ocr page 1
ocr page 2
ocr page 3
ocr page 4
ocr page 5

FERDINAND HUYCK

ocr page 6
ocr page 7
ocr page 8
ocr page 9

t^Aot

^Q. 12.

Mk. j. van lennep.

FERDIXAM) HUYCK.

MET ILLUSTRATIEF

VAN

I gt;.V\ I 1 gt;

I.

--HK—--

BIBLIOTHEEK DER RIJKSUN VERSITEIT U T R E C H Ty]

w

ocr page 10
ocr page 11

FERDINAND HUYCK.

BRIEF VAX DEN HEER P. AAN DEN UITGEVER. TOT INLEIDING DIENENDE.

Amsterdam, den ....

Ik weet niet. of gij van nabij bekend zijt geweest met de oude Juffrouw Stauftacher, die nu ruim twaalf jaren geleden in den ouderdom van ongeveer drie-en-tachtig jaren hier ter stede ontslapen is: zoo niet, acht ik zulks uiterst jammer voor iemand als gij, die een liefhebber zijt van onderzoek te doen naar min bekende bijzonderheden, het leven, het karakter, of de lotgevallen betreffende van vermaarde personen; want zij was een levend repertorium van dergelijke aardigheden. Ofschoon zelve, voor zooverre mij bewust is, nooit eenige buitengewone avonturen hebbende gehad, was zij, dorade omstandigheden van haar levensloop, in betrekking geweest met een groot aantal van die personages, welke zich in d'-vorige eeuw in verschillende opzichten vermaardheid hebben verworven; vele hunner had zij zelfs van nabij gekend.

Quiconqne a beaucoup vu Peut avoir beaucoup retenu. i. F. n. i

ocr page 12

O

zegt La Fontaine; en zij had een uitmuntend geheugen. Zij was tegenwoordig geweest, toen Voltaire in den schouwburg gekroond werd, en had Lodewijk XV zien uitrijden met Madame Dubarry: zij had Xecker zijn flnantiëel stelsel hooren ontwikkelen en den Graaf de Saint-Germain het toilet beschrijven van de keizerin Helena en de inneming van Akkaron door Richard Leeuwenhart. Er was, in Frankrijk vooral, bijna geen adellijke familie, waarvan zij niet de vertakkingen en opvolging kende, zoogoed en beter misschien dan die van haar eigen geslacht; (want ik heb nooit kunnen uitvorschen, of zij van den medestichter der Zwitsersche vrijheid al dan niet vermeende af te stammen) en zij ware in staat geweest aan de Pseudo-Marquise de Créqui menige dwaling aan te wijzen in de gedenkschriften, die op haar naam zijn uitgevent. Zij kende ook al de kleine anekdoten, die omtrent de merkwaardige personen van het Fransche hof te boek gesteld zijn; en menige daarbij, die niet gedrukt staan, en welke zij onder vier oogen aan de uitverkorene vrienden met zooveel bijzonderheden en locale kleur wist te vertellen, dat men aan de echtheid daarvan niet dorst te twijfelen, en dikwijls overtuigd bleef, dat zij hetgeen zij mededeelde had bijgewoond of althans uit de eerste hand vernomen. Wat onze Nederlandsche fami-1 iën betreft, hoewel zij ruim vijftig jaren hier af en toe had doorgebracht, was zij daarmede wel eens in de war: niet, dat men haar ooit op misslagen betrapte, wanneer het de afkomst of vermaagschapping gold; maar zij was, gelijk zulks bij oude lieden meer het geval is, op het laatst van haar leven altijd geneigd, een geslacht te verspringen: zoodat zij mij en mijne tijdgenooten tot de zonen onzer grootvaders en de broeders onzer tantes verhief, 't Is waar, dat een glimlach van hem, wien de misslag gold, doorgaans genoeg was, om haar te herinneren, dat zij zich vergiste, en om tot rectificatie aanleiding te geven.

Gij moet echter niet denken, dat zij geene andere verdiensten bezat als die van veel gezien en opgemerkt te hebben: -hoewel ook deze minder algemeen gevonden wordt dan men

ocr page 13

wel denken zoude. Zij paarde aan een gezond oordeel veel solide kennis, en was in de gelegenheid geweest, daarvan voor haarzelve en voor anderen een nuttig gebruik te maken. Ettelijke jonge dames uit onze aanzienlijkste huizen waren aan haar onderwijs en leiding toevertrouwd' geweest: en menig verdienstelijk staatsman of geleerde, thans in hooge betrekking geplaatst, getuigt nog heden van het nut, dat hij als jongeling uit haar omgang of lessen getrokken heeft. En bij die verstandelijke gaven voegde zij, — in weerwil van haar vroegere bekendheid met vrijgeesten en philosofen, met kwakzalvers en roués, in weerwil zelfs van het zwak, dat haar was bijgebleven voor verscheidene geschriften, die men thans uit de boekerij eener vrouw verbannen zoude, — een vromen, godsdienstigen zin: en haar werden zoowel als haar woorden getuigden, dat haar geloof vast was en op een on-wankelbaren grondslag gebouwd.

Haar karakter was vroolijk en opgeruimd: en tot haar einde toe bleef haar het levendige, ja, ik zou zeggen, het kinderlijke van een jong meisje bij. Vandaar dat zij zich somtijds op een kluchtige wijze recht boos kon maken; bijvoorbeeld. wanneer zij iets gelezen of gehoord had, dat niet strookte met hetgeen zij begreep en volhield waar te zijn: lt;if wanneer iemand een regel uit een dichtwerk verkeerd aanhaalde, of dien niet aan den rechten maker toeschreef, of wel zijn onkunde aantoonde omtrent het juiste getal kinderen, door Lodewijk XIV bij Mevrouw De Montespan verwekt. Maar de lieden, op wie zij het voornamelijk geladen had. waren onze hedendaagsche boekverkoopers, met hun flikkerende stereotypen. hun miniatuuruitgaven en hun complete werken in één deel. Zij nam het zeer kwalijk, dat men aan oude lieden, wier gezicht begon te verzwakken, en die toch buiten lectuur weinig anderen troost konden vinden, juist die eenige uitspanning zoo moeilijk maakte. Zij bleef dus de 4quot; edities voorstaan: en. behalve den huisbijbel, kon men ook doorgaans op haar tafel een Gats in dat formaat aantreffen, of wel de fraaiste en duidelijkste uitgaven der Fransche puikdichters. Ook met onze

ocr page 14

4

hedendaagsche muziek kon zij het maar niet vinden: zij haalde de schouders op bij de roulades en fioritures, die tegenwoordig bij geen aria ontbreken; en beweerde dat men alle lieflijkheid, alle gevoel had gebannen en opgeofferd aan de zucht om te schitteren en moeilijkheden te overwinnen; terwijl daarentegen, gelijk zij volhield, de muziek, die men in hare- jeugd maakte, tot het hart sprak en verstaanbaar was, en tot bewijs van haar stelling gebeurde het wel eens, dat zij den redetwist besloot door met een nog vaste en zuivere, hoewel verzwakte stem, een aria uit Blaise et Babet of Les trois Per-miers te zingen, of liedjes te neuriën, welke zij van haar grootmoeder gehoord had, en die dus, behalve de overige verdiensten, ook die der nieuwheid bezaten; — voor zooverre immers in de muziek hooge oudheid het nieuwste is dat men hooren kan.

Haar huishouding bestond uit twee oude meiden en een kat: maar er was geen papegaai, die de menschen met zijn dom gesnater in de rede viel: noch kanarievogel, die alle conversatie met zijn schel gezang onmogelijk maakte. Ik herinner mij echter, dat zij langen tijd een goudvink bezat, die twee of drie van haar lievelingsdeuntjes floot; maar het was een welopgevoede muzikant, die zich, evenals alle verdienstelijke virtuozen, niet hooren liet, tenzij hij eerst eenige malen daartoe was aangespoord.

Wat de kat betreft, het was geen oude, dikke, logge, vetgemeste pannelikker, zooals men die gewoonlijk bij bejaarde vrijsters plaatst, die den dag doorbracht met op een kussen te slapen en met de lekkerste beetjes gevoed werd; maar het was een jong vlug, geestig diertje, met een glinsterende zwarte vacht, en een uitzicht, zoo schrander en vernuftig als dat van den wijdberoemden kater M u r r kan geweest zijn: en zijn meesteres bedierf hem volstrekt niet, maar behandelde hem gelijk men een dartel spelend kind doet, aan hetwelk men gepaste toegevendheid bewijst, doch dat men tevens in ontzag weet te houden. Het was een lust om te zien, hoe aardig ons poesje uren lang met het kluwgaren van zijn meesteres

ocr page 15

of met den rotting of de handschoenen van den bezoeker wist te spelen en welk een pret het vond in dergelijke vermaken; hoe het over den schoorsteenmantel, tusschen al de üacons, kopjes en vaasjes door, heen en weder liep, zonder iets aan te raken, laat staan te beschadigen; het zou den kunstenaar, die op eieren danst, beschaamd hebben gemaakt. Men kon dus met een gerust geweten, en zonder beschuldigd te worden van zich aan vleierij over te geven, met de lofspraken instemmen, welke Mejuffrouw Stauffacher aan haar lieveling gaf, en ook gaarne had, dat er door anderen aan gegeven werden. Ik zal hier nog bijvoegen, dat poes geen legaat heeft gehad; de goede juffrouw wist wel, dat ze, ook na haar dood en zoolang haar beide oude getrouwe dienstmaagden leefden, aan niets gebrek zou hebben.

Maar gij zult mij vragen, wat u dit alles aangaat, en waarom ik u uwen tijd ontroof, door u over de kunstjes van de poes mijner oude vriendin te onderhouden? Ik zal er u openhartig de reden van zeggen: het is mij, uit hetgeen ik zoo dagelijks lees, genoegzaam gebleken, dat het door alle schrijvers van naam en gezag als een vereischte wordt aangemerkt, nimmer terstond plompweg met de deur in huis te vallen: maar eerst eenige omschrijving en inleiding te bezigen, bestemd om de nieuwsgierigheid te prikkelen en voorts ongeveer denzelfden dienst te doen, welken de pastijtjes en croquettes bewijzen wanneer zij het gebraad voorafgaan.

Het voorbeeld dier doorluchtige schrijvers wilde ik volgen, en u daarom met Mejuffrouw Stauffacher en haar alentours bekend maken, alvorens ik er toe overging om u het onderhoud te verhalen, hetwelk ik eens met haar had en waaraan dit geschrijf zijn oorsprong verschuldigd is.

Het was op een voorjaars-achtermiddag: ik had, gelijk ik meermalen deed, wanneer beroepsbezigheden mij in de stad hielden, het middagmaal bij haar genomen en zat, in afwachting der koffie, tegenover haar voor het open raam een pijp te rooken, waartoe zij mij altijd aanspoorde, er bijvoegende, dat de tabakslucht zulke aangename herinneringen bij haar opwekte.

ocr page 16

dewijl zij dan aan haar vader dacht, die kapitein bij het Regiment Waldeck was geweest, en die zooveel van rooken hield, dat hij de pijp zelfs niet uit den mond nam, wanneer hij een schoon hemd aantrok. De oude Juffrouw zat over mij, de een weinig van de jicht gezwollen voeten op een met groen baai overtrokken bankje houdende, en knorde van tijd tot tijd op de nieuwerwetsche filtreerkannen en de koffie, die niet lekken wilde. De kat was op de tafel gesprongen en vermaakte zich met den sleutelbos, die aan het tinnen koffietrommeltje hing: een uitspanning, welke zij nu en dan staakte om naar buiten te zien en aan de vogeltjes, die den pereboom voor het raam op en af vlogen, een blik toe te werpen, die zooveel aanduidde, als dat, indien zij het fatsoenshalve niet liet, zij wel eens jacht op hen zoude willen maken.

Wij hadden een poos stilzwijgend over elkander gezeten, in die aangename, rustige gemoedsgesteldheid, welke zoo bevorderlijk is aan de goede spijsvertering, en waarin men, zonder de hersens met eenig bepaald onderwerp te vermoeien, de schakel der gedachten, volgt, die zich vanzelf ongezocht in het brein ontwikkelen. Ik recapituleerde bij mijzelven hetgeen zij mij aan den disch had verteld, betreffende de misslagen en logen s, voorkomende in zekere onlangs uitgekomene gedenkschriften, welke ik haar geleend had, en die mij in de gelegenheid hadden gesteld, opnieuw haar zaakkennis en geheugen op te merken.

„Weet gij, wat mij verwondert?quot; zeide ik eindelijk, uit mijn mijmering ontwakende.

„Wat? — Dat ik niet liever de koffie kook. gelijk ik vroeger placht te doen, dan een filtreerkan te gebruiken? — Gij hebt volkomen gelijk.quot;

„Neen, lieve vriendin! Ik heb niets betreffende uw koffie aan te merken, die reeds zulke aangename geuren begint te verspreiden, dat naar mijn overtuiging, het plechtig oogenblik van inschenken niet ver meer verwijderd kan zijn; maar ik wilde u mijn bevreemding te kennen geven, dat iemand, die zooveel gezien en gehoord heeft, waarvan wij ons niet dan door valsche

ocr page 17

of gedeeltelijke opgaven een denkbeeld kunnen maken, die zulk een uitmuntend geheugen heeft, en de pen bovendien zoogoed te hanteeren weet als gij. er nooit aan gedacht heeft, zelve eens gedenkschriften te schrijven.quot;

„In waarheid, mijn beste P .. . .! ik heb in mijn vroegere betrekkingen wel wat anders te doen gehad als memoriën te schrijven: en op mijn jaren betaamt het eer, dat men zich met de toekomst, dan met het verledene bezig houde.quot;

„Nu ja! — Maar nu doet gij zulk een grooten sprong. Zoo gij op uw vijftigste jaar begonnen waart, zoudt gij ruim den tijd hebben gehad, eenige boekdoelen te vullen.quot;

„Hoor! ik heb nooit verlangd, mij een naam te maken; en al wat ik begeer is na mijn dood vergeten te worden.quot;

„Foei! Gij weet te goed, dat er menschen genoeg zullen zijn, bij wie gij in gezegend aandenken zult blijven: en het zou u zelfs leed doen te denken, dat die u vergeten konden.quot;

„Kom! kom! gekheid! Gij weet wel, dat ik het in dien zin niet meen; maar wil ik u eens zeggen, waarom het dwaas in mij zou geweest zijn, als schrijfster op te treden? — Zoo^ als gij mij nu kent, houdt gij er van, mij te hooren keuvelen en somtijds misschien wat doorslaan: en later als ik dood ben, zult gij, vertrouw ik, wel eens aan de oude Juffrouw denken, als aan iemand, die nogal wat van den ouden tijd wist te vertellen; en mogelijk gebeurt het, dat gij nu en dan aan dezen of genen, die verkeerd onderricht is, toevoegt, hoe Jufvrouw Stauffacher, die het wel wist, dat verhaalde; maar zoo ik gedenkschriften had uitgegeven, dan ware ik niet langer de oude Juffrouw meer, die men op haar woord geloofde, maar een schrijfster, die elk het recht zoude hebben met aanmerkingen en critieken op 't lijf te vallen. Spreek mij niet tegen,quot; vervolgde zij, ziende, dat ik het hoofd schudde, als iemand, die niet overtuigd is: „ik weet het beter: — en dit ware niet alles; maar ik zou geen genoeglijk uur meer met u of mijn andere goede vrienden hebben. Thans mag ik u nog de eene of andere anekdote vertellen, die gij tien of meermalen gehoord hebt; maar waar gij de beleefdheid hebt naar

ocr page 18

8

te luisteren, alsof zij u geheel nieuw voorkwam; — maar stond die eens gedrukt, dan zou ik immers den mond niet meer durven opendoen om over oude zaken te praten, uit vrees, *

dat iemand mij op mijn boterham zou geven: „ja! dat hebben wij gelezen bladz. 58 van het Eerste Deel.quot; Neen 1 neen I dat niet. En dan is er nog iets: ik heb met heel wat rare potentaten en stoethaspels omgegaan, en hen in hun dagelijksch bedrijf gezien: en ofschoon ik er geen kwaad in zie, over hen te praten, en het zelfs gaarne doe, zoo heb ik er nooit van gehouden, om datgene publiek te maken, wat tot het private leven van personen behoort. Het komt mij altoos voor, dat noch. Necker, noch Delille, noch Madame Du Defiant, zich in mijne tegenwoordigheid zoo zouden hebben uitgelaten als zij deden, wanneer zij vermoed hadden, dat ik hunne gezegden later openbaar zoude maken. Er is iets heiligs, naar mijn oordeel, in een gemeenzaam onderhoud: en daarvan mag geen ^

misbruik gemaakt worden,quot;

„Dat ben ik niet met u eens. Beroemde mannen behooren tot de nakomelingschap, en zij zijn er zelfs over 't geheel mede gestreeld, wanneer men aan hetgeen zij gezegd of gesproken hebben, waarde genoeg hecht om het bekend te maken;

zelfs dan, als het hun niet tot eer verstrekt. Zij hebben allen een weinig van de ijdelheid van Herostratus weg, en wanneer men slechts van hen spreekt, kan het hun minder schelen, hoe,quot;

„Ieder heeft zijne inzichten; maar ik heb mij niet geroepen geacht, om iets te doen, waar mijn gevoel tegen opkwam,quot;

„Dan is het jammer, dat gij geen roman geschreven hebt,

waar gij uw kennissen met verandering van naam, tijd, enz.

in te pas hadt gebracht,quot;

„Mijn lieve P.! gij vergeet, dat die kleine bijzonderheden,

die thans aan u en anderen belangrijk voorkomen, omdat zij belangrijke personen betreffen, of wel omdat ik er zelve in gemoeid ben, al haar aardigheid zouden missen, indien zij betrekking hadden op onbekenden. Er zijn zeer weinige zoogenaamde vernuftige gezegden, zeer weinige merkwaardige voorvallen, die hun waarde niet grootendeels ontleenen aan de

ocr page 19

namen, die er mede gemoeid zijn. Zou iemand zich b. v. de moeite ooit getroost hebben om de zoutelooze kwinkslagen op te teekenen of na te schrijven, die men aan Cicero toekent, indien gij of ik die gezegd hadden? — En echter vinden wij die in al de schoolboeken.quot;

„Ik beken gaarne, dat gij dagelijks betere dingen voortbrengt, dan al wat wij van dien aard in de klassieke oudheid aantreffen : en juist daarom verbeeld ik mij, dat gij, gebruik makende van de bouwstoffen die gij hebt, een zeer onderhoudend boek zoudt hebben kunnen schrijven.quot;

„'t Is mogelijk: ik heb het nooit beproefd: en in allen gevalle weet ik niet, of het mij gelukt zou zijn langs den door ii aangewezen weg. Want het is niet genoeg steen en kalk te hebben, men moet ook de bekwaamheid bezitten van die aaneen te voegen, indien men er een huis van wil bouwen: lt;■11 al heb ik nog zulk een voorraad anekdoten en grappen, ik diende een lijst te hebben om die in te plaatsen; want gij zoudt toch niet begeeren, dat ik een boek schreef alleen om de menschen aan 't lachen te maken: en er diende toch wel een zekere zedenleer bij te komen.quot;

„Hm 1quot; zeide ik, glimlachende: „die zedenleer van de romans!quot;

„Ja! ik weet wel, dat men daar tegenwoordig niet meer om geett: en dat althans de Fransche boeken van dien aard zijn, dat men zich bijna schaamt, die gelezen te hebben; nu — voor mijn part, ik lees ze niet: ik hou mij bij 't oude.quot;

„Er valt zeker niet veel op te roemen,quot; zeide ik, mij vermakende met de drift, waarmede zij sprak: „maar,quot; vervolgde ik, haar willende plagen door een van haar lievelingsschrijvers aan te vallen: „daar is Fielding, met wien gij nogal ophebt: die is dan toch ook niet bij uitstek kiosch in zijn tooneelen.quot;

„Dat weet ik wel, en ik zou u ook niet zeggen, dat gij T o m Jones aan uw dochter ter lezing moest geven; maar indien gij beweert, dat het boek geen goede zedenleer heeft, dan zeg ik, dat gij het nooit met aandacht gelezen hebt. Indien Fielding zijn held nu en dan laat struikelen, en daardoor in de noodzakelijkheid vervalt van beschrijvingen te geven, waar

ocr page 20

lu

sommigen zich aan ergeren, dan dient hij zijn lezer later liet tegengift voor. door hem de rampzalige gevolgen aan te toonen. die onvermijdelijk uit het inwilligen onzer verkeerde neigingen ontstaan: daarom acht ik het boek zoo hoog, omdat het bestendig strekkende is, om de groote en nooit genoeg herhaalde waarheid te verkondigen, dat het kwade altijd zijn meester loont.quot;

„Ziedaar een waarheid, lieve Juffrouw! die zoo oudbakken is, dat men er aan begint te twijfelen: en, rechtuit gezegd, ik behoor onder die twijfelaars; want wordt niet door de stelling, dat deugd en misdrijf beide reeds hier op aarde vergolden worden, de leer der vergelding hiernamaals merkelijk verzwakt? — En leert ons eene, misschien ook wat oudbakken, ondervinding niet, dat de booze dikwijls, ongestoord, de rijkste zegeningen geniet, terwijl de brave in armoede en ellende zucht en met allerlei tegenspoeden te kampen heeft?quot;

„Tot op zekere hoogte geef ik dit toe; maar ik verzoek u, wel op te letten, dat ik geenszins beweerd heb, dat het goede zoowel als het kwade hier beneden beloond of gestraft wordt in den zin, dien gij er aan hecht: — verre van dien: dat geschiedt eerst in een volgend leven; maar alleen, dat elke daad. die wij verrichten, haar natuurlijke, onvermijdelijke gevolgen met zich brengt, die somtijds, wel is waar, geheel anders zijn, dan men die zich voorstelt; maar die niettemin leerzaam zijn en blijven voor den opmerkzamen beschouwer. Het moge den booze — want ik wil uw redeneering eens volgen; ofschoon ik anders niet houde van die peremptoire manier om de men-schen in twee deelen te scheiden, goeden en slechten; — ik heb nooit zulk een volslagen schelm gekend, of hij had ook zijn goede zijde: en de beste mensch daarentegen zondigt ook nog dagelijks — het moge, zooals ik zeide, den booze welgaan ; hij moge zelfs de stem van het geweten smoren ('t geen ik ook al niet geloof, want daar is poes; die kan ik het altijd aanzien als zij gesnoept heeft, aan de schuwe en verlegene houding die zij dan aanneemt: en zoo poes een conscientie heeft, dan heeft een mensch er een a plus forte r a i s o n); maar het gedane kwaad zal niettemin gevolgen hebben, die

ocr page 21

hem, soms na jaren en op 't onverwachtst, voor 't aangezicht zullen springen en lastige oogenblikken bezorgen. Met het goede, dat men verricht, is het, of liever, schijnt het niet volkomen zoo gelegen; maar, behalve dat zich bij het beste dat wij verrichten altijd iets menschelijks paart, en wij eigenlijk niets wezenlijk goeds kunnen uitrichten, maar altijd, als onnutte dienstknechten, zeer achterlijk blijven, zoo leert ons de ondervinding, dat men het goede om zichzelf moet doen en niet om het loon, dat er uit voorkomt, en dat miskenning, ondankbaarheid, terugzetting, enz. er menigmalen de gevolgen van zijn. Xog meer; men kan wel dadelijk bepalen, en men doet het ook genoeg, welke daad verkeerd is geweest; maar evenmin als men de drijfveeren kent. welke iemand tot zondigen aangezet hebben en hem tot verschooning kunnen strekken, evenmin kan men beoordeelen, of de oogenschijnlijk goede daden altijd even zuiver in haar oorsprong zijn; en of die zoogenaamde lijdende deugd haar tegenspoeden niet veelal aan zichzelve te wijten heeft. Ik voor mij geloof niet aan die heel brave lieden, die tevens zoo heel ellendig zijn; wanneer men hun geschiedenis wel kende, zou men dikwijls vinden dat de rampen, waarmede zij te worstelen hebben, haar oorsprong hebben in verkeerde, en vooral in domme streken, vroeger gepleegd.quot;

„Ik ben het in vele opzichten met u eens; maar ik bid u. zeg het niet overluid; want wat werd er van het medelijden en van de liefdadigheid, indien men zich gerechtigd achtte, eiken behoeftige toe te voegen, dat hij door eigen schuld ongelukkig ware ?quot;

„Wel! mij dunkt, dat hij daardoor juist een dubbele aanspraak op ons medelijden heeft.quot;

„Ja; maar daar heeft hij weinig aan, zoo er de liefdadigheid niet bij komt; doch — om tot ons onderwerp terug te keeren. dij zoudt dus denken, dat wanneer men haarklein iemands geschiedenis wist, men de bron der wederwaardigheden, die hem treffen, altijd daarin zou kunnen terugvinden, evenals men op een landkaart den oorsprong eener rivier kan opsporen.quot;

„Hou wat, gü keert mijn stelling om: en dat is mis. Evenals

ocr page 22

12

de oorsprong, dien gij zoekt, soms buiten de kaart kan gelegen zijn, evenzoo kan de aanleiding van een ramp, die ons treft, van buiten komen, maar ik heb beweerd, dat elke daad, die wij verrichten, tot de minste onvoorzichtigheid toe, ons of onmiddellijk, öf later, opbreekt, en dat elke levensgeschiedenis, mits naar waarheid geschreven, ons daarvan getuigenis geven zoude.quot;

„Xu 1 ik zou gaarne een zoodanige geschiedenis zien.quot;

„ ik zou gemakkelijk aan uw verlangen kunnen voldoen: wilt gij de goedheid hebben, even aan de schel te trekken.quot;

De meid kwam. „Femmetje!quot; zeide Mejuffrouw Stauffacher, haar den sleutelring gevende: „ga eens op de boven-achterkamer. In de tweede kast van het raam af, op de vijfde plank van onderen af, ligt een pakket, met rood band omwonden: haal mij dat eens hier: maar denk er aan, de knippen te sluiten, als gij de kast weer dichtdoet: en neem het koffiegoed maar weg: Mijnheer drinkt toch niet meer.quot;

„Ziehier,quot; vervolgde zij, toen zij het gevraagde uit de handen der dienstmaagd bekomen had, „de geschiedenis, waar ik u van sprak. Hij, die de hoofdpersoon er van uitmaakt, beging een kleine, zeer verschoonbare onvoorzichtigheid, die voor hem een bron was van verdrietelijkheden en ongenoegen: anderen, daarin voorkomende, begingen grootere dwaasheden; en ook zij moesten er de gevolgen van dragen.quot;

„En — de geschiedenis van de geschiedenis?quot;

..Gij weet, dat ik vroegere jaren eenigen tijd bi] de familie A. als gouvernante heb doorgebracht. Wij zagen dikwijls den Heer X., die aan het hoofd stond van een bloeiend huis van negotie. Hij was daarbij een groot minnaar en voorstander der letterkunde en hield er veel van, met mij over de daartoe betrekkelijke onderwerpen te redeneeren. Eens dat wij van romans spraken en ik mij ergerde over het onwaarschijnlijke der meeste voorvallen, die ons in dat slag van werken worden opgedischt: „oü trou vera-t-on ie roman es que, si ce n'est dans les romans,quot; vroeg hij lachende. „Jalquot; zeide ik: „dat is evenals de boef, die vroeg, waar de valsche

ocr page 23

13

eeden toe dienden, als men ze niet gebruiken mocht?quot; -„Maar,quot; vervolgde hij: „ik beweer, dat vele dingen, die ons in het dagelijksch leven gebeuren, zoo vreemd, toevallig of zonderbaar zijn, dat zij, in een roman vermeld, met den naam van onwaarschijnlijkheden zouden bestempeld worden.quot;

„Le vrai peut quelquefois n'étre pas vraisem-blable,quot; zeide ik. maar voegde er bij, dat het niet om een enkele onwaarschijnlijkheid, maar om de opeenstapeling van onwaarschijnlijkheden was, dat ik de meeste romans veroordeelde. „Nulquot; zeide hij: „zoo ik op uw discretie staat kon maken, zou ik u een handschrift kunnen doen zien, eenige voorvallen behelzende, die mijn eigen grootvader zijn overkomen, en waarin zoovele toevalligheden en vreemde ontmoetingen voorkomen, als men die nauwelijks in een roman zou aantreffen.quot; — Ik betuigde hem mijn verlangen om dat handschrift te lezen: hij voldeed aan mijn wensch, en ik moest hem, na de lezing, toestemmen, dat hij de waarheid gesproken had. Ik verzocht hem afschrift er van te mogen nemen. „Daar heb ik niet tegen,quot; zeide hij; „op voorwaarde, dat gij het aan niemand laat lezen, althans in de eerste veertig jaren niet; want er zijn te veel personen in gemoeid, wier kinderen of kleinkinderen nog leven. Wat later gebeurt, kan mij niet schelen: al wilde men het uitgeven; want dan zullen de daarin voorkomende portretten wel niet meer dan antiquiteiten zijn,quot;

ik beloofde zulks en deed nog meer: ik veranderde al de namen, ten einde niemand, die bij toeval het stuk in handen kreeg, zou weten of het waar. dan wel verzonnen ware, Xu zijn die veertig jaren om, en ik wil niet, dat men het na mijn dood onder mijne papieren vinde: men mocht eens denken, dat het eigen compositie ware. Neem het dus en handel er mee naar welgevallen.quot;

Ik aanvaardde met gretigheid het aangeboden geschenk, en las het, zoodra ik te huis was, met belangstelling. Of echter de veranderingen, welke het oorspronkelijke heeft ondergaan, zich alleen tot de namen bepaald hebben, en of Mejuffrouw

ocr page 24

14

.stauffacher er niet hier en daar een weinig uit haar eigen brein heeft tusschengevoegd, wil ik niet beslissen. Het laatste meen ik vooral daarom te moeten gelooven, omdat, schoon haar nauwgezetheid zooverre is gegaan, dat zij alle jaartallen en data heeft weggelaten, er hier en daar, bij toespelingen op bekende gebeurtenissen, bij het schetsen van sommige zeden, gebruiken, kleederdrachten enz., ja bij het doen van enkele aanhalingen, het een of ander voorkomt, dat mij toescheen niet tot het tijdvak, waarin het verhaalde voorvalt, maar iets vroeger of iets later te huis te behooren. Ik had echter geene gelegenheid Mejuffrouw Stauffacher deswege nader te onderhouden; daar ik haar niet weder alleen aantrof, en zij kort daarop, tot bittere droefheid van haar vrienden, tot een beter leven werd opgeroepen.

Ik was het geheele Handschrift vergeten, toen het mij, dezer dagen, bij het opruimen van oude papieren, onder de oogen kwam. Bij de herlezing scheen het mij toe. dat wellicht diezelfde vreemde avonturen, met welker lezing ik mij vermaakt had, ook bij anderen eenig belang zouden kunnen wekken, en dat, na verloop van zoovele jaren, geene zwarigheid meer bestond, om de geschiedenis van den Heer Ferdinand Huyck (gelijk hij door Mejuffrouw Stauffacher herdoopt is), wereldkundig te maken. Daar uw naam echter meer dan de-mijne in de letterkundige wereld bekend is, wend ik mij tot u, met de vraag of gij het peetschap over het papieren kind wilt op u nemen, overtuigd dat enz.....

Uw vriend P.

Dat ik aan het verlangen van mijn vriend voldeed, blijkt uit de navolgende bladzijden. Ik beken echter, dat ik niet zoo volkomen gerust ben omtrent de echtheid van het werk, als mijn vriend schijnt te zijn. Ook heb ik Mejuffrouw Stauffacher niet zoo van nabij gekend als hij, en durf dus niet beslissen,

ocr page 25

15

of haar waarheidsliefde zooverre ging, dat zij nooit knollen voor citroenen verkocht: en somtijds rijst bij mij het vermoeden op, of zij, ondanks haar betuigingen van het tègendeel, niet eens in haar leven tot de verzoeking vervallen is van een roman te schrijven en, hoewel huiverig om dien bij haar leven uit te geven, echter heeft willen zorgen, dat hij na haar dood het licht zage. Wat hiervan zij, ik geef het boek zooals ik het ontvangen heb; en heb er niets aan veranderd, zelfs de spelling niet; waaromtrent ik moet doen opmerken, dat Mejuffrouw Stauffacher overal de klanklooze e achter het onbepalend lidwoord en veelal ook achter de possessiva weglaat, tenzij wanneer het eerste een telwoord wordt of wanneer de laatsten bijzonderen nadruk vereischen. Zij schreef misschien niet volgens vaste regelen; misschien meer dan zijzelve wist; maar zij volgde in allen gevalle haar gehoor: en, voor zooverre men schrijven moet gelijk men spreekt, geef ik haar daarin geen ongelijk.

ÜE UITOIKVER.

ocr page 26

EERSTE HOOFDSTUK.

quot;WAARIN, OXDER MEER ANDERE WETENSWAARDIGE ZAKEN', HET PORTRET VAN DEN HELD DEZER GESCHIEDENIS GEVONDEN WORDT.

Dikwijls, mijn kinderen! wanneer wij na afloop van den avonddisch een nauwer kring om den haard sloten, en ik nog een laatste pijp stopte, terwijl uw lieve grootmoeder, half wakend, half slapend, nieuwe hieltjes aan de versletene kousjes der kleintjes breide, en een van u mij met een vleiende stem toeriep; „och, grootvader! vertel ons nog eens wat van het Carnaval te Venetië, of van den Landgraaf van Hessen, of van de Frankforter mis!quot; heb ik aan uw nieuwsgierigheid voldaan en u eenige der belangrijkste episoden verteld van die reis, welke ik als jongeling door Duitschland en Italic deed: ja, zoo menigmalen hebt gij naar het gepraat van den ouden man geluisterd, dat gij op 't laatst mijn ontmoetingen en wederwaardigheden zoo goed en beter kendet dan ikzelf, en vaak, wanneer mijn door ouderdom verzwakt geheugen te kort schoot, mij de kleine bijzonderheden herinderdet, welke tot aanvulling mijns verbaals moesten strekken. Nooit echter heeft een uwer mij ondervraagd betreffende hetgeen mij na mijn terugkomst van die reize overkomen is; waarschijnlijk omdat gij, wTetende hoe kalm en gerust ik, sedert mijn huwelijk, de dagen mijns levens in den schoot mijns huisgezins gesleten heb, verondersteldet, dat ik, te huis komende, zoo maar dadelijk een vrouw en een aanzienlijk vermogen

ocr page 27

17

gevonden had, en dat geene zorg noch wederwaardigheid die dagen van kalmte was voorafgegaan. Intusschen bedriegt gij u zeer: en het tijdvak, dat onmiddellijk op mijn reis volgde, was het gewichtigste en. in zijn bijzonderheden, het belangrijkste mijns levens. Dat ik er tot heden nooit over gesproken heb, en ik ook thans, in plaats van u de voorvallen, die daarin plaats vonden, bij monde mede te deelen, die in geschrifte stel, ten einde gij die na mijn dood zoudt kunnen te weten komen, moet gij niet aan een dwaze gril toeschrijven: ik had daar een gezonde reden toe. De gebeurtenissen, waarbij mij de omstandigheden een werkzame rol deden spelen of wier invloed zoo krachtdadig op mijn volgenden levensloop werkte, waren van dien aard, dat zij deels uw jeugdig verstand te boven gingen, deels voor uw grootmoeder te droevige herinneringen opwekten: ja, ik zou die geheel aan de vergetelheid opgeofferd hebben, ware het niet, dat gij, naar ik mij voorstelde, bij het vorderen in jaren, daaruit nutte les en leering zoudt kunnen trekken. Ik heb derhalve mijn herinneringen, zooveel in mij was, bijeenverzameld, ten •einde niets te vergeten van hetgene in verband staat met de lotgevallen, welke de navolgende bladen zullen behelzen. Ofschoon ik voor u schreef, en u steeds gedurende mijn arbeid voor oogen had, heb ik, ter vermijding der verwarring, welke door het gebruik der tweede persoon zoo licht ontstaan kon in een verhaal, waarin zoovele samenspraken zijn ingelast, dat verhaal zoodanig ingericht, als schreef ik voor dat groote publiek, jegens hetwelk men, uit eerbied, altijd de'derde persoon moet bezigen, en welks welwillendheid ik, (die niet weet hoe het te avond of morgen dit geschrijf onder de oogen krijgen kan) bij dezen inroep.

Het was in den zomer van het jaar 17 . ., dat ik. na een afwezigheid van twee jaren, den vaderlandschen grond weder betrad. Een oudoom van mij, die te Leiden woonde, bij wien ik, gedurende mijn academiejaren, dagelijks aan huis verkeerde, en die voor het einde mijner studiën overleed, had mij een

I. - F. H. 2

ocr page 28

IS

vrij aardig sommetje gelegateerd, onder voorwaarde, dat ik daarvoor een reis naar Italië zoude doen, iets hetwelk hij bij zijn leven altijd hoogst noodzakelijk placht te stellen om de -jeugd te vormen. Hijzelf was nooit verder dan Den Haag geweest en zeide altijd, dat het hem speet; ofschoon ik de reden noc: niet begrijp, welke hem, die ongehuwd en onat-hankelijk was, heeft kunnen terughouden van datgene te doen, wat hij anderen aanprees.

Verschillende oorzaken hadden medegewerkt om mij langer te doen uitblijven, dan ik oorspronkelijk van meening geweest was, en onder die oorzaken waren de navolgende de voornaamste. Tusschen het handelshuis quot;Van Bempden \ an Baaien

O te Amsterdam en een ander huis te Livorno, hadden, sedert een geruimen tijd, over een netelige handelsquaestie, briefwisselingen bestaan, welke tot geen beslissing leidden. Daar nu een mijner Tantes in het eerstgenoemde Huis een sxroot gedeelte van haar vermogen had zitten, schreef zij mij, of ik ook kans zou zien, de zaak gedurende mijn verblijf in Italië in het effen te brengen. Ik had, bij geluk, juist kennis gemaakt met een der deelgenooten der Livornosche firma en, bij nog grooter geluk, zijn gunst en vertrouwen gewonnen; zoodat ik, minder ten gevolge mijner bekwaamheden als gevolmachtigde, dan omdat ik met een rekkelijk man te doen had. die rede wist te verstaan, volkomen mocht slagen in het tot stand brengen eener schikking, waarmede beide partijen tevreden waren. — Hiermede echter was, hoe vlot het ook ging. toch altijd een vrij lange tijd verloopen.

Mij een paar maanden later te Napels bevindende, ontmoette ik den Jonker van Ypendael, een hoogst beminnelijk jongeling, die, evenals ik, voor zijn genoegen reisde en wiens kennismaking mij ten uiterste welkom was. Wij vormden het besluit, onze reis gezamenlijk voort te zetten. In Sicilië overviel hem een kwaadaardige ziekte, welke van langen duur werd en waaruit hij slechts langhaam herstelde. Het spreekt vanzelf dat ik mijn vriend en reisgenoot niet verliet en hem, zoo trouw ik kon, oppaste en verzorgde;

ocr page 29

maar dit onvoorziene toeval vertraagde mijn terugkomst opnieuw.

Des te zoeter was, na een zoolang uitblijven, ons beider gevoel, toen wij voor het eerst weder, over Munsterland teruggekeerd, de moedertaal, al was het dan ook met den Over-ijselschen tongval, hoorden spreken; en met aandoening was ik een dag later getuige van de heuglijke vereeniging mijns reisgenoots met zijn familie, die een Ridderhofstad aan gene zijde van Amersfoort bewoonde. Ondanks mijn vrij natuurlijke begeerte om mijn weg zonder ononthoud te vervolgen, ten einde hetzelfde geluk te smaken, dat mijn vriend was te beurt gevallen, kon ik zijn dringend aanzoek niet weerstaan, om nog dien dag met hern te blijven doorbrengen en deel te nemen in het vroolijke familiefeest, waarop zijn behouden terugkomst gevierd werd en hetwelk volgens de uitdrukking dei-blijde ouders, niet volkomen zou zijn, indien de reisgenoot van hun zoon er aan ontbrak en zij de gelegenheid moesten missen om mij te bedanken voor de trouwe verzorging van hun Eduard. Ik kan niet anders zeggen of, niettegenstaande mijn gedachten meestal te Amsterdam waren, ik deed eer aan het maal en vergastte mij recht op de zoo lang ontbeerde doperwtjes, op het heerlijk rundvleesch en de geurige fruit, die mij werden toegediend; want welke voordeelen ook de Hoogduitsche keuken moge hebben, ik gaf toch aan den Hollandschen pot de voorkeur en begroette eiken mondvol dien ik nam, met hetzelfde vermaak, waarmede ik een lang gemisten vriend de hand zou gedrukt hebben.

„Kom, nog een glas bourgogne!quot; riep mij de oude, dikke landedelman toe, terwijl zijn bolle wangen gloeiden van het geluk dat hem de wederkomst van zijn zoon verschafte en van de herhaalde offers, aan Bacchus gebracht: „Deze wijn kan u geen kwaad: hij is van het echte merk en niet van die zure clairetwijnen, waar men in mijn jongen tijd niet van af wist, en waarmede men ons nu in de kleeren wil steken. Kom, mijn jongen! de gezondheid van uw vader! Lang moge hij leven, tot heil van Amstels burgerij, en tot handhaving der goede Justitie!quot;

ocr page 30

20

„Van harte gaarne!quot; zeide de oudste broeder mijns vriends, zijn glas vullende: „en dat hij er spoedig in moge slagen, dien gevreesden Zwarten Piet meester te worden, die, gelijk men zegt, de verstrooide bende van wijlen Jaco heeft ver-eenigd en er het Sticht mede afloopt.quot;

„Wel zoo!quot; zeide lachende Eduard, „wilt gij die eer aan onze Stichtsche Baljuwen niet gunnen? Is dat nu een wensch voor den erfgenaam eener Heerlijkheid, welke het recht van hooge en lage jurisdictie bezit. — maar genoeg daarvan: Moeder schudt het hoofd en Leentje wordt bleek, wanneer wij zoo van dieven spreken. Ik laat den Hoofdschout daar, Ferdinand! en drink de gezondheid uws vaders.quot;

„En dezen dronk,quot; vervolgde de Baron, zijn geledigd glas vullende, „wijde ik uwer brave moeder!quot;

Het was reeds de derde reis, dat de goede man al de leden mijner familie met zijn toosten (gelijk men die thans noemt) was rondgegaan: en ik begon te vreezen, dat de gezondheid van de mijnen mij nog ziek zoude maken; ik verzocht dus, zoodra ik mijn glas geledigd had, om verlof, van mij naar mijn kamer te mogen begeven, tot verschooning bijbrengende, dat ik den volgenden dag, wilde ik nog met den avond te huis zijn, vroegtijdig vertrekken moest.

„Het blijft dan uw vast besluit ons morgen te verlaten?quot; vroeg de oude Heer.

„UEd. kan zelf beoordeelen, of ik mijn vertrek langer mag uitstellen.quot;

„De jonge heer heeft gelijk,quot; zeide mevrouw Van Ypendael: „en hoe gaarne wij zijn gezelschap langer zouden willen genieten, mogen wij hem echter niet tegen zijn zin hier houden, daar wij aan ons eigen hart kunnen gevoelen, hoezeer zijn familie naar zijn terugkomst verlangen moet. Wij zouden het ook niet aardig gevonden hebben, indien men onzen Eduard langer van huis gehouden had.quot; — Met deze woorden drukte zij de hand van haar teruggekeerden lieveling.

„Gij hebt wel gelijk, moeder!quot; zeide deze, haar omhelzende: „ik vind mij nu zoo gelukkig: en zou ik dan mijn vriend

ocr page 31

21

beletten, dat zelfde geluk zoo spoedig mogelijk te smaken?quot;

,,En hoe denkt gij de reis te doen?quot; vroeg mij de Baron.

„Mijn voornemen is, te voet tot Naarden, en verder per schuit te gaan.quot;

„Te voet!quot; zeide de oude Heer, lachende: „gij zijt, dunkt mij, ook van de leer: haast u langzaam. Verbruid! ware ik in uwe plaats, en de zoon van een rijken Amsterdammer, ik nam te Amersfoort een wagentje bij Jan Stoffelsz, die rijdt flinke paarden: en dan: voort koetsier! de zweep er over gelegd en dubbel drinkgeld zoo gij dubbelen spoed maakt.quot;

„Ik geloof,quot; merkte glimlachende de oudste zoon aan, „dat onze vriend Ferdinand een kleine huichelaar is, en als een apostel bij zijn vader te huis wil komen, om hem te doen denken dat hij op zijn gansche reis altoos zoo zuinig op zijn épuipage geweest is.quot;

Ik glimlachte en zweeg; want ik achtte het onnoodig, de ware reden mijner handelwijze bloot te leggen, namelijk dat ik geen geld genoeg meer bij mij had, om de onkosten van een rijtuig te dragen; want van den laatsten mij gezonden wissel op Munster had ik geen gebruik gemaakt, in den waan, dat hetgeen ik nog aan contanten overig had, toereikende zoude zijn om mij tot Amsterdam te brengen. Het bleek mij echter dat ik mij verrekend had: maar ik was nu te trotsch of te beschroomd om geld van mijn gastheer ter leen te vragen, en evenmin wilde ik een rijtuig op crediet nemen en bij mijn thuiskomst beginnen met mijn vader te verzoeken, het rijtuig te betalen: iets, dat hem voorzeker slechte denkbeelden van mijn wijze van huishouden zou hebben ingeboezemd; want hij was geen vriend van onnutte geldverteringen; en ofschoon ik geloof, dat hij bij deze gelegenheid de kosten van een rijtuig zou verschoond hebben, wilde ik echter geen gevaar loepen van een vermaning. Bovendien kende ik den zandigen weg van Amersfoort tot Naarden; en ondanks den lof, door den Heer Van Ypendael aan de paarden van Jan Stott'eisz gegeven, wist ik zeer wel, dat wij de grootste helft stappende zouden afleggen, en dat ik te voet omtrent even spoedig en

ocr page 32

22

zeker op een veel aangenamer wijze, mijn doel bereiken zou.

„Nu,quot; zeide de Baron: „een mensch zijn zin, een mensch zijn leven: — maar het eind is toch wat ver om geheel te loopen: wij zullen u van hier naar Amersfoort laten brengen ! . . . . ik denk dat Eduard zich daarmede wel zal willen belasten, zoo ik er hem vriendelijk om verzoek.quot;

Dit aanbod was te heusch om afgeslagen te worden. Na het drinken van een afscheidsdronk, en nog, tot slotte, van een glas cognac, hetwelk de Heer Van Ypendael zijn slaapmutsje noemde, werd het mij vergund den aftocht te blazen. Den volgenden morgen te vijf uren. terwijl het geheele huisgezin nog in de armen der rust lag gedompeld, zat ik reeds met Eduard in een wagentje, met twee vlugge hitten bespannen, die ons met een prijselijken spoed naar Amersfoort brachten. Na eikanderen herhaalde reizen gezondheid te hebben toegewenscht en onder belofte van briefwisseling, namen wij afscheid: hij keerde met zijn voertuig terug, in de hoop van de familie aan het ontbijt te vinden, en ik zette eenzaam mijn weg voort tussehen de bevallige bosschages, aan weerskanten van den weg gelegen.

Het was een heerlijke morgen; ja zelfs, voor een voetganger, al te fraai weer. Er was weinig of geen wind; de lucht begon, naarmate het verder op den dag werd, meer heet en drukkend te worden, en was met die soort van spakerige nevelachtigheid bezwaard, welke niet zelden het voorteeken is van een verandering in den dampkring. Ten noordwesten stapelden zich donkere wolken op elkander, en eenige zeevogels, die krijschende rondzwierden, schenen zoovele boden, uitgezonden om zwaar weer aan den landbouwer te verkondigen. De zon was bloedrood, en haar stralen, stekend als breinaalden, hadden het zand van het rulle voetpad als in gloeiende asch herschapen. Groote zweetdroppels biggelden tappelings langs mijn wangen af, en, wanneer ik het oog op de verwijderde buien vestigde, zag ik met welgevallen den regen te gemoet, die de dorstige aarde laven en mijn pad wat gemakkelijker maken zoude. In afwachting daarvan, stapte

ocr page 33

ik echter rustig voorwaarts, en ik geloof zonder ijdelheid te kunnen zeggen, dat ieder landman, die mij met een vasten en gelijken tred zijn hoeve zag voorbijgaan, wel dadelijk bespeuren kon. dat een voetreis geen ongewone zaak voor mij was, en dat ik niet tegen de ongemakken opzag, die haar gemeenlijk vergezellen. Ik vergat dan ook de moeielijkheden van den weg, zoo dikwijls ik herdacht, dat elke stap, dien ik nederzette, mij nader bracht bij de voorwerpen mijner kinderlijke liefde, bij mijn welbeminde broeders en zusters, bij de vrienden mijner kindsheid en bij dat dierbare Amsterdam, hetwelk ik in zulk een geruimen tijd niet aanschouwd had. Aangename gedachten brengen bij den onbedorven mensch altijd welwillendheid voort: ik althans voelde mij hoe langer hoe meer gestemd om alles, wat mij ontmoette of bejegende, met hartelijkheid te behandelen: ik had een blijden groet over voor eiken boer of daglooner, die langs den weg zijn zomerarbeid verrichtte, een paar duiten voor ieder kind, dat op de bloote voeten voor mij uitliep en over de greppen duikelde om mijn liefdadigheid op te wekken, en een scherts voor het frissche landmeisje, dat mij tegenkwam en soms nog, lang nadat ik voorbij was. het hoofd omwendde, met dien half verwonderden, half spottenden lach, welken alle eenigszins vreemde kleederdracht bij onze landgenooten gewoonlijk verwekt. En inderdaad, ik moet bekennen dat mijn uiterlijke tooi niet van dien aard was, dat ik er hoog op roemen kon, en in het oog van de zoodanigen, die alleen naar het gewaad de lieden beoordeelen, zeer moest afsteken tegen de nette en zwierige kleedij der stedelingen van dien tijd; ja, dat ik bij de eerste beschouwing veel had van een eenvoudigen marskramer. De stoflage van mijn gewaad was fijn, maar helaas I door lang gebruik zoodanig versleten, dat niets van hetgeen ik droeg de blijken toonde van ooit nieuw te zijn geweest. Mijn hoed, op zijn Spaansch, met breede slappe randen voorzien, die mij ten zonnescherm strekten, was van leder, dat eenmaal zwart geweest was, maar door zon en regen met een rozeroode kleur begiftigd geworden, en

ocr page 34

hier en daar met enkele bruine en gele vlekken getijgerd. Mijn rok, van uitlandsch fatsoen en zonder eenig galon of borduursel, had insgelijks van den invloed der luchtsgesteldheid geleden, en droeg bovendien de kenmerken van lange en trouwe diensten; want menige knoop had zijn post verlaten: en aan de ellebogen en opslagen zag men kale plekken van een geheel andere kleur dan die, welke den grond der stoffage uitmaakte. Het kamizool, dat van witte zijde was, met groene vlaszijde geborduurd, had volkomen het aanzien, als ware het van een verkooping op de Xoordermarkt afkomstig; maar daaronder blonk hetgeen ik altijd gewoon ben geweest als het echte kenmerk eens beschaafden mans te beschouwen; namelijk het heldere hemdslinnen, dat, dank zij mijn moeder, die het uit twintig stukken uitgezocht had, zoo fijn was, als men ergens bekomen kon, en zoo blank, als het stuivende stof toeliet, dat reeds mijn witte kousen en hooge schoenen bedekt had met die roodaardige kleur, welke aan het zand in die streken eigen is.

Een plunje als de mijne was niet geschikt om eenigen struikroover in verzoeking te brengen: ik had dan ook de pistolen en den degen, die mij op onze uitstapjes in Duitsch-land trouw vergezelden, bij mijn bagage gelaten, welke met den bolderwagen van Deventer op Naarden reisde, en meende tegen de gevaren, die ik van Amersfoort tot Naarden te vreezen mocht hebben, en waaronder ik de ontmoeting van een dollen hond als de ergste rekende, genoegzaam beveiligd te zijn door den kneppel, dien ik over den rechterschouder droeg en waaraan een pakje bungelde, bestaande uit mijn nachtgoed en eenige andere onontbeerlijke benoodigdheden, in een bonten doek te zamen geknoopt.

Ik sta met opzet bij deze bijzonderheden stil, die wellicht onbeduidend zullen schijnen; maar die mij toch voorkomen vermeld te moeten worden, tot beter verstand van hetgeen verder volgen zal. Ik durf er (want op mijn leeftijd kan het aan geen ijdelheid worden geweten) nog dit bijvoegen, dat, zoo mijn uitlandsche en sobere opschik aan de meisjes een lach

ocr page 35

afdwong, het mij somtijds toescheen, alsof mijn persoon zelf haar anders niet mishaagde: ik was groot en sterk van gestalte; mijn kloeke lichaamsbouw gaf mij, ofschoon ik werkelijk jonger ware, het voorkomen van reeds boven de vijf en twintig jaren te zijn; mijn gelaat, ofschoon geroost door den invloed van zon en lucht, prijkte met den frisschen blos van jeugd en gezondheid: mijn tanden, die ik tot heden toe goed bewaard heb, hadden toen bovendien het voorrecht, van blank en welgeplaatst te zijn: en, naar de getuigenis van anderen, waren mijn lichtbruine oogen geheel niet van levendigheid ontbloot en onderscheidden zich ten minste door een niet onaangename uitdrukking van goede luim en welwillendheid. Wat mijn haren betreft, zij waren blond, en ofschoon helaas! bestemd om bij mijn komst te Amsterdam door de schaar des kappers te worden afgemaaid, en voor een gekrulde paruik plaats te maken, zij golfden nog op dien ochtend in hun natuurlijken staat over mijn schouders en deden mij kennen als een on. verbasterde afstammeling van het echte Noordsche ras.

Ik stapte dan, gelijk ik gezegd heb, vroolijk vooruit, met de vrij zekere overtuiging van tijdig genoeg binnen Naarden te zullen komen, om met de laatste schuit van daar naar Amsterdam te kunnen vertrekken. Immers het was vroeg in den morgen, en de afstand naar genoemde vesting was zoo groot niet, of ik kon dien op mijn gemak afleggen, zelfs al dwong mij een regenbui, of vermoeidheid, of honger, hier en daar onderweg een uurtje te vertoeven.

Wat de laatste der drie genoemde redenen van oponthoud betreft, deze begon zich alreeds bij mij te doen gevoelen. Ik had bij mijn vertrek van de Ridderhofstad niets gebruikt, omdat het mij nog te vroeg was, en te Amersfoort had ik mij vergenoegd, een hartsversterking tegen de morgenlucht te nemen. Het was dus niet zonder eenig innig genoegen, dat ik de torenspits van Soest in het vizier kreeg, en dadelijk was mijn besluit genomen, om in dat dorp een oogenblik uit te rusten en eenige verversching te gebruiken.

Weldra vergunde mij een bocht, welke de weg daar ter

ocr page 36

26

plaatse maakt, om het geheele lichaam der kerk te zien, en mij te verlustigen in den aanblik van het lachende en bevallige schouwspel, dat zij vooral van dien kant oplevert. Oogverblindend stak de grijze en eerwaardige vierkante toren, met zijn hooge spits, door het schelle licht der morgenzon beschenen, tegen de donkere lucht daarachter af, en tegen de groene boomen, die het gebouw omringden; terwijl de heuvelachtige grond, die mij nog van het dorp scheidde, met goudgeel koren of sneeuwwitte boekweit bedekt, niet weinig toebracht om de bekoorlijkheden van dit landgezicht te vermeerderen. Ik was nooit een enthusiast; maar de aanblik der schoone, eenvoudige natuur heeft altijd een diepen indruk op mij gemaakt en thans ook gevoelde ik mij getroffen, zonder zelf te weten waarom: ik geraakte in een stille, eerbiedige stemming en ik wischte mij een traan uit het oog, toen ik het dorp binnentrad.

Deze gemoedsgesteldheid was echter spoedig geweken, toen ik de voornaamste herberg in het oog kreeg: deze bevond zich op den hoek van een driesprong, welke de hoofdstraat met een zijweg vormt, en was kenbaar aan een vooruitstekend uithangbord van ijzer, rijkelijk met krul- en snijwerk voorzien, en tot leuze een geschilderden zwaan voerende, met het gebruikelijk onderschrift: vrij wijn en meê. Eenige krebben, die tegenover den ingang stonden, en een houten stalling, die naast het huis was opgeslagen, gaven bovendien te kennen, dat men hier zoowel te voet als te paard welkom was en verversching bekomen kon. Ook zag ik inderdaad een niet gering aantal boerenwagens en karren uitgespannen op het plein staan, terwijl een magere oude knol bezig was zijn honger te stillen met het frissche gras, dat hem in eene der voorgezette krebben werd toegediend. Genoemd dier was gespannen voor een onderwetsche koetskar, met linnen huif, tegen welk voertuig een groot manspersoon aanleunde, wiens gelaat van mij was afgewend en bovendien overschaduwd door een hoed met afhangende randen, die eenige familietrekken had met den mijnen. Een lange roode mantel met opstaanden kraag dekte zijn ledematen en schitterde in de zon, gelijk een vurige oven.

ocr page 37

Hij scheen zachtjes te praten met iemand, die zich binnen in de kar bevond, maar dien ik niet zien kon, vermits ik het rijtuig van achteren naderde. Voor 't overige kan ik niet zeggen, dat ik er zeer nieuwsgierig naar was, daar mijn gedachten voor het oogenblik meer bezig waren met het ontbijt, hetwelk ik mij had voorgesteld binnen de herberg te gebruiken, dan met den reiziger, die zich daar voor bevond, en ik verwaardigde dezen dan ook met niet meer dan een oppervlakkigen blik. terwijl ik mij haastte de hand aan. de klink van de deur te slaan, en de herberg binnen te treden.

TWEEDE HOOFDSTUK,

WAARIN MEN LEZEN ZAL, WAT IN EN VOOR DE HERBERG TE SOEST VOORVIEL.

Ik vond hier meer personen bijeen, dan ik reden had op dat uur van den dag te verwachten. Immers, de kerkklok had slechts even negen geslagen en er moest dus een bijzondere reden bestaan, welke de in de herberg aanwezige lieden derwaarts had gelokt op een tijdstip, dat men hen veeleer aan hun arbeid zou verwacht hebben. Het was dus natuurlijk dat ik, na een algemeenen „goeden morgen samen!quot; in 't rond gewenscht te hebben, naar de toonbank stapte en aan de aldaar post houdende dochter des huizes (een frissche, knappe deerne van ongeveer twintig jaren, die blijkbaar in haar zondagspak was uitgedost, met zilveren oorijzers en een halssnoer van dikke bloedkralen) de aanmerking maakte, dat er al vroeg volk in de herberg was.

„Dat 'eleuf ik wel, koopman!quot; antwoordde het meisje, terwijl zij, zonder naar mij om te zien, voortging met voor haar gasten een paar hooge glazen met schuimend bier te vullen:

ocr page 38

„je zult het ook wel eroken hebben, wat hier vandaag te doen is.quot;

Ik was op het punt van mijn volslagene onbewustheid van de oorzaak der vereeniging te kennen te geven, toen een papier mijn oogen trof, hetwelk tegen den gemenieden wand aan een spijker hing en waarop een schoof als titelvignet en de woorden; segt het voort in groote letteren als onderschrift prijkten: ik begreep dus, dat hier een graanveiling of iets diergelijks plaats moest hebben, en, mijn onderzoekingen niet verder voortzettende, eischte ik een boterham met kaas en een glas koude karnemelk: vervolgens, mij omwendende, zette ik mij, in afwachting van het bestelde, aan het benedeneinde eener lange tafel, die tegen het raam geplaatst was, en nam de aanwezigen in oogenschouw.

Nauwelijks echter had ik den tijd gehad om op te merken, dat het boveneinde der tafel was ingenomen door een dikken, wel doorvoeden landman, wiens groen damasten vest met bloemen, ruim gesneden rok van bruine sergie en zilveren broeks-knoopen aantoonden, dat hij tot de vermogendsten van zijn stand behoorde; terwijl mijn overbuurman daarentegen er vrij schraal en verloopen uitzag, — toen mijn ooren gekweld werden door een piepend geschreeuw, van: phijpedoppies! deursthekers! zoek thoch maar huit, khoopman! Hik 'ep nog gheen 'andgift ghe-had vandhaag, zoo waar zelje ghesond blijven!quot;

Ik wendde mij om en zag een Joodschen kramer achter mij staan, dien ik nog niet had opgemerkt. Waarschijnlijk had hij in een hoekje of bij den haard gezeten, en was hij bij mijn komst opgerezen, om te zien of hij iets aan mij slijten kon.

„Ik dank u, vriendje!quot; zeide ik, na hem terloops te hebben aangezien: „ik heb niets noodig!quot; en om hem zooveel mogelijk te toonen, dat ik geen plan had mij verder met hem op te houden, draaide ik mij van hem af, en, de ellebogen op de tafel plaatsende, ondersteunde ik mijn hoofd met beide handen, in de houding van iemand, die niet verlangt gehinderd te worden.

„Nha doch!quot; zeide de Jood, de dunne, magere vingeren zijner rechterhand, welke de kettinkjes van een dozijn pijpedopjes vasthield, door de opening tusschen mijn hoofd en mijn arm

ocr page 39

29

heenstekende en mij vlak voor den neus brengende: „laat ik je toch maar een dhozijntje verkoopen. Gheen deit rijk, zoowaar zelje ghezond blijven: en ik mot vandhaag nog ver reizen.quot;

Wetende bij ondervinding, hoe weinig het baat zich over dergelijke onbescheiden aanzoeken boos te maken of er tegen in te spreken, vergenoegde ik mij met mijn voorarm te buigen en door een soort van contramanoeuvre tusschen mijn gezicht en de hand des kramers te brengen, waardoor ik de pijpedopjes weder van mij verwijderde.

„Nha! al duwje me therug, dhaarom zelje toch ghesond blijven,quot; hernam de Jood, met de vasthoudendheid aan lieden van zijn beroep eigen: „motje gheen halmenakkie 'ebben? gheen scharen, messen of photloodjes?quot; — En, in de plaats van zijn hand, wist hij nu het geheele marsje, dat hij voor hem droeg, tegen mijn borst aan te werken, zoodat ik mij wel genoodzaakt zag, mij geheel naar hem toe te keeren en hem vriendelijk te verzoeken, mij met vrede te laten. „Waarlijk, goede vriend!quot; zeide ik: „ik heb niets van uw kraam noodig: ik ben immers zelf maar een arme reiziger, en zal nog werks genoeg hebben, om met het beetje gelds, dat ik bij mij heb, toe te komen en de stad te bereiken.quot;

Onder het uiten dezer woorden had ik den Jood nauwkeuriger beschouwd, en meende mij nu flauw te herinneren, dat ik hem vroeger, waarschijnlijk wel te Amsterdam, had ontmoet. Ik was weldra zeker, dat ik dien man, met dat olijfkleurige gelaat, dat hooge smalle voorhoofd en dien bruinen gelapten tabberd van saai meer gezien had, maar nooit te voren had ik acht gegeven op de zwarte en levendige oogen, die op het hoeren mijner taal een kluchtige uitdrukking van ongeloof aannamen, terwijl zijn dunne lippen zich vertrokken tot iets dat op een glimlach geleek.

„Khom!quot; zeide hij : „Je spot immers er mee; je zoudt gheen gheld 'ebben: nha doch! 'et dhoet er niet toe. Khijk, ep je gheen gheld, je ept krediet: en dat's veel gheseid iu dhesen tijd van de hactie'andel! Daar ep je een dhozijntje: je zelt me morghe of overmorghe wel bethalen, as je in de stad zult

ocr page 40

i

30

sthaan te zijn gekliomen, dat weet ik ommers best. Simon heit krediet voor je vhaders zhoontje.quot;

,, Vandaag of morgen is 't zelfde,quot; zeide ik, de pijpedopjes, die hij op tafel gelegd had, weder naar hem toeschuivende: „ik rook niet.quot;

„Niet, koopman?quot; vroeg de waard, een dikke, stevig gebouwde kerel, met een vroolijk aangezicht, die, even naar den kelder geweest zijnde, juist weder binnen was gekomen, en met een pijp in de hand naar mij kwam toegetreden: „ik wou je juist een pijp aanbieden.quot;

„Ik dank je,quot; zeide ik, (want ofschoon ik later die gewoonte weder heb aangenomen, ik was op mijn reis, bij mangel aan goede tabak, het rooken afgewend): „maar ik heb wat eten en drinken besteld, zou dat haast klaar zijn?quot;

„Toe dan Mientje!quot; zeide de waard, zich omkeerende, „waar blijft het ontbijt voor den koopman?quot;

„Zoo aanstonds,quot; antwoordde de dochter: „wil je er beschuit op hebben, koopman? of verkies je nagelhout?quot;

„Wel!quot; hernam ik: „laat ons van allebei eens proeven: maak er mij maar twee.quot;

„Messen! — scharen! — khurkhetrekkers! — khammen!quot; vervolgde de Jood, met een pauze tusschen elk voorwerp, dat hij opnoemde: „of. . . . wil je liever kurieuser whaar: je bent toch een ghesthudeerd jongmensch.... hik 'ep hook mooie poekkies: 'ier is de Arlekhijn Haksinischt! .. .. 't plijspel van Khinkampoeis! ') de leste woorden van Saco, toen ie op 'et schavot stond.quot;

Er was geen middel van hem af te komen, zonder in de beurs te tasten. Ik liet mij dus overhalen om mij een kurke-trekker aan te schaffen, al ware het maar om te kunnen zeggen, dat ik een Grieksch testament2) van een Jood gekocht had. De koop was spoedig gesloten, en ik betaalde zonder afdingen den gevraagden prijs, ofschoon de innerlijke waarde

'J Arlequin Actionist; Quinoampoix of de Windhandelaars: blijspelen van Langendijk.

2) Men weet, dat studenten gewoon zijn een kurketrekker met dien naam te bestempelen.

ocr page 41
ocr page 42
ocr page 43

31

van het voorwerp verre te bovengaande, onder de uitdrukkelijke voorwaarde, dat mij de kramer met geene verdere aanbiedingen zou lastig vallen. — Mijn edelmoedigheid was mij niet nadeelig, gelijk men terstond zal gewaarworden.

„Ghelik er mee!quot; zeide Simon, terwijl hij mij het gekochte voorwerp ter hand stelde: „maar phas op,quot; voegde hij er fluisterend bij, „dat je een mhes vraagt bij je hontbijt en je niet bhedient van 't ghenige dat dhaar sthaat.quot;

„Hoe!quot; zeide ik met eenige verbazing; — maar, toen ik met de oogen den blik des raadgevers volgde, vielen zij op een mes, hetwelk mijn overbuurman, van wiens ongunstig uitzicht ik zooeven gewag maakte, kort te voren met de punt midden in de tafel had gestoken. Tegelijkertijd herinnerde ik mij, meermalen gehoord te hebben, hoe sommige liefhebbers van het edele bekkesnijden, bijzonder in Eem- en Gooiland, gewoon waren hun messen in herbergen en kroegen op een zichtbare plaats op te hangen, of in de tafel te steken, en den onkundigen of onvoorzichtigen vreemdeling, die er zich van bedienen wilde, of er slechts even naar keek, tot een gevecht te dagen. Ik dankte dus met een bijna onmerkbaar knikje den goeden Jood voor zijn tijdige waarschuwing, welke mij toescheen ruim op te wegen tegen den voor den kurketrekker betaalden prijs: en ik gevoelde daarvan het dubbel belang, toen ik, na mijn ontbijt uit de handen van Mientje te hebben bekomen en een mes daarbij te hebben gevraagd, op het gelaat van mijn overbuurman een trek van ontevredenheid zag oprijzen. Ik heb het afbeeldsel van dezen kwant nog niet gegeven; en echter verdient hij het wel, dat ik een oogenblik daarbij stil sta: hij had, gelijk ik reeds met een enkel woord aanstipte, een afzichtelijk voorkomen: lange, sluike haren, wier klemmen raden moest, hingen hem van onder een ruige muts op de schouders: zijn oogen hadden den gluipenden blik der hyena en waren van wenkbrauwen en ooghaartjes bijna geheel onvoorzien; zijn wijde mond, die, door de gewoonte van een kort pijpje bestendig aan denzelfden kant tusschen de lippen te klemmen, geheel scheef was getrokken, opende zich nu en

ocr page 44

32

dan tot een gnjnzendeu lach, die een alleronaangenaamsten v

indruk verwekte; of onze maat een neus had of niet,, kon v

met reden tot het onderwerp eener weddenschap gestrekt ji

hebben, zoovele naden en kruislijnen van litteekens (over- l

blijfselen van vroegere gevechten) vereenigden het vormelooze stompje boven den mond met de wangen en de bovenlip. Dit (

beminnelijk wezen was half op zijn boersch, half op zijn zee- 1

mans gekleed, met een blauw duffelsch buis, vol lappen en winkelhaken, een vest zonder knoopen, hetwelk den ruig bewassen boezem geheel bloot liet, een wijde visschersbroek, opgehouden door een zwart lederen gordelriem, waarin een messcheede van robbevel stak, wollen kousen, en holsblokken aan de voeten.

Waarschijnlijk had hij verwacht, dat ik hem de gelegenheid tot een klein snijpartijtje zoude verschaft hebben, en reeds,

als een tijger in zijn hinderlaag, zitten loeren, of ik ook onbedachtzaam het voor hem geplante wapentuig zoude aangrijpen. Zijn teleurstelling althans, toen hier niets van kwam.

bleek mij te groot te zijn, dan dat hij zou kunnen gezwegen hebben: de uitdrukking, die zijn gelaat aannam, wekte mijn opmerkzaamheid en trok mijn aandacht af van het gesprek.

dat baas Roggeveld voerde, die juist bezig was te verhalen,

hoe hij van Peer de Groot tien lakenveldsche koeien gekocht had voor f 80 het stuk. De varensgast nam het pijpje uit den mond, blies een dikke rookwolk weg, sloeg het glaasje brandewijn, dat hij voor zich had staan, in eene teug naar binnen, en vroeg mij, na deze voorbereiding, waarom ik mij niet bediend had van het mes, dat voor mij stond.

„Ik had het niet gezien,quot; zeide ik op een onverschilligen toon: „en bovendien heb ik gaarne een mes voor mij alleen.quot; -Dit gezegd hebbende ging ik met eten door. zonder den kwant verder aan te kijken.

„Met gezien!quot; herhaalde hij met een gemeenen vloek: „en waar hield je dan zooeven je kluisgaten op gericht? 't Is mijn mes, voor den d. . . .!quot; vervolgde hij, met de geslotene vuist op de tafel slaande, en zijn stem hoe langer hoe meer uitzettende, als dacht hij mij daarmede schrik aan te jagen: „en

ocr page 45

wie er naar kijkt, die kan met mij aan den gang komen,, daar valt niet van, voor den. . ..! Jij hebt er naar gekeken, en as je boterham binnen is, dan zullen we eens zien, of je voor je boeg kunt zorgen.quot;

Deze forsche uitdaging verwekte een plotselinge stilte bij de aanwezige boeren, die, in goede eendracht bijeenzittende, bezig waren over den prijs der granen en andere voorwerpen van hun gading te spreken. Aller oogen vestigden zich op den matroos (want daarvoor moest ik hem aan zijn taal houden) en vervolgens op mij, met die belangstelling, welke een twist als deze nimmer nalaat te verwekken: ja, ik geloof, dat menigeen zich reeds streelde in de verwachting van het genoegen, dat een echt nationaal messengevecht hun verschaffen zoude, ik moet echter tot hun eer zeggen, dat ik hier en daar een blik van welwillend medelijden ontmoette, en op menig gelaat kon lezen, dat men mij niet bestand achtte tegen den geoefenden kamper, die mij had uitgedaagd. Wat mij betreft, ik was gelijk men denken kan, niet zeer op mijn gemak; ik begreep echter zoo bedaard mogelijk te moeten blijven en den storm door rustige onverschrokkenheid af te keeren. Ik ledigde eerst mijn glas en zeide toen, op een toon, zoo kalm mogelijk, dat ik geene reden hoegenaamd tot een gevecht zag, daar ik niet wist, iemand met woorden of daden beleedigd te hebben. Mijn woorden werden wel opgenomen door de aanwezige boeren : ■althans er ontstond een goedkeurend gemurmel: de landman, die aan het boveneinde zat, knikte mij vriendelijk toe, en zich vervolgens tot den zeeman wendende : „wat heit jou die koopman quot;edaan, Andries Matthijssen!quot; vroeg hij, „datje met hem voor 't mesje wilt?quot;

„Wel! baas Roggeveld!quot; zeide Andries, zijn taal met vloeken doormengende, welke ik, om geen kiesche ooren te kwetsen, slechts met een () zal aanduiden: „die koopman kijkt naar mijn mes en geeft een bretaal antwoord daar te boven (). Mot ik me van zoo'n loop-in-'t-lijntje laten op den kop zitten ? () Maar omdat hij nog maar een loeris van een jongen is, zal ik hem () niet te hard behandelen en, met een enkeld half

ocr page 46

maantje over zijn hakkebord laten waaien; — maar opstaan mot hij.quot;

En meteen oprijzende, trad hij naar mij toe en wilde mij in den kraag grijpen; — ik was echter op mijn hoede, en zoowel een vuist- als een messengevecht willende vermijden, schoof ik bij zijn nadering met mijn bankje achteruit. „Pas op!quot; zeide ik, de armen kruisende en hem stijf in 't gezicht ziende: „raak mij niet aan of het zou slecht met u kunnen afloopen. Ik zoek geen twist; maar het zou u rouwen, zoo ge mij eenig leed deedt.quot;

„Wat zou me rouwen, jou beroerde zandhaas?quot; snauwde Andries, terwijl hij hoe langer hoe driftiger werd, mij toe: „ik zei je leeren, ordentelijk vlag te strijken. Op! zeg ik jou: nou je zoo spreekt zei ik eens zien, of ik geen frikkedellen van je voorgebergte kan snijen.quot;

Onder het uiten dezer bedreiging stak hij nogmaals de hand uit, om mij te dwingen mijn plaats te verlaten en met hem aan 't sniien te gaan. Ik moet bekennen, dat ik mijn toestand hoogst onaangenaam begon te vinden; want ik zag niets aardigs in het denkbeeld van zonder neus bij mijn ouders te keeren: en waar ik de blikken heen wendde, ik bespeurde bij de boeren geen zucht om zich met den twist te bemoeien: zij waren daartoe of te lui, of te nieuwsgierig hoe het af zoude loopen, en bleven met een fatale koelbloedigheid hun pijpjes rooken en hun drank opslorpen.

Er kwam echter hulp van een anderen kant. Simon de Jood had zich, bij de eerste woorden van Andries, met een angstig gelaat naar een der hoeken van het voorhuis teruggetrokken en was, toen de twist hooger begon te loopen, langs den muur naar de toonbank geschoven, waar hij aan Mientje, die, ofschoon aan dergelijke tooneelen waarschijnlijk gewoon, eenigszins onthutst keek, eenige woorden in 't oor had gefluisterd. Het meisje was hierop terstond haar vader te gemoet geloopen, die juist uit den kelder kwam met eenige versch getapte kruiken. Hoewel deze zich anders waarschijnlijk zelden over een dergelijke ruzie bekommerde, waar hij wel wist dat

ocr page 47

meestal een goed gelag op volgde, scheen hij toch eenigszins versteld over de geheimzinnige mededeeling, welke zij hem deed.

„Hoe zeg je .. .vroeg hij halfluid: „de zoon van .. .

Het antwoord van Mientje werd op zulk een flauwen toon gegeven, dat ik alleen de woorden; „Hoofdschout, Amsterdam, verstaan kon, waaruit ik opmaakte, dat Simon haar verhaald had wie ik was.quot;

„En zeit die Smous dat?quot; vroeg de waard weder: „die koopman daar de zoon van .. . .quot; en hij zag Simon aan, die, bevend bij den haard gedoken, met een herhaalden hoofdknik de waarheid van het gezegde bevestigde.

„Dat vereischt overleg,quot; zeide de waard, zich den kop krabbende, en de kruiken aan Mientje overhandigende: „die Sinjeurs in Amsterdam hebben armen, die ver reiken, en zij zouden het mij inpeperen, zoo ik een van hun broedsel in den pekel liet steken. Hei wat, vrind Andries!quot; riep hij opeens, zijne breede hand op den schouder des twistzoekers leggende, op het oogenblik, dat deze, na mij verlaten te hebben om even aan een buurman te vertellen waar hij mij raken zoude, zich opnieuw in postuur stelde om mij aan 't lijf te komen.

„Wel! Avat wou je?quot; vroeg Andries, zich onwillig omkeerende.

„Wat ik wou?quot; herhaalde de waard, zijn zwaarlijvige gedaante tusschen ons beiden instellende: „ik wou, dat je dut heerschap daar met vrede liet. De man heit jou ommers geen stroobreedte in den weg 'eleid! Ga zitten en drink je zoopje: je ziet ommers dat het je portuur niet is.quot;

„De kastelein spreekt als een verstandig man,quot; zeide baas Roggeveld, zijn pijp even omdraaiende: „je zoudt er, in dat geval, geen eer mee inleggen, met teugen dien koopman te vechten: en ik beloof het je ook, we hadden het nooit zooverre laten komen, in dat geval. Ik was maar 'ereis nieuwsgierig hoe hij zich houen zou; maar ik mot zeggen, hij was niet bang ook, in dat geval!quot; en bij deze loftuiting voegde hij een vleiend knikje.

„Ei! ei!quot; zeide Andries, den waard schamper aanziende: „jij zelt ook zooveel klanten krijgen as er op het spil van

ocr page 48

30

den bramtop kunnen staan, as je 't zoo anleit; en een man die, zooals ik. een echt Gooierskind ben en nog bovendien al de eilanden van de Westinjes zoo goed ken als jij den weg naar je kelder, beletten wilt een klein, eerlijk vechtpartijtje te hebben, 's Lands wijs, 's lands eer! zeg ik maar: en ik beloof je. dat je mijn gezicht ook voor 't laatst ziet as het

zoo mot gaan.quot;

Deze bedreiging deed mij in mijzelven lachen; want ik dacht; dat de waard juist niet zeer gesteld moest zijn op een klant als Andries, wiens uiterlijk geene zeer gevulde beurs verraadde.' Ik bedroog mij echter, althans naar hetgeen de kastelein volgen liet.

„Kom! kom!quot; zeide hij, Andries gulhartig op den schouder tikkende: „zoo mot je nou ook niet spreken. Je weet, dat ik een eerlijke snijpartij al zoo graag zie als een aêr; maar dan mot het over en weer goedwillig in zijn werk gaan. zoodat Schout of Baljuw er niets in te zeggen heit. Je weet ommers zelf best hoe 't gaat, as de eene partij niet wil vechten en de aêre al; dan schuren naderhand allebei hun piek en de kastelein wordt in de boete geslagen.quot;

„Ei. wat! denk er niet meer over,quot; riep Roggeveld Andries toe, die norsch voor zich heen keek: „er zei nog vel gelegenheid kommen vandaag om te toonen wat een kerel je bent, in dat geval. Drink nou de quaestie af met den koopman en laat het daarbij blijven, in dat geval.quot;

,,Dat is niet kwaad gedacht,quot; zeide ik, hopende op deze wijze de zaak 't best te sussen: „geef dan een glaasje brandewijn, vrijster! en laat er niet meer over de quaestie gesproken worden. Zwik!quot; zeide ik, mijn mond aan het zoopje zettende, dat Mientje mij bracht en het daarna aan Andries toestekende.

„Zwak!quot; zeide deze, het glas ledigende: „en ik wensch je toe dat je nooit meer in mijn vaarwater komen meugt.quot;

Ik zag eenigszins vreemd op bij dezen zonderlingen wensch. de toon. waarop die werd uitgesproken, zoowel als de schuinsche blik, waarmede hij vergezeld ging, deed bij mij een onwille-keurigen schroom ontstaan, waarover ik mijzelven verwonderde.

ocr page 49

Ik wilde nu heengaan; maar ik weet niet welk een valsche schaamte mij beduidde van nog een oogenblik te blijven, om niet door een overhaast vertrek de boeren in den waan te brengen, dat ik mij uit vrees verwijderde. Ik bleef dus nog een poos bij de toonbank draaien, en keek van tijd tot tijd naar buiten, waar de man met den rooden mantel zich nog altijd bevond en thans met zijn voerman praatte, die hem, naar het mij voorkwam, scheen te beduiden, dat het paard opnieuw beslagen moest worden; althans, na eenige oogen-blikken werd het beest naar den smid aan de overzijde gebracht.

„Is het waar,quot; hoorde ik intusschen baas Roggeveld aan een zijner buren vragen, „dat Aafje Jansz gisteravond op het Larensche veen is afgezet eworden?quot;

„Naakt uit'eschud, meugje wel zeggen,quot; was het antwoord: „?tis veul, zoo die schelmen heur een hemd an 't lijf hebben elaten. Zij waren met er drieën, als ik hoor.quot;

„'k Sou zoo garen om een roompje

Met jon eens naar buiten gaan,

Rusten onder quot;t lindeboompje;

Dat je 't maar eens dorst bestaan.quot;

zong Andries er tusschenbeide.

„Ja nog erger,quot; zeide een andere boer: „zij hebben de weuning van Klaas Tymensz te nacht op'ebroken en zijn met al den bult gaan strijken.quot;

„'tls de bende van Zwarten Piet,quot; zeide een derde.

„Ei wat!quot; bromde Andries tusschen de tanden, en terstond weer voortzingende;

„Margriet! maar ziet,

Besjen is te kwaad,

Als men eventjes bij jon staat,

Maar ziet, besjen is te kwaad.

Als men maar eena met jou praat.quot;

„Jij, die van aile markten te huis bent en op zooveel zeeën gezwalkt hebt,quot; zeide de waard, Andries aanstootende: „jij hebt zeker Zwarten Piet wel 'ekend ook?quot;

ocr page 50

38

„Wat bruit mijn jou Zwarte Piet,quot; zeide Andries, een scheel gezicht zettende: „och! 'tis allemoal lanterluien, wat dat volk vertelt. Een goeien vetten koopvaarder van zijn overtolligen ballast te ontlasten, dat was werk voor Zwarten Piet: denk jij, dat een echte zeebonk as hij zich zou ophouen met een oud wijf op den grooten weg te onttakelen?quot;

„Wie weet?quot; zeide de waard: „tot een tijdverdrijfje ondershands.quot;

„Gekheid!quot; zeide Andries: en hij begon opnieuw zijn gezang.

Ik weet niet, hoe het kwam; maar het scheen mij toe, alsof hij daardoor afleiding aan het gesprek wilde geven: en het was of een geheime stem mij influisterde, dat, zoo die diefstallen al niet op rekening van Zwarten Piet moesten geschoven worden, Andries althans daar meer van af wist dan hij zeggen wilde.

Het was echter niet meer dan een vermoeden; en daar ik begreep, nu lang genoeg te zijn gebleven, wierp ik een gulden op de toonbank en verzocht om geld terug.

Terwijl Mientje nog bezig was een dubbeltje uit haar tasch te halen, trad de man met den rooden mantel de deur binnen en stapte, zonder eenige notitie van iemand te nemen, naar de toonbank toe.

„Vrijster!quot; zeide hij: „geef spoedig een paar sneden wittebrood en boter. Wij moeten voort, zoodra ons paard beslagen is.quot;

Mientje zette zich dadelijk in postuur om aan het verzoek te voldoen: en de onbekende bleef met de armen over elkander geslagen voor de toonbank staan, zonder te bespeuren, dat hij het voorwerp der beschouwing was van al de aanwezigen, maar vooral van mij, die nog altijd stond te wachten op het geld, dat ik terug moest hebben.

En inderdaad, hij was wel geschikt om de opmerkzaamheid tot zich te trekken: zijn gestalte was ongemeen hoog, zonder echter het onbevallige te bezitten, hetwelk meestentijds eigen is aan uit hun kracht gegroeide personen en hun het hoofd doet gebogen houden of den rug krommen. Integendeel, de stand van den reiziger was vrij en ongedwongen en de roode

ocr page 51

mantel zelf, die hem bijna geheel bedekte, was met een achteloozen zwier omgeslagen, Avelke iets edels, iets schilderachtigs bijzette aan elke houding, welke hij verkoos te nemen. Over de gelaatstrekken viel het echter moeilijker eenig oordeel te vellen. Een slechts los omgeknoopte das van zwarte zijde verborg de onderste helft van het aangezicht, en de slappe rand van den hoed viel op het voorhoofd neder; zoodat men weinig meer kon onderscheiden, dan den eenigszins voorovergebogen neus en den zwarcn peper en zoutkleurigen knevel, die de bovenlip overschaduwde.

Simon was bij het binnentreden des vreemdelings nog dieper in zijn hoekje teruggekropen, als had hem die reusachtige gedaante schrik aangejaagd; maar, evenals de vos, die in 't eerst voor den leeuw vluchtte, doch langzamerhand aan zijn uitzicht begon te wennen, en eindelijk gemeenzaam met hem werd, zoo scheen ook onze marskramer, na gedurende een poosje den roodmantel te hebben aangegluurd, zijn schroom te laten varen en vrijmoedigheid te verkrijgen: hij rees langzaam op, en, den onbekende naderende, begon hij hem zijn koopwaren aan te bieden.

„Dheursthekers! — messen! — scharen! — brillen! — photloodjes! khoop wat. Meneer! gheen deit rijk, zoowaar God leeft.quot; De vreemdeling vergenoegde zich, den Jood met een langzaam hoofdschudden af te wijzen, zonder eenig antwoord op zijn aanzoeken te geven.

„Laat ik wat an jou verdienen,quot; vervolgde Simon, hem bij den mantel trekkende: „halmenakkies! snijfdoozen! Thraktaatjes hover de pholetiek van den dag! — mooi om te leggen loopen lezen hover den weg. Of wilje liever een khommediepoekkie ? — of de leste woorden van Saco, met zijn sententie er achter. Nha! hik zeg hummers gheen kwaad ?....quot;

„Hm!quot; bromde de vreemdeling en ontwrong, met een beweging van verontwaardiging, zijn mantel aan de handen van den Jood, en te gelijk het bord met broodjes, dat Mientje hem toereikte, aannemende, wendde hij zich om, en ging weder naar de voordeur. Onderweg echter bedacht hij zich, keerde

ocr page 52

40

terug, keek rond, nam toen het mes van Andries, (die, juist opgestaan zijnde, bezig was een pijp aan te steken en de daad des onbekenden niet terstond bemerkte), sneed het eene broodje in dunne reepjes en stapte toen de deur uit, gevolgd door Simon, die niet afliet, hem zijn waren aan te prijzen. Andries ging weer naar zijn plaats en ontdekte terstond dat men aan zijn mes geraakt had. Ik had inmiddels mijn geld terug ontvangen, en, een nieuwen twist voorziende, mij, na een goeden dag aan 't gezelschap te hebben gewenscht, weder naar buiten begeven, toen de arme Simon plotseling naar binnen en mij tegen 't lijf werd geworpen. Hij had, niet tevreden van zijn prullen den vreemdeling aan te prijzen, ook in de kar willen kijken, waarschijnlijk om te zien of hij daar ook een kooper zou vinden, toen de reiziger hem op deze vrij onzachte wijze belette, zijn voornemen ten uitvoer te brengen.

„Hawaai! hawaai!quot; riep de arme drommel, zijne, over den grond verstrooide kramerijen stuk voor stuk oprapende: „hik ben heen bedurven man. Wat zhijn dat nou voor menieren? mag een heerlijke khoopman op 's Eeren straten zoo be'andeld worden? Leelijke sthraatschender dhat je bent met jen schavot-kleerden mantel. Je bent men phortuur niet; maar gheef me hen kleinen jonge bij me hen ik shla je tot greizelementen. Mhag jij de menschen zoo molestheren?quot;

Er waren eenige voorbijgangers en werklieden uit de buurt op het rumoer komen aanloopen. Ik had den dienst, mij door Simon bewezen, nog niet erkend, en naar hem toetredende, stopte ik hem een zesthalf in de hand.

„Daar,quot; zeide ik, „dank je voor uw waarschuwing van zooeven! Wachtquot;! daar liggen nog een paar messen! en hier een kam!quot;

Dit zeggende raapte ik eenige van zijn koopwaren op, die onder de kar geraakt waren, en stelde hem die ter hand, terwijl hij mij duizendmaal „God loon je!quot; toewenschte. De vreemdeling bleef intusschen in een onverschillige houding tegen de kar leunen en zijn snede brood opeten, zonder zich over ons te bekommeren.

ocr page 53
ocr page 54

I

I

ocr page 55

41

Op dit oogenblik stoof Andries de deur uit, met zijn mes in de hoogte, door den waard en al de boeren gevolgd.

„Weer en wind!quot; riep hij den vreemdeling toe: „jij zelt er zoo gemakkelijk niet afkomen als dat loop-in-'t-lijntje daar. Wie heit je gehieten van an men mes te komen?quot;

„Hawaai! hawaai!'quot; riep Simon, Andries met een smeekenden blik aanziende: „elp mij toch theugen dien Filisthijn, dien langen schlingel dhaar, die me eelemaal heit bedhurven.quot;

„Hoor je niet, dat je gepraaid wordt,quot; vervolgde Andries tegen den vreemdeling, die, zonder zich zijn woorden aan te trekken, onbeweeglijk stil bleef staan: „wat had je met men mes noodig ?quot;

De onbekende gaf geen antwoord; maar het ledige bord aannemende, dat de persoon die in de kar gezeten was hem aanreikte, stak hij het den kastelein toe en vroeg, wat hij schuldig was. Ik had mij intusschen willen verwijderen: maar ik beken dat de nieuwsgierigheid, hoe dit alles zou afloopen, mij ook terughield.

„Geef dan voor den () antwoord, kerel!quot; bulderde Andries, den vreemdeling bij den mantel grijpende.

„Hebt gij lust denzelfden weg op te gaan als die Jood daar?quot; vroeg deze: „ik hinder niemand; maar niemand moet mij aanraken.quot;

„Hoor reis, ventje!quot; zeide Andries: „jij mot zooveel praats niet hebben: al ben je nog zoo'n lange spriet, ik heb er wel grooter als jou voor derlui frontwerk getrommeld. Heb je lust? dan zal ik je een rood lintje over je bakkes halen.quot;

De vreemdeling verwaardigde zich niet eenig antwoord te geven; maar, zich tot zijn voerman wendende, die juist met het beslagen paard terugkwam, riep hij hem toe, zich wat te haasten. Dit bevel werd door de omstanders natuurlijk als een bewijs van vrees aangezien, en de waard, niet ontevreden, van nu eens aan Andries zijn trek tot een messengevecht te gunnen, wendde zich verheugd tot Roggeveld: „ziezoo!quot; zeide hij: „nou zeilen we toch nog een grapje hebben: en onze vriend Andries zal trakteeren; want dat doet hij altijd royaal, mot ik zeggen, as hij er een troef heit 'egeven.quot;

ocr page 56

42

I

rIk 'eleuf het niet,quot; zeide Roggeveld: „die lange spier is v op

ook al niet van 't echte soort en 't kon wel 'ebeuren dat hij ■; de

zonder neus verder most reizen, in dat geval!quot; ï on

„Wat () is dat?quot; hernam Andries tegen den onbekende, re:

terwijl hij de beenen wijd uiteenzette, de linkerhand in de de zijde bracht en met de rechterhand zijn mes op- en neder-

wierp: „ben ik je nou geen antwoord waardig? En zou je || m zoo schoot gaan zonder te brassen? Neen mannetje! je zelt

me, zoo lang as je bent, op je knieën ekskuus motten vragen be

of — op het mesje!quot; 9 ee

„Welnu! waar wacht gij op?quot; vroeg de man, wien de uit- || bi daging gold, aan den voerman, die met wijd opgespalkte oogen

dit tooneel stond aan te gapen: „Span in, en stoor u niet di

aan de praat van dien dronken lap daar.quot; 5| 0

„Dronke lap! ik dronken!quot; brulde Andries, wiens woede

nu ten top was gestegen: „wacht! ik zei je leeren!quot; — En a

terstond sprong hij op den reiziger los, die juist bezig was, d

den voerman aan het inspannen te helpen. Ik was op het t* punt van tusschenbeide te schieten, daar ik vreesde dat de

onbekende zou worden aangevallen op een oogenblik dat hij niet v

op tegenweer bedacht was; maar Simon hield mij, onder een r

angstig gefluister van: „hawaai! bhemoei er je niet mee! t

Wat zei 'et wezen?quot; bij mijn roksslippen vast: en de vreemdeling toonde meer op zijn hoede te zijn dan ik meende; want, zich eensklaps omkeerende, gaf hij den twistzoekenden gast een stoot in de borst, dat deze achterovertuimelde, en, naar zijn adem hijgende, op den grond bleef liggen.

„De drommel! die kwam an!quot; zeide baas Roggeveld: „dat is ook geen kat om zonder handschoenen aan te vatten.quot;

„Wel vriend Andries!quot; zeide de waard, hem weder op de been helpende: „ben je nou een zandruiter 'eworden?quot;

,,'t Is () ongehoord!quot; vloekte Andries, met moeite opstaande : „en nou neem ik jelui allen tot getuigen, of hij niet met mij vechten moet.quot;

„Vechten moet hij !quot; riepen de boeren: „er is geen bidden voor.quot;

„En ik neem u allen tot getuigen,quot; zeide de vreemdeling.

ocr page 57

48

op een strengen toon, dat ik het niet ben, die aanleiding tot den twist gegeven heb: en dat, zoo de justitie deze zaak onderzoekt, zij eerder hen zal straffen, die een vreedzamen reiziger aanranden of zulks gedoogen, dan hem die zich verdedigt, wanneer hij aangevallen wordt.quot;

„Dat helpt allemaal niet!quot; riepen de boeren: „jij hebt zijn mes an'eraakt en hum 'eslaogen: vechten motje.quot;

Ik zag, dat de zaak een slechte wending voor den reiziger begon te nemen: ik weet niet welke goede geest mij nu op eens den zotten logen ingaf, dien ik verzon om hem uit den brand te helpen.

„Laten zij oppassen, wat zij doen,quot; fluisterde ik Roggeveld, die naast mij stond, in 't oor. „Ik bedrieg mij niet: het is Czaar Peter! de Czaar van Rusland, weet gij ?quot;

„Wat je zeit!quot; zeide Roggeveld, den vreemdeling verbaasd aanziende: „wel kijk, is 't mogelijk! in dat geval!quot; en hij deelde zijnen buurman het sprookje mede, dat nu van mond tot mond vloog.

Het verdichtsel vond des te meer geloof, omdat de Czaar, weinige jaren geleden, insgelijks zonder gevolg en incognito naar Amsterdam gereisd was, en dat de vreemdeling, door zijn hooge gestalte, zijn gebiedenden toon, en zelfs door de geduchte wijze, waarop hij van zich afgeslagen had, niet kwalijk beantwoordde aan het denkbeeld, dat men zich van den Russischen Vorst vormde. Kluchtig was het nu, den indruk gade te slaan, welken de tijding, die ik had medegedeeld, op de aanwezigen maakte. Al de mutsen en hoeden gingen een voor een af, en de boeren bleven als beteuterd den vreemdeling aangapen. Vooral de waard was verlegen, en zocht door menigvuldige buigingen en strijkages het weder goed te maken, dat hij bij den twist de zijde van Andries gekozen had. Andries zelf, schoon het aan zijn gelaat te zien was, dat hij het vertelsel betwijfelde, dorst echter den aanval niet hernieuwen, en bleef in het midden van den kring als besluiteloos staan, de blikken met een norsche uitdrukking nu eens op den ge-waanden Czaar, dan weder op de omstanders wendende. Slechts

ocr page 58

44

twee personen waren er, die blijkbaar niets van de zaak begrepen ; de een was Simon, die zich op eenigen afstand teruggetrokken had en de plaats hebbende verandering met blikken van verbazing beschouwde; want niemand gaf zich de moeite, hem eenige opheldering te geven: de ander was de onbekende zelf, die, blijkbaar verbaasd over de opeens zoo beleefde houding der boeren, al de omstanders beurtelings in 't gezicht zag, totdat zijn oog eindelijk op mij viel en ongetwijfeld den glimlach waarnam, dien het welgelukken mijner list bij mij verwekte. Ik begreep zijn vragenden blik, en aanstonds, met den hoed in de hand, hem naderende, maakte ik de beweging, alsof ik hem in het rijtuig helpen wilde, en fluisterde hem in 't oor: „men houdt u hier voor den Czaar; maak maar spoedig, dat gij verder komt.quot;

„Ik dank u!quot; zeide hij, op de kar stappende: „rij nu maar voort, koetsier!quot;

De voerman liet het zich geen tweemaal zeggen, maar sprong op het krat en lei de zweep over het paard, dat terstond, met meer vlugheid dan ik het oordeelde te bezitten, zijn weg vervolgde.

De gansche vergadering bleef het rijtuig eenige oogenblikken in stomme verbazing naoogen: totdat de waard de stilte verbrak met den uitroep: „wel wie heit zijn leven zoo iets 'ezien? Wie kon nou denken, dat die Roodmantel de Czaar zou wezen?quot;

„De Czaar!quot; riep Simon, weder toeschietende: „nha doch! 't is zooveel de Czaar, as dat hik Vader Abraham ben. Lhoop khijken! 'Eb ik den Czaar niet menigmalen ghezien, toen 'ij te Zerdam wherkte as een gemeene krijer en den naam droeg van Phieterbhaas. Ze 'ebbe je dhan holik bheet ge'ad, khastelein!quot;

„Wat! hoe! was dat de Czaar niet? Wie heeft dat dan verteld?quot; mompelden de ontevredene omstanders: en aller oogen vestigden zich op mij, met een uitdrukking van wrevel en toorn.

„Is hij het, die jelui bedot heit?quot; vroeg Andries, op mij

ocr page 59

45

wijzende: „jelui bent ook een hoop gekken, die je een barkas voor een brik laat verkoopen!quot;

„Kom! kom!quot; zeide ik, „Czaar of niet, gijlieden moogt blij vAjn, dat de zaak geen verdere gevolgen heeft gehad; want die man zag er mij wel naar uit, om het hooger op te zoeken, zoo men hem een haartje gedeerd had: en ik twijfel er niet aan, of de Heeren van Eemland hadden het u duur doen betalen. — Goeden morgen samen!quot;

Met dezen groet begaf ik mij op weg, en haastte mij met groote schreden het dorp te verlaten, en het dof en dreigend gemompel te ontgaan, dat van verre achter mij klinken bleef: ik was echter niet bevreesd, dat men mij vervolgen zoude; want ik had in Simon een trouwen bondgenoot achtergelaten, die mij kende, en het hun, vleide ik mij, wel uit het hoofd zoude praten, mij verder lastig te vallen.

DERDE HOOFDSTUK,

WAARIN WOEDT BEWEZEN, HOE GEVAARLIJK HET IS ZONDER PARAPLUIE UIT TE GAAN, EN DE BESCHRIJVING GEVONDEN VAN EEN MOOI MEISJE EN EEN MOOIEN KOEPEL.

Nauwelijks was ik buiten Soest gekomen, of ik zag de huifkar een goed eindweegs voor mij uit, doch nu weder stapvoets door het zware zand gaande. Ik gevoelde geene roeping om haar in te halen, maar bleef, met denzelfden rustigen stap, dien ik tot nog toe gehouden had, mijn weg vervolgen, en wel niet langs de gewone heirbaan van Amersfoort op Naarden, door de Hilversurnsche heide, maar oostelijker afhoudende met het voornemen, over Eemnes te gaan, als welke weg wel wat om was, maar daarentegen meer belommerd en minder eenzaam.

Niets merkwaardigs gebeurde mij gedurende het begin mijner

ocr page 60

4G

hernieuwde wandeling; maar toen ik het Prinselijke lusthuis Soestcüjk ongeveer een half uur achter den rug had, begon ik wederom uit te zien naar een herberg; niet omdat ik eenige vermoeidheid of behoefte aan spijs of drank gevoelde, maar omdat de staat der luchtsgesteldhèid mij hoe langer hoe meer vrees deed koesteren voor het ophanden zijn van een fiksche regenbui, die ik oordeelde dat na de lange droogte met dubbel geweld zou neerkomen. De zon, die, sedert eenigen tijd, nu en dan door een voorbijdrijvend wolkje was beneveld geworden, had zich eindelijk geheel verscholen achter een driedubbel gordijn van grijze en witte én zwarte wolken, die, tegen den wind opkomende, haar talrijke ronde koppen als veelhoofdige reuzen verhieven en over elkander schoven als opeengekruide ijsschotsen. Geen gevogelte deed zich hooren uit de hooge dennen, die aan de eene zijde van den landweg haar grauwe kruinen verhieven, noch in het eiken hakhout, dat aan den overkant groeide; daarentegen zag ik, aan een bruggetje komende, hoe, beneden mij, de zwaluwen onverpoosd en met druipende vlerken heen en weder snorden over de oppervlakte der daaronder vloeiende beek, en boven mij hoorde ik nog altijd het krijschen der rondzwierende meeuwen. Ik verhaastte mijn tred en zag rechts of links uit naar een bekwame schuilplaats tegen den stortregen. Dan, ofschoon ik nu eens tegen de helling der onbebouwde heide een open schaapskooi gewaar werd, dan weder een arbeiderswoning of pachtershoeve aan het einde der dwarslanen, welke het bosch doorsneden, ik bleef mijn weg voortzetten, ongezind, evenals de meeste lieden in mijn geval zouden zijn, mij op te houden en ergens in te gaan voor en aleer de nood werkelijk daar ware; want ik dacht boven alles, veld te moeten winnen, zoolang zulks nog zonder hindernis geschieden kon, vooral daar ik altijd op de mogelijkheid hopen bleef, dat de bui, als zij meer doen, zeewaarts trekken zou en zich niet op mijn hoofd, maar in de wateren van de Zuiderzee ontlasten zou.

Maar deze hoop werd weldra verijdeld. Een onstuimige wervelwind, die op eenmaal uit de diepte van het bosch scheen

ocr page 61

47

los te breken, verving de doodsehe stilte, die tot nog toe in de natuur had geheerscht, zweepte de dorre bladeren over den landweg heen, waar zij in onophoudelijke wielingen ronddraaiden, bracht fluitend en gonzend elke twijg van het kreu-pelbosch in beweging, deed de kruinen van het geboomte zich naar alle richtingen wenden en overal stuivende zandwolken opstijgen. Tegelijkertijd scheen een schitterende bliksemstraal, die onmiddellijk door het ratelen des donders gevolgd werd, het sein te geven dat de strijd der elementen, en wel vlak boven mijn hoofd, een aanvang had genomen. Nauwelijks was ik tien schreden verder gegaan, of de wolken ontlastten zich in dikke regendroppelen, met zware hagelsteenen doormengd. De duisternis bedekte het aardrijk, bijwijlen vervangen dooide schrikverwekkende verlichting van het weerlicht: groote plassen, waarin de nederstortende regen blinkende waterbellen vormde, en witte hoopen hagelsteenen vulden in een oogenblik de rijsporen en andere oneffenheden van den weg, en maakten mij het voortgaan hoe langer hoe moeilijker. Ik had, zoodra de bui begon, mijn haastigen stap in een vluggen draf veranderd, om de eerste schuilplaats de beste te bereiken, en zooveel ik kon zorg gedragen de droge plekken uit te kippen, om er mijn voet up te zetten; maar weldra was mij dit niet langer mogelijk; want de gansche weg werd week als pap: en toen eenmaal mijn schoenen doornat waren, draafde en klotste ik door dik en dun, door plassen en modder heen; alle andere gedachten latende varen, buiten die van vooruit te komen, en op mijzelven vloekende, dat ik van geene dei-gelegenheden, welke zich vroeger hadden aangeboden, had gelieven gebruik te maken, om de bui voor haar aanvang te vermijden; want juist nu zag ik niets, dat naar huis of schuur geleek, ja zelfs geen ezelsstal, (waar ik van oordeel was, dat mijn dwaasheid mij wel een plaats in had doen verdienen): ja, ik begon te gelooven, dat de orkaan, die om mij heen loeide, alle mogelijke gebouwen van de aarde had weggerukt, toen ik, bij het omslaan van een hoek, dien de landweg maakte, eindelijk een verblijf gewaar werd, waarbinnen

ocr page 62

48

ik, althans eenige, zoo geen volkomene, schuilplaats hoopte te vinden.

De landweg namelijk slingerde, ter plaatse waar ik mij nu bevond, door een aanzienlijk landgoed heen, waarvan mij echter de regen niet toeliet op dat oogenblik al de schoonheden op te merken. Ter rechterzijde verhief zich een statig beukenbosch, welks breede en diepe lanen zoovele prachtige gothische gewelven schenen, waarvan de hooge, rechte en blinkende stammen de kolommen, — de dikke zuigers, van weerszijden opspruitende en zich aan den top vereenigende, de bogen en schoorbalken — en de met loof bedekte kruinen het dak uitmaakten. Aan de overzijde bevond zich een fraaie lusthof, naar den nieuwsten Franschen smaak aangelegd, met sterrebosschen, geschoren lanen en slingerende b e r c e a u x, met beeld- en grotwerk, bloemtuin en diergaarde, vijvers en fonteinen, zonnewijzers en koepeltjes. Een groot en sierlijk hek van gegoten ijzer, op een kwistige wijze met krullen en strikken begiftigd, en hangende tusschen twee zeshoekige pilasters, waarboven marmeren vazen prijkten, geleidde tot de oprijlaan: deze was als bemuurd tusschen twee geschoren beukenhagen van een reusachtige hoogte, en over haar geheele lengte belegd met twee evenwijdige, glad afgemaaide en gerolde grasstrooken, waar tusschen de rijweg liep, en langs welken aan weerskanten de met lekzand bedekte voetpaden liepen, van afstand tot afstand met zonnebloemen en stokrozen beplant. Aan het einde dezer laan, welke volkomen recht doorliep, lag een steenen brug, wier leuningen met beelden voorzien waren: en daarachter de Ridderhofstad zelve: een ruim en deftig gebouw, met een vrij hooge torenspits boven den ingang, en twee vooruitspringende vleugels, wier beide gevels trapsgewijze opliepen en met bloemplanten begroeid waren; — terwijl het plein voor het huis nog bovendien tusschen twee mindere gebouwen besloten was, tot stalling en tuinmanswoning strekkende. Men beseft duidelijk, dat ik op dien tijd alles zoo nauwkeurig niet opnam, en dat het slechts een latere bekendheid met deze lustplaats is, welke mij in staat stelt daarvan deze beschrijving te geven: met

ocr page 63

49

'Pte dat al, ofschoon de regen en de spoed dien ik maakte mij niet vergunden alles aandachtig te beschouwen, een vluchtige

nu blik was genoeg, om mij de voordeeligste gedachte te doen

mij opvatten van den rijkdom en van den goeden smaak des eigenaars

3en of bewoners dezer hofstede. Vooral merkte ik in dat zelfde

en- snelle oogenblik met genoegen op, dat hij een minnaar van

:-he bloemen wezen moest (een smaak, die mij altijd eigen was):

Kle want ik zag heerlijke oranjeboomen in menigte op het plein,

len lt;?n de trappen van de dubbele stoep schenen mij (zoover de

en afstand mij toeliet zulks te zien) met uitheemsche bloemge-

nt- wassen in fraaie vazen voorzien te zijn.

iar Het was echter niet in het heerenhuis, dat ik, arme wanen, delaar. een schuilplaats hoopte te vinden. Mijn uiterlijke tooi. ot- vooral nu ik doornat en druipende was, maakte mij ongeschikt srs om mij in zulk een aanzienlijk verblijf te vertoonen; maar oj) bovendien stond dat gebouw nog te ver van mij af en zag ik de naderbij een gelegenheid, waarvan ik mij vleide ongestoord en en onverhinderd gebruik te mogen maken. Het hek (ik heb nog ird vergeten te zeggen dat het in gouden letteren den naam van ge ouldenhof voerde) was open, en kort daarbij stond, half rus-*u- tende in de moddersloot, die de plaats van den weg afscheidde, en een achtkante koepel van witten steen. Ziedaar alles wat ik •k- er toen van zag : ik kan er echter te dezer gelegenheid bijvoegen, et dat het een sierlijk gebouw was, met vier breede en vier n, smallere zijden: drie van de eerstgenoemde waren met er kruisramen voorzien (want men kende toen nog bijna d- geene andere), die het uitzicht op den landweg hadden: de rij vierde, meest binnenwaarts geplaatste zijde bevatte den ingang. Ie waartoe men door een prachtige stoep met marmeren trappen ii- «n leuningen geraakte. Niet slechts waren deur en vensters is door pilasters en loofwerk omsloten, maar ook prijkten do smallere zijden met vakken van groen marmer, waarop in wit bas relief de gewone kenteekenen van handel, zeevaart, it jacht en schoone kunsten prijkten, als moest daarmede te ;e kennen gegeven worden, dat de eigenaar, zijn geld in het gt;t eerstgemelde vak gewonnen hebbende, het tweede voorstond

ocr page 64

50

het derde uit liefhebberij beoefende en het vierde beschermde. Onder de ramen bevonden zich kleine ronde vensters met ijzeren dwarshouten, om licht en lucht in den kelder te geven. Het dak was rond en met lood belegd en eindigde in een soort van gedraaiden kegel, van boven met een vergulden bol versierd.

Deze verblijfplaats nu lachte mij aan. Met drift snelde ik het hek binnen, geene andere vrees koesterende, dan die van den koepel gesloten te vinden; maar ook in dat geval meende ik tegen de deur post te vatten en onder de vooruitspringende lijst eenige beschutting te vinden. Ik werd echter niet teleurgesteld; want nauwelijks was ik de marmeren trappen genaderd, of ik zag, dat de deur half openstond: en, zonder mij te bedenken, liep ik, na alvorens, om den vloer van het gebouw niet te bezoedelen, mijn beslikte schoenen op den ijzeren krabber te hebben afgeschrapt, de stoep op, trad ruggelings binnen en veegde nogmaals mijn voeten af op de net gevlochten matten, die zoo buiten als binnen de deur lagen. Nauwelijks had ik deze bezigheid verricht en mijn hoed afgenomen, waarvan de slappe randen, die een tijdlang mijn schouders beschut hadden, nu geheel doorweekt waren, of ik wendde mij om en zag, hetgeen ik in het eerste oogenblik niet had opgemerkt.... dat ik namelijk niet alleen was.

Op eene der diep inspringende vensterbanken en half achter de sponning verscholen, was een jonge juffer gezeten, die, blijkens het boek dat zij in de hand hield, met lezen bezig was, toen haar mijn onverwachte verschijning daarin stoorde. De eerste blik, dien ik op haar sloeg, deed mij zien dat zij een wit morgengewaad droeg, hetwelk een bevalligen zwier bijzette aan haar slanke gestalte: de tweede, dat zij een allerliefst gezichtje had: en de derde, dat zij geheel niet gesticht scheen over mijn vrijpostig binnentreden, en ik mij haasten moest daar grondige' redenen van verschooning voor in te brengen, of mij ten spoedigste te verwijderen.

Ik deed echter in den beginne noch het een noch het ander; want ik was van verrassing niet in staat een woord te spreken :

ocr page 65
ocr page 66

ocr page 67

51

ik zag dat zij ook onthutst was: het geraas der buien had haar waarschijnlijk belet, mij te hooren aankomen: bovendien zat zij met den rug naar de deur gekeerd en had mij dus niet opgemerkt, dan voordat ik reeds binnengetreden was en mijn hoed op den grond geworpen had, om de fraaie stoelen van rood hout met gevlochten zittingen en zijden kussens niet vuil te maken. Zij herstelde zich echter terstond van haar plotselingen schrik, zoodra zij mij met een vluchtigen blik had verwaardigd: misschien ontdekte zij in mij 't een of 't ander, 't geen haar, in weerwil van mijn ongunstig uiterlijke, deed oordeelen, dat ik tot den fatsoenlijken stand behoorde: in allen gevalle behoefde zij geene groote mate van verbeeldingskracht te bezitten om de aanleidende oorzaak mijner verschijning te bevatten.

En hier ondervond ik, hoeverre de jonge lieden van ons geslacht bij zoodanige ontmoetingen achterlijk zijn bij die eener zwakkere kunne; 't geen voorzeker daaruit voortspruit, dat de vrouwen een vlugger vernuft bezitten en spoediger haar tegenwoordigheid van geest hervinden dan wij. Immers, zoo een van ons beiden een allerzotst figuur maakte, dan zeker was ik het. Blozende en als op de plaats vastgenageld bleef ik standhouden achter eene, tusschen ons beiden in staande, tafel van ongemeene grootte, doch uit slechts ééne plank vervaardigd, en waarop een werkmand, een tuinhoed en een paar handschoenen lagen, en stamelde ik ettelijke onsamenhangende woorden van verontschuldiging, over het slechte weer, over mijn leedwezen van de Juffer gestoord te hebben enz., waarna ik, al achteruitschuivende, mijn hoed wederom opraapte en te kennen gaf, dat ik door een onmiddellijk vertrek mijn onbescheidenheid zoude verbeteren.

„O! 't is niets. Mijnheer!quot; zeide zij, met een vrij stijve hoofdbuiging; „gij hindert mij niet en het is waarlijk zulk een geweldige bui, dat men alle plichtplegingen wel mag ter zijde stellen.quot;

Ik maakte een diepe, vrij onhandige buiging: waarschijnlijk bracht mijn zotte houding haar in een goede luim; want haar

ocr page 68

gelaat klaarde op, en zij vervolgde met een vriendelijken glimlach;

„Ik heb eigenlijk uiets over dezen koepel te zeggen; maar mijn oom zal het mij niet ten kwade duiden, zoo ik voor een oogenblik in zijne rechten trede en u een schuilplaats vergunne.quot;

Ik had langzamerhand moed gevat, en bij deze minzame toespraak was mijn beschroomdheid geheel geweken. „In waarheid,quot; zeide ik, „het weer is zoo boos, dat ik niet aarzel om van uwe beleefdheid gebruik te maken, al mocht het onbescheiden geacht worden.quot; Dit zeggende maakte ik weder een buiging, min gedwongen dan de vorige, leide hoed, stok en pakje bijeen en bleef op denzelfden eerbiedigen afstand achter de tafel staan.

De jonge juffer zag mij nogmaals terloops aan, vroeg mij of ik niet wilde zitten, nam haar boek weder op en ging stil met lezen voort, zonder zich verder met mij te bemoeien. Ik bleef eenige oogenblikken weifelen, als wachtte ik een herhaling van haar aanbod; maar toen deze niet kwam, zeide ik, dat ik vreesde door mijn vochtig gewaad de fraaie meubelen te zullen bederven. Ik bekwam geen antwoord op deze aanmerking; waarop ik, een weinig geraakt, het kussen van een der stoelen nam en op tafel leide en mij op de naakte zitting plaatste. Zoo zaten wij nu een tijdlang, gedurende welken mij de oogenblikken uren toeschenen: en waarin ik mijn toestand, dien anderen hoogst benijdbaar zouden geacht hebben, hoe langer hoe lastiger begon te vinden. Ik had, wel is waar, mij aangenaam kunnen bezig houden met de beschouwing van het fijngevormde neusje, de aardig gekuilde koontjes eu rozeroode lipjes, die het bevallige aangezichtje mijner nieuwe halvekennis versierden; — maar ik begreep dat de betamelijkheid mij verbood, haar zoo gedurig aan te staren. Ik zocht dus mijn troost met nu en dan eens naar buiten te zien, of de regen ook ophield, iets, waarop althans voor 't oogenblik, geen uitzicht scheen, — en met de binnenzijde van het zomerhuis 'te beschouwen. Ik kon niet

ocr page 69

nalaten, hierbij den goeden smaak des bouwmeesters te prijzen, die, zoo hij aan de buitenzijde misschien wat al te kwistig met versierselen en krullen was te werk gegaan, van binnen een edele eenvoudigheid tot leidsvrouw scheen gekozen te hebben. De wanden en het gewelf waren wit gepleisterd; maar de kroonlijst, zoowel als de pilasters, waar zij op rustte, bootsten zoo natuurlijk het roode marnier na, dat men die moest voelen om zich te overtuigen dat zij slechts uit hout vervaardigd waren. De vier vakken, die zich tusschen de deuren en de vensters bevonden, schenen elk tot een bijzonder gebruik bestemd, hetwelk werd aangeduid door vierregelige opschriften, in gouden letteren daarop gesteld. Het eene vak was opengeschoven en bevatte een verzameling van nette boeken, naar den laatsten smaak ingebonden. Met behulp van een weinigje verbeeldingskracht giste ik nu, dat het vak daartegenover met glazen en kopjes zou gevuld zijn; dat het tierde een fontein verborg, en men in het vierde

een verholen trap, die uitquam in een kelder,

zoude vinden. Wat den vloer betreft, deze was geheel samengesteld uit marmersteenen van onderscheidene kleur, zoodanig ingericht, dat zij een groote ster binnen drie breede randen voorstelden; — echter waren alleen de uiterste punten dier ster zichtbaar, daar het midden door een groote Moskovische inat bedekt was, waar de tafel op stond, en waar ik mijn voeten over uitstrekte, ten einde zoo weinig mogelijk de blijken mijner aanwezigheid op de gladde steenen achter te laten.

Ik had dit alles nu eenige reizen en tot verzadiging toe bezichtigd en inmiddels, wanneer ik een zijdelingschen blik op mijn schoone gastvrouw sloeg, bemerkt, dat zij nu en dan van haar boek opzag, om naar het weer te kijken; welke beweging ik niet kon nalaten, toe te schrijven aan haar verlangen naar mijn vertrek. Mijn toestand werd mij nu zoo onverdraaglijk, dat ik oprees. Den blik naar buiten slaande,

ocr page 70

54

zeide ik op een toon, die in weerspraak was met mijn woorden:

„Ik geloof, dat de bui nu wat begint te bedaren; en dat ik best zal doen met u onder dankbetuiging te verlaten.quot;

„Ik zou nu maar wachten tot het opgehouden had met regenen,quot; zeide zij, haar heldere blauwe oogen eerst eventjes op mij en toen zeer lang op de zwarte wolken gevestigd houdende: „het is waarlijk nog geen wandelweer.quot;

En een nog geweldiger kletteren van den stortregen tegen de ruiten bevestigde de waarheid van haar woorden.

„Mejuffrouw is al te goed,quot; hernam ik: „er zou mij anders minder aan gelegen liggen; maar ik had gehoopt heden nog voor 't poortsluiten binnen Naar den te zijn, en ik zal frisch moeten aanstappen om mijn oogmerk te bereiken.quot;

Mijn schoone gaf geen antwoord op deze aanmerking: ik gevoelde, dat zij alle aanleiding tot een onderhoud wilde vermijden, met iemand die haar geheel onbekend was.

„'t Is noodweer!quot; vervolgde ik, eenigszins geraakt, en haar aan 't praten wenscheude te krijgen: „het koren dat te veld staat zal er zeker vrij wat door lijden.quot;

Het koren was zeker geen onderwerp, dat de Juffer toescheen gelukkig gekozen te zijn: althans zij bewaarde het stilzwijgen.

„Ik beklaag de arme visschers, die zich op de Zuiderzee bevinden,quot; zeide ik, in den waan, dat, zoo het minste gevoel haar boezem bewoonde, zij mijn aanmerking niet onbeantwoord laten kon; maar jawel! zij beet op de lippen en keek in haar boek.

„Dit schijnt een fraaie hofstede te zijn: ik heb zelden, zelfs buitenslands, schooner boomen gezien dan die beuken in het overstuk.quot;

Er was wederom geen antwoord.

„Voor den drommel!quot; dacht ik: „is het preutschheid, trotsch-heid of domheid, dat zij mij niet te woord wil staan?quot; Ik kon het haar echter, bij nader inzien, niet erg kwalijk nemen, dat zij, oen steedsche, misschien wel een hoofsche juffer, in geen

ocr page 71

gemeenzaam onderhoud verkoos te treden met iemand, die er uitzag als een landlooper. Ik wilde echter weten waar ik mij aan houden moest, en ontdekken of een lief gezichtje de eenige gift was, die zij van de natuur ontvangen had, en of onwil dan wel ongeschiktheid tot spreken haar tong boeide. Ik besloot dus een duidelijk vraagteeken achter mijn volgende woorden te plaatsen:

„Mag ik vragen,quot; zeide ik, „of dit goed niet toebehoort aan den Heer Blaek van Amsterdam? Ik meen wel gehoord te hebben, dat hij in deze omstreken een fraaie hofstede bezat.quot;

„Ja, Mijnheer! de Heer Blaek is mijn oom.quot; was het antwoord, waarvan de koele toon mij niet afschrikte; want ik bevond mij nu op een vast terrein, waarvan ik mijn aanval kon beginnen, zonder vrees van teruggedreven te worden.

„Dat is mij bijzonder aangenaam,quot; zeide ik: „ik herinner mij niet den Heer Blaek ooit gezien te hebben.quot;

Hier zweeg ik bot stil: en zij keek mij eenigszins verwonderd aan, als wilde zij te kennen geven, dat zij niets van mijn gezegde begreep, maar dat het haar voorts ten eenen-male onverschillig was of ik haar oom al dan niet kende. Nu vervolgde ik:

„Maar den broeder van den Heer Blaek heb ik voor vele jaren wel eens ten huize mijns vaders ontmoet.... Hendrik Blaek, zoo ik mij wel herinner.quot;

„Hij was mijn vader,quot; zeide de jonge Juffer, terwijl haar gelaat opeens een meer vriendelijke en tevens weemoedige stemming bekwam: „ik heb voor twaalf jaren reeds het ongeluk gehad hem te verliezen.quot;

„Het is waar,quot; zeide ik: „ik spreek van den tijd, toen ik nog een knaap was: de Heer Blaek kwam somtijds bij mijn vader: beiden hadden toen betrekkingen bij de Oost-Indische Compagnie .... Mijn vader is thans Hoofdschout te Amsterdam.quot;

„De Heer Huyck uw vader!quot; zeide Mejuffrouw Blaek, op een uiterst minzamen toon, haar boek sluitende: „o! ik ken hem zeer goed; en vooral uw moeder en uw zuster: voor

ocr page 72

5(3

veertien dagen heb ik ze nog allen gesproken en ik hoop ze A]

eerstdaags weer te zien, daar wij morgen naar Amsterdam op; vertrekken.quot;

„En zij waren wel, hoop ik?.... indien ik zoo vrij mag ' ke

zijn daarnaar te vernemen?quot; u

„O! zeer wel!quot; antwoordde zij, haar boek op de vensterbank wi

leggende en geheel ongedwongen: „en zij waren zeer ver- aa langende u weer te zien. UEd. wordt met ongeduld en smart

verwacht, dat kan ik u beloven.quot; . er

„Nu! het verlangen is wederkeerig,quot; zeide ik: „het doet af

mij ondertusschen recht veel genoegen goede tijdingen van lx

hen te hooren en vooral uit zulk een beminnelijken mond.quot; A

Mejuffrouw Blaek kreeg een kleur en zweeg. Ik begon

terstond uit een anderen toon, uit vrees, dat zij het gesprek w

niet zou willen vervolgen. w

„En is waarlijk mijn lieve moeder zoo wel als UEd. zegt? \\ Volgens de laatste berichten, die ik van haar ontving, had

die lastige kwaal, de hoofdpijn, haar weer gekweld.quot; d

„Zij scheen nu volkomen gezond, de zachte, lieve vrouw,quot; y zeide Mejuffrouw Blaek: „ik weet echter, dat de schijn ten haren opzichte niets bewijst; want zij klaagt nooit,

en is altijd even lijdzaam en geduldig; maar uw zuster .

Suzanna heeft mij verzekerd, dat zij in lang zoo wel niet ^

geweest was.quot;

„En hoe maakt Santje het? Ik begrijp waarlijk niet, hoe zij het zoolang heeft kunnen uithouden zonder mij ; want toen ik nog in huis was, leefde zij slechts half, wanneer zij mij niet driemalen in 't uur de les kon lezen.quot;

„Dan denk ik, dat er na uw lange afwezigheid al heel wat voor u in 't zout is gelegd,quot; zeide Mejuffrouw Blaek, lachende : „nu, gij zult het toch van Santje wel willen hooren? -waar zijn de oudste zusters voor, zoo niet om haar broeders wat in toom te houden?.... — ofschoon ik vrees, dat gij nu haar plak wel ontwassen zult wezen.quot;

„Ontwassen! daar twijfel ik aan: zij zal mij zoo lang bruien, tot zij een man heeft, om dien te regeeren....

ocr page 73

ze A p r o p o s, weet UEd. ook of er zich al één voor haar heeft ™ ; opgedaan ?quot;

„Zoo ik haar vertrouweling ware,quot; zeide mijn nieuwe aö kennis met een fijnen glimlach, „zoude ik mij wel wachten, u iets te zeggen van hetgeen ik weet: — en in allen gevalle wil ik haar van het genoegen niet versteken om zelve u dien-!1'quot; aangaande de noodige mededeelingen te doen.quot; rt .,0 hemel!quot; hernam ik, „dan zal ik niets vernemen, voor

en aleer de voorzanger in de Oude Kerk, met zijn neusstem, st aan de gansche gemeente verkondigt, dat er trouwbeloften n bestaan tusschen den Heer N. N. en Mejuffrouw Suzanna Aletta Huyck.quot;

u ..Ik vlei mij, dat zij wel wat vertrouwelijker met u zal

k wezen. Ten minste, zoo ik oordeelen moet naar den toon, waarop zij altijd over u sprak, mag ik besluiten dat zij niet ? weinig van u houdt.quot;

'I „Zij heeft u dus over mij gesproken,quot; zeide ik met leven

digheid: „dat verheugt mij recht; want dan ben ik u niet geheel onbekend.quot;

i „UEd. schijnt derhalve te gelooven, dat zij u in uwe

, afwezigheid niet benadeeld heeft,quot; zeide Mejuffrouw Blaek:

r „en dat gij meer verplichting aan haar hebt, dan men uit uw

woorden van zooeven zoude opgemaakt hebben.quot;

„Wel, daarvan ben ik overtuigd,quot; zeide ik: „verre van mij, ï zal zij niets dan goeds van mij zeggen; — maar wee mij,

wanneer ik weer voor haar oogen verschijn.quot;

„Dat is de ware vriendschap,quot; zeide Mejuffrouw Elaek: „iemand zijn fouten in 't aangezicht te zeggen en achter zijn rug hem te prijzen: — maar wees slechts niet te hoovaardig. Zij wist uw brieven soms op zulk een kluchtige wijze te ontleden en met aanmerkingen te versieren, dat gij er meer dan eens deerlijk afkwaamt.quot;

„Hoe!quot; herhaalde ik, terwijl ik een gemengd gevoel van blijdschap en spijt ondervond: „zij heeft u mijn brieven laten lezen?quot;

„Immers uittreksels daarvan.... beschrijvingen van landen

ocr page 74

en steden, zeden en gewoonten, en uw aanmerkingen daarover: ik kan niet ontkennen, dat zij mij dikwijls vermaakt hebben.quot;

„Helaas!quot; riep ik uit, een bedrukten toon aanwendende: „vermaakt! wellicht ten koste van den armen schrijver, die zich na de vermoeienissen van den dag uitsloofde om met vakerige oogen en een slaperig brein aan de schrijftafel te gaan en ter liefde zijner familie halve nachten doorbracht met papier te bekladden, terwijl hij veel liever op zijn bed had liggen droomen. — Nu voorwaar! nu zal ik toch ook op mijn beurt eens klagen over zulk een misbruik van vertrouwen.quot;

Ik dank u voor de beleefdheid,quot; zeide Mejuffrouw Black: „UEd. denkt dus, dat het vertrouwen slecht geplaatst was.quot;

Ik stond een oogenblik verzet en voelde dat ik rood werd: ik herstelde mij echter, toen ik bespeurde dat Mejuffrouw Blaek, misschien oordeelende dat zij te vrij gesproken had, insgelijks een kleur kreeg: eu ik ging dus schertsende voort:

„Het was verre van mijn bedoeling u een slecht compliment te maken: integendeel! daar ik niet geloof, dat Santje met mijn brieven rondloopt, beschouw ik die rnededeeling daarvan aan u als een blijk dat gij beiden zeer nauw verbonden zijt: en dewijl de vrienden onzer vrienden ook de onze zijn .. .

„Dat spreekwoord gaat niet door,quot; zeide Mejuffrouw Blaek, droogweg: — en als willende zij mij te kennen geven, dat zij niet van plichtplegingen hield, vroeg zij mij op een kouden toon of ik ook wist, hoe laat het ware.

„Dat zou ik u moeilijk kunnen zeggen,quot; antwoordde ik: „want mijn uurwerk heeft mij de poets gespeeld van stil te gaan staan. Naar mijn gissing moet het echter niet verre van halféén zijn.quot;

„Reeds zoo laat! dan vrees ik, dat zij mij reeds door de geheele plaats zoeken; want ik had al lang te huis moeten zijn. Het is etenstijd en ik ben nog niet aangekleed.quot;

„Wilt gij, dat ik naar uw huis ga, en om een regenscherm voor u vrage?quot;

ocr page 75

59

„Wel neen,quot; zeide zij lachende: „dit is de meening niet: gij zit hier droog; waarom zoudt gij u nogmaals aan de bui blootstellen ?quot;

„Indien dit uw eenige reden is,quot; zeide ik, „snel ik er dadelijk heen. Ik ben toch reeds doornat, en, buitendien, zou men niet desnoods door een water loopen, om u van dienst te zijn.quot;

„Neen! neen! ik dank u,quot; zeide zij, eenigszins onverduldig; „er zal straks wel iemand komen, om mij te halen.... of liever.... zoodra de bui bedaart, gaan wij beiden elk zijn weg.quot;

Wij zwegen een oogenblik, gedurende hetwelk ik aan de deur post vatte, gereed om naar het heerenhuis te snellen, zoodra zij mij daar verlof toe gaf. Ondertusschen kon ik in haar oogen lezen, dat zij mij nog iets wilde zeggen, doch aarzelde het uit te brengen. Eindelijk scheen zij haar beschroomdheid overwonnen te hebben, en vervolgde, voor zich ziende;

„Hoor eens, mijnheer Huyck! ik heb waarlijk liever, dat TJEd. niet gaat. TJEd. is de broeder mijner vriendin! ik kan het u dus wel zeggen .... ik ben bang dat mijn oom misschien kwalijk zou nemen, dat. , . .quot;

„Dat een wensch, door u geuit, dadelijk vervuld wordt, zoo ras hij gehoord is?quot; viel ik in de rede.

„Luister!quot; hernam zij, terwijl zij dreigend den vinger ophief: „ik moet u waarschuwen, laat alle complimenten varen, of ik zwijg botstil, daar ik u toch niet ontloopen kan.quot;

„Op mijn woord,quot; hernam ik met vroolijkheid: „ik kan niet gelooven, dat UEd. de nederigheid zoover zoudt drijven, om elk vriendelijk woord, dat u gezegd wordt, dadelijk voor een plichtpleging en niets meer te houden. Indien UEd. uitdrukkingen, welke niets dan waarheid behelzen, als vleierij wilt opnemen, zult gij mij dwingen anders te spreken als ik denk.quot;

„Hoe langer hoe mooier!quot; zeide zij; ..in welk van de door u bezochte landen hebt gij die hoofsche taal geleerd? Uw

ocr page 76

60

gesprek gaat het bereik van een onnoozel Hollanclseh meisje als ik ben ver te boven; en ik weet er niet naar behooren op te antwoorden.quot;

„Het is dan toch waarlijk wat al te erg,quot; hervatte ik, „dat al mijn gezegden zoo verkeerd door u worden opgenomen. Ik zal nog moeten eindigen met n allerlei onaangename dingen te zeggen, na vooraf verzocht te hebben dat gij wel zoo goed wilt zijn, al mijn uitdrukkingen letterlijk in den tegen-overgestelden zin op te vatten. In 's hemels naam!quot; voegde ik er haastig bij, ziende, dat een wolkje van ongenoegen op het blanke voorhoofd der jonge schoone begon samen te trekken: „wees niet boos, maar oefen lankmoedigheid uit jegens iemand, die nu twee jaren buiten de gelegenheid is geweest een meisje in 't Hollandsch aan te spreken; en zoo ik iets zeg, dat u mishaagt, schrijf het daaraan toe, dat mijn blijdschap over de eerste ontmoeting met een stadgenoot mij 't hoofd op hol brengt. Moet ik het niet als een gelukkig voorteeken opvatten, ja zelfs er het onweder voor dank weten, dat gij die persoon zijt en niet de een of andere.. . .quot; hier schoot ik onwillekeurig uit in een schaterend gelach; want mijn ontmoeting met Simon kwam mij voor den geest. Mejuffrouw Blaek keek mij eenigszins verbaasd aan, niet wetende wat die ongemeene vroolijkheid beduidde.

„Ik bid u duizendmalen om vergeving,quot; vervolgde ik; „maar juist herinnerde ik mij, dat ik reeds hedenmorgen een stadgenoot ontmoet heb, en wel een Joodje met negotie; dat denkbeeld, in verband met hetgeen ik zeide, kwam mij zoo zot voor, dat ik niet kon nalaten er om te lachen .... UEd. is er toch niet boos over?quot;

„Niet in het minste ! Het spijt mij maar om uwentwil, zoo UEd. aan voorteekenen hecht; want nu ligt het gansche gebouw uwer hoop in duigen.quot;

„Nog niet! Op mijn eerste ontmoeting is een geweldige regenbui gevolgd, en dus heb ik het leed, dat zij mij aanbrengen moest, al beet, maar deze tweede kan mij niets dan goeds voorspellen.quot;

ocr page 77

01

„Zij voorspelt u een duchtige verkoudheid.quot; zeide het schalksche meisje: „of kunt ge nogal tegen een nat pak?quot;

„O ho!quot; zeide ik: „daar vrees ik niet voor: straks loop ik mij weer warm.quot;

„Wel mogelijk!quot; zeide zij, met een goedaardigen blik: „maar het ware toch niet kwaad, zoo gij iets naamt om u wat te verwarmen. Het zou mij voor de eer van mijn oom spijten, indien gij op Guldenhof geweest waart en niets gebruikt hadt om u te verkwikken. Ik zal zien wat de kast bevat.quot;

Met deze woorden sprong zij op, nam een bos sleutels, die aan de boekenkast hing, er af en opende, niettegenstaande mijn betuiging, dat ik niets behoefde, eene der andere kasten, welke, gelijk ik al vermoed had, tot buffet diende en waar behalve eenig Japansch en Chineesch porselein, een zilveren tabakskomfoor, een kistje en verder toebehooren, zich ook een likeurkeldertje bevond, hetwelk ik er uitnam en op de tafel zette.

„Ziehier!quot; zeide zij: „wat zult gij nemen? cognac, rum, rosolis, ratafia! wat gij begeert.quot;

Ik nam een glas cognac aan en voelde inderdaad dat het mij goeddeed. Intusschen had ik, terwijl mijn schoone gastvrouw in de kast schommelde, het opschrift gelezen, hetwelk daarboven prijkte en luidde als volgt:

„Gij. die in dit verblijf wilt toeven met gemak,

Gij vindt in deze kast pijp, vuurtest en tabak:

Ook keurig porselein van China's verre kust En goeden morgendrank, zoo u geen koffie lust.quot;

„Een zeer goede terechtwijzing voor de dieven, die altemet hierbinnen mochten dringen,quot; zeide ik, „om niet verlegen te zijn, waar zij iets naar hun gading kunnen vinden.quot;

„O!quot; zeide Mejuffrouw Blaek: „de koepel wordt goed gesloten: en het weinige, dat zich hier bevindt, is de moeite van 't inbreken niet waardig.quot;

„Het schijnt hier vol rijmpjes te zijn,quot; zeide ik. mij

ocr page 78

omdraaiende, en het opschrift der boekenkast lezende, 't welk van dezen inhoud was:

„Men streele en voedo 't lijf; maar beter nog den geest,

Is voor eene eeuw de les van Vader Cats geweest;

Zoo gij begeerig zijt om onderricht te zoeken,

Hier binnen vindt gij keur van goede en nutte boeken.quot;

„'tls jammer van 't goud, dat aan de letters verspild is,quot; dacht ik bij mijzelven; maar te gelijk mompelde ik overluid: „hm! zeer aardig!quot;

„Thans, heer waarheidspreker,quot; zeide de schalksche plaagster, „ben ik overtuigd, dat gij niet meent zooals gij spreekt.quot;

„Wat zal ik zeggen,quot; hernam ik, de schouders ophalende: „hoogdravende poëzie is het juist niet: maar het zijn rijmen, die doel treffen, en dat kan men juist van alle niet zeggen. Ook moet ik u bekennen, dat ik hoegenaamd geen gevoel voor, noch kennis van dichtkunde bezit.quot; — En dit was waar.

„Mag ik eens verder lezen?quot; vervolgde ik, en hief nu aan met het opschrift, boven het derde vak geplaatst:

„De leeuw, dien Simsons vuist ter neder heeft geveld, Had honing; in den muil, gelijk de Schrift vermeldt;

Maar zoo deez' kast almeê een leeuwenkop besluit,

Daar vliet nooit anders dan gezuiverd water uit.quot;

„Voorwaar!quot; zeide ik: „ik dacht niet dat ik Simson bij deze gelegenheid zou aantreffen.quot;

„Wat zal men veel zeggen over een fontein?quot; zeide Mejuffrouw Blaek, de schouders ophalende: „onze koepeldichter heeft zelfs kans gezien om op de wenteltrap te rijmen, die achter dit beschot loopt, en er onze stamvaders bij te pas te brengen.quot;

Ik wendde mij om en las het vierde opschrift.quot;

„Nieuwsgierigheid heeft vaak den mensch gebracht in 't leed,

Gelijk zij 't Adam en zijn bedgenoot al deed.

Bedenkt dit, eer gij quot;t waagt, ook deze deur te ontsluiten; Gij mocht licht tuim'len en u arm of been verstuiten.quot;

ocr page 79

„Brr! dat mag hoogdravend, of liever laagvallend heeten,quot; zeide ik: „hoe jammer, dat de vervaardiger van al die kunstgewrochten de zedigheid heeft gehad van zijn naam nergens onder te plaatsen.quot; •»

„O! wat zijn naam betreft,quot; zeide Mejuffrouw Blaek,quot; „die staat buiten boven den ingang, onder een vijfde opschrift, waarbij hij in brommende woorden vertelt, dat dit gebouw een koepel is, even of de lieden het voor een kippenhok zouden aanzien. Het is anders een goede man, die Lucas Helding; maar het nageslacht zal er weinig aan missen, al zet hij nimmer weer een pen op het papier.quot;

„Ik houd mij toch overtuigd,quot; zeide ik, „dat hij betere dingen maken kan, wanneer hij waardiger onderwerpen heeft dan een koepel en een wenteltrap. In zijn hoedanigheid als dichter van Guldenhof heeft hij ongetwijfeld uwe begaafdheden meer dan eens bezongen: en het kan niet anders, of het onderwerp moet zijn dichtgeest hebben aangeblazen.quot;

„UEd. raadt wel,quot; zeide zij: „ik heb nog nooit mijn verjaardag gevierd, zonder een berijmden gelukwensch van hem te ontvangen: en er is geene godin op den Olympus, waar ik niet bij vergeleken ben geworden. Ongelukkig had hij verleden jaar zijn stof wat uitgeput; want toen was ik niet alleen Venus, dat sprak vanzelf, maar Juno, Vesta, Ceres, Minerva, weet ik wat al meer: 't is waar, ik had hem ook een degenstrik geborduurd; maar dit jaar kwam ik er slecht af en was niet meer dan Atalante! dat was een leeiijke val.quot;

„Zeker waart gij dezen of genen minnaar ontloopen,quot; merkte ik lachende aan: „maar komaan! dan wil ik u weder op den Olympus terugbrengen en u mijn dank als Hebe toebrengen,quot; en ik dronk mijn glaasje uit.

„Hebe bediende alleen de goden, mijnheer!quot; zeide zij, spottende.

„Ik bid u om vergeving,quot; zeide ik: „zij gaf ook Hercules, die maar een halve god was, nu en dan wat te drinken, als hij nat te huis kwam.quot;

ocr page 80

(54

„'tis mogelijk!quot; hernam zij: „ik zal mij niet vermeten te twisten met iemand die gestudeerd heeft. ilt gij nog een

glaasje ?____ o hemel! daar luidt de etensbel! nu zal ik er

wel door moeten, regen of geen regen.quot;

„Maar welke barbaren wonen er dan toch op het Huis.quot; vroeg ik. „dat niet een van hen de beleefdheid heeft u te komen zoeken?quot;

„Ik durf niet langer blijven,quot; zeide het jonge meisje, met blijkbare verlegenheid; en haar boek in de kast geplaatst hebbende, nam zij haar werk op: maar de breikluw ontviel haar en rolde onder de tafel. Ik bukte juist om die op te rapen, toen opeens de kreet van: „gevonden! gevonden!quot; mijn ooren trof. en drie mij onbekende aangezichten zich gelijktijdig op de stoep vertoonden.

VIERDE HOOFDSTUK.

't geex verhaalt wat er verder in dek koepel voorviel.

De voorstanders der nieuwe school, welke sedert eenigen tijd in de letterkunde het hoofd begint op te steken, schijnen, met verwerping der oude eenvoudigheid, welke wij van de Grieken en Romeinen hadden ontvangen, in hunne vooit-brengselen, vooral in die van dramatischen aard, machtig veel prijs te stellen op treffende en ongehoorde tegenstellingen en contrasten, en op alles, wat vreemde en door hun onverwachte verschijning sterk schokkende uitwerkingen teweegbrengt. Hiertoe behooren voornamelijk de zoogezegde coups de theatre, welke tegenwoordig bij onkundigen, ja zelfs (ik zeg het met leedwezen) bij ettelijken, die beter moesten weten, meer indruk maken en meer toejuichingen verwerven dan de

ocr page 81

65

fraaiste gezegxlen of de schilderachtigste beschrijvingen onzer beste dichters. Wat mij betreft, wellicht komt het daar vandaan, dat ik op mijn ouden dag mijn smaak niet weet te plooien naar dien des hedendaagschen tijds; maar ik kan maar van mijzelven niet verkrijgen, dat verschrikkelijk bonte, dat sterke licht en bruin, al die schuddende en schokkende contrasten te bewonderen: en zoo ik al in enkele gevallen vrede heb met die coups de théatre, welke mij doorgaans eer een lach van medelijden dan een kreet van genoegen afpersen, het is in een blij- of kluchtspel, waarin ik oordeel dat zij te huis behooren.

Men vergeve mij deze uitweiding, welke sommigen misschien zal ergeren en aan allen waarschijnlijk ongepast en misplaatst zal voorkomen; maar het is een voorrecht van den ouderdom, bij ettelijke gelegenheden wat lang van stof te worden, en wat te beuzelen, 't geen soms bazelen wordt. Tot mijn verdere verschooning moet ik zeggen dat de aanleiding daartoe zich zeer natuurlijk verklaren laat uit den toestand, waarin Mejuffrouw Blaek en ik, zoowel als de drie nieuwe personages, die ons kwamen verrassen, ons aan het slot van het voorgaande hoofdstuk bevonden, en welke toestand over en weder een der aardigste coups de theatre opleverde, die immer in de gefingeerde tooneelwereld kan worden uitgedacht.

Verbeeldt u slechts, aan de eene zijde, den schrijver dezer gedenkwaardige geschiedenis, in den fraaien dos, die vroeger beschreven is en die door den regen niet beter van aanzien geworden was, op handen en voeten onder de tafel liggende om de kluw op te rapen van Mejuffrouw Blaek, die op het geroep het blonde hoofdje had omgewend, en zoodra zij de aankomenden herkende, met neergeslagen oogen en bloedroode wangen, als op haar plaats genageld bleef staan, gelijk iemand, die op een schuldige daad wordt betrapt: — en, aan den anderen kant, de drie nieuwaangekomenen, verbaasd en als versuft op den drempel staande om dit tooneel aan te gapen, en zeker alle drie in den waan verkeerende, dat het hier niet zuiver toeging, en dat Mejuffrouw Blaek een vrijer had,

i. - F. H. ö

ocr page 82

66

die zich onder de tafel zocht te verbergen. Waarlijk, dit leverde een tooneel op, het penseel van mijn ouden kennis Troost, of een hem gelijken schilder overwaardig. En opdat het niemand, die zich mocht opgewekt gevoelen, deze ontmoeting op het paneel te vereeuwigen, aan de vereischte bijzonderheden ontbreken moge, welke hem in staat kunnen stellen alles als naar 't leven af te beelden, wil ik hier de beschrijving bijvoegen van de drie personen, door welke ons tête-a-tête zoo onverwachts gestoord werd.

De vooi'ste van hen was niemand minder, dan de eigenaar zelf der hofstede, de Heer Jacobus Blaek, een man van middelbare lengte, schraal en ongezond van uitzicht, en voorzien met een gelaat, waarvan men de kleur gevoeglijkst bij die van een glas zuiver Amsterdamsch grachtwater zou kunnen vergeleken hebben. De rimpels, die zijn voorhoofd groefden, de ziekelyke uitdrukking van zijne, diep in de kassen weggezonken oogen, de ver vooruitstekende kin en magere wangen, en het gemis van de grootste helft zijner tanden, gaven hem het voorkomen eens afgeleefden grijsaards; ofschoon hij werkelijk niet ouder was dan drie en vijftig jaren. Zijn houding echter was altijd afgemeten en deftig; ja, in sommige gevallen niet van waardigheid ontbloot, en zijn voorkomen dat van een fatsoenlijk man. Zijn gewaad bestond in een effen zomerrok van gevlochten zilverdraad. Van uit de breede omslagen der mouwen, die tot even onder de ellebogen reikten, viel een aanzienlijk pak lubben op den voorarm neer. Het kamizool was van zwart gebloemd damast, evenals de wijde broek; en tusschen beide in blonk een hagelwit linnen. De zijden kousen staken in groote vierkante schoenen met hooge roode hakken voorzien. Hij droeg thans geen degen, maar een kostbaren hartsvanger op zijde, aan een zilveren ketting, in een scheede van robbevel, en waarvan het gevest van ivoor was vervaardigd, ingelegd met goud. Een touwen pruik en daarboven een witte lakensche pet met een breede ver vooruitstekende klep, bedekten het hoofd: en een das met kantwerk aan de tippen, waarover rijkelijk snuif gestrooid was, omstrikte den hals. In de rechter-

ocr page 83

67

hand hield hij een langen bruinen rotting] met barnsteenen knop, en in de linker een regenscherm.

Rechts achter hem bevond zich zijn eenige zoon, de Heer Lodewijk Blaek, een rijzig, kloek gebouwd jonkman, met groote bruine oogen, een welgevormden mond en regelmatige trekken, welke hem een allergunstigst uiterlijk zouden geschonken hebben, indien er niet in zijn schuinschen blik en in de wijze, waarop hij gewoon was den neus en de onderlip op te halen, iets ware gelegen geweest, dat van hoogmoed en verachting sprak en een onaangename uitdrukking over zijn gelaat verspreidde: en indien niet enkele roode vlekjes, op zijn fletse wangen verspreid, te duidelijk heur herkomst hadden geopenbaard van de menigvuldige brasserijen en nachtwaken, die toen, wat ook een laudator temporis acti moge zeggen, meer in zwang waren dan tegenwoordig. Zijn kleeding was rijker en meer nieuwmodisch dan die van zijn vader, ofschoon insgelijks die van een buitenman; maar zijn rok was van groen laken, als bezaaid met een onnoemelijk getal kleine ronde knoopjes, en met wingerd-ranken van groene vlaszijde om de zakken en op de naden geborduurd. Zijn broek, waarboven een driedubbele gouden horlogeketting bungelde, was van geel leder: zijn gerolde bovenkousen van gele zijde, en de onderkousen van geweven touwwerk; van onder een ouden hoed, dien hij zeker in de haast had opgezet, golfde een fraaie pruik van kastanjebruin haar in sierlijke krullen naar beneden, en deelde zich op den nek in twee zoogenaamde marteaux, waarvan slechts de eene zijn weg over den rug vervolgde, terwijl de andere, naar den toen heerschenden smaak over den linkerschouder naar voren was gebracht. Hij droeg degen noch jachtmes; maar een klein hondenzweepje met een gouden fluitje aan den steel stak hem onder den arm uit, terwijl ook zijne hand zooals die zijns vaders gewapend was met een regenscherm; het zijne echter was van rood taf met gelen rand, bloemen en gewerkte franje: dat van zijn vader van grof linnen en meer ouder-wetschen vorm.

ocr page 84

(38

Wat de derde personage betrof, die meer achterwaarts bleef en de slinkerhand hield, deze was niemand anders dan de Heer Lucas Helding, de voortbrengselen van wiens vernuft ik in het vorige hoofdstuk heb medegedeeld. Men had den goeden man slechts aan te zien om gewaar te worden, dat hij door de beide Heeren, in wier gezelschap hij zich bevond, slechts geduld was en niet meer, en er verre van af was, die onafhankelijkheid te bezitten, waarop de Muzenzonen gewoon zijn zich te laten voorstaan. En waarlijk, het was, in die dagen zooals nu, een beklagenswaardig lot voor een inboorling van ons Gemeenebest, wanneer hij, niet door de fortuin bedeeld zijnde, zijn brood met de beoefening der schoone kunsten en wetenschappen verdienen moest: vooral in Amsterdam, waar men weinig of geene achting koesterde voor al wie aan de begaafdheden, welke hem de natuur geschonken had, het gewicht niet wist bij te zetten van eenige goede zakken met dukaten en eenige liassen schulden kustingbrieven; — maar meer dan één schilder, wiens voortbrengselen thans duizenden gelden, in een gasthuis stierf: waar meer dan één plaatsnijder zich uit armoede verdronk en menige geleerde op een vliering woonde.

Er was er echter onder de begunstigden van Apollo en het negental, aan wien wel geen rijkdom te beurt viel, maar toch een zeker bestaan werd verschaft, — zeer draaglijk voor alledaagsche geesten; maar voor hoogvliegende vernuften meer onverduurbaar wellicht dan de ellende zelve. Hoewel onze Amsterdamsche Patriciërs (ik spreek hier in 't algemeen: er bestonden enkele en treffelijke uitzonderingen) weinig met de beoefenaars der kunst ophadden, zij konden, bij de steeds klimmende weelde, de kunst zelve hoe langer hoe minder missen. Men bouwde overal nieuwe en prachtige huizen: goed: men betaalde de bouwmeesters wel; maar dan moesten er ook beelden en vazen zijn in de voorportalen en gangen; schilderijen op de behangsels; basreliefs boven de deuren; allegoriën, beeldspraken en deviezen aan de gevels, stoepen, tuin- en zomerhuizen. — Men had fraaie rijtuigen; — maar

ocr page 85

69

de paneelen moesten met de wapens des eigenaars en met keurig schilderwerk prijken. Men had sierlijk aangelegde lusthoven; maar dit moest een ieder weten, en daarom moesten die in een „deftig dichtquot;, gelijk men 't noemde, bezongen worden. Men had boekerijen; — maar het was niet altijd de zaak des eigenaars om die zelf te verzamelen. Eindelijk, men had van Augustus en Mecenas hooren spreken, van de aanmoediging en bescherming, door hen aan de kunst verleend, en hoe zij, ter wedervergelding, door dichters en kunstenaars werden geëerd en geprezen: en nu moest ieder, die geld had, een Augustus of Mecenas worden en ten minste aan een paar schilders of dichters zijn hooge gunst doen blijken. Dat bij sommige aanzienlijke ingezetenen een wezenlijk gevoel voor het schoone en goede bestond, kan niet geloochend worden; en ik zal de eerste zijn om hulde te doen aan mannen, gelijk ik er velen gekend heb, die met den luister hunner geboorte en het aanzien, dat stand en rijkdom hun gaven, vernuft, geleerdheid, goeden smaak en echten kunstzin wisten te vereenigen; maar, dat het bij de meesten een zaak van mode was, zal evenmin weersproken worden door iemand, die van den toenmaligen tijdgeest slechts een flauwe kennis draagt: — en zóó gebeurde het, dat schilders van den eersten rang hunne goddelijke kunst moesten verlagen om die te doen strekken tot het versieren van vertrekken of staatsiekoetsen, of het teekenen van perspectieven aan het einde eener laan en op de wanden eener oranjerie: of wel tot het afbeelden van hun beschermer en zijn huisgezin, in de door hen gekozen, vaak belachelijke gewaden en houding; — dat de dichter zijn vlucht beperken moest binnen de enge grenzen van het lofdicht, ter eere van den rijkaard, die hem betaalde, en van het beschrijvend gedicht, ter verheffing van de buitenplaats, waar hij nu en dan het onwaardeerbaar voorrecht genoot een paar dagen door te brengen; wanneer er namelijk geene meer aanzienlijke gasten waren dan de jongste boekhouder en diens familie. — Want, waagde hij het, hooger tonen te slaan, hij kon van te voren berekenen, dat zij hem geen stuiver zouden opbrengen.

ocr page 86

Zoodanig een lot was ook dat van Lucas Helding, wien de Heer Blaek zich had aangetrokken, niet omdat deze eenig gevoel voor de dichtkunst bezat, maar omdat gezegde Lucas Helding hem eenige jaren vroeger, door zijn zoon Lodewijk (die er zijn redenen voor had) was aanbevolen geworden tot het bezingen der schoonheden, welke de hofstede Guldenhof opleverde. Ettelijke honderden van exemplaren in 4quot; formaat, met fraaie lederen banden en goud op snede, onder de vrienden en kennissen van den Heer Blaek rondgedeeld, getuigden, hoe treffelijk zich de hofdichter van zijn taak gekweten had; en deze, hierdoor onder het patronaat van den eigenaar der door hem bezongen hofstede gekomen, genoot sinds de benijdbare onderscheiding, van somtijds bij zijn beschermer eenige dagen te mogen doorbrengen en nu en dan met een kleine douceur in geld. of wel met een ouden rok of hoed te worden vereerd. Hij had het in waarheid slechter kunnen treffen, want op Guldenhof waren geen kinderen, die men te vergezellen had, wanneer zij in een bokkenwagentje reden (een bezigheid, die gewoonlijk anders aan zulke logeergasten werd opgedragen): geen Fransche gouverneur, met wien men uitgestuurd werd ter wandeling en wien men niet verstaan kon: geen vrouw des huizes, die de portiën aan tafel zelve voordiende en zorg droeg, dat een gast als deze niet meer kreeg dan zijn bekomst: — het gansche huisgezin bestond er slechts uit drie personen, waarvan twee zich weinig of niet met hem bemoeiden, en de derde — een engel was. Lucas Helding sleet dus, zoo dikwijls hij op Guldenhof kwam, daar ook werkelijk gulden dagen; at en dronk zooveel hem lustte, wandelde waarheen hij wilde, mocht ongemoeid in de boekerij snuffelen, en vond Mejuffrouw Blaek altijd gereed en genegen om een praatje met hem te maken en hem te plagen.

Met dat al, men behoefde, gelijk ik reeds heb gezegd, onzen Muzenzoon slechts aan te zien, om zich overtuigd te houden, dat zijn financiën zich geenszins in een voordeeligen staat bevonden, en dat Plutus hem evenmin gunstig was

ocr page 87

71

geweest als zoovelen anderen, die voor en na Lucas Helding de lier van Apollo getokkeld hebben.

Mijn bemerking geldt echter alleen het uiterlijke voorkomen van den man; want niettegenstaande zijn soberen opschik, schenen zijn ronde buik en blozende wangen van een betere keuken en meer voorzienen spijskelder te gewagen dan hem gewoonlijk ten deel viel: en de goede moeder natuur had het vergoedingsstelsel te zijnen opzichte in zooverre gevolgd, dat zij hem bij zijn armoede een gelukkig humeur en een blijde vroolijkheid had geschonken, welke hem de nukken der fortuin trots den besten wijsgeer deden tarten, en alleen, gelijk uit het vervolg zal blijken, nu en dan voor smarten van een meer treffenden aard moesten zwichten. Zijn rond en open gelaat, zijn kleine, maar geestige oogen, zijn lachende roode lippen, hadden, om voordeelig uit te komen, een betere lijst verdiend dan het magere pruikje, waaruit eenige grijze haren ontsnapten, die te kennen gaven, dat hun eigenaar de zes kruisjes reeds achter den rug had. Wat het overige van 's mans kleeding betrof, om met een dichter van zijn slag te spreken,

Zijn kamizool, schoon 't van damast was,

Was 't slechtste stuk, dat aan zijn bast was,

en miste reeds lang de grootste helft der knoopen, waarmede het vroeger versierd was geweest en wier plaats tegenwoordig vervuld werd door een menigte spelden, zoo hoog opgestoken, dat zij het vraagpunt in 't midden lieten, of er al dan niet eenig linnengoed onder dat vest verborgen was. De rok was bij uitstek fraai.... geweest, maar de kleur der gele, blauwe en oranje ruiten, welke daarop te zien waren, was lang verschoten en het fatsoen ten eenenmale ouderwetsch geworden: ook was hij niet ruim genoeg, om dichtgeknoopt te kunnen worden over den voomitpuilenden buik, die met moeite geborgen werd in een groen fluweelen broek, welk laatste kleedingstuk, nog zoogoed als nieuw zijnde, merkelijk tegen de rest afstak. Witte geweven kousen, welke tot boven de

ocr page 88

dijen reikten en onder de knie met een paar marokijnen kousebanden opgehouden werden, omsloten de korte en met fraaie kuiten voorziene beenen, waarmede hij angstig op en neder trippelde, om een paar groote honden van den Heer Blaak te ontwijken, die er vermaak in schenen te vinden om hem in verlegenheid te brengen. Wanneer men zich nu bij dit alles een klein degentje met tinnen gevest, onder het rokspand half verborgen, en een paar lomp gemaakte schoenen voorstelt, zal men zich een klaar denkbeeld kunnen maken van den persoon van Lucas Helding. Ook hij droeg een regenscherm; maar het zijne was zoo bedekt met lappen en zetstukken, dat de oorspronkelijke aard en kleur der stoffage niet langer te onderkennen was.

De drie personages, waarvan wij de beschrijving hebben gegeven, bleven dan, als gezegd is, in stomme verbazing op de stoep staan en herinnerden Helding, gelijk deze naderhand beweerde, aan soldaten, die,

Verdadight met een dack Van schilden Cr eg en scherm en) dicht gevoeght,

een bres beklimmen en halverwegen worden gestuit.

De verbazing, welke zich op de drie onderscheidene tronien vertoonde, leverde een kluchtig en veelbeteekenend contrast op. Bij den ouden Heer Blaek scheen zij vermengd met een gevoel van angst en toorn, 't welk hem den mond wijd deed openen en den knop van zijn rotting krampachtig vastknijpen. Zijn zoon wierp het hoofd in den nek, en trok den neus en de wenkbrauwen naar boven: en op de lippen van Helding rees een glimlach, dien hij zich haastte met de hand te bedekken, in de onzekerheid, hoe een scherts met dit voorval zou kunnen worden opgenomen.

Het stilzwijgen, door de wederzijdsche verrassing veroorzaakt, duurde echter niet lang: de drie Heeren traden binnen, voorafgegaan door de beide honden, die dadelijk al- blaffende en grommende toeliepen naar den ongelukkigen indringer, die ondertusschen, met de kluw in de hand, van onder de tafel

ocr page 89
ocr page 90
ocr page 91

TO lt; O

voor den dag gekomen was; en de jonge juffrouw ging haar oom een schrede te gemoet.

„Wij kwamen u halen, Me juffer!quot; zeide de Heer Blaek, op een toon van ontevredenheid, welken de omstandigheid eenigszins wettigde, en zonder eenige de minste notitie van mij te nemen: „niemand wist, waar gij heengestoven waart.quot;

„Ik was.... ik zat hier te lezen, Oom!quot; antwoordde het lieve meisje, beurtelings rood en bleek wordende : „het regende zoo, en . . .

„Wij waren bang, dat gij u verveeld zoudt hebben,quot; zeide Lodewijk Blaek met een schamperen lach, terwijl hij tevens een schuinschen blik op mij wierp: „maar wij wisten niet, dat gij gezelschap hadt.quot;

De Heer Blaek wierp op zijn zoon een eenigszins onver-genoegden blik en wendde zich tot mij, als om mij te vragen, wie ik was, toen ik, verlangende mijn lieve gastvrouw uit de verlegenheid te redden, vooruittrad en hem voorkwam.

„Ik hoop, Mijnheer Blaek,quot; zeide ik, „dat gij het mij niet ten kwade zult duiden, zoo ik hier voor eenige oogenblikken een schuilplaats tegen den regen heb gezocht.quot;

..Het staat voor de deur,quot; mompelde Helding, halfluid:

„Zoo gij voor regen vreest of gure noordenwinden,

Gij kunt in dit verblijf een zoete schuilplaats vinden. ..

„Gij waart zeker bang,quot; voerde Lodewijk Blaek mij spottende te gemoet, „dat het dak lekte, en dat gij slechts onder de tafel tegen den regen beveiligd zoudt zijn.quot;

„Ik raapte deze kluw op, die de juffer had laten vallen,quot; zeide ik, zoo bedaard mogelijk, en reikte meteen het garen aan mijn bekoorlijke gastvrouw toe, die het niet een beleefde neiging aannam.

„En waart gij ook al aan 't borrelen, .Nichtje?quot; vroeg Lodewijk, naar de tafel gaande en een der fleschjes opnemende: „mij dunkt gij hieldt hier open hof. Wat zegje, poëet!quot; (tegen Helding) „heeft de maag ook een prikkel noodig, voor wij aan tafel gaan?quot;

ocr page 92

74

Helding naderde met eenige strijkages, en, het glas opnemende, dat Lodewijk voor hem had ingeschonken, hield hij het zoolang in de hand, totdat de zoon van zijn beschermer het zijne geledigd had, waarna hij met kleine teugjes de fijne likeur begon in te slorpen.

„En heeft mijn nicht u genoodigd, hier te komen schuilen, vriendje?quot; vroeg mij de Heer Blaek op een vrij knorrigen toon, tegelijkertijd zijn parapluie aan Helding overhandigende, die, reeds zijn handen vol hebbende, zich haastte zijn glas op tafel te zetten en de beide regenschermen neder te slaan.

„Het is hier anders een besloten plaats,quot; vervolgde de eigenaar van Guldenhof, een zware gouden snuifdoos voor den dag halende en er drie vingers van zijn rechterhand in dompelende: „ en geen herberg, waar iedereen zoo maar vrij mag inloopen.quot; Dit gezegd hebbende, bracht hij de lading snuif, tusschen zijn vingers bevat, naar haar bestemmingsoord, en stak de doos aan Helding toe, die, deze beleefdheid niet durvende weigeren, spoedig de beide natte regenschermen onder den linkerarm bracht, tot groot nadeel voor zijn kleed, en met de rechterhand van het aangeboden gunstbewijs gebruik maakte.

„Mejuffrouw is zoo vriendelijk geweest, mij niet van hier te jagen,quot; antwoordde ik, eenigszins bedremmeld over de barsche toespraak van den Heer Blaek; „overigens is het schrikkelijke weer mijn verschooning, zoo ik onbescheiden geweest ben. Mijn naam is . . . .quot;

„Ik vraag u niet naar uw naam,quot; viel mij de oude Heer in de rede. Eenigszins hardhoorend, en buitendien ontevreden zijnde, verstond hij slechts ten halve hetgeen ik vrij zachtjes gezegd had; „maar mij dunkt, het weer is nu al heel wat bedaard en gij kost nu wel weer opkuieren, vriendje!quot;

Tegen dezen wenk, of dit bevel, was niets in te brengen: ik trad derhalve naar Mejuffrouw Blaek, en haar mijn dank betuigende voor haar vriendelijk onthaal, vroeg ik, of zij mij ook eenige bevelen te geven had voor Amsterdam.

„Ik dank u, Mijnheer Huyck!quot; zeide zij, met nadruk mijn

ocr page 93

/o

naam doende hooren; „ik denk zelve eerstdaags daar te komen en hoop misschien van de week nog Mevrouw uw moeder en Santje te komen bezoeken.quot;

Het hooren dezer woorden bracht geen geringe verandering in de gelaatstrekken der aanwezigen teweeg. De Heer Blaek zag op, gelijk men zegt, alsof hij het te Keulen had hooren donderen: Lodewijk begon te lachen; doch op een wijze, die mij nog onbeleefder toescheen dan zijn trotsche blik van kort te voren, en Helding liet van verbazing de beide regenschermen op den grond vallen.

„O ho! is het een kennis van u. Jetje?quot; vroeg Lodewijk. na een oogenblik zwijgens: „wel had je dat maar terstond gezeid, meidlief! daar was vader, die zich al verbeeldde dat Mijnheer een medegenoot was van de bende van Jaco.quot;

„Huyckl Huyck!quot; herhaalde de Heer Blaek, zijn nicht en mij beurtelings aanziende: „is Mijnheer van de familie van den Hoofdofficier van dien naam?quot;

„Ik ben zijn zoon,quot; antwoordde ik, met een buiging: „heeft Mijnheer ook eenige boodschappen?quot;

„Ik wist niet, dat UEd. in kennis waart met mijn nicht,quot; vervolgde hij, zonder op mijn aanbiedingen te letten: „Mijnheer is, geloof ik, uitlandig geweest?.... anders zou Mijnheer weten, dat het de gewoonte in Holland niet is, dat de jonge dames, wanneer zij alleen zijn, bezoeken van Heeren ontvangen.quot;

„Ik kom van de reis,quot; hervatte ik, eenigszins geraakt: „en zie Mejuffrouw Blaek heden voor de eerste maal. Ik wist niet, dat er zich iemand in den koepel bevond, waarin ik schuilen kwam ; anders ware ik zoo onbescheiden niet geweest.quot;

Het scheen mij toe, alsof deze mijne verklaring den Heer Blaek een pak van het hart nam: en, als wilde hij zijn onbeleefdheid vergoeden, vroeg hij mij, of ik niet tot zijnent wilde komen en iets gebruiken. Ik sloeg zijn aanbod af, zeggende dat ik mij spoeden moest, daar ik gaarne voor poort-sluiten binnen Naarden wilde wezen.quot;

„Welnu! steek dan ten minste een pijp op voor uw ver-

ocr page 94

76

trek,quot; zeide de Heer Blaek: „Lodewijk zal wel een tondeldoos bij zich hebben.quot;

„Ik heb mijn vuurslag vergeten,quot; zeide Lodewijk, zich met onverschilligheid omwendende. „Helding! neem eens de moeite van die glaasjes wat om te spoelen en in het likeurkeldertje te bergen.quot;

„Foei!quot; zeide Henriëtte (ik wist nu haar naam): „dat is dameswerk: dat zal ik wel bezorgen.quot;

„Ik ben het rooken buitenslands verleerd,quot; zeide ik, en groette nogmaals het gezelschap. Op de stoep gekomen, hoorde ik Lodewijk overluid zeggen:

„Nu ja: geloof maar vrij. Jetje! dat het de zoon van den Heer Huyck zou wezen, 't Is een verkleede flelt, die zien komt of er iets van zijn gading is.quot;

Ik hield mij niet op om te weten of de bevallige Henriëtte mijn verdediging op zich zou nemen, maar stapte, niet weinig ontevreden over de handelwijze zoo van vader als zoon, de hofstede af. Dewijl de koepel, wanneer men van den kant van Amersfoort kwam, voorbij het hek was, moest ik, clen landweg vervolgende, dien nogmaals langs gaan. Toen ik zulks deed, lichtte ik beleefdelijk den hoed tot afscheid. De Heer Blaek beantwoordde mijn groet op een koele, doch gepaste wijze: zijn zoon zag mij aan met een onbeschaamden blik, dien ik hem met woeker teruggaf. Wat zijn nicht betrof, 't zij uit verlegenheid, 't zij uit onverschilligheid, 't zij omdat zij aan de inblazingen van Lodewijk gehoor had gegeven, zij bleef met den rug naar het venster gekeerd met Helding praten: en mijn hoop, om nog een enkelen blik als vaarwel te erlangen, was in rook vervlogen.

De bui was nu geheel over en de lucht aangenaam ver-frischt door het onweder; slechts enkele waterlooze wolkjes dreven nog in het zwerk rond. Vroolijk zweefden de vogels om mij heen, als om de wederverschijning van het zonlicht te begroeten. De weg daarentegen was, als te denken is, nog glibberig en vol plassen; alleen het voetpad was redelijk; — maar ik had zeker al een geruimen tijd doorgestapt, eer ik,

ocr page 95

't zij op het fraaie weer, 't zij op den slechten weg begon te letten; zoo geheel waren mijn gedachten van de zonderlinge ontmoeting op Guldenhof vervuld. Ben onbeschrijfelijke en mij toen nog onbegrijpelijke mengeling van hoogst genoeglijke en alleronaangenaamste gewaarwordingen hield mij bezig. Met verrukking dacht ik aan het lieve aangezichtje, aan de zoete, welluidende spraak, aan het spelend vernuft der beminnelijke Henriëtte; maar met wrevel en misnoegen aan de zotte rol. die ik, naar mijn meening, tegenover haar gespeeld had. Ik ging al de woorden na, die ik had uitgesproken, de geheele houding, die ik had aangenomen, en ik vond al wat ik gezegd en gedaan had, zot en onverstandig. De oude Heer Blaek had mij in den aanvang, de zoon bij voortduring, onbeleefd behandeld! doch hunne bejegening trok ik mij minder aan dan die van Henriëtte, welke mij, ik kon het mijzelven niet ontkennen, tot afscheid den rug had toegedraaid. Ongetwijfeld, dacht ik, was zij mijn gezelschap lang reeds moede, en blijde daarvan eindelijk ontslagen te worden: ongetwijfeld had ik het onderhoud, dat zij wel met mij heeft willen voeren, alleen te danken aan het slechte weer, dat haar dwong met mij te blijven, aan haar beleefdheid en aan haar vriendschap voor mijn zuster — en geenszins aan eenig behagen dat zij er in schepte. — Dan weder vroeg ik mij af, wat mij toch eigenlijk hare welwillendheid of tegenzin aanging, en hoe ik mij zoo verlegen kon maken over de gevoelens, te mijnen opzichte gekoesterd door een juffer, die ik voor de eerste maal mijns levens zag. Ik had toch op mijn reizen vele vrouwen en meisjes ontmoet, zoo schoon en misschien nog schooner dan deze; maar nooit had eene daarvan zulk een indruk op mij gemaakt. Was die teweeggebracht door het verrassende, het romaneske (gelijk men het thans zou noemen) der ontmoeting? — Maar zooveel ik mijzelven kende, was mijn karakter kalm en bedaard; zelden of nooit nam mijn ziel haar vlucht naar het gebied der verbeelding, en niemand had ooit uit zijn aard minder aanleg dan ik om zich idealen te scheppen, die met ingebeelde hoedanigheden te versieren, de

ocr page 96

wezenlijkheid aan den schijn op te offeren; in 't kort, een romanheld te worden. Ik verwonderde mij dus zelf over de onrustige beweging, die ik in het hoofd voelde, en over de ongewone heftigheid, waarmede mij het hart in den boezem klopte : ja, ik was er ten laatste niet verre af, om die toe te schrijven aan den invloed van den brandewijn, dien ik genuttigd had, en die misschien van beter en sterker allooi was dan de geestrijke dranken, welke men in andere landen tapte.

Wat hiervan wezen mocht, de gespannen stemming, waarin ik mij bevond, verliet mij niet eer, dan toen ik, met natte voeten en een hongerige maag, mij voor de herberg van Eemnes bevond, alwaar ik mijzelven had voorgesteld het middagmaal te houden.

VIJFDE HOOFDSTUK,

HETWELK BANGE LIEDEN BIJ AVOND NIET MOETEN LEZEN.

„Wel dat treft nou ongelukkig!quot; riep de waardin, na mijn schoenen bij het vuur in de keuken geplaatst, en mij in een opkamertje te hebben gelaten, waar zich een tafel bevond, beladen met de overblijfselen van een aldaar gehouden middagmaal: „dat is jammer, koopman! dat je nou geen amerijtje vroeger quot;ekomen waart! dan had je mee kunnen anzitten met twee passeziers, die hier 'egeten hebben en bijkans al de proviand uit mijn huis hebben met 'epakt.quot;

„Zoo!quot; zeide ik, niet zeer gesticht over deze onwelkome modedeeling, en voorziende, dat mij de overgeblevene spijzen nu dubbel zouden worden aangerekend: „waren dat zulke schrokkers ?quot;

„Dat wil ik nou justement niet zeggen,quot; antwoordde de vrouw des huizes, terwijl zij de overgeschoten kliekjes ont-

ocr page 97

79

weldigde aan de duizend en eene vlieg, die er op aasden: ,,de jonge vrijster althans heit bijkans geen mond vol 'egeten; maar zij hebben al wat ik nog overhad an vleisch en nog een brood, dat ik van den bakker heb laten halen, in een groote blikken trommel 'estopt, die zij met zich hadden, puur as gingen zij naar het onbekende Zuien, en of er te Xaarden of te Weesp, waar zij dan ook heentrokken met 'erlui huifkar, geen sikkepitje te krijgen ware.quot;

Het woord huifkar herinnerde mij terstond aan den man, dien ik tot Czaar verheven had: en ik vroeg aan de waardin of de reiziger niet een rooden mantel droeg.

„Een kerel as een boom,quot; antwoordde zij: „en dien ik niet graag alleen in een bosch zou ontmoeten. Ja kijk! as de vrijster niet zoo'n hupsche deern was 'eweest, en as ze niet alles pront betaald hadden en nog een fooi an de meid 'egeven toe, dan zou ik bij mijn zondige ziel 'edacht hebben, dat het Zwarte Piet zei vers was. Ik had warentig medelijen met het arme schaap, zoo bedrukt as ze keek,.... maar met dat al mot je geen honger lijen, koopman! en ik zou deur al dat praten wel heelendal vergeten van je te bedienen. Nou! ik zeg, je heit ook al een weertje op weg 'ehad! 't Zei de boeren ook rouwen, die 'erlui hooi nog niet binnen 'ehaald hebben. Het onze is deur Gods zegen al in de schuur, op een paar wagens na van een kampje, dat wat ver leit, heel onder Eem-brugge; maar er zijn lui, die het altoos op het laatste laten ankomen. Heb je nog ergens 'eschuild, koopman?quot;

Niet ongenegen om aan mijn praatzuchtige gastvrouw de gelegenheid te verschaffen, haar tong te vieren over een belangrijker onderwerp dan haar hooibouw, vertelde ik haar, dat ik op Guldenhof den regen ontvlucht was.

„Op Guldenhof!quot; herhaalde zij, eenigszins vreemd opziende; „een mooie plaats, he? ken je meneer Blaek? Hij houdt er anders niet veul van, dat men zoo bij hem oploopt.quot;

„Ik ken hem slechts van aanzien,quot; antwoordde ik; „ook heb ik niet in huis, maar op den koepel geschuild.quot;

„Nou kijk! dat had hij eensjes motten weten! — Niet, of

ocr page 98

80

't is een weldoend Heer, die veul an de arme lui geeft, dat mot ik zeggen: lest heit hij nog twee dikketonnen en een flesch wijn 'ezonden an Lijs, de vrouw van Tymen den varkenslachter, die een kwaje kraam 'ehad heit; — maar ik wil maar zeggen — hij ziet niet graag menschen bij zich: hij leeft zoo wat eenigjes met zen nicht en zen zeun: — een knappe borst — zen zeun, en een mild heer, dat beloof ik je. — Men zeit zoo, ze zullen een paartje worden samen: -Volle neef en volle nicht! 't is niet zoo as 't hoort!quot;

Ik kon niet nalaten innerlijk deze uitboezeming der waardin te beamen, schoon niet uit dezelfde beweegreden als de goede vrouw, die, tot den Roomschen godsdienst behoorende, gelijk uit het gouden kruis op haar boezem te bemerken was, een dergelijk huwlijk af moest keuren, als met de kerkwetten in strijd. Intusschen had haar aanmerking mijn nieuwsgierigheid opgewekt.

„En zou dat huwlijk al spoedig doorgaan?quot; vroeg ik.

„Dat 'loof ik niet, koopman! — Dat jonge Heerschap is zoo wat los en liber, zooals ik zei: en houdt te veul van zijn vrijheid om van nou af aan den ketting te liggen.quot;

Het bericht, dat Lodewijk Blaek zijn nicht waarschijnlijk trouwen zoude, was mij hoogst onaangenaam geweest; -doch de gedachte, dat hij zulk een verbintenis niet op den waren prijs zou stellen en die als een lastigen band beschouwen, maakte hem volkomen hatelijk in mijn oogen.

„Nou!quot; vervolgde de waardin: „ik ken 't me wel begrijpen: het meisje heit van der aigen niet veul, zeggen ze: en 't is maar een schraal poppie: hij kan wel wat beters krijgen!quot;

Ik keek de waardin aan, die de slanke, bevallige Henriëtte een schraal popje dorst noemen: het was een dikke, gezonde zns, met wangen of zij de hel had aangeblazen: zij scheen mij op dat oogenblik zoo afschuwelijk toe, dat ik niet verkoos, verder een woord met haar te wisselen; maar slechts verzoekende, dat zij wat spoed maken zoude, mij voor het venster plaatste en haar den rug toekeerde. Of zij uitgepraat had, weet ik niet: althans zij had de tafel geruimd en verliet mij,

ocr page 99

81

met de belofte in een ommezientje met het eten terug te wezen.

Niets beters te doen hebbende, vermaakte ik mij gedurende haar afwezigheid met uit het raam te zien, hetwelk het uitzicht had op de niet verre van daar aan de overzijde vanden weg gelegene kerk, een kloek gebouw, met twee verdiepingen en transen en van een tamelijke spits voorzien. Meer nabij en vlak tegenover mij stond een koepeltje, wat minder prachtig dan dat van Guldenhof, en het uitzicht hebbende over een tuintje, hetwelk geen ander plantsoen bevatte, dan eenige heestergewassen, in dier voege geschoren, dat zij allerlei figuren op een wanstaltige wijze nabootsten.

Ik bekeek deze voorwerpen, welke mij eigenlijk bijzonder weinig belang inboezemden, zoo lang, totdat de wasem, welken mijn adem op de glasruiten had teweeggebracht, die aan mijn oog onttrok, en bleef toen kijken, totdat ik bespeurde, dat mijn gedachten ergens anders waren: ik bespeurde zulks, zeg ik, en wel aan een onwederspreekbaar teeken: ik had namelijk met den vinger een H en een B in krulletters op de ruit getrokken.

Ik werd, toen ik dit ontdekte, eenigszins wrevelig tegen mijzelven, en haastte mij, deze vruchten mijner afgetrokkenheid van gedachten uit te wisschen, als ware ik bang geweest, dat iemand die lezen zoude en een geheim raden, dat ik mijzelven nog niet bewust was.

Deze daad bracht mij opeens van het rijk der verbeelding tot het werkelijke leven terug: want het nu weder heldere glas deed mij iemand zien, die, een weinig zwaaiende, althans met geen vasten stap, van den kant van Soest kwam aangetreden : — en terstond herkende ik in dien persoon denzelfden Andries, die zulk een opschudding te Soest had verwekt.

Reeds wenschte ik mijzelven geluk, dat ik niet op den weg door dien lastigen kwant was ingehaald geworden, toen ik tot mijn spijt gewaarwerd, dat onze matroos, die ongetwijfeld niet gewend was een kapelletje voorbij te gaan zonder eens aan te leggen, naar de huisdeur stevende en binnentrad.

I. - F. H. a

ocr page 100

S2

Hoe blijde was ik, dat ik in een afzonderlijk kamertje gezeten was! „Mits nu maar,quot; dacht ik, „de waardin dien vent niet hier brengt om met mij te eten, gelijk zij mij met dien vreemdeling en zijn dochter had willen doen spijzigen!quot;

Doch dit liep beter af; na een geruime poos kwam de-vrouw des huizes terug met eenig brood en spek en een kan bier. Ik haastte mij, haar mede te deelen, dat ik 's morgens te Soest eenig ongenoegen gehad had met den man, die beneden zat, en liever niet met hem opnieuw in aanraking wenschte te komen.

„Nou! ik 'eloof het wel!quot; zeide de waardin: „'t is een ongemakkelijke kompeer ook as hij begint, die eigenste Andries; — maar hij zei zich nou stil houen hoop ik; hij zit althans heel bedaard een glaasje bier te drinken, en een praatje te maken met een kennis van hem, die juist beneden was: — zij spreken ondertusschen een rare taal, maar die ik liever niet hoor dan al: 7t is Duitsch ') en toch geen Christenziel kan 't verstaan: 't is net dieventaal.quot;

Ik maakte geen aanmerkingen op dit gezegde der waardin, hetwelk zoo volkomen strookte met de slechte gedachte, die ik reeds van den knaap had opgevat. Alleen verzocht ik haar, mij te zullen waarschuwen, zoodra Andries vertrokken was, daar ik niet op zijn gezelschap langs den weg gesteld was. Na dezen maatregel van voorzorg zette ik mij aan tafel en begon, niet zonder graagte, op de mij voorgezette spijzen aan te vallen. Zoodra echter mijn eerste honger gestild was, ging ik met meer bedaardheid te werk, ten einde mijn maal ten minste zoo lang te rekken, totdat Andries de herberg zoude verlaten hebben: doch, spek en brood waren reeds van het bord naar mijn maag verhuisd en de stem van den lastigen

*) Zoo noemde men indertijd de taal, welke men sedert Hollandsch of nog verkecrdelijker Xederlandsch genoemd heeft. Zoo zegt ook Krelis Louwen in het blijspel van dien naam, II Bedrijf 10 tooneel.

We praeten ummers allemael Oprechte zuivre Duitsche tael.

Noot van den Uitgever.

ocr page 101

Mk

ocr page 102
ocr page 103

83

matroos doed zich nog in het onderhuis hooren. Ik stond op, liep wrevelig de kamer op en neder, begon mij eindelijk verwijtingen te doen, dat ik voor den twistzoeker vreesde en bloosde een oogenblik over mijzelven.

„Kom! dacht ik; „waarom niet moedig de deur uitgestapt? Misschien ziet mij de kerel niet eens: en, zoo hij mij al opmeikt, t is niet gezegd, dat hij nu juist weer twist zou zoeken.quot;

„Maar neen!quot; vervolgde ik bij mijzelven, de deurklink, die ik leeds had aangevat, weder loslatende: „schoon hij mij hier al met vrede liet, hij zou mij op den weg kunnen volgen: en hoewel ik hem alleen wel zou durven staan, er steekt geene eer in, om zich zonder noodzakelijkheid bloot te stellen aan de aanrandingen van iemand, die zijn beroep van 't vechten schijnt te maken. Wie een dollen hond ontmoet en niet uit den weg gaat, handelt dwaas: en die dronkaard beneden is niet veel beter dan een dolle hond.quot;

Na door deze fraaie redeneering mijzelven overtuigd te hebben, dat geen vrees, maar hooge wijsheid mijn handelwijze bestuurde, bleef ik bij mijn besluit, om niet te vertrekken, dan voordat Andries vooruitgegaan was. Het leed echter nog een goed half uur, gedurende hetwelk ik vrij verdrietig het kamertje op en neer ging, al brommende over al de tegenspoeden, die mij beletteden mijn weg voort te zetten, en zelfs de aangename kennismaking van Henriëtte Blaek op den achtergrond stelden: het leed een half uur, zeg ik, eer ik de banken in het benedenhuis hoorde verschuiven, en, aan het laam glurende, zag ik nu weldra Andries met nog een man die oogenschijnlijk beter gekleed was dan hij, de herberg verlaten.' Zij liepen met groote schreden voort, als menschen, die hun tijd veipiaat, en haast hebben. Ik toefde hierop nog eenitre oogenblikken, ten einde hun gelegenheid te gunnen, om zich vei genoeg te \ ei wij deren, betaalde vervolgens de vertering, en vertrok, mijn weg links af naar Laren nemende.

Ik ging echter in den aanvang niet dan langzaam voort, zoowel omdat de slechte staat van de wegen na den regen

ocr page 104

84

het loopen moeielijk maakte, als ten einde zeker te zijn van mijn twee wandelaars niet op zijde te komen, en keek onder-tusschen, zooveel de slingers van den bochtigen weg mij zulks toelieten, voor mij uit, om te zien of ik hen ook ergens ontdekte. Ik had echter wel een goed kwartieruurs geloopen, eer ik iets bespeurde, dat op hen geleek, maar nauwelijks was ik den grenspaal voorbijgetreden, die Eem- van Gooiland scheidt, en zuchtte ik bij het overzien der schade, door den hagel teweeggebracht in de korenvelden, welke deze anders zoo lachende heuvelen bedekten, of ik kreeg rechts van mij af zeer in 't verschiet, twee personen in 't oog, die een paadje volgden, dat door de bouwlanden heen slingerde, en wier uiterlijk voorkomen mij voorkwam in allen deele gelijk te zijn aan dat van Andries en zijn makker.

Ik was nu geheel gerustgesteld, en wandelde onbezorgd voort. Te Laren hield ik mij niet op, maar trad integendeel met dubbele schreden voort, daar de tijd reeds, bij al het door mij ondervonden oponthoud, verder was verstreken dan ik gedacht had, en de allengskens dalende zon mij vreezen deed, Naarden niet voor poortsluiten te zullen bereiken, hetgeen toenmaals in die vesting te zes uren plaats had. Wel is waar, er bestond nog altijd mogelijkheid om daar binnen te komen: doch hiertoe werden meer formaliteiten vereischt, dan ik lust had af te leggen. Terwijl ik, met die onaangename gewaarwording, welke ons eigen is, wanneer wij nog een goed eind weegs af te leggen hebben en vreezen te laat te komen, den heuvel beklom, die zich tusschen het bevallige Laren en de grijze vesting, waar ik zooeven van sprak, bevindt, zag ik een rijtuig mij van de hoogte af te gemoet komen, hetwelk ik, bij het naderen, voor de huifkar herkende, die ik des morgens te Soest had gezien, en die thans ledig terugkeerde. De voerman, het pijpje, dat hem tusschen de lippen stak, hebbende laten uitgaan, zat te dommelen en te knikkebollen op het krat, terwijl zijn zweep hem ontvallen, maar gelukkig was blijven vasthaken aan het wiel en daarmede langzaaam voortslingerde.

ocr page 105

Ik achtte het betamelijk, den man te waarschuwen: „hei! ho he wat! goede vriend!quot; riep ik: „gij zult een goede zweep verspelen, zoo gij niet oppast.quot;

„Wat is er?quot; riep de voerman, met schrik ontwakende, en door een natuurlijke beweging naar zijn zweep tastende: „wat wou je?quot;

Het paard, dat waarschijnlijk reeds zijn bekomst van den tocht had, was op zijn geroep al dadelijk blijven staan, en ik wees nu aan den voerman, waar zich zijn onmisbaar wapentuig bevond.

„Sta, Kees!quot; zeide hij tot zijn knol, die deze vermaning niet behoefde; want het beest had volstrekt geen plan op den loop te gaan: „dankje wel, koopman!quot; vervolgde hij, afstijgende en zijn zweep niet zonder moeite loswurmende.

In weerwil van mijn haast om voort te komen, kon ik niet nalaten een oogenblik stil te staan, om naricht in te winnen omtrent den Roodmantel en de Juffer die met hem was, en vroeg ik den voerman, of hij zijn volk al naar Naarden gebracht had.

„Dat weet ik niet, waar ze 'estoven zijn,quot; antwoordde hij : „ik heb ze aan deuzen kant van Naarden of'ezet op een plek, daar huis noch pad te zien was. Waar ze wezen mosten, weet Joost: en ik vertrouw het werk maar half: ze lekenen allebei zoo bang om 'ezien te worden. — Maar, wat scheelt het mijn ook? ze hebben mijn een goeie fooi 'egeven en dus, ik heb niks op ze te prittendeeren. Nou, ajus koopman, en je wordt bedankt veur je beleefdheid.quot;

Met deze woorden steeg hij op; doch voor hij wegreed, riep hij mij nog toe: „je meugt wel voorzichtig wezen; want ik hou 't er veur, dat het niet pluis is buiten Naarden: ik heb een paar keeren in 't bosch hooren fluiten; zoodat ik blij was dat ik hier weer op den open weg kwam. Hi Kees! vort pért!quot;

De huifkar verwijderde zich en ik vervolgde mijn weg, slechts weinig gesticht over de tijding, mij door den voerman medegedeeld. Ik poogde mij wel wat gerust te stellen met

ocr page 106

86

de gedachte, dat men het niet wagen zoude, iemand op den helderen dag aan te randen en wel zoo nabij een vesting, terwijl bovendien mijn bagage noch mijn uitrusting van dien aard waren, dat zij een roever in de verzoeking konden brengen; — maar de veronderstelling alleen, dat het geval van roof mogelijk ware, was alles behalve aangenaam.

Op het hoogste punt van den heuvel gekomen, wendde ik mij even om, ten einde het verrukkelijk landtooneel te beschouwen, hetwelk men van daar geniet, over het bekoorlijk gelegen Laren, welks kerkspits en daken, thans fonkelend in den gloed der zon, heerlijk afstaken tegen het lommerrijk geboomte en de uitgestrekte akkers daarom heen; — over Blaricum, de beide Eemnessen, Soest, Baarn en Amersfoort: over het boschrijke landschap daar tusschen, en over de blauwe zee, de Stichtsche bergen en de grauwe heide, welke dat alles omsloten: ja, ik zuchtte onwillekeurig, toen ik herdacht aan den voortsnellenden tijd, die mij niet vergunde mij langer in dat schouwspel te verlustigen: — en aan den vervelenden weg, dien ik nog had af te leggen.

Immers, wanneer men eens die hoogte over is, neemt de weg een geheel ander aanzicht. Geen welig groeiend geboomte, geen vruchtbare bouwlanden, geen landhoeven meer; aan weerszijden een dorre, wijduitgestrekte heide, over welke het uitzicht ten Noorden op enkele bosschen kreupelhout, en ten Zuiden op het donkere groen der 's-Gravenlandsche lusthoven stuit. Ik kon niet nalaten van. zoo dikwijls ik den blik naar deze laatste zijde sloeg, een vergelijking in te stellen tusschen de woestenij, welke ik doortrok, en die, slechts een uur of anderhalf van mij gelegen, oase, waar de Amsterdamsche rijkdom al zijn weelde en schatten ten toon spreidt. „Voorwaar!quot; dacht ik, „mijn goede tante Van Bempden, die ginds haar buitenplaats altijd vol gasten heeft, denkt thans weinig, dat haar neef hier eenzaam door de heide kuiert.... ik ben ook wel dwaas geweest, dat ik haar niet geschreven heb: de. goede vrouw had mij zeker haar koets te Amersfoort gezonden, en dan was ik vrij wat meer op mijn gemak en vrij

ocr page 107

87

wat royaler de provincie binnengekomen;.... maar dan had ik ook Henriëtte Blaek niet ontmoet.quot;

Het hoofd alzoo vol hebbende van Henriëtte Blaek, van mijn tante Van Bempden, van Andries en van de roovers-bende van Zwarten Piet, kwam ik langzamerhand verder. De grond langs den weg, hoezeer nog altijd dor en zandig, droeg, naarmate ik de vesting naderde, eenige meerdere sporen van bebouwing: hier en daar vond ik een versch ontgonnen hoekje, en nu en dan kleine kampjes met peulvruchten beteeld: wat verder op groeiden heestergewassen langs de kanten van den weg en belemmerden al meer en meer het uitzicht, totdat ik eindelijk aan mijn rechterzijde een vrij dicht geplant boschje kreeg, hetwelk tot deze of gene lustplaats scheen te behooren.

Het was op die hoogte ongeveer, dat de flauw gehoorde tonen van een klok of bengel, welke allengskens duidelijker in mijn ooren klonken, mij aankondigden, dat ik Naarden al vast naderde, doch tevens, dat ik mij zou moeten reppen om er nog tijdig te zijn. Terwijl ik alzoo met verhaasting voort-trad, kwam ik aan een plaats, waar kort te voren, gelijk aan het wielspoor te zien was, een wagen had omgedraaid: waarschijnlijk de meer vermelde huifkar. Dit zou echter mijn opmerkzaamheid niet bijzonder hebben getrokken, ware het niet geweest, dat ik, juist te dier plaatse, in 't voorbijgaan iets zag liggen, hetwelk ik, bij nadere beschouwing, voor een groene beurs herkende.

Ik raapte die op en bleef eenige oogenblikken besluiteloos staan. Waarschijnlijk was deze beurs, welke redelijk wel voorzien scheen, aan een der personen, die in het rijtuig gezeten hadden en wier voetstappen nog bij het spoor te zien waren, bij het uitstappen ontvallen: maar hoe die weer aan de eigenaars terugbezorgd? de voerman was mij onbekend en kende zelf, volgens zijn voorgeven, zijn passagiers niet, die hem niet aan een huis of plaats, maar midden op weg hadden verlaten.

Al overpeinzende, wat mij te doen stond, opende ik onder het voortwandelen de beurs, ten einde te onderzoeken of zich

ocr page 108

88

daar ook iets in bevond, hetwelk mij eenig licht zou kunnen verschaffen. Ik ledigde het daarin heslotene in mijn hand: het was een goede som in gouden rijders en dukaten, en bovendien een gouden zegelring, met een fraaien kornalijn, waarop een wapen zeer kunstig gesneden was. Terstond liet ik het goud weder in de beurs glijden en vestigde al mijn aandacht op het wapen, in de hoop dat mij dit op den goeden weg zoude helpen om den eigenaar terug te vinden; maar nauwelijks had ik gezien, dat het in een Sint-Andrieskruis met omgekrulde punten bestond en bovendien met talrijke sieraden omslingerd was, waarvan ik de beteekenis niet zoo spoedig kon ontcijferen, of ik hoorde opeens in de nabijheid een gefluit en te gelijk een geritsel van takken alsof iemand zich een weg door de struiken baande. Ik verschrikte, zag om: en ziet! daar sprong een kerel van den hoogeren boschkant op den weg en klopte mij op den schouder met den uitroep „annemekanneme meêsamen!quot;

Ik stond verzet: ik wist dat deze woorden, wier rechte samenhang of beteekenis ik nooit heb kunnen uitvorschen, zooveel moesten te kennen geven, als: „wij deelen het gevondene te zamen;quot; — en, wat mijn ontsteltenis niet weinig-vermeerderde, was de omstandigheid, dat ik in den man, die mij zoo vrijpostig op zijde kwam, mijn vriend Andries herkende, en de overtuiging, dat hij mij de beurs had zien oprapen.

Ik zag terstond in, dat een onverschrokkene houding alleen in staat ware, den vent van mij af te houden, en, mijn stok met kracht omvattende, zag ik hem scherp in 't gezicht en vroeg, wat hij begeerde.

„Wat ik begeer!quot; herhaalde hij met een hoonenden lach: „wel! niet meer, hoop ik, dan wat mij van rechtswege toekomt. Ik heb die beurs net even gauw gezien als jij: en ik wou er juist op an laveeren, toen jij er zoo vlak voor-de-wind op aanschoot: je moet niet denken, dat jij alleen recht heit, om die geeltjes bij moeder Kee te gaan verzwendelen; ik heb ze al zoo noodig als jij.quot;

ocr page 109

89

Ik was staande deze redeneering van Andries met hem vooruitgewandeld, maar hield hem niettemin in het oog, gereed hem voor te komen bij de minste verdachte beweging die hij maakte: „al wat gij zegt moge waar zijn,quot; zeide ik; „maar hetgeen ik gevonden heb, behoort noch aan u noch aan mij, en ik ben voornemens het den rechten eigenaar terug te brengen.quot;

„Ei! ei!'quot; zeide Andries, een spottend gezicht zettende: „terugbrengen! wel dat bedenk je fijn! denk je dat ik je uitvluchten niet merk en geen lont ruik? Je wilt met ongebroken lading wegzeilen; maar dat gaat zoo niet: je zult bijdraaien, kameraad! of we zullen jou enteren.quot; — En dit gezegd hebbende, floot hij ten tweedenmale.

De zin der geuite woorden wTas te duidelijk om kwalijk verstaan te worden: ik was nu overtuigd dat Andries niet slechts een twistzoeker, maar een struikroover was, en dat ik mij van hem moest ontslaan eer hij hulp kreeg: met vaardigheid lichtte ik mijn knuppel op en deed dien op een niet zachte wijze op zijne, reeds naar mij uitgestoken handen ne-derkomen, waarna ik het met allen spoed op een loopen zette, in de hoop van alzoo den medehelpers van Andries, zoo hij die al had, te ontkomen. — De vlucht was mij echter van geen nut; want nauwelijks was ik tien passen verder, of twee andere kerels sprongen van weerszijden uit de struiken voor den dag: en terwijl de een mij den pas afsneed, greep mij de ander in den kraag.

„Pas op, Haentje! dat hij je de loef niet afsteekt,quot; riep Andries, toesnellende: „hij wou het mij draaien, maar hij zei er voor bloeien, nou hij voor drie ankers lelt.quot;

„Verroer u niet, of het gaat er door,quot; duwde mij Haentje te gemoet, in wien ik den man herkende, met wien Andries uit Eemnes vertrokken was: en meteen zette hij mij een mes op den strot.

„Kom koopman!quot; zeide toen de derde roover, met veel bedaardheid een pistool voor den dag halende, hetwelk hij mij voorhield: „laat u raden: alle tegenstand ware onnut;

ocr page 110

90

overhandig ons goedschiks hetgeen gij aan goud en zilver bij u mocht hebben; gij zult daarna eens zoo luchtig voort-wandelen.quot;

Ik zag dezen man, terwijl hij sprak, in 't gezicht. Hij was iemand van een allergunstigst uiterlijk, dat merkelijk afstak tegen het hatelijke voorkomen van Andries en de bruine, fielterige tronie van Haentje. Zijn gelaatstrekken waren, ja, eenigszins verschroeid en verhard, als die van iemand, die in verre landen gereisd heeft; maar toch regelmatig en innemend; geestigheid fonkelde in zijn gitzwarte oogen: en krullende lokken van dezelfde kleur versierden zijn schedel. Zijn gewaad daarenboven, dat uit een deftigen zwarten rok en broek bestond, zoude aan niemand in hem den struikroover hebben doen vermoeden.

Alle weerstand was vruchteloos: ik lag letterlijk, zooals Andries zich had uitgedrukt, voor drie ankers vast. „Indien het niet anders kan,quot; zeide ik, „neem dan hetgeen ik bezit: voor geweld moet ik zwichten.quot;

„Ziet! dat is gesproken, gelijk een verstandig man betaamt,quot; zeide de Zwartrok, op den vriendelijken toon, welken een grootvader zoude aannemen ter aanmoediging van zijn kleinzoon, die hem een verjaringsgedicht was komen opzeggen: „en daar gijzelf niet rijk schijnt, zullen wij ook matig in onze eischen zijn en u nog een paar dubbeltjes overlaten om te Na arden een slok te koopen en van den schrik te bekomen.quot;

„Niet rijk!quot; herhaalde Andries: „zoo meteen is hij nog op onze eigene kust komen kapen en heeft een beurs vol goud van den weg opgevischt.... ik heb hem net bijtijds gepraaid, anders was hij er mede schoot gegaan; want dat doet er niet toe.... wou jij hem laten loopen, Pieterbaas? ik heb hem hedenmorgen al gewaarschuwd, dat hij niet weer in mijn vaarwater zou komen .... en mijn woord moet ik houen, weet je.quot;

Deze woorden boezemden mij geen geringe bezorgdheid in,, en ik sloeg het oog met ongerustheid op den in 't zwart gekieeden roover, tot wien Andries zijn rode wendde. Ik sidderde.

ocr page 111

91

toen ik hem de werkbrauwen zag samentrekken en op een korten, gebiedenden toon hoorde zeggen; „kent gij hem? — In 't bosch dan met hem!quot;

Dit bevel was nauwlijks geuit of de schelmen namen mij op en sleepten mij tegen de hoogte op en door de struiken.

Een koude rilling liep mij door de aderen; want welk ander oogmerk kon men hebben met mij van den weg af te voeren, dan dat van mij uit te schudden en te vermoorden ? Ik vormde intusschen het vast besluit, mijn leven niet dan ten duurste te verkoopen, en alle middelen, welke list of geweld mij aan de hand mochten doen, ter ontkoming aan te wenden. Voor het oogenblik echter viel er aan geen wederstand te denken; want ik bleef het koude staal tegen mijn nek en den mond van het pistool op de borst voelen; maar, toen wij allengskens wat verder in het kreupelbosch geraakten, waar ik mij met opzet als een levenloos lichaam doorheen liet sleuren, vonden zich de roovers genoodzaakt hunne moordtuigen een oogenblik van mij af te houden; Haentje om een tak af te snijden, die hem in den weg was, en de Zwartrok, om zijn hoed op te rapen, die aan een struik was blijven haken. Ik oordeelde, dat nu het gunstige oogenblik ter mijner verlossing gekomen was; ik rees eensklaps weder op, en mij van Andries, die mij nog vasthield, losrukkende, maakte ik rechtsomkeert, sprong over de mij in den weg staande struiken heen en liep nu al wat ik loopen kon om den heirweg weder te bereiken. Het bleek mij echter daarna dat ik een verkeerden kant had ingeslagen; weldra bevond ik mij, bijna gelijktijdig met de drie knapen, die mij onder de afgrijselijkste vervloekingen achtervolgd waren, op een klein open kampje, met mislukte rogge beteeld, en waar een voetpad dwars doorheenliep. Mijn krachten waren uitgeput; ik bemerkte, dat ik weldra zou ingehaald worden, en keerde mij derhalve als wanhopend om.

„Waagt het niet, mij te naderen,quot; riep ik, mijn stok, dien ik altijd was blijven behouden, met gezwindheid om mij heen zwaaiende.

ocr page 112

92

Mijn houding boezemde den schurken eenig ontzag in. Hij, die de hoofdman der bende scheen, haalde den haan van zijn pistool over.

„Laat die gekheid varen,quot; zeide hij, op mij aanleggende, „of het gaat er door.quot;

„Maak maar gerucht,quot; hernam ik: „de justitie is u al op 't spoor.quot;

„Hij heeft voor den duivel gelijk ook,quot; hernam de Zwartrok, lachende, en stak meteen zijn pistool, dat waarschijnlijk ongeladen was, weder bij zich: „maar, het zal hem weinig baten.quot; Dit zeggende, haalde hij een kort rapier van onder zijn kleederen voor den dag, trok zijn rok uit, en kwam met het ontbloote staal op mij af. Ik verdedigde mij een korte poos, onder het aanhoudend geschreeuw van: „moord! moord! dieven!quot; maar het gelukte eindelijk aan den knaap, die den naam van Haentje droeg, mijn arm te vatten op het oogen-blik dat ik daarmede een stoot van den hoofdman afweerde: en te gelijkertijd voelde ik mij door Andries bij de beenen grijpen en van den grond lichten. Ik stortte voorover, en achtte mijn laatste uur geslagen te zijn, toen ik op het onverwachts een krachtigen vuistslag op het hoofd van een mijner bespringers hoorde klinken en Andries naast mij op 't gras zag neertuimelen. Ik rees op, en ziet! de vreemdeling-met den rooden mantel stond met opgeheven hand aan mijn zijde. Hij droeg geene wapens en toch schenen zijn forsche houding, zijn onverwachte verschijning en de krachtige wijs, waarop hij Andries het gewicht van zijn arm had leeren kennen, diens makkers met verbijstering te hebben geslagen: althans zij bleven een wijl besluiteloos staan. Echter vatteden zij weldra weder moed: en terwijl Haentje zijn mes opraapte, dat hem bij de worsteling ontvallen was, liep de hoofdman met opgeheven staal mijn redder te gemoet.

„Hoe is het. Zwarte Piet? Kent gij mij niet meer?quot; vroeg deze, zonder zich te verroeren, en hem strak aanziende.

„Is het wel mogelijk!quot; zeide Zwarte Piet, met verbazing,

ocr page 113

93

terwijl hij zijn rapier zakken liet, en zijn hoed haastig afnam: „zijt gij het zelf, Kapitein! of is het uw geest?quot;

De andere roever wilde toespringen, maar de hoofdman deed hem door een wenk op zijn plaats blijven.

„Is dat uw handwerk tegenwoordig?quot; vervolgde de Roodmantel, op een verwijtenden toon: „moest ik zoo iets verwachten van iemand, die onder mij gediend heeft?quot;

„Ja, Kapitein!quot; zeide Zwarte Piet, met een deemoedig gezicht, en zijn hoed tusschen de handen wrijvende: „wat zal ik u zeggen? 't Is een slechte tijd, en .. .

„Geen woord meer!quot; hernam de vreemdeling: „neem uwen makker op, zoo hij niet loopen kan: en zorgt, dat gij voor den nacht alle drie den omtrek van Kaarden verlaten hebt, of gij zult de galg niet ontsnappen, dat beloof ik u.quot;

De roover zette, zonder eene letter te antwoorden, den hoed weder op het hoofd, stak zijn rapier in de scheede, trok zijn rok aan, en gelastte Andries op te staan en hem te volgen. De schelm, die intusschen weder was bijgekomen, voldeed terstond aan het eerste gedeelte van het verzoek, maar had naar het tweede geen ooren.

„Voor den d. .. .!quot; zeide hij, den vreemdeling en mij met een woedenden blik aanziende: „zullen wij vlag strijken, zonder die schooiers nog eens de volle laag te geven?quot;

„Ja!quot; zeide Haentje, zijn hoofdman met bevreemding aanziende: „ik begrijp niet. .. .quot;

„Gij begrijpt niet?... Gij behoeft ook niets te begrijpen, domme ezels die gij zijt,quot; zeide Zwarte Piet, hen elk bij een arm nemende: „gij ziet den man, die daar staat: zoo hij mij gelastte u beiden op te hangen, ik zou het doen ook, voelt gij. Kom! kom! geen praatjes meer. Gij weet, waar wij elkander terugvinden en maakt dat gij van hier komt, of ik zal u beenen maken.quot;

Hoewel de twee schelmen vrij wat forscher uiterlijk hadden dan hun hoofdman, schenen zij echter gewoon van voor den zedelijken invloed des laatsten hetzelfde ontzag te voeden, als deze wederkeerig aan den vreemdeling betoonde: en, schoon

ocr page 114

94

eenigszins brommende en schoorvoetende, trokken zij langs verschillende kanten het bosch in en weldra uit ons gezicht.

„Is er nog iets van uw dienst, Kapitein?quot; vroeg de roover, zoodra zij vertrokken waren, den vreemdeling beleefd naderende.

Deze vergenoegde zich met van neen te schudden.

..Indien gij mijn diensten uoodig mocht hebben,quot; vervolgde hij: „mijn adres is altijd te bevragen bij Maaike Katers, in den Duivelshoek, te Amsterdam.quot;

Hier zweeg hij plotseling en sloeg een argwanenden blik op mij :

,.Ik heb mij daar mooi verpraat,quot; zeide hij; „maar!quot; hier werd de toon zijner stem. die, zoodra hij tegen den vreemdeling sprak, beleefd en welluidend was, weder kort en scherp; „Mijnheer! gij zijt gewaarschuwd, voorzichtig te zijn.quot;

„Ik zal dat alles wel schikken,quot; zeide mijn redder. „Maak maar. dar gij nu van hier komt, en gij zult niets te vreezen hebben.quot;

De roover glimlachte op eene wijze, welke zien liet, dat hij geheel tevreden gesteld was, boog zich en was spoedig uit ons gezicht.

ZESDE HOOFDSTUK,

WAARIN ONZE HELD VOOR DE TWEEDE REIS OP DENZELFDEN DAG GEVAAR LOOPT VAN ZIJN HART TE VERLIEZEN.

Ik had dit gansche tooneel met een stomme verbazing beschouwd, onbekwaam om de betrekking te verklaren, welke er tusschen mijn redder en den hoofdman der roovers bestond, en dezen zoo gedwee het veld voor hem ruimen deed. Was de ontzagverwekkende vreemdeling misschien ook zelf het hoofd geweest eener meer uitgebreide bende? en moest ik zijn invloed op Zwarten Piet, en den naam van Kapitein, dien deze hem

ocr page 115

gaf, daaruit afleiden? Wat hiervan wezen mocht, ik voelde mij van eerbiedige bewondering doordrongen voor den man, die, wapenloos, en, bijna alleen door het vermogen van zijn wil, mij uit de handen van drie boosdoeners verlost had: en, zoodra het geritsel der struiken, waardoor zich Zwarte Piet een weg baande, en waarnaar de vreemdeling aandachtig scheen te luisteren, geheel had opgehouden, begon ik, in de warmste bewoordingen, mijn erkentenis aan hem uit te drukken voor den dienst, dien hij mij bewezen had.

Hij ontving mijn betuigingen met koelheid: „al genoeg,quot; zeide hij, na een poos zwijgens: „ik was u wederkeerig een dienst schuldig, ter vergelding van dien, welken gij mij hedenmorgen bewezen hebt.quot;

„Geloof, Kapitein!quot; zeide ik, hem den titel gevende, welken Zwarte Piet omtrent hem gebezigd had, „dat mijn dankbaarheid . . ..quot;

„Verschoon mij!quot; viel hij mij kortaf in de rede: „ik heb thans geen tijd om al het fraais aan te hooren dat gij mij zeggen wilt. Ik heb iets op den weg verloren en moet mij haasten het op te zoeken; want het is allemans gading, en . . ..quot;

„Een groene beurs!quot; riep ik uit, verheugd over de gelegenheid, welke zich aanbood van hem op mijne beurt een dienst te bewijzen.

„Hebt gij haar gevonden?quot; vroeg hij, terwijl hij al rechts en links van het pad langs den grond keek.

„Zij bevatte goudstukken,quot; vervolgde ik: „enbovendien .. ..quot;

„En een ring met een stempel,quot; zeide hij, den volzin besluitende.

„Hier is zij,quot; hernam ik, de beurs voor den dag halende, en met blijdschap aan den eigenaar ter hand stellende, „door mij te redden hebt gij meteen uw eigendom geredquot; — en ik verhaalde hem, hoe die beurs de voorname aanleiding wa.s geweest mijner ontmoeting met de roovers.

„Het is als ik gedacht had,quot; zeide de Kapitein: „ik heb den voerman op den weg betaald en toen zeker de beurs naast mijn zak in de plaats van er in gestoken. Gij hebt mij

ocr page 116

96

inderdaad een gewichtigen dienst bewezen. Te oordeelen naar uw wezen en uw spraak,quot; vervolgde hij. terwijl hij mij met opmerkzaamheid beschouwde; „schijnt gij tot een deftigen stand in de maatschappij te behooren en zou ik u misschien met een aanbieding beleedigen. Daar echter uw plunje geen weelde aanduidt, meen ik niet onbeleefd te handelen, door u een geringe douceur voor de genomene moeite te schenken.quot; En terzelfder tijd nam hij een paar goudstukken tusschen de vingers en stak mij die toe.

„Ik dank u,quot; zeide ik: „uw aanbieding is zoo bescheiden gedaan, dat zij mij niet beleedigen kan. Ik behoef geen belooning, ik ben de zoon van den Heer Huyck, den Hoofdschout van Amsterdam, en zoo ik u van eenigen dienst kan zijn . . .

„Zoo!quot; zeide hij, terwijl zijn gelaat zich op een zonderlinge wijze samentrok: „de zoon van den Hoofdschout moest zich, minder dan iemand, alleen wagen op onveilige wegen.quot;

Hier zweeg hij een poos, deed het geld weder in de beurs en vervolgde op deze wijze;

„Het was ongetwijfeld uw voornemen heden tot Naarden te gaan.quot;

„Ik vrees,quot; zeide ik, „dat het te laat zal zijn de stad nog voor poortsluiten te bereiken: ook hoor ik de klok niet meer luiden; echter zou ik van meening zijn, dat ik derwaarts behoor te gaan, om rapport te maken van de ontmoeting, die mij is overkomen.... en zoo UEd. mij wildet vergezellen ____quot;

„Dat noem ik spreken, gelijk den waardigen zoon eens Hoofdschouts betaamt,quot; zeide de vreemdeling, met een ge-maakten lach: „maar ik voor mij gevoel geene roeping om aan de bruggen mijn keel heesch te schreeuwen en bij eiken schildwacht een half uur te wachten tot de korporaal dei-ronde komt, en dan van de beleefdheid van dezen af te hangen om teruggezonden te worden of den halven nacht in het wachthuis door te brengen, ten einde de zotte verhoeren te ■ondergaan, welke bij een zoodanige gelegenheid nooit missen.quot;

ocr page 117

97

„Zooals UEd. wil,quot; zeide ik: „doch ik meen dat er aan deze zijde buiten de poort een vrij goede herberg is, Jan Tabak of een dergelijken naam voerende; — zoo wij daarheen gingen en iemand zonden, om . . .

„Niets van dat alles,quot; zeide de vreemdeling, met de hand een ongeduldige beweging makende: „laat Zwarte Piet met zijn bende elders gaan om zich te doen ophangen: ik wil de koord daartoe niet spinnen. Wat u betreft, handel zooals gij het goedvindt: ik schrijf u geene wetten voor; maar zoo gij mij gelooft, en er eenigszins prijs op stelt om mij genoegen te geven, zult gij hedenavond niet naar stad gaan; integendeel stel ik u voor tot mijnent te vernachten: en zoo gij de eenvoudige huisvesting voor lief nemen wilt, welke een eenvoudige boerenwoning u kan verschaffen, zal ik mij aan u verplicht rekenen.quot;

Ik beken, dat ik eenigszins over deze aanbieding verzet stond, en aarzelde, hoe die te beantwoorden. Juist de schijnbare gulheid en openhartigheid, waarmede zijn voorslag gedaan werd, boezemden mij wantrouwen in; want ik wist die niet te rijmen met de geheimzinnigheid, welke zijn overige daden en gezegden tot nog toe omsluierd had, en het kwam mij onverklaarbaar voor, dat iemand, die zich voor 't overige gedroeg, als wilde hij alle nasporing en onderzoek ontwijken, de onvoorzichtigheid zou hebben, een hem onbekenden jongeling, en dat nog wel den zoon eens Hoofdschouts, in zijn verblijf toe te laten, ja te noodigen. Met dat al, ik gevoelde weinig trek om alleen stadwaarts te kuieren en mij nogmaals bloot te stellen aan een ontmoeting met de lieden, uit wier handen ik zoocven verlost was: nieuwsgierigheid spoorde mij aan, om nader uit te vorschen, wie toch mijn redder wezen mocht: en dit een en ander te zamen gevoegd deed mij besluiten het gedane voorstel te aanvaarden, onder de betuiging mijner erkentelijkheid en tevens van de hoop, dat ik door mijn verblijf geen ongelegenheid aan mijn gastheer zoude veroorzaken.

„Volstrekt niet,quot; zeide deze, terwijl hij met haast het voetpad weder insloeg, hetwelk hij was langs gekomen: ,, alleen

i. - F. H. 7

ocr page 118

98

door hier te blijven draaien, zou ik in ongelegenheid kunnen geraken.quot;

„In dat geval vergezel ik u terstond,quot; zeide ik, en volgde hem op het ingeslagen spoor. Het paadje geleidde ons weldra op een hollen dwarsweg, aan weerszijden dicht begroeid met doornestruiken, en door de gevallene regens op vele plaatsen zoo vol water staande, dat men werk had voort te komen.

,'t Is hier slecht wandelen. Kapitein!quot; zeide ik, mijn voet losrukkende, die in de modder was blijven steken.

„Dat kan ik niet ontkennen,quot; antwoordde hij: „maar mag ik vragen, waarom gij mij den titel van Kapitein toekent?quot;

„Ik heb u door een dier lieden van zooeven aldus hooren noemen,quot; hernam ik.

„Wel mogelijk!quot; zeide hij, met een spottenden blik naar mij omziende: maar omdat die gekken mij zoo noemen, moet daarom een verstandig jongmensch hun voorbeeld volgen? Ik heb op dien naam thans even zoomin aanspraak als op dien van Czaar, waarmede gij mij van morgen vereerd hebt. Gij kunt alle titels met mij sparen,quot; vervolgde hij op een vrij hoogen toon; „ik heet eenvoudig Bos.... althans voor het tegenwoordige.quot;

Ik zweeg en volgde, gelijk een hond die een kastijding ontvangen heeft, zonder verdere woordenwisseling mijn geleider, wiens groote stappen ik moeite had bij te houden. Ik dacht, dat die fatale holle weg nimmer zoude eindigen, toen wij ten laatste aan een klein boerenhekje kwamen, hetwelk de Heer Bos openstootte en waar wij doortrokken. Een vrij smal pad. hetwelk door een dichtvallend hekje gesloten was, bracht ons weldra van achteren op een moestuin, aan welks einde ik een landhoeve gewaarwerd, welke ik veronderstelde, dat het doel onzer wandeling zijn zoude.

Ik bedroog mij niet. Op het geblaf van een naast de deur aan een ketting gelegen mopshondje, ging de voordeur open, en een zwarte gedaante, van welke de meer en meer vallende duisternis mij alleen toeliet de vormen te onderkennen, trad

ocr page 119

99

haastig naar buiten en fluisterde van verre: „Zijt gij het, Vader?quot;

„Stil! stil!quot; antwoordde deze: „ik kom niet alleen____dezen

weg op, Mijnheer! .... waar is de oude Martha?quot;

„Bezig met het avondeten te bereiden,quot; antwoordde de dochter op een nog flauweren toon, terwijl ik meende te bespeuren, dat zij niet weinig verwonderd was over de aankomst van een zoo onverwachten gast als ik.

„'t Is wel!quot; antwoordde haar vader, binnentredende: „breng Mijnheer in het opkamertje: hij zal van nacht hier blijven : ik ga even met Martha overleggen, waar wij hem huisvesten zullen.quot;

Dit zeggende, opende hij de deur van een soort van keuken, alwaar ik een oude vrouw zag nedergehurkt en bezig met koeken te bakken. Hij trad binnen en, de deur achter zich sluitende, liet hij mij met zijn dochter alleen, beiden voorzeker evenzeer met onze figuur verlegen. De Jonge Juffer althans oogde haar vader met verbazing na en wendde vervolgens de vragende blikken op mij.

Ik begreep dat de welvoeglijkheid eenige verontschuldiging vorderde.

„Mejufier!quot; zeide ik: „ik vrees, dat ik hier ongelegenheid zal veroorzaken; maar Mijnheer uw vader heeft gewild, dat....quot;

„Wat mijn vader begeert, moet volbracht worden,quot; antwoordde zij, met een vaste stem en een deftige hoofdbuiging: „wees zoo goed mij te volgen.quot; Dit gezegd hebbende, keerde zij zich om en besteeg een trapje, dat naar een klein vertrekje geleidde, waar binnen ik haar volgde.

Zij schoof mij een stoel toe: ik nam echter geen plaats; maar bleef met de eene hand op de leuning rusten: mijn hoofd was zoo vol en al mijn denkbeelden door de vreemde ontmoetingen van den dag zoo verward, dat ik nauwelijks wist of ik droomde, dan of ik waakte. Intusschen bleef mijn geleidster over mij staan, in de houding van iemand, die een opheldering verwacht, en ik achtte het mijn plicht, haar die te geven.

„Uw Heer vader,quot; zeide ik, „heeft mij zooeven het leven

ocr page 120

100

gered. Zonder zijn grootmoedige tusschenkomst had het- er slecht met mij uitgezien.quot;

,.Is ii eenig ongeval overkomen?quot; vroeg zij, op een deel-

nemenden toon.

Ik was op het punt, haar mijn wedervaren te verhalen, toen het denkbeeld mij opeens voor den geest kwam, dat mijn gastheer het wellicht niet zou goedkeuren, zoo zijn dochter van het voorgevallene onderricht en alzoo noodeloos verontrust werd. Ik vergenoegde mij dus met te antwoorden; „uw Heer vader zal u voorzeker wel zelf willen mededeelen, op welke wijze hij zich een eeuwige aanspraak op mijn dankerkentenis verworven heeft.quot;

„Maar neem toch plaats. Mijnheer!quot; hernam zij, na eenige oogenblikken zwijgens, waarschijnlijk bespeurende, dat ik niet genegen was, haar verder bescheid te geven. „Mijn vader zal ongetwijfeld dadelijk hier zijn. Vergun mij u een oogenblik hier alleen te laten. Ik ga eens zien, of ik hem ook van dienst kan zijn.quot;

Met deze woorden zweeg zij en vertrok, de deur zorgvuldig

achter zich sluitende.

Mijn eerste beweging, zoodra ik mij alleen bevond, was, op mijne knieën te vallen en den innigen dank mijns harten te brengen aan den Almachtigen God, die mij zoo genadiglijk uit het doodsgevaar verlost had. Niet slechts om mijnentwille dankte ik Hem, maar ook voor mijn ouders en dierbaarste betrekkingen; want ik ijsde op het bloote denkbeeld van hun ontsteltenis en rouw, indien zij eens vernomen hadden, dat die zoon, wiens leven op een zoo langdurige reis en in vreemde landen in gezondheid was gespaard gebleven, in zijn eigen vaderland en zoo nabij het doel zijner bestemming-door het moordend staal van roovers ware gevallen. Ik bleef een geruimen tijd in die gestalte; want mijn gemoed was vol en mijn ziel in een staat van hooge spanning: een natuurlijk gevolg van mijn toestand. Toen ik oprees, voelde ik mij vermoeid en afgemat, en zonk met gesloten oogen en gevouwen handen op mijn stoel neder.

ocr page 121

101

Langzamerhand begonnen mijn denkbeelden op te klaren; de ontmoeting met de dieven speelde mij nog wel voor den geest; maar meer nog trof mij de zonderlinge gril van het noodlot, die mij tweemalen op eenen dag, en telkens op een zoo vreemde wijze, in kennis met een onbekende Juffer bracht. Ik gevoelde thans echter minder opgewektheid dan des morgens om mijn hof aan mijn gastvrouw te maken en bij haaiden galanten ridder te spelen; de doorgestane nattigheid, vermoeienis en schrik, en een zekere ongerustheid, welke ik voedde omtrent hetgeen nog volgen moest, zouden mij daartoe buiten staat hebben gesteld.

De jonge Juffer bleef intusschen weg, en ik moet tot mijn schaamte bekennen, dat mij dit eenige ongerustheid begon te baren; vooral in aanmerking der omstandigheid, dat zij den grendel op de deur geschoven had, en dat ik mij dus in het kamertje opgesloten en gevangen bevond. „Wie weet,quot; dacht ik nu, „of die Heer Bos, of zooals hij heeten mag, niet eenig voornemen omtrent mijn persoon koestert? Het is duidelijk, dat hij onbekend wil zijn; zou hij ook de verspieder zijn van deze of gene vreemde mogendheid, en geheime plannen vormen, verderfelijk voor het Gemeenebest ? Ik ben lang uitlandig geweest en dus niet op de hoogte, om goed met onzen politieken toestand bekend te zijn. Er is misschien een omwenteling, een oorlog ophanden. Deze man kan een avonturier zijn, een hoofd van kwalijkgezinden, die mij gevangen wil houden, uit vreeze dat ik zijn aanwezigheid alhier aan mijn vader verklikken zal.quot;

Ik bleef bij dit laatste vermoeden staan, hetwelk mij, alles overdacht hebbende, het aannemelijkste voorkwam, en hield mij intusschen bezig met het opnemen van het kamertje, dat ik nu oordeelde mij ten kerker te verstrekken.

Dit onderzoek was spoedig volbracht. De meubelen bestonden uit een vermolmd, wormstekig noteboomhouten kabinet, op gedraaide pooten, hetwelk naast de deur stond en met drie porseleinen vazen pronkte, in eene van welke een ruiker van verlepte goudsbloemen geplaatst was. Daartegenover bevond

ocr page 122

102

zich de kleine, met gewast taf bedekte tafel, aangeschoven tegen het venster, dat in lood was gezet en met drie ijzeren bouten voorzien, welke alle gedachte op ontkoming van die zijde verijdelden. Bij de tafel stonden drie gemeene houten stoelen: de beide vakken rechts en links waren betimmerd met dubbele deuren, die vermoedelijk bedsteden verborgen.

De avond begon te vallen, en ik ongeduldig te worden: juist wilde ik beproeven of ik de deur niet kon openen en onder het een of ander voorwendsel naar beneden gaan, toen ik een bedaarden stap op de trappen hoorde. De grendel week en de dochter mijns gastheers stond voor mij, met een glas water in de hand.

„Mijn vader heeft mij alles verhaald,quot; zeide zij, met een eenigszins ontstelde stem; „wij ook zijn u dank verschuldigd: ik heb gedacht, dat gij wellicht zoudt verlangen, iets te drinken .... en ik geloof, niet ten onrechte; maar ga toch zitten: gij beeft er, dunkt mij, nog van.quot;

Zij reikte mij het glas toe; ik wilde het aan den mond brengen, maar juist toen zag ik, dat het troebel was: de gedachte, of er ook een slaapdrank in gemengd was, kwam mij pijlsnel voor den geest.

„Neem het maar,quot; vervolgde zij: „'t is klaar water, waarin ik eenige droppels spiritus heb gedaan. Ik zou u gaarne wijn aanbieden; maar dien hebben wij niet.quot;

Ik schaamde mij nu over mijn argwaan: en het meisje, dat zoo minzaam en hartelijk tegen mij sprak, geen minder vertrouwen waardig achtende dan Alexander aan zijn geneesheer betoonde, dronk ik hot glas in langzame teugen ledig.

„Te veel goedheid!quot; zeide ik, terwijl mijn tanden tegen het glas kletterden: „inderdaad! gij komt mijn verlangen voor; want ik schaam mij niet te erkennen, dat mij dat geval van zooeven eenige ontsteltenis veroorzaakt heeft.quot;

„Men zou van iets minder kunnen ontstellen,quot; zeide zij: „althans wanneer men aan dergelijke schriktooneelen ongewoon is; maar helaas! men went aan alles.quot; voegde zij er op een droefgeestigen toon bij.

ocr page 123

103

„Hoe, Mejuffer!quot; zeide ik, eenigszins verwonderd, en hopende door mijn vraag den draad van het geheim machtig te worden: „is u ooit iets dergelijks overkomen?quot;

„Er zijn droevige omstandigheden van verschillenden aard,quot; antwoordde zij: „het tooneel, dat hedenmorgen te Soest plaats had, was reeds genoeg om iemand schrik aan te jagen.quot;

„'t Is waar ook! Gij moet u toen in die huifkar niet op uw gemak bevonden hebben. Weinig dacht ik, zoo spoedig en op zulk een vreemde wijze, kennis te zullen maken met de persoon, die zich daarbinnen aan ieders oog onttrokken hield.quot;

„Ach!quot; zeide zij, op een weemoedige wijze het hoofdschuddende : „mijn vader heeft geglimlacht, toen hij mij verhaalde met welk een kluchtigen vond gij ons een veiligen aftocht bezorgd hebt. Hij had dit sedert jaren niet gedaan.quot;

„Hij schijnt vele wederwaardigheden ondergaan te hebben,quot; ^zeide ik.

„Gave God,quot; hernam zij, „dat wij daarvan slechts in den verleden tijd mochten spreken!quot;

Hier zweeg zij, en zich omwendende, wischte zij een traan uit het oog. Ik wist niet, hoe het gesprek weder te beginnen: het innige zielelijden, hetwelk haar scheen te beheerschen, boezemde mij eerbied in, en in de stemming, waarin zij zich bevond, vreesde ik een gezegde te wagen of een uitdrukking te bezigen, die haar gemoed op dezelfde onaangename wijze zou kwetsen als een valsche toon de ooren eens kenners. Van een anderen kant, dacht ik, zou het misschien onbeleefd kunnen geacht worden, het gesprek geheel te laten vallen; en ik waagde derhalve de volgende vraag:

„Deze hoeve is ongetwijfeld uw gewone huisvesting niet.quot;

„Helaas! Mijnheer!quot; antwoordde zij op een toon, die mij tot in de ziel roerde: „wij hebben geen huisvesting, die wij de onze kunnen noemen.quot;

„Niet, Mejuffer!quot; zeide ik; „dan moet ik des te meer mijn vrijpostigheid beschuldigen, van u door mijn bijzijn nog grooteren last te veroorzaken.quot;

„Verschoon mij,quot; hervatte zij, zich herstellende: „mijn

ocr page 124

104:

vader heeft u, geloof ik, reeds gezegd, dat die last niet noemenswaardig is. Integendeel,quot; voegde zij er fluisterend bij, „ik ben overtuigd, dat hij u niet herwaarts zoude gebracht hebben, indien hij niet van oordeel ware geweest, dat zulks niet tevens het raadzaamst ware voor onze veiligheid.quot;

Dat was wel juist hetgene, waar ik ook van overtuigd was; maar toch klonk het mij eenigszins vreemd, de openhartige bekentenis daarvan uit haren mond te vernemen. Ik meende dan ook te moeten te kennen geven, dat ik geenszins de dupe der uitnoodiging van den Heer Bos geweest was.

„Het spijt mij, Mejuffer!quot; zeide ik, „dat uwe woorden mij bevestigen in een vermoeden, hetwelk ik reeds als onwaardig had onderdrukt, dat namelijk uw Heer vader mij verdenken kon van hem te zullen verraden.quot;

„Verraden!quot; herhaalde zij, terwijl ik haar oogen, niettegenstaande de duisternis, welke reeds in het vertrek begon te heerschen, zag schitteren van verontwaardiging: „indien hij u daartoe bekwaam had geacht, zou hij u dan hier gebracht en vrijwillig met zijn schuilplaats bekend gemaakt hebben? Wat wist gij van hem, dat gij zoudt kunnen verraden ?. maar vergeef mij, Mijnheer, ik spreek als een onverstandig meisje over zaken, waarover het zwijgen mij beter voegde. Erger u niet over de woorden, die ik mij ontvallen liet: de zonderlinge, de valsche toestand, waarin wij ons bevinden, vergunt mij niet, u duidelijker uit te leggen wat ik meene en gevoele. Gij zult geen misbruik maken van een uitdrukking, die mij onbedacht ontsnapte. Een woord van u zou ons niet alleen, maar ook de arme vrouw, die deze hoeve bewoont, in 't ongeluk storten. Zeg mij, dat ik in u hetzelfde vertrouwen mag stellen, hetwelk mijn vader toont jegens u te voeden: zeg mij, dat gij de wetten der gastvrijheid eerbiedigen zult.quot;

„Mejuffer!quot; antwoordde ik, getroffen en verbaasd over deze uitboezeming van schijnbaar onsamenhangende woorden, welke mij per slot even wijs lieten als ik bij den aanvang was: „gij zegt wèl, dat ik, al wilde ik ook, omtrent uw vader of u niets zou kunnen verraden; want niet alleen, dat mij niets

ocr page 125

105

ten uwen opzichte bekend is; maar ook de plaats van uw tegenwoordig verblijf zal niemand van mij vernemen, indien dit althans uw verlangen is; — zou ik iets kunnen weigeren aan hem, die mij het leven gered heeft? —• Het smart mij maar, dat iemand, van uwe kunne en jaren, genoodzaakt is zich schuil te houden, in stede van zich met opgeheven hoofd in de samenleving te vertoonen, waarvan zij zeker een sieraad zou uitmaken.quot;

Deze laatste woorden sprak ik op een zeer koelen toon uit, opdat zij er niet den minsten zweem eener plichtpleging in zou bespeuren. Haar antwoord toonde mij ook, dat zij die niet als zoodanig had opgevat.

„Men kan niet betreuren, wat men nooit gekend heeft,quot; zeide zij, weemoedig het hoofd schuddende: „en voorzeker zou ik mij kwalijk geplaatst vinden in die samenleving, welke gij bedoelt. Het weinige echter, dat ik daarvan gezien heb, is mij niet uitlokkelijk genoeg voorgekomen om mijn gedachten lang bezig te houden of die af te trekken van de roeping, die mij hier op aarde is aangewezen.quot;

Ik bleef eenigszins verlegen staan, niet wetende wat te antwoorden op haar betuiging, toen gelukkig voor mij, en ook voor haar, zoo ik mij niet bedrieg, de Heer Bos de kamer binnentrad. Hij had zich van zijn rooden reismantel ontdaan en vertoonde zich nu aan mij in het eenvoudige gewaad van een land-edelman of gegoeden pachter.

„Ik vraag u om verschooning, zoo ik u wat lang heb laten wachten,quot; zeide hij, zich tot mij wendende op een wijze, die wel hoffelijk was, maar toch altijd als die welke men in acht neemt jegens iemand, die een sport lager op de maatschappelijke ladder staat: „ik had beneden nog iets te verrichten: mijn dochter heeft het u, hoop ik, aan niets laten ontbreken . .. . immers, aan niets van hetgeen wij u hier kunnen verschaffen,quot; voegde hij er met een bitteren lach bij.

„Ik wTeet niet, wat ik voor het oogenblik zou kunnen verlangen,quot; zeide ik, „of het zou een gelegenheid moeten zijn om mijn aangezicht en mijn kleederen te ontdoen van

ocr page 126

106

het slijk en de modderspatten, die ik op weg heb opgedaan.quot;

„Ga een waschkom halen, Amelia!quot; zeide de Heer Bos; „en een kleerborstel, indien hier een dergelijk meubel te vinden is .... of, hoe kan ik zoo dwaas wezen? ik heb den mijnen immers in den zak.quot;

De jonge juffer vertrok en ik begon mijn plunje een weinig op te knappen, met behulp van den zakborstel, dien mij de Heer Bos had toegestoken. Onder het schuieren trof mij iets blinkends op de keerzijde van den borstel mijn oogen: ik bezichtigde dien van naderbij en zag, dat het een koperen plaatje was, waarop hetzelfde wapen gesneden stond, dat ik op den zegelring ontdekt had. Mijn beweging ontging mijn gastheer niet en, naar het mij voorkwam, maakte die hem eenigszins onvergenoegd; immers, zoodra zijn dochter terug was en het waschwater, dat zij bracht, op de tafel had nedergezet, nam hij den borstel terug, bezag dien en reikte hem toen aan haar over: „verbrand dit meubel,quot; zeide hij.

„Hoe Papa! dien borstel, dien gij zoovele jaren gebruikt hebt en die u nooit verliet!quot; riep zij, hem verbaasd aanziende.

„Verstaat gij niet, wat ik zeg? Mijzelven kost het, van een ouden dienaar te scheiden, al is het maar een boistel, maar wij moeten niets overhouden, dat ons verraden kan. Ga mijn kind! en doe, wat ik u gelast heb: blijf verder Martha maar wat helpen: ik heb, gelijk gij weet, nog wat met dien

Heer te spreken.quot;

Amelia zuchtte en vertrok, het hoofd schuddende en den

borstel beschouwende.

..Zij is er niet in gesticht,quot; zeide haar vader, haar naoogende: „en ik kan het klaar begrijpen; want mijzelf hindert het ook. Men moge het een kinderachtig zwak noemen; maar er bestaat toch bij ons een stellige gehechtheid aan voorwerpen, die wij lang gebruikt hebben en waar wij aan gewoon waren; en er is iets onaangenaams in het verlies daarvan gelegen: hoeveel te lastiger is het dan niet, wanneer men door de noodzakelijkheid gedrongen wordt, die op te offeren .... ja te vernietigen ;____ maar dat daargelaten. Zoodra gij u genoegzaam

ocr page 127

] 07

opgefrischt zult hebben en op uw gemak bevinden, zal ik u een oogenblik gehoor verzoeken.quot;

Ik verlangde niets liever; want ik hoopte nu eindelijk al het geheimzinnige opgeklaard te zien, hetwelk tot nog toe de gedragingen en woorden van vader en dochter verzeld had. Ik haastte mij dus zooveel mogelijk met mijn toilet en plaatste mij toen recht over den Heer Bos in de gemakkelijkste houding, die ik nemen kon. In hoeverre aan mijn verwachting-voldaan werd, zal men in het volgende Hoofdstuk beschreven vinden.

ZEVEXDE HOOFDSTUK,

VERMELDENDE, WAT DE HEER BOS AAN FERDINAND VERTELDE, EN HOE DEZE PER SLOT NOG EVEN WIJS BLEEF, GELIJK OOK HET GEVAL MET DEN LEZER ZAL ZIJN.

„Ik ben overtuigd, Mijnheer Huyck!quot; zeide mijn gastheer na eenige oogenblikken stilte, „dat gij u al vreemde gedachten van mij gevormd hebt, en uw geest gedurende de laatste twee uren vruchteloos op de pijnbank hebt gezet om uit te vor-schen, wie ik toch eigenlijk ben en wat ik met u voorheb.quot;

„Indien dit al zoo ware,quot; zeide ik, „geloof ik van mijn kant te mogen zeggen, dat al wat ik in die twee uren gezien en gehoord heb, niet weinig gestrekt heeft om de denkbeelden on pogingen, die UEd. mij toeschrijft, te rechtvaardigen.quot;

„Dat stem ik u toe. Zelfs de zoodanigen, die zich het minst aan de handelingen hunner medemenschen gelegen laten liggen, zouden, in een geval als het uwe, hunne nieuwsgierigheid geprikkeld gevoelen. Het spijt mij slechts, dat mijn eigene veiligheid mij verbiedt, aan uw weetlust naar vereischten te voldoen.quot;

ocr page 128

108

Ik keek niet weinig op mijn neus- want nu bleef ik even ver als te voren: „wat drommel kan de vent van mij willen?quot; dacht ik bij mijzei ven; „zoo hij mij anders niets te zeggen heeft, waartoe dan die plechtstatige voorbereiding en die inleiding, die meer dan een foppage is?quot;

„Mijnheer!quot; zeide ik: „ik eerbiedig uw geheim en begeer niets daarvan te weten, zoodra UEd. begrijpt het te moeten voor u houden. Indien het echter de vrees is voor mijn onbescheidenheid, welke u zou weerhouden, mij uw vertrouwen te schenken, zoo moet ik u mijn leedwezen betuigen, dat gij geen betere gedachten omtrent mij koestert.quot;

„Xu spreekt gij als alle jonge lieden, die het in hun verheven waan hoogst kwalijk nemen, wanneer men hen niet beschouwt als van een andere klei gevormd dan de overige kinderen van Eva. Keen, Mijnheer Huyck! ik geloof en vertrouw, dat gij een braaf, rechtschapen jongeling zijt, die mij de volstrekste geheimhouding zoudt beloven, en dat wel ter goeder trouw. — Het zou slechts te bezien staan, of gij u altijd in de mogelijkheid zoudt bevinden, die te bewaren.quot;

„Ik begrijp niet,quot; zeide ik, „wat mij zou kunnen verhinderen, mijn woord gestand te doen.quot;

„O! ik begrijp dit des te beter!quot; hernam hij: „en het zal u straks wellicht mede duidelijk worden; — doch ter zake: — want het is niet om u bloot te vertellen dat ik u niets zeggen wil, dat ik dit onderhoud begonnen ben. Ik heb van u twee diensten te vragen; en de betuigingen van erkentenis, die u straks ontvallen zijn, geven mij den moed, daarmede onbeschroomd voor den dag te komen.quot;

„Ik zal de vrijheid nemen,quot; zeide ik, „ UEd. te doen opmerken, dat die betuigingen mij niet ontvallen zijn, maar welgemeend waren. — Wat verder?quot;

„Gij zijt een letterknecht,quot; zeide de Heer Bos; „intusschen, uw opheldering bevalt mij; want zij toont, dat gij niet behoort tot dat slag van menschen, die veel beloven en weinig geven. Dan, gij wildet nog iets zeggen.quot;

„Slechts dit wilde ik er bijvoegen,quot; zeide ik: „dat ik bereid

ocr page 129

109

ben UEd. alle diensten te betoenen, welke niet buiten mijn vermogen liggen of tegen mijn plicht strijden.quot;

„Ziedaar een hoogst voorzichtige en prijzenswaardige restrictie,quot; zeide de Heer Bos, zich de kin wrijvende: „jammer maar, dat men, wanneer het er op aankomt, zoo oneindig veel onder die rubriek van plicht kan brengen, terwijl de perken van het vermogen somtijds zoo bijster eng worden; — doch, wij zullen zien, hoe gij over mijn verzoeken denken zult. Luister! — In de eerste plaats zal het mij aangenaam zijn, dat gij bij niemand, wie het ook wezen moge, iets van onze ontmoeting te Soest, noch van die historie met Zwarten Piet en zijn maats, noch van uw nachtverblijf alhier, eenig en het minste gewag maakt.quot;

„Maar,quot; vroeg ik, „welke voldoende redenen zal ik dan kunnen geven van het oponthoud, dat mij belet heeft, heden mijn reis naar Amsterdam voort te zetten, gelijk mijn stellig voornemen was?quot;

„Daar hebben wij al zwarigheden,quot; zeide mijn gastheer, niet zonder eenige bitterheid: „kunt gij het slechte weer, de vochtige wegen, het misloopen der schuit en honderd andere redenen, die gij zelf beter kunt uitdenken dan ik, niet opgeven aan hen, die recht hebben u daarnaar te vragen?quot;

„Ik ben niet gewoon de dingen anders te vertellen, dan zij zich hebben toegedragen,quot; zeide ik, droogweg: „doch in dit bijzonder geval .wil ik u de belofte doen, te verklaren, dat zoowel het weer, 't geen waar is, als andere omstandigheden, die ik niet noemen kan, mijn reize vertraagd hebben; onder dit enkele beding echter, dat ik aan mijn vader, voor wien ik nooit iets verborgen hield, al wat mij is overkomen, onbewimpeld verbale.quot;

„Aan uw vader!quot; herhaalde de Heer Bos met eenige drift, en terwijl hij zijn stoel verzette. „Het aan uw vader verhalen ? — Is dit kinderpraat of mannentaal ? — Aan uw vader! opdat hij zijn rakkers uitzeilde en zoowel Zwarten Piet en zijn bende als mij en mijn arme dochter in triomf binnen Amsterdam doe sleepen? — Meent gij het oprecht ? of hoe heb ik het met u?quot;

ocr page 130

110

„Geloof, Mijnheer!quot; zeide ik, „dat ik mijn vader genoeg ken, om te weten, dat ik hem iets van dezen aard vertrouwen kan, zonder dat hij er eenig misbruik van maken zal. Denkt gij, dat ik anders de veiligheid van mijn redder in de waagschaal zou willen stellen, of zelfs het leven van dien roover, die, om welke reden dan ook, van zijn opzet heeft afgezien.quot;

„Gij zijt een braaf mensch,quot; hervatte de Heer Bos, na eenige oogenblikken te hebben nagedacht: „ik weet, ik kan u niet beletten aan uw vader, ja aan iedereen, te vertellen wat gij wilt. Dit dilemma wil ik u slechts ter overweging voorhouden: — uw vader is Hoofdschout, en als zoodanig heeft hij, dit weet ik, last bekomen, mij overal op te sporen, en, zoo hij mij vinden kan, mij uit te leveren aan hen, die mijn verderf zoeken. Zoo gij hem dus op het spoor brengt van mijn tegenwoordig verblijf, zult gij dan bij hem, die, zoo ik weet, een gemoedelijk man is, niet, hetgeen gij rechtsgeleerden een pugnaofficiorum noemt, doen ontstaan? Zal hij dan volgens zijn eed niet gehouden zijn den man te doen vatten, dien hij. als den redder zijns zoons, uit dankbaarheid liever sparen zou?quot;

Hier zweeg hij een oogenblik, als om de uitwerking zijner redeneering af te wachten. Ik gevoelde daarvan het gewicht: want ik wist, hoe gestreng en nauwgezet mijn vader was in het betrachten zijner plichten, en hoe het hem zou hinderen, in het bezit te wezen van een geheim, waar hij niet dat gebruik van mocht maken, hetwelk zijn ambt en plicht hem voorgeschreven.

„Daarentegen,quot; vervolgde de Heer Bos: „zoo gij zwijgt, blijft uw geweten en — dat uws vaders in rust. Hij zal te mijnen opzichte de ontvangene bevelen trachten ten uitvoer te leggen en zulks meer onbekommerd doen, daar hij niet weten zal dat hij eenige verplichting aan mij heeft: en gij van uw kant, zult u noch het verwijt behoeven te doen, de oorzaak mijner gevangenneming geweest te zijn, noch dat, van uw vader belet te hebben zijn plicht te volbrengen.quot;

Ik had niets tegen deze redeneering in te brengen; en

ocr page 131

Ill

ofschoon het mij altijd een hinderlijk denkbeeld bleef, iets voor mijn vader te moeten verzwijgen, achtte ik echter in dit bijzonder geval aan het verlangen van mijn gastheer te moeten voldoen.

„Het is wel,quot; zeide ik; „ik beloof u, geen melding van het voorgevallene te maken aan wien het ook zij; doch onder eene uitzondering, welke, zoo ik meen, geheel in uw voordeel is. Indien het u eens niet gelukt, de handen der justitie te ontsnappen, sta mij dan toe, door mededeeling van het gebeurde, mijn vader een gunstige gedachte jegens u te doen opvatten. Misschien kan hij u alsdan van dienst zijn, en zeker zal hij dat, indien het in zijn vermogen is.quot;

„Deze voorwaarde is zoo billijk,quot; zeide de heer Bos, „dat ik die niet slechts volkomen goedkeure, maar u tevens machtig, om, ingeval ik eens buiten gevaar geraak (waarvan ik u alsdan de tijding zal doen geworden), hem insgelijks omtrent het gebeurde in te lichten. — Dit punt alzoo afgesproken zijnde, ga ik over tot mijn tweede verzoek, waartegen ik overtuigd ben, dat gij minder bedenkingen zult opperen, hoezeer de vervulling daarvan u waarschijnlijk meer last zal veroorzaken, dan die van het eerste.quot;

„Ik ben verzekerd,quot; dacht ik bij mijzelven, „dat deze Heer Bos een bankroetier is en mij geld te leen gaat vragen.quot;

„Xa hetgeen ik vroeger gezegd heb,quot; vervolgde hij, „zal ik u niet behoeven te vertellen, dat ik mij niet in Amsterdam kan vertoonen, zonder gevaar te loopen van in de knip te geraken. Hier in den omtrek kan ik mij uithoofde van oude betrekkingen beter schuilhouden en de spionnen van den Baljuw van Gooiland, die ook wellicht nog geen bevelen omtrent mij ontvangen heeft, beter misleiden. Intusschen kan ik mijn arme dochter niet bij mij houden: zij moet in mijn zwervend leven niet deelen; en hare tegenwoordigheid zoude slechts strekken om mijn schuilhoek des te eerder te doen ontdekken. Bovendien moet ik te Amsterdam eenig geld en eenige oude papieren ontvangen : een commissie, waarmede niemand zich zou kunnen of willen belasten, en die ik alleen aan mijn Amelia kan opdragen. Een zekere notaris Bouvelt, die in uwe stad woont,

ocr page 132

112

en wien gij misschien wel zult hebben hooren noemen, zal haar tot zijnent huisvesten en voor een nicht van hem laten doorgaan. Is zij eens daar, dan ben ik niet langer omtrent haar bekommerd; — doch de groote zwarigheid is: hoe komt zij in Amsterdam?quot;

Ik keek eenigszins vreemd op. „Wel Mijnheer Bos!quot; zeide ik: ..er vaart immers om de twee uren een volksschuit van baarden op Amsterdam: en er zijn rijtuigen genoeg te krijgen, zoodat. . . .quot;

„Dat weet ik,quot; hernam hij : „maar ik weet ook, dat huurkoetsiers en schippers gehouden zijn bericht te geven aan den Hoofdschout van al de passagiers, die hun verdacht voorkomen.quot;

„Een jonge Juffer als zij zal toch niet onder de verdachte personen gerangschikt worden,quot; zeide ik.

..Gij bedriegt u. — Ik ben zeker, dat men mijn aankomst wachtende was en mij te Soest en te Eemnes reeds bespiedde. Door onderweg af te stappen, heb ik die krabben wel \ooi een poos het spoor bijster kunnen maken; maar zij zullen het spoedig hervinden. Zij weten, dat ik mijn dochter bij mij heb. Zien zij nu een Juffer, die alleen van Xaarden naar Amsterdam reist en in beschrijving met Amelia overeenkomt, dan weten zij al genoeg, om meer uit te vorschen. Neen! mijn kind moet de reis doen op een wijze, welke hun alle vermoedens ontneemt: en ter bereiking van dat doel wilde ik l voorslaan, haar onder uwe bescherming derwaarts te brengen.

Ik wist niet of ik wel gehoord had, zoo verbaasde mij deze voorslag. Had de Heer Bos mij dien eenvoudig weg gedaan, ik had dien zonder bedenking aanvaard; maar juist de inleiding, welke hij had doen voorafgaan om alle zwarigheden af te snijden, deed er eene menigte bij mij oprijzen. Bemeikende, clat hij op een antwoord wachtte, haastte ik mij zulks te geven, de eerste moeilijkheid, die zich aan mij voordeed, daarbij aangrijpende.

„Mijnheer!quot; zeide ik, ..het ware mij natuurlijk veel eer en genoegen, hot aangenaam gezelschap uwer dochter op de reis te genieten! maar heeft üEd. wel nagedacht, dat juist ik de

ocr page 133

113

minst geschikte persoon ben om haar tot leidsman te strekken ? Wanneer men te Amsterdam, wanneer mijn vader verneemt, dat ik met een onbekende Juffer aldaar ben aangekomen, zal zulks dan niet juist die vermoedens teweegbrengen, die UEd. wenscht te voorkomen?quot;

„Ik zei,quot; zeide de Heer Bos, zich in een ontevredene houding achterover op zijn stoel werpende, „dat gij Amsterdammers allen volkomen dezelfden zijt en honderd redenen tegen eene hebt wanneer het er op aankomt iets te doen, hetwelk met uw gewone sleur van denken en handelen niet volkomen strookt. Zeg liever ronduit: „ik doe het niet,quot; dan weet men waar zich aan te houden.quot;

„Verschoon mij. Mijnheer!quot; hernam ik, een weinig verlegen en denkende hem te bevredigen: „wat mij betreft, zal ik het gaarne doen, en mij niet storen aan hetgeen de kwade tongen mij wellicht mochten nageven; maar . . . .quot;

„De kwade tongen!quot; riep de Heer Bos, opspringende, met een heftige stem, welke mij deed bespeuren hoezeer ik mij versproken had; „wie heeft die meer te vreezen, mijn dochter of gij ? — Wie zal er een jonkman te minder om achten, zoo hij, op reis zijnde, zich liever in de roef bij een jonge Juffer voegt, welke hij bij toeval ontmoet, dan dat hij met den ge-meenen hoop in het ruim gaat zitten ? Neen, indien de laster zich aan een van beiden hechten moet, zij is het, tegen wie hij zijn pijlen scherpen zal. Hoe! een vader bewijst genoeg vertrouwen te stellen in uwe braafheid, om zijn eenigen schat op aarde, zijn brave, engelreine dochter onder uw bescherming te stellen, en gij acht, dat zulk een bescherming uw goeden naam in gevaar zoude brengen? of denkt gij misschien, omdat ik mij niet in 't openbaar vertoonen mag, het recht te hebben, van mijn dochter als een gelukzoekster te beschouwen, als een verworpene, een melaatsche, wier gezelschap besmetting aanbrengt? Mijnheer! gij doet mij op een wreede, op een bittere wijze het rampzalige van mijn toestand en van dien mijner onschuldige, mijner dierbare Amelia gevoelen. Het is mogelijk, dat uw stijve Amsterdamsche kooplieden,

I. - F. H, 8

ocr page 134

114

uw afgepaste Patriciërs, een handelwijze als de uwe zouden toejuichen.... wat mij betreft, wanneer mij iemand een dienst vraagt, zeg ik ja of neen; maar kom niet met gezochte voorwendsels voor den dag.quot;

Mijnheer!quot; zeide ik, toen die vloed van woorden voorbij was, dien het onmogelijk zoude geweest zijn te stuiten: „ik herhaal u, dat ik bereid ben u den gevraagden dienst te bewijzen, en tevens de beschuldiging verre van mij verwijder, als had ik u door eenig gezegde of gedachte willen beleedigen. Omtrent het in de waagschaal stellen van mijn tot heden onbevlekten naam, zal ik niet met u twisten; ofschoon UEd. mij vergunnen zult, daaromtrent mijn eigene meenmg te bewaren: — en, vergun mij dit er bij te voegen, het kan niet anders dan u gerustheid inboezemen, wanneer gij bespeurt, dat gij uw dochter toevertrouwt aan iemand, die zelf meer nauwgezet omtrent dat punt denkt dan gij. Indien ik dus zwarigheden gemaakt heb, deze golden niet mij, maar uw eigene veiligheid en de reputatie van Mejuffrouw Bos.

..Geef mij de hand!quot; zeide hij, naar mij toekomende, „gij zijt een braaf jongeling, en hebt volkomen gelijk. Ik heb vei-keerd gedaan, mij driftig tegen u te maken; want uw bezwaren doen u eer aan. Ik hoop, dat deze rondborstige bekentenis u vergenoegen zal; - ik ben nooit gewoon geweest, verschooning te vragen; en het zou mij spijten, u op eeu andere wijze voldoening te moeten geven.quot;

Ik verzekerde hem, dat ik volkomen tevreden was over zijn gulle bekentenis, en kon niet nalaten, onderwijl m mij-zelven te lachen over de zotte veronderstelling, dat ik, om al de avonturen van den dag, die bijna met een messengevecht begonnen waren, waardiglijk te bekronen, die zoude sluiten met een geregeld duel tegen mijn bevrijdei. ^

„Om verder op uw bedenkingen nog eens terug te komen,quot; zeide hij: „vergun mij u te herhalen, dat het alleen van hiei tot aan de poort van Amsterdam is, dat mijn dochter u lastig zal vallen. Eens daar zijnde, zal zij haar weg wel vinden. De schipper zal u kennen of niet, dit doet tot de zaak niets

ocr page 135

115

af: in het eerste geval zal hij niet noodig achten aan den Hoofdschout eenig rapport te geven, dat zijn zoon met of zonder dame van de reis terug is: in het tweede zal hij insgelijks geen vermoeden tegen Amelia koesteren; want hij zal u beiden voor broeder en zuster aanzien, en, daar gij niet aan de beschrijving beantwoordt, clie van mijn persoon gegeven is, ook verder geen acht op u slaan. — Mocht men eens naderhand van u willen weten, met welke Juffer gij gereisd hebt, zoo kunt gij den onbescheiden vrager het antwoord schuldig blijven: en aan hem, die recht heeft de vraag te doen, eenvoudig zeggen, dat gij aan een Juffer, wier naam u onbekend was, die kleine diensten en beleefdheden op reis bewezen hebt, welke ieder wei-opgevoed man aan de zwakkere sekse verschuldigd is.quot;

Ik had nu niets te doen dan toe te stemmen, en ik deed dit ook, hoewel een geheime stem mij te kennen gaf, dat ik mij op een maalstroom van draaierijen en verwarringen inscheepte, waaruit ik mij niet dan met moeite zou redden.

„Mag ik nog eene vraag doen?quot; zeide ik ten slotte: „is Mejuffrouw Bos reeds van het gemaakte plan onderricht? — en stemt zij er gaaf in toe, zich aan een onbekende te vertrouwen ?quot;

„Mijn dochter heeft nooit een anderen wil gehad dan die haars vaders,quot; antwoordde hij: „en in dit geval heeft zij met mij de noodzakelijkheid dezer schikking ingezien; — doch gij zult het haar zoo aanstonds zelf kunnen vragen; want ik hoor haar komen, 't Is of zij geraden had, dat de zaak juist beklonken was.quot;

„Mag men binnenkomen?quot; klonk nu de stem van Amelia, buiten de deur.

„Brengt gij het licht met u?quot; vroeg haar vader. — Wij hadden het wel noodig, want het was gedurende ons gesprek stikdonker geworden.

„Het licht en het avondeten,quot; antwoordde zij.

„Wacht dan een oogenblik,quot; hernam de Heer Bos: „dan zal ik eerst de blinden sluiten. Men mocht ons van buiten

ocr page 136

llü

bespeuren: en men kan geen genoegzame voorzorgen nemen.quot;

Dit gezegd hebbende, sloot hij het luik en liet vervolgens Amelia in. Zij droeg in de eene hand een flesch. waarop een aangestoken kaars stak, op den arm een servet, en in de andere hand een blikken trommel, welke ik giste gevuld te zijn met de eetwaren, te Eemnes gekocht. De oude Martha volgde met een kruik bier, en een bord, waarop zich een bierglas, een wijnkelkje, een kommetje, een papiertje met zout, een peperbos, twee stalen vorken, een tinnen lepel en drie messen van verschillend fatsoen bevonden.

„'t'Zeischap zal zich motten behelpen,quot; zeide laatstgenoemde, terwijl zij Mejuffrouw Bos hielp aan het dekken der tafel en het uitpakken van de trommel. „We kunnen het zoo op zijn elfendertigste niet bezorgen: niet, of er bennen hier wel wat fijne glazen en borden ook, dat beloof ik; maar die heit Mevrouw achter :t slot.quot;

..Aha!quot; dacht ik bij mijzelven: ,,'t is dus een Mevrouw, aan wie deze woning behoort, 't Is nu de vraag, of zij weet, aan welke gasten in dit oogenblik op haar erf huisvesting verleend wordt.quot;

Onder dit alles nam ik de oude vrouw eenigszins nauwkeuriger in oogenschouw: ik meende mij te herinneren, haar nogmaals gezien te hebben, ofschoon waarschijnlijk jaren geleden: daar echter die grauwe oogen met roode randen voorzien, die puntige neus, dat gelaat, waarop de sporen des ouderdoms die der kinderziekte begonnen te vervangen, die ingevallen, tandelooze mond en scherpe kin, die gebogen gang en bevende stem, onder de kenmerken behoorden, welke aan meer dan eene bedaagde boerin passende zijn, ontgaf ik mij dit. Een vrij eenvoudig toeval wekte echter nieuwe vermoedens bij mij op. Martha liet namelijk, onder het in orde brengen van den disch, een mes van de tafel vallen. Ik was er spoediger bij dan zij, om het op te rapen, en overhandigde het haar. Toen zij het van mij aannam, zag zij mij in 't gezicht en opeens begon zij over al haar leden te beven.

..Heilige Maagd!quot; zeide zij: „is het mogelijk!....quot;

ocr page 137

117

„Wat is mogelijk?quot; vroeg de Heer Bos: „kent gij dien Heer?quot;

„Waarlijk!quot; antwoordde zij; „ik weet niet.... maar die Heer lijkent zoo sprekend op een neefje van Mevrouw, die wel eensjes bij ons kwam, jaren geleden .... Maar het kan toch niet wezen. Immers ... .quot;

„Kom, oudje!quot; viel de Heer Bos in, wien kennelijk de wending van het gesprek niet beviel: „gij kunt Mijnheer niet kennen, die hier vandaag voor het eerst in 't land komt. Ga maar naar de keuken en stel die dwaze denkbeelden uit uw gedachten.quot;

„Nou!quot; zeide Martha, terwijl zij zich met Amelia weder naar beneden begaf: „er is meer gelijk als eigen; maar toch indien het niet sprekend de jonge Heer ... .quot;

Mijn gastheer, de deur weder sluitende, belette mij de juistheid der gissing van de oude vrouw te beoordeelen, ofschoon ik er wel wat onder had durven verwedden, dat zij geen ongelijk had in haar vermoeden, zoomin als ik in het mijne. Ik wist haar echter niet te huis te brengen. Iets meer nopens haar wenschende te vernemen, waagde ik de volgende vraag:

„Woont deze oude ziel hier alleen? dan loopt zij, dunkt mij, nog al gevaar, een bezoek van Zwarten Piet te ontvangen.quot;

„Zij had haar man tot haar bescherming,quot; antwoordde de Heer Bos: „en sedert deze onlangs overleden is,.... gij ziet zij draagt nog den rouw over hem .... woont haar zoon, een afgedankte varensgezel, bij haar in. Wel is waar, aan dezen heeft zij weinig hulp; want, naar zij mij vertelt, is hij meestal, en ook thans, van huis en verdoet zijn tijd in de kroegen en dobbelhuizen.quot;

„Mijn hemel!quot; zeide ik: „wie weet of haar zoon niet do zelfde knaap is, die heden tweemalen zoo geducht door u begroet is geworden.quot;

„Licht mogelijk!quot; zeide de Heer Bos, al lachende: „in dat geval heb ik hem den dienst slecht betaald, dien zijn moeder mij bewijst: doch dan mogen wij ons tevens gelukwenschen, dat hij van huis is; want een soortgelijken knaap acht ik tot

ocr page 138

1 ] 8

alles in staat. Ik zal hedenavond nog eens onderzoek doen, of uw vermoedens gegrond zijn.quot;

Op dit oogenblik kwam Amelia terug met een schotel pannekoeken, dien zij op de tafel neerzette. „Ziezoo!quot; zeide zij: „als de Heeren nu maar plaats willen nemen; het avondeten is opgedaan.quot;

Wij namen plaats, en ik vond nu voor het eerst gelegenheid, om de Juffer, die tot mijn reisgenoot voor den volgenden morgen bestemd was, eenigszins nauwkeuriger op te nemen, dan het flauwe daglicht mij bij onze eerste kennismaking vergund had te doen. Haar gestalte, vooral wanneer zij zat, was eer rijzig, dan gemiddeld te noemen; maar al haar ledematen waren volkomen aan elkander geëvenredigd en evenmin van grofheid als van te groote rankheid te beschuldigen: alleen moest men haar handen uitzonderen, die, hetgeen juist niet als een gebrek kon beschouwd worden, zoo tenger en smal waren als die van een aankomend meisje. Wat haar gelaat betrof, ofschoon het den strengsten vitter moeielijk zoude gevallen zijn, er iets aan te berispen, bezat het echter niet die soort van schoonheid, welke mij het meeste geviel. Misschien kwam zulks hierdoor, dat ik niet kon nalaten in mijn geest gestadig vergelijkingen te maken tusschen haar en Henriëtte Blaek, wier uiterlijke, ofschoon minder regelmatig fraai te noemen, een zeker iets bezat, hetwelk mij meer behaagde. Deze laatste had mij bij den eersten aanblik geheel ingenomen; wat Amelia betrof, ik gevoelde, wanneer ik den droefgeestigen trek beschouwde, die haar groote, donkerbruine oogen benevelde, een beweging van medelijden, van hartelijke welwillendheid, van dienstvaardigheid; maar niets, dat naar liefde zweemde. Misschien, ik erken het gaarne, ontsproot dit verschil van gewaarwording uit dezelfde Amsterdamsche afgepastheid en tegenzin in het buitengewone, waartegen de Heer Bos zoozeer (en naar mijn begrip ten onrechte) was uitgevaren, en verflauwde de zonderlinge aard der omstandigheden, waarin ik Amelia ontmoet had, de uitwerking, welke anders haar bevalligheden hadden kunnen teweegbrengen: — ik twijfel er

ocr page 139

119

echter niet aan (want zoo loopen de opvattingen en gewaarwordingen uiteen), of een ander jongeling, met een meer romanesken of ondernemenden geest begaafd dan ik, zou, juist om dat zonderlinge, des te eerder op haar verliefd zijn geworden. Wat hiervan zij, de waarheid is, dat Mejuffrouw Bos heerlijk schoone oogen had, met lange, sierlijk naar boven gekrulde pinkers voorzien, en bekransd met zuivere, net gevormde, blinkende wenkbrauwen, even gitzwart als haar lokken, die in natuurlijke krullen het hoofd bedekten. De vorm van het gelaat was volkomen eirond; en gelijk ik reeds gezegd heb, het was onmogelijk eenige feil te vinden in het beloop van den een weinig gebogen neus (die hoewel zachter van vorm, echter volkomen op dien baars vaders geleek), van de fijne lippen en van de gladde kin, die zich op den schoonen hals eenigszins verdubbelde. Alleen op de kleur van het vel zoude men hebben kunnen aanmerken, dat die niet volkomen blank was, maar eerder overdekt met die tint, welke men bij Spaansche of Italiaansche vrouwen ontmoet; doch, behalve dat het mij nog onbewezen was, welke landstreek of welke moeder haar het licht geschonken had, zoo kon ik bij een brunette de melkwitte blankheid niet vorderen, welke de eigenschap eener schoone blondine uitmaakt.

Het was niet alleen over de oogen, dat een waas van zwaarmoedigheid verspreid was. Ook in een paar rimpels, die nu en dan op het anders gladde voorhoofd plooiden, en in een eenigszins pijnlijken trek, welken de mond vertoonde, meende ik de sporen van een diep, in 't hart geworteld leed te ontdekken. Een oogenblik van vroolijkheid zou gewis een geheel nieuwen, verrukkenden glans over haar wezen hebben verspreid; maar het scheen dat de vreugde en Amelia elkander voor eeuwig hadden vaarwel-gezegd; slechts zeer enkel kwam een lichte blos zich op haar wangen vertoonen; en wanneer zij glimlachte, was die glimlach eer geschikt om droevige, dan om blijmoedige gedachten te verwekken.

Wat haar gewaad betrof, het was geheel zwart en duidde niet den minsten zweem van opschik aan, terwijl men kon

ocr page 140

120

zien, dat het reeds eenigen tijd gedragen was geweest: echter was alles, wat zij aanhad, niet alleen van de fijnste stoffage; maar getuigde bovendien de snede van keurs en mouwen, dat een modemaakster daaraan had gewerkt, die voor haar vak bij uitnemendheid berekend was en haar taak vervuld had op een wijze, het voorwerp waardig, waaraan zij haar arbeid had besteed.

Het afbeeldsel van den Heer Bos heb ik reeds gegeven, althans zooverre ais ik er bij onze eerste ontmoeting van had kunnen oordeelen. Ik zal er thans slechts bijvoegen, dat zijn dochter veel op hem geleek; doch zijn gelaat, hoewel mede bruin van verf, scheen eer door den invloed van het weer die kleur te hebben aangenomen, dan die aan de natuur dank te weten. Hij droeg een blonde pruik,- die waarschijnlijk een deel zijner vermomming uitmaakte; want zijn haar was zwart met enkele grijze plekken doormengd. Wijders was zijn linnen van de fijnste soort: en een keurige netheid op zijn persoon kenmerkte den welopgevoeden man. Zijn handen waren fraai, volkomen aristocratisch van vorm, en met spiegelgladde nagels voorzien: terwijl geen vlekje of spatje rok of vest ontsierde.

De wendingen en manieren van vader en dochter beiden waren gemakkelijk en wellevend: men behoefde slechts een oogenblik met hen in gezelschap te zijn geweest, om te bespeuren dat zij fatsoenlijke lieden waren en met fatsoenlijke lieden verkeerd hadden. Het eenige wat mij hinderde in den Heer Bos was de toon van meerderheid, welken hij zich gedurig jegens mij aanmatigde, en die niet van dien aard was dat hij door zijn meerdere jaren gewettigd konde worden. Het was licht te zien, dat hij in omstandigheden verkeerd had, welke hem het recht gaven, te bevelen, en dat hij zich niet dan met moeite in een minderen toestand wist te schikken. Wat de dochter betrof, al wat zij deed of zeide, was even beleefd en gepast; maar insgelijks van dien aard, dat het nimmer tot eenige gemeenzaamheid aanleiding geven kon.

ocr page 141

121

ACHTSTE HOOFDSTUK,

WAARIN MEER GEREDENEERD DAN GEDAAN WORDT.

„De Heer Huyck zal de vriendelijkheid hebben, u naar Amsterdam te brengen, Amelia!quot; zeide mijn gastheer, nadat wij eenige oogenblikken in stilte gegeten hadden.

Amelia antwoordde niets, maar zij zag mij aan met een beleefde hoofdbuiging, waaruit men evengoed kon opmaken, dat zij zich mijn geleide wel getroosten wilde, als dat zij er mede vereerd was.

„Het zal namelijk zijn,quot; voegde ik er bij, „indien de Juffer er niet tegen heeft. Intusschen moet ik niet vergeten u verlof te vragen, om morgenochtend, te Naarden, even aan de herberg te vernemen, of de postwagen aangekomen is, waarmede ik mijn reisbagage verwacht. Het zal een gering oponthoud zijn en u, hoop ik, geen hinder veroorzaken.quot;

„In het minste niet,quot; zeide Amelia: „wij zullen dan maar wat vroeger van hier gaan.quot;

„Het zal,quot; zeide ik, „aan u, of aan uw Heer vader staan, het uur van vertrek te bepalen; want daar ik bekennen moet, niet recht te weten waar wij zijn, kan ik slecht berekenen hoeveel tijd wij noodig hebben om van hier naar Xaarden te wandelen.quot;

„O!quot; zeide de Heer Bos, „in een klein half uur kunt gij er op uw gemak zijn: reken er dan nog een half uur bij, voor het inwinnen der berichten, die gij hebben moet en voor het gaan naar de schuit, dan is het vroeg genoeg zoo gij hier tegen halfzes vandaan gaat.quot;

„En moeten wij,quot; vroeg ik lachende, „dien fraaien hollen weg dan weer door, dien wij hedenavond gekomen zijn? dan beklaag ik Mejuffrouw Bos.quot;

„Dat behoeft juist niet,quot; antwoordde hij; „wij hadden dien heden ook niet behoeven te nemen; maar ik was van oordeel

ocr page 142

12-2

dat de modderige landweg den indruk mijner stappen niet zoo lang bewaren zoude als liet zandpad door het bosch. hetwelk bovendien langs bewoonde huizen loopt.quot;

„Hoe!quot; riep ik uit: „heeft Mejuffrouw dien afschuwelijken weg mede moeten doortrekken ?quot;

„Dat niet alleen,quot; zeide de Heer Bos; „maar nog wel, evenals ik, beladen met pak en zak; — want wij gevoelden geen trek om onze bagage in de huifkar te laten, noch om die te laten dragen door dezen of genen arbeider, en ons aan zijn bescheidenheid te wagen. En dan wilde Amelia nog we! op het voorbeeld van Esopus, den spijskorf dragen, schoon die het zwaarst van alles was, en niet, als in het geval van den Phrygiër, gaandeweg geledigd werd.quot;

„'t Is waar,quot; zeide Amelia, terwijl zij haar fijne handjes wreef: „mijn vingers dragen nog de sporen van den ring, waaraan ik de trommel hield.quot;

„Gij zoudt mij waarlijk het maal bederven,quot; zeide ik, „wanneer ik denk aan het ongemak, dat u het dragen dier spijzen veroorzaakt heeft.quot;

„Mijn vriend!quot; zeide de Heer Bos tot mij. met meer innig gevoel, dan waarvoor ik hem vatbaar oordeelde: „indien de gedachte aan het leed mijner dochter mij verhinderen moest te eten, zou ik sedert lang geene spijs meer genuttigd hebben.quot; — Dit gezegd hebbende, stak hij over tafel de hand aan Amelia toe en drukte de hare met een warmte, welke mij zien deed, dat, wat overigens de man zich te verwijten mocht hebben, hartelijke verkleefdheid aan zijn dochter hem was bijgebleven.

„Kom!quot; zeide hij eindelijk: „wij moeten hopen, dat deze bedroevende staat van zaken niet duren zal. Nog eenige weinige slechte dagen, Amelia! en wij zullen, zoo mijn voorgevoel waarheid spreekt, van al de zorg en kwelling, die ons thans drukken, ontslagen zijn en blijder dagen te gemoet zien....; wij moeten nu aan onzen gast het tooneel niet aanbieden eener weekhartigheid, waar hij te minder in deelen kan, daar hij er de aanleiding niet van verstaat.quot;

ocr page 143

En, terstond van toon en stofte veranderende, begon hij mij over mijn reizen te ondervragen: een onderzoek, gelijk men weet, altijd aangenaam aan hem tot wien het gericht wordt. Het gesprek, hetwelk hieruit geboren werd, gaf mij gelegenheid om op te merken, dat de Heer Bos de meeste landstreken van Europa bezocht had niet alleen, maar ook een grondige kennis bezat van de zeden, gewoonten en staathuishoudkunde der onderscheidene volkeren; ja, dat hij vele en belangrijke bijzonderheden wist, welke hij niet kon hebben vernomen dan door eene nauwe betrekking en omgang met die personen, welke in hun vaderland het meeste gezag of den voornaamsten invloed uitoefenden. Ongevoelig bracht ons de loop van het onderhoud ook op het punt onzer koloniale bezittingen, en ik stond versteld over de kennis, welke hij ook te dien opzichte ten toon spreidde. Daalde mijne dienaangaande gering was, was ik niet in staat met volkomen zekerheid over de juistheid zijner opgaven en narichten te oordeelen; maar toch had de op mijn reizen ver-kregene gewoonte van met allerlei slag van heden om te gaan, mij niet geheel buiten een zekeren graad van menschen-kennis gelaten, zoodat ik de logenachtige versieringen van den sprookjesverteller eenigszins wist te onderscheiden van de onopgesmukte verhalen des zaakkundigen reizigers: en, hoewel ik ten deze begreep geen onbepaald krediet te moeten verleenen. veelmin mijn zegel te kunnen hechten aan de stoute beslissingen en beoordeelingen, welke de Heer Bos zich betreffende de handelingen zoo der Compagnie als van hare dienaren veroorloofde, zoo wist hij die echter met zulke schijnbaar gegronde en afdoende redenen te omkleeden, dat het, in mijn oog althans, geen geringe moeite en bekwaamheid zou vereischt hebben, die met een goed gevolg te wederleggen. Van de Oost en West kwamen wij op Czaar Peter te huis en op de stoute hervormingen, door hem in Eusland ondernomen; en de naam van dien grooten Alleenheerscher, ons aan de grap van dien morgen herinnerende, bracht ons als vanzelf op het Soester avontuur en op de onweersbui terug. Gevraagd zijnde, hoe ik het gedurende den regen gesteld had, verhaalde ik, dat ik

ocr page 144

124

geschuild had op de hofstede Guldenhof, toebehoorende aan den Heer Blaek.

„Guldenhof!quot; herhaalde Amelia: „is dat niet die fraaie plaats aan de andere zijde van Eemnes? Ik heb het even gewaagd, toen wij die voorbijgingen, mijn hoofd buiten de huifkar te steken en dat prachtige goed te beschouwen, hoewel het mij bijkans een stijven nek had gekost.quot;

„De Heer Blaek!quot; herhaalde van zijn kant mijn gastheer, bijna terzelfdertijd: „is Jacobus Blaek de eigenaar van dat vorstelijk buitengoed?. .. . Het moet hem dan wel zijn mede-geloopen, sedert ik hem gekend heb; want toen zag het er sober uit met zijn tijdelijke goederen:. .. . dan! waarover verwonder ik mij ?quot; vervolgde hij, als tegen zichzelven sprekende en terwijl hij met zijn mes op de tafel speelde: „ik heb minder recht dan iemand om over de wisseling der fortuin eenige verbazing te toonen.quot;

„Zoo ik wel onderricht ben,quot; zeide ik, „heeft de Heer Blaek een aanzienlijk vermogen in de Oost-Indiën gewonnen.quot;

„Hij?quot; zeide de Heer Bos: „gij verwart hem met zijn broeder, die werkelijk zeer rijk kon genoemd worden; want het toeval was hem even gunstig geweest, als het den eigenaar van Guldenhof, in dien tijd althans, tegenliep. Nu! zoo eenig mensch de gaven der fortuin verdiende, het was dezelfde Hendrik Blaek; want een meer edelmoedig hart, en meer geneigd hetgeen hij bezat met anderen te deelen, heb ik nooit gekend. De arme drommel heeft niet lang genot gehad van hetgeen hij met zooveel zorg vergaard had. Hij is een der weinige menschen, wier dood mij een wezenlijke smart veroorzaakt heeft.quot;

„Gij hebt hem dan zeer van nabij gekend?quot; vroeg ik, niet zonder deelneming; want een gesprek over den vader der bevallige Henriëtte kon mij niet anders dan belangrijk zijn.

„Hij was een braaf en beminnelijk mensch,quot; zeide mijn gastheer, blijkbaar een rechtstreeksche beantwoording mijner vraag wenschende te ontwijken: en terstond vervolgende: „hij heeft een dochter nagelaten: leeft zij nog?quot;

ocr page 145

125

Ik voelde, dat ik op deze vraag tot over de ooren toe rood werd: misnoegd op mijzelven, dat ik mij, ofschoon onwillekeurig, zou blootstellen aan verdere onderzoekingen, trachtte ik mijn verwarring onder den schijn van luchthartigheid te bemantelen en antwoordde met een gemaakten lach: „voorzeker leeft zij: althans toen ik haar van morgen sprak, was zij nog in blakenden welstand.quot;

„En is zij nog niet gehuwd?quot; vroeg de Heer Bos al verder: „mij dunkt eener goede partij als haar moet het niet aan vrijers ontbreken.quot;

„Gehuwd is zij niet,quot; antwoordde ik: „en meer weet ik er niet van, daar ik eerst heden van mijn buitenlandsche reize terugkeer; — maar ik stem volkomen met u in, dat zij geen gebrek aan aanzoeken hebben kan.quot;

„De hemel schenke haar wijsheid, om een goede keuze te doen,quot; zeide mijn gastheer: „maar komaan! de avond is gevorderd: en het is tijd, dat gij beiden u ter ruste begeeft, om morgen weer vroeg bij de hand te kunnen zijn. Het hindert mij toch,quot; vervolgde hij. de kruimels van zijn roksmouw afknippende, „dat ik mijn ouden borstel moet missen.quot;

„Zou UEd. hem zóó niet kunnen gebruiken?quot; zeide Amelia, terwijl haar wangen voor een oogenblik door een zachten glans van genoegen werden bestraald! en meteen haalde zij het betreurde voorwerp van onder haar bouwen voor den dag en stak het over de tafel aan haar vader toe. Deze beschouwde het met een blik van verrassing; het plaatje met het wapen was er afgerukt en de spijkergaatjes, die nog van het vroeger bestaan daarvan hadden kunnen getuigen, met den rug van een mes zooveel mogelijk gelijkgewreven.

„Ik dank u, Amelia!quot; zeide de Heer Bos, met aandoening: „waarlijk! het is kinderachtig van mij, aldus aan een nietig meubel te hechten; maar.... gij weet het, melieve! dat ik bij wezenlijke rampen mijn gemoedskalmte niet verloren heb: en gij zult mij deze zwakheid ten goede houden. — Waarlijk!quot; vervolgde hij, den borstel aandachtig beschouwende: „ziedaar wel een evenbeeld, dat ik op mijzelven toepasselijk kan maken.

ocr page 146

126

Ben ik niet, evenals hij, na jaren wrijvens en schurens, van mijn glans beroofd, toen ik oud werd, en thans in het oog der wereld even weinig meer waard als dit meubel den Jood zou wezen, dien wij hedenmorgen ontmoet hebben?quot;

„UEd. zal mij de opmerking vergunnen,quot; zeide ik, „dat, gelijk deze borstel nog evengoed dienst kan doen, al is hij van zijn pronk beroofd, datzelfde voorrecht ook u kan vergund blijven. Onze waarde berust immers niet in uiterlijke praal, maar in het nut dat wij stichten.quot;

Ik dacht met deze aanmerking en voorzeker alles behalve nieuwe vergelijking mijnen gastheer een verplichtend gezegde toe te voegen; maar de zonderlinge uitdrukking, die zijn gelaat aannam, toen ik met spreken geëindigd had, trof mij zoodanig, dat ik mij wel wachtte op denzelfden toon voort te gaan. Gedurende het gesprek over de Heeren Blaek hadden, naar 't schijnt, oude herinneringen een uitdrukking van zachte droefgeestigheid op zijne trekken verspreid, welke ik niet gedacht had, daar immer te zullen aantreffen, en welke nog vermeerderd werd door het hervinden van zijn borstel en de gedachten, welke de beschouwing daarvan in zijn boezem had opgewekt: — maar nu was opeens die uitdrukking verdwenen: het gansche gelaat had de strenge, terugstootende plooi hernomen, die het gewoonlijk kenmerkte: en een bittere lach kwam het nog meer ontsieren.

„Hoor!quot; zeide hij, op een schamperen toon, terwijl hij een blik op mij wierp, die mij onwillekeurig sidderen deed: „ de diensten, welke ik gewoon ben geweest te bewijzen, waren niet altijd van dien aard, dat men er mij veel dank voor wist.quot;

„Vader!quot; zeide Amelia, met een bevende stem, terwijl zij oprees en hem bleef aanzien met een weemoedigen blik, die hem zijn rasch gezegde scheen te verwijten.

„Gij hebt gelijk, mijn kind!quot; zeide hij: „en ik handel dwaselijk, door aan zulke denkbeelden toe te geven. . .. zoo de Heer Huyck het goedvindt, zal ik hem zijn slaapstede toonen.quot;

ocr page 147

127

Deze laatste woorden sprak hij weer op een zeer natuurlijken en hoffelijken toon uit en liet die met een buiging van het bovenlijf vergezeld gaan. Ik boog insgelijks ten bewijze van toestemming: en na gedane dankzegging rezen wij gezamenlijk op. Ik wenschte aan Amelia een gerusten nacht, en volgde den Heer Bos, die, na zich half bij zijn dochter verontschuldigd te hebben, dat hij haar in het donker liet, de kaars opnam en mij in een klein vertrekje bracht, hetwelk op dezelfde trap, doch eenige treden hooger, uitkwam.

„Ik denk niet,quot; zeide hij. mij op eene nauwe bedstede wijzende, die zich aldaar bevond, „dat u dit nachtverblijf machtig zal aanstaan; maar gij zult het moeten nemen zooals gij het vindt.quot;

„O!quot; zeide ik: „maak daarover geene verontschuldigingen; ik ben lang genoeg op reis geweest om mij te hebben leeren behelpen: en een nacht is gauw doorgebracht. Maar wat ik u bidden mag, neem het licht met u: Mejuffrouw Bos bevindt zich alleen en in het duister. Ik heb geen licht noodig om mijn slaapstede te vinden.quot;

„Zoo gij niets meer noodig hebt, en u in 't donker kunt uitkleeden, zal ik aan uw verzoek voldoen,quot; zeide mijn gastheer, en mij een goede nachtrust toegewenscht hebbende, verliet hij het vertrek. Ik had intusschen den eenigen stoel, die zich daarin bevond, voor mijn slaapplaats geschoven en, mij van mijn bovenkleederen ontdaan hebbende, kroop ik met de rest te bedde; want in de onzekerheid hoe de gesteldheid daarbinnen zou wezen, was ik eenigszins huiverig om mij geheel te ontkleeden.

En inderdaad, mijn ligplaats was noch slechter, noch beter dan ik reden had mij voor te stellen. Het bed bestond uit een harde peul, waarvan men de opvulsels niet behoefde te raden; want van alle zijden staken mij de puntige stroohalmen in de leden, zoo vaak ik mij omwendde. Het laken was van dien aard, dat het mij, welke houding ik aannam, nooit geheel bedekte; lag ik recht uitgestrekt, dan staken mijn voeten er buiten: haalde ik deze binnen en ging ik krom

ocr page 148

128

liggen, dan waren mijn knieën ongedekt: — en wat het ware, dat mi] tot hoofdkussen diende, kon ik volstrekt niet uitvinden en moest eerst den volgenden morgen ontdekken, dat uit een oud stel visclmetten bestond, in een meelzak gewikkeld. De vinding was niet onaardig en ik ben nooit te weten gekomen, of ik haar aan het vernuft van den Heer Bos, van zijn beminnelijke dochter of van de oude Martha moest toeschrijven.

Het was echter niet het min gemakkelijke mijner ligging, dat mij zou verhinderd hebben, na een zoo vermoeienden dag, een zoete rust te genieten. Integendeel waren het die vermoeienissen zeiven en de onderscheidene schokken, welke ik naar lichaam en geest ontvangen had, die mij beletteden, den slaap te vatten, waar ik zoo vurig naar verlangen moest. Duizend verschillende en verwarde denkbeelden maalden mij door het brein en deden dat brandend en koortsig gevoel in mijn hoofd ontstaan, hetwelk aan elke sluimering vijandig is. Al de ontmoetingen van den dag kwamen mij beurtelings voor den geest zweven, gelijk de schimmen eener fantasmagorie. Ik zag weder den twist in de herberg: ik hoorde den hatelijken Andries vloeken en den Jood zijn kramerijen venten; ik onderscheidde het lieve gezichtje van de bevallige Henriëtte Dlaek; ik bestreed opnieuw de drie struikroovers en dankte weer mijn redding aan mijn geheimzinnigen gastheer, die zich aan de oogen mijner verbeelding in een nog majestueuzer gestalte voordeed dan in de wezenlijkheid. Dan weder stelde ik mij de belofte voor den geest, welke ik den Heer Bos gedaan had en de moeilijkheden, welke voor mij zouden kunnen ontstaan zoo uit de verplichting, die ik op mij genomen had, om Amelia naar Amsterdam te brengen, ais uit die, van het op dien gevaarvollen avond voorgevallene voor elk geheim te houden. Bij dit alles voegde zich nog een zeker gevoel van ongerustheid, dat ik niet van mij af konde werpen, en hetwelk was toe te schrijven aan de onzekerheid, waarin ik vei-keerde, zoo omtrent de plaats waar ik mij bevond, als omtrent hetgeen mij nog kon te wachten staan. Wel is ■waai, ik

ocr page 149

129

voedde geen vrees meer voor den Heer Bos, die er naar allen schijn belang bij had, mij te vriend te houden; maar ik was niet zonder zorg omtrent Andries, die, naar mijn innige overtuiging, niemand anders wezen kon dan de zoon der weduwe, in wier woning ik mij bevond: het onaangename vermoeden begon mij te bekruipen, of ik niet altemet de legerstede van dien booswicht betrokken had: en ik kon de benauwende gedachte niet verbannen, dat hij wellicht te huis komen en mij de weinig gewenschte eer van zijn bezoek geven zou.

Ik had, kort nadat ik mij te bedde begeven had, den luch-tigen voetstap van Amelia eenige reizen op de trappen gehoord, en veronderstelde, dat zij de overblijfselen van ons avondmaal naar de keuken bracht. Daarop had zij een vrij langdurig onderhoud met haar vader gehad, waarvan ik echter niets dan bloote klanken verstaan kon, en zich toen ter ruste begeven. De Heer Bos was vervolgens naar beneden gegaan; naar mijn gedachten, om aan de oude Martha eenige onderrichtingen te geven: het duurde wel een uur eer hij terugkwam en zich in de bedstede, tegenover die, waarin zijn dochter sliep, begaf. Een zwaar gesnork kondigde mij weldra aan, dat, welke zijn zorgen voor de toekomst ook wezen mochten, die echter niet in staat waren, hem het slapen te beletten.

Wat mij betreft, er verliepen uren achtereen, eer de slaap mijn oogen sloot, en toen zelfs bracht die noch rust, noch verkwikking mede. Benauwende, pijnlijke droomen kwelden mij, en deden mij ieder oogenblik met schrik uit mijn sluimering ontwaken. Ik zag het ouderlijk huis in vlammen staan: gewapende roovers, waaronder zich Andries en, vreemd genoeg, ook de poëet Helding bevonden, stormden ter plundering binnen, en werden aangevoerd door den Heer Jacobus Blaek, die zijn regenscherm als een staf van commando rondzwaaide. Ik zag mijn moeder, doodsbleek en met bloed bedekt, door twee dier boosdoeners voortsloepen: ik hoorde het noodgeschrei mijner zusters en broeders, die in de vlammen omkwamen: en dan zag ik opeens boven het vlammend puin, Henriëtte, Amelia, en een talrijken stoet bevallige, in feestgewaad uitgedoste

I. - F. H. n

ocr page 150

130

initio- en onbezorgd ronddansen, en rozen jonge meisjes g haar Yoeten 0pSpatteden.

strooien 0P ^ ^ 'die een ijzeren geldkist uit den brand Opeens deed ^dnes straat sleepte) een

^ vereen voor o„g«.. nog

m eu ^ nederkwamen.

r jr recht «vereM 'itten. Er ko„ Se« twijtel meer a.n • • ~ i of wm -Vndries die weder te huis kwam.

z % -

quot;.fuSde min knnppe! met

den stoel gezeten, ™gst'g 'Uf ® 'het voorhuis schoffelen.

Weldra '-^rS of h tquot; oh Lah .oude wezen, den

l :rLgaan SL, teen ik Martha met een heesche Heer isos xe _ slaaüt van nacht

stem haar zoon mag je niet opendoen;

familie van Mevrouw Inei m fus; f j

zie maar dat je imde s^ener®enigszins' geruststelden ten Ofschoon mij dez , bleef ^ echter niet

0Ptf^r oT~zorwel daar a;n zoude storen. M,n zonder zoig, ot Z11. dig Y00rbij ; Want na eemge

onzekerheid was m deul. open te krijgen, ging

vruchtelooze pogmgei vlnr_,kende Weg en Martha haastte

Andries al hrotnmeMo en mlJ im bluk

Z. SyJ-fSHb'

• fHri «Hlyitten toen naderde ik net vensiei, nog ®en eillig gerucht mogelijk, en ademde de

opende het met /oo s buiten tegen-

verkwikkende morgenlucht m, die mj

3-.Ï

ocr page 151

heerlijke schouwspel, dat zich voor mijn oogen opdeed en hetwelk ik verre was te verwachten. Het uitzicht, dat ik den avond te voren van de kamer, waar wij ons toen bevonden, had gehad, was beperkt; het raam, waar ik nu voorstond, opende zich aan eene andere zijde van het gebouw en vergunde mij het gezicht van een natuurtooneel, het penseel eens schilders waardig. Ter linkerzijde en achter een schuur, een duiventil en een paar andere kleine gebouwen, tot de hoeve behoorende, verhief zich een fraaie groep eeuwenheugende eikeboomen, wier kruin wel door den zeewind was ontbladerd, doch wier knoestige met breede takken voorziene stammen zich donker afteekenden tegen den nog kleurloozen hemel en tegen de Zuiderzee, over wier grauwe oppervlakte een aantal kleine vaartuigen elkander kruisten. Iets meer nabij verhief zich een oude, met mos en heesters overdekte bouwval, de strenge stijl van welks bouworde scheen aan te kondigen, dat ik de overblijfselen van een klooster voor mij had; een muurtje, dat waarschijnlijk voorheen een kerkhof omheind had, verbond dit gedenkstuk van vroegere dagen aan de hoeve, waarin ik mij bevond. Ter rechterzijde liep de grond glooiend opwaarts, en werd het verschiet hier en daar belemmerd door golvende heuvelen, deels met koren en boekweit beteeld, deels met heesters en kreupelhout begroeid, deels bedekt met de paarskleu-rige heide, waarlangs de witgewolde kudden reeds hun ochtendmaal kwamen gebruiken. De stilte van den morgen werd alleen nu en dan afgebroken door het dof geloei der runderen in den stal en het gekraai van den wakkeren haan, die met zijn kakelbonten harem over het erf kuierde en het rijzend zonnelicht begroette, dat allengskens aan dit natuurtooneel leven en beweging kwam bijzetten. Opeens trof mij de gedachte : ik had dit bevallig geheel nog éénmaal beschouwd: wanneer of in welk gezelschap, dit wist ik mij niet te binnen te brengen; maar het kwam mij voor, als ware het niet de eerste reize, dat ik mij hier bevond. Ik kon uit den weg, dien ik den vorigen avond genomen had, en uit de nabijheid der zee, het besluit opmaken, dat ik mij ten Oosten en niet

ocr page 152

132

verre van Naarden moest bevinden en wel omtrent de plaats, waar vroeger een stad van denzelfden naam in de Hoeksche en Kabeljauwsche twisten was te gronde gegaan; maar ik had, zooverre ik wist, nooit eenig uitstapje naar dien kant gemaakt. Eindelijk gaf ik het op: en daar ik meermalen het naburige Muiderberg bezocht had, waar het landschap veel overeenkomst had met datgene, hetwelk ik nu voor oogen had, maakte ik het besluit op, dat ik door die gelijkheid van natuurtooneel misleid, mij ten onrechte verbeeldde, hier vroeger geweest te zijn.

De morgenstond had zijn weldadigen invloed op mij uitgeoefend en met het daglicht waren die kwellende droombeelden en onrustige gedachten verdwenen, die mij gedurende den nacht hadden beziggehouden. Ik aarzelde dus niet om mij weer naar mijn legerstede te begeven, en de natuur, haar rechten hernemende, welke zij te lang aan de verbeelding had afgestaan, deed mij een weldadigen slaap genieten, waaruit ik niet ontwaakte, dan toen de stem mijns gastheers mij riep, en ik, de vakerige oogen wrijvende, den Heer Bos, reeds geheel gekleed, zag voor mij staan.

„Het is tijd!quot; zeide hij: „het spijt mij zulk een aangenamen rust te storen; maar gij zult ongetwijfeld de eerste schuit niet willen misloopen.quot;

„Gij ziet,quot; zeide ik, opstaande, „dat mijn toilet geene groote moeite zal vereischen. Ik heb niets anders te doen als mij te wasschen, en ik ben tot uw dienst.quot;

„Ik heb u gebracht wat gij noodig hebt,quot; zeide de Heer Bos, mij op de tafel wijzende, waar hij een kom met wateren een handdoek had neergeplaatst. „Ik behoef niet te vragen of gij goed geslapen hebt.quot;

„Daar kan ik niet volmondig ja op zeggen,quot; antwoordde ik, en verhaalde hem tevens hoe mijn nachtrust gestoord was geweest. Gedurende mijn verhaal bleef ik de wezenstrekken van mijn gastheer zorgvuldig gadeslaan. Geen verwondering noch ontroering was daarop zichtbaar: alleen zag ik hem een paar reizen de wenkbrauwen samentrekken.

ocr page 153

133

„Ik verwachtte niet anders,quot; zeide hij, toen ik met mijn mededeeling geëindigd had: „en ik had dienaangaande het noodige onderricht aan de oude Martha gegeven. Ondertusschen, die schurk moet u noch mij hier zien: de gevolgen zouden te gevaarlijk kunnen wezen. Ik moet mij daarover nog met de oude onderhouden. Wees zoo goed, zoolang bij mijn dochter te vertoeven.quot;

Wij verlieten het vertrek, en begaven ons weder naar datgene, waar wij den vorigen avond hadden doorgebracht. Ik vond hier Amelia, in hetzelfde gewaad als den vorigen dag gekleed, behalve dat zij nu een muts droeg en een falie daar over heen: ook was zij met een zonnescherm voorzien. De Heer Bos liet ons alleen, en na een korten morgengroet, bleven wij, beiden zwijgend en eenigszins met onze houding-verlegen, voor ons zien.

Het leed niet lang, of de Heer Bos kwam terug: „alles is in orde,quot; zeide hij: „Andries ligt in de hooischuur zijn roes uit te slapen, en, eer hij wakker is, zijn wij ver van hier. Ik heb bovendien zijn moeder gewaarschuwd, dat de justitie hem opspoorde; en een kleine wenk van dien aard zal, vlei ik mij, genoegzaam zijn, om hem verre van hier te zenden. — Niets verhindert ons dus langer, de reis aan te vangen.quot;

„Ik weet niet,quot; zeide Amelia, zich met minzaamheid tot mij wendende, „of Mijnheer ook nog vooraf iets verlangt te gebruiken.quot;

„Het is mij nog vroeg genoeg,quot; zeide ik: „en daar ik toch genoodzaakt ben, mij te Naarden een oogenblik op te houden, zullen wij evengoed daar eenig ontbijt kunnen nuttigen.quot;

„Welaan dan!quot; zeide de Heer Bos, en trad meteen, door ons gevolgd, de kamer uit.

In het voorhuis stond de oude Martha, die, neigende, en de handen drukkende van den Heer Bos en van Amelia, afscheid van ons nam.

„Wij danken u voor uw herbergzaamheid,quot; zeide de Heer Bos: „vergeet niet, hetgeen ik u omtrent uw zoon gezegd heb, en neem dit aan, voor den omslag, dien wij u veroor-

ocr page 154

134

zaakt hebben. Mijn goed zal ik nader laten halen. Bedenk, dat alles van uw stilzwijgendheid afhangt.quot;

„Ach!quot; zeide zij: „met wie spreekt de oude Martha ooit? Geen haan zal er na kraaien, dat UEd. hier 'eweest is: en in een kwartier tijds zijn al de kamers weer dicht 'esloten en het beddegoed uit de bedsteden 'enomen, en kan niemand merken, dat ik hier volk heb 'ehad.quot;

Ik kon mij niet weerhouden van te glimlachen: „zoo al de slaapplaatsen zoogoed gestoffeerd zijn als de mijne,quot; dacht ik, „zal zeker het opredderen daarvan niet veel tijd kosten.quot;

Intusschen naderde ik ook op mijne beurt de oude vrouw en stelde haar onder dankbetuiging voor het nachtverblijf eene kleine fooi ter hand. Toen ik mij omwendde, zag ik dat de Heer Bos een koffer had opgenomen, die waarschijnlijk het goed van zijn dochter bevatte.

„Mag ik u niet van die moeite ontslaan?quot; vroeg ik hem: „daar toch Mejuffrouw nu onder mijn geleide komt, is het niet meer dan billijk, dat ik haar goed drage.quot;

„Wij zullen het ieder een gedeelte van den weg dragen,quot; zeide de Heer Bos: „ik ga niet met u tot Naarden.quot;

De toon, waarop hij deze woorden uitsprak, was zoo beslissend, dat ik het ongeraden vond, verder aan te dringen. Wij begaven ons dan op reis, de Heer Bos den tocht geleidende, en even wakker doorstappende, alsof hij, in stede van een koffer, een pak veeren onder den arm had. Ik heb nog verzuimd te zeggen, dat hij thans zijn rooden mantel niet omhad, en zijn Spaanschen hoed tegen een meer gewonen verwisseld had.

Amelia liep zwijgend achter haar vader; en ik sloot den tocht. Wij namen, in stede van den modderigen hollen weg, een zandpad door de eikenstruiken, hetgeen op een driesprong uitkwam, waar onze geleider stilhield.

„Hier moeten wij scheiden,quot; zeide de Heer Bos: „dit voetpad links brengt u aan de poort van Naarden. Vaarwel Amelia! God behoede u en schenke u het noodige beleid om de moeilijke taak te volbrengen, die gij op u genomen hebt.quot;

ocr page 155

135

Dit zeggende drukte hij een hartelijken kus op 't voorhoofd zijner dochter. Wat haar betrof, zij schreide niet; zij stortte geen ijdele, doch bij zulk een scheiding toch niet berispelijke klachten uit: maar de doodelijke bleekheid, welke zich over haar gelaat verspreidde, toonde niettemin hoezeer haar hart op dit oogenblik leed.

„Wat u betreft, Mijnheer!quot; zeide de Heer Bos, mij de hand drukkende; „ontvang mijn voorloopigen dank voor den dienst, dien gij mij bewijzen wilt. Ik vertrouw u mijn dochter: en gij zult, hiervan boude ik mij overtuigd, u dat vertrouwen niet onwaardig betoonen.quot;

„Is er niets anders dat ik voor u doen kan?quot; vroeg ik hem terwijl ik zijn handdruk beantwoordde.

„Voor het oogenblik niet: — ik heb reeds te veel van u gevorderd; wellicht meer dan gij zult kunnen volhouden; — doch het zij zooals het wil!.... alleen dit nog!.... mocht mij het lot eens treffen, dat mijn vijanden mij toewenschen, ontferm u dan over mijn ongelukkige dochter: — wees dan haar voorspraak .... Zorg dan, dat zij in staat gesteld worde, zich een wijkplaats volgens haar wensch te kiezen.quot;

Ik gaf door een buiging mijn toestemming in dit verzoek te kennen en nam nu den koffer op, dien de Heer Bos had neergezet en die mij zwaarder voorkwam dan ik gedacht had, waarop hij, na Amelia nogmaals vaarwel gezegd te hebben, zich met rassche schreden rechtsaf en naar den zeekant begaf. Wij oogden hem een poos na en sloegen toen zwijgend het aangewezen pad in, dat ons weldra op den heirweg in de nabijheid van Kaarden bracht. Buiten de poort nam ik een knaap aan, om den koffer te dragen; bood mijn arm Amelia aan, en bevond mij met haar na verloop van eenige minuten in de herberg te Kaarden.

ocr page 156

NEGENDE HOOFDSTUK,

BEHELZENDE HET VERHAAL EENER SCHUITREIS VAN NAARDEN NAAR AMSTERDAM.

In de herberg gekomen zijnde, werden wij door den waard in een zijkamertje gewezen, waar ik terstond voor Amelia en voor mij een paar kop koffie en boterhammen bestelde, en de vraag deed, of er ook goed met den vrachtwagen van Deventer was aangekomen aan het adres van Mr. F. Huyck. De-waard beantwoordde deze vraag toestemmend en gaf mij te kennen, dat het goed zich in de groote kamer aan de overzijde bevond. Ik vroeg hierop verlof aan Amelia van haar een oogenblik alleen te mogen laten, en begaf mij naar de aangewezen plaats, waar ik werkelijk, na eenig zoekens, de mij behoorende koffers, doozen en verdere voorwerpen, uit onderscheidene andere goederen, welke aldaar in heerlijke eendracht en verwarring door en op elkaar gestapeld waren, terugvond; waarop ik den waard verzocht, die gezamenlijk met den koffer van Amelia naar de schuit op Amsterdam te laten brengen, en de roef voor mij te huren.

Terwijl ik met dit alles bezig was, had ik wel opgemerkt dat er paarden voor het logement hadden stilgehouden: doch in de drukte van het oogenblik daar geen bijzondere acht op geslagen. Toen mijn bestelling echter was afgeloopen, en ik mij weder naar het zijkamertje terug zoude begeven, sloeg ik het oog, in 't voorbijgaan, door de gang naar buiten en zag een paar fraaie, kostelijk getoomde en gezadelde rijpaarden, die reeds een goeden rit schenen te hebben gedaan, naar men kon opmaken uit het schuim, dat hun breede borst bedekte, en die door den staljongen voor de deur gevoederd werden, terwijl een rijknecht, in zwierige livrei, daarnevens stond. Ik hield mij echter niet op met die te beschouwen, daar ik

ocr page 157

137

Amelia niet langer -wilde alleen laten, — maar men verbeelde zich mijn verwondering en mijn misnoegen tevens, toen ik, de zijkamer binnentredende, iemand, in rijgewaad uitgedost, over Amelia aan de tafel zag zitten, met den hoed op het hoofd, het rijzweepje in de hand en de beenen uitgestrekt, — en in dien persoon dengenen herkende, dien ik minst van allen hier verwacht of gewenscht zoude hebben, den Heer Lodewijk Blaek. „Daar beginnen de wederwaardigheden al!quot; dacht ik bij mijzelven: en mijn spijt was zoo groot, dat ik als sprakeloos aan de deur bleef staan.

..Komt het glaasje haast, dat ik besteld heb?quot; vroeg Lodewijk, mij slechts terloops aanziende: .,o vergeef mij!quot; voegde hij er bij, mij herkennende: „ik dacht dat het de kastelein was. — Mijnheer Huyck! ik wensch u goeden morgen.quot; —■ Hier lichtte hij even zijn hoed, en zich terstond naar Amelia wendende, met wie hij reeds in onderhoud scheen te zijn getreden: „en reist de Juffrouw zoo alleen?quot; vroeg hij: „in waarheid! het zou mij tot bijzondere eer strekken u te mogen brengen, waar UEd. wezen wilde. — Men treft soms onwelkom gezelschap op reis aan,quot; (dit laatste was ik volkomen met hem eens) „en het is ridderplicht, de dames, die alleen en verlaten zijn, daartegen te beschermen.quot;

Ik was nog niet recht bekomen van mijn verbazing. Ik zag, hoe Amelia bleek en ontsteld was geworden door de gemeenzame toespraak van den vrijpostigen losbol: en ik wist nog niet, welke houding ik moest aannemen. Het eenvoudigste ware zeker geweest, terstond aan Lodewijk te verklaren, dat de Juffer geene bescherming behoefde, daar zij zich reeds onder de mijne bevond; maar ik huiverde op de gedachte, daardoor verkeerde vermoedens op te wekken bij iemand, op wiens bescheidenheid ik mij niet kon verlaten. „Waar zal Henriëtte Blaek mij voor houden,quot; dacht ik bij mijzelven, „wanneer zij van haar neef verneemt, dat ik met een mooi jong meisje op reis ben geweest ?quot; Deze gedachte belette mij te handelen gelijk de edelmoedigheid mij eigenlijk zoude hebben voorgeschreven, en ik besloot, mij te vergenoegen met aan

ocr page 158

138

Lodewijk het voortzetten zijner aanbiedingen te beletten, door zelf een gesprek met hem aan te knoopen.

„Is UEd. hedenmorgen reeds van Guldenhof aan komen rijden ? UEd. moet het warm hebben, ofschoon de ochtendstond altijd het best geschikt is tot dergelijke tochten. En hoe vaart de familie op Guldenhof? Het is een fraai paard, dat UEd. daar heeft,quot; enz. enz.

Lodewijk antwoordde slechts met enkele woorden op deze en dergelijke toespraken, welke ik tot hem richtte: en, geene de minste gedachte voedende, dat ik tot Amelia in eenige betrekking stond, bleef hij haar gedurig aanstaren, lonkte en knipoogde, en scheen haar door zijdelingsche wenken te kennen te willen geven hoe onaangenaam hem de stoornis was, welke ik in hun tête-a-tête had aangebracht.

Wat Amelia betrof, zij beantwoordde hem op dezelfde wijze, als hij mij deed, namelijk met niet veel meer dan „ja Mijnheer!quot; of „neen Mijnheer!quot; Zij hield de oogen gedurig voor zich geslagen op het kopje, dat zij in de hand hield en waai uit zij nu en dan een langzame teug nam. Ik kon niet nalaten van met een gevoel van diepe beschaming op te merken, dat zij, na mij toen ik binnenkwam even te hebben aangezien, geen oog meer op mij wendde, als wilde zij mij de bescherming niet afvergen, welke ik haar niet uit eigen bew eging verleende. Deze bescheidenheid van hare zijde overwon weldra mijn voornemen om mij te houden, alsof wij elkaar niet kenden, en ik was op het punt, van aan Lodewijk te verzoeken, de Juffer, die ik de eer had gezelschap te houden, niet langer lastig te vallen, toen de waard, met een glaasje likeur binnentredende. mij de eer der bekentenis kwam ontnemen.

„Mijnheer!quot; zeide hij tegen Lodewijk: „een glaasje cognac alsquot; 't UEd. belieft: Mijnheer!quot; (tegen mij) „als UEd. naar de schuit moet zal het tijd worden.quot;

„Hoeveel ben ik u schuldig?quot; vroeg ik, terwijl Amelia

intusschen was opgestaan.

„Sta mij ten minste toe. u tot aan de schuit te brengen...quot; zeide Lodewijk, insgelijks opstaande en Amelia zijn arm aanbiedende.

ocr page 159

139

„Zeven gulden vijftien stuivers, wegens betaalde vracht voor UEds. goed,quot; antwoordde mij de waard: „twee kommetjes koffie en twee boterhammen . .. . ?

„Twee!quot; herhaalde Lodewijk, een oog op de tafel werpende, en vervolgens Amelia en mij aanziende met een blik, die mij deed ontwaren, dat hij lont begon te ruiken, en die ook den waard deed opkijken.

„Wel ja!quot; zeide deze: „Mijnheer betaalt immers ook voor de Juffrouw?quot;

„Voorzeker!quot; zeide ik, hem twee dukaten ter hand stellende, met verzoek van mij geld terug te geven: „als UEd. gereed is!quot; vroeg ik, mij tot Amelia wendende.

„Nu begrijp ik het!quot; zeide Lodewijk, met een boozen lach, die mij machtig veel lust gaf hem op zijn gezicht te trommelen.

„Heureux mortel!quot; voegde hij er bij, het hoofd schuddende en mij schamper aanziende. „Ik vraag u om verschooning, Mejuffer! Maar waarom heeft de Heer Huyck mij niet terstond gewaarschuwd, dat ik vergeefsche moeite deed?quot;

Ik voelde dat ik rood werd; want ik kon de juistheid dezer aanmerking van Lodewijk niet ontkennen: „Mijnheer!quot; zeide ik, op een toon, dien ik trachtte zoo natuurlijk mogelijk te maken: „ik heb niets over deze Juffer te zeggen. Een gelukkig toeval heeft mij haar doen ontmoeten: en haar familie (met nadruk op het woord familie) heeft mij verzocht, daar wij toch éénen weg gingen, wel te willen zorg dragen, dat haar op reis niets ontbrak. Ik dacht, dat ITEd. haar kende, anders zou ik niet geweten hebben, waaraan uw voorslagen toe te schrijven. Ik heb de eer uw dienaar te zijn.quot;

„Goede reis samen,quot; zeide Lodewijk: „en ik hoop dat de familie van de Juffer alle reden zal hebben, over haar keuze tevreden te zijn,quot; voegde hij er bij, op een toon, die mij verstaan deed, dat hij geen woord geloofde van al wat ik hem, ik moet bekennen vrij onhandig, verteld had

Ik antwoordde verder niets; maar, den arm aan Amelia gevende, verliet ik met haar de herberg. Nauwelijks waren

ocr page 160

140

wij de stadspoort uit, toen Lodewijk ons, met zijn lakei achter zich, voorbijreed. Hij deed zijn groet vergezeld gaan met een spotachtigen glimlach, en bleef langzaam voor ons uit rijden. Toen wij de laatste brug der vestingwerken hadden verlaten en de trekschuit in 't gezicht kregen, zag ik hem weder ophouden en eenige woorden wisselen met iemand, die zich nabij de klep van de schuit hield; waarna hij in vollen draf verder reed.

Wij waren spoedig aan de plaats der afvaart, waar de kruier zich met mijn goed bevond en mij het roefbriefje ter hand stelde. Amelia ging dadelijk naar binnen; wat mij betreft, ik bleef een oogenblik de oplading der goederen gadeslaan, toen mij de persoon naderde, met wien ik Lodewijk had zien spreken en dien ik terstond voor Simon herkende. Hun onderhoud deed bij mij een vermoeden ontstaan, hetwelk zich later bevestigde; doch dat ik mij wel wachtte aan Amelia mede te deelen, ten einde haar niet nutteloos te verontrusten.

„TVhelkom, meneer Hyk!quot; zeide Simon: „phen je nog 'ier? Me dacht, je zat hal 'oog en droog te Hamsterdam? Ken ik thoch nïks an je kwijt worden? Niet? — Nou! dhaarom zei je thoch ghezond blijven. Has ik je dan reis weerzie met ghezondheid ?quot;

Het vertrek der schuit maakte een einde aan de rede van Simon, die een plaats nam op de voorplecht, terwijl ik bij Amelia in de roef ging zitten.

Ik zag aan de koele en gestrenge uitdrukking van haar gelaat, dat mijn gedrag eenige verontschuldiging vereischte, en ik moest bij mij zeiven erkennen, dat zij reden had, ontevreden over mij te zijn. Ik sprak haar dus, eenigen tijd nadat de schuit van wal had gestoken, op de volgende wijze aan:

„Ik vrees, Mejuffrouw, dat gij mij beschuldigt, van weinig te beantwoorden aan het vertrouwen, door uw Heer vader in mij gesteld.quot;

„Mijnheer!quot; antwoordde zij, „ik heb het recht niet, u eenige verwijtingen te doen. Ik gevoel zeer wel, hoe moeilijk de

ocr page 161
ocr page 162
ocr page 163

141

toestand was, waarin de ontmoeting van een bekende u moest brengen; en het doet mij van harte leed, dat gij u om mijnentwille wellicht onaangenaamheden op den hals haalt.quot;

„Uwe goedheid,quot; zeide ik, „behandelt mij meer grootmoediglijk dan ik verdien; maar waarlijk, gij hadt recht gehad, een andere handelwijs van mij te verwachten. Geloof echter, dat, zoo ik niet terstond den Heer Blaek voor zijn onbeschaamdheid bestrafte, zulks slechts daarom was, omdat ik hoopte dat hij vóór ons vertrekken zoude: en ik was bezorgd, dat zoo hij, gelijk nu geschied is, ontdekte dat wij te zamen reisden, hij nasporingen in 't werk zou stellen, welke het geheim van uw Heer vader in gevaar mochten brengen.quot;

Deze reden was nu wel niet de ware; maar zij had toch zooveel grond van waarschijnlijkheid voor zich, dat Amelia, naar mijne meening, niet kon nalaten, die voor volkomen geldig te houden. Zij scheen er zich dan ook mede te vergenoegen.

„Ik hoop,quot; zeide zij, „dat gij geen last meer zult hebben van deze ontmoeting, en dat de Heer Blaek zich met de door u gegeven inlichtingen zal tevreden stellen. — Is hij de zoon van den Heer Blaek, over wien wij gisteravond spraken? Hij schijnt mij toe geen gelukkig toonbeeld op te leveren van de Amsterdamsche Heeren. Wellicht echter,quot; voegde zij er bij, „moet ik zijn vrijpostigheid alleen toeschrijven aan den veriatenen toestand, waarin ik mij bevind.quot;

„Het was gisteren voor het eerst, dat ik dien Heer ontmoette,quot; was mijn antwoord; „maar het zou mij grieven, indien UEd. onze Amsterdamsche jongelingschap naar hem wildet beoor-deelen. Er zijn er onder, die, zooals hij, hoovaardig op hun rijkdom en aanzien, zich een toon aanmatigen, die hun vrij kwalijk voegt, en zich, vooral tegen een kunne, die zij eerbiedigen moesten, alles veroorloven, op het voorbeeld der Fransche windbuilen, die zij naapen, zonder tevens die welgemanierde bevalligheid te bezitten, welke bij onze naburen de onbescheidenheid eenigszins vergeeflijk maakt. Maar gij zult, naar ik hoop, te Amsterdam ook jongelieden vinden.

ocr page 164

142

die zich door een ordentelijk, zedelijk gedrag onderscheiden, nauwgezet zijn in het betrachten hunner maatschappelijke plichten, zich aanbevelen door een heuschen, beschaafden omgang, en niet van oordeel zijn, dat drinken, rossen en rijden, grof spelen en dergelijke uitspattingen tot de kenmerken eens fatsoenlijken mans behooren.quot;

„Ik twijfel er niet aan,quot; zeide zij: „het zal te Amsterdam zijn, als overal, dat men er veel kaf onder 't koren vindt. Helaas! wat mij betreft, ik zal er niet in de gelegenheid zijn om zulks bij ondervinding te leeren, en mijn toestand zal mij wel dwingen, mij afgezonderd te houden van alle gezelschappen. Hoe gelukkig zijt gij, Mijnheer! aan wien deze reis niets dan vreugde en blijdschap voorspelt. Gij gaat een beminde familie terugvinden en moogt u thans reeds verheugen in die zalige ontmoeting .... terwijl ik!. .. . maar verschoon mij, ik heb geen recht u met mijne klachten op te houden. Verhaal mij eens, bid ik u, hoe groot is het huisgezin van uw Heer vader?quot;

Ik beantwoordde deze vraag, en, van het eene op het andere komende, geraakten wij van lieverlede in een belangrijk en levendig onderhoud, in den loop waarvan ik telkens meerdere redenen vond om het gezond verstand en het edel hart van mijn reisgenoote te bewonderen. quot;Wij brachten alzoo bijna ongemerkt de lange en vervelende vaart van Naarden tot Muiden ten einde. Aan die stad gekomen, moet men, gelijk bekend is, de schuit verlaten om zich in een andere in te schepen. Wij trokken dan te zamen en gearmd Muiden door, toen een nieuwe gebeurtenis mij stof gaf tot nieuwe bekommernis over de taak, die ik op mij genomen had, en waarmede ik mij reeds begon te vereenigen. Onder het voortwandelen hoorde ik achter ons het klappen van een zweep en het rollen van een rijtuig over de straatsteenen. Ik zag om: daar reed ons een prachtige koets voorbij, met vier witte paarden bespannen, en twee lakeien achterop: en, eer ik nog den tijd had om na te denken, aan wien dit rijtuig behoorde, herkende ik daarbinnen den ouden Heer Blaek, met zijn hofdichter

ocr page 165

143

over-, en — o spijt! — zijn schoone nicht naast hem. Ik bloosde tot achter de ooren toe: ik groette: — de Heer Blaek had mij niet opgemerkt; — maar Henrietta had mij gezien, en de koele blik, welke zij bij het teruggroeten op ons beiden nederwierp, drong mij door de ziel heen. — Zij had mij herkend: daar was geen twijfel aan; —■ en wat toch moest zij nu van mij denken ? Ik had haar gezegd, dat ik alleen naar Amsterdam reisde; en nu had zij mij met een onbekende Juffer gearmd gezien: — en ik zou mij misschien nimmer in de mogelijkheid bevinden, haar de aanleiding mijner handelwijze te verklaren. — Zelfs ook dan, al ontsloeg mij de Heer Bos van alle geheimhouding, wie zou de zonderlinge ontmoetingen, die mij in deze weinige uren overkomen waren, op mijn woord af verkiezen te gelooven.

Doch, wat deed het er eigenlijk toe, of Henriëtte Blaek ons al of niet gezien had? Haar neef had ons immers gezien en ik hield mij genoeg van zijn minzame gezindheid te mijwaart verzekerd, om tevens overtuigd te zijn, dat hij zulks niet verzwijgen zou, althans niet aan zijn nicht. — En bovendien, welk groot belang stelde ik toch in de gedachten, die een meisje, dat ik slechts eenmaal gezien had, omtrent mij koesterde ? Ik was immers niet op haar verliefd! Iemand van mijn koel en bedaard gestel, wien de Franschen zelfs den naam van le phlegmatiquo Hollandais gegeven hadden, zou zoo op een bof verlieven! — Onmogelijk — en echter . . . . !

Deze en dergelijke denkbeelden vlogen, als vuurkogels, die zich doorkruisen en tegen elkaar horten, mijn geest door, zoolang ik de stad Muiden doorliep, ja beletteden mij eenige aandacht te schenken aan Amelia, die zwijgend aan mijn zijde ging. Alleen had ik opgemerkt dat zij, toen het rijtuig ons voorbij-snorde en ik een kleur kreeg, mij terloops had aangekeken, en vervolgens terstond haar falie dichter over haar gelaat had neergetrokken. Zelfs meende ik mij naderhand te herinneren, dat ik haar arm op dat oogenblik tegen den mijnen had

ocr page 166

144

voelen trillen. — Hoe dit zij, ik sloeg, gelijk ik zeide, weinig acht op haar. en, zoo zij mijn gedachten al bezighield, was het, om haar. op een vrij onedelmoedige wijze .... voor Sint-

Feiten te wenschen.

Zoodra wij echter buiten Muiden en weder in de roef gezeten waren, namen mijn gedachten een geheel anderen loop en vergat ik mijn eigen spijt geheel om slechts aan het leed mijner reisgenoote te denken; want nauwelijks was de schuit van wal gestoken, of ik zag haar in tranen uitbersten.

Hoewel ik nooit heb kunnen begrijpen, hoe de dichters en romanschrijvers, van een weenende schoone sprekende, durven beweren, dat „haar tranen haar schoonheid nog verhoogden,quot; en hoewel ik een rooden neus en gezwollen oogen, welke daarmede doorgaans vergezeld gaan, niet onder de bevalligste verschijnsels tel, zoo kan ik toch niet ontkennen, dat de aanblik eener schreiende vrouw altijd een innig gevoel van mededoogeu en deelneming in mijn borst heeft opgewekt, en dat ik nooit tranen langs haar kaken zag vloeien zonder den wensch te voeden, dat het in mijne macht mocht zijn, die te drogen. Maar hoeveel smartelijker moest mij dus niet dit schouwspel vallen, nu ik mij geheel buiten de mogelijkheid bevond, niet alleen van de bron des leeds te stoppen, maar zelfs \ an een enkel gepast troostwoord toe te spreken. Ik gevoelde terstond, wat bij Amelia die diepe droefheid ontstaan deed: welke kracht die aandoeningen moesten bezitten, die in staat waren een ziel. zoo sterk als de hare, met zulk een hevigheid te schokken.

Ik gevoelde, dat ik toch iets moest zeggen, al ware het slechts om den schijn van hardvochtigheid te vermijden. „In 's Hemels naam. Mejuffrouw!quot; voegde ik haar toe, terwijl ik, over haar gezeten, de handen op het tafeltje der roef smeeken-derwijze samenvouwde: „wat ik u bidden mag. bedaar! Het is mij zoo grievend, u te zien weenen.'

„Vergeef mij, . . . . o vergeef mij,.... Mijnheer Huyck ....

zeide zij al snikkende: „ik gevoel, dat ik mij dwaas aanstelle----

maar het zal ras weder over zijn---- Ach! misschien doet

het mij goed: — ik heb in jaren niet geschreid.quot;

ocr page 167

145

Ik wist bij ondervinding, dat niets weldadiger is voer hen die lijden, dan den oorsprong van hun leed te kunnen mede-deelen: en met dat oogmerk waagde ik het, de volgende vraag te doen:

„Maar, indien het niet onbescheiden is zulks te willen weten, wat heeft dan nu die bittere droefheid bij u kunnen verwekken?... Is er van mijne zijde eenige aanleiding daartoe gegeven, zoo bid ik u, uit den grond mijns harten, om vergiftenis. — Maar o! laat mij toch niet in de onzekerheid. Schenk mij uw vertrouwen! bedenk, dat uw vader mij tot uw beschermer heeft uitgekozen: — laat dien titel, waarop ik mij verhoovaardig, u aansporen, mij als uw broeder te beschouwen, en mij mede te deelen, wat u thans op het hart drukt.quot;

„O neen! vraag het mij niet,quot; zeide zij, deoogen afwisschende en het gelaat in haar fraaien ronden arm, die op de tafel rustte, half verbergende: „gij zoudt mij te dwaas, te kinderachtig vinden;.... en toch!quot; vervolgde zij, na eene korte stilte, het hoofd weder opheffende en mij met waardigheid aanziende: „waarom zou ik het verzwijgen, daar gij het wel zult geraden hebben. Ik heb met kalme onverschrokkenheid de rampen en wederwaardigheden doorgestaan, die mijn nog zoo korten levensloop gekenmerkt hebben; ik heb aan geene hartstochtelijke bewegingen toegegeven, zoo dikwerf de fortuin, het leven of de vrijheid mijns vaders en de mijne tevens in gevaar stonden : maar dat ik, die vroeger.... ik schaam mij bijkans het nu te zeggen .... door honderden gediend en vereerd werd.... die den geringsten smaad mij aangedaan door den dood des beleedigers zou hebben zien straffen .... dat ik, die tot nog toe nooit het oog voor iemand heb behoeven neder te slaan, en voor niets te blozen heb.... dat ik tot zulk een laagte gedaald ben, om te moeten ondervinden, dat een fatsoenlijk man, wanneer hij zich in mijn gezelschap bevindt en een kennis ontmoet.... vergeef mij .... zich schaamt, gelijk een schuldige zou doen.... dit treft mij tot in het binnenste van mijn gemoed: het is een contrast, dat geschikt ware om mij ijlhoofdig te maken!quot;

I. - F. H. 10

ocr page 168

146

Ik bloosde opnieuw, zag voor mij en zweeg; want wat kon ik aanvoeren tegen hetgeen zij gezegd had ? O! hoe nietig en laf schenen mij thans de strijd en wrevel, bij mij ontstaan, in tegenstelling met de diepe smart, die haar gemoed vervulde ! Hoezeer beklaagde ik haar, en welk een eerbied gevoelde ik niet voor de maagdelijke kieschheid, welke haar zulk een gewicht deed hechten aan een omstandigheid, die in het oog van anderen misschien onopgemerkt ware gebleven of althans slechts als een beuzeling beschouwd geworden.

Er ging een geruim tijdsverloop voorbij, eer ik den moed tot spreken wedervond; Amelia was intusschen weder bedaard geworden en zat aandachtig de toppen van hare (zeker buitengemeen fraaie) vingeren te bekijken: iets dat, gelijk ik den vorigen avond reeds had opgemerkt, meer haar gewoonte was, wanneer zij niet bezig was of sprak, en waaruit ik reeds had opgemerkt dat zij geen Hollandsche opvoeding had genoten en zich op het breien of kousenstoppen niet verstond.

„Ik beken u,quot; zeide ik, „dat ik min of meer onthutst was, toen ons die koets voorbijreed en ik Mejuffrouw Blaek daarin herkende.quot;

„Mejuffrouw Blaek!quot; herhaalde Amelia, een doordringenden blik op mij vestigende: „ik dacht zoo; — maar, ik ben u in de rede gevallen: verschoon mij; ga voort, bid ik u.quot;

..Ik was dit te meer,quot; vervolgde ik, eenigszins bedremmeld, „omdat ik haar gisteren, gelijk ik de eer had u te zeggen, heb gesproken, omdat zij een groote vriendin mijner zuster is, en dat het voor ons beiden licht onaangename gevolgen kan hebben, indien het ruchtbaar wordt dat. ...quot; Hier bleef ik steken.

„Dat gij dit alles overdacht hebt, betwijfel ik niet,quot; zeide Amelia: „maar vergun mij op te merken, dat uw denkbeelden al zeer vlug op elkander volgen, indien zij bij u een zoo onmiddellijke ontsteltenis konden veroorzaken op het oogenblik dat de oogen dier Juffer u ontmoetten.quot;

De juistheid dezer opmerking leverde mij een nieuw bewijs.

ocr page 169

147

dat het mij gemakkelijker zou vallen, mijzelven dan Amelia te misleiden.

„Mejuffrouw!quot; zeide ik, een meer vroolijke wending aan ons gesprek willende geven: „gij verstaat u bij uitnemendheid in het ontleden der menschelijke gedachten: en ik betuig, dat ikzelf misschien niet zoo goed in staat zou zijn te beslissen, wat er straks in mijn hart is omgegaan. Dit is zeker, dat mijn beweging onwillekeurig was, en als zoodanig ben ik daarvoor niet verantwoordelijk. Misschien heb ik eene onvoorzichtigheid gedaan, door aan het verlangen van uw Heer vader te voldoen, want ik had moeten berekenen, dat men niet straffeloos de taak op zich neemt, van aan een schoone Jonkvrouw tot leidsman te verstrekken.quot;

„Ik heb nog liever. Mijnheer!quot; zeide Amelia, dat zich de spijtige uitdrukking van zoo straks op uw gelaat vertoont, dan dat gij mij door plichtplegingen zoekt tevreden te stellen, die ik, helaas! te wel weet dat niet meer kunnen zijn dan ijdele klanken. Wat mij betreft, ik spreek ernstig; en ik verzeker u, het doet mij innig leed, dat mijn vader het noodig geoordeeld heeft, u een last op den hals te laden, welke u geene andere dan onaangename gevolgen berokkenen kan. Want, ach! zoo is het altijd gegaan. Het is de vloek, die op ons huis ligt, dat elke dienst, daaraan bewezen, het ongeluk bewerkt van hem, die dezen dienst bewijst.quot;

„Mejuffrouw!quot; heraam ik: „ook ik spreek ernstig, en ik betuig u uit den grond mijns harten, dat, zoo de dienst, welken ik u thans poog te bewijzen, aan de verwachting van uw vader beantwoordt, mij die nimmer ongelukkig zal kunnen maken; want welke gevolgen die ook hebbe, ik zal het bewustzijn behouden van den plicht der dankbaarheid volbracht en naar de inspraak van mijn geweten gehandeld te hebben.quot;

„Gij zijt een braaf mensch. Mijnheer Huyck,quot; zeide Amelia, mij met aandoening de hand reikende: „en mijn vader, door zijn vertrouwen op u te stellen, heeft mij een nieuw bewijs gegeven, met hoeveel juistheid hij bij den eersten oogopslag de menschen weet te beoordeelen. — Dan, laat ons thans

ocr page 170

148

niet meer spreken over hetgeen toch niet meer te veranderen is:

La p 1 ainte ni la peur ne changent le destin,

zegt de goede Lafontaine, wiens geestige werken u misschien niet onbekend zijn.quot;

„En hij heeft gelijk ook,quot; zeide ik: „ofschoon gij den regel, dien hij er op volgen laat, wel niet zult toestemmen; noch erkennen willen dat

le moins prévoyant est toujours le plus sage.quot;

„Vergeet niet,quot; hernam zij, „dat hij vooraf laat gaan; quand le mal est certain. Gij moet geene plaatsen uit haar verband halen, gelijk, naar ik wel vernomen heb, de ketters gewoon zijn te doen, ter staving van hunne anders onbewijsbare gevoelens.quot;

Dit antwoord der bekoorlijke zwerfster bevestigde een vermoeden, hetwelk ik reeds den vorigen avond, uit sommige van haar uitdrukkingen, omtrent haar geloofsbelijdenis had opgevat; ik verlangde echter geen theologische wending aan ons gesprek te geven en ving dus aan, over andere onderwerpen te spreken; daar ik mij echter weinig meer herinner van hetgeen wij verder afhandelden en zulks ook voor mijn lezers waarschijnlijk even vervelend zoude zijn als indien ik hen dwong de reis in de trekschuit zelve te maken, zal ik slechts datgene vermelden, hetwelk Amelia mij toevoegde, toen wij Amsterdam bijna bereikt hadden.

„Hier,quot; zeide zij op een plechtigen toon, „moet onze korte kennis eindigen. — Zoodra wij uit het oog des schippers zijn. verlaten wij elkander, waarschijnlijk voor altijd. God doe u de betrekkingen, die u dierbaar zijn, in welstand en vreugde ontmoeten! — Hij loone u met zijn rijksten zegen, voor hetgeen gij zoo grootmoedig ten gevalle mijns vaders hebt verricht, — en waarvan de herinnering, hoop ik, weldra geheel bij u uitgewischt moge worden.quot;

„Uitgewischt!quot; herhaalde ik: „en waarom dat? Zoo ik in

ocr page 171

149

den beginne al eenigen weerzin tegen den mij opgedragen last gevoelde, ik ondervind thans slechts een innig leedwezen, namelijk van te denken dat ik u wellicht nooit wederzie.quot;

„Dit leedwezen zal u niet lang bijblijven,quot; hernam zij, met droefgeestigheid het hoofd schuddende : „en het is ook beter, dat gij onze korte ontmoeting vergeet. Gij bevindt u, door geboorte en stand, in betrekkingen, welke u niet veroorloven, u verder in te laten met ongelukkigen, zooals wij, die door het lot genoodzaakt zijn het daglicht te schuwen en sluipwegen te bewandelen. Op ieder van ons beiden rust een verschillende plicht, dien wij naar onze beste pogingen zullen trachten te vervullen: de zoon van den Hoofdschout heeft reeds genoeg voor mij gedaan: meer te doen zou ons niet baten en hem misschien strafbaar maken. Ik geloof, dat gij mij verstaat, zonder dat ik een verdere verklaring aan mijn woorden behoef te geven.quot;

„Ik weet niet,quot; zeide ik, „wat de zoon van den Hoofdschout aan uw vader of u mag zeggen, en in hoeverre ik altemet, door u een goeden uitslag met zijn bedoelingen toe te wen-schen mijn plicht als burger zou te kort doen; maar niets verbiedt mij toch, de hoop te uiten, dat het u steeds wélga, en dat, na de rampen en wederwaardigheden, die u getroffen hebben, ik u eenmaal moge terugvinden, in dien maatschap-pelijken toestand geplaatst, waar uw geboorte, opvoeding en begaafdheden u ongetwijfeld toe bestemd hebben.quot;

Amelia dankte mij met een handdruk voor dezen wensch, en wij spraken geen woord verder, totdat de schipper, zijn hoofd naar binnen stekende, ons het: „welkom te Amsterdam !quot; deed hooren.

„Hoe zullen wij het nu aanleggen met ons goed ?quot; vroeg Amelia.

„Laat dat aan mij over,quot; antwoordde ik, die reeds mijn plan gemaakt had: „en blijf stil in de roef zitten, tot ik u roep. Hei! ho!quot; riep ik, naar buiten springende: „is daar ook een kruier?quot;

„Zal ik het goed van Mijnheer niet te huis brengen?quot; vroeg de schippersknecht, de muts even aflichtende.

ocr page 172

150

Dit was juist wat ik -vvilde: „wanneer heb ik het dan?quot; vroeg ik.

„Binnen het half uur is het bij u. UEd. is immers de zoon van den Heer Hoofdschout, wel bekend?quot;

„G-oed!quot; was mijn antwoord: „alleen dat stuk,quot; vervolgde ik, op het koffertje van Amelia wijzende: „moet ik terstond medenemen, omdat ik er iets uit moet nemen en het dan verder opzenden.quot;

„Heel wel. Mijnheer! als Mijnheer dan daarvoor maar een van die menschen wil nemen ... .quot;

Ik zag om: een aantal knapen en sjouwerlieden had zich om mij heen gedrongen. Ik koos een hunner uit, aan wien ik het koffertje overreikte. — „Zuster!quot; riep ik toen: „als het u maar belieft.quot;

Amelia kwam terstond voor den dag, en wij begaven ons, naast elkander, doch niet gearmd, en met den jongen achter ons, langs den Binnen-Amstel verder. Wij hadden het geluk, niemand van mijn kennis te ontmoeten. Aan de Amstelstraat gekomen, hield ik stil.

„Wij gaan hier van elkander,quot; zeide ik: „jongen! gij volgt de Juffrouw en brengt haar bij den Heer Bouvelt op den Buitenkant bij de Peperstraat.quot;

Amelia en ik drukten elkander de hand tot afscheid: zij ging met den knaap de lange houten brug naar de Muider-straat op, terwijl ik mijn weg langs den Binnen-Amstel vervolgde. Toen ik ongeveer honderd schreden verder gegaan was, wendde ik het hoofd nog eens naar haar om; maar hoe groot was mijn verwondering en tevens mijn spijt, toen ik bemerkte, dat niet langer dezelfde knaap, maar Simon de marskramer achter haar ging met het koffertje op zijn rug. Ik waande een oogenblik, dat het mij schemerde; maar ik kon geen twijfel meer voeden; het was Simon zelf, en de andere knaap liep op een drafje met het marsje van den Jood weg. Mijn maatregelen van voorzorg, naar mij dacht met zooveel overleg gekozen, waren dus verijdeld! en dat wel door de schalkheid van 'een listigen marskramer, en die het nu in zijn macht

ocr page 173

151

had, althans gedeeltelijk, achter het geheim te komen. Maar het was te laat om er iets aan te doen; en elke nieuwe bemoeienis van mijn kant zoude, in den tegemvoordigen stand der zaken, meer na- dan voordeel hebben aangebracht. Voor 't overige wist ik bij geruchte, dat de Heer Bouvelt een geschikt man was, die de achting zijner medeburgers genoot en onder wiens bescherming Amelia zoo veilig mogelijk wezen moest: deze gedachte stelde mij weder eenigszins gerust: en het denkbeeld, dat elke schrede, die ik nu deed, mij dichter bij de mijnen bracht, nam weldra mijn geest zoodanig in, dat het alle andere, ook dat van mijn laatste avonturen, ten eenenmale verdrong.

TIENDE HOOFDSTUK,

WAARIN VERHAALD WORDT, HOE FERDINAND TE HUIS KWAM EN HOE HIJ INSLIEP, WELK VOORBEELD DE LEZER MAG VOLGEN, ZOO HET HEM GOEDDUNKT.

O! wie kan naar eisch dien stroom van gewaarwordingen beschrijven, die ons overstelpt, wanneer wij, na een lange afwezigheid, het ouderlijk huis weder naderen, en de oogen-blikken tellen, die ons nog scheiden van hen, die ons dierbaar zijn. Welk een vreemde mengeling van blijdschap, van hoop, van angstvalligheid, van geluk, van vrees, komen ons gemoed vervullen! -- Welk een aantal verwarde en verschillende vragen stellen zich aan onze verbeelding voor! — Zullen al de leden van het huisgezin gezond en bij elkander zijn? — Zal er geen lastig bezoek wezen van onverschillige derden, wier tegenwoordigheid die zoete stonden des wederziens belemmert en ons het warme gevoel des harten dwingt te smoren? — Heeft men wellicht juist dezen dag tot een pleiziertocht uit-

ocr page 174

152

gekozen? of is men om een andere reden afwezig, zoodat wij bij onze tehuiskomst slechts ledige en verlatene kamers, en niemand vinden om aan het hart te drukken ? — Leven de oude dienstboden nog, waaraan wij van kindsbeen af gewend waren, of zullen wij op ons aanschellen deze of gene onbekende neepmuts zien verschijnen, die, alleen de bovendeur openende, en met een verbaasd gelaat de ontroering bespeurende, die op het onze te lezen is, ons begroet met de ijskoude vraag: „wat is er van je dienst, Sinjeur?quot; — Zal het huisraad nog in elk vertrek dezelfde plaats bekleeden, waar het vroeger stond, en waar het, naar ons begrip, behoort te zijn gebleven? Zullen de kamers zelve dezelfde bestemming bewaard hebben ? — Ach! wij herinneren ons alles, zooals het zich bij ons vertrek bevond, en wij weten, dat elke verandering die wij vinden zullen, ook die ten goede is aangebracht, ons een gevoel van leedwezen zal doen ondervinden.

Ook in mijn geest speelden en verdrongen zich al die vragen, terwijl ik met haastige schreden mijn weg langs den Binnen-Amstel vervolgde. Nu bereikte ik de Erwtenmarkt, de Doodkistemakersgracht: ik zag den Regulierstoren voor mij: deze was een herkenningspunt; want men kon hem evenzeer zien van het huis mijns vaders: — ik kwam op den Singel: in het hoekhuis woonde nog dezelfde bakker, waar ik als knaap gewoon was drieduitskorstjes te koopen, en de bakkerin zat nog op haar oude plaats achter de toonbank: ik knikte haar goeden dag; — maar ik wachtte niet af, of zij mij herkende : ik had den gevel van mijn vaders huis gezien: en ik verdubbelde mijn tred. Eenige onzer buren zaten voor het raam: ik groette hen met dien blijden blik, die te kennen geeft: „ja, ik ben het wèl; kijkt maar goed; het is Ferdinand, die te huis komt:quot; — ik snelde de stoep op en het was mij, of mijn voetzolen minder luid op de blauwe zerken klonken dan het hart mij in de borst bonsde: ik keek in de zijkamer: — ja waarlijk! daar zat mijn moeder met mijn oudste zuster, beiden op de gewone plaats: — het was mij, als werden mijn oogen beneveld: en terwijl ik met de eene hand tegen het raam tikte

ocr page 175

153

trok ik met de andere aan de schel alsof het huis in brand stond.

Mijn goede moeder, die wat bijziende was, had mij niet herkend; en Suzanna zat met den rug naar mij toe. Ik had haar wel zien oprijzen; doch zij kwam niet aan het raam dan op hetzelfde oogenblik, waarin ik de voordeur intrad. En het was geen nieuw aangezicht, het was wel degelijk onze getrouwe Aagt de werkmeid, die voor mij stond, en die onder den uitroep: „wel is het mogelijk!quot; mij om den hals viel: „goeden morgen Aagt!quot; zeide ik, haar omhelzing beantwoordende: „is alles wel?quot;

Maar zij dacht er niet aan om mij te antwoorden: zij had mij reeds weder losgelaten, en riep nu, terwijl de tranen langs haar dorre wangen liepen, met luider stemme: „Mevrouw! Juffrouw! daar is de jonge Heer Ferdinand!quot; — En tegelijkertijd bijna vloog de deur der zijkamer open, en drukte ik mijn lieve moeder en zuster aan het hart: en toen was het klos! klos! klos! — trip, trap, trip van alle zijden: en kwamen mijn jonger broeders en zusters van boven en de overige dienstboden van beneden de trappen af- en opgestormd : en het was een gedruisch, en een gekus, en een gelach, en een geween en een gevraag, en een geroep door elkaar, dat hooren en zien er bij vergingen. Eenige oogen-blikken later zat ik in de zijkamer naast mijn moeder, die mijn handen tusschen de hare geklemd, en uit wier vriendelijke, hemelsblauwe oogen, nu en dan een traan langs het zachte, engelachtige gelaat nedervloeide: terwijl al haar overige kinderen in een blijden kring om ons heen stonden.

„Wij hadden u zoo spoedig niet verwacht, Ferdinand!quot; zeide Suzanna: (want moeder en ik waren bijna niet in staat een woord te spreken) „ik mag niet beginnen met te knorren: — maar ik dacht, dat gij in Westfalen verliefd waart geworden en met deze of gene moeffrikaansche pottedeern zoudt terugkomen, daar wij in veertien dagen geen tijding van u hadden.quot;

„Hoe!quot; zeide ik: „ik verklaar u, dat ik geen zes dagen geleden uit Munster geschreven heb: dan is de brief verloren geraakt.quot;

ocr page 176

154

„Licht mogelijk,quot; zeide zij; „men gebruikt tegenwoordig, hoor ik, enkel slakken en schildpadden tot postboden: — nu, in allen gevalle zijt gijzelf ons nog welkomer dan een brief en spaart het mij de moeite, uw hanepooten te ontcijferen.quot;

„Pas op. Santje!quot; hernam ik: „ik weet van goeder hand dat gij mijn brieven zoo laag niet schat en die zelfs aan uw vriendinnen lezen laat.quot;

„Hoe weet je dat!quot; zeide zij, een weinig rood wordende: „Qui te 1' a dit? Zeker heeft papa u dat geschreven.quot;

„Neen! dat heeft papa mij niet geschreven; maar dat weet ik toch van zeer goeder hand: —■ pas maar op! ik zal u daarover onder vier oogen de les eens lezen; en dan zult gij er niet gemakkelijk afkomen.quot;

„Zie toch eens, mama!quot; zeide Santje, terwijl moeder tus-schen haar tranen om ons harrewarren lachte; „wat is het reizen toch een heerlijk ding, om jongelieden te vormen. Daar verbeeldt zich Ferdinand nu, omdat hij eenige landen en steden bezocht heeft en misschien niets anders geleerd heeft dan te liegen als een courant, dat hij mijne plak ontwassen is en durft zich een meesterachtigen toon aanmatigen tegen zijn oudste zuster. Neen mannetje!quot; vervolgde zij, mij met den vinger dreigende: „ik zie wel dat het hoog tijd is, dat gij te huis komt en u weder onder subordinatie begeeft. Dat komt er van, wanneer die heertjes zoo lang hun eigen meesters geweest zijn.quot;

„Kinderen!quot; zeide moeder, het hoofd schuddende: „gij zijt waarachtig nog altijd dezelfde. Gij ziet elkander eerst sedert een paar minuten terug, en het oude geplaag is weder aan den gang;quot;

„Wel! lieve moeder!quot; zeide ik, haar nogmaals omhelzende: „ik hoop waarlijk wel dat gij mij niet veranderd vinden zult.quot;

„Hoe verwaand!quot; zeide Suzanna: „net alsof de jonge Heer volmaakt was, toen hij heenging. O hemel! wat zal ik daar nog aan te ontbolsteren hebben: — maar zeg mij ? Wat zal Mijnheer na de reis gebruiken? Zal ik wat koffie zetten of verkiest gij een glaasje wijn? Eu hoe staat het met den eet-

ocr page 177

155

lust? Is die nog zoogoed als voor vijf jaren? Dan kan ik mijn vingers weder lam maken van het boterhammen snijden; of lust u wellicht onjen Iioliandschen kost niet meer?quot;

„Wel foei!quot; zeide ik: „zou mij een boterham niet smaken, met echte Delftsche boter en Beemster kaas? — En dat nog wel door mijn zuster bereid!quot;

„Dat is wel gezegd, Ferdinand! En nu begin ik nogal hoop op u te voeden. Maar kom! gij vertelt ons niets: — hoe hebt gij uw reisgenoot gelaten? en waar komt gij nu het laatst vandaan?quot;

„Dat zijn te veel vragen opeens,quot; zeide ik, het tijdstip, waarop ik met mijn leugens zou moeten beginnen, zoolang mogelijk wenschende te verschuiven.

„Neen Santje!quot; viel mijn moeder in, mij zonder het te weten uit de verlegenheid helpende: „eerst moet de goede jongen wat te eten hebben: ofschoon ik u niet raad veel te gebruiken; want uw zuster en ik gaan naar de avondkerk en wij eten vroeg vandaag.quot;

„Wel dat treft nu ook!quot; zeide ik: „zóó ben ik te huis, en zóó laat gij beiden mij weer alleen. Dat gij nu juist in de weekbeurt gaan moet ? kan die kerkgang niet tot aanstaanden Zondag uitgesteld worden?quot;

„Had ik geweten, lieve jongen! dat gij heden thuis zoudt komen,quot; antwoordde mijn moeder, „dan was ik liever gisteravond gegaan; maar het is nu eens zoo geschikt en uw tante Letje rekent er op, dat wij haar komen afhalen. Gij zult misschien wel met ons mede willen gaan, nietwaar? want het zal u ook aangenaam zijn, weder in een Hollandsche kerk te komen en den goeden God voor uw behoudene terugkomst te danken.quot;

„Waarlijk ja, Ferdinandje!quot; zeide Suzanna: „dat moogt ge wel doen; want ik vrees dat gij wel een vrome toespraak noodig zult hebben, en dat het hoognoodig zal zijn, dat gij den catechismus weder eens opvat; gij hebt mooi tijd gehad om dien te verleeren.quot;

„Wees maar gerust,quot; hernam ik; „wij zullen morgen eens

ocr page 178

156

zien, wie van ons beiden het best zijn vraagboekje in 't geheugen heeft.quot;

Gedurende het laatste gedeelte van dit gesprek, hadden mijn moeder en Suzanna eenig ontbijt uit de kast gekregen en mij voorgezet. Terwijl ik bezig was, daarvan te nuttigen, met dien smaak, welken men na een lange afwezigheid ook aan de eenvoudigste vaderlandsche spijze vindt, en intusschen de menigvuldige vragen beantwoordde, mij door het jongere deel der familie gedaan, kwam mijn bagage te huis; en nu stoven allen, meisjes zoowel als knapen, naar het voorhuis, om de dienstboden te helpen in het naar boven slepen mijner koffers. Ik wilde mij insgelijks daarmede bemoeien; doch Suzanna weerhield mij.

„Wees maar bedaard,quot; zeide zij: „gij zijt van daag de held van 't stuk en moogt geen hand uitsteken. Wij zullen wel oppassen, dat alles voorzichtig de trappen opga, zonder dat er iets breke van al de kostbare kristalwerken en fraaie porseleinen, die gij ons ten geschenke medebrengt, en zonder dat de keurige stoffage beschadigd worde, welke gij mij vereeren wilt om een danskleed van te maken.... Tusschen twee haakjes, ik hoop, dat gij nog eenige nieuwe rokken en vesten voor u zeiven hebt liggen in een van die koffers; want zoo dat smerige pakje, 't geen gij nu aanhebt, uw eenige gewaad is, mogen wij wel terstond naar den kleermaker sturen en u, zoolang hij bezig is, achter slot honden; want een vreemde zou schrikken, zoo hij u zag.quot;

Ik begon te lachen en keek op de huisklok; want het moest, dacht mij, haast de tijd wezen, dat mijn vader te huis kwam; en ik brandde van verlangen om hem te omhelzen. Men begrijpt, dat ik terstond bij mijn komst naar hem gevraagd had. Het antwoord was geweest, dat hij zich welvarend, en, als naar gewoonte, op het stadhuis bevond.

Het leed ook niet lang, of ik zag den waardigen man de stoep opkomen en aanschellen. „Wacht!quot; riep Suzanna: „blijf gij hier! wij moeten even een grap hebben met vader,quot; en zij snelde naar de voordeur, die zij opende.

ocr page 179

157

„Goeden dag, Santje,quot; hoorde ik mijn vader zeggen.

„Goeden dag, papa! Wat ziet UEd. er bedrukt uit. Is er iets gebeurd?quot;

„Neen, kind!quot; was het antwoord: „maar zeg mij, is er nog geen brief van Ferdinand?quot;

„Neen, papa! die loopt zeker in Twente de ganzen na om een pen te krijgen.quot;

„'t Is onbegrijpelijk,quot; hernam mijn vader, terwijl hij, gelijk Suzanna mij naderhand vertelde, bedenkelijk het hoofd schudde en met een angstigen blik opwaarts zag.

„Maar kom toch hier, lieve Willem!quot; riep mijn moeder, die het niet langer uit kon houden: „hier is veel beter dan een brief.quot;

„Vader! beste vader!quot; riep ik, den braven man tegensnel-lende en hem omarmende.

„Zoo! zijt gij er dan toch?quot; zeide hij, mij met hartelijkheid aan zijn borst drukkende: „laat mij u eens aanzien,quot; vervolgde hij, mij zachtjes van zich verwijderende en aandachtig met zijn doordringende blikken beschouwende: „gij ziet er wat verhit en vermoeid van de reis uit,quot; hervatte hij, na een korte stilte, op een langzamen toon: „maar anders voldoet mij uw uitzicht wèl en gij brengt mij terug hetgeen gij bij uw vertrek bezat: men tem san am in corpore sano. Gij hebt ons zeker willen verrassen en ons daarom niet geschreven, wanneer gij te huis dacht te zijn. Maar gij hadt waarschijnlijk vergeten dat uw vader Hoofdschout was, en dat ik op mijn avondrapport van gisteren de tijding hebben zoude, dat men u dien ochtend te Soest gezien had. Ik had u gisteravond reeds hier verwacht.quot;

„Waart gij daarom gisteravond en heden aan het ontbijt zoo stil en afgetrokken?quot; vroeg mijn moeder: „en waarom hier niets van gezegd?quot;

„Ik wilde geen van u allen ongerust maken,quot; antwoordde mijn vader: „maar zoo ik Ferdinand thans niet gevonden had, zou ik onmiddellijk een koerier naar Kaarden gezonden hebben; want dan had ik gedacht, dat er een ongeluk had

ocr page 180

15S

plaats gehad. — Gij hebt ongetwijfeld te Naarden gelogeerd, Ferdinand?quot;

Ik zat op heete kolen; want ik begreep, dat uu de ondervragingen zouden beginnen, en ik begon de moeilijkheid al te gevoelen van een verhoor, afgenomen door een vader, dien men niet misleiden wil, en een Hoofdschout, dien men niet licht misleiden kan. De woorden, die mijn vader tot mijn moeder gericht had, hadden mij ondertusschen den tijd gegeven om mij te herstellen; mijn antwoord luidde eenigszins ontwijkend:

„Ik ben door het slechte weer verhinderd geweest hier gisteren reeds te zijn, lieve vader! Het heeft hard geregend aan gene zijde van Xaarden. Hebt gij hier geen bui gehad? — Ik heb onderweg moeten schuilen en ben nu met de eerste schuit van Xaarden gekomen.quot;

Er was niets anders dan volkomen waarheid in hetgeen ik zeide, en toch kromp mij het hart, alsof ik een samenweefsel van logens verteld had. Mijn vader nam echter volkomen genoegen met deze opheldering.

,,'tls juist zooals ik dacht,quot; zeide hij: „ja, wij hebben hier ook wel wat regen gehad; maar toch niet zoo erg: — dan, naar ik hoor, moet de bui in Gooiland veel schade hebben gedaan: — nu, gij zult ons van dezen middag alles wel wat meer omstandig verhalen.quot;

„Ja!quot; voegde mijn goede moeder er bij: „gij zult nu ook wel verlangen u wat op te frisschen. Kom! wil ik u eens naar uw kamer brengen?quot;

„Wil ik hem den weg niet wijzen, mama?quot; vroeg Öuzanna: „ik zal hem op geen doolpad brengen.quot; — „Of ik! — of ik!quot; riepen Letje en Keetje.

„Neen! neen!quot; zeide moeder, het hoofd schuddende: „gij ijdeltuiten kunt naar uwe kamers gaan en u kleeden om bijtijds klaar te zijn voor den eten. Ik zal mijn jongen te recht helpen: 't is lang geleden, dat hij niet door moeder is naar boven gebracht, nietwaar, Ferdinand?quot;

Ik voelde, dat mijn oogen vochtig werden; en, de lieve

ocr page 181

159

vrouw onder den arm nemende, ging ik met haar de trappen op,

„Hoe, mama!quot; vroeg ik, toen zij mij binnenleidde in een ruim en luchtig vertrek, dat te voren tot logeervertrek had gediend voor zoodanige bekenden van buiten, als ons nu en dan bezochten: „is deze fraaie kamer voor mij alleen?quot;

„Ja Ferdinand,quot; antwoordde zij, terwijl haar trekken het genoegen aantoonden, dat haar mijne vreugde over deze schikking verschafte: „mij dacht, gij waart nu oud genoeg om een kamer voor u zeiven te hebben, waar gij onverhinderd kunt werken, en nu en dan dezen of genen ontvangen. — Maar mij dunkt, de meiden hadden, nu gij eens hier zijt, de ramen wel kunnen sluiten.quot; Dit zeggende, maakte de zorgvuldige moeder die zelve toe, keek vervolgens het beddegoed na, de waschtafel en het linnenkabinet, om te zien of er ook iets ontbrak, en wreef met haar zakdoek de bijna onzichtbare stofdeeltjes weg, die zich op het spiegelglas of op de gladde tafel bevonden.

„Waarlijk, mama!quot; zeide ik, diep getroffen over de blijken van haar zorgvolle liefde: „al de vrienden die mij bezoeken, zullen mij deze kamer benijden, en vooral de lieve moeder, die ze voor mij in orde bracht.quot;

„Ik ben blijde, dat zij u gevalt,quot; zeide mijn moeder: „maar zeg mij eens, Ferdinand!quot; vervolgde zij, mij naderende, en met mijn lokken spelende: „hebt gij, toen gij op reis waart, wel eens gedacht aan de laatste belofte, die gij mij deedt op den avond voor uw vertrek? — Hebt gij nooit iets volbracht, dat gij u schamen zoudt mij te vertellen?quot;

„O! geloof mij,quot; antwoordde ik, haar omhelzende: „altijd is mij de gedachte voor den geest gebleven: ik mag een zoo goede moeder als de mijne in niets bedroeven.quot;

„Beste jongen!quot; hernam zij; „het besef der vreugde, die gij mij thans doet smaken, moet u zoeter genot schenken dan eene van die genietingen, welke gij om mijnentwille hebt opgeofferd, u had kunnen aanbieden. O! wat zal het mij zalig zijn hedenavond mijn Schepper te danken, dat Hij

ocr page 182

IGO

u weder gebracht heeft, zoo rein en zoogoed als toen gij mij verliet.quot;

En wederom rustten hare blikken, die niets dan liefde en teederheid ademden, op mij en speelde er een hemelsche glimlach tusschen de tranen die haar ontrolden. Een geruimen tijd bleven wij beiden, in stilte en zonder te spreken, de zaligheid genieten, die onze harten doorstroomde. O! dacht ik bij mijzelven, had die goede moeder gisteren kunnen weten welk gevaar zij geloopen heeft, dien zoon, dien zij zoo liefheeft, te verliezen, haar moederhart had die angsten niet doorgestaan!

Het schijnt den mensch ingeschapen, zich. zoodra de eerste opwelling voorbij is, ook voor de beminnelijkste zwakheden te schamen. Mijn moeder liet mijn hand los en veegde de oogen af.

„Kom!quot; zeide zij: „wij zijn kinderachtig: — maar zeg mij, Ferdinand, is al die bagage van u? En zijn al deze koffers vol ? dat goed zal weder gepakt zijn, gelijk de Heeren dat gewoonlijk doen, alles door en op elkander gesmeten, zonder te passen of te schikken. Ik wed, dat ik wel kans zou gevonden hebben, met de helft dier koffers toe te komen.quot;

„Wel mama! nu maakt gij het al te grof,quot; zeide ik: „denkt gij dat ik gedurende mijn reizen geen pakken geleerd heb? Neen voorwaar die beschuldiging is onverdiend. Maar ik heb onderweg mijn bagage niet weinig zien vermeerderen: en wanneer men bedenkt, dat ik geen klein getal broeders en zusters heb, die allen een geschenk verwachtende waren, zal het u niet verwonderen, dat ik mij in de noodzakelijkheid heb bevonden, de middelen van vervoer eenigszins te vermeerderen.quot;

„Nu, wij zullen eens zien wat het geeft,quot; zeide mijn moeder: „ik zal u niet langer ophouden: kleed u maar aan, en zoo gij iets noodig hebt, moet gij maar schellen.quot;

Met deze woorden verliet mij de goede vrouw en bleef ik alleen in het bezit van mijn prachtig vertrek. Ik kon echter

ocr page 183

161

niet terstond voldoen aan haar laatste verzoek; mijn gemoed was vol: ik zonk half in een leunstoel neder en stortte mijn ziel uit ih vurige dankgebeden tot Hem, die mij den zegen had doen smaken, van vereenigd te worden met al die panden, welke mij zoo dierbaar waren. Na het volbrengen dezer behoefte van mijn hart, rees ik op, haastte mij, al wat ik aan het lijf had af te leggen en met een gevoel van walging in een hoek te smijten, en schoone kleederen en linnengoed uit mijn koffer te krijgen: ja een gevoel van verkwikking en wellust vervulde mij, toen ik, nu van top tot teen in een nieuwen dos gestoken, mij met welgevallen in den spiegel beschouwde. Er ontbrak nog wel is waar een pruik om mijn toilet te volmaken; maar dewijl het weldra etenstijd zou wezen, en, ook, al ware de kapper bij de hand geweest, de plechtigheid van het haarsnijden en het passen van een nieuw hoofdtooisel te lang zoude hebben aangehouden, begreep ik die gevoeglijk tot den volgenden morgen te kunnen uitstellen. Ik haastte mij naar beneden en zat weldra met de mijnen op mijn oude plaats, tusschen moeder en Santje aan het mm-dagmaal: waar ik van vragen bestormd werd door het jongere deel van het huisgezin, zoodat mijn vader meer dan eens stilte moest gebieden, en mijn moeder de kinderen beknorren en hun verzoeken, mij toch te laten uitblazen en in vrede mijn eten nuttigen.

Daar mijn moeder en zuster, gelijk ik reeds gezegd heb. voornemens waren naar de kerk te gaan, liep het middagmaal nogal haastig af: 't geen mij niet speet; want ik was weinig tot praten gestemd en begon de gevolgen der vermoeienissen van den vorigen dag te ondervinden, en wel op een zoo blijkbare wijze, dat ik dienaangaande het verwijt van mijn zuster Suzanna moest ondergaan.

„Wat maakt het reizen de jonge lieden toch wellevend.quot; zeide zij: „is het te Weenen of te Genua dat gij zoo hebt leeren gapen? — Ik dacht zoo meteen, dat de geheele soepterrine er aan moest gelooven. Gij kunt u gerust bij den drogist op het Eokin verhuren, indien hij zijn gaper verliest.

I. - F, H. 11

ocr page 184

1(52

Dominee Best krijgt een beroerte op 't lijf als hij u ziet.quot;

„Ik geloof, dat ik hem niet in de gelegenheid zal stellen,quot; zeide ik: „ik ga niet naar de kerk om te slapen; en ik ben overtuigd, dat mij hedenavond de Apostel Paulus zelf niet wakker zoude houden,quot;

„Neen waarlijk, gij ziet bleek van de vaak,quot; zeide mijn moeder, eenigszins ongerust: „vindt gij ook niet, schat!quot; (zich tot mijn vader wendende) „dat Ferdinand er, sedert hij aan tafel is gekomen, niet best uitziet.quot;

„Dat is zeer natuurlijk,quot; zeide Suzanna: „straks was zijn gezicht beter dan zijn gewaad, en nu is het omgekeerd.quot;

„Ik geloof ook,quot; zeide mijn vader, „dat hij maar wijzer zal handelen met te huis te blijven en wat rust te nemen. Hij zal vermoeid zijn, en daar is niets vreemds in:

Mu 11a tu 1 it fecitque puer, sudavit et a 1 sit.

Ware ik in zijn plaats, ik ging een paar uren te bed liggen; of anders kan hij in mijne kamer in den grooten armstoel wat gaan dutten, tenzij hij liever verkieze, wat met mij te praten.quot;

„Ziedaar een alternatief, dat ik gaarne aanneem,quot; zeide ik; „ik beken, dat ik heden maar een half mensch ben en zelfs buiten staat, mij met fatsoen uit een schermutseling met Santje te redden.quot;

„Dan zal ik ook maar geen kruit en lood op u verschieten,quot; zeide Suzanna: „want er steekt geen eer in de overwinning, wanneer de vijand zich niet verweert: A vain ere sans peril, on triomphe sans glolre.quot;

„Zeer goed,quot; zeide ik: „zoo gij slechts niet vergt, dat ik u voor deze edelmoedigheid bedanke; want gij weet zoogoed als ik, dat de tijd om mij te plagen u toch ontbreken zou, daar het rijtuig binnen een paar minuten voor de deur zal staan.quot;

Ik bedroog mij niet; nauwelijks had ik uitgesproken, toen er gescheld werd en men het rijtuig kwam aankondigen. De beide dames vertrokken: het jongere gedeelte van het gezelschap ging uit elkander, en ik trok met mijn vader naar zijn

ocr page 185

1G3

kamer. Wij spraken een wijl over onverschillige zaken; maar ziende, dat ik vruchtelooze pogingen deed om de aanvechtingen van den slaap te bestrijden, gaf hij mij opnieuw den raad daaraan geen langer weerstand te bieden. Ik begreep, dat zulks ook het wijste zoude zijn, en plaatste mij zoo gemakkelijk mogelijk in den grooten armstoel, dien ik in den donkersten hoek van het vertrek had geschoven. Mijn vader ging bij het raam zitten en eenige schrifturen nazien: en het leed niet lang of ik lag in een genisten slaap gedompeld.

ELFDE HOOFDSTUK,

HETWELK ETTELIJKE POLITIE-GEHEIMEN AAN DEN DAG BKENGT.

Ik had ongeveer een half uur in dezen aangenamen, zorge-loozen toestand doorgebracht, toen ik half wakker gemaakt werd door drie kleine slagen, op een bijzondere wijze tegen eene der deuren gegeven.

„Daar wordt geklopt,quot; zeide ik, de armen uitrekkende en willende opstaan.

„Hou uw gemak/' zeide mijn vader: „het is niemand anders als Heynsz, die mij zijn rapport komt doen. Slaap maar door,quot; vervolgde hij lachende: „dan geraakt gij niet in de verzoeking van de geheimen der Justitie te verklappen.quot;

Dit gezegd hebbende stond hij op, haalde een bos met sleutels uit zijn zak, opende daarmede een deur, welke zich in een hoek van het vertrek bevond, en liet den zooeven genoemden persoon binnenkomen. Daar deze geen geringe rol gespeeld heeft in de avonturen, welke ik nog te verhalen heb, zal men het mij niet kwalijk afnemen, dat ik, tot recht verstand van het volgende, eenige meer omstandige beschrijving van den man der neder stelle.

ocr page 186

104

Het is mij onbewust of Zacharias Heynsz een afstammeling was van zijn naamgenoot, den dichter, wiens voortbrengselen onze vaderen een tijdlang bewonderden, maar die, sedert Vondel en Hooft hunne onsterfelijke werken uitgaven, al spoedig vergeten werd, schoon hij nog lang bi] den Duitschen nabuur als een voorbeeld ter navolging werd aangemerkt. Zeker is het, dat de Zacharias Heynsz, dien ik gekend heb, niet misdeeld was van die begaafdheden, welke, zoo hij tot een andere loopbaan ware bestemd geweest, hem een meerdere vermaardheid zouden hebben gegeven dan hem nu ten deel viel. Intusschen, uit hetgeen mij bij onderscheidene gelegenheden van hem ter ooren kwam, ware stoffe genoeg te vergaren geweest, om een levensloop te beschrijven, die om het avontuurlijke zeer lezenswaardig had kunnen geacht worden, ja met den C il Bias of Guzman d' A If ar ache wedijveren, indien zich slechts een even bekwame pen als die van Le Sage tot de samenstelling daarvan had aangeboden. Wat mij betreft, die verre van het denkbeeld ben verwijderd zulk een schrijver zelfs op eenigen afstand te willen nastreven, ik zal mij vergenoegen met een korte opgave van het merkwaardigste, dat deze persoon, tot op den tijd dat ik hem in mijns vaders vertrek terugzag, was overkomen.

De vader van onzen Heynsz, indien hij dan al van den ouden dichter afstamde, was van de voorouderlijke deftigheid ontaard, als vervullende hij geene hoogere betrekking dan die van lakei bij een onzer aanzienlijkste Regenten, wien hij, bij gelegenheid dat deze als afgezant het Fransche hof bezocht, naar Parijs volgde. Aldaar wisten zijn breede schouderen, zijn kloeke gedaante en blozende wangen, aan welke begaafdheden de fraai gegalonneerde rok voorzeker niet weinig luister bijzette, het hart te winnen der dienstmaagd uit de herberg, waar de gezant zijn intrek had, en welke aannam onzen borst Fransch te leeren spreken. Of haar leerling goede vorderingen onder haar opzicht maakte, weet ik niet; zooveel is zeker, dat hij, als een tweede Alcibiades, het zooverre bracht in de minnekunst, dat zijn' meesteres na verloop van

ocr page 187

165

een paar jaren als zijn echte vrouw met hem in Holland terugkeerde. Het was een wakkere tas, die vrouw Heynsz, en zij had voor haar huwelijk al vrij wat rondgezworven: ja men beweerde, dat zij, evenals de moeder van Campo quot;VVeyer-man, in oorlogsvuur ontstoken, het schortekleed voor het musket verwisseld, ja den veldslag van Senef en de verovering van Namen had bijgewoond. Zelfs wilden kwade tongen wel verhalen, dat zij tot Sergeant bevorderd zoude geweest zijn, indien niet de Luitenant, verwonderd over de omstandigheid, dat haar figuur op een wijze uit begon te puilen, welke hem bij het behoorlijk aligneeren zijner Compagnie eenigszins hinderlijk voorkwam, de zaak nader onderzocht en het geheim ontdekt had. Wat er van zij, de vader van onzen Zacharias had geene reden zich over zijne echtverbintenis te beklagen. De ondersteuning van zijn vermogenden beschermer had hem in staat gesteld een herberg te Amsterdam te aanvaarden, voornamelijk ingericht voor de landgenooten zijner huisvrouw, die het talent had, hun de uien en magere soep, waaraan zij in het moederland gewoon waren, bijna evengoed, althans op dezelfde wijze toebereid, te doen terugvinden. Zacharias, de eenige spruit, waarmede hun echt gezegend werd, had dus al vroeg gelegenheid om met menschen van allerlei slag te leeren omgaan, 't geen hem later, gelijk men zien zal, niet weinig te stade kwam. Te dier tijd echter maakte hij daarvan geenszins het behoorlijke gebruik en was zijn ouders tot weinig dienst, daar hij zich meer met lanterfanten en slenteren langs de straat geneerde, dan met het verrichten der boodschappen of bezigheden, welke hem werden opgedragen. Daarenboven gevoelde onze Heynsz een onweerstaanbare neiging voor de teekenkunst, welke slechts eenige meerdere opleiding en beschaving zou hebben noodig gehad, om hem in dat vak tot geene geringe hoogte op te voeren. Zijn ouders echter waren alles behalve in hun schik met deze begaafdheid van hun zoon: en hunne ontevredenheid had niet weinig kracht verkregen, toen zij van meer dan een reiziger klachten bekwamen, dat de onbeschaamde knaap zich verstout

ocr page 188

166

had, afbeeldingen van hun persoon, welke hen op een belachelijke wijze voorstelden, op hunne kamerdeur te plakken. Hierover ernstig bestraft zijnde, beloofde hij wel beterschap; maaide liefhebberij was te diep bij hem ingeworteld, dan dat hij die geheel zou hebben laten varen. Intusschen verwierf hem deze de gunst van een Franschen schilder, die, bij zijn ouders zijn intrek genomen hebbende, zoo getroffen werd door de beschouwing van sommige voortbrengselen van des jongelings kunstvermogen, dat hij aan de ouders den voorslag deed, hem met zich te nemen, en in de geheimen der kunst in te wijden, ter wedervergelding waarvan Zacharias hem eenigen dienst op reis zoude bewijzen. Dit werd met gretigheid toegestaan: en de ouders, nu geheel van inzicht veranderd, zagen reeds in 't vooruitzicht hun zoon, gelijk een tweeden Rubbens, met goud en ridderkruisen behangen, tot hen terugkeeren. Dan helaas! hoe ijdel was deze hoop! — De kennismaking met den Heer De Vieux (zoo heette de Franschman) moest den armen knaap, in stede van voordeel, louter schande en tegenspoed aanbrengen. In den beginne ging alles goed; en meester en leerling beiden wenschten elkander met hunne onderlinge betrekking geluk; — maar eensklaps vervielen voor Zacharias alle uitzichten voor de toekomst; daar zijn meester, zich met hem in Zwitserland bevindende, van waar zij voornemens waren naar Italië te trekken, in een herberg werd vermoord, na van al hetgeen hij aan goud en kostbaarheden bij zich had, beroofd te zijn geworden. Dewijl de misdadigers onbekend waren, vielen de vermoedens natuurlijk op Zacharias, die zich in de gevangenis zag werpen, zonder steun, zonder iemand, die hem kende of voor hem in de bres wilde springen. Hij raakte wel is waar, na een detentie, welke bijna een jaar duurde, wegens mangel van bewijzen op vrije voeten; maar werd nu ook, zoo kaal als de verloren zoon, in een vreemd land, en waar niemand zich zijner aantrok, op straat gezet. Hij besloot, al bedelende naar Parijs te gaan en aldaar te beproeven, of hij de familie zijner moeder vinden en door deze in staat gesteld zoude kunnen worden, de terug-

ocr page 189

167

reize naar Amsterdam op eene meer behoorlijke wijze voort te zetten. Verscheidene malen gebeurde het hem, als vagebond te worden vastgezet, en de reis van Genève naar Lyon werd door hem niet in eenige dagen, maar in maanden volbracht: daar hij tot drie keeren toe weder over de grenzen teruggebracht werd. Eindelijk Lyon bereikt hebbende, deed hem een zonderling toeval met den beruchten Cartouche in kennis komen : een ontmoeting, welke hij later veelal behagen schepte te verhalen en waarvan de uitslag was, dat hij van dien Kapitein der gauwdieven een beurs met 1 o u i s d' o r bekwam. Dit maakte de uitvoering van het plan, dat onze reiziger gemaakt had, merkelijk lichter. Te Parijs trof hij den broeder zijner moeder in redelijke omstandigheden aan, en werd door hem wèl ontvangen. Dan, in stede van naar Amsterdam terug te keeren, keurde hij beter, zich eerst nog te Parijs in de schilderkunst te blijven oefenen, en ondertusschen den kost te verdienen met het maken van portretten, waarin hij, althans wat de gelijkenis betrof, zeer wel slaagde. — Dan het was hem voorbeschikt, dat de kunst hem altijd, in de plaats van eer en goud, ellende en schande berokkenen moest. Eens het afbeeldsel van een Edelman uit de provincie hebbende vervaardigd, stak hij in diens bijzijn de daarvoor ontvangene belooning in de beurs, welke hij van Cartouche bekomen had on om haar fraaiheid gewoon was bij zich te dragen. De Heer zeide niets, maar den volgenden dag werd Heynsz voor het gerecht geroepen, en gevraagd, waar hij die beurs vandaan had, welke, gelijk van achteren bleek, te Lyon aan gezegden Edelman ontstolen was. Onze schilder, niet durvende bekennen, dat hij die van Cartouche ontvangen had, verklaarde stoutweg, dat hij die van een reizenden marskramer gekocht had. Men deed onderzoek, en, ongelukkig voor hem, bevond men, dat hij zich, juist tijdens den diefstal, nabij Lyon en wel in zeer bekrompene omstandigheden bevonden had; terwijl hij later opeens in een deftig gewaad was verder gereisd. De aanklacht wegens den moord van De Vieux werd mede ter sprake gebracht en was althans niet geschikt de gemoe-

ocr page 190

16S

deren der Rechters voor hem in te nemen. Kortom, hij werd tot de galeien verwezen en bracht aldaar een tiental jaren door. Zijn gedrag was echter zoo gunstig onderscheiden van dat der overige boeven, dat hij er die verzachting in zijn lot genoot, welke met de reglementen van den dienst strookende waren, eu zelfs eenigszins met het opzicht over de anderen werd belast. Eindelijk kwam toevallig zijn onschuld uit aan de beide wanbedrijven, welke hem ten laste waren gelegd geweest. Hij werd ontslagen, en. Frankrijk nu vaarwelzeggende, trok hij, met het weinige geld, dat hij van zijn familie te Parijs bekwam, en met een pas van den gezant van Hunne Hoog-Mogenden, naar zijn vaderland terug. ïe Amsterdam gekomen, vond hij zijn ouders overleden en de herberg in andere handen. Hij zette zich hierop in Den Haag neder en vatte het schildersberoep weder bij de hand. — Maar de jaren van studie en genie waren intusschen jammerlijk vervlogen, en schoon hij nog altijd gelukkig in het treffen der gelijkenis was, zijn afbeeldingen misten die kracht van uitdrukking en die levendigheid van koloriet, welke den meester kenmerken, en zijn hulp werd dus niet ingeroepen dan door lieden van den minderen stand, uitgelokt door den matigen prijs, dien zij voor zijne voortbrengselen betaalden.

Terwijl hij aldus zich op een sobere wijs geneerde, werd hij voor de derde reize beschuldigd van een misdaad, welke hij niet gepleegd had. Hij had namelijk de vrouw van een juwelier ten haren huize geportretteerd in een kamer, waarin zich verscheidene voorwerpen van hooge waarde bevonden. Kort na zijn vertrek werd er een prachtig garnituur gemist, en bij gedane nasporing bleek het, dat een man, die naar de beschrijving vrijwel op Heynsz geleek, gemelde juweelen ver pand had. Hij werd opnieuw verhoord en gevangengezet; deze laatste gevangenis was echter de kortste. Hij had in den kerker het vertrouwen gewonnen eener aldaar met hem opgesloten dievenbende, door hunne afbeeldingen welgelijkend met kool op den wand te schetsen. Deze schelmen maakten hem deelgenoot van een plan ter ontkoming, dat vernuftig

ocr page 191

169

uitgedacht was en zeker zoude gelukt zijn, indien hij, voorziende dat zulks hem geen ondienst zoude doen, het geheim niet aan de Justitie verklapt had. Tevens was het hem gelukt, door listige vragen, bij zijn medegevangenen uit te vorschen, wie den diefstal bij den juwelier had begaan: en het was hem gebleken, dat het de zoon des huizes zelf was, die zijn vader bestolen had. Zijn dubbele ontdekking had ten gevolge, dat hij niet alleen werd vrijgesteld, maar zelfs een belooning ontving.

Dan hierbij bleef het niet. De geschiedenis van onzen Heinsz trok de aandacht van den toenmaligen Hoofdschout van Amsterdam, mijns vaders voorganger, die zich te dien tijde toevallig in Den Haag bevond. Hij deed onderzoek naar den schilder, en, na een met hem gehouden gesprek, oordeelde hij, dat deze de geschiktste persoon was, om te Amsterdam een bediening te vervullen, welke kort te voren was opengevallen.

Bekend is het, dat de Hoofdschout alhier in deze betrekking door vijf Onderschouten en door twee Klerken wordt geassisteerd, die van stadswege aangesteld worden en als stedelijke ambtenaren op de betaalsrollen verschijnen. Maar minder algemeen bekend en toch onontbeerlijk zijn de geheime agenten, welke het Hoofd der Justitie hunne diensten verlee-nen. Ontelbaar zijn de draden, waarmede het beleid van dien magistraat als met een kunstig geweven spinneweb niet alleen het geheele land overspant, maar welke, ook naar buiten verlengd, met al de voorname steden van Europa in betrekking staan. Het heir van spionnen en verklikkers, dat zich in die uitgebreide sfeer beweegt en tot welks bezoldiging de Hoofdschout jaarlijks aanzienlijke sommen ontvangt, kan echter uit den aard der zaak niet met hem noch zelfs met de ondergeschikte ambtenaren in onmiddellijke aanraking komen. Die onder hen, welke van een zoogenaamden fatsoenlijken stand zijn, zouden geen nut meer kunnen doen, zoodra het publiek kennis droeg dat zij met de Justitie in betrekking-stonden ; terwijl andere verklikkers van een minderen rang

ocr page 192

170

onderling onbekend blijven en soms eikander moeten gadeslaan. Ten einde de zaken dus een behoorlijken gang zouden gaan, is er een tusschenpersoon noodig, die, niet als ambtenaar bekend, zich belast met het overbrengen van des Hoofdschouts bevelen aan de geheime handlangers der Justitie, en hunne berichten wederkeerig te zijner kennisse brengt: een trechter waar alles doorheen gaat, of liever een totebel, die uit het slijk en de modder, waarin hij wordt nedergelaten, alleen datgene ophaalt, wat den meester van dienst is. Zoodanig een man wordt, of werd althans in dien tijd, uit de geheime fondsen betaald; hij had het oppertoezicht over de geheime agenten, knoopte de noodige betrekkingen aan bij de colleges der Admiraliteiten, bij de Bank, bij de lands- en stadsinrich-tingen, in de koffiehuizen, enz,, wierf de geschikste voorwerpen aan of stelde de zoodanigen af, die hem geen genoegzaam vertrouwen inboezemden. Met met de Onderschouten, maar onmiddellijk met den Hoofdschout stond hij in betrekking en kwam bij dezen tweemalen daags zijn rapport doen'). Deze bediening was opengevallen en nu sloeg de Hoofdschout, gelijk ik gezegd heb, de oogen op Heynsz, om die te vervullen. Hij oordeelde niet ten onrechte, dat iemand, die zoovele jaren van zijn leven in gezelschap van boeven en schelmen had doorgebracht, al de loopjes moest kennen, welke zij te baat nemen (en hiervan had Heynsz reeds een bewijs gegeven door de schrandere wijze waarop hij, op de Gevangenpoort zittende, den dief der juweelen had opgespoord): dat wijders Heynsz dit voor zich had, dat hij te vertrouwen was, en niet besmet door het gezelschap, waarmede hij zoo lang verkeerd had: en eindelijk, dat hij verscheidene talen sprak en een beroep dreef, hetwelk hij oogenschijnlijk kon blijven uitoefenen en 't geen hem overal den toegang bezorgde. Het akkoord was spoedig gemaakt, want, behalve dat de bezoldiging niet ge-

') Men herinnere zich dat de steller van het Handschrift de zaken voordraagt zooals die in zijnen tijd bestonden.

Noot v a n den uitgever.

ocr page 193

171

ring was, gevoelde Heynsz in zich juist die hoedanigheden leven, welke hem voor het aangeboden vak geschikt maakten. Hij verhuisde dan ook naar Amsterdam, en was sedert, tot zijn dood toe, de getrouwe rechterhand der Justitie. Voor de wereld, die van deze schikking onkundig was, bleef hij de schilder van beroep, en voegde bij de winstjes, welke zijn portretten hem bezorgden, nog deze. dat hij gestoffeerde kamers te zijnen huize verhuurde: 't welk hem dikwijls in de gelegenheid stelde, verdachte personen op een gemakkelijke wijze in 't oog te houden, hun bedoelingen te leeren kennen, en, wanneer het noodig was, hen over te leveren.

Het huis mijns vaders stond, gelijk men reeds vernomen heeft, op den Singel, en had van achteren gemeenschap met een gang, in het Klooster uitkomende. Door deze gang sloop Heynsz tweemalen daags ongemerkt binnen en kwam (gelijk ook thans geschiedde) aan het kabinet mijns vaders tikken.

Op den tijd, dat ik hem terugzag, kan hij ongeveer zestig jaren oud zijn geweest; maar, niettegenstaande zijn jaren en de veelvuldige wederwaardigheden, die hij had doorstaan, was hij nog wakker en vlug: en men had hem slechts aan te zien, om te oordeelen, dat hij een dier leden was, welke men, om zoo te spreken, met stokken moet doodslaan. Van postuur was hij klein en schraal, altijd zindelijk, ofschoon naar zijn stand en eenvoudig gekleed. Zijn gelaatstrekken hadden niets buitengemeens; maar zijn kleine, grauwe oogen, die immer door in beweging waren, duidden aan, dat het hem niet aan vlugheid en scherpzinnigheid ontbrak. Niettegenstaande de post, door hem bekleed, in de oogen van velen verachtelijk zou schijnen, genoot hij in zekere mate de achting mijns vaders: een voorrecht, dat over het algemeen niet zoo licht te verkrijgen was. Want, behalve dat mijn vader hem wegens zijn bekwaamheid en trouwen dienst waardeerde, evenals een jager zijn besten drijfbrak of staanden hond op prijs stelt, zoo was er inderdaad niets op den man te zeggen, en vereerde hij, wel aangemerkt, een bediening, welke te voren doorgaans vervuld was geworden door voormalige dieven.

ocr page 194

verhelers van gestolen goed, of andere ter kwader faam staande personen: naar de oude leer, dat men dieven met dieven vangen moet. De gunst, waarin Heynsz wist dat hij bij mijn vader stond, deed hem dan ook wel eens zich in zijne tegenwoordigheid vrijheden veroorloven, die den eerbied, aan de achtbaarheid van den Hoofdschout verschuldigd, te buiten gingen, en noodzaakten mijn vader hem het zwijgen op te leggen, wanneer hij aan zijn historietjes zonder einde over Cartouche en de Pransche boeven begon.

Daar men den persoon van Heynsz niet altijd aan de oogen der huisgenooten onttrekken kon, had men eerst aan mijn zuster en mij, en voorts aan al de overige kinderen, van onze vroegste jeugd af ingescherpt, dat wij nooit aan iemand iets moesten laten blijken van 's mans verschijning ten onzen huize. Hiervan was het gevolg, dat wij hem altijd hadden aangezien als een geheimzinnig wezen, dat geëerbiedigd en ontweken moest worden; ja wij koesterden een heilige vrees voor hem, niet ongelijk aan die, welke ik mij voorstel dat de kinderen eens vromen Bramins gevoelen voor den ondergeschikten geest, die, volgens de Hindoosche fabelen, de huishouding in orde brengt. — Wat de dienstboden betrof, tlezen kregen Heynsz nooit te zien; want aan geen hunner werd de toegang tot mijns vaders studeervertrek vergund, dan bij gelegenheid der maandelijksche schoonmaak; en alleen de gerechtsdienaar, die in de benedengang beidde, vermocht daar, schoon nooit dan na getikt te hebben, binnenkomen.

Na deze inlichtingen, voor wier wijdloopigheid ik verschooning verzoek, keer ik tot mijn verhaal terug.

Ik had mij, toen Heynsz, gelijk ik zeide, op de gewone wijze werd binnengelaten, met mijn stoel zoodanig omgekeerd, dat ik door de hooge leuning geheel voor zijn oog verborgen was: en, niet nieuwsgierig zijnde naar de geheimen der Justitie, de gemakkelijkste houding gekozen om weder in te slapen; maar, gelijk het veeltijds gaat, zoodra men moeite om te slapen doet, gelukt zulks het minst. Dit ondervond ik ook nu, en in weerwil van mijzelven moest ik luisteren naar

ocr page 195

178

een gesprek, hetwelk mij in den beginne onverschillig was, doch naderhand des te belangrijker werd.

„Welnu, Heynsz!quot; vroeg mijn vader, zich weder aan de tafel plaatsende, waar de ander met betamelijken eerbied voor bleef staan: ..wat brengt gij voor goeds?quot;

Ik hoorde Heynsz de bladeren omslaan van een zakboekje, waarin hij gewoon was op te teekenen hetgeen aan de orde van den dag was.

„N0. 1,quot; zeide hij, terwijl zijn stijl en tongval den Hollander verrieden, die, reeds jong zijn land verlaten hebbende, de taal zijner ouderen wel niet geheel verleerd heeft, maar toch somtijds moeite heeft het rechte woord te vinden en den volzin behoorlijk te rangschikken: nquot;. 1 ; de Koning van Corse logeert in het wapen van Emden en heeft bij Kuyt een cabriolet besteld, waarmede hij plan heeft morgen naar Rotterdam te rijden.quot;

„Hij zal zijn reis nog wat dienen uit te stellen,quot; merkte mijn vader aan, die insgelijks zijn zakboekje ter hand had genomen en aanteekeningen maakte, naarmate de beambte sprak: „wij zullen hem heden voor zonsondergang een logement in de gijzeling bezorgen.quot;

„Een Koning in de gijzeling!quot; dacht ik: — en ik herinnerde mi] niet zonder een sombere gewaarwording, dat ik op mijn reis dienzelfden Theodoor, met al de eerbewijzingen aan zijn rang verschuldigd, op het plechtigst op Corsika had zien huldigen en met de kroon versieren, welke hij slechts eenen zomer gevoerd had.

„Ma foi!quot; hernam Heinsz: „indien zijn crediteuren hem laten plakken, zij zullen lang wachten eer zij blauw tellen hunne vingers aan zijn geld, en het zal hun wel vervelen, hem te geven den kost. — Ik weet de science certaine, dat hij kaal is als de oude Heer Job.quot;

„Kent gij den kleermaker Melisz, ten wiens requisitie hij vervolgd is?quot; vroeg mijn vader.

„Of ik hem ken? Ik heb geschilderd het portret van hem, zijn vrouw en zijn dochter: 't was jammer van de schoone coleuren, besteed aan die leelijke bakkes.quot;

ocr page 196

174

„Welnu! tracht hun dan te beduiden, dat zij het arrest opheffen en geduld hebben. Ik zal zorgen, dat de debiteur zich niet verwijdere: en ik vlei mij, dat hij een goeden borg zal vinden. De man is ongelukkig: en, hoewel een gewezen Koning zijn schulden behoort te betalen gelijk een gewoon burger, dient men toch medelijden te hebben met iemand, die van zulk een hoogte gevallen is. Maar laat ons voortgaan. — Wat is er verder?quot;

„N0. 2. De diefstal bij den Juwelier Levi Samuelz is gecommitteerd door Mozes Abramsz, alias Mortje la Hayne, thans resideerende in den Duvelshoek, n0. 110.quot;

„Mozes Abramsz! — Een oude kennis:

extenuata gerens veteris vestigia poenae;

maar zijt gij daar zeker van?quot;

„Zeer zeker. UEd.Achtbare weet dat ik vanouds heb een fijnen neus om te attrapeeren dieven van juweelen. Karei de Speelman, die hem assistentie heeft gegeven in het uitsnijden der glasruiten, en het goed op straat heeft aangenomen, is de man die hem heeft verklapt; ik geloof dat zoo Abramsz bij het deelen als een honnette dief had gehandeld, de Speelman wel zou gehouden hebben den mond.quot;

„Best! Gij geeft vier dukaten aan Karei den Speelman en waarschuwt hem, dat hij binnen vier en twintig uren de stad moet verlaten, of dat ik hem anders als complice zal laten pakken. Verder!quot;

V0. 3. Campo Weyerman heeft de Loge der Vrijmetselaren in de Stilsteeg geopend met een heerlijke aanspraak en een fraai p o ê m e, waarin hij hun heeft geschilderd het groote belang van deugd en moraal. Alles is afgeloopen in complete orde.quot;

„Zeer wel; doch wat mij minder moreel en deugdzaam voorkomt, is dat diezelfde Campo een fatsoenlijke burgerdochter uit 's-Hage, buiten weten van haar ouders, te zijnen huize heeft getroond. Waarom heb ik daar niet eer tijding van gehad?quot;

ocr page 197

175

„Het is gebeurd in mijn absentie. Ik kom het heden eerst te vernemen en ging juist aan UEA. dit verhalen.quot;

„Genoeg! draag zorg, dat de ouders ondershands bericht bekomen van het verblijf hunner dochter, en hou intusschen den knaap in 't oog. Het is de eerste reis niet, dat hem iets dergelijks gebeurt; hij is onverbeterlijk en behoort onder diegenen, qui hosti 1 i more matrimonia student sibi conjungere. — Wat meer?quot;

„Nquot;. 4. Wij hebben het adres gevonden van dien Jeau Albert, welken de Fransche politie vruchteloos door geheel Europa opspoort.quot;

„Voortreffelijk! dat vergoedt uw verzuim met Campo. En waar houdt hij zich op?quot;

„Hij heeft niet gequitteert Parijs een oogenblik en logeert er nog altijd in de kleine straat du Bac. Ah! 't was een r u s é c o m p è r e, diezelfde Jean Albert: ik heb hem gekend heel wel aan het Bagne. Hij heeft nog eens aan Mijnheer d' Argenson geschreven, dat zoo hij hem wilde aanstellen als chef de la Police Secrete, er binnen zes maanden geen straatroof meer in Parijs zoude plaats hebben.quot;

„'t Is wel! Gij zult mij de bewijzen opgeven die ter zake dienstig zijn, opdat ik deze tijding aan mijn ambtgenoot te Parijs schrijve. Wat is er meer?quot;

„N0. 5. Ziehier het lijstje der sedert gisteravond aangekomen personen.quot;

„Hm! hm!quot; zeide mijn vader: en hij begon halfluid een soort van vreemdelingenlijst te lezen, welke hij met aanmerkingen verzeld deed gaan;

„Donderdag-morgen; de Heer Du Bourg: (hm! die komt hier zien, of hij het geld, dat hij aan de Bank te Aken verspeeld heeft, met acties op de Zuid terug kan winnen: — 1 us us res an t iqua .. . . sed pro tempore abii t in lac rimas . . ..) met twee bedienden, logeert in den gouden Bal. — (De kastelein is een jong beginner. Gij zorgt, dat hij gewaarschuwd worde, niet te veel krediet te verleenen aan dien avonturier, ondanks zijn fraaien stoet:) — de heer Peper-

ocr page 198

176

korrel uit Hoorn: Jacob Jansz en familie uit Alkmaar: Natha-naël Rosen uit Berlijn, bij Levi den uitdrager in de Muider-straat: — (die komt zeker een collecte doen: —) Peer. de Manke, Joost Roelifs en Symen de Beer, ketelboeters, in de Drie Verrotte Kamizooltjes: — (gij zult onderzoeken waar dat volkje den tijd doorbrengt: —) De Heer Blaek en familie van buiten. — (Ik heb u reeds meer gezegd, dat het heen en wedertrekken der lieden naar hunne buitenplaatsen en terug niet behoeft vermeld te worden: —) Jan Cornelisz, koekenbakker van Haarlem enz. enz. Volgen de lieden die met de schuiten gekomen zijn.quot;

Ik voelde een vreemde gewaarwording, toen ik den Heer Blaek en de zijnen zoo zonderling vergezelschapt zag. Mijn vader vervolgde:

„In de schuiten van Haarlem niemand die suspect was dan alleen de knecht uit het groote koffiehuis in 's-Hage die door zijn meester wegens diefstal verjaagd is. (Men houde dien man in 't oog.) Met de schuiten van Utrecht:quot; hier zweeg mijn vader een oogenblik en scheen met zijn potlood eenige namen aan te schrappen, als van personen, die hij der bewaking aanbeval: „met de schuit van Weesp: twee officieren van 't Oranje Regiment: twee deserteurs uit Hannover: (aangeschrapt li — enz. — Met de schuiten van Muiden— Hier werd ik dubbel aandachtig:

„Met de schuiten van Muiden: hm! hm! de Heer Ferdinand Huyck.quot;

„Ik vat deze gelegenheid aan, TJEA. mijn gelukwenschingen aan te bieden, over de voorspoedige terugkomst van uw Heer zoon.quot;

„Ik dank u. — Wie is die juffrouw Bos, die ik op de lijst vinde ?quot;

Ik begon over al mijn leden te beven: het antwoord van Heynsz stelde mij echter gerust.

„De dochter van den tabakskooper op den hoek van de Leliegracht.quot;

..Er zijn dan twee Juffrouwen Bos van Muiden gekomen,'

ocr page 199

177

dacht ik bij mijzelven: ,.of het vernuft van Heynsz is verschalkt.quot;

„En die Juffrouw Van Bevaren?quot; vervolgde mijn vader: „waar neemt die haar intrek?quot;

„Bij uwen onderdanigen dienaar,quot; antwoordde Heynsz: „een aardig meisje uit Deventer, dat mij door deftige lieden is aanbevolen . . .

„'tls wel!quot; zeide mijn vader. „Vervolg; wat geven de tijdingen van buiten ?quot;

„Nquot;. 6. De bende, welke weder eenige dieverijen en huisbraken onder Gooiland heeft bedreven, bestaat uit drie personen, indien namelijk mijn information juist zijn.quot;

Hier werd ik opmerkzaam, gelijk men denken kan. „Het zou nogal kluchtig zijn,quot; dacht ik, „indien ik den aanval op mijzelf gedaan, hoorde vertellen.quot;

„De een,quot; vervolgde Heynsz, „is een Bohémien, een Heiden, met name Peer Hendriks, alias 't Haentje, en op zijn Heidensch Baerlo. Hij is hedenmorgen, zoo ik hoor, dooiden veldwachter van Bussum geapprehendeerd geworden: — de tweede is Andries Mathyssen, gewezen matroos, de zoon van een boerin, nabij Oud-Naarden.quot;

„Ik ken hem en zijn moeder,quot; zeide mijn vader; „hij stond vanouds in het kladboek aangeschreven: a t r o c a r b o n e not at us.quot;

„Uw Heer zoon,quot; vervolgde Heynsz, „zal UEA. kunnen vertellen, hoe die Andries gistermorgen den beest heeft gespeeld in de herberg te Soest. Hij is van daar naar zijn woning gekeerd; maar, toen hedenmorgen de dienaars hem kwamen opsporen, was de vogel gevlogen.quot;

„Hij zal wel in het net komen,quot; zeide mijn vader. „En de derde ?quot;

„De derde, en die zooveel als de voornaamste der bende is, schijnt naar al hetgene men van hem vertelt, niemand anders te wezen als de beruchte Zwarte Piet, die vroeger in de West-Indiën heeft geéxcerceerd het bedrijf van zeeroover, «n nu, bij gebrek van beter, zich met straatschenderij geneert.

i. - F. H. Ü

ocr page 200

178

quot;Wat dien betreft, hij is geen vogel om zich zoo gemakkelijk te laten knippen; maar Tys de Blindeman zal zien of hij hem niet op kan loopen en mij bericht sturen van zijn gangen.quot;

„Goed! — maar nu het belangrijkste van allen: de Vliesridder? — Hebt hij eenig bericht omtrent hem?quot;

„N0. 7. De Vliesridder is met zijn dochter gistermorgen om halfacht uit Amersfoort gereden met een huifwagen van De Geus: te Soest heeft hij stilgehouden en aldaar onbescheiden behandeld zijnde door dienzelfden Andries Mathyssen, van wien ik zooeven sprak, hem een stoot gegeven, die bijna bespaard had aan den scherprechter de moeite, hem van dienst te kunnen zijn: — althans zoo vertelt kleine Simon de marskramer.quot;

„Goed! — Verder!quot; zeide mijn vader. — Men kan licht beseffen met welk een aandacht ik luisterde naar een opgave, welke voor mij zoo belangrijk werd.

„Zij hebben te Eemnes het middagmaal gebruikt, zijn bij Naarden beiden uit de kar gestapt.... en sedert heeft men niets van hen vernomen.quot;

„Niets!quot; herhaalde mijn vader, op een toon, die de hoogste ontevredenheid te kennen gaf: „is Simon hen dan niet achtervolgd ?quot;

„Ed. Achtb.! Simon had last Andries mede in het oog te houden, en het is hem gegaan gelijk den man, waarvan spreekt vader Cats, die vangen wilde twee hazen te gelijk.quot;

„Hij had zich aan den Vliesridder moeten houden. — Andries begaat vooralsnog zijn diefstallen buiten onze judi-catmir, en het is meer uit beleefdheid voor onze Gooische naburen, en uit voorzorg, dat wij de moeite op ons nemen, zijn gangen na te gaan. — Maar de Vliesridder! Iemand tegen wien het hooge landsbewind een bevel van apprehensie heeft uitgevaardigd! — dat is een man van meer beteekenis, zou ik denken.quot;

„Mag ik UEA. doen opmerken, dat alle kasteleins en voerlieden tusschen hier en Arnhem hebben zijn portret, en dat

1

ocr page 201

179

hij gevat moet worden, zoodra hij zich op het rechtsgebied vertoont.quot;

„Dat is nog niet genoeg! Hij moet gevat worden, eer hij in staat zij, of zelf, of door anderen, papieren te lichten, die zich hier te Amsterdam moeten bevinden en van het hoogste belang zijn. Het is geen gewoon mensch met wien gij te doen hebt: hij kent de zaken en zal list tegen list stellen. Bovendien heeft hij nog vrienden en betrekkingen, die hem de behulpzame hand zullen bieden. Er moet hier dus een dubbele waakzaamheid plaats hebben. Kunt gij niet nagaan, met wien hij hier ter stede correspondentie voert?quot;

„Nog niet, Ed. Achtbare! — doch zoo UEA. verkiest, zou men kunnen waarschuwen de post, en dan zijn er middelen genoeg om te komen achter het geheim.quot;

„Hij zal zijne brieven zelf niet schrijven. — Wist ik hier maar iemand, met wien hij betrekkingen heeft onderhouden.quot;

Mijn goede vader dacht weinig, dat de persoon, die in staat was, hem de meest voldoende narichten te geven, zich als derde in het vertrek bevond. Het gehoorde had mij intusschen zoo sterk aangegrepen, dat ik geen acht meer kon geven op het laatste gedeelte van het onderhoud tusschen mijn vaderen Heynsz, hetwelk over voor mij onverschillige zaken liep en slechts korten tijd duurde, waarna de ondergeschikte ambtenaar, op dezelfde geheime wijze als waarop hij gekomen was, het vertrek weder verliet. Deze oogenblikken van respijt kwamen mij wel te stade. Ware hij terstond vertrokken, ik zoude, geloof ik, in weerwil van mijn beloften aan den Heer Bos (of aan den Vliesridder, gelijk ik hem had hoeren betitelen) alles aan mijn vader bekend hebben; want dan ware ik zeker geweest, dat zijn doordringend oog een geheim op mijn gelaat zou gelezen hebben. Mijn toestand was met dat alles kwellend; ik begreep dat eenmaal mijn geheim zoude moeten uitkomen, dat dan wellicht het crimen reticentiae mij ten laste zou gelegd worden: dat bovendien mijn vader zelf beticht zoude kunnen worden, der zake niet onkundig te zijn geweest: — en dan, al ware het maar alleen de gedachte

ocr page 202

ISO

van mijn vader onvergenoegd te zien, dat hij zijn ambtsplicht niet volbrengen kon gelijk hij wenschte: het middel te bezitten, om hem daartoe in staat te stellen, en gedwongen te zijn, dit voor mij te houden: O dit viel mij hard! En toch! Ik zou mijzelven veracht hebben, indien ik in staat ware geweest, den man, die mij het leven gered had, aan hen, die zijn vrijheid belaagden, te kunnen verraden.

Ik veinsde derhalve door te slapen, en rees niet eerder uit mijn schuilplaats op, dan nadat Heynsz reeds een poos vertrokken was.

TWAALFDE HOOFDSTUK,

WAAR1X MEX KADERE KEKNIS MAAKT MET DE LEDEN DER FAMILIE EN WAARIN TANTE LETJE EEN CONFITUURVLEK OP HAAR HALSDOEK BEKOMT.

„Welnu!quot; vroeg mijn vader, die nog altijd te schrijven zat: „zijt gi] wel voldaan van uw slaapje? Mij dunkt, gij waart ook in het geval van Argus: Succubuisse oculos, ad op er t a que lumina som no.quot;

Ik voelde dat, ik een kleur kreeg, toen ik antwoordde dat mij de rust verkwikt had.

„Dat verheugt mij,quot; zeide mijn vader: „ik had al half berouw, dat ik u bij mijn gesprek met Heynsz had laten assis-teeren: maar gij sliept zoo gerust, dat de stads-omroeper zelf u niet wakker geschreeuwd zoude hebben. En is er altemet iets geweest dat u het eene oor is ingekomen, zoo vertrouw ik, dat zulks het andere oor weer is uitgegaan, en verzoek u althans er niemand, zelfs mij niet, iets van te laten blijken.quot;

Dit was juist hetgeen ikzelf ook verlangde, en ik verzekerde mijn vader, dat ik van ganscher harte aan zijne aanbeveling voldoen zoude.

ocr page 203

181

„'t Is wel!quot; zeide hij: „neem nu een stoel en ga bij mij zitten. Wij moeten een onderhoud hebben, dat ik liefst niet te lang wilde uitstellen: wij hebben nu den tijd: en in de volgende dagen zullen wij over weinige oogenblikken kunnen beschikken: want men zal u wel komen bezoeken en het zal zijn:

Salutant, ad coenam vocant, adventum gratulantur,

gelijk Terentius zegt. Of zijt gij nog te slaperig om naar mij te luisteren?quot;

Ik betuigde, dat ik volkomen bereid was hem aan te hoo-ren, waarop hij aldus begon:

„Gij zijt nu weder terug: en ik vertrouw dat zulks niet zal zijn om uw dagen in ijdele ledigheid door te brengen, en een straatslijper te worden.quot;

„Integendeel, vader! Niets zal mij aangenamer zijn, dan mijn tijd op een nuttige en werkzame wijze door te brengen.quot;

„Zeer goed! ledigheid is een duivelsoorkussen. Gij weet, wat Ovidius zegt:

Quaer 11ur, Aegisthus quare sit factus adulter.

In promptu est ratio: desidiosus erat.

En welk beroep zoudt gij u liefst verkiezen?quot;

„Ik beken u,quot; antwoordde ik, „dat ik daaromtrent mijn keus niet zoude weten te bepalen.quot;

„Hm!quot; zeide mijn vader, het hoofd schuddende: „daar houd ik niet van. Een jong mensch moet altijd voor dit of dat vak een voorkeur hebben. Ik haat onverschilligheid in dat geval: die is niet natuurlijk op uwe jaren, tenzij bij domkoppen en losbollen, onder geene van welke categoriën ik u rangschik.quot;

„UEd. weet, dat ik het verwijt van onverschilligheid niet verdien, en dat ik als kind een bijzondere geneigdheid had tot den zeedienst, welke echter vroeger om gegronde redenen niet heeft kunnen ingewilligd worden, en mij thans ook weinig zou baten, daar ik te oud ben om te beginnen. Ik heb

ocr page 204

182

intusschen, zoo vaak ik over het onderwerp nadacht, te recht of te onrecht gemeend, dat de reden, waarom UEd. geweigerd hebt mijn liefhebberij ten deze in te willigen, daarin gelegen was, dat UEd. iets anders voor mij op liet oog hadt. UEd. heeft mij laten studeeren en zult misschien verlangen, dat ik advocaat worde: — doch ik beken, tot mijn leedwezen, dat ik op reis veel verleerd heb, en mij weer druk zal moeten oefenen, wil ik der balie geen schande aandoen.quot;

„Dat laat zich alles wel hooren,quot; zeide mijn vader, met een glimlach: „bovendien, hoezeer ik voor mij de betrekking van advocaat, nobi 1 e i 11 ud officium, boven alle andere stel, en u, wat mij betreft, gaarne gezien had onder de zoo-danigen,

qui iuris nodos et legum aenigmata solvunt,

levert echter dat ambt, althans in de eerste jaren, weinig verdiensten op : en, hoezeer ik niet in een bekrompen stand leef, is mijn vermogen te gering en mijn huisgezin te groot, om u, zoo gij het trouwen eens in het hoofd kreegt, een behoorlijk uitzet te geven. Ik zou u wel door mijn invloed aan dezen of genen post kunnen helpen: maar ieder heeft zijn eigene inzichten, en, schoon ik die van anderen eerbiedig, heb ik voor mij een tegenzin aan het uitdeelen van bedieningen. Gij moet door uw eigene bekwaamheid protectie verdienen, en niet door gunst alleen voortkomen. Intusschen, ik moet u thans gulweg zeggen, dat het mij in zekere opzichten niet spijt, dat uw keus nog niet gevestigd is; want nu vlei ik mij dat gij te meer geneigd zult zijn te doen hetgeen u voordee-ligst zijn kan. — Wat zoudt gij van den handel denken?',

„De handel is een heerlijk iets,quot; antwoordde ik, eenigszins verwonderd over deze plotselinge vraag: „maar die men niet zonder fondsen beginnen kan.quot;

„Niet! En hoe doen dan zoovelen, die hier met een paar schellingen in den zak (God weet waar vandaan!) komen aanwaaien, menschen,

quorum nemo q u e a t p a t r i a m m o n s t r a r e parentis.

ocr page 205

183

en die, eer men hun rechten naam nog weet, aan het hoofd van een huis van negotie staan? — Doch gij hebt gelijk. -— Gij moet ook met iets beginnen en daartoe doet zich eene gunstige gelegenheid op. Gij weet, het huis Van Bempden, Van Baaien en Comp. heeft, sedert den dood van uw oom, onder diezelfde firma, maar alleen onder de directie van laatst-gemelde blijven bestaan. Uw tante heeft haar geld daarin gelaten; maar haar oogmerk was en is nog, u, bij uw terugkomst, mede in die zaak te plaatsen en deelgenoot der firma te maken. De gelukkige uitslag uwer pogingen te Livorno aangewend, om bij de liquidatie van de firma Bertini nog een deel terug te bekomen van hetgeen dat huis aan uw tante schuldig was, heeft haar goede gedachten omtrent uw bekwaamheid ingeboezemd.'

„Ik ben mijn tante zeer verplicht voor den goeden dunk, dien zij van mij heeft, en herken haar vriendschap te mij-waarts.quot;

„Gij hebt ook elders op uw reizen persoonlijke kennis gemaakt met verscheidene Correspondenten van het huis, en, naar eenige uitdrukkingen te oordeelen, welke sommigen hunner in hun brieven omtrent u hebben gebezigd en welke uw tante mij medegedeeld heeft, komt het mii voor, dat gij hun wel bevallen zijt. Dit kan nooit kwaad en zal bij hen het krediet voor het huis niet doen dalen, wanneer gij daar associé van wordt. quot;Wel is waar,

omnia non pariter rebus sunt omnibus apta,

en gij zijt niet van jongs af tot den handel opgeleid; maar ik vlei mij, dat eenige inspanning, gevoegd bij de op uw reizen verkregen ondervinding, en vooral de leiding van den Heer Van Baaien, u weldra op de hoogte zullen brengen, waar gij op wezen moet. Het komt er nu slechts op aan om te weten, of gij geen tegenzin in het beroep zelf hebt.quot;

„Ik geloof, dat ik mijn fortuin met voeten zou stooten, indien ik zulk een aanbod niet dankbaar aannam; maar is de Heer Van Baaien insgelijks met deze schikking volkomen

ocr page 206

184

tevreden? En ziet hij er niet tegen op, een onbeclrevene als mij tot compagnon te nemen?quot;

„Hij heeft geene zwarigheden gemaakt; en de drie ton, welke uw tante in het huis heeft gelaten, wegen ook nogal tegen eenl^e bedenkingen op. — Kul ik wensch u geluk, en ik hoop, dat gij u zoowel zijne achting als het vertrouwen uwer tante zult waardig maken.quot;

Ik kan niet ontkennen, dat mijn eigenliefde zeer gestreeld werd met het vooruitzicht, dat zich voor mij opende. Ik was nu geen ledigganger meer, die zonder bepaald doel in de wereld voortleefde, neen, ik zag mij, als deelgenoot in een bloeiende zaak, geplaatst, in een betrekking, waarin het slechts van mij afhing een ruim bestaan en de achting mijner medeburgers te verwerven. Ik kon niet nalaten mijn blijdschap aan mijn vader te betuigen: de geheele geschiedenis van den vorigen dag was voor mij op den achtergrond teruggeplaatst, en, alleen denkende aan hetgeen mij thans was medegedeeld, deed ik dienaangaande een menigte vragen, welke mijn goede vader het zich een genoegen maakte, te beantwoorden. Ons onderhoud deed den tijd met snelheid vervliegen; en nog-waren wij aan 't redeneeren, toen het ophouden van een rijtuig voor de huisdeur en het klinken der schel ons verwittigden, dat onze dames uit de kerk terugkwamen.

Wij gingen naar de zijkamer. Er stonden niet slechts eene, maar twee koetsen voor de deur. Uit de eerste kwam mijn moeder met Suzanna en tante Letje; uit de tweede tante Van Bempden: en weldra traden de vier dames de kamer in: tante Letje, in haar effen violetkleurig taffen gewaad, met haar stijve neepmuts, zonder eenig sieraad, dan haar prach-tigen kerkbijbel met schildpadden band en gouden sloten: en tante Van Bempden met hare fontanges, Brusselsche kanten, en honderden van linten en kwikken: — twee volkomen contrasten; maar beiden, elk in haar soort, voortreffelijke menschen.

Tante Letje, die nu eene eerbare vrijster was van ongeveer vijf en veertig jaren, ging bij de booze wereld door voor het-

ocr page 207
ocr page 208
ocr page 209

185

geen men eene fijne kwezel noemt. Men weet, het is geen ongewoon verschijnsel, dat in groote familiën, vooral in die waar verscheidene zusters zijn, zich eene daarvan reeds vroeg begint te onderscheiden, door het dragen van een stemmig onopgesmukt, gewaad, door het afzweren van alle wereldsche vermaken, door den schier uitsluitenden omgang met predikanten, zielverzorgers, en zoogenaamde vromen, door het uitspreken der tale Kanaans (gelijk men het bezigen van veelvuldige Bijbelsche uitdrukkingen noemt), door het getrouw ter kerke gaan en het houden of bijwonen van oefeningen ter onderlinge stichting. In de kerk kan men haar spoedig herkennen aan den deemoedigen gang, waarmede zij naar hare plaats gaat: aan den eerbied, welken de plaatsbewaarsters voor haar koesteren, zoodat zij alleen nimmer gedwongen zijn, in te schikken: aan de groete des voorzangers: aan het lange gebed, dat zij, zoodra zij gezeten zijn, van achter den breed uitgeslagen waaier doen: eindelijk aan de wijze, waarop zij den leeraar aanzien en den blik vol hemelvreugde (anderen zeggen: vol hoogmoed) opwaarts slaan, zoo vaak in de predikatie gewag gemaakt wordt van uitverkorenen, waaronder zij zich bij uitsluiting achten te behooren. Gewoonlijk zijn het noch de mooisten, noch de geestigsten der familie, welke tot deze caste behooren, en verslijten zij haar leven in den vrijsterstaat, doch er is geen regel zonder uitzondering, en men zou onbillijk handelen, door de aanleidende oorzaak van haar gedrag altijd te willen toeschrijven aan hare vrees van in de wereld geen opgang te zullen maken. Er zijn er enkelen, ja, bij wie die reden veel moge gegolden hebben, zelfs buiten haar weten: er zijn er, die hoovaardig op hare vermeende godsvrucht, in Fariseeuwschen hoogmoed op hare mede-Christenen als op de Tollenaren en Zondaren nederzien, alles wat anderen goed en loffelijks verrichten, met den naam van blinkende zonden bestempelen, en die alle Christelijke deugden bezitten, maar alleen de hoogste, de voornaamste, de liefde, ontberen; — maar al moge dit met enkelen het geval zijn. ik houde mij overtuigd, dat verreweg de meeste van haar.

ocr page 210

186

niettegenstaande de kleine gebreken, waarmede zij behebt mogen zijn, vaak als voorbeelden verdienen te worden aangeprezen, boven de zoodanigen, die haar gedrag bespotten en beschimpen.

Zoodanig althans was het oordeel, hetwelk mij de omgang-met mijn tante Letje over de personen van haar slag heeft doen vellen. Bij haar voorzeker bestond de godsvrucht niet enkel in uiterlijke vertooning, maar woonde die in haar rein menschlievend hart. Men mocht dan haar stijve, smakelooze kleeding berispen: de bijbeltaal, waarin zij sprak, mocht niet altijd evenzeer ter snede worden aangebracht; zij velde wellicht nu en dan een te gestreng oordeel over schuldige vermaken ; maar niemand kon haar ten laste leggen dat zij niet in oprechtheid wandelde. Haar kennis was niet uitstekend; maar zij bezat, wat oneindig meer geldt, een vast en onverzettelijk geloof; en zonder aan andersdenkenden de zaligheid te willen ontzeggen, blikte zij die met vromen Christenzin als haar wettig erfdeel te gemoet. Zij vooral was wars van kwaadsprekendheid en voer altijd tegen de zonde, nooit tegen den zondaar uit: en wanneer zij zich met kracht tegen de leer der goede werken verklaarde, moest men niet vergeten, dat in haar volkomen bewaarheid werd hetgeen onze Catechismus leert, dat het onmogelijk is, dat een waarachtig geloof niet zou voortbrengen vruchten der dankbaarheid; want nooit was haar hart of haar beurs voor den lijdenden natuurgenoot gesloten, en wanneer zij gaf, vervulde zij letterlijk het voorschrift des Heilands, en wist haar slinkerhand niet, wat haar rechter uitdeelde. Haar gebrek aan genoegzaam doorzicht en haar zucht tot liefdadigheid waren oorzaak, dat zij somtijds haar gaven ook aan onwaardigen wegschonk; doch zij verklaarde meer dan eens, dat zij liever honderdma-len door slechte lieden bedrogen wilde zijn, dan dat een vrome noodlijdende ongetroost van haar af zoude gaan.

Een geheel andere vrouw was haar zuster. Mevrouw Van Bempden. Nog zeer jong gehuwd zijnde met een schatrijken echtgenoot, die, geen naaste betrekkingen hebbende, haar bij

ocr page 211

187

zijn vroegtijdig afsterven aan het hoofd van een kolossaal vermogen had achtergelaten, had zij zich door haar maatschappelijke positie gedwongen gezien in de groote wereld te leven, en haar geneigdheid had zich daar niet tegen gekant. Haar rustelooze, nooit lang met hetzelfde voorwerp bezige geaardheid, dreef haar aan, gedurig nieuwe voorwerpen van belangstelling en verstrooiing te zoeken, haar dagen rolden voort in eene bestendige afwisseling van gastmalen, feesten, comediepartijen, speelreisjes, enz. Zij las ook; maar zonder k#eus of onderscheid: stichtelijke boeken, romans, brieven, verhalen, zedekundige werken, poëzie, al wat maar gedrukt werd; doch zij faalde meestal, wanneer zij iets van het gelezene te pas zou brengen en moest alsdan de hulp inroepen van mijn zuster Suzanna, die, zelve een liefhebster van lezen en in het bezit van een ijzervast geheugen, zelden bij die gelegenheid te kort schoot.

Men moet echter uit het bovenstaande niet afleiden, dat Tante Van Bempden in den slechten zin des woords een we-reldsche vrouw was. Schoon in 't algemeen geen laudator temporis a c t i, durf ik zeggen, dat in die dagen een ongodsdienstige vrouw iets onbekends was. Tante Van Bempden ging trouw ter kerke, kende haar Catechismus op een haar, wist zoogoed als iemand, zelfs met tante Letje, een gesprek over geloofspunten te voeren en zich zeer dapper te verdedigen, wanneer deze haar berispte, dat zij nu en dan bij de Remonstranten ter kerke ging: zij was mededeelzaam, zelfs mild; — maar haar godsdienst was, gelijk men wel eens zegt, zonder verzuim van affaire. Intusschen, wie haar recht kende, vond zich gedwongen te verklaren, dat haar gebreken, zoo zij al dien naam verdienden, uit den maatschap-pelijken toestand voortvloeiden, waarin zij geplaatst was, terwijl haar goede hoedanigheden uit haar hart voortkwamen. Aroor mij althans, die nooit dan weldaden van haar ontving, ik zou schandelijk doen, indien ik een andere getuigenis van haar gaf, dan dat zij, alles wel gewogen, eene uitmuntende vrouw was.

ocr page 212

ISS

„Wees van harte welkom, waarde Xeef!quot; zeitle tante Letje, terwijl zij mij omhelsde: „alzoo zullen de vrijgekochten des Heeren wederkeeren;quot; vervolgens zich tot mijn vader wendende; „wel moogt gij, waarde Broeder! den Profeet nazeggen: brengt mijn soonen van verre, ja van het eynde der aerde.quot;

De verdere wenschen die zij uitte werd ik verhinderd te verstaan; want tante Van Bempden had zich voor mij geplaatst en drukte mij, met tranen in de oogen, aan haar hart:

„Goeden dag! beste Ferdinand!quot; riep zij: „wèl, zijt gij eindelijk daar? ja, ik durf niets te voegen bij de vrome gezegden van Zuster: anders zoude ik zeggen met Racine .... iioe zegt Racine ook weer. Santje?quot;

Thésée est arrivé, Thésée est en ces lieux,

declameerde Suzanna.

„Tusschen twee haakjes,quot; vervolgde Tante, „hebt gij de nieuwe uitgave van Racine medegebracht, welke ik verzocht had dat gij bestellen zoudt?.... Hoe gelukkig was het, dat ik juist heden in de stad moest zijn om een comparitie te houden met den Heer Van Baaien, die, geloof ik, vrij raar op zijn neus zal kijken wanneer hij u ziet: want hij verwacht zich op een klein jongetje met een dik hoofd, een rooden neus en groote ooren, die niets anders kan dan wat cijferen en wat pennen vermaken, en gij zijt voorwaar omtrent zoo groot als hij: . . . . gij moet nog niet bij hem gaan, zoo gij er nog niet geweest zijt; want ik wil uw eerste ontmoeting met hem volstrekt bijwonen en mij met zijn verbazing vermaken.quot;

„En nu gij hier zijt, Zuster!quot; zeide mijn vader, „zult gij ons wel het genoegen doen van uw rijtuig weg te zenden en hier den avond te blijven doorbrengen, om de terugkomst van Ferdinand met ons te vieren.quot;

„Eigenlijk,quot; antwoordde Tante, „was ik voornemens geweest, terstond weer naar buiten te vertrekken, maar de omstandigheid dat Xeef terug is, verandert mijn plan. Ik zal dan hedenavond blijven: op de voorwaarde alleen, dat Nicht Santje nu

ocr page 213

181)

haar woord houde en een week of drie bij mij op Heizicht kome doorbrengen; ik heb haar een kleine verrassing bestemd, die haar niet ongevallig zijn zal: — en Xeef moet ook mede, al ware het maar voor een paar dagen.quot;

„Hoe!quot; zeide mijn moeder, mij bij de hand nemende als vreesde zij mij te verliezen: „hij is pas terug en wilt gij hem ons weder ontnemen?quot;

„vVelzeker! Bovendien heb ik hem over zaken te spreken. Van Baaien komt Zondag bij mij eten.... Broeder heeft immers al verteld wat het plan is: — maar ik laat hem zelf oordeelen of ik iets onbillijks vorder?quot;

„Volstrekt niet,quot; zeide mijn vader: „en het zou de plicht van Ferdinand wezen, een paar dagen bij u door te brengen, indien het niet veeleer een genoegen voor hem ware.quot;

„Natuurlijk!quot; merkte mijn Zuster aan; „het lieve jongetje zou anders ook te veel van zijn stuk raken, indien hij zoo op een bof het reizend leven tegen de eentonigheid der stad verwisselde, 't Is beter dat hij zoetjes aan de verandering wenne. — En bovendien, hij mag niet nalaten op Heizicht te komen: want, zooals Addison in the fair Rosamond zegt:

The bower and lady both are d r e s t, And ready to receive their guest.quot;

„Wil ik dan zeggen, dat het rijtuig van Tante Van Bemp-den maar weg moet rijden?quot; vroeg ik.

„Als 't u belieft,quot; antwoordde Tante: „en laat Jorus om tien uren terugkomen.quot;

„En de koets van Tante Letje?quot;

Wat deze betrof, zij maakte zwarigheid om te blijven; daar liet met hare gewoonte streed, den avond uit te gaan. wanneer zij ter kerke geweest was; echter werden de bedenkingen, welke zij opperde, zoo heftig bestreden, en verzocht mijn moeder, aan wier bede zij zelden weerstaan kon, haar zoo dringend, voor deze reis een uitzondering te maken, dat zij eindelijk toegaf.

Wij plaatsten ons dan om de theetafel, en ik moet hier

ocr page 214

190

tusschen twee haakjes de bekentenis afleggen, dat onder al de genietingen, welke mijn terugkomst bij de mijnen mij opleverde, die, van wederom een lekker kopje van dien god-delijken drank, in echt Chineesch porselein geschonken, te mogen smaken, op verre na de minste niet was.

„Nu moet gij ons recht veel vertellen van uw reizen,quot; zeide Tante Van Bempden: „hoe zegt Lafontaine ook weer van de zwaluw?quot;

„Qui con que a beaucoup vü,

Peut avoir beaucoup retenu,quot;

zeide Suzanna, haar te recht helpende.

„Tan harte gaarne,quot; zeide ik: „indien TJEd. mij slechts vragen wilt, ben ik tot antwoorden bereid:quot; en ik schoof mijn stoel dichter naar den haren. Maar nu schoven ook de overigen hunne zetels bij en ik zag, dat mijn taak niet zoo gemakkelijk was, als ik mij die had voorgesteld; want ik werd van vier of vijf kanten bestormd met vragen van geheel verschillenden aard; en daar het mij minder gemakkelijk viel die gelijktijdig te beantwoorden, dan aan de overigen, om die gelijktijdig te doen, moest ik wel verzoeken, of men ordelijk wilde te werk gaan, en ik stelde voor, dat, ten einde niemand redenen tot beklag zoude hebben, elk der aanwezigen, te beginnen met Tante Van Bempden, die rechts van mij zat, op zijn beurt mij eene vraag zoude doen. Dit vond goedkeuring, en nu werd ik beurtelings over de meest uiteenloopende onderwerpen ondervraagd. Aan Tante Van Bempden moest ik een beschrijving geven van het Carnaval, dat ik te Napels had bijgewoond, terwijl Suzanna mij over de kleeding der Oostenrijksche dames ondervroeg: mijn vader stelde er meer belang in, iets van de gedenkstukken van het Oude Rome te hooren, en Tante Letje wilde weten, hoe ik het toch in dat Heidensche land had aangelegd om mijn godsdienstplichten uit te oefenen. Toen de beurt aan mijn goede moeder kwam, drukte de vraag, welke zij deed, haar moederlijke teederheid volkomen uit; want zij verlangde een volkomen beschrijving

ocr page 215

191

van alle zoodanige personen, die mij op reis van dienst geweest waren of beleefdheid hadden betoond, en van welke ik in mijn brieven gesproken had; en zij schepte er een zichtbaar genoegen in, van hen te hoeren gewagen, die in haar Ferdinand hadden belang gesteld.

Toen de eerste nieuwsgierigheid bevredigd was, werd langzamerhand het gesprek meer algemeen: en Tante Van Bemp-den, wier gedachten zich zelden lang bij hetzelfde onderwerp bepaalden, en die er van hield de gelegenheid bij de haren te vatten, nam mijn vader onderhanden, om zijn oordeel, waarop zij, en met recht, niet weinig prijs stelde, over eenige nieuw uitgekomen werken te vragen, over welke hij haar echter grootendeels her antwoord schuldig moest blijven, daar hij door zijn beroepsbezigheden slechts zeer weinig tijd tot lezen had, en in de weinige ledige oogenblikken, die hem overschoten, liever zijne oude classici bij de hand nam, dan de voortbrengselen van den dag. Toen nu Tante bemerkte, dat zij omtrent deze punten weinig troost erlangen kon, begon zij over politiek te redeneeren; een onderwerp, waaromtrent mijn vader geen ignorantie kon pretendeeren, en welks behandeling hij zich dus getroostte, hoezeer het duidelijk op te merken was, dat zulks alleen uit inschikkelijkheid geschiedde; want vooreerst was hij geen vriend van met dames over dergelijke stoffen te redekavelen, en ten andere dwong zijn ambt hem reeds genoeg daarover te hooren en wilde hij. in gezelschap zijnde, ter ontspanning van zijn geest wel eens over iets anders praten.

Gedurende het onderhoud van mijn vader met Tante Van Bempden, gaf mijn moeder, voor wie die onderwerpen veelal te uitheemsch en te hoogdravend waren, mij een vrij breedvoerig, doch zeer duidelijk verslag van de gehoorde predikatie, en voegde er nogmaals de betuiging bij van haar leedwezen dat ik haai- niet vergezeld had: Tante Letje zat stil voort te arbeiden, en vergenoegde zich, met nu en dan een aanmerking betreffende het een of ander, dat haar meer bijzonder gesticht had, te voegen bij hetgeen mijn moeder verhaalde: terwijl

ocr page 216

192

Suzanna, die, zoo lang het verslag duurde, zich alleen met

haar trekpot en schoteltjes bemoeid had, na het eindigen g1

daarvan liet woord nam en mij vertelde, wie er al in de d;

kerk geweest was, en met wie zij al in het uitgaan ge- h sproken had. I si

„Ik ben er gek afgekomen,quot; zeide zij: „ik had mij gevleid. n aan mijn buren in het doophek en aan al wie ik ontmoeten

zou, in echten courantenstijl te vertellen; heden is hier met n

lang span (alias de Muiderschuit) gearriveerd de Heer Per- d

dinand Huyck, zoon van den Ed. Gestr. Heer Hoofdofficier en t broeder van de beminnelijke Juffrouw Suzanna Alette Huyck: —

maar jawel: — pas ben ik op mijn plaats gekomen, of daar I

haalt mijn buurvrouw, het dikke wijf van den koperslager,

haar loddereintje uit de tasch en na mij driemalen te hebben aangekeken, als wilde zij zeggen; „ik weet wat ik weet,quot; en driemalen aan het mooie zilveren doosje geroken te hebben, steekt zij het mij toe en vraagt: ,.is Mijnheer uw broeder ook in de kerk ? quot;Wel! wel! dat moet een vreugde geweest zijn! — Ja, ik heb het al gehoord van de krantenvrouw. En heeft Mijnheer een goede reis gehad? Wel! wel!quot; —

En eer ik haar kon antwoordon, daar tikt Betje Du Fay, die :

aan de andere zijde zat, mij op den arm. (Je herinnert je 1

Betje Du Fay wel, Ferdinand? de dochter van Schepen Du Fay met dien haviksneus?) en begint met een schor stem- gt;

metje: „ik feliciteer je wel Santje! met de terugkomst van je broer:quot; en te gelijk voel ik de dorre vingers van Mevrouw 1

Muisvaal, mijn achterbuurvrouw, mijn schouder grijpen als met een arendsklauw, en gonst het in mijn ooren: „ik heb met veel genoegen vernomen dat uw broeder terug is. Ik feliciteer u wel:quot; — en meteen piept het en bromt het voor en achter mij al de rijen langs, als waren er overal echoo's: „ik feliciteer je wel. Juffrouw Huyck, ik feliciteer je wel:quot; —

zoodat ik blij was, dat het gezang werd aangeheven, want mijn nek begon mij zeer te doen van het knikken en buigen. —

En bij het uitgaan was het nog erger; want toen dacht ik,

dat ik nooit den dorpel, veelmin de koets zou bereikt hebben.

i

ocr page 217

198

et '/oo drong men zich om mij heen: „Is hut waar wat ik

;-n gehoord heb? Is Ferdinand waarlijk terug? — Ik kom eerst-

3e daags uw broeder zien. Hartelijk geluk!quot; enz. En zoo ging :e- , het voort, zoodat mijn ribben bont en blauw zijn van de stompen en duwen, die ik gekregen heb van al de lieden, die d, uit loutere deelneming op mij afkwamen.quot;

■li „Santje overdrijft weer, volgens haar gewoonte,quot; zeide

et mijn moeder; „ik heb maar een paar menschen gesproken

•r- die er iets van schenen te weten; maar Santje schijnt er van

te houden, diergelijke opschuddingen in de kerk te maken.quot; _ „De menschen moesten wat meer denken,quot; zeide Tante

ir Letje, „dat de kerk is een bedehuis, eu niet een plaats voor

r, ijdelen klap en onnut gesnap; maar het is als de profeet

■li zegt; zelfs in mijnen huyze vindt ik haar boosheyt. — Ik

wilde wel, Nicht! dat gij over deze stofte gelezen hadt een co dierbaar boekske, dat geschreven is door de eerzame Weduwe

w Knijpduim, en dat ten titel draagt: „over de onchristelijke

le opschuddinge in Gods Kerke,quot; waarin dat alles uitvoerig

i, betoogd wordt, 't Is niet gedrukt; maar zij heeft het ons

— eens op de oefening bij den zielbezorger Zoutbrand voor-

e I gelezen. Ik zal het u wel eens bezorgen. Santje! het kan u e nuttig zijn.quot;

i, „Spreek mij niet van Juffrouw Knijpduim, Tante!quot; zeide

i- Santje: „die kan mij nooit door woorden of werken meer

u stichten, sedert ik haar laatst in de Oude Kerk met een

v andere oude Juffer een kwartier lang heb zien kijven en

s knorren over haar plaatsen, dat geen vischwijven het erger

1, hadden kunnen doen. En wat mij het meest ergerde, was

ls- dat, toen zij gezeten waren, zij dadelijk de waaiers uitsloegen

I- ; om te gaan bidden. Maar de oude Heer Slyper, die achter : haar in de ouderlingenbank zat, tikte haar op de schouders

en zeide: „wacht daar liever nog wat mede, tot gij bekoeld t \ zijt, en denk inmiddels om Matth. V: --4.'quot;

„Hoe is het. Santje! krijgen wij geen thee meer?quot; vroeg mijn vader, die, ofschoon luisterende naar de redeneeringen van Tante Van Bempden, echter genoeg van Santjes vertelling

i. - F. H. l:J

ocr page 218

gehoord, en te goed den onvergenoegden blik van Tante Letje bespeurd had, om niet te begrijpen, dat het gesprek een andere wending moest nemen. Santje begreep dien wenk en haastte zich, terwijl zij de kopjes vulde, mij te vragen, welke der plaatsen, die ik bezocht had, ik het liefst tot mijn verblijf zoude kiezen. Van mijn kant willende medewerken om het gesprek zoo ver mogelijk van het vorige onderwerp te verwijderen, gaf ik een ontwijkend antwoord, en begon de voor-en nadeelen op te tellen van al de voornaamste steden, waar. ik eenigen tijd had doorgebracht. Mijn vader moest zich staande dit gesprek voor eenigen tijd verwijderen om ambtsbezigheden, en nu viel Tante Van Bempden, die mij van Rome hoorde spreken, mij plotseling in de rede, om mij te vragen of ik de fresco's in het Vaticaan gezien had.

Ik antwoordde toestemmend en wilde een uitgebreide beschrijving van deze kunststukken geven; maar kwam er deze reis vrij van; want Tante scheen de gelegenheid alleen te willen waarnemen, niet om van mij iets te vernemen, maar om mij een redetwist te vertellen tusschen den Kunstkooper Tempermes en den Makelaar Mosselzalf, betreffende een haar toebehoorende schilderij, welke de eerste beweerde dat een origineele Carlo Dolce was, de andere daarentegen voor een kopie hield. De behandeling van dit punt gaf aanleiding tot een omslachtige uitweiding over de Italiaansche school, welke gevolgd werd door een vertoog over het voortreffelijke der keurslijven van Douillié, en besloten met een aanbeveling van den pasteibakker Jakobsz.

De verschijning der jongere leden van de familie, die nu uit de verschillende scholen terugkwamen, gaf een nieuwe wending aan het gesprek, door aan Tante een andere bezigheid te bezorgen; want, aan mijn broeder Frits verzocht hebbende, haar een groot pak aan te reiken, met grauw papier omwonden, dat uit het rijtuig gekomen en in een hoek der kamer gelegd was, opende zij het, en vertoonde aan de verheugde kinderen een menigte prentenboekjes, welke zij onlangs gekocht had en hun ten geschenke aanbood, aan elk in 't

ocr page 219

195

bijzonder de uitlegging op den koop toegevende van het onderwerp, dat in de boekjes behandeld of op de plaatjes afgebeeld was, met vele aanwijzingen daarbij, op welke wijze en ten welken einde zij een en ander best zouden kunnen gebruiken. De milddadigheid van Tante bracht mij te binnen, dat ik ook geschenken had rond te deelen, en, zoodra het theegoed van tafel was genomen, verzocht ik Frits en Jakob mij even naar mijn kamer te willen volgen. Zij voldeden slechts schoorvoetende aan mijn verzoek; want het kostte hun moeite, de geschiedenis van Robinson Crusoë met fraaie houtsneeplaten, en de galerij van uitheemsche kleederdrachten neder te leggen ; — maar des te liooger steeg hun blijdschap, toen ik, hen in mijn kamer gebracht hebbende, mijn koffers opende en daaruit een talrijken hoop pakjes, doozen en andere snuisterijen haalde, waarmede ik hen belaadde, terwijl ik mijzelf belastte met die voorwerpen, welke het meest gevaar liepen van te breken of beschadigd te worden.

„Mijn hemel! Ferdinand! waar moet dat alles heen?quot; vroeg mijn moeder, toen ik, vergezeld van mijn twee helpers, de zijkamer instapte.

„Zij gelijken wel de drie koningen, die met giften en gaven uit het Oosten komen,quot; fluisterde Suzanna Tante Van Bempden in 't oor.

„Stil!quot; zeide deze met een bestraffenden blik: „laat Tante Letje u niet hooren.quot;

„Mijn tijd! zijn dat allemaal presenten?quot; riepen mijn zusters Letje en Keetje, terwijl zij, haastig opstaande, een hoektafeltje bijschoven om er mijn waren op uit te stallen: de twee jongsten. Karei en Truitje, klapten in de handen en dansten van vreugde.

..Wel Ferdinand! Ik geloof, dat gij u arm gekocht hebt,quot; zeide mijn moeder, haar breiwerk neerleggende: „komt toch nergens aan, kinderen! uw broeder zal het u immers wel wijzen.quot;

„Ik hoop dat er voor mij ook wat bij is,quot; zeide Suzanna, insgelijks oprijzende en zich nevens mij vervoegende. Zelfs

ocr page 220

196

Tante Letje kou haar nieuwsgierigheid niet bedwingen en ik vond mi) weldra door de geheele familie omringd.

Het was een plechtig oogenblik. Daar stonden zij allen om mij heen in gespannen verwachting: en de stilte werd alleen afgebroken door halfgesmoorde uitroepen, als: „wat zou ik toch krijgen? hé! wat ben ik nieuwsgierig! — Ik weet wel wat ik zou verlangen! Stil toch! hinder uw broeder niet! Heden! wat een boel dingen!quot; — Wat mij betreft, ik liet mij geen woord ontvallen, maar een der zes of zeven scharen, om niet te gewagen van even zoovele knipmesjes, welke mij werden overgereikt, aannemende, maakte ik mij gereed om over te gaan tot het lossnijden der pakjes, toen ik mijn hand plotseling weder ophief.

„Wat is er? wat is er?quot;' vroegen onderscheidene stemmen.

„Zullen wij niet wachten, tot vader weer terug is?quot; vroeg ik.

Daar keken zij elkander zwijgend en zuchtend aan.

„Wel foei!quot; zeide Suzanna: „dat is niet mooi, ons ongeduld eerst op de proef te stellen en dan niet te voldoen.quot;

„Ja! maar mij dunkt dat Ferdinand gelijk heeft,quot; zeide mijn moeder: „'t Zal vader zeker genoegen doen, de uitpakking bij te wonen, en daar moeten wij hem niet van berooven. Zijt nu verstandig kinderen!quot; vervolgde zij, ziende, dat deze en gene de lip liet hangen. „Uw vader zal wel zoo aanstonds terugkomen.quot;

„Daar is Papa! daar is Papa!quot; riepen opeens een paar stemmen: en terstond liepen al de kinderen de kamer uit en kwamen terug, mijn vader, die uit zijn studeervertrek juist terugkwam, bij zijn gebloemde avondjapon voortsleurende.

„Ik geloof, dat ik te goeder ure terugkom,quot; zeide mijn vader, wien een blik, op de tafel geworpen, nog meer dan het door elkander roepen der kinderen, do toedracht der zaak deed begrijpen.

Nu ging de schaar haar gang: en het kleine Truitje was uitgelaten van vreugd, toen de losgemaakte papieren haar een fraai gekleeden pop deden aanschouwen.

„Ik hoop,quot; zeide Kareltje, mij met zijn blauwe oogen vra-

ocr page 221

197

gend aanziende; „ik hoop....quot; hij durfde toch niet te zeggen wat hij hoopte; want hij begreep, dat het anders kon uitvallen; maar toen ik hem het voor hem bestemde toereikte, zag hij dat zijn wensch naar een verfdoos toch verwezenlijkt was.

Het zou bij u, waarde lezers! weinig belang wekken, indien ik stuk voor stuk de voorwerpen ging opnoemen, waarmede ik de jongere leden der familie beschonk; ofschoon gij, — voor zooverre gijzelven ooit in het geval zijt geweest, dergelijke geschenken na uw terugkomst van een buitenland-sche reis rond te deelen, of in uw jongere jaren die van anderen ontvangen hebt, — u de gewaarwordingen nog wel levendig zult kunnen voorstellen, welke men alsdan gevoelt, en welke te streelender zijn, naarmate het geschonkene meelde behoefte of den wensch van het oogenblik bevredigt. Wat mij betreft, ten dezen opzichte slaagde ik zeer gelukkig; want al wat ik uitdeelde was ook juist hetgeen men verlangde; en mijn broeders en zusters begonnen reeds te denken dat ik de gaaf had, op verren afstand iemands gedachten te raden, toen een glimlach mijner moeder aan de oudsten althans deed gissen. dat de goede vrouw mij in haar laatste brieven eenige wenken gegeven had omtrent hetgene meest welkom zijn zou.

Toen nu het kleine volkje beschonken, of, om niet dubbelzinnig te spreken, begiftigd — was, kwam de beurt aan de grooteren, en Suzanna zette groote oogen op toen ik haar met een sluier vereerde (men zou thans zeggen: een vol lei die, in aanmerking mijner bekrompen middelen, als een kostbaar geschenk kon worden aangemerkt. Voor mijn moeder had ik een netgewerkt zakhorloge medegebracht en voor Tante Letje een eenvoudigen, doch sierlijk gesneden ivoren waaier, die haar bijzonder behaagde, omdat hij fraai en toch niet opzichtig was. Tante Van Bempden, die alles had of kou laten komen, wat de weelde verlangen kon, ontving een kleine antieke urn, welke ik te Eome had gekocht: — dit geschenk bracht een langdurige vergelijking teweeg tusschen den antieken en heden-daagschen smaak in bouw- en beeldhouwkunst. — Eindelijk was mijn vader niet weinig in zijn schik, toen ik, een doos

ocr page 222

19S

openschuivende, hem een kleine verzameling aanbood der Ro-meinsche munten, die vóór den tijd der Keizers in gebruik waren, door mij gedurende mijn verblijf te Rome bijeengebracht. Mijn vader was, ondanks de bezigheden, welke zijn ambt hem opleide, een beminnaar gebleven der classieke oudheid en van alles, wat daarmede in verband stond: en het was hem de zoetste verpoozing van zijn arbeid, wanneer hij, in de weinige uren van uitspanning, die hem te beurt vielen, zich in de lezing en beoefening zijner geliefkoosde schrijvers verlustigen kon. De brokken uit de Latijnsche dichters waarmede hij gemeenzaam was, werden dan ook, gelijk men uit de vorenstaande bladzijden heeft kunnen zien, niet minder dikwijls in het dagelijksch gesprek door hem te pas gebracht dan de aanhalingen uit het Corpus luris: ja somtijds ontvielen hem die, wanneer hij tegen mijn moeder sprak, hetgeen dan bij deze, en vooral bij mijn zuster, niet zelden een glimlach of vroolijke scherts deed ontstaan. Maar niet alleen de werken der Ouden waren mijn vader dierbaar: al wat zich, al ware het slechts zijdelings, aan de dagen van Athene of Rome's grootheid hechtte, was hem welkom: en die geldstukken, wier gehalte of innerlijke waardij voorzeker van weinig beduidenis was, en die hun meeste waarde daaruit ontleenden dat het stel vrij volledig scheen, werden door hem met te meer opgetogenheid beschouwd, naarmate der grootsche herinneringen, die zij bij hem opwekten.

Allen waren dus recht vergenoegd en tevreden: en de vroo-lijkheid werd niet weinig vermeerderd, toen een groote taart, ter viering mijner terugkomst gebakken, op de tafel verscheen en de zintuigen door de aangenaamste geuren streelen kwam. Witte broodjes, schoteltjes met kalfsvleesch en ossetong, en heerlijke vruchten, zooals in Europa de stookkasten van ons land alleen kunnen opleveren, omringden den hoofdschotel: en de sleutel des wijnkelders werd mij toevertrouwd om een flesch te halen van den wijn, die mij het best beviel. De kinderen kregen allen verlof, tot tien uren op te blijven: en de avond liep zoo genoeglijk af als men bij mogelijkheid verlan-

ocr page 223

199

gen kon; ja de algemeene vreugde werd door geen ander toeval gestoord, dan dat Tante Letje door het afbrokkelen van een stuk taart, een confituurvlek op haar hagelwitten halsdoek kreeg, en dat Jakob een half glas wijn stortte over eene der prenten, welke hij van Tante Van Bempden gekregen had: twee ongevallen, die echter, zooverre mij gebleken is, geen blijvenden indruk bij de lijdende partijen achterlieten.

DERTIENDE HOOFDSTUK,

BEHELZENDE, HOE SUZAXNA EN FERDINAND HARREWARREN, EX HOE DE LAATSTE IN EEN' WELKOMSTDICHT VERHEERLIJKT WORDT.

„Ferdinand!quot; zeide mijn zuster Suzanna, toen zij zich den volgenden morgen alleen bij mij op mijn kamer bevond, waar zij mij hielp, mijn kleedingstukken en linnengoed in de kasten te schikken: „gij weet, dat gij mij nog rekenschap schuldig zijt wegens een gezegde, dat gij u gistermorgen hebt laten ontvallen.quot;

„Santje!quot; zeide ik, terwijl ik haar een zijden vest overreikte; „gij weet, dat ik nog de vierschaar over u moet spannen wegens een misdrijf, door u begaan.quot;

„Boe! boe! denk niet, dat gij mij met uw groote woorden zult afschrikken! — Tusschen beiden gezegd, daar zal heel wat speksteen noodig zijn, om de vlekken uit dit vest te krijgen: — ter zake: wie heeft u verteld, dat ik uw brieven heb laten lezen?quot;

„Wat knaagt dat geweten! Wie heeft u verlof gegeven, de gedenkwaardige memoriën, die ik u toezond, onder het oog van anderen te brengen?quot;

„Komaan! daar hebben wij een formeele accu sat ie, gelijk

ocr page 224

200

mijn vader zoude zeggen: alleen is zij nog, zoo ik mij niet bedrieg, wat vaag en ongedetermineerd: ja — ik kan ook wel stadhuiswoorden samenflansen: ik weet zeer goed, dat men iemand niet condemneert wegens toegebrachte slagen, tenzij men eerst wete, op wiens rug de slagen neergekomen zijn. Vrage; aan wie heb ik uw prulschriften medegedeeld ?quot;

„Antwoord: aan Mejuffrouw Henriëtte Blaek. — Schuldig bevonden! Gij krijgt een kleur — spoedig tot de confessie.quot;

„AVie heeft u dat gezegd'?quot; vroeg Suzanna, terwijl zij uit loutere verbazing een batisten hemd, dat zij opgevouwen had, weder open liet rollen.

„Een irreprochabele getuige, Mejuffrouw Blaek zelve.quot;

„Gij hebt haar dan gesproken? — En hoe vindt gij haar?quot;

..Een zeer aardig meisje; — maar dat doet niets tot het poinct in quaestie.quot;

„Zeer aardig! Beken maar, dat gij op haar verliefd zijt. Gij krijgt een kleur — spoedig tot de c o n fe s s i e.quot;

„Verliefd! op een meisje, dat ik maar eens in mijn leven gezien heb? Denkt gij, dat ik zoo spoedig vlam vat?quot;

„Als wist ik niet, dat de jonge Heeren op uw leeftijd verlieven, wanneer zij slechts een vrouwenmuts op een bezemsteel zien.quot;

„Altemaal praatjes om van den tekst af te dwalen. Vrage nogmaal, of gij genegen zijt, buiten pijn en banden, de confessie af te leggen, van te hebben geperpetreerd het enorme en in een land van goede justitie intolerabele feit, van aan gezegde Juffer Henriëtte Blaek en de hemel weet aan wie nog meer te hebben gegeven communicatie van zoodanige schrifturen en geheime stukken, als u waren toegezonden dooiden weledelen Heere Ferdinand Huyck, juris Romani nee non canonici Doctor, en welhaast, Deo volente, compagnon in het huis Van Bempden, Van Baaien en Co. ?quot;

„En zoo ik dat nu al bekenne, wat dan?quot;

„Dan zal ik u verder interrogeeren en vragen wat gij tot uw defensie hebt te allegueeren.quot;

„Dat uw schrift onleesbaar is, zoodat de Heer Van Baaien

ocr page 225

201

de handen van schrik in elkander zal slaan, wanneer hij het ziet: en dat ik de hulp van Mejuffrouw Blaek, die zich volkomen verstaat op het ontcijferen van allerlei hiëroglyphen en manuscripten, heb moeten inroepen, om er uit wijs te worden.quot;

„Die defensie gaat mank; want mijn schrift is net en leesbaar genoeg, en zoo ik, om het papier te besparen, wat klein geschreven heb, uw oogen zijn jong en goed, en er zijn overal brillen te koop.quot;

„Ik heb ten minste geen bril noodig om te zien, dat er al heel wat aan uw kousen zal te mazen zijn, en dat, zoo gij nog een paar dagen langer op reis waart gebleven, gij hier blootsvoets hadt kunnen aankomen: — doch laat ons een speldje bij die gekheid steken: en vertel mij eens zonder omwegen, wanneer, waar, en ter welker gelegenheid gij Henriëtte gesproken hebt.quot;

„Gij verdiendet, dat ik uw nieuwsgierigheid onbevredigd liet; maar kom! ik ben een goede broeder en zal medelijden met u hebben; want gij zoudt misschien barsten van ongeduld, en dat ware ongelukkig voor uw zijden keurs.quot;

Ik voldeed dan aan haar verlangen, en gaf haar een vrij omstandig verhaal van mijn wedervaren op Guldenhof, waarmede zij zich niet weinig vermaakte.

„Maar dat is waarachtig een roman,quot; ving zij aan, nadat ik mijn verhaal had geëindigd: „en al hadt gij er nog zoo tegen, gij zijt nu toch, naar de schoone orde der dingen, verplicht op haar te verlieven; —• maar gij ziet, dat uw verhaal mijn vrijspraak medebrengt; want hoe zoudt gij het mij nu ten kwade kunnen duiden, dat ik uw brieven aan Hen-rietto heb laten lezen? Hadt gij anders wel zulk een heerlijke stof tot onderhoud gehad? Gij zijt mij veeleer groote dankbaarheid verschuldigd, dat ik in uw afwezigheid mijn best gedaan heb, om aan een lief meisje goede gedachten van u te doen opvatten,quot;

„Ik geloof, dat ik dit als een compliment moet opnemen, waarmede gij zoekt goed te maken hetgeen gij verbruid hebt.'

ocr page 226

202

.,Ei kom I gij hebt veel te grooten dunk van uw eigene bekwaamheden, om iets voor mijne complimenten te geven: en ik ben overtuigd dat de betuiging van Henriëtte, dat zij gelachen heeft om uw gekke uitdrukkingen, en uw beschrijvingen bewonderd, uw eigenliefde bijzonder gestreeld heeft. Ja zelfs, biecht maar zuiver op, hebt gij niet juist daarom van mijn misbruik van vertrouwen melding gemaakt, ten einde de gelegenheid te hebben, u met mij over Henriëtte te onderhouden ?

C a r p o u r u n a m o u r e u x

II est doux de causer de Tob jet de ses feux.quot;

Ik glimlachte; want er was veel waars in hetgeen zij zeide.

„Maar pas op!quot;' vervolgde zij: „en hou uw hart achter dubbel slot, immers vooralsnog: de Heer Blaek zou u toch de hand zijner nicht niet toestaan.

„Wie denkt er aan hem die te vragen? — maar toch, stel eens, dat ik zulks deed, mag ik dan weten, wat hij tegen mijn persoon zou hebben.quot;

„Tegen uw persoon? — Niets ter wereld. Maar hij zal allen vrijers den zak geven, enkel in de hoop, dat het zijn zoon eens behagen zal op zijn nicht te verlieven.quot;

„Dat komt overeen uit met hetgeen mij de waardin te Eemnes vertelde; maar zoo die jonge Heer nu niet wil ?quot;

„Spreek er niet van: er schuilt iets achter, ik begrijp niet wat: slechts eens heb ik eenige dagen op Guldenhof doorgebracht, en toen heb ik met eigen oogen gezien, dat de oude Heer, voor zijn zoon, het hof maakte aan zijn nicht, 't Is in allen gevalle zeer edelmoedig van hem; want dat lieve brokje van een Lodewijk zal zeer rijk worden, en zijn nicht heeft niets en hangt alleen van ooms goedertierenheid af.quot;

„Hoe!quot; riep ik uit met eenige verbazing; want deze mede-deeling strookte niet met hetgeen mij door den Heer Bos nopens Henriëttes vader verhaald was: „ik meende. .. .quot; hier zweeg ik stil; want ik kon mijn autoriteiten niet noemen.

„Geloof mij,quot; vervolgde Suzanna: „het is genoeg bekend.

ocr page 227

203

dat zij niets heeft. En haar oom, dit valt niet te ontkennen, heeft recht christelijk met haar gehandeld.quot;

„Dat is wel mogelijk: en toch staat de man mij in sommige opzichten tegen: waarom weet ik zelf niet.quot;

„Dat zeide Tante Van Bempden ook, toen hij haar voor een paar jaren ten huwelijk. vroeg.quot;

„Wat! heeft hij zich op zijn ouden dag nog aan een blauwtje gewaagd ?quot;

„Hij is zoo oud niet als hij wel lijkt: zeker is hij in de laatste jaren merkelijk afgevallen: — maar jawel! hij heefr het beproefd, niet lang nadat gij van hier vertrokken waart. Zij heeft hem, gelijk aan meer anderen, geantwoord:

Prince, je chéris trop ma chère 1 iberté,

en heeft ons de vreugd niet willen ontzeggen van in haar een erftante te blijven beschouwen. Echter zijn zij goede vrinden gebleven, en daardoor ben ik in kennis geraakt met Henriëtte, voor welke Tante Van Bempden een bijzondere affectie heeft opgevat, en van wie zij dikwijls getuigt, dat zij het eenige meisje is, dat welopgevoed van een kostschool teruggekomen is.quot;

„Maar hoe komt het toch,quot; vroeg ik, na een poos te hebben nagedacht, „dat die Heer Blaek zoo machtig rijk is, en dat zijn nicht, die toch de eigen dochter is van zijn broeder, niets bezit ? Heeft de Heer Blaek van zijn vrouw die schatten geërfd?quot;

„Hoor eens, hoe die jonge heer, die niet verliefd is, zich naar de zaken informeert! Maar denkt gij dan, dat ik de geschiedenis van die menschen zoo op mijn duimpje ken? -Of zijn vrouw geld had, weet ik niet; ik geloof dat hij gelukkig in den handel geweest is en bovendien ergens een aardige erfenis gehad heeft: terwijl de vader van Henriëtte daarentegen den boel er door gelapt heeft en ellendig gestorven is. Hoe dit zij, de slotsom blijft altijd, dat men haar evenals mij, om onze goede hoedanigheden zal moeten nemen;

ocr page 228

204

want dat wij anders groot gevaar loepen, als vrijsters te sterven.quot;

Hier werd het gesprek afgebroken door mijn moeder, die mij kwam onderhouden over de noodzakelijkheid om mij eenige nieuwe kleedingstukken, als hemden, kousen, enz. aan te schaffen: een onderwerp, dat, voor 't oogenblik althans, nog belangrijker en zeker meer spoed vereischende was, dan mijn vrijerij naar een Juffrouw zonder geld. Daar mijn waarde lezers wellicht niet van deze meening zullen zijn, zal ik hun dit onderhoud schenken, en evenmin gewag maken van ettelijke bezoeken van goede vrienden en kennissen, die mij dien morgen met mijn behoudene aankomst geluk kwamen wenschen.

Wij waren, op den namiddag van denzelfden dag, aan het nagerecht gezeten, toen men aan mijn vader een gezegeld pakket overhandigde, hetwelk hij werktuiglijk opendeed, wanende dat het in betrekking tot zijn ambtsverrichtingen stond. Maar nauwelijks had hij er een vluchtig oog in geslagen, of verbaasdheid vertoonde zich op zijn trekken: zijn deftig gelaat ontplooide zich, en hij barstte uit in een luid gelach.

..Dat gaat u meer aan dan mij, Ferdinand!quot; zeide hij, mij den brief overreikende: „ja! lees maar overluid; het zijn geen geheimen ?quot;

Ik nam den brief op en las niet zonder verbazing hetgeen volgt:

„Edelgestrenge Heer!

„Gelijk het vanouds de gewoonte is geweest, dat alle braven zich verheugen over het geluk, dat aan vrome en aanzienlijke luiden te beurt valt, zoo moet de stofte van blijdschap, welke aan UEG. en geëerde familie geschonken is, door de behoudene terugkomst van UEGs. uitmuntenden Heer zoon, ook bij alle rechtschapene ingezetenen dezer stad een billijke vreugde doen ontstaan.

..Bij mij althans is die vreugde zoo levendig geweest, dat ik mijn gevoel deswege niet heb kunnen noch willen bedwingen,

ocr page 229

205

maar hetzelve in hoogdravende klanken lucht heb moeten geven, welke ik toevertrouwd heb aan het nevensgaand papier.

„Mocht UEG-. op dit zwakke voortbrengsel mijner nederige zanggodinne een gunstig oog laten vallen, niets zoude aangenamer zijn aan hem, die onder ootmoedige aanlleveling in UEGs. protectie, de eer heeft te zijn met den diepsten eerbied,

ÜECI. dienstvaardige en gehoorzame Dienaar en Hoogschatter Lucas Helding.quot;

Mijn adres is op de Raamgracht, ten huize van

Heynsz. portretschilder.

Het „nevensgaand papierquot; droeg tot opschrift:

JUBELZANG,

„Uitgegalmd ter gelegenheid der voorspoedige wederkomste van den Weledelen Heer Ferdinand Huyck, Zoon enz.quot;

Daarop volgde een gedicht van ruim honderd regelen, vrij net geschreven, en niet beter noch slechter dan de meeste verzen, die men in dien tijd maakte: ik werd daarin bij Theseus vergeleken, die behouden te Athene terugkwam. Gelukkig kende de poëet mijn avonturen van Woensdag-avond niet, anders had hij den Heer Bos als Minos, Amelia als de verlatene Ariadne en Andries als den Minotaurus kunnen laten optreden. Overigens werd ik overladen met loftuitingen en afgebeeld als

„Een jongeling, de bloem der Amstcllandsche knapen,

Zoo kloek van lijf en leèn. van inborst zoo rechtschapen. Die zedigheid aan moed en geest aan vroomheid paart.

En in des levens bloei reeds toont een mannenaard.*'

terwijl mijn vader de rijkste epitheta ornantia ontving, die uit te denken, of bij de oude dichters te stelen waren.

Wij vermaakten ons allen met dit fraaie stuk en ten koste van den armen vervaardiger, uitgenomen mijn moeder, voor

1

ocr page 230

206

wie het genoeg was, dat Helding mijn vader en mij lofspraken gaf, welke zij ons in haar hart waardig keurde, en die beweerde dat het een zeer zoet versje was, ofschoon hier en daar wat al te hoogdravend voor haar verstand.

,,'t Is een heerlijk denkbeeld, om Papa bij Egeus te vergelijken,quot; zeide Suzanna: „had hij nu maar geweten, hoe Papa 's morgens in verlegenheid was, toen Ferdinand niet terugkwam, dan had hij die vergelijking nog verder kunnen uitwerken ... ., ofschoon Vader de dwaasheid niet zou gehad hebben van in 't water te springen.quot;

„Foei Santje! Wat zijn dat voor malle gezegden?quot; vroeg mijn moeder, die de geschiedenis van Egeus en Theseus niet volkomen helder voor den geest had.

„Wel! laat Frits u die historie eens verhalen,quot; zeide mijn vader. „Age puer! ineiplas!quot;

En Frits, recht in zijn schik, de op de Latijnsche School verkregen kunde te mogen luchten, verhaalde nu het geval in al zijn kleuren, hetgeen ik niet doen zal, teneinde aan de mama's, die in het geval mijner moeder verkeeren mochten, gelegenheid te laten, zich daaromtrent door haar in de mythologie onderwezen zoontjes te doen inlichten en zich in het geheugen der veelbelovende knaapjes te verblijden.

„Verbeeld u nu,quot; zeide Suzanna, nadat het verhaal geëindigd was, dat Papa, die eergistermorgen niet anders dacht, of Ferdinand was door den Minotaurus ingeslokt, uit pure wanhoop denzelfden coup had willen doen als wijlen de Heer Egeus, en gij over hem stondt, als Badeloch uitroepende:

„Waar wilt gij heenquot;? u zelf verdrinken in de gracht?

Wat zou dat een treffend schouwspel hebben opgeleverd.quot;

„Nu! ik vind dat malle aardigheden,quot; zeide mijn moeder.

„Maar hoe komt die zotte vent van uw terugkomst af te weten?quot; vroeg mijn vader.

„Ik heb hem bij den Heer Blaek op Guldenhof ontmoet,quot; antwoordde ik, en gaf nu opnieuw, ofschoon ditmaal in weinige woorden, een kort verslag van mijn oponthoud aldaar.

ocr page 231

„'t Is een arme duivel,quot; zeide mijn vader: „poeta fame-lie u s: en dat gedicht hebben wij niet voor niet; maar het zij zoo!quot;

„Wij mochten hem toch wel ten eten vragen,quot; zeide mijn moeder.

„Niet te haastig, beste schat!quot; hernam mijn vader: „ik verlang hem niet tot gastvriend te hebben: wanneer wij zoo terstond bijten aan het eerste aas, dat hij ons toewerpt, dan hebben wij kans dat hij ons niet loslaat, maar onze geheele familie lid voor lid bezingt.quot;

„Wel dat ware niet onaardig,quot; zeide Suzanna: „ik ben nog wel ouder clan Jetje Blaek, en er is nog nooit een vers ter mijner eere gemaakt. Het wordt hoog tijd, dat ik ook eens uit mijn vergetelheid rake. Ik zou van mijn kant zeer hartelijk wenschen, dat die poëet eens verzocht werd. Ik wilde wel zien, of ik hem niet tot mijn aanbidder maken kon.quot;

„Santje! wat zijn dat voor zotheden, die u door 't hoofd malen?quot; zeide mijn moeder.

„Ik bedank er hartelijk voor om den man in huis te halen,quot; zeide mijn vader, „en ik wilde dat hij op zijn Pegasus naar China reed.quot;

„Dat is een verwénsching en een vérwensching tevens,quot; zeide Suzanna.

„Intusschen,quot; vervolgde mijn vader, „zijn beleefdheid moet betaald worden, en daarmede dient Ferdinand zich te belasten, als zijnde ten deze de geconcerneerde partij, heros cele-b r a t u s. Zie daar twee dukaten: die zult gij naargelang van zaken hem aanbieden of op de tafel laten liggen. Ik geloof, dat die hem nog beter te pas zullen komen dan een uitnoodiging aan onzen disch, die hem nog een fooi aan de meid kost. — Hij is met dat al een eerlijke kerel, die veel wederwaardigheden gehad heeft: en hij verdient een aalmoes, zoo niet voor het goede, dat hij doet, dan ten minste voor het kwade, dat hij nalaat: en dat zegt, helaas! al veel.quot;

„En onder welke van die twee categorieën schikt UEd. zijn verzen?quot; vroeg Suzanna.

ocr page 232

20S

„Onder geene, zottinnetje! dat is een gepatenteerde bedelarij, waartegen geene plakkaten bestaan.quot;

„Die toch wel noodig waren,quot; hernam Suzanna: „want ik ben van de meening van den Misanthrope, en zeg als hij, met betrekking tot slechte verzen;

Qu' un homme est pendable après les avoir faits.quot;

„'t Is toch zonderling,quot; merkte mijn vader aan, „dat de vrouwen altijd zoo crimineel zijn. Zoo men u tot Hoofdofficier aanstelde, zou er binnen de veertien dagen een oproer zijn.quot;

VEERTIENDE HOOFDSTUK,

waarin ferdinand op cognac onthaald en tegen wil en dank in nieuwe avonturen gesleept wordt.

Ik wandelde dan, niet lang nadat wij van tafel waren opgestaan, naar de Raamgracht, en vond weldra het huis dat ik zocht, en hetwelk kenbaar was aan liet, vrij slecht geschilderd, doch sprekend gelijkend afbeeldsel eener in Amsterdam te dier tijd welbekende groenvrouw, 't welk achter de glasruiten der zijkamer geplaatst was, nevens een bordje, waarop in gekleurde letteren te lezen stond: zacharias heynsz. Portretschilder. Het was een ouderwetsch gebouwde woning, drie verdiepingen hoog behalve den zolder, met twee kruisramen naast elkander en een vrij hooge, recht opgaande stoep. Ik schelde aan, de bovendeur ging open, en wel, evenals zulks alleen in de .toovergeschiedenissen en in sommige Am-sterdamsche huizen plaats heeft, zonder dat men kon gewaarworden door welk middel: eerst toen ik opzag, ontdekte ik, aan het bovenste einde van een vrij steile, van de voordeur door een kort portaal afgescheiden trap, iets dat zich in de duisternis bewoog en naar een vrouwelijke gedaante zweemde.

„Wat is er van je dienst. Sinjeur ?quot; klonk de stem uit de hoogte.

ocr page 233

209

„Ik wilde Monsieur') Helding spreken.quot;

„Kom maar op!quot; antwoordde de stem: „en wees zoo goed, de deur weer achter je te sloiten.quot;

Ik ontsloot op dit verzoek de deur geheel, en na die weder behoorlijk gesloten te hebben, trad ik tastende naar boven, mij tot meerdere zekerheid vasthoudende aan de koord, welke langs den muur liep, en waarmede de vrouw, die boven stond, de deur had opengetrokken.

„Nou dat trappie op,quot; zeide zij mij, zoodra ik bij haar stond: „en dan de derde deur aan je rechterhand; maar pas op! het is wat doister hier.quot;

En inderdaad, het was zoo donker, dat ik werk had, mijn voeten op de rechte plaats neder te zetten. „Voorwaar,quot; dacht ik: „per ar du a ad as tra! zoo onze dichter nooit den top van den Helicon bestegen heeft, het is niet, dat hij de gewoonte mist om te klimmen.quot;

Ik vond eindelijk de deur, welke ik zocht, en klopte aan.

„Binnen!quot; riep een stem, die mij toonde dat ik te rechtwas.

Ik trad in: het was een achterkamertje met één raam, waarvan de ruiten voor de helft gebroken waren: de vloer was met roode tichelsteenen belegd, hetgeen in heete zomerdagen zeer frisch, maar 's winters wat koud moet geweest zijn; terwijl ook de bedstede zonder gordijnen geen zeer behaaglijk aanzien had. Voor 't overige bestond de geheele inboedel uit eene tafel en twee stoelen. Op den eenen zat de bewoner zelf, met een blauwe bakkersmuts op het hoofd, een rood baaien buis aan 't lijf en kousen van touwwerk aan de beenen. De andere stoel was met de garderobe des goeden mans beladen: zijn degen stond er tegen aan: zijn pruik versierde den eenen en zijn hoed den anderen knop.

^ De titel van Mijnheer werd in die dagen alleen aan aanzienlijken gegeven: deftige leden uit den burgerstand heetten Sinjeur: en men zeide Monsieur tegen den zoodanige, voor wien bovenstaande benamingen nog te verheven waren. Met Mevrouw, Mejuffrouw en Mademoiselle was het ongeveer hetzelfde.

Noot van den Uitgever.

I. - F. H. u

ocr page 234

210

Het vereischte geen geringe mate van voorzichtigheid om den bewoner te naderen: daar de vloer grootendeels bedekt was met boeken, wier versletene, bemorste en gescheurde banden wel getuigden, dat de eigenaar meer hun innerlijke waarde dan hun uiterlijken tooi op prijs stelde.

„Wel, Mijnheer Huyck!quot; zeide Helding, oprijzende en zijn kort, zwart gebrand, pijpje uit den mond nemende: „neemt UEd. waarlijk zelf de moeite? Waarom heeft UEd. de meid niet boven gestuurd: ik ware wel afgekomen en vriend Heynsz had ons zijn zijkamertje wel afgestaan.quot;

,,'tls misschien wat vrijpostig, dat ik zoo op kom loopen,quot; zeide ik: „maar de meid zeide mij, ik moest maar bovengaan. Ik kon niet nalaten, mijn dank te betuigen voor de beleefdheid . .. .quot;

„Te veel eer, te veel goedheid,quot; zeide Helding, terwijl hij mij zijn stoel aanbood en den anderen ontdeed van de daarop geplaatste kleedingstukken, die hij gezamenlijk op den bultzak in de slaapstede wierp: „maar wat ik UEd. bidden mag, neem toch eerst plaats. Ik ben geheel verlegen en confuus van de moeite die UEd. neemt om zoo tot de hanebalken op te klimmen. — Ik woon hier wat hoog.quot;

„Wel! dat is als het behoort,quot; zeide ik, lachende: „een poëet kan niet te dicht bij de Goden huizen.quot;

„UEd. gelieft te schertsen,quot; antwoordde hij: „maar waarlijk, het is hier te hoog. Voor mij is dit niets: ik ben dit gewend: alleen 's winters kan het hier wel wat bar zijn; doch ik blijf er gezond bij en vroolijk. En waarmede zal UEd. gediend zijn? Nectar of ambrozijn is hier niet te bekomen; maar ik heb toch nog een paar flacons echten cognac, die mij overgebleven zijn van een vereering, mij gedaan door den waardigen Heere Willem De Bron, toen ik een dichtstuk gemaakt had op zijn gouden bruiloft.quot;

Ik kon niet nalaten bij mijzelven te lachen over de niet onaardige wijze, waarop Helding, terwijl hij mij beleefdheid aandeed, tevens de gelegenheid te baat nam, om mij te kennen te geven, dat hij gewend was, zijn liederen met een cadeau

ocr page 235
ocr page 236
ocr page 237

211

betaald te zien. Ik zocht mij met dat al jegens hem te verontschuldigen, zeggende, dat ik, zooeven van tafel komende, niets verlangde; maar het was vruchteloos praten; de gulle man kreeg een der kostbare fleschjes van onder zijn bedstede voor den dag en vulde daar twee kleine kelkjes mede, waarna hij mij zwijgend aanzag, als wilde hij zeggen: „nu ben ik gereed uw lofspraken aan te hooren.quot;

Ik liet hem ook niet lang in verlegenheid: en wetende, dat de menschen in 't algemeen en de dichters in 't bijzonder nog liever gevleid dan geprezen worden, zwaaide ik aan het flauwe voortbrengsel zijner Muze meer lof toe dan ik aan de beste verzen van Vondel zou geschonken hebben. Ik schaamde er mij wel wat over, maar wat zoude ik doen? de man had mij zulke onverdiende loftuitingen op rijm vereerd, dat ik hem wel met gelijke munt in proza diende te betalen. Hij hoorde mij zwijgend aan, met een glans van genoegen op het gelaat, nu en dan het bovenlijf buigende, en bij poozen een slokje uit zijn glaasje nemende, hetgeen hij met zooveel welgevallen scheen te proeven, dat het mij twijfelachtig voorkwam, wat hem beter aanstond, de lofspraak of de brandewijn.

„Ach Mijnheer!quot; zeide hij, toen ik mijn kraam van complimenten had uitgeput: „dachten alle menschen in Holland zooals UEd. en legden zij allen zulk een juist oordeel en zulk een fijnen smaak aan den dag, het zou er wat beter met ons Muzenzonen uitzien. Maar helaas! daar is in de zeven Provinciën geen liefhebberij voor de dichtkunst meer.quot;

„De Heer Blaek,quot; zeide ik, „schijnt u nogal te beschermen.quot;

„De Heer Blaek,quot; antwoordde Helding, „is een waardige schutsheer der letteren en ik ben hem groote dankbaarheid verschuldigd. Jammer maar,quot; vervolgde hij, een weinig bijschuivende, „dat hij zooveel zaken in het hoofd heeft en daardoor somtijds zoo stil is, zoo afgetrokken. Soms gebeurt het, dat ik hem de beste regels voorlees, die ik ooit vervaardigd heb, en wanneer ik aan het einde ben en een klein compliment verwacht, dan schijnt hij als uit een droom te ontwaken, en vraagt aan zijn zoon, hoe de wisselkoers op Genua

ocr page 238

212

is, of welken prijs de koffie op de laatste veiling gehaald heeft.quot;

„Maai- zijn zoon dan?quot; zeide ik, zoetjes aan het gesprek op Henriëtte wenschende te brengen.

„Zijn zoon is een knap jong mensch! vol vernuft en geest; maar zoo wild! nu, de jeugd mag wel wat los zijn: hij schept er altijd vermaak in, den ouden Helding wat te plagen. Soms fluit hij een deuntje, terwijl ik aan 't voorlezen ben, of maakt proppen en broodballetjes en knipt mij die tegen den neus. Ja! er zijn geen poetsen, die hij mij niet speelt. Heeft hij mij laatst niet buiten mijn weten een scharlaken lap op den rug gespeld en, quasi om een boodschap aan den pluimgraaf, naar de menagerie gestuurd, waar de kalkoenen mij aanvlogen als dol? En een andere reize, toen ik een lichtkleurige broek aanhad, stuurde hij zijn honden een moddersloot in en liet die vervolgens tegen mij opspringen, zoodat ik, geen andere kleeding bij mij hebbende, den ganschen avond voor het keukenvuur heb moeten zitten om mij te drogen, en zeker niet weer in de zaal had durven verschijnen, indien Mejuffrouw Henriëtte, van mijn ongeval gehoord hebbende, zich mijner niet ontfermd had en mij uit de oude plunje van haar oom een ander kleedingstuk had opgeschommeld. Zooals ik zeg; het is een vroolijk Heer; maar ik moet het van hem wel verdragen! wij zijn zulke oude kennissen: en hij heeft soms wilde buien ook.quot;

Ik schudde het hoofd en beklaagde bij mijzei ven den armen man, die op zijne jaren om een aalmoes zulke vernederingen dulden moest. „En Mejuffrouw Blaek,quot; zeide ik toen; „zij althans schijnt u zeer genegen.quot;

.,0 Mijnheer! Een engel is zij. Wel is waar, zij vat niet altijd de fijne knepen der poëzie! maar anders, een hart heeft zij ... . zooals geen meisje uit de stad. Ja! zoo dat eens een huwelijk geeft, de Heer Lodewijk zal dan een juweeltje van een vrouw aan haar hebben, dat verzeker ik u.quot;

„Is dat huwelijk reeds bepaald?quot; vroeg ik, eenigszins onrustig.

ocr page 239

218

„De oude Heer zou het gaarne zien; maar,-tusschen ons gezegd,quot; vervolgde hij op een vertrouwelijken toon: „de Heer Lodewijk wil, geloof ik, zijn vrijheid nog wat behouden: ja! ja! dat geeft somtijds onpleizierige tooneelen; maar ik mag niet uit de school klappen. Eergisteren onder anderen, toen UEd. Guldenhof verlaten hadt, was het er vrij onstuimig.... ja! de oude Heer heeft niet gaarne dat andere jongelieden hun hof aan Juffrouw Jetje maken. Zoo ik mij op uwe bescheidenheid verlaten kon, zou ik UEd. kunnen verhalen, wat er bij die gelegenheid voorviel.quot;

Ik antwoordde niets; want, ofschoon vrij nieuwsgierig, wilde ik den man niet aanmoedigen om familietwisten, waarvan het toeval hem getuige had gemaakt, aan mij te openbaren. De brandewijn had intusschen op Helding zijn invloed uitgewerkt en hem spraakzaam, of liever, openhartig gemaakt. Hij nam mijn stilzwijgen op als een bewijs van toestemming en ging aldus voort:

„Pas was UEd. uit het oog, of daar begon het lieve leven. De Heer Blaek zette een gezicht, zooals hij alleen bij feestelijke gelegenheden doet: „past het een fatsoenlijk, welopgevoed meisje,quot; vroeg hij, „met een jong Heer alleen te zitten en drank met hem te gebruiken?quot; Toen sloeg mijn lieve Flora (ik ben schertsenderwijze gewoon haar Flora te noemen) haar oogjes neder en zeide: „Oom! ik heb geen drank geproefd: ik heb zelfs geen woord met den Heer Huyck gesproken, eer hij zich bekend gemaakt had.quot; — Dat lieve stemmetje had de gewone uitwerking: en de omstandigheid, die zijn nicht hem mededeelde, scheen den ouden Heer een pak van 't hart te nemen. „Zoo!quot; zeide hij, „had je hem nooit meer gezien? Maar hoe weet je dan, of hij u geen knollen voor citroenen in handen gestopt heeft: gij deedt beter, niet meer zoo alleen naar den koepel te gaan; er zwerft zooveel slecht volk tegenwoordig langs den weg, en een gauwdief neemt alle namen aan. Baas Roggeveld heeft ons immers verteld van die inbraak. quot;t Is zeker volk van de bende van Zwarten Piet. En dan kleeden zich die schelmen soms als Heeren en sluipen in

ocr page 240

214

de huizen, om te zien, of er iets van hun gading is.quot; — ..Ja!quot; zeide de Heer Lodewijk: „en wanneer zij niets anders vinden, pakken zij de mooie meisjes ook al mede.quot; — Ik kan u zeggen, Mijnheer Huyck, het denkbeeld deed mij schrikken! verbeeld u, mijn aanbiddelijke Flora.

Een pronkstuk dat bet oog van ieder kan betooveren Ontschaakt door 't gruwzaam feit van goddelooze rooveren,

Gelijk de schoone. die Alcides had geroerd,

Bij ('k weet niet welken) stroom door een Centaur ontvoerd.'

En zoo vroeg ik, of het ook zaak ware, al het fraais, dat de koepel bevatte, naar huis te voeren: „want,quot; zeide ik:

„Want, Heer! geloof mij, volle kasten Zijn niet vertrouwd bij zulke gasten.quot;

„Maar meisje! meisje!quot; zeide de oude Heer al wederom: ..hoe kon je toch zoo onvoorzichtig zijn, dien man hier binnen te laten?quot; — „Wel,quot; zei Juffrouw Jetje: „ik heb hem niet binnengelaten: hij is hier vanzelf gekomen. Ik kon hem toch niet wegjagen: of had ik naar huis moeten vluchten en kies nat worden en den koepel open laten staan voor een iegelijk? Maar ik kon immers wel zien, dat hij een fatsoenlijk man was.quot; — „Taratata!quot; zei toen de oude Heer: „wat gaat dat mondje weer rad. Nu geef mij maar een zoen. Jetje! wij zullen er niet meer over spreken. Het is eigenlijk de schuld van Lodewijk: die had hier al lang moeten zijn om u af te halen, maar hij heeft zijn tijd met Helding op het biljart verbeuzeld. Kom Lodewijk, geef je nicht een arm.quot; — „Neen,quot; zei mijn lieve Flora: „ik weet wel, dat Lodewijk liever alleen loopt. Helding zal mijn cavalier zijn, zoo hij wil, en zijn regenscherm hem niet hindert.quot;

„Wel,quot; zei ik, „al had ik er duizend te dragen, en nog als Atlas een wereldbol bovendien op mijn schouders, ik zou mijn last niet tellen om zulk een eer te mogen genieten:quot; — en zoo streek ik met de Juffrouw naar huis: terwijl de oude Heer niets deed als Lodewijk zuur aankijken, en Lodewijk een deuntje floot. — En och heden! ik kan het u wel zeggen,

ocr page 241

215

Mijnheer Huyck! UEd. zal er toch geen misbruik van maken: ik weet heel goed, wat het liedje was. daar hij de wijs van neuriede, en waarom de oude Heer er zoo korzelig over was-Het is omtrent zoo:

Ja! Zij is aardig, jong en teer;

Maar 'k min de gulle vrijheid meer.

Ik wil. ik wil haar niet.

Een breidel knelt, ofschoon van goud;

Te vroeg getrouwd, te laat berouwd.

Ik wil, ik wil haar niet.

En dat maakte ook, dat de oude Heer geen woord sprak over tafel en dat zij 's avonds vrij wat woorden hadden met elkaar, 't Was goed, dat zij beiden gistermorgen ieder op zijn eigen gelegenheid naar stad keerden, en daardoor de twist niet hervat kon worden. — Intusschen: de oude Heer is danig op die verbintenis gesteld, en als de Heer Lodewijk wat wijzer en bedaarder is geworden, zal hij zijns vaders zin toch wel doen. — 't Is maar niet pleizierig, dat het zooveel gehaspel geeft ; — maar in 's hemels naam; mondje dicht. Mijnheer Huyck!quot;

„Geen woord zal er van over mijn lippen komen,quot; zeide ik: — „maar mij dunkt, dergelijke tooneelen en een dergelijk vooruitzicht moeten voor Mejuffrouw Blaek allesbehalve aangenaam zijn.quot;

„Dat is waar,quot; hernam Helding: „maar zij heeft het anders kostelijk bij haar oom. 't Is hartje wat lust je, mondje wat begeer je? De oude Heer heeft haar lief als den appel van zijn oogen. En zij verdient het; want zij is een engel. Och! als ik haar zoo aanzie!....quot; hier hield hij ineens op, schudde het hoofd, zag voor zich: en een paar tranen rolden den ouden man langs de wangen.

„Wat schort er aan?quot; vroeg ik, eenigszins verbaasd over deze verandering in 's mans gemoedsgesteldheid, en niet wetende, waar ik zulk een plotseling opgekomen droefgeestigheid aan had toe te schrijven.

ocr page 242

216

„Och!quot; hernam hij met een zucht: „als ik haar aanzie, clan herinner ik mij altijd mijn Klaartje: . . . . dat was ook zulk een lief vroom kind, en had ook zulk een paar groote vriendelijke oogen, evenals zij. — Och ja! zoolang zij bij mij was, ging het mij nog goed en leefde ik niet in ellende en eenzaamheid zooals thans: en schoon wij het niet breed hadden, wij waren tevreden: alles was altijd netjes en knap om mij heen: Klaartje verdiende ook wat voor de huishouding: en als zij dan te huis was van den winkel, en over mij zat om een muts of hoed op te maken, en luisterde naar miin verzen, — kijk! dan was ik zoo gelukkig, dat ik het met geen Burgemeester zoude geruild hebben; maar nu is dat alles voorbij; ik leef alleen en verlaten en niemand bekommert zich over den armen Helding. — 't Is waar, ik heb den naam van een vroolijke snaak te zijn: — en dat ben ik ook, in gezelschap; omdat ik van aard gezellig ben en die droevige gedachten dan uit het hoofd stel. Maar als ik alleen ben, och! dan heb ik soms bange oogenblikken.quot;

„Gij hebt dus het ongeluk gehad, uw dochter zoo jong te verliezen?quot; vroeg ik deelnemend.

„Te verliezen, juist Mijnheer!quot; antwoordde hij, somber voor zich ziende.

„Zulk een verlies is zeker onherstelbaar,quot; zeide ik : „maar de herinnering aan, de goede hoedanigheden der afgestorvene zal bij u toch niet louter pijnlijke, maar ook wel zachte en streelende aandoeningen verwekken.quot;

„Der afgestorvene!quot; herhaalde hij: „gave de hemel dat zij gestorven ware! . . . . ofschoon het mogelijk is ... . ik weet het niet. — Neen, Mijnheer, zij is mij niet door den dood ontvallen. Zij heeft mij verlaten, mij, haar vader, die haar zoo liefhad. Zij is de wijde wereld ingegaan: — en wat is dc wijde wereld anders voor een jong meisje als zij was, dan de verderfenis? — Doch ik moest daarover niet spreken: — het is alles wellicht mijn schuld: ik had haar beter gade moeten slaan. Vergeef mij. Mijnheer! het past mij niet, u over mijn eigen leed te onderhouden.quot;

ocr page 243

„En waarom niet?quot; vroeg ik, een innig medelijden met den man gevoelende: „het geeft altijd troost, zijn pijnlijke gedachten te kunnen uitstorten bij iemand, die het wel met ons meent.quot;

„Neen, Mijnheer!quot; zeide hij, met meerdere waardigheid dan ik gedacht had, dat hij kon aannemen; „er zijn rampen van dien aard, dat haar mededeeling geen troost kan aanbieden. — Er is slechts één ding, dat mij opbeuring zou kunnen geven, en dit zou het bericht zijn, dat zij van den slechten weg, dien zij bewandelt, ware teruggekeerd. Och! dat het verloren schaap berouwhebbend weder bij mij kwame! ik zou haar immers weer aan mijn hart drukken en alles zou vergeten en vergeven zijn; zij zou mijn armoedje deelen; en misschien beleefden wij nog gelukkige dagen.quot;

„Maar, zoo ik vragen mag, hebt gijzelf geene pogingen gedaan om haar op te sporen en van het doolpad af te brengen ?quot;

„Och Mijnheer!quot; antwoordde hij, de schouders ophalende; „tot zulke nasporingen is geld noodig; en dat heb ik niet. Ik ben al meer dan eens bij den Onderschout over de zaak geweest; maar die wil er niets aan doen, en zegt, dat hij wel dagwerk zou kunnen krijgen van al de meisjes op te zoeken, die de Breeveertien op zijn.quot;

„Nu,quot; zeide ik, „zoo de Onderschout u niet wil voorthelpen, waarom zijt gij dan niet tot mijn vader gegaan?quot;

„Tot den Ed. Gestr. Heer Hoofdofficier! Ho! dat durfde ik zoo niet; dat ware te onbescheiden geweest.quot;

„Onbescheiden!quot; herhaalde ik; „onbescheiden om mijn vader in zijn ambtsbetrekking te spreken? — Zoo gij daarvoor vreest, dan wil ik uw boodschap wel doen.quot;

„Wel! ik zou UEd. de moeite niet hebben durven vergen; maar och ja! doe dat, Mijnheer Huyck! ik zal er u levenslang voor dankbaar zijn.quot; — En de tranen glinsterden den man in de oogen, terwijl hij mijn handen drukte; „Och!quot; vervolgde hij, „wat heb ik een gelukkige ingeving gehad, van UEd. dat gedicht te zenden; anders ware ik nooit met UEd. in kennis gekomen. — Ik was eerst al huiverig, of UEd.

ocr page 244

het niet te gebrekkig zoudt vinden; want ik had het nog niet in mijn vriendenkrans voorgelezen en het was dus nog onbeschaafd.quot;

„Is dat anders uw gewoonte?quot; vroeg ik, eenigszins verwonderd, want ik was niet op de hoogte van de manier, die onder onze zoogenaamde dichters heerschte.

„Welzeker, Mijnheer! — Wij hebben een vereeniging om de veertien dagen, waar de braafste dichtgeesten der stad leden van zijn: daar lezen wij onze verzen voor en ieder maakt zijn aanmerkingen; en dan worden de zwakke regels naar het gevoelen der meerderheid verbeterd. — O! liet is een zeer vermakelijk gezelschap! Mijn eenig leedwezen is, dat ik de vrienden niet tot mijnent kan ontvangen; want helaas! dat gedoogen mijne omstandigheden niet. Anders, wij mogen een gast inleiden: en ik zou mij het tot eer rekenen,.... maar liet ware al te onbescheiden, zoo iets te durven hopen.quot;

„Wel, waarom dat?quot; zeide ik lachende, en in de veronderstelling, dat daarvan wel nooit iets komen zoude: „ik zou zeer gaarne dien krans eens bijwonen. — Maar het wordt mijn tijd. Mijnheer Helding! en ik zal u verlaten. — Nu! ik beloof u, ik zal uw zaak ter harte nemen.quot;

Helding hernieuwde zijn betuigingen van dankbaarheid en van vreugde over de eer van mijn bezoek: en, na de twee dukaten behendig in mijn kelkje te hebben laten vallen, wilde ik mij verwijderen; maar, ondanks mijn tegenzeggen, begeerde hij volstrekt mij uitgeleide te doen en mij op de trap voor te gaan, waarvan hij door dagelijksche gewoonte best in staat was mij de afgesleten treden aan te wijzen. Hal verwegen gekomen, waar een klein zijportaaltje naar de deur eener voorkamer geleidde, hield hij stil en luisterde.

„'tis of men het daarbinnen niet eens is,quot; zeide hij, op de gesloten deur wijzende.

„Inderdaad,quot; zeide ik: „mij dunkt, er vallen hooge woorden.quot; En ik stond insgelijks stil; want de stemmen kwamen mij bekend voor.

ocr page 245

219

„Het is, zoo waar ik leve. de Heer Lodewijk Blaek!quot; zeide Helding: „misschien zocht hij mij en heeft hij zich eene verdieping vergist.quot;

„Stil!quot; zeide ik, met drift, terwijl ik aandachtig luisterde: — ik hoorde een vrouwenstem, welke ik verre was van hier te verwachten, met kracht de navolgende woorden zeggen:

„Nog eens, Mijnheer! ik verzoek u dit vertrek te verlaten, of gij zult mij dwingen om hulp te roepen.quot;

„Is het wel mogelijk!quot; riep ik: en terstond, door een onwillekeurige gemoedsbeweging voortgestuwd en zonder over de gevolgen na te denken, stootte ik de deur open en trad binnen. Ik had mij niet bedrogen. Midden in het vertrek stond Amelia, met vlammende oogen en in een houding, eener vorstin waardig, en wees met uitgestrekten arm de deur aan Lodewijk Blaek. die volstrekt niet genegen scheen aan den wenk te voldoen.

Mijn binnenkomst veroorzaakte geen geringe uitwerking. Amelia herkende mij terstond; zij kleurde even: en haar arm latende vallen, deed zij een schrede zijwaarts naar mij toe, als wilde zij zich onder mijn bescherming stellen.

„Wie is daar?quot; vroeg Lodewijk. die met den rug naar ons toe stond en zich eensklaps omkeerde: hij herkende mij. verschoot van kleur, maar herstelde zich dadelijk en zag beurtelings Amelia en mij aan met een schamperen glimlach.

„Aha!quot; zeide hij: „ziedaar een welkomer gast! Xu zie ik inderdaad, dat ik het veld zal moeten ruimen.quot;

Ik gevoelde de noodzakelijkheid, een poging aan te wenden, om zijn kwade vermoedens weg te nemen.

„Mijnheer!quot; zeide ik, „gij bedriegt u. Ik verklaar u als man van eer: ik was onbewust dat deze Juffer hier woonde, en, van een bezoek bij den Heer Helding terugkomende, vond ik mij genoopt binnen te treden, omdat ik mij verbeeldde, dat hier iemand onbehoorlijk behandeld werd.quot;

„Mijnheer!quot; zeide Lodewijk: „zoo ik het ben, wien gij een onbehoorlijke handelwijze toeschrijft, dan zult gij mij rekenschap van die uitdrukking geven.quot;

ocr page 246

220

„Ik zeide alleen, dat ik mij zulks verbeeldde,quot; hernam ik, ongezind mij een noodeloozen twist op den hals te halen: „Mejuffrouw alleen kan hier beslissen of mijn vermoeden ongegrond was.quot;

„O! Mademoiselle zal u wel gelijk geven,quot; hernam Lodewijk, met bitterheid: „want dat gij, die met haar in de stad zijt gekomen, niet zoudt weten, waar zij zich ophield, dat zult gij mij toch niet wijsmaken.quot;

„Wees voorzichtig!quot; zeide ik, gevoelende dat ik warm werd: „ik ben niet gewoon, dat iemand aan de waarheid mijner gezegden twijfelt.

„Om 'sHemels wil! Mijnheer Lodewijk! Mijnheer Huyck! bezit uw zielen toch in lijdzaamheid!quot; riep Helding, angstig tusschen ons intredende; „ verstaat eikanderen:

En laat geen dwaze drift u beider ziel doen blaken!quot;

„Gij hebt mij geaffronteerd!quot; zeide Lodewijk, de hand aan zijn degen slaande: „en gij zult er mij rekenschap van geven.quot;

„Wanneer gij wilt,quot; hernam ik in drift: „maar wij zullen eerst beiden dit huis verlaten, en aan Mejuffrouw het bijwonen van zulke ergerlijke tooneelen besparen.quot;

„Tot uw dienst,quot; zeide Lodewijk, zich den hoed in de oogen drukkende, en Helding, die hem bij den arm hield, ter zijde schuivende.

„Een oogenblik!quot; riep Amelia, zich snel bij de deur plaatsende: „Mijnheer!quot; vervolgde zij tot Lodewijk: „ik heb u zooeven verzocht mij te verlaten: thans begeer ik, zoo gij prijs stelt op den naam van een fatsoenlijk man, dat gij mij nog een oogenblik aanhoort. Deze Heer heeft de waarheid gesproken. Hij wist niet, hij kon niet weten, dat ik mij hier in huis bevond. Hoe gij mij hebt weten uit te vorschen, is een raadsel, dat ik niet verlang te onderzoeken. Ik weet niet, welke gedachten gij omtrent mij koestert en wil die ook niet kennen; maar dit verklaar ik u, dat alle beleedigende uitlegging, welke gij aan mijne korte kennis met den Heer Huyck zoudt willen geven, op verkeerde gronden berust.quot;

ocr page 247

221

„Dacht ik het niet?quot; zeide Lodewijk: „Mademoiselle is te beleefd om Mijnheer tegen te spreken.quot;

„UEd. ziet het Mejuffer!quot; zeide ik: „deze Heer wil geen rede verstaan en heeft vast besloten om uit al wat hij ziet of hoort, valsche gevolgtrekkingen te maken.quot;

„Waarlijk, Mijnheer Lodewijk!quot; zeide Helding: „UEd. i.s in dwaling: het was wel degelijk aan mij, dat de Heer Huyck een bezoek kwam geven! en ZEd. zou deze deur stilletjes zijn voorbijgeloopen, indien ik ZEd. niet op het gerucht opmerkzaam had gemaakt.quot;

„Mijnheer!quot; zeide Amelia, zich tot den dichter wendende: „gij zijt een man van jaren: ik bid er u om: vereenig u met mij, om dezen Heeren te verzoeken, mij te verlaten, en te vergeten dat zij mij ooit gekend hebben.quot;

„Kom Helding! gij hoort het,quot; zeide Lodewijk, spottende: „neem mij dan bij den arm en gooi mij de deur uit.quot;

„Het is genoeg. Mijnheer!quot; zeide ik: „gij hebt verstaan, dat Mejuffrouw alleen wenscht te zijn: en gij zult haar verlangen eerbiedigen zoowel als ik: en zoo gij daaraan niet vrijwillig voldoet, zal ik zoo vrij zijn te doen, wat gij aan Monsieur Helding voorstelt.quot;

Onder het uitspreken dezer woorden nam ik hem bij den arm, en er ware ongetwijfeld een tooneel van geweld op gevolgd, toen de deur weder openging en Heynsz, de huisheer, in eigen persoon binnentrad.

„Mij dunkt,quot; zeide hij, „dat men het hier niet eens is, en dat hier meer leven gemaakt wordt, dan betaamt in een fatsoenlijk huis. Ik wist niet. Mademoiselle! dat UEd. ontving zulke drukke visites. Had ik kunnen raden dat dit was uw habitude, ik had u niet verhuurd deze appartementen ; want ik bon niet gewoon.... maar wat zie ik ? Mijnheer Blaek! gehoorzame dienaar. Hoe vaart uw Heer vader? mijn goede vriend Helding ook al hier! Mijnheer Huyck! welkom in 't Vaderland! Maar mag ik weten, wat dit alles heeft te beduiden?quot;

„O! niets ter wereld!quot; zeide Lodewijk: ..ik kwam aan de

ocr page 248

222

Juffer een bezoek geven: en Mijnheer begrijpt dit kwalijk te moeten nemen.quot;

„Monsieur Heynsz,quot; zeide Amelia, met waardigheid: „ik heb deze kamer van u gehuurd en dit geeft mij recht om te vorderen, dat ik er mijn vrijheid op moge genieten.quot;

„Uw vrijheid! Certainement!quot; zeide Heynsz, die haar verkeerd begreep: „niemand kan u verbieden, te ontvangen visites; maar dit huis heeft altijd gejouisseerd van een honnetten naam: en ik logeer geene dames, die .... die meen ik ... . Heeren bij zich ontvangen. ÜEd. verstaat mij ?quot;

.,ATeen, Mijnheer! ik versta u niet,quot; antwoordde Amelia, terwijl zij kleurde van schaamte en verontwaardiging: „en gij verstaat mij nog minder: „ik begeer juist vrij te zijn om n i e m a n d te ontvangen: en als Heer des huizes zult gij mij verplichten, zorg te dragen, dat niemand mijne kamer kome oploopen alsof.... het een herberg ware. Ik wil alleen zijn, en zoo mij dit niet vergund wordt, zal ik naar een ander verblijf moeten uitzien.quot;

„Mij dunkt,quot; zeide ik, Heynsz aanziende, „dat Mejuffer niets onbillijks vordert.quot;

„Integendeel!quot; zeide hij: zij spreekt als een boek: ik was in erreur. Aliens! Mijne Heeren: gij hebt gehoord de intentie van Mejuffer. Kom, vriend Helding! opgemarcheerd.quot;

„Ik heb de eer nederig mijn compliment te maken aan het geëerd gezelschap,quot; zeide Helding, terwijl hij rondboog met de blauwe muts in de hand, en vertrok.

Gerustgesteld door de tegenwoordigheid van Heynsz, in wiens bijzijn ik begreep, dat Amelia geene beleediging te vreezen had, maakte ik insgelijks een buiging en verliet de kamer, doch bleef in 't portaal staan, daar ik Blaek niet wilde ontloopen.

„Vaarwel, fiere schoone!quot; zeide deze, die nu wel inzag, dat hij voor het oogenblik alle hoop moest opgeven: „het doet mij recht leed, dat ik u misschien gedwongen heb te veinzen, dat gij met dien Heer niets uitstaande hadt. Nu! ik begrijp, dat hij de oudste brieven heeft, en zal u heden niet meer

ocr page 249

lastig vallen. — Mijnheer Hnyck! gij gaat nog niet heen! Ik heb u twee woorden te zeggen.quot;

„Ik wachtte u,quot; zeide ik, langzaam voor hem uit de trappen afdalende.

„Eh bien! wat zal dat zijn?quot; riep Heynsz, ons achterna-volgende: „de Heeren zullen immers zoo dwaas niet zijn, op straat te maken rusie! Indien zij nog quaestie samen hebben, mag ik dan verzoeken, dat zij komen in mijn zijkamer en daar bedaard met elkander spreken over deze affaire.quot;

Onder het uiten dezer woorden was hij ons reeds voorbijgeschoven, en, terwijl hij de voordeur met de eene hand dichtsloot, opende hij met de andere die van de zijkamer. Er zat dus niets anders op, dan aan zijn verzoek te voldoen. Ik ging dadelijk binnen en bleef tegen den rug van een stoel leunen, in afwachting van hetgeen volgen zoude. Lodewijk trad mij eenigszins schoorvoetende en mompelende na, en hield zich, als ware hij verdiept in de beschouwing van eenige portretten, die aan den wand hingen. Toen trad Heynsz binnen, sloot voorzichtig de deur achter zich toe, schoof stoelen aan en zette zich in een armstoel, met al de deftigheid van een Turkschen Pacha: en ik kon niet nalaten van bij mijzel-ven te lachen om de vergelijking, welke ik maakte tusschen den gehoorzamen ambtenaar, die de bevelen van den Hoofdschout staande en zonder tegenspraak aanhoorde, en den deftigen huisheer, die des Hoofdschouts zoon in 't verhoor ging nemen.

„Mijne Heeren!quot; zeide hij, zoodra wij alle drie gezeten waren: „ik weet bij eigent' experientie, waartoe jeugdige passie kan vervoeren ons allen. Ik heb daar exempels van gezien bij menigten. De Hoeren weten, dat ik al wat traversen en recontres heb gehad.quot;

„Met verlof,quot; zeide Lodewijk, de beenen over elkander kruisende, en op zijn horloge ziende: „kunt gij het niet wat kort maken? want ik moet te zes uren bij La Place zijn om een paar harddravers te probeeren, en het is nu al kwartier.quot;

„Het is verre van mij, UEd. te willen ophouden,quot; hernam

ocr page 250

224

Heynsz: „alleen, mag ik zoo vrij zijn van u te vragen, wat het motief is van de quaestie?quot;

„Ik ben niet gewoon,quot; zeide Lodewijk, „bij een zaak van eer andere lieden in te halen, dan Cavaliers van mijn stand.quot;

„Wat mij betreft,quot; zeide ik, „ik wil gaarne Sinjeur Heynsz tot scheidsman nemen; zijn stand of de onze doet hier niets toe: hij heeft recht te onderzoeken, wat er in zijn huis is voorgevallen: en, oprecht gesproken, ik acht het voor alle partijen verkieslijker, dat over deze zaak buiten af geen gewag gemaakt worde. Ik ben dus bereid, alles, zooals het zich heeft toegedragen, te verhalen: en dan zal de Heer Blaek zelf bespeuren, dat er eigenlijk geen reden tot geschil bestaat.quot;

„Zoo gij mij liever verschooning wilt vragen, dan met mij een wandeling buiten de poort te doen, dan zeker is alles spoedig gevonden,quot; zeide Lodewijk, mij spotachtig aanziende.

„Ziedaar, wat wij nader zien zullen,quot; zeide ik: „laat mij, als 't u belieft, eerst uitspreken. Ik begin met te bekennen, dat UEd., oordeelende naar de omstandigheden, voor zooverre zij bekend zijn, misschien aanleiding hebt kunnen vinden, om te denken, dat de Juffer geen weerstand aan uw voorstellen zou bieden; maar, vergun mij UEd. te zeggen, dat, toen zij u met nadruk verzocht, haar te verlaten, en UEd., in weerwil daarvan, haar met uw bijzijn lastig bleeft vallen, uw gedrag-niet langer te rechtvaardigen was.quot;

„Voor den duivel!quot; riep Lodewijk driftig, „neemt gij het op dien toon? — Bah!quot; vervolgde hij, lachende: „ik heb er wel honderd gekend, die eerst zoo koppig waren als stieren en naderhand zoo mak als lammetjes, zoodra ik de geeltjes liet klinken.quot;

„Wel mogelijkIquot; hernam ik op een koelen toon: „maar dat zou niet licht het geval worden met de Juffer hierboven. UEd. hebt haar door uw gedrag beleedigd: en ik, door op het gerucht toe te snellen en haar partij te nemen, heb niets anders gedaan clan hetgeen elk ander en UEd. zelf in mijne plaats verricht zoudt hebben.quot;

ocr page 251

„Wel, niets was natuurlijker,quot; zeide Lodewijk: „gij wildet gaarne uw lief voor u alleen houden.quot;

„Ik herhaal nogmaals, en op het plechtigst,quot; vervolgde ik. „dat mijne kennis aan haar slechts toevallig en zeer gering is, en dat ik verder niets met haar uitstaande heb. Wat ons betreft. Mijnheer! wij hebben elkander een paar woorden toegevoegd, waartoe de warmte van het gesprek aanleiding heeft gegeven. Gold het ons alleen, ik zou niet aarzelen, u voldoening te schenken: maar bedenk, dat wij in dit geval, om een armhartig punt van eer, de reputatie van een fatsoenlijk meisje in de waagschaal stellen: en dit betaamt noch u, noch mij.quot;

„Braaf gesproken!quot; zeide Heynsz: „een fatsoenlijk meisje is het: haar papa woont te Deventer: Van Beveren heet hij: zij is een nicht van den Xotaris Bouvelt, en had moeten logeeren bij hem; maar de man, hij is heel ziek, en had daarom hier een kamer voor haar gecommandeerd.quot;

„'t Is zeker wat verhevens! de nicht van een Xotaris!quot; zeide Lodewijk, zijn das ophalende en een gezicht zettende alsof hijzelf de neef ware van den Grooten Mogol.

„Dat is hetzelfde. Mijnheer!quot; zeide Heynsz: „ik ben maar een portretschilder; maar voordat iemand aftronteere die Juffer, ik zelf zoude opnemen haar defensie: ik heb ook de kling leeren maniëeren in Frankrijk, en geëchangeerd kogels met luiden van goede noblesse. Wat u betreft. Mijne Hee-ren! ik laat u niet van hier gaan, maar zal zenden een boodschap aan uw ouders, zoo gij niet belooft aan mij, de zaak te termineeren in goeden vrede.quot;

„Gij zijt een onbeschaamde vlegel,quot; zeide Lodewijk, driftig opstaande.

„Neen. mijn Heer! ik ben een nortretteur,quot; zeide Heynsz: „maar ik heb genoeg experientie, om te weten hoe te handelen met lieden, die volontair zijn, als UEd.quot;

„Ik wou wel eens zien, dat iemand mij hier hield,quot; zeide Lodewijk, de hand aan zijn degen slaande: „wat u betreft, Mijnheer Huyck! ik zie wel, dat alle praatjes niet helpen.

ocr page 252

22(5

Ik zal u hedenavond nog een briefje schrijven en u een plaats aanwijzen, waar wij de zaak kunnen vereffenen. En nu, Heer Portretkladder: ruim baan! en maak de deur open, of ik rijg u aan mijn degen.quot;

„Bah!quot; zeide Heynsz, bedaard oprijzende: „ik ben niet de waard uit het Hagendoornsche Bosch.quot;

„Wat bedoelt gij daarmede?quot; vroeg Lodewijk, terugdeinzende, terwijl zijn gelaat zoo wit werd als papier.

„Ik bedoel daarmede, dat er geschieden dingen, die men waant niet te zijn bekend, en die het resultaat zouden kunnen hebben, dat zekere lieden, bon gré mal gré, op de binnenplaats van het Stadhuis, onder den blauwen hemel, zouden kunnen hooren voorlezen zeer onaangename dingen.quot; ])

„Gij zult mij die woorden nader ophelderen,quot; zeide Lodewijk, Heynsz bij den arm nemende en ter zijde trekkende, als vree-zende, dat ik iets van het antwoord verstaan zoude.

„Direct!quot; zeide Heynsz; en tegelijk de deur openende, ging hij het portaal in, waar Lodewijk hem volgde als een hond, die slagen heeft bekomen. Heynsz fluisterde hem iets in het oor; en na een kort en driftig gesprek, keerde de onstuimige jongeling terug en zeide, met een heesche stem en zonder mij aan te zien;

„Wij zullen de zaken maar blauw blauw laten, Mijnheer Huyck! Ik ben wat driftig geweest, en Sinjeur Heynsz heeft mij alles opgehelderd.quot;

„Ik verlang niets liever,quot; antwoordde ik, met een stijve buiging. Lodewijk moffelde even aan zijn hoed, 'tgeen voor een groet moest doorgaan, en vertrok.

„Door welke tooverspreuk hebt gij hem zoo mak gemaakt?quot; vroeg ik aan Heynsz, zoodra deze terugkeerde.

„Ziedaar wat ik zou vertellen aan UEd., maar aan geen ander,quot; zeide deze; „die Sinjeur Blaek heeft onlangs met eenige Compagnons, mauvais garnemens comme

') AUlaar ivercl Toorheen het vonnis dor ter dood veroordeelden gelezen.

Noot van den Uitgever.

ocr page 253

227

lui, den boel opgeschept in een nachthuis en den waard gegeven een coup d'épée, waar de man van heeft moeten houden een maand lang het bed. Die zaak is geapaiseerd omdat het waren jongelieden van den fatsoenlijksten stand, en dat een van hen is geweest royaal genoeg om te geven een goede som gelds. Maar deze Sinjeur Blaek, die eigenlijk was het meest coupabel, heeft niets van zich doen hooren, en dacht, dat niemand hem had verklapt. Nu heb ik hem gegeven te kennen, dat ik die affaire wist, haarklein.quot;

„En schroomt gij niet,quot; vroeg ik, „dat hij daardoor uw betrekkingen tot de Justitie zal leeren kennen?quot;

„Geen nood: hij zal niet, al soupqonneerde hij iets, daarvan spreken durven. Ik heb hem gezegd, dat, zoo hij u molesteerde, het muisje zou hebben een staartje.quot;

„Ik ben u dankbaar voor de genomene moeite; maar toch ongaarne zoude ik zien, dat hij mij voor een lafbek hield.quot;

„Hoor Mijnheer Huyck! doe wat gij wilt op een andere plaats: dat kan ik niet verhinderen; maar te mijnen huize zal, zoo ik helpen kan, uws vaders zoon niet betrokken worden in eenige qu er el les. Voelt UEd. ? Wat behoeft dat tumult?quot;

„Het was niet uit vrees voor dien Heer Blaek, maar om den wille van de Juffer, dat ik gerucht vermijden wilde.quot;

„Bah!quot; zeide Heynsz, terwijl hij lachende den vinger om-hooghief: ik heb te veel experientie om mij te laten foppen. UEd. zal mij geen loer draaien, zooals UEd. gedaan heeft den Heer Blaek. Ik weet ook wel, dat UEd. op een beteren voet staat met die mamsel dan UEd. wel weten wil.quot;

..Wat!quot; zeide ik. onthutst: „gij weet....quot;

„Dat UEd. met haar van Naarden gearriveerd zijt! Of ik het weet.... maar wees niet bang: ik weet wat ik moet zeggen of zwijgen. Ik zal het niet oververtellen aan Papa.quot;

Men kan zich licht voorstellen, welk een onaangenaam gevoel ik ondervond, op de gedachte, dat ik van de bescheidenheid diens mans afhing. Maar tevens begon ik vrees te voeden, of Heynsz ook van mijne bekendheid met Amelia's vader bewust ware.

ocr page 254

228

„Nu ja!quot; zeide ik op een onverschilligen toon: „ik heb niet haar in de Naarder schuit gezeten. Wat zou dat?quot;

„Juste! maar UEd. heeft niet gepasseerd den nacht te Naarden: evenmin als zij.quot;

Ik hield mijn oogen strak op hem gevestigd; maar ik kon niet doorgronden of hij mij wilde toonen, dat hij het geheim wist, dan wel of hij het integendeel zocht uit te vorschen. Ik begreep in allen gevalle zeer voorzichtig en op mijn hoede te moeten zijn, en zeide, zoo bedaard als in mijn vermogen was:

„Gij, die alles weet, gij weet toch niets, dat ten nadeele van die Juffer kan strekken?quot;

„In het minste niet,quot; antwoordde hij: „ware het anders, ik zou haar niet logeeren in mijn huis. Ho! ho! Men bedriegt niet Heynsz; ik badineerde maar: doch franc he ment, indien het een ander ware geweest als UEd., die met haar had gemaakt de reis, ik zou toch nemen de moeite, van mij te informeeren, hoe gij beiden u zoo a l'improviste be-vondt te Naarden, zonder dat iemand weet, hoe en vanwaar gij daar zijt gearriveerd.quot;

Ik herleefde; want nu bleek mij, dat hij niets bepaalds wist. „Welnu!quot; zeide ik, „daar wij geen van beiden verdachte personen zijn, noch Mejuffrouw Van Beveren, noch ik, zoo raad ik u maar, u daarover niet verder te bekommeren. Er zijn zaken van meer belang, die uw onderzoek kunnen bezig houden.quot;

Met deze woorden rees ik op, nam mijn afscheid en verliet het huis, niet weinig ontevreden over het noodlot, dat mij scheen te vervolgen en tegen wil en dank van het eene avontuur in het andere te halen en een rol te doen spelen in allerlei zaken, waarmede ik niet verlangde iets te doen te hebben.

ocr page 255

229

VIJFTIENDE HOOFDSTUK,

VERMELDENDE. HOE FERDINAND EN SUZANNA UIT LOUEEREN GINGEN EN WAT EK OP HEIZICHT GEBEURDE.

Indien mijn waarde lezers het bovenstaande nauwkeurig hebben gelezen en onthouden, zullen zij zonder veel moeite kunnen uitrekenen, dat de dag, volgende op dien, waarop mijn ontmoeting ten huize van Heynsz plaats had, een Zaterdag was, en wel die, waarop Tante Van Bempden mijn zuster en mij zou komen afhalen om ons naar haar buitengoed te begeven. Niet veel later dan negen uren hield haar koets voor onze deur stil, terwijl Suzanna en ik reeds een geruime poos in de zijkamer hadden staan draaien, onze zakuurwerken met de staande klok vergeleken, over den juisten tijd gekibbeld, en het oneens waren geweest of de Muntklok voor-of achteruitgezet was, en voor de tiende maal aan onze moeder haar tienmaal herhaalde vraag, of wij niets hadden vergeten van hetgeen wij buiten noodig hadden, beantwoord, en gegaapt en opgestaan en weer gaan zitten en alle dergelijke belangrijke handelingen meer bedreven, die men niet doet dan alleen wanneer men wacht en zich verveelt. Na afscheid genomen te hebben van mijn moeder, die ons tot op de stoep vergezelde, hielp ik Suzanna in het rijtuig, van waar mijn Tante haar reeds het welkom toeriep. Ik hoorde mijn zuster een kreet van verbazing uiten, stapte na haar het portier binnen, en vond mij nez-a-nez met.... Mejuffrouw Hen-riëtte Blaek.

Intusschen gaven Govert en Aagt de kleine pakjes aan, die wij mede moesten nemen: er was vrij wat drukte en bereddering; en ieder sprak te gelijk.

„Wel, Jetje-lief! hoe vaar je? wel Tante! wat is dat een lieve verrassing,quot; zeide Suzanna.

ocr page 256

230

„Hoe! gaat Juffrouw Blaek ook mede?quot; riep mijn moeder, van de stoep af, terwijl zij minzaam goeden dag knikte: „wel Zuster! dat is een recht aangenaam gezelschap, dat gij aan Wantje bezorgt.quot;

„Metwaar, Zuster!quot; riep Tante weerom: „ja! ik wist wel, dat Santje niet aarden kan zonder een kornuitje: en ik denk altijd: hoe meer zielen, hoe meer vreugd.quot;

„Goeden dag. Mevrouw Huyck!quot; riep Henrietta: „is het niet een recht lieve attentie van Mevrouw Van Bempden, dat zij mij wel mee wil hebben?quot;

„'tls klaar Joris!quot; zeide de knecht, het portier sluitende.

„Vaartwel! Adieu!quot; klonk het over en weer: en het langzaam voortrollen der koets maakte een einde aan de afscheidsgroeten.

Nauwelijks waren wij onderweg, of er ontstond eene oogen-blikkelijke stilte: en de verschillende contenances, die wij hielden, zouden zeker niet onbelangrijk geweest zijn in de oogen van een derde, die met onze innerlijke gevoelens ware bekend geweest. Wij zagen elkander beurtelings aan: ïante Van Bempden met een blik van zegepraal over het wei-gelukken van haar verrassingsplan: öuzanna met een paar oogen, waarin ik, bij de vreugde over de ontmoeting van haar vriendin, tevens een schalksche nieuwsgierigheid las, om te zien hoe wij ons zouden houden: Henriëtte, die mij eerst vrij stijfjes gegroet had, met een eenigszins verlegen blik. Wat mij betreft, ik was zoo uit het veld geslagen, dat ik niet wist waarheen te kijken en de zotste figuur mogelijk maakte.

„Komaan!quot; zeide Tante: „Jetje-lief! nu moet ik u mijn neef Ferdinand voorstellen. Ferdinand! Mejuffrouw Blaek.quot;

„Ik heb reeds de eer van Mijnheer te kennen,quot; zeide Henriëtte, met een zoo korte hoofdbuiging en op een zoo drogen toon, dat ik geheel en al van mijn stuk geraakte en kleurde tot achter de ooren toe.

„Hoe! kent gij mijn neef al?quot; vroeg Tante, met verbazing: „en hoe is dat mogelijk? hij komt pas uit verre landen terug.quot;

ocr page 257

281

Ziende, dat Henriëtte op haar beurt een kleur kreeg en dat Suzanna op haar zakdoek beet om niet te lachen, vatte ik eenigszins moed: „Mejuffrouw,quot; zeide ik, „is de eerste stadgenoot geweest, die ik op den vaderlandschen grond ontmoet heb: en UEd. zal bekennen, dat ik het niet gelukkiger treffen kon.quot;

„Hoe varen Letje? en Keetje?quot; vroeg Henriëtte, zich naar Suzanna wendende, als wilde zij mij de gelegenheid afsnijden om verder over onze ontmoeting op Guldenhof uit te weiden.

„Wel! zeer wel.!quot; zeide Suzanna, ons beurtelings met een verwonderden blik aanziende: „zij zijn recht in haar schik met het moois, dat Ferdinand haar gebracht heeft,quot; (men ziet, dat zij mij met geweld in het discours wilde sleepen:) „wat mij betreft ik ben maar half tevreden over hem. Ik had gehoopt, dat zijn tochten hem wat zouden verbeterd hebben; maar och! hij is te huis gekomen zooals hij gegaan is, behalve dat hij deze reis geen pruik ophad.quot;

„Welnu! wat wildot gij dan?quot; vroeg Tante, met haar gewone levendigheid, en het gezegde van Suzanna voor goede munt opnemende: „hadt gij liever gewild, dat hij terug ware gekomen als een vervreemde knaap, die zijn eigen taal verleerd was en met medelijden of verachting op zijn landgenooten en familie neerzag? Wij hebben, sedert de revocatie van het Edict, al genoeg Fransche poedeljassen in het land gekregen: en het is wel zaak, dat wij ten minste de vaderlandsche gewoonten blijven voorstaan.quot;

„Recht zoo Tante!quot; zeide Suzanna: „hoe is u de laatste preek van Talard bevallen ?quot;

„Santje! Santje!quot; zeide Tante, den vinger dreigend opheffende : „is dat geoorloofd, aldus met uw tante te gekscheren, omdat ik nu van den preektrant van Talard houde, waar onze predikanten wel een voorbeeld aan mochten nemen. Ik geloof, dat ik mijn vaderland daarom even liefheb, al ga ik nu en dan eens naar de Walekerk. waar zulk een onstichtelijk gedrang niet is als in onze kerken.quot;

„Neen; maar integendeel een zeer stichtelijk gesprek bij

ocr page 258

het uitgaan, over alles behalve de preek. Laatst vroeg mij een diaken, dien ik niet noemen zal, juist op het oogenblik, dat ik bij 't uitgaan mijn gift in 't zakje deed, of ik veel engagementen had voor het bal van Mevrouw Stoppelaar.quot;

„Zoo, ja!quot; hernam Tante: „maar daar mij zulke vragen niet gedaan worden, heb ik geen stof tot ergernis en blijf ik evengoed Hollandschgezind al hoor ik nu en dan een Fransche predikatie.quot;

„Zijn dat de fontanges, die UEd. uit Parijs hebt laten komen Tante?quot; vroeg mijn onverbeterlijke zuster, die evenals een echte visscher, nooit kon nalaten de angelroede uit te werpen, waar zij er gelegenheid toe zag.

„Dat is hetzelfde, onbeschaamde meid!quot; zeide Tante, glimlachende; „ik laat mijn fontanges uit Parijs komen, omdat zij hier niet goed gemaakt worden, en ik zou er u haast naar toe sturen, om school te gaan en wat eerbiediger te leeren worden jegens menschen van meer jaren.quot;

,/t Is den moriaan geschuurd,quot; zeide ik: „of UEd. haar al de les leest.quot;

„Zoo! komt gij ook uit den hoek?quot; zeide Suzanna: „neen! dan is het geen gelijke partij meer; want of ik Jetje al te hulp roep, die weet ik te voren, dat mij altijd afvalt.quot;

„Die overtuiging bewijst niet veel voor de deugdzaamheid van uwe zaak,quot; zeide Henriëtte.

„Zeer nederig aangemerkt,quot; zeide Suzanna.

„En ontegenzeggelijk waar,quot; voegde ik er bij; „want Mejuffrouw Blaek kan zeker nooit een zaak voorstaan dan die billijk en rechtvaardig is.quot;

„'t Is jammer Jetje! dat wij in een rijtuig zitten,quot; zeide Suzanna; „anders zoudt gij zeker opstaan en nijgen, om voor zulk een fraai compliment te bedanken.quot;

„O! ik weet bij ondervinding, dat Mijnheer zeer mooie complimenten kan maken,quot; antwoordde Henriëtte, den toon van terughouding hernemende, die mij zoozeer griefde.

„Waarlijk!quot; zeide Suzanna; „nu dan hebt gij, niettegenstaande uw korte kennismaking, al meer goede hoedanigheden

ocr page 259

233

in mijn broeder ontdekt dan ik: want ik had er hem nog niet op betrapt; maar dat geeft hoop op de toekomst.quot;

„Maar vertel mij toch,quot; zeide Tante, die half naar dit laatste gedeelte van het onderhoud geluisterd had en half gesnuffeld in een paar nieuwe Engelsche boeken, die zij mede naar bulten nam; „waar en hoe hebt gij elkander meer gezien? en laat dat gehakketeer toch eens varen.quot;

Ik voldeed met weinige woorden aan haar verzoek; maar, in weerwil van Tantes vermaning en hoe kort mijn verhaal ook ware, het haalde mij ettelijke zetten en spotternijen van Suzanna op den hals, die nu eens beweerde, dat ik een mannetje van zout ware en voor een klein regenbuitje vreesde; dan weder, dat ik den regen slechts als een voorwendsel had aangegrepen, om te zien, welke Juffer in den koepel zat; dan, dat ik al zeer vrijpostige manieren had opgedaan om mij zoo in te dringen op een plaats, waar ik niets te maken had, enz. Wat Henriëtte betrof, deze scheen te lijden onder dit gesprek en antwoordde slechts met ja en neen op de vragen, welke te dier gelegenheid tot haar gericht werden, zoodat Tante haar houding begon op te merken en haar vroeg of haar iets deerde, of het haar ook tochtte, of zij ook van plaats wilde ruilen enz. Suzanna, die wel bemerkte, dat het hem daar niet zat, doch de reden van Henriëttes handelingen volstrekt niet verklaren kon, werd vanzelf stil en zag mij zijdelings met eenigo ongerustheid aan. Ik was zelf ook lang niet op mijn gemak; maar, al mijn vermogens inspannende, trachtte ik het zooverre te brengen, dat ik een andere wending aan het onderhoud gaf en begon het een en ander over mijn reizen te vertellen. Suzanna, die mijn oogmerk raadde, hielp mij dezen keer trouw voort. Tante begon belang te stellen in hetgeen ik mededeelde: haar verbeelding raakte met haar tong aan het wedrennen: en Henriëtte zelve, schoon altijd min of meer schoorvoetende, mengde zich nu en dan in het gesprek, glimlachte zelfs bij wijlen, doch verviel, telkens wanneer ik haar bepaaldelijk toesprak, weder in haar afgepaste, koel beleefde houding. Zoo duurde het, totdat wij

ocr page 260

234

aankwamen te 's Gravenland en het hek van Heizicht binnenreden.

„Komt kinderen!quot; zeide Tante, zoodra het rijtuig had stilgehouden voor de prachtige stoep, waarvan elke trede met kostelijke bloemgewassen prijkte: „nu moet gij u zien te vermaken tot den etenstijd: want ik zie daar al dezen en genen, met wien ik het een en ander te behandelen heb: en ik vrees, dat mij de tijd zal ontbreken, om voor den eten met u op den dril te gaan.quot;

Wij zagen, dat zij gelijk had; want het voorhuis stond vol lieden, die, met den hoed in de hand en onder beleefde buigingen, de eigenares van Heizicht opwachtten. Daar was de timmerman van het dorp, met wien zij in onderhandeling moest treden over den aanbouw van eenige nieuwe hokken voor de pauwen en fazanten: de metselaar, die een steenen wal voor den nieuwen achthoekigen vijver maken zou: de schilder, die een nieuwe verf zou geven aan het zomerhuisje, zonder nog te gewagen van eenige leveranciers uit Utrecht en Weesp, die zij besteld had en te woord moest staan. Zij trad dan ook terstond in een zijvertrek, zonder zich den tijd te gunnen van zich van hoed en mantel te ontdoen, en wenkte een der aanwezige personen toe, haar te volgen. Wat de jonge dames en mij betrof, wij begaven ons naar de kamers, welke wij betrekken moesten, en waar de dienstboden ons goed brachten, en maakten ons toilet in behoorlijke orde. Ik althans besteedde daaraan meer tijd en zorg dan ooit te voren mijn geval was geweest: 't zij, dat ik verlangde wat knap voor de oogen van Mejuffrouw Blaek te verschijnen en een beter figuur te maken, dan toen ik in mijn nat en versleten gewaad op Guldenhof voor haar opdaagde, 't zij, dat de onaangename gewaarwording, die haar koelheid bij mij verwekt had, mij belette den noodigen spoed te maken. Zooveel is zeker, dat, toen ik geheel gekleed en in orde voor den dag kwam en het huis uittrad om de balsemende buitenlucht te genieten, ik mijn zuster reeds kant en klaar vond en druk bezig om een ruiker te maken.

ocr page 261

235

„Te deksel!quot; zeide Suzanna: „dat toilet heeft lang geduurd. Gij ziet er uit, of gij uit een doosje kwaamt. En dat alles ter eere van Jetje Blaak? Dan vrees ik, dat gij ver-geefsche moeite doet; want.... maar zeg mij toch, Ferdinand! zonder gekscheren, is er iets tusschen u beiden voorgevallen? want zij wilde u nauwelijks te woord staan, en keek bij wijlen zoo zuur, gelijk ik haar nog nooit heb zien doen.quot; Dit zeggende hadden de oogen mijner zuster, anders zoo spotachtig en vroolijk, een uitdrukking van belangstelling, die mij wel bewees, hoe lief zij mij innerlijk had, en hoe het haar hinderen zoude, indien ik door haar vriendin niet naar verdiensten behandeld werd.

„Hoor eens, Santje!quot; antwoordde ik: „ik kan u thans niet alles zeggen; maar zoo gij mij verplichten wilt, doe dan uw best en maak, dat ik, al ware het maar een paar minuten, haar alleen spreke: en ik twijfel niet, of alles zal wel in 't effen komen. Ikzelf gevoel insgelijks behoefte om op een goeden voet met haar te blijven.quot;

„Maar Ferdinand!quot; zeide zij, groote oogen opzettende: „nu! gij zult mij dat wel nader ophelderen .... mij dunkt, dat gij in dat uurtje, op Guldenhof doorgebracht, uw tijd niet verloren hebt.quot; — En zij keek weer even schalksch als gewoonlijk.

Op hetzelfde oogenblik werd ons gesprek afgebroken dooide verschijning van Henriëtte aan de voordeur, waar zij staan bleef, als in beraad of zij zou naderen of terugkeeren; maar mijn zuster riep haar toe, of zij niet mede eens rond zou wandelen: en met langzame schreden kwam zij de stoep af.

„Kom! zeide Suzanna, haar onder den arm nemende: „wij zullen ruim den tijd hebben, de plaats rond te gaan, eer Tante heeft afgedaan. Laat ons dit laantje inslaan: ik^ heb u heel veel te vertellen, en Ferdinand mag meeloopen, mits hij niet luistere.quot;

Wij draaiden een zijlaan in. en de twee jonge dames begonnen met elkander te fluisteren, terwijl ik er naast liep, al bij mijzelf peinzende, wanneer de gelegenheid, waar ik naar verlangde, zich zou opdoen. Eensklaps stond Suzanna stil:

ocr page 262

„Wat ben ik toch een loszinnige meid,quot; zeide zij: „daar heb ik mijn zakdoek op het toilet laten liggen: wacht! ik ben dadelijk terug.quot; En zonder meer keerde zij zich om, en liep, vlug als een hinde, weder huiswaarts, ons toeroepende, dat wij maar langzaam zouden opwandelen, dat zij ons wel zoude inhalen.

„Maar Santje!.... wil ik niet met u gaan?quot; riep Henriëtte haar achterna, en was reeds van zins haar te volgen.

„Blijf maar! Ferdinand zal u niet opeten,quot; zeide Suzanna van verre: en Henriëtte, ziende, dat er niets anders opzat, bleef stilstaan en trok met de punt van haar zonnescherm figuren in het zand.

Ik stond een poos als versteend: en nu de list van mijn goede zuster mij de gelegenheid verschafte, naar welke ik een oogenblik te voren reikhalzend uitzag, was het mij, alsof ik nooit in staat zoude zijn, daar een goed gebruik van te maken. Ik was als met botheid en stomheid geslagen en ik voelde, dat ik beefde. Eindelijk zamelde ik al mijn moed bijeen en met een flauwe stem stamelde ik de navolgende woorden uit:

„Mejuffrouw! ik weet niet of ik mij bedrieg; maar ik geloof. dat ik onwillekeurig uw ontevredenheid hebt opgewekt.quot;

Zij zag mij eenigszins verrast aan; doch haar vorige houding weder hernemende, antwoordde zij op een onverschilligen toon:

„Ik weet niet. Mijnheer! welk recht ik zou hebben om ontevreden op u te zijn.quot;

Het ijs was gebroken en ik moest voortgaan, wilde ik niet als een botmuil worden aangemerkt: „Ik geloof,quot; zeide ik, „dat Mejuffrouw Blaek verheven is boven hetgeen men grilligheid noemt.... Heb ik mij slechts ingebeeld, dat UEd. heden, nu ik bij u bekend ben, in het gezelschap van mijn betrekkingen, mij .... kortom .... mij minder vriendelijk behandelt, dan toen ik mij op Guldenhof bevond ?quot;

„UEd. kan het oogmerk niet hebben om mij te beleedigen ?quot; zeide zij, mij ernstig aanziende.

ocr page 263

237

„God weet, dat dit de laatste mijner gedachten zoude zijn; en ik verwerp alle dergelijke uitleggingen mijner woorden. Maar ik bedrieg mij niet: er is iets voorgevallen.... men heeft mij bij u in een kwaad daglicht doen voorkomen.quot;

„Mijnheer!.... ik weet niet.... maar het schijnt of ik een verhoor moet ondergaan,quot; zeide zij, kennelijk ontevreden.

Ik begon te begrijpen, dat zij toch niet voor de reden van de verandering in haar gedrag te mij waart zou uitkomen, en besloot er dus zelf op te zinspelen, terwijl ik, nu eens aan den gang zijnde en mijne eer op het spel ziende, met meerderen moed en warmte aldus voortvoer:

„Hoe kunt gij mij dus kwellen en een ongunstige wending geven aan al wat ik zeg? Laatstleden Woensdag op Guldenhof hadden wij op zulk een aangename wijze kennis gemaakt en waren op zulk een gullen, vroolijken voet van gemeenzaamheid gekomen, die mij zooveel zoets en genoeglijks voor de toekomst beloofde: en thans wilt gij mij nauwelijks met een antwoord verwaardigen .... Wat zeg ik ? reeds toen UEd. mij eergisteren te Muiden voorbijreed, was uw groet zoo kort. . . .quot;

„Mijnheer!quot; riep zij verrast uit, terwijl ik in haar oogen haar verontwaardiging las en haar verbazing, dat ik van die ontmoeting gewag durfde maken.

„Of is het wellicht die ontmoeting zelve.quot; vervolgde ik. „welke bij u tot verkeerde oordeelvellingen omtrent mij heeft aanleiding gegeven? —• UEd. zwijgt!quot;

„Inderdaad ik weet niet, wat ik antwoorden zal,quot; zeide zij, na eenige aarzeling: „ik ben uwe zedenmeesteresse niet, en het is mij natuurlijk onverschillig met wie UEd. omgaat. . ..quot;

Het hooge woord was er uit, en ik zegende mijn besluit om een verklaring uit te lokken.

„Veroorloof mij. de overtuiging te behouden,quot; zeide ik. „dat die ontmoeting alleen u niet tegen mij zoude hebben ingenomen, en dat uw Hoer quot;Neef, wien ik te Naarden ontmoette, en die zelf wellicht te mijncii opzichte door den schijn mis-

ocr page 264

238

leid werd, UEd. gedachten heeft ingeboezemd, die het mijn plicht is. u te ontnemen.quot;

Henriëtte werd bleek en een traan glinsterde in haar oog: ik zag, dat ik juist geraden had.

„Ik ben eerst een paar dagen bij de mijnen terug,quot; vervolgde ik, „en er ligt mij veel aan gelegen, dat mijn goede naam ongekrenkt blijve. Vooral stel ik er prijs op, dat UEd. mij niet verkeerd beoordeele. Zoude UEd. weigeren, aan mijn woorden geloof te slaan, wanneer ik u als man van eer verklaar, dat ik de Juffer, met wie ik mij toen bevond, geheel bij toeval heb ontmoet, dat zij mij niets is, en dat ertusschen haar en mij geene andere betrekking bestaan heeft, dan die de gestrengste zedelijkheid zoude kunnen veroorlooven ? Ware dit anders, zou ik dan schaamteloos genoeg zijn geweest om dit gesprek te beginnen ? Had ik niet veeleer gezwegen en gebloosd ?quot;

„Mijnheer!quot; hernam zij, na eenige oogenblikken zwijgens: „er rustte hoegenaamd geen verplichting op u, mij rekenschap van uwe daden te geven. Het is waar, men heeft mij verteld.... ik heb gedacht.... om 't even wat. Ik beken, ik heb u niet beleefd behandeld . . .., en dat was verkeerd van mij, ik verzoek verschooning daarvoor.quot;

„In 'shemelsnaam!quot; riep ik verheugd uit: „spreek toch niet van verschooning vragen, de schijn was tegen mij .... en ik ben het, die u vergiffenis moet afsmeeken voor de onbescheidenheid, waaraan ik mij heb schuldig gemaakt.quot;

„Welaan!quot; zeide zij, met een bekoorlijken glimlach, „dan zullen wij ons maar over en weer quitte rekenen en over dat lastige geval niet meer denken.quot;

„Gij geeft mij het leven weder,quot; riep ik: en tevens de lieve hand aanvattende, waarmede zij zich steelsgewijze de oogen had afgedroogd, drukte ik er een eerbiedigen kus op.

„Ei zoo!quot; riep Suzanna, die huppelende en in de handen klappende kwam aangeloopen: „uit welk land hebt gij die manieren medegebracht ?quot;

„Wel Santje!quot; zeide Henriëtte, rood wordende: „ik dacht, dat gij nooit terug zoudt komen.quot;

ocr page 265

23'.»

„Hoort gij. Broertje!quot; zeide Suzanna; „gij schijnt het talent nog niet te bezitten om iemand den tijd kort te doen vallen.quot;

„Wie zegt, dat Mejuffrouw mij vergunnen wil, zulks te beproeven,quot; zeide ik lachende.

Suzanna keek mij zijdelings aan en trok uit de opgeruimdheid van mijn gelaat de juiste gevolgtrekking, dat ik naar wensch geslaagd was: terwijl zij hiervan nog nader de zekerheid bekwam, toen zij op onze verdere wandeling bespeurde, dat Henriëtte een zeer rainzamen toon jegens mij aannam, als wilde zij haar koelheid van dien morgen weder goedmaken. Wat mij betrof, ik was door dezen aangenamen omkeer zoo verrast en gevoelde mij zoo innerlijk gelukkig, dat ik er stil van werd en mij zelfs kwalijk verdedigde tegen de plagerijen van Suzanna, die mij beschuldigde een druiloor te zijn, en een zeer slecht gezelschap voor jonge dames. Ik begon op het laatst zelf te gelooven. dat zij gelijk had, en dat ik een mal figuur maakte. Ik bedroog mij echter; en met een weinig meer ondervinding in liefdezaken zoude ik geweten hebben, dat een welopgevoed en weldenkend jong meisje zich meer gestreeld gevoelt, wanneer iemand, die haar zijn hof maakt, zich in haar tegenwoordigheid bedeesd en ingetogen betoont, dan wanneer hij zijne gewone luchthartige vroolijkheid bewaart. In het laatste geval toch kan zij wanen, dat hij slechts aan zichzelven denkt: in het eerste, dat haar tegenwoordigheid hem in ontzag houdt: en het kan niet missen, of deze gedachte moet streelend zijn voor haar eigenliefde.

Doch er was nog een reden, welke mij stil maakte en, zelfs in het bijzijn van de bevallige Henriëtte, stof gaf tot overdenkingen, die haar niet betroffen. Al pratende en wandelende waren wij tot aan het achterste gedeelte der hofstede geraakt. Wij volgden een smal en net opgeharkt laantje, dat rondliep om een vrij aanzienlijk stuk weiland, waarvan het door een doornenhaag was afgescheiden, terwijl aan de andere zijde een elzenschering en greppel de uiterste grenzen aftee-kenden, die het buitengoed scheidden van de onbebouwde heide. Tusschen de niet overal even dichte takken dier elzen

ocr page 266

240

kreeg men nu en dan den toren van Naarden en de omgelegen bosschen in 't oog: en het gezicht van het een en ander bracht, gelijk zich begrijpen laat. herinneringen bij mij teweeg, nog te versch en te krachtig, om die zoo opeens te kunnen verbannen. Aan het einde van dit laantje bevond zich een bergje (gelijk men een kleine onevenheid van den grond noemde, door het aanbrengen van plaggen opgehoogd) en daarop een groote groen geschilderde zitbank, die in den vorm eener halve maan rondliep, en gelegenheid gaf, om onder het lommer van een fraaien treur-esch uit te rusten en een niet onbevallig landgezicht te beschouwen. Immers, wanneer men naar de buitenzijde zag, weidde het oog over de uitgestrekte heide, met paarse bloemen overdekt en waarboven die dunne wasem golfde, die zich altijd bij heeten zonneschijn vertoont. Kortbij was een gedeelte van den barren grond afgezand en terwijl het bovenste gedeelte van den daardoor ontstanen heuvel, op het tijdstip, toen wij daar ter plaatse kwamen, met eene kudde lammeren bedekt was, die aan liet landschap eenige levendigheid bijzette, stuitten de heete zonnestralen op den benedenkant cn deden het witte zand schitteren met een verblindenden glans. Wanneer men de vermoeide oogen van daar afwendde, kon men die binnenwaarts laten uitrusten op het hooge dennenbosch, dat aan den voet van het bergje begon en waar onderscheidene paden en watertjes op een schilderachtige wijze doorheen kronkelden, — of op de nog donkerder beuken, die, verder, hun zware en weelderige takken spreidden over een vrij breed water, hetwelk aan de eene zijde van het weiland liep. Heerlijk was de terugspiegeling van liet loof in het heldere nat, waarvan de kalme oppervlakte niet verbroken werd dan dooide kringen, welke nu en dan daarin gevormd werden door den koning onzer binnenwateren, den vratigen snoek, of door eenige schoone lakenveldsche koeien, die met een statigen tred liet weiland verlieten om koelte en schaduw in den fris-schen plas te zoeken; maar, eens daarin gekomen, zoo stil en onbeweeglijk bleven, alsof zij een bekwamen schilder ston-

ocr page 267

241

den af te wachten, die hen met zijn kunstpenseel op het doek zoude vereeuwigen. Maar wat geen penseel zoude hebben kunnen teruggeven, was de verrassende uitwerking der zonnestralen, die, hier en daar zich een weg banende tusschen de breede takken door de oppervlakte des waters heen op den zandigen bodem afstuitende, al de kleuren van den regenboog in ontelbare mengelingen te voorschijn riepen.

Terwijl wij, op ons gemak neergezeten, ons in deze beschouwing verlustigden, en het verkwikkende genot van de vrije natuur, gepaard met de aangename gewaarwording van uit te rusten na eene vrij verhittende wandeling, ons alle drie in een stille en weldadige stemming gebracht had, hoorden wij opeens in de nabijheid roepen en praten en herkenden weldra de stem van Tante Van Bempden, die zich beurtelings uitzette om hop! hop! te roepen en dan weder een min schellen toon aansloeg en een onderhoud scheen voort te zetten met iemand, die haar vergezelde. Wij stonden op, ofschoon slechts langzaam; want ik geloof, dat geen van ons tevreden was van in zijn mijmeringen gestoord te worden: wij beantwoordden het hop! hop! met al de kracht onzer longen en begaven ons intusschen naar het dennenbosch, waaruit het geluid scheen voort te komen, en waar wij weldra Tante gewaarwerden, in gesprek met een kloeken landman, wien ik terstond herkende voor den man, dien ik in de Soester herberg ontmoet had en onder den naam van Baas Eoggeveld heb ten tooneele gevoerd.

„Zoo! eindelijk gevonden?quot; zeide Tante, terwijl zij ons naderde, „gij laat mij ook mooi loopeu. Kunt gij nog verder gaan?quot;

„Wel Tante-lief!quot; zeide Suzanna: „wie had ooit kunnen denken, dat UEd. ons zoudt komen opzoeken? Er stonden zooveel menschen om u heen, dat ik mij overtuigd hield, al bleven wij een uur weg, u nog bezig te vinden.quot;

„Neen! dat hebben wij spoediger afgehandeld,quot; zeide Tante: „en dan, de meeste dier besognes zijn gaandeweg geschied. Daar is Baas Roggeveld, die had ook al lang afgedaan gehad,

i. - F. H. 16

ocr page 268

242

indien hij zoo stijf niet op zijn stuk stond, om mij zijn koeien eens zoo duur aan te willen smeren als het vorige jaar.quot;

„Mevrouw dolt er altijd mee,quot; zeide Roggeveld, grinnikende en het hoofd schuddende: „eens zoo duur! nou kaik! in dat geval! twaalfhonderd gulden de tien! 't is twintig gulden meer per stuk dan in 't leste jaer, dat 's waer; maer in dat geval, wil ik ereis zeggen, het binnen er ook biestjes naer. Die van verleden zeumer vielen een beetje mager; maar deuze mostje ereis voelen, in dat geval! zoo modderig als klink klare butter: ik wed, je heit ze in je hiele land zoo niet staen, wil ik er ereis zeggen.quot;

„Neen! dat geloof ik ook,quot; zeide Suzanna: „dat kan Tante niet tegenspreken.quot;

„Hoe heb ik het met u. Santje!quot; zeide Tante: „wat weet gij van koeien af?quot;

„Ik weet alleen dat de man letterlijk gelijk heeft,quot; zeide Suzanna: „want in uw heele land staan geen koeien: zij staan alle in 't water.quot;

„Nou kaik! in clat geval, wil ik ereis zeggen,quot; zeide Baas Roggeveld, recht in zijn schik met deze aardigheid: „daar het de Juffer Tante toch ereis beet 'ehad.quot;

„Of jou. Baas Roggeveld,quot; zeide Tante, „maar dat is hetzelfde: ik betaal toch niet meer dan verleden jaar. Gij weet, ik ben een vaste klant van u: en 't vee is anders van 't jaar niet duur.quot;

„Dat is 't net niet,quot; antwoordde de landman; „ofschoon het er dan naer is ook: jae kaik, als je ander slag van biesten hebben wou, die kon je krijgen te kust en te keur: en veur weinig geld ook; maer, in dat geval, wil ik ereis zeggen, 't is maer omdat je op !t soort bent 'esteld, van niet as lakenveldsche te willen hebben: en dan had je reis motten zien, hoe weinig er van te krijgen zijn. 't Is niet, asquot; of je ze veur een vasten merktprijs kunt koopen: maar je mot ze zoo bij een occasie treffen: en wil je wel eleuven, dat ik er heel veur naer Alfen heb motten rijen, omdat ik hoorde dat er een boer weunde, die er een paer 'efokt had?

ocr page 269

243

Jao! vraeg het maer aan Meneer, die zal ook wel weten, dat het zoo gemakkelijk niet is, in dat geval.quot;

„Wat ik er van weet,quot; zeide ik, mij met mijn hoed in 't aangezicht waaiende, opdat hij mij niet herkennen zou, „is, dat gij ze voor f 80 't stuk gekocht hebt van Peer de Groot en er dus een aardig sommetje aan verdient.quot;

„Wel haegels kaik ereis!quot; zeide Roggeveld, groote oogen opzettende: „nou in dat geval wil ik ereis zeggen....quot;

Maar hij zeide niets; doch bleef mij verbaasd staan aangapen.

„Hoe kunt gij dat weten, Neef?quot; vroeg Tante, insgelijks niet weinig verwonderd.

„Ja Tante! ik ben zoo wat half een toovenaar,quot; zeide ik, lachende, „maar laat hij het maar ontkennen, als hij durft.quot; En, niet verlangende mij aan een herkenning bloot te stellen, welke tot het weder ophalen van vroegere tooneelen aanleiding geven kon, draaide ik mij om en haalde voor Henriëtte, die, waarschijnlijk weinig belang stellende in dit gesprek, een eind vooruitgeloopen was en begeerig opzag naar eenige hoogwassende kamperfoelie, den tak naar beneden, dien zij niet bereiken kon.

Wij waren langzamerhand een uithoek der plaats genaderd, waar een open hek op een buitenweg bracht. Deze plek was bijzonder wild, en met een menigte heestergewassen begroeid, maar wat er den meesten roem aan gaf, waren twee eike-boomen van ongemeene grootte, die aan weerskanten eener vervallene schaapskooi stonden. De eene, door storm of onweder van zijn kruin beroofd, scheen door zijn dikte te vergoeden, wat hij aan hoogte verloren had, en zijn zware armen waren met het dichtste loof bedekt; de andere droeg minder bladeren, en had een holte in den tronk; maar verhief zich nog altijd statig naar boven. Tante Van Bempden had, niet oneigenaardig, dezen met den naam van Philemon, en genen met dien van Baucis gedoopt.

Op deze plek hield Tante stil en voegden wij ons bij haar.

„Nu, zooals gezegd is. Baas Roggeveld!quot; zeide zij; „vijftien

ocr page 270

244:

gulden meer dan in 't voorleden jaar wil ik voor 't stuk wel geven; maar ook niet meer.quot;

„'t Is warentig wat te krap,quot; antwoordde hij: „maer in dat geval, wil ik ereis zeggen, as het zoo mot, dan mot het. Maer dat ik er op verdienen zou, zoo as die jonge Heer daer zeit. dat heit ook al niet over; maer 't is net krek of ik jou ken,quot; vervolgde hij, mij aanziende en zich den kop krabbende.

..Dat is mijn neef.quot; zeide Tante: „misschien hebt gij hem hier wel ontmoet voor een jaar of wat.quot;

„Dat kan wel 'ebeuren,quot; zeide Eoggeveld, terwijl hij nogmaals den blik op mij sloeg en de uitdrukking van zijn gelaat bewees, dat hij niet volkomen met^ deze verklaring tevreden was: „maer zeg ereis Mevrouw!quot; vervolgde hij, alsof hem eensklaps iets te binnen schoot: „mag ik wel zoo vrij zijn, in dat geval, om je ietwes te vragen?quot;

„Wat is er van uw dienst?quot; vroeg Tante.

„Ik zou wel ereis vragen, in dat geval, wil ik zeggen, of de Czaar van Rusland weer in het land is.quot;

„Wel neen!quot; was het antwoord: „hoe komt gij daar aan?quot;

„Nou kaik! Hoe kunnen zij de menschen dan zoo foppen?quot; en hij gaf een verhaal van :t voorgevallene te Soest, hetwelk ik achterlaat, daar het niemand vermaken zoude, dit tweemaal te hooren, doch waarin onze dames ongemeen veel behagen schepten.

„Men heeft u een kool gestoofd,quot; zeide Tante: „maar het schijnt met een goed oogmerk te zijn geschied.quot;

„Ja! dat mag wel zoo!quot; zeide hij; „in dat geval. Maer is het waer. dat zij het huisje, waar Czaar Peter te Zaandam in 'ewoond heit, niet meer verhuren, maar laten het leeg staan ?quot;

„Wel natuurlijk,quot; zeide Tante.

..Nou kaik! hoe kan een mensch zoo teugens zen aigen zeivers wezen?quot; riep hij in verbazing uit: „geen geld te trekken van een huisje! Neen! as het zoo most wezen met de weuning, die ik hier op 's Gravenland heb staen, die ik van mijne vrouws mortje geürven heb, Aveet je, of aigenlijk

ocr page 271

245

men vrouw dan, wil ik ereis zeggen, dan verkoft ik het gauw, in dat geval.quot;

„En gij zoudt gelijk hebben,quot; zeide Tante: „maar die men-schen te Zaandam hebben ook gelijk; daar zij meer verdienen met het huisje te laten zien dan er huur van te trekken.quot;

„Wel kaik! ze kosten het iene doen en het aêre niet laten,quot; zeide Roggeveld; „maer ik wou toch wel ereis weten, in dat geval, wat er aan zoo'n huisje meer te zien is as an en aêr.quot;

„Maar a propos!quot; zeide Tante: „wie is die Monsieur Weerglas, aan wien gij uw huisje verhuurd hebt?quot;

„Wattie doet, weet ik niet, maer hij heit splint en betaelt op zen tijd. 't Is nog een jong gezel en hij weet aerdig te praeten. Hij gaet wat deftig 'ekleed ook Zundags.quot;

„Een jong gezel, die deftig gekleed gaat en geen handwerk uitoefent!quot; zeide Tante, het hoofd schuddende: „ik hoop maar, dat daar niets achter schuilt.quot;

„Ja! in dat geval, wil ik ereis zeggen,quot; zeide Roggeveld eenigszins onthutst: „as er ietwes after school, had ie gauw bij mij af'edaan: maar dat's tot darentoe. Nou Mevrouw! zoo as 'ezeid is; morgenavond kom ik toch hier met de vrouw om de kermis te zien, in dat geval zal ik de koeien Maandagavond of Dinsdag-ochtend hier bezingen.quot;

„In dat geval zal ik ze hier verwachten,quot; zeide Tante: en de landman wandelde na herhaalde groete het hek uit, terwijl wij den terugtocht aannamen, daar de bengel reeds voor den eten luidde. Wij spoedden ons naar huis, waar wij weldra aan den disch een paar heerlijke tarbotten zagen roeken. Na het middagmaal nam Tante mij ter zijde, om mij te onderhouden over de nieuwe betrekking, welke ik in het huis Van Bempden, Van Baaien amp; Co. ging vervullen. Daar dit gesprek echter van een geheel mercantiëelen aard was, zal ik er hier geen gewag van maken, zoomin als van hetgeen verder dien avond voorviel, en waarvan ik mij alleen herinner, dat ik smoorlijk verliefd naar bed ging.

ocr page 272

24a

ZESTIENDE HOOFDSTUK.

WAARm VERHAALD WORDT, WIEN FERDINAND IN DE KERK ZAG: EN WELKE GASTEN OP HEIZICHT KWAMEN ETEN.

Het ontbijt vond ons den volgenden morgen allen kant en klaar om ons naar de kerk te begeven. Hetzij, dat de dorpsklok verzet was, hetzij dat de koetsier te laat met liet rijtuig-voor was gekomen, de Predikant was reeds op stoel, toen wij het Godshuis binnentraden. Geheel vervuld door de troostrijke gedachte, dat ik, na zoolang uitlandig te zijn geweest, mij weder voor het eerst in een quot;Vaderlandsche kerk bevond, hield ik mij alleen met den plechtigen eeredienst bezig, zonder, gelijk wellicht geschied zou zijn, indien ik vroegtijdig, bij het aangaan, of minder opgewekt ter kerke gekomen ware, mij met de aanwezigen te bemoeien. Toen echter de Predikant het eerste deel zijner rede ten einde had gebracht, en de gemeente van deze gelegenheid gebruik maakte om naar gewoonte te hoesten en zich te snuiten, liet ik even den blik over de vergadering weiden en werd ik in een der meer verwijderde mansbanken iemand gewaar, dien ik verre was te dezer plaats te verwachten, en dien ik tot mijn verbazing herkende voor het hoofd der drie struikroovers, die mij hadden aangerand: den zoo gevreesden Zwarten Piet, nog deftiger gekleed dan toen ik hem op den weg zag. Zijn oogen ontmoetten de mijne: waarschijnlijk had hij mij reeds vroeger opgemerkt: hij knikte mij. vriendelijk, doch bijna onmerkbaar, toe, lei den vinger op den mond, als wilde hij mij stilzwijgendheid aanbevelen, en zag toen weder aandachtig den leeraar aan.

Deze zonderlinge ontmoeting bracht, gelijk men denken kan, geen kleine ontroering bij mij te weeg, en ik raakte geheel uit de stemming, waarin ik mij bevond: zoodat ik in het eerst buiten staat was, eenige oplettendheid te schenken aan

ocr page 273

247

T

de woorden van den Predikant, die mij als ijdele klanken in de ooren gonsden, zonder dat mijn hart die gevoelde of mijn verstand die bevatte: ik kon niet nalaten het oog gedurig op den straatroover te werpen, die het zijne daarentegen onafgebroken op den Predikant bleef vestigen, als ware hij bevreesd geweest, dat hem een woord zou ontsnappen. In den beginne schreef ik zijn houding aan goddelooze huichelarij toe; maar weldra bleek mij, dat ik verkeerd oordeelde. Het zou dien avond, gelijk ik reeds met een woord heb doen verstaan, kermis zijn op 's-Gravenlancl; en, als men weet, zijn de Predikanten bij die gelegenheid gewoon, zoodanige stoffen te kiezen, als welke zij geschikt achten om er gepaste vermaningen en waarschuwingen uit te putten tegen alle soort van losbandigheid, dronkenschap en ontucht, waartoe dergelijke volksfeesten niet dan te vaak aanleiding geven. Zoodanige kermis-preeken, hoe nuttig en betamelijk ook, voor zooverre zij bestemd zijn om indruk te maken op de dorpelingen, ten wier behoeve zij worden opgesteld, boeien doorgaans minder de aandacht der meer aanzienlijken onder de toehoorders, die de kermis niet of slechts terloops bezoeken en zeker minder gevaar loopen van aldaar tot die zonden te vervallen, waartegen de stem des leeraars zoo ernstig waarschuwt: te meer, daar de Predikanten bij zoodanige gelegenheden nog wel eens gewoon zijn een oud paard van stal te halen.

Dit was echter thans het geval niet: de leeraar was eerst sedert kort beroepen, en men had dus de zekerheid van, zoo niet iets voortreffelijks, althans iets nieuws te hooren. Doch bovendien was ik reeds bij den aanhef aangenaam verrast geweest door den ernst en de sierlijkheid zijner voordracht, en door de verstandige wijze, waarop hij zijn onderwerp behandelde. Het leerstellige en uitlegkundige slechts even aan-f roerende, legde hij er zich voornamelijk op toe, om indruk

te verwekken en zijn toehoorders door treffende voorbeelden, door ontzettende schilderingen en door krachtige toespraken te schokken, overtuigd, dat zoo de leer, welke bij gewone gelegenheden wordt gepredikt, meer duurzaam werken moest.

ocr page 274

248

die, welke hij thans verkondigde, meer dadelijk uitwerkselen moest teweegbrengen.

Het was dan, toen in het tweede deel zijner rede de Predikant een treffend tafereel ophing van de vreeselijke gevolgen. welke, zoo in dit leven als hiernamaals, de zonde met zich sleept, dat ik de duidelijkste bewijzen zag, hoe de aandacht van den struikroover geen veinzerij was. Zijn oogen begonnen in tranen te zwemmen, zijn boezem hijgde, en hij scheen zoodanig door zijn aandoeningen overstelpt, dat hij eindelijk het gelaat op den voor hem liggenden bijbel voorover boog en het, hoorbaar snikkende, met beide handen bedekte. O! dacht ik bij mijzei ven, indien eens het goede zaad bij dezen man in vruchtbaren akker gevallen ware, en hij zich bekeeren mocht van den slechten weg, dien hij is ingeslagen! Welk een zegepraal zou dit voor den vromen leeraar zijn, en hoe zou hij juichen over het afgedoolde schaap, dat hij door Gods bijstand tot den eenigen Herder had teruggebracht! — en bij het nagebed zond ik ook het mijne op voor den armen boeteling. — Intusschen was ik niet weinig verwonderd, toen ik in het uitgaan opmerkte, dat onderscheidene notabelen van het dorp, waaronder de timmerman en de schilder, den man heuschelijk groetteden, en zelfs deze en gene hem een woord in 't voorbijgaan toesprak.

Te huis gekeerd, vereenigden wij ons in de zijkamer, om aldaar de gasten af te wachten, die Tante ten eten genoodigd had, bestaande, behalve uit de beide Heeren Blaek, uit mijn nieuwen compagnon, den Heer Van Baaien, en uit zekeren Kapitein Pulver, die voor de firma voer. Niet lang duurde het, of de koets van den Heer Van Baaien kwam het hek binnenrijden. Ik had dezen Heer vroeger meermalen ontmoet; maar hem nooit met die belangstelling gadegeslagen, welke hij thans bij mij moest opwekken, nu het bepaald was, dat ik met hem in een nauwe betrekking zou komen en dagelijk-schen omgang hebben. Ik was evenals de zoodanige, die, een verre zeereis zullende ondernemen, den persoon, die hem toevallig aan de haven voorbijgaat, slechts met een onverschilligen

ocr page 275

249

blik beschouwt, maar weldra hem met de grootste opmerkzaamheid gadeslaat, nu hij verneemt, dat de onbekende zijn reisgenoot zal wezen: en alsdan uit zijn houding, woorden en gebaren tracht op te maken, of hij in hem een aangenamen, dan wel een lastigen makker zal aantreffen.

Op dezelfde wijze keek ik den Heer Van Baaien aan, toen ik hem, met de dienstvaardigheid, welke ik hem uithoofde zijner meerdere jaren en onzer aanstaande betrekking verschuldigd was, uit het rijtuig hielp. Ik kan niet zeggen, dat de eerste indruk, dien hij op mij maakte, zeer gunstig voor hem uitviel. Wel wist ik uit oude herinnering, dat hij een man was van meer dan gewone lengte, mager en droog en van geen innemend voorkomen; maar het scheen mij toe, als ware hij nog in lengte toegenomen en in vleesch verminderd; zijn bleeke, dorre tronie had een nog onvriendelijker uitdrukking dan voorheen: ja, toen hij, uit de koets gestapt, voor mij stond, deed hij mij volkomen aan een gekleed cadaver denken. Hij beantwoordde ternauwernood mijn eerbiedigen welkomstgroet en buiging, keek mij aan, alsof hij zich bij geene mogelijkheid konde voorstellen, wie ik toch wezen mocht, wendde zich vervolgens tot den koetsier, en riep dezen toe:

„Reinier! gij zorgt dat gij precies te zeven uren weer voor zijt: precies te zeven uren: en gij ziet het rijtuig goed na; want ik vrees dat het heel wat te lijden heeft gehad: en gij brengt het bijdehandsche paard naar den smid en laat het opnieuw beslaan.quot;

Op de beide eerste bevelen had de koetsier eenvoudig: „jawel Mijnheer!quot; geantwoord; tegen het laatste vermeende hij evenwel te moeten opkomen.

„Mijnheer!quot; zeide hij: „het beest is gisteren pas beslagen.quot;

„Ik herhaal u. gij brengt het naar den smid,quot; zeide Van Baaien, ,,'t is of ik altijd bedienden aantref, clie mij tegenspreken : ik heb duidelijk gehoord, dat een van die ijzers los zit: en gij komt precies te zeven voor,quot; enz. Hier herhaalde hij zijne bevelen in dezelfde orde.

ocr page 276

250

„De man is punctueel,quot; dacht ik: „en het schijnt moeilijk hem tevreden te stellen: in allen gevalle zal het mijne schuld zijn, indien ik zijn begeerte niet begrijp.quot;

Intusschen was Kapitein Pulver, die door zijn patroon was medegenomen, de koets uitgesprongen ongeveer als een bom, die uit den ketel vliegt. Zoo de Heer Van Baaien een contrast had willen uitzoeken om met hem te reizen, had hij er geen beter kunnen aantreffen. Kapitein Pulver was een kort, dik, rond ventje, zoo zwaarlijvig, dat men zich op een afstand van hem plaatsen moest om zijn beenen te zien: en boven het ronde lichaam was een klein, rond hoofdje geplaatst, evenals een knop op een Delftschen trekpot.

Beide gasten begaven zich onder mijn geleide naar de zijkamer, waar Tante hen verwelkomde. De Heer Van Baaien maakte bij het inkomen een buiging in het rond; doch zonder iemand bepaaldelijk aan te zien of toe te spreken, en schijnbaar geheel andere zaken in 't hoofd hebbende. Vervolgens haalde hij zijn horloge uit, vergeleek het met het uurwerk, dat in het vertrek stond, en schudde wrevelig het hoofd.

„'tls fataal!quot; zeide hij: „ik had gedacht, zoo goed op mijn tijd gepast te hebben: en nu is het reeds kwartier over twaalven. Maar mijn horloge zal wel weer mis zijn. 'tls of mij dit altijd gebeuren moet.quot;

„Ik weet dat UEd. een man van de klok is,quot; zeide Tante. „Zoo uw horloge en onze klok verschillen, zal het wel aan de laatste haperen.quot;

„Of aan de wegen, die mij belet hebben, genoegzaam spoed te maken, 't Is of ik altijd . . ..quot;

„Hoe gaat het, Kapitein Pulver?quot; vroeg Tante, zonder verder naar de Jobsklachten van Van Baaien te luisteren, aan den goeden Schipper, die achter zijn patroon buigingen stond te maken en zich met een bonten zakdoek het zweet af te drogen, dat hem tappelings langs het voorhoofd liep.

„Ik hoop dat ik geen belet doe, (zooals het mes tegen den oester zei),quot; zeide Pulver, zijn buigingen herhalende: „maar UEd. had mij zoo vriendelijk laten noodigen, dat.. ..quot;

ocr page 277

251

„In 't geheel niet; gij zijt mij altijd welkom,quot; zeide Tante, en zich wederom tot Van Baaien wendende en mij aan hem voorstellende: „ziehier mijn neef Ferdinand,quot; vervolgde zij.

„Zoo!quot; zeide de Heer Van Baaien, mij met een doffen en verstrooiden blik aanziende: „het zal mij aangenaam zijn, kennis te maken. Mag ik vragen, of UEd. reeds iets aan de negotie gedaan heeft?quot;

„Wel Mijnheer Van Baaien! dat is een vraag!quot; zeide Tante: „Hoe zegt Rodrigue ook, Nichtje?quot;

„UEd. wilt Ferdinand toch niet grootsch maken,quot; zeide Suzanna: „door van hem te zeggen:

Ses pareils a deus fois ne se font pas connoitre Et ponr des coups d' essai veu 1 ent des coups de

ma it re.quot;

„Is UEd. dan vergeten, hoe wij de voordeelige schikking-onzer zaak met het huis Bertini te Livorno aan hem te danken hebben?quot; hernam Tante.

„'tls waar!quot; zeide Van Baaien, als uit een droom ontwakende. „Dat was een meesterstuk! Een zaak die mooi ingewikkeld was ook, en dat nog wel in een vreemd land. Gij hebt er u goed uit gered, Mijnheer Huyck! — Maar daar kwam eigenlijk meer rechtsgeleerdheid dan handelskennis hij te pas.quot;

„Ik twijfel niet,quot; zeide ik, wenschende zooveel mogelijk de goede gunst van den man te verwerven, „of, niettegenstaande mijn mercantiëele kennis gering is, mijn goede wil en de voorlichting van den Heer Van Baaien zullen mij wel in staat stellen om geen geheel onwaardig figuur aan zijn zijde te maken.quot;

„Wel gezegd!quot; zeide hij: „de practijk moet het hem doen: ofschoon, het is thans ook al de goede tijd niet meer: de zaken zijn slap en de verdiensten verminderen bij den dag: althans het is of het mij altijd moet tegenloopen. Wanneer ik eens een speculatie doe, die anderen tonnen gouds in den zak jaagt, moet ik mij met eenige percenten vergenoegen.quot;

ocr page 278

„Gij kooplieden zijt evenals de boeren,quot; zeide Tante: „altijd klagen, al gaat het nog zoo voor den wind. Zal de balans van dit jaar een zooveel minder voordeelig saldo opleveren dan die van het vorige?quot;

„Daar valt nog niets van te zeggen,quot; zeide Van Baaien: „maar,quot; vervolgde hij met een zucht: „het saldo zou eens zooveel moeten bedragen, wanneer wij den tegenwoordigen koers van het geld in aanmerking nemen, en nagaan, hoe anderen profiteeren. — En dan die fatale oorlog tusschen Rusland en Zweden!quot;

„Ik dacht in mijn onnoozelheid,quot; zeide Suzanna, „dat het best visschen was in troebel water.quot;

Wij waren intusschen gaan zitten; eenige ververschingen werden toegediend en aan Pulver werd een pijp aangeboden; ofschoon het anders de gewoonte niet was, dat er bij Tante aan huis gerookt werd. Maar zij was, en terecht, van oordeel, dat men aan gasten van een minderen rang nog meerdere oplettendheden moet bewijzen dan aan hen, die met ons gelijkstaan, en alles aanwenden, om hen op hun gemak te stellen: daar zij anders zich lichtelijk verbeelden, dat men hen uit de hoogte behandelt of hun niet geeft wat hun toekomt.

„De weg van Diemerbrug naar Weesp wordt bij uitstek slecht onderhouden,quot; zeide A'an Baaien: „of liever in 't geheel niet. Ik heb somwijlen gedacht, dat ik er niet levend af zoude komen: en ik ben overtuigd, dat mijn rijtuig er van gelust heeft.quot;

„Er bestaat een twist tusschen de Ingelanden en het Zandpad,quot; zeide Tante, „wie van beiden den weg hersteilen moet.quot;

„Et le peuple patit de leurs tristes débats,quot; zeide Suzanna.

„O Mevrouw!quot; zeide Pulver, die nu zijn pijp had aangestoken: „indien de Patroon een reisje op Java gedaan had, of slechts door Zweden, dan zou hij voorwaar zoo niet klagen. Ik herinner mij Schonen, Smaland, Ostrogotland en Suderman-

ocr page 279

land te zijn doorgereisd, zonder dag of nacht op te houden, schrijlings zittende op een plank op wielen, 't geen men daar nog wel gelieft een kariool te noemen, en tot voerman een meisje van vijftien jaren, over dik en dun.quot;

„Dan moet hij veel hebben gehad van een bierton, die vervoerd wordt,quot; fluisterde Suzanna mij in.

„Ja!quot; vervolgde Pulver, terwijl hij een wolkdamp wegblies, „dat was een benauwde reis, die mij al mijn leven heugen zal: van Eostok af tot aan Stokholm toe niets als ellende met zuur bier, tweemalen storm, eens door een Russisch fregat nagezeten, dat ons voor Zweden aanzag: en dan die wandeling op een plank?quot;

„Ja!quot; zeide Van Baaien met een zucht: „gij hebt altijd tegenspoeden gehad, zoo dikwijls gij voor ons gereisd hebt. En als ik niet wist dat het uwe schuld niet is, en dat gij een knappe kerel zijt.... hm! hm!quot;

„Wel Mijnheer!quot; zeide Pulver: „UEd. doet mij blozen (als de kreeft zei tegen de braadpan), maar. wat ik zeggen wou, dat alles kwam toch niets bij hetgeen ik uitgestaan heb toen ik voor de West-Indische Compagnie voer. Heb ik dat wel eens aan Mevrouw verteld? ik geloof al.quot;

„Welzeker,quot; antwoordde Tante: „maar daar is Neef en de jonge Jutters, die zouden het misschien wel eens willen hooren.quot;

„O ja! als 't u belieft. Kapitein?quot; riepen Henriëtte en Suzanna, als uit éénen mond: en ik betuigde insgelijks, dat ik zeer verlangende was naar het verhaal.

„Nu ja!quot; zeide Tante: „straks op de wandeling: dan kunnen de Heer Van Baaien en ik onze zaken terwijl eens bepraten.quot;

Er was hier niets tegen in te brengen: en zoodra onze lichamen behoorlijk versterkt waren en Kapitein Pulver, door zijn kopje om te keeren. getoond had, dat hij genoeg koffie gebruikt had, verlieten wij gezamenlijk het huis: Tante nam Van Baaien onder den arm en was spoedig met hem in een druk onderhoud gewikkeld; en wij jonge lieden drongen ons

ocr page 280

254

om Pulver heen. ten einde hem aan zijn belofte te herinneren. Dit was echter niet nooclig; want de man brandde reeds van verlangen om zijn verhaal te plaatsen.

„Komaan! (zooals de man tegen de nauwe laars zeiquot;) zeide Pulver: „dan zullen wij met de vertelling maar van wal steken: 't is nog al een aardigheid voor jongelui die nooit den neus buitengaats gestoken hebben, zoo ereis te vernemen, hoe het op het groote vaarwater toegaat, en dat het niet altijd meeloopt; maar dat zullen wij weldra hooren, zei doove Tijs. Je moet dan weten, dat het zoo omme ende bij een goeje vijf jaar geleden is, dat ik voor de Compagnie voer op het Brikschip: „de Prins te Paardquot;, naar Curasao bestemd. Wij hadden altijd voor-de-wind en geen rakje in 't zeil gehad, totdat wij zoo naar mijn beste geheugenis op vijftien graden X. b. waren gekomen. Het woei een bramzeilskoelte, genoeg om het schip aan den gang te houden; meer niet: ik was naar kooi gegaan: en pas had ik naar de gis een uur geslapen, en droomde, dat moeder Pulver, die ik te huis gelaten had in de blije verwachting, met al onze zeven kinderen voor me stond, en dat mijn kleine Maarten, die nu ook al het zeegat uit is, een rateltje in de hand hield en een vervaarlijk leven maakte, zoodat ik hem een labberdoedas om zijn ooren gaf, en verzocht of hij op wou honen, toen ik een stem boven mijn hoofd hoor: „omlaag hou! Schipper! omlaag hou!quot;

„Wat is er?quot; vroeg ik, met een schrik opspringende: „wie roept daar?quot; En het was of ik nog altijd dat rateltje boven mijn hoofd hoorde.

„'t Is Sander,quot; zei hij.

„Wat nieuws?quot; vroeg ik weer.

„Hoor je 't niet?quot; vroeg hij: „zwaar weer ophanden.quot;

Ik sprong de kooi uit: en nu merkte ik, dat hetgeen ik voor het rateltje van Maarten hield, het kletteren van den regen op het dek was: klik klakkerdeklak! ging het, puur of zij met zakken vol orreten over de planken strooiden.

„Heb je ooit meer zoo'n regen gehoord?quot; vroeg Sander. Sander was mijn tweede stuurman, een jongen als een vlag,

ocr page 281

daar ik op rekenen kon als op mijn zeivers, die zijn werk goed verstond; maar ik was toch eerst wat knorrig, omdat hij mij in mijn rust stoorde.

„Wel,quot; zei ik zoo: „al regende het handspaken en oude wijven! ben je nou bang voor een beetje regen, man?quot; maar ik schoot mijn duffel toch aan, zette mijn zuidwester op en kwam boven.

„Wel wat zeg je van dat weertje. Schipper?quot; vroeg Sander.

Ik keek ereis rond: „wat zal ik zeggen?quot; zei ik zoo: „'t is mooi donker en ik hou niet van zoo'n hooge zee zonder dat men wind voelt.quot;

„De zee is den ganschen nacht al hooger geworden,quot; zei Sander: „en het zwerk hangt laag.quot;

Ik keek op mijn klok: het was al vijf uren, en ofschoon de zon al haast moest opkomen, er was nog geen witte streek in het oosten te zien. De regen bleef ondertusschen met geweld vallen, en de lucht was zwart als een inktflesch; maar wat vreemd was, op het water was het helder als de dag.

„Schip in lij!quot; riep de Uitkijk, terwijl ik met den stuurman en Sander bij het roer stond.

Ik haalde mijn kat-oog voor den dag, en jawel: daar zag ik duidelijk een galjoen, kennelijk van Spaansch makelei: ik kon masten en tuigage klaar onderscheiden. Maar lang keek ik er niet naar; want ik was niet op mijn gemak met het weer. De regen had opgehouden; maar de wolken zonken al lager en lager en begonnen te wervelen en te draaien, als zwarte rook die naar beneden slaat: en zoover als men zien kon, waren in het zuidoosten de golven met wit schuim bedekt, en wij hoorden een dof gerommel onder het water alsof er een aardbeving op volgen moest. „Is dat donder?quot; vroeg Sander: ,,'k wou dat het waar was,quot; zei ik. Ondertusschen was in de verte de dichte regen loodrecht blijven vallen; maar na een kwartier ongeveer begon de wind er van onderen tnsschen te spelen en de stralen van den regen zwaaiden heen en weer, eerst laag, vervolgens hooger op, naarmate de

ocr page 282

250

wind klom. tot eindelijk de gansche watermassa een schuin-sche richting kreeg, ik reken zoo van een hoek van dertig-graden met den horizon. Ik had onderwijl alle zeilen laten bergen; want ik mistrouwde het weer, zooals ik zeide: en ik had geen ongelijk, als gij hooren zult. De regen viel gedurende eenige minuten dicht als een gordijn naar beneden: toen hij opeens zich verspreidde alsof hij weggeblazen werd en in rook verdween. Recht op ons af echter kioop een witte streep over het water als stof op den grooten weg, wanneer het lang droog is geweest. quot;Wij hoorden het dofte geluid al sterker en sterker, en mijn schip begon te kraken en te zuchten, of het zijn lot voorzag. Bof! daar kwam de orkaan: een golf als een berg sloeg over het dek en het was mij, of ik met honderd dozijn natte handdoeken in mijn facie geslagen werd: en eer ik nog: „berg je!quot; roepen kon, daar kwam er een tweede, die mij oplichtte alsof ik een stuk kurk ware geweest, zoodat ik, met al wat er op het dek was, goedschiks kwaadschiks overboord werd gespoeld; en plof! daar dook ik kopje onder, eer ik den tijd had om een schietgebedje aan onzen Lieven Heer te prevelen. Toen ik weer boven kwam, zag ik mijn schip reeds op een goeien afstand: en met recht droeg het zijn naam van „de Prins te Paardquot;; want het huppelde en hobbelde over de golven als een ruin, die den kolder in den kop heeft, en ik zag wel in, dat ze met dat booze weer geen sloep konden uitzetten om mij op te zoeken. — Pulvertje maat! dacht ik bij mijzelven: 't is met je gedaan: bid een Onze Vader en daarmee uit. Maar krek als ik zoo dacht, en op het punt stond van weer te zinken, daar voel ik mij op een stevige manier in mijn wammes pakken en achteruit sjorren. Dat's een haai! meende ik zoo, die mij voor zijn ontbijt wil nemen, en ik dorst niet omkijken van schrik, maar jawel! „Hier ouwe!quot; hoorde ik achter mij zeggen: en wie was het? niemand anders dan Sandertje, die, juist als ik, overboord gedwaald was. Maar hij was gelukkig net te land gekomen . . ..quot;

„Gij meent, te water gekomen,quot; viel Suzanna in.

„Juist, als de Juffer recht aanmerkt: net te water gekomen

ocr page 283

257

naast het groote varkenshok, dat ook overboord gegaan was, en hij had het handig beetgepakt. Ik moet zeggen, door een bijzondere bestiering Gods, was hij naar mij toegedreven en wel zoo dicht dat hij mij grijpen kon, zoodat ik nu ook kon aanklampen. Daar zaten wij nu op onze kist, als twee kikkers op een kluitje, en dreven al verder van ons vaartuig af; maar ik zei: „Sandertje! hou maar goeien moed: Onze Lieve Heer heeft ons tot dusverre bewaard; Hij zal ons nog wel verder bewaren.quot; „De droes ouwe!quot; zeide Sander, een beetje later: „je kijkt al uit naar „den Prins te Paardquot;, alsof die naar ons toe kan komen rijen; maar draai liever je hoofd ereis om: ■daar is de Spanjool, die is dichter in de buurt.quot; Ik keek naaiden kant uit, waar Sander heen wees; en hij had gelijk ook; daar danste onze logge Don als een bruinvisch op en neer. „Ja!quot; zei ik: „hij zal mij welkom zijn (zooals de spinnekop van de vlieg zei); maar 't is duizend tegen een, dat hij ons te zien krijgt.quot; Ondertusschen, het ergste van de bui was over: en het begon al mooi licht te worden, zoodat het niet lang duurde, of ik kon de manschap van het vreemde schip onderscheiden: en, wat nog grooter geluk was, wij naderden het al meer en meer. Zij zouden ons echter nog niet bespeurd hebben; maar daar voel ik, dat er iets op mijn borst drukte; ik tast er naar, en ik merk, dat ik mijn roeper, dien ik aan boord nog gebruikt had, en dien ik tusschen mijn duffel en mijn ondergoed had ingestoken, bij geluk behouden had. Heb ik jou daar! dacht ik, en meteen zette ik hem aan mijn mond en schreeuwde alsof er vijf en twintig speenvarkens gekeeld werden, totdat ik geen asem meer in mijn longen had. Toen was de beurt aan Sander: en toen weer aan mij, totdat zij eindelijk aan boord van den Spanjool opmerkzaam werden en den kijker op ons richtten. Zij zagen ons: — het weer was bedaard: er werd een sloep uitgezet, en om kort te gaan, het leed geen half uur of wij stonden op het dek van het galjoen. Ik keek terstond uit, of ik „den Prins te Paardquot; ook zag; maar die was schoot gegaan, en ik moest alle gedachten opgeven, om hem vooreerst terug te zien, daar

I. - F. H. 17

ocr page 284

258

de Spanjool een verschillenden koers hield. Het galjoen kwam van Cadix en was voor Carthagena bestemd, waar het, geloof ik, geld moest brengen. Het was nog al wel gebouwd, voerde twaalf stukken en was redelijk bemand ook. Daar voer ik nu met den Don op genade mede en kon mee poot aan spelen voor de sobere victualie, en in plaats van zelf te comman-deeren was het s i v e p 1 e i en b e s o 1 o s m a n o s, zonder andere belooning dan vrij licht bij dag en een schoteltje linzen nu en dan, daar Esau geen halve penning, laat staan zijn eerstgeboorterecht, voor zou gegeven hebben; maar dat was het minste, en ik was blij, dat ik er met fatsoen van afkwam (zooals de edelman zei, toen hij tot den strop veroordeeld was en de gratie verkreeg van onthoofd te worden). Wat mij het meeste hinderde, was, dat ik nu zoo uit mijn koers werd gestuurd, en al bij mijn eigen prakkezeerde, hoe ik van Carthagena weer terug zou komen; want gij voelt, naar Carthagena moest ik mee: 't is op zoo'n vaart niet als met de trekschuit, waar men de lieden onderweg uit kan zetten.quot;

„C4ij hadt echter,quot; zeide ik, „een vaartuig kunnen ontmoeten, hetwelk u overnam en nader tot de plek uwer bestemming bracht?quot;

„Jawel degelijk ontmoetten wij een vaartuig,quot; antwoordde Pulver; „en dat was juist ons ongeluk. Gij moet dan weten, dat zoo ongeveer op 12 graden X. B., zes dagen nadat wij bij den Don aan boord waren, wij een groot vaartuig boven den wind in 't vizier kregen, dat met alle zeilen bijgezet op ons afkwam. Het was een korvet, en zooverre wij konden oordeelen, sterk en stevig gebouwd, en met een manschap, die haar ambacht goed verstond, aan boord; want het voerde een takelage en ging door het water dat het een lust was om te zien. Maar hoe mooi wij het vonden, wij hadden toch niet veel zin in het voorkomen van onzen maat; want hij voerde geen kleuren en had zoo iets over zich, alsof hij zeggen wou: „wat doe jelui in mijn vaarwater?quot; Nu, de Don dacht er ook zoo over: want hij schudde het hoofd en liet van zijn kant alle zeilen bijzetten om uit het gezicht van

ocr page 285

259

onzen vriend te geraken. Maar deze scheen alzoo gesteld op ons gezelschap als een boer op een doedelzak, en hij bleef zoo netjes achter ons voortzeilen als een rijknecht achter zijn heer. De Don keek mooi zuinig; hij zag wel, dat hij van die beleefdheid niet verschoond zou blijven en hij keek zijn equipage eens rond, om te weten of hij staat op hen zou kunnen maken, indien de vreemdeling eens [kwade voornemens had. Toen riep hij mij bij hem, want ik slenterde ook al wat heen en weer over boord, en hij vroeg mij, wat ik wel van dat andere schip dacht? — „Wat zal ik zeggen,quot; zei ik in zoo goed Spaansch als ik spreken kon: „ik hou niet van die nieuwsgierigen (zooals de bakker zei, toen de broodwegers bij hem aan huis kwamen): ik geloof, dat die korvet daar meer lust heeft om kennis te maken met ons dan wij met haar.quot; — „Zoo denk ik er ook over,quot; zei hij, „en ik wou dat hij zijn eigen weg ging. Maar in allen gevalle zal hij toch aan mijn dubloenen niet komen, zonder er om te bakkeleien,quot; zei Don Ricardo, terwijl hij zijn knevels opzette. „Kan je een stuk bedienen?quot; vroeg hij. „Dat zou ik hopen,quot; zei ik, „en een handspaak zwaaien ook.quot; — „Best!quot; zei hij: „dan zal ik ereis kijken, of je de kost verdient, dien ik je geef.quot; En met liet hij al het volk op het dek komen en kla-righeid maken om te vechten. De stukken werden geladen, de musketten opgebracht, handspaken uitgehaald, de kogels bij de mortieren geplaatst en ieder met kortjan in zijn gordel voorzien. Maar terwijl wij nog bezig waren, daar zagen wij op het vreemde schip een vlammetje voor den dag komen, en br .. .. r! daar vloog ons een kogel door het want en viel de heele bramsteng over het dek. „Dat's een onbeleefde vent!quot; zei ik zoo: „maar hij weet goed te mikken.'quot;

„Wij kunnen hem toch niet ontzeilen,quot; zeide Don Eicardo: „maar wij zullen hem toonen, dat wij ook wat durven.quot; — Met gaf hij last om zeil te minderen, en dat iedereen zich klaar zou houden. Ondertusschen kwam de korvet statig aanzeilen en was weldra zoo dicht bij, dat wij de manschap op het dek konden zien — en onvriendelijk genoeg zagen zij er

ocr page 286

260

uit; want het waren al handspaken en korte pieken en enterbijlen die men blinken zag. „'t Is een vrijbuiter!quot; zei ik zoo tegen Don Ricardo, terwijl ik met de lont in de hand stond. Hij knikte van ja, en wees meteen op een rooden lap, die op het roofschip in top werd gehaald. Toen het hijzelf de konings^lag van Spanje waaien, en dadelijk bij den wind stekende, vertoonde ons vaartuig de bakboordzij aan den roover. „Vuur!quot; zeide toen Ricardo: en: pan! pan! daar gingen zes schoten achter elkander af, den vrijbuiter vlak in den boeg, dat de witte splinters uit het zwarte gangboord vlogen. Maar op hetzelfde oogenblik loefde het roofschip mee en gaf ons de volle laag. Krak! krak! daar lag onze fokkemast met want en tuigage en al in zee. Maar door de plotselinge beweging van het schip, dat niet zoo gauw stoppen kon, waren wij uit elkander geraakt en wij hadden misschien, daar het nogal hard woei, gelegenheid gehad om te ontsnappen, indien het tijdig genoeg ons gelukt ware een noodmast op te krijgen; maar eer wij daarmee klaar waren, liep de roover ons achterom en herhaalde zijn beleefden groet van daar even, dat de boeilijn over de nok kwam en niemand zich kon herkennen; terwijl hij nu zijn zeil geborgen had en de enterhaken bij ons aan boord smeet. Daar zaten wij nu aan elkander vast en in een oogenblik kwamen er uit den rook en damp wel vijftig lieve jongens op ons dek te voorschijn, ook met een ander voornemen als om een pijp met ons te rooken. Ku schaarden wij ons om den Don, en ik moet zeggen, de Spanjolen hielden zich als wakkere kerels en lieten de onbeleefdheid niet onbeantwoord: en Sandertje en ik, wij toonden ook, dat wij meer konden doen dan linzen eten, en wij sloegen er op, dat het een aard had. Maar daar sprong in eens de Kapitein van de roovers op ons af: en een kerel, die er meer uitzag om bang voor te worden, heb ik nooit ontmoet.'

„Ja!quot; zeide Henriëtte: „ik geloof, dat die Heeren er zelden

vriendelijk uitzien.quot;

„En dan,quot; voegde Suzanna er bij, „als men recht benauwd is voor nommer één, dan lijkt alles nog leelijker.quot;

ocr page 287

261

„Leelijk was hij juist niet, Juffertje!quot; hervatte Pulver: „'t was een groote, schoone vent met een houding als een Admiraal en oogen als glimmende kolen. „Caracho!quot; zeide hij, dat, geloof ik, in 't Spaansch zooveel wil zeggen als: „geef u over!quot; — Nu! hij had niet veel welsprekendheid noodig om het ons te beduien; want de grootste helft van onze Senhores lag al met Don Eicardo op het dek naar de wolken te kijken: en de andere helft was zoo toegetakeld en zoo in de war, dat zij de maan niet van een Edammerkaas zouden hebben kunnen onderscheiden.quot;

„En waart gij zelf onbeschadigd?quot; vroeg ik.

„Er was een kogel door mijn hoed gekomen,quot; antwoordde Pulver, „die mij zoo netjes had doen groeten alsof er een Schout-bij Nacht monstering kwam houen; maar anders, wonden had ik niet.quot;

„Wel, dat noem ik zonderling,quot; zeide Suzanna, het dikke lichaam van den schipper glimlachende aanziende.

„Je wilt zeggen. Juffertje! mijn buik was nogal een mooi wit geweest om op te mikken? Maar zoo gaat het: er lag een Senhor naast mij, die drie kogels gekregen had en toch maar een vent was niet veel dikker dan mijn linkerarm. Maar ieder kogel heeft zijn opschrift, weet je? Nu, om weer op ons verhaal te komen (zooals mijn eerste stuurman placht te zeggen als hij 's ochtends zijn oorlam nam), de roover-kapitein was op het dek gesprongen en zwaaide een blanke sabel in zijn vuist, die niet van stroo was. Ik dacht bij mij-zelven: Pulvertje, mijn man, daar is je leste uur geslagen: te meer toen ik zoo rondkeek en zag, dat ik op degenen, die nog leefden al zooveel kon rekenen als op een gekauwden kabel. Wat zou ik doen? Ik lei mijn handspaak neer, en wachtte af, wat het geven zou. Maar daar was Sandertje, die had maar in 't geheel geen trek om zich over te geven, en net zooals een van die ongenoode gasten hem bij de lurven wou pakken, daar sprong hij, als een ondernemende durf-al die hij was, recht op den rooverkapitein aan en hieuw naar hem als een dolleman! „Hier weerlichtskind!quot; zeide hij : „hou daar, beroerde bl.....quot;

ocr page 288

262

„Nu ja!quot; zeide ik; „wij behoeven die uitdrukkingen zoo nauwkeurig niet te vernemen.quot;

„Integendeel, Sinjeur!quot; zeide Pulver: „want zonder die uitdrukkingen zou het met Sander en mij er slecht hebben uitgezien, gelijk je op zijn tijd zult hooren (zooals de dief, die zijn vonnis beethad, tegen zijn maat zei, die het nog krijgen moest). Sander sloeg dan in 't wilde op den roover; maar daar waren er aanstonds vijf of zes van die lieve jongens bij, die hem in zijn baaitje namen en hem op het dek haalden: en juist was er een, die zijn bijl oplichtte om hem met de complimenten naar zijn grootje te sturen, toen de rooverkapitein in 't Spaansch gelastte, dat zij hem sparen zouden; en ik, die ook begreep, dat de jongen beter deed, zich stil te houden, ik riep uit al mijn macht; „Sandertje, mijn vriend! Ben je mal? Wat wil je toch uitvoeren?quot; En zoo meteen als ik dat zei, keek de Kapitein mij aan en, naar mij dacht, iets vriendelijker dan de overigen; en toen fluisterde hij iets in de ooren aan een kameraad van hem. Sandertje en ik werden aan mekaar gebonden, en zoo werden wij, namelijk allen die nog leefden, op het roofschip overgebracht en tusschen-deks gesmeten.quot;

„Dat was zeker al heel vriendelijk,quot; merkte Suzanna aan.

„Zooals je zult komen te hooren,quot; vervolgde Pulver; „wij gingen onder zeil en het duurde zoo wat ongeveer vier of vijf etmalen dat wij in dat Satansche hok bleven opgesloten zonder zon of maan te zien; alhoewel, dit moet ik tot eer van den vrijbuiter en van zijn kok zeggen, wij kregen, ofschoon gevangenen, beter eten dan op het Spaansche schip. Eindelijk, den zesden dag geloof ik, liet men ons op het dek hijschen. Ik keek ereis rond om de hoogte te nemen; maar Joost haal me zoo ik de plaats herkende, waar wij ons bevonden; en dat was nogal natuurlijk, daar ik er nooit geweest was. Wij lagen voor anker in een zeestraat; althans voor zooverre ik in dien korten tijd heb kunnen bespeuren; het was zout water, en zoo helder, dat men het zand van den bodem en al de visschen, die er heen en weer zwommen, onderscheiden

ocr page 289

263

kon. Rechts en links een muur van rotsen, die naar mijn gissing wel vijfhonderd voet uit het water oprezen, en zoo steil, dat men zou gedacht hebben, zij waren den dag te voren van elkander gespleten: overal groeiden er boomen en struiken op, waar maar een beetje aarde en een scheur in de rots was om zich op vast te hechten: terwijl het kanaal op sommige plaatsen zoo smal was, dat de takken van weerskanten elkander ontmoetten bijwijze van een berceau, zoo als men dat op zijn Fransch heet, geloof ik; en dan had men er vogels in van alle soort, duiven en spechten en eenden, en nachtegalen, die zongen, dat het een lust was, en witte kraanvogels, en zwarte kraanvogels, en grijze kraanvogels, die hier en daar stonden te kijken, met een verwaandheid als een diender voor een Sinterklaaswinkel. Maar ik had niet lang tijd om alles nauwkeurig op te nemen: wij werden in de jol neergelaten en een eindweegs van het schip gevoerd, tot wij ons op een stee bevonden, waar het water een inham in de rotsen maakte. Hier was een landingsplaats en een natuurlijke trap in de rots, die wij op moesten: het was er bijwijlen mooi donker: want het hing er zoo dicht van takken en struiken, dat de zon geen gelegenheid had om er door te schijnen; en er liepen overal hagedissen, zoo vlug en zoo glinsterend als ik ze mijn leven niet gezien heb. — Nu! toen wij boven op de hoogte waren, moesten wij er aan de andere zijde weer af, en kwamen zoodoende in een vallei, waar dan eigenlijk het ware verblijf van de zeeroovers was: en een goede schuilplaats was het, want wie den ingang tot de zeestraat en het pad over de rots niet kende, zou er jaren naar gezocht hebben. Hier bracht men ons in een groote schuur, waar dag en nacht schildwachten met geladen vuurroeren voor stonden: 't geen mooi onnoodig was; want al hadden wij willen en kunnen wegloopen, ik weet niet waar wij heen waren gegaan. Alle dagen kwam men een van de met ons gevangen Senhores halen en die kwam dan niet weerom. „Die is er om koud,quot; zei Sander dan. Maar ik zei: „neen! dan zouden zij ons zoo

ocr page 290

264

lang den kost niet gegeven hebben; maar zij geven hun de keus om gehangen te worden of dienst bij hen te nemen; dat is zoo zeerooversmanier.quot; — Wij dachten al, wanneer zal de beurt aan ons komen? toen eens op een dag een allerliefst Juffertje binnenkwam, een meisje zoo van veertien of vijftien jaren, naar ik gis, met een recht vriendelijk gezichtje en een heel net kleedje aan: „zijn er hier geen Hollandsche zeelui?quot; vroeg zij in zuiver Nederduitsch. Sander en ik wij keken elkander aan, alsof wij het te Keulen hadden hooren donderen. „Tot je dienst,quot; zeiden wij allebei: „wat is er van je believen?quot; — „Wilt ge zoo goed zijn, mij te volgen?quot; zei zij toen weer, met een allerliefst stemmetje. „Mets liever dan dat,quot; antwoordden wij; want wij hadden mooi onze bekomst van in die stinkende schuur te zitten. Zij ging vooruit; de schildwachten presenteerden het geweer voor haar, krek of zij een prinses ware geweest, en zoo wandelden wij achter haar over het veld, totdat wij aan een heel aardig zomerhuis kwamen, dat tusschen hooge kokosboomen gelegen was. Hier stond weer een kerel op schildwacht, die ons met haar doorliet. Zij stootte een zijdeur open en wij zagen een man zitten met een sitsen gebloemden japanschen rok aan zijn bast, druk bezig met schrijven. — „Hier zijn de twee Hollanders, Papa!quot; zeide het Juffertje. De vreemde Heer keek op: het was warentig de rooverkapitein. — „Hoe heet je?quot; vroeg hij, terwijl hij mij strak aankeek.

„Harmen Pulver,quot; zei ik: — „Wat duivel spreekt UEd. ook al Duitsch?quot;

„Gij komt hier om te antwoorden: en niet om vragen te doen,quot; zei hij, met een barsche stem, terwijl hij de wenkbrauwen samentrok. „Hoe oud zijt gij ?quot;

„Vijf en veertig jaar,quot; zei ik weer, terwijl ik mijn kop krabde.

„Hoe kwaamt gij op dat Spaansche schip verzeild?quot; vroeg hij alweer.

„Wel!quot; zei ik: „dat wil ik wel ereis vertellen:quot; — en zoo zei ik hem de gansche waarheid, van stukje tot beetje.

ocr page 291

265

Hij luisterde heel aandachtig toe en vroeg mij vervolgens, hoe lang ik ter zee gevaren had, of ik vrouw en kinderen te huis had en zoo al meer. Toen draaide hij zich naar Sandertje, die ook zijn naam en zijn jaren op moest biechten. — „Sander Gerritz!quot; zei hij toen, „gij zult vooreerst in mijn dienst blijven, tot zoolang ik een andere bestemming voor u vinde. Amelia! breng dien knaap naar achteren en zeg aan Diego, dat hij hem een stel kleederen bezorge en in zijn werk onderrichte.quot;

Bij dit gedeelte van Pulvers verhaal kon ik niet nalaten, verwonderd op te zien. „Amelia,quot; herhaalde ik: „heette zijn dochter Amelia?quot;

„Wel ja, Amelia!quot; hernam Pulver: „een mooie naam voor de dochter van een rooverkapitein. Nu, dat is tot daar aan toe. Het meisje was in allen gevalle een lief en vriendelijk ding: zij wipte de kamer uit, en Sander volgde haar, niet recht zeker of hij wel of kwalijk deed, geloof ik; want hij keek mij een keer of drie aan in 't heengaan, als een tolgaarder zou doen, wien ze onzuivere munt in de hand gestopt hebben. „Nu komt mijne beurt,quot; dacht ik. — „En gij, Harmen Pulver!quot; zei de Kapitein, „gij zult Onderstuurman bij mij worden, overmits ik den mijnen in het laatste gevecht heb verloren.quot; — „Ik bedank u hartelijk,quot; zei ik. — Toen zette hij een gezicht, alsof hij mij op wou vreten. „Wat,quot; zei hij : „en waarom niet?quot; vroeg hij, alsof het een Admiraalsbaantje was, dat hij mij gepresenteerd had.

„Wel!quot; zei ik weer: „omdat....quot; en meteen snuffelde ik in mijn broekzak, waar ik nog, spijt schipbreuk en roovers en al, een klein zakbijbeltje had bewaard, en ik sloeg het open: „kijk!quot; zei ik, en wees hem op het achtste gebod.quot;

„Dat was braaf gehandeld,quot; zeide Henriëtte: en Suzanna zag den dikken man met eenigen eerbied aan, alsof zij een innerlijke gelofte deed, van ten minste de eerste tien minuten den spot niet met hem te drijven.

„En hoe nam de zeeroover dat op?quot; vroegen wij allen als uit éénen mond,

„Wel dat viel mee (zooals de dronken bottelier zei, toen

ocr page 292

266

hij met de gangtrap in zee rolde). — Hij keek wel eerst wat stuursch, maar het maakte toch indruk, merkte ik: „ik wil geen theologisch dispuut met u beginnen,quot; zei hij: „anders zou ik u kunnen overtuigen, dat dit artikel (hij noemde het een artikel: de man was ook niet vast in de leer) i dat dit artikel,quot; zeide hij, „op mijn beroep niet toepasselijk is. Ik ben hier zooveel als Souverein, geloof ik,quot; zei hij: „en in oorlog met alle natiën: alleen heb ik nog een gekkelijk zwak voor Hollanders, ofschoon zij het niet aan mij verdiend hebben. — Ik geef u nog een uur om u te bedenken,quot; zei hij; en meteen vouwde hij heel bedaard het papier dat hij geschreven had, dicht, en stond op om heen te gaan. — „En zoo ik het nu niet aanneem,quot; zei ik: „wat dan?quot;

„Dan wordt gij gehangen,quot; zei hij, op denzelfden toon, alsof hij mij de keus had gelaten tusschen een slok brandewijn of een glas rood, en hij stapte de deur uit.quot;

„Uw toestand moet alles behalve vroolijk zijn geweest,quot; merkte ik aan.

„Om den drommel niet,quot; zeide Pulver: „maar ik had er mij al zoo half en half op verwacht en mijn besluit was genomen ; want ik dacht: men moet toch eenmaal dood en dan nog liever als een Christenmensch gestorven. Zoo ging ik zitten en dacht: ik zal mijn laatste uurtje toch zoo goed mogelijk besteden en lezen een kapitteltje uit de Schrift: en met dat ik daaraan bezig was, zoo komt mij dat Juffertje weer binnentrippelen. „Och Kapitein!quot; zei ze zoo: „vertel mij toch ereis wat van Holland: ik hoor zoo graag van Holland spreken.quot; — „Lief Juffertje!quot; zei ik, dat zou ik met plezier doen, waarom niet; maar ik heb nu zoo slecht den tijd, want over een uur, weet je, moet ik gehangen worden: en daarom dien ik mijn leste oogenblikken wel te besteden met mijn ziel in een staat van genade te brengen, en nog eens aan mijn arme vrouw en zes bloeien van kinderen te denkon, die ik te huis heb gelaten.quot; En met voelde ik dat mijn oogen overliepen. „Wat!quot; zei zij: „hebt gij vrouw en kinderen?quot; en zij begon ook mee te schreien, de goede medelijdende ziel. „En wie wil u laten

ocr page 293

2ü7

hangen?quot; vroeg zij: „is het Papa? — Ja? — In dat geval, dan zal ik hem zoo lang smeeken en bidden, tot hij u genade geeft.quot; — „Juffertje!quot; zei ik: „het hangt van mij af, om te blijven leven; maar dan moet ik dienst nemen bij uw vader; en zie je, dat kan ik nu zoo maar niet met mijn geweten overeenbrengen.quot; — „En waarom niet?quot; vroeg zij, met een heel natuurlijk stemmetje. „Ja!quot; zei ik zoo, „om dat roovers-bedrijf, dat strijdt zoo wat tegen goddelijke en menschelijke wetten.quot; Toen keek zij mij heel strak in 't gezicht, omtrent even strak als haar vader gedaan had. „Ik weet het,quot; zei zij toen, snel sprekende, net alsof zij bang was voor hetgeen zij zeide: „ik weet het: — spreek daar niet meer over. Gij hebt gelijk: ik ben het slechts ontwend, dergelijke waarheden te hooren. Lees voort en ik zal u niet storen: maar ik wil hier blijven: ik moet met mijn vader spreken: dat zal zoo niet afloopen.quot;

„Zonderling!quot; zeide Henriëtte, zich een traan uit het oog wisschende: „en hoe kwam de vader van een meisje, dat zoo sprak, aan het hoofd van een roofschip ?quot;

„Dat is wat ik ook dikwijls gedacht heb. Juffertje!quot; zeide Pulver: „maar ÜEd. zal nog meer hooren. Juffrouw Amelia clan ging over mij zitten, met de armen gekruist en terwijl zij stipt voor zich keek. Het uur was nauwelijks verloopen, of daar stapte haar vader weer binnen: „Wie heeft u geliee-ten, hier te komen?quot; vroeg hij aan zijn dochter: „laat ons alleen.quot; — „Neen!quot; zei zijn dochter: „dat doe ik niet, of gij moet mij eerst beloven, dien man vrij te laten. Hij heeft vrouw en kinderen,quot; zei zij, terwijl zij de handen vouwde. „Laat hem gaan, Vaderlief, gij zult het immers aan uwe kleine Amelia niet weigeren?quot; en zoo ging zij voort, terwijl zij hem allerlei lieve woordjes gaf en hij wrevelig voor zich bleef kijken. Eindelijk scheen hij eenigszins tot andere gedachten te komen: hij nam haar bij de hand, zei iets tot haar in 't Spaansch, en bracht haar half willig, half onwillig de kamer uit. Ik hoorde echter, dat hij haar buiten de deur een zoen gaf: dat dacht mij een goed voorteeken te zijn. Toen

ocr page 294

208

kwam hij weer tot mij: „Wel!quot; zeide hij: „hebt gij uw besluit genomen?quot; — „Ja,quot; zei ik. „En wat is het, kort en goed, zonder teksten?quot; vroeg hij, „ja of neen?quot; — „Neen!quot; zei ik. „Dus hangen?quot; vroeg hij weer. — „Neen! ook niet,quot; zei ik, „immers niet met mijn wil.quot; — „Gij begrijpt toch,quot; zei hij, „dat er geen derde keus overblijft. Ik kan toch niet iemand, die eenmaal hier geweest is, levend laten vertrekken om, als hij te huis is, mijn schuilplaats te verklikken.quot; — „Hoor, weet je wat. Kapitein!quot; zei ik: „laat mij gerust gaan, al ware het op dezelfde manier waar ik op gekomen ben, van m ij n bezoeken zal je geen last meer hebben, dat beloof ik u: en om aan anderen den weg te wijzen, dan moest ik hem eerst zelf kennen, 't Is waarachtig beter, dat gij mij het leven schenkt: gij weet niet hoe het u naderhand nog kan te pas komen: als b. v. de Heeren van de Compagnie u eens bij de kladden krijgen, dan zal het u meer goed doen, als ik in uw voordeel spreken kan, dan dat ik nu aan een van die gindsche boomen bungelde.quot; — Hij scheen even na te denken: „gij kunt onze levenswijs nog niet beoordeelen,quot; zei hij: „een man moet weten, wat hij kiest of wat hij verlaat.quot; Met floot hij en er kwam een aardige jongen in een matrozenpakje binnen, aan wien hij in 't Spaansch zijn bevelen gaf. „Volg dien knaap!quot; zei hij toen: „die zal u brengen waar gij wezen moet!quot; Wat zou ik doen? Ik maakte een strijkage en ging ons maatje achterna, die mij buitenshuis bracht en naar een ander gebouw, waar de bende gewoon scheen te zijn haar middagmaal te nemen. Hier kwam er een hoop bij elkander alsof zij van den toren van Babel gestuurd waren, volk van alle natiën en tongen: er waren er Portugeezen, Spanjolen, Engelschen, Italiaanders, Frangoisen, Hollanders ook, schande genoeg! En ik moest mee aanzitten en zien hoe het er toeging. Ik moet zeggen, die schelmen hadden een tafel of het voor een Burgemeester was: vleesch en gevogelte van allerlei soort: en wijn, zooveel hun lustte en van den besten ook. Ik dacht: Pulvertje! dat is allemaal om u te verleien; maar deze reis zal het hun niet lukken. — Ondertusschen waren

ocr page 295

269

er een paar naast mij gaan zitten, die vertelden mij, hoe goed zij het hadden onder Don Manoël, zoo noemden zij den Kapitein, en wat een dwaasheid ik doen zou, indien ik niet met hen bleef: en onderwijl schonken zij mij al in, den eenen kroes voor, den anderen na. Maar ik lachte in mijn vuist: en dacht: als het op pooieren aankomt, dan ben ik nog niet bang: ik heb een bast, die kan er tegen, zooals Thomasvaer in de klucht zeit. En bovendien had ik van al liet praten een keel gekregen, zoo droog of ze van een wevers-wammes gemaakt was. En ziet, mijn buren raakten allebei zoo mooi bezorgd, dat zij van de bank rolden. Toen kwam er een ander, die wou mij een papier laten teekenen; maar ik smeet het wat deftig over de tafel heen: waarop er een was, die mij te lijf wou: maar ik gaf hem een muilpeer, dat hij naar de tweede niet vroeg. Toen vielen zij allemaal op mij aan; en bonden mij en smeten mij in een hok, waar ik tijd had om uit te slapen. Den volgenden morgen kwamen er vier kerels mij halen, en begonnen mij met een doek over mijn kluisgaten te binden, dat ik niet zien zou wat zij in 't vizier hadden. Ik kreeg slechte gedachten, toen zij mij naar buiten brachten, en meende, nu was mijn uur gekomen, en ik moest maar mijn best doen om als een vroom Christenmensch te sterven; maar jawel! ik had pas een eindweegs opgekuierd, of ze smeten mij in een sloep, en na een tijdlang roelens, merkte ik aan den wind, die op mijn frontwerk speulde, dat wij kort aan zee waren. Opeens werd ik aan boord van een schip geheschen: „zouden zij mij nu naar zeemansmanier aan de ra hangen?quot; dacht ik; maar ook al niet: ik werd tusschen-deks gelaten, ik hoorde het anker lichten, en wij staken van wal. Het duurde zeker wel twintig dagen, eer de reis ten einde was, en ik bleef al dien tijd beneden, zonder eens op het dek te mogen komen, en zonder dat iemand boe of ba tegen mij zei: gij kunt denken, of ik ook het land had. Eindelijk liet men het anker vallen: ik werd weer geblinddoekt, in de sloep gelaten en aan wal gebracht. Toen mij de doek werd afgenomen, zag ik, dat ik in een klein boschje was,

ocr page 296

270

doch waar, wist Joost. Een van de roovers, die Hollandsch sprak, stond naast mij en stelde mij een geldzakje ter hand. „Houdaar!quot; zei hij: „en maak dat je naar den bl. .. . komt. Gij hebt slechts het eerste pad het beste te volgen, om menschen te vinden. Maar zoo gij ons altemet mocht herkennen t'avond of morgen, draag zorg dan ons niet te verklappen, noch ons na te volgen, of. . .hier maakte hij een beweging, die ik best begreep. „Geen nood,quot; zei ik, „en goeie reis (zooals de man, die zich baadde, tegen de haaien zei.)quot; Weg liepen zij: en ik stond alleen te kijken als malle Piet. Maar ik dacht, ik zal den anderen weg kiezen: en zoo liep ik dwars door het boschje heen, mooi nieuwsgierig waar ik zou aanlanden, tot ik aan een soort van huisje kwam, waar ik een paar negers vond, die mij te recht hielpen, en mij naar Savannah brachten, want daar was ik geen twee geweerschoten van verwijderd. Ik kuierde de stad binnen en vond al gauw een plaats om onder dak te komen, bij een ouden landsman, dien ik er wonen wist. „Wel Kapitein Pulver,quot; zei die, toen hij mij zag: „hoe kom je zoo uit de lucht vallen?quot; „Patientie !quot; zei ik, „dat zal ik u naderhand wel eens vertellen.quot; Den volgenden dag ging ik ereis op mijn kuier, maar, schoon ik in een paar kooplieden, die ik onderweg ontmoette, twee van Don Manoëls volk meende te herkennen, en schoon er een net getuigd en gekoperd brikje onder Portugeesche vlag in de haven lag, dat al rare vermoedens bij mij deed ontstaan, ik paste wel op, mijn mond dicht te houden, zoo lang ik er bleef: 't geen gelukkig korter was dan ik eerst vreesde: want er kwam eenige dagen daarna gelegenheid om naar Curasao te varen, waar ik „de Prins te Paardquot; bij geluk nog vond, die juist het anker zou lichten, en je kunt denken, hoe zij allen te kijken stonden, toen zij mij in levenden lijve weerom vonden; want zij dachten niet anders, of ik had uit de groote spoelkom gedronken. Na vraag ik u, of Kapitein Pulver al rare ondervinding heeft opgedaan?quot;

„Mij dunkt zij hebben nogal wat met u gesold,quot; zeide Suzanna: „doch het schijnt u geen kwaad gedaan te hebben,

ocr page 297

271

en gij zijfc tegen de verdrukking aangegroeid. — En hebt gij naderhand nooit iets van dien rooverkapitein vernomen?quot;

„Xeen,quot; antwoordde Pulver: „en ik heb ook nooit verlangd de kennis te hernieuwen (zooals de dief tegen den beulsknecht zei). Maar ik meen dat hij, zoo wat een jaar nadat ik hem gezien heb, verdwenen is: — althans later heb ik niet meer van hem hooren spreken, maar wel van een anderen zeeroover, die onder den naam van Zwarten Piet doorging, en geen haalbeter was dan zijn voorganger.quot;

„Zwarte Piet!quot; herhaalde Henriëtte: „is dat dezelfde, wien men beweert, dat hier in den omtrek rondzwerft en de wegen onveilig maakt.quot;

„Foei! laten wij niet over dieven spreken, die zoo in de buurt huizen,quot; zeide Suzanna: „dat geeft maar slapelooze nachten. Maar van uw vriend Sander, hebt gij daar nooit tijding meer van gehad, Kapitein?quot;

„Neen!quot; antwoordde hij: „en ik vrees, dat hij smaak in 't roo versie ven gekregen heeft; want hij was altijd een ondernemende gast; ?t zou jammer van den jongen bol geweest zijn; doch het bloed kruipt waar 't niet gaan kan.quot;

De dames gingen voort, den Kapitein nog over vele bijzonderheden te ondervragen. Wat mij betreft, ik was stil geworden. Het weinige, dat de verhaler zoo van het uiterlijke voorkomen als van de handelwijze van Don Manoël en zijn dochter gezegd had, en de naam van Amelia, aan deze laatste gegeven, hadden zonderlinge vermoedens bij mij doen ontstaan, waaraan ik hechten bleef, in weerwil van mijzelven. Wenschende, hieromtrent nader onderricht te ontvangen, wachtte ik het oogen-blik af, dat de jonge meisjes met haar ondervragingen hadden afgedaan en zich vermaakten om in de menagerie, waar wij waren aangekomen, de goudlakensche fazanten te voederen, terwijl Pulver zijn versch gestopte pijp door middel van een brandglas aanstak, om dezen laatste te vragen, mij nader te beschrijven, hoe die zeeroover er toch wel uitzag.

„AVel! zooals ik UEd. gezegd heb,quot; zeide hij: „een groote forsche kerel met een s o m b r e r o op het hoofd, een

ocr page 298

plantersbuis en een zeemansbroek, een koppel pistolen . . .

„Ja,quot; viel ik in: „en naderhand een japansche rok; maar zijn gelaat?quot;

„Een knap slag van een vent: een paar flksche oogen____

wat zal ik er veel meer van zeggen?quot;

„En zijn dochter?quot;

„Ja! een aardig meisje, of zij zwart of blond was weet ik niet meer: een goed gezicht.... en zoo groot als een meisje van veertien, vijftien jaren.quot;

Met deze opheldering moest ik mij voor het oogenblik wel tevreden stellen: en de klank van den bengel, die ons de aankomst van nieuwe gasten verkondigde, deed ons spoedig weder den weg huiswaarts nemen. Wij vonden den eigenaar van Guldenhof en zijn zoon op de stoep met Tante en Van Baaien in gesprek. De Heer Blaek was de eerste, die naar ons toekwam. Zijn kleeding was vrij wat keuriger, zijn gelaat vriendelijker en zijn toon beleefder, dan toen ik hem in zijn koepel ontmoette. Hij groette ons op een zeer heusche wijze, zeide iets zeer vleiends aan Suzanna, kuste Henriëtte, en zich vervolgens tot mij wendende, drukte hij mij de hand en vroeg mij om verschooning, zoo mijn onthaal op Guldenhof niet was geweest, gelijk het behoorde. „Maar mijn lieve Heer Huyck!quot; zeide hij: „alles werkte ook samen om mij verkeerde vermoedens jegens u te doen opvatten: uw kleeding, de verrassing van het oogenblik, het verhaal van dieverijen in de buurt gepleegd, en zoo voort. Nu! doe mij vermaak en toon mij, dat ÜEd. mij geen kwaad hart toedraagt, door mij eens te komen bezoeken. — Gij zult mij altijd welkom wezen, en het zal mijn zoon ongetwijfeld aangenaam zijn, nadere kennis met u te maken. Sta mij toe, u aan eikanderen voor te stellen. Lodewijk was niet in zijn schik,quot; vervolgde hij, zich tot Henriëtte wendende, „dat gij, zoo zonder hem daar iets van te zeggen, herwaarts getrokken waart. Gij weet, dat in uwe afwezigheid Guldenhof weinig bekoorlijks voor hem oplevert.quot;

„Dat wist ik niet. Oom!quot; zeide Henriëtte: „en zoo ik hem

ocr page 299

273

niet gezegd heb, dat ik hierheen ging, het is, omdat hij zich in de laatste twee dagen niet te huis heeft laten zien.quot;

Ondertusschen was Lodewijk op den wenk zijns vaders ons genaderd, echter niet met die haast, welke de Heer Blaek wilde doen gelooven, dat hem naar zijn nicht dreef.

„Komaan Lodewijk!quot; zeide zijn vader: „ik weet, gij zult verlangen om Jetje wat te beknorren; maar eerst moet ik u aan den Heer Huyck voorstellen, en u gelegenheid geven, om, evenals ik reeds deed, hem voor onze misvatting en onbeleefdheid verschooning te vragen.quot;

Lodewijk en ik groetten eikanderen met die uiterlijke beleefdheid, welke de samenleving voorschrijft ook aan hen, die eikanderen niet lijden mogen.

„Wij hebben de kennis reeds hernieuwd,quot; zeide ik.

Lodewijk zag mij schuins aan, en vervolgens, zich tot de dames wendende, begon hij, waarschijnlijk om mij te vermijden, een druk gesprek met Henriëtte, zoodat zijns vaders gelaat van tevredenheid blonk, en deze nauwelijks de buigingen opmerkte, waarmede Kapitein Pulver hem begroette.

Niet lang daarna kwam de boodschap, dat het middagmaal was opgedischt, en begaven wij ons naar de eetzaal. Tante plaatste zich tusschen de beide oude Heeren: naast Van Baaien kwam Kapitein Pulver te zitten, vervolgens mijn onwaardig ik, dan Henriëtte, en Lodewijk werd tusschen haaien Suzanna geschikt. Ik maakte, gelijk men denken kan, van de gelegenheid gebruik, om aan mijn buurjuffer alle mogelijke kleine oplettendheden te bewijzen, zonder juist op te merken, of liever zonder er mij aan te storen, dat haar oom dit vrij zuur aanzag, en zich waarschijnlijk reeds beklaagde, dat hij mij den toegang tot zijn huis had opengezet. De afgetrokkenheid van den Heer Blaek ontsnapte echter niet aan Suzanna, noch zelfs aan Tante, die hem er over begon te plagen.

„Ach Mevrouw!quot; fluisterde hij eindelijk, glimlachende: „er was een tijd, waarin ik niet afgetrokken was in uw bijzijn, en het zoude van u afhangen, dien tijd te doen herleven.quot;

i. - F. h. is

ocr page 300

274

„Ei kom! Het is een hoofdstuk uit de oude geschiedenis, dat gij voordreunt,quot; zeide Tante, lachende.

„Hoe maakt UEd. het toch, om zulke heerlijke doperwtjes te bekomen?quot; vroeg Van Baaien haar: „uit mijn tuin in den Diemermeir kan ik die maar zoo smakelijk niet krijgen. '

„Zeg dat niet,quot; zeide Tante: „ik herinner mij zeer goed, er bij u tot laat in September te hebben gegeten, als de mijne reeds lang gedaan hadden.quot;

„Ja! bij mijn vorigen baas; maar mijn tegenwoordige tuinman heeft er geen verstand van. 't Is of ik het altijd moet treffen, dat ik mij met lieden behelpen moet, die geen kennis bezitten van hun vak.quot;

„Hoe bevallen UEd. de bruine langstaarten, die UEd. op de Palmmarkt van Govert Sperwer gekocht hebt?quot; vroeg Lodewijk aan Van Baaien.

„Hm!quot; antwoordde deze, het hoofd schuddende: „wat zal ik UEd. zeggen? De beesten loopen hard genoeg; maar 't is mij wat moeilijk in 't haar te blijven. Ik zal er moeten uitscheiden. Op de Palmmarkt waren er nog meer te krijgen geweest; maar juist toen ik er op afkwam waren zij verkocht, 'tis of ik altijd te laat moet komen. Maar daar bedenk ik iets: dat spannetje, dat ik heden hier heb, heeft UEd. dat reeds gezien? Dat was juist een kolfje naar uw hand.quot;

„Ik dank u,quot; zeide Lodewijk: „ik heb nog paarden genoeg, en dan een boeier bovendien; maar ik recommandeer mij, om ze straks eens te zien,quot; enz.

Het gesprek werd nu langzamerhand meer algemeen. Pulver, die niet naliet den goeden wijn van Tante te prijzen en te betuigen, dat hij zulke waar niet geproefd had, sedert hij bij de roovers had gevangen gezeten, vermaakte ons nu en dan met zijn kluchtige uitvallen, en Van Baaien perste ons menigen glimlach af, door zijn manie van zich over al wat hi] had te beklagen. Hetgeen de oude Heer Blaek zeide, was meestal gepast en verstandig; en hij beviel mij in alle opzichten beter dan toen ik hem voor 't eerst zag. Echter was het

ocr page 301

mij toch, als drukte dien man iets bezwarends op het hart, dat hem midden onder het vroolijk gesprek zijn goede stemming ontnemen kwam, en zich tusschen hem en zijn blijgeestigheid plaatste als een wolk voor een heldere zomerzon. Hij zag er niet uit als iemand, die iets kwaads in 't zin had of een misdrijf zou begaan; maar wel als iemand die iets bedreven had, dat hem tot naberouw verstrekte. Tante praatte wakker door, en maakte allerlei plannen van vroolijke partijen voor de toekomst. Suzanna wierp er bijwijlen een grap tusschen in: en Lodewijk scheen meer werk van zijn nicht te maken dan gewoonlijk.

Wij waren aan 't nagerecht, en de Heer Blaek was juist bezig over de onbeschaamde diefstallen te spreken, die onlangs in de buurt hadden plaats gehad, toen de knecht mij in het oor kwam fluisteren, dat er een Heer buiten stond, die mij wenschte te spreken.

„Een Heer om mij te spreken!quot; herhaalde ik, met eenige verwondering: „dat hebt gij zeker verkeerd. Wie kan mij hier iets te zeggen hebben?quot;

„Er is toch geen zwarigheid?quot; vroegen de dames, als uit éénen mond.

„Waar komt hij vandaan? Is het iemand uit Amsterdam?quot; vroeg Tante.

„Ik weet niet,quot; zeide de knecht: „'t Is een Monsieur in 't zwart, en, zoo ik mij niet bedrieg, dezelfde, die in het huisje van Baas Roggeveld woont.quot;

„En komt die om mij te spreken?quot; vroeg ik: „ik kan niet begrijpen . .. .quot;

„Gij moest toch eens gaan zien,quot; zeide Tante: „en kom ons dan daarna verslag doen. Joris! laat dien Monsieur in de zijkamer.quot;

„Met het verlof van het gezelschap,quot; zeide ik: en oprijzende begaf ik mij naar de zijkamer; maar wie schetst mijn verbazing, toen ik zag, dat do man, die op mij wachtte, niemand anders was dan Zwarte Piet, in propria persona.

ocr page 302

276

ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.

VERHALENDE, HOE ZWARTE PIET FERDINAND MET EEN COMMISSIE BELASTTE EN HOE SÜZANNA EEN GROOTEN KOEK TROK.

„Hoe!quot; riep ik uit, terwijl ik den struikroover aanstaarde: „gij waagt het! . . .

„Ik waag niets, Mijnheer Huyck!quot; zeide hij: „want ik weet, dat TJEd. de man niet zijt, die mij verraden zult.quot;

„Maar toch!quot; hernam ik: „ik kan niet beseffen, wat gij mij kunt te zeggen hebben.quot;

„In de eerste plaats moet ik mij van mijn schuldigen plicht komen kwijten en u mijnen dank betuigen voor het stilzwijgen, dat TJEd. aangaande onze ontmoeting hebt bewaard.quot;

„En hoe weet gij,quot; vroeg ik, eenigszins verwonderd, „dat ik gezwegen heb?quot;

„O ho!quot; zeide hij met een glimlach: „dat kan ik genoeg uit de gevolgen opmaken. Zoo UEd. maar een woord gesproken, maar een sein gegeven had, waren de landhaaien mij reeds aan boord geweest, en zou ik hier thans niet voor u staan, zoo gerust als een Admiraal op zijn dek; want, ofschoon men altijd nog naar Zwarten Piet zoekt, het is in den blinde en zonder dat men weet, welken koers te houden. Niettemin! ik wil het gevaar niet loopen van t' avond of morgen te verzeilen en denk deze haven te verlaten.quot;

„Gij deedt beter,quot; zeide ik, „uw geheele professie te verlaten, welke u toch nooit tot een gelukkig einde brengen zal.quot;

„Helaas, Mijnheer!quot; hernam hij, met een treurigen blik en een diepe zucht: „hangt het wel van onszelven af, die met vrijen wil te kiezen? Kan ik tegen wind en stroom opvaren? en moet men niet, als het tij verloopt, de bakens verzetten? Hoe zou ik, na al het gebeurde, in staat zijn, mijn wandel

ocr page 303

te verbeteren en onder een betere vlag te zeilen dan die ik tot heden gevolgd ben? Zoo ik b. v. Mijnheer voorstelde, mij als lakei in zijn dienst te nemen, zou zulks UEd, aanstaan?quot;

„Gij weet,quot; antwoordde ik, om de veronderstelling glimlachende, „dat men geen lakei huurt zonder attestatiën van goed gedrag te zien: en ik twijfel, of de uwe van dien aard zijn, dat zij mij voldoen zouden.quot;

„Daar moest UEd. niet op zweren,quot; hervatte hij, terwijl hij een zwartlederen portefeuille uit den zak haalde, en daaruit eenige papieren nam, die hij op de tafel uitspreidde: „ik heb hier een menigte getuigschriften van de deftigste inwoners van Batavia en de Kaap, alle bewijzende dat de persoon Joachim Weerglas hen in de betrekking van kamerdienaar, schrijver en hofmeester met de meeste nauwgezetheid gediend heeft. Lees ze maar eens. Mijnheer! zij zijn zoo voldoende als... .quot;

„Als zij valsch zijn,quot; viel ik in: „wat hebt gij te maken met certificaten van eenen Joachim Weerglas, die wellicht nooit bestaan heeft?quot;

„Zeer zeker heeft de man bestaan,quot; antwoordde hij, de papieren wederom naar zich toestrijkende: „maar de goede ziel heeft die niet meer noodig; daar hij sedert lang onder de groene baren slaapt, om welke reden ik er des te minder conscientiewerk van gemaakt heb, mij zijn naam toe te eigenen, en zijn papieren evenzeer, die toch voor niemand meer waarde hebben en mij daarentegen zeer nuttig zijn, wanneer deze of gene hapscheer mij komt praaien en verzoeken mijn kleuren te wijzen. — Maar ook op mijn eigen naam heb ik zeer goede certificaten, die wellicht beteren indruk op UEd. zouden maken.quot;

Dit zeggende, opende hij een verborgen gedeelte van zijn brieventasch en haalde daaruit wederom eenige papieren voor den dag.

„Wat dunkt u van dit certificaat?quot; vroeg hij, mij een der bewij sstukken overhandigende.

Ik nam het op en las niet zonder verbazing een geschrift

ocr page 304

278

in de Spaansche taal, geteekend door den Graaf van Talavera, on getuigende, dat Sander Gerritz, geboortig van Amsterdam, hem met onkreukbare trouw en ijver gediend had.

„Dat kan wel zoo valsch zijn als de rest.quot; zeide ik, het hem teruggevende.

„Ho! ho! men kent aan onze kantoren zoowel als aan de landssecretarie de naamteekening van den Graaf van Talavera. — Doch hier zijn nog meer stukken, alle van bekende en nog levende personen; als hier is de attestatie van Schipper Slingertouw, met wien ik als halfwassen brasem drie reizen naar de Oost heb gedaan, van Schipper Blauwketting, bij wien ik twee jaren stuurmansleerling geweest ben, van Kapitein quot;Wijdwimpel, daar ik onderstuurman bij was, van Kapitein Pulver, waar . . . .quot;

„Diens handteekening zouden wij terstond kunnen doen erkennen,quot; zeide ik: „want de man bevindt zich in de eetzaal.quot;

,.De duiker, doet hij,quot; riep Sander, zijn papieren snel verbergende; „ik zou, wel is waar, den ouden pekbroek nog gaarne eens terugzien; maar och! door kennis krijgt men kennis en men mocht op zulk een wijze dingen van mij te weten komen, welke ik liever achterbaks boude.quot;

„Mag ik u eens vragen,quot; hernam ik, „of er onder die certificaten geen is van zekeren Don Manoël, onder wien gij waarschijnlijk ook gediend hebt?quot;

Sander zag mij een wijl aan met doordringenden blik: „UEd. vraagt mij naar den bekenden weg,quot; zeide hij vervolgens, „en weet zoogoed als ik, dat de man er ook bij is, al luidt zijn naam wat deftiger. — Maar dit daargelaten, UEd. kan uit dit alles besluiten, dat ik onder mijn eigen vlag niet durf varen en dus wel valsche kleuren dien te wijzen. Hoe wil ik nu mijn weg beteren, daar ik, 't ga, hoe 't ga, gedwongen ben de lieden of te bedriegen, öf te bestelen?quot;

„Mijn vader,quot; zeide ik, „is een rechtschapen man: zoo gij u bij hem begaaft, hem rondborstig uw levensloop verhaaldet, en hem ware begeerte toondet om uw doolpad te verlaten, zou hij waarschijnlijk in staat zijn, u kwijtschelding voor uwe

ocr page 305

begane misdrijven te bezorgen en een beter vooruitzicht voor de toekomst te openen.quot;

„Al is,quot; zeide Sander, „het schip nog zoo lek en de branding nog zoo fel, zoo zal de matroos, om zijn leven te redden, niet overboord springen, wanneer hij haaien voor den boeg ziet. Ik dank u. Mijnheer Huyck! maar ik heb mijn nek te lief om uw voorslag aan te nemen. Mijn oogmerk is naar Eusland of Noorwegen te gaan en te zien, of men mij daar gebruiken kan: want dat loeren achter de struiken, en dat openveteren van nachtsloten is geen werk voor iemand, die een korvet gecommandeerd heeft.quot;

„De Hemel geleide u,quot; zeide ik: „maar hebt gij mij nu nog verder iets te zeggen? Het gezelschap wacht mij, en . . . .quot;

„En dat van een boef, gelijk ik, begint u lastig te worden: dit begrijp ik. Ik zal het kort maken. Deze kleinigheid verzoek ik u aan te nemen als herinnering aan onze ontmoeting en als een bewijs mijner erkentelijkheid.quot;

Dit zeggende, bood hij mij een ring aan, met fraaie bril-1 anten omzet.

„Ik dank u,quot; antwoordde ik, het geschenk afwijzende: „ik heb geen waarborg, dat gij recht hebt, dien ring weg te geven, en bovendien verlang ik geen verplichting aan u te hebben.quot;

„De ring behoort mij,quot; zeide Sander, „ik heb dien met het zwaard genomen van een kaper, die in onze jacht was komen stroopen en wien wij zijn buit deden overgeven. Doch, begeert gij hem niet, het is wel, zoo blijf ik uw schuldenaar. Tweemalen hebt gij mij ontmoet: ook deze reis vertrouw ik op uwe bescheidenheid te kunnen rekenen.quot;

„Nog vier en twintig uren,quot; zeide ik, „wil ik u die beloven; maar zijn die verstreken, dan acht ik het mijn plicht als burger, uw verblijf te ontdekken.quot;

„Over vier en twintig uren moogt gij, wat mij betreft, op de daken schreeuwen, dat Sander Gerritz, Joachim quot;Weerglas en Zwarte Piet slechts één persoon zijn.quot;

„'t Is wel! maar maak nu, dat gij voortkomt. Ik hoor de gasten reeds opstaan.quot;

ocr page 306

2S0

„Nog één verzoek; misschien kent UEd. in Amsterdam zekeren armen poëet, Lucas Helding, bij name.quot;

Ik knikte toestemmend.

„Welnu! zou ik u mogen belasten met hem dit geld ter hand te stellen. De man is behoeftig, en ik weet, dat zulks hem niet te onpas komen zal.quot;

Dit zeggende, haalde hij een geldzakje voor den dag, en stak het mij toe.

„Wat nu!quot; riep ik verbaasd. „Behoort Helding ook al tot de bende ?quot;

„Neen Mijnheer! — Maar ik heb den man vroeger gekend; ik weet, dat hij broodsgebrek lijdt en leven moet van de brokken, die rijke lieden hem toewerpen, gelijk zij aan hun hofhond zouden doen. Ik heb genoeg om de reis te ondernemen. Dit geld kan ik missen.quot;

„Verschoon mij,quot; zeide ik: „maar zoo de goede man den oorsprong van dit geld kende, zou hij het nimmer willen aannemen.quot;

„De henker hale die nauwgezetheid!quot; zeide Sander, op de lippen bijtende: „de man, wien ik dat sommetje afhandig heb gemaakt, was een vreemdeling, die wellicht te Moskou of te Weenen te huis behoort en wien ik het niet kan terugzenden. Ik wil er mij van ontdoen: kan ik beter handelen, dan door het aan aalmoezen te besteden? En heb ik dan geen recht, iemand daarmede bevoordeelen, die arm en braaf is?quot;

„Gij zoudt althans rechtvaardiger handelen,quot; antwoordde ik, „door het aan de lieden terug te geven, die gij bestolen hebt, en die gij kent. Vergoeding gaat boven aalmoezen.quot;

„Vergoeding!quot; riep hij ongeduldig uit: „en wat heb ik hem niet te vergoeden? Hoor eens. Mijnheer! en beoordeel mij. Zes jaren geleden, voor ik met Kapitein Pulver uitzeilde, had ik kennis aan de dochter van Helding: een engel van braafheid, de lust van haar vader en van al wie haar kende. AVij hadden elkander lief: zij zou mijn vrouw worden, zoodra ik Stuurman was. 's Avonds voor mijn vertrek, daar wij met ons beiden alleen waren.....quot; Hier begon Sander te snikken.

ocr page 307

281

„Ik versta u,quot; zeide ik, getroffen over de ontroering van den man, bij wien in weerwil zijner wanbedrijven het goede zaad nog niet geheel verstikt scheen te zijn: „gij waart ondernemend en zij wellicht te zwak. . .

„Ja Mijnheer! — Ik ging op reis. Wij hadden met tegenspoeden van allerlei aard te kampen. Wij werden door zee-roovers gevangen; en, door nood gedwongen, trad ik bij hen in dienst. Ik verwierf mij het vertrouwen en de gunst van het opperhoofd, die mij al spoedig tot zijn Luitenant verhief. Hoe hij ons verliet en hoe ikzelf na zijn vertrek het bevel bekwam, en den naam van Zwarten Piet niet minder beroemd maakte dan die van Don Manoël geweest was, ware te lang om hier te vertellen. De fortuin liep ons eindelijk tegen: ik werd gevangengenomen, doch ontsnapte en kwam op een Hol-landsch schip terug. Te Helvoet echter werd ik herkend door een Kapitein, wiens vaartuig ik geplunderd had: ik ontsnapte den rakkers, die mij zochten, en leidde sinds een zwervend leven. Van zeeschuimer werd ik struikroover; maar, zooals ik u zeide, dit laatste beroep begon mij tegen te staan. Ik trachtte intusschen narichten in te winnen omtrent Klaartje; want, ofschoon ik in de West-lndiën, en toen ik geen gedachten had haar ooit weer te zien, haar beeld zoo wat op den achtergrond had gezet, bij mijn terugkomst in mijn vaderland was het of mijn liefde met dubbele kracht herleefde; —■ maar och. Mijnheer! wat moest ik hooren? Zij was weg, zij had haar vader verlaten, was van kwaad tot erger geraakt, en leidde nu hier, dan daar, een ongebonden leven. — Ik weet, het is slechts gedeeltelijk mijne schuld: en echter is het mij, als had ik al die ellende veroorzaakt. — Ben ik nu den ouden man vergoeding schuldig of niet?quot;

De gelaatstrekken van Sander hadden gedurende dit verhaal, hetwelk hij onder gedurig snikken en met een bevende stem gedaan had, dezelfde bleekheid en ontroering vertoond, welke mij in de kerk des morgens getroffen hadden. Ik besefte nu, waarom het tafereel, door den Predikant gemaald, zulk een indruk op hem gemaakt had.

ocr page 308

282

„Helding zal, indien dit alles waar is, van u althans niets Avillen aanvaarden,quot; hernam ik, zelf niet wetende, wat te zeggen.

„Dat behoeft ook niet, Helding weet niet, mag niet weten, van wien dit komt. Nog eens, wat ik u bidden mag, bezorg dit aan den goeden man.quot;

,,Hebt gij geene andere gelegenheid ?quot; vroeg ik, eenigszins bedremmeld; want ik hoorde het gezelschap, dat door de gang kwam en de stoep aftrad.

„Ik heb,quot; antwoordde hij, „onder mijn kennissen geen eerlijke lieden genoeg, om hun zulk een boodschap op te dragen: — hier ligt het geld: ik neem het niet weer op: — gij zult — gij moet het bezorgen.quot;

„In waarheid!quot; hernam ik: „het is een commissie, die ik met mijn geweten niet kan overeenbrengen. Gij maakt mij tot heler van gestolen goed.quot;

„Uw dienaar, Mijnheer! God zegene u.quot; En zich buigende, opende hij de deur om te vertrekken, toen hem iemand, die juist binnenkwam, met een vaart tegen 't lijf kwam aanloopen.

„Vergeving! vergeving!quot; zeide Kapitein Pulver; want deze was het: „ik kwam mijn hoed zoeken, dien ik hier gelaten heb....; maar wat deksel! de droes is zoo niet!quot; En hij bleef Sander met een open mond aanstaren. Deze was een oogenblik onthutst; maar, zich herstellende, wendde hij het gezicht naar mij toe en van Pulver af en wilde het vertrek verlaten.

„Maar voor den duiker!quot; riep Pulver, die al om hem heen gedraaid had: „heb ik het mis of heb ik het wis? Is UEd., als ik mag vragen . . ..quot;

„Uw dienaar. Sinjeur!quot; zeide Sander, zich haastig door de gang naar de voordeur begevende.

„Maar met uw verlof! een amerijtje geduld!quot; riep Pulver, hem navolgende: „Sander! ben je 't? of ben je 't niet? San-der tje! ken je Kapitein Pulver niet meer?quot;

Sander zag waarschijnlijk, dat alleen onbeschaamdheid hem uit dezen pas kon redden. Hij draaide zich aan de voordeur

ocr page 309

283

om, trad met een vasten stap naar Pulver toe en zag hem stijf in 't gezicht.

„Sinjeur!quot; zeide hij: „hier heeft een misverstand plaats. UEd. heeft den verkeerde voor. Mijn naam is Joachim Weerglas. Ik heb de eer u te groeten.quot;

Dit gezegd hebbende, maakte hij rechtsomkeert, liet Pulver bedremmeld staan, stapte de stoep af, en, in het voorbijgaan het gezelschap, dat op het voorplein stond, deftig groetende, wandelde hij zonder overhaasting de plaats af.

„Nu! ik mag lijden dat mijn fokkemast in een nachtkaars verandert,quot; zeide Pulver, hem verbaasd naoogende: „indien ik ooit zulk een gelijkenis meer gezien heb.quot;

„Ik moet zeggen, Neef!quot; zeide Tante, toen ik, na den geldzak op mijn kamer gebracht te hebben, weder buiten gekomen was: „die Monsieur is lang van stof. Wat had die met u te verhandelen?quot;

„O! heel wat,quot; zeide ik: „meer dan ik thans vertellen kan.quot;

„Wie was die Heer?quot; vroeg Suzanna: „mij dunkt, ik heb hem hedenmorgen in de kerk gezien.quot;

„Gij hadt beter gedaan,quot; zeide ik, een andere wending aan het gesprek wenschende te geven, „den Predikant aan te zien, dan de jonge Messieurs te begluren.quot;

„Kan ik het helpen?quot; hernam Suzanna: „die man dwong mij wel hem aan te kijken; want hij snikte zoo luid, dat iedereen het hoorde.quot;

„Inderdaad,quot; zeide Henriëtte: „nu gij 't zegt, herinner ik mij ook, hem te hebben opgemerkt. Hij scheen zeer getroffen door de predikatie.quot;

„Gekheid!quot; zeide Suzanna: „hij huilde van verdriet bij de gedachte, dat hij bij gebrek aan contanten al de kermisvermaken zou moeten missen, welke Dominee zoo treffend afschilderde, zoodat hij, als zijn meisje hem van avond vraagt:

Jan! koop mij een kermis.

zal moeten antwoorden:

Mooi meisje! ik heb er geen geld.';

ocr page 310

284

„Xu zijt gij er toch niet achter, Zusje!quot; zeide ik: „want hij kwam mij juist verlof verzoeken om met u ter kermis te gaan.quot;

..Zoo! En ik hoop dat gij gezegd hebt: als 't u belieft.quot;

„Ik zeide, wij waren al Heeren genoeg.quot;

„Wel foei! zoo zal ik nooit een vrijer krijgen, als gij die op zulk een manier afscheept. — Maar, Kapitein Pulver! Hoe is het? Gij kijkt dien Monsieur nogal na, schoon hij reeds lang uit het gezicht is. Ik heb wel gehoord, dat de zeelui door oefening een scherp gezicht krijgen! maar toch! of gij hem zoo door de bladeren heen kunt ontdekken, dat zou mij verwonderen.quot;

„Kapitein Pulver meende, geloof ik, dat hij den mankende,quot; zeide ik.

„Ja waarlijk!quot; zeide Pulver, als uit een droom ontwakende: „en ik geloof het nog.quot;

„Kent gij Monsieur Weerglas?quot; vroeg Tante, hem naderende : „want ik meen, dat hij het was.quot;

„Monsieur Weerglas!quot; herhaalde Pulver: „ik heb nooit een weerglas gekend dan hetgeen ik aan boord gebruik en gemaakt is door Michiel Blut op den Zeedijk. De waarheid is, dat de man als twee druppelen water gelijkt op mijn Onderstuurman Sander Gerritsz, daar ik heden van verteld heb.quot;

„De Kapitein,quot; zeide Suzanna tegen Tante, „dacht als Phocas bij Corneille:

Tombai-je dans l'erreur ou si j'en vais sortir?quot;

„Ja Juffertje! als ik Fransch verstond,quot; zeide Pulver, „dan zou ik dat misschien gedacht hebben; maar ik heb dien kornoelje nooit gekend.quot;

„Kom!quot; zeide Tante: „laat ons maar niet meer aan dien man denken, en onze wandeling voortzetten. Daar is Van Baaien al een eind vooruit met den Heer Blaek, en zij zijn zoo druk over den wissel op Londen aan den gang, dat zij niet bespeuren, dat wij achterblijven. En de Heer Lodewijk. waar is die?quot;

ocr page 311

285

„Ik geloof naar stal,quot; zeide Henriëtte: „om de paarden van den Heer Van Baaien te zien.quot;

„Aha! zoo hij die boven ons gezelschap verkiest,quot; zeide Suzanna, „dan zie ik wel, dat ik op hem ook niet zal moeten rekenen, om mij hedenavond ter kermis te brengen, en ik zal Kapitein Pulver wel te vriend mogen houden: anders ben ik geheel zonder vrijer.quot;

„Tante heeft wel gelijk,quot; zeide ik stil tegen Henriëtte: „wanneer zij zegt, dat wij dien Monsieur Weerglas moeten daarlaten. Hij heeft mij ton minste lang genoeg onttrokken aan een gezelschap, dat mij boven alles aangenaam is.quot;

„Mijnheer!quot; antwoordde Henriëtte: „gij herinnert u onze afspraak op den koepel wel? Wij zouden alle complimenten daarlaten.quot;

„Ik kan het waarlijk niet helpen.quot; zeide ik, „dat gij geen onderscheid weet te maken tusschen \yaarheid en complimenten.quot;

Op deze wijze pratende, wandelden wij voort, terwijl Suzanna den zeeman had beetgenomen, wien zij allerlei vragen deed, en Tante nu rechts dan links liep, om bloemen te plukken, welke zij alsdan aan de jonge meisjes kwam aanbieden. Na eenigen tijd vervoegde zich Lodewijk weder bij ons, of liever bij Van Baaien, met wien hij, na lang loven en bieden, den koop eens werd over de harddravers, onder beding, dat hij die nog eens zoude probeeren.

Te huis gekeerd, vonden wij de theetafel, die ons wachtte: en terwijl wij het geurige kruid dronken, liet ik, mij van alle onzekerheid wenschende te ontslaan, het gesprek vallen op de Spaansche aangelegenheden: waarna ik. bij mijn neus langs, de vraag deed, of iemand den Graaf van Talavera ooit had hooren noemen.

Het kwam mij voor, of de Heer Blaek bij deze vraag eenigszins van kleur veranderde: hij hield zich althans, of hij die nooit gehoord had; maar Van Baaien haastte zich te antwoorden :

„Den Graaf van Talavera! wel zeker! wie kent dien niet? Hij was Vlies-Ridder, Grande van Spanje, Admiraal van Cas-

ocr page 312

286

tilië, gunsteling des Konings; in één woord, een troetelkind van 't geluk; —• maar 't kan verkeeren, zegt Bredere: en met hem is het ook mal afgeloopen. Hij is in ongenade geraakt, heeft zich uit de voeten gemaakt en niemand weet, wat er van hem geworden is.quot;

„'t Is waar ook,quot; hervatte ik: „nu herinner ik mij, vroeger wel van den man gehoord te hebben.quot;

„Stil! stil toch!quot; zeide Tante, terwijl zij Van Baaien met den elleboog aanstootte.

„Ik mag er dan toch wel bij vertellen,quot; vervolgde hij, niets van de geheime wenken van Tante begrijpende, „dat hij eigenlijk een Gelderschman van geboorte was en zijn loopbaan in 's lands dienst begonnen is. De Heer Blaek zal zich Baron Van Lintz wel herinneren?quot;

„Ik, Mijnheer?quot; vroeg de Heer Blaek, terwijl hij moeite had, om het theekopje, dat in zijn hand beefde, aan den mond te brengen: „met uw verlof.... neen.... ik herinner mij niets van hem.quot;

„Mets! Is dan niet.... O! hoe kan ik zoo dom zijn?quot; zeide Van Baaien, terwijl hij zichzelven met de vuist voor het hoofd sloeg: „Ik was waarlijk uwe betrekking tot dien man vergeten. Ik verzoek verschooning: ik heb mij schandelijk voorbijgepraat. Zoo iets kan slechts mij alleen gebeuren. Ik ben de ongelukkigste man van de wereld.quot;

Nu was ik nog even wijs. Ik keek rond: de Heer Blaek was van zijn ontsteltenis nauwelijks teruggekomen: Van Baaien ging voort met excuses te maken. Henriëtte zag met haar groote en fraaie oogen iedereen beurtelings aan als om opheldering te vragen. Tante bood theerandjes en confituren aan, en deed haar best om de aandacht af te trekken. Bodewijk neuriede een Fransch liedje en Suzanna mompelde in zichzelve:

„Et jamais dans Larisse un lache ravisseui-Me vint-il enlever ou ma femme ou masoeur?quot;

Wat Pulver betreft, hij was in zulk een rookwolk gehuld.

ocr page 313

287

dat het mij onmogelijk was zijn gelaat te onderscheiden.

Het gesprek werd nu, zooals meestal het geval is na een dergelijk incident, koud en onbeduidend: ja, het was met een waar genoegen, dat iedereen het theegoed zag wegnemen, waarna wij gezamenlijk een wandeling in het dorp gingen doen. Dewijl de kermisvermakelijkheden, welke wij daar hij-woonden, niet van dien aard waren, dat de beschrijving daarvan eenigszins belangrijk voor den lezer zoude zijn, maar slechts dienen zoude, om mijn verhaal nutteloos te verlengen, zal ik hier alleen vermelden, dat Suzanna, bij het gooien aan een koekkraam, door de fortuin begunstigd werd en het geluk had van een grooten koek te trekken, waarop met gouden letters te lezen stond:

DIT IS VOOR MIJN.

Wij keerden tegen negen uren huiswaarts, waarna de vier genoodigde Heeren, wier rijtuigen reeds een poos gewacht hadden, hun afscheid namen en Heizicht verlieten.

ACHTTIENDE HOOFDSTUK,

WAARIN FERDINAND OP ZIJN KANTOOR GEÏNSTALLEERD, EN, ALS KRELIS LOUWEN, OP EEN POËTENMAAL WOEDT GENOODIGD.

Het was met een beklemd hart, dat ik den volgenden morgen de sjees van Tante zag voorkomen, om mij naar Amsterdam terug te brengen, en mij een plaats te doen verlaten, waar ik een voorwerp achterliet, dat mij ondanks onze korte kennismaking, onuitsprekelijk dierbaar geworden was. Ik mocht

ocr page 314

288

echter mijn verblijf niet langer rekken; want ik moest dien dag bij den Heer Van Baaien zijn om mijn nieuwe betrekking-te aanvaarden : en ik wil niet ontkennen dat de gedachte mij streelde, van niet langer, gelijk voor vijf dagen, te Amsterdam aan te komen, als een berooide straatslijper, die niets te verdienen heeft, maar als medechef van een geaccrediteerd handelshuis. Deze betrekking gaf mij dan ook tevens eenigen waarborg om met meer vrijmoedigheid aanzoek te kunnen doen naar de hand van een meisje, hetwelk ik niet zoude ten huwelijk durven vragen, zonder het vooruitzicht te hebben, van haar eerlang een maatschappelijke positie te verschaffen, geëvenre'digd aan die, waaraan zij gewoon was. Deze en dergelijke gedachten beurden mij onderweg zoodanig op, dat ik in eene recht opgeruimde stemming te huis kwam. Na mijn moeder omhelsd, en de jonge leden der familie verheugd te hebben met een grooten koek, dien Suzanna mij voor hen had medegegeven, begaf ik mij naar het huis van Van Baaien, die mij uiterst minzaam ontving en terstond naar zijn kantoor geleidde, waar ik met alle behoorlijke plechtigheid aan de boekhouders, bedienden en loopers werd voorgesteld.

„Ik heb dezen hoek voor u bestemd,quot; zeide Van Baaien: „hopende dat de plaats en het licht u gevallen — en dien lessenaar geledigd, dien UEd. gebruiken kan. zoolang er geen nieuwe vervaardigd is. — Wijdveld! haal de boeken eens, dat Mijnheer Huyck eenig denkbeeld moge bekomen, hoe de zaken staan en op wat hoogte wij zoo wat zijn. — Zoo UEd. eenige kopieën of notitie van 't een of 't ander verlangt, heeft UEd. maar te spreken; en, heeft UEd. eenige inlichtingen noodig. Wijdveld of ikzelf zijn altijd bereid u die te geven.quot;

Gedurende deze minzame toespraak van mijn nieuwen compagnon, had Wijdveld, de tweede boekhouder, al de boeken aangebracht, voor mij op de schrijftafel nedergelegd en aan liet laatst beschreven folio opgeslagen, waarna hij zich weder naar zijn lessenaar begaf. Ik riep nu al mijn opmerkzaamheid en hetgeen mij van de theoretische kennis van het Italiaansch boekhouden uit mijne schooljaren was bijgebleven, te hulp,

ocr page 315

289

om mij met den staat der zaken bekend te maken. Van Baaien had. naar het mij dien dag voorkwam, overal het oog, en, gelijk mij later bleek, ook het hoofd bij: en, zonder zijn plaats of werk te verlaten, wist hij dat zijner ondergeschikten zorgvuldig na te gaan, hun zijn bevelen te geven, hen, waar 't noodig was, te recht te wijzen, en op mijn gezicht te lezen, wanneer ik hier of daar zwarigheden ontmoette.

„Mijnheer Karelsz!quot; zeide hij, na eenen der ontvangen brieven gelezen te hebben, tot den eersten boekhouder: „Hein-rich Haspel en Co. te Hamburg schrijven ons hun te remit-teeren a 33J- st. per daalder van 32 !) lubs of op Frankfort a 85 $ per florijn van 65 kreutzers.quot;

„Ik geloof,quot; zeide Karelsz, „dat wij a 84 amp; op Frankfort kunnen remitteeren.quot;

„Ja,quot; zeide Van Baaien: „en tot 33 st. op Hamburg, hetgeen hun nog voordeeliger uitkomt. Laat Pietje Van Lingen het juiste verschil eens opmaken: — en tevens, hoeveel wij in courant geld moeten uittellen om de 1024000 reis aan Isodore Perez te Lissabon te remitteeren a 110 % per dukaat, de agio 3^ percent. — Hier is een advies van John Smith te Londen, dat hij 480 stuks Blok-tin voor onze rekening heeft ingekocht en te Cadix geconsigneerd om aldaar voor onze rekening te verkoopen .... die factuur loopt hoog genoeg: 496 t sterling; maar de ongelden schijnen grooter geweest te zijn dan gewoonlijk: — Monsieur Snijders! wanneer gij er in geslaagd zult zijn, uw pen te vermaken, waaraan gij sedert een half uur bezig zijt, wees dan zoo goed, deze factuur eens over te brengen: en te zien hoe onze rekening met dat huis staat: — het verwondert mij. dat hij niets schrijft over die vier balen Beathilies Ternatanes, die hem in de vorige week gezonden zijn; het heeft wel is waar nogal gestormd op zee: en de beurtman kan te laat zijn aangekomen : —- aan die Suiker van Harry Harding op Sint-Christoflfel behoeft geen rekening gegeven te worden. Mijnheer Wijdveld! Ik heb van dien man geen goed meer te wachten. - Ik zie

i. - F. H. 19

ocr page 316

290

al, waar TTEd. naar zoekt, Mijnheer Huyek! UEd. is waarschijnlijk verwonderd, dat de agio niet bij iederen wissel genoteerd staat: maar het is mijne gewoonte, dat op zijn beloop te laten en bij 't sluiten der rekening het bedrag der agio op Rekening van Agio te brengen, en de rest op Winst en Verlies. — Mijnheer Karelsz, hebt gij al een nota van De Wijs over den verkoop van die 36 Ceroenen Indigo Lauro? Wees anders zoo goed hem daaraan te herinneren: en zeg hem, dat, zoo hij die niet dadelijk inlevert, ik mij van een anderen makelaar zal bedienen; — en denk toch, om Van Erkeles te waarschuwen wegens de assurantie voor de „Fortuinquot;. Pulver heeft zich al beklaagd, dat men het schip nog niet is komen opnemen. Ziedaar, Mijnheer Huyck! hier is een circulaire, die ik gesteld heb, om bericht van onze compagnieschap te geven: UEd. gelieve uw oordeel daarover te zeggen. Nu zie! dat is mis,quot; vervolgde hij, een anderen brief lezende, en dien aan Karelsz overreikende, die bleek werd als oen doek.

„Hemel!quot; zeide deze, met een zachte stem, zoodat geen dei-bedienden het hooren kon; „dat is een ongeval! wie had dat

kunnen droomen?quot;

„'t Zijn veertig duizend gulden in 't water,quot; zeide Van Baaien, de schouders ophalende, doch zonder een gezicht te vertrekken.

„Paulus Leyster insolvent!quot; hernam Karelsz, zuchtende: „ik had zooveel vertrouwen in zijn soliditeit.quot;

„Stil!quot; zeide Van Baaien: „men behoeft niet precies te weten, wat wij daaraan verliezen. Bovendien, zonder schade hier of daar gaat de negotie nooit. Tracht intusschen berichten in te winnen, of er nog wat van te recht komt. Mijnheer Huyck! ik zal u dit later wel vertellen, 't Valt gelukkig, dat UEd. hier nog niets mede te maken heeft; doch UEd. kan ei uit zien, dat het ons niet altijd voor den wind gaat.quot;

Dit was het eenige beklag, dat hij zich veroorloofde. Ik kon van mijne verbazing niet terugkomen. Was deze dezelfde man, wien ik den dag te voren zoo morrende en klagende had leeren kennen. Hij had zich den ongelukkigsten man der we-

ocr page 317

291

reld genoemd, omdat zijn tuinbaas hem geen doperwtjes kon leveren, en hij droeg met gelatenheid een verlies van veertigduizend gulden. Hoe verkeerd, dacht ik, zijn de oordeelvellingen der menschen bij een slechts oppervlakkige kennis! Wie den Heer Van Baaien alleen in de gewone samenleving ontmoet had, zou hem niet anders hebben beschouwd dan als een verdrietigen, gemelijken, verstrooiden knorrepot, die zich-zelven en anderen tot last leefde; — en ook alzoo had ik hem beoordeeld, en reeds het denkbeeld mij beangst, van in zijn gezelschap mijn dagen te moeten slijten. Hoezeer had ik mij bedrogen! en hoe aangenaam vond ik mij verrast, nu ik hem in zijn waarde leerde kennen; en, dat ik het hier bij-voege, hoe meer tijd ik in het vervolg met hem sleet, hoe meer ik zijn rustelooze werkzaamheid, zijn helder inzicht in de zaken, zijn geest van orde, zijn kordaatheid in 't handelen en zijn gelijkheid van gemoed bij voor- en tegenspoed leerde bewonderen. Slechts op ééne wijze heb ik mij dat verschil tusschen Van Baaien op 't kantoor en Van Baaien in de wereld kunnen verklaren. Hij was van de natuur tot handelaar bestemd, en door zijn stand in de maatschappij tot uitgaan gedwongen. In zaken was hij op zijn plaats: in de wereld speelde hij een rol. Maar zijn ziel was bij zijn affaire en bleef er bij, al was zijn lichaam in de dagelijksche kringen aanwezig; hij gevoelde zich aldaar niet op zijn gemak: en verveling, zucht om zonderling te schijnen, wrevel, of al deze aandoeningen te zamen genomen, bedierven alsdan zijn luim en vormden hem tot den man, dien ik vroeger geschilderd heb.

Terwijl ik mij nog op het kantoor bevond, kwam mijn boodschap aan Helding mij in de gedachten. Ik was eerst voornemens geweest, die aan Hoynsz op te dragen: maar de vrees om vermoedens te wekken had mij dit plan doen verwerpen : en ik begreep, dat het beter ware en meer overeenkomstig met het doel des zenders, het geld op een zoodanige wijze in handen des dichters te spelen, dat men nimmer kon nagaan van wien het kwam. Toen dus, bij het sluiten van het kantoor, de bediende kwam hooren, of de patroon nog

ocr page 318

292

iets te ZGg'^on had, vcrzoclit ik vörlof citin quot;Vein. Hriciloiij dien man met een commissie te belasten: dit toegestaan zijnde, nam ik den looper ter zijde, deelde hem mijne instructiën mede, en stelde hem vervolgens het geld ter hand, dat ik, om op alle gelegenheden gewapend te zijn, bij 't van huis gaan had bij mij gestoken. Ik bleef toen nog eenigen tijd met Van Baaien alleen, ten einde al wat onze compagnieschap betrof op een behoorlijken voet te regelen, en keerde recht

tevreden naar huis.

Op den avond van dien dag zat mijn familie in onze huiskamer vereenigd. Tante Letje was bij ons te bezoek en ik was naar mijn kamer gegaan om eenige plaatwerken te krijgen, die ik aan de mijnen wilde laten zien, toen ik hoorde, dat er iemand aangediend en na eenig toevens binnengelaten werd. Ik kwam weder beneden, mijn platen onder den arm houdende, en was niet weinig verbaasd en teleurgesteld, toen ik ontdekte dat de bezoeker niemand anders was dan vriend Helding, die, zoodra hij mij zag, naar mij toekwam, en met de meeste eerbiedigheid mij zijn dank betuigde voor de weldaad, die ik hem bewezen had.

Ik stond als van den donder getroffen en verwenschte het toeval, dat ik juist uit de kamer was, toen hij zich had laten aandienen: daar ik in het tegenovergestelde geval naar hem had kunnen gaan en hem afzonderlijk spreken: en nu, vreesde ik, zou de bommel losbreken.

„Maar mijn waarde Monsieur Helding!quot; zeide ik eindelyk: ,,ik weet niet waar UEd. van spreekt: ik betuig u, dat uw dankzeggingen mij zoo vreemd voorkomen ....

„Wel ja!quot; zeide mijn vader, die van meening was, dat Helding voor de twee dukaten bedanken kwam: „UEd. behoefde waarlijk niet de moeite te doen, van daarvoor hier te komen. Het gedicht, waarmede UEd. ons vereerd hebt, is slechts weinig betaald met zulk een bagatelletje.quot;

„Een bagatelletje, Ed.-Gestr. Heer!quot; riep Helding: „waarlijk! zoo UEd. honderd Zeeuwen een bagatelletje noemt! voor UEd. is 't mogelijk, maar voor mij waarachtig niet.quot;

ocr page 319

„Honderd Zeeuwen!quot; herhaalde mijn vader: „hier moet een misverstand plaats hebben: dat geld komt van mij niet: en ik betwijfel, of mijn zoon ook genoeg bij kas is om zulke munera weg te geven.quot;

„Eilieve, Ed.-Gestr, Heer!quot; hervatte de poëet: „UEd. drijft het al te verre. Zulk een edele wijze van schenken verhoogt de waarde van het geschonkene.quot;

„Dat uw slinkerhand niet wete wat uw rechter geeft,quot; mompelde Tante Letje.

„Maar het is vruchteloos,quot; vervolgde Helding, „de zaak te willen verbloemen. Hoe fijn het werk ook bestoken was, ik ben er toch achter gekomen.quot;

„Eilieve! Geef ons de his tor ia facti eens,quot; zeide mijn vader, „want ik ben nieuwsgierig te weten hoe de vork in den steel zit.quot;

„Met genoegen, Edel-Gestr. Heer. Ik zat daar op mijn bovenkamer en had een veldzang ter gelegenheid der verjaring van den Heere Smethof voor mij, terwijl Heynsz, mijn huisheer, juist bij mij zat en mij een quitantie schreef voor drie maanden huur, die ik hem voldeed uit de twee dukaten, die UEd. laatst bij mij gelaten hadt. Daar wordt aan mijn deur geklopt: ik zeg „binnen!quot; daar komt mij een Monsieur binnen: „Monsieur Lucas Helding?quot; — „Dezelfde,quot; zeg ik. „Dan moet ik u dit zakje overhandigen,quot; zegt hij: „wees zoo goed, mij quitantie daarvoor te geven.quot; Met begon hij het geld op de tafel uit te tellen: alle gerande Zeeuwsche Rijksdaalders. Ik was zoo buiten mijzelf, dat ik beefde als een rieten blad. „Maar man!quot; zeg ik: „UEd. is zeker abuis. Ik ben geen geld te wachten.quot; — „Geen abuis ter wereld,quot; zegt hij, terwijl hij het geld al vast voortelde: „zoo UEd. Lucas Helding is; 29, 30. 31.quot; — Maar van wie komt het toch?quot; vroeg ik. — „Ja! dat mag ik niet zeggen: 45, 46, 47.quot; — Het was mij alsof alles mij draaide voor de oogen! zulk een som gelds te zien. —- „Wel!quot; zeide Heynsz: „ik zou het maar opsteken. Men moet zoo geen koren van den molen sturen.quot; — „Och!quot; zeide ik: „Sinjeur Heynsz! wees

ocr page 320

294

zoo goed en schrijf mij de quitantie eens. Gij zijt nu toch bezig: en ik zou niet in staat zijn. een letter op 't papier te stellen, zoo confuus ben ik,quot; — „Daar heb ik niet tegen,quot; zeide hij: „hoe groot is de som?quot; — „Tweehonderd zestig gulden,quot; zei de vreemde persoon. — Nu, Heynsz schreef het reQu: ik teekende, en de man kuierde weg. „Begrijp je daar iets van, Sinjeur Heynsz?quot; vroeg ik. „Neen,quot; zei hij: „maar 't is een buitenkansje, daar ik u geluk mee wensch. . . .quot; „Ken je die man?quot; vroeg ik weer. „Jawel!quot; zeide hij: 't is een kantoorknecht bij Van Baaien.quot;

„Dat die drommelsche verklikker ook tegenwoordig moest zijn,quot; dacht ik, bij dit gedeelte van Holdings verhaal. Deze vervolgde:

„Dat was aan geen doove gezeid. Ik gaf mijn geld aan Heynsz om te bergen en liep naar den Heer Van Baaien. Maar jawel! Ik had pas een paar woorden gezegd, of ik merkte, dat het alweer mis was. „Ik geef mijn geld zoo niet weg,quot; zeide hij, en liet daarop den kantoorknecht roepen, die juist aan huis was. Toen kwam het hooge woord er uit: hij had het van UEd. gekregen om het mij te bezorgen.quot;

Hier zette mijn geheele familie groote oogen op en ik sloeg de mijne neder, mijn noodlottig gesternte verwenschende.

„Ik wist niet, dat uwe middelen zoo ruim waren,quot; zeide mijn vader met bevreemding.

„Het spijt mij, dat het ontdekt is,quot; hernam ik; „maar ik kan u verklaren. Monsieur Helding! dat uw dankbetuigingen niet aan mij behooren gericht te zijn. UEd. is het geld evenmin aan mij verschuldigd als aan den kantoorknecht, die het u gebracht heeft; want beiden hebben wij het van een derde ontvangen: en de hand, die 't mij ter hand stelde, wil niet genoemd zijn.quot;

Mijn toon was zoo ernstig, dat Helding overtuigd scheen. Nu keek hij mijn vader aan; maar deze schudde het hoofd, en mompelde: „Etiam per in ter pos it am personam donatio consummari potest; maar ik begrijp er niets van.quot;

ocr page 321

295

^En mag ik er volstrekt niet naar raden, wie de zender is?quot; vroeg Helding.

„Ik verzeker u,quot; was mijn antwoord, „dat gij daar vergeef-sche moeite toe zoudt doen. Het is mij bovendien volstrekt verboden u iets dienaangaande te vertellen.quot;

Helding zuchtte en haalde de schouders op: „in dat geval ben ik UEd. toch altijd dankbaar voor de bezorging,quot; zeide hij: „en hetzij UEd. de zender zijt of niet, zoo wil ik toch niet nalaten, UEd. het tweede oogmerk mijner komst mede te deelen, zijnde om UEd. te noodigen op een klein partijtje, dat ik sedert lang aan eenige mijner kunstvrienden schuldig ben en nu eindelijk in staat ben gesteld, hun te geven.quot;

„Miin waarde Monsieur Helding!quot; zeide ik; „ik ben volstrekt niet op de hoogte, om met geleerde lieden om te gaan, en zal bovendien thans drukten genoeg aan de hand krijgen, die mij dergelijke partijen wel zullen beletten.quot;

„Ja! dat vind ik ook,quot; zeide mijn moeder, mij met bezorgdheid aanziende: „dergelijke partijen duren somtijds laat: men gebruikt er meer wijn dan gewoonlijk, en de gezondheid lijdt er door.quot;

„Och! UEd. meent het niet,quot; zeide Helding: „de Jongeheer kan immers naar huis gaan wanneer hij verkiest, en behoeft niet meer te drinken dan hem lijkt; een glas roode wijn kan op zijne jaren zooveel kwaad niet: en dan bovendien, de Jongeheer heeft het mij beloofd.quot;

„Het zij verre van mij, hier, ongeroepen, wijsheid te willen verschaffen,quot; zeide mijn vader: „maar ik geef u. Monsieur Helding! vriendschappelijk in bedenking, of gij weldoet, de verkregene som zoo dadelijk te gebruiken om uwe vrienden te trakteeren. Ik weet wel, gij poëten acht het geld als slijk en denkt met Horatius:

Nullus argento color est avaris abdito terris;

maar toch, ik denk, dat het oogmerk des zenders geweest is, dat gij er u-zelven mede te goed deedt, en niet, dat anderen het verbrasten.quot;

ocr page 322

296

„UEd.-Gestr. spreekt zeer waar,quot; zeide Helding: „maar wat is het geval? Ik ben nu al zoovele jaren lid van een vriendenkring ter onderlinge oefening in de dichtkunst. Volgens de instellingen van ons genootschap moeten wij maandelijks bij een der leden vergaderen, die de overigen ontvangt en hun een glas wijn schenkt naar zijn vermogen. En daar zij nu weten, dat ik geen kelder heb, wisten zij het altijd zóó te schikken, dat mijne beurt werd overgeslagen. Ik heb nu zoovele jaren altijd op hunne kosten wijn gedronken, en nu wilde ik wel voor eens in mijn leven hunne beleefdheid te mijnen opzichte vergelden.quot;

„Dat is edelmoedig gedacht,quot; zeide mijn vader: „maar tochr draag zorg, dat gij niet alles aan den wijn verdoet: en bepaal u dan bij hen, aan wien gij een traktement schuldig zijt.quot;

„Nu ja!quot; zeide Helding: „of er een paar meer of minder zijn, dat zal er zooveel niet toe doen: en aan den jongen Heer, die mij in staat gesteld heeft mijn huishuur te voldoen, wilde ik toch ook wel toonen, dat ik niet ondankbaar ben. 't Is zeker wel wat vermetel van mij, te durven hopen, dat iemand als de Jongeheer Huyck mij de eer aan zoude doen mijn arme woning te bezoeken.quot;

„Volstrekt niet,quot; hernam mijn vader: „en ik heb er niet tegen, dat mijn zoon van uw uitnoodiging gebruik make, indien zijn kantoordrukten het niet beletten en hij voor dien avond niet verzeid is.quot;

„Maar lieve engel!quot; zeide mijn moeder, vreemd opziende: „gij meent het immers niet?quot;

„Kom, Keetje-lief!quot; zeide mijn vader: „wees maar tevreden: indulge veniam puero.quot;

„Ja!quot; zeide zij, de schouders ophalende: „als gij Latijn begint te praten, zal ik maar zwijgen,quot; en zij schudde het hoofd, terwijl haar geheele wezen te kennen gaf, dat zij die partij niet goedkeurde.

„Ziezoo! dat is treffelijk,quot; zeide Helding, terwijl hij zich tot mij wendde, en de handen wreef: „UEd. zal zien, het zal in orde zijn. Heynsz heeft mij veroorloofd, de gasten op zijne

ocr page 323

kamer te ontvangen, dan behoeven zij zoovele trappen niet te klimmen . ..

„En hebben minder gevaar er af te rollen,quot; dacht ik.

„En ik zal de Juffrouw, die beneden mij woont, verzoeken koffie te schenken: dan heeft het goede mensch ook reis een verzet: want zij zit den geheelen dag te kniezen en te zuchten.quot;

„En zal die Juffrouw dan alleen met al die Heeren zitten?quot; vroeg Moeder.

„Wel neen, Mevrouw!quot; antwoordde Helding, lachende: „zij zal op haar kamer blijven en ons de koffie sturen. — Och! het is een lief meisje, zoo vriendelijk, zoo zachtzinnig: nietwaar Mijnheer?quot; vroeg hij, mij tot getuige nemende.

„Zoo Ferdinand! Kent gij die Juffrouw ook al?quot; vroeg mijn moeder, half schertsend, half bestraffend.

„Dat is te zeggen, ja, ik heb haar in 't voorbijgaan gezien, toen ik Monsieur Helding bezocht,quot; antwoordde ik.

„Nu ja, gezien,quot; zeide Helding: „en een grooten dienst gedaan bovendien. — Nu zij is ook altijd recht dankbaar; want zoo dikwijls ik haar op de trap ontmoet en een praatje met haar maak, vertel ik haar van UEd. en dan glinsteren haar oogen als twee sterretjes.quot;

„Wat is dat voor een juffer?quot; vroeg op zijn beurt mijn vader, met een strakken blik: „on wat zijn dat voor diensten, die Ferdinand haar bewezen heeft?quot;

„Och! een zedig meisje,quot; zeide Helding, „die geen Christenziel bij haar ziet, en nooit uitgaat: en vroom ook; — maar zij woont dan bijster alleen en verlaten. Daar heb je den Notaris. Bouvelt, daar ik geloof dat het een stuk van een nicht af is, die komt niet eens naar haar omzien. De man is ziek, dat is mogelijk; maar kon hij niet eene van zijn dochters zenden ? al was het maar om haar naar de kerk te brengen, waar zij nu niet alleen naar toe durft gaan. Gisteren nog vroeg ik haar, zoo bij manier van spreken, waar zij ter kerke geweest was: en zij antwoordde mij, dat zij sedert haar komst te Amsterdam nog geen voet over den drempel

ocr page 324

298

heeft gehad, omdat zij niet alleen durfde uitgaan. En toen vroeg zij mij, of ik geene zuster of nicht had, die op jaren ware, en haar derwaarts zoude kunnen geleiden.quot;

„Arme ziel!quot; zeide Tante Letje, met deernis: „zij is gelijk aan den geraakte, die de genezende wateren van Bethesda niet kon genaken, omdat er niemand was om hem op te nemen.quot;

„Maar dat heldert nog niet op, wat Ferdinand met haar te maken had,quot; zeide mijn vader.

„Anders niet,quot; zeide ik, „dan dat ik haar bevrijd heb van iemand, wiens bezoek haar lastig was ; doch Monsieur Helding weet, dat wij den naam des onbescheiden indringers niet voegzaam kunnen noemen.quot;

Mijn vader zweeg en nam een snuifje. Ik wist, wat dit beteekende; want de snuifdoos kwam slechts bij bepaalde gelegenheden uit den zak: namelijk wanneer hij hoofdpijn had, in de pleitzaal bij lange pleidooien, in de kerk bij vervelende predikatiën, wanneer hij iets zwaarwichtigs op te stellen had, of wanneer hij misnoegd was. Hij bleef echter dien ganschen avond even vriendelijk jegens mij: ik vermoedde derhalve, dat zijn ontevredenheid alleen op Heynsz zoude nederkomen, die hem van het voorgevallene tot zijnent onkundig had gelaten.

Xa een onbeduidend gesprek nam Helding zijn afscheid van het gezelschap, mij meldende, dat de bijeenkomst, waarop hij mij genoodigd had, den volgenden Donderdag te zes uren zoude plaats hebben, terwijl ik van mijn kant beloofde intijds aanwezig te zullen zijn. Toen ik den man uitgeleide deed naar de voordeur, vroeg hij mij, of ik reeds, ingevolge mijn belofte, hem de vriendschap gedaan had van met mijn vader over zijn dochter te spreken. Ik antwoordde, gelijk de waarheid was, dat ik zulks terstond had verricht: doch dat er met de verlangde nasporingen wel eenige tijd zoude ver-loopen, vermits het verloren schaap zich sedert lang niet meer in Amsterdam bevond en waarschijnlijk van naam was veranderd. Helding toonde zich hoogst erkentelijk en maakte

ocr page 325

299

nog verscheidene verschooningen over de moeite, welke hij mijnen vader en mij veroorzaakte, waarna hij vertrok.

Bij het gezelschap terugkeerende, vond ik mijn moeder bezig mijn vader minzaam te beknorren, dat hij mij naar dat poëtenmaal liet gaan.

„Ik hoop,quot; zeide mijn vader, „dat Ferdinand oud en wijs genoeg is, en zich weet te matigen. Gij wilt toch niet. Keetjelief, dat wij een knaap, die nu ruim twee jaren op zijn eigen wieken gedreven heeft, weder als een schooljongen gaan behandelen? En hoewel ik niet verlang, dat hij Helding tot een huisvriend make, zoo heeft mij de dankbaarheid des mans toch getroffen en wil ik niet, dat hij ons van hoovaardij be-schuldige. Had ik echter vooraf geweten,quot; voegde hij er glimlachend bij, „dat zich zulk een innemende koffleschenkster daar bevond, ik had mij nog eens bedacht.quot;

Men kan zich voorstellen, dat ik bij dit alles niet zeer op mijn gemak was en met schrik opzag tegen het losbersten der donderbuien, die zich van alle kanten boven mijn hoofd samenpakten. Maar mijn ongerustheid moest nog vermeerderd worden. Den volgenden dag kwam er een mand van Tante Tan Bempden, met groenten en vruchten, welke zij aan mijn moeder stuurde, en een brief er bij van Suzanna aan mij, van den volgenden inhoud:

Sinjeur Ferdinand!

Gij hebt voorwaar mooie stukjes uitgevoerd! daar zijn nu al mijne profetieën uitgekomen, dat gij nooit zoudt deugen. Ja! Ferdinand werd altijd in de familie als een achtste wonder beschouwd, en ik, die wat beter inzicht in de zaken had, al zoo weinig geloofd als wijlen Mejuffrouw Cassandra. Maar zoo gaat het: als de wijsheid op de straten schreeuwt, blijft ieder thuis; en als de dwaasheid maar even fluit, is er dadelijk een toeloop. Pas maar op, dat er geen toeloop kome om u te zien ophangen. Denk eens! de zoon van den Hoofdschout het stadhuisraam te zien uitsteken: dat zou een aandoenlijk schouwspel wezen. Nu ja! kijk maar zoo vreemd niet op; de

ocr page 326

300

bommel is uitgebroken. Daar komt van morgen Baas Roggeveld met zijn lakenveldsche koeien aanzetten en vertelt aan Tante, dat die Monsieur Weerglas, die in zijn huisje woonde, met de noorderzon vertrokken is, niemand weet waarheen: ofschoon iedereen gissen kan, dat hij niet spoedig terug zal komen; overmits zich hedenmorgen de Baljuw in eigen hoogen persoon aan het ledige huisje vervoegd heeft, bewerende, dat gemelde Monsieur Weerglas niemand anders was als ... . nu raad eens, zoo gij kunt; of liever, zoo gij 't niet weet: — niemand anders als Zwarte Piet, en de bedrijver van ettelijke diefstallen, huisbraken en rooverijen op den publieken weg. Nu behoef je niet te vragen, hoe of Tante opkijkt, dat gij met den Sinjeur op zulk een intiemen voet waart, dat hij u visites kwam doen. Zij wilde er eerst aan Papa over schrijven: maar ik heb haar beduid, dat zij den man maar verdriet aan zoude doen, en dat het beter ware, dat ik u eerst kapittelde over het aangaan van dergelijke liaisons. Ik kan u zeggen, dat ik er van ril en beef: en dan, hoor ik, heeft Pulver verteld, dat gij een zakje met geld van dien fielt hebt ontvangen. Is UEd. altemet een compagnon van Cartouche en Jaco?

On appr end a hur 1 er, dit 1' autre avec les 1 oups.

En ik mag Van Baaien wel waarschuwen; anders gaat gij nog met de kas strijken, en dan zou hij inderdaad de ongelukkigste man der wereld worden. Ik heb al aan Jetje Blaek geraden, haar koffertje na te kijken, om te zien of gij haar niets ontstolen hebt. — Ten haren opzichte zou ik het u vergeven; want dat ware volgens het recht van wedervergelding (jus ta 1 ionis, zou Papa zeggen: ja ik weet ook wel een mondvol Latijn): overmits zij, zoo 't mij voorkomt, zich aan de dieverij van uw hart heeft schuldig gemaakt. — Nu! op haar hart zult gij wel alle aanspraak verbeuren, zoo gij er dergelijke kennissen op nahoudt, 't Is toch jammer! laatstleden Zondag scheen zij u zoo genegen, en toen gij aan tafel met den Heer Van Baaien aan 't redetwisten waart

ocr page 327

301

over het tarief, keek zij. ofschoon zij er wel niets van begrepen zal hebben, u met zulke aandachtige oogen aan, dat het mij den schijn had, als had zij haar toilettafel tegen een gebroken bloempot willen verwedden, dat gij gelijk hadt. — Nu! rechtvaardig u, zoo gij kunt, want Tante is ernstig boos; en er is een zilveren suikerstrooier zoek, dien zij zich verbeeldt, dat door dien vagebond tijdens zijn bezoek is meegepakt: of hebt gij hem misschien in den lommerd gezet? —- Gij zijt er niet te goed toe; dit. weet gij. is het oordeel van

Uwe Zuster Suzan xa.quot;

De mededeeling van dit alles was niet geschikt om mij bijzonder gerust te stellen, en ik had reden genoeg om mijn rassche belofte van stilzwijgendheid te verwenschen. Ik kon den brief echter niet onbeantwoord laten en zag in, hoe noodig het ware, Tante te bevredigen. Ik schreef derhalve aan Suzanna en dankte haar voor den dienst, dien zij mij bewezen had, door mij zoo tijdig van het gebeurde te onderrichten, en vooral, door Tante te doen afzien van haar voornemen om aan mijn vader te schrijven. Wat de ontmoeting van Zwarten Piet betrof, zoo verhaalde ik haar alleen, dat de man mij werkelijk geld had gelaten, met het verzoek het aan een derde over te brengen; doch dat het een geheim was, waarin personen betrokken waren, die ik niet noemen mocht. „Cxeloof mij,quot; dus eindigde ik, „dat ik niet min clan gij verwonderd ben geweest over de eer van quot;s mans bezoek, en dat ik wel gewild had, dat hij aan een ander deze lastige commissie had opgedragen. Ik heb die echter niet geweigerd, omdat het werkelijk een vergoeding was, welke de man deed, cn dat hij, naar ik mij vleie, op weg is om zijn schandelijk bedrijf te verlaten. Bidden wij liever voor den ongelukkige, dan dat wij hem veroordeelen, en vergeten wij niet, dat, welke zijn misdrijven ook geweest mogen zijn. de poort der genade voor den berouwhebbenden zondaar nimmer gesloten blijft.quot;

ocr page 328

■80-2

Ik was nog een bezoek schuldig aan Tante Letje, en besloot den avond te baat te nemen om aan deze verplichting te voldoen. Ten haren huize gekomen, verzuimde ik niet, aan de dienstmaagd, die mij de deur opende, te vragen, of Tante ook belet had; want ik wist dat zich niet zelden eenige vromen ter onderlinge stichting ten harent verzamelden, en ik was niet bijzonder op het gezelschap van de weduwe Knijpduim of den catechiseermeester Zoutbrand gesteld.

„De Juffrouw is alleen,quot; zeide de meid, „met nog een Juffertje, dat zooeven met een sleetje hier gekomen is.quot;

Op deze verzekering begaf ik mij naar boven in de verwachting van de eene of andere mij onbekende neepmuts over Tante te zien zitten, maar wie schildert mijn verbazing, toen ik, in Tantes achterkamer gekomen, gewaarwerd, dat de Juffer, die tegenover haar bezig was een kopje thee te drinken, al te wel bij mij bekend, in één woord niemand anders was als Amelia Bos! Wat deze betreft, zij was niet minder verrast door mijne verschijning en het kopje ontgleed bijna haar vingers.

„Zoo Neef!quot; zeide Tante: „ik was u hedenavond niet te wachten. Gij kent de Juffer, naar ik meen.quot;

„Ja Tante!quot; antwoordde ik; „maar ik was er verre af van te denken, dat de Juffer ook bij u bekend ware.quot;

„Behoeft men dan zijn naaste te kennen, om hem een dienst te bewijzen,quot; vroeg Tante: „kende de weduwe van Zarpath den man Gods, dien zij bij zich ontving? En staat er niet geschreven: vergeet de herbergzaamheid niet; want hierdoor hebben sommigen onwetens Engelen geherbergd?quot;

„'tls verre van mij,quot; zeide ik, „dat ik aan uw goeden wil jegens uwe naasten zoude twijfelen: maar toch vind ik mij verrast, door Mejuffer hier te zien, en kan ik niet nagaan, op welke wijze uwe kennismaking heeft plaats gehad.quot;

„Dit laat zich, dunkt mij, nogal raden,quot; zeide Tante: „de woorden, ten huize uws vaders door den liedjesmaker gesproken, heb ik bewaard, die overleggende in mijn herte, en het was, alsof er een stem in mijn binnenste sprak: „zie! ik

ocr page 329

303

moet handelen met deze maagd gelijk Hanna handelde met Samuel haren zoon, hem opbrengende tot het huis des Heeren.quot; — Maar ik zoude toch geene vrijmoedigheid gehad hebben, zoo maar tot haar te gaan en te zeggen: „zie: hier ben ik,quot; ware het niet, dat ik, hedenmorgen in den kousenwinkel bij Van Vlerken zijnde, haar aldaar had aangetroffen met den ouden man, ja, dienzelfden Helding, die haar geleidde, en haar aan mij voorstelde: en, hebbende bevonden, dat zij is gelijk eene Maria, en gaarne luistert naar de waarheid, die uit de godzaligheid is, zoo heb ik haar genoodigd om hedenavond bij mij te komen en deel te nemen in de stichtelijke onderwijzing, die ik naar mijn vermogen poog te geven aan wie dorst heeft naar de wateren des levens.quot;

Ik kon van mijn verbazing niet terugkomen. „Hoe!quot; dacht ik, „zal ik dan eeuwig, waar ik ga, uit of thuis, aan ontmoetingen worden blootgesteld, die aanleiding geven tot nieuwe verwarring? Is mijn geboortestad sedert mijn afwezigheid be-tooverd geworden of ben ik het zelf? Of is alles een benauwde droom? —- En dan, Amelia is immers den Roomschen godsdienst toegedaan? Heeft zij Tante Letje, die zoo sterk op haar geloof staat, opzettelijk misleid? Of heeft hier een misverstand plaats? — En hoe deerlijk zal dat dan uitkomen!quot;

Wat Amelia betrof, ofschoon zij in het eerste oogenblik niet minder verlegen scheen dan ik, herstelde zij zich spoedig: zij had het voordeel boven mij, dat mijne tegenwoordigheid, als die van een bekende, haar gerustheid inboezemde, terwijl de hare mij zorg verwekte.

„De Juffrouw heeft mij verteld,quot; zeide Tante, na eenig zwijgen, „dat gij haar een gewichtigen dienst hebt bewezen.quot;

„Zoo Iquot; antwoordde ik, Amelia eenigszins verwonderd aanziende cn onbewust, hoe verre zich haar mededeelingen hadden uitgestrekt.

„Ja, Iliinheer Huyck!quot; zeide Amelia, mij uit de verlegenheid helpende: „ik heb aan Mejuffrouw uw Tante kenbaar gemaakt, dat UEd. zoo vriendelijk geweest zijt om mij van dien lastigen Heer te ontslaan.quot;

ocr page 330

304

„Ik heb alleen mijn plicht gedaan,quot; zeide ik: „en ieder fatsoenlijk man zou in mijn plaats evenzoo gehandeld hebben.quot;

„En de Juffrouw heeft u zeker ook verteld,quot; zeide Tante, „hoe het komt, dat zij dus alleen en verlaten is, gelijk Ruth de Moabietische, zonder zelfs een schoonmoeder te hebben, tot wie zij zeggen kan: uw volk is mijn volk en uw God mijn God?quot;

Ik wist niet, wat te antwoorden; „Wat dunkt u, lieve Tante!quot; vroeg ik. om er mij uit te redden; „ziet gij mij aan voor een raadsman, deftig genoeg om het vertrouwen eener jonge Juffer te verdienen?quot;

Amelia scheen terstond mijn oogmerk met dit ontwijkend antwoord te bevroeden, en haastte zich te zeggen: „ja Mejuffer, ik heb aan uw Heer Neef verhaald, gelijk aan u, dat ik er ongelukkig aan toe ben, daar de Heer Bouvelt mij niet kon ontvangen, en ik niet terug kan keeren naar Deventer, uithoofde mijn familie van huis is; zoodat ik mij alleen bevind.quot;

„Had men u ten minste maar bij een ordentelijke burgervrouw besteed,quot; zeide Tante; „maar, mij dunkt, Amsterdam is groot genoeg, en ik zal zelve aan dien Sinjeur Bouvelt schrijven, en hem voorstellen, u een ander logies te bezorgen.quot;

„Santa Maria! doe dat niet,quot; riep Amelia ontsteld uit: „de Heer Bouvelt ligt ziek te bed en is buiten staat zich met eenige zaken te bemoeien.quot;

„Wat zeidet gij daar voor een vreemd woord?quot; vroeg Tante, terwijl ik op mijn lippen beet; „dat luidde even of het een vervloeking ware: en daar staat geschreven; gij en zult gan-schelijk niet vloeken.quot;

Amelia keek eenigszins bedeesd over deze bestraffing; en, naar het hooge rood te oordeelen, dat haar wangen bedekte, geloof ik, dat zij zich bovendien verwijtingen deed, van aan de goede vrouw, die haar bij zich ontving, een sprookje op de mouw gespeld te hebben: want aan die Deventersche historie begreep ik wel, dat geen woord waar was. Maar nog grooter werd de verwarring van het arme meisje, toen Tante

ocr page 331

305

haar, na een korte stilte, de vraag deed, welken Predikant te Deventer zij gewoon was te volgen.

De eene dienst, dacht ik, is den anderen waard: en ik poogde op mijne beurt Amelia het antwoord te besparen. „Gij maakt misschien,quot; zeide ik, „geen onderscheid tusschen hen. en hoort allen even gaarne.quot;

„Inderdaad,quot; zeide Amelia: „ik geloof....quot;

„Hoe!quot; viel Tante in: „mij dunkt, er is toch nogal onderscheid tusschen den godvreezenden Klarebron, — die zijn naam te recht draagt; want hij is als eene fonteijne der hoven, een put der levende wateren, — en den ijdelen Zevenslinger die besmet is met Pelagiaanschen zuurdeesem en die slechts woorden zonder wetenschap voortbrengt, waarmede hij den raad verduistert en de kortzichtigen verblindt.quot;

„Och Mejuffer!quot; zeide Amelia, verbaasd over dezen uitval, waar zij niets van begreep: „ik heb daar zoo weinig verstand van, en . .. .quot;

„Maar bij wien hebt gij uw belijdenis dan gedaan?quot; vroeg Tante: „of behoort gij wellicht tot de zoodanigen, die talmende zijn met die af te leggen, niet indachtig, dat de tijd voortgaat, en dat wij niet weten, wanneer de ure des oordeels komen zal.quot;

„Ik weet het niet recht,quot; antwoordde Amelia: „ik was elf jaar oud, toen ik het sacrament ontving, en ben vergeten welken naam de Priester droeg, bij wien ik mijn catechismus geleerd heb.quot;

„O wee! o wee!quot; dacht ik: „nu is het geheel en al mis.quot;

Maar welke woorden zouden in staat zijn, de verbazing, de ergernis uit te drukken, welke op het gelaat van Tante Letje te lezen stonden, toen zij, uit hetgene ter kwader ure aan Amelia ontvallen was, de waarheid inzag, en ontdekte, wie zij bij zich in huis ontvangen had. Met open mond staarde zij Amelia aan: zij liet de kous, waar aan zij breide, op den grond vallen, sloeg de handen in elkander en herhaalde halfluid den gesprokenen volzin, als wilde zij zich overtuigen, of zij wel verstaan had. Wat de arme Amelia betrof, zij begreep niets van het kwaad, dat zij gesticht had: in den

I. - F. H. a,

ocr page 332

306

Eoomsch-Catholieken Godsdienst opgevoed en in vreemde landen gewoond hebbende, wist zij. gelijk mij naderhand bleek, op zijn best, dat hier te lande een andere wijze van gods-vereering, dan de hare, als de heerschende bestond: haar vader had het hoofd te zeer vervuld gehad met andere zaken of wellicht de gelegenheid gemist van haar te onderrichten, hoe zij zich omtrent dat stuk in Holland te gedragen had. Zij had dan ook al wat Tante vroeger gezegd had, op haar eigen kerkleer toegepast en die uitdrukkingen, welke haar duister of ongewoon voorkwamen, daaruit verklaard, dat er wellicht eenig verschil bestond tusschen den vorm van den eeredienst in dit land en in dat barer vroegere inwoning; terwijl de verwarring, veroorzaakt door de vragen, welke Tante haar deed omtrent de plaats, van waar zij voorgaf gekomen te zijn, haar nog minder had doen nadenken over den vorm, dan over het zakelijke van haar antwoorden. Ik zag intusschen, dat het zaak werd, tusschen beiden te treden.

„Tante-lief!quot; zeide ik: „hier heeft een misverstand plaats. UEd. schijnt niet begrepen te hebben, en ik heb er u niet van kunnen onderrichten, dat de juffer tot de Eoomsche kerk behoort.quot;

„De Heere beware ons!quot; zeide Tante, na een diepe zucht haar stem wederom krijgende, en beurtelings Amelia en mij aanziende: „dat zoo iets gebeuren moest! Hadde ik dat kunnen vermoeden, zoo bad ik mij wel gewacht de Jutter te noodigen, indachtig dat de Schrift zegt: indien iemand dese leere niet en brengt, en ontfangt hem niet in uw huys.quot;

„Tante is Gereformeerd,quot; zeide ik tegen Amelia, die nu begon te beseffen, waar de schoen wrong.

„Gij zult niet langer last van mij hebben, Mejuffer! zeide zij, met waardigheid, terwijl zij oprees en haar boeltje bijeen-pakte: „ik dank u voor uw goeden wil, aan mij, verlatene, betoond; en terwijl ik een erkentelijk aandenken aan uw welwillendheid bewaren zal, zal ik het steeds betreuren, dat een verschil in de vormen des geloofs u beletten moest, de opwelling van uw edel hart in te volgen.quot;

ocr page 333

307

Tante trok bij het hooren dezer toespraak een gezicht, alsof zij een leeiijk drankje innam: echter stond zij insgelijks op, en, mij aanziende, mompelde zij: „Ja! de Juffer kon het niet helpen: 't is een abuis, 't is een misverstand, zooals Neef wèl zegt.quot;

„Inderdaadquot; hernam ik; „maar. Tante-lief, hoewel dit nu oorzaak zijn zal, dat gij uw goede voornemens om met de Juffer naar de kerk te gaan, niet zult kunnen ten uitvoer brengen, noch haar op uwe oefeningen noodigen, zoo zie ik niet in, dat gij daarom de inspraak van uw voortreffelijk hart niet jegens haar zoudt kunnen involgen en haar op een andere wijs behulpzaam zijn of haar uw gezelschap schenken,quot;

„Er zijn Paapsche vrouwen genoeg in de stad,quot; bromde Tante: „en bovendien, wat zegt de Apostel: wijckt van de-sulcke af.quot;

„En wat heeft een nog wijzer mond geantwoord,quot; vroeg ik, „op de vraag, wie onze naaste was?quot;

Het was inderdaad opmerkenswaardig, den indruk gade te slaan, dien deze vraag op het vroom en medelijdend hart mijner goede Tante teweegbracht. Zij zag mij een wijl verrast en verlegen aan, bekeek toen met aandacht de toppen van haar vingeren, als overpeinsde zij mijn gezegde, schommelde een tijdlang zonder spreken in haar zak, om haar neusdoek te krijgen, veegde een paar tranen weg, die in haar oogen opkwamen, drukte mij de hand en trad eindelijk naar Amelia, die nog altijd, met haar werk in de hand, en de oogen op den grond gevestigd, midden in de kamer stond, als gereed om te vertrekken,

„Neen!quot; zeide Tante, haar de handen drukkende en op het voorhoofd kussende: „al waart gij Heidensch of Turksch, men zal niet zeggen, dat ik u verlaten heb en voorbijgegaan, gelijk de Priester en de Leviet, die den gevonden reiziger voorbijgingen. Het is toch uwe schuld niet, dat gij met de afgoderijen van het Pausdom besmet zijt. Waar ik kan, zal ik u van dienst wezen en u bijstaan in wat zake gij mij zoudt mogen van doen hebben: en wij zullen over geene punten

ocr page 334

308

des geloofs spreken, tenzij gij opgewekt wordt om naar de leer der waarheid te hooren.quot;

Helaas! Mejuffrouw!quot; zeide Amelia, terwijl zij langzaam weder haar plaats innam, waar Tante haar heen geleidde; „hoe grieft het mij, dat ik u onwillekeurig dit verdriet, deze ergernis veroorzaakt hebbe. Ik was zoo blijde met uwe bescherming: want het was zoolang geleden, dat een beschaafde eerwaardige vrouw een woord van vriendschap en deelneming tot mij gesproken had: en ik verheugde mij zoozeer op de gedachte, dat ik onder uwe schuts weder mijne zoolang verzuimde godsdienstplichten, zoude kunnen vervullen. Waarom hebben wij eikanderen niet terstond verstaan? Waarom heb ik niet dadelijk geweten, dat ik van uwentwege niets hopen of verwachten kon? — want ach! in geen ander opzicht kunt gij mij, arme verlatene, troost of hulp verschaffen.quot;

.Niet?quot; vroeg Tante: „wel dat zou wel ongelukkig zijn. Het is niet zonder wijze oogmerken, dat God ons tot elkander gevoerd heeft: en, ik zie het nu duidelijk in. ik mag niet weigeren, den plicht te vervullen, die mij wordt opgelegd. Zeg mij dan, lief kind! hebt gij raad noodig? — of wellicht geldgebrek? — Of schroomt gij misschien, u in het bijzijn van mijn neef te verklaren?quot;

„Ik geloof, dat ik beter doe u te verlaten,quot; zeide ik, zelf verlangende buiten deze netelige zaak te blijven.

„Uwe goedheid is grooter dan ik verdien,quot; hernam Amelia, schreiende, „maar ziedaar juist mijn ongeluk, dat ik niemand, ook u niet Mejuffrouw! mijn vertrouwen schenken mag, hoe gaarne ik dit wilde. Ik heb u wellicht reeds te veel gezegd. O! ik had hier niet moeten komen.quot;

Tante Letje zag Amelia met medelijden, doch tevens met bevreemding aan: en ik kon bespeuren, dat zij verlegen was, hoe verder te handelen. In haar stille en afgezonderde levenswijze had zij weinig gelegenheid gehad om menschenkennis te verzamelen: en schoon zij dagelijks ongelukkigen bezocht en met raad en daad bijstond, waren de rampen die zij lenigde, van meer dagelijkschen aard, en had zij zeiden zoodanigo

ocr page 335

300

lieden aangetroffen, wier leed, evenals dat van Amelia, een meer buitengewonen, afzonderlijken oorsprong had. Zij zag mij vragend aan; want ondanks mijn aanbod om te vertrekken, bleef ik nog altijd met den hoed in de hand staan, onzeker of ik weldeed, beide vrouwen alleen te laten, en te wagen, dat Amelia haar geheel vertrouwen schonk aan Tante, die het wel niet verraden zou, maar die mij toch ongeschikt voorkwam om met ware deelneming naar zulke zaken te luisteren, als de dochter van een buiten de wet gestelden zwerver ongetwijfeld verhalen zoude, en die haar althans geen goeden raad zou verschaffen. „Mij dunkt,quot; zeide ik eindelijk, met een gemaakten glimlach, „dat gij beiden, mijne dames! beter zoudt doen met een speldje te steken bij het gebeurde en eenvoudig over kousen en borduurpatronen te spreken. —- Zie! ik ben overtuigd, dat zoo Mejuffer zich in haar eenzaamheid verveelt, het voornamelijk daar vandaan komt, dat zij niets omhanden heeft: Tante zoude haar stellig geen grooteren dienst kunnen bewijzen dan door haar wat werk te verschaffen; en, dank zij den behoeftigen, die hulp vereischen, dat ontbreekt nooit bij Tante.quot;

„Mijnheer uw neef raadt mijn gedachten,quot; zeide haastig Amelia, die mijn bedoeling begreep. „O! zoo UEd. mij daaraan helpen konde: — ik zou zoo gaarne werken voor hen die het behoeven.quot;

„Gij zult werk hebben,quot; zeide Tante: „gij zult mij bijstaan om kleederen te vervaardigen voor de nooddruftigen: — Neef! wees zoo goed en zeg aan Truitje, dat zij mij de mand krijgt, die in het zijkamertje staat, waar die lijst op ligt. Gij zult mij helpen, mijn kind! en wij zullen arbeiden, gelijk Tabitha, gezegd Dorcas, voor weduwen en weezen.quot;

Ik zag, dat alles nu in 't effen zoude komen, en de boodschap van Tante aan de meid gedaan hebbende, nam ik afscheid en liet de beide dames aan haar vrome bezigheid.

ocr page 336

810

NEGENTIENDE HOOFDSTUK,

BEVATTENDE 'T GEEN ER OP DE DICHTERLIJKE SAMENKOMST BIJ HELDING VERHANDELD WERD.

Het was niet dan met een soort van huivering, dat ik den Donderdag-avond zag naderen, waarop ik volgens afspraak den vriendenkring van Helding moest bijwonen; want nadat ik Amelia bij Tante Letje, waar ik verre was van haar te verwachten, had ontmoet, had ik een voorgevoel, dat ik wel niet zou kunnen vermijden om haar ten huize van Heynsz tegen te komen, waar ik ten minste zeker was, dat zij zich bevinden zou. Tiemnalen was ik willens om het een of ander voorwendsel uit te denken en nog voor de uitnoodiging te bedanken; maar al kon ik Helding met een schoonschijnende reden afschepen, ik begreep, dat ik toch ook reden zou moeten geven aan mijn vader: en ik had reeds genoeg mijn bekomst aan 't veinzen, dan dat ik nieuwe uitvluchten zoude gaan uitdenken. Bovendien, en in weerwil van al de onaangenaamheden, welke mijn kennismaking met den Heer Bos en zijn dochter mij berokkend had en waarschijnlijk nog berokkenen zoude, er bleef toch altijd een zekere nieuwsgierigheid bij mij huisvesten, wat er toch eigenlijk van hunne zaak ware en hoe het met hen af zou loepen: en ik vertrouw, dat mijn lezers die nieuwsgierigheid niet slechts in mij verschoonen, maar ook met mij deelen zullen; anders deden zij gewis beter dit geschrift maar niet verder door te lezen. Ik was, men vergeve mij deze platte vergelijking, niet ongelijk aan een knaap, die in het Oude Doolhof op de Prinsengracht rondloopt en die, ofschoon het heen en weer dwalen hem verveelt en hij zeer wel in staat is over de heggen heen er dadelijk buiten te geraken, echter op het ingeslagen pad voort blijft

ocr page 337

311

draven, in de verwachting dat hij alzoo eindelijk den waren uittocht zal vinden.

Ik ging dan, ten bepaalden dage en na afloop mijner werkzaamheden aan het kantoor, naar de Raamgracht, waar ik, overeenkomstig de gemaakte schikking in de achterkamer van Heynsz werd binnengelaten. De mij te gemoet komende tabaksdamp verkondigde mij reeds aan de deur, dat de vrienden, immers gedeeltelijk, al vergaderd waren: en werkelijk vond ik er ettelijke aanwezig, aan wie ik nu met alle plechtigheid werd voorgesteld door Helding, die hen insgelijks bij de rij af aan mij opnoemde. Heynsz was, gelijk dit trouwens wel behoorde, insgelijks genoodigd, en zat in een hoek te gluren en allen beurtelings in oogenschouw te nemen, als ware hij door zijn ambt verplicht geweest ook deze onschadelijke zielen te bespieden. De overigen, ook zij die na mij kwamen, waren mij persoonlijk onbekend: alleen herinnerde ik mij de namen van dezen of genen onder hen wel eens vroeger te hebben ontmoet aan den voet van een dier lof- of klinkdichten, waarmede het toen smaak was alle uitkomende werken, vooral dichtbundels, bijwijze van aanbeveling op te pronken, complimenten, welke men elkander over en weder toekaatste en waarvan men zich zoomin ontslaan kon als van het beantwoorden van een beleefdheidsbezoek.

„Spreek! opdat ik u kenne,quot; zeide de oude quot;Wijsgeer, en zoo begon ik, toen langzamerhand het onderhoud levendiger werd, van lieverlede te bespeuren, met welke menschen ik te doen had. Het waren allen lieden van één slag; want over hunne betrekkelijke waarde als dichters wil ik, die nog wel eens een manegepaard, maar nooit den Pegasus bereden heb, liever geen oordeel vellen: het eenige onderscheid, dat er tusschen hen scheen te bestaan, was, dat de eene meer in den verhevenen, de andere in den beschrijvenden, een derde in den boertigen dicht- of rijmtrant uitblonk: — ten minste zij schroomden niet, elkander den ruimsten wierook, over elkanders talenten in elks bijzonder vak toe te zwaaien, en dat met zoo weinig terughouding, dat bij mij de gedachte

ocr page 338

312

oprees, of zij niet al hun loftuitingen bij zulke gelegenheden verspilden, om in het tijdvak tusschen de bijeenkomsten en buiten de tegenwoordigheid van het geprezene voorwerp er des te kariger mede te kunnen zijn. De eene {de treurpoëet) werd een hoogdravende Muzenzoon, een sieraad van den P i n d u s genoemd, die de Agrippijnsche Z w a a n (hiermede bedoelden die Heeren Vondel) groothartig op zijde streefde, bijna had men gezegd: overtrof. De tweede was: sierlijker dan Maro, en vereenigde de liefelijke weelderigheid van Flaccus met de zinrijkheid en kracht van Juvenalis. De derde (de boertige dichter) bekwam zulke verhevene eernamen niet; maar werd met andere titels begiftigd, niet minder streelend voor zijn eigenliefde. Hij heette een kluchtige ziel, een koddige duivel, een drollige koopman, een malle weerga: en hij kon de onnoozelste dingen niet voortbrengen, ja nauw-lijks zijn mond opendoen en zijn neus snuiten, of een algemeen gelach, een grinnikend hoofdknikken, een verdoovend handgeklap, begroette zijn vermeende geestigheid of bespaarde hem de moeite die uit te kramen. Overigens muntte ieder van het gezelschap uit door een, mijns bedunkens wat al te gemaakte nederigheid, die mij deed denken aan de vlucht van een jong meisje, dat achterhaald wenscht te worden, en die derwijze werd aangewend, dat zij zelden haar uitwerking miste, maar altijd nieuwe complimenten afdwong; 't geen ten laatste zoo vervelend en walgelijk werd, dat ik mij begon te schamen over mannen, die, in leeftijd reeds gevorderd, de achtbaarheid van hun stand en jaren zoozeer uit het oog verloren, dat zij een vleitaal uitkraamden en aanhoorden, die zelfs onder jonge lieden van verschillende kunne ongepast zou zijn geweest. Ik moet echter een enkelen van dezen hoop uitzonderen: deze was een jongeling van een schrander, doch eenigszins droefgeestig voorkomen, en blijkbaar van een zwak en teringachtig gestel. Hij was eerst sedert kort als medelid in het gezelschap opgenomen, sprak weinig en zelden; doch wat hij zeide was juist en gepast; en hij onthield zich van aan een der anderen

ocr page 339
ocr page 340
ocr page 341

313

lioogeren lof te geven dan de burgerlijke beleefdheid vorderde: 't zij dat hij nog te kort met hen had omgegaan om zich de onder hen gebruikelijke complimenten-kraam eigen te hebben gemaakt, 't zij dat hij van nature de waarheid te zeer beminde dan dat hij tegen zijn gemoed zoude spreken. Misschien kwam er ook bij, dat hijzelf, als do jongste van 't gezelschap, wel aanmoediging, maar minder lof genoot, en dat hij zijne medeleden met gelijke munt betalen wilde.

Men moet met dat al niet denken, dat Heynsz en ik, ofschoon niet tot de o f f e r a a r s op den P i n d u s behoorende, ons aandeel van den honig misten. Wat mij betreft, daar ik van den beginne af betuigd had een oningewijde te zijn, die bovendien, door mijn uitlandigheid, niet op de hoogte was om den tegenwoordigen stand der dichtkunst in ons vaderland te beoordeelen, ik werd dadelijk een Mecenas, een Messala gedoopt: en al die verstandelijke gaven, welke iemand geschikt maken om als kunstrechter op te treden, werden mij ruimschoots toegekend. Heynsz verwierf nog hoogeren lof: en, daar hij de eenige schilder in 't gezelschap was, scheen het aan de overigen een des te geschikter gelegenheid toe om te zijnen opzichte hun gewoon thema van eerbenamingen te kunnen v a r i ö e r e n. Hij was een D u i t s c h e A p e 11 e s: zijn kunstgenooten waren niets bij hem: de werkjes, die men van hem onder 't oog had (zes of acht onafgehaalde portretjes, die aan den wand hingen) waren kunstjuweeltjes, welke Rembrandt noch Van Dijk in staat zouden geweest zijn te vervaardigen: — NB. dit laatste stemde ik met een gerust geweten toe.

Heynsz betoonde in 't geheel die valsche nederigheid niet, welke aan de overigen eigen was: hij wist hoe zwaar die verplichtende uitdrukkingen wogen, en was, geloof ik, weinig genoeg door de eigenliefde verblind, om wel te weten, wat er aan de voortbrengselen zijner kunst ontbrak. Hij hoorde dan ook al die lafheden met een effen gelaat aan, terwijl hij den spreker met roepingen als: „ei! ei! — wel zoo! — nu ja! —quot; in de rede viel, totdat hij ten laatste, dat gereutel waarschijnlijk

ocr page 342

314

moede, de pijp uit den mond nam. een dikke rookwolk wegblies en zich aldus uitdrukte in zijn zonderling Hollandsch:

„'tls maar jammer, mijne Heeren! dat al de ingezetenen onzer stad niet denken over mij zooals gij hebt de goedheid van te doen. Dan zou ik ongetwijfeld wat meer hebben de occasie van te maken goed geld voor mijn werken. Want, wat denkt gij wel, dat mij rapporteert het meeste, met den tijd, die voortgaat?quot;

De poëten keken elkander aan. „Waarschijnlijk het behangselschilderen,quot; zeide Velters eindelijk (zoo was de jongste van het gezelschap geheeten): „want dat is tegenwoordig aan de orde van den dag.quot;

„Niet kwaad gegist,quot; hervatte Heynsz: „maar voor dat moet men zijn een Lairesse of een Moucheron. Xeen, mijne Heeren 1 't is almede een speculatie op de vaniteit: — ik verdien het meeste geld met te schilderen wapens op de rijtuigen.quot;

„Dat kan ik getuigen,quot; zeide Helding: „onze vriend Heynsz heeft laatst al de rijtuigen van den Heer Blaek. mijn hoog-geachten patroon, en van zijn Heer zoon met wapenborden van zijn maaksel verrijkt: men kan voorwaar niets sierlijkers uitdenken.quot;

„Dat moet zeker nogal wel geven,quot; zeide de beschrijvende dichter: „want,quot; voer hij declameerende voort:

..Nooit zag men rijker glans van zilveren blazoenen,

En gouden wapenen en paarsen, gelen, groenen.'*

Ik kon mij niet onthouden te meesmuilen over deze twee regels, die. behalve dat zij vermoedelijk weinig dichterlijke waarde bezaten, zoo duidelijk bewezen, dat de dichter geen woord van zijn onderwerp verstond.

„Ja,quot; voegde de treurpoëet er op zijne beurt bij: „althans tegenwoordig,

Nu elk, gelijk voorheen verwaande Phaëton,

Die trotsche voerman van de kleppers van de Zon,

Of als Salmoneus, die den Dondergod braveerde,

De zweep in handen neemt, schoon hij nooit mennen leerde.

ocr page 343

815

„Heerlijk! fraai gezegd!quot; riepen allen om strijd.

„Nou! 't zei mijn hard ontgaan,quot; zeide de grappige duivel, in zijn plat Amsterdamschen tongval, „of Jaap de asch-karreman zei mettertijd ook nog een wapen op zijn kar motten hebben.quot;

Deze snedige zet werd met het gewone gejuich ontvangen, „'t Is juist zooals gij zegt,quot; zeide Heynsz: „de klanten, bij wie ik verdien het meest, zijn niet de adellijke of patricische familiën, maar die champignons van fortuin, die, zoodra zij hebben overgewonnen geld genoeg om te houden rijtuig, zijn van begrip, dat een geschilderd wapen is even onmisbaar daarop, als een L op de deur van een Lidmaat of een klopper op die van een Haarlemmer kraamvrouw.quot;

„Maar,quot; vroeg Velters: „hebben zij recht, die wapenen te voeren? Ik dacht, dat dit alleen den adel toekwam.quot;

„Wel, mon ami!quot; antwoordde Heinsz: „leven wij niet in een vrije republiek? En wat bekreunen zich daarover de Hee-ren Staten, of er inwoners zijn, die gelieven aan te stellen zich als gekken? En dan, men weet hier in 't generaal zoo weinig af van blazoenquot; (hier sloeg hij een zijdelingschen blik op den beschrijvenden dichter), „dat de domme menigte bewondert en slechts enkele verstandigen ophalen de schouders.quot;

„'t Moet ons toch tot spot doen strekken bij den vreemdeling,quot; zeide Velters; „ik ging van den winter eens op een Zondag met een Franschman rond, die de handen van verbazing ineensloeg, toen wij den Dam over en de Nieuwe Kerk voorbijgingen, waar hij al de koetsen zag, die daar stonden te wachten. „J'avais toujours cru,quot; zeide hij, „que les Hollandois étaient un peuple de commergans et de bourgeois; mais, voyant toutes ces armoiries, je m'apergois qu'il y a des nobles ici comme a Venise.quot; — Maar hoe vermeerderde zijn verwondering, toen hij, naderbij komende, sommige dier wapenen met grafelijke en hertogelijke kronen zag prijken, en eindelijk zelfs een paar helmen gewaarwerd, met negen viziergaten, gelijk alleen een Koning die voeren mag. Toen keek hij mij aan, als wilde hij mij vragen of de menschen hier

ocr page 344

316

mal waren geworden: ik haalde de schouders op. Wat zou ik gezegd hebben?quot;

„Doet er dat wat toe, hoe zoo'n helm er uitziet?quot; vroeg de beschrijvende dichter aan zijn buurman.

„Niet lang geleden,quot; hervatte Heynsz, „kreeg ik een grasmof bij mij, die met twee zesthalven in zijn zak is gekomen naar dit land en bijeengeschraapt heeft een fortuin zooals weinige lieden bezitten: die bestelde mij een wapen op zijn koets: „maar 't zol sehön wezen moecen,quot; zeide hij; „kijk! zoo in dezen art,quot; en meteen rolde hij uit een perkament, dat hij gevonden had op de een of andere verkooping, en op 't welk blonk, met al zijn quartieren en ornamenten het wapen des Konings van Spanje. Ik wilde den man niet geheel laten rijden voor mal, en zeide hem, dat ik niet volgen kon precies het model dat hij mij gaf, omdat zulks afbeeldde het wapen van een koninklijk persoon, doch dat hij zoude zijn content. Ik verhakstukte dan de ruiten en lieren zoo wat en maakte een wapen, waar Ménetrier niets van zou hebben begrepen. Onze maat was wonderwel in zijn schik; maar toch had ik vergeten een ding! „die goldene ketten,quot; zeide hij: „die fehlde daaran.quot; Ik begreep in 't eerst niet wat hij meende; maar naderhand werd het mij klaar, dat hij bedoelde de orde van 't Gulden Vlies, die versiert het Spaansche wapen en welke hij zich voorstelde, te zullen maken op het zijne geen onaardige uitwerking. Ik had alle moeite om te beduiden aan hem, dat de Keizerlijke en Spaansche gezanten beiden zouden reclameeren tegen zulk een aanmatiging, en voldeed hem eindelijk, door hem te beloven, dat ik zoude vergoeden dit gemis door het bijschilderen van twee wildemannen als tenants, welgewapend met knotsen.quot;

„Je hadt ze liever zeisen in derlui pooten motten geven,quot; zeide de koddige snaak: „dat ware naar den aard geweest.quot;

Onder dit praten was de tijd gekomen, waarop de eigenlijke werkzaamheden moesten aanvangen. Het bleek mij nu, dat het de gewoonte bij deze Heeren was, om beurtelings een soort van prijsstof op te geven, welke door anderen beant-

ocr page 345

317

woord werd. De antwoorden werden door den opgever beoordeeld en daarna door de vergadering onderzocht, geanatomiseerd, gelikt, beschaafd en ten slotte onkenbaar gemaakt.

De prijsstof, waarover thans geschreven was, luidde als volgt:

„Wat doet in Hollands tuin liet best de boomen groeien ?

Het mesten of liet snoeien?quot;

Ofschoon mij, hoewel geen poëet zijnde, de zin dezer vraag zeer duidelijk voorkwam, waren er, tot mijn verwondering, slechts twee onder deze vernuften, die begrepen hadden, dat de opgever door boomen de ingezetenen van ons Gemeenebest had bedoeld en dat de tweede regel in denzelfden figuurlijken zin moest worden opgevat. Doch met dat al ware het nog maar te wenschen geweest, dat deze twee liever de vraag letterlijk hadden verstaan; want hunne redeneering, in slechte rijmen vervat, toonde genoegzaam aan, dat de goede lieden geene de minste denkbeelden hadden van hetgeen tot de huishouding van den Staat behoort.

De opgever had zijn taak insgelijks vervuld, door elke oplossing in een bijzonder versje te recenseeren; terwijl zijn conclusie was, dat hij, uithoofde der treffelijke verdiensten, welke al de antwoorden bezaten, het voorstel deed, den prijs te deelen tusschen de twee medeleden, die zijn vraag het best begrepen hadden. Dit vond algemeene goedkeuring: te meer daar de prijs uit een schellingskoek bestond en dus zeer deelbaar was. Ik was intusschen eenigszins verwonderd, dat Velters, naar het scheen, niet medegedongen had: maar hij gaf kort daarna te kennen, dat hij zich met zulke fijne dichtgeesten niet in een wedstrijd had durven wagen en dus eerst nu, na de bekroning, voor den dag zoude komen met zijne beantwoording. Hij las ons hierop een stukje voor, hetwelk mij althans beter beviel dan al wat ik van de overigen gehoord had. Hij gaf bij den aanhef te kennen, dat hij den zin der vraag wel verstaan, doch het eenigszins ongepast geoordeeld had, met zijn weinige ondervinding, over politieke

ocr page 346

318

zaken te schrijven, en dus verkozen had, de vraag in dien geest op te vatten, als ware die op de dichtkunst toepasselijk: in welken zin hij een, naar mijn oordeel, zeer aardige uitwijding had gemaakt, waarin hij de dichters bij hoornen vergeleek, die gemest en gevoed moeten worden met kennis en studie, en slechts dan gesnoeid moeten worden, wanneer hun al te groote weelderigheid aan het behoorlijk rijpen hunner dichtvruchten nadeel sticht, of wanneer zij anderen in hun groei of wasdom hinderlijk zijn, enz. Het werk van Velters werd echter, misschien omdat het veel beter was dan de rest, minder toegejuicht en alleen met een soort van aanmoediging beloond, welke in mijn oog iets vernederends had.

Vervolgens ging men aan het beoordeelen en schiften dei-uitdrukkingen, in de voorgedragen verzen gebezigd: elk gezegde werd op drie of vier wijzen omgezet en bijna elk bijvoeglijk naamwoord door een ander vervangen, totdat langzamerhand alle zweem van oorspronkelijkheid verdwenen was. Ik kon mij niet onthouden bij deze gelegenheid gedurig te denken aan het briefje in den Bourgeois gentilhomme, en ik kwam, evenals deze, tot de slotsom, que la première fagon de dire est sans con tred it toujour s la mei 1 eure.

Daarna werd er gevraagd, of geen der aanwezigen iets bij zich had, waar hij het gezelschap op vergasten kon. Deze vraag was overbodig, want ieder had de zakken vol en zat slechts op een gunstig sein te wachten om zijn kinderen aan 't licht te brengen, schoon zelfs dan niet als schoorvoetende en onder herhaalde betuigingen, dat het niet de moeite waardig ware er de aandacht van zulke fijne vernuften mede te vermoeien. Het eerst was onze heldendichter aan de beurt, die, na de pijp neergelegd, gehoest en zich gesnoten te hebben, eenige vrij groote vellen uit zijn zak haalde, en aan de vergadering mededeelde, dat hij een lijkzang zoude voordragen, „op het noodlottig verscheiden van zekeren krijgsoverste, die kort te voren (schoon niet op het veld van eer, want het was aan een maaltijd) het offer van den dood geworden was.quot;

ocr page 347

319

Na een vrij lange voorafspraak, ving hij aan. In zijn gedicht, dat ongemeen hoogdravend was, versierde hij zijn held, die, zooverre ik weet, nooit kruit geroken had, maar zijn rang-alleen door ancienneteit verworven had, met alle militaire verdiensten, en stelde hem met Turenne, Marlborough en Prins Eugenius gelijk.

Na dit fraaie stuk, hetwelk de algemeene goedkeuring verwierf, brak de stroom los, en regende het van alle zijden lijk-, geboorte-, huwelijks- en verjaardichten; terwijl onze boertige poëet mede niet achterbleef, maar ons nu en dan een epigram van zijn maaksel opdischte, waar men al om lachte eer hij nog iets gezegd had, ofschoon er niets aan ontbrak als de punt, welke hij echter vergoedde, door op de plaats, waar die behoorde te vallen, zelf in een schaterend gelach uit te barsten. Een staaltje van deze voortbrengselen zij hier genoeg om de rest te beoordeelen:

Aan een Burgemeester.

Al wordt a c h t b a a r, ja ook zestien baar geheeten,

Toch. wordt u, zijt gij dood, slechts ééne baar gemeten.

ïoen elk zijn beurt had gehad, werden Heynsz en ik evenzeer uitgenoodigd om tot het algemeen genoegen bij te dragen. Vergeefs verschoonde ik mij: men stond er op: ik moest mijn gelag betalen zoowel als de anderen: ik zoude ongetwijfeld ook wel eenmaal in mijn leven aan de Zanggodinnen geofferd hebben, enz. Terwijl ik, met de zaak verlegen, niet wist, hoe ik er mij uit redden zoude, schoot mij een vierregelig versje te binnen, dat ik in een Hoogdiütsch boek gelezen had, en waaraan zin noch slot was. Ik weet niet welke goede of booze geest mij inblies, dat dit stukje een goede uitwerking zou doen, en na het, met verbazing over mijn eigen vlugheid, bij mijzelf in 't Nederduitsch vertaald te hebben (waartoe het zich gereedelijk voegde) dreunde ik het op;

Snedig antwoord:

„Zeg Piet, hebt gij dat nieuwe werk gelezen Van Bonifaas? Men zegt bet wordt geprezen.quot;

Dus vroeg eens Hein. Toen sprak de sputter Piet:

„Neen beste Hein I gelezen heb ik 't niet.,'

ocr page 348

320

„Dat is verduiveld aardig! — wat is dat fijn! — daar zit wat in! — nu, die kan menigeen in zijn zak steken!quot; — en honderd andere loftuitingen meer begroetten dit epigram, waarin ieder overtuigd was, dat een bijtende sa tyre lag opgesloten; ofschoon geen van allen natuurlijk wist waar, maar elk hield zich, of hij die begreep. Alleen de drollige kwant, 't zij uit jaloezie, 't zij dat hij gemerkt had, dat ik spotte, voegde zijn lof niet bij dien der overigen, maar zag mij aan of hij mij had willen verslinden.

Wat Heynsz betrof, deze bleef ernstig volhouden, dat hij geene verzen kon voordragen; doch, zoo men zich daarmede tevreden wilde stellen, wel een avontuur uit zijn merkwaar-digen levensloop kon mededeelen. Dit voorstel werd aangenomen en nu deed hij de vraag:

„Hebben de Heeren wel ooit gehoord van mijn zonderlinge ontmoeting met den beroemden Cartouche?quot;

„Neen! neen!quot; klonk het uit éénen mond: en allen zwegen en schoven hunne stoelen bij en zagen met aandachtige belangstelling naar den man, die op het voorrecht bogen mocht, van Cartouche te hebben gezien.

„Wel!quot; zeide Heynsz: „het is nu een goede dertig jaar geleden, ik reisde van Lyon naar Parijs, in vrij berooid equipage en met schraal voorziene beurs of liever met in 't geheel geene beurs en levende van hetgeen de goede lieden mij schonken om Gods wille, etende (als de papa van Uilenspiegel) als ik wat had en vastende als ik het niet had: en meestentijds slapende onder den blauwen hemel. Eens op een nacht gebeurde het, ik weet niet in welk dorp, dat ik genomen had mijn legerstede op een mesthoop aan den weg (hetgeen in parenthese gezegd, het warmste bed is, dat men hebben kan), en dat ik sliep heel gerust, toen ik wakker werd van een groot licht, dat mij scheen in de oogen, en recht over mij zag ik een huis staan in brand, een groot huis voor een dorp: ik geloof dat daarin woonde de Notaris of de Schout: — nu dat's ég al. Ik stond op: er was al volk op de been: en spoedig bood iedereen hulp met water

ocr page 349

321

dragen, met brandspuiten, etcetera. De bewoner van het huis zat al op straat met een gebranden voet, in zijn nachtjak en zonder dat hij had gehad den tijd te redden een kleinigheid of zelfs meer aandoen dan een oude pantoffel.... nu, 't was zomernacht en het vuur maakte ons heet genoeg: hij zal niet gevat hebben kou, hoewel hij beefde als een juffershondje. Bij hem stond zijn vrouw, of liever lag zijn vrouw; want zij kreeg gedurig toevallen, 't Eene was pas over of 't andere kwam op. De man deed niets als te wringen zijn handen en te roepen mon Dieu! mes enfans! — want zijn kinderen waren nog in het brandende huis; maar zoowel hij als zijn vrouw waren te veel in de war om te zeggen waar zich de arme wichten bevonden, en niemand had de courage om te gaan in het groote huis en te zoeken daar in den blinde. Terwijl wij daar waren bezig, daar komt een lieer, welgekleed met een karmozijnen rok aan, en berijdende een fraai zwart paard, en hoorde den papa, en ook de mama, zoo dikwijls zij weer bijkwam, schreeuwen om haar arme kinderen. „Aliens!quot; riep hij: „twintig louis d'or voor dengenen, die toont de courage en redt die arme kinderen.quot; -Er waren er terstond een stuk vijf zes, die wilden naar binnen ; maar de vlam sloeg er uit met zulk een geweld, dat zij terugsprongen van schrik. Toen vroeg de vreemde Heer weder aan den kermenden papa: „zeg eens,quot; zeide hij: „is er geene andere deur en waar zitten die kinderen ergens?quot; — „Ah ma foi!quot; zeide de arme vader, die weer bij zijn positieven kwam: „er is de tuindeur; maar die is gesloten van binnen: en nu ik mij bezin, pauvre malheureux que je suis! ik heb ook opgesloten die arme schapen in hun kamer: omdat de eene is somnambule,quot;.... slaapwandelaar, zeggen wij, geloof ik. —■ N'est-ce que (ja?quot; vraagt de vreemdeling. „Qui m'aimo me suive.quot; En klets! springt hij met paard en al over de hegge in den tuin: en ik hem achterna, met wel tien anderen. Maar daar stort een brandende balk en een stuk van het dak tusschen ons naar beneden, dat de meesten het opgaven, althans ik was de eenige, die met

I. F. H. '21

ocr page 350

322

den ruiter aan 't achterhuis bij de tuindeur kwam. „Vous êtes un brave,quot; zeide hij: „zult gij mij assisteeren?quot; — „Dat zal ik,quot; zeide ik: „maar hoe zullen wij openkrijgen die huisdeur, die van binnen• gesloten is?quot; — „Bah!quot; zeide hij: en hij keek mij aan, alsof ik gedaan had de onnoozelste vraag van de wereld, terwijl hij meteen tastte in zijn zak en daaruit waarschijnlijk haalde een breekijzer: althans in een oogenblik waren de hengsels uit de deur en de deur omgehaald. Toen sprong hij van 't paard, trok uit rok en vest en liep naar binnen en ik hem achterna. Dit gedeelte van 't huis was nog ongedeerd door het vuur; maar er was rook genoeg om gevaar te loopen van te stikken: en wij zouden niet geweten hebben waarheen ons te wenden, hadden wij niet gehoord de stem van een kind, dat huilde en om hulp schreeuwde: „Cest ici!quot; zeide de vreemdeling en één, twee drie had hij opengeveterd eene kamerdeur: wij traden binnen en al tastende in het donker op het geluid af vonden wij eerst een jongetje: en toen werd het vertrek verlicht dooide vlam en zagen wij ook een meisje, dat al half gestikt op den grond lag. Maar nu moesten wij terug en dat was een moeielijker geval. De tocht, die woei door de opene achterdeur, had weder erger gemaakt den brand en de toegang was ons versperd van dien kant. Nu haastten wij ons open te maken het raam: ik sprong er uit en mijn kameraad gooide mij eerst de kinderen één voor één toe en volgde toen mijn voorbeeld. Ik dacht, wij zouden nu terugkeeren bij de ouders; maar de vreemdeling hield mij staande en vroeg wie ik was. „Een arme drommel,quot; zeide ik, „een vreemde zwerver, die niets bezit.quot; — „Tant mieux,quot; zeide hij: „haast u, eer iemand komt: ik moet vluchten om een affaire d'ho line ur. Trek mijne kleederen aan en geef mij uw kiel. In mijn zakken vindt gij geld genoeg.quot; En zonder er iets bij te voegen, had hij mijn kiel van 't lijf gehaald, vlugger dan zoude doen de beste kamerdienaar, die aan zijn lijf getrokken, was op het paard gesprongen, en voort, den tuin door, en weg. Wat zou ik doen? Ik trok rok en vest aan; en pas had

ocr page 351

ik dat gedaan of er kwam een geheele zwerm menschen opdagen: zij hadden uit den weg geruimd het gevallen puin en oen vrijen doortocht tot ons verkregen. Ik bracht de kinderen bij papa en mama: zij zagen mij allen aan voor den vreemden Cavalier: niemand kende mi], en ik hield mij goed en lamenteerde slechts, dat mijn paard mij ontstolen was, terwijl ik mij bevond in het brandende huis. Terwijl wij daar bezig waren, kwamen er een stuk of zes dienaars van de wacht aan te paard van Lyon en in vollen draf. „Aha!quot; zeide de voorste, zoodra hij mij in 't oog kreeg: „daar hebben wij onzen maat. Nu zult gij ons niet ontsnappen, monsieur Cartouche!quot; — Met pakten zij mij aan, maar een hunner, die Cartouche waarschijnlijk kende, zeide, toen hij mij nader aanschouwde, dat zij zich bedrogen en dat Cartouche veel ouder was: — Ik was toen even over de twintig. Zij wilden mij echter meepakken, onder voorwendsel dat ik bij mij had geene papieren; maar ik zeide, die waren in mijn por te-mant eau met mijn paard voort: en al de dorpelingen namen mijn partij, omdat ik mij zoo goed had geweerd: en 't scheelde niet veel of de dienaars hadden gekregen braaf slaag. — De pastoor van 't dorp kwam mij vragen bij hem te blijven dien nacht: ik nam aan en toen ik mij uitkleedde vond ik in mijn karmozijnen rok een beurs met tweehonderd 1 o u i s d' o r. Ik verstopte mijn broek, die niet a l'unisson was, met de rest van mijn toilet, leende een andere van den pastoor, onder voorgeven dat de mijne was gezengd en vol gaten en verliet hot dorp den volgenden dag, nagevolgd door de zegeningen van iedereen.quot;

Ik dacht, dat Heynsz er nog bij zou voegen, hoe diezelfde beurs (gelijk ik hooger verhaald heb) hem naderhand noodlottig werd; doch hij hield hier op, keek op zijn horloge en sloop, zoodra het gesprek weder algemeen werd, schier onopgemerkt uit het vertrek.

Intusschen was de koffie, die eerst rondgediend was geweest, sedert lang door den wijn vervangen; en onder de gasten begon een vroolijkheid te heerschen, welke hoe langer hoe

ocr page 352

824

luidruchtiger werd. Alle aanmatiging zoowel als valsche zedigheid was geweken, ieder schertste en spotte zonder zich meer te bedwingen; er werden vroolijke liedjes gezongen; de rokken gingen uit: de bedaardsten werden snapachtig en de druksten werden stil: in 't kort, het druivennat begon zijn invloed uit te oefenen, en ik te denken dat hot voor mij ook welhaast zaak zou worden, het voorbeeld van Heynsz te volgen en mij stil te verwijderen, toen Helding, die een oogenblik naar buiten was geweest om wijn te halen, weder binnenkwam met het bericht, dat er een Heer in 't portaal was om Heynsz te sproken. Deze was echter zoek: en de meid, geroepen zijnde, verklaarde niet te weten, waar Sinjeur gestoven of gevlogen was. Haar verlegen toon bij dit bescheid, deed mij echter vermoeden, dat de Heer des huizes niet verre af was, maar wellicht met dezen of genen over politie-zaken redeneerde.

„Wij kunnen dien Heer toch niet op de trap laten staan,quot; zeide Helding: „'tschijnt een deftig man: en Heynsz zal toch wel terugkomen. Wat dunkt u, dat ik hem binnenroepe ?quot;

„Wel ja!quot; zei de treurpoëet, met de vuist op tafel slaande, dat al de roemers er van dansten; „hoe meer zielen, hoe meer vreugd.quot; — Uok de overigen keurden goed wat de traktant voorstelde, die dan ook vertrok en na een kort vertoeven terugkeerde, een vreemdeling inleidende met een karmozijnen rok, een zwaar gepoederde pruik, een bril met groote glazen, een stok met een amberen knop en een deftig voorkomen.

„Kom binnen, mijn waarde Heer!quot; zeide Helding, hem als 't ware binnendringende met een ongemeene drukte: „'t is immers beter in een warme kamer te wachten dan op een tochtig portaal. Een stoel voor Mijnheer. Wees zoo goed en neem plaats. Maak, bid ik u, geen complimenten. Hier! een pijp voor Mijnheer! en een schoenen roemer.quot;

De onbekende beantwoordde al deze beleefdheden met stille buigingen; doch sprak zoo weinig of hij stom ware. Hij vlijde zich in den leunstoel, die hem werd aangeschoven, sloeg

ocr page 353

beleefdelijk met een beweging der hand de aangeboden pijp af, zag met een vluchtigen blik het gezelschap rond, en haalde toen een zijden doek uit, die waarschijnlijk met welriekende wateren doortrokken was; want hij bracht dien dadelijk voor 't gezidit en berook hem met zooveel welbehagen, dat hot wel te bespeuren was, dat hij geen liefhebber was van den tabakswalm.

Zijn komst en nog meer de weinige voorkomendheid van zijn manieren brachten die stilte teweeg, welke doorgaans op dergelijke bezoeken volgt en niet ongelijk is aan die, welke op een school, waar alles lustig en vroolijk toegaat, bij de komst des meesters ontstaat. Helding bespeurde deze onwelkome stemming, en, als een plichtmatig traktant, deed hij zijn best om de vreugd weder aan te wakkeren.

„Komaan, Mijnheer!quot; zeide hij, den roemer des onbekenden boordevol schenkende: „sta mij toe, dat ik uwe gezondheid drinke. Misschien is UEd. beteren wijn gewend dan deze; maar wij burgerlui doen het er mede, en wij kunnen u niet moer aanbieden dan wij hebben.quot;

,,Dat zei Lys Morsebel ook,quot; zeide de poëta co mie us, „en zij smeet haar buurvrouw een handvol vlooien naar 't hoofd.quot;

„Uwe gezondheid. Messieurs!quot; zeide de vreemdeling, met een schorre stem, zich buigende en zijn glas naar de hoogte brengende, dat hij vervolgens bij kleine tusschenpoozen ledigde.

„Wel!quot; zeide de grappige duivel, met die gemeenzaamheid, welke onzen burgerstand veelal eigen is: „Mijnheer is, geloof ik, ook bang, dat er hoorntjes en schelpen in zitten.quot; — En om te toonen dat hij dezelfde vrees niet koesterde, ledigde hij zijn glas in ééne teug.

„Komt!quot; zeide Helding: „hoe zit gijlieden allen zoo stil? Mijnheer Huyck! laat ik u eens inschenken. Waar waren wij ook gebleven? Komt! lustig aan en leve de pret!quot;

Maar de pret laat zich niet gebieden: en allen bleven even stemmig kijken, alsof de glazen voor des vreemdelings oogen de uitwerking van Medusa's hoofd bezaten.

ocr page 354

326

„'tis of wij hier bij de Kwakers zitten,quot; zeide de drollige vent: „hoe is het? getuigt do geest niet, Pietje?quot; (dit was de voornaam van den tragicus) „Je zoudt een liedje zingen.quot;

„Wel ja! komaan! een liedje!quot; zeide Helding; — maar de treurpoëet was schor of verklaarde althans het te zijn.

. „Kom!quot; zeide eindelijk de koddige kwant: „'t is of gijlieden bang zijt, dat Mijnheer u op zal eten: Mijnheer is geen bullebak. Jelui kijkt hem aan, of het Cartouche was, daar lleynsz zooeven van vertelde.... en pots seldromenten! dat is nogal grappig! Mijnheer heeft ook een karmozijnen rok aan.quot;

Deze onhebbelijke uitdrukking, in stede van, gelijk anders de kwinkslagen des geestigen duivels, de vreugd te doen herleven, maakte op de aanwezigen een onaangename uitwerking: en velen, wier gedachten niet meer helder waren, keken den vreemdeling zoo angstig aan, alsof zij werkelijk meenden, dat Cartouche uit de andere wereld onder die gedaante te voorschijn kwam. Wat den man zelf betrof, ik zag dat zijn voorhoofd zich fronste: maar hij zeide niel . Ik begreep inmiddels, dat het meer dan ooit tijd voor mij verd om af te trokken; doch wenschte een tijdstip af te wachten, dat mijn vertrek niet bemerkt zoude worden: en daartoe moest het onderhoud weder levendig worden; ik bood derhalve aan, zelf een liedje te zingen, daar al de overigen dit weigerden: en dit met gretigheid aangenomen zijnde, dreunde ik een barcerolla op, die ik te Venetië van de Gondeliers had gehoord en waarvan ik verzocht, dat men het refrein in koor herhalen zou. Dit had de gewenschte uitwerking: nu raakten de tongen weer los: de een zong voor, de andere na en eindelijk zong alles door elkander, behalve alleen de karmozijngekleede lieer, die, gelijk de m a 1 le weerga het uitdrukte, er bij bleef zitten als Ducdalf in 't Doolhof. Ik maakte van de drukte gebruik en sloop onopgemerkt de deur uit.

(

ocr page 355

-

ocr page 356
ocr page 357
ocr page 358