezetenen, waar wij nu dien dag gezamenlijk het avondeten gebruikten. Op het nagerecht ontving ik een geschreven briefje van Sander, waarin deze mij verzocht, mijn belofte ten aanzien van den brief van aanbeveling aan Holm-feld gestand te doen, zeggende, mij den volgenden morgen te zeven uren bij de meest noordelijke lantaarn te zullen wachten.
Ik verscheurde dit briefje terstond na de lezing en bleef eenige oogenblikken in gedachten. â âIk hoop,quot; zeide Van Lintz, âdat dit geen cartel van den Heer Blaek is? âWacht u voor dien man; hij ware niet te goed om u zonder waarschuwing overhoop te schieten.quot;
âNeen,quot; zeide ik: âdit briefje is niet van hem; maar echter vordert het van mij, dat ik mij iets vroeger van hier verwijdere, ten einde het antwoord gereed te maken.quot;
Dit gezegd hebbende rees ik op en verliet het vertrek. Aan de voordeur gekomen zag ik, dat Amelia mij volgde. âDoe geen moeite,quot; zeide ik, âik zal er wel uitkomen.quot;
âMijnheer Huyck!quot; zeide zij, met een bevende stem: âVergeef mij mijn vrijpostigheid; maar ik ben zoo gewoon geraakt, altijd het ergste te vreezen. Is dit briefje wezenlijk niet van den Heer Blaek?quot;
âIk ben gevoelig voor uwe belangstelling,quot; zeide ik: âmaar ik verzeker u, dat uw vrees zonder grond is:quot; en ik gaf haar in korte woorden te kennen, wat het geval was.
â 281
âDe Hemel zij gedankt!quot; hernam zij; âik herinner mij dien Sander wel, en den noodlottigen naam van Pedro Negro, dien wij hem gaven, en dien hij naderhand, hoor Ik, maar al te berucht heeft gemaakt. Er zat een goede aard in den man: en God geve, dat hij zijn vroegere verkeerdheden door een verbeterd levensgedrag uitwissche.quot;
Ik keerde naar de herberg en schreef den brief, dien ik Sander beloofd had, waarna ik mij ter rust begaf, met last dat men niet verzuimen zou mij te wekken. Den volgenden morgen was ik dan ook vroegtijdig op de been, en de aanbiedingen afslaande van Pulver en van Helding, die mij vergezellen wilden, begaf ik mij naar de bestemde plaats.
Het was een fraaie morgen: de wind was naar het Zuiden omgeloopen, en deze gelegenheid werd te baat genomen, zoowel door enkele koppels vinken en bonte kraaien, die mij over quot;t hoofd vlogen, aankondigende dat het najaar gekomen was, als door ettelijke vaartuigen, die, de ree van 't Viie verlaten hebbende, noordwaarts opstevenden: maar niet weinig was ik teleurgesteld, toen ik bemerkte, dat ook de Kjöben-ha vn het anker gelicht had en met uitgespannen zeilen het zeegat uitstevende. Kapitein Holmfeld had zeker niet langer durven vertoeven, en nam ook de laatste hoop van Sander met zich mede.
Welhaast had ik het duin bereikt, waarop zich de vuurbaak verhief: een eenvoudige, van ruwe balken saamgestelde toestel, en welken men beklom langs een op verscheidene plaatsen van sporten ontbloote ladder. Ik zag om mij heen, of ik Sander ook ergens gewaarwerd; maar hij kwam niet opdagen. Langen tijd wandelde iic op en neder: eindelijk werd ik ongeduldig; ik begon te vermoeden, dat ook hij het Deensche schip had zien wegzeilen, en, geen trek hebbende, den morgen hier door te brengen, besloot ik, weder naar het dorp te keeren.
Ik had ongeveer de helft van den terugtocht afgelegd, toen het mij voorkwam, dat ik in de nabijheid een geluid hoorde als van iemand, die angstig steunde. Ik zag rond en ont-
288
dekte, in een laagte tusschen de duinen, een voorwerp, dat mij, voor zooveel de struiken mij toelieten te zien, een men-schelijk lichaam toescheen. Ik snelde derwaarts heen, en nog na zoovele jaren gaat er een huivering door mijn leden, bij de gedachte aan het schouwspel, dat zich aan mijn oogen voordeed.
Op het naakte zand lagen twee lichamen uitgestrekt: het eene was dat van Sander: hij lag op den rug; de doodskleur was op zijn gelaat verspreid, en zijn bloed, dat tappelings uit een aan 't hoofd bekomen woud vloeide, vormde een rooden plas op den barren grond. Dwars over hem heen lag Lodewijk Blaek, met het aangezicht in het zand en een pistool naast hem op den grond.
Met een kreet van ontzetting trad ik nader en keerde het lichaam van dezen laatste om. Zijn hemd en vest waren stijl' van bloed, en zijn trekken als die eens dooden; maar een pijnlijke zucht, die hem bij deze beweging ontsnapte, kondigde mij aan, dat het leven hem nog niet verlaten had en redding misschien mogelijk was. Ik rukte hem het hemd open, zag dat hij een diepe wond in de borst had en hield er mijn zakdoek voor, om de bloedvloeiing zoo mogelijk te stelpen. Wat Sander betrof, hij was reeds koud en had blijkbaar den adem uitgeblazen. Het bebloede mes, waarmede hij zijne weerpartij waarschijnlijk verwond had, was aan zijn hand ontvallen.
Onwetend wat te doen, den gewonde niet willende verlaten, en toch buiten staat, hem zonder hulp te vervoeren, sloeg ik de oogen rond om te ontdekken, of zich ook een levend wezen in de nabijheid opdeed, toen ik plotseling op een kleinen afstand, vlak voor mij iemand gewaarwerd, die mij met aandacht scheen gade te slaan. Zijn aanblik verwekte in het eerste oogenblik dien indruk op mij, welken het staroogen der slang op den onschuldigen vogel teweegbrengt: ik had Andries herkend. Mijn volgende beweging was, het mes van Sander op te vatten, om mij desnoods tegen een aanval van dien schelm te verdedigen. Maar wat hem betrof, hij keerde
28'.»
zich om, zonder een woord te spreken, en liep, onder het geschreeuw van âmoord! moord!quot; naar den kant van het dorp toe. Ik stond op; en zag terzelfder tijd Pulver en Helding, die met drift kwamen aanloopen.
âGod beware ons! Wat is hier geschied ?quot; vroeg de laatste.
âWij zijn toch nog niet tijdig genoeg gekomen om een ongeval te verhoeden,quot; zeide Pulver: âben je ook gekwetst. Patroon ?quot;
..Raak de doode lichamen niet aan. Mijnheer Huyck!quot; riep Helding, die op dit stuk met het gewone vooroordeel behept was: âdaar komt nooit eenig goeds van.quot;
âMaar wie heeft dat toch gedaan?quot; vroeg Pulver.
âJa! Wie heeft dat gedaan?quot; vroegen nu onderscheidene stemmen: en eenige eilanders, wier getal meer en meer aangroeide, verzamelden zich om de plek, doch altijd, ten gevolge van hetzelfde vooroordeel, op zekeren afstand blijvende. Ik zag, dat sommigen het hoofd schudden, mij schuins aanzagen en elkander met den elleboog aanstootten of toewenkten.
âHelpt mij toch, om deze ongelukkigen naar het dorp te brengen,quot; zeide ik: âde eene leeft nog.quot;
âWij zullen wachten, tot de Drost komt â wij zullen er geen hand aan slaan â of wij mal waren? om een lijk aan te raken en zoodoende den boedel te aanvaarden,quot; mompelden de omstanders.
âZij hebben elkander vermoord,quot; zeide ik, den vragenden blik van Pulver beantwoordende: âdat lijdt geen twijfel.quot;
..Xu ja! â dat zal de Drost wel beslissen,quot; hernamen d^ dorpelingen: en ik zag, dat hun blikken gevestigd waren op het mes, dat ik in de hand hield.
âHij doet wel, dat hij de schuld aan de dooien geeft,quot; mompelde Andries, die mede onder den hoop was teruggekeerd: ââdooien spreken niet tegen,quot; denkt hij: hij is zoo leep als het hout van de galg.quot;
Ik zag, dat ik algemeen van den moord verdacht werd gehouden: mijn toestand was alles behalve aangenaam: ik begreep echter, alvorens mij te verdedigen, nogmaals een beroep
II. - F. H. 10
290
op hun menschlievendheid te moeten doen. âVrienden!quot; riep ik, Lodewijk half oprichtende: âdeze leeft nog. Wilt gij hem zonder hulp laten sterven?quot;
..Wacht!quot; zeide Pulver: âik zal u helpen, Patroon. Als hij nog niet naar zijn grootje is, is er geen gevaar bij.quot;
âEn ik ook,quot; zeide Helding: âofschoon hij het juist aan mij niet verdiend heeft, maar ik heb te veel verplichting aan Mijnheer Huyck, om hem alleen in den steek te laten.quot;
Op dit oogenblik kwam Doedes met Reynszen en eenige andere notabelen aanloopen.
âHm!quot; riep de eerste: âtwee lijken? â Moord gepleegd? â door wien?quot;
Allen zwegen: een der aanwezigen wees op Andries en zeide: âdie man is ons komen roepen.quot;
âJa!quot; zeide Andries, mij aanziende: âik zal geen grooteluis-kinderen betichten, zoomin als met een kotter een Admiraalsschip aanzeilen; â maar wanneer men een bebloed mes in de hand houdt... .quot;
âMenschen!quot; riep ik, met een krachtige stem: âgelooft dien man niet: hij is een schelm, een straatroover, van wien gij u verzekeren moest. Ik ben hier gekomen, toen zij beiden op den grond lagen: â dit mes behoorde aan den doode; -doch verliest geen tijd in onnut gepraat: de Heer Blaek is misschien nog te redden.quot;
âHm!quot; zeide Doedes, het hoofd schuddende: âde Heer Blaek uw vriend niet â vroeg uitgegaan â tweegevecht â hm! â nog te redden?quot; en te gélijk naderende, onderzocht hij de wond: âhm!quot; zeide hij: âsnijdend werktuig diep ingedrukt,quot; en toen mij aanziende: âdat mes, hm!quot; â Ik gaf het hem: â wond met dit mes toegebracht â vena j u g u 1 a r i s -kraakbeen gekwetst â langzame genezing â spoedig vervoeren.quot; â Onder het spreken haalde hij zijn gereedschappen voor den dag en legde een haastig verband; waarna hij zich bij Sander begaf en diens wond peilde: âhm!quot; zeide hij: âkogel in 't hersenvlies â dood als een pier â hm! v u 1 n u s 1 e t a 1 e.quot;
291
Hiermede besloot hij zijn lijkschouwing en begaf zich met Reynszen en nog twee of drie andere der met hem gekomen notabelen op zijde. Hun gesprek was kort en levendig: ik zag, aan de blikken, die zij naar mijn kant wierpen, dat ik daarvan het onderwerp was. Xa den afloop daarvan, trad Doedes naar mij toe en zeide:
âGij ons volgen â- verantwoorden.quot;
âDat wil ik gaarne doen,quot; zeide ik: âmaar gij zult toch geen geloof hechten .. . .quot;
âJa!quot; zeide Eeynszen, het hoofd schuddende: â't zou mij van Mijnheer spijten: maar er is een zware praesumtie â UEd. was geen vriend van den gewonde.quot;
âBen je dol?quot; vroeg Pulver: âMijnheer Huyck voor een moordenaar aan te zien!quot;
âGoed recht geven,quot; zeide Doedes: âgeen aanziens des per-soons â hei wat!quot; vervolgde hij, ziende dat Andries zich verwijderde: âdie man blijven â meegaan â getuigenis afleggen.quot;
âZorg, dat hij niet ontsnappe,quot; zeide ik: âhij is de vent, waar ik met den kastelein over sprak, â de man, die plan had het pakhuis te berooven.quot;
Men verzekerde zich van Andries en plaatste Lodewijk op een burrie, die inmiddels was aangebracht. Terwijl dit geschiedde, opende hij de oogen, zag rond en vroeg met een nauwelijks hoorbare stem: âwaar ben ik?quot;
âNu zult gij allen de waarheid hooren!quot; riep ik verheugd uit. âBlaek, om quot;s hemels wil! zeg ons: wie was uw moordenaar?quot;
De gewonde zag mij- een poos sprakeloos aan, als wilde hij zich bedenken, terwijl zich de omstanders in gespannen verwachting om ons heen drongen, ten einde de woorden van zijn lippen op te vangen. Opeens scheen hij zich te bezinnen, een boosaardige glimlach vertoonde zich op zijn gelaat, en mij scherp aanziende: âgij,quot; zeide hij.
âEllendige!quot; riep ik: âwilt gij met een leugen de eeuwigheid ingaan?quot;
292
Een diepe stilte volgde bij de aanwezigen. Eeynszen zag. mij met een medelijdenden blik aan. terwijl hij de schouders ophaalde, als wilde hij zeggen; âgij hoort het.quot; Pulver zuchtte en beet op zijn vingers; Helding stond als versuft: hij drukte mij de handen, terwijl hem de tranen uit de oogen sprongen. Wat mij betreft, ik was zoodanig door de beschuldiging verplet, dat ik geen woord meer kon uitbrengen en werktuiglijk mij op weg begaf in den trein, die nu met den gekwetste en den doode langzaam naar het dorp trok.
ACHT-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.
WAARIN OKZE HELD ZICH VOLSTREKT X1ET OP ZIJN' GEMAK BEVINDT.
De maar van het gebeurde was ons reeds vooruitgeloopen en het was niet dan met moeite dat wij ons een weg konden banen door de gansche bevolking van het dorp, welke dit voorval op de been bracht. Geen oud wijf was aan 't spinnewiel en geen kind op school gebleven: en alles was nieuwsgierig om te zien, hoe een Amsterdamsch rijkeluiskind werd opgebracht, omdat hij een anderen Heer had overhoop gestoken. Lodewijk werd in het huis van Doedes gevoerd, alwaar hij de noodige verpleging onderging, terwijl men Andries en mij op het Raadhuis bracht. Hier moesten wij wachten, tot de bijeengeroepen Schepenen in genoegzamen getale vergaderd waren om mij een voorloopig verhoor af te nemen. Eindelijk werd ik tusschen twee gerechtsdienaars binnengebracht, en vond de Schepensbank vergaderd, aan wier hoofd vriend Eeynszen in volle achtbaarheid gezeten was; die mij nu gelastte een verhaal van mijn wedervaren te doen.
Toen ik dit naar waarheid verricht had, werd Andries binnengeroepen.
293
âHebt gij iets op dezen getuige aan te merken?quot; werd mij gevraagd.
âZeer veel!quot; zeide ik: âhij is een erkende straatroover: en zoo men Heynsz laat roepen zal deze mijn gezegde bevestigen.quot;
âWel mogelijk!quot; bromde Doedes, die, aan het einde der tafel gezeten, zich vast in de handen wreef van blijdschap nver de belangrijke beschuldiging, die hij te vervolgen had: âHeynsz een bemoeial â geen bewijs tegen dien getuige -voortgaan!quot;
âWij zullen den geaccuseerde akte verleenen van zijn wraking,quot; zeide Reynszen, met een deftigheid, die mij verbaasde: âen inmiddels voortgaan met den getuige te examineeren. Andries Matthijsen! wat hebt gij te deposeeren?quot;
Andries gaf hierop een verhaal, hetwelk niet dan een aaneenschakeling van leugens behelsde: hij had, zeide hij, een pistoolschot gehoord en was daarop komen aangieren: bij het naderen had hij Sander op den grond zien liggen en mij bezig gevonden met den Heer Blaek te worstelen, welken laatste hij na een kort gevecht had zien vallen; waarop hij dadelijk hulp was gaan roepen.
Ik maakte geen aanmerking op deze getuigenis; maar vergenoegde mij de schouders op te halen en bij mijn vroegere verklaring te volharden. Xu werd Pulver binnengeroepen en insgelijks ondervraagd.
...Ja!quot; zeide hij: âik weet van het geval niets anders te vertellen, als dat, toen ik er met Sinjeur Helding bijkwam, wij Sandertje achterover op den grond zagen liggen, alsof hij zonshoogte nemen wou, en den Heer Blaek, dwars over hem heen, terwijl de Patroon er bij stond, als iemand die geen raad weet. Maar dat hij part of deel aan het geval zou hebben, dat kan ik op al de wereld niet begrijpen.quot;
âHm!quot; zeide Doedes: âuw opinie niet gevraagd â deposeeren â meer niet.quot;
âMaar,quot; vroeg Reynszen aan Pulver: âhoe kwaamt gij daar aan het duin met uw makker?quot;
âWij waren uitgegaan om den Heer Huyck te zoeken, over
294
wiens lang wegblijven wij ongerust begonnen te worden,quot; antwoordde Pulver in zijn eenvoudigheid.
âEr was dus reden, om ongerust te wezen? Gij hadt dus vermoedens, dat zijn afwezendheid met verkeerde oogmerken gepaard ging?quot;
âDat is te zeggen,quot; antwoordde de goede Schipper, verlegen: de Patroon had gisteren een kartebelletje ontvangen: en wij waren bang of het ook van den Heer Blaek ware en of er altemet.... in één woord â wij waren wel bang, dat zij mekaar reis in 't vaarwater zouen zitten.quot;
Ik voelde een koude rilling door mijn leden varen; want ik begreep welke gevolgtrekking men uit deze verklaring trekken zoude.
âHm! hm!quot; zeide Doedes, met een zegepralenden blik rondziende: âde zaak opgehelderd â klaar als de dag â hm!quot;
Helding, die na Pulver optrad, verklaarde in substantie hetzelfde, en voegde er tevens het een en ander bij, betreffende de redenen van veete, welke Sander tegen Lodewijk Blaek kon voeden; en welke het niet onwaarschijnlijk maakten, dat er tusschen deze beiden een gevecht had plaats gehad. Zoowel hij als de Schipper werden ondervraagd of zij het ten processe overgelegde mes herkenden, als mij behoord te hebben. Beiden betuigden, het nooit te hebben gezien.
De laatste getuige, die gehoord werd, was schijnbaar in mijn voordeel. Het was een visschersknaap, die deposeerde, dat hij den avond te voren, van iemand, die naar zijn beschrijving volkomen met Sander overeenkwam, een briefje had ontvangen, met verzoek het aan mij te overhandigen, voor welke boodschap hij een stuiver genoten had.
âDe Heeren zien dus,quot; zeide ik, âdat deze depositie met mijn verhaal overeenkomt, en dat ik naar het duin was gegaan om Sander Gerritsz te zoeken. Hier is bovendien de brief, dien ik te zijnen behoeve aan Kapitein Holmfold geschreven had.quot;
âHm ja!quot; zeide Doedes: afspraak met den gedecodeerde -den Heer Blaek aan te vallen â aan Sander een brief -
V
295
hem uit de voeten helpen na perpetratie van het feit -slim overlegd â hm!quot;
,.Als men aan al mijn daden een verkeerde uitlegging wil geven,quot; zeide ik, terwijl mij het bloed naar 't aangezicht steeg.
âHm!quot; hernam Doedes, een boek, 't welk hij had medegebracht, opnemende en aan Schepenen toonende: âgelijkstaande casus â Consultatiën en Advysen, Deel I, bladz. lt;350 â depositie van den gekwetste â getuige bij avonture reprochabel â de geculpeerde gezien met een mes in de hand â duo visi fixari et unus vulneratus â con-curreerende indicia â in alles gelijkstaande â en dus: Gerechtigheid te contendeeren,quot; â hier rees hij op, en zeide met meerdere stemverheffing, als iemand die ambtshalve een eisch doet: âdat de gevangene zal worden getorqueerd ter discretie van den Rechter ende alzoo tot scherper examen gebracht.quot;
âGetorqueerd!quot; herhaalde ik, terwijl mij het bloote denkbeeld sidderen deed: âgij wilt mij toch niet ter pijnbank brengen op deze bloote praesumptie; â want, mijne Heeren! de getuigenis van den gekwetste is extra j u d i c i u m gegeven en kan in dit oogenblik niet tegen mij worden aangevoerd; hij moet zich bedrogen hebben, en niet geweten, wat hij zeide. Hij zal, zoo hij geneest, hetgeen God geve, zijn verklaring herroepen, daar is geen twijfel aan.quot;
âDe geïnculpeerde heeft gelijk,quot; zeide de Voorzitter: âen bovendien, Heer Drost! wij weten nog niet, waar gij hem van beschuldigt, van moord of van bloote verwonding. â Wij zullen daarom de zaak voor alsnog suspendeeren en bevel geven, den geïnculpeerde te incarcereeren, tot hij nader ge-mandeerd wordt. Ook de getuigen moeten zoo lang hier blijven, tot zij nader gehoord kunnen worden.quot;
Met deze woorden werd de zitting opgeheven, en ik naaide gevangenis gebracht. Dergelijke lokalen zijn zelden zeer geriefelijk en de Terschellingsche kerker maakte geen uitzondering op den algemeenen regel: het was een klein en vochtig
296
vertrek, met naakte wanden, en dat tot eenig ameublement een tafel had, waar slechts drie pooten meer van in wezen waren, een stoel met gebroken zitting en een houten brits, die alle blijken droeg van veeljarigen dienst.
Alleengelaten zijnde, ging ik zitten en zocht mijn denkbeelden bijeen te zamelen; want de doorgestane ontroering, schrik en angst hadden mij in een staat van verwarring gebracht, waarin mij al hetgeen mij was overkomen als een bange vreeselijke droom toescheen; maar het duurde een geruime poos, eer ik tot recht besef van mijn toestand geraakte. Eindelijk echter gelukte het mij te bedaren: en nu stond de verschrikkelijke waarheid mij in al haar naaktheid voor de oogen. Ja! ik was het zelf, ik, Ferdinand Huyck, de zoon van den Hoofdschout, op wien het gewicht eener kapitale beschuldiging rustte; tegen wien zich zulke ontzettende verdenkingen verhieven; en, had ik in den aanvang de zaak licht geteld en vertrouwd op het bewustzijn mijner onschuld, ik zag nu in, dat er krachtige gronden zouden moeten bijgebracht worden om de tegen mij aangevoerde bewijzen te ontzenuwen. En dan dacht ik aan mijn ouders; aan mijn brave moeder, wier zwak gestel de tijding niet zou weerstaan, dat haar zoon van zulk een misdaad verdacht werd gehouden: aan mijn vader, die zijn leed met het Stoïcisme, dat hem kenmerkte, verkroppen, maar later des te meer bezuren zoude: en dan, de kwellende gedachte, dat ik hen zelfs niet van mijn onschuld overtuigen kon! â dat zij door een derde, die de zaak wellicht vergrooten of in een ongunstig daglicht stellen, van het gebeurde onderricht zouden worden; dat zij wellicht den naam zouden vloeken van den zoon, die hun grijze haren met schande bedekte .... dat alles was schrikkelijk: liet deed mij het bloed in de aderen terugkrimpen en het koude zweet door alle poriën uitbersten.
Nu wilde ik schrijven; maar daartoe ontbraken mij de middelen en niemand beantwoordde mijn geroep: ik was alleen en â verlaten â zonder toegang. Ik zag mij verplicht, te wachten, tot mijn verzoek zoude worden ingewilligd; want ik
hing van de grillen van Meester Doedes af en ik had reeds genoeg bespeurd, dat hij er verre af was van mij genegen te zijn.
Eindelijk, na uren, pijnlijk doorgebracht, zag ik de deur van mijn kerker opengaan en werd ik aangenaam verrast door het binnentreden van Heynsz. âGoddank 1quot;' riep ik. zoodra ik hem zag: âik ben dan nog niet geheel verlaten.quot;
âMijnheer Huyck! Mijnheer Huyck!quot; zeide hij, zoodra ons de sluiter alleengelaten had, met een bedenkelijk gezicht: âdat is een geval voor mij, te zien den zoon van uw vader in zulk een ongelegenheid!quot;
âNietwaar?quot; vroeg ik, hem de hand toestekende: âgij gelooft niet aan mijn schuld?quot;
âMa foi! ' antwoordde hij, âalle praesumtie is tegen u: en er zouden in waarheid zijn termen, om op u te appliceeren de torture; maar ik begrijp niet, waarom UEd. niet bekent; want ik veronderstel, gij hebt toegebracht die wond in cas van zelfdefensie.quot;
âHoe! ook gij zijt tegen mij?quot; riep ik, met bittere teleurstelling.
..Wat zal ik zeggen? Twee getuigen tegen u!quot;
âWaarvan de eene mijn vijand, en de andere een schurk is.quot;
âJa, die Andries! â- nu die zal er niet afkomen zeer gemakkelijk; want, vrijplaats of niet, hangen zal hij; maar waarom, uit wat reden, zou hij u bezwaren?quot;
âRedenen genoeg: vooreerst uit ingeboren kwaadaardigheid: ten tweede omdat ik een zoon van den Hoofdofficier ben: ten derde, omdat hij een oude veete tegen mij heeft; â want zonder den Heer Van Lintz had ik eens zijn mes in mijn ribben gevoeld.quot;
âGoed! â de Heer Van Lintz kan gehoord worden: â maar nu de Heer Blaek, zou die zoover drijven de slechtheid om u valsch re betichten van hem vermoord te hebben .... 't Is mogelijk; maar dat is gruwzaam!quot;
âIk moet nog gelooven,quot; zeide ik, âdat zijn beschuldiging het gevolg is, 6f van een verzinning, of van een onwillekeurige
298
gemoedsopwelling, en dat hij. zoo hij in 't leven blijft, die wel weder zal intrekken.quot;
âDat geloof ik niet,quot; zeide Heynsz: âwant hij is beter en heeft toch niet ingetrokken zijn verklaring: maar integendeel die bevestigd met nadere omstandigheden.quot;
âWelnu!quot; hernam ik: âin dat geval ben ik overtuigd, dat zijne depositie met die van Andries moet variëeren.quot;
âDat doen zij ook,quot; zeide Heynsz: âik heb die gelezen, allebei; want, gezegd tusschen ons, Reynszen is een verstandig man. die wel hooren wil naar raad en niet is een dwarshoofd als die Doedes: en hij heeft in dit geval geraadpleegd mijne ondervinding: ook heb ik te danken aan hem, dat ik heb bekomen permissie om u te bezoeken; want de Drost wilde u houden buiten acces; hij is wat in de drukte, die Meester Doedes: een belangrijk cacus als deze : doodslag en verwonding: en tot patiënt om te verzorgen een rijken Amsterdammer, dat is te veel plaisier op éénen tijd voor een man als hij. ..Ik geloof het wel,quot; zeide ik: âmaar nu de depositiën?quot; âAha ja! â Wel dan: de Heer Blaek vertelt, dat hij van u ontvangen heeft een cartel om te vechten in duel op het duin: dat hij, daar gekomen zijnde, is geattaqueerd door u en Sander, en dat hij ontvangen heeft van u een steek mot een mes. op het oogenblik dat hij om te defendeeren zijn leven, door het hoofd schoot Sander: â of liever Zwarten Piet: --want het blijkt, dat het deze gevreesde gauwdief is geweest, die te dezer gelegenheid is omgekomen. â Andries vertelt daarentegen . . . .quot;
âIk heb de depositie van dezen laatste gehoord,quot; viel ik in: âmaar in allen gevalle volgt uit beider verklaring dat Sander door Blaek is gedood, en dan is deze laatste insgelijks als getuige reprochabel, daar hijzelf ter verantwoording over een doodslag zal geroepen moeten worden.quot;
,,'tls juste! en dit heb ik al gezegd aan Reynszen. 't Is doodjammer, dat UEd. zijt getreden in de negotie en niet zijt geworden Advocaat; want UEd. saisiseert de punten van defensie juist als 't behoort, maar mafoil al had LEd. in
299
drift of anderszins overhoopgestoken dien canaille van een Blaek, ik zoude er UEd. niet te minder om achten.quot;
âMaar ik herhaal u, dat mijn handen zuiver zijn van zijn bloed; en . . .
âIk geloof u, Mijnheer Huyck! Ik geloof u â en zoo ik straks sprak anders, het is, omdat ik zoo ben gewend: wanneer men tegen een geculpeerde spreekt, moet men altijd beginnen te veronderstellen de schuld: anders komt men nooit achter de waarheid.... maar dat daargelaten. Hoe kan ik van eenigen dienst zijn aan UEd. ?quot;
âKan ik geen schrijftuig bekomen? Ik wenschte zoo gaarne mijn vader kennis te geven van dit ongelukkige voorval, eer hem zulks van een andere zijde ter ooren komt.quot;
âIk vrees, dat men u daartoe niet zal geven de permissie,quot; zeide Heynsz, het hoofd schuddende: âmaar laat mij over, t'j verrichten die onaangename taak. Ik zal Z.-Ed.-Gestr. voorbereiden op eene voorzichtige wijze en het voorstellen bij provisie als een zaak, waar UEd. slechts in gemoeid zijt of waarbij het onzeker is of UEd. als getuige of als geculpeerde zult paraisseeren. Ik zal wel geven een goede kleur aan de zaak: wees gerust.quot;
Helaas! Ik was zeer verre van gerust te zijn, of een onbepaald vertrouwen te bezitten op den gelukkigen briefstijl van Heynsz en op zijn voorzichtigheid en zijne wijze van de zaak voor te dragen. Ik moest echter wel berusten: er was niets anders aan te doen.
âUEd. is hier slecht gelogeerd,quot; zeide hij, nadat wij het voormelde punt hadden afgehandeld: âik zal daarover spreken met Eeynszen. Er is geen reden om te behandelen als een slechten boef iemand, die wel in staat is te betalen een goed logies.â Maar a-propos!quot; zeide hij: âeer ik het vergeet, ik moet UEd. de groete doen van den Heer Van Lintz, van zijn dochter en van den armen Helding. Ik weet niet, wie bedroefder is van de twee over uw geval, de oude poëet of de jonge Juffer. De eerste doet niets als schelden en razen, en de laatste is als een wanhopig mensch en
300
beschuldigt zichzelve van de oorzaak te zijn van al deze ellende.quot;
Amelia? â Zij is toch waarlijk geheel onschuldig aan het voorgevallene.quot;
..Ma foi!quot; zeide Heynsz, glimlachende: ..niet zoo geheel en al. Had zij niet in de oogen gestoken den Heer Blaek, deze haar niet had achterna gevolgd en was niet aangekomen hier: â enfin! het eene is een gevolg van het andere.quot;
..En Kapitein Pulver?quot; vroeg ik.
..O ho! die ware al gegaan naar Amsterdam om zich te beklagen over de regeering van Terschelling, dat zij had de brutaliteit van u vast te zetten; maar ik heb hem gelukkig teruggehouden daarvan; te meer daar zijn getuigenis u wellicht kan zijn van dienst. â Maar ik moet u verlaten; want ik dien de gelegenheid waar te nemen, om te schrijven: â ik zal zorg dragen, dat UEd. ontvangt betere meubelen.quot;
Heynsz verliet mij en was zoogoed als zijn woord; want een uur later bezorgde men mij een bed met zijn toebehoo-ren. benevens een tafel, stoelen, die, schoon niet nieuwer-wetsch, echter bruikbaar waren, en mijn bagage. Ik zal hier geen beschrijving geven van de treurige nachten en vervelende dagen, welke ik sleet, zonder dat zich eenige verandering in mijn toestand of eenig uitzicht voor de toekomst opdeed. De eenige verstrooiing, welke ik had, bestond in de bezoeken van Heynsz, die mij tijdingen bracht van hetgeen er voorviel en van den toestand van Lodewijk. De wond van dezen scheen minder gevaarlijk dan men in den aanvang gedacht had; maar de gestadige koortsen, welke hem teisterden, hadden hem zeer verzwakt. Men vleide zich echter, dat zijn jeugd en sterk gestel de kwaal zouden te boven komen. Ten opzichte van het gepleegde feit bleef hij echter dezelfde depositie staven; zoodat mijn zaak nog geen betere wending scheen te nemen.
Het was op den zesden ochtend na mijn gevangenneming, dat, terwijl ik mijmerend voor mijn tafel zat en aan de mijnen dacht, ik de grendelen van mijn kerkerdeur hoorde
301
openschuiven. Ik rees op, eenigszins verwonderd; want dit was het uur niet, waarop ik eenig bezoek verwachtende was: de deur ging open: iemand trad met drift binnen: en ik deed van verbazing een stap terug op het zien van Reynhove.
âReynhove!quot; riep ik: âu was ik wel het minst te verwachten.quot;
âEn ik had niet verwacht, ooit Terschelling te zullen zien,quot; antwoordde hij; âen voorwaar niet om zulk een reden. -Arme vriend! Gij zijt mager en bleek geworden: dit logies deugt u niets.quot;
âEn mijn ouders!.... weet gij iets van hen?.... van waar komt gij ?quot; vroeg ik. in gespannen verwachting.
âAllen wel: â een half uur geleden hier gearriveerd -rechtstreeks van Amsterdam â en met commissiën van allerlei genre â rechts en links.quot;
âGJij komt van Amsterdam? â Hebt gij mijn vader gezien? â Weet hij, weet mijne goede moeder?. .. .quot;
âStil.... Een oogenblik! Gun mij den tijd adem te halen,quot; zeide Reynhove, zich nederzettende en zijn paruik in orde schikkende: âma foi,quot; vervolgde hij, rondziende: âgij zijt hier niet te best gelogeerd: â nu â dat is te begrijpen. -Uw vader is wel, ik ben bij hem geweest: hij poogt zich goed te houden en voor uw moeder te verbergen wat hier is gepasseerd; maar het goede mensch is toch in doodelijke i n q u i é t u d e, want zij merkt wel, dat er iets gaande is. -Enfin, het is een mal geval: en ik wilde wel om duizend kronen, dat gij hier nooit heengetrokken waart.quot;
âMijn arme ouders!.... en zij houden mij toch niet voor schuldig, Reynhove?quot;
âGij vergeet wat ik u zeide, dat niemand iets van de ware toedracht der zaak soupgonneert, behalve alleen uw vader .... maar laat mij u alles toch ordelijk verhalen.quot;
âEn mijn zuster?.... En.... de andere betrekkingen?quot;
âUw zuster is wel, en uwe Tantes ook. en Mejuffrouw Blaek ook â ofschoon zeer gesaisisseerd van dat fatale geval.quot;
302
âIk wil wel gelooven,quot; hernam ik, âdat de toestand van Lodewijk . . .
âJa! en dan de dood van haar oom . ..
..Hoe!quot; riep ik uit: âis de oude Heer Blaek dood?quot;
,.De wereld geabandonneerd,quot; zeide Reynhove: âen wel zonder het appèl af te wachten. â Maar zoo gij mij niet aan het woord laat, zult gij nooit iets naar behooren vernemen. â Antwoord mij eerst: wien denkt gij in mij te zien?quot;
âEen vriend, naar ik hoop,quot; zeide ik, eenigszins verwonderd over deze vraag.
âDat spreekt vanzelf; â maar, behalve dat? Gij raadt het niet?quot;
âAch!quot; zeide ik: âdenk toch in welke omstandigheden ik mij bevind, en hoe weinig ik, zelfs tot onschuldige scherts, gestemd ben.quot;
â't Is waar: gij hebt gelijk. â Welnu! gij ziet in mij een gedelegeerde van Hunne Hoogmogenden, pas moins que-Qa. Ik ben hier op een missie uit en begin mijn diplomatieke c a r r i è r e.quot;
âIk wensch u geluk,quot; zeide ik, zuchtende: âmaar in 's Hemels naam . . . .quot;
âUw vader had gelijk,quot; vervolgde Reynhove: âhet werd tijd, dat ik eens iets anders deed als rijden en mij amuseeren. Ik heb zijn raad gevolgd en ben in politieke betrekking gekomen. â Hoor nu verder: een paar dagen na uw vertrek van Amsterdam, werd door de Heeren in Den Haag, ten gevolge der voorspraak van den Russischen Gezant, met wien men gaarne goede vrienden wilde blijven, van een dringend advies van de Amsterdamsche regeering, en van de demarches, door ettelijke lieden van influentie gedaan, werd er goedgevonden, zeg ik, om primo den Heer Van Lintz, dien gij kent, niet uit te leveren aan Spanje: en secundo, om hem niet als deserteur te beschouwen; waartoe dan ook bleken geene ter mes aanwezig te zijn, daar zijn akte van ontslag reeds, op een paar formaliteiten na, was opgemaakt voor zijn escapade met Mejuffrouw Reefzeil: â kort en
308
goed: alle difficulteiten waren weggeruimd en het bevel van apprehensie moest gecontramandeerd worden. Ik werd door mijn vader gechargeerd, die goede tijding aan de Amsterdam-sche regeering te brengen: â rechtuit gezegd: ik had mij-zei ven geoffreerd om die boodschap te doen: ik wist, dat de tijding uw vader welkom zoude zijn â en bovendien -waarom zoude ik het niëeren? â er was nog een trekpleister, die mij naar Amsterdam en wel naar uw huis deed verlangen.quot;
,,Hoe!quot; viel ik Reynhove in de rede: .,hebt gij zulke gedachten in 't hoofd?quot;
âUw zuster Suzanna is een plaaggeest,quot; antwoordde hij lachende: âmaar met dat al, ik zou mij hoogst gelukkig rekenen, indien zij mij levenslang tot het doel van haar plagerijen wilde nemen: wij zouden zien, wie het langst het uit zoude houden. â Maar dat daargelaten, want ik heb ernstiger zaken te behandelen. Ik vond uw vader aan 't Stadhuis: de Heer Blaek ging juist van hem vandaan en scheen alles behalve opgeruimd. Uw vader wilde, toen hij mij gesproken had, terstond een tweeden expres naar Terschelling sturen om bevel te geven, den Heer Van Lintz te libereeren: -één had hij er reeds weggezonden, op een vroegere tijding, dat de zaak goed stond; â maar terwijl wij nog aan 't praten waren, daar kwam de briet aan van Heynsz, waarbij werd gemeld, hoe Lodewijk was gewond en hoe men u als getuige bij de zaak hield .... ik zag den man verbleeken toen hij den brief las, en merkte terstond, dat er onraad moest zijn. Hij vermande zich echter en reikte mij met een kalm gelaat den brief toe. Ik ontstelde insgelijks over den inhoud: maar zag niet terstond alles door. âDie tijding zal den ouden Heer Blaek geweldig frappeeren,quot; zeide ik: âmaar ik begrijp niet, hoe uw zoon daarin geïmpliqueerd is.quot; -âIk maar al te wel,quot; antwoordde hij: âzij hebben elkander âgeprovoceerd â de eene is als het slachtoffer gevallen van âdat noodlottig punt van eer: en de andere.... (o God! âmijn zoon!....) hoeft de wraak der wet te duchten. O!
304
âMijnheer Reynhove! ik ben een ongelukkig vader!quot; â Ik had innig medelijden met den braven man en bood hem aan. zelf als expres naar Terschelling te gaan en te onderzoeken hoe het met de zaak geschapen stond. Hij aarzelde eenige oogenblikken; maar nam eindelijk mijn propositie met dankbaarheid aan. Daar ik toch niet voor den avond vertrekken kon, ging ik eerst naar den Heer Blaek om hem het ongeval zijns zoons te verhalen â mede voorwaar geen aangename commissie; ik vernam, dat hij niet te spreken was, maar mij verzocht een uur later te komen. Ik voldeed aan het verzoek; â toen ik op den bepaalden tijd weder aan zijn huis kwam, was hij een lijk. â Hij had, naar men vermoedt, zich met vergif om 't leven gebracht.quot;
âOntzettend! en wat kan de reden zijn?....quot;
âDie is nog een raadsel: droefheid over liet ongeval zijns zoons kan het niet geweest zijn: want dat kon hem nog niet bekend wezen; â maar dat zal zich wellicht later openbaren. Henriëtte was radeloos en onwetend wat te doen. Ik stuurde naar uw vader. Hij kwam, uw moeder kwam, Mejuffrouw Suzanna kwam.... in 't kort â het was een tooneel vol desolatie en drukte. Op de schrijftafel van den overledene lag een toegelakte brief aan zijn zoon: dien vermoeden wij, dat licht over het geval zoude verspreiden: â enfin! hij moest kennis van het gebeurde dragen en ik zeilde dus naar dit eiland af met een driedubbele missie.quot;
âEn .. . . ? Mejuffrouw Blaek ....?quot;
âZooals ik u gezegd heb, zij is violent geschrikt â bedroefd... . enfin; zooals men bij dergeliike gevallen gesteld is. Om kort te gaan: ik heb mij bij mijn komst alhier geadresseerd aan zekeren vent, die den naam van Doedes draagt, en een quibus in folio is.quot;
âIk ken hem. tot mijn ongeluk,quot; zeide ik.
âWelnu! Ik ben begonnen met aan hem en aan Heynsz het bevel voor te lezen, om den Heer Van Lintz te libereeren: â vervolgens heb ik mij naar Lodewijk begeven, en hem, met permissie van dienzelfden Doedes, die mij zoowel een zotte
305
Dokter als een zotte Drost toeschijnt, na behoorlijke preparatie, het overlijden van zijn Heer Papa gecommuniceerd. Hij was, 't is zonde dat ik het zeg, meer verbaasd dan bedroefd -enfin! hij scandaliseerde mij: en ik ben maar spoedig van hem afgeloopen, na hem den brief te hebben gelaten, die, hoop ik, meer impressie op hem zal maken. Toen heb ik aan dien Doedes gezegd, dat ik u moest zien en spreken, en de vent heeft, met al zijn wijsheid en waan, het niet durven weigeren aan iemand, die zulk een mooien rok aanhad, die hem een bevel van HH. HH. MM. bracht en die op zulk een hoogen toon tegen hem sprak. â En nu ben ik hier â en recht verdrietig, van u in zulk een gek parquet te zien; want ik hoor, dat het hier geen quaestie van een düel is. maar dat Lodewijk u van moord beschuldigt.quot;
âHij liegt, Eeynhove! bij al wat heilig is, hij liegt.quot;
âIn dat geval is het een heel gemeene leugen, en hoop ik. dat hij tot inkeer zal komen. â Maar . . ..quot;
Op dit oogenblik werd ons gesprek gestoord door een groote drukte aan de deur. die met gedruisch openging; terwijl Reynszen, Pulver, Helding, Heynsz en de Stokbewaarder bijna allen gelijktijdig binnendrongen, en allen dooreen schreeuwden.
NEGEN-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK,
HETWELK BEKENTENISSEN' EN STERFBEDDEN AFSCHETST ; ZEER MELANCHOLIEK OM TE LEZEN.
âDe Heer Blaek verlangt u te spreken,quot; riep Reynszen mij toe.
âHij zal bakzeil inhalen!quot; schreeuwde Pulver.
âHij wil met geen leugen de eeuwigheid ingaan,quot; zeide Helding.
H. - F. H. 20
306
âDe Heer Van Lintz is al gewaarschuwd,quot; riep Heynsz.
âMijne Heeren!quot; zeide ik, opstaande: âwij kunnen wel allen te gelijk zingen, maar niet te gelijk spreken; mag ik vragen, wat er is voorgevallen, of welke tijding gij brengt?quot;
âStil! stil!quot; zeide Reynszen, tegen de overigen, die opnieuw vooraan drongen; âziehier het geval. De Heer Blaek heeft een brief van zijn vader ontvangen, die, God vergeve het hem, zichzelven verdaan heeft. Wat het geval recht is, weet ik niet; maar hij heeft verlangd, den geïnculpeerde, benevens den Heer Van Lintz en dien Heerquot; (op Reynhove wijzende) ..te spreken. Ik wensch van harte. Mijnheer Huyck! dat het tot uw voordeel zij; doch ik mag u nog met niets vleien. Wees zoo goed mij te volgen.quot;
Er was geen bevel, waaraan ik met meer bereidwilligheid voldoen kon: ik kleedde mij, en eenige oogenblikken latei-waren wij allen aan het huis van Doedes, die ons aan de voordeur ontving.
âHoe is het met den lijder?quot; vroeg hem Reynszen.
âHm!quot; antwoordde hij: âslechte symptomata â brief gelezen â flauwten gehad â gisteren nog druk en woelig â met alles ontevreden â harde bedden â slechte bediening â rijkeluisklachten, â en nu - stil â gedwee â mak als een lam â geen koorts ââ erger â zwakte â vriendelijkheid â mis â slecht afloopen.quot;
Wij volgden den Drost naar het vertrek van den zieke, alwaar zich de Heer Van Lintz en zijn dochter reeds bevonden, die bij onze komst oprezen en mij zwijgend de hand kwamen drukken. Na een stillen wedergroet wendde ik de oogen naar de bedstede des gewonden, en ik kon niet nalaten, ondanks de redenen van wrevel, die ik tegen hem voedde, een diep medelijden te gevoelen met den toestand, waarin ik hem terugvond. Dat kort te voren nog zoo forsch en moedig gelaat was geheel ingevallen. Door het strakke vel schenen de beenderen heen, een akelige bleekheid was over het ge-heele wezen verspreid en de in hun kassen weggezonken oogen van allen glans beroofd. Hij lag achterover, en zoo
807
onbeweeglijk, dat ik hem in het eerste oogenblik voor dood hield: hij scheen echter mijn nadering te bespeuren, draaide het hoofd even naar mij toe en herkende mij: een licht rood bedekte even zijn gelaat: hij wendde het hoofd nog verder om, totdat hij Doedes in 't oog kreeg, en vroeg, met een flauwe stem, of de Notaris nog niet gekomen was.
âNotaris naar Midlandquot; â antwoordde Doedes: âboodschap gestuurd â komen als hij terug is.quot;
Dit verwijl scheen den lijder te hinderen: hij deed eenige moeite om zich in quot;t bed op te richten: zijn bedoeling bemerkende, trad de oppasster, die hem verzorgde, toe, en met behulp van deze gelukte het hem een zittende houding aan te nemen. Wij stonden intusschen allen met pijnlijk ongeduld te verbeiden, wat de uitslag zijner mededeeling zoude wezen.
âMijne Heeren!quot; zeide hij, met een flauwe en bevende stem, die langzamerhand in kracht en vastheid toenam: âik heb u verzocht, hier te komen. Ik voel, dat het spoedig .... met mij gedaan zal wezen .... en ik wil.... zooveel in mij is, herstellen, wat ik bedorven heb.quot;
Hier hield hij een oogenblik stil, als om nieuwe kracht tot spreken te vergaderen. Allen bleven wij hem zwijgende aanstaren, in gespannen verwachting.
âHet eerste wat ik doen moet,quot; vervolgde hij, âis, hier in tegenwoordigheid van den Voorzitter van Schepenen en van den Drost, te verklaren, dat ik den Heer Huyck valschelijk heb beticht.... en dat hij geheel onschuldig is aan de wond, die mij het leven kost.quot;
âGod zij gedankt!quot; hoorde ik Amelia, met een flauwe stem achter mij uitroepen, en mijn hart zeide haar dien uitroep na.
âHm!quot; zeide Doedes: âconfessio in articulo mortis: eerst zóó spreken ââ nu weer anders â moord toch gepleegd â dader op 't kerkhof?quot;
âDat zou je wel kunnen raden,quot; mompelde Heynsz, âwant Zwarte Piet is begraven, en zoo die het niet gedaan heeft, weet ik niet wie er aan zoude zijn coupabel.quot;
âOch ja!quot; zuchtte Helding: âop het kerkhof ligt hij naast
308
mijn arm kind! â verleden Maandag heb ik hen beiden ter aarde besteld. Zij zijn in den dood vereenigd, die levend van elkander gescheiden waren.quot;
âIndien het den zieke niet te veel vermoeide,quot; zeide Reynszen: âzou hij wel eenige nadere inlichtingen aan de Justitie dienen op te geven, dan konden wij daar akte van opmaken.quot;
Lodewijk knikte met het hoofd ten teeken van goedkeuring, en Reynszen, zich aan tafel zettende, maakte zich gereed zijn verklaring op te teekenen.
âDe Heer Van Lintz,quot; zeide Lodewijk, âzal zich herinneren, mij eenige woorden te hebben toegevoegd, nopens papieren, onder hem berustende, en welke invloed op mijn fortuin konden maken. Ik weet thans, dat die bedreiging niet ijdel was; â maar hierover nader. Genoeg, zij verontrustte mij â en dit was oorzaak, dat ik hier bleef, ten einde te zien, wat het gevolg daarvan zoude kunnen zijn. â Ik was ongerust, ongedurig, als gejaagd â ik begreep, dat ik in de bewuste zaak een weinig voordeelige rol gespeeld had; â ik had uit blinde wraakzucht tegen den Heer Van Lintz, uit haat en liefde (want ik weet niet hoe het gevoel te bestempelen, dat zijn dochter mij inboezemde) mij verlaagd om een handlanger der Justitie te worden â en zag te laat in, hoe verachtelijk mij zulks in aller oogen maken zoude: kortom 1 ik was wrevelig en vol spijt; maar, gelijk het gaat, ik beschuldigde iedereen behalve mijzelven, en vloekte op den Heer Van Lintz, op mijn dwazen hartstocht, op Heynsz â maar bovenal op den Heer Huyck, wien ik als mijn doodvijand beschouwde. Ik was naar mijn jacht gekeerd; maar bracht den nacht slapeloos door, en keerde, zoodra het dag werd, naar wal, met een koppel pistolen voorzien, en van zins den Heer Huyck tot een tweegevecht uit te dagen. Hem niet aan de herberg vindende, liep ik het duin in, met het oogmerk van hem op te zoeken, toen ik den persoon van Sander Gerritsz op zijde kwam. Nauwelijks had deze mij aangeblikt, of hij kwam in drift op mij af, en schold mij in hevige bewoordingen voor
309
den moordenaar zijner liefste uit. Weinig lijdzaam van natuur, en wrevelig bovendien wegens al wat er gebeurd was, gaf ik hem een slag in 't aangezicht; waarop hij mij in de borst greep en er een worsteling tusschen ons beiden ontstond, aan welke ik een einde maakte door een pistool uit mijn zak te halen en hem door 't hoofd te schieten. Hij wankelde, maar zijn laatste krachten bijeenzamelende, trok hij zijn mes, stootte het, eer ik het verhinderen kon, mij in den strot, en viel toen stijf achterover, terwijl ik te gelijker tijd bedwelmd nederstortte en niet weer bijkwam, dan toen ik, in 't leven teruggeroepen, den Heer Huyck nevens mij herkende. Toen was het, of mij een helsche geest influisterde, dat ik hem van den moord betichten moest. Ik voldeed aan die inblazing; later deden wraakzucht, haat, valsche schaamte, mij bij mijn verklaring volharden. Maar de ontzettende tijding, die ik heden bekomen heb, en de mededeelingen, mij door mijn ongeluk-kigen vader gezonden, hebben mij de oogen geopend. Ik heb de hand van God herkend, die het kwaad niet ongewroken laat. â Ik heb van mijzelven geijsd: â â en van al de ongerechtigheden, die ik bedreven heb. Gave de Heer, dat ik die alle kon herstellen, gelijk ik deze doe .... en gij. Mijnheer Huyck! . . . . Mejuffrouw! . . . . mijn goede Helding! . . . . vergeeft mij .... opdat God mij vergeve.quot;
Bij het uiten dezer laatste woorden verzwakte zijn stem merkbaar en hij zakte in elkander, als iemand die een poging boven zijn krachten gedaan heeft. Wij traden dichter aan zijn legerstede om hem die geruststelling te schenken welke hij verlangde. â âIk vergeef u,quot; zeide Van Lintz: âwant ik weet bij eigen ondervinding te wel, tot welke uitersten gekrenkte eigenliefde en toomelooze zucht ter inwilliging onzer neigingen ons kunnen voeren. Gij hebt u willen wreken.... ik ken dat gevoel .... ik heb het ook eenmaal.... en te vreeselijk.... ingewilligd.quot; Dit gezegd hebbende, trad hij terug en bleef in sombere gepeinzen staan.
Helding drukte den lijder zwijgend de hand; maar was buiten staat zijn vol gemoed uit te storten. âIk betuig oprecht
310
Mijnheer Blaek!quot; zeide ik. op mijne beurt naderende, âdat bij mij geen greintje wrok tegen u overblijft; en moge de Algoede u niet alleen zoo volkomen vergeven als ik u vergeef; â maar u behouden om door een oprechten wandel zijn naam te verheerlijken.quot;
âHm!quot; zeide Doedes, naderende, en zijn patiënt den pols voelende: âzwak â lassitudo â niet allen hier blijven â⢠heengaan â hm!quot;
âWel ja!quot; zeide Reynszen: âmij dunkt, het is nu alles beklonken; ik heb de verklaring opgemaakt, die de gewonde heeft afgelegd, zoo hij die nog verkiest te hooren en in staat is, die te teekenen, dan zie ik geen zwarigheid, den Heer Huyck onder handtasting te ontslaan; want de depositie van Andries Matthijssen is bij mij ook geen oortje waard en naar hetgeen onze vriend Heynsz vertelt, loopt hij meer kans zelf de galg te kussen, dat er anderen aan te helpen.quot;
Lodewijk, eenigszins bijgekomen zijnde, toonde zich bereid, de verklaring te hooren lezen, en te teekenen, een daad, welke hij, schoon met moeite, ten einde bracht. Toen wilden wij afscheid van hem nemen en ons verwijderen; maar hij gaf te kennen, dat zijn gemoed nog niet geheel ontlucht was en dat hij nog iets met den Heer Van Lintz had af te handelen, waarbij echter alleen Reynhove en ik getuigen mochten zijn, weshalve hij verzocht, dat al de overigen het vertrek zouden verlaten.
Toen men aan zijn verlangen voldaan had, bleef hij nog een wijl op de deur staren, als vreezende, dat iemand het in zijn hoofd mocht krijgen, terug te keeren, en zich tot Reynhove wendende: âschuif den grendel dicht!quot; zeide hij met een ongeduldige beweging: âen gij, Huyck! schenk mij dat glas nog eens vol.... mijn lippen branden.quot;
Ik bood hem het gevulde glas aan: hij dronk het met langzame teugen ledig, terwijl wij elkander aanzagen, niet zonder nieuwsgierigheid, waar dit alles op zoude uitdraaien. Eindelijk zette hij het glas neder, haalde van onder zijn dek een papier voor den dag, hetwelk hij tusschen de vingers
311
frommelde en, Van Lintz aanziende, begon hij in dezer voege:
âGij hebt mijn vader vroeger gekend, Mijnheer?quot;
Van Lintz beantwoordde deze vraag met een koele buiging.
âGij hebt waarschijnlijk vernomen, hoe zijn uiteinde is geweest,quot; vervolgde Lodewijk: âmaar wat gij noch iemand weet, hetgeen ikzelf eerst op dit oogenblik vernomen heb, is het zielelijden, waarmede hij zoovele jaren geworsteld heefr en dat hem thans het leven gekost heeft. Het is echter nuttig dat gij drieën hiermede bekend zijt, opdat gij ten minste bij anderen, die geneigd mochten zijn, over hem een onbarmhartig vonnis te vellen, de getuigenis zoudt kunnen afleggen, dat hij meer te beklagen dan te veroordeelen was. Lees dezen brief overluid, Huyck! â en gij zult beseften, welke uitwerking hij op mij maken moest.quot;
Ik nam het papier van hem aan en las. Het was de brief, dien Reynhove had medegebracht, en de inhoud luidde als volgt:
âWanneer gij dezen brief ontvangt, mijn zoon! zal uw vader voor den rechterstoel des Allerhoogsten verschenen zijn: â en, zoo de wroeging van een sedert vijftien jaren gefolterd geweten mij dringt, dit leven te verlaten, gij, ongelukkige! gij, die alleen in staat zoudt geweest zijn, mij de rust terug te geven, en mij met het leven te verzoenen, gij verhaast den stap, die mij de eeuwigheid invoert.
âO! dat ik vroeger gesproken had! Wellicht zoudt gij aan mijn raad, aan mijn wensch hebben gehoor gegeven en het hart pogen te winnen van haar. die ik voor u bestemde. Een huwelijk tusschen u en uwe nicht had alles vereffend! -maar wrat zeg ik ? â Het heeft zoo moeten zijn: Gij waart een zoo beminnelijke, zoo deugdzame gade niet waardig; en ik was bestemd, de straf voor mijn misdrijf te ontvangen en de schande, die mij wacht, in het graf te ontvlieden.
âDan, de tijd is te kort; â en ik moet mij haasten, de laatste levenskrachten, die mij nog overblijven, te besteden. Luister dan: â beklaag mij: vloek mij niet: en laat mijn voorbeeld u tot leering strekken.
312
âGij zult wel gehoord hebben, dat mijn broeder en ik, in vroegere jaren, veel moeite hadden om behoorlijk rond te komen, en dienvolgens onze fortuin buitenslands gingen beproeven. Men heeft er u bij verteld, dat ik gelukkig slaagde, terwijl het hem tegenliep. Hoor thans voor 't eerst de zuivere waarheid:
.,Van mijn jeugd af had een onverzadelijke dorst naar schatten mij de ziel beheerscht. Ik zag zooveel rijkdom en weelde om mij heen, dat ik het denkbeeld niet verdragen kon, voor anderen, die mij in stand en geboorte gelijk waren, te moeten onderdoen. En echter scheen ik daartoe bestemd; want mijn vader bezat weinig buiten hetgeen zijn ambt hem schonk, en zijn levenswijze was niet van dien aard, dat hij veel kon sparen. Ik besloot dus, toen ik tot jongelingsjaren gekomen was, dat een goed huwelijk het eerste middel zoude zijn om mijn doel te bereiken. Ik slaagde naar wensch; â immers ik dacht zoo: â ik ' zag niet naar schoonheid of zielsgaven: ik zocht slechts een rijke vrouw en trouwde haar schatten. Mijn eerste straf was het noodlottige leven, dat ik met uw moeder leidde; â ik wil daarover niet uitweiden. Zij stierf en toonde mij den haat, dien zij mij toedroeg, door bij uitersten wil te bepalen, dat haar vermogen op u zou komen, zonder dat ik daarvan eenige vruchten zou mogen trekken. Ik was nu even ver als ik te voren was: ik besloot naar de West te gaan en daar mijn fortuin te beproeven, terwijl ik u bij de meervermogende familie uwer moeder achterliet.
De uitkomst beantwoordde wederom niet aan mijn verwachtingen. Na jaren vol tegenspoeds keerde ik terug en kwam te Lissabon aan. Daar ontmoette ik den Graaf van Talavera, die er voor de belangen van het Spaansche hof aanwezig was; en ik hernieuwde met hem de kennis, die ik vroeger met hem als Baron Van Lintz had gemaakt. Van hem bekwam ik tijding van mijn Broeder, die tevens zijn zwager was (zii hadden elk eene Juffrouw Reefzeil getrouwd) en vernam, hoe deze, die insgelijks zijn fortuin buitenslands was gaan beproeven, en zaken in de Levant had verricht, te Lissabon
813
werd verwacht. Ik nam voor, zijn komst te verbeiden: en werkelijk, hij kwam weldra opdagen; maar zijn uiterlijk verried geen rijkdom. Nauwelijks was hij een paar dagen met ons geweest, of hij werd door een hevige ziekte overvallen, die hem, na een korte ongesteldheid, aan den rand des grafs bracht. De Graaf van Talavera deelde met mij de zorgen der verpleging en was de eerste, die hem waarschuwde, dat hij, naar het oordeel des geneesheers, weinige dagen levens meer overig had, en orde op zijn zaken stellen moest. Mijn broeder glimlachte op een droevige wijze. âDit laatste zal mij weinig âmoeite kosten,quot; zeide hij: âIk had gehoopt mijn dochter, âmijn eenigst pand, te zullen terugzien en haar de welvaart, âdie ik voor haar vergaarde, zelf te brengen; nu zal mijn âbroeder zich met die taak dienen te belasten.quot; â Wij zagen elkander verwonderd aan, de Graaf en ik; want wij begrepen niet, waar die welvaart schuilen kon. Toen haalde mijn broeder een dikken rotting voor den dag, die aan zijn voeteneinde lag, en waarmede wij, wegens haar lomp fatsoen, meermalen den spot hadden gedreven. Hij verzocht mij den knop er af te draaien en hetgeen zich daarin bevond op de tafel uit te schudden. Ik deed zulks, en nu ontdekten wij met verbazing, dat de stok hol en geheel gevuld was met edelgesteenten van een onschatbaren prijs. Mijn broeder nam er eenige van af, en mij die ter hand stellende, zeide hij: âdeze zijn voor u. en zullen u, zoo gij die met overleg verkoopt, in staat stel-âlen uw fortuin weder op te bouwen. De overige zult gij aan âmijn dochter brengen, als haars vaders erfdeel . . ..quot; â Toen gelastte hij, dat men een Juwelier zou roepen: er werd een inventaris opgemaakt, waarop de prijzen volgens taxatie genoteerd werden: en daarvan een afschrift aan mij en een aan den Graaf ter hand gesteld; terwijl wij beide stukken teekendon en de bestemming der juweelen daarop vermeldden. quot;Weinige dagen later stierf mijn broeder in mijn armen, en terwijl zijn stervende mond mij zijn dochter aanbeval. Ik bleef niet langer te Lissabon dan voor de begrafenis noodig was, en zeilde af naar Amsterdam.
II. - F. H. 20quot;
814
,, Ondertusschen was ik weinig tevreden, wanneer ik de fortuin, die mijn broeder gemaakt had, met de mijne vergeleek; en zonder te bedenken, dat hij geen genot van zijn moeizaam verkregen schatten had gehad, terwijl ik de toekomst nog voor mij had, dacht ik er slechts aan, om mijn nicht te benijden, die zoo gemakkelijk aan een erfenis kwam, waarop ik, zonder haar, alleen aanspraak zoude gehad hebben. Nu fluisterde mij de duivel in: waarom zoudt gij dien schat aan uw nicht brengen? behoud hem voor u-zelf, drijf er handel mede, en maak het op een andere wijze goed met de dochter uws broeders. Geen haan zal er naar kraaien, en de Graaf van Talavera zal er zich in Spanje niet over bekommeren, of gij aan het vertrouwen uws stervenden broeders beantwoord hebt. Ik was te Amsterdam, zonder tot een besluit gekomen te zijn: men was aldaar reeds van den dood mijns broeders onderricht, en te gelijk overtuigd (zoozeer had hij zijn winsten bedekt gehouden), dat hij arm gestorven was. Nu had ik de zwakheid, of noem het de laagheid, de lieden niet uit den droom te helpen: ik verkocht mijn juweelen, of liever die mijner nicht, niet op eens, maar langzamerhand, en begon een handel, dien ik meer en meer uitbreidde. Ik was voorspoedig. Het scheen alsof het onrechtvaardig verkregen geld in mijne handen moest gezegend worden : dan, innerlijk was ik verre van mijn voorspoed te genieten.
âEenige jaren waren verloopen, toen ik (nog sidder ik bij de herinnering) een brief van den Graaf van Talavera ontving. Hij had, schreef hij, vernomen, dat ik zeer vermogend was geworden, terwijl men van mijn nicht niets af wist: kortom, zijn brief gaf niet onduidelijk te kennen, dat hij iets van de zaak vermoedde. Hij eindigde met mij te melden, dat hij het duplicaat van den inventaris naar Amsterdam zou overzenden en bij den Notaris Bouvelt doen deponeeren. Dit bericht ontzette mij : om tegen den dreigenden slag gewapend te zijn, liet ik terstond mijn nicht van de school komen, waar zij zich bevond, nam haar bij mij en behandelde haar als mijn eigen kind, voornemens zijnde om, zoo ik aange-
815
klaagd werd, dadelijk rekening en verantwoording te doen. Maar nu bekwam ik de tijding, dat de Graaf in ongenade en naar Amerika was â en een jaar daarna verspreidde zich het gerucht van zijn dood. Ik was thans van mijn grootste zorg ontslagen; want ik hoopte altijd, dat hij zijn bedreiging om dat papier over te zenden, niet had ten uitvoer gelegd. Intusschen had ik Henriëtte als een dochter lief gekregen, en hoe meer ik haar leerde kennen en waardeeren, hoe feller verwijtingen ik mij deed van haar een vermogen te hebben onthouden, dat haar rechtmatig toebehoorde. Toen kwam het denkbeeld bij mij op, ' dat een huwelijk tusschen u beiden alles in 't gelijk zoude brengen: en ik behoef u mijn streven naar dat doel niet voor den geest terug te brengen: het is u genoeg bekend.
,Verbeeld u mijn schrik, toen ik, eenige dagen geleden, den man, dien ik dood waande, ten huize van den Notaris Bouvelt ontmoette en van hem hoorde, dat de bewuste inventaris zich onder andere papieren bevond, die hij indertijd, wel verzegeld, naar Amsterdam had overgezonden en nu was komen terugeischen; terwijl hij tevens dreigde, mijn gedrag openbaar te zullen maken, ik had ook toen nog mijn volslagen schande kunnen voorkomen, door aan mijn nicht haar vermogen uit te keeren en er bij te voegen, dat ik haar om wijze redenen tot nog toe verborgen had gehouden, hoe rijk zij was; maar valsche schaamte belette mij, dien stap te doen, daar ik vreesde, dat de ware toedracht der zaak bekend zoude worden. Ik smeekte derhalve den Heer Van Lintz, mij mijn goeden naam niet te ontrooven: ik stelde hem uw huwelijk met Henriëtte als een bepaalde zaak voor: ik bood hem mijn invloed bij onze bewindslieden, mijn hulp ter ontvluchting aan. Door mijn gebeden verwonnen, nam hij aan om, zoodra hij in veiligheid zou zijn en de tijding van uw huwelijk bekomen had, mij het noodlottig duplicaat toe te zenden.
Uw onberaden daad, om den man, van wien ik alles te vreezen had, in handen der Justitie te leveren, heeft al mijn
31(3
pogingen verijdeld. Het bewuste stuk is daardoor, met de overige bij hem gevonden papieren, in beslag genomen, naar Amsterdam gezonden en in handen van den Heer Hoofdofficier. Zooeven kom ik van zijn kantoor. Hij had mij laten roepen om te vernemen, wat het opschrift: Inventaris der juweel en enz., toebehoord hebbende aan den Heer Hendrik Blaek en thans het eigendom zijner dochter Henriëtte Blaek, te beduiden had. Waf ik geantwoord heb, weet ik niet, maar ik weet wat het gevolg zal zijn, indien dit stuk geopend wordt: en de schande, die mij wacht, wil ik niet beleven. God vergeve mij de misdadige wijze, waarop ik dit leven verlaat: Hij vergeve mij de slechte tucht, waaronder ik u gehouden heb, en doe u tot inkeer komen, opdat gij van den verkeerden weg terugtreedt, dien gij tot nog toe bewandeld hebt, en u spiegelt aan het vreeselijk voorbeeld van
Uw ongelukkigen vader
JACOBUS BLAEK.quot;
âGij ziet het. Mijne Heeren!quot; zeide Lodewijk, toen ik ten einde gelezen had, terwijl hij zijn hoofd in zijn handen verborg: âik ben de oorzaak van mijns vaders dood. â Maar thans vraag ik u om raad, u, die tot nog toe alleen met het geheim bekend zijt, is er niets te doen om zijn nagedachtenis te sparen. â Wat Henriëtte betreft, zij zal hebben wat haar toekomt, en meer dan dat.quot;
âMijnheer!quot; antwoordde Van Lintz : âde Heer Keynhove heeft mij de mij ontnomen papieren teruggebracht: indien het bewuste stuk zich daarbij bevindt, zal ik het aan uwe nicht zenden. Zij alleen kan beslissen, wat daarmede gedaan moet worden.quot;
Hier werd aan de deur getikt en de Notaris aangediend, met wien wij den lijder alleen lieten: twee dagen later, gedurende welke ik hem vaak bezocht had, blies hij den laatsten adem uit. Na het lijk te hebben doen kisten, nam ik. met dat overschot, en onze Hollandsche vrienden, de terugreis aan naar Amsterdam.
317
Het was te Harlingen, dat ik afscheid nam van den Heer Van Lintz en zijn dochter, die nu voornemens waren hun reis te land voort te zetten. âNu! mijn vriend!quot; zeide de eerstgenoemde, terwijl hij mij de hand schudde: ânu zal het toch eindelijk wTel voor goed zijn, dat ik u vaarwel zeg. Veel zegen op uw ondernemingen. Ik draag u de belangen mijner nicht Blaek op, want ik verwijt mij half en half, dat ik er niet beter voor gezorgd heb; doch, zoo iemand, zult gij die behartigen: gij hebt er dubbele reden toe.quot;
âIk vrees maar,quot; zeide ik, âdat zij nog te veel tegen mij zal ingenomen zijn, om mij tot haar zaakwaarnemer te benoemen.quot;
âHeb ik u niet van het tegendeel verzekerd?quot; zeide Amelia, langzaam het hoofd schuddende en op een toon van weemoedig verwijt: âga tot haar, en vrees niet, haar de geheele, onbewimpelde waarheid te verhalen: zij zal u gelooven: -wees daar overtuigd van: en wanneer gij haar ziet, stel haar dan uit naam van haar nicht dit aandenken ter hand, en verzoek haar, het uit liefde voor mij te willen dragen.quot;
Dit zeggende, reikte zij mij een halsband toe, dien zij gedurende haar verblijf op Terschelling van haar eigen schoone haren gevlochten had, en aan welks uiteinde zij een effen gouden kruisje had vastgemaakt.
âEn zult gij mij geen aandenken laten?quot; vroeg ik, terwijl ik haar met hartelijkheid de hand drukte.
âThans niet: ik zal wellicht u er een zenden, wanneer wij op de plaats onzer bestemming zullen zijn: â en dan wacht ik er een van u â en van uwe vrouw.quot;
Met deze woorden beantwoordde zij mijn handdruk, sloeg zich den sluier over 't gelaat en stapte haastig in den wagen, die haar wachtte. Haar vader nam plaats nevens haar: de zweep des voermans klapte en het rijtuig voerde beiden uit mijn gezicht. Ik heb hen nooit teruggezien.
Achttien uren later was ik te huis, in de armen mijner moeder. Ik zal niet beproeven de gewaarwordingen te beschrijven, welke ons allen bij dit wederzien bezielden.
318
Den volgenden dag kwam Keynhove mij afhalen, om naar Mejuffrouw Blaek te gaan, die naar zijn zeggen, verlangd had, ons beiden te spreken. Wij vonden haar alleen, in een voegzaam rouwgewaad, bevallig als altijd, maar bleek, afgemat en diep bedroefd. Zij bloosde even toen zij mij wederzag, maar herstelde zich terstond, bood ons stoelen aan en zette zich over ons.
âGij beiden. Mijne Heerenl-' ving zij aan, âzijt getuigen' geweest van het overlijden van mijn rampzaligen Neef....?quot;
âJa Mejuffrouw 1quot; antwoordde ik, naar eenige papieren tastende, die ik in mijn rokzak had; âen ik ben belast....'7
âEen oogenblik!quot; hernam zij: âaleer wij over iets anders spreken, wensehte ik te weten, of iemand buiten u en den Heer Van Lintz kennis draagt van zekeren brief, door mijn oom aan Lodewijk geschreven ?quot;
âNiemand,quot; antwoordde ik: âik heb dien brief en zal u dien, zoo UEd. verlangt, ter hand stellen, benevens . ..
âIk zal dien afwachten,quot; zeide zij: âmaar vooraf moet ik u nog zeggen, dat ik een brief heb van mijn oom Van Lintz. waarin hij mij de aanleiding mededeelt, welke mijn ongelukkigen oom Blaek tot den stap, dien hij deed, bewogen heeft, en mij tevens een stuk zendt, volgens hetwelk ik recht op een aanzienlijk vermogen zou hebben. Ik heb geweend bij het zien van mijns vaders naamteekening, en bij de gedachte aan al de moeite, die de man zich gegeven heeft, om voor mij een vermogen te vergaderen; â ik heb die naamteekening er uitgesneden en het stuk zelf verbrand.quot;
âHoe!quot; riep Reynhove verbaasd uit: âeen zoo précieux document! . . . .quot;
âIk ben te veel aan mijn oom verschuldigd, ik heb te veel bewijzen van zijn liefde ontvangen, om tot loon daarvan, nu hij dood is, zijn goeden naam aan te randen. Niemand dan ons is het geheim bewust. Lodewijk heeft het in het graf medegenomen: mijn oom Van Lintz zal zwijgen, indien ik het hem verzoek: ook van u, Mijne Heeren! wacht ik hetzelfde : men schrijft den dood mijns ooms aan een beroerte
319
toe: â de ware toedracht der zaak kan dus voor elk verborgen blijven.quot;
âMaar weet UEd. wel, Mejuffer!quot; zeide Eeynhove, âdat gij een important kapitaal hebt opgeofferd, ten gerieve van een paar dozijn collateralen, die er u geen dank voor zullen weten ?quot;
âMejuffrouw offert niets op,quot; zeide ik: âen, hoewel de verdiensten van haar handelwijze even groot blijven, de nadeelen daarvan worden geheel weggenomen door het stuk. dat ik de eer heb haar te overhandigen. Het is het testa-menü van den Heer Lodewijk Blaek, natuurlijken erfgenaam zijns vaders, waarbij hij, op eenige legaten na, zijn nicht, Mejuffrouw Henriëtte Blaek, aanstelt tot zijn universeele erfgename.quot;
Henriëtte nam bevende het papier aan, dat ik haar ter hand stelde. Haar ontroering belette haar te spreken en zij antwoordde niets op de gelukwenschingen van Reynhove.
âMejuffrouw!quot; vervolgde ik, toen zij weder wat bedaarder was geworden: âde overledene heeft in de laatste uren zijns levens verlangd, dat ik de man zou zijn, die u dit afschrift van zijn uitersten wil aanbood: hij voegde er bij, dat het u wellicht.... aangenaam zou zijn.... dat stuk uit mijne handen te ontvangen. Mag ik mij vleien, dat hij waarheid gesproken heeft?quot;
âMijnheer!quot; antwoordde zij, terwijl een hoogrood haar gelaat overdekte: âhet is u ongetwijfeld bekend, dat ik, op den morgen van haar vertrek uit Amsterdam, een bezoek heb gehad van mijn nicht Amelia.quot;
Ik zag verbaasd op. Zoo had die brave ziel niet geschroomd zich aan een wellicht onaangename ontvangst te wagen, om mijne voorspraak te zijn. Het stellige der verzekering, die zij mij gegeven had, was mij thans opgelost.
âEn mag ik hopen,quot; zeide ik, âdat dit bezoek u gunstiger gedachten van mij heeft doen opvatten?quot;
âAmelia is een engel,quot; zeide Henriëtte, âen ik vergeef het ii nooit, dat gij niet smoorlijk op haar verliefd zijt geraakt.
320
quot;Wat zij zeide .... hoe zij ... . in 't kort, ik ben verplicht u verschooning te vragen voor de verkeerde gedachten, die ik van ii had opgevat.quot;
Zes maanden later kondigde de Voorzanger in de Oude Kerk met zijn neusstem (waarvan in het derde Hoofdstuk dezer geschiedenis gesproken is), werkelijk aan, dat er trouwbeloften bestonden tusschen Willem Andries Reynhove, Heer-van Wijdeplas, Groenewoud en Binnengeest, Jonkman, met Mejuffrouw Suzanna Aletta Huyck, Jonge Dochter: maar liet daarop een gelijke aankondiging volgen, betreffende Meester Ferdinand Huyck en Mejuffrouw Henriëtte Blaek.
Hier eindigt het verhaal van den Heer Huyck. Daarachter stond, met de hand van Mejuffrouw Stauffacher, het navolgende geschreven:
Indien het bovenstaande verhaal een roman ware, zou men den schrijver met recht ten laste kunnen leggen, dat hij den lezer in 't onzekere laat omtrent het lot van sommige personen, die in zijn lotgevallen een merkwaardige rol spelen. Daar het echter zijn doel schijnt geweest te zijn, naar waarheid te vertellen wat hem overkomen is, moet men hem veeleer prijzen, dat hij niet meer heeft te boek gesteld, dan hij met zekerheid wist. Vreemd intusschen komt het mij voor, dat hij niet met een woord melding maakt van hetgeen er verder geschied is met den Baron Van Lintz en zijne beminnelijke dochter. Wellicht was hun latere levensloop aan zijne kinderen, voor wie hij zijn opstel vervaardigde, genoegzaam bekend. Wat mij betreft, ik wil niet ontveinzen, dat ik mij zeer teleurgesteld vond, toen ik, aan het slot komende, niet te weten kwam, of hij met den zwerver en zijn lieve dochter later nog door briefwisseling of anderszins de betrek-
king onderhouden bleef. Gelukkig echter kende ik den waren naam des mans, die in het Handschrift onder zooveel verdichte namen voorkomt, en wist ik uit de geschiedenis, hoe hij den Russischen Czaar belangrijke diensten bewees en tot hooge waardigheden opklom, zonder echter ooit de bijzondere vriendschap des Alleenheerschers te verwerven. Dezelfde onbuigzaamheid van karakter, die hem vroeger reeds zooveel vijanden en tegenspoeden berokkend had, en die er met de jaren niet op verbeterd was, maar veeleer in balsturige hoofdigheid en wrevel ontaard, was niet geschikt om hem bemind te maken bij een vorst, die zelf een onverzettelijken wil bezat, waarnaar hij alles wilde doen buigen. Er ontstonden vaak hoog-loopende verschillen tusschen hen beiden; en: alleen het nut, dat hij begreep van den Baron Van Lintz te kunnen trekken, om zijn Moskovieten in bedwang te houden, weerhield Peter, hem naar Siberië te bannen. Wat Amelia betreft, ziehier de narichten, die ik omtrent haar bekomen heb van lieden, die zich barer nog herinnerden. Zij leidde, in de eerste jaren van haar verblijf in Rusland, een stil en afgetrokken leven, en wederstond al dien tijd het verlangen baars vaders, dat zij zich ten hove zoude vertoonen. Eindelijk echter gaf zij toe, en schonk zelfs haar hand aan een gunsteling des Czaars. een beschaafd en waardig edelman, maar die tweemaal hare jaren had. Onzeker is het, of zij dit huwelijk alleen aanging om haar vader te believen; misschien was zij werkelijk den vreemdeling genegen en had zij de ongelukkige neiging, die zij in Holland had opgevat, overwonnen, welke haar handelingen bestuurde, meer dan de woorden van het verhaal doen vermoeden. Hoe dit zij, zij leidde een voorbeeldig leven, verspreidde weldaden om zich heen en stierf in hoogen ouderdom, gezegend door al wie haar gekend had.
De Heer Hoofdofficier Huyck en zijn brave gade hadden het geluk, meest al hun kinderen en zelfs ettelijke hunner kleinkinderen gehuwd en in goeden doen te zien. Uit den aanvang van het Handschrift kan men zien, dat het Ferdinand en den zijnen voorspoedig was gegaan: en nog zijn hun
322
nakomelingen in Amsterdam en elders geacht en gezien. Ook Mevrouw Reynhove leefde zeer gelukkig met haar man, die, gelijk men heeft kunnen opmerken, innerlijk veel beter was dan hij zich oppervlakkig had doen kennen. Zij wist hem met verstand te leiden en tot een nuttig en werkzaam leven op te wekken: hij zeide dan ook, na zijn huwelijk, of reeds vroeger aan alle slempmalen en wilde partijen vaarwel, klom tot hooge eereambten op en bewees den Staat belangrijke diensten.
Gaspar Weinstübe, na vruchteloos gepoogd te hebben, zich toegang te verschaffen tot de hoogere kringen der maatschappij, en zich daar een echtvriendin te zoeken, toch niet ongehuwd willende sterven, trouwde met zijn keukenmeid, bij wie hij ettelijke kinderen verwekte, die, betere opvoeding ontvangende, dan hem te beurt was gevallen, hun geringe afkomst langzamerhand deden vergeten: ook zij wonnen geld, en hun nageslacht verkeert thans dagelijks met die familiën, wier bekantschafft de wellust van Gaspar zou hebben uitgemaakt.
Van den Makelaar Velters heb ik weinig kunnen vernemen. Alleen blijkt mij uit een oud adresboekje, dat hij in de laatste helft der vorige eeuw Kerkmeester van de Ooster Kerk en dus nog in leven was. Hij schijnt wijselijk de poëzie voor meer winstgevende werkzaamheden te hebben laten varen; althans gedichten van hem zijn nooit voorgekomen. De Mengelingen van Helding kan men nog in sommige boekerijen van deftige lieden, en ook nu en dan, hoor ik, op stalletjes aantreffen: ik twijfel echter, of zij ooit veel lezers vinden. Gerustelijk mag men aannemen, dat hij het dubbele huwelijk, waar het verhaal mede sluit, zal bezongen hebben, en dat Tante Van Bempden niet achterlijk gebleven zal zijn een
luisterrijk feest te geven.
Zacharias Heynsz ging ijverig voort met aan de Justitie trouwe diensten te bewijzen: met de aanvaarding zijnei nieuwe betrekking zeide hij het schilderen vaarwel: en de kunst heeft er niet bij verloren.
323
Eindelijk kan ik hier nog bijvoegen, dat, volgens getuigenis mijner vrienden, een afstammeling van kleinen öimon den Marskramer, die sterk verdacht wordt gehouden van, op het voetspoor zijns voorvaders, der Politie bijwijlen ten dienste te staan, nog dagelijks op het Schapenplein te zien is, 's winters met een vuurtest, 's zomers met een schoenenbak, al roepende: âgheen dijt rijk, zoo waar zei je ghesond blijven.quot;
Marie Stauffacher.
'T.Ou ^2 Ct
-yrS^SHO
A