ocr page 1

' '

VERSLAG

VAX I! KT

oiÉrzoet fler oiiiweiwerorfliingeii

op de heffing en de invordering

KKN'Ell

IX ])i : AFDKKLIXO KX VA N

den Raad der gemeente Utrecht.

Prijs f 0.60.

Stoomdruk vuu do Firma L E. BOSCH en- ZOON.

ocr page 2

Lö.TaafBïïeGSl^

is'cyri- £K Santoorhandei, ai»-3r».«kt (BesssaSirag) ÜTHECHT.

ocr page 3

VERSLAG

van liet onderzoek der ontwerpverordeiiingeu op de heffing en de invordering eener plaatselijke directe belasting op het inkomen in de afdeelingen van den Kaad der gemeente Utrecht.

A Igemeene beschomoingen.

Tn alle afdeelingen werd aan den steller der „ nota over de plaatselijke directe belasling te Utreclitquot; hulde gebracht voor de heldere en uitvoerige wijze, waarop deze zaak door hein is toegelicht en uiteengezet. Maar desniettegenstaande waren vele leden met de indiening dezer ontwerpen weinig ingenonien. Volgens hunne opvatting was in de uitnoodiging , bij de behandeling der begrooting voor 1886 aan Burgemeester en Wethouders gedaan, „om vóór de aanbieding der begrooting voor 1887 aan den Raad een „voorstel te doen voor eene nieuwe, op andere grond-„slagen berustende, plaatselijke directe belastingquot;, geenszins de opdracht gelegen om nu juist eene directe inkomstenbelasting te ontwerpen. Integendeel, de bewoordingen waren zoo ruim gesteld , dat Burgemeester en Wethouders geheel vrij bleven in het kiezen van den vorm van belasting, die hun het best zoude toeschijnen. En nadat nog in 1874, na

Aan den Gemeenteraad.

ocr page 4

ampele bespreking , door den Raad besloten was geene rechtstreeksche inkomstenbelasting in te voeren, had men veeleer eene omwerking van de bestaande belastingverordening verwacht, waarbij dan tevens een of meer nieuwe grondslagen hadden kunnen worden opgenomen. Op die wijze ware het, volgens die leden, alleszins mogelijk geweest de voornaamste bezwaren , welke tegen haar worden ingebracht, weg te nemen.

Daarbij werd er op gewezen, dat — ook al zoude de theoretische voortreffelijkheid der inkomstenbelasting voor een oogenblik moeten worden toegegeven , — het in belastingzaken minder op de theorie dan op de praktijk aankomt, en dat door den steller der nota op bladzijde 56 het feit wordt erkend, dat de burgerij met de bestaande belasting tevreden is en geene verandering wenscht. Bij die gezindheid der ingezetenen schynt het roekeloos om, in plaats van de bestaande belasting van gebreken te zuiveren, op eens geheel \an stelsel te gaan veranderen. Eene algemeene tevredenheid —- ook al heeft die volgens den steller der nota eigenlyk geen reden van bestaan — is toch zeker verkieselyk boven de impopulariteit, welke hij zelf voorziet dat aan de nieuw voorgestelde belasting, zy het dan ook z. i. ten onrechte, zal ten deel vallen.

Te minder achtte men zulk eene geheele verandering van stelsel gerechtvaardigd, nu, volgens den steller der nota, de invoering van eene Rijks inkomstenbelasting eene quaestie van eenige jaren , wel-

ocr page 5

3

licht van eenig-e maanden, scliijut te ziju (biz. 61). Met die opvatting is de indiening- van dit ontwerp moeielijk overeen te brengen. Eene gemeentelijke inkomstenbelasting zal toch zeker niet naast eene liijks inkomstenbelasting kunnen bestaan. Wanneer eene Rijks inkomstenbelasting wordt ingevoerd, zal de gemeente daarop opcenten kunnen heffen en op die wijze veel beter, zonder moeite en met weinig kosten, hetzellde doel kunnen bereiken, dat met de indiening van dit voorstel wordt beoogd. Waartoe zich dan nog voor wellicht slechts „enkele maandenquot; den last en de moeite getroost, welke van de invoerinfgt;'

o ' O

dezer nieuwe belasting onafscheidelijk zullen zijn?

Tegenover deze beschouwingen werd door een groot aantal andere leden het gevoelen verdedigd, dat de indiening dezer voordracht door hetgeen na 1874 had plaats gehad volkomen was gerechtvaardigd. In de laatste jaren toch is veel gebeurd om de invoering van eene inkomstenbelasting, waartegen de Raad vroeger had opgezien, aannemelijker te maken. Zoowel in de Eerste als in de Tweede Kamer der Staten Generaal is de vraag, of eene inkomstenbelasting voor het Rijk aanbeveling verdient, herhaaldelijk ter sprake gekomen , en daardoor is men langzamerhand meer met het denkbeeld eener belasting op het inkomen vertrouwd geraakt. Daarentegen zijn de bezwaren tegen het zoogenaamde equivalent in verschillende groote gemeenten al hooger en hooger geklommen en heeft men aldaar het redmiddel daartegen gezocht en gevonden in eene rechtstreeksche inkomsten belas-

ocr page 6

4

ting. Waar deze inkomstenbelasting is ingevoerd, is zij blijven bestaan. De ingezetenen zijn er aan gewend geraakt en nergens denkt men er aan om die weder af te schaffen. Deze leden meenden daarom, dat Burgemeester en Wethouders zeer terecht aan de uitnoodiging, hun bij de behandeling der begrooting voor 1886 gedaan, hadden gevolg gegeven door deze voorstellen bij den Raad in te dienen.

Hiertegen werd weder opgemerkt, dat, wat er ook van andere gemeenten waar moge zijn, hier in Utrecht sedert 1874 geene veranderingen hebben plaats gegrepen, Avelke eene verandering van stelsel motivee-ren. Hier verkeeren wij nog in nagenoeg denzelfden toestand als voor twaalf jaren. Aan het argument, ontleend aan de handhaving der inkomstenbelasting in die gemeenten , waar zij reeds is ingevoerd, werd door vele leden weinig gewicht gehecht. Immers is het stellig onraadzaam, telkens op nieuw van belastingstelsel te veranderen, en bovendien zoude de afschaffing der inkomstenbelasting daar, waar zij eenmaal is ingevoerd , niet meer alle nadeelen kunnen doen verdwijnen , welke uit de invoering zijn ontstaan. Een bezwaar voor velen ligt bijv. in de van deze belasting onafscheirlelijke openbaarmaking der vermogens ; weder-afschaffing kan daaraan weinig meer veranderen. Ook is het niet te ontkennen , dat men na verloop van jaren met het schatten misschien eenigszins meer nabij de waarheid zal kunnen komen dan in den eersten tijd. Volgens diezelfde leden kan men over de werking der inkom-

ocr page 7

5

stenbehisting op andere plaatsen, bijv. Amsterdam en Arnhem, moeilyk nu reeds een oordeel vellen, omdat raeu daar nog steeds in een tijdperk van proefneming-en schijnt te verkeeren. Nadat men toch in die plaatsen gedurende eenige jaren de proef had genomen met het stelsel van eigen aangifte, waarvan de resultaten ongunstig schijueu te zyn geweest, heeft men er thans zijne toevlucht genomen tot het stelsel om de inwoners ambtshalve aan te slaan. Of de uitkomsten dezer proef gunstiger zullen zijn, zal de toekomst moeten leeren. De voorstanders zeggen, dat het nu goed gaat. Maar van andere zijden verneemt men, dat het er een ellendige toestand is. Zeer opmerkenswaard is, met betrekking tot dit onderwerp, hetgeen men vindt in het verslag der centrale af-deeling van de Staten der provincie Groningen over de aldaar voorgestelde provinciale inkomstenbelasting. Zooals bekend is, zijn in verreweg de meeste gemeenten van die provincie inkomstenbelastingen ingevoerd. In dat verslag nu leest men, dat de toepassing dier belasting „een warboelquot; is, en verder, dat voor de in te voeren provinciale inkomstenbelasting „de gemeentelijke omslagen geen grondslag „kunnen uitmaken, misschien slechts hier en daar „eenige inlichting gevenquot;. Dit zeker niet vleiende oordeel werpt op de werking der gemeentelijke inkomstenbelastingen een eigenaardig licht.

De verandering van belastingstelsel werd door sommige leden voldoende gemotiveerd geacht door de enkele omstandigheid, dat de bestaande belasting te veel drukt

ocr page 8

6

op den kleinen burgerstand, en te weinig op de meer gegoeden. Dat dit inderdaad zoo is, heeft de steller der nota, volgens die leden, overtuigend aangetoond. Eene belasting is een kwaad, dat niet vermeden kan worden; maar de nieuwe belasting zal den druk overbrengen op de meer gegoeden en den kleinen burger ontheffen. Dat is het voordeel dei-inkomstenbelasting , en tevens de rechtvaardiging der gedane voorstellen, waarin het eenige zuivere beginsel van belastingheffing is nedergelegd, namelijk, dat er evenredigheid moet zijn tusschen draagkracht en belastingplicht.

Andere leden achtten de voorstelling, alsof de inkomstenbelasting eene verplaatsing van lasten ten voordeele dor minder vermogenden zoude te weeg brengen, onjuist. Wel is waar zullen enkele zeer gegoeden dan wellicht hooger worden aangeslagen, maar daarentegen zullen vele minder gegoeden, die nu vrij zijn, ook belasting moeten betalen. Vele ambtenaren, onderwijzers en anderen, die een inkomen van f 600.—, f 700.—, ƒ 800.— hebben en niet dooide bestaande belasting getroffen worden, zullen dan ook worden aangeslagen, en die kan men veilig op eenige honderden stellen. Om één rijk man te treffen zal men dus een zeer groot aantal weinig gegoeden in de belasting betrekken. Moet dit een voordeel heeten ? Het is zulk een groot nadeel niet, dat enkelen — want het blijft maar bij weinigen — naar verhouding te weinig betalen. Op andere wijze komt hun vermogen aan de gemeente en hare inge-

ocr page 9

7

zeteiieu toch teu nutte. Montesquieu leerde reeds: „que quelques ci toy ens ne payent pas assez, le mal n'est „pas grand; leur aisance revient toujours au public.quot;

Volgens deze leden zijn de bezwaren, in de nota tegen de bestaande belasting ingebracht, overdreven en geenszins onoverkomelijk. Bij gebreke van eenig ander hulpmiddel is toch over het algemeen de vertering zeker de meest „redelijkequot; maatstaf ter beoordeeling van iemands inkomen. Men kan veilig aannemen, dat verreweg de meeste menschen leven overeenkomstig hunne middelen. Ongetwijfeld zijn er uitzonderingen. Wie zoo onredelijk is om meer dan zijn inkomen te verteren, zal natuurlijk te hoog worden aangeslagen, maar heeft dit geheel aan zich zei ven te wijten. En wat betreft hen, die in verhouding tot hun inkomen veel te weinig verteren en dus te weinig belasting betalen, door geen enkel stelsel van belasting zal de gemeente hen — gesteld dat het mogelijk is hun inkomen te weten te komen — tegen hunnen wil kunnen treffen. Niets is voor hen gemakkelijker, dan, om niet aan de heffing te worden onderworpen, hunne woonplaats buiten de gemeente over te brengen, ook al blijven zij enkele maanden in de gemeente vertoeven.

Onjuist is, volgens deze leden, de bewering, voorkomende op bladzijde 27 der nota . dat „voor de meer „gegoeden hijua uitsluitend het door den belastingschuldige bewoonde huis als maatstaf voor het „inkomen aangenomenquot; wordt, en evenzoo die, voorkomende op bladzijde 37, waar gezegd wordt: „de

ocr page 10

8

„eigen belasting herhaalt de fouten , die aan het „personeel, evenals aan iedere belasting eigen zijn, „in plaats van die te verminderen.quot; Immers worden zoowel door de sterke progressie bij het tarief, waarnaar de waarde van het mobilair wordt berekend, als door de belasting op de dienstboden en paarden (welke door de progressie bij den aanslag in de plaatselijke belasting voor verreweg bet grootste gedeelte door betrekkelijk weinigen wordt opgebracht), en door het mede in rekening brengen van den aanslag in het personeel buiten de gemeente, alles in verband met de klimmende cijfers van vermenigvuldiging, in artikel 3 der vigeerende verordening genoemd, de meer gegoeden aangeslagen voor eene som, welke vele malen overtreft het bedrag, waarvoor zij zouden worden aangeslagen, indien alléén het hier door hen bewoonde huis in aanmerking werd genomen. Welken invloed een en ander op den aanslag heeft, kan uit het volgende blijken. In bijlage B van de nota (blz. 66) wordt aangetoond, dat in deze gemeente bij eene huurwaarde van f 100.—, d. i. bij de minste ten volle belastbare huurwaarde, wegens de eerste vier grondslagen in het personeel f 13.65 in hoofdsom, en alzoo f 16.38 in het geheel betaald wordt. Naar dezen aanslag wordt voor de gemeentebelasting het inkomen berekend op 20 X f 16.38, d. i. op / 327.60. Nu heeft volgens bylage B het hoogst belast pand in deze gemeente eene huurwaarde van ƒ6500.—. Indien moet aangenomen worden, dat dit perceel door een particulier wordt bewoond, —

ocr page 11

9

hetgeen echter niet waarschijnlijk is —, clan zoude het inkomen van den bewoner van dat duurste perceel, indien enkel op de huurwaarde van het huis gelet werd, 65 maal hooger moeten worden berekend dan dat van den bewoner van het perceel van /quot;100.— huurwaarde, en dus op 65 X f 327.60, d. i. op f 21,quot;294.—, moeten worden gesteld, welk cijfer dan het hoogste inkomen uit de gemeente zoude moeten zijn. Toch zijn er, volgens de opgave op bladzijde 36 der nota, hier ter stede 28 personen met een vermoedelijk inkomen van meer dan ƒ 21,000.—, van wie één wordt geacht ruim f 100,000.— en één ruim f 80,000.— inkomen fe hebben, enz.

Is dus voor de meer gegoeden de huurwaarde bij de berekening van het inkomen terecht slechts een bijkomstige factor, voor de minder gegoeden schijnt inderdaad de huurwaarde geen verwerpelijke maatstaf te zijn ter bepaling van den voet, waarop zij leven, van hun verteringsvermogen. Zeker is het waar, dat huiselijke omstandigheden iemand kuimen noodzaken zich van eene ruime woning te voorzien, maar daaraan komt juist de aftrek wegens de talrijkheid van het gezin te gemoet.

In verband met de vorenstaande beschouwino-en hechtten de leden , wier gevoelen hier wordt weergegeven, weinig waarde aan hetgeen in de noot op bladzijde 26 van de nota wordt medegedeeld ten aanzien van de uitkomsten te Amsterdam. Het daar medegedeelde zoude toch alléén dan iets bewijzen, wanneer hier voor alle klassen het inkomen werd berekend

ocr page 12

10

naar evenrodiglieid van de huurwaarde zonder meer. Nu men echter ter beoordeelingquot; der toestanden te dezer stede — zooals boven is aangetoond — rekening- heeft te houden met mobilair, dienstboden , paarden, aanslag in andere gemeenten, cijfers van vermenigvuldiging en talrijkheid van het gezin, bewijst die opgave niets tegen onze belasting. Bovendien meende men de opmerking niet te mogen terughouden, dat alle in de nota voorkomende gevolgtrekkingen uit de vergelijking van ütrechtsche met Amsterdamsche toestanden eigenlijk op eene petitio principii berusten, te weten, op de veronderstelling, dat bij verschillende uitkomsten te Amsterdam en te Utrecht a priori vaststaat dat de aanslag te Amsterdam juist en die te Utrecht onjuist is. Dit dient evenwel eerst bewezen te worden. Zij , die van meening zijn, dat de juistheid der berekening van het inkomen te Amsterdam (vroeger naar eigen aangifte, thans ambtshalve geschiedende) geenszins onvoorwaardelijk mag worden aangenomen, moeten uit den aard der zaak zoodanige bewijsvoering wraken.

Het is trouwens geraden in het maken van gevolgtrekkingen uit de in de nota voorkomende gegevens niet dan met de uiterste behoedzaamheid te werk te gaan. Zoo wordt bijv. op bladzijden 52 en 53, waar de aanslag in de plaatselijke belasting te Utrecht, te 's Gravenhage, te Rotterdam en te Amsterdam bij perceelen van dezelfde huurwaarde onderling wordt vergeleken, onder letter O een perceel tot grondslag van de berekening genomen, waarmede men tot zeer

ocr page 13

11

zonderlinge uitkomsten geraakt. De huurwaarde van dat perceel bedraagt ƒ3,500.—daar roch de personeele belasting h 5 % wegens den eersten grondslag f 175.— beloopt. De bewoner van dat aanzienlijke huis schijnt evenwel — wonderlijk genoeg! — niet ééu dienstbode te hebben ; althans wegens den vijfden grondslag is hij niet aangeslagen. De waarde van het mobilair in dat perceel, welke volgens tarief /'38,500.— zoude moeten bedragen, is slechts gesteld op f' 4850. —. Dien ten gevolge zou de bewoner — indien het huis een bewoner heeft —- hier slechts aangeslagen worden naar een inkomen van f 19,409.28, terwijl hij te 's Gravenhage, Rotterdam en Amsterdam op ongeveer het dubbele van dat bedrag zoude worden gesteld. Nu mag men toch vragen: hebben wij hier misschien te deuken aan een perceel, waarvan de bewoner afwezig is, of aan een gebouw met eene bijzondere bestemming, een stationsgebouw, eene fabriek, of iets dergelijks? In dat geval moet aan dit voorbeeld alle bewijskracht ontzegd worden.

Sommige leden, die toestemden dat de bestaande belasting vele gebreken heeft, en dat, indien dit zoo moest blijven, eene inkomstenbelasting de voorkeur zou verdienen, gaven als hun gevoelen te kennen, dat allereerst eene verbetering der bestaande belasting-moest worden beproefd, en dat men eerst dan, wanneer dit onmogelijk zoude zijn gebleken, op eene geheele verandering van stelsel behoorde bedacht te zijn. Huns inziens was de onmogelijkheid om de bezwaren der tegenwoordige regeling weg te nemen, nog

ocr page 14

12

geenszins gebleken. Zij wilden het door sommige voorstanders der inkomstenbelasting op den voorgrond gestelde dilemma, te weten, dat men slechts te kiezen had tusschen het bestaande en het nu voorgestelde, niet aanvaarden, en meenden, dat er wel degelijk een middenweg bestond, namelijk verbetering van de tegenwoordige belastingverordeniug. Daartoe is de kennis der bezwaren, welke er tegen bestaan, een eerste vereischte. Die bezwaren worden in de nota breed uitgemeten, maar op elk punt kan, zonder wijziging der bestaande grondslagen, verbetering-worden aangebracht. Is het bijv. een bezwaar (zie blz. 29), dat de kantoren, winkels en plaatsen, waar goederen of waren worden uitgestald, voor de bepaling der huurwaarde mede in rekening worden gebracht, men zondere die uit. Is het een bezwaar, dat de min gegoede burger in de personeele belasting wordt aangeslagen voor de kamers, welke hij verhuurt, terwijl de bewoners dier kamers vrij blijven, welnu, men late, op het voorbeeld van s Gravenhage, splitsing der belasting tusschen de verschillende bewoners toe. Is het, dat er in de schatting van do huurwaarde der verschillende perceelen voor de personeele belasting eene zeer groote ongelijkheid heerscht, men neme dan bijv. de schatting van de belastbare opbrengst voor de grondbelasting tot grond-sliig. Voorts werd hieromtrent opgemerkt, dat het, om in dezen tot meer gelijkheid te komen , aanbeveling zoude verdienen, dat telken jare de huurwaarde van een zeker aantal perceelen voor de personeele

ocr page 15

13

belasting op nieuw geschat werd, hetgeen, naar men meende te weten, in andere gemeenten, bijv. te Amsterdam, met goed gevolg plaats vindt. Dit hangt intusschen geheel af van het hoofd van het plaatselijk bestuur en van den controleur der belastingen. Ook met het oog op de opcenten, welke de gemeente op de hoofdsom der personeele belasting heft, meende men, dat dit zeer in het belang der gemeente zou zijn.

Een lid stelde aan hen, die dezen weg wenschten in te slaan , den eisch, dat zij een uitgewerkt voorstel tot zoodanige verbetering zouden indienen. Zij meenden daarentegen, dat dit van hen niet kon noch mocht worden gevorderd. Aan de individueele leden van den Raad staan toch niet, even als aan Burgemeester en AVethouders, de daartoe noodige hulpmiddelen en inlichtingen ten dienste Bovendien wezen die leden er op, dat de steller der nota niet onduidelijk (zie byv. blz. 50) had te kennen gegeven, dat, indien de Raad meende vooralsnog niet tot de invoering van eene inkomstenbelasting te moeten overgaan, de overneming van enkele bepalingen uit de verordeningen van andere gemeenten ter verbetering der bestaande belasting zeer aan te bevelen zoude ziju. Daaruit meende men te mogen opmaken , dat de steller der nota, die getoond had de bezwaren tegen de bestaande belasting ten volle te erkennen, ja zelfs, naar veler meening, te overschatten, ook genegen en bereid zou zijn om, bij verwerping van de aanhangige ontwerpen, op andere wijze die bezwaren te helpen wegnemen.

ocr page 16

14

In do derde afdeeling werd de invoering van eene rechtstreeksche inkomstenbelasting nog uit een ander, meer principieel oogpunt besproken. Eénerzijds werd aldaar betoogd, dat de belasting op het inkomen vroeger eene liberale leus was geweest, maar had opgehouden dit te zijn, sedert zy, in verband met algemeen stemrecht, het hoofdpunt is geworden van het programma der socialisten. De belasting op het inkomen is nu geworden de eerste stap op den weg naar hot communisme. Men begint met „1'impót sur le revenuquot;, om er daarna van te maken een „impót unique et progressifquot; en te eindigen met „le nivellement des fortunesquot;! Het is waar, dat men in Pruisen en Saksen sedert eenige jaren eene Ryks inkomstenbelasting heeft, maar in zulke autocratische landen gaat het gemakkelijker. In Engeland is ook een incometax, maar geheel anders geregeld dan men hier wil. Het is merkwaardig, dat zij in het democratische Frankrijk nooit is ingevoerd; wel is zij aldaar sedert korten tyd aan de orde gesteld door Guyot en Dreyfus, maar de Minister Sadi Carnot wilde er niet van weten. In 1873 werd zij na de Commune voor de stad Parijs voorgesteld, maar de President Thiers haalde er de streep door. Hy zeide ervan: „1 impót „progressif, ce n'est pas de Féquité, c'est du nivellement.quot; De beschaafde klassen zijn er bij ons te lande dan ook altijd afkeerig van geweest. In de toepassing kan zulk eene belasting niet anders dan arbitrair en vexatoir zijn. In verscheidene Zwit-

ocr page 17

15

sersche cantons en steden bestaat de inkomstenbelasting sedert eenige jaren, maar daar is de toestand voor de bezittende klassen hoe langer hoe meer ondragelijk geworden.

Andere leden verklaarden te moeten protesteeren tegen de bewering, dat de belasting op het inkomen eene vrucht zou zijn van socialistische of communistische theoriën. Juist de omstandigheid, dat zij èn in een monarchaal-autocratisch rijk, zooals Pruisen , èn in een constitutioneel land, zooals Engeland, eene staatsinstelling geworden is, is eene voldoende wederlegging van de bewering, dat zulk eene belasting de geschetste gevaarlijke strekking zou hebben. Van eene progressieve belasting is hier in het geheel geen sprake; het doel is allen gelijkelijk te treffen (met uitzondering der allerminst gegoeden) en den belastingplicht evenredig te doen zijn aan de draagkracht der belastingschuldigen.

Omtrent dit laatste werd daarentegen opgemerkt, dat het beginsel, dat er evenredigheid moet bestaan tusschen draagkracht en belastingplicht, zeer fraai klinkt, en de beide begrippen „draagkrachtquot; en „belastingplichtquot; wel een tegenstelling schijnen te vormen, maar dit inderdaad niet doen. De belasting is een nadeel, een druk, door de overheid aan de burgers opgelegd, maar het gaat niet aan daartegenover te plaatsen hetgeen men draagkracht noemt, als ware dit een voordeel, dat men aan diezelfde overheid te danken had. Dit laatste toch zal niemand kunnen beweren. Het zoozeer geprezen beginsel

ocr page 18

16

blijkt dus geen ander stelsel te zijn, dan eenvoudig daar het meeste weg te halen waar men denkt, dat het meeste te halen zal zijn, een stelsel dat wellicht voor een roofstaat geschikt is, maar dat op geen zedelijken grond rust, en waarvoor dus in eene geordende en beschaafde maatschappij geen plaats schijnt te zijn. In vroegere tijden zocht men het opleggen van belastingen te rechtvaardigen door te wijzen op het belang, hetwelk de belastingschuldige had bij de huishouding, tot welker instandhouding de belasting werd geheven, en ging men uit van den stelregel, dat de lasten evenredig behoorden te zijn aan de lusten. Thans schijnt men juist van het tegenosrergesteldo beginsel uit te gaan. Men vermeerdert de lusten (uitbreiding van kiesrecht, enz.) bij hen, die geene lasten dragen, en men verhoogt de lasten bij anderen zonder eenige vermeerdering van lusten; integendeel wordt hun stem en invloed hoe langer hoe kleiner. Zoo komt men er langzamerhand toe, alle macht aan de niet-bezittenden in handen te spelen en dezen de vrije beschikking te geven over de fortuinen der bezittenden Voorzeker , een hachelijk waagstuk! Voor eene Rijks inkomstenbelasting ware als zedelijke grond nog aan te voeren, dat de geordende toestand der maatschappij, de rechtszekerheid en veiligheid, door den staat gewaarborgd en gehandhaafd, het den burgers mogelijk maakt hunnë inkomsten rustig te genieten en er over te beschikken, en dat er dus niets onbillijks in gelegen is, dat de staat daarvoor van die burgers

ocr page 19

17

een matig percentage van hun inkomen als belasting heft. Voor eene gemeentelyke inkomstenbelasting ontbreekt die zedelijke grond geheel.

En was het nog maar waar, dat de inkomstenbelasting evenredigheid waarborgde tusschen draagkracht en belastingplicht. Maar dat doet zij niet; want het inkomen alléén is geen maatstaf van de draagkracht. Het is gemakkelijk aan te toonen, dat de omstandigheid, dat twee personen hetzelfde inkomen genieten, niet bewijst, dat zij even rijk zijn, of dezelfde draagkracht bezitten. Allerlei omstandigheden , als de bronnen, waaruit het inkomen voortspruit, de wijze waarop men zijn fortuin heeft belegd, de talrijkheid van het gezin, de voet. waarop men door zyne ambtelijke betrekking of maatschappelijke positie genoodzaakt is te leven, oefenen op de draagkracht invloed uit. Bovendien is het alles behalve zeker, dat men door eene inkomstenbelasting iedereen juist naar verhouding van zijn inkomen treffen zal; wel zal men het trachten te doen, maar stellig zal de één in verhouding van zijn inkomen te hoog en de ander te laag worden belast. En waar blijft dan de evenredigheid tusschen draagkracht en belastingplicht ?

Hierop werd van andere zijde geantwoord, dat de hier boven gemaakte tegenstelling van rechten en plichten berustte op verwarring van publiek en privaat recht. Vroeger werd daartusschen zoo nauw niet onderscheiden en meende men inderdaad, dat het belang een maatstaf moest zijn ter bepaling van

2

ocr page 20

IS

plichten met betrekking tot de publieke zaak. Thans erkent men, dat dit verkeerd was. Het belang toch, dat iemand by do publieke zaak beeft, ontsnapt aan de waardeering, kan niet getaxeerd en nog veel minder evenredig afgemeten woïden En tot welk resultaat zoude men komen, als men hierbij het belang uitsluitend op den voorgrond wilde stellen ? Het zijn immers de zwaksten, die het meest den steun van een geordend staatswezen behoeven, de sterken zijn beter in staat zich zei ven te helpen. Het zijn dus de zwaksten, ook de financieel zwaksten, de minst vermogenden , die hier het grootste belang hebben, en die zouden derhalve in de belastingen het meeste moeten betalen! Die consequentie wil niemand aanvaarden. De maatstaf van het belang kan dus niet dienen. Het eenige juiste beginsel is dat van evenredigheid tusschen draagkracht en belastingplicht. Het is onjuist, dat dit beginsel niet zedelijk zoude kunnen worden gerechtvaardigd. Immers de staat heeft het recht van alle burgers datgene te eischen, wat tot zijne instandhouding noodig is. Hoe ver dat recht van den staat gaat, kan blijken bijv. uit den militieplicht; daarbij vordert de staat van de burgers zelfs het offer van hun leven, indien de omstandigheden dit noodig maken. En het recht daartoe wordt hem door niemand ontzegd. De staat mag dus alles eischen, als het noodig is; a fortiori mag hij, daar hij geldelijke inkomsten noodwendig behoeft, ter voorziening in die behoefte, een doel van het inkomen der burgers vorderen. Hoeveel ieder

ocr page 21

19

daarvoor aan den staat zal moeten afstaan, dient bepaald te worden door ieders draagkracht. Van die draagkracht is het inkomen op zich zelf wel geen volledige maatstaf, maar toch komt de berekening van ieders aandeel in de publieke lasten volgens het inkomen de draagkracht van ieder het meest nabij. Het bezwaar, dat de draagkracht niet altijd evenredig is aan liet inkomen, zou slechts dan van gewicht kunnen worden geacht, wanneer de inkomstenbelasting als „impót uniquequot; werd ingevoerd. Maar dit is nergens geschied; overal, waar zij bestaat, dient zij tot aanvulling van andere belastingen. Het doel der inkomstenbelasting is niet om de rijken te drukken , maar om op allen een gelijken last te leggen , in evenredigheid tot hun inkomen, met uitzondering dergenen, wier inkomen te gering is, om er iets van af te nemen.

Deze redeneering kwam aan sommige tegenstanders niet afdoende voor. De aansjevocrde gronden

~ O

mogen kunnen dienen om het recht van den staat om belasting te heffen in het algemeen te rechtvaardigen, -— welk recht trouwens door niemand wordt ontkend. — maar daaruit valt niets af te leiden aangaande de wijze, waarop de druk der belastingen behoort te worden verdeeld, veelmin wordt daardoor aangetoond, dat eene inkomstenbelasting de voorkeur zou verdienen boven eiken anderen vorm van belasting.

Bovendien werd opgemerkt, dat de voorstanders zeiven erkennen moeten, dat eene inkomstenbelasting

ocr page 22

20

zonder gelijktijdige kapitaalbelasting toch steeds eenzijdig werkt. Immers zal daardoor hij, die door insoliede belegging van zijn fortuin hooge rente trekt, zwaarder worden getroffen, dan hij, die zijn vermogen op soliede wyze, doch minder rentegevend, heeft vastgelegd. Als correctief hiertegen kan alleen eene belasting op het kapitaal dienen.

De eenzijdige werking van de inkomstenbelasting komt ook uit, wanneer men er op let, dat een deel der belastingplichtigen daardoor dubbel zullen betalen, namelijk ook wegens een gedeelte van hun inkomen, waarvoor reeds op andere wijze betaald wordt. Dit geldt van de grondbelasting, waardoor het inkomen wordt getroffen , dat men van onroerende goederen trekt, en evenzeer van de patentbelasting , welke op het inkomen uit nijverheid drukt. Bij de voorstellen tot invoering eener Rijks inkomstenbelasting , welke vroeger van de Regeering zijn uitgegaan, was tevens de afschaffing der patentbelasting bedoeld; maar naast de gemeentelijke inkomstenbelasting zal die blij ven bestaan. Zij, wier aanslag in de patentbelasting naar hunne inkomsten is begroot, zullen andermaal van datzelfde inkomen aan de gemeente moeten betaleu. En zij, wier onroerende goederen reeds belast zijn, en die in de opcenten op de grondbelasting reeds aan de gemeente belasting betalen, zullen wegens de inkomsten uit diezelfde goederen nog weder aan heffing onderworpen zijn. Het zal dus altijd eene onbillijke belasting wezen. De inkomstenbelasting zal drukken op de nijverheid en

ocr page 23

21

spaarzaamheid; hij, die door nog wat meer te werken en te verdienen in eene hoogere klasse zou komen, zal dit werken en sparen nalaten, omdat hij anders meer zoude moeten betalen. Deze belasting zal dus met betrekking tot de nijverheid eene gelijksoortige werking uitoefenen, als het tiendrecht ten aanzien van den landbouw.

In de nota wordt op bladzijde 59 de bewering aangetroffen , dat het gedeelte van het inkomen, dat niet verteerd wordt, tot dusverre aan bijna alle belastingen ontsnapt, en daaruit het besluit getrokken , dat het noch onverstandig noch onbillijk is, het door eene inkomstenbelasting te treffen. Die bewering werd onjuist geacht en daartegenover de meening gesteld, dat elke wijze van belegging van onverteerde inkomsten , welke men ook moge kiezen, er direct of indirect toe bijdraagt om de opbrengst óf van het pal ent, of van de grondbelasting, of van het zegelrecht , of van het registratierecht, of van de hypotheekrechten te doen stijgen, terwijl bovendien de rechten van successie en overgang alle kapitalen, welke vererfd worden, — dus ook de besparingen — dooréén genomen met ongeveer 4% bezwaren1).

1

Ter toelichting hiervan werd gewezen op het volgende:

In 1882 bedroeg het totaal netto bedrag der nalatenschappen, waarvan recht van successie en overgang betaald werd, ƒ 358,350,688.—, daarvoor werd in hoofdsom ontvangen / 7,495,073.40 of bijna S'Voi makende met de 38 opcenten ruim 40/0. Sedert dien tijd is het recht van overgang in de zijdlinie nog verhoogd.

Neemt men nu aan , dat de vermogens om de 30 jaren over-

ocr page 24

22

Velen zagen ook een groot bezwaar tegen de invoering eener inkomstenbelasting in het bekend worden der fortuinen. Tegen het bloot leggen van zijn vermogen heeft men hier te lande eene aange-borene antipathie; dit is steeds zoo geweest en is zoo nog. Zelfs in de staatsregeling van 1798 , uit handen van de felste patriotten voortgekomen, werd in artikel 210 voorgeschreven, dat „noodelooze openbaar makingen van iemands bezittingen en inkomstenquot; moesten worden „voorgekomenquot;. En als een bewijs, hoezeer men tegen bekendmaking van zijn vermogen is gekant, werd gewezen op het feit, dat er in den afgeloopen

giiaii cu vraagt men zicli af, of meer belasting betaald wordt van de besparing of van de vertering , dan komt men tot hot volgende resultaat.

Stel , A en B hebben ieder ƒ 2000.— inkomen. A verteert do volle f 2000.—, B verteert f 1000.— en legt het overige op. Nu betaalt A (volgens bijlage A van de nota) aan Rijks- , provinciale cu gemeentebelasting jaarlijks 'J0/,, van zijne vertering, d. i. ƒ 180.— 'sjaars. B betaalt 10o/o van zijne vertering, d. i ƒ 100.— 's jaars , en bovendien wordt na 30 jaren ruim 4quot;/o van eeu kapitaal, dat door besparing tol ƒ 60,000.— is opgoloopen , d. i. ƒ 2400.— gelieven j hetgeen neerkomt op f 80.— per jaar. ïe zaraen wordt van dit vermogen alzoo jaarlijks betaald ƒ 100.— verteringsbelasting en ƒ 80.— kapitaalbelasting, dus ook ƒ 180.— per jaar.

Wel komt deze belasting op de besparing niet aan de gemeente ten goede , maar dit is slechts ccue vraag betreffende de verdeeling van de opbrengst dor gezamenlijke belastingen tusschen hot Eijk on de gemeente. En do steller der nota beschouwt ook zijnerzijds deze zaak uit een algemeen oogpunt.

ocr page 25

23

zomer personen zijn geweest, die Imune zegelplich-tige effecten niet hier ter stede hebben laten zegelen, maar die zegeling bij partijen op andere plaatsen hebben doen verrichten. Hoe velen zijn er niet, die zelfs tegenover hnune eigene kinderen niet willen weten hoeveel hnn vermogen bedraagt!

En bij eene gemeentebelasting is die publiciteit niet te vermijden. Bij eene Ryks inkomstenbelasting zoude dit tot op zekere hoogte te doen zyu, zooals liet voorbeeld van Engeland bewijst, alwaar de belasting van de rente der staatschuld, dividenden van binnenlandsche maatschappijen, enz. indirect geheven wordt, zoodat slechts een suppletoire aanslag overblijft. Bij eene gemeente kan slechts van eene rechtstreeksche heffing sprake zijn. En, welke voorzorgen men nu ook neme om bij het ophalen der, beschrijvingsbiljetten en het toezenden der aanslagbiljetten de geheimhouding te waarborgen, dit alles baat niets, daar de kohieren, ingevolge de bepalingen der gemeentewet, voor een ieder ter inzage moeten liggen, en een ieder daaruit afschriften of uittreksels nemen kan. Dit bezwaar geldt vooral voor de handelaren, de neringdoenden, en niet het minst voor de kleineren onder hen. Door de openbaarheid kan het crediet, dat zij genieten, allicht worden geschokt. Zullen niet velen hunner uit dien hoofde met een te hoogen aanslag: svenoo^en moeten nemen

O O O O

en „zich groot houden ?quot; Eu waar blijft dan de hooggeroemde billijkheid dezer belasting?

Daartegen werd opgemerkt, dat het argument,

ocr page 26

24

aan het geschokte crediet ontleend, uiet zwaar kon wesren , daar toch steeds naar iemands soliditeit een

O 7

onderzoek pleegt te worden ingesteld, zoodra hij in zijne zaken den steun van anderen noodig heeft-Maar dat in de publiciteit een groot bezwaar gelegen is, wordt door den steller der nota zei ven niet ontkend. Zijn eenig argument daartegen is, dat eerlang, bij de invoering eener Rijks inkomstenbelasting, die publiciteit toch zal bestaan. Maar indien dat waar is, waarom dan die invoering niet liever afgewacht?

Verder moet men in het oog houden, dat de directe belasting ten behoeve der gemeenten, welk stelsel men ook verkieze, voor een naar verhouding-zeer groot gedeelte opgebracht wordt door een zeer klein aantal gegoeden. Bij invoering der voorgestelde belasting zal die cumulatie van lasten op zeer weinigen nog toenemen. Wel is waar zal het aantal aangeslagenen misschien grooter wezen, maar een groot aantal kleine aanslagen legt betrekkelijk weinig gewicht in de schaal. Het is nu zeer te vreezen, dat bij invoering der inkomstenbelasting een deel van hen, die feitelijk het grootste aandeel in de lasten dragen, de gemeente zullen verlaten of er zoo kort vertoeven, dat zij niet belastingplichtig zijn. De overblijvenden zullen dan des te hooger moeten worden belast en het gevolg zal zijn, dat de ingezetenen — zelfs al moest worden toegegeven, dat zij in verhouding tot elkander misschien juister zouden worden aangeslagen — feitelijk meer zullen hebben te betalen dan thans.

ocr page 27

25

Dezelfde redenen zullen vermogende familiën van elders weêrhouden hunne woonplaats naar deze gemeente over te brengen. En zoo zal deze belasting , zoowel door het afschrikken van gegoede vreemdelingen om zich in deze gemeente te komen vestigen, als door het verjagen van vermogende ingezetenen, der gemeente stellig tot nadeel zyn. Dat deze vrees niet hersenschimmig is, bewijst hetgeen elders in ons vaderland is geschied, üit Friesland, het land der hoofdelijke omslagen bij uitnemendheid, zijn tal van gegoede ingezetenen in de laatste jaren vertrokken ; de overgeblevenen worden meer en meer tot een buitensporig hoog bedrag aangeslagen. Na de invoering der inkomstenbelasting te Amsterdam zijn vele gegoede ingezetenen van daar naar elders, bijv. naar Nieuwer-Amstel of Haarlem vertrokken, ofschoon zij dagelyks voor hunne zaken in Amsterdam komen. In plaatsen daarentegen als 's Gravenhage, Haarlem, Utrecht, waar de directe belasting geheven wordt naar grondslagen, gedeeltelijk ontleend aan het personeel, waar dus ieder het tot zekere hoogte in zijne hand heeft, zijn aandeel in de belasting naar zijne draagkracht zelf te regelen , heeft men de bevolking — niet slechts in het algemeen , maar zeer bepaald ook wat het aantal gegoeden betreft — geleidelijk zien toenemen. De opbrengst der plaatselijke directe belasting is te Utrecht sedert 1879 gelijkmatig toegenomen zonder dat het percentage der heffing is verhoogd.

De voorstanders der voorgestelde belasting achtten

ocr page 28

20

de stelling-, dat de oorzaak van het verhuizen in de inkomstenbelasting moet worden gezocht, zoowel onbewezen als onjuist; zij wezen er op, dat volgens de tabel H van de Bijdragen van het Statistisch Instituut, 1880 nquot;. 1, waarin opgaven voorkomen omtrent de personen, die in de jaren 1882/1883 en 1883/1884') zich te Amsterdam hebben gevestigd of die gemeente hebben verlaten, zich in de genoemde jaren meer belastingplichtige personen in Amsterdam hebben gevestigd dan er uit die gemeente zijn vertrokken. Het getal der laatsten toch bedroeg in die jaren 247 en 217, terwijl dat der aangekomenen 368 en 571 was. Uit niets was daarbij gebleken, dat beiastino-druk de oorzaak van het vertrek van

O

die personen zou zijn geweest; en, zoo dit al moest worden aangenomen, dan zou dit toch slechts in het algemeen kunnen zijn wegens hetgeen aan alle belastingen te zamen aldaar moest worden betaald, maar had men geen recht, dit juist aan de plaatselijke inkomstenbelasting te wijten.

Het antwoord hierop luidde, dat de motieven van het vertrek dier personen uit Amsterdam voor direct bewijs onvatbaar zijn. Maar de genoemde tabel H leert toch nog meer, dan dat in 1882/1883 en 1883/1884 zich 939 belastingplichtige personen te Amsterdam vestigden en 464 de stad verlieten.

') Het dienstjaar va» clo plaatselijke directe belasting te Amsterdam loopt van 1 Mei van het eene jaar tot 30 April van het volgende jaar.

ocr page 29

27

Vooreerst, ziet men er uit, dat het aantal belastinjr-

' o

betalenden in die twee jaren wel 475 meer bedragen beeft, maar dat daardoor het totaal bedrag van het belastbaar inkomen slechts met f 69,000.— vermeerderd werd. Let men nu in het bijzonder op do hoogste 12 klassen (bevattende de inkomens boven ƒ12,000.—}, dan blijkt dat zich in die beide jaren slechts 7 personen, in die klassen vallende, te Amsterdam vestigden, met een gezamenlijk inkomen van ƒ138,000.— , terwijl er 21 vertrokken, wier gezamenlijk inkomen ƒ 440,000.— bedroeg. Dit is dus in twee jaren eene vermindering van het belastbaar inkomen in de hoogste 12 klassen met f 300,000.—, hetgeen een verschil van ƒ9,000.— in de opbrengst der belasting heeft gemaakt. En dit is zuiver verlies, want het vertrek van die 14 gezinnen zal de gemeente van geen enkele uitgaaf hebben ontheven , terwijl omgekeerd de vermeerdering van het geheele aantal belastingschuldigen met 475 zeker veel meer aan de gemeente zal gekost hebben, dan de daardoor vermeerderde opbrengst der belasting — (3% van ƒ 69,000.— is ƒ 2,070.—) — in de gemeentekas aanbracht. Dat zulke verhoudingen op den duur aanleiding moeten geven tot verhooging van belasting, is duidelijk. Xu moge het niet direct bewijsbaar zijn, dat dit alles een onmiddellijk gevolg is van de inkomstenbelasting, zooals die te Amsterdam geheven wordt, onwaarschijnlijk is het niet. En zal men dan de kans willen loopen, dat het hier evenzoo ga ? Utrecht is in dit opzicht in nog veel ongunstiger

ocr page 30

28

conditie dan Amsterdam Niet ieder, die wil, kan Amsterdam verlaten. Velen, ook onder de zeer ver-moo-enden, zijn voor do uitoefening hunner zaken aan die stad gebonden. Utrecht is eene plaats, aan welke velen in geenerlei opzicht gebonden zijn; velen zullen er zijn, die zich door niets behoeven te laten weerhouden om naar elders te vertrekken, of die in het overbrengen van hun hoofdverblijf naar de gemeenten, waar hunne buitenplaatsen gelegen zijn, en in het beperken van den duur van hun winterverblijf in deze gemeente, een gemakkelijk middel zullen vinden om zich aan de plaatselijke belasting te onttrekken. Dan zal men, in plaats van het beoogde doel, om het aandeel der meest vermogenden in de belastingen te vermeerderen, het gevolg hebben teweeg gebracht, dat deze juist van elke bijdrage in de plaatselijke lasten zullen zijn ontheven!

Door vele leden werd de mogelijkheid eener rechtvaardige en juiste toepassing van eene gemeentelijke inkomstenbelasting sterk betwijfeld. Welke wegkan toch aangewezen worden om tot eene juiste kennis van ieders inkomsten te geraken ? Onder de voorstanders der voorgestelde belasting bestond omtrent deze vraag verschil van gevoelen. Sommigen meenden daartoe het stelsel van eigen aangifte te moeten aanbevelen , maar de meesten waren van meening, dat de verwerpelijkheid van dat stelsel door do praktijk voldoende was gebleken. Zoowel te Amsterdam als te Arnhem had men dit stelsel gehad, en had men zich genoodzaakt gezien het te verlaten voor dat van aan-

ocr page 31

29

slag- ambtshalve. De ondervinding had geleerd, dat het niet aangaat op de eerlijkheid der aangiften te vertrouwen. De menschen zijn nu eenmaal niet allen even eerlijk, vooral niet in zake van belasting. Daarbij komt, dat sommigen de meest zonderlinge begrippen hebben omtrent hetgeen als inkomen moet worden beschouwd. Men kan dit niet aan ieders subjectief oordeel overlaten. Bovendien mist men elke controle op de eigene aangiften. Men kan somtijds vermoeden, dat iemand meer inkomen heeft dan hij opgeeft, bewijzen kan men het in den regel niet. Daarom is het beter den bewijslast om te keeren en het bewijs, dat hij te hoog is aangeslagen, op te leggen aan hem, die, ambtshalve aangeslagen, tegen zijueu aanslag, met opgave van redenen , kan reclameeren. Bij eigen aangifte zoude het eenige middel van controle kunnen gevonden worden in den eed, maar voor de toepassing van dat uiterste middel deinsde men terug. Den eed in belastingzaken verplichtend te stellen gaat niet aan, nu de Raad hem in andere zaken facultatief heelt gemaakt.

Maar ook tegen het ambtshalve aanslaan der ingezetenen bestaan gewichtige bezwaren. Het moge nog zoo billijk zijn, ieder naar zijn inkomen te belasten, om het te kunnen doen dient men toch te weten, hoe groot dat inkomen is. En daartoe heeft men geen enkel middel. Bij eene Rijks inkomstenbelasting is het iets anders. De Regeering heeft een aantal gegevens ter harer beschikking, welke ter bepaling-van iemands inkomen van dienst kunnen zijn. Zij

ocr page 32

30

kan inlichtingen bekomen van rle ontvangers der successierechten, van de ontvangers der directe belastingen , invoerrechten en accijnsen , van de hypotheekbewaarders, van de directie der grootboeken van de Nederlandsche werkelijke schuld, van de Regeeringscomraissarissen bij de Nederlandsche Bank, bij de Nederlandsche Handelmaatschappij en andere vennootschappen. Een gemeentebestuur heeft overal die ambtenaren geene beschikking. Niet alleen zijn zij ongehouden iets aan de gemeentebesturen mede te deelen, maar verscheidene van hen zijn zelfs tot geheimhouding verplicht. Hoe zal men dus handelen om iemands inkomen te bepalen ? Het hangt alles af van toeval, van welwillendheid, van willekeur. Het is eenvoudig niet te doen. Sommigen zullen te hoog, anderen te laag worden aangeslagen. De eersten zullen reclameeren , maar zullen hunne bezwaren gehoor vinden ? Hoe zal men bewijzen te hoog te zijn aangeslagen ? En hoe zal men handelen, ten aanzien van hen, die niet reclameeren ? Zullen hunne aanslagen als juist worden beschouwd, of zal men zich vergewissen, dat die aanslagen niet te laag zijn, door ze een volgend jaar te verhoogen? Indien men dit ten aanzien van enkelen doet, en van anderen niet, zal dat niet alweder zuivere willekeur zijn? Men hebbe dan den moed, elk jaar den aanslag van allen, die het vorige jaar niet reclameerden, te verhoogen, en dit zoo lang voort te zetten, totdat er reclame komt! Dan is het ideaal bereikt, maar tevens het toppunt van vexatie !

ocr page 33

31

Hiertegen werd opgemerkt, dat men de bezwaren to hoog telde. Men stemde toe, dat een aanslag ambtshalve, zonder eenigen grondslag, op niets dan willekeur zou berusten. Daarom mag dan ook zulk een aanslag niet op zich zelf alleen bestaan, maar dient hij te steunen op de gegevens, door de belastingschuldigen te verstrekken. Vandaar de vragen , welke op het beschrijvingsbiljet gesteld zijn. De ondervinding te Amsterdam en te Arnhem heeft geleerd, dat de aanslag ambtshalve, met geheel vrije gebruikmaking van de door de belastingschuldigen verstrekte gegevens, geen bezwaar heeft opgeleverd. De bronnen van het inkomen konden op clie wijze voldoende worden opgespoord, zonder vexatie. De willekeur van den aanslag wordt, door van de eigen opgaven met oordeel gebruik te maken, tot een minimum beperkt.

Niet allen evenwel achtten de bezwaren hierdoor opgelost. Plet is waar, door de beantwoording der vragen, op het beschrijvingsbiljet voorkomende, kan men omtrent sommige bronnen van het inkomen gegevens bekomen, welke voor controle vatbaar zijn , en waaruit enkele bestanddeelen van het inkomen kunnen worden opgemaakt. Men zal daardoor vernemen, welke betrekkingen de belastingschuldige bekleedt, en daaruit misschien tot het cijfer van zijn traktement of salaris, althans in sommige gevallen, kunnen besluiten. Ook het bezit van onroerend goed kan gecontroleerd worden; maar of de kennis daarvan voldoende is om te bepalen hoeveel inkomsten daaruit

ocr page 34

32

getrokken worden, blijft aan gegronden twijfel onderhevig. Omtrent het bezit van kapitaal in portefeuille bekomt men evenwel uit de beantwoording der vragen geen licht. Toch zal het deel van het inkomen, dat daaruit voortvloeit, ook bepaald moeten worden. Hoe wil men dat doen, als men het kapitaal in portefeuille niet kent ? Moet men daarvoor niet eerst de hoegrootheid van dat kapitaal taxeeren ? Dit is immers onmogelijk. Men wijst op Amsterdam en Arnhem, maar moet niet vergeten, dat men in die twee gemeenten vroeger het stelstel van eigen aangifte heeft gehad, en daardoor in de daarop gegronde aanslagen van vorige jaren een in vele gevallen tamelijk bruikbaren leidraad heeft, welken men hier natuurlijk geheel zal missen.

Uit de bepalingen van het ontwerp zelf werd door enkelen opgemaakt, dat de samenstellers daarvan, ofschoon bewerende aan het stelsel van aanslag ambtshalve de voorkeur te geven, in de uitvoerbaarheid en de uitkomsten van dat stelsel geen onbepaald vertrouwen schenen te stellen. Immers laten de laatste twee vragen van het beschrijvingsbiljet, waarvan de beantwoording facultatief is gelaten, geene andere opvatting toe, dan dat het toch wel gewenscht zou zijn, dat de ingezetenen zei ven hunne inkomsten, en dus ook hun vermogen, opgaven. Naar aanleiding daarvan werd de opmerking gemaakt, dat het ontwerp op twee gedachten hinkt, en tusschen het stelsel van aanslag ambtshalve en dat van eigen aangifte geene besliste keuze doet.

ocr page 35

an

In rlpze laatste omstandigheid werd door anderen juist een voordeel gezien. Volgens hen moeten, om de inkomstenbelasting goed te doen werken, deze beide factoren samenwerken. De eigen opgaven moeten gecontroleerd worden door het gemeentebestuur, dat er naar zijn eigen oordeel gebruik van moet kunnen maken ; en de aanslag, welke ambtshalve geschiedt, moet steunen op de gegevens, welke door de ingezetenen zei ven verschaft worden. Bestuur en ingezetenen moeten samenwerken. Onthouden de ingezetenen zich volstrekt van alle medewerking, dan is de invoering der inkomstenbelasting niet mogelijk. Dit is het geval met bijna alle belastingen, maar vooral met de inkomstenbelasting, omdat het zoo gemakkelijk is de bronnen van het inkomen te verbergen. Het is echter onbillijk, er een grief van te maken, dat de verordening die medewerking onderstelt en daarvoor de gelegenheid opent.

De tegenstanders van het ontwerp legden grooten nadruk op de bezwaren, welke en aan het stelsel van eigen aangifte èn aan dat van aanslag ambtshalve

O O O

onafscheidelijk verbonden bleken te zijn. Die bezwaren waren huns inziens op geenerlei wijze weg te nemen, en daardoor alleen was de onuitvoerbaarheid der inkomstenbelasting reeds voldoende aangetoond. Op de medewerking der ingezetenen, volgens de voorstanders onmisbaar om de nieuwe belasting te doen slagen , meenden zij dat niet kon worden gerekend. De ondervinding van hetgeen gebeurt bij de vaststelling der aanslagen voor de patentbelasting, leert,

3

ocr page 36

34

hoe moeilijk de medewerking dor burgers ter bepaling-hunner inkomsten te verkrijgen is. Om die redenen waren deze leden van oordeel, dat de invoering der inkomstenbelasting geen waarborg opleverde, dat ieder, zelfs maar eenigermate, naar evenredigheid van zijn werkelijk inkomen zoude worden belast, en dat het doel, dat men zich door de verandering van belastingstelsel voorstelde, volkomen zou worden gemist.

Ook wezen deze leden ei' op, dat er voor het rondbrengen en ophalen der beschrijvingsbiljetten , het onderzoek daarvan en het voorbereiden van den aanslag, een talrijk personeel van ambtenaren zal worden vereischt, waardoor groote uitgaven zullen worden veroorzaakt, welke door de opbrengst der be-lastino- zullen moeten worden gedekt. Hierdoor zal

o o

de belasting tot een hooger bedrag moeten worden geheven dan anders noodig zoude zijn, en zal dus zonder eenig nut aan de ingezetenen een zwaardere druk worden opgelegd.

In twee afdeelingen kwam de wettigheid zoowel der bestaande als der voorgestelde belasting tor sprake.

Verscheidene leden achtten, met don steller der nota, de wettigheid der bestaande belasting niet boven allen twijfel verheven. Immers verbiedt artikel 243 dei- gemeentewet om als grondslagen voor plaatselijke belastingen uitsluitend aan te nemen een of meer grondslagen van de personoolo belasting. Volgens de bestaande verordening zyn evenwel nagenoeg al

ocr page 37

35

de grondslagen van de personeele belasting als grondslagen voor de plaatselijke belasting aangenomen, en heeft men zich uit de moeilijkheid trachten te redden door by de bepaling van den aanslag de talrijkheid van het gezin in aanmerking te nemen, maar men betwistte, dat deze f.ictor een grondslag kon genoemd worden, zooals de wet vordert

Men betwijfelde echter evenzeer, of de voorgestelde inkomstenbelasting aan de wettelijke vereischten voldeed. Het genoemde artikel 243 der gemeentewet schrijft toch gebiedend voor, dat de plaatselijke directe belastingen moeten worden geheven naar grondslagen, welke voor een redelijken maatstaf van het inkomen der belastingschuldigen te houden zijn. Ouder „grondslagenquot; zijn te verstaan, — zooals ook in do nota op bladzijde 21 wordt vermeld —, bepaalde feiten, uiterlijke kenteekenen, en waarneembare omstandigheden, welke een maatstaf voor de berekening van het inkomen kunnen opleveren. Aan dien eisch nu wordt door eene rechtstreeksche inkomstenbelasting niet voldaan.

Anderen betwistten, dat de nieuwe verordening geen grondslagen zou bevatten, waarop de aanslag-rusten zoude. Volgens hen kon men , met den steller der nota, in de verschillende bronnen van het inkomen even zOovele grondslagen zien, waarnaar het bedrag-van het inkomen zou worden berekend. Of ook konden de antwoorden op de vragen van het beschrijvingsbiljet als de grondslagen der schatting worden beschouwd.

Ook werd het gevoelen verdedigd, dat het verbod

ocr page 38

36

van artikel 243, om als grondslao-on uitsluitend aan te nemen een of meer grondslagen van de in de zesde zmsnede van artikel 240 bedoelde Rijks directe belastingen, het invoeren eener rechtstreeksche inkomstenbelasting voor de gemeente onmogelijk maakt, daar in laatstbedoelde zinsnede de inkomstenbelasting, direct naar het vermogen of inkomen geheven , aan het Rijk wordt voorbehouden en aan de gemeenten slechts het recht wordt gelaten, daarop eventueel opcenten te heffen. Van andere zijde werd toegegeven, dat dit waar zoude wezen, indien er eene directe Rijks inkomstenbelasting bestond, maar tevens betoogd, dat, zoolang dit niet het geval is, aan die bepaling geen argument tegen de wettigheid eener gemeentelijke inkomstenbelasting kan worden ontleend.

De meesten oordeelden intusschen een debat over de wettigheid of onwettigheid der belasting weinig vruchtbaar. Zoowel het eene als het andere stelsel van plaatselijke belasting is steeds door do Hooge Regeering goedgekeurd , en men mag dus aannemen, dat, welk stelsel men hier ook kieze, daartegen van hoogerhand geen bezwaar zal worden gemaakt. Zooveel is zeker, dat de regeling der plaatselijke belasting moet steunen op artikel 243 der gemeentewet. Volgens velen schrijft dat artikel eene belasting op het inkomen gebiedend voor en is het alléén eene quaestie van toepassing, waarbij de eenige vraag is, aan welke wijze van berekening van het inkomen de voorkeur moet worden gegeven. In ééne afdeeling was men nagenoeg algemeen van gevoelen, dat er geene vaste

ocr page 39

37

cu onveranderlyke grondslagen te vinden zijn, waarnaar liet inkomen der belastingschuldigen tc berekenen is, m. a. w. dat de grondslagen van de personeele belasting, d. i. van eene verteringsbelasting, niet als een redelijke maatstaf voor het berekenen van het inkomen dor belastingschuldigen te gebruiken zijn, en verklaarde men zich daarom vóór het beginsel, dat in de ontwerpverordening is aangenomen. In de beide andere afdeelingen liepen de gevoelens zeer uitéén.

Ontwerpverordening op de heffing van eene plaatselijke directe belasting naar liet inlionien.

Art. 1.

Sommige leden, die overigens met de ontwerpen konden medegaan, betreurden het, dat daarin niet, even als in de bestaande verordening, rekening werd gehouden met de talrijkheid van het gezin. Zij wezen er op, dat in artikel 5 een aantal uitgaven zijn opgenoemd, welke van de jaarlijksche ontvangsten worden afgetrokken om het zuiver inkomen te bepalen , en meenden , dat de kosten, welke men voor de opvoeding van zijne kinderen besteedt, evenzeer daarvan afgetrokken behooren te worden. Het is toch voor ieder, die kinderen heeft, een eerste plicht, die te onderhouden en op te voeden. Deze loden erkenden, dat eene verhooging van den aanslag, wegens de geringe getalsterkte van het gezin, niet met het

ocr page 40

38

beginsel van deze verordening zoude overeen le brengen zijn, maar wilden dan ook alléén eene vermindering voor groote gezinnen, hetzij door iu artikel 5 den aftrek uit dien hoofde te regelen, hetzij dooide bepaling der vigeerende verordening over te nemen, waarbij, in geval een gezin uit meer dan vijf personen bestaat, de aanslag voor ieder persoon boven dat getal met een twintigste wordt verminderd.

Zeêr velen deelden evenwel dat bezwaar niet, en achtten eene dergelijke vermindering in strijd met den aard van eene inkomstenbelasting. Talrijkheid van het gezin heeft op het bedrag van het inkomen geen invloed, wel op de draagkracht. Maar als men op de draagkracht wil gaan letten, dan komen nog veel meer omstandigheden in aanmerking. De aard, het min of meer wisselvallige der inkomsten, ziekten en tegenspoeden, de stand, die men heeft op te houden, en tal van andere particuliere en huiselijke omstandigheden zijn op de draagkracht van invloed. Zelfs kan het voorkomen, dat vermindering van het aantal leden van een gezin de draagkracht vermindert en geenszins verhoogt, zooals bijv. wanneer het gezin een kostwinner verliest Een maatstaf ter beoordeeling der draagkracht bestaat niet. Waarom dan alleen met de talrijkheid van het gezin rekening te houden ? Met evenveel recht kan men dan ook eischen, dat onderscheiden worde tusschen inkomen uit kapitaal en inkomen uit arbeid.

In de bestaande verordening moest de getalsterkte van het gezin wel in aanmerking genomen worden.

ocr page 41

39

omdat daar liet vermoedelijk inkomen naar de vertering berekend wordt, waarbij de woning een veel beteekenende factor is. Uit liet hebben van eene ruime woning kan men, indien daarin een talrijk gezin moet worden gehuisvest, niet het gevolg trekken, dat de bewoner ook een ruim inkomen heeft, evenmin als men uit de omstandigheid, dat iemand, die geen gezin heeft, een klein huis bewoont, kan afleiden dat hij weinig bemiddeld is. In de bestaande verordening doet de bijberekening of de aftrek, in verband met de getalsterkte van het gezin, dus enkel dienst als correctief tegen de eenzijdige werking der andere grondslagen. Waarnaar het inkomen berekend wordt. In het ontwerp, dat het inkomen niet berekent naar de vertering, maar direct wil geschat zien, is zulk een correctief niet noodig. Hot werkelijke inkomen is daar object van belasting, onverschillig welk gebruik men er van maakt.

De kosten van onderhoud en opvoeding van kinderen kunnen ook niet vergeleken worden met die, waarvan in artikel 5 de aftrek is voorgeschreven. Daar toch worden enkel zulke uitgaven vermeld, welke, hetzij het inkomen, uit enkele bronnen verkregen, betzij het totaal inkomen , kleiner maken , en welke dus oorzaak zijn, dat men inderdaad minder verteren of opleggen kan. Daaronder zijn geene uitgaven opgenoemd, welke een deel van de vertering uitmaken, met uitzondering wellicht van die onder nquot;. 5 vermeld, waarover bij artikel 5 gehandeld zal worden. De kosten van onderhoud en opvoeding van kinderen maken

ocr page 42

40

een deel uit der verteriug, en daarom kan daarvoor hier geen aftrek worden toegelaten. Het element van vertering moet ia deze verordening geheel buitengesloten worden. Daarby komt nog, dat die kosten moeilijk te schatten of te contróleeren zijn, en men dus genoodzaakt zoude wezen geheel op de opgaven der belastingschuldigen af te gaan, waartegen groot bezwaar bestaat.

Ook werd opgemerkt, dat bij de regeling der schoolgelden in deze gemeente reeds te gemoet gekomen wordt aan hen, dio een groot gezin hebben. De aan dezen verleende reductie komt natuurlijk ten laste der overigen.

Een lid zag zich zeer teleurgesteld, omdat niet in het ontwerp was opgenomen de bepaling, dat van kleine inkomens een evenredig geringer bedrag zoude gevorderd worden dan van grootere. De groote meerderheid was echter tegen elke progressie gekant. Daarbij werd opgemerkt, dat de gemeentewet niet vordert eene belasting naar de draagkracht, maar naar het inkomen , en ook, dat de aftrek van ƒ 500 —, bij artikel 8 der verordening voorgesteld, den minder gegoeden het meest ten bate komt.

Art. 2.

Door verschillende leden werd gevraagd, waarom het maximumbedrag der heffing in de verordening was opgenomen. Daarop werd geantwoord, dat de Hooge Regeering de verordening niet zoude goed-

ocr page 43

41

keuren, als geen bedrag daarin werd vermeld. Nu zoude het wel mogelijk zijn een vast cijfer te noemen, maar dan zoude bij elke verandering van dat cijfer telkens weder de Koninklijke goedkeuring daarop worden vereischt. Daarom verdient liet de voorkeur een maximumbedrag te bepalen, dat niet overschreden mag worden.

Een lid dacht, dat dit bedrag hier genoemd was om aan te toonen, dat Burgemeester en Wethouders deze belasting niet hoog wenschen op te voeren. De bepaling vond ook instemming bij hen, die daarin een waarborg meenden te vinden voor een zuinig beheer der gemeentefinanciën en tegen spoedige verhooging van belasting. Verandering van het hier vast te stellen maximum zal toch niet plaats kunnen hebben zonder nieuwe Koninklijke goedkeuring.

Een lid had liever gezien, dat, in plaats van de percentage der heffing, de geheele opbrengst der belasting hier genoemd ware, bijv. f 188,000.—.

Art. 3.

Over de wenschelijkheid der vrijstelling van hen, wier jaarlijksch inkomen f 600. — of minder bedraagt, bestond verschil van gevoelen. Enkelen kwamen tegen elke vrijstelling op, en meenden, dat bij eene inkomstenbelasting het beginsel op den voorgrond moest staan, dat ieder ingezeten daarin bijdraagt. Het cijfer van f 600.— achtten zij even ongemotiveerd als dat van f 500.— op andere plaatsen.

ocr page 44

42

Daartegen werd opgemerkt, dat hot 0111 praktische redenen alléén reeds wenschelijk is, van zeer kleine inkomens geen belasting te heffen; de moeite en do omslag, aan de invordering van zulke kleine bedragen verbonden , weegt niet tegen de te verwachten bate op. Maar sommigen vonden het cijfer van ƒ600.— toch te hoog in vergelijking met het bedrag, dat elders wordt vrijgesteld. Ook in verband met den aftrek , in artikel 8 voor alle vermogens bepaald op ƒ500.—, meenden deze leden, dat de belastbaarheid behoort aan te vangen bij een inkomen van ƒ500.—. Vermogens vallende in de lste klasse, (welke alsdan de inkomens van ƒ 500.— tot ƒ600.—- inkomen zoude moeten bevatten), worden dan belast naar het middencijfer, d. i. ƒ 550.— ; hiervan wordt afgetrokken /'500.— , zoodat belasting wordt betaald over ƒ 50.—-, waarvan 2% is ƒ 1-—. Dit schijnt een rationeel begin, en is ook in overeenstemming met den tegenwoordigen toestand. Yolgens de noot op bijlage A der nota is de minste aanslag in de personeele belasting, voor zooveel betreft de hoofdsom en 20 Rijksopcenten, ƒ2.40. Dat cijfer, volgens de tabel van artikel 3 vermenigvuldigd met 20, geeft een belastbaar inkomen van f 48.— , waarvan 2710 % is f l-05:'. Yolgens het ontwerp zal het minimum der belasting a 2% ƒ 3.— bedragen ; men zal dus öf niets of ƒ 3.— betalen ; die sprong schijnt te groot.

Anderen achtten de vrijstelling van inkomens beneden ƒ 600.— gewettigd. Ten einde, aan te toonen, hoe moeilijk het is hier de juiste grens te vinden, werd

ocr page 45

43

opgemerkt, dat or in doze gemeente sommige personen zijn, wier inkomen f 500.—f 600.— , f 700.— bedraagt, die, wanneer zij schutterplichtig worden, ten stadhuize aanzoek doen om eene uniform te bekomen van gemeentewege, zeggende, dat zij onvermogend zijn om zich er eene aan te schaffen, terwijl anderen, wier inkomen niet grooter is, vrij goed wonen en zich de weelde kunnen veroorloven lid eener societeit te zijn.

Een lid achtte het wcnschelijk te doen uitkomen, dat minderjarigen en onder curateelc gestelde personen , die hun vast en voortdurend verblijf in deze gemeente hebben, hier in do plaatselijke belasting moeten worden aanffoslagen. al woont hun' voog-d of curator

o o / ci o

ook elders. Hierop werd geantwoord , dat dit punt door de gemeentewet is geregeld, en dat, al mocht men meenen, dat die regeling aan duidelijkheid te wenschen overlaat, de gemeentewetgever die niet mag aanvullen.

Art. 4.

In plaats van de woorden: „onder bet inkomen „is bij hoofden van echtvereenigingen begrepenquot; zouden sommige leden liever lezen; „ouder het in-„komen wordt bij hoofden van echtvereenigingen mede berekend.quot;

Art. 5.

De vraag werd gedaan , of de hier gegeven omschrijving van het inkomen wel juist is. Men staat

ocr page 46

44

liior voor eon (ier praktische moeilijkliedeu , welke aan elke inkomstenbelasting verbonden zijn. Wat toch is inkomen ? Daarover loopen do gevoelens uitéén. Naar veler meening kan niet alles, wat uit do hier sub a, lgt;, c en lt;1 genoemde bronnon genoten wordt, als inkomen worden aangemerkt. Het volgende kwam hierbij ter sprake.

Ad a. Moet waardovormeorderino' of - vermindering'

o O

van het kapitaal niet bij de berekening van het inkomen in aanmerking komen'? Zelfs niet in geval men do waarde realiseert ? Deze vraag betreft zoowol roerend als onroerend goed. Zoo neen, dan geldt voor den rentenier niet hetzelfde als voor den koopman. Men veronderstelt toch dat de laatste, zijne winst- en verliesrekening opmakende, zijne roerende en onroerende goederen op hunne waarde zal stellen, de gelodene verliezen in compensatie zal brengen met de behaalde winsten , en belasting zal betalen van het saldo, dat dan als zijn inkomen te beschouwen zal zijn. Waarom zal hetzelfde niet gelden van oen elfectenhoudor ? Drij ven vele fondsenhouders niet feitelijk handel in effecten ? Zetten zij zo niet voortdurend om ? Zijn er zelfs niet, wier bezit voor een groot gedeelte bestaat in „noodlijdendequot; fondsen , welker omzetting hun voordooien verschaft, welke de plaats van renten vervullen ?

Hoe zal in hot algemeen de offoctenhouder bij aankoop of verkoop van fondsen te handelen hebben met betrokking tot de bij die stukken behoorondo loopendo coupons? Zal de tor beurze gebruikelijke rente ver-

ocr page 47

rekening bij aankoop niet in meerdering, bij verkoop niet in mindering van zijne inkomsten moeten komen ? Zal men daarvan afzonderlijk boek moeten bonden ? En boe dan te bandelen, wanneer geene bij berekening van rente plaats beeft, maar, zooals bij aandeelen in maatscbappijen veelal voorkomt, de waarde van bet eerstvolgende dividend in die van bet stuk is begrepen? Men koopt bijv. in Maart een aandeel in de Nederlandscbe Bank. In den koopprijs is de waarde van bet in Mei d. a. v. nit te keeren dividend begrepen. Dat dividend ontvangt men nn in Mei. Is dat dividend, dat men in Maart beeft gekoebt en betaald , inkomen of niet ?

Een andere vraag. Mag een bypotbeekbouder bet kapitaalverlies in rekening brengen, dat bij in geval van executie op eene hypothecaire vordering lijdt ? Zoo neen, bestaat er dan geene ongelijkheid tusscbèn hem en den aandeelhouder in eene vereeniging, welke ten doel beeft bet verstrekken van kapitaal tegen onderpand , wanneer deze een dergelijk verlies lijdt? In het laatste geval wordt immers dat verlies afgeschreven en komt het in mindering van de gemaakte rente of van de behaalde winst. Het aandeel in de winst wordt daardoor voor iederen deelgenoot kleiner; bet inkomen van iederen aandeelhouder vermindert dus, en hij betaalt dus ook minder belasting. Maakt het nu principieel eenig verschil of men als aandeelhouder voor Vioo in zoodanig verlies deelt, of dat men, eene integrale, onverdeelde vordering hebbende, waarop verlies geleden wordt, 100 0/o in dat verlies

ocr page 48

46

draagt ? Mag men in liet laatste geval dat verlies niet in rekening brengen, en moet men dan dezelfde belasting betalen alsof men yeon verlies ereleden had ?

O O O

Is bet billijk, dat hij, die bet verlies met anderen deelt, wel, maar hij , die het alléén dragen moet, niet op vermindering van belasting aanspraak heeft?

Is voorts onder „hetgeen in geld genoten wordt „uit roerende of onroerende goederenquot; niet in vele gevallen zoowel rente als restitutie van kapitaal begrepen ?

Wat onroerende goederen betreft, werd hier gewezen op bosschen, verveeningen, mijnontginningen , steenbakkerijen. Stel, men koopt een bosch voor f 10,000.—, vijl jaren later verkoopt men daaruit hoornen voor f 5000.—. Is dat bedrag nu te beschouwen als inkomen, of als kapitaal, of is het beide, en boe moet het in het laatste geval tussohen die beiden worden verdeeld ? Of wel, men koopt eene mijn , en exploiteert die gedurende 20 jaren, waarna zij uitgeput is en er niets meer uit te halen valt. Is hetgeen nu in elk van die 20 jaren daaruit genoten is, kapitaal of inkomen, of beide ? Dezelfde vraag kan men doen met betrekking tot veenderijen en steenovens.

Ook bij roerende goederen komt dezelfde zwarigheid voor, met name bij allerlei aandeelen in maatschappijen , vooral in de zulke, welke gedurende eenige jaren een monopolie of privilege genieten, en waarbij dus gedurende den tijd van haar bestaan zoowel renten als aflossing van kapitaal uit de baten moeten

ocr page 49

47

worden gevonden. Men denke bijv. aan spoorwegmaatschappijen , aan de Nederlandsche Bank, de Nederlandsche Handelmaatschappij, aan gasfabrieken, aan maatschappijen voor oestercultuur of zalmvisscherij, aan maatschappijen , welke voor een bepaald aantal jaren in erfpacht uitgegevene gronden exploiteeren. Gaat liet aan , al hetgeen bij maatschappijen als de genoemde genoten wordt, eenvoudig als inkomen te beschouwen ?

Nagenoeg dezelfde vraag doet zich ook nog voor bij obligatiën (gelijk dit nu bijv. geldt van verschillende Amerikaansche spoorwegobligatiën), welke nu ver boven pari, bijv. op 110 0I0 a 140 0/o, genoteerd staan en toch over eenige jaren a pari afgelost worden. Kan men nu in billijkheid de hooge rente, welke genoten wordt, geheel als inkomen beschouwen, daar die hooge rente ook de waardevermindering moet compenseeren , welke de obligatie telken jare tot aan de aflossing ondergaat ?

Hieraan knoopt zich de vraag vast, hoe men omgekeerd te handelen heeft met lasten, welke op het vermogen drukken. Men betaalt bijv. jaarlijks eene annuïteit, welke zoowel rente als aflossing bevat. Nu leest men in dit artikel onder nquot;. 1 , dat men ter bepaling van het inkomen zal mogen aftrekken „de renten van verschuldigde kapitalenquot;, maar niet de aflossing. Laat men dus — en terecht — uit dien hoofde geen aftrek toe van de periodieke aflossing van kapitaal, welke in eene annuïteit begrepen is , dan gaat het omgekeerd ook niet aan, de periodieke

ocr page 50

48

restitutie van kapitaal, welke in vele dividenden , uit-keeringen en coupons verscholen ligt, als inkomen te belasten.

Eindelijk werd gevraagd, of, wanneer aftrek wordt toegelaten wegens „verzekering van onroerende goederenhet niet billijk is dit evenzeer te doen wegens de assurantiepremie , welke in de hooge rente van minder soliede fondsen gelegen is ? Kan en mag men die hooge rente uitsluitend als inkomen beschouwen ?

Ad h en c. Een lid vroeg , welk onderscheid er bestaat tusschen „ambtquot; en „beroepquot; ? Een ander opperde de vraag , of het in de bedoeling ligt ook zedelijke lichamen aan te slaan ?

Ad d. Onderscheidene leden vroegen, of de prijs , welke men uit eene loterij trekt, niet onder deze bepaling valt. In de memorie van toelichting op artikel G wordt gezegd , dat baten uit loterijen niet als inkomen moeten worden beschouwd. Men deed de vraag, of dit ook geldt bij zulke premieleeningen , waar de kans op eene premie geheel of gedeeltelijk in de plaats treedt van rentegenot. De opmerking werd gemaakt, dat, indien men dit alles uitsluiten wil, dit in artikel 6 met name dient te worden vermeld, en aan dat artikel te dien einde nog een lid behoort te worden toegevoegd. Anderen vonden dit minder noodig.

Hetzelfde werd opgemerkt ten aanzien van legaten en schenkingen. Sommigen waren van meening, dat dergelijke baten, wanneer zij van gering bedrag

ocr page 51

49

zijn , bijv. een legaat aan een executeur testamentair gemaakt, door de bevoordeelden zeiven niet als kapitaal beschouwd maar verteerd worden, en dat het daarom ook gerechtvaardigd zou zijn, ze als deel van het inkomen aan de belasting te onderwerpen.

Ook met betrekking tot hetgeen volgens artikel 5 van het inkomen mag worden afgetrokken, deden zich verschillende vragen voor. Deze betroffen alleen de punten, onder nummers 2, 4, 5, 7 en 8 vermeld.

2. quot;Waarom wordt hier alléén aftrek toegestaan wegens verzekering van onroerende goederen ? quot;Waarom niet evenzeer wegens verzekering van roerende goederen, speciaal de zulke, welke tot het bedrijf behooren ?

4. Hoe te handelen ten aanzien van uitkeeringen, welke krachtens eene zedelyke verplichting — bijv. ter opvolging van den wensch van een erflater — gedaan worden ? Moet men de nakoming van zulk eene verplichting belemmeren ?

Ook werd gevraagd, of hier niet achter de Avoorden „krachtens de wet of testamentquot; diende ingelast te worden „of krachtens overeenkomstquot;. Anderen meenden, dat dergelyke overeenkomsten in bijna alle gevallen gelijk te stellen zijn met levensverzekeringen.

5. Is het hier gehuldigde beginsel, om in sommige gevallen wèl, in andere geen aftrek toe te staan, wel te rechtvaardigen ? Indien het de bedoeling is om niet tweemaal belasting te heffen van hetzelfde inkomen, dan kan men een van beiden doen: öf het volle inkomen treffen bij hem , die de uitkeering doet,

4

ocr page 52

50

en dezen dus in het geheel geen aftrek toestaan, maar dan ook den verkrijger vrijstellen, öf men kan den verkrijger belasten wegens hetgeen hem door zijn bloedverwant in de rechte lijn wordt uitgekeerd , maar dan moet men ook steeds aan hem , die de uitkeering doet, toestaan die uitkeering van zijn inkomen af te trekken. Het in het ontwerp neder-gelegde stelsel is halfslachtig en de reden van de gemaakte onderscheiding uitermate fiscaal. Voor den belastingplichtige staat het volkomen gelijk, of hij de uitkeering doet aan iemand, die in of die buiten de gemeente woont. Dat in het laatste geval de belasting ter zake van die uitkeering aan de gemeentekas ontgaat, is een klein nadeel, dat opgewogen wordt door hetgeen de gemeente aan belasting ontvangt van de uitkeeringen , welke aan hier woonachtige personen door hunne elders gevestigde bloedverwanten in de rechte lijn worden gedaan.

Het eenvoudigste ware, den geheelen aftrek wegens uitkeeringen te doen vervallen , maar dan ook den verkrijger steeds van belasting wegens het uitgekeerde vrij te stellen.

Dit is ook verkieselijk om de reden , dat met grond kan betwijfeld worden, of zulke uitkeeringen wel altijd als inkomen van den verkrijger mogen worden beschouwd. Die uitkeeringen toch zijn krachtens de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek aan inbreng onderworpen. Zij komen in mindering van het kapitaal, dat de verkrijger later , by overlijden van zijn bloedverwant in de rechte lijn , ontvangt. Belast

ocr page 53

51

men de uitkeering, dan belast men het toekomstige kapitaal van den verkrijger.

Zooals de aftrek in de ontwerpverordening geregeld is , komt men tot zonderlinge resultaten. Iemand heeft bijv. een zoon, die hier ter stede op kamers woont. Zoolang die zoon minderjarig is, mag de vader niets aftrekken wegens uitkeering aan zijn zoon. Hij trekt dus alléén van zijn inkomen ƒ 500.— af volgens artikel 8. Nu wordt de zoon meerderjarig ; de vader trekt de uitkeering voortaan af, en de zoon wordt wegens hetgeen hem wordt uitgekeerd, zelf aangeslagen. Maar nu trekt ieder voor zich volgens artikel 8 /'500.— van zijn inkomen af. dus te zamen f 1000.—, terwijl hun gezamenlijk inkomen geene verandering heeft ondergaan.

Waarop steunt eigenlijk de onderscheiding tusschen inwonende en niet-inwonende bloedverwanten in de rechte lijn ? Bij eene belasting naar het inkomen is het onverschillig, waar men woont.

Eindelijk kan deze aftrek zoowel tot ongemotiveerde bevoordeeling als tot benadeeling der belanghebbenden leiden. De aftrek van ƒ 1000.—bijv. kan tot o'evob- hebben, dat de schenker in eene lagere klasse

O O 7 O

komt en aangeslagen wordt naar een inkomen, dat niet één duizend gulden maar eenige duizenden minder bedraagt dan dat, waarnaar hij vroeger werd belast, hetgeen niet wordt opgewogen door den verkrijger afzonderlijk wegens die f 1000.—, volgens artikel 8 met ƒ500.— verminderd, en alzoo wegens een inkomen van slechts f 500.— in de belasting te betrekken.

ocr page 54

52

Omgekeerd kan dit stelsel ten gevolge hebben , dat de schenker, niettegenstaande den afti-ek, toch in dezelfde klasse blijft staan, dus zelf evenveel belasting blijft betalen, terwijl deverkryger ook nog aangeslagen wordt.

Het eenvoudigste, zuivei-ste en billijkste stelsel schijnt dus dit te zijn; geen aftrek hoegenaamd wegens de hier bedoelde uitkeeringen toe te staan, noch voor meerderjarigen, noch voor minderjarigen, noch voor inwonenden, noch voor uitwonenden, noch voor hier wonenden, noch voor elders wonenden. Daarentegen behoort de verkrijger in geen geval te worden belast wegens hetgeen hem wordt uitgekeerd.

Dit levert ook het voordeel op, dat men zich onthoudt van het treden in particuliere en familie-aangelegenheden.

Voor eene Academiestad is het ook wenschelijk, het verblijf zoowel van meerderjarige als van minderjarige studenten in de gemeente niet door belastingheffing te bemoeilijken.

Overigens is de belasting wegens periodieke uitkeeringen toch gemakkelijk te ontduiken, immers indien het kenteeken in het periodieke der uit-keering ligt. Men heeft daartoe de periodieke uit-keering slechts te vervangen door eene uitkeering in den vorm van een nieuwjaars- of van een verjaringsgeschenk , van een St. Nicolaassurprise, van eene gift bij de geboorte van een kind, en dan zal de verkrijger toch vrij van belasting zijn.

Door een lid werd, in strijd met het hier ontwikkelde gevoelen, betoogd, dat eigenlijk zoowel de

ocr page 55

53

schenker als de begiftigde door de belasting getroffen moet worden. Den aftrek beschouwde dat lid als eene gunst, welke men verleenen kan, wanneer beiden hier wonen, doch welke men geenszins behoeft uit te breiden tot het geval, dat één van beiden elders gevestigd is.

7. Hier behoort ook de vergoeding voor reiskosten te worden vermeld.

8. Men vroeg, of hier niet ook melding moest worden gemaakt van korting op het pensioen zelf? En of hier ook bedoeld was aftrek toe te staan wegens korting op de bezoldiging ten behoeve van het pensioen der weduwe? Dit scheen niet duidelijk in de woorden van het artikel te zijn uitgedrukt.

Ook werd gevraagd, of niet hetzelfde moest gelden van betaalde premiën voor levensverzekering als van bijdragen voor pensioen ? Hierop werd geantwoord, dat beide zaken niet op eene lijn kunnen worden gesteld, daar levensverzekering eene geheel vrijwillige zaak is, terwijl men tot het bijdragen voor pensioen wordt gedwongen.

Sommige leden wenschten ook een aftrek te zien toegestaan wegens de talrijkheid van het gezin. Dit punt is hier boven by artikel 1 behandeld. Deze leden werden er, bij de behandeling van dit artikel, op gewezen, dat eene uit dien hoofde toe te kennen vermindering van aanslag in quot;geen geval hier op hare plaats zou zijn, daar het inkomen door die omstandigheid niet verminderd wordt, en er dus alleen sprake van zoude kunnen zijn, op den naar het in-

ocr page 56

54

komen berekeudeu aanslag eene korting toe te staan. Daarvoor zou dan een afzonderlijk artikel noodig zijn, in den trant van liet derde lid van artikel 7 der bestaande verordening. Zeer velen evenwel achtten — gelijk hierboven gezegd is, — eene dergelijke bepaling in strijd met den aard van eene inkomstenbelasting.

üaar men vreesde, dat de toepassing van dit artikel , zoowel wat de berekening van hetgeen onder inkomen moet worden verstaan als wat den aftrek betreft, op groote moeilijkheden zou stuiten, werd gevraagd, of het niet verkieselijk zoude zijn om, ten einde tallooze excepties en subjectieve opvattingen te voorkomen, eenvoudig, zonder in allerlei bijzonderheden te treden, een normale rente aan te nemen, waarnaar men het inkomen uit roerende en onroe rende goederen volgens de geschatte kapitaalwaarde berekent? Men zoude bijv. het inkomen uit soliede effecten op 3^ 0/o gt; ^ vas'; §quot;oed op 3 0/0 kunnen stellen. Eene regeling in dien geest werd indertijd voorgesteld door de Heeren van Delden, Grleichman e. a. by hun ontwerp tot buitengewone versterking van 's Rijks middelen. Eene dergelyke berekening wordt ook aangetroffen in de onlangs aangenomene provinciale inkomstenbelasting in Groningen. Het eenigc bezwaar ligt in de moeilijkheid om de waarde van ieders bezittingen te bepalen; maar die moeilijkheid is zeker niet grooter dan die , welke gelegen is in de bepaling van het bedrag van iemands inkomsten. Integendeel zal het — afgezien nog van de inlichtingen die men

ocr page 57

55

zou wol ia het eeue als ia het audere geval, van de belastingschuldigen kan bekomen — in den regel gemakkelijker zijn de waarde en bloc te weten te komen bijv. van hetgeen iemand geërfd heeft, dan de wijze, waarop iemand op een bepaald oogenblik zijn vermogen heeft belegd. En toch dient men dit te weten om zijn inkomen te kennen. Daartoe immers is het noodig de fondsen te kennen, welke hij in het vorige jaar heeft gehad, te weten of hij werkelijk de huren zijner landerijen in het vorige jaar heeft geïnd (hetgeen in den tegenwoor-digen tijd allerminst vaststaat) en dergelijke zaken meer. Dit alles vermijdt men door eene normale rente aan te nemen, welke ieder geacht wordt van zijn vermogen te hebben genoten.

Zulk eene globale berekening schijnt ook beter te passen in eene klassenbelasting , zooals de voorgestelde belasting is, waarby kleine verschillen worden verwaarloosd. Het schijnt moeilijk met elkander overeen te brengen, dat men eenerzijds eene zoo groote speling laat als in de classificatie van artikel 8 gelegen is, en aan den anderen kant tot zoovele bijzonderheden afdaalt, als voor de berekening van het inkomen en den aftrek volgens de artikelen 5 en 7 noodzakelijkerwijze gevorderd wordt. Men zal nu eerst allerlei minutieuse berekeningen moeten maken, om wellicht ten slotte tot de ontdekking te komen, dat zij op de classificatie van hoegenaamd geen invloed zijn.

Enkele leden waren van oordeel, dat de rangschikking van de artikelen dezer verordening behoorde ver-

ocr page 58

56

anderd te worden, en dat het daarbij aangenomen stelsel vorderde, de artikelen 5, 6 en 7 te doen voorafgaan door de artikelen 8 en 9. Hierover zal by artikel 9 uitvoeriger gehandeld worden.

Art. 6.

Ad a. Men veronderstelde, dat het de bedoeling niet is om „genot van vruchtenquot; vrij te stellen. Is die veronderstelling juist, dan moet hier in plaats van „wordtquot; gelezen worden „worden.quot;

Ad h. Men vroeg, of de waarde van eigen gebruik van oügebouwde eigendommen, die geene vruchten afwerpen, ook niet in aanmerking genomen moest worden ?

Vele leden achtten 15 0/o van de bruto opbrengst te weinig voor het noodzakelijk onderhoud van gebouwde eigendommen.

Men betwijfelde, of de bruto opbrengst wel een juisten maatstaf voor het onderhoud oplevert. De huurwaarde hangt toch niet alleen van de grootte van een pand, maar ook evenzeer van de ligging af. Een huis van f 1000.— huurwaarde is te Amsterdam een klein huis; een huis van die huurwaarde te Utrecht is grooter ; ten platten lande kan het een zeer groot huis zijn. Nu is 15 0/o daarvan, of/quot; 150.—, wellicht ruim genoeg voor onderhoud van het kleine huis te Amsterdam, misschien reeds niet genoeg voor het huis te Utrecht, maar zeker veel te weinig voor het groote huis ten platten lande.

Yoor boerenhofsteden is de maatstaf van 15 0/o vol-

ocr page 59

57

komen onbruikbaar. Wat is bij deze onder de bruto opbrengst te verstaan? De huur van gebouwen en landerijen te zamen ? Maar dan zal de eigenaar het bedrag van hetgeen hij voor onderhoud mag aftrekken willekeurig kunneu vermeerderen door eenige bunders meer bij zyne hofstede te voegen. En wordt het noodig om de landerijen, tot eene hofstede behoorende, te splitsen (zooals ingeval van scheiding lichtelijk gebeuren kan), dan zal de aftrek voor onderhoud geringer zijn , ofschoon er geene verandering is gekomen in de gebouwen, welke onderhouden moeten worden.

Bedoelt men integendeel de bruto opbrengst van eene hofstede tusschen de gebouwde en ongebouwde eigendommen te verdeelen, dan werd gevraagd, naar welke regelen men zich voorstelt die splitsing tot stand te brengen. Velen leden veronderstelden, dat de bedoeling zoude zyn onder bruto opbrengst te verstaan de schatting der huurwaarde voor de grondbelasting der gebouwde eigendommen. Maar als die veronderstelling juist is, dan is, naar veler oordeel, 15 % der huurwaarde veel te weinig voor het onderhoud. Boerenwoningen toch zijn geschat op eene huurwaarde van f\00.— tot f 500.— 'sjaars; en met f 15.— voor onderhoud van de kleinste en f 75.— voor onderhoud van de allergrootste komt men zeker op verre na niet toe. Andere leden meenden , dat de veronderstelling, waarvan hier werd uitgegaan , in stryd is met de woorden van het artikel, welke „de werkelijke huurwaardequot; tot maatstaf stellen. De werkelijke huur-

ocr page 60

58

waarde nu der gebouwen , afgescheiden van de daarbij behoorende landerijen, is zeer gering, en wordt in vele gevallen voor volstrekt niets gerekend. Men hnnrt en verhuurt eene hofstede van een zeker getal bunders voor een bepaalden prijs per bunder, zonderde gebouwen in aanmerking te nemen.

Men meende daarom, dat men — tenzij het inkomen uit onroerend goed zonder eenigen aftrek werd gesteld op 3 % van de kapitaals waarde, zooals hierboven bij artikel 5 is aangegeven — den belanghebbende moet vrijlaten om zelf de werkelijke kosten van onderhoud zijner gebouwde eigendommen op te geven, evenals hem dit schijnt te zijn vrijgelaten ten aanzien van zijne ongebouwde eigendommen. Voor deze laatste kosten toch, welke hij volgens artikel 5, nquot;. 2 , mag in rekening brengen, is nergens een maatstaf bepaald.

Art. 7.

Ad c. Men meende, dat hier, evenals dit bij letter a van hetzelfde artikel is bepaald, de bijzondere omstandigheden in aanmerking moeten komen, welke op 1 Januari bekend zijn en tot vermeerdering ot vermindering van de hier bedoelde inkomsten aanleiding geven.

Art. 8.

Een lid wenschte aan de laagste negen klassen gedeeltelijke ontheffing te verleenen van belasting door hen , die daaronder vallen , slechts voor Vs of SU van

ocr page 61

59

het volgens deze tabel te berekenen bedrag aan te slaan, en wees er op , dat dit ook op andere plaatsen geschiedt. De meerderheid verwierp dat denkbeeld. Al bestonden er verordeningen, waarin iets dergelijks is bepaald, meende zij, dat Utrecht dat voorbeeld niet moest volgen. Zulk eene progressieve belasting toch schept een privilege voor de laagste klassen, hetwelk in zake van belasting niet moet worden toegelaten.

Sommigén wilden den aftrek van f 500.— alléén in de laagste klassen toestaan, niet in de hoogere. Hiertegen werd hetzelfde bezwaar geopperd, dat men aan die klassen dan een privilege zoude schenken. Bovendien zoude de vaststelling van de grens , waarbij dit moest ophouden, altijd volkomen willekeurig zijn. Anderen wilden den aftrek van f 500.— voor alle klassen doen vervallen. Zij , die dit verlangden, wenschten den aanslag in alle klassen te doen plaats hebben, niet naar het middencijfer, maar naar het laagste cijfer van elke klasse. Vele leden hadden tegen het aannemen van het middencijfer dit bezwaar . dat men er dan zelf openlijk voor uit komt, dat menigeen zal worden aangeslagen wegens een hooger inkomen , dan hij heeft of gerekend wordt te hebben. In de memorie van toelichting op dit artikel wordt opgegeven , dat wie f 600.—, ƒ2400.--, ƒ11,200.— of ƒ 52,000.— inkomen heeft, volgens de ontwerpverordening zal worden aangeslagen naar een inkomen van ƒ 650.— ƒ2600 —, ƒ 12000.—, of ƒ 56,500.— en dat dus in al die gevallen ruim 8 0 0 te voel

ocr page 62

60

betaald zal worden. Dit achtte men onbillijk. Wel wordt er in de memorie van toelichting bij gevoegd , „dat het voor de belasting betalenden volkomen onverschillig is, of men hen naar de minima, naar de middencijfers of naar de maxima aanslaat,quot; maar, als dit waar is, vervalt, naar het oordeel van die leden, elk motief om het middencijfer te nemen, en verdient een aanslag naar het laagste cijfer de voorkeur. Anderen meenden evenwel met den steller der memorie van toelichting, dat het geheel onverschillig was, welk cyfer men tot grondslag nam.

Sommige voorstanders van de voorgestelde belasting achtten het aantal klassen, in dit artikel voorgedragen , veel te groot en de sprongen te klein, vooral in de laagste klassen. Naar hunne meening is het voor hem, die den aanslag doet, volslagen onmogelijk om het inkomen der belastingschuldigen tot op weinige honderden guldens te schatten. Het kan niet uitblijven , dat men daarbij voortdurend mistast en telkens personen, die hetzelfde inkomen hebben , onder verschillende klassen rangschikt. Dit moet aanleiding geven tot groote ontevredenheid. Bovendien worden de belastingschuldigen door eene zoo enge begrenzing der klassen weerhouden zelf opgave te doen van de klasse, waarin zij meenen te moeten worden gerangschikt. Menigeen , die, by eene ruimere speling, allicht tot die opgave zoude kunnen besluiten, zal er tegen opzien zyn inkomen zoo nauwkeurig bekend te maken. Er waren er daarom, die 17 of 24, anderen, die 40 klassen in de plaats der voorge-

ocr page 63

61

stelde 43 klassen gesteld wilden zien. Deze verschillende classifioatiën zijn als bijlagen A, B en C achter dit verslag opgenomen

Tan andere zijde gaf men toe, dat bij inkrimping van het getal klassen aan enkele bezwaren wellicht zonde worden tegemoet gekomen, maar andere bezwaren van niet minder gewicht zouden dan op den voorgrond treden. Tot opheldering van dit gevoelen nam men een indeeling der belastingschuldigen in een zeer gering aantal, bijv. vijf klassen, als voorbeeld aan. Met behoud van de beginselen der ontwerpverordening kon dan de indeeling zyn als volgt:

l5,e klasse van ƒ 500.— tot beneden/' 2,000.— 2ac „ „ „ 2,000,- „ „ „ 8,000.-3ae „ „ „ 8,000.- „ „ „ 32,000.-4a« „ „ „ 32,000.- „ „ „ 128,000.-5de „ „ 128,000.- „ „ „ 512,000.-Het zoude waarschynlijk geene moeite kosten de groote meerderheid der ingezetenen in een dezer zoo ruim gestelde klassen te rangschikken. Ieders vermogen zou dan zeker niet bekend worden. Maar daartegenover staat, dat het doel der nieuwe belasting grootendeels zouden worden gemist. En in welke onbillijkheden zoude men niet vervallen ! In de eerste klasse zoude men aangeslagen worden naar een inkomen van /'750.—, in de tweede van /quot;4500.— en in de derde van /'19500.—, enz. Wie ƒ 500.— inkomen heeft, zou derhalve worden aangeslagen naar een meer dan anderhalf maal zoo hoog bedrag; wie iets meer ontvangt dan /quot;2000.—, zou belasting beta-

ocr page 64

62

len naar een inkomen van /quot;4500.—, en wie ruim ƒ 32000.— inkomen heeft, zon worden aangeslngen naar oen bedrag van ƒ 79,500.—, enz. De verregaande onrechtvaardigheid is duidelijk.

Anderen noemden dit voorbeeld overdreven en achtten de bezwaren van een geringer aantal klassen niet onoverkomelijk. De groote onrechtvaardigheid, waarop gewezen werd, zoude al aanstonds wegvallen wanneer de aanslag, zooals velen wenschten. niet naar het middencijfer, maar naar het minimum van elke klasse geschiedde. En aan zulke buitensporig hooge sprongen , als men tot voorbeeld had genomen, werd zeker door niemand gedacht.

Men ontveinsde zich echter niet, dat, wanneer de taak van Burgemeester en Wethouders over het algemeen gemakkelijker wordt gemaakt, wanneer er minder klassen zyn, en er dus in elke klasse eene grootere speelruimte wordtgelaten, die taak veel moeielyker wordt ten aanzien van hen, wier inkomen ongeveer op de grens tus-schen twee klassen ligt Voor dezen wordt de classificatie van buitengewoon groot gewicht. Heeft men zoo vele klassen als nu in artikel 8 worden voorgesteld, dan maakt het althans niot zulk een groot verschil in het op te brengen bedrag, of men één klasse hooger of lager geplaatst wordt. Maar wanneer men slechts weinige klassen met groote sprongen heeft, dan wordt de classificatie voor den belastingschuldige eene zaak van zeer groote financieele gevolgen. Men heeft dus deze keus : hoe meer klassen, hoe billijker verdeeling van lasten, indien de classificatie met

ocr page 65

03

juistheid plants heeft; maar hoe omvangrijker en moeilijker ook de taak, aan Burgemeester en Wethouders en aan den Raad opgelegd; hoe minder klassen daarentegen , hoe onbillijker verdeeling van lasten , en hoe gemakkelijker de taak van Burgemeester en Wethouders en van den Raad in het algemeen, maar hoe bezwaarlijker toch in menige gevallen.

Door deze bezwaren lieten velen zich echter niet weerhouden , eene vermindering van het aantal klassen te wensehen. Men had daarbij slechts te zorgen, dat dit aantal niet te gering werd. De groote nadee-len, welke eene eventueele plaatsing in eene te hooge klasse voor den belastingschuldige zoude kunnen hebben, konden , naar hunne meening , door gebruikmaking van het recht van reclame door hem worden afgewend.

Door anderen werd er op gewezen , dat men het aantal klassen niet willekeurig kan bepalen. Voor de opklimming der klassen moet, wil men billijk zijn, een bepaalde regel worden aangenomen. Thans zijn de cijfers zóó berekend, dat het minimum van elke klasse middenevenredig is tusschen dat der voorgaande en dat der volgende klasse. Zulk eene verhouding dient er te blijven bestaan. Van de grenzen, welke men voor de laagste klasse bepaalt, hangt dus alles af. Zoodoende heeft iedere groep dezelfde speelruimte. Men moet dus, als men in de hoogste klassen geene al te groote verschillen wil in het leven roepen, de grenzen van de laagste klassen niet al te ruim stellen.

ocr page 66

gt;)4

Overigens vestigde men er de aandacht op, dat zoowel de vraag, of men volgens het minirnnm of volgens het middencijfer van elke klasse wordt aangeslagen , als die van het aantal klassen, invloed uitoefent op het percentage, dat als belasting geheven moet worden om dezelfde opbrengst te bekomen. Blijkens de memorie van toelichting op artikel 2 zoude men, volgens de ontwerpverordening , om de ronde som van f 188,000.— te krijgen , bij een aanslag naar het middencijfer van elke klasse, 1.7% van het inkomen als belasting moeten heffeu. quot;Werd de belasting naar het minimum van elke klasse berekend, dan zou de heffing 1.9% worden. Volgens eene berekening, door een lid gemaakt, zoude, om dezelfde opbrengst te verkrijgen, bij een aanslag naar het minimum, wanneer men 17 klassen aannam, 2.2%, en , wanneer men er 24 had, ruim 2.3% moeten geheven worden.

Art. 9.

Hierboven is reeds het verschil van gevoelen besproken, dat onder de voorstanders van de inkomstenbelasting bleek te bestaan over de vraag, of de aanslag ambtshalve of volgens eigen aangifte behoort te geschieden. Zij die aan het laatste de voorkeur gaven, drongen op groote sprongen bij de verdeeling in klassen aan , en meenden , dat. wanneer men binnen de grenzen van elke klasse eene ruime speling gaf, er voor de belastingschuldigen geen bezwaar kon bestaan om zichzelven in één dier klassen te rang-

ocr page 67

65

schikken. Men vroeg, van waar Burgemeester en Wethouders de gegevens zouden bekomen, om iemand in eene bepaalde klasse te plaatsen. Ook van de voorlichting eener commissie uit de ingezetenen wachtte men weinig hulp.

Anderen daarentegen waren, met den steller der memorie van toelichting, van oordeel, dat eigen aangifte niet raadzaam is. De gronden, voor elk dezer meeningen bijgebracht, zijn reeds vroeger vermeld , en worden hier dus niet herhaald.

Het stelsel van deze verordening berust hierop , dat men de ingezetenen niet de verplichting wil opleggen om zichzelven in een der klassen te rangschikken , maar dat men hoopt, dat de meesten het toch wel zullen doen. Die aangifte zal dan voor Burgemeester en Wethouders een leidraad zijn, welke zij bij het bepalen van den aanslag kunnen volgen. Indien zij meenen, dat die aangifte juist is, zullen zij die eenvoudig overnemen; maar indien zij reden hebben om te vermoeden, dat die aangifte — ten gevolge van misverstand of opzet — niet juist is, zullen zij een onderzoek instellen en naar eigen oordeel den aanslag vaststellen.

Sommige leden wilden de bevoegdheid tot eigen aangifte en, in verband daarmede, de laatste twee vragen van het beschrijvingsbiljet, doen vervallen. De eigen aangifte werkt demoraliseerend, zooals de praktijk heeft aangetoond. Welnu, dan moet men ze ook geheel ter zijde stellen, en niet facultatief weder invoeren. Het is veel beter de

ocr page 68

ingezetenen ambtshalve nan te slaan , zonder hen zelfs te vragen, in welke klasse zij meenen te moeten worden gerangschikt. Wanneer iemand op znlk eene vraag antwoordt, en opgeeft, dat hij in eene bepaalde klasse valt, maar Burgemeester en Wethouders nemen die opgaaf niet aan , en plaatsen hem in eene hoogere klasse , dan wordt zoo iemand daardoor officieel voor een leugenaar verklaard. Zulk eene uitkomst behoort te worden vermeden, en daarom moet geene gelegenheid tot eigen aangifte worden gegeven.

Ook werd de vraag gedaan, of het de bedoeling is, dat Burgemeester èn Wethouders, voorgelicht door de commissie van artikel 18, en kennis genomen hebbende van de door de belastingschuldigen ingevulde inschrijvingsbiljetten , het inkomen der ingezetenen uit elke der vier in artikel 5 onder letters «, h, c qtx d genoemde bronnen, met inachtneming van den bij dat artikel bepaalden aftrek, zullen berekenen , ten einde hen, naar aanleiding van die uitkomst, in één der vastgestelde klassen te rangschikken ? Hierop werd geantwoord , dat dit eene onmogelijkheid zou zijn en ook niet gevorderd wordt, en dat de bepalingen van de artikelen 5 , 6 en 7 ook meer bestemd zijn om den aangeslagene een leidraad te geven voor zijne reclame, indien hij meent te hoog belastte zijn. Dit antwoord lokte de opmerking uit, dat de genoemde artikelen in dat geval op eene verkeerde plaats staan , en zij niet aan de artikelen 8 en 9 behooren vooraf te gaan, maar veel later in de verordening behooren te worden ingelascht, namelijk daar, waar over de reclames tegen den

ocr page 69

67

aanslag gehandeld wordt. De tegenwoordige plaatsing van die artikelen, in verband met de daarin voorkomende uitdrukkingen, o. a. dat „door inkomen

„ wordt verstaan al hetgeen .....genoten wordt,

„enz. alles onder aftrek , enz.quot; ; dat „bij de toepas-„sing dier bepalingen gelden de volgende algemeene „regelen, enzquot; ; en dat „voor de berekening van „het jaarlijksche inkomen gelden de navolgende rege-„len , enz,quot; , brengt de menschen in den waan , dat zij , die den aanslag doen , het inkomen der belastingschuldigen volgens de in die artikelen gegevene voorschriften zoo nauwkeurig mogelijk zullen berekenen, en niets zullen verzuimen om tot een juiste kennis van dat inkomen te geraken. Is dat niet zóó, maar wordt het bedrag van het inkomen, zonder eenige dergelijke berekening, eenvoudig naar het beste weten van Burgemeester en Wethouders vastgesteld, en moeten al deze voorschriften enkel aangemerkt worden als aangevende de gronden, waarop men tegen zijn aanslag reclameeren kan, dan is het wenschelijk dit duidelijk uit te drukken. Dan behoort op artikel 4 te volgen artikel 8 en daarna artikel 9. Do verordening zal dan achtereenvolgens bepalen, dat het eigen inkomen der niet gerechtelijk van goederen gescheidene vrouw bij dat van den man mede berekend wordt, dat er een zeker getal klassen zal zijn, en dat men ambtshalve in één dier ' lassen wordt gerangschikt. Eerst na artikel 18 behoort alles te komen, wat op de reclames betrekking heeft.

Anderen deelden die meening niet, en waren van oordeel, dat eene bepaling van hetgeen als inkomen

ocr page 70

68

beschouwd wordt, in eene verordening als doze juist voorop gesteld moest worden.

Art. 11.

De vraag werd gedaan, gedurende hoe langen tijd na het verstrijken van het dienstjaar, waarover de belasting verschuldigd is, men nog zal kunnen worden aangeslagen.

Art. 12.

In plaats van „restitutiequot; zouden sommigen hier liever lezen „teruggave.quot;

Art. 14.

In plaats van de woorden „op 1 Januari belastingplichtig is,quot; zal hier gelezen moeten worden „vermoed wordt op 1 Januari belastingplichtig te zijn.quot; A priori kan niet vaststaan of iemand belastingplichtig is.

Men vroeg, of aan elke woning slechts één beschrijvingsbiljet wordt uitgereikt, ook al woont daar meer dan één belastingplichtige?

Het ligt immers niet in de bedoeling beschrijvingsbiljetten uit te reiken aan elders wonende personen, die het beheer hebben over goederen van belastingplichtigen ? Door wiens tusschenkomst zoude dit moeten plaats hebben ? Toch schijnt uit de woorden van het artikel te moeten worden afgeleid, dat dit behoort te geschieden. In het tweede lid van dit artikel schijnt tusschen „ofquot; en „het beheer over goederen van be ^ lastingplichtigen te hebben verkregenquot; het woord

ocr page 71

69

„diequot; uitgevallen te zijn. Ook op dat lid is de gedane vraag van toepassing.

Deze zaak is niet zonder belang met het oog op artikel 16. Men kan toch niet vergen van hen, die, elders wonende, het beheer hebben over goederen van hier gevestigde personen, dat zij de bepalingen van deze verordening zullen nakomen.

Ook vond men de uitdrukking „die het beheer heeft over goederen van belastingplichtigenquot; veel te ruim gesteld. Daaronder vallen administrateuren, rentmeesters en alle personen , die met eenig beheer, hoe gering ook, zijn belast. Bedoeld worden alleen zij, die het beheer hebben over het geheele vermogen van een belastingplichtige, zooals voogden, curators, enz. Daarom wenschten enkele leden in plaats van „beheerquot; te lezen „wettelijk beheer.quot; Anderen von-deu dit geeue verbetering, omdat er belastingplichtigen zijn , die zelf de biljetten niet zullen kunnen invullen , bijv. onnoozelen , die nog niet onder cura-teele gesteld zijn. Weder anderen wenschten, in plaats van „goederenquot;, te lezen „het vermogenquot; of „de goederen.quot;

Men vroeg voorts, of het niet beter zou zijn de beschrijvingsbiljetten reeds vóór i Januari rond te zenden. Het late rondzenden heeft eene late uitreiking der. aanslagbiljetten ten gevolge. Dan moet de belasting in weinige , kort op elkander volgende termijnen betaald worden, hetgeen voor velen bezwarend is.

Enkele leden wilden de beschrijvingsbiljetten geheel doen vervallen. In aansluiting aan het hierboven

ocr page 72

70

bij artikel 9 opgemerkte, dat Burgemeester en Wethouders zich toch niet met de berekening van het vermogen der ingezetenen, op de wijze in de artikelen 5, 6 en 7 vermeld , zullen inlaten, betoogden dezen, dat de inlevering van beschrijvingsbiljetten nergens toe dieustig is. Huns inziens zouden Burgemeester en quot;Wethouders de inkomens der ingezetenen veel beter kunnen schatten, wanneer zy, zonder ergens aan gebonden te zijn, na inlichtingen te hebben ingewonnen bij wien hun goeddacht, daarvoor het bedrag konden stellen, dat hun in gcmoede het juiste toescheen. Bij de invoering der inkomstenbelasting zoude men zich de eerste maal kunnen behelpen , door de bestaande kohieren als grondslag te nemen, en hooger aan te slaan, wie vermoed wordt nu te weinig, of lager aan te slaan, wie vermoed wordt nu te veel te betalen. Men heeft er dan slechts die personen bij op te nemen , die wel een eigen inkomen hebben, doch wegens het niet aangeslagen zijn in de Ryks belasting op het personeel tot nu toe ook vrij zyn geweest van plaatselijke belasting. En verder zoude dan elk jaar kunnen worden voortgebouwd op de kohieren van het jaar te voren.

Anderen meenden , dat op die wijze alles aan toeval en willekeur zou worden prijs gegeven. Daarop werd geantwoord, dat dit toch in de praktijk het geval wezen zoude , en dat het dan beter was er rond voor uit te komen.

Sommige leden kwamen bij de behandeling van dit artikel op het vroeger behandelde bezwaar terug, dat

ocr page 73

71

het rondzenden en ophalen der beschryvingsbiljetten, en de geheele administratie van deze nieuwe belasting- veel kosten zal veroorzaken , waardoor het op te brengen bedrag veel hooger zal moeten worden gesteld dan anders noodig zou z ij u geweest en het dus een dure belasting zal worden.

Art. 15.

Hier wordt verlangd, dat de op het beschrijvingsbiljet gestelde vragen „stellig en zonder voorbehoudquot; zullen worden beantwoord. Dat is in strijd met het biljet zelf, waarop twee vragen staan, welke niet behoeven te worden beantwoord. Dit laatste behoort in het eerste lid van dit artikel duidelijk te worden uitgedrukt, indien men namelijk die vragen handhaaft, waarover later.

Ook werd gevraagd, op welke wijze de belastingplichtige, die niet kan schrijven, aan Burgemeester en Wethouders zal kunnen doen blijken wien hij tot invulling en onderteekening van zyn beschrijvingsbiljet heeft gemachtigd ?

In het laatste lid moet het woord „ambtshalvequot; wegvallen. Elke rangschikking toch geschiedt volgens deze verordening ambtshalve.

Art. 16.

Deze bepaling vond men hard. Hier, zoowel als in het geval van het volgende arti kei, heeft men met verzuimen van de beambten der gemeente te doen.

Enkele leden achtten de bepaling van dit artikel in stryd met de instructie van den gemeenteontvanger , welke derhalve gewijzigd zal moeten worden. Zy

ocr page 74

72

meenden, dat men met het oog op deze belasting , een nieuwen ambtenaar zal moeten aanstellen, Avien men den titel van controleur zal kunnen geven , maar dat men daarentegen de bureaukosten van den gemeenteontvanger zal kunnen verminderen, daar deze van vele werkzaamheden zal ontheven zyn.

Art. 17.

Hier dient te blijken, dat men ten huize van den belastingschuldige is gekomen om het biljet te halen en dat men het niet terug ontvangen heeft.

„In beide gevallenquot; slaat op de artikelen 16 en 17. Deze redactie behoort veranderd te worden.

Art. 18.

Velen hadden groot bezwaar tegen de hier voorgestelde commissie. Men vreesde, dat getracht zou worden de van de uitvoering der voorschriften van deze verordening onafscheidelijke bezwaren van de schouders van Burgemeester en Wethouders over te brengen op die van de commissie.

Men vreesde ook, dat geene geschikte personen gevonden zullen worden, die genegen zullen zijn in deze commissie zitting te nemen. Zij , die door hun beroep of betrekking met de omstandigheden van velen bekend zijn, notarissen, bankiers, enz. zullen weigeren er deel van uit te maken.

Anderen deelden die vrees niet. Tn andere gemeenten werken de ingezetenen gaarne mede, en er bestaat geen reden om van de ingezetenen van Utrecht het tegendeel te verwachten.

ocr page 75

73

Sommige leden wilden Burgemeester en Wethouders vry laten zielv te doen voorlichten door wien zij zouden verkiezen, het zy raadsleden of ingezetenen , maar niet door eene commissie. Het bekend maken der namen van hen, wier voorlichting verzocht wordt, achtten zij zeer verkeerd. Daardoor zal menigeen afgeschrikt worden. Deze leden wenschten het geheele artikel te doen vervallen.

Volgens hen — en velen sloten zich bij dat gevoelen aan — bestond er reden om te duchten, dat in zulk eene commissie allerlei rancunes, persoonlijke veeten, afgunst, zucht om concurrenten afbreuk te doen, enz. vrij spel zouden hebben.

Anderen deelden die beduchtheid niet, en meenden, dat een aanslag op advies van eene gerespecteerde commissie minder weerzin zoude opwekken.

Art. 19.

De taak, hierbij aan de leden van den Raad opgelegd, is uitermate zwaar. ïallooze reclames zijn, althans in den aanvang, te wachten. Als iedere reclamant moet worden gehoord, dan lijdt liet geen twijfel of de hier aan de leden van den Raad opgedragene werkzaamheid zal zeer tijdroovend worden en voor velen de waarneming van het lidmaatschap van den Raad onmogelijk maken.

Art. 20.

Men achtte hot krenkend voor den reclamant, hem te doen oproepen door een ambtenaar, die belast is

ocr page 76

74

met de beteekening van stukken, betreffende vervolging ter invordering van plaatselijke belastingen, even als of hij een kwade betaler ware. Beter zoude het zijn de oproeping door een gewonen bode te laten doen.

Art. 21.

Men vroeg, of de ambtenaren, die met het opmaken der kohieren belast zullen zijn, niet tot geheimhouding verplicht moeten zijn ?

In plaats van „artikel 19quot; moet hier gelezen worden „artikel 18.quot;

Art. 22.

Er werd gevraagd, of het geen aanbeveling zoude verdienen, bij vervroegde betaling van den aanslag korting toe te staan ? Men meende, dat dit aan een geregeld inkomen der belasting bevorderlijk zoude zijn.

Art. 24.

Zijn hier, zoo vroeg men, de ambtenaren der secretarie ook bedoeld ? Zij toch zijn het, die de beschrijvingsbiljetten zullen hebben te onderzoeken.

Sommigen wilden in plaats van „eed, by of na de aanvaarding hunner betrekking afgelegd,quot; liever lezen „ambtseed.quot;

Anderen achtten de vermelding van den ambtseed hier overbodig, omdat het van zelf spreekt, dat een procesverbaal op den ambtseed wordt opgemaakt. Deze leden meenden, dat het geheele artikel in eene

ocr page 77

75

instructie voor de ambtenaren te huis behoort en in deze verordening zeer goed kan worden gemist.

Art. 24.

Het in werking treden van deze verordening zal nu wel niet eerder plaats kunnen hebben dan met 1 Januari 1888. Het is niet raadzaam de verordening midden in een dienstjaar in werking te brengen.

Bescliri j vin gsbi Ij et.

Zie over den aanhef, het hierboven aangeteekende op artikel 15. Wel komt lager op het biljet eene uitnoo-diging voor, waaruit blijkt, dat men niet verplicht is de laatste twee vragen te beantwoorden, maar de aanhef schijnt hiermede in strijd. In verband met artikel 15 zal dit verduidelijkt moeten worden, indien men althans de laatste twee vragen behouden Avil.

Waarom wordt wél in het beschrijvingsbiljet, maar niet in de verordening zelve , de bepaling gevonden, dat de teruggave of terugzending van dat biljet onder gesloten couvert (lees : in een gesloten omslag) kan geschieden, en dat in dat geval de toezending van het aanslagbiljet op dezelfde wyze geschiedt ? Behoort dit niet in de verordening te worden bepaald ?

Hoe kan de beambte, met de terughaling belast, verklaren, dat de gesloten omslag, welke hij ontvangt, een ingevuld beschrijvingsbiljet bevat? Zoude het niet raadzaam zijn te bepalen, dat de belastingschuldige dit zelf op den omslag moet vermelden ?

De handteekening van den ontvanger behoort achter

ocr page 78

76

de inleiding en vóór de eerste vraag te staan. Onder de vragen moet alléén de handteekening van den belastingplichtige, nadat hij ze heeft beantwoord komen.

Vraag 1. Is het niet van belang ook de namen der ouders te kennen, alsmede de plaats, waar zij wonen ? en te weten, of zij nog in leven zijn ?

Vraay 3. „Beambtenquot; moet zijn „ambtenquot;.

Vraag 4. Is het, met het oog op de wensche-lijkheid om de huwelijksche voorwaarden te kunnen inzien , welke somtijds licht kunnen verschaffen , niet raadzaam om hier ook te vragen waar en wanneer het huwelijk gesloten is?

Ook zoude men hier kunnen vragen, welke de namen en de woonplaats zijn van de ouders der vrouw, en of die ouders nog in leven zyn.

Vraag 6. Waartoe dient deze vraag? Het is geheel onverschillig, of men van zijne inkomsten een huis huurt, dan wel of men, zijn eigen huis bewonende, zooveel minder inkomsten heeft als de huurwaarde van het huis bedraagt.

Vraag 8. Zeer vele leden achtten deze vraag ongepast en onkiesch. Men kan niemand verplichten den verklikker te spelen. Anderen deelden die zienswijze niet, omdat de vraag niets anders bedoelt, dan de belastingschuldigen te leeren kennen. Voor de meerderheid was deze vraag echter onaannemelijk, zoolang althans daarbij iets meer gevraagd werd dan de namen en voornamen der personen, die bij den belastingschuldige inwonen.

ocr page 79

77

Vraacj 9. In verband met het hierboven l)ij artikel 14 opgemerkte, meende men, dat, in plaats van „beheer over goederenquot;, moest gelezen porden „beheer over het vermogenquot; of „beheer over de goederenquot;.

Vraag 12. Zoude het niet beter zijn eenvoudig te vragen, waar de belastingplichtige vroeger woonde, hetzij binnen, hetzij buiten de gemeente? Dan kan men in zijne vorige woonplaats ook inlichtingen inwinnen.

Vragen 13, 14 en 15. Is het niet raadzaam te vragen, of de belastingschuldige ook elders in de plaatselijke belasting is aangeslagen ? Het antwoord hierop zoude, vooral omtrent hen, die hun hoofdverblijf elders hebben, misschien licht kunnen geven.

De laatste vragen. Vele leden wenschten de laatste twee vragen, vooral de allerlaatste, te doen vervallen. Zij achtten deze in strijd met het stelsel der verordening, waarin als beginsel is aangenomen, dat de aanslag ambtshalve geschiedt. Men meende ook, dat de meest nauwgezette belastingschuldigen deze vragen zullen beantwoorden, ook al vinden zij het hoogst onaangenaam, wanneer zij in het biljet blijven staan, en achtte het verkeerd, op die wijze eene zekere pressie op hen uit te oefenen.

De datum van de uitreiking van het beschrijvingsbiljet meende men dat niet door den gemeenteontvanger moet worden ingevuld, maar door den beambte, die hot aan de woning van den belastingplichtige afgeeft. Het komt hierbij alléén aan op den dag, waarop de belastingplichtige het ontvangt,

ocr page 80

78

en niet op dien, waarop de ontvanger het ter bezorging aan den beambte medegeeft. Deze dagtee-kening behoort niet achteraan geplaatst te worden, waar het nu staat, maar vóór de eerste vraag, onder de handteekening, welke de ontvanger onder de inleiding zal moeten stellen.

Ontwerpverordening op de invordering van de plaatselijke directe belasting naar het inkomen.

Dit ontwerp lokte geene aanmerkingen uit. Alléén werd gevraagd , of het aanslagbiljet niet zóó behoort te worden ingericht, dat de belastingschuldige daarin kan lezen, voor welk bedrag hij wegens elke der vier, in artikel 5 der verordening op de heffing dei-belasting genoemde, bestanddeelen van zijn inkomen is aangeslagen ? Dit achtte men noodig, indien althans het recht van reclame iets meer zal zijn dan een ijdele vorm.

Aldus vastgesteld den 25stl!quot; Februari 1887.

A. C. J. VAN EELDE,

rapporteur der eerste af deeling.

GODIN DE BEAUFORT,

rapporteur der tweede af deeling.

R. MELYIL YAN LYNDEN,

rapporteur der derde af deeling, tevens algemeen rapporteur.

ocr page 81

79

Bijlage A.

Verdeeling in 17 klassen:

lsU! klasse van

ƒ 600.—

tot beneden f 900, -

odo

900.—

V)

„ - 1,350,—

Ode

1,350.—

77

- 2,000,—

4de

77

2,000. -

1)

- 3,000,—

5'le ,

77

3,000.—

„ - 4,500,—

6quot;quot; „

77

4,500.—

- 6,700,—

fTile

* V

77

6,700,-

77

- 10,000,—

88te „

77

- 10,000,—

„ - 15,000. -

9',u „

- 15,000,-

- 23,000,—

10de „

77

- 23,000,—

..

- 34,000,—

lllt;,e

- 34,000,—

- 51,000,—

12lt;lc „

- 51,000,—

77

- 77,000,—

13quot;° „

v

■ 77,000,—

..

- 115,000.—

14lt;le „

- 115,000.

y)

- 173,000.-

15d0 ,,

77

- 173,000,-

,,

- 260,000 —

16',e „

- 260,000,—

..

- 390,000,—

17lle „

77

- 390,000,—

77

„ - 580,000,—

Deze

classificatie is verkregen

door eene som van

f 600.— aan te nemen voor het kleinste belastbaar inkomen, dit cijfer voor de volgende klasse met 50 0/0 te verhoogen, voor elke volgende klasse verder op dezelfde wijze voort te gaan en eindelijk de aldus verkregene getallen af te ronden.

ocr page 82

HO

Bijlage B.

Verdeeling in 24 klassen :

j^stc

klasse van f

600,—

tot beneden f

800,—

2 de

5)

77

800.—

77

77

1,100,-

3lt;io

„ -

1,100,—

77

1,400.—

44«

T)

77

1,400,-

77

1,900.—

5,1e

•)quot;)

„

1,900,-

77

2,500.—

6dc

y)

2,500,—

77

3,400.—

'Jde

„ -

3,400,—

77

4,500. -

8quot;e

77

4,500. -

77

6,000.—

(Jde

V

6,000,—

77

8,000. -

10d6

75

57 -

8,000,-

77

10,700.—

11de

V

77

10,700,

57

14,000.—

12de

14,000.—

77

19,000.—

13.1e

„

77

19,000,—

77

25,000.-

14,ie

V

77

25,000,-

55

35,000.-

15de

T)

77

35,000,—

77

46,000.- -

16'lc

75

77

46,000,—

55

62,000.—

l7de

77

62,000,-

„ -

82,000.—

Igde

77

82,000,-

55

110,000,—

19du

77

„

110,000,—

„ -

146,000.—

20ste

77

77

146,000,—

77

195,000,-

21squot;quot;

195,000,

260,000, -

22st''

•)•)

260,000, -

77

57

350,000, -

23»te

77

77

350,000,-

77

77

460,000,-

24ste

77

77

460,000,-

77

77

610,000,—

Deze cla

ssifieatie is verkregen

door eene som van

f 600.-— aan te nemen voor het kleinste belastbaar inkomen, dit cijfer voor de volgende klasse met

ocr page 83

81

3 3V.: % te verhoogen, voor elke volgende klasse verder op dezelfde wijze voort te gaan en eindelijk de aldus verkregen getallen af te ronden.

Bijlage C.

Verdeeling in 40 klassen :

sto

klasse van f 500.—

tot beneden ƒ

600.—

2de

„ „ - 600,—

1)

77

700.—

3d0

„ „ - 700.—

V

77

850.—

4'i0

„ „ - 850.—

n

77

1

ö O

T—1

5lle

„ - 1,000.—

75

77

1,200,—

6dn

„ „ - 1,200,—

V

1,450,—

'JJe

„ „ - 1,450,—

n

1,750,—

8ste

„ „ - 1,750 —

7?

.. -

2,100,-

9d0

„ „ - 2,100,-

77

77

2,500,—

10de

, „ - 2,500.—

77

77

3,000,—

lldo

„ „ - 3,000.—

77

77

3,600,—

12ci0

„ „ - 3,600 —

77

77

4,300 —

13dquot;

v v ~ 4,300.—

77

77

5,200,—

14de

„ „ - 5,200.—

77

77

6,200,—

15de

» „ - 6,200.-

77

77

7,400,—

16d0

„ „ - 7,400.—

77

77

8,900.—

l7de

„ - 8,900,—

77

77

10,500.—

18do

„ - 10,500,—

77

77

12,500.—

19du

„ „ - 12,500,-

77

77

15,000.—

20sle

„ „ - 15,000,—

77

77

18,000.—

21ste

„ „ - 18,000,-

77

„

22,000.—

22ste

„ „ - 22,000.—

77

77

26,000.—

ocr page 84

82

23s,e

klasse

van

f

26,000,—

tot beneden f

31,000.—

24ste

n

-

31,000,-

n

77

-

37,000,—

25stquot;

V

-

37,000,—

V

77

-

44,000,—

26quot;'quot;

n

77

-

44,000,—

y)

77

-

53,000,—

9^810

T)

77

-

53,000,—

yi

77

-

64,000.—

28ste

77

77

-

64,000.—

rgt;

77

-

77,000.—

29ste

w

77

-

77,000.—

'i

77

-

92,000.—

30»'quot;

w

77

-

92,000,—

n

77

quot;

110,000,—

31ste

)?

77

-

110,000,—

„

77

-

130,000.—

32*'»

T)

77

-

130,000,—

n

77

-

155,000.—

CO

co

W

77

-

155,000,—

n

7)

-

185,000.—

34s,c

7?

77

-

185,000,—

n

77

-

220,000.—

35stquot;

V

77

-

220,000,—

n

77

quot;

265,000.—

CO

cp

n

77

-

265,000,—

n

77

quot;

320,000. -

37s'quot;

11

77

-

320,000,—

n

77

-

385,000.—

38^«

n

77

-

385,000,—

n

77

quot;

460,000.-

39squot;!

57

77

-

460,000,—

n

77

-

550,000.—

40«'quot;

T)

77

-

550,000.—

n

77

-

660,000.—

Bij deze classificatie is uitgegaan van een minimum belastbaar inkomen van f 500.— en verder is het minimumbedrag van elke volgende klasse 20 quot;/o booger genomen dan het werkelijk aangenomen minimumcijfer van de onmiddellijk voorafgaande klasse. Voorts zijn voor de afronding bij inkomens beneden /^OOO.— overschotten van minder dan ƒ25.— verwaarloosd , en overschotten van meer dan f 25.— voor f 50.— gerekend; bij inkomens van f 2,000.— tot f 10,000.— zijn overschotten van minder dan f 50.— verwaarloosd , en overschotten van meer dan ƒ 50.— voor f 100.— gerekend; bij inkomens van

ocr page 85

88

f 10,000.— tot f 20,000.— zijn overschotten van minder dan f 250.— verwaarloosd, en overschotten van meer dan ƒ250.— voor f 500.— gerekend; bij inkomens van f 20,000.— tot ƒ100,000.— zijn overschotten van minder dan ƒ 500.— verwaarloosd, en overschotten van meer dan ƒ 500.— voor ƒ 1000.— gerekend ; en bij inkomens boven de f 100,000.— zijn overschotten van minder dan ƒ 2,500.— verwaarloosd en overschotten van meer dan ƒ 2,500.— voor f 5,000.— gerekend.

De afronding geschiedt derhalve:

voor bedragen van minder dan ƒ 2000.— in getallen van ƒ 50. n a tusschen ƒ 2000.— en- 10,000.—• « u n - 100. a a n — 10,000.— 7 — 20,000.— // u a ~ oOO.

,i II II - 20,000.— „ - 100,000,— // /, I, - 1000.

// ii van meer dan - 100,000.— // « » - 5000.

ocr page 86
ocr page 87
ocr page 88