/.
NOTA
D1
aatselijke Direste Belasting
T E
Stoonniruk van do Firma L. E. BOSCH amp; ZOON.
NOTA
D
selijke Directe Belasting
TE XJ T JR, 33 C ü T.
Naar aanleiding van Artikel 291 der Wet van 29 Juni 1851 {Staatsblad nquot;. 85), voorschrijvende dat âalle plaatselijke belastingen binnen den tijd van âvijf jaren na de dagteekening dezer Wet worden âherzien en aan 's Konings goedkeuring onderworpenquot;, benoemde de Raad der Gemeente Utrecht den 27quot;⢠Mei 1852 eene Commissie âom te dienen van conside-âration en advies aangaande de wijze, waarop de âhier bestaande plaatselijke belastingen liet gevoeg-âlijkst met de bepalingen der Gemeentewet in verband âkunnen worden gebracht.quot;
Deze Commissie bracht in December 1854 een rapport uit, waarin hoofdzakelijk werd voorgesteld: de belasting op de brandstoffen af te schaffen, evenals het collectief zegel van 5 % op de stedelijke accijnsmiddelen, de bestaande opcenten a 125 op tarwe, 90 op rogge en 100 op geslacht onveranderd te laten en die op het binnenlandsch en op het buitenlandsch gedistilleerd te brengen van respectievelijk 110 en 70 op 150 en 100. De belasting op den wijn zoude echter van f 6.50 tot f 16.â per vat worden verhoogd.
Verder zouden 10 opcenten op de hoofdsom der belasting op de ongebouwde en 15 op die der gebouwde eigendommen worden geheven, benevens 25
4
opcenten op de personeele belasting met de evenredige vermindering voor de kleiner aanslagen, voorgeschreven door liet toenmalig Artikel 242 der Gemeentewet. Eindelijk werd in dit rapport het eerste voorstel gedaan tot het heffen eener eigen directe belasting.
Ten einde het gevaar van willekeurige aanslagen of van kwellende vordering van eigen opgaven te vermijden, werd voorgesteld van de meer gegoeden, naar maatstaf der woning in verhouding tot de talrijkheid van het gezin, eene directe belasting te heffen tot een bedrag van f 20.000. Zij heette bestemd te zijn om aan te vullen , hetgeen door de meer met inkomen bevoorrechten minder wordt opgebracht, vergeleken met hunne minder gegoede medeburgers en had bepaaldelijk tot doel, de ongelijkmatigheid van het bezwaar der 25 opcenten op het personeel weg te nemen, die, volgens het algemeen gevoelen der Commissie, bijzonder drukken op den middenstand, minder op de rijken. In het ontwerp was als maatstaf de huurwaarde aangenomen, met dien verstande, dat personen, die een perceel bewonen van eene huurwaarde kleiner dan Æ 500 zouden zijn vrijgesteld, terwijl voor de huurwaarden elf klassen werden ingesteld in dier voege, dat voor f 500 tot beneden f 600 6% en, met geleidelijke opklimming, voor f 1500 en daarboven 16% van de huurwaarde zoude worden geheven. Verder zoude de belasting met een half percent verminderen voor eiken persoon meer dan één, tot aan negen, zoodat de belasting voor een gezin van negen personen in de laagste klasse zoude bedragen 2 0/0 en in de hoogste klasse 12 % der huurwaarde.
i
In de maand Januari van het jaar 1855 maakten deze voorstellen oen onderwerp uit der beraadslagingen van den Raad. Eenige vergaderingen werden daaraan gewyd. De eigen directe belasting werd hoofdzakelijk bestreden wegens het te hoog minimum van belastbaarheid, wegens de progressie en wegensstryd met Artikel 243 der gemeentewet, omdat de talrijkheid van het gezin geen eigenlijke grondslag is ter berekening van het inkomen. De discussiën voerden echter niet tot het nemen van een besluit en de zaak bleef maanden lang rusten.
Nadat evenwel bij de Wet van 13 Juli 1855 {Staatsblad nquot;. 103) de accijns op het gemaal was afgeschaft en de Raad, bij besluit van 27 September 1855, de vraag; âzal de gemeente-belasting op het âgemaal behouden worden?quot; in ontkennenden zin had beantwoord, ontviel aan de gemeentekas eene jaarlijksche bate van ongeveer f 85.000. ') Toen
') De opbrengst der directe belastingen bedroeg iu 1855: 15 opc.op geb. en 10 op ongebouwde eigendoinmeu / 10,030.(58
4â20^0. personeel.........- 34,744.19
Totaal . . . / 50,780.87.
Aan belasting op gemaal werd geïnd . ... f 79,214.35
a u u geslacht........- 38,986.795
u n //gedistilleerd.......- 73,200.98
u ii ii wijn.........- 16,454.â
,/ â turf.........- 39,761.88
ii « // steenkolen.......- 11,552.42 r'
5 0/o collectief zegel.........- 13,568.705
Totaal der belastingen op voorwerpen van verbruik ./252,739.13s.
6
eenige weken later, bij de behandeling der begrooting voor 1855, bleek, dat er nog eene som van f 38.000 moest worden gedekt, werd met alge-meene stemmen besloten, deze som door eene directe belasting te heffen en aan eene Commissie de opdracht gegeven, âdeze zaak nader te onderzoeken en een âvoorstel te doen omtrent de wijze van heffing der âdirecte belasting.quot;
Deze Commissie, benoemd den 25stcn October 1855, bracht reeds den 21ston November daaraanvolgende haar rapport nit.
Daarin werd voorgesteld de ingezetenen, naar hun aanslag in 's Rijks personeele belasting met de Rijks opcenten, te verdeelen in veertien klassen (de eerste van f 1 tot f 20 en de veertiende van Æ 600 en hooger), en het verteerbaar inkomen te berekenen door den aanslag te vermenigvuldigen met 20 voor de eerste klasse en , geregeld voor elke klasse met 1 opklimmend, met 33 voor de hoogste klasse. Er werd eene vermeerdering of vermindering van den aanslag voorgesteld naar de talrijkheid van het gezin; het belastbaar inkomen werd geschat op f 5,091.715; voor het jaar 1856 zoude daarvan 1% worden geheven.
Het voorstel verschilde dus zeer aanmerkelijk van dat van 1854. Met afschaffing van de belasting op het gemaal was de geheele burgerij, en zeker niet het minste de geringere klasse, gebaat. De Commissie achtte het om die reden billijk, dat allen in het equivalent zouden bijdragen. Daarom moest het betrekkelijk hoog minimum van Æ 500 huurwaarde, opgenomen in het ontwerp
7
van 1854, vervallen. De Commissie wenschte niet alleen de huurwaarde, maar al de zes grondslagen van het personeel ') te bezigen ter berekening van het belastbaar inkomen, om zoo doende billijker, gelijker en algemeener te treffen, en meende, op het voorbeeld van Delft, door het bezigen van den grondslag âtalrijkheid van het gezinquot;, de billijkheid te betrachten en tevens te voldoen aan den eisch van Art. 243 der Gemeentewet.
De Raad schonk den 13de'1 December 1855 zijne goedkeuring aan het voorstel, en in het eerste jaar, 1856, werd bij eene heffing van 1% van het belastbaar inkomen f 48,913.35:' s) aan directe belasting, het zoogenaamde equivalent, geïnd. De percentage der heffing werd achtereenvolgens verscheiden keeren veranderd 3) en de Verordening,
1
% in 1850 , 1G/10 % van 1875â1876,
1 % van 1857â1859, 17/10 % in 1877,
l-Vio 7o » 1800â1873, % in 1878,
8
overigens gewijzigd bij Raadsbesluiten van 30 December 1856, 22 Maart 1860, 29 November 1860, 9 Januari 1862, 30 November 1865 (ingevolge de slotbepaling der Wet van 7 Juli 1865, die herziening voorschreef vóór 1 Januari 1866), 15 November 1866 en 23 December 1869 (ten gevolge der wijziging van het personeel bij de quot;Wet van 9 April 1869).
Bij de behandeling der Begrooting voor het jaar 1874, toen eene verhooging van belasting van l:l/10 tot 2:i/10 0/0 bleek noodig te zijn, werden in den Raad de gebreken van het equivalent tor sprake gebracht en werd de Commissie van Financiën als Commissie ad hoe aangewezen, om den Raad te adviseeren over herzieningen in het plaatselijk belastingstelsel en met name over herziening der plaatselijke directe belasting.
Den 30 April 1874 stelde deze Commissie haar rapport vast, waarin de meerderheid behoud van het bestaande stelsel aanbeval. Zij stelde echter voor, aan de Verordening eene nieuwe redactie te geven , ten einde de voorschriften te verduidelijken en voortaan de belasting te berekenen naar zeven grondslagen : huurwaarde, deuren en vensters, haardsteden, meubilair, dienstboden, paarden en talrijkheid van het gezin. De berekening en toepassing der zes eerste grondslagen zoude geschieden overeenkomstig de wetten op het personeel. Verder gaf zij in overweging de belasting ook te heffen van personen, die bij anderen op kamers wonen, en eene betelen billijker verdeeling der belasting over de ingezetenen in te voeren.
9
Ten einde laatstgenoemde, de meest belangrijke der ontworpen wijzigingen, tot stand te brengen werd voorgesteld:
a. de bestaande veertien klassen tot vijf en twintig-uit te breiden '), door de verdeeling in klassen voort te zetten van af een aanslag van f 600 tot /quot;1700;
h. de vermenigvuldigingscyfers te verhoogen, door, in plaats der opklimming van 20 tot 33, toe te passen voor de eerste dertien klassen factoren, geleidelijk klimmende van 30 tot 42, en voor de volgende klassen factoren, telkens met 2 klimmende, van 44 tot 66;
c. eene opklimmende schaal van percentsgewijze heffing aan te nemen, in dier voege dat voor de drie laagste klassen 1 0/0 van het belastbaar inkomen, voor de 4ae en de 5llc klasse l'/io quot;/o, voor de 6l'u en de 7dc klasse V'lw %, voor de 8stl! en de 9lle klasse 17io 7», voor de 10le en de lldu klasse l4/io 0/o en voor de 12d0 tot en met de 25quot;° klasse 1710 % zoude worden geheven.
De minderheid der Commissie vereenigde zich wel met het denkbeeld der meerderheid om het aantal klassen uit te breiden, maar achtte het wenschelijk, in plaats der voorstellen, vermeld onder h en c, voor de drie laagste klassen de vermenigvuldigings-cijfers 20, 21 en 22 te behouden en deze voor
!) Bij de invoering der belasting waren er geen aanslagen booger dan Æ 000, omdat toen de bepaling nog niet bestond , dat de aanslagen in bet personeel buiten de gemeente bij het bepalen van den aanslag worden mede gerekend.
10
elke der daarboven liggende klassen met 2 te ver-hoogen
Bij de openbare belianrleling van dit rapport, dat eerst in de Afdeelingen van den Raad werd onderzocht, werd door eenige leden, voorstanders eener reeht-streeksche inkomstenbelasting, aangedrongen op verandering van grondslag der belasting. Alvorens echter tot de behandeling der artikelen werd overgegaan, werd met 14 tegen 8 stemmen besloten het hoofdbeginsel , door de meerderheid in het Rapport nedergelegd, te behouden. Nadat de artikelen dei-Verordening, zooals zij door de meerderheid waren ontworpen, onderwerp hadden uitgemaakt van eene uitvoerige bespreking, werd de Verordening in haar geheel, in de vergadering van 17 December 1874 met 15 tegen 9 stemmen verworpen. In de vergadering van 23 December daaraanvolgende werd echter een nader voorstel, om alleen de tabel van Artikel 3, overeenkomstig het voorstel van de minderheid der Commissie, te wijzigen, met 13 tegen 11 stemmen aangenomen. Ten gevolge van deze wijziging werden , bij de berekening van het belastbaar inkomen van die ingezetenen, die het moest personeel betalen en dus over het algemeen genomen het meest gegoed zijn, aanmerkelijk hooger bedragen verkregen dan vóór 1875 1).
1
) Bij eene heffing van 2s/,,, »/â en van ].G/l0 bedroeg de
11
Bij het nemen van dit besluit bewoog de Raad zich opnieuw in de richting, die voert tot trapsgewijze ontheffing van de minder gegoede klassen der bevolking. Sedert 1855 werden achtereenvolgens de verbruiksbelastingen op het gemaal en op alle andere artikelen ^ afgeschaft, maar de opcenten op de Rijks-directe belastingen voortdurend verhoogd, terwijl daarenboven, de verdeeling der plaatselijke belasting over de verschillende klassen, door de besluiten van 1856 en van 1874, ten voordeele der minstbetalenden werd veranderd.
Sedert de regeling van 1874 werd wel de percentage
door de zwaarder belasting der hooger klassen, van Æ 60,033 in 1874 tot Æ 74,425 in 1875. Door netto opbrengst wordt verstaan het bedrag, geïnd op alle kohieren van een dienstjaar, verminderd met de afschrijvingen en de oninbare posten.
Ondanks de afschaffing der belasting op het gemaal en van het collectief-zegel werd in 1805, bij de wijziging der Gemeentewet, nog voor f 270,035.40 aan verbruiksbelastingen geheven. Zij waren aldus verdeeld :
Geslacht / 53,134.80 Gedistilleerd - 138,540.80^â
Wijn - 22,303.30
Turf - 34,317.01s
Steenkolen - 22,339.42.
De plaatselijke belasting op den wijn werd 1 Januari 18 60, die op de andere artikelen 1 Mei 1 806 opgeheven. Door de verhooging der opcenten op de gebouwde eigendommen van 15 tot 40, door het vervallen van de schaal der opcenten over het personeel en door de uitkeering van het 4/r, wns het mogelijk, gedurende de eerste acht jaren na de afschaffing dier verbruiksbelastingen, de uitgaven, zonder verhooging der eigen belasting te bestrijden.
12
der heffiijg veranderd, wel werden eenige verbeteringen in de redactie der Verordening aangebracht, maar de wijze van heffing onderging na dat jaar geen wijziging.
Bij de behandeling der Gemeentebegrootingen voor 1878 , 79 en 81 werd echter wederom door verschillende leden van den Raad aangedrongen op wijziging dei-directe belasting en bij het onderzoek der begrooting voor 1883 werd in eene der Afdeelingen de hoop uitgesproken: âdat Burgemeester en Wethouders bereid âzouden worden bevonden , een nieuw voorstel âomtrent de eigen directe belasting in te brengen, âindien in den loop van dit zittingjaar geen voor-âstel tot wijziging in de onderlinge verhouding van âliyks- en Gemeentebelastingen door de Regeering âmocht zijn ingediend.quot;
In het antwoord verklaarden Burgemeester en Wethouders in te stemmen met het gevoelen dier leden , die meenen, dat het tijdstip ongunstig is om tot eene wijziging dezer belasting over te gaan, maar verklaarden zij zich bereid eene herziening der Verordening , des verlangd, voor te dragen als niet eerlang door de Regeering eene voordracht tot wijziging in de onderlinge verhouding der Rijks- en Gemeente-belastingen werd ingediend.
In de vergadering van den Raad van 26 October 1882 werd nader aangedrongen op wijziging, hetzij door het invoeren eener inkomstenbelasting, hetzij door de kadastrale huurwaarde der gebouwde eigendommen als grondslag aan te nemen.
Door den Wethouder, Voorzitter der Commissie van
13
Financiën, werd toon de toezegging gedaan, dat in den loop van het jaar 1883 de zaak bij die Commissie aanhangig zoude worden gemaakt, en dat Burgemeester en Wethouders, van hare voorstellen gesaisisseerd zijnde, die aan den Raad zouden overleggen.
In den aanvang van 1883 werd dan ook in de Commissie van Financiën de vraag besproken: âof âhet raadzaam is, in de grondslagen voor de eigen âbelasting de huurwaarde van de personeele belasting âte vervangen door die van de grondbelastingquot;. De Commissie ontried die vervanging en de meerderheid sprak bij die gelegenheid de wenschelijkheid uit, dat Burgemeester en Wethouders zoo spoedig mogelijk mochten overgaan tot het ontwerpen eener belastingverordening op het inkomen.
Sedert bleven de plannen tot wijziging der eigen directe belasting in overweging, zonder dat bij den Raad voorstellen tot herziening werden ingediend, omdat Burgemeester en Wethouders het niet wensclielyk achtten â zooals zij mededeelden in de Memorie van beantwoording van het verslag van het onderzoek der Begrooting voor het jaar 1884 in de Afdee-lingen â voorstellen te doen, met het oog op de door de Regeering en door eenige leden der Tweede Kamer ingediende wetsontwerpen van financiëelen aard.
Bij de algemeene beraadslagingen over de Begrooting voor 1886 kwam eindelijk het vraagstuk der directe belasting nogmaals aan de orde , met dat gevolg, dat Burgemeester en Wethouders den 27stgt;;,, October 1885 door den Raad werden uitgenoodigd om âvóór de aanbieding der Begrooting voor 1^87
14
âaan den Raad een voorstel te doen voor eene ânieuwe, op andere grondslagen berustende, plaatselijke âdirecte belasting.quot;
Naar aanleiding van dit besluit moet in de eerste plaats worden onderzocht, welke ruimte de Gemeentewet den plaatselijken wetgever op het gebied dei-eigen plaatselijke belastingen heeft gelaten. Deze vraag dient vooral daarom te worden besproken, omdat in den Raad dezer Gemeente herhaaldelijk, zoowel de wettigheid van de vigeerende belasting als die eener rechtstreeksche inkomstenbelasting, met klem van redenen is bestreden.
Hieromtrent zij het volgende opgemerkt.
Art. 243 der Gemeentewet, dat, sedert de invoering dezer Wet, de eigen directe belastingen be-heerscht, en dat bij de toepassing hier en elders aanleiding heeft gegeven tot tallooze bezwaren en eindelooze discussiën , luidt:
âHoofdelijke omslagen en andere plaatselijke directe âbelastingen worden geheven naar grondslagen, die âvoor een redelijken maatstaf van het inkomen der âbelastingschuldigen te houden zijn.
âAls grondslagen kunnen niet uitsluitend worden âaangenomen een of meer grondslagen van de per-âsoneele belasting of van de andere in de vierde â(sedert de wet van 7 Juli 1865 de zesde) zinsnede âvan Art. 240 bedoelde Rijks directe belastingen.quot;
In de Memorie van Toelichting der Gemeentewet schreef de Minister Thorbecke in 1851 o. a. :
âBij het groot verschil van plaatselijke omstandig-
J 5
âheden schijnt het ongeraden , stellige voorschriften âte geven omtrent de grondslagen, voor plaatselijke âomslagen en andere directe belastingen aan te ânemen. De bepaling der 2quot;lc zinsnede is echter ânoodig, wil men beletten , dat plaatselijke directe âbelasting in het ^wezen eene verhooging worde âvan de Rijks directe belasting. Werd deze bepa-âling in de wet niet opgenomen, de gemeenten âkonden dan , onder de benaming van omslag, heffen , âhetgeen zij als opcenten op het personeel niet zon-âden mogen vorderen
en in de Memorie van Beantwoording :
âIn groote steden zal men, wanneer de plaatselijke âgesteldheid het ongeraden maakt, niet tot omslagen âof andere eigene directe belastingen behoeven over âte gaan, ten ware allo andere middelen waren âuitgeput, en dit kan slechts zeer zelden het geval zyn. âBelasting naar het inkomen schijnt het billijkst. âBy de onmogelijkheid om den maatstaf meer âstellig te bepalen, bleef er niets anders overig, dan âóf in het geheel geen voorschrift te geven, of te âvorderen, dat men zich zou moeten houden aan rgrondslagen, die voor een redelyken maatstaf van âhet inkomen kunnen gelden. Het is niet meer dan âeen leiddraadquot;, enz.
Toen in het Verslag der Commissie van Rapporteurs der Eerste Kamer werd opgemerkt: â Men achtte de hier voorkomende uitdrukking redelijken maat-âstaf ongenoegzaam. Zoo het stellen van regels âergens noodig was, dan zou het hier geweest âzijnquot;, werd daarop door Thorbecke geantwoord:
16
âHet scheen, ook vanwege het verschil van plaatselijke gesteldheid , juist hier ondoenlijk, den maatstaf âvan belasting meer stellig te bepalen. De regeling âvan den maatstaf zal evenwel niet. gelijk in het âVerslag wordt ondersteld, geheel aan de plaatselijke âbesturen overgelaten zijn. Acht de Regeering den âvoorgestelden maatstaf onaannemelijk, zij zal de âgoedkeuring dier belasting weigeren.quot;
Met het oog op het groot verschil van plaatselijke omstandigheden is dus Artikel 243 der Gemeentewet in zeer algemeenen zin door de Regeering ontworpen en zoo door den Wetgever vastgesteld. Toen echter reeds spoedig de onmogelijkheid bleek om stellige grondslagen te vinden, waarnaar liet inkomen kon worden gemeten, werden tal van Verordeningen dooide Gemeenteraden vasto-esteld en door den Koning:
O O
goedgekeurd, waarbij eigenlijk uitsluitend de grondslagen van het personeel werden gebezigd.
De Heer Thorbecke, die by de belangrijke wijziging, welke de Gemeentewet in 1865 onderging, weder aan het hoofd stond van het Ministerie van Binnen-landsche Zaken, deed bij deze gelegenheid omtrent den loop van zaken belangrijke mededeelingen. Daar de tweede alinea van Artikel 243 in 1851 hoofdzakelijk was vastgesteld om te voorkomen, dat de opbrengst van het personeel zoude verminderen, als men zich voor de stedelijke belastingen uitsluitend van dezelfde grondslagen mocht bedienen, achtte de Regeering die alinea overbodig, toen de in 1865 ontworpen regeling, door den afstand van hethet belang voor de inning van het personeel bij de
17
Gemeente zoude overbrengen. Zij stelde daarom voor, die zinsnede te doen vervallen en lichtte dit voorstel o. a. toe met de volgende woorden:
âEen noodwendig gevolg van den voorgestelden âmaatregel zal uitbreiding der hoofdelijke omslagen âof andere directe belastingen zijn. Hiertoe schijnt âhet tegenwoordig tijdstip geschikt. Sedert tal van âjaren zijn in de meeste gemeenten dergelijke belastingen ingevoerd.
âHet bezwaar, dat althans voor sommige groote âgemeenten het tweede lid van Artikel 243 opleverde, âis thans door het vervallen dier zinsnede weggeruimd.quot;' Deze uitbreiding der eigen directe belasting werd verwacht, zoowel wegens de vermindering van de belastingbronnen der gemeenten door de afschaffing der plaatselijke verbruiksbelastingen, ji!s wegens het voorstel der Regeering om in de volgorde, waarin de gemeenten voortaan over do verschillende middelen mochten beschikken, eene wijziging, aan te brengen.
Terwijl de Gemeentewet van 1851 als algemeenen regel bij Art. 244 voorschreef, dat do hoofdelijke omslagen of andere plaatselijke directe belastingen niet worden geheven , alvorens de gemeente-opcenten op de grondbelasting, voor de gebouwde eigendommen tot 10 , voor de ongebouwde tot 5 en de opcenten op het personeel tot 15 zijn opgevoerd, bevat Artikel 247 der in 1865 gewijzigde Wet eene bepaling van geheel andere strekking. Door het verbod om opcenten op de hoofdsom der personeele belasting te heffen, tenzij de opcenten op de hoofdsom der grondbelasting tot 10 0/0 en 40 % zijn opgevoerd
2
18
en een hoofdelijke omslag of andere directe belasting worde geheven, welker opbrengst met het bedrag der te heffen opeenten op de personeele belasting minstens gelijk sta, worden de gemeentebesturen sedert 1865 gedrongen zich een eigen belastinggebied te verschaffen. De eigen belasting komt sedert 1865 niet meer na de opcenten op grond- en op personeele belasting, maar moet de laatste als het ware voorafgaan.
Blijkens het Voorloopig Verslag vond echter het voorstel der Regeering omtrent Art. 243 in de afdee-lingen bestrijding. âDe betrokken alineaquot;, zoo luidt hot, âhad ten doel, om door het belastingstelsel der gemeenten âalthans eenigermate aan het erkende gebrek van het âRijks-belastingstelsel tegemoet te komen, hetwelk âte ongelijk drukt, van de meervermogenden te âweinig eischt; deze wel naar evenredigheid van âhun uiterlijke vertering, maar niet in verhouding âtot hun inkomsten betalen laat; thans zal de personeele belasting, uit haren aard volstrekt onge-âschikt om als belasting naar het vermogen of naar de âinkomsten te werken, inderdaad met de opcenten op de âgrondbelasting, impót unique der gemeenten worden. â . . . . Dit gevaar is te grooter, omdat het â âde ondervinding heeft het geleerd â voor de gebeenten vrij wat gemakkelijker is, de eigen directe âbelasting in eene vermomde verhooging van het âpersoneel te doen bestaan dan die belasting te hef-âfen, zooals Art. 243 wil; naar grondslagen, die âvoor een redelijken maatstaf van het inkomen der âbelastingschuldigen te houden zijn.quot;
19
In de Memorie van Antwoord schreef daarop de Minister o. a. hot volgende: â.....Die grondslagen zijn echter -â de ondervinding heeft het âgeleerd â in groote gemeenten niet wel zonder âgebruik van de grondslagen der personeele belasting âte vinden. Het wegvallen der tweede zinsnede van âArt. 243 zal derhalve geen merkbare verandering âin het bestaande teweegbrengen.quot;
Bij de openbare behandeling werd evenwel, op voorstel van den Heer Aran Bosse, die in 1851 als Minister van Financiën met Thorbocke had medegewerkt aan het ontwerpen der Gemeentewet, besloten, de tweede alinea van Art. 243 te behouden.
Tot toelichting van zijn amendement werd door den Heer Van Bosse o. a. gezegd: âWij weten, âdat als grondslagen van incometax de grondslagen âvan de wet op het personeel niet aanbevelens-âwaard zijn. Het is bekend, dat het personeel âveel te zwaar drukt op den minderen burger, âen ten platten lande den gegoeden boerenstand âaanmerkelijk verschoont. Als men nu voor de âgemeente de gelegenheid opent, om die belasting
âop het personeel uitsluitend te volgen.....dan
âzal ten platten lande alles op dien voet worden âgebracht. En in de steden zal dit ook geschieden: âhet is toch eene bekende zaak, dat een aantal âstedelijke besturen hebben geijverd tegen de bepa-âling, dat de grondslagen van de personeele belasting âniet uitsluitend kunnen worden aangenomen als âgrondslagen voor directe gemeentebelastingen. Zij âvonden die bepaling lastig, zij zouden het gemak-
20
âkelyker hebben gevonden, eenvoudig de wet op het âpersoneel na te schrijven; over de gevolgen werd
âniet altijd nagedacht...... Ik ben het met
âden Minister eens, de zes grondslagen van het âpersoneel zijn volstrekt niet te houden voor een âredelijken maatstaf van het inkomen der helasting-âschuldigen.quot;
Bij deze discussie legde de Minister van Binnenland-sche Zaken omtrent de toepassing van dit artikel, waarop hij jaren lang als Minister een grooten invloed heeft uitgeoefend, de volgende merkwaardige verklaring af:
âMen moest een zijweg zoeken; men moest, en âhet Gouvernement heeft dat ook gedaan, temperen; âmen moest eenigszins toegeven in hetgeen de tweede âalinea van Art. 243 verbiedt. Ik zelf. .... heb âbij de invoering der Glemeentewet tot toegevendheid âmedegewerkt, omdat het toen inderdaad onmogelijk âwas, het verbod streng te handhaven.
âBij het voorstellen van het artikel, gelijk het in âdit ontwerp vervat is, heeft de Regeering opgezien âtegen het voortzetten van dergelijke conniventie, âbij eene wellicht niet geheel te keeren ontduiking âvan een wettelijk voorschrift.......
âMaar bevorderen moet de Regeering het, dat de âhoofdelijke omslagen iets anders zijn dan eene belasting op het personeel; dat zij wezenlijk die takken âvan inkomst treffen, die in de gemeente zonder âvexatie en zonder druk aan belasting kunnen wor-âden onderworpen.
âHet zal een zeer heilzame tak van belasting zijn,
21
âwaarvan de proef in de gemeenten het best en âmisschien alleen zal kunnen genomen worden.quot;
....... âAanraking min of meer met de
âgrondslagen van de personeele belasting was niet ,,te vermijden.quot;
Het streven van den Wetgever om eene zekere gelijkmatige verdeeling cn eene bepaalde afscheiding tot stand te brengen tusschen twee hoofdsoorten van belasting: die op de vertering en die op het inkomen der gemeentenaren, welke laatste op den voorgrond diende te treden , is tot dusverre slechts in beperkte mate vervuld.
Terwijl men uit al de vermelde verklaringen zoude afleiden, dat Verordeningen als de thans in Utrecht geldende, eigenlijk dienen te worden beschouwd als door de Gemeentewet verboden , terwijl een man als Thorbecke verklaarde, dat zij door de Regeering met âconniventiequot; waren toegelaten, werd ook na 1865 â o. a. in de zitting van 19 November 1874 van den Raad -dezer Gemeente â betoogd, dat de Wet geen directe inkomstenbelasting toelaat.
Ook de tegenwoordige Minister van Binnen-landsche Zaken acht, blijkens Z.E. schrijven aan de collegiën van Gedeputeerde Staten der verschillende Provinciën, gedagteekend 12 Augustus 1885, dat de rechtstreeksche inkomsten-belastingen met de tegenwoordige bepalingen van Art. 243 der Gemeentewet moeilijk zijn overeen te brengen.
Volgens de voorstanders dezer opvatting vordert de eerste alinea van Artikel 243 de aanwijzing van bepaalde feiten en uiterlijke kentcekenen, het bestaan
22
van waarneembare omstandigheden, vormende een redelyken maatstaf voor de berekening van het inkomen , en is liet rechtstreeksch belasten van het inkomen, zonder dat het naar zoodanigen maatstaf is gemeten, onwettig. De tweede alinea van Artikel 243 bewijst naar hunne meening onwederlegbaar, dat de grondslagen van het personeel behooren tot die, welke in de eerste alinea worden bedoeld, maar stelt alleen den cisch, dat zij niet uitsluitend mogen worden aangenomen.
Konden de voorstanders van het stelsel der thans nog in onze gemeente vigeerende Verordening be-toogen, dat deze werkelijk op grondslagen berust, waaruit op redelijke wijze het inkomen der belastingschuldigen kan worden berekend, dan ware aan den eersten eisch van Artikel 243 voldaan. Nu men zich tevreden stelt met het berekenen van het inkomen uit den aanslag in het personeel, en eenvoudig als regel, waarop slechts enkele uitzonderingen worden toegelaten, aanneemt, dat allen, die evenveel personeel betalen, over een gelijk inkomen kunnen beschikken, zal dit betoog wel niet zijn te leveren. Ieder, die de kohieren onzer Gemeente heeft onderzocht, moet wel ten ernstigste betwijfelen, of voldaan wordt aan de redelijkheid, die in Artikel 243 dei-Gemeentewet den maatstaf tot eisch is gesteld.
Aan even gegronden twijfel is de vraag onderhevig, of de Yerordening overeenstemt met de beperkende bepaling der tweede alinea van Artikel 243, De talrijkheid van het gezin kan toch in eigenlijken zin niet worden beschouwd als grondslag voor eene
23
belasting: zij mist daarvan alle kenmerken. Zij is veeleer eene reden van vrijstelling, die bij het berekenen van eenig tarief in aanmerking komt, dan een redelijke maatstaf voor het inkomen van het hoofd van het gezin. Er bestaat zelfs niet het minste verband tusschen zijn inkomen en de talrijkheid van zijn gezin.
Evenmin kan worden aangenomen, dat de vermenigvuldiging der aanslagen met de cijfers, die voor elke klasse in Artikel 3 der Verordening zijn vastgesteld , voor een afzonderlijken grondslag kan gelden. De grondslag van het personeel wordt daardoor wel gewijzigd, maar hij blijft zelf in wezen. Het cijfer wordt veranderd, maar niet de grondslag, dat is het voorwerp, waarnaar de belasting geheven wordt.
De talrijkheid van het gezin is een expediënt, waardoor in schijn de bepaling der Wet wordt geëerbiedigd; metterdaad wordt daardoor het doel van den Wetgever, die vermomde verhooging van het personeel wilde voorkomen, niet bereikt.
Veel beter maatstaf voor de berekening wordt echter verkregen, als men tot grondslagen aanneemt de verschillende bronnen van het inkomen , en daaruit op de wijze, vermeld in Artikelen 5, 6 en 7 der Ontwerp Verordening, het te belasten inkomen samenstelt. Waarom zoude het aannemen dezer grondslagen niet zijn geoorloofd ? Zijn zij minder redelijk dan die van het personeel ? Wordt het doel des Wetgevers, belasting naar het inkomen, hierdoor minder goed bereikt dan door de omwegen van het bestaande ?
24
Wat betreft de wettigheid, kan de rechtstreeksche inkomstenbelasting de vergelijking met het equivalent gerust doorstaan; want tegenover de bedenkingen omtrent de wettigheid eener rechtstreeksche inkomstenbelasting staan veel gewichtiger bezwaren tegen het stelsel der vigeerende Verordening. Nu de ervaring heeft bewezen, dat het a. h. w. onmogelijk is, andere dan deze twee soorten van gemeentebelastingen vast te stellen, dient men op ééne der beiden wel de keus te vestigen. Waar echter de ontwerper der Gemeentewet inkomstenbelasting wilde en het goedkeuren van quot;Verordeningen, als de bestaande, noemde âgedeeltelijke ontduiking van een âwettelijk voorschriftquot;, zullen de voorstanders van het equivalent dienen te bewijzen, dat de deugdelijkheid daarvan grooter is, dan die van de rechtstreeksche inkomstenbelasting. Dat het meer met de Wet overeenstemt zal bezwaarlijk kunnen worden betoogd.
De Wetgever, die in 1851 aan Artikel 243 zoodanige redactie gegeven heeft, dat den gemeenten eenige ruimte van beweging verzekerd werd, heeft in 1865, toen volkomen bekend was. welk uiteenloopend gebruik de verschillende gemeentebesturen gedurende veertien jaren van hunne bevoegdheid hadden gemaakt, die redactie onveranderd behouden. Eveneens hebben opvolgende Ministers steeds medegewerkt om 's Konings goedkeuring te verkrijgen, zoowel voor Verordeningen, die direct, als voor dezulke, die indirect tot eene bepaling van het inkomen der belastingschuldigen voerden.
Is dus de wettigheid eener rechtstreeksche belasting naar liet inkomen niet aan gegronden twijfel onderhevig, de wenschelijkheid van hare invoering verdient nadere bespreking.
Indien hot bestaande goed werkt, indien het thans aan de vereischten eener doeltreffende belasting-voor onze Gemeente voldoet, dan is zeker verandering niet raadzaam. Met het onderzoek van de werking der hoofdbepalingen van de tegenwoordige quot;Verordening wordt dus aangevangen. Daaraan knoopen zich van zelf eenige beschouwingen vast over het stelsel, waartoe zij behoort.
Als onbetwistbaar wordt hierbij aangenomen, dat de wetgever door de plaatselijke directe belastingen , de ingezetenen heeft willen treffen in zekere evenredigheid van hun inkomen. De Verordeningen tot heffing moeten derhalve het middel aan de hand doen om te geraken tot eene zoo juist mogelijke kennis van het inkomen, benevens het middel om alle ingezetenen te treffen, die over een voldoend inkomen beschikken.
Het onvolkomene der tegenwoordige Verordening in deze en in zoovele andere opzichten zal uit de volgende opmerkingen blijken.
Berekening Zooals bekend is, berekent de Verordening het inkomen, inkomen naar maatstaf vau elks vertering, en wordt het bedrag van het inkomen bepaald door den aanslag van de Rijksbelasting op het personeel.
Al is onze belasting niet te noemen eene verteringsbelasting , omdat getracht wordt door de
26
sterk klimmende cijfers vau vermenigvuldiging der tabel van art. 3 , eene zekere taxatie van het inkomen te verkrijgen, de grondslagen, waarnaar de berekening geschiedt en waarvan byna geene afwijking toegelaten is, zijn dezelfde als die van het personeel. Grondslagen, volkomen juist voor het personeel, volkomen geschikt voor de berekening der vertering, geven daarom nog niet aan, hetgeen verteerd kan worden, m. a. w. het inkomen. Tusschen vertering en inkomen bestaat geene vaste verhouding. JS'iet alleen bestemmen de minder bemiddelden naar verhouding een grooter gedeelte van hun inkomen tot vertering dan de meergegoeden, *) maar personen, die over volkomen gelijke inkomsten beschikken, gebruiken daarvan volstrekt niet hetzelfde aandeel voor hunne jaarlijksche vertering. Aan het eerste bezwaar kan in zekere mate worden tegemoet gekomen door het aannemen eener klimmende schaal van factoren, het tweede gebrek is moeilijk weg te nemen of te verminderen.
|
!) In Amsterdam verwoont iemand, die een inkomen heeft: | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
27
Door den maatstaf van den aanslag in de perso neele belasting (met de wijzigingen van Artikel 11 der Verordening) wordt verder voor de minstgegoeden, die geen dienstboden of paarden houden, uitsluitend, voor de meergegoeden hij na uitsluitend bet door den belastingsebuldige bewoonde buis als maatstaf voor het inkomen aangenomen. ') Wie weinig verteert naar do grondslagen van het personeel, en op andere wijzen zeer groote uitgaven doet, draagt in bet personeel en, tengevolge van dien , in de plaatselijke belasting, slechts weinig bij. 2)
') Voor het dienstjaar 1884/85 bedroeg de hoofdsom der kohieren voor het personeel , afgerond in guldens , voor :
1°. de huurwaarde.....Æ 88.904
2°. de deuren en vensters . . » 69.091 3°. de haardsteden . ... n 49.913
Æ 207.907 af remissie . . « 15.388
Æ 192.519
4°. het meubilair....... 46.203
Totaal der 4 eerste grondslagen Æ238.722 d. i. ± 88 % 5°. de dienst- en werkboden . » 24.15 1 « S.9 n 6°. de paarden....... 8.358 « 3.1 »
Totaal van de hoofdsom. . Æ271.231 100 0/0
'2) Tabel B. van liet Verslag omtrent de heffing der plaatselijke directe belasting naar hot inkomen te Amsterdam over 1883/84, voorkomende in de Bijdragen van het Statistisch Instituut 1886 Nquot;. 1 , levert tal van sterk sprekende bewijzen
28
De Wet op het personeel is meer dan eene hiilve eeuw oud â zij dateert van liet jaar 1833 â en al
van de onmogelijkheid om eene bepaalde verhouding tusschen inkomen en aanslag in het personeel vast te stellen. Hoewel die staat enkel de huurwaarde en niet den aanslag in de andere grondslagen vermeldt, kan men daaruit toch wel met genoegzame nauwkeurigheid den aanslag in het personeel afleiden.
De volgende voorbeelden strekken om aan te toonen, dat zoodanige vaste verhouding niet bestaat:
1°. Onder de 7044 personen, aangeslagen naar een inkomen van Æ 600 tot Æ 700 , bevinden zieh 1315 zonder huurwaarde; 884, die op minder dan f 6 7 huurwaarde geschat en dus voor de 4 eerste grondslagen vrij zijn van personeele belasting, en de overigen worden geacht van f 67 tot /1100 huur te verwonen.
Al deze personen zijn geschat op op eeu inkomen van f 000 tot Æ 700 en op een belastbaar inkomen van f 150. Werd de ütrechtsehe Verordening op hen toegepast, dan zouden de 'wstvermelde 1315 en de 884 ingezetenen worden vrijgesteld en de overigen , ofschoon naar alle waarschijnlijkheid over dezelfde middelen beschikkende, zouden betalen naar een belastbaar inkomen, dat uiteenloopt van ongeveer Æ 40 voor den één tot meer dan Æ 4000 voor den anderen.
2°. Onder de personen, te Amsterdam aangeslagen voor een inkomen van Æ 6200 tot f 6800, komt één voor, die personeel betaalt naar eene huurwaarde van minder dan Æ 100 en één, die voor eene huurwaarde te boek staat van meer dan f 4400.
In Amsterdam betalen beide naar een belastbaar inkomen van Æ 6200. Wai'e de Utrechtsche Verordening op hen toegepast, de eerste zoude voor een belastbaar inkomen te boek staan van ongeveer Æ 150, de laatste voor Æ 25.000 a Æ 30.000.
29
is zij herhaaldelijk gewijzigd, eene nieuwe ca afdoende herziening wordt door iedereen noodzakelyk geacht. Is deze belasting in 't algemeen drukkend voor de kleinere burgerij, die zij in evenredigheid tot hare draagkracht te veel treft; zij is in 't bijzonder bezwarend voor de ingezetenen van alle klassen, die door beroep of huislijke omstandigheden gedwongen worden, zich van eene betrekkelijk ruime woning te voorzien; zij legt door het medetellen voor de huurwaarde van kantoren, winkels en plaatsen, waar goederen of waren worden uitgestald, op een deel der bevolking, op de neringdoenden, te hoogc lasten.
Verder bestaat er in de schatting van de huurwaarde der verschillende perceelen eene zeer groote ongelijkheid, die, door het berekenen der waarde van het meubilair naar do huurwaarde volgens de tabel van artikel 28 § 3 der Wet, in dubbele mate invloed uitoefent, en aan de billijke verdeeling van personeele ,
3°. Ouder hen, die zich verheugen over een revenu van / 100.000 a / 150.000, komt iemand voor, wiens woning eene huurwaarde heeft van / 700 a. Æ 730. Zijn inkomen zoude naar onze Verordening waarschijnlijk geschat worden op f 3000 a Æ 3500.
Ook het Verslag omtrent de heffing der plaatselijke directe belasting naar het inkomen te Amsterdam over het eerste dienstjaar 1877/78 bevat tal van belangrijke gegevens. Slechts 10.3 der belastingschuldigen bleven staan op hetzelfde inkomen, waarvoor zij het vorig jaar in het equivalent waren aangeslagen; 10.2 0/0 kwamen in eene lager, 79.5 0/0 in eene hooger klasse.
30
en dientengevolge van eigen directe belasting, groote hinderpalen in den weg legt. De huurwaarde van een zeer groot aantal perceelen is n.1. jaren geleden, in 1883 en later, bepaald en sedert niet herzien. Dientengevolge worden de oudere perceelen, meestal in do binnenstad gelegen, op de kohieren van het personeel gebracht voor eene huurwaarde, die volstrekt niet met den tegenwoordigen toestand overeenstemt. Bestond deze onjuistheid der taxatie voor alle woningen in nagenoeg dezelfde mate, dan zoude zij op de verdeeling der belasting niet dezen storenden invloed uitoefenen. Zulks is echter het geval niet; want de huurwaarde van alle nieuwe woningen, van de perceelen, die veranderd of herbouwd en van vele, welker bewoners verhuisd zijn, is later veel hooger geschat. Zoodoende is bij de toepassing van het personeel, en ten gevolge daarvan bij de plaatselijke belasting, menige stuitende ongelijkheid ontstaan, die vooral daarom is af te keuren, omdat dezelfde personen, die reeds door de eene belasting bevoorrecht of benadeeld worden, bij do andere nogmaals in hetzelfde geval verkeeren.
Ter kenschetsing van die ongelijkheid diene bijgaande opgave der schatting van de huurwaarde voor de grondbelasting van gebouwde eigendommen en voor het personeel van een aantal naast elkander gelogen huizen in wijk H.
') Eigenlijk zoude de huurwaarde van het personeel voor deze perceelen hooger moeten zijn dan die voor de grondbelasting
31
|
H U U R W |
AARDE |
|
volgens de schatting voor de grond | |
|
belasting der gebouwde eigen |
volgens de kohieren |
|
dommen , gemiddeld naar de jaren |
vaa liet personeel voor |
|
1868â1872. |
1885â1886. |
|
/ 1400 |
Æ 800 |
|
- 3400 |
- 1400 |
|
- 2100 |
- 1.350 |
|
- 1800 |
- 1000 |
|
- 1400 |
- 950 |
|
- 1000 |
- 1150 ! |
|
- 4300 |
- 2300 |
|
- 2200 |
- 1100 |
|
- 1600 |
- 1300 |
|
- 3600 |
- 1400 |
Volgens een onderzoek, dat in 1882 door den Voorzitter der Commissie van Financiën is ingesteld, bedroeg de totale huurwaarde der perceelen, die cn voor grond- èn voor personeele belasting waren aange-
dcr gebouwde eigondoraraen, omdat bij deze ingevolge Artikel 2 der Wet van 22 Juli 1873 [SlaatMad hquot;. 117) de erven en tuinen niet, bij gene, ingevolge artikel 2 der Wet van 20 Maart 1833 , [Staatsblad n0. 4), wel worden medegerekeud. Bij deze elf perceelen heeft geen splitsing in verschillende woningen plaats gehad, zoodat hier de huurwaarde voor beide belastingen voor dezelfde bebouwde ruimte berekend en vergelijking mogelijk is.
32
slagen in wijk F, respectievelijk/206,235 en/quot; 141,455, zoodat de verhouding was als die van 100 tot 69 quot;). In de nieuwere wijken is het verschil tusschen de bedragen der huurwaarde voor de twee belastino-en veel geringer.
Al werd echter de personeele belasting beter toegepast, al ware zij zelfs eene onverbeterlijke verteringsbelasting; dan kan zij toch nog niet met goed gevolg worden gebezigd tot de berekening van het inkomen. De voorbeelden, vermeld in de Noot op pag. 28 en 29, leveren voor Amsterdam daarvan het bewijs, en de ondervinding, die in onze Gemeente is opgedaan, stemt daarmede geheel overeen. De berekening van het inkomen naar den grondslag der woning heeft, om nog enkele voorbeelden te noemen , het zonderlinge gevolg, dat iemand, enkel door verhuizing, zijn belastbaar inkomen volgens do plaatselijke belasting kan zien verminderen tot de helft of vermeerderen tot het dubbel of meer. liet vermeerderen van het vermogen ten gevolge van eene erfenis, hoe aanzienlijk deze ook zij, heeft geen invloed op het belastbaar inkomen der ingezetenen, zoolang hun uiterlijke staat, gemeten naar de grondslagen van het personeel, niet veranderd wordt. De dood des kostwinners van een gezin, dat door een huurcontract geruimen tyd aan eene bepaalde woning gebonden is, heeft menigmaal ten gevolge, dat de belasting, die naar het inkomen heet te worden geheven,
') Wegens de vrijstellingen van § 2 der Wet op liet personeel kunnen deze cijfers niet bepaaldelijk tot vergelijking dienen.
33
wordt verhoogd in plaats van to worden verlaagd. De vermindering van het aantal leden van het gezin (Artikel 8) strekt dan tot vermeerdering van belasting.
Aantal en Terwijl het klaarblijkelijk in de bedoeling van aanslagen.er den quot;Wetgever ligt, allen in de lasten te doen betalen, die de lusten genieten van het wonen, van het verblijf, in de Gemeente en tevens een jaarlijksch inkomen hebben, zyn in onze Gemeente voortdurend van het betalen van plaatselijke belasting al diegenen vrijgesteld, die niet over eene woning beschikken en geen paarden of dienstboden houden. ^
Het aantal dezer personen kan geschat worden door vergelijking met Amsterdam. Daar zijn voor het dienstjaar 1883/84 1520 ingezetenen op de kohieren der inkomstenbelasting gebracht, die minder dan Æ 07 â het belastbaar minimum voor het personeel â verwoonden en 6071 2) zonder huurwaarde, te zamen 7591, d. i. meer dan 21 0/0 van het geheele aantal belastingschuldigen,3)
') Deze afhankelijkheid van liet personeel heeft o. a. (Artikel 5) het zonderling gevolg, dat iemand, die na 1 Mei van het loopend jaar niet meer aangeslagen wordt op de kolderen der Eijks-belasting, geacht wordt in eens over de volgende aeht maanden van het jaar geen belastbaar inkomen hoegenaamd meer te bezitten.
2) Van deze 6071 personen hadden 3002 een inkomen grooter dan /quot; 1000 , 94 beschikten jaarlijks over meer dan / 10000.
â '') Er waren 27745 personen aangeslagen, die personeel naar den grondslag der huurwaarde betaalden.
3
34
Het verschil in plaatselijke toestanden maakt het schatten van het aantal aanslagen, die waarschijnlijk op de kohieren eene inkomstenbelasting te Utrecht zouden voorkomen, natuurlijk uitermate moeilijk Bij benadering kan dat cijfer echter worden geschat. Uit de gegevens, welke door den Minister van Financiën zijn opgenomen in de Memorie van Antwoord op het Voor-loopig Yerslag der Tweede Kamer omtrent het Ontwerp van Wet tot heffing eener klassenbelasting, *) kan worden berekend, dat het aantal aan geslagen en met een inkomen van f 600 en meer bij eene bevolking van 78000 zielen , zal zijn : 5806.
Eene vergelijking tusschen dit cijfer en het getal van 6823 aangeslagenen, die op de primitieve kohieren van 1886 voorkomen, zoude tot onjuiste uitkomsten leiden, omdat het minimum van belastbaarheid voor beide toestanden niet hetzelfde is. Werd, in plaats van het hoog minimum van f 600 , voor de recht-streeksche inkomstenbelasting , f 500 als laagste grens aangenomen , dan zoude het aantal aanslagen waarschijnlijk klimmen tot 7500. 1)
Eene vergelijking met andere plaatsen leert echter niet alleen, dat het gezamenlijk aantal aanslagen
1
) In Leiden (minimum Æ 400), Groningen (Æ 400), Arnhem (Æ 500), kwamen in 1884 op de primitieve kohieren 558 9, 5211 en 5255 aanslagen voor en in Dordreeht (Æ 400) zelfs 4468, terwijl in Utrecht in 1885 slechts 6617 personen zijn aangeslagen. Er waren 100 aanslagen op 784 zielen in Leiden, op 958 in Groningen, op 846 in Arnhem, op 656 in Dordrecht en op 11 24 in Utrecht.
35
voor een laag minimum in onze gemeente veel te gering is; maar ook, dat het inkomen der meest bemiddelde ingezetenen te laag wordt berekend. De cijfers van onderstaande tabellen toon en zulks duidelijk aan. ')
Geheel aantal aangeslagenen op de primitieve kohieren.
|
Ãtrecht, | ||||||
|
Utrecht |
Leiden. |
Groningen |
Arnhem |
Dordrecht |
geschat | |
|
I N K O M E N. |
bij 78000 | |||||
|
1885. |
1884. |
1884. |
1884. |
1886. |
zielen, | |
|
1887. | ||||||
|
Æ 5.000 en hoogcr. |
231 |
254 |
535 |
580 | ||
|
- 5.600 » » |
238 | |||||
|
â 5.600 ii ii |
202 | |||||
|
- 6.000 » » |
179 |
205 |
424 |
459 | ||
|
- 9.000 ii ii |
88 |
92 | ||||
|
- 9.600 ii ii |
84 | |||||
|
- 9.700 » o |
126 | |||||
|
- 10.000 II ,1 |
75 |
71 |
199 |
204 | ||
|
- 19.000 » II |
49 | |||||
|
- 20.000 » ii |
28 |
21 |
12 |
55 | ||
|
- 20.500 ii ii |
55 | |||||
|
Aantal aangeslagenen per 1000 zielen idem. | ||||||
|
Utrecht |
Leiden |
Groningen |
Arnhem |
Dordrecht |
U trecht | |
|
INKOMEN. |
geschat, | |||||
|
1885. -) |
1884. |
1884. |
1884. |
1886. |
1887. | |
|
f 5.000 en hooger. |
5.384 |
5.09 |
12.05 |
7.436 | ||
|
â 5.500 li a |
8.095 | |||||
|
- 5.600 » » |
2.661 | |||||
|
- 6.000 » ;/ |
4.172 |
t.108 |
9.549 |
5.884 | ||
|
- 9.000 » » |
2.051 |
1.944 | ||||
|
- 9.600 ii a |
1.106 | |||||
|
- 9.700 ii ii |
4.217 | |||||
|
- 10.000 ii ii |
1.748 |
1.423 |
4.482 |
2.615 | ||
|
- 19.000 » II |
1.666 | |||||
|
- 20.000 n II |
0,396 |
0.489 |
0.24 |
0.705 | ||
|
- 20.500 ii ii |
1.238 | |||||
!) Waarschijnlijk stemmen de plaatselijke toestanden te Arnhem het meest met die te Utrecht overeen.
!) De geheele verdeeling over het primitief kohier te Utrecht was in 1885 als volgt:
36
De verandering van het equivalent iu eene recht-streeksche belasting naar het inkomen zal zeker ten gevolge hebben , dat ettelijke honderden weinig bemiddelde ingezetenen, die reeds in het personeel het hunne bijdragen voor de geldmiddelen der Gemeente , geheel van de plaatselijke belasting zullen worden vrijgesteld, en dat een groot aantal inwoners , die thans niet op de kohieren voorkomen, daarop zullen worden gebracht.
Daar de nieuwaangeslagenen over het algemeen meer bemiddeld zijn dan diegenen, die thans wel en later niet meer aangeslagen zullen worden, en de meestgegoede ingezetenen meer zullen moeten betalen, wordt de
|
gt; aangeslagenen of 1.8 0/() | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
6017 | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
100
37
druk in het algemeen eenigszins overgebracht op diegenen, die het voorrecht hebben van de meeste draagkracht te bezitten. ^
De bestaan- Tot dusverre is a. h. w. overal de noodzakelijkheid gedrukt te veel bleken, om de middelen voor den publieken dienst te pen die quot; vinden langs een betrekkelijk groot aantal verschil-dere8 quot;wijze len^e wegen. Zoodoende wordt voorkomen, dat njkgetroffen gieken, die aan iedere belasting eigen zijn, zijquot;- een al te schadelijken invloed uitoefenen. Iedere belasting, hoe goed en billijk zij ook moge wezen in zich zelve, kan nooit consequent tot elke hoogte worden opgevoerd, wil zij goed en billijk blijven. Daarom worde overdrijving vermeden.
Dit beginsel is in onze Gemeente niet genoeg in 't oog gehouden. De eigen belasting herhaalt de fouten, die aan het personeel, evenals aan iedere andere belasting eigen zijn, in plaats van die te verminderen , en het onmiddellijk gevolg van dezen toestand is eene schadelijke en onrechtvaardige eenzijdigheid.
Ten einde zulks duidelyk te maken, is in Bijlage A eene berekening overgelegd van hetgeen de inge-
') Bij de invoering der inkomstenbelasting in Amsterdam bleek o. a. , dat 695 personen, die liet vorig jaar onder het equivalent Æ 14,40, 51 die f 20.80, 9 die Æ 35.20, 7 die / 34.20, 4 die / 56 , 2 die / 70.40 , 1 die Æ 84.80 en 2 die Æ 123.20 betaald hadden, met f 4.50 werden belast. Verder bleek, dat 3 ingezetenen, die in de Inkomstenbelasting met Æ 750, 2 die met Æ 420 , 2 die met Æ 360 , 3 die met f 300 werden belast aan equivalent slechts / 4,80 hadden betaald.
38
zeteneu, aangeslagen in de verschillende klassen van het equivalent, door het gefixeerde vier vijfde en door de 68 opcenten, aan personeel voor de Gemeente opbrengen en bovendien aan eigen directe belasting betalen. De slotsom is in deze tabel opgenomen.
|
Ingezetenen, aangeslagen in de verschillende klassen der eigen belasting. |
Belast met percenten van het belastbaar inkomen. |
|
1° klasse |
8.85 % |
|
2e |
8.53 â |
|
qe ö n |
8.24 â |
|
4e ^ T) |
7.74 â |
|
5U â |
7.31 â |
|
6Ã . |
6.95 â |
|
7° â |
6.63 â |
|
8° â |
6.35 â |
|
6.11 â | |
|
10° tv/ â |
5.89 â |
|
llc â |
5.70 â |
|
12quot; â |
5.52 â |
|
13* â |
5.36 â |
|
14° â |
5.22 â |
|
15° â |
5.09 â |
|
16° |
4.97 â |
|
17e â |
4.86 â |
|
18« â |
4.75 â |
|
19« â |
4.66 â |
|
20« â |
4.57 â |
|
enz. |
39
Om verschillende redenen geven deze cijfers geen juisteu maatstaf aan voor den druk der belastingen. In de eerste plaats, omdat de percenten zijn becijferd naar het op verkeerden grondslag berekend, dus naar het onjuist belastbaar inkomen volgens de Utrechtsche Verordening, en in de tweede en voornaamste plaats, omdat de druk van eene verteringsbelasting als het personeel niet gelijken tred kan honden met het belastbaar inkomen. Zonder dus al te groote waarde aan deze cijfers te hechten, kan men toch aannemen, dat zij eenigszins schetsen hoe onevenredig het personeel de kleinere burgerij en de middenklasse drukt.
Nog veel sterker zouden de cijfers spreken, indien men de belastingen der Gemeente beschouwde in verband met die van Rijk en Provincie, en ook medetelde, wat uit dien hoofde aan personeel en opcenten wordt opgebracht. Het aangevoerde zal echter wel voldoende zijn om aan te toonen, dat men niet voortdurend op de grondslagen van het personeel mag doorbouwen, doch voor de eigen, belasting naar een anderen maatstaf dient om te zien.
Hoe doeltreffend het beginsel der belasting op het personeel, hoe geschikt de woning ook zij nis belasting-object , in het belastingstelsel onzer Gemeente neemt zij eene grooter plaats in dan wenschelijk of noodig is. In het dienstjaar 1885/6 werden op het personeel 30 opcenten voor het Rijk, ') 6 voor de Provincie en 68 voor de Gemeente, totaal 104, gehe-
') Voor IS86/7 op 2 5 gebracht.
40
ven, terwijl op de grondbelasting' der gebouwde eigendommen voor de provincie 6 en voor de gemeente 40 opcenten werden gelegd.
Volgens eene berekening, die onder bijlage B wordt overgelegd, ') wordt hier per Æ 100 huurwaarde , naar de eerste vier grondslagen van het personeel, dooreen f 14.70 geheven, zoodat het bedrag van hoofdsom en opcenten in 1885/6 voor f 100 huurwaarde klom tot / 29.99. 1) Sedert de herziening wordt aan grondbelasting voor de gebouwde eigendommen 5.2039 % van de huurwaarde geheven, zoodat met de opcenten uit dien hoofde per Æ 100 huurwaarde nog f 7.60, 2) en in het geheel van de huurwaarde der woningen aan personeel en grondbelasting 37,59 70 moet worden opgebracht.
Hoewel de huurwaarde van het personeel niet geheel met die van de grondbelasting overeenstemt, heeft het verschil op deze berekening geen noemens-waardigen invloed. Met meer grond zoude kunnen worden aangevoerd, dat de grondbelasting betaald wordt door den eigenaar en het personeel door den
1
) 3,04 X Æ 14.70 = f 29.99. Voor de huurwaarde beneden Æ 100 wordt vermindering toegestaan. De invloed daarvan is evenwel zoo gering, dat deze berekening daardoor niet veel gewijzigd wordt.
2
) 1,46 X Æ 5.2039 = f 7.60.
41
huurder, zoodat de druk der f 37.59 belasting per Æ 100 huurwaarde tusschen deze twee belanghebbenden zal worden verdeeld. Hieromtrent zij opgemerkt, dat de grondbelasting in eene vooruitgaande gemeente, waar het aanbod van woningen op den duur de vraag niet overtreft, hoewel zij van den eigenaar wordt geïnd, wel in den regel door den huurder zal worden betaald. Aan den anderen kant zullen ook perceelen, die den bewoner de betaling van een hoog personeel opleggen, den eigenaar menigmaal tot opoffering van een deel der hem toekomende huurpenningen nopen. De verdeeling van personeel en grondbelasting tusschen huurder en eigenaar hangt zoo zeer van de omstandigheden af en is zoo moeilijk na te gaan , dat een algemeen geldende regel daarvoor niet is aan te geven. Bij den eigenaar, die zelf zijn perceel bewoont, bestaat die verdeeling van den last natuurlijk niet.
Hoe het ook zij, de belasting naar den grondslag der woning is reeds door de verschillende opcenten zoo hoog opgevoerd, dat het verkeerd is, door de eigen directe belasting opnieuw diegenen te treffen, die reeds in twee andere belastingen het meeste bijdragen, en dat het beter is rechtstreeks allen te treffen , die de uoodige draagkracht bezitten.
i^de^befasquot; Uit het vorenstaande blijkt genoegzaam, dat niet fmg wordt te alleen het dragen in het equivalent, maar ook de laten aan^e mate, waarin dit geschiedt, tot op zekere hoogte ingezetenen!quot; bepaald wordt door do keuze en niet door de kracht
42
der ingezetenen. Deze vrijheid om al of niet, om min of meer bij te dragen moge een voordeel schijnen , inderdaad is zulks niet liet geval. Het bijdragen voor den publieken dienst moet worden beschouwd als eene algemeene verplichting. Het moge voor velen aangenaam zijn zich daaraan te onttrekken, voor diegenen, welke dat niet kunnen doen, ontstaat daardoor eene groote onbillijkheid; want het geld tot bestrijding der uitgaven moet dan uitsluitend door dezen worden opgebracht. Op den Raad rust daarom de taak om te zorgen, dat ieder, die in de Gemeente woont en de lusten geniet, worde gedwongen zooveel mogelijk naar evenredigheid zijner draagkracht in de lasten bij te dragen.
Bij deze bezwaren ware nog te voegen, dat de bestaande Verordening dermate ingewikkeld is , dat de overgroote meerderheid der ingezetenen hare werking niet begrijpt, dat het vaststellen der kohieren en daardoor het opbrengen der gelden in menig geval wordt vertraagd door de afhankelijkheid van de per-soneele belasting, dat de beschikking op verzoeken om afschrijving om dezelfde reden dikwijls maanden lang moet worden uitgesteld, dat de bestaande band de financiën der Gemeente blootstelt aan groote schokken, als de wetgever goed vindt de Rijksbelasting te wijzigen enz. Het vorenstaande mag evenwel voldoende worden geacht om het bewijs te leveren, dat het beginsel der Verordening moet worden afgekeurd, zoodat het overbodig schijnt, thans uit de weiden over de verdere bijzondere ge-
43
sebreken, over de zoogenaamde techuick der Ver-
o / '
ordening.
Alvorens echter over te gaan tot de mededeeling van hetgeen in de plaats van de tegenwoordige Verordening dient te worden ingevoerd, schijnt het niet overbodig te zijn, kortelijk eenige middelen te bespreken, die sedert de herziening van 1874 in deze Gemeente zijn aangegeven ter verbetering van het bestaande.
In de eerste plaats wenschte men den tweeden grondslag van het personeel als basis der eigen belasting af te schaffen , omdat de aanvoer van lucht en licht door deuren en vensters niet moet worden belemmerd. Verder wilde men opheffing van den derden grondslag, omdat de belasting van haardsteden a. h. w. een accijns is op de verwarming, en van den vierden grondslag, omdat het meubilair toch veelal in evenredigheid van de huurwaarde wordt geschat. Ten gevolge dezer afschaffing zoude de huurwaarde de plaats der drie andere grondslagen moeten innemen.
Het bezwaar tegen de belasting van deuren en vensters, hoewel meer van hygiënischen dan van fiskalen aard, verdient zeker overweging. Wat de fiskale zijde der zaak betreft, die ons thans meer bepaald bezig houdt, zoude afschaffing ten bate komen van de miudergegoeden, omdat de belasting op deuren en vensters in verhouding tot de huurwaarde op hen het meeste drukt.
Uit Bijlage B toch, die berekend is uit de opgaven, voorkomende in het achtste stuk der âBescheiden betreffende de Greldmiddclcn, uitgegeven door het
44
âDepartement van Financiënquot;, blijkt, dat voor de per-ceelen van eene huurwaarde van f 100 tot Æ 250 ') per Æ 100 huurwaarde voor deuren en vensters van f 4,53 f tot 5,08 aan personeel wordt betaald, terwijl deze grondslag op de bewoners van alle percee-len iu onze gemeente dooreen, per Æ 100 huurwaarde, slechts een last van f 3,93 oplegt.
Blijkens deze tabel zoude afschaffing van den 3''eu en den 4lle11 grondslag daarentegen de gebruikers der grootere woningen vrij aanmerkelijk ontlasten, terwijl het gevolg der afschaffing van den 2'10quot;, 3au11 en 4deu grondslag te zamen zoude zijn, dat de bewoners der grootere woningen eenigszins ontlast zouden worden ten koste van die der kleinere. Wilde men toch van de vier eerste grondslagen van het personeel enkel de huurwaarde als basis voor de plaatselijke belasting behouden, dan zoude, om een even groot geldelijk bedrag te kunnen innen, per f 100 huurwaarde f 14,70 moeten worden geheven. Met uitzondering der klasse van f 450 â f 500 huurwaarde, zouden in dit geval alle gebruikers van woningen met geringer huurwaarde dan f 600 hooger, die van duurder woningen , op enkele uitzonderingen na, lager worden belast. Stappen in die richting, waardoor juist de gebreken van het personeel zouden worden verergerd, zullen wel niet door den Raad worden Q'edaan.
O
Zoude dus door eenvoudige afschaffing van den 2dequot;, 3lt;iea eil ^den gron(jsiag g-eene verbetering ver-
') De perceelen van eene geringer huurwaarde dan Æ 100 ver-keeren door de remissiën in een bijzonderen toestand.
45
kregen worden , het afschaffen van don 5(le11 grondslag verdient evenmin aanbeveling. Hoewel aan het overdrijven van de belasting der dienstboden bezwaren verbonden zijn, is deze grondslag, als maatstaf van den welstand van het gezin, voor eene Verordening als de vigeerende te aanbevelenswaard om er afstand van te doen.
Ernstiger overweging verdient de vraag, of hot al of niet raadzaam zoude zijn, de huurwaarde van het personeel voortaan te vervangen door die van de grondbelasting op de gebouwde eigendommen. Ter verbetering van de gebreken, welke veroorzaakt worden door de ongelijke en deels verouderde schatting der huurwaarde van het personeel, schijnt dit middel voor de hand te liggen. Het werd dan ook herhaaldelijk aanbevolen. Toch is die eenvoudige vervanging om verschillende redenen onmogelijk. Tegen de schatting van het personeel bestaat het overwegend bezwaar, dat zij meerendeels is geschied omstreeks het jaar 1833. Zij kan evenwel, indien daaromtrent overeenstemming bestaat tusschen hoofd der Gemeente en controleur, worden herzien. IS iet aldus bij de grondbelasting. Bij de herziening der grondbelasting heeft de jaarlijksche onzuivere huurwaarde, gemiddeld genomen over de jaren 1868â1872, als maatstaf ter bepaling van de belastbare opbrengst gegolden. Deze taxatie is dus thans reeds verouderd. Van jaar tot jaar kan het verschil met den werkelijken toestand grooter worden en deze wanverhouding kan jaren duren. De huurwaarde over 1816â1825 diende bij de oprichting
40
van liet kadastsr tot grondslag voor de grondbelasting en bleef cene halve eeuw in stand. Bovendien is het vastgesteld bedrag* a. h. w. onveranderlijk. Gewijzigde omstandigheden der omgevino1 quot;waai door de stand verbeterd en dns de huurwaarde verhoogd wordt, hebben daarop geen invloed. Alleen ten gevolge van raateriöele verandering aan de gebouwen wordt de huurwaarde herzien.
Blijkens de, in de âBescheiden betreffende de Geldmiddelen 8 quot; stuk' ') omtrent de personeele belasting over 1882/83, voorkomende opgaven waren er in onze Gemeente 6399 belaste woningen en 10662 woningen beneden de termen van belastbaarheid, zoodat het geheel aantal woningen 17061 bedroeg. De gezamenlijke huurwaarde der belaste woningen bedroeg f 1,634.583. 2)
Bij de herziening werd van 10815 gebouwde eigendommen do belastbare opbrengst bepaald, quot;) terwijl er krachtens art. 25 der Wet van 26 Mei 1870 (Staatsblad nquot;. 82) 336 eigendommen waren
'j Bladz. 49.
2} De kohieren voor den dienst 1883/3 vermelden 7752 aanslagen. Men denke aan de aanslagen naar den 5dün en den giiequot; grondslag en aan de verhuizingen, waardoor vele woningen meer dan eens op de kohieren voorkomen. Het bedrag dei-huurwaarde volgens de kohieren was in 1883/83 Æ 1,710.820. ïen gevolge der afschrijvingen komt dit bedag niet geheel in. 3) Ingevolge de uitkomsten van de herziening bedroeg de huurwaarde van alle, voor het dienstjaar 1870 in de kadastrale leggers opgenomen, eigendommen Æ 3,356.371, die der vrijdommen Æ 290.415. Totaal Æ 3,040.786.
47
in het genot van vrijdom ') en 6 onbelastbaar, als bedragende derzelver jaarlyksche onzuivere huurwaarde minder dan f 5. Volgens later opgaven bedraagt thans het aantal voor hot personeel belastbare woningen ongeveer 7700, het aantal onbelastbare ongeveer 11400 en het totaal aantal 19100, terwijl op de registers van het kadaster voor 1886 11674 belastbare eigendommen voorkomen.
Uit het groot verschil in aantal der gebouwde eigendommen en der woningen volgt, dat het onmogelijk is, eenvoudig de huurwaarde van de grondbelasting op die der gebruikte woningen toe te passen. Yoor de ongesplitste woonhuizen moge van de huurwaarde der grondbelasting kunnen worden gebruik gemaakt , voor tal van andere perceelen moeten zoo veel omstandigheden in rekening worden gebracht, dat het niet mogelijk is de huurwaarde van het personeel als grondslag op te heften, zonder alle woningen van gemeentewege te doen schatten. Deze schatting, waarbij het kadaster wel als leiddraad, maar niet als grondslag dienen kan, zoude dan telken jare moeten worden herzien.
By behoud van het bestaand stelsel zoude hierdoor eene aanmerkelijke verbetering worden verkregen, maar het onjuist beginsel, dat het inkomen naar de woning wordt berekend, zoude daardoor worden bestendigd.
') Door de Wet van 20 Juli 18S4 (Staatsblad 149) is ile vrijdom afgeschaft voor de gebouwde eigendommen, waarvan de stichting enz. na 1 Januari 1880 is begonnen.
48
Evenmin kan verbetering van eenig belang worden tot stand gebracht door de bepalingen over te nemen, die in andere groote Gremeenten bij de eigen directe belastingen van hetzelfde stelsel worden toegepast.
In s Hage wordt de belasting geheven naar :
1 . de huurwaarde der perceelen of der gedeelten van perceelen, die de belastingschuldigen ter bewoning, zoo binnen als buiten de Gemeente, in gebruik hebben, bij de Rijks personeele belasting aangenomen;
2'. de waarde van het meubilair, door de belastingschuldigen binnen de Gemeente jrebezio'd
ö O 7
berekend volgens den aanslag over de Rijks personeele belasting;
3 . het aantal paarden dor eerste klasse, waarvoor de belastingschuldige op de Rijks kohieren voor de personeele belasting van het loopend dienstjaar is aangeslagen, zoo binnen als buiten de Gemeente;
4e. de talrijkheid van het gezin.
In Rotterdam wordt het vermoedelijk inkomen naar de volgende grondslagen berekend:
1 de huurwaarde der perceelen bij de belastingschuldigen, zoo in als buiten de Gemeente, in gebruik;
2°. de waarde van het meubilair, aanwezig inde sub. W'. 1 bedoelde perceelen;
S0. het getal dienstboden, tuinlieden en huisbewaarders, begrepen in de eerste, tweede, vierde klasse litt cl, en vijfde klasse van den vijfden grondslag der Rijksbelasting op het per-
49
soneel, door de belastingschuldigen zoo in als buiten de Gemeente gehouden wordende;
4°. het getal paarden van gemak en weelde, behoorende tot de eerste en derde klasse litt. a Tan den zesden grondslag der Rijksbelasting op het personeel, door de belastingschuldigen zoo in als buiten de Gemeente gehouden wordende;
5'-. de talrijkheid van het gezin.
Vóór de invoering der rechtstreeksche inkomstenbelasting werden in Amsterdam als grondslagen gebezigd :
1°. de huurwaarde der perceelen door de belastingschuldigen ter bewoning in deze Gemeente in gebruik, zooals die huurwaarde krachtens de quot;Wet van 2G Mei 1870 (Staatsblad 82), in verband met de AVet van 22 Juli 1873 {Staatsblad 116) is aangewezen, of, voor zoover dit bij nieuwgebouwde of ongebouwde perceelen nog niet heeft plaats gehad, van Gemeentewege zal zijn geschat;
2®. de waarde van het mobilair, bij de Wet op het personeel omschreven, door de belastingschuldigen in deze Gemeente gebezigd, zooals die waarde van Gemeentewege zal zijn geschat , of berekend op den voet van het tarief in Artikel 14 der Verordening aangewezen; de
3°. dienstboden der eerste en vijfde klasse, bij de Wet op de Rijks personeele belasting omschreven , voor zoover zij niet uitsluitend buiten deze Gemeente in dienst der belastingschuldigen zijn;
50
4e. het getal paarden der eerste klasse, bij de quot;Wet op de Rijks personeele belasting omschreven, door do belastingschuldigen gehouden en niet uitsluitend buiten deze Gemeente gebezigd;
5C. de talrijkheid van het gezin.
Deze Verordeningen bevatten, de eene in meerdere , de andere in mindere mate , bepalingen, welker overname, indien de Raad het bestaand stelsel behouden wil, aanbeveling verdient; maar zij berusten alle op de grondslagen der personeele belasting, die wel een maatstaf voor de vertering, maar niet voor het inkomen vormen en verdienen uit dien hoofde geene navolging.
Hoe veel overeenkomst deze Verordeningen ook met de Utrechtsche mogen hebben, zij onderscheiden zich van deze door zwaarder druk op de ingezetenen, die veel personeel betalen, terwijl zij de allerminst gegoeden meer ontzien. In Utrecht b. v. worden in de eigen directe belasting al diegenen aangeslagen, wier woningen eene huurwaarde hebben van Æ 67; in den Haag begint, en in Amsterdam begon, als alge-meene regel, de belastbaarheid bij eene huurwaarde van f 80, in Rotterdam bij eene van f 100.
Ten einde eenigszins een oordeel te kunnen vellen over do uitkomst van de verschillende wijzen van berekening der inkomsten werd aan het kantoor van den Rijksontvanger alhier opgave verzocht van den aanslag in de verschillende grondslagen van het personeel voor een vijftiental personen, alle in éene zelfde buitenwijk woonachtig. De bedragen, waarvoor zij ongeveer zouden zijn aangeslagen, waren zoodanig
51
gekozen, dat do vijftien personen moesten vallen in vijftien verschillende klassen der eigen directe belasting van onze Gemeente.
Voor al die personen, wier namen niet bekend zijn en die zullen worden aangeduid door de letters A. B. C. enz., werd berekend, hoe groot hun belastbaar inkomen zoude zijn bij toepassing der Verordeningen van deze en van de drie bovenvermelde Gemeenten. De uitslag der berekening is in bijgaande tabel opgenomen, terwijl Bijlage C eene graphische voorstelling geeft van de verhouding tusschen aanslag in personeel en belastbaar inkomen voor deze vijftien aanslagen.
|
52 | |||||||||||||||||
|
AANSLAGEN |
P E RS ON E EL. | ||||||||||||||||
|
GRONDSLAGEN. | |||||||||||||||||
|
1 |
3_ |
3. |
4. |
5. |
6. | ||||||||||||
|
A. |
Æ |
3 |
75 |
f |
4 |
62 |
/ 3 |
60 |
vrij. |
U |
a |
ii |
f af / | ||||
|
B. |
_ |
4 |
50 |
_ |
6 |
16 |
1 |
40 |
vrij. |
â |
a |
ii |
ii |
af / | |||
|
C. |
- |
C |
a |
- |
0 |
93 |
1 |
40 |
Æ 1 |
20 |
a |
ii |
a |
ii |
- | ||
|
D. |
- |
7 |
50 |
- |
6 |
93 |
3 |
60 |
3 |
a |
/ |
3 |
ii |
ii |
ii |
- | |
|
E. |
- |
10 |
ii |
- |
12 |
32 |
7 |
20 |
5 |
ii |
ii |
a |
ii |
quot; |
- | ||
|
F. |
- |
12 |
50 |
- |
13 |
86 |
12 |
50 |
7 |
50 |
- |
3 |
ii |
a |
a |
- | |
|
(i. |
- |
21 |
25 |
- |
1G |
91 |
32 |
ii |
10 |
50 |
u |
ii |
u |
ii |
- | ||
|
n. |
- |
30 |
ii |
- |
14 |
63 |
18 |
ii |
34 |
ii |
- |
15 |
ii |
11 |
a |
- | |
|
i. |
- |
55 |
ii |
- |
21 |
56 |
36 |
ii |
28 |
50 |
- |
10 |
a |
II |
u 1 |
- | |
|
j. |
- |
77 |
50 |
- |
19 |
25 |
32 |
ii |
50 |
50 |
- |
10 |
a |
ii |
J i |
- | |
|
K. |
- |
65 |
H |
- |
23 |
10 |
55 |
49 |
a |
- |
37 |
ii |
a |
u |
- | ||
|
L. |
- |
65 |
ii |
- |
39 |
27 |
55 |
ii |
- 64 |
ii |
- |
51 |
ii |
u |
i |
- | |
|
M. |
- |
75 |
ii |
- |
23 |
10 |
36 |
ii |
50 |
ii |
- |
101 |
a |
f 25 |
ii |
- | |
|
N. |
- |
90 |
ii |
- |
40 |
81 |
65 |
ii |
87 |
50 |
- |
77 |
ii |
0 |
a |
- | |
|
0. |
175 |
u |
90 |
86 |
90 |
ii |
48 |
50 |
0 |
ii |
n |
u | |||||
I }
i___I
53
|
L. |
BELASTBAAll INKOMEN VOLGENS DE VERORDENING VAN | ||||||||||||||||||||
|
Hoofdsom. |
Personeel eu |
Utrecht |
's Hage. |
Rotterdam. |
Amsterdam. | ||||||||||||||||
|
20 opcenten. | |||||||||||||||||||||
|
t af |
2/3 |
11 Rem. 7 |
97 98 | ||||||||||||||||||
|
quot; i |
Æ af |
Vs |
3 13 Rem. 4 |
99 00 02 |
/ |
4 |
79 |
Æ |
95 |
80 |
u |
u |
ii |
a |
n |
ii | |||||
|
II ; |
/ |
8 |
04 |
- |
9 |
05 |
- |
193 |
ii |
/ |
270 |
li |
ii |
ii |
/ |
180 |
ii | ||||
|
quot; ! |
- |
15 |
53 |
- |
18 |
035 |
- |
373 |
70 |
- |
488 |
ii |
Æ |
441 |
a |
- |
366 |
ii | |||
|
quot; |
- |
24 |
03 |
- |
28 |
S35 |
- |
005 |
535 |
- |
620 |
li |
- |
049 |
50 |
- |
447 |
50 | |||
|
quot; 1 |
- |
34 |
52 |
- |
41 |
42 5 |
- |
911 |
35 |
- |
883 |
ii |
- |
984 |
ii |
- |
070 |
ii | |||
|
fi |
- |
49 |
36 |
- |
59 |
23 |
- |
1303 |
00 |
- |
1112 |
50 |
- |
1335 |
50 |
- |
837 |
50 | |||
|
II |
- |
80 |
69 |
- |
96 |
83 |
- |
2323 |
93 |
- |
2088 |
75 |
- |
2509 |
ii |
- |
1057 |
50 | |||
|
0 |
- |
lil |
03 |
- |
133 |
95 5 |
- |
3482 |
83 |
- |
3370 |
u |
- |
5015 |
- |
- |
3890 |
u' | |||
|
a |
- |
151 |
00 |
- |
181 |
27 |
- |
5075 |
56 |
- |
7340 |
11 |
- |
8817 |
50 |
- |
0405 |
ii | |||
|
j |
- |
189 |
25 |
- |
227 |
10 |
- |
G813 |
u |
- |
11902 |
11 |
- |
13513 |
ii |
- |
11505 |
u | |||
|
u |
- |
230 |
10 |
- |
270 |
12 |
- |
8835 |
84 |
- |
9427 |
II |
- |
13139 |
ii |
- |
9035 |
II | |||
|
i |
- |
280 |
27 |
- |
336 |
325 |
- |
11431 |
05 |
- |
9537 |
II |
- |
13883 |
ii |
- |
9000 |
' | |||
|
25 |
ii |
- |
310 |
10 |
- |
372 |
12 |
- |
13396 |
32 |
- |
13383 |
ll |
- |
19510 |
ii |
- |
11950 |
II | ||
|
n |
- |
360 |
31 |
- |
432 |
37 |
- |
16430 |
06 |
- |
15880 |
II |
- |
22012 |
50 |
- |
18300 |
II | |||
|
u |
404 |
30 |
485 |
23 |
19409 |
28 |
35323 |
II |
34916 |
ii |
42075 |
II | |||||||||
54
De groote verschillen in de uitkomsten dezer berekeningen toonen weder aan, hoe volkomen willekeurig de berekening van het belastbaar inkomen naar de grondslagen van het personeel is, hoe uitermate bezwaarlijk het moet worden genoemd, daarvoor goede regelen aan te geven.
Uit het voorafgaande kan derhalve worden afgeleid, dat de pogingen, die zijn aangewend om het inkomen der belastingschuldigen naar tastbare grondslagen met juistheid te bepalen, tot geen goede uitkomst hebben geleid, dat zij er niet toe kunnen leiden. De huurwaarde, die overal de voornaamste grondslag uitmaakt voor de berekening van hot inkomen , is gebleken geen waarborg voor deugdelijkheid op te leveren, en de vermenigvuldigingscijfers berusten enkel op willekeur. In onze Gemeente weet dan ook ieder, die zich de moeite heeft gegeven met eenige aandacht de kohieren te onderzoeken, dat de berekening van het inkomen niet volgens eene redelijke methode geschiedt. Menigeen betaalt te veel, menigeen te weinig en menigeen , die daaraan naar billijkheid moest zijn onderworpen, blijft geheel verschoond van den belastingplicht.
Bij de ook elders gebleken onmogelijkheid om andere en betere grondslagen aan te wijzen, waaruit, bij behoud van het equivalent, op werkelijk redelijke wijze het inkomen kan worden berekend, blijft derhalve niets anders over dan geheele verandering van stelsel, d. i. overgang tot eene rechtstreeksche inkomstenbelasting. Wel ondervindt men bij het ontwerpen der bepalingen van eene voor deze Ge-
55
meente nieuwe belasting, dat het gemakkelijker is de gebreken van het bestaande aan te wyzen, dan die van een nieuw stelsel te vermijden; zulks mag echter geene reden zijn om, bij de aanwezigheid van gebreken van zoo overwegenden aard, steeds het oude te handhaven. Alleen mag die overtuiging hen, die de verantwoording hebben te dragen, nopen om, waar het geldt eene zaak, waarby de belangen der ingezetenen in zoo hooge mate en zoo onmiddellijk betrokken zijn, niet tot verandering over te gaan, alvorens het voor entegen daarvan rijpelijk te hebben overwogen.
Tegen elke verandering kan en zal ook hier wel worden aangevoerd, dat de maatschappij zich naar het bestaande belastingstelsel voegt, zoodat vele belastingen, die by hare eerste invoering aan sommigen uitsluitend of aan sommigen in zeer ongelijke mate offers opleggen , op den duur te dien opzichte geheel andere werkingen hebben. Na verloop van tijd ontstaat eene zekere verplaatsing van druk, waardoor diegenen, die al te zwaar belast zijn, een deel van den last op anderen overbrengen. Worden b. v. sommige bedrijven onevenredig zwaar belast in verhouding tot andere, dan zal hieruit voor hen, die in de belaste bedrijven werkzaam zijn, wel tijdelijk groot nadeel ontstaan , maar op den duur zal, door verhooging van de prijzen der voortbrengselen van die bedrijven in verhouding tot de prijzen der voortbrengselen van andere onbelaste bedrijven, de natuurlijke verhouding van de zuivere verdiensten van zelve weder hersteld wTorden.
56
Tegen deze leer, in hare algemeenheid beschouwd, moge men geen gegronde bezwaren kunnen inbrengen, men wachte zich er voor haar toe te passen op toestanden, waarvoor zij niet is geschreven. Indien de tegenwoordige plaatselijke directe belasting van Utrecht toegepast werd over de geheele wereld, dan zoude de ervaring naar alle waarschijnlijkheid de juistheid der boven aangeduide theorie bevestigen. Werd de belasting toegepast in alle gemeenten van ons land, dan zouden reeds tal van voorbeelden zijn aan te wijzen , waarin die verplaatsing van druk niet mogelijk is; nu zij enkel voor onze Gemeente geldt, zullen de gevallen, waarin de verplaatsing naar billijkheid geschiedt, wel steeds tot de uitzonderingen be-hooren. Eenige overbrenging van druk heeft er natuurlijk plaats, n. 1. by die bedrijven, waarbij concurrentie van buiten weinig of niet te vreezen is. Verhuurders van kamers zullen een deel hunner plaatselijke belasting op de huurders kunnen overbrengen ; voor ambtenaren, renteniers, winkeliers , kooplieden en nij veren zal die verplaatsing wel onmogelijk zijn en blijven.
Verder kan tegen de afschaffing der bestaande plaatselijke belasting worden aangevoerd, dat over het algemeen van grieven bij de ingezetenen weinig wordt vernomen, zoodat deze zich naar den toestand schijnen te hebben geschikt en geen verandering wenschen. Het kan niet worden ontkend , dat er in onze Gemeente inderdaad van ontevredenheid over de verdeeling der belastingen weinig is gebleken. Moet zulks worden toegeschreven aan den vrij inge-
57
quot;wikkelden aard der tegenwoordige plaatselijke belasting, quot;waardoor het meerendeel der belastingschuldigen hare werking niet goed begrijpt of aan andere redenen ?
Het beantwoorden dezer vragen zij in het midden gelaten, omdat niet het al of niet bestaan van klachten, maar het bestaan van reden voor gegronde klachten op het oordeel van den Raad een beslissenden invloed dient uit te oefenen. Dat er redenen in overvloed voor gegronde klachten aanwezig zijn, is boven in den breede betoogd. Komen de eischen der rechtvaardigheid schijnbaar met de wenschen der ingezetenen in strijd, men gehoorzame aan de eersten, die stellig zyn , terwijl van de laatsten niets bepaalds is gebleken.
Eindelijk kan worden gewezen op het voordeel, dat de wijze van berekening der inkomens bij de bestaande belasting, op vaste en onveranderlijke grond^ slagen berust, waardoor de taak van Burgemeester en Wethouders om de kohieren op te maken, en van den Raad om die vast te stellen, zeer wordt vereenvoudigd. Mag de juistheid van deze opmerking niet worden ontkend, men hechte daaraan geen al te groote waarde. Voor een fiskaal ambtenaar mag het gemak gelden als eene reden voor het behoud van het bestaande, bij den Raad, die verplicht is by de verdeeling der belastingen naar rechtvaardigheid te streven, zullen dergelijke overwegingen wel niet den doorslag geven.
Ondanks dat alles mag evenwel niet worden verzwegen , dat aan de rechtstreeksche inkomsten-belasting eigenaardige bezwaren verbonden zyn.
58
De gewenschte gelijkheid van druk zal ook door haar slechts onvolledig worden bereikt. Het is b. v. uitermate moeielijk eene juiste en bruikbare omschrijving te geven der beteekenis van het woord inkomen. De middelen om tot de kennis van het inkomen te geraken, zijn nog onvolkomen. Hetzelfde inkomen eindelijk vertegenwoordigt bij den een eene geheel andere draagkracht dan bij den ander.
Kan de juistheid dezer bedenkingen niet worden ontkend , men wachte zich er voor, daaraan al te veel waarde te hechten en men bedenke, dat niet op het volmaakte gewacht moet worden, alvorens het onvoldoende door iets beters te vervangen. Men vergelijke de gebreken der inkomstenbelasting met die van het equivalent en beoordeele wat beter maatstaf is voorde draagkracht; het vermoedelijk inkomen, zooals het door schatting zal worden vastgesteld, of de aanslag in het personeel.
Die schatting is ongetwijfeld eene uitermate moeie-lijke en onaangename taak voor diegenen, die ermede belast zullen zijn. Misslagen en vergissingen zullen zeker daarbij niet ontbreken, maar langzamerhand zal hier even als elders eene betere kennis der inkomsten worden verkregen , waardoor de kohieren meer en meer zullen naderen tot de waarheid. Elders is men ook in den beginne op moeielijkheden gestuit en men hoort nog menigmaal voorbeelden noemen van onjuiste schattingen, die thans worden gedaan. 01 zich evenwel elders bij schatting dergelijke afwijkingen van de waarheid voordoen, als thans in onze kohieren voor-
59
komen, mag zeker worden betwijfeld. Personen b. v., die bij een belastbaar inkomen van minder dan f 1100 een paard van weelde kunnen houden, zal men op de kohieren eener rechtstreeksche inkomstenbelasting wel tevergeefs zoeken.
Bestonden er niet dergelijke bezwaren van prak-tischen aard tegen de inkomstenbelasting, dan zoude zij zeker in ons belastingstelsel eene veel aanzienly kei-plaats innemen , eene plaats , die zij ten volle verdient wegens hare groote theoretische voortreffelijkheid. Werd direct van het inkomen voor het bestrijden van alle uitgaven van Staat, Provincie en Gemeente een percent of 15 en meer geheven, dan zouden de nadeelen der belasting zeker een grooten invloed uitoefenen. Nu waarschijnlijk niet meer dan een paar percent geheven worden zal, stelle men aan deze belasting geen eischen, waaraan andere belastingen veel minder voldoen en vrage alleen of zy zooveel minder gebreken heeft dan het bestaande, dat de vervanging gewettigd is. En men stelle zich tevens de vraag , of het inderdaad onverstandig en onbillyk is, het gedeelte van het inkomen, dat niet verteerd wordt en tot dusverre aan by na alle belastingen ontsnapt, althans eenigszins te treffen.
Eindelijk wordt nog als eene grief tegen de inkomstenbelasting aangevoerd, dat zij impopulair is. Daaromtrent zij opgemerkt, dat het tot dusverre niet is gelukt populaire belastingen te vinden. Iedere belasting, op zich zelve beschouwd, is, zoo lang men niet overdenkt, hoeveel daaruit wordt betaald, dat strekt tot bevordering van het algemeen welzijn, zoo lang
60
men niet berekent, hoe veel grooter geldelijke opoffering men zoude moeten doen, als het openbaar gezag sommige zorgen niet op zich nam, een kwaad.
Het komt er slechts op aan, door vergelijking te ontdekken, welke belasting het minst kwaad, het minst onrecht zal veroorzaken.
Ondanks hare vele goede eigenschappen is het echter wel waarschijnlijk , dat zekere impopulariteit aan eene inkomstenbelasting ten deel zal vallen. De kans bestaat, dat de ingezetenen van allen rang en stand, die geen of weinig personeel betalen en daarom ook ten opzichte der plaatselijke belasting, in bijzonder gunstigen toestand verkeeren, het nut van den voorgestelden maatregel noode zullen erkennen. Indien hun billijkheidsgevoel hen niet noopt, te erkennen, dat de voorrechten, die zij jarenlang ten koste van hunne buren hebben genoten , moeten worden afgeschaft, dan zal wel de schijn ontstaan, dat de nieuwe belasting met grooten tegenzin gedragen wordt; want de tevredenheid van hen, die van druk worden ontlast, uit zich doorgaans op minder luidruchtige wijze. Men mag echter vertrouwen, dat de Raad zich , door de vrees voor het krenken der belangen van een deel der belastingplichtigen , niet van het nemen van goede maatregelen zal laten afschrikken, en dat de burgerij zoo niet dadelijk, dan toch later en allengs aan het goede recht zal doen wedervaren.
Elders schijnt het ook zoo te gaan. Door bijzondere personen worden steeds klachten over de inkomstenbelasting geuit, maar de wettige vertegenwoordi-
61
gers van vele gemeenten in ons land lieten zich daardoor niet weerhouden om het equivalent te vervangen door eene inkomstenbelasting. In enkele grootere plaatsen bestaat zij reeds meer dan twintig jaren , en toch moet de eerste aanzienlijke Gemeente nog worden gevonden, welks Raad de inkomstenbelasting heeft afgeschaft om het equivalent weder in te voeren. Een voorstel in dien zin vond in den Raad van Amsterdam eenige jaren geleden slechts vyf voorstanders.
Ook het bezwaar der publiciteit, eigen aan eene belasting, waarbij het vermogen geheel of ten deele moet worden geschat of geopenbaard, is tot zekere mate gegrond. Tot zekere mate; want het invoeren eener dergelijke belasting voor het Rijk schijnt tegenwoordig eene questie van eenige jaren, wellicht van eenige maanden, te zijn. Openbaarheid zal daarbij wel niet worden vermeden.
Belastingen op het inkomen, op effecten, op rente werden door tal van Ministers en leden der Tweede Kamer voorgesteld. De ontwerpen zyn nog niet in wetten veranderd; maar vrij algemeen wordt erkend, dat het billijk is meerdere bijdragen van de bezitters van roerend vermogen te vorderen. Het Ontwerp van Wet tot heffing eener klassenbelasting huldigde het beginsel van schatting door collegiën van zetters, en schreef openbaarheid der kohieren voor.
Het bezwaar der publiciteit, dat zeker in 1855 bij de invoering, en in 1874, bij de herziening van de ütrechtsche Yerordening, veel gewicht in dc schaal heeft gelegd, mag daarom
62
geacht worden thans niet meer in dezelfde mate te bestaan.
In ander opzicht heeft bovendien de toestand sedert die jaren veel belangrijker veranderingen ondergaan. In 1856 was er, benevens de opbrengst der accijnsen, voor het dekken der uitgaven noodig eene heffing van 15 opcenten op de grondbelasting der gebouwde eigendommen, van 5â25 opcenten op het personeel en van 1 % aan plaatselyke belasting. In 1875 waren deze cijfers gestegen tot 40, 55 en lr,/io 0/o en voor 1887 zal waarschijnlijk 40, 68 en 22/i0 % noodig zijn. ')
De druk op dezelfde grondslagen, die in vroeger jai'en matig was, is dus thans dermate verzwaard, dat het streven naar verlichting, door het zoeken van andere steunpunten, wenschelijk en noodig is.
Utrecht, September 1886.
B. REIGER.
]) De opcenten bedroegen:
op de Grondbelasting geb. eigend; op het Personeel:
van 1855â1865 15 in 1855 4â30
in 1866 en later 40; van 1856â1865 5â25
» 1866 â 1873 25
» 1874â1878 55 in 1879 60
in 1880 en later 68.
63
bijlage a.
Berekening der Eigen Belasting de Personeele Belasting, voor de Gemeente opgebracht, in percenten van het belastbaar inkomen volgens de vigeerende Verordening.
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
(1) Aanslagen van Æ 1.â komen niet voor. Voor eene woning van het minimum der huurwaarde, met drie deuren en vensters eu eene haardstede, bedraagt de hoofdsom reeds Æ 6.01. Hiervan Æ 4.â remissie aftrekkende, blijft er eeu aanslag van 4; Æ 2.â of met 20 opc. f 2.40 over. |
64
|
C3 m ei Ui |
Aanslag Personeel p met 20 opcenten. |
Cijfer van vermenigv. Art. 3. |
cr Belastbaar inkomen. |
Directe belasting. | 2.2 «/o. |
Bedrag Personeel met alle opcenten voor Rijk, Provincie en Gemeente. |
Bedrag voor de lt;» Gemeente geïnd Personeel, |
II Voor de Gemeente O -|- opgebrachte belasting. |
as Belasting -*1 in percenten van bet ^ belastbaar inkomen. O O |
|
8 |
Æ 251.â - 275.â - 300,â |
32 |
Æ 8,032 â - 8,800.â - 9,600,- |
/ 176,70 - 193,60 - 211,20 |
/ 426,70 467,50 - 510.â |
/ 333,83 - 365.75 - 399.â |
f 510,53 - 559.35 - 610.20 |
6.35 |
|
9 |
/ 301.â - 325,â - 350,â |
34 |
/10,234.â -11,050,â - 11,900,â |
f 225,14 quot;- 243.10 - 261,80 |
/ 511.70 - 552.50 - 595.â |
/ 400.33 - 433.25 - 465.50 |
/ 625,47 - 075.35 - 727,30 |
0.11 |
|
10 |
/ 351.â - 375.â - 400.â |
36 |
/13,636,â - 13,500,â - 14,400,â |
/ 377,99 - 297,â - 310,80 |
/ 596,70 - 637,50 - 680,- |
f 466.83 - 498,75 - 532,â |
/ 744,82 - 795,76 - 848,80 |
5.89 |
|
11 |
Æ 401.â - 425.â - 450.â |
38 |
/15,238.â -16,150,â -17,100,â |
/ 335,23 â 355,30 - 376.20 |
f 681,70 - 722,50 - 765.â |
/ 533,33 - 565.35 - 598.50 |
/ 868,50 '- 920.55 - 974,70 |
57.0 |
|
12 |
f 451.â - 475.â - 500.â |
40 |
/quot;18,040,â - 19,000,â -20,000,â |
f 396.88 - 418,â - 440,â |
f 766 70 - 807.50 - 850,â |
/ 599,83 - 631,75 665,â |
/ 996,71 - 1,049,75 - 1,105,â |
5.52 |
|
13 |
Æ 501.â â 550.â - 000.â |
43 |
/21,042,â -33,100,â - 25.200,â |
/ 462,92 - 508,20 - 554,40 |
/ 851,70 - 935,â -1,020.â |
/ 606,33 - 731.50 - 798,â |
/1,129,25 - 1,239.70 - 1,352.40 |
5.36 |
|
14 |
Æ CO 1 .â - 650.â - 700,â |
44 |
Æ 26,444,â - 28,600,â - 30,800,â |
f 581,76 - 629.20 - 677,60 |
/1,021.70 -1,105,â -1,190,â |
/ 799,33 - 864.50 - 931,â |
/1,381,09 - 1,493.70 - 1,608,00 |
5.22 |
|
15 |
Æ 701.â - 750,â - 800,- |
46 |
/32,246,- - 34,500,â - 36^800.â |
/ 709.41 759 â - 809.60 |
/1,191.70 - 1,275,â -1,360 â |
/ 932,33 - 997.50 -1,064 â |
/1,041,74 - 1,756,50 - 1,873,00 |
5.09 |
|
16 |
f 801.â - 850,- - 900,- |
48 |
/38,448.â - 40,800,â -43.200,- |
/ 845.85 - 897 60 - 950,40 |
/1,361.70 - 1.445.â -1,530.â |
/1,005.33 â 1,130.50 -1,197.â |
/1,911.18 - 2,028.10 -2,147.40 |
4.97 |
|
17 |
Æ 901,â - 950.â -1,000,- |
50 |
/45,050,â - 47,500 â - 50,000,â |
f 991.10 - 1,045.â -1,100,â |
/1,531.70 - 1,615,â - 1,700,â |
/1,198.33 -1,263.50 - 1,330.â |
/2,189.43 - 2,308.50 - 2,430.â |
4.86 |
|
18 |
Æ 1,001.â - 1,050,- - 1,100,- |
52 |
/53,052,â - 54,600,â - 57,200,â |
Æ 1,145,14 - 1,201.20 -1,258.40 |
/1,701 70 - 1,785,â - 1,870,â |
/â 1,331,33 - 1,396,50 - 1,463,â |
/3,470.47 - 3,597.70 -2,721.40 |
4.75 |
65
|
Klasse. ; |
Aanslag Personeel met 20 opcenten. |
Cijfer van vermenigv. Art. 3. |
I Belastbaar inkomen. |
Directe belasting, j 2.2 %. |
Bedrag Personeel met alle opcenten voor Rijk, Provincie en . Gemeente. |
Bedrag voor de Gemeente geïnd Personeel. |
| Voor de Gemeente ; opgebrachte belasting.; |
Belasting in percenten van het belastbaar inkomen. |
|
a |
b |
c |
d |
e |
f = c -j- e |
g =4xioo | ||
|
19 |
/1,101,--1,150.â -1,200.â |
54 |
Æ59,454.â - 62,100.â - 64,800.â |
Æ1,307,98 -1,366 20 - 1,425.60 |
Æ1,871,70 - 1,953,â - 2,040,- |
Æ 1,464.33 - 1,529 50 - 1,596,â |
Æ2,772,81 - 2,895,70 - 3,021,60 |
4.60 |
|
20 |
Æ1,201.â - 1,250â - 1,300.â |
56 |
Æ67,250.â - 70,000,--72,800,â |
/â¢1,479.63 - 1,540,â - 1,001.60 |
Æ2,041.70 - 2,125.â - 2,210.â |
/quot;1,597.83 - 1,662,30 - 1,729,â |
Æ 3,076,96 -3,202,30 -3,330.60 |
4,57 |
|
21 |
Æ 1,301â - 1,350.â - 1,400.â |
58 |
Æ75,458.â - 78,300.â -81,200,â |
Æ 1,660,07 - 1,722.60 -1,786.40 |
Æ2,211,70 - 2,295,â - 2,380,â |
Æ1,730.33 - 1,795.50 -1,862,â |
Æ3,390.40 - 3,518,10 - 3,648,40 |
4.49 |
|
22 |
Æ1,401.â - 1,450,- - 1,500,â |
00 |
Æ84,060.â - 87,000,- - 90,000,â |
Æ1.849.32 - 1,914,â -1,980,â |
/2,381,70 - 2,465,â - 2,550.â |
Æ1,863 33 - 1,928 30 - 1,995.â |
Æ3,712,65 -3,842,50 - 3,975,â |
4.41 |
|
23 |
/â 1,501.â - 1,550 â - 1,600.â |
02 |
Æ93,062.â - 96,100,â - 99,200,â |
Æ2,047.36 -2,114.20 - 2,182.40 |
Æ2,551,70 - 2,635 â - 2,720,â |
Æ 1,996,33 - 2,061,30 -2,128,- |
Æ4,043,69 - 4,173.70 - 4,310,40 |
4.34 |
6C
BIJLAGE B.
Belaste woningen voor het personeel van 1882/83.
|
Aantal. |
Bedrag der huurwaarde. |
Gemiddelde aanslag per Æ 100 huurwaarde. |
Aanslag 1ste grondsl. |
Aanslag totaal | |||||||||||||
|
UUUKWAAKUK. |
Totaal. |
Per |
Grondsla |
per Æ100 huurw. |
per Æ100 huurw. | ||||||||||||
|
woning. |
2e. |
3e. |
4e. | ||||||||||||||
|
Van Æ |
07.01 tot /â |
79.99 |
1500 |
Æ |
112713 |
f 71.97 |
Æ 1.97 |
Æ 0.00 |
â |
/ |
l.CG |
Æ 4-23 | |||||
|
ii |
- |
80.â |
a - |
99.99 |
889 |
- |
7S403 |
- 88.19 |
- |
3.99 |
- |
1.43 |
n |
- |
3.33 |
- 8.74 | |
|
ii |
- |
100.â |
ii - |
134.99 |
337 |
- |
37802 |
- 112.35 |
- |
5.08 |
- |
2.51 |
Æ 1.00 |
- |
5 |
- 13.65 | |
|
ii |
- |
125.â |
lt; - |
149.99 |
291 |
- |
40150 |
- 137.97 |
- |
5.53 |
- |
2.71 |
- |
1.43 |
- |
5 |
-14.07 |
|
ii |
- |
150.â |
,i - |
174.99 |
359 |
- |
57150 |
- 159.19 |
- |
4.85 |
- |
2.23 |
- |
1.90 |
- |
5 |
-13.98 |
|
ii |
- |
175.â |
ii - |
199.99 |
174 |
- |
32845 |
- 188.70 |
- |
4.51 |
- |
2.11 |
- |
1.84 |
- |
5 |
-13,40 |
|
u |
- |
200.â |
224.99 |
345 |
- |
71300 |
- 305.84 |
- |
4.61 |
- |
2.37 |
- |
2.10 |
- |
5 |
- 14.08 | |
|
ii |
- |
225.â |
ii - |
249.99 |
221 |
- |
50000 |
- 238.98 |
- |
4.53 |
- |
3.54 |
- |
3.58 |
- |
5 |
-14.05 |
|
ii |
- |
250.â |
ii - |
274.99 |
279 |
- |
72597 |
- 260.20 |
- |
4.00 |
- |
2.33 |
- |
2.51 |
- |
5 |
-13.90 |
|
ii |
- |
275,â |
a - |
299.99 |
158 |
- |
44415 |
- 381.48 |
- |
3.98 |
- |
3.43 |
- |
2.58 |
- |
5 |
-13.99 |
|
ii |
- |
300,â |
u - |
349,99 |
324 |
- |
102032 |
- 314.91 |
- |
3.99 |
- |
2.01 |
- |
3.50 |
- |
5 |
-14.10 |
|
u |
- |
350.â |
ii - |
399.99 |
235 |
- |
84915 |
- 301.34 |
- |
3.59 |
- |
2.55 |
- |
3.83 |
- |
5 |
-13.97 |
|
li |
- |
400,â |
ll - |
449.99 |
194 |
- |
79095 |
- 407.70 |
- |
3.70 |
- |
2.90 |
- |
3.99 |
- |
5 |
-14.65 |
|
a |
- |
450.â |
li - |
499.99 |
103 |
- |
70270 |
- 407.91 |
- |
3.08 |
- |
2.97 |
- |
3.13 |
quot; |
5 |
-15.08 |
|
li |
- |
500,- |
599.99 |
255 |
- |
135150 |
- 530 â |
- |
3.31 |
- |
2.83 |
- |
3.23 |
- |
5 |
-14.30 | |
|
li |
- |
COO.â |
li - |
G99.99 |
107 |
- |
103700 |
- 020.95 |
- |
3.21 |
- |
3.04 |
- |
3.47 |
- |
5 |
-14.73 |
|
li |
- |
700.â |
li - |
799.99 |
114 |
- |
82915 |
- 737.32 |
- |
3.13 |
- |
3.36 |
- |
3.79 |
- |
5 |
- 15.37 |
|
li |
- |
800.â |
li - |
899.99 |
94 |
- |
77405 |
- 833.03 |
- |
3.10 |
- |
3.40 |
- |
4.08 |
- |
5 |
-15.64 |
|
ff |
- |
900.â |
ff - |
999.99 |
02 |
- |
57510 |
- 927.58 |
- |
3.01 |
- |
3.57 |
- |
3.75 |
- |
5 |
-15.33 |
|
il |
- |
1000.â |
ff - |
1199.99 |
70 |
- |
80445 |
- 1057.90 |
- |
2.84 |
- |
3.81 |
- |
4.22 |
- |
5 |
-15.87 |
|
a |
- |
1200,- |
li - |
1399.99 |
33 |
- |
41225 |
- 1249.24 |
- |
2.79 |
- |
4.15 |
- |
4,52 |
- |
5 |
-16.40 |
|
v |
- |
1400.â |
li - |
1599.99 |
32 |
- |
46000 |
- 1450.25 |
- |
2.50 |
- |
3.04 |
- |
4.02 |
- |
5 |
-15.16 |
|
17 |
- |
1000.â |
li - |
] 799.99 |
7 |
- |
11025 |
-1000.71 |
- |
2.51 |
- |
4.21 |
- |
4.30 |
- |
5 |
-16.03 |
|
ff |
- |
1800,â |
ff - |
1999.99 |
10 |
- |
18250 |
- 1835,â |
- |
2.94 |
- |
4.40 |
- |
5.30 |
- |
5 |
-17.70 |
|
ff |
- |
2000,â |
li - |
2199.99 |
0 |
- |
12300 |
-2050,â |
- |
2.01 |
- |
3.01 |
- |
3.92 |
- |
5 |
-14.54 |
|
ff |
- |
2200.â |
li - |
2499.99 |
3 |
- |
7000 |
-2333.33 |
- |
3.55 |
- |
3.85 |
- |
3.54 |
- |
5 |
â 15.94 |
|
ff |
- |
3000.â |
ll - |
3499.99 |
3 |
- |
9225 |
- 3075.â |
- |
3.â |
- |
3.30 |
- |
4.â |
- |
5 |
-15.30 |
|
ii |
- |
4000,â |
/; - |
4499.99 |
1 |
- |
4200 |
-4200.â |
- |
2.61 |
- |
5.47 |
- |
1 09 |
- |
5 |
-14.17 |
|
ii |
- |
G500.â |
ff â |
6999.99 |
1 |
- |
0500 |
- 0500.â |
- |
4.01 |
- |
7.40 |
- |
1.60 |
5 |
-18.07 | |
|
Totaal . . . |
0399 |
/1,034583 |
Æ3.93 |
Æ 2.85 |
Æ3.09 |
Æ |
4.83 |
/â 14.70. | |||||||||
Belastbaar Inkomen in guldens
Bijlage
to o ü1 o
c
ivj
b o
o
10
m*
'O O
c
o b o c
gt;ââ
quot;w o
C