ocr page 1

G 5-1

7*t

ft--

DE NEDERLANDSCHE

GEBRACHT OP DB ARTIKELEN VAN HET

WETBOEK

VAN

BURGERLIJKE RECHTSYORDERING

DOOR

Mr. W. VAN ROSSEM Bz.,

ADVOCAAT, riiOCDREUR EN KASTOSBECHTER-PLAATSVERVASTGER TE 'S-GEAVENHAGE.

EERSTE DEEbs^ (Art. i-97.)

TWEEDE DEEL. {Art. 97—199.)

's-OltAVENHAOE, GEBR. BELINFANTE.

1885.

f ' J»*

mÊ

T.'' ■' y

,; ■'

ocr page 2
ocr page 3
ocr page 4
ocr page 5

elolengraaff instituut voor privaatrecht

nieuwe gracht 00

utrecht

DE NEDERLANDSCHE RECHTSPRAAK

BETREFFENDK HET

WETBOEK VAN BURGERLIJKE RECHTSVORDERING.

ocr page 6

Gedrukt bij GEBR. BEUNFASTE, vooi'ti.: A. 1gt;. SCIUXKEL.

RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT

28

0704 01

ocr page 7

WETBOEK

VAN

I; 1 RGERLIJKE HECIITSVI )R 1 )ERING

DOOK

Mr. W. VAN ROSSEM Bz.,

ADVOCAAT, 1'KUUÖKEUI; EN KAN'TcINUECUTEU-I'LAATSVEUVANGEK TE 'S-trltA VKNHAtiE.

EERSTE DEEL.

(Art. 1—97.)

MOLENGRAAFF INSTITUUT VOOR PRIVAATRECHT NIEUWE GRACHT 60 UTRECHT

's-GRAVENHAGE, GE BR. BEL INFANTE.

1885.

DE NEDERLANDSCITE

ocr page 8
ocr page 9

haar do Rechtspraak Iielrcflondc hol Wetboek van llurgerlijke Üechtsvordering (door iMr. W . van Hossem Hz. bewerkt ter completeering van den '2''011 druk van .Mr. I). I.koVs «fieehtspraak van den lloogcn Raadquot;) ook voor hen die Lkoin's quot;Reclits[)raakquot; niet bezitten, van groot prao tiscli belang is, wordt dit werk onder vorenstaanden titel alzonderlijk in den handel gebracht.

I)c Uiltjever.

ocr page 10
ocr page 11

V O O E R E D E.

lüj het verschijnen van den iweeden druk der Ueclilspraak van den lloogen Rand van wijlen Mr. I). Léon, Al'deeliiii; Hurgerlijke Rechls-vordering, spreek ik den wenseh uil, dal aan dil werk een even gunslig-milhaal liij hel rcchlsgvlcird publick moge len deel vallen, als zulks liij di' overige vervolgen van LéoVs grooien arbeid hel geval is geweest.

Ik heb gelraeln deze uitgave op dezeltde wijze Ie bewerken, als de oorspronkelijke, en den lekst van I.kon zooveel mogelijk overgenomen.

Hel groot aanlal jaren, waarover deze arbeid loopl (van 1855 tol Iquot; Januari 1885), en de zeer uilgebreide jurisprudenlie, die ook op liet gebied der Burgerlijke Reehlsvordering beslaal, deden bel wenscbelijk voorkomen om de uilgave, die daardoor vrij omvangrijk wordl, bij gedeelten te doen plaals hebben.

Aan mijn geachten conl'rère, Air. G. Bklinkaxte, die dezen arbeid heelt voorbereid en wiens hulp en slenn mij nooil hebben ontbroken, breng ik bij dezen daarvoor mijn oprechlen dank.

len sloile roep ik in hooge male de welwillendheid in van hel rechtsgeleerd publiek voor de fouten en onnauwkeurigheden, die hier en daar mochten zijn ingeslopen en hoop ik dal de talrijkr moeilijkheden, die een arbeid als deze uit zijn aard niedebrengl, er toe zullen leiden om mij deswegen niet al le bard te vallen.

W. v. I!. Ilz,

s-Ciraiviiliage^ Seplcmbcr 1885.

ocr page 12
ocr page 13

WETBOEK ÏAN BlGEBLlJiE RECHTSïORDERING.

EERSTE BOEK.

Ir/. I.

I. De rechtsvordering, primario gegrond op het beweren, dat deze of gene speciale wet door latere wetten is afgeschaft, en mitsdien geene toepassing meer kan vinden, moet bij gewone dagvaarding worden aangebracht, ook dan wanneer bij die speciale wet, een andere vorm van procedeeren mocht zijn voorgeschreven.

Hoedanig de rechter ook over de gegrondheid of ongegrondheid van dat beweren, met opzicht tot het hoofdgeschil, mocht oordcelen, kan de eischer de vordering niet, in strijd met zijn eigen beweren, overeenkomstig de speciale wet instellen en behoort hij mitsdien geenszins te worden verklaard niet ontvankelijk, maar de door hem gevolgde vorm naar het voorschrift der algemeene wetgeving te worden toegelaten en de zaak ten principale te worden onderzocht en beslist.

Air. v. .quot;) xov. 1840, \V. n». 133; v. d. ii.. li. li., d. i, p. 249—203; U., d. VI, § 10; idem v. 3 Juni 1842, v. d. II.. ibid., d. IIF, p. 404 —418. — Cf. Air. v. 10 Juni 1803, W. nquot;. '2407.

V id., ten aanzien van liet eerstgcmeld arr., het daartoe betrekkelijk air. van 't P. II. in Utreclit v. 2 Maart 1840, W. nquot;. 70 en het vonnis der Arr.-R. aldaar v. 17 Juni 1839, \V. nn. 29 en v. d. II. ut supra, p. 261 en 262. — Zie ook art. 83 I!. 11., vonnis van de Arr.-R. te Amsterdam v. 10 Maart 1842 sqq,

'i. Geene veroordeeling van iemand is rechtens mogelijk daar, waar geen rechtsingang tegen hem heeft plaats gehad.

Arr. v. 3 Febr. 1843, W. n». 379; d. II., li. R., d. IV, p. 31:,—324; R., d. XIII, § 60.

Cf. art. 96 li. R.. arr. v. den/., datum.

AFr. vax Rossem Bz., Rurf/. 1,'echf.sv. 1

ocr page 14

Art. 1.)

3. Een deurwaarder, bij de Arr.-R. aangesteld, is, ook met het oog op de artt. J, S en ]4 van het Reglement op de organisatie en de dienst der deurwaarders, gearresteerd hij Kon. Besl. v. 14 Sept. 1838 (SM. n0. ••ifi) en op art. ••J van 't Kon. Besl. v. 8 April 183!) [SM. n0. 10) (1) bevoegd, om binnen de geheele uitgestrektheid van het arrondissement te exploiteren en alzoo ook, om voor de Kantongerechten daar binnen gelegen, te dagvaarden.

Am v. 3 Febr. 1843, W. n0. 379; v. n. II.. li. R., lt;1. I V. p. 315—324; I!.. d. XIII, § l».

In gelijken zin bij vonnis van de Arr.-R. te Amsterdam, \. '10 Dcc. 1838, CR., d. I, § 13; Rcc/t in Xederl., d. If. p. 140—143; van Appin-gadam, v. 7 Mei 1840, W. n'. 107, alsmede door Mr. A. de Pinto, Themis, Hide jg., p. 378 en JML Jl. 1!.. § 5; Lipmax, /gt;'. /?., p. 4; Oüdeman, A. 11'. B. IS. ontio., 4de ed., d. I, p. 12 sqq. (die aldaar ook, naar aanleiding der contradictoire vertoogen in de droniiiger Con mul v. 20 en 23 Ang. en 24 en 27 Sept. 1839, nis. 67, 08, 77 en 78, ook medegedeeld in 't R. Bijbl., d. I, p. 486—488, de niet voormelde rechts-quacstie in een onmiddellijk verband staande vraag ter toetse brengt en bevestigend beantwoordt, of een deurwaarder, aangesteld bij een l'rov. Hof, eene dagvaarding kan verrichten, om voor cone Arr.-R. te verschijnen, wanneer bij binnen bet ressort van t Prov. Hof exploiteert en meer andere dergelijke) en Mr. C. M. van okr Kemp. Onlivihkdhm run hel Jtcc/tl hclrckhelijl; de l\anton(jcrechlcn, p. 120, (3de druk. door Mr. L. G. Greeve, blz. 242 en 49); — anders bij vonnis van 't Ktg. „0. 2 te Amsterdam, van 18 Oct. 1838, en van het 1ste kanton aldaar, v. 26 Oct. 1838, beide in 't liegt in Xederl. ut supra, en van den rechter in het '1ste kanton van bet 3de arrond. in Friesland v. 5 1-ebr. 1839, Beyt in Xederl. als boven; idem van 't Ktg. te Onderdendam, v. 11 Maart 1840, W. nquot;. 107. en van 't Ktg. te Nijmegen, v. 10 Sept. 1845, W. nquot;. 648 (waarin het voormeld arr. van den II. R. wordt weder-legd). — Cf. v. li. Honeut, lldb. v. (I. I'quot;!)•;/. Ji., § 1, p. 155 en 156(2).

J.. De voorschriften van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, aangaande de vereischten der dagvaarding, betrefien niet de strafvordering, zoodat geene artikelen van genoemd Wetboek bij een arrest in een strafzaak kunnen zijn geschonden.

(1) Afgeschaft bij K. B. van 15 Juli 1879 SM. no. 143, welks art. 1 te dezen opzichte overeenkomt met het art. 3 van het afgeschafte besluit.

(2) liet beginsel bij voormeld arr. van tien H. II. aangenomen, levert heden ten dage geene eigenlijke rechtsvraag meer op, daar, ondanks den aanvankelijken tegenstand van sommige kantonrechters, in de praktijk algemeen de deurwaarders bij de Arr.-Rechtbanken, ook voor het Ktg. exploiteeren en omgekeerd de deurwaarders bij de Kantongerechten, voor de Arr.-Rechtbanken (Leox).

•2

ocr page 15

7AeL^ oc 6.0-1 ^w fxG, ^ytf« -■ lt;të. gt;i-*--*-'L' tse^~ 7lt;**..c~

li^S quot;?quot;' ^ u»^^.

/ ■gt; (Arl 1.

Ai-r. v. 3-1 Januari '1854. VV. nquot;. 1053, idfim arr. v. 31 Oct. 1854. \V. nquot;. K)74, speciaal ten aiinzicu van art. '2 1!. li.

*5. Onder ivuovplaats kan niet worden gerekend, eene niet ter woning geschikte loods, dienende enkel tot bergplaats van goederen.

Ait.-R. Amsterdam, v. 115 Maart 1840, R. Hijbl., jg. 1843. d. V, p. 768 en 769. — Vgl. hiermede — ten betooge, dat de gunstige bepaling van art.

04 niet van toepassing is, indien de dagvaarding niet ter woonplaatse van den ged. is geëxploiteerd — art. 94 B. R., vonnis van de Arr.-R. te Amsterdam, v. Ü.) Jan. -1854'. Zie ook art. 74 IJ. \V., vonnis van dezelfde Arr.-R., v. 9 Maart 1849 sqq., sub nquot;. 5. (1)

Even als, volgens art. 1 B. li., een rechtsingang wordt aangevangen met een dagvaarding, door een deurwaarder te beteekenen,

belet niets, dat ook evenzoo door een eenvoudig deurwaarders-exploit eene vroeger gedane dagvaarding vóór den dag rechtens worde ingetrokken, en over datzelfde onderwerp eene nieuwe rechtsvordering ingesteld.

P. II. Gelderl., v. (-15) '20 Jan. 1841, W. nquot;. 166, en bij Mr. I., liicitrz-vei.u, Hurg. Regtspr. Gelderland, bl. 23 en volgg.; idem Arr.-R. te Groningen, v. '25 April 1845, R. liijbl., d. \ II, p. 680—68'2. Cf. — in hoeverre de elscher, in dit geval, die intrekking ook aan den procureur van partij moet doen beteekenen en bij de renuntiatie tevens de kosten moeten worden betaald of aangeboden — bet evengemeld arr. ]'. II. v.

Gelderland sqq., sub art. 278 B. R.

■*S. Hoewel art. 1 B. E. voorschrijft, dat elke rechtsingang met eene dagvaarding moet worden aangevangen, is zulks niet van toepassing op iedere rechtsvordering, zijnde van uitgebreider beteekenis en welke niet altijd met eene dagvaarding kan begonnen worden, met dat gevolg, dat een, uit krachte van art. 238, al. 2, \V. v. lv., vóór de faillietverklaring ingesteld arrest onder derden voldoende is, om de zaak (hoewel zonder dagvaarding aanhangig gemaakt) tegen den curator in het faillissement te kunnen voortzetten.

Arr.-R. Groningen v. 29 Jan. 1841, R., d. XV, § 67. — Cf. artt.

238 en 771 W. v. K., beiden sub nü. 1 (1) en de Maiitixi. ad art. 1, 4;

Oudeman, .\. II. v. B. II. oniw., 4de ed., d. I, p. 3, en Lipman, /gt;.

II., p. 4.

(t) Zoo hier als elders, wordt aangehaald de tweede druk van Leon's Rechtspraak.

ocr page 16

, oCL.

■ r-^-~- LrtJ^t~lt;r^J^ , i^y

C-KjZ* pf-LJl-'j. J.i- UA-v /g- 1/ilt;JiXx^^, ' IJL- ■_/,. •-: ^ L -J - i ;

f

. _ r r

l^, Al t. 1.) ^ i~y, ^ ^t ^ J ^

■^S. l'jen eerste vereischte van eene origineele dagvaarding is de handteekening van dengene, door wieu die is geëxploiteerd en behoort dus allezins tot een volledig afschrift van zoodanig exploit, een afschrift van de, op het origineel voorkomende handteekening, zonder dat echter (met het oog op art. 88 15. 11 en de artt. 225 en 27^ W. v. Strafv.) de ged., die ten gevolge van zoodanige informeele dagvaarding verschijnt, met grond vergoeding van schade en nadeelen kan vorderen

Arr.-U. Groningen, v. 27 Maart 0(;ii admiiiistratie-zaaU ucwczmi).

li. liijlil., jp;. |S44, d. VI, p. til ! en C. 1*2; I!.. .1. \XIII, S 90. — Cf. art. 111! (Ier (Irw. v. IS1(). arr. v. II .linil '1841. snli nquot;. I (d. T. |i, I'd).

quot;quot;fgt;. Eene zaak, die op de rol geroyeerd is, kan, als bestaande tus-schen de actie bij dagvaarding en het ter rolle brengen een noodzakelijk verband, niet anders clan door eene nieuwe dagvaarding weder aanhangig worden gemaakt.

Arr.-It. Anistordam, v. S Jan. 1816, li. liijbl., jg. 184(1. lt;1. \ ill. |i. 390—392; idem liet sub art. I B. It. nquot;. 26 vermeld vonnis der Arr.-U. .Maastricht, v. 29 Dec. '1866, ook voor liet geval, dat de zaak niet ter rolle is ingeschreven en geene der partijen in rechten verschenen is; — anders door den Hoogl. van Ham., 1. c,, volgens wien: 1°. het roijement up de rol niet anders scliijnt te bewijzen, dan dat de eischer, liij voorraad, van het voortzetten van het geding afziet, maar het in geene deele aanduidt, dat hij, óf van de instantie, óf van zijne vordering zelve afziet: 2quot;. het de dagvaarding alleen is, welke de zaak aanbangig maakt en het (ip de rol brengen der zaak ééniglijk is een maatregel van orde, bestemd, um den rang van oproeping en behandeling der zaken voor den rechter te bepalen, en daarom ook niet bij het Wctb. v. li. R.. maar alleen bij bet Reglement van orde, art. 35 en volgg., is geregeld. — In overeenstemming met dit gevoelen, is dan ook Iie.slist: 1quot;. bij arr. van 't P. II. van Holl., v. 15 Febr. 1841, Themis, IVde jaarg., p. 47—48, dat de inschrijving ter rolle alleen strekt, om in de gelegenheid te zijn de zaken ter kennis en beslissing van den rechter te brengen, zonder dat hierdoor eenig nadeel kan worden toegebracht aan de snstemien, die partijen, uit welken hooide ook, zouden kunnen voeren; en 2°. bij vonnis der Arr.-R. te Maastricht, v. 12 Juni 1845, W. nu. 625; R. Bijbl., d. Mil, p. 509—511, dat eene actie wordt aanhangig gemaakt door de dagvaarding, al heeft men die niet ter rolle laten inschrijven. — Cf. art. 278 li. R., vonnis van de Arr.-R. v. Amsterdam. v, 8 Jan. 1846, en art. 147 B. R., arr. van quot;t 1'. H. van Utrecht, v. 10 Juni 1844.

Vergelijk biermede in verband navolgende beslissingen:

Het rechtsgeding neemt een aanvang sedert den dag der dagvaarding, en niet eerst na het nemen van de conclusie van eisch. De

ocr page 17

JZJ^ c^rvtr^ -^JL —^r/ C^U. ■KAMJ-A^JU- J-e*Xs A- ^

'i gt;.■ ..- ife- l^^-a^-' . l^-o^ '.'Li^ tO,c~*-tp V ^-A^vü-fc , ■-lt;£

5 ^ f/lr/. I,

rechter moet ten gevolge van het op de rol brengen der zaak dooiden griffier, en het ten dienende dage uitroepen daarvan door den deurwaarder, wel degelijk geacht worden reeds dan van de zaak te zijn gesaisisseerd.

Arr.-K. Alkmaar, 'i .laimari 1879, VV. n°. 4355; R. ISijbl.'1880, A. p. 283.

Door de dagvaarding wordt het geding aangevangen en bij den rechter aanhangig gemaakt.

An-.-R. Utrecht, 30 Januari '1884, VV. nquot;. 5042, waarbij nog werd beslist,

dat de goedkeuring vau Ged. Staten op liet besluit van den gemeenteraad tot procedeeren moet verkregen zijn vóór de beteekening der dagvaarding, (i[i stratle van niet-ontvankelijkverklaring van het eischend bestuur.

*40. Naar algemeene beginselen van rechtspleging, heteekeningen,

gedaan aan de werkelijke woonplaats, in geval er een domicilie is gekozen, niet nietig zijnde, ten zij de wet dit uitdrukkelijk, om bizondere redenen hebhe bepaald, volgt hieruit, dat een exploit, ten verzoeke van een Rijks-ambtenaar gedaan, niet nietig is, in geval het niet is beteekend aan het door de erfgenamen, ingevolge art. 8 der Wet v. 27 Dec. 1817 [Stbl. n0. ^7) (I), bij de memorie van aangifte gekozen domicilie, maar aan de werkelijke woonplaats van een der erfgenamen.

Arr.-R. Groningen, v. 20 Febr. 1846, R.. d. XXX VIII. § 81.

*11. Met is niet voldoende, dat de deurwaarder bij de dagvaar-vaarding van een curandus, die zich in een krankzinnigengesticht bevindt, slechts spreke tot den directeur van dat gesticht, en aan hem afschrift late.

Arr.-R. Rotterdam, v. i Nov. 1847, W. n0. 863.

*1«. liet is eene onbetwistbare waarheid, dat een rechtsgeding alleen kan gevoerd worden tusschen partijen die met inachtneming der proces-orde als eischers en gedaagden tegen elkander overstaan, en dat niemand, die niet in den gewonen vorm door den eisciier in het

(1) Afgeschaft door de wet van 13 Mei 1850 (Stbl. no. 36), die bij de wet van 28 Mei 18G0 {Stbl. no. 95) eene belangrijke wijziging onderging en voorts nog door de wet van 9 Juni 1878 (Stbl. no. 95) is gewijzigd. liet in den tekst genoemd art. 8 is vervangen door art. 19 der wet van 1859.

ocr page 18

Art. 1.)

geding betrokken is, eigendunkelijk als gedaagde kan optreden en eene aan hem geëxploiteerde dagvaarding fingeeren.

I'. II. N.-lIull. v. 22 Febr. 1849, W. nO. 1113; R. BijW., jg. 1849, d. XI. |p. 138—140. ■— Cf. art. 135 li. R., an-, van lietzelfile 1'. II. v. den/., datum, alsmede bij wege van uitzonderinji', do sub art. 135 1!. R. aan-gebaalde vonnissen van de Arr.-R. to Amsterdam on to 's Hage v. 23 .luni 1843 on 12 .Funi 1846.

Door de deurwaarders der directe belastingen kunnen wel, krachtens art. 20 der wet v. 22 Mei 1845 {S(bL no. 22), alle exploi-ten en akten, betreffende vervolgingen voor de invordering der directe belastingen of wegens boeten in zaken dier belastingen geschieden en krachtens art. 23, vrij van zegel- en registratie-rechten, maar daaronder kunnen niet begrepen zijn de dagvaardingen, aan de belastingschuldigen als aangestelde gerechtelijke bewaarders hunner eigene in beslag genomene goederen te doen, daar deze exploiten geenszins kunnen geacht worden rechtstreeks te betreffen de invordering van belastingen of boeten, noch ook de daartoe strekkende parate executie, welke aan de deurwaarders der belastingen is opgedragen, maar voortvloeien uit de persoonlijke verplichtingen van gerechtelijke bewaarders, en behooren zij dus voor den burgerlijken rechter door de gewone deurwaarders te worden aangebracht.

Ktg. n0. 3 Amsterdam, v. 23 Maart 1849, W. a0. 1071.

*1 -1-. De vervanging van een benoemden rechter-commissaris (in specie in een faillissement) en de personele designatie daartoe is geene zaak, vatbaar voor geschil of rechtsingang, maar behelst eene rechtelijke voorziening, waartoe de meest gereede partij bij verzoekschrift beschikking kan vragen.

Air.-R. Amsterdam, v. 17 .lan. 1850, \V. n0. 1110.

*1 .V Tot invordering van plaatselijke belastingen, verschuldigd gebleven door hem, die de gemeente metterwoon verlaten heeft, moet door den ontvanger tegen den nalatigeji belastingschuldige ter plaatse van diens verblijf op de wijze, bij 't \V. v. B. 11. voorgeschreven, worden geprocedeerd.

Arr.-R. 's Hage, v. 18 Febr. 1853. Ilcmcentc-stcm n0. 81, idem bij llesolutio van don Min. v, Ijinn. Zaken, v. 22 April 1852. (ionecnlc-stcm

ocr page 19

(Art 1.

il0. 32; — anders liij Ijesluit van den g'emeeiiteriuul van Delft, v. 7 Sept. 1852, Gemeentestem n0. 50, waarbij is heslist, dat zoodanige belastingschuldige moet worden vervolgd naar de voorscliriften van de gemeentewet (bij dwangbevel).

*J€». Indien een pand-arrest tegen betaling der hoofdsom, waarvoor het is van waarde verklaard, is opgeheven, onder reserve van de kosten, nader op den gedaagde te verhalen, kan dit verhaal na de opheffing niet anders dan bij eene gewone dagvaarding plaats hebben.

Arr.-li. Breda, v. 27 Juni 1854, W. nquot;. 1560. - Cf. art. 612 B. U., vonnis van de/. Arr.-R. van denz. datum.

4?. Het voorschrift van dit art. is alleen toepasselijk, wanneereene zaak voor den rechter wordt aanhangig gemaakt, maar niet, wanneer de zaak reeds voor den rechter aanhangig is. Dientengevolge moet, bij toepassing van art. 617 15. W., de vordering ten petitoire niet bij dagcaarding, maar bij avenir, ter rolle gebracht en vervolgd worden.

Arr.-R. Maastricht, 15 l'ebr. 1855. W. nquot;. -1025; U. I!. jg. 1856, blz. 626—630; anders arr. bof Limburg 18 l'ebr. 1856, \V. u0. 1734, waarbij bet gemeld vonnis werd vernietigd.

I.S. Het recht van parate executie, bij speciale wet voor bepaalde zaken gegeven, als in casu bij de wet van !) October 1841 {SM. n0. 32) betrekkelijk de rechtsmacht der hoogere en andere heemraadschappen, dijk- en polderbesturen enz. sluit de bevoegdheid niet uit, daarvoor ordinarii) modo te procedeeren bij rau-actie.

Arr.-R. Groningen, 30 Januari 1857, W. n0. 1938.

I». De man, tegen zijne vrouw procedeerende tot echtscheiding, en poseerende, dat die vrouw afgescheiden van hem verblijf houdt, moet nogtans de dagvaarding niet aan hare verblijfplaats, maar bf aan de vrouw in persoon, of aan zijne eigene woning doen exploiteeren.

Arr.-R. Amsterdam, '10 Januari 1859, bev. bij arr. Hof Noord-Holland, 14 April 1859. li. li. jg. 1859, bl. 366—372.

Eene vrouw, niettegenstaande zij de gemeenschappelijke woning heeft verlaten, moet gedagvaard worden ter woonplaatse van haren man, en niet aan haar werkelijk verblijf (althans wanneer het exploit niet wordt gedaan aan haar persoon), vermits van geen exploit aan het werkelijk

7

ocr page 20

Art. I.)

verblijf sprake kan zijn, dan ten aanzien van gedaagden, die geen bekende woonplaats in liet Koninkrijk hebben, en die woonplaats der vrouw bij den man is, ook al heeft zij bij een proces tot echtscheiding haren intrek elders genomen.

Air.-R. Rotterdam, 31 Dec. 1850, 1!. ii. jg. 1857, bl. 185,

30. Nooit en in geen geval kan bij een vonnis op request, beslist worden over eigendom of bezit.

Air. Hof Friesland, 13 Juni 1800, \V. 2190.

SI. De deurwaarder heeft niet het voorrecht om zijne salarissen en voorschotten, wegens een door hem gedaan exploit, door den voorzitter der Rechtbank te doen begrooten en van dezen een bevelschrift van ten uitvoer legging te vragen voor de getaxeerde som, ten laste van zijn client.

Arr.-R. Assen, 19 Nov. 'I860, W . 3517.

I)ij dit vonnis is beslist, «lat het verkrijgen van eene begrooting en van een bevelschrift van tenuitvoerlegging buiten eigenlijk geding, en alleen op verzoek van den crediteur, is een exceptieve en bevoorrechte manier van procedeeren, welke, zal zij bestaan, uitdrukkelijk door den wetgever moet zijn verleend: — dat dit bij het tarief, vastgesteld bij de wetten van Augustus en 29 December 1843, niet aan de deurwaarders is toegekend, gelijk dit wel is geschied bij het voorafgaande tarief, vastgesteld bij Kon. Hesluit van 30 November 1839 (Sthl. n0. -49).

'i'£. De deurwaarder blijft binnen den kring van zijne bevoegd-heid, wanneer hij in een sommatie relateert, al wat hem nopens het aannemen van dat exploit is te kennen gegeven ; zoodat hetgeen alzoo is vermeld, volkomen geloof in rechten verdient.

Ktg. Dordrecht, 17 Juni 1802, W. nquot;. 2391.

Vgl. daarmede P. 11. van Drente, 20 Januari ISG'l, W. nquot;. 2470 (ook vernield sub art. 5 D. li.) en Arr.-R. Amsterdam, v. 30 Nov. 1859, \\. ii0. 2180 (ook vermeld sub art. A 15. R); zie ook het sub art. 443 13. li. vermeld arr. Hof 's 11a,ue, v. 7 .Maart 1881; vergelijk eindelijk het aangeteekende sub art. 1 lgt;. R., uquot;. 30.

83. Uit deze bepaling kan in geenen deele worden afgeleid, dat elke dagvaarding, zonder dat tengevolge daarvan een geschil aan liet oordeel des rechters wordt onderworpen, op zich zelve een rechtsgeding zoude opleveren. Geen verschil en bij gevolg geen rechtsgeding is aanwezig, indien de gedaagde vóór den dag, waartegen hij is gedag-

s

ocr page 21

sf-a.pt A

, r . ✓

amp; ■ , ,, a tr A. Se'iT/fi gt;1 'dotS, .

(Art. 1.

vaard, aan de hoofd vordering voldoet, zoodat de kosten, door partijen gemaakt, beschouwd moeten worden als extra-judioieele gerechtskosten, waarover de rechtbank niet te oordeelen heeft.

Arr.-R. Zwolle, 23 Nov. '1864, \V. nquot;. '2lt;S2lt;S.

('f. Ait.-U. Amstei'dani, v. 27 Febr. '1807, ii. li. jg. 1807, p. (itw.

'iX Eigenaars van verschillende perceelen waarvan de onteigening ten algemeenen nutte is bevolen, kunnen niet door de onteigenende partij bij ééne en dezelfde dagvaarding collectief worden opgeroepen.

Arr.-R. Utrecht, 24 lgt;ec. 1862, W. n0. 2444.

Hij één en hetzelfde exploit mag niet geageerd worden tegen twee personen uit twee afzonderlijke, hoewel gelijkluidende contracten, waarvan ieder van hen er een met den eischer heeft aangegaan.

Arr.-R. Amsterdam, 29 Maart 1865, \V. n0. 2721.

Vul. ook Hul' Groningen, v. 5 April quot;1853, sq. aangebaiikl sub art. 159 R. R.

Verboden cumulatie van vorderingen is het vereenigen bij één exploit van twee of meer zelfstandige, geheel van elkander afgescheiden, virderingen; in casu, het dagvaarden van iemand tot het alleggen van rekening en verantwoording zoowel in privé, als in twee verschillende hoedanigheden.

Arr.-R. Maastricht, 28 Juni '1877. It. B. jg.'1878, A. p. 205. \V. nquot;. 4104.

- Vgl, ook vonnis Ktg. I, Amsterdam '15 Dec. 1805, \\. n0. 2709, ten betooge dat men niet twee gedaagden tegelijk in rechten kan roepen en tegen elk hunner eene bizondere en van de andere, afwijkende veroordeeling kan vragen, en wel tegen den tweeden subsidiair, nam. voor het geval, dat de actie tegen den eerste niet /.ou opgaan.

Dit art. verbiedt niet, dat bij eene en dezelfde dagvaarding, vorderingen, die geheel cohaerent zijn, worden ingesteld.

Deze samenhang van vorderingen is aanwezig, wanneer meerdere vorderingen steunen op eene en dezelfde overeenkomst van vennootschap en de aanleiding tot deze vorderingen ontstaan is uit dezelfde omstandigheid.

Arr.-R. Zwolle, v. 10 Novembnr 1875, W. nquot;, 3939, ook vernield op art. 90 li. U.

ocr page 22

*^7 y , tS. .

^ £t. i-yf i uï 9^

Nergens bij de wet is in het algemeen verboden cumulatie van

twee vorderingen bij e'én exploit. Integendeel moet de gevolgde procedure bij het samenhangen van twee vorderingen als de minst kostbare, meest eenvoudige en den gedaagde in zijn verweer tegen beide vorderingen het minst benadeelende aangenomen worden.

Ari'.-R. Rotterdam,L21 Uec. 187S, \V. n0. 4329; idem Air.-li. to Amsterdam, v. 1-1 Oct. 1854, R. ü.jg. 1855, p. 178 sqq. en v. 27 Junil882, W. n0. 4903. Vergelijk arr. 1'. II. v. (ielderland, 17 Maart 1875 bij mr. Hertzvei.d u. s. blz. 105.

De vordering tot schadevergoeding tegen een schipper, wegens door zijne schuld veroorzaakte aanvaring, en die tegen den eigenaar van het schip, om te praesteeren datgene, waartoe zijn schipper veroordeeld zal worden, zijn verknocht en kunnen bij een en hetzelfde exploit worden aangebracht.

Arr.-R. 's-IIertogenbosch, 12 April 1878, \\'. nquot;. 4257.

Vergelijk in verband met deze beslissingen liet sub art. 5 li. R. vermeld vonnis dei' Arr,-U. Rotterdam, v. 7 Juni 1879.

'iü. Het is voldoende, wanneer de deurwaarder bij liet afschrift van het exploit van beteekening verklaart, dat door hem afschrift van het beteekende dwangschrift is gegeven, al is dat laatste afschrift zelf niet door hem voor copie conform geteekend ; waarbij nog in aanmerking genomen moet worden, dat in casu de beide afschriften achter elkander geschreven waren, zoodat het copie conform onder het afschrift van het exploit, ook op het daarboven staande afschrift van het dwangbevel moest slaan.

Arr.-R. Zutphen, v. 21 Sept. 1805, \\. nquot;. 2768.

lt;50. De strekking van het voorschrift, dat elke rechtsingang aanvangt met eene dagvaarding, is uitsluitend om te kennen te geven, dat voorafgaande autorisatie of poging tot minnelijke schikking onnoodig is.

Arr.-R. Maastricht v. 29 Dec. 18(1(1, W. n0. 2910, waarbij beslist werd, dat waar gcene der partijen ten dienenden dage verschijnt en de zaak evenmin ter rolle is ingeschreven, bet exploit geen rechtsgevolg hoegenaamd kan hebben; vergelijk biermede het aangeteekende sub art. 1 li. li. no. 9.

lt;8 ï. Indien bij een orderbillet tweeledig domicilie is gekozen,

.

ocr page 23

(Art. 1.

namelijk : ter zake dezes (d. i. voor de betaling), en voor de jurisdictie, (d. i, voor de actie, die op niet-betaling zou kunnen volgen) moet het protest van non-betaling aan het eerste, doch het exploit van dagvaarding aan het laatste domicilie worden gedaan.

Arr.-R. Auisterdaui, v. 'i;} Dec. 1808, W. uquot;. 3120.

«S. De woonplaats van den schipper, die met zijn gezin in zijn schip woont en geene andere woning op het land heeft, moet verbonden worden aan het schip zelf, alwaar dus de dagvaarding moet worden uitgebracht.

Ktg. Oudenbosch, 7 Sept. 1809, W. n0. 3178.

Zie echter het vonnis der Arr.-R. te 's Hertogen!)oseiu 21 Oct. 1859, \V, n0. 2304, waarbij uitsluitend werd gelet op de (jemcenle, waar de schipper alsnog was ingeschreven, zonder dat liij tijdens de dagvaarding aldaar eene woning had of er met zijn schip verblijf hield.

lt;5!gt;. liet kon niet beweerd worden, dat de vrouw uit eigen hoofde in het proces is opgetreden, als in de dagvaarding is opgenomen, dat de vrouw is bijgestaan en gemachtigd door haren man, al wordt het optreden van den man zelf, niet uitdrukkelijk in het exploit vermeld.

Arr.-R. 's-Gravenhage, 25 Juni 1872, VV. n0. 3480.

3«. Een exploit van dagvaarding is eene authentieke akte in zoover, als de deurwaarder met het exploiteeren belast, hierbij vermeldt hetgeen de wet dien ambtenaar, binnen den kring zijner bevoegdheid, ter constateering heeft opgedragen. Hierbuiten valt 'net consta-teeren van woonplaats van eene der partijen, daar de wet zelve de plaats aanduidt, alwaar een persoon geacht moet worden zijn wettelijk domicilie te hebben.

Arr.-R. Amsterdam, v. 17 October 1878. \V. nquot;. 4378. Verg. liet sub art. 1 B. R. n0. 22, aangeteekende, en speciaal het daar vermeld vonnis derzelfde Rechtbank van 30 Nov. 1859, waarbij werd beslist dat des deurwaarders opgave omtrent de plaats, waar het kantoor der gedaagde vennootschap is gevestigd, volkomen geloof in rechten verdient.

Zie ten betooge dat een deurwaarders-exploit, waarbij ten verzoeke van een schnldeiscber wordt aangezegd, dat door hem aan een aangewezen persoon volmacht is gegeven om gelden te ontvangen, niet gelden kan voor onderhandscbe en evenmin voor authentieke volmacht,—Arr.-R. te Maastricht, v. 10 Febr. 1871, \V. liquot;. 3322, aangeh. ad art. 1905 li. VV., sub n0. 31.

11

ocr page 24

(/•/. i.)

:«8 . Zie ten betooge :

a. Dat de recliter, uit krachte van art. «5 der na te melden wet, up geene vordering mag recht doen, wanneer in de dagvaarding de benaming van eene oude maat of een oud gewicht is gebezigd — de Wet van Aug. LSJfi [SUd. nquot;. 34), arr. van 2 April 184.7, sub nquot;. 1 (d. 1, p. 139). Zie verder beslissingen hiertoe betrekkelijk sub art 3 der gemelde wet, aangehaald in Rechtspraak Mr. v. Emden II p. 356 en art 48 B. li. arr. v. denz. datum , — anders door Mr. A. Oude-man, in de Opa m Med., d. II, p. 191 — 11)5. — Vgl. hiermede een vonnis van de Arr.-ll. te Groningen v. 23 April 1843, R. Bijbl. d. \ . p. 510—512, waarbij ook, met het oog op 't Kon. 15esl. v. 1 (i Aug. 1S23 [Slbl. nquot;. 32), is beslist, dat het vermelden der oude maten en gewichten nevens de nieuwe niet is verboden, wanneer de vermelding van de oude maat slechts is eene aanduiding van het land, hetwelk partijen bedoelden, en geenszins eene rechistreeksche vermelding van de oude. maat nevens de nieuwe, strekkende om de ver-houdlug tusschen deze heide aan te wijzen, en alzoo de juiste hoegrootheid van het land, waarover men handelde, kenbaar te maken ten gerieve van diegene der partijen of van beide partijen, welke nalatig mochten zijn gebleven, om zich de nieuwe maat eigen te maken.

Voornoemde wet, en bovengemeld Kon. liesl. zijn afgeschaft bij de wet van 7 April '1869 (Sthl. ti(l. 57), die daarvoor in de plaats is getreden.

Zie naar aanleiding van deze wet, de beslissing der Arr.-Rb. te Deventer v. 28 Januari 1874, \V. nquot;. 3683, Inidende: »Het is noch bij (Ie wet van 7 April '1869 (Slhl. nn. 57), noch l)ij eenige andere wet, den deurwaarders verboden in hunne akten, processen-verbaal en exploiter! de benaming van oude maten te bezigen, wanneer die terzelfder tijd tot wettelijke maat zijn herleid.quot;

0. Dat de verschijning ter aangewezene terechtzitting, ten gevolge van de verwijzing, in art. 825 W. v. Iv. vermeld, geene weren of defen-siën hoegenaamd ontneemt, noch het gebrek van dagvaarding dekt in de gevallen waarin die wordt gevorderd — art. 825 W. v. K., vonnis van de Arr.-R. te Amsterdam v. 21 Nov. 1839, sub n0. 2.

c. Dnt de erkende schuldeischer in een faillissement, na de insolvent-verklaring des boedels van den schuldenaar, dezen niet op nieuw voor dezelfde vordering, or dinar io modo in rechten kan aanspreken, maar de proces-orde moet volgen, voorgeschreven bij art. 886 \\. v.

ocr page 25

18 Art. i.)

Iv — art. 886 W. v. K., vonnis van de Arr.-ll. te Hoorn v. 24 Sept. 1851, sub no. 1; idem van fie Arr.-R. te Amsterdam v. 10 Dec. 1852, H. Bijbl., jg. 1853, p. 129—132. — Cf. in gelijken zin art. 720 B. R,., arr, van 't P. II. in Gelderl. van 18 ^lei 1844.

(I. Zie omtrent de dagvaarding aan gekozen woonplaats een opstel in W. n0, 2429:

bij de Arr.-Rechtb. te 's-llertogenhoscli namelijk deed zicli de vraalt;;-voor, of, wanneer gedagvaard wordt aan een gekozen domicilie, en de gedaagde niet verschijnt, de eisclier moet doen blijken, dat er werkelijk een domicilie ad hoe gekozen was, om verstek te verkrijgen.

liet Openbaar Ministerie concludeerde overeenkomstig de conclusie van den procureur des eiscliers, dat bet verstek zou worden verleend, aanvoerende. dat bet feit van kiezen van domicilie voorloopig moest worden aangenomen, even als de andere opgaven van bet exploit; dat van den eiscber niet gevorderd wordt, dat bij bewijze, dat do gedaagde werkelijl; woonl ter plaatse, waar bij in de dagvaarding gezegd wordt te wonen, en bij nu ook niet verplicht is bet kiezen van domicilie ter aangewezen plaatse te jnstiliceren, evenmin als hij bijv. het meer exceptioneel domicilie van art. 19 (lees: 79) Burg. Wetb. zou behoeven te bewijzen.

De rechtbank nam bij vonnis van 14 Nov. ISO'i oen andere zienswijze aan. /.ij overwoog, dat de dagvaarding aan een yekozi'n domici/ic is een afwijking van bet gemeene recht, en dat do eiscber het bewijs moest leveren, dat hij gerechtigd was op die bizondere wijze te dagvaarden; en aangezien daarvan geenerlei bewijs was overgelegd, weigerde zij het verstek en vernietigde de dagvaarding.

p.. Zie omtrent het verband tusschen de artikelen 1. 2, 4 en 439 I), li. arrest P. 11. Overijssel van 31 .lanuari 1853 bij Mr. L Hert/.vem), Burg. Reglspr. in Overijssel, bl. 45.

»•*. Zie omtrent de vraag ;

a. Of de afzetting van een voogd bij dagvaarding gevorderd, dan wel bij verzoekschrift gevraagd moet worden — art. 438 B. W. arr. v. 1 Sept. 1864 sqq. sub n». 1, art. 430 B. W., arr. van 't P. H. van Z.-Holl. v. 27 Juni 1849 sqq. sub n0. 3 en art. 140 B. W. n0. 3. — \rgl. hiermede nog Mr. A. O. in de Opm. en Mud. d, VII, ]). 183—191, die (met aanhaling van een arr. van 't P. II. van Groningen v. 3 Jani 1851) het meer algemeen door de auteurs en de jurisprudentie gehuldigd gevoelen deelt, dat hier een verzoekschrift meer aannemelijk voorkomt.

h. wie als eischer is te beschouwen —- art. 152 B. R. Arr.-R. Amsterdam 9 Maart 1859 sqq.

ocr page 26

■OQJO . 2- OdZ, . / *- l'l*— TjZycS^ti^

quot; .amp;lt;*-L f^a-i~ tCLfx-A-i^ ^Ln-—- ^9^^. ' ' , ? t1 ^

CLTL-rt-tlct-y C'JL* ry ' gt; '^Igt; J lt;~ ^n^e-^t— •' quot; ^quot;/ ^•

2.7 ^Vrn^. ilt;Pq/, /? ^y.

Art. 2.) 14 ' f ' S 7

Zie eenige opmerkingen omtrent den titel VUT «van exploitenquot; in liet onder toezicht van Blr. A. A. de Pinto (bij Gkiirs. Belinfante in 1865) uitgegeven Ontw. van een Wetb. van Burg. Rechtsv., Mr. van Bonevai. F au re in N. Bijdr. dl. XVI pag. 249 vlgg.

/,ie omtrent de verrichtingen der deurwaarders, J. Franse: »deNeder-iandschedeurwaarderquot;(1874), handboek met forniulieren voor deurwaarders.

i-ï

.. ^ ^ Art 2

_/ r^' C ^ Sn./et vrtes

I ])!(; nrt, behandelt alleen het geval, waarin een werkelijk verblijf

/irt-n, 0j' (jomjci|je bekend is, en afwezigheid van den geïnsinueerde of diens

huisgenooten de beteekening aan de woonplaats onmogelijk maakt.

1rw^ - Arr. v. 27 Maart 1857, W. nquot;. 1839; v. n. H. B. B. d. XXI. bl. 227—

jts'Cquot;gt;-'a Js 244; R. d. LY § 52, aangeb. ad art. 74 B. \V.. nquot;. 3.

a£i ^ ^ o ^rt. £ H 11 vordert niet, dat de deurwaarder (in casu overeen-

faypes-oj- komstig art. 4, nn. fi, de dagvaarding willende beteekenen) in zijn

/, 'rrrSrZ ^ exploit de redenen vermelde, waarop zijne overtuiging gegrond is,

Zy-** (|aj. ^jj niemand aanwezig vindt aan zeker daarin bedoeld sterfhuis, en

^ waarom hij zich genoodzaakt heeft gezien, afschrift ter hand te stellen

vtvK ,la]1 jie(. |1()()ffj van i)et; plaatselijk bestuur,

i Iet is voldoende, dat hij eenvoudig het feit constateert van niemand

^ ■ v. 1 11 j

aanwezig te hebben gevonden.

Ait v _ 0ct ]85g^ w n„ 2,]00_ v ^ jj j, u d XX1[]_ b, 34g_

($-. Ttf 7/i/, 358; R. d. LXOI, § 14; op dien grond vernietigende vonnis Arr.-R. Am-

^ sterdam, 27 October 1858, \V. n0. 2090, R. B. IX, blz. 174, waarbij liet

exploit wegens gemis van bovenbedoelde motieven was nietig verklaard.

J''en gerechtelijk bewaarder, dien de deurwaarder bij een vroe-é/^t,-yv2s-- ger gelegd pandbeslag ten verzoeke des eischers over de goederen van een gedaagde heeft gesteld, behoort niet tot de huisgenooten in den zin van art. 2 B 11 en is mitsdien een exploit, aan zoodanig bewaarder gedaan, nietig.

Arr.-R. Amsterdam v. 29 Sept. en 0 Oct. 1841, R. Bijbl., jg. 1842, d. IV, p. 115—116.

41. De vermelding in de kopie-dagvaarding, dat het origineel door het hoofd van het Plaatselijk Bestuur met gezien is geteekend, hoezeer uit den aard der zaak tot de volledigheid van het relaas van den deurwaarder noodzakelijk, is echter bij de wet niet uitdrukkelijk voorgeschreven, en kan alzoo geene nietigheid van het exploit ten gevolge

ocr page 27

■/by oCc- f^'jrrsi*.^ ^ flt; lt;*./■amp; ^ X J^ck ^o/(Z

f /

; * I ,lt; ^ cy/,J2^ gt;17 £ -t^i- p a- 2- *?a^7lt; / a 1 14 * 7 ' ^t Ö^£ty2_

/ ' ./

Ur e*. o/-«- y.quot; . 4 . lt;-■ »t. , A ^o/c, .it ft I I. / / / OT-a»^. r»'r ■ t* Z- , l~~t* Gf

c.. . ^r... ^Ai- ^ £^~x cy?.- ^ .'Jgt;-r- , ■'*..J)Z~ , ./?0. bAc.,^Z- ZcjiJamp;swX

, 1.-) MW 2.

0''4igt;r Ul. nquot; IcHlL.

TO

V.d- •

hebben, indien de teekening voor gezien zicli werkelijk op het oorspron-IcelijJe exploit bevindt, en daarmede voldaan is aan liet voorschrift quot; quot;x^fx/ der wet. ■pvio-t- /fa.

Ai'r.-R. Utrecht, v. 31 Mei 1844, R. Bijhl., jg;. '1844, d. VI, p. 447—455. — Urrryf^ In een tegenovergestelden zin beslist onder vigeur van nrt. 68 C. de Pr.

Civ.. bij arr. van 't Fransche Hof van cassatie v. Ifl Mei 1830 (SiiiF.v, jjerct.lt;^!^ r t. XXX, p. 380 en t. XXXVI, pag. 300); men zie Carré, ad art. 68, Q 368 3°. (ed. Brussel 1846). De slotbepaling echter van art. 68 was algemeen: ^ y nLliirissier fora mention (hi tout tant sur l'iirif/lmil lt;iuc sur la copie.quot; ^ ^ ^y-/- ^ Onze wetgever intnsschen drukt zich meer bepaald uit (zie art. 2 H. R.).

Het schijnt dus dat de Nederlandsche wetgever de strijdvraag van het Fransche recht heeft willen beslissen, in tegengestelden zin van dien van cim*- quot;

het Fransche Hof van cassatie. (Lkon.) SLa,

5. Eene dagvaarding is niet nietig, wanneer de deurwaarder daarin ^

/ , /(nax. /GO.

niet bepaaldelijk vermeld heeft, dat hij noch den gedaagde, noch iemand van diens huisgezin aan zijne woonplaats heeft gevonden, en eene andere uitdrukking {in casu dat de gedaagde en zijn huisgezin varende waren) gebezigd heeft, om zulks aan te duiden.

Een gedaagde zich op zoodanige nietigheid beroepende, moet in allen gevalle bewijzen, dat hij of iemand van zijn huisgezin aan zijne woonplaats was, tijdens het exploit van dagvaarding werd gedaan.

Arr.-R. Utrecht, v. 31 Mei'1844. li. Bijbl.. jg. 1844, d. VI. p. 447—455;

idem Ktg. 's Uosch. 5 .Inli 1877. W. nquot;. 4301, waar het gold de verklaring van den deurwaarder, dat hij ten woonhuize van den gedaagde de deur gesloten vond. — Cf. in gelijken zin Cahrió, (ed. Brussel 1846)

ad art. 68 C. de Pr. Civ., Q 365.

ÏS. Aan het voorschrift van art. 2 B. R . (waarvan de niet nakoming, gelijk in casu, bij niet verschijning des gedaagde de nietigheid van de dagvaarding tengevolge moet hebben) is niet voldaan, wanneer de deurwaarder, noch den gedaagde, noch iemand van diens huisge-nooten, aan zijne woonplaats vindende, bij afwezigheid van den burgemeester, het afschrift der dagvaarding aan een lid van den gemeenteraad ter hand stelt.

Ktg. Loenen, v. 28 Juli 1847, W. n0. 843.

%. Een deurwaarder, die het afschrift van het exploit ter hand stelt aan den broeder des gedaagde, die zich te diens iiuize bevindt, ofschoon hij ook elders moge wonen, en die zich met de aanneming van

ocr page 28

,-lt;gt; lt;. .. u lt; r , AcC 7\Sc /7 . rquot; ^4*-— ( io /c a '-ï* - ^S-e.

/

\ (.■ r-*~ . Q_ ?C O O** t » /r' c ' f 1 ■gt; ■ lt;2---^ r « — /'gt; r / ' S'■*-lt;*lt; r y.x ir^* 6 * t?y ^

è)rx/. IxnAr/i-tquot; S?'7^ f fS'.- lt;y t ft »-S£v£.f*Va

X. T

j tA-K-'fycKP. /lt;. \ nquot; ■ '7'*'.

liet ex])l()it als huisgenoot belast, heeft aan het voorschrift der wet behoorlijk voldaan.

Ktf?. 's-Gravenliage, v. 24 Juni 1857, W. no. 1909.

S. Woonplaats kan niet wettelijk gedacht worden zonder rooi dug. De deurwaarder kan dus zijn exploit niet doen bij den burgemeester, wanneer hij geconstateerd heeft, dat hij gedaagdes woning niet vond.

Air.-U. Amsterdam, v. 1\ Mei '1871, I!, liijbl. Jrr. -1872, p. IMü, \V. nquot;. 3888.

fgt;. Dit artikel ziet niet op processen-verbaal van inbeslagneming

Hof Arnhem. 22 Mei 1878. I!. liijdi-. j--. 1879. A, p. 189, W. nquot;, 4270.

IO Zie ten betooge, dat moet worden gerecurreerd tot de alge-meene regelen, in art. 2 H, li. omschreven, daar waar blijkens het relaas des deurwaarders, de op het orderbillet zelf aangewezene woonplaats des acceptants wel door hem is gevonden, maar die woonplaats bij zijn komst gesloten was, en niettegenstaande het herhaald aanschellen niemand te voorschijn kwam — art. 181) \\*. v. K., arr.

van 't I3 II. van N.-Iloll, van 15 Juni ISIS, sub nquot;. 4.

\rl.

f. Hoewel in het algemeen het \V. v. B. R. veronderstelt, dat man en vrouw beiden kunnen worden gedagvaard, zoo als blijkt uit art. 3, is daaromtrent echter geen gebiedend voorschrift, noch eene verplichting bij de wet opgenomen, veel min op straiie van nietigheid geboden, dat steeds (in casu in het geval, voorzien bij art. 164) man en vrouw beiden zouden moeten gedagvaard worden, zoodat men rechtens voor het geval van art. 164 B. W. (ook met het oog op artt. 160 en 163) kan volstaan met den man te dagvaarden.

Ktg. liquot;. 4 Amsterdam, v. 28 Juni 1852, It. Bijbi., jg. 1852, p. 039—042. — Cf. art, 100 li. \\'., vonnis van 't Ktg. nquot;. 4 Amsterdam v. 24 Sept. 1850 sqq., sub nquot;. 4; art. 108 eod., vonnis van 't Ktg. n0. 4 Amsterdam, v. 0 Nov. 1849 sqq., sub uquot;. 4 en art. 179 eod., vonnis van de Arr.-R. 's Hage, v. 28 Mei 1839, sul) n0. 15.

ocr page 29

{Arl. 'ó.

lt;5. Dit artikel moet niet zóó verstaan worden, dat aan den gein-sinueerde zoo vele afschriften van het exploit moeten gelaten worden, als hij kwaliteiten bezit. Eén afschrift, ook bij meerdere kwaliteiten, is voldoende.

Arr.-R. Groningen, v. 15 Juni 1855, R. Ti. jg'. •185fi, dl. VT, bl. 414—41n en W. n0. 176.quot;).

Verg. ook Mr. C'. M. van her Kemp: Ontw. v. h. reclit betr. lt;le Ktg.. (:io druk door Mi'. I., G. Gueeve) 1)1/. quot;243.

Verg. i'. 11. v. Drente, v. 31 Jannavi 1852, lï. 11. jg. 1855, dl. V, blz. 493, waarbij de kwestie zelve niet is uitgemaakt, maar waarbij is beslist, dat. wat daarvan ook zijn moge, wanneer zoo als in casu, in bet relaas der beteekening in de oorspronkelijke dagvaarding vermeld wordt, dat aan den gedaagde twee afscbriften zijn gelaten, zulks volledig is bewezen, en daartegen niets kan afdoen bet door gedaagde voorgebrachte afschrift van het exploit, daar het in den aard der zaak ligt, dat eene dei' copiën van een aan meerdere gedaagden beteckcnde dagvaarding, ten aanzien van die beteekening, dikwijls niet alles bevat, betgeen in het oorspronkelijk is vermeld.

/ie naar aanleiding van dat laatste, een opstel van den heer A. van liurilEN in W. nquot;. 3485, ten betooge dat het eerste lid van dit art. eigenlijk onuitvoerbaar is en dat, wanneer er meerdere gedaagden zijn. er niet opgemaakt moet worden, zooals gewoonlijk geschiedt, één oorspronkelijk exploit voor hen allen, en voor ieder een zoogenaamd afschrift daarvan, maar voor elk hunner een oorspronkelijk ex]gt;\oit met afschrift.

Verg. verder Arr.I!. Amsterdam, v. 20 Juni 1876 sub art. 3 1». R.

3. De bepaling van het eerste lid van dit art. geldt alleen voor het geval, dat de rechtsingang wordt aangevangen.

P. H. v. Zeeland, v. 26 Juni 1855, VV. 11°. 1674, ook aangehaald op art. 612 B. It.

4-. De dagvaarding van eene firma en een lid der firma is nietig, wanneer niet aan elk der gedaagden afschrift gelaten is; doch ue daarop gegronde exceptie kan worden verworpen, wanneer de gedaagden zich met de zaak inlaten, en daardoor bewijzen, dat zij daarbij niet zijn benadeeld.

Arr.-R. Amsterdam, v. 25 Febr. 1857, R. R. jg. 1857, bl. 405—iOS. — Cf. Mr. v. d. Kemi'. t. a. p. pag. 243.

5. Deze bepaling heeft niets met de openbare orde te maken, maar beoogt alleen het belang van de gedaagden.

Mitsdien behooren deze hun exceptiën van nietigheid — op strafte

Mr. W. van Kossem Bz., Burg. liechtsv. 2

ocr page 30

,1/7. :5.) ls

van voor gedekt te worden gehouden — voor n.lle weren en defensiim

voortestellen.

Kto'. Fgt;n\moor, v. 2MV'i 1800, W. no. 'iS.fi.

lt;*. Wanneer één der gedaagden voor allen liet exploit bij een enkel afschrift heeft overgenomen, behoort, bij niet verschijning der overige, het verstek te worden geweigerd en de dagvaarding nietig te worden verklaard, ook al wordt aangevoerd dat het aannemen van één afschrift met gemeenschappelijk overleg heeft plaats gehad.

Ait.-R. Amsterdam, v. '25 April 1870, W. nquot;. 4042.

■J. Waar twee gedaagden gedagvaard worden, belmoren in ieder afschrift de naam en woonplaats van hen beiden op strnfi'e van nietigheid te

worden uitgedrukt.

Arr.-R. Amsterdam, v. 20 .Timi 1870. \V. n . 42-12. — Cf. het daartoe lietiekkclljk arr. Hof Amsterdam, v. 10 Oct. 1877. W. n». 4200. wanrbij ecliter bovenstaande vraag uiel is hehandold. Vergolijk met ln^t vonnis, liet aangetoekeade sub art. .gt; Ti. R. iin. 1.

Ui. 4.

^I. De collective dagvaarding, ingevolge art. 4, nquot;. 0, gedaan aan lt;2— het sterfhuis, moet niet geacht worden ook te zijn gericht tegen de weduwe, die met haar overleden echtgenoot in gemeenschap van goe-deren was gehuwd, daar die gemeenschap in allen gevalle de schuld-^ eischers als derden niet aangaat, maar de gevolgen daarvan eenighjk

'■. Hrf. tusschen de erfgenamen van den overledene en zijne weduwe moeten worden geregeld.

' Arr. v. 10 Maart 1853, W. nquot;. 1418, R., d. XI.1V, § 33; v. n. TT.. P..

quot; — R. d. XVI. bl. 108—120.

'5. In den zin van art. 4 n0. 4, B. R., is gemeenschappelijlc kantoor elk kantoor, waar de zaken, die het voorwerp van de onderneming der maatschappij (in casu eene levensverzekering-maatschappij) uitmaken, voor hare en dus gemeenschappelijke rekening gedreven worden.

Waar nu feitelijk is beslist; dat de vreemde maatschappij een door haren agent vertegenwoordigde directie en een kantoor voor Nederland te Rotterdam heeft, dat met de directie aldaar is gehandeld en de polis aldaar voor de maatschappij is geteekend, zoo volgt daaruit, dat de beteekenini? terecht aan genoemd kantoor is geschied.

ocr page 31

7

tfl/e. I)(JU~ i // Mixu: K'éyjrS-.

IAP '(lt;$-■ ÓJ^KP^.

( i A

1,'oiP-t-

An-, v. -I!) Oct. 18(10, AV nquot;. 2227. It. d. LXVf S; 6, v. n. II.. IS. 1!.. .1.

XXIV, b1. 291—2%, waarbij liet beroep in cassatie werd verworpen tegen het arr. P. H. v. Z.-Holland van *19 Maart'18G0, dat het vonnis der Arr.-Ii.

's-Oravenhago van 1(1 Dec. 1859 bevestigde, beide laatste in W. n0. 2107.

3. Art. 4 n0. 3 en a n0. 2 B. R. bepalen niets omtrent de wijze,

waarop eene gemeente als eischende of verwerende partij in rechten moet optreden, hetwelk integendeel geregeld is bij art. 71 der Gemeentewet, uit welk art. o. a. voortvloeit, dat in een geding tegen de gemeeiite, niet die gemeente, maar haar burgemeester moet gedagvaard worden.

Air. v. 9 Dec. 1864, W. 2048, IJ. d. LXXV1II § :U, v. n. li.. !!. R.

d. XXIX, bi. 143—154, bevestigende arr. P. II. v. N.-Brabant 27 Oct.

1863, W. n». 2532, waarbij vernietigd werd vonnis Arr.-R. Breda. v. 18 Nov. 1862, AV. n0. 2456; idem Arr.-R. Nijmegen, v. 0 .lan. 1854, \V.

no. 1531. Vergelijk, wat speciaal het eerste deel van bovenstaande beslissing betreft, in denzelfden zin Arr.-R. Leiden v. 16 Jan. 1872, \V.

n». 3483. Zie voorts ten betooge dat art. 71 Gem.-wet eu art. 5 n0. 2 B. R. gelijktijdig kunnen bestaan en werken, een opstel in AAr. nquot;. 2668.

Anders Arr.-R. Winschoten, v. 6 l'ebr. 1870, AA', n0. 3243, waarbij is beslist, dat uit art. 71 Gem.-wet niet volgt, dat bij het introductief exploit juist de burgemeester en niet de verbonden gemeente in rechten moet gedagvaard worden, maar alleen uitgemaakt wordt, dat indien de ge-meente als eischeresse wil optreden, of als gedaagde zich verweren, zij dit doen moet in den persoon van haren burgemeester. Zie in denzelfden zin AA', n0. 2523 (Mengelwerk). — Cf. art. 475 B. R. vonnis van de Arr.-R. Amsterdam, v. 27 Nov. 1850 en art. 135 B. R., vonnis van Arr.-R. 's-Bosch, v. 23 Feb. 1847 sqq. — Zie in denzelfden zin ten aanzien van de dagvaarding van eene provincie, met een beroep op art.

5, 2°. B. R., een ingezonden stuk in \V. n0. 2152 onder den titel: »Hoe moet de provincie gedagvaard worden'.'quot; Zie omtrent dagvaarding ten verzoeke van den Staat en andere zedelijke lichamen het aangeteekende sub art. 5 1!. R., nos. 7, 20 en 47.

■4. De woorden van art. 4, n0. 6, B. R. quot;(en aanzien der overledenen'', zijn algemeen en kunnen niet beperkt worden tot vorderingen, die schuldeischers ten laste van een overledene hadden, maar zijn ook upoz,

van toepassing op alle vorderingen tegen de erfgenamen, om iets uit ^

den boedel van den overledene te ontvangen, of op alle vorderingen van de erfgenamen onderling, en dus ook tot uitkeering van besproken legaten. 3o ckl. uPfo, /-. /Jfo, crv,- CS. n°. Sj ri,

P. II. v. Holl., v. 23 Dec. 1839, \V. n». 89; li. d. VII, § 32, te dien aanzien vernietigende een vonnis van de Arr.-R. te Amsterdam v. 18 Juni 1839, R. Bijbl. jg. 1842, d. IA', p. 770 en 777 ; idem bij vonnis der Arr.-R. te

^ ^ tuiert. Ce-ct

i ^ if

! l' |!S

i't*.

is

l

i I

{'

.

(LJL,—

?'

r

(' '

1/TJx^QJOuuL-a A

0gt;~^ O r/oT. .

ocr page 32

Art. 4.)

Araastrirlit, v. 9 Maart 1848. W. no. 954: P.. Rijbl. jft. 1848. J. X. p. 000—^08. \vaavl)ij dienovereenkomstig is lieslist, dat iemand die lii.j testament tot executeur en voogd over minderjarken is benoemd, ter uitvoering \aii liet testament, de erfgenamen in ééns en zonder uitdrukking van namen of woonplaatsen, aan de laatste woonplaats des overledene mag dagvaarden; idem iu een vertoog van Mr. D. II. Lkvyssoiin'. Themis, 2dejg.,p.22sqq., en in een opstel van Mr. (1. Diemiuis in Tijdsein-, v. li. Ned. Regt VHI, lilz. -150 sqq.; verg. ook vonnis Arr.-R. Groningen v. 28 Nov. 1873, W, no. 3708, waarbij vooral op grond der beraadslagingen is beslist, dat sten „aanzien van overledenenquot; niet anders kan betcekenen dan «ten aanzien „van de erfgenamen als zoodanigquot;. — Anders door Mr. L. Mei man, W. AyvcUn-o a-r-t n0 89. llE pINTO 11. R. 2e ged., 1ste stuk, (2de dr.), p. 28 en 29; en i 7^^ een vonnis van de Arr.-R. Gorineliem v. 20 Jan. 1844, R. Rijbl. jg. 1844 d.

ob-— • v| p. 303_368. — Vgl. ook v. n. IIoxert, lldb., p. 160; art. 94 1!. R..

IpvLJÏ anquot;, van 't P. H. v. lloll. v. 23 Dec. 1839 en art. 94 P.. R.. vonnis van

e* lie Arr.-R. te Amsterdam, v. 18 Juni 1839 nt supra. 0. q /ie verder ion betooge dat dit voorschrift niet toegepast kan worden

. / iquot; (]0 .ic^e tot boedelscheiding tnsschen de erfgenamen onder-

'Wfy rfCjO, ' ■ ling, Arr.-R. 's P.osch, v. 2 Febr. 1877, R. 1!. jg. 1878, A p. 195, waarbij /4 /* ' beslist is, dat tot de acties tegen de erfgenamen, waarop deze bepaling

. ' 5 6- alleen het oog heeft, zvher niet behoort die tot boedelscheiding; idem

^ L . i.^0' bij vonnis der Arr.-R. Rotterdam, v. 28 April 1879, W. no. 4387, R. 1!.

2 yo LrC jg, 1879, A. p. 204. Zie naar aanleiding van deze beslissing een opstel

/ ' 'jlU- ^ \can (■ r, jn \v. nu. 4390, waarin wordt gevraagd of dit met het oog JUr0^ . op art. 492 II. R. wol zoo zeker is? Zie, eveneens naar aanleiding van T 'J dit vonnis, W. nquot;». 4393, 4395 en 4397; idem Mof 's Hertogenbosch,

' 7.^' v. 24 April 1877, R. li. jg. 1879, A. p. 203. Zie eindelijk over de wijze van

f f,*/' dagvaarding der erfgenamen tot het hervatten van het geding, tegen

i ' hun erflater aangevangen, arr. P. 11. Zeeland, v* 26 Juni 1855, vermeld

sub art. 258 R. R.

5. Ue Drentsche markgenootschappen niet anders kunnende en moetende beschouwd worden dan als zedelijke lichamen, volgt hieruit, dat de dagvaardingen aan die markgenootschappen gericht, ingevolge art. 4, al. 2. IS. 11, zelfs daar, waar het geldt eene scheiding en deeling der mark, moeten worden beteekend aan den zoogenaamden volmacht of volmachten, den persoon of personen, welke bij de Drentsche markgenootschappen gekozen en benoemd worden, om voor allen op te komen, zeker toezicht en beheer te voeren, of ter woon-plaatse van dezelven, of wel ter plaatse, waar de volmacht of volmachten als zoodanig gewoonlijk zitting houden, indien er eene zoodanige plaats mocht zijn.

P 11 v Drente, v. 21 Maart 1840, R., d. XIII, § 69; — anders bij vonnis der Arr.-R. te Assen, v. 24 Jan. 1818. W. n„. 1043; R. Rijbl.,

20

ocr page 33

/f a n ~ o, -gt; rr£ o^r~trr 'Oul^-^ lt; f~€^c-'-tj^CiA-

» 1/7 t.)

J . I t . U J 2 ■gt; '

y re./'y.

volgens hetwelk ile inarkgenoot, die sclieicling' wil vragen, niet anders kan doen, dan ieder niarkgenoot in het bizonder oproepen, in welk opzicht het zedelijk lichaam niet een gewone maatschap moet worden gelijk gesteld. — Vgl. hiermede over de moeielijk-heden, om markgenootschappen te dagvaarden onder hot Fransche recht.

een stuk van Mr. L. (). Gratam.v, in quot;t iter/t in Scdcvi., d. II, p. 350,

alwaar mede op dat onderwerp een belangrijk vonnis van de Rechtbank van eersten aanleg te Assen wordt medegedeeld. Niet geheel op dezelfde,

wijze als bij dit vonnis en meervermeld arrest geschiedt, heeft de lloogl.

vax Hai.i. de markgenootschappen als rechtspersonen van eene bizondere soort voorgesteld en de wijze, om tot onthefling daarvan te geraken, behandeld in zijne Ilandluidiny gt;5 52, 4, p. 119; zie ook § 56, 2. /», p. 127.

Vgl. wijders do noot van den heer J. c. vvx dku Mheii Moun oj) het arr. van 't P. II. v. Holl. v. 12 Febr. '1840, 1!.. d. Vlll. § 28, in het I!.

li. jg. 1842 d. IV. p. 353,'en omtrent de vraag of eene scheiding en verdeeling van markgronden valt onder de bepaling van art. i'Jic dei'Gemeentewet,

dan wel moet worden geregeld naar de wetten van den KW™ van Grasmaand 180!) en den !i 1 van Üloeimaand 1810: art. 1000 I!. \V. sub nquot;. 8 in line, alwaar bij de aangehaalde literatuur nog gevoegd 1111 iel worden; Mr. A .\l. I'i.ki.itk. »de recldstoestand der marken in Nederliind' .

Zie eindelijk omtrent den aard van inarkgenootscha|i|ien, art. 1000 I!. W..

sub nquot;. 8 initio; verg. ook aant. '10 van art. 1692 li. W.

ft. Belgen, tijdens den opstand en vóór het Tractaat van 1839,

door Nederlanders gedagvaard wordende, moesten worden beschouwd

als personen, die in dit llijk geene bekende vaste woonplaats hadden.

P. II. v. Zeeland v. 12 Mei 1840, R. Mijbl. jg. 1846, d. VIII, p. 010 en 617.

?. Het beweren, dat het tot opvolging der wijze van dagvaarding,

bij art. 4, n0. 7, voorgeschreven, genoegzaam zou zijn, dat de woon-

plaats of het verblijf van den gedaagde aan den aanleyger onbekend e.ct-'t'quot;—

is, is niet aannemelijk, alzoo een zoodanige uitlegging het steeds in de

macht van den aanlegger zou laten, naar willekeur, een gedaagde als al L

SP ) 1 a o A)e-lt;r rsy

of niet eene bekende woon- of verblijfplaats hebbende, te beschouwen,

rt'óySf- (1

'f-u/L. 2a. (■h^c

zijn de integendeelde aanlegger (overeenkomstig den rechtsregel qui acjlt certus esse debet) verplicht deswege het noodig onderzoek te doen.

.1 loewel daaruit voor hem, vooral met betrekking tot het onderzoek ^9 ^' naar erfgenamen van een overledene, soms moeielijkheden mochten geboren worden, ontslaat hem dit echter in geenen deele van de opvolging der wetsbepalingen, zoo lang die kunnen worden nagekomen.

P. II. v. Zeeland van 0 Nov. 1841, R. liijbl. jg. 1842, d. IV. p. 657 sqq., en jg. 1810. d. Vlll, p. 623 sqq.; R., d. XIV, § 104. — ('f. art. 94 li. R.. arr. van 't hetz. P. II. v. den/,, datum.

amp;

ocr page 34

eyi-U. amp;Y ^

^ — ^ - /W 2^

. /quot; ^ ✓, ry L r / ^ r ^.--'V ' a*r*-4ys, Sc C'7^^ - :

-wquot; ' 7^

-A'quot;' 4'.) /? — / y / ~~ /i

rCl,_ . f, A-' V. ^ amp;£ ^ ^ ^ Tquot;2- ^ ^ ^ ^

^ ^ ])e regel dat de opvolgers van de oorspronkelijke contractanten

iTf^J^I03 steeds in rechten voor dezelfde personen als de contractanten zelve te beschouwen zijn, lijdt geene uitzondering ten aanzien van liet domein-bestuur of van andere collegiën, welke vroegere besturen of collegiën '/.ijn opgevolgd omtrent het gecontracteerde voor dezen. ■— Alsdan moet ten aanzien der dagvaardingen, art. 4, n0. 6, j0. art. 1 15. R. gelden (dit laatste art. indien de oorspronkelijke contractanten langer dan een jaar zijn overleden) zonder dat het langer of korter verloop van den tijd der vervolging van de rechten, uit contract voortgesproten, als eicjen bedrijf zijnde, eene verandering ten voordeele van eene der partijen kan daarstellen,

]'. 11. v. Zeeland v. i) Nov. 1841, U. üijbl. jg. IS-tó. d. IV. |i. 057 sqq.: ]{., d. XIV, § 104. — ff. art. 94 II. li., air. van 't hetz. P. 11. v. den/., datum.

Sgt;. De formaliteiten, bij art. 4lt; n0. 8, 15. R., voorgeschreven, zijn alleen toepasselijk op dagvaardingen van buitenlanders, wier woonplaats buiten 's lands beleend is, en die geen verblijf binnen dit Rijk hebben, dewijl alleen in dat geval de toezending van een afschrift van het exploit aan het Departement van Buitenlandsche Zaken doel kan treilen, daar toch die bepaling de toezending van zoodanig stuk aan den in rechten geroepene, beoogt en dat Departement daaraan niet kan voldoen, wanneer die woonplaats niet bekend is.

I'. II. v. N.-ili'ab. v.tiS.Inni IS4±VV. uquot;, 338; R. liijbl.jg. 1843. d. \ .\k 14'J sqq.; H., d. Xlil. § 98. Zie over dagvaarding van vreemdelingen een in-ge/.ondeii o|)stel in \\'. nquot;. 37(31, waarbij niet het uog u|i de omsladitigo. tijdroovende formaliteiten eene wijziging van dit nquot;. wordt voorgesteld.— (.'1'. artt. 4, sub n0 10 en 94 )!. 11., arr. van bet/.. Hof van denz. datum.

flO. De bepaling van art. 4, n0. 7, ten aanzien van hen, die in dit Rijk noch bekende woonplaats noch bekend verblijf hebben, is evenzeer op inboorlingen als op vreemdelingen (wier woonplaats buiten 's lands onbekend is) van toepassing.

P. 11. v. N.-l?rab. v. 28 Juni 1842, V\ . uquot;. 338, U. liijbl. jg. 1843, d. V, p. 149 sqq., R., d. XU1. § 98. — Cf. art. 94 li. 1!.. arr. van hetz. I'. 11. van denz. datum.

11 . De dagvaarding van eene buitenlandsche firma, hier te lande geen gemeenschappelijk kantoor hebbende, is niet geldig, wanneer die

ocr page 35

e-^r^s-o^—' ^ y-

b-fy£s~ir. ^'ULQ^

^ --• ,?lt;rr, -16 y^- W/. |. j

lan een van de zich hier te lande bevindende vennooten dier firma

is gericht.

I'. H. v. Z.-Holl, v. 30 Juli 1842, R. liijbl. jff. 1842, cl. IV, j). 865 sqq., waarbij is vernietigd ecu vonnis van de Arr.-R. te Rotterdain, dd.25Mei 1842, li. B. 1. c.

I lt;ï. Wanneer gedagvaard wordt het bestuur der domeinen, uitgeoefend wordende door den Minister van Financiën, dan is liet voldoende dat het exploit ter plaatselijke bureele van laatstgenoemden beteekend worde, en is in dat geval art. 4, n0. i 13. R. niet toepasselijk.

Arr.-R. Utroclit v. 1 (1 Juni 1843, II., d. NVlll, § .quot;)!).

13. Inwoners van België zijn, met betrekking tot de zakelijke rechten op goederen in Nederland gelegen, als vreemdelingen te beschouwen, en kunnen niet, naar aanleiding van het tractaat v. 19 April 183!), en van de overeenkomst over de grensscheiding, op S Aug. 1843 tusschen Nederland en België te Maastricht gesloten, als gemengde onderdanen beschouwd en gedagvaard worden als personen, die geeue bekende woonplaats in het Koninkrijk hebben.

Zij moeten worden gedagvaard overeenkomstig het voorschrift van art. 4lt;, nu. 8 13. R. en moet, wanneer er meerdere gedaagden bij hetzelfde exploit worden opgeroepen, voor ieder hunner een afschrift van dat exploit aan den ambtenaar van het Op. Min. worden ter hand gesteld.

1'. II. v. Zeeland van 1 Juli 1844, R. Bijbl.jg. 1847, d. IX. p. 18 on lü; I!.. d. XIX., § 93. — Cf. art. 94 I!. I!., air. van lietz. Hof van deuz. datum.

f -ft. Volgens het bij Kou. Besl. v. 30 Deo. 1829, n0. 4 gearresteerde Huishoudelijk Reglement op de zaïnenstelling en werkzaamheden der Kerkeraden, beiioorende onder het ressort van het Provinciaal Kerkbestuur in Drente, moet de dagvaarding van eene Diaconie bestierd worden bij den predikant, als voorzitter en scriba van den Ker-keraad, wanneer de gemeente slechts door één predikant wordt bediend.

egt;si4-. L/ -----— o^^(_^ jty-\rv--^n^-

.xl ^

Ktjr. te. Moppel v. 5 Nov. 1840, \V. n '. 943; li. lüjbl. jg. 1848, d. X p. 497- 499.

S5. Hij, die met de lioofd-administratie van een militair corps contracteert, kan die hoofd-administratie, casa quo, wegens zulk een

ocr page 36

jri. au ^ ij**- a*.

/ycy y!uhysVTgt;**B o-n^gt;e~o ^ c^y*^ ^ ^/'^/^J-

., rf .^-.,^ /fe.

l-a-^ cUL^-~ ■

.1)7. i) -'

contract in rechten aanspreken en is (gelijk in specie) het exploit aan de woonplaats van den chef van dat corps behoorlijk geschied.

P. H. v. N.-Brab. v. :! Mei 1848, 1!., d. XXXV. § 95.

I(». Oe dagvaarding van erfgenamen in óé'ns en zonder uitdrukking van naam en woonplaats, volgens art. 4, n0. 6 13. 11 , heelt r^ i . tengevolge,^dat die meerdere personen als één gedaagde worden be-/2. ' ■ 'quot;4 schouwd, zoodat ook de procureurstelling voor den gedaagde collectie/ , I~c.-L 1^^! plaats hebben, en de onbevoegdheid van sommigen hunner, om in

rechten op te treden, onverschillig wordt.

A'quot;7 Am-U. te Amstcrdain v. 22 Febr. 1849, VV. u0. 1010; I!. liijbl. jjr.

jfa , -'-^-^--1849. d. .XI. p. 104 sqq. Itc;il in Nederig d. IV. pag. 388—391; idem

r~ . s UK Pinto, ll'll. /gt;'. It., 11. s., !gt;• 27 en in een opstel in dc Tliemis. Tliao jiT., o. 173—184, dio aldaar doet opmerUen, dat, hoewel de collective dagvaardingen en andere cxploiten voornamelijlv zijn ingevoerd in liet lie.lanquot;' en tot quot;•emak van dc scliuldeischers der overledenen, echter daaruit bij de gebiedende en op straffe van nietigheid voorgesclireveni' bepaling der wet, in verband met de omstandigheid, dat alles wat betreft den vorm van procedeeren, is van openbare orde, niet kan worden afgeleid, dat deze ook nu de bevoegdheid hebben om van dit voorrecht afstand te doen, en dns ook, desverkiezende, ieder der erfgenamen individueel op te roepen. Op deze en andere gronden is bij van meening, dat in zoodanig geval al de erfgenamen zich collective partij en procureur moeten stellen; dat er al/.oo tegen de niet verschijnende erfgenamen geen verstek kan worden verleend, en dat liet te verkrijgen vonnis, uit krachte van de artt. 114(5 en 1147 15. \V.. wordt ten uitvoer gelegd, vóór de boedel-scheiding, op do onverdeelde nalatenschap, en na de boedelscheiding, op bet aandeel van ieder erfgenaam /j)'o sua parte; vergelijk in denzelfden zin Mr. G. Dibi'iilis in Tijdscb. v. li. Ned. regt 1, blz. 136—157, die aantoont dat eene collectieve procureurstelling noch met art. 135 B. li., hetwelk over de procureurstelling handelt, noch met art. 59, hetwelk aan dat onderwerp vreemd is, noch met eenige andere wetsbepaling in strijd is; en dat het voor een geregelden gang van zaken wenschelijk is dat, voor zoover er geen oorzaak van schorsing en hervatting tusschen lieiden komt, een geding oji imam van dczcllde jitgt;i'tijcii wordt aangevangen, gevoerd en afgedaan; •— anders bij vonnis der Arr.-ll. te Groningen v. () .luni 1845. I!. liijbl. jg. 1845, d. VII p. 080 en 087; Itei/t in Sedert. d. IV, p, 283, hoofdzakelijk op grond, dat voormeld wetsartikel, als van exceptioneelen aard, alleen moet geacht worden op den eischer van toe-passing te zijn on niet op de gedaagde erfgenamen, welke niet onkundig kunnen zijn omtrent hunne namen en woonplaatsen en ileze hij dc jii'ix'i'rlt;'ilt;e-slrlIinfj en conelusiën moeien tijU/eVi'i'. ten einde bierdoor den rechter in staat te stellen, om bij bet vonnis aan bet voorschrift van art. 59, ngt;'. 1 li. I!, to vuldoen. — Dit gevoelen stemt overeen met dat

ocr page 37

chX-cp ; ^O-w^ OAjlu^, S%cnlt;amp;~ z~amp;gt; tja~o, 't*^ -iVgt;-

^A^.y gt;lt;^ OtUAi- .,- J-TT^ Vv^a^t |r/ |, j

twv- gt;gt;ult;rgt;vegt;lt;wj^^ -^e^Ol^tJi^X.^t^. Cgt;r^l^yLaJZ^Lr(Ji, (i^c^Xc^^ZM^.^!.^ aJ : tëk,

van Mr. F. F. Karskhoom. li. Bijbl. jg. '1849, d. XI- p. 105—108, in zijne ^j.. * a conclusie, welke, ofschoon in een tegenovergestelde)! zin, lieeft geleid tot ^A/rtr /3 voormeld vonnis van de Arr.-U, te Amsterdam v. 22 Febr. 1849; alsmede ^ '

met dat van Mr. Oihikman, Opm. en Mcd.. d. 11, p. 13li en '150 en in tUf rf B. li. onlv\. d. I, u. s.. bl, 10—11, en dat van Mr. K. Nokkuk in de Themis, d. VIII, p. 321—32.quot;), die aldaar, naar aanleiding van bet opstel van Mr. A. uk I'into ut supra, dit reebtspunt bebaudelt. De iloogl. van Hai.i. echter, I!. Bijbl. jg. 1843, d. Vil. p. 087, betwijfelt de juistheid van bet bij vonnis der Arr.-ll. te Groningen aangenomen beginsel, op grond van bet bekende rechtsbeginsel: ncmo cdere cur/ilHr contra sc. Naar het inzien evenwel van Mr. Oi ukman. I. c.. is die opmerking wel toepasselijk op het produceeren van stukken, maar niet op de vermelding van namen en woonplaatsen dor partijen, welke de wetgever in art. 59, n0. I li. R. veronderstelt, terwijl Mr. Nijkkhk ut supra daartegen in bet midden brengt, dat bij, die zicb als erfgenaam voordoet, indien hij als zoodanig wil beschouwd worden, zich moet legiti-ineeren; dat hij mitsdien moet opgeven wie bij is en boe hij erfgenaam is en dan edit conti;a .se, maar puo .se. De lloogl. van Ham. komt echter, H. ISijbl^r. 1849, d. XI. p. 110, op dit ondei'werp terug en is van gevoelen, daf hei reebtspunt nog wel een nader onderzoek verdient, ook met betrekkmsr tot de tenuitvoerlegging van do veroordeeling, tegen de gezamenlijke erfgenamen verkregen en bet recht van appel, bun toe te kennen. — In denzelfden zin als de llechtbank te Groningen: vonnissen Arr.-ll. Assen v. 6 Nov. 1854, W. n0. 1788, en van 22 Oct. 1806. yfó ^ fftwrfvh*. It. I!, jg. 1868, p. 228, arr. I'. II. v. N.-lloll. 21 .luni 1869, W. n?. 3393. '

en vonnis Arr.-IJ. 's-Bosch v. 27 Sept. IS7S, K. B. jg. 1881, A. ^ ■! tyo

210, \\ . no. 4311, waarbij nog werd beslist, dat ook de openbare orde / K /Qf0, eischt, dat de rechter de collectieve ])rocureurstelling voorbijgaat. yquot;/02.

Vgl. omtrent dit een en ander en speciaal ten aanzien van de beteekenis der woorden: «niet langer dan gedurende een jaar na bet overlijden,» de Uedactie der A c!. Jaarb., IX''0 deel, p. 92. in bare beoordeeling van riiemis, Jg, 1846, alwaar tot gedeeltelijke opbelllng der bezwaren, door Mr. A. uk Pinto tegen art. 4, no. 0 B. It. in bet midden gebracht, wordt aangevoerd, dat men bij eene binnen het jaar, na het overlijden des erflaters, plaats gehad hebbende boedelscheiding, de erfgenamen binnen dat jaar ook individueel zou kunnen dagvaarden, hetgeen echter op grond der verandering van redactie, welke dit art. beeft ondergaan, wordt bestreden door Mr. Ni.ikekic ut supra, welk gevoelen (m. i. terecht) schijnt te worden gedeeld bij arr. van bet l'rov. Hof van Zeeland v. 9 Nov. 1841,

I!. Bijbl. jg. 1842, d. IV, p. 657 sqq. en jg. 1846, d. VIII, p. 623 sqq. ;

I!.. d. XIV, § 104 (Lkon). — Vergelijk Mr. W. F. I'hi.imnk in Tijernis,

2,'e Verz,, d, XIII, p. 248 sqq., die betoogt dat de exploiten na de boedelscheiding, ook wanneer die binnen hel jaar na bet overlijden worden uitgebracht, niet moeten gedaan worden, op de wijze als bij deze alinea is bepaald. Vergelijk ook Mr. Dii;i'!iris. N. B. I!., 2'le dr., d. V, no, 587,

Anders Mr. Ouiikman, in .V. IF. v. B. li. ontiv., d. I, blz. 11;

zie ook vonnis Arr.-U. te Amsterdam v. 27 Oct. 1858, W. n0. 2090, U. I!.

jg. 1859, IX. p. 174, ook aangehaald op art. 2 11. K. sub nquot;. 2. waarbij is

ocr page 38

I/V. |..)

beslist dat het vroeger ot' later opmaken van eone boedelscheiding bij de vaste tijdsbepaling der wet niets afdoet.

Vgl. ook nog hiermede, ten betooge; 1°. dat de staat van het geding niet verandert, indien de eischers, ingevolge art. 4, n0. 6, li. It., hebben gedagvaard de gezamenlijke erfgenamen en voortgeprocedeerd met dengene, die zich op de dagvaarding als eenig en alleen erfgenaam heeft geconstitueerd, een vonnis van de Arr.-U. te Amsterdam v. 12 Jan. 1849, W.n0. 1009, en'2°. dat bij aanneming van het beginsel, gehuldigd bij het vonnis van de Arr.-ll. te Amsterdam v. 22 Feb. 1849 ut supra, ook de gezamenlijke erfgenamen bevoegd zijn gezamenlijk en in ééns een eisch in reconventie in te stollen, zonder dat daaraan praejudiciëert de onbekwaamheid van één dier erfgenamen — art. 250 li. 1!., vonnis van de Arr.-U. te Amsterdam v. 22 Feb. 1849, en :lt;■gt;. omtrent de vraag, welk het gevolg-moet zijn van eene dagvaarding van erfgenamen, overeenkomstig art. 4. n0. G, li. K.,geëxploiteerd en waarop door de gedaagden procureur is gestold, met te kennengeving, dat zij als bloedverwanten van den overledene, in de graden, bij de procureurstelling omschreven, bevoegd waren om zich als diens éénige en algeheele erfgenamen te gedragen, wanneer diezellde gedaagden, vóór de procureurstelling, de nalatenschap van genoemden overledene blijken verworpen te hebben — art 254 li. I!., vonnis van de Arr.-U. te Nijmegen v. 17 Nov. 184'1. — Zie ook art. 94 B. R., vonnis van de Arr.-U. te Amsterdam v. 18 Juni 1839 sqci-

I ?. De dagvaarding vau eene firma, geëxploiteerd aan een persoon die beweert nimmer deelgenoot te zijn geweest, kan, indien de ver-scliijning der gedaagde firma in rechten daarvan het gevolg is geweest, niet leiden tot nietig-verklaring der dagvaarding, op grond van schen-dinir van art. 4 al. 4 13. R.vermits de vraag, ot de persoon, aan wien de dagvaarding is geëxploiteerd, al dan niet lid dier lirma is ot geweest is, en als zoodanig al dan niet aansprakelijk is, een punt van later onderzoek ten principale tusschen partijen kan uitmaken, maar niet a limine litis behoeft te worden onderzocht.

Arr.-R. Amsterdam, v. 21 Oct. 1853, 11. liijbl., jg. 1854, p. 169—171.

4S. Kiet alleen de ratio legis en de geschiedenis maar ook de woorden van art. 4, n0. (i, B. H.. wederspreken het beweren, dat dit artikel alleen betrekking zou hebben op den vorm en de \vijze van exploiteeren, en geene uitzondering zou maken op den regel, vervat in art. 5, nft. 2 ibid., daar toch, indien de wetgever enkel had willen bepalen, dat bij de beteekening geene vermelding van namen of woonplaatsen der gedaagden behoefde te geschieden, zijne bedoeling reeds genoegzaam uitgedrukt werd door de woorden; quot;de dagvaarding zal

ocr page 39

5^

t

ï:Sy?, e/e^aCoó. — t^-ys

i

\ i

3t^7, , pjb.

$2/y/t /0 C/Puil TA0 606 z.

f

! li

■ iSU

■ «

I! i

2vt quot;quot;

Ktg. te Hrielle, v. 20 April 1854, VV. n0. 1549; idem ui: I'into, lldl. n. s. blz. 32. ■—Verg. ook Mr. A. Ouüeman in Tijdseiir. v. li. Ned. regl, 111. Igt;1/..

50 vlg., welke schrijver na de verschillende rechtelijke decisiën omtrent dit punt te hebben medegedeeld, ook de meening verdedigt dat bet exploit in zijn (jched moet worden geplaatst in het dagblad, hoofdzakelijk op grond van het verband tusschen deze en de onmiddellijk voorafgaande bepaling,

waar in dezelfde bewoordingen wordt gezegd, dat liet exploit moet worden aangeplakt, hetgeen wel niet anders dan van het geheele exploit kan /Qg^ irwi verstaan worden, terwijl schr. tevens aantoont dat, had de wetgever bedoeld alleen te vermelden, dat zoodanig exploit is uitgebracht, hij had .

kunnen en moeten zeggen »dat er aankondiging (of zooals in hot regie- ^

ment, wegens het hooger beroep aan den 11. I!, van vonnissen in burger- •-

lijke zaken gewezen dooi- het iïof in Suriname, goedgekeurd bij K. B,

dd. 11 Januari 1840 (Hthl. u0. 1) staat «afgekondigdquot;) moet geschieden,

dat dit exploit is gedaanquot;; of «dat van het uitbrengen van dit exploit aankondiging moet geschiedenquot;. — Anders: door A. .1. M. II., Weekbl.

ut supra, o. a. op grond, dat v. d. Hoxkut in zijne formulieren een extract voor de aankondiging, geene nchcele vcvmelcliny of afschrift geeft; idem in den derden druk van v. d. Honkrï's Formulierboek, p. 5,

voorts bij vonnis der Arr.-R. lirielle v. 30 Sept. 1804, W. n0. 2030, bij vonnis der Arr.-R. te Amsterdam, v. 10 April 1809. W. n°. 3141, R. It.

jg. 1870,)). 213, en bij arr. P. H. v. N.-Holland, v. 2i April 1870. W. no. 3322.

31. Elke gevolgtrekking ten voordeele der bevoegdheid eeuer '

Rechtbank hier te lande, afgeleid uit de wettelijke bestaanbaarheid der ^

l it c^e.

/Ub. ^~/cL*ast@e r

(-• fytrOJT-rZMO

. drteQa. z/f /eMv,f U/ï

s (Q s- .l;l I-.) -

e/~ ''o^. /Jpo^ /u/-ytquot;

geschieden aan de gezamenlijke erfgenamen,quot; welk woord het individueele volkomen uitsluit.

Arr.-R. Groningen, v. 24 Jlaart 1854, 11, lüjbl., jg. 1854, [i. 449—451.

Atf. Hoewel door de woorden: //ten aanzien van overledenenquot; in art. 4, n0. 6, B. R., alleen zoodanige actiën bedoeld worden, welke reeds bij het leven van den overledene geboren waren, is echter die wetsbepaling ook toepasselijk op het geval, dat er tusschen den eischer en den overledene eene stipulatie in een contract bestond, alleen ondergeschikt aan eene opschortende voorwaarde, welke door den dood van den mede-contractant en erflater van de gedaagde erfgenamen is vervuld.

Arr.-R. Groningen, v. 24 Maart 1854, R. liijbl., jg. 1854, p. 449—451.

»O Tn cas van art. 4, n0. 7, B. R., moet het exploit in zijn

geheel worden aangekondigd en beantwoordt de plaatsing van een uittreksel niet aan het doel der wet, daar de gedaagde moet weten, niet alleen dal, maar ook toaarioe hij is gedagvaard. ^

__t

I

ocr page 40

ftSJ amp;Lt {vA- t**z^-ct^j /c-ef ,?-,,£■_ c^n^~

-ï.-f-t--quot;- C'Q -s OAju r / C*~-e*--amp;. gt;' T SfO -^'/' ^ / 'f'' /7'^*' *-■*■' ^ J

'd/r^ ■ Us'r0 er ta^J : ^'•lt;5gt;. /2*r a^*. ^C-^e.^

.1/7. k) , ^ ^

' /f/fé ■ 1- f.y. (#amp;3 U quot; ïV/^g.

dagvaarding, (i» bij toepassing van art. 4lt;, nn. 7, litt. a, 15. R.), berust blijkbaar op een dwaalbegrip ea de onjuiste voorstelling, alsof dagvaarding jurisdictie zou kunnen fundeeren; wordende daarbij toch geheel uit liet oog verloren, dat gegrond bevondene en toegewezen exception van onbevoegdheid ratione personae doorgaans op deugdelijke dagvaardingen gegrond, of althans daarmede bestaanbaar zijn.

Ait.-K, Rotterdam, v. 28 .luni '1854, W. nquot;. loTO (i).

'i'i. Iemand die in het buitenland woont, maar hier te lande tijdelijk facto aanwezig is, kan ter plaatse van zijn werkelijk verblijf op den gewonen termijn gedagvaard worden, zonder dat hij, op de dagvaarding verschijnende, zich beklagen kan, dat het exploit niet aan zijn persoon is beteekend.

An'.-U. to Amsterdam, v. Hi Nov. 1851. I!. I!, jfi. I8.).gt;. p. 'i'iO.

lt;5Ï. De rechter moet een exploit van dagvaarding, bij verstek, nietig verklaren, wanneer die dagvaarding, gedaan aan de gezamenlijke erfgenamen van een overledene, niet behelst het tijdstip, waarop de erflater overleden is.

Arr.-R. quot;s-Hertogenboscli, v. 10 Deo. 1856, W. nquot;. 1824. Anders evenwel, met hot oog vooral op art. 90 li. R.. -M. in het I!. li. jg. I80/, 1)1. 223—224.

Wanneer de tweede oproeping ex artquot;. 79 15. R.. niet meer valt binnen het jaar na het overlijden, behoort die aan de erfgenamen individueel ter hunner woonplaatse te geschieden, al is het eerste exploit op de wijze hier voorgeschreven beteekend.

Arr.-R. Groningen, v. 3. Dec. 1858, 1!. li. jg. 1859. p. C09; idem ten aanzien van de beteekening der exploiten ter executie van oen tegen de gezamenlijke erfgenamen verkregen vonnis, wanneer de nitvooring niet meer valt binnen het jaar na liet overlijden. Arr.-U. 's Hosch, v. 30 Maart 1883, W. nquot;. 4899, ook vermeld sub art. 155 li. R.

1

(piaestic van internationaal positief recht (Mr. Liioü).

ocr page 41

r

9)7 '0»! . '.' (. /r quot; ,?'/ ■gt;

r 'L quot; 'y/

v-

\rt. 4.)

quot;i.V Wanneer de deurwaarder, blijkens het relaas in de dagvaarding zich overtuigd hield, dat ter plaatse, waar hij het exploit wilde betee-kenen, het gemeenschappelijk kantoor der gedaagde vennootschap was gevestigd, en hij aldaar niemand vond, dan heeft hij, niettegenstaande de beweringen van de gedaagde ten processe, dat haar kantoor was verplaatst, terecht het exploit overeenkomstig art. 2 15. R, beteekend.

Arr.-Ti. Amsterdam, v. 30 Nov. VV. n0. 2180, ook vermeld suli

art. 1 IS. R. nquot;. 22. De beslissing is gegrond op het geloof, dat behoudens liet bewijs van valschbeid van liet exploit, aan liet relaas des deurwaarders moet worden gehecht.

3«. W anneer de overledene zijne laatste woonplaats buitenslands had, moet het exploit volgens no. 8 van dit art. gedaan worden, en kunnen overigens de voorschriften van no. (i worden gevolgd.

P. 11. v. Znid-Holland. v. 16 Jan. 1800, W. n». 2181.

3S. Een exploit, uitgevaardigd tegen de leden eener vennootschap in hun privé, moet op straffe van nietigheid aan hen in persoon of aan hunne woonplaatsen, maar niet aan het kantoor der vennootschap beteekend worden.

Arr.-U. Amsterdam, v. 31 Dec. 1801, \V. n0. 2384; vergelijk het sub art. 5 li. I!. vernield vonnis der Ari.-I!. Amsterdam, v. il Nov. 1877.

8S. Indien gedagvaard is de burgemeester eener gemeente, zonder bijvoeging van diens naam, en het exploit is gedaan ten raadhuize en door den burgemeester als zoodanig aangenomen, kan het aan geen redelijken twijfel onderhevig zijn, dat is bedoeld de burgemeester, optredende voor de gemeente, en niet de burgemeester in zijn privé.

Arr.-li. Amsterdam, v. 11 (12) Nov. 1807, \V. u0. 2984, R. 11. jg. 1868, p. 343. Cf. arr. P. II. v. N.-ISrabant, v. 28 Juni 1853 sqq,,sub. art. 5D. R

SO. Art. 4 n0. 6 B. R. is van toepassing op alle gevallen, waarin personen als gezamenlijke erfgenamen worden geroepen, onverschillig of de erflater, wiens erven in appèl zijn gedagvaard, op het tijdstip der uitspraak van het vonnis a quo, al dan niet nog in leven was.

P. 11. v. Noord-Holland, v. 25 Maart 1809, W. iio. 3104.

JtO. De woorden quot;en van nquot;. 8quot; in de slotalinea van art. 4 zijn

ocr page 42

/;1 ^ fee.

v-o0dk lt;_ — T^'r-rx ^-J-y i_ /yr-o^ -ft /- s\/~elt;.

1 j ' i(gt;

/i'. C. Ï

2^4-

'JL4-- A- '

Art. I.)

^ K A ,

7 /sgt;r£. c ^-v

• C'.f) quot;^ / /

V TJl

• ■_ £, 1 /^r-^v «La-^7 -V-C -lt; -2,^ TV-VT-

-7'T^V-v, es—cr^r^ lt;■ -t-v

.'5(1

^ 4» lt;• ----(?T,

ü_7

overbodig, vermits in bet eerste lid van nquot;. S van dat art, van geene twee afschriften sprake is. (1)

Ktg. 's-Hertogenbosch, v. 27 Januari •!881. W. n0. 4Ö94, T!. B. jpr.

■188'!, A. p. 191.

31. Wanneer bet exploit niet conform art. 4 n0. 2 is beteekend aan den president van bet college, maar aan den boekhouder kerkvoogd, en deze voor den kantonrechter verklaard heeft te verschijnen als gevolmachtigde van het gedagvaard college, heeft deze rechter de exceptie van nietigheid van dagvaarding terecht verworpen, daar bet geroepen college in rechten verschenen, geen belang had zich te beroepen op de schending van n0. 2 van dit art.

Arr.-R. Groningen, v. 23 .limi '1882, W. n0. 4828.

:S 'i. Zie ten betooge :

a. Dat in het algemeen de exploiten, ingevolge art. 4, n0. 8, B. R., aan den ambtenaar van liet Openbaar Ministerie gedaan, moeten geacht worden eo ipso aan de woonplaats van de betrokken bewoners der koloniën van den Staat, of aan die der buitenlanders te zijn geschied, met dat gevolg, dat ook in dit geval de termijn van het beroep in cassatie moet worden ingesteld binnen den termijn bij art. 398 B. R. voorgeschreven, te rekenen van den dag waarop het arrest aan den geinsin ueerde in den persoon van den Procureur-Generaal bij het Prov. Hof is beteekend —

art. 398 li. I!.. arr. v. 10 Xov. IS4S.

h. Dat de beteekening, vermeld in art. 274 B. R., niet kan geschieden aan de woonhuizen der procureurs, die in eene andere fifge-loopen procedure hebben geoccupeerd, maar wat buitenlanders betreft, moet geschieden op de wijze, bij art, 4, n0. 8, B. R. voorgeschreven —

art. 274 li. I!.. arr. v. 17 Nov. '1848.

CsOtd. 1/t^oM

7t.?l. ^Al

t/P C^t ! Vji ÓlLI

Lt i~ ' V quot;1 lt;L 1-^1

- ' •

quot;(jj.

A

c. üat liet niet in strijd is met art 4, nquot;. 4, B. R., dat ieder der leden van een vennootschap onder eene firma kan worden aangesproken voor het geheel voor eene schuld van de vennootschap, daar dit

1

De geheele bepaling van art. 4 8° al. 2 kan overbodig geacht worden na de wet van fl April 1877 (Stbl. nquot;. 73).

ocr page 43

cjQquot; sjOJxJLLamp;tj '^^t—lt;-^-- b- c^vx-i—

^L^cJUc^ /cc^— lt;- J ( 7 / ^

UJU. -6rt^ p^~Xc^°S- '

*- ,(/7

T

/. i/OTtJ art (even als art. 5, n0. 2) blootelijk eenige voorschriften behelst,

betreffende bet dagvaarden van vennootscbappen enz., en dus wel op •'• r'i den vorm, maar niet op het recbt zelf, van toepassing is —■

I V7fl

art. *18 W. v. K., air. v. 22 Juni 1849 sqq., sub. n0. 1. Verg. echter llnf Amsterdam, v. 20 Oct. 1883, sul) art. .quot;gt; Ti. Ti.

d. Dat de beteekening van een arrest, overeenkomstig art. 4lt;, n0. 6, B. Jl., aan de erfgenamen van eene, hangende het geding in hooger beroep, overledene partij, den termijn van cassatie tegen die erfgenamen doet loopen, ook dan, wanneer zij, tijdens die beteekening, nog zouden kunnen gebruik maken van het recht van beraad en dit werkelijk later gedaan hebben -—

art. 398 Ti. T!., air. v. '19 Mei I8.V1..

e. Dat aan een zedelijk lichaam niet de kosten van aan ieder der bestuurders van dat lichaam afzonderlijk gedane beteekeningen van bet veroordeelend gewijsde kunnen worden in rekening gebracht -—

art. 'gt;1 B. I!.. air. v. 't P. If. in Zeeland, v. 4 Febr. '1851.

f. Dat, wanneer vreemdelingen, bij de beteekening van het vonnis a quo, woonplaats binnen dit Rijk gekozen hebben, zij aan dit gekozen domicilie in hooger beroep kunnen gedagvaard worden en op geen anderen termijn kunnen aanspraak maken, dan die voor ingezetenen is vastgesteld —

art. 343 li. It., vonnis van de Arr.-R. tc Winschoten v, 10 Sept. 185'!.

g. Dat, indien in cas van art. 4, n0. 6, geen der erfgenamen of bedienden van den overledene meer in het sterfhuis, dat reeds door vreemden bewoond wordt, gevonden wordt, alsdan het exploit, naar aanleiding van art. 2, moet worden gedaan aan het hoofd van het Plaats. Bestuur —

lip. Tinto. Themis, 7do jg., p. '174 en 17.quot;) in de noot.

h. Dat bij de rechtens bestaande onzekerheid, in hoe verre alle openbare dagvaardingen behooren gedaan en ingericht te worden naar; of met inachtneming van de bepaalde voorschriften van art. 4, n«. 7 B. 11., — het te wenschen is, dat de praktijk zich tot regel stelle, bij alle openbare dagvaardingen, ook bij die, volgens de artt. 523 549 B W. en art. 784 B. R., de voorschriften van voormeld art. 4

en

ocr page 44

C- C- JT -*A_0— /■ lt;Z—t— ^~t- ^ C^Cju^.

f lt;__iX,'l- '^—, £y/ 'T-'l-^ C=gt; / C*—0e. £-e£-0^~. *^7^7'«—lt;—^ lt;2 ^ -ö-^^r ^tl^.

lt;7^2*^ t_ - ' gt; - -CL- ~ '-amp;lt; 1-*z~-^--^r £L t 't—Q__t^fSl—-i^z^—'t^lt;i .• ^

, ^. /pa-TS/ amp;/- ■?? quot; a0/4ï£gt;.

ii0. 7, in acht te nemen, en bepaaldelijk ook de beteekening of overgave van af'sclirif't aan den Ambtenaar van bet Openb. Ministerie niet achterwege te laten -

een vertoog in 't li. Ilijbl. jg. 1841), d. XI. |i. ^78—285.

i. Dat de voorschriften van art. 4, n0. 7, waaronder de aanplakking der dagvaarding aan de hoofddeur van de gehoorzaal des rechters, voor wien de vordering gebracht wordt enz., ook van toepassing zijn op buitenrechtelijke exploiten, zoo lang ten minste niet, hetzij de aard van de zaak, hetzij bizondere wetsbepalingen (art. 133) tot het tegendeel moeten doen besluiten —

Mr. A. in: Pinto. Themis. 3de jg.. p. 379 en Ocukman. W. v. I!. I!.. 4do cd., d. I. p. 33.

j. Dat, indien er geene vordering bestaat en men b. v. een last

wil opzeggen, dan naar analogie van art. 97, al. 3, en 120, al. 3, B.

11., de rechter van de woonplaats der insinuanten in de plaats treedt

van den rechter, die ingevolge art. 4, n0. 7, B. E,., van de actie, zoo

die bestond, zou moeten kennis nemen en mitsdien de aanplakking

enz. van een zoodanig exploit zal moeten geschieden aan de hoofddeur

van de gehoorzaal des rechters van de woonplaats des eischers —

Mr. A. DK Pinto, Tbemis, 3de jg., p. 379 en 380 en Ifdl. 1!. I!,. n. s. p. 31 en 32 en OriiKMAN'. II. R. ontw. n. s.. d. 1. p. 33.

Arl. 5.

I. Bij de wet is niet verboden het instellen eener alternatieve rechtsvordering, tot schadevergoeding, wegens beweerde eigendomschending, tegen het hoofd van een plaatselijk bestuur in diens eigen naam, of indien hij op last van dat bestuur mocht gehandeld hebben, tegen dat bestuur zelf.

Air. v. 20 Dec. -1844-, W. no. 579; It., d. XIX. § 02; v. D. II.. 1!. R.. d. VI. p. 203—222.

8. Art. 5, n0. 2, B. R. vordert alleen, dat het exploit van dagvaarding moet bevatten den naam en de woonplaats van den gedaagde en niet, dat de dagvaarding ook den voornaam (des gedaagde) moet be-

ocr page 45

VTt~^~gt; -ea^j S-ct^yir. f* ' ^ o ^-- '~.' '.t/^-0 -1'.. tsay^

J-iriïamp;yyw''Tsv^^J e*t£~L^ Qj^fc^asi^ : '^^», i/ -/-C^-K /^G^L t o9-. 2*-*(PfHé?.

33 Art. 5.)

heizen, en heeft ook niet op het verkeerd vermelden van dien voornaam de straf van nietigheid bedreigd; terwijl de wet evenmin van den eischer op straffe van nietigheid vordert het bijvoegen van voornamen, bijnamen, kwaliteiten en omstandigheden, welke geschikt zijn,

allen twijfel omtrent de juiste aanwijzing van den gedaagde op te heffen.

Air. v. H Mei 1848, W. no. 042; v. d. H., B. R., d. IX. p. 385—404; R., d. XXXI. § 19; idem (ook met betrekking tot liet verschil in de spelling des familienaams van den gedaagde, indien dit alleenlijk is toe te schrijven aan het plaatselijk dialect der partijen) bij vonnis van 't Ktg. te Vlissingen v. 8 Nov. 1844, W. n0. 041; idem (wanneer tengevolge dier verkeerde spelling geen twijfel kan bestaan omtrent den persoon, welke met dien familienaam wordt bedoeld) bij vonnis van de Arr.-R. te Amsterdam v. 2(1 Jan. 1840. R. Bijlil. jg. 184(1, d. VIII. p. 390enl570;

— idem vonnis Arr.-R. Amsterdam, v. 0 Sept. 1870. R. li. jg. '1870, afd. A. p. 283, W. nquot;. 4070; — idem, wanneer de eiscber eene onjuiste hoedanigheid aan den naam des gedaagde in de dagvaarding heeft toegevoegd, Arr.-R. Amsterdam, v. 19 Oct. -1858. R. li. jg. 1858, bl. 441; —

idem, wanneer ged. onder zijn waren naam gedagvaard is, en daarbij vermeld wordt, hoe hij zich ook wel noemde, Arr.-R. Amsterdam v. 22 Jan. 1809, W. nquot;. 3129; — idem ten aanzien van een misslag, in den voornaam van een geoppos. begaan in het exploit van dagvaarding,

zonder dat deze daartegen opkomt, bij vonnis van de Arr.-R. teAmsterd., v. 21 Sept. 1841, R. Bijbl. jg. 1842, d. IV, p. 59 en 00; —Cf. ook Ktg. te Alphen v. O Dec. 1805, W. n0. 2755, waarbij beslist is, dat ook het abuis in den naam des ged. onder zekere omstandigheden geen nietigheid medebrengt; idem vonnis Ktg. te Harderwijk, v. 3 Augustus 1801, W. n0. 2297; verg. Ktg. pl. Kampen, v. 30 Sept. 1856, W. n0. 1878,

waarbij is beslist, dat een vergissing in het afschrift der dagvaarding, met betrekking tot het jaartal van het exploit en van den verschijndag, de dagvaarding niet nietig maakt, wanneer die vergissing ook door den gedaagde voor niets anders dan voor eene scbrijllont kan aangezien worden; welke uitspraak is bestreden in hetzelfde nummer van het Weekblad door Mr. II. J. A. Raedt van Oi.hkniiarnevei.dt;

anders bij arr. van 't P. 11. van N.-Brabant, v. 30 Juni 1847 (vernietigd bij arr. van den H. R. ut supra) en bij vonnis van de Arr.-R. te 's-Bosch, v. 1 Maart 1844, W. nquot;. 500. Bij dit vonnis is (m. i. zeer ten onrechte) beslist, dat. indien de gedaagde, wiens voornamen volgens de wet bij de dagvaarding niet vermeld behoeven te worden, is gedagvaard als genaamd II. J. en onder die namen is veroordeeld bij verstek,

alsdan op zijn verzet het vonnis behoort te worden vernietigd, als geslagen op een exploit dat nietig is, zoo hij bewijst J. H. te zijn genaamd.

(Léon.) Zie, in tegenovergestelden zin, vonnis Arr.-R. te Amsterdam, v. 11 Oct. 1854, R. B.jg. 1855, p. 185, waarbij is beslist, dat verkeerde vermelding van de voornamen van gedaagde, veelmin de bloote omzetting der initialen, nietigheid te weeg brengt, wanneer overigens de gedaagde vol-U/.., Uury liechLsv. 3

ocr page 46

Arl. 5.)

rloondo is aangewozen. Vg!. ook Ktjr. Groningen, v. 25 Sept. ISquot;!). \V. ii0. 4059. waar echter de exceptie niet uitdrukkelijk was voortresteld.

- Cf. art. 5 IJ. H., vonnis van de Arr.-R. te 's llage. v. 7 April -1848. sub nquot;. '28.

Jf. Art. 64 der \\ret v. 22 Primaire an VII, moet, als bevattende een speciaal voorschrift, omtrent hetgeen een exploit van verzet moet bevatten tegen een dwangschrift in zake van belastingen, beschouwd worden buiten alle verband met hetgeen art. 5, n0. 3 B. R. voor-schrijft.

Arr. v. 14 Jan. 1853, I!.. d. XLI1I, § 78; idem Arr.-ll. te Assen, v. 11 Maart 1844, W. n0. 489. •— Cf. art. 5 B. R., vonnis van de Arr.-R. te 's Uosch, v. 23 Sept. 1846 sqq., sub n0. 24.

Een onbestemde en voor verificatie onvatbare eisch (in specie, de geheel op zich zelve en met de hoofdvordering in geen verband staande vorderingen tot veroordeeling van den Staat tot vergoeding: 1°. van de waarde van boomen, door de militaire autoriteiten zich toegeëigend; 2quot;. van kosten, door de eischers aangewend tot herstel der schade aan dijken en verdere werken, door militaire inundatiën of verdedigingswerken veroorzaakt, en 3°. der schade, door de eischers geleden door het gemis van genot van gronden in de concessie begrepen en later aan anderen toegekend, zonder dat is opgegeven waar, wanneer en door wien de bedoelde boomen, ten nadeele der eischers, zouden zijn in bezit genomen, noch aan welke dijken en aan welke verdere werken der eischers schade zoude zijn toegebracht, noch welke gronden, in de concessie begrepen, later aan anderen zijn toegekend, noch eindelijk, waaruit zou blijken de werkelijkheid der schade, aan de eischers in eenig der aangeduide opzichten veroorzaakt, en de verantwoordelijkheid van den Staat voor die schade) — kan geen onderwerp van 's rechters onderzoek uitmaken en is bijgevolg in rechten niet aannemelijk.

Arr. v. 18 Maart 1853, R., d. XLIV, § 39; idem (betrekkelijk eene vordering tot veroordeeling van den gedaagde tot praestatie van alles, waartoe bij volgens de wet verplicht is) Arr.-R. Amsterdam, v. G Jan. 1847. W. n0. 847; R. Bijbl. jg. 1847, d. IX. p. 541 sqq.; liegt en Wet. d. II, p. 440—454.

.V Een beweerd gebrek in den vorm der dagvaarding, dat niet in

81

ocr page 47

-» I tx-s ahiyvu o. /tihl—^ br^ — cramp;7gt; c^-^lt;yx _

CdL lt;u~ o^ty^r f (Shgt;.

j y„ w h. *f amp; ?zlt;f- -—- -^c

7 • • • • . .... yTtypf-*^- quot;t-*—'

limine litis, als middel van nietigheid dier dagvaarding is voorgesteld, , , ,

0 00 o '

kan later niet worden tegengeworpen, ook niet in de gedaante van /*._ een middel van niet-ontvankelijkheid van den eisch; anders toch zou (u!alt;M- lt;-*-

de bepaling van art. 93 15. R. ijdel kunnen worden gemaakt.

xrvi-, T 'xJeV

Air. v. 7 Maart 1856, lï. B. Jg. *1850, 1)1. 242—244; idem Arr.-R.

'Piel, v. 12 Juni i8()8. W. 11°. 3152. — ('f. navolgende beslissingen: $ tér. :

l?ij verwerping der exceptie van nietigheid der dagvaarding, komt de exceptie van niet-ontvankelijkheid der vordering op denzelfden grond niet te pas.

Arr.-li. Amsterdam, v. 5 Nov. 18()l. \V. n0. 2333.

De klacht over onbepaaldheid der vordering wegens niet duidelijke omschrijving der teruggevorderde goederen, kan wel leiden tot nietigheid der dagvaarding, maar niet tot niet-ontvankelijk verklaring.

P. H. v. Gelderland, v. 7 Dec. 1855, U. B. jg. 1856, p. 168, in zooverre bevestigende vnnnis Arr.-R. Zutfen, v. 21 Dec. 1854, t. /. p. Iilz. 147; — idem bij vonnis Arr.-U. Amsterdam, v. 10 Nov. 1881. R. li. jg. 1881, A. p. 202. ten aanzien van gemis van middelen in de dagvaarding; — idem dezelfde Rechtb., vonnis v. 23 Nov. 1882, W. u0. 4908.

Zie echter navolgende uitspraken:

Waar de middelen, waarop de vordering gegrond is, ontbreken, behoort de eischer in zijn eisch niet-ontvankelijk verklaard te worden.

I'. II. v. N.-llolland, v. 28 April 1859, \V. n0. 2159. In casu bestond de klacht hoofdzakelijk daarin, dat de inbond der overeenkomst, die beweerd werd geschonden te zijn. niet in de dagvaarding was aangegeven.

Waar aan de dagvaarding ontbreken, zoowel feiten en middelen als eene bepaalde en uitvoerbare vordering, behoort de eischer niet-ontvankelijk verklaard te worden.

Arr.-R. Amsterdam, v. 27 Juni 1850, W. n0. 1775.

Waar het objectum litis niet behoorlijk, althans op dubbelzinnige wijze, is aangeduid, en de gedaagde deswege de exceptie van nietigheid der dagvaarding niet heeft voorgesteld, behoort de rechter den eischer niet-ontvankelijk te verklaren.

Arr.-R. Nijmegen, sine die 1855, W. nquot;. 1722.

Verg. nog over de vraag, wanneer nietigheid van het exploit, en wan-neer niet-ontvankelijkheid moet worden uitgesproken, bet sub art. 92

if

hfr H* /-Z ?

ocr page 48

Art. 5)

yi. R. vermelde vonnis Arr.-R. Amsterdam, v. 3 Dec. 1862, W. no. 2459, bev. bij arr. F', 11. v. N.-Holland, v. April 1804, W. nquot;. 2007, waarbij werd beslist, dat waar het \erziiim van een der voorschriften bij art. 92 B. R. genoemd, zich (afgescheiden van het exploit) in den vitieusen vorm van de actie zelve blijft openbaren, de eischer behoort niet-ontvan-kelijk verklaard te worden.

Verg. 0(ik vonnis Arr.-R. Amsterdam, v. ;i Maart '1863, sub art. 5 B. R. en het aangeteekende sub n0. 2.''i van dit artikel.

ft. Naar het Oud-Hollandsch recht is het bestuur van eene instelling' (in casu de particuliere West-Indische Bank) alleszins bevoegd onder zijn algemeenen naam voor dat lichaam in rechten optetreden, zonder vermelding van de namen der individueele bestuursleden.

Arr. v. 17 Mei ISCri, W, n0. 2270; R. d. LX VIM. i; 0; v. n. II.. li. R.

d. XXV, bl. 240—253.

t. De dagvaarding, uitgebracht «ten verzoeke van den Staat der Nederlanden, ten deze vertegenwoordigd door Zijne Excellentie den Minister van Binnenlandsche Zaken//, beantwoordt volkomen aan n0. 2 van dit artikel.

Arr. v. 12 Dec. 1802, I!, d. I.XXII. § 40; v. n. li., B. R., d. XXVII. bl. 150—103, ook vermeld sub art. 6 B. R.; in denzelfden zin bet daartoe betrekkelijk arr. I'. H. v. N.-Holland van 28 November 1801. W. n«. 23,09, waarbij werd beslist, dat in casu was gedagvaard ten verzoeke van den Staat en niet ten verzoeke van den minister, en dat de bijvoeging «ten deze vertegen woo i'digd enz.'' alleen had plaats gehad, ter aanduiding van het deel van het Staatsbestuur, hetwelk het geding meer bizonder aanging. Zie hetzelfde arr. sub art. 5 B. R. nquot;. 47. Vergelijk hiermede in verband, het vonnis der Arr.-R. 's-Hage v. 18 Maart. 1884, vermeld sub hoc art. — Vergelijk met betrekking tot gemeenten, art. 4 B. R. no. 3.

S. Het voorschrift van nft. 2 laatste lid van dit art. is niet van toepassing op het geval dat één persoon onder eene lirma handelt.

£ erti. , Arr. v. 22 Maart {I I Mei) 1800, W. n». 2798; R. d. LXXXI11,

S 0; v. i). II., B. R., d. XXX, bl. 301—370; idem P. 11. v. Zeeland, van 28 December '1841 I!. B. jg. 1840, dl. VIII, p. 627—629, fayu k*.n , idem Arr.-R. Assen 25 Oct. 1880, W. nquot;. 4642, R. B. jg. •1881, A.

p. 180; idem Arr.-R. Amsterdam, v. 15 Mei 1879, R. B. jg. 1880, B. p. 130, en van 3 Sept. 1872, W. n0. 3576; cf. arr. P. H. v. N.-Holland, jyiAr- e(*n v. 21 Sept. 1871. W. n». 3541; idem Ktg. Sneek, v. 20 Maart

7 'wr -yfr-1872, W. n0. 3000, waarbij nog is beslist dat de aanduiding van de firma zonder meer, niet voldoende is om het bestaan eener .u*- Ji,-**'''''- 1 '1 0-vennootschap aantenemen; verg. ook Arr.-R. quot;s Ilage, v. 31 Oct. ƒ fJt, 1805, W. nquot;. 2802; idem met bestrijding van het vonnis der Arr.-R.

^ u a , /i/o. '

q C-ci-./cPVJ, '■V-C J

ocr page 49

'yyyrd'.

^ 'te JézécA^W A-iy^, Xa,^ ^-

^ ^ ^ ' -/:'^ ^

/ „ z , JVL-e-^ ^ amp; t^vté. r-vt-°4- 7-d

^--Z^CydL ^r?vT^^ -yi^K^iZ-^ ^ .-JJ-/^^ (,./ 5 )

^4, ^-A, • 'lt;-— ^ ^

Nijmegen, v. iquot;) Nov. 184(3, W. nquot;. 77(i. (vermeld op art. 18 W. v. K.

sub n0. 1) door S. M.. in Ojnn. en Med., d. III. ]gt;. 107—li l.

Door het opnemen van den naam der handelsvereeniging (wier bestaan van elders blijkt) is voldaan aan de voorschriften van nquot;. 2 van dit art., zonder dat het noodig is, dat de dagvaarding tevens uitdrukkelijk vermeldt, dat het eene corporatie, maatschap of handelsvereeniging is, van wie zij uitgaat.

nt Arr.-R. Amsterdam, v. .'il Dec. 1875. W. 110. tS'Jti'J; idem dezelfde Rb. / , l quot;• vonnis v. 1G .Mei IS7;!. \V. n0. 359(5.

I,'fisjf Atr/a-^ /ie in strijd mot evengemelde beslissing van liet Ktg. Sneek, v. tid I - Maart 187'i, liet vonnis der Air.-Il. Amsterdam, v. 25 Oct. ISfiO, R. H.

■ /ry*'quot; /' y jg ■Jg(i7 p 352. waarbij is beslist dat wanneer gedagvaard wordt met de jfci. h° Óy/tf woorden »de lirma Arendsenquot; zonder meer, hieronder verstaan moet y ' worden de vennootscbap, handelende onder dien naam. x

ff. De bepaling in de statuten eener naamlooze vennootschap, (in gt;► -casu de iSTederlandsche Bank), volgens welke de directie der Bank haar ' • in en buiten rechten vertegenwoordigt, derogeert, evenmin als art. 44.

S, , /an..

W. v. K., aan het voorschrift van art. 5, 2°. B. R., waaruit volgt,

dat de naam der vennootschap alleen, zonder opgave van voornamen of namen harer bestuurders in het exploit van dagvaarding, steeds voldoende is. ./.***■

rtju- t-

' y *- quot; s

^ U t

A it. v. ^ .limi IS70. \V. 11°. ^w2k28; v. i». II.. H. li., lt;1. \\X\. bi. 18-

idem arr. v. 15 Maart 1878. W. nquot;. W:ll. R. d. CXVIII. § 29; v. i». II,. x W

li, I!.. d. XI.111. 1)1. 136—143; R. 1!. Jg. 1878, A. p. 195 sqq., bev. arr. -

Hof Amsterdam v. 12 Oct. 1877, W. nquot;. 4190, waarbij het vonnis der • fta.a^,

Arr.-R. Amsterdam, v. 26 Nov. 1876, W. n0. 4095, bevestigd werd. , ~

Verg. arr. 16 Juni 1863, \V. no. 2497. bev. vonnis Arr.-R. Sneek, v. ......

10 Oct. 1862, W. nquot;. 2491, waarbij beslist is, dat een eischer niet heeft A quot;Ze-» A A- ^

optevolgen een voorschrift van rechtsvordering, gegeven in een reglement, y,/,?. ./»»•lt;. |

waarvan hij het wettig aanzijn ontkent, maar zich terecht heeft gedra- ^, , I

i . , /. , . „ „ . UksI. ','ï:

gen naar de voorschriften der wet (in casu art. 4, 2 '. 13. U.).

Verg. art. 5, sub n». 20 B. It. (■for i'1quot; ■■

IO In den regel wordt wel vereischt dat de naam van de stad 66 ^ '/■ !|i||

of de plaats, waar de eischer woonachtig is, in bet exploit wordt op- z ^f00

genomen, maar aan het voorschrift der wet is evenzeer voldaan, wan- (J--

neer op eene andere volkomen verstaanbare en ondubbelzinnige wijze ^ ^

blijkt, welke de bedoelde plaats is. ^

Arr. 28 Febr. 1873 (kol. appèl). W. no. 3564, 1!. d. Clil. f 24. lt;quot;'ƒ ( ui7J

Men dagvaarding belielst overeenkomstig het voorschrift van dit art. ^§

fa gt;13 ' / - ■? il'ljl

- ';-J'

I

m

ocr page 50

1)7. 5.)

de woonplaats des eiscbers, indien zij bevat aanduiding van den naam en de nationaliteit van liet schip, waarover de eischende schipper gezntr voert, en vermeldt dat de eischer op dat schip verblijf houdt. Ktg. Schiedam, v. Hi Aug. 1875. W. ii0. 3905.

In de dagvaarding behoeft geenszins het woonhuis van den eischer voor te komen, indien de gekozen woonplaats met aanduiding van woonhuis is vermeld.

Ktg. n0. II Amsterdam, v. lt;S Augustus 'J8G1, W. u0. 2418, R. H. jg. -1862, p. 45—49.

In den zin der wet wordt onder woonplaats in n0. 2 van dit art. verstaan, de plaats der gemeente waarin men woont, en in die gemeente de woning zelve; mitsdien is het onvoldoende om in het exploit niet anders optenemen, dan dat de gedaagde woont in het Koninkrijk l?elgië.

Ari'.-i!. Amsterdam, v. 8 Aug. i8(i5, W. no. 2748. Verg. iiiermede Aii'.-R. Amsterdam, v. lü Maart 1840 sqq. sul) art. I 1!. 1{.

I I. Waar feitelijk is uitgemaakt, dat de misstelling betrekkelijk de gemeente, waarin des gedaagde woning is gelegen, is te wijten aan een schrijfiout, zoo kan deze beslissing geen grond tot cassatie opleveren.

Arr. v. 6 Nov. 1874, VV. n». 3784; v. u. II.. B. R.. d. XXXIX. bl. 5.)0—550, waarbij bet beroep in cassatie werd verworpen tegen het arr. 1'. 11. v. Utrecht, v. 10 Juni 1872, W. n0. 3499, li. B. jg. 18/3, p. 344, bij welk arrest is beslist, dat er geen reden tot het uitspreken dei' nietigheid van de dagvaarding bestaat, wanneer de z^tVvw-^gemeente der woonplaats des gedaagde wel abusivelijk onjuist is ver-meld, maar het niettemin blijkt, dat het exploit ten zijnen woonhuize is

quot; / ^ gedaagde door te verschijnen in zijne verdediging niet is benadeeld.

^ C^au voldoende, dat de benaming van de tusschen de vennooten aan-

,^aam-oeoane maatschap in de dagvaarding worde uitgedrukt.

4 8. Eene burgerlijke maatschap is, al heeft zij geene rechtsper-' l^soonlijkheid, ontvankelijk in het instellen eener rechtsvordering, liet

e-6- ^

1

A'

i,^ • Air. v. 30 Jan. 1874, VV. nquot;. 3087; It. d. CVl § 10; v. igt;. H., I!. R..

. d. XXXIX, bl. 122—130; bev, vonnis der Arr.-li. 's Giavenhage, v 11

de.

Z If

/ffóv^^^ . . betcekend. terwijl het ten allen overvloede nog duidelijk is, dat de

^ 1 , ..,1-i...... 4-« -------1.:!____•• li* • , • i' ^ Ï

h-pbr l«7:! W mo ÜSiVi

ft-

'2-

^ - l»c adv.-gen. Smits was in zijne conclusie van oordeel, dat art. 5, i

ocr page 51

/ ^ - ^ ^ Xc'. n ', lt;^~ C*. ^ gt;r—' S- ^ - ^ l|

/ ^ ,r* JL tS*^*-0- ClSrr t^ cSf. fz*^s

^ ,1//. 5 )

't_* «Vö- £j2^ 2 Zip t -^?--?^lt;f2 £aJ*^ ^h.

rf ^ ^ iJ. U., even als de arlt. i008 al. 2, I(')GO en 10S2 Igt;. \V.. ojidei* »?lt;(«f.sc/irt^) ^ 5~.

verstaat »de gezamenlijke vennootenquot;; — en dat dit art. 5 !gt;. K. n0. 2, niet _ ^,vL,'^ï^ alleen de vennooten onthefl. niaar hen zelfs vernlicJiL om in plaats van in //quot;. ^

' ïtP 7'?/ •

liunne namen den naam van de maatschap te stellen. j ^

. . / /A^VT r?cc ; M . gt;^lt;rc-a^

ItS. De y wet verbindt nergens aan net onjuist/ opgeven' van ^2'- j

^■*1V . /X, '/^4-^ /aoc/ , by. Vt-'t(Fobs'■ „ ; - vy' ^

woonplaats des eischers de nietigheid der dagvaarding, /dtvn '- ^ wrnu.h--* ttui.

qht. quot;■ quot;-/-dec. /pW/ uSï!-quot;y/ff Lot^fr, Kfrir^JH*'-}

ip ^ Air. v. :( Nov. T«82, W. no. bKX\, R. d. ('XXXII. § 5; v. n. II.. B. R^ gt;'- -

■gt; 'hl-O

y^1quot; ^ 1 — fli,y4ivisiieyi£a~vt- iC Jtf*'*-. óiflja, ^ UPp/,

i«/ l-l-. Eene dagvaarding, inhoudeude eene uitvoerige omschrijving

00 _ a . IseA^sm tJftO^L. |j|

van de daadzaak zonder aanduiding der bizondere wetsbepalingen,

rSj^ ,/A

welke men toepasselijk acht, zich slechts beroepende op de wet in het algemeen, voldoet, (daargelaten dat de gedaagde in specie daardoor in 1

zijne verdediging niet is benadeeld), genoegzaam aan liet geen bij art. 5, k-as.

nquot;. ;j B. 11, wordt gevorderd. '■'■-g-0'-

Air.-!!. Heerenveen v. 1^ .Inni 1839, W. n0. ü2, idem air. Hof Arulieni ^^

v. ti Juli 1880, YV. n0. 4572, ten betooge, dat nergens is voorgeschreven.

dat het wetsartikel, waarop de actie berust, moet worden aangehaald.

Vgl. hiermede in gelijken zin Mr. A. F. .Ioxgstua. VV. n0. 74.

JIS. De eischer, wanneer hij woonachtig is binnen de gemeente, ^

waar de kantonrechter zitting houdt, is op stratle van nietigheid ver- ZjAc-ü plicht in het exploit van dagvaarding, bij de vermelding van zijne woonplaats, nog opgave te doen van bet door hem gekozen domicilie, ^

Ktg. 's Bosch v. 10 Jan. 1840, \\ . n0. '.19. bevestigd bi j vonnis van de Arr.-R. aldaar, v. 30 Juni 1840. W. nquot;. 139; idem van 't Ktg. te Am- fee--T sterdam v. 24 Nov. 1842. I!. B.,.ig. 1842, d. IV. p. 879 ; idem Ktg. Breda. v. :j

7 Juni 1854. W. n0. 1558 (waarbij echter is heslist. dat in dit geval art. ^ '/ . ,_

94 li. li. van toepassing is, indien een gedaagde daardoor in zijne ver- * '*quot;$?• jj,

dediging niet is benadeeld). In gelijken zin uithoofde de wet algemeen /»»•

spreekt en ile uitzondering in art. 133 den regel bevestigt, door den in-zender van eerstgemeld vonnis (van 't Ktg. 's Bosch,) iu VV. n0.99, door ^

Mr. J. v. Dijk te Zutphen, VV. nquot;. '123, in quot;t K. Mij hl. I. I. — Verg. ook /^.

Mr. It. Boxevai. Fauhe, in N. Bijdr. jg. 1800. dl. XV I. ]gt;. 253, en Oudeman, i'li1

't A . 11'. v. B. II., 4de ed., d. I, p. '19 en 20 (die echter tevens, even als ^7 'L jt voormelde inzender eu 't Ktg. te Breda, doet opmerken, dat de rechter /■9'.

bij verschijning van den gedaagde, daartoe termen zijnde, de exceptie der nietigheid kan verwerpen); — anders echter door de Redactie van 't VV. nquot;. 101; Ktg. ii0. 1 te Amsterdam, v. 8 Juli 1875, I!. IS. jg. 1870,

afd. A.. p. 77; 11f. Pinto, Themis, 3de jg.. p. 378 eu 379 en B. 1!..

2de ged., Iste st.. p. 47. hoofdzakelijk op grond, dat de eischer in dit geval geacht moet worden domicilie te hebben gekozen aan zijne eijiene woonplaats, dat de letterlijke uitlegging der wet tot het

X

imrvi . z - ^ / V .r- - 1 r) J' '■ '

/te-

lt;r?t-as(i f-f -rT- rc'~ etst e? TA

0 r ' C/

ocr page 52

uiigeiijmde leidt en de woorden: »leii ware de eischer binnen die gemeente moclit woonachtig zijn,quot; welke elders in de wet zijn bijgevoegd, bier zijn vergeten; idem door 51 r. C. M. v. igt;. Kemp, Ontw. ut supra, p. 127 en i2lt;S. (liet eerste gevoelen is echter toegedaan Mr. Ij. (i. OiiEKVE in den 3den druk van dat werk. blz. 249.) — Mr. F. lï. Penning, iit zijne Aantcekcnuuien quot;jt vo'schillendc aril. v. I !1 . r. 11. li. (Zutphen bij A. K. t'. v. Someren 1853), bestrijdt het gevoelen van de Pinto ut supra, o. a. op grond, dat eene stilzwijgende keuze van woonplaats, hoewel nergens verboden, bij do wet onbekend is en die alleen kan geschieden bij overeenkomst of uit kracht van eene uitdrukkelijke wetsbepaling, en dat bovendien do ratio Uyi*, het belang des gedaagde, evenzeer bestaat in het geval, dat de eischer iu of buiten dio gemeente woont, daar hij immers zijne werkelijke woonplaats nog gedurende het geding naar elders kan overbrengen.

Itt. in elke vordering tot teruggaaf van gelden, welke men beweert onverplicht te hebben betaald, is het een volstrekt vereischte, dat de som welke wordt teruggevorderd, uitdrukkelijk in de dagvaarding zij opgenomen, met dat gevolg, dat de vordering tot teruggave van de verstrekte kosten van verpleging moet worden aangemerkt als niet te bevatten eene duidelijke en bepaalde conclusie, en mitsdien de dagvaarding moet worden nietig verklaard.

Air.-R. te Assen, v. 18 Maart 1844, \\. no. 532. li. liijbl., jg. 1844, d. VI, p. 523 sqq.

in gelijken zin in eeu vertoog in quot;t \V. rio. 541 ; — anders in W. no. 532. •— Vgl. hiermede een vonnis van do Arr.-I!. Nijmegen van 7 Dec. 1847, \V. nquot;. 895, waarbij is beslist, dat eeno conclusie, om bepaald te zijn naar den eisch van art. 5, n0. 3 I!. It., niet in eene bepaalde geldswaarde behoeft te zijn uitgedrukt, maar het genoegzaam is dat er een bepaald objectum litis zij, (m casu de betaling van een zeker ge-gedeelte in de korenrente van aangeduide perceelen).

IS. De regeling eener vordering bij staat, stelt eene uitzondering oj) den algemeenen regel van art. 5, n0. 3 13. R. daar, welke zich alleen bepaalt tot het verelt'enen van kosten, schade, interessen en proces-kosten, en alzoo niet tot andere gewone vorderingen kan worden uitgestrekt.

Air.-l!. Assen v. 18 Maart 1844. \V n0. 532, U. liijbl. jg. 1844, d. VI. p. 523 sqq.; R.. d. XXV. g 92 (aldaar onder dagteekening v. 12 Feb. 1844); idem Sneek v. 16 Dec. 1840, li. li. jg. 1845, d. VIL p. 067 en 008. ■— In gelijken zin bij Oudeman. It. It., 4de ed., d. i, p. 22 en 23 en ook Mr. l. o. G. in W. n». 541. — Verg. vonnis Air.-lt. Groningen, v. 5 Febr. 1875, li. li. jg. 1870, A.. j). 96, W. nquot;. 3972. waarbij is beslist, dat de actie tot schadovergoedinu niot-ontvaidielijk behoort verklaard te worden, wan-

ocr page 53

d-*- ----- ^

/ (f

0^-4..

cU-C^

7

ïïj. 2^^/f a/e~~.

V f -1 e '~o 19 lt;j

■bi ao y. 0-. gt;?•lt;—i' - ' cXa- v s ' ■ -fquot;

- fy

^/Ix/L. 9 'vrTrtlt;Ln-i.

76^ ia clt;P^ . 'J y'tz?-

f

\rl. 5.

neer is gevorderd liet bedrag, nader optemaken bij staat, terwijl het juiste bedrag bad kunnen upgegeven zijn. ('f. arr. v. '27 Iti'C. 1878 sqq. sub art. 012 15. I!. Zie biermede in verband, art. 'i. boek II. titel I van bet Ontwerp B. R. ut supra, waarbij is bepaald, dat bet bedrag der geëiscbte schadevergoeding, op stralte van niet-ontvankelijklieid van de daartoe strekkende vordering, in de dagvaarding moet worden uitgedrukt, en daarover een opstel in W. n0. '2095 in verband met een opstel in W. no. '1707.

1 S. De dagvaarding waarbij cte eischer vordert de betaling eener zekere geldsom, onder korting van hetgeen de gedaagde kan aantoonen daarop in mindering betaald te hebben, voldoet niet aan art, 5, n0. 3, B. 11., vermits door zoodanige bijvoeging de som, welker betaling wordt gevorderd en waartoe de conclusie moet strekken, ten eenenmale in het onzekere wordt gelaten en mitsdien is onbepaald.

Arr.-H. Gorincbem v. 26 Oct, 1844, W, no. 556 (welke rechtbank echter, ingevolge een opstel van Mr. A. M. Blom in 't VV. nn. 987, later een tegenovergesteld beginsel heeft gehuldigd); idem Amsterdam, v. 30 Mei 185-1. Amsterd. Uegtspr. d. II. p. I'18—*122, naar luid waarvan eene voi'dering is onbepaald, wanneer men do causa dehendi vermeldt, doch zich het recht voorbehoudt die vordering naderhand te verminderen;

41

L j' '

Ü \t I. ;| ;i

-391, ; i lei-van

388-;larinj larins

'l ^Hi

I

il

j|.

I h

Ir

X

l

i , f/ /;

I

rV ■quot;

rji'^ur.v

;' I

i ii i'- - ii

idem Winschoten v. iO Sept. 1851, R. Bijbl.,

(waarbij tevens is beslist dat in zoodanig geval de nietigverl dagvaarding ook van zelve de nietig- of van onwaarde verk een gelegd beslag moet tengevolge hebben); idem Sneek v. 25 Aug. '1852, R. Bijbl., jg. '1853, p. '181 : in de O/im. en Med., d. AH. p. 172—

183 en Mr. A. de Vries in de lieglsg. Oiisleüen, p. '17—33; — anders bij arr. van 't 1'. 11. in Z.-Holl. v. 22 Mei 1845, \V. n'. 622;R. d. XXV, § 86, vernietigende het vonnis van Gorincbem ut supra, alsmede bij vonnissen van de Arr.-U. Amsterdam, v. 29 Maart quot;184-1. lier/t in yederl.,

d. 111. i). 56; li. B. jg. 1846, d. Vlll.p. 170 en v. 30 Aug. 1842, R. B. jg. '1842, d.

IV, pag. 903—909 (bij welk laatste vonnis is beslist, dat de conclusie tot eene schadevergoeding van zekere som, of zoo veel meer of minder als de rechter zal vermeenen te behooren, als genoegzaam duidelijk moet worden beschouwd, om partij in staat te stellen te beoordeelen, of zij de vordering al dan niet moet tegenspreken, welk laatste do bedoeling des wetgevers is geweest bij de bepaling van art. 5, n0. 3 B. R.); idem bij vonnis der Arr.-R. Assen, v. 26 April 1847, R. Bijbl., jg. 1852, p. 86—88,

waarbij is beslist dat, indien eene vordering (in specie in den vorm eener rekening-courant) strekt tot betaling van den koopprijs der goederen, V^-^y^yv^jre onder aanbod van bepaaldelijk opgegevene korting van hetgeen de eiscbers aan den gedaagde verschuldigd zijn, er geen aannemelijke grond voor- K. ^ handen is tot niet-ontvankelijkbeid der vordering; idem 1'. 11. in N.-Brab. v. 29 Maart '1853, W. n0. 1434, 11., d. XI,VI, § 95 (o. a. op grond dat gedaagde bij eene zoodanige vordering als goed huisvader behoort weten, wat op de hoofdsom voldaan is); idem bij arr. van 't P. H.

Groningen, v, 3 Oct. 1854, VV, irgt;, 1592 (waarbij is beslist dat die

•1852.

ocr page 54

/hxptrrotKXamp;z^y /e.^ 7^^^ amp;_

•^.CcTv/^clyiX-cLr £

f C-Ur-

■ Arl. .•).

c. ^o-r- c^ 4-^ U-. P/stA-sszr1lt;i-

' ^ vax der Hoeven, lleglsy. Opstell. ut supra, p. 34—48 en de Redactie van het W. v. h. li. in n0. 1351. — Evenzeer betwijfelt de Redactie van ^ i„„ het R. Bijbl.. jg. 1852, p. 391, alsmede Oudemax, li. if.. 4de ed., d. 1.

l'- 23, de juistheid der uitspraken van de Rechtbanken te Gorinchem, Win-schoten en Sneek, welke hun bedenkelijk voorkomen en waarvan ook implicite het tegendeel is aangenomen bij het arr. van den H. R.. v. 7 . i'ebr. 1851. vermeld op art. 771 13. li. — Zie ook art. 441 li. 1!.. arr. /- van 't 1'. 11. van Groningen v. 3 Oct. 1854; alsmede met betrekking tot ' den invloed eener verminderde vordering op de al dan niet appellabiliteit /art. 134 li. li., arr. van quot;t P. II. v. Utrecht v. 4 en 8 Aug. 1843 sqq.

1». Het is een regel in rechten, dat men niet moet hechten aan

; / letterlijken zin der woorden in eene acte vervat, maar veeleer

w^^'moet nagaan, welke de bedoeling der belanghebbende partij geweest

3cze'Mquot;tJ~ zij en hieruit volgt, dat, om ontvankelijk te zijn in eene actie, bet

genoeg is, dat men in een verzoekschrift tot kosteloos procedeeren het-

?zelfde bedoeld bebbe, als in eene acte van dagvaarding later tengevolge

fih- ■^^''^der admissie-gratis geëxploiteerd.

li rVr-tye?L ' Arr.-R. Maastricht, v. 27 Dec. 1844, li. Bijbl. jg. 1845, d.Vll. p. 504en505.

/t®

. A.l. «O W anneer men een zedelijk lichaam in rechten wil betrekken,

1 y ^

J™quot; Vi_ is men (zonder dat daartegen art. 5, n0. 2 B. R. obsteert) niet ver-

/,0 fV /

(A //

u o yo£ 9 •

/ /

'**' ■ die bepaaldheid van den beginne af aan zou hebben ontbroken);-

^ ^ bij vonnis Air.-lï. Haarlem, v. 27 April 1880. 11. B. Jg. 1880, A. p. 338:—

fajrjLtfquot;', idem bij vonnis Ktg. Dordrecht, v. 12 Nov. 1855, W. n0. 1704. — In

^o0. gelijken zin door Mi'. (.'. M. van uer Kemp, Onlwikk. ut supra, p. 128. / Jos-A-' druk door Mr. ].. G. Greeve, blz. 254); door den lloogl. des Amohie

' oej- van

^ ?^a^r-»quot; o cn^ocr-. ^ ffa z^ ^

ijTsfCiyxJ^tamp;jnr ^JU-gt;a_ S-*' ^

Ct]\ J4 a~L. e-.rt-c, u-c .quot; ^-rrTxr^Q-C. f *2 Q^c f

£amp;ér (/ha -T» . /-/r j.;gt; r-Xt— 5- y^on., uP^^t «^e^rx-

/fy'r-Ï; zr (. ■! 1/ . J/.-.cC ■# y z , al «-* a ,3 s/- 3criamp;ic*!^ Zo^fyvttftO/tamp;d

' ' Oj A/quot;

Kquot;- ^ Oplicht dat lichaam zelf nomlnatim te dagvaarden, maar kan men vol-v*\' JA ^ staan met het bestuur, de persona moralis, te roepen. Hieruit volgt , dat, wanneer het bestuur van een zedelijk lichaam, zonder aanduiding

z- van personen, eischende of verwerende optreedt, zulks niet anders kan

^7 - ^oj*' worden begrepen, dan als vertegenwoordigende het zedelijk lichaam en ^ dat in zoodanig geval eene condemnatie van het bestuur nooit kan \ worden verstaan als van de bestuurders persoonlijk, noch ook tegen

hen zou kunnen worden ten uitvoer gelegd, tenzij, om de eene of andere reden, uitdrukkelijk ware verklaard, dat zij in hun privé veroordeeld worden.

y, c£- . élf.

'a- tel-.

-JL

Z-lA. -C.

Jt^~ o/f^

■ J*l-

r

i -

//amp; ^ C '

y 'T t /A rit rv- ^

77 \ . /. /

c.y7.

bijvoeging niet uudèrs is te beschouwen dan als iets, wat iiauleicling zou kunnen geven, dat, wanneer van die betaling of andere kwijting, als eene gestelde voorwaardelijke omstandigheid, zoude zijn gebleken, daar-/ door dan de bij het vonnis bedoelde en aangenomene bepaaldheid zou /\ komen ojj te houden, hetgeen geheel iets anders is dan te stellen, dat ,1111 1 *iigt;.o. 11 ii 11 ii 1 ri \■. 111 inifi'iiiiiii of mi 11 -/1.11 11 uiii 1 li 11 .1111iiiiiii.-iiii \._ idem

an-

fr/V-

«f V^.iCc

XT-

lt;2 -

'^O'a

ip,t~ a£*t ^ezWrZ'-rL'

lt;2.*-*- -v

r

s 62- (—■/ Aë^yisJ 41 f it O^^—

asis 9~nyi/.

c- (4.

^Tquot;

/

C-/-A. -

2- Crer-^-Qa*,

/-O- ,

tf^e- 'y V-lt;*-^~\JL. yx^-

7^

f °r

Af

Zfiï - ■

zresis-yn-

\jS.(ottüZSia. v: K*^vid3^wlt;^ owwi. ^ aPj 2_f fa* 1

ocr page 55

1 •

Att*T- zJ 'ï'

UK 71quot;

f!v.2- KfCfi n'bj.

■

1

amp;

7

f, WC*1-

f-quot; i'a

tflquot;.

Jro

• 1

\J

[rl__

A

22 - V Wv?

^ ■ Y k,

'/

f f T'-C-L^C

rUL q ■—te-

l Vl ~U2~C- gt;4- '

; quot;i, cl .

t ijf quot;Vfi-7 Ct/J

'M°f Z .

Olr^-

(-■

rt'jCP 'k°

■ • •! i

A ' jiff di^

-r

afgescheiden en in hare rechtsverhouding onafhunkelijk van de physieke personen, uit welke zij tijdelijk bestaat, tengevolge waarvan ook, krach- ^^2. / tens dit wets-artikel, bijaldien zij cischend of verwerend in rechten op- £ ^ treedt, enkel hare generieke benaming regulariter in het exploit van dagvaarding wordt uitgedrukt, zonder dat echter het wezen der zaak wordt veranderd, door het opnoemen ten overvloede van de namen der individuele leden door den deurwaarder; - idem ten aanzien van deze laatste uitspraak Arr.-R. Amsterdam v. 18 Aug. '1879, W. n0. 4438; zie verder ten betooge, dat wanneer het bestuur eener vereeniging als zoodanig optreedt, de vereeniging geacht moet worden zelve in rechten te zijn verschenen, Ktg. Sneek, v. 22 Maart 1879, W. n». 4404. — Anders echter bij vonnis van de Arr.-R. Amsterdam v. 22 April 1839. R. li., jg.

1842. blz. 770 en 771. naar luid waarvan eene dagvaarding ten verzoeke van bestuurders eener societeit (ook met het oog op de artt.

1692 en 1094 B. W.) den naam, voornaam en woonplaats der eischers zou moeten behelzen. — Vgl. ook hiermede 1°. een vonnis van de An'.-R. 's-Hertogenbosch sine die, W. n°. 319, volgens hetwelk eene (in specie naamlooze) maatschappij, in rechten moetende worden opgeroepen in de personen harer hoofden of bestuurders, het geen gegrond middel van met-ontvankelijkheid kan daarstellen, dat men hoeft gedagvaard de (/edaar/de» id* bestuurder* der maatschappij en niet letterlijk de manlselui/ipij en hare bestuurders, hetgeen te meer klemt, indien do eischers tevens ge-^ bruik hebben gemaakt van hunne bevoegdheid, om de gedaagden per-f^soonlijk in rechten te betrekken, en 2°. een arr. P. II. v. N.-Brab. v. 18

anw*-quot;quot; t]e vordering van

/ ^

r- ■ worden verklaard.

.0/,l

L / Arr.-R. Sneek, v. 25 51 aart 1846, R. IJ., jg. 1847, d, IX, p. 527 en 528. I e Verg. Ktg. Iloogeveen, v. 30 Nov. 1869, VV. no. 3173; waarbij is beslist dat eene dagvaarding, waarbij een eisch tot ontruiming wordt ingesteld, / ^ 'quot;k moet metig veridaard worden, wanneer zij geene duidelijke en bepaalde omschrijving van liet huis, dat het onderwerp is van den eisch, inlioudt.

ebill ■ ') Ijl Pw. o-nt-.'ji U/. Tl

cie, «tVC Mgt; jfa. lU U Ori

quot;f'/'ï■ ^

Maart 1851, W. n0

Arr.-R. 's-Hertogenbosch, v. 30 Maart 1849, W. n0. 1305, waarbij is beslist, dat art. 4, nquot;. 3 en art. 5, nr'. 2, B. R. voor derden niets anders ^__

vorderen, dan dat de naam der gedaagde gemeente in het exploit worde V. ,

vermeld en dit aan het hoofd van het plaatselijk bestuur worde betee-

38. Bij eene zakelijke rechtsvordering moet de opgeëischte zaak-duidelijk en bepaald zijn omschreven, bij gebreke waarvan de eisclier, den verweerder, niet-ontvankelijk behoort te

idem hij vonnis der Arr.-R. te Sneek. v. 29 Jan., 1845 R. B. jg. 1846. d. VIII, p. 090 en 097, waarbij is beslist, dat do corporatie enz., vermeld in art. 5, n0. 2 laatste al. li. R., is collectief en als persona mornli.s geheel

kend. — Cf. art. 16 li. R.. vonnis van de Arr.-R. Sneek, v. 29 .lan. 1845, ^ en van Utrecht, v. 22 Oct. 1852 zoomede het aangeteekende sub art. 5 B. I!. noa. 7 en 44.

1306; R., d. XXXVII. § 77. bevestigende een vonnis

n'cr

:tZ

'//L.ilt;st4c/i){C(9-.

ocr page 56

£yvqr oJivejU, **-—- rjLiJ2~yUsjlt;?

/lt;^0~0 t-rJT

f L

^ ^ jf It -------lt;sc£amp;, ^ ,—t/ï / V'

Arl. 5.)

A-* jZ5lP2~-

««. liet instellen van twee actiën bij eene en dezelfde dagvaarding, is eerst dan geoorloofd, indien (gelijk i» cas«, waar het voornaam motief van de actie tot ontzetting van een gedaagde uit de voogdij, gelegen is in de niet plaatsing van certificaten op het Grootboek en de toeziende voogd tevens heeft gevorderd de afgifte aan hem qq. van die stukken of we] de waarde daarvan) de eene is subsidiair of ondergeschikt aan de andere.

Arr.-U. Amsterdam, v. 30 .luni '1840. R. ]i,. jg. 1840, d. VIII, p. 554— 559; R.. d. XX.NV. 5; 104. — Verg. Arr.-R Groningen, v. 5 Febr. 1875. aangeh. sub hoc art. n0. 17. Verg. ook art. 1 li. R. sub no, 24.

«:s. i)e eigendunkelijke veranderingen of bijvoegingen van voornamen bij het verlijden en teekenen van akten, kunnen ten aanzien van derden geene verplichting doeu ontstaan, om zich daarnaar te voegen bij de aanduiding van personen en in geen geval, ook met het oog op art. 5, nu. 2 B. R., beletten, dat iemand kennelijk genoeg wordt aangewezen en van anderen onderscheiden, wanneer gebruik gemaakt wordt van zijne doop- of geboorte-namen en van die bijnamen, onder welke hij in het openbaar en algemeen bekend staat.

Arr.-H. 's-Hertogenboscli, v. 18 Juli 1846, \V. n0. 811.

24-. De formaliteiten, iu art. 5 15. li. opgesomd, zijn speciaal voor exploiten van dagvaarding geschreven en valt de niet naleving daarvan in ieder ander exploit (en mitsdien ook niet in dat, uit krachte van art. 440 15 li. gedaan) uit dien hoofde alleen niet onder de nietigverklaring van art. 92 15 li.

Arr.-R. 's-llertogenbosch, v. ii.'i Sept. 1840, \\ . n0. 830, bevestigd bij a it. P. 11. in N.-lirab. v. 2i Sept. 1847, \V. uquot;. 897; idem arr. 1'. U. v. N.-IIoll. v. 17 .luui 1847. R. 1!., jg. 1848, d. X, p. 1—14. \ erg. ook Ktg. Apeldoorn, v. 23 Oct. 1878, W. n0. 4371, waarbij is beslist dat de voorschriften van dit art. niet van toepassing zijn op een exploit, waarbij de gedaagde wordt opgeroepen om in eene aanhangige zaak voort te procedeeren, zijnde voor dusdanig exploit geene vormen voorgeschreven, ('f'. art. 5 1!. li., arr. v. 14 .lan. 1853, sul) nquot;. 3 en art. 50 li. It., arr. v, 29 Oct. 1852 sqq. — Zie ook art. 94 li. li., arr. van 't 1'. 11. van N.-Brab. v. 24 Maart 1840.

«5. Wel is bij art. 5, n0. 3 15. li. bepaald, dat de dagvaarding ook moet inhouden de middelen van den eisch, en is verder bij art. 92 ibid, vastgesteld, dat dit alzoo bepaalde, op strafte van nietigheid,

ocr page 57

y~ IT*** cS^ frcA~^ QUsle^Zs ^%,

M- ^ ti ^

^/, ^U^. '//^.^VA'A,,. /o 77lt;h~ ayé n'^77£- ^0-'**quot; Uquot;**Ji; -c. „-I 4^.v/ ^ *gt; *. (i4r/. 5. é^S^J

XX'i- lt;**quot; '^r-^ *■amp;■ quot;»-'*■ - # ?.1

moet worden in ncht genomen, doch dnarbij wordt niet gezegd, dat de ......-„

| ' ■-^ j . . ., ^ Uert

l' deC gron(^en of middelen, om de strafte van nietigheid te ontgaan, geheel ^ j/^ap 'y? \/-/C///.Z1 voldoende moeten zijn, en nog veel minder, dat daaronder ook de mid-ï 'leien van rechten zouden zijn begrepen. De Keehtbank behoeft alzoo quot;j

l, il „p dit punt niet te onderzoeken, of de dagvaarding wel eigenlijk ge- ^ iM. k. (M^. Lo^^zegde rechtsmiddelen bevat, noch ook of de werkelijk geallegeerde . -yt-

nii^^e'eri voldoende zijn^; maar alleen, of de eischer werkelijk gronden i :

Ls,r/^*u Voor zijne vordering heeft aangegeven; terwijl het onderzoek, of die al '^ ' ?)

'yi* l0l • /

ry' ^ dan niet voldoende zijn om hem zijne vordering toe te wijzen, eerst

hjj fjg behandeling van de hoofdzaak zelve kan te pas komen ; tot t/fo.2urv6£i!-. ■ \f, .{ welker behandeling het anders wel nimmer bij een tegenovergesteld bfyp '

■a- .r.eSJ- stelsel zoude komen, daar dan het niet genoeErzaam staven van den ..

fi. A . . in?

tJe-.***'. ei.sch steeds eene nietigverklaring der dagvaarding ten gevolge zoude

VttAsU

^ 1-. 1-« ✓ /) / /1-.— ST . / SJ/rn /i 9-~ si* amp; / /f

hebben. J ^4^. tjlt;yrgt;,

\(Pq{~ ^ *■quot; Arr.-R. Alkmaar, v. 4 Febr. 1847, R. li., jlt;r. IS48, d. X. jgt;. 115 en

I^'l^ ■ '116; idem Ait.-R. Amsterdam, v. 19 Jan. 1869, W. n0. 3110, waarbij werd

; ' ' c. ^68''8^' dat in de dagvaarding niet behoeft aangegeven te worden, welke '

:i -l1 ' rechtskundige kwalificatie aan de gestelde feiten moet worden gegeven: fo**quot;

/

i'AsYlS.

| c'Z/'J 9L idem (vooral in spoed vereischende zaken, die voor den president moeten kS- quot;

' worden behandeld) bij vonnis van de Air.-R. Hoorn, v. 2!) Jidi 1847, pinc-

R. B., jg. 1848, d. X, p- 119—121. /j. j ^

(711, _ yof 61. Ttquot; (PJtrt/.

lt;8lt;». De vorderingen tot voldoening van drie onderscheidene geld-

leeningen, kunnen bij ééne en dezelfde dagvaarding worden ingesteld.

P. H. v. Zuid-Hol)., v. !) Febr. 1848, W. n0. 907, bevestigende een vonnis p van de Arr.-R. Brielle, v. 26 Febr. 1847; Cf. art. 1. sub i.o. 24. quot;f

'£i. ICene dagvaarding, strekkende daartoe, dat de Rechtbank verklare /, r-j^iY dat de gedaagde, als hoegenaamd geene eigendoms-rechten bezittende oj) een stuk land, door hem in pacht bezeten, verplicht is dadelijk bij het uiteinde van den pachttijd dit land te ontruimen, is nietig, indien 'ze..

de gedaagde daaruit, noch uit de, daarmede heteekende stukken heeft - t^jLh-j'' kunnen opmaken, welk stuk vast goed in de aan hem beteekende dagvaarding bedoeld wordt en hij daardoor in zijne verdediging is benadeeld. amp;.

Arr.-R. Maastricht, v. 18 Nov. 1847, W. n0. 947. — Vgl. hiermede —

in welke gevallen geacht kan worden aan de bepalingen van art. 128, -

,j0. art 5, nquot;. 3 B. R. te zijn voldaan — art. 128 B. R., vonnis van de //, , f/ Arr.-R. Dordrecht, v. 6 Jan. 1851 en een arr. van 't P. H. in Gelderland,

2- - Vcns, jl*. y.U. fjaxr ÏJY-

ï

ocr page 58

['j yr-h^rL

-tv- - '*''^lt;1 71 ^-,

2

Pit,, Jcj. Z/ ■ a.ii- /S.JO

Art. 5.)

v. 5 Feb. 1851. — Zie wijders eene ontzegging van den eisch op grond van onbepaaldheid in zake van beklemrecht, een vonnis van de Arr.-R. Groningen v. 14 April 'IS^iS, R. Tiijbl. jg. 1850, d. XII, p. 721—72H,

'tH. Een erkend en hersteld erreur in de voornamen van een der auteuren van de eischers, maakt het exploit van dagvaarding niet nietig, indien de bedoelde persoon overigens voldoende wordt aangewezen en bij den gedaagde volkomen bekend is.

Arr.-ll. 's Ilage v. 7 April ISiS, W. n0. (J09. -— Cf. art. 5 I!. I!.. arr. v. I I Jlei 1848 sqq., sub. nquot;. 2.

*lt;20. Eene dagvaarding voldoet aan het voorschrift der wet, in art. 5, n0. 3 B. R. uitgedrukt, indien daaruit genoegzaam blijkt, wat en waarom de eisclier heeft gevorderd, zonder dat het noodig is, dat ze ook inhoudt de wijze, waarop de eischer zijn eisch zoude kunnen bewijzen.

Ktg. Gorinchem, v. 30 Maart 1849, W. nquot;. 1009; idem Arr.-R. Amersfoort, v. 16 Juni 1875, W. n°. 3953; Arr.-R. Groningen, v. 9 Mei 1879, W. no. 4403.

Verg. hiermede arr. 1'. II. v. Drente, v. 17 December 1870, W. n0. 3350, R. li. jg. 1871, p. 701, (ook vermeld sub art. 5 B. R.. 110. 54), waarbij beslist is. dat in de dagvaarding, uitgegaan van den verhuurder tegen zijn huurder, on waarbij de actie tot schadevergoeding op grond van eene onrechtmatigheid wordt ingesteld, de huurprijs niet behoeft te. worden opgegeven, en arr. van hetzelfde Hof v. 2(i Januari 1801. VV. 110. 2470 (ook vermeld sul) art. I I!. R. uquot;. 22), waarbij werd beslist dat het voor de zoogen. actio servitutis negatoria geen volstrekt vereischte is, dat bij de dagvaarding wordt aangewezen een bepaald erf. ton behoeve van hetwelk eene erfdienstbaarheid wordt beweerd; voorts arr. v. hetzelfde Hof, v. 31 Januari 1852, I!. H. jg. 1855, p. 493, waarbij is beslist, dat wanneer bij de notarieele akte, waarvan bij de dagvaarding afschrift is gelaten, vernield zijn de rechtsbetrekkingen van den gedaagde tot de overige partijen, deze bij de dagvaarding niet behoeven herhaald te worden. Verg. verder Arr.-R. Groningen, v. 27 Juni 1873, VV. 11°. 3024. waarbij is beslist, dat wanneer uit de dagvaarding blijkt, wat gevorderd wordt en daarvoor eene reden is opgegeven, de niet-vermelding der causa debiti de dagvaarding niet nietig maakt; verg. eenigszins tot deze laatste beslissing betrekkelijk, Arr.-R. Amsterdam, v. 23 Maart 1869, W. nquot;. 3138.

Zie voorts over de beteekenis van art. 5, n0. 3 B. R., Prof. v. Bonevat, Faure, in A. Bijdr. jg. 1800, dl. XVI. blz. 254, die hoofdzakelijk betoogt, dat de zin deze is, dat de middelen en het onderwerp duidelijk en bepaald moeten worden uitgedrukt, zoodat er geen twijfel kan bestaan, omtrent hetgeen gevorderd wordt, en dat dit noodwendig moet voortvloeien uit de voorop gestelde daadzaken en den daarop tpegepasten rechtsregel.

_ 5quot; W/ ,7'-'^ quot; , L . S-rf amp; 'V-

A- lnrrr~ 2.cr~n.-e-e-^L

40

ocr page 59

rJi '~

Azr £

' , J fy • rj

^ ' C amp;TSr^

Jlu.

fyt- tf a * ^ ------ • ' ■ - ■ - ' *r/

^ ■ - ' ' -^ ■ -

Zie wijders gevallen van onvoldoende motiveering in; / vonnis Arr.-R. Maastricht, v. 5 Juni 1803, W. n0. 2520, waarhij is

• ^es''s^ r'a^ wanneer ('e gestelde leveranties loopen over meerdere jaren

laa / en noch het juiste tijdstip van ieder derzelve, noch de prijzen en hoe-

grootjie(jen specifiek in de dagvaarding zijn opgegeven, deze niet voldoet aan de vereiscliten van dit art. Verg. met deze uitspraak het vonnis van cie ^ het Ktg. Groningen, v. 2 Juli 1877, onder dit art. vermeld, verder vonnis der

Voor de duidelijke en bepaalde conclusie, vermeld in art. 5, nü. 3 B. R., is geen bepaalde vorm voorgeschreven, terwijl ook het dispositief der dagvaarding niet behoeft in te houden eenig gevorderd bewijs.

I'. II. v. Z.-lloll., v. 27 Juni 1849, R.. d. XLV. S 52. Vgl. Ktg. n». IV Amsterdam, v. 20 Oct. 1857, W. n0. 1906, ten betooge dat evenmin wordt vereischt dat in de conclnsie nog eenmaal do causa debiti (gewoonlijk aangeduid met de woorden: ïverschuldigd uit voormelden hoofdequot;)wordt haald.

slist dat, waar eene vordering uit talrijke onderdeelen bestaat, deze ieder in liet bizonder moeten zijn uiteengezet; vonnis Ktg. Amsterdam, v. 19 ^ Mei 1879. W. n0. 4402, waarbij is beslist dat wanneer uit de dagvaar-^f'c^QAn,t' ding niet blijkt, welke wisselactie de eischer instelt, alsdan het onderwerp van den eisch in de dagvaarding niet is vermeld.

Zie verder hiermede in verband, art. 5 B. R. sub nos. 35,39,41,63 en 07.

Arr.-R. 's Ilertogenbosch, v. 13 Oct. 1854, W. n0. 1653, waarhij is he-

^:Sv

/-:io.

c/, / ,

\dL

H

31. Het exploit van dagvaarding behelst (hoezeer dan ook minder in overeenstemming met de letter van art. 5) in den zin der wet de vermelding van den dag en de maand, voorgeschreven bij art. 5, nquot;. I B. R., wanneer het luidt: op den tweeden Pinksterdag van het jaar......

Arr.-R. Winschoten, v. 30 Jan. 1850, W. n0. 1126; I!. li. jg. 1850, d.

XII, p. 514—520.

38. De dagvaarding van twee gedaagden onder de collectieve benaming van gebroeders is nietig, inzonderheid wanneer uit het exploit van dagvaarding niet blijkt, dat beide bedoelde personen individueel zijn gedagvaard geworden en dat aan ieder hunner een afschrift der dagvaarding is gelaten.

v. 16 Aug. 1850. W. n0. 1161.

»3. Bij eene rechtsvordering tot echtscheiding kan men, met het oog op art. 5, n0. 3 B. R., volstaan met de verwijzing in de dagvaar-

t '

* ï . tyc*

/ amp; a a.

, / /-

??

■(J h1

i*

^ lt;?lt;3^ t_ itr '/f*- '

,^r0^C , A .

alt; fi e S ■

^ ^ S?a S-

' Art. 5.)

amp; 'U ^t-* '

0gt; quot;Z-t-ti a ^ / - cr£tSrj~ a

-r

7y-f 1 £

-_/

-

,4-^t^ a. omp. f* t/,,/ askpé?

1^^ lt;s^ O .

a ,

-pyyv 1

rlJ*

ya. 'f**

^nriJ

/f , r te ^

Q A amp;

1 ..Ja £

/^f^rxa. PrtrzjfP-—

.

f

li

ICtg. Zwi

ocr page 60

{*£ 1C f/TX^S ^a.^. 'f/trvz^L^rz^o

Qtodu^ bri. t^ïa cksy* AULAS'. /

oU^ olt;*~~ éhra^e- / 6J: n°j?/aW.

Art. 5.) 48

clini^ nanr de daadzaken, voorkomende in bet te gelijk beteekend in-troductief verzoekschrift.

Air.-R. Middelburg, v. 21 Mei 18.ryl, W. iiquot;. 1254; Atr.-R. Assen, v. 4 .lunnari 1809. W. nquot;. 3lil.3: idem wanneer iii de dagvaarding wordt verwezen naar een verzoekschrift tot tusschenkomst, inhoudende de middelen waarop de interventie is gegrond, bij vonnis der Arr.-R. Maastricht, v. 28 Oct. 1847, W. n0. 948. — Cf. art. 202 B. R., vonnis v. de Arr.-R. quot;s IIage, v. 28 Febr. 1851 sqq.

3-4. Aan het voorschrift van art. 5, 11«. 3 B. R. is voldaan, indien bij eene ingestelde actie tot echtscheiding subordinaat is geconcludeerd tot scheiding van tafel en bed.

Arr.-R. Middelburg, v. 21 Mei 1851, W. 11quot;. 1254; idem Arr.-R. Amsterdam, v. 6 Sept. 1869, \V. no. 3171; idem, waar de principale vorde-rinu1 gold de toelating van het bewijs door getuigen, van de verkrijging door middel van verjaring van eene erfdienstbaarheid van weg of uitweg en de subordinate tot het erlangen van een uitweg naar den genieenen welt;r, over een ten processe omschreven land, bij arr. van 't P. H. van K.-Holl. v. 24 Oct. 1850, W. n0. 1186. — Cf. — met betrekking tot het vonnis der Arr.-R. te Middelburg — bet aanget. op art. 290 R. W. sub n°. 1, en art. 134 R. R., vonnis van de Arr.-R. Amsterdam, v. 30 Juni 1847, en over het eigenaardige eener alternatieve vordering — art. 59 B. R., arr. van hetzelfde P. H. v. denz. datum.

3*». De eischer, zoo hij in rechten den koopprijs opvordert van onderscheidene verkochte, en wat het geslacht aangaat, bepaalde goederen, kan volstaan, met voor middelen in liet libel op te nemen, dat de fedaagde in het in de dagvaarding vermeld jaar onderscheidene goederen van den eischer heeft gekocht en ontvangen en deswege aan hem zekere bepaald uitgedrukte som is verschuldigd, zonder dat uit art. 5, n0. 3 li. R. volgt, dat hij tevens de onderscheidene goederen, die verkocht en geleverd zijn, moet specificeren, in dier voege, dat hij hunne bepaalde hoeveelheid en den prijs van ieder daarvan opgeve.

Ktg. Groningen v. 6 Juni 1851, W. nfgt;. 1302; — anders bij vonnis van hetzelfde Ktg. v. 22 Sept. 1851, W. ut supra. — Cf. art. 5 B. R.. arr. van 't P. H. v. Overijssel v. 12 Sept. 1853, sub. nquot;. 39, en het aan-

geteekende sub 29 van dit artikel.

3©. Hoewel art. 5, n0. 3, H. R., zonder onderscheid, of de maatschap of vennootschap van burgerlijken, dan wel van commercieelen aard is, wil, dat hare benaming in de plaats van den naam en voornaam der vennooten moet worden uitgedrukt en hieruit volgt, dat ook

ocr page 61

11

/ Xo , t^óCAs lt;

^,/f! // ^lin^--^LI, (amp; 7*° *yf/gt;:

in een vennootschap van burgerlijken aard, onder zekere benaming uï ^ce, fr./iïj m,.

tinna, het laten van één afschrift van het exploit voldoende is aan de cteaZ

woonplaats der gedaagde (tevens den zetel der vennootschap) als ééne

persona moruhs. volquot;;t echter, ook met het oo^ olt;) den ruimeren en quot; ^ ^ .. . .

gewonen termijn van dagvaarding, zoo aan bizondere personen als aan

s UjL~.-t- amp;

(.t/V.

7

-

^yüy^/ijrt) lb. /lt;!.. jLJaZc!*

UJ.

7.-,. rr^ %gt;■ #■

5 ' 1

' I - r . i; ■,! 1 .i'

ff

11 t.

I

'ü il

eene burgerlijke maatschap toegekend, uit dit voorschrift van procedure niet noodzakelijk, dat ook naar rechten altoos een persoon en elk voor allen gezamenlijk kan verschijnen, waarmede men dan ook niet kan volstaan, wanneer de verschijnende vennoot geene volmacht van zijnen mede-vennoot of vennooten of der geheele firma heeft getoond, of beweert te hebben, uf niet alleen bestuurder is voor allen.

Ktg. n0. 4 Amsterdam, v. 25 Mei 1852, li. 1!., jg. '1852, p. G35—038.

SS. Indien het vaststaat, dat tijdens de ingestelde dagvaarding een kerkgebouw bereids in zijn geheel was voltooid en als zoodanig door de daartoe gedelegeerde ambtenaren van den waterstaat bij herhaling ^ ^ 1TI was opgenomen en verklaard in orde te zijn opgeleverd, behelst in /f0!, dezen staat van zaken eene vordering tut het in volkomen orde ople-veren van het kerkgebouw — onder de algemeene bewering, dat bij het tot dusverre opgetrokkene grove afwijkingen van het bestek en de voorwaarden zouden hebben plaats gehad, maar zonder verdere aanduiding, waarin die afwijkingen bestaan, — eene zóó onbepaalde en onduidelijke conclusie, dat het voor de gedaagden onmogelijk moet geacht worden te kunnen beoordeelen, wat, bij het reeds opgetrokken zijn van het kerkgebouw in zijn geheel, verder van hen gevorderd wordt,

of en in hoeverre zij aan het bij dagvaarding gevorderde kunnen en behooren te voldoen, zoodat de gedaagden inderdaad buiten de mogelijkheid gesteld zijn, om zich op den eisch, zoo als die is gesteld, te verdedigen, en is wel en terecht de gegrondheid der ingeroepen nietigheid van de oorspronkelijke dagvaarding uitgesproken, met al wat daarop gevolgd is.

1'. 11. v. N.-Brab., v. 1 Maart 1853, W. ii0. 1452.

. Aan het voorschrift van art, 71 der Gemeentewet, ju. art. a B. li., moet geacht worden te zijn voldaan, wanneer de dagvaarding omtrent de hoedanigheid, waarin de Burgemeester is opgeroepen, dat is als moetende handelen namens de gemeente, geen twijfel overlaat.

Mr. \V. van Kossem liz.. Burg. llechtsv. i

m j

I

ocr page 62

cA iny£amp;ó-e*-*-amp;J2-' Qr*. ~yt/' /*- ^ £z*.-£ c~J^ cXju J

s trm-CppT. OV*-*.£^*-r^a -9 eZ jr* -t-t-O^O ,

£ tJl r ^ ^ ^(Lt -7 -o-^lt;rgt;ïW? eh ff-t J?£/3^~ 1- -----Qlt;^ Q r,

gon.C Art. 5.) ^ ^50 0 - ^ ~ ^ / „ -

N.-I5ra1j. v. 28 Juni 1853. If,, d. XI.VI, § 00. Vergf^Arr.-U. ' g óc quot; ** Amsterdam, v. (i l) 12 Nov. 1807, W. iin. 2084, H. li. jg. 1868. p.

34U (ook vormeld sub art. 4 li. R.), waarbij is beslist, dat waar de - burgemeester zonder bijvoegiiis van zijn naam wordt gedagvaard

ten raadliuize, genoegzaam blijkt dat bij als vertegenwoordigende de gemeente in recbten wordt geroepen. Cf. art. 02 B. R., vonnis Ktg. n'1. 2 Amsterdam .vine die; art. 93 li. R., vonnis Arr.-R. quot;s Hage, v. 20 Juni 1845 en Arr.-R. Amsterdam, v. 28 April '1852 en art. 04, li. R. arr. P. H. v. Gelderland, v. 4 Oct. 1854.

3fgt;. indien het exploit inhoudt, dat zekere gemeente is eigenares van de bij en om de stad liggende veeu-, groen- en heidegronden, thans veelal onder den naam van zekere marke (in specie Ommer-marke) bekend, voorts dat de gedaagden zich daarover het beheer hebben aangematigd en zich niet ontzien, onderscheidene daden van eigendom te plegen, niettegenstaande uitdrukkelijk protest van het gemeentebestuur, concluderende dat er een sequester of gerechtelijke bewaarder en bestuurder van die marke zal worden benoemd, dan dragen de gedaagden volkomen kennis wat van hen wordt gevorderd en waarop de vordering is gegrond, zonder dat het noodig zij, en de wet ook niet vordert, de perceelen, tot de marke behoorende, in de dagvaarding afzonderlijk te vermelden,

P. H. Overijssel, v. 12 Sept. 1853, NV, no. 1408. — Cf. art. 5, vonnis Ivtg. Groningen, v. 0 Jnni 1851 sqq. sub n0. 35.

j/yi, cte c^t/

door een paal belemmeren van het vaarwater, ingesteld tegen oen eige-naar van een aan den wal gelegen huis, behoort het positief te volgen,

„ / a n ^ dat op den gedaagde de verplichting berustte om dien paal weg te

/ ruimen: dat hij door dit verzuim eene onrechtmatige daad had ge-

^ pleegd, en op dien grond aansprakelijk was voor de schade, welke

, . . , o __daardoor mocht worden of ziin veroorzaakt. Indien nu de gedaagde,

hrf/kquot;' ^ J . .

e

-40. Bij een eisch wegens onrechtmatige daad, ter zake van het

nni

cto-rt- cl t tT'

vUl ts-, ter zake van het gemis van dit positief, zijne conclusie tot niet-ont-, vaT1kelijk verklaring van den eischer in zijne vordering, zooals die was liggende, fundeerde, staat het den rechter niet vrij, dat ontbrekende

liuct/j'roCf-

quot;SB

^^-'ian te vullen.

{ry. /VB- of

yumsU e 'a — Arr.-R. Arasterdam, v, 15 Nov. 1853, W. n0, 1408.

41-1. Wanneer de eischer, die eene vordering instelt tot royement

jyia^y* IrrTZ c^' QSL^- ^

Unn^-e.- -v- trzr^rz^. e 7 /a amp; lt;^C

/y/il-a-C. OPtfyb (A ft'

ocr page 63

^ ert^-jTL/i- tamp;zt-jT/, sj tyc4*£i/\s^ ^C-/e*~-

o^v

^yU. /-^^i~ ' jy. /?

UrruM^ a-t^-^y^-H^JLS- ; dfa, ^^z^tiiLtAiti-J' ^ c^irv / ^lt. tgt;.^.

eener inschrijvingquot;, in de dagvaarding als gronden zijner vordering • ^'r

bepaald opgeeft zijn vollen, vrijen en onbezwaarden eigendom van het quot;'-» perceel, dan moet hij geacht worden genoegzaam de causae peten dl te / ' 'f ' hebben aangeduid, waaruit hij ageert, en behoeft hij geene andere quot; ' middelen aan te «jeven. vóór dat aan hem in de dingtalen zijn kenbaar gemaakt de gronden, waarop de gedaagden dit geposeerde sustenu bestrijden quot; '

Ait.-R. Amsterdam 10 Jannari 1855 in overeenstemming met de iquot; '

extenso opsenomen conclusie van Mr. H. A. Hartogii, R. li., ji;. 1850,

p. 28-3C.

13. Dagvaarding voor een onbevoegden rechter heeft de onbevoegd-verklaring des rechters, niet de nietig-verklaring der dagvaarding, Sgt;.

houdende oproeping voor een onbevoegden rechter, ten gevolge.

Het woord moet in art. 5 n0. 4 is niet anders te verstaan dan ondergeschikt aan het oordeel van dengene, die de dagvaarding doet.

Arr.-R. Zierikzee 12 Januari 1858, W. n0. '2083, idem bet daartoe betrekkelijk vonnis Ktg. Brouwershaven, t. z. p. Jquot;0 .£ t/ ^a.,

•4», Ue dagvaarding in a])pcl gedaan ten verzoeke van de gezamen- V**7'

lijke, aandeelhouders in de negotiatie, geopend door enz. voldoet niet ■

aan de voorschriften van n0. 1 van dit artikel.

Ue op dien grond voorgestelde exceptie van nietigheid der acte van appèl moet echter in casu worden verworpen, omdat het hier geldt het verzet tegen eene rangregeling, waarop appellanten aldus voorkomen,

en zij, die in eersten aanleg hebben moeten procedeeren op den naam,

waaronder zij op de rangregeling voorkomen, onder geen anderen naam het rechtsgeding in hooger beroep hebben kunnen aanvangen.

P. IT. v. N.-Holland 4 Febr. 1858, R. li. jg. 1858, blz. 420 sqq.

waarbij nog werd beslist, dat wanneer juist dezelfde grond, waarop de exceptie berust, ook een hoofdbestanddeel uitmaakt van de verdediging ten principale, de excipient door de informaliteit in zijne verdediging niet kan zijn benadeeld.

4-4. W amieer gedagvaard is ten verzoeke van de stichting of maatschap fde Hoen waard, vertegenwoordigd door hare commissie ter administratie, en die commissie zelve, als haar vertegenwoordigende,

zoo volgt daaruit, dat alleen de Hoenwaard zelf in jndicio staat en dat

ocr page 64

Ait.-R. Arnliem, v. 8 Nov. 1858, W. nquot;. 2l()(j, on v. iA Maart ISö'.t, \\'. n0. 2107. /ie eclitei' de hiertoe betrekkelijke beslissingen vernield snl) art. quot;gt; B. If., Mo. 8()('.

Verg. ook art. 5, snli n0-°. 7 en 20, li. R.

1.gt; w anneer de vennooten eener maatschap niet collectief, maar individueel en met overgifte van een afschrift van het exploit aan ieder hunner zijn gedagvaard, is niet de maatschap, maar zijn de vennooten, als afzonderlijke personen, partij in het rechtsgeding.

1'. 11. v. Zeeland, v. 20 Dec. 1859, It. li. jg. 1801, bi. M)—43.

-4€». De dagvaarding behoeft niet, even als een conclusie tot getuigenverhoor, de feiten te bevatten, door welke men cene bepaalde daadzaak wil staven.

Air.-U. Alkmaar, v. 20 Ang. 1801, 11. 15. jg. 1802,dl. Xll.lil. T:'.!—7:U. VV. nquot;. 2341. (ook vermeld sub art. 00 li. I!.) bevestigd bij air. Hof N.-Holland, v. 24 Oct. 1801, \V. nn. 2340, waarbij de nietiglieid vooi'al werd bestreden op grond dat de gedaagde, die bij de conclusie van eise.b volledig met de feilen was bekend gemaakt, geen belang bad zieb van de exceptie te bedienen.

I « De vraag over de wijze, waarop zedelijke lichamen gedagvaard moeten worden, vindt alleen hare beantwoording in het Wetboek van

, , Burgerlijke Rechtsvordering eu niet in het lgt;. W.; in het eerstge-/ i • • i lflpquot; noemde nu is nergens bepaald, dat een zedelijk lichaam (m casu de

yv I Staat) alleen door tusschenkomst van haar bestuur zou kunnen proce-deeren.

1'. 11. V. N.-lbdland, v. 28 November 1801. \V. nu. 2309, waartegen liet beroep in cassatie werd verworpen bij arr. v. '12 Dec. 1862, vermeld sub art. 5 li, R. liquot;. 7.

Anders navolgende beslissing:

Indien eene corporatie eischende partij is, behoort de dagvaarding te geschieden ten name van haar bestuur; de bepaling van art 5 15. 11. toch derogeert niet aan art. 1692 B. VV,

Arr.-R. Goes, v, 30 Jan, 1800, 1!, li, jg. 1801, dl, XI, p, 499—505.

4N, De exceptie van nietigheid der dagvaarding kan niet gegrond

ocr page 65

strekken moet tot bewijs van eischer's overigens duidelijk geformuleerde vordering.

txM.r it-quot;* ^

c^f- ■*-^y lJamp;csL J ? '} -o ó^h 'y^ *y ÏZgt;//'

worden op de onduidelijklieid eener overgelegde rekening, die slechts

Ait.-R. Amsterdam, v. 5 Nov. 18(31, W. nquot;. 2333, ook vermeld ad hoc art. sub n0. 5.

C-CstL C. I

-ÏW. De klacht dat de dagvaarding geen enkelen grond behelst, „j:

waarom voor een anderen dan den domioiliairen rechter is gedagvaard, . , ,

kan de nietigheid der dagvaarding, maar niet de onbevoegdheid des

rechters ten gevolge hebben. -V , rr- -

Ait.-R. Amsterdam, v. 3 Maart 1803, VV. iiquot;. 2490 en in W. n®. 2507. ^-y. quot;■ .

Zie liet daartoe betrekkelijk vonnis van het Ivtg. IV Amsterdam \. . . y.

li Mei 1862, \V. n0. 2504, waarbij is heslist dat de wet niet gebiedend eischt dat de dagvaarding de middelen of gronden voor den exceptioneelen rechter moet bevatten.

Verg. arr. P. II. v. N.-llolland, v. 22 April 1869 sqq., sul) art0. 314 ^y-w :

50 N^a de ontbinding eener vennootschap moet de dagvaarding v bevatten voornamen, namen en woonplaatsen der eischende liquida- quot; ^? /4' teuren, met vermelding dat zij optreden in naam der gewezen ven- ^

1 i Samp;T/'UL-'-Sl-' || |

nootschap.

U/Tt^Lrz-C^^/

Arr.-R. Amsterdam v. 13 Kehr. I8()8. R. B. jg. 1808, p. 364 en 507, ' t* Ja

\V. n®. 3000, ook vermeld ad art. 32, n0. 3, W. v. K.

Zie echter Arr.-R. Amsterdam, v, 3 Juli 1877, R. B. jg. 1878, A. p. Ovt^c t^cuvz— 200, waarbij is beslist dat eene vfiiniootscbap in liquidatie wel degelijk in • ZO./x.

rechten kan geroepen woi'den. — Cf. An.-R. Amsterdam, v. 30 Juli , _ !

1807, R. B. jg. 1808, p. 06, waarbij is beslist dat de hijvoeging van de ^ 'f '

voornamen der gewezen vennooten de dagvaarding, die eene vordering £(/.*to bevat tegen de ontbonden vennootschap en beteekend is aan den liquida-teur, -— niet nietig maakt.

•i i. De dagvaarding houdt voldoende middelen in, wanneer zij vermeldt dat de gevraagde geldsom is het saldo eener rekening-courant,

voortspruitende uit commerciële handelingen tusschen partijen, welke bestonden in koopen en verkoopen van goederen, het afgeven van traites enz.; — eene nadere omschrijving van die koopen, verkoopen of traites, is onnoodig.

Arr.-R. Amsterdam, v. 22 Jan. 1809, W. no. 3129, R. li. jg. 1869,

p. 770.

•V'y

ocr page 66

-VL x^v^V_A- c^a-

/K^-Otyyi- i/i/gt;oni/ULyy'ï~ ^ T m tii ^ ' gt;l. ■ chsc-j/irseyc '~2L 1 l ' J egt;^2__ lt;A-^ O-O ,

4- -H.quot;/ /^K. y-o---- -»v , '■ ■ -rt-. '.- ;-gt;^ .■— :o.C

s

* fhsS! -^Tquot; -

^ .4;7. 5.j /-^ ^ • - - quot; 51 ^

x / ^

.quot;»'i Eene conclusie in de schriftuur van eiscli, die in de dagvaar-'' duig niet voorkomt, maakt de dagvaarding niet nietig, maar kan geen

^ .^u^^-^-pvint van 's recliters onderzoek uitmaken.

^ 3 t,-')/rv'.

„„ Arr.-R. Amsterdam, v. 5 Jan 1869, R. li. iquot;'. 1870, n. 43.

jiqo, '■}■. v-' ooi-- ' ^ jr, , i

/

öS. Waimeer sprake is van eene zuiver persoonlijke rechtsvordering gegrond op eene onrechtmatige daad, is het voor de richtigheid van de dagvaarding geen vereischte, dat daarin vermeld is, waar en xvanneer de gewraakte handelingen moeten hebben plaats gehad.

Ait.-R. Gorincliem, v. '25 Jan. 1870, W. n0. 3218.

ö-#. De voorgestelde niet-ontvankelijkheid der exceptie van nietigheid der dagvaarding gaat niet op, hoewel deze bij de eerste conclusie van den gedaagde (waarin niet anders voorkomt dan dat die dagvaarding de vereischten mist van art. 5, sub 3°. 15. E.) te algemeen is geformuleerd, wanneer zij bij de volgende conclusie is verduidelijkt.

Hof Drente, v. 17 Dec. 1870, R. B. jg. 1871, p. 701, W. n0. 3350, ook aangehaald sub n0. 29, ad hoe art.

S.V Wanneer bij de actie tot teruggave van een wissel, deze, bij gemis van jaartal, naam van trekker en betrokkene zoo weinig is omschreven, dat licht meer dan één aan diezelfde beschrijving zou beantwoorden, wordt de conclusie terecht niet duidelijk en bepaald genoemd.

Arr.-R. Amsterdam, v. 22 Mei 1871, R. B. Jg. 1872, p. 344.

SO. De dagvaarding geëxploiteerd ten verzoeke van X, Y en Z te H., in hoedanigheid van leden van en uitmakende liet college van kerkvoogden of de kerkvoogdij der Ned. Herv. gemeente te H.,

voldoet aan het voorschrift van art. 5, 2°. B. R., dat namelijk de benaming der corporatie (zijnde in casu de kerkvoogdij) in de dagvaarding moet worden uitgedrukt.

Ktg. Heerenveen, v. 14 Aug. 1871, W. n°. 3450.

SS. Het voorschrift van art. 5, n0. 3, is gegeven in het belang der partijen, zoodat, wanneer deze daarvan geen gebruik hebben gemaakt. daarop ambtshalve niet kan worden acht geslagen.

ocr page 67

f

Of

■ 7 lt; A?

//yi

y

r/, 'e

'Cc.

fr «o-ea ✓quot;

^lt;r-

/f

L

Is-f* -

Jo rt'f

/

**r?--

P. II. v. Groningen, v. 29 Aug. 1871, W. n0. 3396, R. B. jg. 1872,

-Q.. tf ir o(lt;a-*ue/:

p. oo(j.

Anders Arr.-R. Goes, 5 Jan. 1877, W. n». 4151, waarbij is beslist, dat de 7 ^0 f~ quot;

reclitor ambtslialve de vordering mag ontzeggen wegens niotiglieid ilcr a 2 -lt;•gt;lt; A_ dagvaarding oj) grond van ondnidolijkheid en onbepaaldheid van liet ^

onderwerp en de conclusie. — Het verzoek tot kosteloos appel van deze ,

laatste beslissing is (naar in hetzelfde nummer van 't W. wordt medegedeeld) dooi' liet Gerechtshof te 's-Gravenhage afgewezen, op grond dat reeds aanvankelijk volkomen van de ongegrondheid der vordering ^ /(i/r-iuj^C-o-bleek. — Verg. het vonnis der Arr.-R. Nijmegen sine die 1855, sub hoc ^

art0. 11O. 5. r '

/*gt; : t-rt rt. *0*^ lt;7^ n 11 w~/sgt;' O . J*-t 1

? ?'■ '' /■ - o £- ff-t r' rf-— rCt-f

^ frm r-rx. r^-ty y?, 7 ^ ^ 2- ~ e

l/^Q £— 1/Tr^cf-V-G lt; *■ O {/*.'S**-/gt;t£-CAS r^* i

(Art. 5.

!,ftv-w la^-e/ *

»l n^J f

.»ÜS. De vraag of eene voorwaardelijke dagvaarding kan geacht óa/J-worden te voldoen aan art. 5. nquot;. ó B. 11., vereischt geene beantwoording, waar de gedaagde in geen geval in zijn verdediging is benadeeld.

f'. II, v. N.-IIolland, v. 30 .Inni 1873, W. n0. 3045, waartegen het beroep in cassatie is verworpen bij arr. v. 9 Jan. 1874, W. n0. 3078; v. u. II., B. R., d. XXXIX. lil. 44—58.

•»?gt;. Wanneer eene conclusie duidelijk en bepaald is, dan doet daartegen niet af de overbodige herinnering aan art. 134 B. II, dat de eiscber wellicht van zijne bevoegdheid om zijn eisch te verminderen, zal gebruik maken.

Arr.-R. Amsterdam, v. 8 Juli 1873, W. n0. 3025.

ttO. De kwaliteit van den gedaagde, tegen wien men in die kwaliteit ageeren wil, is een bestanddeel van diens naam, zoodat de niet vermelding daarvan is eene overtreding van art. 5, 2°. T3. 11 Arr.-R. Amsterdam, v. 19 Juni 1874, R, R, jg. 1874, p. 558.

Zie echter navolgende beslissingen :

Waar èn de voorafgaande sommatie, èn het corps der dagvaarding uitdrukkelijk aantoonen, dat de gedaagde in zijne kwaliteit wordt aangesproken, gaat het niet aan, uit de omstandigheid, dat die kwaliteit achter den naam van den gedaagde niet met zoovele woorden is uitgedrukt, afteleiden, dat bij in privé zou zijn gedagvaard.

Arr.-R. Rotterdam, v. 9 Juli 1879, W. 11quot;. 4429.

Wanneer de eischer in eene kwaliteit optreedt, is bet onnoodig dat die kwaliteit nevens zijn naam of in eenig ander deel van het exploit

ocr page 68

ju^

lt;g, (j^dn**-! 0-amp;1 IV-otrt^LaAe-^-f V71 rtZ-jW - mrrr uyL »'■

\}l 5.) 50

VMVO.^ ^ fytff/l-t-n-ey^c/ JruO-- lt;SLffl-/ K '' hS?yC/-

uitdrukkelijk wordt vermeld; maar voldoende, dat duidelijk en ontwijfelbaar blijkt, dat de eischer in een zekere kwaliteit optreedt.

Hof Amsterdam, v. 30 Juni 1870. W. n0. 4028.

Ofschoon in de dagvaarding in appèl niet uitdrukkelijk de kwaliteit van geïntimeerde vermeld staat, zoo voldoet zij aan de vereiscliten van art. 343, j0. 5, B. R , wanneer overigens geen twijfel kan bestaan omtrent de kwaliteit, waarin geïntimeerde is opgeroepen.

1'. II. v. Zeeland, v. II Sept. 1855, lï. li. jg. 1855, [i. 444.

lt;»1. Wanneer als eischers optreden de voogden over, in een gesticht verpleegd wordende, minderjarigen, dan kan niet bet gesticht gezegd worden in life te zijn, zoodat niet art. 5 n0. 3, maar art. 5 nn. 1 lgt;. 11. van toepassing is; -— mitsdien moet de dagvaarding de namen en voornamen der eischende regenten inhouden.

An.-R. Amsterdam, v. 0 Juli 187.quot;). W. 11°. 3920.

«•i. W aar sommigen der gedaagden reeds overleden zijn vóór de dagvaarding, behoort de door de verschenen gedaagden opgeworpen exceptie van nietigheid van het geheele exploit, op grond van niet-beteekening aan persoon of woonplaats van eerstbedoelden, te worden toegewezen.

Arr.-l!. Amsterdam, v. 0 Sopt. 1870, K. Ji. jg. 1870, afd. A, p. 283, W. nf. 4070, waarbij nog werd beslist, dat al kan de eone gedaagde zich niet beroepen op de nietigheid van dagvaarding van een mede-gedaagde, dit echter wel mogelijk is, waar de rechter ambtshalve zou moeten handelen; verg. hieromtrent Arr.-R. Amsterdam, v. 21 Deo. 1805, R. B. jg. 1800, ]gt;. 559, waarbij is beslist, dat de verschenen gedaagden bevoegd zijn de exceptie van nietigheid voortestellen, op grond dat een mede-gedaagde niet behoorlijk is opgeroepen.

GIS. Alhoewel het jaar, waarin de gestelde leveranties zijn gedaan, niet in de dagvaarding is opgenomen, zoo kan deze omissie de nietig-lieid der dagvaarding niet tengevolge hebben, wanneer niet beweerd wordt, dat er door den eischer nog andere leveranties dan de gestelde aan gedaagde zijn gedaan.

Ktg. Groningen, v. 2 Juli 1877, VV. no. 4150. Cf. het aangeteekende sub art. 5 li. R. n0. 29.

lt;»4. Alhoewel eene alternatieve vordering (b. v. primair tot echt-

ocr page 69

^CK^CK^^D 7d-y f ^j eK.n.£-t ^ amp;jis. (4 rfjL rtamp;sOLt^, CtstLlL^

Zy- ti M'-' £^f «lt;2^

— eyl *quot;-* / **• ^ /vx£

.'1 i

^ sas. M^yyz.P-{Art 5.

aSyl^e^ZL e^-^o-Wz ^ .- ^

57

scheiding, subsidiair tot scheiding van tafel en bed) in liet algemeen niet verboden is, zoo is eene vermenging of vereeniging van twee tegenstrijdige vorderingen (zooals in casu — waar de eischer zijne vordering steunt op de stelling, dat hij is eigenaar van- of althans heeft recht van erfpacht op een zekeren grond) niet geoorloofd.

Op dien grond kan de exceptie van nietigheid der dagvaarding worden opgeworpen, wegens duisterheid en onbepaaldheid van de conclusie, of, zoo deze is gedekt, de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.

An.-li. Zutpheii, v. 29 Maart IS77. \V. nquot;. 41(17; verg. art. I Ji. li. suh n0. 24.

O.V Leden eener vennootschap op hun eigen naam de rechten der vennootschap doende gelden, behoeven in de dagvaarding niet, behalve hun woonplaats, op te geven de plaats waar het kantoor is gevestigd.

Ai'r.-R. Amsterdam, v. 9 Nov. iS77. R. II. jg, 1878, A. |gt;. 203. Zie liet ai r. Hof Amsterdam, v. 19 Mei 1879, waarbij dit vonnis werd bevestigd ad art. 40 B. R. — Verg. het sub art. 4 IJ. R., vermeld vonnis Arr.-ll. Amsterdam, v. 31 Deo. 1801.

lt;»lt;». Wanneer de eisch tot schadevergoeding zoowel kan worden gebaseerd op eene onrechtmatige daad als op contractbreuk, is het noch bij de wet verboden, noch met eene goede procesorde strijdig, beide die gronden samen, als middel van eiscb intebrengen.

Arr.-R. Rotterdam, v. 7 .(iini 1879. W. nquot;. 4390. Vergelijk het, he-trelfende cumulatie van acties bij één exploit, aangeteekende suli art. I B. R. nquot;. 24.

lt;»S. Onder middelen van den eisch zijn te verstaan al die feiten en gronden, waarop de eisch steunt, behalve de bij art. Ilt;8 B. R bedoelde rechtsgronden.

Ivtg. pl. 's Ifage, v. 3 Maart 1879, \V. nquot;. 4344.

Verg. Mr. A. de Pinto (Ilandl. 1!. li. ii. s. II. Ie st., hl/,. 49) die integendeel van oordeel is, dat onder «middelenquot; alleen de rechtsgronden, en onder «onderwerpquot; de feiten, de historia facti, verstaan moeten worden. Vergelijk Mr. C. M. van der Kkmi1, Ontw. n. s. hl/. 253. Zie verder Ktg. Gorcum, v. 30 Maart 1849, sqq., sub n0. 29 vau dit art.

Wanneer het blijkt, dat tusschen partijen inderdaad vaststaat, dat er slechts één gedaagde in het geding is geroepen en in het geding

t *

1 'i

ocr page 70

A)7. a.)

is, kan de conclusie in de dagvaarding, waarbij ook tegen anderen veroordeeling gevraagd wordt, wèl niet-ontvankelijkverklaring of ontzegging van dien eisch, maar niet nietigheid der dagvaarding tengevolge hebben.

Hof 's ilertogenboscli. v. 1 Maart ISSd. \V. nquot;. 4005.

«». De bij voeging van den handelsnaam ontslaat den eischer niet van de verplichting van zijn voornaam te noemen; als zoodanig kan niet gelden de aanduiding .lb.

Arr.-R. Assen, v. 25 Oct. 1880, W. n0. 4642.

SO. liet verzuim van, bij de actie ex art. 1541' H, W , optegeven waarin het verborgen gebrek bestaat, kan de nietigheid der dagvaarding (in casu het opwerpen van een formeel bezwaar tegen de toewijzing der reconventioneele vordering bij conclusie van antwoord, die in reconventie de dagvaarding vervangt) tengevolge hebben.

Air-I!. Amsterdam, v. 18 Juni 1880, W. uquot;. 4605.

ï l . De exceptie van nietigheid der dagvaarding, die de gedaagde had kunnen voorstellen op grond dat niet ten verzoeke van de burgerlijke maatschap is gedagvaard, belet niet, dat de gedaagde voorstelt een middel van niet-ontvankelijkheid daaraan ontleend, dat de eischers hun kwaliteit niet bewijzen.

Arr.-R. Amsterdam, v. 2 Nov. '1880, R. B. jg. 1881, B, p. 06.

t'i. Wanneer bij eene actie tot schadevergoeding, ex art. 1401 B. W, uit de motieven der dagvaarding, in verband beschouwd, de strekking blijkt om te doen uitkomen dat de gedaagde heeft gepleegd eene aangewezen onrechtmatige daad, terwijl de conclusie kennelijk uit de voorafgaande motieven is afgeleid en daarop rust, kan eene exceptie van nietigheid der dagvaarding wegens duistere motieven en gemis an een bepaalde en duidelijke conclusie niet opgaan.

Arr.-R. Rotterdam, v, 8 Jan. 1881, W. n0. 4612.

ÏS. Een exploit van dagvaarding moet op zichzelf worden beoordeeld, zoodat, wanneer iets wat de wet vordert aan den inhoud ontbreekt, dit niet door een nader aanvullend exploit kan worden hersteld of verbeterd.

58

ocr page 71

_ jCS-z* lt;^Leu^u-^-£Lft- i-cjd /s) t ^ X- t-e

^e—a. UJJL bU^ujt, amp;L(t_Q »4^. U:?j^.

6. /^ ^.r /quot; 3 ^ ^ ^

r^jt'^ U-. ^-vA- 2^0^;/.^^ C*P JpfSt. twv U/.

59 (.4)7. 5.

AiT.-U. Leeuwarden, v, 0 Maart ISSS, W. n0. 4813. Zie echter arr. I lnf'N.-Holland, v. 24 Oct. 1861, W. u0. 2346, waarbij met bevestiging van liet vonnis der Arr.-R. Alkmaar, v. 20 Aug. 1861, W. nquot;. 2341, is beslist dat waar de gedaagde door oen bij de conclusie van eisch medegedeeld stuk volkomen hekend gemaakt wordt met de feiten, waaromtrent de dagvaarding hem min of meer in het onzekere liet, hij zich niet van de exceptie van nietigheid der dagvaarding kan bedienen, liet vonnis dor Arr.-R. te Alkmaar had beslist dat het niet noodig is, om in een dagvaarding optenemen juist al de feiten, die de gestelde schuld of nalatigheid van gedaagde zouden vormen. / , ?/„

/

u

t 4 . Onder naam van den sjedaa^de is geen andere te verstaan, dan die, „ , /

O O O Ps f. iflt*

waaronder hij bij den burgerlijken stand bekend staat. Eene willekeurige ^

bijvoeging van een anderen naam, al zij het ook die van den echt-

/ | |L

genoot der gedaagde vrouw, is ongeoorloofd en maakt de dagvaarding nietig. A'quot; •

Arr.-R. Amsterdam, v. I I April 1882, W. u0. 4923.

'o'/u. n C./atl )

# •gt;. De dagvaarding betrekkelijk de actie tot scheiding en deeling o ^'

van in gemeenschap bezeten goederen, moet op stralle van nietigheid H ySquot;*1*- , ^ aangeven, welke de bedoelde goederen zijn. Ie'/-

Arr.-R. 's Hertogenbosch, v. 27 April 1883, W. n0. 4947. ~ ;.tK

Slt;». Op straffe van nietigheid mogen niet de individueele leden (

/lt;/quot;?lt;quot; 7

der firma gedagvaard worden, in plaats van de vennootschap zelve.

llof Amsterdam, v. 20 Oct. 1883. W. n0. 4997. -i ^ o _,

Ifcx Viyvnty

ï ?. De Minister, die als vertegenwoordigende den Staat optreedt, /yctii^. {fiv/P

behoeft niet bij voor- en geslachtsnaam te worden genoemd.

Arr.-R. 's Hage, v. 18 Maart 1884, W. no. 5053, welke beslissing is gegrond op do overweging dat, wanneer gedagvaard is ten verzoeke van den minister als vertegenwoordigende don Staat, niet de minister eiscber is, maar het zedelijk lichaam, do Staat. Zie biermede in verband arr. v.

12 Dec. 1802 sqq. en arr. 1'. H. v. N.-Holland, v. 28 Nov. 1801, beide sub art. 5 B, R. Zie bet vonnis der zelfde Rechtbank vermeld sub art.

6 li. ft.

H

Een beroep op het feit, dat de gedaagde maatschappij (in casu eene onderlinge brandwaarborgmaatschappij) is ontbonden, zou een reden tot nietigheid der dagvaarding kunnen opleveren, maar kan de niet-ontvankelijklieid van den eisch niet tengevolge hebben.

Arr.-li. Amsterdam, v. 20 Maart 1884, W. nquot;. 5092. jij |

ocr page 72

Art. 5.)

De mogelijkheid dat na de veroordeeling overeenkomstig de dagvaarding, moeilijkheden tusschen partijen over de uitvoering kunnen ontstaan, is nog geenc reden ora de dagvaarding nietig te verklaren.

Hof Amsterdam, v, 4 Jan. 1884, W. u®. 5018, ook aangehaald sub art. 03 I!. I!.

WO. Zie ten betooge:

a. Dat de verklaring des rechters, dat de onroerende goederen in eene dagvaarding genoegzaam zijn omschreven, is facti —

art. 99 R. Ora., air. v, 17 Feb. 1842, sub B. n0. 0.

h. Dat, wanneer eene kerkgemeente vraagt, om als tusschenkomende partij in een geding te worden toegelaten, het daartoe strekkende verzoekschrift geschieden moet op naam der bestuurders, en het niet voldoende is, wanneer daarin enkel de generieke benaming dier gemeente is uitgedrukt -—

art. 280 Li. R., vonnis van dc Arr.-R. Sneek, v. 27 Maart 1839.

c. Dat onder corporatie in dit art. moet worden verstaan eene op

openbaar gezag in het leven geroepen en erkende instelling, en zeker

niet iedere vereeniging van eigenaren, gebruikers of belanghebbenden,

of eene door dezen benoemde commissie —

1'. II. v. floldorland. v, 2 Nov. 1850, bij Mr. IIeutzveld ut supra blz. 89. Verg. hiermede liet daartoe betrekkelijk arr. v. 8 Juni 18(1(1. U. d. LXV § G, waarbij werd beslist, dat wat er moge zijn van dc door het Hof gegeven bepaling van corporatie, dit althans zeker is, dat eene bloote vereeniging van eigenaren (in casu van de weide, genaamd lloenwaard) geen corporatie is. Verg. echter de vonnissen der Arr.-R. Ai'nhem v. 8 Nov. 1858 en 24 Maart 1859 sub art. 5 B. R.

Behalve de vercischten in art. 5 I). R. vermeld, moet — naar luid van art. 3! der Wet v. 21 Mei 1819 (StbL n0. 34) op de patenten in bet exploit van dagvaarding, voorzoover dit liet aan patentrecht onderhevige beroep des eischers betreft, nog worden melding gemaakt van het patent van dengene, ten wiens verzoeke do dagvaarding is uitgegaan.

Terecht is echter bij vonnis der Arr.-R. te Leiden v. 18 Mei 1847, W. no. 835, beslist, dat op de overtreding van dit wetsartikel alleen eene geldboete, doch geenszins de nietigheid van liet exploit of van eene andere acte is bedreigd. (Lkon).

ocr page 73

* ^ i_ /7 rrj( (A.hWc'hyY jcrU.L u e^y cvasvi.

yllQ fl.by.rhu-dx- Ce^fS^JUC*-.^ / c^, tCo^s. i^za. ,_lt;^r

: fJIS! O/'. Mjtrri.

{Art. 6.

Ufr, tAr^l' ^-2^

Art. (!.

1. Een lasthebber kan namens zijn lastgever in rechten optreden, indien hij daartoe uitdrukkelijk is gemachtigd.

Tegen deze rechtskundige beschouwing kan niets afdoen de bepaling van art. 6 B. R., houdende, dat in alle gedingen, waarin de Koning als eischer optreedt, het exploit van dagvaarding zal geschieden en de zaak worden voortgezet ten name van, en door zoodanigen gemachtigde als hij zal aanwijzen, daar toch die wetsbepaling een bizonder geval betreft, en alleen voor den Koning eene verplichte formaliteit daarstelt, doch daaruit geenszins bij gevolgtrekking kan worden afgeleid, dat nu ook niemand anders bij gemachtigde in rechten zou mogen optreden. ^ 6/7cPtPcfS-.

Air. v. 7 Mei 1X52, VV. no. 1350; li. il. XI.I, § 75; in gelijken zin door Mr. C. .1. Francois, Themis, d. V, p. 439—459; de Pinto, ƒ/lt;//., 2de ged., 1st»! stuk, § 8; Oudkman, 'lt; U'. v. It. tl. onlw. ul supra, biz. 7, eu Nulczirigen, p. -. St iil'l.i.l'.u ad art. 0 iï. R.; de itct/lsi/. Adv, d. Ill, p. 118 si|(J. eu de ()jnn. i'it Mr(t.. d. \ III. p. KiO—Kl'i, /iigt; ook v. Bonevai. Fai'iie, ttel Ned. Bun/, t'roccsr. I. Id. i lS (2de ed. p. 154); — anders bij vonnis dor Air.-U. Auisterdaui, v. 28 Juni 1842, R. Bijbl. Jg'. 1842, dl. IV, p. 794—79G. Ivtg. Maarsen, v. 10 Nov. 1843, W. nquot;. 508; Ivtg. uquot;. 5 Amstei'ilaui, v, :{ Dec. 1844, I!. Tiijbl. jg. 1845, d. VII, p. 224—234; Arr.-R. Breda, v. 20 April 1847, W. u0. 899; Ari'.-R. Groningen, v. 21 Mei 1849, W. uo. 1035, eu verg. ook Ari'.-K. Amsterdam, v. 21 Jan. 1803, \\ . uquot;. 2484. De meeste van voormelde beslissingen zijn te vinden up art. '1833 II. W. sub n0. 1. —■ Vgl. ook art. '135 VV. v. K., vonnis van de Arr.-R. Amsterdam, v. 18 Sept. 1839, sul) uo. 1 (1).

1 ll

(1) Zooals uit het voorgaande blijkt, bestonder tot dusverre verschil van gevoelen tusschen de schrijvers over het IF. v, B. 11. en de rechterlijke uitspraken, met betrekking tot de vraag, of de regel van de oude Eransche praktijk: md si ce ifcsl te roi ne plaide par procureur, ook thans nog is van verbindende kracht. Terwijl toch de meeste schrijvers over het Nederl. recht, zoo niet allen, (onder den Code de Proc. Civ. bestond daaromtrent verschil van gevoelen tusschen Merlin en Pioeau eeuei -zijds, die nog dien regel als geldig aanmerkten eu Cauué, Bekriat-St.-Puix en anderen anderzijds) die vraag ontkennend hebben beantwoord en dit recht van een lasthebber hebben erkend, hebben daarentegen al de rechterlijke collegiën, welke over die vraag hebben gecognosceerd, ze in een tegenovergestelden zin beslist. De II. R. heeft echter de eerste maal, dat de rechtsquaestie zich bij dat collegie heeft voorgedaan, gemelde bevoegdheid van den lasthebber erkend, zonder dat het tot dusverre gebleken is, of zulks invloed heeft gehad op de nadere beslissingen van andere rechterlijke lichamen. Naar het oude Romeinsehe recht was het partijen niet

ocr page 74

Art. 6.)

lt;5. De liquidaleur, benoemd bij een vrijwilligen boedelafstand, heeft niet per .te de bevoegdheid om voor den cedent en de cessionarissen in rechten oj) te treden.

Integendeel hangen deze en alle verdere bevoegdheden van den liquidateur af van de macht, hem bij de overeenkomst gegeven, en alzoo niet van eenige bepalingen der wet.

Air. v. II Febr. IS.YH. W. nquot;. 1412, R. d. XLIV, § 13, v. n. II.. B. R. d. XVI, lil. 08—78, bevestigende een arr. van 't P. H. van N.-Holl. v. 22 April 1852, W. jiquot;. -1304, waarbij is beslist, dat de benoeming tot liquidateur met de meest uitgebreide macht tot tijdelijk beheer, verkoop, ontvangst en uitbetaling van kooppenningen enz. niet stilzwijgend de macbt insluit om in rechten op te treden, en dat de liquidateur van een cedent te minder als zoodanig tegen de cessionarissen kan ageren, bijaldien hij door laatstgemelden niet met de macht daartoe is bekleed. — Vgl. wijders art. 700 li. R., arr. (II. R.) v. denz. datum.

•C. Dit art. betreft den Koning alleen in zijne bizondere belangen, geenszins in zijne betrekking als Hoofd van den Staat.

Arr. v. 12 Dec. 1802. R. d. I.XX11. § 40, ook vermeld suit art. •quot;) 1!. I!.

41. Een intendant der Koninklijke schouwburgen, in die hoedanigheid gecontracteerd hebbende, kan als zoodanig eene vordering, uit dat contract voortspruitende, instellen zonder 's Konings machtiging.

P. II.v.N.-Holl. v.23Nov. 1848, W. no. 1028; R. liijbl. jg. 1849, d. XI, p. 0—10 bevestigende een vonnis van de Arr.-R. Amsterdam, v. 30 Juni 1847, W. n0. 900.

•V Wanneer de gemachtigde, in art. 6, n0. 1, B. R., bedoeld, een openbaar ambtenaar is, is het genoeg dat hij bij zijn ambtelijken titel worde aangeduid, even als zulks het geval is met de ambtenaren, bij art. 4, n0. 1 B. li. vermeld.

Arr.-R. Nijmegen, v. 9 .Tan. 1849, W. n0. 992; idem bij vonnis van de Arr.-R. Utrecht v. 8 Oct. -1851. W. n0. -1300; R. B. jg. 1852, p.-117—127. waarbij is beslist, dat. hoewel het in cas van art. 0 B. R. regelmatiger moge zijn, dat do naam van den gemachtigde in het exploit worde uitgedrukt, het echter daar waar, gelijk in specie, de administrateur van de kroon-domeinen optreedt, allezins voldoende is dat ei- geen twijfel besta aangaande den persoon van dien gemachtigde.

geoorloofd bij gemachtigden voor den rechter te verschijnen. Justikianüs hief dit ver-boel echter reeds op bij Pr. J. de Us per quos acjere poss. (Leon).

Verg. hiermede arr. P. H. v. Z.-Holland, v. 14 Sept. 1857, W. nquot;. 1891, waarbij is beslist, dat de regel in allen gevalle hier te lande niet is aangenomen ; zie ook vonnis Arr.-R. /iei'ikzee, v. 7 Sept. 18')8, vermeld sub art. G B. R. no. 9.

62

ocr page 75

[Art. 6.

lt;». Alle rechtsvorderingen, 's Rijks domein betreifende, worden thans, ook met het oog op 't Kon Besl. v. 22 Maart 1841 (Bijv. S/N. 18-11), bevoegd el ijk ingesteld en vervolgd op naam van den Min. van Fin., als uitoefenende het bestuur der domeinen.

P. H. v. X.-Rml)., v. 18 Maart 1851. W. nquot;. i:!()Cgt;; U., il. WWII § 77, bevestigende een vonnis van de Arr.-R. 's Bosch, v. Maait 1840, W. n0. '1305; idem bij air. v. 15 Juni 1852, W. nquot;. 1448, waarbij is beslist, dat bet doniein-bestnnr, ook met liet oog op de Wet v. 27 Itoc. 1828 (Sllj/. nrgt;. 9), j's. art. 5 der Wet v. 27 Dcc. '1840 (.S/W. n0. 77) en de Kon. Beslquot;. v. 22 -Maart 1841, nquot;. 112 en 113, *1111 nomiiii' kan procederen in zaken, den Staat betrelfende.

5. fn art. (gt; B. R. wordt niet uitdrukkelijk naar art. 5 van hetzelfde Wetboek verwezen. Art. 6 is niet opgenomen in art. !):i, waarbij de artikelen worden opgenoemd, waarvan de naleving onder bedreiging van nietigheid wordt voorgeschreven.

Air.-R. Utrecbt, v. 8 Oct, 1851. \V. nquot;. 13(10; R. Bijbl. jg. 1852. p. 117—127.

N. De regelen omtrent lastgeving, in het B. W. voorgeschreven, kunnen op het beheer der kroondomeinen niet van toepassing zijn, zoodat de machtiging van Koning Witxem 11, aan den Staatsraad van Mesiutz, in den loop van het jaar 1843, na de Wet van 4 Febr. 1843 [Stbl. n0. 3), verleend (ook met het oog op art. 27 der Gw. v. ] 848), moet geacht worden van voortdurende kracht te zijn, en is hierin tengevolge van het overlijden van den physieken persoon van Koning Willem II, — zonder dat behoeft te worden onderzocht, aan wien door dien Staatsraad de vruchten en inkomsten der kroondomeinen moeten worden verantwoord, — geene verandering te weeg gebracht.

Arr.-R. Utrecbt, v. 8 Oct, 1851, W. n0. 1300; R. liiibl. jg. 1852, p. 117—127.

O. Niet het Bestuur der domeinen, maar de administrateur van het kroondomein is volgens Z. M. besluit van 1 Mei 1850 (ingevolge later besluit van 4 Jan. 1857, geplaatst in het Staatsblad van dat jaar, sub nquot;. 2) als 's Konings gemachtigde te beschouwen, waar het betreft eene vordering tot heffing van tienden, tot de kroondomeinen behoorende.

Arr.-R. Zierikzee, v. 7 Sept. 1858, W. no. 2090.

ocr page 76

Air.-R. 's Ilage, v. IS Maait '1884, \\ . ilo. 5053, ook vermeld snljait. 5 I!. R.

.1/7. 7.

1. Hij die vergunning vraagt van den president der Arr-li., tot het leggen van pandbeslag ter zake van onbetaalde pachtpenningen en tevens om, zoo tot van-waarde-verklaring van het te leggen beslag en tot betaling van al het verschuldigde, als tot ontruiming van het gepachte, op korten termijn te dagvaarden, is niet gerechtigd om op verkregen vergunning tot een en ander, alleen van het laatste gebruik te maken, en, met nalating van het pandbeslag, op korten termijn te dagvaarden tot betaling van verschuldigde gelden en tot ontruiming van het gepachte of ten onrechte in bezit gehouden onroerend goed

I'. II. v. /eeland, v. 18 .Lm. 1842, U. liijlil. jg. '1847, d. IX. |i. (1 en 7.

■8. De president eener Arr.-li. kan bij ordonnantie, ingevolge art.

7, al. '6 lgt;. 11., ten aanzien van hen, die niet in het Koninkrijk wonen,

eerst dan den wettigen termijn van dagvaarding verkorten, wanneer de

te dagvaarden personen werkelijk in liet Koninkrijk woonachtig zijn

of verblijf houden.

1'. II. v. /.celand. v. 18 Jan. 1842, I!. lÜjbl. jg. 1847, d. IX. p. (j en 7; idem ten betoogo, dat art. 7, nquot;. 3 li. I!. niet van toepassing is oji de termijnen van dagvaarding, in art. '10 vermeld. Iiij arr. van het I'. II. v. Z.-Holl. van :'() Juli '1842, I!. liijbl. jg. 1842, d. IV, |i. 8(15 s(jf).; I!., d. XIV, § 2Ü; Itcyl in Nedert., d. Ill, |i. 3(17—311 (te dien aanzien vernietigende het in een tegenovergestelden zin gewezen vonnis van de Arr.-R. Rotterdam, v. 25 Mei '1842, R. liijbl. jg. 1842, d. IV, p. 8G5 sqq.); in denzelfden zin als liet I'. II. v. Z.-Holland, bij arrest v. hetz. Hofv. 2 Nov. 1857, W. n0. 2049, ook vermeld sub art. 352 B. R., en Arr.-R. Amsterdam, v. 30 Aug. 18()4, W. n0.2G27; idem bij de Maetint, ad art. j. 2. — Vgl. Iiier-niede een arr. van bet P. II. v. N.-Holl., v. 26 Jan.'1843, Jtci/t in Xcderl.. Ill, p. 338 en 339, waarbij is beslist, dat bij dagvaarding aaneene woonplaats, gekozen door iemand buiten bet koninkrijk woonachtig, ingevolge art. 'I I li. R. gedaan, in dit geval de verkorting der termijnen, in art.

ocr page 77

t/ZuZ-.y A/. 3 ^ltTr l't ^ ^ t^Jt- lA^.

t w -V^-j^n..^ Wi.*,^ . .#£gt;. ^-UmUiht.,-* //n*'-^ '0Jer,

h .K't'fy'f- «Ö (ir/. 7.

7, al. 3 veroorloofd, van toepassing is. Dit laatste echter is in strijd met de geschiedenis der wetgeving (vgl. v. n. Honerï, Hdh., p. 167) als hebbende de Regeering, op eene aanmerking van eene der afdeelingen verklaard, dat de dagvaardingen bij de artt. 8, 9 en 10 bedoeld, voor geene verkorting van termijnen vatbaar zijn. Pit gevoelen stemt overeen met dat van Oudeman, B. R., 4e ed., d. I, p. 29, eu de Pinto, Hdl.

B. i?., 2de st., d. 1. p. 51. Laatstgeinelde merkt m. i. terecht op, dat ook de niet toepasselijkheid van art. 7. al. ten aanzien van den termijn,

vermeld in art. 8, al. 2, aan geen redelijken twijfel kan onderhevig zijn,

omdat het tegendeel het geheele doel ook van dien verlengden termijn (van 8 dagen) zon verijdelen, daar die termijn (even als die vermeld in de artt. 9 en 10) aan den ged. niet wordt gegeven tot voorbereiding zijner verdediging, die hij des noods in eenen korteren tijd kan doen en waartoe de gewone termijn dient, maar wordt toegestaan in de veronderstelling,

dat hij dien noodig heeft, om zich te begeven van de plaats zijner woning naar die, waar de rechter zitting heeft, enz. (Léon.) — Cf. art. H B. R., arr. v. 14 Mei 1852 sqq., sub n0. 1 en art. 4 B. R., arr. van het P. H. v. Z.-Holl. van denz. datum, sub n0. II.

Jï. Wanneer eene zaak, waarin vergunning tot dagvaarding op korten termijn door den president is verleend, voor de Rechtbank wordt gebracht, dan is deze ook bevoegd om, indien daarover tusschen partijen geschil ontstaat, over de rechtmatigheid van dien verkorten termijn uitspraak te doen, en alsnog de vergunning tot dagvaarding op korten termijn, bij het bevelschrift van den voorzitter verleend, op te heffen,

vooral omdat dit bevelschrift, krachtens hetwelk aldus gedagvaard is,

zonder verhoor van partijen en uit den aard der zaak, periculo netentis wordt verleend.

P. 11. v. Z.-lIoll. \. ;iO Juli 1842. R. Hijbl. jg. 1842. dl. IV, p. 865 sqq.;

R., d. XIV, § 26; idem (met betrekking tot de ontvankelijkheid dei-oppositie tegen een bevelschrift van den President van het Hof, waarbij de behandeling der zaak op korten termijn bevolen wordt) bij arrest van hetzelfde Hof v. 19 Juni 1844, W. uquot;. 507; alsmede (met een beroep op het gezag van Henhion de Pansey) bij de Martini, ad art.

4; verg. ook de onder dit art. vermelde arresten P. II. v. Z.-Holland,

v. 27 Febr. 1860 (sub n0. 8) en van 2 Nov. 1857 fsuli no. 2), alsmede arr. P. II. v. N.-Holland, v. 18 Dec. 1856, 1!. B. jg. 1857. blz. 382.

Anders echter bij vonnis der Arr.-R. Amsterdam, v. 19 Aug. 1852, R.

Bijbl. jg. 1852, p. 629, waarbij is beslist dat, nadat door den voorzitter eene dagvaarding op korten termijn is bevolen, de Rechtbank niet meer kan gelasten, dat de zaak als eene zaak van gewone behandeling zal worden beschouwd en voortgezet, maar dat zij, gebruik makende van de slotbepaling van art. 137 B. R., eenen naderen termijn kan ver-leenen tot het nemen van conclusien van antwoord.

Mr. W. van IIossem Bz., liurg. Hechtsv, G

ocr page 78

Art. 7.) fifi

-l. Plet voorschrift van de artt. 27 en 28 van het Reglement van l i Sept. 1838 {SM. nn 3(!), volgens welke de gewone zittingen der rechterlijke collegiën openbaar dienen te worden bekend gemaakt, is niet toepasselijk op de buitengewone zittingen, ten gevolge van dagvaarding op korten termijn (in specie op denzelfden dag waarop het daartoe betrekkelijk verlof was verleend), waarvan de beoordeeling der noodzakelijkheid aan den voorzitter behoort.

P. H. v. N.-Brab. van April 1844, W. n0. 49S; R.. d. XXV. § 85; — anders df. Martini, ad art. I!.

o. Er bestaan termen tot handhaving van een verleend verlof tot behandeling eener zaak op korten termijn (voor de Arr.-ll.), indien de gedaagde (in cam waar de actie strekt tot vergoeding van schade, veroorzaakt door het niet ontvangen en tot zich nemen van eene partij gekochte goederen) niet heeft aangetoond door dit verlof benadeeld te zijn, en hetzelve tot vereenvoudiging van formaliteiten en besparing van kosten kan dienstbaar zijn.

Arr.-R. te Amsterdam v. 2 Jan. -1852, li. Bijbl.. j«r. 1852. p. 180—187.

€». Bij eene oproeping van den curandus, bij art. 496 Ü W. verordend, behoeft de gewone termijn, voor eigenlijke dagvaardingen voorgeschreven, niet te worden in acht genomen.

Arr.-R. Winschoten (xmc lt;/igt;) VV. n0. 2509, nok vermeld op art. 49(1 li. W. su11 no. I.

Zie echter van uen IIonert. Formulierboek, '5l0 druk bl. 048, noot 043. waar geleerd wordt dat de oproeping voldoen moet aan alle vereiscbten van eene dagvaarding.

Vergelijk voox'ts ten hetooge, dat de bier voorgeschreven termijnen niet van toepassing zijn op oproepingen van partijen of belanghebbenden in raadkamer, P. II. v. Overijssel, v. .'!() Mei 1864, VV. n0. 2591; zie ook aant. 24 sub art. 5 B. R., het aangeteekende sub art. 13 B. I!.. en arr. v. 29 Oct. 1852 sqq. sub art. 50 B. li.

3. liet verlof, om op korteren termijn en zelfs op een Zondag te dagvaarden, behoeft met de dagvaarding niet te worden beteekend. Arr.-R. Zwolle, v. 27 Juni 1879. W. no. 4595.

S Voor eene dagvaarding n, bref délai is in de wet geen termijn voorgeschreven.

Arr.-R. Rotterdam 28 .lull 18lt;SO, W. nn. 4559, It. B. jg. 1881. A p. 188;

waarhij np dien groml werd beslist, dat. wanneer de President niet een

ocr page 79

Art. «.)

zekeren termijn heeft aangewezen, degene, die liet verlof heeft bekomen, de vrije keuze tot dagvaarden heeft, en het exploit bepaaldelijk niet op den dag zelf der beschikking behoeft te beteekenen.

Idem Mr. L. G. Grf.f.vk 3cle druk van Mr. C. M. van her Kemp's Ontw. v. h. R. betrekk. de Ktg. lilz. 257 (anders Mr. v. d. Kemp zelf. die van oordeel was, dat in eene gewone spoedeisebende zaak den gedaagde toch altijd 24 uren moest cjeiatvn worden).

Vergelijk echter hiermede P. H. v. /.-Holland v. 27 Febr. '18G0, VV. iiquot;. 2148, waarbij is beslist, dat alhoewel bij de dagvaarding is gelaten, zooals volgens do artt. 7 en 8 1!. R. zou vereischt worden, in casu die overtreding wegens gemis van belang do nietigverklaring dei-dagvaarding niet medebrengt.

W. Zie ten betooge:

dat, wanneer de Voorzitter, die verlof tot dagvaarding op verkorten termijn heeft gegeven, later in de zaak zelve wordt gewraakt, zulks geen termen oplevert tot vernietiging van het bevelschrift —

1'. II. v. Gelderland, v. 24 Augustus 1852, Mr. llFliTZVEt.n ut supra blz. 08.

Arl. 8.

De tweede alinea van art. 8 is hij do wet van 30 Mei '1877 (.S'/W.

n0. 138), aldus gewijzigd:

«Deze termijn zal met ton minste acht dagen verlengd worden wanneer de gedaagde binnen het rechtsgebied van een ander gerechtshof woont,

dan waarin de rechter, welke van den eisch moet kennis nemen, zitting houdt.quot;

c**- f . Vermits bij het stellen van den termijn de werkelijke woon-

plaats (in den regel althans met betrekking tot de termijnen, in artt. 9 ''f , en JO vermeld) moet worden in het oog gehouden en de algemeene 'ft- i)quot;1

lU'1- rebels blijven melden, volgt hieruit, dat ook in cas van art. 439, /^t7-

quot; amp; .1 o ' o sp a-W*

r% laatste al. 15. (de dagvaarding aan het gekozen domicilie), de termijn ^ ir

l'°'' van dagvaarding moet worden gegeven, met inachtneming van het

•c ^ bepaalde hij art 8, al, 2 B. R.

, A. k*-

' „„La.quot;*'' Arr.-fl. Assen. v. 0 Xov. 1843. W. n0. 450: idem. indien de dagvaar-

L ^ f . i • • i • • • •

, ding geschiedt aan hot gekozen domicilie, in cas van oppositie tegen een

^ vonnis bij verstek, — bij vonnis van do Arr.-R. Groningen, v. 24 April

U '1840. It. Bijbl. jg. '18i7. d. IX. p. 308—402: anders Ktg. Groningen, v.

oCp1}^' 3 Maart 187!) \V. nquot;. 4412, waarbij is lieslist dat in zoodanig geval

Jr. ^

«7

ocr page 80

.Ut. 8.

rekening freliouilen moet worden met den termijn van de c/ekozen woonplaats; idem Kt}.'. IV Amsterdam, v. -I!) Maart 1807, W. no. 2899; Cf. art. 11 I!. 1!. air. v. 14 Mei 1852 sqq. sub nquot;. 1 en art. 81 It. W. sub n0. 3 en omtrent de vraag der al dan niet toepasselijkheid van art. 7. no. 3, daar waar bet geldt den termijn, vermeld bij art. 8, al. 2 B, F!.— bet aangeteekende op art. 7. li. 1!.. air. van het P. II. v. Zeeland, v. 18 Jan. 1842, snli un. 2.

'è. Zie ten betooge, dat de bepalingen van art. 8, al. 2 I'). R. toepasselijk zijn op het exploit, vermeld in art. 860 van dat Wetboek.

Art. 800 II. H., air. v. 4 Febr. 1841 sqq.

Art. 10.

Dit art. is hij de Wet van 7 April 1809 (SVW. nquot;. 54) houdende verkorting der termijnen van dagvaarding van hen. die Iniiten bet koninkrijk wonen, aldus gewijzigd:

«Wanneer de gedaagde niet in het koninkrijk woont, is de termijn:

«Van ten minste eene maand, zoo bij woont iu Groot-Brittannië en Ierland, Frankrijk, België, I.nxembnrg, lUiitschland, niet uitzondering van Oostenrijk of Zwitserland;

«van ten minste twee niaanden. zoo bij woont elders in Knropa;

«van ten minste drie maanden, zoo hij woont in de niet-Enropesche kustlanden der Middellandscbe of der Zwarte Zee;

»van ten minste drie maanden, zoo hij woont in eene der koloniën Suriname of Curacao;

«van ten minste zes niaanden, zoo hij woont op Java, Sumatra of Madura;

«van ten minste vijf maanden, zoo bij woont buiten Europa in een der hierboven niet vermelde landen aan deze zijde van do straat van Malakka, de straat Sunda en de kaap Hoorn;

»van ten minste acht maanden, zoo hij woont in een der hierboven niet vermelde landen aan gene zijde van de straat Malakka, de straat Sunda en de kaap Hoorn, dezen daaronder begrepen.quot;

I. Bij het leggen van een pandbeslag tegen vreemdelingen behoeven niet met betrekking tot het voorloopig bevel, de termijnen bij art. 10, j0. art. 7 15. R,, voorgeschreven (als alleen betrekking hebbende tot dagvaardingen en oproepingen) worden in acht genomen.

I'. II. V. Zeeland, v. 28 Juni 1842, R. Bijbl. jg. 1843, d. V, p. 244sqq.

't. Wanneer eenvoudig wordt gesteld, dat de gedaagde woont iu de O.-Indien, zonder meer, behoort de termijn van acht maanden in acht genomen te worden.

Arr.-H. Amsterdam 18 l)ftc. 1877 1\. li. 1878, A. p. 200.

08

ocr page 81

{Art. JO

il. Zie voorts:

li. omtrent de al dan niet toepasselijkheid van art. 7 al. U. li. op de termijnen van dagvaarding vermeld in art. 8. al. 2, 9 en '10 lgt;. U.— hot aanget. op art. 7 B. It., sub n0. 2, en

/;. over de wenschelijUheid van do verkorting der procestermijnon, inzon-dorlieid met hetrekking tot die, waarop hnitenlanders volgens onze wet moeten gedagvaard worden, Mr. M. II. CioiiF.i lioi in Tlierais 2de verz. dl. X (jg. 1863) blz. 50 sqq.

All. 1 1 .

I. De termijn van vier maanden voor de dagvaardingen van personen, die niet in liet Rijk wonen, bij art. 10 B. R. voorgeschreven, kan, met het oog op art. 11 B. R., in geene aanmerking komen, wanneer er voor zoodanige personen ie,n deze (en mitsdien voor eene bepaalde /,aak) woonplaats binnen het Rijk gekozen is.

Arr. v. 14 Mei 1852, I!., d, XI.II, § 3; idem, wanneer bel geldt go-daagden, wonende te Suriname, door wier erflater domicilie is gekozen bij een handelshuis hier te lande, ook dan. wanneer beweerd wordt, dat men niet gedoeld hebbe op eene bepaalde woning in eene bepaalde plaats, maar wel op bet veranderlijk verblijf van eene p'ecso/ta //V/quot; (het handelshuis van eene lirma) omdat, indien het oll'ect van het gekozen domicilie blijft bestaan, de gedaagden jictiune juri* worden geacht aan dat domicilie aanwezig te zijn, — bij vonnis der Arr.-R, Amsterdam, v. 6 Oct.'1846, W. n0. 762; R. Hij bi. jg. 1846, d. Ylll. p. 7.0gt;4—736; idem door de Redactie van 't R. Bijbl., d. VIM. p. 736; — anders echter bij de op art. 81 B. W. sub n0. .'i, en art. 8 B. 1!., sub nquot;. '1, vermelde vonnissen van de Arr.-R11. Groningen v. 24 A|iril 1846 en van Assen v. (i Nov. 1843 en de autoriteiten aldaar vermeld. — Vgl. hiermede S. M. in de Opm. en Med., d. IV, p. 181—183, die aldaar doet uitkomen (hetgeen de Hoogl. v. Ham, schijnt te zijn ontglipt in 't li. Bijbl.. d. IX, p. 401 in de noot), dat de beide door gemelde Rechtbanken (van Amsterdam eener- en Groningen en Assen anderzijds) besliste zaken niet geheel gelijksoortig zijn, als betreffende do eene (Amsterdam) gedaagden buiten het Rijk, de anderen gedaagden hinneu, het Rijk, doch in eene andere provincie woonachtig, en dat daaruit mitsdien geen strijd van gevoelen tusschen die rechtelijke uitspraken kan worden afgeleid. — Vergelijk hiermede Mr. 1'. R. Pfanixg, Aanl. ad art., die aldaar met oen beroep op Carré, lt;Jncst. 326, de bepaling van art. II B. 1!.. waarbij de wetgever van bi/ i/i',tsl(f)/(!s wonende gewaagt, ook toepast op hen, die binnen hot Koninkrijk wonen, maar iu eene andere provincie, dan die. waar de rechtsvordering wordt aanbangig gemaakt; — anders door S. M. in do Opm. egt;i Med., d. 1V. p. 182. en door den Hoogl. M. hes A mouik vax dek Hof.vf.n in de Xieuwe Bijdragen van Itcglsy. en W'elgcv., jg. 1853, p. 571 en

ocr page 82

Art. 12.)

quot;gt;7^, i). a. ojj gi'ond, dat in beide gevallen geenszins dezelfde rulio hu/is aanwezig is, en dat men bij nauwkeurige vergelijking van de Fransche wetsbepalingen op dit punt niet de Nederlandsche, acht slaande op liet verschil tiissclien ons art. I I en art. 7-4 van den ('ode de Proc. ('iv., op de bijvoegselen van Chauveau op de aangehaalde plaats van Carek en op Carré zeiven, Qite.tt. 19 en 379 — zal bevinden, dat bet gezag der Fransche auteurs niet voor het gevoelen van Mr. Penning pleit. — Cf', art. 7 B. I!.. air. v. 't I', M. v. Zeeland v. IS Jan. 1842 sqq, sub n0. 2.

2. De aanwijzing van de laatste woonplaats van den overledene, als het domicilie der gezamenlijke erfgenamen bij art. 4, n0. 6, van 't W. v. B. R. gedaan, is van dat gevolg, dat ook de erfgenamen, ofschoon buiten het Rijk woonachtig, aldaar op den gewonen termijn kunnen worden gedagvaard,

1'. II. van Holl. v. 2:! Dec. 1839, W. nquot;. 89, I!.. d. VII. S 32 bevestigende een vonnis van de Arr.-R. Amsterdam v. IS Juni 1839, R. liijbl. jg. 1842, d. IV, p. 77(').

Jï. Zie omtrent de vraag, of en wanneer de buitengewone termijnen van dagvaarding, in de artt. 9 en 10 B. R. vermeld, den belanghebbenden alleen worden verleend in eersten aanleg, dan wel ook in de volgende instantiën —

art. 398 B. R.. arr. v. '10 Nov. 1848 en art. 343 B. 11., vonnis van de Arr.-R. te Winschoten v. 10 Sept. 1851.

-I-. Dit artikel is ook van toepassing, wanneer de gedaagde in Nederland domicilie hebbende gekozen, tijdens de dagvaarding te Batavia werkelijk woont: vermits de overzeesche bezittingen ook vallen ouder de uitdrukking //buiten het Koninkrijkquot;.

Arr.-R. Arnhem 12 Imii 1871 \V. n0. 3344.

Art. 12.

Zie ten betooge. dat de bedoeling van dit artikel niet is, dat de dagvaardingen aan allen op denzelfden dag geëxploiteerd moeten worden, maar dat ieder worde gedagvaard op den naar zijne woonplaats berekenden termijn, tegen den dag, welken de langste termijn vereischt —

Mr. van Boneval Faure in N. Bijdr. jg. 1806, dl. XVI pag. 255.

70

ocr page 83

Art. 14.)

.1/7. 13.

Bi] art. 13 B. li. worden voor aanzeggingen of oproepingen, om bij akten van procedure tegenwoordig te zijn, geen termijn of bepaalde vrije tusschendagen gevorderd.

Arbitrale uitspraak van..... 1842 (arbiters Je llll. en Mrs. J. 11.

Kivits en A. A. Hekken en do notaris H. A. Bijvoet), W. n0. :i6'2. — Cf. in gelijken zin art. 1!. I!.. air. van 29 Oct. 1X52 sqq., en art. B. R., vonnis van de A ir.-R. 's Hosch v. 23 Sopt. 1846 sqq., sul) nquot;. 24; verf;-, ook Arr.-R. Winschoten sine «lie. W. 2500. aangeh. sub art. 7. li. li. nn. n.

1/7. 14.

I. De bepaling van bet Wetb. v. B. li., waarbij bet doen van exploiter, in burgerlijke zaken op Zondagen, zonder vergunning van den kantonrechter of van den voorzitter van het collegie is verboden, is niet toepasselijk op dagvaardingen in strafzaken.

.l/v. v. 17 Dec. 1844, v. n. II. Strnfr. en Stmfv., d. XIII. p. 31—39; \V. nquot;. 588; li., d. \ IX. § 60. — Vgl. Iiiermode — ten betooge, dat het beteekenen van «.en exploit in eene stral/aak niot valt fnider het boreik dor Wet v. I Maart 1815 {SIhl n0. 21) — «In Wet v. 1 Maart 1815 voormeld arr. v. denz. datum, sub. nn. 4. d. 1. p. 138 (2 od. Mr. v. Emdex. I. pag. 130 n0. 2).

Na de vernietiging van een vonnis in appèl, door een Provinciaal Gerecbtshof, is niet de president van de Rechtbank, die het vernietigde vonnis heeft gewezen, maar wel de president van het Hof, dat het vernietigende arrest heeft geveld, bevoegd de vergunning te geven, om een exploit van executoriaal beslag, krachtens dat arrest, op Zondag te doen.

Beschikking van den president van de Arr.-II. Assen, v. 10 Mei 1844; idem appointement van den president van bot 1'. II. v. Drentho. van •15 Mei 1844. li. Bijbl. jg. 1844, d, VI. p. 526—528.

3. Deze bepaling ziet alleen op zoogenaamde fatale termijnen voor exploiten, die, om geldig te zijn, op straffe van verval, binnen eenen bepaalden termijn moeten worden uitgebracht, hoedanige o. a. de wet bedoelt bij artt. 84, 30!), 339, 726, 738, 770, 803, 821 enz W. v. B. Rv, maar niet op de termijnen van dagvaarding.

Winschoten, v. 6 Juli 1878, \\. nquot;. A^Yl.

Vergelijk navolgende beslissing:

71

ocr page 84

Art. 14.)

Deze bepaling ziet alleen op reeds loopende termijnen, doch niet op termijnen, die in acht te nemen zijn, voor en aleer zekere dag zal verschijnen.

Ktg. Maastricht, v. 15 Jan. 1884. W. u». 5038.

4-. Zie ten betooge :

a. Dat een wisselbrief, op tijd getrokken en vervallende op een Zondag, eerst des Dinsdags daaraanvolgende van non-betaling behoort te worden geprotesteerd —

art. 179 W. v. K., air. v. 17 Oct. 1839, sqq., sub n». 1.

b. Dat sommige bepalingen der nieuwe Nederl. wetgeving het onmiskenbaar bewijs opleveren, dat alleen de Zondag is de wettige godsdienstige feestdag —

air. v. 24 Maart 1840, v. n. II.. G. d. I. p. 153—159; air. v. 8 April 1850, W. n0. 1748. alsmede v. n. Honkht. //'//. B. Jt., § 14; de Martini, ad art. s, 5 en Lipman, p. 7.

•». Zie omtrent de vraag:

а. Of de termijn tusschen een beslag op roerende goederen en het voorafgaand bevel, bij een invallenden Zondag, met één dag moet worden verlengd —

art. 439 IJ. R., arr. van het 1'. 11. v. N.-lioll. v. 17 Juni 1847 sr|q.

б. Of het verlof al of niet beteekend moet worden —

Arr.-R. Zwolle, v. 27 Juni 1879, vermeld sub art. 7 B. R. nquot;. 7.

Art. ] 5.

Zie ten betooge:

a. Dat art. 15 15. li. dezelfde beteekenis heeft als art. 1037 van den C. de Pr., en mitsdien de uren waarop uit krachte van eerstge-meld artikel de exploiten mogen geschieden, ook op de akten van wisselprotesten van toepassing zijn,

R. Bijbl. jg. 1839, d. I, p. 7—9; idem in oen ingezonden stuk in 't Mijv. op het Hfuide/shlad v. 30 Oct. 1838. — Vgl. hiertegen de mlioncs dubitandi, ontwikkeld in het Handelsblad v. 8 Nov. 1838.

72

ocr page 85

73 [Art. 15.

h. Dat het uur, waarop een exploit gedaan is, daarin niet behoeft te worden vermeld, en dat alzoo de overtreding van het voorschrift van art. 15 B. 11 , niet anders dan door de wettige bewijsmiddelen kan worden aangetoond, zonder dat het echter daarom noodig zij, het exploit van valschheid te betichten -—

v. ij. Honeut, Hdb. § 92 in de noot; ue Martini, ad art. /, 4, en Ouue.man, li. R., ut supra, p. 18.

Art. in.

I. J let verbod, vervat in art. ifi 15. R,, naar luid waarvan een Sm deurwaarder geen exploit mag doen voor zijne bloedverwanten of aan-gelmwden in rechte linie enz., is slrietae iuierpretalionis en mag niet ^

tot de aangehuwden der vrouw uitgebreid worden, quia affmitas nouparil swcn-

ajfiniialem. ^ h,

Air.-R. 's lioscli, v. IJ Maart IKi'J, W. n». :il3. (T. ait. ;ai I!.

W., sub u's. I en 2.

z..

U. n-s-yt

lt;5. üe betrekking van schoonzoon en schoonvader tusschen een deurwaarder en een der leden van een bestuur is geen wettig beletsel voor dat bestuur, als zedelijk persoon beschouwd, om zich van het ministerie diens deurwaarders te bedienen.

Arr.-R. Sneek, v. 29 Jan. 1845, R. liijbl. jg. 1846, d. VIII. p. (i9ü en 097. — Cf. art. 5 B. R., sub n0.20, vonnis van de Arr.-R. Leiden, v. 14 Jan. 1845 sqq. — Vgl. hiermede — ten betooge, dat partij is ontvankelijk, om do nietigheid van een exploit in te roepen, op grond van de onbevoegdheid des deurwaarders, ook- wanneer hij daardoor in zijne verdediging niet is benadeeld, — art. 94 B. R., vonnis v. dez. Arr.-R. v. denz. datum.

3. Een deurwaarder, die mede-directeur is eener vereeniging van eigenaren van onroerende goederen, en als zoodanig met en benevens zijn mede-directeur, jegens die eigenaren, tegen eene vaste som, door hen, als leden dier vereeniging, jaarlijks te betalen, verplicht is te zorgen, dat tegen den eventueel gebrekigen of nalatigen huurder, ten verzoeke van den eigenaar, eene rechtsvordering tot ontruiming worde ingesteld en vervolgd, kan (ook dan wanneer de bepaling van art. 16 H. R. bij analogie mocht worden toegepast en uit overweging dat

ocr page 86

Art. Ifi.)

voormeld art. voor geene extensieve interpretatie vatbaar is) niet gezegd worden zoodanig dadelijk of zijdelingsch belang bij dat geding te hebben, dat, wanneer hij zelf het exploit van dagvaarding heeft gedaan, al geschiedde dit op naam van den eigenaar, hij moet geacht worden in zijne eigene zaak te hebben geëxploiteerd.

Ari'.-R. Utrecht v. 'i'i Oct. 1852, W. iiquot;. I;i88; I!. liijbl., j^. 185;?. p. 81—83. Omtrent eeue voorziening in cassatie tegen dit vonnis geraadpleegd, adviseerde Mr. A. de Pinto in ontkennenden zin. (Zie zijne Adviezen 1838—'1862, bl. 70 en 71).

.1/7. 17.

Zie ten betooge;

a. Dat een deurwaarder niet kan worden geschorst door anderen dan het collegie, waarbij hij dienst doet —

art. 90 R. li., air, v. 3 Felir. 1843.

b. Dat, wanneer er in een rechtsgeding onrechtmatige handelingen van procureur en deurwaarder, of onregelmatige procedure-actes hebben plaats gehad, deze niet in eene afzonderlijk rechtsgeding. m;inr alleen in het aanhangig rechtsgeding contradictoir met de in lïte zijnde partijen moeten worden beoordeeld en buiten gevolg gesteld —

art. DG IJ. II.. Ait.R 's llage. v. 23 Juni 1854 sqq.

Art. 19.

I. De rechter kan in eiken stand der zaak, zelfs nadat een supple-toire eed, bij interlocutoir vonnis bevolen, zal zijn afgelegd (in specie omtrent de echtheid eener betwiste handteekening), eene verschijning van partijen voor zich gelasten, alvorens omtrent de zaak ten principale (vreemd aan de echtheid of onechtheid der handteekening) recht te doen.

1'. II. in Holl. v. 12 Feb. 1840, R., d. IX, § 27, bevestigende een vonnis van de Arr.-R. Leiden v. 20 Febr. 1839. — Cf. art. 1977 B. W., arr. v. hetzelfde P. H. v. denz. datimi. sub no. 7.

lt;5. Eene persoonlijke verschijning van partijen moet zich bepalen tot de gedingvoerende partijen en kan niet worden bevolen, tenzij liet onderwerp der zaak en de kwaliteiten der litigerende partijen eene transactie toelaten.

71

ocr page 87

r^^CLs IJ COLJ— ^cUAjL^'^- ^JCA^-^cX^. I^Lo 6^A_ ^

fart ^Q^- c^s t*-4 gt;-*-lt;!. samp;z^-rp lt;f~lt;L at. Sfa. /t?eramp;* ^rj},

amp;Csc,. y/z, w./?^ 'f. vz~*sr/j (V?KSjwP*,.

75 Art. J 9.)

P. II. V. Friesl. V. 22 April 1840. R. 15ijbl.,,jg. 1842, d. IV, p. 275—28-1. — In gelijken zin bij v. u. Hoxkht. //'//lt;., § l!' eu üi'. Martini, ad art. ij. 2.

3. De bepaling van art. 19 B. II. sluit niet uit de voogden, die tot het aangaan van eene dading ten behoeve der minderjarigen, het verlof van de Rechtbank behoeven, daar de minnelijke schikking of overeenkomst in zoodanige gevallen altijd moet worden aangegaan onder verplichting van nadere goedkeuring van de Rechtbank, na verhoor of na behoorlijke oproeping van den toezienden voogd en van de bloedverwanten of aangehuwden van de minderjarigen, mitsgaders op de conclusiën van het Openbaar Ministerie.

Arr.-R. Appingadain, v. S April 1841. W. n0. IVH); idem, door A. v. K. in'tR. Bijbl., jg. 1841. d. lil, p. 189; de Pinto, lldl. B. H..d. II. l^est., p. 72: üiepiuhs, .V. B. J!.. d. II. nquot;. 925; Ouiieman. B. It. 4de ed.. d. I. p. 30 en duor Mr. v. d. Kemp, Ontw. ut supra, (3de dr. door Mr. L. G. Greeve, p. 330);— anders bij vonnis van de Arr.-R. Maastricht v. 5 Dec. 1844, W. n0, 624; li. Bijbl., jg. 1845, d. VII, p. 503 en in de conclusie van 't Op. Min. bij de Arr.-R. te Appingadam, welke (hoewel in een anderen zin) heeft geleid tot het vonnis der Arr.-R. aldaar ut supra. — Vgl. hiermede de aanmerkingen van den inzender op het vonnis van de Arr.-R. Appingadam. \\. ut supra en v. n Moneut, lldl). B. II. § 19.

-I-. De minnelijke schikking, bij art. 19 B. R. bedoeld, is van waarde, ook dan wanneer daarvan, als niet zijnde verlangd door partijen, geeu proces-verbaal is opgemaakt. Het aangaan dier verbindtenissen kan ook door andere bewijsmiddelen worden gestaafd, zoodat de bepaling van art. 1888 B. W. niet geacht kan worden daarop onvoorwaardelijk van toepassing te zijn.

'/* gt;-»-r *4?

Arr.-R. Rotterdam, v. 27 April 1842. \V. n0. 291). — In gelijken zin bij de Pinto, lldl. B. //., d. II, Isto st., p. 74, die aldaar met de Arr.-R. van meening is, dat de vermelde schikking, bij gebreke van proces-verbaal door alle andere middelen rechtens kan worden bewezen. — Dit gevoelen wordt echter bestreden door Mr. F. R. Penninr, Aant. ut supra, p. 8 en 9, op grond dat dit in strijd is met art. 1888, al. 2 B. W.; dat het Wetb. van B. R. niet licht kan geacht worden uitzonderingen te vormen op het B. \V., als behandelende beide Wetboeken geheel verschillende onderwerpen en de woorden: «wanneer partijen dit verlangen,» meer schijnen aan te duiden, dat zij, indien zij aan die schikking wettige kracht wenschen te geven, daartoe een geschrift moclcii verlangen.

5. De wetgever heeft bij de weldadige bepaling van art. 19 B. R. die enkel eene vereeniging van partijen ten doel heelt, geen dwang-

ocr page 88

Art. ] 9.)

middel nangegeven, noch eenige straf gesteld, waardoor partijen, of een hunner, tot liet naleven van 's rechters last, op grond dier bepaling gegeven, kan gedwongen worden, of welke haar, wegens weigering daarvan, kan worden opgelegd; — de rechter is dus in zoodanig geval, bij bet stilzwijgen der wet, niet bevoegd eenig dwangmiddel te bevelen of straf op te leggen en gevolgelijk ook niet gerecntigd, om de voortzetting van het geding tusschen partijen te schorsen.

Arr.-R. 's Bosch v. '29 Maart 1844, W. u». 617; 1!.. d. XXII. § 84. — In gelijken zin bij Oudeman, B. B., éde ed., d. I, p. 35.

tt. Eene persoonlijke comparitie van partijen, ambtshalve bevolen, moet, wanneer daarin geene minnelijke schikking is tot stand gebracht, bij de voortzetting van het geding daarop buiten invloed blijven en mag niet als een middel van instructie worden aangewend.

I'. II. v. (mniiiigeii, v. rgt; April 1853, W. nquot;. 1431; 11.. d. XI.IV, S'.l'i: idem Friesland, v. 22 Api'il 1840, R. liljbl. jg. 1842, d. IV, ]). 275—281.

Volgens Üudkman, B. /(., 2lt;li! ed., d. I, p. (i, zal, wanneer de rechter, in cas van art. 19 li. R., ambtshalve gelast, dat partijen voor hem zullen compareren, dit kunnen geschieden bij eene ordonnantie, welke tor kennis van partijen of hare procureurs dient to worden gebracht. — Dn I'into, Tbemis, 3dc jg., p. 377, bestrijdt dit gevoelen en meent dat zulks niet anders kan geschieden dan door een vonnis (men noeme het ordonnantie of boe men wil), dat in de openbare zitting wordt uitgesproken, waarbij de procureurs van partijen tegenwoordig zijn of behooren te zijn, zoodat zij van bet bevel kennis dragen en bet dns wel niet noodig zal zijn, dit nog daarenboven op eene wijze, die de w:et niet voorschrijft, tot hunne kennis te brengen. — In zijn derde editie (I, bl. 33) eu in zijn vierde (I, bl. 35), zegt de beer Oudeman, dat bij bet meest doelmatig acht, dat de partij, welke eene zoodanige samenkomst wensebt, deze bij conclusie ter rolle verzoeke, en dan, of ook wanneer de rechter die ambtshalve gelast, een praeparatoir vonnis gegeven worde, welk vonnis dan niet behoeft beteekend te worden.

Verg. ook de I'into in Themis, 1857, bl. 517 sqq.

ï. Zie ten betooge ;

dat het 's wetgevers bedoeling niet kan geweest zijn, om door de bepaling van dit artikel, aan den schuldenaar liet middel aan de hand te geven om uitstel te verkrijgen van eene erkende en opvorderbare schuld —

I'. II. v. rieldcrland, v. 21 hm. 184t). Mr. IIkktzvki.h ut supra blz. 45.

7fi

ocr page 89

{Art. 20.

Art. -20.

fn de Gem.-Stem, nis. 85 en 89, wordt betoogd, dat de burgemeester, die voor zijne gemeente in rechten optreedt, met liet oog op de artt. 24lt; en 60 der Gemeentewet, — waarbij aan den burgemeester o. a. is verboden, in zaken, waarin de^ gemeente betrokken is, als advokaat werkzaam te zijn, — niet bevoegd is voor haar te pleiten. Dit gevoelen wordt echter daar ter plaatse wederlegd door de Redactie van dit blad, op grond, dat de burgemeester, volgens art. 71 dier Wet, zijne gemeente vertegenwoordigende, partij is in het geding en dat hij alzoo, voor haar de pleidooien voerende, niet is in de uitoefening van zijne functiën als advokaat, maar eenvoudig gebruik maakt van de bevoegdheid, bij art. 20 B. R. aan -partijen gegeven, om hare eigene zaak te bepleiten, zonder dat hij echter in dit geval eene declaratie aan de tegenpartij der gemeente zou mogen in rekening brengen.

Zie verder over deze vraag, de aanteekening op art. (i0 gemeentewet. Mi', van Emiien, Staatsrecht d. f, pag en die op art. 71 derzelfde wet, sub liquot;, 'i, Mr. van Kmden, ut supra, dl. IX, p. :i7.

Art. 21.

Hij de wet van !2G Juni 187(1 (.S7W. no. 124) zijn achter de woorden: wen voor den Hoogen Raadquot;, ingevoegd de woorden; «anders dan in cassatiequot;.

Art. 21, gelijk het gewijzigd i.s bij art. 8 der wet van 20 Juni 187G (Slbl. no. 124) wordt volgens de wet van 23 April 1879 (N/W. nquot;. 75) gelezen als volgt:

vgt;Do partijen mogen hare zaken doen bepleiten door een bij het rechtscollege toegelaten procureur, onverminderd het voorschrift van art. 99 en de bepalingen omtrent de wijze van procedeeren in cassatie.

«Wordt liet bepleiten der zaak aan een niet als procureur toegelaten advocaat opgedragen, dan moeten niettemin, behalve in cassatie, de dingtalen door een procureur worden gevoerd.quot;

I. De woorden, in art. 21 B. R. voorkomende, beteekenen niets anders, dan dat de dingtalen of conclusiën, ter terechtzitting van de Hoven, niet door de advokaten, maar door de procureurs worden voorgedragen, hetgeen echter niet wegneemt dat de redactie dier dingtalen door de advokaten geschiedt.

P. II. v. Utrecht v. I Juni 1840, W. no. 100; li., d, IV, ij 65. — Cf., ten hetooge, dat, als uitvloeisel daarvan, ook de andere verrichtingen der

77

ocr page 90

Art. 21.)

;iilvoc;iteii chin die van pleidooi aan de snccnmberende partij in rekening kunnen worden gebracht — art. 57 II. R.. arr. van hetzelfde Hof van denzelfden datum, sqq. (I)

Een in recliten gegradueerd procureur bij de Rechtbank, waartoe hij als zoodanig behoort, kan eene zaak, waarin hij niet als procureur optreedt, niet als advocaat bepleiten.

Arr.-R. Groningen sine dir, W. nquot;. '129. — In gelijken zin bij Oüdeman, f!. li.. 4de ed.. d. ). ]gt;. 38.

'.i Zie met betrekking tot;

a. het al of niet wenschelijke van den dubbelen rechtsbijstand —

Mr. 1'iNXF.it in A'. Bijdr. III (jg. 1877) lilz. 286—295; Mr. A. A. de I'into, in Therais, 2de verz. dl. X, p. 193—210, die zich een warm voorstander betoont van den enkelen rechtsbijstand, niet behoud der vrije advocatuur; Mr. W. Sassen in Themis, 2de verz. dl. AI 11 blz. 417—422; A'. Bijdr. dl. Xll blz. 550; Mr. A. ne Pinto, die in zijn Hl. B. It. II, le st., p. 230 sqq. (2de druk) en o. a. in W. nquot;. 4070 den dubbelen rechtsbijstand met nadruk verdedigt. — Zie ook in utramque partem, een opstel in W. n0. 2202 en in no. 2284, getiteld «de Duitsche Advokaten Anwalten.quot;

Vergelijk voorts hiertoe betrekkelijk het wetsontwerp Donker CuTrrrus (in zijn geheel met de memorie van toelichting opgenomen in W. iiquot;. 1696), waarbij het behoud van bet ministerie van procureurs voor de Rechtbanken en Hoven werd voorgestaan, doch bepaald, dat de kosten van pleidooien voor die colleges niet op de verliezende partij konden verhaald worden. Zie over dit wetsontwerp in zijn geheel, de P. in W. no. 1706—1709 en n0. 1749. Verg. voorts het ontwerp Horuet, met de mem. van toelichting onder toezicht van Mr. A. A. de Ptnto uitgegeven (Gebrs. Beunkantf. 1805), alwaar het stelsel van vertegenwoordiging van partijen door den advocaat, voorzien van eeue schriftelijke volmacht, wordt gehuldigd. Zie de bezwaren tegen dat stelsel ingebracht door Mr. van lioNEVAi, Faure, in A. Bijdr. XVI (1866) p. 257 sqq. —- Vergelijk verder het wetsontwerp van Lijnden, (iu zijn geheel opgenomen in W. n0,4074 en de mem. v. toel. in W. nns. 4077 en 4078), waarbij mede de afschaffing der procureurs werd voorgesteld. Zie over dit wetsontwerp talrijke opstellen in W. nos. 4075, 4076, 4078, 4079, 4080—4082, 4084, 4085, 4088, 4094, 4096, 4099, 4101—4103, 4119, 4121 en 4172, in welk laatste nnmnier ook is opgenomen hot gewijzigd ontw. B. Rv. van Lijnden, hetwelk ten slotte door den minister Smidt is ingetrokken. —Zie over het ontwerp Smidt (later de wet van 23 April 1879 (StU. n0. 75), dat niet behoud van procureur en advocaat, voor wat betreft de kosten door de verliezende partij te betalen, den enkelen rechtsbijstand huldigt, een opstel van de P. in W. n . 4219.

(1) Vergelijk, voor het thans hieromtrent geldend vecht, art. !i der wet van 2.'! April 1879 (Slbl. n0. 75).

78

ocr page 91

Art. 21.) 7ii

/.ie nno- over liet procureurs-ambt Mr. G. .1. A. Fabf.r in W. nquot;. 39'gt;0. Zie verder over den enkelen en dubbelen rechtsbijstand, de praeadviezen in de Ne'/, .hir. Ver. van Mrs. II. A. of.s Amorie van iim: Hoeven, .1.(1. A. 1'aber om T. van IIfttinga 'I'romp, llaml. 1871. I. blz. 180 sqq. Zie do discussie daarover in Hand. als voren, 1872, II, blz. 19 sqc[.

Zie aanteekeningen over de gescbiedenis der advocatuur in Holland in .V. dl. V, blz. 480, door Mr. I.. Til. C. van hex Br:rgu. — Zie

iets over de advocatie naar aanleiding der wet van quot;J:! April 187(.l (Slhl. nquot;. 75) in W. no. 4600 (Mengelwerk).

b. de vraag of een procureur (met het oog op den vroegeren toestand) zijn ministerie mag weigeren aan hem die het vraagt —

Ojhu. cu Mad. (11. XIV. blz. 121 vlgd.

Art. 32.

De beoordeeling en bestraffing van onbepaalde te-last-leggingen en honende redenen, in een civiel pleidooi vervat, waartegen art. 22 B. R. voorziet, is bepaaldelijk opgedragen aan den rechter, voor wien liet woord gevoerd wordt. Indien de rechter, op het tijdstip dat die te-last-leggingen en redenen zijn gebezigd, deswege het stilzwijgen heeft bewaard of het althans niet blijkt, dat ter zake voorschreven eene beschikking of beslissing door hem is genomen, hetzij door de zaak te verwijzen naar een hoogeren rechter, hetzij door zelf eenige bestraffing uit te spreken, dan is eene latere vervolging niet admissibel.

I'. 11. v. Utrecht, v. 7 Aug. 1848, W. nquot;. 1W)7. — Cf. de Martini ad art., /. ■', die, met een beroep lt;gt;p de geschiedenis van dit art. (v. n. Honf.rt, i? 22) van meening is, dat alleen de rechter, voor wien het pleidooi gevoerd wordt, bevoegd is, de hier bedoelde hoete uit te spreken.

Arl. 2 1.

Mr. v. lioNF.vai. Faure geeft do voorkeur aan de bepalingen van dit artikel boven die van art. I, § 2, Titel V van het Ontw. v. B. Hv.. dat het karakter van misdrijf uitdrukkelijk aau het daar behandelde geval geeft. A. Ftijdr. dl. XVI. iilz. 2:!r,.

A/7. 30.

I. De griffier van een kantongerecht alleen vacatie-loon kunnende

o o

berekenen in de gevallen, waarin zulks aan den kantonrechter is toe-

ocr page 92

Art. 30.)

gestaan, volgt hieruit, Hat rle kantonrechter kan worden gewraakt in de geschillen tusschen dien griffier en een derde ontstaan, niet omtrent de hoegrootheid der vordering, waaromtrent taxatie de beslissing aan de hand geeft, maar ter zake der verplichting tot de betaling der jura zelve, afhankelijk van de al dan niet bevoegdheid van den kantonrechter tot het ambtshalve uitoefenen van zekere rechtshandeling.

Air.-li. Tiel, v. 2i Jan IKÜ W. 110. '284.

Tlians zijn de vacatie- of andere loonen van de kantonrechters en hunne plaatsvervangers voor buitengerechtelijke ■verrichtingen vervallen; zie art. .'lt;0 der wet van 9 April 1877 (N/W. nquot;. 7.'i).

lt;8. Zie omtrent beleedigingen en bedreigingen door een kantonrechter begaan, welke aanleiding hebben gegeven tot de bij vonnis bevolene wraking van dien kantonrechter —

een vonnis van de Arr.-R. Leeuwarden, v. 26 Oct. 1842, W. no. 357; li., d. XV. § 65, alsmede he Martini, ad art. d 4, die implicite in strijd met dat vonnis, van oordeel is, dat de wraking uit hoofde van beleedigingen of bedreigingen eerst dan kan worden aangenomen, wanneer deze een hoogen graad van vijandschap (art. 30, uquot;. 10) bij den rechter hebben doen geboren worden.

3. De rechter, die eigenaar is van een aandeel in blanco in eene naamlooze maatschappij, moet (ook met het oog op art. 30, n0. 9, B. 11., waar gesproken wordt van een bewindvoerder en niet van een aandeelhouder) niet geacht worden zulk een persoonlijk belang te hebben bij een aanhangig geschil van de bedoelde maatschappij, dat hij zich van de kennisneming daarvan zou behooren te onthouden.

1'. II. v. Overijssel, v. 5 .lull 1850, W. n0. 1148.

4-, Uit art. 30, 9quot;, j0. 2quot; volgt, dat men zich niet kan onttrekken aan de rechtspraak door de bloed- of aanverwanten der bewindvoerders van stichtingen enz., welke laatsten partij in de zaak zijn.

Arr.-U. Breda, v. 21 Nov. 1805. W. n0. 2853.

S. De kantonrechter, die schriftelijk den meester eene voorloopige waarschuwing heeft gegeven omtrent zijne aansprakelijkheid in rechten jegens zijn dienstbode en eene poging heeft aangewend om hem te bewegen een tusschen hem en zijn dienstbode ontstaan geschil buiten-

SO

ocr page 93

i.4r/. 30.

rechtelijk af te doen, kan op grond van art. 30, nquot;. 4, 1!. 11. worden gewraakt.

Arr.-R. Amsterdam, v. 18 October 1866, W. n». 2858.

O. Uit het feit, dat de wet meerdere redenen van wraking van den rechter heeft opgegeven dan van een getuige (daar zij vooral den rechter alle waarborgen van onpartijdigheid heeft willen verleenen) in verband met de uitdrukkelijke bepaling van art. 30, 9°., B. 11., — volgt, dat ten aanzien van het wraken der getuigen, in tegenstelling met het wraken van den rechter, de regel geldt; «tot sunt personae, quot sunt qualitates,quot;

Arr.-R. Amsterilam, v. 2(1 April LST.quot;). W. n0. li!)!.quot;); verp:. nok Arr.-li, Breda, v. 21 Nov. 180quot;). vermeld op dit art.

ï. Zie ten betooge :

a. Dat een lid van den 11. li., dat behalve zijn wettelijk tractement, eene jaarlijksche toelage uit 's llijks kas geniet, gewraakt kan worden in een rechtsgeding, waarin de Staat partij is —

rtcfitsgcl. A'lr.. d. I. p. 125—127.

I). Dat de rechter, die, volgens art. 401 !gt;. W., de raadsman is van eene weduwe, welke in een rechtsgeding partij is, ofschoon zulks niet uitdrukkelijk in de wet is voorgeschreven, evenwel oh parilatem rationis kan worden gewraakt —

Vf.rnfjie. R. R. ad art. .1.; —• anders door nr. Pinto. R, 1!.. 2de ged.. 1ste st.. p. 77 (2de ed.). en Oudkmax. /gt;'. !!. 4de cd., d. I. p. A'.\. dir do bepaling van art. 30 als limitatief beschouwen, zoodat een recliterom geene andere dan de in dit art. vermelde redenen mag worden gewraakt.

Zie ook nog bet proefsclirift van Mr. Specht Grijp, »over de wraking van den rechterquot; (Leiden 1858) hl. 40 en volgg., en de dissertatie van Mr. \j. A. A. van Wensen, di' rccnnalionr juilids, (L. B. 1848) en de beoordeeling daarvan door Mr. Bav. II. L. in do Tbemis, Xde jg.. p. 334 en 335. — Zie over de vraap, of als redenen van verscbooning geene andere mogen worden aangenomen, dan de bier uitdrukkelijk opgenoemde redenen van wraking, arr. van 18 Oct. '1872. vermeld sub art. 33 en 41 B. I!. — Zio eenige opmerkingen omtrent de redenen van wraking, in Tbemis, 2de ver/., dl. X. blz. 73 sqq., door Mr. M. II. GcnEFïïOT. — Zie eindelijk eene beoordeeling van de rogeling der verscbooning en wraking, volgens liet Ontwerp van oen VVetlt. v. I!, liv. nl supra. Mr. van IjOSEVai. Kauue in A. Ilijdr.. dl, XVI. p 221) s(|i|.

Mr. \V. van rossem P./.f linry. JUchtsv. 0

,SI

ocr page 94

Art. 30.)

Bij do wet v. li .Inli 1 SU! (met do beraadslagingen die daarover in de Lnxcniljnrgsclie Staten zijn gevoerd, te vindon in 't W. n0. 1*123 «Mengelwerkquot;) is — op grond dat de kens van de Lnxemburgsche rechters geschiedt uit eene weinig talrijke hevolking en over een beperkt land en daardoor rechters en verdedigers onderling door bloedverwantschap ofaanhmve-lijking verbonden, dikwerf in aanraking komen, en dat de daaruit veronderstelde nauwe betrekkingen de rechters aan het vermoeden van voorkeur blootstellen — bepaald, dat het in de burgerlijke zaken, voor liet Hoog Gerechtshof en voor de rechtbanken van het Groot-Hertogdom Luxemburg gebracht wordende, telkens wanneer de verdediger van eene der partijen, het/ij advocaat, hetzij procureur, in rechte lijn. tot en met den tweeden graad in de zijdlinie, bloedverwant van, of aangehuwd mocht zijn met een der rechters, aan de tegenpartij zal vrijstaan, den aldus verwanten of aangehuwden rechter te wraken, en dat de alzoo gewraakte rechter zich naar art. 380 ('. d. Pr. Civ. zal gedragen. De Belgique .Tudiciaire huldigt dit beginsel en acht het ook voor België toepasselijk (Zie W. n0. 1505). Dit tijdschrift echter merkt op, dat partijen slechts zelden tot zulk een uiterst middel de toevlucht zullen nemen, nil vrees, dat zij de geheele rechtbank tegen zich zullen innemen. Het verlangt mitsdien, dat de wraking //wo jure worde uitgesproken, op strall'e van nietigheid der vonnissen die geslagen worden, met andere woorden dat worde verklaard, dat de betrekking van rechter met die van bloedverwant des verdedigers onvereenigbaar is. — De Kamer van procureurs hij de rechtbank van eersten aanleg te Luik heeft dan ook bij een uitvoerig adres aan de Kamer van vertegenwoordigers en aan den senaat eene wet verzocht, waarbij, op straffe van nietigheid, aan de rechterlijke ambtenaren verboden wordt, om. op welke wijze ook. zitting of deel te nemen aan zaken, waarin hunne dichte bloed- of aanverwanten als advocaten of procureurs voor eene der partijen optreden. De Raad van Toezicht der advocaten bij het Hoog Gerechtshof te Luik, overwegende, dat de in dat adres aangewezen misbruiken wezenlijk bestaan, cn zich bij een groot getal Belgische rechtbanken doen gevoelen; overwegende, dat het belang der justitie en de waardigheid der magistratuur vorderen, dat daaraan paal en perk gesteld worde, — heeft wmtemniig verklaard zich met de in het advies uitgedrukte wenschen te vereenigen. Zie W. nis. 1598 en l(gt;04 (1).

(1) Ditzelfde verbod trof men vroeger ook hier te lande aan, en dit wel in nog meer mtgebreiden zin. (Lbon). Zie ue Pikto, K. Org. (2de dr.) 2cle ged., p. 65 sq., als ook df. Martini ad art. 23 Regt. Org.

De bepalingen der bovenaangehaalde wet van 6 Juli 1843 zijn thans vervangen door de artikelen 109 en 110 der wet van 18 Februari 1885 „sur 1'organisation judieiairequot; in Luxemburg, welke artikelen luiden als volgt:

Art. 109. „En toute matière, le juge ou 1'officier du ministère public devra s'abstenir, sous telle peine disciplinaire que de droit, s'il est parent ou alliè de de Tavoeat-avoue, de Pavoeat ou du mandataire de Tune des parties en ligne directe ou du second degré en ligne collate'rale.quot;quot;'

Art. llo. „I.'avorat, 1'avoue' ou le mandataire qui auront prêlé leur nom pour

ocr page 95

{Art.

Ar I. 31.

— Zie ten betooge:

a. J)at het woord //collegiequot; in art 31 B. R. niet sleciits, gelijk in art. 380 C!. de Proc. (Jiv. was bepaald en in bet ontwerp van 1S30 was voorgesteld, beteekent de kamer, waarin de rechter, die zich verschoont, zitting beeft, maar het geheele rechterlijk collegie —

Oudemak, /gt;. /■'.. Aile ed., d. I, hl. 47; anders bij nr. Pixto, ff/1/.. 2do ged., Istiquot;! st. ('idf. dr.), p. ST s|)q., volgens wien in den regel do wet aan hel woord rccfilucollcfiir die uitgebreide beteekenis niet hecht, inaar daaronder alleen verstaat het collegie, zoodanig als het is zamengesteld. om over eene bepaalde zaak recht te spreken; — in gelijken zin met een beroep op art. 38 B. Iwaaruit do schr. afleidt, dat iedere kamer over de wraking van hare eigene leden moet beslissen, door Mr. F. It. Penning, Aant. nt snpra. p. quot;17; idem van P.onevai, Faure, in R. B. jg. i 875, A, p. 244.

/j. Dat de bepaling van art. 31 H. li,, tot voorkoming der wraking, ook toepasselijk is op de ambtenaren, in art. 32 vermeld —

Oiideman l.l. p. 47; — anders bij df, Pinto. Ihll. nt snpra, p. 88.

c. Dat de bedoeling van dit art. niet is om te verklaren, dat de kantonrechter zich niet verschoonen kan van de kennisneming eener zaak (hetgeen weersproken zou worden door art. 41 B. R,), maar dat de uitzondering ten opzichte van den kantonrechter alleen betreft, de opgave der reden van verschooning aan het college —

Opm. eu Mcd. dl. XIV, blz. 44.

Zie over het wTakingsproces voor den kantonrechter Mr. .1. van nE?. Leeuw in ,V. Bijdr. jg. '1861, dl. XI, p. 307.

Art. 33.

I. Art. 33, le al. B. R. betreft alleen de eigenlijk gezegde wraking en mist zijne toepassing in geval van verschooning.

Arr. v. 18 Oct. 1872. W. nquot;. 351!); Pi. d. üll. § 9; v. D. II.. B. 1!.. d. XXXY1I, p. 391—400; ook vernield op Art. 41 B. 1!.

Ten einde de rechter kunne voldoen aan de bepaling, vervat in

einder la disposition qui precoile, scront punis, les premiers d'nnn peine disciplinaire, et le dernier d'nne amende de einqnante franes ;i eent francs,^

ocr page 96

Arl. .'53.)

art. .'34 13. 11., moet de daartoe betrekkelijke akte van wraking op een zegel van niet minder dan 45 cents geschreven zijn.

Ktp'. Cnlenborg. v. ~Digt;r. 1841, W. 11(). 250.

Jl. Zie ten betooge:

dat een recliter kan worden gewraakt, indien later ontdekt en bekend worden de redenen van wraking, die vóór den aanvang der pleidooien of vóór den afloop der termijnen reeds moeten hebben bestaan •—

Vf.unkdk. ad art.

Arl. 35.

Dit artikel is ook op den kantonrechter van toepassing.

Ait.-R. Amersfnort, v. 25 Febr. '1801, W. n0. 2277, ook verniflil snb art. 40 Rv. nn. 2. Vor»-. onk de aldaar aangelmalde sr.lirijvers.

Art. 36.

De wet bepaalt geenszins dat de rechter, in cas van wraking in het ongelijk gesteld zijnde, in de kosten daarop gevallen, zal moeten worden veroordeeld, maar moeten die kosten tot aan de detinitieve uitspraak worden gereserveerd.

Arr.-R. Leeuwarden, v. 24 Oct. 1842, W. nquot;. 357; I!.. d. XV. § 05, idem Carkk, op art. 388; SprciiT Grijp, \it sujira bl. 175; — anders door UroEMAN, II. H. 4(Io nd., rt. T, p. 51 (en Nale-inq, j). 17) die, niet een beroep op Sciii.in'k. (Unnmwlnr i'ihcr die Frnnzö.ii.icJie (:iril-Pro:e.is-Ordmnui. II, p. 195, van oordeel is, dat de reserve van kosten alleen dan kan plaats bebben, wanneer de rechter in do wraking beeft berust, doch dat bij, indien bij zicli beeft verzet en in liet ongelijk gesteld wordI. volgens art. 50 li. 1!., in de kosten zal moeten worden venvezen. — Cf. art. 40 P). R. vonnis van dezelfde Recbtb. van denz. datnni.

Zie ten betooge:

dat, hoewel de wet dit nergens uitdrukkelijk bepaalt, het onderzoek omtrent de wraking in Raadkamer geschiedt —

he I 'INTO, lldl., 2de ged., Iste st.. (2de ed.) blz. 91, en Mr. K. I! Pemntsg Adnt. nt supra ad art.

81.

ocr page 97

(Arl. oO.

Arl. ;3«).

liet Hof', onvoltallig geworden tengevolge van, door eenige van zijne leden, ingebrachte redenen van verschooning, kan niettemin ecne beslissing daaromtrent nemen.

I'. II. v, Overijssel, v. 5 .luli '1850. W. ii0. 11W; idem Air.-R. Win-sclioteu. v. 20 Nov. 1873, W. nquot;. .'i7]2, waarliij is beslist, dat de Roclit-bank tengevolge van de door een barer leden ingebrachte reden van verschooning onvoltallig geworden, (zijnde do overige leden en plaatsvervangers verhinderd) niettemin cene beslissing daaromtrent kan nemen: anders Mr. Vkrnetie, ad art., volgens wien art. ISO li. 1!. in dien zin zou moeten worden opgevat, dat zelfs do gewraakte leden van bet rechterlijk collegie aan de raadplegingen en de beslissing over de redenen van wraking tegen hunne ambtgenooten voorgesteld, zouden mogen deelnemen. — Cf. bet aanget. op art. 31 li. it. en Arr.R. Zierikzee, v. I '2 Sept. 1850 sub art. M I!. 1!.

Arl. tO.

I. De woorden : rle eerst en de meest (jereede partij, voorkomende in de artt. 40 en 41 1?. II., gedoogen, in Imn zamenhang, verband en zin, geene andere uitlegging, dan dat zij moeten zien op de partijen zelve, in bet geding of de dagvaarding uitgedrukt, en sluiten bet denkbeeld uit, dat de kantonrechter, in den zin der wet, partij in causa is.

Arr.-H. Leeuwarden, v. '20 Oct. bSfci. W. u». 3a7; I!., d. XV, § 05.

'4. Dit artikel ziet alleen op bet geval, dat de kantonrechter lieelt verklaard in de voorgestelde wraking niet te berusten.

Arr.-R. Amersfoort, v. 25 Febr. 1*801, VV. n0. 2277; idem in Oimi. en Mril. d. XIV, blz. 37 vlg. — Anders Mr. .1. van uku Leeuw in A. Hijilr. dl. XI, p. 307. welke schrijver betoogt dat, hoewel de bepalingen, regelende de wijze van procedeeren in zake van wraking van den collegialeii rechter, mutatis mutandis ook bij den kautonreebter toepasselijk zijn. de rccbtbaiik toch moet lieslisseu over de wettigheid der redcuen van wraking, in afwijking van het bepaalde bij art. 35, ook wanneer de kantonrechter in de wraking hamsl.

Arl. M.

t. Dit artikel, sprekende van redenen van verscbouning, beperkt deze door niets en laat baar gebeel over aan bet oordeel van het

S5

ocr page 98

Art. 41.)

rechtscollegie, even als zulks in liet VVetb. v. Strafv, (art. 359) uit-(Intkkelijk is bepaald.

Ait. v. IS Oct. 1872. \V. no. II. il. Cl I, § K; in ilriizril'ili'ii /.in

Ait.-]!. Ziorikzee, v. 12 S(gt;|it. isrif). vui'ini'lil ii|i dit art. Amli'i's liij vonnis Ait. 11. WinsclKiten. v. 2(5 Nov. 1873. W. nquot;. )gt;712 (ook vnruioid sub art. H9 15. tt.j. waarhij in overeenstuinininji' ini't don 11. I!, was lieslist, dat do rcdonen tot wraking tevens daarstellun grwidcn tot ver-scliooning, maar in strijd met bovenstaande stelling is aaiigemunen. dat die gronden niet mogen worden aangevuld met andere, dan de in artt. 29 tut en mot 13 1!. lï. uitdrukkelijk opgenoemde.

Wanneer tengevolge van de aangevoerde redenen van verschooning, door de reciiters in de rechtbank en hun plaatsvervangers, die niet meer in genoegzame getale aanwezig zijn om van een request kennis te nemen, behoort te worden beslist, dat de request ra ut zich te wenden heeft tot het gerechtshof, waaronder de rechtbank ressorteert, ten einde eene andere rechtbank aantewijzen, bij welke liet request moet worden ingediend.

Arr.-R. Zierikzee (raadkamer), v. 12 Sept. 185(5. W. u0. 1854.

Verg. liet aangoteekondo suli art. 39 [!. R.

Mn. .1. van ueis Lr.K.rw bespreekt de wonsclielijklioid van eeno bepaling, dat in gevallen, waarin de eisclior bij voorbaat weet en ilil liewijzen kan, dat er verwijzing naar een ander kanton noodig zal zijn (li. v. wanneer de kanton-reebter en zijne plaatsvervangers zelve eischers of gedaagden zijn), bij de be-vocgdbeid moest bobben, om zicb rauwelijks met een verzoek tot verwijzing tot ile reelitbank te wenden —

A. Bijdr. jg. 1801, dl. XI. p. 378.

Art. 43.

Hit artikel is ingetrokken bij de wet van 7 April 18(i(.l (N/W. iugt;. 55) boudende afscbafling van eenigo bepalingen van bet Wetboek van Uurgerlijko lioclitsvoi'deriug over judiciele boeten en solladcloosstellingen.

Art. 44.

Zie over de onderscheiding tusschen vonnissen en beschikkingen -

Mr. A. A. Wrvk in A. tiijilr. jg. 1883, p. 01 sqq.

Art. 45.

I . Ue rechter is bevoegd bij de verwerping van het verzoek tot

ocr page 99

(.4)7. 45.

verhour op vraagpunten, tevens ile hoofdzaak tc beslissen, indien In) oordeelt, dat die in staat van wijzen is, — ook dan, als de verzoeker, schoon daartoe in de gelegenheid geweest, niet ten principale heeft geconcludeerd. De rechter is daartoe te meer bevoegd, (zonder zich schuldig te maken aan schending van de artt. 15, i ;57 en 13!) B. li ), wanneer liet, gelijk in casu, geldt een geding op korten termijn en dus eene spoedvereischende zaak, en bovendien door de tegenpartij was geconcludeerd, dat tc gelijk met de afwijzing van liet incidenteel verzoek, op de door haar ingestelde vordering ten principale zou worden recht gedaan.

A it. 15 [•'ohr. W. ii,,. MUI ; It. il. XI.IX. § 4.'!; v. n. II.. I!. li.

il. XIX. lil. IK!-- 75; zie Jict ihiiirtiMi lictiokkclijk arrest van het lluf v. X.-Holland, v. 2 Maart 1854, in \V. liquot;. 1528.

lt;5. Dit artikel is oji onderwerpen, waaromtrent speciale verordeningen zijn gemaakt, en dus ook op de rechtsvordering, geregeld bij de wet van 22 Frimaire an VII, niet van toepassing.

Arr. v. 8 fclir. 1850, VV. u0. 1735; 11. d. 1,11, ij 'ili, ook vermeld suli art. 4ü 1!. R.

3. Zie ten betooge:

dat de rechter, als hij niet dadelijk het vonnis uitspreekt, desniettemin onmiddellijk den dag van de uitspraak moet bepalen, zonder te kunnen volstaan met te verklaren, dat hij zal uitspraak doen op eenen naderen dag —

hot hoofdartikel in liet W. nquot;. 210, alsmede v. d. Honeut, llandh. [i. 190.

Zie eenige op- en aaimierkingeii over den zesden titel van liet eerste Boek van liet Ontw. van Burg. Regtsv. ut supi'a «van vonnissenquot;, Mr. van Bonevai. Faure in A. llijdr. Jg. 1801, dl. XVI. p.

.1/7. K!.

Een gewijsde, waarbij eene expertise is bevolen, is per se een interlocutoir gewijsde.

Arr. V. 16 Dec. 1842. v. n. II.. I!. I!.. d. IV, i.k 128—147; U.. d. XIII. § 88; idem, ten aanzien van een getuigenbewijs al dan niet anilrtslialve bevolen, bij arr. v. 14 Jan. 1853, W. n0. 1403; It., d. XLIII, § 7lt;.t; idem. bij vonnis der Air.-U. Nijmegen, v, (i Juni 1845. W. n0. (i59; U.. d.

S7

ocr page 100

Ir/ in.)

\XIX, j yj en viin s liuscli. v. 22 .luli l(S52, W. ii0. I;i74; iili^in ten aanzien van een vonnis waarbij op een verzoek tot gerechtelijke schonwin^ van plaatselijke gesteldheid wordt beslist, bij arr. Hof Zeeland, v. I Jnli 1873, R. li. jg. 1874, jj. 247, waarbij nog werd overwogen dat, wanneer liet verzoek wordt afgewezen, het misschien als een eindvonnis op het incident, maar nooit als eene préparatoire beslissing is aantemerken: anders hij vonnis der Arr.-li. Maasstricht, v. 24 Feb. 1848, W. n'1. 051 ; li. Bijbl. jg. 1848, d. X, p. (»02—604, en ten aanzien van het opleggen van getuigenbewijs in transitu bij vonnis K.tg. Amersfoort, v. 0 Dec. 1875, VV. n0. 3977, en liij uk Pinïo, ƒ/lt;//.. ut supra |». 120 sq., die aldaar, met een heroep op ('a1!RI::. Ok.. 1(v10 en 1'igeau, 11, 18 en 10 (5e lirnss. ed.), de meening voorstaat dat eene Interlocutie van den rechter eerst dan te pas zon komen, als er wezenlijk tus-sclien ]iartijen een verschil bestaat en niet wanneer het bewijs, hetzij ambtshalve, hetzij met onderlinge toestemming der partijen bevolen, alleen strekt tot meerdere inlichting van den rechter en om de zaak heter tot klaarheid te brengen; — eene leer, welke, hoezeer irniilicilc gedeeld door I. Y. in t VV. n0. 1428, die een zoodanig vonnis beschouwt als praeparatoir, en hoe nitersl moeielijk ook dikwerf, gelijk Lipman, II. 11.. p. li terecht opmerkt, in de praktijk het onderscheid is, tusscheu een praeparatoir en een interlocutoir vonnis, echter, m. i. te recht is hestreden (op grond dat vonnissen jiraeparatoir of interlocutoir zijn naar hun eigen aard en inhoud, zonder dat op derzelver qualificatie van eeiiigen invloed llt;an zijn of eene der partijen zich tegen de toegestane middelen van instructie verzot heeft of niet), door Merlin in zijne Uêiicrloirc, uitgave in 8°. van Tatïi.ier, vm voce: liilcvlocutoivc n0. ! 1 en in de Itiyi.K/. Adv.. d. 11, p. 131, alsmede, meer bepaald met het oog op het Noderl. recht en mot een beroep op art 40, al. 3. li. R. (waarbij had kunnen worden gevoegd art. 199, al. 2 ibid.), door Mr. F. R. Penning. Aanl. ut supra ad art. (komende het mij overigens voor, dat de leer van den heer jgt;e Pinto, in een nauw verband staat met zijn beweren, dat naar het Nedorlandsche recht I'uttcylocutoivc lie üien h' . indien het tusschon partijen een bepaald [Hint van geschil heeft uitgemaakt, of het aangelioden bewijs tor zuke dienende, afdoende on geoorloofd was(Lfios).

\ org. P. II. Overijssel, v. 10 April 1843, liij Mr. J1kutzvei.ii ut supra lilz. 15. waarbij is beslist, dat eene overweging, tot de zaak ten principale hetrekkolijk, don aard van het vonnis, waarbij eene expertise is gelast, niet kan veranderen.

8S

Verg. mot dit alles het sub art. 222 1». Uv,. aangehaalde arr. v. 3 l'ehr. 1882.

'i. Eene beschikking, licstaamle in een bevel des rechters, dat de erweenler, binnen eene maand na de beteekening van liet vonnis, m de eisohers zijne aanmerkingen op de geproduceerde rekening, of eene rekening volgens zijn sustenu zou ter band stellen of be-sekenen, en dat partijen op zekeren in het vonnis vermelden dag

ocr page 101

L(seU- ojvxJL^L V unnift- o-^^iCa^A. i~o-uJte^r Co-j. k,

Cj(Uje*^f L* ej~~* *. IXr, R. cf 7a^v-i../ƒ/4// O/I

•S!) (.1//. 4fi.

voor hem zouden verschijnen, ten einde zicli omtrent de betwiste posten der rekening te verklaren, moet niet voor een interlocutoir nnwr eenvoudig voor een praeparatoir vonnis worden gehouden.

- /.

Arr. v. 28 Juni '1844, \\ . uquot;. 51'2; R.. d. X\lli, § v, u. 11.. II. U..

.1. V, 1)1. 320—347.

Cl. Indien tengevolge van eene voorgestelde exceptie van non-qualili-catie een compulsoir is bevolen, is die beslissing kennelijk interlocutoir conform art. 46 B. R., als niet bevelende eene instnictie der zaak,

eenvoudig om het proces in staat van wijzen te brengen, maar een bewijs waarvan de beslissing der zaak {in casu de exceptie in dit opzicht) kan afhankelijk zijn, met dat gevolg dat eene zoodanige uitspraak vatbaar is voor beroep, vóór het eindvonnis.

Air. v. 8 Jl.-i 184(1. W. no. 721; I!.. .1. XXIV. S ■ v- n. II.. It. If..

,1. VII. lil. 409—423.

In strijd met de conclusie van den adv.-jjon. Gregouv, v. i». 11.. I. c..

|i% 4)8—421 : I!.. 1. c.. p. 103—'100, lioufdzakolijU ii|i jii'iuid, dat de vimr-mclde beslissing' niet anders zon zijn, dan een bevel tot inslnictie on tot ontdekking' der waarheid on bijgevolg een praeparatoir en geon intci-locutoir vonnis. — Cf. art. '100 11. H.. arr. v. dez. datiuii.

-I. Een vonnis, waarbij de beslissing der zaak in den een ol anderen zin is afhankelijk gemaakt van eene eedspraestatie, is niet te beschouwen ^ ^

als eene interlocutoire, maar als eene definitieve beslissing.

Arr. v. 20 .Inni 1840. . nquot;. 735; li., d. XX\, §-8; v. igt;. II..

, VIII. bl. 30—55. Vgl. bi^t daartoe betrekkelijk arr. van '( 1'. II. v.

//7 ,/ N.-lloll. v. 27 blaart 1845, W. nquot;. 595, verniotigemlo, een vonnis van do J Arr.-R. Anisterdam. v. 19 April 1843, R. Jlijbl. jg. '1843. d. V. p. i2'i }t' blffiP- sqij.; — idem bij arr. v 21 Jan. 1841, v. n, II.. /.., R. en Snee.,

p. 30—\.\ ; p.. d. VII. § 71, waarbij is beslist, dat, wanneer eene veroordeeling tot betaling eener bepaalde som, als civiele schadevergoeding is uitgesproken, mils door de partij, welke die condemnatie verkreeg.

worde afgelegd een daarbij aan haai' opgelegde eed, zulk eene uitspraak.

ook met het oog op de artt. 7. (Vl, nquot;. I en 09. § 2, n0. 9 en art. 11 der Wet v. 27 Ventóse IXde jaar, moet beschouwd worden te zijn znn-danig delinitief, dat na allegging van dien eed. liet vorsflinldigd geévei

redigd i'echt van registratie, bij wijze van suppletie, op de vroeger /jor ^ geregistreerde, expeditie vim liet vonnis of arrest, de verourdeelmg in-liondende, kan gevorderd worden, ook zonder dat van liet proces-verbaal van eeds-allegging eene expeditie is gelicht, zijnde alsdan, gelijk is beslist bij voormeld arr. v. 2() .Imii 1840, die eeds-allegging te besclionwen als een begin van uitvoering van die eindbeslissing5 idem arr. P. II. n.

ocr page 102

UM^r

v. IKI Dfcomlier 18(31, Nov. IS'tS sqq., sul) ii'j Mei 1848. siili iiis. '2 en

'Vt/L-^ctCA^C.

Qt.lvr* th

',9.K

om

'Z/U-

Ul-

wty -^ (2-2 ' UÏ-C-

z,.

iïo-. ■ A-j-o

u/.

an'. 1SU art.

art. .quot;id

Nov. 1848. \V. iiquot;. '.•77:

lO'J 130; idem v. 10 Maart [gt;. 11., I!. R., d. IX, p. 313-

I. X 1,111, § 79; idem v. 7 Maart 1851). I!.. d. I.II. § 47;

d. XXX11. § 5, v. ii. II. (1. /.., 1848. W. nquot;. 935, I!.. d. XXX. -320; idem v. 14 .Ian. 1853. W.

\V. nquot;. 1936; idom

/tl,. Zi My''

!Jgt;cjo i k

rry*.

hjUL* quot;X .

(/-O-v—r

at —

1 ' lt;-'

1854. VV. ii0. 1559. bevestigende

30 luni 1852, R. Bijbl. jg. 1852, J9-q,C. clt;PÓgt;6gt; ,

O *gt; ufCftJ-v-l

M-

Jepf. UPCjl

ih

v. 2 Nov. 1866, W. nquot;. 2848, If. d. I.XXXIV. § 22, v. I). II., IS. It., d. XXX. p. 473—470, waurliij word beslist, dat cene interlocutoire uitspraak, hoewel inhoudende cone voorloopige beslissing dor rechtsvraag, waarop bet bij de einduitspraak aankomt, niettemin, ingevolge haren aard, te dien amizicn slechts kan bevatten cene voorloopig aangenomen beschouwing, waarop bot den rechter is geoorloofd bij zijne einduitspraak terug te komen, en die bom alzoo niet bindt; verg. bet sub art. 46 13. It. nquot;. i vermeld arr. 1'. II. Overijssel, v. 10 April 1843. Zie verder over do beteekenis van den rechtsregel, arr. v. 20 Nov. 1867, W. nquot;. 2072, v. n. II., li. R., d. XXXII. p. 64—74, waarbij werd beslist, dat bet interlocutoir, hoewel den rechter niet bindende ton aanzien van de beslissing der zaak ten principale, echter door hem behoort te worden geëerbiedigd, voor zoover betreft ile eigenlijk gezegde interlocutie; arr. v. 18 Juni 1809, W. n0. 3120, ■_ v. n. H., II. R.. d. XXX1I1, |». 448—474, waarbij werd beslist, dat voor zoover de middelen zijn gericht tegen bot door bet Hof toegelaten getuigenbewijs, hot beklaagde arrest slechts is eene interlocutoire uit- ; ^ spraak, waarop de rechter bij zijne eindbeslissing zal mogen terugkomen; dat zij uit dien hoofde zijn onvatbaar voor een onderzoek in cassatie, ten ware werd bewezen, dat de aangehaalde wetsartikelen liet getuigenbewijs verboden; arr. v. 22 April '1870, W. n0. 3212. R.. d. XCIV. § 44 en arr. v. 18 Nov. 1870, W. n0. 3271, waarbij is boslist, dat oene interlocutoire uitspraak, als zijnde oene slechts voorloopige beslissing, waarop hot den rechter is geoorloofd bij eindvonnis terug te komen, voor zoover daarbij niet is opgelegd een bij do wet strijdig bewijs, wat aangaat do voorloopige in do overwegingen aangenomen beschouwingen,

niet vatbaar is voor een onderzoek in cassatie; vgl. verder over de toepassing van de aan den hoofde dezes gestelde uitspraak en met betrekking tot de daarmede in verband staande vraag, wanneer bet beroep in cassatie tegen een interlocutoir vonnis geoorloofd is, arr. v. 7 Maart 1856 sqq. sub art. 390 13. R.; idem Ktg. nquot;. 1, Amsterdam, v. 4 Oct. 1850, Amst. Rogtspr., d. I. p. 135—139; idem arr. van bet P. 11. in Gelderland v. 26 Nov. 1851, \V. nquot;. 1292; R. Itijbl. jg. 1852, p. 435—442; idem I

iV. 't-. qyfi. 'toju- p^. j Z? Ui-r.: ^ ^

, - / ✓

; iV /7/y-, 77/r.

y /

00

I. in Z.-IIoll. v. 12 Juni een vonnis van de Arr.-R. Rotterdam, v. p. 691—694, zijnde wijders, met inaclit-

\V. 11°. 2477. — Cf. art. 'ili 11. R.. 5; art. 1977 li. \V., arrn. v. K) Mei I! on do aiitiiiiteiten aldaar vorinelil;

Igt;. 11., arr. v. 10 Mei 1844 sqq. en arr. 8 Dec. 1848. sijq. suli

v. 12 Febr. 1858,

S 22.

(igt;, „ li /g,'-

ö. liet Fransche adagium; nVinterlocutoire nu lie pas lejzifje'', is ook onder dc Nederlandsclic H'etgeviiig geldende, blijkens art. 16, n'J. 3 B. R.

Art. 46.)

lt; (verijssel.

li.

on

♦OX-VO. t. fi-

Vy.

/tfoS ,

t' bi

ocr page 103

7?(

Ok. ^ ^ fOyrns. /q/ltP / Tt-'TYi

4. l ?- ^

-y-yu, 61. oti//.

^yClyisyfz, Crti c^

, . nomina van,

beroop i 10 Nov.

•ii oen

nipiM-vernicId ari'.

XI.VII. § 78, dat ile rcclitcr, ten |iriud|i;ile fcclit ileende, gee.iis/.ins zijmlo geliuuden aau dc iiiteilocutoire nitsjii'aak in do /aak. bij nog veel minder kan worden geacht gebonden te zijn aan de rochtsboschouwhigon, in zoodanige interlocutoire uitspraak voorkomende; 2°. bij arr. vnn bet I'. II. v. Overijssel, v. 7 April 1851. W. n0. '1258,bevestigende ccn vonnis ^ r|(, .\it.-I!. Ihiventer. v. 17 April 1850, VV. ut snpra, dat de redder fb OPyZ zijn zoodanig eemnaal uitgesproken (interlocutoir) vonnis, — waarbij in

c/isii een onderzoek naar de eebtbeid van een stuk was gelast -- in zooverre mag veranderen, dal bij een later vonnis mogen worden gelast maatregelen van uitvoering, bij bet vroeger vonnis overgeslagen, als overigens het dispositief van het eerste vonnis hetzelfde blijft; -i0. bij vonnis van de Arr.-li. Leeuwarden, v. 12 Nov. 18li9, I!.. d. \ I. § lüi, ' it de rechter, tengevolge van zijn voorafgegaan interlocutoir vonnis, waarbij is gelast hel bewijs eener daadzaak, die niet volstrekt is dccisoir, ^ niet gehouden is om bij zijn eindvonnis het interlocutoir vonnis tot

grondslag zijner uitspraak te nemen, maar het hern vrijstaat, om zich door nadere interlocutiëu meer licht in do zaak te verschaffen, mits dio tipjjL. interlocution sluiten op don aard der actie en de deswege genomen

conclusion, en dat alzoo do rechter zich to dien aanzien /'// jii(llc((iidu • ■ 3=7 moet houden binnen do grenzen van de ingestelde actie, welk beginsel, althans voor zoo verre betreft het arr. van bet IH. in Overijssel, ut i quot; supra, Jlr. F. I!. Penning. Annl. ut supra ad art., mot een beroep op (/arrè, (Ju.. 587 en art. 54 li. I!. zoor bedenkelijk acht. Zie art. 54

P.-.2.

Clt;/yt( tl a Ugt;igt; .

quot;'i Wc/rSf* 'V,) a * t £lt;*-(Sc,

f, r,

crcrc£lt;*^1 (

quot;T^Zt ^2- ^L-tr,' r~- '

r-esu- zc^r 1/*

a.

Jlpi' ■10 , k

trpj

4». bij arr. v. 12 Nov. v. n. 11.. li. R., d. XXII. bl. de interlocutoire \ntspraak is om bij de beoordeeling en beslissing ten principale terug te komen op hetgeen bij de interlocutoire uitspraak bovendien ten aanzien der zaak zelve voorloopig is aange-nomen, cf. daarmede arr

II. 1!.. arr. van hetzelfde 1'. 1858, W. n0. 2009, It. d. LX, ^ 'z/, 451—459, dat, zelfs dan, wanneer • in berust, alle bevoegdheid behouden is

denz. 9'

van

4-r-S.^

zo, en arr.

t iHsW r\. -vr^-

/Syiis*-jjaz

^/7//-

Jto. „flcramp;knSnm.

/fOV,

Ü yiquot;

V, l ert,A/

r(,t. tL

r. v. 24 Juni 1864, W. n0. 2601, R., d. L.XXV11.

v. 30 Jnni 1854, W. no. 1468 en R., d. XLV1I1. § 9 en 5°quot;. bij arr. Hof N.-Holland, v. 14 Dec. 1871, W. n0. 34/i7. dat ,

.. . . ? . . r» • • 1 i \ '19 lt;L H.—

voonvaardelijke vonnissen hierin van interlocutoire afwijken, dat de / {^a/L rechter daarbij niet de vrijheid behoudt om op zijne vroegere uit-spraak terugtekornen. Verg. ook P. If. v. Overijssel, van 10 Dec. 1850,

bij Mr. Hkrtzveld ut supra, blz. ;J8 sq., waarbij is beslist, dat de flb.

rechter aan eene interlocutoire uitspraak niet dermate is gebonden,

dat hij daarvan niet bij eindvonnis zou mogen afwijken, wanneer door bet gelaste onderzoek of bewijs do vroeger aangenomen daad- m /qof

zaken zijn weerlegd. — Geenszins (althans naar mijne schatting)

in strijd met dit een en ander en allezins overeen te brengen met CPJOf.

het rechtsbeginsel, gehuldigd bij do onderscheidene gewijsden, vermeld op art. 334 li. R., is beslist; lt;(. bij air. (II. li.) van 12 Doe. 1851,

\V. n0. 1308; lï.. d. XL, § 53, dat oen interlocutoir vonnis, waarbij bot bewijs van hot bestaan eonor schuldoorzaak is toegelaten en dat in kracht van gewijsde is gegaan, tusschen i'auti.ikn als eene zaak buiten

ï' b b -

ocr page 104

^77-7 i- iïu 7/2^7- l-cr^nreST— 4_Q—

l/yt^/*^ruujt~j LerrraJL, t -rv CCL^V^ S~0/ cy? 3~ey£c^/tJZ ^.n-rt-cï^ lt;^Ui ■j/^u Ax^?jut/oy_

(jiZfc C4 ■ ^■(nrr' t 9lt;fc ? cC\.i. m t. !? ocK 5quot; 77-

Art. tfi.) !)2

CAgt;£lt;*A-«ramp; M• amp; ■ /5CCQo5~f iJL (L^rfr rjia* 6gt;£j£L4^^~rL*c^ Xt^ ryuT^i*£Ajcsr2* .

öfcmjt faojdtüft*--# contust moot besclumwd worden, waartogeu geen hunner meer bcvoc'd (L L. 7Ao / ,_ 's quot;1' tc komen; h. Iiij arr. van liet 1'. 11, v. Z.-Holl. v. 18 Jan. 1843, VV, ip, :i82, dat. wanneer hij interlocutoir vonnis aan den eisclior op rCaJ. ty nnu) um*f_ zijne vordering, en niettegenstaande de tegenspraak van den ged.. liet f bewijs is opgelegd der daadzaken, waarop hij zijn eiscli heeft gegrond,

»cn de gedaagde, zonder eenige reserve, door zijne medewerkingcn de gedaagde, zonder eenige reserve, door zijne medewerking {in. cusv tot benoeming van deskundigen) daarin beeft berust, ja zelfs vo.n. ilil • tn*, iiilwlocïiloir niet in booger beroep is gekomen, ook zelfs niet na de

oUt ll'tsPl'aa'i ^6quot; principale, dat dan dit vonnis Uisvchen partijen is gewor-don eene cc.s- judicata, :ijiiile hel overKjens (ten blijke dat bij voormeld frjct, iMa^t' ai-i-est de kwestie niet is beslist in den geest van Mr, uk Pinto, gelijk

» ' ' ln' '• quot;quot;juist wordt geoordeeld door dien scbr, eu in de Sn). Jaarh. vin,

y /'x llcylscj. en WeUj., d, IX, p, 91 en 92) niet unbelanc/i'ijk, dal hel /', II

hij dnl arrc.il subsidiair is ijelreden in de merites van het interloculoir ,— . „ vonnis zelf, daaromlrenl heep (ledeeld hel 'levcelen, van den rechter

quot; ' ^ a quo. en onyniddeUijk daarna bij hel dietion van, deszcl/s arrest heef!

fnu* ■- tiitycmaakt, dat de npitellant bij hel beklaaijde vonnis (ten iirincinale)

/Alt ***»*lt;*jtiet was beztvaard (Léon). Verg. biermede in verband arr. 1', II. v, , ' quot;verijssel, v. 9 Maart I87'l bij Mr, llERTZVKr.i), ut supra, blz, MO. waai-

St^- quot;Q ^ - m jg |jes|js^ j.,1 a| jg a]|een van ]let eindvonnis geappelleerd, bet Hol' niettemin mag onderzoeken of bet getuigenverhoor al of niet terecht is I^ScC- lt;*/V'- gelast; zie ook in gelijken /in arr. P, II, v, Gelderland, v, I I Mei 185.'!,

bij Mr. 1 ll inv.vKi.ii. u, s. blz. 75, ln strijd eebter met dit een en ander, '*€^- alsmede mot Ouheman, Satez.. p. 18 en 19, is de Pinto, //w., ut supra

Hey*)**-!. ; ffjgrAquot; p. 120 sq,, op de gronden, bereids vermeld sub art. 4(1. n0, I H, R., van oor-^ deel, dat, indien het interlocutoir bet gevolg is van eene voorafgaande litiscmitestatie, alsdan liet interlocutoii' wel degelijk ilen rechter bindt, /7 ïüyyi, welk gevoelen, op grond van het beginsel, gehuldigd in art, 54 li, H..

wordt gedeeld door Mr. F, I!, Penning, Aanl.. ad art. (40). — Vgl. ^ ' \ir.-lt, Appingadam, v. 2.'i Oec. 1858, \V, n0, 2176. waarbij is beslist

/^ru'. dat de bedoelde rechtsregel in alle gevallen niet iu dieu zin mag worden . • a opgevat, dat oen bepaald reclitspunt, waaromtrent door den rechter op / tegonspraak dor partij is beslist, door diezelfde partij andermaal aan zijne T^y/^a'- beslissing kan worden onderworpen, en Arr.-lï. Zutphen, v. l(i Febr. / ot rj ''''• W- quot;0- 2239, waarbij is beslist dat, daargelaten hoe men den

faësyo- osl' ^ regel liebbe te verstaan, bet zeker absurd is daaraan dezen zin te hechten.

.lat de rechter op de aangenomen rechtsbeginselen in zijn interlocutoir bij het delinitief vonnis kan terugkomen, en zoodoende zijn eigen vonnis o^, icuA.-^ gaat vernietigen, — Vgl, hiermede een vertoog van Mr, M, Kvssei.i,.

Tb omis. Vilde jg., p, 49—(ill (welk gevoelen Ouheman, li. R., 4eed., I bl, lil), meer geneigd is te doelen) volgens wien de interlocutie den rechter

i/ • dan alleen bindt:/ • dan alleen bindt: a. als een beslissende eed is opgedragen en aangenomen

^ aUi^y quot;1 teruggewezen, en do rechter, alvorens reebt te doen, de allegging van

^ t ^ dien eed beveelt; h. als de rechter, mede alvorens recht te doen, gelast £!JU// '4y7#J!^^ heeft dat eene der partijen allegge een ambtshalve opgelegden eed (waar-

. , omtrent men vergelijke art, 1977 li. W.. arrquot;, v, 1(1 Mei 1844 en 9 Mei

1845, sub nis. 2 on 3 en art, 334 B, R., arrquot;, v. dez. data en art, 4ii R') :irr. v. 20 Juni 1840, sub n0. 4), en c. als bet dictum dor inter-

ocr page 105

7

■P°~H- /-*™quot;~ — lt;~~ lt;-' ■ —

', U^rt- ^ A* 'quot;'quot;

98 p f/ir/. 46.

.,.c '''fa^y. „z

locutie bepaaldelijk heeft uitgemaakt, dat de beslissing der hoofdzaak ^ve/wz-r-o Uxd. afhankelijk zal zijn van den uitslag van het bewijs, het onderzoek of ^ ile instructie, bij die interlocutie bevolen (de juistheid van welk laatste iao/.

ik betwijfel, uithoofde de instructie alleen kan zien op een praeparatoir ^ ?lt;, en bovendien in dat geval den rechter, zich zeiven a priori de handen binden- ^ ^' de, boven de wet zou verheffen (Lkon). — Zie eindelijk Mr. L. .1. Gobefroy, 'v^quot; die oordeelt, dat de regel «l'interlocutoire ne lie pas Ie jugequot; niet toepas- ^

selijk is in ons recht, op grond dat 1°. de hcdoeliny van den wetgever in art. 40 al. ■' geweest is, dat de hoofdzaak door de interlocutoire uit- —

spraak geprejudicieerd zou worden; 2°. de kracht door de wet aan een fayixvy**** gewijsde toegekend o. a, is, dat dit ook voor den rechter onherroepelijk is, en 3o. interlocutoire vonnissen volgens de wet dezelfde kracht moeten hebben als eindvonnissen, en buitendien met betrekking tot het incident, ^

dat aan den rechter ter beslissing werd voorgelegd, ook eindvonnissen quot;

zijn, in A', Bijdr., dl. IV. (1878), pag. 557—563. — Zie over de beteekenis e*quot;/?r van het adagium: «rinterlocutoire ne lie pas le jugequot; een betoog van Mr. van Maankn in R. li. jg. -ISS'i. A, p. 94. met de strekking, dat de ^-e-'

rechtsregel zeer omzichtig moet worden toegepast en dat de beteekenis ^ 6quot;-

deze is, dat het interlocutoir den rechter niet bindt ten aanzien

/

urn^.'t-

van de euif/uitspraak, geenszins dat hij zijn eigen interlocutoir _

niet zou behooren te eerbiedigen. — Zie ook art. 337 B. R., vonnis van ^ de Arr.-R. Nijmegen, v. 12 Aug. '1850, en art. 337 in line; en omtrent i* de noodzakelijkheid der herziening van art. 40 Ti. R. — eeu opstel iu 't W. no. 1431.

lt;gt; Een vonnis of bevelschrift der Rechtbank, waarbij het verzoek tot ontzetting van een voogd van de voogdij, per request gedaan,

wordt verwezen naar eene openbare terechtzitting, moet voor een praeparatoir vonnis of bevelschrift worden gehouden.

Arr. v. 22 Febr. 1850. v. n. II.. li. R., d. XI, p. 288—200; R. d.

XXXV, § 10.

S. De rechter, die een interlocutoir vonnis heeft gewezen, is bevoegd die uitspraak naar zijnen geest uit te leggen.

(fmplicitc heslist bij) Air, v. 30 Mei 1851, W. nquot;. 1238; v. n. II..

li. li., d. XIII. p. 110—123.

Vgl. hiermede het daartoe betrekkelijk vonnis der Arr.-R. Amsterdam, v. 2 Nov. 1848, en de arrquot;. van het 1'. II. in N.-Uoll., v. 23 Nov. 1848 en 5 Sept. 1850, W. ut supra.

.S. Indien de rechter de beslissing der onderworpene zaak van het al of niet bestaan eener door hem gestelde daadzaak afhankelijk maakt,

dan is hij verplicht om vooraf bij een interlocutoir vonnis het bewijs dier daadzaak te bevelen en is in zoodanig geval eene dadelijke uit-

ocr page 106

4' J- vrrvwuy* _ Cr^n gt;-Q_»— 0,0 ^_^t.isji r^._____cJ2^ ^r-oT^— 1/xr-*-*^* ' ■ ƒ VTfi^-yi

J)f. £r - . ^ ^ hsK^y]cA-*-AJiJL^~rl (. J^jtxJ^/t-ty f.A___gt; c^v-c-v' /0.-'- /a_Qj2y^,v • . c^T^J l/trctquot;

/(Xy Ij?* Xjl^U_ ./■* /«^-a tkJtyTA~ 0 ** ■ - Q o -_- jic ^/ O-Oyt- ■ /TZJ /3/. I /

. Art. 46.) si, y j ^ 94 r

CL-v-V^— / ^LLc ^-. C0/9^, , £/gt;, gt;V £f ^6~.

- L* - 9^»- if

quot;quot; / spraak ten principale, waarbij de zaak zelve onbeslist wordt gelaten, y ' teo-en de wet.

ZJLC.-^

kS~Vgt;

An-, v. 1 April 1853, IJ., d. XLTV, § U, v. n. H.. R R., d. XYÏ. 1)1. tH8—255. — Cf. art.. 4G I!. R., vonnis vnn de Arr.-R. AniRrsfoort. v. •' . . 7: quot;f ' Juni 1850.

W. De rechterlijke Ciitsjiraak, houdende bevel tot aanhouding van eene voorgestelde exceptie van niet-ontvankelijkheid en voeging dier excej)tie hij de hoofdzaak, met last om ten principale te antwoorden, is als eene praeparatoire uitspraak te beschouwen; waartegen niets afdoet liet feit, dat eene veroordeeling in de kosten is uitgesproken, in casu in die, welke veroorzaakt zijn door het afzonderlijk voorstellen der exceptie.

Air. v. '2(1 April 1855. W. nquot;. 4085, R. d. J., § 13; v. n. 1!.. B. R.. (J. XIX, p. 248—257. ook vernield snbart. 56 D. B. R., bij welk arrest nog werd beslist, dat de vraag of de boogere rechter bet vonnis a quo al of niet als praeparatoir liad bebooren te kwalificeeren \s juris ; idem air. v. 10 .lannari 1871. W. no. 3293, R., d. XCVIT. § 8; v. n. II.. li. R., d. XXXV. p. 354—360; idem ai r. Hof Z.-lIolland. v. fl Dec. 1867, VV. n0. 2967 en arr. Mof Amsterdam, v. 20 (28) Januari 1881, W. nquot;. 4620, R. B. 1881 A p. 232. Zoo ook Oi'deman, 1!. Rv., (4e ed.) I, p. 219; anders ten aanzien van de beslissing, waarbij bet verzoek tot voeging der exceptie bij de boofzaak wordt afgewezen, bij arr. Hof Gelderland, v. 23 Juni '1847, VV. nn. 840, R. Bijbl. d. IX. p. 474—477, waarbij eene zoodanige beslissing als een definitief vonnis wordt beschouwd; voorts arr. Hof Z.-Holland, v. 18 Oct. 1843. W. nquot;. 501, waarbij is beslist, dat een vonnis dat de aanhouding en voeging beveelt, niet is préparatoir, als geen het minste voorschrift van eene nadere instructie behelzende of kunnende bedoelen. Dit gevoelen wordt echter, met aanhaling van dat arr., bestreden in de li rul si/el. Arlv.. d. II. p. 130—135. waarmede zich vereenigt 8. M. in de 0/i»«. rn Mrd.. d. VII. p. 84. Zie ook S. M. ad art. 60 B. R. in fine,

I O. De artt. 46 B. R. en 1977 B. W. schrijven niets voor, ten aanzien van den vorm der vonnissen, waarbij een aanvullings-eed wordt opgelegd, hetzij dan in den vorm van eene interlocutoire of van eene voorwaardelijke eind-uitspraak. De rechter, die den suppletoiren eed oplegt, en daarvan de eindbeslissing wil doen afhangen, is dus niet verplicht om die eindbeslissing tevens dadelijk te geven, onder voorwaarde van eeds-aHegging, en al naarmate daaraan al dan niet zou worden voldaan.

Arr. v. II Mei 1855. \V. nquot;. 1644; R., d. L. ij 20, \. n. II.. Igt;. 1!.. d. XIX. |j. 278—294; idem Air.-R. Dordrecht, v. 2 April 1800, R. I!. jfr.

ocr page 107

f\. r' '-f f o • ' lt;*.9^ ■''lt;» ' S-

en^ e^rrz^/k- -/ / — ^ - - quot; rf*^ .po...„^^ A-

ffi P(?r. ui^C*- £ c-aJt'amp;e lt;■■£*- f' -c* zso^ BJU^

? 95 __ (Arl- 4(!-

f ' * /f /74i_amp;jKjLSïo^4-amp;w vgt;*lt;i/y o(/s

180-1, (1. XT, p. 284 sqq.. in zonvor ovomonknmstig li(!t daarbij verniotigdo tjastMroJL chgt;^~ vonnis Ktjr. Dordrecht, v. 12 April 1850, R. li. jg. 1861, d. XL p. '■IRi: t. .■*/ XtX Cf. arr. J'. 11. Drente, v. 18 Dec. 1852. li. Igt;. jg. 1855, p. 517. waarbij , .vi beslist werd, dat een vonnis, waarbij een eed wordt opgelegd, zonder op •

de zaak zelve uitspraak te doen, is interlocutoir. Verg. art. 1977 R. W.. '

sub nn. 3; arr. v. 8 l)er. 1848 sqq. sub art. 50 1!. R. en art. 40 ib. sub n». 4; zie ook arr. Hof N.-Holland, v. 20 Maart 1850, sub art. 330 11. R. 'to-e^

tx^s /r^LOL^A-Ju*'

II. 13e afwijzende beslissing op de incidenteele conclusie, dat partij, ^r^eu^jU. als hebbende niet voldaan aan de interlocutoire uitspraak, vooralsnog --^2--

niet-ontvankelijk zal worden verklaard, is eene eindbeslissing. ,,

Arr. v. 8 Febr. 1850, (reeds gemeld sub art. 45 Tt. U. no. 2). /gt;»... amp;tn**iejk.

■ *lt;8. Wanneer bij het arrest, tengevolife van het door een der . ■lt;'

t**' V^ty .

appellanten aangevangen rechtsgeding van valschheid tegen eene door ., „

de geintimeerden gebruikte koopacte, de zaak ten principale ten zijnen . quot;

opzichte is geschorst, met last van bepleiting der hoofdzaak ten op-

zichte van al de overigen, is dergelijk beslissing niet aantemerken als

een bevel tot instructie van een geding, maar als een eindvonnis op

een incident.

Arr. v. 20 Mei 1857. \V. n0. 1857. R.. d. I.V1. § 21; cf. Arr.-R. Goes,

v. 2 Januari 1803. R. IS. jg. 1805, p. 70, waarbij werd beslist, dat de uitspraak, waarbij het verzoek tot schorsing wordt afgewezen, met dagbepaling voor bet antwoord ten principale en voor bet bonden der pleidooien, is een praeparatoir vonnis.

I 3. De beschikking eener Rechtbank, waarbij met handhaving van eene dienaangaande genomen beschikking van den Rechter-Commissaris, is afgewezen het verzoek om tlagbepaling voor de verschijning van partijen in een rekening-proces, is geene bloot praeparatoire beslissing.

Arr. v. 29 Mei 1857, (sub n0. 12 vermeld); waarbij nog werd beslist (in strijd met het vernietigde arr. Hof Zeeland, v. 23 Sept. 1850)

dat dergelijke beschikking, in allen gevalle, den eischer zou ontnemen bel middel van verdediging en tot verefiening der geschillen, hem bij art.

778 B. Rv. gegeven, en dat dit is voldoende om die beschikking niet te mogen beschouwen als bloot praeparatoir.

I'S. De uitspraak luidende: '/stelt de beslissing omtrent de kosten van protest en boete, waarover het geschil loopt, uit, totdat omtrent de hoofdvordering zal zijn beslistquot;, is te beschouwen als eene zoodanige.

waarbij in het wezen der zaak de eischer wordt verklaard vooralsnog

ocr page 108

IrinjnnS)tM-CZc j bf- ^ Ira^

(Sc-HTT 0\X1^L£ r*-£4scyij^~~c^ ySf-'^^Qj cbamp;-lt;.*-£* Ot-d^M.^ A-S (/l/t^i^-f /xa_gt; lt;~t * S quot; -

(^sCA At ? yV? amp;-amp;}? (X'T^L Ar? '-ZT' TT'N'V» ^ : Jégt;. (fl. ri JUo^'l-. . 1-aoZ', tifrt'ySfS'. Art. M.) 9« ^ 7

g ct^Jh'ct-U-c-T'y (/! A-G-^- l/errvv*^* ^J-eru^cfA^S^ ^Xurc/~ trs^- zx-^, £-*j— -

t . niet-ontvankelijk in zijne ingestelde vordering, en dus als een eind-t^JLU^'t^L^, vonnis op bet in het gericlit gebrnclit gescliil.

'■quot;L.!, Am V. (5 Dec. 18(17. \V. nquot;. 2900; R., d. LXXXVII. § 35; v. n. II..

'Vxrry*^^0 ^ 1 ...

» j.., . d. XXXII. p. 95—1(17, waarliij (l«zc beslissing gegeven werd, terwijl boido parlijen bet vonnis a qno badden aangennmen en erkond als interior,n-

I,1amp;. ,1amp;. rKa~% toir. Zie daarover de Red. van quot;t W. t. a. p. — /.ie liet bij dat arr.

/s , , y/ vernietigde vonnis der Arr.-R. T.eiden, v. 12 Maart 1807. in W. n0.2910.

r Êquot;*- ■ 'f *-

kvj ■ 1 .V Hoewel dit artikel ten aanzien van de interlocutoire

uitspraak zegt, //dat zij wordt gegeven alvorens recht te doen,quot; brengt

Bdit echter niet mede, dat elke interlocutie de aangehaalde bewoordingen uitdrukkelijk zoude moeten bevatten.dit echter niet mede, dat elke interlocutie de aangehaalde bewoordingen uitdrukkelijk zoude moeten bevatten.

Arr. v, 18 November 1870, W. no. 3271, ook vermeld snlgt; art. ■40 li. R. n0. 5.

1« Het vonnis, waarbij wordt ontzegd de incidentele vordering, dat men niet zal gehouden zijn voort te procederen met hem, die optreedt voor eene vennootschap, die beeft opgehouden te bestaan, is praeparatoir.

Am v. 10 October I87.'i (kol. appel) W. n0. 3644, R. d. t'V. S5 4, v. 11. H., B. R.. d. XXXVIII. p. 447—449. Zie het daartoe betrekkelijk vonnis Hof van Justitie Ie Suriname, v. 21 Juli 1871, W. n0. 3574.

Ilfuc bestrijding van bet did ion van bet arrest is te vinden in W. nquot;. 3005.

I ?. Een arrest, waarbij, in zake van ophefling van curateeie, niet anders is beslist, dan dat de curator eit toeziende curator op verzoek

' ,W

Ivan den eischer als partijen kunnen optreden, is te beschouwen als een praeparatoire uitspraak.van den eischer als partijen kunnen optreden, is te beschouwen als een praeparatoire uitspraak.

Arr. v, 10 Jan. 1874. W. nquot;. 3082: R.. d. CVf, § 10.

iw tjyvL~

.•r'

I «. Een vonnis, waarbij wordt verworpen eene vordering tot over

legging van stukken, kan van invloed zijn op de beslissing der zaak ^^T'ten principale; liet is derhalve niet een bloot praeparatoir vonnis, maar ai j/.f liet moet als een eindvonnis op een incident beschouwd warden.w Arr. v. 15 Januari 1875, W. nquot;. 3809. v. n. II.. R. R.. d. XI.. p. 18—35.

Zie ooi; ('aiiui';. I.ois de hi Procrd., op art. 452. (j. 1010.

Vgl. de redactie R. R. jg. 1879 A, p. 234 sqq.. met betrekking tot de ^

vraag, of afwijzende bescbikkingen omtrent zoodanige incidenteele voi-dr-ringen, die toegevvezcm zijnde, vonnissen van praeparatoiren of inteilocn-//, 9l. ^f0 toiren ixmd, «loon goboron wore Ion, liotzolfilo karakloi* aonnomon. ('1. ^

fib ■ P. II. v. GoMorlainl. v. S Mjm ISÜ scpj.. sul» arl. 01 gt; li. I».

I Dit artikel, aan den rechter geene verplichting opleggende om ^

1

If (mM-^asyr- ever- kU- txJ. trf L. ^ ^

fad vv*-JL/- ptotAlZ, 2-°

ü/? syuquot; S'éy / ■ /amp;amp;amp;. P. . /cflJ'j, ^°/2_.

ocr page 109

— -2-— yUMj-~~- nsa—. •vc»

u Oy,^- ^ ^

/ 'A '(u^~ Z(j ■/%-. 5/ r.^ ^ tojon (*/• quot;t,^111-- Se** ,

1)7 Mr/. 4fi. ^.o.^

.: w- /^, /x - ^ ^ 7^ *■ ^ T

eene praeparatoire of interlocutoire uitspraak te doen. alvorens detinitief f'.cn.A*- A2--

te beslissen, kan niet zijn geschonden, doordien bij het vonnis — ■'ryl- /

waarbij een opgedragen eed als geweigerd beschouwd wordt — onmid- T''''quot;

delliik ten principale is beslist.

jx . ■ lt;^.0

Air. v. 25 Mei 1877, W. iin. 413'i: R., d. CXVI, § '10; v. n. IJ., li. U. d. XI.II.

1).27C—282; U. li.jg.'1881 A, |i.'14(); cf. arr. Hof Ainstcrilain, v. 1(1 M(M •I87l.l. a. uX-^.e '

W. n». 4405, 1!. It. jg. '1881 A. p. 148, waarbij is lioslist, dat uit liet hier . . ' bepaalde, dat do rechter, alvorens definitief te beslissen, eene praepa- l' ^

ratoire uitspraak han doen, en nfik uit bet bij art. 249 Pgt;. Rv. ehJcf^ voorgeschrevene, dat, indien dr 'aal; hei tnedehrcnfit, de inciden- y^'ï-c.~ ''1 ^ 2 teele vorderingen eei'st en vooraf zullen worden uitgewezen, —

volgt, dat bet in het algemeen aan de prndentie van den rechter is over- .

gelaten, of eene beschikking tip de hoofdzaak behoort gegeven te worden ^ 'a dan wel eene incidenteele; verg. het daartoe betrekkelijk vonnis der Arr.-R. Amsterdam, v. !gt; Nov. 1877, R. li. Jg. 1878 A, p. 201!. /Ê7, ït }r ^ (aangehaald sul» art. 5 li. R.); idem Arr.-R. Amersfnort. v. 3 Juni '1850. /.jl

\ n /ucity u ■

W. no. -113-1.

30. De wetgever verstaat onder interlocutoire vonnissen de zoodanige, welke door den rechter, die de zaak au fond moet beslissen,

worden gewezen; zoodat de besciiikking van den president in kort geding, houdende benoeming van deskundigen, terwijl het hoofdgeding door de rechtbank zou moeten worden beslist, geen interlocutoire uitspraak is.

Arr. v. 22 Maart 1883, \V. nquot;. 4897; R, d. CXXXIII, § 40; v. n. II..

H. R. d. XLV1II, p. 243—249, ook vermeld sub art. 289 R. Rv.

®l. De rechter is bevoegd voor de uitvoering van een interlocutoir vonnis, waarbij aan eene der partijen een bewijs wordt opgelegd, een peremptoiren termijn te bepalen.

Arr.-R. Amsterdam, v. 29 Jan. -1840, R. li. jg. 1843, d. V, p. 759.

3«. Het vonnis, waarbij de schorsing eener burgerlijke actie tot na ii Hoop eener uit denzelfden hoofde aanhangige correctioneele procedure is gelast, is een praeparatoir vonnis, waartegen liet hooger beroep niet openstaat, dan te gelijk met het eindvonnis.

1'. II. van X.-Hiill. v. 1 Dec. '1842. R. Itijbl. jg. 1843. d. \. p. 97 s(|i[.:

R. in Ned., d. III. p. 292. - Cf. I'igeau, isnw* dr l'n.r. Clr.. 1. 2.

PlU't. •'gt;, lit. elm p. I, soct. - I'll I'll :||| :irl. i.Vi. C'. dc IVnc.

Mr. \V. van Hobs em /*'»«gt;ƒ/. h'ec/ilsv, 7

ocr page 110

■TSK'n. easyu- cr^Q/xt^ gJLe-^c^- /^rzy?-^^a C^v't^AJ^.eTU.i Arry^ j H^yyi/Lerv 6^4- clt;1cl $-rf- tn-yrywl. 7^. /^. Z-J /Samp;c,. CtPoS

•r^Mr/. 4(!) 98

Civ. — Vul. eclitei' ointrent liet beginsel der schorsing van dn hnrgerlijke actie (hetwelk bij voormeld arr. onbeslist is gebleven), art. 193 R. lï..

vonnis van de Arr.-R. Amstei'dain, v. Ui Maart '184'! sqq. en art. 791.

\V. v. K.. ari'. van 't P. 11. v. N.-lloll., v. i'i Jan. 1843 sqq., sub. no.

lt;ï;8. Het vonnis, waarbij een debat van rekening tot fixeering van liet gevorderd wordende saldo bevolen wordt, moet (als zijnde niet eene daad, die geen den minsten invloed op de zaak ten principale kan uitoefenen, maar wel degelijk dienende, om het quantum van het saldo te kunnen berekenen en vaststellen) als een interlocutoir vonnis beschouwd worden.

Arr.-R. Amsterdam, v. li Juli 1843, W. n0. 423; li. l'ijbl. jg. 1844.

d. ¥1. )gt;. 134—138; •— Wcxjt in Sc.derl.. d. TV. p. 21 en 22.

«4. Een vonnis, waarbij de rechter, voor wien de eisch in conventie aanhangig is, zich onbevoegd heeft verklaard om kennis te nemen van de reconventie en — met het doel den reconventioneelen eischer de gelegenheid te laten, om zich door een bij den kantonrechter te verkrijgen vonnis, een bewijs voor zijne in reconventie gevoerde vordering te verschaffen, ten einde daarmede den tegen hem gerichten con ventioneelen eisch te bestrijden — het geding in conventie heeft gestateerd tot zekeren tijd na den dag van de uitspraak van het vonnis,

door den bevoegden rechter over de reconventie te wijzen, ten einde daarna de zaak, ten verzoeke van de meest gereede partij te hervatten. — kan niet anders worden beschouwd, dan als een voorbereidend gewijsde op de zaak in conventie, strekkende, om, onder voorbehoud eener nadere instructie, die zaak in staat van wijzen te brengen, en bijgevolg als een praeparatoir vonnis, bedoeld in art. 46 B. R

I'. II. v. N.-lloll., v. 18 Maart 1847. W. n0. 828; R. Bijbl. Jg. 1848. d. X. |). 103 en 164. — Vgl. hiermede hot aangeteekende up art. 2r)0 R. I!.. vonnis van de Arr.-R. Amsterdam, v. 10 April 1841.

lt;So. Een vonnis, waarbij in eene rekening-procedure de rendant bevolen wordt eene gespecificeerde memorie over te leggen van op zijne rekening voorkomende posten, is als een interlocutoir te beschouwen.

I'. II. v. Overijssel, v. 8 September 184;quot;) bij Mr. HEimvF.i.n. ut snprn.

blz. 23.

'lt;£«. Ind ien uit den geneden inhoud van het vonnis ter eerste

ocr page 111

P. H. v. N.-HoII., v. ^ Sept. 1847, W. no. 859,

lt;Ï5. Een vonnis, waarbij ecu uitstel van een getuigen-verhoor is geweigerd, is niet een deiinitief, maar een praeparatoir vonnis r

1'. II. v. N.-Ifnll., v. 3 Febr. '1848, W. n0. 974; R. Bijbl. jg'. 1848, d. a-aylt;'-

X, p. 85—88; idem ten aanzien van een vonnis, waarbij de eisclier in

zijne vordering om voort te procedeeren, niet-ontvankelijk verklaard _____/,*—

wordt, bij air. van betz. I'. II. v. 23 Maart 184.8. R. r.ijbl.'Jg. 1^8. «I.^ X. |i. 2-14—2-10; anders I'. II. v. Limburg, v. 26 Maart 1855, W. n0. H107. -r-r -r - ■

waarbij is beslist dat bet vonnis, waarbij, op tegenspraak, liet verzoek____t..„. . tvtn

tot prorogatie eeuer enqm'te wordt afgewezen, is noch praeparatoir, ,6,

nocli interlocutoir, maar is een definitief vonnis ii)i een incident _ Of / • » quot;

art. 60 Ti. R., air. van quot;1 Tgt;. II. v. Gelderland v. 8 Mei 1844 en S MTV op art. ()0 I!. R. in fine, c^-.

3lt;S. Een later vonnis, bevelende maatregelen van uitvoerin'quot; vanJ^^ ^

^ -qS • /

een vroeger interlocutoir vonnis, waarbij eene verification iVécriturr. *

was gelast, moet niet als een praeparatoir, maar als een interlocutoir worden aangemerkt.

I'. Tl. v. Overijssel, v. 7 April 1851, W. n», 1258, bevestignnde oen t

vonnis van de Arr.-R. Deventer, v. 17 April 1850, W. ut snpra. — In strijd (m. i.) met een vonnis van de Arr.-R. Amsterdam, v. 13 April ■1853, W. no. 1439; R. lüjbl. jg. 1853, p, 439—442, waarbij is boslisl.

dat een vonnis, waarbij door den rechter een deskundige w'ordt benoemd, „ y '■ ter vervanging van een ander deskundige, door partijen gekozen, doeli , ■

ilie niet is gecompareerd, behoort te worden geqnalificeerd een praeparatoir '

vonnis, vermits het niet anders is dan een bevelschrift tot instructie dor ' ^

zaak, waarbij wel de uitvoering van hot vroegere (interlocutoire) vonnis n-■''■■■ £

(houdende dat de qualiteit van zekere goederen zonde worden onder-zocht door deskundigen) werd verzekerd, maar niets beslist, waardoor de hoofdzaak zou zijn gepraejudicioerd (T.kon), — Cf, hetzelfde arr. (van het I'. 11. van Overijssel, v. 7 April 1851), bereids vermeld sub art. 4(1 IS. I!.. arr, v. 10 Nov. 1848 sqq., nquot;. 5 on art. 54 1!. li., mede arr. v.

donz. datum.

De beslissing dat de verwering in casu niet is eene exceptie van non-qualificatie, maar dat zij veeleer eene verdediging ten prin- ' ■

instantie blijkt, dat de eerste rechter het bewijs van huur alleen daarom heeft opgelegd, om, naar mate dit bewijs al of niet geleverd wordt, de eischers niet- of wel ontvankelijk te verklaren, is zoodanig vonnis niet praeparatoir, maar interlocutoir.

ocr page 112

LUr-L to

/ ^/(w . ^'/Z/ }iquot; (' ± r/ ( _

Art. Ifi.) 1quot;lt;gt;

cipale oplevert, is niet van praeparatoiren aard, maar veeleer eene lie-slissing o]) een tusschengeschil.

1'. II. v. Linibni'fï, v. I I Sept. 1X54, li. I!. ju. '1855, Mz. ■gt;■gt;.

;to. 1 let vonnis, waarbij partijen, ingevolge art. 100, door den kantonrechter naar de Rechtbank worden verwezen, is niet praeparatoir,

maar moet als een eindvonnis worden beschouwd.

Ait.-K. Assen, v. 2il Juni 1855, \V. uquot;. 1002. li. Igt;. jfr. 1855, p. 58(1. :e i Een vonnis waarbij een verhoor op vraagpunten wordt toegestaan of geweigerd, is een interlocutoire uitspraak.

P. II. v. Zeeland, v. 27 Oct. 1863, R. B.jg'. 1805, p. 47; idem ten aanzien van een vonnis waarbij liet verzoek tot verboor op vraagpunten wordl afgewezen hij vonnis Arr.-R. Amsterdam, v. / Jan. 18/0, li. 1». jg. 1870, A |i. 2:«.

38. Eene beschikking der Rechtbank in raadkamer, waarbij de voogd, op verzoek van den toezienden voogd is geschorst in de voogdij, hangende het geding tot zijne ontzetting uit de voogdij, met aanwij-o- van den verzoeker om voorloopig in het beheer der voogdij te voorzien, is niet een praeparatoir vonnis, strekkende om de beslissing der hoofdzaak voor te bereiden, maar eene eindbeschikking der raadkamer op een op zich zelf staand incident.

P. IJ. v. N.-lIoll., v. 7 April 1870. W. nquot;. 3817.

It'.i Het vonnis, waarbij het oproepen in vrijwaring of de daartoe « -'l strekkende schorsing wordt afgewezen, moet als praeparatoir worden beschouwd.

P. II. in N.-Uoll., v. 18 Juni '1874, W. n0. 3774, en van 27 Nov. 1873, \V. n». 3686, beide ook aangeh. sub art. 72 Ti. R.; idem Arr.-li. ^ Amsterdam, v. 29 Sept. 1881, R. li. jg. '1881, A p. 164, waarbij nog • y werd beslist, dat er geen grond bestaat, om ambtshalve de niet-ontvan-

kelijkheid van liet afzonderlijk ingesteld appel uittespreken. — Anders .■ -r - )jpj vonnis der Arr.-R. Maastricht, v. 3 Jan. '18/8. W. n0. 4-5/2, R. Igt;.

j'T. 1881, A p. 176, waarbij een zoodanig vonnis werd beschouwd als een ' I eindvonnis op een incident. /gt; oPyi/ ^

i/ / f5- . . bfyCfï.

■ ~ :8-t. Een interlocutoir vonnis bindt den rechter niet in die mate, ' faC ■ ■ dat hij, nader ingelicht door een rapport van deskundigen niet zou V , : pzv mogen onderzoeken of de ingestelde vordering ook op eenen anderen ff rond kan worden toegewezen, dan daartoe bij interlocutoir werd

i-rr^ ii*' ' .........ö

.']• X ' 2amp;.M. £gt; M.cZ. /y/'y,

oy.

1/4 ' niA, noodiu geacht.

L ^ y /a/cv .

fi /.

/

ocr page 113

^ a jle^JL- 1 f-^-r t-0 3 IfL, quot;Virzi^ A^/— (yy-csx. ^

yla.Slr '.nit 1*^, Lm y W _ , '.-L Co—a. '' r «-r a-tKj-iji- /■

O^n PrrTquot; . t yS

r

oOsV pi a^—gt;

-yyx 2sC/

cr-truynsK

dan wel praeparatoir in bet geval: k*o^-ka~ yh**-.

a. Dat een vonnis van den rechter, voor wien was geappelleerd,

e^3 hriaJL_

o. ^ ^^7 7/sr/ O-

wegens onbevoegdheid van dien rechter is vernietigd en de eiscbcr in de kosten der beide instantiën is veroordeeld, met last aan partijen om ten principale voort te procedeeren —

art. 00 Jgt;. II., iirr. v. J() Deceiiil)ei' 1842

^ ^ t~-n^. -/l^ f , tlt;~ !e—z- /?

o. 'lt;-w o-rvLznA- — 1quot; '7

, Un'-v— P.V'. f'l-'l, Xquot; ^).

1-^- ' ■ ' 101 (.tr/. Ul.

.\it.-U. llottnnUuu. v. 17 Nov. I87ri. VV. no. 3940. Vmf?. art. 10 Itv.,

Sllli l|0. ,quot;).

3«». Bij praeparatoire «1 interlocutoire uitspraak kan /«lt;?lt; voorat worden l)esli.st, of liet in eene zaak door deskundigen opgemaakte bericht al of niet moet worden beschouwd nietig en van onwaarde, wegens niet inachtneming der vormen bij de wet voorgeschreven.

A it.-11. Mkklelbnrii. v. '21 .Imii lS7(i. W. nquot;. I!. Igt;. jji. 1870.

al'd. I!, p. 177.

De beschikking, waardoor de reconventioneele vordering aanhangig wordt gehouden, is een bevelschritt, hetwelk naar dc duidelijke bepaling van dit art., is praeparatoir.

Jicif Aiiistenlain, v. '20 ,lami;iii 1877, \V. nquot;. 'i l'2N.

Zie ook navulgcndc beslissing :

De splitsing van de conventie en reconventie is eene louter praeparatoire beschikking.

Itif 's üoscli. v. 13 51 a art 1877. VV. nquot;. Wim.

J8 ?. Ken vonnis waarbij, na onderzoek en ongegrondbevinding van de middelen van niet-ontvankeiijkheid door den gedaagde tegen de vordering des eiscliers aangevoerd, die vordering is verklaard ontvankelijk en die middelen al zoo virtualiter zijn verworpen, behoudt zijn karakter van eindvonnis, al houdt datzelfde vonnis eene interlocutoire

uuspraaK in. ; / /cpnz,

Huiquot; Aniliuin. v. 3 Maart 1880. W. n-. .4550'.: vur-. air. v.'28 .Imii £g^ 1844 sqq., sub art. (10 li. li.

JfS. Een vonnis, houdende bevel tot openlegging van koopinans-boeken is interlocutoir. cr^ruoc

Ait.-R. Amsterdam, v. '20 Sopt. 1883. VV. u». :.00-4. U*-

;ïfgt;. Zie omtrent de vraag, of een vonnis is definitief, interlocutoir.

z1-

ocr page 114

f

\rt. 1.(1.) | (|0

h. Dnl. is verworpen eene exceptie van niel-Diitviinkelijklieid

■quot;•t- f'll I!- I!., UIT. v. 2S Juni ISW sq.j., rn air. Hof Aniliein v. Maait 'Jlt;S(S(), siih lioc urt,

c. Dat bij vonnis eene wraking van getuigen is geldig verklaard art, (Ki 1!. I!.. arr. v. '2 Doe. 1853 sqq.

i/fiL v-^-errp a*---*' -l''- 47.

I. De termijn van drie maanden, tot liet doen der uitspraak bij

art. 17 li. R. bepaald, wordt door de intusschen invallende'vacantie pojMjt*- geschorst.

fquot; 'quot;T . **;:■ 11 ««H. ««. '■ ► II- 11 II.. d. VI. '15; ............. K.

'\x'urp jfi'. -1847, d. IX, p. 282 .sqq.

fa «-Art. 47, le al, B. R. beperkt de bevoegdheid tot het andermaal

/6 aU i'Pei'h ^er zaa'c We^ tot 'ie'' gehemd geval, maar dit artikel

' , 's 1Het toepasselijk daar, waar tengevolge der eerst later aangevoerde leden van verschooning, de zaak na afloop der eerste pleidooien nog niet kan worden gehouden te zijn in staat van wijzen.

Air. v. -18 Oct. -1872, W. nquot;. 3519; I!, d. CII, § 0, uuk vermeld art. 41 I!. R. 1

Art. 48.

I. De rechter is niet zoodanig aan de conelusiën der partijen ge-houden, dat een vonnis zou belmoren te worden vernietigd, op grond dat daarvan zou zijn afgeweken, al is de beslissing overigens virtualiter overeenkomstig den eisch.

Air. v '.I Jan. 1839, \V. ii«. 70: K., d. I. § 8; v. n. II.. Z., K. euSucc., '■ l'- In quot;vereen.steinmiiiL! hiennede is beslist: lo. bij vonnis dor A't.-R. Leeuwarden, v. 24 Mei 1842, R. Bijbl. Jg. 1843, d. V, p. 505—510, dat het met volstrekt noodig is, dat men bepaaldelijk tot de toepassing van eenig rechtsmiddel (ia casn van niet-ontvankelijkheid, gegrond op h'\t verkeerde der ingestelde actie) concliuleere, opdat do rechter daaror, acht zal kunnen slaan, maar dat liet voldoende kan geacht worden, quot;i n het bij vergelijking van do conclusie, in verband met het beweren \an den excipient, allezins blijkbaar is, dat men werkelijk bet rechtsmiddel hoeft willen doen geldon; 2«. bij vonnis dor Arr.-R. Amsterdam.

ilk'

i

ocr page 115

- eCa^ ^LotsCAff^

yC-t f^T^* /S -J • S• - —■ - • 5-Z^*-t^ J

-Kgt; crZJT^-v TSVW. ^i^-.^cd7 ^ if ^

^ *.s.^r£

■ Zt/T^^

I (i;5

Z i2j .

.1/7. IS.

.c,

'-O jenT-r, .

iSt*=* CZxuA^yT^Q-^O X2*~*rxr-^AlU-L^, 6-4^ Lre-T^-c i^O^

V. 11 Jan. IKV». W. nquot;. HOI: li. li. |-. 185(1. .1. Ml. p. '270—275. .I;i(. iihlii'ii een gedaajitl^ die voor don rochtev wordt jroniciion, niettojion-staunde tusschcn iiein en den oisclier een paclnm ila compromiltcniln was aangegaan, op grond daarvan eeno conclusie neemt, wier bepaalde» strekking is, dat de rechter zicli ratiom; personnc onbevoegd verklare, doch ten slotte abusivelijk tot niet-onivantxlijliheid van den eisclier cuncludeert, dan hem evenwel die conclusie moet volgen, daar de fomivkw iicliuniini naar het hedendaagscli recht niet bepaald zijn voorgeschreven.

Vgl. hiermede een arr. van 't P. LI. v. N.-Holl., v. (i Mei 1847, R. II. Jg. 1847, d. IX, [gt;. 435—437, waarbij is beslist, dat wanneer alleen is gedagvaard tot suppletie van eene op hot Groothoek bestaande inschrijving uit kraclite van een gemaakt legaat, het daartoe betrekkelijk vonnis waarbij die vordering is toegewezen, geene verklaring mag inhouden omtrent het recht tot liet legaat. Zie ook art. 48 B. R.. arr. van 't. P. II. v. N.-Uoll., v. 12 Jan. 1843 sqq.

Vergelijk de navolgende gedeeltelijk afwijkende beslissing:

Wanneer wel in liet lichaam der conclusie van antwoord in appel is beweerd dat de appellanten, op grond dat zij zelve hun appel beperkt hebben, niet-ontvankelijk zijn in dat gedeelte hunner vordering, hetwelk de grenzen van het ingesteld appel overschrijdt, zoo moet die bewering gepasseerd worden, wanneer de geïntimeerde daarop geene bepaalde conclusie van niet-ontvankelijkheid van een gedeelte van der appellanten vordering in appel heeft gebouwd, en zelfs in gebreke is gebleven om aan te wijzen, waarin die overschrijding der grenzen van het appel zou gelegen zijn, terwijl ook aan het Hof het bestaan van iets van dien aard niet is gebleken.

1 i

t

ili'i

Hof Arnhem, v. 12 Maart 1870, VV. iiu. 4400; verg. ook Arr.-K. Amsterdam, v. '13 Oct, 1873. VV. nu. 3807, waarbij echter ook de kwestie niet zuiver is beslist, tengevolge van de overweging, dat niet gebleken is van de bedoeling om zich van liet middel te bedienen, dat wel in de stukken was aangeroerd, maar niet uitdrukkelijk was voorgesteld.

I

®. Eene niet-ontvankelijk-verklaring, door den rechter uitgesproken, op grond van eene wet, die niet door partij is ingeroepen, en zonder dat tleze eene exceptie van niet-ontvankelijkheid heeft voorgesteld, is niet als eene aanvulling van rechtsgronden, door partijen niet aangevoerd, te beschouwen, maar bevat inderdaad in zich eene aanvulling en admissie van rechtsmiddelen, waarvan partijen zicb niet bediend hebben, waartoe de bevoegdheid aan den rechter, ambtshalve — als zijnde zulks niet te bescbouwen als een pnnt van openbare orde — niet is gegeven

ocr page 116

lt;yi^Aï-c-*!y£^C^— S-. /testes -l-^^-4- C-aJ- o^trr^

1,-e.tXs o-vv/è^ : I-Cd . /£, uy ~XJ~r ' Y / ^

^/.^' KU

f % .\V, :. Nov. IN'|(I, W. IIquot;. irct; R.. (I. VI, § I»; V. li. II., I!. I!.. 'I

p. 2411 -i'.)::.

^ J1 Cl', ait, I Ü, If,, arr. v. Ti Nnv. ISKl si|(|, suli nquot;. I en ln.'l ilaarlnr liotrckkoiijk arr, van quot;I i'. II, v. Utreclil, v. 2 Maart 1840, VV. nquot;. 70; ^ ^ ||ut voll|1js ,1,.,. Arr.-R. aldaar, v. 7 Jnni IS;!!I. \V. nquot;. 2!l on v. u. II,

o--—4(Camp;-lt;vA»*' nf supra, |i. 201 en 2()2. — Vgl. ook art. 48 li. 11., sul) n0. !•, arr. v,

(^ü. '2 April 1847.

'lct nemen der gewone, in de praktijk aangcnomene contrurio-cju, conclusie van (niet-outvankelijklieid) is niet voldoende tot liet aan-voeren van eene exceptie van verjaring. Deze exceptie is een middel van uMf—cL rechten, waartegen de geëxcipieerde zich, zoowel lt;iuod ad factum, als u~e^i^uuli a(i jus jjiogj; kunnen verzetten, indien hem dat middel in hel r^T-' quot;quot;^geding uitdrukkelijk is tegengeworjien.

Cjdj' ■

Arr. v. 18 Maart 1841, W. 11°. '191 : R., d. \ 111, § (51 ; v. n. II., !!. 1!. d. 11, p. 177—494. — Vgl. het daartoe botrekkeiijk vnnnis van de Arr.-l!. Alkmaar, v. 27 Fob, 1840, W. n0. !)(gt; on liegt in Ncilcrl., d. 11, p. 281 s(|((.; idom Arr.-R. Winschoten v, 30 .huh 1841, liegt in Ncdcvl.. d. III. |i. 132—130, waarbij is Iwslist dat de excoptie van verjaring bij do iliinj-htlcii moet worden voorgedragen, en dat wel bij pleidooi nieuwe rcchls-firiinilcn, docb gcene nicviwe rvchlKiniddclr.it kunnen worden bijgebraelil.

— Cl', art. 382 I!. R., arr. van 't I'. II. v. N.-lloil., v. 2 Nov. 1848; art, T) I!. li., vonnis van do Arr.-R. Amsterdam, v. 15 Nov. 1853, on art, 137 li. li., vonnis van de Arr.-R, J.eiden. v. II Koe. 1849, sqq.

-1. Des rechters verplichting, om van ambtswege casu quo rechtsgronden aantevulleii, strekt zich niet uit tot gronden, welke niet tot het recht, maar tot de daadzaken hehooren.

Arr. v. 20 Juni 1845, W. nquot;. 620; R.. d. XXII, § 8; v. n. 11., li. I!.. d. VII, p. 105—120; idem ton betooge, dat de rechter niet mag aanvullen de feitelijke gronden, waarvan de vermelding vorznimd is in eene incidenteole vordering, uit kraehtè van art. 208 li. W. ingesteld, bij vonnis van do Arr,-li. Amsterdam, v. 21 Nov. 1854, W. nquot;. 1598.

Om van de schending van art. 48 B. R te doen blijken, behoort te worden aangetoond, dat bij het arrest, zoo als het ligt, een artikel der wet is geschonden, hetwelk, ofschoon niet aangevoerd wordende, echter in het wetboek wordt gevonden.

Arr. v. 20 Juni 1845, W. u'. 02G; R., d. XXII, § 8; v. n. II.. li. R,, d. VII, p. 105—120; idem arr, v, 22 Febr. 1878, W. n». 4219; idom arr. v. 11 Jan. 1884, W. n®. 5003, waarbij is beslist dat dit artikel op zicb zelf, zonder verband met andere artikelen, niet kan zijn geschonden.

ocr page 117

/^. ^ . /^ 5 ^zy *?'

^ t^.oCatJ--'^^*' c' :1()5 |,s.

lt;i. \)c dagviiarding, du reclitsingaiig /.ijinle, regelt uitslniteiul liet geding; de rechter raag niet oordeelen buiten het oiiderwerj) van den eiscli en de daarvoor aangevoerde middelen, terwijl ook de gedaagde niet verplicht is zich omtrent andere oorzaken, en vooral niet omtrent de daadzaken, die de eischer niet beweert, maar, wat meer is, ontkent, uit te laten.

Ari'. v. ' .hitii '1845, \\ . iiquot;. II.. d. XXI!. § H; v. it. II.. ï». K.. cl. VII. |i. 105—120. — Cf. art. 147 li. 1!.. hit. van 't P. II. v. Utroclit. v. 10 Juni 1844 en art. laü li. I!.. vunuis van ile Arr.-li. Oorinclicni. v. '22 .luiii 1850.

5. Art. 48 15. R. is geschonden, indien den rechter zijne beschouwing omtrent een rechtspunt rechtens eenig en alleen, zelfs tegen eigen overtuiging, heeft onderworpen aan de beschouwing van partijen.

Derhalve moet eene zaak, welke naar de bepaling der wet, onder de burgerlijke zaken behoort, doch door den eersten rechter als eene handelszaak is beschouwd, wanneer partijen in die wijze van beschouwing berusten, niet ook door den hoogeren rechter als handelszaak beschouwd en behandeld worden.

Air. v. 22Mei 1840. \V. uquot;. 720; 11., il. XXIV, S 'iO', v. n. II.. I!. li., d. VIL p. 424—442. — Cl', ai'tt. 1040 li. W.. sub iiu 2. ou I0:!:i li. W. snli uquot;. 2 cn art. 4, W. v. K. suli nquot;. 3, an1, van don/, datum, alsmede hot ineen tugenovergestelden zin gewezen art', van 't 1'. II in N.-lirab., van 24 Juni 1845. \V. uquot;. 058. — Vgl. daarmede liet vonnis van de Arr.-Ü. 's Iiiisch. v. 24 Jan. 1845, \\ . nn. 001 ; art. l.iO li. It., arr. van t I'. II N.-lirab., v. 28 Juni 1842, en art. 314 B. R., vonnis van de Arr.-l!. Amsterdam, v. 7 Aug. 1848.

8. Een Prov. Hof, op het appel statueerende, is gehouden om zich uitsluitend te bepalen tot het geschilpunt, hetwelk de partijen zelve in eersten aanleg aan het rechterlijk oordeel hadden ouderworpen en is het mitsdien (ook met het oog op art. IS 15. 11.) onbevoegd, de beweerde opruiming van puin en aarde (gootrecht), ook met eene erfdienstbaarheid van voetpad in verband te brengen.

Arr. v. 8 Jan. 1847, \V. n0. 797; v. u. II.. li. II., d. VIII, p. 270—293; — anders echter bij arr. v. 15 April 1842, bereids vermeld snli art. 99 R. Org., D., n0. 3, waarbij is beslist, dat tegen zoodanige uitspraak, bij art. 382, al. 2 en 3 li. 11., alleen het middel van request-civiel is aangewezen en alzoo op dien grond geen cassatie admissibel is, — Vgl. liier-tnede (ten aanzien van 't arr. v. 8 Jan. 1847) liet daartoe betrekkelijk

£gt;lt;_Ot ■£-

ocr page 118

1/7 . luS )

nrr. van 'l I'. II. v. hVicslaml, v. April 184(1, VV. nquot;. 7!'7 i-n art. 348 I!. I!., air. van 'I 1'. II. van N.-lloll.. v. 17 Jan. 185(1.

Art. I'8 lgt;. li. mist alle toepassing, wanneer tie rechter nlel, op grond van deze bepaling, een rechtsgrond van verdediging heeft aangevuld, maar op grond van liet speciaal verbod van rechtspraak, in art. der Wet v. 21 Aug. 1816 [Sthl. nu. 31), bepalende het eenvormig stelsel van maten en gewichten, voorkomende, terecht (Voffice rechtspraak heeft geweigerd.

Air. v. 2 April 1847, \V. nquot;. 800; R.. d. XXVI, § 84; v. d. II., G. (I. VI, p. 92—115.

Vergelijk liet aangeteekemle up art. 1 li. R., n0. 31« en art. 48 li. I!.. arr. v. 5 Nov. 1840, sub n0. 2.

Ilgt;. Noch bij art. 48, noch bij de artt. 103 en 200 H. R. is den rechter de verplichting opgelegd, ambtshalve een getuigen-verhoor ot ander bewijs te gelasten.

Arr. v. II Kelt. 1848. \. n. 11., I!. li., d. IN, p. 257—200; anders Arr.-R. Leiden, v. 21 Juni 1870, W. n0. 3242, waarbij is beslist dat de rechter verplicht is ambtshalve het bewijs te bevelen eener daadzaak, die ter beoordeeling van de gegrondheid der vordering noodzakelijk is. ook al beeft de gedaagde zich aan 's rechters oordeel gerefereerd.

I I. Wanneer het vaststaat, dat het onderzoek van een middel van niet-ontvankelijkheid door partijen niet aan 's rechters oordeel is onderworpen, kan in zoodanig geval, bij de vrije beschikking die partijen hebben, om zich al of niet van een rechtsmiddel tot verdediging te bedienen, dit middel (iu casu de onbevoegdheid tot het roepen in vrijwaring) niet ambtshalve door den rechter worden aangevuld en is deze verplicht zich tot het geschil te bepalen, zooals dit door partijen aan zijne beslissing is onderworpen, tenzij de grond, waarop dit middel steunt, van dien aard is, dat die de toewijzing der gedane vordering gebiedend in den weg staat, of, als tot de openbare orde behoorende, niet kan worden voorbijgegaan,

Arr. v. 30 Juni 1853, VV. nu. 1450; R.. d. XLV, § 30. in revisie gewezen, waarbij is vernietigd 't arr. v. 20 Nov. 1852, \\'. nquot;. 1387; I!.. d. NI.III. § 40. — Vgl. art. 08 15. It., air. v. 26 Nov. 1852.

I 'i. Uit art. schrijft alleen voor, dat de rechter van ambtswege moet aanvullen de rechtsgronden, welke niet door de partijen mochten

ocr page 119

\rt 1.8

zijn aaugevoeixl, geenszins dat hij eene geheel aiulcre dan de iiiLi'estelde vordering, wanneer die andere te recht zoude zijn ingesteld, zoude behooren toe te wijzen.

Air. v. April 1858. R. I!. jir. ISaü, d. IX, 51:!, \V. nquot;, 11151: It, d. MX. S lLi; verg. ook air. v. 23 Mol 185(1. W. uo. 1852; !{., d. LUI. ^ 19, waarbij is beslist, dat do vordering, zooals zij is ingesteld, behoort te blijven de grondslag van bet geding, zoodat, wanneer de eischer al bevoegd mocht zijn, vergoeding van schade te vorderen wegens het niet nakomen eener verbindtenis iiit overeenkomst, bij door bet instellen eener rechtsvordering tot het vorderen van vergoeding, niet tengevolge eener zoodanige verbindtenis, maar krachtens do wet, tereebl niet-ontvankelijk is verklaard; idein arr. I'. II, v. N.-Holland, v. ü F('br. 18G2, R. B. jg. 1863, pag. 487 sqq.

13. Wanneer het vonnis a quo is bevestigd en de hoogere rechter de uitgesproken nietigverklaring van eene overeenkomst heeft gehandhaafd, niet op den door den oorspronkelijk eisclier aan gevoerd en grond, dat de gelieele koop zou zijn fictief', maar op den nieuwen grond dat liet jachtrecht. dat het voorwerp der overeenkomst uitmaakte, niet was in den handel, is dergelijke beslissing, als alleen aanvulling van een rechtsgrond bevattende, niet in strijd met dit artikel.

Arr. v. 0 Januari '1800. W. iiü. 2135; R. d. LXIV, ï; 2; v. ii. II,. I!, R. d. XXIV. p. -1—2(5. Cf. arr. v. 24 Dec. 1803, R., d. LXXV, § 41; v, u. 11., I!. R. d. XXVIII, p. -195—213.

I-I-. Wanneer de Rechtbank de voorgestelde wraking van den getuige heeft toegelaten, op grond van zijdelingsch belang, terwijl door partijen alleen onmiddellijk belang bij de zaak is aangevoerd, berust deze uitspraak uiet op een ander rechtsmiddel dan het voorgestelde.

Arr. v. 30 Nov. 1800: R.. d. LXVI. § 35: v. u, II.. I!, li. d. XXIV. p. 444—454.

t.V Wanneer niet blijkt, dat de secondaire vordering tot de primaire in zulk een onafscheidelijk verband staat, dat zij bij niet-ontvankelijk verklaring van de laatste, niet op zich zelf zou mogen beoordeeld worden en toegewezen, kan door eene dienovereenkomstige uitspraak, dit artikel niet zijn geschonden.

Arr. v, 1(1 Jan. 1X02. \V. uquot;. 2343: I!.. d, I.XX. § 5: v, ]gt;. 11.. I!. |{. d. XXVI, p. 143—109.

107

ocr page 120

.1/7. 48.)

14* Wanneer eemnaal eene oxcujitic van onbevoegdlieid is opge-worpun, kan de rechter die, al zij liet op eenen niet aangevoerden HTDiid, toewijzen.

A it. v. ;i April I SOi. W. iio. ^«17; It., d. LXX, ^ 3-: v. n. 11., li. It. (I. XXVI, p. :{5I—:559.

Vci'gelijk dc navolgcndo beslissingen:

Het is den reclitcr alleszins geoorloofd de gronden aantevullen voor de aangevoerde middelen van verzet tegen een uitgevaardigd dwang-schrift.

Ait. v. Hi Maart ISüli, \V. no. 'iTH'i: K. lt;1. I.XXXII. § :i5; v. n. II. /i'o-ol en Rcgisti'., (1. V, |i. 248.

Voldoende is liet, dat liet rechtsmiddel zij gesteld, al zij liet dan ook niet gemotiveerd; de rechter is gehouden de rechlsyronden zoo noodig aan te vullen.

Ait.-K. Kotterdam, v. II Oct. 1870, W. nquot;. 4()o0: idcin Arr.-lt. W'in-schotoii, v. 2 April 1874, VV. u0. ;i71tl, waarbij is beslist dat wannoor is opgeworpen do oxcoptir van incoinpetentie, do rechter bevoogd is aanto-vnllon de niet aangovoerde i'odon voor die oxcoptie. Vgl. hierniedo Arr.-lt. Amsterdam, v. '13 Dcc. 1800, W. u0. 2889, naar luid waarvan, de oorst liij ji|igt;idim)i aangevoerde grond vooi* de bij conclusie gevraagde mot-ontvankelijkverklaring door den reebtor moet worden in aanmei'king genomen.

1?. Wanneer de recliter de rechtsbeschouwing in dc dagvaarding onjuist acht, wordt hij niet belet om in het onderzoek der vraag te treden, of de gestelde feiten juridieke gevolgen doen ontstaan, die — hoezeer de eischer zich daarop niet heeft beroepen —- niettemin de toewijzing zijner vordering rechtvaardigen.

Arr. v. 28 .limi 1872. \V. u'. .'!'i7!); U.. d. Gl. ^ 28 en 29; v. n. II.. ü. It. d. XXXVII, bl. ......... volgg.

1«. Ook al is een opgedragen beslissende eed aangenomen, zoo is de rechter bevoegd liet afleggen daarvan niet toetelaten op een rechtsgrond, aan zijne beschouwingen omtrent den aard van dien eed ontleend

Arr. v. \ April 1873, \\. nquot;. 3589; R., d. Clll. § 38; n'. i». II., 11. K--d. XXXVIII, bl. 107 en volgg.; idem Arr.-R. Groningen, v. 2.liunl85l. It. li. jg. 1850, p. 385, waarbij is beslist, dat do rechter ambtshalvo mag onderzoeken of oom opgedragen eed beslissend is.

ins

ocr page 121

s f / - i**-lt;~ast- lt;quot;quot;•! v,. ■■ s^s.a T-, „ t'~t..

r'tL. rs r^ilV-'-x^ -^- ^ ■ya-r * '??quot; *-'• ^ ,

llt;/f ^ ^

109 ^ , {Arl 48.

yffojt. /ST'Q ^'rygt;}K A ^»«- /c uc?e-: yr '■ /; fpj *quot;/?- , A9.

Hgt;, Jlet oordeel van lien rechter, dat het den gedaagde in vrijwaring niet vrijstaat, tegen de oorspronkelijke vordering de exceptie van onbevoegdheid ratione materiae, voor te stellen, is toepassing van een rechtsmiddel.

A it. v. '17 April '1874-, \V. 110. 37'1't; 1».. '!• (\l. § 14; v. igt;. II.. Igt;. 1».

,1. XXXIX, 1)1. :i'i2 fin volgo-.

Uedeneeringen van den rechter over de vraag of zekere wetsartikelen op de ingestelde actie kunnen toegepast worden, zijn niet anders te beschouwen dan als rechtsgronden.

Arr. v. 21 .Inni 1S7S. \V. 11 . VidK; 1!.. d. CXIX. § 23; v, 11. II.. H. I!.

il. XLIIl, |). 275—2SR.

'it. Waar het Hof, de gestelde arglist niet bewezen achtende,

onderzoek doet naar het bestaan van schuld, en deze alleidt, niet uit aan de dagvaarding vreemde, maar bij gevolgtrekking, uit de in die acte vermelde feiten, wordt dit art. niet geschonden.

Arr. v. 21 April 1SS2. \V. nquot;. 4770. 1!.. d. ('XXX. § quot;vi; v. ri. II 1!. R. (\. XLV1I. p. 350—358.

'43. ITet beroep op de nietigheid eener aan een vordering tot betaling tegengeworpen kwijtsclielding, is een rechtsmiddel.

Arr. v. 1 Maart 1883, W. no. /,883. R.. rl. CXXXHT. § 31; v. n. II..

li. R. d. XLVITT. |). -185—197.

lt;itl. Onder aanvullen van rechtsgronden is wei in de eerste plaats begrepen, het letten op die rechtsgronden, welke in liet geheel niet door partijen zijn aangevoerd.

Arr. v. 28 Doe. 1883, W. 11quot;. 4998; v. n. II.. li. U. d. XI.IX. p. 105—107.

'441- Indien bij een pandbeslag uit krachte van art. 7.')S B. R.,

goederen zijn in beslag genomen, welke door de wet daarvan zijn uitgesloten, mag de rechter ambtshalve de opheffing van het beslag met betrekking tot die goederen bevelen, vooral dan, wanneer de in-beslagnemer bij reconventie de van waarde verklaring van het pandbeslag, en machtiging tot verkoop van al de gearresteerde goederen gevorderd heeft, en zulks uit aanmerking, gelijk hij bij zijne conclu-siön heeft voorgegeven, dat het pandbeslag op de wet zou gegrond

■/£-er%st^i,ls£~ t ^ £■ -amp;0 ^ ■

e^-r T* . •' amp; T *

r^e^/e ^ *■*■ /vfA

ocr page 122

Art. 48.)

zijn, welk laatste de mbeslagnemer alzoo zelf aan 's rechters onderzoek heeft onderworpen.

Ait.-R. 's Uage. v. 10 Jan. 1840, W. nquot;. 108, li., «I. Vi. § (IH. — Cf. art. 7.)8 P). R., vonnis van ile Arr.-R. van denzolfdcn tlntnm. alsincdi' art. 73;) B. I!., arr. van ^3 Juni 'I84'3 sr|f|., meer hepnaldelijk in dn noot.

A. Zoowel de rechter a quo, als die ad rjiieni, is verplicht, onaan-nevoorde rechtsgronden ambtshalve aan te vullen.

P. II. v. N.-Brab. v. I .Tnni 'I84'l, R.. d. IX. 24.

lt;flt;». De rechter is niet bevoegd, om met voorbijgang der conclusion van partijen, de beslissing van een geding afhankelijk te maken van eene rechtsquaestie, niet in die conclusiën vervat, maar welke alleen bij wijze van veronderstelling is bepleit geworden (in specie waar de eisch van het Domein was gegrond uitsluitend op langdurig bezit en perceptie en de eerste regter de beslissing afhankelijk had gemaakt van de reclitsvraag, of het Domein al of niet recht had novaal tiendrecht te hellen).

P. II. van N.-Brab. v. G Sept. 1842, R. B. jg. '184-2, d. IV, p. 721—724. — Cf. liot betrekkelijk deze zaak gewezen arr. van den II. R. v. 10 Juni 1843, suit art. 09, Regt. Org., /1., uquot;. 4- (2de druk, pag. 07).

ï. Hoezeer de wederzijdsche conclusiën van partijen den staat van het geding bepalen, waarover het rechterlijk onderzoek zich moet uitstrekken, kan de rechter evenwel in geen geval door die conclusiën zóó beperkt worden, dat hij geene nadere overlegging van bewijsstukken zou mogen bevelen.

P. 11. v. Holl. V. 12 Jan. 1843, R. B. jg. 1843, d. V, p. 104 sqq,; idem (mede ton betooge, dat de rechter arnbtsbalve mag bevelen bet iivorleggen van bewijsstukken), bij arrest van 't P. II. van Z.-lloll. v. 13 Oct. '1852, W. nn. 1378; — verg. P. H. v. N.-Holland 28 April 1859, W. it0. 2159, waarbij is beslist dat de rechter desnoods ambtshalve aan partijen een bewijs mag opleggen, maar dat dan ten minste feiten geposeerd en gepreciseerd, of elementen in de dingtalen aanwezig moeten zijn. die tot grondslag van zoodanig bewijs kunnen strekken; — anders op grond, dat de civiele rechter niet naar absolute, maar naar relatieve waarheid inquireert en uit dit beginsel, in verband met art. 48 B. R.. mag worden afgeleid, dat de rechter alleen dan eenig bewijs ambtshalve mag gelasten, wanneer de wet hem daartoe stellig de bevoegdheid geeft, en/... door Mr. I'. R. Penning, Afinl. ad art. — Cf. art. 48 B, I!.. mrquot;. v. 9 .bm. '1839 sqq. en 20 .luni 1845. sub nquot;s, I en 5.

1 in

ocr page 123

{Arl. 4.S.

•iH. De niet toepassing van den lijfsdwang betreft een individueel reclit, dat niet tot de publieke orde of goede zeden betrekkelijk is, waaromtrent (in die gevallen, waarin de wet den lijfsdwang veroorlooft) bij uitdrukkelijken of stilzwijgeuden afstand of berusting dienaangaande, geene aanvulling door den rechter ambtshalve kan plaats hebben.

Arr.-U. AmstcrflaiM. v. IS Juli 1 Si.'i. li, li. jo-, is'i'!. d. V. p. .quot;gt;77— 592; 1!.. (I. Xm § lOU. — Cf. artt. rxSS on .V.Kl li. I!.. vonnis van rlezelfdft Arr.-R. v. rlenz. rlatnm.

De verplichting, door den wetgever aan de rechters opgelegd, om bij hunne beraadslagingen van ambtswege de rechtsgronden arm te vullen, strekt zich niet verder uit dan tot die rechtsgronden, welke uit en met behulp van de Nederlandsche wetgeving kunnen worden gekend en daaruit voortvloeien, — terwijl deze gehoudenheid des rechters, zonder in onmogelijke eu ongerijmde gevolgen te vervallen, niet kan worden uitgestrekt tot de wetgevingen van alle vreemde landen.

Arr.-R. Gorinchmi v. '28 .linii 1845. R. 1!.. jg. 1848, rl. X, p. 35 sqq.— Vgl. hiermede art. 884 II. W.. Ie od.. arr. van 't l'. H. in Z.-Holl. v. quot;28 Dec. 1846 on het vonnis van do Arr.-R. te Gorinchcm van denz. datnm.

ItO. Indien een gedaagde, de verkeerdheid der actie bewerende, echter toestemt, dat zonder verkorting van zijn recht, de aangevangen procedure worde voortgezet, clan kan de rechter, indien de eischer zoodanig beweren niet beantwoordt, in dier voege de procedure beschouwen.

Arr.-R. Amsterdam, v. 12 .fnli 1847. R. li. jg. 1847, d. IX, p. 721—720.

3 I. Het al of niet bestaan van den bijstand in rechten aan de vrouw door haren man is een rechtsmiddel, dat de rechter niet mag aanvullen, zoodat daartoe bepaaldelijk moet worden geconcludeerd. Mitsdien is het niet voldoende, den rechter slechts op dit punt oplettend te maken.

Ktg. Voorburg, v. IT Oct. 1840, \V. n0. 1004.

De verplichting, aan den rechter opgelegd, om bij zijne beraadslagingen van ambtswege de rechtsgronden aan te vullen, welke niet

ocr page 124

Art. 4-8.)

door partijen zijn aangevoerd, geldt evenzeer in een geding, dat hij verstek, als in een geding, dat bij tegenspraak wordt berecht.

Klji'. s lioscli, sino ilic ISrS'i. W. nquot;. 1 ^S4. — Cf. ai t. 70 li, R,. het-zelfdn vonnis.

:t:t. De vraag, of tegenvorderingen eens gedaagden, niet in een reconventioneelen vorm gegoten, ontvankelijk zijn, behoeft de rechter niet te onderzoeken, wanneer de eischer den vorm niet door het aanvoeren van een rechtsmiddel bij de dingtalen heeft betwist.

An*.-li. (xorinchem, v. 7 Febr. 1800, W. n0. 219.quot;quot;).

Het is den rechter niet geoorloofd den eischer ambtshalve niet-ontvankelijk te verklaren, op grond dat de rekening en verantwoording, door hem van den gedaagde gevorderd, aan hem en andere personen gezamenlijk, en niet aan hem alleen, moest worden gedaan.

P. II. v. Zeel and, v. 10 Dec. 1801 ; 11. T», jg. 1802, d.X TT, 1)1.518—521.

lï.V Wanneer een der gevallen, bij art. 52 15. li. vermeld, aanwezig is, moet de rechter zijn vonnis bij voorraad uitvoerbaar verklaren, al is daartoe fiiel geconcludeerd.

['. IT. v. N.-Holland, v. Jan. 1862, AV.no.2407, R. P.. jg. i8G2, dl. XII. hl/,. 19—23.

Verg. te dezen aanzien de noot van den inzender in liet R. B. t. a. ji. p. 25. Zie verder hieromtrent art. 52 R. R. arr. P. Tl. v. N.-Holland v. 15 Jan. '1S54 sqq.

liii. Waar niet blijkt, dat de gedaagde vóór of tijdens het geding weigerachtig is geweest het gevorderde te betalen, en hij zich geheel aan 's rechters oordeel heeft gerefereerd, terwijl er ook voor den eischer niet eenig belang blijkt te bestaan, om een rechterlijke uitspraak le verkrijgen, staat het den rechter volkomen vrij om den eischer niet-ontvankelijk te verklaren in zijne vordering, niettegenstaande daartoe niet is geconcludeerd.

Arr.-R. Amsterdam, v. 27 Fobr. 4807, W. no. 2915; R. R. jg. '1807, p. 007. (ook vermeld ad art. 4 li. R., n0. 23) waarbij werd «verwegen dat de gedaagde, door zicli te refereeren, geacht moet worden tc hebben geconcludeerd tot cll;c beslissing, die de rechter in overeenstemming met het recht, meent te moeten geven. I )it vonnis werd vernietigd hij arr, P, II. v. N.-IIollaiid, v. 13 Juni 1807, W. nquot;, 3001, waarbij werd beslist dat, niettegenstaande do referte, een geseliil y.oi'v good denkbaar is. on dat nnrgens liij do wet oono vordering,

ocr page 125

{Art. 4«.

ilin met eeno referte begi'oet wordt, met niet-ontvankelijktieiil wordt bedreigd, of voor toewijzing niet vatbaar wordt verklaard. Verg. over de beteekenis van referte, arr. I'. 11. v. N.-lbilland, v. '28 Maart 1807; li. II. t. a. ])., p. .'543. ook aangeb. ad art. 237 R. R.. alwaar referte wordt opgevat in den zin van niet-tegenspraak, en de rechter, op grond van die referte, een verzoek tot verhoor op vraagpunten toestaat, en Arr.-R. Amsterdam, v. 10 Ree. 1874. R. R. jg. 1SS0, I!. p, 190, waarbij is beslist, dat eene algemeene referte zonder tegenspraak geen anderen zin kan hebben, dan dat al wat is gesteld en gcëischt, wordt toegegeven, en men geene verdediging beeft of wenscht te doen gelden, en dat daaraan niet de beteekenis kan worden gegeven, dat de gedaagde zich geene partij stelt, maar aan den rechter overlaat te beslissen, uf de eischer gelijk of ongelijk heeft; verg. eindelijk aant. 23 ad art. 'I li. R.

:I5. Het is eene ongeoorloofde aanwending van een ander redits-iniddel, wanneer de eiscli ontzegd wordt, terwijl slechts tot niet-ont-vankelijkverklaring is geconcludeerd.

Arr.-R. Amsterdam v. 'IS Der. iS(i7. W. n0. 2092, vgl. art. 48 lgt;. 11.. snb nn. 1.

3N. De rechter heeft ongetwijfeld de bevoegdheid om een deel van de vordering, dat hij, in tegenstelling van liet andere deel, gegrond oordeelt, toe te wijzen, al heeft de eischer zijne vordering niet venninderd.

P. H. v. Drente, sine die. W. ii0. 3033.

lift. Al mocht het produceeren van eene authentieke akte niet geacht worden een beroep intesluiten op de bepalingen der artt. 1907, 19-'34 15. W. en op de voorschriften van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering nopens de betichting van valschheid, dan zoude de rechter ze toch behooren in acht te nemen, als rechtsgrond zijner beslissing, al worden ze niet door partijen aangevoerd.

I'. II. v. N.-Holland v. I .Inni '1871. R. 1!. jg. IS72. p. 37 sqq.

4». Al is bij conclusie of pleidooi er geen melding van gemaakt, dat de wissel, waarop de vordering berust, is een wissel, getrokken aan de order van den trekker (onbekendheid van welke omstandigheid ile gedaagde voorwendt) zoo moet de rechter toch daarop letten, wanneer de wissel is in het geding gebracht, en de rechtsgevolgen uit een zoodanigen wissel voortvloeiende, in aanmerkingen nemen.

Arr.-R. Appingndam, van 23 Jan. quot;1873. \V. tin. 3(140.

.Mr. W, van Kossem li/... Jiury. Hechtsr,

ocr page 126

Art. 48.) IM-

-i-l. De rechter moet den eischer zelfs ambtshalve niet-ontvaiikelijk verklareu, die in privé optreedt, om voor zich in eene kwaliteit, dus voor een derde, een vonnis te verkrijgen.

Arr.-U. Ainstnrdam !!• Inni iRIA, R. 1!. .jü'. ASIA. p. aöS.

413. De recliter mag niet ambtshalve een verzoek tot vrijwaring weigeren.

Arr.-R. Amsterdam v. 20 Dec. '1X75, R. li. jg. 18/6. A, p. !•; anders imjilicite Arr.-R. Assen v. 12 Oct. -IS74. t. a. p. pag. 7, en vonnis Ktg. pl. 's Hage v. 3 April 1882, aangeh. sub art. 68 P.. R.

43. Wanneer de eischer zijne vordering verandert, zonder dat de gedaagde daartegen opkomt, behoort de recliter die verandering buiten beschouwing te laten en den oorspronkelijken eisch te onderzoeken.

Arr.-R. 's HertogfinVinscli, v. 6 April •1S77. lï. R. jg. 1878, A, p. 117.

44. Wanneer de appellant middelen noch grieven opgeeft tegen het vonnis a quo, en zelfs den inhoud van dat vonnis niet mededeelt, kan er in appèl van aanvulling van rechtsgronden omtrent de middelen welke in eersten aanleg zijn voorgebracht, geen sprake zijn.

Hof 's Bosch, v. 15 Ort. 1878, W. nquot;. 4;M0; verg. P. H. v. Overijssel, v. 18 Febr. 1867 bij Mr. Hertzveld, nt snpra bi. 78. ten betnoge. dat. al zijn geene grieven aangevoerd, bet Hof niettemin ambtshalve te oor-lt;leelen beeft over de gronilen. waarop liet vnnnis van den eersten rechter berust.

45. Wanneer de recliter, nagaande wat bewezen moet worden, bevindt, hetzij dan terecht of ten onrechte — dat een der grondslagen, waarop de vordering is gegrond, niet is bewezen, en hij daarom den eisch afwijst, kan hij geenszins gezegd worden een rechtsmiddel te hebben aangegrepen, dat niet was voorgesteld.

Hof Leemvnrdon. v. 23 DccohiIxm' i«^78. \\. 11°. 4-420.

4tt. Wanneer de eischer verklaart zich omtrent de gevraagde oproeping in vrijwaring aan 's reciiters prudentie te refereeren, na eerst de gepretendeerde huurovereenkomst, waarop het verzoek steunt, als in rechten onbestaanbaar en zonder effect gekwalificeerd te hebben, dan kan de rechter het verzoek niet-ontvankeiijk achtende, niet gezegd

ocr page 127

.1/7. 48.

worden, door die uiet-ontvankelijkheid uittespreken, een reclitsmiddel in strijd met zijne bevoegdheid te hebben aangevuld.

Hof Anihem v. X Jan. 1879, W. nquot;. AHGi.

1 ï. üe beschouwing, dat zekere bepalingen der huwelijksvoorwaarden niet tegen derden kunnen werken, omdat wel is ingeschreven de clausule van uitsluiting der gemeenschap, maar niet de lijst der roerende goederen, die in de akte is vermeld, is een rechtsmiddel, dat de rechter niet ambtshalve mag aanvullen.

Hof Arnhem, v. !) (19) Maart 188-1, W. mos. 4040 en 4(i53.

De vragen of het in casu ingeroepen reglement eene vordering voor den burgerlijken rechter rechtvaardigt, en zoo ja of de ingestelde vordering den eischer toekomt, zijn rechtsgronden ambtshalve door den rechter aantevullen.

Ktg. Appingadam. v. 24 Mei IcSSÜ. W. n0. 48411.

4». Zie ten betooge:

a. Dat in de bewering, dat iemand, die de voldoening van een wissel vordert, geen eigenaar daarvan zou zijn (op grond dat de wisselbrief na den vervaltijd aan den houder is geëndosseerd), ligt opgesloten een rechtsgrond van tegenspraak der vordering zelve en eene verdediging au fond, welke, naar gelang zij gegrond of ongegrond bevonden wordt, tot afwijzing of toewijzing der vordering moet leiden en hierin geenszins gelegen is de aanvulling van een nagelaten rtchtsm/uldel, waartoe de rechter (V office niet bevoegd is —

art. Kilt li. R.. arr11. v. 17 .Tnni 1841 en 10 Mei '1845.

/gt;. Dat het den rechter niet vrijstaat ambtshalve aantevullen hef positief, dat in eene dagvaarding ontbreekt —

art. 5 li. R., vonnis van ilo Ait.-R. A.mstordam, v. '15 Nov. 185.quot;!,

t'. Dat ook het O. M. in zijne conclusiën de rechtsmiddelen niet moet aanvullen —

Mr. van Maankn »Im'I O. .M, In Nodorhindquot;. lil. 7(1 ■■ii 77.

1 15

ocr page 128

.4/7. 49.)

Arl. 49.

Wanneer voor de berechting der zaak meer inlichting van den rechter wenschelijk is, geeft dit artikel het middel aan de hand, om die van de partijen in persoon te vragen.

Air.-li. 's llortojrenboscli, v. 3(1 Oct. '1807, \\. ii0. '2949: K. 1!. ju. ISCiS. |p. 529; voi'fi'rlijk nok nnvolnenfle hoslissinji':

Wanneer in een proces tegen een curator in een faillissement de openlegging der boeken van den gefailleerde wordt bevolen, is de verschijning van partijen, zooals die hier bedoeld wordt, gelijktijdig met de openlegging der boeken doelmatig te achten, omdat de curator, in het bezit van alle gegevens des boedels, alsdan het noodige licht kan versohaflen.

Arr.-K. quot;s Ilertogeiibnsch. v. ITi l'ebr. 1871 ; li. H. jfi'. 187'i (dl, NXIIi p. 480.

Men vergelijke, betreffende de bevoegdheid van «len rechter nrn do partijen, niet tor minnolijko schikking, maar ter eigen inlicliting to booren, een opstel van Mr. v. ». S. in Themis, 11« N orz. deol IV (jaargang 1857), hl. 188. alsmede do Franscho schrijvei's op art. I I'.I d. Pi-, en de beraadslagingen, naar aanleiding van art. 49 T!.. hij van nEN IlONF.RT, llandh. voor (Ir Ihirf/. rtrr/lsr.^ hl. 199, ad ^ 49.

JFr. v. i». S. betoogt t. a. p. dat art. 49 niet blootelijk is een uitvloeisel van art 19, maar dat het op zichzelf staat, en werkelijk nog eone andere verschijning van partijen op het oog heeft, dan alleen die. welke bij art. 19 is bedoeld, en wel dezelfde als die, welke ook in hot Franscho recht hekend was. (Zie daaromtrent de door den scbrijver aangehaalde Franscho commentatoren op art. 119 en 428 C. de Pr. Civ.).

Mr. A. dk Pinto, die deze opmerkingen niet in de twee eerste nit-gaven van zijn Handb. tot het Wotlt. van Burg. Hv, had opgenomen, erkent er de waarheid van, in Themis, ib. pag. 517, en behandelt daar naar aanleiding van dit onderworp de vragen : welke vormen zijn bij dat rloor den rechter bevolen verhoor van beide partijen in acht te nemenquot;.' on wat zal het gevolg zijn, hetzij van de opgaven en verklaringen van partijen, hetzij van bare weigering om te antwoorden .'

In gelijken zin als Mr. v. n. S,, ook implicite Mr. A. P. Til. Kyssem. in zijne «Losse opmerkingen over Burg. Rv., naar aanleiding der openhaar gemaakte ontwerpen in Thomis, 2do verz., dl. XIII. hlz. /711.

Volgens Mr. F. A. T. Wf.vf. in Thomis, IWo verz. 1878. hlz. 2:!l. behnnrl do rechter do bevoegdheid niet te hebben, om do partijen ambtshalve voor zieli te doen vorscbijnen, ton einde over en woor ............

te worden.

ik;

ocr page 129

Jr,

jli

Arr. v. Juni 1 SI(gt;. VV. n0. 7)15; v. i». II.. Ij. U.. lt;1. VIII. p.—.).). —• Vj;!. hut daartno betrekUolijk arr. v. quot;I I'. II. in N.-liull. v. '27 Maart 1845, VV. ii0. 595 on het in een tegemivergesteklen zin gewezen voniiis van do Arr.-R. Amsterdam, v. I'J April 1844, Ref/I. in Neder!., d. IV. p. 151 en 15-i.

lt;5. Het is alleszins rationeel en overeenkomstig met eene goede praktijk, dat de eed bij een definitief' vonnis met een alternatief ellect wordt opgelegd, — daar dan, wanneer de beslissing ten eenenmale wordt afhankelijk gemaakt van de al of niet praestatie van een opge-legden eed, geene interlocutie te pas komt, als wordende dan niet, alvorens recht te doen, een bewijs, een onderzoek of' eene instructie bevolen, conform art. 46, al. 3, 1?. R., maar door de aflegging of de weigering van den opgelegden eed de zaak definitief afgedaan.

Arr. v. 8 Deo. 1848, VV. n». 983; I!., d. XXXII, § '27; v. u. 11., li. U.. il. X, p. 1(11—175. — Vgl. air. '2:i Oct. 187:5, W. no. 305'2, 11., d. CV. ij 15, waarbij is beslist, dat een vonnis, waarbij de vordering wordt toegewezen, mits de daarbij omschreven eed wordt gezworen, niet in strijd i.s met art. 4ö of art. 50 I!. R. — Cf. in gelijken zin, art. 1977 I!. W., arr. v. 9 Mei 1845 sqq., snli n0. 3 en art. 4G B. R., arr. v. 2() Juni 1840, s\ib nquot;. 4. Zie ook arr. 'li Mei '1856 sqq., sub art. 46 li. R.. n0. '10. ■— Vgl. Mr. I'. K. I'ennino, Aunt, ad art., die aldaar met Oudkm.vn, II. It., 'ide ed., d. I, p. 02, en Xale:.. p. 19. HE 1'into. //lt;//., d. II, iste st, p. '134, en Themis, Vilde jg., p. 522—537 sqq., en nagenoeg alle andere autoriteiten (ook die vermeld op art. 1977 15. W., sub n0. 3 en nader uiteengezet in 't W. iio. 1505), de voorwaardelijke eind-vonnissen. die vele moeielijkheden opleveren, afkeurt. Geheel in denzelfden zin is een betoog van A. O., in 0/lt;m. eu- MeiL, dl. XVi, p. 300 sqq. Ook de redactie van 't R. Bijbl., jg. 1844, d. VI, p. '20. verklaart zich daartegen, op grond, dat het van don eischer, van wiens eeds-allogging de toewijzing zijner vordering is afhankelijk gesteld, ten eeuwigen dage zou afhangen, wanneer het geding zal afgeloopen zijn. Tegen dit bezwaar wordt door E. B. I. 1., p. 110 en TH aangevoerd, dat de gedaagde in dit lt;gt;eval het recht heeft, den eischer tot het alleggen van don eed en alzoo tot beëindiging der zaak te dagvaarden en hem bij niet verschijning te doen beschouwen, als don eed geweigerd hebbende. De Hoogl. v. Mali. echter is ter aangehaalde plaatse van meening, dat bij art. 50. '2do lid.

ocr page 130

ai/*- - 'trrj-w

/sC/wJt^rC o £L-e ^— sis^r e *sL^y-4sisL, Q^CO.,

i/7 no)7 ^ Us

S-f -

öS-. /a quot; v /Jf .

II. li. gelijk blijkt uil lid wnnid Imlii'ii lirl i-crlil drr wi'dri'-

tfTrf lt;%i lt;e- f,^^'-, I'li'-tij, 'mi do pailij aan welke de eed is opgelegd, op te roepen,om dien af te leggen, niet zoo zeer vcficcnd als wel vcruinlcrnlcld wordt, en quot;— 11(lai'iii niet noodzakelijk is begrepen de stelling, dat de wederpartij, ook An-Crn-^ -t-*r ■ in liet geval dat de eed bij alternatief eindvonnis is opgelegd, bet recht heeft

om de partij, aan welke die is opgelegd, opteroepen, om dien op zuo-/ ' 'danige terechtzitting, als zij zelve daartoe bij de oproeping bestemt en uitkiest, te komen afleggen, daar hier het geding door een eindvonnis /1 ■ vs.? is aesloten en de eischer mitsdien don gedaagde die hem tot het afleggen van den eod opriep, zon kunnen toevoegen, dat hem (eischer) geen eod A'ii-'y lt;2quot; 'S** - is opgelegd, en hot hem in ieder geval vrijstaat, dien al dan niet te

,4 doen, daar de rechter zoowel van het een als van hot ander de gevolgen

y . (Iee^ bepaald enz.

^y? ^ ' '.i. Art. 50 15. R. in overeenstemming met art. 19S2 B. W. be-paalt wel, dat de eedsaflegging zal geschieden in tegenwoordigheid van de tegenpartij of deze behoorlijk opgeroepen, doch geen dier beide artikelen schrijft een bepaalden termijn voor die oproeping voor, zoodat geheel aan de prudentie van den rechter is overgelaten de beoordeeling, of de gedane oproeping, wat den termijn betreft, al dan niet behoorlijk is geschied.

Arr. v. Oct. 1852. W. n0. l.'WH; li., d. XL1I1, § 22; v. n. 11., I!. li. d. XV, p. 211- 227. -— Cf. art. 13 B. R.. arbitrale uitspr. van .... 1842, en voorts aant. 24, sub art. 5 fi. 1!.. en Arr.-R. Winschoten, sine die, sub art. 7 R. R. no. 0.

■t-. Bij eene oproeping om bij het afleggen van deti eed tegenwoordig te zijn, missen de wetsbepalingen omtrent de formaliteiten, die voor dagvaardingen zijn voorgeschreven, alle toepassing, zoodat volgens art, 133 B. R. alle acten van procedure, en dus ook deze oproeping, aan de bij procureur gekozene woonplaats, en niet aan de partij zelve moeten worden beteekend.

Arr. v. 29 Oct. 1852. aangehaald 'sub uquot;. idem bij arr. v. 't 1'. 11. v' ®rente v' 23 Juli 1844. W. no. 552; R. Bijbl. jg. 1844. d. VI. p. /V' . 1 f.rZ 710; R., d. XXJIJ, s? 87. — Cf. art. 5 li. R., vonnis van de Arr.-R. ^ 'pthr*- ' 's Bosch, v. 23 Sopt. 1846.

' 5. Rene bepaalde oproeping tot het hooren afleggen van den aan-

(jeïmlen en tot het komen afleggen van den opgeleiden eed, is ook in zaken, welke voor den kantonrechter behandeld worden, noodig, ook dan, wanneer de partij bij de uitspraak van het vonnis van oplegging tegenwoordig is geweest.

u

fijj- di* jbtrtcL 2a hit/, tj/i, ld W i ,4. ivucyi

cuihïti* frog j- ' 4yt*.» '• t ' 'UlS~i quot;■ 'yv~ ] 1 ^ •

ocr page 131

tyCL* d rrr* *,f* ^n quot;£ ^ t

^ (e^ i!y--'i^e^r^j-e.^Ji~, (£O-^ J-t-j j2j!^8-}a^^2i^^U-^ -z^.®^

/%o J^s* -£^~-^J amp;MJamp;*SXS-U£

Art 50.

T

tresL^LcA^iy(esi.Q eAcr-trs . . 0

quot;JL-ly^-e-a hrlt;- ^^-da-a op^ a^-— mix2leS^ -—• -C^zn-ait^—■ /^e^. tJ? ^-'ti~~ •• Sfy,

Air.-K. l'tiwlil., v. 27 Jan. im It. liijbl. Jg. IWt. d. V, |i. 't80—48S; 26^^. It., (I. X VIII, § ar); idi'iii tcu aanzien van zaken vom- de leclilljank, Vdiniis fas?

A it.-It. Ilaiirleiii, v. 24 Dec. 1880. It. Igt;. jg. 188-1, A, p. 155; anders . y ^ Ktg. Terbdi-g, !) Aug. 1877, VV. no. 4183, It. IÏ. jg. 1881, A, p. 155. */• *s^- *■-waarbij is beslist dat do partij, die tegenwoordig was bij de uitspraak (jpy'/. van bet vonnis, waarbij baar do eed werd opgelegd, en ton bepaalden dage niet verschijnt, ook zonder opgeroepen te zijn, moet geaebt worden den eed te weigeren; verg. Arr.-R. Sneek, v. 12 Dec. 1855, vermeld snli art. 50 li. Rv.

,

Urt^l (llt;^0 /yi^qr / l'y

lt;» De rechter behoort niet (vermits hij hangende het rechtsgeding „ jq

V jy-crrrfisgt; ~

niet behoeft te onderzoeken, tot welke godsdienstige gezindheid eene ,,

partij behoort), reeds bij het wijzen van het vonnis, waarbij aan eene der partijen een eed wordt opgelegd, acht te slaan op hare godsdien- agt; ,^

stige gezindheid, en de wijze waarop dienvolgens de eed moet worden gepraesteerd — vermits dit alleen dan kan in aanmerking komen, ^u^trjUwAs^a-, wanneer hij, die den eed moet alleggen, tot die allegging verschijnt fa en zich alsdan op zijne godsdienstige gezindheid beroept.

Arr.-R. Amsterdam, v. 1!» April 1843, It. liijbl. jg. 1843, d. V, p. 542. /gt;„ nPye,

yt 0 /o2 *

?. Het vonnis, waarbij aan eene der partijen een suppletoire eed is opgelegd, moet door deze aan de tegenpartij worden beteekend,

alvorens zij tot het alleggen van den eed kan worden toegelaten.

Ktg. Harderwijk, v. 2tgt; Aug. 1843, VV. n0. 439.

S. Eene partij, aan welke de eed is opgelegd, en die, na hare ^ wederpartij tegen een bepaalden dag te hebben opgeroepen, om, des Vi-i-goedvindende, bij het alleggen van den eed tegenwoordig te zijn,

dien dag niet verschijnt, maar door haren procureur een uitstel doet vragen voor het alleggen daarvan, moet niet gerekend worden den eed te hebben geweicrerd.

/c ^ygt;

r. S 'lt;y/. ''tquot; 5#

P. 11. v. Gelderl., v. 22 Nov. 1833; Heul in Nwleri., d. IV, p. 70 en 80.

fgt;. Eene partij aan welke de eed is opgelegd, is niet vervallen van het regt om dien eed afteleggen, bijaldien zij de wederpartij oproept tegen een anderen dag, dan daartoe door den rechter was bepaald.

\\ li. v. Gelderland, v. 22 Nov. 1843, liegt in Scdcvl.y d. IV, p. 7U en 80.

I

lO Noch uit den aard der zaak, noch uit de wet vloeit nood-

-en

: ■

ocr page 132

g/rz- r 1,^JLamp; r^ncn f-^-C c^

Tfu^ VA.^ oa^ t-rrtrLLsrz. (Uz^cC chr-trt- c/JL^~ qa-cL. cHv^ A^lt;n^4- amp;Z* n^crx^

^ 1/7 ÖO.) ' 120

^SüS--] crU-f't.c^ cl* . 02^ 7'Cp a^o^rz■yYV- S - i'PCf H. C^. ïlt;~quot; (2 fy/f/P,

/.iikelijk voort, dat alle gedaagde vennooten op eeiien en Jen/,elfden rccjitsdag een opgedragen en aangenomen eed moeten alleggen.

Ali-.Ir. 's-llage, v. 3 Mei 185(1, Y\^ iiquot;'. MOIi. — Vgl. liicrnimjè, ton bctoogo, dat na do ^ig,sjjiitie vaii. cpuo (U'uia.. aan oen' der gowozon associés ooii ood kan 'Wordon gedoforoord. tongovulgo waarvan ook de nverige doelhobbors in die firma zoiidon worden verbonden — art. 'i'.gt; VV. v. K., vonnis van do Arr.-R. Dordreclit, v. 10 Jan. 1842, sub uu. 1. on iimtront liet roclitsgovcilg van liet verseliijnen in rocliton van sloclits óéu vennoot tot liet afleggen van den ood. indien niet aan de firiua als gedaagde, maar aan do gedaagden, als uitmakende de lirrna, oen ood was opgelegd — art. 1908 B. W., vonnis van de Arr.-R. Amsterdani. v.

19 April 1843 sqq.. sub n0. 5.

e~c*- c~^ ' • fieze bepaling, welke voorschrijft, dat elk vonnis, waarbij een eed wordt opgelegd, de daadzaken zal uitdrukken, waarop de eed gedaan zal worden, bedoelt niet alleen de vonnissen, waarbij een mrnleloire eed. maar ook die, waarbij een deelt oir e. eed wordt oncrelead.

'mi.e-Z /. Conclusie van Mr. A. W. Wiciiehs, voorafgegaan aan liet

' Reclitb. Groningen, v. 2 Juni 1854, li. B. jg. 1850. VI. lil. 385—390. t* 'f'^V f/a^l ook vermeld op art. 48 B. R., n». 18.

Niet verschijning op de oproeping tot het afleggen van den ^lt;9^' eed, moet wel beschouwd worden als weigering, doch deze weigering

kan geen verder gevolg hebben, wanneer de rechter den door eischtr aan gedaagde opgedragen eed heeft veranderd.

Arr.-R. Assen, v. lt;S Oct. 1855, W. n0. 1741, R. I! jg, 1«57, VII, p. 42.

13. De eed, die op den bij vonnis bepaalden dag door de partij is afgelegd, na daartoe door de wederpartij te zijn opgeroepen, moet als niet geschied en ongeldig worden gehouden, indien die partij niet vooraf de wederpartij, door wie zij is opgeroepen, van hare zijde kw/'/ opgeroepen, om bij het afleggen van den eed tegenwoordig te zijn.

; . 0,, Arr.-R. Sneek en niel (zooals blijkens do correspondentie in VV. no.

1710 abusi vel ijk was afgedrukt) Leeuwarden, 12 Dec. 1855, W. no. 1700.

. ■'Anders do Redactie van bet IT. v. h. It., die dit vonnis geheel strijdig /ffv- IQ1*?' 'IC1|1 lnet de quot;'et en ook de fictie verwerpt, dat hij, die den eed ilovl. ft Jquot; ? • J j moet geacht worden dien te bobben (lewciqercl.

n0 ? 7^-

ocr page 133

b-jL-a. /du-^A lt;y*~- **quot; ^ *'

', /Hwtjfr quot; y

A-i^lrOi lt;t-quot; ■*-■ L' ■ ^

' ^ü ,

' ^ f ' r ^Aquot; '• - ■- '' ■'^±^

cAj- arrrTUquot;-* „ 12J _ (I*'/ 50

Vf^r Ugt; JefQ-f-, Upjo, (A. t-quot; {Un»i. ■^■y ^ .

vóór liet eindvonnis te verklaren, en lt;liit het niet te pas komt liaar 17 -V0'1? daartoe een termijn te verleenen. ^ ,9, n'boid.

£Ï'7-i^~ t rr-yi •- * Q-* -ts*- Se o-^ ^y-,, . ^______.7 Q ■ 00

Airgt;n. nnislordaiii, v. 1(1 (Iet. l^O.nV. nquot;. 1SII. quot;

^Xo.c/c. Ty^l oi^, /igt;*. 3 ^i/T^gt;z

I.». Ue partij kan noch op den dag voor liet alleggen van den o^-oJ-Ut, beslissenden eed bestemd, noch later den eed terugwijzen, die bereids Q^~^-

bij interlocutoir haar is opgelegd te zweren. inm~~ • ^

100 '

Ait.-R. Amersfburt, v. 14 Nov. lcS5i). W. 11°. 2171, nok vcrioold snli Sy ^•~-

art. '19G9 IJ. W. 11quot;. I'1. Zio de daaraan Vónrafgegani! vonnissen van 17 •

Maart en li April 1858, in W. nquot;8. 2020 en 2171. tA -

1« Het geval voorzien bij art. 50 B. 11. is het eenige, waarin de weigering van den beslissenden eed bij redeneering mag worden -y^^—

opgemaakt.

Arr.-K. Amerstuurt, v. 17 Maart W. nus. 2020 en 2171. ' ^r r-

'yf^y^e*^,h— k-O-quot;

lï üe eed wordt geacht te zijn geweigerd alleen bij niet ver- /

schijning van de partij, aan welke de eed is opgelegd, na oproeping ^Ck-

door hare wederpartij. Heeft er, zooals in casu, geene zoodanige op- ) ^

roeping plaats gehad, terwijl ook de wederpartij volgens de eerste /yV^Jyt. tfyy-alinea van dit artikel niet is opgeroepen, dan behoort aan partijen als- /0

nog een nieuwe termijn te worden verleend, terwijl hij die geweigerd /yn heeft in het gevraagde uitstel toetestemmen, in de kosten van het incident moet worden veroordeeld. JJkamp;n

Arr.-R. Haarlem, v, 24 Dec. 1S7S. \V. 11quot;. 4338. ry~~ea3~arl, Q-»** Urrtri

t^r7n_}f IrC —gt;

iamp;. Het woord //verzetquot; in dit art. heeft niet de beteekenis van a //hooger beroepquot;, maar duidt het in het Wetboek van 15. li. gewone c ^'C 7^'

. . v CKjUUyt- t.*sTrxse4-*~*~'

begrip van verzet aan. fa ^

/ ■ - //_//gt; ' \Ls / (. Cf aAsrf AÏ rj ; rffK/

aT^'^ ^ Ait.-R. Amsterdaiii. v. 5 Jan. ISS.'i. \V. no. 4(.M± , /74,

. 4®. Onder wettig beletsel is alleen te verstaan physiekc of intelleo 1 r' c^ey^y tueele onmacht buiten toedoen der partij, waaronder niet te verstaan is de omstandigheid dat de aanwezigheid ter terechtzitting in een quot; 7^

hL-yyi- Zf//1*' quot;

nAsylo

ander opzicht schade zou lijden. * ^

__ r -f. I ■ 1/CJ7 amp; a ■£■ c*^- ■ - 2-4.4^1- / LAp^ÏJ ^

5ve^t Ktg. Scliiedam. v. IN Dec. ISSli. \V. no. r»02/i-. ///^ ^^

tüJ- '■ o'^isLm^ rj' I \ l is. hs. Urryiy^ /x^^Gerz^rc/Zc/f*^

a. ■ f/i

^ a. Dat er geene overschrijding van rechtsmacht bestaat, welke.17

, /• '■'?-- * - . . . : . eJ^cy/fajai-

v* . , — 'rt . j M- ■ . - c. H. /icc. /^.-y , (4/.gZfl.

T , 1, isrrrww —-----T' quot;S' r ,

^ teTl hetooge : ^

macht bestaat, welk

ouJh~ ■. *iv

e^_ Ve cL i ^ -I- - b-e---l-^C~

' ó */

fi-

Irt-nr-v-^ C 'lieert- d-v, ^^!tr ^ t-G uKfieP ^

rL-s~3~S'£ (P-Vr J ■ uturkP -wamp;i.

ocr page 134

;j li. ()., kan Icidun tut cassatie van het beklaagde arrest, wanneer de kantonrechter, recht doende in liet hoogste ressort in burgerlijke zaken, het ten onrechte daarvoor heeft gehouden, dat een oorspronkelijke gedaagde, aan wien bij vroeger vonnis een eed was opgelegd, door zijne nou comparitie tot het alleggen van dien eed, moet geacht worden dien te hebben geweigerd, en zulks niettegenstaande hij tot het alleggen van dien eed door zijne wederpartij niet was opgeroepen, en in het daartegen door hem gedaan verzet is verklaard niet ontvankelijk —

Art. 09 R, ()., arr. v. 5 Febr. 1847 sqq., sub O'. nu. 8 (d. II. |gt;. iii on 13), tWo ed. sub F, nquot;. 8.

b. Dat, indien de eed bij alternatief vonnis wordt opgelegd en partij Ielequot;*1 , hooger beroep voorziet, alsdan dat beroep de ten uitvoerlegging

van het vonnis en mitsdien de aflegging van den eed stuit —

/ y. J. A. M. in 't 11. I!.. jg. 1854, i». 3'lü- :«(gt;.

y r |)o vraap' i\md juris in liet geval dat bij. aan wien bij een voonvaai-delijU eindvonnis de snppletoire eed is opgelegd, van bet al dan niet alleggen van welken eed de toezegging der vordering is afhankelijk ge-' a steld, na bet vonnis en vóór de eedsaflegging overlijdt, of anderzins buiten staat geraakt den eed te doen, heeft, bij gemis van eenige stellige wetsbepalingen daaromtrent (zie v. n. Honkrt, lUh. II. li., p. 201) aan-^ leiding gegeven lot veel verschil van gevoelen. Men vergelijke o. a. de

' daartoe betrekkelijke pleitrede van Mr. .Ionostra (lieerenveen 1841);

IJtgAs v. i). Brl'GGHEN, VcrhcuideliiKj uver den ycfcclileUjliCn eed, Nedcrl.

t qdifT. Jaarh^ d. ][f. [gt;. '21 ^ sciq.; !gt;!•: PiNTu, Ihll. B. B.. ^de ged. 1ste st.. tk r ribarfv- l:!G sqq-; Ouduman, 't .V. li', r. B. H. 0iilu\, 4de ed., dl. I,p.65sqq.

uk Martini, ad art. 50 li. R., E. 4; de 129 en Mr. F. K. Penning, ad art. Daar-

^

fM*'1 K uit blijkt boofdzakelijk, dat in dil geval, naar de meening van den beer

(0V-' Jongstra, '1°. de voorwaarde, onder welke de eisch was toegewezen.

namelijk het alleggen van den eed. rechtens als vervuld moest beschouwd worden, en 2°. dat die voorwaarde in allen gevalle per aequipollen* vervuld was ol' kon worden. Dit gevoelen wordt echter bestreden door Oudeman, Xnlczinncn ut supra, op grond, dat die uitlegging alleen van toepassing kan zijn, wanneer die eed (gelijk ook hij vermeent dat behoort te geschieden) bij interlocutoir vonnis zou zijn opgelegd, doch dat, wanneer de eed bij voorwaardelijk eindvonnis is op- en, om welke redenen dan ook, niet is afgelegd, dan de voorwaarde, onder welke de eiscb toe-I gewezen werd. niet is vervuld en deze partij onherroepelijk in liet onge

lijk is gesteld, welk gevoelen evenzeer, in de boofdqnaestie althans, wordt ^ gedeeld door of. Pinto ut snpra. Df. Martini meent, dat do rechter in

ilit geval op zijne eenmaal gedane uitspraak niet vermag terug te komen.

^ gt; 1..... i ...................

ibrir J ^ 0quot; P- 21 sqq. ;

; i./r ' /(tv/'»/- -i'''- di. ii. p. 127-

ocr page 135

^ a C {hs?n^/ (P^t^ O'^C? £-*1*- xr^. ^Po ^L- O f at_^A-0

^ J-yxa. /Giw a,m amp;-C (»f -yquot; '^ ■ ^^rr f-^ f'c- - -~-p- C*PfrtF

gt;/A^. ?f

inaai' het aan ili^ erfgoimmiiii nl' aiulern bc.laiiglicldjciidcii vrij staat in ■ Zé ^

hiKigoi' boroep ccno beslissing van con andoron aard tc vragen, ui ^

vvelliclit ook, door liet middel van verzet door derden, volgons art.

vnlgg. ü. R.. bet nadeel van zich af tc wenden; welk gevoelen wordt bestreden door Oudeman, Ar. II*. v. B. R. untw., 4e cd., d. I, p. CO, op ' '

grond, dat het hooger beroep gecnc toepassing kan vinden, indien de —'

zaak niet voor hooger beroep vatbaar is, terwijl het derde verzet niet tc -z-f

pas komt, daar de rechtverkrijgenden geene derden zijn, maar in do ^ rechten treden van dc cene partij. — Ju de Ticchtsy. Adv. ut supra ,

wordt — met oen beroep op v. d. Honeut, Ildb. II. li., § 50; v. u. u°yx3cF. liRUGGiiEN nt supra. Voet, ad tit. Dig. dc jure jumndo, lib. XII, tit. 2, ' ' a0. 24, en Dai.i.oz, t. XXI, p. 2C(.1, iu tegenoverstelling van Carré, dela l'ruc. Civ., qu. 511 (die aldaar zegt, dat bet vonnis alsdan iu zoo verre moet worden gehouden voor vervallen en dc partij moet worden geacht dcliniticf te zijn in het gelijk gesteld, omdat de vervulling der voorwaarde, die de rechter daaraan verbonden had, dooi' toeval en overmacht is onmogelijk geworden) — het gevoelen voorgestaan, dat, indien de partij, aan welke de suppletoire eed is opgelegd, sterft vóór en aleer dien eed te hebben aangenomen of geweigerd, zulks dan gelijk staat met een geweigerden eed, doch dat, indien het overlijden plaats heeft net de aanneming, maar vóór de aflegging van den eed, het dan des wetgevers bedoeling schijnt tc zijn, dien voor gepraesteerd te houden; — terwijl Penning, Aant. ut supra ad art., met Oudeman en de Pinto van gevoelen is, dat, aan de voorwaarde van het vonnis niet voldaan zijnde.

de cisch moet worden gehouden voor ontzegd en er alleen dan herstel mogelijk is, indien het vonnis appellabel is.

Art. 51.

I. Het recht tot liet instellen van provisioneele vorderingen is uiel afhankelijk van de uitdrukkelijk bij de wet toegekende gevallen.

Hoewel in cam eveneens had kunnen worden gebruik gemaakt van liet rechtsmiddel der gerechtelijke sequestratie (artt. 1773, 1774 en 1775 15. W.) zoo sluiten deze artikelen andere, voor sommige gevallen meer voegzame, voorloopige, door den rechter te bevelen maatregelen, niet uit.

Air. v. 21 liini 1S72. VV. uu. 3474.

it

In gelijken zin de navolgende beslissingen: *•

Vermits de wet in dit artikel en in art. 53, nu. 8, zoo algemeen mogelijk spreekt van provisioneele eischen en provisioneele toewijzingen, zoo behoort daaruit te worden afgeleid, even als uit liet feit dat

ocr page 136

^ - c' ïnsi i eïL A-lt;ir ^ic (_ i'r~-lt;'rlt; *-

^ f /ja-SLd-pOs^ t, TT^eUjl*^ : 'o . amp; £ £e ïsoC^-t^ty % x^3-c-.

^ ^,'y .

,1/V, 51.) 134

er geeuc wetsbepaling bestaat, inhoudende de gevallen waarin alleen eenc provisioneele vordering mag worden gedaan, dat zoodanige vordering toelaatbaar is, in alle gevallen, waarin liet belang van partijen haar medebrengt.

Onder dat belang van partijen, hetwelk in een rechtsgeding eene provisioneele vordering wettigt, is niet te verstaan het bi/,onder belang van de partij, tegen welke de vordering wordt gericht, maar het belang dat beide partijen naar rechten moeten geacht worden er bij te hebben dat lt;le zaak, waarover haar rechtstrijd loopt, tot de beslissing van deze, in haar geheel blijve.

Iluf Aniliom, v. li» Nov. 1871). VV. n». 4492, K. !!. jg. 1881, A. p.'21N. — Cf. Arr.-U. Jliddclhni'g, v. 11 Sept. 1878, W. 11°. -i'iW); 11. r.ijbl.jg. 188(1, A. |(. 54, waarbij is beslist dat do rechter de bevoegdheid heelt om provi-siiiueole voorzieningen te nemen, op verzoek vim eene pai'tij ol van beiden, wanneer dit noodzakelijk voorkomt nm do zaak te bewaren, welke liet onderwerp der vordering uitmaakt.

Du bevoegdheid tot het doen van een provisioneeien eisch is algemeen en niet afhankelijk van de bij de wet uitdrukkelijk erkende gevallen, zoodat het aan 's rechters oordeel is overgelaten in ieder geval te beslissen, of er termen bestaan om zoodanige eischcn toete-w ijzen

|gt; li. v. tti'oiiin^oii, v. '1\ Oct. 1871. li. li. jg. 1872. (dl. XXII). p. 598, bevestigende vonnis Arr.-R. Appingadam. v. 9 Maart •1871, t. z. p.. on in W. ii0. 3430, waarbij nog werd overwogen dut do rechter, bij bet hoantwoorden der vraag of een provisioneele oiscb voor toewijzing vatbaar is, zal moeten onderzoekon, of voldoende blijkt van de feiten, waarop ilo vordering rust. on of do eischer niet gevoegelijk kan wachten tot do zaak ten principale is beslist; verg. I'. 11. v. Overijssel v. 8 April 183!) bij Mr. Hertzvei.m ut supra biz. i.

8. De exceptie tihi adversus me, nou eompetït actio, obsteert niet, daar waar perimdrm, in mora aanwezig is, — ongepraejudicieerd alle rechten van partijen, zou ten principale als ten opzichte der uit kraebte dier exceptie voorgestelde exceptie van niet-ontvankelijkheid — liet toestaan van een provisionele incidentele vordering tot onderzoek naar de bevinding van een gebouw, op het oogenblik van den aanvang van het rechtsgeding.

A l i .-U 's Uiige v. 20 Oct, 1843. VV. no. 44(3.

ocr page 137

lSZr-try~

O-cr^— cyCés^- amp;J~CS^SJ 'TSTX^vt'

. ófr*. /s-y^r^. ^yo? ^[Xrl/Zf

:f Er bestaan vooralsnog geene termen om de door den eischer gevraagde provisie toe te wijzen, indien de aard der koopwaar, waarover gescliil bestaat, niet zoodanig is, om een voorloopigen maatregel noodzakelijk te maken, en de bij voorraad gevraagde verkoop, door de verschillende beweegredenen, welke op den prijs van eene publieke veiling invloed zouden kunnen uitoefenen, niet beslissend zoude zijn, om daaruit reeds a priori het gevolg te doen ontspruiten, hetwelk de eischer daaruit wil doen voortvloeien, tot eene stateering van zijne beweerde schade, zoo deze gegrond mocht worden bevonden, of van de juiste waarde van het object in geschil.

Ait.-R. Amsterdam v. i Jan. 1852, IJ. 1!.. jg. 1852, |i. •ISO en '1K7, Hoewel de provisie bij de zaak ten principale moet gevoegd worden, wanneer deze in staat van wijzen is, zoo kan dit echter dan alleen geschieden, wanneer er werkelijk een principale en een provisio-neele eisch bestaat, hetgeen niet geacht kan worden plaats te hebben, wanneer op den dag der provisioneele conclusie op de principale zaak nog geene litiscontestatie tussclien partijen heeft plaats gehad.

P. H. v. N.-lloll, v. 15 Jan. IS52. Amst. Regtspr.. d. TT. p. 257—25it.

„ j

ü. Wanneer de toewijzing van rlen provisioneelen eisch te zeer zoude ingrijpen in de zaak ten principale en de rechten der tegenpartij, die hare middelen van verdediging nog niet heeft aangevoerd, zoude kunnen krenken, behoort die vordering te worden afgewezen.

Ait.-R. 's-Gravenliage, v. 22 Juni 1858. W. n-'. 1979. De lioofdvorflering strekte Imofdzakelijk tot staking en wegruiming van een aangevangen werk, dat den doortocht belemmerde, terwijl de eiseh hij provisie ten doel liad, dien doortocht te herstellen en te openen. — Verg. eene gelijksoortige beslissing van de Arr.-R, Arnhem, v. S Nov. 1858, \\. n0. 2Hi('gt;.

waarhij de provisioneele vordering mede is afgewezen, op grond dat daarbij tegelijk zon worden uitgemaakt, wat slechts hij de zaak ten

fiale beslist kan worden. / c^o,

Vergelijk ook navolgende beslissing: 1-

Eene vordering bij provisie kan niet ten onderwerp hebben de t ,^lt;uL

iioofdzaak, zelfs niet eenig deel daarvan, maar alleen prnestatiën, ban- ^

(leliiiEren of machtigingen, die geen invloed (jp de hoofdzaak uitoefenen ^ ^

quot; n at-*-

en met deze niets anders gemeen hebben, dan dat zij daarin hare aan- ^

leiding vinden. rui^ (/U.. ^ /tn.

7 Lcóesry^ C/2amp;. /Jt.'i.f (4/. 7/7quot;/'Y- ' ^ _

/7tr\si))n-(nn do. - V't-vt^ -1^1 V— 2~-rs-rrty/ a h

cfww bl - ï-tr/- ? ( a. C -I ^ quot;TCtf. f e*? A J f-'~

,^ClL.:4- /J ( tr/ ■*- - ote-O rm'. l-g-e ^ ~ 1-^ n /L te

JuL7 ,

ocr page 138

jrquot;7 Tsiru^-asi.

/Yr^- '(-*-•

.1/7. 51.) 126

(fiG. Arr.-R. Maastric.lit v. 29 April •I860, W. iiquot;. :il71. en v. 6Maart 1873.

/'tó~ ••/ -■ -23 \v. uquot;. r

Geheel in strijd met dit alles is het vonnis van laatstgemelde recht-

Joyrt-. /fiü7, hank v. 31 Jannari '1867, W. nn. 3171, waarbij is beslist, dat de gedaagde

a. bij provisie kan worden veroordeeld tot betaling van eene zekere som

' ' op rekening van wat later tiij de eindbeslissing zal blijken verscbnlcligd

te zijn.

€». De vraag of door den eersten rechter lijfsdwang is uitgesproken buiten de bij de wet bepaalde gevallen, kan niet bij wijze van provisie worden uitgemaakt, maar stelt eene verdediging ten principale daar.

P. IT. v. Gelderland, v. 13 .luni 1860, W. nquot;. 2195.

S. Een eisch, bij provisie, in casu strekkende tot expertise, mag eerst dan worden afgewezen, wanneer a priori reeds blijkt en aangetoond wordt, dat hetgeen bij dien provisioneelen eisch gevraagd wordt, volstrekt tot niets zoude kunnen leiden, en later geen den minsten invloed op het proces zoude kunnen hebben.

Arr.-R. Rotterdam, v. 3 Oct. 1866, W. no. 2931. Deze eisch werd toegewezen omdat, waar in casn van den eenen kant behoorlijke levering beweerd werd, en van den anderen kant dit ontkend werd, eene spoedige opneming der verkochte partij noodzakelijk was, om to voorkomen dal

/Q-rvamnrt l* een middel van bewijs verloren ging.

Uujl... t-fquot; o

Ici^-yvv3 De wetgever is bij deze bepaling kennelijk uitgegaan van het

/ quot; ^ f^denkbeeld van eene behandeling van beide zaken voor denzeifden

fe -yijfyyLlw ^ 0

^^^-^rechter, zoodat men tegen eene provisioiieele vordering niet de exceptie

, kan opwerpen, dat zij eigenlijk bij den President in kort geding te

, ■. , , ! 1 1 .1_______1.............

ijfuL ^r-

upqi

tc^huis behoort, zijnde laatstbedoelde procedure daarenboven nog facultatief.

K u .u*- Arr.-R. Winschoten, v. 3 April '1872. W. n0. 3538.

Eene provisioiieele vordering veronderstelt het bestaan van een ^ hoofdgeschil, en heeft tot voorwerp het verordenen van maatregelen ter

. voorziening' in ongelegenheden, welke hangende het twistgeding zouden 0 ' 0 ^

' kunnen ontstaan, hetzij om zich het voorloopig genot te verzekeren van

^ wvt-- de zaak in geschil, hetzij om zich, hangende het geschil, te doen macli-

---tigen tot het nemen van maatregelen tot behoud of verzekering van

rechten of voorloopige toewijzingen voor den tijd, die er verloopen moet tot het einde van liet geding, waaronder alzoo niet kan worden

u

uy-*-'

ocr page 139

quot;' ~~/- /-

rwl^ //^ 7 ^ y* j

r tr^^- ^ ^ia7 / uw. 5i.

y d e-r~n ï'-s— /h-c^j^, Squot; fLe^y'. OcPcnf Od. T2gt;cSC . ,Aquot;2vh

^ begrepen een vordering, ckt deskundigen zullen worden benoemd ^^» ƒƒ'-^c

tot voorlichting van den rechter, zonder dat vaststaat, dat de rechter ^

die voorlichting werkelijk zal behoeven.

Ilnf quot;s-Gravenliage, v. 30 Jan. 188'i, (ook vermeld sub art. 222 B. R.),

W. n 4992 R. Pgt;. ift'. 1882. A. ji. 38; verg. Arr.-R. Rotterdam, v. 3 Deo. 1877. R. R. Jg. 1879, A, p. 208, W. nn. 4201, waarhij is beslist dat oudor vorderingen bij provisie geene andere worden verstaan, dan die, n^f—

welke tot behoud van rechten of bevoegdheden der gedingvoerende par- fa- Ln.^aï*-tijen tegelijk met of even vóór de hoofd vordering worden ingesteld, doch ^ ^ ilie vordering zelve niet betreffen, noch ook een doel der hoofdvordering 7' / uitmaken, cf. nant. n.

/(b , t tïe-é' /-— I-O

StflcPÓ, Ut S-tf43.

Arl. 52.

I. Ofschoon eene handteekening, op een wissel voorkomende, op zich zelve niet wordt ontkend, zoo kan ze eciiter in den zin van art. 52 B. R. niet voor een erkend handschrift worden gehouden, indien tevens wordt beweerd, dat deze handteekening niet als acceptatie op den wissel is gesteld.

Wanneer dus de rechter eene zoodanige ontkentenis als ter zake niet dienende beschouwt, zoo volgt daaruit nog niet, dat er, in den zin der wet, een erkend handschrift zou zijn. daar eene ter zake niet dienende ontkentenis, zelfs niet met eene stilzwijgende erkentenis kan worden gelijk gesteld.

Arr. v. 22 Juni 1849, W. no. 1041; R., d. XXXIII, § 13, v. d. 11.. R.

R., d. X. p. 423—438, bevestigende het arr. van 't P. H. in N.-llolland. v. 22 Februari 1849, W. no. 1100: 1!. B.. dl. XI, p. 491 sqq.; idem bij arr. van 't P. H. van Z.-Holland v. 28 Mei '1845; R. d. XXVI. Sj 92.

waarbij is beslist, dat een vonnis, waarhij iemand tot de betaling van zekere som verwezen wordt, uit hoofde van een handschrift, alleen de verklaring inhoudende, van zoodanige som van den eischer ontvangen te hebben, niet moet beschouwd worden als een vonnis op een erkend handschrift gegrond, en alzoo termen tot toelating van voor-loopige executie, niettegenstaande hooger beroep, op te leveren,

wanneer dat handschrift wel door don gedaagde is erkend, doch wegens hot plaats gehad hebbende verschil omtrent do bedoeling en strekking dier verklaring van ontvangst aliunde {in canu uit oeno onder eedo afgelegde interpretatie) is uitgemaakt, welke verplichting daaruit ontstond ; — anders echter bij arr. van 't P. II. van Holl. v. 31 Maart 1841 .

Itri/l in Kcilcrl., d. III. p. 110 en 117, waarhij is heslist. dat wanneer •■r wordt recht gesproken op eene legale praesumtie. afgeleid uit eene

ocr page 140

Art. 52.)

antliontiel(p, akte, alsdan de voorlonpioo uitvoerbaarheid van liet vonnis lielioort te worden uitgesproken. — Cf. art, 52 li. R.. vonnis v. de Arr.-ll. Tie! v. 2lt;S .Inni quot;1844 sqq.

Ü. De facultatieve bepaling omtrent liet door den rechter al of niel gelasten van borgtocht blijft bestaan, ook nis liet geldt de voorloopige tenuitvoerlegging van een vonnis tegen een vreemdeling.

Ait. v. 1(1 Nov. '18(gt;(l. W. nquot;. 'i22'i. li. d. LX VI. S; i': v. n. II.. I!. I.' d. \ XIV, |i. ;!78—:i8ü.

:i. Onder de tegenwoordige wetgeving kunnen slechts in enkele hij de wet uitgedrukte gevallen (artt. ]3;i, 124 en 297 15. R.) vonnissen uitvoerbaar worden verklaard op de minuut en vuór de registratie.

Air.-li. Am sterdam v. 18 !\l(gt;i i8.',)0, IJ. Ti. j^-. 1839, dl. I. p. :i52; idem air. van quot;t P. II. in N.-Holl. v. 22 Fehr. 1849. \V. iin. KMI; R. d. XXXIII, § 11!, idem hetzelfde Hof v. 24 .Tan. '1850, \V. liquot;. 1741. — Cf. een betoog in den/elfden zin in quot;t R. li. jg. 1839, d. I. ji. 28!) sqq. en v. n. IIoXEUT, Handh. ^ 733.

-I-. Men vonnis waarbij verworpen wordt eene exceptie van incompetentie, en partijen gelast worden ten principale voort te procedeeren, kan niet worden verklaard uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande hooger beroep, vermits eene voorloopige uitvoerbaar-verklaring doelt op zoodanige uitspraak, tot voldoening waaraan de veroordeelde onwillens kan worden gedwongen, hetgeen niet bet geval is met een bevel om voort te procedeeren, dat aan hem niet kan worden opgedrongen, maar dat hij zoude kunnen verijdelen, door zich aan verdere weren van rechten te onttrekken.

Arr.-R. Amsterdam, v. Iti Ree, 1842, I!. R, ,jg. 1843, dl. V, |i. 42—47.

l'len herwissel, krachtens eene retour-rekening getrokken, is niet een erkend handschrift tusschen den houder en den trekker van den primitieven wisselbrief, in dien zin, dat bij veroordeeling van dezen tot betaling, de provisioneele ten uitvoerlegging van het vonnis, zonder borgtocht kan worden bevolen.

P. II. v. N.-Mdll. v. 2(1 ia li. 1843, Ihyl h, SrdfrL. d. IR. |i. 338 en 33!l.

lt;». Een vonnis kan worden verklaard uitvoerbaar bij voorraad, indien de eisch is gegrond op eene onderhandsche akte en de gedaagde niet verschijnt.

128

ocr page 141

o O^ OL/ïr

Of A^-K^ ! er^7

r

1 ^

anders bij vonnis ; idem Ari'.-R. Amstor-. 85—87; idem Arr.-R. Ktg. aldaar v. 3 Febr. beslissing aangevoerde in de I i'O'ji'ir ven yederl. !!2e ■ Ainsterdainsclio reebtsbeoefenaars en Goiieiroi, 1!. B. jg. 1843, d. \', p. 46; idem Arr.-R. Amsterdam, 31 Oct. 1855, 1!. B. jg. '1856, d. VI, blz. 64. waarbij echter het tegendeel heslist is, voor hot geval dat do defaillant ten tweedon male niet versohijnt na een vonnis van aanlmnding; d. Carré ad art. '135 Cod. de proc. civ. no. 57,.'.

Arr.-li. s I Inert' v. .'II Mci 1811. \Vr. no. .^HT: in u'^lijkon /in hij Oudkman B. I!. 4de ed., d. I, p. 70, en Xatez., p. 23; he I'into. /hit.. 11. R, 2dit pod,. 'Iste st.. p. Kii sqq., Scnin.i.er op art. 52; van 1!ei,i., Ilet lUiwijs, bl. 365; Uihirox ad art. 1322 C.C. on in de Itvijlxi/. Ailr. d. I. p. 127 sqq. (hoofdzakelijk op grond van art. '19'13 11. W. jis. de artt. ISO, IS] en 1X3 i). It. en alwaar men overigens de gronden in ntramque jiartcru nanwkeurij van 't Ktg. silage v. S Febr.

dam v. IS .Inli 1S43, H. li.

Ap|iingadani v. 18 Jan. '1855 1855, W. liquot;. 1631, zie liet

; vindt ontwikk 1841, W. no, 177 Jg. 1844. d. VI. i \V. nquot;. 1(130 on tegen deze laatsti

in ile

Vorz. in ilo

noot t, z, p, - voorts gt;1. 146 vnlgg,, door eeniglt; conclusie van Mr. M. 11.

S, Niet voor alle erkende onderhandsche akten wordt in art. 52 15. R. de voorloopige ten uitvoerlegging gelast, maar alleen voor zoo verre onderhandsche stukken betreffen, erkende hanchchnflen, waaronder onderhandsche eenzijdige schuldverbindtenissen moeten verstaan worden, te meer blijkbaar, daar men het daarvoor moet houden, dat de Nederl, wetgever door handschrift ook hetzelfde heeft bedoeld, als de in art. i 35 G. de Pr. Civ, voorkomende promesse, in de Nederduitsche uitgaaf ook door handschrift overgezet,

Arr.-R. Tiel. v, 28 Juni 1844. li. li, jg,'1846. d, VIII, p, 317 en 318; anders bij vonnis der Arr.-R. Amsterdam v, (3) Jan, 1853, \V, nquot;, 1402, naar luitl waarvan uit een copiolijk geregistreerde conventie van partijen, evenals nil de copie van een tnssclien partijen erkend handschrift, do toepasselijkheid van art. 52 B, R, ontspruit, en bij vonnis van do Arr,-R, 'sHagov, (i Juni 1854, \\, n'gt;, I.gt;I6, waarbij is beslist dat, indien do gedaagde zijn handschrift, staande onder een bilateraal contract (nmtrent de strekking en den zin waarvan echter in rasu tusschen pai'tijon groot verschil bestond), niet hoeft ontkend en dit mitsdien als erkend moet worden aangenomen, de voorloopige tenuitvoerlegging van dit vonnis, niettegenstaande hooger beroep, volgens de bepaling der wet moet worden bevolen (hetgeen ia casu zonder het stellen van borgtocht is geschied).

Vgl. ook hiermede meer in den geest van het vonnis der Arr.-R. Tiel, een arr. v. 't 1', 11, v, Z.-Iloll. v, 28 Mei 1845, R., d. XXVI, § 92, waarbij is beslist, dat de bedoeling van don wetgever bij de bepaling van art, 52 I!, R,, handelende over de verplichting om bij het vonnis de voorloopige tenuitvoerlegging, niettegenstaande hooger beroep, vrij te laten, geene andere kan geweest zijn dan den rechter te verplichten

Mr. . van Rosskm Hz., Buyy. Itcchlsv.

ocr page 142

./ ^ 1 ^ r yy, , ^

/(£. uJ-— VtT»- ^ ^\.-i • ----- p 'quot;Z- ' V^^ic.

c_ ' --— / gt;-T^' ~ 1-^-* /gt; * ^7 Sf,

Art. 52.) ' ';!,) .., 'jtrr,

. om door hetgeen voorkomt in do door hem opgegeven en in die vormen

n en-'/owci- hswcl, vervatte acten en geschriften, geheel en al als buiten geschil, en, zoolang Mu^rr- ii het tegendeel daarvan niet zou bewezen worden, voor waarheid aan te

c, ^ / nemen, en daarop onverwijld, des gevraagd wordende, juridieke gevolgen

toetepassen, waartoe de inhoud dier stukken aanleiding geeft.— Zie verder LrwMise, aj— (|Ye]. (je vvaag^ wat onder «erkend handschriftquot;'is te verstaan, het vonnis der

-^t ëcZii Arr.-R. Deventer, v. 11 Jan. 1805. R. 1'gt;. ,jg. 1865, p. 117, waarbij is beslist dat onder erkend handschrift bedoeld schijnt te zijn een erkend cht-rr-r ^amjgejji-jft^ afkomstig van den schuldenaar zeiven, hetwelk de onrnid-

sLq-w t*-1- dellijke oorzaak is der schuld, en het bestaan der schuld als bijkans

^ ontwijfelbaar stelt, als hoedanig een orderbillet door een lasthebber 1-o-rr^i-L'' 'W c/P--- V00j. fifin gedaagde afgegeven, niet is aanteinerken. ('f. art. -Vi I!. 1!.. u~c,nj-^ . arr. v. 22 Juni IS-W sqq., sub nquot;. 1.

lt;1^7^ c(jL~ _

Verheliik ook ten aanzien van deze vraat? de navolgende beslissingen :

l 't l XAasu- ' ■ ƒ

1nrn.-ut-d yi Aan de in dit artikel voorkomende woorden: werkend handschrift' i^rT— kan niet de beteekenis worden gegeven van een handschrift, tegen êiw i— 'r.^7 welks inhoud degeen, tegen wien men zich daarop beroept, geenerlei skyu yd- -lt;ƒ- middel van verwering heeft in te brengen, doch die woorden duiden fuy^i ty enkel aan een handschrift, hetwelk erkend wordt afkomstig te zijn van

M-tiV// ■Tlt; l-'e~ dengene, tegen wien men zich daarop beroept, of hetwelk op eene

^Arettige wijze voor erkend wordt gehouden.

/sj-rr-Lcht'-^ ^ zt-ést-, |gt; i| v. Overijssel, v. !gt;0 ï)ec. 1864, \\. n0. 2477.

^ L • Vh . -n7

Dit artikel doelt alleen op het geval, dat het erkend of voor erkend gehouden handschrift is de volledige titel der actie en dus niet , slechts begin van schriftelijk bewijs, hetwelk eerst na aanvulling met

o andere bewijsmiddelen tot staving cier actie kan dienen.

^ Ktg. 's-Gravenhage, v. 10 Oct. '1868, W. n0. 8055.

Vgl. ook het sub artt. 4S en 52 B. Ü. vermeld arr. N.-Holland.

V- V- ^Jan- '18fi2-

Zïhla* JyUit de vermelding in dit artikel van een erkend handschrift lU ° bj1/*' nevens een authentieken titel en eene voorafgaande veroordeeling bij 66,1 volnquot;s' hetwelk voor geen verzet of hooger beroep vatbaar is, en 11't de exceptioneel gewichtige gevolgen, welke de wetgever aldaar i-rx^ Stuy* op stellige wijze evenzeer aan een erkend handschrift als aan een authentieken titel en een gewijsde verbonden heeft, moet afgeleid worden, Isvurt jki£-.es~- dat de wetgever onder een erkend handschrift niet anders heeft verstaan, dan het erkende onderliandsch geschrift van art. 191:2 B. \\ .,

• f '(

cL as-J-. A/t'S'

Si (fös. j cm/ tc

ruLlt;j.ci r/V -V. A/O/ ■ /i, fa-quot;'''

ocr page 143

(AH. 52.

waarvan do bewijskracht met die van de authentieke akte gelijk staat, en dus zoodanig erkend onderhandsch geschrift, dat niet alleen tot grondslag der vordering is gelegd, maar ook op zich zelf eene schuldplichtigheid van den veroordeelde constateert.

Air.-II. Amsterdam, v. 'i Se|it. iXTO, \\. n0. 44(W ; K. II. ju;. '188(1. A. |i, 152.

Verg. voorts 1'. II. v. Gelderland, v. I!) l'ebruai'i '1840, bij mr. Hf.rtz-veld ut supra blz. '11. beslissende dat onder «erkend handschrift ' verstaan wordt datgene, waarvan niet alleen de echtheid van het bestaan, maar ook het nog in werking zijn door partijen wordt erkend.

Ken vonnis, houdende verschillende veroordeelingen, kan voor-loopig uitvoerbaar verklaard worden, gedeeltelijk met, en gedeeltelijk zonder borgtocht.

Arr.-R. Maastricht, v. 5 Oct. '1844, \\r. n0. 542; R. Rij hl. jg. 1845. d. VU. p. 495—500 en Picfjl in Xedcrl., d. IV, p. 228—2'iO.

tt. De voorloopige tenuitvoerlegging van een vonnis op grond van voorafgaande veroordeeling, moet ook dan worden bevolen, wanneer het vonnis, behalve eene vereffening van kosten, schade en interessen, tevens de uitspraak over eene incidenteele vordering van den gedaagde inhoudt.

1'. II. v. Gelderland, v. 28 Jan. 1840, W. n0. 800; Ti. li. jg. 1846, d, Vlll. p. 480—489. Zie voorts over do bctcokenis van »eonc voorafgegane1 veroordeelingquot;' in dit art., de conclusie van den proc. gen. hij het P. 11. v. Overijssel, in W. n0. 2077, die daarop neerkomt, dat daaronder wel niet anders te verstaan is, dan het geval, dat er bij de executie van eene vroegere veroordeeling zwarigheden rijzen, die hij een later vonnis worden uit den weg geruimd; zie voorts P. H. v. Overijssel, v. 27 Mei 18;!9. bij mr. Hertzveld ut supra bl. 3, beslissende, dat om voorloopige uitvoer-baarverklaring te kunnen vorderen op grond van voorafgaande veroordeeling bij een vonnis, dat vonnis tusschen dezelfde partijen gewezen moet zijn.

to. Het vonnis, waarbij een voogd, op het verzoek van een toe-zienden voogd, wordt veroordeeld, om de effecten van zijne pupillen in inschrijvingen te beleggen of te doen beleggen, kan, wanneer uit een erkenden authentieken titel (in specie eene authentieke acte van scheiding) wordt geageerd, uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

Arr.-R. Amsterdam, v. 30 Juni 1840; R. B. jg. 1840, d. VIII, p. 554-559; U., d. XXX V, § 104. — Cf. artt. 430 en 450 1!. \V.. vonnis van dezelfde Arr.-R. van denz. datum, sub nquot;. I.

ocr page 144

\rt 52.)

1 I. Niet enkel een authentieke titel of een erkend handschrift, waaronder is begrepen noch het proces-verbaal van ondervraging van eene der partijen, noch in casu eene overgelegde rekeningcourant, maar ook de erkentenis van gelden onder zich te hebben, welker saldo door verrekening nader moest blijken, geeft aanleiding tot provisioneele ten-uitvoerlegging, doch met borgtocht.

1'. II. v. X.-lIolt., v. 15 .tnli 1851, W. li0. liKvi; idem Ktg. (Irave. v, 27 Feb. 1843. \V. n». 455, waarbij, met betrekkiliquot;' tot eene vorderiiif!-. welke alleen gegrond was op eene bekentenis, tacilc de executie bij voorraad zonder borgtocht is bevolen.

I. lt;5. Ook dan, wanneer in een arbitraal vonnis niet is gelast de voorloopige tenuitvoerlegging, uithoofde dat vonnis, volgens artt. 641 en (148 H. 11., voor geen verzet of voorziening in cassatie vatbaar was, en ook het hooger beroep daarvan niet alleen door partijen niet was voorbehouden, maar zelfs uitdrukkelijk bij de acte van compromis uitgesloten, moet de Rechtbank (die tengevolge van gedaan verzet is gesaisisseerd en voor wien, ingevolge art. 652 B. R., casu ([uo de eisch tot vernietiging van de arbitrale uitspraak moet worden gebracht), bij verwerping van het gedaan verzet, zoowel met betrekking tot het exectitoire, door den Voorzitter der Rechtbank uitgevaardigd, als tot de handhaving van het arbitraal vonnis, de dadelijke uitvoerbaar-verklaring van het vonnis uitspreken; zijnde de bij art. 52 opgelegde verplichting of toegekende bevoegdheid in geenen deele uitgesloten, wanneer diezelfde verplichting of bevoegdheid niet bestaat bij eene vroegere veroordeeling.

1', li. v. Gelderland v. 20 Dcc. 1852, \\. nn. 1424; 1!. 1!. jg. 185.'i. |), 324 en 325, te dien aanzien vernietigende een vonnis van de Arr.-R. Arnhem, v. 4 Nov. 1852, naar luid waarvan de Uecbtbank in dit vonnis geene bepaling mag stellen, welke in de arbitrale uitspraak niet voorkwam.

IS Een eisch tot voorloopige tenuitvoerlegging van een vonnis moet (als zijnde de toewijzing daarvan ten eenenmale overbodig) worden ontzegd, indien een authentieke titel de uitvoerbaarheid bij voorraad gebiedt.

J'. II. v. N.-lloll. van 15 Jan. quot;1854. VV. ie, '1538; iilem liij df. I'ixto.

ocr page 145

(Art. .■)£.

//'//.. 2ile ged., Lsto .s(., 2df druk. p. lli'i (I). Dei schrijver treedt aldaar in een onderzoek, en beantwoordt, in strijd met Caruk, Qu. 583,

bevestigend de (m. i. zeer betwistbare) vraag, of de rechter, in cas van art. 53 I!. R. (en mitsdien wanneer de voorloopige ten-uitvoerlegging facultatief is), de ten-uitvoerlegging bij voorraad kan bevelen, ook dan wanneer zij door de partij niet is gevraagd (2), hoofdzakelijk op grond,

dat de wet geeue conclusion der partijen met nadrukkelijke woorden vordert, en er in ieder geval, aangenomen zelfs dat de rechter, zoo doende.

nhrii jftitn zou handelen, er, met het oog op de artt. 54, 351 en 352 II, I!,, voor de veroordeelde partij geen rechtsmiddel bestaat tegen eenc (in de gevallen o, a. voorzien bij de artt, 52, 53 en 315 li, Ii.) ambtshalve uitgesprokene ten-uitvoerlegging bij voorraad. Vgl. artt. 352 li. I!.

arr. van 't 1'. II. van N.-Holl. v. 16 Maart 1840 sqq. Terecht wordt hiertegen door Ouiikman, /gt;, 11., 4de ed., d. I. p. 7-4. in het midden gebracht, dat het verzuim des wetgevers, om zoodanig rechtsmiddel vast te stellen, deze uitspraak (indien die, gelijk hij vermeent, is ultra petita)

niet wettigt (I.kon). In denzelfden zin, (ten aanzien van art. 52 1!. R.)

als Mr. de Pinto. arr. I'. II. v. N.-Holland v. 3 Jan. 1862, vermeld op dit artikel en art. 48 B. R. — Anders van Honf.vai, Fauuk in JS. Bijcir. XVI.

hl. 243 en volgg., lt;li(^ de argumenten van Mr. nr. I'into wederlegt,

alsmede bij vonnis der Arr.-R. v. Brielle v. 23 l'ebr. 1877, W. n0. 4097;

zie ook Cii.u vkai' op Carré, qu. 1666.

f-I. De ouderteekeiiing van een lasterlijk artikel in een openbaar dagblad, stelt, in den zin der wet, geenszins daar zoodanig erkend handschrift, als kennelijk bedoeld wordt bij art. 52 li. li.

Arr.-U. Uotterdam v. 7 .luni 1854. VV. n0. 1597.

I ö. Eene eigejidomsacte, in het proces tot ontruiming van den /6./2

eigenaar teffen den bewoner van ziin huis overgelegd, kan de provisi- ^

oneele tenuitvoerlegging van het vonnis, gelastende de ontruiming,

tengevolge hebben. ^ ;i /^0*'

Arr.-R. Zierikzee, v. 21 l'ebr. 1854. VV. u0. 1756.

II». Het compromis, waarbij de in casu ex art. 657 I?. R ingestelde

Cl) tk meen de juistheid van dit arrest en van het gevoelen van den heer dk Vin to te moeten betwijfelen. Uoe toch laat zich in dien zin verklaren het woord „bevolenquot;, voorkomende in art, 351 li. R, ? Vgl. ook art. 331 B. 11., vonnis van de Arr.-R. 's Bosch v. 26 Juni 1850. (Leon).

(2) Art. 22 van het Kon. Besluit v. 11 Jan. 1840 {Sthl. n0. 1), waarhij is vastgesteld een Reglement wegens het hooger beroep aan den 11. R. van vonnissen in burgerlijke zaken gewezen door het Gerechtshof in Suriname, houdt uitdrukkelijk in, dat de rechter eerst dan do executahel-vcrklaring bij provisie zal kunnen uitspreken, indien die door de belanghebbende partij hij haren cisch is gevorderd.

ocr page 146

Art 52) lol.

vordering incite is toegelaten, is in dat geding als een erkend handschrift te beschouwen.

Ait.-U. Amsterdam, v. .'H Dec. IsriO. R. IS. jg. 1857,(1. \ II, Ijl. !295—~2(Jü.

1 9. liet raadsbesluit, waarbij een onderwijzer wordt ontslagen, is een authentieke titel, in den zin van dit artikel. Ue vordering tot ontruiming van het schoollokaal en de woning, die de onderwijzer alleen als zoodanig heeft in bezit gekregen, vindt in bedoeld besluit haar grondslag en kan mitsdien bij voorraad uitvoerbaar verklaard worden, ook al wordt de bevoegdheid van den raad bestreden, om dusdanig besluit te nemen.

1'. II. v. Limlmrg. v. 11! Juli 1858, W. uquot;. 'itll4.

I .*lt;. Wanneer het bestaan van een erkend handschrift nog geen onderwerp van 's rechters onderzoek kan uitmaken (zooals bij de beslissing over eene exceptie van incompetentie, terwijl het handschrift eerst ten principale kan worden onderzocht), kan de vordering tot uitvoerbaar-verklaring bij voorraad niet worden toegewezen.

1'. II. v. X.-Holland, v. H Januari i8()2, W. u0. !24ü7; li. li. Jg. ISüii. dl. XII. bl. 10—!£!; /.ie ditzelfde arrest aangehaald sub art. 40 15. U. -Verg. iu denzelfden zin, vonnis Arr.-R. Amsterdam, v. 19 Jan. '1809, W. n0. .'VI10: R. li. jg. 1870, bl.

■ ». De overgelegde jralis van brandassurantie kan in een geding over het bedrag der brandschade, geene aanleiding geven tot uitvoer-baar-verklaring bij voorraad, omdat zij voor dat bedrag niet het minste bewijs oplevert. Evenmin kunnen daartoe in aanmerking komen acten van compromis, die niet als grondslagen der vordering, maar als grondslagen der verwering zijn gebezigd.

P. II. v. Overijssel, v. *27 Januari 1873, \\. nlt;gt;. 3567.

T i

«O Voor een erkend handschrift bier bedoeld, kan gehouden worden liet door den stationchef, in dienst eener procedeerende spoorwegmaatschappij, geteekend bewijs van ontvangst, dat niet betwist wordt.

P. II. v. Gelderland, v. 5 Nov. 1873, ll. IS. jg. 1874, p. 027.

31. Eene uitspraak kan eerst dan voorloopig uitvoerbaar verklaard worden, wanneer zij berust op den authentieken titel, waarop bij de dagvaarding de vordering is gegrond.

ocr page 147

lt;. .

tS-'*

r '-'-

M ' A

■li

\TeJy-

/

H* ï

a ^ i

i

77

TJU

ZX 'Ja--rf?L

U/. H quot; !gt;2 5quot;

de subjectieve

ten processe meer geldt van den titel, dan wel

de zelfstandige

VV. n». 3380. Verg. ook ten aanzien v. Gelderland, v. 29 Mei 1850, bij mr.

II.

I 35 ^ /lt;;

rft, ^Mef- 2/ ^ ^ V7-

Mitsdien kan op liet interlocutoir, waarbij juist eene enquête bevolen •

is, om uittemaken of met recht beroep wordt gedaan op dien titel, dit artikel niet worden toegepast.

y- i

, ^ Hof 's-Gruvenhage, v. 16 Mei 1881; R. I!. ju. 1881, A, p. 218; anders , de daaraan voorafgaande conclusie van het O. M., t. a. p Vilz. 215. ^ waarbij de lievolen enquête werd voorgesteld als alleen strekkende tot nadere toelichting van den titel, waarop de vordering steunt.

Verg. hiermede arr. Hof N.-Holland, v. 4 Nov. ! S75, W. n0. 3931 ; K. li. jg. 1870, A. |i. 42 (ook aangehaald sub art. 53 IS. li.), waarbij werd beslist dat, wanneer de authentieke titel niet is de grondslag van het aan den rechter onderworpen geschil en het geschilplint mitsdien indien titel geen steun hoegenaamd vindt, maar deze alleen strekt tot bet bewijs. dat de eisclier bevoegd is tot bet instellen van de actie, de voor-loopige uitvoerbaarverklaring niet kan volgen; verg. Hof Arnhem, v, 4 April 1883 sqq. en Arr.-R, Zierikzee. v. 21 Febr. 1854 sub hoc art.

Vergelijk ook arr. 1'. II. v. N.-Holland, v. 3 Mei 1875, U. 1!. jg.l876,A. |i. 100, waarbij is beslist, dat bet vonnis, hetwelk dienen moet, om de partij tot eene verplichting te unpen, die in de overgelegde acte van vennootschap is opgenomen, bij voorraad uitvoerbaar kan worden verklaard.

Zie ook navolgende beslissing:

De wet beveelt in het algemeen de voorloopige tenuitvoerlegging //indien er is een authentieke titelquot;, waarop de eisch gegrond is. Zij onderscheidt niet, of het opvatting van den inhoud bewijskracht van dien.

Arr.-R. Utrecht, v. 20 Sept. 1871

van erkende handschriften, P. IIkützvki.ii nt supra hl. 04.

't'i. üe acte van benoeming van den eischer tot voogd over den minderjarige, dien hij in rechten opvordert, moet beschouwd worden als de titel, waarop die eisch berust.

Hof Aruhein. v. 4 April 1883, \V. no. 4899; idem Arr.-R. Ltrecht, v. 28 Oct. 1874, W. iiquot;. 3790; anders Arr.-R. Arnhem, v. 9 Nov. 1882, W. 483(5, in zoover bij evengemeld arrest vernietigd.

*lt;SJS. Zie ten betooge:

a. Dat zelfs dan wanneer een vonnis, gelijk in het geval, voorzien bij art. 590 15. li., is verklaard uitvoerbaar bij voorraad, nietteguu-

ocr page 148

/'Jrcrr, A. .

stiunde verzet, hooger beroep of' cassatie, mils stellende borgtocht, en zonder het vorderen van borgtocht wordt ter executie gelegd, men te dier zake alsdan later niet ontvankelijk is in den eisch tot nietigverklaring der executie enz. —

Ail. .V.IO ii. li., vmiius van dr Arr.-li. Anisteidani v. IS Juli -IKWsqq.

h. Dat, indien een vonnis bij dwaling is verklaard voorloopig uitvoerbaar, nielleyutslaaHde cassatie, in plaats van nïttie.cjeiistaaMle koogc.r Iwrocp, dan de tenuitvoerlegging van dat vonnis niet wordt geschorst door een hooger beroep —

Vragen van Sal. Ilri/i dooi' oüuiigc Aiustenlanisiilii' reclitsliooiifiquot;-naais, d. I. p. i;{2—l/gt;S. cu liet aldaar geciteerd unuiLgcgcvoii arr. van I 1'. II. v. N.-llidlaud. v. 'i.'i Maait 1S47.

c. Dat de verklaring van een gemeentebestuur, bevattende eenc opgave van omstandigheden, waaruit zou blijken dat zeker persoon in de gemeente woont, niet te beschouwen is als een authentieke titel, als hier bedoeld —

I'. II. v. Overijssel, v. Ü2 Juli IS.Ml. Iilj mr. JIkutzvki.h ut supia lil. I!7.

«4. Zie omtrent de vraag of de rechter, die in het geval, voorzien bij de artt. 5£ en oti B. li., zijn vonnis uitvoerbaar verklaart bij voorraad tegen bet stellen van borgtocht, reeds bij datzelfde vonnis gehouden is, den termijn te bepalen voor het stellen en aannemen of betwisten van die zekerheid —

art. (ilCi II. I;.. vuiinis van t Ktir. nI Aiusterdain v. ti!) Oct. ISr)()s(|i|. i'1' vraag wurrlt hrvestigend lifiantwuuril dnor Jlir. Mr. 11. (1. van I kvi.isüknquot; in llifini*, 3de ver/., jg. -JSTr», lgt;lz. 250 sqq.

85. Zie over de vraag of een incidenteel vonnis, waarbij een eisch of verzoek wordt afyeioezvu, bij voorraad uitvoerbaar kan worden verklaard —

:UT- v- '!•gt; 1'ec. i87(5 s(iq.. vermeld oji art. Iil5 li. li., iiij welk arrest van den lloogen liaad in teu-enstelling met liel arr. Ilfif quot;s-Graven-liage. v. 10 Jan. 1X77, li. 1!. jg. 1878, A. lt;0-1, — die viïmg wordt lieantwoord. liet Hof te quot;s 11 age overwoog, dat slechts voor hem \:ui eene tenuitvoerlegging en al/.oo van eene voorloopige tenuitvoerlegging van een vonnis sprake kan zijn. aan vvien daarliij eene vordering-is toegewezen. Cl'. Arr.-li. Ainsterdam. v. Ill Dee. 18 W. snli line art, nquot;.'i.

ocr page 149

7^Y *' ^

/fc^, e^t-. 5* ^'^\-U '■ ^/ l'/ 3;i-

,\/7. :,:gt;.

1. Door de woorden: nprocisioueele toewijzmyquot; voorkomende in art. 53, uquot;. 8, 15. R., kan niet verstaan worden het voorloopig beslissen van een rechtsvraag, behoudens nadere toepassing bij het eindvonnis, maar eene dadelijke, voor tenuitvoerlegging vatbare toewijzing (gelijk het bezit van een in geschil zijnd voorwerp, of eene vooruitbetaling van een gedeelte der gevorderde som, of iets dergelijks).

Men kan nimmer vorderen bij provisie door een vonnis gedekt te worden tegen mogelijke belemmeringen of eischen tot schadevergoeding, die vooralsnog geen het minste bestaan hebben.

Ait.-Ü. Ainstcriiain v. II) Nov. 1840. \V. no. 11',7: I!.. d. X. § ■gt;!. ('I'. art. K!(IÜ li. W., vonnis v, iIimiz. datum, sub nquot;. i). Zie nok Ait.-II. 's Ilago 'i'2 Juni 1858 sqq. sul» art. 5! II. li,

lt;2 liet vonnis waarbij, ter zake van schending der vormen, op strafte van nietigheid voorgeschreven, de invrijheidstelling van een gegijzelde wordt bevolen, kan niet gerangschikt worden onder de bepaaldelijk aangewezene gevallen, waarin aan den rechter de bevoegdiieid is verleend, om de voorloopige tenuitvoerlegging zijner vonnissen te bevelen.

Ari'.-I!. Arnhem v. 24 Ocl. ISki, \V. nquot;. I)S7.; If, li. jjj;. 18iy, d. \. |.. 346: 1!.. d. XIV. § 'ül.

CS. Het afmaken van een geheel nieuw daar te stellen orgel in eene kerk, kan nimmer als eene dringende reparatie worden beschouwd, voor welke art. 53, n0. 3 B. R. de voorloopige tenuitvoerlegging der vonnissen toestaat.

Ait.-U. Amstoi'dam. v. 18 Juli 184:!. li. li. jg'. 1844, d. VI. |gt;. 85—87.

-1-. Een vonnis, waarbij een pandbeslag voor huren en pachten van onwaarde wordt verklaard, kan niet worden uitvoerbaar verklaard bij voorraad.

Ait.-K. Amsteidaiii v. 1) Sept. 1844. 1». jg. 1 Si4. d. \ I. |».

721—724.

ö. De bepaling van art. 53, nquot;. 3, lgt;. li. is ten gunste van den eigenaar daargesteld en kan niet worden uitgebreid tut den huurder.

ocr page 150

1)7, .quot;).■) )

die den verhuurder tot schadevergoeding heeft gedagvaard, uj) grund, dat laatstgemelde aan zijne verplichtingen tiua talis niet heeft voldaan.

Arr.-R. Maastriclit v. I! April 1845, W. nquot;. OKi.

lt;i. Ook dan wanneer wordt gevorderd de ontbinding van het huurcontract ter zake van wanpraestatie, kan de voorloopige tenuitvoerlegging in den zin van art. 53, n0. 3, B. li., gevorderd worden.

1'. II. v. N.-lloll. v. (i Maart '1851, W. no. I'ili5. - lu ucilijken zin. met een benic|i up de fresehledenis van het art. (zie v. n. lloNERT, Hdh.. p. 'iOli en 204) duur Üi dkman, 4de ed.. d. I. p. 71 en iiiiplicitc dooi-nr. Mautini, ;id art. /. 'i; - andere ecbtei', op grond, dat er geene iKwilas rationi» bestaat tnssclien de door verloop van tijd geëindigde bnur, en de ontbinding van dit huurcontract ter zake van wanpraestatie. in welk lnatso' geval zich allerlei moeielijke geschillen knnneu voordoen

door I'knmng. Aunt, ad art.

lu denzelfden zin navolgende beslissing:

Art. 53 3quot;., 15. 11. heeft niet betrekking op het geval, dat tijdens het in stellen der actie, de huurovereenkomst nog bestaat, en de ontruiming eerst het gevolg is van eene op wanpraestatie gegronde ontbinding der huurovereenkomst.

Air.-R. V lïosclu v. '2(5 Kebr l^l'.l: 1!. I!. jg. 1871. d. XXI. p. a-IU: verg. in denzelfden zin arr. 1'. II. v. /.uid-llulland. v. '27 lebr. 1800. \V. nquot;. '2148.

ï. Een vonnis, houdende opheffing van faillissement kan bij voor raad uitvoerbaar verklaard worden.

Arr.-li. Anisterdam, v. HO .liini 1852; li. li. jg. 185lgt;, p. Ki.....18.

.*lt;. üe veroordeeling tot betaling van eene zekere som tot herstel van schade aan het door den eischer bevaren schip, tengevolge van aanvaring berokkend, kan op grond van art. 53, n0. 2, 15 11., zonder borgtocht bij voorraad uitvoerbaar worden verklaard. Ditzelfde kan evenzeer plaats hebben ten aanzien van de schadevergoeding voor ligdagen toegestaan, als evenzeer een gevolg der onrechtmatige daad,

o r» o 7 o o o

waarop, op grond van artt. 1401 B. W. en vlg., de geheele in casn ingestelde civiele schade-actie is gebouwd.

Arr.-R. Arnlioiti. v. 27 April 1854; I!. I!. jg. 1855, hl. 148 sqi|.

J)e wetgever heeft in art. 53, nquot;. (i, met de woorden '/en

ocr page 151

\rl. öo.

andere bewindvoerdersquot; niet alleen bedoeld de elders in de wet zelve aldus genoemde beheerder, maar in het algemeen allen, die, ten behoeve van anderen, goederen beheeren of daarover bewindvoeren, zooals de leden van een R.-C. armbestuur, die de goederen van zoodanige instelling beheeren en daarover het bewind voeren.

1'. il. v. Geldoi'laiul, \. 'üi J'eljr. 1863; 11. li. ju'. '1804. p. T:!!!.

Yergelijk ook navolgende beslissing:

De algemeene commissie van liquidatie der zaken van de voormalige wees- en momboirkamers, behoort tot de bewindvoerders, bij art. 53, n0. 6, B. R. bedoeld, aan welke het doen van rekening en verantwoording kan worden bevolen bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad.

Waar de verplichting tot het doen van rekening gepaard gaat met die tot afgifte van hetgeen de rekenplichtige onder zich heelt, strekt de tenuitvoerlegging van het vonnis, waarbij de veroordeeling tot het doen van rekening is uitgesproken en dus ook eene tenuitvoerlegging bij voorraad, zich van zelve mede uit tot die afgifte, als welke, voor zooveel het erkend saldo betreft, dadelijk na het aanbieden der rekening en voor op het debat voort te procedeeren, door den gerendeerde kan gevorderd worden.

P. 11. v. Z.-llolland, v. *2 Dec. 18rgt;7. W. uquot;. '2UW. bevestigende liet viiimis der Arr.-R. 's Hage, v. 8 Sept. '1857 t. p., Iiij welk arrest nog werd beslist, dat uit de onthefling van de verplichting tot bet stellen van borgtocht, bedoeld bij dit artikel, geenszins volgt eene vrijstelling ook van het geven dei' zekerheid van art. 590 li. 11.; zie hetzelfde arr. ad art. 590 Ij. R.

Verg. voorts ten betooge, dat ouder de benaming van bewindvoerders, ook uitvoerders van uiterste willen zijn begrepen, P. II. v, Overijssel. \. 4 Nov. 1872, bij mr. Hertzveld, ut supra bl. 'UK!.

40. De voorloopige uitvoerbaarverklaring kan ook worden uitgesproken in gevallen, waarbij de wet niet uitdrukkelijk dit heeft bepaald. Zoo volgt de bevoegdheid daartoe uit den aard der zaak en de analogie met art. 733 15. R., wanneer het geldt de opheffing der voorloopige gijzeling en der zoogenaamde saisine foraine.

Arr.-U. Alkmaar, v. Oct. 18()8. \\ . nquot;. :il20. l'it vonnis is in strijd mot dc algemeen aangenomen leer. dat geeno voorloopige nitvoerbaar-verklariug te pas komt, dan in de gevallen uitdrukkelijk in de wet ge-

Zamp;eSt -y-Osw ns-v-nÉ o-crfvC £-»

«-O- -V Tr-a-ir-r- '

TyO-rY J 2 (3 {fa-'*

1

%

3'

ii

ocr page 152

An. r,-5) i |.(i

noemd, /io ook. Uit staving liiervan, lt;)e (■..mclusio van den |iroc.-geii. Mr. van (Iokns. aangcliaald snli art. li. R- uant.

I 1.. Art 53, iiquot;. 2, kau niet worden toegepast, waar sprake is van ontruiming van perceel en niet van reparation.

i'. II. v. N.-Holland, v. 4 Nnvembcr 1875, W. no. ook aange

haald sub art. rri H. R. n0. '21.

A3. Art, 53, nu. !), kan niet. gelden, wanneer de eischer ageert

als eigenaar en dus niet eene possessoire, maar eene petitoire actie is ingesteld.

!J. II. v. N.-Holland, v. \ November 1875, vermeld suli nquot;, li.

13. Art. 53, n0, 3, kan niet worden toegepast waar nooit eenige huurovereenkomst tusschen partijen heeft bestaan.

I'. II, v. N.-Holland, v. 'i November 1875, vermeld sub nquot;. li.

t-f. Wanneer de woorden //verklaart deze veroordeeling uitvoerbaar bij voorraadquot; onmiddellijk volgen op de voorwaardelijke veroordeeling quot; 7. 7^ t()t betaling, en niet op dat deel van het dictum, waarbij den eischer

de suppletoire eed wordt opgelegd, dan ziet die uitvoerbaarverklaring / , o n ''Ü voorraad alleen op de voorwaardelijke veroordeeling tot betaling.

//) / 'Jc An'.-li. Hrielle, v. 2.! I'ebr, 1877. \\'. n1. 4097,

— De vraag of door bet woord «borgtochtquot; in art. 53 li. 1!. niet slechts persoonlijke, maar ook zakelijke zekerheid moet verstaan worden (hetgeen door v. n. Honeut, h'uyiHiilierh., p, 053 v. wordt betwijfeld) wordt ontkennend beantwoord door ()i;lgt;k.max, (Jjim. en Mvil., d. 1. p. 86, op grond dat de wetgever zich, indien hij ook zakelijke zekerheid bad willen toelaten of liet verleenen van hypotheek voldoende achtte, van andere uitdrukkingen zou hebben bediend, zooals in de artt. 152, 153, üiC) en volgg. Zoo ook Jbr. Mr. I». ('■. van Tei.ii.ingen in Theinis lide verz. jg. 11875, blz. 255 vlg. Het reglement, vastgesteld bij Kon. Hesl, v. l i Jan. 1840, Slhl. nquot;, i, wegens bet hooger beroep aan den II. R. van vonnissen in burgerlijke zaken gewezen door het Gerechtshof in Suriname, heeft allen twijfel te dien opzichte weggenomen en noemt uitdrukkelijk in art. 22. al. .'i «hetzij rcrh: hetzij pcrtiuitccle cautie.

1

J

Art 54.

I. De voorloopige tenuitvoerlegging van een vonnis bij verstek kan niet voor het eerst op het verzet verleend worden.

Arr.-ll. quot;s liosch v. 5 (let. IS'i'.t. \\ . uquot;. 115'.).

ocr page 153

{Art 51.

'i. Hoewel liet een algemeen erkend rechtsbeginsel is, dat de rechter, na eenmaal een vonnis te hebben uitgesproken, ophoudt rechter te zijn, en het gewezen vonnis niet vermag te veranderen of te verbeteren, vindt deze rechtsregel alleen zijne toepassing ten aanzien van eindvonnissen en rechtelijke uilspraken, waarbij bestaande geschilpunten zijn beslist of aan de litigeerende partijen een recht of eene bevoegdheid is toegekend of ontzegd, doch is dit niet toepasselijk op zoodanige praeparatoire en interlocutoire vonnissen, welke, om te kunnen worden uitgevoerd, eene wijziging of aanvulling behoeven.

1'. II. van Overijssel v. 7 April 1851, W. no. -1258, bevestigende een vonnis van de Ait.-U. Deventer v. 17 April 1850, W. ut supra; idem, althans imylieite, bij vonnis van de, Arr.-R. Leeuwarden v. 12 Nov. 1839, i;.. (J. VI. ^ 315. alsmede overeenkomstig de conclusim van den l'roc.-(len. in Overijssel, die daarliij deed uitkomen dat de rechtsregel: jxdici nun Heel emoidare sunm Kciitcniiain. .itiituLac sciitentiaDi iiiviiuncicivtl oflicio siio f'iinctKs esi i'l jifih'.r esse (Icsinit (zie I. ;)5 en (gt;2 II. th' gt;'lt;' jiiilicrila, ]\ri;i!i.iN, Itrji. in v. jiilt;/i;ijii:iiL Sj III- nquot;. 4, en in v. rature en I'mi.i.ii-.t. ad art. 1350 C. ('.. no. 2. § 2. en art. l il d. Proc. Civ.) voornamelijk geldt th-jimlArvc uitspraken, waarhij aan partijen rechten zijn toegekend, welke haar door denzelfden rechter niet kunnen worden ontnomen, zooals dit wordt geleerd door Ton.i.iF.n. /V. Cir. //•.. vol. \ en Ca tui k. los lois de Vorijanisation, vol. 1, p. 130; dat dit evenwel den rechter niet helet, om (gelijk dit is hegrepen hij arr. van hot Hof van Ren nes v. 10 Jan. 1813, en hij arrquot;. van het 1 lof van cassatie v. 12 Maart 1810 en 17 Juni 1850, zie Cauuê, 1. I., p. 133 en 134 en de (laz. de* Trihwiaux, nis. 262 en 7101), zonder het bijvoegen van eene nieuwe beschikking, gebreken of omissien te herstellen, waarvan de betering slechts een noodwendig gevolg is van het vroeger gewijsde en dat in geenerlei opzicht verandert; dat dit laatste te minder zwarigheid ontmoet ten opzichte van interlocutoire vonnissen, omdat, gelijk in casn, waar het gold maatregelen van uitvoering van een vroeger interlocntoir. waarhij was gelast een onderzoek naar de echtheid van handteekeningen de hoofdzaak zelve nog geheel onbeslist blijft, en geheel afhangt van do uitkomst dor te leveren bewijsmiddelen en partijen toch altijd omtrent het hoofdgeschil weder tot denzelfden rechter moeten terugkomen. — Vgl. hiermede dezelfde beslissingen, bereids vermeld sub art. 46 1gt;. K.. arr. v. 10 Nov. 1848 sqq. sub n11. 5, en do bedenkingen daarentegen van Mr. F. Iv. I'KWi\i. 1.1.

!V Zie over de vraag of voor het eerst in appèl de uitvoerbaarheid bij voorraad kan gevorderd worden —

Arr.-I!. quot;s l'iosc.h v. 20 ■luni 1850 sqq. sub art. 3.gt;l li, I!.

ocr page 154

Art. 55.

Art. 55.

1. Voor cle veroordeeling in de proceskosten mag geen voorloopige uitvoerbaarverklaring worden uitgesproken.

A it. v, 'i'i Nov. -1882, W. 4844, I!. d. CXXXII. § -IC.; v. I). II.. I!. I!.. d. XI.VTII. p. 20—30; ook vofmeld ad aft. 585 IJ. R.

'i. Art. 55 B. 11. verhindert niet eene executie van een vonnis betrekkelijk de proceskosten te beginnen, zoo lang er geen hooger beroep is ingesteld en voorttegaan totdat dit geschiedt.

Aff.-U. Auistefdani v. 21! Nov. 1853, W. no. 1544. R. d. I.V, § 82. Cf. aft. 330 11. R., vonnis van de/. Arr.-R. van 5 Jan. 1842 sqq.

Zie over het toewijzen van kosten in de plaats van schade en interessen, een betoog van Mr. A. O. in de Oprn. en Meil., d. VI, p. 85—92. waarin de schfijvef — na wederlegging van het gevoelen van BoiTAnn, C. ilc l'ivlt;l. Civ., ]). 508 (die meent, dat aft. 137 C. de IVov. Civ. en aft. 55 li. R. slechts voorzien in het geval, dat de tfiumpheefende iiartij aan de wederpaitij schaden en interessen schuldig wordt, wegens belee-digingen gedurende het proces aangedaan en de Rechtbank hem de kosten toewijst om tot vergoeding dier schade te strekken) en van Dr. Df.rnbcri;. Ahjwoks (leni Cichielc ifcs getixcincn tiinl fraiizösichcH (Avil-„,,,/ l'i'ozcssracliles (Frankf. a. M. 1840. s. 103, not. 100) volgens wien art. 137 ('. de IV. Civ. den rechter de hevoegdheid toekent, om, ingeval van eene onheduidende verwering, de kosten als schaden en interessen toe 1o wijzen, ten einde daardoor die kosten uitvoerbaar te maken hij lijlsdwauir. indien zij de som van 300 fr. te hoven gaan — doet nit-

........... (i;it het vrij duidelijk schijnt, dat art. 137 meefvermeld en art.

55 11. R. niet het vaststellen van een nieuw recht schijnen te bedoelen, hetwelk nog niet elders in de wet was gegeven, maar het recht veronderstellen als erkend, en dat zij slechts willen bepalen, dat de voor-lonpige ten uitvoerlegging, ook in dit geval, niet zal kunnen

hebben en dit het waafscbijnlijk maakt, dat men hier die gevallen op het ooquot;' beeft gehad, wanneer door eene oufechtmatige ten uitvoerlegging ol door eene ongegronde vertraging der executie aan de wederpartij kosten zijn veroorzaakt, weike in der daad schaden en interessen eener onrechtmatige daad zijn.

Ir/. 50.

Dit artikel heeft bij aft. 2 der Wet van 23 April 1870 (N/W. n0. 75) de vnl-gende veranderingen ondergaan:

Aan liet slot van het eerste lid is toegevoegd de volgende zinsnede:

142

ocr page 155

Verder is aan het artikel toegevoegd als derde en vierde lid:

•diet bedrag der kosten, waarin de verliezende partij wordt verwezen, wordt,

voor zooveel die kosten vóór de uitspraak en niet door haar zelve zijn gemaakt,

liij het vonnis bepaald.quot;

sin zaken, waarin de wet de verrichtingen van advokaten of procureurs ver-eischt of toelaat, worden onmiddellijk na het voldingen of bepleiten der zaak of na hot nemen der conclusie door het openbaar ministerie, door de procureurs en in cassatie door de advocaten, de rekeningen der kosten aan don rechter overgelegd, liij gebreke daarvan geschiedt do bepaling van het bedrag der kosten uitsluitend volgens de begrooting des rechters.quot;

I, Des rechters bevoegdheid bij art. 56 H. R. erkend, om de uitspraak over de kosten bij praeparatoire en interlocutoire gewijsden tot het eindvonnis voor te behouden, is zoo geheel onvoorwaardelijk, dat-liet geen onderscheid maakt, of die gewijsden tot het geheele geschil,

dan wel slechts tot een gedeelte daarvan betrekkelijk zijn.

Arr. V. l:{ l'ebr. -1852, \V. uquot;. I^m; It. d. XI.I, § 21; v. u. 11.. I!, It.,

d. MV, p. (17—!)!).

lt;i. Wanneer het Hof', het vonnis des eersten rechters vernietigende,

voor zoover de eischers daarbij werden verklaard niet ontvankelijk en in de kosten deswege veroordeeld, en, bij verbetering recht doende, ^

aan den verweerder zijne exceptie van niet-ontvankelijkheid ontzegt,

zonder dezen expressis verbis in de kosten, op de exceptie gevallen, te veroordeelen, dan heeft de eischer geen reden om zich op schending van dit artikel te beroepen, vermits ook dan zelfs, wanneer werkelijk deze exceptie afzonderlijke kosten had veroorzaakt, de eischer door de uitgesproken vernietiging, voor alle betrekkelijke kosten be- %

veiligd, in geen geval kon zijn gepraejudicieerd, terwijl dat dictum,

hoewel onregelmatig, toch altijd moet tengevolge hebben, dat de kosten blijven ten laste van den geïntimeerde.

Air. v. ^2 Mei 'JS.quot;quot;)!'), \\ . n gt;. 1717; v. d. II.. I». li., d. XX.p. 3i.'l—3!24.

3. Hoewel in appèl het vonnis des eersten rechters is vernietigd, zoo kan de appellant toch in de kosten van het liooger beroep worden veroordeeld, wanneer hij met verbetering van het vonnis a quo, dat

7

ocr page 156

1 tamp;-o-e£c£ch7? IA/S A-*.

/ 7\, e^s r 'U-^- ~

r

\rt. 56 A.) 141

eene onbevoegdverklaring had uitgesproken, op dezelfde gronden niet-ontvankelijk verklaard wordt in zijne vordering.

Air. v. -gt; Maart '18(1(gt;, W. nquot;. Ü77(i, U. il. I.XX\l!. f '27: v. li. II.. I!. I!.. d. NXX. p. 218—233.

Wanneer bij een geding zijn ingesteld twee onderscheidene vorderingen tot inbreng, waarvan de eene is ontzegd en de andere toe-lt;gt;■6wezen, behoort de rechter den eischer niet te veroordeelen in a/fe proceskosten, maar alleen in die op de eerste vordering gevallen.

Arr. V. I Mei -1808, W. nquot;. 3007: v. n. Tl,. R. R.. d. XXXII. ]). 340—302: I!. II. ju'. 180». p. 10.quot;).

5. Waar de rechter a quo heeft overwogen dat vóór het geding de o-edaagde niet bereid was tot betaling, en het aanbod, in den loop van het proces gedaan, volstrekt niet kon gelden als een tot voldoening der schuld leidend aanbod, maar als geheel illusoir, is die partij, zonder schending van dit artikel, in de proceskosten veroordeeld.

Arr. v. 23 iiml 1871. \V. nquot;. 3340: I!. d. XCVIII. § 20: R. II. JiT. 1872, p. 133.

lt;». Onze wet verbiedt niet 's rechters beslissing alleen over de proceskosten uittelokken.

Arr. v. 27 Doe. 1878. W. nquot;. 4334: R. d. CXX. § 32: v. n. 11.. li. 1!., d. Xl.lll. p. 42.quot;)—431 : I!. li. jg. 1879. A. p. 07 sqq.. waarl)ij liet beroep in cassatie werd verworpen tegen bot arr. Hof s Üoscli. v. 1!) Maart 1878. \V. nquot;. 4294, hetwelk bevestigde vonnis arr. 's llosch, v. 4 April '1877, W. n0. 4319 (ook vermeld op art. 277 H. li.), waarbij werd lieslist, dat do woorden: «al wie hij vonnis in liet ongelijk gesteld wordt, zal in de kosten \er-wezen worden1* niet moeten verstaan worden in dien zin, dat \eiooi-deeling in de kosten onmogelijk is zonder verklaring van ongelijk op de hoofdzaak, maar dat bedoelde woorden veeleer de uitdrukking zijn \an het door onzen wetgever gehuldigd beginsel, dat in het algemeen hij de kosten moet dragen, die ten onrechte geprocedeerd heelt, zoodat, al wordt de beslissing omtrent de hoofdzaak afgesneden, de vraag, wie de kosten moet dragen, niettemin blijft bestaan en de beantwoording dier vraag zich oplost in het onderzoek, welke partij bet proces ten onrechte beeft aangevangen of voortgezet.

Idem Hof Arnhem, v. 9 Maart 1881, vern. vonnis Arr.-li. Arnhem, v. 20 Mei 1880, W. nquot;. 4040 en 4653, in welk laatste nummer dat arr. onder den datum van 19 Maart 1881 is opgenomen: idem P. II. van Overijssel, v. 3 April 1805, W. iv. 2808; idem Arr.-R. Maastricht, v. 21 Febr. 1850, W. nquot;. 1125: idem Arr.-ll. Leiden, v. 15 Mir. 1853, W.

ocr page 157

L J. M sL-yv-^ amp;£ lef-*-. ï*.'w~U'gt;Clt;y-f ^ ^ t~.

^.'.A ____^'..A------- ——--^-vt- •-

^ / ^ ÏVycrr-a.

[d oxL.WZ- quot;Hquot; quot;Zj/*■ ' (^'''*

liquot;. 1425, vernietigd door liiornagenoemd arr. I'. II. v./..-Holland, v.-l'i April 1858; idem Arr.-R. Winsclioten, v. 21 April 1852, R. R. jü'. 1852. p.

713 sq.. waarbij is beslist dat de eiscber in cas van laster, boon of be-leediging, door liet werkelijk allegj^en door den gedaagde van de openbare verklaring, vernield in art. 1410 li. W., niet kan geacbt worden in bet ongelijk te zijn gesteld, en die omstandigheid op zicb zelve niet kan leiden tot compensatie van kosten.

Anders: Arr.-R. Zwolle, v. 23 Nov. 1864, W. n0. 2828, wolk vonnis,

dat bij bet bovenvermeld arr. P. 11. v. Overijssel vernietigd werd, besliste dat de eiscb tot veroordeeling in do kosten, als bet accessorinm van de hoofd vordering, daarvan niet kan worden afgescheiden, omdat van de beslissing der hoofdzaak afhankelijk is de beslissing, wie van de partijen geheel of gedeeltelijk in de kosten moet worden veroordeeld.

Idem Hof Z.-Holland, v. 12 April 1858. W. n0. '1956; Arr.-R. Amsterdam.

v. 23 Sept. 1850, \V. n0. 1810, R. li. jg. 1857, dl. VH, p. 278, idem Ktg!

IV Amsterdam, v. 1!» Jlei 1857, W. nquot;. 1873; Arr.-R. Groningen, v. 17 April 1874, W. nquot;. 3749, en Ktg. Winschoten, v. 13 Febr. 1855, W.

nlt;'. 1034. Cf. art. 134 R. R., vonnis der Arr.-R. Winschoten v. 21 April y /1

A O-O , . d rt ■ • i T • . - ,

lo;)i en van de Arr.-R. /lenkzee v. (gt; Juni 18.gt;4. /

%. De eischer behoort in de kosten van het rechtsgeding veroordeeld uf-.

fe worden, als de eisch hem alieen tot het bedrag wordt toetje wezen, ;/ ,

/. o o gt; /et-y.C v Z

hetwelk de gedaagde bereid is te voldoen, en het niet is gebleken, / . /

. ^ -t. t sf

dat de gedaagde daarin ooit in gebreke is gebleken. ^ 'X- a

^ Ktg. nquot;. 5 Amsterdam van 0 Mei 1845, R. li. jg. 1840, d. VIII p Wtf/ ?■

300 en 301. , , ■gt; . ' .

1 .'llf. ./•HM.ic.'WT., -VU Li lïc-c.rfél , 'K Ir-fJ.ltPqt. WA.. - r' ■

•S. Wanneer aan dert eischer zijne hoofd vordering (strekkende om

'Zf-rrSU, H 1 'K0bllt;?k.

te gedoogen de belemmeringen in het genot van het gehuurde, veroorzaakt tengevolge van liet afbreken en weder opbouwen van den gemeenen muur door den buurman), waarvan de rechtmatigheid na y ^

den uitslag van het bevolen bewijs is gebleken, en eerst ioeu door ^

den gedaagde is erkend, wordt toegewezen, kan het bezwaarlijk oncnsin bem I

aarlijk opgaan, ,iem U ^ ^

als in het ongelijk gesteld te beschouwen en als lichtvaardiaen aan- o1

«-5 J2 -X ^riz-a-

legger van het rechtsgeding te straften. r „

Arr.-R. Rotterdam v. 28 Juni 185(1. W. liquot;. 1158. •— Cf. art. 1591 li. W., vonnis van de/elfde Arr.-R. v. denz. datum, sub n0. 3.

O. Registratierechten van een vonnis van actes civil.t et judiciaires /

emportaut translation de vronriété, kunnen (met het oog on de artt

o i • t/wrtts-

ai en ;i7 der Wet van 22 Frimaire, an Vil) door het bestuur der ^ duStfJ,

registratie verhaald worden op hem, aan wien de eisch is toegewezen, ^ »w

en die eene expeditie van het vonnis gelicht heeft, niettegenstaande

Air. . Van Rosskm Cz., Dhvq. Hechlsr. in , ^ o /•

JU twr

otu* £■■ k*quot;

JJi5, US jrJf'

ocr page 158

^ ^ V-

.yo C . t-a. — (-i— /1J lt; 's? -e—r-y' l-yi~ c— 1- ^ 1-a^L J~ C^-xr^y2~ c—^ ^

a.) — • •- ^ uo

?lt; . ^ quot;^5-^

de tegenpartij in het ongelijk is gesteld en derhalve in de kosten veroordeeld.

Arr.-Tt. 'slTatro, v. -I'i A11?. i850. W. nquot;. I'HiO; 1!. P... jg. 1^5(1, il. XII. p. (v|3—722; Anisterd. Regtspr., d. 1. p. 81—88. — Cf. art. R. I!.. arr. van 't P. If. van Zeeland v. 29 Dec. 18/tt), sub Tl.

IO. Daar bij reclitsgedingen voor de kantongerechten het schrift en de handteekening van dengeen, tegen wien men zich daarop beroept, bij diens weigering om deze bepaald te erkennen of te ontkennen, niet kunnen worden gehouden voor erkend (dewijl de .xle afd., Sde titel, 1ste boek B. K., bij art. 125 van dat Wetboek voor de kantongerechten niet van toepassing is verklaard), maar de kantonrechter in dit geval daarvan moet geven acte, het stuk waarmerken en de zaak naar den bevoegden rechter verwijzen (art. 100 B. R.), zoo volgt daaruit, dat bij die verwijzing de eischer, die ten onrechte heeft gevorderd dat het schrift en de handteekening zullen worden gehouden voor erkend, moet worden veroordeeld in de kosten op die uitspraak gevallen.

Ktg. Voorburg, v. 30 Oct. 1850, W. nquot;. 1183. — Cf. art. 89 B. I!.. vonnis van quot;t Ktg. MepiiH v. (i Jan. 1853.

de

II. Eene partij, die door niet dadelijk in eersten aanleg

noodige bewijzen tot staving van hare vordering overteleggen, oorzaak

/O is geweest van de tegen haar uitgesproken niet-ontvankelijkverklaring,

de kosten dier instantie ten liaren laste houden.

cf

al, ariAJyp n v Gelderland, v. 22 Septembei' -1852, bij mr. Hf.rtzvei.d, nt supra bl. 68.

ll /cigt;cP7 18. Wanneer beide gedaagden erkennen, dat een eischer gerechtigd

[J. i-L'-rff ]s lt;,e gevorderde herstellingen te vragen en zij het alleen oneens zijn over de gehoudenheid tot het doen dier herstellingen, daar de eerste gedaagde beweert daartoe alleen verplicht te zijn, terwijl de tweede gedaagde zich bereid heeft verklaard, die met den eersten gedaagde te bewerkstelligen, volgt hieruit, dat de beide gedaagden (elk voor de heift) jegens de eischers gehouden zijn tot betaling der kosten, veroorzaakt door een eisch, waarvan de gegrondheid door elk hunner,

ocr page 159

^ IAtX^S c/u^y QJLsVt, c^-^7 lt;'ejtsx. c/^ -6^ amp;Ct, l/y^^ £JL^£--^

P%(A^amp;L lt;2-— 4— ^^/y-amp;^-' ISO^-^ 1*-^a^ t-x*ej ' .-£ e9~*^~-

c^i^^cju^y rT v^ot- rz^ as^.yn tès.

t(plt;MP U/ 5êaj . quot;ue^lj,. ^Cen-trvM- }^ IV /^ 3 2 .,^ ,

wat hunne gehoudenheiil tot liet doen der vereisclite herstellingen betreft, niet is betwist.

Arr.-Pi. Maastricht v. 20 Mei -1854, W. n0. \59quot;).

I .'l. Wanneer het Hof vernietigt bet door de rechtbank in eersten aanleg gewezen vonnis, hetwelk vernietigde een door dezelfde recht- A /

bank in dezelfde zaak gewezen vonnis, waarbij met reserve van kosten'^

*y1\

. V y.

een partij is toegelaten als tusschenkoraende partij, met last aan partijen om gezamenlijk voortteprocedeeren, kan de hoogere rechter •u'^

ten aanzien der kosten, die in eersten aanleg tot den datum van het eerstgemelde vonnis zijn gevallen, geene bepaling maken, terwijl de uitspraak over die, welke sedert in eersten aanleg zijn gevallen of nog rfe ,gt;

zullen vallen, aan de beslissing des eersten rechters, waaraan de ver-dere behandeling der zaak bij dit arrest wordt verwezen, moet worden gt; • lt;-z'/»-

overgelaten. ■quot;r^-

De kosten, in hooger beroep gevallen, kunnen echter niet worden ,/r~' begrepen onder die, waarover de eerste rechter bij de eindbeslissing ,7

//I t?~n A G.

der zaak ten ])rincipale kan uitspraak doen, vermits de rechter in ^ \

eersten aanleg niet bevoegd is te oordeelen over kosten, die in appèl Uri c.x,,

zijn gevallen/ t Ai '

Op grond dat de geintimeerde zich niet verzet had tegen de tusschen-komst van den appellant, maar gevorderd had, dat de kosten ook in quot;Lquot; quot; j

njipM zouden worden gereserveerd, compenseerde het Hof de kosten 7«quot;^-

van het beroep. ^

^ y^-t'. tSfC

Arr. Hof N.-llollaml. v. '14 Sept. -IRVk U. li. jo-, -IsnCi. d. VI. blz. \ f ^ ^ en W. no. 1028. ^ quot;V™-

j Z' ,

i ■ De kosten van het geding tot scheiding en deeling van een t/ct-cCe/w^ ^rf— gemeen goed moeten komen ten laste der gemeenschap, wanneer zij niet kunnen worden gebracht ten laste van eene der partijen, waarvan ■

de eene is in het gelijk gesteld en de andere geen tegenspraak tegen de vordering en geen verzet tegen de scheiding heeft gedaan.

£.Cls /Cry-^- t •

Arr.-Ti. Amsterdam, v. 28 Nov. '1854; 11. Ti. jjr. 1850. dl. VI. lil. 25. -gt;/

/CaJ L/

IS. De kosten tot herstel van een verzuim (in ca.m het bepalen ' - ^ van den termijn, binnen welken de zekerheid moet worden aangenomen ^

of betwist, bij executabel-verklaring bij voorraad) behooren hij niet-

ocr page 160

Art. 56 A.) 148

betwisting, niet te komen ten laste der wederpartij, wanneer de verzoeker zelf, door zijne conclusie, die eenvoudig tot executabel-verklaring bij voorraad strekte, aanleiding tot verzuim gegeven heeft.

Air.-R. Amsterdam, v. 17 April *1850; R. B.jg. 1856. dl. VI, bl. 305—.ogt;07.

14». Wanneer van verschillende gedaagden, sommigen eenvoudig toegestemd hebben in den mede tegen hen ingestelden eisch, moeten deze, wanneer die eisch wordt ontzegd, te zamen met den eischer in de kosten worden veroordeeld.

Aiï.-R. Utrecht, v. 0 April 1856, W. u0. 1758.

13. Bij een vonnis dat eene einduitspraak bevat, al kan het ook misschien tot eene eventueele scheiding en deeling leiden, kan de uitspraak over de kosten niet worden gereserveerd.

Arr.-R. Groningen, v. t27 November 1857; R. li. jg. '185'.(, dl. IX, bl.

578—584.

■ Een gedaagde, die tot niet-ontvankelijkverklaring of ontzegging heeft geconcludeerd kan, in geval hij in het ongelijk wordt gesteld, de veroordeeling in de proceskosten niet ontgaan, omdat hij bij zijne conclusie de woorden heeft gevoegd: «tenzij de eischer zijn beweerd recht volkomen mocht bewijzenquot;.

1'. 11. v. Overijssel, v. 1 Febr. 1858, bij mr. llEimvEl.luit snpra, bl. (10.

1 Wanneer de gedaagde de exceptie opwerpt van incompetentie des rechters op grond dat de berekening van de in de dagvaarding ingelaschte specifieke rekening niet volgens liet stelsel van maten en gewichten, bij de wet van 21 Augustus 1816 [SM. nn. 34) gehuldigd, heeft plaats gehad, en de eischer diensvolgens zijne vordering wijzigt, dan kan de gedaagde excipient niet, maar moet de eischer geexcipi-eerde in de kosten verwezen worden, al wordt de wijziging door den rechter aangenomen, en de exceptie verworpen.

Ktg. liquot;. IV Amsterdam, v. 1 .Tiini 1858, W. nquot;. 107!!.

8 O. Ofschoon in den regel de kosten, veroorzaakt door schorsing van den loop van een rechtsgeding, met de daarop volgende procedure tot hervatting moeten worden gereserveerd tot de einduitspraak, moet

ocr page 161

'2/7?~fL' 2''' ^^ iy''^ ^ t'f-s:' f 'f!:' '^?.' -^- ^ 'I* ' f*-* f't*-*'?}

o ^Ltrrgt;T~LStTs' /* ITXsy^ °lt;JL. '■1-4--'^ a@~*

/■^ Q ^. fy ■' / r' — ujrt- 're- ■■quot;' : '' amp;, '.f-'tT'f'S'a ■■ lt;?quot; J-T-t- i '^~ -- ^ ^

14.!)

^ z s y s'S - ' - ^

Arl. 06 A.

die iiiirtij, die tot liervuttiiiy is verplicht, wanneer zij, door niet dadelijk hij hare procureurstelling het rechtsgeding te hervatten, oorzaak is van de sedert ounoodig veroorzaakte kosten, tot betaling dier kosten worden veroordeeld.

Arr.-U. Appiiigcdam, v. tili Uec. 1858, VV. uo. '2083.

ït. Waar schadevergoeding in rechten gevraagd wordt, alleen omdat partijen zich niet omtrent het bedrag kunnen verstaan, kan geenc der partijen gezegd worden in het ongelijk gesteld te zijn en behooren de kosten, noodzakelijk om tot debat en fixatie van den schadestaal te geraken, gedragen te worden door dengene, die op het eigenlijk punt in geschil (het bedrag der schade) zal succumberen.

Air.-R. Anisterdaia, v. 21 Dcccinber 1859, W. ii». '2184. lt;8 lt;ï. Wanneer erkend is, flat men vóór de dagvaarding mondeling tot betaling van ii comptant verkochte goederen is aangemaand, is het beweren, dat men daarvan nooit eene rekening heeft ontvangen, benevens bereidverklaring om alsnog de gevorderde som te voldoen, niet voldoende om eene veroordeeling in de kosten te ontgaan

Ktg. Amersfoort, v. 1(1 .Tim. 18Ü0; U. IJ. jg. 181)1, dl. XI, hl. 58—50. lt;83. Hij die verklaard wordt vermoedelijk overleden te zijn, mag niet in de kosten van het proces worden veroordeeld.

A it.-I!. Amorstbort, v. 150 Januari 1861; It. 1!. jg. 18(53, dl. XIII. hl. 181—182. Anders S. M. in R. 1!. t. a. |gt;. hl. 871—874 ••n Arr.-li. Kutterdum, v. 13 Fohr. 1856; li. li. jg. 1856. [i. 264 sqq. Verg. muil. 4 op art. 523 li. W.

«4 W anneer een rechtsgeding in strijd met de wet is voortgezet, dat tengevolge van de bepalingen van artt. 254, 255 en 356 15. U van rechtswege was geschorst, dan moet die partij, die het geding heeft voortgezet, in de kosten, voor zooverre deze na de schorsing zijn gerezen, worden veroordeeld.

Arr.-R. liriollc, v. 13 Septcnihor 1861, W. ii0. 2320.

'iü. Ook ten aanzien van gedingen voor scheidslieden geldt de regel, dat de in het ongelijk gestelde partij moet verwezen worden in de kosten, onder welke dan slechts niet begrepen zijn de kosten van rechtskundigen bijstand, daar advokaat en procureur niet qua talis voor arbiters verschijnen.

ocr page 162

,W. 5G A.)

Uiu regel wordt /« niet buiten toepassing gesteld door de be

paling van liet cotupromissoire beding, dat scheidslieden zullen beslissen zonder vorm van proces, daar dit beding wel ontlieft van de naleving der vormen van de gewone proces-orde, maar de regel omtrent bet betalen der proceskosten niet van den vorm, waarin bet geding gevoerd is, afhankelijk is.

Arbitrale uitspraak van Mrs. A. linuciMANS, A. C, Cos.man en Aug. ruil.U's, v. 28 Oct. •1801, \V. no. l2:!21 .

««. iu geval van vernietiging in boogcr beroep van een ambtshalve onbevoegd verklaring des eersten rechters, kan de oorspronkelijke gedaagde (geintimeerde) die in geen der instanticn 's rechters bevoegdheid heeft betwist, niet geacht worden in bet ongelijk te zijn gesteld, en behoort elke partij haar eigen kosten te dragen, zou in eersten aanleg, als in hooger beroep.

A it.-It. Alkmaar, v. 'iü Nuv. 18(52, R. I!. jy. 18Uo, dl. XIII. hl. UJo—(HO.

'iZ. Zoo de gerendeerde den rendant noodzaakt tot het maken van gerechtskosten, die, bij bereidwilligheid van den rendant om de verlangde rekening af te leggen, hadden kunnen vermeden of voorkomen worden, — is het volstrekt billijk, dat de alzoo door hem veroorzaakte kosten voor zijne rekening blijven en bestaat er geene reden om die ten laste van den opgeroepene te brengen.

Arr.-R. llotterdam, v. 20 Mei 18(gt;3, W. nquot;. 2517.

De bepalingen betrekkelijk de veroordeeling in de kosten zijn beperkt tot eigenlijk gezegde rechtsgedingen, welke, door een in het openbaar uit te spreken vonnis, ter rolle worden uitgewezen, en zijn geenszins toepasselijk op gerechtelijke voorzieningen, ter raadkamer uitgevaardigd.

Arr.-K. Gorincheni, raadkamer v. 27 September 1864. W. u0. 2822.

3W. üe kosten van een kort geding tot schorsing eener executie door den president gereserveerd, komen bij de einduitspraak ten laste der verliezende partij.

Arr.-R. Zwolle, v. 13 Januari 180-4, VV. n0. 2062.

SO. De appellant, die in eerste instantie door eigen verzuim is in

ocr page 163

c£ov1 tA- Z '^i- Jt^4 C'k' Ctr^ CJi^ * ^ ^Tr£^

pTré-Jy^ayp*. . ó lc, , Ly4wf -Z-tf

^ --- (.4r/. 56 A.

^ oiP£i* jt-' ^Go^.

het ongelijk gesteld, moet, alhoewel het vonnis a quo wordt vernietigd,

in de kosten worden veroordeeld van het geding in eersten aanleg, die,

voor de beteekeuing van het vonnis gevorderd, daaronder begrepen.

1'. II. I (rente, v. 15 Doc. W. n0. '2942. U 'quot;

34. Wanneer de gedaagde behoorlijk in mora gesteld is, moet hij lt;

in de proceskosten veroordeeld worden, ook wanneer de rechter den ^

t i 1- i

geflaagde alsnog eenen termijn verleent om aan zijne verplichtingen ie

voldoen. De in mora-stelling is behoorlijk ook clan, wanneer de termijn

daarin gesteld wel te kort is om aan de sommatie te voldoen, maar

feiUlijk die termijn van langeren duur geweest is. zt^a9°^''iUjU'

• cw s-

An'. li. Aincrsl'üoi t, v. 29 Januari 1808, W. nquot;. :!0t2O. ^

7?0gt;.

n*eamp;7ï.

y i' i f. C. ■n quot;t

' ¥

XJL^cJL*

T

[

Kj ek-

A it.- K. v. lireda, 8 So|il. 18(18, VV. nquot;. :i0rgt;8. nwfeO. . y° ^

Idem bij vonnis der Arr.-R. Rotterdam v. 9 Febr. 1881), \V. ii'j. 4485,

I!. Igt;. js'. 1881. A, p. 224, waarbij door gedaagde hij antwooidbetgovor- , quot;

derde was aangeboden; idem Ktg. Groningen 21 .lannari I85t'), W. uquot;. y '

1840; in den/elfden zin Rajlsycl. Adv. VIII, p. 102. rl*-c-. u*. eamp;u At,

Idem liij vonnis Ktg, pl. 's Gravcnliage, v. 10 Sopt. 1880. \V. nquot;. 454o, ^ vvunu oLojJU. waarbij word beslist dat de gedaagde — terwijl niet Wijkt van oono in mora-stelling — dio do betaling van eene opoisebbare som uitstelt, totdat c*tt-cffy- . die betaling wordt gevorderd, niets onrechtmatigs verricht, en dat der- y / y halve het aanbod dei' gevorderde hoofdsom zonder renten, tor terecht- J zitting aan den eiseher, onmiddellijk nadat voor bet eerst de betaling f4yigt; der o])eischbare geldsom door den crediteur is gevorderd. ïmi voldoende moet worden geacht èn tijdig is gedaan. crtr^-

Anders bij vonnis Ktg. Arnhem v. 3 Januari 1871. W. u0. 3292, ^ ^

waarbij werd overwogen dat waar rauwelijks gedagvaard is, de boofdsom 6 ^ t-n*-meer zonder de kosten kan worden aangeboden, maar dat, waar de _£c~c ./ƒÖ:Z-1 l(, zachtere weg is gevolgd en eene sommatie vooraf is gegaan, do ge- e 25- uAamp;

. ~ daagde van alle kosten bevrijd is, als het blijkt, dat hij op die sommatie

/ ,/■ de hoofdsom hoeft aangeboden, welk aanbod tor terechtzitting wordt ^72 herhaald. ,

/ifr^aV- Dat de voldoening van de gevorderde hoofdsom zonder de kosten, ol'

C hot gerechtelijk aanbod van dien, nog vóór den dienenden dag geldig kan

lunrSeJoo-n 6 ^1

3lt;S. Wanneer de gedaagde op den dienenden dag verschijnt en hij verklaart bereid te zijn, aan al wat van hem gevorderd wordt te voldoen, kan bij, tenzij hij zich in gebreke mocht bevinden, voor geene proceskosten aansprakelijk worden gesteld, maar moeten die door den cischer worden gedragen, *

geschieden, wanneer men te voren niet in gebreke is gesteld, is beslist gt;7-1-,, erft- t-gt;~ bij vonnis der Arr.-R. 's Hertogenbosch v. 21 OctoVjer 1868, R. B. jg. Lcn/(tA^_u^rv^((u^

i- U~

ft ^rcri^O-^ , exJX-,

S /

cs

y/b. ^ / tj rb f //(. ft

! i

ocr page 164

^ ^ r? f '-— T^ji^lt;—Ü-— ; r ^ t^^-n A.

/rr^- r^~ ^ lt;'.--e^?Jlt;. lt; ^ , e^-c^ ^^-J» ^ ^ -^quot; 7 -2— amp;0 ^ ' -—- S-t^ .

^ „ [li :,'i A) , 152. v z ^

//p ^-eJ~rrrlt;-• c n . .f_^ -^l v jl^^-es^e^- lt;---ce^ ^— ,

INTO, lilz. IHi; imi v. II! Nov. IiS()S. I!. I!. j^. 1870. |i. 148; zie (ink het vonnis ilei-zoHVIo Itoclitii. (lil. I!() Sept. 18((8, If. I!, ih. p. 144; vorg. ook vonnis der Air.-R. Anislcnlain v. li April 1871, VV. nquot;. .'Ï.'i47, waarbij is beslist, dal vorniits hot exploit van dagvaarding ook als in inorii-stelliug- te be-schouwen is, de gedaagde door niet vóór den dienenden dag te betalen lt;i( reëel aanbod le doen, in de proceskosten moet veroordeeld worden: van welke veroordeeling de bereidverklaring bij conclusie van antwoord niet bevrijdt.

/jiu in verblind hiermede navolgende beslissingen:

l)c gedaagde die bij het exploit van dagvaarding vooraf tot betaling gesommeerd is, en in gebreke is gebleven de som aantebieden, die liij ter terechtzitting bereid was te voldoen, behoort, niettegenstaande dal aanbod voldoende wordt verklaard, een deel der proceskosten te dragen.

Ktg. 11°. 3 Amsterdam, v. 13 Nov. 1871, R. li. jg. 1872, dl. XXII. p. i2li.

Wanneer er slechts één dag is verloopen tusschen den verschijndag van den huurtermijn en de gedane sommatie, en de gedaagde heeft in den avond van den dag, waarop de sommatie is gedaan, vruchteloos getracht het verschuldigde aftedoen, en eindelijk nog, voor den dienenden dag, bij deurwaarders-exploit hoofdsom, renten en kosten heeft doen aanbieden, bevrijdt dit aanbod den gedaagde van de proceskosten, behalve van die der sommatie.

Ktg. Groningen, v. 21 Febr. 1870, VV. nquot;. 1l(i;!.

ttü. De kosten eoner in mora stelling kiimieii onder de ten laste van (1(3 verliezende partij komende proceskosten worden gebracht, wanneer die in mora stelling tot liet rechtsgeding behoort.

Ktg. 's (iravenbage, v. 23 Aug. 18G9, W. li'. 3207.

!ï-l. Wanneer een schuldeischer in een faillissement niet op de verilicatie-vergadering, waar hij zich aanmeldt, maar eerst in het geding, volgende op het renvooi zijner vordering naar de rechtbank, de hoegrootheid zijner vordering rechtvaardigt, moet hij, niettegenstaande de juistheid van de hoegrootheid zijner vordering in het geding erkend wordt en die hoegrootheid overeenkomt met zijne oorspronkelijke op-gave ter verilicatie-vergadering, in de kosten van het geding worden veroordeeld.

Arr.-R. Amsterdam, v, 4 Nov. 1S0U. \V. nquot;. 3488.

ocr page 165

s~ ^

C^e-» cQv^ --. -P-r-v-

(.1/7. 56, A.

CA-Tx^/ ^■Ccx.-r-c^Se,--- ^^7 _ f £^//lt; /Ji quot; ?^gt;y.

:t.v i Jij ecne vordering tot boedelscheiding kunnen de kosten ook van eene verkeerdelijk voorgestelde exceptie van niet-ontvaukelijklieid,

onder zekere omstandigheden ten laste des boedels komen.

Air.-K. 's llertogcnbosch, v. 10 Doe. 18(39, W. u0. 3349.

:«lt;• Ofschoon de vernietiging wordt uitgesproken van het vonnis a quo, niet naar aanleiding van des appellants grieven, maar op eenen door het ilof ambtshalve toegepasten grond, dan behoort evenwel de geintimeerde —- die door liet instellen eener incidenteele vordering,

welke in den toenmaligen stand van het geding nog niet toelaatbaar was, aanleiding tot het praematuur daarop gevolgde geding heeft gegeven, — beschouwd te worden als de in het ongelijk gestelde partij,

en als zoodanig in de kosten te worden verwezen.

P. II. v, N.-llollaiid, v. 24 Juni 1809, W. u0. 3393.

De kosten van liet geding, waarbij het verzet tegen de homologatie van een accoord gegrond verklaard wordt, kunnen niet (en laste van den faillieten boedel komen, dan voor zooverre zij zijn veroorzaakt door de handelingen van den voor de bewaring der rechten van den boedel optredenden, en daar in het ongelijk gestelden curator.

Arr.-H. Maastricht, v. 1.quot;) 8c[it. 1S70. \V. nquot;. 3313.

De veroordeeling in de kosten hangt af van bet al of niet ongelijk hebben, niet van liet al of niet veroordeeld worden tot betaling.

Air.-ii. 's I lortoji'c.iiboseli, v. 23 Waart 1871); R. Igt;.tjg. Iflt;72, dl. 22. p. 3!Ji.

JJW. De kosten van een proces, waarin de curator in een faillissement is gesuccumbeerd, 7,ijn aantemerken als kosten op de vereifening des boedels gevallen, die uit de voorhanden penningen behooren te worden voldaan.

Air.-li. Uotterdain, v. I Nov. 1871. W. 34l('); vor^. ten betodgi' dat

dc curator, in do kusten ........rdccld, ook kostcüi moot dragon van dat

doel dor proccduro, hotwolk dooi- den nu goftdlloerde zelf is gevoerd,

r

A

arr. v. 27 Fehr. 1874, vernield snli art. 015 B. Ii.

-IO. Op den algemeenen regel in dit artikel gesteld wordt ten aanzien van het Openbaar Ministerie, waar dit als hoofdpartij werkzaam

ocr page 166

Art. 56 A.)

is, ifeene nitzoiulering gemaakt; integendeel wordt de toepasselijkheid in dat geval bevestigd door de bepaling van art. 124 H. \\.

Ait.-K. Ziorikzee, v. 27 Maait 1872, \V. nu. IStiU.quot;).

411. De tegen de stuiting in verzet komende partij moet de kosten dragen, veroorzaakt door bet informeel in bet geding oproepen van de ambtenaren van den burgerlijken stand, in casu bij wijze van dagvaarding in plaats van beteekening eener akte van verzet, overeenkomstig de bepalingen van art. 801 B. R.

Arr.-K. Leiden, v. !l .laimari 1872, VV. iiquot;. oi42.

-ilt;5. Wanneer liet bewijs niet is geleverd, dat de eiscber inderdaad meer gevorderd bad, dan de gedaagde verschuldigd was, maar de eiscber zijne vordering alleen heeft verminderd, ten einde verdere procedures te vermijden, behoort de gedaagde die eenvoudig de verplichting tot betaling ontkend beeft en daardoor eene expertise heeft noodzakelijk gemaakt, de proceskosten, daaronder begrepen die van de expertise, te dragen.

Arr.-U. Aiustcrilain, v. 1 Nuv. 1870; li. H. jg. 1872, p. 79.

-13. Ontzegging aan den eisciier van één enkel punt, met name een middel van ten uitvoer legging, behoeft, als van ondergeschikten aard, bij de veroordeeling in de proceskosten niet in aanmerking te komen.

Aii,-!!. Itottcrdani, v. I Dcc. 187.'!, W. n0. 'M~h.

4-1. Wanneer de appellant ten onrechte opkomt tegen het vonnis dat zonder borgtocht bij voorraad uitvoerbaar is verklaard, en de geïntimeerde zich niettemin bereid heeft verklaard het vonnis niet uitte-voeren vóór zekerheid gesteld te hebben, behoort eerstgenoemde in de kosten van deze voorloopige vordering veroordeeld te worden.

1'. II. v. N.-Holland, v. 5 i'ebr. 1874, W. n0. 3695.

-15. Proceskosten, welke het uitvloeisel zijn van het instellen eener rechtsvordering tot boedelscheiding behooren als gemeene boedelkosten te worden vereffend en kunnen ook dan niet ten laste van den eiscber worden gebracht, wanneer de vordering niet is betwist en aan

154

ocr page 167

v^- cha-csy/quot; ^a-jl^ 'l/ïy-trx. t*-*- t^sz^rxsisZ, ex^cc-^-A-

^suswU,*^ ^

% Mamp;S OSfyjr U/ M-quot; 6#/'?. ^'''' 56 ^-

het instellen der actie geene in-verzuimstelling is vourafgegaan.

Arr.-K. Zut|ilieu, v. 2o April IS74, VV. n0. o805.

• tt. De kusten van een advies, door een rechtsgeleerde buiten den gemeenteraad verstrekt, kunnen niet vuur rekening worden gebracht der verliezende partij.

Ktg. Ticl, v. 8 1875, W. iiu. 'lOKIj.

Verg. I'. II. v. N.-llolIaiid, v. I!l Maart 1857; It. B. Jg. 1857, p. öol!, st(q.

4?. Wanneer een recht dat tijdens de dagvaarding bestond, daarna heeft opgehouden te bestaan, kan de vordering die op het bestaan van rs js ^ dat recht steunde, niet meer worden toegewezen, en behoort de eischer,

die niettemin den gedaagde gesommeerd had om voortteprocedeeren,

in fle proceskosten veroordeeld te worden.

Ait.-U. Auistordaiii, v. 15 1875, W. iiquot;. 1181)8.

IS. Ook wanneer f 0.4(1, op eene hoofdsom van nver de /'3500,

meer wordt toegewezen, dan de eischer, procedeerende tot afkoop van tienden, heeft aangeboden, en dat verschil tengevolge van eene omissie bij de berekening is ontstaan, behoort dc eischer bij toewijzing van de actie tot afkoop, een deel der proceskosten te dragen (in casu / 25).

Arr.-K. Arnhem, v. 22 Nov. 1875. \V. 110. 4063.

-§fgt;. Indien een gedaagde in vrijwaring bij conclusie, zijn verzoek tot voeging heeft ingetrokken, onder aanbod de door het incident veroorzaakte kosten te vergoeden, dan moet de tegenpartij, desniettegenstaande vonnis vragende omtrent het incident der voeging, de kosten daarvan dragen

Arr.-R. Amsterdam, v. I Aug. 1876, VV. n0. 40153.

SO. Wanneer de man die tol bijstand van zijne vrouw is gedagvaard, afzonderlijk procureur stelt, moet bij de kosten van zijne procureurstelling en zijne verdediging dragen.

Arr.-R. Amsterdam, v. 14 Febr. 1877, R. B. jg. 1879, A. p. 03.

54. Wanneer de gedaagde door het tardieve van de overlegging van een ter zake dienend stuk en van de verhooging van zijn aanbod,

ocr page 168

.4)7. 56 A.)

de eigenlijke oorzaak is van liet omslachtige der [iivcedure en van de daardoor ontstane vermeerdering van kosten, dan moet hij in alle kosten verwezen worden, al is de houding van den eischer niet goed te keuren.

Hul' tu Ainsterdaiii, v. (5 Dec. 1878. W. u0. 4388.

v»lt;8. Hoewel er geene wetsbepaling is, die den eischer dwingt zich reeds in het geding, door hem ingesteld tot veroordeeling tot schadevergoeding, op te maken bij staat, uittelaten over het aanbod door den gedaagde gedaan, zoo moet hij toch, wanneer hij die meer omslachtige wijze van handelen wil volgen, de onnoodige kosten zeil dragen.

.\ rr.-K. Amsterdaiu, v. 10 Jan. 1879, VV. no. 440l.i.

.»:lt; Waar geene der partijen geheel of gedeeltelijk in het ongelijk gesteld is, mist dit artikel alle toepassing, en behuoren de kosten van het proces gedragen te worden door hem ten wiens behoeve die gemaakt zijn, in casu door den eischer, die het in zijn belang heeft geacht de waarde te doen bepalen van het tiendrecht, dat gevestigd was op een aan den gedaagde toebehoord hebbende doch thans onteigende grond.

Ait.-H. 's-llui togonhuscli. v. Ui Juni 187!', \V. nquot;. 444(5. Zio in anderen zin Ait.-I!. Anistci'dain, v. '20 Juli 1875, \V. nquot;. ;i!)28. waarliij werd («•slist dat, lioowel noch van nalatigheid, ikicIi van wcigcrachtiglieid des gedaagile gelgt;lekeii was, deze toch in do kosten van ilo actie tut schadevergoeding imict worden veroordeeld, omdat de eischer dat geding noodig liacl om tot het vaststellen van een schadecijfer door den i'echtei' te geraken.

Wanneer het alleen aan den geïntimeerde te wijten is, dat het appel niet tot zijn recht kan komen, moet hij in de kusten worden veroordeeld.

Arr.-R. (ïroningen, v. II Juli 1879, W. nquot;. 4421.

In casu was door den rechter a quo hij interlocutoir aan den geinti-meerde, toen eischer, Vtewiis door getuigen opgelegd; de gedaagde was van dit vonnis gekomen in hooger heroep.

Op den voor hot getnigenvorhoor bepaalden dag verschijnt ile gointi-moorde, toen eischer, uiot voor den rechter a quo, die, van hot appel niet in konnis gestold, vermeende dat do eischer dooi' niet te vorschijuen, afzag van zijn te leveren bewijs, en ten principale recht doende, den

ocr page 169

OCX-» ci-tu Ct-Clst*-*-* t- Ct-£- 'T-rni IAC ?-amp;-lt;.lt;.■ t T. y-d , ; , ^.

O.—- ^-dTVT^aAr £e-Kj*lt;y-i ^JzA-art^Su- : ferfT

SL s-U-v. a}(Y, ] r)7 to-, tpózj.. i Arf. 56 A.

eisch als onbewezen ontzegde. De appellant, wiens belang na flit laatste vonnis bij liet booger beroep vervallen was, concludeerde daarop, ilat de recbtbank zon vervallen verklaren bet beroep, inet uitzondering van di'

vordering der kosten, waarin de geïntimeerde zon moeten worden veroordeeld. Deze conclusie werd door de recbtbank toegewezen.

Zie naar aanleiding van dit vonnis een opstel van Mr. W. ToxckI'.xs .I.L/.n., in \V. nquot;. 4430, alwaar betoogd wordt dat de i-echtbank nocb liet appel vervallen had moeten verklaren, nocb den geintimeerde in de kosten bad moeten veroordeelen.

5S. Het bezwaar van gedaagde, dat de eiseher noodeloos de kosten heeft vermeerderd, kan worden opgelost door de taxatie der proceskosten door de Rechtbank, maar bevrijdt den gedaagde niet van de veroordeeling in de kosten.

Arr.-R. Amsterdam, v. 10 Maart 1880. VV. n4540.

olt;». In zake van burgerlijke rechtsvordering wegens laster, hoon of beleediging, kan liet strafvonnis niet tot bewijs der vordering strekken — mitsdien kunnen de kosten, gemaakt tot het verkrijgen van een afschrift van eerstgemeld vonnis, niet komen ten laste van den in het burgerlijk geding veroordeelden gedaagde.

Ktg. Sittard, v. 10 Oct. '1880, W. n0. 4083.

Zie ten betooge :

a. Dat, indien een erfgenaam verklaart de handteekening van zijn erflater niet te erkennen, hij, indien nader rechtens de. echtheid van die handteekening is gebleken, verplicht is de kosten van het geding te dragen -—

art. '1014 B. W., vonnis van de Arr.-U. Amsterdam, v. 17 Nov. 1847.

sub n0. 3.

b. Dat de proceskosten van een eisch tot scheiding en deeling komen ten laste der nalatenschap, wanneer beide partijen in die deeling toestemmen en daarbij een gelijk belang hebben —

art. 'IMS 1!. W., air. van 't 1'. II. v. N.-lirabaut, v. 4 April 1848,

sub nquot;. 27.

c. Dat, indien partijen het, om welke reden dan ook, bij den rechter-commissaris eens worden omtrent de rekening, de kosten van die rekening ten laste van den gerendeerde komen —

art. 778 H. R., vonnis van de Arr.-R. 's-ITage, v. 0 Mei 185:'.

/I. dat de kosten vallende op het verzoek, bedoeld bij art. 59;i

ocr page 170

Arl. 5f! A.)

15. llv. gedragen moeten worden door den eischer wanneer hij dat verzoek niet bij request, Kooals liet behoort, gedaan heeft —

A.ir.-R. Middelburg, v. ^3 Oct. 187!), sub nrt. oDi H. Uv.

e. Zie met betrekking tot veroordeeling in de kosten van onteigeningsprocessen en speciaal over het verband van art. 50 der onteigeningswet met art. 56 W. v. B. Rv. —

Mr. W. Thorbecke; «Stelsel en toepassing der onteigeningswetquot;, png. 247 sqq. en de aldaar aangehaalde rechterlijke uitspraken; zie ook arr. 12 Juni •1871 sqq., aangeh. sub art. 28r) li. Rv.

AN Zie omtrent de vraag :

a. Wanneer de borgen onder het voorrecht van schuldsplitsing de veroordeeling in de kosten niet kunnen ontgaan, indien den schnld-eischer zijne tegen hen gerichte vordering wordt toegewezen —

art. 1874 li. W.. vonnis van de Arr.-R. Arnhem, v. 10 Sept. 1841.

h. Wat rechtens is met betrekking tot de veroordeeling in de kosten in cas van art. 160, al. 1, B R., wanneer, bij de admissie der exceptie, de principale zaak niet opnieuw wordt voortgebracht en afgedaan —

art. 100 R. R., arr. v. 21 Jan. 1842 sqq.

c. Of, nu wettige erfgenamen van rechtswege in het bezit der goederen, rechten en actiën van den erllater treden, onder verplichting om al de lasten der nalatenschap te voldoen en mitsdien de repu-diatie niet wordt gepraesumeerd, daaruit rechtens volgt, dat, indien zij worden gedagvaard tot voldoening van eene schuld der nalatenschap, die eerst na de dagvaarding is verworpen, zij alsdan moeten worden veroordeeld in de proceskosten tot aan den dag der verwerping —

art. 1103 R. W.. vonnis van de Arr.-R. 's-Rosch, v. 8 Juni '1842 sqq.. sub no. 1.

tl Quid juris met betrekking tot de kosten, indien tie rechter in cas van wraking in het ongelijk gesteld wordt —

art. 30 R. R., vonnis van de Arr.-R. Leeuwarden, v. (24) 20 Oct. 1842 sqq.

e. Wat rechtens is ten aanzien der veroordeeling in de kosten van verevening, ingevolge art. 6l;3 en volgg. B. 11, indien een onvoldoend aanbod is gedaan -—-

art. 015 1!. 1!.. arrest van 't I'. II. v. Zeeland, v. 8 Juni 1847 sqq.

ocr page 171

O; J2sW^rt- ' amp;. /2- . 2_

^U-

'yr

(Arl. 5(i A.

159

ct o-^e-^t- e-4rgt;~~f9-

'fe.lr-r '4gt;lt;)t/ , ^ -yt-'totamp;o ■

/'. Wat reciitens is ten aanzien van de veroordeelin^ in de proceskosten, bij eeïi uit liet faillissement voortspruitend afzonderlijk twistgeding, loopende over de al of niet homologatie van een accoord — 1'. II. v. Overijssol, v. 12 ApriHS75,l)ij Jfn. llertzvf.r.n ut snprn, lil. 115.

Art. 50.

(lompevsalie van ko.ümi.

f . De compensatie van kosten, waartoe art. 50 15. 11. kan leiden, is niet van toepassing in eene door de administratie der belastingen ingestelde actie, ter zake van overtreding eener fiscale wet, voor bet geval dat eene mindere boete wordt toegewezen, dan bij de dagvaarding was gevorderd, vermits die actiën niet anders kunnen beschouwd worden dan als correctioneele vervolgingen, en het overigens niets ter zake doet, dat niet het Op. Min. maar de administratie de aanlegger is.

A it, v. 12 Nov. 1830, v. n. H.. Bol., d. I., p. 80—92; R.. d. V., § 3. (1)

(1) Naar aanleiding van dit arr. en met aanhaling daarvan heeft de Min. van Financiën bij Res. v. 7 Nov. 1844, Circ. n0. 742 legist. (Bijv. t. het SM. v. 1844, no. 333) met intrekking van alle daarmede strijdige voorschriften, bepaald, dat procedures, in zake der plaatselijke en landelijke belastingen, welke door den rechter ten correctioneele en crimineele worden berecht, ten opzichte van het zegel, als correctioneele en crimineele zaken moeten worden beschouwd ; dat dienovereenkomstig voortaan de bepalingen, voorkomende in art. 27, A n0, 16, der wet van 3 Oct. 1843 (Stbl. no. 47) en in art. 70, § 3, no. 9 der wet v. 22 Frimaire jaar VII, in verband met ^t Vorstelijk Besluit v. 4 Jan. 1814, no. 4, op de processen-verbaal van overtreding, akten en vonnissen, tot de voorbedoelde procedures betrekkelijk, en dns niet de eigenlijke invordering van belasting enz., ten onderwerp hebbende, moeten worden toegepast, met dien verstande evenwel:

a. Dat naar aanleiding van de bepalingen, vervat in art. 237 der wet van 2G Aug. 1822 (Stbl. no. 38) en in art. 46 der Wet v. 29 Maart 1833 {Stbl. no. 4) de bij die artikelen bedoelde processen-verbaal van overtreding, op de tot hiertoe gebruikelijke wijze, aan de registratie onderworpen blijven ;

b. Dat eveneens, op grond van art. 68, § 1, n0. 49 der Wet van 22 Frimaire jaar VII, de vonnissen, in de onderwerpelijke procedures te wijzen, bij voortduring behooren geregistreerd te worden.

Kene missive in gelijken zin met Bijlagen van den Minist. van Justitie, de dato 20 Dec. 1844, no. 61, uitgegaan, is te vinden in 't Bijv. t. h. Stbl. v. 1844, no. 371. (Léon.)

!l »i

IS

ocr page 172

l /v-t^T-e^ , y^ cf/ttyL-rgt; lt;-*- 4- ^ •-'^

4/'/ 50 B.) V.^.. '7^, l^M.'^'l«()'^'^r- ZZ Strfi- f cJ-, ^■'syh€-.

In het geval, dat zoowe! de eisch in conventie als die in reconventie wordt ontzegd, kan de oorspronkelijke eischer niet worden veroordeeld in alle de kosten van liet rechtsgeding. In zoodanig geval behoort de oorspronkelijke eischer te worden veroordeeld in de kosten in conventie, en daarentegen de oorspronkelijke verweerder in die in

reconventie gevallen.

Air. v. '20 Mei IS4Ü, v. n. II., li. R.. d. 1. p. quot;149—Rgt;'1; idem liij igt;e i'iNTO, Hdl.. 2do ged. 1 sic st., ]). 146; — anders echter bij arr. v. 13 Dec. 1849, W. li». 1088; R., d. XXXIV, ij 60; v. n. II.. li. R., d. X, p. 116—quot;131, waarbij is beslist, dat in zoodanig geval de rechter niet verplicht is ieder der partijen te verwijzen in de kosten, gevallen op dat punt, waaromtrent zij in het ongelijk is gesteld en er compensatie der over en weder gemaakte kosten mag plaats hebben; vergelijk vonnis Ktg. n0. 1 Amsterdam, v. 11 Oct. 1858, R. li. jg. '1858, d. VUI, blz-447—450, waarbij de kosten werden gecompenseerd in dier voege, dnt ieder der partijen de helft droeg, bij ontzegging van den eisch in conventie en onbevoegdverklaring in reconventie, terwijl, naar luid van een vonnis van 't Ktg. Gorinchem, v. '23 April 1841, W. n0. 182, bij eene afwijzing van den conventioneelen en den reconventioneelen eisch, de oorspronkelijke eischer in alle kosten zon moeten worden veroordeeld. Cf. een arr. v. 15 Nov. 1844, W. nquot;. 554; R., d. XIX, § 39; v. n. H., li. R., d. VI, p. 142—164, waarbij is beslist, dat art. 56 B. R. niet is geschonden door eene compensatie van kosten (uitgesproken bij een arr. van 't V. II. in N.-Iloll. v. 19 Oct. 1843, VV. nlt;gt;. 554; R., d. XIX, § 39). wanneer het rechtsgeding geloopen lieeft over eene vordering in conventie aan de ééne, en in reconventie aan de andere zijde, welke beide vorderingen met elkander in verband stonden, immers denzelfden zakelijken oorsprong hadden, en het vonnis des eersten rechters in conventie in appel bevestigd en dat in reconventie verbeterd is. — Zie ook art. 50 1!. R., arr. van 't P. II. v. Zeeland van 17 Sept. 1850, sub li.

3. Indien de oorspronkelijke eischer in eersten aanleg incidenteel heeft geconcludeerd tot het bewijs door getuigen, omtrent feiten, welke door den gedaagde werden ontkend en als niet pertinent en concludent voorgesteld, — de eischer daarbij eerst, conform art. 202 I? R , bij geinsinueerde acte feiten heeft gesteld en daarin bij conclusie, voor het pleidooi genomen, veranderingen heeft gemaakt, conform waaraan de eerste rechter ze heeft toegelaten, en nu later (zonder dat daartoe door partij, zelfs niet subordinaat, was geconcludeerd) de rechter in appel die gemaakte veranderingen niet aannemelijk heeft geacht, te dien ellecle, dat, met verbetering van het vonnis a quo, alleen die feilen werden toegelaten, welke primitief waren gesteld, — alsdan volgt uit deze beschouwing der zaak, dat de oorspronkelijke

_______ _________^3 ? f/^^njL— lt;lrzrv-i/£- ^

^ i. hrr^^*, T5

ocr page 173

iArl. 50 B.

eischer, geintimeerde in hooger beroep, in zoo verre is in het ongelijk gesteld, dat hij, zonder schending van art. 56 IJ. il, in de kosten der beide instantiën kon worden veroordeeld; terwijl het aan het oordeel van den judex facti was overgelaten, in hoeverre het hier vermelde aanleiding had kunnen geven tot eene compensatie van kosten.

Air. v. 15 April IS'i'i, \V. nquot;. 300; R. d. XII, § '10; v. n. II.. B. R., (1. JIJ, p. 312—332. Cf. art. 99 R. Org., sub I) nquot;. 3, en art. 202 B. R.. arr. van denz. datum, het betrekkelijk deze zaak gewezen arr. van quot;t P. H. in Utrecht, v. 25 Juni 1841, W. iio. 202, en het vonnis derArr.-R. aldaar, v. '18 Dec. 1840, \V. ut supi'n.

-1. Indien op de door een eischer gedane dagvaarding tot betaling eener zekere som, de gedaagde voorstelt de exceptie van nietigheid van dagvaarding, en niettemin ten principale heeft gedaan een aanbod tot betaling van een gedeelte der geëischte som en tot het doen van rekening, de eischer dit aanbod niet aanneemt, maar zijn primitieven eisch eenigszins wijzigt, en door den rechter de voorgestelde exceptie is verworpen, en verklaard dat met het gedane aanbod ten principale niet kan worden volstaan, maar de vordering van den verweerder, ofschoon dan ook met wijziging, is toegewezen, dan kunnen er, bij de niet letterlijke, maar gewijzigde toewijzing van den primitieven eisch, wellicht termen zijn tot eene geheele of gedeeltelijke compensatie van de kosten; doch zulks is bij voornoemd artikel ten eenenmale facultatief gelaten, en kan de rechter alzoo de wet niet hebben geschonden, door van die faculteit geen gebruik te maken.

Arr. v. 10 Juni 1842, W. n0. 302; R., d. XII, § 20; v. n. II., B. It., d. 111, p. 418—432.

.V Een eischer in cassatie, die voor het eerst in die instantie eene exceptie van incompetentie ratione materiae voorstelt, heeft daardoor den schijn aangenomen van quot;s rechters competentie te erkennen.

Hoewel die competentie, als zijnde van openbare orde, daardoor niet is gedekt, levert zulks echter termen op. tot compensatie van kosten der beide vorige instantion.

Arr. v. 10 Jan. 1845, W. nquot;. 570; R.. d. XX, § 4; v. igt;. 11., li. U., lt;1. VI, p. 291—305. — Cf. art. 41 R. Org., arr. van denz. datum, sub. nquot;. 1 en bet aldaar betrekkelijk deze zaak aangehaald vonnis van liet Ktg.

Mr. W. van Kossem Bz., Burg. Kechtsv. 11

161

ocr page 174

Art. 50 B.)

's Hape, v. 20 Sept. 1843 en van de Arr.-R. aldaar, van 18 Jan. I 8Vk beiden in 't W. n0. 570, en een in gelijken zin, als voormeld arr. van den 11. I!.. gewezen vonnis van de Arr.-R. Maastricht, v. 15 Mei 1851. \V. n0. 1203. — Cf. art. 56 15. R., arr. v. 29 Mei '1810 sqq., s\d) (• no. 1.

lt;». De compensatie van kosten, in het geval dat eene fier partijen ten deele in het gelijk, ten deele in liet ongelijk wordt gesteld, is bij art. 56 B. R. ten eenenmale naar de omstandigheden overgelaten aan des rechters oordeel, met dat gevolg, dat in eene veroordeeling van zoodanige partij in alle kosten, geene schending van dat artikel gelegen is.

^ Arrn. v. 31 Jan. 18-'5-5, W. n0. 596: R.. d. XIX, § 78; v. rgt;. 11.. Pgt;. H.

d. VI, p. 329—349; v. 20 Nov. 1846. W. iV. 792; 11.. d. XXVI. S; 14; S ^ v. D. 11., B. R., d. VIII, p. 193—208; idem v. 10 Nov. 1848, W. nu.

fj0]' gg5. R d XXXII. § 8; v. d. H.. O. /... d. VIII. p. 130—148. (Vgl.

, npu£ _^ hiermede het daartoe betrekkelijk arr. van 't P. II. in Z.-Holl., v. 12 Mei

tv- ' 1847, W. no. «93; R. 15. jg. 1847, d. IX, p. 484 sqq. en het vonnis der

102

Arr.-R. Rotterdam, v. 23 Juni 1845, W. n0. 620; R. B., 1. c.. p. 486; idem v. 5 Oct. 1849, AV. n*1. 1070; R. d. XXXII. § 1^; v. n. II.. H. R.. d. XI, p. 15—29. waarbij is beslist, dat bij het beklaagde arrest, het vonnis a quo, wat do hoofdvordering betreft, bevestigd en alleen ten aanzien van een accessoir gewijzigd zijnde, het ten eenenmale van de beoordeeling van den judex facti afhangt, de kosten al dan niet geheel of ten deele te compenseeren; — idem, indien geene der partijen in alle opzichten in het gelijk of ongelijk is gesteld, bij arr. v. 30 Dec. 1842, W. nquot;. 362; R., d. XIV, § 7; v. n. II.. B. R, d. IV, p. 172—190, en v. 5 Jan. 1849, W. nquot;. 994; R. d. XXXII. § 42; v. d. 11.. B. 1!.. d. X. p. 224—234. bij welk laatste arrest des eischers accessoire vordering tot vergoeding van kosten, schade en interessen slechts in zoo verre is toegewezen, als de kosten van zeker extra-jndicieel exploit betreft en voor het overige is ontzegd; idem arr. v. 28 Febr. 1862, R. d. LXX § 38; arr. v. 4 Maart 1864, W. n '. 2568; R. d. LXXVI, § 25; arr. v. 2 December 1864, W. no. 2646, R. d. LXXVIII. § 31. bevestigende arr. P. H. v. Z.-Holland, v. 4 April 1864; idem arr. v. 22 April 1881, W. n°. 4637, R., d. CXXVI1, § 43; idem P. 11. v. N,-Holland, v. 2 Febr. 1865, W. no. 2715; idem Arr.-R. Rotterdam, v. 29 Maart 1865, W. n0. 2700 (ook vermeld sub n0. 37 van dit artikel); idem Arr.-R. Amsterdam, v. 18 Juni 1856, R. 1!. jg. 1856, dl. VI, bl. 350; cf. Arr.-R. Dordrecht, v. 19 Sept. 1864, li li. jg. 1806, p. 663: Hof Arnhem, v. 3 Nov. 1880, W. no. 4614; R. B. jg. 1881. A. p. 84. Verg. arr. v. 10 Juni 1842, sub art. 56 B. no. 4 en van 22 Dec. 1854, sub art. 56 li. nquot;. 10.

ft/*/-

S Bij de uitspraak in eene procedure, door eene der partijen kosteloos geveerd, kan, ingeval van compensatie van kosten, de Staat.

ocr page 175

Air. v. 18 Sept -1840, W. nquot;. 75ft; v. n. II., I!. R., d. VIII, p. 404—108.

8. Art. 56 15. 11. is niet geschonden, indien de rechter in hooger beroep, — hoezeer overwegende dat de eerste rechter, die den oor-spronkelijken eischer in geen enkel punt in het ongelijk had gesteld, juist daarom de bevoegdheid niet had om de gerechtskosten te com-penseeren — echter het sjstema van den eersten rechter niet aannemende of deelende, maar tengevolge van een onbeperkt incidenteel appel, van de geheele zaak gesaisisseerd en daarop het vonnis vernietigende, met instandhouding van de uitgesproken compensatie der gerechtskosten, den oorspronkelijken eischer heeft veroordeeld in de kosten van het principaal appel, hetwelk alleen die uitgesproken compensatie ten onderwerp had.

Air. V. 22 Jan. 1847, W. nquot;. 794; v. li. H., li. R,. d. VIII. p. 293—304.

Vgl. hiermede een arr. van 't P. H. v. Zeeland, v. 23 April 1850, R. B. Jg. 1851, p. 591 en 592, waarbij is beslist, dat, wanneer de eerste rechter, op grond der ontzegging van den gevraagden lijfsdwang, de kosten gecompenseerd heeft, alsdan de hoogere rechter, den lijfsdwang toestaande, bevoegd is den gedaagde in de kosten van het n'eding, zoowel van de eerste als van de tweede instantie, te. veroordeelen.

Indien door een eischer in cassatie een middel alleen subordinaat en ingeval van verwerping der andere middelen is voorgesteld, dan kunnen, bij het ongegrond bevinden der primaire middelen en toewijzing van het subordinaat middel van cassatie, de kosten in cassatie gevallen worden gecompenseerd.

Arr. v. 9 Febr. 1849, W. n0. 992; R., d. XXXII, § 54; v. n. II., li. R., d. X, p. 2G5—279; idem bij vonnis der Arr.-R. Amsterdam, v. 30 Dec. 1842, R. B. jg. 1844, d. VI, p. 323—334; Rccfl in Neder/., d. UI, p. 334 en 335; anders P. H. v. N.-Holland bij twee arresten van 7 Mei 1857. W. n0. 1867, waarhij is heslist dat er geen grond tot compensatie van kosten bestaat, wanneer wel de subsidiaire, maar niet de primaire vordering is toegewezen, op grond dat de subsidiaire in casn geen afzonderlijke kosten had veroorzaakt, en dat de eischer niet geacht kan worden in het ongelijk te zijn gesteld, al is de primaire vordering afgewezen.

10. Al kan eene actie beschouwd worden twee op zich zelve staande vorderingen te bevatten, waarvan de eene voor toewijzing, de

ocr page 176

Art. 56 B.) 164-

andere voor afwijzing vatbaar is geoordeeld, is daarom de reclitei nog

niet verplicht (als zijnde daaromtrent art. 5f) facultatief) de kosten te

compenseeren, maar kan hij ook in dit geval eene der partijen in al

de kosten van het geding veroordeelen.

Air. v. 22 Dec. -1854, W. 11°. 1004; R.. d. XLIX, § 15; verg. liet aan-geteekenrte sub art. 56 B. n0. 6.

11. Hij die in appèl ten aanzien der vordering ten principale wordt in het ongelijk gesteld, moet al de kosten van het proces dragen, alhoewel zijn bezwaar tegen het vonnis in eersten aanleg, betrekkelijk den aard der door den eersten rechter toegewezen vordering, gegrond is geoordeeld.

Arr. v. 48 Dec. 1874, W. ngt;\ 3801; R. d. CVII1. § 35; V. n. H., B. R., d. XXXIX, p. 038.

1*4. Wanneer de eischer wel is waar een deel van het door hem gevorderde, nl. het verbod om ten principale doorteprocedeeren heeft verkregen, maar wanneer hij meer had gevraagd nl. schorsing der procedure, in welk verzoek hij echter werd niet-ontvankelijk verklaard, is te recht compensatie van kosten uitgesproken.

Arr. v. 5 Nov. -1880, W. 11°. 4574; v. u. H.. B. R., d. XLV, p. 323.

13. Daar waar het geldt eene rechtsvordering, welke na vijf jaren (of korter) verjaart, kan de eischer niet gezegd worden op een punt van den eisch in het ongelijk gesteld te zijn en mitsdien geene compensatie van kosten worden uitgesproken, wanneer hij, op grond dier verjaring, van een gedeelte van den ingestelden eisch afstand doet.

An-.-R. Arnhem, v. 28 Jan. 1839, W. 11°. 52.

11. Indien terecht van een vonnis is geappelleerd, voor zooverre bij de overwegingen daarvan aan zekere processen-verbaal kracht van volkomen bewijs is toegekend en op dien grond eene exceptie van niet-ontvankelijkheid is verworpen, met last aan partijen om ten principale voort te procedeeren, bestaan er evenwel redenen tot com pensatie van kosten, indien de, weren van rechten, waarop die exceptie was gegrond, het fond der zaak betreffen en mitsdien het dictum van het beklaagde vonnis, de verwerping namelijk der opgeworpen exceptie, is gehandhaafd.

ocr page 177

{Arl. 5(1 B.

I'. 11. v. Overijssel, v. 4 Mei 1840, Reyl in Xcderl., d. II. p. 827 en :!28; — anders echter bij arr, van quot;t 1'. 11. v. N.-Holland, v. 30 April 1846, VV. n0. 755, waarbij is beslist, dat, indien een appellant in zijne hoofdvordeiing in het ongelijk is gesteld, de aanvulling van motieven door den hoogeren rechter, bij bet in stand houden van bet dispositief, tot geene compensatie van kosten kan aanleiding geven. — In gelijken zin is beslist bij arr. v. hetz. P. II.. v. 5 Juni 1851, VV. n0. 1202. dat, indien de geheele vordering is ontzegd, het niet aannemen van een grond van verwering geene aanleiding kan geven tot eene conipensatie van kosten.

I .V Er bestaan termen om de compensatie van kosten uittespreken, ingeval van referte zoo van den eischer als van den gedaagde, vooral wanneer, hoezeer de gedaagde tot betaling veroordeeld wordt, de begrooting van den eischer werkelijk verminderd en de door hem gevorderde veroordeeling bij lijfsdwang afgewezen wordt.

P. II. v. Zeeland, v. IH Oct. 1840, R., d. XI, § UI.

1« Hij die bij eindvonnis veroordeeld is tot betaling van eene zekere geldsom, doch met compensatie van kosten, is gehouden de kosten van expeditie en beteekening te dragen, wanneer hij eerst na de beteekening een aanbod tot betaling doet, doch alleen tot het strikt bedrag der veroordeeling.

P. 11. v. Zeelnnd. v. 29 Dec. 1840, R. I!. jg. 1840, d. VIII. p. 621 en 622; R., d. Vil, § 35. — In gelijken zin dat niet de kosten van expeditie en insinuatie (maar wel rle minuut van zoodanig vonnis) tot hetjudicieel debat behooren, bij vonnis der Arr.-R. Breda, v. 27 Juni 1854, VV. n0. 1560. waarbij tevens is beslist, dat indien de kosten van een geding zijn gecompenseerd, daaronder niet zijn te begrijpen, die van een (in specie pand-) arrest, dat hetzij vóór, hetzij na de uitspraak gelegd, eerder tot de executie behoort, zoodat de van waarde-verklaring van een conservatoir arrest involveert, dat de kosten daarop gevallen zijn en blijven ten laste van den gearresteerde. — Cf. art. 56 B. R., vonnis van de An*. R.'s Hage, v. 12 Ang. 1850, sub A.

I ï. Wanneer eene exceptie van niet-ontva.nkelijkheid is verworpen, op grond dat in cas van art. 75 B. R. de kosten van het verstek niet op straffe van niet-ontvankelijkheid behoeven te worden voldaan, ingeval de nieuwe instantie reeds vóór het verleend verstek wettig was aangevangen, dan bestaan er evenwel termen tot compensatie van kosten, indien het geldt een geding tusschen broeders en zusters, daar toch in alle geval de eischer, door niet dadelijk de kosten van het

ocr page 178

Art. 5(i B.)

verstek te voldoen, aanleiding heelt gegeven tot het opwerpen van die exceptie van niet-ontvankelijkheid.

1'. II. v. Gelderland, v. 1quot;) Jan. 1841, \V. n0. IOC).

IS, Indien een appellant in honger beroep is gekomen van liet üelieele vonnis en later gedeeltelijk berust in den eisch tegen hem ter eerste instantie ingesteld, en dienovereenkomstig is recht gesproken, alsdan bestaan er termen tot compensatie van kosten.

P. 11. v. Holland, v. 1 Doe. 1841. W. 11°. 258. — Vui. hiermede een vonnis van de Arr.-R. Amsterdam, v. 5 Nov. 1850, R. B. jg. 1851, p. 25 en 20 naar Inid waarvan een appellant ook gedeeltelijk in de kosten kan worden veroordeeld, op grond dat hij de hewijsvoering, welke hem liet geding heeft doen winnen, eerst in appel geleverd hoeft, alsmede een arr. van het P. II. in Z.-Holland, v. 5 April 1843, \V. nn. 385; H., d. XIV. § 66, waarbij is beslist, dat de hoogere rechter, naar aanleiding van art. 348 I!. R., een vonnis bevestigende op nieuwe rechtsgronden, door den geïntimeerde oorspronkelijk gedaagde, voor het eerst in hooger beroep aangevoerd, de kosten, tot op het voordragen van die rechtsgronden gevallen, kan coinpenscercti, indien de geïntimeerde die nieuwe weren van rechten reeds in eersten aanleg had kunnen inroepen, zelfs dan, wanneer niet vooraf door den hoogeren rechter is uitspraak gedaan over, en wanneer zelfs niet zijn onderzocht de middelen van verdediging bij den eersten rechter aangevoerd on alzoo van de ongegrondheid daarvan niet is gebleken.

IW. Indien men zich bezwaard acht een opgedragen eed in de voorgestelde bewoordingen, doch bereid is een zakelijk gelijken, maar wat de formuleering betreft, verschillenden eed afteleggen, kan zulks niet van invloed zijn op de beslissing der zaak, maar termen opleveren tot compensatie van kosten, indien dit tot vermeerdering daarvan heeft geleid,

Arr.-R. Amsterdam, v. '15 Juni 1843, R. B. jg. 1844. d. M. p. 10 en 11.

SO. Eene veroordeeling tot betaling van zeker jaarlijksch pensioen, doch ontzegging van de vordering om dit pensioen te betalen in driemaandelijksche termijnen, levert termen op tot compensatie van kosten.

Arr.-R. 's Hage, sine die, W. no. 293 (onder hot Mengelwerk). — Vgl. aldaar de bestrijding van dit vonnis, zoo door den inzender als door de Redactie van quot;t Weekblad.

Hoezeer, volgens art. 282, al. 2, 13. R., tengevolge van het

ocr page 179

(Art. 56 B.

vervallen der instantie, de kosten van het aangevangen rechtsgeding voor gecompenseerd moeten worden gehouden, zoo blijven niettemin de kosten van de procedure tot de peremtie of vervallenverklaring zelve, aan den gewonen regel van art. 5(1 15. li. onderworpen, en be-hooren die alzoo te komen voor rekening der in het ongelijk gestelde partij, indien deze den daartoe strekkenden eisch heeft bestreden.

l». II. V. Drente, v. '29 Juni 1844, R. H. jg. 1845. d. VII, 188—19:5.

lt;ïlt;i. Indien tegen eene gemeente, op grond dat zij, in strijd met haar reglement, en alzoo op eene onwettige wijze, zich in rechten heeft doen vertegenwoordigen en verweren, op de wijze waarop zij door den eischer is gedagvaard en met dezen heeft voortgeprocedeerd, verstek wordt verleend, dan kan nog eene compensatie van kosten, buiten die van het verstek, uitgesproken worden.

Arr.-R. 's Bosch, v. '23 Febr. 1847, VV. n0. 850. — Cf. art, 135 B. R., vonnis van dez. Arr.-R. van dcnz. datum.

'■£ 't Een gering verschil in de omschrijving bij dagvaarding van een gereclameerd stuk grond, met hetgeen nader bij conclusiën is gevorderd en door den eersten rechter is toegewezen, levert geene termen op om den gedanen eisch als niet geheel toegewezen te beschouwen, en dientengevolge de kosten van het geding te compenseeren.

P. H. v. Zeeland, v. '29 .Inni 1847, W. n0. 88G; R. B. jg. 1848, d. X, lgt;. 157.

Er bestaan termen tot het uitspreken der compensatie van kosten, zoo in eersten aanleg als in hooger beroep, indien reeds in eerste instantie eene der partijeiij hoewel niet geheel in het ongelijk gesteld, in alle de kosten is verwezen en de geïntimeerde in hooger beroep ook in dat opzicht tot de bevestiging van het vonnis a quo heeft geconcludeerd.

P. H. v. Z.-Holland, v. 16 Mei 1848, W. no. 924.

'ih. Indien het hooger beroep alleen is gegrond op eene éenige onbewezene en onwaarachtige grief, dan moet de appellant als temerarius litigator in de kosten verwezen worden, niettegenstaande partijen broeders zijn.

Arr.-R. Amsterdam, v. 19 Febr. 1850; R. B. jg. 1850, d. XII. p. 342—347.

I (i7

ocr page 180

Art. no B.)

lt;54». Do eenvoudige compensatie van kosten, tloor den rechter uitgesproken, is niet zoo te verstaan, dat ieder der partijen de helft van het geheel der gemaakte kosten moet dragen, maar wel, dat iedere partij de kosten draagt, door haar zelve gemaakt, zonder gehouden te zijn tot geheele of gedeeltelijke betaling van die, welke door de tegenpartij zijn aangewend.

I'. II. v. Zeeland, v. 17 Sept. IS.M). I!. li. jir. 1S5I, |i. 593 en 594-. — ('1'. art. 5(3 15. 1!., air. v. 'J'.l Mui I8'i0 «44., snli 1!, nquot;. 2.

'i?. Eene gedeeltelijke compensatie van kosten kan plaats 'nebben, voor het geval, dat eene gevraagde suppressie van uitdrukkingen, in de coiiclnsiën vervat (welke uitdrukkingen in specie gedeeltelijk niet op partij zelve, maar op haren gemachtigde voor liet Kantongerecht, die niet in liet geding is, betrekking hebben, en klaarblijkelijk slechts tot rechtvaardiging van eigene handelingen en geenszins met liet doel om de tegenpartij opzettelijk te beleedigen, gebezigd zijn), niet wordt toegewezen.

Arr.-R. 's Bosch, v. 'i'i .Inli 1852, \V. 11°. 1374.

'sïN. Er bestaan termen tot compensatie van kosten, wanneer de in eersten aanleg niet toegelaten intervenient in appèl wordt in het gelijk gesteld, en deze in die instantie geconcludeerd heeft tot veroordeeling van geïntimeerde in geval van tegenspraak in de kosten, ter-wijlde geïntimeerde zich ten aanzien van de hoofd vordering gerefereerd heeft, maar met conclusie, dat de kosten zullen worden gereserveerd tot de einduitspraak ten principale, doch deze laatste conclusie onjuist wordt bevonden.

P. 11. v. N.-Holland, v. 14 Sept. 1854, W. 11quot;. 1028, R. li. jg. 1856, d. VI, p. 1 sqq.

Bij een voorwaardelijk eindvonnis kan compensatie van kosten worden uitgesproken, onafhankelijk van de vraag of de opgedragen eed al of niet wordt afgelegd.

1', II. v. Gelderland, v. 7 Febr. 1855, W. n0. 1030.

SO. Er bestaat grond tot compensatie, wanneer de verweerder geen aanbod tot betaling heeft gedaan op de wettig voorgeschrevene wijze, en de eischer, door zijn geheelen eisch vol te houden en alleen sub-

168

ocr page 181

(Art. 56 B.

sidiair in het aangebodene genoegen te nemen, (welke subsidiaire vordering alleen wordt toegewezen), den verweerder genoodzaakt heeft voort te procedeeren.

Air.-li. Deventer, v. tK] .human i85(*), U. H. jj;*. 1857,(1. Vil, hl. 509—511.

i. Di ïar, waar gelijk i/t casu, bij dezelfde diTigtalen en pleidooien, gelijktijdig zijn behandeld de hoofdzaak, eene exceptieve defensie en eene incidenteele vordering des eischers, laat de wet eene compensatie van kosten toe, doch stelt die niet verplichtend,

Arr.-R. Ainsleidimi, v. I(S Jnui I85(*)1 \i. H. 185(gt;, cl. VI, 1)1. 350—1554.

:i* w aar reeds compensatie van kosten plaats vindt, uithoofde van bloedverwantschap, verliest de vraag of zij wordt gevorderd wegens al of niet nalatigheid in het doen van rekening en verantwoording, haar gewicht.

Air.-li. Utreclit, v. i Maait 1857, W. 110. '2121.

:«». \\r anneer beide partijen in het ongelijk zijn gesteld, maar eene van hen het grootste deel der kosten heeft veroorzaakt, behoort, bij de toepassing der compensatie van kosten, die laatste omstandigheid in het oog te worden gehouden, en in verband daarmede de kosten te worden omgeslagen.

I'. II. v. Z.-lIdllaml, v. i (tel. '185S, W. n0. 2010, vernietigende te dezen opzichte het vonnis der Arr.-R. Rotterdam, v. 3'! Maart 1858, \V, u0. 1987, waarbij eenvoudige cornponsatie van kosten was uitgesproken.

tt-t. De partij, die in eersten aanleg is in het gelijk gesteld, mits afleggende een door den rechter ambtshalve opgelegden suppletoiren eed, en die op het appel der wederpartij concludeert tot bevestiging van het vonnis a quo, — moet geacht worden voor een gedeelte in het ongelijk te zijn gesteld, indien de hoogere rechter hare verwering onvoorwaardelijk aanneemt, zóó zelfs, dat de suppletoire eed door hem on-noodig wordt geoordeeld.

Arr.-R. Rotterdam, v. *12 November 1862, W. n0. 2440; bestreden door v. L. in W. nquot;. 2448.

JJ.V Ook wanneer aan den eischer de eisch geheel wordt ontzegd, op grond dat hij de gestelde schade niet bewijst, kunnen de proces-

IfiO

ocr page 182

Art. 5(? B.)

kosten gecompenseerd worden, en wel die kosten nader optemaken bij staat.

Kl}r. Horgiini, v. |U Sept. 18(53, \V. nquot;. '2525. — Zie tegen deze he-beslissing ile noot der redactie.

De eisclier die de proceskosten niet dadelijk bij het veroor-deelend vonnis heeft doen likwideeren en de gedaagde die op den beteekenden staat geen aanbod heeft gedaan, moeten beide een deel der kosten dragen van het liquidatie-proces, waarbij des eischers vordering, op enkele guldens na, is toegewezen.

Arr.-R. Maastricht, v. 26 Mei 18(54. W. nquot;. 2(531.

li 9- Uit het niet compenseeren der kosten, kan nimmer een grond tot vernietiging van een vonnis worden geput.

Arr.-R. Rotterdam, v. 29 Maart 1865, W. no. 2700, ook vermeld ad n0. 6 viin dit art.

»8. Er best aan geene termen tot compensatie van kosten, maar de eischer moet in de kosten van het rechtsgeding worden veroordeeld, wanneer zijne vordering wel wordt toegewezen, maar wanneer hij eene gerechtelijke beslissing heeft uitgelokt omtrent een punt, dat door den gedaagde nimmer was tegengesproken.

Arr.-R. Amsterdam, v. 1 Oct. 1867, W. nn. 2971.

Jlfgt;. Wanneer in geval van verstek van den gedaagde, de eischer niet-ontvankelijk wordt verklaard in zijne vordering, moet de defail-lant in de kosten van het verstek en de eischer in de overige kosten worden veroordeeld.

P. 11. v. N.-Holland, v. 28 Mei 1868, W. no. 3043. Anders liet daartoe betrekkelijk vonnis der Arr.-R. Amsterdam, v. 4 Nov. 1867, W. n0.2979, waarbij de niel-ontvankelijk verklaarde eisclier in alle kosten werd veroordeeld.

-40. Een ingestelde eisch tot vergoeding van schade, later te ver-elienen bij staat ingevolge de wet, kan, in weerwil van bewezene schade, aanleiding geven tot compensatie van kosten, bijaldien de rechter de wetenschap heeft verkregen, dat de opgave der geledene schade, in de oorspronkelijke dagvaarding gedaan, oneindig verschilt van de door den gedaagde veroorzaakte en bij den eischer inderdaad geledene schade.

P. H. v. Gelderland (Raadk.), v. 24 Juni 1868, bevestigende Arr.-R.

171)

ocr page 183

(.1/7. 56 B.

Nijmegen, v. ;i Dcc. Ilt;S(17, licido in W. nquot;. 3053. Zie ten Ijetooge, dat dok de algemeeno regel van art. 50 II. It. geldt bij de lu'ocodnre tut vci'efl'ening van kosten, scliaden en interessen, en dat do rechter bevoegd is de kosten te conipenseeren, indien de declarant te veel heeft gevorderd en de gedeclareerde te weinig heeft aangeboden, arr. P. II. v. (iclderland, v. 13 Juli -1855, bij mr. llEimvKi.n, t. a. |i. blz. 7'.); in den/.elfden zin arr. I'. II. v. Overijssel, v. S Frbr. 1841. bij mr. 1 Ikrt/.vki.d, nt snpi'a blz. 8. /ie verder hieromtrent I'. II. v. Zeeland, v. 8 Juni 1847, sqq. sub art. 015 II. li., alsmede het aangeteekende sub art. 50 C. nquot;. 2, B. li.

41. Er bestaan geene termen tot compensatie van kosten, maar de eischer moet de kosten dragen, indien de door den gedaagde tegen de afgewezen vordering opgeworpen exceptie wel is ongegrond verklaard, maar deze verwering geene meerdere kosten heeft veroorzaakt, trzr

Ktg. Gonda, v. 13 April 1871, \V. nquot;. 3350; idem 1'. 11. v. Gelderland,

v. 20 Febr. 1873, W. n0. 3011, en van 20 Nov. 1872, VV, n». 3553;

idem I'. II. v. Drente, v. 30 Mei 1808, W. nquot;. 3040. Vei'g. ook air. V./'?'rr II. v, N.-llollaud, v. 2 Febr. 1805. VV. u0. 27l.quot;gt;. quot;

Zie hiermede in verhand, vonnis der Arr.-R. 's-Gravenhage, v. 0 Nov.

1800, VV. nquot;, 2237, waarbij is beslist, dat bij toewijzing van de hoofdvordering do aanvankelijk gedane doch later ingetrokkene vordering tot toepassing van lijfsdwang, geen grond oplevert tot compensatie van kosten, vermits het proces daardoor geen grooteren omvang verkregen heeft en geene kosten veroorzaakt zijn.

42. Bij vermindering van den eisch op het verzet door den bij verstek veroordeelde, en diensvolgens wijziging van het vonnis bij verstek, bestaat er wel grond om de kosten van het verzet niet geheel ten laste van den opposant te brengen, maar kan hij toch daarvan niet geheel en al worden vrijgesteld.

Arr.-R. Amsterdam, v. 20 Oct. 1880, W. nquot;. 4628.

-1-3. Wanneer wel eene schadevergoeding van eene zekere som bij dagvaarding is gevorderd, doch het bedrag aan de prudentie des rechters is overgelaten, kan de eischer niet geacht worden voor een deel in het ongelijk gesteld te zijn, wanneer de rechter hem minder dan de gestelde som toewijst.

Arr.-R. Utrecht, v. 2 Maart 1881, W. n0. 4072.

-1-1. W anneer de eischer en appellant tijdens het proces de exceptie,

daarop gegrond, dat hij als voogd niet heeft afgelegd de verklaring van de erfenis voor de minderjarigen (voor wie als erfgenamen hij ageert)

171

onder het voorrecht van boedelbeschrijving te aanvaarden, doet ver-

^-quot;2-

ocr page 184

Of - ' /xr^- O-J-t-O-. CM-O-t lt;9*-'

(t/.fcpyj.

Art. 5f5 B.) 173

vallen, kunnen bij vernietiging van het vonnis a quo, terwijl elke partij ten tleele is in het ongelijk gesteld, de kosten in eersten aanleg en in hooger beroep veilig worden gecompenseerd, wanneer men let èn op het tijdstip, waarop de exceptie heeft moeten vervallen (nam. voor dat de zaak in eersten aanleg in staat van wijzen was), èn op het aanmerkelijk verschil, dat er bestaat tusschen het bedrag der kosten, welke de eisclier en appellant heeft te maken gehad, in vergelijking van die van den gedaagde en geintimeerde.

Hof 's Hertogenboscli, v. 17 Mei 1881, W. n0. 4704, waarbij nog werd beslist, dal de kosten veronrzaakt door des appellants verzuim als voogd, tea laste van bcm in privi- moeten komen.

-l.V Zie ten betooge, dat er termen bestaan tot compensatie van kosten, indien de verzekeraar, hoezeer op goede gronden de bovenmatigheid der door den verzekerde gevorderde vergoeding van geledene brandschade bewerende, aan dezen geene bepaalde, som heeft aangeboden —

art. 274 W. v. K,, arbitraal vonnis v. 13 Jan 1847, sub no. 5.

-Ui. Zie over de zonderlinge gevolgen, waartoe de compensatie van kosten tusschen bloedverwanten en aangehuwden kan leiden, wanneer zij, in strijd met art. 89 B. R., ook op het verstek wordt toegepast

Mr. .1. Lokman in NV. nquot;. f.llw. Zie naar aanleiding van dit betoog S. Menauia, in U. li. jg. '18(')8, blz. 133.

-IS. Zie over het begrip van compensatie van kosten en over de onrechtvaardigheden, waartoe zij kan aanleiding geven — -

P. in 1!. 1!. ,jg. I87lt;.gt;. p. 3.

Art. 56.

C-

A l dan met compensatie van kosten, ten gevolge van verminderong

van eisch.

1. Wanneer de eischer, van den beginne, af, meer vordert dan waarop hij later erkent recht te hebben, en de tegenpartij niet bij zijn eerste antwoord een verminderd bedrag aanbiedt, zijn er termen om de proceskosten te compenseeren.

Arr. v. 16 Nov. 1883, W. no. 4978; R. d. CXXXV, § 14; v. n. II.. B. R., (1. XLIX. p. 10.

ocr page 185

{Art. 56 C.

® Wanneer de eischer, tengevolge van de verdediging van den gedaagde, gebruik maakt van het hem bij de wet geschonken recht om zijn eiscli te verminderen, doch door dien verminderden eiscli blijkt meer gevorderd te hebben dan bem toekwam, dan bestaan er, bij beschouwing van den primitieven eisch, door den eischer in den gerichte gebracht, termen om de kosten, hetzij geheel hetzij gedeeltelijk te compenseeren.

Arr.-R. Utrecht, v. 6 April 1842, VV. no. 305; idem Ktg. Boxmeer,

v. 27 Febr. 1840, W. nquot;. 109; idem Arr.-R. Breda, v. 27 Nov. 1849, W.

n». 1113; idem Arr.-R. Groningen, v. 14 Febr. '1851, R. B. jg. 1851, p.

302—304; idem bij vonnis van het Ktg. n0. IV te Amsterdam, v. 10 •lan. 1851 ; Amsterd. Regtspr., d. 1, p. 290—293, waarbij is beslist, dat de gedaagde, die de pendente lite gewijzigde vordering van den eischer ter audiëntie (in casu voor het Ktg) aanbiedt te voldoen, niet in de kosten kan verwezen worden.

Vergelijk met deze laatste beslissing vonnis Ktg. Groningen, dd. 25 .

Maart 1872, W. n0, 3516, waarbij is beslist, dat de gedaagde, hoewel hij door zijn ter terechtzitting gedaan aanbod niet is bevrijd, en derhalve ^4^ nog veroordeeld dient te worden, om het door hem verschuldigde te vol- ZT.J/üv

doen, echter niet gezegd kan worden in het ongelijk te zijn gesteld, . oo n é wanneer de eischer na het aanbod zijn eisch tot bet bedrag daarvan / ' ' vermindert.

Zie in denzelfden zin Arr.-R. Amsterdam, v. 11 J)ec. 1861, VV. nquot;.

2372; idem Ktg. Groningen, v. 21 Jan. 1856, VV. no. 1840.

Verg. voorts vonnis Ktg. Groningen, v. 30 Dec. 1872, VV. nn. 3586,

waarbij is beslist dat de gedaagde aan de sommatie niet hebbende voldaan,

oorzaak is van bet proces; dat echter de eischer het later gerechtelijk aanbod van gedaagde, conform zijn verminderden eisch, had moeten aannemen, en het proces beëindigen; zoodat beide partijen in het ongelijk gesteld moeten worden en er mitsdien grond is tot compensatie in dier voege, dat gedaagde do kosten betaalt tot aan het aanbod en de eischer de verdere, met inbegrip der op het aanbod gevallene kosten. - p /

Nog werd beslist dat, als de gedaagde een onvoldoend aanbod doet, ■ «f. A-fyfifb-yi en de eischer eene te hoog geoordeelde vordering hoeft ingesteld, de

i ^ kosten moeten worden gecompenseerd, 1J. II. v. N.-Holland, v. 6 Juni 'cPcP

^ .'lt;Pf 1872, VV. no. 3545. ^ ^

^ o ffOqx. Vergelijk verder Arr.-R. Amersfoort, v. 14 Nov. 1859, W. n0. 2171, / ' waarbij beslist werd, dat wanneer het uit de feiten, ten processe gebleken, /%_ duidelijk was, dat de eischer een aanbod vóór do dagvaarding toch niet

£ fajrr. tQo2. zou hebben aangenomen, de eischer in de kosten moet veroordeeld worden, wanneer bet ten processe gedaan aanbod voldoende wordt jreacht.

//y yt^0'7'72.0 • i

// /quot; Zie echter tëu betooge dat de eischer niet kan gezegd worden in het ongelijk te zijn gesteld, wanneer bij vrijwillig zijn eisch vermindert, na den gedaagde te hebben gehoord, vonnis van do Arr.-R. Groningen, v.

16 Juni 1843, R. B. jg. 1843, d. V, p. 616 en 617, li. d. XX, § 97; P. H. v. Friesland, v. 15 Jan. 1845, W. nquot;. 644, of wanneer hij bij de be-

173

ocr page 186

Art. 5(1 C.)

strijding lioor gedaagde van liet verzoek tot solidaire veroordeeling zijn eisch wijzigt liij vonnis derzelfde Reclitbank. v. 29 Maart 1850, R. li.

P- Wp; of wanneer hij eerst na verhoor op vraagpunten of getuigenverhoor zijn eisch vermindert, zoo gedaagde geen aanbod heeft ^oedaan of hel gedane aanhod nietig was, Ktg. Groningen, v. 3 Jan.

IS.quot;).'!. AV. nquot;. 1420; of wanneer de eischer zijne vordering vermindert tot het aanhod door gedaagde na de dagvaarding gedaan, Ktg. Groningen,

v. \\ Juli 1873, W. nquot;. 3620; of wanneer de eisch te hoog is geoordeeld en door gedaagde een onvoldoend aanbod was gedaan, Arr.-R. 's Graven-hage, v. 28 Juni '18ri9, W. nquot;. 2080; Ktg. Dordrecht, v. 2 Mei 1871. W. n0. 3371; zie ook het bovenaangehaalde arr. 1'. H. v. Friesland, v. 15 .hm. 1845; of wanneer het aanbod door gedaagde eerst na eene exper-is gedaan en de eischer zijne vordering tot de aangeboden som «,•„/7. vermindert alleen om verdere geschillen te voorkomen, Arr.-R. Amster-

z' y ^ b/x- ''ani5 v- 1 Nov. 1870, R. I!. jg. 1872. |j. 79 sqq., in alle welke gevallen

' ' de gedaagde in alle proceskosten is verwezen. Verg. ook arr. P. II. v.

***quot; -^4-^ /..-Holland, v. 13 April 1803, W. nquot;. 2543.

^-«-^gt;-lt;-^2^' /je voorts hiermede in verband. Ai r.-11

^ j„ 1881, A. p. 222. ten betooge, dat

£jrgenoodzaakt was den weg van rechten inteslaan tot het verkrijgen van y, ^ [f ■ s „ ^•-^vermindering der vordering, deze alle proceskosten moet dragen. a-xa-i ^

_ . Vergelijk, weder meer in overeenstemming met het eerste stelsel, Ktg.

Groningen, v. 20 Fehi1. 1877. \V. no. 4133, waarbij werd beslist, dat bij vermindering van den eisch, do in gebreke zijnde gedaagde de kosten moet dragen, behalve die welke het onmiddellijk gevolg zijn van het van den oorspronkelijk hoogeren eisch; in denzelfden zin zelfde Ktg. v. 20 Feljr. 1877, W. ir. 4140 en v. 2 Jidi 1877. W. nn. 4140.

174.

f-

Zierikzee, v. 7 Juli 1879, R.

waar niet blijkt, dat de gedaagde Lcryvy

fXt Cf ■A^rf

^C.r^L/ quot;■

Ij

instellen

V™ c'- ^

amp;jL O..

Sopt. 1801, VV. nquot;. 2305, waarbij is beslist, dat de gedaagde, die bereid P/^nt

Zie eindelijk in strijd o. a. met het vonnis Ktg. Groningen, v. 2;gt; U Ccrt-Maart ^872' 1 liervoren aanoelmald, liet vonnis der Arr.-R. Brielle, v. 6

in alle kosten moet

is aan den verminderden eisch te voldoen, niettei

^-worden veroordeeld, wanneer

3 Zr' oéjf

UJ- S'TZ'

i-

Vergelijk voor

I-LSJ t

■trvct 0^-

/ ''

tr ^cler zaak 1»ij de Rechtbank veroorzaakt Februarj 4X4^ w no. 182, R. d. XI

U/.n'ss-iy^ de kosten veroor-

Jl. Volgens flit art. moet de verliezende partij

- o irrm.

1^, deeld worden.

0 l J ■■ ■ Cu L ' ■— ■' '' -

Oy^

U/; I*-quot; r

/ctr ia—-

e^r-t. ^ o_a—O-^C'--6 o^cgt;

r-t.-J J2-

de gevallen invloed is op de competentie:

^ Arr.-R. 's Hertogenbosch, v. 1 Mei 1872, R. 15. jg. 1874, hl. 421, waar-'~l bij is beslist, dat wanneer de eischer zijne vordering tot zoodanig bedrag vermindert, dat de zaak, ware reeds in de dagvaarding alleen de verminderde som geëischt, tot de competentie des kantonrechters zon behoord cmx . . hebben, de eischer de meerdere kosten moet dragen, door het aanbrengen (uJ-oC^ ^-v^der zaak hij de Rechtbank veroorzaakt; idem Arr.-R. 's Gravenhage, v.

pag. 107. r

geen gerechtelijk aanbod, gevolgd door consignatie, heeft gedaan; idem Arr.-R. Amsterdam, v. 7 Jnni 1841, rki ' jg. 1840, d. Vlll, p. 183 sqq.; v. 8 Jan. 1862, W. n». 2386; v. 3 fle-c. lt; e-u Juni 1863, W. nn. 2530, en v. 7 Nov. 1878, W. nquot;. 4382; idem Arr.-R.

r™ - Uti-echt, v. 27 Jan. 1875, W. nquot;. 3831; CU.gt;-fj*■ %s^: f'-n

^ l—j — a ■ II 1.11 I _ ^ — - a -

dat de verminderinquot;' der vordemng van

ocr page 187

{Art. 56 C.

' , '-gt;A T y^yy.

Onder de uitzonderingen op dien regel wordt niet gevonden het geval, dat de appellant in honger beroep, zijne hem in die instantie toegewezen vordering, verminderd heeft.

Arr.-R. Dordreclil, v. 14 Jan. ISCw. \V. nquot;. 2002, waarliij geintimeordo die in al zijne middelen van verweer, ook tegen de verminderde vordering, werd in liet ongelijk gesteld, in de kosten van beide instantiën veroordeeld werd.

Hoezeer de eischer in conventie zijn eisch op de tegen vordering van den gedaagde heeft verminderd, kan hij daarom niet geacht worden een gedeeltelijk onrechtmatigen eisch te hebben gedaan, waar die vermindering slechts heeft plaats gehad, onder door den gedaagde niet betwiste reserves.

Arr.-R. Utrecht, v. 8 Mei 1867; R. R jg. 1870, blz. 92.

i

Art. 50.

IX

Reserve van kosten.

f. Eene partij, welke bij eene definitieve uitspraak succumbeert, kan ook worden veroordeeld in de kosten van een incidenteel vonnis, waarbij hare tegenpartij is in het ongelijk gesteld, indien bij het incidenteel vonnis de kosten zijn gereserveerd en daarin is berust.

Arr. v. 3 Nov. 1843, W. n». 448; R.. d. XV, § 01; v. n. 11.. 1!. 1!., d. V, p. 38—50.

3. Eij art. 56 wordt wel bepaald, dat bij interlocutoire vonnissen de uitspraak over de kosten tot aan het eindvonnis kan worden voorbehouden, maar daartoe wordt nergens bij de wet den rechter de verplichting opgelegd.

Arr. v. 31 Jan. 1845, W. nquot;. 596; R.. d. XIX. § 78; v. n. II.. li. 1!.. d. VI, p. 329—349; idem (bij praeparatoire vonnissen) arr. v. 20 April 1855, W. 11°. 1085; R., d. L. § 13. ook aangehaald snh art. 40 li. R.. waarbij nog beslist is, dat door de veroordeeling in eenige kosten bij zoodanige uitspraak, liet karakter van praeparatoir daaraan niet wordt ontnomen; idem arr. v. 18 Nov. 1870, W. n0. 3271 ; idem Itij Mr. Oudeman, ]i. Ti., 4de ed., d. I, p. 70, en de Pisto, Themis, 3de jg., p. 381. Laatstgemelde merkt m. i. terecht op, dat het vooral strijdt met alle denkbeeld van

ocr page 188

Art. 56 D-) 176

lullijklieiJ en reclitvaardigheid, liij elk incidenteel en interlocutoir vonnis de kosten te reserveeren tot aan de einduitspraak, en de kosten van een interlocutoir vonnis alleen dan, maar ook dan altijd, gereserveerd belmoren te worden, wanneer het door den rechter ambtshalve is gewezen, terwijl indien het op tegenspraak is geslagen, de verliezende partij altijd moet worden verwezen in de daardoor veroorzaakte kosten (Lkon).

3. Bij een vonnis, houdende niet-ontvankelijkverklaring voor alsnog, kunnen de kosten tot de uitspraak ten principale worden voorbehouden, indien die niet-ontvankelijkverklaring geene beslissing ten principale inhoudt, maar gegrond is op eene plaats te hebben expertise, alvorens ten principale worde beslist.

Arr. v. 7Mei 1847, v. u. 11., B. I!.. d. IX, p. liS-38; II., d. XXVII. § 47.

Jl. De bevoegdheid bij art. 56, al. 2, 15. R., aan den rechter verleend om bij interlocutoire vonnissen de uitspraak over de kosten tot het eindvonnis te reserveeren, geldt ook ingeval van hooger beroep op eene in eersten aanleg gewezen interlocutie, onverschillig ot die in appel wordt bevestigd of verworpen.

/?. Arr. v. 3 Mei 1850, \V. n». mi: II., d. XXXV, § (10; v. u. II., li. II.. d. XII, p. 30—38. Vgl. hiermede het daartoe betrekkelijk arr. van t 1'. p**- ' II. in Zeeland, v. 4 Dec. 1849, R. 1!. jg. 1850, d. XII. p. 484 en 485;

/4 anders Arr.-R. Groningen, v. Ui Sept. 1870; li. li. jg. 1870, afd. A, ji.

304, waarbij implicite werd aangenomen, dat de bevoegdheid van den rechter om de kosten te kunnen voorbehouden, niets ontneemt aan zijne vet'iilicJiting om hij tegenspraak de verliezende partij in de kosten te veroordeelen. Zie eene bestrijding van dat vonnis door Mr. S. Menai.da, t. a. p. blz. 300 sqq. — Verg. ook het sub art. 50 I), n0. 2 vermelde.

ö. Alhoewel bij het opgelegd getuigenverhoor niet in allen deele is quot;■evolgd wat de eischer had voorgesteld, is toch de rechter volkomen bevoegd de uitspraak over de kosten te reserveeren.

Air. v. 19 Oct. -1877, W. no. 4170; v. d. II., B. R., d. XLII, p. 384.

O. De rechter is niet bevoegd, wanneer een appellant zonder eenig voorbehoud de vernietiging van een vonnis, waarbij hij o. a. is veroordeeld tot het doen van rekening en verantwoording, heeft gevraagd, bij toewijzing van die vordering, ook in appel, reserve der kosten, daarop gevallen, uittespreken. Daartegen kan niet afdoen het beweren

ocr page 189

(Art. 56 D.

van den appellant in hooger beroep, dat liij ninuner liet doen dier rekening en verantwoording beeft geweigerd.

P. II. Drente, v. 27 Dec. 185'!. W. n0. 102ri.

S. Wanneer de kantonrecliter partijen verwijst naar de Arr.-Rechtbank, omdat de gedaagde zijne handteekening niet erkent, dan moeten de kosten worden gereserveerd, totdat door den bevoegden rechter omtrent de echtheid der handteekening zal zijn uitspraak gedaan.

Arr.-R. Assen, v. 29 Juni '1855. VV. riquot;. 1092; R. B. jfr. 1855, dl. V. bi. 580; zie ook vonnis dierzelfde Rechtbank van 27 liini '1854. VV. nn. 1020, R. I!. jg. -1855. iil/. 533.

8. hi het algem.een is het waar, dat de gevallen van schorsing van den loop van een rechtsgeding met de daarop volgende procedure tot hervatting, behooren tot de wisselvalligheden van ieder proces, onafhankelijk van den wil der partijen, en de uitspraak over de daarmede gepaard gaande kosten, voor zoover zij niet door eene der partijen onnoodig zijn vermeerderd, tot aan de einduitspraak moet worden verschoven. In casu behooren de gedaagden op liet incident, die niet dadelijk bij hun procureurstelling het geding hebben hervat, veroordeeld te worden in de daardoor onnoodig veroorzaakte kosten.

Arr.-R. Appingadam, v. 23 Oecember 1858, VV. no. 2083.

O. Indien bij eene vordering tot ontbinding eener overeenkomst met schadevergoeding, nader optemaken bij staat, uithoofde van wan-praestatie, de gedaagde de gegrondheid dier vordering erkent, en zijn reeds voor de dagvaarding gedaan aanbod tot ontbinding met eene bepaalde vergoeding, die de eischer als te laag bestrijdt, herhaalt, dan moeten de kosten gereserveerd worden tot de uitspraak omtrent de schadevergoeding, met uitzondering van die der pleidooien, (gehouden over het geschil, ten laste van welke der partijen de proceskosten moeten gebracht worden), waarvan ieder hare eigene kosten moet dragen, omdat beide partijen te dien aanzien zijn in het ongelijk gesteld.

Arr.-R. Amsterdam, v. '18 Oct. 1805, W. n0. 2758; R. B. jg. 1800, bl. 55-1.

I O. Waar het al of niet voldoende van een gedaan aanbod aan

Mr. W. vaw Rois.sbm Bz., Burg. Rechts», l'-J

177

ocr page 190

Art. 56 D.) 17S

het onderzoek van deskundigen moet worden onderworpen, moeten de proceskosten worden gereserveerd.

Arr.-R. Groningen, v. 24 October 1873. \V. no. 3704.

I I. Zie ten betooge, dat de gedaagde, tegen wien de van waarde verklaring van een arrest onder derden wordt gevraagd, niet liet recht heeft de reserve van de proceskosten van het beslag te vorderen, tot tijd en wijle dat de derde beslagene zijne verklaring zal hebben afgelegd, op grond dat deze geene gelden of geldswaarde onder zich heeft —

art. 738 H. R., vonnis van de Arr.-R. quot;s Bosch, v. 20 Anlt;ï. 1841.

1 'i. Zie -— omtrent het reserveeren der kosten in zake van arbitrage —

art. 024 Pgt;. R.. vonnis van de. Arr.-R. Anisterdarn. v. 18 Dec. •1844 sqq.

Art. 56.

EL

lleferte: In hoeverre kan eene zoogenaamde referte aan des rechters oordeel een middel zijn, om zich aan eene veroordeeling in de kosten te onttrekken?

1. Art. 56 B. R., hetwelk de veroordeeling in de kosten tegen de partij, die in het ongelijk is gesteld, vordert, is niet van toepassing in eene procedure tegen een notaris, die, nadat de president [in casu onder het gebied der wet van 25 Ventose jaar XT), een verzoek om machtiging tot afgifte van een afschrift eener ten zijnen overstaan gepasseerde acte aan de Rechtbank had verwezen, — en welk renvooi door hem niet was geprovoceerd, — zich daar aan de beschikking des rechters heeft gerefereerd.

An-, v. '18 Nov. 1842, W. no. 351; R., d. Xli, § 30; v. D. H., 15. 1!.. d. IV, p. 49—06. — In gelijken zin bij het daartoe betrekkelijk arr. van 't P. H. v. Holland, v, 1 Dec. 1841, W. no. 258; - anders bij het mede betrekkelijk deze zaak gewezen vonnis van de Arr.-R. Amsterdam, v. 29 .Tnni 1841, W. no. 214, naar luid waarvan een notaris in dit geval geene uitzondering maakt op den algemeenen regel van art. 56 B. R.; ■— idem ten aanzien van een' notaris die geweigerd had aan legatarissen

ocr page 191

(A/V. 5fi E.

enn afsclirift te geven van een geheel testament, onder hem berustende IcO-yyr- ,

en zich aan het onrdeel der Rechtbank liebbende gerefereerd, niettemin /

al zijne gronden van verdediging bij zijne conclusie van antwoord had 'yur^ylA*• |

aangevoerd, bij vonnis van de Arr.-K. Utrecht, v. 0 Dec. IS.'jO, Reqt in Ncderl., d. II. p. 240; idem bij vonnis dor Arr.-R. 's Hage, v. 8 Oct. ^

1847, W. nquot;. 860, waarbij is beslist, dat, indien de betrekking van erfgenaam ah intestato door den notaris wordt erkend, zijne weigering tot afgifte van afschriften of grossen niet berust op eenigen twijfel omtrent ^ quot;quot;V feiten, maar op eene verkeerde opvatting der wet en dat, vermits een notaris zich op geene onkunde omtrent het recht mag beroepen, bij zijne verplichting ten deze moet kennen en zijne weigering alzoo is eene on- Je*^£*4 ■ rechtmatige daad, die hem, behalve in de veroordeeling in de kosten van , ^ ^ het geding, blootstelt aan vergoeding van schade ais naar rechten; welk '

beginsel mede in eene gelijksoortige zaak is gehuldigd liij vonnis der 3°

Arr.-R. Haarlem, v. 3 Dec. 1839, U.. d. IV. g 'i(i. gelijk mede ten aan- [(^ ■ytquot;ói.'hy.

zien van een notaris die geweigerd bad aftegeven eene eerste quot;rosse eener acte van vennootschap, waarin de verzoeker in de kwaliteit van directeur en deelhebbend vennoot voorkwam, op den onrechtskundigen grond, dat hij zich had gekwalificeerd als aandeelhouder zonder dat het bewezen ware, dat hij in bet bezit dier aandeelen was gekomen, noch deed blijken tijdens de aanvrage nog de kwaliteit van directeur te bezitten, — bij vonnis der Arr.-R. Zwolle, v. 43 Sept. 1843, W. n0. 490;

R. li. jg. 1843, d. V. p. 728—731; R. d. XVIII, § 3(i Zie ook in denzelfden zin vonnis der Arr.-R. Rotterdam, v. '2i April 1875, W. n». 3830,

waarbij nog is overwogen dat de vergelijking van art. 42 der wet op het notariaat met art. 23 der wet van 25 Ventóse an XI, krachtens welke de notaris zich kon dekken, door eene presidiale machtiging te vragen, duidelijk aantoont, dat onze wetgever aan den notaris zelf heeft overgelaten de beoordeeling van zijne verplichtingen; alsmede vonnis dei-zelfde Rechtbank v. 23 .Timi 1875, W. n0. 3873. — Vgl. met dit een en ander art. 839 II. R., arr. v. 18 Nov. '1lt;S42, en de overige beslissingen aldaar vermeld, alsmede art. 56 li. R., E in. /ine.

'i. Indien de eischers hun recht (in casu op de overschrijving ten hunnen name van een kapitaal op het Grootboek) behoorlijk aan den gedaagde (den Staat) hebben doen blijken en laatstgemelde in die overschrijving heeft gedifficulteerd, waardoor de eischers genoodzaakt zijn geworden de tusschenkomst des rechters interoepen, en de gedaagde zich later tegen de vordering, bij dagvaarding gedaan, geene partij heeft gesteld en hare gegrondheid niet bepaaldelijk heeft betwist, zich refereerende aan de beslissing des rechters, maar niettemin onderscheidene bedenkingen in het raidden gebracht en twijfelingen geopperd heeft, zoo omtrent de volledigheid der door de eischers overgelegde stukken, als omtrent het door hen beweerde recht om den eigendom van het kapitaal vrij en onbezwaard te erlangen, — dan

17!»

ocr page 192

Art. 56 E.)

moet cie gedangfle geaclit worden in het ongelijk te zijn gesteld en in de kosten van het rechtsgeding worden veroordeeld.

Aitquot;. v. 2 Nov. en v. 20 Oct. 'ISilt. \V. n0. I'IOO; R.. d. XXXITI, § 39; idein, althans iynplicitt' in eene gelijksoortige /aak, bij ari'. v. 22 Febr. 1850, W. n». H39, v. n. H.. B. R., lt;1. XI, p. 253—279; idem bij vonnis van de Arr.-R. Groningen, v. 8 .Inli '1842, R. B. jg. '1842, lt;1. I\ • p. 080; idem ten aanzien van een gedaagde die, niettegenstaande zijne referte aan 's rechters uitspraak, betrekkelijk de qnaliteit der eischers die qnaliteit bij pleidooi expresseüjk beeft bestreden, bij vonnis van de Arr.-R. Heerenveen, v. :Vl Tan. 1845. W. no. 58.'?. Verg. Arr.-R. Brielle, v. 25 Nov. 1859, VV. nquot;. 2140, R. B. jg. '1800, dl. X, bl. 93—90, waarbij is beslist dat berusting in den eisch bij conclnsie, en breedvoerige bestrijding daarvan bij pleidooi, niet van eene veroordeeling in de kosten kan bevrijden; idem, ten betooge, dat eene referte onder zekere clausulen geene eenvoudige referte is en dus tot veroordeeling in de kosten aan-leidinquot;- kan geven, bij vonnis van de Arr.-R. Amsterdam, v. 24 Oct. 1853, R. B. jg. 1854, p. 140—149. — In overeenstemming met dit een en ander is beslist bij vonnis der Arr.-R. 's Bosch. v. 24 Maart 1843, W. no. 483, dat zekere eischeresse, die in een verzoek tot oproeping in vrijwaring niet stellig had bewilligd, maar, zonder zich aan den andeien kant uitdrukkelijk te verzetten, en zicb aan 's rechters prudentie refereerende, als hare meening bad opgegeven en verdedigd, dat bet verzoek ambtshalve behoorde te worden afgewezen, deswege in bet ongelijk gesteld wordende, reebtens moest geaebt worden, bet verzoek te hebben en deihalve

in de kosten van liet. incident behoorde te worden verwezen, zonder dat er sprake kan zijn, om die te compenseeren, of de uitspraak tot het eindvonnis voor te behouden; idem bij vonnis Arr.-R. Amsterdam, v. 0 Juli 1809, W. nquot;. 3158, R. 1!. jg. '1870, p. 232, waarbij is beslist, dat hij, tegen wien het verzoek tot voeging is gedaan en zich op dat incident aan het oordeel der Rechtbank refereert, nochtans in de kosten, op het incident gevallen, veroordeeld moet worden, wanneer hij aan zijne referte de opmerking verbindt, dat hem het verzoek niet wettelijk voorkomt en hij daardoor eene mondelinge toelichting van de conclusie der tegenpartij heeft noodzakelijk gemaakt. Cf. navolgende beslissing;

Als een eischer in een aanhangig rechtsgeding verzoek doet om een derde in vrijwaring op te roepen, en de gedaagde zich ten aanzien van dat verzoek en de vraag, of de wet een eischer in een aanhangig rechtsgeding het recht heeft toegekend in vrijwaring op te roepen, refereert aan 's rechters oordeel, met de bijvoeging, dat die rechtsvraag hij een vroeger vonnis derzelfde rechtbank in ontkennenden zin werd beantwoord, dan kan de gedaagde gezegd worden tegenspraak te hebben gedaan en uitdrukkelijk gronden en redenen van tegenspraak te hebben aangevoerd.

180

ocr page 193

c j /ffl f • Csamp;yVcJLouf tamp;rt' ^ 's J '■{ -i : : - -y^'C, i^wua4gt;^L^~

/ •' / ' ' 7,w^/. u.^ukyy^ z^rt^CuJlU C-n ^ , ■■**amp;■ dr XlvL. -aAC^.,

ZCerul^. ^ /*gt; ^- kPft. (A n-ÓtSD.

1S1 f.4;/. 5fi E.

Arr.-R. Goriuchcni, v. 22 Nov. IS-V.l. VV. 110. 21.').quot;quot;»; ;iiuiers echteiv indien de i'eferte van den oorspronkelijken eisclier te dien aanzien niet Ix'paaldelijk inliondt eem1, weigering van het gedaan verzoek, als wanneer de kosten van het incident tot het eindvonnis kunnen worden gereserveerd, bij vonnis der Arr.-R. Amsterdam, v. 8 Maart iSi*), VV. n0. KKJO.

3. Waar de verweerder zich heeft gerefereerd aan het oordeel van den Hoogen Raad, en de eisclier dit eveneens heeft gedaan ten aanzien der kosten, behooren deze bij vernietiging van de beslissing a quo en dientengevolge terugwijzing van partijen te worden gereserveerd tot aan de einduitspraak ten principale.

Air. v. 4 Dec. '1863, W. 11quot;. 2542; verg. art. 5(5 I!. U., air. v. 29 Mei 1840 sqq., sub G. nquot;. i.

41. Hij wiens vordering in eersten aanleg werd ontzegd, omdat hij zijne kwaliteit niet bewees, moet, als hij dat bewijs in appel aanvult,

en de vordering hem dientengevolge wordt toegewezen, niettemin de kosten van eersten aanleg blijven dragen ; — de kosten van het honger beroep komen in zoodanig geval ten laste van den geïntimeerde, die,

door zich slechts te refereeren, de behandeling en het onderzoek der zaak heeft noodzakelijk gemaakt, en daardoor werkelijk in het ongelijk wordt gesteld.

Arr. v. 8 Mei 1808 (koloniaal appel), W. iio. 3005; R., d.

LXXXIX. § 6.

ö. De eischer moet in al de kosten van het proces veroordeeld worden, wanneer, ten aanzien van het éénige punt, waarin hij in het gelijk werd gesteld, de verweerder zich geene partij heeft gesteld.

Arr. v. 28 April 1871, W. no. 3327.

tt. In weerwil van de verklaring van eene partij, dat zij zich geene partij stelt, kan de tegenspraak der vordering worden afgeleid uit de houding en de handelingen in den loop van het geding door haar aangenomen en verricht.

Arr. v. 24 Nov. 1871. W. nquot;. 3412; idem nrr. P. II. v. /,.-1 lolhiml. v. 12 Dec. 1849, W. nquot;. 1095, waarbij is beslist dat eene referte aan bet oordeel des rechters door den gedaagde, eerst bij antwoord in bet geding,

na eene vruebteloos gedane sommatie tot oplieffing van een verzet, en welke referte daarenboven is vergezeld geweest van eene opgave van de gronden voor de beweerde reebtinatigbeid van liet gedaan verzet, kan den snccumbeerenden gedaagde niet ontbelTen van de veroordeeling in

ocr page 194

• amp; c

fa/C-'c 'cte' r?t /£~y-T' •. --^. quot; £-1 A2*-£, O^— /cre-c^^t ^9-amp; -gt; t^-^rpV-i £2- £lt;gt;02—J ■amp;amp;^*yyrf c-£. /—

cf~amp;- -yni^ e-ttrc.^ i£eJl£^lt;^. 4. , o£t^ e t^

j/t/^/ ct^_s /^.^/-xt/^^-cz-rr^ s^o~a--Q--tgt;C , ^ -^7 quot;X ttt- -amp; ^-'

^a.-a--x*-/** ^rt. '5fi eT SL, , lt;^,X. 182 /ƒ A .quot; ïiquot;cOofiC.

'-f Art. öf! E.) iS-i A-.

«Ie kosten vuti den processe; idem ten uanzioii van gedaagden, die hoewel zich gerefereerd hebbende, iiii|ilicit.e de vordering hebben tegengesproken, liij vonnis dor Air.-11. Rotterdam, v. (i Jnni 18i0, W. nquot;. 1050; R. 1!. jg. 1850, d. XII, |gt;. 425—/i30; idem zelfde Rechtbank, v. *1'\ Nov. 185(1, K. 1!. jg. 1857, d. VII, bl. 73; van 27 Juni 1873, W. n0. 3(547, en van i Dec. 1S77, R. li. jg. 1878, A, |i. 133, waarbij is beslist dat de gedaagde, tlie bij zijne referte zoodanige opmerkingen hoeft aangevoerd, die — werden zo aangenomen — tot niet-ontvankelijkheid zouden leiden, inderdaad geacht moet worden do vordering te hebben betwist, en bij toewijzing in de kosten moot worden veroordeeld; idem Arr.-R. Amsterdam, v. 31 Mei *1871, W. 11°. 3378; idem Arr.-R. 's-Gravenhage, v. 'J Hoc. 1879, W. n0. 4450.

\rergelijk ook navolgende uitspraak;

Den gedaagde, die door zijne houding het geding noodzakelijk heeft 1 gemaakt, kan zijne gemotiveerde referte aan 's rechters oordeel niet

'7^ vrijwaren tegen zijne veroordeeling in de kosten, al heeft de eischer geconcludeerd, dat ingeval gedaagde de vordering niet zou tegenspreken, de kosten ten laste van hem, eischer, zouden komen.

Arr.-R. Zwolle, v. 19 Dec. 1877, W. 11°. 4228.

Zie wijders over de beteekenis van referte —

Arr.-R. Amsterdam, v. 27 Febr. 18(37 sqq., sub art. 48 li. U.

?. Ook dan wanneer een gedangde in eene bizondere kwaliteit, gelijk in cam een curator in een faillissement, zich bij het instellen eener tegen hem qq. ingestelde vordering, aan het oordeel der rechtbank refereert, moet hij bij eene veroordeeling qq. in de kosten van het geding worden verwezen.

Arr.-R. Amsterdam, v. 22 Aug. 1839, It. U. jg. 1842, d. IV, p. 811—813.

S. Wanneer het al waar mocht zijn, dat eene partij, zich refereerende aan de prudentie des rechters, in de kosten van het geding moet veroordeeld worden, indien zij in het ongelijk wordt gesteld, dan behoort hiervan te worden afgeweken bij een incidenteel verzoek tot het hooren op feiten en vraagpunten.

Arr.-R. 's Bosch, v. 14 Juni 1843, W. nquot;. 443; — anders bij vonnis van de Arr.-R. Groningen, v. 8 Juli 1842, R. li. jg. 1842, d. IV, p. (i8ü.

tt. Indien de eischer zijne vordering tot veroordeeling van den ged. in de kosten beperkt tot het geval van tegenspraak, kan de gedaagde,

ocr page 195

{Ar(. 5f) E.

rlie, na zich gerefereerd te hebben, in liet ongelijk wordt gesteld, jiiet in de kosten worden verwezen.

Arr.-R. Ainsterdain, v. 7 April 1840, H. li. 1 Mi(i, tl, VIII, |i. 61 i'.) en (gt;40. — Vergelijk navolgende beslissing;

Er bestaan geene termen om eene der partijen in de kosten van het rechtsgeding te veroordeelen, wanneer de eischers de veroordeeiing van den gedaagde in de kosten slechts gevorderd hebben in geval van legenspraak, en de gedaagde, de vordering niet bepaald hebbende tegengesproken, geene veroordeeling van de eischers in de kosten van het geding heeft gevraagd.

Arr.-R. Middelliurg, v. 0 Oei. '1858, VV. nquot;. tM7(i. Verg. Arr.-R. Amsterdam, v. 19 Mei 1868, snli art. 285 B. R.

■ O. Het bestuur der Domeinen tegen den curator in eene onbeheerde nalatenschap eene vordering ingesteld hebbende tot afgifte daarvan, waarin na een voorafgaand verzoek, ook de wettige erfgenaam tot gelijk einde had geintervenieerd, moeten, indien van het oogenblik dat de intervenient in deze zaak tusschen beiden is gekomen, de oorspronkelijke eischer geene verdediging verder heeft gedaan, maar zich heeft gerefereerd aan de uitspraak der Rechtbank en alleen partij in lite is gebleven, om die uitspraak aftewachten, de kosten na de interventie gevallen, door den curator qq. worden gedragen, als veroordeeld in hetgeen de intervenient heeft gevorderd.

Arr.-R. Amsterdam, v. 20 .Tan. 1847, R. li. jg. 1847, d. IX, p. 551—550.

11. Om de veroordeeling in de kosten te ontgaan, is het niet genoeg, dat de gedaagde zich geene partij stelt tusschen den eischer en den intervenient, en zich bereid verklaart, om aan een van beiden te betalen.

Arr.-R. Haarlem, v. 13 Maart 1849, W. n0. 1050; R. B. jg. 1849, d. XI, p. 455—461.

13. Een gedaagde, die zich blootelijk heeft gerefereerd, kan niet worden veroordeeld in de meerdere kosten van conclusiën en pleidooien, die uitsluitend door de judicieele houding van zijn medegedaagde zijn ontstaan.

Arr.-R. Amsterdam, v. :!0 Mei 1854, W. no. 1500.

r\JCs ^_ QJL^. ^ b-r j-(^^42-

e , O—. '/Zcr. v L ey?

^(ZsoC t Ci 0 (C-ndtf1 l/c* -—tfzT t. . fast., /g, _. /lt;P ^ ^

ocr page 196

Art. 5fi E.)

I '.i Ziie ten betooge :

u. dat er termen bestaan, om de compensatie van kosten uit te spreken in geval van referte, zoo van eiscber als van gedaagde, vooral wanneer, hoezeer de gedaagde tot betaling veroordeeld wordt, de begrooting van den eiscber werkelijk verminderd en de door bem gevorderde veroordeeling bij lijfsdwang afgewezen wordt —

art. 50 15. R.. arr. van liot 1'. II. v. Zeeland, v. Hi Oct. 1840, sul) B, iiquot;. 15.

Dat de referte des eiscbers aan de uitspraak der Recbtbank met betrekking tot eene gevraagde mededeeling van stukken vóór de conclusie van antwoord geen berusting is op die gevraagde communicatie en zijne veroordeeling in de kosten van bet incident tengevolge moet hebben —

art. 1923 B. W.. vonnis van de Ait.-R. Groningen, v. 18 Jan. 1850, sub n0. 10.

— Met aanhaling van 't arr. van '( P. H. v. Holland, v. 1 Deo. 1841, bevestigd bij arr. van den H. R. v. 18 Nov. 1842, sub n0. 1. bestrijdt de Rctlactie van quot;t li. B. jg. 1840, d. VIII, p. 640, gelijk reeds vroeger in R. Bijbl., jg. 1842, d. IV, p. 813, en thans met een beroep op Carré, ad art. 130, C. de Pr. Civ., n0. 550 sqq., en aldaar het arrest van 't Fransche Hof van cassatie, v. 12 Juli 1810, dc leer daarbij aangenomen en verklaart zij te vergeefs naar wetsbepalingen of rechtsbeginselen te blijven zoeken, welke een gedaagde, hij moge op eigen naam of in hoedanigheid worden aangesproken, het recht geven eene verschuldigde betaling of andere voldoening van schuld uit te stellen, tot dat hij daartoe zal veroordeeld zijn. Zoodanige zoogenaamde referte aan het rechterlijk oordeel acht de Redactie eigenlijk, èn een in onze wetboeken onbekend middel van verdediging, eu eene ongerijmdheid, naardien partijen, die het rechterlijk oordeel inroepen, zich noodwendig altijd overeenkomstig de bepalingen der wet. aan de te vellen beslissing onderwerpen, terwijl intusschen die litiscontestatie zelve bewijst, dat de ged. zonder veroordeeling tot de voldoening niet bereid is. — \ erg. in denzelfden zin Arr.-R. Amsterdam, v. 0 Dec. 1865, W. nquot;. 2774, en van 2 Januari 1872, W. n0. 3435, waarbij werd beslist, dat een ieder verondersteld moet worden zijne rechten eu verplichtingen volkomen te kennen, zoodat bij — tot nakoming dezer laatste aangesproken wordende, verplicht is óf daaraan te voldoen, óf zoo hij eene beslissing daaromtrent wenscht nittelokken, hierin op eigen risico behoort te bandelen, cf. Arr.-R Utrecht, v. 25 Juni 1858, W. n0. 2037. In gelijken zin door de Pinto, IIdL. 2de ged. Ie st., p. 144, en üuiieman, /gt;. It.. 4de ed., dl. I, ]). 75; idem in een betoog voorkomende in W. uquot;. 1414, naar luid waarvan zonder (voornamelijk met het oog b. v. op den verweerder, die in eene verantwoordingplichtige betrekking in rechten wordt aangesproken) te beweren, dat aan liet

ocr page 197

{Art. 5fi E.

middel van referte alle brnikbaarhoid en tueijassing zon beliuoreu te worden ontzegd en bet volstrekt nit de praktijk zon moeten gebannen worden, een ged. behoort te weten en keus te doen, an ceilere au con-Iciuh'i'c vclil, boewei men in lt;'lt;instUalo de aangenomen leer geens-zins boven alle gegronde tegenbedenking verheven acht, tengevolge waarvan ten slotte de vraag wordt geopperd of het niet rechtskundig en analogisch consequent zijn zoude, aan te, nemen, dat eene referte, wanneer in bet algemeen eisch van kosten gedaan is, en de refereerende verweerder veroordeeld, d. i. tegenover den eischer in het ongelijk gesteld wordt, — niet kan vrijwaren tegen eene verwijzing in de kosten, maar dat daarentegen, wanneer die verwijzing alleen gevraagd is ingeval van tegenspraak, eene conclusie van referte, al zi j hot na geopperde bezwaren, in don zin des rechts niet oplevert die tegenspraak, welke de eiseber moet geoordeeld worden bedoeld te hebben en die bij in-ongelijk-stelling do verwijzing in do kosten in den regel na zich sleept.

Art. 56.

F.

Al dan niet ambtshalve veroordeeling van de mecumbeerende

nar tij in de kosten. „ r ,,,

L J 7/^. /?' MC*,

£. De rechter moet de verliezende partij ambtshalve in de kosten 0r /£»

veroordeelen, wanneer de wederpartij daartoe niet bepaaldelijk heeft

geconcludeerd. /o^y ^ quot;fsa? . ^ ^

f, jl/g Arr.-R. Winschoten, v, 26 Mei 1852. It. B. jg. 1852, p. 715—719;

^ idem imjilicite Arr.-R. Amsterdam, v. (i April 184(5, It. 1!.. d. Vlll, p. /

639 (waarbij is beslist, dat bij het uitspreken van rechtsvermoeden van f?'

overlijden, op grond van art. 526 B. W., de ged. afwezige, ook zonder ^

■ l dat daartoe door den eischer is geconcludeerd, in de kosten kan veroor- lt;

. ' 't ^ ... . SJ

deeld worden); idem bij arbitrale uitspraak van Mrs. Brugmans, Cosman ^ ' en van Nierop, dd. 29 Juni 1857, W. no. 194.7; idem Arr.-R. Breda, v. ^ . 27 Febr. 1866, W, nquot;. 2828; idem door den adv.-gen. Mr. van Maankn, ■ *-ƒ ^ in zijne conclusie, die hoeft geleid tot het arr. v. 3 Maart 1843 (sub art.

56, L.), v. d. II., B. R., d. IV, p. 375—378, on welke leer bij dit arr. ^ jifuP T^v-^ _ Js-M stilzwijgend is gehuldigd; idem (met een beroep op Carek, Qt(., 555, ^

en op Berriat St.-Prix, p. 110), bij de Pinto, JltM, 2de ged., Iste st., ^ uMf k'ï1* , p. 145, door Mr. J. de Witte van Citters, Themis, 13de Jg., p. 442—

. 440; idem door den lloogl. hf.s Amorie van der Hoeven, J!et/lxfj.

i■'''/ van dien heer on van Mr. A. he Vries, p. 34—38, on de Redactie van ^

vflfP- t W. v. h. It., in n0. 1351 ; — andersAjij vonnis van 't Ktg. n0. 1 p Amsterdam, v. 9 Mei -1851, Amsterd. Regtspr., d. II, p. 103—105; bij ^ ^

vonnis Arr.-R. Amsterdam, v. 14 Nov. 1855; R. B. jg. 1856, bl. 278, en /

bij arr. P. H. v. N.-Holland, v. 8 Mei 1873. W. n0. 3()I3; idem iraplicite bij UAn-'yrtt.

185

ocr page 198

Art. 56 F.)

vonnis Arr.-R. Amsterdam, v. 16 Nov. 1854, sub lioc arto.: door Mr. A. uk Vries, in do Arnsterd. Regtsp. (Mengelingen), d. I, p. 186—200; in do liei/lsy. OimlcHot, nl supra p. 17—3.'{, on in 't R. H. jg. 1852, p. 651—655, wolko schrijver het beginsel, gohuldigd liij vonnis der Arr.-R. Winschoten, v. 26 Mei 1852 sqq. ut supra, ikicIi op do wet gegrond, noch in don aard der zaak gelegen, on in ieder geval in strijd acht met hot algemeen beginsel, dat de rechter alleen dan, en alleen in zooverre tusschen do partijen treedt, als zijne rechtspraak wordt in-geroepen. Vgl. hieromtrent de beoordeeling van den Hoogl. J. van Hai.i. in dc iVit'iuoe Bijflragcn voor licylsrjel. en Wctcj., jg. 1852, p. 341 on 342, die, hoewel heseffende het hoog gewicht dor gronden, door Mr. de Vries aangevoerd, en erkennende dat daartegen z. i. weinig anders met grond kan worden in het midden gebracht, dan dat de veroordeeling van do vorliezende partij in de kosten, in Frankrijk sedert de ordonnantie v, 1667, altijd is beschouwd geworden als een noodzakelijk accexxuriuin van do rechterlijke uitspraak op de hoofdzaak, dat in dien geest in art, 130 C. de Proc. Civ., Toutc parlie ctc. geschreven is, on dat wederom daaruit liet: »Al ivicquot; in ons art. 56 B. R. is voortgevloeid, zonder dat or schijn of schaduw is van een voornemen, om in de algemeen erkende stelling eenige verandering te maken, — tevens doet uitkomen, dat eene vaste jurisprudentie bij soortgelijke rechtsinterpretatie mag en moet gevolgd worden, en dat het hier bekende verba valenl itsti mag worden Ingeroepen. Re lloogl. verklaart met Paui.us in fr. 23 D. dc Icr/ibm, waarde te hechten aan het; ininimc anul nmtanda quae inlnrprcta-livnoin ccrlain souper habuernu 1. Vgl. ook de aanmerkingen op een vonnis van de Arr.-R. Winschoten, v. 7 April 1852, R, Bijbl., jg. 1852, p. 474.

'i. Ofschoon de eischer bij repliek niet uitdrukkelijk geconcludeerd heeft tot veroordeeling van gedaagde in de kosten op de voorgestelde nietigheid gevallen, zoo is de conclusie van eisch o. a. strekkende tot veroordeeling van gedaagde in de kosten van het geding, voldoende om dezen te doen dragen de kosten dier verdediging, die niet bestaat in eene incidenteele vordering, maar integendeel eene niet-ontvankelijk-verklaring of ontzegging van den eisch vooralsnog, oplevert.

Arr.-R. Amsterdam, v. 16 Nov. 1854; R. B. jg. 1855, p. 240 sqq.

Art. 56.

GK

Gevolgen van de ambtshalve onbevo^gdoerklaring van, of miskenning van het recht door den rechter met betrekking tot de veroordeeling in de hosten.

t. Indien eene miskenning van het recht bij een beklaagd vonnis

186

ocr page 199

{Art. 56 G.

of arrest niet is gescliied, op grourl van des gerequireerden defensieve bewering in eersten aanleg of hooger beroep, maar ambtshalve dooiden rechter is aangevuld en de gerequireerde in cassatie of hooger beroep niet is opgekomen ter verdediging daarvan, maar is gebleven defailllant, of opgekomen zijnde, zich eenvoudig aan bet oordeel van den rechter ad qtiem of van den H. R heeft gerefereerd, dan moeten die kosten worden gereserveerd en gedragen door de partij, die ten principale zal worden in het ongelijk gesteld.

Air. v. 29 Mei ISIO, VV. uquot;. 11)7; li., d. V. § 11; v. n. II., li. li., d.

I. p. Kil — lüti; idem v. 24 Oct. 1840, \Vr. nquot;. 655; K., d. XXII, § 50; v. n. II., li. R., d. VII. p. 143—Kil; idem v. lt;) April 1847, VV. no.'SSl ; li., d. XX.V11, § 20; v. li. II.. ibid. d. VI, p. 127—135; idem v. 17 Nov. 1848, W. n0. 996; R., d. XXXII, § 13; v. o. H., ibid., d. VIII, p. 170—192, en v. 19 Jan. 1855, VV. nquot;. 1012; R. d. XldX, ^ 28; idem arr. v. 2 .lan. 1874, W. n0. 3077; R., d. CVI, § 2, ook vennold sul) art. 130 1!. R.; arr. v. 13 April 1871. W. n0. 3324; v. n. 11.. Zegel en Reg., d. V, lil. 384 vlgg. en van 4 April 1873, W. n0. 3580, I!., d. CUI, hl. 320; idem arr. v. 29 Dec. 1870, W. n0. 4071, R., d. CXIV, § 50. Vf'erg. arr. v. 3 April 1802, VV. iio. 2397, R. d. LXX, § 52, waarbij Iietzelfdo beginsel gehuldigd werd, maar de verweerder in de kosten werd veroordeeld, omdat door de/.en in eersten aanleg en in appel, hoewel op een anderen grond, was opgeworpen de toegewezen exceptie van onbevoegdheid. Vergelijk ook vonnis van de Arr.-R. Amsterdam, v. 19 April 1841, VV. u0. 258; li. 13. jg. 1840, d. VIII, p. 174 en 175, in welke zaak echter de geintim. zich aan het oordeel der Rechtbank bad gerefereerd met erkennintj tevens dal de kantonrechter gedtucuild had; idem P. H. v. N. Holland, v. 29 Nov. 1855; li. B. jg. 1856. p. 274, W. n0. 1755. Verg. ook Arr.-R. Heerenveen, v. 23 Juni 1871, W. n0. 3389. waarbij de geïntimeerde, evenals de appellant geconcludeerd bad tot vernietiging van het vonnis a quo, op grond dat de kantonrechter ambtshalve ten onrechte zich onbevoegd had verklaard; idem Arr.-R. Groningen, v. 25 Febr. 1859, R. li. jg. 1800, p. 282; idem Arr.-R. Amsterdam, v. 7 Maart 1871, R. li. jg. 1872, bl. 254 en v. 13 Juni 1870, W. n0. 4048; P. II. v. Groningen, v. 29 Aug. 1871. VV. nquot;. 3390; idem door G. D. in de O/im. en Med.. d. II, p. 150—102, die echter, in strijd met voormelde arresten van den

II. R., van meening is, dat eene hloote referte den geïntim. niet kan vrijwaren voor eene veroordeeling in de kosten, maar dat ook hij, den eersten rechter bevoegd achtende, tot bereiking van dat doel, de conclusie van den eischer in hooger beroep met eene gelijke conclusie moet beantwoorden en ook de vernietiging vragen van het vonnis, waarbij de eerste rechter zicb ambtshalve heeft onbevoegd verklaard, in welk geval, hoewel het hier een eindvonnis geldt, het eerste lid van art. 50 B. R. voorgeene dadelijke toepassing vatbaar is. Anders dan gemelde arresten bij arr. v. 13 Nov. 1807. W. n0. 2954, waarbij, in strijd met de conclusie van het O. M.. de verweerder in de kosten is veroordeeld van het beroep in

187

'hamp;r. 'JPJI

ocr page 200

Avt. 56 G.)

18S

cassatie, waarbij de 11, If. vernietigde do ambtslialve genciineu beslissing, dat de zaak niet appellabel was. Het arr.. dat geene gronden voor deze beslissing bevat, is bestreden duur S. in W. n0. 'illfH. Verg. air. v. 1 Nov. 1 S(Vl, W. n». 23!25 (koloniaal appèl), waarbij de zicb refereerende geintinieerde in de kosten van eersten aanleg en appèl werd veroordeeld, terwijl vernietigd werd de ambtshalve uitgesproken niet-ontvankelijkheid en de niet weersproken vordering van den appellant werd toegewezen. Zie ook vonnis der Arr.-R. Kindboven. v. '2(5 .Inni 1848, W. n0.957, in eene zaak waarin juist de door G. 1). opgegevene modua iiruccdendi was gevolgd, en waarin, behalve niet betrekking tot de kosten, do conclusion van partijen dezelfde strekking hadden. Bij dit vonnis is beslist, dat in dit geval de kosten noch kunnen worden gecompenseerd (dewijl tusschen de partijen do vereischte graad van bloedverwantschap of aanhuwelijking niet bestaat en hier slechts één punt te beslissen was) noch gereserveerd (als geldende liet hier een eindvonnis) en do 'principaal gvinHrnecrdo ook dan, wanneer hij incidenteel had geappelleerd, ton einde optekomon tegen de ambtshalve onbevoegdverklaring, als de in liet ongelijk gestolde partij in de kosten moet verwezen worden, on voorts dat de principaal appellant is diegene, die bij het vonnis a quo werkelijk benadeeld is geworden, doordien dit vonnis hom als het ware den weg afsneed, om de betaling van hetgeen hij beweerde schuldig te zijn te vorderen, terwijl do principaal geïntim. door de uitspraak des eersten rechters daadwerkelijk niet is benadeeld geworden, dewijl die onbevoegdverklaring vooreerst het effect had alsof hij had getriumpheerd enz. Dit vonnis is nader bestreden door (gt;. D. in de Opm. en Med., d. IV, p. 252—255, hoofdzakelijk op grond, dat. niet kan worden aangenomen, dat de principaal appellant on niet de geïntim. bij het vonnis a quo is benadeeld geworden, dat het slechts schijn had, dat de onbevoegdverklaring vooreerst het effect had alsof laatstgenoemde had getriumpheerd, dat hot zeer natuurlijk was, dat het incidenteel appel slechts een gevolg was van het principaal, dat beide partijen bij hot vonnis a quo, welks vernietiging niet kon worden betwijfeld, evenzeer werden benadeeld, als alleen kunnende leiden tot meerdere verwikkeling van het proces enz. — Weer anders bij vonnis Arr.-R. Alkmaar, v. 20 November 1802, W. n0. 2480. waarbij is beslist, dat vermits geen der partijen in het ongelijk gesteld is, — wanneer do kantonrechter zich ambtshalve hoeft onbevoegd verklaard en zijn vonnis in appel is vernietigd, terwijl de geïntimeerde het appel niet weersproken had, — art. 5C alle toepassing mist, en alzoo elke partij hare eigen kosten zal bohoorei; to dragen, ten opzichte van hot incident, zoowel in eersten aanleg als in hooger beroep. Verg. arr. P. 11. v. Overijssel, v. 2 Dec. 1839 bij mr. Hertzvi-xd, ut supra bl. 3, waarbij is beslist, dat wanneer een beslissende eed door don eersten rechter in onjuiste bewoordingen is opgelegd, de partij die den opgedragen eed had aangenomen, deswege in appèl komt en verbetering vraagt, waartegen de geïntimeerde zich niet verzet, alsdan iedere partij de helft der kosten draagt van het appèl, van hot vonnis a quo en do expeditie daarvan. In jure constituendo wordt het aanbevelenswaard geacht in zoodanig geval de kosten te brengen ten laste van den Staat. Verg. met dit een en ander een vonnis van de Arr.-R.

ocr page 201

{Art. 5(1 G.

Nijmegen, v. 2 Nov. 1841, R. B. jg. 1842, d. IV. p. 372, waarbij is beslist, dat indien de eiscber in eersten aanleg de exceptie van onbevoegdheid, door de appellanten (oorspronkelijk gedaagden) opgeworpen, uit-ilnikkflijl! en niet ijord gevolg beeft tegengesproken, de oorspronkelijk gedaagden tegen bet in bnn nadeel gewezen vonnis zijn gekomen in booger beroep en ook do oorspronkelijk eiscber (geïntim.) incidenteel beeft geappelleerd, evenwel tot niets anders dan tot toestemming In het principaal appel en zulks met oogmerk om eene veroordeeling in de kosten te ontgaan, alsdan bij de vernietiging van het vonnis a quo, de oorspronkelijk eiscber, zonder dat bet incidenteel appel hem kan baten, in de kosten der beide instantiën moet worden veroordeeld. •— Vgl. ook arr. I'. 11. v. Overijssel, v. 14 .Juni 1847 bij inr. IIkutzvki.ii, ut supra, p. 31 ; art. 339 li. R., arr. van 't 1'. 11. v. Overijssel, v. ill April 1852.

'i. Wanneer de rechter zijne onbevoegdheid ex officio uitspreekt, moeten de kosten worden gecompenseerd.

Arr.-R. Maastricht, v. 26 Febr. 1852. W. iiquot;. 1334; idem, op grond dat de eiscber het aan zich zeiven te wijten heeft, dat bij voor eenen onbevoegden rechter beeft gedagvaard en de gedaagde dat hij deze exceptie niet reeds bij den aanvang van bet geding beeft voorgesteld, bij Vehnkiie. ad art. 15G B. R., sub n0. ; — anders (en volgens LÉox terecht) ten betooge, dat, wanneer de rechter zich, overeenkomstig art. 150 li. R., ambtshalve onbevoegd verklaart, dan de eiscber, als welke in dit geval in het ongelijk wordt gesteld, volgens art. 5() li. !!. in de kosten moet worden verwezen, bij Oudeman, /gt;'. /(.. 4de ed., f, p. 206, nader toegelicht in de Opm. en Med., d. II, p. 30 en 31; idem door Mr. G. D., in de Ojjm. i'it Mel., d. II, p. 150; he Pinto, It'll. Jt. It.. 2de ged.. Iste st.. p. 299: v. d. Honert, Formulierboek p. 155 en met een beroep op Carré, Proc. Civ., ad art. 170 gt;J. 725; bij uk. Martini, ad art. 150 R. li., not 3. (i)

3. Indien de kantonrechter zich onbevoegd verklaart, naar aanleiding van art. 38 2°. der Wet op de Regterlijke Organisatie, op grond, dat de gedaagde den rechtstitel heeft betwist, terwijl de eischer deze onbevoegdheid niet heeft wedersproken, dan moet de eischer in dit geval door den kantonrecliter, uit kracht van art. 56, al. I, B. li., dadelijk en onherroepelijk in de kosten veroordeeld worden.

Ktg. Hoogezand sine die, R. B. jg. 1851, p. 71 ; idem Ktg. nquot;. ) Amsterdam, v. 4 en 22 Oct. 1^50, Amsterd. Uegtspr., d. I. p. 143—140

(1) Men houde wel in het oog de onderscheiding tusschen de beslissingen, vermeld sub nis. 1 en 2; sub n0. 1 geldt het onbevoegdverklaringen en andere ambtshalve genomen beslissingen, welke door den hoogeren rechter vernietigd zijn; sub no. 2 daarentegen de rechtsgevolgen van de ambtshalve ineompetentverklaring, met betrekking tot de veroordeeling in de kosten, afgescheiden van het hooger beroep.

189

ocr page 202

AH. 50 G.)

en 215—218; idem door S. -AF., in do O/nn. en Mrd., d. V, p. 05—72; idem Klg'. Alphen, v. lil Sept. 1860, W. n0. 2244-, o)i grond d;il do eisclier dcioi1 /ijne vrijwillige daad van dagvaarding noodwendig riskeerdo, of soms de gedaagde zon goedvinden het recht zelf (in casu het tiendrecht) te ontkennen, en de rechter zich dns incompetent vei'klaren moest; — anders hij vonnis van de Arr.-R. Groningen, v. 28 Juli 1848, O/d/i. en Mee?., d. VIII, p. 110 (vernietigende het vonnis van 't Ktg. Hoogezand nt supra) en door Mr. A. O., in do O/mi. en MeO., d. IV, p. I?08—Hl2, volgens wien in dit geval de kosten van het proces, voor den kantonrechter gevoerd, moeten worden gereserveerd en de Arrond. Rechtbank, hij welke de zaak later wordt aanhangig gemaakt, hij het wijzen van het eindvonnis, tevens de kosten, bij hot Ktg. gevallen, ten laste van de partij moet brengen, welke alsdan bij die einduitspraak in het ongelijk wordt gesteld. — Vgl. hiermede den Hoogl. M. des Amokik van dek Hoeven, R. R. jg. 1852, p. 155 en 156, die aldaar eene derde meening voordraagt, namelijk, dat wij hier vorkeeren noch in een van de gevallen, waarin de kosten kunnen worden gereserveerd krachtens art. 56, 2de lid, B. R., — noch ook in het geval, dat ééne van do partijen in hel ongelijk ivordt gesteld, en dus de kosten ten laste van die partij kunnen worden gebracht, krachtens het 1ste lid van hetzelfde art. 56. Het komt hem daarom voor, dat de kantonrechter in het aangegeven geval zich van alle uitspraak omtrent de kosten mnet onthouden, of, liever nog, bij zijn vonnis uitdrukkelijk moet verklaren, dat er geene termen zijn om bij dat vonnis over do gemaakte proceskosten te disponeeren. Wanneer dan later het rechtsgeding bij de Arr.-R. is aanhangig gemaakt, en eeno der partijen aldaar heeft gesnccumbeerd. zoude bij geneigd zijn. aan de winnende partij het recht toe te kennen, om bij eene afzonderlijke actie (raH-netie) de vroeger bij het kantongerecht geimpendeerde kosten van zijne wederpartij in te vorderen. Dat zoodanige afzonderlijke rechtsvordering, die uitsluitend do strekking heeft, om do vroeger niet toegewezen kosten van een afgeloopen rechtsgeding te eischen, — geenszins met de juiste beginselen van het procesrecht strijdt, wordt z. i. terecht geleerd door Ciiauveau, Tiijvoegselcn o/i Carré, Lois de la Procedure Civile, Quest.. 556, waar men leest; »0/*. ne voit /ins poxtr-tjuoi Ut coudaMination au.c dépeus ue pourrait point ètre réclatnéc par action srparée ajirès la eondanination iirigt;icijiale. Anas ne con-naissons aucrnt motif c/im' pal. la rendre irrêcevcMe.quot; Die derde meening echter wordt bestreden door S. M.. in de Opiti. en Med., d. A III, p. 105—110. Zie eindelijk nog vonnis Ktg. Winschoten, v. 8 Jan. 1856, W. n0. 1749, waarbij de leer is gehuldigd dat -— vermits de rechter zich onbevoegd verklaart om op de hoofdzaak recht te doen, hij ook geene uitspraak over de kosten mag geven.

•4. De kosten, tengevolge van 's rechters verzuim om in zijn vonnis de tijdsbepaling op te nemen, binnen welke de bevolen zekerheid moet worden aangenomen of betwist, komen ten laste van de partij, die tot uitvoerbaar-verklaring bij voorraad concludeerde, zonder

190

ocr page 203

191 {Art. 56 G.

daarbij te voegen: //mits stellende zekerheidquot; en zonder de termijnen tot aanbod en aanneming dier zekerheid aan te wijzen.

Ait.-R. Amsterdam, v. 17 April 1850. W. nquot;. '18'2(;.

Art. 50.

Pï.

Veroordeeling in de kosten in privé.

Wanneer iii strijd met de bepaling in een kerkelijk reglement, waarbij is voorgeschreven, dat kerkvoogden geene procedure mogen voeren, waardoor aan de gemeente kosten kunnen worden veroorzaakt, zonder goedkeuring der daartoe bevoegd verklaarde autoriteit — door het college van kerkvoogden op eigen gezag een proces is gevoerd, heeft het gemis der bedoelde goedkeuring alleen de niet-ontvaiikelijk-heid der actie, niet de veroordeeling in de kosten in privé tengevolge.

Ait. v. 14 Mei 1858, W. n0. 1901, R.. d. L1X, § 25; anders Arr.-R. Utrecht, v. 31 Mei 1850, W. nquot;. 1132.

lt;8. Hij die optreedt in een kwaliteit welke hij niet bezit, moet in privé in de proceskosten veroordeeld worden.

Arr. v. 10 .Mei 187!». R. B. jg. 1879, A, |). 209, W. no. 4380; idem ten aanzien van gedaagden, die waren gedagvaard in eene door den eischer niet erkende, maar door lien beweerde kwaliteit, bij arr. v. 10 ■Inni 1803, VV. n0. 24!I7, bevestigende vonnis Arr.-R. Sneek, v. I Oct, 1802, W. n0. 2491; Arr.-R. Amsterdam, v. 9 Dec. 1852, R. B. jg. 1853, p. 122—129; idem wanneer de eischer optreedt in een kwaliteit, dieniet bestaat, Arr.-R. Sneek, v. 22 Juni 1808. W. nquot;. 3024; idem liij vonnis Ktg. Sommelsdijk, v. 24 .Tiini 1809, W. n0. 3127. Vgl. wijders, 1°. met betrekking tc it de veroordeeling van een beheerder in zijn privé, op grond van art. 58 R. R. — art. 58 li, R. voormeld, arr. van 't 1'. II. van N.-Holland, v. 30 April 1840, sub n0. 1; 2°. omtrent de vraag, wanneer eti onder welke omstandigheden een vader die in verzet komt tegen het vonnis, waarbij zijn minderjarig kind is verklaard in staat van faillissement, zelfs bij de buiten effectstelling van het vonnis van faillietverklaring, in de kosten der oppositie moet worden verwezen — art. 791 W. v. K., vonnis van de Arr.-R. 's Hage, v. 12 Juni 1840, sub 11°. !t.

3. Wanneer iemand in eenige kwaliteit aangesproken is en in het ongelijk wordt gesteld, moet hij, ook dan wanneer door hem tegen-

ocr page 204

Art. 56 H.)

spraak is geflaan, in die kwaliteit in de kosten worden veroordeeld, tenzij het blijke, dat. hij te kwader trouw handelt.

Arr.-R. Amsterdam, v. 22 Atijï. ISHO, R, li. jg. ■1S42, d. [V. p. Sl l — SU?; idem Arr.-R. Rotterdam, v. 8 April 1807, W. n0. 2941 ; Arr.-R. Zntphen, v. 31 Dec. 1874, W. nquot;. 11817; Arr.-R. Amsterdam, v. 20 Oct. 1857. R. li. j?;. '1859, p. I I sqq.; 1'. 11. v. N.-Holland, v. '13 April 18(14, W. no. 2727; Arr.-R. Nijmegen, v. 23 Dec. 1802, W. nn. 2444.

-1. Eene gerechtelijke vervolging tot inning van pachtpenningen, aan eene stad verschuldigd, door den stedelijken ontvanger ten zijnen name en in zijne kwaliteit wederrechtelijk ingesteld, moet de persoonlijke veroordeeling van dien ambtenaar in de proceskosten tengevolge hebben.

P. 11. v. Overijssel, v. 24 Feb. 1840. W. nquot;. 100; R., d. V, § 27.

5. Bij weigering van den voogd (op een ongegrond rechtssystema, uitsluitend in /.ijn eigen belang) tot liet doen van summiere rekening en verantwoording aan den toezienden voogd, ingevolge de bepaling van art. 429 B. W., kunnen de kosten der daartoe betrekkelijke rechtsvordering niet ten laste van den minderjarige worden gebracht, maar behoort de voogd die uit zijne privé-beurs te betalen.

Arr.-R. Gorinchem, v. 10 Oct. 1847, \V. 11°. 1050; R. B. jg. 1848. d. X, p. 58—00; idem ten aanzien van eenen toezienden voogd, die qq. voor de minderjarigen vijf vorderingen tegen den voogd, zonder redelijken grond heeft aangevangen en eene, zonder noodzakelijkheid, volgehouden — bij vonnis der Arr.-R. Amsterdam, v. 0 .Tan. 1847, R. B. jg. 1847, d. IX, p. 541—547, W. iin. 847; idem ten aanzien van den voogd, aan wien bij vonnis wordt opgelegd rekening en verantwoording te doen van zijn beheer, ook zonder dat hij in mora is gesteld, maar die gedurende twee Jaren aan zijne verplichting niet had voldaan, P. II. v. Zeeland, v. 1 Dec. 1857; R. B. jg. 1858, d. Vlil. bl. 369; idem ten aanzien van den voogd, die dagvaardt tot opneming zijner rekening en verantwoording, doch die in gebreke blijft te bewijzen, dat de gedaagde weigerachtig of nalatig was de rekening in der minne optenemen of te sluiten, arr. P. H. v. Z.-Holland, v. 30 Dec. 1861, W. im. 2382. — Cf. art. 430 R. W., arr. van quot;t P. II. v. Z.-Holland, v. 7 .Inni 1849 sqq., sub no. 2.

€». Een curator, die eerst na bekomen machtiging van den rechtercommissaris heeft geageerd, kan niet als temere litigans worden beschouwd, noch als zoodanig worden veroordeeld in de kosten van het geding in privé.

192

ocr page 205

{Art. 56 H.

Arr.-R. Amsterdam, v. 20 Nov. 1849, W. n0. -1077; idem arr. van 't P. II. v. N.-Brabant, v. 28 Maart 1848, R., d. XXXVI, § 154, waarbij is beslist, dat een curator in eene failliete massa, ten aanzien van het door hem verrichte in deze kwaliteit (m cam het doen leggen van een conservatoir beslag op goederen, niet meer tot de failliete massa behoorende), behoudens zijne verantwoordelijkheid tegenover de crediteuren, niet In privé in de kosten kan worden veroordeeld; anders ten aanzien van curators, die als zoodanig geen procureur hebben gesteld, Arr.-R. Rotterdam, v. 27 Jan. 1875, W. n0. 3814.

é. Bij gegrond verklaring van het verzet tegen de op requisitoir van het O. M. uitgesproken faillietverklaring, moet de staat in de kosten worden veroordeeld.

Arr.-R. Rotterdam, v. 11 Nov. 1874, R. 1!. jg. 1875, afd. li, p. 7fi.

8. Zie — ten betooge, dat ook de veroordeeling tot betaling in privé moet worden gemotiveerd —

art. 59 li. R.. arr. van 't P. II. in N.-Holland, v. 30 April 184(1.

Art. 5«.

I.

Al dan niet solidariteit der veroordeeling In de kosten.

Ook hier geldt de regel dat solidariteit niet wordt verondersteld, maar uit de wet of uit eene overeenkomst moet voortvloeien.

Uit dit beginsel vloeien de volgende beslissingen voort:

a. Dat eene veroordeeling in de kosten, ten behoeve van meerdere eischers uitgesproken, elk hunner slechts aanspraak geeft op een gedeelte daarvan —

Arr.-R. Amsterdam, v. 10 Oct. 1849, R. B. jg. 1850, p. 33—36.

h. Dat eene door gedaagde gevraagde hoofdelijke verwijzing in de kosten van eischers, die niet hoofdelijk in het proces zijn, niet kan worden toegestaan —

Arr.-R. Arnhem, v. 24 Maart 1859, VV. nquot;. 2107.

c. Dat de minderjarige, en diens vader en wettige voogd te zijner

Mr. VV. van Kossem Bz., Burg. Hechtso. iy

19:3

ocr page 206

Art. 50 I.)

assistentie en vertegenwoordiging als eischers optredende, niet daarom alleen solidair in de kosten kunnen worden veroordeeld —

Arr.-R. Amsterdam, sine die, W. n0. quot;1957,

cl. Dat de solidariteit eener hoofd verbintenis zich bej)erkt tot het onderwerp dier verbindtenis zelve, maar geenszins zich uitstrekt tot de kosten, welke daarvan geen accessoir zijn, maar integendeel een gevolg der litis-contestatie: terwijl in casu, waar het geldt eene ondeelbare verbindtenis, deze wel is waar hoofdelijk moet worden uitgevoerd, omdat de strekking dier verbindtenis zulks medebrengt, maar dit alleen ziet op de schuld en niet op de proceskosten, die alleszins voor eene verdeeling vatbaar zijn.

Arr.-R. Amersfoort, v. 5 Augustus ISVS, W. n0. 3907. Vgl. ook art. i3'18 li. W., sub n0. 2, en een arr. van 't P. II. in Overijssel, v. 19 April 1852, W. nquot;. '1447, naar luid waarvan de rechter bij de begrooting behoort te splitsen do kosten van een geding tegen meerdere personen, die onderscheidene belangen en verdedigingsmiddelen hebben gevoerd.

.1/1 56.

KI.

Al dan niet veroordeeling in de kosten hij hel instellen der exceptie judicatum solvi.

1. De vreemdeling in zich vereenigende de vereischteu, vermeld bij art. 8 B W., niet verplicht zijnde tot het stellen der cautie judicatum solvi, behooren evenwel de kosten, op zoodanig incident gerezen, te worden gecompenseerd, indien hij eerst na het opwerpen dier exceptie zich in regelmaat heeft gesteld, om de voorrechten, bij de burgerlijke wet aan gedomicilieerde vreemdelingen verzekerd, te kunnen genieten en de excipiënt bij de voorgestelde exceptie blijft persisteeren.

Arr.-R. 's Bosch, v. 13 Dec. 1838, R., d. II. §41; liegt in Nederl., d. II, p. 77-—79. -— Cf. art. 152 I!. R.. vonnis van de Arr.-R. v. ilenz. datum sqq.

*£. Wanneer de vreemdeling in het tegen hem gedane verzoek tot het stellen der cautie judicatum solvi berust, dan moeten de kosten van deze exceptie worden gedragen noch door den iucidenteelen eischer

ocr page 207

(ArL 56 K.

noch door den incidenteelen verweerder, maar moeten die worden gereserveerd, hetgeen niet alleen betreft den incidenteelen eischer en verweerder, maar ook de overige principale partijen, zoo er die zijn en moeten zij dus door diegene der partijen worden gedragen, die bij het eindvonnis in het ongelijk wordt gesteld en in de kosten van het proces wordt verwezen, al is de cautie noch door haar, noch ten haren behoeve gesteld. Hieruit volgt dat alle partijen in het incident moeten worden opgeroepen.

1'. II. v. Friesland, v. 13 April 1842, W. n0. 302; U. B. jg. 1842, d. IV, p. 577 s(jq.; lieyt iu Nedcrl., d. Ill, p. 250—254, vernietigende een vonnis van de Arr.-R. Leeuwarden, v. 20 Oct. 1841, R. li. ut supra. — Cf. art. 152 1!. R., arr. van hetzelfde I'. II. v. denz. datum; idem bij vonnis der Arr.-R. Amsterdam, v. 12 Feb. 1844, R. R. jg. 1844, d. VI. p. 718, waarbij is beslist, dat indien de vreemdelingen eiscbers zich, na eenige bedenkingen over bet gevorderde quantum, tot bet stellen dei-gevraagde zekerheid hebben bereid verklaard, ook in dit geval de kosten behooren te blijven gereserveerd.

'i. Een gedaagde, die van de eischers als vreemdelingen zekerheidstelling gevorderd heeft en die, nadat de geschillen deswege geëindigd waren, de verschuldigde en gevorderde som aanbiedt zonder kosten, moet worden veroordeeld in alle de kosten, met inbegrip van die, bereids op de gevraagde cautie gevallen.

Arr.-R. Amsterdam, v. 10 Oct. 1844; R. B. Jg. 1844, dl. VI. p. 810 en 817.

4. Een gedaagde die bij exceptie de cautie judicatum solvi heeft gevorderd, moet, in geval hij omtrent het bedrag der te stellen zekerheid in het ongelijk is gesteld, worden veroordeeld iu de op die exceptie gevallen kosten.

P. II. v. N.-Holl., v. 3 Oct. 1850, Amsterd. Regtspr., d. I, 109—111 ; idem ten aanzien van den eischer, die de exceptie heeft bestreden en in iiet ongelijk is gesteld, bij vonnis van de Arr.-R. Rotterdam, v. 4 Jan. 1843, W. no. 358, R., d. XVI, § 29.

Art. 56.

Ui.

Veroordeelmg in de -proceskosten bij hel oproepen in vrijwaring.

I . Wanneer de oorspronkelijk eischer bij eene oproeping tot vrij-

195

ocr page 208

Arl. 5fi L.)

waring vordert, dat de oorspronkelijk gedaagde in lite zal blijven en de rechter daarentegen den oorspronkelijk gedaagde buiten het proces stelt, clan moeten de op dit verschil gevallen kosten niet komen ten laste van den gedaagde in vrijwaring, maar wel van den oorspron-kelijken eischer.

Air. v. 3 Maart 1843. v. n. 11.. li. R.. d. TV, p. 375—388.

'i. Wanneer er bij eene oproeping in vrijwaring geene termen aanwezig zijn om een gedaagde in vrijwaring te veroordeelen, omdat de oorspronkelijk eischer in zijne vordering succumbeert, clan behooren de kosten van den in vrijwaring gedaagde, niet ten laste van den eischer in vrijwaring gebracht te worden, om ze, desverkiezende, op den oorspronkelijk eischer te verhalen, maar moet de oorspronkelijk eischer daarin direct veroordeeld worden, zelfs in geval er tusschen dezen en den gedaagde in vrijwaring geen geschil aanhangig is geweest.

Arr.-R. 's llosch, v. 15 Juni 1842, W. n0. 303; verg. in anderen zin Arr.-R. Amsterdam, 2e Kamer, v. 28 Febr. 1878, R. B. jg. 1878, A. p. '153, waarbij is beslist, dat de kosten der vrijwaring op den oorspronkelijk eischer vallen, wanneer deze óf zelf erkend heeft, óf bij zijn tegenspraak door den rechter is uitgemaakt, dat de gedaagde gronden had om in vrijwaring te roepen; dat echter de oorspronkelijk eischer dan niet direct in de kosten moet worden veroordeeld, moar de eischer in vrijwaring, met bepaling dat hij die kosten op den oorspronkelijken eischer kan verhalen.

Zie wijders hiermede in verband het navolgende:

Arr.-R. 's Ilertogenbosch, v. . . Juni 1855, W. nquot;. 1811, waarbij is beslist dat de niet-ontvankelijkheid der hoofdvordering het onderzoek naar de gegrondheid van den eisch in vrijwaring afsnijdt, en de oorspronkelijk eischer ook in de kosten der vrijwaring moet worden veroordeeld; — idem hnplicite Arr.-R. Amsterdam, v. 18 Febr. quot;1869, W. n0. 3177. Zie ook in denzelfden zin, Arr.-R. Assen, v. 20 Oct. 1857, W. no. 1997.

Zie verder ten betooge, dat de kosten alleen onder zekere omstandigheden ten laste van den oorspronkelijk eischer komen ■—

Arr.-R. Tiel, v. 23 April 1869, W. 3157, waarbij is beslist, dat als de gedaagde in vrijwaring zijne gehoudenheid heeft betwist, hij in de kosten van dat verzet moet veroordeeld worden, als hij in het ongelijk gestold wordt, zoodat daartoe een onderzoek van den eisch in vrijwaring noodzakelijk is; voorts Arr.-R, Maastricht, v. 13 Juli 1870, W. nquot;. 4021, waarbij is beslist, dat de vordering tot vrijwaring bij niet-ontvankdijkverklaring van den oorspronkelijken eisch komt te vervallen, doch waar de ge-

196

ocr page 209

IS- . : : lt; gt; ^ oyl C^SL* ■ ■d- v^ ''/.** i '1

f t-.^~ l-^C- n 'gt;1 .^-./ , i i-!.^^,' 4T——-:' T. l/fc-£~A.*-^ -/ r -Sf ^ _

OPytf ^

197 (Art. 56 L.

grondheid van den ciscli in vrijwaring niettemin onderzocht is, omdat volgens de Rechtbank de oorspronkelijke eischer in de kosten daarvan moet worden verwezen, als bij ontvankelijkverklaring van de origineele vordering, de eisch in vrijwaring zou zijn gegrond geweest; — idem zelfde Rechtbank v. 13 September 1873, W. n0. 3676. Verg. Arr.-R. Amsterdam, v. 27 Sept. •1861, W. n0. 2321, waarbij is beslist dat de kosten der oproeping tot vrijwaring gedragen moeten worden door hem, ten wiens laste zij bij eene veroordeeling des oorspronkelijk gedaagde zouden gekomen zijn; vergelijk verder vonnis der Arr.-R. Appingadam, v. li Febr. 1875, W. nquot;. 3857. waarbij werd beslist dat de eiscb tot vrijwaring vervalt, maar niettemin de al of niet rechtmatigheid moet worden onderzocht ter beoordeeling van de vraag wie in do kosten moet veroordeeld worden; idem implicite Arr.-R. Rotterdam, v. 29 Juni '1874, W. no.

3751, ook aangehaald sub art. 68 B. R. — Cf. concl. O. M., voorafgaande aan vonnis Arr.-R. Arnhem, v. 2 Jan. 1882, V\r. iiquot;. 4804, waarbij wordt aangevoerd, dat, waar het blijkt, dat ook bij toewijzing van de oorspronkelijke vordering de oproeping in vrijwaring niet noodzakelijk zou zijn geweest, do eischer in vrijwaring bij ontzegging der oorspronkelijke vordering, in de kosten der vrijwarings-procedure behoort te worden veroordeeld.

Cf. vonnis Arr.-R. Arasterdam, v. 6 Febr. 1878, le Kamer, R. B. jg.

1878, A, p. 15*1. waarbij is beslist, dat wanneer de oorspronkelijk eischer oorzaak is van de oproeping in vrijwaring, hij daarvan in do kosten moet worden veroordeeld.

Zie ook implicite in dezen zin Arr.-R. Arnhem, v. 15 April 1875 (1876), W. nquot;. 4007; 1!. B. Jg. 1877, A, p. 57. welk vonnis (echter niet op dit punt) werd vernietigd bij arr. Hof Arnhem, v. 26 April 1876, W. no. 3981.

Zie eindelijk over de vraag wie in de kosten der procedure tot vrijwaring veroordeeld moet worden, wanneer de oorspronkelijke eisch wordt afgewezen, Mr. A. Ouiieman in Tijdr. v. Xcd. Jicr/t, d. VU, hl. 41 vlg.

Schr. betoogt dat, bij afwijzing der oorspronkelijke vordering, waardoor die tot vrijwaring van zelf vervalt, het vreemd is dat do rechter nog in een onderzoek zou moeten treden naar het al of niet rechtmatige van don eisch tot vrijwaring, bijaldien de oorspronkelijke vordering ware toegewezen, en oordeelt dat in alle gevallen- de oorspronkelijke eischer moet veroordeeld worden ook in de kosten der procedure in vrijwaring,

zonder dat onderzocht behoeft te worden, of die vordering al dan niet gegrond zou zijn.

Anders navolgende beslissingen:

Waar de hoofdvordering wordt ontzegd, vervalt het onderzoek der vordering in vrijwaring en behoort de eischer in vrijwaring in de kosten van dien te worden veroordeeld.

Arr.-R. quot;s llage, v. 31 Dec. 1883, W. no. 5033.

De oorspronkelijke vordering ontzegd zijnde, moet de eischer in

ocr page 210

Art. 56 L.

vrijwaring in zijne vordering niet ontvankelijk verklaard en in de kosten verwezen worden.

Ait.-R. Amsterdam,v. 14 Oct. 'I8ÜS, W. nquot;. 3074; idem 1'. II. v. N.-Holland, v. 22 Dec. 1870, W. n0. 3354, waarbij bovenvermeld vonnis der Arr.-lt.Amsterdam. v. 18 Fel11'. 1809 te dezen op/iohte werd vernietigd, — op grond dat hij die van de bevoegdheid gebruik maakt, om in vrijwaring opteroepen, d. i. om tegen een derde voorwaardelijk te ageeren, geacht moet worden de kosten veroorzaakt te hebben, als door het niet vervullen der voorwaarden, het gebruikmaken van die bevoegdheid overbodig is geweest. Verg. ook arr. Hot' Arnhem, v. 24 Juni 1883, W. n0. 4964, ook vermeld sub art. 771 1!. R.

Zie voorts Ktg. pl. Arnhem, v. 3 Dec. 1879, W. n0. 4654, waarbij is beslist, dat de eisch in vrijwaring vervallen moet worden verklaard, en de eischer in vrijwaring in de kosten moet worden veroordeeld, tenzij mocht blijken dat men door het nalaten van de oproeping in vrijwaring zijne rechten tegenover den borg zou verliezen.

:t. Indien oorspronkelijk gedaagden den gedaagde in vrijwaring terecht en met grond in het geding hebben gebracht en de oorspronkelijk eischer de handeling van dien gedaagde (eerst na dagvaardingen litiscontestatie) erkent en voor de zijne houdt, dan moet de gedaagde in vrijwaring buiten het geding worden gesteld en de oorspronkelijk eischer worden veroordeeld in de kosten, ook op de vrijwaring gevallen.

Arr.-R. 's Bosch, v. 30 Juni 1843, VV. no. 477.

-1. Indien het verzoek tot oproeping in vrijwaring, door den oorspronkelijk eischer mondeling betwist is, dan kunnen de kosten op dit incident gereserveerd worden.

l'acilc beslist bij vonnis dei' Arr.-R. Amsterdam, v. 18 Supt. 1840, R. li. jg. 1840, d. Mil. p. 053—055.

.V ilet beding in eene overeenkomst, dat eene der partijen de andere voor alle schade en namaning zal vrijwaren, geeft aan deze laatste wel het recht om zich bij ongunstigen alioop eener te dier zake tegen hem gevoerde procedure tegen de eerste op de toegezegde vrijwaring te beroepen, doch kan op des rechters uitspraak omtrent de kosten van het geding van geen invloed zijn.

J'. 11. v. Noord-Holland, v. 24 Mei 1855, \V. nquot;. 1753.

19S

ocr page 211

f-éCilsyT- C^tr-tnr ££.^4, 'lr~* —• ƒlt; c^, ^ a£ Ou £-vZ*~ó^^-y

al-xt^JL- o^^uu^a% r^ult;

'■*- ■ 1'/* 4o/O^J^(^ [y/Sg^ uflj'i, Ü9. J*quot;'''^ri 5(; l_

lt;». Hij, die door eene ongegronde verwering aan den eischer aanleiding geeft tot eene oproeping in vrijwaring, moet de kosten van

den eisch tot vrijwaring dragen.

/

Air.-R. Appingadain, v. 17 Oct. IST'i. W. n0. 3547.

Ari'.-R. Groningen, v. 4 Dec. 1874, W. n0. 3892; idem Arr.-R. Rotterdam, v. 10 Maart 1879, R. IS. jg. 1879, A, p. 146 sqq. /ie daartegen de iiunt der redactie t. a. p. blz. 151.

ï. ISij vernietiging van een vonnis in hooger beroep moet de ge-intimeerde ook in de kosten van appel, aan de zijde der mede-geïnti-meerden gevallen, worden veroordeeld, indien hij, door lien in eersten aanleg en volgens den hoogeren rechter, ten onrechte, tot vrijwaring te dagvaarden, de aanleiding is geweest, dat de eerste rechter den appellant in de kosten, op den eisch in vrijwaring gevallen, heeft veroordeeld, en de appellant is genoodzaakt geworden, de mede-geïnti-meerden in appèl opteroepen ora van die veroordeeling, voor zooveel hem betreft, te kunnen worden ontheven.

P. H. v. Gelderland, v. 10 Sept. 1873, vernietigende vonnis Arr.-R.

Arnhem, v. 17 Febr. to voren, W. n0. 3658.

De kosten moeten worden gecompenseerd in dier voege, dat ieder zijne eigen kosten drage, wanneer de gedaagde in vrijwaring,

hoewel in het ongelijk gesteld, op onregelmatige wijze in rechten is geroepen.

Arr.-R. Amsterdam, v. (13) 20 Mei 1875, W. nquot;. 3919; R. li.jg. 1875,

A, p. 238, op dat punt vernietigd bij arr. Hof Amsterdam, v. 19 Jan.

1877, R. li. jg. 1877, A, p. 72, waarbij de eiscber in vrijwaring in '/4,

en do gedaagde in dat cas iu 8/4 dor kosten word verwezen.

?gt;. Zie ten betooge, dat, wanneer de kooper, ingeval degenen, die tijdens den verkoop het verkochte in gebruik hadden, tot betaling der huur gedagvaard, eigendom voorwenden, bevoegd is onmiddellijk die bruikers tot opvordering van eigendom en te gelijk den verkooper tot vrijwaring opteroepen, alsdan de gedaagden in vrijwaring, zelfs al wordt de eisch tegen de oorspronkelijke gedaagden toegewezen, jegens den oorspronkelijke!! eischer gehouden zijn voor de kosten, op de principale vordering gevallen —

het sub art. 1528 15. \V., sub 110. 1, vormolde vonnis van de Arr.-R.

Itrcda, v. 21 Mei 1844. W. 11quot;. 539.

ocr page 212

Art. 56 L.) 200

i O. Zie omtrent hetgeen reclitens is met betrekking tot de reserve van

kosten, bij eene referte van den oorspronkelijken eischer op een gedaan

verzoek tot vrijwaring —

de vonnissen van de Arr.-R1. 's Bosch, v. 24 Maart 1843, en Amsterdam, v. 8 Maart 1849, vermeld op art. 56 li. R., sub E, n0. 2 ('1).

Art. 57.

Dit artikel is gewijzigd bij art. 3 der wet van 23 April 1870 (gt;7W. n0. 75), en luidt thans aldus:

»Van de kosten der tegenpartij kunnen in do zaken bij do voorlaatste zinsnede van bet vorige artikel bedoeld, gecne andere bij de uitspraak ten laste van de in het ongelijk gestelde partij worden gebracht, dan do salarissen en verschotten van den procureur dier tegenpartij, indien alleen een procureur voor haar werkzaam was.

Werd haro zaak mede door een advocaat behandeld, dan wordt zijn salaris onder do bij het eerste lid bedoelde kosten begrepen, met dien verstande dat in geen geval, wegens het behandelen der zaak door een advocaat, aan de in het ongelijk gestelde partij meer kosten in rekening kunnen worden gebracht, dan indien alleen een procureur met de behandeling ware belast geweest.

Ten aanzien van de zaken in cassatie komen in plaats van de salarissen en verschotten van den procureur, die ten laste van de in het ongelijk gestelde partij kunnen gebracht worden, de salarissen en verschotten van één advocaat, onverminderd de bepaling van bet tweede lid van art. 418.

Voor het overige betaalt elke partij hare eigen kosten. Do salarissen worden berekend overeenkomstig bij de wet vastgestelde tarieven.quot;

JL. J)e salarissen voor 's liijks advokaten kunnen aan de partij, welke in de kosten verwezen is, worden in rekening gebracht, even als die van andere advokaten, daar het, met bet oog op het Koninklijk Besluit van 1 Januari J820, n0. 60, voor de wederpartij ten eenenmale onverschillig is, of, en zoo ja, welke schikkingen tusscben den advokaat en het Rijk bestaan omtrent de berekening of niet-berekening van salaris, en het mitsdien tusscben de clienten (dat is de litigeerende partij) onderling en vis a vis van elkander moet vaststaan, dat zij het salaris, aan haren advokaat naar de wet competeerende, kunnen brengen ten laste van hare succumheerende wederpartij, die daarin is veroordeeld, — hetgeen te meer klemt bij de overweging, dat liet niet is

1

wetsartikelen aanleiding geven, gelijk o. a. de avtt. 73, SO, 2S5, 277, ü77 en 771 15, K., ïijn op die respeetieve artt. te vinden.

ocr page 213

[Art. 57.

de advokaat, die zijn salaris verhaalt op de wederpartij van zijn client, maar de cliënt zelf {in casu liet Rijk) op de. wederpartij die veroordeeld is, behoudens zijne meerdere of mindere verplichtingen jegens zijn advokaat.

Arr. v. 1gt;2 .Mei 184C, W. n». 720; U., d. XXIV. S 41; v. n, li., üel., d. Ill p. 2—15.

quot;i. ijij de toepassing van art. 57 15. R. moet men onderscheiden tusschen het salaris, hetwelk de advokaat gerechtigd is aan zijne clien-ten in rekening te brengen, en uitsluitend dat salaris, hetwelk, naar luid van dat artikel, in de uitspraak over de kosten, waarin de ge-declareerden zijn veroordeeld, begrepen is.

Volgens het voorschrift van art. 13 der Wet van den 29 December 1843 (SM. n0. 66) (art. 41 van het tarief van justitie-kosten) begrijpt de rechter daaronder alleen zoodanig salaris, als door hem geoordeeld wordt te behooren tot de noodwendig gemaakte kosten, en behoort het bedrag daarvan door den rechter uit eigen wetenschap en kennis van het gevoerde proces (e worden bepaald. (1)

Arr. v. 25 Juni 4852, W. nquot;. 1340; R., d. XLII, § 33; idem v. 1 April 1853, ft., d. XI.IV. § 45. — Vgl. hiermede een vonnis van de Arr.-R. Amsterdam, v. S Febr. 1854, W. nquot;. 1528, waarbij is beslist, dat besognes en conferentiën van een advokaat ter zake van uitstellen en pogingen tot schikking niet op de sncciniibeerende partij kunnen worden verhaald, maar daarentegen de posten betreflende het stellen van cautie als onvermijdelijk moeten worden beschouwd. Cf. arr. Hof 's Boscli, v. 4 Juni -1878, W. n». 4423.

U. De rechter heeft niet alleen te onderzoeken of de in rekening gebrachte kosten tot de noodwendig gemaakte behooren en of die niet zijn overdreven, maar ook of die werkelijk zijn gekweten en of de door den declarant uitbetaalde salarissen en verschotten deugdelijk verschuldigd waren.

Arr. v. 23 Febr. 1877, \V. nquot;. 4104; 1!. d. CXV, § 28.

4-. liet is geheel strijdig, zoowel met de grondbeginselen van het

201

1

Art. 41 van het tarief van justitie-kosten is ingetrokken bij art. 1 van voormelde wet van 23 April 1879 {Stbl. nquot;. 75). Niettegenstaande de veranderingen in art. 57 en het tarief van justitie-kosten gebracht, kunnen deze en verdere beslissingen toch nog geacht worden van eenig praktisch belang te zijn.

ocr page 214

Art. 57.)

W. van H R., als van het tarief' van justitie-kosten, dat c^eene antlere werkzaamheden der advokaten aan de succumbeerende partij in rekening zouden mogen gebracht worden, dan die van het pleidooi. Hiertegen obsteert evenmin de bepaling van art. 21, al. 2 en 3 B. R.

I'. 11. v. Utrecht, v.'! Juni 1840, W. nquot;. 100; R.. rl. (V, § 65, (ook vermeld sub art. '21 1'. R.) 1iij welk arr.'overigens als een vooi'beeld van nuttige of' noodige kosten en vei'schotten in rasn beschouwd zijn. ingewonnen schriftelijke adviezen van Spaansclie en Afexicaansche rechtsgeleerden, omdat die ter beslissing der zaak dienst hadden bewezen; idem bij arr. van 't I11. v. Drente, v. 12 Sept. 1840, It., d. \'t, § 27. waaihij is beslist, dat de duidelijke strekking van art. 57 li. ft. is, dat niet alleen de honoraria wegens pleidooien, maar ook de overige verrichtingen van advokaten in de uitspraak over de kosten begrepen, en alzoo ten laste der in liet ongelijk gestelde partij znllen worden gebracht; idem in W. nquot;. 210() quot;Advokaten kostenquot;. Anders Arr.-R. Assen, v. 17 Jan. 1859; lï. li. jg. 1859, dl. IX, blz. 499, W. n0. 2080, waarbij is beslist dat het salaris van een advo-kaat alleen dan op de verliezende partij kan verhaald worden, wanneer de zaak is bepleit.

.V Geene correspondentie en reiskosten van advokaten, die de bevoegdheid of de vergunning hebben, om hun beroep uitteoefenen buiten de plaats hunner residentie (welke geacht wordt te zijn daar, waar het rechterlijk collegie, waarvoor zij hunne bediening uitoefenen, gevestigd is) mogen aan de succumbeerende partij in rekening worden gebracht, maar moeten ten laste van hun cliënt blijven.

1'. li. v. Utrecht, v. 1 Juni 4840, W. n0. 100; R.. d. IV, § 65. — Vgl. hiertegen de bedenkingen in 't W. v. li. R., n0. 105, wederlegd door den Uoogl. van Ham., in quot;t li. li. jg. 1840, d. II, p. 284—287. — Zie ook v. j). floxEUT, p. 206, alsmede een arr. van 't 1'. 11. in Zeeland, v. 4 Febr. 1851, R. 1!. jg. 1852, p. 068—670, naar luid waarvan ook vacatiën extra locum, {in casu echter, naar liet schijnt, gedaan door den advokaat, resideerende ter plaatse alwaar liet rechterlijk college zitting had) aan de verliezende partij in rekening kunnen worden gebracht, wanneer die partij zelve het proces heeft aangelegd en die vacatiën en correspondentiën door hare beweringen noodzakelijk heeft gemaakt. Verg. ook DE Prx'ro, Handl. tot het Wetb. van li. R. II. 1 p. 148 sqq.. die de leer dat do verliezende partij ook do kosten van den advokaat zijner tegenpartij moet dragen in jure constituendo afkeurt; maar van meening is dat. nu dit stelsel eenmaal in onze w'etgeving is aangenomen, ook alle nuttige en rechtmatige kosten van den advocaat (waaronder ook die van een elders wonenden) ten laste van de succumbeerende partij moeten komen. Verg. ook het opstel van mr. J. G. A. Fauhk, getiteld: «Over de verwijzing van de partij, die in het ongelijk gesteld wordt in de kosten van het geding, in Tlienüs jg. 1855. p. 234 sqq., en

202

ocr page 215

[Art. 57.

naar aanleiding van dit opstel, X. in \\. im. Kirili. Zio eindelijk naar aanleiding van liet bovengemeld arrest P. 11. v. Utrecht een opstel van K. in W. n0. 2344, getiteld: )• Vacatiën extra lucnm van advocatenquot;.

lt;». Indien bij eene rangregeling uit kracht van art. 557 H. H , geene contestatie is gerezen, kuTinen de kosten wegers de tusschen-komst vau een advokaat ter zake van werkzaamheden door hem verricht, welke in deze uitsluitend zijn opgedragen aan liet ministerie van den procureur, met het oog op het tarief van lS1o en de geschiedenis daarvan, niet in rekening worden gebracht.

Bescliikking van de Arr.-R. (Ironingen, v. 19 Juni 1846, 11. li. jg. 1840, d. VIII, ]). 592—594. — Vgl. de bedenkingen hiertegen in 't It. 11. ut supra, p. 594 en 595.

S. Wanneer de verliezende partij een zedelijk lichaam is, dan kunnen, met het oog op art. 430, j0. art. 4lt; 15. 11., aan haar de kosten van aan ieder der bestuurders van dat zedelijk lichaam afzonderlijk gedane beteekeningen van het veroordeelend gewijsde, niet worden in rekening gebracht.

P. II. v. Zeeland, v. 4 Feb. 1851, U. li, jg. 1852, p. (j(i8—070.

S. De verliezende partij kan niet met recht weigeren betaling van de werkzaamheden, anterieur aan de dagvaarding, als zijnde zoodanige instructie noodzakelijk en zelfs behoorende tot de meest belangrijke werkzaamheden van den advokaat.

Hetzelfde geldt ten aanzien van eene aan de dagvaarding noodwendig voorafgaande in-gebreke-stelling.

Arr.-R. Amsterdam, v. 8 Fel». 1854, \V. nquot;. irgt;28: I!. li. jg. 1854. p. 284—280. Anders ten aanzien van besognes vóór de dagvaarding. Arr.-K. Amsterdam, v. 20 Juli 1875, U. 1). jg. 1870, afd. A. p. 98, ook vermeld sub art. 013 I!. R. n0. 1.

!gt;. Ontkentenissen van gedeclareerde besognes kunnen het woord van een onbesproken pleitbezorger niet ontzenuwen.

Arr.-R. Amsterdam, v. 8 l eb. 1854-; W. n0. 1528; II. li. jg. 1854, p. 284—280: idem P. II. v. Zeeland, v. 4 Fel). 1851. li. li. jg. 1852, p. 008—070. naar luid waarvan bet rnoeielijk is, de omstandigheden, welke tot conferentiën aanleiding hebbeti gegeven, juist te beoordeelen en mitsdien de vvaardeering daarvan (gelijk thans in cami is geschied) aan liet geweten der praktizijns moet worden overgelaten.

ocr page 216

Art. 57.)

lO. Wanneer eene handelszaak als gewone zaak is behandeld kunnen nan de verliezende partij slechts die kosten worden in rekening gebracht, die bij eene summiere behandeling zouden gemaakt worden.

P. II. v. Z.-Ilulland, v. 10 Nov. 1804, W. n0. 2042. — Anders de Redactie van het Weekblad in de noot aldaar.

JL4. De cliënt zelf heeft zijn verhaal op de veroordeelde wederpartij, ook voor wat betreft de kosten, door de verrichtingen der praktizijns veroorzaakt, en gaat up dezen geenszins die vordering ten laste der wederpartij over.

Arr.-ll. Middelburg, v. 15 Fob. 1805; R. IS. jg. 1806, p. 502; cf. Air.-R.'s Hage, v. 20 Dec. 1859, W. nn. 2'lfl'l. waarbij is beslist, dat wanneer de veroordeelde partij do kosten aan do praktizijns dei' tegenpartij heeft afgedaan, deze laatste zelve geen verhaal meer heeft,

12. Niettegenstaande het taxaat, wat de declaratie van den advokaat betreft, door den Raad van Toezicht en discipline van de orde der advokaten, en, wat de declaratie van den procureur betreft, door den Voorzitter der Rechtbank, blijft de rechter volkomen vrij in zijn oordeel aangaande het bedrag, dat op de verliezende partij kan worden verhaald. Dat taxaat ziet alleen op liet door den eigen cliënt verschuldigde.

Air.-li. Uotterdam, v. '1 Nov. 1871. VV. nquot;. 3410.

IJS. Waar verschillende appellanten, die dezelfde vordering hadden, vertegenwoordigd zijn door een praktizijn, behoort slechts één declaratie aan de tegenpartij te worden in rekening gebracht.

Hof Amsterdam, v. 9 April '1880, R, li. jg. 1882, A. p. 109; anders Arr.-R. Amsterdam, v. 18 Oct. 1805, R. 13. jg. '1800. p. 547.

1-4. De vraag, of de honoraria der advokaten, bij de kantongerechten optredende, mogen worden begrepen onder de kosten van het proces, door de succumbeerende partij te voldoen, is, onder vigeur van art. 4 van het Reglement van orde en discipline voor de advokaten en procureurs van 14 September 1838 (waarbij van de toelating der advokaten ah zoodanig bij de Kantongerechten werd melding gemaakt) en van art 5 van het Tarief van justitie-kosten van 30 November 1839 (bepalende dat de honoraria der advokaten door den kanton-

204

ocr page 217

(AW. 57.

rechter, voor wien ze geoccupeerd hadden, zonden worden getaxeerd), in verschillenden zin beslist.

Zoo is zij ontkennend beantwoord bij vonnis van het Ktg. 's IIaire, v. 22 Oct. 1838, Recjt in Nederl., d. It. p. 15 sqq., en Ktg. Deventer, sine die, Rec/l in Nederl. ut supra, p. 350 sqq.; door den inzender van eerst-geraeld vonnis, Beyt in Nederl. ut supra, p. '10; door v. n. Honert, in Themis, d. II. p. 297—300; ^lr. A. he Pisto, in Themis, d. 111, p. 382 en 383 (en ook later in de /ƒlt;//. 7?. /(., 2de st., '1ste ged., p. 140—■142, 2de ed., p. i50 sqq.); Lipman, p. 12 en in eene Decisie van den Min. van .lust. v. 31 Mei 1841. R., d. VIII. § 40; —

hevexliyend daarentegen bij vonnis van 't Ktg. Kist, v. 19 Dec. 1843, W. no. 484 (waarbij zelfs is beslist, dat een gegradueerde procureur, die in zijne eigene zaak als eischer bij een Ktg. optreedt, aan den suc-cumbeerenden gedaagde vour zich zeiven eene declaratie van salaris in rekening kan brengen), door Oulikman. Iste ed., dl. 1. p. 74; Mr. (I. Everts Pz., in Themis, d. II, p. 131—142 en in de vertoogen, voorkomende in W. no. 361 en in R. B. jg. 1839, d. 1. p. 380—382. De Hoogl. van Ham. is, R. li. Jg. 1840, d. II, p. 401 en 402, van oordeel, dat men moet onderscheiden in dier voege, dat de advokaat, bij volmacht voor zijn cliënt optredende en hem vertegenwoordigende, bloot gemachtigde is, doch dat hij, wanneer hij met de partij zelve optreedt, en baar als wettige, vrije voorspraak ter zijde staat, als zoodanig op al de rechten, die hij voor den hoogeren rechter zou kunnen doen gelden, ook voor den Kantonrechter aanspraak heeft; waaruit implicile blijkt, dat de advokaat in dit geval, naar het gevoelen van den Hoogl., ook zijne declaratie aan de verliezende partij in rekening zou kunnen brengen. — Onder de werking van art. 3 van 't Kon. Resl. v. 5 Dec. 1844 (Sthl. n0. 61), waarbij, met wijziging van het aangehaald art. 4 van 't Reglement van orde, de toelating der advokaten bij de Kantongerechten is weggelaten en na de invoering van hot nieuwe tarief, vastgesteld bij de wet v. 29 Dec. 1843 (Sthl. nquot;. 66). is de bovenvermelde vraag nog toestemmend beantwoord door v. d. Kemp, Ontw. ut supra, p. 177 en 178, doch is Oudeman, 2de ed., d. I, p. 87, 3de en 4de ed.. 1. p. 80 en Nalez., p. 24, van zijn vroeger gevoelen terugkomende, van oordeel, dat de declaratie van den advokaat thans niet meer mag worden begrepen onder de proceskosten voor de Kantongerechten. In den derden druk van v. n. Kemp's Ontw., bl. 359 en vlg., betoogt Mr. L. G. Greeve, dat de wet de advokaten als zoodanig bij de kantongerechten niet kent, en dat dus ook nimmer sprake kan zijn van het opnemen van advokaten-kosten onder de kosten van een proces voor het kantongerecht gevoerd.

Zie ook nog eene behandeling van dit vraagpunt, met het oog op het jus constituendum, in 't R. I). jg. 1839. d. 1, p. 284—288. (1)

(1) Ook deze kwestie liehoort tot die, welke kort na de invoering der nieuwe wetgeving tot verschil van gevoelen hebben aanleiding gegeven. Thans echter is men het, ook met het oog op vermeld Kon. 3esl. v. 5 Dec. 1844, over hare ontkennende beantwoording vrij algemeen eens, zoo zelfs dat zij thans in de praktijk niet meer wordt ter sprake gebracht (Leon).

205

ocr page 218

Art. 57 )

— De vraag, thans meer van wetenschappelijk dan praktisch belang, of art. 57 15. R. ook van toepassing was op zaken, die, na bij de in October 1838 ontbonden rechterlijke eollegiën aanhangig te zijn geweest, bij de toen nieuw ingestelde werden overgebracht, voor zoover het salaris der advokaten na 1 October 1838 was gemeriteerd — heeft tot verschillende beslissingen aanleiding gegeven.

Zij werd ontkennend beantwoord bij arr. van het Hof v. Holland, v. •12 en 29 Jnni '1839, W. n's. 30 en 47; liegt in \ederl.. d. II, p. 132; — bevestigend daarentegen l)ij vonnis van de Arr.-R. 's Ilage, v. 28 Juni 1839, W. no. 33; liegt in Nedert., d. II, p. quot;120; bij arrquot;. van bet I'. 11. in Utrecht, v. 1 Juni 1840 en 10 Juni 1844, W. iiis. 100 en 542; R. (I. IV, § 05; bij arr. van het 1'. 11. van Drenthe, v. 12 Sept. 1840, R., d. VI, § 27; bij arr. van het I'. II. v. Overijssel, v. 11 Oct. '1841, R. li. jg. 1842, d. IV. p, 443 en 444 en bij vonnis der Arr,-R. Amsterdam, v. 21 Dec. 1841, R. li. ut supra, p. 442 en 443, met welk gevoelen zich ook vereenigt Oudeman, 4de ed., d. I.p, 82. Bij voormeld arr. van het 1'. II. in Drente is tevens, even als bij voormeld vonnis van de Arr.-R. Amsterdam, beslist, dat de salarissen en honoraria van den advokaat, voor zooverre die verdiend waren vóór de invoering van het tegenwoordig tarief, ook na het in werking komen daarvan, door hem zeiven, niet het oog op het Keizerl. Decreet v. 14 Dec. 1810, j0. 't Kon. Besl. v. 8 Juni 1829 {Slbl. n0. 42), naar billijkheid mochten worden begroot.

1®. Zie ten betooge:

a. Dat de declaratiën van den procureur in eene administratie-zaak (voor den strafrechter aangebracht) niet kunnen komen ten laste van de succumbeerende partij —

arr. v. 20 Juni 1843, W. n0. 439; R., d. XV, ij '16; v. d. II., Bel., d. I, p. 453—462; idem met betrekking tot dc declaratiën van den advokaat, bij vonnis van de Arr.-R. Haarlem, v. 4 Febr. 1843, R. B. jg. '1843, d. V, p. 045.

b. Dat, wanneer in domaniale zaken bij dwangschrift wordt geprocedeerd, alsdan, met het oog op art. 65 der Wet van 22 Erimaire an VIT, aan partij geene practizijns-kosten in rekening kunnen worden gebracht -—

Arr.-R. Haarlem, v. 2 Jan. 1849, R. B. jg. 1849, d. XI, p. 528—533.

c. Dat de wet bij toelating van de voeging der vordering van de beleedigde partij, in het geding over de strafzaak (uit krachte van art. 231, al. 3 Wetboek van Strafvordering) voor zooverre zij het tegendeel niet heeft bepaald, geacht moet worden aan die partij dezelfde

ocr page 219

{Art. 57.

rechten, ook met betrekking tot de veroordeeling in de kosten, te hebben toegekend, als welke haar bij de vervolging van de vergoeding der baar door misdrijf veroorzaakte schade, bij eene afzonderlijke burgerlijke rechtsvordering zouden toekomen en mitsdien de beklaagde in dit cas ook kan worden verwezen in de kosten wegens het bezigen

O O

van een advokaat of procureur, die voor de gevoegde beleedigde partij is opgetreden en die veroordeeling ook kan worden gewezen stilzwijgend, overeenkomstig de namens de beleedigde partij mede ten aanzien dier kosten genomen en niet ontzegde conclusie, —

de nrrquot;. v, 7 Nov. ISW, \V. n0. 444; R., d. XVI, § 42, v. n. II., Strafr. en Strafv., d. X. p. 395—403, en van 8 Oct. 1844', W. no. 541; li. d. XIX, gt;5 4; v. d. II.. ibid., d. XIL p. 14—21; — anders bij vonnis der Arr.-R. 's Hage, v. I!( Febr. 1844, \V. no. 478; U.. d. XX, § 93.

d. Dat een procureur bevoegd is, om, behalve de door hem gedane verschotten, ook salaris in rekening te brengen wegens werkzaamheden, door hem in zijne kwaliteit zonder lastgeving voor een under verricht, wanneer deze door die werkzaamheden is gebaat geworden —

art. 1394 B. W., vonnis van de Arr.-U. Amsterdam, v. 20 Jan. 1842.

e. Dat, wanneer meerdere personen eene en dezelfde rechtszaak ter behandeling aan een advocaat of procureur toevertrouwen, zij wegens het verdiende salaris en de verschotten niet hoofdelijk zijn verbonden, zoodat ieder daarin slechts voor zijn aandeel moet dragen

Vernede, ad art.

ƒ. Zie over het verband tusschen artt. 56 en 5 7 B. R. en art. 65 der wet van 22 IVimaire an Vil —

air. v. 8 Doe. -1882, W. no. 4848; R., d. C'XXXII. § 24; v. n. li.. en 11., d. VT, p. 308.

Arl. 58.

1. Indien het (gelijk iu casu ook uit overige procedures tusschen partijen) blijkbaar is, dat de door den beheerder ingestelde exceptie de strekking heeft het nutteloos rekken van kostbare procedures, waardoor hij geacht moet worden de belangen van het hem toevertrouwde beheer te hebben verwaarloosd, zijn er, ook met het oog op art. 58

207

ocr page 220

/tAjrcn^y v. kri- i^4- amp;*~vu, d*, /Lryfc^,

I/vl^-* lt;La^~ 1

^ Art. 5S.1 20,lt;

(JU^JÜ, 2, ^ ^/. -t^0^

l' „fis 11 R., termen tot zijne veroordeeling in de kosten uit eigene middelen, v, p. n, v. N.-Holland, v. 30 April 1840. W. n0. 755.

Zie tequot;

betooge:

« Dat een deurwaarder niet kan worden geschorst door anderen dan het college, waarbij hij dienst doet —

^ /^uv^-^ 1/1 art, 9(i I!. I!., arr. v. 3 Febr. 1843.

nj^oJ- h. Dat, wanneer er in een rechtsgeding onrechtmatige handelingen vfU1 procureur en deurwaarder, of onregelmatige procedure-actes hebben gt; plaats gehad, deze niet in een afzonderlijk rechtsgeding, maar alleen

^-^i]! bet aanhangig rechtsgeding contradictoir met de in üte zijnde par-jisJ. (.jjen moeten worden beoordeeld en huiten gevolg gesteld —

r VZL^l

x^JO-' j mt. 90 li. 11., vonnis van dc Arr.-R. 's Hage, v. 23 Juni 1854

3. De kosten, veroorzaakt door het stellen eener incidenteele con-^ ^^^^t^dusie op ongezegeld papier, waarop de rechter geen acht mag slaan, : komen voor rekening van den procureur, aan wiens achteloosheid dit wijten is.

u fr P. II. v. Drente, v. 9 Dec. quot;1871. W. n0. 3449.

ir1'

Art. 59.

I. Hoezeer bij art, 59 uitdrukkelijk als een natuurlijk en uit den aard der zaak voortvloeiend vereischte van een vonnis is gevorderd, dat het inhoude de namen en woonplaatsen der partijen, tusschen welke het is gewezen, heeft die bepaling nogtans ontwijfelbaar alleen ten doel, te zorgen, dat duidelijk blijke, in welke zaak en tusschen welke litigeerende partijen de rechtspraak is gevallen, en moet mitsdien ieder vonnis, waarin deze aanduiding of ten eenenmale wordt gemist, of zóó gebrekkig mocht zijn gedaan, dat daaruit niet of niet genoegzaam kan blijken, in welk rechtsgeding en tusschen welke partijen de beslissing is gevallen, als onuitvoerlijk en nietig worden beschouwd en als zoodanig om gemis van vorm worden vernietigd.

Het gaat evenwel niet op, dat die vernietiging ook zou moeten plaats hebben wegens elke dwaling of verzuim in de vermelding of

las^oj^rrrr iszryv^X, ^rt-

ocr page 221

{Art. 59.

overschrijving dier namen, ofschoon het {in cam alwaar bij het beklaagde vonnis de naam van den echtgenoot van een der erfgenamen welke collecluf hadden geageerd, verkeerdelijk was uitgedrukt en die van een ander in het geheel niet was vermeld) ten duidelijkste mocht blijken, in welk geding en tusschen welke litigeerende partijen dc uitspraak is gevallen en blijkbaar alleen een verzuim of eene verwarring [in cam ook afgeleid uit de omstandigheid, dat de instantie van cassatie te^en partij is ingesteld en vervolgd, niet zooals zij bij de expeditie van het vonnis erroneus was aangeduid, maar gelijk in eersten aanleg met haar was geprocedeerd) bij de overschrijving ter griffie, immers van de expeditie van het vonnis, zooals het is geproduceerd, heeft plaats gehad.

Air. v. 10 Juni 1841, \V. uquot;. 202; R., d. IX. § 23; v. d. II., li. R.. d. II, p. 232—249; (1) — anders, met een beroep op Iïkrkïat uk St. Prix, vol. '1, /i. illi 252 en 139, in de conclusiën van den adv.gen. Ligh-tf.xvelt (v. 1). II. I. c., p. 242—245), hoofdzakelijk op grond, dat hier waar liet vonnis bij eene vergelijking met de dagvaarding, /.. i. niet kon gezegd worden, de namen en woonplaatsen der partijen te behelzen, zon zijn geschonden eene gebiedende bepaling der wet, ten aanzien van liet ive-rn van een vonnis ; dat toch het uitdrukken van de narnen en woonplaatsen der partijen een zoo noodzakelijk bestanddeel van er^u vonnis uitmaakt, dat de rechtspraak zonder dit vereischte niet kan worden uitgeoefend, en dat in het algemeen eene akte, en dus vooral een vonnis, rechtens moet geacht worden niet te bestaan, zoo lang ile daartoe noodwendige bestanddeelen niet aanwezig zijn, enz. — Cf. art. 59 T'. I!.. arr. v. 5 Maart 1852, sub nn. 7.

«. Art 59 15. R. is niet geschonden, indien de rechter ten aanzien

(1) Bij dit arrest is tevens implicite ontkennend beantwoord de vraag, of de niet nakoming van een of' meer der voorschriften van art, 59 B. R. termen zou kunnen opleveren tot toepassing van art. 90 B. 1!.. met andere woorden, of daarbij slechts zou kunnen geacht worden te zijn begaan een verzuim der vormen, dat door de wet niet uitdrukkelijk met nietigheid is bedreigd. Zie ook in denzelfden zin arr. 1'. H. v. ISr.-Holland (sine die) W. n». 2918 en van 29 Nov. 1855, W. n». 1755. Diezelfde leer wordt expressis werfi/s gehuldigd in voormelde conclusie van den adv.-gen. Lioiitknvki.t, alsmede bij dk Pinto, lldl., 2de ged., 1ste st,, p. 115—118 (2de ed. p. 123 sqq.). Onder vigeur van het met art. 59 B. R. nagenoeg gelijkluidend art. 141, C. de Pr. Civ., bestond daaromtrent verschil van gevoelen tusschen Ton.-i.if.k, le Dr. Cio. Jr. X., p. 135 —177, die de nietigheid van het vonnis ontkende, op grond van art. 1030, C. de Pr. Civ., overeenkomende met art. 90 B. li., eener-zijds, en Merlin, Répertoire, in voc., § 2, nquot;. l, en Carrk, Qu., 594, anderzijds. Cf. ook arr. 13 Dec. 1872 sqq. sub hoe art.

Mr. W. van Rossem Bz., Rurti fiechlan, 1-1

209

ocr page 222

Art. 59.)

der daadzaken een punt onbeslist heeft gelaten, van welks beslissing de rechtsvraag niet afhankelijk was.

Arr. v. 17 Dec. '1841, W. nquot;. 253; R, d. FX, § 50; v. n. 11.. li. U. (1. III. p. 13(5—IV.); iili^in arr. v. 25 l elir. ISiS, v. n. If., H. U., (I. IX.

p 272_300; R., d. XXX, § 4 (bereids vermeld op de art,t. 170—172

der Grondwet v. 1840, sub nquot;. 5, d. I, j). 71); idem lgt;ij de Pinïo, ITdl. I'. It., 2de lt;gt;ed., 1ste stidi, p. '129. Vergelijk verder ten betooge, dat aan het voorscbrift der wet is voldaan, wanneer slechts aangegeven zijn de beweegredenen, die den rechter tot beslissing van het geschil hebben gebracht, en alzoo niet wordt gevorderd de vermelding en wederlegging van al bet door partijen aangevoerde: de arresten van v. 24 Dcc. 18;)8, W. nquot;. 2021, R. d. LX § 42, v. 25 Nov. 1859, v. d. II., B. R.. d. XX11I, hl. 413; R., d. LXlil bl. '191 ; W. nquot;. 2121, v. C Febr. 1862, W. nquot;. 2352, v. 10 Jan. 1802, R., d. LXX § 5 en v. 1 Nov. 1872. W. nquot;. 3522, R., d. Cll § 18; v. 18 Dec. 1874, W. no. 3802, R., d. CV11I § 34, waarbij beslist is dat niet behoorlijke motiveering geene schending dezer bepaling oplevert; v. 22 Nov. 1878, W. nquot;. 4319, waarbij is beslist dat bij dit art. niet wordt gevorderd de vermelding en wederlegging van al het door partijen aangevoerde, en dat de gronden voor de ongenoegzaamheid van een beweerd geleverd tegenbewijs, enkel strekkende tot tegenspraak der genoegzaamheid van het bewijs, en niet tot staving van eenig middel van hevrvijding, geacht moeten worden stilzwijgend te zijn opgesloten in de genoegverklaring van een geleverd bewijs. Vgl. de aanteekeningen op art. 150 der Grondwet v. 1848.

!S. Ken vonnis mag ook worden uitgesproken in afwezigheid \aii een of meer rechters die tot het opmaken hebben medegewerkt.

rmi)licitc beslist bij arr. v. 18 Maart 1842. aangehaald in 't R. K. je. 1845, d. Vil, p. 75—77, naar luid waarvan dit arrest is uitgesproken in afwezigheid van een der raadsbeeren, zooals in het slot wordt vermeld ; idem cxprc.i.il.i verbis bij arr. v. .gt; Dec. ISol, W. n0. 128S, R., d. XL, § 47, waarhij is beslist, dat do wet wel bepaalt het getal rechters, met welke het arrest of vonnis moet zijn gewezen, doch geenszins op straffe van nietigheid vordert, dat deze allen bij de uitspraak tegenwoordig zijn; idem implicite bij vonnis Arr.-R. Winschoten 12 Nov. 1851. W. nquot;. 1774, alwaar verwezen wordt naar arr. (Kamer v. Strafzaken) v. 17 Oct. 1854, W. no. 1073; idem in een vertoog in 't R. 1!., ut supra en dooiden Hoogl. v. Ham. in de noot; — anders bij Oudeman, li. R. 4e ed. d. 1 p. 88, met aanhaling van R. B., jg. 1845, lt;1. VII p. 234 volgg.

4. Bij een arrest, houdende niet-ontvankelijkverklaring in hooger beroep, behoort niet te worden getreden in een onderzoek naar de punten van eisch, in de dagvaarding vervat.

Arr. v. 11 Febr. 1848, v. d. 11., I!. R., d. IX, p. 257—200.

2J 0

ocr page 223

{Art. 59.

.V Er bestaat geen grond voor cassatie, indien, nadat bij een interlocutoir vonnis is beslist, dat het incident zal blijven afgescheiden van de hoofdzaak, de rechter niettemin bij het eindvonnis op het incident in zijne overwegingen, tot meerdere overtuiging, ook gewag maakt van vermoedens, ontleend aan de hoofdzaak, mits slechts het dispositief alleen eene beslissing inhoude op het incident.

Arr. v. 21 Maart 1850, W. n0. 1111.

C». In burgerlijke zaken is de aanhaling der wetsartikelen, waarop de rechter liet arrest of vonnis grondt, niet verplichtend. Hieruit volgt tevens, dat van deze al of niet-aanhaling de cassatie casu quo geheel onafhankelijk is.

Arr. v. 10 .Tan. 1852, R,. d. XLT. §4; idem arr. v. 23 Nov. 1877, W. nquot;. 4195.

?. Art. 59 R. R. handelt kennelijk van het vonnis, zooals het is uitgesproken. Mitsdien kan de cassatie, op grond van het beweren, dat het arrest is beteekend, zonder in te houden, dat vooraf het Openbaar Ministerie is geboord, veelmin de slotsom van diens conclusion niet worden uitgesproken daar, waar het, gelijk in specie, niet geldt het vonnis of het arrest zelf, maar de expeditie, zoodanig als die is beteekend.

Arr. v. 5 Maart 1852, W. n0. 1314. Zie ten betooge dat het vonnis onbestaanbaar is, wanneer daarin niet is opgenomen de slotsom der conclusie O. M., arr. P. H. v. Overijssel, v. 15 Maart 1858, bij Mr. 11 F.irrz-veld ut supra blz. 00. — Cf. art. 02 B. R, vonnis van de Arr.-R. 's-Her-togenboscb, v. 27 Juli 1841.

lt;S. De uitspraken over wraking van getuigen in burgerlijke zaken zijn definitieve beslissingen van een incidenteel geschil, derhalve onder vonnissen begrepen, en als de zoodanige op strafte van nietigheid mede aan de verplichting onderworpen om de gronden der uitspraak, zoo wat de feiten als het reebtspunt ieder afzonderlijk betreft, te moeten inhouden.

Arr. v. 17 Oct. 1856, R. lt;1. LTV § 12; zie verder over deze vraag aant. 3 sul) art. 00 ]!. R.

ïl. Uit liet slot van liet arrest luidende : quot;dat het is gewezen en uitgesproken in tegenwoordigheid der daarbij genoemde heeren vice-

211

ocr page 224

Art 59.) 212

president en raden in den Hovequot;', blijkt voldoende dut het door hen is gewezen.

Arr.v.-12 Maart 1858, W. n». '1042, v. n. II.. 11. R. XXII. 1.1/. OS—11:.!.

I O. Het dispositief van een vonnis mag, wanneer dit op zich zelf geheel duidelijk is, niet worden aangevuld uit de motieven.

a it. v. S Oct. 18(1(1. \V. nquot;. 2845: li.. (I. T.XXXIV § rv

Verg. navolgende beslissing ;

Niet in de motieven, maar in het dispositief van het vonnis moet uitspraak gedaan worden omtrent de punten, in de conclusiën vermeld.

P. II. v. Ooninjren v. 27 IVhr. 1849. W. ii0. 008; R. Ti., jg. -18.«», (I. XI. |). 122—424, 1!.. (1. XXXIII. § 48.

Vgl. Iiiermede in verband P. I I. v. N.-l lolland 28 .Tiini 1875. ^\ . u0. I!0I8. wiiarbij is uitgemaakt, dat de beslissing van het vonnis niet alleen en nit-shntend gevonden wordt in het dictum, maar ook in die overwegingen, die in znlk onafscheidbaar verband staan tot het dictnrn, dat zij als grondslag daarvan zijn te beschouwen; zie eindelijk aant. 21 van dit art.

I I. De rechter, geroepen te oordeelen over eene exceptie, gegrond op het bestaan van een vreemd vonnis, mag het feit van het bestaan van zoodanig vonnis, zonder hetwelk de exceptie haren feitelijken grondslag zoude missen, wèl onderzoeken, al betreft dat feit ook tegelijkertijd de zaak ten principale.

Arr. v. 28 Juni '1867, W. no. 2915, bevestigende arr. P. II. v. N.-Holland, v. 17 .Tan. 18(17, W. n0. 2951, waarbij — hoewel op andere gronden dan die van het, vonnis a quo — bevestigd werd het vonnis der Rechtb. Am-slerdnm. v. 2(1 April 1860. W. n». 2822.

... . . ju*,, i 3. Tegen uiet-motiveering is wèl in art 20 R. O maar met in

aJ^' i dit artikel n0. 3 de straf van nietigheid bedreigd. Bij een desbetref-' n K-tsv fend middel van cassatie dient dus vóór alles eerstgenoemd artikel a te worden aangehaald.

/tfcsv 0

^ ^ Arr. van 13 Pee. 1872. W. nu. 3541 ook aangehaald sub nquot;. 13;

' /quot;n quot;quot;k v- •' -hm. 1873. \\'. n0. 3550; arr. v. 28 T'ebr. 1873. \V. ' c]^ no. 3567; arr. v. :!() Mei 1873. VV. n0. 3509, R.. d. CIV ^ 9; idem hol - suli art. 334 R. 1!. vermeld arr. v. 25 Jan. '1884, W. nquot;. 5005.

13. Wanneer het vonnis, hoewel de daadzaken niet met name ver-■yi0/05quot;' meldende, echter metterdaad aanneemt de bij de dagvaarding aan de

T

r

vordering ten grondslag gelegde feiten, en eveneens stilzwijgend over-

i

ocr page 225

(/1/7. 5!).

neemt de dnnrbij daarvoor aangevoerde rechtsgronden, zoo kan het vonnis wel gezegd worden weinig afdoende te zijn gemotiveerd, maar kan liet niet geoordeeld worden geenszins te behelzen de gronden der uitspraak.

An-, v. l;! Doe. 1872, VV. ii». :i54l ; v. n. II.. I!. li., d. XXXVII. Iilz. 520- 5;!(i; Cf. air. 18 Oct. 1872, \V. nquot;. 35-11).

IJ. /vie ten betooge dat ook een rechter-plaatsvervanger als waarnemende de functiën van het ü. M. in het vonnis kan worden genoemd.

Arr. v. 14 Nov. 1873, W. no. 3658.

I.quot;». liet uitdrukkelijk voorbij(jaau eener vordering is eene wezenlijke beslissing, en wel eene (jemotiraerde, wanneer namelijk in het vroeger geding de redenen voor dat voorbijgaan met name zijn opgegeven.

Air. v. Hi April 1875. W. uquot;. 3843; v. d. II.. 1gt;. R.,(l. XL., blz. 222—23:1

IH. Wanneer eene vordering is ingesteld zoo wegens geleden schade als ter zake van een deel in de avarijgrosse, en deze vordering is in haar geheel ontzegd, zonder dat in facto of in jure een enkele grond is aangevoerd, waarop de ontzegging, voor zooveel het aandeel in de avarijgrosse betreft, zou steunen, zijn de artt 59 13. R. en 20 11. C). geschonden en behoort het vonnis, voor zoover het niet gemotiveerd is, vernietigd te worden.

Arr. v. 29 .luni 1877. \\ . no. 41411. I!.. d. CVI ^ 28; v. u. II.. Igt;. !! ■ (1. XI.II. blz. 369—384.

IS. l'jen vonnis, waarin als reden tot ontzegging van den eisch blootelijk, en zonder eenige andere overschrijving of ontwikkeling, is aangehaald, dat de vorderingen, zoo als zij zijn liggende, naar rechten niet zijn gegrond, is zóó algemeen, onbestemd en onzeker, dat het geenszins kan worden aangenomen als eene voldoende nakoming dei-voorschriften, bij de grondwettelijke en opgevolgde wettelijke bepalingen van dit llijk vastgesteld, met dat gevolg, dat zoodanig vonnis geheel nietig en van onwaarde is en in de zaak tusschen partijen in geschil op nieuw moet worden recht gedaan.

Arr.-I!. Gunnchein. v. 28 Nov. 1840., \V. uquot;. 195.

ocr page 226

Art. 59).

18. Ook de veroordeeling tot betaling in privé moet worden gemotiveerd. Dit verzuim ter eerste instantie kan en moet, met liet oog op art. 103 R. O,, in hooger beroep worden aangevuld, indien die veroordeeling terecht is geschied.

P. II. v. N.-Holl. v. 30 April 1840, W. no. 755.

I {gt;. De rechter moet in zaken, aan zijne beslissing onderworpen, de vormen van procedeeren [in specie eene voorgestelde exceptie van uiet-ontvankelijkheid) beoordeelen, alvorens de zaak au fond te beslissen.

P. H. v. Groningen v. -13 Nov. 1840, R. B.. jj.'. 1851. p. 296—302.

lt;MI. De rechter mag niet, de subordinate vordering toewijzende, de principale voorbijgaan, zonder daarop recht te doen,

P. II. v. N.-Holl. v. 24 Oct. 1850, W. n0. 1186, vernietigende het daartoe betrekkelijk vonnis van de Arr.-R. Hoorn, v. 9 Jan. '1850, W. i\t supra, waarbij is beslist, dat het eigenaardige eener alternatieve vordering voornamelijk daarin gelegen is, dat de primaire en subsidiaire eiscb nooit gelijktijdig kunnen toegewezen worden, maar dat, wanneer er termen bestaan om eene dei' beide vorderingen toe te wijzen, de andere daardoor van zelve komt te vervallen, — Cf. art. 1 B. U., arr. v. 5 Nov. 4840 sqq., sub n0. 1.

81. Wanneer uit de beweegredenen van het vonnis blijkt, dat de rechter de zaak ten principale onderzocht heeft, komt in het dispositief een ongegrond-verklaring en niet-ontvankelijk-verklaring niet te pas; 's rechters dispositief behoort alsdan wat den niterlijlcen vorm betreft te worden verbeterd.

P. H. v. Zeeland, v. 22 Jan. 1850, R. 1!., jg. 1857, d. Vil, IjIz. 433 sqq.

Vgl. hiermede in verband Arr.-R. Amsterdam, v. 23 Mei 1879, R. B., jg. 1880, A. p. 47, waarbij is beslist,- dat een vonnis niet verbeterd be-lioeft te worden, waarbij ten onrechte eene niet-ontvankelijk-verklaring is uitgesproken in nlaats van eene ontzegging; dewijl bet dictum moet worden opgevat in den zin der considerantia, die in casu zonneklaar op eene definitieve ontzegging wijzen. —• Cf. aant. 40 ad hoe art.

88. Eene ingestelde vordering moet in haar geheel beoordeeld worden.

Daar nu waar eene partij vermeent te kunnen vorderen het wegnemen van eene belemmering, zulks als eigenaar van het heerschend erf, waardoor het recht van erfdienstbaarheid wordt verkort, zoo is de

ocr page 227

{ArI. 59.

daaraan vooropgestelde vordering, dat hij, eisclier, zal worden gerech-tio-f] verklaard om door de kwestieuse riool water en vuilnis te doen uitloopen en de gedaagde zal worden veroordeeld om dit gebruik te geheugen en te gedoogen, en als een gevolg daarvan de belemmeringen zullen worden opgeruimd. -— niet een verzoek aan den rechter tot liet geven van eene sententia declaratoria, maar om gerechtigd te worden verklaard tot een recht, waarop juist de vordering steunt.

Air. Hof Zeeland, 10 Oct. 1871. W. nquot;. 3439, li. I!., jg. 1872, p. 7(52, ook vermeld sub hoc art. n0. 25.

*4:$. Een vonnis, waarbij over eenige rechtsmiddelen, door eene der partijen voorgesteld, geene uitspraak is gedaan, voldoet niet aan de artt, 45 en 59 15. R

Air.-R. Amsterdam, v. 1(1 Febr. 1872, W. nquot;. 3543.

'i t:. Zie ten betooge :

a. Dat niet ook de verzoekschriften, door belanghebbenden tot verkrijging van eenige machtiging of goedkeuring ingediend, op de open-hare terechtzitting moeten worden behandeld, evenmin als de beschikkingen daarop in het openbaar moeten worden uitgesproken —

Artt. 170—172 der Grondwet v. 1840, air. v. '19 .limi 1839, sub n0. 1. d. 11, p. 71 en de autoriteiten aldaar vermeid.

Vgl. in denzelfden zin arr. v. 12 Maart 1858, W. n0. 1940, R.. d. LV111 § 42 (ten aanzien van een vonnis van faillietverklaring) en v. 1 Sept. 1804, VV. no. 2617, R., d. LXXV1I § 50. Zie Léon (uitgave van Emden) art. 156 Grondwet 1848.

Zie ook de Pixto, If dl. liegt. O/';/., p. 76 en 79, 2de druk ; p. 84 en Ihlb. li. It-, 2de ged., 1ste st. p. 123, (die, in strijd met deze arr. en de sedert algemeen gehuldigde jurisprudentie, ten aanzien van de uitspraak een tegenovergesteld gevoelen voorstaat).

ö. Dat de toewijzing van een recht van voorrang voor de gemaakte kosten, als eene hoofdbeslissing zijnde, moet worden gemotiveerd — Artt. 170—172 der Grondwet v. 1840, sul) n0. 2.

c. Dat het den rechter in appèl, ook in civiele zaken, alleszins geoorloofd is, om wanneer hij zich vereenigt met de motieven der eerste uitspraak, op diezelfde motieven recht te doen, zonder dat hij die in zijn arrest behoeft te herhalen —

Artt. 170—172 der Grondwet v. 1840, arr. v. 25-Febr. 1848, sub nquot;. 5,

215

ocr page 228

Art 56).

d. I. p. 71 ; idem l)ij uk Pinto. It. It., 'Jde fied., Isto st.. |i. 129 vlj!;. en Themis, d. VI, p. 405; Oudf.max, 4de ed., d. I, |). 80, en in do Opm. cu Mfid.. d, IV, p. 55—58; alsmede de conclusion van den toenmaligen Adv.-Gen. van Maankn. welke hebben geleid tot hot arr. v. 5 Dec. 1844, v. d. H., Bel., d. 11, p. 107. volgens wien, ook dan wanneer in het vonnis de gronden dei' uitspraak, wat de daadzaken en het recht betreft, dooreen zouden zijn gemengd, zulks, met het oog op art. 99 der Organ. Wet. geen grond tot cassatie oplevert.

Vgl. arr. v. 12 Maart 1858, W. nquot;. 1942 ook vermeld sul) n0. 9 van dit artikel en arr. v. 22 Mei 1803, R., d. I.XXIV § IS, waarbij is beslist dat, — wanneer hot Hof overweegt dat door den eersten rechter met juistheid is overwogen omtrent den tijd van verkrijging der verjaring, eu dat het zich mitsdien vereenigt met en overneemt do gronden en beweegredenen van den eersten rechter, — de hoogere rechter daardoor moet geacht worden zich ook te voreenigen met do gronden des eersten rechters omtrent de beweerde stuiting aangevoerd; zio ook hot aange-teekonde sub nquot;. 2 van dit artikel.

/1. Dat de vermelding iu transitu van daadzaken te staven door getuigen of andere bewijsmiddelen, geene bepaalde incidenteele conclusie tot getuigenbewijs daarstelt, op welke door den rechter afzonderlijk moet worden recht gedaan —

art. 249 li. I!.. vonnis van do Arr.-U. Nijmogou v. 12 Aug. 1850.

e. Dat een eenvoudig bevel of rechterlijk dictum niet als een vonnis in den zin der wet is te beschouwen —-

artt. 170—172 der UroiuKvet v. 184(1 ut supra, arr. v. |(i .luni 1848, sub n('. 0, d. 1. p. 72 ; idem het sub art. 252 1gt;. U. vermeld vonnis der Air. U, L'trocht v. 27 Dec. 1882.

/'. Dat liet geen grond is tot uietig-verklaring van een vonnis wanneer alleen de kwaliteit, niet de naam van den ambtenaar van het O. M. daarin is vermeld.

Mr. C. F. Tu. van JIaankn, xdiet Openbaar Ministerie in Nederland blz. 02.

De vraag of het strookt met den aard en het doel der Nederl. burgerlijke rechtspraak, dat een rechtelijk gewijsde slechts inhoude eene nuda sententia declaratoria judicis, is door de respectieve rechtscolleges vrij algemeen ontkennend beantwoord, (Léon).

Intusschen in lateren tijd zijn meerdere schrijvers en sommige rechts-colleges tot eene tegenovergestelde meening overgegaan.

De bevoegdheid tot het uitspreken van eene sententia declaratoria

ocr page 229

Arl. 59

wordt onvoorwaardelijk of voorwaardelijk ontkend bij de navolgende beslissingen :

Air. v. 't I'. II. v. N.-Holl. v. (i Jan. IS.quot;);!. U. I!.. jg. 185:i. p. I—U, waarbij niet ontvankelijk verklaard is eein' vordering, oni liij rechterlijk vonnis te worden bewaard en gehandhaafd in den eigendom van de bij dagvaarding omschrevene perceelen, on beslist, dat de onaannemelijkheid dier vordering niet wordt weggenomen door de bij wege van

gevolgtrekking daaraan verbondene actie tot veroordeeling van de partij, orn zich op s tra lie van schadevergoeding te onthouden van elke daad. waardoor op des eiscliers beweerd eigendomsreclit inbreuk geschiedt. vermits die vordering niet ten onderwerp heeft het herstel van eenige reeds (jcplccyrlr. inbreuk op dat eigendomsrecht, en mitsdien alleen eene vermaning inhoudt, die geheel buiten 's rechters roeping is gelegen; idem bij arr. van hetzelfde P. II. v. Sept. '1847, I!. B., Jg. 1848, d. X. p. 81—84 en v. 15 Jan. 1854, VV. n0. 1538, naar luid waarvan eene nentcritifi mere declnratoria, als voor gecne executie vatbaar, bij de wet geheel is onbekend en alzoo geenszins op zich zelve kan worden gegeven, lu gelijken zin is beslist bij vonnis dei' Arr.-R. 's-Gravenhage, v. 26 Juni 1840. W. nquot;. 126; li., d. IX, § 64 (bereids vermeld op art. 739 1!. \\ .. sub 11°. 3). dat het eene ontijdige inroeping van de rechterlijke uitspraak is, wanneer iemand, ofschoon geene inbreuk hoegenaamd op zijn eigendomsrecht ondervonden hebbende, en ook geene formeele aanmatiging van erfdienstbaarheid door een ander op zijn erf hebbe plaats gehad,, dezen niettemin in rechten oproept, om eene rechterlijke verklaring te hebben, dat hem geen recht van servituut competeert; idem bij vonnis van deze Arr.li. v. 9 Mei 1854, VV. nquot;. 1549, dat eene vordering, tegen den eigenaar van beweerde tiendplichtige gronden ingesteld met de strekking om te hooren verklaren, dat men eigenaar is van tiendrecht op die gronden alleen dan in rechten bestaanbaar is, wanneer door den eigenaar dier gronden met der daad eenige inbreuk op het beweerde tiendrecht mocht zijn gemaakt en de verklaring van recht alzoo moet dienen om eene semd el tsimul ingestelde vordering tot praestatie van hetgeen men beweert, dat gepraesteerd moet worden, te rechtvaardigen. - (lok dit gevoelen is gedeeld in de conclusie van den adv.-gen. Auntzknifs. I!.. d. XLVI1, (j 23, volgens wien eene vordering tot verkrijging een cv sen-Ivnlia dedaraloria, wanneer zij op zich zelve staat, als onaannemelijk in rechten moet worden aangemerkt, en alleen dan aannemelijk kan worden geacht, wanneer zij gevoegd is bij eene andere rechtsgeldige vordering en met de zoodanige onafscheidelijk is verbonden, zoodat zij daarmede een geheel uitmaakt. Vgl. geheel in denzelfden zin Arr.-R. Zutphen, '10 Dec. '1808, W. n0. 3138; in verband hiermede verdient opmerking het arr. van den II. R, v. 22 Mei '1840, in de bekende (thans ingetrokkene) zeven-kinderen-wet v. 29 Nivóse, jaar XIII, gewezen. In die zaak had men bij dagvaarding vooraf gevorderd eene verklaring van het nog geldend bestaan van de wet in geschil en verder, dat de Staat dienovereenkomstig zou worden veroordeeld tot opvoeding van den door den eischer gedesigneerden zoon en bij gebreke daarvan, tot schadeloos-

217

ocr page 230

Art. 50.

stolling'. Do gedaagde, de Staat der Nederlanden, meende daaruit te nmgen putten een middel van niet-ontvankelijkheid. De II. R. echter heeft liij voonnold arr., tc vinden 1iij v. n. 11., G. /.., d. IV, p. 273—293; W. nquot;. 711 ; li., d. XX1IT. § 77, bevestigd in revisie liij arr. v. 3 Dec. 184(1, W. n0. 767; v. d. 11., ibid. d. V, p. 190—200; R., d. XXV, §68, beslist, dat die vordering, virtualiter door de overwegingen van liet arr. erkend, wel is ton eenenmalo overbodig en min rechtskundig, doch dat zij niettemin niet uitdrukkelijk niet-ontvankelijk is, veel minder nog dat /.ij de hoofdvordering, waarop liet hier alleen aankomt, als onaannemelijk of niet-ontvankelijk zou moeten doen beschouwen.

Zie wijders ten betooge dat de rechter niet bevoegd is tot het geven van eene sententia mere declar.itoria :

/7.0.(/, ai- jyj,. |.; Kkitii in Tijdschr. v. h. Ned. Regt, d. VI, blz. 141 volgg.

/■ onderscheidt de sententiae declaratoriae in twee soorten: 10. de

/ zuivere declaratoire sententien. en 2quot;. die met directe werking; de eerst-

/genoemde strekken alleen tot ei'kenning, tenvijl de laatstgenoemde, nevens die erkenning, eene wijziging brengen in den feitelijken toestand. De p / vraag of laatstgenoemde (b. v. een vonnis van failliet-verklaring) geoor-in-rL. uloofd zijn, is geene vraag. Schr. acht den rechter echter onhcvucijd tot

^ ^_. Cclt;lt;__liet geven der sub 1° genoemde sententie, hoofdzakelijk op grond; o.dat

o de eischer geen belang kan hebben bij eene dergelüke sententie; h. dat 7 zij niet voor executie vatbaar is ; c. dat de wet haar niet kent; en r/. dat ei de roeping des rechters niet is om als adviseur op te treden waartoe

T Ji— nien hem maakt, als hem die bevoegdheid tot het geven eener sententia , . mere declaratoria werd gegeven. Twee uitzonderingen echter laat schr.

op zijn stelsel toe; 1°. wanneer bij de sententia declaratoria is gevoegd e|jne an(jel.e vordering; 2°. voor het geval, dat eene strafzaak door den - ju*./. strafrechter wordt geschorst met tijdsbepaling, overeenkomstig art. 6

W. v. Strafv., en naar den burgerlijken rechter wordt verwezen, ton einde deze over het geschilpunt van burgerlijk recht uitspraak doe. — Zie in strijd met dat laatste punt P. H. v. Utrecht, v. 14 Sept. 1857 ; R.. d. LXIV § 74; cf. met betrekking tot dit laatste punt, Arr.-R. Zutphen, 20 Oct. 1843, Regt in Ned., d. IV, p. 95 en 96. Zie voorts in denzelfden geest: Arr.-R. Amsterdam, 11 Juni 1865, R. li. jg. 1866, p. 526, en van 30 Juni 1865, W. n°. 2733, bij welke uitspraken werd beslist dat een oisch die alleen de strekking heeft om den eischer een grond voor latere acties tegen don gedaagde te scheppen, dooi' den rechter ook ambtshalve niet mag worden toegewezen; voorts Arr.-R. 's-Hertogenbosch, v. 24 Dec. 1866 ; R. li. jg. 1868, p. 384. Vgl. verder: Arr.-R. Rotterdam, v. 24 Jan. 1876, R. B. jg. 1878, A. p. 289; Arr.-R. Arnhem 8 (6) Maart 1878, W. 11°. 4233, R. B. t. z. p. pag. 292; idem P. H. v. N.-Holl., 26 Juni 1856, R. d. LIV § 63; R. B. jg. 1857, blz. 257 sqq.; idem Arr.-R. Maastricht, 8 Maart 1855; R. B. jg. 1856, blz. 638 sqq.; idem P. II. v. Zeeland, 10 Oct. 1871, W. nquot;. 3439; R. B. jg. 1872 p. 762 sqq. ook vermeld ad art. 134 B. R.; idem P. 11. v. Limburg, 17 Oct. 1859, W. no. 2131, in zoover bev. Arr.R. Maastricht, v. 24 Dec. 1857, W. n0 1945; idem Arr. Hof

ocr page 231

(Art. r,o.

Curacao..., W. n0. 3479, en v. 8 Sept. 1882, W. 11°. 4841. Vgl. voorts Air. Hof Justitie, Suriname, v. 2.*? Maart 18()5, vormold ad art. 12!) li. I!

Vergelijk verder navolgende beslissingen :

Eene bloote uitspraak of verklaring, dat eene gepleegde daad was onrechtmatig, zonder bijvoeging van veroordeeling tot eenige praestatie of wat anders ook, is in rechten onbestaanbaar, als niet vatbaar voor uitvoering. Terwijl ook het gezag van dergelijk gewijsde zelfs niet kan worden ingeroepen, als waartoe geëischt wordt, dat een bepaald onderwerp of zaak gevorderd zij.

Arr.-R. Gorinchem, 1!) Aug. 1862, \V. n0. 24ül.

Die gedeelten van den eisch zijn niet voor toewijzing vatbaar, waarbij eene sententia declaratoria gevraagd wordt.

Arr.-R. Arnhem, ü Sept. 1860, \V. no. 2801.

Vgl. P. 11. Utrecht, v. 14 Sept. 1857, R. D., jg. lsr)8, hlz. 288, U. cl. LXIV § 74, waarbij is beslist, dat al moge in hot algemeen eene vordering tot het verkrijgen van eene sententia declaratoria niet in strijd zijn met de wet, het niet twijfelachtig is, dat het strijdig is met den aard en het doel der burgerlijke rechtspraak om eene beslissing te vragen omtrent hetgeen vroeger rechtens was. Minder juist, eindelijk vlg. Mr. lkon, (als niet vatbaar voor executie) is beslist hij vonnis der Arr.-R. te Zutphen, v. 5 Aug. 1847, R., d. XXXVI, § 68, dat het provoceeren van eene declaratoire sententie te recht plaats heeft, wanneer, tot betaling van renten geprocedeerd wordende, waartnede zeker goed beweerd wordt bezwaard te zijn , bet kleven van dat bezwaar op het goed betwist wordt en hij het vonnis tevens wordt verstaan, dat do gedaagde te dier zake verplicht is aan den eischer onderscheidene jaren achterstand dier rente to voldoen.

Zie verder ten betooge dat de rechterlijke macht bevoegd is tot het desgevraagd geven van seutentiae declaratoriae —

Mr. fockem.v andreae in n. Bijdr., d. xxii, pag. 257. Schrijver betoogt dat het doel der burgerlijke rechtspraak is handhaving van recht, en met dit doel strijdt in geenen deele het geven eener sententia declaratoria; veeleer zou het verbieden daarvan het bereiken van dat doel in don weg staan, en de rechtszekerheid verminderen. Door oen voorbeeld toont schr. do ongerijmdheid van het tegondeol aan — do staat zou h.v. op de vraag van den burger: heb ik recht tot deze of gene handeling? moeten antwoorden : handel eerst, en nadat gij gehandeld hebt kan ik u eerst zeggen of ge er recht op hadt: — alzoo laten schr's. tegenstanders don staat een onrecht uitlokken, dat had kunnen worden voorkomen.

Daarenboven kan niet als argument tegen schr's. gevoelen worden gebezigd dat zuiver declaratoire sententiën niet vatbaar zijn voor executie on daarom zouden strijden mot don aard cn hot doel der burgerlijke

23!)

ocr page 232

Art. .')«).

reel it sprank, die vorderen dut ieder vuilnis lt;-xociital)cl is. waul de executie is niet liet doel der burgerlijke rechtspraak, maar een der middelen waar-duor men hot eigenlijke doel er van. nl. de handhaving van rechten bereikt.

Kindel ijk toont sclirijwr nok door voorbeelden aan, dat eeneischer \n«!| degelijk belang kan hebben bij eene sententin declaratoria, /oodat het argument ontleend aan eene tegenovergestelde meening ook /.. i. niri opgaat.

lu «»n/.e wet is dan ook geen artikel te vindon, zegt schr.. dat •!«' sen-tentia declaratoria verbiedt, en met name niet art. I2U lgt;. R., dat alleen door toepassing eener letterlijke uitlegging, die men letterkweekeiij noemt, vermits ze zou strijden tegen den geest van de bepaling, tot een tegenovergesteld gevoelen kan leiden, en .ïlir. Mr. I*, van Mkki wkn in Themis, 'ide verz.. dl. IX. pag. '153. Schr. betoogt dat aan zijne meening niet in den weg staan de bepalingen der artt. 148 (rrondwet en 2 K. tK. wolke als zeer algemeen gesteld, veeleer zijn stelsel staven: hij toont vervolgens aan dal partijen wel degelijk belang lgt;ij eene zoodanige \ei-khiring kunnen hebhen en wijst er nadrukkelijk op dat niet het al of niet uitvoerbare van het vonnis, maar het belang van partijen de maatstaf der actiën is; terwijl ook het hoofdgevolg van het vunnis niet zoozeer is de uitvoeringquot; er van. als wel dat zijn inhoud pro veritate habetui . verg. ook prof. v. Honkvai. Kadik in Ned. l'roc. recht II. blz. sqq. «mi prof. J. E. GurnsMiT in een zijner uitgegeven adviezen opgenomen in Themis, jg. 1883 pag. 307, die betoogt dat niets den rechter belet om uit te spreken, dat iemand die zulks betwist, mijn debiteur is voor zekere som zonder meer. en eene tegenovergestelde meening eene bekiompen opvatting van 's rechters taak acht.

Vergelijk navolgende beslissingen:

De rechter is alleszins bevoegd tot het geven uener sententia decla-ratoria. Zulks is toch niet in strijd met eenige wetsbepaling en niets belet den rechter eene zoodanige uitspraak te geven, die hoewel onvatbaar voor executie, wel degelijk gevolgen in rechten heelt, in zooverre zij, in kracht van gewijsde gegaan, de rechten en verplichtingen tus-schen partijen onherroepelijk vaststelt. Zelfs wanneer de gedaagde zonder meer het door den eischer ingeroepen recht eenvoudig erkent, kan de rechter de verlangde uitspraak geven, vermits eischers belang mede kan brengen het beweerde recht tegenover den gedaagde onherroepelijk te doen vaststellen : in dat geval echter moeten de kosten blijven ten laste des eischers, in wiens belang het proces wordt gevoerd.

Ait.-K. van quot;s-Ilerto-cnl.Mscli. '27 .liini ISTO. \V. li». UUS. U. I!.. j- I8X0.

A. p. M:.; idem Air.-K. Roermond. :tn -Mei ISC.-i. W. nquot;. tWO'i. waarbij

ocr page 233

■ LtfiycP 6$. *tquot;

:22l [Art. 59.

dft notie strftkto tot erkenninjr vnn de scliuldiilictitiülieid eonfir jaaflijksrlie 5-

renti!, ton einde de verjaring te stuiten.

He rechter is bevoegd tot het geven eeuer sententia declaratoria.

Arr.-R. Arnliem 5 Jan. '1880, W. n0. 4530,11. 1!. jg. 1880, A. p. 141, bevestigd liij Air. ITof Arnhem,3 Nov. 1880, \V. iio. 401 I!. li. jg. 1881, A. p. 84. waarbij werd beslist dat eene sententia declaratciria geoorloofd is bij wijze van inleiding ecner o[)volgende condemnatie, en het daarenboven wel degelijk tot de roeping van de rechtelijke macht behoort om het geschil over hel al of niet aanwezig zijn van een hij art. ü R. O. bedoeld recht vooreene sententia declaratoria te beslissen, zoo de partij, die deze vraagt, daarbij belang heeft.

Ook al is het te wijzen vonnis niet met de door de wet aangewezen executie-middelen te executeeren, is niettemin de vordering, die op de wet gegrond is, voor toewijzing vatbaar.

De onuitvoerbaarheid van het vonnis maakt liet daarom nog niet onvruchtbaar : immers niet de uitvoerbaarheid, maar het belang is de maatstaf der actiën, en dat belang wordt voorondersteld bij hem, wiens vordering gegrond is in de wet. Het verkregen vonnis is daarenboven voor de triorafeerende partij middel en grond voor de actio judicati, tot schadevergoeding strekkende wegens de niet-uitvoering van het vorige vonnis.

Arr.-R. Assen. 9 Fehr. 1880. W. nquot;. 4400; R. 1!, jg. 1881. A. p. 109.

Zie omtrent de vraag wat al of niet als sententia declaratoria is aan te merken, de navolgende uitspraken :

a. De naam van sententia declaratoria komt alleen toe aan eene beslissing, welke geen onmiddellijk rechtsgevolg heeft, maar slechts in eventualiteiten voorziet, immers past zij zeker niet daur waar de wetgever uitdrukkelijk de tusschenkomst des rechters, hetzij om een feit te constateeren, hetzij om verbindtenisse.n te doen ontstaan of te doen ophouden, heeft gevorderd.

Air.-R. Breda, '27 Febr. 1800, \V. n0. ÜS28.

/;. Voor eene nuda sententia declaratoria moet niet gehouden worden de actie van een pachter, die, zich beklagende over daden van bezit en genot, door zijnen verpachter gepleegd, dezen dagvaardt, ten einde

ocr page 234

5^? ^ .Ir/. 59.) ^ ^ ^222 ^ ^ ^ ^

^ ^ /yens', amp;. *.°amp;lt;amp;lt;?£gt;.

te hooren verklaren, dat hij eisclier alleen gerechtigd is de te velde staande vruchten te genieten, met machtiging om daartoe desnoods den bijstand der openbare macht in te roepen en veroordeeling van den gedaagde om handen en voeten van het gepachte af te houden, op straffe van schadevergoeding.

P. II. v. Linihni'S, I April 18(17, W. nquot;. 3077, vernietignmlo vonnis Ait.-R. Maastricht, t27 Sopt. '180(1, W. n0. ;i(l77.

c. De vordering, tea gevolge van de ontkentenis van den gedaagde bij den kantonrechter voor de Rechtbank ingesteld, strekkende tot verklaring, dat zekere perceelen met eene grondrente zijn bezwaard,

stelt niet daar eene sententia deel arator ia.

Arr.-R, Maastricht. 17 Doe. 1808, W. nn. :i(gt;!)l, waarbij nop,' werd beslist dat al gold hot eono sententia, deze wel zou kunnen leiden tot eene niet-ontvankclijk-verkhirintr maar geenszins tot onltevoegilbeid der Rechtbank.

d. De uitspraak van den rechter dat eenig onroerend goed niet verkocht behoeft te worden, maar voor verkaveling vathaar is, is geene sententia declaratoria.

Hof 's-Gravcnhage, 27 Dec, •187(1, R, II. jg, 1879, A. p. 241.

p.. Wanneer de van den rechter gevraagde verlclarhuj strekt om te dienen tot rechtvaardiging van de geëischte veroordeeling, is er geen sprake van eene nuda sententia declaratoria.

Arr.-R. Groningen, 30 Maart 1877. W. n0. 4191.

f. De vordering eeniglijk strekkende tot vernietiging van een testament, kan niet gezegd worden op niet anders te doelen, dan op het vorkrijgen van eene sententia mere declaratoria.

Arr.-R. Tiol 28 .Tuni 1878, W. n0. 4285, R. I!. 1878, A. p. 291; idem 1'. II. Gelderland, 4 Dec. 1801, W. nquot;. 2337, bev. Arr.-R. Tiel, 13 Mei 18.-)» ibidem; idem P. II. Friesland, v. 31 Maart 1858, W. no. 1995; idem P. II. N.-Holland, v. 27 Juni 1801, \V. n». 2313. Vergelijk Arr.-R. Middelburg 18 Mei 1881, R. D. jg. 1881, A. p. 199, waarbij is beslist dat eene sententia declaratoria alleen strekt om oen feit of een reclit te consta-steeren, zonder direct rechtsgevolg, hoedanig rechtsgevolg wiM aanwezig is, wanneer de uitspraak moet dienen om den onrochtmatigon toestand

^ ^ ^ W*.

i^^clJ- ncu^-j x^yr*-. - /r. ■ .-A-Vc

ocr page 235

(Art. 59.

die krachtens oen testamentaire liescliikkinp' bestaat, op te lieffen en aan die beschikking haar bestaan en gevolgen te ontnemen.

cj. Wanneer primario gevorderd wordt de verklaring dat zeker goed in eigendom toebehoort aan den eisclier, en de secundaire vordering tot rekening en verantwoording op eerstgemelde vordering berust, kan van geene senfentia declaratoria gesproken worden.

Air.-U. 'Piel, li Maart '1881, \V. n0. 4757.

'Ui Zie over de vraag, wie de rechter is, die liet vonnis moet uitspreken :

Mi'. L. (i. OiiF.Kvr. in Themis, jg. '1881, p. 329 sqq., alwaar betoogd wnrdt, dat bij belet of ontstentenis van den kantonrechter, die liet vonnis gewezen beeft, dit door den kantonrechter-plaatsvervanger, die de zitting waarneemt, kan worden uitgesproken.

quot;i *. Zie over het maken van concept-vonnissen liet navolgende:

De leden van een rechterlijk college zijn niet verplicht concept-vonnissen te stellen; worden deze door den voorzitter ten zijnen gerieve verlangd, het stellen van die concepten 7,al den voorzitter zelf toevertrouwd blijven : worden de concepten noodig bevonden omdat de. griffier de mondelinge uitspraken niet in behoorlijke redactie teruggeeft, zoo zal het stellen als een gunst bij den griflier verblijven.

R. 1!., jg. 1802, d. XII, biz. G18—027.

/Irt fi3.

I. Hoezeer liet voorschrift van art. fi:i geene saeramenteele woorden bevat en door aequipollente uitdrukkingen zou kunnen worden vervangen, toont echter de in eene expeditie van een vonnis gedane vermelding, dat het is uitgesproken in tegenwoordigheid van den eischer en bij afwezigheid van den gedaagde, niet voldoende aan, en stelt het veelmin buiten allen twijfel, dat het vonnis in het openbaar is uitgesproken; — in dit geval behoort het vonnis te worden vernietigd.

Arr.-R. 's-IIertogenbosch, v. 27 Juli 1841, W. nn. 223.

Ü2.3

ocr page 236

Art. «2). ^24

liet lieiïinsel liij voormeld vonnis iinngenomen. is vrij lievig bestreden in een vertoog, voorkomende in quot;t W. n0. 227, waaromtrent de redactie in zoo verre deelt liet gevoelen van den schrijver, dat de vermelding in de expeditie van een vonnis, dat bet is uitgesproken op de lui'echlzUting, noodwendig tot aan tegenhewijs moet doen veronderstellen. dat die terecbtzitting is geweest ojit'nbaar. Mr. van der Kf.mp ut supra, p. 1^2. (3de druk, door Mr. Gkkf.vk. blz. 369) is van gevoelen, dat, zoo de expeditie van een vonnis niet vermeldt hetgeen in art. 02 B. R. is voorgeschreven. daarom het vonnis zelf niet nietig, maar slechts de uitvoering op die expeditie verboden is. — Cf. artt. 'I/O—'1/2 der tirondv\et\. 1840, arr. v. 2'i .liini 1845. suli nn. 4 en art. .V.i li. K.. arr. v. .) Maart 18.gt;2. sub n». 7.

'è. Bij verschil tussclien de overwegingen in facto en de aanteekeningen van den griflier in de expeditie moeten aan deze laatste, bij gemis vnn schriftelijke conclusiën, de voorkeur gegeven worden.

Arr.-R. Amsterdam, v. 27 Sept. 1881. li. li.. Jg. 1882. A. p. 33. ff. vonnis Air.-li. Uotterdam. v. 30 Jan. 1882. li. li.. ,jg. 1882. A. p. 53.

A li: fifi.

I Een arrest, waarbij een (hjinxtief vonnis, wegens onbevoegdheid van den rechter a quo. is vernietigd, en de eischer in de kosten der heide instantiën is veroordeeld, en waarbij tevens aan partijen is bevolen im principals voort te procedeeren, bevat in zich eene definitieve en geenszins eene praeparatoire rechterlijke uitspraak.

Arr. v. 10 Dec. 18/1-2, W. nquot;. 336; v. d. II.. Ti. R., d. IV. p. 102—127 ; idem, met betrekking tot een vonnis, waarbij de rechter a quo bevoegd wordt verklaard van liet tussclien partijen hangende geschil kennis te nemen, met verwijzing van die zaak ten principale de novo naar den rechter c lt;/lt;/«. bij vonnis van de Arr.-R. Kindhoven, v. 26 Juni '1848, W. n0. 957; — anders (en volgens Lèon onjuist) ten aanzien van een vonnis, waarbij eene exceptie van incompetentie was afgewezen en dat als zoodanig is gekwaliliceerd te zijn ^fneparcitoir en waarop mitsdien art. 336 li. R. van toepassing werd verklaard, bij vonnis van de Arr.-li. Middelburg, v. 1 Oct. 18/,3, I! li., jg. 1844, d. VI. p. 42—45.

'i. Het gedeelte van een vonnis, waarbij is verworpen eene exceptie van niet-ontvankelijkheid, — hierop gegrond, dat de eischers, die eene

ocr page 237

3^5 [Art. fifi.

vordering hadden ingesteld tot betaling van zekere som, welke zij van den verweerder, per saldo eener rekening-courant wegens diverse gedane handelingen, zouden te vorderen hebben, geene bevoegdheid hadden om tot betaling van een saldo van rekening-courant te dagvaarden, alvorens behoorlijk rekening te hebben gedaan en deze door den verweerder was goedgekeurd, — is een definitief vonnis (waaromtrent het hooger beroep, na expiratie van den termijn in art. 339 H li vermeld, niet meer is ontvankelijk).

Air. v. 28 .luni -1844, W. nquot;. 512; R., d. XVIII, § 23; v. n. 11.. B. R., d. V, p. 320—347: idem bij vonnis der Arr.-R. Assen, v. 7 Maart 1842, W. no. 287, waarbij is verworpen de exceptie van niet-ontvankclijktieid, daarop gegrond, dat een schnldeischer liet reclit niet zou hebben tegen den erfgenaam, die noch uitdrukkelijk noch stilzwijgend de nalatenschap aanvaard heeft, in rechten te ageeren; idem bij vonnis van dezelfde Arr.-R. v. 10 l ebr. '184(1. R. Pgt;., Jg. 1848, d. X. p. 404—400, waarbij is afgewezen eene exceptie, dat de eischer. ale niet betaald hebbende de kosten van een, volgens art. 7.) 15. R. tegen hem verleend verstek, onbevoegd zou zijn O)) nieuw te beginnen; idem Maastricht, v. 5 Juni 1851, W. n0. 120/, waarbij is verworpen eene exceptie van nietigheid der dagvaarding; idem daar waar de gedaagden worden veroordeeld tot het doen van rekening en verantwoording en mitsdien hunne rekenplichtiglieid wordt beslist, hetgeen ten opzichte van de al of niet rekenplichtigheid ^ a n de gedaagden moet worden beschouwd als eene eindbeslissing', waai'bij de reserve van kosten niet kan worden gevorderd, bij vonnis van de Air.-R. Amsterdam, v. 30 Mei 1854, W. n0. 1500; idem Amsterdam, v. 24 Maart 1841, liegt ut JS'cderl., d. III, p. 79 en 80. waarbij is beslist, dat eene uitspraak op eene niet-ontvankelijk-verklaringwoorai.vnoj/, door den rechter zeiven opgeworpen, hoewel hij daaraan den vorm heeft gegeven van een praeparatoir vonnis (in. ca*u het gedaan bevel, dat de eischer alsnog' zijn patentblad bij de stukken zon overleggen, terwijl de eisch tot zoo lang onbeslist is gelaten) moet worden beschouwd noch als praeparatoir, noch als interlocutoir, maar als een eindvonnis ; — anders Ktg. Grave, v. 27 Febr. 1843, W. no. 455, naar luid waarvan het vonnis, waarbij eene niet-ontvankelijk-verklaring wordt uitgesproken, zou zijn praeparatoir. Vgl. hiermede een vonnis van de Arr.-R. Amsterdam, v. 20 Jan. 1844, R B., jg. 1844, d. VI. p. 080 en 081, volgens hetwelk een vonnis, waai'bij eene door den gedaagde voorgedragen exceptie wordt \ei\\orpen. niet zou zijn eon eindvonnis, veelmin een vonnis, eene veroordeeling inhoudende, maar slechts een interlocutoir!!! en waarbij het op dien grond voldoende is geacht, dat het alleen aan zijn procureur is beteekend.

S. Ken vonnis, waarbij eene wraking van getuigen wordt geldig verklaard, is, ofschoon gewezen in de instructie, niet gegeven lol in-

Mr. W. van Kossem B/.., Hurt/, liechtsv. ir

ocr page 238

[Art. 66.

structie der zaak. Daarbij wordt definitief beslist een incidenteel geschil over een bewijsmiddel, hetgeen van invloed kan zijn op de zaak ten principale. Al/.oo is dat vonnis, met betrekking tot liet incident, efm eindvonnis, en geenszins praeparatoir, blootelijk tot instructie van de zaak ten principale

Air. v. 2 Dec. 1853, W. nquot;. 1405; R., XLYI, § 55; idem arr. v. 17 Oct. 1856, R.. d. LIV 55 'l'i, ook vermeld sub art. 59 li. R.; idem arr. v. :!() Nov.', 1800, W. n0.quot; 2310; R., dl. l.XVI. § 35; P. Ji. v. Limburg, 22 Mei 1860, W. n0. 2843, vernietigende vonnis Maastricht, v. 4 Nov. -1865 W. n0. 2847; idem ten aanzien van een vonnis, waarbij eene voorgestelde wraking wordt verworpen bij arr. v. 6 Febr. ■18(gt;2, \\. n0. 2352. Anders echter, onder vignenr van de artt. 451 en 452 C, de Pr. Civ. (welke evenwel volgens Lkon niet verschillen van liet Neder-landscb Recht), bij arr. v. 18 Maart 1842, W. nquot;. 305; v. n. 11., T!. R., d, III, p. 222—235, volgens hetwelk de uitspraak op de wraking bij eene enquête zou in zicli sluiten liet kenmerk van een praeparatoir vonnis. In strijd met de conclusie van den toenmaligen adv.-gen. van Maanf.n (v. n. II. 1. c., p. 229—233), die ook toen een zoodanig vonnis als een eindvonnis beschouwde. — Cf. een arr. van het Hof van Metz, v. 8 Deo. 1815 (Dau.oz, XVIII, p. 469).

4. Art. 66 in verband met art. 350 zijn geschonden, wanneer ten verzoeke van eene der partijen, terwijl de andere zich daartegen verzette, is voortgeprocedeerd, terwijl zij het arrest, bevestigende het vonnis op een tusschengeschil gewezen, noch nan de partij, noch aan den procureur had beteekend. Door dat voortprocedeeren toch wordt niet alleen uitvoering gegeven aan liet behoorlijk beteekend vonnis, maar ook aan het confirmatoir arrest, vermits die uitspraak opheft de schorsende kracht van het beroep, en zij eerst executie van het in eersten aanleg gewezen vonnis mogelijk maakt.

Arr. v. 2 April 1880, W. no. 4500; R. d. CXXIV § 30; v. n. Il„ B. R., d. XLV, blz. 131—137, R. B. jg. 1881 A. p. 233; vernietigend het arrest van het Hof te Arnhem, dd. 21 Mei 1879, W. no. 4401, R. B. Jg. 1879, A. p. 229.

ó. Na de ontzegging van eene incidentele vordering, kan niet met eenig rechtsgevolg de sommatie, om ten principale voort te procederen, worden gedaan, voor de beteekening van dat vonnis aan den procureur van partij, en alzoo voor dat de opheffing van het incident geconstateerd is.

Arr.-R. Amsterdam, v. 4 .hm. 1839, R. li., jg. 1842, d, IV. p. 753;

ocr page 239

^27 (Art. 66.

idem 's-Gravenhage, v. 4 Nov. 1842, W. Hq. 355; 11. T!., Jg. 1843. d. V.

p. 48; R., d. XIV § 105; idem Itcfitsf/. Adv., d. TT, p. 142_-140. _

Cf. art. 330 li. I!., air. van iiel 1'. II. van Zeeland, v. 2S Dec. -|lt;S4J.

I». I)e beteekening van een vonnis, waarin de naam van eene der partijen niet is opgenomen, kan niet als voldoende worden beschouwd.

De nietigheid, hierdoor ontstaan, is (daar die beteekening alleen in het belang der partijen is voorgeschreven, en deze daaraan mitsdien zoowel uitdrukkelijk als stilzwijgend door opgevolgde daden kunnen renunHeeren) gedekt door het verschijnen van den procureur hij de enquête en het houden eener contra-enquête, wanneer zelfs die procureur verklaard heeft voor de in het beteekende vonnis genoemde partij alleen te verschijnen en het verbaal der enquête slechts die namen voert.

Arr.-R. 's-IIertogenbosch, v. -17 Jan. 1844, W. n0. 550.

?. Bij art. 06 B. li. wordt geen ander procureur bedoeld dan die welke heeft geocupeerd voor dat rechterlijk collegie, van hetwelk liet te beteekenen arrest of vonnis afkomstig is, zoodat aan het voorschrift van dit art. is voldaan, wanneer een arrest van het Prov. Hof, bevestigende een vonnis der Arr.-Rechtbank , waarbij eene voorgestelde exceptie was verworpen, beteekcnd is aan den procureur, welke in liet hooger beroep gediend heeft, alsmede aan de partij zelve.

Arr.-R. Sneek. v. 24 April 1844, R. B. jg. 1840. d. VIII. p. 094.

8. Volgens art. 46 B. R. worden alléén voor interlocutoir gehouden vonnissen, waarbij de rechter, alvorens recht te doen, een bewijs, een onderzoek of eene instructie beveelt, waarvan de beslissing der zaak zelve kan afhankelijk zijn, — geenszins, wanneer de rechter een door eene der partijen gevraagd bewijs, onderzoek of instructie afwijst, in welk geval van afwijzing de uitspraak des rechters moet geacht worden te zijn een eindvonnis op de incidenteele vordering of het tusschengeschil.

P. II. in Gelderland, v. 8 Mei 1844. W. nquot;. 750; R, li. jg. 1840, d. VIII, p. 077—081 en ƒ{«/lt; [u A'erfeW., d. IV, p. 187—191 ; idem bij air. v. 't P. II. in Friesland, v. 25 Juli 1844, W. nquot;. 518; Rujl In Xci/cr/.. d. IV, p. 185—187. — Cf. art. 40 I!. R., arr. v. t P. II. v. N.-IIolland, v. 3 Febr. 1848 en 8. M. op art. 00 nquot;. 23; zie ook arr. v. 15 Jan. -1875. en Hof N.-llolland 18 Juni 1874 sqq., sub art. 40 li. R. ; vgl. ook lief ■sub art. 337 13. R. vermeld arrest Hof Groningen, v. 20 Jan. 1875.

De beteekening van een interlocutoir vonnis (waarbij i// casu de

ocr page 240

Art. )

overleo-fins van een koopmansboek wordt gelast) wordt met bij bet

W. v. R 11. gevorderd, indien er (even als bij bet kantongerecht)

o-een procureur in de zaak is.

\it T! Nlirnen-en, v. 0 Juni -WS. W. n0. ^gt;9; li., d. XXIX. §91, idem Kt. Sn Rottcrdmu, v. 24 -1875, W. n». :V..17 waarl,, .s

lieslist dat het voorschrift van art. Gfi niet behoeft te worden ,n a genomen bij do behandeling van zaken voor het kantongerecht.

Vquot;l. navolgende beslissing ;

Het vonnis van den kantonrechter boudende benoeming van deskundigen, behoeft niet aan de tegenpartij beteekend te worden, noch behoeft deze opgeroepen te worden, om bij de eedsaflegging of bij lt; e werkzaamheden tegenwoordig te zijn.

Ktquot;. Schoonhoven. 0 April 1878. W. n». 42^: ^

.tralie van nietigheid, indien niet is gebleken, dat part.| H de van zoodanig vonnis voor het kantongerecht is tegenwoordig gew. est o hekend gemaakt met den tijd waaro,, de overlegging van -quot;j „hats hebhen - hij vonnis van de Arr.-R. s-Hertogenhos h. . - Jnh no. 1374. - Vgl. hiermede Mr. V. li. ItoN.SG. ad it n-eval de heteekenins moot geschieden aan de paitij. gc j* de 'paritas ration is en in art. 100 hij een getuigenverhoor mt-i. lievolen. Indien echter partij verstek heeft laten Liaan, w' i heteekening niet vereischt, behalve in de gevallen, waarin die. quot;•■I. 210. al. 2. nitdrnkkeliik is voorgeschreven. — • I. .nt.

m uit

wien volü't

z. i. eeni gelijk in

Tl. vonnis van den Arr.-R. Amsterdam, v. 20 .Tan. IWO.

to De beteekening van een vonnis is voorgeschreven om tot de uitvoering daarvan te geraken, of om daartegen den termijn van appel of van eene andere voorziening te doen loopen of voor die vonnissen, welke op den grond der zaak betrekking hebben en waaruit eemg nadeel voor eene der partijen kan ontstaan, en wordt niet gevorderd, indien (gelijk h, easu) de voogd in eene in zijne boedanighetd onder-nomene rechtsvordering niet ontvankelijk is verklaard.

Arr.-R. .Maastricht, v. 20 Febr. 1845, W. n». 023; idem l^ij vonnis derz Arr.-R. v. 13 .Tan. 1848. R. I!.. jg. 1849, d. XT. [gt;. 419 421, \vaarhi| „i, na-enueg dezelfde gronden is beslist, dat een vonnis of beschikking,

' n-bii het verzoek tot personeele comparitie van partijen was afgewezen, niet behoeft te worden beteekend; idem, alwaar het gold een vomns, waarbij de kantonrechter zich had verklaard incompetent en daarna dezelfde vordering door denzelfdeu eischer voor de Arr.-R was ingesteld, hij urr. van 't P. II. v. Z.-Holland, v. 23 lain 'f10- VV- quot; ; G' ' ; d. XXVIT. § bevestigende een vonnis van de Arr.-K. liotteiaam, \.

228

ocr page 241

{Art. 66

2 Doc. 1844, \V. iiquot;. 309. zijnde, als een uitvloeisel van liet beginsel, bij voormelde beslissingen gehuldigd, tevens aangenomen, dat bij liet instellen eenei1 nieuwe actie te dier /.elfder zake de wederpartij, bij gebreke van die beteekening, zich niet op de exceptie van litispendentie kan beroepen ; idem ten betooge, dat de beteekening van een vonnis geen ander doel heeft dan om het met zekerheid aan de veroordeelde partij te doen kennen, ten einde deze het vrijwillig kunne, uitvoeren, en als noodzakelijk gevolg om de partij, welke het vonnis heeft doen beteejcenen. te machtigen. om hetzelfde door rechtsmiddelen te kunnen ten uitvoer leggen, bij vonnis van do Arr.-U. 's-IIertogenhosch, v. 15 Mei 1844. — Vgl. hiermede op gelijke rechtsgronden ten betooge, dat de beteekening van het vonnis vreemd is aan het appel en men ook zonder voorafgaande beteekening van een vonnis kan appelleeren — art, 343 1!. R. vonnis van de Air.-It. s-llertogenboscli van 13 Mei 1844 sqq. — Zie ook art, lid IS. 1!.. vonnis van de Arr.-K. Maastricht, v. 13 Jan. 1848, sub nquot;. 1'2.

I I. Aan de wederpartij kunnen niet in rekening worden gebracht de kosten van het beteekenen van het eindvonnis ter gekozen domicilie bij haren procureur, wanneer reeds zoodanige beteekening aan de veroordeelde wederpartij in persoon of aan hare werkelijke woonplaats is gedaan.

1'. 11. v. Zeeland, v. -2igt; Mei 1846. 11. 1!.. jg. 1847, d. IX. p. (544 en 645 (•)).

1,3. Naar aanleiding van art. 05 B. R. hetwelk in een onmiddellijk verband staat niet art. 00 van dat Wetb., kunnen alleen de vonnissen, die wederkeerige verplichtingen aan beide partijen opleggen, en uit welke rechten en verplichtingen ten behoeve of ten laste van beide partijen voortvloeien, door elke partij in haar belang ten uitvoer gelegd worden, en zijn vonnissen, die slechts aan éene der partijen verplichtingen opleggen, en waaruit ten voordeele der andere partij slechts rechten voortvloeien, alleen tegen de eerste der zoo even genoemde partijen, ten einde liaar tot het nakomen barer verplichtingen te noodzaken, uitvoerbaar, en dienen zij bij gevolg aan deze alléén beteekend te worden, terwijl wijders ten opzichte van die beteekening, ten einde tot de uitvoering van het vonnis over te gaan, geene der partijen er

1

Ik racen dat die beslissing geheel in strijd is met art. 66 B. R , omdat dit art. vordert de beteekening, in de eerste plaats aan den procureur, en dit wel op strafte van nietigheid en bovendien, indien het geldt vonnissen bij voorraad en de eindvonnissen die veroordeelingen inhouden, aan den persoon of aan de werkelijke woonplaats van de partij (Ll:»»;.

ocr page 242

Art.

belang bij heeft, dat het vonnis wordt beteekend aan de partij, aan welke daarbij rechten zijn toegekend en geene verplichtingen opgelegd, daar dergelijke beteekeningen geheel en al doelloos zijn en niet anders dan nuttelooze kosten kunnen veroorzaken.

Arr.-R. Maastricht, v. 13 Jan. 1848, Tl. IJ., jg. 1849, d. XT. p. 419—421. — Cf. art. GO B. R.. vonnis v. deze Arr.-R. v. 20 Febr. 1845 sqq.

I :i. Een vonnis, waarbij een verzoek tot het stellen der cauiio ju-(licaium solvi wordt afgewezen, moet, als zijnde niet praeparatoir, alvorens verder te kunnen procedeeren, en met het oog op de artt. 65 en fifi B. R. aan den procureur van partij worden beteekend.

Arr.-R. Maastricht, v. 4 Maart 1852, W. n». 1333. — Cf. in gelijken zin art. 337 B. R., arr. van liet P. H. v. Friesland, v. 13 April 1842. In strijd met Penning ut supra, ad art.

Zie navolgende beslissing:

De vreemdeling, aan wien bij vonnis het stellen der cautiojudicatum, solvi is opgelegd, behoeft dit vonnis volgens artt, 65 en 66 B. 11. niet te beteekenen en evenmin de beteekening af te wachten alvorens daaraan uitvoering te geven.

Arr.-R. Maastricht, 29 Maart 1855, W. nquot;. 1698.

14-. Volgens het onder de algemeene bepalingen voorkomende voorschrift van art. 66 15. R., moet ook de ten uitvoerlegging van een arrest van den H R. worden voorafgegaan door de beteekening van dat arrest.

P. II. v. Gelderland, v. 17 Maart 1852, W. 11«. 1335 en 1342: R. IJ., jg. 1852, p. 570—574.

I «V Wanneer eenmaal procureur is gesteld en deze ten dienende dage is verschenen, moet het vonnis, ook bij latere niet-verschijning van den gestelden procureur, niet slechts contradictorio judicio geacht worden te zijn gewezen, maar tevens behoort ook ten aanzien van dien procureur het voorschrift van dit art. te worden opgevolgd.

Wanneer door den gedaagde is verzuimd aldus aan deze bepaling te voldoen, moet de executie van het vonnis op de vordemig van den eisclier worden vernietigd.

Arr.-R. Nijmegen, 28 Jan. 1857, W. nquot;. 185(3.

230

ocr page 243

23! {Art. 66.

Itt, De beteekeiiing van liet interlocutoir vonnis tot getuigenverhoor, de lijst van getuigen en liet bevelschrift van den llechter-Coni-missaris behoeft niet te geschieden aan den gedaagde, tegen wien verstek is verleend.

Air.-R. Nijmegen, v. 2'f Juni 1857, VV. ii0. I8K0.

lï. En uit dit art. on uit art, 133 ^ 3 B. 11. blijkt, dat de be-teekening van een eindvonnis moet worden beschouwd als eene acte,

behoorende tot de procedure, in welke dat vonnis is gewezen.

P. IJ.v. Overijssel, v. 16 Jan. 1860, W. n0. 2144, vernietigende Arr.-R.

Zwolle, v. 15 Sept. 1859.

I S. Een vonnis, waarbij de kantonrechter eene exceptie van incompetentie afwijst, met bevel om ten principale voort te procedeeren,

behoeft niet alvorens daartoe over te gaan aan den excipiënt te worden beteekend ; eene sommatie om voort, te procedeeren is voldoende om het geding te kunnen voortzetten.

Arr.-R. Amsterdam, v. 14 Jan. I8(i2. R. II., jg. 18(12, d. XII, blz.

468—471.

1». Het moet als eene daadwerkelijke tenuitvoerlegging van het vonnis beschouwd worden, wanneer men dit inroept, ten einde tegen de tegen vordering in compensatie te brengen de som, waartoe de tegenpartij bij dat vonnis tegenover ons is veroordeeld. Mitsdien kan dit middel van compensatie niet opgaan, alvorens het vonnis, op de de wijze als hier is voorgeschreven, is beteekend.

Arr.-R. 's-Hertogenbosch, v. 6 Mei 1864, W. n0. 2596.

8 O Het vonnis, waarbij een eed is opgelegd, moet ook aan den procureur worden beteekend; het verzuim daarvan heeft tengevolge dat de eed op den bepaalden dag niet kan worden afgelegd, maar dat daartoe een nadere dag kan bepaald worden.

Arr.-R. Amsterdam, v. 18 Maart 1879, R. li. jg. 1879, A. p, 150. — Cf.

art. 50 B. R., air. v. 29 Oct. 1852.

isi ifGquot;--

8 JI. Het voorschrift dat geen vonnis geëxecuteerd mag worden ^ oz fhg zonder voorafgaande beteekening ziet alleen op de ten uitvoerlegging

2/ cJoyrl-.

O

r. v.j. uptw, ■kquot; /2-P.

ocr page 244

Arl. 66). :i3'2

van wege de triomplieerende ])artij, en niet op de voldoenijig aan het vonnis door de verliezende partij.

Ait.-U. 's-Hertogenboscli, v. 18 Jau. 1884. W. i)u. 4993, ook vernield sub art. 342 li. Tl.

'i. Zie ten betooge:

a. Dat ook het bestuur der registratie, rechtstreeks verhalende de in debet gestelde rechten op de succumbeerende partij, gehouden is zich, ook omtrent de beteekening van het gewezen vonnis, te gedragen naar de verpiichtingen omtrent de waardeering van kosten bij de wet opgelegd en naar de voorschriften omtrent de vereischten ter executie van conderanatiën —

art. 809 li. 1!.. arr. v. 18 Maart '1842.

fj. Dat een vonnis, waarbij de beslissing der zaak in den een of anderen zin is afhankelijk gemaakt van eene eedspraestatie, te beschou-is niet als eene interlocutoire, maar als eene definitive beslissing — art. 40 B. R., arr. v. 20 Juni 1840 sqq., sub u0. 4.

c. Dat er eene oproeping om bij het afleggen van den eed tegenwoordig te zijn, aan de bi j procureur gekozene woonplaats moet worden beteekend —

art. .quot;)() II. I!.. arr. v. 29 Oct. 1852.

d. Dat het gewijsde, waarbij het getuigenverhoor wordt bevolen, niet

andermaal moet worden beteekend door de partij, die van haar recht

van tegenbewijs gebruik wil maken. —

art. 208 R. 1!.. arr. v. 'i 1', 11. v, X.-Brabant, v. 10 Dcc. 1845. - Zie ook art. 100 B. R.. vonnis van de Arr.-R. Amsterdam, v. 29 Jan. 1840.

e. Dat de bloote kennis van het vonnis, geboren uit de verplichting van den procureur, om bij de uitspraak tegenwoordig te zijn, niet voor de beteekening aan den procureur kan in de plaats treden, uit hoofde, ingevolge art. 80 van 't Reglement van orde en discipline voor de advocaten en procureurs (Kon. Besl, v. 14 Sept. 18-38, Sthl. ii0. 36). de procureurs, hetzij in persoon, hetzij door eenen anderen procureur vertegenwoordigd, aanwezig moeten zijn bij alle terechtzittingen, waarop hunne zaken worden uitgeroepen ca dus noodwendig ook bij de uit-

ocr page 245

(Art. fifi.

spraak der vonnissen, terwijl bij eene tegenovergestelde bewering niet één enkel vonnis, in burgerlijke zaken gewezen, uitgezonderd die van

•?- den kantonreobter, aan den procureur der verliezende partij zouden

behoeven beteekend te worden —

Heytsy. Adv.. d. II. jj. 142—'146.

lt;S3. Bij de onzekerheid en den strijd der meeningen wat al dan niet voor een eindvonnis moet worden gehouden, waaromtrent de jurisprudentie tot dusverre niet veel zekerheid schijnt aan te bieden, meent S. M. (ten deze nagenoeg overeenstemmende met 15i;riuat-St.-L'iiix, t. I. p. 147, Brux, 1833), in de Opm. en Med. d. Vlf, p. 85 — 87, dat eindvonnissen alleen zijn die, welke het geding, bij de primitieve dagvaarding aangebracht, ten eenenmale beëindigen, hetzij zulks geschiedt door een vonnis op eene exceptie van nulliteit, van incompetentie, connexiteit, litispendentie of welk ander exceptief middel meer, hetzij door eene beslissing op den eisch ten principale, doch dat in den zin en geest van art, 66 B R, daaronder niet gebracht kunnen worden vonnissen, beslissingen inhoudende op tusschengeschillen, die het karakter of van een praeparatoir, of van een interlocutoir vonnis hebben, om het even of bij die vonnissen eene incidenteele vordering toe- of afgewezen wordt. Schr. meent echter, lo. dat bij de ten deze bestaande onzekerheid daarom niet ieder zoo gereedelijk zal onderschrijven, wat de Pintü. Hdl. B. li. 11, p. 149, 2de ed. p. 159 aanmerkt, wanneer deze zegt: '/dat de beteekening niet noodig is van vonnissen, waarbij alleen recht wordt gedaan op eene exceptie, noch ook van die waarbij eene vordering wordt afgewezenquot;; en 2o. dat, wanneer bij die vonnissen eene veroordeeling in de kosten is uitgesproken en door de triumpheerende partij, tot verkrijging dier kosten, het vonnis wordt ten uitvoer gelegd, alsdan de beteekening ook aan de partij zelve noodzakelijk is, niet omdat door eene veroordeeling in de kosten een vonnis van aard kan veranderen, of, gelijk de Pinto, Hdl. d. II, p. 14!l, zegt: //in zooverre een eindvonnis hetwelk eene veroordeelinar inhoudt,quot; zoude zijn, maar omdat er geene executie tegen de partij zelve denkbaar is zonder beteekening van den executorialen titel.

' f. hot auuget. up art. 40 li. U.. a it. v. I(i Dec. ISW -hiIi n-1. I.

JL

ocr page 246

Art. fifi). 234

'l-ft. Zie het opstel van Mr. H. Vkri.oben: '/over het ontwerp van wet tot vereenvoudiging in het beleid der justitie enz. in W. 11°. 1721. De schrijver verlangt, dat de beteekening der vonnissen wordt beperkt tot de eind-vonnissen en tot die, gevallen op een provisioneelen eiscli, en dat zij bloot aan de tegenpartij zelve geschiedt, met af-scbaffing der beteekening bovendien aan haren procureur. Alleenlijk kon de beteekening van voorafgaande vonnissen, waarbij een eed of het hooren van vraagpunten is bevolen, behouden blijven, ten minste voor de rechtbanken, daar de partij zelve meer rechtstreeks daarin betrokken is aan wie de beteekening dan ook in persoon behoort te geschieden.

1 ^ ' .4//. 68. ^ ^ ^ ftiTyé, (f. rt-quot;

rSe. ' -t 7 quot; '

1. Wanneer de eischer noch aan den gedaagde last heeft gegeven

om liet aan hem verschuldigde aan een derde te voldoen, noch aan dien derde heeft opgedragen dit verschuldigde voor hem te ontvangen, dan kan eene betaling daarvan door den gedaagde aan den derde, — welke ook later niet door den eischer is goekgekevird noch hem werkelijk heeft gebaat, — niet als verdediging van den gedaagde tegen de vordering des eischers worden aangevoerd.

Zoodanige betaling kan, cn naar algemeene rechtsbeginselen cn naar de bepaling van art. 131J6 B. W., dien derde wel verplichten om het niet verschuldigde aan den ged. terug te geven, maar geenszins om in een geding tusschen den eischer en den gedaagde tusschen beide te komen en den laatste te vrijwaren tegen de vordering van den eerste.

Air. v. 20 Nov. 1852, W. n0. 1387; R.. d. XLI1I, § 40 (-1); idem hij vonnis der Arr.-R, Tiol. v. 25 Febr. 1846. W. ti0. 720; R. B., jg.1852, p. 31—35.

'i. Het recht tot oproeping in vrijwaring en interventie behoort ook aan de eischende partij.

ocr page 247

frzrzf~y^~lt;2. -Zsl^LO £ -e-«-£_A^-f_-

rwycrdr. r t^~ e^--

c9^£ ^ ^ 2.35 *— ^yCr'tït'^

' ~ iCJ- ' -o-ty^e-v^ *T-*sfV}a-^£.~AJ£/^-. /?amp;. ■ ^ ^A

^ Ait. v. 2 Jnn. 1863, W. no, 2447; R., d. r.XXIIT, blz. 8, v. d. Hon. B. It..

oo a^./fcé' ^ 2^ 1)|z .183 en v. 24 Mei 1872 (bevestigende arr.P. II. v. Gelderland, v. 13 7,

(if ■kf'S'dquot;*-- Sept. 1871, W. n0. 3457, R. B.,jg. 1871, p. 712); W. n0. 3469, R. B. jg. 1872

blz. 437; Ari'.-R. Rotterdam, v. 19 Jan. 1881, R. R., jg. 1881, A. p. 172 ; ^gt;.

zie de noot t. a. p. pag. 175 sqq.; idem Arr.-R. 's-Hertogenbosch, v. 22 n V •

Jan. 1842, W. ii'gt;. 365^ R. R., jg. 1846, p. 803, en v. 17 Oct. 1843, W.

n0. 480 (zijnde bij eerstgemeld vonnis tevens beslist, gelijk zulks ook wordt UPoi r

geleerd door Mr. A. 0., in de Oirrn. en Med., d. I, p. 122, dat de oor- , „ , „

, . . , ' Kn ] UPffS ^ IPS'

spronkehjk eiscber in dit geval, bij analogie van art. 68 B. R., den eisch J

tot vrijwaring zal moeten instellen of tot deze oproeping verzoek moeten doen, vóór het antwoord op de middelen van de oorspronkelijke gedaag-den, die tot deze oproeping aanleiding geven); idem Arr.-R. te Assen, , v. 2 Febr. 1846, W. ii0. 897 ; R. B., jg. 1847, d. IX, p. 280 sqq. ; idem Jyi/f f-lt;Plt;Ji{ Arr.-R. Maastricht, v. 18 Jan. 1849, aangehaald in het arr. van 't P. II. „ , C van Limburg, v. 11 April 1853, W. nquot;. 1437; idem Arr.-R. Breda, (i ^ 0/f ■ April 1858, W. no. 1989; Ktg. Appingadam, v. 4 Nov. 1854, W. nquot;. 1625;

idem Arr.-R. Utrecht (sine die), R. B. jg. 1862, blz. 347 ; Arr.-R. Rotterdam, v. 15 Maart 1869, W. nquot;. 3459; Arr.-R. Nijmegen, v. 14 Oct. 1870,

W. no. 3492; P. H. v. Gelderland, 11 Poe. 1861, W. nquot;. 2336, R. B.

jg. 1862, blz. 296 en van 13 Sept. 1871, W. n0. 3457, R. B. jg. 1871,

p. 712; P. H. v. Overijssel, v. 30 Jan. 1871 bij Mr. IIeht/.vemi ut supra blz. 95 ; Arr.-R. Arnhem, v. 20 Juni 1861, W. u0. 2292 ; Arr.-R. Amsterdam,

v. 24 Nov. 1874, W. n0. 3811 ; idem Ktg. Winschoten, v. 10 Nov. 1854,

W. n0. 1599; cf. P. H. v. Utrecht, v. 10 Nov. 1856 R. B., jg. 1857, p.

30, W. n0. 1825, waarbij is beslist dat, wanneer tengevolge eener exeep-tieve verdediging de oorspronkelijk eischer in do stelling van verweerder wordt verplaatst, hij het recht heeft in vrijwaring op te roepen : in den zelfden zin, Ktg. Bruten, v, 27 Jan. 1871, W. no. 3312; vgl. ook bet bij gemeld arr. P. 11. v. Utrecht, vernietigd vonnis, Arr.-R. Utrecht, v. 23 Mei 1856, W. no. 1762, R. B., jg. 1856, d. VI, p. 374 sqq.; idem Arr.-R.

Utrecht, v. 7 April 1869, R. 1!. jg, 1870, p. 88; idem de Pinto. //'//.

/gt;. R., d. II, 1, p. 97 en Oudeman ut supra, 4de ed., d I, p. 99; idem Carré, ad art. 175, noot 2; ScHttiXER op art. 68; de Wttt Hamer,

Handb. voor d. kantonr., blz. 273.

Anders door Mr. v. d. Kemp, Ontw. ut supra, p. 140; (zie echter do door Mr. Greeve bezorgde derde uitgave, p. 283 sq ), de Redactie van 't R. B., d. VIII, jg. 1846, p. 803 en door Mr. N. Om vier. Themis, d. quot;Vil.

p. 359 in de noot. Laatstgemelde althans vereenigt zich niet onbepaald met het gevoelen van de Pinto II., die meent dat aan het woord t'cr-weerder zoo sterk niet moet geacht worden, en men dus handelen mag als of er stond : zoo verweerder ah eischer. De heer Olivier betwijfelt,

of zulk eene soort van extensieve interpretatie, waarbij men aan hot woord niet alleen zijn eigene, maar ook do lijnrecht daartegen overstaande beteekenis geeft, geoorloofd is. — Anders ook Arr.-R. Nijmegen, v. 15 Pee. 1857, W. n0. 1928, Arr.-R. Gorinchem, v. 31 Oct. 1846 R. 1!. jg.

1846, d. VIII, blz. 801—803 en 22 Nov. 1859, W. no, 2135; Arr.-R.

Zwolle, v. 21 Juni 1865, W. no. 2834 ; en v. 9 Febr. 1870, W. n0. 3253,

R. B., jg. 1871, blz. 58; Arr.-R. Amsterdam, v. 28 Juni 1865, W.

ocr page 248

^

^T a ^ ^ . ,- ^P/~ U^-tr*^-*-: ^

. ■j/ttrC^*' uset*-^ jf Tirc^ £~ \ O - amp; ■ ■)•)£• ^

Art. fiS). :i•5(,

isüü, |i. -M. waarbij olt;jk lieslist wcrtl, iluLili'i'öi:!'^'quot;

i ~£ -b «ra

-r^rtr r.^vT-

Amsterdam, v. IS Oct. 1»/1, V\. n . (1 yil.

een vonnis van de Arr.-R. Amsterdam, v. i-t Dec. gt; • N- v

r is''8 W'no d^i^IrekUeUjU arrest van den

I' r;^ L- ^nV^ im B. W. - 1« die zaak had de

lietwelk h.t «nden«ip quot;~l,t

tr-Ll xS XrX Z{ r.;

niet aan de eischende partij behoort, ,(,N,.STKA i,,

Vul. in het algemeen over dit onderwerp /. ; , . . ,' ' l t lot v R-i,. ,1 \l hl/ 748—760, die aan den eischei altijü liet iL,uit

iJ5amp; i SUw «-• 8eJquot;quot;s quot;

verdedigt hij exceptie, het/.ij ten principale

jrr rrr

,,„ bevoegdheid wordt toegekend. ^ waur den

^.........

n eventueleu voor hem nadecligen uitlag ... ,i. -r... vovww.iiler. in de gelegenhe

i min kosttiarc wij/.

' . niet, even/eer als cien \u«cc.uu.,

faf-cU* ** ilet/.elfde regtsgeding op eenvoudig

fc.tyr- gelden.quot;'

f— j—pJT-^y7'^'C£'^^

s D. verplichting M vrij.-.,i»S t» I»»*. ««»1 «P * quot;* op eene overeenkomst.

tZZ*...... -■........... w :MS-quot;quot; ^1quot;s *

.plt;.-...'•' .

^ ,/ ^-V.A. navolgende beslissingen;

trt**quot; Om tot vrijwaring gehouden te zijn, moet c o in vrij\\aiui0 i

'S0*' ' te roepen persoon, hetzij uit kracht der wet, hetzij uit hoofde een.

(Overeenkomst, ve^lieh. ^ .len either tot vrijwarrng e ve» .ge,, a, te-en eene rechtsvordering, ui' wel om hem schadeloos te stelle

F '% . l^aT - -/

'VXA^yS'C*siAs^ op

csCa^ O^-

van het proces, liem

quot;ens (ii'ii nvciiuuoii,.. ..i.i, ,;,i i,. -ap en

niet, even/eer als den verweerder, m de gele^

ocr page 249

//U. ^

V

A/h'

/*-

//'

- -gt;/ O

^ 'pO/fcflfy. vc— .' ' ' ■• '

0^

(tdW

^en water.staat) met het daarstellen van een kanaal belast en die ,, g-s-yy

. als zoodanig op eia:en ffezaa: en zonder eenitje waarschuwing te doen, /'

Tm , o o ^ o 0 , _

^ ^ goederen zich op een bepaald terrein bevindende, heeft doen vervoeren

en daardoor schade heeft berokkend, geene termen zijn tot het in vrij-^

0^7 waring roepen van den verkooper van dat terrein, die het had afgestaan ^^

^ cn ter beschikking gesteld van het Rijk, —vermits de gedaagde in zijne ^ quot;^2*-

^ betrekking als hoven niet vermocht zich op eigen gezag in het bezit daarvan mn..

gens eene veroordeeling in rechten en de gevolgen daarvan te nemen voor zijne rekening.

f J cy

Hieruit volgt, dat er voor een gedaagde {in cam hoofd-ingenieur ^

t:. a,

237

• A^r-ere n -iZ-2s r*

l/eJ^,. '

C^CL ^r—

■^CfJU-

7 -? ■-

(ZOsi o, p^ n/*'lt;£y t ''~r^f^-~~^' t*

amp;^c—4 ^ ^ -l^a__(X.

n . te stellen, zoolang aldaar zaken aanwezig waren, toebehoorende aan eenen

aXfu)-., o-tf

V

cru' fc~-Jvf. QO^t-O^

v. Overijssel, v. 18 Munrl 'ISCVI

KR rzvKi.n nt snjtra

quot;7

At /■ lt;%lt;^9 ^ door arr. 1'. II. v. Limburg, v. 1(1 April 18Ö0, W. n0. 2219; idem .... ... 0________

arr. Hof Z.-Holland, lievestigde vonnis dor Arr-Ti. Rotterdam, van 17 ,Wvamp;. l ebr. 1864, R. IJ. jg. 1805, p. 409 sqq.; idem Arr.-R. Amsterdam, v. KI

/ujet-Ci. Dec. 1874. R. IJ. jg. 1880, R.. p. 189, waarbij werd lieslist, dat de vorde- ^

- i/iu~ ring in vrijwaring alleen dan toelaatbaar is, wanneer de waarborg regel- ,/?/r.rS°rJ.-y flu* peit»*4*arec^ aangesproken, tot gelijke schadevergoeding, casu quo, zou gehou-~ n den zijn, als hij die hem in vrijwaring riep. Cf. vonnis derzelfde Rb. v. 14 ' '

April 1882. R. B. jg. 1882 A., 'p- 29; idem arr. P. II. v. N.-llolland, v. rf ■

^ •'au. 1858, R. IJ. jg. 1858. p. 409—420. waarbij is beslist, dat van liet /amp;. /S/.-re-tamp;t

' . verschil van object tusschen de overeenkomst in bet oorspronkelijk geding ^ uVoé

^ ^ 'en die in bet geding in vrijwaring, verschil van weren en defensicai betgevolg */ ■

^ ' kan zijn en op dien grond de eiscber tot vrijwaring moet worden niet-ontvan- /*Y'

1 ,__ 0-0 kelijk verklaard. \gl. Arr.-R. I treebt. v. 27 Jan. 1804 R. B.jg. 1800, p. 187, ét*/:

/} fe'-rlt; /y*? waarbij is beslist dat er tusschen bet onderwerp der vrijwaring en dat i^/ UTri'l^J- ''er hoofd vordering zoodanig verband moet bestaan dat de eerste verbintenis „

op de beoordeeling der laatste geacht moet worden van invloed te kunnen zijn. Idem arr. 1'. H. v. N.-IJrabant, v. 2 Nov. 1875, R. B. jg. 1877, A.,p. .quot;gt;(1; lt;

idem Arr.-R. Amsterdam, v. 30 Nov. 1875, R. IJ. jg. 1870, A., p. 5, W. , o *7/)/a iiquot;. 3948, M. v. II,. XVII. blz. 201. Zie ook Arr.-R. Leiden, v. 24 Juli /ö '

ïfif/h^ derde, maar den bij de wet voorgeschreven weg had moeten inslaan,

. . .. ,

ten einde dat terrein te doen ruimen, bij gebreke waarvan hij voor

zijne daad van eigen richting persoonlijk aansprakelijk is. quot;quot;V

■ c/os,;:- f

-dl*' 2/2^^ vm lt; ''/ƒ ....

Arr.-R. IMnastriclit. v. 17 .lan. 1851). \V. n0. i liS, bevestiü'endo oen

\}JI. arr. i'. ii.v. /..-Holland, v. (15) 5 Oct. Wvi, \V. »quot;.'2033, I!. IJ. ^

isntJe*~ waarbij is lieslist dat aan de oproeping tot vrijwaring ten grond- ' -. fv*--

pavfat'fci- s'aquot; moet liggen liet lielang en de bevoegdheid van den gedaagde in t**

sa vrijwaring om zelf de rechtmatijïlieid der oorspronkelijke vord /betwisten; idem Arr.-R. Maas

___ lt;24

v. 3 Nov. 1859, W. n0. til 79, bev.

ij gemold ^ ' -*%—

vnn den kantonrechter aldaar, v. 7 Aug. *1840, W'. ut supi'a. Zie gt;^rsr9„4-

ook air. •/ 1)1/. 05.

cAJ- \ ui, arr. P. 11. v. /

ii Ü: u

^ y

'r

i \

/Azr-rrV

ya~^-o

ocr page 250

^ A G^juyXuL^j^ chj~*swrxy03 : Ifae^rj^, /Zc^cS) y Z'^Jry, /y^ '

G~LJC^U~*-lt;x*(xfZ' V

■•^a-lt;7n gg .,. ^camp;a^L.

«n Cn-

l/Z^C^^ïxyt^sCA crpvtr^Tamp;syt* / c-^-^TXV- -4^2-^_

■^-, i^. ■ _ . 2VQ_X

S^~ (far^JL. -y ^XXciJ- . ij 1*, (LC W

/i- ajt^-, ^2. ySrquot;. i-elt;-yl ( =tc,

cV . . .'.y £-ex-4 lt;a_—9 cj^ueU. -ffec/e « ■--, •it^- •'*- t^fc-oj*.

' '-f^ ^ A_ 'i

^ e^ótU, amp;£, / rA ^

• a£lt;—» /~A-ii—//^.

GOw ^Pr~7 s Qquot; C - .

U-c

-W-chJ^e. ALrtt-^amp;aJ-eJL^L-c^ : /ZJLo.

W'

ttM/u^ ■ aja-—

ocr page 251

v*

6'

/wt

^£0 cXt_»

—y-

CL^c^x tr-CSt, __

ZAr^-

L*~*J, £K~jr CAJ, C\^Jgt;.

7

i-e^/r-c—lt; /1- ^

/

lt;_xrtr^Nj2^v'

cKl~*~^ £r «^quot;^vxcX (J^ ( H ( C^~. ^ 0

Xjru^d 1ro~

(pruje^-; '^-—^ '-j- ' v-^-/ ■ • - ^

-i T K

8j^

~%

*4-^ ti^7.

^A—*• t 2*^

d-

?, A..

(9/OM

/0- ' t/^r,

^-y*^ ^Orsy^J- -

——— eSVL-4-amp;\-r K • V ■ -l/~trx* ,

C*amp;~^-amp;'C- **-G-K^ai . / e£f*-*amp;y\s-aC v*^-' y ?-A—^C-^-

^u. ^

^ ^gt;2-6ö=Kre_»-~ : /-r^zr^- lt;T - _

/^•e^ /r-C cy^vv^yi^y U*J «■ 1

r-^? /_'. lt;-*-■*• £/*^-Y C'^iC CpyZamp;e^jL

^ 0^- crazyn. 11M- zcty/ , gt;-~J~ J-yi^-A, -vfuul^A

r-^^j ^OT^O-Tquot; èhcja_»

—;^ ^-CX^CJLJ—^ tr*-n, 6.-4

ocr page 252

V • . -

^-- , CLJ-J OfJLamp;t^X. f X/Y^ryj,

c^JLjUt^Si^-cj^ l rrjn GLt-^-^-i ctjLrz^~t*—. ^zt_JLlt;^r-o^t_^' Z-oJi^ ^ c-c-c^-va-C-*^

V*~-*-' /-isG- ^f Q.lt;.^ J ISK^ Q^-~ £J-G~lt;£-A-* aL. f 2«j2«-- e/^-oyi-^

w.

flXj——^6gt; o~j^ , lt;:^ ^ ° rfv/f.

a^QTL^f '. tl C^pSU^. 7ylt;~*JL*-* c^rx^^~ 6~L^.

cpOs-A^- CCASlr-tLeamp;'c/. erf? c/jL^. I^AJ- ^CJZ-CX^C^ amp;-»£.. ^j«9-c^o ^ amp;JLXo e^/KJLJ^\. -ck r, f(?n ^ x )

O Cf— cy^^oC . ^ST^* CAJL^ cr^fS£4-C^p O^

É-trufaC

sA^ us. tJ-zsriV amp;pjèr2^c, I^Ccl J— Ar^ 't*~£camp;~d-t. XS'.S-. ^lxA /rMjL^/

Ótt o^ju^^ytst^L s^eJL tjuenste-^ cA. £ TSZTTTSISXA^O^/:

'/ft. rfamp;fcrr$amp;syisu UP C//H4- * /tf otP, tS~. fa 0 tPtf?^.

ocr page 253

' quot; Zst-tf /-X *n ^ '—D—y 1 ?c: ' ' ■ ^1'- r/Cu ^ O

/

lt;$ZL--£- cJ-t-' (yt_s ct. A -(~-ry ej! i-v t-m- 6jt-É^~- i rrn-a* rr^t-^C_

Ojxfz^^— -ooj.— ^ ftJ /^lt;2^-, Krgt;t*--e^ frTt,.

ij/«^u2-«— ^ -'•c^ £-^' 'c'r^^ ^cr--^quot; quot; -3? ' -oJ^jO^

cCrrr^? *gt; amp;A--t ^ y lt;^'- 6' ^ ^ C^r^C C.^ -.

^7 ' ^ ^ -------gt;■ OJlt;CA£x_^3 amp; ■ Cc/^' 2 ' ?? lt;' t^^quot;; -, d - y

/ 7 /

7 r-rtcóc. rn^L*. ( Z.— ^ C-Ou^- IA. i^- /cha^C-

^ja ' ' -rc J f CX

r

iCrt T c/j2~ Cc*^—- lt;72

Ut-rfr cJUsjUoo^f f f cJMe^ /C/ITS, amp; '. lt;Pjt,6r.

( '

ƒ

Jwcr^. (ffa- ZjJgt; /y w, AS- ePcftPé.

^A-t/ÜUyf- ^-óv^ {re^s. cArr^v Zó- amp;. -2.6^cn^t-, tylt;/amp;,///.

f Cf ?-* c/(1 'i'^-'ri - rf-c.'-Zm 'x' ^ Cj*- C —j , /-^7 -ftCiTQ.(Sr _

-b ^ ~Q c?c Cjy-ic- 7gt; q , ..ji /iZ c ^ct-'- c c. cs'ï

?*-lt;-gt; Irenjf^rz^ea^jJ-a- lt;*—

(^-lt;yf^clt;_ ■trlt;L^£. £s olJ?-^ g* ^*- ^5^-*—

ocr page 254

L^-^l{Ari. OS. ^ 238,

/ — Kjgt;^ /COJZ^^rvs-iA*^— gt;0 ^c-t-«- '

/H/ij^-L' /^~1S()0 w. iiquot;. 2220; Arr.-R. 's-Gravenliage, v. 1 Nov. iSOO, W. nquot;. 2221; g- rfjcj, cf. vo'nnis a,t.-R Kottordain. v. W Jannnri 188/1-, W. n». 4900; vjrl wijders

(P 7 /aero Arr.-ll. Rotterdam, v. 7 Fel)r. '1876, W. no. 305-1, K. B. jg. i870, A. p.

ff. 'i. 'o j-iW 'lllgt; waarbij is beslist, dat de vraag of er gronden zijn tot oproeping in ' vrijwaring nauw samenliangt met deze, of de noodwendige vertraging to «feu. 'Iniirdoor^te ontstaan, gerechtvaardigd wordt door het belang van ge-A ' .daagde oin zijn rechtsvordering tegen den derde nicl afzonderlijk in te Lft**, ^ stelien, maar reeds gelijktijdig met de oorspronkelijke vordering zijn waar-

y'; borg in rechten te betrekken, en den waarborg ook tegenover den oor-

U2^- ^ e^spronkelijk eischer als partij te doen optreden; idem zelfde rechtbank v.

//rrtamp;e;) y\.)rji 1877, R. 13. jg. 1878, A., p. 25. Zie ook vonnis Arr.-R. Amsterdam, i**quot; v_ 2/|. Dec. 1873, R. li. 1875, A., p. 229, waarbij werd beslist, dat de ,menige reden, waarom de rechter, niet voorbijgang der nadeelen voor den . / eisclTer en den waarborg het verzoek moet inwilligen, daarin bestaat dat

em^-o ^ f _ (]e eiscl|01. in vrijwaring den steun des gedaagden m vrijwaring noodig ^ tn^~ of wol om zijn regres tegen den waarborg niet te verwerken.

Vergelijk hiermede in verband navolgende beslissing:

l'ij de beoordeeling van een verzoek tot vrijwaring moet niet alleen fry rekening worden gehouden met bet belang van bem die in vrijwaring

wordt bevestigd door de bepaling van art. 7o H. li

^ root maar ook met dat van den oorspronkelijk eiscber. Deze zienswijze

euu

, ' quot; Hof's llage 23 Juni 1884, W. 5045.

/ f 1 ^

■ L ^ De bepalingen van artt. 08 en volgg. 15. 11 omtrent de oproe-

I^L^' ^'ping in vrijwaring brengen niet mede, dat ook zonder zoodanige op-fa/frlt;LrA roejiing de waarborg niet van zelf met den bezitter zoude mogen komen in verzet tegen de executie van bet goed door den bypo-tbeekbouder.

^ fj.i Arr. v. 21 Febr. 1873, W. no. 3505, R. B., jg. 1873, p. 429.

rJ

Een gedaagde in vrijwaring, daartoe opgeroepen door den oor-^c^/^^spronkelijk eiscber en die zicb in bet geding bij dezen heeft gevoegd, ^ ten einde met hem den eisch te verdedigen, kan bij ontzegging der vordering ten principale en dientengevolge toewijzing der vordering m vrijwaring, tegen eerstbedoelde beslissing bij den hoogeren recliter op

V / komen — ook al berust de oorspronkelijk eischer.

_ '

Arr- V- 31 DeC- 1875' R' K •ig* /J877' A- V' C9' W- n0- 3034 5 R'quot; V 'I. CXI, § 43.

•cf ^

lt;; liij art. 08 13. R. wordt onder den inhoud van bet aldaar inde

^ ^

y

ocr page 255

igt;JU

cxx—• Tn^uKS-z^rt-^*^^ / e*^-' (-v-—*- ^ ^

^ w^-— - ^pY^7 7* r

^ ,, M. 239 a^*— h-^^U:''■ *'y*y

denle zinsnede vermelde vonnis niets anders bedoeld, dan de zakelijke inhoud.

Ait.-U. Amsterdam, v. 5 Jan. 1843, li. li., jg. 1843, ,1. V, p. (176—(uO;

idem bij Oudeman, /gt;. /f. otilw., 4de od,, d. 1, p. 07 on de Pinto, //''/. fuxuj d. H, 1, p. 101, die aanraadt bet dispositief van bet vonnis, waarliij !»»( ^jtxe^, tr-1 verzoek is toescestaan, letterlijk in de daprvaarding ou te nemen. /

S. De zaak waarin men tot vrijwaring roept, is genoegzaam aange-wezen, indien de oproeper, na gedagvaard te zijn, en nadat door de eischers conclusie is genomen in de zaak bij de dagvaarding vermeld, '*Ay'-

verzoekt en zoo noodig concludeert tot die oproeping, en de eiscbers zich daarop tegen dat verzoek verzetten.

Arr.-R. Tiel, sine die. W. n0. 461. gfxv^-

S. De. eiscli tot vrijwaring in het algemeen is strekkende en heeft ten doel om iemand te noodzaken den eischer in te staan, en aan hem f verantwoordelijk te doen verklaren, voor het ell'ect en de gevolgen 6/'n°

eener vordering, door eenen derde tegen den eischer in vrijwaring ingesteld.

P. II. V. Overijssel, v. 3 Jnli 1843, W. nquot;. 498; R., d. XIX, § 94. —

Vgl. ook over de strekking van den eiscb tot vrijwaring, Hof Amsterdam,

v. 10 Jan. 1879, W. n0. 4392.

W. 13e oproeping in vrijwaring is niet toelaatbaar, wanneer de eischer, zich beroepende op eene acte van koop en verkoop zonder vaste dagteekening, den verkooper wil in het proces brengen, ten einde zoodoende het bestaan dier acte vuur het aanvangen der instantie te bewijzen.

Arr.-R. 's-Hertogenboscb, v. 17 Oct. 1843, W. n0. 480.

lO. De gedaagden in vrijwaring kunnen, wanneer een hunner mede-gedaagden (in specie eene getrouwde vrouw, uithoofde zij zonder haren man is gedagvaard) buiten het geding wordt gesteld, daaruit niet een middel van niet-ontvankelijkheid tegen de eiscbers putten, veel minder Az excepüoplurium litis consortium inroepen; welk middel voorzeker niet kan gelden in materie van vrijwaring, hetgeen te meer klemt indien in eersten aanleg wordt geageerd.

Arr.-R. 's-llertogenboscb, v. 19 April 1844, W. n0. 7312, — Cf. art. 159 l!. R., arr. v. 21 Maart 1845 sqq.

ocr page 256

^ ^^'r,^

Cfjsgt;

. y, ,_ ,_ -.^ c^C- lt;r-yi £c A _

ic/, 68.) r -— 24(1 .

fTr{- u t - ^i^i^1flt;r7, ^ -K '?/quot;amp;?

I 1. Tndien tie principale zaak op korten termijn wordt behandeld,

dan moet ook bij liet incidenteele geding tot vrijwaring de korte termijn worden in acht genomen.

Arr.-R. Amsterdam, v. 'IS Sept. 1840. R. li. jg. 1840. dl. \11T. pag.

(153—655.

^ci'*• 'quot;jen gedaagde kan zijn mede-gedaagde in vrijwaring oproepen t/jL, en behoort hem daartoe een termijn te worden verleend.

Arr.-R. Amsterdam, v. 18 Sept. 1846. R, R. jg. 1846, d. VIII. p. 053— £-■ , tsf^, * fgt;55 en II Maart 1875. W. no. 3869; vgl. Arr.-R. Alkmaar, v. 7 Aug.

1800, W. n0. 2833, naar luid waarvan de eiscli tot vrijwaring niet bij quot; UsnSL*^4 tf- * ' dagvaarding, maar bij incidenteele conclusie moet worden ingesteld, ti-Wquot; Js . ffLamp;. inneor dlt;gt; partij, die men in vrijwaring wil roepen, reeds nit anderen f,/

hoofde in liet geding is.-*quot;— Cf. art. 280 en 339 li. R., arr. (II. R.),

ehL*~~ f v. 21 Mei 1847 ; art. 137 li. R.. vonnis der Arr.-R. Amsterdam, v. 10

^ /J.. Nov. 1843, 17 Oct. 1850 en 9 Nov. 1853; art. 344 R. R., arr. van 't 1'.

Ly u*i II. in Holland, v. 4 Nov. 1840 en ten aanzien van den eiscli in recon-

i ' j _S 0 ,

v-7 V nr€. • r

vfacPV ventie — art. 250 li. R.. vonnis van de Arr.-R. te 's-Oravenbage. v. 19 OPf,^ Maart 1847. ^ , . , .

. i^ij het instellen eener vordering tot betaling nit krachte van ^ {c pelquot; een contract van plaatsvervanging bij de nationale militie, moet een

[v-^quot;verzoek tot vrijwaring van den zaakwaarnemer, door wiens tusschen-'^/7^,^6

komst het contract is gesloten, als ongegrond worden beschouwd, indien t zich bij de acte geen derde en ook niet de commissionair tot vrijwa-

„ rinar verbonden heeft.

- (rf®- o

cYr».* . a\ . Ivtg. Wijk-bij-Danrstede, v. (gt; Jan. 1847, W. no. 890.

'jf /A-^ I-I-. Indien de legataris den erfgenaam dagvaardt tot voldoening van

een legaat, dan is hij niet ontvankelijk in zijne vordering in vrijwaring tegen den executeur-testamentair (ook dan niet, wanneer de ged. tot vrijwaring bij zijne conclusie verklaart als waarborg de zaak voor den oorspronkelijken ged. op zich te nemen, omdat hier geene rede kan zijn van vrijwaring wegens onderzetting of andere zakelijke rechten)

indien deze wel erkent de in het legaat besproken som van den erfgenaam te hebben ontvangen, doch er tevens bijvoegt, dat die som niet toereikende is geweest om daarmede te bestrijden de voor zijne werkzaamheden benoodigde kosten van boegelbereddering enz.

---

Arr.-R. Assen. v. 20 April 1847. W. nquot;. 940.

*

L

ocr page 257

Lo »■ ly

13. Indien door den eischer is gekocht niet eene zekere en bepaalde op eene aangeduide plaats zich bevindende partij koloniale goederen, maar alleen eene zekere kwantiteit daarvan, aan het monster beantwoordende en van waar ook aan den kooper te leveren, dan kan het beweren van den verkooper dat hij diezelfde partij op hetzelfde monster bevorens heeft gekocht van een derde, die heeft voorgegeven door force majeure de levering niet te hebben kunnen doen, geen invloed hebben op de rechten des eischers en is in dit geval de eisch tot vrijwaring ten onrechte ingesteld.

Arr.-R. Amsterdam, v. -10 Dec. *1847, W. n0. 944.

Bij eene rechtsvordering tot nietigverklaring eener ten uitvoer gelegde gijzeling en ontslag uit dezelve, welke ongetwijfeld behoort tot de spoed vereischende zaken, in welker afdoening de rechter geene noodelooze vertraging vermag te gedoogen, kan — wanneer de ged. tegen den voor de zaak dienenden dag, dengenen, wien hij daartoe verplicht acht, niet te zijner vrijwaring opgeroepen heeft en dit later incidenteel vraagt, —- die oproeping, vooral bij tegenspraak, slechts dan toelaatbaar zijn, wanneer van de noodzakelijkheid daartoe, zoo in het belang van den ged. als van de zaak, genoegzaam blijkt.

Arr.-R. Amliem, v. 24 Jan. -1848, W. nquot;. 903 ; R. B., jg. 1848, d. X, p. 450—400.

1 ï. Wanneer door een gegijzelde eene actie is ingesteld tegen xijn schuldenaar, ten einde de nietigheid der gedane gijzeling te hooren uitspreken, niet alleen op grond der begane informaliteiten, welke de arrestant, als verzuimen, op rekening van den geïnstrumenteerd hebbende deurwaarder stelt, maar tevens op grond, dat de lijfsdwang is ten uitvoer gelegd uit kracht van een vonnis, niet anders dan onder borgtocht uitvoerbaar, zonder dat evenwel die borgtocht vooraf is gesteld geworden, dan is de arrestant en oorspronkelijk gedaagde niet ontvankelijk in zijne vordering tot het roepen in vrijwaring van den geïnstrumenteerd hebbende deurwaarder, uit hoofde: lo, aan laatsge-melden, die slechts op schriftelijken last van den arrestant die gijzeling heeft bewerkstelligd, de borgtocht niet aangaat; en 2.). al mocht het vaststaan, dat op grond der beweerde informaliteiten de nietigheid der

Mr, W. vas Kossem Bz,, Burg. Rechtsv. XO

7(duJ- trcjiA^re/C hrt- ow *r\js*4- '^f^ a-^re^2-^i f oJL» amp;*-J- £,ei ^^

GjuvJLtA—T* »quot;■ i «.i lt;-•—■ cOo cr^j— @**-4- £^--t ^ic^c—^ fZ*rrrt^-t/ Lquot;

LV, - . ^ ■ / S-eJLc^-^ • OT-^-/ b-yiLi^jlC éU-*- (^ovf-^*-a-»-4- a^-

: /amp;tquot;{Avt. 68.

/S Gvi-./jlf,

ocr page 258

Art. 68.)

gijzeling moet worden aangenomen, de deurwaarder deswege alleen tegenover den arrestant tot schadevergoeding zoude aansprakelijk zijn enquot; dit den gegijzelde niet aangaat, jegens wien den arrestant alleen in rechten is verbonden, en welken laatsten ook de in vrijwaring-oproeping van den deurwaarder ter zijner verdediging niet kan baten in een gedina-, waar het niet de waardeering van daadzaken geldt, maar de beslissing afhangt van het onderzoek omtrent de al of niet wettigheid der gerechtelijke acten, zooals die ten processe zijn overgelegd.

Ait.-R. Arnhem, v. '24 Jan. 4848, W. n«. 903; li 1!.. jjf. 1848. d. X. p. 450—40Ü.

IS. Indien iemand, die in zijn vermeend eigendomsrecht van onroerend goed aangevallen wordt, op grond van beweerde nietigheid der overschrijving van de koopacte, als te laat geschied zijnde, den notaris, voor wien die acte is gepasseerd en die met de bezorging der overschrijving is belast geworden, in vrijwaring oproept, deze in gebreke blijft om tegen den aanvaller de noodige weren te doen, dan is eerstgenoemde bevoegd om. ten koste en pericule van den laatsten, zulke weren als hem doelmatig voorkomen, in te stellen. Wanneer nu de middelen, door hem gebezigd, bij uitkomst onvoldoende bevonden zijn, kan dit wel niet tengevolge hebben, dat de waarborg van de verplicli-ting tot garantie, die rechtens op hem rust, in eenig opzicht zou moeten worden ontheven, terwijl al verder, uit de omstandigheid dat

de aangevallene in rechten de tardieve overschrijving tegen den aanvaller

heeft verdedigd, niet eenig argument door den waarborg m zijn belang kan getrokken worden.

1'. 11. v. N.-Brabant, v. 9 Jan. '1849, W. n\ l'l.w; R.. d. XXXÜT, § n-tc dien aau/.ien vcrnietigcndo lint daartoe betrekkelijU vonnis van do Arr.-n. 's-IIertogenhosch, v. 14 Jan. 1848, W. no. lO'l'i. — Cf. art. l:?// li. \\ ,. sub nquot;. 1 .quot;gt; en art. 1401, ibid., sub nu. 43.

i». Uit den aard van de vrijwaring vloeit voort, dat de gedaagde in vrijwaring, naar de voorschriften der wet, op den eisch in vrijwaring moet antwoorden. Eene vordering tot nietigheid van het exploit van dagvaarding staat op zich zelve en kan eerst later met het geding ten

principale gevoegd worden.

Ait.-R. Utrecht, v. 8 Oct. 18.V1, W. nquot;. -1:100; R. B., jg-^

^21._Cf. art. 72 P». R.j vonnis van de Arr.-R. Ainsterfhnn. v. '1- Jnli U

r

i

ocr page 259

Art. as

SO. Assuradeurs zijn niet ontvankelijk in hunne vordering tot oproeping in vrijwaring van hunne agenten, alleen op grond, dat laatst-gemelden verzuimd zouden hebben, aan de maatschappij van de binnen den kring hunner bevoegdheid, ten haren behoeve aangegane verbind-tenissen kennis te geven.

Arr.-R. Amsterdam, v. 26 Nov. 1851, W. no. 1312; Amsterd. Rcnspr d. II, p. 223—225.

it . In cas van art. 43 . v. K. kan cessie van aandeelen den oorspronkelijken crediteur niet in zijne rechten verkorten, en dus geen grond vormen om het oorspronkelijk geding te doen vertraden.

De toestemming tot oproeping in vrijwaring van denzelfden waarbon,', door denzelfden eischer aan denzelfden gedaagde in een elders aanhangiu-geding fer zake eener vroegere schuld {in casa vierde storting) quot;equot;'even, verplicht geenszins tot hetzelfde opzichtelijk eene latere schuld (vijfde storting).

Arr.-I!. Amsterdam, v. 4 Maart 1852. AV. no. 1331, R. I!. jg, 1852. p. 331—334; Amsterd. Regtspr., d. IT, p. 306—300. ook vermeld sid) n0. 23 van dit art. — Cl. art. 43 nquot;. 1. A\ . v. K., vonnis van dezelfde Arr.-R. van denzelfden datum.

83. .De vraag over de van waarde- of onwaarde-verklaring van een beslag, moet vreemd blijven aan den sequester en kan deze, ook met het oog op de artt. 1767 en 1772 15. W., niet in vrijwaring worden opgeroepen.

Arr.-R. Amsterdam, v. 25 Juni 1852, R. B. jg. 1852. p. 536 en 537.

83. De oproeping in vrijwaring, gedaan voor den dag, waarop de zaak ten principale dienen moet, heeft noodwendig de schorsint der hoofdzaak, gedurende den termijn bij dagvaarding tot vrijwaring vastgesteld, ten gevolge.

P. 11. v. N.-IIolland, v. 23 Sept. 1852, R. Igt;. jg. 1853, p. 11 en 12:_

anders bij een arr. van 't P. II. v. Overijssel, v. 3 Juli 1843, W. n». 498, R- d. XIX. § 94; een vonnis van de Arr.-R. Tiel die, \V. nquot;. 461 en VIlertogenbosch v. 17 Oct. 1843, \\'. nquot;. 480, waarbij is beslist, dal zoowel dan wanneer de oproeping is gedaan vóór den dag, waarop de zaak heeft moeten dienen, als wanneer, zulks niet geschied zijnde, de verweerder daartoe alsnog verzoek doet vóór of op den dag, waarop bij ten principale moet antwoorden, de rechter bevoegd is in een summier onderzoek te treden, of er aanvankelijk voldoende gronden aanwezig zijn, om het verzoek tlt;it oproeping in vrijwaring toe te staan, dan

ocr page 260

Art. 68 ) 244

wel of do afdoening der oorspronkelijke zaak daardoor noodeloos zon worden vertraagd; idem bij vonnis der Arr.-R. Amsterdam, v. 4 Maart 1852, W. no. 1331 : R. B. jg. 1852, p. 331-334; Amsterd. Recrtspr., d. IT, p. 306—309 (vernietigd bij arr. van t P H. yan N.-ilolland ut snpra), naar luid waarvan bet eenig onderscheid tnsscbon

de beide wijzen van in vrijwaring roepen, bij art. 08, al. 1 li. VV. (im-

scbreven, bierin bestaat, dat de gedaagde, vóór dat de zaak dient, bot o-ebeel in zijne inacbt beeft, of bij iemand in vrijwaring wil oproepen ot niet terwijl' bij, indien zulks dan nog niet gedaan is, om eenig gevolg of voordeel van eene oproeping te knnnen bebben, tot de dagvaarding bet verlof van den rechter noodig beeft, en mitsdien de beslissing, of en wanneer de oproeping tot vrijwaring de voortzetting ten principale zal schorsen, steeds aan den rechter is verbleven, die tusscben het belang van den eiscber en den gedaagde moet uitspraak doen; idem Arr.-U. Vllertogenbosch, v. 30 Jan. 1870, R. B. jg. 1872, p. 482, naar luid waarvan de rechter alleszins bevoegd is het verzoek tot oproeping in vrijwaring te onderzoeken, wanneer de verweerder dat met voor den dienenden dag beeft gedaan ; idem, op grond, dat eene tegenovergestelde meenino- aanleiding zon kunnen geven tot verwarring en noodeloozen omslag en bovendien de verweerder alsdan een proces in kunnen rekken en noodelooze kosten kunnen verspild worden, m Opm. en Med., d. XII, p. 314, en in 't R. B. jg. 1852, p. lo6—100. Laatstgemeld gevoelen wordt tevens gedeeld door den lloogl. van Haix, m t R B. jg. 1853, p. 12 en 13, die doet uitkomen, dat, al wil men de rechterlijke uitspraak in dier voege wijzigen, dat men de op den voorgrond gestelde meening alleen in zooverre omhelst, als bi] dagvaarding de wettelijke termijn is in acht genomen, dan nog hetzelfde bezwaar blijft bestaan, vermits men dan, bij voorkeur, iemand quasi als garant kan oproepen, die op verren afstand gedomicilieerd is, en deze, des verzocht nader een ander kan oproepen, die weder eene woonplaats heeft, verwijderd van die van dengene, welke bet eerst ter vrijwaring is opgeroepen en alzoo een proces in het oneindige gerekt, of eigenlijk het beginnen van bet rechtsgeding in het oneindige verschoven kan worden.-

Vgl. wijders een betoog in de O^,. en Mrd., d. I, p. 101 sqq., naar luid waarvan de dienende dag tevens die zou zijn. waarop liet proces o-ekwalificeerd wordt te zijn van summiere of gewone behandeling, waai-van de volgende instructie afhangt. De juistheid echter biervan wordt betwijfeld in 't R. B. jg. 1852, p. 157, uit hoofde de summiere of gew-one

behandeling eener zaak niet zoo zeer van partijen afhangt, dan wei d......

de wet vooraf reeds bepaald is; idem door Mr. II. Piccarpt m de o,mi. en Meet d I, p. 172—175, volgens wien ook dan, wanneer de verweerdei vóór den dienenden dag de oproeping in vrijwaring gedaan heeft, de oorspronkelijk eiscber kan vorderen, dat hij gehoord worde omtrent de toelating van dien derde en zonder dit. niet gehouden is zich de gevolgen van de vrijwaring te laten welgevallen, enz. — In strijd met dit een en ander, alsmede met Ot'ukman, 't A. W. v. B. I!.. ouiw., ideed , d. I, p. 95 en de Pinto, Hdl. II. 1, p. 99 (die doen opmerken, dat het incident, niet slechts wanneer bet verzoek betwist wordt, zoo als art. 180

ocr page 261

{Art. (18.

(de l'i'. C'. iiKUir in iüclor goviil (kior den reelitor sunnniorlijk

onderzocht en liesli.st moet worden), is hij vonnis der Arr.-U. Alkmaar, v. i .Tnni '1843, W. u0. 421 (ook volgens Lkon geheel onjuist), heslist, dat zelfs dan, wanneer do gedaagde do oproeping in vrij waring mV; rm/.s-hccfl f/inkuilt vóór ilea dienenden dar/, de rechter noch in staat, noch bevoegd ia, om to heoordeelen of en in hoeverre de personen, wier oproeping wordt verlangd, hetzij daadwerkelijk, hetzij volgens recht, verplicht zijn, om don oor.spronkelijkon gedaagde en incidentoelon oisclier tc waarborgen of schadeloos te stollen. -— Vgl. ook Penning, ad art.

'i4 Do vordering in vrijwaring moet op straffe van niet-ontvanke-lijklieid door den oorspronkelijk gedaagde in dezelfde hoedanigheid worden ingesteld, als waarin hij door den oorspronkelijk eischer gedagvaard is

Ari.-U. Amsterdam, v. 20 Maart- 1853, K. IS. jg. 1853, p. 249—254 ; in denzelfden zin Arr.-R. Rotterdam, v. 24 Nov. 1879, R. li. jg. 1880, A. p. 354, waarhij is beslist, dat do gedaagde in privé gedagvaard niot in oono hoedanigheid eeno oproeping tot vrijwaring kan doen.

'i •». Het incidenteel dagvaarden in onder-vrijwaring, ofschoon daarvan 3«— bij de wet niet (zooals onder vigueur van art. 176 G. de Pr. Civ.)

uitdrukkelijk is melding gemaakt, kan niet geacht worden te zijn , uitgesloten, vermits zoowel de reden als de algemeenheid der bepalingen

omtrent vrijwaring gelijkelijk medebrengen, dat de bevoegdheid om die te vorderen, evenzeer aan een verweerder of gedaagde in vrijwaring, als aan den oorspronkelijk verweerder in het rechtsgeding toekomt.

P. 11. v. Z.-Holland, v. 27 Doe. 1854, W. no. 1009, bevestigende een vonnis van de Arr.-R. Rotterdam, v. 24 Mei 1854, W. n0. 1611 ; R. B. jg. 1854, p. 350—350. — In gelijken zin bij v. d. Honert, Formuliorboek 1, hl. 23, (3e dr., bl. 28); Yernkhe, op art. 118 noot A. 4; de Pinto, lid/., 2de god., Isto st., p. 98; Oudeman, B. R., 4de od., d. I, p. 97, en de Martini, ad art. 08 i/ ; idem P. 11., in do 0///n. en Mcd., d. 1, p. 115, en, althans iinplicite, door den Hoogl. van Ham., R. B. jg. 1853, p. 12 en 13. — Cf. art. 74 B. R., arr. v. 22 Febr. 1850.

'Ui. De procedure, tusschen den gedaagde en waarborg gevoerd, zonder dat de oorspronkelijk eischer daarin partij is geweest, kan niet van invloed zijn op het geding tusschen hem en den gedaagde. 1'. H. v. Overijssel, v. 18 Sopt. 1854, W. nn. 1901.

'it. liet middel van oproeping in cas van vrijwaring is door den wetgever aan den verweerder wel verleend, om zich aan de schuldplich-

ocr page 262

7-UU Arlt;- tZ^ lt;-* «U o A, éU^L.1 ^ a.

n^lt;U- - tittel- ^ cU ^W- J

L- ~ amp;e*gt; Outu^vL Trv-rY /^ -C -Vrv-crtJt^r^cyp*- U^- - . thfti- tyo

chuf T Art. 6S). 24.fi

j-r'e^^, J-TU-'/ -eja.^— (Un^-quot;^amp;~lt;--tljlh Ir**^-' i^-^-c^z'-tr^i ^ ^-^lt;y-n - ,a.-0 -

(ƒ tigheid te onttrekken en die op een derde over te brengen, maar bet

'yuo^joJT' mag niet worden gebezigd om te treden in de plaats van de gewone

bewijsmiddelen. Tn casu dus mag de bewering van kwade trouw niet

^ ooV/- lt;'oor quot;lquot;-06!quot;11» van een (lerJe tot vrijwaring bewezen worden.

Arr.-R. Amsterdam, v. 0 Oct. 1854, R. 1!. jg'. 185o. d. \. blz. 177.

3lt;*j. De oproeping in vrijwaring toegelaten zijnde tusscben de oorspronkelijke partijen, belet zulks niet, dat de in vrijwaring geroepene de niet ontvankelijkheid der oproeping bewere.

Ait.-II. Amsterdam, v. 7 Aug. '1855, R. 11. jg. 18;gt;5, J. V.. bl/. 482.

3?#. ïot eene oproeping in vrijwaring wordt alleen vereiscbt dat de respectieve verplichtingen van den oorspronkelijk gedaagdeen den gedaagde in vrijwaring in zoodanig nauw verband staan, dat, wat de oorspronkelijk eischer van den gedaagde vordert, deze wederkeerig op den gedaagde in vrijwaring zou kunnen verhalen.

tVlzoo is het geen vereischte tot oproeping in vrijwaring, dat er eene rechtsbetrekking besta tusschen eischer en den in vrijwaring geroepene. Arr.-R. Amsterdam, v. 7 Aug. 1855, R. 1!. jg. 1855, d. V, blz. 482.

SO De gedaagde, eischer in cas van vrijwaring, die de door gedaagde in vrijwaring genomen conclusie aan den oorspronkelijk eischer communiceert, kan wel niet geacht worden, werkelijk zelf die conclusie te hebben genomen, maar hij mag alleszins beschouwd worden den inhoud daarvan, als middelen voor zijne eigen conclusie te hebben aangevoerd.

Arr.-R. Amsterdam, v. 7 Aug. 1855, R. B. jg. 18,)5. d. \. blz. 482.

;S | Bij geene wetsbepaling is den rechter de bevoegdheid gegeven in een bestaand geding een derde als partij te doen oproepen. Wanneer twistende partijen dit in hun belang noodig achten, wordt zulks aan ben zelve overgelaten. Derhalve moet de conclusie van den gedaagde, dat het den rechter behagen moge, den eischer te bevelen om een derde in het geding op te roepen, in dit opzicht worden ontzegd.

Kgt. Woerden, v. 30 Maart 1857. W. n». 1894.

Jïlt;ï. liet moet zoowel met de letter als met den geest dezer wetsbepaling, in strijd worden geacht, dat achtereenvolgens aan dezelfde

O

ocr page 263

7 A

Ji-trr: -# ' • c 6c S-

' ^ -v ,

» Ar-

. ( Ccc^-

S b-s 1'

247

* ■-*' *—— . ^z_ ^ e 0j£^*

JJO V,

^ -»,4- Z7 t^v:_

(i/t 68.

partij meer dan één termijn tot de oproeping in vrijwaring van verschillende personen worde verleend.

Arr.-R. Breda, v. 17 Maart 1857, W. n0. 18(17.

:i:t. l.)e commissionair, die niet in naam van zijn lastgever heeft /l/sgt;.

,iiii • ii i *. T i(i

uP^

termijn worde toegestaan om dien lastgever in vrijwaring op te roepen.

1Z-W

Arr.-R. Amsterdam, v. 13 Aug. '1857. W. n0. 2961 en 14 Jnni 1872,

\\'. nquot;. 3408; idem ten aanzien van den cugnoscementliourler, die eigen naam de lading ontvangen heeft en tot betaling der overligdageu gedagvaard i.s, Arr.-R. Rotterdam, v. 5 April 1876, VV. uo. 3980. ^uy ^

. ^ c'-'——^ •'i l Volgens art. 68 B. li. blijft de oorspronkélijke zaak geschorst, ojtn^u^,

totdat de termijn tot oproeping in vrijwaring zal zijn verstreken. i , ^

Die termijn kan niet geacht worden verstreken te zijn, zoolang de

zaak in vrijwaring niet door oproeping ter rolle ter kennisse des rech- faA-vcns.

ters is gebracht, en mitsdien blijft de zaak ten principale tot na die vt-,

oproeping geschorst en moet de oorspronkelijk eiscber niet-ontvankelijk gt;a-^

worden in zijne sommatie aan den procureur der gedaagden gedaan, om

te verschijnen ter terechtzitting, tegen welke de oproeping in vrijwaring i^eJ-

moet worden gedaan, ten einde ten principale te antwoorden en te pleiten. /tJe-f- ^

Ari'.-R. 's-Gravenliage, v. 31 Jan. 1860, \V. iin. 2137.

3.». Vrijwaring is volgens artt. 70 en 72 Jgt;. 11. bf zakelijk bf

eenvoudig. Andere onderscheidingen kent de wet niet, dus ook niet aJU

tusschen vrijwaring die allt; en vrijwaring, die niet in verband staat met fa*™**

de hoofdzaak, met dat gevolg, dat de eerste grond zou kunnen ople- y ^ rP'L'Jtj'

veren tot stateering, ofschoon dit bii de laatste niet het geval ziin mocht. ' t ^ '

0' •' ^ q ^ t-U. t-vy*

P. II. v. /..-Holland, v. 26 Maart 1800, W. iiquot;. 2104, bevestigende 'a Arr.-R. 's-Gravenhase, v. 10 Febr.' 1800, ook vermeld sub art. 151 1gt;. R.

1o,

3tt. Wanneer de gedaagde zijne gehouden beid tot vrijwaring erkent,

dan moet de rechter, zoo het niet de openbare orde of een wettelijk tr Jtgt; vC 'j f voorschrift geldt, waarvan niet bij overeenkomst mag worden afgeweken, -hquot;^ quot;v. den eiscb tot vrijwaring toewijzen.

I'. 11. v. Z.-Holland, v. 16 April 1860, VV. iiquot;. 2177.

3S. Er bestaat geen grond voor den eiscber om in cas van aanvaring een derde in vrijwaring op te roepen, wanneer de eischcr zelf

t- ■■

ocr page 264

J/oU. Wlt-oéJi 'quot;-y -U^J- eJe, jfoA '^^y

^ ^ ^C^JC /Zëgt;r- ! Vi quot;X^?- Az*^c -r\^^rv r/^ £-amp;2^r\ / lt;77^7

f \ML. o^y^ lAJ^ c lt;4S7 ?0 t*s\SS-l^ ü--

^Ir^j ^-r- '

-ir/. 08). 24S Jlu ^lt;l^. ■■kryr^v,

gt;1 0 5^P,

erkent, dat de aanvaring niet aan de schuld van den in vrijwaring op-teroeuene te wijten is, maar wanneer die oproeping alleen wordt gevraagd met het doel, om, in geval mocht blijken, dat de aanvaring niet het gevolg is van de schuld van den oorspronkelijk gedaagde, zijne vordering tegen dien derde te kunnen voortzetten.

1'. ll.v. Z.-Holland, v. :5 Maart-1X02, W. nquot;. Ü.'SÜI, hovestigendc A it.-li,

Rotterdam, v. 10 Oct. i801, W. u». 2334.

•'SS. Tndien eene vordering tot vrijwaring niet bij dagvaarding, maar bij conclusie van antwoord op de hoofdzaak is geschied (daargelaten of die tusschen gedaagden in hetzelfde geding en door denzelfden procureur vertegenwoordigd, ontvankelijk is), kan geen geding tot vrijwaring geacht worden aanhangig zijn en de rechter te dien aanzien geen recht spreken.

Air.-R. Amsterdam, v. 15 (10) Juli 1807, W. n0. 2949, R. B. jg.

1807. i). 804.

;{?» De bevoegdheid aan den gedaagde in vrijwaring om zijne gehoudenheid tot vrijwaring te betwisten, wordt geenszins uitgesloten door het vonnis, waarbij den oorspronkelijk eischer wordt toegestaan hem in vrijwaring op te roepen,

Ait.-R. 's-Hertogenbosch, v. 0 Mei 1808, R. B. jg. 1809, p. 520.

f O. De al of niet geldigheid van eene vordering tot vrijwaring moet beoordeeld worden volgens de oorzaak, die aanleiding gaf tot die vordering.

Waar die oorzaak gelegen is in eene onrechtmatige daad door den gedaagde in vrijwaring gepleegd, ten gevolge van welke daad de eischers in vrijwaring in rechten zijn geroepen tot schadevergoeding door die daad veroorzaakt, is de eisch tot vrijwaring in zooverre wèl gegrond.

Air.-R. ('nies, v. 29 Maart 1872, R. li. ju'. '1873, p. 100 sqq.

44. Uit de eerste alinea van dit art. volgt niet, dat de rechter altijd het verzoek zou moeten toestaan, als de incidenteele eischer slechts aantoont, dat hij vermeent gronden voor het verzoek te hebben.

Integendeel moet de rechter reeds in dezen stand van het geding de gronden onderzoeken, waarop iiet verzoek tot vrijwaring rust.

Ait.-U. Heerenveen, v. 13 Dec. 1S72. W. u0. 3035.

ocr page 265

£é. z-quot;'-

I -. Het i.s niet geoorloofd de oproeping in vrijwaring op eigen gezag tegen eenen lateren dan den dienenden dag te doen en ten dienenden dage^töt dien lateren dag schorsing te vragen. /quot;

Arr.-U. Amsterdam, v. 17 Jan. 1873, R. li. jir. 1874, p. 82.

7/t.--y

IS. De gedaagde, die iemand in vrijwaring heeft geroepen, dieniet verplicht is hem te vrijwaren tegen de actie des eischers, moet in de kosten, op die vrijwaring gevallen, veroordeeld worden, zelfs al is hetc/^ mogelijk, dat de gedaagde in vrijwaring tegen den eiscner in vrijwaring /sj■ schadevergoeding verschuldigd is. /qoZ, '■

10 Sept. 1873, a. B. jg. 1874, p. 023.

I i. De rechter moet bij het toestaan of afwijzen van het verzoek tot oproeping in vrijwaring letten ; eensdeels, op het al of niet spoedeischende der oorspronkelijke vordering; anderdeels op den karteren of langeren termijn, die voor de oproeping van den waarborg vereischt wordt.

I'. II. in N.-Holland, v. 5 Maart 1874, W. nquot;. 3710.

-15. De lasthebber, rauwelijks aangesproken tot nakoming van de door hem in naam van zijnen lastgever gesloten overeenkomst, heeft, bij den onzekeren uitslag van het geding, alleszins belang bij en is tot staving van den beweerden last bevoegd tot het in vrijwaring oproepen, van den lastgever.

Arr.-R. Rotterdam, v. 29 Jnnl 1874, VV. iiquot;. 3751.

-tO Een eisch in vrijwaring is alleen toelaatbaar dan, wanneer de waarborg regelrecht aangesproken, tot gelijke schadevergoeding casu quo zou gehouden zijn als hij, die hem in vrijwaring oproept.

Arr.-K. Amsterdam, v. 10 Dec. 1874, R. It. Jg. 1870, B. p. 180.

-f S Wanneer de makelaar in zee-assurantie in de voldoening der premie nalatig gebleven zijnde door den verzekeraar wordt gedagvaard, kan hij den verzekerde niet in vrijwaring oproepen.

JtScfO'/y

1'

Arr.-R. Amsterdam, v. (13) 20 Mei 1875. W. o'gt;. 3010. R. B. jg. 1875,

G

ocr page 266

;ncc?./^tL , 'csvU~ /ff- ou. ^ .

IH„'. *...h~gt;'.,gt;--* »■*,'*

r Art. OS). 250

A. p. ^38, bevestigd bij urr. lluf Auisterdiuu, v. l i Jan. 1877, U. 15. jg.

1877. afd. A. p. 72.

-i-S. De appellant is bevoegd in appèl tevens den waarborg vaneen der geïntimeerden opteroepen.

Hof N.-Brabant, v. 2 Nov. 187.quot;). li. 1!. jg. 1877, afd. A. |1. 5(1.

41 ïl. Op het verzoek van den oorpronkelijk gedaagde, dat de gedaagde in vrijwaring op vraagpunten zal worden gehoord, kan niet worden beschikt, vóór hij, oorspronkelijk gedaagde, ten principale heelt geantwoord op de conclusie van den oorspronkelijk eischer. Met debat toch over de hoofdzaak mag niet buiten medewerking van den gedaagde in vrijwaring worden gevoerd,

Ait.-Iï. Breda, v. 14 Dec. 1875, VV. no. 3990, U. IS. jg. 1877, liIU.

A. |i. 58.

.»0. Niemand kan in rechten opgeroepen worden om de gevolgen van eens anders onrechtmatige daad te dragen.

Arr.-U. Haarlem, v, 7 Maart 1870. W. n0. 8902, li. 11. jg. 1870.p. 102.

idem Arr.-R. Rotterdam, v. 25 Oct. 1880. \V. no. 4574, I!. H. jg. 1881. A. p. 107, waarbij werd beslist, dat ook dan liet verzoek niet kan worden toegestaan, al kan men bet bewijs leveren, dat men tot liet plegen van zoodanige daad last heeft gekregen.

51. Daargelaten of nog in vrijwaring kunnen opgeroepen worden personen, die reeds in het geding zijn, zoo is het met de bedoeling des wetgevers in strijd, om die gedaagden nog in vrijwaring op te roepen, tegen wie men in dat cas dezelfde conclusie zou nemen, als reeds geoorloofd is, nu zij op de gewone wijze in het geding zijn.

Arr.-U. Leeuwarden, v. 15 Nov. 1877, \\. u0. 4211.

.»3. Wanneer de eigenaar den bewoner tot ontruiming dagvaardt, kan laatstgenoemde niet in vrijwaring roepen, hem die gezegd wordt namens den eigenaar te hebben verhuurd.

IfaL—■ ^Air.-lt. Maastricht, v. :! Jan. 1878. R. li. jg. 1881. A. p. 1(59. anders

M Arr.-R. Amsterdam, v. 28 Juni 1881. li. 1!. jg. 1881, A. p. 170.

^r V ,»3. De strekking der oproeping in vrijwaring moet zijn, dat de

„ /./ff- gedaagde 111 de gelegenheid worde gesteld urn, in geval van veroordeeling, n£ai* u11W • 3 0 n 0

ocr page 267

eP~C~

^-/Vr ^a_

i ' ✓ s J? f, y\yf^ err igt;-^-' t-*quot;

T*.y,vr'' /-c. .251 A ■ ^ {Arf

- dSf.fe- é- /S~JZH^I' . pt,quot;

in hetzelfde geding zijn recht tegen een ander te doen erkennen of wel door diens verdediging middelen tot afwering van den oorspronke-lijken eisch te verkrijgen.

Arr.-U. Amsterdam, v. 10 Jan. 1879, R. I!. Jg. 1879. A.p. l il. waarbij word beslist, dat noch het een noch het ander te bereiken is, waar 1°. de vcroordeeling van den gedaagde in de oorspronkelijke zaak zon berusten op de verwerping van een middel van verdediging, dat dan evenmin als middel van aanval tegen den waarborg zou kunnen toe-gelalen worden en 2°. van den waarborg geene verdediging denkbaar is. die den gewaarborgde tegen den oorspronkelijk eischer kan te stade komen. Cf. ook de Red. van liet 1!. li. t. a. p.

.»-1. Wanneer de waarborg met yeheel den gewaarborgde moet vrijwaren, gaat de eisch tot vrijwaring niet op,

Arr.-R. Amsterdam, v. I Oct. 1879. li. li. jg. 1880. A. p. 355. /ie ook de redactie t. a. p., pag. 358.

5», Het verzoek van den houder van een onroerend goed, om hen die dat goed aan den oorspronkelijk eischer verkocht hebben, (welke laatste het thans revindiceert), in vrijwaring te mogen roepen, behoort afgewezen te worden,daar dit verzoek betrekking heeft noch op de in geschil zijnde zaak, noch op bet daarmede in verband staande recht en waarvan de inwilliging alzoo geen invloed kan hebben op de geldend gemaakte vordering.

Arr.-R. Tic), v. 1*2 Dec. 1879, \V. no. 4520, R. I!, jg. IS8I. A. Kis.

.)(» Het vrijwaringsproces is ten gevolge van de rechtelijke vergunning reeds in verband gebracht tot het hoofdgeding.

l)ie band is echter niet onverbrekelijk; zoodat bij een verzoek tot onder-vrijwaring, het vrijwaringsproces alleen kan worden geschorst.

Arr.-R. Amsterdam. 29 Uec. 1880, R. IS. jg. 1881. A. p. 177.

.»?. De hoofdschuldenaar, aangesproken tot betaling, kan den borg niet in vrijwaring oproepen.

Kant.-plaatsv. 's-Gravenhage, v. 3 April 1882. VV. n0. 47(58. bij welk vonnis ambtshalve het verzoek tot vrijwaring werd afgewezen. Verg. met' betrekking tot dat laatste, aant. 42 sub art. 48 li. R.

Hij die door den kooper van een huis tot untraiming wordt

ocr page 268

^f^-

c^_ Ic^fo^-, 7 ^ ^

„ ,./f _• . -t^Ce-tgt;^c*S 'L^ -L.ry1~*x~ t^B*—- ^^lt;-0-*--——^

lt;Xlt;- Ir^L^V^r^r-^J^ ^

^ /5-^0 /i. oS? 7lt;tgt;:L r * i 2.5- pL^r^- /cPcPcf, /^•v' --lt;?;•

n'st-lt;gt; ,

ic_

/i^. f18.) 252

gedagvaard, is ontvankelijk in zijn verzoek om den verkooper, van wien hij gehuurd heeft, in vrijwaring op te roepen.

Ait.-U. Ildtterdaiu, v. 'ill Mei 1882, W. 11quot;. 4782.

Zie met betrekking tot vrijwaring in wisselzaken:

liet sub n0. 3 van dit art. aangeh. vonnis Arr.-U. Auistcrdani, v. .iO Nov. 1875, onk vermeld op art. 18(1. nquot;. 21, W. v. K. J.kon—Lew, waarbij i.s beslist,

1 lat eene oproeping in vrijwaring de proces-orde betreft, en dat op de regelen X • lt; o , y daarvan, ten aanzien van bet wisselrocbt, geene uitzondering is gemaakt./ /aeyii ^' tL Wijders vonnis Arr.-R. Rotterdam, v. 7 Febr. 1876 hierboven snb n0. 3

/ ^ r!tagt;r-i vermeld en ad art. 186, W. v. K. 11°. 20, waarbij werd beslist dat do acceptant ' q_ door den bonder aangesproken den trekker niet in vrijwaring kan roepen;

0L1st../ppr, f ' idem v. 3 Juni 1868, R. R. jg. 1869, p. 390; Arr.-R. Maastricht, v. 3 Nov.

1859, W. n0. 2179, bev. bij arr. P. H. v. Limburg, v. 16 April 1860, \\ . n0. quot;ÖC y/s.ybquot;- 2219, waarbij is beslist dat in wisselzaken bizonderlijk moet aebt gegeven worden, op liet beginsel dat de waarborgden eisclier in vrijwaring / moet kunnen dienen tot grond en middel van wederspraak tegen den

oorspronkelijken eiscb, op welken grond den acceptant door den bonder

M actt- aangesproken tot betaling, niet is toegestaan den trekker in vrijwaring

/alt;n/ ' te roepen; Arr.-R. Amsterdam v. 24 Dec. 1873, R. B. jg. 187.), A., p.

■ 229, waarbij werd beslist, dat de onderteek en ing van wissels en order-

cit** hilletten zelfstandige verbindtenissen schept tegenover hem, die als eigenaai

f uit dat papier ageert, en dus eene oproeping tot vrijwaring van den nemer

van bet accept door den onderteekenaar niet te pas komt; idem Arr.-R. J-. Amsterdam, v. 29 Sept. 1881, R. B. jg. 1881, A.. p. 164; Arr.-R. Leiden, fCjO^/ v. 3 Maart 1857, W. nquot;. 1842, bev. bij arr. P. II. v. Z.-llolland, v. 29 .luni 1857.

ipt/f• c , v* AV. 11°. 1869, bij welk vonnis werd overwogen, dat het in strijd met alle r beginselen van wisselrecht zon zijn, dat de trekker van een wissel zijne rflh.J CJ- verplichting, tot betaling mocht verschuiven door den nemer in vrijwaring

op te roepen. Vgl. verder ktg. 's Gravenhage, v. 27 Aug. 1855, V\ . n0. ^ 1675, waarbij werd beslist dat het beding om een accept niet in omloop /L brengen, in lijnrechten strijd is met don aard van een dergelijk stuk

/j^Jj .. '' . , oj1 en mitsdien nooit grond kan opleveren tot eene oproeping in vrijwaring. _ voorts hieromtrent art. 186 W. v. K. 11°. 2 en 144 W. v. K. n0.1.

jff/ '■ ™ ^ Vgl. wijders arr. I'. II. v. Z.-llolland, v. 20 Sept. 1843, W. 110. 439, waarbij /•f.iquot;'' je** * met bevestiging van bet vonnis a quo, mede aldaar opgenomen, werd --frquot;v 0 beslist dat bloote allegatien van den aangesproken acceptant, al zoude de

iuS*' eischende houder zelfs medeplichtig zijn aan de bedriegelijke middelen, waarmede do trekker bot accept heeft weten te krijgen, aan den gedaagde

lt; /s/ ' .nJ)' ^

het recht niet geven den trekker in vrijwaring op te roepen. . eindelijk ten aanzien der assignatie, een vonnis van de Arr.-R. Am-

sterdam, v. 6 Mei 1842, R.. d. XIII, § 31. waarbij is beslist dat, indien de acceptant eener assignatie van den uitgever daarvan geene provisie q JU3 ' ' heeft ontvangen, hij dan, wanneer bij door den houder om betaling wordt uc^ aangesproken (als geldende liet hier geen wisselbrief, en ^mitsdien ook

niet de onvoorwaardelijke verplichting van den acceptant jegens den

ocr page 269

—«• ^ia. ^u^lt;^rc^ru^ lt;^i oJL, j—

Zi^U t^v ot-^a^__ L^- ü, c^Uc~ 1*-^ sytAsvvw^Qs^

/ v-t^^v c^-S*^7 -J-CTL-OC /e~~ /yZ'^c^-fo O-2m~ tZ

853 (Art. «g. »• *:»

linndnr tot betaling van «Inn «lonr liom geaccnpteerdon wissel, om het even '

(if hij provisie ontvangen hehhe of niet), hevoegfi is om op dien grond /. ''JWj fti*0 den uitgever tot vrijwaring op te roepen. //. /^ ^-^3

«O. Zie ten betooge;

a. Dat een notaris, in cas van art. 839 B. \i., onbevoegd is andere belanghebbenden in vrijwaring op te roepen —

art. 839 1!. U., arr. van 't P. II. v. Overijssel, v. Tï Juli 1843 sqtj. ^ \.

Ij. Dat eene actie tot vrijwaring niet ontvankelijk is, wanneer zij ^

door een kooper van onroerend goed tegen zijn verkooper is ing^ekl,

niet wegens eene actie, waarmede hij was bekommerd, maar wegens eene rechtsvordering, door hem zeiven op eigen gezag en naar eigen welgevallen ingesteld tegen een derde, die zich het gedeeltelijk bezit van een stuk des verkochten gronds wilde aanmatigen, en in welk bezit de verkooper den kooper mitsdien zoude behooren te stellen —-art. 1528 li. W. snb nquot;. I, arr. v. 27 Nov. 1840.

c. Dat de onbevoegdheid tot het roepen in vrijwaring (althans in den regel) door den rechter niet ambtshalve mag worden aangevuld —

art. 48 B. R., arr. v. 30 Juni 1853, sub n0. 11.

tl. Dat de garantie enkel bestaat in het belang van hem die gegarandeerd wordt, terwijl hij zelf, niettegenstaande de vrijwaring, hoofdelijk schuldenaar blijft —

inr. ii. plccardt, in de, Of'nt. an Mal., d. 1, p. '101 sqq.; Sciiui.i.er,

Ti. R., ad art. 08; de Pinto II, 1 p. 9 sq.. en AL, in 't R. li. jg.

4852, p. 158.

e. Dat in cas van art. 68, al. 2, en bij het toestaan van het verzoek

niet wordt vereischt dat de gewone termijnen van dagvaarding worden

in acht genomen —

he 1 'into, Ifill.. II. 1. p. 101, — Oudeman, b. ƒ?., 4deed., d. I. p. 97 ; —

anders bij V erne de ad art. h, nn. 3.

f. Zie ten betooge dat de hvpothekaire crediteur krachtens art. 1:223 B. W. verkocht hebbende, niet tot vrijwaring van het gekochte gehouden is —

lt;■; gt;

arr.-R. Assen, v. 10 Dec. 1872, ad art. 1223 li. W. sub n0. 2.

Zie omtrent bet reclitsgevolg van bet roepen in vrijwaring, met bc-

ocr page 270

Art. fiS.)

trekking tot de voroordeeling in do kosten — liet aangeteekelide op art. 50 B. R.. sub litt. L, en voorts mr. P. H. v. Overijssel, v. 1'2 Mei 1851 Irij Mr. 1 iF.RT/.VF.l.n ut supra, biz. 40; alsmede omtrent het karakter, den aard en bet wezen der vrijwaring' in bet algemeen -— Mr. S. .T. TTingst, in N. liijdr., jir 1875, bi/. 307—460, en de pleidooien van Mrs. C'. J'. IIi.nnv on .1. S. IIi.imans. li. I'lt;. jg. 1848, d. X. p. 451 sqq.

Art. 19.

■ . De verweerder, die een verzoek tot oproeping in cas van vrijwaring {in ccisu eerst na afdoening van verschilleude door den gedaagde in het geding gebrachte incidenieele vorderingen) in liet proces brengt en op dien grond de schorsing der principale zaak vordert, is uit den aard der zaak verplicht summier!ijk aan te toonen liet verband, waarin de vordering tot vrijwaring staat tot de principale zaak, alsmede de ge-grondlieid van die vordering.

l'. II. v. /.-Holland, v. 20 Sept. 1843, \V. nquot;. 430, bevestigende een vonnis van de Arr.-ll. 's-Gravenbage, W. ut supra; idem waar bet verzoek was gedaan, nadat de origincele eisclier op den eiscb van den god. de cautlo juclicalum solvi bad gesteld, bij vonnis van de Arr.-R. Arnbeni. v. 25 Oct. '1845. W. nquot;. 050; li. I!. jg. 1845, d. VII. p. 797; — zijnde hij vonnis der Arr.-R. Rotterdam, v. 2lt;8 April 1841, Pnyt in Ncdcrl.. d. Ill, p. 55 en 50, (bestreden door Oi ukman ut supra, 4de ed., 1. p. 99 sq.), meer expliciet uitgemaakt, dat de artt. 08 en'09 B. R., overeenkomstig eene gezonde interpretatie, niet anders kunnen bedoelen, dan dat bet eenen verweerder, zoodra bem het motief om tot vrijwaring op te roepen, hangende bet geding, is bekend geworden, niet vrij staat, verder ten principale te blijven voortprocedeeren, om eerst later met zijne bewering van vrijwaring te berde te kcnnen, maar dadelijk, ter voorkoming van allen oponthoud, zijn verzoek daartoe behoort te bewerkstelligen en mitsdien de rechter, naar gelang van zaken en wanneer voor den verweerder eerst later, ten gevolge van de judicieele contenance zijner tegenpartij en der door baar aangevoerd wordende middelen, de reden of de noodzakelijkheid om eenen derde in garantie te roepen, geboren wordt, bet verzoek om iemand tot vrijwaring op te roepen, kan toestaan, ook dan wanneer het niet gedaan is vóór of op den dag, waarop de verweerder ten principale had moeten antwoorden; idem liij vonnis der Arr.-R. 's-Hertogen-bosch, v. 24 Maart 1843, W. nquot;. 483, waarbij is beslist, dat de verweerder, ook na ten principale te hebben geantwoord, alsnog het recht heeft tot oproeping in vrijwaring en interventie, wanneer de eisclier zich voor het eerst bij suppletoire conclusien, tot staving der vordering, op de handeling van een derde, als zijnen agent, beroept; vgl. vonnis der recht-bank Rotterdam, v. 19 Jan. 1881, R. B. jg. 1881, A. p. 172, waarbij is

•254

ocr page 271

{Art. fi9.

lip.slist dat: waar de grond of aanleiding tot het oproepen in vrijwaring ,:crst ontstemt Ijij de conclusie van repliek, de gedaagde bij dupliek alsnog liet verzoek kan doen; lt;-f. Arr.-R. 's-IIertogenboscli, v. 20 April ISS:!. \\. nquot;. 404?) in (len/.elfden zin. /ie in tegenovergestelden zin I'. II. v. N.-lira-bant, v. '2 Nov. '187.quot;), R. Ti. jg. '1878, A. p. 27 sqq., waarbij werd beslist dat: onder «antwoord ten principalequot; in art. 08 evenals elders, alleen verstaan wordt dc eerste schriftuur, waarbij de gedaagde ten principale concludeert, en dat het verboden is om daarna het verzoek tot oproeping in vrijwaring in te willigen, of. Pinto. //lt;//., II, '1, p. *'0. even als de nr. Martini ad art. r, 3, is van meening, dat de gedaagde, zoolang hij zich nog niet heeft uitgelaten /'■/' iirincipcile, altijd nog kan verzoeken zijne waai-borgen op te roepen. — Vgl. nog hiermede een vonnis van de Ai r.-Ti, Hoorn. v. 5 Juni 1850, W. nquot;. 1139, bevestigd bij arr. van t I'. 11. v. N.-Holland, v. 23 Jan. 1851, W. nquot;. '1124; Amsterd. Regtspr., d. I.

272_270, naar luid waarvan een gedaagde, na ten principale te hebben

quot;■eantwoord. niet later, op grond van dezelfde daadzaken en feiten, in dit antwoord vervat, ontvankelijk is in een verzoek om verlof tot oproeping in vrijwaring, en dit te meer klemt, indien, gelijk ui tas»,geen genoegzaam verhand bestaat tnssrhen de oorspronkelijke vordering en die in vrijwaring gedaan.

'i I ndien men in eerste instantie een termijn tot oproeping in vrijwaring heeft bekomen, en daarvan geen gebruik gemaakt heeft, dan kan men niet in appèl nog eens die schorsing vragen.

1'. II. V. Utrecht, v. 10 Nov. 1845, R. 1'.., jg. 1845, d. Vil. p. 740—748. —Vgl. hiermedo ten betooge. dat in hooger beroep niet voor het eerst machtiging kan worden verleend tot het oproepen in vrijwaring — art. 348 li. R., arr. van 't P. H. v. N.-llolland, v. 23 Jan. 1851 sqq.

:i Het verzoek tot oproeping in vrijwaring stelt eene dilatoire exceptie daar, welke voor alle exception, behalve die van de artt. 152, 155 en 158, B. R. moet voorgesteld worden en uit dien hoofde is een verzoek tot vrijwaring, te gelijk met de conclusie van antwoord, geheel subsidiair en alleen voor het geval dat de daarin door den ged. vooropgestelde gronden van niet-ontvankelijkheid mochten worden verworpen, in strijd met de wet.

Arr.-R. Amsterdam, v. 8 Jan. '1850, VV. no. 1107; I!. 1jg. 1850. d. XII, p. 311—317; idem v. n. IIonkut, Formnlierb., I. p. 163 un de, M.mitini ad art. 08, //, 2 en /'.2; — anders in een vertoog, voorkomende in 't R. li. jg. 1852, p. 156—160, volgens hetwelk de oproeping tot vrijwaring vóór den dienenden dag niets anders is dan een incident, waarop de originele eischer belang hoeft gehoord te worden, ten einde de inci-dcnteele vordering te kunnen betwisten; idem, met een beroep opTiiEii-uaud : Motifs 'In. ('. de l'r. p. 22, bij Mr. Oi'iieman, 3de ed. p, 03

•255

ocr page 272

Art. 69).

n. It., Mc. ed., d. I, p. 04; dk Pinto, Ihll.. IT. 1, p. 05, Verxede, op art. 69 noot il 2; 0;///i. '■/' Mid., d. I, p. —171, van Bovevai, Fai'RE, Ned. B. Procesr. I, bl. 235 (2de ed. ]gt;. 287); do Witt Hamer, Ilandb. voor do Kant., bl. 272; cf. art. '155 li. II.. vonnis van do Arr.-lt. Amsterdam, v. 7 Oct. 1844 sqq.

De rechter kan, indien de zaak in staat van wijzen is, bij afwijzing van het verzoek tot vrijwaring, terstond op de hoofdzaak beslissen.

Arr.-R. Hoorn, v. 5 Jnni 1850, W. n». 1130, bevestigd bij air. van 't P. II. V. N.-Holl., V. 23 Jan. 1151. W. nquot;. 1224; Amsterd. Regtspr.. d. T, p. 272—270, vgl. ook vonnis Ktg. pl. 's-Gravenbage, 3 April 1882, vermeld ii|) art. 08.

Wanneer in eene summiere zaak meerdere conclusion gewisseld worden, kan het antwoord niet geacht worden gegeven te zijn, voor dat de laatste conclusie van de zijde des gedaagde is genomen, die mitsdien nog op den dag voor het nemen van die conclusie bestemd, het verzoek tot oproeping in vrijwaring kan doen.

Arr.-R. Rottordani, 20 Mei 1882, \V. n». 4782.

Art. 70.

I. Een oorspronkelijk verweerder in een geding, waar geschil is over bezit en al zoo over een zakelijk recht, kan na eene oproeping tot vrijwaring terecht buiten het geding worden gesteld.

Air. v. 3 Maart 1843. v. n. H.. li. R.. d. TV. p. 375—388. In gelijken zin is, hoewol moer expliciet, beslist bij arr. v. 't P. IT. v. /..-Holland,

v. 27 Dec. 1854, W. nn. 1(500. bevestigende een vonnis van de Arr.-R.

Rotterdam, v. 24 Mei 1854. \\'. nquot;. 1011 ; R. I!. jg. 1854. p. 350—350,

dal, daar, waar bet geldt eene vrijwaring wegens zakelijk recht, dour den gewaarborgden verweerder of gedaagde kan worden gevorderd, dat hij builen bet proces worde gesteld, en daaruit volgt, dat alsdan de waarborg verplicht is de zaak voor dezen over te nemen, zoodat de. woorden der wet; »dat de waarborg altijd de. zaak van den gewaarborgde zal mogen overnemenquot;, niet medebrengen, dat dit door den gewaarborgden verweerder nimmer kan worden geëischt, maar alleen bedoelen, dat de waarborg daartoe het vermogen heeft, ook dan. wanneer door den gewaarborgden ''T

verweerder geene buiten-proces-stelling is gevraagd ; idem bij de Pinto,

Ihll., IT. I. p. 90 en OunRMAS nt supra, 4de ed., d. T. p. 98 ; — anders echter door Mr. M. 11. Ptccardt, in de O/mi. en Mal., d. I, p. 175 sqq..

volgens wien de gewaarborgde alleen dan de overneming van de zaak

i

ocr page 273

[Art. 70

door den waarborg zon kunnen vorderen, wanneer hij voor dezen houder is van het zakelijk recht, niet wanneer dit recht van een derde afkomstig-is, en het dan nog aan den waarborg, ook dan, wanneer de gewaarborgde dit vordert, zon vrijstaan of hij a) dan niet de zaak wil overnemen.

Wanneer in cas van art. 70, al. 2, de eiscker vordert, dat de gedaagde in de zaak blijven zal, is aan den rechter de beoordeeling verbleven of daarvoor gronden aanwezig zijn.

Arr.-R. 'Piel, v. 8 .Tan. 1847, R. I!. jg. 1847. p. «75—077. - Vlg. omtrent de gronden, waarop de oorspronkelijke eischer zou kunnen vorderen, dat de gewaarborgde in het proces blijve. — Dk Martini ad art. n gt;. 4; vgl. Arr.-R. Amersfoort, v. 28 April 1858. W. no. '2012, waarbij — echter zeer in het voorbijgaan — schijnt te zijn aangenomen, dat de eischer door zich eenvoudig te verzetten, de buiten geding-stelling kan beletten.

Bij datzelfde vonnis werd beslist, dat de bepaling van dit art. al. 1 limitatief is en niet kan worden aangevoerd als argument voor de bewering dat het aan een van twee principale gedaagden vrij zou staan te verzoeken om de zaak te splitsen, en die, voor zooveel hem betreft, afzonderlijk te doen uitwijzen.

•ï. Len gedaagde heeft recht, om, na tot vrijwaring zijnerzijds gedagvaard te zijn, te vorderen, dut hij buiten liet proces gesteld worde, op grond dat de tegen hem ingestelde eisch, al is die voor het overige eene persoonlijke vordering (in specie tot liet onthouden van zekere daden voor het vervolg, en voorts tot vergoeding van de daardoor toegebrachte schade) op eigendom, en alzoo op een zakelijk recht is gegrond.

Arr.-R. Tiel, v. 8 Jan. 1847. R. li, jg. -1847, d. IX, p. 075—077. — Vgl. hiermede den Iloogl. v. Hau, ut supra, die van meening is, dat de vrijwaring in kwestie eene eenvoudige, geene formeele moest zijn; dat de grondslag van de furmeele (jarantie, in tegenstelling van de eenvoudige is, dat men meer met de zaak dan met de persoon te doen heeft, en de waarborg even goed of beter de zaak. tot welke de rechtsvorderingbetrekking heeft, in rechten vertegenwoordigt, terwijl, als men eene persoonlijke rechtsvordering instelt, men in de eerste plaats met een bepaald persoon te doen heeft, al is ook een ander voor diens handelingen aansprakelijk. — Cf. uk Maütini ad art. 72, a 3.

■i. Wanneer m geval van vrijwaring wegens zakelijk recht de waarborg de zaak van den gewaarborgde niet heeft overgenomen en deze niet gevraagd heeft buiten proces gesteld te worden, terwijl volstrekt geene conclusiën gewisseld zijn, is de oorspronkelijk gedaagde alleen de

Mr. . van Rossem Bz., Burg. Rechtsv.

ocr page 274

Art. 70.) 258

partij van de oorspronkelijke eiscliers, en kau de rechter op de vrijwaring niet letten.

Ait.-R. Assen. v. 14 Feln-. 183«) R. B. jg. '1859. J. IX. lil. 334—335.

.1/7. 7-2.

I. In zaken van eenvoudige vrijwaring staat het den zich voegenden

waarborg volkomen vrij, zelfstandige weren van rechten tegen den oor-

spronkelijken eisch in te brengen./quot;

Arr. v. 17 April 1874, \\ . iio. 3713, R. d. CA I § 41. v. n. 11.. I!. R..

Un-'ï0-/yyi (|| XXXIX. p. 323—334, wat dit punt betreft overeenkomstig de concl. van

lt;gt;' /lt;?oi den adv.-gen. Smits. — Cf. arr. v. 31 Deo. 1875 vermeld op art. 68 R, R. ;

/ ' idem Mof Arnhem, v. 1 Nov. 1876, W. nquot;. 4052; idem Arr.-R. Middelburg,

fro pur!:. v i i Dec. 1878 W. n0.4329, R. B. jg. 1880, A. p. 44; in ditui)ziclit conform

r / KL aamp;rtamp;tf het arr. Hof's-(iravenliage, v. 5 April'1880, R. B. jg. 1880, A. p. 359, waarbij

/ f hot vonnis werd vernietigd; idem Arr. v. hetzelfde hof van 10 Dec. 1879.

JUX R. 15. jg. 1880, A. p. 372, conf. de zeer uitvoerige concl. van den adv.-7 ^ ri__________ j.....l i., onr» . ,....1 a au

- jf-

tJCAyU^feu gen. Mr. CinEOonv t. a. p. hlz. 360; vgl. aant. 9 van dit artikel.

ymrvaJ?amp;-/,oyi^t'■ Ook aan een gedaagde in vrijwaring komt in sommige gevallen het recht toe om afschrift der conclusion te vorderen, welke door eene

/

urzoC wederpartij genomen worden, en bepaling van dag te eischen, wanneer

yUeè de conclusiën loopen over een incident, dat (gelijk de judicatum solvi)

anpj-, crtrO- exclusief tusschen den origineelen eischer en gedaagde gemoveerd wordt.

ttmy Arr.-R. te 's-Ilertogenbosch, v. 1 Bec. 1841, \V. no. 311. — Cf. nrt.

faf^eJU 452 is. |{,. vonnis van dezelfde Arr.-R. van denzelfden datum.

I . . 1. ...

^ ;5 Het vragen van eene voeging m cas van eenvoudige vrijwaring

-jj eene summiere zaak bij verzoekschrift (en niet bij conclusie), levert ^quot;ggpH grond op tot niet-ontvankelijkheid, te minder, wanneer deze niet ^ (loor de tegenpartij wordt verlangd.

, /t/. 7^ ...

/ , ,______Arr.-R. Amsterdam, v. 30 Jan. 1850, \\. 110. 11 l'i.

(ft-JS'S' .

//»lt;2^*^4-. De waarborg is vrij in het kiezen van zijne eigen middelen van

(Ju Lp*- ^«7^- verdediging, en mag hierin niet door vorderingen van den oorspronke-

lijk eischer worden beperkt.

^ Arr.-R. Sneek, v. 24 Juni 1852. R. B. jg. 1853, p. 178—181.

/'/ruVL .....

' Kene conclusie tot voeging, door een eischer in vrijwaring ge-

w.

/ wlf* ■

. zsfyt ^'t- rsrns si

1. _

ocr page 275

(7gt;y^i*ennStJof ; /jci^ ^lt; *-4f n^'i /•. J'S'—'^y i'y' {* A (/d?v ,

259 (.4,./. 72.

nomen, kan (daar waar, gelijk in specie, eene exceptie van onbevoegdheid is opgeworpen) eerst dan te pas komen, wanneer de rechtbank zicli competent heeft verklaard, om van het onderwerp van het geschil kennis te nemen, doch is het, indien er eene exceptie van onbevoegdheid is opgeworpen, strijdig met de proces-orde, om eerst de voeging der zaken te bevelen, en later te onderzoeken, of over eene der zaken wel door de rechtbank kon worden gecognosceerd.

Arr.-R. Amsterdam, v. 12 Juli 1853, R. I!. jg. 1853, p. 5G8—570. — (T. art. (ÏS li. I!.. air. van i I'. II. v. Utrecht, v. 8 Oct. 1851.

lt;!». Waarborgen, die reeds bij gewijsde zijn veroordeeld in al datgene, waarin de oorspronkelijk gedaagde later mocht worden veroordeeld, kunnen daarna bij de behandeling der principale zaak niet mede-procedeeren.

Arr.-R. Dordrecht, v. 31 Dec. 1860, VV. n0. 227().

Bij niet-verschijning van een gedaagde in vrijwaring kan van geene schorsing der beslissing op de oorspronkelijke vordering ter zake van den eisch in vrijwaring sprake zijn, eti behoort die eisch, ingeval van toewijzing der oorspronkelijke vordering, zonder nader onderzoek en bewijs der geposeerde feiten, ten profijte van het verleende verstek, mede te worden toegewezen.

Arr.-R. Amsterdam, v. 10 Maart 1866, VV. u0. 2719.

Wanneer de voeging niets meer is dan eene vergunning tot gelijktijdige behandeling van twee verschillende gedingen, ondergaat de verhouding van partijen onderling door die voeging geene wijziging;, zooals wel het geval is, bij de voeging in dit art. bedoeld.

Arr.R. Amsterdam, I Oct. 1879, \V. no. 4477, R. li, Jg. 1880, A. |). 355; vgl, ook vonnis dier zelfde rechtbank van 20 Nov. 1873, R. li. jg. 1875, A. p. 231, \V. iiquot;. 3678, waarbij is beslist, dat wanneer alleen do zaken gevoegd zijn, elke zelfstandige venvering van den gedaagde in vrijwaring tegen den oorspronkelijk eisclier vervalt, /.ie vooral over liet verschil tusschen de hier bedoelde voeging en voeging van de twee zaken Arr.-R. Amsterdam, v. 8 Maart 1878 aangehaald sub art. 73 li. R.

4

Eene nadere rechtelijke uitspraak omtrent de voeging is onnoodig omdat dit art. aan den in vrijwaring opgeroepene het recht geeft zich

ocr page 276

Art. 72).

in liet aanhangige geding te voegen, welk recht van voeging, als op die wetsbepaling gegrond, niet kan worden betwist.

Arr. Hof 's-Gravenhage, v. 5 April 1880, R. 1!. jg. 1880. \. p. 359, ook vennelii onder ilit art. no. i.

Vgl. het hiertoe betrekkelijk vonnis der Arr.-R. Middelburg, v. -J'l Deo.

(878 _ mede sub iiquot;. I van dit art. aangehaald, waarbij e.ene rechtelijke

uitspraak werd onnoodig geacht, omdat in casu partijen zicli tegen ile voeging niet hadden verzet. Tdem ;ds het arr. Hof s-Gravenhage. quot;t 1'. 11. v. Gelderland, v. 8 Mei 1872 (1871), W. n0. 3460. I!. I!. Jg. ■1872. p. 721 ; idem Arr.-R. Assen, v. 21 Nov. -188-1, W. no. 4804.

Vgl. navolgende uitspraken :

De wet bepaalt niet welke processueele rechten de hier bedoelde voeging den waarborg geeft; het is twijfelachtig of deze, enKel tengevolge van de oproeping in vrijwaring, ooit het recht kan krijgen zich tegenover den oorspronkelijken eischer in lite te plaatsen , het bestaan van zoodanig recht is zeker dan onaannemelijk, wanneer tusschen den gedaagde in vrijwaring en den oorspronkelijk eischer geene rechtsbetrekking ter zake van het onderwerp des geschils bestaat.

P. II. V. N.-lIolland, v. 18 .Inui 1874, W. n». 3774 en van 27 Kov. -1873, \V. no. 3680, beide ook vermeld op art. 46 li. R. -k'5^.

De gedaagde tot vrijwaring, die op de bij de wet voorgeschreven wijze in het geding is geroepen en de vrijwaring op zich heeft genomen, is, co ipso, en zonder dat daarvoor nog eene rechterlijke uitspraak noodig was, met den oorspronkelijken eischer in rechtsbetrekking geraakt.

Arr.-R. Zutphen, v. 26 Oct. 1871, \\ . n0. 3511.

/.ie in anderen zin Arr.-R. Groningen, v. i■ gt; Juni i860, R. 0. jg. 1868 p. 658, waarbij werd beslist, dat er geen acht raag geslagen worden op. eene conclusie door den gedaagde in vrijwaring tegen deu oorspronkelijk eischer genomen, voordat eerstgenoemde als gevoegde partij was toegelaten, en alzoo vóór hij met den origineelen eischer mocht litis conte-steeren. Vgl. de eerste aanteekening van dit artikel

Zie mot betrekking tot de voeging der beide zaken Arr.-R. Amsterdam, v. 8 1'ebr. 1853 sqq. ad art. 73 I!. R., en over het verschil tusschen beide soorten van voeging Arr.-R. Amsterdam, v. I Oct. 1879 sqq. ad hoc art.

Vgl. wijders, omtrent de eenvoudige vrijwaring — art. 129 I!. 1!.. air. van quot;t l'. II. v. Gelderland, v. 18 Hec. 1850.

ocr page 277

(Art. 73

Art. 78,

1. Art. 73 B. R. is niet geschonden, indien niet gezamenlijk is recht gedaan op den oorsproukelijken eisch en dien tot vrijwaring, in geval de principale zaak nog niet in staat van wijzen, maar integendeel geschorst was.

A it. v. 3 Maart 1843, v. d. 11.. B. ]{., d. IV. p. 375—388; idem Arr.-R. 's-Hciiogenbosch, v. ti Mei 1808, R. 1). jg. 'I860, p. 520, waarbij is beslist dat dit art. niet verbiedt uitspraak te doen op de vorderinü'in vrijwaring, voordat de lioofdvordoring in staat van wijzen is: tevens werd overwogen dat dit artikel niet gescbreven is voor liet geval dat de eischer iemand in vrijwaring oproept; idem Ktg. Lemmer, v. 17 Jan. 1872, W. n». 3431.

Zie echter navolgende beslissingen :

Op den eisch tot vrijwaring kan niet worden beslist, zoolang op den oorspronkelijken eisch geene beslissing is genomen.

P. 11. v. Groningen, v. 4- Maart 1873, W. n0. 3602, waarbij het Hof, waarvoor de vrijwaringsprocedure in appèl Langende was, vóór nog de oorspronkelijke vordering in eersten aanleg was beslist, bet rechtsgeding op de vrijwaring schorste, totdat op de hoofdvordering zon zijn recbt gedaan. — Idem Arr.-R. Rotterdam, v. 8 Mei 1876. li. li. jg. 1878, A. p. 35, waarbij de gedaagde in vrijwaring geen procureur had gesteld. -Idem rt P. 11. v. Zeeland, v. 10 Dec. 1872, R. 1!. jg. 1873, p. 505, ver-, uietigende het vonnis der Arr.-R. Goes, v. 29 Maart 1872 t. p., pag. 160; in welke zaak gevorderd werd eene afzonderlijke uitwijzing omtrent de al- of niet gehouden beid tot vrijwaring, terwijl bet hoofdgeding nog niet in staat van wijzen was, ja zelfs do oorspronkelijk gedaagde zijn weren van rechten nog niet bad bekend gemaakt. Vgl. ook Arr.U. Amsterdam, v. S Maart 1878, R. 1!. jg. 1878, A. p. 150, waarbij werd beslist dat de door den wetgever geregelde loop der procedure elk denkbeeld uitsluit, alsof in de eerste plaats de verplichting tot vrijwaring zou moeten worden uitgemaakt en tot zoolang de hoofdzaak zou moeten worden aangehouden.

*£ Bij eene gewone oproeping tot vrijwaring (geëxploiteerd vóór den dag, waarop de principale zaak moet dienen) heeft de voeging van het hoofdgeding en dat van vrijwaring niet van rechtswege plaats, maar moet de rechter beslissen of de voeging al dan niet zal bevolen worden.

De wet toch kent geene voeging of tusschenkomst van rechtswege, maar verlangt overal, waar dit onderwerp behandeld wordt, een vonnis van voeging.

Arr.-R. Amsterdam, v. 8 l'ebr. 1853 R. li. jg, 1853 p. 238; vgl. vonnis ,dierzelfde R'J') v- 8 Juli 1872, R. 13. jg. 1878 A. p. 30.

ocr page 278

Art. 73).

Anders ten aanzien van het nevnl. dat dn oproeping tot vrijwaring hij vonnis is toegestaan, Arr.-R. I'.reda. v. 17 Nov. 1857, W. no. 1975, waarbij werd beslist, dat daarbij de voeging der zaken rechtens plaats heeft. — Cf. Arr.-IJ. Amsterdam, v. 28 Oct. 1881, H. B. jg. 1881, A. p. 178, waarbij wordt uitgegaan van liet beginsel, dat de voeging der zaken van zelve plaats heeft; en beslist dat de afzonderlijke uitwijzing van denoorspron-1 ijken eiscli alleen dan kan plaats hebben, als deze laatste in staat van wijzen is.

Vgl. de noot der Red. van het IJ. Ij. in jg. 1879, p. 155, waar, naar aanleiding van een vonnis der Arr.-R. Rotterdam, v. 8 l ebr. 1879. t. a. p. (waaruit blijkt dat de rechtbank de voeging had gelast bij dictum ter rol Ie), wordt gezegd, dat ook al heeft bij zaken van vrijwaring de voeging van rechtswege plaats, dergelijk dictum ter rolle, waartoe ook de rechtbank het initiatief kan nemen, met het oog op de verwisseling van personeel zeer praktisch is.

Vgl. wijders ten betooge, dat eene uitdrukkelijke voeging der hoofdzaak met den eisch in vrijwaring niet te pas komt, omdat uit de bepaling van dit art., betrekkelijk de afzonderlijke uitwijzing, volgt, dat de wetgever niet heeft gewild dat in limine litis door den rechter een de partijen en hem zelf bindend besluit worde genomen, om beide vorderingen zoodanig samentekoppelen, dat de beslissing op beide slechts bij één eindvonnis zou kunnen geschieden.

Arr.-R. Amsterdam, v. 8 Maart 1878, li. U. Jg. 1878. A. p. l.)9, W. iiquot;. 4290.

Vgl. hiermede het vonnis dierzelfde rechtbank van 4 lebr. 1874, li. li. jg. 1875, A. |). 236, waarbij werd beslist dat wel het verzoek tot voeging en gelijktijdige hahandeliny kan worden toegestaan, maar niet dat tot gelijktijdige tifilociiing, als in strijd met art. 73 H, R. — Zie ook Arr.-R. llotterdam, v. I(i Febr. 1876, \V. n0. 3967.

Zie echter vonnis der Arr.-R. Amsterdam, v. 22 Juni '1877, R. 1gt;. jg. 1878, A. p. 30, waarhij liet verzoek tot voeging, ten einde de zaken gelijktijdig te behandelen cn af Ie dooi. werd toegestaan.

S Het proces over de hoofdzaak, het proces in vrijwaring en dat over den eisch in reconventie, alle te gelijk voldongen en in staat van wijzen zijnde, moeten ook gezamenlijk bij één vonnis worden beslist, zonder dat eenige voeging noodig zij, volgens de regels, gesteld bij artt. 73 en 252 B, R. op welke geene uitzondering is gemaakt voor het geval, dat een der medegedaagden te gelijk gedaagde in vrijwaring en reconventioneel eischer is.

Air.-U. Amslordum. v. 29 Maart 1853, li. 1!., jg. 18.):!, p. 249—2.)/i. vgl. ook Mr. S. J. IliNGST, in K. ISijdr., d. 1 (1875) p. 461 sqq.

•262

ocr page 279

Art 73.)

-t. Na verloop van den termijn van schorsing is de oorspronkelijk eischer volkomen bevoegd zijn eisch, al is die nog niet in staat van wijzen, tegen den oorspronkelijk gedaagde te vervolgen, zonder dat de bepaling van dit art. hem daartoe in den weg staat.

Arr.-Jv. Sneek. v. 18 April 1800, \V. n0. 2201. \ Lil. Ai r.-U. 's-Graven-hage, v. 10 Febr. 18G0. W. n0. 2139.

•». Wanneer eene zaak in staat van wijzen verkeert, is een verzoek tot oproeping in vrijwaring volgens de bepaling van dit art., niet meer ontvankelijk.

Arr.-U. Rotterdam, v. 22 Maart 187G, \V. no. ;.K)59; vgl. het aange-teekende ad art. 69 1!. li. sub n0. 1.

€» Wanneer liet verband tusschen de hoofdzaak en de vordering tot vrijwaring niet zóó nauw is, dat eerstgenoemde niet afzonderlijk zon kunnen worden beslist, behoort de behandeling van den principalen eisch niet geschorst te blijven, tot de beslissing over het geschil in het vrij waringsproces.

Arr.-U. Groningen, v. '27 Jnni 1S7I5. \V. 11°. 3024.

3. Zie omtrent de vraag wie in de kosten der procedure tot vrijwaring veroordeeld moet worden, wanneer de oorspronkelijke vordering wordt afgewezen —

dc aanteekeningen op art. 50 L.

Art. 74.

i. Ue vordering tot ouder-vrijwaring, wegens eene possessoire actie ingesteld, is (ook ter zake der niet-appellabiteit) geene oorspronkelijke en op zich zelve staande, maar eene accessoire vordering in eeiie aanhangige principale zaak, met welke zij ten nauwste is verbonden, zoodat zij, die ter zake dier vrijwaring gedagvaard zijn, volgens art. 74 15. R, gehouden zijn te procedeeren voor den rechter, voor wien de oorspronkelijke possessoire actie aanhangig is.

Arr.-R. v. 22 Febr. 1850. \V. n0. -H41, 1!.. dl. XXXV. § S. v. n. II..

I!. 1!.. dl. XJ. p. 280—288; bevestigende een arr. van 't P. li. v. (iolder-

ocr page 280

a,amp;C . lA*.' 1 'r ^«A ^t^c/ * ■ /r ^vi-tr-e c^/j^a lA-rt v /-f-y a/. x--7* *f.4-*-'2r Irw/'

CA.nJU~ CAM- ervi.i*n^ nt ^CaQ^^O— '-Uc^c* £. Clt;- CH -k /-V O* t'-i f ons £. uy^/r e el**.*.

Art. 74.) 264 , o / /,

/ /■ Aa-l^ £ gt;1 yi'^- 'Tter n ^-^L- /'/ * rv . -T ^. . 7? Ó 6x 5, IfbiJ.

land, v. 24 Tan. 1848, R. B. jti'. 1849, d. XI. [). 170 sqq. De llooge Raad besliste tevens, dat de al- of niet vatbaarheid voor liocger beroep van liet over do vrijwaring gewezen vonnis, van de hoofdzaak afhankelijk is, zoodat, wanneer het in de hoofdzaak te wijzen vonnis niet appellabel is.

ook door den rechter over de vrijwaring in het hoogste ressort wordt beslist* Zie in strijd niet dit laatste arr. Hof Arnhem, v. 21 Maart ISS:!. W. no. 4890 en v. 5 Dec. 1SS3, W. nquot;. 5078, waarbij werd lieslist, dat lt;yv2-v- ^el, iieoor(|ecljng van de vraag of de uitspraak op eene vordering tot

/amp;£. 'fesf - vrijwaring al of niet voor appèl vatbaar is, het eir/e» karakter dier vor-

s / lt;2/quot; rf? Zd7 '-'eriiig behoort te worden onderzocht. — Cf. art. 08 B. R., arr. van 1 Xe^/ ^ |v H. v. 7..-Holland, v. Ti Dec. 1854.

^ j[)e gejaagde in vrijwaring moet ook dan procedeeren voor den f °rechter, voor wien de oorspronkelijke zaak aanhangig is, wanneer de oorspronkelijk gedaagde, eischer in vrijwaring, een forum privileyi-diuni heeft.

Air. v. 27 Jan. 1870. \V. no. :il82, R., d. XCIV § 12, v. n. 11., B. K.. dl. XXXIV. p, 220—224, in revisie bevestigd bij air. v. 27 Jan. 1871. VV. n0. 3294, v. n. 11.. B. R., dl. XXXV. p. 361—440.

Vgl. Mr. de Pinto, Hdl. II, 1, p. 103.

:t. In een reclitsgeding, aanhangig voor een lageren rechter dan den IToogen Raad, kan de Staat niet worden geroepen tot vrijwaring

Hoezeer in het algemeen in vrijwaring mag en moet worden gedagvaard voor den rechter, bij wien de principale zaak aanhangig is gemaakt, derogeert niettemin de bepaling van art. 161 der Grondwet, volgens welke alle persoonlijke actiën, waarbij de Staat als gedaagde wordt aangesproken, voor den Hoogen llaad moeten worden gebracht, aan bovengenoemden regel van procedeeren; en, indien het geoorloofd ware, den Staat als gedaagde in vrijwaring voor eene rechtbank of een kantonrechter in eene persoonlijke zaak te dagvaarden, zou het privile-(jïuvi J:ori, hetwelk de grondwet aan den Staat heeft toegekend ten eenemale verloren gaan.

Deze reclitsheschouwing wordt bevestigd door art. 53, in verband met art. 87, 2o. Wet op de li. ()., alsmede door art. 250, 2o. B R.

Arr.-R. Anisterdain, v. 27 Oct. 1859, AV. nquot;. 2174, R. li. jg. 1859, p, 620—622, waarbij op bovenstaande gronden, en omdat het verbod is van constitutioneelen aard, het verzoek tot oproeping van den Staat in vrijwaring werd gewezen van de hand. Vgl. ut; Pinto, li. li. H, l,p. 103 sq., die eveneens van ineening is. dat de Grondwet verbiedt den Staat voor den lageren rechter ook iu geval van vrijwaring te dagvaarden, docli desiiiottegenstaande oordeelt dat de rechter, die de onschendbare

' 3Vamp;U/2~'

ocr page 281

wet, moet toepassen, nl is din in stnjd met do Grondwet, zooals in casn art. 74 li. R.. zijne onbevoegdheid op dien grond niet mag uitspreken, maar het, geene uitzondering ten deze opzichte makende, art. 74 li. li. moet toepassen.

-4. Dit art is ook van toepassing op vreemrlelingen, die ingevolge art. 1^7 15. 11. voor den Ned. rechter gedagvaard kunnen worden.

Arr.-lt. (rroninffen, v. '13 Juli 1877. W. n0. 4'109.

Wanneer bij een pactum de compromittendo is bepaald dat alle eventueele geschillen tusschen den thans eischer in vrijwaring en gedaagde in vrijwaring beslist zullen worden door een arbiter, dan derogeert deze overeenkomst aan het eerste gedeelte van de bepaling van dit artikel en aan die van 126 n0. 14 B. li., en moet de rechter zich onbevoegd verklaren van den eisch tot vrijwaring kennis te nemen.

Arr.-li. Amsterdam, v. quot;il (Jet. 1878, \V. uo. 4357, li. I!. jg. 1879. A, p. 51: cf. red. t. a. p., p. 53; idem 't P. II. v. Gelderland, v G Mei 1808, \V. n0. 3044, R. ii. jg. 1870, p. 470; waarbij werd beslist, dat aan de bepaling van dit art. kan worden gederogeerd, zoodat partijen, ook in cas van vrijwaring, de procedure voor den gewonen rechter kunnen uitsluiten, en zich aan de uitspraak van scheidslieden onderwerpen en dat de actie tot vrijwaring niet zoo onafscheidelijk is van het oorspronkelijk geschil, dat de eerste niet afzonderlijk zou kunnen worden berecht, zooals blijkt uit art. 73 I!. R., en dat de uitdrukkingen: «alle geschillen tusschen lt;ie contracteerende partijen ontstaande over onderwerpen betreffende de overeenkomst» niet beperkt kan worden tot geschillen tusschen de contractanten als /ioo/(üpartijen voorkomende, maar ook tot geschillen over vrijwaring; cf. ook Arr.-R. Arnhem, v. 20 Juli 1877. \V. n0. 4171.

\rt. 75.

A. liet bepaalde bij art. 75 B. R. ziet blootelijk op het geval, dat de eischer niet verschijnt op den rechtsdag, beteekeud bij de dagvaarding, waarmede de rechtsingang aanvangt en niet op dat, voorzien bij de artt. 258—261, jo. art 254, laatste al. B. R. — moetende in het laatste geval de hoofdzaak bij verstek worden beslist, zooals dit niet alleen volgt uit de bizondere bepalingen, daarvoor in afd. 12, t. 3, van het eerste boek B. 11., voorgeschreven, maar ook daaruit moet worden opgemaakt.

ocr page 282

Art. 71.)

dut indien, in eene reeds loopende procedure, door den dood van den procureur des eischers geschorst, de gedaagde bij verzuim eener nieuwe procureur-stelling, door dien eischer, ingevolge art. 75, van de instantie moest worden ontheven, alsdan al de handelingen, welke in die procedure, vóór den dood van dien procureur, en dus in coutradicturio judicio, reeds zouden hebben kunnen plaats gehad, als niet geschied zouden moeten worden beschouwd enz.

Air. v. '2 Dec. 1842, NV. rio. 357, U., dl. XIII, § .quot;gt;2, v. n. 11.. IS. li. dl. IV, p. 94—102.

Zie wijders quot;hiermede in verband het navolgende:

Ouder de woorden '/ten beteekenden rechtsdagequot; moet alleen verstaan worden de rechtsdag bij de introductieve dagvaarding aangeduid. Tegen den eischer kan dus geen verstek verleend worden die, na een door hem bij deurwaarders-exploit gegeven avenir, ter daarbij aangewezen terechtzitting niet verschenen is,

Arr.-ll, Amsterdam, v. 7 Nov, 1879, R. li. jg. 1880, afd. A,blz. 18, alhoewel volgens de rechtbank bovengenoemde uitdrukking zou hwinen geacht worden evenzeer aan te duiden eiken dag, waartegen partijen in den loop van het geding hij deurwaarders-exploit in rechten geroepen worden, zoo volgt daar niet uit, dat het in de bedoeling van don wetgever heeft gelegen ook dvzc beteekenis aan die woorden te geven. Immers wanneer de wetgever dit gewild had, waarom zon hij niet hetzelfde bepaald hebben voor eiken naderen rechtsdag door den rechter bij wege van uitstel aangewezen, waarop de woorden «ten beteekenden rechtsdage» zeker niet toepasselijk kunnen geacht worden. Daarenboven put de rechtbank een argument voor hare beslissing uit het feit, dat onze wetgever het in het Fransche recht voorkomende «défaut faute de conclure» of «défaut faute de plaider» niet overnam, en dat de woorden «ten beteekenden rechtsdagequot; eene vertaling zijn van art. 10 C, de Pr. C. waar gesproken wordt van «le jour indiqur'' par la citation•gt;, en misschien wel aldus werden geredigeerd om gedaagdes anticipeerende oproeping ook in zich te begrijpen; idem Arr.-R. Rotterdam, v. 4 Febr. 1880, H. li, jg. 1880, A. p. 347; idem Arr.-U. Ciromngen, v, 22 Nov. 1872 vermeld sub art. 136 IS. I!.; idem P. II. v. Gelderland, v, 24 Mei 1871, W, n0. 3399; cf, ook P. II v. Zeeland, v. 25 Nov. 1862, H. B. jg. 1864, p. 134.

Anders bij navolgende beslissing :

Tegen den eischer moet verstek worden verleend, en de verweerder van de instantie ontslagen, zoowel bij met-verschijning op den eersten beteekenden rechtsdag, als bij niet-verschijning op een later dienenden dag (m casu op den dag bestemd tot het houden eener enquête).

ocr page 283

,-/ ^ qr t^o*- • tr-ov-- -tA~ -T-^O^---^.Jgt;. ^ -, ^ ^

's-Gmvfiiilmjre, '15 Sept. 1856, W. ii0. I79:i, --«-^o . lt;gt;£amp;. J)— Vgi. ook in anderen zin Mr. L. G. Grekvk. in Mr. ('. M, v. rgt;. Kkmi'V

1 -, _ Oiitw. ut supra (3de druk), btz. 274 vlgdc, voorliet geval dat op vor-

/ ^ c'v■ zoek van partijen (op den beteekenden rechtsdag verschenen) door den

{Ji kantonrecliter bepaald is. dat de zaak op een naderen dag zal behandeld

a f {fit-, worden. Die nadere daa' komt dan volgens schr. in de plaats van deu bij

^yud^ ■ dagvaarding bepaalden'.

omtrent de vraag of onder de woorden: quot;heteehmdev mehf-nflagquot; in art. 75 en '■dievende dagenquot; in art. 135 H. R., uitsluitend moet verstaan worden de eerste dienende dag, bij dagvaarding beteekend, met dat gevolg dat, wanneer de gedaagde eenmaal procureur in het geding heeft gesteld en deze op den bij de dagvaarding beteekenden rechtsdag is verschenen, geen verstek moet worden verleend,

maar die uitspraak steeds als contradictoir moet beschouwd worden,

al mocht ook die procureur op latere terechtzittingen niet verschijnen —

art. '135 li. 1!.. arr. v. 8 Oct. 1844 sqq. en aant. 16 op art. 76 13. I!.

. üe eischer en opposant, die, alvorens copie te leveren van den eisch, waarvan hij gediend heeft, bewijs vordert van de kwaliteit van den gedaagde en geopposeerde, kan niet geacht worden in het (jeheel niet te zijn verschenen, en alzoo tegen hem geen verstek worden verleend.

Arr. v. 19 Mei 1850, \\ . nquot;. 2667, vonhetigende vonnis Ilol'Siirinanic.

v. 10 Kebr. 1857. W. nquot;. 1986.

:S Met het oog op art. 82 der Wet v. 13 Brumaire V I Ide jaar en art. 65 der Wet v. 23 Frimaire van dit jaar, behoort er verstek te worden verleend tegen dengenen, die in oppositie komt tegen eene van wege het bestuur ingestelde vordering van zegelrecht en boete, met dagvaarding van hetzelve voor de rechtbank, doch in gebreke blijft eenc memorie bij de rechtbank in te dienen en aan het bestuur te doen beteekeuen.

Arr.-R. Deventer, v. 28 Nov. 1838, U., dl. I, § 64.

i. Ofschoon de wet niet voorschrijft hoe te handelen, in geval beide partijen, ten dage dienende, niet verschijnen bij een bevolen getuigen-verhoor, blijkt het, bij eene gezonde wetsnitleggiiig, dat art. 75

ocr page 284

Art. 7.5).

H. Ji. alleen op den eisciier toepasselijk is, en mitsdien tegen cleu eischer verstek moet worden verleend en de verweerder van de instantie moet worden ontslagen.

Air.-R. Alkmaar, v. 18 Juli 1840. li. li. jg. 1845. dl. Vil. p. 325; anders bij gt;lr. v. n. Kemp, Ontw. ut supra, p. 301 (3de druk), en in een vertoog van S. Al. in 't li, li. jg. '1845, dl. VII. p. 520 en 527, volgens wieu de zaak in dit geval, met liet oog o|i art. 42 van t reglement van inwendige dienst, goedgekeurd bij Kon. Besluit v. 24 Sept. 1838 (S/W. nquot;. 30), dji de nd moet worden doorgehaald.

•». Indien al, naar aanleiding van art. 75 13. R, het niet vooraf voldoen van de kosten van liet verstek een middel van niet-ontvanke-lijkheid oplevert tegen het op nieuw beginnen van den aanleg na het verleende verstek, zoo kan dit in allen gevalle niet toepasselijk zijn, in geval de nieuwe instantie reeds vóór het verleend verstek wettig was aangevangen.

P. II. v. Gelderland, v. 15 Jan. 1841, \V. nu. 100. — Cf. art. 1 Igt;. I!.. sub n0. 0 en art. 278 B. 1 i.. arr. van denzelfden datum.

W. Art. 75 B. It. is, ook met betrekking tot de voorafgaande betaling der kosten, in dit art. vermeld, als voorkomende onder de alge-ineene bepalingen van reelitsvordering, van algemeene toepassing en mitsdien ook ten aanzien der rechtsgedingen voor de kantongerechten Arr.-li. Assen. v. I(i l'ebr. 1846. li. 1!. jg. 1848, dl. X. p. 404—400.

%. üe kosten, vermeld in art. 75 B. 11., kunnen eerst gezegd worden betaald t^ zijn, wanneer het aangebodene is aangenomen of van consignatie gevolgd.

Arr.-ti. Assen, v. 16 Feijr. 1846, H. li. jg. 1848, dl. X. p. 404—400. fn cas van art. 75 B. II., kan eene betaling der kosten van het verstek na de tweede dagvaarding in geene aanmerking komen, vermits in dat art. de rede is van het op nieuw beginnen van den aanleg, dat is van het door dagvaarding aanvangen van nieuwen rechtsingang.

Arr.-R. Assen, v. 10 Febr. 1846, li. H. jg. 1848, dl. X. p. 404— 400.

fS. Zie ten betooge, dat de verklaring, ten dienenden dage, van den procureur des eischers, dat hij tot het nemen van conclusie niet in staat is gesteld, met het niet verschijnen van den eischer gelijk staat — art. 138 I!. 11., vonnis van de Air .-li. G runingen, v. 17 Juni 1853.

ocr page 285

Art. 75.)

lO. De regelen der burgerlijke rechtsvordering zijn ook op de civiele notie in strafzaken van toepassing, voor zooverre liet tegendeel niet is bepaald. Hieruit vloeit voort, dat ook bij niet-verschijning der beleedigde partij in Itooger beroep, art. 75 1?, R. van toepassing moet worden geacht.

1'. II. v. N.-Holland, v. '2(1 Nov. -18Ö5, W'. n0. 171(1.

De stelling wordt in hetzelfde n0. van liet W. v. li. I(. tegengesproken, vooral op grond, dat bij art. 75 sprake is van eenbeteekenden rechMcu/ door den eischcr aan den gedaaydo, en dat daarbij niet de rede is van oen dorde, liet Openb. Min., dat alleen partij in )iet strafgeding is en waarvan de beteekening uitgaat. De rechter zou volgens schr., in dit geval, hetzij do beleedigde partij aanwezig is, hetzij niet, op hare vordering, in eersten aanleg gedaan en uit het proces-verbaal der terechtzitting blijkende, behooren recht te doen.

Zie over het onafscheidelijk verband tussclieti de strafactie en de gevoegde civiele actie, I.kon, Strafv. ad art 24() n0. 4.

f 1. Verstek behoort ambtshalve, desnoods zonder eenige conclusie te worden uitgesproken tegen den eischer, die een onbevoegd gemachtigde zond, om voor hem op te treden. A.ls zoodanig is te beschouwen de eenige ter terechtzitting fungeerende deurwaarder, die niet tevens kan zijn gemachtigde van eene der partijen.

c/a^y~ !^,a—w

7

Ki

oicwv^. /O (hJ-.

IJ1 fa, UC it-'. srPio.

. 1981; vgl. ten aanzien van het her Ivemi'. Otihi\ ut supra (3de

■y. *■-

/

^ ^ 3.

Ktg. Alphen, v. 28 Oct. 1857, W. n laatste deel dezer beslissing Mi'. v.\x druk, door Mr. L. G. Guef.vk). hlz. 269.

fquot; yvv ré. , tzAS?UHPè,

I 3. Wanneer een appellant, tegen wien verstek is verleend met ontslag /£lt; fsfy■ van den verweerder van de instantie, zich andermaal in hooger beroep voorziet, doch zonder de kosten op het verstek gevallen, te hebben voldaan, geeft dit geene aanleiding tot nietigheid van dagvaarding, doch moet hij in zijn beroep niet ontvankelijk worden verklaard.

•2 fig

2602. li. 1). jg. 1865.

I'

v. (Ie

srland. v. 23 Maart 18(i4, W'.

504.

■^r

! Indien de eischer op de terechtzitting der rechtbank, bedoeld in art. 825 Kooph., geen procureur stelt, moet tegen hem verstek verleend en de verweerder van de instantie worden ontslagen.

Arr.-R. Amsterdam, v.

rechtbank v. 4 Oct. 1881,

ronveen, v. 6 Jan. 1871, W. n». 3533.

n0. 3255; idem dezelfde 198; idem Arr.-U. llee-

30 Maart 1870, \V. R. B. jg. 1882, B. p.

ocr page 286

Art. 75.)

Vgl. hiermede het vonnis dierzelfde rechtbank van 24 Juli iH7'l. W. uquot;. 3519, waarbij is beslist dat bij deze procedure de verdere inbond van dit artikel geene toepassing kun vinden, zoodat de eiscber na dien di'ii aanleg niet op nieuw kan beginnen bij gewone dagvaarding.

i J-. Waar slechts een der beide eiscliers in rechteu verschijnt, moet tegen beiden verstek verleend worden en de gedaagde van de instantie worden ontslagen.

Ktg. liquot;. 111. Ainsterdam, v. 0 April 1874. li. IS. Jg. '1874, p. n/ti.

Cf. navolgende beslissing :

Wanneer van meerdere eischers sommigen op den beteekenden rechtsdag niet verschijnen, behoort tegen de eischunde partij zelfs ambtshalve verstek te worden verleend en de verweerder van de instantie ontslagen te worden.

Ktg. Woubrngge, v. 27 Juli 1859, R. lï. jg. ISSÜ, dl. IX, blz. .gt;10—511. Anders hij vonnis An -R. Amsterdam, v. 24 Mei 18/1, W . n0. 33/3. waarbij werd beslist, dat in dat geval geen verstek behoort te worden verleend, maar de gedaagde met de verschenen eischers moet vonrtpro-cedeeren.

Zie eene kritiek van deze beslissing door R. in W. n0. 3376.

Vgl. de in strijd met bot vonnis genomen conclusie van den subst.-offic. Mr. II. .1. Kist, in W. nquot;. 3373, die betoogde dat alleen tegen do niet verschenen eischers verstek behoorde te worden verleend, en de gedaagde ten hunnen opzichte van de instantie moest worden ontslagen, terwijl de overblijvende eischer volgens liet O. M. voor zich zeiven moest beslissen of bij bet geraden achtte alleen den eisch door te zetten, of wel vrijwillig afstand van de instantie te doen.

Cf. Mr. i.. (i. Greevi; : O/Uiv. ut supra, p. 271.

Vgl. ook liet tot evengemeld vonnis der Arr.-R. Amsterdam, betrekkelijk vonnis Ktg. nü. I. Amsterdam, v. 22 lebr. 18/1, \\. nquot;. 33;)2. waarbij was uitgemaakt, dat de verschenen eischer (een der curatoren van een faillissement), door zijn beroep op mondelinge volmacht, de overige behoorlijk vertegenwoordigde.

g Dit artikel sluit de vordering niet uit van schadevergoeding, door een verschenen gedaagde ingesteld tegen een eischer, die dagvaardde voor het kantongerecht, maar de zaak niet ter rolle bracht.

Ktg. nquot;. ill Amsterdam, v. 8 ,\lei 1876, \\. nquot;. 3977.

Ander* Ktg. Vollenhoven, v. 5 Maart 1869, W. nquot;. 3249, voorn, op grond dat nergens den eischer de verplichting is opgelegd om de zaak tor rolle van het kantongerecht te doen inschrijven, maar de gedaagde zelf bij verzuim van den eischer ook daartoe de bevoegdheid heeft.

270

ocr page 287

^9-

I/Art-'-. ^

---, AX*

ay£ yo

IQ si-

lt;Z-CL,

lt;1/ c.

Cry^J

— l/^t/LsO ö-^C-__

ot*—{ yxs^id-tyZ: tAs^amp;je^cU. ^x^-O

1 ayy?~£ ^

Zr.

j2^*-amp;y£- ^cyCst^yZ-

'2—C^X—

t/quot; rurgt;ut~

, '271

'■£. 'Ve--—«z^t-quot;lt;- ,

'!amp;. ÏMn*. Ari- 7 5 • * ^ quot;4^ 14' '

rLa^v

/J. Ïn'. KMO, P. f. eJjtt, *fi.i..l±lt; K* ^(TOX

IC». Tegen den niet aanwezigen eiscber is eene vordering tot zekerheid niet denkbaar.

Door alzoo dergelijke vordering in te stellen, erkent de gedaagde de verschijning in rechten van de eischeres, dat is in casu de regelmatigheid der volmacht van den persoon, door wien zij zich deed vertegenwoordigen.

Arr.-R. Amsterdam, v. 19 Mei 1870, W. 11°. 4010.

I 3 . Wanneer de dagvaarding is voorwaardelijk, moet bij niet-verschij-ning van den eiscber, de verklaring van den gedaagde, dat de voorwaarde waaronder bij is gedagvaard, (nl. de niet-voldoening aan de sommatie tot ontruiming) is vervuld, voor waar aangenomen worden en bet gevraagde verstek worden verleend.

Ivtg. Groningen, v, 23 .Iimi 1879, \\. ir1. 4430.

fl N, Tegen den niet-verschijnenden eiscber kan geene vordering in reconventie worden ingesteld.

Ivtg. Groningen, v. ;!(l Juni 1879. \V. n». 4430, I!. I!, jg. 1880, A. p. 31.

tO. Onder -/aanleg op nieuw'' is ook te verstaan, als de eiscber,

na eerst alleen de hoofdsom te hebben gevorderd, die daarna met de renten eiscbt.

Air.-R. Assen. v. 30 .Tnni 1879, R. 1!. jg. 1880. A. p. 30.

Art. 70.

I. Een arrest van den Hoogen Raad, gewezen op de voorziening m cassatie van het Openbaar Ministerie, in zake van al- of niet-toelating van een advokaat tot den eed, kan, als de gerequireerde niet is verschenen, niet worden geacht te zijn gewezen bij verstek, met dat gevolg, dat daartegen verzet zou zijn toegelaten. Op zoodanig verzet kan, als het Openbaar Ministerie, daarop gedagvaard om bij procureur te verschijnen, niet verschijnt, geeu verstek worden verleend.

Air. v. 28 (18) .Tmi. 1850. \\, nquot;. 1710; 1!.. d, |.| S |O ■ v n || ,11 XX, p. 157—109.

ocr page 288

Art. 7fi.) 272

•» kan rreeu verstek worden verleend, indien niet blijkt, dnt de rechtsdag nan den ged. is beteekend, bij dagvaarding bepaald of tus-schen partijen bestemd,

Ivtg. ('ulcnbdriï. v. 'M Febr. 4842, W. nquot;. '284. — Cf. art. 135 I!. R., arr».' van 't 1'. H- v. Zeeland, v. 5 April 1842; vonnis van de Arr.-R. 's-llertogenbosch, v. 5 Aug-. 1842 sqq., en van de Arr.-R. Assen, v. 18 Ni iv. 1844.

:S. Vermits de persoon, die in rechten verschijnt, in geene verdere betrekking kan worden in aanmerking genomen, dan in die, welke hij bij zijne verschijning aanneemt, volgt hieruit dat, indien wel eene firma van gelijken naam, doch niet dezelfde firma, niet dezelfde persona moralis, is opgeroepen en een der vennooten op de dagvaarding verschijnt, maar in zijne betrekking als vennoot eener andere firma, alsdan de gedaagde firma of de vennooten, tot die firma behoorende, niet kunnen gezegd worden in rechten te zijn verschenen en er mitsdien verstek behoort te worden verleend.

Arr.-R. 's-Gravenhage, v. I Febr. 1843. \\ . n0. 483.

| Indien een gedaagde in kwaliteit van curator eener onbeheerde nalatenschap tot afgifte van goederen wordt gedagvaard, zonder dat daarbij tevens als daadzaak is gesteld, dat deze betrekking door hem is aangenomen of aanvaard, dan moet, bij niet verschijning van den o-edaagde, bij het verleende verstek tevens de eisch worden imtzegd.

Arr.-R. Assen, v. 19 Febr. 1849, W. n0. 1275.

5. Een eisch is onrechtmatig in den zin van art. 70 B. R., indien hij is ingesteld tegen iemand die voorloopig is gesteld in een krankzinnigen-gesticht en de eischer daarvan tijdens de instelling der actie niet onkundig was.

Ivtg. Appingedain, v. 20 Juni 1850, W. no. M83.

ft. De woorden «niet onrechtmatig of ongegrondquot; in het slot van art. 76 voorkomende, behooren niet in die enge beteekenis te worden opgevat, dat de rechter, na verleend verstek, elke vordering, welke hem onrechtmatig of ongegrond voorkomt, moet toewijzen, als zijnde er gevallen, waarin de eischer, ook dan, wanneer het geding bij tegenspraak ware behandeld (gelijk in casu, alwaar was gevorderd èn ont

ocr page 289

{Art. 70.

binding en nakoming tevens eener overeenkomst van iiuur en verhuur, zie art. Io0lt;quot;3 15. W., vonnis van de Arr.-R. Amersfoort, van 25 Juli 1849 sqq., sub u0. 16 en art. 104 B. R., arrest van !) Maart 1849), zelfs van ambtswege, bij het stilzwijgen van den gedaagde, in zijne vordering niet-ontvankelijk zou moeten worden verklaard.

Ktg. 's-I [ertogenboscli, v....... -1852, W. iilt;gt;. 1884; idem en med«

ten betooge, dat cl(^ rechter, die niettegenstaande het verstek eene vordering, welke liem m jure onrechtmatig en ongegrond voorkomt, afwijst, volkomen juist vonnist, bij vonnis der Arr.-K. Arnhem, v. 2li Nov. 1841.

Jo- '1842, dl. l\. ]gt;. 554 en R., dl. X, § 35, alwaar de actie tot terugvordering van rechten van zegel, registratie enz., was ingesteld, niet tegen het bestuur, maar tegen den ontvanger persoonlijk en deze niet op de dagvaarding was gecompareerd (hij welk vonnis echter, na het verleend verstek volgens I.kox verkeerdelijk de tegen den gedaagde ingestelde rechtsvordering is verklaard onrechtmatig en ongegrond, in stede van den eischer riet-ontvankelijk te verklaren) ; idem door de Redactie van I \\. iin. 1384, en met betrekking tot deze kwestie, in de vertoogen. in \\. n,s. 1386, 1.388 en 1391. - Hinder echter is men het tot dus verre eens over de beantwoording der vraag: «o/ de vordering bij versie/; txik kan worden afgewezen wegens gebrek aan bewijs in facto»'? hie vraag is bevestigend beantwoord bij vonnis: iquot;. van de Arr.-R.'s-Iler-togenbosch, v. 4 Mei 1840, W. nquot;. Ill ; R., dl. IX, § 28, onder anderen up grond, dat de wetgever niet heeft bedoeld om als beginsel vast te stellen, dat in geval van verstek de eischer onvoorwaardelijk van alle bewijs zijner vordering zou zijn ontheven, noch de rechter gehouden zou zijn om, zonder eenig bewijs, de conclusiën toe te wijzen, maar, — die toewijzing niet bindende aan de meerdere of mindere waarde van het bewijs dei- vordering — de appreciatie van hare ongegrondheid aan den rechter heeft opgedragen, door deze op te maken uit dé zaak zelve, uit ile omstandigheden en uit al datgeen, wat door den eischer tot staving van zijn eisch wordt voorgedragen, niet terugzien steeds op het doel dei-wet, of namelijk de gedaagde zou moeten of kunnen gehouden worden, door opzettelijk niet te verschijnen, aan den eischer de mogelijkheid tot levering van het bewijs van zijne vordering te hebben willen ontnemen; '2°. van de Arr.-R. Uorinchem, v. 11 Sept. -1841, W. nquot;. 227, waarbij de eischer althans tot eenig bewijs gehouden wordt verklaard ; 3°. van de Arr.-R. Nijmegen, v. 7 Dec. 1847, W. nu. 895, waarbij is beslist, dat, ofschoon in den regel, in cas van verstek, het niet tegenspreken dooiden gedaagde van de door een eischer bij dagvaarding en conclusie gestelde daadzaken, waarop hij zijn recht doet steunen, aan den rechter grond kan geven, die daadzaken voorloopig als genoegzaam gestaafd aan te nemen, zulks echter den eischer in geen geval kan ontheffen van zijne uit art. 1902 H. W. voortvloeiende verplichting, om bij conclusie de titels of daadzaken aan te voeren, waarop zijn eisch rust, met aanbod Mr. W. van IIohskm II/., Burg. ICechtsu. is

ocr page 290

r n ' / j}~ .'n L- try r,^,*iLOf trm^t^ c, Q^cC. tgt;lt;l-a~^*~ QJ*4cJlsr7sia*syr.m

v^,jlvUlt;L^ 'quot;quot;quot;^ -

7/ ^ 3a '^3 'yquot; byy3.

quot;om do bewijzen te leveren, welke hij voor .lie daadzaken bezit m geval r~ . 1.^ ;,— van tegenspraak, ten einde ook den rechter in cas van verstek in staat / A».» ^ tc gte|i,,ngt; om. wanneer de aangevoerde daadzaken in zich zelve hetken-

V*— ^ lliei.u van onwaarschijnlijklieid dragen, de levering van dat aangeboden

' ■ bewijs te gelasten; 4o. van het Ktg. Onderdendam. v. 27 Mei 1840.

^ 2W-—ƒ l I .n Ncdcrl d j, p 334 (o, a.? ^ hoofde daarbij het profijt van Irmruo-JLy^j gt;**(- het verstek is ontzegd op de gronden, welke alleen in een contradictoir / n-edinquot; de ontzegging van den elsch zouden kunnen billijken, te recht /-W- ojtUvft, i***- bestr(rflen 1,1. doen- den inzender, en, gelijk ook de redactie van het . y 7/„ Scdcrl. opmerkt, kwalijk verdedigd in dat Tijdschrift li., p. 377

m'.m. 50. van de Arr.-R. Vtrecht, v. 2H Jnli 4844, R. U. jg. 1844. d. VI. p.'600—602, op grond dat het middel van verhoor op vraagpunten eu van den beslissenden eed met vrucht tegen kwaadwillige gedaagden llt;tinnen gebezigd worden en de gedaagde niet verschijnende, die vraag-mmten voor erkend moeten worden gehouden, welk gevoelen mede wordt verdedigd door I'., in quot;t It. Igt;. jg. '1842, dl. IV, p. 61—64; idem bij Oi-demax, 4de ed., dl. 1, p. -108, die aldaar echter, even als de Martini,

ad art. 3, en gelijk ook blijkt uit bovenstaande beslissingen, en zelfs wordt erkend door uk Pinto ter onderstaande plaatse, — welke laatste echter, bezwaar vindende in hetgeen door /(quot;'/' of gedceltelijl; bewijs zal moeten worden verstaan, meent dat zulks noodwendig tot willekeur zal moeten leiden en uit dien hoofde tot de na te melden conclusie komt,

doet uitkomen, dat in geval van verstek, niet hetzelfde volledig bewijs van den eischer wordt gevorderd, hetwelk hij bij de verschijning van den gedaagde verplicht zou zijn te leveren, terwijl ue Martini, ut supra, tevens van gevoelen is, dat de rechter in dit geval, daartoe termen vindende, tot aanvulling zijner wetenschap of overtuiging een interlocutoir zou kunnen bevelen. _ ■ , \cr|. verder in denzelfden zin: Arr.-Il. Appingadam, v. 45 Juni 48;gt;i. W no. 1033, Arr.-R, Alkmaar, v. 20 Maart 1856, Tl. TJgt;, jg. '1857, dl, VII. hlz, 41)3 eu I', 11. v, friesland, v. 2 Mei 1866, W. n0, 2793 en Mr.D.Uingeii in Themis, 3de verz. 1874, blz. 42, die betoogt dat de eischer do waarschijnlijkheid der geposeerde feiten door die bewijsmiddelen moet weten to leveren, welke ex prima facie den rechter kunnen overtuigen; hetgeen z. i. ook het geval is in appèl, wanneer de gedaagde noch in eersten aanleg noch in hooger beroep verschijnt; terwijl vlg. dienzclfden schrijver zeer deugdelijk bewijs moet geleverd worden door den appellant, gedaagde in eersten aaiileg. bij met-verschijning van den geintimeerde (eischer m eersten aanleg).

/ie ook Air,-II, Deventer, v, 23 Januari 1861, U, li, jg. 1863, p. 610 sq.

De tegenovergestelde leer echter, (dat namelijk ingeval de gedaagde niet verschijnt, de eischer in den regel althans, van het bewijs der dcmdzaUc. is ontslagen) wordt verdedigd door iie I'inti», UdL, II. 1. p. 169; ^l1'-v 11 Kemp in Onlw. ut supra (3de druk door Mr, Greevr), hlz, 272; de redactie van 't W. in 11«. 227 en 1384, en is alsmede aangenomen bij vonnis van r Ktg. Onderdendam, v. 2 Sept. 1840, W. iio- 4«O, en nieer hreedvoerig bij vonnis van't litg. n». IV Amsterdam, v. 26 April 1842, AN, 11quot;, 295; R. li. jg. 1842, dl. IV. p. 412 sqq., naar luid waarvan, volgens art, 76 li. R.. aan den rechter, in geval van verstek, geen ander onder-

ocr page 291

,Z!*Jt^' -Tr ^A'r éc^ yi, ^ . ■/r,^ ^l l^r „ ; /fryS r iPqjP r^C.i^.

/fó /4iJm.,// /q . 275 {Art. 7ft.

?£' ■ pz aff/gt; gt;v°J-£. ^A. U.-i/r ly- . ;

zoek dei' ingestelde vordering is opgedragen of zelfs vrijgelaten, dan of die blijkbaar oiimchtmotifi is, dat i.s ouc/vi'tjwc/ uj sti'ijdiQ mcl eëiiiyi'

ïi'etshepfiluH/. -of wel unf/egvoiHl, d. i. of ci' ook eenvoudig betctling gevraagd wordt zonder eenigen red el/j hen grond te vermelden, waarom de gedaagde gezegd kan ivordeu tol betaling gehouden le zijn. Vul.

voorts over liet doel dezer wetsbepaling air. I'. II. v. Gelderland, v. Is Maart 1X16, bij Mr. Hi-irtzvelh ut .supra, blz. 47. - - Vgl. hiermede nog: a. een vonnis van de Arr.-R. Amsterdam, v. 10 l ebr. '1847. I'. 'Jg- 1847, dl. IX. p. 219—±M. volgens hetwelk de eischer in zooverre van den last van bewijsvoering {in casii alwaar men zich, tot staving zijner vordering tot vernietiging eener overeenkomst, ter zake van wanpraestatie, beriep op eene akte, slechts door een kruisje getee-kend, vgl. art. 1 'H1 li \\.. arr. v. 26 Mei 1846) is ontslagen, als de erkentenis des gedaagde, — gelijk in casu, vermits de vordering niet strekte tot de vernietiging van de quasi-akte, maar slechts als bewijsmiddel werd bijgebracht, — voor bewijs zou hebben kunnen gelden;

h. in verband hiermede, nopens de vraag, of eene daadzaak, waarop een eischer tot echtscheiding of scheiding van tafel en bed zich beroept, bij niet-verschijning van den gedaagde, zonder bet leveren van nader bewijs,

voor erkend kan worden gehouden — art. '204 li. VV., 2de druk en supplem., vonnis van de Arr.-R. Zwolle, v. 0 Dec. 1843 sqq., sub n0. 5,

art. 200 1!. \V. sub n0. 12. en art. 288 I!. W. sub no, 19; zie ook Hof 's-flravenhage, van 31 Maart 1884, W. no. 5034; 1'. II. van 1 (rente, van 25 lebr. 1871, \\ no. 3357 en een opstel van Mr. VV. li.

Kkijntn .It;., in N. liijdr.. dl. I\ (1878). blz. 584 sqq., waar de vraag bevestigend wordt beantwoord; arr. P. 11. v. Gelderland, v. 7 Juni 1843, bij Mr. llEirrzvEr.n ut supra, blz. 35; Arr.-R. Tiel, v. 21 Juni 1878, \V. no. 4280,

waar de vraag ontkennend wordt beantwoord ; en c. in hoeverre al dan niet de handteekening van een defaillant voor erkend moet worden gehouden —

art. .gt;2 li. R., vonnis van de Arr.-R. 's-Gravenhage, v. 31 Jlei 1844 sqq.

Zie over de toepasselijkheid van dit artikel in onteigeningszaken arr.

v. 21 Dec. 1877, \\. n0. 4187. Arr.-R. quot;s lioscli, v. 13 Maart 1807.

R. R. ,jg. 1808, p. 544; Arr.-R, Arnhem, v. 17 Maart 1881, li. li. jg.

1881, D. p. 139, en verder Mr. W. Tiiorrecke 1. c. p. 152 sqq.

5. Er moet verstek verleend worden tegen de behoorlijk gedagvaarde gezamenlijke erfgenamen, wanneer in de constitutie hunne namen en woonplaatsen niet voorkomen — in dit geval toch zijn zij niet behoorlijk in rechten verschenen.

Arr.-R. Assen, v. 0 Nov. 1854, W. n0. 1788 en van 22 Oct. '1860.

VV. n0. 3024; vgl. hieromtrent verder art. 4 li. R. sub n». '16.

Hoewel in geval van verstek, tegen den gedaagde verleend, de conclusiën van den eischer behooren te worden toegewezen, moet die eisch echter worden ontzegd, wanneer erfgenamen, voor schulden van den erflater, op hen overgegaan, gedagvaard worden, alleen ieder voor

ocr page 292

Art. 711.) 276

zijn aandeel, zonder tevens met opgave van de hoegrootheid van ieders aandeel en van het bedrag, waartoe ieder hunner zou kunnen worden veroordeeld.

Ari'.-K. Winschoten, v. :{ Jan. \V. nquot;. 1000.

ï». Wanneer man en vrouw beiden gedagvaard zijn, zoo moet ook de vrouw geacht worden niet verschenen te zijn, wanneer de man zijnen bijstand niet verleent.

in casu kan echter geen verstek verleend worden, vermits de dagvaarding niet op wettige wijze ter kennisse van den man is gebracht.

KUr. uquot;. iV Amsterdam, v. i) Juli 1857, \\. nquot;. '1878.

IO. Verstek kan niet verleend worden tegen den niet verschenen U'edaaquot;-de, die in het tijdsverloop tusschen den dag der dagvaarding en den dienenden dag is verklaard in staat van faillissement bij vonnis in het openbaar uitgesproken en behoorlijk gepubliceerd, wanneer de cischer tegen hem en niet tegen diens curator het geding voortzet.

Ait.-R. Gorinchem, v, 15 Febr. 1859. \V. n0. 2078. \evg. Arr.-li. 's r.oscb, v. 5 Aug. 1842 sijq.. sub art. 135 ]gt;. 1!.

1:1. Wanneer tegen den geïntimeerde in appèl verstek is verleend, wordt daardoor zijne ontkentenis van zekere feiten in eerste instantie niet opgeheven, zoodat de door den appellant gestelde feiten, hoewel eenigszins verschillende van die welke hij in eerste instantie heeft gesteld, niet ten prolijte van liet verleend verstek als erkend kunnen beschouwd worden.

Arr.-R. Amersfoort, v. (i Maart 18()i, 1!. 11. ,jg. 1803, dl. Xlll. blz. 339—342.

f*. Zoowel in het geval van art. 76 als in dat, bedoeld bij art 79 15. R. behoeft verstek tegen den niet-verschenen gedaagde niet ver-jLl /ertffeA k- 'ee'K^ te wor(^en' 'n(lien eischer uitdrukkelijk bij conclusie verklaart

x het overbodisr te achten en daarvan af te zien.

0

/ j, p. H. v. N.-Holland, v. 22 Sept. 1864, W. nquot;. 2009. — Cf. Jlr. D.

tnuh ? /ecstd lliNGKü in Themis. 3de verz.. jg. 1874, lilz. 24 sqq.

k'TricUrf '■*

rf- ac'!t rec'lt^an'lt; z'c^ onbevoegd uithoofde van liet

a onderwerp van het geschil, zoo behoort zij tocli tegen den niet-ver-

fa y/7. i, schenen gedaagde verstek te verleenen, vermits liet verleenen van

}%!rnd ■x.jr ^

h/ï ji°

ocr page 293

[Art. 76.

verstek is eene zaak, bloot van procesorde, en niet ingrijpt in het onderzoek der zaak zelve.

P. li. v. Drente, v. '21 April 18(3(3, \V. n0. 2800, R. li. jg. 1867. p. 253.

I -I. Een gedaagde, die na zijne verdediging te hebben voorgedragen, niet op een gecontinueerden rechtsdag verschijnt, moet beschouwd worden daarvan te hebben afstand gedaan ; zoodat de conclusion van den eischer, die niet onrechtmatig of ongegrond voorkomen, behooren te worden toegewezen.

Ktg. iio. 1 Rotterdam, v. 2 Febr. 1870, W. no. 3190. Kenc beslissinir waarmede dn redactie van liet \Vccl;hlail zich niet knn vereenigen; vgl. aant. 1(3.

I •» Ook na verleend verstek tegen een der gedaagden behoort de ontvankelijkheid en de gegrondheid van de vordering tegen dien niet-verschenen gedaagde te worden onderzocht.

\rr.-R Utrecht, v. 13 Maart 1872. W. nquot;. 3517.

I lt;» Indien een gedaagde ten dienenden dage procureur heeft gesteld, maar deze in gebreke blijft conclusie van antwoord te nemen, als zijnde daartoe niet in staat gesteld, behoort er tegen hem verstek te worden verleend.

Arr.-R. lirielle, v. 10 Jan. 1873. \Y. no. 3585; anders arr. P. II. v. Gelderland, v. 25 Febr. 1840, bij Mr. IIkkt/vkui, ut supra, blz. 40. Vgl. de aanteekening sub art. 75 B. R. n0. 1. Zie ook art. 135 H. R., arr. v. 8 Oct. 1841 sqq.

IS. Na toewijzing bij verstek eener vordering bij provisie kan de principale vordering, bij hetzelfde exploit van dagvaarding ingesteld, zonder nieuwe dagvaarding, evenzeer bij verstek worden toegewezen.

Arr.-R. Alkmaar, v. 12 Nov. 1874. W. n0. 3823.

I lt;S. Wanneer de gemeente in rechten is geroepen, en ten dienende dage verschijnt een persoon als gemachtigde van den burgemeester op diens eigen gezag zonder meer, behoort er verstek tegen de gedaagde gemeente verleend te worden.

Ivtg. Onderdendam, v. 31 Juli 1880, W. no. 4(310. Idem wanneer een bandelsvennootscbap in rechten is geroepen en ten dage dienende word( procureur gesteld voor een physiek |iersoon. Arr.-R. Itotterdam. v. 'i Jan. 1882, I!. I!. jg, 1882. A. p. 2({

277

ocr page 294

Art. 7fi.) 27«

1H. Zie over de vraag of er verstek behoort verleend te worden tegen den curandus, die niet verschijnt op de bij art. 496 B W. bedoelde oproeping —

art. 490 li. W. uu. 1.

Vfr|. ook oen opstel in \V. ii0. I9±2. getiteld i(Uuratele», alwaar die \raalt;gt;' bevestigend wordt beantwoord. Zie over de vraag of in geval van artt. 524 of 550 li. VV. liet vonnis al dan niet moet wordennitgesproken bij verstek, W. n0. 2532.

'iO. Zie een opstel over quot;de leer van het verstek volgens de artikelen 76 en 77 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering» door Mr. I). Bingek, advocaat te Amsterdam, in Themis, jg. 187 1, p. 10 en vlg. —

3 4. Zie — omtrent de al dan niet ontvankelijkheid van het hooier beroep, wanneer, bij de niet-verschijning van den gedaagde teleerste instantie, geen verstek tegen hem is verleend —

art. 335 li. li., arr. van 't P. 11. v. Drente, v. 17 Jan. 1844.

•5*5. Zie over de vraag hoe gehandeld moet worden, wanneer de niet-verschijning van den gedaagde het gevolg is van diens overlijden, hetwelk tusschen den dag van beteekeniug der dagvaarding en den dienenden dag heeft plaats gehad —

Mr. II. Sciiaai' in een opstel getiteld: «.Art. 7(') en art. 79 \\. v. 11. I». Hiidrage tot de leer van liet verstekquot;, in Thrmis, jg. 1884. j». 313 sqq.

•gt;;s Zie over de vraag in hoever er verstek verleend mag worden tegen hem, die het jus standi in judicio mist —

,\. li. in U. li. jg. 1880, A. p. 44.

1/7. 7?.

f, Ook onder du werking van het Ned. Wetb. van lgt;. II. kan het verstek tcifeu een ifcdaau'du verleend, cn wel voor dat er ten

ocr page 295

(Art. 7«.

principale is recht gedaan, door zijne verschijning voor den rechter met opgave van voldoende redenen, waarom hij ten dienende dag, niet is kunnen verschijnen [in, casu in eene nadere terechtzitting) opgeheven worden [rabatlre le défaut).

Ktg'. 's-Hertogenbosch nine die. VV'. ii0. 30!); idem (alwaar de termijn van dagvaarding niet was in aclit genomen en de kantonrechter zulks eerst na liet verleend verstek had ontwaard) Ktg. Enschedé, v. 26 Mei 1852. \V. n0. 1385. — Vgl. de bedenkingen hiertegen door den inzender in 't W. ut supra, alsmede Oudeman, die in 4de ed., dl. I. p. 113, doet opmerken, dat onze wetgever deze reeds onder den C. de l'roc. Civ. betwiste bevoegdheid des rechters niet heeft veroorloofd. Volgens dezen schrijver dus kan het eenmaal gewezen vonnis door den rechter niet worden ingetrokken, dan op het verzet van den defiiillant, in den wettigen vorm gedaan. Vgl. Hingek in Themis jg. 1874, blz. 29 en volgg. en de liij Onikmax aangeb. Fransche schrijvers.

'i. Verstek wordt verleend bij het uitroepen van de zaak op dc terechtzitting en niet na verloop van zekeren termijn.

1'. II. v. X.-Holland, v. 30 April I84('i. \V. no, 7.0.quot;); idem \ . in \\. n0. 3239. Zie echter Mr. v. n. Ivemp ut supra, blz. 271 sqq. - Vgl. arr. I'. II. v. Overijssel, v. 5 Juli 1841, hij Mr. IIkuïzvki.ii, ut supra, blz. KI. naar luid waarvan op het niet-nakomen dezer bepaling geen nietigheid is gesteld.

Ir/. 79.

I. Het voorschrift van dit artikel komt bij de procedure in appèl alleen dan te pas, wanneer de niet-verschenen geïntimeerden zijn opgeroepen binnen den wettigen termijn van hooger beroep.

Arr. v. .quot;) April 1872, \V. no. 3449: v. n. II.. II. R., dl. XXXVII. lil/.. 22 en volgg. Zie ochter de sub hoc art. n0. 2 aangehaalde beslissing der Arr.-R. Breda,

*i. Uit de duidelijke en ondubbelzinnige bewoordingen van dit artikel vloeit voort, dat de bevoegdheid tot oproeping van den defaillant en tot voortzetting der aangehoudene zaak, alleen en uitsluitend is toegekend aan den eischer (in casu appellant), en dat alzoo die bevoegdheid aan ieder ander is onthouden.

Air. v. 25 .hm. 1S7S. W. nquot;. 421 I : It, d. CX VIII, § lil: K. 15, jg, 1878, A. p. I29o; idem arr. Hof Amsterdam (contj'a de concl. (V M.) van quot;21 (25) Maail 1882. VV. u*-1. 4794. 1{. Igt;. jg. 1X82. A . j». .jü sqq en v. 23 Maart 1870. W. 11°.

37!)

ocr page 296

Art. 77.)

1012. I!. 11. j^i'. 1876, A. |i. 18i. Vlt;rl. onk de lt;i|iiiifirkiiig(;ii dor ledac-lii' van hot !!. Igt;. jg. 187C. A. p. 1X5 on van v. H. I'. t. a. p., p. 294 sqq. Zio over do govaarlijko gevolgen van deze overigens in jnre constituto juiste beslissingen. Mr. A. F. K. IIautooh in W. n0. 4794; vgl. ook Mr. v. ii. Hans in W. nquot;. 4798, en 1gt;. v. A. in W. n0. 4804.

Anders an*, v. 12 Dec. 1873, W. n0. 3660, 1\.. dl. CV § 41 (koloniaal appèl) waarbij werd beslist, dat lioezoer aan don eiscbor de keuzo gelaten wordt, wanneer hij hot procos wil voortzetten, do verschenen gedaagde echter daardoor niet verliezen kan het recht hem bij de artl. 140 en 147 li. R. van Suriname (145 en 140 Nod. W. v. T?. R.), toegekend, om, wanneer de wettelijke terniijnen verstroken zijn de zaak zelf te vervolgen ; dat toch do dagvaarding niet onbepaald kan worden uitgesteld, en hot dus, indien de verschonen go-daagde op voortzetting aandringt, ter beoordeeling van den rechter staat , nf aan don eischer al dan niet oen behoorlijke termijn tot oproeping van den niet verschonen gedaagde is gelaten; al hetwelk te meer klemt, wanneer de gedaagde is executant, en de executie door opvordering van eigendom van wege den eischer is geschorst; zoodat de eischer, aan wien eon bekwame termijn was gelaten, en die, eerst na afloop van dien, de zaak voortzet, terecht niot-ontvankelijk is verklaard in de voortzetting van den door hem ingestelden eiscli tot opvordering, met opheffing van de schorsing van den verkoop.

In denzelfden zin, wat de hoofdzaak lietreft. Arr.-R. Gorinchem, v. 4 I loc. 1800. W. nquot;. 2259, waarbij beslist werd, dat ook aan den gedaagde liet recht toekomt te sommeeren tot voortzetting van bet geding, maar dat nogtans de eischer daarop in do gelegenheid moet worden gestold om op de hoofdzaak zijn beweringen voor te dragen.

Vgl. ook navolgende beslissing:

Elk gedaagde, ook degeen met wien bij het ontstaan van een vonnis van aanhouding contradietoir is geprocedeerd, heeft het recht, om, wanneer de eischer in gebreke blijft de zaak voort te zetten, hem tot voortprocedeeren te noodzaken, zonder verplicht te zijn, daartoe de medewerking van zijn medegedaagde in te roepen.

Niettemin is met het recht tot voortprocedeeren niet overeen te brengen de conclusie van den gedaagde tot niet-ontvankelijk-verklaring in de voortzetting der hoofdzaak, en mag de rechter op zoodanige conclusie de zaak niet als afgedaan en niet vervolgd beschouwen, terwijl de eischer mede niet gerechtigd is om tegen de conclusiën van den gedaagde eene niet-ontvankelijkheid te stellen, daarop gegrond, dat voor de vervolging der zaak, bij art. 79, al. 1. 1?. 11. geen termijn is gesteld; zijnde het overigens niet aan den rechter verbleven den termijn te bepalen, welke hij art. 79 B. R, geheel aan den eischer

280

ocr page 297

«Lu lA.*ju-t C L*.nrui~(^ cy OJLajC^ ^ksc-L f

c^c^c(_jc^, 0~*GJC£,2JLS^O ' *-*-■lt;'A ~ s^cAstx £*. xy I lt;4 lt; ^ ir0 '* gt;-'/'lt; '-' quot; ---^- L f yv/ Msamp;^ayisTisCt,

ctjjur' 41. ~ HXs^y Cgt;CAso-e-ofjJ-amp;lt;MjCcA^^ tj!~ lt;*yy.£. Ojj OL. c^oc^cx^*-^, «-c* ^ ^lt;2,_

'sj\ r-* (/A- : rfamp;o. ^U A^4 A' St amp;ctsyv-i Xo 28 J £c'C'./J cnj , (A //tf. (Art- 79. OK'X.^7Tgt; féic,

*^^v*JUlt;(LJryt IQ

is overgelaten, en moet dus de voortzetting der zaak ten principale Styt-. /ƒ/y,tó-. aan de meest diligente partij verblijven. /ootd.

■'i

Ait.-1!. Amsterdam, v. quot;21 1'iOiv. 1854. li. II. jj:'. 185\. p. ^00 en '207.

Vjjf], liiermode een air. van 't I'. II. v. N.-Holland, v. 27 .Tan. 1848. \V.

iin. 897 ; li. H. jf:'. I 8/h8. dl. X, p. 210—212. ook aangeh. in R. 1). ,jp.

187(1. nfH. A. p. 295. waarbij is beslist, dat, zoo al bij de wet geen termijn, binnen welken na een vonnis van aanhouding de niet-verschenen gedagvaarden op nieuw moeten worden opgeroepen, is bepaald, liet echter zoo uit den aard der zaak, als uit de aangehaalde Metsbepalingen volgt.

dat die herhaalde dagvaarding spoedig moet geschieden, terwijl de eischer of appellant, die de herhaalde dagvaarding, niettegenstaande hij daartoe is gesommeerd, binnen den hem gestelden termijn niet doet, eene. de rechten zijner wederpartij kwetsende, nalatigheid pleegt, waarvan hij de nadeelige gevolgen zicli zeiven te wijten heeft, zoo als dit met het volbrengen vau elke verplichting om iets te doen, na daartoe in mom gesteld te zijn. volgens de algemeene beginselen van het recht, het geval is. en hieruit volgt, dat, wanneer appellanten in gebreke blijven, niettegenstaande de herhaalde aanmaningen van de verschenen mede-geïntimeerden. de in art. 79 li. R. voorgeschrevene beteekening, enz... te doen.

alsdan de termijn, voorgeschreven bij art. 279 li. R.. niet is van toepassing, en zij alsdan niet-ontvankelijk zijn in het verder voortzetten van -j. het ingesteld hooger beroep, met dat gevolg, dat het vonnis a (jHo.

wegens gemis van daartegen ingebrachte grieven, moet worden bekrachtigd. — Cf. art. 344. li. R.. arr. van hetzelfde 1'. H. v. li Nov. 1853.

3. Dit art. is ook van toepassing op de moeder, die, partij in liet geding, bedoeld bij art, 315 B. VV., in gebreke blijft in rechten te verschijnen.

Arr.-ll. Nijmegen, v. 8 Oct. '1839, li. li. jg. 1858. dl. VIII. blz. 208. en in gelijken zin S. M. t. a. p., blz. 100—112 en 204—2(17: — Mr. A. .1. ten Hoet t. a. ]gt;.. blz. 207—208.

Ken tegenovergesteld gevoelen is voorgestaan door Prof. .1. van IIai.i. R. li. jg. 184 , dl. All 1. blz. 112 en bij vonnis Arr.-R. Amsterdam, v. 20 Maart 1877. li. 1'. jg. 1877. A. p. 105.

-4 Een verzet tegen een vonnis van aanhouding is bij de wet niet hekend en kan mitsdien ook niet worden gedaan bij conclusie, inhoudende eisch in reconventie.

Arr.-R. Amsterdam, v. I I April 1845, W. nquot;, 625: li. I', jg. 1845. dl. VU. p. 019—621.

•V Wanneer van twee of meer gedaagden slechts één procureur heeft gesteld, dan mag de rechter in ^een onderzoek treden of de

*

m

ocr page 298

Ui. 70.) 2S2

vorfleritig v:m den eischer niet ontvankelijk is. maar behoort hij eenvoudig tegen de gedaagden, die niet zijn verschenen, zonder zich met de zaak zelve in te laten, verstek te verleenen en de zaak aan te honden, om nader alle partijen op nieuw op te roepen en bij één en hetzelfde vonnis recht te doen.

Ait.-K. Ureda ui no die. VV. n0. 8'! O.

H. In een geding, waarin, wegens de niet-verschijning van een der geïntimeerden, gehandeld is overeenkomstig art 79 IS. R., moet niet op nieuw dienovereenkomstig gehandeld worden, wanneer op eene dagvaarding. tot hervatting van het rechtsgeding, wegens het inmiddels plaats gehad hebbende overlijden van der appellanten procureur, de reeds vroeger niet-verschenen geïntimeerde wederom niet compareert.

1'. II. V. N.-UolliiiKl. V. 4 \ov. 1847. II. 1848,dl. X. p.üosonao'i.

S. De eischer is niet ontvankelijk in zijne conclusie tegen sommige gedaagden, zoo lang hij geene conclusie tot voeging heeft genomen tegen de mede-gedaagden, die geen procureur gesteld hebben.

Air.-R. Assen. v. (i Maart 1848. VV. u '. ■1U4Iji.

S. Daar waar, met betrekking tot een der gedaagden, geene vergunning is verleend om kosteloos te procedeeren, moet, met het oog op art. 8 der wet van 3 Oef. 1843 [S/bl. nquot;. 17), j0. art. 17 der wet van 22 l'Vimaire, an Vil, de dagvaarding, ten zijnen aanzien op ongezegeld papier gesteld, worden beschouwd als niet te zijn gedaan, en mitsdien tegen hem geen verstek worden verleend, noch aanhouding van het geding bevolen.

Air.-R. Amsterdam, v. '24 Nov. -1852, R. li. jg. 1853, p. 61—09.

ïgt;. Wanneer na dagvaarding van een overledene blijkt, dat deze meer dan één erfgenaam heeft nagelaten, die alzoo in zijne plaats be-hooren op te treden, en van hen sommigen wel, sommigen niet zijn verschenen, dan bestaat er geene reden om alsdan anders te handelen dan bij deze bepaling is voorgeschreven, namelijk de zaak ten opzichte der verschijnenden aan te houden en tegen de niet-verschijnenden verstek te verleenen, in welk geval noch de eisciier noch de verschenen gedaagden in hunne rechten worden verkort.

ocr page 299

(J-n'fy'f

' ' SO. Wanneer een der gedaagden of geappelleerden niet verschijnt, kan ook op eene latere dan de eerste terechtzitting (op welke laatste zulks verzuimd was) tegen hem verstek verleend worden.

1'. H. v. Limburg, v. II Juni 18(57. VV. no. '2930.

I i . Deze bepaling is van openbare orde, tot wier naleving do rechter ambtshalve moet waken.

1'. 11. V. N.-llolland, v. '24 .luni 1869, VV. n°. 3393.

S i)it artikel behoort tot den eersten titel van het Wetboek van iSurgerlijke Rechtsvordering, die algemeene bepalingen inhoudt en is mitsdien op Me instantiën van toepassing.

Arr.-R. Breda, v. 5 Uct. 1869. W. nquot;. 3196.

I St. Wanneer een van meerdere geïntimeerden, behoorlijk opgeroepen, op den rechtsdag niet verschijnt en derhalve verstek tegen hem wordt verleend, dan moeten de appellanten, al zijn zij gedaagden in eersten aanleg, den defaillant andermaal oproepen tegen zoodanigen rechtsdag, als waarop zij de zaak op nieuw ter rolle zouden doen brengen.

Arr.-R. Hreda. v. 5 (Jet. 1869. W. no. 3196.

14-, Wanneer de appellant verzuimd heeft tegen een der door hem gedagvaarde mede-geïntimeerden verstek te vragen, met aanhouding der zaak tegen de verschenen geïntimeerden, behoort het appèl niet-ontvan-kelijk verklaard te worden.

Hof Arnhem, v. 17 (Jet. 1877. W. n0. 4293. K. 1!. jg. 1878. A. p.'2118, Zie daartegen de redactie van 't R. ii. jg. 1878, t. a. p., blz. 300. waarbij betoogd wordt dat in casu, waar de appellant was oorspronkelijk eiscber. de niet-verschenen geintimeerde gedaagde in vrijwaring en de verschenen geintimeerde oorspronkelijk gedaagde en eischer in vrijwaring, de appellant niet, maar de verschenen geintimeerde verplicht was verstek te vrasen.

I ö. Een gedaagde, tegen wien verstek is verleend op eene rechtsgeldige dagvaarding, en die, op de tweede dagvaarding verschijnende, het bewijs

ocr page 300

Art. 79.)

levert, dat hij bij de zaak geen belang heeft, moet nogtans worden veroordeeld in de kosten van het verstek, mitsgaders in die, welke als het gevolg der niet-versclüjning van den defaillant kunnen worden beschouwd.

Arr.-R. Middelburg, v. quot;21 l olu*. 18(313, \V. no. 2800.

Kt. Dit artikel is niet van toepassing op zaken in kort geding.

Pres. Atr.-R, Ziorikzee, v. 10 Jan. 1878, W. n®. 4234. (Dit vonnis is ixik opgenomen in R. R. jg. 1878. A. p. 283. waarin echter de beslissing omtrent dit pnnt niet voorkomt).

I ?. Waar tusschen de verschenen partijen door den eersten rechter is uitgemaakt dat de rechter ex officio den dag kan bepalen tegen welken de defaillant moet worden opgeroepen, en laatstgenoemde mitsdien nog geen partij is in dat geschil, behoort hij bij het hooger beroep van die beslissing niet te worden opgeroepen, en kan de rechter ambtshalve het gevraagde verstek weigeren, wanneer die oproeping heeft plaats gehad.

Hof Amsterdam, v. 1(1 Mei 1870, R. li. jg. 1880. A. p. 32.

IS. Dit voorschrift is niet van toepassing wanneer bij een verificatie-verschil tusschen twee crediteuren de gerequireerde schuldeischer niet verschijnt, terwijl de curator alleen is opgetreden ex art. 83-1 al. 1 W. v. K , zonder de vordering te betwisten.

Arr.-R. Amsterdam, v. 14 Hoe. 1881. R. I!. jg. 1882. I!. y. lO'.J.

15». Zie ten betooge:

a Dat indien de rechter, ingeval twee of meer personen gezamenlijk of in massa gedagvaard zijn, waarvan de één verschijnt en de ander niet, tegen den defaillant verstek heeft verleend, daardoor aan den defaillant het recht niet is ontnomen, om nog nader of bij verzet de nietigheid der gedane dagvaarding te beweren —

art. 02 li. 1!.. arr. v. 1 I'. II. v. Zeeland, v. 0 Nov. 1841. vgl. in denzelfden zin als quot;t i'. II. v. Zeeland, Mr. v. n. Kemi'. Ontw. ut snpiii (3de druk door Mr. üreeve), hlz. 274, welke schrijver betoogt dat, wanneer in dat geval de dagvaarding wordt nietig verklaard op verzoek dn-aanvankelijk niet-verschenen gedaagden, dan tusschen alle partijen liij een en hetzelfde vonnis op twee verschillende dagvaardingen wordt uitspraak gedaan, welk. vonnis als een vonnis op tegenspraak gewezeu hesohomvd wordt.

ocr page 301

Art. 79.

Zie ook urr. v. Maart 1855, W. no. 1020, ten betooge dat liet tegenovergestelde geldt voor de verschenen gedaagden, die niet meer kunnen terugkomen op het verleende verstek, wanneer hun procureur i-r in toegestemd heeft.

h. Dat in het geval van dagvaarding op korten termijn, bedoeld bij art. 352 H R., de bepaling van art. 79 B. R. toepasselijk is -— art. 352 II. R.. arr. van 't P, li. v. N.-Holland, v. I Aug. •1844.

c. Dat in eene procedure tot rekening en verantwoording aan bekende en onbekende belanghebbenden, het eerste vonnis van verstek niet aan de niet verschenen belanghebbenden, moet worden beteekend —

art. 78sgt; li. R., vonnis van de Arr.-R. Rotterdam, v. 23 Dec. 184-0.

d. Dat in cas van art. 79 H. 11. de kosten, vermeld in art. 89 B. li,., alleen dan kunnen worden gereserveerd, wanneer zulks door den eischer wordt gevraagd, en de verschenen gedaagden in ieder geval geen recht hebben de vordering des eischers tot veroordeeling van de defaillanten in de kosten tegen te spreken —

art. 89 li. R.. vonnis van de Arr.-R. Hoorn, v. 23 Jan. 1850.

(t. Der toepasselijkheid van art. 79 B. R., ten aanzien van mede-geïntimeerden, die van eene anticipatie behoorlijk hebben kennis gedragen en niet zijn verschenen —

285

art. 344 li. II.. arr. van 't I'. II. v. N.-Midland, v. 4 Xov. 184(1 en vau Cielderland. v. 13 en 20 Nov. '18511.

1/7. 80.

Zie omtrent de al dan niet toepasselijkheid van art. 80, al. 1, in ^ ^■r. lt;J'0 de gevallen, voorzien bij art. 439, al. 3 en art. 440, al. 1, B. R.

arlt. 439 en 502 1». R., vonnis van de Arr.-U. Tiel, v. 18 Anji-. ISiT.

'a. éyj -kÏi t-J f/ry. - . c^A^-7 I

7 • ^

:Ct L -r-ent- v. / ■

A t-Se-i». ? 81. ■'

A 1 Uquot;

I. Zonen en eenige erfgenamen van een overleden persoon, tegen wien de judex facit het voor aannemelijk heeft geacht, dat het geding

' r 'r yr

Jite- 2.2, /lt;vpy

r

-f

t^€^ ^ £'C* 'Z~fi j ^2

lt;wi. tT-lt; amp; *- i --^

f*

o 7

02t Zr-rr—o-t^n.' cu* «x lt;J

ocr page 302

t4~ (amp;/- (bui- rOu^ Cf(iöL,cXjl- i//e.gt;cC * /-a^Q /i^^~ -i-^ iX^ cOl*^ T\ju2^—c-^- r-K ^rx-^^i

'J^jljl^-^ '-O— WZÏTU^A,-'^ C*-^, ^fUsi^x^ ^ i(j^ ^'ZcL. tv^UL 'Z— ^

fWo '» tquot;'- ^ - n~..^rz. ,

fe'-'- '•'.4rt. W.) '■' '■•quot;—

(?/

was aangevangen, kunnen met,, naar de letter en den geest van art. ;376 li. li., als derde personen, vreerad aan liet geding, beschouwd worden en zijn mitsdien ontvankelijk om daartegen uit eigen hoofde liet middel van verzet, krachtens art. 81, te bezigen.

Air. v. 11 Mei 1818. W. nquot;. 942; I!.. dl. XXXI. § 19, v. u. 11.. 11. H..

dl. IX. |i. 385—404. In strijd niet de conclusie van den l'roc.-Gen.

(v. li. 11. I. c., 11. 'AQ!—400) hoofdzakelijk op grond, dat nlleen ile ver-uurdedclc jiartij tegen het bij verniel,■ gewezen vonnis verzet zon kunnen doen; vgl. ook liet siilgt; hoc art. vermelde vonnis der Arr.-U. Assen,

v. ,18 ])(!c. 1870.

'4. Tegen het bevelschrift van den president tot het leggen van conservatoir beslag, verleend bij verstek (immers zonder oproeping of verhoor van den eischer) is geen verzet toegelaten.

Air. v. 19 .luid 1874, (koloniale zaak), W. n0. 37;!.quot;); Fi.. dl, C\I1§ I8. bevestigende het vonnis v:ni het Hof van .Institie in Suriname, v. :!(•

A ng. 1872.

;S Niet algemeen kan opgaan de stelling, dat niemand bij verzet kan opkomen tegen een vonnis bij verstek, dan in dezelfde hoedanigheid, waarin de aanlegger heeft kunnen goedvinden hem te recht of ten onrechte aan te spreken; welke stelling vooral in materie van vennootschap niet kan geacht worden toepasselijk te zijn.

Arr.-R. 's-Gravenbage, v. 10 Dec. 1841, \V. nquot;. 256; It., dl. Xl, § 34.—

Cf, art. 83, vonnis van de Arr.-R. Amsterdam, v. 10 Maart 1842 sqq..

en art. 92 O. li., vonnis van 't Ktg. nquot;. 4 Amsterdam, v. 25 Mei 1852.

-f. Hij, tegen wien in zijn privé eene veroordeeling is uitvoerbaar verklaard, kan niet beschouwd worden geene partij in het geding te zijn geweest, met dat gevolg dat hij niet-ontvankelijk zou zijn in het ingesteld verzet,

Ait.-K. 's-Gravenhage. v, 10 Dec, 1841. \\ . n0. 256; R., dl. XI. § 34.

5. Elk opposant heeft even als elk gewone eischer het recht om te renunciëren aan elk exploit, hetwelk te zijner requisitie is uitgevaardigd en behoudt daardoor niettemin het recht om, zoo lang de termijnen niet verloopen zijn, binnen welke hij in verzet kan komen,

andermaal zich tegen een vonnis, bij verstek gewezen, te verzetten.

Arr.-R. Amsterdam, v. 10 Maai t 1842. R. I!. jg. 1842, dl. IV. p. 265— 208. •— Vgl. biermede een vonnis van de Arr.-R. Utrecht, v. 20 Nov.

ocr page 303

287

-L . M*. Kc-

JL ■ •■'M-L~

rX t ' ^/

i i quot; tv i- Q~LU- isrri^i v, 'j

H /■G -'tquot;, ^ /lt;5 / kS-

i.4)'/. 81

1841. W. liquot;. 252, waarbij igt; beslist, dat eeu nader ver/.el legen een vonnis niet aannemelijk is. zoo lang geen afstand en intrekking van de eerst gedane oppositie is geschied en daarop nog geene uitspraak is gedaan.

lt;4. Wanneer bij één vonnis meer dan ééne beschikking genomen is, kan men tegen dat vonnis, ook voor zooveel slechts ééne dier bescliikkingen betreft, in verzet komen.

Arr.-lt. Ainstenlani. v. lit Xnv. 1843. I!. II. jg. 'ISl:!. dl. \. p. 701)—7quot;C).

S, liet middel van n i et-o n t v an k el ij k h ei d [in casa dat het verzet Inrdiet' zou zijn ingesteld) door den geopposeerde bij zijne conclusion primario voorgesteld, verhindert hem niet om tevens met dat middel, ook andere middelen betrellende de zaak ten principnle voortedragen of snbordinaat zijn eisch te wijzigen of te verminderen.

Ai r.-li. 's-llertoffenboscli. v. 29 Maart 1844, \\ . n0. 57S.

Indien eene echtscheiding bij verstek is uitgesproken, zonder dat (uit hoofde de oorspronkelijk eischer geen gewag van de kinderen als uit het huwelijk gesproten heeft gemaakt) iets omtrent het verblijf

!der kinderen beslist of gevorderd is, dan kan in cas van oppositie door deder kinderen beslist of gevorderd is, dan kan in cas van oppositie door de opposeereucle partij deswege eene beslissing gevraagd en verkregen worden.

Air.-li. Haarlem, v. 24 l'obr. 184ü, li. 1!. jg. 1847, dl. IX. p. KiU-i'rl. Vgl. hieiniede de opmerkingen van den lloogl. v. IIai.i., I!. 11. jg. 1847, ut supra, die, ofschoon van oordeel, dat het verzet tegen een vuilnis bij verstek, in het algemeen, niet wel een ander rechtspunt aan de rechterlijke beslissing schijnt te kunnen onderwerpen, dan hetgeen het onderwerp van de uitspraak hij verstek zelve geweest is, evenwel meent, dat iu dit speciaal geval, waarbij de rechter zelf ambtshalve tevens omtrent het lot der kinderen kan beslissen, niets de gelijktijdige beslissing daarointrent in den weg staat, welke de wet zelve als eene bijkomende uitspraak beschouwd lieeft.

it. Het verzet, door ten veroordeelden gedaagde tegen een bij verstek gewezen vonnis gedaan, kan niet als eene nieuwe, geheel afzonderlijke en op zich zelve staande rechtsvordering worden aangemerkt, maar is integendeel als eene voortzetting te beschouwen der tegen hem door

ocr page 304

Art. 81.) 3««

den geopposeerde aangelegde rechtsvordering, waardoor aan hem, opposant, op nieuw de gelegenheid wordt geopend, zijne middelen en weren van rechten te doen gelden.

De waarheid dier stelling blijkt voldoende uit de overweging, dat de rechter bij zijne uitspraak over de gegrondheid of ongegrondheid van het verzet, aan den opposant zijne conclusion niet kan toewijzen, indien zij slechts niet onrechtmatig of ongegrond voorkomen, maar die, als strekkende tot buiten-etfectstelling van een vroeger gewezen vonnis en ontzegging van des geopposseerdeu vordering, noodzakelijk in verband dient te beschouwen, zoo met dat vroegere vonnis, als met de conclusiën des geopp. waarop dat vonnis gewezen is.

/• Uit dit een en ander volgt, dat de opposant niet als eischer, maar als verweerder moet worden gekwalificeerd,x die te zijner verdediging op eene tegen hem ingestelde actie, van het middel van verzet gebruik maakt, terwijl daarentegen de primitieve eischer, die het vonnis bij ^\ verstek heeft verkregen, door het verzet zijne kwaliteit van eischer in i het geding, bedoeld bij art. 73 15. R., niet heeft verloren, en mitsdien /i^ | tegen hem geen verstek kan worden verleend.

I Beide partijen in haar belang gehoord zijnde, de geopp. bij het nemen zijner conclusiën van eisch en de oppos. bij het nemen zijner conclusiën ji'^f ^ j van verzet en verwering, moet het te vellen vonnis geacht worden een ^ l vonnis te zijn, op tegenspraak gewezen, waartegen geen nieuw verzet, , r aoL \naar alleen liet middel van liooger beroep kan openstaan.

iï] ^ 1 Air.-U. Dordrecht, v. 20 Jan. 1852, \V. no. 4343; idem (althans voor

'ly^/ q ytf /'?/ zoo verre betreft do twee laatste considerantia), de Pinto, Ihll.. II. 1-p. 184, Penning, ad art. 75 en uk Mautisi, ad art. 79, c. 5: — anders D echter met een beroep op Cii.u'vk.vi: Aooi.pme, le* lois dc la l'ruc. (.Ir..

pai' Cauué, ad art. 105, U, |gt;. 1(10. door S. M., in de i'n Med.,

dl. VI11. p. 102—170, welke aldaar voormeld vonnis en het gevoelen van den heer de Pinto, op onderscheidene gronden, zeer breedvoerig bestrijdt en ten slotte volkomen geschikt oordeelt, om een oorspronkelijk eischer. door eene met den aard en het wezen der zaak strijdige en op geene enkele wetsbepaling berustende verplichting, voor altijd van zijn goed recht te berooven, terwijl liij veeleer meent de strikte opvolging dei-artt. 75 en volg. B. li., ook met opzicht tot een oorspronkelijken eischer, die verstek laat gaan, te moeten aanbevelen; idem bij Mr. C. M. v.rgt;. Kemi'. OiUw. ut supra, p. 373, (3de druk, waartegen Mr. Greeve ibidem), volgens wien de woorden van art. 87 13. li., hetwelk slechts van den opposant, spreekt, bij tegenstelling, aan den geopposeerden liet recht geeft.

ocr page 305

fe^jL^ amp;ij- vL. asJ-. dp' U-^l

Ifj^t XJo ^rrxJJL y.L ( os nsybz/gt; .

Ur

C 'v - J '-■' ' - ' - -

{Art. 81.

om van zijne zijde een verzet, namelijk tegen liet tweede vonnis, in te stellen en overigens het gevoelen deelt van S. M. ut supra, dat liet voor een contradictoir vonnis niet genoeg is, dat heide partijen gehoord zijn, maar daartoe beider tegenwoordigheid, ook ten line van onderlinge tegenspraak, wordt gevorderd. — Vgl. hiermede een vonnis van de Arr.-R. Amsterdam, v. 2ü Nov. 1852, R. B. jg. 1853, p. 108—I li), waarhij evenzeer is heslist, dat de oorspronkelijke gedaagde, die tegen het bij verstek gewezen vonnis in verzet komt, gedaagde blijft; idem in de Vragen v. Nedeyl. tirf/l. hccintxv. door eemyv Amslrrd. Ilcchtsbcoef., 2de verzam. (1853); anders echter, met betrekking tot den opposant tegen een dwano--bevel, bij vonnis van de Arr.-R. Groningen, v. 3 .Tnni -1853, R. B. jg. 1854, p. 425—428 (1).

•28!-»

1

Ook mij komt het voor, dat op de leer, aangenomen bij voormeld vonnis van de Arr.-R. Dordrecht en gedeeld door de Pixto, — dat het namelijk voor een contradictoir debat voldoende zou zijn, dat partijen afzonderljjk en buiten hare weder-ïijdsehe tegenwoordigheid worden gehoord, — reeds in hare algemeenheid veel is af te dingen, en dit wel in de eerste plaats op de gronden, bereids door S. M. en Mr. C. M. v. D. Ivemp ontwikkeld, waaraan ik mij kortheidshalve refereer. Het rechtsgevolg echter van die leer sluit tevens in zich, dat de bewijsmiddelen, welke ten gevolge van een voorafgaand interlocutoir (hetgeen ook in zaken bij verstek dikwerf wordt bevolen, inzonderheid wanneer de erkentenis van partij, gelijk bij echtscheiding of scheiding van tafel en bed, niet kan worden aangenomen) als profijt van het verleend verstek zijn geleverd, na het verzet tegen het eindvonnis zouden blijven bestaan, en in dit geval kan de opposant wel degelijk door de niet-hehande-ling van de geheele zaak de noro in zijne rechten worden gekrenkt, uithoofde dan reeds gehoord kunnen zijn en van verbindende kracht blijven de verklaringen van getuigen, welke hij opposant hij een contradictoir debat, om geldige redenen bad kunnen wraken. — Hetgeen in cas van verzet tegen het eindvonnis voor de instandhouding van het interlocutoir zou kunnen pleiten, is de omstandigheid dat dit interlocutoir reeds vóór het eindvonnis was geëxecuteerd en het verzet na de executie van een vonnis niet meer ontvankelijk is.

Intusscben komt het mij voor, dat dit bezwaar niet afdoende is, uithoofde bet stuiten van het verzet ten gevolge van executie, meer speciaal ziet op een eindvonnis van verpordeeling en geenszins op een interlocutoir, dat zelfs den rechter niet bindt bij zijne uitspraak ten principale. Bovendien is het interlocutoir een accessorium van het eindvonnis en accessorium sequitur sutim principale, — Is dus het eindvonnis, ten gevolge van het verstek, rechtsgeldig vervallen, dan zal noodwendig het interlocutoir hetzelfde lot moeten ondergaan. — Het is dan ook in de praktijk geene zeldzaamheid dat een geëxecuteerd interlocutoir als het ware per se komt te vervallen. Men stelle het geval dat eene actie tot echtscheiding bij een incompetenten rechter is aanhangig gemaakt, de gedaagde verschijnt niet, de rechter beveelt eene interlocutie en wijst, als uitvloeisel daarvan, een vonnis ten principale, waarbij de vordering wordt toegewezen. Nu komt de gedaagde in verzet, stelt in de eerste plaats voor de exceptie van incompetentie ratione personae en ook deze vordering wordt toegewezen. Alsdan vervalt van zelf cn het eindvonnis en het reeds geëxecuteerde interlocutoir. —■ Maar bovendien geeft de wet geen middel aan de hand, om vóór het eindvonnis in verzet te komen tegen een interlocutoir, bij verstek gewezen, daar art. 81 alleen spreekt van gedaagden, die bij verstek veroordeeld zijn, gelijk te recht wordt opgemerkt door Mr. W, van ItussiiM li/,., Bury. ItecJUso.

ocr page 306

^ ^ ^ ^

Zie wijders ten betooge flat wanneer op tie dagvaarding van verzet de geopposeerde (oorspronkelijk eischer) niet verschijnt, alsdan geen /, aIL ^ verstek of ontslag van de instantie kan worden uitgesproken, maar „ • dat er acte moet worden verleend van de nietverschijning en ver-volgens voortgeprocedeerd.

(yj crv oCct^- ^- fj, e_

/2 fa. Mr. N. F. van Nootf.n in R. B. jg. -1877, A. p. 244; idem Air.-R.

Goes. v. 2 Oct, 1874, R. li. Jg. 1878, A. lOd, on speciaal de conclusie v vall (Jen Officier van Justitie, Mr. van Hoek. — Cf. Ontw.-W'c/.h. li. li..

(?lt;)quot; /^uitgegeven door Mr. A. A. de Pinto ut supra, p. 52 en 5.°..

fa/'7lt;° ^ |lt;|, Iii] die bij verstek veroordeeld is, kan in verzet komen tegen

:fyy!d~ '' ' ^et tengevolge van die veroordeeling gewezen vonnis van likwidatie

1' der proceskosten, ook al is bij dat laatste vonnis niet op nieuw ver-

j verleend.

^ /] Arr.-R. Amersfoort, v. i20 Juni 1855, W. nquot;. 1712, R... dl. RVI § 80, - ^ ook vernield op art. 89 B. R. waarbij nog werd beslist, dat liet '' ^/wnnis van vereffening der ]irocoskosten niet anders is dan een gevolg ■,0 A^/van het eindvonnis eu eene voortzetting der procedure bij verstek, znodat ' frcquot;^- ^.dat vonnis geacht moet worden mede hij verstek te zijn gewezen.

tcT' , ~ a it r/in riATni' Ja wnncr ni'iquot;. HiC1 1». I t. Sill) 11°. '1.

J/

p

' ff r. tk

h.act-.^r 11 Wanneer een opposant in zijn verzet tegen een bij verstek (vPl1'gewezen vonnis niet-ontvankelijk is verklaard wegens verzuim van

^ „ / /1 r. n . •• • II. ___________,1 .Tr«»ï /-vllf fTOnlr#»! llUlPirl

vormen of termijnen, is zulks geen grond van niet-ontvankeliikheid

- tegen een vernieuwd verzet

V . . f/

Arr.-R. Amsterdam, v. U Jan. 1857, R. B. jg. 1857, dl. VIT, blz. linO-

. am ; idem vonnis Ktg. 's-Gravenliage, v. 21 Juni 1867. W. nquot;. 291/. ,/ Jjhf/Zie echter het sub art. 83 B.R. nquot;. K vovrne.ldi' vonnis der Arr.-R. Assen,

n fquot; d.d. 19 Febr. 1806.

y -la .

lt;J. | *i. Het verzet tegen een vonnis, nadat de tegenpartij daarvan m

quot;ój/j/J; h/-rlP hooger beroep is gekomen, is niet-ontvankeiijk.

^ .

^ tfO. - . ^4. Arr.-R. Assen, v. 0 Mei 1857, R. li. jg. 1857, dl. VII. blz. 577—578.

ri ^ I:{ Ofschoon de overlegging bij authentiek afschrift van het vonnis,

' Mr. F. R. Penning ad art., (vgl. hiermede aant. 14 van dit art.), die aldaar mede l^ju-—' .'van gevoelen is, dat uit den aard en de strekking van het verzet tegen het eind-

p vonnis voortvloeit, dat een geheel nieuw onderzoek moet plaats hebben. Diezelfde

2^- leer wordt dan ook gehuldigd in de vragen van AWer/. livjl, door eenige Amster-

' damsehe Rechtsbeocfenaren, (2e Verz. 1853) speciaal op p. 179 in fine. (Leon).

'

ocr page 307

fris r»

• ^

7 ^TT.-,. -l^J

ov

^■p gt;.• gt; ' • •,.• ' -p '■'ft— - r( 4 -,-v-i f^-fP /Lamp; /r5^2 , Oi0égt;%J2^/.

cnrUr U^- (sZyb.

■^yi. quot;T^d-??amp;-lt;-

a /*U ~ /' ^ »vé—''a ^ /7 . 6- ■y^ °lt;'P£3a .

7 291

(i/1 81.

waartegen oppositie, in liet belang eener regelmatige procesorde te recht in den regel plaats vindt, is deze echter nergens bij de wet, op stralle van niet-ontvankelijkheid der oppositie, voorgeschreven.

Arr.-R. Zutphen, v. 20 April 1860, W. no. 2272.

IJ-, liet verzet tegen een bij verstek gewezen vonnis is slechts ontvankelijk, voor zoover dat vonnis eene veroordeeling van den gedaagde bevat.

Arr.-R. Amsterdam, v. 9 Nov. 1863, W. n0. 2353, waarbij werd beslist dat derhalve tegen een interlocutoir, waarbij alleen een getuigenbewijs wordt opgelegd niet in verzet kan worden gekomen, maar wel tegen een provisioneel vonnis, waarbij de gedaagde tot nitkeering van levensonderhoud hangende 't geding veroordeeld is en het kind van partijen is toegewezen aan den eischer; idem zelfde rechtbank, v. 23 Jan. 1875, R. Pgt;. jg. 1876, A. p. 83; vgl. de noot in fine op aant. 9.

I.V Yerzet tegen een vonnis en subsidiair tegen de executie daarvan, hoewel overtollig, stelt geene samenkoppeling van verschillende rechtsmiddelen daar.

Arr.-R. Amsterdam, v. 27 Deo. 1867, W. n0. 2996.

Itt. Eene verkeerde naamsopgave van den eischer in de introduc-tieve dagvaarding is niet een grond om tegen een bij verstek gewezen vonnis in ver/,ef. te komen, als zou de dagvaarding eene nietigheid bevatten, wanneer het exploit van verzet den naam van dengeen, tegen wien het is gericht, behoorlijk inhoudt en tegen dien persoon onder zijn waren naam is geconcludeerd.

P. H. v. N.-Holland, v. 10 Deo. 1868, W. nquot;. 3093.

I 5. De beschikking der rechtbank, waarbij op grond van de artt. 17 en 18 der wet van 22 Frim. an Vil en van art. 22 der wet van 31 Mei 1824 [Stbl. no. 36), op verzoek van het bestuur der registratie een deskundige wordt benoemd, is niet te beschouwen als een vonnis bij verstek, waartegen verzet wordt toegelaten.

Arr.-R. Roermond, v. 28 Sept. 1871, W. n0. 3394.

IS. Het verzet moet enkel gericht worden tegen het bij verstek gewezen veroordeelend vonnis en niet tevens tegen het verleend verstek zeil'.

.J _ r/f - pyissV r^y\

•• ^

-■v^ gt;

tSi /-C

Si -C (s-; /■ y quot;

/

ocr page 308

y-lytj. (- ^ «^üc ^^JL J-rrS ^

L »X tp^V-^^Sn- s^j^ /^ y^ eCt.

^o» 1^*1^—«y l -CisrsL, — gt; — 1r^j^v-~^-v-—v c .x 'quot;•^^— lt;^~?^s? 4~rr\ oi ^L-f—eX-a^ ^-o s-r-rx . fifóo ,

*ir-!~*-M ^.i^r-^tr.-.»***..-«.

, c C t-C. /^Z. ^ 'i- / y ^ , - / s7 / lt;

— A it.-It Almelo, v. .'?0 April !87:!. W, n1. 3(gt;l(), nok vermeld op art.

2-e^i.. ^ |{ |.

____y1. '90S n-'l-l'.

t ,n„s,/' If I Nero-ens is voorbeschreven, dat een opposant zijne mede-ver-

ƒ JA^s . ' y quot; s 0 0

C/cS, yy/'■ oordeelden bij verstek in liet proces van verzet moet oproepen.

ybvJtji** $amp;• p. II. v. 's-1 lertoirenboscli, v. l i Nov. 1870, W. 11quot;. 4045, K. li. j?.

A -1878, A. p. 12«; idem Arr.-K. Amsterdam, v. Nov. '1880, W. nquot;. •«*'•5,

■s , ofilt K. li- ig- 1881, A. p. lü/t, en li. p. li'.),

Ib yibit- ■ quot; /

Wanneer de tot betaling van een geldsom bij verstek veroordeelde gedaagde na de uitspraak van het vonnis is overleden, kunnen zijne erfgenamen, ieder wat betreft zijn aandeel, tegen dat vonnis in verzet komen.

Arr.-R. Assen, v. 18 Dee. 187«, VV. nquot;. 4Hi3.

Vul. over de ontvankelijklield van liet verzet in liet algemeen in een dergelijk geval art. 81 li. R. snli nquot;. 1.

quot;i, I De vraag of liet vonnis nog voor verzet vatbaar is, moet in ieder geval beoordeeld worden naar den stand van zaken tijdens het verzet, zoodat de min of meer volledige uitvoering na dien tijd aan een ander vonnis (in casu dat, waarbij de derde gearresteerde tot af'o-ifte is veroordeeld) gegeven, daarop geenerlei invloed kan uitoefenen.

Arr.-R. Amsterdam, v. -15 l-ebr. 1877, R. R. jg. 1877. A. p. 83 ook vermeld alt;l art. ^7G 1». R.

'lt;5*4. Te quot;en de beslissing des rechters in een verificatie-verschil is geen verzet toegelaten.

Arr.-R. Leeuwarden, v. 28 .Tnni 188:1 W. n0. 4003. Re rechtbank besliste vooraf dat in geval van niet-verscliijning van een der partijen (in casu den curator) ter terechtzitting door den R. C. aangewezen, er geen verstek kan worden verleend ; vgl. hiermede Arr.-R. Amsterdam, v. 14 Dec. 1881 sub art. 70 li. R.

Art 82.

I . Om een vonnis bij verstek, bij voorraad, niettegenstaande verzet, te kunnen ten uitvoer leggen, is het (ook met het oog op art. 41' der Or- Wet en de artt. 82 laatste lid en 123 H. 11.) niet genoeg

ocr page 309

asU . 'yn Ksa-fL ^ lrvzn^,

gys---amp; Iren^Ai O / r - ^ .

293 {Art. 82.

dat de wet daartoe de bevoegdheid geel't, maar is het tevens en bovendien noodig, dat de rechter die tenuitvoerlegging bij voorraad hebbe bevolen.

Air. v. 28 Maart 1848, W. nquot;. 9:H : R., d. XXX. § 28, v. i.. 11., Straf,-., jo:. 1848, dl. I. p. 252-259.

lt;ï. liet doen opmaken van een proces-verbaal van niet bevinding (acte de carence) bij den veroordeelde, stelt slechts eene poging daar om een vonnis te executeeren en levert op zich zelf geen bewijs op voor eene berusting in dat vonnis. Zulks klemt te meer, indien, gelijk in casu, reeds vóór het opmaken van dit proces-verbaal de pretens geëxecuteerde zijn voornemen heeft aan den dag gelegd en ook aan de partij kennelijk gemaakt, om door eene voorziening in cassatie tegen het vonnis op te komen.

Air. v. 17 Juni 185.% W. iiquot;. 1459: 1!.. dl. X I.V, f 21 : v. n. 11.. I!. K., dl. XVII. p. 08—78. — In gelijken zin bij vonnis van do Arr.-R. 's-Gravenhage, v. 27 Maart '1843, W. n0. 651, bevestigende een vonnis van't Ktg. aldaar, v.-12 Dec. 1842, W. nquot;. 307, waarhij is beslist, dat zoodanig proces-verbaal hoogstens kan worden beschouwd als een begin van ten-uitvoerlegging, waardoor do peremtie volgens art. 88 wordt gestuit en als zoodanig zou kunnen worden gelijk gesteld niet een werkelijken verkoop van in beslag geno-uornen roerend goed, daar toch door die gelijkstelling het recht van een bij verstek veroordeelde, indien hij geene goederen bezit, zou worden verkort, door hem de gelegenheid te benemen, van na het begin der tenuitvoerlegging nog in verzet te komen, welke bevoegdheid volgens art. 82 voormeld aan hem, wiens roerende goederen zijn in beslag genomen, nog competeert tot op den verkoop dier goederen (zijnde overigens in deze zaak geen enkel exploit aan den veroordeelde en opposant in persoon gedaan, hoewel zulks niet heeft geleid tot grondslag der ralio decidendi en van die omstandigheid alloon ex superabundanli in hot vonnis van den kantonrechter schijnt te zijn melding gemaakt); idem door Mr. C. M. v. d. Kemp, O/ihv. ut supra, p. 370 (3de druk). Evenzoo bij vonnis van 't Ktg. Harderwijk, v. 15 Febr. 18(12, W. n'. 2395. — Anders bij arr. van 't P. H. v. Drente, v. 10 Oct. 1840, Regl in. Neder/.. II. p. 399 on 400, bevestigende eon vonnis van do Arr.-R. Assen, v. 2 Maart 1840, 11, p. 343, en bij vonnissen van de Arr.-R. 's-Hertogenbosch, v. 25 Febr. en 18 .Inli 1840, \V. nis. 728 en 811, naar luid waarvan een zoodanig proces-verbaal (in casibtix eehler in Icyeiiivoordidheid runden schuldcnctctv en oppusant (iiigemaakt en in welke de voorcifycicmde nelen hetzij van beteekenunj of van Itevel aan de schuidenaurs in persoon zijn gedaan') bij ontstentenis van voldoende goederen, daadwerkelijk is de zoo ver mogelijk gebrachte uitvoering van het vonnis, de eenigo daad, in zoodanig geval in do macht van den poursuivant gelegen, en welke genoegzaam doet blijken van zijn wil on zijne diligentie om zijn

r-i

u..

c

a

ocr page 310

Art. 82.)

recht to behouden en lannjs allo mogelijke middelen to verhalen, zoodat het in den zin van art. 82 moet gelden voor oeno daad van ten-uitvoerlegging; idem, Oudeman, 4de cd., dl. I, p. 116, en de Pinto, Tl, 'I, p. 170, welke laatste daaraan echter niet die kracht toekent, wanneer het niet in tegenwoordigheid van den defaillant is opgemaakt; — zijnde overigens hij de vonnissen der Arr.-R. te 's-Hertogenbosch heslist, dat meerverrneld proces-verhaal de daaraan hij die uitspraken toegekende rechtskracht verliest en veeleer wordt eenc protestatio actui contraria, wanneer er zoodanige hoeveelheid goederen aanwezig is, dat de executant althans quot;een gevaar loopt voor zijne kosten van executie en in dit geval de acton nietig moeten worden verklaard enz. De verschillende uiteenloopenile beslissingen der Fransche jurisprudentie ten aanzien dezer vraag vindt men hij Siuev, Les citiq Codes annotés, op art. 159 C. de l'r. C.

:ï. De artt. 81 en 82 B. 11. moeten (gelijk ook blijkt uit de geschiedenis van art. 159 O. d. P. Civ., woordelijk in art. 82 H. U. overgenomen) worden verstaan in een ruimen en algemeenen zin, van elke daad van executie, ter kennis gekomen van den defaillant, en hebben althans voorzeker niet op het oog eene geheele tenuitvoerlegging van alle punten van veroordeeling. Hieruit volgt dat men niet meer ontvankelijk is tegen een vonnis, dat gedeeltelijk is ten uitvoer gelegd en waarvan het proces-verbaal ter kennisse van den geëxecuteerde is gebracht.

Arr.-R. 's-Hertogenbosch, v. 16 Oct. 18)59, VV. n0. 74; R., dl. V,§30; idem van dezelfde Arr.-R. v. 29 Maart 1844, VV. n0. 578; idem E. d. O., in 't R. B. jg, 1847, dl. IX, p. 2136 en '■I'M, volgens wien ook de bepa-lino-en van art. 82 B. R. geheel enunciatief en explicatief zijn; idem P. H. v, N.-Holland, v. 31 Maart 1859, W. n0. 2154; Ktg. Assen, v. 15 Jan. 1874, W. n0. 3740, R. B. jg. 1874, p. 477; Arr.-R. Amsterdam, v. 24 Mei 1804, W. no. 2597 ; Arr.-R. 's-Hertogenhosch, v. 18 April 1879, W. n0. 4429, H. B. jg. 1880, A. p. 37, waarbij tevens is beslist dat de daad, waarvan in het slot der eerste alinea van dit artikel gesproken wordt niet uitsluitend behoeft te zijn eene daad van den defaillant, en dat het voldoende is dat een der gevallen van art. 82 j0. 81 aanwezig is, zonder dat er op gelet behoeft te worden of de veroordeelde werkelijk berust heeft in do gewone beteekenis van liet woord. Vgl. omtrent dit laatste punt ook Mr. C. M. J. Willeumier, in Tijdschr. v. h. Ned. liegt, I, hlz. 299 vlgde., die betoogt dat die daad doelt op eene handeling van den executant, waarhij de defaillant assisteert, vóór dat het vonnis is ten uitvoergelegd, of op eene daad vóór dien tijd door den defaillant gepleegd, waaruit zijne berusting in het vonnis volgt. — Anders dan do in den hoofde dezes geplaatste stelling Carré, Qu. 663, waarmede ook omtrent het limitatieve van het artikel, met betrekking tot de ten-uitvoerlegging van de speciaal in art. 82 B. R. opgenoemde middelen, overeenstemt Oudesian ut supra, 2do ed.. dl. I, p. 126,3de ed., p. 113 sq. — Vgl. ook de Pinto, Hdl. II, 1, p. 179,

294

ocr page 311

(Art. S3.

JL De vrijwillige en onvoorbehouclen voldoening aan een vonnis bij verstek gewezen, doet den veroordeelde naar de wet tot liet middel van verzet niet meer ontvankelijk zijn, ook dan niet, wanneer die voldoening het uitvloeisel zou zijn van den last van superieuren, welke in het geschil niet betrokken zijn geweest.

P. 11. v. Holland, v. 3 Febr. 1841, W. n0. 193.

5. Een vonnis, bij verstek gewezen, moet niet geacht worden te zijn ten uitvoer gelegd, met dat gevolg, dat het verzet daartegen niet meer is ontvankelijk, door de enkele verklaring van den deurwaarder, met de uitvoering belast, dat de geëxecuteerde is gesteld in staat van gijzeling, met sommatie om hem te volgen naar het huis van verzekering, zonder dat echter noch de geëxecuteerde daadwerkelijk is in hechtenis gesteld, noch de acte van inhechtenisstelling tegen hem is opgemaakt.

1'. II. V, Holland, v. 21 Juni 1841, W. 11°. '2-13; R., .11. XII, § 80; idem Klg. Vlissingen, v. 8 Nov. 1844, VV. u». 041 en de Pinto, II. I, p. 180. — Cf. art. 88 B. R., air. van denz. datum, en art. 95 li. R., Air.-R. Winsclioton, v. 8 Juli 1840.

tt. De huurder die bij verstek is veroordeeld, den verbuurder in de mogelijkheid te stellen tot het doen van noodzakelijke reparation en hem uit dien hoofde toegang tot het huis (hetwelk was verlaten en gesloten) te verleenen, is niet meer ontvankelijk in het verzet tegen het daartoe betrekkelijk vonnis, nadat hij de sleutels van het gemelde huis aan den verhuurder had doen geworden.

Air.-R. Amsterdam, v. I Pee. 1841, R. li. j^. 184-2, dl. IV, [gt;. 190 en 191.

S. Indien de opposant binnen zes maanden na de beteekening een aanzienlijk gedeelte der schuld heeft voldaan, moet hij door deze gedeeltelijke voldoening aan het vonnis, geacht worden daarin te hebben berust, immers en in alle geval, wanneer de opposant zelf reeds eene daad heeft gepleegd, waaruit noodzakelijk voortvloeit, dat de uitvoering van het vonnis bij hem bekend was en mitsdien het vonnis moet gerekend worden reeds ten uitvoer gelegd te zijn.

Air.-R. Amsterdam, v. 31 Pee. 1841, R. P.jg. 1842, dl. IV, p. 12U—127.

S. Volgens art. 82 B. li., o. a. het recht van verzet tetren een

295

ocr page 312

Art. 82.)

vonnis bij verstek gewezen, niet verloren gaande door het in beslag nemen der roerende goederen, maar eerst dan wanneer die verkocht zijn geworden, volgt hieruit a fortiori, dat dit recht niet verloren gaat, wanneer, gelijk in specie, dit beslag niet heeft plaats gehad, maar er slechts een staat van kosten is opgemaakt en aan den defaillant beteekend.

Air.-R. Amsterdam, v. 23 Maart '1847,, W. uquot;. 931 ; 1!. 1!. ,jg. 1847, dl. IX, p. G50 en 657. — Vgl. hiermede een vonnis van de Arr.-R. Maastricht, v. 28 Juni 1851, W. n». 1257, naar luid waarvan men ontvankelijk is om tegen een executoir verklaarden staat van kosten en eene uit kracht daarvan gedane in-beslag-neming in verzet te komen, ofschoon men bij die in-beslag-neming is tegenwoordig geweest; — anders 's-Hertogenbosch, v. 14 Maart 1851, W. n0. 1253, waarbij (volgens Lkon onjuist) is beslist, dat het verzet niet meer ontvankelijk is, indien bet bevel en daarna het proces-verbaal van in-beslag-neming aan den veroordeelde in persoon is beteekend, en bij ook bij het in-beslag-nemen van zijne roerende goederen is tegenwoordig geweest. — Vgl. hiermede de Tinto. II, 1, p. 179, die met een beroep op Carré, lt;gt;h. 003, volgens Lkon te recht doet uitkomen dat, indien de roerende goederen niet verkocht zijn, het verzet ontvankelijk is, al mocht het ook van elders bewezen worden, dat de geëxecuteerde én van het vonnis en van het beslag heeft kennis gedragen.

tt. I)c beantwoording der vraag wanneer een bij verstek gewezen vonnis, tot van waarde verklaring van een derde arrest, geacht moet worden, ten opzichte van den daarbij veroordeelden debiteur, geheel en volledig te zijn ten uitvoer gelegd, lijdt weinig zwarigheid, zoo dikwijls de derde gearresteerde schuldenaar is tegen den veroordeelden debiteur, niet van eene geldsom, maar van roerende goederen, dewijl deze dan, volgens het voorschrift van art. 752 B. R., op de gewone wijze bij executie moeten worden te gelde gemaakt, en bestaat hier alzoo het eerste der in art. 82 uitgedrukte gevallen, waarin eerst 7ia den verkoop dier, tengevolge van een tegen een derden gearresteerde, na zijne verklaring, gewezen vonnis tot afgifte, afgegeven goederen, het verzet niet-ontvankelijk verklaard is. Hieruit volgt dan ook, dat, wanneer de derde gearresteerde, niet goederen, maar gelden onder zich iieeft, de afgifte van die gelden, ingevolge een daartoe strekkend tegen hem na zijne verklaring gewezen vonnis, alleen die volledige tenuitvoerlegging daarstelt, van liet bij verstek gewezen vonnis tot van waardeverklaring, waardoor het verzet daartegen ophoudt ontvankelijk te zijn.

ocr page 313

(Art. 82.

J'. II. v. N.-Holland, v. 25 Mei 1848, W. nquot;. 4008; I!. 11. jg. 1848, lt;11. X, p. 207—209; idem bij vonnis der Air.-U. Arnlioni v. 10 Nov. I8'|.S, W. no. 1005; R. B. jg. 1849, dl. XI, p. 187—189; idem door E. 1» C. in 't R. B. jg. 1849, dl. IX, p. 234—240 (welk opstel ook voorkomt in Vragen van Ned. Regt, biz. 139 volgg.) ; idem Oudeman, 'I. N. 11'. v. Ft. It., ontw., ad art. 738, 3de ed., p. 134, en Mr. Vernede, ad art. 740; -—• anders bij vonnis der Arr.-R. Amsterdam, v. 8 Juni 1842, R. B. jg. 1842, dl. IV, p. 792, waarbij is beslist, dat een vonnis bij verstek gewezen, waarbij een arrest onder derden gelegd van waarde is verklaard, tegen die derden, dooi' dagvaarding tot bet doen van declaratie kan worden ten uitvoer gelegd, zoodra er acht dagen verloopen zijn enz., en dat eene latere tegen dat vonnis plaats gebad hebbende oppositie den arrestant in zijne eenmaal wettelijk verkregen rechten niet kan benadeelen, als zijnde nergens bij de wet bepaald, dat, alvorens een derden gearresteerde tot het doen van afgifte van hetgeen bij verklaart onder zich te hebben te kunnen noodzaken, hot vonnis, krachtens hetwelk die verklaring geschiedt, in kracht van gewijsde moot zijn gegaan; alsmede bij vonnis van evengemelde rechtbank, v. 12 Juli 1847, W. nquot;. 901, R. B. jg. 1847, dl. IX, p. 558—500 vernietigd bij arr. v. 't P. H. in N.-Holland ut supra, in welke laatste zaak het verzet aan den arrestant was beteekend, nadat door den derden gearresteerde verklaring was afgelegd en vóór dat laatst-gemelde bij bet eenige dagen later gevolgd rechterlijk vonnis tot de afgifte was veroordeeld. Bij dit vonnis is o. a. beslist, dat in het voorliggend geval de oppositie niet meer ontvankelijk is, o. a., op grond, a. dat na bot vonnis tot afgifte eene nieuwe rechtsbetrekking wordt geboren, waarbij het verzet niet alleen van invloed zoude zijn op bet vonnis tot afgifte, en dat onder die omstandigheden de toelating tot het middel van oppositie, zonder eene uitdrukkelijke wetsbepaling, niet aannemelijk schijnt te zijn, en h. dat, indien men de bevoegdheid tot verzet wilde uitstrekken tot de bekendheid welke de defaillant verkrijgen kan, door de on verschuldigdheid jegens hem, waarvan zijn voormalige debiteur, op grond van den genoveerden titel doet blijken, men de bevoegdheid tot verzet zoude uitstrekken buiten de ten-uitvoer-legging, hetgeen de wet niet gewild heeft.

40. Ken verzet is niet-ontvankelijk tegen een vonnis, bij verstek gewezen, nadat men op eene daaruit voortgevloeide incidenteele vordering heeft procureur gesteld en geconcludeerd; terwijl men geene schorsing eener incidenteele vordering tot sequestratie behoeft te vragen, als er verzet is gedaan tegen liet vonnis, tengevolge waarvan die sequestratie is gevorderd.

Arr.-R. 's-Gravenhage, v. 27 April 1849, W. nquot;. 1051.

41. Het bloote niet verschijnen van den bij verstek veroordeelde voor de Rechtbank bij de likwidatie der kosten, is op zich zelf niet

297

ocr page 314

Art. 82.)

voldoende als een blijk dat in een vonnis is berust, wanneer niet tevens de gelikwideerde kosten zijn afbetaald.

Ait.-R. Amersfoort, v. 1 Nov. 1854, W. ii0. 1599.

Vergelijk in verband hiermede navolgende beslissing:

Niet liet verzuim om een aanbod te doen op den krachtens een bij verstek gewezen vonnis beteekende schadestaat, maar eerst de betaling van de geëischte schadevergoeding kan het verzet niet-ontvankelijk doen zijn.

Arr. Hoog Gerechtshof, Nod.-Indië, v. 7 Aug. 1873, W, n0. 3654. Zio ook hot sul) ii0. 8 van dit art. aangetcekende.

18. Uit niet-betaling der kosten vloeit volstrekt niet altijd voort, dat het vonnis gerekend zou moeten worden niet ten uitvoer gelegd te zijn.

Arr.-R. Tiel, v. 29 Juli 1863, W. n0. 2583. Vgl. het aaugeteekende sub no. 3 van dit art.

13. Ongegrond is de bewering dat tegen het vonnis bij voorraad en bij verstek gewezen, het verzet nog ontvankelijk zou zijn na de executie.

Arr.-R. Tiel, v. 29 Juli 1863, VV. no. 2583; vgl. ook het suli u0. 3 van dit art. vermeld arr. Hof N.-Holland, v. 31 Maart 1859, waarbij is beslist dat waar betreft de ontvankelijkheid van het verzet de wet geen onderscheid maakt tusschen vonnissen die niet, en die wel bij voorraad uitvoerbaar zijn verklaard.

1-1. Door de beteekening aan den defailiant, met gelijktijdige dagvaarding tot van waarde verklaring van een arrest onder derden gelegd, ter bekoming van de bi j een verstek gewezen vonnis, te gelijk met de daarbij uitgesproken scheiding van tafel en bed, toegestane alimentatie-gelden , moet geacht worden uitvoering aan dat vonnis gegeven en aan den defailiant bekend gemaakt te zijn, zoodat zijn verzet tegen dat vonnis niet meer ontvankelijk is.

Arr.-R. Amsterdam, v. 24 Mei 1864, W. uo. 2597, ook aangehaald sub no. 3 van dit artikel. Vgl. het sub u0. 9 van dit artikel aaugeteekende.

I o. De in dit artikel vervatte bepaling omtrent het tijdstij), waarop een vonnis gerekend wordt geëxecuteerd te zijn, is alleen betrekkelijk

298

ocr page 315

(Ufo lA^ IrU-. c92- /lv- H (7^l'L ■v~*sxytji lt;(- aCe_

-T-T

v f t. -v-cc. ~J Op ^ rft/n~ ' t^-*1

^ ^r£) 1— ftii j c^':r;.-j'

v (Ar/. 82. • /3 i/~^jll i.yd'y Cc'. ST/c?-

/y

i^gt; C^-f

op vonnissen, bij verstek gewezen, om zoodoende noodzakelijke ter- Etre^i^a

mijnen in die materie tc stellen; nwar die bepaling kan op vonnissen /#/».

In coniradictorio, zonder inbreuk te maken op de vastgestelde termijnen /i

van appèl, niet worden overgebracht en toegepast. JihsM' ■ ,

far rfr lt;gt; cf/oY.

Hof Groningen, v. ■11 Dec. 18G0, \V. uquot;. 2897; anders Sir. IS. Cohen.

iu Oiim. cn Mahl., dl. XVII, blz. 200 sqq.

IO. Door de openbaarmaking van bet vonnis van curateele, ^1111 ^^3-dit niet geacbt worden geëxecuteerd te zijn, zoodat men daartegen niet meer in verzet zoude moffen komen.

Ait.-R. 's-Gravenbage, v. 21 Mei 1874, W. 110. 3741, waarbij nog werd beslist, dat ook het enkele feit der bctoekeniug niet de kracht van tenuitvoerlegging van het vonnis hebben kan.

Zie ook Regtsg. Adv. VI, p. 103 en 164; idem ten aanzien van de aanplakking en aankondiging in de dagbladen van een vonnis van scheiding van tafel en bed, Arr.-R. Groningen, v. 12 Jan. 1883, W. n0. 4888.

13. Hij die bij verstek veroordeeld tot schadevergoeding en in de procedure tot vaststelling van den schadestaat zonder reserve procureur stelt, is niet-ontvankelijk in zijn verzet tegen net vonnis bij verstek, daar hij eene daad heeft gepleegd, die niet, alleen noodzakelijk aanwijst, dat de uitvoering van liet vonnis hem bekend is, maar waardoor hij tevens te kennen geeft, dat hij tot executie van liet vroegere vonnis wil medewerken.

1

f'

Arr.-R. Amsterdam, v. 27 Juni 1878, R. li. jg. 1878, A. p. 211.

18. De beteekening aan den derden gearresteerde van het vonnis

waarbij het derde arrest is van waarde-verklaard, is wel te beschouwen 1r'

als een begin van uitvoering, maar belet het verzet niet, vermits art.

SE duidelijk te kennen geeft, dat alleen na voltooide tenuitvoerlegging

het verzet ijdel is. i-j-rr-nquot;' ^

Arr.-R. Amsterdam, v. 2quot;) Maart 1880, W. nquot;. 4569. Vgl. het sub nn. ^/lt;rrrf'

9 van dit artikel aangeteekende.

c/(jyvi/*K

lfgt;. Zie ten betooge dat bet verzet tegen een vonnis (bij verstek) ^

waarbij de echtscheiding is uitgesproken, kan plaats hebben tot aan J- ■

ft. if' 7 gt;

het oogenblik der inschrijving en dus ook nadat het getuigschrift, in '-f1''' V

1 • • / ^0 • art, 48, n0. 3 H. W. vermeld, door den griflier zal zijn afgegeven —-

yjHA-O.

lJI

fTvri-

■Uyfc-J

■yestyyt

2.0,

a^~J IL£L~~gt; Irtr-yTs-y^tsi

r

-tr / quot;*«-

rT (C, 'yt-'O-

ft C

tyCc '

lt;3ov^»

LI

/

fa./2.

i-, ,-f /---

/ y amp;-e^L. UJH/-i. / OCf. 5^4f

'7

. 1- '-f

lt; -1 , ct- . ,

U-y 1~/TVr-S *-

at*. / ■ lt;

ocr page 316

Art. 82.)

li. 1!. jg. 1839. dl. I. |i. •I'.K.i- 195 on 257—204; Mr. van Hihtkn, in 't W. iiis. 87. 89 on 90; Vah.i.ant. //(//., til 1 on Scuui.i.eh, ad art.

AH. 83.

1. Het eigenaardig gevolg van een gedaan verzet moet zijn de .stuiting van de tenuitvoerlegging, indien die niet bevolen is, niettegenstaande verzet, en is mitsdien elk verzet, hetwelk dit noodwendig gevolg zoude missen, per se niet ontvankelijk.

Air. v. M Moi 1852. R., dl. XLII. § 3; v. p. 11.. B. li., dl. XIV. p. 330—338.

'i De bepaling van art 83 B. 11., dat liet exploit van verzet o. a. zal behelzen dagvaarding aan den persoon of ter gekozene woonplaats van den oorspronkelijken eisclier, tegen de eerstkomende terechtzitting, is kennelijk gemaakt in het belang van hem, die liet vonnis bij verstek heeft verkregen en heeft blijkbaar ten doel, om te voorkomen, dat de defaillant de tenuitvoerlegging van het vonnis, door verlengde termijnen van dagvaarding, willekeurig zoude kunnen ophouden of verschuiven. Hieruit volgt dat de naleving dezer formaliteiten tot het wezen van een geldig verzet behoort en derhalve het veronachtzamen daarvan, uit den aard der zaak, de niet-ontvankelijkheid van zoodanig verzet moet tengevolge hebben, ook zonder dat zulks bij de wet bepaaldelijk wordt uitgedrukt.

eJlM Arr.-R. van 14 Mei 1852, sub nquot;. 1 ; idom ten betooge, dat een

verzet niet is ontvankelijk, hetwelk niet inhoudt dagvaarding tegen de , tws/komende terechtzitting — do vonnissen van de Arr.-R. Amsterdam, ^ v. 31 Deo. -1839, R. B. jg. 1842, dl. IV, p. 890—892; v. 20 Nov. 1841,

cto-'l- ifj-U. li, ut snpra, p. 107—171 ; R.. d. XIII, § 29; v. 10 Maart 1842, uy-in.^u~~ R- B. nt snpra, p. 205—268; v. 30 Jan. 1851, W. no. 1221 ; /L 1!. 1!. ig. 1851, n. 198—201 tzijndo in onderscheidene vonnissen dier

V-JLn ^ ■ JO 1 . . 1 T

rechtbank het argument gebezigd, dat het hier besproken voorschrift van U. _ .1l.j «gebiedendquot; is en derhalve het verzet, in strijd daarmede gedaan, h-^-, nietig moet verklaard worden); idem Ktg. n». 1, Amsterdam, v. 4 Oct. ' i - 1850, Amstcrd. Rcytspr., I, p. 130—132; idem Arr.-R. Assen, v. 10

^ *— ' ' Juli 1842, W. no. 310; li. 1!. jg. 1842, d. IV, p. 731; R., dl. XXVI, - § 105; en van 27 Nov. 1865 R. B. jg. 1867, blz. 281; idem Arr.-R. ie A. • vwu-aJ-Groningen, v. 24 April 1846, R. B. jg. 1847, dl. TX, p. 398—402; idem 'u ijL±ei v L Nijmegen, v. 4 Sept. 1840, \V. no. 757, R. B. jg. 1840, dl. Vlll,

p. 090, zijnde bij laatstgemeld vonnis tevens beslist, dat hot or, in aau-

do- h Q^cf/ijL^cyeA. .

lUo . ^ /s/i-rU- 'f93. /. quot;l- nPys

C^jyy^- 'li. ~ ó V- /• ^^2-,

Zca- rSk. V*. _ htu.^ 6o Sv..

Of. ^ Slt;f2-S. It jc,j

•^6 , ' ■ O ** n amp;

-)/ 7

ocr page 317

(Arl. 83.

merking genomen de rnlio hyis, niets toe kan floen of de gestelde dies faf'ilis met korteren of langoren tijd is overschreden, terwijl de bepaling van art. 94 in die gevallen niet kan treden, waarin geene kwestie is van nietigheid van liet exploit van dagvaarding, maar van niet in aclit-neming van eenen termijn ifllvfi qiwm nclio non dnhiv; idem (met betrekking althans tot de niet-ontvankelijkheid) in de Vi'oycn vuti Ncdrrl. Itn/I, beantwoord door eenige Amsterd. Rechtsbeoefen., Me verz., |). •153—150, alsmede door den Hoogl. van Ham,, R. 1!. jg. 1851, p. 201 ; door Ah'. F. R. Phnnino ad art., en door de rechtbank in Neder). Indii', zoo als blijkt uit liet Rct/l in .\i'drt'/. hidlï', dl. )I1, 11. Tm ; idem liij vonnis Ktg. nquot;. 1 Amsterdam, v. 19 Nov. 1872, W. nquot;. 3548; Arr.-R. Amsterdam, v. li Dec.. ISfin, \\ , nquot;. 2776; vonnis Ktg. 's-flravenliage, v. 2f) April 1867, W. nquot;. 2947. waarbij is beslist dal niet-voldoening aan liet, voorscbrift van dit artikel wel kan leiden tot niet-ontvankelijk-ver-klaring in het verzet, maar geenszins tot nietig-verkhiring van het exploit. Het tegendeel van dit laatste schijnt implicite te zijn aangenomen hij vonnis Arr.-R. Amsterdam, v. 14 Oct. 1868, \V. n gt;. ;!U74, waarbij werd beslist dat de exceptie tot nietigheid niet kan worden toegewezen, indien niet blijkt dat de geopposeerde daardnor is benadeeld, ('f. ook redactie van bet R. R. jg. 1876. afd. A. p. 82.

Vgl. voorts met de beschouwingen van het vonnis Arr.-R. Amsterdam, v. 6 Dec. 1865, hierboven gemeld, omtrent de ambtshalve toepassing der niet-ontvankelijkheid, het vonnis der Arr.-R. Amsterdam (1ste Kanier), v. 21 Sept. 1841. II. li. jg. 1812, dl. IV, p. 59 en 60, waarbij is beslist dat, vermits de termijnen van verzet, bij de artt. 83 en 84 B. R. voorgeschreven, geenszins de openbare orde betreffen, maar alleen in het belang van de litigeerende partij zijn bepaald geworden, hieruit volgt, dat de niet-ontvankelijkheid, op grond van het niet in acht nemen van die termijnen, niet in appèl kan worden voorgesteld, indien zij niet reeds in eersten aanleg was opgeworpen (de juistheid van welke beslissing wordt betwijfeld door den Hoogl. van IlAr.L, R. B.jg. 1851, p. 201, uit hoofde dat, nn vrij algemeen z. i. te recht is aangenomen, dat die termijn eene Gebiedende wetsbepaling bevat, deze dan ook tot de openbare orde behoort, en ambtshalve door den rechter kan worden toegepast, zoodat men zich in appèl op dezen grond mag beroepen); door den Hoogl. M. des Amohik van der Hoeven, R. B. jg. 1853, p. ;i7:3—377, hoofdzakelijk op grond (wellicht ook met het oog op het beginsel, gehuldigd bij art. 93 li. R. en gegrond op den rechtsregel : «omnes licenliam habere his, quae /ira se intvoducta sunt. reiiKntiare»), dat die beweerde niet-ontvankelijlvheid aandruisebt tegen art. 90 ; dat zij inderdaad niets anders is, dan eene nietig-verklaring der procedure in cas van verzet; dat ook, afgescheiden van art. 90, deredenen, waarom deze afwijking van het beginsel: pocjiac non siipjilentu)', en odia sunl restrin.'ienda, gerechtvaardigd wordt, uitermate zwak zijn; dat overigens de argumentatie, dat hier kwestie zou zijn van een termijn, idfrn rjtieni actio non datur, op eene verwarring van begrippen berust, daar art. 83 geen termijn bepaalt, binnen welken hi't exiituit van oppositie geschieden moet, maar over geheel iets anders spreekt, namelijk, welke rechtsdag in het exploit moet worden

301

ocr page 318

Art. 83.)

302

aangeduid als de dag, waarop de zaak liet eerst ter audientie dienen zal en daarop die argumentatie geene toepassing kan vinden; dat het overigens (gelijk mede is opgemerkt door Mr. A. de Vries, R. B. jg. ISal, p. 388) niet de vraag is, of — hetgeen door niemand wordt betwijfeld — het voorschrift van art. 83 gebiedend is, maar welke de straf is, op de niet-nakoming gesteld. De gevolgen der niet-nakoming van evengemeld voorschrift, betreffende de dagvaarding tegen de eerstkomende terechtzitting, zijn, naar het gevoelen van den Hoogl. alleen deze : dat indien de opposant gedagvaard heeft tegen een lateren rechtsdag, dan die in art. 83 is aangewezen, de geopposeerde altijd het absolute rechtheeft, om op den termijn te anticipeeren, en dat, al mocht ook bij het vonnis op de hoofdzaak de opposant in het gelijk worden gesteld, de kosten dier anticipatie altijd te zijnen laste zullen moeten blijven, daar zij veroorzaakt zijn door zijne overtreding der wettelijke voorschriften. — In strijd met dat gevoelen wordt in 't R. B. jg. 1839, dl. I, p. 520—522 en door den Hoogl. van Hall in 't R. B. jg. 1840, dl. II, p. 30 en 31, in de Regtsg. Adv., dl. IV, p. 151—156, bij de Pinto, Hdh. B. Jt., II, I, p. 170, de leer voorgestaan, dat hij, die een vonnis bij verstek verkregen heeft, waartegen do defaillant in verzet komt op eenen langeren termijn dan bij de wet vereischt wordt, niet bevoegd is dien termijn te vervroegen, uit hoofde zoodanige bevoegdheid, welke voor het voorgestelde geval nergens in de wet uitdrukkelijk gegeven wordt, ten deze niet bij analogie uit eene andere wetsbepaling, b.v. uit art. 344, mag worden afgeleid en evenmin op een algemeen rechtsbeginsel kan steunen. Mr. de Pinto, (2de ed.), II, 1, p. 182 betoogt dat de geopposeerde, die op een langeren termijn dan bij de wet vereischt wordt, is gedagvaard ook geen der middelen van anticipatie, van niet-ontvankelijkheid of nietigheid behoeft; want het verzet schorst de ton-nitvoerlegging van het vonnis niet (art. 82. 2e lid) wanneer de vormen van art. 83 niet zijn in acht genomen ; en tot die vormen behoort ook de dagvaarding tegen de eerstkomende terechtzitting, waaruit volgt dat het eigen belang van den opposant genoeg waarborg oplevert voor de nakoming van dit bevel der wet; zie in denzelfden geest Oudeman, B. R., 3de ed., I, p. 117; 4de ed. I, p. 120; Mr. F. R. Penning echter ad art. meent, dat daardoor het belang van den geopposeerde niet genoeg is verzekerd, daar hij daartoe niet zal durven overgaan, zoo lang op het verzet nog geene uitspraak is gedaan, ten .einde geen gevaar te loopen bij eene gegrondverklaring van het verzet niet alleen in de proceskosten te worden veroordeeld, maar bovendien ook nog tot schade-goeding. Dit gevoelen wordt, hoewel op andere motieven, gedeeld door den Hoogl. des Amorie van der Hoeven nt supra, namelijk op grond dat art. 82, laatste alinea, alleen gewaagt van «vormen» en daaronder moeielijk verstaan kan worden het geval, waarin het exploit, aan alle de voorschriften omtrent den vorm voldoende, een te laten dag voor de verschijning in rechten heeft aangewezen. Ook ten deze is de Hoogl. des Amorie van der Hoeven van meening, dat de bevoegdheid van den geopposeerde om den termijn door anticipatie te vervroegen, het eenig rechtsgevolg is, dat uit de dagvaarding tegen een te laten rechtsdag voortvloeit.

ocr page 319

{Art. 83.

Val. met dit nUfts: arr. v. 4 .Tnni 1875, W. n0. 3803, vermeld sub no. 5 van dit art., waarbij met bevestiging van arr. P. H. v. N.-Brab., v. 9 Juli 1874, W. nquot;. 3850 (in strijd met de concl. v. adv.-gen. Smtts) is beslist dat dagvaarding, niet tegen de eerstkomende terechtzitting gedaan, medebrengt noch niet-ontvanke]ijkheid van het verzet, noch nietigheid van het exploit, maar dat dit alleen ten gevolge heeft het niet stuiten van de ten-uitvoerlegging van het vonnis, terwijl de geopposeerde het rechtheeft den termijn waarop hij is gedagvaard, te vervroegen; idem Arr.-R. Groningen, v. 20 Maart 1880, W. n». 4549, R. B. jg. 1882, B. p. 120, waarbij nog werd beslist, dat deze bepaling ook geldt bij verzet tegen het vonnis van failliet-verklaring.

Yo-l. nog ten betooge dat bedoelde wettelijke bepaling niet op straffe van nietigheid is voorgeschreven, Ktg. 's-Gravenhage, v. 24 Juni 18.w, W. nquot;. 1909.

3. Dit artikel is niet geschonden door de weigering van den judex facti om recht te doen op een middel van niet-ontvankelijkheid, dat, volgens het Hof, eerst zou zijn voorgesteld bij pleidooi, niettegenstaande volgens den eischer in cassatie bij de conclusien van het verzet tot niet-ontvankelijkheid was geconcludeerd en de meer bepaalde grond daarvoor bij pleidooi slechts nader was ontwikkeld.

Arr. v. 9 Jan. 1873, W. n°. 3550.

-4. De woorden; tegen de eerstkomende terechtzitting moeten, in geval van vacantie, dus worden opgevat, dat de dagvaarding moet worden gedaan, voor den rechter, zitting houdende na de vacantie.

Arr. v. 19 Febr. 1875, W. nquot;. 3827; R., dl. CIX § 10; v. n. 11., B. R., dl. XL, p. 118—'135 (in overeenstemming met de conclusie van adv.-gen. Polis) ; idem Arr.-R. Zutphen. v. IS Nov. 18S0. W. nquot;. 4042. — Anders Arr.-R. Assen. v. 27 Nov. 1865, W. nn. 2S2;). R. B. jg. 180/. blz. 281. Vgl. bet vonnis «Her zelfde rechtbank van 19 l ebr. 1800, R. li. jg. 1807, p. 284, W. n0. 2825, waarbij nog werd beslist dat de opposant die e«Mi-maal wegens niet-observantie van dit voorschift is niet-ontvankelijk verklaard, dit verzuim niet meer herstellen kan door een later verzet met dagvaarding tegen «le dan eerstkomende terechtzitting. — Cf. wat dit laatste betreft, Arr.-R. Amsterdam, v. 14 Jan. 1857 vermeld sub art. 81.

5. 0«)k voor het verzet bedoeld in art. 791 W. v. Iv. gelden de algemeene hier voorgeschreven regelen.

Arr. v. 4 Juni 1875, NV. nquot;. 3803; R., dl. CX § 21 ; v. u. II.. li. R., dl. XL, p. 372—380, ook vermeld sub n». 2 van dit art.; idem Arr.-R. Goes, v. 22 Nov. 1872, W. nquot;. 3573, R. li. jg. 1873, p. 178; Arr.-R. Groningen, v. 20 Maart 1880, W. nquot;. 4549, ook vermeld sub no. 2 van dit art.

303

ocr page 320

Art. 83.) 304

lt;■. Hij die in verzet komt tegen een vonnis bij verstek, in zake van koophandel gewezen, moet, op stralte van niet-ontvankelijklieid, bij dat verzet de rechtspleging in zaken van koophandel volgen, ook dan, wanneer hij beweert niet wegens een handelsschuld veroordeeld te zijn.

Air.-R. Amsterdam, v. 10 Maart 1842, R. B. jg. quot;18451, dl. IV, ]). 265—2(18; Idem Arr.-R. Assen, v. 10 Juli 1842, W. nquot;. 310, R. I?. jjr. 1842, dl. IV, )gt;. 73-1 ; R., dl. XXVI, § 105; anders (en volgens Léon te recht) bij vonnis der Arr.-R. Amsterdam, v. 20 Nov. 1852, W. nquot;. 1221, R. 13. jg. 1853, p. 108—110, waarbij is beslist, dat de vraag, of In geval van verzet (naar den elscli eener burgerlijke- of handelszaak) tegen de eerstkomende terechtzitting Is gedagvaard, niet afhankelijk is van de omstandigheid, dat de zaak door den oorspronkelijken eischer, latei- geopposeerde, als handelszaak is aangebracht, maar moet beantwoord worden door een onderzoek, of de zaak werkelijk al dan niet eene handelszaak is. — Cf. art. 1 li. R. air. v. 5 Nov. 1840, snip n'. I.

S, De vernietiging van een conservatoir arrest, hetwelk reeds bij een vonnis, bij verstek gewezen, van waarde is verklaard, is als een verzet tegen dat vonnis te beschouwen, en moeten mitsdien de termijnen worden in acht genomen, voor het verzet voorgeschreven.

Arr.-R. Groningen, v. 24 April 1840, R. B. Jg. 1847, dl. IX, p. 398—402.

S. In cas van verzet (t« casic tegen een vonnis van failliet-verklaring) moet de dagvaarding geschieden tegen de eerstkomende terechtzitting der rechtbank, op strafte van niet-ontvankelijkheid, onverschillig door welke civiele kamer het vonnis van failliet-verklaring is gewezen, daar, wat ook zoude kunnen blijken uit de artt. 30, 4d, 89, 90 en anderen van Zr. Ms. Besluit van li Sept. 1838 [Stbl. nn. 30), zulks meer bizonder betreft de verdeeling der werkzaamheden, bij de onderscheidene kamers der rechtbank gemaakt, terwijl de bepalingen noch van dat besluit, noch van eenig ander reglement, ooit zouden kunnen krachteloos maken de voorschriften omtrent dagvaarding, bij de wet omschreven en vastgesteld.

Arr.-R. Amsterdam, v. 30 Jan. 1851, W. n0. 1221 ; R. li. jg. 1851, p. 198—201 ; Ainst. Regtspr., dl. 1, p. 297—300 ; idem bij vonnis van dezelfde rechtbank, v. 31 Dec. 1839, R. B. jg. 1842, dl. IV. p. 890—892. Anders 1'. II. v. N.-Ilolland, v. 22 Febr. 1800, W. uquot;. 2824, en Arr.-R. Amsterdam, v. 1 licc. 1874, It. B. jg. 1870, afd. A. p. 81. — Cf. art. 83 li. R., arr. v. '14 Mei 1852 sqq., sub nquot;. 1 en aant. 4 van dit art.

ocr page 321

Ir^AsZO-^. -

\s

• o^-vJ-e / is-e^__

'~^._ L,__i_ '-O- l-t--' ~—

j n (ist-. f MS1 -J ^/ quot;/'

•305 [Art. 83.

fgt;. Ook in cas van art. S3 B. 11 en bij liet doen van het exploit van verzet en de dagvaarding ter gekozene woonplaats van den oor-spronkelijken eischer, moet de afstandstermijn van de werkelijke woonplaats van den oorspronkelijken eischer en geopposeerde worden in acht genomen.

Arr.-R. Groningen, v. 12 Dec. -185-1. li. B. jg. 1854. p. 382—385. —

Vgl. in gelijken zin art. 8 B. 1!,, vonnis van de Arr.-R. Assen, v. ONov.

1843 sqq. en art. 'li ibid., arr. v. 14 Mei -1852, beiden sub n0. i. —

Anders Arr.-R. Amsterdam, v. -13 Maart 18G7, R. B. jg. -1807, p. 681.

40. De rechter raag op geene andere middelen van oppositie letten,

dan die bij het exploit van verzet zijn opgegeven. hamp;s. /*, De.c./iTiPf

Jyi-citto Ktg. Woerden, v. 20 April 1852, \V. n0. 13511; idem Mr. I'. It. /a/, wjy

PENNING') ad art.; — anders bij vonnis Arr.-R. Arnhem, v. 23 Nov. 18(j5,

I!. B. jg. 1800, p. 397 en door den Iloogl. M. des Amorit. v. n. Hoeven, . ^ Sum, ii'r Bijdr. vcih ncgtsy. en 11 cbjcr.. jg. 1853, p. 572—574, boofd-

/9 zakelijk oj) grond, dat, wanneer de wetgever wil, dat men alle zijne

middelen dadelijk te berde brenge, op .straffe van vervallen te zijn van

*- liet recht van later nog andeie aan te voeren, hij gewoon is dit in ondubbelzinnige woorden te bevelen, gelijk b.v. in art. 122 li. W. en art.

390 I!. R. en die leer in ieder geval niet kan opgaan met betrekking tot exceptiën, die volgens de wet moeten worden voorgesteld, «vóór alle andere weren». — -Cf. Carré, Oh. 689; en aant. 14 op dit art.

tl. Nergens is bij de wet verboden bij één en hetzelfde exploit in verzet te komen tegen twee vonnissen, waarvan het eerste de hoofdzaak betreft en bet laatste ter vereffening der proceskosten is gewezen.

Arr.-R. Amersfoort, v. 1 Nov. 1854, W. n0. 1500. / '

1 ** Bij verzet tegen een bij verstek gewezen vonnis kan geene ii rcJs.rU[, reconventionele vordering gedaan worden, tenzij die zij uitgebracht in het exploit van verzet. Dit is hieruit afteleiden, dat art. 83 B. R. oiif)

wil, dat het exploit van verzet suraraierlijk zal behelzen de middelen cn^.

van den opposant, zoodat noch de geopposeerde noch de rechter ver- ~

plicht is te letten op middelen, die buiten dat exploit ter terecht-zittiiii' worden aangevoerd. ■

o o c

Ktg. 's-Gravenhage, v. 29 Oct. 1850, W. iiquot;. -1825; idem vonnis Ktg. /'A 'w

n0. 1 Rotterdam, v. 8 Juli 1875, R. IS. jg. 1876, afd. A. p. 77. — Cf.

Arr.-R. Goes, v. 14 Nov. 1871!, 1!. li. jg. I87'.l, A, p. 09, waarbij de bevoegdheid wordt erkend, om bij bet exploit van verzet eene reconven-tioneele vordering in te stellen.

Mr. W. van Kossem Bz., Bury. Rechtsv. '20

ocr page 322

f Ook bij een exploit van verzet behoort de exceptie van non-. kwalificatie de verdediging ten principale vooraf te gaan, en deze niet

. 4. te volijen. ,

£M^lt;£*7o6

Ktft'. no. II Amsterdam, v. 8 Aug. 18(1-1. W. nquot;. 2418 ; vgl. nnk arr. P. II. v. Groningen, v. 21 Sopt. '1804 sqq. snl) hoc art.

Dit artikel gebiedt, dat de middelen ten principale met de

^ ^2 ,r^«-9'gt;^2?xcel,ties vereenigd moeten worden, ook in die gevallen waarin zulks

b 7asri- ail^ers ongeoorloofd is. f

[J- li.* InP1''^ g P- II- v- Groningen, v. 21 Sept.'1804', R. B.jg. 1865, p. 234; idem Arr.-R.

„g^ii 's-Hertogenbosch, v, 30 Maart 1883. W. n®. 4913; Arr.-R. Appingedam.

^ v- quot; Juni 1800, R. B. jg. 1807, p. 80, waarbij verder werd beslist dat

^ desniettemin de bepaling van art. 101 al. 2, B. R.. moet worden opge-

. JU.W1*' volgd. _ Anders arr. P. II. v. N.-Ilolland, v. 28 Mei 1857, R. li. jg. 1857,

^ , / dl. VII. I)lz. 545 ; idem Ktg. Groningen (aiur die), W. n0. 4293. — Cf.

A/yisVy' ' o \ /

/ Ktg. II Amsterdam, v. S Ang. 1801 sub Ikic art. Zie ook v. B. F. in ült;lt;VU/^a/^ oirrrl/lt;t.a-^ R. I!. jg. 1805, p. 230 in de noot; alsmede aant. 10 van dit art.

3

yv^-

' ** Bloote ontkentenis, zonder verder eenigen grond, waarop die ontkentenis steunt, voldoet niet aan liet vereischte hier voor den inhoud van het exploit van verzet voorgeschreven, dat het nl. moet behelzen summierlijk de middelen van partij.

l/en-u. p ji v_ Groningen, v. 2n Nov. 1804, W. nquot;. 2710, R. B. ,jg. 1805,

v,y p. 244; idem Arr.-R. Rotterdam, v. 20 Nov. 1881, R. B. Jg. 1881,

61/? ^ ''' quot; 'L*/C. /yoe, U/T-ytquot;

1 a Al is de opposant in den vorm eischer, hij blijft tegenover

quot;/■ ^iV2- - 'Ifin oorspronkelijken eiscli verweerder.

Ivtü'. Groningen, v. ld Jan. 1881, W. nquot;. 4715, R. B. jg. 1881. A. p. 230;

. ■ iA' ' ' ' 1

Ö-' . (c- zie verder over do vraag, wie als eiscber te bescbonwen is: art. 152 ^ ..y. quot;-quot;''f li. R. Arr.-R. Amsterdam, v. 9 Maart 1859 sqq.

I S. Zie ten betooge, dat een misslag in den voornaam van een

;/ geopposeerde begaan, geene termen kan opleveren tot ambtshalve

nietigverklaring van het gedaan verzet —

{jJ. ir.J ' een vonnis van do Arr.-B. Amsterdam, v. 21 Sept. 1841, R. B. jg. 1842,

dl. IV, p. 59 en 00, vermeld sub art. 5 B. R., nquot;. 2.

Art. 84.

1. Eene mondelinge verklaring, waarbij men in verzet komt tegen

ocr page 323

yCj/f-. ''--c*. i --. *,•} 2 i-^ ^ ov~.

fpii, i

307

(Art. 84.

de executie van een vonnis, waartoe de deurwaarder wilde overgaan, moet als in den vorm wettig worden beschouwd.

A it. v. 28 Maart -1848, W. nquot;. 931 ; T!.. fll. XXX. § '28; v. n. II.. Strafr. jg. '1848, dl. I, p. 252—259 ; — anders in de conclusie van den adv.-gen. Deketii, v. n. H. 1. c., p. 254 en 255, volgens wien het hloote zeggen van een fjcëxcoile.erdc, van in verzet te komen, wel nimmer in den zin der wet, als een rechtsgeldig verzet zou kunnen worden aangemerkt.

'i. Een vroeger buiten rechten gedaan, doch niet vervolgd verz.et, kan een defaillant niet beletten, om op nieuw verzet te doen, wanneer het vonnis bij verstek gewezen nog niet is ten uitvoer gelegd.

Arr.-R. Amsterdam, v. 24 Oct. -1838, 1!. B. jg. '1842. dl. TV. p. 258 ; v. 8 April 1841, R. B. jg. 1840, dl. VIII, p. i73; v. 2 Doe. 1853. R. 1!. jg. 1854, p. 473—177 en v. 's-Hertogenbosch, v. 3 .Tan. 1849, W. nquot;. 987 ; zijnde bij die beslissingen hoofdzakelijk overwogen: 1°. dat te recht niet is verboden, om na een vroeger buiten rechten gedaan, doch niet vervolgd verzet, op nieuw in verzet te komen, zoo lang overigens de termijn nog aanwezig is, daar een zoodanig verzet, niet binnen den termijn van drie dagen herhaald, van zelf vervalt en het geheel geen effect kan hebben en dus als niet gedaan moet beschouwd worden, en 2'. dat bovendien, vermits bij de Nederlandsche wetgeving in art. 335 B. R,, aan den bij verstek veroordeelden gedaagde geen hooger beroep is toegestaan, in afwijking van hetgeen de Fransche Wet daaromtrent bepaalde, de interpretatie der voorschriften omtrent het verzet eerder in extensieven dan in limitatieven zin moet geschieden, en 3°. dat het bezwaar tegen eene herhaling van In verzet komen, na eene voorafgaande, niet vervolgde oppositie, als zoude door de toelating daarvan de ten-uitvoerlegging van een vonnis steeds worden opgehouden, zonder tot het gewenschte einde te geraken, meer schijnbaar is dan gegrond, vermits de oorspronkelijke eischer wel tijdens het komen in verzet, gedurende drie dagen kan worden opgehouden, maar na verloop daarvan, zoo het gerechtelijk verzet met de daarbij voorgeschreven dagvaarding niet volgt, onmiddellijk weder eene schrede verder op de baan der ten-uitvoer-legging kan en zal gaan. en bovendien deze herhaling van acten van verzet steeds onderworpen blijft aan den hoofdregel, iu art. 81 gesteld als een teriniuus, welke in geen geval mag worden overschreden; idem, Oudeman, 4de ed., dl. I, p. 121 en de Pinto, I fill., II, 1, ]). 182; — anders echter bij arr. van 't P. II. v. N.-Brabant, v. 11 Dec. 1840, W. nquot;. 136; R., dl. VII, § 30, waarbij bet beginsel schijnt te zijn aangenomen, dat een extra-judlcieel verzet binnen drie dagen moet zijn herhaald, bij gebreke waarvan de gedane oppositie als niet geschied behoort te worden aangemerkt.

:t Tegen een vonnis, bij verstek gewezen ten laste eener lirma kan, na ontbinding dier firma, niet een der gewezene associés alleen

y

ocr page 324

SeM- nrr^-K *— £s (^— fLc*, lt;'/*. - lt; -, -f l/^/x /'t£-éjrp^y tf/y/^e /amp;_

n ' / tp ^ f*. t/b 1 Tr€, cfaf /- A^OA —' gt; té. ctlt;o . lt;ylb. ^L^Üyigt;7^^Y/ /?

^ K'cP?quot;?, l^- ^

/4. amp; ^/7 ^ /yov, 6/.^dgt;ffamp;.

M.) »quot;** «,- -i-- 308 ■ ■ ~ '• quot; •- quot;'quot;-V

in verzet komen, wanneer hij niet blijkt te zijn de eenige likwidateur der firma.

Arr.-R. Amsterdam, v. X April 1841, 1!. 1). jg. 1840, dl. VIII, p. I7Igt;.

-4. De niet-vermelding van het verzet op het proces-verbaal van een deurwaarder levert niet het bewijs op, dat een verzet niet is gedaan.

Door getuigen kan echter niet worden bewezen, dat men van een vonnis is gekomen in verzet.

Arr.-R. Tiel, v. 20 Juli '1803. W. n0. 2583.

Art. 86.

1 J * / 1 _ ^,ie omtrent het rechtsgevolg van een vonnis bij verstek gewezen, waarbij een arrest onder derden gelegd, van waarde is verklaard, en ja/M. e*JU~ rto(le debiteur na de gedane beteekening aan den derden gearresteerde ^ tegen dit vonnis in verzet komt —

^livyi(wv-' cP c^a-'- g9 !gt;,. R,. arr. v. 't P. II. v. N.-lligt;lland, v. 25 Mei 1848 stIfl--

acyr. en omtrent de vraag, ot de gerechtelijke bewaarder, in art. 450

1 • crjL^ B. R. vermeld, tegenover den executant te beschouwen is als een derde —

l^k./ art /|:{-2 B. R,. vonnis van do Arr.-R. Groningen, v. 24 April 1846 sqq.

XrvW ^

/ t *i. Zie ten betooge dat de grifiier van de rechtbank, die een vonnis O l)ij verstek heeft gewezen, op de aanvrage van den procureur des

^ eischers om afgifte van de verklaring, dat op zijne registers geen verzej; is aangeteekend, niet kan vorderen, dat hem de acte van be-^ teekening van dit vonnis worde overgelegd, en, als zulks niet geschiedt, ln,i (]e afgifte der verklaring niet kan weigeren —

een opstel van Vai.e, in W. 110. 3751.

T^cuat'r ! J3j4 decision van den Minister van Financien van ó December

/x/t, ^ amp;C

1 n X '' 's^^' n0- 40 en van 28 Januari 1839, n0. 82 (11., d. 11, § 24), is, (/%gt; /i/!/ , 0p grond van art. 12 van het Decreet van 12 Juli ISOS beslist,

'lrtJ'y quot; dat de certificaten van non oppositie ter griffiën van de Rechtbanken, en ])ej. algemeen alle certificaten zonder onderscheid, welke door (]e griffiers der arrond. rechtbanken in brevet worden afgegeven, aan

1 'liet recht van redactie onderworpen zijn.

i-S'

... r}-

ïd. quot;r sul-

ocr page 325

Ugt;. /L. // Kf//, -ii- ■ ■^vi-. aCMjr.

Tj^nJ- I^-M- o-t^J uyxJL. V /mC ;;()lt;) [All. SS.

.1(7. SS.

1. Art. SS jquot;. art 82 15. li., kim niet worden ingeroepen door iemand, die geene partij is geweest in liet geding, hetwelk door een vonnis bij verstek is geëindigd.

Air. v. 2S Maart 1X45, \V. nquot;. (HO ; li., ill. XX. ^ :!8; v. n. II.. li. li.,

ill. VI, |i. 424—434. - In gelijken zin liij liet daartoe tictnikkelijk air.

van 't 1'. 11. v. N.-IMIand, v. üll Mei IKU. W. nquot;. (HO, H. ]!. jg! -1S44,

dl. VI. jgt;. .Til—323. — Cf. art 488 II. W.. air. v. denzelfden datiini,

sub ii0. I.

'i. De algemeene bepaling van art. 88 B. R , volgens welke de vonnissen bij verstek, waarvan de tenuitvoerlegging niet begonnen is binnen zes maanden na de uitspraak, voor niet-gewezen worden gehouden, kan in een gezonden zin alleen gelden ten aanzien van zoodanige vonnissen bij verstek, die, kracblens het voorafgaand art. 80,

ten uitvoer kunnen gelegd worden dadelijk na verloop van acht dagen na de beteekening aan de partij of te barer woonplaats. Die algemeene bepaling mist bare toepassing, wanneer de onmiddellijke tenuitvoerlegging van bet bij verstek gewezen vonnis, bij eene bizondere wetsbepaling (gelijk bij den eiech tot scheiding van goederen) is verboden.

Air. v. 2 Oct. 1852, VV. no. 137(1; li., dl. XI,III. § 8 (aldaar onder dagteekenlng v, 8 Oct.) — In gelijken zin bij 't daartoe betrekkelijk air. van 't 1'. II. v. N.-Holland, v. \ Dcc. 1 Söi . \V. ii0. 1319 en van do Air.-U. Amsterdam, v. 23 Oct. 1850 (bereids vermeld sub art. 246 B. VV.),

\V. ii«. 117:*.: Amsterd, Regtspr., dl. I, p. 146—150. — Cf. art. 812 1!. R., air. v. denzelfden datum.

3. Art. 88 B. R geldt ook voor het geval dat de eiseber tegen een defailleerend gedaagde is in het ongelijk gesteld, als zijnde bij dit art. geen onderscheid aangenomen tusschen vonnissen, ten nadeele van den defaillant gewezen, en die waarbij de eisch is afgewezen of niet-ontvankelijk verklaard.

Die algemeene strekking wordt ook geenszins weggenomen door de ingevoegde woorden //waarvan de tenuitvoerlegging niet begonnen is binnen de zes maandenquot;, vermits het niet onbepaald waar is, dat een vonnis, waarbij een eisch bij verstek is afgewezen, niet voor tenuitvoerlegging vatbaar zou zijn, daar toch de defailleerende partij zeer wel bevoegd is om zoodanig vonnis te beteekenen, de kosten daarvan

ocr page 326

bf. 8S.)

op den eischer te verhalen, en door die beteekening den termijn ten zijnen voordeele te doen loopen.

Eene tegenovergestelde meening wordt niet alleen door de algemeene en ondubbelzinnige woorden van liet artikel wedersproken, maar kan daarenboven ook niet worden geacht door den wetgever te zijn gewild, vermits dan toch, behalve dat het geval zou kunnen ontstaan, dat een vonnis bij verstek, waarbij een eisch gedeeltelijk toe-, gedeeltelijk afgewezen was, slechts voor een gedeelte zou vallen in art. 88, — lo. de defaillant over het algemeen in eene betere conditie zou ver-keeren, dan wanneer hij ware verschenen, hetgeen geheel in strijd is met erkende rechtsbeginselen en met den verklaarden wil des wetgevers, in art. 80 duidelijk uitgedrukt; en ijquot;, hetgeen vooral iu casu te pas komt, er ten opzichte van de kracht van gewijsde een ongelijk recht zou geboren worden tusschen eischer en defaillant, hetgeen de wetgever niet kan hebben gewild, en ook in strijd zoude zijn met het begrip van een rechterlijk gewijsde, hetwelk beide partijen evenzeer moet aangaan en binden.

A it. v. 5 Mei 1854, VV. no. ir,:!7; R., dl. XLV1I, g 57, v. n. 11., li. I!. dl. XVIII, |i. 360—373; — unders hij air. v. 't I'. 11. v. N.-Holland, v. il Nov. 1848, W. nquot;. 1018; lï. 15. jg-, 1848, dl. X. p. 043—640; Recjl in iVtï/cc/., dl. [V. p. 378 en 370; idem liij vonnis van 't Ktg. nquot;. 3 Amstei'dam, v. 16 Dec. 1850, W. n0. 1231 en met betrekking tot het bijna gelijkluidende art. 156 C. de Pr. Civ., bij arr. v. 9 Febr. 1844, v. d. 11.. IS. R., dl. V, p. 153—163.

■-i. Dit art. is niet van toepassing oj) praeparatoire vonnissen, in casu een zoodanig, waarbij overeenkomstig art. 79 B. R. verstek is verleend en de zaak is aangehouden tegen den verschenen gedaagde.

Arr. v. 25 Jan. 1878, W. no. 4211 ; R., dl. CXVIII § 10, v. d. H., li. R. dl. XL11I. p. 38—48, R. Ti. jg. 1878. A. |). 295, ook aangehaald suli art. 79 B. R., bestreden door Mr. L. J. Godefroy in W. n0. 4220.

5. De schorsing van de tenuitvoerlegging van een vonnis, bij verstek gewezen, kan, indien ze onafhankelijk is van den wil van den verkrijger van dit vonnis, geene inbreuk maken op den termijn bij art. 88 B. li. verleend.

P. H. v. N.-Brabant, v. 11 Febr. 1840, W. n0. 136; R., dl. Vil, § 30.

©. Art. 88 B. 11. voorziet alleen het geval van stuiting der peremtie

ocr page 327

{Art. 88.

door ecu begin vun executie van het vonnis, maar beslist niets um-trent de vraag, in hoeverre een vonnis door deze of gene aanvankelijke daad van tenuitvoerlegging, al dan niet rechtens, kan geacht worden reeds ten uitvoer gelegd te zijn.

1'. II. V. Il.ill. v. 21 Juni mi, W. liquot;. 21:5; 11., dl. XII. § 80. — lt; T. art. 8'2, arr. v. don/., datum, suli uquot;. 5.

S. Het bevel, dat de tenuitvoerlegging van een vonnis of acte voorafgaat (artt. 439, 502 en 599 B. R.), is nog geen begin der tenuitvoerlegging zelve, in den zin van art. 88 B. R.

Hiertegen obsteert niet de bepaling, voorkomende in art. 4o9, al. 2 15. R , omdat de titel, handelende over de gerechtelijke tennitvoer-le^ging van vonnissen, een aanvang makende met de bepaling, krachtens welke acte een executoriaal beslag mag gelegd worden, men daaruit veilig mag aannemen, dat de wet het executoriaal beslag als dc eerste daad van executie beschouwt. Hoewel nu art. 430 B. R. bepaalt, dat dit beslag altijd moet worden voorafgegaan door een bevel, duidt deze bepaling niet anders aan, dan dat het bevel juist is de voorbereiding tot de executie, hetgeen nog duidelijker wordt door dc bepaling dat, indien bij de beteekening van het vonnis reeds een zoodanig bevel is gedaan, er geen nader afzonderlijk bevel wordt gevorderd en het niet is aan te nemen, dat de beteekening van een vonnis reeds als eene daad van executie zou te beschouwen zijn.

De benaming van executant, in nrt. 439 B. R. voorkomende, kan in deze beschouwing geene verandering te weeg brengen, omdat dit art., hetwelk geplaatst is in den titel, handelende over de tenuitvoer-eifging van vonnissen, reeds in de veronderstelling spreekt, dat er geëxecuteerd zal worden, maar daardoor niet geacht kan worden te hebben willen verklaren, dat de uitvaardiger van een bevel reeds werkelijk eene daad van executie verricht.

Arr.-R. Amsterdam, v. 31 Dec. '1841. I!. 15. jg. 1842. dl. IV, p. 120 127; idem v. 30 Dec. '1842, R. D. jg. 1844, dl. VI, p. 323—334; idem v. 24 Sopt. 1844. R. li. jg. 1845, dl. VII. p. 28—31 : idem v. de/., lib. sine die, \V. uquot;. 4892; idem P. II. v. Gelderland, v. 15 Oct. 1845, W. nquot;. (i8ö, R. li. ig. 1845, dl. VII, p. 789—792 ; idem bij vonnis der Arr.-R. Amsterdam, v. 7 April 1840. W. nquot;. 735, waarbij np gelijke gronden is beslist, dat men voor alsnog niet-ontvankelijk is in eene oppositie tegen een bevel, om aan het vonnis of dc acte tc voldoen ; zijnde in overeen-

'7 1 I

• gt; I I

ocr page 328

1/7. SS.)

sleniniing liioiniede lioslist liij vlt;iiiiiis der Air.-li. Maastricht, v. (i Febr. 1851, It. II. jg. 1851, (i. 271—273, dat de daad van ccn deurwaarder, die, bijgestaan door twee getuigen, zich naai' dc woning van een scluil-denaur begeeft, niet liet voornemen om diens roerende goederen in beslag te nemen, maar na liet berliaald bevel tot betaling, en ten gevolge van liet antwoord o(gt; dit bevel, door den schuldenaar gegeven, zijne vverk-zaaniheden staakt, en zijn voornemen tot in-beslag-neming der roerende goederen niet verder voortzet, niet is eene daad van executie, maar eene voorbereiding ttgt;t de ten-nitvoeilegging, en er ook in dit geval geene termen bestaan om een verzet tegen eene niet gedane executie goed en geldig te verklaren; idem bij Arr.-K. Arnhem, v. •|(gt; Juni 1862, (W. nquot;. 2450), waarbij werd beslist, dat het bevel is eene laatste waarschuwing, waardoor de schuldenaar in mora wordt gesteld, eene voorbereidende handeling om tot de ten-uitvoerlegging te geraken, docli geene tenuitvoerlegging; idem bij Ohdeman ut supra, 4de cd., dl. 1, p. 111 en he I'into, dl. II. I. p. 177. — Tegenover deze vrij eenstemmige leer van de rechts-collegiën en de meeste auteuren, staat bet gevoelen van de Martini, ad art. 88 I!. Ti., volgens wien liet bevel is de eerste daad van vervolging; voorts een vonnis van de Arr.-R. 's-Gravenbage, v. 28 Juni 1853, W. nquot;. 1450; R., dl XI,Vil, § 91, alsmede van de Arr.-R. Groningen, v. 18 Juli 1850, 1!. li. jg. 1857, dl. VII, blz. 007, naar luid waarvan het verzet tegen de executie ontvankelijk is, zoodra er bevel is gedaan en zonder dat men het beslag op de goederen behoeft af te wachten, — uit hoofde het bevel, dat ieder executant gehouden is vooraf te laten gaan aan het beslag, zonder hetwelk bij iu zijne gerechtelijke vervolging niet mag voortgaan, niet anders is te beschouwen dan als tot de executie zelve te bebooren en de eerste daad daarvan te zijn. -— Zie ook O/mi. en. ih-il. dl. XII, blz. 41 volgg. ; vgl. biermede art. 502 B. R., arr. van 't P. 11. v. (ielderland, v. 17 Maart 1S52 en art. 004 lgt;. I!.; arr. v. 't. f'. II. v. Zeeland, v. 26 Mei 1840, waarbij, zonder hot voormeld rechtspunt zelf aan te roeren, om redenen van convenientie is beslist, dat men na liet bevel, het beslag op onroerend goed of de gijzeling voorafgaande, de nietig-verklaring van dat bevel, vóór bet aanvangen der executie zelve kan vorderen.

Zie ten betooge dat ook bij een vonnis van echtscheiding de beteeke-ning van het vonnis niet als begin van uitvoering is te beschouwen, arr. Hof Amsterdam, v. 8 Juni 1877, W. n0. 4193; evenmin als de aankondiging in do courant, vonnis Arr.-R. Dordrecht sine die, W. n0. 3841, waarhij werd beslist, dat het alles afdoend bewijsstuk in de/en is het uittreksel uit do registers van den burg. stand, waaruit toch het bestaan van de tempore utili ingeschreven acte van inschrijving der uitgesproken echtscheiding alleen kan blijken; verg. aant. 14 op dit art.

8. Ook dan wanneer een vonnis, bij verstek gewezen, niet is be-teekend, is er een begin van tenuitvoerlegging van een vonnis, ook met betrekking tot den daarbij uitgesproken lijfsdwang aanwezig, door de aanneming van de hoofdschuld als concurrente, en van de proces-

T

ocr page 329

(/1)7. SS.

kosten als praeferente scliuld hij eene verificatie iti liet faillissement van hem, tegen wien het gewezen is, en welke verificatie in zijne tegenwoordigheid is gehouden.

1'. II. v. (irldcrlaml, v. 27 Apnl IS/igt;2. I!. I!. j--. I.S',2. dl. IV, v. :lt;M -bovestigende liet danrtne hetrekkelijk vonnis v;in dn An'.-ll. Arnliem. v. :M Dec. '1841, R, dl. XII. § 'M : IJ. 15. j-. -IWi, dl. IV, p. 430—4:52.-Vgl. d«' noot op dit hit.. U. 1'». nt snpiu, alwaar, niet aanhaling der woorden van de 11.11. Lipman cii Ti.iih.man, ad art. «mi luidende: «watde Nnlerl. wetgever lie.eft bedeeld meteen heffin van ten-nitvoerlegging, in art. 88 en waarin dit moet verscliillen van liet: ils seront c.rcrulrs, van art. I•quot;»(*) C. de Pr. Civ., is niet gelieel dnidelijk. de meening wordt uitgedrukt, dat liet voormelde arrest eene belangrijke bijdrage levert tot de uitlegging van de woorden: hcyui van tlvult;'gt;■/c'jlt;fitKJ-, in art.

88 P). K.; verg. aant. 18 op dit art.

ïgt;. Art. SS 15. li, houdende nietigverklaring van vonnissen bij verstek gewezen, enz., is niet meer toepasselijk op die vonnissen, nadat ze door oppositie zijn aangevallen. Hiertegen obsteert niet de omstandigheid, dat de opposant zelf door niet nakoming der wettelijke voorschriften zich berooft van het efleet, hetwelk eene contradictoire behandeling zoude kunnen gehad hebben.

Air.-K. Anisterdiim, v. 7 April IS4!gt;, K. li. j^. 18-41!, dl. \. |p. 74(1-. 7'i-i, en v. 5 Oct. fS(54, W. nquot;. 2ti4'i.

IO Van een vonnis bij verstek gewezen en volgens art. SS 15. 11. vervallen, kan niet later [in cam na de beslissing van een tusschen de ambtenaren der registratie bestaan hebbend verschil van gevoelen over de vraag, in hoeverre het vonnis op de minute registrabel was) het recht van registratie op de minute geheven worden.

Arr.-R. Assen, v. Ü7 Nov. 1848, W. n0. 1041; I» I». jg. 1852, p. 264—2()6.

I I. Vol gens het maxime; dies termini non com.putaiur in termino wordt bij de berekening van den termijn (van zes maanden) vermeld in art. 88 15. R , de dag, waarop de uitspraak heeft plaats gehad, niet medegerekend.

Arr.-R. Tiel, v. 11 Aug. 1849, R. I!. jg. 1852, p. 51—53.

1®. Een vonnis bij verstek gewezen moet ook tegen in beraad zijnde erfgenamen begonnen worden binnen de zes maanden ten uit-

3115

ocr page 330

J

Art. SS.) 314

voer te worden gelegd. In zoodanig geval kuiuien deze cene dilatoire

exceptie tot schorsing van het geding voorstellen,

Ait.-H. Tiol, v. 11 Aug. 1849, U. li. jg. 1852, p. 51—51!. -— Cl', art. 1072 B. VV., vonnis van de Arr.-R. Anisterdam, v. 8 Fcbr. 1843 sqq.

I ;t indien niet binnen zes maanden de tenuitvoerlegging is be-gonnen, vervalt het vonnis van rechtswege, maar de instantie (gedurende den termijn bij art. 37!) vermeld) blijft bestaan, zoodat de ///, ?? eischer op de vorige dagvaarding een nieuw vonnis kan vragen, waartoe

e^y (]e!1 (lefailla]1t zal moeten oproepen.

.is r-sy i*

I'. II. v. Z.-HoHand, v. 15 Juni 1864, W. ii'\ 2599 en Arr.-U. Amster-

ouSlc* t*— v- (*, 0ct- ,80-- R- pgt;- mv']' t'1- X,IL ,,lz- Ait.-R. Sneck,

^ v- s Maarti 1854, R. 1). jg 1855, dl. V, lilz. :W!I; (Iudkman, Ma cd.,

J. I, p. Mi on aldaar met ccn bei'uep up Caruk ad art. 156, (Ju. 048,

- IidNCKNXE, II, p. IC); liKISItlAT-ST.-l'lMX. J. p. 258 (Ml lioNXIS. op ail. ISO.

^ - Keni' atidiM'i' moeniiig wordt verdedigd iloor DiEi'ilUiS in Oinu. en Mcl.,

. / dl. XV, lilz. 129 en volgquot;'.; zie voor do tcKeiioversestclde leer de aldaar

... ...

. r.d aaii!gt;eliaalde scliriivers.

'■y^'La,

14. Ken vonnis van echtscheiding, bij verstek gewezen, kan, na ^verloop van zes maanden na de uitspraak niet meer in de registers

cU.

r;} qiu**'

-li. lusww' tytf' Arr.-R. Amsterdam, v. 30 Oct. 1800, \\'. nquot;. 2878, R. li. jg. 1800, p.

815; cf. Hof Amsterdam, v. 0 Jan. 1882, \V. ii0. 4755, waarbij nog werd overwogen, dat de éénige executie van een vonnis van eclitscheiding is de insclirijving; verg. aant. 7 in Hue op dit art.

i .V w auneer het vonnis verschillende veroordeelingen bevat, dan is het begin van tenuitvoerlegging van een deel van het vonnis binnen zes maanden voldoende om de overige veroordeelingen in stand te houden.

Arr.-R. Dordrecht sine die. W. n0. 3841.

t«. Bij het ontbreken van de zekerheid dat geen begin van uitvoering aan het vonnis door den gedaagde en defaillant is gegeven, binnen de zes maanden, is er geen genoegzame grond aanwezig om het vonnis als niet gewezen te beschouwen.

Hof Amsterdam, v. 5 Jan. 1877, W. n0. 4127, R. R. jg. 1882, A. p. 101.

15. Gedeeltelijke betaling der kosten is als een begin van uitvoering aantemerken.

Ktg. li». 3 Amsterdam, v. 3 Mei 1880, W. n0. 4548,

^.verloop van zes maanden na de uitspraak niet mvw u. ,v.ö. van den burtferliiken stand worden ingeschreven.

,5^ b ■' 0

A

ocr page 331

{Art. SS.

18. liet herhaald bevel tut betaling is geen tenuitvoerlegging van liet vonnis, evenmin als het erkend worden als crediteur in liet faillissement van den bij verstek veroordeelde, voor hoofdsom cn kosten bij het vonnis vernield.

Ait.-R. Amsterdam, -0 April 1883, VV. nquot;. 4Ui8; clquot;, aaiit. 8 uj) dit art.

lO. Zie ten betooge:

a. Dat bij verzet tegen een bij verstek gewezen vonnis, de geoppo-seerde, zoodra hem de gronden van verzet van den opposant zijn kenbaar geworden, ontvankelijk is in zijne incidenteele vordering tot het hooren op vraagpunten —

liet siili iirt. 'Jli? li. II., air. v. .quot;gt; Juni 1841i, venucldc vuilnis van di' Air.-R. (iiirintlii'in, v. 'JO April 1844.

h. Dat wanneer de tenuitvoerlegging van een vonnis bij verstek, waarbij eene overeenkomst van huur en verhuur, alvorens eenige uitvoering erlangd te hebben, wegens wanpraestatie van den verhuurder is ontbonden verklaard, niet binnen zes maanden is aangevangen, dat vonnis, volgens deze bepaling, alsdan als niet gewezen en de overeenkomst alzoo als nog bestaande moet worden aangemerkt.

.U/u., zesde verz., hl/.. Kil-- Kil.

Art. 8!).

1. De bepaling, vervat in art. gt;S9 B. R., is niet toepasselijk in het geval, voorzien bij art. 27:5 van dat Wetboek, wanneer de eischer, in den vorm, bij art. 274 voorgeschreven, den aldaar bedoelden eisch tot verwijzing naar een ander gerechtshof heeft ingesteld, zonder dat de verweerder, niettegenstaande het request van eisch behoorlijk is beteekend, daartegen is opgekomen, noch zijn antwoord ter griffie heeft nedergelegd of procureur gesteld; — uithoofde de gevorderde verwijzing is geheel onafhankelijk van de schuld van eene der partijen, en de kosten daarvan alzoo in de uitspraak der principale zaak belmoren te worden begrepen.

Arr. v. 14 .Mei 1840, v. d. II., B. R., dl. I. p. 147—149,

ocr page 332

O - 'V~y,'\S. —- iy-' c J.C /'.^l/£é

f ji4~ ^ CA-*-* x^en/ÏAsyt* ts-tsL

t/Jamp;jitJL* CAJCA (A -ü J' c}-lt;-^ -~ V-CK^^T OL^ '

L , JcvJ.- 4 8/(L^*y- r^ty^Jlt;/quot;-*, c* n'ffó*.

'i. De kosten van het verzet moeten worden gebracht ten laste van den geopposeerde, indien de oppositie slechts tegen een gedeelte van het bij verstek gewezen vonnis wordt gericht en aangenomen.

Ait.-U. Ariiliem, v. 'i(i IVbr. 1844. W. uquot;. 485; U. li. jg. 1844, dl. VI, |i. '294—301.

IS. Xergens wordt l)ij de wet (even als in de oude Nederlandsche wetgeving, Mkrui.a, lib. IV. tit. 35, cap. 1) voorgeschreven, dat een bij verstek veroordeelde, alvorens in verzet ontvankelijk te zijn, verplicht is aan zijne wederpartij te restitueeren alle de door deze reeds gemaakte kosten en tot het verzet toe gedane uitschotten van executie, of dat voor de voldoening daarvan voldoende zekerheid moet worden gesteld.

Ktjr. Vlissingcii. v. S Nov. IS44. \V. nquot;. 041; ideii] An'.-R. Aniersfuinl, v. 20 .Inni 1855, W. nquot;. 1712 on R., dl. LVI § 89 en Air.-IJ. Almelo, v. :!0 April I87;i. VV. n0. MfilO, beide nuk vernield op art. SI li. R.; idem Oudk.man, 4de ed., dl. 1. j». 118 en 110, en Mr. F. R. Pknning ad art.; idem IIkkmskkkk, in de 'ie uitgave van v. n. Honkkt, Formulierboek, blz. 42, noot (u en ter/elfde plaatse in de 3e uitgave; idem jik Pinto, //lt;//., II. 1, p. 177, die tevens doet opmerken, dat er eene /eer goede rechtskundige i'dtio lt;listi u'j'ncudi is, waarom de eischer in ras van art. 75 en niet do gedaagde opposant, in cas van art. 89, eene voorafgaande betaling of aanbieding dor gemaakte kosten moet doen. zijnde hierin gelegen, dat een gedaagde kan donken, dat do vordering van den eischer zón t ast haar in rechten ongegrond is. dat do rechter die ook zonder zijne tegenspraak zal afwijzen, terwijl een oisclier nooit hetzelfde kan denken omtrent do verdediging van den gedaagde enz.; idem, ook op grond, dat in ieder geval het niet doen van een aanbod te dier zake bij de tegenwoordige proces-orde met geene nietigheid is bedreigd, bij vonnis der Arr.-R. I.eeuwardon, v. 29 Oct. 1839, W. nquot;. 94. - Vgl. hiermede do motieven welke voor eono tegenuvergo-stelde meening schijnen to pleiten, ontwikkeld door Mr. M. .1. T. II. in '( li. 1!.. dl. III. p. I I7— 119.

4. Art. 89 P). II. moet van geene toepassing geacht worden op de bizondere rechtspleging in cas van een geding tot rekening en verantwoording aan bekende of onbekende belanghebbenden, zoowel uithoofde van de ontstentenis van uitdrukkelijke verwijzing, als om het blijkbaar verschil van bedoelde omstandigheden.

Arr.-R. Rotterdam, v. 23 Iioc. 1846, R. B. jg. 1847. dl. IX, p. 105— 108. — Cf. art. 789 B. R., vonnis derz. rechtbank van den/., datum.

C». Ingeval van gedeeltelijke verschijning der gedaagden en aan-

ocr page 333

(Art. 89.

houding der zaak, is de veroordeeling der defaillanten in de kosten van het verstek, enz. in art. 89 B. R. vermeld, niet afhankelijk van den uitslag der hoofdzaak. Die kosten kunnen alleen dan gereserveerd worden, wanneer die reserve door den eischer gevraagd wordt, aan wien het staat die kosten voor zijne rekening te nemen, zoo hij in de hoofdzaak wordt ongegrond bevonden.

In zoodanig geval heeft de verschenen gedaagde geen recht, de vordering der eischers tot veroordeeling der defaillanten in de kosten tegen te spreken, vermits zoodanige veroordeeling voor hem eene res inter alios is.

Arr.-R. Hoorn, v. 523 Jan. 1850, W. n0. 1108.

lt;». Er kan geene sprake zijn van eene onderscheiding tusschen de kosten van het geding en die van het verstek, naar aanleiding van art. 8!) B. R., daar waar geen verzet bestond, noch vonnis op verzet is gewezen, maar de gedaagden als defaillanten in het gewezen vonnis hebben berust.

Arr.-R. Amsterdam, v. 7 Jan. 1851, I!. 1!. jg. 1851, p. 19'2—197.

S. Als het gevolg van het verstek kunnen beschouwd worden de kosten, gevallen op eene verwijzing naar den bevoegden rechter, wanneer de opposant verklaart een handschrift, dat tot grondslag van het bij verstek gewezen vonnis heeft gestrekt, niet te erkennen.

Ktg. Meppel, v. 6 Jan. 1853, W. nquot;. 1454; R. B. jg. ^vi, p. Tt'.M en 538 (1). -— Cf. art. 56, vonnis van het Ktg. Voorburg, v. 30 Oct. 1850, snb A. — Vgl. de hieronder aangehaalde plaats in de 0/lt;//(. en Mrd.

8. Waar de uitzondering op den in dit artikel uitgedrukten regel niet aanwezig is, moeten de kosten van het verstek met de gevolgen daarvan altijd komen ten laste van den defaillant, zoodat de reden, waaraan de niet-verschijning is toeteschrijven, ter zake niet afdoet.

Ait.-K. Zutphen, v. 20 April 1860, \V. no. 2272.

1

Die beslissing komt mij voor onjuist te zijn. T)ie kosten toch zijn niet het gevolg der niet-verschijning van den defaillant. Ware hij op de dagvaarding verschenen, hij had dezelfde verdediging gedaan en dan zeker hadden, gelijk ook thans na het verzet, die kosten hehooren te worden gereserveerd. — Cf. uk Pinto, 11, 1, p. 107 (Lkon).

ocr page 334

M-jr- - *' '^r-—

—rrz A_„„^

^.: - .'■- V.. '. , ■'quot;■i; :- ■. * ' -'/■quot; ■i-'

fgt;. De eigenlijke kosten van de scheiding en deeling, die uit kraclit van liet bij verstek gewezen vonnis later gemaakt worden, zijn niet te beschouwen als kosten, die het gevolg zijn van de niet-verschijning van den defaillant.

Zie Opm. en Med. dl. XTV, blz. 31, waarin bestreden wordt een vonnis der Arr.-R. Amersfoort, v. 23 Maart 1859, in 't R. B. jfr. 1861, blz. 48, waarbij gelast werd, dat ile kosten van de bevolene scbeidinp; en deelinfr zouden worden geleden als boedelkosten, omdat de defaillant den eiscli niet bad tegengesproken.

IO. Zie ten betooge:

a. Dat er geen grond bestaat tot cassatie, maar wel tot request civiel, indien de rechter, na verstek en voeging, den defaillant bij het eindvonnis niet veroordeelt in de kosten, door zijn verstek veroorzaakt —

art. 382 B. R., arr. v. 17 Juni 1851, W. no. 1245.

h. Dat de nietigheid in de dagvaarding, waarvan art. 89 gewaagt, evenzeer ziet op liet afschrift, aan den gedaagde en opposant gelaten, als op die in het oorspronkelijk exploit vervat —

Mr. C. M. v. d. Kemp, Ontm., ut snpra, (3de druk) p, 374, en .T. G. 11. in 't R. B., jg. 1843, dl. V, p. 412—416; anders door Mr. S. J. vax Lteu, R, B., ut supra, p. 318—320.

I

c. Dat, hoezeer volgens art. 82, laatste al. het verzet de tenuitvoerlegging stuit, die tenuitvoerlegging ecliter, voor de in art. 89 vermelde kosten, zal kunnen worden voortgezet, indien niet bij het verzet tot nietigverklaring der dagvaarding is geconcludeerd —

v.\x den IIonert, IhlL, p. 221. noot 2; anders bij Oudeman, 4de ed., dl. I, p. 123, en Vernede, ad art. 89 noot 3.

Zie omtrent de vraag, wanneer behalve de kosten van liet verzet nog eeue compensatie van kosten zal kunnen worden uitgesproken —

art. 56 B. R., vonnis van de Arr.-R. 's-Hertogenboscb, v. 23 Febr. 1847, sub B.

Zie bet wetsontwerp tot intrekking van de artt. 88 en 340, wijziging en aanvulling van de artt. 76, 81, 82, 339, 341, 385, 388 en 398 B. R.

door den Minister van Lilaar voorgesteld, in W. no. 3099 en eene bi1-oordeeling daarvan in W. n0. 3102.

ocr page 335

{Art. 90

Art. 90.

f. De bepaling van dit artikel betreft alleen de nietigheid van exploiten of akten van rechtspleging en niet de bij de wet voorgeschreven termijnen.

Iedere wettige termijn nu brengt van zelf mede, dat het daartoe betrekkelijke binnen den gestelden termijn vioet geschieden.

Ait. v. 4 Nov. 18G4, W. nquot;. 2038; R., dl. LXXVIIT § 10; v. n. li., B. R. dl. XXIX, p. 72—86.

Verg. de navolgende beslissing ;

De bepaling van dit artikel dat geene nietigheid kan worden uitgesproken, tenzij die uitdrukkelijk is bedreigd, is alleen beperkt tot exploiten en akten van rechtspleging, zoodat wel degelijk andere rechtshandelingfin, in overtreding begaan van eene in het openbaar belang vastgestelde wet, kunnen vernietigd worden, al is de straf van nietigheid niet uitdrukkelijk vermeld.

Arr.-R. Rotterdam, v. 23 April 1860, W. nquot;. 2248. — Vgl. ook hot sub nquot;. 2, 3 ca 4 van dit art. aangehaalde.

8. Dit artikel is ook van toepassing in onteigeningszaken.

Arr. v. 15 Juni 1868, W. nquot;. 3017; R., dl. LXXXIX § 22; v. n. li., li. R. dl. XXXII, p. 445—461.

JJ. Dit artikel is niet van toepassing, waar het niet geldt de nietigheid eener akte van rechtspleging, maar de niet-ontvankelijkheid eener bij conclusie gedane vordering.

Arr. v. 18 Juni 1869, VV. ii„. 3129; v. n. II., R. R. di. XXXlIi. p. 448—474; R. B. jg. 1870, dl. XX, p. 171.

4. Daargelaten de vraag, of het verboden is een schuldenaar in den persoon van zijn gemachtigde te dagvaarden, zoo kan daarvan de nietigheid der dagvaarding nooit het gevolg zijn, dewijl deze niet mag uitgesproken worden, wanneer de wet zulks niet uitdrukkelijk beveelt.

Arr, v. 12 Nov. 1875 (koloniale zaak), W. n0. 3916; R.. di. CX 1 §23, vernietigende vonnis Hof van Justitie in Suriname, v. 10 April 1874.

A. Wanneer de wet (gelijk in casu waar het geldt de beteekening van liet proces-verbaal van onderzoek naar de echtheid of onechtheid van geschrift) een bizonderen vorm of het uitvoeren van bepaalde

319

ocr page 336

Art. 90.)

rechtshandelingen bij liet instellen eener vordering, opzettelijk en als een substantieel vereiscbte heeft voorgeschreven, zijn de partijen gehouden die (zonder dat hiermede strijdig zijn de voorschriften der bestaande wet ten aanzien der al dan niet nietigverklaring van acten of daden van rechtspleging), op strafle van niet-ontvankelijkheid na te leven.

Arr.-R. Gorinchom. v. 8 Jloi '1841. R. li. jjr. 1845, dl. VII, p. .'i.quot;)?— 3(30, — Cf. art. 192 B. R.. vonnis v. dez. rechtbank, v. denz. datum.

lt;». Eene volstrekte nietigheid [in cam afgeleid uit eene schending der vormen, voorgeschreven bij de artt. 7 eu 9 der wet van 9 Oct. 1841) kan men buiten eene stellige daartoe strekkende wetsbepaling geenszins afleiden alléén uit de meer of min imperatieve uitdrukkingen, waarmede de inachtneming der vormen is voorgeschreven, aangezien het een beginsel van gezonde wetsduiding is, dat zoodanige nietigheid, bij stilzwijgen der wet, niet zoozeer moet -worden afgeleid uit hare ivoorden, als uit den aard barer bepalingen; namelijk uit de omstandigheid, of die geacht moeten worden alleen in het belang van betrokkene bizondere personen dan wel ook ter handhaving der publieke orde te zijn voorgeschreven; terwijl in het eerste geval het verzuim der voorgeschreven vormen, op zijn meest, slechts eene betrekkelijke nietigheid kan te weeg brengen.

Arr.-R. Nijmegen, v. 7 Maart 1843. W. nquot;. 391. — Cf. de Martini, ad art. o, 4 en Lipman ad art.

ï. Bij de niet in achtneming van den termijn van beteekening, voorgeschreven in art. 106, n0. 1, B. 11., is het exploit van beteekening nietig, in alle geval onregelmatig.

Arr.-R. Roermond, v. G en 25 Febr. 1845, W. nis. 010 en 622; anders door de redactie v. h. W. n0. 610, op grond, dat, vermits, naar aanleiding van art. 90 li. R., geenerlei exploit of acte van rechtspleging nietig is, indien de wet de nietigheid daarvan niet uitdrnkkeltjli bevolen lieeft in dit geval liet getnigenverlioor ten verzoeke der wederpartij kan worden uitgesteld.

SS. De gedaagde kan niet op dezelfde gronden, waarom hij tot de nietigheid der dagvaarding concludeert, tevens vorderen de niet-ontvankelijkheid van den eisch, voor het geval dat die exceptie niet mocht opgaan.

ocr page 337

i/oe^ .-—A-i

7quot;

L

priATLiy} — ■\rcrL'amp;6--6~@-

amp; amp;yo ^aquot;—

^2 Ö ^ (?lt;?

, S^-^L a -ö—gt;

Q. 1. c*. C-^A^Jf

(Art. 90. 5^5^*3.

O^y-iy^-

?•. Al ware ook verboden de in casn ingestelde vorderingen bij één exploit te cumuleeren, zoo is de dagvaarding niet van rechtswege nietig, maar de vernietiging moet worden gevraagd, en op grond daarvan kan de niet-ontvankelijkheid der vordering worden gegrond.

Nov. 1875, \V. liquot;. 3039, ook vermeld op

IO. Zie eenige opmerkingen omtrent den titel IX: vvan de nietigheid en van de berekening der termijnenquot; in het Ontwerp van een

Wetboek van

Mr. van Bonevai. Faure in N. Rijdr., jg. 1860, dl. XY1. )gt;. 250.

I I. Zie ten betooge :

a. T)at de niet inachtneming der formaliteiten, voorgeschreven bij art. 410 15. R. (in cam waar het geldt het niet iem.pore uiili aan partij beteekenen van een afschrift der memorie van cassatie) niet oplevert een geschil over de nietigheid van een ex2)loit en mitsdien de artt 90 en volgg. B 11. buiten toepassing blijven —

art. 410 li. R.. arr. v. 14 Jan. 1841. — Vgl. echter bet daarmede eenigzins in strijd zijnde arr. (v. d. 11.. v. 21 Jan. 1848), mede op art. 410 B. R.

h. Dat het voorschrift van art. 324 15. R. volstrekt gebiedende is en daarop, ofschoon de nakoming van dien regel niet uitdrukkelijk op strafte van nietigheid is bevolen, de bepaling van art. 90 15. R. van geene toepassing kan zijn —

art. 324 B. R., arr. v. 15 Oct. 1840; idem ten aanzien van den termijn, vermeld in de artt. 83 en 84 B. li. — art. 83 B. R., arr. v. 14 Mei 1852 sqq.

c. Dat art. 90 15. R. niet is van toepassing, indien er in cas van art. 502 15. 11. kwestie is van eene nietigheid in de acte van inbeslagneming —

art. 502 B. R., vonnis van de Arr.-R. Tiel, v. IS Aug. 1847 sqq.

Hr. W. van Kossem Bz., Burg. Rechtsv. ui

Arr.-R. Zwolle, v. R. sub nquot;. 24.

R.

ocr page 338

Art 90.)

18. Zie omtrent de vraag of het algemeen voorschrift van art. 90, omtrent de nietigheid, door de bepaling van art. 611 kan zijn gein-iirmeerd, indien de bij de gijzeling verzuimde formaliteiten niet het wezen der zaak, maar blootelijk den vorm eener acte betreffen —

art. (Hl B. R., vonnis van de Arr.-R. Arnhem, v. iA Febr. 1848 sqq.

— Niettegenstaande het algemeene der bepaling van art. 90 B. R.. overeenstemmende met art. 1030, al. J. C. de P. C, is het thans, even als reeds onder de Fransche jurisprudentie, een algemeen erkend rechtsbeginsel, dat er, behalve de wettelijke nulliteiten, d. i. diegene, welke de wet zelve opgeeft, nog andere substaviïeele nietigheden zijn, die ook buiten de stellige wetsbepaling een exploit of acte van rechtspleging per 'ie doen vervallen en krachteloos maken, volgens den ouden regel van praktijk : aclm con.ii/itere non poteH sine suhdanüa —

zie Cahuk. Oquot;- 2302; Beriuat de St. Pmx, p. 139; Meri.in, Uêp., voce: niillilc en vooral Toui.i.ikI!. t. VU, p. 498—520, en Siukv, Cod. annot. ad art.; uk I'ixto, Ihll., 2de ged., Iste St., 2e, ed., 1)1/.. 1S5; Oitükman, 4de ed.. dl. I, p. 125 en een betoog van Mr. C. P. IIennv, in 't R. B., jg. 1846 dl. VIIl, j). 541 en 542; alsmede het hierboven sub nquot;. 5 vermelde vonnis van de Arr.-R. Gorinchem, v. 8 Mei 1841 ; 't arr. II. R., v. 14 Jan. 1841, sub art. 410 li. R. en bot vonnis van de Arr.-R.'s-IIer-togenbosch, v. 23 Sept. 184(5, op art. 5 R. R Een nader voorbeeld van zoodanige substantieele nietigheid is bet gemis van de beteeke-ning en het bevel, die do executie van een vonnis moeten voorafgaan, gelijk zulks is beslist bij arr. van bet P. 11. v. N.-Holland, v. 17 Juni 1847, W. n0. 934; R. B. jg. 1848, dl. X, p. 1—14, bevestigd bij arr. 11. li., v. 12 Mei 1848 (te vinden op art. 436 1!. R), alsmede bij vonnis der Arr.-R. Amsterdam, v. 21 Juli 1846, R. B. jg. 1846, dl. VUT, p. 570— 573 en de daaraan voorafgegane conclusie van den Officier van Justitie, B, B. 1. 1.. p. 567.

.1;/. 91.

Zie ten betooge, dat de veroordeeling van den procureur of den deurwaarder in de bij art. 91 B. R. vermelde boete, moet geschieden door den rechter, die kennis neemt van de zaak, omtrent welke het verzuim gepleegd is —

322

ocr page 339

(Art. 91.

tgt;e Martini, nd art.; Oudeman, 4de ed., dl. I. id. 125 en de Pinto. Ifd/.. IT, i. p. 190.

-—--ƒ , / . r j/ynr^

Art. 92. oOxsc/irz* -ot Sl.

/cfoZ. Uf.***

1. Het voorschrift van art. 92 B. R , dat de rechter geen verstek y^JZZ. tegen den niet-verschenen gedaagde kan verleenen, tenzij de bepalingen lt;)]) straffe van nietigheid, bij de aldaar opgegevene artikelen zijn in acht genomen, kan, blijkens het vroeger art. 70, alleen betreffen de termijnen en formaliteiten, bij de dagvaarding in ieder geval o-ewild,

maar stelt geenszins de dadelijke beoordeeling of beslissing daar, of de dagvaarding op eene andere wijze zoude hebben moeten geschieden,

wanneer de gedaagde zich eens niet in dat geval bevond, waarin de eischer gemeend heeft hem te kunnen doen dagvaarden en waaromtrent de termijnen en formaliteiten behoorlijk zijn nagekomen. Hieruit volgt, dat de rechter die eenmaal verstek verleend heeft, nog naderhand uit anderen hoofde de nietigheid der dagvaarding kan uitspreken. Op dienzelfden grond kan in het geval dat er twee of meer gedaagden zijn, waarvan de een verschijnt en de andere niet en tegen den defail-lant verstek is verleend, laatstgemelde, wanneer hij nader of bij verzet opkomt, gelijk ook de andere gedaagde non-defaillant, alsnog voor denzelfden rechter de nietigheid der gedane dagvaarding beweren.

P. IT. in Zeeland, v. 9 Nov. 1841, R. IS. jn;. 1842, dl. IV, p. 057 sqq.

en.jü'. 1840 dl. VUT, p. 023sqq.; R., dl. XIV § 104, (vernietigende de daartoe betrekkelijke vonnissen van do Arr.R. Goes, v. 4 Jan. 1841 • idem v.

lietz. P. H. v. 1 Juli 1844; R. 1!. jg. 1847, dl. IX. p. 18 en 19; R., dl.

XIX § 93); idem daar waar, gelijk ia cam, de opposant was gedagvaard op den korten termijn voor handelszaken voorgeschreven, terwijl na het gedaan verzet ex merit in causae is gebleken, dat de gewone termijn,

voor burgerlijke zaken voorgeschreven, had behooren te zijn gevolgd. Iiii vonnis der Arr.-R. Amsterdam, v. 20 Nov. 1852, R. li. jg. 1853,pJlOS—

110. (Vgl. deswege echter art. 94 P.. R.. vonnis van 't Ktg. nquot;. V Amsterdam, v. 5 Dec. 1845 sqq.); idem OrnKMAN, 4de ed., dl. I, p. 123, (ook op grond dat de oorspronkelijke dagvaarding, waarop het verstek is verleend, in behoorlijken vorm kan zijn, terwijl het afschrift dat bij het verzet wordt overgelegd eu hetwelk bij den gedaagde als oorspronkelijke dagvaarding geldt, zoo onregelmatig is, dat de rechter de nietigheid moet uitspreken) ; idem Cauuk, /.lt;'.s' luis de let Proccduve Giv. n0. 023 t. II,

p. 10, en het aldaar in de noot aangehaalde arr. van het Hof van Rennes,

333

ocr page 340

Art. 92.)

v. 24 Juli I SI L2: nmlers (in o.enn zaak waarin dft gfid. non-rlefaillant tm liet verleend verstek en bij gelegenheid van liet op nieuw ter rolle doen oproepen der zaak, de exceptie van nietigheid der dagvaarding voorstelde, op grond Jat een zijner mede-gedaagden was gedagvaard op den termijn, voorgeschreven bij art. 13, in stede van art. 10, laatste al., 1». R.) bij arr. van 't 1'. H. v. N.-Holland, v. 30 April 1846, W. n0. 755, bevestigende een vonnis van de Arr.-R. Amsterdam, v. 3 April 1844, naar hiid waarvan de exceptie van nietigheid eener dagvaarding, bij de eerste verschijning van partijen in jxidicio moet worden opgeworpen, en mitsdien bij gelegenheid van den eisch tot het verleenen van verstek tegen deafwezende en van aanhouding tegen de verschijnende partijen, dewijl daarna tusschen alle partijen moet worden recht gedaan. — Vgl. wijders v. n. 11.. Ifdh. li. 1!.. noot 1. ad § 92, alsmede Mrs. Lipman en Tvdkman, li. R., p. 10. die twijfel opperen nopens hetgeen gebeuren moet, wanneer de rechter, bij niet-verschijning van den gedaagde, het verzuim van een der op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen niet had herinnerd. Te recht wordt daaromtrent door de redactie van 't R. 1!. herinnerd, dat de gedaagde toch, gelijk dit volgt uit het arrest en uit de wet, altijd die nietigheid vóór alle weren en exceptiën kan inroepen, en dat, indien hij dit niet doet. de nietigheid is gedekt en de kwestie verdwenen.

8. De onduidelijkheid eener conclusie kan, na een verleend verstek, geen grond meer opleveren tot vernietiging der dagvaarding.

Arr.-R. Nijmegen, v. 7 Dec. 1847. \V. n0. 895.

!1. Wanneer de dagvaarding, ten behoeve eener gemeente, geëxploiteerd is ten verzoeke van burgemeester en wethouders en de gedaagde niet verschijnt, behoort, met het oog op art. 71 der Gemeentewet, j0. art. 5, nquot;. 1, B. R (naar luid waarvan niemand anders dan de burgemeester als eischer, namens de gemeente, optreedt), het verstek-ontzegd en de dagvaarding nietig verklaard te worden.

Ktg. n0. 2 Amsterdam sine die, li. 1!. jg. 1852, p. 226. ■— Cf. art. 5 B. R.. arr. van het 1'. 11. v. N.-Brabant, v. 28 Juni 1853; art. 93 I!. R., vonnis van de Arr.-R. 's-Gravenhage, v. 20 Juni 1845 en van de Arr.-R. Amsterdam, v. 28 April 1832, en art. 94 Pgt;. R., arr. van het P. II. v. Gelderland, v. 4 Oct. 1854.

•4. De nietigheid in een termijn van dagvaarding wordt niet gedekt door de verwering op de hoofdzaak, gedaan door een der leden, zonder verschijning of volmacht der andere leden eener vennootschap of firma van niet commercieelen aard en kan er ook in dit geval geen verstek of aanhouding der zaak worden uitgesproken.

ocr page 341

- llt;0^ uPfS, Ot ie'6w?S-

325 (.1(7. 02.

Ktg. n0. IV Amsterdam, v. 25 Mei IS5ti, li. li. Jlt. 1852.11.035—(iliS. ■—

Cf. art. 5 I!. I!., vonnis van heUolfdo Klg'., v. dun/., datum, sub n0. :iü cu art. 81 li. 11., vonnis van di; Arr.-R. 's-Gravenhage, v. 10 Dcc. 1841.

*». Hoewel art. 9 B. 11. (althans in den olRcieelen tekst) niet is opgenomen in art. 92 van dat Wetb., volgt nogthans uit art. 76 B. R ,

dat, indien de daarbij voorgeschreven termijn niet is in acht genoman,

geen verstek kan worden verleend.

Ktg. Enschedé, v. 20 Mei 1852, W. n°. 1385 (1).

lt;». Bij eene vordering tot schadevergoeding, gegrond op art. 12 der Wet van 22 Germinal jaar XI, houdende verbod om eenen werkman in dienst te nemen, die niet voorzien is van een livret, waarbij hij van de verbintenis jegens zijnen vorigen meester wordt ontslagen, zou de omstandigheid, dat de eischer niet heeft opgegeven, waarin de schade,

waarvan hij de vergoeding vraagt, zoude bestaan, alsmede die, dat, bij ontkentenis, dat er schade is geleden, de eischer niet heeft bewezen,

dat hij schade heeft ondergaan, wel aanleiding kunnen geven om te concludeeren, dat de eischer in zijne vordering ongegrond worde verklaard, maar kan zulks niet de nietigheid der dagvaarding (als niet behelzende de middelen en het onderwerp van den eisch met eene duidelijke en bepaalde conclusie) ten gevolge hebben.

Air.-R. Maastricht, v. 27 Jan. 1853, W. nquot;. 1453.

ï. Waar het verzuim van een der voorschriften van dit artikel niet alleen den vorm van het exploit betreft, maar, afgescheiden daarvan,

zich in den vitieusen vorm der actie zelve blijft openbaren en bij toewijzing in het vonnis zelf zou overgaan, kan dit, behalve de nietig-

1

Dat de niet-opneraing van art. 9 in art. 92 H. R. gcene drukfout is, (gelijk men meent in de Themis, dl. II, p. 375, en welk vermoeden mede Mr. Oudeman, ut supra, p. 124 (4de editie), niet ongegrond schijnt voor te komen) maar aan een verzuim des wetgevers moet geweten worden, is tegen een vroeger opstel van den Hoogl. Ni en hu is, voorkomende in quot;'t R. B. jg. 1844, dl. VI, p. 31 en 32, door (wijlen) Mr. L. Asskr aangetoond in quot;quot;t R. B. jg. 1844, dl. VI, p. 93. Vgl. ook Opm. en Med. XIV, blz. 258. Dat echter de nietigheid van het exploit moet worden uitgesproken, wordt erkend door den inzender van bovengemeld vonnis, gelijk ook met het oog op art. 12, hetwelk in art. 02 is opgenoemd, door Mr. E. Boas, in quot;'t R. B. jg. 1(S44, dl. VI, p. 143 en 144 en de Pinto, Udl. II, 1, p. 187 ; anders echter bij Oudeman ut supra.

ocr page 342

Art. 92.) ;32fi

heid van net exploit, «ok de niet-ontvankelijkheid der actie ten gevolge hebben.

Arr.-R. Amsterdain, v. 3 Dec. i8G2, W. n0. 2459, bevestigd door I1. II. in N.-Holland, v. 2S April 1864, \V. n0. 2607, ook vermeld op art. 5 li. I!. In casu was in het exploit van dagvaarding niet gesteld het aandeel van ieder der gedaagden in de schuld. Vgl. Arr.-R. Alkmaar, v. 20 Aug. ISül sqf|.. vermeld op ai t. 90 1!. U.; cf. verder over de vraag, wanneer bij verzuim van vormen niet-ontvankelijkheid kan worden uitgesproken, arr. v. 7 Maart 185G sqq.. vermeld op art. 5 en art. 93 1gt;. R.. en P. II. v. Gelderland, v. 7 Juni 1843 sqq. vermeld sub art. 93 li. R.

S. De nietigheid der dagvaarding kan door den rechter niet worden uitgesproken, wanneer de gedaagde geene exceptie heeft voorgesteld.

P. 11. in N.-Holland, v. 10 Üct. 1873, VV. n0. 3679; idem Arr.-R. Snoek, v. 8 Jan. 1862, R. 11. jg. 4802, dl. XII, blz. 34-4; cf. Arr.-R. Zwolle, v. 10 Nov. 1875, vermeld op art. 90 I!. R.

■i. Zie ten betooge, dat art. 92 B. R. niet is van toepassing bij de niet naleving der formaliteiten, in art. 440. refereerende tot art. 5, voorgeschreven —

art. 5 li. R., vonnis van de Arr.-R. 's-Hertogenbosch. v. 23 Sept. 1846

sqq.— Cf. art. 13 li. R., arbitrale uitspraak v........ 1842 en het

aangeteekende aldaar.

SO. In Opm. en Med. dl. XIV, bl. 255 en vlgg. wordt het betreurd dat de 2de alinea aan den rechter niet de gelegenheid geeft om te beoordeelen of de nietigheid van dien aard was, dat de gedaagde op eenige wijze daardoor benadeeld werd : m. a. w. dat hij hier, evenals in art. 95, aan zijn beginsel //nullitó sans grief n'opère rieuquot; ontrouw is gewurden.

1/7. 90.

t. Ofschoon in den vorm van een middel van niet-ontvankelijkheid voorgedragen, kan toch inderdaad de nietigheid der dagvaarding zijn voorgesteld.

Arr. v. 9 Dec. 1864, W. n». 264«. R. d. I.XXVI11. § 34. yk* L ' ■*-

ocr page 343

{Art. 93.

Vergelijk echter navolgende beslissing :

Indien de gedaagde, in plaats van te concludeereu tot nietigverklaring van het exploit van dagvaarding, concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van eischers vordering, op grond dat de dagvaarding niet aan de bij de wet gestelde eischen voldoet, moet de nietigheid van dat exploit voor gedekt worden gehouden.

Arr.-Tl. Amsterdam, v. 28 Nov. 1879, W. u0. 4492 ; li. li. jf;'. 1880, A. p. 154; vgl. op dit punt ook arr. v. 7 Maart 1850 sqq., art. 5 li. U. aant. 5, en Arr.-R. Alkmaar, v. 20 Aug. 1861 sqq. sub art. 90 B. R.

'i. Eene nietigheid der dagvaarding, voorgesteld na reeds alvorens conclusiën tot stateering van het geding te hebben genomen, moet geacht worden te zijn gedekt.

Arr.-R. 's-Hertogenbosch sine die, \V. n0. 319; idem, indien eerst na het voorstellen van twee exceptien, niet helioorende tot die van onbevoegdheid des rechters, de nietigheid van het exploit is ingeroepen, bij vonnis van 't Ktg. n0. 5 Amsterdam, v. 14 Oct. 1844, R. li. jg. 1845, dl. VII, p. 230 en 231 ; idem ten aanzien van het voorstellen der exceptie na een incidenteel geding, betreffende oproeping in vrijwaring, Mr. L. J. GoDEi'Ror in W. no. 4107, die naar aanleiding van een vonnis van den Raad v. Just., v. 4 Oct. 4876, en arr. H. Gei'. Hof Ned.-Indië, v. 1 Maart 4877, Ind. Weekbl. n0. 746, betoogt dat èn het verzoek tot oproeping-in vrijwaring èn de referte van den mede-gedaagde daaromtrent aan 's rechters oordeel, behoort tot de bij dit art. bedoelde weren.

3. Art. 93 B. R. is niet alleen van toepassing op acten van dagvaarding, maar ook op andere, waarop een rechtsingang wordt gegrond (in specie, beweerd verzuim in de vormen in een dwangbevel uit krach te van art. 7 der Wet van 9 Oct. 1841 uitgevaardigd).

Arr.-R. Nijmegen, v. 7 Maart 4843, W. n0. 391. — Cf. art. 94 I!. R.. arr. van 't P. 11. v. N.-Brabant, v. 24 Maart 1846 sqq.

-I. Eene niet genoegzaam bepaalde omschrijving van hetgeen gevorderd wordt, legt den gedaagde geene verplichting op tot het voorstellen der exceptie van nietigheid der dagvaarding vóór alle weren van rechte)!, maar vermag hij in dit geval die onbestemdheid (welke ook in ieder geval voor den rechter eene hinderpaal voor de toewijzing van de vordering moet blijven opleveren) als eerste middel van verdediging tegen de ingestelde vordering aanvoeren.

:VZ7

P. 11. v. Gelderland, v. 7 Juni 1843, Heul in Xederl., dl. Ill, p. 388— 391. Vgl. Arr.-R. Nijmegen, v. . . . 1855, avmgeh. sub art. 5 B. R. nu. 5.

KPcPcPr ' rquot;j-

ocr page 344

Art. 93.)

•s. Beweerde nietigheid van dagvaarding ter zake van niet-ohser-vinitie van art. -l, Bn. 3, B li. (op grond dat de dagvaarding niet zou zijn gedaan aan den persoon of ter woonplaatse van het hoofd des plaatselijken bestuurs, maar op het raadhuis, sprekende met een der klerken ter secretarie) moet geacht worden te zijn gedekt ten aanzien van den gedaagde, die de voeging der actie met eene andere heeft gevorderd.

Air.-R. 's-Gravenhage, v, '20 Juni 1845, W. nn. 631 ; R., dl. XXXV. § 'f05; idem bij het instellen van een eisch tot verwijzing, uit hoofde van verknochtheid — /iw/tef/. Alt;lv., dl. 111. p. 124—126. — Cf. art. 5 li. R., arr. van 't 1'. 11. v. N.-Brabant, v. 28 Juni 1853; art. 92 B. li., vonnis van het Ktg. n0. 2 Amsterdam «ine die, sub n0. 3; art. 93 li. R., vonnis van de Arr.-R. Amsterdam, v. 28 April 1852, en art. 94 li. 1!.. arr. van quot;t P. 11. v. Gelderland, v. 4 Oct. 1854.

C*. De bedoeling van art. 93 T3. R. is geene andere dan dat de nietigheid van het exploit van dagvaarding afzonderlijk worde voorge-steld en niet met het antwoord ten principale worde vereenigd Hieruit ■2 volgt dat die nietigheid moet worden gehouden voor gedekt, wanneer

quot; zij gelijktijdig met het antwoord ten principale wordt voorgesteld.

2 { si. Q

„ l //■ Arr.-R. Maastricht, v. 23 Oct. 1846, W. no. 852; R. li. jg. 1847, dl.

' IX. )). 191—195; idem Arr.-R. Leeuwarden, v. 1 Maart 1842, W. nquot;.

319; idem P. II. v. Gelderland, v. 14 Oct. 1857, W. n0. 1951. li. Bijbl., jg. 1858, blz. 64, onverschillig of de exceptie met den naam van middel van niet-ontvankelijkheid is bestempeld; idem Arr.-R. 's-Hertogenbosch, v. 4 Febr. 1870, U. li. jg. 1872, p. 388; idem Ktg. Groningen, v. 8 April 1878, \V. n0. 4263, ook al betreft het antwoord slechts een deel van den eisch ten principale; id. Arr.-R. Nijmegen, v. 7 Maart 1843, W. n0. 391 en 8 Jan. 1856, W. n0. 1743; idem Arr.-R. Amsterdam, v. 10 Jan. 1855, li. Ttijhl., jg. 1856, blz. 28 en v. 5 Nov. 1861, W. n0. 2333; idem Maastricht, v. 19 Juni 1856, W. no. 1860. Vgl. ook Ktg. Dokkum, v. 13 Sept. 1876, W. n0. 4030 en Arr.-R. Rotterdam, v. 1 Nov. 1871, W. no. 3416, Zoo ook Oudeman, li. R., 4o ed., dl. I, blz. 216 en 217; idem de Pinto, Ifiidl. II, 1, blz. 298; idem Veiinéde op art. 93; idem H. A. Hau-Tonn in zijne conclusie op het vonnis v. Amsterdam, v. 10 Jan. 1855, l.l. aangehaald sub art. 5 li. R.; idem v. li. I'. in R. li, jg. 1865, p. 236(noot). Anders bij arr. v. 't P. 11. v. N.-Brabant, v. 1 Maait 1853, \Vr. n0. 1452, te dien aanzien bevestigende een vonnis der Arr.R.'s Bosch, v. 22 Juli 1852, W. no. 1451 en P. II. v. N.-llolland, v. 4 Febr. 1858, W. n0. 1984 en //. Rijbl., jg. 1858, blz. 426—436); idem arr. Hof Am-« Vh-»-. sterdam, v. 4 Jan. 1884, W. n0. 5018, waarbij is beslist dat wanneer de / /7 •/? verdediging ten principale subsidiair aan de exceptie is toegevoegd, deze

upqï amp; nquot; 07-'.'?,

32S

ocr page 345

ƒ crrfk oU^ ^c-t-uki- ^ ■- 329 [Art. 93.

^uiet gedekt is. — Cf. art. 155 I!. U., vonnis van do An'.-li. Amsterdam, v. 7 Oct. 1844 en art. .'538 II, R., vonnis van de Arr.-U. Leeuwarden, v. 31 Jan. 1843. Vgl. met dit alles de meening van 8. M. in W. n0. 2102, die op grond van art. 100 beweert, dat deze exceptie met het antwoord ten principale moet voorgesteld worden.

Zie over de vraag of de exceptie ook bij het exploit van verzet afzonderlijk moet worden voorgesteld art. 83 I!. It., 1'. II. v. Groningen, v. 21 Sept. 1864 sqq.

ï. Hoe ook moge gedacht worden over de vraag, of een armbestuur in eene Hervormde gemeente kan worden gedagvaard in den persoon van den predikant, — in specie tot restitutie van onderstands-gelden uit krachte van de (nu vervallen) wet van 28 Nov. 1818 [SM. no. 10) moet iedere beweerde nietigheid te dier zake worde gehouden voor gedekt, indien liet gedaagde armbestuur op de dagvaarding is verschenen.

Ivtg. Assen, v. , . November 1851, W. n0. '1458; R. B. jg. 1843, p. 528—530.

S. Wanneer in een geding, door eene gemeente gevoerd, de dagvaarding niet alleen ten verzoeke van een Burgemeester (art. 71 der Gemeentewet), maar van Burgemeester en Wethouders geëxploiteerd is, en de gedaagde, zonder daarop acht te geven, ten principale verwering doet, dan levert deze onregelmatigheid geene niet-ontvankelijkheid ol' nietigheid op.

Air.-R. Amsterdam, v. 28 April 1852. li. li. jg. 1852, p. 210—220; Ciemeente-Slem, n0. 140, — Cf. art. 5 I!. R., arr. van liet P. li. v. N.-Brabant, van 28 Juni 1853, art. 92 B. R., vonnis van Ktg. nquot;. 2 Amsterdam sine die, sub n0. 3; art. 93 B. R., vonnis van de Arr.-R. 's-Gravenhage, v. 20 Juni 1845, sub n0. 5; art. 94 lï. R., arr. van liet I*. II. v. Gelderland, v. 4- Oct. 1854, en art. 135 B. R., vonnis van de Arr.-R. 's-IIertogenbosch, v. 23 Febr. 1847 sqq.

Wat er ook zij van de vraag, of, indien eene vordering tot betaling ingesteld wordt tegen den gedaagde, zoo voor zich als in hoedanigheid van vader en wettigen voogd over zijne minderjarige kinderen, aan hem slechts één afschrift der dagvaarding of meerdere moeten worden beteekend, — zoo is echter de op dien grond beweerde nietigheid der dagvaarding gedekt, wanneer zij niet, overeenkomstig art, 9o 1! R. bij exceptie vóór alle weren en exceptien is ingeroepen.

Ivtg. Boxmeer, v. 24 Mei 1800, VV. n0. 2234, ook vermeld sub art. B. 11.

ocr page 346

£ylt;r\n. -w lt;? f

Art. 93 )

40. De omst-indiglieid dat de curator in een faillissement in zijn privé in rechten is geroepen, zou nietigheid der procedure kunnen medebrengen; zij is echter gedekt, wanneer de curator in rechten —.

verschijnende zich niet op die nietigheid beroept.

Arr.-R. Amsterdam, v. 12 Dec. 18(50, W. n0. 2243.

14. Ais bij bestaande gemeenschap van goederen tusschen echtgenooten, de vrouw wordt gedagvaard wegens schulden, door haar vóór het voltrekken van haar huwelijk aangegaan, — dan brengt dit niet de nietigheid der dagvaarding, maar de niet-ontvankelijkheid der vordering te weeg.

Ivtg. Haarlem, v. 1 Sept. '18G2. W. n0. 2420.

.

i'i. De nietigheid der dagvaarding, op grond dat eigenaars van perceelen, waarvan de onteigening t, a. n. is bevolen, door de onteigenende partijen bij één en dezelfde dagvaarding collectief zijn opgeroepen, moet door den rechter uitgesproken worden ook ten opzichte van de verschenen gedaagden, al hebben zij de nietigheid van liet exploit niet ingeroepen. -vquot;

Vrr.-R. Utrecht, v. 24 Dec. 1802, W. nquot;. 2444.

Vgl. Mr. VV. TnoiiiiECKE : Stelsel en toepassing der Onteigeningswet,

blz. 143.

S .'S Wanneer de gedaagden er wel op heeft gewezen, dat de dagvaarding de middelen van den eisch niet inhoudt, en op dien grond tot ontzegging van den eisch heeft geconcludeerd, zonder evenwel de nietigheid der dagvaarding vóór alle weren en exception in te roepen,

dan moet die nietigheid voor gedekt worden gehouden.

Ktg. Wijchen, v. 5 Febr. 1873, W. n0. 3569.

I-I. W aar de gedaagde bij het voorstellen der exceptie van nietigheid der dagvaarding acte vraagt van een aanbod, en verklaart dat die exceptie eerst zal behoeven te worden onderzocht, als haar aanbod onvoldoende wordt verklaard, is de exceptie gedekt.

Arr.-R, Amsterdam, v. 20 Jimi 1876, W. n0. 4212. — Cf. het daartoe betrekkelijk arr. Hof Amsterdam, v. 19 Oct. 1877, W. n®. 4200.

1.5. De exceptie van non-appellabiliteit (art. 338) behoort aan die van nietigheid der dagvaarding vooraf te gaan.

ocr page 347

JLO. De uitdrukking //verkeerde dagvaardingquot; in de conclusie van rejjliek gebezigd, wettigt niet de bedoeling dat men in afwijking van een vooropgesteld middel van niet-ontvankelijkheid, de exceptie van nietigheid der dagvaarding zou opwerpen.

Arr.-R. Rotterdam, v. IS Juni 1881, \V. n0. 4071!.

M. 91.

S . Het door eenen verweerder in cassatie opgeworpen middel van niet-ontvankelijkheid, gegrond op beweerde nietigheid der gedane beteelce-ning van de memorie van eisch in cassatie, [in cam eene beteekening op de wijze, voorgeschreven bij art. 4 no. 7 B. R. terwijl de verweerder beweerde eene bekende woonplaats, immers een bekend verblijf in het koninkrijk te hebben) moet krachtens dit art. worden verworpen, wanneer de verweerder dat middel heeft voorgesteld te gelijk met en bij de memorie van antwoord.

Arr. v. 27 Maart 1857, W. uquot;. 1839; R.. dl. LV § 52.

De bij de eerste zinsnede van dit artikel aan den rechter overgelaten bevoegdheid tot verwerping der ingeroepen nietigheid van het exploit van dagvaarding, voor het geval van niet-benadeeling van den gedaagde in zijne verdediging, behoort te worden beperkt tot het aldaar i, bedoelde geval van verschijning van den gedaagde op de dagvaarding,

zoodat de woorden ; //bij zijne verschijningquot; niet van toepassing zijn wanneer de gedaagde niet dadelijk op de dagvaarding, maar als opposant tegen eene veroordeeling bij eerstele verschijnt, ^

Arr. v. 22 Maart (11 Mei) 1866, W. 11°. 2798, I!., dl. LXXX1II S 6;

v. igt;. II. li, R, dl. XXX. p. 361—370, ook vermeld sub art. 5 li. I!., S2 bevestigende arr. P. H. in Z.-Holland, v. 6 Nov. 1865, waarbij bevestigd ^

is een vonnis der Arr.-R. Rotterdam, v. 26 Juni bevorens, idem Arr.-R. '

pictsyYt- Amsterdam, v, 8 Aug. 1865, W. 11° 2748; idem Arr.-R. Assen, v. 25 bn-

^ / iJ-.i*' Oct, 1880, W. n». 4642, R. li. jg. 1881, A. p. 186; implicite anders bij ^^6 vonnis Arr.-R. Amsterdam, v. 24 Mei 1871, R. B. jg. 1872, p. 346 en v.

/(ff*

ky'l ' 22 Mei 1871, R. 15..jg. 1872. p. 344; arr. Hof Utrecht, v, 10 Juni 1872,

ocr page 348

Art. 94.)

W. iiquot;. 34-09; If. n. jfc. 1873, p. 344; anders ook bij arr. Hof Groningen, v. '21 Sept. '18G4, I!. B. jg. 1865, p. 234 ook vermeld sub art. 83 11. R.

JS. De bewering, dat eene voorgestelde exceptie van nietigheid der dagvaarding (in casu gegrond op niet-beteekening ter woonplaatse van den verweerder in cassatie) door de verschijning des verweerders in rechten, zou zijn gedekt, is in strijd met dit artikel.

Arr. v. 4 Mei 1883, W. n». 4911; R. d. CXXXIV § 2; v. n. II. li. K., dl. XLV11I, p. 359—367, ook aangehaald sub art. 406 1!. R. Conf. concl. O. M. aan dit arr. voorafgaande, ahvaar betoogd wordt met oen beroep op Mr. van Bunevai. Faure {Procesrccht 11, p. 374 § 2), dat waar het verzuim in de dagvaarding door de bij dit art. aangegeven middelen niet meer kan worden hersteld, deze in ieder geval moet worden nietig verklaard. Zie daartegen een opstel van P. v. A. in W. n0. 4988.

Zie echter de navolgende beslissing :

I toezeer eene acte van appèl, beteekend aan eene in de dagvaarding voor den eersten rechter gekozene woonplaats (althans in den regel) (vgl. art. 343 13. R., vonnis van de Arr.-R. Winschoten, v. 10 Sept. 1851) niet geldig is, wordt die nietigheid echter door de comparitie gedekt.

Arr.-R. Assen, v. 16 Febr. '1846, R. B. jg. 1848, dl. X. p. 404—406.— Vgl. hiermede art. 94 B. R., vonnis van de Arr.-R. Amsterdam, v. 25 Jan. 1854.

H. De bevoegdheid, bij art. 94 15. R. aan den rechter gegeven, om eene exceptie van nietigheid in zekere gevallen te kunnen verwerpen, kan men niet zoo ver uitstrekken, dat ook dan die bevoegdheid zou kunnen worden toegepast, wanneer daardoor werkelijk verkregene rechten zouden geschonden worden. Hieruit volgt, dat de bepaling van art. 94 B. R. niet is van toepassing, in geval de nietigheid van eene acte van appol wordt beweerd, op grond dat de termijn, binnen welken men appelleeren kan, reeds voor lang is verstreken.

1'. 1'. v. Uelderland, v. 16 Jan. 1839, R., dl. V, 5 65 ; Tteyt in Nederig dl. II, p. 25 en 26. —- Cf. de Martini, ad art. *.. 3, die aldaar opmerkt, dat het gescliil over eene tardieve acte van appel niet valt onder hot bereik van art. 94, waarin van de nietigheid van een exploit als zoodanig gesproken wordt.

h. Indien al art. 4, no. 6 B. R , uitsluitend geschreven mocht zijn voor schuldeischers van overledenen en niet voor legatarissen eu erf-

332

ocr page 349

(Art. 94.

genatnen tot uitkeering van een besproken legaat, en laatstgemelden overeenkomstig de bepalingen van voormeld wets-artikel gedagvaard, zonder uitdrukking van namen of woonplaatsen, in rechten verschijnen, edoch te dier zake uithoofde van schending van art. 10 en 5, no. 2 e)i 3, jo. art. 92 B. 11., de nietigheid van liet exploit vóór alle weren en exceptien inroepen (op grond dat eene dagvaarding ten aanzien van overledenen, alleen ten onderwerp kau hebben eene vordering, welke men, ware de overledene nog in leven, tegen demelven zoude hebben kunnen instellen) dan nog kan de rechter, naar aanleiding van art. 91 13. R, die exceptie verwerpen, op grond dat de gedaagden geen belang hebben zich van de nietigheid te bedienen.

Ait.-R. Amsterdam, v. 18 Juni 1839, R. 1! jp;. 1842, dl. 1\, p, 77fion 777. (vevïtielifjd cchlcr hij cri'. vtui l /'. II. vein JTollcuid v. -M Dcc. 1839. op grond dn! dc woorden van civt. 4, n0. 0 li. //., «.ten cicmzien der overledenen)) algemeen en dun ook van toepassing zijn met het rekking tot uitkeering van besprokene legaten. — I f//, art. 4 B. R., sub n0. 4) ; alsmede een vonnis van de Arr.-R. Maastricht, v. 9 Maart 1848, W. n0. 954; R. R. jg. 1848, dl. X, jgt;. 600—008, waarbij is aangenomen bet beginsel, bij voormeld arr. van 't P. H. v. Holland gehuldigd en overigens beslist, dat in ieder geval de erfgenamen niet geacht kunnen ■worden in hunne verdediging te zijn benadeeld, wanneer zij ten dage dienende, met opgave hunner namen, voor ieder hunner procureur hebben gesteld.

I». Wat er ook moge zijn van een beweren, dat de executeurs (niet de erfgenamen) moesten zijn aangesproken, immers niet de erfgenamen geroepen worden, zou zulks geenen grond tot de nietig-verklaring der dagvaarding, maar alleen tot niet-ontvankelijkheid kunnen opleveren.

P. H. v. Holland, v. 23 Dec. 1839, W. no. 89; R., dl. VII, § 32.

S. Ofschoon al bij art. 91 B. R. aan den rechter de bevoegdheid is toegekend om in het opgegeven geval eene voorgestelde exceptie van nietigheid van het exploit te verwerpen, bepaalt zich zulks, blijkens den geheelen inhoud van dat artikel, tot het geval dat er, in een anders geldig exploit, eenig verzuim of overtreding wordt bevonden, waarvan desnoods, de aanvulling of verbetering der onregelmatigheid, zonder krenking der wezenlijke rechten van den gedaagde, kan plaats vinden, of waarin, door een uitstel in zijne verdediging kan worden voorzien, doch heeft zulks geenszins dan plaats, wanneer er eene nie-

ocr page 350

Art. 94.)

tigheid omtrent den geheelen vorm en de wijze van dagvaarding bestaat, die, om hersteld te kuuuen worden, eeiie geheel nieuwe dagvaarding zou behoeven.

T'. II. v. Zeeland, v. 9 Nov. 1841. R. li. jg. 1842, dl. TV. p. 657; K.. dl. .\l\'. § 104. -— Of. art. '.1-2 Ti. lï.. arr. van voorn. P. II. van donz. datum, sub nquot;. 1.

S. Hij die van de nietigheid der dagvaarding excipieert, als zijnde niet gedagvaard volgens art. 4, n0. 7, maar wel volgens art. 4, n0. 8 1? R., moet aantoonen dat hij bij de nietig-verklaring belang heeft.

P. II. v. N.-Rrabant, v. 28 Juni 1842, W. nquot;. 338; R. R. js- '1843. dl. V. p. 149. sqq.; R., dl. XIII § 98. — Cf. art. 4 1!. R., arr. van denz. datum, sub nquot;. 9.

Art. 94 13. R. is ook van toepassing in geval de bij art. 343, j0. art. 133 15. It., op straffe van nietigheid bij de dagvaarding in hooger beroep gevorderde procureur-stelling is nagelaten en de geïntimeerden daardoor in hunne verdediging niet in het minst zijn benadeeld {in casu blijkbaar uit de omstandigheid, dat zij aan den procureur, bij wien bij de dagvaarding domicilie was gekozen, eene procureur-stelling hebben doen beteekenen en vervolgens, nadat de, zaak ter rolle was ingeschreven, zoowel hun procureur als die der appellanten, ter terechtzitting van het Hof verklaard hebben zich te constitueeren).

P. II. V. Z.-Holland, v. 30 Nov. 1842, R., dl. XY, § 31.

10. Het is blijkbaar niet de bedoeling des wetgevers geweest, dat een gedaagde uit eene begane nietigheid van dagvaarding voordeel zou trekken, maar om hem voor alle nadeel (in zijne verdediging), daaruit kunnende ontstaan, te vrijwaren. — Mitsdien kan het belang voor eenen gedaagde of geïntimeerde, om zich van de nietigheid van dagvaarding te bedienen, o. a. niet daarin gelegen zijn, dat door het uitspreken der nietigheid het recht om hooger beroep in te stellen, door het verloopen van den termijn, voor den appellant zou verloren gaan

P. II. v. Z.-Holland, v. 80 Nov. 4842, R., dl. XV § 31.

11. Art. 94 15. 11 is toepasselijk, in geval eene dagvaarding, den Staat betreffende, in eene zakelijke rechtsvordering is gedaan aan den

ocr page 351

en te zijner woonplaats, ofschoon de dagvaarding had behooren te geschieden aan den persoon of het huis van den Gouverneur der provincie (thans Gommiss, des Konings), waarin het goed gelegen is. I

P. IT. v. Zeeland, v. 31 Jan. 1843, I!. P.. jg. 1847, dl. IX, p. 43.

43. Art. 94 B. R. is niet van toepassing, wanneer slechts één afschrift van het exploit is gelaten en er derhalve niet blijkt, dat al de gedaagden van de gedane dagvaarding hebben kunnen kennis dragen.

)'. ii. v. Zeeland, v. -1 .luli 1844, T!. Pgt;. jg. 1847, dl. IX. p. 18 en 19; Pi., dl. XIX S 73.

4 3. De wetsbepalingen, welke de bevoegdheid van den deurwaarder regelen, als een op openbaar gezag aangestelden ambtenaar, om tot zekere acten en handelingen zijn ministerie te verleenen, zijn eo ipso van publieke orde, aan welke, krachtens art. 14 AJg. Pgt;ep., door geene bizondere overeenkomsten kan worden gederogeerd, waaruit volgt, dat het onderzoek naar eene beweerde schending van art. 16 B. R. niet mag worden afhankelijk gemaakt van de vraag, of hierdoor de partij al dan niet in hare verdediging is benadeeld.

Arr.-R. Sneek, v. 29 .Tan. 1845, Pi. B. jg. 1840, dl. VIII. p. 090 en 097. — Cf. art. 10 li. R., vonnis v. dez. rechtbank, v. denz datum, suh n0. 2.

141. De exceptie van nietigheid der dagvaarding als op te korten termijn ingesteld, moet niet worden toegewezen, indien liet niet blijkt, dat de gedaagde daardoor in zijne verdediging is benadeeld.

Ktg. nquot;. 5 Amsterdam, v. 5 Doe. 1845, R. 1!. jg. 1840, dl. VIII. p. 405—407; idem met betrekking tol don opposant, ten wiens aanzien in de oorspronkelijke dagvaarding ten onrechte was verleend de termijn voor handelszaken, in stede van dien, voor burgerlijke zaken voorgeschreven, bij vonnis der Arr.-R. Amsterdam, v. 20 Nov. 1852. R. 1!. jg. 1853, p. 108—110; idem wanneer de zaak, na den dag dor verechijning bij de dagvaarding bepaald, eindelijk na wisseling van conclnsiün, eerst verscheidene maanden later is behandeld, bij vonnis van de Arr.-R. Alkmaar, v. 4 Oct. 1849, R. I). jg. 1851, p. 447.

I S. Indien in het afschrift van het exploit van appèl de datum van het vonnis, waarvan geappelleerd wordt, door een schrijffout van

ocr page 352

Art. 91..)

den (leurwaarder verkeerdelijk vermeld staat en liet voor den geintim. in geenen deele onduidelijk heeft kunnen zijn. van welk vonnis de appellanten eigenlijk in hooger beroep kwamen, alsdan kan, ook met liet oog op art. 94 B. il., de te dier zake voorgedragene exceptie van nietigheid der dagvaarding worden verworpen.

l'. li. v. N.-IIolland, v. 24 Doe. IRin, \V. nquot;. 704; R. li. jg. 1846, dl. VII1. p. 265—267; idem daar, waarbij een verzet tegen de homologatie van eeu accoord in liet daartoe betrekkelijk exploit ten aanzien van de maand waarin die handeling was voorgevallen, eene schrijffout was ingeslopen, doch er overigens geen twijfel bestond over welk accoord gehandeld werd — bij vonnis der Arr.-Tl. Amsterdam, v. S Nov. 1848, W. nquot;. «gt;80; li. 15. jg. 1849, dl. XI, p. 15—24; Bcr/I in Ardrrl.. dl. IV, p. 385— '587. — Cf. art. 34^5 15. li., arr. van hetz. P. II. v. den/., datum.

Ilt;». De ratio ler/is, welke ten grondslag van art. 94 B. R. strekt, ten aanzien van eenvoudige dagvaardingen, wier nietigverklaring in de meeste gevallen geene andere uitwerking dan nuttelooze vertraging kan te weeg brengen, is niet aanwezig, waar liet de stremming geldt eener wettige executie van vonnissen of acten, die nimmer zonder groot nadeel van den in beslagnemer kan plaats hebben en derhalve niet roekeloos mag worden ondernomen. — Hieruit volgt, dat art. 94, ook reeds volgens zijne plaatsing, slechts op gewone exploiten van dagvaarding toepasselijk, niet tot het verzet van den beweerden eigenaar van in beslaar quot;enomen goederen kan worden uitirestrekt.

o o o o

P. II. v. N.-Brabant, v. 2rS Maart 1846, 11., ill. XXIX§82,bevestigende een vonnis van de Arr.-R. 's-Hertogenbosch, v. 18 April 1845, R. 1!., jg. 1845, dl. VII, p. 694—696; cf. arr. P. H. v. Gelderland, v. 0 Juli 1871, bij Mr. Hertzveld t. a. p., blz. 104.

Vergelijk verder navolgende beslissingen :

Dit artikel is ook toepasselijk op het verzuim van vormen, in hd bizonder voorgeschreven voor exploiten van dagvaarding van een bepaalde strekking, zooals wanneer verzuimd is de hij art. 450 llv. voorgeschreven beteekening aan den aangestelden bewaarder van de dagvaarding, houdende verzet tegen den verkoop van in beslag genomen goederen.

P. II. v. N.-Holland, v. 2(3 Juni 1862, \V. n'. 2405, R. B. jg. 1833, dl. XIII, blz. 595—603, waarbij nog werd beslist, dat ook niet afdoet, dat de beteekening niet is een vorm bij het exploit van dagvaarding zelf in acht te nemen, vermits niettemin het verzuim der beteekening de nietig-

ocr page 353

[Art 94

beid dfir geëxploiteerde dagvaarding ten gevolge heeft, en v. 2 April ISCS, \\. nquot;. 2505; vgl. Arr.-R. Leiden sine die, W. nquot;. 2502, waarbij beslist is, dat deze regel, zoo mede die van art. 93 I!, R., ook geldt voor do aan een uitgevaardigd dwangbevel voorafgegane sommatie volgens art. G der wet v. 9 Oct. 1841 (Sthl. n0. 42); docb niet van toepassing is op bet uitgevaardigd dwangbevel, vermits dit (in bet geding bij verzet) eene acte is, meer gelijk staand met een bij verstek gewezen vonnis, dan met een deurwaarders-exploit.

A'ergelijk echter met dit laatste navolgende beslissing:

Ook dan, wanneer de artt. 5 en 92 B. R. moeten geacht worden van toepassing te zijn bij een dwangbevel, uitgevaardigd ter zake van gemeentelijken hoofdelijken omslag, en eene nietigheid mocht bestaan in het dwangbevel en exploit van beteekening, — moet in aanmerking komen, dat de opposant, door het verzuim in zijne verdediging blijkbaar niet is benadeeld en alzoo geen belang heeft zich van de nietigheid te bedienen ; zoodat alle termen aanwezig zijn, om volgens art. 94 B. 11, de op dien grond door den opposant voorgestelde exceptieve verdediging te verwerpen.

Arr.-R. 's-Gravenbage, v. 20 Febr. 1857, W. nquot;. 1835.

Vergelijk met opgemeld vonnis der Arr.-R. Leiden, een vonnis der Arr.-R. Leeuwarden, v. 1 Dec. 1881, AV. no. 4802, waarbij werd beslist dat deze bepaling niet van toepassing is op alle formaliteiten die bet middel van parate executie voorafgaan of vergezellen. — Cf. art. 439 li. R., vonnis van de Arr.-R. Assen, v. 0 Nov. 1843 sqq. en art. 93 li. R., vonnis van de Arr.-R, Nijmegen, v. 7 Maart '1843.

f ? . Indien uit de verdediging, door eene gedaagde gevoerd en uit hare erkentenis genoegzaam blijkt, dat zij weet wie de persoon is die haar in rechten betrokken heeft, is deze, zoolang er slechts kwestie is over een vorm der dagvaarding, niet gehouden bewijs te leveren van zijn recht tot het voeren van den opgegeven naam en van zijn domicilie ter in de dagvaarding aangeduide plaats en is mitsdien de exceptie van nietigheid, te dier zake ingesteld, ongegrond.

Arr.-R. 's-Hertogenboscb, v. 24 Juli 1852, W. nquot;. 1451, te dien aanzien bevestigd bij arr. van 't P. M. v. N.-lirabant, v. 13 Sept. quot;1853, W. li». 1526.

Mr. W. van Rossem Bz., Burg. liechlsv. 22

ocr page 354

/ CLJLAI c/. c£*.-^/ cyo e^y^ensCt) ■Z^Ü^I/' -ZAsCest—

VV\ C)ucJLJlt;^lt;Ln™si~-^ Irtx^y oytA-. T f / V^Ayv^ o. JiosCamp;^ IA-e^yyy^-- Qycamp;AjLnst^

syw ^s-C Cr-(JfO lt;2^-* fAStJ-o cJ *.'—3 f 'J/i*-^' ÓXa-» ê^*y\ e. ^ . (?-\—^ ^ -t_!'lt;? Qs-i^f)~G_) amp;-y' Vquot;

^Vgt;-V/lt; /. «'2- quot; --/ risv\ 4~ tAS-xr-trt^eU. O.__l^- C^y. ^9 Q^l Ot ~J^9 Q-^^-O^sxy'biSL' l^f/L riresvT^A^yyn

i^cn 4^- /U^lu 2.^1 ^a_~ er^c^- Lo^'^ crp^aJr^eXe.—. f^. . ^ - lt;4, 4^, ogt;.

. .11 11 2-i^2.«-lt-Vamp;uj. fo^unnr' f8. Art. 94 B. II is van toepassing, nok dan, wanneer de dag-

J^- L vaarding niet ingevolge art. 5, no. /, B. R., de voornamen, namen ,c? ■

/ / Cquot; O O / /(^tPcP

en woonplaatsen der eiscliers behelst, indien de gedaagde als vroeger tz. Iwoyi^, contractant met de eiscliers zelve, en (in specie als kastelein van hunne ma, M- 2^° sociëteit) ook met hunne personen en betrekking bekend is en alzoo ^

(1()m. ]iet beweerde gebrek in zijne verdediging niet is benadeeld, .^^Py|

^ / ^ ^ 1 quot;r- ■ Arr.-R. Amsterdam, v. . . Jan. -1853, W. n^. -1402. — Vgl. hiermede

ten betooge. dat ecne erkende en herstelde dwaling in de voornamen van '

een der anteuren van de eischers liet exploit van dagvaarding niet nietig

maakt, indien de bedoelde persoon overigens voldoende wordt aangewezen ]

en bij den gedaagde volkomen bekend is — art. 5 1!. R., vonnis van de

Arr.-R. 's-Gravenhage, v. 7 April 1848.

If). De bevoegdheid om alsnog de litis consorten, welke bij het exploit van appèl niet zijn opgeroepen, bij een afzonderlijk exploit op te roepen, kan niet worden afgeleid uit de bepaling van art. 94. B. R.,

als zijnde hier niet de rede van de nietigheid van een exploit.

Arr.-R. Groningen, v. 20 Jan. 1854, R. li. jg. 1854, p. 438—440.

3O. De gunstige bepaling van art. 94 B. R. kan niet toegepast worden, indien de dagvaarding [iu casu ter eerste instantie) niet ter woonplaats van den gedaagde is geëxploiteerd.

Arr.-R. Amsterdam, v. 25 Jan. 1854, R. ïi. jg. 1854, p. 193 en 194.—

Cf. art. 94 15. R., aant. 3.

81. De hierin bestaande onregelmatigheid, dat door eischers de burgerlijke gemeente en niet de burgemeester, als haar hoofd, naar de voorschriften van de artt 70 en 71 der Gemeentewet, is opgeroepen, is in casu volkomen gedekt, nadat de gedaagde gemeente, bij beteekende acte van procureur-stelling, zonder eenig voorbehoud, heeft verklaard, dat de burgemeester als verweerder in het natemelden rechtsgeding zal optreden, en ook werkelijk daarna als hoofd en wettig vertegenwoordiger der burgerlijke gemeente is opgetreden en heelt voortgeprocedeerd, hetgeen te meer klemt, indien geen het minste nadeel aan de gedaagde gemeente ten aanzien harer verdediging is toegebracht.

ocr page 355

(Art. 1) i-

1'. 11. v. Gelderland, v. 4 Oct. 1854, W. nquot;. 1598, bevestigende een vonnis van de Arr.-R. Nijmegen, v. C Jan. 1854. — Cf. art. 5 li. U.. aiT. van het P. H. van N.-lirabant, van 28 Juni 1853; art. 92 li. R., vonnis van bet Ktg. n0. 2 Amsterdam stuc die, sub n0. 3, art. 93 15. R., vonnis van de Arr.-R. 's-Gravenbage, v. 20 Juni 1845 en van de Arr.-R. Amsterdam, v. 28 April 1852.

'i'i. JEet is geheel aan het oordeel van den rechter overgelaten, op welke wijze of door welke stukken het gemis van belang of benadeeling is gestaafd, zonder dat eenige vorm, waarin die stukken zouden moeten zijn vervat, is voorgeschreven.

1'. 11. v. N.-Holland, 27 Maart 18G2, W. nquot;. 2390, R. H. jg. 18(33, p. 503 sqq. bev. Arr.-R. Amsterdam, 11 Juni 1801, VV. nquot;. 2297.

S3. Xiet opvolging van het voorschrift van art. L38, jo. 5, no. 15. R. heeft ook nietigheid der dagvaarding ten gevolge.

Intusschen is ook de bepaling van art. 94 1?. R. alsdan van toepassing.

Arr.-R. Utrecht, v. 23 Maart 1864, R. IS. jg. 1866, p. 191. Vgl. in denzelfden zin Ktg. Alpben, v. 11 Febr. 1803, \V. n0. 2407.

34:. Eene dagvaarding, waaruit niet blijkt welke en zelfs niet welke soort van goederen aan den gedaagde zijn verkocht en geleverd, en waarin ook niet staat vermeld, in welke goederen de eischer handel drijft, moet naar streng recht geacht worden uiet volkomen aan den eisch der wet te voldoen, maar levert geen grond op tot vernietiging, wanneer den rechter uit de judicieele houding van den gedaagde is gebleken, dat hij zeer goed wist, voor de betaling van welke goederen hij is gedagvaard.

Ktg. 's-Gravenhage, v. 20 Juni 1870, VV. nquot;. 3311.

S.V Zie ten betooge:

Dat, daargelaten in hoeverre de dagvaarding voor het Ktg. de keuze van woonplaats moet bevatten, ook dan, wanneer de eischer zelf in die gemeente woont, in ieder geval die casu quo bestaande nietigheid zou zijn gedekt, indien de gedaagde verschijnt of daardoor niet in zijne verdediging is benadeeld —

art. 5 B. R., vonnis van bet Ktg. 's-llertogenbosch, v. 10 Jan. 1840, sqq.

ocr page 356

Art. 04.)

3fi, Zie omtrent de vraag, wanneer rle nietigheid der dagvaarding in hooger beroep ten opzichte van een der gedaagden, met het oog op het pluriim lids cotisoriium, ook ten voordeele van de overige geinti-meerden moet worden uitgestrekt —

art. 159 li. R., arr. v. '21 Maan '1845 sqq.

lt;5?, Zie over dit artikel en over het stelsel van dit Wetboek omtrent nietigheid van dagvaardingen in het algemeen —

Opm. en Mod., dl. XIV. bi/. 241, alwaar o. a. op blz. 247 betoogd wordt dat het aanvullen van het verzuim, waarvan in de 2de alinea van dit artikel gesproken wordt, niet altijd zal neerkomen op eene nieuwe dagvaarding, gelijk Mr. A. DK Pinto (Handt), tot bet Wetb. van lgt;. Rv. dl. Ill, blz. 190) beweert. Zie daaromtrent ook v. Bonevm. Falre, Procesrecht 2de ed. dl. 11, p. 42.

Arl 95

A. De uitzondering van dit artikel is gebiedend en algemeen, en bevat een voorschrift van publieke orde, waaraan mitsdien niet op grond van een stilzwijgend judicieel contract mag worden gederogeerd.

Arr. v. li Deo. 1857. W. n0. 1915, TL dl. LVIl § 43. vernietigende arr. P. H. v. Groningen, v. 5 Mei 1857, VV. n0. 1915. Het arrest van den 11. R. is bestreden in W. nn. 1918.

Een deurwaarder bij het Kantongerecht, indien hij aldaar, waar het geldt de uitvoering van een vonnis van de Arr.-R. bevoegd mocht zijn, iemand in zijn kanton in gijzeling aan te houden, en op dit zijn territoir het daartoe gevorderd proces-verbaal op te maken, is in ieder geval (op straffe van nietigheid der acte) niet bevoegd den ten fine van gijzeling gearresteerden persoon buiten zijn kanton ter gevangenstelling over te brengen en aldaar de acte van in-gevangenisstelling op te maken, als zijnde het proces-verbaal van gijzeling en de acte van in-gevangenisstelling tivee verschillende, beide door den deurwaarder op te maken acten.

Arr.-R. Winschoten, v. 8 Juli 1840, VV. nquot;. 118; idem bij Ouueman,

ocr page 357

M. 05

cd. B. It., dl. 1. j). ■ilill sqq. (3de ed. p. 218 sq.), nader toegelicht in de O/)»!, eu Mcd., dl. I, p. 241—2'iG ; idem door Mr. C. M. v. n. Kemp. Ontw, ut supra, p. 41 en 43 (3de ed. p. 51 sq.) en Mr. J. g. de Witt Hamer Jz., Uandb. voor de Kantonyeregten, p. 20; alsmede bij resolutie van den Min. van Fin. v. 23 Maart 1844, Bijv. tot het Stbl. n0. 9G, W. n0. 499, naar luid waarvan ook het proces-verbaal van in-gevangenis-stelling, met het oog op de artt. 605 en 000, n0. 0, alleen bij afzonderlijke acte kan geschieden ; — anders bij vonnis der Arr.-R. Assen, v. 9 Jan. 1845, W. n0. 055, Oinn. on Med., dl. I, p. 237—241, en door Mr. L. Oi.denhcis Gratama, 0;)hi. en Med. ut supra, p. 232 sqq., en Mr, Vernede, ad art., hoofdzakelijk op grond, dat de aanhouding als het eigenlijk exploit van gijzeling moet worden beschouwd, zoodanig, dat de verdere verrichtingen van deu deurwaarder, om de in-gijzeling-stelling le volbrengen, slechts als gevolgen van dat hoofd-exploit moeten worden aangemerkt, en mitsdien de territoriale bevoegdheid van den deurwaarder, ten aanzien der verrichtingen, moet worden gerekend naar de plaats der aanhouding. — Vgl. in verband met deze rechtsvraag, het arr. van het P. H. v. Holland, v. 21 Juni 1841, sub art. 82, n0. 5, en art. 88, sub n0. 6, B. R., waarbij in substantie is beslist, dat het opmaken van de acte van écrou tot het wezen der gijzeling behoort, en de aanhouding van den geëxecuteerde door den deurwaarder hoogstens een begin van uitvoering kan opleveren, welke de oppositie tegen het vonnis, ook na de aanhouding, niet belet. (Het P. H. v. Holland heeft dus, bij voormeld arr., virtualiter gehuldigd het beginsel, aangenomen bij vonnis der Arr.-R. Winschoten en niet dat van de Arr.-R. Assen).

3. Niettegenstaande het schijnbaar verband tusschen dit en liet vorig art., behoort de rechter de nietigheid van liet exploit door een onbevoegden deurwaarder gedaan, altijd uit te spreken, door wie van de partijen en in welken stand van het geding ook, het verzoek daartoe gedaan is.

Arr.-R. 's-Gravenhage, v. 7 Juni 1881, R. B. jg. 1881, A, p. 190, — Cf. Mr. F. R. Penninck : aant, op verschillende artt, van liet Wetb, van B, Rv . p. 37 sqq., volgens wien de rechter ook ambtshalve de nietigheid moet uitspreken; anders in Opm. en Mcd. dl. Xl\, p. 251 sqq.. waarbij betoogd wordt, dat de rechter da nietigheid alleen moet uitspreken als de gedaagde ei' zich op beroept, en waar nok betreurd wordt dat het voorschrift van art. 94 B. R. niet op dit artikel en op art. 92, 2e lid van toepassing is.

•4. De beteekening van een acte van procureur tot procureur niet door een eersten deurwaarder gedaan, brengt geene nietigheid te weeg.

Hof Amsterdam, 10 Mei 1883, W. n». 4987.

ocr page 358

Art iJfi.)

•». Zie ten betooge, dat een deurwaarder bij de. Arr.-ll. ook mag exploiteeren voor de Kantongerechten binnen liet arrondissement gelegen —

art. 1 15. R., arr. v. 3 l'ebr. 1843, sub no. 3.

Art. 96.

I. De deurwaarders kunnen niet bevoegdelijk worden geschorst door anderen dan het college waarbij zij dienst doen, en is alzoo een kantonrechter niet bevoegd om een deurwaarder, aangesteld door- en dienstdoende bij de Arr.-R, te schorsen of hem eenige andere disciplinaire straf op te leggen.

Arr. v. 3 l'ebr. 1843, W. no. 379; R., dl. XIII, § 00; v. d. 11., 13. R.. dl. IV, p. 315—334.

8. Geene veroordeeling van den deurwaarder tot restitutie der kosten en tot schadevergoeding ter zake eener door hem geëxploiteerde nietige acte, is rechtens mogelijk, indien hij daartoe niet door de belanghebbenden in rechten is betrokken.

Arr. v. 3 l'ebr. 1843, W. 11°. 379; 11., dl. Xlll § 60; v. d. 11., 13. li.. dl. IV, p. 315—324; idem Ktg. Zuidhorn, v. 31 Oct. 1859, W. nquot;, 2114. anders Ktg. Purmerend. v. 17 Juli 1855, W. n0. 2164, ook vermeld ad art. 5 n0. 42 B. R.; cf'. Mr. de Pinto, Uandb., Wetb. v. 11. liv., 1,1, p. 190.; cf. art. 1 B. R., sub u0. 2.

Zie ook navolgende beslissing :

Nergens is bepaald dat de hier bedoelde veroordeeling van den deurwaarder tegelijk met de nietigverklaring van het exploit moet geschieden, en die niet later afzonderlijk kan worden geëischt.

Evenzeer is nergens bepaald, dat de partij om zoodanige veroordeeling te kunnen vorderen, verplicht is den deurwaarder op te roepen in het geding over de nietigheid van liet exploit.

ocr page 359

(Art 96

Arr. P. II. v. Groningen, v. 26 Mei 1857, R. B. jg. 4801, p. 449. Vgl. ook dit arrest over de vraag welke kosten gebracht kunnen worden onder die van de vernietigde procedure, bij welk arr. werd bevestigd het vonnis der Arr.-R. Groningen, v. 18 April 1850, R. B. jg. 1857, p. 595, waarbij nog was beslist, dat de rechtbank bevoegd is kennis te nemen van de bij art. '17 en art. 90 B. R. bedoelde vorderingen wegens een door bet 1 lof nietig verklaard exploit.

Vgl. ook Arr.-R. Amsterdam, v. 21 Dec. 1865, R, R. jg. 1800, p. 559.

Vgl. wijders ten betooge, dat de hier bedoelde eisch niet uitsluitend behoort tot de kennisneming van den rechter, die de nietigheid van het exploit heeft uitgesproten, maar ook afzonderlijk kan worden ingesteld, en wel voor dien rechter, die volgens de gewone regelen der li O. competent is;

en Meel. dl. XI, p. 279, hoofdzakelijk op grond dat dit artikel wel bepaalt de mate van verantwoordelijkheid der procureurs en deurwaarders voor de akten van rechtspleging, welke ten gevolge van hunne schuld nietig worden verklaard, maar het evenmin als art. 17 een voorschrift inhoudt ten aanzien van den rechter, voor wien de vordering tot schadevergoeding zou moeten worden ingesteld.

Het is echter een ander geval, zoo wordt daar verder betoogd, wanneer de partij, tegen wie de nietigheid van liet exploit wordt ingeroepen, den procureur of deurwaarder in vrijwaring oproept; geschiedt zulks b.v. in hooger beroep ten aanzien van de acte van appèl, dan zal het Hof ook kennis moeten nemen van de actie tot vrijwaring wegens de gevolgen van nietigheid.

Vgl. aant. 5 op dit artikel.

36. Er bestaan geene termen tot toepassing van art 90 B. R., indien het niet duidelijk blijkt, of de schuld der overbodig gemaakte kosten bij de partijen of bij hunne practizijns te zoeken is.

Arr.-R. Amsterdam, v. 29 Sept. 1852, W. nn. 1381 ; 1«, B. jg. 1853, p. 21—24; idem de Pinto, Udl., II, 1, p. 190.

4L Indien eene acte van appel aan, en dagvaarding voor 'tP. H. is beteekend geworden aan den (311. v. Justitie bij de Arr.-11. in plaats van aan den ambtenaar van 't O. M. bij het Hof, en de procureur van den appellant op die dagvaarding het geding hebbende voortgezet, die acte vervolgens wordt nietig verklaard, dan is (vermits bij de beslissing van dit rechtspunt buiten alle toepasing behooren te blijven

ocr page 360

Art. 96.)

de meer algemeene, tot rle verantwoordelijkheid en verplichting tot schadevergoeding betrekkelijke bepalingen van de artt. 1402 en 1438 15, W., en slechts in aanmerking kunnen komen de meer bi/ondere bepalingen ten opzichte van de verantwoordelijkheid der procureurs en deurwaarders jegens de ligiteerende partijen, ter zake van nietige acten bij 't W. v. B. R, vastgesteld, volgens den rechtsregel, welke ook hier zijne toepassing behoort te vinden : in toto jure generi per speeiem derogatur) niet de procureur, maar de exploiteerende deurwaarder aansprakelijk voor de nadeelige gevolgen, welke de nietigverklaring aan den appellant veroorzaakt.

Arr.-R. Groningen, v. 15 April 1853, R., dl. XLVII § 98; R. B. jg. 1854, p. 423—425.

5. Wanneer er in een rechtsgeding onrechtmatige, onwettige en onbestaanbare handelingen van procureur en deurwaarder, of onregelmatige, onwettige en onbestaanbare procedure-actes hebben plaatsgehad, dan kunnen die niet in een afzonderlijk rechtsgeding, maar alleen in het aanhangig rechtsgeding contradictoir met de in li,te zijnde partijen worden beoordeeld en huiten gevolg gesteld.

Arr.-R. 's-Gravenhage, v. 23 Juni 1854, W. n». 1560. — Vgl. het vonnis van dezelfde rechtbank v. 6 Juni 1854, sub art. 254 li. R. en de Pinto, mi. TI, 1, p. 190.

Ö, Om eenen procureur verantwoordelijk te stellen jegens eenen deurwaarder wegens eene door dezen verrichte handeling in strijd met eene duidelijke en stellige wetsbepaling, die hem de wijze voorschrijft waarop hij een exploit moet beteekenen, zou een bepaalde last noodig zijn, waarbij de procureur de verantwoordelijkheid voor de gevolgen uitdrukkelijk op zich had genomen.

P. H.v. Groningen, v. 20 Mei 1857. R. li. jg. 1801. blz. 449—457, bev. vonnis Arr.-R. Groningen, v. 18 April 1850, beide vermeld sub hoc art.

S. Civiliter is de procureur alleen verantwoording schuldig aan de partij, die hij vertegenwoordigt, niet aan de wederpartij.

Arr.-R. Breda, v. 5 Oct. 1869, W. nquot;. 3196.

ocr page 361

(tKiïüacht oi' DI; AKTIKKMIX VAN inn

W K T B O E K

V A X

m imEKLLIKE RECHTiSYOEDEKINd

DUO Ü

Mr. W. VAN ROSSEM Bz.,

Al)VO('AAT. PROCDUEÜB EN KAXTOXUKCHTKU-PT.AATSVKUVANUKK TE ■S-liRWENHAGl,.

TWEEDE DEEL,

(Art. 97—199.)

DE NEDMIANWHE

's-OHAV KN11 A(iK,

GE.BR. r.EL 1 NFANTE.

1 SS(i.

ocr page 362
ocr page 363

Addendum ad art. 155, 110. 1:5.

hi deuzelfden zin als I'. 11. v. Noord-HolLmd v. i';', Nov. 1848. Mr. A. ok Pinto: in Adviezen (uitjtefjeven in 18K2) jiajr. ofi sq.

ocr page 364
ocr page 365

(Art. 97.

Art. 97.

t. Artt. 97 en 126, al. 1 B. R. hebben geenszins betrekking op de regelen der bevoegdheid, maar alleen op de wijze van procedeeren, zijnde omtrent die bevoegdheid alleen de Wet op de rechterlijke organisatie en het begrip van persoonlijke en zakelijke rechtsvordering, zooals de wet dit geeft, beslissende. Hieruit volgt dat, al heeft eene rechtsvordering betrekking op roerend goed, en ze tevens niet is zuiver personeel, [in specie het verwisselen van een schaap tegen een ander) die alsdan niet behoort tot de bevoegdheid van den kantonrechter.

Arr.-R. Winschoten, v. 25 Nov. 1840, W. n0. 173; idem ten aanzien eener rechtsvordering, ingesteld uit krachte van art. 2011 jquot;., art. 637 IS. W., Ktg. Medernhlik, v. quot;12 Febr. 1850, W. rp. 1110, waarbij tevens is beslist, dat, hoewel de woorden in de artt. 97 en 120 I!. R., «o/quot; tot roerende goederen betrekking hchhendc», den schijn geven als of eenc rechtsvordering als deze aan de kennisneming van de kantonrechters zou zijn onderworpen, echter de doorhaling dier woorden in genoemde artikels schijnt verzuimd te zijn, gelijk zulks in art. 38 R. O. heeft plaats gehad; idem Arr.-R. Maastricht, v. 15 Mei 1851, W. n0. 1203; idem Ktg. Zutphen sine die, W. n0. 78 ; idem de Pixto, 2e ed., II, 1, blz. 192; Mr. F. R. Penning, ad art. en Oüdeman, 4de ed., dl. I, hlz. 129.

®. Het door de eischers gedaan aanbod eener somma van /30, ten einde daardoor hunnerzijds de overeenkomst te vervullen met den gedaagde aangegaan, (in casu het bearbeiden van zekeren grafsteen, door den gedaagde voor rekening van de eischers) en dagvaarding voor het Kantongerecht, ten einde het gedaan aanbod van waarde te zien verklaren, is eene persoonlijke rechtsvordering ter competentie van den kantonrechter, dewijl de eisch tot van waardeverklaring van het door de eischers gedaan aanbod van penningen niet als het onderwerp van de rechtsvordering kan worden beschouwd, doch als het middel om tot de vervulling der verbindtenis te kunnen geraken.

ivtg. Groningen, v. 21 Maart 1845, R. 15. jg. 1840, dl. VIII, p. 400 en 401 (1).

345

1

Ik meen de juistheid van deze uitspraak te moeten betwijfelen, en geloof niet dat de kantonrechter bevoegd is te eognosceeren over eene van waarde-verklaring, welke dan ook. — Vgl. art. 54 R. O., vonnis van de Arr.-U. Amsterdam, v. 18 Dec. 1839, dl. 11, p. 1g, (Léon).

Mr. W. van Rossem Bz., Burg. liechtsv. 'J'i*

ocr page 366

Art. 97.)

3. Eene vordering tot teruggave van roerend goed, of de betaling van de waarde daarvan beneden de ƒ 200, uit krachte van overeen • komst in bewaring gegeven, moet (ook uit boofde de bewaargever geenszins, om het in bewaring gegevene terug te kunnen vorderen, zijn eigendom daarop behoeft te bewijzen) als blootelijk de uitvoering eener personeele verbindtenis ten onderwerp hebbende, gerangschikt worden onder de personeele rechtsvorderingen, tot roerende goederen betrekkelijk.

Hiertegen obsteert niet, dat in deze eene zekere en bepaalde zaak gevorderd wordt, daar dit alleen de vordering nog niet zakelijk maakt, maar deze dit eerst dan zoude zijn, wanneer, op grond van beweerden eigendom, tegen den gedaagde, als houder van dat roerend goed, de vordering ware ingesteld, daar hij in dit geval den eigenaar in de uifr-oefening van zijn zakelijk recht stoort.

Ktg. Voorlmrg, v. quot;17 Oct. 1840, W. nquot;. quot;1004; idem Ktg. Medemlilik, v. -12 Febr. 1850, W. nquot;. 1110, waarbij is beslist dat, hoewol de wetgever aan de kantonrechters de kennisneming over de revindicatie van roerende goederen heeft willen onthouden, men echter die goederen bij hen kan opvorderen, wanneer men de actio commodati of de actio clepositi of dergelijke, die personeel zijn. instelt, en alternatief hunne waarde tot de bevoegde som vordert. ■— Virl. hiermede een vonnis van de Arr.-R. Maastricht, v. 15 Mei 1851. W. n». 1263, waarbij is beslist dat daar, waar het oreMt eene zakelijke rechtsvordering {in casu de weigering van meubels te laten volgen uit het door den eischer bewoond huis) de alternatieve clt;inchisie tot afgifte der goederen of bij gebreke daarvan tot betaling eener soio beneden de /'200, den kantonrechter niet bevoegd maakt i'echt te spreken.

4. Zie ook omtrent het begrip eener zuiver persoonlijke aetie, in tegenoverstelling eener gemengde —

art. 129 1gt;. II.. vonnis van de Arr.-U. Nijmegen, v. 17 Jan. 1843 sf|f|., en het verdere op art. 129 B. R. vermelde. — Vgl. ook prof. v. Bonkvai. Faure : Ned. Burn. d'. I. bl/. 327, 2e ed.. p. 212. Zie ook

het aangeteekende op art. 38 U. (gt;.. n0. 7.

Zie voorts ten betooge dat de inhoud van den eiseh zelf en niet de daartegen gevoerde verdediging den aard der vordering bepaalt —

urr. v. 13 Maart 1808, R. li. jg. 1809, )). 1 sqq

ocr page 367

{Art. 97.

5». Zie eenige opmerkingen over dezen titel en vergelijking van sommige harer bepalingen met die van buitenlandsche wetboeken —

Mr. 51. 11. Godeiroi iu Tkeinis, 2de ver/., dl. X. Iilz. 40—50.

Vgl. verder bij dezen titel: Mr. W. v.w I[ki:kei.om : ('/lt;»». Leiden 1850) «de alléénsprekende rechter», en het praeadvies van Mr. M. .1. Pijnappel (llaiid. der Xed. .Inr. jg. 1870. p. 27 sqq.), over de vraag: «of

en zoo ja binnen welke grenzen rechtspraak in burgerlijke en strafzaken kan worden toevertrouwd aan den alléénsprekende rechterquot;, door beide welke schrijvers do alléén rechtspraak in civilibus wordt aangeprezen. — Vgl. daarmede Mr. C. H. IS. Boot, «opmerkingen over alléénrechtspraakquot; in Themis jg. 1870, blz. 271 sqq., die de alléénrechtspraak afkeurt.

All. OS. —tquot;'—

... . /?'•lt;'* ?L. 2-°

/iie ten betooge : / / , j L

tlquot;

a. J^at de vordering tot ontruiming eener woning niet tot de bevoegdheid van den kantonrechter behoort, wanneer het huis bewoond wordt, niet uit krachte van overeenkomst van huur of verhuur, maarten gevolge van eene vergunning —

art. 41 R. O. sub ii0. 4 arr. van 't I'. 11. v. Holland, v. 13 Febr. 18.-i0,

en het bij dat arr. bevestigde vonnis van de Arr.-R. Amsterdam, v. 14 Nov. 1838, R. B. jg. 1842, dl. IV, p. 258 en 250.

h. Dat de hoofdplaats der bebouwing, waarvan art. 08 B. W. spreekt,

moet zijn eene gemeenschappelijke, aan de goederen die het onderwerp der rechtsvordering uitmaken, gemeene inrichting —

317

Oinn. un Med., dl. Ill, p. Il l—114, met aanhaling van een vonnis dor Arr.-R. Winschoten, v. 28 April 1847.

1/7 00.

1. Het brengen van kosten van een advokaat ten laste van een in een strafgeding tot schadevergoeding veroordeelde is niet iu overeen-

ocr page 368

-y^ jjLj~tmZ / 1-^-ae L azs^. /4' / r.-yxti^

flc c k'':■gt;■gt;*■ quot;quot; ' Ï- ~c 7^^ ■ -'■?■■* , ^ -»t* ^

lr/. 09.) 348

stemming met de procesorde door den wetgever voor de kantongerechten, oordeelende in burgerlijke zaken, als algemeene regel voorgeschreven. die ook op de bedoelde actie van toepassing is.

A it. v. 7 Oct. 1872. It., dl. CU § i-

In den 2den titel van het eerste boek van 't Wetb. v. 15. R., komt geen voorschrift voor, dat partijen (zooals voor hooge rechtelijke collegiën) verplicht zijn, elkander mededeeling of beteekening te doen van de stukken, waarvan zij eischende of verweerende gebruik zullen maken. Veeleer schijnt uit den inhoud van dien gcheelen titel, en speciaal uit het daarin voorkomende art. '.19 I?. R., de intentie des wetgevers te blijken, om de behandeling der zaken voor den kantonrechter te vereenvoudigen en tot eene mondelinge voordracht te bepalen.

Hieruit volgt, dat eerst bij die mondelinge voordracht partijen zich steeds kunnen beroepen op zoodanig stuk of stukken, als waardoor zij vermeenen hunne sustenuën te kunnen staven, behoudens het recht, hun hij art. 100 B. R. toegekend.

Ktg. Vlissingen, v. 15 Juli 1842, \V. n». 40B.

:5 Ken advocaat, ais gemachtigde voor het kantongerecht optredende, moet van zijne lastgeving doen blijken.

Hiertegen obsteert niet art. 4 van het Reglement n0. 3 van orde en discipline voor de advocaten en procureurs, goedgekeurd bij Kon. Hesluit van 14 Sept. 1838 {SM. nquot;. 36), vermits dat art., in eenen n-ezonden zin geïnterpreteerd, alléén de strekking heeft om den advocaat, partijen voor liet kantongerecht assisteerende, als zoodanig bevoegdheid toe te kennen en in hem juist daardoor den camarwm mtronum, van den blooten zaakwaarnemer te onderscheiden.

Ktst. Assen, v. 9 Nov. 1843, W. no. 456, waarmede zich vereenigt de redactie van :t VV. I.I., welke echter niet gelooft, dat de macht, om voor den kantonrechter te verschijnen, volstrekt moet zijn in geschrift gebracht en de vertooning van de schriftelijke volmacht eerst bij de betwisting van zijne kwaliteit, even als ten opzichte van ieder ander gemachtigde, te pas komt. — A g], ook de vertoogen in t W. n^s. 738, /4o, 749 en 769 van de hoeren R. Mekrlant, M. des Amorie v. d. Hoeven

ocr page 369

^C- QsvsisisuC# b i/\e^V\JLyy^_ IsS^syZ.

/

o, yt '/?£gt;.

r

2 Jhs-r/y ZC^s ó^y fO CxstsA^ *?' I clt;yi,£. amp; 1, jjC.. J / /2t/'

^ ■ ^ uSyo '■ * ^ 31.9

c-

{Art. !)n.

en .1. .1. v. Igt;. te Utrecht, die allen, even als de Pinto, Ihll. ^de frerl., -1ste St., p. IOC), Oiideman, (4dc ed., dl. I, p. 133) liet gevoelen voorstaan^ dat in deze de mondelinge lastgeving hij de wet niet is uitgesloten, doch daaruit niet is af te leiden, dat de kantonrechter een advocaat of ieder ander, die voor eeue partij in judicio verschijnt, bewerende door haar gezonden te zijn, op zijn woord moet of rnag gelooven; vgl. Mr. Gheeve in Oniw. ut supra, hlz. 266 en '207 en '270, die van meening is dat de advocaat, wat de vereischte machtiging betreft, met ieder ander gelijk staat. (Mi. nan tier Kemp was van oordeel dat advocaten ingeschreven laiiteu het arrondissement waarin liet kantongerecht gelegen is, voor hetwelk zij als verdediger zouden willen optreden, voor dat kantongerecht niet konden worden toegelaten; eene meening die t. a. p. door Mr. (litREVE bestreden wordt). Volgens R V., in 't R. B. jg. 1846, dl. VIII, p. 064-608, is het bewijzen der volmacht in deze van publieke orde,'en kan dit bewijs, bij gebreke van eene schriftelijke volmacht, niet anders worden geleverd dan door lt;icluilt;ji:nhewljs en lt;ictvirien-verhoor in forma, dat is na voorafgaande incidenteele conclusie, waarop eeu vonnis zal behooren te volgen, enz. Bij vonnis van het Ktg. Groningen, v. 25 Sept. 1854, W. nquot;. 1597, is te dien aanzien beslist, dat, vermits last kan worden gegeven en aangenomen bij monde, hieruit volgt, dat de daadzaak, datde advocaat voorzien is van hetafschrifL der dagvaarding, het voor den rechter waarschijnlijk maakt, dat werkelijk de gedaagde aan dezen den last heeft opgedragen^ om hem in de onderwerpelijke procedure te vertegenwoordigen. — Met dit een en ander echter is iu strijd eene Decisie van den Jlin. v. Justitie, v. 31 Mei 1841, R., dl. \lll § 40, naar luid waarvan een advocaat, ondanks de bepaling, vervat in art. 4 van 't Kon. besluit v. 14 Sept. 1838, niet als mondeling gemachtigde, van eene der partijen voor een kantongerecht kan worden toegelaten, zonder van eene op zegel geschrevene en quot;ere-gistreerde volmacht te zijn voorzien. — Zie nog over het hednseF der Nederl. wetgeving, dat ieder in staat is zijne zaak bij het kantongerecht te behandelen, oen vertoog van Mr. Oudeman, T/icmin, dl. IX, p. '212, die aldaar, even als in zijn B. Jlr.. 4de ed., dl. 11. p. 134 en de Pinto] Ihll. Tt. llv., II, 1, p. 106 sq. en Mr. Greeve t. a. p., blz. 207 het gevoelen voorstaat, dat thans de advocaat of procurenr, die eene partij bij het Ktg. adsisteert, niet beschouwd moeten worden als practiziju, die als zoodanig de verdediger en voorspraak is van zijn client, maar bloot als mondeling gemachtigde van dezen. — Vgl. wijders het aange-teekende op art. 57 B. R., sub no. 14, waarbij nog valt op te merkfiii, dat ten gevolge van 't Kon. Besl. v. 5 Dec. 1844 (Sthl. n». 01), (nu art 4 Kon. Besl. v. 1 Juni 1879 SIM. no. 107), thans niet meer'door den advocaat uit het daarbij gewijzigde art. 4, al. 2 en 3 van het Kon. Besl. \. 14 Sept. 1838 (Sthl. nquot;. 36) de bevoegdheid kan worden ontleend, om zonder volmacht voor den kantonrechter te kunnen verschijnen.

-t. Deurwaarders kunnen als gemachtigden van partijen bij het kantongerecht optreden. De ter terechtzitting fungeerende deurwaarder heeft dat recht niet.

/ Vo r-y istTrry

ya , u/. Lamp;.

7'

ocr page 370

^/Q ''e. ^ ^ ^ ote-r basy\ oJU pcXA-' .

fTf- X.c^-Koio^ '° O^- (J~. nquot; tfP34- /^=^-^-^9 ^f/' ^

Art. 99.) 350

Ktg. Zniilhoorn, v. -11 April 1855, W. nquot;. 1920, Ktg. Aiphen, v. 28 ()ct. 1857, W. nquot;. 1984, Ktg. Tiorlicum, v. 19 April 1851, W. no. 1219, onder de rubriek «Berigten.^ Zie ook Mr. Greeve in van der Kemp's Onliv. ut OLc^^o Sllpra) 268 sqq., hoofdzakelijk Oj) grond dat geen rechtsbepaling don i./ ,,arfó deurwaarders de bevoegdheid om voor partijen op te treden ontzegt, en W J met name niet het arrêté, van 18 therm, an XI (6 ao.'it 1803) Bulletui

llf, i^STP/l, des Lois nquot;. 303, portant que les fonctions d'huissier et celles de défen-

' seui- oiïicieux sont incompatibles, (Fortui,rs, verz. II, 1)1/. 273), vermits

a dit arrêté alleen den dienstdoenden deurwaarder op het oog heeft.

bttltrUcC**' Anders, ook wat de bewering van Mr. Greeve betreft, Ktg. Nijmegen,

tlu v. Ui Juni 1875. W. nquot;. 387(5, welk vonnis in het mengelwerk van W.

/ n» 3882 wordt bestreden; idem Ktg. nquot;. I Rotterdam, v. 5 tebr. 18,yl,

/ W. no. 1211. // ,

JJooi ItPLjjJ- L/ey. ïtyn.o^ asr-t-.yy, rv //,

Zie over het ongerief, voortspruitende uit het optreden van deurwaarders als gevolmachtigden bij de kantongerechten, waar zij fun-

ijoeren

Mr. li. van der Borch tot Verwoi.he in W. n0. 3101. — Mr. 1'. (•. ten /.ei.dam Ganswijk in W. n0. 3112. — Repliek v. Mr. van dek Borcm in \V. no. 3122.

De partij, die eerst in persoon optrad, kan later bij of met gemachtigde verschijnen bij het kantongerecht.

Ktg. n0. 1 Amsterdam, v. 15 April 1870, W. n0. 3218.

O. Wanneer de gedaagde verzoekt openlegging va7i liet koopmansboek des eischers, alvorens de eiseher in de gelegenheid is geweest het bewijs van de posita van den eisch aan te bieden of te leveren, kaïi de beslissing op de incidenteele conclusie des gedaagden worden aangehouden, en kan de rechter ambtshalve aan den eiseher het bewijs opleggen van de posita zijner vordering, welk bewijs waarschijnlijk ten gevolge van de infonneele wijze van procedeeren aan zijde van den gedaagde, nog niet is aangeboden.

Ktg. Groningen, v. 3 Maart 1879, W. n0. 4417.

S. Als mondeling gemachtigde voor den kantonrechter kan worden toegelaten hij, die eenvoudig beweert dit te zijn. terwijl hij voorzien is van het afschrift van liet exploit van dagvaarding en hij als een geloofwaardig persoon is te beschouwen.

ocr page 371

—■O—'*—^- ■ '\-4. -O^i- f -f tr^ 1/*BLs€tSt ^ cgt;£-S2—~

**/ fi /9 j~i/lS*/l-' wy^— amp;.—2_-«-t_-t^ öt, o a£o—*

SA^JU^S- J ^ ^—•

/ /lt;Z-— / 2.r'tt' 351 J 3~ Ö f/l/'Z 99 V^^7quot;-0' rlt;fZlt;/l'f.

C, i A-JA. lt;• * * c v

Ktg. Berlicum, v. 23 Jnli 1881, W. n0. 4703. Zie verder over de verschijning door eenen gemachtigde in civiele gedingen bij de kantongerechten een opstel van F. A. in W. n0. 3187, bepaaldelijk gericht tegen het gebruik, bij sommige kantongerechten in zwang, om als gemachtigde van den eischer te erkennen dengene, die als bewijs voor zijn mandaat niet anders aanvoert dan de aanzegging in de dagvaarding door den instromenteerenden deurwaarder, dat hij voor den eischer in rechten zal optreden.

Zie eindelijk eenige beschouwingen over de vertegenwoordiging bij de kantongerechten, en over de wijze van vertegenwoordiging aldaar in vreemde landen —

Mr. A. A. de Pinto in Themis, 2de verz., dl. X, biz. 210 sqq. De vrijstelling van volmacht voor advocaten, notarissen enz. wordt door schr.

niet aangeprezen: voor andere personen, die op den duur als gemachtigden willen optreden, eene voorafgaande admissie te vorderen vindt bij den schr. bijval. Mr. Sassen daarentegen verdedigt het denkbeeld om daar waar hoven en rechtbanken, zijn aan advocaten en procureurs uitsluitend de bevoegdheid te geven om partijen voor het kantongerecht te vertegenwoordigen, en dat wèl zonder het vereischte van schriftelijke volmacht.

Op het platteland stelle men alsdan agréés aan, die de noodige waarborgen Van bekwaamheid en zedelijkheid opleveren en die aan een disciplinair toezicht moeten onderworpen worden.

Themis, 2de verz., dl. VIII. blz. 421.

S Wanneer partijen bij het uitroepen der /aak op de terechtzitting verschenen zijn, worden zij gerekend tot aan het einde der zaak tegenwoordig te zijn, ook al mogen zij op de volgende terechtzittingen,

waartoe de zaak is aangehouden, niet verschenen zijn —

Mr. L. G. Greeve (3de druk van Mr. van der Kemp's o»fw. ut supra,

blz. 270); cf. ook vonnis Ktg. n0. 4 Amsterdam, v. 18 Oct. 1875, R. B.

jg. 1876, blz. 196, afd. A., waarbij beslist werd dat de gedaagde die bij het incident over de cautiestelling de hoedanigheid van den lasthebber niet heeft bestreden, daarop later niet terug kan komen, zoodat bij weigering van den gedaagde om tegen den tegenover hem staande gemachtigde ten principale te antwoorden, de rechter de vordering als erkend dadelijk kan toewijzen ; idem wat het eerste punt betreft, doch anders voor zoover het laatste deel der beslissing aangaat Arr.-R. Amsterdam, v. 19 Mei 187(5 t. a. p., blz. 197. Vergelijk hiertoe betrekkelijk aant. 1, op art. 75 li. K.

fgt;. Zie over de vraag of het verzoek tot verhoor op vraagpunten bij den kantonrechter mondeling kan geschieden —

arr. v. 9 Mei 1862 sqq., ad art. 237 Wetb. v. B. Rv.

ocr page 372

w^—A ^19 —^7 ^0-3

^ Ar/. 99.) ^ ^7 ^52

fO. Zie ten betooge, clat er jure consiiluto geene termen zijn, om aan een behoeftige, die eene rechtsvordering voor het Kantongerecht zal instellen, een advocaat toe te voegen —

Mr. A. O., in de Opm. en Mal., dl. 1. p. 155—158 en Themis, dl. Vlli, p. 223 (ook vermeld op art. 804 13. R.)

1 f. Zie omtrent de vraag, of bij liet gratis procedeeren voor den kantonrechter, de registratie der volmacht, wanneer een belanghebbende zich door een gemachtigde doet vertegenwoordigen, gratis moet ge-schieden —

liet aangeteekende op art. 80/ B. R.

yjsu ^ CKSI/Ï., Uy-G

— c..r ^

I Wanneer de gedaagde eenvoudig verklaart liet stuk niet te kennen en hij zich over de handteekening niet heeft uitgelaten, kan geene verwijzing worden uitgesproken.

ivtg. n0. 2 Amsterdam, v. 4 Juni 1868, U. B. jg. 1869, p. 267.

3. In geval van ontkentenis van de handteekening van een overgelegd stuk kan van de verwijzing naar de Rechtbank niet de rede zijn,3wanneer de partij, die liet stuk heeft overgelegd, het intrekt of verklaart zich daarvan niet meer te willen bedienen.

/ilt, Ajt.-R. Kindhoven, v. 15 Mei 1876, W. n». 4016.

'•* De verwijzing van dit artikel geldt niet alleen het incident over de valschheid, maar de zaak in haren geheelen omvang: zoodat de Rechtbank van het incident gesaisisseerd ook bevoegd is van de ge-/ ifjjj,. heele zaak kennis te nemen.

Arr.-ll. Groningen, v. 14 Nov. 1879, W. n». 4530, R. B. jg. 1881, A. p. 15.

/ Ks iAy~'C/^C /\o

- Zie met betrekking tot de veroordeeling in de kosten van het

^ImPI ^ o-edinquot; ingeval van verwijzing naar den bevoegden rechter, indien de

IMfi 000

^ ^y ' lyP f.tf ' s

0. UA l „Ji ,,101' 0t^e iJ

:.K'

l*-

cT^

TA*i lt;3

ocr page 373

iUJL- cwt- . CCV ,

7 1s~a~v\y£-fy _

chC,

cAjZ^y^-

Ujl. fle.^hamp;gt;lt;*—lt;e. W-o.A. - 2^

ja j. /U,. gt;y*k^amp;syr^ cèi^- x'-t ^Vvv-. dPamp;y, (,r {Art- 100.

' I*-quot; 5-^ 03 .

gedaagde, in cas van art. 100, zijne handteekening erkent noch ontkent en de eisclier in rlien stand van zaken ten onrechte heeft geconcludeerd, dat die handteekening voor erkend zal worden gehouden —

art. quot;gt;(; I!. 1!.. vonnis van 't Ktg. Voorburg, v. 30 Oct. '1850, sul) A. — Vgl. ook art. S9 li. R., vonnis van 't Ktg. Meppel, v. 6 .Tan. 1853, sub no. 7.

Zie ten betooge :

a. Dat ingeval van verwijzing, overeenkomstig art. 100 B, R. de oorspronkelijke toelating om kosteloos te mogen procedeeren, door den kaïitonrecliter verleend, niet ook voor de behandeling der zaak bij de Arr.-R. geldig is, maar dat de onvermogende, om ook kosteloos te kunnen procedeeren, bij de ilechtbank daartoe verzoek moet doen — G. i i. in do Ojim. en A/cc/., dl. 11. p. 1 Ti—180.

h. Dat die verwijzing ook dan zal behooren te geschieden, als het stuk niet noodig is ter beslissing der zaak, tenzij het wordt teruggenomen door de partij, die er de overlegging van heeft gedaan —

Penning, ad art.; — anders Carré, Qu. 5(3, op art. 14 C. d. P. Civ.

.1/7. 101.

De keuze onderling der deskundigen door partijen zelve is slechts voor de Arr.-R. en niet voor den kantonrechter geldende, met dat gevolg, dat alsdan alléén de kantonrechter de deskundigen kiest.

Ktg. n0. TV Amsterdam, v. ÜO April 1852, Amsterd. Regtspr., dl. 11. p.

• 314—316; idem de Pinto, IhV.. B. R., Tl, 1. p. 200; Ouukman. 4de cd., dl. T, p. 137 en Mr. G. B. Emants in do Thernis, XTdo jg., p. 572 en 573; -— anders echter in de noot op dit vonnis in de Amsterd. Regtspr. 1.1. naar luid waarvan Tiet niet is te ontkennen, dat ondanks art. 125 voor het Ktg. niet verwijst naar de overige voorsclirillon aangaande de expertise bij do Arr.-R., nochtans de kantonr. wel zal doen, bij amdogie uit art. 122 sqq., oen leiddraad te ontleenen waar bet pas geeft. Uit gevoelen echter wordt, altbans in zijne algemeenheid, niet gedeeld door S. M. in de Oprn. air Mcd. ut supra, die van meening is, dat betzij liet onderzoek van deskundigen eene plaats-opneming, betzij bet eene andere tusschen de gedingvoerende partijen bestaande zaak betreft, bij de kantonrechters behooren opgevolgd te worden do viMirscbrifton van do artt.

Mr. W. van Kossem Hz, Ihivy. Ilechl.sn. 2:5

ocr page 374

Art. 101.)

101 en 102 li. li. en geenszins lt;lo regvilmi, vont' andere rechtscolleges vooi'gescliieven, huniie toepassing mogen vinden, doch dat znlks niet onvoorwaardelijk de toepassing van alle bepalingen van artt. 222—236, buiten en behalve die de wraking betreffen, nitshnt en mitsdien tot aan-vnlling van het onYolledige der artt. Kil en '102, de regelen, voorgeschreven bij de artt. 22!). 230, al. 235 en 236 bij ieder onderzoek van deskundigen bij analogie, kunnen worden toegepast, hetwelk door Orni:-man 1.1. wordt beaamd, daar de wetgever in de artt. 101 en 102 van sommige gevallen geheel zwijgt. — Vgl. met dit een en ander, over de wraking van deskundigen, overeenkomstig artt. '101 li. 11. benoemd, een betoog van Mr. lt;quot;■. li. Km.wts. Tlifml*. jg. XI. p. 572—575, naar luid waarvan, daargelaten de vraag of in cas van art. 226 li. R., de termijn van -wraking loopt van de benoeming, dan wei van de beteekening van het vonnis, in ieder geval in cas van art, '101 de wraking moet worden voorgesteld binnen drie dagen na de uitspraak van het vonnis, die benoeming' inhoudende, en de eenvoudige acte, waarvan art. 220 spreekt, hier vervangen wordt door eeue eenvoudige oproeping der wederpartij houdende de gronden der wraking en bewijzen daartoe strekkende, ui het aaiibnd om die wraking met getuigen (e bewijzen,

— Zie ten betooge, dat uit de artt. 101 en 102 15 R, niet de gevolgtrekking kan worden afgeleid, dat bij (ie kantoiigerechteii liet onderzoek van deskundigen niet anders dan iu verband met eene plaatsopneming en dus niet als een afzonderlijk middel ter ontdekking der waarheid mag worden bevolen —

OK PlNTo, lldl. 11. I . p. 200. vonnis Air.-li. Leiden, v. 7 April 1868, hieronder sub art, '102 vermeld en vonnis Ktg, Winschoten, sine die. \\. 11°, 3047.

c'a.-

'1^7 ^ cUs cisM. Zü i/. 0*7

_ , ,, , ^. ; fCqJ-.l*-quot;!- ^ (|0

-,ri Cj-, iiMac « .

De kantonrechter kan, na afloop van een bevolen deskundig onderzoek, niet eerder uitspraak doen dan na partijen omtrent dit onderzoek te hebben gehoord. Waar dit is verzuimd, moeten partijen naar den kantonrechter worden teruggewezen.

Arr.-U. Leiden, v. 7 April 1868, W. n0, 3027, vernietigende vonnis Ktg, Leiden, v, 5 Oct, 1867.

ocr page 375

{Art. lOo.

Art. 103.

i . Tegenbewijs behoeft niet iilleeii te dienen om de onwaarheid aan te toonen der bij de enquête afgelegde verklaringen, maar kan evenzeer strekken om de onjuistheid te staven der gevolgtrekkingen welke men ten gunste der ingestelde vordering uit de aanvankelijk gebleken feiten zou kunnen afleiden.

Air. (in revisie) v. 27 Jmii IS.S-4, W. nquot;. 5050; It., dl. CXXXVII, § 31.

De interlocutoire uitspraak van een kantonrechter, waarbij aan eene der partijen het bewijs van een overeenkomst is opgelegd, geeft niet aan deze het recht, om getuigen te dagvaarden, zonder dat het getuigenverhoor, met opgave van de feiten, waarover het zal gehouden worden, bepaaldelijk is bevolen.

Ktg. n0. 11 Amsterdam, v. 29 Juni 1840, R. li. jquot;1. 1846, dl. VIII. |i.

578—580.

Cf. navolgende beslissing :

De feiten zelve moeten iti het vonnis vermeld staan, liet is niet in overeenstemming mitsdien met dit art. jis- 200 en 208 Rv. om de algemeene uitdrukking te gebruiken beveelt het bewijs der door de eischeres gestelde feiten.

Hof Amsterdam, v. 20 Febr. 1880, R. B. Jg. 1881, A. p. 241 ; cf. art.

199 I!. R., arr. v. 7 Maart 1844 sqq.

'i. De kantonrechter kan het bewijs door getuigen bevelen, uit hetwelk zal kunnen blijken, dat althans sommige posten eener rekening, waaruit de vordering ontspruit, het door den gedaagde werkelijk verschuldigde bevatten.

Ktg. Tiel, v. 26 Aug. 1847, R R. jg. 1847, dl. IX, p. 077—080.

4-, Het bewijs, dat een overledene op zekeren tijd van zijn leven nog in het genot verkeerde eener goede gezondheid kan door getuigen, ook, hoezeer met mindere zekerheid, door niet-geneeskundigen worden geleverd.

Ktg. li0. 1 Amsterdam, v. 28 Oct. 1804, \V, nquot;. 2083.

.». De rechter mag ambtshalve de ten bewijze aangeboden feiten wijzigen

Arr.-li. 's-ïlertngenlxiscli, v. II J:i11. 1807. lï. II. jg. 1808, [gt;. 388.

ocr page 376

(^CLA~C -—^ VL-Ct^- cy O*/-^^. Cf lt;Z^

f rzstfL -7 '.. ^-'c ^ '' —* ^ ^ / ^'quot;' ^ f 6%/». ^( 'T-f ~~S -

^ «^: ^ . lt;rö Pf -0 ,5^.

' ,4/7.1 ()•..) - 35«

lt;». Het verzet moet worden gegrond verklaard tegen liet hooren van een getuige, niet gedagvaard tegen den oorspronkelijk bevolen dag van het getuigenverhoor, maar later tegen dien, tot welken dat verhoor met toestemming van beide partijen wegens de uiet-verschijning van een der getuigen is aangehouden.

Ktg. 11°. 3 Amsterdam, v. 12 Nov. 4874, W. n0. 3787. — Cf. hiertoe betrekkelijk nrr. v. 11 Nov. 1804 sul) art. 2i7 1». 1^.

10

Art. 101.

'È. Indien er een getuigen-verhoor op de terechtzitting van het Ktg. of' de Arr.-il gehouden wordt, dan kan (ondanks de ontstentenis eener bepaling voor den kantonrechter of voor de Arr.-R., als bij art. 21(5 voor den rechter-commissaris gegeven is) vóór het sluiten van het proces-verbaal, aan de bij dat verhoor verweerende partij worden toegestaan, dat er eene volgende terechtzitting worde aangewezen, ten einde zij daar nog andere getuigen tot het leveren van tegenbewijs doe hooren.

Arr. v. -17 Maart iS76. W. n0. 3970, R.. dl. CX1I § 20 alwaar wordt overwogen dat liet tegendeel in strijd is met de 4de al. van art. 103. en mei de vrije uitoefening van liet recht van tegenbewijs ; idem arr. P. li. v. N.-ilolland, v. '15 Maart '1855, AN. n0. 1/10. idem arr. P. II. v. Overijssel, v. 18 Oct. 1875, vernietigende vonnis Arr.-R. Deventer, v. 20 ]Mci 187;). heide in \\ . ii0. 3970 ^ idem vonnis Ktg. Woerden, v. !27 April 1857. W. nquot;. '1809; idem P. II. van Friesland sincdic. W. n0. 287, iDevestigende een vonnis der Arr.-R. Sneek, v. 14 Nov. 1838; idem hij arr. van 't P. II. v. Overijssel, v. 29 Mei 1843, lï. I!, jg. 1843. dl. V. p. 049 (waarbij echter tevens is beslist, dat de rechter de gronden moet onderzoeken, waarop dit verzoek gevestigd is, en bij het alzoo kan afwijzen, indien hem die ongenoegzaam schijnen); idem bij vonnis der Arr.-R. Maastricht, v. 14 Dec. 1843, W. nquot;. 4t)4; It. B. jg. 1844, dl. \1, p. 57 (alwaar een door den verweerder gedagvaarde getuige ten verzoeke des eischers was gewraakt en de rechter den verweerder een naderen termijn bad verleend o. a. op grond, dat art. '104 11. R. geenen tijd tot het vragen der verlenging van bet getnigenverboor heeft bepaald, en daarnit volgt, dat dit verzoek kan worden gedaan, zoolang bet verboor niet is geslotenquot;); idem bij arr. van t P. II. in Gelderland, v. ■ gt; Maart 1851. \\. iiquot;. 1243; R. B. jg. 1851 p. 534, (waar bet echter gold eene zaak van gewone behandeling); idem bij vonnis der Arr.-R. Maastricht, v. 17 Jmii 1853, R. B. ,jg. 1853, p. 398—401 ; door Mr. C. M. van her Linden, in de TJipmis, dl. V, p. 31—40, en door Mr. C. II. II. Boot, R. B. jg. -1842, dl. IV, p. 781—784 (laatstgemelde echter meer speciaal ten betooge, dat

ocr page 377

, ru^y J-c-t^y

(Ut.Kfï ^ _ A.

[AH. 1-01.

%as*i, . /^tT7

— krachtens eene speciale wetsbepaling liet getnigenverlioor ^ ^

niet voor een rechter-comvnissaris, maar op de terechtzitting plaats heeft. /fj0-

aan de rechtbank zelve wel degelijk moet geacht worden de bevoegdheid te zijn toegekend, welke aan een uit haar midden gecommitteerd lid uitdrukkelijk is verleend); — anders echter bij vonnis van de Arr.-R. Hoorn.

W. n0. 352; idem Arr.-R. Amsterdam, v. 4 Oct. 1842, R. B. ja'. •1842,

dl. IV. ]i. 781 in de noot, en van Leeuwarden, v. 4 April 1842, W. nquot;.

287; idem Arr.-R. Deventer, v. 18 Dec. '1872. W. n0, 30M7; vgl. ook Ktg. n0. III Amsterdam, v. 30 Deo. '1858, W. nquot;. 2080; idem Ktg. nquot;. II Amsterdam.

I Maart 1855, R. B. jg. 1855, blz. 354. — Vgl. hiermede een betoog van Mr. G. B. Kmants, Themis, dl. XIV. p. 232—240, die uit art. 104 B. R. alleidt. dat niet alleen den gedaagde of de wederpartij, maar ook den euchcr, wiens getuigen gehoord zijn, nog een nadere dag en uur kan verleend worden om andere getuigen te doen hooren, zoolang dit tot ontdekking dor waarheid nuttig en noodzakelijk schijnt. Te recht echter wordt door .Mrs. Hout en van der LInhkn ut supra opgemerkt (hoewel het tegendeel iynpliciU- schijnt te zijn heslist bij vonnis dierzelfde Arr.-R. Maastricht, v. 14 Dec. 1843 ut supra), dat art. 104 li. R. kennelijk doelt op eene geheel andere zaak, en wel daarop, dat eene der partijen, den termijn, door den rechter in zijn interlocutoir vonnis gesteld lot het houden des verhoors, zoude willen verlengd zien. Eerstgemelde voegt er bij, dat een eischer al zijne getuigen in ééns moet voortbrengen,

en dat een uitstel op zijn verzoek, ten einde nieuwe getuigen te doen dagvaarden, niet is toegestaan, i/fó' uclur jiarahin in jHdieium vcniyr debat (Léon). — Vgl. met dit een en ander de vragen van Nederl. regt.

beantwoord door eenige Amsterdarasche rechtsbeoef., dl. II, n0. 24, p.

171 en 172, naar luid waarvan sedert het betoog van den heer Boot ut supra in alle zaken van gewone behandeling, zelfs in summiere zaken,

ja, zelfs in zaken voor geen hooger beroep vatbaar, de bevoegdheid tot het houden van conb'ff-ciKiïu'tc voor de Amsterdamsche balie althans niet meer wordt betwist. — Cf. over de vraag of de verweerder ontvankelijk is in hooger beroep eene contra-enquête te vorderen, indien dit in eersten aanleg niet heeft plaats gehad, art. 348 B. B., arrn. v. 15 Oct,

1863 sqq. en v. 2 Dec. 1853 sqq.

Zie ook art. 114 B. R., vonnis van do Arr.-R. Maastricht, v. 24 Jan.

1845.

3i'c zaak^vaarin — even als in procedures tot echt-

'i. Er bestaan geene termen tot verlenging van termijn, wanneer de partij, die het getuigenverhoor heeft verzocht, heeft goedgevoiulen op den bepaalden dag geene getuigen op te roepen, omdat zij het voor haar wenschelijk heeft geacht de afdoening van een ander rechtsgeding af te wachten, alvorens het bevolen getuigenverhoor te doen plaats hebben.

Arr.-R. Maastricht, v. 3 Juni 1852, W. n®. 1398; idem bij vonnis Ktg. Roermond, v. 26 Oct, 1855, W, nquot;. 1730, voor het geval dat de eischer

ocr page 378

Arl. 10 1.)

verklaart gocu getiiigon tlt;' heblton i:t[)gquot;oroc pon 11it liodfdc van alwe/iu-hoid van |)ei'.soneii, die liij als zoodanig wilde doen liooren ; andoi's Ktg. uquot;. I Ariistoi'daiu, v. 20 Oct. Ilt;S7(), R. IS. Jg. iS78. A. p. 87, waai'tiij luiii nionwc terinijii verleend werd. /.under dat de cisclier eenige gcgrondi^ reden liad voor het niet-oproepen van getuigen, en a's eenig gevolg van cisclier's verzuim werd aangenoineii zijne veroordeeling in de door liem veroorzaakte kosten. — Cf. in gelijken zin art. 190 IS. 11., arr. v. 4 Dec. 1845 en 20!) I!. I! , arr. van I I'. II. v. Limburg, v. 9 Jan. 'I8-44 sqq. — \'gl. liiermede uk Pinto , II. I . |gt;. 203, volgens wien de rechter, met hot oog op art. 120 en wellicht ook op 114, eene verlenging van termijn kan toestaan, indien de getuige op eenen kortereu tijd is opgeroepen, dan de wet voorschrijft; idem met een beroep op art. i)4 al. 2. Oude.man, i'le ed., dl. I, p. 1!.!9 ; — anders door .Mr. I . li. Pi nning ad arl

!;■/. lOfi.

Ë, De eischer is niet verplicht een vonnis des kantunrecliters, waarbij oj) fles gedaagden conclusie een getuigen-verhoor bevolen wonlt, aan den gedaagde te beteekenen, wanneer het buiten diens tegenwoordigheid gewezen is.

Arr.-II. Amsterdam, v. 29 Jan. 1840, It. I!, jg. 1843, dl. V, p. 750; idem Mr. 0. M. v. n. IvkmI', Onln1. ut snpra, (lide druk) p. 299. ('1'. art. 00 I!. li., vonnis van de Arr.-li. Nijmegen, v. 0 Juni '1845 sqq.

Vergelijk ook art. 208 I!. 1!.. vonnis van de Arr.-U. Aridiein, v. ISO Sept. 1844.

lt;5. Daar art. 106, al. 2, !5. R. van de verplichting tot beteu-kening slechts zoodanig vonnis van den kantonrechter uitzondert, waarbij, in tegenwoordigheid van partijen, een geluigen-verhoor bevolen is, vloeit hieruit noodwendig voort, dat elk vonnis, waarbij een eed wordt opgelegd (en mitsdien ook een vonnis van den kantonrechter, zelfs dan wanneer de wederpartij bij de uitspraak daarvan is tegenwoordig geweest) aan beteekening, met behoorlijke oproeping van de tegenpartij, onderworpen is.

Arr.-R. l'trecht, v. 27 Jan. 1841!, li., dl. XVIII S; 35.

3. Voor liet woord //verhoorquot;, in art, 10f5, al. 1 i! II., moet worden verstaan niet de dag, voor welken eene partij zou goedvinden, eenen getuige, gedurende het getuigen-verhoor op te roepen, noch die.

ocr page 379

(Ail. 106.

op welken zulke getuige zou moeten worden gehoord, maar de dag, welke tot verboor bij liet vonnis bepaald is.

Ait.-K. .Maasti iclit. v. 2-i Jan. 1845. It. 1!. jy. 1845. dl. Vil, ji. 507—51 i.

-I Op den termijn van beteekening, voorgeschreven in art. 100, al. 1, 1gt; 11. is niet van toepassing de bepaling van art. 14 i! II, met dat gevolg, dat, indien de vierde dag voor een tot getuigenverhoor bepaalden dag op een Zondag invalt, de beteekening der namen en woonplaatsen der getuigen niet ingevolge art. 14 B. II., des anderen daags kan geschieden, doch met inachtneming der drie vrije voor de beteekening voorbeschrevene dagen behoort gedaan te worden.

Arr.-lï. Roermond, v. ti en 25 Febr. '1845, VV. n's. 010 en 022, in fjclijkon zin iu do O/uk. en Mal., dl. III. p. 210. — Cf. art. 90 li. I!.. vonnis van dezelfde rechtb. v. donz. datum, en art. 439 li. I!., air. van 't 1'. II. van X.-Holland, v. 17 Juni 1847 sqq.

.» De weglating van den geslachtsnaam eener getrouwde vrouw op de aan de wederpartij heteekende lijst, kan termen opleveren tot gegrond-verklaring van de te dier zake gedane wraking,

Air.-l'i. Maastricht, v. 2(i Nov. 1840, W. n0. 859; IJ. li. jg. •1847, dl. IK. p. 195 en 196.

lt;5 Art. 106, laatste lid, H. II,, heeft kennelijk ten doel, om de getuigen duidelijk aan de wederpartij te doen kennen, ten einde ze, daartoe termen zijnde, te kunnen wraken. Bij gevolg kan, hoewel de wet niet uitdrukkelijk de vermelding van de voornamen der getuigen in de beteekening voorschrijft, zulks echter noodzakelijk zijn, ten einde omtrent de personen der getuigen geen redelijken twijfel te laten bestaan, wanneer meerdere personen van denzelfden naam in dezelfde plaats woonachtig zijn.

Indien men echter bij de voorgestelde wraking heeft doen blijken den getuige genoegzaam te kennen en de weglating van de voornamen des gewraakten getuigen , geene onzekerheid omtrent diens identiteit heeft te weeg gebracht en men gevolgelijk daardoor in zijne verdediging niet is benadeeld, kan men niet geacht worden eenig belang te hebben zich uit dien hoofde tegen het verhoor van den betwisten getuige te verzetten.

ocr page 380

-^tx~v oU.

^ O-***—

^rr^ cf^U^i, -Wquot; ^

eJ^^-Ar! l()fi ) '; ■■ ^;.6()

y ' quot;■ 1 ' (_lt;wt-.i;ugt; for.J

At'f.-R. M:i;istricht, v. 'i(i Nnv. IS^), W. nquot;. 859; I!. II. jg'. IKI?, lt;11. IX. |). i!C) cn 100. — Virl. liilt;!iiiiolt;llt;! dlt;^ uiinmcrkingen n|i lt;lit vlt;iiiiiis, I!. !!. ut supra, volgens welke liet op eene dwaling berust, daar het niet was de vraag, of men hij hrl ^/e/^V/execr/ioo#'den voorgebrachten getuige toonde te kennen, maar lt;if hij de, hdcchcnuifi van de lijft der (/e/mV/c/i. lt;le gewraakte getuige zoodanig was aangeduid, dat men zieli kon vergewissen wie die persoon was.

S. Wanneer een getuigen-verliour, het uur te ver verstreken zijnde, tot een naderen dag wordt uitgesteld, kunnen in dien tussclientijd geene nieuwe getuigen worden gedagvaard, en op den nader bepaalden dag gehoord.

Ait.-U. Uotterdam, v. 25 Sept. 1857, \Vr. u0. 11)07. Vgl. arr. v. 11 Nov. 1804 sqq. op art. 217 1!. 1\.

De niet tijdige heteekening van de namen en woonplaatsen der tot tegenbewijs te hooren getuigen kan niet meer als middel van verzet tegen liet houden eener contra-enquête worden toegelaten, wanneer het verhoor reeds zonder verzet der tegenpartij is begonnen.

Arr.-l!. Amersfoort, v. 22 Oct. 1859, R. li. jg. 1801, dl. XI, blz. 5:!—54.

fgt;. De beteekening van de namen der getuigen belet niet dat men alsnog de bevoegdheid heeft om van het hooren van een op de lijst voorkomende getuige afstand te doen.

Arr.-l!. Amsterdam. 7 Nov. 1878, I!. K jg. 1870, A. |i. 77; cl'. Ktg. Wijclien, v. 15 Sept. '1854 sqq. o[i art. 210 I!. R.

KI. Zie ten betooge :

a. Dat, wil de tegenwoordigheid bij de uitspraak voor beteekening gelden, het noodig is dat partijen bij de geheele uitspraak zijn tegenwoordig geweest —

de Tinto, Tldl.. 2 ed. II, 1, p. 204 en de Martini, ad art. noot«, 2; — anders door Ouoeman, 4de ed., dl. I, p. 139, die bet voldoende acht, indien hot in art. 106, al. 3, vervatte door do partij is aangehoord, idem Vernede, ad art. 100 noot 4.

/). Dat in zaken voor de xVrr.-R, behandeld wordende, door de woorden partij en partijen, de procureurs moeten worden verstaan -

art. 200 1». R., vonnis van de Arr.-R. 's-IIertogenboseh, v. 17 Jan. 1844.

ocr page 381

Ik

U cJ-amp; fji'l/Uiamp;r*-

^ UL^X-CL^ lt;UJU~ l^cJ- ^ 4*~* Y A quot; ;'^^quot;w:

c

iï^y^tTèsuzt— tot ylt;t. cMjkP sS- sr^oy.

quot; ■ ' -'^5 1 7 (Arl 107,

.1/7. I 07.

I. .Nergens is den president verboiien, den getuige, in de rede le vallen en hem, terwijl deze zijne verklaring aflegt, te herinneren aan de feiten, waarover zijn getuigenis verlangd wordt en hem af te vragen, wat hij daarvan weet.

Ait. v. 20 Dec. '180-1. W. nlt;gt;. 2340; It., dl. LXIX § 34; v. u. II., J!. R., dl. XXVI, ]gt;. 104—117.

lt;5, i it den aard der zaak zelve e.n uit de volgorde en den zamen-hang van de artt. 107—10!) 15, R. blijkt, dat de prealabele vragen (omtrent naam, voornaam, ouderdom enz,) als afgezonderd van het eigenlijke getuigenis, en als daaraan voorafgaande moeten worden beschouwd, en dat dit eigenlijke getuigenis eerst aanvangt met de verklaring van den getuige betrekkelijk de betwiste feiten.

Hieruit volgt, dat de wraking van eenen getuige, gedaan na de beantwoording dier prealabele vragen en voor het getuigenis omtrent de zaak zelve, moet geacht worden tempore utili en overeenkomstig de bepalingen der wet te zijn gedaan.

Ait.-R. 's-Oravenhage, v. 13 Dec. 1839, W. uquot;. 92: I!,, dl. V § 3;!; in gelijken zin Oiiuhman, 4de ed., dl. 1, p. 142 en I'knmnt., nd nrl. /.Ie echter hieromtrent dk Pinto, //(//., II. 1, p. 207 en 208, Vgj, vooi- stial-zaken het aangeteekende ad art. 183 nquot;. 10 Sv.

Zie ook Arr.-R. Utrecht, v. 9 Mei 1884. sub art. 108 li, li,

3, Vermits de leer van Confucius niet behoort tot de in de kolonie Suriname erkende godsdienstige gezindheden, zoo moet hij, die deze leer belijdt, alvorens zijne getuigenis af te leggen, volgens art. 109 al, 2 van het Wetb. van Burg. Rechtsv. voor die kolonie, alleen de belofte alletrtfen.

CrO

Beschikking Hof van Justitie van Suriname, W. n'1. 4359.

41. Ken getuige kan na het afleggen zijner verklaring, niet gewraakt worden, ook in geval de grond daartoe uit de verklaring zelve is opgekomen.

Oudeman, It. 4e ed. 1, blz. 142; de Pfnto, B. //., 2e od. II, 1.

Iilz. 208; en Mr. C. 1quot;. Tn. van Maanen in ,V, liijdr., jg. 1852, blz. 595.

ocr page 382

t/7. 1117 )

ü Vergelijk over den eed der Israëlieten

hel Kun. llcsluit van 'i(i Oct. ISIS. ir. I I. (ii|igeii. in Lull. Clirun. IVcr. ilrr wetten en besluiten, dl. I- p. 397), iiestiwlen iIikh'IV'Ir. nu t'iN'rn, //lt;//. II. I, |i. '2(11); art. l'JBÜ II. \V. nquot;. :i en art. IK! nquot;. lt;S Sv.

lt;». Zie ten betooge, dat het afzien van het aangevangen verhoor van een getuige door ééne der partijen, voor den rechter geene wettige reden is om diens verhoor af te breken en in ieder geval eene dergelijke afgebrokene verklaring van een getuige niet voor een getuigenis in den zin der wet is te houden —

art. 200 II. tl., an-, v. 21! Dec. 1853.

.1/7. I0S,

I. Ilooger beroep is niet uitgesloten omtrent, reclifspraak, niet over wraking maar over uitsluiting van getuigen, wanneer de zaak ten principale voor appèl vatbaar is.

Hof s-l 1 orioi;!'nhnsr]i. v. 8 l'olir. 1SS1. \\ . nquot;. iO/i.

'i. De wraking is tijdig gedaan, ook nadat de eed door den getuige

is afgelegd, doch voor den aanvang der verklaring.

A it.-II. IJtroclit, v. 0 Jfci -ISiS'i-, W. nquot;. 5023. Vergelijk vorder art. Iü7 1!. li. aant. 2.

3. Zie ten betooge :

a. Dat ook in summiere zaken voor de Arr.-ll. het hooger beroep uitdrukkelijk is uitgesloten ten aanzien van de recliterlijke uitspraken op wrakingen van getuigen, en dat ook de zaken voor den Uijnvaart-rechter summier moeten worden behandeld —

art. 200 II. li., air. v. 23 Dec. 1S53 sqq.

/j. Dat de verplichting tot beteekening van het vonnis, waarhij als gevolg eener gevallen wraking, een nader getuigen-bewijs wordt bevolen, op strafte van niet-ontvankelijkheid op hem berust, ten wiens verzoeke dit nader getuigen-bewijs is toegestaan —

art. 208 li. 1!.. vonnis van do Arr.-ll. Arnhem, v. 30 Sept. 1844.

ocr page 383

Af-S ■ //■lt;' r, f ^ t, lt;1 s/i . SSy-fl n- /- ■ '.lt;*'•'' •lt;:_'_

X .• ft* ^ ^ ^C-/- . sy m/r, amp;9-. W c^sfi.

~y/.gt; Isr-f.-f-.. /rs ' 7*-r,!%/!/*.J-'. qczAu-escci, Yquot; gt; ?■ OJ? e/r-rfs gt;.'7 ' ^ ^

/ * •'if?:/ (/1;7. 10!).

^ j;rr^ j -■ sr-.,'-sj* ■ *•-*-:■- • /y? . /lt;-\?_jy z.lt;amp; rjixi?, a9-. rz'lt;sgt;dr/p.

Ctv oU~- ►Wft- - /-v-.w. -. -'--- • • All, 1 (llt;|.

I

S Vivd lcn btjtoogc dat liet voorschrift der wet., hetwelk bepaalt dal » . in eene zaak van summiere behandeling het getuigen-verhoor op de ''-. i7v/' ''.terechtzitting moet plaats hebben en daarvan in zaken die in liet hoogste ressort worden beslist, geen proces-verbaal mag worden opge-maakt, als een voorschrift van openbare orde moot worden beschouwd - -i . ,.. art. ÜÜO B. R., air. v. 19 Nov. 1852 sqq.

. Zie omtrent de vraag, of bet getuigen-verhoor in summiere

zaken en bepaaldelijk voor het Ivtg. met open dan wel met gesloten

deuren moet worden gehouden —

' , ■ art. 'iÜ(i II. 1!.. air. v. 19 Nov. 1841.

I/V 110.

r-K lt;ff

liet is in den aard der zaak gelegen, dat de verdere behandeling eener zaak, waarin in hooger beroep een getuigen-verhoor, — van hetwelk volgens de wet, geen proces-verbaal wordt opgemaakt, - - gehouden is, plaats hebbe ten overstaan van dezelfde rechters, voor welke het getuigen-verhoor is gehouden, zoodat, bij ontstentenis van een dier rechters, er noodwendig termen zijn, om dat getuigen-verhoor op nieuw te doen plaats hebben.

1'. II. v. N.-Ilnlland, v. '20 .Ian. ISIS, I!. II. j^. ISiS, dl. X. |i. Si en 85.

fH• (Je. ^.r- e~u. -'c _ l-UJjtJLol. - g, amp;u.

^ ^ (vugt;^!LU^. o^i_

QjjU-1 [ ^ ; ZXu VL. , / y tZ.f A$ HP y 5^ ,

i De begrooting van den rechter, hier voorgeschreven, kan niet als een executoriale titel worden ten uitvoergelegd.

Ivtg. üoxmeor, v. 8 Aug. ISM. W. nquot;. 530, waarbij beslist werd. ilal initsdica volgens do gewone regelen een reclitelijk vonnis nuodlg is om de toegestane begrooting van den onwilllgen scliMldenaai' le vordei en;

idem Ouuk.man, 'idi! ed., dl. I. p. 117; en nr: Pinto, Ifudl. II. I. p. 'i(l!).

anders echter bij nr. Martini, ad art. /'. c., die meeat dat de vermelding van de toegekende schadevergoeding op bet afscbril't der dagvaarding van den getuige, eene executoire kracht heeft.

**. Uit dit artikel kan niet met grond worden afgeleid, dat de

ocr page 384

Arl. I IS.)

getuige, die tijdens liet verhoor, lieeft verzuimd schadeloosstelling li; vorderen, daardoor zijn recht zou hebben verloren, terwijl toch de wet dit niet bepaalt en niet in alle zaken proces-verbaal van liet verhoor opgemaakt wordt.

Ktg'. li0. IV Auistcrdaiii. v. I Mei 18(56, VV. 11quot;. 2807, anders hot sub nquot;. '1 vermeld vonnis Ktg. Boxmeer, v. 8 Aug. 1844.

Arl. 114.

Wanneer een getuigen-verhoor, waaromtrent, gelijk 'ui ca,9», bij hel ^ vonnis tot het houden van het enquest en van het contra-enquest ^ slechts één dag bepaald was, op eenen anderen dag is uitgesteld, omdat

^quot;quot;het niet in ééne terechtzitting heeft kunnen afloopen, dan kunnen ^ uiet inmiddels nog nieuwe getuigen over en weder door partijen aan

O, a o a IJ

^ elkander worden beteekend.

Wanneer de verweerder bij pleidooi omtrent het bovenstaande ver

^ rfQerji klaart, geene prorogatie van het contra-enquest te verlangen, doch,

// nadat hiervan door den eischer acte is gevraagd, bij repliek dpartoe

subsidiair concludeert, dan kan de rechter alsnog eenen naderen termijn

n'z/ji- tot het hooren van andere getuigen verleenen.

Air.-R. Maasti'iclit, v. 24 Jan. •184rgt;. \V, u0. (gt;22; I!. Igt;. jg. 1845, dl. VU, p. 512—514. — Anders bij air. l'. II. v. N.-llrabant, v. 22 Dec. 1874, R. IS. jg. '1878, A. p. 88, waarbij is beslist dat op den iiitgestclden dag nieuwe getuigen mogen gehoord worden, quot;wanneer het uitstel uiet aan de partij te wijten is. — Cf. art. 2iG 1!. R., vonnis van do Arr.-R. Maastricht, v. 26 1'ebr. 1852, cn art. 104 IS. U.. sub n0. 1. on arr. v. II Nov. 1804 op art. 217 li, R

Art. 116.

I. De bij dit artikel bedreigde boete moet worden uitgesproken door den rechter, voor wien de getuigen waren gedagvaard, alhoewel deze niet is de rechter naar de wet op de rechterlijke organisatie, recht doende in strafzaken.

Air. (raadkamerl, v. 24 Dcc. 1868, W. ii0. 3086; R.. dl. Xt' § 38 ; v. n. 11.. Gcrn. /aken, dl. XX111, p. 324 en volgg.; vgl. in anderen geest liet daarbij vernietigde vonnis der Arr.-R. Zierik/ee, v. 24 Nov. 1868, W'. t. a. p.

ocr page 385

4tl. ///.

lt;5. Eene tweede oproeping is dan eerst geoorloofd als de afwezige getuige met inachtneming der voorgeschreven termijnen en formaliteiten is opgeroepen en buiten den wil der oproepende partij niet is verschenen.

Ait.-R. Amstfrdnm, v. (i Jnni ISS'i. W. nquot;. 48(18.

(ASrrdrt- rV(? *-quot; ? * -lt;-»

/KfrxWy^, ^ ^ ^ ;' quot;J 7amp;e'^

ArL IJ 8. S-?^-.i'y0»etc/7lt;.''?f''=gt;.

V ' . ^4-. tr/ytcle* ?

Wanneer een getuige, behoorlijk gedagvaard, verhinderd is te ver-'

schijnen, dan kan hij volstaan met de toezending van een attest van ziekte, hetzij aan den griffier, hetzij aan den voorzitter der Rechtbank en op dien grond ontheven blijven van boete, kosten en schaden. zz jr^./.-yaz

Üe rechter kan op zoodanige toezending letten en behoort de ge- 'y^PST.

daagde niet door een procureur of arevolmachticrde een uitstel van

. . 1 quot; 0 c ^ rL*-

comparitie te verzoeken.

Arr.-H. 's-Hertoptenboscli, v. I!( Maart '1845. W. n0. (»59. r

a -lt;vt gt;gt;-' W-ryquot;^óryp ~1quot; ' 'S- ■ /V . jnsv *■ s.—^ co---- ^

^ '-^o , r'z-t -'o lt;quot;---^ ^ ^

t*JyrQt' 7^« quot; . ■ CsJ- : . // -.. quot; J/' gt; -gt; ^'7 /ptrn amp;/Ï sr 6 v 'P. L Al ' a ? J :

1. Zie over de vraas? of de Nederlandsche rechter in eene voor ^

^ f .x ija H''

hem aanhangige zaak, getuigen-verhoor aan den buitenlandschen rechterx kan opdragen — i^-y- «vz/f //^ */. 5 ^

art. 200 li. R. P. II. v. N.-Holland, v. 16 Deo. 1875 sqq. lt;2,—

7je~s/~ / T~/ j7/y. r/^-r/Z-e ï^

'$i. Zie ten betooge dat volgens dit artikel in onderscheiding van de /^y-zy yKr*: bepaling van art. 200 voor de rechtelijke colleges (voor welke onder- zJ-,

scheiding echter geen grond bestaat) de kantonrechter voor wien de zaak aanhangig is alleen dan verzoek kan doen aan zijnen ambtgenoot ^. ~Agt;vsgt;ïcz van de woonplaats des getuige om dien te hooren, wanneer de getuige ^uyn. /fJi****-wettiglijk verhinderd is om voor den rechter te verschijnen en hij /ycro, (laarenhoven buiten het rechtsgebied van den eerstgenoemde!) rech- Vï^Y£ ter woont —

Mr. .1. (!. Paths in .V. Bljilr. dl. XVI. lilz. 357. — Cf. tik Pixto, ■

Jldl. II. i, p. 211, volgens wien de hierbedoelde recliteiquot; van de woon-

plaats des getuige natnnrlijk de kantonrechter is; zie eeliter omtrent dit

laatste Oiuieman, 4de ed., dl. I, p. 141 nnot 5.

^ 0 ^ f o * y-KTtrr* /f V / t.

lt;SkJA M «JL^_

lt;inr~zry~ ^ : /*/?£. ^ 4JL

^ ^ 2? 0J i £=gt; . —' f*lt;yJ5c*C~. /(jO-lf 6c/C ?i quot; eT~Jj

?4lt;rf %±. r^ ,lt;y0X, lt;ur.

tc

ocr page 386

o-amp; fa/, pvo (Ptyyf

/^. $ZtrfOeL~ $4 7tAylt;-^- /lt;fo3, 6/7*1- ^n^-

[t/y'n, . S-S- ~f ALT^— Ó~J~£- Ts™~~-~-' «--—

lt;JC^*~/(- e^~ é-y-, O^a^s aUJa^ tp^c/. - S - ^9-~

/fry. ~ ■ -. ^ amp;i*s-c*-a-^aC ^ aCe-, -m^a^s2-i£lt;iCL_

t'Tx^y /C-a^t^-^^. Ze- —.

d?dgt;. ?vquot; ófZ-Z-J*.

/z0.ult;^ fó. a/gt; éy 0 Jgt; ^3

/flenjy •■ z~-*~s A-a^-

lt;/?fr£ /ftrf? rvs • rs^c^y *7 Usw-tJi-e-i-~ ^esr-zrC -e-iZ C.

2^ cs^ CoT^'^^v^r

t^mry

,' • Ssy^ Y oO^ cr^a C/7^*J2^C4~ trc*^^. --

(?.^L. i/c .. o c. . ■ -fw, ; iiföt. i^2erP/gt;

J.V ^ CPUJ — ^26.

» / ,quot; _ 'r^gJ-^t-A^

S^^UrfB /lie. ffTÜUamp;ü, li» TeJïnr, U/(J%t ^L t^v 'Kgt;^ q^UA- Uv^* A- l^-^^0^J-^A^'f

*A. ^fo-n-^yoê, k/.ti'crtrsï ■ ^

UswMf mrr^^a^e-^ -amp;y

^aJLIU^-^- cZe.-} v-je-^e- Z°- '

rf*. ^ /f^, ^

uJU*~ /4^- W- cyO-A^ty** t*

hamp;L-£S-~ cWy^ (ASna-yti^—^ w-C^rlt;u^i £-*-A yf^aU/t-Ë. lO-dZi/*- '

tffzv^. rhvy Lyamp;^^t^-tsrSra-yt^c. 2,^ ^ ^ ' ^*''^' ^/~~

yj, j. . -y . a ëvtXJLro h'^f ^Atvj.'kj'Ao^H*. /fjL^^lKr,^.?,^!,

/16. ^fóm^Cu-c ÏS/a^. /flt;r6, /ycy6e../Li

ocr page 387

fie. vojuls auU-. rrp oJL. lt;/ Samp;s £*-*-rfA -lt;•-■ ^e-tc^-p

IZT'V ^ A- JO Vt ~ t (^-or-V eo^~ ft-r^rn, ( , gt;J , . .

7,, . fy-A /V ? fpn. ~(t. /', ^ A .:^/-? et lt;- *1 f ^rrr, .Os* '. ?*%gt;. '

T ■f^e-r. fjcr1r M. flt; 0 rfrrff

/$y ofJhufuiJU,^- i'-vst,^' ist^y C^amp;W

cyt-

ex^ O^rv-JdU ^a^J^U^'L ,

^U-. ZS^r ^ ^ irrr^^l* '■quot;- ........

^ ^ \r^vuj' t o-C^-« C^c- lt;£Cr6-L^l ^ -L^yU^.

*. 'f* - ^Vquot; » lgt;_r-Tlt;vO—, ' *- 4-*^. Ck. -gt; • --^ -- Cj-—-~^—X-tf—T_^_/ /^L-i t'Ci.-mm

f*jJ. t' ■ . L■--t~ ^-t-'~p U^ ■— ■ lAr-rf-

cKi-^JU--c^sf L Ui/'-/, ^ ' W lt;ILlt;M.

f /

^ CtFcmamp;yXs t4*jgt; O- ~i ~ . //y iy-rtSiSi~G_st~ /t ^ ^i^t-^rcr-r^

^X-^tA-^O-^vt^L-c. xV1^ £c-^' a ^^jrv lt;g^c._

/c^z^Aamp;uxyy^ : lt;/amp;c- Z(c lt;*-£*-£ */

quot;n

te^., /2-, Z^C=y -

X- k^~ t^vfc wct'-A—r ylt;£~*-- *• «*-•

r—o .lt;.— ___________ UjdLh-S, 1-~ ^ quot;

^ - r ___ ^ '■■ ► ^^yU.

A, ^^o2jy.wJ- ^ -' ' — • '■ • —-

f-.^).i. - ; l , L i. - *A^-.fj (ST, u}, fcPSf.

/. /amp;gt;*.

ocr page 388

zhxJ- fiurv/zË-'crzro ^V^T-U^C^JXJZ^. „

AtruCo**-' £eJ1s amp; lt;gt;$-*-— t^-^U XLol^j 7/crcrt-* La -êéLr *. n .

^ cïe^*. (XSi/Z, / ''.f éLuJ-

JL. /^lC Ayt yZzP csjZ/g* f CL)^'

ocr page 389

.■5(U) r//7. 120.

f. liet verzuim van het opmaken van proces-verbaal van het in eene summiere zaak gehouden getuigen-verhoor heeft in verband ook met de weigering des eersten rechters om een termijn voor tegen-bewijs toe te staan, door al hetwelk de appellant in zijn verdediging is benadeeld, terwijl herstel der informaliteit niet doenlijk is, de nietigheid van het yetui^en-verhoor ten gevolge.

1'. II. v. X.-Holland, v. ITi Maart 1855. \V. nn. ITI'.l. ook aangehaalil siili art. IO'i li H n0. I.

'* ;icl,terl)li.iven ('er f0|,milliteit van beteekening kan, volgens

(/ ' art. 120 B. !?.. slec'nts dan op den stand van partijen eenigen invloed hebben, indien de appellant daardoor in zijne verdediging is be-it fe-W-, iCj'tl, 1iaf]eeiii

benadeeling is niet aan te nemen, waar de appellant zich daarop

Ca^- f. ■f^rz^ü■ l166quot;1 beroepen, noch in het algemeen in meergemeld verzuim van

„c ,4 ftec beteekening quot;'rond tot eeniquot;' rechtsmiddel heeft scezocht.

quot;(i.

/ a

/qoi-/ ^ Ari'-R, Ureda. v. 5 .Tan. 1858. W. n». 1 !M'{.

. . . ,

t Met verzet te^en het hooren van aretuigen m wier dagvaarding

amp; ra*1 I

./-/niet zijn vermeld de feiten, zooals die in het vonnis voorkomen, craat niet op, wanneer niet bewezen wordt het belang dat men bij '(t-mle—, naleving dier formaliteit heeft.

. . Sf-cnct- -

Arr.-R. 's-IIertogenboscli, v. 20 blaart 1808, W. n0. 2999.

, * * 1'

f 4. Al is de beschikking van den kantonrechter gelastende getuigen-

bewijs niet ingekleed in den vorm van een vonnis, maar daarvan alleen aanteekening gehouden op het audientieblad, al zijn de feiten voorts niet nauwkeurig geformuleerd, en al is eindelijk de termijn van art. lOfi al. S 13. 11. niet in acht genomen, zoo kan de nietigheid van het getuigen-verhoor niet volgen, wanneer het blijkt dat de partij hekend was met de plaats, dag en het uur der enquête, met de namen der getuigen, en met de portee van het te bewijzen feit.

At'i'.-R. Arnhem, v. 20 Mei 1870, W. nquot;. 4381

ocr page 390

(Arl. I-21.

Art- 121.

f Indien, ter voldoening' aan een interlocutoir vonnis, waarbij getuigen-verlioor is bevolen , eiscber en gedaagde getuigen hebben doen dagvaarden, en indien ter terechtzitting tot bet booren der getuigen de gedaagde het verzoek doet, dat de door hem gedagvaarde getuigen niet zullen gehoord worden, dan kan de eiscber zich daartegen viel verzetten en mitsdien niet vorderen, dat die getuigen wel zullen gehoord worden.

Ktfr. Wijclien. v. 15 Sept. '1854. VV. irgt;. 158(1.

'i. De getuigen, wier namen en woonplaatsen ten beboorlijken tijde aan de tegenpartij zijn beteekend, kunnen ook zonder bewilliging der tegenpartij worden geboord, al zijn zij niet gedagvaard, maar vrijwillig ter terechtzitting verschenen.

Arr.-Ii. 's-Gravenliage, v. 4 Oct. 1860, W. n0. 2211, voriiietifremlfi vonnis Ktg. 's-Gravenhao;e; v. 5 Maart 1860.

\l'f 1 22 ovtv szto .

OI.H.J. /amp; V r/r,?

I . Onder huurder in dit art. is de voormalige huurder te verstaan.

Ktg. Woerden, 25 Jan. '1858, I!. li. jir. 1858, dl. VIII, hl. 244—245.

3. Noch uit dit artikel en de twee volgende, noch uit art. I I R. O. kan worden afgeleid dat de huurder ontruimen moet, als bij zijn huur niet schriftelijk kan bewijzen, zoodat mondelinge verhuring, wanneer de huurder geene kwitanties van betaalde huur of geene opzeggingen kan toonen, geheel aan de willekeur des verhuurders zou zijn overgegeven.

Arr.-R. Alkmaar, v. 11 Maart 1809, W. n0. Itl21.

IS. Keus van woonplaats ter plaatse, waar bet gehuurde is gelegen, is in geval van vordering tot ontruiming, dan alleen verplichtend, wanneer door den kantonrechter vergunning is verleend om te dagvaarden, zelfs van uur tot uur. liet laatste lid van dit artikel ziet dus niet op elke dagvaarding in cas van ontruiming.

Ktg. ydimdnin, v. 4 .Tnni 1870, \V. n0. 3207; idem Mr. v. n. Kf.mi', (Jiiho. nt supra (.'Me druk), hlz. 258, alwaar nog betoogd wordt dat

ocr page 391

/1)7. 122.)

ilagvaarding tot ontruiming idisltiUcnrl op korten termijn kan plaats hebben in geval van geëindigde huur, (niet in geval van wanbetaling van huurpenningen), en wel van geëindigde hunr van gebouwen, huizen, woningen, pakhuizen, stallen, zolders, kelders en pachthoeven, maar niet van landerijen, tuin- en andere gronden, vgl. met dit laatste echter het sub art. 124 n0. 3 vermeld vonnis der Arr.-R. Zutphen, v. 19 Mei '1804.

-I-. Bij dit artikel is evenmin als bij art. M R. (J de competentie des rechters afhankelijk gesteld van het bedrag der goederen, die verwijderd moeten worden, waaronder aanzienlijke waarden van eflecten als anderszins kunnen begrepen zijn, maar eenvoudig van het bedrag en de wijze van sluiten der 'Huurovereenkomst.

Arr.-R. Amsterdam, v. 2(i Aug. 187H, VV. n0. 3634.

Ingeval van delogement kan het verzoek om vergunning, om op korten termijn te mogen dagvaarden, worden aangevraagd tegen eene buitengewone zitting —

Mr. N. K. Rf.inders in W. n0. 1019; de redactie van :t W. 1.1. en Mi'. Vkrnkdf. ad art.; Mr, v. d. Kemp, Ontw. ut supra, blz. 259; — anders door Mr. II. Iquot;. in 't W. nquot;. 1033.

.-Irt. 123.

Zie omtrent de ten-uitvoer-legging bij voorraad van een vonnis bij verstek, indien die ten-uitvoer-legging bij voorraad niet is gevraagd noch door den rechter bevolen —

art. 82 T!. R., sub nquot;. 'I ; art. 41 R. Org., sub nquot;. 2, en arr. v. 28 Maart '1848, vermeld op art. 211 Sv. li. nquot;. 14.

— Bij Decisie van den Min. v. Financiën v. .quot;51 Maart 1840, No. 95 (dl., dl. VII, § 82) is te kennen gegeven, dat naar aanleiding van art. 41 Wet op de K. Org. en art. 123 B. R , daarin kan worden berust, dat het recht van registratie, hetwelk verschuldigd zou wezen op expeditiën van vonnissen tot ontruiming, door kantonrechters gewezen, op de minuten dier vonnissen worde geheven in de gevallen dat geene expeditiën dier vonnissen worden afgegeven, uit hoofde dat ze zijn verklaard uitvoerbaar te zijn op de minuut, en vóór derzei ver registratie.

ocr page 392

[Art. 124

Art. 124.

I . Tot de essentieele vereiscliten van eene beteekening behoort de afgifte niet alléén van afschrift van het vonnis, maar ook van het exploit, met dat gevolg, dat indien zelfs in de gevallen, voorzien bij de artt. 123 en 124 B. 11., onmiddelijk vóór de executie afschrift van het vonnis, doch (gelijk in specie) vier dagen nadat de executie was aangevangen, aan den geëxecuteerde afschrift is gegeven van het exploit van beteekening en van het bevel, om aan het vonnis te voldoen, de geheele plaats gehad hebbende executie nietig en onwettig moet worden verklaard.

P. IT. v. Gelderland, v. 28 Nov. 1849, W. n». 1049. R. B. ,jg. 1850, dl. XIT. p. 603—000. — Vgl. hiermede ten hetnoge, dat eeue veroordeeling tot ontruiming van verhuurde landerijen, den verhuurder geenszins de bevoegdheid geeft, om de zich op die landerijen bevindende en aan den huurder toebehoorende gebouwen te sloopen of af te breken — art. 058 B. W., arr. van 't P. H. v. Gelderland, v. denz. datum, sub n®. 3.

'i. Alhoewel bij dit art. alleen uitdrukkelijk gesproken wordt van het geval, dat eene gedwongen ontruiming van een verhuurd perceel wordt gevorderd en niet van een perceel, dat hij vergnnn'mg Ier bewoning is gelaten, zoo mogen toch de in dit art. voorgeschreven vormen, bij analogie op andere daaraan verwante vorderingen, gelijk die in casu, toepasselijk worden geacht.

Arr.-R. Zierikzee, v. 21 Febr. 1854, W. nquot;. 1750.

'C. Nergens bij de wet, wordt gevorderd dat de wijze van executie, voor zoover betreft de daarbij [in casu ontruiming) in acht te nemen formaliteiten, bij het vonnis moet worden bepaald.

Arr.-R. Zutphen, v. 19 Mei 1804, R. B. jg. 1805, p. 055.

JL Het is in strijd met de wet, zich op grond der grosse van eene notarieele akte van koop en verkoop in het bezit van het verkochte te stellen op de hier voorgeschreven wijze.

Immers alhoewel uit de wet volgt dat de grossen van authentieke akten op dezelfde wijze worden ten uitvoer gelegd als vonnissen, zoo is bet tevens waar, dat met ten uitvoerlegging de wet het oog beeft op het verhalen van een bepaalde geldsom.

Arr.-R. Assen, v. 12 Mei 1873, R. B. jg. 1874, dl. XXIV, p. 505.

Mr. W. van Rossem Bz., Uury. liechtsv. 21

ocr page 393

Art. 124.)

.V Benoeming fier getuigen ter adsistentie van den deurwaarder in het vonnis tot ontruiming zelf is door den wetgever niet gewild.

P. II. v. Grnningen. v. 'iO Maart •1lt;S75, W. n0. 3875; idem P. 11. v. N.-Holland, v. 5 Jan. '1871, W. nquot;. 3350, liij welke arresten tevens is beslist, dat de benoeming van twee getuigen alleen van toepassing' is in geval van onmiddellijke ten-nitvoerleggmg van een vonnis tot ontrniining door den kantonrechter.

De benoeming van twee getuigen, welke volgens art. 124 15. R., door den kantonrechter geschiedt, kan zonder overtreding, op de minuut of het bevelschrift van liet vonnis worden geplaatst, en kan die benoeming aan geene afzonderlijke, veelmin roorloopige registratie geacht worden onderworpen te zijn.

Decisie van den Min. v. Financiën, v. 22 Maart 1830, nquot;. 43, 1!.. ill, V. § 73.

Art. 125.

I. De bepaling van art. 125 moet, wat den vorm betreft, worden opgevat voor zoover die bestaanbaar is met de proces-orde voor den kantonrechter. In verband met art. 99 B. R. wordt mitsdien de vorm van verzoekschrift en de beteekening daarvan voor het doen hooren der wederpartij op vraagpunten niet gevorderd in het geding voor den kantonrechter.

Arr. v. 9 Mei 1862, W. nquot;. 2378, R., dl. LXX1 § 3, v. d. H., li. 1!.. dl. XXquot;VI, p. 414—429, waarbij het beroep in cassatie verworpen werd tegen het vonnis der Arr.-R. Amsterdam, v. 7 Nov. 1861, R. B. jg. 1862, p. 201, W. n0. 2345; idem Ktg. Gouda, v. 22 Juni 1871, W. nquot;. 3368.

Zie verder over deze vraag voormeld arr. v. 9 Mei 1802 sqq., sub art. 237 B. R.

Zie ook ten betooge dat deze bepaling naar de voor de procedure voor den kantonrechter voorgeschreven regelen gewijzigd moet worden toegepast —

v. i). Kemp, Oiitw. ut supra, p. 278 sqq.

8. Uit de plaatsing van art. 134 B. R. in de 1ste afd. van den 3den titel, in verband daarmede, dat dit artikel niet voorkomt onder de bepalingen, welke bij art. 125 B. R. verklaard worden, mede toepas-

370

ocr page 394

selijk te zijn voor fle kantongerecliten, kan niet worden afgeleid, dat men voor de kantongerechten niet de bevoegdheid zou hebben om zijn eiscli te verminderen, — daar toch de plaatsing van dit art. 134 aan het slot der afdeeling, handelende van de dagvaardingen, duidelijk verraadt, dat de gang van des wetgevers denkbeelden deze is geweest, dat hij heeft willen bepalen, of dat het exploit van dagvaarding, waarover hier wordt gehandeld, of dat de eisch, daarin vervat, is de grondslag der procedure, zoodanig dat die eisch, in den loop daarvan, niet mag veranderd worden, wat liet fuudam.entum petiti betreft, of vermeerderd, maar wel gewijzigd of verminderd. Hieruit volgt, dat als de hoofdzaak of de cardo dezer bepaling te beschouwen is het negatieve of verbiedende gedeelte, en het positieve of toelatende gedeelte er slechts tot meerdere duidelijkheid is bijgevoegd, met dat gevolg, dat dit positieve of toelatende gedeelte volstrekt niet beschouwd kan worden als in te voeren of te geven een recht, hetwelk een eischer zonder die bepaling niet zou hebben, maar beschouwd moet worden als de bevestiging van een recht, hetwelk een eischer, uit den aard der zaak, kan en mag uitoefenen, evenzeer voor den H. R., als voor een Ktg., al kwam ook de bepaling van art. 134 nergens in 't Wetb. voor.

Ari'.-R. Groningen, v. 'lü .Timi 1S43, R. li. jg. 1843, dl. V, p. 610; R., dl. XX, § 07; idem bij vonnis van quot;t Ktg. Loenen, v. 28 Sept. 1853, \V. nquot;. 1489; Oude.man, 4de cd., dl. I, p. I7ii; door Mr. C. M. v. n. Kemp, Oh tv. ut supra, p. 279 cn 273, waar betoogd wordt dat dit artikel is enuntiatief, niet limitatief en door S. M. in de O/im. en Mcd., dl. 1, p. 224 sqq.; — anders bij vonnis van 't Ktg. Voorburg, v. 1 Maart 1843, R. B. jg. 1843, dl. V, p. 334. — Vgl. hiermede een vonnis van de Arr.-R. Nijmegen, v. I Oct. 1841, R. R. jg. 1842, dl. IV, p. 371, naar luid waarvan, om ten deze de toepasselijkheid van den regel: iiwhoiio uiiiits ftl cxcluaiu altcfhis, te kunnen beoordeelen, /oude moeten worden onderzocht, in hoeverre het recht van vcrmiiidrrcn der conclusie, na de litiscontestaiie, inhacrccrende is aan het recht van actie, doch waarbij overigens de kwestie is in het midden gelaten en beslist, dat in allen gevalle de vermindering kan plaats hebben, indien de gedaagde zich niet tegen de gedane vermindering der conclusie heeft verzet, noch deswege ontzegging dier conclusie heeft gevorderd.

3. Wanneer bij liet vonnis van den kantonrechter het verhoor op vraagpunten is gelast ter terechtzitting {niet ter openbare terechtzitting) geeft dit nog geen aanleiding om het vonnis te bestrijden, als stond het vast, dat het verhoor ook in het openbaar zou plaats hebben. De

mü

ocr page 395

'h't~ AlC cLstA, crq iJLt\ L CiyO^iA^-

ey-ir^t^ Cf^-JU^eJU—— -^C',

/-^.i- ■\nn^^^lt; c,iLA~a.rLinsL~^ cji oo— Jca^_

Art. 125.) 372 '7 _ L 1

/i6. ^sftyyyrT^^ji. , „ Ctnl.. oamp;jli, /. u.gt; | ])artij heeft alleen het recht om, nis hij verschijnt, een niet openbaar UPcjif verhoor te vorderen. . ?'^~-

Arr.-R. Amsterdam, v. 7 Nov. 1861, vermeld sub hoc art. n0. i.

-4. Daargelaten de vraag of art. 244' § 1 B. Ilv. geregeerd wordt,

wat den vorm betreft, door art. 125 ibid., zoo is de beteekening van het proces-verbaal aan de niet-verschijnende partij niet eens voorgeschreven.

Arr.-R. Amsterdam, v, 7 Nov. 1801, W. n0. 2345, sul) lioc art. nr'. 1 vermeld.

•V Zie ten betooge ;

a. Dat de bepalingen over het desaveu niet toepasselijk zijn op de rechtspleging voor het Ktg. -—

art. 203 R. R., vonnis van dc Arr.-R. Sneek, v. 10 Oct. quot;1830.

h. Dat art. 314 B. R. ook van toepassing is voor de rechtspraak des kantonrechters —

art. 3*14 R. R., vonnis van de Arr.-R. Amsterdam, v. 24 Jan. 1842. _

c. Dat ook de kantonrechter bevoegd is den lijfsdwang uit te spreken,

wanneer die is inhaerent aan de vordering, welke aan zijne kennisneming en beslissing is onderworpen —

art. 585 R. R., vonnis van de Arr.-R. Sneek, v. 0 Jan. 1841 sqq.

d. Der toepasselijkheid van art. 75 B. R., ook ten aanzien der rechtsgedingen voor de kantongerechten —

art. 75 R. R., vonnis van de Arr.-R. Assen, v. 10 Febr. 1840.

e. Dat de verwijzing van art. 125 tot de bepalingen van artt. 612 — 015 B. R. niet verder kan getrokken worden dan daartoe, dat het bedrag der kosten in het vonnis zelf moet worden uitgedrukt —

Mr. C. M. v. d. Kemp, Ontw. ut supra, p. 358. — Vgl. hiermede, in nagenoeg gelijken zin, een vertoog van den heer J. v. d. Honert Tiiz.,

in 't R. B., jg. 1839, dl. I, p. 330—333 en de Pinto, II, 1, p. 213, welke beide laatsten ecliter doen opmerken, dat eene verefl'ening van kosten ook bij den kantonrechter kan plaats vinden in de uitgezonderde gevallen van art. 39 der Organ. Wet. — Anders Ktg. Winschoten, v. 25 Sept. 1855, W. n0. 1724, waarbij nog is beslist dat de acte van procureur tot procureur bedoeld in art. 014 R. R. voor den kantonrechter door een eenvoudige acte van dagvaarding moet worden vervangen. Vgl. met betrekking

M

JhuinjL— -L-r 'é /£^3 . ; trv-ry

gjJU k OWo

C '

/ .. . Cl /2. ' .V / ^. v . , — Y^r ?,r}/-~

-JT. quot; 2, »-gt;-1, ^ //^ ó(P(P O, ■

ocr page 396

l/mso/jL i'th e cX- lt;*

amp;■

z.

u.

' xhe c

U~r c

: ^,yv2

^ l /ZT fhr. 2-

(Art. 125. /' lt;- .v/.

r^y . ^'■'2-

2cP •- -it*quot;-£lt;/ -u ' trnui.

tot de bewering van Mr. de Pinto, als zoude do vei'idVening van kosten tut de executie van liet vonnis beliooreu, Arr.-U. Amstei'dani. v. ^4 Mei ISUl, W. nquot;. 2295, waarbij de schadelikwidatie als de voortzetting van liet geschil wordt beschouwd, on art. G12 Pgt;. R. sub n0. i.

ƒ. Dat de 7(le titel van het 2cle boek B. II niet van toepassing is op zaken, bij den kantonrechter te behandelen —

art. 616 B. R., vonnis van 't Ktg. nquot;. II Amsterdam, v. 22 Febr. 1844.

tt. Zie omtrent de vraag of en in hoeverre, nu art. 125 15. 11. niet verwijst naar de voorschriften aangaande de expertise bij (le Arr -II , de kantonrechter gerechtigd is, tot aanvulling van het onvolledige der artt. 101 en 102 B. R., in judicanclo uit de artt. 222 sqq. een leiddraad te ontleenen -—-

art. 101 li. U.. vonnis van 't Ktg. n0. IV Amsterdam, v. 20 April 1852 sqq.

. / vy ^ ^ /. /JLö-é A^-. ^

.

/~l fr. /2-b ' i t-crc po a y/«_ O^^-

Avt. 126. cy? -T* n ^Cr*. -T^l.1 - öl,lt;x^L.^

iz-a.-'r*' ayi . /Z,Cs sj2.. $

1. De bepalmcr van art. 126, no. 7, B. R, liouftende, dat bijaldien . .

*- 7rt2/z- £? ''• 'yyT.— / „

er meer verweerders in eene zaak zijn, deze zullen worden gedag- ,

J o o t'poz , (amp;.

vaard voor den rechter van de woonplaats van één hunner, ter keuze ' ,

1 , Ti'blV^.

van den aanlegger, is niet ook van toepassing in het geval, dat slechts

één der verweerders in dit koninkrijk zijne woonplaats heeft en de

andere buiten het Rijk is gevestigd; alsdan moeten beiden gedagvaard

worden voor den rechter van de woonplaats van dengene, die hier te

lande woont.

De bepaling van art. 126, n'3. 2 en 3, T5. li., houdende dat de verweerder, die geene bekende woonplaats en mede geen erkend verblijf heeft in het Rijk, gedagvaard zal worden voor den rechter van de woonplaats des eischers, is niet anders toepasselijk, dan wanneer een buitenlander alleen wordt gedagvaard en niet met een binnen het Rijk gedomicilieerden mede- verweerder.

De bevoegdheid, aan den eischer gegeven, om een vreemdeling voor den rechter zijner eigene woonplaats te kunnen dagvaarden, is alleen bij wege van uitzondering en om redenen van noodzakelijkheid toege-

7

/~\r-a-tyt-£-a. -ap t

^TSTir ^

V

C\-(jL~~*

A^-

ocr page 397

e-t- 1rtS7.l~Cr-(

fay:sJ^lt;Ult;-«^^£3c-_o ^clcA^,,^ r -r eamp;- L ^A,'^ -Ts-ty^x^^quot;

,1)7. 12(1.) 371. /

osU^yi^o^y lt; /oat/, AS. Ky° wcrf. -^vlt;,

kefid, en mag dus nimmer strekken om mede-verweerders vim hun

' competenten recliter af te trekken.

/Jt'

, ^ Air. v. 26 Maart '1847, W. no. 840; R., dl. XXVI, § 81 ; v. h. II..

(i. Z., dl. VI, |). 50—65 — Vgl. in dcnzclfden zin Arr.-R. Nijmegen, v. 26 f*-As~f4--—^ vc^-' Nov. 1861, W. n0. 2:$55; en Mr. v. n. Kkmi* , Ontw. ut suimi, M/. 232.

5S. Ook dan wanneer het zevende lid van dit artikel niet mocht p.- oc-*) toepasselijk zijn op secundaire, maar alleen op principale verweerders, l/77yVyi^o vayy- zou in casu i'ict verkeerd zijn toegepast, waar feitelijk is

beslist, dat ofschoon de vordering bestaat uit verschillende deelen cu zij tegen verscliillende verweerders is gericht, ecliter die deelen staan in zoo nauw verband, dat wanneer de eisch tegen de mede-gedaagden daaruit zou zijn weggenomen, er geene wezenlijke actie meer zou overblijven, en dat de eisch tegen de verschilleiule verweerders heeft dezelfde strekking.

Air. v. 27 Juni 1856, W. n0. 1797, R., dl. LUI § 51 ; v. d. II., B, I!.,

dl. XX, p. 438—448. — Vgl. voor het eerste punt art. 126 sub no. 11 IS. R.

3. De bepalingen van dit artikel worden beheerscht door die van art. 74 en vlgde 13. W. en mitsdien ook door art. 78 B. W.

Deze regel brengt mede, dat eene getrouwde vrouw, wier man buitenlands woont, ook geacht moet worden aldaar hare woonplaats te hebben, al verblijft zij feitelijk hier te lande ; waaruit volgt, dat dusdanige vrouw ter voldoening aan eene persoonlijke vordering niet voor den rechter van haar werkelijk verblijf kan worden gedagvaard.

Arr. v. 2 Maart 1860, W. nquot;. 2149, R.. dl. LXIV § 27; v. d. II., B. R.. dl. XXIV, p. 97—103, in strijd met de concl. O. M. verwerpende hot beroep tegen arr. P. H. v. N.-Holland, v, 30 Juni 1859, W. nquot;. 2133, waarbij vernietigd werd vonnis Arr.-R. Haarlem, v. 4 Jan. 1859, W. nquot;. 2041; cf. I'. II. v. N.-IIolland, v. 14 April 1859, W. n0. 2152, dat'handhaafde vonnis Arr.-R. Amsterdam, v. 10 Jan. 1859.

In Regtsg. Adv., dl. VI, p. 164—167, wordt het arr. II. R. bestreden.

-Ir. De actie van den kooper tegen den verkooper, strekkende tot levering van een verkocht onroerend goed, kan als geene zuiver per-soneele zaak worden beschouwd, en moet geacht worden eene aanspraak op het onroerend goed zelf te bevatten, en mitsdien worden

ocr page 398

L-t T h /-^ï'-t^v rT-iSL-t^ri, e*.^st*A^

X*-~~4rc /— tf-f / cy Qs c^-o^S*

ÓJ

a.^vfl v ojo

cic i y

/7 O _ ,

^ ^ lt;-^t ^.^7)p 1— , i't'. Uquot;'-/cPt-tT-

aiingebraoht voor den rechter, binnen wiens reclitsgehied liet goed gelegen is.

Arr.-R. Ainstei'dam, v. '17 Maart 1840, li. I!. Jg. 1843, dl. V, p. 709 en 77(1; lirf/l In Xedcrl., dl. 11, p. 340 en 341 ; idem Mr. F. U. 1'knning, ad art.; — anders echter (011 volgens I.ko\ te recht) Oudeman, 4do, ed., dl. 1, p. 155; vgl. van Bonevai. FaüRE, Si'd. Proccsr., dl. I, blz. 312, l2de ed., dl. I, p. 219 sqq. en 372, en, inzonderheid met het oog op eerstgemeld vonnis, dat aldaar breedvoerig wordt bestreden, de Pinïo, Hdl., II, 1. p. 219—220.

Indien de onroerende /.aak of het reclit, waarvan het bezit of de stoornis het onderwerp van het geding uitmaken, grootenrleels, althans voor de helft, is gelegen in het gebied der Arr.-II., dan is deze alleszins bevoegd daarvan kennis te nemen.

Irt^oCo.^

i/9 £ x^rx £trt-

Arr.R. Gorinchem. v. 30

lt;». Eene vordering tot ontbinding eener overeenkomst wegens wan-praestatie en tot vergoeding van schade, kan aanhangig worden gemaakt bij den rechter van de plaats, waar door de gebrekige partij bij die overeenkomst domicilie is gekozen, zoo wel voor de uitvoeriruj als voor de gevolgen der verbindtenis.

Arr.-R. Amsterdam, v. 10 1 »oc. 1842, R. li. jg. 1843, dl. V, p. 42—47.

?. Eene vordering wegens cijns is eene zakelijke rechtsvordering en behoort dus het verzet tegen het dwaugschrift gebracht te worden voor den rechter, onder wiens rechtsgebied het goed gelegen is, waarop het recht van cijns is gevestigd.

1'. II. v. Groningen, v. 23 Sept. 1845, H. li. jg. 1845. ill. VII, p. 813— 819 : R., dl. XXVI. § 95.

S. De overzeesche bezittingen van den Staat, behooren ook na de wijziging, welke art. 1 der Grondwet van 1840 in 1848 heeft ondergaan, in den zin des burgerlijken rechts, niet tot het Koninkrijk der Nederlanden, maar tot het buitenland, met dat gevolg, dat indien een gedaagde op het eiland Java woont, hij in den zin der wet geen woon- of verblijfplaats heeft in het Koninkrijk en een eischer mitsdien, naar luid van art. 126, n0. 3 15. R., gerechtigd is, hem voor zijne woonplaats te dagvaarden. /Lj,/-. ■y~* 1— c*~r./y tn! 6i. . /?

1819, W. u«. 1097; R. B. jg. 1850,

Arr.-R. Amsterdam, v.

C^u/ /li /zA /—

•». O^o*. -i eJ.jL'

C i lt;s~C £ 1

c^ 9. n A. tz-

?* ^ vj

eQlCl CfCC'C^t n t-i ^

875

H cj

(Art. 'Ud

1842, W. 110. 338.

/L7 ■

18 Dec.

ocr page 399

^ /9yf ÓL ^Cye^ (Z* ■lt; *^ tsamp;~*~*-' Jri^.

XSlAjrieJZ' u £gt;7^—i-o^iS^ cn-J-*-* . ■^- ■2-yi-^^-

■{^^ r . é ^i^ \ o^y — -i_ -i__-^, ^- ^r'^L Jre/t^(~y^lt;zLyLamp;*1.' S ^L/z^cl^2

/f /Q/TZf élt;gt;* tfWdlS, w^o^* 3 i l z ' ^ZtS7 ^

c , w famp;f1/£l l/rr^-' • ■ - ^ ^ :

^ .V-ö, '/ • _ J^QQ ',

O-7 _-^«-lt;-^A ■ —,:.-■••lt;-• —

- quot;C/— . ^ '

Vj^ 2, $3t.Of^tK ~ ' ' / V ^*- ' - ^ ^ ,J '• ^*41 J ^

CASptêt^ Y^xr^rJ- ( QJA ctx. 4*Jtc£uA. C^-rrr*-lt;*-lt;- gt; ^•quot; - '-■lt; U? ■-yjc.

%

r crire-n^c~a

r tro^t/i

utkou v , ir.lt;-7 - C- J ^ n r ^

jd-. v ;gt;y.

lt;§c^. Mamp;ce-Jc^c- lt;-x^-/^~-^- ^•—°- A^ lt;V' ^ gt;; OT

cèJ. 6lt;1 4gt;x «_alt;_A^ 6^. , -eoOi^-cm^- Jv-y*

CW_^^ /£- /. •■ — ■■/ ^ - t7. /, ; (lt; lt;tl// f*::.-yr l Z. /Jtff-

ocr page 400

hr ra

XSL-*4x^ylt;2dS-rl tuT cOc-r cj^c5^eu*--£f^Lt lt;-lt;-t^- ■ ur A ^ï-c^ £. . MLstf lt;dr AZcr. ^-raA « ^ / -

hócustsi^ — y • ^ • '^ • -2o - ' v.

/d?/-

;- JUr^J.. L ,ctt óJ-, ' ^

^^t-L. /Zb — , -Sa-- /^yi A. /cr —

ocr page 401

Art. 120 )

dl. XU. p. 181—180, bevestigd bij arr. van 't 1'. 11, v. N.-Holland, v. 30 Jan. 1851. W. nK 1215 on 1232; R. li. jg. 1851, p. 128—132; Amstei'd. Regtspr., jg. 1851, p. 280—290; idem ten aanzien van een in Indië gevestigde vennootschap, Arr.-R. Amsterdam, v. 14 Febr. 1878, W. nquot;. 4279, R. 15. jg. 1879, A. p. 44, in gelijken zin door Mr. F. F, Karse-nooM in diens te Amsterdam in 1850 bij J. D. Sybrandi uitgekomen en aan den Hoogl. Mr. M. des Amorie v. u. Hoeven geriehten brief betrekkelijk diens Proeve van beantwoording dei' rechtsvraag: «Kan een Nederlander in Nederl. Indie met der woon gevestigd, in per-soneele rechtszaken, wanneer de eisclier op het grondgebied van het Rijk in Europa woont, voor de rechtbanken van het moederland gedagvaard wordenquot;; idem door den Hoogl. J, v. Hall, R. Ij. jg. 1850, dl. XII, p. 634—037 ; idem door Oudeman, I!. R., 4de ed., dl. I, blz. 154; —anders echter door den IIG1 voorn, in de Proeve ut supra, uitgekomen te Leeuwarden bij G. T. M. Suringar, 1850; idem door W. S. in't W. n0.1103; door Mirandolle, Sjirn men de polcstate jud. notst. civ. intei' poxyfiiion ju* diccudl (Maart 1850), blz. 8, 20 volgg., alsmede, hoewel op sommige andere motieven, door Mr. A. he Pinto, Themis, 12de jg., p. 309—312, die van gevoelen is, dat de Nederlander cdlceu den vyeeiudellny, die buiten Nederland verblijft, en dus niet den inwoner onzer overzeeschc bezittingen, kan roepen voor den Nederl. rechter. — Cf. den heer Bee-laerts van Blokland, bij v. d. IIöNERT, lldh., p. 153 alsmede art. 430 B. R., vonnis van de Arr.-R. als boven, —- en ten aanzien dor vraag, in hoeverre, ook met het oog op art. 1 der Grondwet van 1848, de koloniën naar de beginselen van het staatsrecht kunnen geacht worden tot het Koninkrijk te behooron — het aangeteekende op art. 59 der Grondwet van 1840, arr. v. 28 Jnni 1844 sqq., dl. I, p. 21—24; 2de druk dl. I, p. 27 sqq.

fS. Wanneer een koopman, aan wien surséance van betaling is verleend, te gelijk met de bewindvoerders wordt gedagvaard, dan mag de eisclier — indien hij met den koopman een pactum de compromittenclo heeft aangegaan — geen gebruik maken van de keuze, hem bij art. J26, al. 7 gegeven, om allen voor den rechter van de woonplaats der bewindvoerders aan te spreken, maar is hij verplicht ook dezen voor de arbiters te roepen, daar zij geene op zich zelve staande verweerders zijn, maar slechts in lite worden gebracht, als aanvullende wat aan den koopman, wegens de surséance, mocht ontbreken.

Arr.-R. Amsterdam, v. 9 Jan. 1850, W. n». 1101; R. B. jg. 1850, dl. XII, p. 270—275,

IO. Aan den regel, dat de verweerder in zuiver persoonlijke zaken zal worden gedagvaard voor den rechter van zijne woonplaats, is door den wetgever bij al. 13 van art. 126 B. R., slechts in zoo verre gederogeerd, dat daarbij de rechter van de woonplaafs des gefailleerden,

870

ocr page 402

{Art. 126.

die, naar de voorschriften van 't W. v. K (art. 765) ook liet vonnis van failliet-verklaring heeft uitgesproken, wordt aangewezen als degene, voor wien de curators (art. 813) in persoonlijke zaken, het faillissement betreffende, moeten gedagvaard worden, doch is zulks geenszins van toepassing daar waar, gelijk in casult; de curator als eischer optreedt, en den gedaagde als schuldenaar van dien boedel in rechten aanspreekt

Ait.-R. Utrecht, v. 29 Nov. 1850, W. nquot;. 1199; R. B. jg. 1851. y. 370—380; idem P. II. v. N.-Hollund, v. 3 Nov. 1870, W. no. 3338, waarbij tevens is beslist, dat zulks nog te meer liet geval is, ■wanneer liet geding betreft eene zaak, die niet uit den staat van faillissement geboren wordt, maar uit eene civielrechtelijke verbindtenis, die lang vóór de failliet-verklaring is aangegaan ; idem Carré, (Ju. 264; — anders he Pinto, ƒ/(//., II, i, p. 227 en Mr. Penning ad art., welke beiden meenen, dat uit de algemeene bepalingen der wet en de gelijkheid van redenen volgt, dat art. 126, al. 13 toepasselijk is zoowel op het geval dat tegen de curators wordt geageerd, als op dat, waarin deze als eiscliers optreden.

II. De bepaling van art. 126 B. IJ, dat, in geval er bij zuiver personeele vorderingen meerdere verweerders zijn, de dagvaarding zal kunnen geschieden voor den rechter der woonplaats van één hunner, kan alleen worden toegepast, wanneer meerdere personen gelijkelijk en even principaal tot dezelfde schuld zijn verbonden. Bij gezamenlijke dagvaarding echter van een principalen debiteur en een borg, heeft de eischer geene keuze, maar moet hij noodzakelijk beiden roepen voor den rechter van de woonplaats des hoofdschuldenaars.

I'. II. v. N.-Holland, v. 18 Dee. 4851, W. nquot;. 1312; Amst. Regtspr., dl. 11, p. 244 en 245, bevestigende een vonnis van de Arr.-ll. Hoorn, v. ■19 Deo. 1851, W. n0. 1239; idem bij vonnis der Arr.-R. Amsterdam, v. 10 Oct. 1852, R. B. jg. 1853, p. 25—30, waarbij is beslist, dat, hoewol tot toepassing van art. 120, n0. 7, B. R., niet wordt gevorderd dat al de gedaagden volmaakt dezelfde verdediging hebben of in dezelfde boedanigheid voorkomen, het niettemin niet genoeg kan zijn dat er van cenigen zamenhang, welke dan ook, blijke, maar noodig is dat dezelfde actie tegen meerderen wordt aangebracht, en dat mitsdien dit art. niet van toepassing is op mede-verweerders, tegen welke eene accessoire en niet dezelfde vordering wordt ingesteld; idem Leeuwarden, v. 24 Oct. 1854, W. n0. 1597, waarbij is beslist, dat indien de bestuurders van eene stichting wel als mcf/e-gedaagden door de eischers zijn gedagvaard, doch in deze hunne hoedanigheid geen belang bij het tusschen den eischer en den eersten gedaagde bestaande geschil hebben, en mitsdien de tegen hen, als medegedaagden, in den gerichte gebrachte vorderingen geheel zijn van accessoiren aard, — art. 126, 7de lid, B. R., hoezeer geen onder-

377

ocr page 403

Art. 12f).)

scheid makendo tussclieu gedaagden en mede-gedaagden, maar slechts gewagende van het geval, dat er meerdere verweerders zijn, nochtans iu geen geval, in strijd met don rechtsregel: accessor in m scijuihir smmi liriitci'iiale, door uitbreiding der daarin vervatte uitzondering, do bepaling van art. 150 van de Grondwet, in verband beschouwd met art, 120, eerste lid, B. R., illusoir mag maken ; dat de wetgever alzoo, met het oog op gemeld art. van de Grondwet, wel degelijk onderscheid wil hebben gemaakt, en do toepasselijkheid van art. Itifi. 7de lid, 1! li., ter toetsing aan dit Grondwets-artikel, heeft overgelaten aan liet oordeel des rechters, wien daarbij het onwrikbaar rechtsbeginsel: scrire luges nun rsl verba cavwn tencre, seil vim lUijuc iititestafem tot richtsnoer moet strekken, en dat ook deze rechtsbeschomving mede kennelijk en overtuigend rnst op de sana ratio en aequitns na la rut is. en voorzeker in volkomen overeenstemming is niet don geest dos wetgevers, voor zoo verre de aanleg van de principale rechtszaak in cami betreft (1): zijnde a fortiori —volgens Léon echter onjuist, omdat, naar algemeene rechtsbeginselen en ook met het oog op art. 171 C. de Pr. Civ., geene rechtsgedingen, tusschen welke een dadelijk verband aanwezig is, afgescheiden behandeld en door verschillende rechters beoordeeld moeten worden, tenzij die afgescheidene rechtspraak, in weerwil der bestaande connexiteit, bij eene uitdrukkelijke wetsbepaling bevolen zij, — beslist bij vonnis van de Arr.-R. Deventer, v. 23 Mei ISHS, R. I!. jg. '1839. dl. 1, p. 302—304, dat er tns-sclien een principalen debiteur en een solidairen borg niet zoodanige rechtsbetrekking bestaat, dat, indien zij elk een afzonderlijk domicilie hebben, zij beiden, naar aanleiding van art. 2021 Code Civ., jquot;. art. 59, al. 2 C. de Pr. Civ., voor de rechtbank van het domicilie van één hunner tor keuze van don schuldeischer zouden kunnen, maar dat integendeel elk hunner voor de rechtbank van zijn domicilie moet worden aangesproken; anders dan deze laatste beslissing het sub hoc art. vermeld vonnis der Arr.-R. Amsterdam, v. IS Jan. 1867. Zie echter weder vonnis Arr.-R. Utrecht, v. 20 Sept. 1861. R. li. jg. 1862, dl. XTI, blz. 345, waarbij is beslist dat art. 126 7°. Rv. alleen van toepassing is, wanneer

1

tn gelijken zin bij Carrk, lois de la Proc. Cïw., torn te te partie, livre II, titre 11. ijuestion 255, waar mede vermeld wordt het gevoelen van Dr-LAroRTE, torn 1, p. 59, en onder anderen gezegd wordt: „Cette disposition ne doit s'appliquer qu'au eas oil tons les défendeurs sont obliges d'une manière égale et semblable. Si done 1'obligation d'une personae est accessoire a 1'obligation d'une autre, e'est Ie domicile du principal oblige, qni determine la compe'tence du tribunal; le demandeur en ce eas n'aura pas le ehoix en r/ueslion 257 : „encore bien qa'aux termes de Tart 50, lorsqu'il y a deux défendeurs a une demande, elle puisse être portée devant le jnge du domicile de Tun d'eux, au ehoix dn demandeur. Ce serait abuser de cette disposition, que deseservir d'une action feinte on secondaire dans la seule vue de distraire la véritable et principale partie de ses juges naturels;quot; 'en verder: „Cette opinion, dont Ia justesse est incontestable, est aussi professée par Pavard de Lakglade, tom I, p. 132, no. 1 etc., et conlirmée de nouveau par Ia cour de cassation les 27 Avril 18.37 et 10 Juillet 1837, Siuev, Jurisprudence du XIXme sihcle 1837, Ire partie, p. 991 seq., 732 sqq. (LÉox).

ocr page 404

y 7a^u. fyty. /A K°fo6a, f

[Ad. I an.

ili' vurdoring tegen allen éiiuc on dezelfde is, daai' tucli de strekking van dat art. iiiet is, dat tengevolge van eene secQiidaire vordering de hoofdpartij van haren rechter zou worden afgetrokken; — anders echter: 1°. bij vonnis van do Arr.-R. Amsterdam, v. d4 April'1843, R. B. jg. 1843, dl. V, p. 552—555; R., dl. XVII § 66, naar luid waarvan uit art. '126. al. 7 B. TL, niet is af te leiden, dat er dan alleen meerdere verweerders zouden zijn, wanneer zij volmaakt ééne on dezelfde verdediging hebben of in ééne en dezelfde kwaliteit voorkomen, vermits zich daartegen velzetten zoowel do letter der wet, die in het algemeen is gesteld, als vooral hare bedoeling, welke blijkbaar daarheen strekt, om het beginsel, dat de eischers den gedaagde te zijner woonplaats moet aanspreken, niet te doen ontaarden in een last voor den eischer, maar zoodanig te bepalen dat do zaak behandeld worde ter plaatse waar een der gedaagden woonachtig is, terwijl daarenboven, bij de aanneming van een tegenovergesteld beginsel, de juistheid der gedane dagvaarding en daarmede de bevoegdheid dos rechters oerst uit de behandeling dor zaak zelve zou kunnen worden opgemaakt, terwijl daardoor hot voorschrift van art. 155 B. R. ten eenenmale onmogelijk en illusoir zou worden gemaakt; idem Mr. I!. Brouwer in .V. Eljdr. voor Ti. en 11'., dl. V (1855), blz. 70 sqq., in do conclusie van Mr, J. M. van Bevjia, W. nquot;. 1597, betrekkelijk meerver-ineld vonnis van de Arr.-R. Leeuwarden, v. 24 Oct. 1854, en Mr. F. R. Penning, Aoni. ut supra, p. 52, die mede tegen het arr. 't P. 11. v. N.-Holland, v. 18 Dec. '1841 sqq. ut supra aanvoert den regel : uhi lex nun lt;1 iatingn it, nee hos (lislingiiare licri. De bedenking echter van laatst-gemelden wordt beantwoord door den Hoogl. pes Amorie van der Hoeven, in de yicuwu Bijdragen voor Itcrjlsy. cnWetgev.,ig. 1853, p. 574— 576, die, hoewel erkennende dat art. 126, al. 7, niet onderscheidt tus-schen borgen en principale debiteuren, tevens doet opmerken, dat do kwestie niet uitsluitend uit dat artikel kan worden opgelost, maar veeleer uit andere rechtsbeginselen en wetsbepalingen, daar meervenneld wets-artikol veronderstelt, dat men het recht hooft om meerdere personen gezamenlijk in rechten te roepen, en in (lal geval bepaalt voor welken rechter men hen zal kunnen dagvaarden. — Vgl. het sub hoc art. vermeld arr. v. 27 Juni 1856.

8 lt;5. De rechter, die de curateele heeft uitgesproken, is met bevoegd van oen verzoek tot opheffing der curateele kennis te nemen, wanneer de curator, tegen wien de vordering tot opheffing is ingesteld buiten liet arrondissement van de rechtbank met der woon is gevestigd.

Hoewel in art. 126, al. 15, awi de keuze van den aanlegger wordt overgelaten, om in zaken van het doen van rekening van voogden en curators, de zaak te brengen of voor den rechter, binnen wiens rechtsgebied de voogdij of curateele is opgedragen, of voor de rechtbank van de woonplaats des verweerders, kun deze exceptieve bepaling uit

ocr page 405

Y, h ^ fi't -• 1 m.oM. ^u-yL^ dsr^y-/'quot; --' quot; f

y'^JU My.r tï *°66r

•-X„ Tytrt-e) j v~U^A^aCL^ quot; ----i ,lt;_1^. Oy-*-c!^lt;£- ?-*• lyujamp;m

TJl^SUXt-V ■, cW.. /2^. W» lt;10 cU -U-sW- LT^-^ . Zosf-a*-ü—'

aard niét tot andere gesohilien, fie voogdij of curateele betref-iXsa-oj i7 f'ellde, worden uitgestrekt.

JJ^c^M-

y?t *u~~- I '• quot;■ v- Gelderland, v. 25 Mei 1853, W. n0. 1457; 11. 13. iquot;-. 1853, rc^ ■ 335—337.

VU ^ ^ 1

lcjiZy, ^r^'• I CS. Uit art. 126, al. 2, 15. li,, houdende dat de verweerder, indien hij geene bekende woonplaats in het Koninkrijk heeft, voor den /, rechter van zijn werkelijk verblijf zal worden gedagvaard, volgt, ook . met het oog op art. 127 B. Jl, niet, dat de Nederl. rechter bevoegd jU.vP ^ ^ '-/mxx zijn kennis te nemen van eene vordering tot schadevergoeding, ^ ^ 0 door een vreemdeling tegen een vreemdeling ingesteld, ter zake eener

. p.LsJ^quot; o n '

fiisgt; ■ 'J^lt;rr]u-, aanzeiling, welke bulten het Nederlandsch grondgebied heeft plaats

^ls. q^0' gehn(L

{jquot;! 2/^ Hiertegen obsteert niet art. 9 der Algemeene Bepalingen van Wet-

jhMw' geving, omdat hier de wet in art. 127 B. R., ingevolge het slot van

T^f- voormeld art. 9, ten opzichte van vreemdelingen bepaaldelijk het tegen-

/ r iW^ deel heeft vastgesteld.

utf! 'b' i»

llü yl* Rotterdam, v. 28 Juni 1854, W. n0. 1570. — V^l. art.4 1!. 11..

tv1^' ' vonnis v. donz. datum, sub n0. 21; art. 9 Alg. Bep., vonnis van de

rfb- '* Arr.-R. Amsterdam, v. 24 April 1839, sub a0. 2, en in verband met de

aldaar behandelde kwestie, (namelijk de aanvaring o/i Sederl. teiritoir door twee vreemdelingen), de Pinto, //'//., W. v. K., § 405; Regtsg. Adv., dl. I, p. 121—124, en Themis, dl. II. p. 253 en 254. Zie ook art. •15G 13. R., vonnis van de Arr.-R. Amsterdam, v. 20 Juni 1848 sqq. Vgl. art. 127 B. R. sub nquot;. i.

1

-I-. Daargelaten de vraag, of krijgslieden in hoogeren of lageren rang, in den zin van van art. 126, n0. 6 15. R, openbare ambtenaren zijn, die gezegd kunnen worden, door krijgsdienst ambtsverrichtingen op eene bepaalde plaats uitteoefenen, kan een officier, die met verlof afwezig is van de plaats, alwaar zijn regiment in garnizoen is, (met het oog op voormeld art.) niet gerekend worden aldaar zijn hoofdverblijf of althans zijn ambtelijk verblijf te hebben.

P. II. v. Zeeland, v. 12 April 1854, R li. jg. 1854, p. 333 en 334.

l.V De rechter in eersten aanleg is niet bevoegd om over de kosten in cassatie, door praktizijns gevorderd, te ourdeelen, al zij het, dat die praktizijns voor dien rechter gewoon zijn te fungeeren.

ocr page 406

Jt^ e-^gt;i- W- ^l/eZunJU^^ M-WL «O--^ cx-^z^cCviaJ^^éesr-■

v£^rJl. Z^yUsu- AzrZ . (/U .sfr^^ !

l £ ■-n-zn,

2S^,^3 ^x- *** %fm.U'''

fó fit /£ . ^ -t£ . fjpjé 6.t. n ° ïy/tP^Z /oa /. /2 » ^/■gt;L quot;S/- aaSfo

Dit gevoelen wordt door artt. 012, 615, 354' en 42(5 B. Jl nog

bevestigd. ''0 y ef/r-

**■ */.

Arr.-R. Groningen . v. '10 Nov. 1854, R. 13. jg. 'I85(i, dl. \ I. 1)1/. / / 400—402. ■ 1ZJ, «///

CpuJitC vrror ctC.

IC». Art. 12() al. 12, n0. 2 moet ook dan worden toegepast, al ware het onderwerp van den eisch ten aanzien van den erflater eene zaak van koophandel, en dientengevolge ten aanzien van dezen ook eene andere rechtbank bevoegd.

Arr.-R. Groningen, v. 30 Oct. 1856, W. n0. 1870. :

/fa,.

1 ï. Eene vordering, door den curator in een faillissement aange-legd, tot teruggave van roerende goederen, vijf-en-lwintig dagen vóór lt;U9-. w j . de opening (vaii het faillissement, hetzij l'dulo deposili, hetzij alio titulo aan een winkelier toegezonden door den koopman, later failliet verklaard,

moet niet quot; gerangschikt worden onder zaken van faillissement, bedoeld bij art 126, al. 13 B. TL, wanneer het niet ondubbelzinnig blijkt.

dat die toezending geschied is met heimelijke inzichten om die goederen aan den aanstaanden faillieten boedel te onttrekken, en de vordering mitsdien hare geboorte aan het faillissement verschuldigd is.

P. H. v. Overijssel, v. 2 Maart 1857, W. n0. 2020, overeenkomstig de breedvoerige conclusie van Mr. P. M. van Goens, in hetzelfde nummer van liet Weekblad opgenomen.

I.S. Art. 126 12e al. no. 1 B. 11. is ook van toepassing, waar het geldt eene actie tot gebeele of gedeeltelijke scheiding eener in de N\ O. 1. bezittingen opengevallen nalatenschap (of zooals in casu tot nadere boedelscheiding en tot nadere verdeeling der ontbonden huwelijksgemeenschap). De Nederlandsche rechter is onbevoegd van die actie kennis te nemen.

/f-t

Sl c* amp;

Jfe ■ u'Pm/ïcLm.

P. H. v. Z.-Holland, v. (3 Juni 1859. W. n0. 2090, bevestigende Arr.-R. ^

Graven hoge-, v. 4 Mei 1858; vgl. ook Arr.-R. 's-Gravenhage, v. 9 Nov '1877, W.' n0. 4180, waarbij is beslist dat hier te lande wonende mede-erfgenamen niet voor den Ned. rechter kunnen gedagvaard worden tot yss^F.

scheiding en deoling van eene in het buitenland opengevallen nalatenschap ; in denzelfden zin Mr. W. vax Rosseji Bzn., iY. Bijdr., jg. 1879, p. 218 sqq.g^^ _ 'bn.iie.TclcvrrT- 3 / A'ec. fc9lt;9Cj , -n. ° égt; 2., 04^L

/zb cr^C iszs-rsz- trc (y-rrjo *-amp;- ^ 6^-t- Lt^£- Ct-c^'/e^jZ-CU.

ZCctfl.

o £ i^trv-y^ ifc-wr*/- f

rt^o

(-tmASK^v ,

l/^~tr\r4— fxy~i-

73

quot;Iff. Wanneer de bevoegde rechter voor een der mede-gedaagden

, f0

'Isgjz k- ' ^ ,' -'V ~ j -3 Col . /1 £gt; Ai, c* /

A. *1° n/t-c-O

ocr page 407

Arr.-R. 's-ITertogenbosch, v. 27 Jan. 1871. R. B. jg. 1872, p. 484.

81. uit geene wetsbepaling of uit geen rechtsbeginsel kan als alge-, / ^ / meene regel worden afgeleid, dat eene instantie uit haren eigen aard ''' is ondeelbaar.

De vraag of in een gegeven geval de instantie deelbaar is, moet voor elk geding in het bizonder worden onderzocht.

Arr.-R. 's-ITertogenboscli, v. 20 Jan. '1872, W. 71°. 3450.

Eene vordering tot vergoeding van schade ontstaan tengevolge van de aanvaring van een stoomboot tegen de helling der aan eischer toebehoorende scheepstimmermanswerf, vnlt niet onder de categorie bedoeld bij art. I2fi So B. R . maar is te beschouwen als eene zuiver persoonlijke, als steunende op eene verbindtenis uit kracht der wet.

Arr.-R. 's-Hertogenboscb, v. 22 Mei 1874, W. nquot;. 3758.

lt;83. Het voorschrift van art. 126 is van publieke orde. Mitsdien moet de rechter, die ratione personae incompetent is, bij niet-verschij-ning van gedaagde, verstek weigeren en den eischer ambtshalve in zijne vordering niet-ontvankelijk verklaren,

Arr.-R. Amsterdam, v. 1! Juli 1870, W. n0. 4055. — Zie dit vonnis gegispt door v. R. F. in 11. B. jg. 1877, afd. A p. 5.

'i-l-. De rechter van de woonplaats des gedaagde in Nederland is niet onbevoegd om kennis te nemen van de vordering tot betaling van het bedrag, waartoe de gedaagde bij arbitraal vonnis in het buitenland veroordeeld is.

Hof Amsterdam, v. 27 Dec. 1878, W. n0. 4353.

lt;8ö. Bij de actie tot ontkenning van een kind is de rechter van

rrt. Al 4*. //2. C3 ^ Q ^-^7 '~v. ^ ^

rt-/2. . quot;i. /£. ^-lt;gt;2..

'yi-quot; 6i on .

/ió yt* Jt. L* Wt- //z. 2* /i LC^.

I'Kqdit') ayv.

u %

'ic ■-!,? lt; /quot;-t^ ■. /-, ^ 6 Lsn-mti-i- t^r^r— aC Mz. L* »y^(TLf,oxrrxj£amp;i,rty,

/[l, fttuct-c^ 1lt;Puv. ''Jlc, t, / lt;S . yi ° £ S7 .

Art. 12«.) .382

, / a./- ^ een nmlere is dan die zijner woonplaats, kan de eischer alle gedaagden inquot;/6/ 'O ook voor dien anderen rechter in rechten roepen.

hef}n/quot;- Arr.-R. Amsterdam, v. IX Jan. 'Ilt;S(V7, W. n0. 2902, Tï. R jff. iS(i7,

quot;rr.--quot;' '■ lgt;lz. 375.

/y .*0 Wann

eer domicilie is gekozen, vervalt het voorrecht hij no. '■'gt; ^ van dit artikel aan den eischer gegeven om den gedaagde bij gehreke J van erkend verblijf voor den rechter van de woonplaats des eischers

*o(e (We,^

/faif gt;

■O

ocr page 408

(Art. 120.

J0C . quot;Jfif J

de woonplaats van den aan liet kind toegevoegden bizonderen voogd _£a. de bevoegde.

Ait.-R. Amsterdam, v. 20 Nov. 1878, W. nquot;. 4309, waarbij tevens beslist werd dat, wanneer de bizondere voogd vermeent dat de rechtbank ratione personae niet bevoegd was bem te benoemen, bij van die beschikking in appèl moet komen, maar bij niet eenc exceptie van incompetentie kan opwerpen tegen de daarop ingestelde actie tot ontkenning van het kind.

3lt;». Onder zaken van maatschap of vennootschap wordt elke vordering verstaan, waarbij de vennooten als zoodanig tegen elkander ageeren of derden de maatschap als verweerende partij in rechten betrekken.

Arr.-R. Amsterdam, v. 1(1 April 1870, U. P.. jg. 1870 A p. 200.

lt;ÏS. Door de uitdrukking «werkelijk verblijf in het 2de lid van dit artikel, (in tegenstelling met die van woonplaats) wordt aangeduid de plaats, waar iemand lichamelijk aanwezig is, zonder dat daarbij wordt onderscheiden of die aanwezigheid van korteren of langeren duur is.

Arr.-R. Amsterdam, v. 5 Maart 1880, W. nquot;. 4035,R. B. jg. 1880 A. p. 314;

cf. in den zelfden zin conclusie van den subst. oiïic. bij de Arr.-R. Amsterdam Mr. IT. St hekman in /!. ft. jg. 1880, A p. 142 sqq.; anders ;

Arr.-R. 's-Gravenhage, v. 26 Oct. 1880, W. n0. 4624, R. B. 1881, A. p.

204, alwaar voor werkelijk verblijf wordt vereiscbt, het, zij het ook voor een korten tijd, verblijven of vertoeven op eene plaats.

'iH. Onder domicilie wordt niet verstaan het huis zelf (le lieu)

dat men bewoont, maar in ruimeren zin is het verbonden aan de plaats (au lieu) waar men zijn hoofdverblijf heeft gevestigd.

Arr.-R. Haarlem, v. 20 Maart 1881, W. nquot;. 4(552, waarbij beslist werd dat iemand door bet afbranden van zijne woning niet geacht kan worden zonder domicilie te zijn.

yrX,

«». Art. 126 uo. 12 is niet van toepassing, wanneer gevraagd wordt scheiding en deeling van eene huwelijksgemeenschap, zij liet ook, dat deze eene nalatenschap in zich bevat. iygt; 7ilt;o. /y ï-Z

Yy:

ys |

Arr.-R. 's-Gravenhage, v. 10 Mei 1881, W. n0. 4738, R. B. jg. 188,l. Wy/ CS. w A. p. 117, waarbij nog werd beslist dat daarenboven geen der3nummers en speciaal niet n0. 1 cas» zonden van toepassing zijn, waar niet geageerd wordt tegen mede-erfgenamen, maar blootelijk tegen degenen, die de goederen der gemeenschap in bezit hebben.

1/Vxrr

£. //y/ CtalM.

'P

J~7-

SCot. z.

(J.

72-t

ocr page 409

/ . /2

l/^rx'r~ /^-/ 'yyi / TL 2~ ^ ,£^1-3_cri*^ ot-Q-ru*' quot;Jsx^cf ^ e ^yi_J (* rfny^osyT- ' /y/^v~ lt;*—^ 3izrn

fAsL W IW'rr-^esyx u 1~~zr—cr-r~ ^ -yyi^c^-c tl__9^ * £ £r e'yy amp;e^jL. l/ïrz. 1

amp;CL. fPamp;L. fr'l n* , lt;yCr€^ 2_^-j

U^ gt;*£s{Art. 126. *^-y^°lt;C /^,^884_ TT^. Pr.y. |

7^-quot; éé

HO. Zie ten betooge :

«. Dnt de woorden in artt. 97 en 126, al. 1 13. R., gt;tof iot roerendf,

goederen betrekking hebbende^ alleen ten doel hebben om de wijze van procedeeren voor te schrijven, en geenszins om de competentie van den rechter te regelen —

art. 97 B. R., vonnis van de Arr.-R. Winschoten, v. 25 Nov. 1840 sqq.

en van 't Ktg. Voorhurg, v. 'J7 Oct. 1849 sqq., snb nis. 1 en 3.

h. J)at, indien de eischers het in cas van art. 97, al. 4, en 126, al. 5 niet eens kunnen worden, ieder de bevoegdheid heeft, afzonderlijk te ageeren voor den rechter zijner woonplaats —

de Pinto, yWA, IT, 1, p. 194 Jquot;. 21(5, met oen beroep op v. n. Honert, p. 250; Mr. C. M. van her Kemp, Ontw. nt supra (3cie druk) blz. 233; anders bij de Martini, ad art. 126)«, die meent dat in dit geval het geschil vooraf bij een rechtelijk vonnis zal moeten worden uitgemaakt.

JJl. Zie omtrent de beteekenis der woorden —

))lut nan het eindvonnis /oequot;, voorkomende in art. 126, al. 12, n0. 3 ,

B. K., een betoog van S. M., in de O///». lt;■« Med... dl. III, p. 33—44,

waarin de schrijver, na te hebben doen opmerken het verschil van gevoelen, waartoe de daarmede geheel gelijkluidende woorden : „jnsqu'mi jnyement définitif\ voorkomende in art. 59, al. 0, sub n0. 3°, C. d. Pr.

C., onder vigueur van dien Code hebben geleid, ten slotte, met het oog op het verschil in de vormen omtrent boedelscheidingen, bij ons thans in afwijking van het Fransche recht bestaande, als zijn gevoelen te kennen geeft, dat men onder de woorden «tot aan het eindvonnis toequot;, thans te verstaan heeft de dooi' den kantonrechter aan de ontworpene boedelscheiding verleende goedkeuring, of, voor het geval, dat deze zijne goedkeuring mocht weigeren, de later bij vonnis door de Arr.-R. aan de boedelscheiding, zoo als zij door den notaris namens de erfgenamen is voorgesteld geworden, gegeven bekrachtiging.

»3. Zie over de competentie des rechters in erfeniszaken —

het sub art. 129 B. Rv. aangehaald proefschrift van mr. W. J. Wikt-

gens, p. 59.

33. Zie over de beginselloosheid rles wetgevers in dit artikel —

V. R. F. in 11. B. jg. 1877, afd. A p. 5. — Vgl. ook denzelfden in .iV. Bijdr., jg. 1866, dl. XVI, p. 214 sqq. en in zijn »Xed. Burg. Procesrecht,quot; I, 2de ed., p. 3(56 sqq.

3-4. De uitvoerders van uiterste wilsbeschikkingen moeten tot het

ocr page 410

3 iZr i-

385 [Art. J2fi.

doen van rekening en verantwoording gedagvaard worden voor den rechter hunner woonplaats.

Regtsy. Adr., zesde verz., blz. 108—'171, anders mr. de Pinto, B. 11. II, i, blz. 220, die de vordering wil gebracht zien bij den rechter van het sterfhuis en mr. Oudeman, /?. It. I, p. 157. Do meening der twee laatste schrijvers schijnt echter te worden wedersproken door de geschiedenis van art. 771 Ti. R. bij van den Honert, Hdh. voor de B. R., blz. 718; daar toch wordt geconstateerd dat de woorden van art. ;)27 Code de Proc. Civ. »tous autres comptables devant le juge de leur domicilequot; zijn weggelaten omdat de aanwijzing van den bevoegden rechter reeds had plaats gehad bij art. 126, nquot;. 15 li. R., zoodat men de overneming onnoodijT achtte.

Art. 127.

I. Bij dit artikel wordt de Nederlander alleen in zooverre boven den vreemdeling bevoorrecht, dat hij ook een hier te lande niet verblijf houdende vreemdeling voor den Nederlandschen rechter kan dagvaarden.

Derhalve kunnen vreemdelingen, die in Nederland verblijven, ook door vreemdelingen voor den Nederlandschen rechter worden gedaagd ter zake van verbindtenissen tusscben hen in Nederland of in een vreemd

land aangegann. r 7 ■?/ / 1

a 0 / ' : . -2 y .

Arr. v. 8 Jan. 1858, in strijd met dc conclusie van adv-gcn. Mr. Ore- 'pv./ïwa ory in R.. dl. LVIII S 8. blz. 18—9/. v 11 II T. II lil y11 1,1/ 1 7 ' ' ' J

gory in R., dl. LVIII § 3, blz. 18—24, v. ü. II. 7.', /?., dl. XXII, blz. en volgu.; \V. nquot;. 1022, R., dl. LVIII § n, bevestigende P. II. v. Z.-IIlt;illand, v. 29 Sept. 18;)7, \V. nquot;. 189.), R., dl. LVIII § li, waarbij werd vernietigd vonnis Arr.-R. Rotterdam, v. 31 Juli 1857, W. no. 1881, R. dl. LVIII § 3; al deze beslissingen ook vermeld in R. Pgt;. jg. 1858, blz. 114—120; idem arr. v. 12 A])iil 1801 (waar het de nietig-verklaiing gold van een huwelijk, tnsschen vreemdelingen in een vreemd land aangegaan) , W. 11quot;. 2269, R. dl. LXII § 53, bevestigende P. II. v. N.-llolland, v. 23 Febr. 1800, VV. n0. 2227, welk arrest bevestigde Arr.-R. Amsterdam, v. 28 April 1859, W. nquot;. 2080; P. II. v. N.-llolland, v. 30 Mei 1861, W. n0. 2299, vernietigende vonnis Arr.-R. Ilaarleni, v. 13 Nov. 1860, VV. nquot;. 2249, ook vermeld sub nquot;. 4 van dit artikel; Arr.-R. Maastricht, v. 28 Nov. 1844, R. li. jg, 1845, dl, VII blz. 500; Ktg. 's-Gravenhage, v. 0 Aug. 1849, VV. nquot;. 1051 ; Arr.-R. Haarlem, v. 4 Jan. 1859, W. nquot;. 2041, R. dl. LXII § 84; P. II. v, Z.-IIolland, v. 29 •Sept. 1857. VV. nquot;. 1895; I'. II, v. Utrecht, v, 26 Jan. 1863, !!. H. jg. dl. 1864, hlz. 290; Arr.-R. lireda, v. 19 Dec. 1865. VV?. nquot;. 28(l| . Air.-R, 's-IIertogenbosch, v. 27 Mei 1808, VV. nquot;, 3035, R. li. jg.

Mr. \V'. van Uosskm Bz., Hurg. Ilechlso. 25

ocr page 411

1 A

-öi-J!- • .o

1809, p. 527; Arr.-R. Amsterdam, v. 2fi April I860, R. B. ju'. '18150, pag. 79G; Arr.-R. Rotterdam, \. W. ult;\ 4477. R. B. 1880, A p. 304 en v. 8 Mei 1872. eoncl. v. d. subst.-offic. bij de Arr.-R. Amsterdam in R. p. 112 sqq.; idem Ktg. Groningen, v. ... .Tan. 1878, W. n0. jg. 1881, A. p. 205; idem Arr.-R. Arnhem, v. 2 Nov. 1882,

n0. 2822. m. 1880, n'1. 3405 ; , 1880, A. 4251, R. B. 2 Nov. 1882, W. nquot;. 4840 en v. 20 Oct. 1882, W. n '. 4960, hoofdzakelijk op grond dat vlg. art. 9 A. B. het burgerlijk recht, waaronder ook begrepen is liet recht tot het instellen eener rechtsvordering, hetzelfde is voor vreemdelingen als voor Nederlanders, zoolang niet hepnaldchjl; hot tegendeel is vastgesteld ; dat mitsdien zoowel het uit art. 126 alinea 2 B. R. voortvloeiend recht om in zuiver persoonlijke zaken den verweerder, die geen bekende woonplaats in het koninkri jk heeft, te dagvaarden voor den rechter van zijn werkelijk ' verlilijf'. als de daartegenover staande verplichting om zich daaraan te onderwerpen, evenzeer Nederlanders als vreemdelingen betreffen, tenzij de wet het tegendeel vaststelt; en dat zulks niet plaats heeft bij art. 127 — vermits dit artikel niet inhondt een tweeledigen regel, aangaande de dagvaarding van vreemdelingen die of in of buiten Nederland verblijf houden, maar alleen bedoelt één enkel geval, dat nl. de vreemdeling, die Jn Nederland niet verblijft, met een Nederlander in of buiten Nederland. eene verbindtenis heeft aangegaan ; — dat eindelijk de duidelijke strekking der bepaling is, om alleen voor dat geval aan Nederlanders boven vreemdelingen een bizonder voorrecht toe te kennen.

Tn gelijken geest nr. Rouville in T/icmis, II. jg. 1840, blz. 253 volgg. ; Olivier, Themis V, blz. 434; Foelix, Traite du droit international n0. 123, p. 191; Revue Etr. et Fr. III, p. 791, 792; Archives de droit et de lég i sint ion IV. blz. 133; de Martini, blz. 129 noot a: Tiiorrecke, Aanleekenincj op de (ironduoct (2e uitg.), I, blz. 24 noot 2, waar betoogd wordt, dat do vreemdeling ook in civilibus hier te lande recht kan vragen tegen den vreemdeling, mits beiden zich bevinden op het grondgebied van het Rijk; Oudeman, /gt;. /i., 4de ed. I, blz. 103 en 164; de Pinto, /gt;■ /t., 2de ed. II, 1, blz. 43 en in Thetnis, 2de verz., dl. XI, blz. 415 sfj.; /iC'jts'j. Adviezen, IV, blz. 156—150; Mr. van der Kemp, O/Uw. ut supra, (3de druk) blz. 232.

Vgl. ook C. de Ranitz, S/iec. Inr. Inaug. de distinctione horninvm eives inter et jicregrihos (Groningen, 1828), blz. 118 ; Mr. M. W. C.

ajU

.ciiers : ))de toestand van den vreemdeling in hot burgerlijk procesquot;, welke schrijver op p. 110 intusschen uit de redactie van dit artikel do conclusie trekt, dat wanneer de Nederlander zijne schuldvordering, fc-o-t?- ten laste van den hier niet verblijvende vreemdeling aan den vreemdeling, ^ ^^g^eedeert, deze laatste ook het recht van overdaging heeft.

' Dat ook in handelszaken de regel geldt, dat hier niet verblijvende

/Wr-/ ftl //^/t^LWOA^vreerndelingen door een vreemdeling voor den Nederlandschen rechter niet kunnen worden gedagvaard, wordt in strijd met mr. A. P. Tn. Evssei.i, : V. //■ «de rechtsmacht over vreemdelingen in Nederlandquot;, blz. 40 sqq. betoogd door mr. A. de Pinto in 'riti'm is. 2de verz., dl. XI, blz. 417 sq. en door mr.

1. c.; vgl. ook o. a. het vonnis der Arr.-R. Rotterdam, v. 12 Cof, Juni 1871, W. nn. 3377 en hel bovenaangehaald vonnis derzelfde Recht-

u-

Wi ^ MF-,-c,,Fri

latt,

- .

f

11^

ocr page 412

i-hu^ ULamp;dH 'Xrrx.-yX- OJiZ.Cf t li ^OTKJ^L, rL/y^i t

T-vtr. Hf rp----y

/Cjz,^ k* h^* lt;gt;t^gt;-cuJi£esi4~ x-z^ii. oui-ér. SZb CL quot; C- 2*~ jy

/7 quot; ' - / / Q_ ' 7 '_ / . S j - f .

oJL. :/^-J

■ -.njTL

'y^ ï't'

quot;-i,.'/l. lü /T-V. ^ 'tquot;syy f. tyhlt;Sa-^gt; Zamp; 'të..

-?'

4,AS7 c.

4gt;lt;-

bank v. iO Jan. 1880, waarbij is beslist, dat al heeft de overeenkomst (of het feit waaruit de vorbindtenis ontstond als b. v. aanvaring) hier te lande plaats gehad. art. 314 den Ned. rechter toch niet bevoegd maakt, vermits dat artikel distributief is van jurisdictie, en niet aan art. 127, dat attributief is, derogeert; idem Arr.-R. Amsterdam, v. 25 Maarti880, R. B. jg. -1880, A. p. 309.

Anders : ten betooge dat de vreemdeling, ook al verblijft hij hier te lande, door een vreemdeling iuel voor don Nederlandschen rechter kan worden gedagvaard; adv.-gen. GREr.onv in zijne conclusion bij de boven aangehaalde arresten v. 8 Jan. 1858 on 12 April 1801, hoofdzakelijk op grond dat uit de geschiedenis van dit artikel blijkt, dat de Nederlandsche wetgever lieoft willen bestendigen wat op dit punt rechtens was volgens art, 14 Code Civil ; blijkens welke bepaling een vreemdeling alléén door een Franschman ter zake van eene aangegane vorbindtenis voor den 1quot;ranschen rechter kan worden getrokken; welke uitlegging ook in overeenstemming is met de woorden van ons artikel, hetwelk in de eerste en voornaamste plaats slaat op den in Nederland verblijvende vreemdeling; dat eindelijk, ware de motiveering van de arresten van den II. R. gegrond, het geheele artikel overbodig zou zijn door art. 126 al. 2 en 3.

Anders ook, Arr.-R. Brielle sine die. zie 'l'heinis, jg. 1840, blz. 279; Ktg. no. 1 Amsterdam, v. 13 Aug. 1844, R. B. jg. 1844, blz. 681; Arr.-R, 's-Hertogenbosch, van 11 Nov, 1844, R. li. jg. 1845, blz. 501 volgg,; Arr.-R. Rotterdam, v. 28 Juni 1854, W, nquot;, 1570; v, 31 Juli 1857, W. nquot;. 1881 en v. 6 Nov. 1871, W. nquot;. 3417; Arr.-R. Amsterdam, v. 6 Nov. 1854, R. B. jg. 1855, V, blz. 28; Arr.-R. Haarlem, v. 13 Nov. 1860, W. uquot;, 2249.

Zie ook het sub art. 126 li. R. aangehaald arrest P. H. v. N.-ilulland, v. 30 Juni 1859, W. n0. 2133; zie voorts A. P. Th. Eysseli,, ut supra, blz. 16 en volgg., wiens betoog, dat de Ned. rechter niet bevoegd is recht te spreken over vorderingen van vreemdelingen tegen alhier niet gedomicilieerde, maar enkel verblijvende vreemdelingen, wordt bestreden dooi' Mr. A. de Pinto in Themis, jg. 1864 1. c.

Door mrs. Diepikiis, .\r/l, liunj. liccht (systematisch bewerkt en in 1809 uitgegeven) I. blz. 54 sqq. en O. he Markes van Swinderen wiver vreemdelingen en hunne rechtsbevoegdheidquot;, blz, 58, wordt in strijd met al het voorgaande (behalve met mr, Evsseu, t. a. p., blz. 40 sqq., ten ^*9^ aanzien van handelszaken) beweerd, dat de vreemdeling, .die hier te lande niet verblijft, zelfs ook door een anderen vreemdeling voor den Nederlandschen rechter kan worden gedaagd. Zoo ook in N. Bijdr., jg, 1805, dl. XV, blz. 348 sqq.

A'gl. echter Oudeman t. a. p. in noot 2, die meent dat deze interpretatie het artikel overbodig zou maken en in strijd is met do Mem. v. Toel. (cf. v. ii. IIonert : UmidhocU § 585, blz. 570).

In den voor den eischenden vreemdeling meest vrijgevigen zin is deze vraag beslist in het Ontwerp Wetboek Burg. Regtsv. (vermeld op art. I. n°. 32, B. R.), blz. 1 en 00, waar, ofschoon art. 9 Alg. liep. de uitdrukkelijke gelijkstelling in easu, schijnt overbodig to maken, eene ondubbelzinnige beslissing ver van overbodig is geacht.

Zie verder hiertoe betrekkelijk, mr. Freseman Viëtoii in Tluim is, 2de

ij, (•

j fafa.

//

9i 0yo C(P.

^AjLoó (cf(o'£gt;_ 3

My of.

w.

^US10

ocr page 413

Art. 127.)

vera,, dl. XIII, biz. 440 sqq.. ten betooge dat de Nederlander, die den hier te lande niet verblijf houdende vreemdeling voor diens natuurlijken rechter dagvaardt, afstand doet van het exceptioneel voorrecht hem bij dit artikel gegeven en dus verliest het recht tot overdaging. — Cf. het aangeteekende sub art. 9 A. B. n0. 1.

'i. De bepaling van art. 1£7 moet volgens haren inhoud en de geschiedenis geacht worden meer een punt van jurisdictie dan wel van competentie te beslissen.

Hieruit volgt dat, ofschoon art. 127 B. 11. bepaalt, dat een vreemdeling in de daar genoemde gevallen door den Nederlander voor den Nederlandschen rechter kan gedagvaard worden, echter in dat geval nog altijd de verplichting voor den Nederlander overblijft, om, met het oog op art 126, al. 3 B. li., in den kring der Nederlandsche jurisdictie eenen competenten rechter aan te wijzen (in specie tot van waarde-verklaring van een onder derden gelegd arrest).

Door deze beschouwing vervalt het denkbeeld, als zoude — omdat aan den Nederlandschen gedaagde in deze het recht toekomt den vreemden eischer, wegens de bestaande verbindtenis, in Nederland te dagvaarden, — daarom ook wederkeerig de vreemde eischer bevoegd zijn, den Nederlandschen gedaagde die in een vreemd land zijne woonplaats heeft, ter zake dier verbindtenis, alhier te dagvaarden — daar toch de Nederlander van de hem in art. 127 toegekende Nederlandsche jurisdictie geen gebruik kan maken, zonder, ten gevolge van zijne woonplaats, in dit Rijk zich ook eenen competenten rechter ver schaft te hebben.

Arr.-R. Amsterdam, v. 15 Nov. 1849, W. nquot;. 1080; R. li. jg. 1849, dl. XI, p. GO'i. — Cf. art. 9 Alg. Bep., sub nquot;. 11 (dl. II, p. 74), 2do cd. sub n». 9 en art. 738 B. R., vonnis van de/. Arr.-R. van denz. datum.

ti. Uit dit artikel, in verband met 120 üe lid volgt, dat eene actio negotiorum direda, als zijnde van zuiver persoonlijken aard, tegen een vreemdeling ingesteld, moet worden aangelegd voor de rechtbank-van des eischers woonplaats. Uit niets blijkt, dat op den hier bedoelden regel ten aanzien van het bestuur der domeinen eene uitzondering zou zijn gemaakt.

Arr.-R. Nijmegen, v. 2 Jan. 1855, VV. nquot;. 1031.

■4. Deze wetsbepaling is strictae interpretationis en mitsdien niet

3 SS

ocr page 414

' /rt C f-r f'Z^a-gt;a lt;2sz^^_e_, irzri-a^ t^^-

^lt;^Ow-o^ i3-l*SJ-£. c. c-L ^ f^Z/-rs-y amp;0 «—gt;_

^ Ur^/^O^r^ ^ ^

389

/Zó . gt; A^n^o

■sttc

^ '/«f lt;3 O.

[Art. 127.

7

'eJl. me

niet is opgeheven. — Zie wijders over deze vraajj v. 20 .liini 4848, sub art. 738 li. li.

Dit artikel mag niet buiten zijne grenzen worden uitgebreid ;

yïsr /?/■ • lr--e ^ ^

ft_(o . ^ ^ .quot;Z, ^

g-ogt;.

cS-.

rc,

avoegdheid van den Nederlandschen rechter om van bet ^,£-

hoofdgeschil tusschen twee vreemdelingen kennis te nemen, heeft echter ?(!amp;_

niet ten gevolge, dat hij ouk onbevoegd zoude zijn om de opheffing 5

van een arrest, gelegd ter verzekering der ten-uitvoerlegging van het p op die hoofdzaak gevraagde vonnis, te bevelen; die bevoegdheid ont- ^

leent hij aan het feit dat het arrest in Nederland is gelegd.

Arr.-R. Rotterdam, v. G Nov. 1871. W. nquot;. 3447. (J. *

y letquot;

Üit liet feit dat art. 120 niet vermeldt bet geval dat geen van beide partijen Nederlanders, noch hier te lande wonen of hun verblijfplaats hebben, volgt het vermoeden dat de Ned. wetgever voor dezulken zijne rechtspleging niet heeft opengesteld, welk vermoeden tot zekerheid wordt door de bepaling van dit artikel.

/. Arr.-R. Amsterdam, v. 25 Maart 4880, \V. 11°. 4509, R. li. jg. 4880, yg/ A. p. 309, waarbij werd beslist dat de rechter zich onbevoegd verklarende

/ niettemin in casu tevens verplicht is uit te spreken dat het gelegd arrest ^ /q*2- onder derden is nietig, daar anders de derde gearresteerde de afgifte aan

7 £_ elk ander zou kunnen weigeren, en wel aan don arrestant omdat't arrest

niet van waarde is verklaard, aan den Kcexecuteerde omdat het arrest

-i

Itjquot;*!* 1

van toepassing wanneer de vordering niet betreft eene verbindtenis in den zin der wet (contract). ^ hj-./zy tmejamp;u ^~Ce4- mamp;L^^eJUJtj^cr, Sk-'a.

Air.-R. Haarlem, v. 43 Nov. 1800, W. no. 2249 vernietigd, doch op andere gronden, door liet sub n0. 1 van dit art. vermeld arr. P. 11. v. ul tui^-A-au*Uamp; N.-Holland, v. 30 Mei 4804. ^

5». De bedoeling van dit artikel is om ten behoeve van Nederlan- fc, r-Oauy-tr-,

ders, jegens wie vreemdelingen, die hier zelfs niet vertoeven, verbind- i^zmr tenissen hebben aangegaan, eene uitzondering te vestigen op den regel vactor sequitur forum reiquot; : maar niet om een algemeenen regel vast

te stellen ter aanwijzing van de gevallen, in welke met uitsluiting van h-r alle andere gevallen, een vreemdeling voor den Nederlandschen rechter ^S-• zou kunnen worden geroepen. P/nfj^au^.

1'. II. v. Utrecht, v. 20 Jan. 4803, \V. n0. 2455, en R. li. jg. 48G4,blz. v_^

290—293, waarbij word beslist, dat de vreemdeling hier te lande verblij- -Jtfjfpóo.

vende door den Nederlandschen rechter kan worden onder curateele ■ lt;». De onbevoegdheid van den Nederlandschen rechter om van het y,.j/-i

ocr page 415

UJzi- cAnrV aa-—lt;_£- w-i-B-lt;^-r-^-2~y /Zo-u*' a/JU^

t^ce^t as*.*.. quot;L^cjZeyt, 7rc*—**j lt;sA*-c,y^ f amp;-amp;* lt;^— cnamp;zs,

^ ^Yoo^ ^ ;

CY^fy-Lórf, CW. lt;pr57 ■

wanneer mitsdien de band tusschen iwee vreemdelingen niet is eene

vcrbindtenis, maar de verplichting van den een jegens den ander voortspruit uit een testament van eene in Nederland wonende en aldaar overleden erflaatster, is de ï\red. rechter alleszins bevoegd tusschen die vreemdelingen recht te spreken.

Hof 's-Hertogenbosch, v. 12 Juli -IRSO, \V, nquot;. 4580, li. B. jj;-. iSSl, A. p. 208 en 209, bevestigende doch op andere gronden liet vonnis dor Atr.-R. Maastricht, v. 27 Nov. '1879 t. a. p. Dit vonnis besliste dat de Ned. rechter bevoegd is op grond van art. 738 I!. R. dat attributie van jurisdictie bevat in verband met art. 120 7°. li. U., omdat in cam meerdere gedaagden waren, waaronder een hier te lande woonachtig, zoodat volgens gemeld arr. hot den eischer vrijstond alle gedaagden te dagvaarden voor den rechter van de woonplaats van laatstbedoelde!).

S. Van deze bepaling kan bij overeenkomst worden afgeweken.

Arr.-R. Maastricht, v. 13 Maart 188-i, W. n0. 5075.

W. Zie ten betooge :

a. dat het privilegie van exterritorialiteit zich niet uitstrekt tot consuls van vreemde mogendheden, en zij als zoodanig aan de jurisdictie van den Nederlandschen rechter zijn onderworpen —

art. 9 Alg. Bep., vonnis dor Arr.-R. Amsterdam, v. 26 Juni 1850, dl. II, |i. 7.'quot;gt;; 2de ed., sub uquot;. 11 ; idem Arr.-R. Middelljurg, v. 8 Dec. 18(19, I!. I!, jg. IS72. p. 777. op grond dat consuls, wier werkkring zich meestal bepaalt tot aangelegenheden van connnercieelen aard, het karakter van staa tsvertegenwoordigers missen.

b. dat dit artikel niet van toepassing is ter zake van verbindtenissen aangegaan tusschen een particulier en een vreemden staat —

Mr. (■. J. RrvE in ThcmiN, 3de verz., jg. 1877, blz. 193 vlgde. Schr's. conclusie is dat de particulier den vreemden staat altijd voor een rechter van dien staat zal moeten dagvaarden.

c. dat deze bepaling ook van toepassing is in geval de eischer, ofschoon door naturalisatie ISTederlander geworden op het tijdstip van het instellen der rechtsvordering, echter bij liet sluiten der overeenkomst, waaruit deze ontstaat, vreemdeling was.

Jief/lsf/. Ach', achtste ver/., blz. 103—••1(6; anders mr. Evssell : ut supra, uis. (i2—65.

ocr page 416

{Art. 128.

Art. 128.

1. Art, 128 15. R. vonlert niet, flat in zakelijke rechtsvorderingen, of in rechtsvorrleringen van gemengden aard, het vaste goed in de dagvaarding worde omschreven met de kadastrale opmetingen, maar, naar dit artikel, het voldoende, dat de dagvaarding inhoude eene omschrijving, zoo als die voorkomt in oude verleibrieven, door een eischer tot staving zijner vordering overgelegd. 2s''Z^:^

Arr.-R. Dordrecht, v. ti Jan. 185-1, W. n0. 1199.

'i. Aan de bepaling van art. 128 15. 11. is genoegzaam voldaan, indien in de introductieve dagvaarding het opgevorderde grondstuk wordt

vermeld als gelegen in de gemeente. ...... belendende aan.......

beek ten eenre en aan den.....enk ter andere zijde, onder bijvoeging dat het stuk groot is . . roeden, en een gedeelte uitmaakt van het kadastrale perceel, sectie . . , nn. . Dit is te meer waar, indien het uit de door partijen geschrevene brieven en gewisselde con-clusiën blijkt, dat er volstrekt geen twijfel of onzekerheid is welk stuk wordt gerevendiceerd.

i'. 11. in Gelderland, v. 3 Febr. 1851, W. n0.1218. — Vgl. Hof Arnhem, v. 20 Febr. 1879, W. n0. 43C9, waarbij werd beslist, dat de omschrijving in de dagvaarding van het onroerend goed, als een perceel tuin, gelegen in do voorstad te Deventer en kadastraal bekend onder n°. 750 van sectie 13 dier gemeente voldoende aanwijst aard en ligging van liet teruggevorderde goed. Vgl. hiermede omtrent de vraag, in welk geval eene dagvaarding, ook met het oog op art. 128 B. R., nietig is — art. 5 li. R., vonnis van de Arr.-R. Maastricht, v. 18 Nov. 1847.

:S. Wanneer iemand, op grond dat de wederpartij een hem toekomend aandeel in onroerend goed wederrechtelijk tot zich zou hebben genomen, de actie ex art. 1401 15. W. heeft ingesteld, moet de bepaling van art. 128 B. R. buiten toepassing blijven.

P. II. v. Gelderland, v. 10 Mei 1854, bij Mr. Hertzveld ut supra, blz. 78.

Het verzuim van omschrijving der vaste goederen, waarvan de ontruiming gevorderd wordt, als onderdeel der in casu ingestelde actie, betreffende de erkenning van een recht op collatie, en van welke vordering de ontruiming als een noodzakelijk gevolg is te beschouwen, — vitieert niet de geheele actie.

Arr.R. Arnhem, v. 20 Juni 1859, R. B. jg. 1860, p. 11 sqtp

391

ocr page 417

Art m.) 393

•V De bepaling van dit artikel is niet van toepassing op eene vordering tot verkrijging van eene erfenis.

Air.-R. Maastricht, v. 12 Jan. 1800, \V, uquot;. 2203.

Art. 129.

I. Bene actie, welke niet strekt tot eigenlijke scheiding of verdee-ling van eenig onroerend goed, maar alleen daartoe, dat de minderheid van deelhebbers in vast goed zal worden veroordeeld om toe te treden tot eene overeenkomst, door liet meerendeel der deelhebbers, omtrent de wijze van ontbinding en vereffening der gemeenschap, reeds aangegaan, behoort tot de persoonlijke en niet tot de gemengde rechtsvorderingen.

Air. v. 20 Sept. 4844, W. nquot;. 554; U., dl. XV1I1 § 20; v. n. II., I!. li., dl. VI, p. 20—42 ; idem daar, waar tusschcn de eigenaren van nahui ifre erven verschil bestaat over de al üf niet mandeeligheid van eene afschnt-ting van die erven, bij vonnis van 't Ktg. Ilarlingen nine, die, W. nquot;. Kil. — Cf. met betrekking tot liet arr. v. 20 Sept. i844, de lex 21 IVde communi dividundo ; Voet, lib. X, tit. 3, nquot;. 3; Sanue, Deeisiones l'ri-sicae, lil). Hi. tit. 8, Diss. I, de Inx 05 § 5 II. l'i'o suciu en de conclusie van den adv.-gen. Dkkctii, v. n. II., 1). 1!. ut snpra, p. 30—39.

. I'ven legaat van vruchten en inkomsten, wanneer de gelegateerde alleen aanspraak heeft op nitkeering van vruehten en inkomsten tegen den eigenaar, geeft alleen eene personeele vordering tot nitkeering.

Arr. v. 25 Oct. 1844, W. nquot;. 545; II., dl. XIX § 17; v. n. II., /.. R. en Snee., dl. II. p. 243—254; idem v. 15 Oct. 1847, \Vr. nquot;. 889; lï., dl. XXIX § I ; v. i). II.. ibid., dl. Ill, p. 12—d9. — Cf. art. 803 1!. VV., arr. van denzelfden datum, sub n0. 3. — Vgl. ook bet aangeteekende op art. 1005 li. W. nquot;. 1.

I# 1 Iet moet als eene personeele en niet als eene gemengde of zakelijke vordering worden beschouwd, wanneer er geschil wordt gevoerd over de verloopene uitgangen eener rente, welke als de gedeeltelijke koopprijs van een huis bedongen zijn.

Arr. v. 4 April 1845, W. nquot;. 597; R., dl. XX § 43; v. n. II., li. U., dl. VII, p. 1—15. — Vgl. biermede het daartoe betrekkelijk en in gelijken

ocr page 418

(Arl. 129.

zin gewezen vonnis van de An .-11. Roermond, v. 28 Maart '1844, \V. iiquot;. 509. Zie ook Merlin, Vw^crtuirc, voce Rente fuuvière, § 2, art. 5, t. XXVI11, p. 280.

4, Iemand, wien slechts de opkomsten van goederen toekomen, heeft op die goederen geen zakelijk recht.

Arr. v. 25 April -1845, AV. n». 017; R., dl. XX § 54; v. n. II., G. dl. Ill, p. 149—103. — Cf. art. 821 B. W., arr. v. denzelfden datum.

5. Daar waar geschil is over de vordering eener tiend, onverschillig of die tiend, om den aard van het veldgewas, in geld of in natura verschuldigd is, geldt het alleen eene kwestie van zakelijk recht, daar de schuld altijd daaruit voortspruit, niet dat de tiendplichtige is een personeele debiteur der tiend, maar dat het land is tiendplichtig, zoodat de vordering den landbezitter als zoodanig volgt.

Arr. v. 7 Mei 1847, W. nquot;. 82!); R., dl. XXVI § 86; v. it. II., I!. It., dl. IX, p. 15—28; idem arr. v. 4 Maart 1881, W. u». 4021, R. 1!. j}?. 1883, A ]gt;. 01, vernietigende arr. Hof v. Amsterdam, v. 14 Mei 1880, VV. nquot;. 4558, R. 13. jg. 1881, A p. 01, en arr. v. 27 Mei 1881, W. n0. 4007; R., dl. CXXVIII § 10, waarbij do vordeiiug tot betaling van tienden eene zakelijke reclitsvordering wordt genoemd ; idem Arr.-R. /ierikzee, v. I .luni 4880, W. nquot;. 4502, R. 1!. jg. 1880, A. p. n27, conf. concl. O. M., p. 315 sqq. ibid. ; idem bet door voormeld arr. v. Hof Amsterdam, vernietigde vonnis der Arr.-R. Utrecbt, v. 10 1879, li. B. jg. 1881, A p. 55; idem daar waar liet geldt een eisch tot vordering eener geldsom als sebadevergoeding, wegens niet gepraesteerdc tienden van een stuk land, betwelk van des eischers zijde als tiendplichtig, docb van des gedaagdes kant als niet tiendplicbtig werd bescbouwd, bij ;irr. v. 20 April 1844, W. nquot;. 501 ; I!.. dl. XVII § 91 ; v. n. II., li. I!.-dl. V, p. 200—208, (bevestigende een vonnis van de Arr.-R.'s-llertogen-boscb, v. '1 Sept. 1843, W. n0. 474), waaromtrent vgl. art. 38 R. Org., arr. van denzelfden datum, sub n0. 4; idem Ktg. Boxmeer, v. 18 Dec. 1839, W. n0. (i8; Arr.-R. Anibem, v. 27 Dec. 1839, li., dl. X. § 107 en I'. II. v. Gelderland, v. 15 April 1841, W. nquot;. 227; idem, wanneer, bet tiendrecht in confcssn zijnde, niet de wederrechtelijk weggehaalde vruchten zelve, maar de waarde daarvan geëisebt wordt bij vonnis der Arr.-R. Amersfoort, v. 11 April 1849. W. nquot;. 1024; idem ten aanzien van de vordering tot betaling eener grondrente ; Ktg. Vollenhoven, v. 20 Juli 1860, W. n«. 2810, R. B. jg. 1860, p. 573; vgl. Diepiiuis, Ncd. /gt;'. /('., dl. III. n0. 1003; de Pikto, IIcihcII., lï. W., dl. II ^ 464, Asser. liet Ned. U. It', vgl. met het \\dh. \§ 410, Scuui.i.eu op art. 786 B. W.; — anders, uit hoofde niet tevens is geconcludeerd tot het heffen der tienden gerechtigd te worden verklaard, bij arr. van 't 1'. II. v. N.-Ilolland, v. II Sept. 1845, li. B. jg. 1840, dl. VIII, p. 263— 205. Vgl. ook aant. 10,

39;5

ocr page 419

Art. 129.)

O. Epue actie tot schtulevergoe'ling wegens beweerde toegebrachte schade aan een stuk land, wordt niet eene zakelijke rechtsvordering door de daarbij gevoegde onhetwisle en nuttelooze vordering, dat men zal worden verklaard te zijn eigenaar van dat land.

Arr. v. 3 Maart 1848, W. nquot;. 895; R., dl. XXX § 14; v. d. II., B. R., dl. IX, p. 301—313; idem bij liet daartoe betrekkelijk arr. van 't 1'. II. v. N.-Brabant, v. 21 Sopt. 1847. W. n0. 852, waarbij is vernietigd but in een tegenovergestelden zin gewezen vonnis van de Arr.-R. 's-IIer-togenbosch, v. 20 Jan. 1847, W. n0. 840; idem daar waar bet geldt eene reelitsvordering tot schadevergoeding, uit hoofde eener onrechtmatige daad (in specie wegvoering van eigendom), een vonnis van de Arr.-R. Amsterdam, v. 18 Febr. 1851, W. n0. 1224; Amsterd. Regtspr., dl. I, p. 304—307 ; idem ten aanzien van de actie, waarbij wordt gevorderd herstel eener heg in vorigen toestand en vergoeding der schade door haar uitwerping veroorzaakt, Arr.-R. Maastricht, v. 27 Dec. 1855, R., dl. LX 11 § 90; cf. ook Arr.-R. Assen, v. 3 Juni 1879, W. n0. 4628, vernietigende vonnis Ktg. Emmen, v. 1 Nov. 1878, t. z. p., waarbij beslist werd dat de vordering wegens onrechtmatige daad is eene louter persoonlijke; welker aard niet door de verwering kan worden veranderd. •— Cf. het sub boe artikel vermeld vonnis Arr.-R. Leeuwarden, v. 10 Jan. 1871.

S. Uit art. 584 in verband met art. 564 15. W. en art. 129 2° en en 3° lid B II., valt geenszins af te leiden, dat er buiten deze, geeue andere zakelijke rechten zonden bestaan, en als zoodanig kunnen worden erkend, veelmin dat alle vorderingen buiten de genoemde als louter personeele vorderingen zouden moeten worden aangemerkt.

Arr. v. 2 Nov. 1855, R., dl. LI ^ 30.

Zie ook navolgende beslissing :

Dit artikel geeft alleen een definitie van drie soorten van actiën, maar beslist niet, dat er geene andere bestaan.

Werkelijk worden er dan ook vorderingen in onze wetgeving erkend als die tot nietig-verklaring van een dagvaarding of van een huwelijk, welke, evenals die tot nietig-verklaring van een testament, tot geene der drie genoemde soorten kunnen gebracht worden.

Arr.-R. Middelburg, v. 18 Mei 1881, R. li. jg. 1881, A p. 199.

S. De actie tot wegruiming van hetgeen in strijd met art. 719 H. W. is verricht, is, als gegrond op handelingen die in strijd met de wet zijn gepleegd, als eene persoonlijke vordering te beschouwen.

, Arr. v. 10 Dec. 1869, W. nquot;. 3171, R, dl. XCI1I §26; v. d. 11.,

l7 w. utft /C -

394

■// ,/■ '

' /

It quot; c

■ L dü- *

ocr page 420

/tf, v ^/ , a „ 395 (Art. 129.

'c/Oi/' f*. X (*11 b ^Ve-c-- t^/f j fa ,', t* a foamp;So,

H. /7., dl. XXXIV, [i. 102—115. — Cf. vonnis Air.-Tt. Amsterdam, v. 23 Nov. 1840, R. I). jg. 1844, til. VI, j». 802 en 803, waai' het gold ceno actie tegen den bmirman. strekkende tot wegruiming van al hetgeen wat deze bij de vertimmering zijner woning op of boven den grond van eischer had geplaatst, en waar deze vordering ook als persoonlijk werd aangemerkt, ook vermeld op art. 072 nquot;. 1 B. W.

Vgl. echter navolgende beslissing :

De actie gegrond op art. 673, 2de al. i. f'. 15. W. en welke daartoe strekt, dat de eigenaar van liet liooger gelegen erf herstelle in den vorigen toestand eene sclieidings- en afwateringssloot en vergoede de schade door hem aan eischers land veroorzaakt, is eene zakelijke rechtsvordering.

Air.-R. Middelburg, v. 24 Maart 1807, 1!. 11. jg. 1809, p. 03. waarbij ten aanzien van den eisch tot schadevergoeding werd overwogen, dat deze als verknocht aan de zakelijke actie in dezen niet afzonderlijk als |ier-soonlijke vordering kon worden beschouwd.

liet beroep in cassatie werd verworpen bij air. v. 10 Jan. 1808, \V. no. 2072, zonder dat echter bedoelde kwestie werd beslist.

W. Eene vordering tot uitkeering van geconsigneerde onteigeniugs-gelden, gevolg van een gevoerd onteigeningsgeding is, niet eene zuiver persoonlijke, maar moet geacht worden te zijn begrepen onder de uitzondering, vermeld aan het slot van art. 87 11. O. (dus zakelijk), wanneer /.ij berust op betwisting van eigendomsrecht.

A it. v. 15 Maart 1872, W. nquot;. 3451; 1!., dl. (' § 30; v. n. II., 11. II.. dl. XXXVI, p. 503 en volgg.

IO De vordering, bij dagvaarding ingesteld tot het terugbekomen der kosten, besteed aan het maken van zekere werken en gericht tegen den gedaagde, als intusschen geworden eigenaar van den als plichtig beweerden grond ter zake van schuld klevende op de per-ceelen vast goed van den gedaagde, is eene zakelijke en geene persoonlijke vordering.

Air. v. 29 Jan. 1875, W. nquot;. 3815; I!., dl. C'IK § 10, vernietigende arrest P. 11. v. Drente, v. 7 Maart 1874. Bij hot arrest van den II. I!. werd tevens beslist, dat het ter beoordeeling van do natuur der actie niet aankomt op den aard van de aan den eischer toekomende, maar op dien van de door hem ingestelde vordering.

Zie ditzelfde arrest vermeld ad hoc art.; vgl. ook aant. 5.

ocr page 421

/

irL 129.) ^9fi

Vo-1, navolgende beslissing:

Waar gevorderd wordt eene geldelijke praestatie, waartoe de gedaagde ids eigenaar van landen, waarop een zekere last tot onderhoud rust, verplicht is, heeft men te doen met eene zakelijke actie.

Ktg. Zuidbrook. v. 2 Nov. '1870, W. nquot;. 4160; zie echter P. II. v. Friesland, v. 4 Maart 1840, W. n0. 137, R., dl. IX, § 03, waarhij is beslist, dat het gestelde feit, dat de herstellingskosten van oen wal, gelegen voor de behmzinge van gedaagde, komen ten zijnen laste, als zijnde luj als eigenaar dor hehuizinge tot onderhoud van den wal verplicht, do actie tot opvordering der kosten niet zakelijk maakt.

11. De niet-vermelding dezer bepaling onder de als geschonden of verkeerd toegepaste wetsbepalingen belet niet de toepassing van het recht van cassatie, wanneer het Hof, zonder een ander denkbeeld aan persoonlijke en zakelijke vorderingen te verbinden dan de wet, slechts een verkeerd uitgangspunt heeft aangenomen ter beoordeeling van de natuur der actie.

Aldus imiilicite beslist hij arr. v. '29 Jan. 1875, ook vernield sub nquot;. 10, ad hoc art.; zie vooral concl. van O. M.

De actie van den legataris tegen den erfgenaam tot afgifte van het hem zuiver er. onvoorwaardelijk gelegateerde is eene zuke-lij/ce actie.

Arr. v. 4 Maart 1881, W. uquot;. 4022, R. P.. jg. 1881, A. p. 120. — Zie do literatuur over dit puiit in W. nquot;. 4022. Cf. arr. v. 10 April 181)1, W nquot;. 2208.

Vgl. (,0k vorder art. 039 15. W. sub nquot;. 3 en het sul. nquot;. 2 van dit artikel aangetoekende.

I J8. De vordering van eene bij het vestigen van het recht van opstal bedongen jaarlijksche retributie, volgens de acte van vestiging te betalen door den opstalier, d. i. door hem, die het recht van opstal heeft, is eene zakelijke vordering.

Air. v. 30 JJec. 1881, W. iv\ 4727; K., dl. CXXIX § 30; v. n. II., II. , dl. XLVI1 , p. 110—133, contra concl. O. M. Zie in donzelf-den zin als het arrest, liet daartoe betrekkelijk vonnis Ktg. Zalt-P.f.uiinol, v. 3 Dec. 1879 t. z. p., zie voorts t. z. p. het bij het arr. vernietigde vonnis der Arr.-R. Tiel, v. 4 Fehr. 1881. Alle deze beslissingen en de conclusion van het O. M. zijn ook te vinden in .V. ByV/c.,jg. 1882, p. 164 sqq. Zie eene kritiek van gemelde beslissing van den 11. R. in

ocr page 422

■L i-oJLU

irvTs lt;yOr-i*^ J

// flt;jWf , ^ ^ quot;0 7

/V J_a^ 2/1 . 1*-_ — ■ J -'2' • -1.- L c^ lt;-■ ^ '■

(Arlt;. 139,

W. nquot;. 4735, voornamelijk beti-effende het dictum van het arrest, waarbij niet liet vonnis des kantonrechters, die zich onbevoegd verklaarde, werd bevestigd, maar de II. R. ten principale uitspraak deed: cf. daartegen Mr. B. J. Polen aar in W. n». 4742. — Zie eenebestrijding vandeboofd-beslissing van den 11. R. door prof. v. Bonevai, Faure in A'. Bijdr.. jg. 1882, p. 154 sqq. on daartegen weder P. v. A. in W. n0. 4767.

1-1-. üe vordering van den erfpacliter tegen den eigenaar tot wegruiming van het door dezen na de uitgifte in erfpacht op den als zoodanig uitgegeven grond gebouwde of geplante is eene zakelijke actie.

Arr. v. 23 Juni 1882, W. nquot;. 4794; v. d. 11., /?. 71., dl. XLV11. p. 455—404 Zie vooral de co nel. van don adv.-gen. Pous t. a. p.

15. De eiscli, strekkende tot teruggave van een schaap, door den gedaagde uit het land van den eischer gehaald, behoort tot de zakelijke rechtsvorderingen, waarbij de eigendom van eene zekere en bepaalde zaak wordt gevorderd.

Arr.-R Winschoten, v. 25 Nov. 1840, W. n0. 173. — Cf. art. 97 R. R., vonnis van dezelfde Arr.-R. van denz. datum, sub nquot;. 1.

I O. Eene vordering die geene andere strekking heeft dan ontheffing van de verplichting die op anderen rust, om, ook zelfs met eigen booten varende, veergeld voor de overvaart te betalen, is niet anders dan eene persoonlijke exemtie, en stelt geenszins eene zakelijke actie aldaar.

397

Hiertegen doet niets af, dat het recht zou zijn geaffecteerd en verbonden aan de bewoners van zekere huizinge, dewijl het karakter van zakelijk recht niet hierin is gelegen, maar daarin, dat liet reent op eene zaak is gevestigd en wordt; uitgeoefend.

Cf. art.

l

%

Arr.-R. 's-llertogenboscli, v. 12 Sept. 1842, W. nquot;. 333. 606 I!. W., arr. v. 20 Nov. '1847 sqq., sub n0. 5.

19. Eene rechtsvordering, ingesteld tot verschaffing van rustig genot van huur, is eene zuiver persoonlijke actie, als hebbende tot-onderwerp de vervulling eener persoonlijke verbindtenis, voor eiken verhuurder, bf uit overeenkomst, of in elk geval uit de wet voortvloeiende.

1

ocr page 423

Jsj 7 . -ZTTZJ**- '-lt;^/C- ^-Co -Cc^«_/ »-1-—

^ êr?^. __^ quot;—' ^ ZQuSLi-'i- : ^'Camp;-3jlszjzlt;^SL-*-0-^-~- quot;2^

Arl. 129.) , 398

UXs /aaW,OJ. H ' rfïcn.

Al mocht men ook in zoodanige rechtsvordering, des neen, en te^en den aard van het contract van huur en verhuur, iets zakelijks ontdekken, zou zij desniettemin niet behooren tot de eigenlijk gez.'^de gemengde rechtsvorderingen, welke in de klaarblijkelijk limitatieve bepaling van art. 129, no. 3, B. R, worden opgenoemd.

Arr.-R. Nijmegen, v. 17 Jan. 1843, W. no. 392; R. B. jg. 1843, dl. V, p. 346 352; idem de verbindtenis tot betaling van huur, uit het liunr-contract voortspruitende, met dat gevolg, dat de eigenaar eener zaak, welke door een ander in eigen naam in huur is gegeven, uit zijn zakelijk recht geene bevoegdheid ontleent, om den bedongen huurprijs van den huurder te vorderen, — bij vonnis der Arr.-R. Breda, v. 9 Juli 1844, W. nquot;. 553; idem ten betooge, dat de huurder zijne actie alleen tnïen den verhuurder tot nakoming zijner verbindtenis tot levering amp;/■ conlrachi en niet tegen ieder, die in het bezit is van hot verhuurde, kan instellen — bij vonnis der Arr.-R. Eindhoven, v. 20 Juni 1848, W. nn. 944.

18. De vordering tot betaling eener poenale clausule in eene overeenkomst tusschen partijen bedongen, specteerende op een reëel bezwaar {in casu op ondermolens gelegd), kan rechtens niet worden beschouwd als van louter personeelen aard te zijn.

Arr.-R. Rotterdam, v. 1 Maart 1843, Rryt in Naderl., dl. III, p. 307 en 308, vernietigende het daartoe betrekkelijk en in tegenovergestelden zin gewezen vonnis van 't Ktg. Hillegersberg, v. 15 April 1842, Rc/l in. NrdcrL ut supra.

9W. Al heeft de moeder, die geen voogdes is, een zakelijk recht van vruchtgenot op de goederen harer kinderen, sluit zulks niet in, dat de actie tot het verkrijgen van dat vruchtgenot, tegen den voogd inge-gesteld, eene actio in. rem zou zijn, vooral dan niet, wanneer, gelijk in casu, zonder verantwoording van den voogd, van geene vruchten blijkt, die zij als vruchttrekster zou kunnen revindiceeren.

Hieruit volgt, dat in deze geene reëele actie [rei vindicatió) kan worden ingesteld tegen den voogd, van wien het onzeker is, wat en hoeveel hij zal moeten uitkeeren; terwijl de actie als vruchttrekster tegen den voogd, in cas van rekening en verantwoording wegens het haar toekomend vruchtgenot, zooal niet geheel pesoneel, echter gemengd is, en daarbij de kwaliteit van voogd niet mag voorbijgezien worden.

I'. II. in N.-llrilland, v. .'{ April 1845, W. nquot;. 005; R. 1!. ju'. 1840, dl. VIII, p. 250 sqq.; R., dl. XXV, § 87, (te dien aanzien) vernietigende

ocr page 424

[Art. 129.

een vonnis van de Arr.-R. Amsterdam, v. 27 Juni 1844, R. B. 1. c., waarbij de voormelde vordering als eene zcikelljlie was gekwalificeerd. Ook Mr. J. van Uai.i. bestrijdt (in 't R. li. ut supra, p. 261 en 262; de meening, dat in. casu öf eene persoonlijke óf eene gemengde rechtsvervolging zon zijn ingesteld. Zijns inziens is bet geene rei rindicalio, maaide utilis in rem actio, welke liet Romeinscbe recht met eene eigene benaming als actio confcssoria voorstelt, en is het deze zakelijke vordering, uit het vruchtgebruik geboren, in haren meest eenvoudigen vorm. — Cf. art. :!«; B. W. arr. van voormeld Hof van denzelfden datum.

«O Bij liet Wetb. v. 15. 11 is geen bepaalde vorm voor liet instellen van eene persoonlijke of eene zakelijke rechtsvordering voorgeschreven.

Arr.-R. Utrecht, v. 3 Aug. 1849, R. 1!. jg. 1849, dl. XI, p. 404—412.

31. Eene vordering tot betaling van zekere som aan den eigenaar van het in de dagvaarding vermelde perceel, ter zake van den omslag der zoogenaamde bunrtlasten, behoort niet tot de persoonlijke, maar wel tot de zakelijke rechtsvordering, als wordende daarbij met andere woorden gevorderd de voldoening van een last, waarmede het bij de dagvaarding omschreven perceel zou zijn bezwaard.

Ktg. Amersfoort, v. 22 Oct. 1849, W. nquot;. 1069; idem bij vonnis der Arr.-R. Groningen, v, 12 Oct. 1849, R. li. jg. 1851, p. 142 en 143; R., dl. XL § 95, waarbij voormelde rechtbank zich bevoegd heeft verklaard om kennis te nemen van eene vordering tot betaling van polderlasten tegen don eigenaar van het land ingesteld, op grond dat deze vordering zakelijk is; in gelijken zin, met een beroep op het vonnis van de Arr.-R. Groningen ut supra, door Mr. A. O., in de Opm. en Mad., dl. 'VI, p. 132 sqq,; Arr.-R. Groningen, v. 24 April 1875, W. iiquot;. 3927, waarbij is beslist dat de rechtsvordering, die strekt om te verkrijgen de erkenning van een op den grond ten laste des meijers rustend bezwaar, niet is eene persoonlijke, maar eene zakelijke rechtsvordering; immers uit de bedoeling van het contract werd opgemaakt, dat de last niet was gelegd op den persoon des gebruikers, maar ten zijnen laste op den grond.

33. De terugvordering van eene ter hand gestelde kwitantie is eene persoonlijke vordering en de vrijwaring deswege verschuldigd, eene eenvoudige vrijwaring.

P. II. v. Gelderland, v. 18 Der. 1850, W. iin. 1211 ; R. li. jg. 18;)1, p. 514—523; idem ten aanzien eener onbetaald geblevene assignatie, bij vonnis van 't Ktg. nquot;. I Amsterdam, v. 22 Nov. 1850, Amsterd. Regtspr., dl, I, p, 210—213.

399

ocr page 425

Art. 129.)

33. De omstandigVieid, dat eene gevraagde ontruiming in een bizonder geval medebrengt wegruiming en afbreking van eene door den huurder op den gehuurden grond gebouwde woning, kan aan de rechtsvordering onmogelijk eenig karakter van zakelijkheid geven, aangezien eensdeels tot de ontruiming van het gehuurde, volgens art. 1603 B. W., ook behoort het afbreken door den huurder van al hetgeen hij daaraan heeft doen maken, en dat mitsdien onroerend kan zijn, en anderdeels, volgens art. 129 B. R., de zakelijke rechtsvordering niet is dezulke, welke eene onroerende zaak tot onderwerp heeft, maar alleen de zoodanige, waarbij de eigendom van eene zekere en bepaalde zaak, of wel van eenig ander zakelijk recht geëischt wordt, hetgeen hier het geval niet is, om welke reden dan ook eene rechtsvordering gelijk deze tot ontbinding eener pachtovereenkomst en ontruiming en afbraak van een door den pachter op het verpachte geplaatste huisje, (als zijnde slechts louter personeel) in gezegd art. 129 niet onder de gemengde wordt opgenoemd.

Ait.-U. Nijmegen, v. 3 Jan. 1851. W. no. 1202. — Cf. art. 658 I!. W. arr. van 't P. 11. v. Gelderland, v. 28 Nov. 1849, sub nquot;. 3.

Eene vordering, daartoe strekkende, dat de rechter zekere door den gedaagde gepleegde daad, namelijk het uitslaan van water in den door het eischend bestuur geadministreerde!! polder, zal verklaren onrechtmatig, en dientengevolge den gedaagde zal veroordeelen tot vergoeding van schade, daardoor aan den eischer veroorzaakt, en tot voorzieningen in het vervolg, is eene persoonlijke vordering.

Arr.-Tv. Amsterdam, v. 20 Febr. '1851, W. 110. '1238 (onder dagt. v. (') Kebr.), R. Igt;. jg. 1851, p. 432—439; Amsterd. Regtspr., dl. IT, p. 8—li.

8«. De zakelijke of de persoonlijke aard ecner ingestelde vordering ligt in de strekking van den gedanen eisch en is alleen daaruit te beoor-deelen en geenszins uit de gronden, waarop de gedaagde zijne verdediging doet berusten.

Air.-K. Amsterdani, v, 26 Fobr. 1851, W. nquot;. 1238 (onder dagt. v. 6 Felir.), U. 1!. jfj. 1851, p. 132—439; Amsterd. llegtspr.. dl. II, p. 8—11 ; idem lluf Gelderland, v. 17 .Inni 18.quot;).quot;), U. 11. jg. ^öC), dl. VI, lilz. 557, waarUij tevens werd beslist dat /H ccmu, wtiar dc vordering kennelijk berust op liet reclit van den eigenaar, wiens goederen door een ander zijn beheerd, om /.elf dat beboer weer over t,e nemen en om rekeningen

ion

ocr page 426

{Art 129.

verantwoording van het beheer te vragen, — eene persoonlijke actie is ingesteld, al mocht daarbij ook overgave van de beheerde zaken zijn gevraagd.

8©. De vordering tot betaling der geschatte waarde van eene koe, ingesteld tegen een Rijks-schatter van het slachtvee, en tegen den Rijks-ontvanger tot betaling dier waarde, bij onvermogen van den Rijks-schatter, is, zonder dat hiertegen obsteert art. 240 der Algem. wet v. 26 Aug. 1822 {S(bl. no 38), eene personeele vordering.

Arr.-R. Assen, v. 20 Jan. 1852, R. B. jg. \853, p. 500—508.

'i ï. Eene vordering , ten doel hebbende om een aan den eischcr toebehoorend weiland, door het plaatsen van grens- of seinteekenen, behoorlijk af te scheiden van de daarnaast gelegene eigendommen des gedaagden enz., en om, tengevolge dier afscheiding, de door den gedaagde wederrechtelijk in bezit genomene gedeelten terug te bekomen, is, ingevolge onze wetgeving (art. 678 B. W., jo. art. 129, laatste al. 15. R ), niets anders dan de zoogenaamde actio Jitiium regundorum der Romeinen, tot strekking hebbende om de scheidslinie van twee naast elkander gelegene erven, waarvan de limieten gecontesteerd worden, vast te stellen.

Deze actie behoort, zoowel ingevolge de bepalingen van bet Ro-meinsche recht, (Inst., lib. 4, tit. 6, § 20), als naar aanleiding van het evenvermeld art. van het Wetb. v. B. R., tot de gemengde rechtsvorderingen. Zij zijn van petitoiren aard en kunnen niet gerangschikt worden onder de possessoire actiën, die binnen het jaar moeten worden ingesteld.

Arr.-R. Maastricht, v. 19 Jan. 1854, W. n0. 1552. Zie over de strekking der actio flnium regundorum, P. II. v. Drente, v. 30 Jan. 1875, W. n0. 3998, waarbij is beslist dat de strekking bestaat hetzij in het uitvinden van verloren of onzeker geworden grensscheidingen, hetzij in het trekken van nieuwe grenzen, bij hot verdwijnen of onzeker worden der vroegere.

Vgl. omtrent de vereischten der actie, Arr.-R. lireda, v 13 April 1858, vermeld sub art. 130 B. R.

Eene vordering, waarbij iemand in den gerichte is geroepen, ten einde te hooren verklaren, dat zijn zoon is ongerechtigd, doch de zoon van een ander gerechtigd tot de vruchten en opkomsten van een aan-

Mr. W. van Bossem Bz , Burg, Hechtsv. 2lt;'gt;

401

ocr page 427

Art. 129.)

ileel in zeker leen, voorts derrlen. bestuurders van die leen, zullen worden gelast zich dienovereenkomstig te gedragen en uitkeering te doen, en eindelijk om al dadelijk bij provisie, en hangende de uitspraak op het geschil, de sequestratie der jaarlijksche pensie te hooren gelasten, is (daar deze rechtsvragen hare oplossing moeten vinden, afgescheiden van de vraag, waaruit die opkomsten voortspruiten of waarin de eigendom en bezittingen van het leen of de stichting bestaan, — welke omstandigheden in aanmerking zouden komen indien de te heslissen hoofdkwestie tot de gemengde rechtsvorderingen behoorde) van zuiver persoonlijken aard, als betreflende enkel en alleen de persoonlijke rechtsbevoegdheid, het radicaal van partijen.

Arr.-R. Leeuwarden, v. 24 Oct. 1854, W. n0. 1597.

Eene vordering, strekkende daartoe, dat de gedaagde zal worden veroordeeld om aan het bestuur der domeinen: lo. over te geven en over te laten de administratie en het beheer der goederen, tot eene vicarie behoorende; 2o. te doen rekening en verantwoording, bewijs en reliqua van het gehouden beheer en de gevoerde administratie over die goederen, en zulks ten overstaan van zoodanigen rechter-commissaris als de rechtbank zal goedvinden daartoe aan te wijzen, enz , is, als zijnde de vordering tot overgifte, geenszins zakelijk, maar slechts eene sequela van de adio negoliorum yeslorum direcla, eene persoonlijke rechtsvordering, ook dan wanneer, gelijk in casu, het gevoerde beheer is eene gedeeltelijke uitoefening van het eigendomsrecht, dat geenszins uit een recht ontsproot maar geheel feitelijk was.

Arr.-R. Tiel, v. 0 Oct. 1854, W. n0. 1593.

ttO. De vordering van den man tot afgifte van hetgeen de vrouw bij haar vertrek uit de gemeenschappelijke woning onrechtmatig onder zich heeft genomen en voorts behouden is eene persoonlijke actie.

Arr.-R. Zutphen, v. 21 Due. 1854, R. R. ,jg. 1850, p. d47 sqq., W. n0. 1637, bev. bij arr. P. II. v. Gelderland, v. 27 Deo. 1855, R. B. t. a. p., p. -108, W. ii°. 1737.

;{i. Wanneer de vordering zich bepaalt tot den eisch om iets te geven, geenszins om te hooren verklaren, dat eenig stuk gronds voor die betaling zon zijn verbonden, dan is dit eene persoonlijke vordering.

P. H. v. Gelderland, v. 2 April 1850; R., dl. LI V § 02.

402

ocr page 428

[Art. 129.

34lt;8. Eene vordering, welke de strekking heeft om van den rechter te verkrijgen eene sentenüa declaratoria, kan noch onder de persoonlijke, noch onder de zakelijke, noch onder de gemengde gerangschikt, en mitsdien in rechten niet ontvangen worden.

Gerechtshof in kolonie Suriname, v. 23 Maart 1865, W. n0. 2716, eene beslissing op Romeinsch en Oud-Hollandsch recht gegrond. Zie verder over de al- of niet-bevoegdheid van den rechter tot het geven van eene sententia declaratoria, art. 59 1!. R. aant. 25.

UJi. De actie tot terugvordering of levering van eene zaak is eem personeele vordering, wanneer eene overeenkomst daaraan ten grondslag ligt.

Arr.-R. Arnhem, v. 28 Jan. 1867, W. n0. 2944, met betrekking tot do levering van een verhuurd onroerend goed; Arr.-R. Amsterdam, v. 7 Maart 1871, W. nquot;. 3344; R. II. jg. 1872, dl. XXII. p. '254; idem Ktg. Tilburg, v. 28 Dec. 1877, W. n0. 4278; Ktg. n0. 11 Amsterdam, v. 25 Juli 1870, W. nquot;. 3248, waarbij hot gold de levering van volgens den kooper tot het gekochte onroerend goed behoorende en in den verkoop begrepene zaken, die door den gedaagde zijn weggevoerd. De Arr.-R. v. Amsterdam beschouwde bij vonnis, dd. 21 Febr. 1872, W. n0. 3493 eene dergelijke actie als eene revindicatie, op grond dat de kooper in casn sprekende van TF.RUGlevering liet koopcontract en de daaruit verplichte levering als afgeloopen en geëindigd beschouwde, en teruglevering een vroeger plaats gehad hebbend bezit of wel eigendomsrecht veronderstelt.

Cf. het sub hoe artikel vermeld vonnis der Arr.-R. Zutfen, v. 21 Dec. 1854, W. no. 1637.

3-4. Possessoire actiën zijn zakelijke rechtsvorderingen.

Arr.-R. Rotterdam, v. 29 Juni 1870, W. n0. 3271.

JSo. Eene rechtsvordering gegrond op art. 1401 B. W. maar wier toewijzing afhankelijk is van de beslissing omtrent een betwist zakelijk recht, is niet eene louter persoonlijke rechtsvordering welke ter beslissing staat van den kantonrechter.

Arr.-R. Leeuwarden, v. 10 Jan. 1871, W. nquot;. 3381.

36. De actie van art. 38 no. 1 R. O. moet niet worden beperkt tot de persoonlijke rechtsvordering, gedefinieerd bij art. 1£9 al. 1 B. R.

Ktg. Heusden, v. 3 April 1874, W. n0. 3715, waar het gold eene ■vordering ter zake van verschuldigde belasting.

3Ï. De vordering tot ontbinding van een contract met schadevergoeding is eene louter persoonlijke actie.

403

ocr page 429

Art. 129.)

Ktg. Gorinchem sine die, W. n0. 3805 ; Mr. Jr. RuciiNEn in Themis, 'ido verz., dl. XIII, biz. 094, hoofdzakelijk op grond, dat al heeft deze vordering niet tot voorwerp de vervulling eener verbindtenis, men tocb van den debiteur vraagt datgene wat met de vervulling van de verbindtenis gelijkstaat (schadevergoeding); dat de grond van de rechtsvordering alzoo dezelfde is, namelijk de verbindtenis: en dat die grond de maatstaf is, waarnaar men te beoordeelen heeft, of een rechtsvordering persoonlijk of zakelijk is.

38. De vordering strekkende tot herstel van liet ongerief, dat de eigenaar van een perceel lijdt door dat van zijn buurman, is persoonlijk.

Arr.-R. Amsterdam, v. 11 Juli 1870. W. n°. 4055.

De rechtbank verklaarde, bij verstek van den gedaagde, den eischer ambtshalve niet-ontvankelijk, op grond van hare onbevoegdheid ratione personae.

3®. De vordering van den eigenaar tegen den vruchtgebruiker ter zake van het misbruiken van het vruchtgebruik is eene zakelijke rechtsvordering, maar geene persoonlijke, die uit eenige verbindtenis voortspruit, weshalve de rechtsleer omtrent verbindtenissen niet van toepassing kan zijn op eene zoodanige vordering.

Hof Leeuwarden, v. 24 Dec. 1870, W. n°. 4.il2.

In casu gold het de vraag of de exceptio plurium litis consortium gegrond was, terwijl niet alle erfgenamen van — of rechthebbenden op — de nalatenschap tegen hem, die er het vruchtgebruik van had, als eischers waren opgetreden.

J)e Heehthank had de exceptie verworpen, op grond dat de voor den vruchtgebruiker uit art. 802 B. W. voortvloeiende verbindtenis is ondeelbaar. en, dat, gelijk volgens art. 1339 li. W. ieder erfgenaam van den scbuldeiseber de nitvoering eenen ondeelbare verbindtenis in haar geheel kan vorderen, dit ook moet worden aangenomen voor iederen schuld-eischer, wanneer er meerderen zijn: terwijl de gedaagde ook tegen de niet in lite zijnde gerechtigden kon doen gelden de exceptio rei judicatae.

Hel Iluf, do leer der verbindtenissen hier niet toepasselijk achtende, nam de exceptie aan, omdat de erfgenamen of rechthebbenden pro indi-viso zijn consortes, die gelijkelijk belang hebben bij de zaak, en een rechtelijke uitspraak omtrent hunne zaak dus voor ben allen verbindend moet zijn, terwijl tegen de niet in lite zijnde de exceptie rei judicatae niet zou opgaan, vermits vlg. art. 1954 I!. W. een gewijsde altoos eene res inter alios blijft ten aanzien van hen, die geene partijen waren in het geding.

4IO. De vordering tegen den erfpachter tot betaling van den canon is zakelijk.

Hof 's-Gravenhage, v. 28 Maart 1882, W. nquot;. 4801.

404

ocr page 430

{Art. 129.

41. Zie ten betouge:

a. Dat de zakelijke rechtsvordering, eenmaal tegen den eigenaar of bezitter ingesteld, steeds tegen dezen moet worden voortgezet, al mocht, pendente life, het vaste goed door den primitieven gedaagde aan derden zijn overgedragen —

art. G25 li. W., n0. 32, en art. 254 ii. 11., arr. v. 15 Oct. 1846.

b. Dat de acf.tu confessor ia is eene gemengde rechtsvordering, die met betrekking tot erkenning van het recht van dienstbaarheid, alleen tegen den eigenaar, en ter zake van storing in dit recht ook tegen ieder ander kan worden ingesteld —

art. 738 B. W., vonnis van do Arr.-R. 's-llertogenbosch, v. 29 Nov. 1839, sub nquot;. 4.

c. Dat de vordering tot het doen van rekening en verantwoording van een erfdeel, aan den eischer competeerende, en tot af- en over-gifte van hetgeen na het sluiten der rekening aan den eischer zal blijken te competeeren, is eene zakelijke rechtsvordering [petitio hereditaüs) —

art. 881 li. W., arr. van 't P. 11. v. X.-Holland, v. 29 Juni 1842, sub n®. 1.

d. Dat de vervolging van het recht vanprecario, volgens de Amsterd. Handvesten, is eene persoonlijke rechtsvordering —

art. 758 li. W., sulj nquot;. 1, arr. v. 12 Oct. 1849.

e Dat de liereditatis petitio inderdaad niet behooren moet tot de gemengde vorderingen, maar tot de onpersoonlijke, en over de gevolgen van dien in de bestaande wetgeving —

Mr. W. .T. WiNTGENS, diss. ('s-Gravenhage 1874), quot;De rechtsvordering tot verkrijging der erfenis volgens het Nederlandsch recht,quot; p. 14 sq.

J-3. Zie omtrent den aard en liet begrip van de persoonlijke en de zakelijke rechtsvordering, volgens het Xederlandsch recht —

een vertoog van Mr. A. O. in de Oput. en Afo/., dl. VI. p. 126—134.— Vgl. ook hiermede I Ienrion dk Panskv, de ia competence des juges de paix, p. 62 sqq.; Mr. Boot, Specimen de actionvrn na turn et objecto e jure Francico, (Leijden 1835), p. 28 sqq.; Mr. J. A. Lette, Dissert, de primaria divisione actionum quod allee, sunt in rem, aliae in personam, jure Romano accepla, jure hodierno servata, (Leiden 1844),

105

ocr page 431

Art. 129)

en de gunstige beoordeeling daarvan in 't W. n0. 57ü; alsmede v. d. Honf.ut, ƒƒlt;/amp;., § 129. — Ygl. wijders over art. -129 B. R., een belangrijk betoog in do Themis, dl. X, p. 2C8—304.

Art. 130.

1. Eene vordering tot vrijwaring kau zoo wel in een possessoir als in een petitoir geding toepassing vinden en kan de rechter alzoo niet gezegd worden, door eene toewijzing van die vordering, in strijd met art. 130 B. R., het petitoire met het possessoire te hebben gecumuleerd.

Arr. v. 3 Maart 1843, v. i». H., B. It., dl. IV, p. 375—388. -— Cf. art. 70 li. R., arr. v. denz. datura, sub n». 1.

3. Het petitoire met het possessoire is geenszins gecumuleerd, indien de eischers zich beroepen op bezit en stoornis beweren, die verlies van bezit ten gevolge heeft gehad en hunne vordering daartoe is strekkende, dat zij zullen worden verklaard in hun bezit gestoord te zijn en de gedaagden dien ten gevolge worden veroordeeld, om alles te herstellen in den staat, waarin het zich vóór de stoornis bevond. Hiertegen kunnen niets afdoen uitdrukkingen, door den eischer bij de dingtalen gebezigd, voor zoo veel deze meer op recht van eigendom dan op bezitrecht van toepassing zijn.

Arr. v. 27 Nov. 1846, W. n°. 790; v. d. H., dl. YIII, p. 209—220, bevestigende liet daartoe betrekkelijk vonnis van de Arr.-R. Brielle, v. 28 Nov. 1845, W. ut supra ; idem (met betrekking tot art. 25 C. de Proc. Civ.), bij arr. v. 2 Mei 1845, v. u. H., ibid., dl. Vil, p. 30—48, waarbij is beslist, dat niet geacht kan worden liet petitoire met liet possessoire te zijn gecumuleerd, ook dan wanneer in liet vonnis a quo al eenige redeneering mocht voorkomen die zelfs meer op den eigendom dan op het bezit mocht toepasselijk zijn, doch niettemin de uitspraak uitdrukkelijk is gegrond daarop, dat de eischer het bezit, waarvan hij do handhaving vorderde, niet heeft bewezen; vgl. ook arr. v. 10 Juni 1803, W. nquot;. 2497 ; idem waar de eisch strekte tot handhaving in het bezit van boomen, staande op den eigendom van den eischer, bij vonnis van de Arr.-R. Amersfoort, v. 20 Mei 1846, R. 1!., jg. 1840, dl. VIII, p. 454 en 455 ; idem en ten betooge, dat bij het instellen der petitoire actie de uitdrukking stoornis in de uitoefening van het recht van eigendom, hoewel het woord »stoornisquot; meer bizonder gebruikt wordt bij de possessoire actiën, — niet daarstelt de bij art. 130 B. R. verbodene cumulatie van het petitoir niet het possessoir, bij arr. v. 5 Jan. 1855,

406

ocr page 432

fygj- tr*-™ olsis/. /3-a zsv-v-Z' orSïe^ ■ eZamp;, rf2_ g, /$e^,

tf(flP/ d-. KS/Z/r

407 (Art. 130.

W. n0. '1013 (vernietigende het daartoe betrekkelijk en in een tegen-overgestelden zin gewezen arr. van 't P. 11. v. Zeeland, W. ut supra);

idem Arr.-R. Sneek, v. 25 Juni '1845, R. B. jg. 1847, dl. IX, p. 525; vgl.

Arr.-R. Tiel, v. 15 Jan. 1875, W. n0. 4033, waarbij is beslist dat er geen cumulatie plaats heeft als de eischer in een possessoire vordering stelt dat hij in het bezit als eigenaar is en zijn voorgangers sedert vele jaren in dat bezit zijn geweest. — Vgl. met dit een en ander een vonnis van de Arr.-R. Brielle, v. 2 Mei 1845, W. n°. 066, naar luid waarvan er, in strijd met art. 130 1!. R., eene vereeniging der possessoire en petitoire actiën plaats heeft, indien bij de dagvaarding de eischer, bewerende door de daden des gedaagde, zoo als die daarbij zijn vermeld, in zijn bezit te zijn gestoord, zich op eigendom beroept en kennelijk zijne vordering op zijn recht van eigendom grondt. — Cf. het sub hoc art. vermeld arr. v.

7 Jan. 1881 sqq.

Uit art. 130 H. 11. volgt alleen, dat een aanlegger, die reeds ten petitoire ageert, niet tevens wegens dezelfde zaak, enkel op grond van bezit, een possessoir geding kan aanvangen, en omgekeerd wanneer ten possessoire is aangevangen, door hem niet tevens de petitoire actie kan worden ingesteld, — maar geenszins, dat wanneer een bezitter ten petitoire wordt aangesproken, en zijn eigendom of' ander recht op de zaak wordt betwist, hij alle stoornis in zijn bezit inmiddels zou moeten gedoogen en van zijne zijde daartegen geen possessoir middel tot handhaving in zijn bezit zou kunnen instellen.

Arr. v. 15 Oct. 1847, W. n°. 870; R., dl. XXIX, § 2; v. n. II., B. II..

dl. IX, p. 85—101 ; idem (implicité) bij arr. v. 19 Nov. 1841, W. n°.

250; R., dl. XI, § 43 ; v. D. 11., ibid, dl. III, p. 36—60; idem Arr.-R. 's-Hertogenbosch, v. 4 Juli 1842, W. n0. 320 (onder dagteekening v. 4 Juli 1840); R. li. jg. 1842, dl. IV, p. 095—097 ; idem Arhem, v. 15 Sept.

1843, \V. n0. 460, R. 13. jg. 1844, dl. VI, p. 90—93: idem's-Gravenhage,

v. 1 Juni 1858, W. nquot;. 2016; idem Hoorn, v. 2 Febr. 1848, R. li. jg.

1849, dl. XI, p. 266 en 267, in zoo verre echter vernietigd bij arr. van 't P. II. v. N.-Holland, v. 21 Febr. 1850, R. B. Jg. 1850, dl. XII, p. 97—

101), dat daarbij tevens is uitgemaakt, dat de verweerder ten petitoire,

die eerst later is geworden eischer ten possessoire, wegens stoornis vóór de dagvaarding ten petitoire gepleegd, niet kan vorderen schorsing der petitoire vordering en mitsdien wanneer op een en denzelfden dag tus-schen dezelfde partijen over en weder wordt gedagvaard, eenerzijds ten petitoire, anderzijds ten possessoire, opzichtelijk een en hetzelfde stuk onroerend goed, alsdan de beantwoording der vraag: of de gedaagde petitoir recht heeft om te eischen, dat de petitoire vordering worde niet-ontvankelijk verklaard, immers geschorst, tot dat het possessoir geding met alle gevolgen van dien zal zijn afgeloopen — afhankelijk is van de omstandigheid, of de petitoire dagvaarding werkelijk is geschied later dan de possessoire en het bewijs hiervan uit de exploiten zelve niet te putten

ocr page 433

Art. 130.)

zijnde, rle eiscliei' ten possessoire, op wien bet uuns probandi ten deze is berustende, ontvankelijk is het bewijs daarvan door getuigen of andere middelen rechtens te leveren; zijnde overigens bij vonnis der Arr.-R 's-Hertogenbosch ut supra, beslist, dat de verweerder ten petitoire ontvankelijk is, om over hetzelfde onderwerp bij afzonderlijke rechtsvordering ten possessoire, tot herstelling en handhaving, waarvan in art. 018 en 019 1!. R. gesproken wordt, te ageeren, zonder bij reconventie of bij provisie zijne aanspraak ten possessoire te moeten doen gelden en dat wanneer het geding ten petitoire reeds bij den rechter in appel is aangebracht, hij dan niet in cas van stoornis, de actie ten possessoire aan de kennisneming van dien rechter, bij wijze van incidenteele vordering, behoort te onderwerpen, zoo als dit uitdrukkelijk door Hknrion he Pas.sev wordt geloerd. — Vgl. ook hiermede art. 253 R. R., arr. van quot;t P. H. v. Overijssel, v. 19 April 1841 ; alsmede ten aanzien der hoofdkwestie, beslist bij arr. v. 15 Oct. 1847 sqq. ut supra, het daarmede overeenstemmend gevoelen van de Pixto, Hdl., 2de ed., dl. 11, 4, p. 258; Oudeman. 4de ed., dl. I, p. 108 en nu Martini ad art., p. 3.

4. Het kan niet als eene cumulatie van het possessoire met het petitoire beschouwd worden, wanneer bij de possessoire eene geldelijke vordering, geheel op zich zelve, ex contractu ingesteld wordt.

Arr. v. 20 Nov. 1847, W. no. 875; R., dl. XXIX, § 30; v. d. H., J5./i.. dl. IX, p. 148—105. — Cf. Mr. Jongstra, de artt. 130—132 1!. R. in het Mengelwerk v. W. n0. 2481.

5. Ofschoon bij de artt. 585, 604—608, 613, 618, 621 en 62Ü B. W. en de artt. 130—133 B. R. aan den rechter niet bepaaldelijk is verboden, om bij zijne overwegingen het petitoire met het possessoire te vermengen, blijkt echter, dat in het possessoir geding het recht der partijen op de zaak zelve niets ter zake doet; dat dus bij de beslissing der zaak dat recht niet mag in aanmerking worden genomen, met dat gevolg, dat voor den eischer ten possessoire geen ander ofquot; meer bewijs mag worden gevorderd dan van zijn bezit en van de stoornis, en geenszins daarenboven van de rechtmatigheid van zijn bezit, of van de onrechtmatigheid der stoornis.

Arr. v, 30 Juni 1854, W. n0. 1558, vernietigende bet in een tegen-overgestelden zin gewezen vonnis van de Arr.-R. 's-Gravenhage, v. 28 Juni 1853, W. n0. 1482.

tt. In cas van art. 130 B. R. is er grond tot cassatie, wanneer de judex facti de dagvaarding {in casu luidende, dat er was gepleegd eene onrechtmatige daad van stoornis in de uitoefening van bet recht van

ocr page 434

{Art. 130.

eigendom, terwijl de rechter op dien grond, daaraan de kwalilicatie van possessoir gevende, den eisch had verklaard niet-ontvaiikelijk, uit hoofde hij vereenigd was met eene andere vordering ten petitoire) verkeerdelijk heeft geïnterpreteerd en daardoor de ingestelde actie verkeerdelijk gekwalificeerd.

Arr. v. 5 Jan. 1855, W. n0. iOl.'S; I!.. dl. XL1X § 20; v. n. 11.. B. R., dl. XIX, p. 1-—10; — anders echter, indien de dagvaarding overeenkomt met 's rechters beslissing in facto, bij arr. v. 27 Nov. 1840, W. no. 790; v. d. II., B. /!., dl. VIII, p. 209—220.

ï. Wanneer de rechter a quo heeft beslist dat — vermits de oor spronkelijk gedaagde niet had bewezen eenig recht op de perceelen in kwestie, dat door het beweerde bezit van den oorspronkelijk eischer zou worden verkort, de regel van art. 592 13. W. door hem niet kan worden ingeroepen, zoo is het petitoire met de ingestelde possessoire vordering niet vermengd, maar alleen een middel van niet-ontvanke-lijkheid dier vordering onderzocht.

Arr. v. 4 Juni 1858, W. n0. 1907; R., dl. L1X § 40 ; v. n. 11., C. dl. XXII. p. 297—307.

8. Wanneer in Jacto niet het recht op, maar alleen het genot der inkomsten mede is aangenomen ten bewijze van het gestelde bezit, en het bezit sedert onheugelijke jaren evenmin is opgenomen ten bewijze van het door verjaring ontstaan eigendom, maar alleen ten bewijze van een niet voorbijgaand, maar werkelijk bezit, kan er van een ver boden cumul van petitoir en possessoir geen sprake zijn.

Arr. v. 10 Juni 1803, W. u0. 2497 ; zie liet daartoe betrekkelijk vonnis der Arr.-R. Sneek, v. 1 Oct. 1862, W. n0. 2491; cf. eene brochure in zake de Lemsterzijl, »\vat is petitoirquot;? Heerenveen, 1803.

Vgl. ook Arr.-R. Sneek, v. 20 Nov. 1863, W. n0. 2597.

fgt;. Dit artikel verbiedt het vereenigd instellen van de petitoire en de possessoire actie, onverschillig of dit geschiedt alternatief of cumulatief, of wel met vooropstelling der ééne vordering als principale en nevenplaatsing der andere als subsidiaire.

Eene tegenovergestelde uitlegging zoude leiden tot ontduiking van en zijn in strijd met het art. 130 samenhangend verbod van art. 131, waarbij hij, die eene rechtsvordering over het recht tot de zaak zelve

109

ocr page 435

Art. 130.)

heeft ingesteld, wordt verklaard niet meer ontvankelijk tot het instellen eeuer rechtsvordering over het bezitrecht.

Air. v. 30 Nov. 1805, W. no. 2753; R., dl. LXXXi, § 20; v. d. 11., B. /;.. dl. XXX, p. 83—94, waarbij de cassatie werd verworpen tegen het arr. P. 11. in N.-Holland, v. 2 Febr. 1805, vermeld sub hoc art.

S De artt. 130—132 B. 11 en de artt. 585, 5!)4, 598 en 596 15. W. zijn geschonden, door van den eischer, die eene possessoire vordering heeft ingesteld, niet alleen te vorderen het bewijs van tiendbezit, maar tevens het bewijs dat de overdracht van het tiendrecht kenbaar is gemaakt aan den tiendplichtige.

Arr. v. 2 Jan. ISTl', ook vermeld sub art. 50 G. n°. 1; W. n0. 3077 ; R., dl. C\ 1 § 2, p. 50; vernietigende het vonnis dor Arr.-R. Zutfen, v. 17 April 1873.

I S. Wanneer de overtreding van dit verbod bij het bestreden vonnis is aangenomen op grond van de strekking der ingestelde vordering, stuit het beroep in cassatie op deze feitelijke beslissing af.

Arr. v. 10 Mei 1878, W. no. 4249; li., dl. CXIX § 3; v. u. H, D. Ji, dl. XL111, p. 191—207.

S Uit de aanhaling van eenig eigendomsbewijs in een posses-soir geding, ten einde den animus domini en de identiteit der per-ceelen te bewijzen, kan niet worden besloten tot eene vermenging van de acties over het bezitrecht en die over het recht tot de zaak.

Arr. v. 7 Jan. 1881, W. no. 4000; R., dl. CXXV1I § 3; v. u. II. JJ. JL, dl. XLVI, p. 8—17.

Vgl. ook navolgende beslissingen:

liet possessoire wordt geenszins met het petitoire vermengd, door zich te beroepen op een titel van eigendoms-overgang, om daardoor aan te toonen, dat men in de rechten des verkoopers getreden is.

Arr.-R. Roermond, v. 17 Maart 1853, W. n». 1432.

Ofschoon de vermelding in de dingtalen van het eigendoms- of ander recht op de zaak, in welker bezit men beweert gestoord te zijn op zich zelf niet voldoende is, om daaruit tot eene vereeniging van petitoir en possessoir te besluiten, zoo is zulks echter wel het geval wanneer de eischer zich daarvan tevens als middel bedient.

410

ocr page 436

{Art. 130

De eischer moet geacht worden dit laatste te hebben gedaan, wanneer hij zich niet tot eene enkele aanhaling van den eigendomstitel bejjaalt, maar dien behoorlijk in het geding brengt.

Arr.-R. Middelburg, v. 13 Mei 1874. R. li. jg. 1875, A 191.

Het verbod van dit art. is nie( overtreden, wanneer onder de motieven van een possessoire vordering feiten zijn aangevoerd, die betrekking hebben op aankoop en eigendom van den grond, en misschien evenzeer zouden kunnen dienen om eene vordering ter petitoire te staven.

Arr.-R. Leeuwarden, v. 16 Jan. 1877, W. n0. 4165.

I Door dit artikel wordt niet verboden, dat de rechter in een possessoir geding het bestaan van den animus domini bij den eischer. dien hij uitdrukkelijk als bestaande aanneemt, niet in verband zou mogen brengen met een wettelijk vermoeden van eigendom.

Air. v. 1 Dnc. 1882. W. n0. 4847; R., dl. CXXXII, § 19; v. u. II., B. 11, dl. XLVIII, p. 37—49.

S 4L Hij die in een possessoir geding wil tusschenkomen, mag, edoc/i alleen om uit te maken, of hij kan worden aangemerkt als belanghebbende tot voeging in het geding, door getuigen bewijzen, dat hij is eigenaar van den grond, waarover het possessoir geding gevoerd wordt, indien hij op geene andere wijze dit zijn belang kan aantoonen ; zonder dat echter dit getuigenverhoor immer de strekking kan hebben, de vordering, bij dagvaarding ingesteld, tegen te spreken door eene cumulatie van het possessoire met het petitoire, of ter zijde te stellen den rechtsregel : spoliatus ante omnia restituendus.

Arr.-R. Middelburg, v, I April 1846, R. II. jg. 1846, dl. VIII. pag. 520—522.

f •gt;. De actie, strekkende om een erf vrij te hooren verklaren van den last van erfdienstbaarheid, welk recht van erfdienstbaarheid zich een ander, vóór het instellen der actie, zou hebben aangematigd, (vgl. het sub art. 739 15. W., no. 2 en sub art. 59 in line, p. 800, kolom 1, aangehaalde vonnis van de Arr.-R. 's-Gravenhage, v. 26 Juni 1840), is eene petitoire rechtsvordering, in het Romeinsche recht bekend onder den naam van actio negaioria. De overbodige

ocr page 437

Art. ISO.)

uitdrukking in de dagvaarding, dat de uitoefening van gemeld servituut door den gedaagde binnen het jaar zoude zijn gepleegd, verandert niet den aard en de strekking der ingestelde rechtsvordering.

Arr.-It. Sneek, v. 30 Juni -1846, R. B. jg. 1848, dl. X, p. '230—232,

Jllt;». Door bij den eisch tot handhaving in den eigendom, tevens dien tot handhaving in het bezit en genot te voegen, is nog geenszins het possessoir met het petitoir vereenigd.

üe aard eener actie, of zij is possessoir of niet, wordt niet gekend uit de vordering, of deze al of niet strekt tot handhaving in, verkrijging of terugbekoming van bezit, maar wel uit de vordering, in verband met de als grond derzelve bijgebrachte middelen, zoodat eene vordering dan eerst kan gekwalificeerd worden eene possessoire actie te zijn, wanneer de handhaving of herstelling in het bezit gevraagd wordt op grond van bezit, en van dc stoornis in dat bezit, doch nimmer, wanneer die vordering gegrond is op recht van eigendom.

Eene tegenovergestelde redeneering zoude misschien kunnen worden aangenomen, indien alternatief het een of ander gevraagd was, namelijk de handhaving in liet bezit, voor het geval, dat die in den eigendom zoude worden afgewezen; maar niet wanneer conjunctive tot handhaving in den eigendom, het bezit en genot is geconcludeerd, en het laatste slechts als een uitvloeisel van liet eerste, als daarmede innig verbonden, van den rechter is gevorderd.

liet eigendomsrecht bestaat in het vrij genot eener zaak, en liet genot eener zaak in haar bezit; alzoo kunnen genot en bezit, als gevolgen van het recht van eigendom, daarmede gelijktijdig en vereenigd worden gevorderd, zonder dat daarom eene vereeniging van possessoir en petitoir plaats heeft.

P. II. v. Limburg, v. 11 April 1853, W. n0. 1437.

Zie ook vonnis Ait.-R. Middelburg, v. 13 Mei 18/4, W. n0. 3/49, cn naar aanleiding daarvan, Mr. J. Bohl in W. nis. 3790, 3/97 en 3/99. — Cf. liet sub hoc art. vermeld arrest v. 30 Nov. 1805.

IS. Eene oorspronkelijk possessoire vordering mag ook niet inden loop der procedure in eene petitoire gewijzigd worden.

Arr.-R. Maastricht, v. 19 Juni 1850, W. n0. 1800.

1». Waar het duidelijk is dat de eisclier zich niet beroept op

412

ocr page 438

[Art. 130.

bezitrecht maar op zijn recht van eigendom, kan de bewering des gedaagden, dat er niet ten petitoire zou geageerd zijn, omdat aan de vordering niet voorafgaat een eisch dat de eischer verklaard worde

O O

eigenaar te zijn, niets afdoen.

P. H. v. Z.-Holland, v. 18 Juni 1860, W. n0. 2190.

Vgl. ook navolgende beslissing :

Het is als eene verboden vereeniging eener possessoire en petitoire vordering te beschouwen, door bij het vorderen van herstel en handhaving in een gedeelte van een erf, als hezilter, te voegen eene actie tot delimitatie van datzelfde gedeelte, als eujenaar.

Arr.-R. lireda, v. 13 April 1858, W. no. 1991 ; R., dl. l.XI § 72.

Een beweren in de dagvaarding betreflende de vraag van eigendomsrecht, mag niet ter sprake komen in het possessoir geding, en moet mitsdien worden voorbijgegaan.

Arr.-R. 's-Gravenhage, v. 5 Maart 1861, W. n0. 2209.

*4O. Er bestaat geene cumulatie van petitoire en possessoire vorderingen, wanneer terzelfder tijd de roieering eener koopacte uit de openbare registers en de ontruiming van het betrokken perceel steunende op eischers eigendomsrecht wordt gevraagd.

P, H. v. N.-Holland, v. 27 Juni 1801, W. n0. 2326.

31. De vordering tot regeling en afscheiding van grondgebied, en bij gebreke van dien, tot vergoeding van kosten, schaden en interessen, reeds geleden en nog te lijden, ten gevolge van stoornis in het bezit, moet, als cumuleerende eene petitoire en eene possessoire actie, niet-ontvankelijk worden verklaard.

P. II. v. N.-Holland, v. 2 Febr. 1805, W. n». 2715.

De ingestelde voorziening in cassatie tegen dit arr. werd verworpen bij arr. v. 30 Nov. 1805, ook suh hoc art. vermeld. De II. R. besliste te dezen aanzien dat het feit, dat alleen is gevorderd schadevergoeding wegens stoornis in het bezit en niet ook handhaving in hot bezit en het doen ophouden der stoornis, — de vordering niet doet ophouden te zijn eene possessoire.

'i'i. Deze wetsbepaling verbiedt geenszins in het algemeen cumu-

413

ocr page 439

Art. 130.)

latie van eene persoonlijke en eene zakelijke vordering bij dezelfde dagvaarding. Dit verbod wordt nergens in de wet gemaakt.

Hof Leeuwarden, v. 3 April 1876, W. n0. 4019.

Zie hot daartoe betrekkelijk vonnis Arr.-R. Sneek, v. 22 Oct. 1874, W. n0. 4022.

83, Waar geene sprake is van het in dit artikel behandeld geval, is liet met de procesorde niel in strijd om, voor het geval de feitelijke grondslag der hoofdvordering blijkt onjuist te zijn, een subsidiaire vordering te bouwen op een feitelijken grondslag, welke met dien der hoofdvordering in tegenspraak is.

Vonnis Arr.-R. 's-Hertogenbosch, v. 24 Febr. 1882, W. nr'. 4700.

In casu strekte de hoofdvordering tot verklaring voor recht dat een tusschen twee perceelen gestaan hebbende hegge, eene gemeene hegge was en tot condemnatie tot herstel dier hegge; en de subsidiaire tot ver-oordeeling om over te gaan tot bepaling der scheidslinie en tot afscheiding.

34: Zie ten betooge, dat wanneer in strijd met art. 130 B. R. de possessoire en petitoire actiën te gelijk zijn ingesteld, dan de rechter niet bevoegd is de actiën te splitsen, diervoege, dat, met ter zijde stelling van de possessoire, op de petitoire wordt recht gedaan, maar lie niet-ontvankelijkheid in beide actiën moet uitspreken.

Pieytsg. Adv., 7de verz., hlz. 127—128; anders implicite het sub hoe art. vermelde vonnis Arr.-R. Breda, v. 13 April 1858.

Art. 131.

Wat er ook moge zijn van de al- of niet-toepasselijkheid van dit artikel wegens stoornis, opgekomen na een in het voordeel des petitoiren eischers beslist geding, zoo is deze bepaling zonder twijfel van toepassing in geval van afwijzing eener petitoire vordering, ook bij beweerde latere stoornis.

Air. v. 4 Jan. 1878, W. nquot;. 4205; li., dl. CXVIII § \ - v. u. II., B. ƒ?.. dl. XL1II, p. 1 — 16, waarbij verworpen werd de cassatie togen vonnis Arr.-R. Amersfoort, v. 28 Maart 1877, W. nquot;. 4240.

Zie een bestrijding van dit arr. in R. B. jg. 1878, A. p. 163 sqq., alwaar hoofdzakelijk betoogd wordt dat dit art. alleen voorziet in het geval dat het geding ten petitoire aanhangig is, zonder dat na de dagvaarding een nieuwe bezitsverkrijging of nieuwe stoornis heeft plaats gehad.

414

ocr page 440

J-/9 O*-*- UStrz^H-^-

—'/ ^.'-TC-*-,'lst-*rlt;* llt; ' ,-*-^- -gt; —-j '.'gt;~r~C —

-U^kjlJ- t/t-rgt;~-a^L (Ji ^—' ^eAgt;-*X^- ; /^.

415 (Ar/. 132.

qtv, '^ ^ yd'■

Art. 132.

I. Do kennelijke strekking van het verbod van dit artikel is de uitsluiting van dkf. vordering over liet recht tot de zaak zelve, zonder uittezonderen het geval, dat men daaraan heeft verbonden eene persoonlijke, of daaraan heeft trachten te geven den vorm van eene persoonlijke actie.

Arr. v. 9 Dcc. 1804. W. nquot;. 2055; R.. dl. LXXVIÜ § 33; v. n. 11.,

F!. 7!.. dl. XXIX. ]gt;. 132—143. — Cf. het sub art. *129 li. K. nquot;. 25 vermeld arr. P. H. v. Gelderland, v. 17 Juni 1855.

. Tndien een possessoir geding tegen een meijer (huurder), van dengeen die als eischer ten petitoire ageert, is litispendent, dan kan de meijer niet worden beschouwd als representeerende den eischer in dat possessoir geding en is mitsdien art. 133 13. R. op laatstgemelden niet van toepassing.

Ait.-R. Leeuwarden, v. 15 Maart 1842, \V. nquot;. 320.

S Het staat den verweerder ten petitoire vrij, om over dezelfde zaak eene possessoire actie in te stellen.

Arr.-ll. 's-Oravenhage, v. 1 Juni 1858, W. nquot;. 2010,

-1. Zie omtrent de toepassing van den regel, dat de rechtsvordering om in het bezit te worden gehandhaafd, tegen elk en een iegelijk,

zelfs tegen den eigenaar, kan worden aangevangen en deze zelf onbevoegd is, om eene rechtsvordering ten petitoire in te stellen, zoolang de possessoire vordering niet is afgeloopen —

een vonnis van de Arr.-R. Amsterdam, v. 25 Jan. 1847, W. n0. 810;

idem een vonnis van de Arr.-R. Maastricht, v. 9 Oct. 1840, W. nquot;. 839;

R. B. jg. '1847, dl. IX, p. 189—191.

Ar/. 133.

4. De bepaling, voorkomende in art J 33, no. 3, B. 11., dat alle acten van procedures tot en met het eindvonnis worden beteekend aan de woonplaats van den procureur, is alleen betrekkelijk tot de instantie waarvoor de procureur gesteld is, zonder te kunnen uitgestrekt worden tot de nieuwe instantie van hooger beroep, moetende in dit geval, ooTi

ocr page 441

„ rOl ck. A-t/roisi'-t- S L^~- iM. 0p*~**.a . -A. iMtr-tm, ■£- t ~ v s c/' - ic-Z-.i, c '. t-r--

Y^U'S-'C*.- '~, ^ —5;- ^ ^

^ A,/ cA. y~ i/ *quot;3

Art. 133.) 416 . . ^ lt;u ^ ^

y S y , ' lt;is-f '-lt;£amp;€ . tsCSs- £lt;702__

I^TUTA^J-O^L^ u~ t„ /-■ ^-lt;quot;.. /- /.^/^

^ /i;, met hetreklcing iot hH hooger beroep van interlocutoire vonnissen, fle dag-

lyvde, ufltyP vaar(^,1o worden gedaan aan den persoon of de werkelijke woonplaats

i. tt'J'J'P- Van (len Seint'meerde.

j (iba/u*^ Arr- v- 24 J;m- ^7'5! W. nis. 590 en 733; R., dl. XIX, § 75; v. d. H., J,gt;gt;' ''-ï dl. VI, p. 310—325; anders bij het daartoe betrekkelijk arr. v. 't P. II. in N.-Brabant, v. 16 .Tan. 1844; R.. dl. XVIII. § 29; alsmede lt;,7X76■ bij arr- van datzelfde Hof, v. 28 Juni 1842, W. nquot;. 338; R. B. jg. 1843,

^ ^/ dl. V., p. 149 sqq.; R., dl. XIII, § 98 en v. 2 Mei 1843, W. nquot;. 403;

. R-, dl. XV, § 62 ; Jldji in Nederl.. dl. IV, p. 256—258. — Vgl. de Pixto. 11 vvi/LA^^' HdL, II, 1, p. 243 sqq., volgens Avien de dagvaarding in hooger beroep • a ' - of de memorie van cassatie tegen een interloculoir of incidenteel vonnis

/7 —

faeP0^ b wel (zonder dat daartegen z. i. art. 343 B. R. obsteert, als latende dit

lt; ■ artikel de zaak facultatief, daar onder het quot;woord woonplaats, voorkomende

in dat artikel, met bet oog op artt. 81 li. W. en 126 B. R., niet alleen jjramp;r' de werkelijke, maar ook de gekozene moet worden verstaan) bij den

^,1^- procureur kan worden beteekend, daar art. 133 algemeen, en de dag-

vaarding in hooger beroep eme acte der procedure is, en wel, indien tL^ zij gericht is tegen een interlocutoir of incidenteel vonnis, eene acte van procedure, het eindvonnis voorafgaande.

-A-rt- 133, no. 4 B. R. is gegrond op het beginsel, dat de gedaagde

behoort te worden bekend gemaakt met de vordering welke tegen hem

Au*quot;'

wordt ingesteld, opdat hij, ah initio litis, kunne beoordeelen, of hij zich al dan niet daartegen hebbe te verzetten [ut sciat utrum cedere an

v/1

/ ^^contendere debeat, l. Ia, J], de edendo). In de veronderstelling dat de

/ daar bedoelde afschriften bij den eersten rechter zijn geleverd, bepaalt

^ni^'^art. 343 B. R, dat zij bij de dagvaarding in hooger beroep niet lt;^7 andermaal behoeven te worden gegeven.

7 Hieruit volgt, ook met liet oog op art. 34quot;8 B. R,, dat, wanneer

/ / IjS-' ol * t

ftvf ^ eene der partijen tot staving van hare vordering andere stukken in j ^ hooger beroep zal doen gelden, dan waarvan zij zich in eersten aanleg ' heeft bediend, zij in dit geval van dat recht niet anders dan ten haren koste kan gebruik maken.

' P. II. V. N.-Brabant, v. 4 Jan. 1842, W. nquot;. 293; R., dl. XI, § 28. —

Cf. art. 347 B. R.. arr. van 't P. H. v. Zeeland, v. 2 Juni 1840.

3. De procureur moet door het bezit der stukken geacht worden genoegzaam mandaat te hebben om zich aan te stellen en eene zaak te vervolgen.

Arr.-R. Maastricht, v. 6 Maart 1840, quot;VV. nquot;. 776; R. B. jg. 1846, dl. VIII, p. 514—519; idem Oudeman, 4de ed., dl. I, p. 171 en v. n. Honert,

ocr page 442

Cf 19e,». uy to #r-.^?. (^p MJW.

4.17

Ifdh., p. '2G0 en 261. — Vgl. hiermede ten betooge, dnt do procureur naar het Nederl. Reclit is de dominus litis— he Pinto, iW/. 11,1, p. 239;

idciin Arr.-R. Alkmaar, v. 20 Nov. 1863, W. nquot;. 2714, waarbij op dien grond beslist werd, dat de advocaat niet rechtsgeldig akte kan vragen; —

anders door Mr. C. .1. Fmanvuis, Themis, dl. V, p. 439 en Mr. G. A. Fokker in de O/mi. en Med., dl. 111, p. 170—180, volgens wien de procureur naar het Nederl. recht zelf^ niet meester zou zijn van de instructie van het proces. Vgl. art. 278 B. R., arr. van 't P. 11. in Gelderland, v. 15 Jan. 1841.

•4. Bij eene onderlinge vergelijking van artt. 00 en 13o E R.

blijkt, dat het bij laatstgemeld artikel kennelijk des wetgevers bedoeling geweest is, den verweerder steeds in de gelegenheid te stellen,

alle acten der procedure tot en met het eindvonnis, ten allen tijde.

wanneer zulks vereischt wordt, aan den aanlegger, waar die ook zijne werkelijke woonplaats hebben moge, ter daarbij aangewezene gekozene woonplaats binnen de gewone termijnen, te kunnen doen beteekenen en is er geene reden denkbaar, waarom, wanneer de beteekening van het eindvonnis reeds aan de veroordeelde partij in persoon, of aan hare werkelijke woonplaats heeft kunnen plaats hebben en geschied is, deze dan nogmaals, ten haren behoeve aan de bij den procureur gekozen woonplaats zoude moeten worden herhaald.

P. H. v. Zeeland, v. 20 Mei 1840, R. li. jg. 1847, dl. IX. p. 644—045.

Vgl. hiermede art. 60 B. R., sub n0. 11, arr. van hetzelve Hof van denzelfden datum en de noot aldaar.

o. Om stukken in het geding toe te laten, moeten deze aan partij beteekend zijn, en kan' een eischer, luidens de bepaling van art. 13o 1? R., niet volstaan, de stukkeu, door hem te gebruiken, ter mede-deeling aan te bieden.

Arr.-R. Assen, v. 25 Oct. 1847, W. n0. 1208; R. B. jg. 1852, p. 95—96;

anders door S. M. in de 0/»»i. en Mad,, dl. VII, p. 244—249, hoofdzakelijk op grond dat de rechter op deze wijze de straf, bij de vierde alinea van dit artikel gesteld, veel verder uitstrekt dan de woorden daarvan medebrengen en de bedoeling des wetgevers geweest is.

O. De nadere overlegging van een declaratoir of bijlbrief van een

bouwmeester, welke men om de kosten van registratie nagelaten had,

door den gedaagde geprovoceerd en door zijne verdediging noodzakelijk

... 'f geworden, valt in de exeeptieve bepaling van art. 133 H. li. i

Arr.-R. Deventer, v. 30 Oct. 1850, W. n0. 1178. ,1

li

Mr. NV. van Rossem 13z , liunj. Itec/ilifv. 27

{Art. 133.

ocr page 443

■Ir/. 133.)

ffCrr Ss.u,^?, /t^crr j fa/quot;, ^i~ _•'ö .

t. Ook bij verzet tegen een dwangschrift in zake van registratie, moet de eischer door een procureur zijn geadsisteerd.

Arr.-R. Winschoten, v. 7 April 1852, R. B. jg. 1852, p. 473—474. — Vgl. hiertegen de aanmerkingen van den inzender, die dit vonnis in strijd acht niet art. 17 der Wet van 27 Tent., an JX, en art. 05 dei-Wet van 22 Frimaire, an quot;VU.

S. De strafbepaling, gesteld op liet verzuim van het bij art. 133, al. 4 voorgesclirevene (het niet geven van afschriften der in de dagvaarding aangehaalde titels) komt eerst in de beslissing op de hoofdzaak te pas.

Arr.-R. Amsterdam, v. 28 Deo. 1852, W. nn. 1399; R. R. jo-. 1853 p. 132—141.

?•. Zie met betrekking tot stukken die door de verdediging noodzakelijk geworden en niet i/i limine, litis overgelegd zijn —

O

een arr. van 't P. H. v. Zeeland, v. 29 Oct. 1844, W. nn. 553; idem if n f van N.-Ilolland, v. 29 Oct. 1846, W. n°. 784, bevestigende een vonnis

/wAi. /i4gt;. van de Arr.-R. Amsterdam, v. 9 Juli 1844, W. ut supra; R. B. jg. 1845,

dl. Ml, p. 210—218, waarbij is beslist, dat na bet opwerpen van eenc

.fJ o quot;v r* Iquot;* i iii a \ * o ï » !.- n 'o 11 i i «1 i , I ,-v quot;I '! . . li

'7! ^

f, v.^J- geding kan brengen, die onder de kosten kunnen worden berekend

Zie verder navolgende beslissing :

De eischer is niet verplicht reeds bij de dagvaarding de bewijsstukken mede te deelen tot staving zijner kwaliteit.

Die productie komt eerst te pas, wanneer eene exceptie van non-kwalificatie wordt opgeworpen.

Arr.-R. Maastricht, v. 22 Maart 1800, W. no. 2217. Vgl. ook P. 11. v.

N.-Holland, v. 22 April 1875, W. n0. 3944.

lO. De rechter kan, wanneer hij het van belang acht, dat een niet behoorlijk beteekend stuk alsnog in het geding worde gebracht, een termijn tot hernieuwde beteekening vergunnen.

Arr.-R. Assen, v. 5 Febr. 1855, W. n^. 1087.

1 1. Een verzoekschrift, door een procureur op ver zoel van een derde, en alzoo niet op eigen naam ingeleverd, is niet vour toewijzing vatbaar.

Arr.-R. Assen, v, 10 Ree. 1855, W. nquot;1. 1723; het verzoek was gedaan

exceptie van non-kwalificatie dooi* den gedaagde bij conclusie \an ant-woord, de eischer nieuwe stukken tot staving zijner kwaliteit in het

ocr page 444

ftestr ^ *J* *6^^.

^ev^, ^ ^ W^0*5 ^-f'-

A a, quot;M? ^ fïJ-zr quot;%■ - ^ ^ quot;quot;^

^e ia*'JV£amp; xmamp;Z*, lt;*^r~-* WitiS^;g^

door F. P. S. schrijnwerker, liet request was geteelcend : A. V., procureur op verzoek van Mr. C. L. K.

c^lt;S.

LtP'/', ^/'-

13, Tot de stukken, waarvan bij het exploit van dagvaarding

I// fa*', ^

6J-. xsj^yt-

blz. 310 sqq., waarbij is beslist, dat nadat overlegging van de oorspron- , , ^ kelijke stukken ter griffie heeft plaats gehad, de overlegging van afschriften ^ ^

afschrift moet worden overgelegd, behoort niet de machtiging tot liet aanvangen of voortzetten van of zich verdedigen tegen eene rechtsvordering, ingevolge art. 813 K. door den rechter-commissaris aan de curators in een faillissement verleend.

tv Z .

Arr.-R. Amsterdam, v. 29 Dcc. 1858, W. n0. 2050; R. B. ,jn;. 1850,

dl. IX, l)lz. 27—28, ook aangehaald ad art. 813, n0. 24, \V. v. K.,

waarbij nog werd beslist dat in het exploit ook niet van de machtiging behoeft te blijken.

Vgl. hiertoe betrekkelijk art. 813 W. v. K. sub nis. 10 en li.

13. Zoowel uit art. 133 § 3 als uit art. G6 B 11. blijkt, dat hei exploit van beleekening van een eindvonnis moet worden beschouwd als eene acte, behoorende tot de procedure, in welke dat vonnis is gewezen.

P. H. v. Overijssel, v. 10 Jan. 1800, W. n°. 2144, vernietigende Arr.-R.

Zwolle, v. 15 Sept. 1859.

14. Dit voorschrift is algemeen en moet ook ex a/talogia juris worden toegepast op verzoekschriften, welke aan de rechtbank worden ingediend. 1(j / 3 /1, (J-.

Arr.-R. Utrecht, v. 23 Dec. 1864, W. nquot;. 2752; idem Arr.-R. Goes, v.

23 Dec. 1804, R, B. jg. 1805, p. 791. — -gt;»-

Zie over de noodzakelijkheid om zich bij het indienen van verzoek-schriften aan de rechtbank van procureurs te bedienen, Mr. v. Bon F. va i.

Faure in A'. Bijdw, dl. XVI, blz. 208, die het eenig wettelijk argu-ment voor de in de praktijk geldende usance meent te vinden in de ver- -jtC--- '■gt; w* onderstelling, waarvan de wetgever in art. 873 B. R. uitgaat, waar hij den onvermogende, die een verzoek heeft te doen, daartoe een procureur, -

desnoods, wil toegewezen hebben.

15. Het recht, om ook mededeeling of overlegging te vorderen van de oorspronkelijke stukken, staat zeker niet geschreven, om het te

voren gegeven recht op afschriften daarvan te niet te doen. -Jtns.J

Hof 's-Hertogenbosch, v. 7 Jan. 1878, W. nquot;. 4228. Zie echter vonnis der Arr.-R. Amsterdam, v. 8 Oct. 1802, R. 13. jg. 1863, dl. XII1.

at nadat overlegging van de oorspron-lats gehad, de overlegging van afschriften

niet meer kan worden gevorderd.

ocr page 445

Art. 133.)

14». De exceptie van nietigheid der dagvaarding op grond van gene procureurstelling kan niet worden toegewezen, alhoewel in het exploit geen procureur wordt gesteld, maar alleen ten kantore van een procureur wordt domicilie gekozen, wanneer de gedaagde door de akte van procureurstelling ten kantore van vorenbedoelden procureur te doen heteekenen, getoond heeft door de opgave van het gekozen domicilie voldoende te zijn ingelicht aangaande de bedoeling des eischers, om hem, ten wiens kantore domicilie was gekozen, ook als procureur voor hem te doen optreden.

Daarenboven is de gedaagde door het regelmatig voortprocedeeren met bedoelden procureur, door gemeld verzuim in geenen deele benadeeld, en brengt zijn belang in het minst niet mede, om zich op de nietigheid te beroepen.

Arr.-R. Tiel, v. 7 Mei 1880, W. nrgt;. 4590. ^ .

IS. Zie ten betooge ;

a. dat eene oproeping om bij de eedsaflegging tegenwoordig te zijn. is eene acte van procedure in den zin van art. art. 133 15 R. -—

art. 50 B. R., arr. v. 29 (Jet. 1852 sqq., sub n0. 4.

b. dat de afschriften van de stukken in de 4de alinea van dit artikel bedoeld, ook in kantongerechtszaken aan den gedaagde moeten worden overgegeven —

Mr. C. M. van der Kemp in zijne Ontiv. ut supra (anders echter Mr.

L. Greeve, 3de druk van dat werk), blz. 255 sq.

4 8. Zie over de vraag of er nog stukken in liet geding kunnen worden gebracht, nadat de conclusien gewisseld en de dag voor de pleidooien bepaald is —

Arr.-R. Zutplien, v. 21 Mei 18C)3 sqq,. sub art. 139 Ti. R.

Het vcreischen van liet ministerie der procureurs bij de rechtbanken is, bij de beraadslagingen over art. 22, vooral door den heer Quintus bestreden, als voor den goeden gang der rechtspleging meestal nutteloos en in sommige opzichten verderfelijk, en voor de gegradueerde rechtsgeleerden hard en nadeelig, van der IIonkut, Iftlb., bi. 181 en 182.

In denzelfden zin O/u», en Med., dl. IV, blz. 243; van Sesuen, de

420

ocr page 446

(Art. 1:3-5.

.Verf. recht-ihedcdinfi in hinf/erlijke zaken (Zwolle 1851); zie vooral A. A. he I'into in Themis. 2(le ver/.., dl. X. blz. Ifl'i volgg.

Ken tegenovergesteld gevoelen is verdedigd door A. de Pin'Tü, B. //., 11, 1, blz. 23:i volgg.. en \V. nis. 994 en -1000, uk I'. in W. nK 4076 en 4084.

Bij het ontwerp van wet, houdende vereenvoudiging in het beleid der justitie en in het Wetb. van Burg. Regtsv. in '1855, door den Minister Donker Cürtujs voorgedragen, werden in art. 17 de procureurs behouden, en dit bij de memorie van toelichting nader verdedigd.

Jlet Ontwerp van Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van de Ministers Omvier en Borret schafte de procureurs af. Eveneens het ontw. v. I.vnuex, van 1877. zie \V. nquot;. 4074 en de M. v. '1'. in W. n,s. 4077 en 4078. Zie ook daartoe betrekkelijk \V. n's. 4081, 4082, 4090, 4101, 4103, 4119, 4121. 4108 en 4172. Zie voorts over het proenraat betoogen in W. i 1 3926, 4078, 4079, 4085, 4088. 4094, 4099 en 4124.

In gelijken zin besloot de derde Nederlandscho Jiiristen-vereeniging op 22 Aug. 1872 met 56 tegen 13 stemmen, (zie gt;1 Handelingen der Juristen-vereeniging,quot; 's-Gravenhage, Gebrs. Helinkante, 1872, blz. 67).

Deze beraadslagingen waren voorbereid door drie praeadviezen, het eerste van Mr. 11. A. des A.morie van dek Hoeven, het tweede van Mr. J. G. A. Fareu, het derde van Mr-. T. van IIettinga Tromp, {Uamlc-liiu/cti, 1871, dl. 1, blz. 185, 201 en 206j.

Vgl. voorts do beraadslagingen over het wetsontwei p. houdende eene nieuwe rechterlijke inrichting (ontwerp—he Vries in de Tweede Kanier Zitting v. 28 Maart 1S73, Bijhliiil jg. 1872/1873, blz. 1262—1207.

Zie eindelijk de wet van 23 April 1879, Sibl. nquot;. 75, waarbij de procureurs werden behouden, maar hun monopolie afgeschaft. Zie daarover d. 1'. in \V. nquot;. 4219.

,Jrt. 134..

1. Indien is gedagvaard, ten einde partij te hooren verklaren 011-bevoegd om met karren en paarden te varen door zeker berggat of' ingang van een berg {iu cam de St, Pietersberg te Maastricht), alsdan is, in strijd met art. ]ollt; B. R, liet onderwerp van den eisch veranderd, wanneer door den eischer later, met afwijking van den primitieven eisch is geconcludeerd, dat bet gemeld berggat zoude worden verklaard zijn eigendom te ziin.

Arr. v. 11 Dec. 1840, \V. nquot;. 157; idem Oudeman, 4de ed., dl. 1, p. 175.

'i. Lu fado aangenomen zijnde, dat de eischer zijne vordering, zoo als die bij het introductief van dagvaarding is ingesteld, later bij zijne ter audiëntie genomene conclusie heeft veranderd (door, gelijk in casu te vorderen de toekenning van alle schorren, zonder eenige omschrij-

ocr page 447

é- e^^c*c lt;L ? 4-s-Gy-l/ s ' lil ft'C* t-is- £• ^ *A'-

A «fa ■lt;s*'*7

— olt;7 1s€S1^£^-n . cy£~QS\y-cgt;4, est ^z^-

a ■£gt;

s

•C **-

o~£-^ fc

{.r-asCUlsO^O t.

Ua cySrs-yi lt;quot;

^'Wa' ^

. ^OLA 7

ving of nanduiding zelfs der plaats en van liet nummer, waaronder ^ deze grondeigendommen bij het kadaster zijn geregistreerd, terwijl de dagvaarding gewaagde van bepaaldelijk aangeduide stukken gronds,

welke door den gedaagden werden bezeten) volgt hieruit per se, dat,

door hem in die latere conclusie niet-ontvankelijk te verklaren, is ge- y4ic. , iiandeld overeenkomstig art. 134 B. R,

An-, v. 14 Jan. 1841, v. n. 11., D. R., dl. II. p. 50—71; R., dl. V11I§33.

3. De bevoegdheid aan den eischer gegeven, om tot den afloop der zaak, zijn eisch te wijzigen of te verminderen, is niet van toepassing op andere dan gewone rechtsvorderingen, en ook niet bij liet middel van parate executie, tot verhaal van belastingen; zijnde de admini stratie of de ambtenaar der belastingen, die van het middel van parate executie, tot verhaal van belastingen gebruik maakt, verplicht dadelijk met juistheid te bepalen hoeveel wordt gevorderd en waarvoor wordt geëxecuteerd, zoodanig, dat een dwangbevel, waarin meer is uitgedrukt dan later blijkt werkelijk verschuldigd te zijn, te beschouwen is als van den aanvang af gebrekkig, en alzoo van onwaarde te zijn geweest,

zonder dat die onwaarde in de procedure van oppositie kan worden hersteld, door de latere erkentenis der te hooge vordering. — Hieruit volgt, dat voormelde administratie, zoo zij eene te hooge vordering van belasting bij dwangbevel heeft ingesteld, niet anders kan doen dan van hare verkeerde vordering afzien en een nieuw dwangbevel voor liet juiste bedrag uitvaardigen, zonder in dat geval art. 134 B. 11. van toepassing te kunnen maken, en dat mitsdien de belastingschuldige, bij eene te hooge tegen hem ingestelde vordering, niet gehouden is om een juist en precies aanbod van het wezenlijk door hem verschuldigde te doen.

A it. v. 26 Juni 1840), W. n». 732; R., dl. XXV. § G; v. u. II., dl.

VIII, p, 55—74; — anders in de conclusie van den adv.-gen. Gregory. v. ii. H., 1. c., p. 65—71 ; R., dl. XXV, p. 28—32, hoofdzakelijk op grond,

dat de onderwerpelijke zaak ten gevolge der oppositie tegen het dwang-sclirift gebracht is, en volgens art. 2!gt;1, nquot;. 4 der Algein. Wet v. 26 Aug. 1822 (Stbl. ii0. 38) moest gebracht worden voor do burgerlijke rechtbank; dat bij gemis van tegenovergestelde bepalingen, hierdoor van zelve toepasselijk worden de voorschriften van het W. v. B. R., en dat alzoo van art. 134, evenzeer in geval er eisch bij dwangbevel, als wanneer er eisch bij dagvaarding gedaan is, kan worden gebruik gemaakt; dat,

in? trs-^ -a^Jt ^ n ts*. '

yC^ i^Tj-T^n'-^e Sz* -/^v ^ e 1 -y

Art. 18 k)

422

ocr page 448

lié tA- ov*Sgt; Vs, cL. tAS* c^L / l^-tAxArxJl^. e*si/L. f ^gt;1/ istSt/p J t^rt- At- irrj^OL^sc/-*-*-*—

uoCKSVamp;Lt~

T/^yvyv^ sLsiJ~t- f

■It^LdLcU, ^ y

n~ -of-Ui- c*^s

'^SiSTJts^- /-{ L lt;f?-~ .

Mn-'yyiï. ,[ '■O-

11

49: n'WVY .

IX, p. 52

)5~ . yf^yy.

hoc men de administratie ook moge noemen, hetzij eischeresse bij dwangbevel, hetzij verweerderesse in eas van oppositie, zij werkelijk vordert of eischt en dns in het wezen der zaak is eischer enz.; in denzelfden zin als het arr., Arr.-R. Hoorn, v. 18 Juli 1800, W. n0. 2295, op grond dat liet geopposeerde bestuur is verweerder. — Cf. een arr. van 't Fransche Hof van cassatie, v. 28 Febr. '1813, Sirev, dl. XVII, p. 120.

Zie wijders over de vraag, wie als eischer te beschouwen is : art. 152 B. R. Arr.-R. Amsterdam, v. 9 Maart 1859 sqq.

-I-. Er bestaat schending noch van art. 134 B. 11., op zich zelf, noch in verhand met art. 348 li. R., door het niet-uitspreken der niet-ontvankelijkheid vau den appellant in zijne in hooger heroep gedane vordering, nadat in fado was aangenomen, dat in de instantie van appèl de vordering in eersten aanleg in onderwerp was veranderd en aan het onderwerp der vordering, zoo ais die in eersten aanleg was gedaan, eenige uitbreiding was gegeven, — wanneer door den geinti-meerde in appèl geenerlei uiet-ontvankelijkheid is voorgesteld, noch door den rechter in appèl op die meer uitgebreide vordering is recht gedaan, maar alleen op die, waarover in eersten aanleg was gelitis-contesteerd.

Arr. v. ■15 Oct. 1847, W. nquot;. 865; v. u. 11.,dl. IX. p. 101—115.— Eenigszins afwijkende van het beginsel, bij dit arrest gehuldigd, is beslist bij vonnis van de Arr.-R. Sneek, v. 25 Maart 1840, R. B. jg. 1847, dl.

IV, p. 371 en 372, dat de rechter niet heeft te onderzoeken, in hoeverre het veranderen of het vermeerderen door den eischer van het onderwerp van den eisch een middel van niet-ontvankelijkheid oplevert, wanneer do tegenpartij zelve dit niet uitdrukkelijk bij conclusie inroept, en hij bij gebreke daarvan dien veranderden of vermeerderden eiscli, als onderwerp des gedings moet toelaten.

Vgl. weder ten betooge dat de rechter in appèl, ook bij stüztvijueii, dar iKtrüjeu, f/cen kennis mag nemen van do in hooger beroep veranderde vordering, art. 348 B. R., arr. v. 19 Juni 1857 (ook vermeld sub u0. 7 van dit art.).

Ofschoon het onderwerp van den eisch in zooverre niet is veranderd, dat hij bleef loopen over hetzelfde fundameutum petendi, zoo is er echter eene vermeerdering van de primitief ingestelde vordering, in strijd met art. 134 B. R, aanwezig, indien, hangende het geding, casu wegens huur, op nieuw hangende het geding verschenen) ter zake van hetzelfde fandamentum petendi, meer dan bij de oorspronkelijke dagvaarding is gevorderd.

cJL*. xrt/x,cJAL/\ *^'lt;gt;/

^ 428

^-l^Jtc^/l- . Z ï- chu- KooJic^

528, en van Nijmegen, v. 1 Oct. 1841, R. R. jg. 1842, dl.

-

ocr page 449

,te^ l-Z-S^e.l''-^ ■quot; quot;Tt-^isr-^ l^t^ — Se-L^'^ry, _' t-. ^t--o,\r/ , ^

r^^é^a/- r^ .h-. — -lt;^- -gt;/«-»A- lt;- - —. /^~-,-^ ' *.-- *~ '^ï* J,*-.

/ .1)7 131 424

fquot; ; . ^ Clt;. rC./.lt;~/. ti - 7gt;-}-J.

Arr. v. 9 Maart 1849/W/n». 1009; R., dl. XXXII, § G8; v. n. 11.. //. /;.. dl. X, p. 314—320; — anders bij vonnis van de Arr.-R. Almelo, v. 9 April 1845, W. n0. OIO. — Cf. art. 1303 B. W., vonnis van de Arr.-R. Amersfoort, v. 25 .Tnli 1849 sqq., sub n0. 20.

€». fn hooger beroep wordt het onderwerp van den eiscli niet veranderd, ofschoon dan ook de vordering zelce (het roiement eener hypotheek), op eenen anderen grond, (namelijk van peremtie in stede van beweerde betaling, gelijk in eersten aanleg was aangetoond) is gevestigd

Arr. v. 12 April 1850, W. nquot;. 1115; R., dl. XXXV, § 44; v. n. II.. Cr. /.. dl. X, p. 181—197; idem, betrekkelijk eene vordering tot betaling van arbeidsloonen, eerst op grond van bestelling door den eigenaar van bet werk, en later, op grond dat de eigenaar, die de bestelling ontkent, in elk geval moet betalen uit die gelden, die hij schuldig was aan den aannemer van bet werk, als stellende zulks alleen daar nieuwe middelen tot staving der vordering, — bij arr. van 't P. II. v. X.-Holland, v. 12 Dec. 1850, R. B. jg. 1851, p. 179—190; idem, daar waar de eiscbereene vordering tot betaling, ter zake van de door hem verrichte werkzaamheden enz., heeft ingesteld en ten bewijze van de rechtmatigheid zijner vordering, een extract uit zijn schuldregister beeft overgelegd, doch op de aanmerking van den gedaagde, dat er een contract van aanneming bestaat, een gedeelte van zijn eiscb beeft gegrond op dit contract en een en ander wil bewijzen, door aan den gedaagde den beslissenden eed op te leggen. — bij vonnis der Arr.-R. Amsterdam, v. 30 Maart •1841, R. B. jg. 1846, dl. VIII, p. 170—172; idem bij arr. van 't P. H. v. N.-Brabant, v. 9 Nov. 4841, W. n0. 242, bevestigende een vonnis van de Arr.-R. 's-Hertogenboscb, v. 2 Oct. 1840, W. n0. 240, waarbij is beslist, dat daar, waar de eischer beeft geconcludeerd tot wegruiming van jacht-palen, welke bij vermeende door den gedaagde wederrechtelijk op zekere gronden te zijn gesteld, en zulks als een gevolg van een recht dat bij vindiceerde en naderhand beeft losgelaten, hem niets belet, om, indien de wegruiming dier palen bet onderwerp van het rechtsgeding a limine litis is geweest en ychleven, later (zonder voorafgaande expresse reserve) de rechtsgronden aan te voeren, waarop hij vermeenen mocht tot die vordering gerechtigd te zijn ; idem, in eene zaak, alwaar bet onderwerp van den eiscb was de vernietiging eener hypothecaire inschrijving, aanvankelijk op grond, dat de schuld, waarvoor de hypotheek is verleend, niet is aangegaan ten behoeve van dengeen, die in de acte als schuldeischer voorkomt, terwijl later dezelfde eiscb was gegrond op de daadzaak, dat de genomen inschrijving niet den naam van den schuldeischer bevat en alzoo mist een vereisebte, op straffe van nietigheid voorgeschreven, — bij vonnis van de Arr.-R. Leeuwarden, v. 24 Oct. 1854, VV. n1597. In overeenstemming hiermede, is in de llcytsy. Adv., dl. 111. p. 120—128, met een beroep op § 35, fust. de actionihus, geadviseerd, dat de houder van een in blanco geëndosseerd orderbillet, zich

^/3 **V /i^ '* rlc^. y^C£ l.j-Z *-n- r^j-wv . f

/» O ' ^-?/ ^U -■ -^-r-r y___-^Ir'S£_ 7T~~- ^t0 ^

ocr page 450

{Art. 131

niet a limine litis als erfgenaam van don endossant moet bekend maken en mitsdien ook, hangende eene procedure over dat orderbillet. nog ontvankelijk is om die lioedanigheid o]i te geven, welke, — naar Lkon's schatting, — zeer speculatieve rechtsvraag (die in ieder geval alleen dan voor eene toestemmende beantwoording vatbaar is, indien de houder van dat billet de éénige erfgenaam is van den endossant), in eenen tegen-overgestelden zin is beslist bij vonnis der Arr.-U. s-Gravenhage, v. ,gt; Jan. 1844 (in geene verzameling opgenomen). — Vgl. hiermede een vonnis van de Arr.-R. Sneek. v. '27 Maart 1839, R. li. jg. '1844, dl. \l. p. fi25 en G2(), waarbij is beslist, dat bet aannemen eener nieuwe, of het veranderen van kwaliteit {in caxih van oen zedelijk lichaam), niet kan gerekend worden te vallen onder de bevoegdheid, den eischer bij art. 134 11, R. toegekend, om zijn eisch tot den alloop van het geding te veranderen of te wijzigen. — Vgl. hiermede art. 134 I!. R., arr. van 't T. 11. v. X.-lIrabant, v. lt;) Febr. 1841, alsmede air. van 't P. II. v. Drente, v. 8 April 1848 en arr. v. 22 Nov. 1872 sqq. sub hoc art.

3. Waar feitelijk is beslist, dat de eischer de ingestelde actie fami-liae erciscuudo met die van communi dividundo heeft verwisseld is met juistheid geoordeeld, dat daardoor het onderwerp van den eisch is veranderd.

Arr. v. 19 .luni 1857, W'. nquot;. 1803, R.. dl. LVI, § 35; v. n. II., li. /!.. dl. XXI, p. 317—336, (ook vermeld ad art. 348 li, R. en aant. 4 van dit art.), op grond dat beide vorderingen, hoe nauw ook verwant, niettemin verschillen in aard, strekking en onderwerp.

S. Wanneer het eischend bestuur van een zedelijk lichaam onbevoegd is verklaard om, na de gewisselde conclusiën, op te geven de namen der personen, waaruit het bestaat, is door deze beslissing (daargelaten of zij juist is) art. 134 15, R. niet geschonden, omdat in dezen van geene wijziging of vermindering van den eisch sprake is.

Arr. v. 14 Mei 1858, \V, nquot;. 1901, U., dl. LIX § 25.

Al had de judex facli, hetgeen hij echter niet heeft gedaan, de oorspronkelijke vordering veranderd, dan nog kou dit artikel, alleen geschreven voor partijen en niet voor den rechter, niet zijn geschonden,

Arr. v. 1 April 1859, W. n0. 2052; v. n. 11.. 11. /(., dl. XXIII, p. 194— 207; vgl. aant. 37; zie hiermede in verband Arr.-R. Utrecht, v. 28 .luni 1882, vermeld sub hoc art., waarbij beslist wordt, dat de rechter den eisch niet mag veranderen.

to. w aar bij dagvaarding gevorderd is dadelijke betaling van het zuiver bedrag der geheele nalatenschap als schadeloosstelling, terwijl

ocr page 451

?t-7

I-Ta. -vt/ pAsrefls-S-r _ l^zyr^o -lt;Sj amp;/-* / / 1

n^, rquot;^-I ■— .fe*? * s gt;' en clt;siry*b' -■ ' ,^V . (/^-^ t

L /^,£K ^ -*y/z*-'e^A / /samp;K /arr-o quot; V YVY-

Art. 131).) 426

bij nadere conclusie die betaling eerst wordt gevorderd na doode van de vruchtgebruikster, kan er niet van verandering, maar wel van beperking van den eiscli sprake zijn.

Ait. v. 27 l'ebi'. 1803, W. nquot;. 2462; v. n. II., II. R., dl. XXVII, )). 283—312; anders Arr.-R. Ziorikzeo, v. 7 .Maart I87G, \\'. n0. 4047, waarbij is beslist dat de eisclier die eene vordering tto dadelijke betaling verandert in eeno op tijd, in strijd met dit art. bet onderwerp van den eiscb verandert.

1 I. Aangenomen al, dat bij dit artikel stilzwijgend zoude zijn herhaald het onderscheid tusschen de middelen en bet onderwerp van den eiscb, voorkomende in art. 5 n0. 3 B. 11, — dan nog moet ter juiste bepaling van het onderwerp der vordering worden gelet op hare daarmede in een onafscheidelijk verband staande oorzaak of grondslag, waaruit haar aard en strekking moeten blijken.

Mitsdien is dit artikel niet geschonden of verkeerd toegepast door de afwijzing van het bewijs van nieuwe feiten, die wel tot grondslag zouden hunnen strekken van eene afzonderlijke vordering, doch vreemd zijn aan het onderwerp van de in casu, ingestelde actie.

Arr. v. 20 Nov. 1868, W. no. 3064; idem Arr.-R. Amsterdam , v. 21 Mei 1875, W. nn. 3912, waarbij werd beslist, dat de later ingestelde subsidiaire eisch niet-ontvankelijk is, die uitgaat van het omgekeerde feit dan bij dagvaarding was gesteld ; idem Arr.-R. Gorincliem, v. 2 Febr. -1864, W. nquot;. 2564, voor bet geval dat in stede van een overeenkomst van kar-vervoer tegen een afwisselend loon (naar gelang der vervoerde goederen) wordt gesteld eene overeenkomst tot zoodanig vervoer tegen een en hetzelfde vast loon; idem Arr.-R. Amsterdam, v. 24 Sept. '1867, W. nquot;. 2982, R. R. jg. '1868, p. 330, waar bij de dagvaarding gewelddadige oiilzeliiiig werd geposeerd en bij nadere conclusie de actie werd gegrond op stoornis in bet bezit.

Vgl. ook Arr.-R. Groningen, v. 23 Oct. '1874, W. nquot;. 3785, waarbij is beslist, dat de eischer, die zijne vordering doet steunen op het feit, dat gedaagde eigenaar is, en later bij repliek dat eigendomsrecht latende varen, do beweerde schuldplichtigheid doet steunen op de omstandigheid, dat de bewuste landerijen ten name van gedaagde bij het kadaster bekend staan — het onderwerp van den eisch verandert. — Vgl. verder arr. P. II. v. N.-Holland, v. 15 1'ebr. ■1872. W. n0. 3454, vernietigende vonnis Arr.-R. Amsterdam, v. 14 Dec. 1870, W. n0. 3288, (bij welk vonnis echter geene aanleiding was over de vraag te beslissen), waarbij is beslist dat het eene verandering van den grondslag of het onderwerp van den eisch is, wanneer in eersten aanleg eene -elfstandiye vordering tot schadevergoeding door de moeder als moeder is ingesteld wegens kwetsing en daarop gevolgden dood van haren zoon en die vordering later door

ocr page 452

^. t* g. S u*-Trt~amp;~€ -r^ rquot; r- ™ ^ £-■ e^G-t y!*- i'''~Ti-^-S-—p.y';,^i-y---

^ ' . 7 v—'x:: - r \'rz-rz.-__

134.

haar als erfgename is voortgezet, op grond van een aan den overledene reeds toekomend recht.

Vgl. met dit alles arr. v. 22 Nov. 4872 sqq. ad hoc art.

J lt;J. Kr is niet meerder toegewezen clan was geëischt, wanneer was gevorderd eene bepaalde som, als schadevergoeding voor eiken dag vertraging en wanneer toegewezen is eene schadevergoeding, welke zal blijken uit het verzuim te zijn ontstaan, later op te maken bij staat.

Arr. v. 4 Febr. 1870, W. nquot;. 3186; R., dl. XCIV § 15; v. n. H., B. U..

dl. XXXIV, p. 240—257, wat dit p\mt betreft, overeenkomstig conclusie adv.-gen. Karseiioom in W. n». 3187.

11{ Wanneer bij dagvaarding is gevorderd uitvoering van eene verbindtenis ex contractu, en bij nadere conclusie een subsidiaire eiscli wordt gedaan tot nakoming der verbindtenis, voortspruitende uit nego-tiorum gestio, terwijl de feitelijke grondslag, alsmede het gevorderde in hoofdzaak dezelfde zijn gebleven, heeft er geene verandering van het onderwerp van den eisch plaats.

Immers daaronder is alleen te verstaan, de verandering van den feitelijken grondslag in verband met het gevorderde, niet de verandering der juridische kwalificatie, aan die feiten gegeven, of der rechtsgronden, waarom die feiten de beweerde schuldplichtigheid te weeg brengen.

Arr, v. 22 Nov. 1872, in strijd met de conclusie van het O. M., W.

no. 3330; R., dl. C1I, § 26; v. d. II.. II. II., dl, XXXVII, p. 474—48rgt;;

zie ook arr. v. 14 Dec. 1877, W. nquot;. 4196, R., dl. CXV1I § 31 ; v. ü, 11.,

Jl. ƒ;., dl, XI,II, p, 453— 463,

Vgl. in denzelfden geest, arr. P. II. v. Gelderland, v. 21 Jan. 1851, \\'.

n0. 18C4; vonnis Arr.-R. Groningen, v. 17 Dec. 1880, R. B. jg. 1884, A p. 68, verder arr. P. II. v. Drente, v. 6 Maart 1875, W. n0. 3909,

waarbij is heslist dat waar een zekere acte onveranderd steeds de grondslag der actie is gebleven, maar de eischer later aan die acte op een bepaald punt eene andere uitlegging geeft dan bij de dagvaarding, (door nam. aanvankelijk te stellen dat bij de acte een servituut is r/evestu/d,

en later aan te voeren dat het daarbij slechts is tra/ow/iV/rf), daardoor do middelen van den eisch niet zijn gewijzigd, maar alleen de rechtsgronden.

die partijen altijd mogen en do rechter moet aanvullen.

Zie echter Arr.-R. Groningen, v. 13 Dec. 1878, W. n». 4356, waarbij is beslist dat door de verandering van eene actio ex contractu in eene actio ex lege liet onderwerp van den eisch wordt veranderd.

Vgl. in verband met dit alles arr. v. 20 Nov. 1868 sqq., vonnis Arr.-I!.

Amsterdam, v. 26 Jan. 1882, beide vermeld sub hoc art.; cf. ook n0. 6 sub hoc art.

ocr page 453

I-I-. De vermindering vnn den eisoli in eerste instantie gedaan,

heeft o]) de appellnbiliteit van het vonnis dien invloed, dat daardoor aan hooger beroep kan worden onttrokken, wat anders daarvoor vatbaar

^VT-' 7'0U z^n quot;equot;,eest- amp;gt;.amp; r£*c..^o2., ASx.quot;prrzj it^n ^'J.

' y Air. v. •] Juni 1883, W. no. 4914, 11.. dl. CXXXIV § 18; v. '/y

1/^1 cii. XLYlll. p. 407—411; idem air. v. 17 Febr. 1882, W. no.

utf-' 4740, R , dl. ('XXX § '28; vgl. ook arr. v. 17 Jan. 1802, \Vr. n».-? *' 050 2396, R., dl. J.XX § 10, waarbij lietzelfde beginsel werd gehuldigd;

P.v. y (ook vermeld sub art. 54 11°. 2 R. lt;gt;., zie ook de aant. 0 aldaar) -.jaliJ.

e Óf6j' idem Arr.-R. Maastricht, v. 29 Nov. 1883, W. 11°. 5042; idem P. II. v. ^

^ ^ , ic/rrz Utrecht, v. 4 en 8 Aug. 1843, R. li. jg. 1843, dl. V, p. 590—598 en

^ 084—088 ; vgl. Arr.-R. Roermond , v. 28 Oct. 1858 , W. nquot;, 2090 .

Hrf

iaü2- waarbij is beslist dat de waarde der vordering geene andere is, dan die

?/rV- '/

■^Xquot; ' ' waaromtrent de rechter ten slntte geroepen is kennis te nemen; idem

., ïl0^!//' Arr.-R. Kindhoven, v. 15 Febr. 1870, \V. n0. 3211; idem hij arr. Hof

^ ' 1 s-Hertogenbosch, v. 28 Nov. 1882, W. nn. 4839; — anders echter bij

/I, 1 quot;ir. v. 't P. II. v. N.-Brabant, v. 29 Maart 1853, W. ir\ 1434; II.. dl.

' t/f XLVI, (j 93, waarbij is beslist, dat het vonnis eener Arr.-R., gewezen

'l oi» den eisch tot betaling eener som hoven de f400, onder aftrek van

/7 hetgeen de gedaagde zou bewijzen bereids hierop te hebben voldaan en

door welk bereids betaalde die vordering tot heneden de f400 zou zijn w gereduceerd, niettemin vatbaar is voor appèl, op grond, dat, volgens

' * art. 54, al. 2 R. Org., de Arr.-R. alleen dan in het hoogste ressort uit-^ spraak doen, wanneer het geldt eene personeele rechtsvordering, de waarde

y 1 van f400 in hoofdsom niet te boven gaande; dat de dagvaarding in

y.'V amp; ' eersten aanleg moet beschouwd worden als de grondslag van het geding b on als inhoudende den maatstaf, naar welken de waarde der rechtsvor-lt;■ ± \ dering behoort afgemeten te worden; dat de vordering, bij die dagvaar-

/Lcgt;^ /0 «Jing gedaan, eene waarde bedragende van meer dan f400, en hierop

recht gesproken zijnde, het vonnis van den eersten rechter buiten twijfel ^ . aan hooger beroep is onderworpen; idem S. M. in 11. Tgt;. jg. 1848, p.

' 552—500. — Vgl. Meui.in, Bépert., in voce; dernier ressort, § V, torn.

Ill, p. 579 en 580, ed. 1812; Carré, Les Luis de Voryanisation etc. (ed. Unix., 1820), torn. Ill, p. 7, 21, no. 298, coll., n^. 290, 291, 303, p. 22, 23, 59, ot torn. I, n0. 47, p. 127—129; Sirey, Recueil. tom IV, 2, 192; XI, 1, 35; XII, 1, 11 ; XV. 1. 41 ; XXIV, 1, 33; XXV11I, 2, 10; XXIX, 2, 280; XXX, 2, 148; XXXIV, 2, 412; alsmede met betrekkirg tot den invloed, dien het verminderen van den eisch op de competentie in eersten aanleg uitoefent — art. 150 1). R., vonnis van de Arr.-R. 's-Gravenhage, v. 19 Febr. 1841 sqq. Vgl. verder het sub 11°. 35 van dit art. vermeld vonnis der Arr.-R. Amsterdam, v. 13 Oct. 1808, ten hetooge dat de vermindering van eisch in appèl geen invloed meer kan uitoefenen op de appellabiliteit. 7t^ (j

1.». Indien bij incidenteelen eisch wordt gevorderd de veroordeeling van den origineelen eischer, om, binnen een bepaalden termijn, zekere

ocr page 454

(Art. 134.

bepaaldelijk opgegevene stukken en besclieülen, betreffende een kwesti-eusen boedei, ter griffie over te brengen, ten einde den rechter daarvan te doen kennis nemen , zoude het eeue verandering en vermeerdering zijn van het onderwerp van den incidenteelen eisch, indien, naar aanleiding dier vordering, de procureur des origineelen eischers, teil dage dienende, zich daartoe bereid verklarende, door den procu reur van den origineelen gedaagde bevorens inzage werd gevorderd, ten einde daarop de principale vordering te kunnen tegenspreken.

Air.-li. Amsterdam, v. 8 Juli 1839, R. B. jg. '1842, dl. TV, p. 801.

1«. Bij eene vordering tot uitlevering van een lijfrentebrief moet liet onderwerp van den eisch worden opgemaakt uit de omschrijving, die daarvan bij de dagvaarding is gegeven, in welke omschrijving dus ook niet met betrekking tot de daarin uitgedrukte geldsom (uit hoofde dat de renten van een lijfrentebrief steeds en ten allen tijde dezelfde zijn) eene verandering kan worden gemaakt, zonder het onderwerp telkens aan te tasten.

1'. H. v. Friesland, v. 12 Febr. 1840, W. n0. 204, bevestigende een vonnis van de Arr.-R. Sneek sine die, W. n0. 101.

13. Indien het exploit van dagvaarding gedaan is tot betaling eener gefixeerde som, onder aftrek van hetgeen na debat van rekening zal blijken, dat de eischer aan den gedaagde schuldig is, en de gedaagde daarentegen beweert (gelijk zulks door den eischer wordt erkend), dat er tusschen partijen onderling, openstaande rekening bestaat, en er vooraf tusschen hen behoort te worden verrekend en gelikwideerd, verklarende daartoe bereid te zijn, terwijl hij overigens concludeert dat de eischer in zijne vordering zal worden verklaard niet-ontvankelijk en in zijne nadere schriftuur bij die conclusie heeft volhard, — dan kan de eischer, dit aanbod van debat van rekening aannemende, niet geacht worden zijn eisch te wijzigen of te verminderen, naar aanleiding van art. 134 B. R., maar moet hij in zijne oorspronkelijke vordering worden verklaard te zijn niet-ontvankelijk.

Arr.-R. 's-Giavenhage, v. '18 Beo. 1840, W. ii». 208.

IS. Wanneer iemand, — die eene andere, als eigenaresse van een perceel onroerend goed, gedagvaard heeft, om zich te zien veroordeelen

1.29

ocr page 455

Art. 134)

om een slagboom weg te ruimen, of, bij gebreke van dien, dezen te zien wegruimen, en tot betaling eener aangewezene som als schadevergoeding, — later concludeert, dat die eigenaresse voor hare, kinderen zal worden veroordeeld hem den vrijen doortocht over het goed te geven, dan moet zulks (vermits in dit geval de aard en het onderwerp van den oorspronkelijken eiscli is veranderd, doordien niet alleen van eene gemengde, eene persoonlijke rechtsvordering is gemaakt, maar ook de hoedanigheid, waarin de gedaagde is aangesproken, is veranderd) niet als een bloote wijziging en vermindering van den eisch, maar wel als eene verandering in den aard der vordering beschouwd worden.

P. H. v. N.-Brabant, v. 9 Febr. 1841, R., dl. XI, § 102. — Cf. art 134 li. K., arr. v. 12 April 1850 sqq., sub n0. 0.

Hgt;. De eischer in garantie is, na tot vrijwaring en buiten proces-stelling te hebben geconcludeerd, niet-ontvankelijk in zijne suppletoire conclusiën tot teruggave van den koopprijs, als moetende zulks geacht worden eene geheele afwijking, verandering en vermeerdering van den eisch in zich te bevatten.

Arr.-R. 's-Hertogenbosch, v. 10 Maart 1841, W. nquot;. 194, zijnde de eischer, na geinterjecteerd appèl van dit vonnis, bij arr. v. 't 1'. 11. v. N.-Brabant, v. 27 Juni 1841, R., dl. XIII, § CO daarin verklaard niet-ontvankelijk op grond, dat suppletoire conclusiën niet aan een tweeden graad van jurisdictie kunnen onderworpen doen zijn eene vordering, welke oorspronkelijk uit haren aard tut do definitieve cognitie van den eersten rechter behoorde; idem bij vonnis van de Arr.-R. Sneek, v. 24 Juni 1852, R. U. jg. 1853, p. 178—181, waarbij is beslist, dat indien bij de dagvaarding tot vrijwaring, en de primitieve conclusie van den eischer, dien ten gevolge genomen, vrijwaring, voeging en mededeeling van zekere reglementen worden gevorderd, — bij de overweging, dat noch de voeging, noch de mededeeling der reglementen een onmiddellijk en noodzakelijk gevolg der vrijwaring zijn, noch daarmede in direct verband staan, maar twee van elkander en van de vrijwaring geheel onderscheidene en ieder op zich zelve staande zaken uitmaken, — het lichten uit het proces van twee der drie zelfstandige deelen van den eisch, niet kan gezegd worden eene bloote wijziging van den eisch te zijn, waarbij hij in de hoofdzaak niet wordt veranderd ; maar dat integendeel hierdoor van twee hoofdpunten van vordering afstand wordt gedaan, zonder dat daartoe de voorgeschreven formaliteiten in acht zijn genomen, waartoe noch art. 134 B. R. noch eenig ander wetsartikel recht geeft, met dat gevolg, dat in dit geval, niettegenstaande de later door den eischer genomen conclusie, op zijne eerstgenomene moet worden recht gesproken.

80. Indien de gedaagde bij zijne conclusiën in de vordering des

430

ocr page 456

[Art. 134

eischers onder zekere mits heeft toegestemd, en de eisclier met deze voorwaardelijke toestemming genoegen beeft genomen, alsdan stelt zulks een judicieel contract daar, en is de gedaagde later, op grond eener onbewezene beweerde materieele dwaling, niel-ontvankelijk daarop terug te komen, met dat gevolg dat op de hine iiiie genomene conclusion, in voege voormeld, moet worden recht gesproken.

Ait.-R. 's-Hertogenbosch, \ . 7 Juli 1841, W. n0. 301. — Vgl. hiermede een arr. van 't 1'. 11. in /.celand, v. 4 Dcc. 1849, R. R. jg. 1850, dl. XII, p. 484 en 485, — waarbij is beslist, dat wanneer een gedaagde, na bij conclusiën van antwoord en dupliek, de juistheid eener van hem dooiden eischer gevorderde geldsom te hebben tegengesproken, of althans in twijfel getrokken als niet bewezen, en na daarbij tot ontzegging van den eiscli te hebben geconcludeerd, later gerechtelijk aanbod en consignatie van dezelfde som doet met bijberekende interessen, en bij incidenteele conclusie de' van waarde-verklaring van dat aanbod en consignatie eischt, — alsdan, in geval dit incident door den rechter bij de hoofdzaak wordt gevoegd, door dat aanbod eene zoodanige wijziging in de principale conclusiën wordt gebracht, dat alle verder onderzoek (ook van deskundigen) naar de juistheid der berekening, waarop de principale eisch was gegrond, wordt uitgesloten of onnoodig gemaakt.

31. I)e algemeenheid der uitdrukking; «lot den ajloop der zaa/c' voorkomende in art. 13 !■ B. II., zoowel als de bedoeling des wetgevers, bij de bepaling, in dat artikel vastgesteld, kenbaar uit de beraadslagingen daarover gehouden, laat geen twijfel over of de bevoegdheid, bij gemeld artikel toegestaan, om een genomen eisch bij nadere conclusiën te verminderen, blijft bestaan, tot dat de zaak seheel aan 's rechters beslissing is overgegeven {in casa na de bepaling van den dag voor pleidooi) en de uitspraak daarin door den rechter bepaald is; — hetgeen te minder aan twijfel onderhevig kan geacht worden, omdat door eene hloote vermindering van den eisch, wanneer ook gedaan, de verweerder nooit kan zijn bezwaard.

Air.-R. Leeuwarden, v. 3 Mei 1842, W. n0. 292 ; idem Arr.-R. v. Amsterdam, v. 22 Maart 1842, R. R. jg. 1842, dl. IV, p. 520—524; idem (ten aanzien van eene vermindering \an den eisch, nadat door den gedaagde het verhoor des eischers op vraagpunten was gevorderd), P. II. v. Utrecht, v. 4 Aug. 1843, R. R. jg. 1843, dl. V, p. 596—598; idem Arr.-R. Ap-pingadam, v. 2 Sept. 1842, W. nquot;. 326. Vgl. hiermede een vonnis vnli de Arr.-R. Leeuwarden sine die, W. nquot;. 297 en van de Arr.-R. Sneek, v. 29 Maart 1848, R. R. jg. 1848, dl. X. p. 626 en 627, waarbij is beslist dat in ieder geval eene vermindering der vordering niet meer geldig bij pleidooi kan geschieden. Vgl. ook Arr.-R. Alkmaar, v. 14 Maart 1861,

43]

ocr page 457

Jüfc- o^o^-- S. ^Q— Om^J^/oA—otL. QjSt Ofrjamp;Q*

2^ e^^AH. 134.) amp;f c^.iL^- ^432 —

*^f b.-^- quot; 77^ ^ *

t |, B. fg. 4861, dl. XI, l)lz. 547, waarbij werd beslist dat eene wijziging

van den eiscli niet mondeling door den advocaat bij pleidooi kan gesel lieden.

Zie ook arr. Assen, v. i3 Jan. 1881, vernietigende vonnis Ktg. Assen, v. 29 Juli 1880, beiden in li. B. jg. 1881, A p. 152 sqq., waarbij werd beslist dat, nadat de snppletoire eed bij vonnis is opgelegd, geen vermindering van de vordering meer kan worden toegelaten. Zie art. 141 I!. R., arr. v. 24 Mei 1850 sqq.

quot;i'i. De wijziging van het bedrag waarvoor sommige gedaagden, als erven van hun vader, worden aangesproken, kan niet. gezegd worden eene verandering in de kwaliteit der gedaagden, in allen gevalle niet van het onderwerp der vordering te doen ontstaan.

Arr.-R. Leeuwarden, v. .3 Mei 1842, W. ni». 240 en 292; idem Oude-iian, 4de ed., dl. I, p. 175.

•» :5, Indien is gedagvaard dat het der rechtbank moge behagen te verstaan, dat eene gedane sommatie en aanmaning is eene stoornis in het bezit van de in die dagvaarding vermelde landerijen en aanwassen, en dien ten gevolge te verklaren, dat men in zijn bezit wordt gehandhaafd met buiten-efl'ectstelling der bedoelde sommatie en men bij nadere conclusie daarbij heeft gevoegd, quot;voor zoover die sommatie beval sloornis in hel hezUquot; dan kan die bijvoeging niet anders dan als eene beperking van den eisch tot buiten-eflectstelling der sommatie worden beschouwd en kan daardoor niet gezegd worden het onderwerp van den eisch te zijn veranderd of vermeerderd.

Arr.-R. Appingadam, v. 2 Sept. 1842, W. n0. 320.

S-#. Indien een schuldeischer, uit krachte van art. 492 15. 11, primitief heeft gedagvaard tot scheiding en verdeeling eener nalatenschap, en de gedaagden het bewijs hebben geleverd dat bereids vóór de dagvaarding die scheiding bij authentieke acte heeft plaatsgehad,— is hij niet-ontvankelijk bij nadere conclusie te vorderen de vernietiging of inkorting van de beschikking van een erflater, die tot grondslag der bereids geëffectueerde scheiding heeft gestrekt.

Arr.-R. 1'reda sine die, W. n0. 345.

3S. Indien de eisch, zoo als die bij dagvaarding is ingesteld, strekt o, a. tot afbraak en amotie van een opgetrokken gebouw, benevens

ocr page 458

r o W -K* amp;(JL, p n^cylt;^a^is*^^Trt^-ïr— (^-ZsCjf / ILC* OQAAS? c^isiOnrtort. -f^S

[Sl/t y3 $ lt;$• 4-^^ lt;?-gt;£- S^r^JZ-Qyi^-— O^a- vo^yt- f^-4^ ^r- -Trz^e-^o f 6* ^'

}lJ2- -i^nA-d- ,Cr£ 433quot; j y ^ '?'

^gt;0 . - ff - 7^ '- ,.-gt;T.- -quot;-ï^ J -?'^ 'J— tMs**. -2 f^ -S^ C^quot;. ■ .2^ i. 'V^:?- (. -- ''//^ 3.

het portaal, met herstelling van een muur, in den staat waarin die ^

voor die stoornis was, alsdan is niet het onderwerp van den eisch veranderd of vermeerderd, indien bij latere conclusie speciaal wordt gevorderd de wegruiming van een privaat, pomp en pijp tot water-loozing, uie een deel uitmaken van den nieuwen bouw, waarvan de weghraak het onderwerp van den eisch uitmaakt.

Arr.-R. 's-llertogenboscb sine die, W. n0. 373.

•Ui Door eene dagvaarding tot betaling van gedaagden, uitsluitend in hunne hoedanigheid van medeleden eener vennootschap, kan de eischer door de bijvoeging in zijne conclusie, dat elk der gedaagden hoofdelijk voor het geheel zal aansprakelijk zijn, wel gezegd worden zijn eisch verklaard, maar geenszins het onderwerp daarvan vermeerderd te hebben,

Arr.-R. Sneek, v. i3 April 1842, U. I!. jg. 1846, dl. VIII, p. 418—422.

®ï. De aan den eischer bij art. 134 B. li. gegevene bevoegdheid om tot den afloop der zaak zijn eisch te wijzigen of te verminderen kan niet zoo ver worden uitgestrekt, dat het geoorloofd zou zijn, om den eisch, tegen meer dan één gedaagde (in specie tegen man en vrouw en strekkende de eisch tot met pacht-bezwaard-verklaring van de onroerende goederen bij de dagvaarding omschreven en tot betaling van achterstallige pacht) ingesteld, slechts tegen één te vervolgen.

Arr.-R. Assen, v. 20 Maart 1843, W. n0. 857. Zie echter Arr.-R. Amersfoort, v. 5 Aug. 1875, W. nquot;. 3907, waarbij werd beslist, dat wanneer de eisch (strekkende tot schadevergoeding op grond van een onrechtmatige daad) oorspronkelijk tegen drie gedaagden te zamen en in ver-eeniging ingesteld, slechts tegen twee hunner wordt toegewezen, dit niet oplevert eene ongeoorloofde verandering van liet onderwerp van den eisch, daar toch, niettegenstaande de onbewezen verplichting van den een, de verbindtenis ten opzichte der beide anderen blijft stand houden. —

Cf. art. 135 B. R., vonnis van de Arr.-R. Amsterdam, v. 7 Mei 1852.

Zie verder navolgende beslissing:

Waar de primitieve vordering tegen twee gedaagden strekte tot ver-oordeeling van ieder voor de helft van bet gevorderde bedrag, terwijl bij den gewijzigden eisch van één van hen het bedrag in zijn geheel wordt gevorderd, heeft er vermeerdering van den eisch plaats, daargelaten de vraag of de bevoegdheid tot wijziging zoo ver mag gaan, dat

Mr. W. van Kossem Bz., liurg. Rechtsv. 2b

ocr page 459

PcrrJ-c /trf ^e^trx^tp ^pamp;ch L-r, fxx^,^ cxlt^k, - f U^Jamp;^o^thuy^' amp;£

{jLt^y^Tzt^c^ ^ Ctro r€xxgt;r^ trr-ttv *t/uL*^. Irr*^, fjuL trez^ctxsycA^ (^C^trf/rr j fry'

Z^CIxCto^ C-La. rl^r~ rL~- -et' ^O- trcs-t A^y o SZl^i AcrA ^«-^f_ r^amp;tx rf '{s^O-C ehsj^ ry l/lsC*^*^/Op? £**-lt;*amp;*-*—

Art. 134.) ( 434 /

fbca.*gt;~*y (^ ! ^lt;20xrr t-cij f- lt;^*- U ' s J-^•-—y/quot;

de eisch tecren twee ^edaaeden ingesteld, slechts tefjeii één zoude

j ^ 4-gt; ^ o n o ' r?

., mo^en worden voortsrezet, zonder ten opzichte van den ander afstand

Jrc // //- . ■ « 3 1

.' van de instantie te doen.

eJL*V Jr*-' A lt;r*-lt;=1-,

ffan,^ fa /Z 7c. Iets, ^o- Zutphen, v. 30 April ISRO, W. nquot;. 4075.

/^/w^ (i'-. 18 8. Het is eene vermeerdering van liet onderwerp van den eisch,

af-ti wanneer bij de vordering tot enkelen verkoop of licitatie van een pand, bij conclusiën gevoegd wordt «van het provenu door par-

lr,b.ai*-cULHsr tijen pro rata parte te worden verdeeld en genoten.quot;

(*jamp; v. rt. e 4.- Ait.-R. 's-Hertogenbosch, v. 2 Juni 1843, W. nri. 467; R. B. jg. 1844, dl. VI, p. 187 en 188.

«», De eischer, die bij zijne dagvaarding bezit van een gemeeii over- en rijpad, en stoornis in dat bezit beweert, kan niet later, bij conclusie, het bezit beweren van een gemeen over- en rijpad en wagenweg, vermits bierdoor zijne vordering zoude worden veranderd en vermeerderd.

Arr.-R. Gorinchem, v. 20 Jan. 1844, R. B. jg. 1844, dl. Vf, p. 634—638.

SO. Bij het vorderen van betaling eener pacht van zeker erf op grond van verjaring, bestaat er geene ongeoorloofde wijziging of vermindering van den eisch, indien bij nadere conclusie niet zijn opgenomen sommige perceelen, waarop, volgens de introductieve dagvaarding, ook die pacht zoude kleven.

Arr.-R. Assen, v. 17 Maart 1845, R. B. jg. 1848, dl. X. p. 473—475; idem P. II. v. Drente, v. 8 April 1848. W. nquot;. 944; R. B. jg. 1848. dl. X, p. 485—488.

31. Indien de primitieve vordering berust op het doen van rekeningen verantwoording, dan stelt het eene vermeerdering of verandering van den eiscb daar , bij nadere conclusie tevens schadevergoeding te vorderen wegens de ten laste van den gerendeerde beweerde verzuimen.

Arr.-R. Utrecht, v. 18 Sept. 1845, R. B. jg. 1846, dl. VIII. p. 03—68.

38. Het onderwerp van den eisch is niet veranderd, maar de eiscb verminderd en alzoo gewijzigd, indien de eischer aanvankelijk beeft gevorderd -èn de van-waarde-verklaring van een gelegd conservatoir arrest, èn betaling van eene geldsom, — en bij eene latere ter rolle

ocr page 460

^CLxrcn-^e c* aL~ oCt^ c^ryvu^

'**7 /

//• cr2A_uJ*Xt^ rjr 'Lu' * / -Cfr^ ~gt; is^s~*y*-—o-^€gt;*r-X-tA-^ IrtXA^s O-tyic^-t-' Jsis^ramp;s^Sl, -». a *^S o^rjrrlt;-~t^cï-0-^'cJ-*-**

IrV-'JL^ —435 tsaxS)*- ^yf 134. ■^quot;'V.

ft Q m . . ~y 7 *^~K^y\s • /^CT^P ^Tj** amp;• amp;Zs c* orrS^**^ hf* quot; f ■ * Qquot; m.

genomene conclusie zijne vordering tot laatstgenoemd onderwerp - ^

heeft beperkt. f'» - ■ - '•- gt;

O- t ~' -* amp;4~4 \

Arr.-R. Groningen, v. 2i Nov. 1845, R. B. jg. 1847, dl. IX. p. 379 en y^oAe,

380; idem, indien bij dagvaarding is gevorderd de veroordeeling tot teruggave van zeker goed en, bij gebreke daarvan, machtiging, om de 2^^ q/r^^c goederen van den gedaagde in beslag te nemen en te verkoopen tot het j-~ . trm._

bedrag van de waarde daarvan, en men zich bii do laatste conclusie , • „ -beeft bepaald de teruggave of de betaling van de waarde van bet goed /quot;

in kwestie te vragen, — bij air. van quot;t P. H. v. Z.-Holland, v. 22 Febr. 6 ^ ;

1853, W. n°. 1417; idem, indien de oorspronkelijke dagvaarding strekt tot bet doen van rekening en tevens tot benoeming van eenen recbter- jc.'-y-. commissaris tot het afleggen der rekening en later van bet laatste ge- *

deelte der vordering is afstand gedaan, op grond, dat, naar aanleiding ^

van art. 85 van het Decreet v. 30 Dec. 1809, het doen of alleggen der UjejL^/

rekening bij het bureau der kerkmeesters behoorde te geschieden. •— bij yU-^--' -/?

vonnis der Arr.-R. Maastricht, v. 8 Jan. 1846, W. n®. 782. — Vgl., met betrekking tot eerstgemeld vonnis (van Groningen), art. 278 B. R.. s -fa

vonnis van dezelfde Arr.-R. v. denz. datum, alsmede art. 156 B. R..

v.' ■ ^ 2Jf tUény. cy/f,

HJJ. üe latere opgave (dan bij de dagvaarding) van bet juiste i^e flt;i^é Zj

kadastrale nominer van een kwestieusen grond, stelt niet daar eene geheele verandering of vermeerdering van het onderwerp van den eiscb en levert vooral dan ook geene nietigheid op, indien een gedaagde daardoor in zijne verdediging niet is benadeeld.

Arr.-R. Arnhem, v. 25 Feb. 1847, W. n0. 1067; idem, ten betooge, dat het niet anders is dan eene geoorloofde rectificatie van den eisch. wanneer de eischer bij de primitievelijk door hem opgegeven kadastrale nummers der bosschen, waartoe zijne vordering wegens verkocht bont betrekking heeft, later nog andere voegt, zonder het onderwerp dei-vordering te veranderen of te vermeerderen, — bij arr. van 't P. H. v. N.-Brabant v. 29 Maart 1853, W. n®. 1434; R., dl. XLVI. § 95. Vgl. ook Arr.-R. Amsterdam, 23 Nov. 1854, R. B. jg. 1855 blz, 38, waarbij is beslist dat de rectificatie van den datum der overeenkomst en arr. Groningen, v. 10 Juli 1857, R. B. jg. 1859, dl. IX, blz. 567, dat de herstelling van een misslag in de opgave van de hoegrootheid der landerijen, waarover in de dagvaarding gehandeld wordt, geoorloofde wijzigingen van den eiscli zijn. Zie in denzelfden zin Arr.-R. Amsterdam, v. 21 Sept. 1880, W. n0. 4625, ten aanzien van de rectificatie van bet nummer van het te ontruimen perceel, en Arr.-R. 's-Hertogenbosch, v. 27 Mei 1881 W. n®. 4708. R. B. jg. 1881, A p. 231 . ten aanzien van de verandering der dagteekening van den gestelden koop en verkoop, wanneer nl. in de tijdsopgave niet juist de grondslag der vordering is gelegen. Vgl. ook Arr.-R. Rotterdam, v. 26 Febr. 1881, W. n®. 4660, R. B. jg. 1881, A p. 229, ook nog vermeld sub hoc art., waarbij — ten aanzien

vonnis van de Arr.-R. Breda, v. 1 Dec. 1846.

ocr page 461

Art. 134.)

van een actie tot schadevergoeding wegens overligdagen — is beslist, dat hei-stel van den gestelden datum, waarop de lossing is volbracht, geene verandering van den eisch behoeft mee te brengen. Zie echter Arr.-R. Amsterdam, v. 21 April 1882, R. B. jg. 4882. A p. 35, waarbij is beslist dat verandering van het abusive genoemde jaartal van de geheele overeenkomst een onwettige verandering is.

3-1.. Indien primitief eene actie tot echtsclieicling is ingesteld, is liet onderwerp van den eisch veranderd, door subsidiair te concludeeren tot scheiding van tafel en bed.

Zulks belet echter niet, dat de origineele eisch tot echtscheiding, daartoe termen zijnde, kan worden toegewezen.

Arr.-R. Amsterdam, v. 30 Juni 1847, W. n0. 908. — Cf. art. ;gt; 13. R. vonnis van de Arr.-R. Middelburg, v. 21 Mei 1851, sub n0. 34 en het aangeteekende aldaar.

35. De bevoegdheid bij art. 134 B R. aan een eischer gegeven, om zijn eisch bij conclusie te wijzigen of te verminderen, is niet alleen toegestaan in eersten aanleg, maar strekt zich ook uit tot het hooger beroep.

P. H. v. Drente, v. 8 April 1848, W. n». 944: R. B. jg. 1848, dl. X, p_ 4g5—488; idem in revisie bij arr. v. 14 Mei 1875, W. n0. 3856 ; R., dl. CX § 12; v. d. H., B. It., dl. XL p. 292—314; idem bij vonnis Arr.-R. Groningen, v. 25 Juni 1858, R. B., jg. 1859, dl. IX, blz. 598—601; Arr.-R. Amsterdam, v. 13 Oct. 1868, W. nquot;. 3073, ook vermeld sub nquot;. 14 van dit art.; anders ten op/ichte van den eischer, die, in appel, geïntimeerde is, bij arrest P. II. v. N.-lIolland, v. 20 Oct. 1870, W. no. 3272, waarbij is beslist dat een eischer, wiens vordering door den eersten rechter is toegewezen, als geïntimeerde dien eisch niet mag intrekken of verminderen, met dat gevolg, dat een nader onderzoek van de grieven des appellants daardoor zou worden afgesneden; idem Oudeman, 4de ed., .dl. I, p. 17;gt;. -— Cf. art. 134 B. R., arr. v. 12 April 1850 sqq.

3©. De staat van het geding wordt niet veranderd, indien de eischers hebben gedagvaard de gezamenlijke erfgenamen, en voort-geprocedeerd met dengene, die zich op de dagvaarding als eénig en algeheel erfgenaam heeft geconstitueerd.

Arr.-R. Amsterdam, v. 12 Jan. 1849, W. n0. 1009.

33. Wanneer de eischer ten onrechte de betaling van f 1000 van ieder der gedaagden in solidum vraagt en deze de vordering op dien grond bestrijden, dan heeft de eischer niet noodig tot rectificatie zijner

ocr page 462

f c'^-t- c i*-* UL*- £lt;- Y~ e-e*.—*- ty-r^-Qc ^

oCaJ^ A^-^Jy^, avlS/lt;•('-£ . quot; ,—le. i- ,^L

amp;(,. lt;/Z. (aP ~ , Clt;/? ^quot;//'JV-

437 ' [Arl. 134.

dwaling den eisch uitdrukkelijk te wijzigen, daar de rechter desniettemin de veroordeeling van de gedaagden ieder voor zijn aandeel had kunnen en behooren uit te spreken.

Arr.-R. Groningen, v. 29 Maart 1850, R. B. jg. 1851, p. 304—307. — Zie, met betrekking tot de veroordeeling in de kosten in dat geval —■ liet sub art. 5(i R. R. C sub n0. 2 vermelde vonnis van dezelfde rechtbank van denzelfden datum.

Vgl. met betrekking tot de bevoegdheid des rechters om den eiscli ambtshalve te verminderen —

P. H. v. Drente, v........., W. n0. 3033, (ook vermeld ad art.

48 li. R.), waarbij is heslist dat dc rechter verplicht is den eisch, die hem slechts gedeeltelijk voor toewijzing vatbaar voorkomt, niet te ontzeggen, maar te verminderen, al heeft de eischer niet daartoe geconcludeerd ; anders Arr.-R. Amsterdam, v. 27 Oct. 1858, R. B., jg. 1858, dl. VIII. blz. 442.

Vgl. ten aanzien van verandering van den eisch aant. 9 en 95.

38. Het vragen van lijfsdwang (bij conclusie ter rolle), ofschoon deze bij de dagvaarding niet gevraagd was, is, met het oog op de geschiedenis der wetgeving, niet als eene vermeerdering, maar wel als eene wijziging van de bij dagvaarding gedane vordering te beschouwen.

P. H. v. Zeeland, v. 23 April 1850, R. B. jg. 1851, p. 591 en 592; idem Arr.-R. 's-Hertogenbosch sine die, W. n0. 319; idem Oudeman, 4de ed., dl. I, p. 174. — Cf. art. 585 B. R., arr. van 't P. II. v. Gelderland, v. 27 April 1842 ; alsmede art. 48 B. R., vonnis van de Arr.-R. Amsterdam, v. 18 Juli 1843. Zie voorts, wat de geschiedenis der wetgeving betreft en de waarde, aan het onderzoek in de afdeelingen te hechten, Voorduin, Alg. Inleid., blz. 535; vgl. nog v. d. Honf.rt, Handhoek, blz. 261 en 202.

Vgl. ook Rcglsg. Ad»., vijfde verz., blz. 156—158, hoofdzakelijk op grond dat de lijfsdwang niet behoort tot het onderwerp van den eisch, maar tot de middelen, waardoor het bij den eisch beoogde doel verzekerd wordt; en dat de geest van het tegenwoordig stelsel van rechtsvordering vermindering van vormen en nietigheden beoogt; anders zoowel ten aanzien van het vragen van uitvoerbaarverklaring hij lijfsdwang als hij voorraad, Arr.-R. Zierikzee, v. 21 Juni 1881, W. 11°. 4729, R. B. jg. 1881, A p. 220.

SO. Indien de oorspronkelijke vordering strekt tot betaling van verkochte goederen, de gedaagden, onder aanbod om een gedeelte der goederen te betalen, (welk aanbod echter door de eischers niet is aangenomen) , de ontvangst van het overige gedeelte, als onleverbaar hebben geweigerd, en daarvan eene opneming van deskundigen hebben verzocht en verkregen, welk geheel ten hunnen voordeele is uitge-

ocr page 463

Art. 134.)

vallen, dim stelt de latere conclusie van de eischers, //strekkende; 1°. om het gebrekkige te herstellen, 2°. het verspilde te korten, en 3°. de renten te rekenen slechts van die latere conclusie af,quot; geene wijziging of vermindering van den eisch, maar eene verandering van onderwerp daar, en behooren zij [in cam bij tegenspraak van de gedaagden) in die latere conclusie te worden verklaard niet-ontvankelijk.

Arr.-R. Amsterdam, v. 4 April quot;1851. Amsterd. Regtspr.. dl. II, p. 73—75.

40. Het is eene verandering in den grondslag van den eisch, waartoe men rechtens onbevoegd is, indien {in specie waar het gold eene actio negatoria) de vordering, bij de dagvaarding gedaan, uitsluitend op eigendom is ingesteld en later bij gewijzigde conclusie alleen krachtens mede-eigendom wordt geageerd. Tn dit geval moet de eischer geacht worden den geheelen eigendom niet meer vol te houden, en is daardoor de oorspronkelijke vordering ongegrond.

Arr.-R. Assen, 22 April 1851, R. B. jg. 1852, p. 280 en 281.

41. Indien de eischers hunne oorspronkelijke vordering (strekkende daartoe, dat de executeur eener nalatenschap worde veroordeeld, hun de helft van den boedel, waartoe zij beweren gerechtigd te zijn, af te geven), later, bij hunne conclusie van dupliek, in dien zin hebben gewijzigd, dat zij alsnu, met het oog op art. 546 B. W., van de Rechtbank vragen de vergunning tot bloote in hezitneming van dat gedeelte dier halve nalatenschap, waarvoor de bewindvoerder eens afwezigen, bij wege van interventie in het geding, ten diens behoeve is opgekomen, dan mag het, (daargelaten de vraag, of het bij dupliek gedaan verzoek tot die in bezitneming bereids ingewikkeld begrepen en gelegen was in de oorspronkelijke vordering tot afgifte, en hoe gegronde aanmerkingen ook te maken zouden zijn op de min gewone en regelmatige wijze, waarop het verzoek om vergunning van in bezitneming bij en in de conclusie van dupliek is in het geding gebracht) er voor gehouden worden, dat, welke icijziging of vermindering de aanvankelijke vordering tot afgifte moge ondergaan hebben door de latere uitsluiting van het vroeger inbegrepen erfdeel van den afwezige, en het verzoek te dien aanzien tot bloote in hezitneming, in casn in den zin der wet van geene bij art. 134 B. R. verboden ver-

438

ocr page 464

{Art 134.

andering van het onderwerp van den eiscli, als zijnde en blijvende eene hereclitatis petitio, maar eigenlijk meer van eene eenvoudige petitio, sprake is, zoodat dan ook in zoodanig geval geene genoegzame reden bestaat, om de eischers, ter zake van het instellen eener ver-anclerde vordering, niet-ontvankelijk te verklaren.

Arr.-R. Rotterdam, v. 5 Nov. ISr)!, R. 1!. jg. 1852. p. ICS—-175.

Indien door een rendant is gedagvaard tot adjustement van rekening ingevolge art. 782 en volgg. 15. II., de opgeroepene belanghebbenden die rekening zonder voorafgaand debat goedkeuren en con-cludeeren tot dadelijke bepaling van het saldo, gelijk dit door den rendant is opgegeven en ook de eischer nader dienovereenkomstig heeft geconcludeerd, dan is hij, daar het debat bij de wet wel als een middel is aangewezen, maar niet tot eene verplichting gesteld, zoo doende niet te buiten gegaan zoodanige wijziging van den eisch, als bij art. 134 B. R. is geoorloofd.

Arr.-R. Amsterdam, v. 1(1 Nov. 1852, R. B. jg. 1853, p. 48—58. — Vgl. art. 783 B. R., vonnis van dezelfde rechtbank van denzelfden datum.

-13. Eene wijziging van eisch, waarbij eene erkenning van eigendomsrechten in de vordering tot goedkeuring van rekening is vervat, kan niet worden toegestaan.

Arr.-R. Amsterdam, v. 10 Nov. 185± R. B. jg. 1853, p. 48—58.

41-1. Een der deelgenooten eener firma, in privé en alleen voor zich proces voerende, kan niet gelijktijdig door de vermindering van zijnen eisch voor de belangen zijner firma optreden.

Arr.-R. Leiden, v. 21 Dec. 1852. I!.. dl, XLVI § 105.

4». De eischer kan zijnen eisch in zooverre wijzigen, dat hij van den rechter vraagt eene verklaring voor recht, dat hij tijdens het instellen zijner rechtsvordering gerechtigd was tot het doen van eisch, in voege als zulks door hem is geschied, en de gedaagde ongegrond in zijne tegenspraak, met veroordeeling van dezen in de kosten van het rechtsgeding.

Arr.-R. Leiden, v. 15 Febr. 1853, W. n0.1425. — Cf. Penning ad art., die met aanhaling van voormeld vonnis, de vraag oppert, of zoodanige wijziging niet eerder als eene verandering van het onderwerp van den eisch zon moeten worden beschouwd en of die wel noodig is tot bet beoogde duel, daar

439

ocr page 465

/?)t/ Tre.ltyClLS/-, *£-• c^t--rf /.~ilt;^lt;.jia£ ty o-ot . tV

$ £0-* # e

^ Tfatfa*- v£r'S- o^—Ar^Jt^, tri- palm 4^ ' — ^ U^gt;f.-^. t*. At.?_ jUXt-C-^— c'vtnr- e^fe^r — amp;tgt;~oj7 vrcrTr/«- T^BeT-a^~. : ó. /i-. 2-Z- -£lt;***-

Art. 134.) 440 ^—

fec^tx-*, ■zi.yL^^c. /fazr, tit/f^d'zyS.

toch •/.. i. een gedaagde in de kosten der procedure zal moeten worden veroordeeld, indien do eiscli tijdens het instellen daarvan was gegrond, al mocht ook de oorzaak daarvan later zijn vervallen en dus de eisch zelf bij eindvonnis niet kunnen worden toegewezen — Cf. arr. v, 27 Dec. '1878 sqq., ad art. 56 B. R. .4.

-14». Eene wijziging van den eisch, op de terechtzitting gedaan, in zooverre, dat de eischer ook nn nog concludeert tot voorafgaande ontbinding (in specie van eene huurovereenkomst ter zake van wanbetaling, doch waarvan in de iutroductieve dagvaarding de ontbinding niet was gevorderd, uit hoofde bij de huurovereenkomst was overeengekomen, dat zij bij wanbetaling van zelve zou ontbonden zijn) — mag niet in aanmerking komen, omdat dit, in strijd met art. 134 B. R., eene verandering of vermeerdering van het onderwerp van den eisch zou daarstellen.

Ktg. Amersfoort, v. 2 Mei 1853, W. n0. 1434.

4:7. Indien de vordering des eiscliers, zoo als die bij acte van dagvaarding is ingesteld, en bij de eerste conlusie van eisch is volgehouden,

niet alleen strekt tot herstel van de zijde des gedaagde eener naar het beweren des eischers onrechtmatige daad, maar ook tot goedmaking der daardoor bij den eischer geledene kosten, schade en interessen enz. en de gedaagde, pendente lite, na het houden van eene gerechtelijke plaatsopneming, daadwerkelijk het in rechten gevorderd herstel heeft tot stand gebracht, en zoodoende de oorzaak der rechtsvordering heeft weggeruimd, dan is de eischer ontvankelijk in zijn verminderden eisch tot veroordeeling slechts in eene vergoeding van kosten, schade en interessen.

Arr.-R. Zierikzee, v. 6 Juni 1854, W. n°. 1577. — Cf. arr. v. 27 Deo. 1878 sqq. ad art. 50 B. R. A.

■418. 15ij de wet is nergens verboden eenige bij dagvaarding en eerste conclusie ten fine van bewijs gestelde daadzaken bij latere conclusie te wijzigen, immers wanneer het onbetwistbaar is, dat daardoor geen ander onderwerp wordt ingeschoven.

P. H. v. Z.-Holland, v. 12 Juni 1854, W. nquot;. 1559, bevestigende een vonnis van de Arr.-R. Rotterdam, v. 30 Juni 1852, R. B. jg. 1852, p. 091—094- — Cf. arr. v. 20 Nov. 1808 sqq., sub hoc art.

■4®. Verandering van het onderwerp van den eisch heeft plaats,

ocr page 466

^ M. n -^-r ^Z'*- ™*y

n ^H/L. t^]Cgt; ,'lt;4-. u y orjcf 6% vyzjy.

. ,z 441 a y {Art. 134.

s/yb. ^ / c/^ysj/^z 7r*yi*rk^^* jc*0-lt;— rtr/i lt;tz^'_

indien eene som eerst als wisselschuld en daarna als uit eene louter burgerlijke overeenkomst voortspruitende gevorderd wordt.

Arr.-R. Amsterdam, v. 19 Oct. 1854, R. B. jg. 1854. p. 550—553 —

Cf. art. 134 B. R., sub nquot;. 6 en n0.13.

SO. Wanneer de eisclier begerende eenige erfgenaam ah iniestato te zijn, in eersten aanleg heeft ingesteld de her edit atis petitio zonder eenig voorbehoud, en in hooger beroep bij subsidiaire conclusie zich bepaalt tot het vragen der nietig-verklaring van de speciale erfstelling welke met eene ongeoorloofde fidei-commissaire substitutie is bezwaard,

dan stelt die subsidiaire vordering geen nieuwen eiscii noch eene verboden verandering van de oorspronkelijke vordering daar.

P. H. v. Overijssel, v. 29 Oct. 1855 W. n°. 1894.

ol. Wanneer bij dagvaarding is gevraagd ontruiming van huis,

erf en tuin zonder dat uit den eisch blijkt, dat de huur, over het jaar berekend, of de waarde van dien, niet meer bedraagt dan f 200 en bij conclusie wordt die eisch beperkt tot ontruiming van liet huis,

zoo is zulks eene ongeoorloofde verandering van den eisch.

Arr.-R. Assen, v. 29 Juni 1855, R. B. jg. 1855, dl. V, blz. 584.

ü'i. Wanneer is gedagvaard tot veroordeeiing van de gedaagden om met de eischers uit te voeren de tusschen partijen bestaande overeenkomst betreflende den verkoop van de vaste goederen tot den onverdeelden boedel behoorende, en tot benoeming van een onzijdig persoon om de weigerachtige gedaagden bij dien verkoop te vertegenwoordigen, — is het eene ongeoorloofde verandering van den eisch, wanneer men bij conclusie vordert dat de verkoop zal geschieden buiten tegenwoordigheid van hen die weigeren.

Arr. P. 11. v. Gelderland, v. 7 Febr. 1855, VV. n0. 1630, R. B. jg. 1855,

dl. V p. 135.

ö3. De eisclier is bevoegd de middelen van zijn eisch te wijzigen,

of, nog juister gesproken, deze in overeenstemming te brengen met de vormen voorgeschreven door eene speciale wet van burgerlijke rechtsvordering in casu de wet van 21 Aug. 1816 {SM. no, 34.).

Ktg. n0. IV Arasterdam, v. 1 Juni 1858, W. n0. 1973.

ocr page 467

Art. 134.)

,■»4. üe wijziging van eenen eisch tegen den derde gearresteerde tot afgifte ran gelden aan de eischers in eenen eisch tot uitbetaling aan rechthebbenden, na rangregeling, is geene verandering van het onderwerp van den eisch, daar dit laatste niet anders is dan eene andere wijze van executie.

Arr.-R. Amsterdam, v. 28 Oct. 1857, R. I!, jg. 1859, dl. IX. bl. 378—381.

55. Eene vordering tot nietig-verklaring van een testament bij repliek ingesteld, terwijl bij dagvaarding alleen boedelscheiding was gevorderd, is een ongeoorloofde vermeerdering van den eisch.

Arr.-R. Amersfoort, v. 24 Dec. 1859, R. B. jg. 18öl, dl. XI. 1)1. 54—58.

5(» De vordering oorspronkelijk gegrond op particulier tiendrecht, later op universeel tiendrecht ondergaat eene ongeoorloofde verandering.

Arr.-R. Zutphen, v. 5 Jan. 18G0, AV. n0. 2138.

59. Wanneer de eischer den gedaagde oorspronkelijk als solidair debiteur vervolgt, en nader alleen diens veroordeeiing pro rata parte vraagt, kan deze handeling als niet anders beschouwd worden dan als eene geoorloofde vermindering van den eisch.

Arr.-R. Brielle, v. 6 Sept. 1861, W. nquot;. 2305; cf. Arr.-R. Groningen, 29 Maart 1850, vermeld sul) hoc art. n0. 37.

58. De requirant van verilicatie formuleert zijne actie zoowel wat betreft de hoegrootheid, als wat betreft den aard zijner vordering op de vergadering der schuldeischers. Verzoek tot verificatie voor een grooter bedrag of toelating uit anderen hoofde bij conclusie ter rolle is in strijd met dit artikel

De rechter moet daarop echter niet letten, wanneer daarvan geen middel van niet-ontvankelijkheid is gemaakt.

Arr.-R. Dordrecht, v. 28 Dec. 18G3, R. B. jg. 1864, p. 580; vgl. betreffende het laatste punt, aant. 4 op dit art.

5?gt;. Het verzoek bij nadere conclusie gedaan, om te gelasten dat de hypotheekbewaarder het te vellen vonnis en het proces-verbaal van den notaris in zijne registers zal overschrijven, en die overschrijving zal gelden als titel van eigendomsoverdracht, is niet als eene verandering of vermeerdering te beschouwen van de vordering waarbij werd

442

ocr page 468

{Art. 134.

gevraagd dat de rechter zou gelasten dat de wederpartij binnen een te bepalen termijn met den eischer zal verschijnen voor een te benoemen notaris ten einde op te maken een akte van koop en verkoop.

P. H. v. Drente, 23 Mei 18(j3. W. n0. 2540, R. B. jg. 1864, p. 015.

OO. Wann eer oorspronkelijk gevorderd wordt betaling voortvloeiende uit koop en verkoop in publieke veiling en later wordt gesteld dat de koop uit de hand zou hebben plaats gehad onder voorgeven van vergissing, stelt dit eene geoorloofde wijziging daar, op grond dat het feit dat de verkoop publiek of onderhandsch heeft plaats gehad slechts is een accessorium van liet onderwerp van den eisch koop en verkoop.

Air.-R. Amsterdam, v. 10 Maart 1804, R. B. Jg. 1804, p. 425.

ttÈ. Wanneer de eischer oorspronkelijk eene vordering heeft ingesteld tot algeheele opruiming van een dam en die later wijzigt in eene vordering tot opruiming van zoodanig gedeelte van den liti-gieusen dam, als het Hof in goede justitie zal vermeenen te behooren en tot het brengen van de localiteit aldaar in dien toestand, dien liet Hof zal uitmaken te beantwoorden aan 'net ten deze tusschen partijen bestaande recht, — dan is dit wegens de onbestemdheid der latere vordering, als eene vermeerdering of vermindering (lees : verandering) van het onderwerp van den eisch te beschouwen, in strijd met dit artikel.

I', II. v. X.-Holland, v. 30 Nov. 1865, W. nquot;. 2805.

«ia. Het is eene geoorloofde vermindering van den eisch, wanneer de eischer, na bij dagvaarding gevorderd te hebben handhaving in het bezit vau een stuk gronds, dienende tot uitweg voor zijn huis en schadevergoeding wegens de hem door den gedaagde in dat bezit veroorzaakte stoornis, bij zijne laatste conclusie, met vermindering van den eisch, alleen vordert handhaving in het bezit van een voetpad, op die strook gronds bestaande, en schadevergoeding wegens de stoornis in het bezit van dat voetpad, door den gedaagde te weeg gebracht;, met afstand van allen verderen eisch betreffende het overige gedeelte dier strook.

Air.-Ii. 's-Hertogenboscli, v. 19 .luni 1867, VV. n0. 2984.

«3. Het is eene ongeoorloofde verandering van den eisch, wanneer

443

ocr page 469

Art. 134.)

een inschuld van een nalatenschap in haar geheel door een erfgenaam, als vertegenwoordigende de rechten des erflaters, wordt opgevorderd, terwijl bij conclusie die vordering beperkt wordt tot het aandeel van den eischer als ^«cfe-erfgenaam in de gevorderde inschuld. Immers de eischer verandert daardoor zijne bij dagvaarding aangenomen kwaliteit.

Arr.-R. Amsterdam, v. 15 Sept. 1808, W. nn. 3049, R. B.jg. 1869, p. 398.

O-i. Een eisch, bij conclusie gedaan tot bijbetaling van interessen, verloopen sedert de dagvaarding, strekt tot vergoeding van kosten, schade en interessen en bevat mitsdien geene wijziging, maar eene ongeoorloofde vermeerdering vau de oorspronkelijke vordering.

Arr.-R. Maastricht, v. 25 Nov. 1869, W. n0. 3199.

C»o. Eene vordering oorspronkelijk strekkende tot betaling van eene aannemingssom, die bij eene latere conclusie niet anders kan worden beschouwd dan als een voorstel tot schikking van het tusschen partijen bestaand geschil met eene controle en arbitrage, heeft eene met de wet strijdige verandering ondergaan.

Arr.-R. Amsterdam, v. 12 Jan. 1869, R. B. Jg. 1870, dl. 20, p. 53.

Wft. Intrekking van een deel van den eisch is geene vermindering van de vordering, maar afstand van instantie, wanneer dat gedeelte der vordering op eenen anderen feitelijken grondslag rust, dan het overblijvend gedeelte dier vordering.

Arr.-R. 's-Hertogenbosch, v. 13 Nov. 1808 R. B. jg. 1870, p. 148; idem Arr.-R. Amsterdam, v. 8 Beo. 1863, R. B. jg. 1865, p. 374. Vgl. hiermede in verband, vonnis Ktg. Schoonhoven, v. 20 Maart 1878, W. a°. 4307, ■waarbij is beslist dat, daar de eischer in dezen heeft ingesteld twee vorderingen, te weten; een van verdiend loon, en een van schadeloosstelling voor zes weken, de ingestelde eisch door af te zien van de laatste vordering, eene geoorloofde vermindering heeft ondergaan. (In casu berustten de beide vorderingen op éénen feitelijken grondslag).

Zie ook navolgende beslissingen :

Waar bij ééne dagvaarding gevorderd wordt de onteigening van meerdere grondstukken, is intrekking van de vordering ten aanzien van een dier gronden geene vermindering van den eisch, maar afstand van de instantie.

Arr.-R. Arnhem, v. 1 Febr. 1875, W. n0. 3922.

444

ocr page 470

(Art. ] 34.

Indien een eiscli strekt tot betaling van een saldo-rekening-courant en vervolgens tot liet doen van rekening als supercarga (welke beide vorderingen niets met elkander gemeen hebben) stelt de verklaring des eischers dat hij van de eerste vordering afziet, geene vermindering of wijziging van den eiscli daar, doch is deze een afstand van de instantie ten opzichte dier vordering.

Arr.-R. Amsterdam, v. 7 Jan. '18()3, W. ii0. 2481.

Ygl. ook Arr.-R. Groningen, v. 19 Dcc. '1873, W. n0. 37'14, ten bctooge dat door het laten varen van eene der ingestelde vorderingen, tusschen welke geen ander verband bestaat dan dat zij ongeveer terzelfder tijd zijn geboren en bij één exploit zijn ingesteld, afstand van de instantie te dezen opzichte gedaan wordt.

Ygl. hiermede in verband P. 11. v. Overijssel, v. 20 Dec. 1875, R. B. jg. 1876, A p. 156, waarbij is beslist, dat wanneer oorspronkelijk is ingesteld eene alternatieve vordering, het den appellant steeds vrijstaat, om het eene gedeelte der vordering vol te houden en het andere te laten varen.

iii. De eischer die eenmaal, hetzij uit eigen belang, hetzij uit gevoel van billijkheid zijn eisch heeft verminderd, kan daarop later niet terugkomen.

Arr.-R. Amsterdam, v. li Juli 1871, W. n0. 3393, R. B.jg. 1872, p. 794.

Vgl. P. H. in Limburg, v. 26 Juni 1865, W. n0. 2705, waarbij is beslist, dat de rechter niet meer omtrent de oorspronkelijke vordering kan beslissen, wanneer die is gewijzigd en veranderd. Zie ook implicite in denzelfden zin, arr. v. 1 Juni 1883, sub hoc art.

«S. Een e ingestelde vordering moet in haar geheel worden beschouwd en beoordeeld; de wet vordert nergens, dat steeds dezelfde woorden worden gebezigd ; en daar, waar blijkt, dat, zij het dan ook, onder andere termen, één en hetzelfde wordt geëischt, kan van geene verandering of vermeerdering van den eisch sprake zijn.

P. H. v. Zeeland, v. 10 Oct. 1871, vernietigende Rechtb. Zi enk zee, 15 Juni 1869, W. n0. 3439, R. B. jg. 1872, p. 762, ook vermeld ad art. 59 Rv.

Wanneer een punt van feitelijk verschil wel is verplaatst {in casu door het inkorten van den gestelden termijn van levering naar de aanwijzing door de wederpartij zelve gegeven) maar de grondslag en de strekking der actie behouden zijn, kan niet aan eene verboden verandering van den eisch gedacht worden.

P. H. v. Zeeland, v. 19 Nov. 1872, R. B. jg. 1873, dl. 23, p. 562.

445

ocr page 471

Art. 134)

ÏO. Dit artikel is niet van toepassing, wanneer de beweerde verandering van de posten eener rekening, die den grondslag der vordering uitmaakt, niet in den loop van liet geding heeft plaats gehad.

Arr.-R. Amsterdam, v. G Febr. quot;1874, W. n0. 371'2.

9 4. Het beginsel van dit artikel is ook gehuldigd bij art. 501 15. R.

P. H. in N.-Holland v. 22 April 1875, W. nn. 3944.

S® Waar in de dagvaarding wordt gevorderd de afkoop van het geheele tiendblok, als één geheel, tegen eene ook over het gelieele blok berekende koopsom, stelt de opneming in de conclusie van een bij dagvaarding niet gemeld perceel, dat met andere opgenoemde het geheele tiendblok uitmaakt, geeue ongeoorloofde vermeerdering van het onderwerp van den eisch daar.

Arr.-R. Arnhem, v. 22 Nov. 1875, W. n0. 4063.

Ï3. De eischer, die eerst krachtens zekeren titel erkenning vaneen erfdienstbaarheid vau uitgang vordert voor den geheelen grond en later krachtens denzelfden titel dezelfde erfdienstbaarheid vordert voor een gedeelte van dienzelfden grond, vermindert zijn eisch op ongeoorloofde wijze.

P. H. in Z.-Holland, v. 25 Oct. 1875. W. ii0. 3909.

S4. Ook de intervenient kan zijiie interventie niet vermeenleren door latere bewering van vorderingen, waarvoor hij niet is geinter-venieerd.

Arr.-R. Maastricht, v. 13 Juli 187(). R. li. jg. 1877. afd. A, p. 81.

W. n0. 4047.

9 5. Wanneer bij dagvaarding wordt gevorderd: Ie. handhaving in het rustig genot van het gehuurde, en 11e. voorwaardelijk, bij eventueele uitzetting schadevergoeding, terwijl bij de conclusie van eisch wordt gevorderd : Ie. acte van de uitgevoerde ontruiming, en Ue. onvoorwaardelijke schadevergoeding, heeft daardoor geene wijziging van den eisch plaats, en kan uit het niet herhalen der vordering tot handhaving, ook niet worden opgemaakt afstand van die actie, zoodat die vordering alsnog kan worden onderzocht.

Arr.-R. Maastricht, v. 29 Juni 187G, W. n0. 4040.

446

ocr page 472

(Art. 134.

Sft De vorflering van rlen eisclier, rlat hem worde verleend acte van een na de dagvaarding bewerkstelligde wederrechtelijke ontvreemding, is als niet deel uitmakende van het bij dagvaarding geëischte, eene vermeerdering van eisch.

Arr.-R. Maastricht, v. 29 Juni 1870, W. nn. 4040.

■JS. Het om de eene of andere reden intrekken van de hoofdvordering met handhaving van den eisch tot veroordeeling in de kosten, is geen vermomde afstand van de instantie, maar bloot eene geoorloofde vermindering van den eisch ; de instantie toch loopt niet enkel over de principale vordering, maar omvat ook die, betrekkelijk de proceskosten.

Arr.-R. 's-IIertogenbosch, v. 4 April '1877, W. n0. 4319, bevestigd l)ij air. Hof 's-Hertogenbosch, v. 19 Maart 1878, W. n0. 4294.

Het beroep in cassatie tegen dat arrest werd verworpen bij arr. v. 27 Dec. 1878, W. n0. 4334, R. B. jg. 1879, A p. 65 sqq.; ook vermeld ad art. 56 A, B. R. ; idem arr. P. H. v. Overijssel, v. 3 April 1805, W. n». 2808; idem Arr.-R. Groningen, v. 11 Juli 1879, W. n0. 4421. R. B. jg. 1880, A p. 34, welk vonnis wordt bestreden door Mr. W. Tonckens JLzn in W. nquot;. 4430, die van oordeel is, dat de stelling alleen dim opgaat, wanneer de gedaagde aan de hoofdvordering voldoet zonder kosten te betalen, maar niet wanneer, zooals in casn, het belang van bet ingesteld appèl door andere oorzaken is te loor gegaan.

Zie ook naar aanleiding van deze beslissing N. in R. R. t. a. p., blz. 36 sq.; anders: Arr.-R. Amsterdam, v. 23 Sept. 1850, R. B., jg. 1857, dl. VH, p. 278 sqq.; W. nquot;. 1810; idem Ktg. n0. IV Amsterdam, v. 19 Mei 1857, W. n0. 1873; idem Arr.-R. Groningen, v. 17 April 1874, W. n0. 3749, hoofdzakelijk op grond dat het tegenovergestelde zou leiden tot het ongerijmde gevolg, dat de rechter alleen zou moeten beslissen over eene accessoire vordering van kosten, welker toewijzing of ontzegging geheel afhankelijk is van de al- of niet toewijzing dor hoofdvordering, over welker gegrondheid hij echter niet zou mogen oordeelen.

Vgl. navolgende beslissing ;

De intrekking van een eisch in reconventie is niet eene wijziging of vermindering van die vordering, maar een afstand der instantie, die, wanneer 7,ij niet volgens de bepalingen der wet heeft plaats gehad, geene rechtsgevolgen kan hebben.

Arr.-R. Amsterdam, v. 26 Jan. 1870, W. n0. 3252. -— Cf. eindelijk art. 56 A, B. R.. arr. v. 27 Dec. 1878 sqq.

SS. Ook na de conclusie van eisch en van antwoord, is de eischer

447

ocr page 473

Art. 134.)

bevoegd een gedeelte van zijn eisch intetrekken, al is juist op dat gedeelte eene reconventioneele vordering gebouwd.

Arr.-R. Amsterdam, v. 14 Mei 4877, R. B. jg. -1878, A p. 270. waarbij nog werd beslist dat daardoor de reconventioneele vordering niet vervalt, maar de gedaagde die zelfstandig moet bewijzen ; cf. Arr.-R. Rotterdam, v. 20 Febr. 1881, sub hoc art.; vgl. in verband hiermede. P. li. v. N.-Brabant, v. 4 Juni 1839, sub art. 138 B. R.

SW. Eene meer uitvoerige voorstelling der feiten, of eene veranderde kwalificatie van de vordering doet den feitelijken grondslag der vordering niet veranderen en stelt mitsdien geene ongeoorloofde verandering van den eisch daar.

Arr.-R. Middelburg, v. 24 üct. 1877, R. B. jg. 1878, A p. 120.

SO. Niets belet den eisclier in zijne vordering tegen sommige gedaagden eene wijziging te brengen, die liet antwoord der overigen noodig maakt.

Arr.-R. Leeuwarden, v. 15 Nov. 1877, W. nquot;. 4211.

81. Wanneer de eiscb strekt tot ontruiming van den door gedaagde ingenomen grond, zonder dat hij daartoe in t minst recht had, en bij nadere conclusie die eisch in zooverre gewijzigd wordt dat de eischers thans stellen dat gedaagde den door hem geoccupeerden grond met vergunning of gedoogen der eischers heeft ingenomen, en dat dit gebruik hem sedert, van wege de eischers is opgezegd, en hij onwillig is dien grond te verlaten, kan door deze handeling der eischers de ingestelde eisch niet gezegd worden veranderd te zijn, vermits bij die nadere conclusie noch het petitum, noch het wederrechtelijk gebruik ter zijde wordt gesteld, maar alleen geposeerd wordt dat het wederrechtelijk gebruik op een later tijdstip dan aanvankelijk gesteld was, is aangevangen.

Arr.-R. Groningen, v. 20 Dec. 1878. W. n0. 4363.

Slt;ï. Wanneer de eischer bij dagvaarding heeft gevorderd scheiding en verdeeling eener nalatenschap, met benoeming, in geval van oneenig-heid, van een notaris en van een onzijdig persoon, is de bij conclusie daarenboven gedane vraag, dat de rechtbank moge bevelen, dat vooraf

448

ocr page 474

een inventaris van tie te verdeelen nalatenschap zal worden opgemaakt, als eene geoorloofde wijziging der vordering te beschouwen.

Arr.-R. Zutjihen, v. 12 Dec. 1878, W. 4321.

83. liet is eene ongeoorloofde vermeerdering van den eisch, waar de dagvaarding alleen gewaagde van de ontbinding eener overeenkomst, voor zoover zij een barer beide voorwerpen betrof, en bij latere conclusie die ontbinding ook tot het andere werd uitgestrekt.

Arr.-R. (Ironingen, v. 18 Oct. 1878, \V. 4343.

«4. W anneer de eischeresse de provisioneele vorderingen van de artt. 266 en 268 B. W. reeds bij de dagvaarding tot echtscheiding heeft gedaan, en zij deze ingevolge art. 824 15. R //incidenteelquot; heeft aangebracht, kan het niet als eene ongeoorloofde vermeerdering van den eisch aangemerkt worden, wanneer zij bij de incidenteele conclusie meer tot onderhoud vordert, dan in de dagvaarding was gedaan : vermits die incidenteele vorderingen niet bij de dagvaarding, op de hoofdzaak betrekkelijk, vlg. art. 824 B. R. kunnen worden ingesteld, en zij dus bij incidenteele conclusie gedaan, als de eerste acties zijn aan te merken.

Arr.-R. Alkmaar, v. 2 .lan. •1879. W, no. 4355, R. B. Jg. 1880, A p. 283, waarbij nog werd beslist, dat de vordering tot uitkeering van onderhond van f200, — nadat dooi den president flOO was toegelegd, — ook niet als eene vermeerdering van den eisch is te houden, vermits die voorloopige aanvrage bij request en voordat er nog eenig rechtsgeding aanhangig is, niet. met een gewonen eisch kan worden gelijkgesteld.

85. De verwisseling van de hoofd vordering, waaraan een vordering tot van waardeverklaring van derde arresten is verbonden met eene andere, zij het dan ook gelijke vordering, stelt een verboden verandering van eisch daar.

Hof Amsterdam, v. 3 Jan. 1870. R. B. 1879, A p. 174.

8«. W anneer in de memorie van grieven meer wordt gevorderd dan bij de akte van appèl, heeft zulks niet de niet-ontvankelijkheid van het geheel appèl ten gevolge, maar kan alleen dat meerdere niet worden toegewezen.

Hof Amsterdam, v. 28 Mei 1880, W. nquot;. 4557.

8S. De eisch om in plaats van een gezamenlijk ingestelde vordering te stellen even zoovele vorderingen als er eiscbers zijn, elk

Mr. \V. van Kossem Bz , Burg. Rechtsv. *2i)

ocr page 475

■ 1 1

-j/ . / , /1 „ O yUcxv-ayns ^ ^oteSamp;*JLSt.

l imyy\- -yu^C-oCcia-^ ~ Oquot; Omm yy

^ OuO. lt;n~o**~^y ^ a '

C^^/cUJi^ « je.e~.

óh.J^^a- ^ ^

krt. 134.) 4,50

voor een gelijk bedrag, te zamen uitmakende hetzelfde bedrag als bij den oorspronkelijken eisch werd gevorderd, wordt ten onrechte eene vermindering van den eisch genoemd.

Arr.-R. Rotterdam, v. 28 Juni 1880, W. n0. 4556.

Waar de .oorspronkelijke eisch steunde op- en gericht was tegen de inrichting van het dak der fabriek en eene nadere conclusie slaat op de verkeerde inrichting van den grondslag van dien, is luenn eene vermeerdering, althans verandering van den eisch gelegen.

Arr.-R. 's-Heitogenbosch, v. 24 Sept. 1880, W. nquot;. 4682.

S». De vordering tot vernietiging van het beslag voor het geheel is volstrekt niet in strijd met de vordering, dat het althans ten deele worde vernietigd ; laatstgeraekle kan ook zeker niet gezegd worden de eerste te vermeerderen of het onderwerp daarvan te veranderen.

Hof 's-Hertogenbosch, v. 15 Jan. 1880, W. no. 451:!

»0. Daargelaten de vraag of deze bepaling van toepassing is op summiere zaken, wijl bij deze slechts van weerszijden ééne conclusie is toegelaten, zoo was m casu de eischer alleszins gerecht.gd zijne vordering bij conclusie van' repliek te wijzigen, omdat daarop nog twee conclusies, zoowel een van den gedaagde als een van den eischer

gevolgd zijn.

Arr.-R. Rotterdam, v. 26 Febr. 1881, W. nquot;. 4660, R. H. jg. 1881.

A p. 229; vgl. Arr.-R. Amsterdam, v. 14 Mei 187/, sub hoc ait.

?gt;i. Verandering van het voorwerp dat wordt gesteld verKocht en geleverd te zijn is ongeoorloofd, ofschoon prijs en datum onveranderd blijven.

Arr.-R. Amsterdam, v. 27 Dec. 1881, R. F!, jg. 1881, A. p. 231

»«. De vermindering van de vordering kan niet meer ontvangen worden, wanneer de hoofdzaak virtunliter is beslist. Dit laatste geval is aanwezig wanneer, ook bij een interlocutoir vonnis, aan eene

der partijen de suppletoire eed is opgelegd.

Arr.-R. Assen, v. 10 Jan. 1881, W. nquot;, 4684, vernietigende vonnis

IC tg'. Assen, v. 29 Juli 1880, t. z. p.

Sgt;3. De latere toevoeging aan den eisch tot veroordeeling van

ocr page 476

{Art. 134

gedaagde om met den eischer over te gaan tot. afpaling van twee erven, van de vordering om te doen benoemen drie deskundigen, met last om de scheidingslijn tusschen de erven aan te wijzen, is geene verboden vermeerdering der vordering.

Arr.-R. 's-Hertogenbosch, v. 24 Febr. 188Ü, W. n0. 4700.

O-I. Waar in de dagvaarding wordt gesteld, dat een raam in strijd met de wet in een muur was aangebracht, en in de nadere conclusie wordt melding gemaakt van een raam in een miner //immers in het dak daarbovenquot;, doet die laatste bijvoeging geene verandering van den eisch ontstaan, waar het blijkt dat de gedaagde reeds uit de dagvaarding begrepen had, dat het raam in het dak bedoeld werd.

Arr.-R. Amsterdam, v. 14 Febr. 1882, W. no. 47C9.

OS. Evenmin als de eischer zijn eisch mag veranderen, is de gedaagde bevoegd den eischer een anderen eisch op te dringen , dan hij werkelijk heeft ingesteld, terwijl de rechter evenzeer die bevoegdheid mist.

Arr.-R. Utrecht, v. 28 Juni 1882, W. n°. 4837; vgl. ten aanzien van 's rechters bevoegdheid tot vermindering der vordering aant. 37 op dit art.

Ott. Het laten vallen van het beding '/franco Amsterdam,quot; bij eene gestelde overeenkomst van koop en verkoop, is eene verandering van den grondslag der vordering, strekkende tot ontbinding dier overeenkomst op grond van wanpraestatie van den verkooper ten opzichte van de levering.

Hof Amsterdam, v. 24 Nov. 1882, W. nquot;. 4866.

m. Onderwerp moet opgevat worden in den ziu van de rechtsverhouding der partijen, den titel van den eisch.

Het woord eisc/i komt overeen met de duidelijke en bepaalde conclusie, voorgeschreven bij art. 5 Rv., en bestaat dus ia datgene wat de eischer van de gedaagde vordert of m. a. w. het petitum.

Waar nu de eindcijfers dezelfde zijn gebleven, maar in de verschillende posten verandering van cijfers heeft plaats gegrepen om vergissingen te herstellen, kan van geen verandering van den eisch sprake zijn.

Arr.-R. Amsterdam, v. 26 Jan. 1882, R. 15. jg. 1882, A p. 33; idem

ocr page 477

Art. 134.) 52

zelfde rechtbank, v. 2-2 Febr. 1883, W. n®. 4881. — Cf. air. v. 22 Nov. 1872 sqq. sub boe art.

»8. Zie ten betooge ;

a. Dat de interpretatieve feitelijke verklaring van den judex facti, ook met betrekking tot de vraag, in hoe verre een in hoog er beroep gedane eisch al of niet in zich bevat eene nieuwe of andere en vermeerderde vordering, alle denkbeeld van schending van art. 134 doet vervallen —

art. 99 R. Onr., arr. v. 3 April 1846, sub B. nquot;. 29. (1ste en 2de ed.); vgl. hiermede in verband, bot sub hoc art. vermeld arr. v. 22 Nov. 1872. waarbij is uitgemaakt, dat de beslissing van do vraag of de eischer bet onderwerp van den eisch heeft veranderd, is eene questio juris.

h Dat de bepaling van art. 134 15. R. ook van toepassing is op de wijze van procedeeren voor den kantonrechter —

art. 425 B. R., vonnis van de Arr.-R. Groningen, v. 10 Juni 4843 sqq.,

c. Dat hij, die den eisch tot vervallen-verklaring van eene beklemming heeft ingesteld, bevoegd is om van de primitievelijk daarbij tevens gevorderde aanwijzing en uitvoudiging van het land af te zien—

art. 4654 B. W.. vonnis van de Arr.-R. Groningen, v. 30 Juni 1848, sub nquot;. 9.

d Dat ook op het verzet de eisch nog verminderd kan worden — Arr.-R. Amsterdam, v. 20 Oct. 4880, W. uquot;. 4628.

»?gt;. Zie omtrent de vraag, quid juris:

1°. Wanneer eene vordering meerdere onderdeden bevat, waarvan

sommige de bevoegdheid des rechters te boven gaan —

een vonnis van de Arr.-R. Maastricht, v. 8 Jan. 1846, W. no. 782, vermeld op art. 156 li. R.

2°. Met betrekking tot de compensatie van kosten, ten gevolge van de vermindering van den eisch —

bet aangeteekende op art. 56 B. R., sub litt.

JLOO. MrrraaiAiKii's oordeel over het ontwerp van een Xederlandsch Wetboek van ikirgerlijke Rechtsvordering van lSf)5 is vertaald ojjge-nomen in Themis, 2de verz., dl. XU, blz. 365 sqq. en in ïhemis.

ocr page 478

(Art. 134.

2fle verz , dl. XI li, bl/,. 67 sqq. M. ])rijst dit ontwerp zeer, maar keurt niet goed, dat naar art. 6 T. 1. 13. If, de eischer in den loop van het geding het onderwerp der vordering niet mag veranderen, het bedrag niet vermeerderen en bij de mondelinge voordracht gcene nieuwe rechtsmiddelen mag aanvoeren; terwijl hij tevens bezwaren oppert tegen het vragen van recht op de stukken zonder mondelinge voordracht. M. stemt met het ontwerp toe, dat de procuratio ad litem te verkiezen is boven het middel van désaveu.

Arl 135.

i Onder de woorden : heteekende rechUdag, in art. 75, en feu dienenden dage, in art. 135 B. R., moet uitsluitend worden verstaan de eerste dienende dag, bij dagvaarding beteekend, niet dat gevolg, dat, wanneer een gedaagde eenmaal procureur in liet geding heeft gesteld en deze op den bij de dagvaarding beteekenden rechtsdag is verschenen, geen verstek moet worden verleend, maar die uitspraak steeds als contradictoir moet beschouwd worden, al mocht ook die procureur op latere terechtzittingen niet verschijnen.

Arr. v. 8 Oct. 1841, W. nquot;. 231; H.. dl. IX. § 12; v. d. H. li. It., dl. II. p. 322—328; idem, ten aanzien van een appellant, die in eene zaak van gewone behandeling, na zijne dagvaarding, op den eerst bij avenir door de wederpartij beteekenden rechtsdag niet verschijnt, bij arr. v. 24 Mei 1850, W. nquot;. 1128; R.. dl. XXXV, § 75; v. n. li. B. li., dl. XII. p. 38—46. (1) In denzelfden zin beslist bij vonnissen van de Arr.-R. Amsterdam, v. 4 Jan, 1839, llcfil in Scderl.. dl. 11. p. 53; R., dl. I. 14; v. 12 Maart 1830. Reep in ScdcrL, dl. II. p. 53 (iu welke zaak reeds vóór de bevolene expertise door beide partijen conclusiën ten princi-pale genomen zijn, doch de gedaagde niet is verschenen op de nader aan hem gedane oproeping, nadat het rapport dor deskundigen ter griffie was nedergelegd); v. 29 Jan' 1840, R. H. jg., 1843, dl. V. p. 759 — 761; v. 31 Dec. 1841 en 6 Jan. 1842, R. li.Jg. 1844, dl. IV, p. 160; v. 0 April 1849, R. R, jg. 1849, XI, p. 60 en v. 26 Xov. 1852, R. B., Jg. 1852, p. 108—116; idem Arr.-R. Alkmaar, v. 21 Sept. 1843, R. R.. jg. 1845. dl. VII, p. 321; van Winschoten, v. 25 Nov. 1840, W. nquot;. 173; idem P. H. v. Z.-Holland, v. 8 Nov. 1843, W. n0. 456, onder 't Mengcl-

453

1

Gelijk te recht wordt opgemerkt in quot;t W. no. 112S heeft de H. K., bij arr. v. 24 Mei 1850, niet alleen volhard bij liet beginsel, aangenomen bij arr. v. 8 Oct. 1841, maar het zelfs tot lt;len eischer uitgestrekt (Leos).

ocr page 479

Art. 135)

iw»'/.' en v. 17 April '1844, R.. dl. XIX, § 91; v. N.-Holland, v. 'i.) April •1842, R. B. jg. 1842, dl. IV, p. 360—364; Arr.-R. 's-Gravenhage, v. 48 Jan. 4850, W. nquot;. 1100; P. 11. v. Gelderland, v. 24 Mei 1871, W. nn.

: Cf. ook Ktg. Woubrugge, v. 27 Juli 1859, R. li., jg. 1859, dl. IX. p. 511, ■waarbij is beslist dat, als gedaagde op oen naderen rechtsdag niet verschijnt, die niet-verschijning geen verstek ten gevolge heeft, maar geacht moet worden gelijk te staan met erkenning der gestelde feiten ; door den iloogl. van Hai.i.. R. 1!., jg. 1849, dl. 1. p. 101; door den heer v. it. UoNERT R. B., jg. 1839. dl. I, p. -170—176; jg. 1840, p. 337—339; Oudeman, 4de ed., dl. I, p. 178 en Lipman, B. li., p. 68; — anders bij vonnis van de Arr.-R. Amsterdam, v. 24 Dec. 18:58; idem 's-flravenhage, v. 22 Febr. en 12 Maart 1839 en bij arr. van 't P. II. v. Holland, v. 27 Maart 1839, allen opgenomen in 't Rcf/t in Xederl, dl. 11, p. 52 en 53; idem 's-Gravenhage, v. 14 Nov. 1843, \V. nquot;. 456, onder 't Mengelwerk; idem Amsterdam, v. 25 Juli 1839. R. B. jg. 1842, dl. IV, p. 407 en 408; van Groningen, v. 11 Oct. 1839, R. Bijbl. jg. 1839, dl. 1, blz. 505 en Rcf/t in Sedert, dl. 11. blz. 232 en van Alkmaar, v. 17 Oct. 1839, R. B. jg. 1845. dl. VII, p. 321 ; idem v. Assen, v. 18 Nov. 1844, R. B. jg. 1846, dl. VIII. p. 586 en 588; alsmede (ook uit overweging dat de enkele verschijning des eischers op de terechtzitting, ten dage bij de dagvaarding aangewezen, zonder dat er iets anders voorvalt dan de verklaring, dat de zaak op de gewone wijze of summier zal worden behandeld, volstrekt geen judicieel contract tusschen partijen daarstelt en liet proces eerst contradictoir wordt door liet nemen der wederzijdsclie conclusion) bij arr. van het P. 11. v. Drente, v. 29 Sept. 1849, W. n,,.i-104; R. B. jg. 1852, p. 96—99; H.. dl. XXXVI. § 67 (vernietigd bij arr. van den H. R. v. 24 Mei 1850 ut supra); idem door Mr. S. Schmoi.ck, R. B. jg. 1839, dl. 1. p. 161—170 en jg. 1840, dl. II, p. 353—361 ; doorP. J. v. d. B. in 't R. 7?. jg. 1840, dl. II, p. 138— -141; dk Pinto, ;/lt;//., ILL p. 248—252, 2dccd., p. 262 sqq. en Themis, dl. HL p. 383; de redactie van 't W. in n0. 1128 en Mr. F. A. T. Weve in 't \V. nquot;. 1130. — Zie ook art. 75 sub nquot;. 1 B. R. en art. 135 B. R.. vonnis van de Arr.-R. Assen, v. 18 Nov. 1844, sub n0. 8; art. 612 B. R.. arr. v. 8 Oct. 1841 ; alsmede, omtrent de daarmede in verband staande kwestie over hot recht verstand van art. 273 W. v. Strafv., Mr. I. A. 'I. Weve, Themis, dl. X, p. 559—504, waaruit blijkt, dat de H. R., bij arr. v. 9 Maart 1847, W. n0. 849, in strafzaken hetzelfde gevoelen als if eivilibiis heeft aangenomen (*). Zie omtrent de beteekenis van »teii dienenden dagequot; in art. 141 B. R.. arr. v. 24 Mei 1850 sqq. aldaar.

'i Wanneer tegen een geïntimeerde, als ten dienenden dage geen procureur gesteld hebbende, verstek is verleend, dan heeft hij geen bevoegdheid om eeuigen tijd daarna, al mocht ook nog niet blijken

(*) De Indische wetgever heeft zich omtrent het punt in kwestie nader verklaard. Art. 109 van het in 1848 vastgesteld Reglement op de manier van proeedeercn in civiele zaken in Nederl. Indië beantwoordt bevestigend de vraag, of eene zaak geacht wordt geheel op tegenspraak behandeld te zijn, indien de procureur des verweerders op den eersten rechtsdag verschenen is eu verder wegblijft.

ocr page 480

(Ar I. 135.

van de afdoening der zaak van de zijde des appellants, alsnog procureur te stellen en zoodoende met eene bij de wet niet slechts onbekende, maar met art. 135 B. 11. geheel onbestaanbare procureursconstitutie de zaak aan de kennisneming des rechters te onderwerpen.

Arr. v. 24 Juni 1833, W. nquot;. 1614. — Vgl. hiermede de noot op art. 81 11. R., sub n0. 9 ; alsmede art. 133 B. K., sub u0. 17«.

:S. De woorden : tussclen de dagvaarding en den. day op welken hij (de gedaagde) verschijnen moet, voorkomende in het 1ste lid van art. loó 15. 11., geven, bij vergelijking met art. 137 B. 11. genoegzamen grond, om het er in zaken van gewone en ftammiere behandeling voor te houden, dat eene procureur-stelling door den verweerder, ten dage dienende, vóór de audientie, aan den procureur des eischers beteekend, voldoende is, ten minste geen grond geeft om als nietig en van onwaarde beschouwd te worden.

Arr.-R. Arnhem, v. fl Deo. 1839, \V. nO. 08: 1!.. dl. V. § 09; idem

0. a. ook op grond: 10. dat do ■woorden xtusschen de dagvaarding enz.,quot; in den zin des wetgevers niet zóó strictissime moeten worden opgevat, dat de laatstgenoemde dag zou zijn een Icrmimis ad fjiicin, volgens den regel, vervat in art. 8 IS. R., maar dat deze dag, mits vóór de audientie, mede gerekend moet worden onder den termijn, intrn (/ci.'m de procureur-stelling moet plaats hebben, en 2°. dat het verleenen van verstek, daar, waar niet ten duidelijkste verzuim heeft plaats gehad van den termijn, door den wetgever voorgeschreven tot het stellen van procureur, en waar van liet stellige voornemen des verweerders blijkt om zich in judicio te sisteren, tot niet anders dan tot tijdverzuim en frustratoire kosten kan leiden, welke beide in eene goede rechtsbedeeling behooren vermeden te worden — bij vonnis der Arr.-R. Nijmegen, v. 8 Sept. 1843, R. B. jg. 1844, dl. VI. p. 180—181 ; R., dl. XVII. £ 101 ; — bij vonnis der Arr.-R. Gorin-chem, v. 22 April 1802. W. n0. 2480; — idem nu I'ixto, Ji. It., 2e ed., II,

1. blz. 201 volgg. die op zijn gevoelen verdedigd in de eerste editie (zie hieronder) is teruggekomen; — idem Scuui.i.er op art. '133; idem van Nooten in li. JI. jg. 1879, A p. 91, die in strijd met Arr.-R. Amsterdam, v. . . Nov. l!s!78, R. !!. jg. 1879 A p. 18. de procureurstelling zelfs i/cdn-rfndc de rol, raits vóór dat de zaak wordt afgeroepen, geldig acht; idem I'kxxixg, ad art. ; — anders op grond van de gebiedende bepaling der wet, welke in deze geen twijfel overlaat, door Ouukman. /gt;. 11.. 4de ed.. dl. I, p. 170 en 177 en, edoch alleen voor bet geval van contradictie — in de O/i/h. en Mod., dl. X. p. 111 —117 en dl. XV, blz. 140 sqq.; idem nu Pinto, Ie ed., /ƒlt;//., II. 1, p. 240 en 247 ; idem op grond dat, indien volgens art. 142 B. R., in zaken van gewone behandeling de verweerder kan volstaan, met door zijn procureur bij de oproeping der zaak, ten dienenden dage te doen aankondigen, dat laatstgemelde zich procureur gesteld beeft, zulks niet wegneemt, dat deze aanstelling, om de.vraag

455

ocr page 481

/Irf. J85.) 456

en de uitspraak van liet verstek te beletten, binnen den bij art, Kïö bepaalden termijn moet zijn geschied en de wetgever dan ook te dien aanzien op het algemeen beginsel, bij art. 135 daargesteld, geene uitzondering voor do zaken van gewone behandeling gemaakt heeft — bij vonnis dei° Arr.-R. Maastricht, v. 15 Dec. 1843, W. n0. 462, R. B. jg. 1844. dl. VI, p 72 en 73; idem op grond dat volgens art. 8, quot;Iste gedeelte B. R., de-dagen van het exploit en van de verschijning niet mede gerekend worden onder den algemeenen termijn, en het slechts bij uitzondering en in tegenstelling van het voorschrift van art. 135 B. 11. geoorloofd is, ter audiëntie procureur te stellen, wanneer de eisch op korten termijn is ingesteld (art, 137 1gt;. U.). — bij een (in strijd met de conchisie van den toenmaligen subst.-offlcier Mi-. J. A. .1oli.es gewezen), vonnis van de Arr.-R. Amsterdam.

v. 11 Febr. 1848, \V. nO. 980; R. B. jg. 1848, dl. X, p. 105—107: idem bij een arrest van liet 1'. H. v. /..-Holland, v. 29 Juni 1863, W. uO. 2504. vernietigende het boven aangehaald vonnis der Gorinchemsche rechtbank ; idem Arr.-R. Amersfoort, v. 2 Maart 1859. 11. li. jg. 1801, dl. XI, p. 48

Sqq, __ Vgl. hiermede een vonnis van de Arr.-R. Haarlem, v. 23 Maart

1841, R.. dl. VII, § 41, waarbij, in tegenstelling van de voormelde beslissingen, wordt onderscheiden tusschen summiere en yewone zaken, en de constitutie van procureur in eene zaak van gewone behandeling, ten dage dienende, op grond van art. 142 li. R., voldoende wordt geacht, doch niet in zaken van summiere behandeling, o. a. uit overweging dat men, aannemende dat het geoorloofd zou zijn, in zaken van summiere behandeling op den dag der verschijning zelve procureur te stellen, het onderscheid tusschen deze zaken en die van gewone behandeling zou vervallen, en de bedoeling des wetgevers, om zaken, welke zich door haar quot;•erino; belang en eenvoudigheid kenmerken, aan eene summiere behandeling te onderwerpen, zou verijdeld worden!! — Vgl. hiermede het vertoog )iProcureur-stelling.quot; in 't W. n0. 1001.

4. Liet voorschrift van art. 1S5 jo. art. :i5:3 B. H , betrekkelijk de procureur-stelling is met zuo gebiedend, dat indien werkelijk ten dage dienende, met toestemming van partij procureur is gesteld, en daarvan op het audientie-blad aanteekening is gehouden, alleen bij gebreke van overlegging dier acte , tegen den gedaagde of geïntimeerde verstek moet worden verleend.

Arr.-R. Assen, v. 7 Maart 1842, W. n0. 287.

Cf. ten betooge dat een procureurstelling ook op ongezegelcl papier geldig is, al heeft men geen gratis-admissie bekomen -—

Arr.-R. Rotterdam, v. 14 Oct. 1878, R. B. jg. 1879, A p. 17.

5. Een eischer is, om verstek ten eersten beteekenden rechtsdage te verkrijgen, niet verplicht een bewijs over te leggen van de rechtsbetrekking of verhouding van den persoon aan wien, en de plaats

ocr page 482

{Art. 185.

waar geëxploiteerd is, tot den gedaagde, en heeft de reenter geene bevoegdheid om, bij niet-verschijning van den gedaagde, (te dier zallt;e) terstond of de plano liet gevraagde verstek te ontzeggen, en de dagvaarding ter zake van dit vermeend gebrek aan bewijs, nietig te verklaren.

1'. II. in Zeeland, v. 5 April 1842, \V. nquot;. '200, I!. B. jfr. 1842, dl. IV. p. 359 en 300; anders, bij liet daartoe betrekkelijk en in tegenoverge-stelden zin gewezen vonnis van de Arr.-R. Goes, W. n0. 274, 1!. li. jg. 1842, dl. IV, p. 353, en van de Arr.-R. Nijmegen, v. 14 April 1846. W. iiquot;. 738. - Cf. art. 76 lgt;. R.. vonnis van de Arr.-R. Assen, v. 19 Febr. 1849, sub iiquot;. 4.

ft. Er moet geen verstek verleend worden tegen iemand, die, nadat hij gedagvaard is, doch voor dat hij ten gevolge dier dagvaarding in rechten moet verschijnen, wordt verklaard te zijn in staat van faillissement, ook dan niet wanneer de curator qq., eene acte van procureurstelling aan den eischer doet beteekenen, zonder hem de oorzaak der schorsing van het rechtsgeding aan te zeggen.

Arr.-R. 's-llertogenbosch, v. 5 Aug. 1842, li. 1gt;. jg. 1842, dl. IV-p. 097—700. — Cf. art. 771 W. v. K., vonnis van denzelfden datimi, sub nis. 3 en 4, en ten betooge, dat in zake van curateele, bij niet-verschijuing der behoorlijk opgeroepen partij, geen verstek kan worden verleend, ook niet tegen een gedaagde, die na de dagvaarding, doeli vóór den beteekenden rechtsdag, op eigen verzoek onder curateele is gestold geworden — art. 496 11. \V., vonnis van de Arr.-R. Leeuwarden, v, 26 Nov. 1839 sqq., sub n0. I.

S. De rechter kan geen acht slaan op eene memorie van defensie door den gedaagde door middel van de grillie ingediend, indien deze, ten dage dienende, noch later, procureur heeft gesteld.

Arr.-R. Arnhem, v. 24 Oct. 1842, W. uquot;. 387, li. 1!., jg. 1843, dl. V. p. 342—346.

8. Art. 135 B. R,, in een gezonden zin opgevat, verplicht den eischer, om ten dage, waartegen hij heeft doen dagvaarden, de zaak te doen uitroepen, ten einde alsdan, door de niet-verschijning van een procureur, van het verzuim der procureurstelling blijke; hoedanig verzuim uit de niet-verschijning op eene (latere) terechtzitting, tegen welke niet is gedagvaard, niet kan worden afgeleid.

Arr.-R. Assen, v. 18 Nov. 1814. R. I!. jg. 1840, dl. VIII, p. 580—588;

ocr page 483

Art. 185)

Cf. Air.-R. v. Uulterdam, -2 Jan. 1882, It. 1!., jg. iSKI. A p. '20. waarbij is beslist, dat wanneer ten dienende dage geen verstek is gevraagd of verleend, zulks later niet meer kan plaats vinden, maar de door niets gestaafde conclusiën des eischers beboeren te worden ontzegd. Cf. art. 135 1!. li. air. v. 8 Oct. 1841 sqq.. sub ngt;gt;. 1.

fgt;. Hoewel art 3-14 15 R uitdrukkelijk bepaalt, dat de gedaagde in hooger beroep den termijn, waarop nij gedagvaard is, kan vervroegen en een dergelijk voorschrift bij de procedure in eersten aanleg niet gevonden wordt, volgt echter uit de algemeene beginselen van rechten (dat namelijk de termijnen van dagvaarding geheel ten voor-deele van den verweerder zijn ingevoerd) van zelf, dat zoowel in eersten aanleg als in hooger beroep de gedaagde het recht heeft om oj) de dagvaarding te anticipeeren, gelijk dan ook, zoowel onder de oiid-HoHandsche, als onder de l'Vansche wetgeving, door alle rechtsdoctoren eenparig aan den gedaagde was toegekend en in de praktijk aangenomen geworden, ofschoon dit toen ook niet door eemge uitdrukkelijke wetsbepaling was gesanctionneerd.

Arr.-R. Amsterdam, v. 20 Oct, 1845, I!. li. jg. 1840, dl, VUL p. föaJfahn** 45—49; idem door Mr. G. L. J.wsma van DEIt Pi.oeo, in zijne Studiën van Wcttm un ifef/Zs/jr., 1846 p. 70—94; bij Mr. v. üonf.vai. Fauue;

Jlfru. Opytt Xed ]gt;roce*rucht, (2de ed.), dl. 11, blz. 35; bij Ouukman, 11. It..

4de druk, dl. II. p. 31 ; door Mr. C. J. l-'KANrnis. Themis, dl. IV. p. 34—48, (waar echter niet zoo zeer het recht van anticipatie, in eersten aanleg, zoowel als in appèl, wordt beloocjcl ah wel verondersteld)-, alsmede meer opzettelijk door de Pintü . Hdl. B. li., dl.

n-'

de»/. /Jrf

7/ s ChJ-. bl. I- p. 484. sqq. (2de editie), die, even als de Hoogl. van Hai.l, in

de Mcmvc Bljdr. voor Bi-'ilsg. cn Wclg., jg. 1852, bl. 389 en volgg.. UflqU vau meening is, dat de bevoegdheid om te anticipeeren niet in de wet

K J behoeft geschreven te zijn, als zij reeds volgt uit do algemeene beginselen

w'qi. U'. 'yiquot; van het Itfc/il; dat de wetgever aan de toepassing van het algemeen beginsel, met betrekking tot een bepaald onderwerp, kan gedacht hebben, bsy' zonder dat men daarom behueft aan te nemen, dat hij die toepassing,

met betrekking tot een ander punt, heeft uitgesloten, en die redeneering te gereeder mag gelden, omdat uit de beraadslagingen blijkt, dat de wetgever ook den wil niet gehad heeft om die uitsluiting uit te spreken (vgl, v. d. Honeiit, dl. II. §' 344); cf. Arr.-R. Rotterdam, v. 12 April 1880, R. 1!.. jg. 1880 A p. 339, waarbij hetzelfde is aangenomen en tevens beslist dat een gedaagde niet anticipeeren mag binnen den wettelijken termijn ten nadeele van een medegedaagde, — anders bij vonnis der Arr.-R. Assen, v. 22 Maart 1841, 1!.. dl. VUL § 83; alsmede in het R. 1gt;. jg. 1839, dl. I, p. 30 en 31. Ygl. hiermede den lloogl. van IIai.i.. in de Bljdr. lui llcgtsg. en Wclg. ut supra, p. 389—399, in een vertoog ten opschrift voerende: Ven hel recht i'aii vervroegden Icrnujn of

ocr page 484

(Art. 135.

anticipatie, inzonderheid volgens het uud-Hollandsch recht, die aldaar o. a. doet uitkomen, dat de stelling niet geheel juist is, dat dc bevoegdheid om te anticipeeren, in Holland door r/ce»e uiIdrtikkeiijke ivefshe-hejjalinf/ iiyis f/esnnclionnccrd, daar dit rechtsmiddel reeds voor U00 jaren in onze rechtsbronnen en rechtspraktijk bekend was. — Cf. den Hoogl. M. des Amorie van her Hoeven, li. li, jg. 1853, p. 377, volgens vvien aan den gedaagde in lioogei' bernep het recht van anticipatie uitdrukkelijk is gegeven in art. 344 li. R., en het in alle andere gevallen aan het arbitrium van den rechter staat, om, naar mate van de omstandigheden en van het wederzijdsch recht en belang dei' partijen, te beslissen, of eene vervroeging van den termijn, door den gedaagde gedaan en door den eischer weersproken, al dan niet zal worden toegestaan. — Ygl. nog van der I.iniien. Judic. I'ra/Uijl!, '2de bock, 27ste hoofdst., § I ; '2de hoofdst., § 8; 4de hoofdst., § '1 : 18de hoofdst., § i en '19de hoofdst., §'1 : alsmede zijn Prak ticaal en Kouiiik. Jlandb., 3de boek, Iste dl., 5de afd., ^ 3 en Merun, Itcpert., v. anticipation on v. délai, sect. '1, § 1. art. 0. alsmede het aangeteekende op art. 83 li. R., arr. v. 14 Mei 1852 sqq.. sub n0. 2.

Indien eeue gedaagde gemeente niet ten behoorlijken name, overeenkomstig de voorschriften van hare organieke reglementen of wetten, procureur heeft gesteld, dan kan nog (ook dan wanneer de procureurstelling is geschied in de bewoordingen, waarin de gemeente gedagvaard is, als zijnde de bepaling, hoe en op welken naam de gemeente kaa procedeeren, van publieke orde) tegen haar verstek worden verleend, nadat de zaak op de introductie ter rolle, op verklaring van partijen, ordinair verklaard was en nadat die, zoo door beteekende memoriën van antwoord en repliek, door het nemen van conclusiën, als door de gehoudene pleidooien, in staat van wijzen was gebracht.

Arr.-R. 's-Hertogenbosch. v. 23 Febr. 1847, \V. un. 850. — Vgl. ook hiermede een in gelijken zin gewezen arr. van 't 1'. II. v. N.-Braband. v. 18 Maart 1851 , bereids vernield op art. 1692 li. W., sub n». 21 : zie vooral de noot aldaar; art. 4 li. R., vonnis van de Arr.-R. Nijmegen, v. 0 Jan. 1854, sub n0. 3: art. 92 13. R.. vonnis van 't Ktg. n0. II Amsterdam sine die, sub n0. 3 en art. 93 B. R., vonnis van de Arr.-R. Amsterdam, v. 28 April 1852.

£1. In het zeldzaam geval, waar niet gedagvaarde personen goedvinden, om, ais waren zij gedaagden, een procureur voor zich te stellen, en acten door dezen te laten teekenen, welke zij constitutie en conclusie noemen, behoeft diegeen, die als eischer met andere werkelijk door hem gedagvaarde personen m lite is, zich met die onge-

459

ocr page 485

Art 135)

roepene en geheel informeel tusschenkomende personen of met hunnen procureur niet in te laten en kan hij zich te hunnen aanzien niet praejudicieeren, wanneer hij, hunne acten en zoogenaamde conclusien ter zijde latende, met zijne tegenpartij voortprocedeert, welke tegenpartij, evenzeer als de eischer, vreemd is en blijven moet aan de zonderlinge houding, welke zoodanige derde personen of hunne practi-zijns zich veroorlooven, ten overstaan van den rechter aan te nemen, die, alleen bevoegd om recht te spreken tusschen litigeerende partijen, de dagvaarding tot richtsnoer neemt zijner beschouwing van de kwaliteiten van eiscber en gedaagden der voor hem gedingvoerenden, met terzijdestelling van alle informeele stukken, welke derden beproeven mochten in het proces te brengen.

P. H. v. N.-Holland, v. 22 Febr. 1849, W. n». li !3, R. li. jg. 1849, dl. XI, )). 438—140. — Cf. art. i li. R., air. van hetzelfde P. II. v. den-zelfden datum, sub n0. '12, en als uitzondering op dien regel, het ver-melde op art. '135, sub 11°. \lh.

13. Ofschoon de procureur des gedaagde verklaart zich te consti-tueeren voor den gedaagde, wonende binnen zekere stad, kan die verklaring, als strekkende alleen, om die constitutie in verband te brengen met des eischers dagvaarding, den gedaagde niet schaden. Hieruit volgt, dat al wat de acte van procureur-stelling des gedaagde bevat, daarom nog niet als van zijne zijde erkend beschouwd kan worden

Arr.-R. Amsterdam, v. 9 Maart 1849, \V. 11°. 1031 ; R. li. Jg. '1849, dl. XI. p. 148—153; idem vonnis derzelfde rechtbank, v. 10 Nov. 1854, R. li. jg. 1855. dl. V, blz. 240 (ook vermeld sub art. 4 li. R.) en van .quot;iO April 1875, W. nn. 3880, waarbij is beslist, dat, vermits de constitutie slechts strekt om eene veroordeeling bij verstek te voorkomen. het verscliijnen in rechten van twee als bandelsvennooten onder firma gedagvaarde personen geenszins omverwerpt hunne bewering, dat tusschen hen geene vennootschap zoude bestaan. — Cf. in een tegenovergestelden zin — art. 100 B. 11.. vonnis van dezelfde Arr.-R. v. 21 Oct. 1851.

Uï. Eene regelmatige proces-orde brengt mede, dat een procureur zich als zoodanig stelle, zoo en in dier voege als in de dagvaarding is omschreven, en dat er termen tot verstek aanwezig zijn, zoo hij in zijne constitutie eene andere omschrijving gebruikt, of waar twee personen gedagvaard zijn, slechts voor één verschijnt. Dit laatste moet geacht worden het geval te zijn, indien twee personen zijn gedagvaard,

ocr page 486

(Art. 135

één hunner in twee diverse kwaliteiten (de man namelijk zoo voor zich zeiven als in hoedanigheid van beheerder der door zijne huisvrouw uitgeoefend wordende afiaire) en de procureur voor den laatsten slechts in ééne kwaliteit (in hoedanigheid van beheerder), is verschenen. — in dit geval kan niet anders dan een vonnis 'van aanhouding (art. 79 H. li.) worden verleend.

Arr.-R. Amsterdam, v. 7 Mei 1852, R. H. jg. '1852. ji. 519—521 ; zie over de wijze, waarop de procnreurstelling moet worden ingericht voor gezamenlijk gedagvaarde erfgenamen art. 4 R. R., sub n0. 16. — Cf. art. 134 li. 1!.. vonnis van de Arr.-R. Assen, v 20 Maart ■1843.

Tegen den gedaagde en geopposeerde, verwering doende tegen een verzet, ingesteld tegen de executie van een door hem verkregen vonnis (ten fine waarvan hem was toegestaan geworden kosteloos te procedeeren), die binnen den wettigen termijn procureur heeft gesteld bij behoorlijk geregistreerde acte, doch op ongezegeld papier, kan verstek verleend worden.

Arr.-R. Maastricht sine die, W. nquot;. '1569 (onder 't Mengelw.); — anders, met een beroep op art. S der Wet v. 3 Oct. 1843, jo, art. 47 der Wet v. 22 Frimaire, an VIT, in 't W. ut supra.

:1.V Eene verkeerde kwalificatie der procureurstellende partij in de acte kati niet leiden tot nietigverklaring dier acte.

P. U. v. Zeeland, v. 25 Nov. 1802, U. 15. jg. 1804, dl. Xl\, bl, 134—130.

Itt Het verzet tegen de homologatie van een accoord wordt ter terechtzitting behandeld; het is te beschouwen als een contradictoir geding, waarop mitsdien de bepalingen van de tweede afdeeling, titel 3 van boek i B. R , van toepassing zijn.

Arr.-R. Amsterdam, v. 25 Jan. 1882. R. B. jg. 1882, 11. p. 22.

I ï. Zie ten betooge :

a. dat de wederpartij, die verstek heeft laten gaan, niet meer na het houden van getuigenverhoor procureur kan stellen —

de Vrafien van Xeclerl. Picgt, door eenige Amsterd. regtsbeoef., 2de verz., p. 170 sqq. — Vgl. hiermede Pf.nniw ad art, die mede uit art. 135, al. 3, de. gevolgtrekking afleidt, dat een gedaagde, tegen wien verstek is verleend, niet later, gedurende het geding, procureur kan stellen, maar het eindvonnis moet afwachten om verzet te doen; vonnis Arr.-R.

ocr page 487

Art. 135.)

Rotterdam, v. 10 Dec. '1877, R. B. jg. '1878, A. p. 105; de noot op art. 81 B. R., vonnis van de Arr.-R. Dordrecht, v. '26 Jan. 1852, sub n0. 9 en art. 135 B. R., arr. v. 24 Juni 1853, sub nn. 2.

b. dat de nietig-verklaring op grond van minderjarigheid niet alleen door de minderjarigen, maar bepaaldelijk ook van hunnentwege (door hunne wettige vertegenwoordigers) kan gevorderd worden, met dat gevolg, dat op eene dagvaarding, aan een minderjarige geëxploiteerd, de vader van dezen, procureur kan stellen en in rechten verschijnen —

art. 1482 li. W., vonnis van de Arr.-R. Amsterdam, v. 23 Juni 1843, sub nquot;. 3 — Vgl. mede art. 791 W. v. K.. vonnis van de Arr.-R. 's-Gravenhage, v. 12 Juni 1846, sub n0. 9.

c. dat het 3de lid van dit artikel niet wegens het bestaan van art. 76 overbodig is, maar integendeel daarvan eene aanvulling is, om duidelijk te maken, dat wanneer de gedaagde in persoon verschijnt, zonder dat hij procureur gesteld heeft of' zonder dat zijn gestelde procureur verschijnt, ook verstek tegen hem verleend moet worden —

Üpm. en Med. dl. XIV, blz. 206 vlg.

d. van de wenschelijkheid, dat procureurstelling hier, even goed als bij artt. 137 en B. 11, is bepaald, ter audiëntie, door mondelinge verklaring geschiede —

Mr. H. Verloren, in W. no. 1721.

IN. Zie omtrent de vraag, of, en onder welke omstandigheden, niettegenstaande het verleend verstek, de vordering kan of behoort te worden afgewezen —

art. 76 B. R., vonnis van 't Ktg. 's-llertogenbosch, v.......1852

sqq., sub n°. 6, en omtrent de gevolgen van een desistement na procureurstelling van den gedaagde, door het doen van een tweede dagvaarding wegens hetzelfde onderwerp — art. 1 B. R., sub n0. 6, art. 75, sub n0. 5 en art. 278 ibid., arr. van 't P. H. v. Gelderland, v. 15 Jan. 1841 sqq.

flfgt;. Zie een voorstel tot verandering der wijze, waarop de zaken volgens ons procesrecht worden voldongen —

in a. Bijclr., dl, III, jg. 1877, blz. 296—300, door Mr. E. J. Asseh, Schrijver wil het onderscheid tusschen gewone en summiere behandeling opgeheven zien; en stelt voor de voldinging te doen plaats hebben buiten de rol, en slechts twee schrifturen t. w. conclusie van antwoord en van repliek, te doen wisselen.

ocr page 488

(Art. 136.

A r/.. 136.

1. Dit art. mist alle toepassing, waar niet partij den procureur, maar de procureur partij bedankt.

Arr.-ll. Rotterdam, v. 30 Juli '1856, W. nquot;. 1782; ook verra(ild ad art. 254 1!. R. sub arr. v. 21- Oct. 1850 sqq.: idem Arr.-R. Groningen, v. 22 Nov. 1872, W. nquot;. 3548, waarbij werd beslist dat de eisclun1, din na den beteekenden rechtsdag in den gericbte staat zonder procureur, omdat deze krachtens art. 7 der wet v. 29 Dec. '1843 (Sthl. n 67), zijn ministerie heeft opgezegd, moet verklaard worden niet-ontvankelijk In zijne vordering; vgl. hlnimede In verband Arr.-li. Applngadani, v. 29 Dec. 1864. li. 1!. jg. 1807, hlz. 75, ten betooge dat een procureur zich niet mag onttrekken dan in het geval van evengenoemd artikel 7.

lt;S. Deze bepaling lant '/icli niet vereenigen met het denkbeeld, dat de gestelde procureur door zijne bloote niet-verscliijning buiten het geding raakt, daar alzoo aan zijne daad een gevolg zoude worden toegekend, dat de wetgever aan den uitdrukkelijken wil van de partij, die herroept, ontzegd heeft.

Arr.-R. Nijmegen, v. 28 Jan. '1857, W. nquot;. 1856.

Jl. Iedere partij kan slechts door eenen procureur worden vertegenwoordigd.

Arr.-R. Amsterdam, v. 27 Oct. 1858, R. li. jg. 1859, dl. IX, lilz. 169—174.

4-, De staat van kosten van art. 612 15. li. kan nog worden be-teekend ter woonplaats van den procureur der veroordeelde partij, als hare gekozen woonplaats, nadat die procureur zich aan de zaak onttrokken beeft.

Arr.-R. Amsterdam, v. 23 Febr. 1859, R. li. jg. 1859, dl. IX, hlz. 45.

•V De herroeping kan niet geschieden door beteekening van wege den nieuw aaiigestelden procureur.

Arr.-R. quot;s-llortogenbosch, v. 23 Oct. 1808, R. H. jg. 1870, p. 142. — Vgl. het dublum der redactie In de noot onder de uitspraak.

Aii. 137.

f. Een gedaagde kan bij zijne conclusie van antwoord subordinaat

ocr page 489

Art. I ••57.)

geen eisch instellen tegen zijn mede-gedaagde, die door denzelfden procureur in het aanbangig geding wordt vertegenwoordigd.

Arr.-R. Amsterdam, v. 10 Nov. '1S43. R. B. jg. 1843, dl. V, p. 790—795; Itcijl in Xcdcrl.. dl. IV, p. SO: idom ten aanzien van gedaagden tegen hunne mede-gedaagden in het algemeen, hij vonnis derzelfde Arr.-R. v. 17 Oct. 1850, R. li. jg. 185i, p. 21—24 en van 9 Nov. '1853, R. B. jg. 1854, p. 149—-157. — Cf. artt. 280 en 339 B. R., arr. v. 21 Mei 1847; art. 08 1!. 1!.. vonnis van dezelfde Air.-li. v. 18 Sopt. 1846, sub n0. 12, artt. 250, vonnis van de Arr.-R. 's-Gravenhage, v. 19 Maart 1847 en 344 ibid., arr. van 't P. II. v. Holland, v. 4 Nov. 1840.

'i. Indien in zaken op korten termijn op den dag. tot het nemen der conclusiën bepaald, de behandeling wordt uitgesteld, dan kan nog daarna eene oproeping tot vrijwaring plaats vinden.

Arr.-R. Amsterdam, v. 18 Sept. 1840, R. 1!.. jg. 1840, dl. \ 111, p. 053—055.

3. Bij een in rechten gevraagd uitstel moet (vooral in cam waar de zaak op verkorten termijn van slechts één vrijen dag was aangebracht en het uitstel strekken moest om nadere stukken te kunnen overleggen) het belang van de partij, die bet vraagt, worden bewezen en zal, om de toekenning van zoodanig uitstel voor den rechter verplichtend te doen zijn, reeds a 'priori evident moeten blijken, dat de verdediging daarvan eenigermate kan afhangen.

P. H. v. Gelderland, v. 24 Juli 1849, W. n°. 1049; R. B. jg. 1850, dl. XII, p. 646—651.

De wet (in de artt. 137—1-39 en 141) eene met redenen om-kleede conclusie van eisch en antwoord vorderende, volgt hieruit dat uit de al gemeen e formule van niet ontvankelijkheid, in eene conclusie vervat, hoewel dan ook nader bij pleidooi toegelicht, niet kan worden afgeleid stilzwijgend te zijn voorgedragen een middel van niet-ontvan-kelijkheid au fond [in cam liet beweren, dat men had behooren in te stellen de actie uit krachte van art. 795 13. W., in stede van die tot schadevergoeding).

Arr.-R. Leiden, v. 11 Dec. 1849, W. 11«. 1082; idem en a fortiori, indien daarmede zou zijn bedoeld de exceptie van verjaring — bij arr. v. 18 Maart 1841 sqq.. bereids vermeld op art. 48 B. R., sub n0. 3; idem bij vonnis der Arr.-R. .Maastricht, v. 18 April 1850, W. np. 11.'0, waarbij is beslist, dat eene conclusie niet met redenen is omkleed, indien daaruit niet kan worden afgeleid, of men zich hetzij quuacl factum, hetzij

ocr page 490

[Art. 137.

quoad ju* tegen de vordering verzet en de strafbepaling daartegen (in afwijking van liet bepaalde bij art. 5, n0. 3 j°. art. 02 I!. U.) alleen daarin te vinden is, dat de rechter op geene andere rechtsmiddelen {causae pctendi) mag acht slaan dan op die welke partijen in de con-clusiën, door haren procureur onderteekend, hebben aangevoerd, en daaruit tevens volgt, dat er voor den rechter geene termen bestaan, om alvorens partijen tot de pleidooien toe te laten, te gelasten dat ongemotiveerde conclusion met redenen zullen worden omkleed. Met die beslissing komt overeen een vonnis van de Arr.-R. Amsterdam, 24 Juli 1849, W. nquot;. 1053; 11. B. jg. 1849, dl. XI, p. 500—502, waarbij is geweigerd het geven van acte, dat de conclusie van den gedaagde niet met redenen zon zijn omkleed, uit hoofde hot verleenen daarvan zou zijn in strijd met den regel, dat de rechter geene eenvoudige voor executie onvatbare verklaringen geeft. -— Eenigzins anders echter bij arr. van 't P. II. v. N.-Holland, v. 24 Dec. 1845, W. no. 704, R. li.' jg. 1846, dl. quot;VIII, p. 265—207, waarbij (in eene zaak waaromtrent in de eerste conclusie der excipienten volstrekt geene melding was gemaakt van den grond, waarop hunne exceptie van niet-ontvankelijkheid was gebouwd en zij eerst daarmede bedektelijk voor den dag zijn gekomen bij hunne tweede conclusie, toen de termijn, om tot herstel der begane feil een nieuw exploit van appèl te doen beteekenen, was verloopen, welke exceptieve verdediging echter door het Hof ten principale was verworpen) is beslist dat, hoezeer partijen hunne met redenen omkleede of gemotiveerde conclusion moeten mededeelen, de wet echter op het niet behoorlijk nakomen van dat heilzame voorschrift, geenszins de poenaliteit stelt, dat zulk eene min volkomene conclusie, en de nader tot hare adstructie opgegevene gronden geheel buiten aanmerking zouden moeten gelaten worden. — Vgl. hiermede 1°. de conclusie van den toenmaligen subst.-ofl'. v. justitie Mr. F. F. Karseboom, waarmede zich tacite heeft vereenigd de Arr.-R. Amsterdam, bij vonnis v. 9 Maart 1849, W. nquot;. 1031, R. 13. jg. 1849, dl. XI, p. -148—153, naar luid waarvan eene conclusie, slechts inhoudende, dat de eischer niet-ontvankelijk mocht worden verklaard, buiten aanmerking moet blijven; geenszins echter die welke bevat de redenen der niet-ontvankelijkheid ; — zijnde daarbij echter tevens beslist, dat overigens nergens bij de wet de aanhaling der bepaalde wets-artikelen, waarmede eene vordering in strijd zou zijn, als vereischte is voorgeschreven, en 2°. ten betooge, dat do rechter niet zóu aan de conclusiën der partijen gebonden is, dat een vonnis zou behooren te worden vernietigd op grond dat daarvan zou zijn afgeweken, al is de beslissing overigens virtualiter overeenkomstig den eisch — art. 48 li. R, arr. v. 9 Jan. 1839 sqq., sub n0. 1.

lt;*. In weerwil van het door den Voorzitter verleend verlof kan de gedaagde de gewone proces-orde inroepen, wanneer hij aantoont, dat Ie behandeling der zaak geen exceptioneelen spoed vereischt.

P. II, v. N.-Holland. v. '18 Dec. '1856, R. i!. jg. 1857, p. 382.

Mr. W, van Kossem Hz, Uury. Recht sc.

465

ocr page 491

/iy r~ frelaU ^/^r^yZ^

■ ea. _«. :^,9-C-T-f_ r cj*- 7-ff 1 ƒ, i ,- ^ i- l--- ,

/v A tUlA 1 ^ ----/^, 9—-9 o.'-quot;- yquot; - »lt;^—

^.137.) 466

ft. Het is nergens bij de wet verboden, in zaken op korten termijn, na de bepaling van dag voor de pleidooien, maar vóór het houden daarvan eene conclusie van antwoord te nemen, vooral op eene inci-denteele vordering.

Arr.-R. Arnhem, v, 3 Sept. 1857, W. nquot;. -192-1, R. B. jg. 1858, dl. VIII, blz. 194—197.

Zie verder omtrent dit punt in liet algemeen, art. 139 n0. 1.

S. De behandeling van eene zaak op korten termijn moet aaneengeschakeld plaats hebben, en na verwerping eener exceptie terstond of op een te bepalen dag worden hervat.

Arr.-R. Amsterdam, v. 19 Jan. 1809, W. nquot;. 3110, R. B. jg. 1870, p. 55.

S. Waar de motiveering eene bestrijding van den eisch inhoudt, maar de conclusie op referte uitloopt, moet de rechter het er voor houden, dat de gedaagde in den eisch toestemt.

Arr.-R. Amsterdam, v. 22 Juni 1877. W. n0. 4143, op grond dat uit de derde alinea van dit artikel voortvloeit, dat het zwaartepunt is gelegen in de conclusie, en het overige slechts is toelichting daarvan. — Cf. het aangeteekende sub art. 50 B. R., E. r.0. 0.

?gt;. De geposeerde niet-ontvankelijkheid aldus omschreven , dat, afgescheiden van de ongegrondheid der actie uit een feitelijk oogpunt ook in jure de ingestelde ontbindings-actie niet zou zijn admissibel, zelfs al waren des eiscliers feitelijke voorstelling en positieven waar, is voldoende met redenen omkleed.

Arr.-R. Amsterdam, v. 14 Mei 1878, W. n0. 4289. — Cf. het aangeteekende sub nquot;. 4 van dit artikel.

IO. Zie ten betooge :

«. dat de President eener rechtbank niet bij ordonnantie den wettigen termijn kan verkorten, bepaald voor dagvaardingen van hen, die niet in liet Koninkrijk wonen —

art. 7 B. II., arr. van 't P. II. v. Zeeland, v. 18 Jan. 184-2 sqq., sub nquot;. 1, en 2°. omtrent de bevoegdheid der Arr.-R., om over de rechtmatigheid van dien verleenden verkorten termijn uitspraak te doen art. 7 ibid, arr. van 't P. H. v. Z.-Holland, v. 30 Juli 1842 sqq., sub n». 3.

b. dat in kort geding geene termen zijn tot liet gelasten bij inter-

ocr page 492

{Arl. 137.

locutoire uitspraak, hetzij van een formeel getuigenverhoor, hetzij van eene expertise —

art. 289 B. R., vonnis van de Arr.-R. 's-Gravenhage, v. 28 Dec. 1849.

— Zie omtrent de vraag in hoeverre de toelating om kosteloos te procedeeren, op straffe van niet-ontvankelijkheid in dat verzoek, bereids bij den aanvang van liet geding moet worden gevraagd, en hetgeen daaromtrent rechtens is, bij procedures op korten termijn —

art. 855 Ji. R., vonnis van de Arr.-R. Winschoten, v. i2 Maart 1845 sqq.

Art. 1:58.

1. Hoezeer het aan partijen vrijstaat, hare conclusiën te wijzigen,

behoort zulks echter te geschieden met stilzwijgend inbegrip van de primitieve conclusion, en mag deze bevoegdheid niet zóó verre worden uitgestrekt, dat daardoor (indien, gelijk m casu, door het antwoord van den gedaagde op de primitieve conclusiën van den eischer eene volledige litiscontestatie heeft plaats gehad), de beslissing op de conclusiën der tegenpartij en bepaaldelijk over de hoofdpunten in geschil,

buiten haren wil en hare toestemming, zoude worden ter zijde gesteld.

P. II. v. N.-Braband, v. 4 Juni 1839, Ilcrjt in Nederl., dl. IT, p. 190—

192. — Ygl. hiermede een vonnis van de Arr.-R. 's-Gravenhage, v. 23 Juni 1840, vermeld op art. 139 B. R. n0. 1.

9. Het niet nemen van conclusie door den eischer, op den daartoe bepaalden dag, vooral als door zijn procureur eenvoudig wordt verklaard, ? ' A dat hij daartoe door den eischer niet is in staat gesteld, staat gelijk met het geval, dat de eischer ten beteekenden rechtsdage niet verschijnt, /7-^-in welk geval verstek tegen hem moet worden verleend, en de ver-weerder van de instantie ontslagen, met verwijzing van den eischer -yi'ti. 111 de kosten.

Arr.-R. Groningen, v. 17 Juni 1853, R. R jo-. 1854, p. 428 en 429;

idem ten aanzien van den gedaagde, die geen conclusie van antwoord neemt, Arr.-R. Brielle, v. 10 Jan. 18/3, \V. n0. 358o. — Vlt;^1. hiermede /?/

de opmerking van den Hoogl. van IIm.i.. R. B. ut supra, p. 400 in de ^ y noot, die meent dat die verklaring de plaats eener conclusie schijnt te kunnen innemen, en het is alsof de partij zich aan het rechterlijk oordeel upqb,®

4fi7

refereert. '

'Al/si.

— C- OO-t, C-^ -t f • ' ■ Ij q ^ C r-*—

..JZ,

ocr page 493

quot;quot;■ Tf ~ ^

^ cxJ

framp;. zy /^Ja

Art. l-'5S.) |,fiS ^ 'K'Ttjzf

». Eene vordering tot niet-ontvankelijk-verldaring en tot ontzegging van een gedanen eisch moet ter kennis vnn den rechter worden gebracht bij gemotiveerde conclusiën. Het gaat met aan, dit te doen in den vorm van een verzoekschrift.

Arr -R. Amsterdam, v. 3 Nov. 1858, W. nquot;. 2030.

In cam hadden gedaagden ten fine voormeld zich bij request tot do rechtbank gericht, op grond dat de eischer niet had voldaan aan het vonnis tot cautiestelling.

4-, Ook in zaken van gewone behandeling kan de vordering tot cautiestelling bij conclusie ter rolle worden gedaan.

Arr.-R. 's-Gravenhage, v. 20 Dec. 1859, W. n0. 2124.

5. Zoowel in zaken van gewone als van summiere behandeling, is het nemen van een conclusie ran eisch ter rolle voorgeschreven.

Alvorens deze conclusie genomen is, kan niet incidenteel geconcludeerd worden tot toelating tot getuigenbewijs, behoudens de bevoegdheid om beide conclusiën in oéne akte te vereenigen.

Arr.-R. Amsterdam, v. 24 Nov. 1874, W. nquot;. 3813.

ft. Bij verzet tegen de homologatie van een accoord is het wisselen van conclusiën overbodig.

Arr.-R. Amsterdam, v. 3 Nov. 1876, R. li. jg. 1877. afd. .1, p. 10.

Art, 1:39.

1. Er bestaat geene wetsbepaling, waaruit zou volgen, dat het wederzijds nemen der conclusiën ter audiëntie en de bepaling van dag vnn pleidooi eene der partijen verhinderen zou, alsnog eene incidenteele vordering in te stellen.

Arr. v. 22 Juni 'I860, \V. no. 2181, R. dl. LX\ § 17, d. II.. /.'. /;., dl. XXIV, p. 239—250; cf. arr. v. 4 April 1851, sul) art. 199 li. R.; idem P. II. v. Limburg, v. 20 Dec. 1875. H. R. jg. 187(), p. 189; W. n0. 4145, vernietigende natonielden vonnis Arr.-R. Maastricht, v. 26 Nov. 1874, bij wolk arrest werd beslist dat ter volledige instructie des rechters het nemen van conclusiën tot don afloop dei-pleidooien dient te worden toegelaten; idem Arr.-R. Maastricht, v. 14 Maart 1850, W. n0. 1137, op grond, dat door partijen conclusiën kunnen genomen worden tot aan den afloop der zaak en die dan eeist is afge-

ocr page 494

{Art. 139

169

loupeii, wanneer de debatten zijn gesloten ; idem, daar waar liet gold cene eedsdelatie voor het eerst bij pleidooi, o. a. uit overweging dat eene zaak niet altoos gezegd kan worden in staat van wijzen te zijn, zoodra de conclusiën zijn genomen, daar, blijkens art. 2'25, 3de lid, li. R., inliet daar bedoelde geval, bet rechtsgeding gehouden wordt eerst in staat van wijzen te zijn na den afloop der pleidooien — bij vonnis der Arr.-R. Winschoten, v. 30 Jnni '1852, R. B. jg. 1853, p. 415—419; zijnde wijders bij vonnis der Arr.-R. 's-Gravenhage, v. 23 Juni '1840, W. nquot;. 146, beslist, dat, wat er ook moge zijn van het beweren, dat het geding is gesloten door de wederzijdsche conclusiën, ter audientie genomen, en na het bepalen van den dag van pleidooi, dit echter zeker is, dat door eene zoodanige nadere conclusie de stand van het geding niet mag worden veranderd en niet mag worden teruggekomen op verzuimen, die een middel van verdediging voor de tegenpartij opleveren (zie art. 138 li. R., air. van 't 1'. II. v. N.-liraband, v. 4 Juni 1839, sub nquot;. 1). — Vgl. ook arr.-R. Uotterdam, v. 29 Juni '1878. \\ . nquot;. 4264, waarbij is beslist, dut ook bij conclusie terstond na de pleidooien genomen, nog bewijs kan worden aangeboden, wanneer de partij daardoor in het minst niet is benadeeld in zijn verweer en reeds te voren in het algemeen aanbod is gedaan om de ontkende feiten te bewijzen; vgl. ook vonnis dierzelfde rechtbank, v. 12 Nov. 1877, \V. nquot;. 4184, waarbij is beslist, dat het aan den rechter is overgelaten in ieder bizonder geval te beslissen, of de conclusie, genomen nadat pleidooi is bepaald, kan worden aangenomen; vgl. Penniso ad art. '139, die opkomt tegen het beginsel, aangenomen bij liet hierna gemeld vonnis der Arr.-R. Appingadam, hoofdzakelijk op grond dat, hoewel in den regel, na het voldongen zijn der zaak, ten gevolge van het nemen der wederzijdsche conclusiën, geene nadere dingtalen te pas komen, zulks alleen geldt de hoofdzaak en geenszins het nemen van incidenteele vorderingen, waarvan het gevolg kan zijn het gelasten van oen of ander bewijsmiddel; dat bovendien na het wederzijds nemen der conclusiën ten principale eene zaak niet altijd is in staat van wijzen, zoo als blijkt uit de drie laatste alinea's van art. 255 li. R. enz. Zie Lipman. p. 70 en 71, die doet uitkomen, dat, hoewel de Nederl. wetgever in het opschrift van deze afdeeling ook gewag heeft gemaakt van liet voldiafjen. der zaak, daaruit echter niet blijkt wat hij daarmede bedoeld heeft. Zie ook art. '141 B. R., arr. v. 24 Mei 1850 sqq.; — anders Arr.-R. 's-( 1 ravenhage, v. 14 Oct. 1873, W. n0. 3673; idem Arr.-R. Maastricht, v. 12 Dec. 1867, W. nquot;. 3025, en van 26 Nov. '1874, \V. n0. 4061, bij welke vonnissen werd beslist dat, wanneer dag van pleidooi bepaald is. geene conclusiën meer kunnen genomen worden, ten ware de aanleiding eerst later mocht zijn ontstaan ; idem Arr.-R. Groningen, v. 20 Maart 1856, R. B. jg. 1857, dl. Vil, p. 588 sqq.; waarbij is beslist, dat eene conclusie tot getuigenbewijs ten dage, voor het pleiten bepaald, niet-ontvankelijk is, maar dat partijen onder het pleiten aan don rechter zoodanige vertoogen kunnen doen, dat hij ambtshalve getuigenbewijs gelast; idem Arr.-R. Appingadam, v. 31 üct. 1850, \V. nquot;. 1179, waarbij is beslist dat eene incidenteele vordering tot getuigenbewijs eerst gedaan nadat de pleidooien bepaald zijn, niet-ontvankelijk is, welk vonnis nader

ocr page 495

Art. 1:59.)

hesproken is door Mr. H. F. in W. n0. 1652, en bestreden door Penning nd art. ISO (zie hierboven); idem Arr.-R. Appingadam, v. 29 Jan. 1857, W. n0. 2053 (welke beslissing te vergelijken is met bet betoog in W. n0. 1052, ut supra); idem Arr.-R. Rotterdam, v. 19 Mei quot;1850, R. B. jg. 1856, dl. VI, p. 469, waarbij is beslist, dat eene na den dag, waarop pleidooi is bepaald, beteekende conclusie, niet kan toegelaten worden; idem implicite bij arr. P. H. v. Zeeland, v. *11 Juli 1843, R. B. jg. 1847, dl. IX, p. 14 en 15; idem Arr.-R. Amsterdam, v. 22 Maart 1871, W. no. 3340. — Ygl. Arr.-R. Tiel. v. 11 Pee. 1863, W. nquot;. 2621, waarbij is beslist dat de conclusie genomen op den dag voor het pleiten bepaald nog in aanmerking kan komen, wanneer de gedaagde zich niet dadelijk verzet tegen het nemen van die conclusie (bij welke conclusie geene nieuwe incidenteele vordering wordt gedaan, maar alleen eenige punten nader worden toegelicht) en de gedaagde voorts, hoewel in den aanhef zijner nadere conclusie bewerende dat eischers conclusie niet meer in aanmerking kan komen, niettemin de beweringen daarin vervat, bestrijdt.

Hoezeer men zich volgens art. 1988 B. W. op verjaring in eiken stand van het geding kan beroepen, neemt dit niet weg, dat die voor-stelling behoort te geschieden niet bij mondelinge toelichting der vordering bij pleidooi, maar bij behoorlijke conclusie.

Arr. v. 14 Pee. 1866, W. no. 2860; idem arr. Hof Amsterdam, v. 31

Maart 1881, W. nquot;. 4657, waarbij werd beslist dat pleidooien alleen

dienen tot adstructie der conclusiën, en het middel van verjaring mitsdien

^J!; pigj^Qoi ]ian worden opgeworpen.

-y. tt _

_ Vyl. navolgende beslissingen :

COefJ Kr.?. quot; . 0

'6 ^ Rechtsmiddelen en feiten door de raadslieden der partijen bij plei-

ijpyy t*. c (Jooien

voor het eerst aangevoerd, mogen bij den rechter nimmer in aanmerking komen.

P. H. v. N.-Holland, v. 2 Nov. 1848, W. nquot;. 1030, R. B. jg. 1848, dl. X, blz. 633—639; idem Arr.-R. Middelburg, v. 6 Mei 1868, W. n». 3262 (ten aanzien van de exceptie van onbevoegdheid ratione materiae); idem arr. Hof Arnhem, v. 17 Oct. 1877, W. nquot;. 4202; idem Arr.-R. Maastricht, v. 8 Pee. 1850, W. n». 1222, R. B. jg. 1851, p. 258—262; idem Arr.-R. Appingadam, v. 22 Pee. 1870, R. B. jg. 1872, p. 606, ten betooge dat pleidooien niet mogen dienen tot aanvulling der conclusiën ; idem vonnis der Arr.-R. 's-Gravenhage, v. 30 Mei 1884, W. n0. 5047, waarbij is beslist, dat geheel nieuwe feiten voor het eerst bij pleidooi gesteld niet in aanmerking komen ; idem Amsterdam, v. 23 Jan. 1849. W. n0. 1014, R. B. jg. 1849, dl. XI. p. 209—217; v. 29 Juni 1853, R. B. jg. 1853, p. 553; v. 6 Pec. 1805, VV. n0. 2774; v. 2 Mei 1866, W. n0. 2823 en v. 16 Juni 1875, W. ii0. 3923, waarbij den gedaagde het betwiste recht wel is gegeven, wanneer hij daartoe vroeger buiten staat was, tengevolge van

470

ocr page 496

{Art. 139.

eene vergissing door den eischer bij repliek begiian; en v. 11 Juli 1879,

W. nquot;. 4433, R. li. jg. 1881, A, p. 240; idem bij vonnis Arr.-K, 's-ller-togenbosch, v. 1 Febr. 1805, W. n0. 2713, waarbij werd beslist dat men zich niet kan verzetten tegen het verleenen der bij pleidooi gevraagde acte, dat men een rechtsmiddel voorstelt, maar wèl tepen de toelating van het op deze wijze voorgedragen middel; en van 20 Deo. 1872, W. n0.

3547; idem bij vonnis Arr.-R. Tiel, v. 3 Juli '1867, W. n0. 2959, en van 29 Maart 1872, W. n0. 3574; bij P. H. v. Overijssel, v, -15 April 1872,

W. n0. 3558 en bij vonnis Arr.-R. Zutphen, v. 24 Dec. 1874, W. n0.3923;

idem bij vonnis Arr.-R. Nijmegen, v. 29 Oct. 1861, W. nquot;. 2374 en v. 18 Mei 1869, W. n0. 3139, waarbij werd beslist dat de omstandigheid, dat aan het slot der conclusie ook niet-ontvankelijk-verklaring gevraagd is,

aan gedaagde geen vrijbrief kan geven om voor het eerst bij pleidooi allerlei middelen van niet-ontvankelijkheid op te werpen ; idem voor zaken van gewone behandeling, arr P. II. v. Drente, v. 5 Juni 1809, W. n0.

3146; idem arr. P. H. v. N.-!Iolland, v. 5 Mei 1859, AV. n0. 2108; v. 2 April 1863, W. n0. 2505, en v. 22 Oct. 1874, \V. n0.3794; idem bij vonnis Arr.-R. Hoorn, v. 17 Juni 1803, W. n0. 2519; idem bij ■vonnis Arr.-R.

Alkmaar, v. 22 Mei 1802, W. n0. 2398; idem bij vonnis Arr.-R. Gorin-chem, v. 7 Febr. 1860, W. n0. 2195 ; idem bij vonnis Arr.-R. Groningen,

v. 30 Sept. 1864, W. n0. 2657, R, B. jg. 1867, p. 620, ook vermeld sub hocart. n°. 4. — Cf. Arr.-R. Assen, v. 5 Jan. 1880, W. nquot;. 4619, waarbij beslist is, dat waar niet tot niet-ontvankelijkheid is geconcludeerd, een bij pleidooi aangevoerd middel tot niet-ontvankelijkheid niet in aanmerking kan komen. — Cf. Arr.-R. Amsterdam, v. 29 Maart 4880, W. nquot;. 4548;

arr. P. 11. v. Zeeland, v. 19 Nov. 1872, R. B. jg. 1873, p. 562, waarbij werd beslist dat het verzoek tot getuigenbewijs bij pleidooi gedaan, niet kan worden toegestaan. Vgl. ook arr. Hof Arnhem, v. . . Blaart 1877, W. n0.

4112, waarbij is beslist dat een bij pleidooi gedaan aanbod om door alle middelen rechtens, speciaal door geschriften een bewijs te leveren, niet kan worden toegestaan; idem ook ten aanzien van de middelen vervat in eene beteekende procureurs-akte, en niet in do conclusion, bij vonnis Arr.-R. Brielle, v. 21 Febr. 1851, W. n°. 1222; bij vonnis Arr.-R. Amersfoort, v. 28 April 1858, W. n°. 2012 en bij arrest Hof Arnhem, v. 1 Oct.

1879, W. n0. 4438; idem ten betooge dat men, bij conelnsie een bepaald middel van nietigheid voorgesteld hebbende, niet meer ontvankelijk is,

om later, alleen bij pleidooi, een ander raiddel van nietigheid, met het voorgestelde in geen het minste verband staande, voor te dragen, bij arr. P. 11. v. Groningen, v. 22 Febr. 1853, R., dl. XLIV § 91. — Cf. art.

382 B. R., arr. van het P. H. v. N.-Holland, v. 2 Nov. 1848.

:i. Eene conclusie betredende de zaak ten principale , door den gedaagde genomen ter adstructie van eene bereids dour hem genomen conclusie, is in het summier proces niet toegelaten, zoodat de rechtbank terecht daarop geen acht heeft geslagen.

Arr. v. 22 Febr. 1878, W. no. 4219; R., dl. CXV1II, § 23, v. d.

B. II., dl. XL111, p. 05—iü8; ook vermeld sub art. 48 B. R. nü. 5 r

/£rCs(-^ f f

/Z O-a-. 0042.,

471

ocr page 497

amp;J?t. v.t-zjL.''- t^lt;f^i~cr^/Ce,^^, (i-f c- A-^r^c'-^ry^' , c^yt-

-2_ V ^«^rZ CY^tm /ty9

-A

lt;3 quot; ' /

?^L csi-- lt;t-' -?eJz- / ^lt;amp;. -Oh^' t A ffO ^vr'.quot;- Sd1: W,* kZ'YF'

Art. 139.) 4.72 /

c-L^m. r,o-£gt;t- ^.-ti-^ J-CyCt^^L, t^l- ^a~2- J-I^gt; a-,i_a--t

idem P. H. v. Groningen, v. 22 April 1873, W. nquot;. 3fi22. — Cf.

Arr.-R. Amsterdam, v. 10 Juli 1878, R. B. 1881 , .1. p. 211 .

quot;waarbij is uitgemaakt dat ten gevolge van het toelaten van con-clusirn van re- en dupliek de zaak het karakter van summier heeft verloren; idem Arr.-R. Amsterdam, v. 5 Febr. 1878, R. B. jg. 1878, A . p. 154 sqq., ook aangehaald sub art. 151 li. R. n0. 1. — Cf. de Pinto, II. 1. p. 280 sq. die betoogt dat de wet geen conclusiën van re- en dupliek kent, en dat de toelating daarvan een misbruik van de praktijk is, waarvan de kosten niet gebracht kunnen worden ten laste van de verliezende partij. Zie ook een vertoog van Mr. G. L. Jansma van der Pi.OEöin W. nn. 834. Vgl. met de aangehaalde plaats bij de Pinto,

Arr.-R. Amsterdam, v. 24 Dec. 1807, W. n°. 2997, waarbij is beslist, dat in summiere zaken geen rccht op re- en dupliek bestaat, maar dat de toelaatbaarheid daarvan afhangt van het arbitrium judicis ; idem Arr.-R. Dordrecht, v. 31 Mei 1858, W. nquot;. 2031, waarbij is beslist, dat de nadere conclusion beschouwd moeten worden als bij onderlinge toestemming de eerste conclusie te completeeren, en daarmede één geheel nittemaken.

Vergelijk echter :

7^ In de bepaling van de artt. 138 en 1'39 15. Rv. ligt niet een

li, b Szc. verbod opgesloten um meerdere conclusiën te nemen dan die van

ih. •

J-, -n' eiscli en van antwoord —

arr. v. 10 April 1884, W. no. 5027; R., dl. CXXXVI § 54, ook ver-

l/Wf,

C y

5^^' ^ meld sub art. 288 B. R.

' ,, /Je ook Arr.-R. Rotterdam, v. 10 Dec. 1877, W. n0. 4190, waarbij

^ is beslist, dat de wet conclusies van re- en dupliek niet verbiedt, zeker

. quot;lj niet wanneer partijen zich niet daartegen verzetten.

4/quot;- . l*.

% / ^

Vgl. verder het navolgende :

Ofschoon het bij de wet niet opnoemen van conclusiën van re- en

dupliek in summiere zaken ten gevolge heeft, dat daarvoor geene

termijnen kunnen worden gevraagd en verleend, en dat geene kosten

daarvoor in rekening kunnen gebracht worden, volgt daaruit evenwel

niet, dat een eischer, die tengevolge eener conclusie van antwoord des

cedaaffden genoodzaakt wordt, om nieuwe daadzaken aan te voeren,

... ? hiertoe geene nadere conclusie, hetzij van repliek, hetzij incidenteel,

zou mocen indienen. Bij gevolg is het ook in summiere zaken nergens

verboden, om bij nadere conclusiën die gronden aan te voeren, die *

strekken, om den rechter tot ontdekking der waarheid te leiden.

t'

Arr.-R. Amsterdam, v. 21 Juli 1846, W. nquot;. 791 : R. B. jg. 1840, dl. a

VIII, p. 559 sqq., bevestigd bij arr. v. :t P. II. v. N.-Holland, v. 17 Juni I/

1847, W. no. 934; R. B. jg. 1848, dl. X, p. I sqq.; idem bij vonnis |

l

■fUn^ Ivwi UcUaol^ iaA~W^ : Ko^ U vL. Ksy//^

ocr page 498

-i- amp;A-amp;^4r

• Q'/

xvv •

^rr^- '

kJU t*

llvtV y ^ quot;t'l0 rechter verplicht zijn naar den omvangen zin eener litiscontestatii T raden; en de rechter derhalve eene ongemotiveerde en raadselachtige

[• yvü't' conclusie van antwoord eenvoudig moet passeeren. — Cf. Arr.-R. Amster-

dam, v. 15 April 1881, R. li. jg. 1881, .1. p. 214, ten betooge dat het lt;4^^ * [fi. eenvoudig beweren, dat de schuld uiet opvorderbaar is, zonder dat daar-

T.y.7. UWf.n'tr W K'Siyb.

x i /' .

'jgt;ao ■

f97'

Cr f

/Oamp;syi.

O—

fe.

L/1

■i/-

m

IC0

Ci /Vrrv-v-o^^u. c^vt

'fa ur(nse4,t*/i~~ ■

u.ft i my ,yc-

H- /?. 3-^

■ ^. /t*

cfi. u* óZ-tojf-

Uqi

7

,n (\y amp; yjev: rc £0. oCei L ?^

V 1 Uquot; tA -

/JC Vamp;LOJ-esiytvtsj : H 'Cc yooOo^ctstXrcli,

4£.tT/7. cLqjz, CJÜL, tt-^xsiAJLaCC^ cbi- is-xn^c)

i K **609/.

^/~e/lsZ^-A

-ts^ a~- -\yi

^erzroi (U c/yo^a^r ^yf—

t

. L-L;

l/i rriA/^o j^n^c/y^^- Jh~~^ c/w/Xn-

0, '2«»' C^fL. -v—-f t UL~c£e^a

idiPj , oj-

lt; ^CyO c^\. -^2» ^cr^r^-

-ÓCQ-ojx.

cyeJi^

, {, fj} CKSCKA

'lt;r76f.

r'ylts l. tSgt;«lt;P

Sneek, v. 7 Febr. 1844, R. li. jg. 1^46, dl, VUT, p. (592; vgl. ook Arr,-R. Groningen, v. 27 Dec. 1856, R, li. jg. 1857, dl. VII, blz, 614, ten betooge dat de conclusie van gedaagde, waarin gezegd wordt dat het grootste fjedeelte van de in de dagvaarding bedoelde goederen niet waren besteld of ontvangen zonder nadere aanduiding welke goederen 'niet, welke wél door gedaagde zijn ontvangen, te onbepaald is 0111 te kunnen voldoen aan het voorschrift van dit art. —- Cf. vonnis Air.-li. Rotterdam, v. 10 April 1880, R. li. jg. 1881, .1, p. 238, waarbij is beslist dat eene onbestemde verwering, daarin bestaande, dat men de geposeerde , feiten niet kan erkennen, geene betwisting bevat; vgl. ook vonnis Arr.-R. Amsterdam, v. 22 Sept. 1880, R, B. jg. 1881, L', p. 20.

/U I IQamp;C, ifqfi , KnTf- c'lv- I0a,a..n IrjiiPqP , -ly. 'lf~-

' 'quot;^-Eene conclusie dfö gedaagde, die niet anders inhoudt dan de apodictische verzekering, dat de middelen geen recht geven tot het geëischte, zoodat het een raadsel blijft wat ontkend of erkend wordt, voldoet lt;■. niet aan het voorschrift der wet.

^'t* - //»1- gt;. ,

fz. r£~

Vgl, ook navolgende beslissingen :

Een gedaagde, die tot betaling aangesproken wordt ter zake van i-L-~- verschillende door den eischer aan hem gedane leverantiën, kan niet volstaan met de rekening iu het algemeen tegen te spreken, op grond, dat sommige posten, zonder die nader te speoificeeren, daarop ten £\onrechte zijn geplaatst, doch dient hij op te geven, welke posten , t V. ƒ speciaal door hem worden gecontesteerd, moetende hij anders gerekend worden de vordering niet te hebben betwist. , , t

u 2-1 ^ I ^

Arr.-R. Sneek, v. 7 Febr. 1844, R. li. jg. 1846, c

^ «vlt;, ey*-

c£. /kgt;.°(*~~ up^.uPf*-, ^ (Art 189.

6 ^ *'(gt;*■'?■

I'i Jan. 1849, W. no. -1009. — Cf. art. 147 li. R., x'éó.rtf.

dl. XLVI, p. 181—190; R. li. jg. 1881, /1, p. 213, waarbij nop; werd beslist, dat ^ r^-' de uitlegging van een genomen conclusie is feitelijk, bij welk arrest werd ver-

worpen liet beroep tegen liet arrest Hof Leeuwarden, v. 24 Maart 1880, AV. «r

n1». 4542; R. B. jg. 1880, .1. p. 352, waarbij beslist werd dat de wederpartij 0^.^-06.

16.^. t TIzy-. ,

/y,.^^riianwiist, welke tesjensijraak men te^en den innestelden eisch wil voeren

••1 1 1 1 1 (- 1' 1 i- 'we^y

'ï '/ij de gronden behelst, waaroj) die tegenspraak rust.

^ Air. v. 25 Maart 1881, W. n®. 4662, R., dl. CXXVI1 S 28, v. n. H., B, U..

. -o %xJ~

IIA. at ^ /,;

. , / ^ ^ é.f J'.'^k-'Ccn.n: ur^A^,L

l^ene conclusie is sleclits dan met redenen omkleed, wanneer zij

^r

I^ ^ . derzelfde Arr.-R. v.

v. 't p. ij. v. N.-Holland, v. '25 Febr. 1849 sqq., en art. 34G li. R.. 1^' q.«£gt;-lt;- Le-e[ï'^v' vonnis van de Arr.-R. Maastricht, v. (i Febr. 1851. f

voor eenige feitelijke grondslag wordt aangegeven, van geene beteekenis is.

J. ^y~T/^l^cX^ lt;f 1 e-fjLj

T.amp;i^Ic— I X l--# ^ ~UL~lt;Vlt;^

O

1 rit /^rn} t

(L

U..

ocr page 499

f cKt- cl* a^có. sU, Art ott-r

Ph/faAU, i' ff--- ^JiStfoU -. J?*- ,

(Jgt; Tt-fryr/cfcfó Art. im^^^'quot;^'iu''

Arr.-R. Groningen, v. 30 Soiit. 1864, R. B. jg. 1867, p. 629 ; quot;W. no. 2657 ;

idem Arr.-R. 's-Gravenhage, v. 8 April 1881, W. n0. 4661, R. 15. jg. 1881,

A, J). 214, ten betooge dat de enkele bewering van gedaagde dat hij liet volle bedrag niet schuldig is, niet als tegenspraak kan gelden, idem Arr.-R.

Maastricht, v. 28 Dec. 1865, W. n0. 2807.

De verklaring van den gednngde, dat hij de gevorderde som niet schuldig is, kan niet als eene met redenen omkleede conclusie beschouwd

worden tegen een op een rekening-courant berustende vordering.

gt;Ï4 tCer/óiOv ■— fdfa.9 tcs-o.

Arr.-R. Breda, v. 2 Oct. 1883, W. nquot;. 4965. c

Indien een gedaagde lieeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijk-verklaring, immers tot ontzegging, moet hij geacht worden ten principale te hebben geantwoord.

Arr.-R. Amsterdam, v. 6 Mei 1846, R. 15. jg. 1846, dl. VIII, p. 529.'

O. liet is aan een gedaagde, die eerst tot niet-ontvankelijk-verklaring heeft geconcludeerd, nergens verboden, die conclusie later, vooral bij een veranderden stand van het geding {In. casu door het verlies van een tusschengeschil aan de zijde des eischers) tot eene ontzegging *•

uit te breiden.

P. II. v. N.-Holland, v. 23 Dec. 1847, W. nquot;. 933, bevestigende een vonnis van de Arr.-R. Amsterdam, v. 22 April 1846, W. n0. 737.

S. Uit art. 139, jo. art. 138 15. R. vloeit voort, dat, indien in eene summiere zaak de aanlegger bij het exploit van dagvaarding geen afschrift heeft overgelegd van de daarbij als grondslag van den eisch vermelde stukken, de verweerder daarvan in den loop van het geding mededeeling of overlegging kan vragen, ten einde daarvan, gedurende ten minste drie dagen, kennis te nemen, uit welke bevoegdheid, bij nadere gevolgtrekking, voortvloeit, dat de verweerder, die van dit recht gebruik maakt, niet kan verplicht worden ten dienenden dage zijne conclusie voor te dragen, maar dat integendeel te zijnen behoeve de bepaling toepassing vinden moet, krachtens welke tot het nemen dier conclusie een andere termijn moet worden bepaald.

P. H. v. Gelderland, 31 Mei 1848, W. n». 940 en 975; R. B. jg. 1848,

dl. X, p. 383—387, vernietigende liet daartoe betrekkelijk vonnis van do Arr.-R. Nijmegen, v. 7 Dec. 1847, R. B. ut supra. ■— Cf. art. 149 B. R..

arr. van denzelfden datum.

ocr page 500

{Art 139.

8. De niet-voortzetting der procedure (m casu in cas van scheiding van tafel en bed) door het van wege den gedaagde onbeantwoord blijven eener incidenteele conclusie van de eischeresse, kan (ook met het oog op art. 279 sqq. 15. 11.) aan eerstgemelden geen recht geven tot niet-ontvankelijkheid te concludeeren.

Arr.-li. Amsterdam, v. 25 Febr. 1850, R. li. jg. -1850, dl. XII, p.

347—350.

Van een gedaagde kan niet gevorderd worden, om vóór dat van den inhoud van eenig [in casu vreemd) schrift, waarvan zich de eiscber tegen hem bedient, op eene wettige wijze is gebleken, op te geven, welke gevolgen iiij daaruit wil trekken en komt dus uit den aard der zaak, in dien stand van het geding, nog niet te pas het preciseeren der feiten, welke door dat geschrift zouden kunnen bewezen worden

Ait.-R. Tiel, v. 22 Maart, 1850, W. no. 1112. — Cf. art. 222 B. R.,

vonnis van dezelfde Arr.-R. van denzelfden datum.

tO l'jen gedaagde, die nog niet ten principale heeft geantwoord, is niet ontvankelijk eene incidenteele vordering in te stellen, bepaaldelijk tot een getuigen-bewijs.

P. H. v. Friesland, v. 30 Juni 1852, W. iio. 1309; — anders bij het

daartoe betrekkelijk vonnis van de Arr.-R. Sneek, v. 28 Jan. 1852, R. B.

jg. 1853, p. 174—176. — Cf. art. 237 B. R., arr. v. 5 Juni 1840 sqq.

11. Ij ene vordering van een gedaagde tegen zijn medegedaagde kan niet bij conclusie van antwoord op den eisch van den aanlecrger worden ingesteld.

Arr.-R. Deventer, v. 8 Febr. 1860, R. B. jg. 1861, dl. XI, blz. 400—406.

18. Wanneer den verweerder een uitstel is toegestaan om ten principale te antwoorden, kan hij dat uitstel niet bezigen tot het opwerpen van een incident, waarvoor sedert den dag, waarop liet uitstel is verleend, geen nieuwe redenen zijn ontstaan, op straffe van te worden geoordeeld den eisch niet te hebben betwist.

Arr.-R. Amsterdam, v. 8 Oct. 1862, W. n». 2448; R. B. jg. 1863, dl.

XIII, blz. 310—313.

13. IJe vordering tot afgifte van een afschrift kan niet meer

475

ocr page 501

^ r/-

O dot .

.O £■ y ~ '~ ^quot;'T- t- S ~-

1 l-O / C(J-. rz.quot; (iZJ^Crn .

'tVTj (y '- ' y- : ' ' quot;■' ^

, eCtrx-y

ffkf' Ulgt;'

Art. 18!) )

gedaan worden, nadat de zaak door liet nemen van conclusiën voldongen is.

P. H. v. Gelderland, v. 12 Maart 1802, W. n0. 2414, H. IS. jg. 18(33, dl. XIII, j). 474 sqq.

14. Het is niet verboden nieuwe stukken in het geding te brengen, nadat de conclusiën zijn genomen en de dag voor de pleidooien bepaald is.

Arr.-R. Zutphen, v. 21 Mei 1863, W. nquot;. 2022; R. 15. jg. 1865, p. 573; idem A. O. in Ojim. en Mcd., dl. XV, blz. 27, waar het vonnis der Ait.-U. Arnhem, v. 28 Oct. 1861 bestreden wordt; — anders: bij vonnis Arr.-U. Arnhem, v. 28 Oct. 1861, AV. nquot;. 2400; K. li. jg. 1802, dl. XII, hlz. 757 sqq.; idem Arr.-R. Breda, v. 6 Nov. 1877, W. ii0. 4189, waarbij is beslist dat bij pleidooi geene nieuwe stukken meer kunnen worden geproduceerd; idem arr. Hof Arnhem, v. 22 Mei 1878, W. n0. 4270, ten aanzien van stukken geproduceerd na afloop der pleidooien, omdat de tegenpartij zich dan over de stukken niet meer kan uitlaten; idem en op denzelfden grond ten aanzien van een stuk, geproduceerd daags vóór de pleidooien bij vonnis Arr.-R. Amsterdam, v. 13 Febr. 1880, 11. 15. jg. 1881, A. p. 14; idem Arr.-R. Middelburg, v. 11 Febr. 1880, R. 15. jg. 1881, -I, p. 212, W, nquot;. 4582, bij verzet van de tegenpartij; idem Arr.-R. V /3 - Amsterdam, v. 21 Sept. 1876, W. n0. 4073, (27 Nov. 1870), 11. 15. jg. 'Ai. 1877, .1, p. 14.

■ypi»

^ C/.r. ^

■f~z'Zt~zU~—

J-WK r* e

'**7 Vgl. de navolgende beslissingen:

0.Llt;

v '2.1

De late productie van stukken heeft alleen dit gevolg, dat, wanneer de wederpartij daardoor is verkort in zijn recht om de stukken behoorlijk te onderzoeken of zijne bezwaren daartegen te doen gelden, de rechter haar daartoe alsnog de gelegenheid geeft ten koste van de andere partij, terwijl, alleen ingeval hierdoor een voor eerstbedoelde nadeelig uitstel geboren werd, de vraag zou ontstaan, of dan niet de rechter de stukken buiten het geding zoude kunnen stellen, P. 11. v. N.-Holland, v. 19 Pee. 1867, W. n». 3032.

15. Een beweren der gedaagden, door den eischer in de dingtalen

niet wedersproken, moet als waar worden erkend.

Arr.-R. Groningen, v. 31 Maart 1805, W. n0. 2757, in strijd met de rechtbank Groningen, v. 18 Nov. 1804, W. in hetzelfde nummer.

1«. Het gebrek eener ongeinotiveerde conclusie tot niet-ontvanke-lijkheid kan niet geacht worden te zijn hersteld door cene latere

ocr page 502

[Art. 13»

vermelding der redenen bij conclusie van dupliek en evenmin kan een bij pleidooi aangevoerde grond tot niet-ontvankelijklieid door den recliter in aanmerking worden genomen.

Arr.-R. Amsterdam, v. (1 Dec. '18G5, W. n0. 2774, ook vermeld suli lioc art. nquot;. 2.

Vgl. inet deze beslissing de sub boe art. aangehaalde beslissing der rechtbank Rotterdam, v. 30 Oct. 1880, en het mede onder dit art. n°. 3 vermeld vonnis der Arr.-R. Dordrecht, v. 31 Mei 1858.

18. Waar het geschil een eenvoudig punt van orde betreft, behoeft dit niet door pleidooien te worden toegelicht, en kan de rechter het verzoek om daarvoor dag te bepalen afwijzen.

P. H. v. Drente, v. 31 Dec. -1800, \V. n0. 2944; R. 1'. jg. 1809, p. 750.

Uit den inhoud van het arrest bli jkt niet, dat de tegenpartij zich tegen liet verzoek verzette.

IS. De indiening der conclusie van dupliek, eerst daags vóór het pleidooi, geeft geene aanleiding om die buiten het geding te stellen.

Arr.-R. Amsterdam, v. 14 Juli 1808, W. nquot;. 3041.

i». W anneer er voldoende gronden aanwezig zijn, is het niet verboden herhaalde uitstellen tot het nemen van conclusiën te verleenen.

Hof Amsterdam, v. 3 Nov. 1870, R. B. jg. 1878, ^1, p. 107.

«O. Al is eene incidenteele vordering niet schriftelijk beantwoord, is niettemin de rechter bevoegd die te beoordeelen en af te wijzen.

Hof Amsterdam, v. 20 April 1877. W, n0. 4191.

31. Een bepaalde, conclusie bij antwoord wordt niet vereischt. wanneer uit des gedaagden antwoord blijkt, op welke gronden en met welke middelen hij zich tegen den ingestelden eisch verweert.

Arr.-R. Middelburg, v. 11 Doe. 1878, W. n°. 4329.

28. Wanneer de gedaagde geene conclusie van dupliek neemt, maar na de conclusie van repliek, waarop hij acht dagen uitstel gevraagd had, recht vraagt op de stukken, dan moet uit die houding van gedaagde worden afgeleid, dat hij zijne bezwaren in de conclusie van antwoord wederlegd acht, of althans niet meer wil volhouden, zoodat de eisch behoort te worden toegewezen.

Arr.R. Groningen, v. 11 Juli 1879, W. nn. 4424.

477

ocr page 503

^ tygt;—•. crtJ~^ ----

i^- 0,^,^1^,iA e 1 'lt;:o_._a„ SZca^^t--^

f

*cT' ey e/xxja ^t^L,- ji-ö — i/~rv--—. amp;SL-Z. c)-*-' f amp;amp;-* 7 CA-.—lt;3^ o—- /S. --O-—gt; : %lt;9 ,

L /

/47-/. 189.) 478 ^lt;=3., »f 'yy^.

De redactie van het Weekblad aclit die loer zonderling.

X merkt hierop aan in W. nquot;. 4429, dat de rechtbank die leer ook niet gehuldigd heeft, maar de kracht harer beslissing gelegen is in de navolgende cursief gedrukte woorden : »dat bij die houding van den gedaagde het er voor gehouden moet worden, dat hij óf zijne bezwaren wederlegd acht, gelijk ze dan ook inderdaad wederlegd zijn, of althans niet meer wil volhoudenquot;. De red. van 't W. is voorts van oordeel, dat de rechtbank wel degelijk do aan het hoofd dezes geformuleerde leer heeft gehuldigd, daar uit bovenstaande overweging duidelijk blijkt dat do rechter de honding van den gedaagde tot uitgangspunt zijnor beslissing noemt, en niet de vraag of zijne bezwaren wederlegd zijn. De rechter zegt wel dat die wederlegd zijn, maar uit don eonigen gezonden zin, die aan de overwoging is to geven, blijkt dat de rechtbank deze mooning ten overvloede nog ten beste geeft. Had de rechter zijne beslissing op de ■werkelijke wederlegging gebouwd, dan zou hij althans eonigen grond voor zijne meening hebben moeten aanvoeren. Vgl. ook tegen X. oen opstel van den inzender van het vonnis in W. n0, 4431.

Vgl. ook hiermede het sub hoc art. vermeld vonnis der Arr.-R. Rotterdam, v. 30 Oct. 1880.

33. Het niet verder concludeeren na de conclusie van dupliek mag geene voor den eischer nadeelige rechtsgevolgen hebben.

Hij is alleszins bevoegd om die dupliek bij pleidooi te wederleggen en te bestrijden.

Arr-R. Rotterdam, v. 30 Oct. 1880, R. B. jg. 1881, A, p. 212.

lt;84. Eene eenvoudige ontkentenis der feiten of der rechtsgevolgen kan voldoende zijn voor de met redenen omkleede conclusie van antwoord, doch indien gedaagde zich beroepen kan op feiten die des eischers recht vernietigen, en hij zulks in zijne schrifturen nalaat, kan hij daarop later niet terugkomen.

Arr.-R. Amsterdam, v. 19 Fobr. 1880, W. n0. 4514; R. B. jg. 1880, A, p. 349.

Vgl. arr. v. 25 Maart 1881 sqq. sub hoc art.

Het is niet geoorloofd met terzijdestelling van het antwoord, bij dupliek eene geheel andere verwering te voeren.

Ktg, Groningen, v. 17 Sopt. 1883, W. n». 4991.

8©. Zie ten betooge :

a. dat de rechter, ook met het oog op art. 1302 B. W. en art. 151 li. R. iti civilibus niet bevoegd is, ambtshalve aan eene der partijen

ocr page 504

ty'b/ï. . /ISIXJ^-' r^JLj CJ/1*.C£A^~^lt;-JL' ^ ^ amp; t~ a—#•_------? n*s\yt-^~

OJinJH- eWL4t t oy a.*-^o t' -^Y^- S ' s' ' 'quot; e'' ^ *- s^jajJ

Ir-- J- A- ^p~

1/v eb. jYT-*r-e^*-'T~amp;-*~*-J' -f^- Qca^* {- (~*s4- £■* i-

op haar verzoek (tenzij door partij, die het verzoek doet, worde be-wezen, aangetoond of althans aannemelijk gemaakt, dat er voor dat verzoek gewichtige gronden bestaan) ter rolle uitstel, hetzij van con- 'quot; clusie, hetzij van pleidooi te verleenen, wanneer de andere zich daartegen uitdrukkelijk verzet —

een vertoog in 't R. B. jg. 1842, dl. IV, p. 269—272; — anders in 't W. n0. 280, naar luid ■waarvan zulks in liet voorschreven geval aan liet arbitriiim juclicis is overgelaten. — \ a]. de beoordeeling van beide meeningen door G. in 't R. B. jg. 4842, dl. IV, p. 4-14—416, alsmede Oudeman, li. B., 4de ed., dl. .1, p. 183, en de Pinto, Ildl, II, 1, p. 275, die beiden schijnen te deelen het gevoelen, voorgestaan in 't W. n0.280, en overigens met juistheid doen uitkomen, dat art. 1302 B. W. en art. 151 B. R. (welk laatste alleen spreekt van wettige termijnen voor schrifturen, en niet van uitstellen van conclusie en pleidooi, die aan geene bepaalde termijnen gebonden zijn) op deze quaestie niet van toepassing zijn.

h. dat wanneer een geïntimeerde eene exceptie van niet-ontvankelijk-heid en tevens een antwoord ten principale heeft voorgedragen, alsdan de appellant niet gerechtigd is een uitstel te vragen, om op de voorgestelde exceptie van niet-ontvankelijkheid te antwoorden —

art. 346 B. R., arr. van 't P. 11. v. Zeeland, v. 28 April 184G.

Art. 140.

1. De bij het bestreden arrest aangenomen stelling, dat partijen zouden zijn onbevoegd eene zaak van gewonen aard als eene summiere te behandelen, levert op eene schending van art. 140 no. 5 T3. R., als zijnde daarbij voor summiere behandeling vatbaar gesteld de zaken, welke door beide partijen daarvoor vatbaar worden geacht.

Arr. v. 19 Oct. 1866, W. nquot;. 2846; R., dl. LXXXIV § 16; v. d. H., B. li., dl. XXX, p. 455—473, ook vermeld sub art. 200 B. R., vernietigende arr. P. H. in Limburg, v. 23 April 1866 en beide vonnissen der Arr.-R. Maastricht, v. 26 Oct. 1865 en 6 Jan. 1866; vgl. met deze beslissing het aangeteekende sub n». 4 van dit art.

8. Wanneer beide partijen eenmaal hebben aangevangen de zaak summier te behandelen, kan geene van beiden nog gewone behandeling vorderen,

ocr page 505

Art. 140.)

Arr. v. 18 Juni 1809, W. n°. 3129; v. n. H., B. /«., dl. XXXIII. p. 448—474, waarbij het beroep in cassatie verworpen werd tegen het arr. P. II. v. Limburg, v. '2 Nov. 1868, W. n». 3101 ; vgl. het aange-teekende sub n». 4 van art. 140 P.. R. en in het bizonder het aldaar vermeld arr. I'. 11. v. N.-Braband, v. 25 Juni 1844.

3. Eeue reis naar ver afgelegen gewesten moet, zoowel uit hoofde van de daaraan verbondene gevaren en de onzekerheid der terugkomst, als van de moeielijkheid en langwijligheid in den vorm van procedeeren tegen een uitlandige, met recht als eene spoedvereischende omstandigheid worden beschouwd, welke der wederpartij van dengene, die voornemens is dergelijke reis te doen, de bevoegdheid geelt, om, met verkorting der gewone termijnen, summier tegen zijne partij te procedeeren, terwijl deze nog tegenwoordig is.

Arr.-R. Amsterdam, v. 44 Maart 1839, R. B. jg. 1842, dl. I\. p. /05.

J:. Uit den aard der actie, en alzoo uit de wettelijke bepaling zelve, moet [in casu echter in het geval van art. 2Ó2, laatste al. B. 11, terwijl partijen bet niet eens waren omtrent de gelijktijdige behandeling van den eisch in conventie en reconventie), zonder te letten op de door partijen gevolgde manier van procedeeren, blijken, of eene rechtsvordering van gewone dan van summiere behandeling zij.

Arr.-R. Hoorn, v. 8 Doe. 1841. R. B. jg.1842, dl. IV, p. 127 en 128 ;— anders bij vonnis van de Arr.-R. Amsterdam, v. 24 Oct. 1838, 11. B. jg. •1842, dl. 1V. p. 257 en 258, naar luid waarvan de vraag, of eene rechtszaak bij wijze van kort geding, dan wel als gewone of summiere zaak moet worden afgedaan, behoort te worden uitgemaakt ten dage dienende bij de eerste verschijning voor de rechtbank en de procureur van een gedaagde, die de vraag bij zijne constitutie niet heeft opgeworpen, maar eenvoudig een uitstel heeft gevraagd om te pleiten, later daarop niet kan terugkomen; terwijl wijders bij vonnis van de Arr.-R. Kindhoven, v. 4 Dcc. 1843, W. n0. 475, bevestigd bij arr. van 't P. 11. v. N.-Braband, v. 25 Juni 1844, W. nquot;. 520; R., dl. XIX § 89 (ook vermeld bij natemelden arr. v. •15 April 1842), is beslist, dat eene zaak die. ordinair verklaard is, door het niet leveren van het antwoord, bij art. 143 B. R. gevorderd, van summiere behandeling wordt, met dat gevolg, dat de daadzaken ten fine van bewijs door getuigen bij conclusie tor rolle kunnen worden geposeerd. — Cf. Lipman, p. 69, die het uiet zonder eenige beteekenis acht, dat de bij art. 140 B. R opgenoemde vorderingen gezegd worden voor summiere behandeling vatbaar te zijn en het te dezen opzichte, gelijk omtrent de geheele procedure, als eene vraag van het meeste gewicht beschouwt, in hoeverre men van eenige, vooral van eene exceptieve bepaling, vermag afstand te doen. Oudeman echter-, 4de ed., dl. I, p. 184

80

ocr page 506

[Art. 140.

meent, met een beroep op de geschiedenis der wetgeving (zie v. d. Honert, Hdb. § 440, p. 268), dat door het woord «vatbaarquot; wordt bedoeld, dat voor de in art. 440 B. 11. vermelde zaken de summiere behandeling facultatief maar niet verplichtend is. De Pinto, ITdl. II, 4, p. '277, daarenboven is van gevoelen, dat daar waar de wet, gelijk in art. 440 B. R., van sommige bizondere zaken bepaaldelijk zegt, dat zij summier zullen worden behandeld, de gewone behandeling is nitgesloten. Overigens verklaart Oudeman , blz. 487, zich niet te kunnen vereenigen met het vonnis der Arr.-R. Eindhoven, v. 4 Dec. 4843 ut supra, op grond, dat zoowel het antwoord als de repliek en dupliek niet gebiedend zijn voorgeschreven en partijen des verkiezende daarvan kunnen afzien en gelooft, dat in dit geval de eischer onmiddellijk kan vervolgen bij eene eenvoudige akte, ingevolge art. 445 B. R.; vgl. ook hiermede Arr.-R. Maastricht, v. 2 Nov. 4866, W. nquot;. 2846. — Cf. art. 202 li. R., arr. v. 45 April 4842 sqq.

•». Eene rechtsvordering tot nietig-verklaring van eene ten uitvoer gelegde gijzeling en van ontslag daaruit, behoort tot lt;le spoed ver-eiscliende zaken, in welker afdoening de rechter geene noodelooze vertraging mag gedoogen.

Arr.-R. Arnhem, v. 24 Jan. 4848, W. nquot;. 903; R. B. jg. 4848, dl. X. p. 450—460.

tt. \ orderingen welke (behalve bezitrecht) zakelijke rechten ten onderwerp hebben, vallen niet in de termen van art. 140 15. 11 en zijn mitsdien niet vatbaar voor summiere behandeling.

P. H. v. Zeeland, v. 45 Jan. 4850, R. B. jg. 4854, p. 588.

Zie over het summier proces: Mr. Fockema. Axdkeae in W. nquot;. 4076, alwaar tevens eenige opmerkingen over het verleenen van uitstellen ter rolle te vinden zijn, — en Prof. van Boneval Fauue «het Summier Procesquot;.

Art. 11-1.

1. Welke ook in andere wetsartikelen de beteekenis van de woorden : quot;te)i dienende dagequot; mogen zijn, moeten die in art. 141 B. R.,—-hetwelk alleen ten doel heeft de wijze zelve van voeging en tusschen-komst, die voor zaken van gewone behandeling wordt geregeld bij artt. 28fi en 287, voor summiere zaken te vereenvoudigen, en welke algemeene regelen voor het verstand van art. 141 moeten worden in

Mr. W. van Kossem 13z., liury. Rechtsv. ;jl

4.81

ocr page 507

r^rgt;^lt;^£ts€samp;lt;-aj - i crgt;^o~~

„^cu.Tj..oPylt;p, óffi. Tt'z/s-s-, ^ ^.y.y 'A',. Kt.

LfipP, A 'cPg; ^quot;^-2. /^gt;. //^a^.

sy Al't. 14] .) * -—lt;9-^- f.

Jk.c^ //—^ ^5%-'

^ ^ z/^tJiet oog gehouden, — worden verstaan van eiken dag van behandeling ^ ^ van een aanhangig rechtsgeding ter terechtzitting, immers wat voeging en tusschenkomst betreft, totdat de conclusion door partijen, dat is 7^ c'oor e'sc^ers en verweerders beiden, op de terechtzitting genomen zijn.

^gt;11*. Hieruit volgt dat, indien het vaststaat, dat de vordering tot voeging in eene summiere zaak is gedaan, vóór het nemen van conclusien door partijen in de principale zaak, en dus op een tijdstip, dat er nog ^ contestatie tusschen partijen bestond, die vordering tot voeging moet ^rT.. beschouwd worden tijdig te zijn ingesteld.

J Am v. 24 Mei 1850, W. no. 1138, R., dl. XXXV. § 77; v. n. TT.,

- u r ^ dl, XI1, p. 47—61; idem arr. v. 10 April 1884, W. nquot;. 5027,

S-Z: waarbij is beslist dat in den zin van dit art. als dienende dag is aan te

vcresz-/-/. merken, elke dag tot bet nemen van conclusien bepaald ; idem Arr.-R.

/ Amersfoort, v. 24 Dec. 1850, R. R. jg. 1857, dl. VU, blz. 365—375 ; idem MC. W{***■/■ An,_R. Rotterdam, v. 10 Ree. 1877, W. no. 4190, waarbij ten aanzien

^ £ $ jU,e^ ffrr van bet verzoek tot tusschenkomst is beslist, dat dit kan gedaan worden r / ten daquot;-e waarop het nemen van de conclusie van repliek is bepaald. -(cTfcyM. Vgl hfermede cen arr. v. 't P. H. v. N.-Holland, v. 2 Oct. 1845, W. nquot;.

669; R., dl. XXIX, § 85; waarbij (o. a. op grond dat overeenkomstig , o art 45 van het reglement nopens de orde van dienst bij de hoven en rechtbanken, gearr. bij Kon. Resl van 14 Sept. 1838, de conclusion, op den dag V001. het pleidooi bepaald, op nieuw moeten worden voorge-^ v lezen; dat de woorden: «ten dienenden dagequot; in art. 141. beteekenen ^ den dao-, bestemd tot het verrichten van eene of andere acte der proce-dure inquot; de aanhangige rechtszaak, terwijl de voorlezing der conclusion

______op den dag tot het houden der pleidooien bestemd, — door de Tinto,

. , /f,// ii 1 p. 276, gequalificeerd met den naam van formaliteit, welke

• O, l*y*. JXUI/., iX, X5l quot; ~ , lil i ,

V geen groot practisch nut schijnt te hebben en op vele plaatsen in de ■ praktijk reeds in onbruik is geraakt — eene zoodanige acte van procedure

larsteltquot;), is beslist, dat in eene summiere zaak nog op den dag voor ^ de pleidooien bepaald, eene incidenteele conclusie kan worden voorge-

1 dragen; — anders bij vonnis van de Arr.-R. Utrecht, v. 28 April 1841,

u .~£it r'uJ4i*--^r* w.^nquot;. 244, 11., dl. XIV, § 72; een arr. v. 't P. H. v. Zeeland, v. 24 ■7, /T) -JL- Febr. 1846, R. R. jg. 1847, dl. IX. p. 641 en 642 en een vonnis van de /»./2-, UP-V^ Arr.-R. Amsterdam, v. 5 Maart 1852, R. B. jg. 1852, p. 513 en 514, bij

/qoz., Hf-Vy/S'1' : welke beslissingen (met betrekking tot het nog kunnen nemen van inci-' -7 ^ denteele conclusien op den dag, voor het pleidooi bestemd), het tegen-

/Hf **2 overgesteld beginsel is aangenomen, terwijl bij arr. van 'tP. H. v. N.-Hol-

ocA- '7'' ]and) v. 13 Juni 1842, R. 1!. jg. 1846, dl. VIII, p. 655—657, in strijd met

de conclusien van den toenmaligen adv.-gen. de Bosch Kemper, volgens wien de uitdrukking: nten dienenden dagequot; in art. 141 R. R., uit den f£ f samenhang met de voorgaande en volgende bepalingen, dnidehjk aanwijst

'/vJe't- l dgn dag, waartegen men gedagvaard is conclusie te nemen, en geenszins

2=**^— den dag van [ileidooi) is beslist, dat, indien partijen op den dag, tot het

l—7

; /ftA ^ ^ ■

usn* ff _______

ocr page 508

^4/ £s*-yO cfr'^y^^-^ /^ Jet.

óStyP, ód. WjrZcy.

. . vVgt;'° quot;. gt; •,

483 ' {Arl. 141.

nemon van conclusicn bepaald, deze niet nemen, maar overeenkomen,

die vóór den da^ van pleidooi te wisselen, alsdan de interventie nog openstaat. - V^rl. ook hiermede: ft. ten opzichte van hetgoen in zaken van gewone behandeling (hoewel dit, ook met het oog op art. 151 initio B. R. en het na te melden arr. van den IT. R., geene verandering in de beslissing der voormelde rechtsvraag schijnt te kunnen te weeg brengen),

rechtens is, niet betrekking tot het nemen van incidenteels conclusion,

nadat over en weder de vereischte conclusion ter rolle zijn voorgedragen —

art. '109 li. R.. arr. v. 4 April 1851 en art. 139 ]i. R., vonnis van de Arr.-R. Appingadam, v. 31 (let. 1850 sub nquot;. 1 ; h. tot wanneer men ontvankelijk is bij wege van incidenteele conclusie een verzoekschrift in te dienen tot het hooren van partij op vraagpunten •— art. 237 B. R.,

arr. van t P. II. v. Z.-Holland, v. 20 Sept. 1843 sqq.. en c. tot wanneer en onder welke omstandigheden eene incidenteele vordering tot stateering kan worden ingesteld — art. 247 B. R., arr. van 't P. II, v. Holland',

v. 13 Jan. 1841. Zie voorts aant. 1 op art. 135 B. R.

8. Bij dit artikel wordt alleen bedoeld de voeging, behandeld bij art. 285 sqq. B. R., geenszins de voeging van twee zaken, Aj i ^

Arr. v. 25 April -1850, W. no, 1745; R., dl. LUI § 3; v. d. H. B. 11.

dl. XX, p. 294—304. r0^

/. yv- ISZ /^IaSTlt; lt;*r _

3. Alle incidenteele vorderingen moeten bij gemotiveerde cunclusiën, ^ ü en in ordinaire zaken, bij eene eenvoudige acte worden ingesteld;

derhalve zoude het met eene regelmatige wijze van procedeeren strijdig '

zijn, op eene mondelinge voordracht ter audiëntie, houdende een verzoek

om roieering van de rol of stateering der zaak, recht te spreken, tfWacyt-j

P. H. v. Holland, v. 15 Febr. 1841, Themis, 4de jg., p. 47 en 48. __*

Cf. art. 344 \\. R., arr. van hetzelfde Hof van denzelfden datum. ^

4. In eene summiere zaak kan de interventie geschieden ter audiëntie,

zonder het indienen van een verzoekschrift aan de Rechtbank of voorafgaande beteekening aan partij.

Arr.-R. Amsterdam, v. 9 Juni 1840, R. R, jg. 1840, dl, VIII, p. 540 en 547 en v. 20 Jan. 1848, R. B. jg. 1848, dl. X, p. 184—18(3; idem bij vonnis Arr.-R. Appingadam, v. 10 (19) Febr. 1876, VV. no. 3059, R. li.

jg. 1877, A. p. 81, waarbij werd beslist dat de artt. 285 B. R. sqq'. alleen zien op zaken van gewone behandeling; idem Arr.-R. Maastricht v. 7 Dec. 1882, W. nquot;. 4874. Zie ook R. li. t. a. p. blz. 82 noot; idem in de Oprn. en Med., 2de jg., p. 123—129; Oudem.vn, 4de ed., dl. I. p. ,319—

320; de Pinto, 2de ed., Hdl, I, blz. 81, § 197 1°.; — anders bij vonnis van de Arr.-R. 's-Gravenhage,' v. 10 Juni 1842, W, n0. 327 en in de O pin. en Med., dl. II, p. 110—122.

ocr page 509

Art. 141.) 4.84

5. Deze bepaling geldt, bij analogische toepassing, ook voor zaken op korten termijn.

Arr.-R. Alkmaar, v. 7 Aug. ISGO, W. n0. 2833.

Art. 143.

1. De dag, op welken tie procureur des verweerders is gesteld, is de da^, waarop de acte van procureurstelling beteekend is, niet de dienende dag.

Arr.-R. Winschoten, v. 19 Uct. ISSS, R. Ti. ,jg. 1855, blz. 108.

3. Gedaagden, collectief gedagvaard, van wie geen van allen heeft voorgesteld de exceptie nou competit actio contra me, zijn ook verplicht zich collectief te verdedigen en tegen den eisch dezelfde middelen voor te stellen. Eene verdediging met verschillende, geheel tegenstrijdige middelen, hoedanige door de gedaagden in casu is gevoerd, is in strijd niet alleen met eene regelmatige proces-orde, maar zoude ook kunnen leiden tot eene onuitvoerbare beslissing, tot ongerijmdheid.

Arr.-R. Alkmaar, v. 12 Juli 1859, W. n». 2124.

3. Tn zaken van gewone behandeling kan aan den verweerder, die verzuimde zijn antwoord te beteekenen, geen termijn worden gegeven tot het nemen van conclusie ter rolle.

Arr.-R. Nijmegen, v. 27 Febr. 1872, W. 3449.

Art. 145.

De beteekening van een interlocutoir arr. ten verzoeke van de partij zelve gedaan, kan (met het oog op de artt. 5 en 7 van 't Reglement op den dienst der deurwaarders, gearresteerd bij Kon. Besluit, v. 14 Sept. 1838, Stbl. no. 36) niet beschouwd worden als de beteekening van eene akte van procureur tot procureur, waartoe alleen een bepaalde deurwaarder bevoegd is.

Arr. v. 4 Dec. 1845, W. n0. GG7, R., dl. XXIII, § 13; v. D. H., B.H., dl. VII, p. 199—214; idem, met betrekking tot eene acte van avenir.

ocr page 510

4S5 {Art. 145.

niet beteekeud door den eersten deurwaarder, ingevolge art. 7 van dat reglement, waardoor dan ook niet de peremtie, in art. 279 en volgg. 15. R. vermeld, kan worden voorkomen, bij arr. van 't 1'. II. v. N.-liraband, v. 8 Maart quot;1853, W. n0. 1446.

«. cyp — lt;

Art 146.

C^JZM^A^y fgt;£c*jOu4-? f-r eyCA^Jjc/- •_ féin .

1. Het verzuim eener tijdige beteekening door den eischer aan den /v oorspronkelijken gedaagde, van eeu vonnis, waarbij aan een gedaagde, c-i^e^ 5?^ in cas van vrijwaring, akte wordt verleend, dat hij zich in het geding

voegt, en partijen worden gelast om met dien gedaagde gezamenlijk ^

voort te procedeeren, levert ten aanzien van den oorspronkelijk

gedaagde, na de sommatie van den oorspronkelijk eischer om voort f^u^oJc. fav*-

te procedeeren, termen op om laatstgemelde in die vordering niet ^y^nux^jL^ ontvankelijk te doen verklaren. c^z*rvn_

Arr.-R. Hoorn, v. 12 Mei 1847, R. li. jg. 1848, dl. X, p. 214—216;— 4f

anders in de conclusien van den toenmaligen adv.-gen. D. C. v. d. Kemp, Uv

I. I., o. a. op grond, dat, al hadde in deze eene nietigheid bestaan, dit dan nog niet zou wegnemen, dat die later is hersteld, ten gevolge waarvan de eerste rechter op de genomen conclusie van den eischer had c^0a-aA,'h^e^iy^~ kunnen en behooren acht te slaan, behoudens des eiscbers veroordeeling /t/ ocj-.

in de kosten, door de vermeende nietigheid veroorzaakt; zijnde wijders,

bij arr. van 't P. II. v. K.-Holland, v. 25 Febr. 1848, R. li. ut supra, do eischer in zijn tegen voormeld vonnis ingesteld hooger beroep verklaard te zijn niet-ontvankelijk, als zijnde het vonnis op die (gelijk het Hof zich uitdrukt) chicaneuse en alleszins illegale tegenspraak van den gedaagde (geïntimeerde in hooger beroep), alleen gewezen tot instructie der zaak en mitsdien praeparatoir.

2. Bij het opnieuw aanbrengen van eene zaak bij den rechter a ^«0,

wiens beslissing is vernietigd, en naar wien de zaak ter verdere afdoening is teruggewezen, behoort de oproeping bij avenir en niet bij dagvaarding te geschieden, brengende echter de laatst gevolgde wijze geene niet-ontvankelijk-verklaring of ontzegging der vordering tot voortprocedeeren mede.

P. H. v. Zeeland, v. 14 Febr. 1860, R. li. jg. 1862, p. 481.

■

Art. 147.

Dit artikel in verband met art. o56 I?. R. is geschonden, wan-

ocr page 511

lyy /, iLS- AJC Ojt^. AJJL amp;e^cUrlt;Ji.cl, lt;»W ZUjL

j^fji^. QiJ^a. ■ £0lt;^- IrtStA-oiamp;alt;Ujyi£^-y £€-lt;Co«£~cC a-^. c7*amp;S. f xs.tzC.

/^CJUI^'O^^- Ot^a-vr-*^ cWamp;iMrt- r-uOa^. e^- amp;e-C^o*Ase~ lt;^-Vlt;. Jw oCL*

„ \rt 1 47 1 Ar amp;- ^^^iLCoC ,- /€amp;. ^4tlt;^U*ySn^m Z

^-e-c^c^w»-^ ^1'1 ■ ' /f

^ ^ieeT^e recliter in liooger beroep, het interlocutoir vonnis vernietigende, ten principale heeft'gevonnisd, zonder dat de geïntimeerde, eischer in reconventie, die alleen bevestiging van het vonnis heeft gevraagd, ten principale heeft geconcludeerd.

Air. v. 10 Deo. 4858, W. nquot;. 2191 ; R., dl. LX § 37; v. d. 11., dl. XXII, )). 497—513.

8 De zin en de bedoeling der bij art. 147 15. R , ten aanzien der pleidooien gebezigde woorden, in verband met de verwijzing bij dat art. naar artt. 138 en 139 15. 11, zijn geene andere, dan dat, na hel no.men van de wederzijdsche conclusiën, de dag van pleidooi zal worden vastgesteld, indien partijen niet daarvan afzien; terwijl daaruit ten 'onrechte als gevolgtrekking zou worden afgeleid, dat, in zaken van gewone behandeling, op demelfdm dag de conclusiën door de partijen zouden moeten genomen, en tevens door den rechter de dag van pleidooi zou moeten bepaald worden, met dat gevolg, dat het aan den eischer niet meer zou vrijstaan om, bij zijne conclusie, nadere stukken over te leggen, en aan den verweerder om, naar aanleiding dier stukken , voor zijne conclusie de aanwijzing van eenen naderen dag te vragen.

Deze wijze van beschouwing wordt gerechtvaardigd, zoo door het laatste lid van art. 133 van het gemelde wetboek, alwaar, in het algemeen, wordt gewag gemaakt van stukken, welke, na de dagvaarding,

door den aanlegger worden overgelegd, als inzonderheid door het bepaalde bij art. IfiS 15. II., betrekking hebbende tot de behandeling hij geschrifte, volgens hetwelk de stukken, die in dergelijke zaken na de wisseling der schrifturen van repliek en dupliek, door partijen mochten worden overgelegd, alleen niet in de begrooting der kosten kunnen worden aangenomen.

Air.-R. Arnhem, v. 0 Jan. 1840, R., dl. VII, § 38.

3. De eigenlijke litis-contestatie wordt niet door de dagvaarding maar door de conclusiën gevormd.

Hieruit volgt dat bij verandering eener wetgeving tusschen den tijd, waarop eene dagvaarding is uitgegaan en do Utis-coiitestatie is ten einde gebracht, de berekening der kosten volgens de laatst ingevoerde wetgeving moet plaats hebben.

-gt;■

i

ocr page 512

(Art. 347

P. H. v. Utrecht, v. 10 Juni 1844, W. nH. 542. — Cf. art. 1 ]i. R., vonnis van do Arr.-R. Amsterdam, v. 8 Jan. 1846 sqq,, en art. 159 B. U., vonnis van de Arr.-R. Gorinchem, v. 22 Jnni 1850.

A. Men mag ter rulle antwoorden op eene exceptioiieele conclusie, die wel beteekend is, maar nog voorgedragen moet worden.

Arr.-ll. Middelburg, v. 24 Febr. 1847, W. n®. 802.

ö In de conclusion ter rolle, ingevolge art. 147, jo. 144 en 145 B. II., in zake van gewone behandeling genomen, mag worden afgeweken van de conclusiën, zoo als zij beteekend zijn, zonder dat echter de voorgedragene conclusiën vermeerdering mogen ondergaan, of middelen behelzen, niet vervat in de beteekende.

Arr.-R. Middelburg, v. 24 Febr. 1847, W. n0. 802.

«. Het voorlezen der beteekende conclusie ter rolle [in casu na gegeven avenir) is niet op straffe van nietigheid bevolen.

1'. 11. v. Overijssel, v. 21 Febr. 1847, W. n». 875.

ï. Het dienen van eene conclusie van repliek, waarbij geene nieuwe middelen zijn voorgesteld maar alleen de vroeger voorgestelde nader zijn aangedrongen, kan geene aanleiding geven tot eene niet-ont-vankelijkheid.

P. H. v. N.-Holland, v. 25 Febr. 1849, R. B. jg. 1849, dl. XI, p. 240— 245, te dien aanzien bevestigende een vonnis van de Arr.-R. Amsterdam, v. 8 Nov. 1848, VV. n0. 986; R. B. 1. c., p. 21—24. — Vgl. hiermede art. 139 B. R., vonnis van de Arr.-R. Amsterdam, v. 21 Juli 1846 sqq., sub n0. 3.

S. Evenals elke conclusie van eisch moet sluiten met een bepaald rechtsgevolg, hetwelk bij vonnis aangenomen, het recht tusschen partijen bepaalt en voor executie vatbaar maakt, zoo ook moet eene exceptieve conclusie sluiten met een bepaald beweren ten opzichte van den exceptieven eisch, hetwelk door den rechter aangenomen moet worden — niet eene loutere sententia declaratoria — maar eene uitspraak omtrent het recht, hetwelk de gedaagde heeft om de actie te stuiten, en bepaaldelijk, wat het gevolg daarvan is op den stand en den voortgang van het geding Aan dit vereischte voldoet niet de conclusie van gedaagde, die eenvoudig strekt lot toewijzing cener

487

ocr page 513

Art. 147 )

exceptie van compromis, zonder dat zelfs in het lichaam der conclusie het rechtsgevolg genoemd wordt.

Ait.-R. Amsterdam, v. 6 Maart 1856, W. n0. 1740, R. 13. jg. ISp-G, dl. VI, blz. 294 sqq.

O. De bijvoeging aan eene exceptieve conclusie, strekkende tot niet-ontvankelijk-verklaring van de formule, //immers tot ontzegging van den eischquot; is te beschouwen als het bezigen eener eenmaal in de praktijk aangenomen, hoezeer min juiste, algemeene formule, op welke bijvoeging te minder behoort te worden gelet, wanneer zij, gelijk in casu, in strijd is met de kennelijke strekking der conclusie tot niet-ontvankelijk-verklaring. Tn dat geval kan dus uit die bij voeging de litis-contestatie ten principale niet volgen.

P. H. v. N.-Holland, v. 23 Febr. 18G0, W. n0. 2227, bevestigende Arr.-R. Amsterdam, v. 28 April 1859, W. n®. 2080.

-!€gt;. De partij, die door gepleegd verzuim der wederpartij de bevoegdheid heeft gekregen om, zonder verdere wisseling van schrifturen, een geschil te doen beslissen, kan daartoe niet verplicht worden, maar heeft de bevoegdheid desverlangd de gewone proces-orde te volgen, voor zoover dit de stand van het geding toelaat.

Arr.-R. Amersfoort, v. 27 April 1870, W. no. 3254, waarbij werd beslist, dat wanneer de gedaagde, die -verzuimd beeft eeno schriftuur van antwoord te beteekenen, daartoe opgeroepen, ten dienenden dage concludeert, alsdan aan den eischer nog een termijn voor conclusie van repliek kan verleend worden.

11. Het vragen van recht op de stukken sluit nimmer een afzien van daarin gedane vorderingen in zich.

P. H. v. Gelderland, v. 21 Oct. 1874, W. n°. 3829.

12. Zie ten betooge ;

a. dat de rechter niet zóó aan de conclusiën der partijen gebonden is, dat een vonnis zou belmoren te worden vernietigd, op grond dat daarvan zou zijn afgeweken, al is de beslissing overigens virtdcaliter overeenkomstig den eisch ■—

art. 48 R. R., arr. v. 9 Jan. 1839 sqq., sub n0. 1.

b. dat het oraal debat in onze burgerlijke rechtspleging niet hoofdzaak is —

Mr. A. A. de Pinto in Them ia, 3de verz., jg. 1877, blz. 248 sqq. ;

488

ocr page 514

r- yh)UUtJ-~. 0-4' ^^Wvgt;-»1gt;C4^gt;C«^0-G-^ quot;L - V» t/f--*-*-' ^Zs4J~O4^'^

lt;u~ /4, i

Oixi^c, : /amp;L- . 77eJ- Zv 'S'*- - ^ tvj'9'-

4S9 (Art. 117

voormelde schrijver betoogt wijders, dat zoolang men het zwaartepunt van het burgerlijk proces niet overbrengt naar de mondelinge voordracht,

eene instructie der zaak buiten den rechter om, in tusschen partijen gewisselde schrifturen niet wenschelijk, ja niet wel denkbaar is. Afschaffing van het ordinair proces en invoering van het zoogenaamd summier proces, waarin de zaak steeds op de rol blijft, voor alle zaken wordt door den schrijver, evenals door prof. van Boneval Faure, doch op andere gronden dan door dezen zijn aangevoerd, aanbevolen. Ook in de Ontwerpen van '1855, 1805 en 1877 werd de summiere procesorde algemeen gemaakt.

Zie eenige denkbeelden betrolfende rechtsbedeeling en hetgeen daarmede in verband staat van Mr. F. J. A. Fles in W. n0. 3309 en 3311. Zie ook denzelfden over het oraal debat in burgerlijke zaken in W. n0. 3317.

Zie wijders een betoog tegen de mondelinge voordracht in W. nquot;. 4618;

cf. ook W. n0. 4621 ; en Mr. Druckek in W. n0. 4635, die de toepassing van het zoogenaamd «Fragerechtquot; aanbeveelt.

Art. 148.

1. Daar uit den ganschen samenhang van art. 1925 B. W. ten duidelijkste voortvloeit, dat de vertooning van het oorspronkelijk stuk alleen dan te pas komt, wanneer men beweert, dat de afschriften met het oorspronkelijk stuk niet overeenstemmen, zoo volgt hieruit dat de rechter, door [in casv, waar het gold de gevraagde mededeeling in nriginali van de deliberatie van het bureau van kerkmeesters eener parochie-kerk) waar van dit beweren niet blijkt, den gedaagde in zijne daartoe betrekkelijke vordering niet aannemelijk noch gegrond te verklaren, art. 1935 B. W. geenszins heeft geschonden en daardoor ook van zelve vervalt de mededeeling, bij art. 148 B. 11. toegestaan, ook al kon men het er in rechten niet voor houden, dat de eischer, door de mededeeling aan te bieden van het stuk, zoo als het door hem in litem was gebracht en gebruikt, en hetgeen hij beweerde het origineele of oorspronkelijke te zijn, niet volkomen aan art. 148 B. R. zou hebben voldaan, behoudens het recht des gedaagde om de bewijskracht van dat stuk, waarop de eischer alleen zijn recht deed steunen, te betwisten.

Arr. v. 15 Oct. 1852, W. n». 1378; R., dl. XLIII § 11; v. n. H., B. ƒ;., dl. XV, p. 175—187, bevestigende, doch op andere gronden, een arr. van 't P. H. v. Limburg, v. 1 December 1851. W. 11°. 1297 ; idem bij arr. van 't P. H. v. Gelderland, v. 23 April 1851. W. nquot;.

ocr page 515

L./ftJ- /*// e.j? £~^- lt;yjh^~p

.tr/. 148.) 490

fyi, ^/Hyvi'tê}h-oLa^u- -1253; R. B. jg. 1852, p. 416—421; (bereids vermeld op art. 1925 h n. uPqi y^'Z- ''■ W- j sub n0 8); anders (en volgens Lkon zeer te recht) in de conclusie van den adv.-gen. Gregory, R. ut supra, alsmede door S. M., /cPQ', r^^-in de Opm. en Med., dl. VIII, p. 211—217 en J. V., in 't W. no. 1382.

a/Jyvq cnnyytr^*-. Met deze laatsten stemt geheel overeen een vonnis van de Arr.-R, Rotter-

%quot;f _^am' V- ^ Sept. 1839, W. nquot;. 74, naar luid waarvan art. 148 B. R.,

begeert de mededeeling of nederlegging ter griffie, door de eene partij et ten behoeve der andere te doen, onbepaald en zonder onderscheid of

^ MLa~aJL uitzondering, en niets anders ten doel heeft, dan om partijen te verzekeren

iwe'k .-lt;? de overlegging aan den rechter, van stukken, die de wederpartij

lt;? ' ' / niet in de gelegenheid zoude zijn geweest te onderzoeken, en met de aan haar gegeven copie behoorlijk te vergelijken. Meer bepaald met betrekking tot de kwestie, bij voormeld arr. van den H. R. beslist, BerrijVT-St.-Prtx, Cours de l'roc. Civ., Bruss. ed., jg. 1823, p. 233; Carré, lois dc la procédure civile, dl. II, n0. 146, p. 237 der Bruss. ed., v. Ciiauveau Adolphe van het jaar 1846; v. d. Honert, JIdb., p. 272 en Penning ad art.

3. Indien de eerste rechter zich in zijn vonnis, waarmede de hoogere rechter zich vereenigt, op zeker proces-verbaal beeft beroepen, dan moet het er voor gehouden worden, zoolang het tegendeel niet wordt bewezen, dat het stuk door eene der partijen op eene wettige wijze in het geding is gebracht.

Arr. v. 16 Mei 1856, W. n0. 1753; R., dl. LUI § 14; v. d. H., B. R.. dl. XX, p. 354.

3 Een verzoek tot overlegging van een origineel stuk kan niet worden toegestaan wanneer dat verzoek strekt tot bereiking van een oogmerk, geheel en al buiten de bedoeling van dit art. liggende : in casu quot;ten einde uitstel voor het nemen van een conclusie ten principale te verkrijgen.quot;

Arr. v. 8 Febr. 1878, W. no. 4213, R., dl. CXVIII § 1G; v. d. II.. B. 11., dl. XLI1I, p. 68—74.

J-. Waar de toewijzing der gewijzigde incidenteele vordering //dat zeker in de dagvaardini' aangehaald stuk wordt gehouden buiten het

o o o o

gedingquot; alleen berust op het judicieel contract, dat volgens de feitelijke en in casu dan ook niet bestreden beslissing tusschen partijen zou zijn aangegaan, kan geen der artt. 14-8, 133, 139, 143 en 144 15. 11 zijn geschonden of verkeerd toegepast.

Arr. v. 3 Dec. 1880, W. no. 4586, v. d. II,, D. R., dl. XLV p. 370—374; 11. B, jg, 1881, A. p, 191.

ocr page 516

(Art. 148.

5. Processtukken behooren uitsluitend in eigendom aan deli proces-voerder, en kunnen derhalve nimmer als gemeen worden beschouwd tusschen dezen en den advocaat, die liet proces heeft behandeld.

Arr. v. 22 April 1881, W. n». 4030; R., dl. CXXVII § 42; v. d. li., B. li., dl. XLVI, p. 267—271.

ii De mededeeling van stukken in 't W v. K. en in dat van B. R. voorgeschreven en casu (pio bevolen, verschillen seheel van aard en zijn de voorschriften daaromtrent met geheel verschillende bedoeling gegeven, zoodat de eene mededeeling (volgens het W. v. K.) althans in de meeste gevallen, van 'het rechtelijk goedvinden afhangt en alzoo door de rechtbank kan worden verleend of geweigerd, terwijl de andere mededeeling, volgens 't W. v. IJ. R., meer algemeen een vaste regel is, waaraan partijen en de rechter zijn gehouden.

Arr.-R. Rotterdam, v. 13 Sept. 1839, W. n0. 74. — Cf. wijders art. 12 W. v. K., vonnis v. dezelfde Arr.-R. van denzelfden datum, sub n0. 3 en Arr.-R. Amsterdam, v. 15 Febr. 1865 sqq. sub hoc art.

9. Er zijn geene termen voor den rechter om te gelasten, dat sommige stukken, niet aan partij medegedeeld, buiten liet proces worden gehouden, uithoofde, voor het geval die stukken aan de verzoekende partij onbekend waren en zij belang had om die te kennen, zij alsdan een incidenteel verzoek tot mededeeling van die stukken had behooren te doen.

P. H. v. Utrecht, v. 2 Maart 1840, \V. nquot;. 79; — anders de Pinto, dl. II, 1, blz. 271, Oudeman, 4de ed., dl. 1, p. 191 ; Mr. S. .1. v. Lier, W. n0. 29, volgens wien de rechter in dit geval op die stukken geen acht kan slaan; — in gelijken z,in bij vonnis van de Arr.-R.'s-Hertogen-bosch, v. 31 Juli 1851, W. no. 1265; R. Ii. jg. 1852, p. 374—378, waarbij is beslist, dat stukken, die noch ten verzoeke van de gedaagden, zoo als die in het geding geroepen en opgekomen zijn, noch overeenkomstig het voorschrift der wet medegedeeld of in het geding gebracht zijn, moeten verklaard worden niet tot de dingtalen te behooren, en 2°. een opstel van Mr. S. J. van Lter, in 't W. ut supra, waarin bevestigend wordt beantwoord de vraag, of bij nalatigheid van den eischer, om aan bet verzoek der gedaagden tot mededeeling of overlegging ter griffie van stukken te voldoen, aan hem het verbod kan opgelegd worden om zicli in den loop des gedings van andere stukken tegen den gedaagde te bedienen, dan waarvan hij, ten gevolge van het daartoe gedaan verzoek, mededeeling zal hebben gedaan.

8. De wetsbepalingen omtrent de wijze waarop partijen zich weder-

1.91

ocr page 517

Art. 148.)

keerig behooren bekend te maken met de middelen, welke zij tot staving van hun recht voornemens zijn aan te wenden, belet niet om die mededeeling ook op eene andere, zelfs offlcieuse, wijze met onderlinge toestemming te doen of te vragen.

1'. II. v. N.-Braband, v. 4 Jan. 1842, W. n0. 293; R., dl. XI, § 28.

». Het is volstrekt onbestaanbaar met eene regelmatige rechtspleging, dat er na den afloop der pleidooien en het bevel tot mededeeling van stukken aan het Openb. Min., nog stukken in het proces gebracht worden.

Arr.-R. 's-Hertogenbosch, v. G Febr. 1843, W. nquot;. 442; R. B. jg. 1843, dl. V, p. 806—808.

lO. Art. 148 15. R. kent, ook met het oog op de artt. 138 en

139, eerst dan aan partijen de bevoegdheid toe, om in den loop van

het geding wederkeerig te vragen mededeeling van stukken, wanneer

het zeker is, dat die gevraagde stukken tegen hen worden gebruikt en

alzoo zijn sfukien van hel geding. Hieruit volgt dat een appellant,

alvorens conclusiën ten principale te nemen, niet incidenteel kan

concludeeren tot overlegging van stukken door den geïntimeerde.

Arr.-R. Utrecht, v. 7 Febr. 1844, W. nquot;. 475; R.. dl. XXII, § 90; idem arr. van 't P. H. v. Zeeland, v. 21 Oct. 1851, R. B. jg. 1852, p. 0/2 en 673; idem ten aanzien van den gedaagde die, alvorens op den eisch geantwoord te hebben, den eischer zou willen noodzaken om alle stukken mede te deelen, waarvan deze bij zijne dagvaarding en conclusie alsnog geen gebruik heeft gemaakt, doch waarvan hij, naar aanleiding der verdediging, eventueel zou kunnen gebruik maken — bij vonnis der An.-R. Utrecht, v. 3 Juli 1854, W. nquot;. 1577 ; R. B. jg. 1854, p. 585—593; idem mede ten hetooge, dat art. 148 B. R. is beperkt tot die stukken, welke door eene der partijen, overeenkomstig art. 133 B. R-, in het geding zijn gebracht, bij vonnis van de Arr.-R. Amsterdam, v. 1 Oct. 1841, R. B. jg. 1842, di. IV, p. 110; v. 9 Juni 1843 sqq. (bereids vermeld op art. 1923 li. W., sub nquot;. 2) en v. 21 Nov. 1849, W. nquot;. 1081, R. B.jg. 1850, dl. XII, p. 300—302; alsmede v. Groningen, v. 20 Maart 1840, R. B. jg. 1847, dl. IX, p. 392—394. — Ygl. hiermede 1°. een vonnis van de Arr.-R. Hoorn, v. 30 Juni 1841, W. n». 219, naar luid waarvan bij de instelling van eene actie jiniiiïn regundorum de eischer het recht heeft mededeeling te vragen van stukken, welke de gedaagde niet norninatirn aanhaalt, maar van welke hij geoordeeld wordt heimelijk (of zijdelings) gebruik te maken, welk gevoelen mede wordt voorgestaan door Mr. S. J. van Lieu in 't W. n0. 29, doch als in strijd met de wet bestreden dooi Oudeman, 4de ed., dl. I, p. 191 en welk recht door de Pinto, lldl., II,

4.92

ocr page 518

(Art. 148.

1 , p. 271 , alloen wordt toegekend voor het geval dat de stukken, waarvan de overlegging gevraagd wordt, aan beide partijen gemeen zijn; 2°. een vonnis van de Arr.-R. Amsterdam, v. 24 Febr. 1848, R. R jg. 1849, dl. XI, p. 25—27, waarbij evenzeer is beslist, dat alleen liet beroepen van partij op stukken in eene acte van procedure daarstelt het gebruik maken daarvan in den zin van art. 148, al. 1 ; 3°. dat in eene aanhangige procedure geene melding kan worden gemaakt van stukken die in eene sommatie, de dagvaarding voorafgaande, worden aangehaald, wanneer daarvan noch in de dagvaarding zelve, noch in de opvolgende conclusion is melding gemaakt, en 4°. dat geene der partijen mededeeling van stukken kan vragen, op grond dat de wederpartij zich reeds vroeger tegen haar op die stukken zou hebben beroepen, bij gelegenheid van het vragen van admissie tot gratis procedeeren — art. 19213 B. W., vonnis van de Arr.-R. Hoorn, v. 23 Jan. 1850, sub nquot;. 9. -— Zie ten slotte de aanmerking van de redactie van 't 11. 13. op het vonnis van de Arr.-R. Amsterdam, v. 1 Oct. 1841, R. Pgt;. jg. 1842, dl. TV, p. 116 (hierboven vermeld), die aldaar opmerkt, dat haar de uitlegging, als of art. 148 B. R. slechts de bedoeling heeft om partij kennis te doen nemen van de oorspronkelijke stukken, waarvan de copiën door de wederpartij zijn beteekend, volkomen juist toeschijnt, maar dat men zich moet wachten art. 1923 li. W. uit het oog te verliezen, hetwelk juist geschreven schijnt voor die gevallen waarin partij zich van die stukken, welke aan beide partijen gemeen zijn, niet bedient, terwijl ze evenwel voorde wederpartij noodig zijn.

l i. Onder de uitdrukking //stukken welke gebruikt wordenquot;, voor-1 komende in art. 148 B. R., kan niet worden begrepen het ter loops |//o. L- vermelden van stukken, veelmin het aanhalen van daadzaken, tot welke die stukken betrekkelijk kunnen worden gemaakt, maar het bezigen r/ ' ' van die stukken tot steun van eeniee rechtsvorderinn;.

UT' ..

[^J' Arr.-R. Amsterdam, v. G Aug. 1844, R. B. jg. 1844, dl. VI, p. 809—

811; R., dl. XXII, § 89; idem implicite Hof Leeuwarden, v. 9 Febr. 1880, W. n». 4519. Vgl. met dit arrest de natemclden conclusie van den adv.-gen. Mr. Gregory.

Vgl. in verband hiermede navolgende beslissingen ;

Partijen kunnen geene mededeeling of overlegging vorderen van stukken, die niet in het proces als bewijsstukken zijn gebracht, en waarop eischer zijne vordering niet grondt.

493

Arr.-R. Goes, v. 30 Jan. 18G0, R. B. jg. 1861, blz. 499—505; idem arb. uitspr. van Mrs. Cosman 's-Jacob en Levy, v. 17 Dec. 1867, R. 13. jg. 1869, p. 429, waarbij nog beslist werd, dat in alle gevallen de vordering tot overlegging en mededeeling van alle stukken, die de incidenteele eischer noodig heeft te onbestemd is om toegewezen te worden; idem

*

ocr page 519

Art. 148.) 494

Arr.-R. Amsterdam, v. 16 Nov. 1876, W. n0. 4153, R. B. jg. *1877, afd. .1, p. 10; en v. 3 Juni 1876, R. B. t. a. p., p. 12, en v. 30 Nov. 1877, R. B. ja:. 1878, p. 81, en v. 19 Maart 1880, AY. nquot;. 4551, R. B. jg. 1880, A, p.'348. — Cf. ook P. H. v. Limburg, v. 0 Dec. 1875, vernietigende vonnis Maastricht, v. 25 Juni 1875, R. B. jg. 1877, yl,p. 12. Cf. vonnis 's-Gra-venhage, v. 8 Maart 1881, W. n». 4612, waarbij beslist is, dat de eiscber geen stukken behoeft over te leggen, waarop hij zijn vordering niet doet steunen. Dit vonnis werd bevestigd bij arr. Hof 's-Gravenhage, «„/v v. 20 Juni 1881, alle opgenomen in R. B. jg. 1881, A, p. 158 sqq.; tip.quot; idem Arr.-R. Amsterdam, v. 24 Mei 1871, W. nquot;. 3373. Zie de conclusie

^ yi/' van don adv.-gen. Gregory, voorafgaand aan gemeld arr. Hof's-Graven-

jif l bagc in R. B. jg. 1881, A, p. 160, waarbij de leer wordt voorgestaan dat y/y l f .ft' met «gebruik makenquot; alleen bedoeld wordt het feit, dat de eischer of /I ^ jy verweerder zich beroept op de stukken, om het even of zij al dan niet

^ i O-, ^ zijn geproduceerd, mits op het stuk de eisch zij gegrond en er van dus

,1 i quot; w-quot; niet eenvoudig ter loops melding zij gemaakt.

ly ' L Ygl. daarmede navolgende beslissing:

Uit het verband der artt. 133, 139, 143, 144 B. 11 met art. 14S ibidem, volgt noodwendig dat in dit artikel alleen bedoeld worden stukken, waarvan afschrift bij de conclusie is gegeven.

Arr.-R. Amsterdam, v. 5 Mei 1881, R. B. jg. 1881, A, p. 162, (zie de noot op pag. 164 aldaar), op grond dat de bedoeling van art. 148 B. R. eenvoudig bestaat in het verschaffen van eene gelegenheid om het origineel te vergelijken met de copie; idem Arr.-R. Amsterdam, v. 1 Oct. 1841, R. B. jg. 1842, p. 116 en v. 31 Jan. 1879, R. B. jg. 1879,/1, p. 157.— Cf. ook Arr.-R. Utrecht, v. 18 Oct. 1871, W. no. 3513, waarbij is beslist, dat de eischer die verklaart dat bij zich vleit, dat de rechter na kennisneming van de overgelegde en nader in quantum pro overteleggen brieven en bescheiden, voldoende bewijs voor de positieven van eisch zal aanwezig vinden, geacht moet worden ook van die laatstbedoelde stukken gebruik te maken in den zin van dit artikel.

Vgl. het aangeteekende sub art. 148 nquot;. 1 en 6 B. R,

18. Indien de partij, welke tot goedkeuring der concept-scheiding heeft gedagvaard en geconcludeerd, geen behoorlijk afschrift van dit concept in het geding brengt, maar haar procureur, zonder tegenspraak van de wederpartij, bij de pleidooien, acte van bereidverklaring daartoe vraagt, dan kan bij vonnis bevolen worden, dat dit stuk alsnog in het geding worde gebracht.

Arr.-R. Amsterdam, v. 16 Maart 1847, R. B.jg. 1847, dl. IX, p. 349 351.

13. Eenmaal erkende en op die erkentenis in het geding toege-

ocr page 520

[Art. 148.

laten stukken kunnen niet meer nocli voor den eersten rechter noch in honger beroep worden ontkend.

Arr.-U. Assen, v. 20 Nov. '1848, R. B. jg. 1852, p. 202-—204.

quot;141. De rechter kan eerst dan, wanneer de gedaagde zicli uitdrukkelijk op een of ander stuk heeft beroepen (en mitsdien niet a priori) bevelen, dat de stukken, welke na een gestelden termijn zullen geproduceerd worden, buiten het geding zullen blijven.

Arr.-R. Amsterdam, v. 21 Nov. 1849, W. n0. 1081 ; R. Ti. jir. 1850, dl. XII, p. 300—302.

f •*. lie woorden quot;oorspronkelijke slukkeH' in art. 148 H. R. hebben niet de beteekenis , als of elke gedingvoerende partij kan worden genoodzaakt geene andere dan oorspronkelijke autographische actes te produceeren, met uitsluiting van het gebruik van afschriften en gedrukte stukken , maar is integendeel eene partij , indien zij verkiest een afschrift of afdruk als bewijsstuk te produceeren, hiertoe volkomen gerechtigd en is zoodanig stuk dan in liet geding, voor zoo verre de procedure betreft, een oorspronkelijk stuk, behoudens het latere oordeel over de vraag, of aan zoodanig stuk al dan niet kracht van bewijs moet worden toegekend, volgens burgerlijk recht.

Arr.-R. Amsterdam, v. 28 Dec. 1852, W. n0. 1399; R. B. jg. 1853, p. 132—141 (in het geding betrekkelijk het recht der stad Leiden op liet Haarlemmermeer) ; vgl. arr. P. H. v. N.-Holland, v. 26 Sept. 1861, W. n0. 2331 ook op dit art. vermeld, waarbij is heslist, dat wanneer de partij zich tot staving van zijn recht beroept op afschriften van stukken, zij inderdaad de oorspronkelijke stukken, waarvan zij afschriften in het proces gebracht heeft, tegen zijne tegenpartij gebruikt.

Ift W anneer de gedaagde stilzwijgend van zijne vordering tot mededeeling van meerdere stukken heeft afstand gedaan en niet blijkt, dat die vordering tot meerdere kosten heeft aanleiding gegeven, dan wanneer die tot het bij de dagvaarding vermelde stuk ware beperkt geweest, dan is eene afzonderlijke uitspraak omtrent de kosten van dat incident ten eenenmale overbodig, als zijnde die uit hun aard begrepen in de kosten van het geding.

Arr.R. Utrecht, v. 3 Juli 1854, W. no. 1577; R. B. jg. 1854, p. 585—593.

tS. De vordering tot mededeeling van de stukken, waarop de

1.95

ocr page 521

Art. 148

eisch rust, kan door den gedaagde worden gedaan ook vóór hij ten principale heeft geantwoord.

Arr.-ll. Rotterdam, v. 30 Juni 1856, Tl. B. jg. 1857, Uz. 170 sqq. Zie ook t. a. p. blz. 171, de opmerking van Mr. J. v. Hall betrekkelijk dit vonnis.

18. De vordering tot mededeeling geldt alleen die oorspronkelijke stukken, die iu handen van de tegenpartij berusten, dat niet kan gezegd worden van eene onderhandsche akte, waarop de eischer zich beroept, doch die bij eenen notaris gedeponeerd is.

Arr.-R. Appingadam, v. 14 Juni 1860, W. nquot;. 2201.

De eenmaal in eersten aanleg in het geding gebrachte stukken blijven ook in hooger beroep stukken van den processe, en zijn daaraan geacquireerd. Hieruit volgt dat men in zoodanig geval in appèl niet kan beweren nog niets geproduceerd te hebben.

P. H. N.-Holland, v. 26 Sept. 1861, W. no. 2331, ook vermeld op dit artikel sub n0. 15.

SO. Een gedaagde, tegen wien tot rekening en verantwoording wordt geageerd, heeft niet het recht de overgifte der boeken te vorderen, welke hij beweert tot het opmaken zijner rekening en verantwoording te behoeven, — maar de eischer, kan als zijnde tot niets verder gehouden, volstaan mededeeling der boeken te doen, op de wijze, als bij dit artikel is bepaald.

Arr.-R. Amsterdam, v. 16 April 1863, W. n0. 2480.

81. Dit artikel is algemeen en dus ook toepasselijk op schuldboeken.

Arr.-R. Amsterdam, v. 15 Febr. 1865, W. no. 2701 ; idem Arr.-R. Rotterdam, v. 13 Sept. 1839, W. no. 74, (ook vermeld sub art. 12 W. v. K. n0. 3), waarbij in beginsel werd beslist, dat de bepaling van het W. v. K. niet derogeert aan bet voorschrift van dit artikel, maar de vordering op grond van in cctsu niet bestaande noodzakelijkheid werd niet-ontvankelijk verklaard.

Zie intusschen navolgende beslissing :

De vorm van mededeeling van oorspronkelijke stukken hier voorgeschreven is niet van toepassing bij koopmansboeken; deze boeken moeten ook voor eene enkele vergelijking van de kopie met het

196

ocr page 522

{Art. 14S.

daarmede betrekkelijk gedeelte van het buek, steeds voor den rechter

opengelegd worden.

Arr.-R. Amsterdam, v. '22 Febr. 1855, R. 1!. jg. 1855, dl. V, blz. 284;

idem vonnis derzelfde rechtbank, v. 15 April '18G3, W. n0. 2504.

'i'i. De akte van [irocureurstelling en het exploit van sommatie moeten niet beschouwd worden als stukken hier bedoeld.

P. H. v. Drente, v. 9 Febr. 1867, W. n». 2948, R. B. jg. 1809,

p. 755. Zie evenwel arr. P. II. v. Drente, v. 5 Juni 1875, W. n0. 3880,

ten betooge dat de copie-dagvaarding, bijaldien liet origineel in bet ongereedo is geraakt, als een stuk hier bedoeld moet worden aangemerkt.

De keuze tusschen de wijzen, waarop de inzage van de origi-neele stukken kan worden verleend, behoort niet aan dengene, die v

haar vraagt, maar aan hem, van wien zij gevraagd wordt.

is-a

r^7!r. /eyxP V ■ V

Arr.-R. 's-Hertogenbosch, v. 0 Mei 1808, W. no. 3024; R. B. jg. 1809, ^ . p. 519; idem Arr.-R. Assen, v. 28 Deo. 1882, W. nquot;. 5013.

®-l-. De vordering tot het overleggen van stukken in originali kan niet tegelijkertijd gedaan worden met die tot het uitleveren ^ van afschriften.

Arr.-R. Amsterdam, v. 31 Jan, 1808, R. B. jg. 1808, p. 358. _ . ^ ^ ^

7 ^ O

®5. De vordering tot mededeeling van stukken kan niet opgaan,

wanneer het den gedaagde blijkbaar niet te doen is, om eenig stuk ter — a0j-

vergelijking of om andere redenen in originali te zien, maar hij veeleer van den eischer eene volledige productie verlangt, vermeenende dat door het gemis aan de noodige productie de ingestelde vorderinu ' '

met genoegzaam is bewezen.

Arr.-R. Amsterdam, v. 3 Juni 1870, R, B. jg. 1871, p. 300.

^ - U-s

'iii. De mededeeling der oorspronkelijke stukken kan door de eene

partij niet van de andere worden geëischt, wanneer deze laatste zich ^ ^

li -| Irz-o-o--* cX 0*sxnr_

op geen ander stuk beroept, dan hetwelk reeds in het bezit is der wederpartij. ^

Arr.-R. Rotterdam, v. 23 Dec. 1874, R. B. jg. 1875. ,1, p. 138. 2 6 .

mr. w. van rofsf.m bz , Burn. Rechtsv. 30 /// „ ____ /

/gt;lt;s. quot;U.0t-ft-fc*

497

ocr page 523

Art. 148.)

3S. De kennisgeving van de overbrenging der akte 7iaar de griffie kan geschieden, zoowel bij conclusie ter rolle als door een beteekende akte van procureur tot procureur.

Hof Amsterdam, v. 25 Jan. 1884, W. n0. 5087.

Art. 149.

I . Met liet woord quot;tijdquot;, vermeld in art. 149 B. R., kan niet anders zijn bedoeld, dan een termijn van de eene terechtzitting tot eene andere. Hieruit volgt, dat de rechter de bevoegdheid niet heeft, om, mededeeling van stukken bevelende (gelijk in casu ambtshalve), te gelasten, dat de conclusie, dientengevolge te nemen, nog in dezelfde terechtzitting zal worden voorgedragen.

P. H. v. Gelderland, v. 31 Mei 1848, W. nis. 940 en 975; R. Fi. jp;. 1848. dl. X, p. 383—387, vernietigende liet daartoe betrekkelijk vonnis van de Arr.-R. Nijmegen, v. 7 Dec. 1847, R. B. ut supra. — Cf. art. 139 !gt;. R., arr. van hetzelfde P. H. v. denz. datum.

üe termijn, om inzage te nemen van oorspronkelijke stukken, is bij dit artikel overgelaten aan het arbitrium van den rechter.

Arr.-R. Amsterdam, v. 10 April 1868, W. n0. 3003.

3. Uit dit artikel kan geenszins worden afgeleid, dat er een vonnis noodig zoude zijn om de gevraagde mededeeling van stukken te bevelen ook dan, wanneer de tegenpartij zich bereid verklaart om daaraan te voldoen. Deze bereidverklaring behoeft niet noodwendig bij conclusie te geschieden, doch kan door de tegenpartij ook bij procureurs-acte sedaan worden. Wanneer de partij van het aanbod aldus gedaan geen gebruik maakt, moet zij geacht worden van de gevraagde mededeeling afgezien te hebben.

Arr.-H. Amersfoort, v. 14 Nov. 1855, \V. n0. 1723.

.1;/. 151.

JL Daargelaten de vraag, of onder de bewijsstukken hier bedoeld, andere mogen worden begrepen, dan reeds bestaande, zoo zijn onder

49S

ocr page 524

tjrtsCiï '^TlA— Vv___2_-^-

lx. L

L i

-2.

•p 2-o ^ ^

o

■ ' * lt; . , o

■LL ' ^ i- prvjnj^~ ^rr^fx^KiL lt;lsy^

l^ir^rth^ r^LJ. y

. Wo t c^r^- ^ T( ^rr ^y /by^-1 '~f-n^

HPJ ! , 499

1. up i r, ■wquot; hb .

[Art. 151.

~JL- lt;,lt;y-TrxA? ^w. f -ry? ,1 rT.bw~-*-Y'\amp;-lt;?amp; g~-C-^

gt; a. . ■ --- lt;v 2 -

y9~ r*

flie stukken alleen te verstaan zoodanige, van welke a priori kan aangetoond worden, dat zij invloed kunnen hebben op het geding, wat met een vonnis, dat tussclien andere partijen nog moet gewezen worden, zonder twijfel niet het geval is.

Arr. v. 22 Febr. 1878, W. nquot;. 4210; v. n. 11., B. li., dl. XL11T, p. 93—04; K. li. jg. 1878, A, p. '107; zie ook het vonnis der Air.-U. Amsterdam, v. 5 Febr. '1878, t. z. p., p. 154, ook vermeld sub art. 139 B. R. n0. 3. — Cf. ten aanzien van eerstbedoelde vraag, P. II. v. Z.-Holland, v. 20 Maart 1800, vermeld sub hoe art.

8. De stateering, vermeld bij art. 151 13. 11., kan alleen worden verleend, als de partij, die haar vraagt, opgeeft, welke stukken zij tot hare verdediging noodig heeft, en waarom zij die niet binnen den bij de wet bepaalden tijd zoude kunnen leveren.

Arr.-R. Amsterdam, v. 24 Oct. -1838, R. H. jg. 1842, dl. IV, p. 257 en 258, en v. 13 Nov. 1843, R. 15. jg. 1844, dl. VI, p. 503 en 504; idem wanneer de belanghebbende partij zich op geen bizonder vermeld of omschreven stuk, als waarvan in haar belang de overlegging noodig zuiide zijn, heeft beroepen, maar alleen ter balie bij [(leidooi heeft getoond een in omvang belangrijk pak papieren, zonder dat de waarde van inhoud daarvan door hem is ontvouwd, hetgeen te meer klemt, indien het, ook met het oog op art. 487 W. v. K., zeer onwaarschijnlijk wordt, dat die massa van ongenoemde schrifturen op de eindbeslissing van eenigen belangrijken invloed zoude kunnen zijn — hij vonnis van dez. Arr.-R. v. 17 Maart 1854, R. B. jg. 1854, p. 300 en 307. — Vgl. ook hiermede een vonnis van de Arr.-R. Amsterdam, v. 10 Mei 1844, W. nquot;. 527, waarbij is beslist, dat een gedaagde geene stateering van procedures kan bekomen, ter verkrijging van stukken uit Java, wanneer een geding bijna een jaar aanbangig is en hij, gelijk in specie, den aard en de natuur der stukken niet opgeeft; idem als de uitspraak in den hoofde dezes gemeld: Arr.-R. Zierikzee, v. 15 Dec. 1857, W. n0. 2010, arr. P. H. v. Gelderland, v. 23 Maart 1870, W. n». 3240, R. 15. jg. 1871, p. 007; vgl. Arr.-R. Groningen, v. 9 April 1875, R. B. jg. '1870, afd. ^1, p. 112, waarbij werd beslist dat bij gemis van omschrijving der stukken geen stateering kan worden gevraagd.

Zie verder biertoe betrekkelijk, Arr.-R. Amsterdam, v. 10 Dec. 1802, W. n0. 2403, waarbij is beslist, dat tot het toestaan van stateering voldoende is, dat de gedaagde in het algemeen opnoemt zijne koopmansboeken, correspondentie, verkoop nota's en prijscouranten, ook zonder gehouden te zijn het bewijs te leveren, dat die bewijsstukken afdoende zullen zijn ; vgl. in den laatsten zin, Arr.-R. Rotterdam, v. 13 Jan. 1883, W. n0. 4802, waarbij in de gegeven omstandigheden een algemeene verwijzing naar de, tegen overgelegde brieven, in te brengen bewijsstukken, voldoende werd geacht.

3. Eene conclusie tot stateering is ongegrond en kan niet worden

ocr page 525

Art. 151.)

toegewezen, indien hangende het geding de oorzaak, welke daartoe heeft geleid, heeft opgehouden te bestaan.

P. H. v. Holland, v. 3 Febr. 4841, W. n». 193.

4. Hoewel nergens bevolen is, dat armbesturen tot het doen van extrajudicieele exploiten of tot het riemen van conservatoire maatregelen, eenige voorloopige machtiging zouden behoeven, mogen zij echter zonder zoodanige machtiging, hun door de bevoegde autoriteit verleend, noch eischender-, noch verwerender wijze een rechtsgeding voeren, met dat gevolg dat een verzoek tot stateering, ten einde zich van de vereischte machtiging te voorzien, is gegrond.

Arr.-R. Rotterdam, v. lü Juni 184*1, W. n0. 260.

5. De rechter heeft de bevoegdheid om, in alle soorten van zaken, aan de belanghebbende partij, en mitsdien ook aan den eischer in summiere zaken, stateering van het geding te verleenen.

Ofschoon de wetgever, blijkens de discussiën betreffende de bepaling omtrent stateering, het oog heeft gehad op liet geval, dat men bewijsstukken van huiten 's lands zou noodig hebben, is liet echter zijne bedoeling niet geweest, de bevoegdheid tot het vragen van stateering alleen tot dat geval te beperken.

Arr.-R. Maastricht, v. 28 Maart '1850, F!. 1!. jfr. 1850, dl. Xll, p. 508— 514; idem, ten aanzien van de bevoegdheid des eischers om stateering te vragen, imiilicite bij vonnis Arr.-R. Groningen, v. 27 Nov. 1874, W. nquot;. 3887; anders: Arr.-R. 's-Gravenliage, v. 20 Febr. 1801, W. iiquot;. 2202, waarbij werd beslist, dat dc cisclier alleen dan bevoegd is verzoek tot stateering te doen, wanneer hij zich verdedigen moet op eene exceptie of op eene reconventioneele vordering; idem Arr.-R. Gorinchem, v. 8 Nov. 1804, W. iv. 2747, Arr.-R. Amsterdam, v. 2 Jan. 1874, R. Igt;. Jg. 1870, afd. A, p. 110; cf. aant. 17 op dit art.

ti. Daar art. 151 B. R. het verleenen van uitstel aan de beoordeeling des rechters overlaat, — moet niet alleen daarop worden gelet, of de voorgestelde exceptie of andere gevoerde juridieke verdediging voldoende is, maar ook of de feitelijke grond, waarop die exceptie of verdediging gezegd wordt te steunen, eenigermate waarschijnlijk is, daar anders een gedaagde in elk geding zich daardoor een uitstel zoude kunnen verschaffen.

Arr.-R. Leiden, v. 22 Febr. 1851, W. n0. 1220.

son

ocr page 526

n^AJxJLt^svc, X-y^f^ fpGU^ ~~ -rya

/f^u^quot; v^''''T^ ^ -^2^

U,' (rWS-- 50i (Arl. 151.

Vgl. navolgende beslissing

Een verzoek tot stateering kan niet worden toegewezen, wanneer bij den ernstigen wil van den verzoeker er ruimschoots tijd en gelegenheid is geweest, om de stukken in het geding te brengen, of wanneer de rechter buiten de mogelijkheid is gelaten, om te beslissen of de gedaagde werkelijk de stukken tot zijn verdediging onmisbaar behoeft.

Ait.-R. Amsterdam, v. 28 Maart 1871 . R. B. jg. 1872, p. 250,

aangeh. sub n0. 20 van dit art.

e. Indien de rechter in hooger beroep, bevestigende een vonnis van den eersten rechter, waarbij eene incidenteele conclusie is afgewezen, de zaak tevens naar den eersten rechter verwijst, om verder op de zaak ten principale te kunnen voortprocedeeren, dan verhindert die gewone formule van verwijzing de partijen niet, om bij den eersten rechter, alvorens de zaak ten principale te bepleiten, alle zoodanige admissibele incidenten voor te stellen, als zij tot de instructie der zaak zelve noodig achten, en kan er mitsdien ia dit geval eene stateering worden verleend, op grond dat er tijd noodig is, om een gevorderd bewijsmiddel te leveren.

Arr.-R. Groningen, v. 30 Jan. 1852, R. 13. jg. 1854, p. 385—388.

De gedaagde is niet bevoegd stateering van het geding te vragen,

wanneer van hem een voorwerp wordt geëischfc, waarop beslag door een derde is gelegd, indien het beslag zelf ten processe is erkend en bewezen en mitsdien geen bewijsstuk is voor de middelen van verdediging door den gedaagde vooruitgesteld, en het alleen maar de vraag geldt, of het bestaan van dat beslag den gedaagde grond geeft om des eischers vordering te betwisten.

Arr.-R. 's-Hertogenbosch, v. 24 Febr. 1854, W. n0. 1557.

famp;. Indien een mede-gedaagde, gedagvaard als gewezen lid eener ontbonden firma, beweert, dat niet /tij maar de liquidateur in het geding had behooren te zijn geroepen, dan levert dit i^eene termen op, om, hangende de definitieve beslissing op deze exceptie, de behan-ling der hoofdzaak ten opzichte van den eersten gedaagde te stateeren.

Arr.-R. Amsterdam, v. 30 Juni 1854, R. 15. jg. 1854, p, SSÜ—533.

ocr page 527

Art. 151).

lO. De mogelijkheid van twee beslissingen omtrent hetzelfde onderwerp mag den rechter niet leiden, om die ambtshalve te voorkomen, waartoe wel eene niet-ont vankei ijk-verklaring, maar geenszins stateering zou kunnen strekken.

Arr.-R. Amsterdam, v. 29 Mei 1856, W. n0. 1827, R. 1!. jg. 1856, hh. 315; cf. Arr.-K. Nijmegen, v. 3 Nov. 1840 sqq., sub art. 254 li. R.

41. Er bestaan geene termen tot het verleenen van de gevraagde stateering van geding, waar het bloot geldt eene verwering tegen de zeer eenvoudige en gewone actie van een making tot betaling van verdiend loon, tot welker bestrijding geene andere stukken vereischt worden dan de scheepspapieren, waarvan de niet-beschikbaarheid na den afloop der reis niet aan den aard van het geding is toe te schrijven.

P. 11. v. N.-Holland, v. 18 Jan. 1858, bevestigende vonnis der Arr.-R. Amsterdam, v. 14 Oct. 1857, W. no. 1979, R. li. Jg. 1858, dl. VII1. blz. 422 ; R., dl. LXIV § 72.

t«. De wet heeft hier kennelijk op bet oog reeds aanwezige stukken, die elders mochten berusten, maar geenszins bewijzen, die in den loop van een aanhangig of aantevangen rechtsgeding, door erkentenissen of anderszins wellicht zouden kunnen verkregen worden.

1'. H. v. Z.-Holland, v. 2(3 Maart 1860, W. n0. 2164, ook vermeld op art. 68 li. R.

13. De uitspraak op het verzoek van bepaling van den dag van pleidooi op een verwijderden termijn, gegrond op het uitzicht van eene wet, waarvan het ontwerp is ingediend, maar waaromtrent de wording nog geheel onzeker is, kan niet als een vonnis op een verzoek tot stateering van het geding worden aangemerkt, maar als een praeparatoir vonnis, dat afzonderlijk niet appellabel is.

P. H. v. Groningen, v, 1 Mei 18(56, R. B. jg. 1867, p. 58.

141. Deze bepaling — hoe ook het woord //bewijsstukkenquot; zij op te vatten (nam. in den zin van reeds bestaande of van die, welke nog in het leven moeten worden geroepen) — moet in ieder geval geacht worden alleen het oog gehad te hebben op zoodanige stukken, waarvan het zeker is, dat zij binnen een zekeren, zij liet

502

ocr page 528

I

. _. , ,_t-^......i ~ -iK

.10;; f.4/V. 151.

dan ook aj)proximatief vasttestellen termijn, in liet proces kunnen worden gebracht.

Ait.-R. Nijinegeii, v. S Nov. 1870, VV. mquot;. 3396. — Cf. ten aanzien van eerstbedoelde vraag, air. P. li, v, Z,-Holland, v. 26 Maart 1860, vermeld op dit art.

lö. Het ingesteld hooger beroep van een niet of, gelijk in casu, van een nog niet appellabel vonnis, kan zeer zeker geen grond tot stateering opleveren.

Hof van Justitie Suriname, v. 22 Hec. 1871, W, nquot;. 3574.

K», Alleen in het geval in dit artikel omschreven, kan stateering van het geding gevraagd worden, zoodat het beroep in cassatie tegen een incidenteel vonnis geen grond tot stateering van liet hoofdgeding oplevert. Uitstel tot het nemen van conclusie, gevraagd om dezelfde reden, waarom de stateering is geweigerd, moet als eene vermomde stateering beschouwd worden.

Hof Arnhem, v. 21 Mei 1879, W. nquot;. 4401; R. B. jg. 1879, .1, p. 229; vgl. ook ten betooge, dat het feit dat de gedaagde in hechtenis is, geen grond oplevert tot stateering van het geding, Arr.-R. Zierikzee, v. *15 Dec. 1857, W. n0. 2016, R., dl. LXIV § 80.

1S. Het verzoek tot stateering van het geding is niet voor toewijzing vatbaar, wanneer uit de processtukken blijkt, dat de eischer reeds vroeger genoegzaam op de hoogte was geweest van de beweringen des gedaagde en dus had kunnen voorzien, dat hij die door stukken moest staven.

Arr.-R. Amsterdam, v. 31 Jan. 1879, \V. n». 4416; zie de geciteerde opmerking van de redactie van het U. I!. in deel 1879, .1, p. 159; vgl. ook omtrent de bevoegdheid des eischers in het algemeen om stateering te vragen, aant. 5 op dit art.

1.8. In materie van arrest, kan de wetgever geene stateering van het geding gewild hebben, daar de gestelde termijnen op eene spoedige beslissing wijzen.

Arr.R. Almelo, v. 29 Dec. 1880, W. n0. 4643, waarbij werd in het midden gelaten de vraag, of de rechter alleen in het hier genoemde geval stateering kan uitspreken ; zie daaromtrent aant. 16.

IH. Onder bewijsstukken moeten niet uitsluitend worden verstaan de zoodanige, die reeds bestaan, maar ook die, welke nog niet bestaan

ocr page 529

Art 151 )

op bet oogenblik, dat de wenscli om die alsnog voortebrengen, wordt kenbaar gemaakt.

Arr.-R. Rotterdam, v. 27 Febr. 1884, W. n0. 5074, waarbij stateering werd toegelaten, om uit Batavia te ontvangen de geteekende volmacht tot opdracht van den litis-decisoiren eed.

SO. z ie omtrent de vraag, of het verzoek tot stateering als eene dilatoire exceptie is te beschouwen —

Arr.-R. Amsterdam, v. 28 Maart 1871, W. nquot;. 3346 en aangeh. sub nquot;. G van dit art.

81. Zie over de wenschelijkheid, dat er worde bepaald, dat incidenten van stateering ter rolla worden behandeld en bij eenvoudig besluit op het audientieblad worden beslist.

R. B. jg. 1879, A, p. '139, naar aanleiding van een vonnis der Arr.-R. Amsterdam, v. 31 Jan. 1879, W. n0. 4416, waarbij de stateering werd afgewezen, maai' de partij toch verkreeg, wat zij wenschte, nam. een zeer lang uitstel van den pleitdag.

Art. 15ü.

I. Indien van een vreemdeling, die requirant van interventie in een aanhangig geding is, de cautie judicatum solvi gevorderd is, en intusschen de principale zaak, waarin hij had willen intervenieeren, hangende nog het geschil over het stellen der cautie, bij rechtelijk gewijsde beëindigd wordt, dan is het doel van de voorgenomen interventie ten eenenmale vervallen. — Hieruit volgt dat, hoezeer al niet mocht kunnen gezegd worden, dat door de voornoemde daadzaak de interventie ipso jure is vervallen, echter de primitieve eischer in dien stand van zaken niet meer ontvankelijk is in zijne conclusiën, strekkende daartoe, om, ondanks de beëindiging der principale zaak, alsnog de aanvankelijk gevorderde cautie te verkrijgen.

Arr. v. 20 Jan. 1843, R., dl. XIV § 15.

3. De vreemdeling, die een executorialen titel ten uitvoer legt, is niet gehouden tot het stellen van zekerheid.

Evenmin bestaat die gehoudenheid voor hem, waar hij als geoppo-seerde optreedt ten gevolge van bet verzet der wederpartij tegen

504

ocr page 530

JdL-CC-oÜUf (txr-c^- yfycnrrS^Q^ IrO -£»e^--lt;yC

ajMystt. 'ir^a-pr • t- ^6, . lt;*Plt;pP clt;Pflt;-P *'rPS-_

505 {Art. 152.

liet bevel, om aan den inhoud van den titel te voldoen, vermits niet de executie, maar de daartegen gerichte oppositie en dagvaarding is de aanvang van het geding.

A it. v. 26 Febr. J85S, W. nquot;. 1951, R.. dl. LVIII § 35; v. u. II.,

B. Pt., dl. XXII, p. GO—71 ; idem arr. P. li. v. N.-Holland, v. 18 Febr.

1855, W. n0. 1690. — Cf. vonnis Air.-H. Amsterdam, v. 19 Kov. 1808,

W. no. 3096, R. li. jg. 1869, p. 241 (ook vermeld sub nquot;. 7), waarbij is beslist, dat bij die een derde onder wien hij executoriaal beslag heeft gelegd, oproept tot verklaring en afgifte, als eischer te beschouwen is.

ü. Onder de kosten enz., waarvoor de vreemdeling zekerheid moet stellen in gevolge dit art., zijn alleen begrepen die, welke rechtstreeks voortvloeien uit de instantie, die met het vonnis eindigt , zoodat

daaronder niet begrepen zijn die, welke zouden kunnen worden ver-/*-

oorzaakt door de gevorderde ten-uitvoerlegging bij voorraad.

Dit volgt mede duidelijk uit de slotwoorden der eerste zinsnede ^ c,, » •• van art. 152 B. II. vin welke zij zouden kunnen verwezen worden,quot; //#

vermits daaronder alleen kan zijn begrepen datgene, waarin de vreem- r ,p^y deling zou kunnen worden verwezen door den rechter, voor wien de ^ -r.

' C-Jt /L-rt yC . lt; y : ó

instantie wordt gevoerd en die daaraan door zijn vonnis een einde ^ U x 3, maakt, en alzoo niet in de schaden en interessen, veroorzaakt door de y?y.7 voorloopige ten-uitvoerlegging van het vonnis, waarover de rechter jf#. S-.

niet is geroepen te oordeelen. ' ^ /

Arr. v. 16 Nov. 1860, W. n». 222'!.; R., dl. LXVI §23; v. u. II..

7?. ƒ?.. dl. XXIV, p. 378—386; idem Hof 's-Hcrtogenboscli, v. 3 Oct.

1876, R. B. jg. 1878, .1. p. 122, waarbij is beslist, dat bij het bepalen der som voor de zekerheid, niet in aanmerking komt datgene, waarvoor . . . zekerheid bedoeld wordt bij art. 52 B. R.

-I-. Art. 152 13. R. was niet van toepassing op de ingezetenen der voormalige zuidelijke gewesten vóór de ratificatie van het met België gesloten eind-tractaat.

P. H. v. Holland, v. 26 Juni 1839, W. nK 30 en 32; R., dl. II § 39;

. liegt in Nedcrl., dl. II, j). 170. — Vgl. biermede 1°. ten betooge, dat,

ook met het oog op art 152 B. R., do feitelijke en staatsrechtelijke afscheiding van België geen invloed kan uitoefenen op deu staat van hen, wier burger- of Nederlanderschap gegrond is op hunne geboorte binnen de grenzen van Oud-Nederland, uit ouders aldaar gevestigd, ook dan, wanneer zij na de afscheiding van België aldaar zijn blijven wonen,

wanneer het niet blijkt, dat zij hunne woonplaats aldaar hebben gevestigd met het oogmerk, om niet binnen dit Rijk terug te keeren — een vonnis der Arr.-R. te Rotterdam, v. 4 Jan. 1843, \V. n'J. 358; li., dl. XVI § 29; en

/i/gt;

ocr page 531

AH. 152) 506

2n. der toepasselijklieid van art. 152 JJ. R. op den Belg, die na do fornieelo sclieiding van Belgie zijne rechtsvordering lieeft ingesteld, hoewel de leverantien, welke daartoe betrekking hadden, lang vóór het sluiten van het eind-tractaat waren gedaan — een arr. van 't P. H. v. Friesland, v. 24 April 1844, Ueyt in Neder!., dl. IV, p. 144 en 145.

De vreemdeling, door een vreemdeling gedagvaard wordende, heeft het recht van dezen de zekerheidstelling te vorderen, voorgeschreven hij art. 152 15. R,

7/ / '/hrvc/k- Arr.-R. Rotterdam, v. 20 .Inli 1841, \Vr. n0. 200 en 215; idem Amster-/Uh- c dam, v. I Maart 1843, 1!. 1!. jg. 1843, dl. V, p. 271 ; R., dl. XVII § 30;

üRe[lt in Nederl., dl. Ill, p. 375 en 370, bevestigd bij arr. van 't P. H.

in N.-Holland, v. 14 Sept. 1843, R. li. jg. 1843, dl. V, p. 826, R., ut 91quot;6^/2^(7 ■ supra; idem Amsterdam, v. 3 Mei 1870, W. nquot;. 3257, II. B. jg. 1871,

p. 228; (idem met betrekking tot den vreemdeling, gedaagde in garantie, bij vonnis der Arr.-R. 's-Hertogenbosch, v. 1 Dec. 1841. W. n0. 311); idem door rnr. v. u. Kemi», Ontw. ut sujtra, 3de ed., )). 281; door mr. A. M. he Roüville, Thcinis, 2de jg., p. 273 en 274; door mr. N. Olivieu, Themis, 5de jg., p. 434 en 435; Oüüemax, 4de ed., dl. 1, p. 107 sq. ; de Pinto, II, I, p. 307; Rcytsy. Adv., dl. I, p. 120—131 ; de Martini, in de 2de verzamel, van Bijlagen, ad art. 4 der Grondwet van 1840 en door de Redactie van 't R. B. jg. 1847, dl. IX, p. 100; idem mr. M. W. C. Mei.ciikus «de toestand van den vreemdeling in het Xed. Procesquot; (diss. Leiden 1879), p. 111 sqq.; anders, hoewel in strijd met de meeste rechtsdoctoren over den Code de Pr. Civ. (zie o. a. Merlin, Repertoire, voce judicatum solvi, § I, n0. 7; Carré, les lois do la Proc. Civ., p. 87, n0. 702 enz.), met uitzondering van Pigeau, l'roe. den Trib. ilc France, t. I, p. 159 en Foelix, Tr. de droit intern, n0. 100; bij vonnis van de Arr.-R. Amsterdam, v. 17 Doe. 1841, liec/t ia Nederl, dl. 111. blz. 100; R. B. jg. 1842, dl. IV, p. 39 sqq., en o. a. bij een arr. van 't Hof van Orleans, aangehaald bij Paii.liet, in de aanteek. op art. 100, ('. de Pr. Civ.

€». In den regel is de vordering tot het stellen van zekerheid voor eene eventueele veroordeeling in kosten, schade en interessen, geheel óhe-i cta-mru-. persoonlijk tusschen de partij, welke die vordert en den eischer, en eAtsUt-M hangt zij geheel af van elks individueele opinie. Derhalve behoort dan crp (^-«-ook de contestatie over zoodanige vorderingen alleen en uitsluitend fytrdcgt;wiji~ iian dengene, die de cautie vordert en aan hein, die zich daarop ver-vmf-ae., dedigt, met dat gevolg, dat de overige partijen in de zaak daarmede ■. niet gemeens hebben en alzoo aan hen geene afschriften dier contes-$/a ..^'/^quot;-^i^tatie a prion behoeven te worden gegeven.

/i- Arr.-R. 's-llertogenbosch, v. 1 Dec. 1841, W. 11«, 311.— Vgl. echter

ocr page 532

I

507 {Art. 152.

omtrent de vraag, wanneer van dien regel kan worden afgeweken — art. 72 13. R., vonnis van de Arr.-R. v. denz. datum, sub nquot;. 2.

S. De vreemdeling, in zich vereenigende de vereischten, bij art. 8 H. W. gevorderd om met Nederlanders te worden gelijk gesteld, is niet verplicht tot het stellen der cautie judicaium solvi.

T- . Arr.-R. 's-Hertogenboscb, v. 13 Dec. 1838, R., dl. II, § 41; Itcr/t in I , „i, ioU^U. Xcderl., dl. II, p, 77—79; idem Amsterdam, v. 22 Febr. 1848, W. nn.

1011; R. B, jn'. 1849, dl. XI, p. HO—117; Ktü'. Winschoten, v. 12 Jan. .ri otT-j. -1855, w. 2JO. 1618; idem bij mr. A. M. de Roüvili.e, Themis, 2de jg., p. 273 en in zijne dissertatie De jvrc Alhinatus (Leiden 1835), p. 146 sqq.; de Pinto, Hrll., 2de ed., dl. II. 1, blz. 305; Oudeman, B. R., 4de ed., dl. I, p, 197 en omtrent het Fransche recht Merlin, Questions de droits, op caution jud. solvi, § I, n0. 2; Pigeau, I, p. 159; Rogron, op art. 16 Cod. Civ. en art. 160 C. de Pr. Civ. en het aldaar aangehaalde arr. van liet Hof v. Brussel, v. 1 Juli 1820; alsmede ten betooge: 1°. dat voor de kennisgeving, bedoeld in art. 8, n». 2 B. W., geen bepaalde vorm is voorgeschreven — art. 8 B. W., vonnis van de Arr.-R. Amsterdam ut supra, sub nquot;. 3; 2°. dat de vreemdeling, die eerst na het renvooi van den rechter-commissaris ter verificatie-vergadering en na de incidenteele conclusie tot zekerheidsstelling de gelijkstelling met Nederlanders erlangt, niettemin tot het stellen van cautie verplicht is, Arr.-R. Amsterdam, v. 17 Oct. 1855, W. no, 1707, R. B. jg. 1850, dl. VI, blz. 60; idem v. 16 Jan. 1849, W. n°. 1007, voor het geval dat de verklaring is afgelegd na de dagvaarding en de incidenteele conclusie; anders Arr.-R. 's-Hertogenboscb nt supra, v. 13 Dec. 1838; vgl. in verband met de ovengenoemde vonnissen der Arr.-R. Amsterdam, P. H. v. N.-Holland, v. 26 Juni 1862, W. nn. 2447. bevestigende vonnis der Arr.-R. Amsterdam, v. 2 Juli 1861, W. n0. 2302, waarbij is beslist dat, — vermits de staat van Nederlanderschap 'moet beoordeeld worden naar het tijdstip, waarop de zekerheid tot betaling dei' proceskosten gevorderd wordt, niet naar dat, waarop de vordering zelve wordt ingesteld, (anders implicite Ktg, Winschoten boven geciteerd), — de vreemdeling geene cautie behoeft te stellen, wanneer bij de verklaring van art. 8110,2B, W, aflegt, hoewel nd de dagvaarding, mits vóór het verzoek tot zekerheids-stelling. — In gelijken zin Reytsy. Adv., zevende verz,, blz, 129—131, waar ook betoogd wordt, dat wanneer de vreemdeling na de cautie-stelling of Nederlander geworden is, óf met Nederlanders is gelijkgesteld, er geene sprake kan zijn van het verhoogen der cautie in die instantie, of van het stellen van zekerheid in appèl, evenals omgekeerd de Nederlander eischer, die, hangende het proces, de hoedanigheid van Nederlander verliest op verzoek van gedaagde tot cautiestelling verplicht is; vgl, ook vonnis Arr,-R, Amsterdam, v. 23 Dec. 1863, R. B. jg, 1865, p. 375, ten betooge, dat het voor de gelijkstelling voldoende is, dat de veridaring van art, 8 al. 2 B, W, is gedaan vóór het verzoek tot cautiestelling, en dat de latere inschrijving van die verklaring daaraan niet kan schaden; 3°. dat zoowel uit den considerans, als uit de laatste al. van art, 3 der Wet

ocr page 533

Art. 1 52 )

v. 28 Juli 1850 {Stbl. n°. 44). blijkt dat laatstgemelde wet, ook met liet oog op de cautie judicatum solvi, geene verandering heeft gebracht in art. 8, al. 2 B. W., voor zooverre namelijk in dit art. de vereischten worden opgesomd, die de vreemdeling moet bezitten om met den Nederlander gelijk gesteld te worden — een vonnis van de Arr.-R. te Maastricht, v. 2(1 rebr. '1852. 1!. 1'. jg. 1852. p. 497—500; cf. het sub hoc art. vermeld vonnis der Arr.-R. Winschoten, v. 11 Jan. ISTl; 4quot;. dat hij die beweert dat een Nederlander, in den zin van art. 152 li. R., als vreemdeling moet worden beschouwd, als excipient het bewijs van dit beweren moet leveren — art. 1902 li. W., arr. van 't P. H. v. Gelderland, v. 29 Jan. 1840 sqq., sub nquot;. 46.

Vergelijk met betrekking tot den bewijslast, de twee navolgende

■j^ beslissingen

ésv Zij, die als eischers optredende, zicli bij de dagvaarding enkel opgeven

h -7 L . te zijn '/kooplieden wonende te Londenquot; moeten als vreemdelingen

zekerheid stellen, tenzij zij bewijzen Nederlanders te zijn, die hunne

^whandelsmrichting buiten 's lands hebben gevestigd.

4 Arr.-R. Amsterdam, v. 19 Nov. 1808, W. nquot;. 309G, R. li. jg. 1809,

^ p. 241, ook op dit art. vermeld sub n0. 2.

.ixj- yi' e c/in -

c{jmoc.quot;-n /o Hij , die in het buitenland woont en in Nederland als eischer ^ ^optreedt en van wien het stellen van zekerheid wordt gevorderd, moet, 72^- rJK quot;ranlleer hij beweert het Nederlanderschap niet te hebben verloren, v-iniettegenstaande hij in het buitenland woont, dat feit bewijzen.

/ Arr.-R. Amsterdam, v. 7 Jan. 1809, W. n0. 3124, R. 15. jg. 1809, p. 423

cl^ L '' ^ ^ Zie voorts ten betooge :

^ a. dnt hot verlies van het Nederlanderschap, ook met het oog op art.

tvaj 152 B. R., niet per se kan worden afgeleid uit de omstandigheid, dat een Nederlander, geene vaste goederen in Nederland bezittende en dit Konink-a , i rijk met der woon verlatende, eene woonplaats in een naburig Rijk heeft

(JlJa. betrokken, noch ten aanzien van een dienstknecht, die in een vreemd

, land gaat wonen —- art. 9 B. W., arr. van 't P. H. v. Gelderland ut supra, sub n°. 4; h. dat de vreemdeling, die beweert in de termen n i J ~i . va||en van vreemcie|ingeni (]je jn3t Nederlanders zijn gelijk gesteld, het

bewijs daarvan moet leveren — bij vonnis van de Arr.-R. Rotterdam, v. 9 Juli 1840, \V. n0. 727 ; R. B. jg. 1847, dl. IX, p. 80 en 87 ; en c. dat in een civiel proces de kwestie, of eene der partijen vreemdeling is, ook met betrekking tot de exceptie Judicatitm suloi, geheel uit het burgerlijk en niet uit het volken- en staatsrecht moet worden beoordeeld — art. 7 B. W., arr. van 't P. II. v. Holland, v. 26 Juni 1839, sub nO. 2 en Raad v. Justitie v. Samarang, v. 0 Juni 1855, W. nquot;. 1724. — Vgl. wijders het aangeteekende op hut B. W. art. 7—11.

508

ocr page 534

(Art. 152.

8. Uit art. 1(10 C. de Pr. Civ., in verband met de geschiedenis der IVeflerlnndsclie wetgeving, voornamelijk wanneer men in aanmerking neemt de afwijking, waardoor art. 152 B. R. zich onderscheidt van art. 129 der redactie van 1830, blijkt, dat de exceptie judicatum solvi thans niet, gelijk onder de Fransche wetgeving, vóór iedere andere exceptie behoeft voorgesteld te worden, maar dat dit in lederen stand ran het geding kan geschieden.

Maastricht, v. 20 Oct. 1842, R. Fi. Jg. 1843, dl. V, p. 220—222 . iqI$/ en v- April 1851, W. nquot;. 1202; idem, en zdfs voor hel eerst in de instantie van hoorjer beroep, l)ij arr. van 't P. II. v. N.-Rrabant, v. i , .uV*'- Mlinrt i842' R- B- 'iS- ^1842' lt;quot;• 1V' P- 212—214; R.. dl. XI, § 103; idem v. Utrecht, v. 30 Dec. 1847, W. n». 876 ; R. B. jg. 1848, dl. X, p. 69—71; idem Overijssel, v. 7 Juni 1847, W. n0. 864; idem Arr.-R. Hoorn, v. 13 Sept. 1848, R. Pgt;. jg. 1849, dl. XI, p. 59—61 en nr. Pinto, II, 1, p. 310; zóó ook weifelend Oudkman, B. Pi., 4de ed., dl. I, blz. 214; voorts de Marees van Swindeben, Aead. proefschr. Dover vreemdelingenquot; (Groningen, 1862), blz. 70; de Witt Hamer: handh. voor do kantongerechten, blz. 273; vgl. ook '/'hem Is, dl. V, p. 434 noot 2, waar wordt betoogd, dat tegoi do bedoeling van don wetgever, de woorden van dit artikel aan den gedaagde de bevoegdheid geven, om in iederen staml van liet geding de exceptie optewerpen; zijnde wijders bij arr. van 't P. 11. v. N.-Brabant ut supra, als een gevolg van het beginsel, dat de cautie judicatum solvi in iederen stand van het geding en mitsdien ook voor het eerst in hooger beroep kan worden voorgesteld, beslist, dat men ook in die vordering ontvankelijk is tegen hem, die, hangende het geding, vrijwillig of zonder zijnen wil vreemdeling wordende, niet meer dezelfde waarborgen als bij den aanvang van het proces oplevert; — anders echter, op grond dat die exceptie is dilatoir, en dus niet na eene verdediging ten principale zou mogen worden aangevoerd, in de Vragen van Sedert, regt door eenige Amsterd. Regtsbeoef., dl. II. p. 161 en 162, en bij vonnis Arr.-R. Amsterdam, v. 19 Mei 1876, W. n0. 4010, waarbij werd beslist, dat onder de weren van rechten, waaraan de vordering tot cautiestelling moet voorafgaan, niet is bedoeld de vraag omtrent de al-of niet-verschijning (in persoon of bij behoorlijk gemachtigde) der eischeresse, -— alsmede, met betrekking tot de hoofdkwestie, door mr. C. M. v. n. Kemp, Ontw. ut supra, p. 281 (3de druk), welke laatste, even als Oudeman, 4de ed., dl. I, p. 196 en de Pinto, ITill., II, 1, p. 302 en 303, doet uitkomen, dat de vordering tot het stellen van zekerheid, niet is eene exceptie, maar een voorloopig verzoek, zoo als dit dan ook blijkt uit het opschrift der afdeeling. — Meer breedvoerig echter wordt de leer, aangenomen bij voormelde uitspraken van de Arr.-R. Maastricht sqq. ut supra, bestreden in een vertoog in de Opm. en Med., dl. VIII, p. 195—200, ten opschrift voerende: »Van waar het verschil der woorden : avant toute exception, in art. 166 C. de Pr. Civ., en van de woorden: alvorens deze eenige weren van regten en tcgenzeggen

509

ocr page 535

Art. 152.)

510

behoeft tc ducn, in art. I;i2 ii. I!., hoofdzakelijk op grond, dat hot verschil tiisschen beide .wetgevingen niet kan worden beschouwd als opzet-latijk en (leluTl voorbedacht, maar voornamelijk daaraan is te wijten, dat onze wetgever ook hier bij het eerste onderwerp, in plaats van den Franschen tekst zeiven, de vertaling daarvan heeft gevolgd en dat men bij eene herziening van het eerste ontwerp, naar het schijnt, de Fransche wetsbepaling niet voor oogen heeft gehad en, mistastende in de beteekenis der woorden van het eerste ontwerp, deze ongelukkigerwijze heeft willen verduidelijken en ten gevolge daarvan het art. heeft voorgedragen, zou als het nu in art. 152 1!. R. te lezen staat.

Zie eindelijk over de vraag, of het verzoek tot zekerheidsstelling behoort tut de dilatoire exception, mr. A. F. de Bas in W. nis. 440G en 4421, die haar in ontkennenden zin beantwoordt, contra mr. van Nooten in W. n's. 4418 en 4423. Vgl. ook vonnis Arr.-R. 's-Gravenhage, v. 15 Aug. 1879, aangehaald sub n°. 14.

P. II R., dl.

Arr.-R.

R., dl.

R- B. jg. 1847, dl. IX, p. 84; R., dl. XXXII § 110; idem ten aanzien van den vreemdeling, oorspronkelijk eischer, incidenteel verweerder, nnM* appe||ant van het incidenteel vonnis, bij arrest P. H. v. Limburo-, v. 13 ^ Dec. 1861, W. n0. 2374; P. II. v. N.-lIulland, v. 15 Nov. ^OO^W. no. 2892, ook vermeld sub art. 335 li. R.; Arr.-R. Amsterdam, v. 26 Oct. 1870, W. n0. 3278; P. II. v. Gelderland, v. 2 Maart 1870, \V. n0 3''44 R.

verweerder

van het door hem ingesteld appèl, voor zoover dit betreft zijn veroor-doeling als verweerder in reconventie; idem in de Vragen van Sedert, liegt, door eenige Amsterd. Regtsbeoefen., dl. 11, pag. 161—163; OrnEMAN. B. li., 4de ed., dl. ]. p. 200 en de Martini ad art.; zijnde in overeenstemming hiermede als een gevolg van het algemeen beginsel, dat het hooger beroep slechts is de voortzetting van het rechtsgeding in eersten aanleg, bij arr. v. 26 Nov. 1841. v. n. II., G. '/... dl. II. p. 100— 104 en v. 27 Mei 1842, v. d. II., I. c., p. 105—110; R., dl. XII, § 22, beslist, dat, indien een vonnis in eersten aanleg gewezen is vóór de invoering der nieuwe wetgeving, en het appèl daarvan eerst is ingesteld na die invoering, alsdan ten aanzien van de al- of niet-vatbaarheid voor cassatie van het gewijsde in appèl, de zaak moet geacht worden bij de gezegde invoering hangende te zijn geweest, in den zin van art. 57 van

fgt;. Een vreemdeling, die in eerste instantie gedaagde is en tegen het veroordeelend vonnis in hooger beroep komt, kan geenszins tot het stellen van zekerheid verplicht worden, op grond vooral dat de rechtspleging in hooger beroep slechts is de voortzetting van het geding, in eersten aanleg ondernomen.

£l.n- Vlijtvnde.

/ / I

izcrfn I 'tl 7 fèSc wn-X

amp;(L ■yï-'^Lt/YU.

fyj., 4^y\i'Ur-.

*(( rn. o .-'O'jtji JtPcjZ, W éZtiP.

. v. N,-Brabant, v. 1 Maart 1842, R. B. jg. 1842, dl. IV, p. 212: XI i? 103; P. 11. v. N.-Holland, v. 27 Maart 1843, W. no. 861 : Assen, v. 22 April 1844, R. B. jg. 1844, dl. VI, p. 525 sqq.: XXXII § 110; 1J. H. v. Z.-Holland, v. 30 Dec. 1846, W. n». 775:

/2-

.. 'A*-

'jjsr

Irf'

... . ------ , -* • quot;• '• itinvi, gt;. ^ ü XUIV7, gt;gt; . II'.

l»- jg- 1871, p. 651, waarbij beslist werd, dat de eischer in conventie, reorder in reconventie niet verplicht is zekerheid te stellen, ter zake

/.//.A--'

kV

/1.

H-

Mb i

ocr page 536

[Art. 152

511

dn wet op dftii overgang; (vgl. ool; liiermede art. 211 en 210 li. U., arr. v. 0 Jan. 1854). Geheel in denzelfden geest en op grond dat bij de oor-spronkelijke exploiten de betrekkingen tusschen partijen (van eischer en verweerder), onherroepelijk worden bepaald tot aan de eindbeslissing toe, zoodat daarop ten aanzien der zekerheidstelling voor de proceskosten enz., van geen invloed kan zijn de omgekeerde verhouding, welke ten gevolge van incidenten of exceptiën tusschen partijen mocht ontstaan, is bij vonnis dor Arr.-R. .Maastricht, v. 20 Oct. 1842, 11. 1!. jg. 1843, dl. V, p, 220; bij arr. van 't 1'. H. v. N.-Brabant, v. 1 Maart 1845, R., dl. XXVI §88; van Overijssel, v. 7 Juni -1847, W. n». 864; van Utrecht, v. 30Dec. 1847, \\. n0. 87(); U. B. Jg. 1848, dl. X. |i. G9, bij vonnis van de Arr.-R. Hoorn, v. 13 Sept. 1848, R. B. jg. 1849, dl. Xt, p. 59—61 en bij arrest I'. 11. v. N.-Holland, v. 18 Nov. 1875, W. nn. 3953, R. li. 1876, afd. .1. p. 45, bevestigend beantwoord de vraag, of de vreemdeling, die in hooier beroep als geïntimeerde gedagvaard wordt, doch oorspronkelijk eischer was, op nieuw zekerheid stellen moet voor het geding in appèl, zooals hij daartoe in eerste instantie verplicht was ; idem ten betooge, dat ook de opposant, die tegen een vonnis, bij verstek gewezen, optreedt, niet moet beschouwd worden als eischer, op wien, indien hij een vreemdeling is, de verplichting rust tot het stellen van zekerheid, bij vonnis der Arr.-R. Amsterdam, v. 31 Mei 1843, R. I!. jg. 1843, dl. V, p. 789 sqq.; R., dl. X\I1 § 69, bij vonnis Arr.-R. Groningen, v. 26 Juli 1867, R. B. Jg. 1869 p. 688, ia de Vragen van JXederl. liegt, door eenige Arasterd. Regts-beoefen., dl. 11, p. 161—163 en bij mr. van den Kemp ut supra, (3de druk), blz. 281 ; -— cf. art. 81 B. R., vonnis van de Arr.-R. Dordrecht, v. 26 Jan. 1852, sub n0. 9; — anders bij vonnis van de Arr.-R. Utrecht, v. 7 Febr. 1844, W. n0. 475; R., dl. XXII § 90, naar luid was irvan het beroep van een eindvonnis niet zou zijn eene voortzetting der zaak, maar eene nieuwe instantie, waarbij de zaak aan een nieuw onderzoek onderworpen wordt; idem op grond, dat hij die van een vonnis in hooger beroep komt, niet geacht kan worden in eene andere hoedanigheid dan die van eischer np te treden, al was hij ook gedaagde in eersten aanleg, daar hij altijd eischt ot vordert de geheele of gedeeltelijke verbetering van het vonnis des eersten rechters, bij arr van :t P. 11. v. Drente, v. 29 Sept. 1849, W. nquot;. 1268; R.. dl. XXX\1 § 67; idem in de liegtsg. Adv., dl. IV,p. 159— 161; de 1'into, li. 11.. II, 1, blz. 310 volgg. en dezelfde schrijver in Ihemis, jg. VIII, p. 211 sqq. -— Laatstgemelde erkent dat de Fransche schrijvers en de Fransche Jurisprudentie in het algemeen zijne meening niet zijn toegedaan (1), doch meent tevens dat zulks naar het Nedeii. recht niets kan afdoen, uithoofde 1°. art. 166 C. de l'ruc. Civ. luidt: ygt;tous étrangers demandeurs iirincipauxquot; terwijl daarentegen art. 152 B. R.

(1) De leer, dat men er slechts op te letten heeft, wie oorspronkelijk de aanlegger van het vechtsgeding is, is reeds gehuldigd bij arresten van het Tarlement van Parijs, aangehaald bij Carré, ad art. 1G6 C. de Proc. Civ. Qu., 700. Vrij uitvoerig wordt hetzelfde betoogd door Meulis, Répert., in v. Caution judical am solvi, § 1, 11°. 3 en 4 ; Uuest., in v. ead., § 3. Zie ook Pioeau, I, 130; Berriai-St.-Prix, p. 1C1 ; alsmede A. M. de Rouvili.b, Diss, de jure albinatus, p. 35 en 3G (Lbon).

ocr page 537

Art. 152.)

gewaagt van alle eischers zonder onderscheid, en 2°. liet tweede punt van verschil gelegen is in de bepaling van art. 353 B. R., welke in den Code niet voorkwam, (zijnde echter bij arr. van 't 1'. 11. v. Z.-Holland, v. 30 Dec. 1846 ut supra, beslist dat art. 353 op het hier hedoeld geval niet van toepassing is).

tO. De vreemdeling is niet verplicht bij de dagvaarding cautie aan te bieden, maar mag het vonnis, waarbij de inciden-teele eisch wordt toegewezen , afwachten . alvorens hij de zekerheid aanbiedt.

1'. 11. v. Friesland, v. 13 April 1842, VV. nn. 302; R. B. jg. 1842, dl. IV, p. 577 sqq.; idem Arr.-R. Amsterdam, v. 12 Febr. 1844, R. B. jg. 1844, dl. VI, p. 718.

11. Hij, die zich ten behoeve eener partij borg gesteld heeft tot betaling der gerechtelijke kosten, waarin de wederpartij zon kunnen worden veroordeeld bij het op de introductieve dagvaarding te inter-venieeren vonnis, is daarvoor noch voor de kosten in eersten aanleg, noch voor die in hooger beroep (als geldende het hier eene overeenkomst van borgtocht, die beperkt moet worden opgevat) aansprakelijk, wanneer die partij niet in eersten aanleg, maar later in appèl in de kosten wordt verwezen

Arr.-R. 's-Hertogenbosch, v. 17 Jan. 1844, W. n0. 530; R. B. jg. 1844, dl, VI, p. 255—258.

12. De cautie judicutum solui kan van een vreemdeling worden gevorderd, ook dan, wanneer deze uit krachte der bestaande tractaten tot het kosteloos procedeeren hier te lande is toegelaten

P. 11. v. Gelderland, v. 10 Juni 1844, W. n0. 525; R. B. jg. 1844, dl. VI, p. 553—555, vernietigende het in een tegenovergestelden zin gewezen vonnis van de Arr.-R. Nijmegen, v. 20 Jan. 1844, R. B. jg. 1844, dl. VI, p. 230—232; idem 1'. II. v. Gelderland, v. 10 Jan. 1850, W. nquot;. 1742, R., dl. LXI § 03, R. B. jg. 1850, dl. VI, blz. 501 sqq., vernietigende vonnis der Arr.-R. Arnhem, dd. 31 Mei 1855, eodem (1).

(1; N.B. liet daar bedoeld tractaat met Hessen bestaat, na de inlijving in 1870, niet meer.

ocr page 538

far eu u-l ^ or^. rlt;JU./-~~~.

*_ „, ^ -4.^-—*•—•'- -quot;•quot;-••■ -jilt;'*^-

/ S „ - ■ quot;■- ■ - ;//-- :/ quot; quot;quot;■ ■ ';,f

Lf76 quot;S. J t- / ^ /.lt;/. V'67J'?-

513 (.4r/. 152.

Met dit gevoelen stemmen overeen, nar. N. OuvrF.R, TliKinis, le serie,

iil. V, p. 485 ; mr. A. he Pinto, Ji. il., dl. II, p. 305 sqq. en rar. J. C.

Rasch, ad artt. 152 en 153 Cod. de re jud. in c,. c. (L. B. 1853, p. 23—25);

zie voorts AV. Francken, .Diss, dc jure patiperum, li. B. 1855, p. 43 sqq.

Anders Arr.-R. Assen, v. 25 Nov. 1807, W. n0. 3031. Deze beslissing steunt op het bepaalde bij art. 870 B. R. en op eene vergelijking tusscben art. 152 B. R. en art. 106 C de Proc. Civ., in verband daarmede, dat dp toelating tot gratis-procedure in den Oude geheel onbekend of uitgesloten was.

Vgl. met dit alles het tractaat met Italië gesloten, den 7 Oct. 1884, (Sfhl. nquot;. 214), waarbij de onvermogende Italianen zijn vrijgesteld van de verplichting tot cautiestelling, en daarover W. nquot;. 5034.

1.3. Een vreemdeling, die als eischer in eerste instantie cautie voor de proceskosten gesteld heeft, ten bedrage van de door den rechter vastgestelde som, is, indien de zaak later in appèl wordt getrokken en vervolgd, des gevorderd, tot het stellen van nadere cautie of tot het verhoogen der reeds gestelde gehouden. f t AAü -yx - /L 'V! 'quot; ' J A. Art 7-

P. H. v. N.-Brabant, v. 4 Nov. 1845. R.. dl. XXVI § 88; idem van

r-t

Friesland, v. 24 April 1844, Bec/t in Nederl., dl. I V. p. 144 en 145. —

1hiermede ten betooge, dat in zaken, voor hooger beroep vatbaar, / de zekerheidsstelling door den rechter in eersten aanleg niet slechts voor j^/7^ov. eéne instantie behoeft bepaald te worden — een vonnis van de Arr.-R.

l/yr 0 , ' Amsterdam, v. 18 Dec. 1844, R. B. jg. 1845, dl. VII, p. 288 en 280. Dit lt; . O beginsei wordt a fortiori gedeeld door de Pinto, Jhll.. TI. 1, p. 202,

(2de ed. p. 300), volgens wien bij de begrooting van kosten, de zekerheidstelling betreflende, niet alleen moeten in aanmerking komen de kosten ~ ^ '

van den eersten aanleg, maar ook die van hooger beroep en cassatie en / • •

hangende het geding in hooger beroep geene gelegenheid meer zou bestaan om op nieuw voor de hoogere instantie zekerheid te vorderen. — Dit gevoelen is volgens Léon tastbaar erronens, gelijk dan ook de laatste stelling, tot staving daarvan aangevoerd, minst genomen, op eeno /lelitio , / ■ '/ principii bernst. Léon vereenigde zich in zijne eerste editie B.. R. liever met het gevoelen van Oudeman, 4de ed., dl. I, p. 202 (3de ed. p. 109), '

volgens wien alleen de kosten, welke de zaak in cassatie ten gevolge bZyy, ****• j kan hebben, in aanmerking moeten komen, hetzij in eersten aanleg, * ^

indien de zaak niet voor hooger beroep vatbaar is, hetzij in hooger '

beroep. •— Zie ook een vonnis van de Arr.-R. Maastricht, v. 20 Oct. 1842, ^■^.•^2.5quot; R- B. jg. 1843, dl. V, p. 220—222. waarbij is beslist, dat het onder bet beheer van den C. de Pr. C. den verweerder geoorloofd was bij eene onverwachte verhooging van kosten (in dezelfde instantie) eene verhooging van borgtocht te vragen, wanneer deze niet bij vonnis of overeenkomst was vastgesteld; vgl. mr. v. d. Kemp ut supra, (3de druk), hlz. 282-ten betooge, dat de zekerheid alleen kan gevraagd worden voor de tegen, |,

woordige instantie, en Ktg. III Amsterdam, 13 Nov. 1871, W. nquot;. 3412.

idem Arr.-R. Amsterdam, v. 11 Sept. 1878, li. I!. jg. 1879, A. p. 00.

Mr. W. van Rossem Ba., Burg. Ree hls v.

ocr page 539

Art. 152.)

I .|. Het niet stellen vnn de cautio judicaium solvi, waartoe men is veroordeeld in hooger beroep, heeft niet ten gevolge de niet-ontvankeliikheid in het appèl zelf, maar de niet-ontvankelijkheid in

N

de verdere vervolging vau het ingestelde appèl, hetgeen den geïntimeerden de bevoegdheid niet kan ontnemen, om hunnerzijds zoodanig ^ ijy-at is voor(. procedeeren , als zij bij voortzetting der procedure door den //isgt;-yieamp;irSe- appellant zouden hebben gedaan.

c/jl, w-rAa Tegen dit alles obsteert niet, dat door de appellanten op hunne

dagvaarding in appèl reeds is geconcludeerd tot vernietiging van het ,/hrjcA. /.5 vonnis, waarvan is geappelleerd, en tot toewijzing hunner in eersten S/Q aanleg gedane vordering, — omdat de onbevoegdheid van de appel-lanten, om hunne bezwaren tegen het vonnis a quo bij den hoogeren rechter te doen gelden, ook van zelve medebrengt hunne onbevoegd-lieid, om de conclusiën te doen gelden, welke het uitvloeisel zijn dier bezwaren, zoodat de bovengemelde conclusiën rechtens moeten geacht worden niet te zijn genomen,

P. H. v. N.-Holland, v. 22 Oct. 1846. W. n0. 775; R.. Hl. XXXI1I§ 4/. De zaak. bij dit arr. beslist, door den geïntimeerde voor betzelde 1'. li. op nieuw zijnde aangebracht, is van zijnentwege geconcludeerd tot bevestiging van het vonnis a r/iw, welke conclusie het Hof bij arr. v. 31 Dec. 184G, R. B. jg. 1847, dl. IX, p. 118 heeft toegewezen, op grond, met in acht neming der vroegere uitspraak, dat, vermits het Hof niet was gesaisis-seerd noch van eenige middelen, welke tot vernietiging van het vonnis ii (juo leiden, noch van eenige daarop gegronde conclusiën, het daarvoor moest gehouden worden, dat tegen dat vonnis geene grieven bestonden ; dat het mitsdien wel en te recht was gewezen, en daarvan het noodwendig gevolg moest zijn, dat het behoorde te worden geconfirmeerd. — Vgl. hiermede een vertoog van mr. A. O. in de Opm. en Meel., dl. 111, 120—125, die mede van oordeel is, dat het niet stellen der zekerheid in het voormelde geval geenszins de niet-ontvankelijk-verklaring kan ten gevolge hebben, vermits daartoe de vordering zelve een gebrek moest aankleven, dadelijk toen zij werd ingesteld, hetgeen in specie, toen het bij het instellen van het appèl nog onzeker was of partij de cautie zou vragen, geenszins het geval kon zijn. De kundige schrijver acht echter het eindresultaat, tot hetwelk het Hof is gekomen, onjuist. Zijns inziens kan in de voorgestelde omstandigheden de wederpartij van den nalatigen vreemdeling, indien zij wel verkiest te wachten tot dat na drie jaren de instantie vervallen is (art. 279 B. R.ï, dezen na verloop van den bepaalden termijn oproepen om ter rollc te verschijnen, en alsdan te vragen, dat de eischer of appellant niet-ontvankelijk worde verklaard om zijne vordering voort te zetten, en hij (gedaagde of geïntimeerde) dien ten gevolge van de instantie worde ontslagen, met veroordeeling van den eischer of

514

f ^Tt /v amp; Y

ocr page 540

[Art. 152.

appellant in de kosten. — Zie ook de Pinto, HdL Ti. 1!.. II, i, p. 3Hi die van meening is, dat, zoolang de zekerheid ontbreekt, de gedaagde ongehouden is tegen den eisch verdediging te doen. en de eischer dus zoolang daarop geen recht kan krijgen.

Vgl. hiermede navolgende beslissing :

Eene aan eischende vreemdelingen opgelegde zekerheidsstelling heeft ten gevolge, dat de gedaagde geenerlei weren van rechten of tegen-zeggen behoeft te doen, vóór dat de zekerheidsstelling heeft plaats gehad : het verzuim van die cautiestelling maakt dus, dat de eischer vooralsnog met-ontvankelijk is in het voortzetten zijner actie, maar kan geen invloed hebben op de al- of niet-ontvankelijkheid der ingestelde actie zelve.

Arr.-R. 's-Gravenhage, v. -15 Aug. 1879, W. nn. 440(1, sub quot;18 Juli 1879 in R. n. jg. 1880. A. p. .■143 : idem Amsterdam, v. 7 Nov. 1866, W. nquot;. -886; idem i'. H. v. Gelderland, v. 2 Maart 1870, W. nO. 3244. R. B. jg. 1871, p. 651, ook vermeld ad art. 332 R. R.

Zie eene bestrijding van het vonnis der Rechtbank te 's-Gravenhage in het nummer van het Weekblad, waarin dat vonnis zeifis opgenomen, door Mr. A. F. de Bas, die betoogt, dat in zoodanig een geval, de gedaagde, na verloop van den termijn, den eischer kan oproepen om ter rolle te verschijnen om alsdan te vragen de niet-ontvankelijkheid tot voortzetting der vordering, en de gedaagde dientengevolge worde ontslagen van de instantie, met veroordeeling van den eischer in de kosten (zooals mr. Oudeman in Op in. en Af cd, dl. III, p. 110—125 voorstaat) of de vordering des eischers zelve moet worden verklaard niet-ontvankelijk. Tevens wordt de wensch uitgesproken dat eene betere regeling van dit onderwerp door onzen wetgever tot de meest spoedeischende mag worden gerekend. De Red. van het Weekblad staat ook in jure constituendo (gelijk het is voorgesteld op blz. 34 van het onder toezicht van mr. A. A. de I'into bewerkt Ontw. v. Burg. R. van 1865) voor, hel stelsel, dat bij niet-zekerheidsstelling binnen den bevolen termijn, op vordering van den gedaagde de instantie moet worden vervallen verklaard, met veroordeeling van den eischer in de kosten. Vgl. ter verdediging van het Haagsche vonnis mr. van Nootex in W. nn. 4418 en n0. 4423 en daartegen weder mr. de Bas in W. nquot;. 4421.

Zie ten voordeele van het stelsel, dat de vreemdeling, die binnen den termijn geene cautie stelt, niet-ontvankelijk (beter niet bevoegd) behoort verklaard te worden, om op de introductieve dagvaarding voortteproce-deeren, met zijne veroordeeling in de kosten, vermits de voorwaarde, waarop hij was toegelaten, om op de door hem uitgevaardigde dagvaarding het debat met den gedaagde te voeren, vervallen is, mr. L. Wen-maekers in W. nquot;. 4408; cf. voorts .1. V. in quot;t VV. n0. 1539, die o. a. met een beroep op Pigeau, dl. I, n°. 171. bestrijdt het arr. van 't P. H. v. N.-Holland, v. 22 Oct. 1846, welke leer ook is gehuldigd bij vonnis van de Arr.-R, Amsterdam, v. 18 Dec. 1844, R. 1). jg. 1845, dl. VII.

515

ocr page 541

- -j. — Slt;~*-i JL 3^Ljczj-lt;~ij-*a-sC oO ^

288 en '289 en v. :iO Juni 1852, R. Ti. ,jg. 1853, p. 13—18 ; zie ook 11. v. Gelderland, v. 1G Jan. 1856, W. nquot;. 1742, waar, tiij liet arrest, dat het stellen van zekerheid beval, tevens de geïntimeerde niet-ontvan-q f f. kelijk werd verklaard in zijn eisch, voor het geval hij in gebreke bleef

de zekerheid binnen den bepaalden termijn te stellen, en arr. Hof 's-Gravenhage, v. 19 Febr. 1877, W. n». 4082, R. B. jg. 1882, A, p. 101, waarbij is beslist, dat het appèl vervallen moet worden verklaard, bijaldien de appellant do zekerheid niet binnen den bepaalden termijn stelt.

Vgl. verder navolgende' beslissingen :

Jae- /4ji^- Daargelaten de vraag, of de bii art. 616 bedoelde termijn is een

* /* yCgt;

Ira*—.CLStj-.b' fatale, met dat gevolg, dat na verloop daarvan, de zekerheid niet meer an worden aangeboden, is bet niet aannemelijk, dat dit nog kan t^rr/ geschieden, als, na het verloopen van den termijn, de tegenpartij, voor 4-aXa/!- i^j; aanbieden van zekerheid, verklaard heeft van het niet-aanbieden yfe-ttj-™— daarvan voordeel te willen trekken.

yHet gevolg van het niet-stellen der zekerheid is, dat de eischer niet-ontvankelijk worde verklaard in de voortzetting der procedure.

.1 A ir.-H. Maastricht, v. 7 Oct. 1875, VV. n®. 4005; idem Arr.-R. Amsterdam, v. 27 Nov. 1878. R. li. jg. 1870, .4, p. 61, waarbij nog bepaal-• Sf (lelijk werd overwogen. dat na het verstrijken van den termijn, de cautie niet meer behoeft aangenomen te worden; idem Arr.-R. Amster-//- „ dam, v. 9 April 1808, W. n0. 3007; zie ook in denzelfden zin het hier

vermeld arr. P. H. v. Limburg, v. 17 Oct. 1859. In het vertoog van mr. A. O. ut supra, art. 010 R. R. wordt aangevoerd en opgemerkt dat, wil /Ta^qJ- Qamp;vTf1'- 1116,1 ook al niet aannemen, dat de in voormeld art. gestelde termijn

/ fataal is, zoodat na verloop daarvan de zekerheid in het geheel niet meer

dii/iU. £■ ■ iquot; deze instantie kan gesteld worden, dan toch zeker de gedaagde den

vreemdeling niet langer tijd behoeft te vergunnen, om aan zijne verplich-ting te yoidoen ; vgl. hiermede P. H. in Limburg, v. 17 Oct. 1859, W. nO. v en onder dit nummer vermeld vonnis Maastricht, v. 7 Oct. 1875.—

^ In strijd echter met dit een en ander is bij vonnis van de Arr.-R. Amster-

cLe- «^«^dam, v. 21 Mei 1852, R. B. jg. 1852, p. 521 en 522, beslist, dat degeop-

poseerde, vroeger eischer, wanneer hij als vreemdeling de hem opgelegde ^cautie judicatum solvi nog niet gesteld heeft, bevoegd is om de tegen /fib 'lem door den opposant genomen conclusie te beantwoorden. — Die

■ ■ - )3es]jssing berust op de overweging, dat bij art. 152 B. R. wel wordt . bepaald, dat de gedaagde bij het niet-stellen van cautie door den eischer yiAsaJlv-o -O ^lt;^7o-ee,),; weren of tegenzeggen ten principale behoeft te doen, maar deze , . bepaling den eischer niet belet, om, wanneer de gedaagde werkelijk con-

■aJ' 1 clusie ten principale heeft genomen, daarop te antwoorden, hetgeen te

meer klemt, wanneer in die conclusie des gedaagde tevens eene vordering is vervat tot vergoeding van kosten, schaden en interessen, welke niet in audi la igt;cirte kan worden afgedaan. — Dit vonnis wordt breedvoerig

ocr page 542

(Art. 152.

bestreden door S. M. in de Opm. en Med., dl. Vlll, p. '200—i200, liuofd-zakelijk op grond dat, indien men aan den eenen het recht toekent om te zwijgen, dan daaruit geenszins volgt, zoo als de rechter dit schijnt uit te leggen, dat een ander het recht zuu hebben om te spreken ; dat art. 152 alleen het meest gewone geval voor oogen heeft, dat namelijk hij, die cautie moet stollen, eischer is, en hij. die zulks vraagt, gedaagde, en dat dit geval naar de letter te willen toepassen op een geval, waarvoor het niet geschreven is, tot verkeerde gevolgen leidt enz. — Vgl. wijders art. 279 li. R., arr. van 't P. H. v. N.-Holland, v. 27 Jan. 1848 en aant. 23 op art. 152 li. R.

Vgl. navolgende beslissing :

Wanneer bij eeue deelbare instantie, van verschillende eiscbers de een niet voldoet aan zijne verplichting tot zekerheidsstelling, belet dit de andere eischers niet om voortteprocedeeren.

Arr.-R. 's-llertogenbosch, v. 2(3 Jan. 1872, R. IS. jg. 1874, dl. XXIV. p. 415. — Zie het tegenovergestelde beslist betreflende eene vordering, die tusschen de verschillende eischers, waarvan sommige vreemdelingen zijn, een ondeelbaar geheel uitmaakt, liij vonnis Arr.-R. Maastricht, v. 2il Juli 18G9. W. n0. 8189 ; zie ook het sub hoc art. n°. 22 vermeld arrest P. H. v. N.-Brabant, v. 8 Juni 1858 sqq.

IA. Wanneer de vreemdeling, eischer tot van-waarde-verklaring van een door hem gelegd, toch tegen zekerheid opgeheven conservatoir beslag, den gedaagde, ten einde de gemaakte kosten te kunnen terugkrijgen, voor de Rechtbank heeft opgeroepen tot het eenvoudig van waarde hooren verklaren van dat beslag, dan kan hij volstaan cautie te stellen voor de kosten van de door hem ingestelde actie tot van-waarde-verklaring, zonder dat hij (eischer) kan worden veroordeeld tot het stellen van borgtocht voor de reconventioneele vordering, welke de gedaagde mocht kunnen goedvinden te dierzelfde zake tegen hem intestellen, daar ten aanzien van dergelijke vordering, de primitieve eischer verweerder wordt en de verweerders, vreemdelingen zijnde, niet gehouden zijn de cautio juclicatum solvi te stellen.

De twijfel, betrekkelijk evengemeld rechtspunt onder de vroegere Fransche wetgeving ontstaan, door het verband waarin art. Lfifi O de Pr. Giv. met art. 16 0. Civ. stond, kan onder onze hedendaagsche wetgeving niet meer opkomen, aangezien art. 16 O. Civ. in ons B. W. niet is opgenomen, als behoorende deze bepaling te huis in 't W. v. B. R.

517

ocr page 543

Art. 152.)

Air.-K. .Miuistrichl, v. 15 Febr. 1849, W. no. 4115; —anders bij vonnis van de Arr.-R. Alkmaar, v. '23 Febr. 1843, R. B. jg. 1844, dl. VI, p. 35« en 357, op grond, dat onder de in art. lol B. R. vermelde schade en interessen ook gerekend worden die. welke het gevolg zijn van een gelegd conservatoir arrest, dat de grondslag is van de procedure; idem bij vonnis van de Arr.-R. Rotterdam, v. 30 Oct. 1844. 11. li. jg. 1844, dl. VI, p, 74-l_743; R,. dl. XXIV § 74, waarbij is beslist, dat, wanneer een Nederlander een conservatoir beslag gelegd heeft op de goederen van een vreemdeling, dewe laatste de gevorderde hoofdsom voldoet, doch onder voorbehoud van zijn recht, wegens het noodelooze van het gelegd beslag, en dientengevolge, van den eerste voldoening eischt van kosten, schade en interessen, de vreemdeling alsdan (ook niet het oog op de artt. 307 en 310 B. R., alwaar de arrestant uitdrukkelijk den naam van eischer draagt) niet anders kan beschouwd worden, dan als zich tegen een beweerd onrechtmatig beslag te verdedigen en dus van hem niet de emtio judi-ratuin lolvi kan gevorderd worden; idem bij vonnis derzelfde Rechtbank, v, 24 Nov. 1856, R. B. jg. 1857, dl. VII, biz. 73—78, waarbij is beslist, dat bij eene in-beslagneming van bederfelijke goederen, in de som der cautie ook kan begrepen worden de schade, die door het mogelijk bederf aan den gedaagde kan worden berokkend; en bij vonnis dier Rechtbank, v. 25 Sept. 1857. R. B. jg. 1858, dl. Vlll. blz. 138—140; idem bij arr. van 't P. 11. v. Utrecht, v. 1 Sept. 1841. R., dl. X, § 29. waarbij is heslist. dat bij een eisch tot van-waarde-verklaring van een gelegd heslag. de conclusie tot opheffing van dat beslag, met alle gevolgen en aankleve van dien, aan de zijde van den gedaagde geen eisch in reconventie daarstelt. welke de toepassing van art. 253 B. R. zoude kunnen wettigen ; — zijnde echter, eenigzins in strijd hiermede, bij vonnis van dezelfde Arr.-R. v. 9 Juli 1840, W. nquot;. 727 : R. B. jg. 1847, dl. IX. p. 80 en 87, beslist, dat een vreemdeling, die. naar aanleiding van art. 768 B. R.. voorloopig is gegijzeld, en na door den schuldeischer tot het hooren van de van-waarde-verklaring van die gijzeling gedagvaard te zijn, bij oene afzonderlijke dagvaarding een ander geding tot ontslag uit de gijzeling enz. tegen den schuldeischer instelt, in den zin van art. 152 B. R. als eischer moet worden beschouwd. — Vgl. hiermede, ten betooge, dat met toepassing op de zekerheidsstelling, welke van vreemdelingen, eischers zijnde, kan worden gevorderd, de schuldeischer, die de failliet-verklaring heeft doen uitspreken en niet de schuldenaar, die daartegen in verzet komt, als eischer is te beschouwen — art. 791 W. v. K., vonnis van de Arr.-R. Amsterdam, v. 29 Maart 1850 sqq.. sub n0. 11, zijnde het ook aldaar vermelde vonnis v. 26 Nov. 1851 bevestigd bij arr. van 't P. H. v. N.-Holland, v. 15 April 1852. gelijk blijkt uit't R. B. jg. 1853, p. 14 ; — OMoOessv anders echter in de Vragen oan Nederl. Regt, dl. II, p. 160—169, op

fitvnA' 7 quot;2^-!,grcind, dat: 1°. quoad, formam, art. 152 B. R. niet iederen vreemdeling, / / z' f|je iets van een Nederl. rechter verzoekt of vraagt, aan het stellen van

LOoo 710 StPS^-/^c' zekerheid onderwerpt, maar ieder, die in eene aangelegde rechtszaak .' ' , eischer of intervenient is en die verplichting dus het bestaan van een

j-cw^ j rechtsingang veronderstelt, welke, volgens art. 1 B. R.. altijd met een

inP ' exploit aanvangt, met dat gevolg, dat een vreemdeling, die bij rekwest

atu tu oO-* * • / lt;2./1^ t b ^

^ ^ o~--—' Z-'b 0~c ^ ^ O , ^ ^ b o O I.

51S

ocr page 544

519 (Art. 152.

nis j iets van den rechter vraagt, niet aan liet stellen van zekerheid Is onder-

i5fi worpen, èn omdat art. 152 B. R. het niet voorschrijft, èn om de een-

en | voudige reden, dat hij als requirant, en geenszins eischer, geene weder-

!gd partij heeft; en 2°. ook in het wezen der zaak de vreemdeling in casu

nis 1 geen eischer kan lieeten. daar hij geene veroordeeling vordert van den

VI. schuldenaar ten zijnen behoeve om het een of ander te geven of te doen

!en en hij zelfs niet diens veroordeeling in de kosten vordert, noch het vonnis

!en van failliet-verklaring eene erkenning of bekrachtiging van zijne vordering

ier 1 bevat. — Zie verder art. 9 Alg. Bep.. vonnis van de Arr.-R. Amsterdam,

ag, | v. 30 Maart '1842 sqq., sub uquot;. 5 ('ide druk) en art. 155 1!. R., vonnis

ide | van de Arr.-R. Amsterdam, v. 20 Juni 1848; vgl. eindelijk aant. 21 en

en 24 op dit art,

gt)

3rd 14». Wanneer in een geding, tussclien den Nederlander ids eisclier,

en den vreemdeling als gedaagde, in een vreemd land aanhangig, ten

nk, 4

1st verzoeke eener vreemde Rechtbank hier te lande voor den Nederland-

Ier schen rechter (commissaris daartoe ad hoe benoemd) een getuigen-

' verhoor wordt gehouden, dan zijn er geene termen dien vreemdeling,

ut. met betrekking tot de kosten van dit getuigen-verhoor, in de cautie

18 juclicatum solvi te veroordeelen.

igd

jen P. H. v. Overijssel, v. 7 Mei 1849, W. n0. 1017. •— Cf. artt. 345 en

ij, 431 B. I!.. arr. van hetzelfde P. II. v. denz. datum en art. 10 Alg. Bep.;

1(je | vonnis van de Arr.-R. Amsterdam, v. 22 Maart 1849 sqq., sub n0. 9.

nis | (2de druk).

IX

iit' IS. Met vonnis waarbij de cautio judicatum solvi wordt bevolen,

het is (op de kwestie) een eindvonnis, zoodat de vraag wegens het stellen

•ln' van zekerheid eerst en vooraf moet behandeld worden,

de

ff, P. II. v. N.-IIolland, v. 12 Sept. 1850, VV. n0.1159; Amsterd. Regtspr., Jat dl. I, p. 95—99; idem v. 3] Oct. 1850, Amsterd. Regtspr., dl. 1, p. 109— ers 111; idem Arr.-R. Maastricht, v. 10 April 1851, VV. n0. 1262; idem jno- 1 P. H. v. Utrecht, v. 4 Febr. 1856, W. n0. *1739, waarbij nog werd beslist, zet dat dit vonnis op zich zelf derhalve vatbaar is voor appèl, en de appel-de lant niet in zijn hooger beroep niet-ontvankelijk kan verklaard worden. ,0^ omdat door partij uitvoering aan het vonnis « f/)(o is gegeven, vermits H die uitvoering geheel eenzijdig en buiten medewerking des appellants in __•; casu was geschied.

18. Indien executeuren testamentair in die kwaliteit op hun eigen

?an naam in rechten zijn opgetreden, kan van^ heu niet de caaiio judi-catum solvi worden gevorderd, wanneer hun auteur (de overledene)

;en vreemdeling mocht zijn geweest.

est Arr.-R. Maastricht, v. 24 (Jet. 1851, W. nO. 131:,.

--^«O-l

ocr page 545

.v-e x t--[s^_ ? fx ^ -J^I^rv ri^vW- o. ^ «- 'V~amp;~z£-rry/- X-

1tr~cri. On. . (yy^*■ ^ 1_x- i t,l c ^ /^,qJLamp;T— CsrfO

^ aJl^

-ys r*^gt; 4- £ïi/x_ O In^r-tt. fyx O^ C^X a^ i-uZ~ r/t-4 0 CD .

0- t f a. ^ amp;~e Is^-

thi\.o, ö

520

/1/7. 152.) ir^'_ ^ ^./s,

1W. Aangenomen dat eene vennootschap onder eene firma, in Nederland gevestigd, alhoewel tusschen vreemdelingen aangegaan, niet gehouden is, wanneer zij als eischeresse in rechten optreedt, de ca«lt;lt;o /udicatum solvi te stellen, zou dit beginsel zijne toepassing niet kunnen erlangen, waar niet eene vennootschap onder eene tinna, maar eene bizondere persoon, onder eene firma handel drijvende, als eischer is opgetreden.

Air.-R. Maastricht, v. 26 Feh . 1852, R. li jg. 1852, p. 497—500.

580 De zekerheidsstelling, van een vreemdeling gevorderd, kan, ook met het oog op art. 619 1?. 11, zoowel in eene reële als in eene personeele zekerheidsstelling worden gegeven.

Arr.-R. Amsterdam, v. 13 Febr. 185i. R. B. jg. 1854, p. 287 en 288.

lt;81. De gedaagde vreemdeling, eischer in reconventie, is niet tot het stellen der cautio juclïcaium solvi verplicht.

Camp;Cj?)

Arr.-R. Amsterdam, v. 27 Juni 1855, W. nquot;. 1707 en R. B. jg. 1855, blz. 477 met aanteekening; Arr.-R. 's-Gravenliage, v. 20 Dec. 1859. W. n0. 2124, bevestigd bij P. H. v. Z.-Holland, v. 2G Maart 'l860. W. nquot;. 2174; Arr.-R. Amsterdam, v. 2 April 1880. W. n0. 4557, R. B. jg. 1880, A, p. 344; Rer/tsg. Adv., zesde Verz., blz. 171—178; Belin-fantr. Themis, dl. XXVII,' blz. 484 volgg. (2de Verz,, dl. XIII); rui', v. d. Kemp (3de druk) ut supra, blz. 281 ; Dalloz, Répertoire, t. XXIU. voce Exceptions et fins de non recevoir, t. II, art. 2 n0. 55; Duran-ton, t. I, blz. 166; Mourlon, Code de l'roc. Civ., blz. 157; Pigeau, dl. 1. blz. 130; — anders Arr.-R. Arnhem, v. 1 Nov. 1858, W. nquot;. 2096; R. 1!. jg. 1859, dl. IX, blz. 434—450; de Martini ad art. 152 B. R., blz. 1316 noot 7 ; de Pinto, Handl. B. II., 2e ed., dl. II, § 133, blz. 307; Oudeman, B. R., 4de ed., dl. I, blz. 19!) en tevens in een opstel in Oy/m. eu Med., dl. XIV, blz. 174—187; Olivier, Themis, Ie serie, dl. V. blz. 435; Schui-LEK, B. B., ad art., blz. 73. i

Zij die de vraag toestemmend beantwoorden, wijzen op de woorden der wet: »alle vreemdelingen, ciscliers zijndequot;, en de gedaagde, die eene reconventioneele vordering instelt, is inderdaad eischer in die vordering. In art. 160 C. de Pr. ('. werd gelezen: ))tous étrangers, demandeurs princlpaii.c ou intervenansquot; ; onze wetgever, het artikel bijna woordelijk overnemende, liet het woord principaux, eischers in de oorspronkelijke vordering weg, hetgeen nog meer de uitlegging schijnt te bevestigen, dat door eischer niet uitsluitend die in de oorspronkelijke vordering moet verstaan worden. De reconventioneele vordering door een vreemdeling-gedaan vereischt evenzeer, dat de reconventioneele, gedaagde zekerheid erlange voor de kosten van dien eiscb, als wanneer deze als oorspronke-

]/■.. ihw h UhjZ. f

^ CltMrvx^J^~

ISfiibc. uPCj* V-v-l'

l/Kjq K'l-Ji ' Zrn

Yrrr- r' ƒ

lt;*11* T

faJUstvp L ij- ^

jlSj

ocr page 546

{Art. 152.

lijki^ vordering was ingesteld. De reconventioneele vordering immers is niet als eene verdediging tegen den oorspronkelijken eisch, maar als een zelfstandige eisch te beschouwen.

Zij, die de vraag ontkennend beantwoorden, zijn daarentegen van ooi-deel dat de bescherming der wet, naar haren geest en hare bedoeling, niet minder dan naar hare geschiedenis en uitdrukking, alleen moet worden verleend aan hem, die in den rechtsstrijd wordt gedaagd, niet aan hein, die in ieder geval tot den rechtsstrijd hot initiatief heeft genomen. De gedaagde, vreemdeling of niet. mag al de hem door de wet toegekende rechten uitoefenen, van al de rechtsmiddelen, die de wet hem toekent, gebruik maken, zonder tot zekerheidsstelling verplicht te zijn. Dalloz drukte dit t. a. p. dus uit: »Le motif de la loi, e'est a dire la crainte de voir les nationaux exposés aux actions les plus inconsiderées de la part des étrangers qui se joueraient ensuite dans leur patrie dos condamnations prononcées contre eux pour les frais et dommages, qu 'ils auraient nécessairement occasionnés, disparait en effet, lorsque c'est le i' ranrais qui a pris 1 initiative, surtout si les demandes reconventionnelles formées par l'étranger sent une defense a Taction principalequot;.

'i'i. Wanneer door een vreemdeling, eischer, vrijwillig ten kantore van den ontvanger der registntie, tot zekerheid voor de betaling der kosten, schaden en interessen, eene voldoende som is geconsigneerd en zulks aan den gedaagde bij procureurs-acte is beteekend, dan kan deze bij incidenteele conclusie niet vorderen, dat zekerheid worde gesteld.

Arr.-R. Breda, v. 9 Juni 1857, VV. n0. '1872.

De gedaagden kwamen van dit vonnis in hooger beroep, — en concludeerden, toen de eischers de zaak ten principale inmiddels voor de Rechtbank voortzetten, tot schorsing der behandeling au fond, totdat op het appèl zou zijn beslist.

De schorsing werd uitgesproken ten aanzien van de eischers vreemdelingen, doch tegelijkertijd werd bevolen dat de gedaagden met de overige eischers onmiddellijk zouden voortprocedeeren: cf. vonnis arr. Breda, v. 7 Juli 1857, W. nquot;. 2193, waarbij de zaak ten principale werd beslist.

Bij arr. P. H. v. N.-Brabant, v. 8 Juni 1858 t. z. p., werd beslist, dat een dusdanig bevel is een vonnis op een tusschengeschil gewezen, dat aan den procureur van partij had moeten beteekend zijn, terwijl de vonnissen a quo werden vernietigd op grond dat de vordering, die tot voorwerp had eene ondeelbare verbintenis, en die gelijktijdig en gemeenschappelijk tusschen alle belanghebbenden was aanhangig gemaakt, niet ten opzichte van sommige eischers kan worden voortgezet, ten aanzien van anderen geschorst. Vgl. met dit laatste het vonnis der Arr.-R. Maastricht, v. 29 Juli 1869, vermeld op dit artikel sub n0. '14.

Zie ook in verband met hetzelfde vonnis, Arr.-R. 's-Hertogenbosch, v. 2ti Jan. 1872, VV. nis. 3450 en 3513, waarbij is vooropgesteld, dat uit geen wettelijke bepaling of rechtsbeginsel ah algemeene regel kan worden

521

ocr page 547

Art. 152.)

522

(ijtjeleii.l. dat een instantie uit haren eigen aard is ondeelbaar, en wijders is beslist dat —• wanneer er geene afdoende reden bestaat, waarom aan een van de eischers niet zou kunnen worden geantwoord op de aanspraken, die hij maakte, en met hem niet zou kunnen worden voortge-procedeerd naar gelang van den toestand, waarin partijen geplaatst zijn door het achterblijven van den anderen eischer, en naar gelang van den invloed, welke dat achterblijven op de ontvankelijkheid of gegrondheid van de vordering kan hebben — de gedaagde met eerstbedoelden eischer moet voortprocedeeren ; vgl. aant. 14 in fine.

lt;83. De partij, te wier behoeve de bevolen cautie niet gesteld is, kan zich niet, hij verzoekschrift, tot den rechter wenden, ten einde tot beëindiging van het geding te geraken. Hij behoort daartoe conclusie

te nemen.

/ * *quot;

.rt^r' Ait.-K. Amsterdam, v. 8 Nov. 1X58. II. II. jü'. IK.öS. dl. VIM. hlz.

' ^•443-^-444: vgl. aant. 14. •

Eischer ii\ een geding is hij, van wien uf de dagvaarding is

^ tA'

uitgegaan, of die het eerst in rechten optreedt, en dus in het verificatie-^proces de crediteur, die verlangt als zoodanig erkend te worden, niet de curators of medeschuldeischers, die zijne toelating betwisten.

amp;£icc Ait.-H. Amsterdam, v. 9 Maart 1850. 1!. li. jg. 1859, dl. IX. blz. 406—408.

Zie ten betooge dat do opposant tegen de rangregeling in het faillissement als de eigenlijke aanlegger van het geding en dus als eischer is aantemerken : *

Arr.-R. Amsterdam, v, '21 .Maait 185ü, AV. nquot;. 1750, en R. R. jg. 1856. dl. VI, blz. 298, waarbij ook is beslist,dat de crediteur, die in dit geding intervenieert niet als wederpartij beschouwd kan worden, en dus de cautie niet mag vorderen.

Vgl. ook Arr.-R. Amsterdam, v. 6 Jan. 1848. \V. nquot;. 940, R. Rjg. 1848, ^ lt;/L dl. X. blz. 83 en 34 en v. 16 Juni 1871. W. n0. 3382, R. B. jg. 1872, p. 682, ten betooge dat de crediteur, die zich tegen de homologatie van irf(M-. bet accoord verzet, eveneens als eischer is aantemerken.

Vgl. hiermede omtrent de vraag, of de bij dit art. bedoelde zekerheids-^ * stelling slechts door den curator en niet dooi' den gefailleerde, die ter

verdediging van het accoord optreedt, kan gevorderd worden _— art. 846 VV. v. K. sub nquot;. 2.

Zie ten betooge dat de opposant tegen een dwangbevel van het bestuur der registratie, in judicio, als eischer is te beschouwen, Arr.-R. Groningen, v. 25 Febr. 1859, R. B. jg. 1860, p. 281 ; Arr.-R. Hoorn, v. 18 Juli 1860, W. n0. 2295, waarbij werd beslist, dat in deze procedure aan het bestuur, als gedaagde, het recht bij art. 134 B. R. aan den eischer gegeven niet toekomt, en dit dus bet dwangschrift waartegen verzet is gedaan niet

ocr page 548

(Art. ] 52.

mag wijzigen (dat vonnis ook vermeld sub art. 134 H. R. nquot;. 3); Air.-H. Amsterdam, v. H Oct. 1865, R. B. jg. 1866, p. 69: vgl. ook de aanteekening daar ter plaatse, p. 70 sqq.; anders Arr.-R. Utrecht, v. I April 1863, R. B. jg. '1865. p. '153; Arr.-K. Appingadam, v. 20 Oei. 1864. H. II. jg. 1867. p. 70.

Indien de vreemde crediteur, op wiens verzoek de faillietverklaring is uitgesproken, op de dagvaarding in appèl van den failliet verklaarde tot opheffing van het faillissement verstek iieeft laten gaan, dan kan den appellant zijne vordering niet volgen, daarin bestaande, dat de defaillant zal worden veroordeeld om zekerheid te stellen en bij gebreke van dien, de vordering tot faillietverklaring zal worden afgewezen.

Arr.-R. Amsterdam, v. 2 Mei 187SK VV. n0. /i401, R. B. jg. 1880, .1 . p. 342.

Vgl. ten betooge dat de crediteur die liet faillissement aanvraagt niet als eischer te beschouwen is, Arr.-R. Amsterdam, v. 14 Dec. 1877, R. B. jg. 1878, p. 22; cf. R. B. jg. 1880, A, p. 342; idem Arr.-R, Rotterdam, v. 3 Maart 1883, W. nquot;. 4882; cf. aant. 15 en 30.

lt;5.V De vennooten eener firma in liet buitenland moeten worden beschouwd als vreemdelingen , behoudens hun recht om bewijs te leveren van hun Nederlanderschap of ingezetenschap.

Ktg. nquot;. 11 Amsterdam, v. 25 Juli 1870, W. n». 3254, waarbij nog werd overwogen, dat liet verzoek tot cautiestelling nïet zoozeer is eene exceptie, als wel een middel van executie.

Een Nederlander in de kolonie Suriname als eischer in rechten optredende, kan aldaar niet als vreemdeling worden beschouwd en is dus niet gehouden de cautio judivatum solvi te stellen, onverschillig of hij al of niet ingezeten der kolonie is.

Hof van Justitie in Suriname, v. 20 Jan. 1871, W. nquot;. 3303.

lt;ï S, Al zij men Nederlander volgens de wet van 28 Juli 1850 [SM. n0. 44), zoo neemt zulks niet weg, dat het bewijs kan worden toegestaan betrekkelijk de vraag, of de eischer in burgerrechtelijken zin nog is Nederlander.

Arr.-R. Winschoten, v. 11 Jan. 1871, \V. n0. 3477; cf. aant. 7 van dit artikel.

Van den vreemdeling, die in hoedanigheid van voogd inter-

523

ocr page 549

~ ^ CJUJLSI.O , (e tfasamp;Ccrt^^-^^CLtJ. éyg_x*^ (UA^j.faes A. 7lt;blt;?

f ' t

L^/ C^

^ ^ Ztni^r Ir ^ , h/Co-C'rO~**^~ y. /*/ ^/l/cl^. lt;-tPlt;l/? : /Zamp; . l/C-erf^ - - d^-^/oL-yi . c^ero J ■ -^ •• / ^ ^'/2,. ZUt*_. /Ih. X r^te,^ /i ^orz^. Mvo , amp;'. ?t0 7ï~o7-

Art. 152.) ^ 524 ^

/£/-, -n quot;3 -uPtfj / r^ojlS/S-; A^Z^.rin^ X 'Jï '-

venieert, kan in privé de cautie gevorderd worden, wanneer niet blijkt

'/ dat hij door de in art 461 B W. bedoelde machtiging is gedekt. fi'f SZo.

^, / j ! . y Air.-U Amsterdam, v. 15 Maart 1871. \V. nquot;. 3345, R. B. jfi•. 1872.

X fY^. 303.

Wanneer de eischer ingevolge art. 277 B. R. afstand van de instantie lieef't gedaan vóór het antwoord des gedaagde, is deze niet meer ontvankelijk in een vorde.ing tot het stellen der caulio judi-calum solvi.

Arr.-R. 's-Hertogenbosch, \. 2 Mei 1877, R. B. jo;. 1877. .1, ]j. 139.

3«. Hij, tegen wien eeu executoriale titel wordt ten uitvoer gelegd, en die daartegen in verzet komt, is niet als eischer in den zin der wet te beschouwen. Eischer is de aanlegger van een rechtsgeding : de opposant nu weert van zich af de nadeelige gevolgen van de ten ten-uitvoerlegging van een titel.

Arr.-R. Arnhem, v. 19 Nov. 1877, W. u®. 4494 jR. B. jg. 1880, A, [), 345 sq.; idem Arr.-R. Maastricht, v. 24 Jan. '185G, W. n0. 1775, waarbij werd beslist, dat noch hij die het vonnis ten uitvoer legt, nocli hij, die zich daartegen verzet, als eischer te beschouwen is ; vgl. aant. 24.

31. Wanneer een derde, die vreemd is aan de vordering waarvoor beslag is gelegd, zich op de wijze, bij art. 456 B. R. voorgeschreven, tegen den verkoop verzet, op grond dat de in beslag genomen goederen zijn eigendom zijn, is die zeer zeker als eischer aantemerken.

Arr.-R. Arnhem, v. 18 Maart 1880, W. nquot;. 4494, R. B. jg. 1880. .4 , p, 345.

3 lt;8 De intervenient kan van den eischenden vreemdeling geen cautie vorderen.

Hof 's-Hertogenbosch, v. 49 Juni 1883, W. nn. 4019.

33. Zie omtrent de veroordeeiing in de kosten bij het voorstellen der exceptie judicatum solvi —

art. 56 B. R., sub litt. A.

34. Zie ten betooge :

dat jure constituto bij tractaat niet kan worden bepaald, dat onver-

ocr page 550

525 [Art. J 52.

mogende vreemdelingen, bier te lande optredende, geene cautie zullen behoeven te stellen —

Hoofdartikel in W. n0. 5034: «het tractaat tusschen Nedftrland «n Italië.quot;

Art. 1513.

1. I)e wet laat aan bet arbitrium van den recbter, voor wien bet geding gevoerd wordt, bet bedrag der som over, waarvoor door vreemdelingen, eischers zijnde, zekerheid moet gesteld worden.

Indien de meerdere of mindere omslachtigheid van een geding in eerste instantie voor den II. II. aanhangig gemaakt, niet voor 's hands kan worden beoordeeld [in ■specie eene rechtsvordering tegen den Staat tot af- en overschrijving van kapitalen op bet Grootboek) schijnt het gevorderde bedrag van flOÜO niet overdreven, maar billijk toe.

Arr. v. 2(5 Nov. 1852, W. n0. -1407 ; R., dl. X I.III. § 41 ; (1) idem air. van 't P. H. v. N.-Holland, v. 3 Oct. 1850, Amsterd. Regtspr., dl. I. p. 109—lil, waarbij is beslist, dat het bedrag der te stellen zekerheid naar den aard der vordering moet worden beoordeeld; vgl. ook Arr.-R. Amersfoort, v. 2 Mei 1855, W. n0. 1737, waarbij werd beslist, dat waar lt;7, priori blijkt, dat geene schade door den gedaagde kan worden geleden, (zijnde deze in bet bezit der nalatenschap, die door den vreemdeling wordt opgevorderd) bij de berekening van de som der cautie alleen de proceskosten moeten in aanmerking komen. Dit vonnis werd vernietigd door arrest Hof Utrecht, v. 4 Febr. 1856, W. n0. 1739, omdat vooral in zulk een belangrijk rechtsgeding, waarbij een subsidiaire vordering tot veroordeeling van flOO.OOO gedaan wordt, niet a priori consteert, of behalve de proceskosten geene schade en interessen zullen te pas komen.

8. De hypothecaire inschrijving, welke den vreemdeling, eischer zijnde, krachtens art, l5;i B 11. van de verplichting tot het stellen

(1) Voormeld arr. heeft J. V., in 't W. n0. 14G9, aanleiding gegeven tot de opmerking: 1°. dat ieder pleiter geen duizend gulden bezit, en dat men zoo doende de toegankelijkheid tot den rechter wegneemt; 2°. dat meermalen de exceptie cautio judicatum solvi wordt opgeworpen zonder belang en alleen om het geding te rekken of de kosten te vermeerderen en men partijen, die kosteloos procedeeren, de cautio judicatum solvi ziet eischen tegen gegoede vreemdelingen, en 3°. dat men in zaken van koophandel moet verwonderd staan, dat in een land als liet onze, waar de handel zoj uitgebreid is, de zekerheid voor kosten kan geëischt worden enz. — Vgl. hiermede over het bedrag der zekerheidsstelling van een vreemdeling, in oen geding intervenieerende, een arr. van 't 1'. H. v. N.-Holland, v. 18 Sept. 1851, Amsterd. Kegtspr., dl. U, p. 183 -185 (LÉo.s).

ocr page 551

Art. 153.) 526

van zekerheid ontslaat, kan niet worden verleden krachtens een vonnis of voor de Arr.-R., maar behoort bij notarieele acte te worden verleden.

Arr.-U. Middelburg, v. '20 Oct. 1841. R. B. jg. 1842, dl. IV, p. 681 — 683; idem de Pinto. Hdl.. II. I. |). 312, (2de druk), en Oudeman, .B. /f., 4de ed., p. 201.

!8. De keuze tusschen het aanwijzen van onroerende goederen en liet toestaan van eene hypothecaire inschrijving daarop, of het consigneeren van de vereischte som, is geheel facultatief voor deti vreemdedeling, die zekerheid moet stellen en kan hij dus niet tot liet praesteren bepaaldelijk van een dezer beide middelen van waarborg veroordeeld worden.

P. H. v. N.-Holland, v. 14 Sept. 1843. R. R. ,jg. 1843, dl. V, p. 826 en 827; R., dl. XVTI, § 30; idem arr. van ?t P. H. v. Liraburg, v. 8 Sept. 1851, R. B. jg. 1852, p. 481—483, zijnde bij eerstgemeld arr. vernietigd bet in een tegenovergestelden zin gewezen vonnis van de Arr.-R. Amsterdam, v. I Maart. 1843, R. ut supra. R. R. jg. 1843, dl. V, p. 271.

4:. Na de veroordeeling tot het stellen der cautie judical,um solvi behoeft geen bevel gedaan te worden, om aan het gewezen vonnis te voldoen. Tn dit geval stelt het verloop van den termijn de mora daar.

Arr.-R. Amsterdam, v. 30 Juni 1852, R. R. jg. -1853. p. 13—18. -— lt; Zie wijders over de cautie jiidicaiiim solvi — dissertatie van mr. J. C. mnJ-nO-L Rasch (Leiden 1853), en de vrij gunstige beoordeeling daarvan door

,,, . A. d. P.. The mie, dl. XIV. p. 265 (Léon).

' tv/

jcc— ó. Zie ten betooge :

, J. lquot;. dat het laatste gedeelte van dit artikel niet anders zeggen wil

J-(Z, «U-JL/Tt- ^ 00

fa. 7,ekerheidsstelling ook door middel van consignatie en

gt; rtj^jfe hypotheekstelling kan geschieden, en dat bepaaldelijk uit de woorden: hso^-q. JU*. quot;zal worden ontslagenquot;' niet kan opgemaakt worden , dat hij die zekerheid gesteld heeft, nog eerst door den rechter zou moeten worden 5 ontslagen, om van de cautiestelling vrij te zijn —

(} rv -jocj3. Opm. en Med., dl. XIV. blz. 33 sqq.

20. dat de consignatie moet plaats hebben overeenkomstig de voorschriften van de wet van 26' Mei 1841 (S/M. n0. 1 ) -—

mr. C. M. v. d. Kemp, contra mr. Gbeeve. in v. d. Kemp's Ontw. ut supra, (3de druk), V)lz. 282.

yO- ■ n -- ^ —fis f • taSe

ocr page 552

{Art. 1 54.

Art. 154.

■ . Artt. ]54-—161 H. R. kunnen jiiet geschonden zijn, waar de Judex facli de door den verweerder opgeworpen exceptie van non-kv-alijicatie heeft aangenomen.

Arr. v. 29 Juni 1860, W. nquot;. 2182; R,. dl. I.XV § 22.

lt;8. hi duhïo moet elke rechtsvordering zoodanig worden opgevat, als met de competentie van den geadieerden rechter overeenkomt.

Arr.-R. Breda, v. 'I Dec. 1846, W. nn. 815.

3. De bevoegdheid des rechters moet eeniglijk beoordeeld worden naar den aard en het onderwerp van den eisch, zoo als die is aangebracht, zonder in een onderzoek te treden, in hoe verre of, en op welke gronden, die door de wederpartij wordt tegengesproken, of door den rechter kan worden toegewezen.

Arr.-R. 's-Hertogenbosch, v. 20 Jan. 1847, W. nquot;. 840; cf. aant. 4 op art. 156 R, R.

4. De rechter, zich onbevoegd verklarende van eene zaak kennis te nemen, begaat geene daad van onbevoegdheid door partijen tevens naar haren competenten rechter (in casu arbiters) te verwijzen.

P. H. v N.-Holland, v. 30 Dec. 1858. W. nquot;. 2110; cf. aan 14 van art. 155 R. R.

•V De rechter, zich onbevoegd verklarende, ten opzichte van den eiscli tot van-waarde-verklaring van een arrest, behoort zich evenzeer onbevoegd te verklaren ten opzichte der reconventioneele vordering tot opheffing van hetzelfde arrest.

1'. II. v. N.-Holland, v. 30 Dec. 1858, W. n0. 211(1.

Art. 155.

1. Een gedaagde die de onbevoegdheid des rechters ratione personae beweert (als geldende het in casu een geschil over hulp- en bergloon) zich niettemin over de zaak zelve uitlaat en aanbod doet van gedeeltelijke voldoening der gevorderde penningen, moet rechtens geaclit worden de bevoegdheid van den rechter, voor wien hij geroepen is, te erkennen en kan het mitsdien niet opgaan, na zijne verdediging teu

527

ocr page 553

Art. 155.)

principale te hebben op den voorgrond gesteld, aan liet slot der conclusie de onbevoegdheid in te roepen van het rechtelijk collegie, waarvoor liet geding is aanhangig gemaakt.

Arr. v. 5 Maart 1847, W. n». 802; R., dl. XXVII, § G; v. n. U.. 13.11.. dl. YIII, p. 351—377. — Cf. art. 507 W. v. K., arr. v. denz. datum, sub nquot;. 1 ; liet betrekkelijk deze zaak gewezen arr. v. ?t P. II. v. Zeeland, v. 27 Jan. 1840 en bet vonnis der Arr.-R. Middelburg, v. 25 Juni 184quot;), R. B. jg. -1847, dl. IX. p. 300 sqq.

Eene exceptie van onbevoegdheid des rechters moet uitdrukkelijk worden voorgesteld; 7.\] is geen middel van niet-ontvankelijkheid van den eisch, maar eene vordering, dat de rechter zich onthoude van alle beoordeeling van den eisch, ook van diens al- of niet-ontvankelijk-beid; — zoodanige exceptie is bijgevolg niet begrepen in de alge-meene conclusie, door den gedaagde genomen tot niet-ontvankelijk-verklaring van den eisch.

Arr. y. 12 Mei 1848, W. n». 910; R., dl. XXXI. § 20; v. n. U..B. B.. dl. ÏX, p. 404—435, (alwaar het «jold de exceptie van incompetentie ratione personae en waarbij implicite schijnt te zijn uitgemaakt, dat the exceptie niet voor bet eerst in cassatie kan worden voorgesteld), welk beginsel echter meer uitdrukkelijk is gehuldigd bij arr. v. 5 Maart 1847, sub art. 155, nquot;. 1.

Bij de opwerping van de exceptie van incompetentie rationeper-sojiw, is de rechter onbevoegd te treden in een onderzoek der daadzaken, voor zoover deze betreffen uitsluitend de zaak ten principale ; hij behoort echter wel degelijk de daadzaken te onderzoeken, die op de toe- of afwijzing der exceptie van invloed kunnen zijn.

Derhalve mag de rechter, geroepen om te oordeelen over eene exceptie, gegrond op het bestaan van een vreemd vonnis, wel onderzoeken het feit van het bestaan van een zoodanig vonnis.

Arr. v. 28 Juni 1807, W. nquot;. 2915, v. n. 11.. B. Tl. dl. XXXI, p. 301. waarbij het beroep in cassatie werd verworpen tegen het arr. Hof N.-Holland, v. 17 Jan. 1867, W. n0. 2951, bij welk arrest werd bevestigd het vonnis Arr.-li. Amsterdam, v. 20 April 1800, W. n0. 2822, reeds aanfreh. sub art. 127 1!. R. no. 1, bij welk vonnis de rechtbank zich onbevoegd verklaarde om kennis te nemen van de vordering door een vreemdeling tegen een vreemdeling gedaan, om hier te lande executoir te verklaren een tusschen hen in het buitenland gewezen vonnis.

Hit vonnis werd bevestigd door het gemeld arrest hoofdzakelijk op grond dat niet bleek, dat er een vreemd vonnis was. waarbij de aresr.hillen tusschen partijen voor goed waren boslist.

ocr page 554

[AH. 155.

-I-. De exceptie, gegrond op de bewering dat niet de Rechtbank, maar alleen de. Hooge Raad bevoegd was in eersten aanleg van eene vordering tegen den Staat kennis te nemen, is eene exceptie van onbevoegdheid rations personae ; volgens dit artikel nu mag eene zoodanige onbevoegdheid niet door den rechter ambtshalve worden uitgesproken.

Arr. v. 15 Maart IST'i. W. nquot;. 3451. H.. dl. C § 30. v. d. H.. B. II.. dl. XXXVI. p. 549 sqq., ook aangehaald suli art. 87 R. O. in nn. 6; vgl. ook arr. v. i'l April 4802, W. n0. 2370. R.. dl. I.X X ^ 59. aangehaald sub art. 87 R. O. nquot;. 4 en snh art. 158 B. R.; idem Arr.-R. Tiel, v. 18 Maart 1882. W. nquot;. 4778.

•» De exceptie gegrond op onbevoegdheid des rechters, omdat deze niet is die van de woonplaats des else hers, is eene exceptie ratione personaruw., en valt insgelijks onder de bepaling van dit artikel.

Arr. v. 3 Nov. 1882. W. nquot;. 4833; v. u. II.. Jt. !!.. dl. XLVHI. p. 1 sqq.: R.. dl. CXXX Fl ^ 5.

«. Rene Arr.-R moet zich op eeiie dagvaardinar tot overbrenging eener zaak, welke bij eene voormalige Rechtbank van eersten aanleg aanhangig is geweest, niet ambtshalve onbevoegd verklaren, wanneer die onbevoegdheid niet ratione materiae, maar alleen ratione personae bestaat.

Arr.-R. Appingadam, v. 8 Nov. 1838. lUqf in Neder!... dl. II. p. 37 en 38.

S. Iemand gedagvaard, doch niet verschijnende voor een rechter die onbevoegd is ratione personae {in casu de acceptant van een wissel, waarvan de voldoening, ingevolge art. 180 W. v. K., gevorderd moet; worden voor den rechter van de woonplaats des betrokkenen, wanneer geene andere plaats van betaling is aangewezen) kan — hoewel de exceptie door de verschijning en de berusting van den debiteur zou zijn gedekt -— niet geacht worden zich aan het rechtsgebied van den rechter te hebben onderworpen, en behoort zich mitsdien de Rechtbank in dit geval onbevoegd te verklaren.

Arr.-R. Amsterdam, v. 1 Aug. 1830. R. H. jg. 1842. dl. IV. p. 808 .en 809 (1).

(I) Het beginsel bij dit Tonnis aangenomen, komt mij stellig onjuist voor, te meer omdat het hier niet, even als in eas van curateele of kennelijk onvermogen,

Mr. W. van Bossem Bz., Burg. Rechtsv, vu

529

ocr page 555

Art. 155.)

8. Tiidien eene schuld door den gedaagde eenvoudig wordt ontkend, terwijl zijne sclnildplielitigheid onwedersjirekelijlc blijkt, doch het tevens consteert, dat de eischer voor zich zeiven geen recht heeft tot invordering dier schuld, dan kan de rechter ambtshalve den eischer niet-ontvankelijk verklaren in zijne vordering.

Ivtg. JFaarsen, v. 16 Nov. 1843, I!. li. ,jg. 1844, dl. VI, p. lt;218—219.— Vgl. hiermede de Redactie van 't R. B. I. c., die het bedenkelijk acht eene niet-ontvankelijk-verklaring wegens eenen grond van onbevoegdheid tot het instellen eener vordering, welke ratione personae plaats heeft, ambtshalve uit te spreken (1).

O. I)e Rechtbank mag zich bij gelegenheid van een verzoek om curateele, zonder dat er eene exceptie van onbevoegdheid is voorgesteld, ambtshalve onbevoegd verklaren, in geval het verzoek daartoe gedaan wordt bij eene Rechtbank waar degene, tegen wien de curateele verzocht wordt, niet woonachtig is.

Beschikking van de Arr.-R. Groningen, v. 14 Juni 1844, bevestigd bij arr. van 't P. H. aldaar, aangehaald in de Ojnn. en Med.. dl. I. p. 74 en 75. Die beschikking heeft aan A. O. in de Opm. en Med., I. c. aanleiding gegeven tot het opperen der vraag, of de rechtbank hier, waar het gold eene onbevoegdheid ratione personae, wel ambtshalve de incompetentie bad mogen uitspreken. S. M., hoezeer ook deze onbevoegdheid, althans implicite, kwalificeerende ratione personae, beantwoordt evenwel de vraag (even als Diephuis, .V. B. It., dl. 11. nquot;. 1048), bevestigend, in de Opm. en Mcd., dl. I, p. 97—101, uit hoofde men hier verkeert in een van die gevallen, waarin de wetgever om wijze redenen

geldt den persoonlijken staat des gedaagde, noch de aanwijzing van deze of gene Rechtbank, waarvoor de gedaagde bij uitsluiting justieiabel is, en het mitsdien hier niet kan geacht worden de openbare orde te betreffen. Gelijk te recht wordt geleerd door S. JU. in de Opm. en Mcd.. dl. I, p. 98 en 99, kan althans in den regel de niet-verschijning voor den rechter geene termen opleveren, om zich ambtshalve ratione personae onbevoegd te verklaren. Het tegendeel is dan ook te recht aangenn-men bij vonnis van dezelfde Arr.-R., v. 23 Oct. 1839, in Netlerl., dl. II,

p. 335, zonder dat daaromtrent tusschen partijen zelfs het minste bezwaar is geopperd (Lkon). Vgl. vonnis Ktg. Zaandam, v. 7 Sept. 1871, W. n0. 3370, waarbij werd beslist, dat wanneer de gedaagde de exceptie van incompetentie ratione personae niet ter terechtzitting heeft voorgesteld (in cami was de gedaagde niet verschenen) deze door den rechter niet mag worden aangevuld. -— Vgl. art. 157 B. R., vonnis van de Arr.-R. Brielle, v. 1 Dcc. 1848 en het aanget. aldaar.

(1) \'lg. Leok gold het hier eene verdediging ten principale, een /in de non rece-voir au Jond, en had mitsdien geene niet-ontvankelijkhcid maar eene ontzegging van den eisch behooren te zijn uitgesproken. — Vgl. art. ICO 15. K., vonnis van dc Arr.-R. Nijmegen, v. fi Juni 1845.

530

ocr page 556

531 {Art. 155.

van den algemeenen regel is afgeweken, door in art. 490 B. VV. den rechter aan te wijzen bij wien het verzoek tot curateele moet worden ingediend, zoodat ook dan, wanneer de curandus uitdrukkelijk de bevoegdheid eener andere rechtbank dan die zijner woonplaats erkende, deze zich dan nog altijd onbevoegd zoude moeten verklaren. Ue juistheid hiervan aannemende, stelt zich echter A. O. in de Opm. en Med. ut supra, p. 279 volgg., nader de vraag voor, hoe het met eene onbevoegdheid ratiouc personae is overeen te brengen, dat de rechter zich ambtshalve onbevoegd verklare. Hij meent de oplossing van gemelde zwarigheid daarin te vinden, dat, wanneer de wet voor eenige vordering of rechtszaak een bepaalden rechter aanwijst, of, zoo als het in art. 354 1!. R. is uitgedrukt, rechtsmacht opdraagt, ieder andere rechter onbevoegd is, niet uit hoofde van den persoon, maar uit hoofde van het onderwerp. Het beginsel echter, aangenomen bij beschikking der Arr.-R. Groningen, gedeeld door S. M. en A. 0. als boven, wordt breedvoerig bestreden door mr. G. A. Fokker, in de Neder/, jaarh. van Regtsy. ett Wetgev., dl. VIII, p. 440— 478, die o. a. tot de conclusie komt dat daar, waar de burgerlijke wetten eene bepaalde rechtbank (zoo als die van de woonplaats des verweerders) aanwijzen, de niet aangewezenen slechts betrekkelijk onbevoegd zijn om kennis te nemen en zich niet incompetent mogen verklaren dan op vordering des verweerders, overeenkomstig art. '155 B. R., of ook ingeval geene der partijen hare justiciabelen zijn. Zie ook art. 155 B. R., vonnis de Arr.-R. Amsterdam, v. I Aug. 1839, sub n0. 7.

lO. De gedaagde die de exceptie van incompetentie rationa personae vóór alle andere weren voorstelt en tot admissie daarvan concludeert, raag tevens suhorilinaat, voor het geval dat die mocht worden verworpen, ten principale concludeeren, zonder dat daardoor zijne exceptie zoude gedekt of liet gevolg daarvan vernietigd zijn.

Arr.-R. Amsterdam, v. 7 Oct. 1844, R. B. jg. 1844, dl. VI, p. 813— ld tgt;2-817 en v. 10 Oct. 1852. R. B. jg. 1853, p. 25—30; Utrecht, v. 21 Juli 1848, W. n°. 960; R. B. jg. 1848, dl. X, p. 499—502; idem (implicite) «yi. n0 2 Amsterdam, v. 6 Sept. 1852, R. B. jg. 1852, p. 642—044; door den Hoogl. van Hall, R. B. jg. 1848, dl. X, p. 501, in de noot en iquot;/ Mi- 'n 1851, p. 398—400; voorts Arr.-R. Groningen, v. 30 Oct.

vh. -1856, W. n». 1870, R. B. jg., 1857, dl. VII, blz. 610; R.. dl. LV1H § 80;

L ^wZ/^Ktg. Groningen sine die, R. B. jg. 1879, A. p. 51; P. H. v. Drente, |. / / - v' April 1865, W. n0. 2800, R. 13. jg. 1868, p. 110, ten aanzien van O. n° oS' y (je exceptie ex artlt; ,j57 f{ . Arr.-R. Breda, v. 19 Dec. 1865, W. n0. 2801;

Arr.-R Amsterdam, v. 5 Aug. 1867, W. n0. 2964, R. B.jg. 1867, p. 801 ; p Ktg. Rotterdam II, v. 3 Maart 1882, W. 4739, P. H. v. N.-Holland, v. 25

Juni 1868, \V. nquot;. 3049 en Magazijn van Handelsregt, jg. 1868, H egt spraak, blz. 172, en v. 12 Nov. 1868, W. nquot;. 3077, bevestigende vonnis Ait.-R, Amsterdam, v. 31 Oct. 1867, W. n0. 2951 ; Hof Amsterdam, v. 15 Juni 1876, W. nquot;. 4014, R. B. jg. 1876, afd. .-1. p. 230, vernietigende vonnis Arr.-R. Amsterdam, v. 14 April 1875, R. B. jg. 1875, A. p. 123; idem Arr.-R. Am-

ocr page 557

Art. 105.) 582

sterdam, v. 15 Juli '1871!, 11. B. jg. 1870, p. 233; Oudkman, /gt;'. II., 'tde ed., dl. 1, bladz. 211 ; Mr. A. 0. in d(! Opm. en Mnl.. dl. \ I . )gt;. 36—39; en Menalda, Tijdschr. v. It. Xod. Rug I., dl. I , biz. 58 volgg.; — anders bij vonnis van 't Ktg. Voorburg, v. I I Aug. 1847, _ . /? R. 1!., Jg. 184S, dl. X, p. 416, in een requisitoir van den adv.-gen.

fvT? ***' ^ v Gregory. R. li. jg. 1847, dl. IX. p. 321 ; idem ten aanzien der exceptie

,_II van incompetentie der Arr.-R. 's-Gravenhage, v. 4 Febr. 1862, W. n0.

e|n vonnis Arr.-R. Leiden, v. 31 Oct. 1865, W. nn. 2770, waarbij L -fjt: amp; /5l^t nog werd beslist, dat bet verweer, dat de zaak bij arbiters behoort, is 0 een exceptie van incompetentie ratione personae, zie verder daaromtrent Ir. cl. fut -u v aant. 13; idem irnplicite Arr.-R. Amsterdam, v. 14 Oct. 1878, R. B. jg.

1879, A, p. 49; de plnto. hfrll., 2de ed.. II. J. p. 321. door den Jloogl. des L2e^r ^ Amorie van der Hoeven. R. B. .jg. 1851, p. 392—398 en in de A'tfinw;

// •v /. Bijdr. voo)' Ftegtsc/el. en Wetg., jg. 1853, p. 573 en 574; de Savornin

/ Lokman, in Tijdschr. van het Nedcrl. Begt, dl. I, bladz. 282 en volgg.;

welke schrijver voor zijne meening dat de exceptie nfzonderlijk behoort te worden voorgedragen, aanvoert dat uit niets blijkt, dat onze wetgever heeft willen afwijken van hetgeen vóór de invoering van het wetboek rechtens was, nl. dat de excepties, die vooraf moesten worden voorgesteld en uitgewezen ook afzonderlijk moesten worden voorgedragen; en dat uit art. 160 B. R„ hetwelk voorschrijft dat alle andere excepties tegelijk met bet antwoord ten principale moeten worden voorgesteld, blijkt, dat de andere exception niet. tegelijk, derhalve afzonderlijk moeten worden voorgedragen. In tegenstelling met mr. Menalda, I. c., die oor-rleelt dat, hoe men ook denken moge over het afzonderlijk voorstellen van de exceptie, deze in geen geval voor gedekt kan gehouden worden, wanneer zij vereenigd met de andere verdediging is ingesteld, meent deze schrijver, dat zij wel degelijk voor gedekt moet gehouden worden, op • grond dat, wanneer de wetgever het gebruik maken van eene bevoegdheid aan eene bepaalde voorwaarde of aan een termijn verbindt, hij geacht moet worden de uitoefening dier bevoegdheid zonder het vervullen dier voorwaarde of het naleven van dien termijn niet te hebben gewild ; cf. v. d. Honert, hfdb., § 155; art. 93 B. R., vonnis van de Arr.-R. Maastricht, v. 23 Oct. 1846 sqq., sub nn. 5: art. 09 R. R., arr. v.'tP. H. v. Z.-Holland, v. 20 Sept. 1843 sqq.. sub n0. 1, en art. 338 I!. R.,vonnis van de Arr.-R. Leeuwarden, v. 31 Jan. 1843; alsmede ten betooge: 1°. dat eene exceptie van onbevoegdheid ratione personae, voorgesteld in de eerste der dingtalen, doch eerst na do exceptie van non-kwalificatie, als gedekt is te beschouwen; — een arr. van 't P. 11. v. N.-Holland, v. 23 Nov. 1848, W. n0.1028 ; R. B. .jg. 1849, dl. XI, p. 6—10; 2°. dat, wanneer de origineele gedaagde, in strijd met art. 155 B. R. eene exceptie van incompetentie instelt te gelijk met eene exceptie van niet-ontvankelijk-heid, alsdan de rechter (zonder in een onderzoek te treden of door en ten gevolge der tevens gevorderde niet-ontvankelijkheid, de exceptie van incompetentie is gedekt) kan volstaan met te verklaren, dat beide excep-tiën quoad jus ongegrond zijn en mitsdien niet te pas komt te onderzoeken of zij quoad formam richtig zijn ingesteld — bij vonnis der Arr.-R. Gorinchem, v. 30 Juli 1842, W. nn. 338.

ocr page 558

{Art. 155.

I I . De gedaagde die incompetentie beweert, op grond dat hij niet

le binnen het rechtsgebied des rechters woont, moet dit feit bewijzen.

I. J Arr.-R. Amsterdam, v. 9 Maart 1848, 11. B. jg. 1849, dl. XI. p 148—

gt;8 !53 en v. 14 Jan. 1857, R. B. jg. '1857, dl. VII, blz, 296, couf. concl.

7, | O. M.. waarbij werd beslist, dat do gedaagde moet aantoonen, dat bij

n. 3 vóór ilen dag der dagvaarding zijn werkelijke woning in eene andere

ie i plaats had, met het voornemen aldaar zijn hoofdverblijf te vestigen. —

Cf. art. 314 1!. R.. vonnis van de Arr.-R. Rotterdam, v. 17 Febr. 1840.

13. Eene exceptie van onbevoegdheid in den zin van art. 155 H. li. is niet gedekt, wanneer, op grond eener beweerde onbevoegd-beid van den rechter om van een gelegd arrest (in specie onder derden)

kennis te nemen, tevens en op dien grond wordt geconcludeerd tot opheffing van dit arrest met vergoeding van kosten, schade en interessen, vermits de conclusie tot opheffing geenszins is te beschouwen als een antwoord op de zaak ten principale, maar veeleer als een noodwendig gevolg van het beweren des gedaagde, dat de Rechtbank onbevoegd is de hoofdzaak te beslissen en liet eenige middel om te voorkomen dat het arrest zonder eenige wettige oorzaak onbepaald gevestigd blijve.

Arr.-R. Amsterdam, v. 20 Juni 1848, liegt in Nedei'l., dl. IV, p. 332—

;{34. — Cf. de in gelijken zin gewezen vonnissen van de Arr.-R. Amsterdam, v. 30 Maart 1842 sqq., sub art. 9 Alg. Bep., u0. 5 (dl. II. p. 74 en 2de druk, insgelijks sul) n0. 5), alsmede art. 152 li. II., vonnis van de Arr.-R. Maastricht, v. 15 Febr. 1849 sqq.

13. Indien partijen overeengekomen zijn, dat de geschillen, uit de overeenkomst voortspruitende, moeten worden beslist door scheidslieden,

dan is de exceptie van incompetentie, die men den gewonen dagvaar-denden eischer tegenwerpt, eene exceptie van onbevoegdheid ration?.

personae en niet materiue.

1'. H. v. N.-Holland, v. 23 Nov. 1848, VV. nquot;. 1028; II. B. jg. 1849, lUj. A.-W dl. XI, p. 6—10; Reyl in Nedcrl., dl. IV, p. 379—380, bevestigende een fa ^ 2 3 vonnis van de Arr.-R. Amsterdam, v. 30 Jimi 1847, W. nquot;. 900; liegt 7 in Ne/lerl.. dl. IV, p. 357—360; idem, althans voor zoo verre betreft de WaltO)-. ^ quot; contracteerende partijen, bij vonnis van de Arr.-R, Amsterdam, v. 9 Jan, ^q,0], 1850, W. no. 1101 ; R. B.'jg. 1850. dl, XII, p. 270—275; idem P. II. v.

Gelderland, v. 2 April 1856, bij ,Mr. Hehtzvrui ut supra, lilz. 80,

en v. 16 April 1856, W. n0. 1763; R. B. jg. 1856, dl. VI, blz. 575;

niido's Ktg. Weesp, v. 12 Nov. 1864, W. nquot;. 2648, (welk vonnis door de Red. van het W. bestreden wordt); idem implicite raad v. Justitie Batavia,

v. 8 Dec. 1870. W. n0. 3495; cf. Arr.-R. Groningen, v. 6 Nov. 1857, R. B.

jst. 1859, dl. IX, blz. 575 en Arr.-R. Leiden v. 31 Oct. 1865 sub u0. 10gt;

■

533

ocr page 559

Art. 155.)

1.41. [ndien in de polis eener hrand-assurantie-maatschappij is bepaald, dat alle eventueele geschillen , daaruit voortvloeieiide, aan arbiters zullen worden onderworpen en de gedaagde maatschappij op dien grond concludeert, gt;iin( tot onbevoegdverklaring des rechters, maar tot verwijzing van 'partijen mei hare ingestelde vordering, daar waar het behoort. — dan kan de rechter, hoewel er ten deze niet bestaat een dier bizonder in de wet opgenoemde gevallen, in welke verwijzing naar een anderen rechter kan gevraagd worden, die verwijzing bevelen , zonder daardoor eenig rechtsbeginsel of wetsbepaling te miskennen of te schenden.

Arr.-R. 's-Hertogenbosch, v. 22 Nov. '1848. W. n0. 1080 (1); cf. aant. 4 van art. 154 B. R.

IS. Een reconventioneel gedaagde (oorspronkelijk eischer) kan niet de onbevoegdheid eener Rechtbank ratione personae beweren , indien hij zelf in conventie hare rechtsmacht heeft ingeroepen.

Arr.-R. Amsterdam, v. 15 Oct. 1850, A msterd. Jtegtsjir., dl. 1, p. 150— 155 en v. 6 Nov. 1850, W. n0. 1190. — Cf. art. 250 B. R., vonnis van dez. rechtbank, v. 15 Oct. 1850.

1®. De exceptie van onbevoegdheid is niet gedekt, doordien de excipient, alvorens zijne exceptie voortedragen, mededeeling van stukken van den eischer heeft gevorderd, wanneer hij tot staving dier vordering aanvoert, dat, zonder die stukken bij te brengen, het onmogelijk is, de tusschen partijen bestaande exceptie te behandelen.

Arr.-R. Maastricht, v. 23 Nov. 1854, W. nquot;. 1(352.

Vgl. navolgende beslissingen :

Wanneer zoowel het vragen van mededeeling als de erkenning van het stuk. waarop de exceptie van onbevoegdheid berust, op de exceptie zelve betrekking heeft, kan dit niet geacht worden eene uitlating ten principale te zijn.

Arr.-R. 's-Hertogenbosch, v. 27 Jan. 1871, R. li. jg. 1872, pag. 484.

(1) Lbon betwijfelt in zijne eerste editie de juistheid dezer uitspraak. Nu rechtens de actiën en exception niet meer aan sacramenteele woorden gebonden zijn en hier de bedoeling van den excipiënt duidelijk was uitgedrukt, had de Rechtbank zich eenvoudig (indien de exceptie ware gegrond) moeten verklaren onbevoegd ratione personae. — Cf. Oudeman, 4de ed., dl. I, p. 204 en v. d. Honf.ht, Jldh.. § 15.5, p. 277.

534

ocr page 560

1

535 (Art. 155.

De exceptie, hier bedoeld, is gedekt, nadat vooraf door den gedaagde gevorderd is inededeeling van stukken, waarop de eischer zich tot staving zijner vordering had beroepen.

An-.-R. Amsterdam, v. 21 Mei 1869, R. B. jg. 1870, p. 39; vgl. aant.'24.

£3. Waar niet is beweerd, dat de Xederlandsclie rechter onbevoegd zou zijn van een geding tusschen twee vreemdelingen kennis te nemen,

behoeft zulks geen punt van onderzoek uittemaken.

Arr.-R. Zierikzee, v. 8 Dec. 1857, VV. n', 1994; idem in geval van verstek van den gedaagde, op grnnd dat de onbevoegdheid des Neder-landschen rechters om van eene vordering tusschen buitenlands wonende vreemdelingen kennis te nemen, niet is materiae, maar personae, bij vonnis der Arr.-R. Rotterdam, v. 13 Febr. 1856, R. li. Jg. 1856, blz. 263 ;

vgl. ook art. 156 B. R. sub nquot;. 10.

18. De exceptie van onbevoegdheid der Rechtbank, om de faillietverklaring uit te spreken van een schuldenaar, wiens woonplaats niet is in het arrondissement der Rechtbank, is eene exceptie van onbevoegdheid raüone personae.

Deze exceptie kan in hooger beroep niet voor het eerst worden voorgesteld

I'. II. v. Z.-Holland, v. 23 Oct. 1867. VV. n0. 2971.

ËW. De exceptie van onbevoegdheid ratioue personae moet worden voorgesteld voor die van nietigheid der dagvaarding.

Ktg. 's-Gravenhage, v. 20 Juni 1870, W. no. 3311. Se-e,. u/gt;agt;6/ ,

a - ^ 'z7 /

80. De verdediging, dat het eischend compact geene persona standi ,/ s-^y in judicia zou hebben, mag niet aan de exceptie van incompetentie raüone personae voorafgaan,

Arr.-R. Winschoten, v. 18 Juni 1873, VV. n». 3625.

lt;81. Al ware het ongeoorloofd, onmiddellijk op de exceptie van incompetentie bij dezelfde conclusie eene subsidiaire verwering ten principale te doen volgen, kan dit punt door den rechter niet onderzocht worden, wanneer de eischer deswegen geene bezwaren heeft ingebracht.

Arr.-R. Amsterdam, v. 12 Maart 1875. VV. n0. 3830.

ocr page 561

, i // /j^ ayvil. /6*T /f? /Ca-yw Wö i~ ^ruc^üL'yL c^i- ^

^ - rtx tamp;m/i Is- IrosSU (gt;4yi cJ2~ i, 0 r, 1-L . /CtTquot; ^ ae^fiO. tcsU 11 t£-/~ t:^ o£*~

^ / 9-.' , ' ryU,Ai^C.

s]~rrrn~4 i.— o~rtr^O / '/ . .—.

Onyvt l^V'4- ''irlciZ. t Z^at-L OirC i- ^U-U- ^ t- S-f

l^L vs^et—a-^ O^^x. tU~, ^ -

A''1- 155-) !,3fi fa, Uamp;o^VMeH.t- eMft '''• S76j

'£ 'i, De exceptie van onbevoegdheid ralione personae is niet gedekt door eene voorafgaande bestrijding van eene gevraagde voeging.

Arr.-R. Amsterdam, v. 14 Oct. 1878, R. F!, jg. 1870. A. p. 49. wamliij werd overwogen, dat dit art. blijkbaar doelt op vcnveriugen ingebracht tegen de dagvaarding of de conclusie van eisch.

*43. Waar eerst bij pleidooi is beweerd, dat de voorgestelde exceptie van onbevoegdheid gedekt zou zijn, en bij conclusie vun antwoord de exceptie zelve is bestreden, maar van de dekking geen middel is gemaakt, behoort dat beweren buiten beschouwing te blijven.

Arr.-R. Leeuwarden, v. 31 Maart 1881. W. n0. 4698.

'i.|- De exceptie van onbevoegdheid ratione personae is gedekt,

wanneer gedaagde die eerst opwerpt, nadat hij bij voorafgaande con -conclusie verklaard heeft niet te begrijpen, op welke door hem gepleegde onregelmatigheden de ingestelde vordering steunt, zulks onder overlegging van stukken, waarin de beweerde onregelmatigheden te vinden zouden zijn.

Arr.-R. 's-Hertogenboscli. v. 30 Maart 188;!, VV. nquot;. 4899; cf. aant. Iti van dit artikel.

S»gt;. De exceptie behoeft niet bij eene afzonderlijke proces-acte te worden voorgesteld —; evenmin is voorgeschreven, dat de slotsom der conclusie tot onbevoegdverklaring moet voorafgaan aan liet voordragen van andere middelen.

Hof 's-Hertogenbosch. v. 1 April 1884. VV. 5093; cf'. liet sub nu. 10 van dit art. vermelde.

lt;8€». Zie ten betooge :

a. Dat de rechter, binnen wiens rechtsgebied de betrokkene woonachtig is (indien door den gedaagde de exceptie van incompetentie ratione personae wordt geproponeerd), niet bevoegd is kennis te nemen van eene actie tot rembours van een niet geaccepteerden wissel tegen den trekker geinstitueerd, wanneer deze zoo wel als de houder niet binnen dit rechtsgebied gedomicilieerd is en de wissel van non-accep-tatie is geprotesteerd geworden —

art. 180 VV. v. K., vonnis van de Ait.-K. Amsterdam, v. 23 Oct. 1839,

snh li0. 2.

ocr page 562

(Art. 155.

/gt;. \ht wanneer de koopmnn. die als zoodanig in rechten wordt aan-gesproken, beweert dat, niettegenstaande zijn stand van handelaar, het onderwerp van den eisch van louter burgerlijken aard is, alsdan op hem de verplichting van het bewijs daarvan berust —

art. 314 B. R., vonnis van de Air.-R. Rotterdam, v. 17 Febr. 1840. Vgl. hiermede een vonnis van de Arr.-R. Gorinchem, v. 18 Jan. 1844, W. n0. 497, waarbij (m. i. geheel onjuist) is beslist, dat in dit geval dn excipifint moet worden geacht ingewikkeld te hebben aangevoerd dlt;' exceptie van incompetentie ratione materiae (Lkon).

c. Dat uit de bepaling van art. 477, alin. 3, B. R. geene onbevoegdheid ratione materiae (maar wel personae) kan worden afgeleid art. 477 R. li., arr. v. 12 Mei 1848.

— Zie omtrent de al dan niet verbindende kracht der bepalingen in bet Regiement eener societeit, dat alle de geschillen tusschen de directie en de leden onderling zullen worden onderworpen aan commissarissen of eene uit de societeit te kiezen commissie —

art. 1697 R. W., arr. van 't J'. 11. v. Z.-Holland, v. 11 Sept. 1844 en vonnis van de Arr.-R. Amsterdam, v. 9 April 1843 sqq., sub nis. li en 7. — Vgl. ook hiermede het gevoelen van den lioogl. v. Hall, R. R. ,jg. '1847, dl. IX, p. 733 en 734 ; zie hiermede in verband P. H. v. Overijssel, v. I Juli 1861, bij Mr. Hertzveld ut supra, blz. 67, waarbij is beslist, dat de exceptie daarop gegrond, dat volgens een reglement niet de rechter, maar het bestuur der vereeniging het geschil tusschen partijen moet beslissen, is een exceptie van onbevoegdheid ratione personae: verg. met dit laatste aant. 13.

Art. 156.

quot;1. De exceptie van incompetentie ratione. materiae kan voor het eerst (en mitsdien wanneer die bevoegdheid in vroegere instantiën niet is betwist of de rechter zich niet ambtshalve onbevoegd heeft verklaard), in cassatie worden voorgesteld.

Arr. v. 10 Jan. 1845. W. no. 570; R., dl. .XX. § 4; v. u. II.. It. Jt.. dl. VI, p. ^91—305; idem arr. v. 17 Juni 1804, W. nquot;. 2600; R., dl. LXXVII § 20, bevestigende arrest P. H. v. Gelderland, v. 21 Oct. 1863. W. nquot;. 2534; en (implicite) bij arr. v. 13 April 1855, conf. concl. O. M.. li. B. jg. 1855, respect, bladz. 313 en blz. 305, waarbij tevens is beslist, dat eene vordering voortspruitend uit het beheer der goederen tot eeno vicarie behoorende, tot de kennisneming behoort van de rechtelijke macht, vermits zoodanig bebeer in den regel als een uit den eigendom voortspruitend recht is aan te merken ; idem met betrekking tot de instantie van hooger beroep, bij vonnis van de Arr.-R, Amsterdam, v. 29 Dec. 1841,

5.'? 7

ocr page 563

V S* 0~~~Z*-£* ^éJuJL. A-, ovviVo^X^^ , lt;r^

r-,1!_ ^ e . C. {, \ f c. - ': */quot;1 v J i. *G-trrr*:'^Jp ' gt;-^*- ■) ' /J- ^ ^ ' ■ '-- '-**quot; • ' ■ ^ ^

/ „ n

0J2, oL ^ ^e, rx^c-, ^

■Mr^. 15«) r^ 538

?gt; , /e. K. fcL. yi(, (^- ^JIL^-

R. Pgt;. jlt;r. quot;184-^. dl. IV, p. 136—139; vgl. ook vonnis Arr.-R. Arnhem, v. 13 Dec. 1855, W. n0. 1757; R. B. jg. 1855, dl. V, blz. 615—6^0; v. 28 Jan. -1867, W. nquot;. 2944, (waarbij is beslist, dat al is in het interlocutoir vonnis des eersten rechters berust en daaraan uitvoering gegeven, de exceptie toch noji; in hooger beroep van het eindvonnis kan worden opgeworpen ; idem Arr.-R. Amsterdam, v. 16 Juni 1869, W. nquot;. 3146, v. '13 Mei 1873, W. n0. 3627 ; idem de Pinto, IldL, 11. I. p. 316, gelijk ook, onder vigueur van den C. d. Pr. Civ., Merun, Répertoire, in voce incomjjctencc, n0. 2, en Qu. de dr., in voce biens nationnx.v, § 1 ; Berriat-St.-Prix, 159 sqq. en Carré, Qu. 722 en 1518. — Cf. ten betooge, dat zulks in dit geval termen kan opleveren tot compensatie der kosten van de beide vorige instantiën — art. 56 B. R., arr. van denzelfden datum, sub B. n0. 5.

3. De onbevoegdheid raüone maierïae is eerst dan aanwezig, wanneer liet onderwerp der vordering van dien aard is, dat de kennisneming daarvan niet zoude behooren tot de bevoegdheid van de rechterlijke macht, of wel behooren zoude tot eenen anderen tak der rechterlijke macht, dan waarbij het is gebracht.

Arr. v. 5 Maart 1847. W. n». 802; R.. dl. XXVII. § 6;

dl. VHI, p. 351—377; R. R. jg. 1847, dl. IX, blz. 324.'

Vgl. navolgende beslissing :

Met de in dit artikel genoemde onbevoegdlieid wordt bedoeld de absolute onbevoegdheid des rechters ratione ma/ei'iae, waarbij de rechter in het geheel niet bevoegd is de zaak te berechten, niet de relatieve, waarbij de rechter wel in quot;t algemeen bevoegd zou geweest zijn, doch de zaak wegens eene bepaalde omstandigheid, aan de beoordeeling van een anderen, doch gelijksoortigen rechter moet onderworpen worden.

Arr.-R. Utrecht, v. 10 Sept. 1879. W. nquot;. 4510, R. 15. jg. 1881. A, p. 55. — In gelijken zin bij Oiideman. B. R., 4de ed., dl. I. p. 204 en in de O/itn. en Mcd, dl. I, p. 278—282; idem de Pixto. Z/c/Z., 2de ed.. II, 1, p. 313 en door Mr Fokker, Opm. en Mcd. ut supra, p. 274. — Vgl. echter hiermede het arr. v. 18 Maart 1853, R., dl. XLIV. § 39; R. B. jg. 1853, p. 193—198, waarbij is beslist, dat, indien de strekking van den eisch, of het geëischte zelf ten aanzien van het onderwerp van dien aard is, dat het niet zoude kunnen worden toegewezen, zonder inbreuk te maken op de attributen eener andere macht, dit wel een grond kan zijn van niet-ontvankelijkheid van den eisch. maar geenszins tot onbevoegd-verklaring der rechterlijke macht ratione materiae, ter zake van het onderwerp zelf. — /.ie ook, ten aanzien van eerstgein. arr. (v. 5 Maart 1847), het daartoe betrekkelijk arr. van't P. II. van Zeeland, v. 27 Jan. 1846, het vonnis dér Arr.-R. Middelburg, v. 25 Juni 1845, R. B. jg. 1847. dl. IX. p, 306 sqq. en v. ü. Honert. Ifdh.. pag. 277.

ocr page 564

OU*#-. 2 ft ■'a-7 quot; rZ SU* 'fquot; f

W^.. 'if w '~

t .quot; / S'Y - *• ' ' quot;»quot; f****' ' *- *■*■ quot; ; ''' ■ ' ■ •

w ^ / . ■ 539 ^ 1^-

3. üeze bepaling wordt gesclionden door te beslissen, dat er geen grond bestaat om aan te nemen, dat de kantonrechter zich ambtshalve incompetent mocht verklaren, wanneer uit het vonnis blijkt, dat er van niets anders sprake is geweest, dan van eene onbevoegdheid uithoofde van het onderwerp des geschils.

A it. v. 17 April 1874, Mr. 110. 3713; R., dl. CYI § 41 ; v. 11. II.. li. II.. dl. XXXIX, p. 322 sqq., vernietigende vonnis Ari'.-R. Assen, v. 30 Jnni 1873.

4-. Daargelaten de verwering, welke ten principale tegen eene vordering kan worden ingebracht, kan de vordering, zooals die wordt beweerd en bij het exploit van dagvaarding is ingesteld, alleen tot richtsnoer strekken om de bevoegdheid te regelen van den rechter, die van deze vordering moet kennis nemen.

Hieruit volgt, dat de exceptie van incompetentie ratione materiae niet zou zijn gegrond, indien de gedaagde, voor de Rechtbank gedagvaard zijnde tot betaling eener somma van meer dan f'200, het bewijs zou leveren per resto eene som van minder dan f2f)0 verschuldigd te zijn.

Arr.-R. 's-Gravenhage v. 19 Febr. 1841, W. u0. 179; idem bij vonnis van de Arr.-R. Alkmaar, v. 15 Sept. 1842, R. R. jg. 1845, dl. Vil, p. 330 en 331; idem, althans implicite (als zijnde daarbij noch door den gedaagde noch door de Arr.-R de kwestie der bevoegdheid ter sprake gebracht), bij vonnis derzelfde Arr.-R. 's-Gravenhage, van denzelfden datum, W. u0. 182, waarbij is beslist, dat een gedaagde, voor de Arr.-R. gedagvaard zijnde tot betaling eener som van meer dan f200, onder korting nochtans van hetgeen hij zou kunnen aantoonen in mindering te hebben betaald.

en die voldoende heeft bewezen per resto minder dan f200 verschuldigd te zijn, kan volstaan met het doen van een aanbod tot betaling van voormelde som, met de renten van dien, sedert den dag der dagvaarding, alsmede de kosten der dagvaarding en de daarbij gevoegde copiën ; idem,

mede ten betooge, dat de bevoegdheid van den rechter in het algemeen (behoudens in dit geval de compensatie der kosten) is af te leiden uit, en moet worden geregeld naar hetgeen geiiischt wordt, en niet naar hetgeen behoort te worden toegewezen, — bij vonnis der Arr.-R. Maastricht, v. 30 Oct. 1845, W. nquot;. 718; H. I!. jg. 1846, dl. Vlll. p. 511— 513 en v. 18 April 1850, n°. 1136, zijnde wijders bij eerstgemeld vonnis (van Maastricht) beslist, dat het voormeld beginsel moet opgaan, ook dan, wanneer uit den titel, waarop men zich tot staving der vordering beroept, voortvloeit, dat er slechts verschuldigd is eene somma van minder dan f200; idem ten betooge dat uitsluitend moet aangemerkt worden het bedrag der gevorderde en niet der werkelijk verschuldigde som, zoodat eene latere vermindering geen invloed uitoefent, Arr.-R. Gorlnchem, v.

ocr page 565

Art. 15fi.)

510

^8 Niiv. 18(35. \V. nn. 2893; I'. II. Drente, v. Hi Juni '1863, \Vr, nü.2541; Ktg. iii'edu sine die, W. nquot;. 1799, waarbij is beslist dat de kantonrechter niet bevoegd is kennis te nemen van een bij ilagivtarding gestelden eisch tot een onbepaald bedrag, al mocht de eischer nader bij conclusie die vordering tot een zeker bedrag bepalen. Zie ook ten betooge dat liet in dezen alleen op de dagvaarding aankomt, vonnis Arr.-R.'s-llertogenbosch, v. 29 Nov. 1861, W. nquot;. 2395; vgl. vonnis Alkmaar, v. 27 Dec. 1860. VV. nquot;. 2281, waarbij werd beslist dat, wanneer de rechter in eersten aanleg onbevoegd was ratione materiae kennis te nemen van de recon-ventioneele vordering, doch die onbevoegdheid niet heeft aangenomen, en de reconventioneele eischer, appellant van het vonnis in zijn geheel-zijne vordering in hooger beroep heeft gewijzigd en verminderd tot binnen de perken van de bevoegdheid des eersten rechters, dan de rechter in hooger beroep alsnog de onbevoegdheid van den eersten rechter ambtshalve behoort uit te spreken; — anders, alwaar was gevorderd het onbetaald overschot eener schuld van meer dan f20ü, onder korting van datgene wat bewijsbaar in mindering zou kunnen strekken en het daarvan afgetrokkene in mindering betaalde klaarblijkelijk aantoonde, dat de verschuldigde som was beneden dat bedrag en de gedaagde uit dien hoofde de exceptie van incompetentie ralione lualerine had voorgesteld,— bij vonnis der Arr.-R. 's-Hertogenbosch, v. 10 Maart 1842, R. B.jg. 1842. dl. IV, p. 387 en 388; idem bij vonnis der Arr.-R. Amsterdam, v. 4 Febr. 1869, W. nquot;. 3133 en bij vonnis der Arr.-R. Nijmegen, v. 8 April 1845, VV. nquot;. 621 en Utrecht, v. i April 1846, W. n0, 704, waarbij geheel in overeenstemming met dat van Nijmegen is beslist, dat eene zaak. welke aanvankelijk was van de competentie der Arr.-R., doordien de vordering de som van f200 te boven ging ophoudt tot de kennisneming dier Rechtb. te behooren, indien de eischer, gebruik makende van het i'echt. hem bij art. 134 B. R. toegekend, zijn eisch tot beneden de f200 heeft verminderd, en de verweerder, zonder dat daartegen iets afdoet, dat hij bereids op de aanvankelijk door den eischer vastgestelde vordering, zijne weren en defensiën had voorgedragen, op dien grond de exceptie van incompetentie ratione materiae heeft opgeworpen. — Vgl. ook met dit een en ander, de aanmerkingen van de Redactie van 't Rechtsg. Bijbl. op het vonnis van de Arr.-R. Maastricht, v. 30 Oct. 1845 ut supra. De Redactie beaamt aldaar volkomen de leer, dat de competentie van den rechter geregeld wordt naar hetgeen er gevraagd wordt, maar meent tevens, dat wanneer, gelijk in cam. de eischer, krachtens den door hem bijgebrachten titel, eene som van minder dan f200 te vorderen heeft, alsdan de Arr.-R. niet bevoegd is daarover te oordeelen. daar, indien men het tegendeel aanneemt, men dan elke vordering beneden de f2()0 aan de kennisneming van den kantonrechter zal kunnen onttrekken, door eenvoudig iets meer te vragen, dan verschuldigd is. — Zie ook met betrekking tot den invloed, welken een verminderde eisch op de appel-labiliteit kan uitoefenen — art. 134 B. R., arrn. van 't P. H. v. Utrecht, v. 4 en 8 Aug. 1843, sub n°. 21 ; alsmede ten betooge, dat des rechters bevoegdheid, mits de vordering niet gesplitst zij. zich alleen regelt naar de som die bij de dagvaarding gevorderd wordt en geenszins naar die,

ocr page 566

'/ - '^- • -'i? ^ . ' ^' (lt;$. /7 ~ '/ 7

Waartoe «1« gedaagde vroeger bij missive iimclit zijn aangemaand geweest, een vonnis van 't Ktg. Sliedrecbt, v. 15 Nov. 1819, W. n0. 1077.

•V Partijen knniien niet, door onder eene vreemde wetgeving te contracteeren, verandering te weeg brengen in de jurisdictie des Xeder-landschen rechters, zooals die bij de Nederlandsche wet geregeld is (1) {in ca-iu eene overeenkomst tusschen den directeur van eene cirque olympique ter eenre en een kunstrijder en pantomimist ter andere, in 1840 in Gent en dns onder de Fransche wetgeving gesloten — docli niet naar luid van art. 4, n1. !■, W. v. K , beschouwd als acte de commerce, op grond waarvan de contractant ter andere den gedaagde niet heeft gedagvaard voor zijnen domiciliairen rechter).

1'. 11. v. K.-Brabant, v. 28 Juni 1 Si'i. \V. nquot;. ; R. ]!. jp-. 18^.3. dl, V. p. 140—152; R.. dl. XIII. § 98.

lt;». Door de samenvoeging van twee vorderingen, de eene in privé, de andere in kwaliteit, kan aan het bedrag dier vorderingen, in den zin der wet, met betrekking tot de competentie, geene verandering worden toegebracht, maar moet in dit geval iedere vordering op zich zelve worden beschouwd.

Arr.-R Gorinchem, v, 19 Oct. 1844', R. B. jg. ISij. dl. VII. yi. 599 sqq.

S. De burgerlijke vordering van schadevergoeding wegens eene onrechtmatige daad, zoo als die bij het Burg. Wetb., aan hem, wien schade veroorzaakt is, wordt toegekend, is eene zaak die geheel op zich zelve staat en afgescheiden van alle poenale actiën (ook gelijk in specie,

1

1840, W. n0. 79 (LÉOk).

ocr page 567

Art. 1 56.)

ter zake van ambtsmisdaad uit krachte van art. 114 C. F.) van de competentie van den burgerlijken rechter.

Ktg. Zwolle, v. 23 Dee. 4844, W. n0. 0G4, p. 4, k. 2.

8. Indien beide partijen verlangen, dat de kantonrechter zich zal onbevoegd verklaren, ralione matenae. dan mag, ook met het oog op art. 157 13. R., de kantonrechter in twijfelachtige zaken die onbevoegdheid uitspreken, zelfs zonder te treden in een onderzoek naar de gronden, voor die beweerde onbevoegdheid aangevoerd.

Ktg. Boxmeer, v. 0 Nov. 1845, W. n°. GG4 (1).

Wanneer bij een en hetzelfde exploit [in casu in eerste instantie voor den kantonrechter) twee actiën worden ingesteld, als die tot ontbinding èn uit hoofde eener gepretenteerde wanbetaling, èn ter zake van het niet behoorlijk voorzien der gehuurde landhoeve van vee, waarvan de laatste de bevoegdheid des [in casu kanton-) rechters te boven gaat, dan moet hij zich niet van alle kennisneming van de zaak onthouden, maar integendeel op de eerste vordering recht doen

542

Arr.-R. lireda, v. 1 Deo. 1840, W. n». 815; idem, ten betooge, dat. indien eene vordering meerdere onderdeelen bevat (als in casu strek-kende tot het doen afleggen van eene rekening en verantwoording over het beheer en de administratie, door den ontvanger van eene kerkfabriek gevorderd, en dit wel ten overstaan van een door de Rechtbank te benoemen rechter-commissaris, terwijl, naar luid van art. 85 der Org. Wet v. 30 Dec. 1809, betredende de kerkfabrieken, het doen of afleggen der rekening bij het bureau der kerkmeesters zelve behoort te geschieden en de Rechtbank mitsdien ten aanzien van laatstgemeld gedeelte der vordering ratiune matcriae is onbevoegd), waarvan sommige de bevoegdheid des rechters te boven gaan, de eischer gerechtigd is deze in te trekken of te wijzigen en de rechter alsdan bevoegd is over de overige punten te oordeelen — bij vonnis van de Arr.-R. Maastricht, v. 8 Jan. 184G, W. nquot;. 782. — Vgl. hiertegen de bedenkingen van den inzender in 't W. ut supra, volgens wien des eischers recht, om tot den afloop der zaak zijn eisch te wijzigen of te verminderen, zich niet zóóver kan uitstrekken, om van eene vordering, welke de kennisneming des rechters te boven gaat, eene zoodanige te maken, dat daarover kan worden geoordeeld. — Cf. art. 134 B. R., vonnis van de Arr.-R. Groningen, v. 21 Nov. 1845 sqq., sub nquot;. 32.

(1) Deze beslissing komt mij onjuist voor. De bevoegdheid toch ralione materiae is een onderwerp van openbare orde, waaromtrent de wil van partijen niets, maaide waarheid alles moet afdoen (Leon).

ocr page 568

[Art. 156.

lO Indien zoowel de eischer als de verweerder een vreemdeling is en de handelsovereenkomst, naar aanleiding waarvan is gedagvaard, buiten liet llijk is aangegaan, kunnen partijen (hoezeer de Rechtbank niet verplicht is om zich ambtshalve onbevoegd te verklaren, wanneer door beide partijen hare rechtspraak vrijwillig mocht zijn ingeroepen geworden) niet geacht worden zich stilzwijgend aan de jurisdictie van eene Rechtbank hier te lande onderworpen te hebben door de bepaling dat de aflevering en de betaling van het gekochte ter plaatse, alwaar die Rechtbank is gevestigd, geschieden zal

Arr.-R. Amsterdam, v. 20 Juni 1848, Regt in Nederl., dl. IV, p. 332— 334 ; — anders echter, en dit wel met een nadrukkelijk beroep op art. 314 B. R, (afgescheiden van de bepaling van art. 764 B. R., j0. art. 9 der Alg. Bep.), indien het geldt een conservatoir beslag, gelegd uit krachte van art. 764 B. R., door een vreemdeling op de hier te lande aan een anderen vreemdeling afgeleverde goederen — bij arr. van 't P. H. van Holland, v. 31 Juli ISil, W. n0. 212; idem in de conclusie van den toenmaligen snbst.-officier Mr. J. Messchkht van Voi.i.enhovek, liegt in Nederl. ut supra, welke, hoewel in een tegenovergestelden zin, heeft geleid tot liet vonnis der Arr.-R. Amsterdam ut supra, hoofdzakelijk op grond : »dat het hier geldt eene onbevoegdheid ratione personarum en niet materiae, zoodat in geen geval de rechter ambtshalve gehouden is, zich (gelijk ook bij bovenvermeld vonnis en bij vonnis dei' Arr.-R. v. Zierikzee, v. 8 D«c. 1857, en van Rotterdam, v. 13 Febr. 1856, sub art. 155 B. R., aangehaald, is aangenomen), krachtens het Wetb. v. B. R.. onbevoegd te verklaren; dat geene beschouwingen, uit het staatsrecht ontleend, zijne verplichting daartoe aanwijzen; dat toch de jurisdictie, al is zij een attribuut van de souvereiniteit en ingesteld over diegenen, die aan den souverein zijn onderworpen, daarom nog niet kan geacht worden, zich niet tot vreemdelingen te mogen uitstrekken, die haar in-inroepen; dat het tegendeel, vooral in zaken van koophandel, algemeen is aangenomen en zoowel op de voorschriften van het volkenrecht, als op de belangen van den handel steunt en daarenboven de pulilieke orde, wel verre van zoodanige rechtspraak te wraken, die integendeel vordert; dat bovendien het beginsel zelf, ofschoon niet uitdrukkelijk in onze wetgeving opgenomen, omdat nergens bepaalde voorschriften omtrent de jurisdictie over, maar alleen omtrent de rechten van vreemdelingen gevonden worden, in art. 9 dei' Algem. Bep. der wetgeving van het Koninkrijk is erkend en de wetgever, die zoo buitengewoon gunstige bepalingen ten voordeele van vreemdelingen in dat art. heeft vastgesteld, niet kan geacht worden den rechter verboden te hebben recht te spreken, wanneer vreemdelingen zijne rechtspraak inroepen, vf, hetgeen de subst.-ufjicier vermeende dut daarmede gelijk stond, wanneer bij de uuereenlioiuat ia bedongen, dat de betaling, welke tut het wezen van de overeenkomst der partijen behoort, hier te lande zou moeten plaats hebben ; zie echter

548

ocr page 569

Art. 156).

vonnis Ait.-R. Breda, v. '25 Sept, 1883, W. n». 4952, waarbij is beslist, dat de rechter /.icb ambtshalve behoort onbevoegd te verklaren om kennis ie nemen van eene -vonlerinji tnsschen twee vreemdelingen, in dit Rijk niet verblijvende, terwijl dfi overeenkomst buitenslands is aangegaan. — Cf. art. 156 l'gt;. R.. arr. vnn 'I 1'. II. v. N.-Brabant, v. 28 Jnni 1842, sub li0. 4; art. 314 I!. I!.. vonnis van do Arr.-R. Groningen, v. 22 Oct. 1847 sqq.; art. 764 1!. R.. arr. van t P. 11. v. Holland, v. 31 Juli 184'1. en art. 738 1!. R.. vonnis van de Arr.-R. Amsterdam, v. 20 Jnni 1848.

11. i)e directie van een zijlvest is (zonder dat, gelijk bij na te melden vonnis van de llechtbank te Appingadam is beslist, daartegen obsteert de Wet van 9 Oct. 1841, Sthl. n0. 42) ontvankelijk in hare actie tot veroordeeling van den gedaagde, om de door hem gedane verlenging van eene pomp, wederrechtelijk gelegd in eene weg enz., binnen een te bepalen korten termijn te removeeren, met autorisatie op de directie, om bij gebreke van gedaagde, om daaraan binnen dien termijn te voldoen, zulks op zijne kosten te doen bewerkstelligen enz.

P. H. v. tïroningen. v. 1'.I Nov. 1850. \V. nquot;. 1200, vernietigende het daartoe betrekkelijk en in een tegenovergestelden zin gewezen vonnis van de Arr.-R. Appingadam. v. 7 Febr. 1850. W. n0. 1137. — Vgl. hiermede, ten betooge, dat, met het oog op art. 13 der Wet v. 9 Oct. 1841 (Sthl. n0. 42), de rechterlijke macht onbevoegd is om kennis te nemen van een verzet, wegens te. hoogen aanslag van ingelanden van een zijlvest -—• een vonnis van de Arr.-R. Winschoten, v. 7 Mei 1851, R. B. jg. 1852, |gt;. 26- 29.

I 'i. De rechtmatigheid van administratieve verordeningen en maatregelen mag door den rechter worden beoordeeld, wanneer die als middelen van verwering tegen eene zuiver burgerlijke rechtsvordering worden aangevoerd, of in cleu vorm van oppositie tegen een uitgevaardigd dwangbevel aan zijne kennisneming volgens de wet worden onderworpen, maar kan over dezelver wettigheid of onwettigheid geene rechterlijke beslissing bij rau-actie worden geprovoceerd ; met dat ^evol^, dat de rechtelijke imcht onbevoegd is te oordeelen over eene vordering tegen een gemeentebestuur, strekkende tot ontheffing van de verplichting, om, — uit krachte van een opgemaakten en gearresteerden legger van onderhoudplichtigen en daarop gegrond kohier van aanslag — als eigenaar der landerijen mede te zorgen voor het onderhoud van zekere vaart.

Arr.-R. Sneek, v. 13 Maart 1851, U. li. jg. 1852. p. 8 en 9.

544

ocr page 570

{Art. 156.

1.3. De onbevoegdheid van den Nederlandschen rechter om recht te spreken in zaken van erfenis, wanneer het rechten geldt van Nederlanders onderling, doch op eene nalatenschap, bij een buitenlandsch testament geregeld en buiten 's lands vervallen, is, ook met het oog op art. 126, al. 12 B. U., eene onbevoegdheid rationa materiae, en alzoo ook ambtshalve uit te spreken.

Arr.-R. Leeuwarden, v. 25 Manrt 1851, R. H. jg. 185-1^.354—360(1).

IA. Een recht van waterlossing, verkregen door wetsbepaling, overeenkomsten en andere middelen van burgerlijk recht, moet beschouwd worden als een twistgeding over burgerlijke rechten.

Arr.-R. 's-Hertoarenbosch, v. 31 Jnli 1851, W. nquot;. I'ifi5- R li jquot;- 1852, p. 37/1—378.

1«». De rechter kan, indien eene exceptie van on bevoegdheid ralume materiae is voorgesteld, zonder daarover uitspraak te doen, de hoofdzaak afdoen.

Tmplicite heslist bi j quot;t Ktg. Bolsward, v. l i Dec. 1857, W. nquot;. 1959; zie de noot der redactie over deze beslissinir.

Itt. De wet kent geene onbevoegdverklaring, welke niet betreft de vordering zelve, maar alleen een middel, waarop de vordering berust.

Arr.-R, Maastricht, v. 24 Dec. 1857. W. nquot;. 194-5.

ÉS. De dagvaarding van een gedaagde voor een onbevoegden rechter heeft de onbevoegdverklaring des rechters, niet de nietigverklaring der dagvaarding, houdende oproeping voor een onbevoegden rechter, ten gevolge.

Arr.-R. Zierikzee, v. 12 Jan. 1858, \V. n(gt;. 2083.

IS. Het vragen van akte voor reserve van rechten kan nimmer eene eigenlijke vordering zijn, die in de bevoegdheid van jurisdictie

(l) De onbevoegdheid des rechters, in cas van erfenis, is ook bij vroeger hier te lande gevigeerd hebbende wetgevingen, als eene onbevoegdheid rntione materiae beschouwd geworden, zoo als kan blijken uit J. van der Linden, Korte Schets der form van procederen voor de Hoven van Justitie in Holland gebruikelijk, 's-Gravenhage 1781, blz. 31 volg., en II. IIoooerbeets, van het aanleggen er. volvoeren der processen voor de respectieve Hoven van Justitie in Holland, te vinden achter ii. de Groot, Inleiding (Léon).

Mr. W. van Rosskm Bz., Burg. Rechtsv. y.quot;»

545

ocr page 571

vnii den rechter zoude llt;uitiieti ingrijpen, of wnarop de bevoegdheid van jurisdictie vnn den rechter van eetiigen invloed is.

An\-R. Amstei'dam. v. i3 April 1S5S. W. n0. 1990. vernietigende vonnis Ktg. Amsterdam, n0. I, v. .Iinii 1857, W. nn. quot;1927, waarhij was beslist dat eene vordering, die alleen strekt om te booren verleenen akte van zijne reserve van beweei'de rechten, niet tot de kennisneming van de rechtelijke niaclil behoort, op grond dat deze alleen kennis neemt van en beslist geschillen over eigendom of daaruit voortspruitende rechten, en over schuldvorderingen of burgerlijke rechten en dat dus iedere rechtsvordering tot onderwerp moet hebben een geschil over een beweerd recht, wat met de bovenvermelde vordering niet het geval is.

| De exceptie van onbevoegdheid gegrond op de bewering dat, bij de vordering van art. 533 B. R. tegen den gebrekigeu kooper, de rechter van diens woonplaats niet de bevoegde is, is materiae, en kan dus in appèl voor 't eerst worden voorgesteld.

Implicite heslist hij ai r. Hof Z.-Holland, v. 28 Febr. 1859. W. nquot;. 2978. bevestigende liet vonnis der Arr.-R. s-Gravenhage, v. 29 Dec. 18.)/. W. no. 1956, beide uitspraken ook vermeld sub art. 532 B. R.

«O Ten aanzien van de competentie ratione materiae is het een vaste regel, dat noch de bewilliging van partijen, noch hare verschijning die exceptie kan dekken, omdat dit gebrek van de reëele competentie is een radicaal gebrek. Dientengevolge kan de omstandigheid, dat noch de appellant noch de geïntimeerde heeft goedgevonden in hooger beroep te komen van het vonnis van den kantonrechter, waarbij deze zich ambtshalve onbevoegd heeft verklaard, niet liet etlect hebben, dat daardoor de Rechtbank de bevoegde rechter zoude zijn geworden om van de onderwerpelijke zaak kennis te nemen, indien de wet die Rechtbank niet als den bevoegden rechter aanwees.

P. II. Overijssel, v. (gt; Febr. 1860, W. nquot;. 2159. vernietigende vonnis der Arr.-R. Deventer, v. 12 Oct. 1859 en in overeenstemming met do con-clnsic van Mr. P. M. van Gokns in W. nquot;. 215(1

lt;i I. Een rechter, die ratione materiae onbevoegd is tot uitwijzing der hoofdzaak, is tevens onbevoegd om recht te doen op eene provi-sioncele vordering, tenzij bij eeuige kracht van wet hebbende verordening bij uitzondering anders mocht zijn bepaald.

Arr.-R. Oroningen. v. 15 Oct. 1862. R. li. Jg. 1863, dl. XIII, blz, 831—8'il.

ocr page 572

[Art. 156.

Vul. Arr.-R. Rotterdam, v. 29 Juni 1870. W. nquot;. 3271, waarbij is beslist dat de rechter, die competent is ten aanzien van de hoofdzaak, zulks evenzeer is ten aanzien van incidenteele vorderingen.

33. De exceptie van onbevoegdheid rationa materiae gegrond op de bewering, dat de actie is niet van commercieelen maar van zuiver civielen aard, onderworpen aan eene geheel andere wijze van procedeeren gaat niet op, daar onze wetgever geen afzonderlijken rechter aanwijst voor handels- en voor zuiver burgerlijke rechtsgedingen.

Arr.-R. Amsterdam, v. 21 Mei 1809, R. R. j;r. 1870, dl. XX. p. 39.

33. De rechter, bemerkende dat hij ratione materiae onbevoegd is, kan zich, terwijl partijen van conclusion wisselen of uitstel vragen tot het nemen van conclusion, de stukken doen overleggen om zijne competentie te beoordeelen.

Arr.-R. Groningen, v. 9 April •187.quot;'). R. R. jg 1870. afd. .1, p. 128.

34-, Zie ten betooge :

a. Dat eene vordering, strekkende tot arnotie van een gebouw, gesticht binnen den, zoo men beweert, verboden kring eener vesting, moet worden gebracht voor den dagelijksclien en gewonen rechter —

art. 103 der Grondwet, v. 1840, arr. v. 12 Jan. 1844 sqq., sub u0. 3 (dl. I, ]gt;. 01).

b. Dat de kantonrechter niet bevoegd is om uitspraak te doen, wanneer iemand, die eene som van meer dan f200 van gezamenlijke deelgenooten solidair te vorderen heeft, die vordering splitst en een der deelgenooten, voor zijn alzoo berekend aandeel van minder dan f200, voor den kantonrechter dagvaardt —

art. 38 R. (gt;.. arr. v. 12 Maart 1847, snit nquot;. 0 (2do druk). — Vlt;il. in verband hiermede, ook omtrent de vraag, of bij de berekeningquot; van bet bedrag der vordering tot regeling van de grenzen der bevoegdheid tnsschen den kantonrechter en de Arr.-R., in aanmerking moet komen de som, welke na aftrek van bet op rekening betaalde ter voldoening overblijft, dan wel die, welke zonder betaling op rekening verschuldigd zou zijn — de vonnissen in onderscheiden zin gewezen, vermeld op art. 38 R. O., arr. v. i2 Maart, •1847. ut snpra.

c. Dat de bevoegdheid van den gewonen burgerlijken rechter in zake van vergoeding van schade, ten grondslag hebbende een delict of

547

ocr page 573

Art. 156.)

quasi-delict door een llijnvaart-scliipper, gedurende de rei/.e toegebracht, niet ophoudt door de bijvoeging van eene vordering tegen derden, op eene gewone burgerlijke overeenkomst gegrond —

art. 164 dor Grondwet, van 'IR10, mr. v. 26 Maart quot;IX'iquot;. snli n0. 3, (dl. I, p. 65).

tl. Dat de exceptie van gewijsde zaak ook open staat tegen de beslissingen van competentie —

Mr. H. J. IvtST in W. nquot;. 3807 in ile zaak, beslist door de Arr.-R. Amsterdam, v. 13 Oc.t, 1873.

Zie verder de beslissingen met betrekking tot de vraag of in zekere gevallen de administratieve, dan wel de rechtelijke macht de bevoegde rechtsmacht is —-

art. l-iS Grondwet (Lkon voortgezet door Mr. van Emden) en met betrekking tot de absolute bevoegdheid van den kantonrechter, de rechtbank enz., — art. 48 R. O. en voljig. (Lkon voortgezet door MV. van Emden).

— Zie omtrent de gevolgen van de ambtshalve onbevoegd-verklaring van, of miskenning van het recht door den rechter met betrekking tot de veroordeeling in de kristen —

het aanget. op art. 56 B. R., litt. G.

Art. 157.

I. Indien de eischer eene burgerlijke rechtsvordering, waarin de kantonrechter de gewone rechter is, met voorbijgang van dezen, aanbrengt bij de Rechtbank, de gedaagde geene exceptie van onbevoegd-beid voorstelt, en met den eischer voortprocedeert, doch de Rechtbank zich ambtshalve onbevoegd verklaart, en partijen verwijst daar en waar het behoort, en dit vonnis vervolgens in kracht van gewijsde gaat, — dan moet, ten gevolge van die berusting in bet vonnis, alles wat de prorogatie van rechtspraak betreft, geacht worden te zijn vervallen en de zaak tusschen partijen teruggebracht in den staat, waarin zij was vóór de ingestelde vordering, met dat gevolg, dat de eischer cam quo

ocr page 574

*y ~. '5quot;7 ' i t-v^- gt; ' f ■ ■ ■ / O- gt; o L ,c. c!* '.

'- -Cf ■

-r-, ■ quot;■ pr T^lry—, t/i/l , (' '. /?'■ Z/ecr^- ^■'J'wyJ^Lyyï

n yit, zf-tófo.

549 (.-iw. 157.

volkomen bevoegd is, om dezelfde vordering weder voor den compe-tenten kantonrecliter te brengen.

Arr. v. 3 Deo. '1847, W. nquot;. 877; R.. dl. XXIX, § 30; v. d. II..

B. It., dl. IX. p. 181—'190. In gelijken zin bij bet daartoe betrekkelijk vonnis van de Arr.-R. Amsterdam, v. 11 Mei 1847, W. nquot;. 867, bevestigende een vonnis van den kantonrechter aldaar, v. 0 Oct. 1840. — Vgl.

art. quot;157 B. R.. vonnis van de Arr.-R. Amsterdam, v. 9 Juni 1840 sqq.,

sub no. 3.

'i De excipiënt, die in ca.s van art. 157 l^. R., uithoofde der re*

judicata (namelijk een vonnis van onbevoegd-verklaring, bereids dooiden kantonrechter in dezelfde zaak tnsschen dezelfde partijen omtrent hetzelfde onderwerp gewezen en waarin partijen bebben berust) onbevoegd is tot liet instellen der exceptie, bij dit wets-artikel vermeld,

moet geacht worden gelijk te staan met dengene, welke die niet heeft ingesteld en is de rechtbank uit dien hoofde verplicht de zaak, als gewone rechter, aan zich te houden.

Arr.-R. Groningen, v. :iü Mei 1845. R. I!. jg. 1845, dl. VII, p. 684—-080. — Vgl. ook Mr. L. J. van Riemsdijk in V. Bijdr.. jg. 1860, dl. X,

p. 565. die zich geheel vereenigt met die uitspraak.

3. Daar waar [in cam uit krachte van art, -1gt;0 R. Org.) aan den kantonrecliter is opgedragen om over eene burgerlijke rechtsvordering te oordeelen, moet zich de Arr.-R. (in cas van art. 157 B, R.) ambtshalve onbevoegd verklaren, indien de exceptie van onbevoegdheid door partijen niet is voorgesteld.

Ait,-R. Amsterdam, v, 9 Juni 1840, AV. n0. 755.

Het beginsel, bij voormeld vonnis aangenomen, hierop nederkomende,

dat art, 157 B. R. niet van toepassing is op de exceptie van incompetentie ratiinu' nialcriac. — is in strijd met een vonnis van de Arr.-R,

Groningen, v, 30 Mei 1845, R. 1!. jg. 1845. dl. Vil. |i, 084 sqq.: een arr, van 't P, 11. in Friesland, v. 4 Maart 1840, W. n0. 137; een vonnis van de Arr.-R. Amsterdam, v. 25 Maart 1847, R. B. jg. 1847, dl, IX,

p. 355 en 350 en een vonnis van de Arr.-R. Winsclioten, v. 26Mei 1852.

R. R. jg. 185'2, p, 715—719, Het wordt bovendien bestreden in een vertoog van den heer Pottkr van Loon, in 't R. H. jg. 1841, dl. Ill,

p, 57—-59, alwaar wordt geleerd, dat als uitzondering op den algemeenen regel, art. 157 B, R. ook van toepassing is op eene onbevoegdheid rntiomt rnatcriiii', met andere woorden, dat bel rechtsgebied van het K tg. ook kan worden geprorogeerd op de Arr.-R.; idem door den Hoogl.

van IIai.u R, I!, jg, 1847, dl, IX, ]). 355 en 350 ut supra : OuriBMAN,

44e ed., dl. I, p. 207 ; de Pinto, //(//., 11, 1, p, 315, zulks komt mede

ocr page 575

Jrl. 157.)

overeen met liet gevoelen der Reneei'ing tijdens de lieraadslagingen over art. *157 (zie v, d. IIonert. Hdh., § -157. p. 278); zie ook Fok keu, in Ncdcfl. Jaarh., dl. VIII, lilz. 455, die aldaar in strijd met den heer T. Potter van Loon ut supra, leert, dat dit artikel alleen spreekt van onbevoegdheid riilioiic gt;éi((ti;ricte. — Ygl. wijders van Riemsdijk, in ,V. T'ijdr.. jg. 1860, dl. X, lilz. 554, die het onbetwistbaar acht, dat bier sprake is van onbevoegdheid imi'suiicte imitei'im', maar tevens oordeelt dat het in strijd is met de algemeene rechtsbeginselen om hier van die onbevoegdheid te spreken, vermits de Rechtbank als houc/erc en tegelijk dcivoiie rechter bevoegd is kennis te nemen van die rechtsvorderingen, welke tot de competentie van den kantonrecliter behooren, hetgeen niet door art. 53 R. O. wordt weersproken. Volgens schrijver is de kanton-rechter niet bij uitsluiting van — maar nevens — de Arr.-R.bevoegd. De reden van de instelling der kantongerechten is gelegen in den wensch om aan de ingezetenen in zaken van weinig geldelijk belang spoedig en weinig kostbaar recht te verschaffen. Van dit voorrecht moeten niet alleen de eischende partij maar ook de gedaagde kunnen gebruik maken ; vandaar dat art. 157 den gedaagde eene exceptie geeft, wanneer hij rauwelijks voor de Rechtbank wordt gedagvaard. Hoewel dus de Rechtbank evenzeer bevoegd is als de kantonrechter, zoo waakt art. 157 dat het niet aan de willekeur dor eischende partij is overgelaten om den gedaagde het voordeel van do instelling der kantongerechten, te doen missen. In art. 157 moet op deze gronden niet gesproken zijn van eene exceptie van onbevoegdheid, maar van een eerzocl; la! ncrwijziinj. N. Bijdr.. dl. X. p. 552; zie eindelijk art. '157 B. U.. uit. v. 3 Dec. 1847. sub n0. I.

-ft. Art, 157 is niet van toepassing op gevraagde admissiën tot gratisprocedure, indien de Arr.-R,, naar aanleiding van het ingediend rekwest, en zonder partij te hooreu, vermeent, dat de zaak behoort tot da competentie van den kantonrechter.

Tiicilc beslist bij vonnis van de Ai r.-R. Amersfoort, v. 10 Nov. 1817. W. iio. 87(1. ■— Cf. art. 802 li. I!.. vonnis van 't Ktg. Culenborg, v. 12 Maart 1841 sqq.

5, De Arr.-R , bij wie de betaling van kosten [iu specie op koop en weder-inkoop vallende) beneden de f200, met de vervulling eener andere contractueele verplichting gevorderd wordt, moet zich, indien de gedaagde niet is verschenen, ambtshalve onbevoegd verklaren.

Aii'.-R. Rnello, v. I Dec, IS48. W. nquot;. 983; — anders door de redactie van 't W. I, c., welke te recht opmerkt dat die beslissing in lijnrechten strijd is met art. -157 B. R. Dit gevoelen wordt gedeeld door nu Pinto, /M., II. I. p. 314, die (m. i. zeer te recht) eerst dan wanneer de gedaagde verstek heeft laten gaan op de dagvaarding, en later op het verzet de onbevoegdheid van den rechter inroejit, hem daarin nog ontvankelijk acht (l.fton); idem bij arr. Hof 1) ente . v. 21 April

550

ocr page 576

[Art. 157

1866, W. 11°. 2860, R. B. jjr, 1867, p. 253 cm bij arr. van lietzelfde Huf v. 28 Jan. 1871, 11. 1!. jlt;f. 1871. |gt;. 764. — Cf. art. 155 H. R.. vonnis van ile Arr.-R. Amsterdam, v. I Aug. 1839, suli n0. 7.

€». Wanneer de gedaagde wel de bevoegdheid der Reclitbank ratioue materiae heeft betwijfeld, doch geene bepaalde exceptie daarop betrekkelijk heeft voorgesteld, moet de Rechtbank de zaak aan zich houden.

Arr.-R. Arnliem. v. 17 Ajiril 1873, W. nquot;. 3617; idem Arr.-R. Win-sclioten, v. 26 Mei 1852, U. B. jg. 1852. p. 715—719.

S. Uit dit artikel volgt, dat bij overeenkomst door belanghebbenden het rechtsgebied van den kantonrechter kan geprorogeerd worden op de Arrondissements-Rechtbank.

Ktg. Groningen, v. 18 Juli 1870, W. no. 3255.

Wanneer de gedaagde bare exceptieve verwering door een verzoek om machtiging tot en door eene werkelijke oproeping in vrijwaring heeft doen voorafgaan, is de exceptie van incompetentie, hier bedoeld, gedekt.

Aiy.-R. Breda. v. 20 Nov. 1877, W. n0.4222; idem Arr.-R.'s-Hertogen-bosch, v. 15 .Mei 1801, R. B. jg. 1862, p. 419 sqq.

De hier bedoelde exceptie, eerst bij dupliek voorgesteld, is te laat voorgesteld.

Arr.-R. Winschoten, v, 9 Jan. 1884, W. nquot;. 5047.

IO. Zie ten betooge :

dat er ten onrechte in sommige uitgaven onzer Neder), wetboeken (doch niet in de officieële) ten aanzien der stilzwijgende prorogatie van rechtspraak, in art. 157 vervat, verwezen wordt naar art. 154 B. R., terwijl de wetgever hier wel degelijk art. 155 bedoeld en gewild heeft, dat ook in het geval, bij art. 157 vermeld, de exceptie van onbevoegdheid vóur alle andere weren van rechten moet worden voorgedragen, op strafte van gedekt te zijn —

een opstel van Mr. G. A. Fokkkr in Ncd. ■laarh., dl, VUL blz. 456 en 't 11. B. jg. 1848, dl. X, p. 239 en 240; idem üudicman', Jl. //., 4de ed., dl. 1, p. 207 , Lu'MAX, |i. 79; anders ritcitii*. dl. 11, p. 37.».

C/Xs f-eyj Ai- eJ»

L.c ci nyëiZrzrTrt'ré trcriSl _

amp;a- ^aa'Z^AiS2_

/O

ocr page 577

r

. rtL

Arl. 158) 552

Art. 158.

I. Hij o-emis van eeue juiste bepaling, wat de wetgever dour verknochtheid verstaat, is het niet te miskennen, dat zijn doel alleen geweest is, om in het belang van litigeerende partijen den weg te openen tot eene spoedige en gelijkmatige beslissing van hetzelfde quot;eschil door verwijzing naar denzelfden rechter ; het gaat echter niet op, dat die verwijzing zou moeten plaats hebben, zoodra slechts in het algemeen verknochtheid aanwezig is, hetzij doordien de onderscheidene geschillen en vorderingen denzelfden oorsprong hebben, hetzij doordien bij beoordeeling daarvan wellicht in vele opzichten van dezelfde rechts-beschouwingen zal moeten worden uitgegaan ; alzoo kan in het geval, waarin in facto is aangenomen en vaststaat, dat de eene vordering voorkomt quasi ex delicto en de andere ex contractu, en waarin het funclamentum petendi der e'éne, en de gronden daarvoor, in vele opzichten kunnen verschillen van die der andere, a priori niet gezegd worden zoodanige verknochtheid te bestaan, als met den geest en de bedoeling van den wetgever, bij art, 158 in verschil, is uitgedrukt en met lt;,'oede rechtsbeginselen overeenkomt. — Veeleer zou bij eene zoo uitgebreide opvatting van het woord verknochtheid, die bepaling de ongerijmdste strekking erlangen, tot vernietiging van het beginsel van 's rechters competentie of incompetentie, ten aanzien van personen en zaken, bij de wet aangenomen.

Air. v. lü Oct. 1841, W. tA '235; R., dl. IX, § 15; v. v. 11., B. if.. dl. II, p. 329—350, en v. 15 April 1842, v. u. H., ibid., dl. Ill, p. 332— 363* 11.. dl. X. § 23; — idem liij Iwt daartoe betrekkelijk arr. \au t P. 11. v. Geldeilainl. v. 13 Jan. 1841, W. n». 178, waarbij is vernietigd het vonnis van de Arr.-l!. Arnhem, v. 22 Mei 1840; — anders bij arr. van 't P. II. v. Holland, v. 19 Mei 1841. W. nquot;. 190, vernietigd bij arr. v. 15 April 1842 ut supra. — Cf. lea; 5, Cod ie. arhilriuni Tutelae, den titel der Pandekten, de qiiibu.s rebus lt;id euudem judicem eatur, en Meri.in'. liéfiei'toirr. in voce eonne.eite, i; 1 in fine.

lt;5 In art. 158 B. 11 wordt uitdrukkelijk gesproken van verwijzing naar eenen anderen rechter en laat dit art. dus niet toe de verwijzing naar een geding bij dezelfde Rechtbank aanhangig, voor welke de actie is ingesteld.

Arr. v. 15 April 1842. v. n. 11.. B. Pgt;.. dl. III, p. 332—363; H., dl. X,

É

ocr page 578

fttfZ/Ty e -^X^s tyCuLa^-^ef.-^ a—r* •. ^c-^.Q.. i o~y£^£sut^

, (J^.£cy?^?-zrz-fcamp;%~ ' y^c/-^Si ^t^y- OJ^ Q-^sC-^r aj **-£. -7-^-^ ~ quot;Z- *- 'T^v^. 'a^' ;VTf i^. -T-Z- -ff'

^rji- 0 l-fT-crz'1*^»- 7 c-y^c£-±s* a ^ f **-C i «- ju^gt,

ts^ ^e.-w yt-ix Usmn-ot-, -U^eryp^ gt;c*y~i/'^t-, ^oTsofa e, e^£~

tu'^^ quot; yf ^ *quot; £/quot;■lt;gt;.

ay,

ffó. ybivtknhsnT--

jlj yamp;Vb. Lamp;QI, ^--

6m/.

553

. -W' PWs .

^r/^Aamp;CL^—

5 O (kt-. Wlt;jSf M--

yi°^ii{ ! /^a-/

lt;fov~aj£j

^quot;yz.

i C^B^. OpfiLtSlOi-^JéL. i chtamp;s £tngt;-t~fr-£. amp;,_

1 la.eJZisé- 4

\cryt/nrzLv gt;' a '^,' ^ '

'Ca^c^lt;.c oCQir^oC.

/Cft-

oUi/'^t^o

o

b!h HSob/f.

232 ; v, 8 Juli 1872 en ;qq., het laatste ook in

.1. p. 30 ; conf. de in Arr.-R. 's-Gravenhage, v. 15 Febr. 1869, W. nlt;

VV.

{Art. 158.

§ 23; idem vonnis Arr.-R. Amsterdam, v. 3 Maart 1858, R. B. jg. 1859, biz. 136 sq.; waarbij nog werd beslist, dat de verschillende kamers van dezelfde rechtbank niet gezegd kunnen worden verschillende rechtscollegien nittemaken, zoodat verwijzing' niet kan gevraagd worden maar samenvoeging geoorloofd !«• - -io2 -; i * h^*-!--^-'-'^—' t-i ^u—i(,rC?,tL Cf. met dit laatste het hieronder volgend vonnis Arr.-K. Amsterdam, v. 8 April 1803 sqq. en art. ir)8 lï. R. sub n0. 4^r 'i

Anders dan de aangehaalde beslissing van den Hoogen Raad het daartoe betrekkelijk arr. van het Hof van Holland, v. 19 Mei 1841, W, n0. 190, alsmede bij vonnis der Arr.-R. Amsterdam, v. 8 Nov. 1842, R. B. jg. 1843, dl. V. p. 253 en 254; R., dl. XVI, § 26. naai' luid waarvan art. 158 B. R., geen ander doel heeft, dan om in het belang dor litigeerende partijen, den weg te openen tot eene spoedige, min kostbare, en gelijkmatige beslissing van hetzelfde geschil door verwijzing naai' denzelfden rechter en, dit nu de ralio legis zijnde, het niets ter zake doet, of dezelfde rechtsgedingen al dan niet voor dezelfde rechtbank aanhangig zijn; idem door den toenmaligen subst.-olT. van just. Mr. F. F. Karsetsoom, in zijne op 23 Jan. 1852 genomen conclusie, R, B. jg. 1852, p. 298. — Vgl. een arr. van 't P. II. van N.-Holland, v, 4 Febr. 1847. W. n0. 832, R. B. jg. 1848, dl. X. p. 197—200, waarbij is beslist dat, al kan het in zeer enkele gevallen gepast en geoorloofd worden geacht, twee afzonderlijke twistgedingen tusschen dezelfde partijen voor eene en dezelfde rechtbank aanhangig, te voegen en bij één vonnis te beslissen, het evenwel een algemeene op de publieke orde gegronde regel van procedure is, dat over elk twistgeding bij afzonderlijke uitspraak behoort recht gedaan te worden en hieruit volgt, dat er geene termen zijn tot voeging', indien de eene partij vordert het doen van rekening en verantwoording van alles wat een gedaagde als commissionair heeft verricht en de andere partij te dierzelfder zake, bij een vroeger exploit heeft gevorderd resiliatie van het contract uithoofde van wanpraestatie. — Zie voorts ten betooge dat dit artikel de gelijktijdige behandeling door middel van voeging veronderstelt, en het ongerijmd zou zijn dit te beperken tot het geval, dat de zaken tengevolge van rcrwijziiKi bij denzelfden rechter komen, en het uitte-sluiten, waai' ze door de (huivaardiiig voor dien rechter gebracht zijn : vonnis Arr.-R. Amsterdam, v. 8 April 1863, VV. n0.2501 : R. li. jg. 1863, lilz. .quot;gt;08 sqq. ; v. 13 Nov. 1863. \V. uquot;. 2557 ; 1!. B. jg 1864, p. 419 : v. 1 April 1868, W. n». 3006; v, I Dec. 1869, \\. n0. 3173; R. li. jg. 1871. p. 209; v. 6 Juli 1869. I!. B. jg. 1870. p v. 22 Juni 1877. beide in R. I!. jg. 1878, .1. p. 30 \V. nquot;. 4170; Utrecht, v. 19 Oct. 1881, W. n0. 4755; R. H. jg. 1882.

nquot;. 3173 in i'xU'usu opgenomen concl. O. M.; 28 Maart 184r). W. nquot;. 589; Arr.-li. Arnhem. 3092; I'. II. v. Zeeland, v. 6 Nov. 1855. W.nquot;. 1717; R. B. jg. 1856, dl. VI. blz. 450—153, vernietigende vonnis Arr.-R. Middelburg, v. (28) 22 Maart 1855, \V. nquot;. 1715; P. II. Overijssel, v. 28 Nov. 1864, VV. n0. 2686; cf. de in VV. nquot;. 2637 in extcuso opgenomen conclusie Openb. Min.; P. H. v. Drenthe, v. 30 Jan. 1875. W. nu. 3998; Vri'.-R. Rotterdam, v. 27 Dct. 1875, VV. nquot;. 3915; R. 1!. jg. 1876.

ocr page 579

*£*

tsa^try

oéa^yJe '

(Yis-e^ «-^

. /n^7

t/a*-

ef-TJ-trr' ^Cc {lt;5 --

554

jYi*

n / a^4.

afd. .1. blz. 10; idem Arr.-R. Suck, v. '22 Miuirt IS77 11. 1!. ju'. 1877, 1 p 123 sqq., waarbij nog werd beslist : dat liet voor voeging niet noodzakelijk is dat de zaak, waarbij do voeging gevraagd wordt aan-banniquot; was op bot oogenblik, dat de zaak in welke de voeging gevraagd wordt? aanbangig werd gemaakt, maar dat het eenig vereischte is, dat de zaak. bij welke men vraagt gevoegd te worden, aanhangig is op het ooo-enblik, dat die voeging gevraagd wordt; idem liet sub hoe art. vermeld air Hof N.-Uolland, v. 4 Maart 18159; cf. vonnis Arr.-R. Rotterdam, v, 24 Jan. 1870, AV. n®. 3947, R. 1!. jg. -18715, A.y. 88, waarbij nog werd beslist dat voeging, waardoor alleen gelijktijdige behandeling der lt;'odinquot;eii ter rolle wordt beoogd, niet door den rechter behoeft te worden uitgesproken, zie de conclusie I). M. in W. n0. 3962; zoo ook Oudeman, II. /(., 4de ed.. dl. 1, blz. 209, en ue PiKTo. B. H - 2de cd., blz. 31,) en

320- Carré on art. 171 Q 731.

Vol. met dit alles arr. v. 25 April 1856, W. nquot;. 174o. R., dl, LUI § v iT 11 B It., dl. XX. p. 294 sqq. waarbij is beslist, dat wanneer do voeding 'van zaken voor denzelfden rechter is uitgesproken, daaruit volgt de niet-toepasselijkbeid van dit artikel, en daarmede vervalt de beweerde schendinü' of verkeerde toepassing daarvan.

Anders Arr.-li. Amsterdam, v. 24 Dec. 1807, W. n^, 2997, en v, 8 Maart 1S78 R. rgt;. jg. 1878. .1, ji. 100. waarbij beslist werd dat de voeging van twee zakenwor denzelfden rechter niet rust op eenig artikel van het Wh. v. li. R. en speciaal niet op art. 158 1). 1!., hetwelk ook geheel m het midden laat, hoe de rechter, naar wien de zaak wordt verwezen, beide zaken tot elkander in verband zal brengen ; idem bet bovenaangehaald vonnis der Arr.-R. Arnhem, v. 21 Sopt- 1808; vgl. bet sub hoe art. nader aangehaald arr. Hof Amsterdam, v. 3 .bui. 1879, R. li. Jg. 1879, .1, p. 1 /1-, waarbij werd boslist, dat de bewoordingen van dit art. niet kunnen leiden tot voeging van lt;twj« lt;jdiJI.-c vorderingen bij denzelfden rechter aanhangig gemaakt, maar eene op dion grond voorgedragen exceptie van niet-ont-vinkelijkheid in hol tweede geding het juiste middel is; cf. vonnis der-zelfde rechtbank v. 23 Oct. 1872, R. li. jg. 1870, A, p. 311, waarbij is beslist dat aan een voeging van twee gelijke zaken geen gevolg kan gegeven worden, als in beide zaken voor den eischer een verschillende Ihnniidis litix optreedt; vgl. omtrent dit vraagpunt ook I'kitii in ile GUIs, Jan. 1872, blz. 130 sqq: cf. art. ir.8 li, R., Ktg, Oldenzaal. v. 28 Sopt. 1848.

» Nergens is bij de wet verboden het instellen eener actie, door den eigenaai' en den huurder van zeker stuk grond, te zamen. Wanneer zij zich door dezelfde daad van beweerde eigendoms-scheuding benadeeld achten, dan is, in het algemeen, de gemeenschappelijke instelling der vordering, ingeval van verknochtheid, in den geest van art. 15S 15. 11., als doelmatig te beschouwen.

Arr. v. 20 Dec. 1844, v. tgt;. 11.. B. I!.. dl. vi, p. 203-222 : W. nquot;. 579 : li., dl. XIX. § 02.

jLa.

S'ter-crf- jh1 n£fJ

XO, - ^^rtnJLs'rL-' r*^ri^oC

hl. 158.) /■

ocr page 580

^v^-.

7r

»quot; v

jAc

x. ty^

/ /

J2-C CiPy$,

✓ * 5 55^

i ■*JX rfjfH

JLcriA.

U*. :l.

UÏ

bur-r-efjji.

-ZJZJJ.A*-

£J2^-

IjZje.amp;i le. /Z— fyi- ejLn.fl*-*

*th. l

(bcwL ^

„nyly, P.y, f.nQSf K-quot; S'^y

het feit, dat die vordering verknocht is aan een voor dien

I.XX § 59. aangehaald

.'gt;*

370, R., ill rgt;5 B. it.

•1862, VV. n» '. 6, en sub art. i

April 0., iv

Air, v. 1 sub art. 87

iob'

5^' fquot;0

, a „ '^, '' i^. LUruLi^A- Ze jQ^c,. UPqs 'A. -yi J amp; n cn ; quot;-'

. / /fa Z-V/Qs*1-' c!oO. vLfe . ^yh^syfr tzjrTlt;gt;^^x £0 *sf ry^ Q 'i ttf n.*y6qi3.

UZ0^I \. üe/,e exceptioneele bepaling kan alleen worden ingeroepen, lt;\-.W-Iv-I. neer de latere zaak is gebracht voor den bevoegden rechter, en wan-ói-

/yoiquot; neer de verwijzing gevraagd is. Eeue reclitstreekscbe dagvaarding voor

^^ eenen onbevoegden rechter wordt dus geenszins gewettigd door het

ü wgt;.

■■^wt- ORp op

reciiter hangend geschil

%, L(£tsl*IX w J/inr. \

i 2P-ya Jfs isoJ^il-cry*-•■

Qsyz ^

.o^o

O- ei*-£,c2.

i'W/V-

óèt. /amp;. ^4**^ x4lt;/tSbxyi*~y 2xi . /pacP, £amp;. 7** amp;amp;?£. .

'yi-a -yn-rs-r

-yuCsi-J- Is*-''-.

In cas van art. 158 B. R. moet een geding nog als aanhangig l/*^-

worden beschouwd, totdat daarover na eene gedane voorziening in £*yyu - \

cassatie zal zijn beslist.

1/?eJ-cfaih*~^ ij0f v Uulland, v. 19 .Mri IS41. \V. iiquot;. 190: idem hiiiillcilc. /.oulang

de zaak noüquot; vonr Imoger beroej) vatlur.ir is. liij vonnissen der Ari'.-R. /ja/

Amsterdam, v. 7 Maart en 18 Juli 181:',. U. li. J-.18«, dl. V. p. 448 en jg. ■1844, dl.\1. p. 87 en 88. — Vgl. hiermede eenvonnis van dezelfde A it.r. /q , p v. 8 Dec. 1841}. I!. II. jg. IS'ii. dl. \ I. p. 3117—3'i'i . een arr. vim 't I'. II. T1-quot;

v. Z.-llollimd. v. 23 Juni 1845, \V. n0. 017; U., dl. XXVII. !? 55. beves- £_/f- xu ^ * U^Po tigeude een vonnis van (!lt;.' Arr.-K. Ritltei'duin, v. '1 Dec. 1844, W. n0.569 en een vonnis van de Ait.-U. Groningen, v. quot;ii) Jan. 1849, R. li. jg. 1849,

dl. XL [». 319—322, zijndt' l»ij eerstgemeld vonnis nitdnikkelijk cn liij de z-**

l)cide laatste uitspraken Incih' lgt;cs!ist. dat, indien er niet blijkt van een inuesteld liooger beroep (of cassatie), tegen een vonnis waarbij de kan

éfayy? o^-

l-^c A öi A-tn-

PC/X^-

tM. /^tJL-

aP/flt;P, tl quot;So,

zich zelfs in dit ' ^^ SZ ; a/t

tonrechter /.ich heeft verklaard onbevoegd en hetwelk nog niet in kracht van gewijsde is gegaan, alsdan het daartoe lietrekkelijk geding, wanneer dezelfde vordering door denzelfden eischer tegen denzelfden gedaagde voor de Ait.-R. wordt ingesteld, niet kan geacht worden nog voor den kantonrechter aanhangig te zijn, daar in dit geval op dadelijkheden en niet op mogelijkheden moet worden afgegaan, on de zaak, ingevolge art. 158

R.. moot worden genomen en beslist zoo als die is, niet zoo als ze

soms zou kunnen worden, zonder dat de wederpartij geval kan praevaleeren van de omstandigheid, dat hot vonnis van den eersten rechter aan hom niet is beteekeud. lu ovoreonsteniniing bierniede Ijeslist liij vonnis van 't Ktg. nquot;. 3 Amstei'dain, v. 27 April 18.gt;4, \\ . nquot;. f.. - .■ rf 1045, dat wanneer, ten gevolge eener oxceptio van iiicom|ielentie, aangevoerd

• . . tesen eene rechtsvordering, die aanhangig werd gemaakt bij eene Arr.-U..

aard en partijen verwezen beeft its vordering niet kan geacht worden 1 zijn, wanneer de gee xci pi eerde, zonder

tnbciVoCü'd vcrl

Je reebtbank zicli }/t4/{L waar bet beboort, alsdan die ree -OBt^vonr de reebtbank nog aanbangig t cffat A v beteekening van bet op de exceptie gewezen vonnis, daarin berust, door Vjl fe dagvaarden voor liet Ktg., en dat op dien grond bij don kantonreebter

/tl. ilt;an gevraagd worden de verwijzing der zank naar de rechtbank, die

lt;?/lt;_ Sf yUpamp;i zich onbevoegd verklaarde. — Cf. ai't. lt;)lt;) }]. It., vonnis van de Arr.-R.

'jól, f. trj. /yoti uv/tZ.

'Z

Vquot;

Maastricht, v. 20 Febr. 1845 sqq.

ejt, „

'«Pyt/ ÓTtG.

(?irïL

(t u/gt;nV Zrtm-. sy 7 4^0 êi 'Mt jo

Cf

— f K.A^Q^- t

amp;h Ïtsquot; a?eP5~J- .

■sLa - ^lt;£-7 f-. ÓMP#

' sóquot; J3LI

ocr page 581

l/rvi- e-U. WO. I^Lyyv l^rrjft- yamp;xJuJ*c-C4-

l_q M* r£. tJ-. 'yv' (gt;5-/2.

Art. 158.) 556

Zie ook navolgende beslissing :

De exceptie vnn litispendentie kan niet worden opgeworpen, wanneer de eene zaak reeds bij eindvonnis is beslist en daarvan tot dusver niet in beroep is gekomen.

Hof Amsterdam, v. 17 Febr. 1870, W. 11quot;. .'i9(üquot;),

êetu^'W^-lt;yy^'!JL '^r ')e8^lat s66quot; grond voor de exceptie van litispendentie, indien . de eischer dezelfde actie, uit dezelfde oorzaak (strekkende ïn casu om

u-wf' ^■1 _ ' v _

--als eigenaar van een ingestort perceel schadevergoeding te bekomen

Qg^ th-i- 01 OP

van de gedaagde als eigenaresse van een ander perceel, op grond, dat

l^~£Jlyo (L'y*- C^L-

door de instorting van liet perceel der gedaagde, veroorzaakt door -slecht onderhoud, slechte constructie en het onvoorzichtig aanbrengen -'quot;van herstellingen, ook zijn perceel zou zijn ingestort), heeft ingesteld ^ ^ tegen eene weduwe, welke hij vroeger tegen haren man heeft doen

gej(jeii eii zaa|c n0g voor ]100ger beroep vatbaar is, daar in dit ii. uh-e^~ geval in geen opzicht kan gezegd worden, dat deze beide personen slechts ééne en dezelfde personen zijn.

(kl. tfqi, (*?■

Air.-R. Amsterdam, v. 7 Maart 1843. K. B. jg. 1843, dl. V. p. 448(1).

iv/

S. Indien de principale vordering door den gedaagde niet is wedersproken, doch ook niet erkend en de door hem voorgedragen exceptie van litispendentie van allen grond is ontbloot, kan bij een en hetzelfde

1

(Léon).

ocr page 582

{Art. 158.

vonnis de exceptie van litispeiulentie af- en de vordering der tegenpartij, waartoe de conclusie des eischers strekte, ten principale toegewezen worden.

A it.-Ti. Amsterdam, (Tweede Kamer), v. 23 Juni 1848, R. B. jg. 1844,

dl. VI, p. 19 en 20: vgl. arr. ITof Amsterdam, v. 3 Jan. 1879, R. B. jg.

1879, A, |i. 174, liev. vonnis Arr.-R. Amsterdam, v. fl Jan. 1878, t. a. )gt;..

p. 170, waarbij is lieslist dat, waar de eischer incidenteel heeft geconcludeerd tot voeging en hij zich heeft gereserveerd orn de conclusie van antwoord ten principale te beantwoorden, bij verwerping van de conclusie tot voeging, niettemin op de hoofdzaak kan worden recht gedaan: anders (en volgens Léox meer te recht, omdat het hier geldt eene dilatoire exceptie),

bij vonnis van dezelfde Arr.-R. (Eerste Kamer), v. 30 Oct. 1850, Amsterd.

Hegtspr., dl. 1. p. 150—158; vgl. vonnis Arr.-R. Amsterdam, v. 17 Nov.

1873. W. n0. 3668, waarbij is beslist dat eene exceptie van litis-pendentie niet gevoegd kan worden bij de hoofdzaak, maar daarop vooraf en afzonderlijk moet worden recht gedaan : vgl. art. 159 B. R.. vonnis van dez. Arr.-R. v. 11 Jan. 1843. '

N. Het kan worden geacht aan twijfel onderhevig te zijn, of eene ?

Arr.-R. verplicht is, wanneer zij oordeelt, dat de kantonrechter incompetent is in eene voor hem aanhangige zaak, — uit hoofde der connexiteit, eene later voor haar aanhangig gemaakte zaak, aan de ,

andere verknocht, naar den kantonrechter te verwijzen.

Arr.-R. Amsterdam, v. 8 Dec. 1843, 11. li. jg. 1844. dl. VI, p. 337—-342: gt;

cf. vonnis Arr.-R. Amsterdam, v. 2 Juli 1867 sqrj. sub hoc art. n0.18.

Hij die de exceptie van verknochtheid heeft voorgesteld, en mitsdien de verwijzing vraagt naar den rechter, voor wien de zaak reeds aanhangig is, kan niet meer blijven persisteeren hij die exceptie,

wanneer die rechter zich, rationa materiae onbevoegd heeft verklaard.

Hiertegen obsteert niet, dat het vonnis van renvooi is gevallen,

wadat door den excipient was geconcludeerd en alzoo tijdens hij concludeerde de zaak nog aanhangig was voor denzelfden rechter, indien men ook nog na dit vonnis van renvooi bij zijne conclusion heeft volhard en die heeft geadstrueerd.

Arr.-R. Amsterdam, v, 8 Dec. 1843, R. B. jg. 1844, dl. VI. p. 337—-342 en van Groningen v. 26 Jan. 1849, R. li. jg. 1849, dl. XI,

p. 319—322.

IO W anneer een voogd in eene door hem, in zijne hoedanigheid,

ondernomen rechtsvordering niet-ontvankelijk is verklaard, op grond,

557

-

ocr page 583

Art. 15S.)

dat hij niet alle zijne pupillen in het geding heeft geroepen en daarna op nieuw dezelfde actie instelt, doch alsnu regel ma tier procedeert, dan bestaat er in dat geval geene litispendentie.

Air.-R. Maastricht, v. 20 Febr. '1H45. W. nquot;. G2H.

I I. Er bestaan geene termen tot voeging of vereeniging van twee appellen, van verschillende kanten ingesteld, tegen twee interlocutoire vonnissen in de/,elfde zaak gewezen.

P. II. V. nrenthe, v. 5 April 184quot;). R. B. jg. 4847. dl. IX. p. 599—ÜÜ2.

l*i. Art. 158 B. R. kan, ot)k met het oog art. 4:31, al. 2, B. R., niet toepasselijk worden gemaakt op een buitenlandsch geding, daar

558

iia^

jflu*-''irl toch eene verwijzing naar een anderen rechter is gegrond op, en ver-i?1^' onderstelt eene verplichting tot onderzoek door dien rechter, welke

r/j)-*

verplichting voor een buitenlandschen rechter, die aan eene Neder-iU J^' . landsche verwijzing niet gebonden is, niet zoude bestaan.

Ai ! Arr.-H. Amsterdam, v. 2(t Juni '1843, W. n0. 61^7: R. B. jg. '1846,

/M, SK'*quot; (|| VÜI, p. 334; R.. dl. XXXIV, § 99; idem van dezelfde Arr.-R. v. 30

/i Oct. 1830, W. nquot;. 'lis:,; Amücyrl. Rcritspr., dl. I, p. 156—158; idem

/1 0 ^' Arr.-R. Goes, v. 8 Jan. *1875, W. nquot;. 3834; idem Oupejian, 4de ed., ' ^ rri^ dl. I, p. 208 en Vf.hnkdf. op art. 158 noot 9.

law-. ICjcro, ld/00, W 2,jffyyS.

^ / 1 •{. De. bepalingen omtrent de verwijzing, iti de gevallen, dat

. ^l^connexe zaken voor verschillende rechtscollegiën aanhangig zijn, moeten

/(/quot;•/ *

ook geacht worden van toepassing te zijn, wanneer de zaken wel voor

dezelfde Rechtbank, maar voor hare onderscheidene kamers zijn

aangebracht. .

W ■■ , Cl .

jci^. Arr.-R. Amsterdam, v. S Dcc. 1845, R. B. Jg. 1846, dl. VIil. p. 333

en 334; R., dl. XXXIV, § 100; idem door den (toenmaligen) snlist.-ofl'. v. just. Mr. F. F. Karskboom, in zijne conclnsiën v. 23 Jan. 1852. R. li. jg. 1852, p. 298; — anders dezelfde Rechtbank, v. 3 Maart 1858, 1!. B. jg. 1859, dl. IX, hlz. 136, aangehaald sub nquot;. 2 van dit art.

Er kan geene kwestie zijn van de toepassing van art 158 15. R., wanneer de beide zaken, waarvan de voeging wordt gevraagd, niet tusschen dezelfde personen aanhangig zijn en ook niet voor verschillende rechters zijn aanhangig gemaakt Hieruit volgt, dat, indien iemand bij wege van verdediging tegen eene ingestelde vordering, zich

ocr page 584

(hOtrY U~el*J-0dLÓoU iA isesuuytr

cüu. ^CoJuu ^ l—yij. Y~ ; j

fd. It ^rté quot;i™' a {Art. 158.

beroept op daden van derden, alsdan niet kan opgaan de vordering van de voeging zijner actie tegen dezen derde hij de tegen hem ingestelde vorderingen, maar kan hij in dit geval die derden in vrijwaring roepen.

Arr.-R. Amsterdam, v. 3 Febr. 1847, W. nquot;. 784; anders Arr.-R. Amsterdam, v. 1 Dec. '18(i9, W. n0. 3173, K. Ti. jg. 1871, p. 209, (preciteerd sub n0. 2) , waarbij werd beslist dat voor rcrhnochthcid peen ver-eisebte is gelijkbeid van personen of van onderwerp, omdat die woorden in art. 158 alléén aangeven, wanneer buiten het geval van verknoch-lieid. verwijzing kan te pas komen.

1.5. Indien hij het vonnis a quo is gelast de voeging van twee ,

tusschen dezelfde partijen aanhangige rechtsgedingen, de vordering van den een tot het doen van rekening en verantwoording is toegestaan,

doch die van den andere tot resiliatie van het contract, uit hoofde

7 ï

van wanpraestatie, vooralsnog is verklaard niet-ontvankelijk, dan is de succnmbeerende partij, berustende in het eerste vonnis, ontvankelijk t

in hooger beroep te komen, voor zoo ver de voeging was uitgesproken, met niet-ontvankelijk-verklaring in haren eisch.

P. II. v. N,-Holland, v 4 Febr. 1847, W, n0. 83'i : R. B. Jg. 1848, ^

dl. X, p. 197—200. — Cf. art. 334 Arbitr. Uitspr,. v. . . Maart 1842 sqq.

1« De voeging moet in eersten aanleg vóór eenige andere weren '

of andere verdediging worden gevraagd, waaruit volgt, dat ze niet voor liet eerst in hooger beroep kan worden voorgesteld.

P. 11. v. N.-Hnlland, v. 9 Maart 1848, R. 15. jg. 1848, dl. X, p. 212—

214; idem, ten betooge, dat, indien de gedaagden hebben ontkend de poslta van den eisch en zich hieromtrent ten principale hebben verdedigd,

zij later niet meer ontvankelijk zijn in de exceptie van litispendentie of connexiteit — bij vonnis van de Arr.-R. Groningen, v. 13 Deo. 1850,

R. B. jg. 1854, p. 306 en 307. — Cf. art. 158 li. R,, vonnis van de Arr.-R. Amsterdam, v. 21 Dec. 1853.

13. In hooger beroep kan niet, op grond van pretens belang, ex analogia van art. 158 B. R. de voeging worden gevraagd van twee vonnissen, waarin in eersten aanleg twee afzonderlijke eischers zijn opgetreden, recht vragende op twee op zich zelve staande en door den appellant erkende titels, en waarop, hoezeer op denzelfden dag, bij twee afzonderlijke vonnissen is uitspraak gedaan.

P. II. v. X.-Holland, v. 9 Maart 1848, R. B. jg. 1848, dl. X, p. 212—214.

ocr page 585

c*. L ve ^ aX 'faxs*da^^A. i/^t^cïbs-SLst^. ^ f/^

cl

e 'wL^-uü-V ^lt;- lt;-«-■* -«^quot;t-- c^s^SZ- —i quot;C. ^-' sv^Zsi^^s -4 /'.^7^ -

^ r'^L C/-U /-1 LA^-r^ f- ,' 1 r t'^ 7s~lt;? ~t lt;J A

Cf (~ l-L* UJL /Jw O^' ^ i ^-amp;-(.*.— Slr-csxs c. /u. n^-l*~ a y~^~- C c^^ry ^

^.^,'»•1^./^.^. ^??/., lt;*,*..■ fiu. ,.«»**?- f

IS. Eene exceptie van litispeiulentie is ongegrond, wanneer het stoli'elijk voorwerp, waarop beide zaken betrekking hebben, voor een ^ gedeelte betzelfde is, en betzelfde contract bij beiden in aanmerking ^ komt, doch bet onderwerp der beide zaken verschilt, daar bij de Rechtbank wordt gevorderd ontbinding van het contract van buur, ter zake van bet niet voorzien van huisraad en gereedschappen van bet ver-huurde. met vergoeding van kosten, schade en interessen, en dien ten gevolge ontruiming; terwijl later wordt gevorderd ontruiming, ter zake dat de huur beeft opgehouden na het verloopen van den termijn, , met behoorlijke opzegging ; een verschil, zóó blijkbaar, dat de wet de , kennisneming der laatste vordering aan den kantonrechter opdraagt,

terwijl zij de eerste aan de Arr.-R. overlaat. , a-

/?/ ./

Ktquot;. Olflenzaal. v. 2!^ Sept. 1848. W. nquot;. 97(gt;.

/A' 'u}amp;^si, juyuL est

Zie echter navolgende beslissing: 6lt;. , u ° S'é 2 3.

Br bestaat connexiteit tusschen eene vordering tot ontruiming eener woning, wegens geëindigde huur, bij den kantonrechter, — en die door den verweerder tot uitlevering eener schriftelijke overeenkomst,

waarbij die zelfde woning hem door des e.ischers auteur is verhuurd voor een buurtijd die nog niet geëindigd is, bij de Arr.-R. — aanhangig gemaakt.

Arr.-R. Amsterdam, v. Ü Juli 1867 (vermeld sul) n0. 28), vernietigende vonnis Ivtg. Amsterdam, no. ]. v. '2 Mei 1867. W. n0. SSMO; waarbij nog uitdrukkelijk werd beslist, dat in casu geene kwestie is van litispen-dentie maar van verknochtheid; vgl. het aangeteekende sub nquot;. 1 van dit artikel. — Cf. art. 158 B. R., arr. v. 15 April 1842 sqq., sub n°. 2.

I O. De leer der connexiteit kan in den regel dien der competentie alleen wijzigen ten aanzien van litigeremle personen, en geenszins ten aanzien der zaken in geschil. Op dien regel kunnen geene uitzonderingen aangenomen worden, dan die uitdrukkelijk in de wet bepaald worden (zoo als in art. 100 13. 11.).

4^Y

Kts. Olden/aal, v. !) Nov. 1848, W. n0. t.t76.

20. Verknochtheid in den zin van art. 158 B. R. kan geacht worden te bestaan, wanneer de beslissing der eene zaak noodzakelijk

ocr page 586

, ^ AO aLc/S b 4

%

O- --

*amp;y~ GjOsiy^ iSixs*^ L aJZtS^, c^c^. c^O^Xquot;

chx-i- oh. £e,f-.'y'x

(j

^ 56] 7 (ylrlt;. 158. ^

fl-CV i/Xt-A-^U aviw,»^ i~e t L^iff-rA^t^iuW £e{/rj.*A-. .il(c. UPfa.-*/.

moet afhangen van de beslissing der andere, en alzoo a priori blijkt, /$, ftquot;/(/?//■ dat door ééne uitspraak de beide zaken beslist kunnen worden.

A/^ Uiteet'ï Ktjr. Oldenzaal, v. 0 Nov. 1848, W. n0. 97(1: idem Arr.-R. Amsterdam, '

x* 'I Tin/-gt; -IQl'iO A/\r iao Q'l TQ ..,1. .. . lt;•) ... .1 r. ___ _____ cta

/a fes-'f0^Urn 1877, W. nquot;. 4170, R. B. jg. 1878, A, /gt;. 30; Arr.-R. Rotterdam, ^ „ v. 27 Oct. -1875, W. nquot;. 3915; R. 1!. jg. 1870, i, p. 10; idem Ktp Amsterdam nquot;. I , v. 15 April 1879. W. nquot;. 4392. waarbij werd over

! ----'

OjO^Q A.

7^-ts*

7

/crr^?^ -p^i^CL

■-gt;/.amp;'2 X3-

C£fU^

v. 1 Dec. 1809, W. ii0. 3173 (aangehaald sub n '. 2 en 14), en van 22

wogen, dat het verband van dien aard moet zijn, dut de beslissing van^ de eene zaak van onmisken baren invloed is op de beslissing der andere;

idem P. H. v. Gelderland, v. 23 Maart '1870, W. n0. 3246, R. B. j.cr. 1871,

p. 007; vgl. ook Ivtg. 's-Gravenhage, v 18 Jan. 1884, AV. nquot;. 4998.

Vgl. navolgende beslissing

Wanneer een aannemer reeds eene actie tot ontbinding der aan- A neming en aanbesteding wegens wanpraestatie tegen den aanbesteder beeft ingesteld, kan tegen de actie van den aanbesteder tot voortzet-ting van bet aanbestede, doch gestaakte werk, niet de exceptie van litispendentie worden ingeroepen.

Beide actiën vloeien wel voort uit één contract, maar de toewijs-baarheid der laatste staat niet in noodzakelijk verband tot die flcr eerste.

Arr.-R. Amsterdam, v. 17 Nov. 1873, \\. n '. 3008 ; ook vermeld sub nquot;. 7.

lt;S S Twee appellen, die behooren tot ééne zaak, welke in eersten Jbu-m- z.o aanleg is aangebracht tusschen de gezamenlijke partijen van het hooger beroep en waarop in eersten aanleg bij één en hetzelfde vonnis is beslist, moeten worden gevoegd.

I'- tl. v. N.-Brabant, v. 24 Juni 1851, AV. nn. 1311. — \ oquot;] hiermede een ai-r. van 't P. H. van Drente, v. 5 April 1845, U. B. jg. 1847, dl. IX. j). 599—002. waarbij is beslist dat, wanneer er is geappelleerd van twee interlocutoire vonnissen, iu dezelfde zaak gewezen, liet bij de bevestiging van liet eerste en de vernietiging van het andere, ook in het belang der partijen zelve, voegzaam is elk afzonderlijk te beslissen.

588. Hij die, op grond van art. 15S 15. R., verknochtheid beweert,

behoort de exceptie vau verknochtheid en de verwijzing der zaak te vorderen, hetgeen niet geacht kan worden begrepen te zijn in de onbepaalde niet-ontvankelijk-verklaring, waartoe geconcludeerd is.

Arr.-R. Amsterdam, v. 28 Jan. 1852, R. B. jg. 1852, p. 295—301;

Amsterd. Ttcr/tsp)'., dl. II, p. 250—254, waarbij tevens is beslist, dat in dit geval de gevraagde niet-ontvankelijk-verklaring niet kan worden gebracht onder de bij art. 100 B. R. genoemde exception, welke vóórhel antwoord ten principale mogen worden voorgesteld; idem vonnis Arr.-R.

Air. W. van Kossem Bk., Uuj-y. Itechtsv. :j(j

ocr page 587

lr-0u^j V TCC^^—..

^L •. /?^. . W^U^x^— 1-h lj^. ^ ^ - /2s-

] 58.) 562

/fUframp;a^

Tiel, v. 14 Mei iS'iS, W. n0. 2035; cf. Air.-Ti. Amsterdam, v. 23 Kov. 1855, W. n0. 1826, R. li. J'_f. 1856. dl. VI, blz. 66—70, waarbij nog in tegenstelling van Ktg. nquot;. 11 Amsterdam, v. 1 Maart 1866, W. nquot;. 2791 ook is beslist, dat de rechter n\el ambtshalve de verwijzing map: uitspreken. — Vgl. art. 158 R. K., sub nö. 16.

33. liet geding, hetwelk gevoerd wordt over het opnemen en sluiten van den staat eener gelieele nalatenschap, verschilt zeer van het onderwerp van dat, waar alleen sprake is van de uitkeering van een bepaald legaat. Wanneer beide geschillen in een nauw verband met elkander staan, kunnen die dan vooral niet meer bij elkander gevoegd worden, indien liet geding over de rekening reeds geheel voldongen en gesloten is.

Arr.-R. Amsterdam, v. 21 Dcc. 1853, R. 13. jg. 1854. p. 184 on 185.

lt;8-4. Eene partij, die geen gebruik maakt van de bevoegdheid tot renvooi, kan niet gezegd worden een verzuim te hebben gepleegd, ten gevolge waarvan hij een anders onverplichte schorsing zijner rechtsvordering zou moeten dulden.

Arr.-R. Amsterdam, v. 29 Mei 1856, W. nquot;. 1827 ; R. R. jg. 1856, p. 315, ook aangehaald sub art. 151 B. R.

lt;Sö. Twee rechtsgedingen tusschen dezelfde partijen kunnen in hooger beroep, waar dezelfde hoofdvraag behandeld wordt, ter vereenvoudiging der procedures, worden gevoegd.

P. H. v. N.-Holland, v. 3 Sept. 1857. W. nquot;. 1986.

««, Op grond van verknochtheid kan schorsing van het eene geding worden gevraagd, tot na uitwijzing van het andere.

Arr.-R. Rotterdam, v. 27 Aug. 1862, W. n0. 2673; idem het sub boe art. vermeld arr. Hof Drente, v. 30 Jan. 1875; zie echter het mede sidgt; hoe art. ii0. 39 aangehaald vonnis Ktg. II Amsterdam, v. 1 Maart 1806.

In materie van litispendentie en connexiteit bepaalt de dagvaarding het aanhangig zijn der zaak, en niet een te voren gelegd arrest.

Arr.-R. Amsterdam, v. 13 Nov. 1863, W. n0. 2557 ; R. B. jg. 1864. p. 429; cf. ook vonnis Ktg. no. 1 Amsterdam, v. 15 April 1879, W. nquot;. 4392, waarbij is beslist, dat uit de woorden van dit art. in verband met de beraadslagingen blijkt, dat eene dagvaarding de zaak aanbangig maakt.

Waar de acties verschillen, is litispendentie niet aanwezig.

Intusschen waar nakoming en resiliatie van hetzelfde contract

ocr page 588

[Art. 158.

respectievelijk het onderwerp van de beide gedingen uitmaken, is wel de meest onloochenbare verknochtheid aanwezig, ook dan, wanneer bij laatstbedoelde actie de clausule is gevoegd '/voor zooverre de overeenkomst door den gedaagde niet is geëffectueerd.quot;

Air.-R. Amsterdam, v. 8 April 1803, W. n°. 2501 ; vgl. zeifile Reclitb., v. '13 Nov. 1803, W. nn. gt;57; U. li. jg. ISG-i, p. 419, waarbij werd beslist, dat waar de beide vorderingen zich respectievelijk voordoen als defensiën, en waar tegenstrijdigheid van rechtspraak bij toewijzing van de heide vorderingen niet te miskennen valt, de bij de wet bedoelde verknochtheid zonder twijfel aanwezig is ; zie in denzelfden zin, arr. P. II. v. Zeeland, v. 0 Nov. 1855, R. B. jg. 1850, dl. VI, p. 450 sqq., ook vermeld snb n0. '2 van dit art.; cf. vonnis derzelfde rechtbank, v. 2 .Tnli 1867, AV. n». 2940; R. 13. jg. 1807, p. 703, hieronder sub n0. 31 aangehaald, waarbij nog werd beslist, dat de rechter, waar van connexiteit blijkt en op grond daarvan verwijzing gevraagd wordt, die verwijzing mud uitspreken.

lt;8fgt;. Zaken of rechtsvorderingen, die eenmaal uitdrukkelijk of siil-zwijgend zijn gevoegd, moeten zooveel mogelijk tegelijk worden voldongen.

Arr.-R. Breda, v. 8 Aug. 1805, W. nquot;. 2733.

341. Eene exceptie van litispendentie kan niet worden toegelaten, wanneer de man in de eene zaak optreedt als eisclier op eigen naam, terwijl hij in de andere zaak ter adsissentie van zijne eischende vrouw ageert.

Arr.-R. Amsterdam, v. 18 Sept. 1807, AV. n°. 2981.

34. De verwijzing van de zaak door den kantonrechter naar de Rechtbank, ook al behoort de vordering tot de competentie van den kantonrechter, is geheel in overeenstemming met de wet.

Arr.-R. Amsterdam, v. 2 Juli 1807, vermeld sub hoc art. 110.28 en 18; idem Ktg. n0. I Amsterdam, v. 15 April 1879, mede onder dit artikel n0. 27 vermeld, waarbij werd overwogen, dat juist de toepasselijk-verklaring van dit artikel op zaken voor den kantonrechter aanhangig bovenbedoelde verwijzing wettigt; idem implicite Ktg. 's-Gravenhage, v. 18 Jan. 1884. W. n0. 4998; cf. nquot;. 8 sub hoc art.

33. De vorderingen, door verschillende personen, ieder als cessionaris van een gedeelte eener deelbare inschuld, ter verkrijging van liet gecedeerde bedrag tegen den debiteur ingesteld, zijn als aan elkander verknocht te beschouwen en, wanneer die vorderingen voor denzelfden rechter aanhangig zijn, kan daarvan de voeging plaats vinden.

Arr.-R. Amsterdam, v. 6 Juli 1880, W. n0. 3158.

563

ocr page 589

Art. \ 58.)

33. Voeging bedoeld in de afdeeling van interventie moet wel onderscheiden worden van de hier bedoelde; deze is een voeging van zaken, uene is ee,ne voeging van personen in een geding, dat tusschen andere partijen aanhangig is of wordt gemaakt.

Air.-li. Jifeda. v. (gt; Juni 1871, W. nn. 3351.

Li, casu had de eischer den likwidateur van eene ontbonden vennuot-scha)! gedagvaard tot betalinfr van eene zekere som door die vennootschap verschuldigd. Daarna had hij denzelfden gedaagde in privé en de gewezen vennooten opgeroepen, om in dit geding tusschen te komen, immers de daarbij gevorderde betaling te gehengen en te gedoogen — en eindelijk, nadat deze gedaagden in rechten verschenen waren, concludeerde hij tot voeging der beide zaken. De rechtbank besliste, dat in casu waar van twee op zichzelf staande vorderingen geen sprake was, en waaide conclusie tot voeging blijkbaar strekte om de vennooten te doen inter-venieeren in het geding tegen den likwidateur, van geene voeging, bij dit artikel bedoeld, sprake kon zijn.

Vgl. ook vonnis Arr.-R. Utrecht, v. 10 Oct. 1881, W, nquot;. 4755; ook nog sub hoe nrt. vermeld.

34. W anneer de exceptie van litispendentie is voorgesteld, voor dat de eischer afstand van de instantie van een der vorderingen heeft gedaan, is deze afstand van geen invloed op de beslissing der voorgestelde exceptie.

Arr.-R. Amsterdam, v. 23 Oct. 1872. R. R. jg. 1870, afd. A, p. 312.

35. Waar de ingestelde actie strekt tot grensregeling, en de vroeger ingestelde actie daarentegen eene revindicatie op het oog had van een strook grond, daarbij bedoeld, kan er bij verschil van liet onderwerp der beide actiën, geene sprake zijn van litispendentie.

Arr.-R. Assen. v. 1 Juni 1874, W. n0. 4005.

3lt;i. Dit artikel snijdt volstrekt niet af de bevoegdheid om een middel van niet-ontvankelijkheid voortestellen, gegrond op het feit dat voor verschillende rechters twee vorderingen over hetzelfde onderwerp en tusschen dezelfde partijen aanhangig zijn.

Arr.-R. Amsterdam, v. 10 Juni 1874, R. B. jg. 1874, dl. XXl\, p. 507 ; vgl. Hof Amsterdam, v. 3 Jan. 1879 sqq., mede sub hoc art. vermeld.

3 5. Hij, die van het (formeel) in zijn voordeel gewezen vonnis in hooger beroep komt, daags nadat hij op nieuw gedagvaard is

564

ocr page 590

565 [Art. 158.

terzelfder zake ills bij liet vonnis waarvan beroep reeds is uitgemaakt,

kan tegen laatstgemelde dagvaarding terecht de exceptie opwerpen, dat de eischer vooralsnog is iiiet-ontvankeiijk in zijne vordering.

P. H. v. N.-Holland. v. 11 Febr. 1875, VV. nquot;. 3876, R. 15. jg. 1870.

afd. /1, blz. 314, bevestigende vonnis Arr.-R. Amsterdam, v. 10 Juni 1874,

R. B. jg. 1874, p. 567. Het beroep in cassatie tegen gemeld arrest, berustende op verkeerde toepassing van art. 158 15. R. werd verworpen bij arr. v.

13 April 1876. R. 15. jg. 1876, ,1. blz. .quot;gt;17 en \V. n0. 3985, op grond dat in cam art 158 niet was toegepast, o. a. daar door het Hof geene verwijzing was uitgesproken; vgl. ook de opmerkingen derredactie t. a. p.,

|gt;. 320, alsmede meer bizonder betrellende ih' ren judicata, arr. P. 11. v.

X.-Holland, v. '28 Juni 1875. H. 15. t. a. p.. blz. 318.

38. VY anneer de Rechtbank twee zaken heeft gevoegd en later bij vonnis eene expertise heeft bevolen, daarbij verklarende, dat die uitspraak geschiedt //alvorens recht te doen ten principalequot; dan moet die verklaring geacht worden de heide vorderingen te betreflen, al moge de rechter bij zijne overwegingen zijne meening hebben kenbaar gemaakt, dat een der vorderingen hem zonder nader onderzoek ongegrond voorkomt.

P. H, in N.-Holland, v. 14 Oct. 187quot;), VV. nquot;. 3922.

:s» Op grond van litispendentie of connexiteit kan in geen geval

een middel van niet-ontvankelijkheid worden voorgesteld.

U-—. 0 • Arr. P. 11. v. Drente, v. 30 Jan. 187.quot;), W. n0. 3998, reeds vermeld

viA/i sub nquot;. 2 van dit artikel; idem vonnis der Arr.-R. Amsterdam, v. 21 yi /M

ia JUnL- Dec- lg53' U- jg- 1854' p- 184 en v- 1 Maart '18rgt;9- n- ,!- jff- /9 7,-Taïo

ƒ dl. IX, p. 397: idem Ktg. n0. II Amsterdam, v. 1 Maart 1866, W. nquot;. ' /

2794; — anders Arr.-R. Amsterdam, v. 23 Jan. 1879. R. 15. jg. 1880.

.1, p. 7, ook sub boe artikel vermeld, waarbij is beslist, dat litispendentie de niet-ontvankelijk-verklaring kan tengevolge hebben; idem Hof Arnhem, v. 13 Febr. 1884, W. nquot;. 5065; zie ook het sub nquot;. 42 van dit artikel vermeld arr. Hof Amsterdam, v. 3 Jan. '1879; en arr. Hof N.-Holland, v. 11 Febr. 1875 sqq.. mede sub hoc art. vermeld ; vgl. art.

158 15. R. sub no. 22.

-KI. Verknochtheid kan alleen door den gedaagde als exceptie opgeworpen en niet bij wijze van incident door den eischer worden te berde gebracht, om daarop te concludeeren tot voeging der door hem thans ingestelde vordering met eene andere die reeds aanhangig is.

Arr.-R. Amsterdam, v. 9 Jan. 1878. \V. n0. 4380; R. 15. jg. 1879. .4.

ocr page 591

Art. 158.) 560

p. 170, bevestigd bij arr. Hof Amsterdam, v. 3 Jan. 1879, t . z. p., p. 174, beiden nog vermeld sub hoc art.; anders P. H. v. Zeeland, v. 0 Nov. 1855, W. nquot;. 1717 ; R. B. jg. 1856, dl. VI, biz. 450—458, ook vermeld sub boc art., vernietigende vonnis Arr.-R. Middelburg, v. 2'i JIaart 1855.

^ W. n0. 1715; idem Arr.-R. Amsterdam, v. 21 Febr. 1850, W. nquot;. 1742:

SlC. Arr.-R. Rotterdam, v. 27 Oct. 1875, VV. n0, 3915, R. B. jg. 1870, afd. .1.

p. 10, onder de mits dat. wanneer de eischer de voeging in de eerst

. l-iPty 2. . . -Jt 0

aangevangen zaak -vraagt, liij de beide zaken niet reeds bij den aanvang oi.^7. tegelijk heeft kunnen aanbrenc/en ; in denzelfden zin Mr. B. Brouwer in

.V. Bijdr.. jg. 1855, dl. V. p. 96; idem dePinto, JTclh.. Jt. /{..dl. ll.l, blz. 320.

Vgi. navolgende beslissing :

De hier bedoelde verwijzing kan niet door den oorspronkelijk eischer worden gevraagd.

Iets anders is de voeging van twee vorderingen, die hoewel niet bij de wet uitdrukkelijk voorgeschreven, niettemin ook op verzoek des eischers kan worden uitgesproken, wanneer tusschen beide vorderingen een voldoend rechtsverband bestaat.

Arr.-R. Groningen, v. 24 Mei 1861. R. 1!. jg. 1862, blz. 139 sqq.

414. Voeging van een contradictoir proces met een, dat bij verstek wordt behandeld, is niet toe te laten.

Twee vonnissen der Arr.-R. Amsterdam, v. 24 April 1879, R. B. jg. 1879, .4, p. 152 sq. en 154.

•4^. Wanneer iwee gelijke vorderingen aanhangig zijn, moet de gedaagde concludeeren tot niet-ontvankelijk-verklaring van den eischer in het tweede geding wegens het reeds aanhangig zijn van dezelfde vordering bij denzelfden of een anderen rechter.

Wanneer de hoofdvordering op dien grond wordt niet-ontvankelijk verklaard, vervalt tegelijkertijd de daaraan verbonden vordering tot van waardeverklaring van een gelegd derde arrest, zonder dat er mogelijkheid bestaat om het gelegde arrest te doen strekken ten behoeve der eerste rechtsvordering, identiek aan bovenbedoelde niet-ontvankelijk verklaarde hoofd vordering, dewijl de verzochte voeging niet kan worden toegestaan.

Hof Amsterdam, v. 3 Jan. 1879, R. B. jg. 1879, .1. p. 174, bevestigende vonnis Arr.-R. Amsterdam, v. 9 Jan. 1878. t. z. p., p. 170 en W. no. 4380.

Zie het arrest ook aangehaald sub hoe artikel nO. 2; vgl. verder over

ocr page 592

567 [Art. 15S.

de vraag' of litispendentie niet-ontvankelijkheid kan ten gevolge hebben ; arr. P. II. Drente, v. 30 Jan. 1875 sqq. sub hoc art.

■43. Van litispendentie kan geene sprake zijn, waar beide vorderingen geheel verschillend zijn, als die tot betaling eener geldsom, en die tot van waarde-verklaring van een voorloopige gijzeling.

Arr.-R. Amsterdam, v. 28 Jan. 1879. li. I!. jg. 1880, .4. p. 7.

Ijr bestaan geene termen om twee zaken te voegen, waarin gevraagd wordt op grond van hetzelfde art. 1377 15. W., in de eene bij reconventie tusschen twee partijen vernietiging, en in de andere door eene dier partijen tegen de andere partij en een derde, de ontbinding van een tusschen de beide laatstgenoemden aangegane overeenkomst van koop en verkoop.

Arr.-R. Breda, v. -13 Jan. -1880. W. no. 4528.

■45. Dit artikel vordert voor de toelaatbaarheid der verwijzing alleen dat in de nieuw aangebrachte zaak nog geen weren van rechten zijn voorgedragen ; doch niet, dat ook in de vroeger aanhangige zaak nog geene defensie is gevoerd,

Arr.-R. Utrecht, v. 19 Oct. ■1881, U. B. jg. 1881, ,-1, p. 180, waarbij ook voeging van zaken voor denzelfden rechter toegelaten is verklaard en is beslist dat als voeging gevraagd wordt van zaken tusschen zelfde partijen aanhangig en over het zelfde onderwerp, dan uit dit artikel per analogiam, en niet uit art. 288, moet geredeneerd worden.

liet gold in casu een zelfstandigen eisoh tot van-waarde-verklaring van een beslag met de hoofd vordering.

1 lt;». Ofschoon niet uitdrukkelijk tot voeging is geconcludeerd, maar daarvan alleen door beide partijen de wenschelijkheid is uitgesproken, kan die door den rechter niettemin gelast worden.

Hof Amsterdam, v. 21 Jan. 1881, R. R. jg. 1881. A, p. ISO,

-H. Ee7i eisch tot opheffing van een conservatoir derde arrest kan niet worden gevoegd bij de hoofd vordering en die tot van waarde-verklaring van het arrest, daar geene verknochtheid in den zin der wet kan geacht worden te bestaan.

Arr.-R. Amsterdam, v. 22 Maart 1881, \V. n». 4705; R. li. jg. 1881, A, p. 184; cf. zelfde rechtbank, v. 21 April 187G. R. li. jg. 1876. .1.

ocr page 593

Art. 1 58.) 568

p. 173; idem 1'. U. v. N.-Holland, v. 4 Maart '1869, W. n0. 3159; idem vonnis Arr.-R. Arnhem, v. 21 Sept. 1808, W. n0. 3092, ten aanzien van bet cons, arrest onder den scliuldenaar.

4S. De gevraagde voeging kan niet worden toegestaan, waar tns-schen beide processen wat het materieele recht betreft wèl een nauw verband bestaat, doch zij processueel zeer ver uit elkander loopen. doordien in de eene een exceptie van incompetentie wèl, in de andere niet is opgeworpen.

Arr.-R. Amsterdam, v. 27 Jan. 1882, li. B. jg. 1882, .1, p. 29.

-lfgt;. Partieele voeging is bij de wet onbekend.

Arr.-R. Arnhem, v. 25 Oct. 1883, W. n». 4963.

Zie over de bepaling' van verknochtheid, dit vonnis in verband met het sub n0. 20 van dit artikel aangeteekende.

»0. Zie ten betooge •

a Dat de vraag, of tusschen twee aanhangige rechtsgedingen verknochtheid bestaat, is juris —

art. 99 R, Org., arrD. v. 15 Oct. 1841 en 15 April 1842, sub C, n®. 9 ; — anders de Pinto, Hell., II, 1, p. 319 en de Martini, ad artikel.

b. Dat, wanneer door een schuldeischer onder twee verschillende schuldenaren van denzelfdeu persoon arrest onder derden gelegd is, de van waarde-verklaring daarvan bij dezelfde procedure vervolgd en bij een en hetzelfde vonnis beslist moet worden —

art. 738 B. R., vonnis van de Arr.-R. Amsterdam, v. 8 April i84().

c. Dat de vordering tot betaling van zekere som en die tot van waarde-verklaring van een derde arrest ter zake dierzelfde schuld niet identiek zijn en daardoor geen litispendentie ontstaat —

Red. B. R. jg. 1870, afd. A, p. 328.

»4. Zie over de wenschelijkheid dat de exceptie van litispendentie in iederen stand van het geding kan worden ingesteld, en de bepalingen van vreemde wetgevingen daaromtrent —

W. n°. 4648, «Berichten.quot;

.»®. Zie over de vraag of op grond van litispendentie de niet-ontvankelijkheid kan worden uitgesproken —

behalve de aanteekeningen 2, 22 en 39, het arr. v. 13 April 1876,

ctfe-

urtn'ot*^^ is-ï-ïy^ ^Zc-A^j ~ /oc

Wp / ?? v~ J?. 'dgt;c/gt; ,

' tryisTL e-ec^/asc ^—, -^. /4

ocr page 594

cl Sl/fi- . /5~^.

frey? a-r

I

^ 7^1

7 , ?f'A\

■f'Yjf s'~~ £ f ^ lt;1 -:' ?//j -?/ '' ■*

s/sM t/U, . £

569

' y /CAW-'

sfyzz-Z.

c/jLSVJ

*7^(2 e(f^p

S^O .r^/syr

■pT.'^zf.

f -M C'CD t 7^7 0 -n /y y 7

1/7. 158. 7?7/-

l/-irZA}c^J tsi^s 2~-Z*-*~. CASV^. /£~Zf Camp;iS, ïgt;-£^r

W. no. 3985, U. B. jg. 187(3, A, p. 3U; v. d. 11., B. li., dl. XLT,p.'l80 ^ sqq., waarbij werd beslist, dat art. '158 B. R. niet wordt toegepast bij %/\-.

toewijzing van de exceptie van niet-ontvankelijklieid, voorgesteld op grond p*

dat eene identieke vordering voor denzelfden rechter aanhangig is. Ji c^A^a^.

'■

(sZ£. ^

.4/7. 159. ./^ov

I. Bene exceptie van niet-ontvankelijk-heid, daarop gegrond, dat ^

de appellant niet in het geding heeft geroepen alle de personen, die in eersten aanleg met hem aldaar zijn verschenen, en bij het vonnis a ({uo {in cam de appellant als principale debiteur en de medegedaagden 0^. ef':Z/e/-als borgen) tot betaling veroordeeld, kan naar rechten niet opgaan,

omdat die exceptie is ten eenemale da jure tertii, en de appellant niet bij machte is, om zijne mede solidair veroordeelden, indien zij verkiezen in het vonnis a quo te berusten, te noodzaken, om daarvan te komen in appèl, terwijl hunne berusting daarenboven aan den appellant de bevoegdheid niet. kan ontnemen, om zich van het middel van appèl te bedienen.

Arr. v. 21 Maart 1845, VV. nquot;. 592; idem wanneer meerdere personen, jtfruotw, yamp;c-

ieder voor zijn bizonder aandeel en individueel belang, te zamen gelijke- ^ ^ ^

' //■ gt; , lijk eene vordering hebben aedaan en die vordering is afgewezen en ?

/ alsdan één of meer hunner in die uitspraak verkiezen te berusten, daar ,

/JL, xquot; faff- ' nergens bij de wet is bepaald, dat niet 's rechters uitspraak voor dezen -h^-tre-J-

^ ^ laatste onherroepelijk zou moeten blijven bestaan en voor de andoren ^ o

lmquot; aari een n|euw onderzoek zou kunnen worden onderworpen — bij arr. , ^

llirte/. v. 5 Mei 1848. v. n. H., G. /., dl. VII, p. 300—317, VV. n°. 920; R.. ,

dl. XXXI, § 15; idem bij arr. v. 31 Dec. 1852, W. n0.1410; R., dl. XLIII, fii.

§ 07, waarbij is quot;beslist, dat nergens bij de wet is bepaald, dat men bij ^ .jra^

ture-o Rpne voorziening in cassatie verplicht zou zijn, zijne mede in het ongelijk

, 'z.d nestelde deelgenooten, die in de uitspraak berusten, in het geding te (tf: 7^° bï kp. / y fiA ' ... ... .. r

/ roepen ; idem bij eene voorziening in hooger beroep, bij arr. P. 11. v. Zee-

Ccrfon -If**/* land, v. 20 Sept. 1859, W. u°. 2148, R. li. jg. 1801. dl. XI, p. 32 sqq.; ^ ê^

idem P. H. v. Limburg, v. 5 Maart 1800, W. nquot;. 2172 on P. II. v. Over-

ijssel. v. 26 Febr. 1872, W. nquot;. 3533; vgl. arr. P. 11. v. Gelderland, v. ■12'^' ^ - Oct. 1842, bij Mr. Hertzvei.d ut supra, biz. 31 sq., waarbij is beslist,

y*£- dat de voogd, die zijn kwaliteit heeft verloren, in appèl niet mede opge-

roepen behoeft te worden; conf. arr. P. H. van Overijssel, van 20 fa

clcyod. t*00 ^ Dec. 1875, R. B. jg. 1876, A, p. 150; waarbij is beslist, dat als het ' * te /'tlt;y belang tusschen de consortes deelbaar is, de eischer niet kan gedwongen , worden, om meerdere personen in het geding op te roepen, dan hij ver-a/'f' kiest, en hij zeer zeker in het algemeen niet verplicht is, om eene der wederpartijen in het geding in appél op te roepen, tegen wie hij geene

actie wil voortzetten ; idem ten betooge, dat de hoofdschuldenaar ooi

A

L! 0.t -r. C', ^ ^ * 1 /

s/s /f.,

/

A/quot; n.' ePamp;jy.

Ia/CVquot;

cJUi-f ^7 exsi

ocr page 595

cx_-. -lt; ______(L^-^J^—■ ^ T^'^r t^l. -r ^ lt;- lt;-' ? /^CX. gt;^VQ 'zy?

'

. . f___t / CL-c* m ,

f-cc.x^_j c ^ 1t^ -t^- 4^»^ ^| |f ^/«s

^ I.- ^ ^ • V- ■'■/O'- - ' ^?. -■- ■ gt;. lt;.-.- r.:^,

ƒ. ^j'.. - 1X0 . ~ i V J . /^ -d/ (k. . z-i,quot; -:: 7 '/4^5.

■ lt;- ^ ' ' ( jf'i_ ■ vx-^c- / ^/r^y 'CcJ~, l''-e' ^ ^ Irtr^^

^.OLsfsts Z'i-^'O.yC- ^ ^ 'Tr^y^^L'crr^c-^?~ C^Jc/^

fr-rxr-cjit'C-^--^' c^O^tscrz-Qas'c -^2 . /amp; c^/tfy,

(J~~ fc (Pï/f.

r

'l/'-/ 'yay Jo^, i/LcKsv^ 'i-lt;_-lt;Ja--A CuxrxjtX r*quot; JL£L^^ - gt;o C*-r*JLó ^

ZJUi^y? lyw iSamp;utrt, Cux^y/s: t c* ^ C/'CX~% 'i^crzr~^'

(^Cj^i^Yl^OLA^L. CZ-tJ.^ , J c^-oJLi^ / : sfó*. CX^ ^/.£^'gt;^ /V /~Q~C~y^, /Q//, ^0/.

j'iÓTr lAM^^j-!' i.rvK. io /y r?, 69-. yt*3 fpryy ; amp;gt;■

5quot; lt;5^. ^

f ~-lt;^~' I'-Jl-JL. ■..L oigt; - 2^y-L^StS-t 1 — Ct~svrJ)e-^S

iy

et* ; Zs^rj/ .c/£*~Z-lt;£-XJ 2-C Ajsy, C^. jycP/ •

, ^JO-OJ- Irv^uC^iX^j^ A^~ ttx^-o y^aM £.£-^1

4e^ $-amp; /£ . jy /11 fay,

17^-

ocr page 596

KybU-. /irt? y. ^2=.' -X-Zy/CsLeJ?-^. -r /7 ?n

i_je cr^7 ^ J. , t-erlt;jnjZlt;

c^O-^j^- ij ^'4yvu;ê // y / fc*

ocr page 597

?*x'. - 'i r'-tj/^s t n £J* i'u - T ^t-^'Z

ft-O.'f' £~ T-ti *1-' ■quot;• y*y't -' —^'C- ~ l^-ó- C ^ lt;sf 1/^™- ^-lt;l L

p /gt;

7 , ^ v

1 T yXy cti' i* 0 — a^r/ ^ i 7-v;, ^ •- 'gt;11 •-gt; ' ~ . t/o er/- ivi'ryT- / (p ffsn. . ^ / v

4rl. 159.) „, •_,,/ 57(1 ^

/ i'^i, ytquot; ls) c^- ?i'6ooz.

spiünkelijk gechiagde en appellant den in eersten aanleg mede-gedaagden lioofdelijken borg niet in hooger beroep behoeft op te roepen, bij air.

I'. II. v. Drente, v. 29 April 1871. W. n0. 3307; vgl. arr. P. II. v. Noord-Holland, v. 10 Dec. 1868, W. nquot;. 3093, waarbij is beslist, dat de vraag of al de partijen in het geding op het verzet moeten worden opgeroepen, afhankelijk is van de vraag, of de niet-oproeping van siiinniige, de behoorlijke berechting der zaak niet in den weg staat; idem arr. Hof 's-Hertogenbosch, v. 1 \ Nov. 'IS?!!, R. B. jg. '1878, A. p. 128.

waarbij is beslist, dat de opposant tegen een vonnis bij verstek, waarbij boedelscheiding is bevolen, de mede-veroordeelden niet in rechten behoeft op te roepen ; idem ten betooge, dat oen oorspronkelijke gedaagde, die in eersten aanleg een derde tot eene eenvoudige personeele garantie had opgeroepen, niet verplicht is, om bij een hooger beroep van het in eersten aanleg uitgesproken vonnis, waarbij o. a. de oorspronkelijke gedaagde is verklaard ongegrond in zijne conclusie tot waarborg, ook den tot waarborg in eersten aanleg geroepene in hooger beroep op te roepen, en mitsdien de oorspronkelijk eischer niet bevoegd is, om, bij nalatigheid daarvan, tot niet-ontvankelijk-verklaring in het ingestelde hooger beroep le concludeeren — bij arr. v. '29 Oct. 1840, v. d. II., B. f?., dl. I, p. 238— 247 (1); idem ten betooge, dat de oorspronkelijk eischer den garant.

door gedaagde in eersten aanleg opgeroepen, in het appèl niet behoeft te betrekken, bij arr. P. H. van N.-Braband , van 8 Kov. 1859, W. nquot;. 2130; —■ anders bij arr. v. 't P. H. v. Gelderland, v. 16 Jan. 1839, R. H. jg. 1839, dl. I, p.' 441—444; R., dl. V,§65; Recjl in XtnhrL dl. II, p. 25 en 26, waarbij is beslist, dat in het algemeen als rechtsregel moet worden aangenomen, dat hij, die, hetzij als eischer, hetzij als verweerder, mot meerdere belanghebbenden een rechtstrijd heeft aangevangen, verplicht is, uit hoofde van het daardoor tusschen partijen ontstane contract, dien rechtstrijd met allen ten einde te brengen, zoodat hem bij het voorbijgaan van een enkelen dezer, te recht het middel van niet-ontvankelijkheid, onder do bekende benaming van /jhtrixm litis consortium, wordt tegengeworpen, en dit te meer klemt, daar waar derede is van het herleven of vernietigd blijven eener acte, waarbij al de geïntimeerden gelijkelijk belang hebben, en welke tusschen hen ondeelbaar is;

idem P. II. v. Zeeland, v. 24 Juni 185C, R. B. jg. 1857, dl. VII, blz. 440— 448, waarbij is beslist, dat als de vordering eeno ondeelbare zaak betreft.

waarbij meerdere personen onmiddellijk belang hebben, deze niet tegen een enkele kan worden ingesteld, terwijl alle partijen, tusschen wie in eersten aanleg het geding heeft bestaan, ook in appèl behooren te worden

y

1

Bij dat arr. is de II. K. afgeweken van de door het voormalig Hoog Gerechtshof te VGravenhage, aangenomen jurisprudentie, dat hij eene voorziening in hooger beroep, al de partijen, welke in eersten aanleg in het geding waren geweest, ook in die instantie op straffe van niet-ontvankelijkheid van den appellant moeten worden gedagvaard, welk beginsel dit Hof dan ook heeft gehuldigd bij arr. v. 3 Febr. 1837 (Derde Kamer) te vinden bij v. d. II., 1. e. iu eene geheel gelijksoortige zaak, als nu bij het arr. van den H. li. v. 2!) Oct. 18-)0 voormeld, in een tegen-overgestelden zin is beslist. (Léok).

ocr page 598

SIA L sTr-V -UC^*^**** r^-ej9^^ ^ ^ ^ cy?^ - ĥ

l^ct/^i-0^0-*- lt;^*^- S^-^sl-cAi^iyO , (T^a tyu-i^cC oC- * -/' rsm eCxlsl^~~*

{-, .. J, n^de^amp;c^r, ■/amp;. ^M-yJf£cro, Up^-^- Wj'

/ 571

opgeroepen; zijnde bij arr. van hetzelfde P. 11. v. lt;ielderland siiia rfiV, VV. n0. 190, en van Utrecht, v. . . Jan. 1842, W. n0. 253, tevens beslist, dat in bet laatste geval (van ondeelbaarbeid), volgens de bestendig gevestigde jurisprudentie, het wettiglijk door een der litis-consorten ingesteld appèl viit den aard der zaak zelve noodwendig ook de overige litis-consorten moet proliteeren ; idem bij arr. van hetzelfde P. H. v. 3 Febr. 1842, R. P). jg. '1842, dl. IV, p. 426—430; — zijnde wijders als tertxum i/uid beslist bij arr. van 't P, 11. v. Overijssel, v. 7 Oct. 1839, W. nquot;. 55; v. 7 Mei 1849, W. nquot;. '1074 en v. 2 Febr. 1852, \V. n0. 1442, dat eeiu; cxceptio phtrium litis eonnortmtn alleen dan hare toepassing vindt, wanneer de zaak of het onderwerp van het geding uit zijn aard ondeelbaar is en het belang der litigeerende partijen noodzakelijk vordert, dal uilen, die den rechtstrijd hebben aangevangen, in dezelfde kwaliteit gezamenlijk het geding voleindigen, op straffe van niet-ontvankelijkheid in het hooger beroep; idem bij arr. van 't P. II. v. N.-Braband, v. 15 Sept. 1840, W. iiu. 294; U.. dl. V. § 04. naar luid waarvan in cas van ondeel-haar recht dezelfde persona moralis in hooger instantie moet verschijnen, die in eerste instantie geprocedeerd heeft, met dat gevolg dat, indien do dagvaarding in hooger beroep slechts met betrekking tot een mede-geïntimeerde niet tempore ulili is ingesteld, alsdan de appellanten, uit hoofde van het tusscben al de primitivelijk gedaagden bestaande litis-consortiuni, onbevoegd zijn om tegen de overige wettig geroepene geïntimeerden het ingesteld appèl te vervolgen, welk beginsel in eene bijna gelijksoortige zaak (waarin onderscheidene personen gezamenlijk als eischers in eersten aanleg tegen één gedaagde waren opgetreden, het vonnis in het voordeel van al de eischers was geslagen, en er al zoo een onsplitsbaar litis-consortium bestond) is aangenomen bij arr. van 't P. li. v. Zeeland, v. 1 Juli 1844, R. B. jg. 1847, dl. IX. p. 18 en 19: U., dl. XIX, § 93; vgl. arr. II. R.. v. 5 April 1872, W. n». 3449 j v. n. 11., B. //., dl. XXXVII. p. 22 sqq., waarbij echter de vraag niet uitdrukkelijk is beslist; idem indien, in cas van verstek, de defaillant na de ingestelde oppositie het bewijs levert der (in casii geheele) nietigheid van de tegen hem oorspronkelijk uitgevaardigde dagvaarding, wanneer zulks ter zake van het verbroken litis-consortinm moet baten ook da gedaagden non-defaillanten, aan welke de dagvaarding in behoorlijken vorm is gedaan, bij arr. van't P. II. v. Zeeland, v. 9 Nov. 1841, R. I!. jg. 1842, dl. IV, p. 057 sqq., en jg. 1840, dl. VIII, p. 023 sqq.; R., dl. XIV, § 104 (zie art. 92 B. R., arr. v. denz. datum, sub n0. 1). — Vgl. met dit een en ander: 1°. een arr. van 't P. 11. v. Drente, v. 16 April 1842, W. n0. 297, naar luid waarvan in de vergunning, aan den appellant verleend, om kosteloos in hooger beroep te pro-cedeeren, met alle recht ook kan gerangschikt worden de oproeping van een geïntimeerde, die met hem in eersten aanleg mede-eischer is geweest (in easu twee belanghebbenden, die uit krachte van eene overeenkomst ieder respectievelijk vorderen eene gratuite zitplaats in de kerk, welke twee zitplaatsen hunne auteuren, ook ten behoeve van hunne erven, zouden hebben bedongen, en mitsdien tusschen de twee belanghebbenden eene deelbare zaak) ; 2quot;. een arr. van 't P. H. v. N.-Holland, v. 14 Jan. 1844, R. I!. jg. 1844, dl. VI. p, 265—272, waarbij is beslist dat, ofschoon

ocr page 599

C

rH— tamp;mct-JJ

l/cn- d c.'

--

. /

a tt O**-yi i

-tl amp; . 1

UP

'O /7'i

'7 V/.

- ^

572

zy /603 iOelt;S r-fiA^ '£/'

/^Ho{/rfgiy, 'u soiuinige gevallen een veroordeelde gedaagde, in hoogerberoep komende, ic'c' -, gellouden 's om' 'Jf'l|a'v0 ^011 eiseher, ook zijne mede-gedaagden op te

quot; ' roepen, eclitei- geen de minste grond tot toepassing van dien regel voorhanden is, wanneer, wel verre dat er een gemeenschappelijk, veelmin nog oen ondeelbaar belang tusschen (in cum) twee gedaagden bestaat, zij integendeel juist tegenovergestelde belangen hebben, waaromtrent tusschen hen in eersten aanleg geeue litis-contestatie heeft plaats gehad, enz.: .S'1. een arr. van 't P. 11. v. N.-Holland, v. 21 Maart 1850. waarbij is beslist, dat indien de vordering, door een appellant tegen twee geïntimeerden in eersten aanleg gedaan en in appèl herhaald, is één en ondeelbaar, en het uit de wijze waarop die is ingesteld, duidelijk volgt, dat de appellant het er voor hield, dat een vonnis tegen den eersten geïntimeerde geen volkomen eftcct kan hebben, tenzij de merfe-geïntimeerde tevens veroordeeld wierd, alsdan geen wettige grond bestaat om, wanneer die medoueïntimeerde in cassatie is gekomen van een incidenteel arrest, waarbij /.ijne vordering om buiten het geding le worden gelaten, was afgewezen, hangende die cassatie, het geding tegen den eersten geïnti-meerde alleen voort te zetten; cf. art. 254 li. R., arr. van hetzelfdeP. 11. v. denzelfden datum, en art. 905 W. v. K.. arr. van hetzelfde P. H. v. li Febr. 1850; 4'. omtrent de toepassing van het beginsel dat de geïntimeerden. die de exceptie phiriiim litis-consortiKm aanvoeren, zulks moeten bewijzen — een arr. van 't P. 11. v. Gelderland, v. 16 Juni 1847, R. IJ. jg. 1847, dl. IX. p. 472 en 473. — Zie ook art. 159 13. R., arr. van 't P. H. van Groningen, van 5 April 1853, en art. 332 B. R., arr. van 7 Mei 1858 sqq.

In een onmiddellijk verband met hetgeen voorafgaat, staat de vraag, of ook in eersten aanleg liet niet komen of het niet roepen van alle de belanghebbenden in het geding, kan of moet leiden tot toepassing van de exceptie phtrium Hiis-consorliwn. Ontkennend is die vraag beantwoord: 1°. bij arr. van 't P. H. v. Drente, v. 49 Juni 1841, W. n0. 221 : R., dl. XIII, § 100 (bereids vermeld op art. 625 B. W., sub nquot;. 4), met betrekking tot het recht van een mede-eigenaar van een onroerend goed, om alléén in te stellen de actio ■■icrvitulis negaloria togen hem, die zoodanig onroerend goed met eene erldienstbaarheid tracht te bezwaren; 2°. bij vonnis van do Arr.-R. Amsterdam, v. 23 Nov. 1840, R. B. jg. 1844, ''' dl. VI, p. 802 en 803 (zie art. 672 B. W., vonnis van denzelfden datum) ,7 ten aanzien van hem die vordert de wegruiming van hetgeen op zijn rlt; (7rL grond is gebouwd door den bouwman, die met anderen eigenaar is van 'r het door hem bewoonde luns; 3quot;, bij vonnis van de Arr.-R. Maastricht, v. 26 Oct. 1848, W. n0. 1005 : R. B. jg. 1849, dl. XI, p. 425 en 426 (op art. 953 B. W.), ten aanzien van de ontvankelijkheid van een erfgenaam tot nietig-verklaring van een legaat, ook dan wanneer er. behalve hem,! nog meerdere erfgenamen van den overledene bestaan ; 4quot;. bij arr. van ■ 't P. H. v. Utrecht, v. 14 Juli 1840, R.. dl. V, § 26; Regt in Nederl.. dl. II, p. 363—365 (zie art. 1096 B. W., sub n0. 1), met betrekking tot de ontvankelijkheid van den crediteur eener onder benefice van inventaris

ocr page 600

£-lt;*4- 'ULSyCe^

lt;5—

cf-zJ-^r-y

Oamp;JZ-(//■ ^

'quot; d-

q .—

^Lje.^gt; £*-£-

-lt;r ^ -C-. •

-J

(jfO^c^C-l

^Aquot;

rJL.

af.

.54^7 •

'^j:.

t^vlt; d^jfe^y^-o-HeS l/'t?, Clt;P JLf lt; 'Vt-o CtP^fctP /

yZj^s. [Art. 159.

/S-^ (y?^lt;*£cLClt2£c o*-^

T'

-Zlt;.

■ ^'i

, p, 417 en 4-1 waarbij nog 0. a. is beslist, dat in den regel iedere ver-l ^ f^r-i 'quot;^.bindtenis, van welken aard ook, zich tusschen de erfgenamen van den . ^.^iorspronkelijken crediteur of debiteur, ipso/'to-e verdeelt en daaraan alleen c^—^ werdt gederogeerd, wanneer de wet of de verbindtenis zelve haai' voor

eenc, gedeeltelijke uitvoering onvatbaar doet zijn, terwijl hieruit volgt dat. wanneer (gelijk in casu) do verbindtenis niet onder de ondeelbare te rangschikken is, welke de rechtsbetrekking tusschen de oorspronkelijke contracteerende partijen ook moge zijn geweest, de tusschen haar getroffene overeenkomst zich van rechtswege heeft verdeeld tusschen hare erfgenamen, zoodat de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen, door ieder van dezen pro rata jtarle kunnen worden uitge-oefend en moeten worden voldaan enz.; (vgl. hiermede art. \\M B. W., vonnis van het Ktg. Gorinchem, v. 25 Sept. '1849 sqq.. sub nn. 1; art. 112!) iljid., vonnis van de Arr.-R. Gorinchem, v. 19 Oct. '1844, sub n0. 5; vgl. Arr.-R. Maastricht, v. 27 Mei -1870, W. n0. 3249, waarbij het tegendeel is beslist, in het geval dat de nalatenschap nog is onverdeeld; zie ook Arr.-R. Assen, v. 13 Jan. 1879, W. n». 4410; R. B. jg. 1880, A, p. 13, waarbij werd beslist dat de exceptio pluriiim lilis-consorlium alleen dan kan worden toegewezen, wanneer liet belang van den gedaagde, door het niet in bet geding zijn van alle rechthebbenden op de nalatenschap zou worden benadeeld, hetwelk niet het geval is, als door een der erfgenamen tegen den vruchtgebruiker de acties ex art. 862 en 803 B. W., voortspruitende uit de ondeelbare verbindtenis voor den vruchtgebruiker worden ingesteld, — tevens werd beslist dat deze exceptie is peremptoir; 0quot;. bij vonnis der Arr.-R. Amsterdam, v. 30 Juni 1841, W. n0. 209, waarbij is beslist dat de meergemelde exceptie, in cas van verzet tegen een vonnis bij verstek gewezen, eerst dan zou kunnen opgaan, wanneer het belang van eene der partijen, doordien zij niet is opgeroepen in het geding, zou zijn benadeeld; 7quot;, bij vonnis van de Arr.-R. 's-llertogen-bosch, v. 19 April 1844, W. nquot;. 732, bereids vermeld op art. 68 B. R.. sub nquot;. 10, dat gedaagden in vrijwaring, vooral indien in eersten aanleg wordt geageerd, wanneer een hunner mede-gedaagden buiten het geding gesteld wordt, daaruit niet een middel van niet-ontvankelijkheid tegen de eischers kunnen putten, veel minder de exceptio pluriiim litis-consortwm kunnen inroepen. — Zie ten betooge, dat voor de toepassing der exceptio phirium litis-consortiurn wordt vereischt, dat bij het voorstellen daarvan belang hebben zoowel de voorsteller als de pretense consora of consorten litis, dat zij belang hebben bij de zaak in, lite, en dat dit belang ondeelbaar is — Arr.-R. Alkmaar, v. 26 Nov. 1803. W. n0. 2714, waarbij werd beslist, dat één der erven ah inslestato ongetwijfeld kan vragen de vernietiging van een testament voor zooveel hem betreft; cf. Arr.-R. Tiel, v. 28 Juni 1878; R. B. jg. 1878, A, p. 285, waarbij is beslist dat de erfgenaam, die de vernietiging van een testament

tbc*. cxpamp;b {i/l.

i^e~slt;jL aCe. ^ én^Jïas-Ze*

opzichte vnn den erfgenaam die zonder zijne mede-erflt;renamen vordert -C-

1 rekening en verantwoording en wijders extraditie van hetgeen hum zal

blijken te competeeren van zekere effecten, en dit wel van de rechtver- cPamp;at-./ptra t^-krijgenden van een notaris, in wiens boedel zich de effecten bevonden.

bij vonnis van de Arr.-R. Sneek, v. 8 Juni 1842, R. B. jg. '184-G, dl. \ ill. ^ ^/^T'

r

fo- aj '

ocr page 601

v:

wj-r ^

1 C A_a-

/x/. gt;7 o3j; tlt;xgt;

quot;/v

7quot;

Ttquot;

1-

' ' quot; 7

Q n *-/

'X. '2.% *.' bi i-. (^'kfkP /. ts.V, i iAcruf) 1*.° Lt

'fxjLsif __- afe-V lt;2 'f-t'-G J?. (?. C . AT-V

a a jo o

alt;^-1/

rzamp;^yn- Zty ^y?lt;£. Clt;P^// Or: ?t * Gb/c) :

0574 ^

;.

t'

lestri yt— t-v-i,

T v-^-o 1 /4 i

/4^ r/taX'

/ / t^L. te ^caS-cks^

2Cc /9^.. (f U/- w t/'S'Jt

A-'*-

cAju

,0^-T2-' crxi^

IS.nquot;^111

/) yL

C^Yl^l tlamp;gt;.

' 14 April 1843, W. n»-. 442 en 469; R. 1!. jg. 1843, dl. V. p. 806—808, dat het commvni dividundo jiidicinm en de actio familiac ercisciuidac tusschen al de gezamenlijke eigenaars of gerechtigden aanhangig moeten worden gemaakt, zoodat het uit het geding laten van een der deelge-nooten tot niet-ontvankelijkheid aanleiding geef?; 5quot;./quot;bij vonnis der Arr.-R. Groningen, v. 27 Maart 1846, R. B. Jg. 1847, dl. IX, p. 394—397, /o dat eene ondeelbare vordering tegen onderscheidene mede-eigenaren [in

, , 0 g-yj/j ''nsu tot het weder afbreken of doen afbreken van zekere behuizing) ■ niet kan worden toegestaan, bijaldien niet al de eigenaren in het geding

asXyj zijn geroepen ; 6°. bij arr. van 't P. H. v. Gelderland, v. 26 Juni 1839, R. B. jg. 1839, dl. I. p. 444 en 445 (bereids vermeld op art. 1051 B. W.), ,K,,r- de rechtsvordering tot vernietiging van eene uiterste wilsbeschikking

moet worden ingesteld tegen al de daarbij geroepene particuliere en

lijke schippers of do schipperij zich tot eene geldelijke uitkeering aan een oud schipper hebben verbonden en het veer daarvoor aansprakelijk bleef, terwijl een der schippers niet in het geding is geroepen; quot; zijnde bij dit vonnis tevens beslist, dat dit verzuim niet kan worden her-i^-steld door vermindering van eisch voor zijn aandeel, noch door stateering, * ten einde hem alsnog in lite, te brengen; 3°. bij vonnis der Arr.-R. ^ , /_ ■ Zutfen, v. 20 Oct. 1843, Rerjt ui Nedcvl., dl. IV. p. 95 en 96), waarbij is quot;V* ** ^ ^ 4^- amp;■ beslist dat, indien door sommige bizondere personen, in hunne relatie ^van ingezetenen eener gemeente, daden worden begaan op grond van re-gt;-p-lt;~ pretense rechten en zij in de uitoefening daarvan worden gestoord en te

lX ^ '

r^claryi.

Alt. 159.) /CiX^ n-r-tt -a . /. ^ ^ ( :' ^ - ^ ^ r/_ (, :

-7 /

y-Zd—, e-l/i^a. kt-/, Mi- H-C . . lt;-■ C.ry 3 . 1-

vordert, zijn mede-erfgenamen niet in het geding behoeft te roepen ; — cf. Arr.-R. 's-Hertogenhosch, v. 16 Sept. 1881, W. nquot;. 4754; R. U. jg. 1881, /1, p, 495, waarbij werd beslist, dat waar het eene deelbare vor-^ dering geldt en geen der gedaagden belang heeft bij de verwering van i^gt; anderen, die mede in de zaak betrokken zijn, de. exceptie pi. I. c. niet

'ian quot;PS3»'1; cf- Ktg. Utrecht, v. M Nov. 1880, t. a. p., p. 193, en jl. RJquot; Rotterdam, v. 9 Juli 1870. R. n.\jg. 1880, A, p. 15/^- In een

*Ltf ji -»v- a ii n- . ii,- — , ..

'T universeele legatarissen; bij vonnis van de Arr.-R. Amsterdam, v. 7

Nov. 1849, W. nquot;. 1082; R. 13. jg. 1850, dl. XII, p. 103—106, waarbij ■xjlvmC- js beslist dat, wanneer bij eene en dezelfde acte van schuldbekentenis

c-j,e*is0 ?lt;- — twee personen zich te zamen, ieder voor de helft, hebben verbonden tot • /%***-. voldoening eener som, welke zij bekennen schuldig te zijn en tot zeker-

^.^jjier zake, als een gevolg van art. 6 Strafvord., eene sentmtia dcclara-6 toria judicis uitlokken, alsdan de gezamenlijke eigenaren, geërfden of ''de daarbij betrokkenen in het geding moeten worden geroepen en niet * ehf**1 .^alleen degenen, welke zich togen de uitoefening van de vermeende rechten

. hebben verzet; 4quot;. bij vonnis der Arr.-R. 's-Hertogenbosch, v 6 Febr. en

J .........

iif t/A*quot;' 'gg -yv'qs- 'eyeuovergcslelden zin is beslist, en mitsdien dat de exceptie plurimn u ^ litin-connortnim in eersten aanleg moet opgaan : 1°. bij arr. v. 31 Mei quot; 1867, W. no. i2fl(llt;S; R.. dl. LXXXV1 § 13; v. d. II.. dl. XXXI. p. 328

' sqq- waarbij is beslist dat niet een enkele mede-eigenaar van een onver-

,i^ ______i.j.___ .... i__________n--i - ______________________i

/iLgt;. ^tyyyi 3 -

ft'* /'

f't

r

.^y, artt. 625 en 629 B. W., kan uitoefenen; vergelijk verder hieromtrent art. 625 li. W. sub nquot;. 4; 2quot;. bij vonnis van de Arr.-R. br!- Amsterdam, van 10 December 1845, W. nquot;. 681, wanneer gezamen-

niS- ^ C'

V deeld goed op zich zelf, de rechten en bevoegdheden, gegeven in de

ta^. ^•* * ^ on aoq li W1 l-.in njf.111/MI . .-^...«.^1;;i.

/,v^/./cP(P(9,

l/ji-ti-

if, r/,.

/3 ^ '

^srh

■yui-y-*.

.IL.'

ocr page 602

y» • 4-tr £- deu as—, .ao—lv~^n j2~-ej~lt;~-*--è) amp; -^2—

/fe /tr-tn OU^L - 'J? ^ ^

_ ;__/L^ i2^JL . ftScrtdi-- ^

(Vfi ^L O- X ^y ^

tv**.** iL^É-^575yj-~ T^.uPf, ^ {Art. 159.^?^.

IólccXJ^. jllJL..^o(^ /y O-9 p-'é^J-. yi-'it^. éfanvt^e». 2.(, u'Sy*

lieid voor de betaling, mede te zamen en onverdeeld, hypotheek op een nPyS' ^quot;c en hetzelfde goed hebben gegeven, alsdan de nietig-verklaring eoner zoodanige acte niet kan geschieden, wanneer de eischer niet beide personen, X» ^

maar slechts één van hen in het geding heeft geroepen, en dit verzuim «L,, gt;

niet kan worden gedekt door eene ten processe afgelegde verklaring, dat , ,

de eischer uit gemelde acte geenerhande vordering, recht of actie tegen '

den niet in het geding geroepen persoon heeft, of zich heeft voorbehouden,

wanneer die acte niet slechts de verplichtingen van laatstgenoemden bevat, maar tevens ook diens rechten waarborgt.

Vgl. wijders ten betooge: a. dat eene onderhandsche acte, welke door sommigen is onderteekend, uit hoofde van het connorlium litis, niet moet worden verstaan van allen te zijn voortgekomen, noch een begin van bewijs, ook niet tegen de niet-onderteekenaars, op te leveren — art.

'1039 B. W,, arr. v. 21 Oct. 1842, sub nquot;. 2; //. dat de vervallen-verkla-ring der instantie, als ondeelbaar in hare strekking en gevolgen, aan al ^/r7' de oorspronkelijke litis-consorten moet worden toegewezen of ontzegd — yxjLyo art. 281 B. R.. arr. v. 1 Febr. 1850, en c. een vonnis van de Arr.-R. , £ c,oa^. Winschoten, v. 28 Mei 1851, R. B. jg. 1852, p. 30, waarbij is beslist, dat *

Ae ercejitio ijlut-ium iitis-consortium klaarblijkelijk zou behooren niet tot ^

de declinatoire exception, waarover gehandeld wordt in artt. 154—158 L\'fyrr- f*' 1gt;. R. evenmin als tot de dilatoire exceptiën, als niet strekkende om het voortzetten van den eisch te verschuiven of uit te stellen tot zeker bepaald tijdstip, of tot de vervulling van deze of gene voorwaarde, —

maar wel, als ten doel hebbende, om de vordering, zooals die door den -r'

eischer alleen en zonder zijne mede-eigenaren is ingesteld, te vernietigen of uit te delgen, tot de peremtoire exceptiën, bedoeld bij art. 100 B. R., ^■ welke met het antwoord te gelijk moeten worden voorgesteld ; idem bij het hiervoren geciteerde vonnis der rechtbank te Assen, dd. 13 Jan. 1879; irts'M.a-'ft-tni welk beginsel echter (volgens Lkon te recht) tacile is verworpen bij onder- -• . ^ scheidene beslissingen voormeld en ook bij vonnis Arr.-R. Hoorn, v. 27 ^

Sept. 1865, W. nquot;. 2797, ook vermeld sub nquot;. 15, waarbij do exceptievrr^eC^td-: litis-consortium eene dilatoire wordt genoemd; cf. nog hiertoe betrekkelijk arr. P. H. v. Overijssel, v. 13 Jan. 1840, bij Mr. Hertzveld ut supra, blz. 5. /f

Vgl. ten betooge: a. dat het beweren, dat voor eene schuld nog anderen quot; / //

dan de gedaagden in rechten hadden moeten opgeroepen worden, alleen ^ ■ •

kan leiden tot eene gedeeltelijke ongegrond-verklaring, niet tot niet-ontvankeüjkheid — Arr.-R. Maastricht, v. 19 Juli 1807, W. n0. 3021,

en h. dat de bepaling van art. 161, al. 2 B. R. mede de onsplitsbaarheid van het Utis-consortium ten grondslag heeft — art. 161 B. R., vonnis van de Arr.-R. Amsterdam, v. 4 Maart 1842.

Zie nog met betrekking tot de exceptio litis cov-torlium de navolgende uitspraken :

a. üe exceptio plurium litis consortium bestaat, wanneer als eischers niet allen optreden, die bij eene vordering hetzelfde belang hebben. Die exceptie is ongegrond, wanneer wel uit de acte van \erdeeling

jV2-quot;

rtlt;J^

■ rt -i '■) is .

- U.

iJC

f Qk-

0*-Z

-Phk t1^- J

Ia

' fao.

' L -lt;

T

^ A-

1 / uM lt;1

f 'Vt, ® 5quot; O O O .

/Cf't'. /Icrffaz^Cci^yu Jó fa/y\. irfy/ f (S. v ' Styrfy ■

l-xri- ie A

l -7t L LQ*.---

C-. C (yvx 3 . quot;t

K

^■}c,-6u

f - Oj p -

list i— tA-'-Tl.O

i tl *

- ~ULs cJ-*- ■

. .-«.V lu

/

ocr page 603

Q~-toC' . £óitlt;sgt; e,lt;ry\'9 * f 9-bl / T^~LSamp;Lcs svns^ ^yUsn^.

^,L.t.,T ^^ toU^. ^y, (3.6,^.

Art. 159.) 57fi

blijkt, dat onderscheiden perceelen land aan ongewaarde ingezetenen eener marke zijn toebedeeld, maar aan de ongewaarden in de marken geene eigendomsrechten op de markegronden toekomen en zij evenmin de marke-vergaderingen bijwonen.

De ongewaarden behooren dus niet als partijen te worden opge-i roepen in een geding, tusschen gewaarden in eene marke gevoerd

wordende, over de wettigheid eener scheiding en deeling der markegronden, waartoe hunne toestemming of goedkeuring niet wordt gevorderd — P. H. in Overijssel, v. G Dec. 1852, R., dl. Lil § 80. xr b. In geval van eene nog onverdeelde nalatenschap of gemeenschap,

^ zijn een of meerder erfgenamen of deelgenooten niet individueel of met

uitsluiting van de overige erfgenamen of deelgenooten bevoegd de ver-nietigins eener huur-overeenkomst, tusschen een der mede erfgenamen

£gt; O O

en den erflater gesloten, te vorderen.

i Daartoe is volstrekt noodig, dat die eisch worde ingesteld in ver-

eeniging met de overige erfgenamen of deelgenooten, en dus collective -—

' Arr.-R. Leeuwarden, v......1801, W. n0. 2294.

livjjJiMMji c. |)e te gelijk met eene referte omtrent de beslissing ten principale

•UU ■

/ gemoveerde twijfel, of wel een der mede-gerechtigden tot eene nalaten

^^schap tot de scheiding en deeling behoorlijk is opgeroepen en in het ^ iflirV-jy1' geding gebracht, kan niet als eene exceptio plurium litis consortium i 'flquot; worden beschouwd, en mag bij den rechter geen nader onderzoek

uitlokken —

Air.-11. Amsterdam, v. 23 Dec. 1808, VV. n®. 3118.

^ amp;r*c(inO : x. „ , . .

n (l Wanneer geklaagd wordt over afsluiting van een gemeenen uit-

. /t6. U /IruLoi^ ' 0 'j _ •.iii.

' wequot;, en dientengevolge wordt ingesteld de actie, strekkenue tot weg-

/ Jyt O O O «-J

l ii / rujnljng van jjgt beletsel, met vergoeding der geleden schade tenge-

i 5'^'iLlt; vo]„e van (jie onrechtmatige daad, behoort die vordering te worden

^ —' I-»* li llli*

/ , , /ingesteld tegen alle eigenaren van het nog onverdeelde ert, waarover

^ U^CU^. Uflh- die uitweg loopt —

Air. P. H. v. Overijssel, v. 11 Jan. 1869, W. nquot;. 3190. bev. vonnis der Arr.-R. Deventer, v. 15 Jan. 1808 ibidem.

^ H'a- 0-—■ ,

1 CU, e. De exceptio plurium Utis-coHSortium, hierop steunende dat eene

y jot. d. . Agt;«7 actie tot rekening en verantwoording niet tegen de gezamenlijke * directeuren, maar tegen één directeur is ingesteld, is ongegrond,

^VT^ ^-c/. C* cn t-^agt; ■ ( /

^ ^ ^ 2.lt;J. ; —■ '-ncfj

k Uf.srm. 2^1 yvLw ^

e.c/. quot;- e** -

A-tfZ-

ocr page 604

Av! 150

wanneer de vordering dat gedeelte van het beheer betreft, dat uitsluitend was opgedragen aan dien directeur, die in rechten werd geroepen -

Avr.-R. Arnhem, v. 21 Nov. 1870, W. n0. 3282.

f. De exceptio pluriutn litis consortium is nergens uitdrukkelijk bij de wet genoemd of toegekend, zoodat door de ontzegging van die exceptie de wet niet kan geschonden of verkeerd toegepast zijn —

Ail v.-gen. Karsep.oom in zijne conclusie, gevoegd bij arrest v. 18 Mei 1872, \V. nquot;. 3467. v. igt;. II.. II. /!.. dl. XXXVII. |gt;. 155 sqq., docli bij dit arrest zelf niet beslist.

Het betrof bij dit arrest de vraag of gemelde exceptie te recht kon worden tegengeworpen aan eene vordering tot rekening en verantwoording, alléén tegen de erfgename van den overledene, en niet oollt; tegen diens weduwe en mede-belangbebbende gericht. De llooge Raad besliste die vraag ontkennend, doch niet uit kracht van de werking van voornoemde exceptie, maar op grond van de ondeelbaarheid der verplichting tot rekening en -verantwoording.

g. De kooper van een onroerend goed, dat gezamenlijk met andere onroerende goederen en wel tegelijkertijd verkocht is, terwijl allen aan denzelfden pachter verhuurd zijn, mag tegen dezen pachter niet tot ontruiming ageeren, zonder de overige koopers in het geding te roepen —

Hof Arnhem, v. 15 Maart 1870, li. R. jg. 1878, .1, p. 125.

Vgl. wijders in verband met dit onderwerp, Hof Arnhem, v. 17 Oct. 1877, R. li. jg. 1878. .4. p. 129, en bet aldaar aangeteekende.

Zie ook Ait.-R. Rotterdam, v. 31 Dec. 1877, 11. 1!. jg. 1878, A. p, 132, ten aanzien van de vraag of de ouders onderhoud van alle kinderen gezamenlijk moeten vragen; cf. Lêon (Asser) R W. art. 370 n». 1.

lt;8. Klke rechtsvordering, om te voldoen aan eene verhindtenis wanneer het daartoe bepaalde tijdstip zal zijn gekomen, is ontijdig en doelloos, zoo die vóór de vervulling van het tijdstip is ingesteld.

Kene rechtsvordering tot van-waarde-verklaring eener extra-judicieele verhindtenis zou dan alleen voor het belang des crediteurs kunnen geacht worden geboren te worden, indien de beweringen van den debiteur, al aanstonds op zoodanige acte gevoerd, de strekking mochten hebben om hare wettigheid of geldigheid aan te randen. Eene kennisgeving, behelzende eene tegenspraak van de verplichting om een kapitaal tegen geïndiceerden tijd af te lossen, sluit geene bewering in, noch tegen den vorm der opzegging, noch tegen het recht om die opzegging te doen.

Ait.-R. 's-Hertogenbosch, v. 29 Mei 1840, W. nquot;. 113; U.. dl. X.

Air. w. van rosbkm li/.., Uur;/. liechlsv. ^

577

ocr page 605

Art. 159.)

§ 30. _ Vn-l. art. 1305 B. W., an-, van 't P. H. v. N.-Rrabant, v. 29 Dec. 1846, sub n . 5 en art. 59 B. R. nquot;. 25.

3. 1 let verzoek tot stateering van liet geding tot liet leveren van bewiisstukken is als het voorstellen van eene dilatoire exceptie te beschouwen, waarop afzonderlijk moet worden beslist, zoodat de partij, ingeval van afwijzing van het verzoek, nog tot de verdediging ten principale moet toegelaten worden.

Am-U. Amsterdam, v. 13 Nov. 1843, R. B. jg. 1844, dl. VI. p. 503 en 504- Arr.-R. Maastricht, v. 14 Maart 1850, W. n •. 1137; idem v. D. Honert, Formulierh.. 3de druk, pap. 86 sq.anders, ten betooge, dat het hier niet geldt eene exceptie, maar eene incidenteele vordering Oudeman- B. B.. 4de ed., dl. 1. p. 189 en 211 noot 3; idem Arr.-K. Amsterdam, v. 28 Maait 1871, R. B. jg. 1872, p. 250, W. n . 3340.

4. De aard en het onderscheidend kenmerk eener dilatoire exceptie is deze, dat zij strekt om aan te toonen, dut, wat er ook van de zaak zijn moge, zij echter voor alsnog niet kan worden toegewezen, het is quot;een essentieel vereischte bij liet voorstellen eener zoodanige exceptie, dat de zaak ten principale door den excipient voor alsnog geheel in het midden gelaten worde, en de excipiënt niet gehouden zij, zich op die zaak zelve te verdedigen.

Arr.-R. Amsterdam, v. 11 Jan. 1843. R. 15. jg. 1843, dl. quot;V, p. 546(1); cf. Arr.-R. Almelo, v. 20 Febr. 1862, W. n°. 2470, ook vermeld ad art. 160 B. R. nquot;. 2, waarbij is beslist dat de bewering dat eene erkende schuld niet opeischbaar is, niet behoort tot de dilatoire exceptiën, vermits over deze bewering niet zonder onderzoek van de zaak ten principale kan worden beslist ; vgl. Arr.-R. Appingadam, v. 25 Sept. 1851, W. nquot;. 2118; en-Arr.-R. Amsterdam, v. 13 Jan. 1869, R. B. jg. 1869. p. 255.-Cf. art. 158 B. R., vonnis van de Arr.-K. Amsterdam, v. 23 Juni 1843 sqq.

~t i)e dilatoire exceptie van niet-ontvankelijkheid kan niet meer in hooger beroep worden opgeworpen, wanneer zulks in de eerste instantie niet is geschied.

Arr.-R. Amsterdam, v. 16 Oct. 1844, R. B.jg. 1844, dl. VI, p. 816 en 817.

(1) Vulpens nn. 32S1 van liet ontwerp H. AV. van 1820, zijn dilatoire exceptiën de zoodanige, «aanlooi- beweerd wordt, dat liet «.-ëi-c-hie voor alsnoR niet kan worden toegewezen, hetzij omdat de tijd of de voorwaarde, waaraan de .chuld verbonden is, nog niet vervuld is, hetzij omdat vooraf eenige andere prore.lnren moeten worden beyumien of ten einde gebracht. — Vgl. uk 1'into, JIuL, 11, 1, pag. 321.

578

ocr page 606

'/

O. liet rechtsgevolg van de chlatoire excejitie van erfireiumiMi düt dat zij zijn in termen vau beraad, is, niet dat de ingestelde actie wordt vernietigd, maar dat zij tot een bepaalden dag na het ophouden van de oorzaak der exceptie, moet geschorst worden. -

Arr.-R. Utrecht, v. 23 April 1845, R. li. j-r. 1845, dl. Vil. p. 0'28. — ^ « y4. Vp:i. hienuede in gelijken zin: 1°. art. '107'2 B. \V., vonnis van de Arr.-R.

Amsterdam, v. 8 Feltr. '18^.'! sqq. sul) n°. 1 ; 2quot;. een vonnis van de Air.-R.

1 iel, v. 11 Anp;. '18-19 R. li. jpr, 18rgt;2. p. 51—53. waarbij op frelijke gron- 1 s^ den is beslist, dat ook met betrekkinlt;j: tot een vunnis. bij verstek gewezen, r// itf-v. m binnen de zes maanden met de uitvoering tegen in beraad zijnde erfge- ^^

namen een begin moet worden gemaakt; 3'. een arr. van 't P. I!. v.

Z.-Holland, v. 28 Juni 1854, W. n . 1559, waarbij is beslist, dat men oiitvankt'ijjk is in eene vordering, door beneficiaire erfgenamen (nadat ^'«^ bun erflater procureur bad gesteld, uitstel om te antwoorden bad /^ ^fl ~ bekomen, doch hangende dit uitstel is overleden) als gedaagden geschorst,

wanneer die erfgenamen op sommatie van den eischer bet geding hebben hervat, zonder aanvankelijk eenige bezwaren daartegen in te brengen, cyucrt^^^ veelmin eenig verschil daaromtrent op te werpen, of zich daarbij op den termijn, voor beneficiaire erfgenamen bepaald, te beroepen en de eisch quot;4,0 7 1)

eerst na bet doen gelden dier dilatoire middelen van verdi-diging door de beneficiaire gedaagden is beperkt tot betaling op de wijze, bij de wet voor beneficiaire erfgenamen voorgeschreven en mitsdien de eisch, alzoo gewijzigd, slechts virtualiter de strekking heeft, den eischer als crediteur voor eene bepaalde som in den boedel te doen erkennen.

Zie in gelijken zin Oudicman, B. ït., Ade ed., bl. 212, Diephüis, B. 11quot;.,

dl. V. n'. KH en de schrijvers, daar aangehaald en Oygt;m. en Meil.,

dl. 11, hlz. 212. — Anders echter van «er Kemp, De leer der exceptiën,

blz. 210.

S. indien de in rechten opgeroepen erfgenaam zicli wel op zijne kwaliteit van zich beradend erfgenaam beroept, maar in plaats van de dilatoire exceptie, bij art 159, n0. '2 voorgeschreven, in te roepen,

tot niet ontvankelijk-verklaring concludeert, alsdan is te recht door den eisciier, uithoofde van liet bepaalde, bij art. 1072 B. W., van den rechter de stateering der zaak tot na den afloop van den tot beraad voorgeschreven termijn verzocht.

Arr.-R. Amsterdam, v. 12 Jan. 1849, \V. nn. 1009; cf. Arr.-R. Amsterdam, v. 25 Aug. 18C8, W. nquot;. 3044, R. li. jg. 18G9, p. 202, waarbij insgelijks is beslist, dat ile zich beradende erfgenaam niet tot niet-ont-vankelijkheld moet concludeoren, maar uo dilatoire exceptie, hier bedoeld,

gt; c ^ JJu -o.

moet opwerpen.

8. Yennits dezelfde zaak niet door denzelfden rechter tweemaal kan worden beslist, is een meerderjarig gewordene niet ontvankelijk

ocr page 607

Art. 159.) SSO

voor alsnog in zijne vordering, wanneer vroeger, en tijdens zijne minderjarigheid, door den voogd ten zijnen behoeve voor denzelfden rechter, over hetzelfde onderwerp tusschen dezelfde partijen een geding is aanhangig gemaakt en sedert aanhangig gebleven.

Daar de quot;rond voor de bovengenoemde niet-ontvankelijkheid geenszins de vordering, op zich zelve beschouwd, betreft, maar van voor-bijgaanden aard is en dadelijk vervallen, indien de eerst aanhangige zaak tusschen de partijen wordt afgedaan, volgt daaruit, dat die niet-ontvankelijkheid eenigermate is van dilatoiren aard en mitsdien volgens de wet vatbaar om afzonderlijk en vóór rle hoofdzaak te worden beslist.

Ait.-R. Gorinchem, v. 7 April 1849, \\. n13. 1 lt;''i'i: iï. R. Jg. 1849, dl. XI, p. 30-1—305. — Cf. art. 441 B. W., vonnis van dezelfde Arr.-R. van denzelfden datum, sub nu. 0.

?gt;. De eisch tot schorsing (in castc in eene burgerlijke zaak, ten einde af te wachten de uitspraak van den rechter in strafzaken) is eene dilatoire exceptie, welke gezamenlijk met andere exceptiën kan worden voorgesteld, maar op zich zelve moet beslist en niet bij de hoofdzaak (art. 161, al. £) mag gevoegd of aangehouden worden.

Arr.-R. Maastricht, v. 14 Maart 1850, W. n0. 1137. —- Cf. art. 193 li. R., vonnis van de Arr.-R. Amsterdam, v. 31 Maart 1843 sqq.

lO De exapllo (lisqual'tjicatorla is eene dilatoire exceptie, die vóór de litis-contestatie moet worden voorgesteld.

Arr.-R. Appingadarn, v. 15 Maart 1850, W. n0. 1152.

11. De beoordeeling der rechtsbevoegdheid van de partijen moet geschieden naar haren toestand en hare wettige betrekking, zoo en in dier voege als deze hebben bestaan ten tijde, dat het rechtsgeding van de eéne zijde door rechtsingang is aangevangen, en van de andere door tegenspraak bestreden, zonder dat die kunnen worden verkort of benadeeld door hetgeen later tusschen eene der partijen met derden wordt overeengekomen.

Hieruit volgt, dat eene weduwe, in gemeenschap van goederen gehuwd geweest en zonder de erfgenamen van haren man onbevoegd tot het uitoefenen der rechten van de gemeenschap, niet-ontvankelijk moet worden verklaard in hare vordering, wanneer haar eerst na de

ocr page 608

[Art. 15!».

litiscoiitestatie bij scheiding is toebedeeld de iiiscbuld, uit krachte waarvan zij heeft geageerd

Arr.-H. Gorinchem, v. 22 Juni 1850, W. n0. 1139. — Cf. art. 48 B. R.. arr. v. 20 Juni 1845 sul) nquot;. 6 en art. 147 lgt;.,K., arr. van 't P. II. van Utrecht, v. 10 Juni 1844, sub n0. 3.

1« \\r anneer er tusschen twee onderscheidene vorderingen van iemand, tegen twee onderscheidene personen, zulk een nauw verband bestaat {in casu een eisch tot scheiding en deeliug tege7i een minderjarigen broeder, in den persoon van zijn voogd, alsmede een eisch tegen den beheerder van een gedeelte der nalatenschap, tot het doen van rekening en verantwoording, ten einde te doen blijken, waaruit de te scheiden boedel bestaat), dat er moet geacht worden een litis-coiisortium plaats te vinden, dan is het, naar de algemeene beginselen van prooedeeren, geoorloofd, eene cumulatie van actiën in hetzelfde libel te doen plaats hebben.

1'. II. v. (ironingen, v. 5 April 1853. I!.. dl. XLVI. \j 102.

Cf. navolgende beslissing :

Hoezeer in het algemeen cumulatie bij één actie (acte) van onderscheidene vorderingen door verschillende eischers in strijd is met de procesorde, zoo bestaat die strijd niet, wanneer de eischers als erfgenamen van den oorspronkelijken crediteur, gezamentlijk ageeren tot voldoening van eene geldsom, aan hun auteur verschuldigd, en zulks voor zooveel het aandeel van ieder hunner daarin betreft.

Arr.-K. Amsterdam, v. 27 l'ebr. 1867, li. H. jir. 1807, 1.1/. 668,waarbij nog werd beslist, dat de e.rcejilio phiriuin litis-c-onsovtium eerst bij repliek op de vooraf opgeworpen exceptie (daarin bestaande dat in casu de dagvaarding eene verboden cumulatie bevat) en dus niet tegelijk met die exceptie opgeworpen, is niet-ontvankelijk.

/.ie verder over cumulatie van acties bij één exploit art. 1 B. 1gt;., Arr.-R. I'treclit, v. 24 Dec. 1862 sqq.

IS. liet beweren, dat eene actie tot ontbinding eener overeenkomst van koop en verkoop met schadevergoeding, wegens verborgen gebreken, niet kan Worden ingesteld dan na voorafgaande in mora-stelling, kan niet onder de dilatoire, maar moet onder de peremtoire exceptiën word en ixeran gschik t.

Arr.-R. Maastricbt, v. 18 Jan. 1855, \\ . uquot;. 1633; idem Arr.-R. Am-

ocr page 609

Irt. 159.)

sterdam, v. H Juli ISTl, W. n0. 3393, R. R. ,jg. IR72. p, 704; cf. an-. P. H. v. Drente, v. 30 Uec. 1865, W. n . 2818. waarbij is beslist, dat eene exceptie van niet-ontvankelijkheid wegens gebrek aan in mora stelling is eene verdediging ten principale.

44. De bij art. (i97 al. 2 15. R. bedoelde meest gereede partij behoort alle zijne mede-deelgenooten te dag-vaarden — ieder der gedagvaarde deelgenooten heeft het recht de niet-ontvankelijkheid der actie te hesveren op grond vau niet-oproeping van sommige erkende deelgenooten.

Arr.-R. Gorinchem, v. 30 Nov. 1858, W. nquot;. 2048; idem ten aanzien van de actie tot boedelscheiding bij vonnis Arr.-R. Amsterdam, v. 23 Deo. 1808, ook op dit art. sub nquot;. \c vermeld; bij vonnis Arr.-R. Almelo, v. 25 April '18C0, W. n'. 2225, waarbij nog werd beslist, dat hij die de exceptie van niet-ontvankelljkheid voorstelt, zich niet beroept op het recht van derden, en dat hem niet kan worden tegengeworpen, dat hij zelf de ontbrekende deelgenooten had kunnen oproepen.

JLS. De exceptio plurhcm lifis consortium kan niet eerst bij repliek worden voorgedragen, maar behoort tegelijk met het in casu voorgestelde middel van niet-ontvankelijkheid, op grond van verboden cumulatie, te zijn voorgesteld.

Arr.-R. Amsterdam, v. 27 Febr. 1867, R. B. jg. 1867, p. 608; vgl. ook Arr.-R. Hoorn, v. 27 Sept. 1805, W. n0. 2797, waarbij is beslist, dat deze exceptie, als behoorende tot de dilatoire, vóór alle antwoorden ten principale moet worden voorgesteld.

JIG. Voorwaardelijk ingestelde exceptiën zijn bij de wet onbekend.

Arr.-R. Amsterdam, v. 20 Febr. 1807, R. R. jg. 1807, p. 077, waarbij nog werd beslist, dat daartegen niets kan afdoen het beweren, dat het gedaagde onmogelijk was, onvoorwaardelijk de exceptie van onbevoegdheid r. p. voortestellen, alvorens de stukken te kennen, waardoor de elscher zijn vordering zou rechtvaardigen, omdat de wet In art. 148 K. R. den weg aanwijst, langs welken de gedaagde, alvorens zich te verdedigen, de verlangde kennis van stukken kan bekomen; vgl. Arr.-R. Maastricht, v. 23 Nov. 1854 ad art. 155 B. R. sub n0. 16.

19. Het is niet geoorloofd en in strijd met dit art. en art. 161 B. R., eerst eene verdediging ten principale te voeren, en, voor het geval, dat hare tegenspraak mocht ongegrond bevonden worden, eene dilatoire exceptie op te werpen.

Arr.-R. Amsterdam, v. 7 Oct. 1808, W. n0. 3007. R. B. jg. 1869, p. 216.

18. Het beweren vin) den gedaagde, dat zijne sustenuën zouden

ocr page 610

(Arl 159

opleveren slechts eene dilatoire exceptie en treene verdediging ten principale, waarom hij zich tegan eene beslissing ten principale verzet, belet zoodanige beslissing nochthnns niet, wanneer de rechter oordeelt, dat de voorgedragen sustenuën gttne dilatoire exceptie maar eene verdediging ten principale opleveren.

Arr.-IÏ. Amsterdam, v. 13 Jan. ISKO, W. nn. 3127, R. li. jg. 1869, p. 255.

19 Eene exceptie ontleend aan den staat van faillissement van den eischer, en zijne daaruit voortvloeiende onbevoegdheid tot het instellen der actie, is dilatoir.

Ait.-R. Goes. v. 21 Juni 1872. R. R. ,jg. 1873, dl. XXIII, p. 164, waarbij nog werd overwogen, dat hier geen sprake is van de exceptie van nonkwalificatie omdat niet teiren de hoedanigheid, maar tegen de bevoegdheid des eischers wordt opgekomen.

«O. w; iar het doel van het middel niet is een uitstel te verkrijgen, om op de rechtsvordering te antwoorden, of om aan de vordering te voldoen, maar wanneer het doel is om de rechtsvordering, als niet voor beantwoording en voor beoordeeling vatbaar, te doen ter zijde stellen, heeft men niet met eene dilatoire exceptie te doen.

Hof 's-Hertogenbosch, v. 26 Juni 1877, bevestigende vonnis Arr.-R. Maastricht, v. 13 Juli 1876, beide opgenomen in W. n'. 4301.

lt;81. liet is nergens bij de wet verboden, om op de in eerste plaats voorgestelde dilatoire exceptie, eene exceptie van diskwalificatie te doen volgen.

Arr.-R. Breda, v. 23 Oct. 1883. VV. nquot;. 5019.

De verwering van gekocht te hebben op crediet en niet ii, contant, is niet als eene dilatoire exceptie, maar als eene verdediging ten principale te beschouwen.

Arr.-R. Groningen, v. 3 Maart 1884, \V. n0. 5048.

Zie ten betooge :

a. Dat op het bevel, dat de in art. 159 B. R. genoemde exceptiën gezamenlijk moeten worden voorgesteld, gelijk uit den aard der zaak en bij analogie uit art. '24S mag worden afgeleid, eene uitzondering bestaat voor het geval, dat de excipient te voren de oorzaak eener

ocr page 611

, ^ ()j)igt;,ek()Dieii

Unr^^ 1 0

besvi^L. . 6 ' '

tc£ H- j

^ dk Pinto, //'//.. dl. li, 'i, p. 321 en dit wel mot een beroep op Caurk

Ok. 786 en Pigkau, dl. I, p. 15'2; — anders, 0. a. op grond va

'^VL^n' de algemeenheid der wet en omdat art. 248 B. U. alleen de betaling r/ /lt;/*lt;7 5~ der kosten betreft en de uitzondering, in art. '159, al. 2 1). R. vermeld, lt;- den algemeenen regel bevestigt — Pf.nning, ad art.

0. Dat de exceptie der erfu'emmen, weduwen en vrouwen, dat zij

noj^ in termen zijn van beraad, niet aan die van nietigheid der

dagvaarding kan voorafgaan -—

Ouduman, 'ido ed., dl. I, p. 215 en 216; vgl. ook v. u. UüNEliT, hur-inidierhoek(3deecl.),\).Q8, — en evenmin aan die van onbevoegdheid des rechters ratioiic personele. Are.-It. Groningen, v. 21 Juli 1854 R. B. jg. 1856, dl. VI, blz. 398—400, volgende uit art. 159, al. 2 wel, dat de bedoelde exceptie afzuralurlijk kan worden voorgesteld, maar wordende hierdoor niet gederogeerd aan het beginsel, dat de exceptie van onbevoegdheid mliunc jicrsonae alle andere weren moet voorafgaan.

®4t. Zie omtrent de vraag, in hoeverre een verzoek tot oproeping in vrijwaring en het voorloopig verzoek tot het stellen der cautie judicatum sold, kunnen geacht worden eene dilatoire exceptie daar te stellen -—

art. 69 11. R., vonnis van de Arr.-R. Amsterdam, v. 8 Jan. 1850 sqq.. sub n0. 3 en art. 152 I!. I!. sub n0. 8.

Zie over de orde waarin en de wijze waarop de exceptiën

moeten worden voorgesteld —

Mr. K. Z. \j. van dei. Kemp : diss. ygt;dc leer ihr (uvceptiën vol-fjcu.s hef Humeinsch cn hedeiidaacisch I\edci'dcrl(iiidsch I 'cch lquot;. Utrecht, 1865.

Art. 160.

1. Een gedaagde die sustineert, dat de eischer, die niet in eene bizondere hoedanigheid, maar op eigen privé-naam als schuldvorderaar uit een wissel ageert, geen eigenaar van den wissel in verschil zou zijn, als zijnde eerst ua den vervaltijd aan hem geëndosseerd, en dat hij dus geen recht van vordering daaruit zou hebben, is niet verplicht

ocr page 612

(Art. KiO

ilit susteiiu bij eene uitdrukkelijke exceptie van non-kwalificatie te doen gelden.

[ntegendeel ligt in voormeld sustenu een rechtsgrond van tegenspraak der vordering zelve, en eene verdediging au fond opgesloten welke, naar gelang die gegrond of ongegrond bevonden wordt, tot afwijzing of toewijzing der vordering moet leiden, en die dan ook dooiden rechter niet ter zijde gesteld en onopgelost mag worden gelaten.

Arr. v. 17 Juni 184-1, v. I). II.. B. //., dl. II. p. 258—273: U., dl. VUT, § 69; idem v. 10 Mei 1845. v. D. 11., ibid., dl. VII. p. 88—104; W. nquot;. ()i7; idem, ten betooge, dat het beweren, dat een schipper, ter zake van aanvaring, eisch tot schadevergoeding instellende, geen eigenaar van het door hem bevaren wordende schip is, niet opleveit eene exceptie van non-kwalificatie, maar een middel ten principale — bij vonnis der Arr.-R. Arnhem, v. •!(') I'ebr. 1854, W. nn. 1555; idem, met betrekking tot de vraag, of de gedaagden, als eigenaars van den grond, te recht door den eischer als wettige eigenaars van zekere tienden zijn aangesproken — bij vonnis der Arr.-R. Haarlem, v. 31 Maart 1840, W. n0. 112; idem bij arr. van 't P. 11. v. /..-Holland, v. 27 Sopt. IS'iS, 1!.. dl. XVII, § 31, (waarbij tevens is beslist, dat, indien iemand een geadscri-beerden eigendom betwist en daaruit eene exceptie van niet-ontvankelijk-lieid afleidt, alsdan die exceptie in ieder geval niet anders dan te gelijk met het antwoord ten principale kan worden voorgesteld) (1) ; idem ten aanzien van de verdediging dat de gedaagde niet in privé, maar in hoedanigheid van directeur eener verzekerings-maatschappij tot betaling had moeten gedagvaard worden, vonnis Arr.-R. Amsterdam, v. 17 Mei 1800, R. B. jg. 1866, [gt;. 799. — Eerstgemeld arr. (waarbij is vernietigd dat van 't P. H. v. N.-Brabant, v. 31 Maart 1841, R., dl. V. § 63 env. n. II. ut supra) is gewezen in strijd met de conclusiën vau den adv.-gen. Dekeïh, (v. d. H., I. c., p. 268—270; R., dl. VIII. p. 314—318) daarop nederkornende, dat, hoewel het voormeld beweren voorzeker aanleiding had kunnen geven tot een zeer gegrond en belangrijk middel van verdediging, of liever tot een peremtoir middel van niet-ontvankelijkheid — dit verzuim echter van den kant van eene der partijen, niet het oog op art. 48 B. R.. niet onder de rechtsgrro/erfen kon worden gerangschikt en

(1) Op den algemeenen regel, dat het al dan niet zijn van eigenaar eene verdediging ten principale oplevert, bestaat eene uitzondering, wanneer namelijk daar, waarop alle gezamenlijke eigenaren eene gemeenschappelijke verplichting berust om iets te doen of te laten, de daartoe betrekkelijke vordering niet tegen allen is ingesteld. Alsdan kan zulks, inzonderheid wanneer de zaak ondeelbaar is, leiden tot een middel van niet-ontvankelijkheid, gegrond op de exceptio jjlurium litis-consortium. — Vgl. o. a. een vonnis van de Arr.-H. Groningen, v. 27 Maart 1846, R. 13. jg. 1847, dl. IX, p. 394—397 ; vejl. met betrekking tot, het middel van niet-ontvankelijkheid het vonnis der Arr.-K. Maastricht, v. 19 Juli 1867, welke beide uitspraken zijn aangehaald bij art. 159 B. K. ti(). 1, resp. op pag. 574 en 575.

5S5

ocr page 613

Art. !«().) 580

hieruit noochvendipr moet voliren. dat de rechter, krachtens art, 48 R. R. niet verplicht is. dit middel van verdedijring ambtshalve aan te vullen. Afgescheiden daarvan, meende adv.-pen., dat het geheel in den aard der zaak ligt, dat, waar tusschen de geschil voerende partijen van weerskanten litis-con'estatie heeft plaats gehad, en waar een geding geheel contradictoir is behandeld, — het ten eenemale aan partijen zelve of hare pleitbezorgers moet worden overgelaten, om alle zoodanige middelen, zoowel van aanval als van verdediging, hetzij te bezigen, hetzij achterwege te laten, als welke zij in het belang der zaak nuttig en noodig oordeelen, en het geheel en al buiten den werkkring des rechters gelegen zou zijn, om ambtshalve datgene aan te vullen, wat door partijen, hetzij uit onkunde was verzuimd, hetzij opzettelijk was achterwege gelaten.

8. De be|nlnig van art. J60 15. R ten aanzien van liet verwijzen in (Ie kosten van hen, die, met de daarbij bedoelde exoeptiën, niet gelijktijdig hunne defensie ten principale voordragen, is alleen toepasselijk op de kosten, door het niet simul et semel voordragen van alle ilefensien, aan de wederpartij casu quo veroorzaakt, en kan dus niet worden ingeroepen, wanneer bij de admissie der exceptie (in ca.tu van verjaring) de principale zaak niet op nieuw wordt voorgebracht en afgedaan, vermits in dit laatste geval, door het persisteeren bij de exceptie, geene meerrlere, maar wel mindere kosten zijn veroorzaakt, dan anders zou hebben plaats gehad.

Arr. v. 21 Jan. 1842, W. nquot;. 257; R., dl. X, § 58. v. n H„ B. R.. dl. III, p. tSO—170, bevestigd in revisie bij arr. v. 30 Nov. 1843, W. n0. 448: R., dl. XVI, § 78; v. d H., ibid., dl. V, p. 61—72 ; idem v. 3 Maart 1848, W. nquot;. 895; R., dl. XXX. § 14; v. d. H„ ibid,, dl. IX, p. 301—395; idem bij vonnis der Arr.-R. Amersfoort, v. 7 Febr. 1844, R, B, jg. 1844, dl. VI, p. 232—235. — Dit beginsel wordt bestreden in W, nquot;. 257, en in R. li. jg. 1844, dl, VI, blz. 127 sq.. alwaar tevens wordt opgemerkt, dat, alhoewel de exceptie van verjaring in dit art. niet uitdrukkelijk wordt genoemd, toch uit art, 1988 li. W. volgt dat deze ook vóór alle weren van rechten kan voorgesteld worden ; immers volgens die bepaling kan zij in eiken stand van het geding, dus ook vóór het antwoord worden opgeworpen. Daartegen merkt ije Pinto I, c., p, 302 op, dat die gevolgtrekking niet .juist is, immers dat uit de uitdrukking )gt;in eiken stand van het gedingquot; volstrekt niet volgt, dat men niet verplicht zou zijn die exceptie te doen vergezeld gaan van zijn verdediging ten principale, — Wat de conclusie betreft, komt het in R, H. 1, c. betoogde overeen met de conclusie van den Proc.-gen, bij den I), R,, die zijne meening echter daarop grondde, dat de opgenoemde exoeptiën moeten uitr/vbreicl worden tot die van verjaring, omdat voor deze laatste dezelfde ratio, als voor de opgenoemde aanwezig is. — Rij arr. van 't P, H, van N.-Holland, v. 20 Juni 1842, VV. n0. 306; R. R. jg. 1842, dl. IV, p. 539 sqq, is nog beslist ,

ocr page 614

,1(7. IfiO

dat art. IRO R. R. te kennen geeft, rlat wanneer men eene exceptie, die niet dan te gelijk met de principale zaak had behooren behandeld te worden, evenwel afzonderlijk heeft voorgesteld, en die zelfs zóó gegrond is bevonden, dat zij is toegewezen, cle excipient ook dan non i)i de kosten behourt te worden verwezen, maar dat uit deze bepaling geenszins bij tegenstelling kan worden afgeleid, dat, wanneer men zich aan de betaling der kosten zou willen onderwerpen, men de bevoegdheid zon hebben, exceptie op exceptie te stapelen, zonder immer de zaak ten principale in behandeling te brengen. w.'lk beginsel mede is gehnldisd bij vonnis der Arr.-R. Gruningen, v. 25 April ISIS, li. li. jg. 1815, dl. \ l[, p,'iSO —682; bij arr. van 't P. II. v. Z.-Holland, v. 10 Dec. 1840, W. n0. 792; bij vonnis der Arr.-R. Amersfoort, v. 3 Juni 1850, W. nquot;. 1181, en van de Arr.-R. Amsterdam, v. 28 Jan. 1852, R. li, jg. 1852, p. 293—301; Amst. ller/tsfji'.. dl. TT. p. 250—254, bij ieder van welke uitspraken respectievelijk met verwerping eener exceptie, waarbij niet mocht worden gepersisteerd tevens ten principale is uitspraak gedaan, terwijl al verder bij vonnis van de Arr.-R. Assen, v. 30 .limi 1851, W. nquot;. 1284, de excipient eenvoudig is verklaard niet-ontvankelijk in zijne voorgedragen exceptie, met veroordeeling in de kosten; vgl. ook Arr.-R. Amsterdam, v. 22 Nov. 1805, R. B. jg. 1800, p. 554 sqq., waarbij de exceptie vooraf werd onderzocht en ambtshalve art. 160 § 1 werd toegepast; zie daarover de noot van v. B. F. in R. li. t. a. p., p. 556 ; idem vonnis derzelfde rechtbank, v. 29 Juni 1870, W. n '. 3257, ten aanzien van de exceptie van verjaring.

fn anderen zin voorts navolgende beslissingen:

Bij niet-inachtneming van het voorschrift van art. 160 al. 1 I? Rv.^ immers bij het voorstellen van eene exceptie (niet nomlnallm bij dit artikel aangewezen) met voorbehoud van het antwoord op de hoofdzaak, kan niet reeds op die exceptie noch op de hoofdzaak worden recht gedaan, maar behoort de beslissing te worden aangehouden en hij de quot;hoofdzaak gevoegd, met bevel aan den excipient, om ten principale te antwoorden en veroordeeling van hem in de kosten, door het afzonderlijk voor s feilen der exceptie veroorzaakt, en met voorbehoud der overige.

Arr. v. 21 Jan. 1859, W. nquot;. 2029, R.. dl. LX1 § 14; v. n. II.. B. R.. dl. XXIII, p. 23—27, waarbij werd beslist, dat door dergelijke, beslissing art. 100 B. R. niet is geschonden of verkeerd toegepast; Arr.-R. Amster-v. 30 Jan. 1839, W. n®. 211, Itcr/t in Xedert., dl. II. p. 170—174; jjj, arr. P. H. v. Z.-Holland, v. 18 Oct. 1843, W. n •. 444, bevestigende vonnis

Arr.-R. 's-Gravenhage, v. 30 Juni 1843, W' nquot;. 443; arr. van datzelfde ^ Hof, v. 13 Nov. 1844, W. nquot;. 501 ; Arr.-R. 's-Hertogenbosch, v. 24 Jan.

1844, W. n®. 352; arr. P. II. v. N.-Holland, v. 15 Oct. 1846, W. nquot;. 779; Arr.-R. Gorinchem, v. 4 Sept. 1847, VV. n®. 1049; An.-R. 's-Hertogen-bosch. v. 27 Juni 1851. W. nquot;. 1332; arr. P. H. v. Zeeland, v. I Juni

ocr page 615

Art. Ifi»).

1838. R. li. jw. 1850, dl. IX, biz. 480; arr. Hof Leeuwarden, v. 27 Nov. '1876, VV. nquot;. 4089, R. 1Ï. Jg. 4878. A, p. 23; Ktg. Groningen, v. 9 Juli 1877, \V. n0. 4162, met uitzondering', dat hier de kosten werden gereserveerd ; — in denzelfden zin nog Arr.-R. Almelo, v. 26 Febr. 1862, VV. nquot;. 2470, ook vermeld ad art. '159 B. R. n0. 4; Hof Groningen, v. 23 Mei 1871, W. u0. 3370, R. 1!. jg. 1872, dl. XXII, blz. 458; bij arr. P. H. v. N.-Holland, v. 7 Maart 1867, W. n*. 2912. is beslist dat, wanneer niet tot aanhouding of voeging van de exceptie bij de hoofdzaak is geconcludeerd, de rechter daaromtrent in geen onderzoek behoort te treden ; idem Arr.-R. 's-Gravenhage. v. 11 l ebr. 1873, W. n°. 3853 ; zie ook Arr.-R. 's-Hertogenbosch, v. 22 Oct. 1856, W. n0. 1822, waarbij werd overwogen, dat bij miskenning van dit voorschrift geen andere straf mag worden toegepast dan verwijzing in de kosten daardoor veroorzaakt, en bepaaldelijk niet niet-ontvankelijk-verklaring in de afzonderlijk voorgestelde exceptieve verwering.

liet stelsel der Arr.-R. Amsterdam, v. 30 Jan. 1839 ut supra, waarmede ook het gemeld arr. 11. I!.. v. 21 Jan. 1859 overeenstemt, wordt verdedigd door de Pinto, lUII., B. 11.. dl. II, 1, p. 295 sq., die daardoor alle zwarigheden aan eene tegenovergestelde leer verbonden, vermeden acht, en betoogt dat c contnwiu uit art. 161 moet volgen, dat die exception, welke niet mogen afzonderlijk voorgesteld worden, wel moeten worden aangehouden en gevoegd bij de hoofdzaak; en door Mr. G. M. van den Linden in Themis, 4de jaarg. p. 217—235.

Eindelijk wordt in 't W. n0. 792, bij Oudeman, li. It.. 4de ed., dl. 1, p. 218, en de Pinto, /ƒlt;//., 11, 1, p. 295, bestreden het beginsel, aangenomen bij arr. van 't P. II. v. N.-Holland, v. 20 Juni 1842 sqq., als zou dit daarstellen eene willekeurige tweede straf, waarover de wet zwijgt.— Met laatstgemeld gevoelen komt overeen het vonnis van de Arr.-R. 's-Hertogenbosch, v. 27 Juni 1851, ut supra, waarbij is beslist, dat uit de miskenning' van het wettelijk voorschrift, vervat in art. 160, nn. 1. li. R.. alleen volgt eene verwijzing in de kosten, doch daaruit, volgens de beginselen van 't W. v. B. R.. niet kan worden afgeleid, dat de excipienten later niet-ontvankelijk of ongegrond zouden zijn in hunne exceptieve middelen, (waarvan sommige wel, doch andere niet behooren tot de uitzonderingen. vermeld in art. 160) zonder ten principale verdediging' te doen voordragen, en in dit geval moet worden bevolen de afzonderlijke behandeling der exceptiën, bij art. 160 van den algerneenen regel uitgezonderd, terwijl de anderen moeten worden aangehouden en bij de hoofdzaak gevoegd. — Vgl. wijders, v. o. Honert, Hdh.. p. 281 ; Oudeman, 4de ed., dl. I, p. 212 en ten betooge, dat het voordragen van eene quasi-exceptie of een incident, hetwelk het wezen en het karakter heeft van eene verdediging ini fond, de uitspraak ten principale niet kan verhinderen — art. 249 B. R.. vonnis van de Arr.-R. Amsterdam, v. 31 Oct. 1845.

3, Een gedaagde, niet gehandeld hebbende met des eiscbers bestaan hebbende firma, maar met den eischer in privé, kan door den eischer in kwaliteit als likwidateur zijner ontbondene firma en als cessionaris

ocr page 616

f Art. 160.

daarvan niet worden aangesproken (zijnde bij dit arrest tevens beslist dat, indien de eischer in zijne kwaliteit in die vordering is verklaard niet-ontvankelijk, alsdan zoodanige uitspraak, met het oog op art. 59 B. li,., genoegzaam is gemotiveerd).

Arr. v. 1G Juni 1843, W. n0. 412; \.lgt;. H., /gt;'. //..dl. IV. |j. 484—500.— Vgl. hiermede het, daartoe betrekkelijk urr. van 't 1'. II. v. N.-Brabant, v. 22 Nov. '1842, W. n0. 364; R.. dl. XV, § 12, vernietigende het vonnis van de Ai r.-R. 's-Hertogenbosch, v. 21 Jan. 1842, W. nquot;. 326.

4L Indien in een geval, waarin de verweerder in eersten aanleg, tegen de vordering des eischers had voorgesteld, zoowel de non-kwalificatie des eischers, als dat hij, verweerder, ook de kwaliteit niet bezat, waarin hij in rechten was geroepen, en op die gronden tot niet-ont-keiijkheid had geconcludeerd, de redster, het voorgestelde als eene exceptie behandelende, bij zijn vonnis heelt verklaard, dat de eischer de kwaliteit, waarin hij is opgetreden, voldoende heeft bewezen, dan ligt in des rechters vorengemelde verklaring, werkelijk de verwerping der in dat opzicht voorgestelde exceptie (en alzoo eene definitieve beslissing op dat op zich zelf staande gedeelte, waartegen appèl kan worden ingesteld, zonder het eindvonnis af te wachten).

Arr. v. 8 Mei 1846, W. nquot;. 721 ; 11., dl. XXIV, § 37 ; v. d. H., B. if., dl. VIT, p. 409—423. — Cf. art. 46 Ti. R., arr. van denzelfden datum, sub nquot;. 3.

5. De exceptie quot;fibi adversu-v me non com/petit actioquot; behoort niet onder de zoodanige, welke a limine litis moeten worden voorgesteld, maar stelt daar eene peremtoire exceptie, ontleend aan het fonds der zaak, en welke exceptie de strekking heeft om de ingestelde rechtsvordering linaal te doen afwijzen, zoodat zij eene verdediging ten principale oplevert. Hieruit volgt dat, evenzeer als een verweerder bevoegd is, om die ter eerste instantie in eiken stand van het geding aan te voeren, hem ook diezelfde bevoegdheid in hooger beroep (zelfs dan wanneer hij , in eerste instantie, o. a. tot persoonlijke voldoening gedagvaard, uitsluitend verdediging a» foml heeft gedaan) is behouden.

Arr. v. 11 Pee. 1846, \V. nquot;. 770; R., dl. XXV. § 70; v. D. H., G. dl. V, p. 200—226; idem bij arr. van 't P. II. v. Z.-Holland, v. 5 April 1843, W. nquot;. 385; Ti., dl. XIV, § 66; idem bij vonnis Ktg. Breda,

ocr page 617

Art. Ifif» )

5911

v. A pril 1859. NV. nn. '2(177 ; — idem ten hetonge. dat die middelen van niet-ontvankelijklieid, welke door de Fransche practici, exceptions peremptoires au fond worden genoemd, geacht moeten worden te behooren tot die weren van rechten, die. in den zin der wet, eene verdediging ten principale opleveren, bij arr. van quot;t 1'. II. v. Overijssel, v. April 1S44. quot;VV. liquot;. 49ü; I!.. dl. XIX. p. 05; lieyt in Xedcrl., dl. IV. p. ISS—130; R. li. jg. '1844. dl. VI (speciaal wat deze kwestie betrelt) op p. 608: en v. -12 Oct. 1840. W. li0. 707 (waarbij is beslist, dat het voorgesteld middel van niet-ontvankelijkbeid. gegrond op het beweren, dat het domein-bestuur, volgens de bepaling van het vorstelijk besluit van 18 Jan. 1814, tot liet instellen dei' actie, behoefde 's Konings autorisatie,geenszins eene dilatoire of andere exceptie, maar een peremptoir middel van niet-ontvankelijkheid oplevert); idem bij vonnis van de Arr.-K. Kindhoven, v. 7 Mei 1849, \V. nquot;. 1089; Hcc/l in Xederl.. dl. 1\. p. 399 en 400, en Nijmegen, v. 12 Jan. 1847, W. nquot;. 840.

Vgl. hiermede de conclusie van den proc.-gen. bij den 11. 1!,, welke heeft geleid tot het arr, v. 11 Mei 1840 ut snpra \te vinden in de H.. dl. XXV. p. 308—319). Hoewel ook Z111A. erkende, dat de hier voorgestelde grond van niet-ontvankelijkheid voor het eerst in hooger beroep kon worden aangevoerd, meende hij echter, dat zulks eerst dan zou kunnen geschieden, wanneer de excipiente.n, eenvoudig in kwaliteit gedagvaard, voor liet eerst in die instantie zonden beweren de hun toegeschreven hoedanigheid, waarin zij zijn aangesproken, niet te bezitten, maar niet, wanneer, gelijk in msu, commissarissen van het grootboek waren gedag.vaard o. a. om ieder zijn persoonlijk aandeel in een ten onrechte afceschreven kapitaal op te leggen, en zij, door uitsluitend de handeling, welker onrechtniatigheid het fundamenlum petcndi uitmaakte, te verdedigen, hebben erkend de aansprakelijke personen te zijn. Overigens is tacite beslist bij arr . van 't P. H. van Z.-Holland, v. 18 Oct. 1843, W. nquot;. 444 (bevestigende een vonnis van de Arr.-R. 's-Gravenhage, v. 30 Juni 1843, W. n'. 443) en v. 13 Nov. 1844, VV. n'. 561, alsmede bij vonnis der Arr.-R. Amsterdam, v. 25 Juni 1843, R. B. jg. 1844, dl. VI, p. 88 en bij arr. van 't P. 11. v. Gelderland, v. 23 Juni 1847, \V. n ■. 840; R. li. jg. 1847, dl. IX. p. 474'—477 (vernietigende het vonnis van de Arr.-R. Nijmegen ut supra), dat de exceptie hbi adversus me non com-petit actio niet kan worden gerangschikt onder de in art. 100 15. R. opgenoemde uitzonderingen en mitsdien niet afzonderlijk kan worden voorgesteld; — idem bij du Pinto, /W/., II. I, p. 293 vlgde; idem, wat betrelt de exceptie »tibi non competit actioquot;, bij vonnis Arr.-R.'s-Gravenhage, v. 11 Febr. 1873, W. n', 3853; — anders bij vonnis Kantong. nquot;. II Amsterdam, v, 22 April 1847, R. IJ. jg. 1847, dl. IX, p. 560—562.— Vgl. hiermede ook art. 160, vonnis van de Arr.-R. Sneek, v. 25 Juni 1845, en wijders ten betooge: a. dat de exceptie tibi adversus mc non coinpelit actio, daar waar pcricaluin in. marei aanwezig is, — onge-praejutlicieerd alle rechten van partijen, zoo ten principale als ten opzichte der uit krachte dier exceptie geproponeerde exceptie van niet-ontvankelijkheid — niet obsteert het toestaan van eene provisioneele incidenteele vordering tot onderzoek naar de bevinding van een gebouw op hetoogen-

ocr page 618

(Art. Ifill

blik van den aanvang van bet rechtamp;reding — art. 51 B. R.. vonnis van de Air.-R. '.s-Gravenhaire, v. 20 Oct. 1843, sub nquot;. 2 : 6. dat op den gedaagde, die de stelling «tibi adversus me non competit actioquot; bezigt, de verplichting berust het bewijs daarvan te leveren — een vonnis van 't Ktg. Gorinchern, v. 8 Juni 1849, W. nn. 1047 (l). Zie ook art. iöO R R., vonnis van de Arr.-R. 's-Hertogenbosch, v. 27 Juni 1851 sqq,, en art. 348 B. R., arr. v. 11 Dec. 1846.

tt. De strafbepaling, in art, 160, n0. 1. 15. R, ter zake van het niet smid ei semd voorstellen der exception bedreigd, is niet van toepassing op de speciale bepalingen omtrent de exceptiën van onbevoegdheid, in de artt, 155 en 156 1? 11 vervat.

Arr. v. 3 Maart 1848, \V. nquot;. 895; R.. dl. XXX, ^ 14; v. n. II.. B. R., dl. IX, ]). 301—313; idem bij vonnis van de Arr.-R. 's-llertogenbosch, v. 27 Juni 1851, \V. nquot;. 1352, naar luid waarvan liet buiten allen twijfel is. dat de exceptie van onbevoegdheid, even als die van nietigheid der dagvaarding, moet gerangschikt worden onder de zoodanige, waaromtrent de wet bij uitzondering bepaalt, dat ze vóór het antwoord ten principale kunnen voorgesteld en op zich zelve moeten uitgewezen worden. — Vgl. hiermede ten becooge, dat, door de exceptie van incompetentie te verwerpen en tevens over de hoofdzaak recht te spreken, alvorens de excipient ten principale geantwoord heeft, de wet wordt geschonden en zoodanig vonnis moet verbeterd worden — een vonnis van de Arr.-li. Amsterdam, v. 18 Febr. 1851, W. nquot;. 1224; Atnsterd. Hegtspr., d\. 1, p. 304—307.

S. Indien verweerders in cassatie de rechtsvordering in zekere hoedanigheid hebben aangevangen en deze gedurende liet geheele rechtsgeding hebben blijven voeren, dan kan de eischer (oorspr ged.), die hoedanigheid betwistende, en uit dien hoofde de exceptie van non-kioalijicaüe hebbende opgeworpen, welke eenig en alleen het onderwerp van het rechtsgeding geworden is, bij het beroep in cassatie aan de verweerders gemelde hoedanigheid niet toeschrijven en is hij in dit geval ontvankelijk zijne voorziening te richten tegen de verweerders in hun privé.

Arr. v. 3 Juni 1848, W. nquot;. 922; R„ dl. XXXI. § 27; v. d. 11., B. R., dl. X, p. 1—18; vgl. het daartoe betrekkelijk arr. van 't P. H. van X.-llolland, v. 13 Jan. 1848, R. B. jg. 1848, dl. X, p, 14 sqq. en het

(1) lgt;ir. vonnis scheen aan Mr. Leon toe op eene dwaling ie berusten. De geilaagde •lie beweert niet den eischer niets te maken te hebben, behoeft nier en kan ook bezwaarlijk het negatief bewijs leveren, dat er geen vvlt;culuvi juris tusschen hem en den eischer bestaat, maar berust het onus probandi op den aanlegger.

591

ocr page 619

Art. 160.) 59£

vonnis tl^r A it. -1 l . A11 is tord ;i 111. v. 10 Dec. 1847, \V. n944. alsmcdc art. 1 li. K.. sub nquot;. 1 en de overige vonnissen aldaar aangehaald.

S. Er k:m geene reden zijn van het ambtshalve toewijzen eener exceptie vau non-kwaliticatie, indien het P. II uiet ontkend heeft, dflt aan zeker persoon de voogdij over eene minderjarige bij testament is o')gedragen, doch alleen heelt beslist, dat het beheer , door hem o-evoerd over de, ingevolge zekere dading, aan hem uitgekeerde som, niet is geweest een beheer in zijne rechtens bestaande hoedanigheid van voogd.

Arr. v. 25 Jan. 1850, W. nquot;. 1092; v. u. ii li. I!.. dl. XI, p. 153— •173. — Vgl. hiermede liet daartoe betrekkelijk arr. van t P. II. van N.-lIolland, v. 12 April 1849 en het vonnis der Arr.-R. Amsterdam, v. 22 Juni 1848, W. nquot;. 1115; 11. 1!. jg. 1849, dl. XI, p. 245 sqq.

gene exceptie van r.iet-ontvankelijkheid op grond van non-' ^ ^ kwalificatie, voorgesteld bij conclusie van antwoord, doch alleen bij

^ dupliek op de objection des eischers nader aangedrongen en ont syux. ^quot;wikkeld, kan niet geacht worden tardief te zijn voorgesteld.

Arr. v. 17 Jan. 1851. W. nquot;. 1221; v. n 11- B. It dl. XII. p. 264-

yj /tfyy 275.__Cf. art. 348 R. R.. vonnis van de Arr.-R. Grorinchem, van 3(»

|848

nquot; . t«. Art. 160, nn. 3 B. li. regelt alleen de orde, waarin de exceptie van non-kwalificatie moet worden voorgesteld.

Arr. v. 22 Oct. 1852, W. n'. 1016; R., dl. XLllI, § 15, v. i'. H. B. U.. dl. XV. p. 197 sqq., bevestigende een arr. van 't 1'. II. van Gelderland, v. 29 Oct. '1851, R. ut supra en R. B. jg. '1852, p. 432 en 433.

I i Wanneer, nadat door den verweerder voorgesteld was de exceptie, dat de eischer de kwaliteit niet bezit van mondeling gemachtigde van zeker daarbij aangeduid persoon, de rechter verstaat, dat deze exceptie niet is een middel van verdediging ten principale, maar integendeel eene dis-kwalificatoire exceptie, die de strekking heeft eu wordt voorgesteld, ten einde alle onderzoek, met betrekking tot de zaak ten principale, als geheel overtollig te voorkomen en af te snijden, dan is dit eene beslissing van zuiver feitelijken aard, waarop in cassatie niet kan worden teruggekomen, en is bij eene zoodanige feitelijke beschouwing, en bij het bestaande gemis eener bepaalde definitie van

ocr page 620

[Art. 160.

eeiie exceptie van nou-kwaliticatie, art. 100, n0. 3 B. R. met juistheid toegepast.

Ait. v. Mei 1853, W. nquot;. 1440; H.. dl. XI,IV. § 7G (1); v. n. II., II It., dl. XVII. p. 23 sqq.

13. Het Hof heeft art. 160 15. R. niet verkeerd toegepast, wanneer het de voor het eerst in hooger beroep gevoerde bewering, dat de eischer de hoedanigheid, waarin hij optreedt, niet heeft bewezen, niet-ontvankelijk heeft verklaard.

Air. v. 19 Jan. 1800. W. nquot;. 2137; v. D. li., B. li., dl. XXIV, p. 55 isqq.; vgl. over de vraag, of deze exceptie voor het eerst In hooger beroep kan worden voorgesteld, arr. v. 12 Maart 18G3, W. nquot;. 2460, R., dl. LXXI1I, § 44, ook vermeld sub art. 348 B. R., waarbij tevens is beslist, dat alle, ook onder den vorm van eene exceptie voorgestelde weren van rechten, eene verdediging ten principale opleveren, wanneer /.ij de strekking hebben de ingestelde rechtsvordering finaal te doen afwijzen, en dat de exceptie van non-kwalificatie is eene peremptoire niet slechts de instantie, maar het fond betreffende; verg. aant. 9 van dit art.

13. Naar oud-Hollandsch recht is de rechter bevoegd ambtshalve toe te passen, de alleen op het recht gegronde exceptiën, waartoe behoort de in casu uitgesproken met-ontvankelijkheid, daarop gegrond, dat de eischer liet jus standi in judicia mist.

Arr. v. 17 Mei 1861, W. nquot;. 2276; R., dl. LXVIII § 6 ; v. D. 11.,^. dl. XXV, p. 246 sqq. ; vgl. over den aard der exceptie zelve, het aange-teekende sub n0. 27 van dit art.

14L Üe artt. 160 en 161 B. R., die alleen betreflen den tijd wanneer en de wijze waarop de verschillende exceptiën moeten worden voorgesteld, behandeld en uitgewezen, — kunnen niet zijn geschonden, waarde rechtsvraag, waaromtrent het geschil bestaat, alleen betreft den bewijslast.

Arr. v. 21 Juni 1872, W. nquot;. 3477, R.. dl. Cl § 20; v. d. II.. II. 11.. dl. XXXVII, p. 260 sqq.

45. Een exceptie bedoeld bij de eerste alinea van dit artikel {in casu een middel van niet-ontvankelijkheid, strekkende tot finale afwijzing der vordering) hoewel eerst voorgesteld na het antwoord, moet

(1) Mr. Leon meent de juistheid van dit arr., althans in zijne algemeenheid, te moeten betwijfelen. De vraag toch, of de verdediging van een gedaagde eene exceptie, dan wel eene verdediging ten principale betreft, is, z. i., wel degelijk juris. Gaat men uit van eene tegenoverge^elde mceninj?, (iun kan de judt-x facti iedere verdediging naar verkiezing hestempelen met den naam van exceptie van non-kwalificatie en zoo ook omgekeerd; zie in overeenstemming met Leon's meening, de aanteeke-ning 12 op dit art. en speciaal, het daar vermeld arrest van 12 Maart 1863.

l\ir. W. van Rossem Bz., Hnry. Hechtnv. :{«

59a

ocr page 621

Ait. 160.)

worden toegelaten, vermits dit artikel op het niet-nakomen van liet daarin vervatte voorschrift alleen de straf van verwijzing in de kosten bedreigt, terwijl daarenboven daarbij wordt verondersteld dat dit niet-nakomen bad kunnen zijn vermeden.

Ait. v. 25 Febr. 1876, W. nquot;. 3962, R., dl. CXH § § 17; v. d. ii.. U. It., dl. XL1, p. 39 sqq.

De II. R. besliste tevens, dat het voorstellen der exceptie hij pleidooi, hoewel anders niet regelmatig, in cüsu toch geoorloofd was, waar de verweerderesse tot die handelwijze gedwongen was door eene vergissing der eischeresse. Zie daaromtrent art. 139 B. R. n11. 2; vgl. ook P. 11. v. Zeeland, v. 20 Sept. 1859, R. B. jg. 1861, dl. XI, blz. 29—32, ten betooge dat de hier bedoelde exceptie voor bet eerst bij conclusie van dupliek kan worden voorgesteld. — In anderen zin, Ktg. n°. II Amsterdam, v. 8 Aug. 1861, W. n0. 2418; R. B. jg. 1862, blz. 45, ook aangehaald sub art 83 B. R. n0. 13, waarbij is beslist dat de exceptie van non-kwalificatie, die volgens dit artikel kan en volgens art. 83, wanneer het een verzet geldt, met het antwoord ten principale vereenigd moet worden voorgesteld, nooit, zelfs niet bij hetzelfde stuk, de verdediging ten principale mag volgen, op straffe van verwerping der exceptie.

Zie met dat laatste in strijd, implicite arr. P. H. v. Utrecht, v. 31 Dec. 1860, W. no. 2286; R. B. jg. 1861, p. 320 sqq.; vgl. ook in verband hiermede art. 83 B. R. n0. 14.

Itt. De aard en de strekking der peremtoire exccptiën is, dat, die toegewezen zijnde, de vordering ten principale daarmede geheel vervalt, zonder dat daaromtrent in eenig onderzoek getreden wordt. Hieruit volgt dat de omstandigheid, dat een gedaagde, vroeger bewaarder van in besla» genomen goederen, later die hoedanigheid onherroepelijk verloren heeft, nog niet met per se in zich sluit dat de verwering des oorspronkelijken eiscbers en geëxcipieerde daarmede ook zonder verder onderzoek geheel zou vervallen, en mitsdien de excipient en origineele gedaagde in zijne voorgestelde exceptie niet-ontvankelijk moet worden verklaard en partijen bevolen, om op de hoofdzaak voort te procedeeren,

Arr.-R. Amsterdam, v. 5 April 1842, R. B. jg. 1842, dl. IV, p. 625 630.

H Het middel van niet-ontvankelijkheid, dat de eischer tot het instellen der actie quot;ut singtihquot; onbevoegd zou zijn, behoort niet tot de dilatoire exceptiën, welke volgens art. 159 15. R, voor alle antwoorden ten principale moeten worden voorgesteld, maar behoort te worden gerangschikt onder de exceptiën van art. 161) van dat ^ etb., doch niet onder de aldaar vermelde uitzonderingen en bepaaldelijk niet

594.

ocr page 622

I Art. 100.

onder die sub no. 3, wanneer (gelijk in casu) niet de hoedanigheid van den aanlegger, namelijk van ingezeten van zekere gemeente, wordt betwist, maar enkel zijne bevoegdheid ora, als zoodanig, singali een recht te vorderen, hetgeen ut universi, aan alle de ingezetenen van de gemeente zou toekomen.

Arr.-U. 's-Hertogenbosch v. 24 Jan. 1844, W. nquot;. 552 (zijnde het voorgestelde middel van niet-ontvankelijkheid bij het onderzoek van de zaak ten principale verworpen bij arr. van 't P. 11. v. N.-Brabant, v. 12 Jan. 1847, W. n0. 781, vermeld op art. 1090 11, W., arr. v. 30 Aug. 1842, sub n0. 2).

18 De ontkentenis van liet bestaan eener gevorderde schuld aan de zijde eens gedaagde, stelt geenszins daar eene exceptie, als welke de strekking heeft om eene bestaande rechtsvordering, tempore of perera-toire te doen afwijzen, maar eene verdediging ten principale, welke ingeval zij gegrond bevonden wordt, al ware zij ook ten onrechte in den vorm van een middel van niet-ontvankelijkheid voorgedragen, eene ontzegging van den eisch, en geenszins toewijzing eener exceptio, als zijnde, eene contraria actio, ten gevolge heeft, en in het tegenovergesteld geval eenvoudig, met toewijzing mede aan den eiscber van zijne vordering, moet worden afgewezen.

Arr.-R. Nijmegen, v. G Juni 1845, R., dl. XXIX, § 91, — Cf. art. 155 li. R, vonnis van 't Ktg. Maarsen, v, 16 Nov. 1843, sub n0. 8.

1». De verhuurder, die pandbeslag heeft opgelegd op de roerende goederen, welke zich op het verhuurde bevinden, is tegen hem, die het ontslag van sommige dier goederen uit dat beslag vordert, uit hoofde die vroeger aan hem waren verkocht en geleverd, ook na deswege ingesteld getuigen-verhoor, alsnog bevoegd het voorrecht in te roepen, omschreven bij de artt. 1186 en 1188 B, W, na alvorens dien koop en die overdracht zelve te hebben betwist, uit hoofde : 1°. zulks niet anders kan worden beschouwd dan als een middel van niet-ontvankelijkheid, behoorende tot de zoogenaamde peremptoire exception au fond, als strekkende, om, met voorbijgang van den beweerden eigendomsovergang in kwestie, in allen gevalle de daarop gebaseerde revindi-catoire actie af te weren, op grond van een speciaal privilegie, en 2quot;. het hier eene exccptic gekit, die te gelijk niet het antwoord moet worden voorgesteld en hieruit volgt, dat niet het inroepen zelf dei-bedoelde middelen, na het voeren van eenige defensie au fond is verboden,

595

ocr page 623

AH. IfiO.) óDfi

maar integendeel in eiken stand nan het geding als geoorloofd moet worden beschouwd, onder gehoudenlieH der excipieerende partij tot schadevergoedinsf, casu quo, gelijk in gezegd art. is bedoeld.

A.it-R Sneek, v. 25 Juni '184quot;). 1!, li. jg. 1847. dl. IX. p. 523 525.-Vgl. ook hiermede de arr». van 't P. H. v. Z.-Holland, v. 8 Oct. 1843 en v. 13 Nov. 1844 sqq„ sub art. 160 B. R. n». 5.

80. De exceptie van inkwalificatie betreft meer bizonder de rechtsbetrekking, waarin een eischer in rechten optreedt, met dat gevolg, dat ook dan zelfs, wanneer, volgens de bestaande verordening, tot de uitoefening van een of ander beroep (in specie magnetiseur) behalve een patent, ook het bezit van eene admissie of een diploma mocht worden gevorderd, dan nog het gemis daarvan geenszins grond zou kunnen opleveren tot het opwerpen van eene exceptie van inkwalificatie. maar veeleer zou zijn een verdedigingsmiddel ten principale, ontleend uit de onwettigheid van de handelingen, waarvoor belooning wordt gevorderd.

p. H. v. Gelderland, v. 8 Oct. 1845, W. nquot;. 050; R.. dl. XXVI. § 91; U B jf 1845 dl Vil, p. '85—789, te dien aanzien bevestigende een vonnis van de Arr.-R. Nijmegen, v. 21 Jan. 1845 : idem. mede ten betooge. dat bet woord hoadanuiheid, in art. 100. n0. 3 B. R.. kennebjk doelt op eene r eebtsbetrekking, hetzij van den aanlegger, hetzij van den verweerder en hieruit volgt, dat hij, die als landbouwer is gedagvaard, met kan rreacht worden in eene hoedanigheid te zijn aangesproken - bij air. van hetzelfde 1'. 11. v. 23 Juni 1847. W. n0. 840; tl. B. jg. 184/, dl. IX. p 474—477 (vernietigende het in eenen tegenovergestelden zin gewezen vonnis van de Arr.-R. Nijmegen, W. ut supra); idem, met betrekking tot do verkeerde aanduiding van het beroep van den gedaagde - bij vonnis van de Arr.-R. Nijmegen, v. 9 Jan. 1844; R. li. jg. 1844, dl.\1. p. —7 230- R. dl. XXII. ^ 80; idem, ten betooge, dat de niet-uverlegging van het patent, met het oog op art. 31 der Wet v. 21 Mei 1819 (SW. nO.34),

nimmer op de hoedanigheid van den eischer eenigen invloed kan mtoetenen

en de rechter desniettemin in een onderzoek moet treden, en den inge-stelden eiscb óf ontzeggen óf toewijzen — bij vonnis van de ArivU. Amsterdam, v. 24 Maart 1841, liegt in NederL, dl. 111. p. /9 en 80 en van 't Ktg. Meppel m,w die, W. iv. 309; zie ook in denzelfden zin vonnis Ktc. üorinchem, v. 23 Nov. 1855, W. iv. 1780; idem bij vonnis van de Arr.-R. Amsterdam, v. 24 April 1850, R. B. jg. 1850, dl. Xll, p. 572-o/8, waarbij (mede op dezelfde gronden) omtrent bet recht verstand van art. 100, n». 3 B. R. is beslist, dat het beweren van burgemeester en wethouders, als zoodanig, zonder meer, gedagvaard, van geen verhuurders te zijn en ook, ingevolge zeker reglement, geene bevoegdheid te hebben om de stad te vertegenwoordigen in een geschil over eene huur, door den eischer met het collegie, bizonder belast met het verhuren der stads-eigendommen, aangegaan, — hier waar de gedaagden in geene kwaliteit gedagvaard

ocr page 624

(Art.. I H(l

zijn en zij dan ook alleen ontkennen lumne bevoegdheid om ter zake, waarvoor zij ten deze in rechten geroepen zijn, aangesproken te kunnen worden, — niet is de exceptie van non-kwalificatie, vermeld in art. 160. ivgt;. 3 B. R., maar alleen een grond van niet-ontvankelijkheid, waarbij niet raag worden gepersisteerd, doch die te gelijk met het antwoord ten principale moet worden voorgesteld; idem bij vonnis van dezelfde Arr.-R. v. 1G April 1839, R., dl. VII. § 39, bevestigd bij arr. van 't P. H. van Holland, v. '12 Febr. 1840, R., dl. IX. § RO, waarbij is beslist, dat, vermits de woorden liovdanüiliuid en hevocc/ct/icul nergens in de wet voor woorden van dezelfde beteekenis worden gehouden, hieruit volgt, dat de exceptie eenei' getrouwde vrouw, dat zij niet behoorlijk in rechten is bijgestaan, niet is te tellen onder de exceptiën, welke bij art. 1(50, n0. 3 Pgt;. R, bedoeld zijn. — Vgl. hiermede, met betrekking tot het eerste arr. v. 8 Oct. 1845 — ai'tt. 1373 en 1933 B. VV., een arr. van 't P. II. van denzelfden datum, respectievelijk sub nis. 5 en 18. — Zie ook, in verband hiermede, een arr. v. 't P. H. v. Z.-Holland, v. '27 Sept. 1843, R., dl. XVII, § 31, waarbij mede is beslist, dat hoedanigheid, in den zin van art. 160, 11°. 3 li. R., is eene betrekking, aan eenigen persoon opgedragen of toekomende, afgescheiden van zijn persoonlijk recht of zijne bevoegdheid.

Vgl. navolgende beslissingen :

De bewering, dat de eischer de bevoegdheid niet heeft om in rechten op te treden, behoort niet tot die exceptiën, die vóór het antwoord ten principale kunnen worden voorgesteld en afzonderlijk uitgewezen.

Arr.-R, Amersfoort, v. 22 Juni 1859, R. 15. jg. 1861, dl. XI, blz. 51—53.

Van eene exceptie van non-kwalificatie kan geen sprake zijn, alhoewel aan de gedaagde eene verkeerde kwaliteit is toegevoegd, wanneer zij niet in die kwaliteit (w ca,mi die van weduwe) maar persoonlijk is gedagvaard, wegens het niet-nakomen van eene overeenkomst door haar aangegaan.

Arr.-R. Amsterdam, v. 19 Oct. 1858. VV, nquot;. 1878; B. B. jg. 1858, dl. VIII. blz. 441 ; zie ook Arr.-R. Arnhem v. 18 Mei 1857 : R. B. jg. 1858. dl. VIII, blz. 82—87 ; waarbij is beslist dat door het woord «hoedanigheidquot; in dit artikel niet wordt aangeduid een enkel feitelijke toestand, waarin een eischer of verweerder verkeert, zooals het bezitter zijn van eene nalatenschap; — maar alleen eene rechtsbetrekking aan een der partijen toekomende.

Waar bij art. 160 al. 'S B, R. gehandeld wordt van de exceptie, dat de aanlegger de hoedanigheid niet bezit, welke hij zich toeschrijft, wordt bedoeld eene zoodanige, welke men niet aan zich zeiven ontleent, maar door wetsduiding, benoeming of anderszins verkrijgt, aldaar is die van

.,'.17

ocr page 625

Art. 160.)

voogd, curator, bewindvoerder enz., maar niet die van een eigenaar eener zaak, welke louter den rechtstitel betreft.

Ktg. Loenen. v. 21 Sept. 1864, W. n0. 204/.

«f. Een gedaagde is niet-ontvankelijk in liet betwisten der kwaliteit van de eiscbers, indien hij die kwaliteit heeft erkend bij iiet aangaan der overeenkomst, waarvan nader de ontbinding in rechten wordt gevorderd.

Arr.-R. Utrecht, v. 8 Oct. 1845, R. B. ,jg. 1845, dl. VU. p. 748—756; idem, ten betooge, dat het instellen van eene vordering tegen een bepaald persoon, van zelf de erkenning van diens bevoegdheid, om den eisch tegen te spreken, inhoudt, zoodat eene exceptie van non-kwalificatie den gedaagde nooit door de eiscbers kan worden tegengeworpen — hij vonnis der Arr.-R. Amsterdam, v. 10 Ang. 1852, R. B. jg. 1852, p. 021—028, en dat de kwaliteit, welk een der contractanten bij het aangaan der ver-bindtenis heeft aangenomen, aan de andere partij niet als een middel van niet-ontvan kei ij kheid kan worden tegengeworpen, quia factum cuique mum, 'ion adversario nocei'e debet — bij arr. van t P. H. v. N.-Bra-band, v. 3 Mei 1848, 1!.. dl. XXXV § 95. — Cf. in gelijken zin, in hooger beroep - 348 B. R.. arr. van 't P. II. v. Friesland, v. 15 Sept. 1852.

lt;8 lt;S, Indien uit de dagvaarding blijkt, dat de eiscber als executeur optreedt en in die kwaliteit rekening wil doen, dan is de bloote vermelding van 'notaris achter zijn naam nergens verboden en geeft die geetie aanleiding tot de exceptie van tiou-kwciliticciti6.

Arr.-R. Amsterdam, v. 0 Jlei 1846, R. Ij. jg. 1841), dl. \lll. p. 529.

De bewering van een rekenplichtige, dat de eischers onbevoegd zouden zijn hem in rechten als hun schuldenaar te vervolgen, zoo lang zij niet van hem hebben gevorderd, en hij des noods is veroordeeld rekening van zijn beheer en gestie te doen, zonder eenige middelen van tegenspraak der principale vordering zelve in te houden, bevat eene peremptoire exceptie, strekkende tot eene absolutie van de instantie, en valt zij mitsdien in de bepaling van art. 160 B. R.. als beboorende tot zoodanige exceptiën, die met het antwoord op de zaak ten principale te gelijk moeten worden voorgesteld.

P. H. v. Zeeland, v. 0 Juli 1846, R. H. jg, 1840, dl. \ni, p. 773 en 774 ; idem ten betooge, dat het beweren dat de eiscber niet voor enkele posten, maar uit het saldo van eene rekening-courant had moeten ageeren, met andere woorden, dat de eiscber eene andere actie had moeten instellen, dan hij gedaan heeft, nooit is eene dilatoire exceptie, maar in ieder geval-

ocr page 626

(Art. 160.

zoo het eene exceptie kon genoemd worden, eene jieremtoire zou zijn. welke alzoo met het antwoord ten principale zou moeten worden voorgesteld, bij vonnis van de Arr.-R. Amsterdam, v. 2 Dec. 'IS-iS, K. Ti. Jg. 1843. dl. V. p. 862 ; — anders bij vonnis van de Arr.-R. Middelburg, v. 22 April 1846, R, I!. jg. 1840, dl. VIII. p. 760—773 (vernietigd bij arr. ut suprai, waarbij is beslist dat, wanneer de rekenplichtige gedaagde, zonder de hoegrootheid der gevorderde geldsom te betwisten, alleenlijk tot niet-ontvankelijkheid des eischers heeft geconcludeerd op grond, dat deze eerst rekening en verantwoording had moeten vorderen, alvorens hem, gedaagde, als schuldenaar te kunnen aanspreken of arrest onder derden te leggen, alsdan de rechtbank, deze exceptieve defensie verwerpende, dadelijk ten principale kan recht doen. — Vgl. hiermede: 1°. ten betooge, dat het beweren, dat uit de overeenkomst, waaruit geageerd wordt, niet blijkt dat de gedaagde rekenplichtig is jegens den eischer niet is eene eigenlijk gezegde exceptie, waarbij kan worden gepersisteerd. maar te beschouwen is als eene verdediging ten principale, of, gelijk in de Fransche jurisprudentie bekend is. als een /in de non recevoir iiercm-tuivc an fond — een vonnis van de Arr.-R. 's-Gravenhage, v. 27 Juni 1851, W. n'1. 1243, en 2°. de bedenkingen van den inzender tegen voormeld arr. van 't P. H. v. Zeeland, (met een beroep op de definitie, vermeld op art. 159, sub n0. 4, in de noot), in 't R. Rijbl. ut supra, p. 774 en 775.

Eene exceptie daarop gegrond, dat een staat niet is opgemaakt en onderteekend door de declaranten zelve, maar door den voor hen in een tusschengeschil gehandeld hebbende procureur, behoort niet tot de dilatoire exceptiën, welke vóór alle antwoord ten principale moeien, noch tot de bij art. 100 opgenoemde, welke bij uitzondering vóór het antwoord ten principale hunnen worden voorgesteld.

1'. H. v. N.-Holland, v. 15 Oct. 1846. W. no. 770.

tï» liet woord hoedanigheid in art. 160, n0. ■'3, 15. R., kennelijk doelende op eene rechtsbetrekking, hetzij van den aanlegger, hetzij van den verweerder, welke als zoodanig den aanlegger termen tot vorderen heeft opgeleverd, volgt hieruit, dat bij tegenspraak altijd het bewijs daarvan door hem (eischer) moet worden geleverd.

P. H. v. Gelderland, v. 23 .luni 1847, R. H. jg. 1847, dl. IX, p. 474— 477; idem bij vonnis dor Arr.-R. Amsterdam, v, 9 .luli 1844, R. 15. jg. 1845, dl. Vil, p. 210—218, (waarbij tevens is beslist, dat de aanlegger kan volstaan de bewijzen van zijne kwaliteit over te leggen, dadelijk nadat die kwaliteit door de excipionten bij conclusie van antwoord is betwist); idem Ktg, Gorinchem, v. 23 Nov. 1855, W. nquot;. 1780; idem Utrecht, v. 3 Juni 1846, R. Pgt;. jg. 1846, dl. VIII, p. 522—524; idem (ten betooge, dat niet alleen het niet bezitten, maar ook het gebrek van bewijs van de hoedanigheid kan leiden tot het opwerpen der exceptie van non-kwali-

öü!)

ocr page 627

\l-l. I fid.)

[icatie _ P. II. van Gelderland, v. 30 Jan. ■IS.tO. R. B. jg. 1851, p. 145

■161 ; idem, indien men optreedt qua vennootschap van koophandel en die hoedanigheid wordt betwist (op grond, dat de eischeresse niet anders is clan eene naamlooze vennootschap van koophandel zonder wettig bestaan hier te lande, daar zij geene koninklijke bewilliging heeft bijgebracht), als wanneer men verplicht is het bewijs te leveren, welke soort van vennootschap men eigenlijk is en do rechtbank bevoegd is te verklaren, dat de eischeresse zich heeft te kwalificeeren,* - bij vonnis van de Ah.-R. Maastricht, v. '2 Üec. 1852, W. nquot;. lil2. — Vgl. hiermede een vonnis van de Arr.-R. Haarlem, v. 31 Maart 1840, W. n0. 112, waarbij is beslist, dat de kwaliteit des eischers als erfgenaam ah intestato voldoende wordende bewezen, het negatief bewijs dat er geene meerdere erfgenamen zijn, niet aan den eischer kan worden opgelegd, maar dit feit, zoo het bestaat, door den gedaagde moet worden bewezen. — Cf. met betrekking tot dit laatste vonnis — art. 100 B. R., vonnis van de Arr.-R. Amsterdam, v. 21 Oct. 1851, sub no. 35 en met dat van de Arr.-R. Maastricht. \ 2 Dec. 1852 •— art. 160 B. R., vonnis van de Arr.-R. Gorinchera, v. 4 Sept. 1847, sub no. 27.

Zie nog met betrekking tot het bewijs :

De rechter mag, nadat eene exceptie van non-kwalificatie door den gedaagde is opgeworpen, hierop gegrond, dat de eischers hunne hoedanigheid (i'/i casu van molenmees Iers) niet hebben bewezen, noch aangeboden te bewijzen, niettemin ex officio aan de eischers de gelegenheid geven op een bepaalden dag alsnog het bewijs hunner hoedanigheid te leveren. Hij mag zich daartoe zelfs laten leiden door gronden van waarschijnlijkheid, voortvloeiende uit de algemeene helcendkeul.

Ktg. Naarden, v. 6 Oct. 1859, W. n». 2160.

*lt;8«. De exceptie, dat de eischer de hoedanigheid niet zou bezitten, welke hij zich heeft toegeschreven, kan, hoezeer (gelijk in cam) van bepaalden invloed op de hoofdzaak, en eene voorname verdediging in zich bevattende op de zaak ten principale, alsnog afzonderlijk en afgescheiden van de hoofdzaak worden voorgesteld, zoo lang niet blijkt, dat men zich werkelijk op de zaak ten principale heeft uitgelaten.

Arbitraal vonnis v. 5 Juli 1847, W. nquot;. 872, arbiters Mrs. D. A. Wai,-raven. B. Donker Curtius en L. H. Kuiin.

3 3. De bewering, dat eene eischende maatschappij niet zou zijn eene persona standi in judicia, als missende de vereischte koninklijke goedkeuring, is niet te beschouwen als eene exceptie van non-kwali-

fidO

ocr page 628

\rl I Hl'

licatie. maar wel als een eenvoudig middel van niet-ontvankelijkheid.

Arr. Gorinchera, v. 4 Sept. '1847, W. n0. 1049, idem ten aanzien van de bewering, dat eene vennootschap onder een firma niet voldaan heeft aan het bij artt. '23 en 28 W. v. K. voorbeschrevene; Arr.-Ü. Amsterdam, v. 29 Jan. 1879, W. nquot;. 4408; bij vonnis van de Arr.-R. 1'trecht, v. 23 Juli *1879, W. n0. 4500, wordt daarentegen de verdediging dat de eischende firma niet beeft voldaan aan de voorschriften voor bare oprichting gesteld bij eene buitenlandsche (in caan de Belgische) wet, eene exceptie genoemi]. die volgens dit artikel zoowel vóór als met het antwoord ten principale kan worden voorgesteld. — Cf. het sub art. 160 ]'gt;. R., nquot;. 25 (arr. van het P. H. v. Gelderland, v. 23 Juni 1847) vermelde vonnis van de Arr.-R. Maastricht, v. 2 Dec. 1852.

'iH. Het kan niets afdoen, welke kwaliteiten partijen vroeger, geheel buiie.n het geding, zich mogen hebben toegekend, maar wel in welke kwaliteiten zij in het geding zich tegenover elkander hebben gesteld.

P. II. V. Zeeland, v. 29 Febr. 1848, R. B. jg. 1850, dl. XII, p. 373—375.

Eene exceptie van non-kwalificatie is niet gegrond, indien een eischer iemand in privé heeft gedagvaard en de gedaagde niet in eene. kwaliteit, maar ook in privé is opgetreden.

Ktg. Gorinchem, v. 30 Maart 1849, W. nu. 1009.

JJO. Wanneer iemand [in caau arm-meesters) van de Gredep. Staten eener provincie, tengevolge van een Kon. Besl,, machtiging verkrijgt, om in eene hoedanigheid, welke hij zich zeiven bij het, aan die Staten, daartoe ingediende verzoekschrift heeft toegeschreven, eene rechtsvordering in te stellen, dan wordt daardoor het bestaan dier hoedanigheid boven alle tegenspraak in rechten verheven, met dat gevolg, dat eene exceptie van non-kwalificatie op die gegeven machtiging der Staten volkomen afstuit.

Ktg. Gorinchem, v. 25 Sepl 1849. W. no. 1056: li. li. jg. 1849, dl. X I. p. 581—584.

JIJL Indien afzonderlijk eene exceptie is voorgesteld, niet behoorende tot de uitzonderingen, vermeld in art. 160, en welke alzoo bij de hoofdzaak moet worden gevoegd, dan kan, indien de partijen over de al of niet gegrondheid van dat middel reeds in het breede hadden gelitiscontesteerd, daarover gevoegelijk afzonderlijk worden recht

ocr page 629

All. 1 Hf).)

gesproken, en, hij verwerping rinarvan, partijen worden gelast ten

principale voort te procedeeren.

Arr.-R. Amsterdam, van 24 April 1850, K. B. jg. 1850, dl. XII. |i. 572—578 (1).

33. Da eene gedaagde is niet bevoegd om als eischer optetreden tegen zijn medegedaagde of contra-exceptiën optevverpen tegen de exceptieii door /.ijn medegedaagde niet tegen hem, maar tegen den eischer en diens vordering opgeworpen

An'.-R. Amersfoort, v. 12 April 1850, 11. I!. jg. quot;1857, blz. 355—i59.

33. Indien de hoedanigheid van personen, die opgetreden zijn als bestuurders eener kerkgemeente, als zoodanig niet betwist wordt, maar te hunnen aanzien alleen wordt beweerd, dat /.ij niet in rechten zijn opgetreden overeenkomstig het voorschrift der wet, dan stelt zulks geenszins daar de exceptie van non-kwalificatie, welke voor het antwoord ten principale kan worden voorgesteld.

Ait.-R. 's-Hertogenbosch, v. 27 Juni 1851, W. aquot;. 1352 ; idem bij vonnis van de Arr.-R. Maastricht, v. 19 1'ebr. 1852, R. I?. jg. 1852. p. 495—497. naar luid waarvan het middel van niet-ontvankelijkheid, daarop gegrond, dat eene naamlooze vennootschap, die volgens hare statuten, door de directie in rechten moet worden vertegenwoordigd, als eischeresse is opgetreden, zonder dat de directie in bet geding is, tot de zoogenaamde peremtoire exceptiën behoort, welke eene verdediging ten principale daar-stellen ; idem, wanneer wordt beweerd dat de eischer in zijne door den gedaagde niet betwiste hoedanigheid van thesaurier eener kerkfabriek zekere actie niet kan instellen, als zijnde deze bevoegdheid alleen aan de kerkfabriek zelve gegeven, bij vonnis van dezelfde Arr.-R. v. 1 Dec. 1853, W. no. 1504; idem, met betrekking tot de vraag, of commissarissen eener n-eldleening zijn gelibereerd door de algemeene vergaderingen van aandeelhouders en of zij hunne macht door het royeren der hypotheek, vroeger ten behoeve dier aandeelhouders genomen, zijn te buitengegaan, bij vonnis der Arr.-R. Amsterdam, v. 2 tebr. 1853, R. li. jg. 1853, p. 231 233. _ Vgl. art. 160 li. R- arr. v, 11 Dec. -1846 sqq., sub n0. 5.

34. Men voorgedragen middel, dat een werk zonder eenig protest

(1) Dit vonnis komt aan Mr. Leon voor bepaaldelijk in strijd te zijn met het geschreven recht. — Bij de afzonderlijke voordracht toch van iedere exceptie heeft er in het breede litiscontestatie plaats. Bovendien kan het daarbij aangenomen beginsel goed zijn in ju re constituendo, — in jure conslilulo kan die leer niet opgaan. Ie recht z. i. is dan ook bij vonnis van de Arr.-U. Maastricht, v. 1 Dcc. 1853, W, n0. 1504 en van Gorinchem, v. 4 Sept. 184quot;, W. nquot;. 1049, beslist, dat de voorschriften van art. 160 de procesorde raken en de rechter, zelfs bij het stilzwijgen on goedvinden van partijen, daarvan niet mag afwijken.

ocr page 630

Arl. Hid.

aanvaard en naar willekeur daarover beschikt is, is een middel van niet-ontvankelijkheicl, eene zoogenaamde exception peremptoire au fond, omdat het strekt tot afwijzing der vordering, zonder eenig onderzoeknaar de al dan niet gegrondheid van het funilamentum petendi (namelijk dat het gebouw niet in zulken staat is gebracht als volgens overeenkomst had behooren te geschieden) en behoort dit niet tot de uitgezonderde exceptiën, welke zonder het antwoord ten principale kunnen worden voorgesteld.

Arr.-R. 's-flertogenbosch, v. 27 Juni i851, W. n0. 1352.

35. Erfgenaamschnp ah intestate [in casu van een voormalig lid der gedagvaarde corporatie) is zoodanige kwaliteit, welke, zoo zij niet bewezen is, den gedaagde de bevoegdheid geeft de exceptie van non-kwalificatie op te werpen.

Arr.-R. Amsterdam, v. 21 Oct. 1851, Amsterd. Rcytspr., dl. II. p. 202 en 203; idem Haarlem, v. 31 Maart 1840, W. n0. 112 (vgl. art. 16015. R., arr. van 't P. H. v. Gelderland, v. 23 Juni 1847, sub nquot;. 25); — anders bij vonnis der Air.-R. Leiden, v. . . Sept. 1850, W. nquot;. 1220, naar luid waarvan liet recht van erfgenaamschap (in casu ex testamcutó) niet als eene kwalificatie kan worden aangemerkt en waarbij op dien grond is beslist, dat de bevoegdheid van een erfgenaam ook tegen zijne mede-erfgenamen om te ageeren tot scheiding en verdeeling der nalatenschap, niet afhankelijk is van de omstandigheid, of de mede-erfgenamen dp kwaliteit van hem, die de scheiding vraagt, erkennen of betwisten en dat, al ware dit anders, de verdediging, waarbij wordt ontkend eene beweerde filiatie, niet afzonderlijk en in den vorm eener exceptie behoeft te worden voorgesteld, maar ook te gelijk met andere middelen kan worden voorgedragen.

Gedaagden, die verschenen zijn op eene aan hen beteekende dagvaarding, erkennen daardoor de kwaliteit, hun in die dagvaarding toegekend en zijn niet meer bevoegd op zoodanige, naar hun inzien, verkeerde kwalificatie, eene exceptieve verdediging te gronden.

Arr.-R. Amsterdam, v. 21 Oct. 1851, Amsterd. Regtspr.. dl. II. p. 202 en 203. — Cf. in een tegenovergestelden zin, een vonnis van dezelfde Arr.-R., v. 9 Maart 1849, sub art, 135 B. R., n0. 12.

Zie voorts ten betooge, dat gedaagden, die op den tegen hen in de bij dagvaarding gemelde kwaliteit gedanen eisch antwoorden, alsof zij die kwaliteit bezitten, zich de bevoegdheid hebben ontnomen om later die kwaliteit te betwisten.

Ktg. Gouda, v. 20 Sept. 1855. W. nu. 1(387,

fiO;}

ocr page 631

Ui. Kil).)

Vgl. navolgende beslissing :

fiischers, die oj) de door de gedaagden voorgestelde exceptie van non-kwalificatie niet bij conclusie antwoorden, moeten worden geacht die exceptie niet te hebben wedersproken, maar veeleer erkend te hebben, dat zi] de kwaliteit missen, waarin zij in dit geding zijn opgetreden.

Arr.-R. Gorinchem, v. 6 Sept. '1870, W. n». 3249.

39. Hoezeer het beginsel, dat de ge'ieele wet v. 2S Aug. 185] [Sthl. n0. 125) op de, onteigening ten algemeeneu nutte beheerscht, gelegen is in spoed en dus in voorkoming van alle omslachtige en langwijlige procedures, zoo moet evenwel bij, die onteigening vordert, en zich beroept op bet exceptioneel recht van art. 3 dier wet (bepalende, dat als eigenaars van het te onteigene worden beschouwd zij, die als zoodanig in de registers van het kadaster voorkomen) of zich stride aan die wetsbepaling houden en dus eenvoudig dagvaarden den persoon, op wiens naam de te onteigene goederen in de registers van het kadaster staan, bf, zoo hij daarvan afwijkt, door, gelijk in casu, de rechthebbenden van dien persoon (als overleden zijnde) te dagvaarden, zich wachten voor dwaling in de personen en kwaliteiten der gedaagden, met dat gevolg, dat, indien hij zoodanige dwaling mocht hebben begaan, de uit dien hoofde door de gedaagden voorgestelde exceptie van niet-ontvankelijkheid moet worden toegewezen.

Arr.-R. Amsterdam, v. 20 Sept. 1854, R. R. jg. 1854, p. 546.

38. De exceptie van non-kwalificatie, door den origineelen eischer tegen de interveniënten aangevoerd, kan niet opgaan, wanneer juist de kwaliteit, waarin zoowel de origineele eischer als de interveniënten optreden, het hoofdpunt van het geschil uitmaakt, en over en weder betwist wordt

Arr.-R. Amsterdam, v. 31 1 )ec. 1856, R. 1!. jg. 1858, dl. \ 111. blz. 247— 249.

3ïgt;. Het vonnis, waarbij den gedaagde de door hem gemoveerde exceptie van compromis wordt ontzegd, met last om voort te proce-deeren, ontneemt hem de bevoegdheid niet, te gelijk met zijne verwering ten principale, zoodanige exceptie te moveeren, als daarmede, volgens dit artikel, kan gepaard gaan.

Arr.-R. Amsterdam, v. 25 Febr. 1857, W nquot;. 1868. H. B. Jg. 18.)7. dl. VII, blz. 304—310.

ocr page 632

[Ar!. 100.

AO De omstandigheid, dat de administrateur eener nalatenschap als zoodanig rekening en verantwoording heeft gedaan, en is gedechargeerd, kan ten opzichte van hen, die zich later opdoen en rekening en verantwoording vragen, zijne kwaliteit niet doen ophouden, en alzoo nimmer tegen lien eene exceptie van non-kwalificatie, maar alleen de ontzegging der vordering wettigen.

P. 11. v. X.-Holland, v. 18 1'ebr. 1858, W. nquot;. 2015.

-li. Ook d an wordt ten principale recht gedaan, wanneer, tengevolge eener peremtoire exceptie van niet-ontvankelijkheid, een eisch wordt afgesneden. Daaruit volgt, dat de llooge Raad, door te gelasten ten principale voort te procederen, het onderzoek omtrent alle exceptieve weren niet heeft willen afsnijden.

I'. 11. v. N-Holland, v. 18 Maart 1858. \V. n°. 2019.

-12. W anneer een lichaam [iu casu de lloenwaard) geene bloote communio en onverdeelde eigendom, doch een door het openbaar gezag in het leven geroepen en erkende instelling is, zich in dit geding stichting of maatschap noemt, neemt het daarmede geene hoedanigheid aan, die vreemd is aan zijne eigenlijke wijze van bestaan, doch geeft enkel te kennen, wat het zich zelf beschouwt te zijn, zoodat de tegenwerping van liet aannemen van eene verkeerds kwaliteit eu van liet onzeker en twijfelachtig laten daarvan komt te vervallen.

Arr.-R. Arnhem, v. 24 Maart 1859, W. n0. 2107.

13. De gedaagde moei de exceptie, dat zij niet alleen in privé, maar ook in hare hoedanigheid van moeder en wettige voogdesse over hare minderjarige kinderen, moest zijn gedagvaard, met het antwoord ten principale tegelijk voorstellen. Deze exceptie toch behoort niet onder die sub art. 100 n0. 3 H Rv. bedoeld.

Ivtg. Harderwijk, v. 3 Aug. 186-1. W. n '. 2297.

-at-5-, Die, als voogd gedagvaard, als zoodanig procureur heeft gesteld, is onbevoegd om de except,io disqualijicatoria voor te stellen op grond, dat zijne voogdij tijdens de dagvaarding was geëindigd; maar moet.

ocr page 633

Art 160.) 606

als liij in die kwaliteit niet wil voortprocedeeren, de schorsing beteekenen ,

volgens artikel 250 B. Rv.

P. II, v, Overijssel, v. 20 Juni -1865, W. n0. 2822.

-45. Kene exceptio dhqualijicatoria, hierop steunende dat eene partij, die van een bij acte van appèl behoorlijk omschreven vonnis in hooger beroep komt, bij die acte niet juist dezelfde hoedanigheid aan hare wederpartij toeschrijft, welke deze zich in eersten aanleg heeft toegeëigend, is ongegrond.

P. II. v. Drente, v. 10 Juni 1800, W. n0. 2913.

4-tt. Eene exceptio disquaüjicaloria gegrond op het feit, dat tijdens de dagvaarding in hooger beroep gedaan, er verandering was gekomen in het personeel van het bestuur der eischende stichting gaat niet op, vermits de rechtsvordering in hooger beroep moet beoordeeld worden naar de introductieve dagvaarding en den tijd, waarop deze is geëxploiteerd, terwijl in appèl geene andere personen als partijen mogen optreden, dan in eerste instantie.

Arr.-R. Dordrecht, v. 14 Jan. 1807, W. n0. 2962.

■ES Wanneer de verweerder bij de door hem voorgestelde exceptie van non-kwalificatie subsidiair eene andere voegt, welke niet vóór het antwoord ten principale kan worden voorgesteld, mag de rechter, bij gemis eener reserve van verwering ten principale, het daarvoor houden, dat de verweerder geene andere middelen heelt of wenscht te doen gelden.

P. II. v. N.-Holland, v. 27 Febr. 1868, W. nquot;. 3036.

■AS. Alle kosten der werkzaamheden, welke de strekking hebben om de uitspraak betreffende de aanhouding der ten onrechte afzonderlijk voorgestelde exceptie voortebereiden en een andere uitkomst dan die beslissing aangeeft te verkrijgen , alsmede die, welke daarvan een gevolg zijn, moeten komen ten laste van den excipient.

Arr.-R. Tiel, v. 24 Maart 1871, W. n0. 3860.

-Ü-S6. De exceptie der minderjarigheid moet gerangschikt worden

ocr page 634

r-quot; In* z ^ ya^ol J 1~^o- £ e-JLt t e^t £ju* e-i^u^ ^

. /cn^ ^ /w-^ ^ ^ . ^gt;v~^0

^ X. f tS *^/*/^a' ■

l(r*-f^u~ ^ 'V /^'-' r,,)7 ty.rc.- Ïfeï. (Art. Kill.

onder die exceptiën, welke volgens art. IBO al. 1 B. R. met h.et antwoord ten principale te gelijk moeten worden voorgesteld,

P. II. v. Groningen, v. 23 Mei 1871, \V. n0. 3370. R. B. jg. -1872.

pag. 458.

SO. Waar gedaagde bij de eerste conclusie heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkvcrklaring en in de motieven heeft gewezen op liet artikel, waaraan dat middel was ontleend, en hij daarna bij een tweede conclusie dat middel heeft ontwikkeld met uitdrukkelijke vermelding van het artikel, kan niet gezégd worden dat het middel van niet-ontvan-kulijkheid eerst na liet antwoord is voorgesteld, omdat beide conclusiën behooren tot bet antwoord, dat nu principaal en exceptief was, en beide antwoorden dienden om de lïtucontestalip. te vestigen.

1'. II. v. Uroningen, v. 28 Maart 1871. W. no. 3343, R. B. jg. 1872,

pag. 449.

5£. Dezelfde excejitie van non-kwalificatie kan in dezelfde instantie niet ten tweeden male worden voorgesteld. Alsdan moet hare, niet-ontvankelijkheid ambtshalve worden uitgesproken.

Arr.-R. 's-llertogenbosch, v. 4 Nov. 1874, W. n0. 3783.

558. De exceptie van gewijsde zaak kan ook na het antwoord ten principale worden voorgesteld,

P. 11. v. N.-Holland, v. 7 Mei 1874, W. nquot;. 3702; anders ten opzichte van de exceptie van dading, bij vonnis Ktg. 's-Gravenbage, v. 8 Aug.

1859, W. nquot;. 2113.

.quot;53. De vragen of de eischer in eene erkende kwaliteit kan optreden,

en of hij de bevoegdheid heeft de actie intestellen, kunnen niet geacht worden begrepen te zijn onder de hier bedoelde exceptie van nonkwalificatie.

De zinsnede toch //dat de aanlegger de hoedanigheid nvt fjezil die hij zich toeschrijft ziet alleen op de kwaliteit in absoluten zin.

Arr.-Ü. Amsterdam, v. 1 Juni 1870, \V. nquot;. 4017, R. 1!. jg. 1870, afd.

.4, p. 201, en de noot dei' Redactie; idem Arr.-R. Maastricht, v. 1 Dec.

1853, R. B. jg. 1855, blz. 54; — cl'. Arr.-R. Amsterdam, v. 26 Nov. 1876,

W. n0. 4095, R. B. jg. 1878, A. p. 195, waarbij werd beslist, dat (ie exceptie van non-kwalificatie niet te pas komt, waar beweerd wordt dat de eiscbeude partij, die op eigen naam en voor zich zelf is opgetreden.

ocr page 635

Art. 1 (gt;().) 60S

daartoe onbevoegd en onbekwaam is, maar dat aan een zoodanige exceptie alleen dan te denken is, als de eischer niet voor zich zelf in lite is en de hoedanigheid, waarin hij optreedt, door den gedaagde wordt betwist; cf. zelfde rechtbank, v. 19 Oct. 1877, W. n0. 4239, R. B. jg. 1878, .4. (gt;. 201, waarbij werd beslist, dat niet iedere verkeerde bijvoeging aanleiding geeft tot de exceptio van, dis-kivalillcatie, maar alleen eene zoodanige, waarin de eischer zegt de rechtsbevoegdheid voor anderen uit te oefenen of zulks aan den gedaagde toeschrijft, en v, 29 Jan. 1879, R. B. jg. 1880, 4, p. 10. Zie hiertoe betrekkelijk aant. 25 van dit art.

.»-1- liet middel van niet-ontvankelijkheid tegen de actie tot betaling van eene geldsom, dat de eischer tot opneming van rekening had moeten ageeren, is niet eene dilatoire exceptie, maar eene verdediging die ook na het antwoord ten principale kan worden voorgedragen

Arr. Hof 's-Hertogenbosch, v. 26 Juni 1877, bevestigende vonnis Arr.-R. Maastricht, v. 13 Juli 1876. VV. nquot;. 4301 ; R. B. jg. 1879, A. p. 59.

.«.» De verwering aangevoerd tegen den eischer, die optreedt als directeur eener vennootschap, (in casa Villefort en Co.), dat die vennootschap niet bestaat, en de eischer mitsdien niet als directeur dier vennootschap kan ageeren, is eetie exceptio disqualijicatoria.

Hof 's-Gravenhage, v. 16 Juni 1879, R. B. jg. 1880, .l, p. 149. contra concl. adv.-gen. Gregory t. z. p., blz. 147.

Sö. Eene exceptie van prematuriteit, strekkende om de vordering voor goed te doen afwijzen, moet onder de peremtoire gerekend worden.

Ktg. Schoonhoven, van 3 Juni 1879, W. nquot;. 4501, R. B. jg. 1881, .1. p. 203.

Sï. Wanneer de tegenwoordigheid van den deel voogd bij een geding naar aanleiding van de boedelscheiding is voorgeschreven, kan de exceptie uit zijne afwezigheid voortspruitende, als zijnde van openbare orde, in iederen stand van het geding worden voorgesteld.

Hof 's-Hertogenbosch, v. 22 Maart 1880, W. n0. 4544.

58. Krachtens art. 8 der wet van 3 October 1843 [SM. n0. 47) moet de rechter bij gebruikmaking- van ongezegelde stukken, zoowei

anibtshalve, als ten verzoeke der belangliebbende party vooraf onderzoeken de ingeroepen toelating tot gratis prncedeeren.

Hof 's-Hertogenbosch, v. 30 Jan. 1883, W. nquot;. 4878.

ocr page 636

{Art. 1 60.

liet in rechten optreden als concurrent crediteur in een

faillissement kan niet aangenomen worden als eene hoedanigheid in dit artikel bedoeld.

Arr.-R. Rotterdnm. v. Ü'i Maiirt 1884. W. nquot;. 5070.

ftO. Zie ten betooge, dat zelfs dan, wanneer het geldt een geschil over eigendoms- of burgerlijk recht en schuldvordering, van de rechterlijke macht niet kan worden gevorderd, dat zij in een onderzoek trede naar de oorspronkelijke min of meer regelmatige instelling van elk bestaand en facfo erkend staatsgezag — en omtrent de vraag, aan wien dit onderzoek in elk geval is overgelaten —

art. 1(« der (irw.. v. 1840. air11, v. 17 l'ebr. '1848 en 15 .hnii 1840. suli iiis. li en '12, (dl. I, p. 62 en 63); 2de druk sn'i nis. '10 en 11 (dl. I. p. 84): zie ook art. '1690 H. W. aant. 4.

iii. Zie omtrent de toepasselijkheid van art, 1(10 of art. 240 li 1!.., indien de rechter in hooger beroep eene zaak niet mar den eersten rechter heeft verwezen, terwijl noch exceptie nochl tusschengeschil was gemoveerd —

art. 240 li. R.. arr. v. 23 A|pril I8'i7. — en vonrls, of, wanneer, tot lioever en onder welke omstandigheden de exceptie van non-kwalificatie voor het eerst in hooger beroep kan worden voorgesteld — arr. v. '12 .Maart 1863 sqq.. sub ai-t. 348 li. R.

Zie omtrent de al of niet wenschelijkheid van een bepaling in het Wetb. v. Burg. Rv., regelende de orde in welke de exception moeten voorgesteld worden —

.Mr. A. 0. in Opm. n, Med., dl. XVII. hh. 185 vlgde.

lt;i:i. Zie over de verkeerde voorstellingen, welke bij leeken en theoretici bestaan omtrent het doellooze van exceptiën —

een nrtikel van : Oun' liechtsjiriuil; en (/lt;■ in \V. nquot;. 3475.

/iri. 161.

I. De verwering ten exceptioneele, moet, wanneer die reed* iegelijk met het antwoord ten principale is voorgesteld, alsnog van de hoofdzaak afgescheiden en op zich zelve behandeld worden, indien de exceptie

Mr. W. van Kossem Bz., Burg. Itechtsv. 31)

ocr page 637

Art. If.I.)

tot diesene behoort, clie vóór liet antwoord ten principale hinrnen

worden voorgesteld.

I'. II. v. v. ITi Oct. IS:',!). W. nquot;. KMI; — anders bij arr.

van lietzelfilc l'. II. v. 10 Juni 1S40. W. nquot;. 144. waarbij is beslist, (lat. wanneer de verweerder van liet vermogen om liij d« in art. 100 vermelde exceptiën te pereisteeren freon gebruik beeft gemaakt, maar de exceptie met de verdediging ten firincipnle lieeft vereenigd, de exceptie niet op zich zelve llt;an wordmi nitgexvezen. daar uit liet tejrennveigestelde de onge-rijmdbeid zmi volgen, dat de reebter vcrplicbt zon zijn op lt;relijktijdig genonien conchisii'ii liij twee verscbillende nitsprakon recht te doen; idem P. 11. v.N.-llullaiid. v. l(i Maart 1S71. W. nquot;. .'iW;5.: \gl. hiernu'de een vonnis der Arr.-R. Amsterdam, v. l(i (.)ct. IS48. lï. li. jLi'. '1848, dl. X. I,. -)(;()—571 ; l\r(]\ 'm SrArri.. dl. IV. p. :Wgt;—:i()8, waar!iij is beslist, dat indien een appellant bij zijne acte van appèl en dagvaarding concludeert tot ontzegging van don in eersten aanleg gedanen eiscb. doch hij latere conclusie voor het eerst en afzonderlijk onder reserve van alle defensie ten principale, tot onbevoegd-verklaring rnliour malcriar des eersten rechters, —daaruit geenszins volgt, dat de rechterl.ij het verwerpen dier exceptie niet ten principale recht zon mogen en moeten doen, te meer, indien daartoe ook door de tegenpartij is geeoncludeerd.

Vergelijk navolgende beslissing;

Deze bepaling belet den rechter niet om, bij een en hetzelfde vonnis, eerst op de exceptie uitspraak te doen, en dan, als deze verworpen wordt, indien de hoofdzaak reeds in staat van wijzen is, ook daaromtrent te beslissen, terwijl, bij toelating van de exceptie, de uitspraak over de zaak ten principale niet te pas komt. cn dus in ieder geval de exceptie op zich zelve wordt uitgewezen, en niet aangehouden of gevoegd bij de hoofdzaak.

Arr.-R. Groningen, v. 30 Oct. '1856, R. B. jg.'1857. dl. VIL blz. lil 11—IVI4.

Zie ook navolgende beslissing:

Deze bepaling is niet van openbare orde: mitsdien kan op verzoek van partijen de gelijktijdige beslissing van de exceptie en de hoofdzaak plaats hebben.

Daartoe is intussclien de medewerking van heide partijen noodzakelijk.

Hof Suriname, v. :! Mei 1878. W. nquot;. 4283; zie do conclusie van den Proc.-Gen. van dezelfde strekking in \\ . ir'. 4310.

'i. Wanneer van meerdere gedaagden één krachtens de bevoegdheid, hem daartoe bij de wet verleend, eene exceptie afzonderlijk en afgescheiden van de hoofdzaak voorstelt, en de ander, als geen belang

ocr page 638

Ar I Ifil

!iel)bende bij de exceptie 7,elve. zich daaromtrent aan het oordeel des rechters refereert, dan behoort laatstgemelde niet oj) de zaak zelve te antwoorden, noch bij gebreke van dat antwoord, in dien stand van zaken, de principale vordering, voor zooveel hem aangaat, als niet betwist te worden toegewezen.

Arr.-R. Amsterdam, v. 4 M:mrt iStó. li. li. jjr. -18.12. dl. IV. p. 2*15 218. — In (ivoreensteiinninu' met de o.onclusio van den toonmnliii'oii snl)st.-ulïicicr Mr. C. II. B. Root. volgens wieu het, behalve noj» do stelligi' wetsbe])aling, vervat in art. 'IfH, van de beginselen eener geregelde procesorde volstrekt onafscheidelijk is. dat het behandelen der exceptie, vóór de zaak ton principale, doelt op de gansche procedure, en dns niet op den excipiönt maar op ;dlo, zijne Utis-cousortcti, dewijl tegen alle gezamenlijk de zaak één is. — Cf. art. Iquot;)!' H. R.. arr. v. 21 Maart 1845, sub n(1. I.

Jt. De vordering tot het stellen van zekerheid, bij conclusie ter rolle genomen, is ontvankelijk, ook al geldt het eene hoofdzaak van gewone behandeling.

Arr.-R. Gravenhajxe, v. Dec. 1850, \\. nquot;. lil24.

4t, De bepaling van dit artikel belet niet dat, in afwachting van het onderzoek omtrent de exceptie, [in cam van non-kwalificatie) overeenkomstig het verlangen van partijen met het onderzoek omtrent de hoofdzaak worde voortgegaan.

Arr.-R. Amsterdam, v. 25 Tan. 18(17, R. B. jg. 18(17, p. 555.

ö. Elke declinatoire exceptie moet krachtens deze bepaling op zich zelve worden uitgewezen, en mag niet bij de hoofdzaak gevoegd worden.

Derhalve kan de rechter, aan wiens oordeel mede de zaak ten principale is onderworpen, bij verwerping der exceptie niet op de hoofdzaak uitspraak doen.

Arr.-R. Amsterdam, v. 15(1 Juli 1867, \V. nquot;. 2!)(iO, R. li. jg. 18(17. p. 803; idem zelfde rechtbank, vonnis v. (1 Doe. '1870, R. B. jg. 1872, ]gt;. 97. ton aanzien van do exceptie van onbevoegdheid rnlionc povsoncic \ idem ten aanzien der exceptie van incompetentie rationa materiac, bij vonnis der zelfde rechtbank, v. G Juni 1882, \V. nquot;. 4843 ; — anders bij vonnis derzelfde rechtbank, v. 15 .Tuli '1873, R. H. jg. '1874, p. 341. wanneer bij verwerping der exceptie van onbevoegdheid de hoofdzaak in staat van wijzen is, op grond dat de duidelijke bedoeling van de bepaling in dit artikel is. te voorkomen dat ton nadeele van partijen dc behandeling van do hier gemelde exception, waartoe de ex'ceptie van onbevoegdhoid

ocr page 639

Art. Ifil.)

behoovt, worde flangehouden of gHvoegd liij de hoofdzaak, maar dat het doel dier exceptioneele bepaling niet kan zijn den rechter te verbieden ook dan. wanneer partijen subsidiair eene beslissing an fond verlangen. Iiij afwijzing der exceptie, ten principale, recht te spreken.

4». Wanneer de gedaagde vordert niet-mitvankelijkverklaring van den eisch, en dus ireene verwijzing vraagt, en niet beweert, dat hij niet behoeft te antwoorden, moet dit artikel niet toegepast worden. Evenmin moet vooraf beslist worden de vraag, of de beteekening van den executorialen titel op strafte van nietigheid is voorgeschreven in een proces over de nietigverklaring van een beslag op grond van gemis dier beteekening.

Arr.-U. quot;s-llertogenboscli. v. IS (let. 18(17. R, H. ju. WiS. p. 521.

S. Wanneer eenmaal de dis-kwalificatoire exceptie met de hoofdzaak is vereenigd, kan latere scheiding op verzoek hetzij van den geexci-pieerde, hetzij van den excipient niet meer geschieden.

Air.-R. 's-Hertngenbosch. v. I(gt; Sept. 1868. R. R. jg. 1870, dl. XX. p.-|/il.

S. Bij verwerping eener exceptie is het bevel des rechters aan den excipient om reeds op den eerst volgenden rechtsdag na het vonnis ten principale voortteprocedeeren, overbodig, vermits de geéxeipieerde volkomen in zijn recht blijft, de zaak met den noodigen spoed te vervolgen.

Arr.-R. Groningen, v. til Jnni 1878. W. nquot;. 'i'üH.

W. Eene peremptoire exceptie, in casu die van prematuriteit, mag volgens dit artikel niet worden aangehouden of gevoegd hij de hoofdzaak.

Deze bepaling geeft den gedaagde slechts het vermogen, om bij eene peremptoire exceptie te volharden, zonder tevens op de hoofdzaak te antwoorden.

De gedaagde, die niet alleen tot niet-ontvankelijkverklaring maar ook tot ontzegging van den eisch concludeert, moet geacht worden geen gebruik te hebben gemankt van liet recht om bij de door hem voorgestelde exceptie te volharden.

Ivtg. Schoonhoven, v. 3 Jnni 1879. W. nquot;. 4561 : R. R. ,jg- 1881. .1. p. 203; zie de kantteekening der redactie op p. 204.

IO. De bewering, dat men niet aansprakelijk is voor de handeling van een bediende, die onverschuldigd betaling heeft aangenomen, is

ocr page 640

{Art. Ifil

geen exce[)ti(j tegen (le coudiclio indeljiti, nnuir eeue verdediging ten principale,

Arr.-K. Amsterdam, v. lid Oct. 1879, li, II. jg:. 1880, .1. p. 12.

II. liet is nergens verboden op de dilatoire exceptie, eene subsidiaire conclusie op de hoofdzaak, die geen afstand van de exceptie in zich sluit, te doen volgen.

Air.-U. Assen, v. 5 Jan. IS80. W. uquot;. 4(VI(.I.

I jS. Zie over de wenscheiijklieid tot wijziging van dit artikel —

«en opstel van !•'. A. in \\. tiquot;. 33H9, waar nl. wordt betoojjd, dat liet verleidelijk is (edocli ongeoorloofd) um aan te nemen, dat de rechter wel bevoegd is de hoofdzaak bij de exceptie te voegen : omdat, — waar ile gedaagde zich bij het voorstellen eener dilatoire exceptie over ds hoofdzaak heeft nitgelaten. de kostbaarheid en langdurigheid van het proces noodelocs wordt bevorderd door toepassing van dit artikel, waarbij de rechter gedwongen wordt, afzonderlijk omtrent de exceptie te beslissen.

Vgl. in verband met deze artikelen, een opstel van Mr. S. .1. Hikgst in A. H iji Ir., jg. 1880. p. 'iW sqq., getiteld: gt;jKxceptiënquot; ; voorts liet reeds sub art. 159 li. lv. nquot;. 25 vermeld proefschrift van Mr. K. L. van ukr kk.mp.

.Irt. 102.

Zie in verband met deze afdeeling, het werk van .Mr. 1). Binger: quot;Deschrif-tdijkc of motidclinijc i't'i'Jilsjili'Jjin'j— hcjie hijdvayc lol dt' hcrzir/f ii/ij con hel Welhodi vn Durgwlijku Rcc//l*vordrriitff — aangekondigd in VV. n'j. 'il 18.

irt. 169.

1. Eene memorie van repliek in registratie-zaken, nadat reeds een rechter-rapporteur was benoemd, behoort, als ontijdig ingediend, buiten het proces te blijven, kunnende echter in dit geval de belanghebbende gebruik maken van de bevoegdheid, hem bij art. 328, al. 2 15. li. toegekend.

Ait.-K. Ainsteniam. v. 17 Het. 1839, R.. dl. XI. 112.

'i. Zie ten betooge, dat art. 151 B. R. ook van toepassing is op eene behandeling bij geschrifte, zoodat de rechter, bijaldien partijen

ocr page 641

Irt 169)

door onvoorziene of van haren wil onafiiankelijke omstaiuliglieden, mochten verhinderd worden, binnen de wettige termijnen, de door haar te gebruiken stukken over te leggen of hare schrifturen te doen betee-kenen eene verlenging dier termijnen zou mogen toestaan —

VEltNKUii, ad art. U39, nuut :5; — anders Ouueman, Wo ed.. dl. I. p. 222 en 223.

Art. I7 I

Zie ten betooge, dat, ten einde in het geval, l)ij art. 17 1 15 II. bedoeld, een nieuwen rapporteur te doen benoemen, de meest gereede purtij hare wederpartij bij beteekende acte tegen eene bepaalde terechtzitting, moet oproepen —

(U'Iikman, Mi', cd., dl. I. p. 224 en hK PiSTO, B. It., 2c ed., dl. II. i.

IpIz. 286; anders Pr.nmnu. alt;l art. die het. met het oog up de gesel.........

van het artikel, volduende acht, dat de meest gereede partij bij request aan de Uccbtbank de benoeming van een nieuwen rapporteur verzoekt. Zie ook v. n. Honkrt, llunilb.. ^ '171.

'V' Art. 176.

li/a.nsiï o-l* I i nigt;_ o |5 1| houdt wel in. dat in het aldaar bedoeld

*u geval, een gerechtelijk onderzoek zal kunnen plaats hebben, maar het || lru~cji-cU*.njt eiz- sc]lrjjft, ^eenc regelen voor, ten aanzien van de inrichting van het

IrpJL, JK, -i i

onderzoek.

* . \,T v Hi Fel.r. ISlO, W. uo. 1\\\ ■ R.. dl. XXIII. § 58 ; v. igt;. 11.,/gt;• /.-

' ,11. VII. p. 276-297; R. 11. ,jg. 1846. dl. VIII. p. 251 sqq.. bevestigende 6 Lu- lt;gt;%£gt;***-•*amp;. een al.i; van gt;(. p ij v. K.-Holland, v. 6 Maart 1845, W. n». 627, R., O-U- /70 ni dl. XXVII. § 56; R. li. Ut supra. — Vgl. biermede, ten betooge, dat er

r geene wetsbepaling is geschonden of verkeerd toegepast, indien de rechtei-. Jiff. nvOeï. een ejseher, die de echtheid van eene betwiste olographische niter-

cw ste wilsbeschikking staande hield, op zijne vordering toegelaten was, om die echtheid, hetzij door bescheiden, hetzij door deskundigen of getuigen clc-a. rKL S tlt;gt; stovenj na n|l0ol, van dat onderzoek beslist, dat daaruit niet is ge-

**«4. bleken, dat bet stuk door den overledene is geschreven, en alzoo het stuk

/.j* niet stellig voor eclit noch voor onecht verklaart — art. 1914 lgt;. \\ ..

^ v_ i3 .imgt; snh „o. i, _ /,ift 00k art. -190 li. R.. arr. van

denzelfden datum. ,

, o fv / • - '

nd. n^u-^U, i(Wj a.amp;tï ^^gt;3 ^

r /^/ , . , _ tf.'P'.

W. ^ Cr^ ^ ie. fj 'r^-

oyT 2amp; . w. ^

ocr page 642

» ^/X^y ^h^~^ o ( C f \ v rj-y^\ cjLl* t^i cl^J cAj^—rf*. 0 4 a ^ Z-^x^-/ r^//- ' /2^

^ . u •• ^ ^ ; .p. ^ ■

615 [Art. 170.

'5, Door liet woord derde, in art. 17Si, n0. % 15. li., moet verstaan worden een ander persoon dan de partij zelve.

Ari'.-K. .Vinste,rlt;linn . v. 'I Dec. 1X45. 11. 1gt;. Jji'. 184(j, dl. VUL |i. mil oSS; 1!.. dl. XXX \'. S l'quot;- — Cf. art. 1911} Pgt;. \V.. vminis van dezelfde Arr.-ll. van denzelfden datum, snli nquot;. '11 en de Pinto. 1\lt;U.. dl. II. '!,

p. H28. /ie nok (_)uiiKMi\N. Jgt;. li.- 4de ed.. V)lz. 220; DiKniuis. /gt;. //..

dl. IX. nquot;. I 17.

(MrrotC h* ij-^ay^cX-

quot;rf) r}rrlt;nrct-\^ uJ^jJLJLi~L^

:§ De artt 176—J 98 B. 11. moeten niet worden beperkt tot de inaterieele valscbheid, maar zijn ook van toepassing op de gevallen van intelleetueele valscbheid.

«-4-^

l/^/Arru- A,T- v- •' •gt;,aa,,, i'x.)-3. \v. n1'. ai.ia^.^; KKMII aiT. n.o.khi.

'IWa. W. ii«. 3544: I!.. dl. (Ill f I. bevestigende arr. P. II. v. N.-Holland, v. 1 iiU^f9JrrU Juni 1871, W. nquot;. 3;i7i; U. 1!. jg. 1872, p. 37 sqq. ; idem Oudeman.

fjfajjl*, quot;■ II - -we ed., dl. i. p. 227 en .Mr. c. van Hei.i.: quot;liet bewijs van bet ^

burgerlijk regtquot;, blz. .'(2. welke schrijver lietoogt. dat aan deze Vjeschouwing ^___.•

niet ..listeen, dat in liet opsclirift van de 5e afd.. 3e titel. Ie hoek van ____Li

dit wetboek en in art. 17li de ......'den: quot;echtlieid ..f .mecbtlieidquot; voor-

komen, daar een stnk. dat intellectueel valscli is. even onecht is als een

ȕrJU

materieel valsch stuk. en dat evenmin kan ohsteeren. dat in de artt. IS.! f . .1

i'it 184 li. li. van stukken van vergelijking gesproken wordt, alhoewel ^,

bij een faux inlélU-chtul gcene stukken van vergelijking te pas konion. . ,1..

daar de laatstgeinelde artikelen inderdaad alleen bctrelfen de inaterieele dU^, tmy*rgt; lt;?*-valschheid. Vgl. Rogron : (Coinment., ad art. 232 C. d. Pr. Civ.): «lorsqiie ojtf.

le faux n'est qu' intellectuel. il est clair que la preuve par expert est vae*. vim,_ inutile, et ne dolt pas étre ordonnée par le tribunal.

Anders he Pinto, ut sinira. 11. 1, blz. 325: Tijdschv. Iteijl en lie/. T dl. IX. blz, 57b.

CtS./OoaL. .

Vgl. verder navolgende beslissing :

Tegen eene notarieele acte komt geene inschrijving van valscb-lieid te pas, wanneer de acte is overeenkomstig de verklaringen aan den rechter gedaan, juist bevat wat door partijen, ten tijde van bet opmaken daarvan aan den notaris is opgegeven en steeds in deiizelt'den staat gebleven is, daar ook dan, wanneer deze verklaringen bevonden werden niet met de waarheid overeenkomstig te zijn, daardoor de acte niet valscli is.

Vonnis van de voormalige rcchtliank van eersten aanlejr te Deventer,

v. 6 Dec. 1837, /iV;// 'm Nedert.. dl. 1. p. 279 en 280, in apjièl bekrachtigd door liet Hoog tierechtshof te's-Gravenliage, 'rijdsclirifl vour het .\nlnris-ninhl. dl. V. liquot;. 1. p. 9 en volg.: idem he Martini, p. 1328, noot 3;

Sedert. Jaarh., dl. II, p. (MM : Oudeman. VerhandeJ. vnn Strnfeord. en

K op 6^ ^JttAe^oC /ft.

ocr page 643

/fiamp;cxjcriyvyi'tj CPTZ-4~ o7s€gt;sz--amp;?J2-£'a^lt;fr-Gtx2~

.lt;*' ^ '.-'--v. ^ —

.4W. J 76.) «IR

Slrnfrechl, jg. 1873. Wz. 138 en vulgg. en Oudimax. U. R., 4de ed., dl. 1. p. 226 en 227. die aldaar mede doet opmerken, dat ineti hierbij dient te onderscheiden tusschen de onwaarheid der verklaringen, welke liet geschrift bevat, en de valschheid ; vgl. ook I'. II. v. Gelderland, v. 28 Jan.quot;l863, 11. Ti. jg. 4«54, dl. XTV, hl/.. (515—89.

4- Voor de hier l)ecloel(le valschheid, zijn alle de elementen van de misdaad van valschheid, vereischten.

j-tvdüjvi yamp;' Mitsdien is ook civiliter eerst dan valschheid, aanwezig wanneer er Cy^w/^-ylt;- 2^ bestaan verkorting der waarheid, bedriegelijk oogmerk en mogelijkheid

uof, amp; v-an nadeel.

. ^ : u^cJ- An-, v. 31 Dec. 1857. W. i.o. 1922; li., dl. LV1I. § (VI ; v. u. II.. //.

.. • dl. XXI. p. /i'78 en volgg., idem hij vonnis der Arr.-R. Assen, v. I 1'ebr. to* ojJ- 'ï^ quot; 1869. R. 13. jg. '1870. p. 421 ; idem bij vonnis Arr.-K. quot;s-Hei-logenboscli. lt;i v**- v. 8 Fehr. 1884. W. nquot;. 5049.

^ / 'A- ■ob' Anders: het bij cvengemeld arrest 11. R. (dat in W. n®. 1932 wordt. (b-y bestreden) vernietigd arrest P. 11. v. (Ironingen, v. 2 Jnni 1857. R. li. tuU***' j,. 457 : idem /;.•lt;//»(/. dl. VI. p. 179, waarbij voorliet

/ 'j/ SéjU*/' bestaan van valschheid in het burgerlijk geding, de verkorting der vvaar-

i,ejj 0p zich zelve voldoende wordt geacht; idem Mr. A. A. Wkvi; in ° ^ *Y \ jlijilr.. jg. 1857, hl/.. 444- s(](|.. hoofd/akelijk op grond van het onderscheid tusschen de strekking van de civiele en die van de strafactie — alsmede uit overweging van de onrechtvaardige gevolgen, die de leer van den Hoogen Raad voor het burgerlijk geding na zich sleept; idem uk Pinto, li. II.. dl. R. 1. hl/.. 325.

.V i)e artt. 176—198 H. 11. moeten ook in acht worden genomen, indien men de valschheid wil beweren van eene in liet buitenland verleden acte.

Air. v. 3 Jan. 1873 (ook nog vermeld sub hoc art.), \\. n0. 3544,11., dl. C 111. § 1, bevestigende an-. I'. II. v. N.-Holland, v. I Juni 1871. W. nquot;. 3374.

«. Men is niet ontvankelijk ten civiele bij rau-actie eene rechtsvordering in te stellen, strekkende om te doen verklaren, dat een testament of zeker ander stuk is valsch of vervalscht, maar moet eene zoodanige bewering van valschheid bij wijze van incident in een aanhangig geding (en mitsdien eerst dan, wanneer aan de kwestieuse acte uitvoering wordt gegeven of de eisclier tot nietig-verklaring, door de uitvoering der acte, werkelijk is gelaedeerd) worden voorgesteld.

Arr.-R. Breda, v. 29 Juni 4847, W. nO. 861 : idem Air.-K.'s-IIertogen-hosch, v. 6 Maart 4861, R. B. jg. 4861, dl. XI, hlz. 602; Arr.-R. Groningen, v. 5 Sept. 1873, W. n0. 3705, waarbij werd heslist, dat niet met terzijdestelling dei' hier voorgeschreven proces-orde rauwelijks mag worden

ocr page 644

(Art. 171).

gevnrdml, om door alle middelen rechtens, de beweerde valscbheid te.Le-wijzen. — Vgi. hiermede een vonnis van de Arr.-R. Tiel, v. I April'1842. \V. ii0. ÜG, bereids vernield oj) art. 1 ^00 R. W., sub n^. 5. waarbij is beslist, dat die inschrijvingquot; wegens valscbheid niet behoeft te geschieden, wanneer de acte wordt betwist, uil hoofde er eene simulatie of dwaling heeft plaats gehad in hetgeen door partijen iu de acte is verklaard geworden, dewijl daardoor de geloofwaardigheid van den ambtenaar niet wordt aangerand, en derhalve in dit geval een gedaagde bevoegd is, om. zonder de acte van valscbheid te betichten, zoodanige simulatie ()f dwaling te bewijzen.

5, Onbepaalde, voorwaardelijke of' onbestemde bewering van valscbheid van een ten processe aanwezig stuk, kan niet worden toegelaten, maar moet men in dit geval — op straüe van niet-ont-vankelijkheid wegens de niet-iiiaolilneming der op dit onderwerp voorgeschreven proces-orde — den weg volgen, in de artt. 177 en 178 B. R. voorgescbreven.

Ait.-R. Am.st.erclum, v. quot;il! .Inli ISoO, W. ii^, llö'i; -1mslrrd. Reglspr.. dl. f. |). 44—49; idem v. (iel, ISöO. VV. nquot;. 1174; A mslci'J. I gt; 'Vt Sjn .. I.. i.. |i. 159 en 100; zijnde in overeonsteiuiiiin^ hiermede bij eerstgeinelil vonnis tevens beslist, dat de rechter ook niet uit de bedoeling van partij kan aanvullen, wat deze stellig had beliooren te verklaren en hij alzoo niet in hot algemeen een gerechtelijk onderzoek naar do echtheid of onechtheid van het bedoelde stuk kan bevelen, indien |i;ii tij zelve'het ondenveip van dat onderzoek niet duidelijk en pertinent heeft vastgesteld; idem bij vonnis van dezelfde rechtbank, v. 12 Jan. 1S19. VV. nquot;. 1009, waarbij is beslist: iquot;. dat de uitdrukking van een persoon, gedagvaard zijnde tot betaling van wisselbrieven, door hem zullende zijn geaccepteerd: ))dat hij ontkent de wisselbrieven voor accoiilulic onderteekend te hebben' . niet beantwoordt aan de algenieene beginselen des rechts of aan de bepaling van art. 170 I!. R. en mitsdien zoodanige ontkentenis niet is ter zake dienende en afdoende, en '2 '. dat er geene termen zijn om eene conclusie, zoogenaamd van repliek, waarin de gedaagde door den eischer gesomtneerd is. om zich meer pertinent te verklaren, indien zij al onnoodig en overbodig kon worden geacht, als onwettig te beschouwen en opdien grond buiten het proces te stellen. — (.'f. Pknning ad art.

De wet schrijft niet voor, dat de in art. 170 vermelde ontkentenis kan worden voorafgegaan door andere middelen van verdediging. Voor een tegenovergesteld beweren bestaat te minder grond in eene summiere /aak, welke op eene en dezelfde terechtzitting kan worden voldongen en waarin de gansebe verdediging van don gedaagde moet geacht worden één geheel uit te maken.

Arr.-R. Leiden, v. 29 Oct. IKV», W. nquot;. 12(19.

ocr page 645

OCo-dusO -U^O^-t-tsxSO 4^- .

4 ^ n^tZjt/^u-^c . l~1 a^y)- . /yA* -^v--^ /

jJ^-^Tiz. dr-cr-^ Qsxs'fCZ . . /^Z/ ƒquot;quot; — //^ quot;^ C ■ f

b*,%i^rf ifo-'-'y —? *-~4~ l^yl- CS-i^tJ

- al ,

»^/'

CJL-£^jl£,

óV^a , 23 ^ r/yr.

ocr page 646

■Irt. 1 76.)

ïgt;. fn art, 176 15. 11 is van liet geval sprake, dat eene partij, tegen wie men van een oiulorliamlsch geschrift, door een derde geschreven of onderteekend, gebruik maakt, verklaart dat geschrift of die onder-teekcning niet te erkennen, en geenszins van bet geval, dat een der litigerenden {in cam de eischer), zijn recht om te ageren, op zijn eïgen handschrift grondt.

Air.-R. Amstenlain. v. -10 Jan. 1854. li. IS. ,jg. 185't. p. ^70—tgt;7S.

8«. Tot de eigenschap van eene geldige en echte bandteekening behoort, dat zij door den onderteekenaar eigenhaudiy d. i. niet geholpen door een ander, is geschreven; in de eigen actieve handeling en in het eigen werk van den onderteekenaar is juist bet kenmerk der echtheid gelegen.

P. II. v. Overijssel {nine duin) 1851). W. iiu. 1895, waarbij werd beslist dat hij. die niet scbrijveii kan. maar wiens baud werktuigelijk is lt;rel)e/i,lt;;d. uiet geacht kan worden de aldus tot stand gekomeue naauiteekeniug te hebben gesteld. — Zie verder de uitvoerige conclusie van Jlr. I'. M. van Gof.ns, aan dit arrest voorafgaande, t. a. p., waarin wordt nagegaan wat de wet onder /iKui/leelicttinti verstaat, en waarin o. a. verwe/eu wordt naar Mf.iii.in : Zfc/i. \oce fHfiiKiliirc § 1'i.dl. \lll- P)i;iiiiiAT St. Prix, Cours du nrocrditfc civile, dl. I. pag. lol.

IS. De vordering om te worden toegelaten tot bet bewijs, dat een stuk, waarvan de wederpartij zich iu bet geding wil bedienen, valsch of vervalscht is, kan in eiken stand van het geding, ook bij pleidooi, worden gedaan.

Arr.-Pi. Amsterdam, v. 28 Maart 18(36. W. n '2811 ; R. li. jg. 1868, n. 84.

Vgl. echter navolgende uitspraken :

Het is in strijd met het in deze afdeeling voorgeschreven schriftelijk debat, om een incident tot onderzoek van de echtheid van handteeke-ningert bij pleidooi op te werpen.

Arr.-R. Zwolle, v. I I l'ee. 1878, \\. nquot;. IMIS7.

Zoo de tijd tot het nemen van conclusiëu is verstreken en de vordering hier bedoeld daarenboven niet uitdrukkelijk en niet onvoorwaardelijk is gedaan, kan een onderzoek naar de echt- of onechtheid niet worden gelast.

Hiil'Arnhem, v. P2 Maart 187(..t, H. B. Jg. •1879. .1, p. UiO.

ocr page 647

(A/7. 176.

I lt;8. Bij betwisting van de echtheid van een geschrift, kan de rechter, die van de hoofdzaak is gesaisisseerd, het onderzoek naar de echtheid naar een anderen rechter verwijzen, (iw casu wegens den hoogen leeftijd des gedaagden en zijne verwijderde woonplaats) zooals dit h. v. bij het hooren van getuigen uitdrukkelijk is toegelaten,

An'.-R, Ainstenlain. v. 'il Maart 18(i(.(, 1!. I!. jg. 1809. |). TOS.

151. Eene incidenteele vordering tot gerechtelijk onderzoek naar de echtheid of onechtheid van een onderhandsch geschrift kan niet buiten onderzoek worden gelaten op grond dat die partij, die dit onderzoek heeft gevorderd, met nader, toen de tegenpartij bij opgevolgde conclusie hare ontkenning had volgehouden, tot zoodanig onderzoek had geconcludeerd, maar dit had nagelaten en recht gevraagd op de stukken.

P. II. in (reldei-land. v. 21 Oct. 1874, W n». :!8'2(.l.

8 -8 De rechter is niet gehouden het onderzoek naar beweerde

vervalsching van een geproduceerd stuk te bevelen, als reeds a priori,

blijkt, dat zulks niet tot staving of tot ontheffing van eenig beweerd recht als afdoend bewijs z d kunnen gelden

Ait.-R. Amsteidrtin, v. S i_)ec. 1874. \V. nquot;. ;!8(I3; idoni ai r. 1'. ll.v.

N.-Holland, v. 8 Mei 1850, 11. 1!. jg. 1857, dl. \ !l. p. 2ril!.

Art. 17 7.

! , üe rechter kan niet bevelen, dat de echtheid van een geschrift,

floor eene der partijen overgelegd, doch door dc wederpartij betwist,

zal worden onderzocht, wanneer dit onderzoek niet door hem, die

(cj ^

belang heeft dat daartoe worde overgegaan, is gevorderd. Ib.'/t. f ^ o? 'jr

\'. II. van Limburg', v. 15 A|iril 1844, W. nquot;. 500: R. 15. jg. 1844, ($■ nTSfé. dl. VI, [i. 430 sqq. ; in gelijken zin bij ()udem.\n, /gt;. II.. 4(le ed., dl. I. |gt;. 220.

'£ Br zijn geene termen in de wet, om eene handteekening onder een onderhandsch geschrift gesteld, door den rechter onecht te doen verklaren, of de doorhaling eener goedkeuring te doen gelasten, daar de rechter zich bepalen moet, aan het onechte stuk bewijskracht te ontzeggen.

Arr.-R. Assen, v, 19 Nov. 1855, K. I!. jg. 1857. dl. VII. blz. 43—44.

ocr page 648

r --^ ^ / JLe- £■. pe~lt;^-a-*-*~~J-lt;?~ e 7^.0^-

, crt*. ---lt;- ^ . l/i^e^r^- erf* -

^ , Q-,-^y„ s~ £ ^—■ . quot;Z^t. ÓZ . /-amp; 4ytsr,t S Kqrcrr (US^

Art. 17 7.) 620 ^-^7'

3, Door bexoheidun worden bedoelrl stukken, welke alleen aan den rechter ter voorlichting worden medegedeeld, te onderscheiden van de stukken van vergelijking, welke hij liet onderzoek der deskundigen moeten dienen; terwijl de laatste uitdrukkelijk erkend moeten zijn, is bij eerstgenoemde eene stilzwijgende erkenning voldoende.

Ari'.-R. 's-( I ravenliage, v. \ Dec. 1800, VV. uquot;. 2330.

-t. Wanneer men is toegelaten de echtheid der handteekeniug door deskundigen en bescheiden te bewijzen, is productie der bij dit artikel bedoelde bescheiden, ook na het onderzoek door deskundigen, toegelaten.

A it.-li. 's-Gra venlmge. v. I Dec. 1800, W. nquot;. 2836.

-j ö. Dit artikel en volgende bepaalt niet, dat er altijd een gerechtelijk

/ .A^onder/oek vuoet plaats hebben. Even ü'oed kan omtrent de echtheid der

,1 ...

„ handteekening de decisoire eed worden opgelegd.

amp; *,7e*- Ai'r.-R. Utrecht, v. 10 Felir. 188-1. W. n». 47-15.

CU' u ^

Zie in den/.elfden zin navolgende beslissing:

i)c decisoire eed kan, met (joedouulen van beide, partijen, als bewijsmiddel gelden van de echtheid eener akte.

Air.-U. Zierik/.ee. v. .Mei 1881. \V. n0. 4699, li. B. ji;-. 1881. .I, p. 137.

ca. lt; gt;. M. t. a. p., 1)1/.. 134; l)ij Avelk voimis werd overwogen, dat liet overigens twijfelacliti.ir is, of andei'e bewijsmiddelen, dan de laj art. 177 15. K. üenoeinde, mooen worden gebeziod.

I

Art. 1 78.

JL. Met het oog op de artt. 1907 en 1909 B. VV. moet het op zich zelf' schier voor onmogelijk worden gehouden, en volgt het niet bij eene oplettende inzage van de 5de afd., 3de tit. van het eerste boek van 't W. v. B. 11., dat dezelfde wetgever, die eene zoo onbeperkte bewijskracht aan eene wettig daargestelde authentieke acte heeft toegekend, de schorsing bij art. 1909 B. W. vermeld, zoude kunnen gelasten op de bloote ontkenning van daadzaken in de authentieke acte vermeld, onder den vorm en de benaming eener betichting van valschheid van den inhoud der acte aangebracht; kunnende dan ook de wetgever bij art. 179 B. li. nimmer bedoeld hebben de daadzaken en omstandigheden, in de authentieke acte vervat, welker waarheid

ocr page 649

I

•w- Viz ^ i // , ^ .

usvi , tjj /t' . tA^~i-L- uksutufé** aylt;ngt;JL*** CA^yiA^f- lt;U -

K-z* f UtXA ^7c — lAet.^ wo-^c^ . • c« - j, ^, , ; / 'óe-JL- ~ J- f • quot;

ter. OJ-. qamp;Ll.

fiai 7 J ' {Art. m.

men betwist, maar opgave van daadzaken en omstandigheflen, welke,

bewezen zijnde, noodzakelijk liet bewijs der valschheid, of der verval-sching van de authentieke acte zouden daarstellen. Hieruit volgt tevens,

dat in cas van art. 178 li H. de eischer niet kan volstaan, bij zijne acte ter griffie algemeen en onbepaald op te geven het middel van getuigenbewijs, zonder den rechter en zijne wederpartij zelve met de namen der getuigen, die hij zoude willen doen hooren, bekend te maken ; — kunnende wijders aan een verbaal van getuigenverhoor,

niets anders inhoudende dan het overblijfsel der herinnering van menschen, omtrent iets, hetgeen vele jaren vooraf heeft plaats gehad,

in strijd met het authentiek bewijs, op het oogenblik der handeling daargesteld en door den hoofdpersoon, den testator, na even vele jaren levens, door en bij zijn dood bekrachtigd — nimmer in rechten de kracht van overwegend tegenbewijs van daadzaken, in eene notarieele acte opgenomen, en tot den hoofdzakelijke!! vorm en inhoud der acte betrekking hebbende, worden toegekend.

I'. II. van Friesland, v. '20 Nov. *1841, W. n0. 253, vernietigende het daartoe betrekkelijk en in een tegenovergestelden zin gewezen vonnis van de Arr.-U. beemvarden, v. I(i Maart 'ISM. \V. n0. 188; U.. dl. XIII.

§ iOi: itefil In- Swlcfl.. dl. Ill, p. ()5—00. — Cf. art. '182 ]!. K.. vonnis van de Arr.-R. Leeuwarden, v. i() Maart IS'il : Ik;! Kon. Besl.v. 8 Fehr.

•1815. air. v. 3 Juni 18/i(i. sub art. 203, en art. 191 B. R., arr. v. 21 Maart 4850. - Cf. m Pinto. Hel/., dl. II. 1. |gt;. 328 vlgde.

/ 'i. Indien wordt beweerd, dat een stuk valsch of vervalscht is,

moet de partij, welke zulks beweert, de valsc/ih'dd bewijzen. **

r. r /lt;/ - / ^ - ?lt;■lt;-' /■' , ? -

' / I'. II. v. N.-Holland, v. (1 Maart 1815, W. nquot;. 027; R, dl. XXVII. S

g 5,3 . |gt; jg^ 18/|(i. dj. VIM, p. 251 sqq. (waartegen de voorziening in IVP cassatie is verworpen hij arr. v. 13 Febr. 1840. \V. un. 713: R., dl. XXIII. ^

§ 58; v. n. II.. Ti. It., dl. VII. p. 270—207; U. li. ut supra) ; in gelijken (7 * Iv*. ■ zin bij nr. Martin!, p. 1325 en 1326, noot 3; me IMnto, //lt;//.. 2e ed.. n

Jvrrv*. lt;11- •!, F 1'. :gt;gt;20i en Oi nf.m.w. Ti. 4de ed.. dl. I, p. 220.

3. Wanneer het pertinente en concludente der gestelde feiten wordt ^ z3 betwist, moet de beslissing daarover voorafgaan aan de verklaring der ^ ^ , welke het van valschheid betichte stuk heeft overgelegd, of zij ^

l^^aULa. zich daarvan wil bedienen.

I'. II. v. rironingen, v. 10 Maart 1857, 11. II. jg. 1801, dl, XI, hl/. #

^^ ' ^ 432 —4.35. _ ' /

*7**quot;' ~ * Ldtyyu r/é /ftr*

KLoLsyy ' , ,^3-■amp; *gt;

, 37 • /*ff-

^ A ^ --

quot; j iLe~T~£~'^ j r{tj~ j^'jL7

' / 7 a- , ./?- — - r.

T/TA-ésamp;Lt/Cr / -ó-Psi —

CtuXst

^____Zj ytAsylytï /fxp, U,0d?pr/y /

ocr page 650

- S

Art. !/«•)

..... (lie Let tweede lid van dit artikol Uij de wet van ' A. Koor do wiiwgmji- ll( lpt fl,n.P van eeniüc bepalingen van bet

April \m (gt;-'W. nn- ;;-')- K','' !?voidériin.''lt;.vei' jn.licieele boeten en scbadeloos-Wetboek van Ih.rgerbjke Ked, s ^ nanteeUenin-. in de eerste edife

stellingen beeft ondergaan. ■gt; bet l.uv

.poenomen. verloven.

....... Jl------ voljit . .........Jvrn-Plis ter ÖTlllie

Het -de lid b.idt tbans ;'ls toe„.elaten, dan na alvorens tev ..Zij zal ecbter daartoe .net -Me door hanr /.«Ive van 'de recbtbank te bobben 0^1 ^ ^ (1,uu,tnc ^jj authent.eke aetc „f wel door eenen UyMmU-ren ** verklaring dat bet bewuste stnl hepaaldeli.jk ge.nagtigd, en J, de ; ^ llllts„aders .le daadzaken , ' ,....... ....... valscb ot vervalsobt woidt n ............valscblien

laaiaen, ^ ,, .......u o-p honden, nni^quot;^'-— .111

n' hnav voor valscb of ven^d.t v^i ^ vomt((U die valscbbenl

omstandiabeden en l,evv,,snnddelen. doo, .1

■ „f vervalsebing te /uilen bewezen.

l ^ ru ^e„ r;::

^ ZCji-f over de echtheid of .mechthe..» ^ \ ^ ^

-«quot;i'fquot;- «Inge «henende, dat , ^volgen, artt. 180 quot;1' de l)nrt1-' (lie het 1W,'e mst om te verklaren, of zij zich van

7 en 181 B. R- de verphchtn.u u t om ^ ^ gescllil

het stuk denkt te bedienen, volgt hter ■ , n;et

hü note van procureur tot procureur kunne wor^ ^ ^ ^

ZZJTl ^«Ig hel v^ard de echtheid te zullen staande

houden cn zich daarvan te -Hen bedtenen ^ M en ^

Arr.-R. Assen. v. » Mei 1S47. W • nquot;. 126/. K. • .1.-

I-li nitsnraak te doen omtrent den uitslag

-......

Art. 180.

1 • il eld levert «el een gebruik van het g. De verklaring, hier bedoeld, leve

ocr page 651

«ie vtmA cS^j-i^./^-e^ OA.#-*. UTLO u?/ tö/. V^AJ. gt;-^. lt;**■ OJAL^

Cj I ■i'.^-'-' l--4-a.Tr *(.. Cj^!_ t—t , ■ .-. t. n . v/ l-r-z/z u ''quot;'f'- -■ 's- -

e'-4-e^~ ■. lt;?W^ 6^.3 y ,7a^. ^,V, 4-''W.{.\rl. ISO.

vnlsche stuk op, maar de strafbepaling van de artt. 151 cu I'IS van het Wetboek van Strafrecht tegen de gebruikmaking van valsche stukken, is geenszins tot deze gebruikmaking beperkt.

Air. v. 28 Doe. 1874 (kamer van strafzaken), W. nquot;. .'gt;812: It., dl.

C\ 11 i ^ 40; v. i». II.. Slrcfr. jir. ISTI. j». 37S on vojoo-,

lt;5 De tweede oproeping in al. .'5 van dit artikel hedoclil, moet door den rechter worden bevolen, ook zonder dat daartoe is geconcludeerd.

Arr.-R. Anisterdaiu. v. 4 Maart 1870, R. li. jjr. IS7!). .1. p. 209.

liii'MAX, /1 It. p. 87, merkt op, dat het thans, evenmin als in het Fransche recht, uitgemaakt is, of de partijen in de gevallen van art. ISO en volgg. 15. li., in persoon dan wel bij gemachtigde moeten compareeren —

Viillt;2ens Oi'iiivMAN eel iter. I!. /;.. 1de od.. dl. I. p. 220. Iielioefl die verklaring niet persoonlijk te worden afgelegd, maar wordt zij door den prnenreur gedaan, die daartoe niet eens van eene bi/.ondere volmaelit behoeft voorzien te zijn. Zie voorts van nr:x I Ioxkrt. HhikIIi. § 18(1.

Art. 181.

S . De verklaring des procureurs van den gedaagde ter terechtzitting, van niet als procureur present te zijn, na alvorens, na zijne procureurstelling, een termijn te hebben erlangd tot het er- of ontkennen eener bandteekening onder eene acte. welke door den eischer tegen hem werd gebruikt, levert geene termen op tot eene tweede oproeping, als kunnende de gedaagde niet gezegd worden niet verschenen te zijn, doch moet dit worden gelijk gesteld met eene weigering van antwoord, zoo als is bedoeld in het 2de lid van art. 1S1 B R., zoodat dien ten gevolge het kwestieuse stuk in liet geding moet worden toegelaten.

Arr.-R. Snoek, v. 21 Juni 1843, R. B. jg. ISlti, dl. VIII. p. 425.

'i. De wijze van procedeeren, in art. 181 B R. omtrent valschheid voorgeschreven, geldt ook omtrent de verplichting van den trekker tot rembours van een onbetaald gebleven wisselbrief, aan eigen order getrokken en in blanco geëndosseerd.

Arr.-R. Ainstenlam. v. 23 .luli 1850. \V. nquot;. H52: Auulnil. Ihylsjif. dl. 1. p. 41—19.

~3

2.^ /lt;Pamp;Y, 0-r- S~S'lt;P2gt;.

ocr page 652

/W- ee^^ •£ quot;£ -^- ^B-C^— .

/^S- vS * ^■■i: J Sc? • ''r* -— /r? - '-^y2-. ?fVry 's '9__ ?? quot; !

Art. LSI.) ^ (524 ^ / / j

3. Dit artikel is van openbare orde.

liet bevel tot gerechtelijk onderzoek kan eerst dan plaats hebben,

wanneer de wederpartij uitdrukkelijk verklaard heeft te volharden bij de betichting van valschheid.

Hof Amsterdam, v. t2K Jiini 1878. R. li. jg. '1879, .1, ]i. 2fi(i.

Art. 182.

I. Dit artikel schrijft niet voor, op welke wijze de benoemde deskundigen hun onderzoek moeten instellen, zoodat de bewering dat deskundigen geene bevoegdheid hadden om chemische proeven ten aanzien van het van valschheid beticht stuk te bewerkstelligen geen grond kan zijn tot schending of verkeerde toepassing van dit artikel.

Air. v. '25 Xov. ISóC), W. nquot;. 1922, R.. dl. I.IV. S W: v. lgt;. II.. /-' IS.. dl. I.IV. p. l.M en vnlüg.. ook vermeld sub art. '193 I!. I!.

'i In cas van art. 1S2 1?. R, mag de rechter niet bij -zijne uitspraak de tot de staving der vordering van gerechtelijk onderzoek aangevoerde gronden van valschheid waardeeren, en mitsdien niet de vordering tot bewijs van valschheid afwijzen.

Arr.-li. I.eeuwarden, v. Ui .Maart 1841. V\ , nquot;. 188; K., dl. XIII. § 104; Tter/t Iji Xivlrd., dl. III, p. (15—69, en in gelijken geest Diephuis, Hel .\p(l. Burg. ISegf, jg. 1873. dl. II, h\y.. 354 noot tl; — anders de con--.1/ 0oCeu-wl. dusiën van bet Openb. Jlln. in dezelfde zaak te Leeuwarden, alsmede / flb. / (]je Yarl (]en pi'oc.-gen. liij liet 1'. 11. v. I riesland, W. nquot;. 2.i3. bij W.

t ^ Pinto, /ƒlt;//., dl, II, I. p. 328; Oi df.man. B. /;.. 4de ed.. dl. I. p. 131 en „'ÓStl. -132 ; de Map,TIM. p. 1325. kol. I : vax Hki.i,. ltd HmriJ.i.hh. Ai en volgg.

en Vernede, op art. 178. noot 2./^— Vgl. ook art. 178 li. R., arr. van 1 P. H. v. Friesland, v. 20 Nov. 1841.

;V Art. 182 B. II kan eerst dan ingeroepen worden, wanneer alle de formaliteiten, in de voorgaande artikelen vermeld, vervuld zijn, hetwelk daaruit blijkt, dat bij de artt. 178 en volgende aan den rechter wordt opgedragen de voorloopige waardeering der gronden van valschheid, en zulks na opgave der daadzaken, omstandigheden en bewijsmiddelen van valschheid, zoo als dit nader blijkt uit de beraadslagingen, bij de vaststelling dezer wetsbepalingen gehouden.

Arr.-R. Amslerdam. v. 3 Oct. 1850. \V. nquot;. 1171; Amsicrd. .Rpc/Zs/jc.. dl. I. p. 159 en 100.

ocr page 653

{Art. IS2.

«gt;, De meening, dat dit artikel aileen het oog heeft op bewijs door deskundigen is onjuist. Waar alleen bewijs door bescheiden en getuigen kan te pas komen, zooals in geval van beweerde intellec.tueele valscli-heid en wanneer de gestelde feiten zijn ter zake dienende en afdoende, behoort mede een dng bepaald te worden tot onderzoek door bescheiden en getuigen en de overige voorschriften van dit artikel te worden gevolgd.

I'. II. v. [quot;rieslnnd. v. .1 an. ISHIi. I!. li. jt;'. 1803, p. sqq.

(». I5ij bevel tot gerechtelijk onderzoek mag niet tevens aan den eischer worden opgelegd het bewijs van andere feilen, die tot grondslag van zijn eisch strekken.

Iluf Amsterdam, v, '28 .Tnni IS78. li. li. jjr. 1879. .1. |). 'ifili.

3 De rechtei- moei aanwijzen de middelen, waardoor het bewijs zal moeten worden geleverd, ook al is daartoe door partijen niet uitdrukkelijk geconcludeerd.

Hof's-Gravenlisige, v. I Nov. 1880. li. II. 1882, A1 p. 48.

Zie ten betooge, dat de rechter, ook in cas van art. IS2 15. 11, bij een later vonnis mag aanvullen de omissiën, door hem bij een vroeger vonnis begaan —

liet sul) art. 4(1 I!. R., n0. arr. v. 111 Nov. 18-18 sqq.. vermelde air. van quot;t 1'. II. v. Overijssel, v. 7 April '1851, en art. -Vi li. li., arr. van hetzelfde 1*. H. van den zelfden datnm, sub nquot;. 2.

Art. 1S3.

Niet alleen uit de volgorde, waarin artt. lfS2, al. 3 en IS-'S B. II. zijn geplaatst, vloeit voort, dat de overbrenging der betwiste stukken ter griffie behoort vooraf te gaan aan eene verschijning van partijen voor den rechter-commissaris, maar dit is daarenboven geheel en al in de bedoeling van den wetgever gelegen, daar tocli eene voorafgaande overlegging der betwiste stukken ter griflie, niet alleen zeer dienstig, maar zelfs noodzakelijk is, opdat partijen het

Mr. W. van Rosskm 15/,., Hury. Itechtsn. 40

ocr page 654

. 11

^AXD-G-U~ n ^ c5_? Zas~ Ö-T^ UP amp; f.-lt;-nrilt;rZ- — fgt;

: 'J.

rt2(;

zouden kunnen eens worden over de stukken van vergelijkini? en. intreval van verschil, de rechter tot behoorlijke aaiiwij'/inu; dier stukken al datgene zoude kunnen doen, waartoe de wet, hij art. 1S-1. I!. I! . hem de bevoegdheid geeft.

Air.-R, Maastriclil. v. iquot;) Nov. ISrri. \V. nquot;. 14(14.

— uk Pinto, /ƒlt;'/.. U. I!.. dl. Tl. 1. ]i. en ()nii;man. /gt;'. 1!.. 4(1 r eii.. dl. I. ]). 23li en Vkrnkhf. fgt;ji art. J83, noot t!. zijn, o. a. met een beroep op de gescliiedenis der wetgeving (cf. v. rgt;. Honkut, § 1 S:i),

van rneening, dat het vonnis tot buiten het geding honden van het stuk door ile recbttiank gewezen, indien het in afwezigheid van ééne der partijen is nitgesproken, vatbaar is voor verzet; — anders hij Pensixr. ad art., op grond, dat het hier niet geldt eene eigenlijke veroordeeling en.

ingevolge de iriris|irnjentie van den II. li., het verstek is uitgesloten .......

de partij, die liet eerst procureur heeft gesteld en later niet meer is versehenen.

Art. 1 St.

I Als stukken van vergelijking mogen alleen zoodanige onderhandse,lie geschriften dienen, welke vooraf uitdrukkelijk door partijen zijn erkend.

Arr.-R. 's-Gravenhage, v. 4 Dec. 'I8t)0, \V. nquot;. 233fi. Zie hetzelfde vonnis xA. aangehaald ad art. 177 li. 1!.

U |je rpcj^er l)e,],)e](l ju art. LSI- al. i is de rechtbank, //ief de

22. Jamp;iii-. •

/ ree liter-commissaris.

(/J. ïSat/.

Recht.-Comm. Rotterdam, v. 24 April 1870. R. B. jg. '1S79, A, p. 271.

3. Voor zoover de conclusie van deskundigen steunt op vergelijking van het van valschheid verdachte stuk met zoodanige stukken, die in dit artikel niet begrepen zijn, kan daarop door den rechter geen acht worden geslagen, maar zulks neemt niet weg, dat waar die con-olusiën ook steunen op het onderzoek van het van valschheid verdachte stuk, of oj) het resultaat van door hen genomen proeven, dat zij in het door hen op hun eed opgemaakte schriftelijk bericht mededeelen, de rechter daarvan tot zijne voorlichting gebruik mag maken.

Arr.-R. Rotte.rdatn, v. 5 Ian. IS74. U. li. jg. 1874. p. 2!H.

ocr page 655

Arl. 181.

-I-. Onderli.imlsclie stukkeu, welke nis stukken van vergelijking, in gedingen tot verificatie van handschriften, m Judicia moeten worden geproduceerd, doch welke op last van den rechter-commissaris zoo zijn dicht gevouwen, dat daarop alleen de handteekening uitwendig zichtbaar blijft, behoeven niet onderworpen te worden aan de formaliteiten van zegel en registratie. Bijaldien, desniettegenstaande, het viseeren voor /.egel en de registratie daarvan gevorderd mochten worden , moet aan die vordering niet worden voldaan, ten ware de ontvanger in staat worde gesteld om de wet, naar den inhoud dier stukken, daarop toe te passen, of wel de stukken voorzien worden van enveloppes,

zoodanig dat de te verleenen formaliteiten aan die enveloppes, en niet aan de zich daarin bevindende stukken worden gegeven. Wanneer eenige aan zegel en registratie onderhevige stukken, in hun geheel als vergelijkingsstukken worden toegelaten, moeten die, gelijktijdig met het proces-verbaal, aan de formaliteiten van het visa voor zegel en registratie worden onderworpen.

Decisie van den Min. van Financiini. v. li) Oct. 1844. li., dl. IX. 71.

^ | | ^ l /. amp; CiPf ■'.-r*.cA^r -S Zt-l-'. -

Q-yte. —gt;- ■ — . 1 C'-r.. -.(. ■ -. •_ , lA^ ■

'f . • - ; jl/o. , -.S1 r

Volgens üuduman' Ij. II.. ide ed.. dl. I. p. 230, kan de verwijzing, in art.

ISO li li. vermeld, ook geschieden naar den kantonrechter; — anders liij nt:

l'ivni. If'U.. II. 2e ed.. dl. II. I. p. .'(34.

Art. 190.

üe wet verbiedt nergens aan deskundigen, de slotsom van hunne bevinding in haar geheel in het rapport te vermelden. Wanneer zij benoemd zijn om de echtheid van een geschrift te onderzoeken, kunnen zij daarenboven hun gevoelen uitbrengen omtrent den twijfel, of het stuk al dan niet met de vrije hand van den steller geschreven is.

Air. v. 13 K«l,r. IS40, W. uquot;. 713: R.. dl. XXIII. § v. n. II.. It. It.. dl. VII. p.'i7(i—297; H. I!. jg.'ISiO. dl. \ III. p. 251 sqq.: bevestigende liet daartoe lietrekkelijk arr. van quot;t P. II. v. N.-llollnnd, v. OMaart 1X45. W. nquot;. lt;gt;27; I!. li. jg. '1840, dl. VIII. p. 251 sqq.: li., dl.XXVII, §50.—

0:27

ocr page 656

d rt. 1 90.)

Vjll. hiemiede een arr. van quot;t P. II. v. N.-Brabant, v. 7 Dec. 1847, W. n0. 8(.(i. waarbij is beslist, dat de wet niet vordert, dat liet bericht van deskundigen do beslissing, maar alleen bet gevoelen der deskundigen omtrent de echtheid of onechtheid der ontkende bandteekening zal inbonden ; — vgl. omtrent de taak der deskundigen, Arr.-R. Leeuwarden, v. 23 April 18(57. 11. 1!. ,jg. 18()7. blz. 616, alwaar beslist is, dat hnn taak geheel van techniscben aard. en dat zij zich bij hun oordeel niet mogen laten leiden door overwegingen, die buiten bet technisch onderzoek liggen, zooals de a|ipreciatie vim den inhoud van bet geschrift zeil.

Zie ten belooge ■

a. Dat in weerwil in art. 190 15. R. niet, even als in art. 101 ibid, voorkomen fle woorden: quot;O// straffe van nic,ti(jh(f'i(l\ echter ook in liet geval, in eerstgemeld artikel bedoeld, de eedsaflegging, daar voorgeschreven, nimmer als facultatief te beschouwen is —

een vertoog in R. lï. jg. 1843, dl. \. p. 223 en 224 : idem de Pinto, /W/., 2e ed., II. 1. p. 335; Oudemax, II. 4de ed.. dl. Lp. 239 en Vi-.r-nede op art. 190. noot o, die mede van gevoelen zijn dat de eed. zoowel hier als elders, mag gehouden worden voor een van die snbstantieele vereischten. zonder hetwelk bet bericht geen wettig bestaan kan hebhen.

Dat het onderzoek, vermeld in art. 190 (ondanks het stilzwijgen der wet te dien opzichte, met afwijking van art. ^07 C. de l'r. Civ.). moet geschieden buiten de tegenwoordigheid van partijen, en deze ook niet zoodanige voordrachten en vorderingen mogen doen, als zij zullen goedvinden —

de 1'into. //'//.. dl. II. i, p. 314 en 315. en 2de ed.. 11. I.p. 33;) en volgg.. en OunEMAN'. /gt;'. //.. 2de ed., dl. 1. p. 190; — anders dooi' Penning ad art., hlz. 80 en Volgg., en (^udkman. II. li., 'i-de ed., til. 1, p. 240. die de gronden zijner veranderde zienswijze mededeelt.

All. 191.

Indien al na de negatieve beslissing op de expertise een getuigen-bewijs omtrent de echtheid eener handteekening mocht ontvankelijk zijn, moet de eischer, dit begeereude, volgens dc wet, bij behoorlijke acte de feiten en artikelen stellen, welke hij mocht oordeelen conclu-dent te zijn, om tot het bewijs der echtheid in geschil te kunnen dienen; met dat gevolg, dat hij geenszins kan volstaan met in het algemeen een bewijs door getuigen aan te bieden of des noorls in te

ocr page 657

(Art. 191.

roepen, zonder ami te duiden, welk bewijs hij vermeende door getuigen Ie kunnen leveren, of welke feiten door getuigen /.ouden kunnen worden bevestiü'il, om daaruit tot het bewijs der echtheid van de handteekening te kuimen concludeeren.

In het laatste geval is de rechter zelfs niet bij machte om die aanduiding d'office te doen, en alzoo dergelijk bewijs ambtshalve te hevelen.

Air. v. Lil Miihi'I ISÖO, \V. nquot;. II II. - Cf. ait. 17S lï. K.. arr. van quot;( P. II. v. Friesland, v. '2(1 Nov. ISil s(|q.. sul] nquot;. I.

Art 192.

In zake. van onderzoek van schrift, is het. om ontvankelijk te zijn in het verzoek tot het instellen van een nieuw onderzoek, met benoeming van andere deskundigen, noodzakelijk, dat het proces-verbaal van het gehouden onderzoek vooraf beteekend worde.

Arr.-R. üorinchem, v. 8 Mei 1X41. R. II. jg. 1845, dl. VII. p. Whl— I{(i0. — Cf. art. 9(1 1!. U.. vuniiis van dezelfde rechtbank, van denzelfdon datum . en ton betüo^e. dat geschil over de echtheid of onechtheid eener handteekening, een incident daarstelt, dat vooraf moet worden uitgewezen —- art. quot;iill II. R.. vonnis van de Arr.-R. Maastricht, v. 25 Kebr. 1847.

Art. 193.

1. De speciale wet, betrekkelijk het kiesrecht (v. 4 Juni 1850, Slbl. nquot;. o7) heeft, behalve eenige uitdrukkelijke bepalingen van afwijking van de gewone manier van procedeeren, voor het overige en wat het wezen der zaak betreft, de voorschriften van het W. v. B. R., geheel ongekrenkt gelaten, zijnde dan ook het bepaalde bij art. 193 van dat wetboek, aangaande de schorsing van het burgerlijk geschil, ingeval van vermoedens van valschheid, op de geschillen in zaken van burgersohapsrechten van toepassing gebleven.

Hieruit volgt, dat het één geding is, waarin bij ééne en dezelfde uitspraak behoort te worden beslist, wanneer iemand, zich kwalilicee-rende kiesgerechtigde, handelende in aiyeu naam, en niet in naam der betrokken personen, zich bij verzoekschrift tot de Arr.-11. wendt met

ocr page 658

Art. ] 98.)

lie/.wiirun over do lijst van kiezers, door liet stedelijk bestuur vastgesteld, en verzoekt dat door de rechtbank zal worden gelast, om de personen, van welke hij eene naamlijst, gestaafd met bewijsstukken, overlegt, alsnog op de lijst van kiezers te brengen , — wanneer er derhalve in zoodanig geval, wegens ontstaande vermoedens van valsch-heid van één der bewijsstukken aangaande één der betrokken personen, tot eene tijdelijke schorsing van het geschil dient te worden overgegaan, dan behoort deze schorsing te loopen over de (jeltede zaak, en dus ook betrekkelijk de personen, op wier bewijsstukken niets aan te merken valt.

An*, v. (') Mei 185^, \V. n0. ; K.. dl. XLIV. ^ 7.); licinccnlc-xlcni iiquot;. i.T).

'4. Dit artikel geeft alleen een voorschrift voor den burgerlijken rechter in het burgerlijk proces, terwijl daarbij niet bedoeld is, om de gewone wettelijke bevoegdheid tot vervolging van misdrijven, ook niet betrekking tot valschheid, in het minst te beperken.

Arr. v. quot;JS! Doo. 187-i. voi'niüld up art. 180 II. K. : iilcni ;iri'. '2.) Nm\ 1850, VV. n0, lil-w, R.. (]l. I.IV § 3(1.

Buiten de twee gevallen, bij art. 193 li. 11. vermeld, zijn geene andere bij de wet bekend, waarin de schorsing van een burgerlijk rechtsgeding haren grond vindt in het aanhangig zijn eener strafzaak waaruit noodwendig volgt, dat de voorschriften van artt. 193 B. R. en Ij Strafv, zijn van geheel exceptioneelen aard en beperkt moeten blijven tot de gevallen waarin zij voorzien, zoodat dan ook alleen in die gevallen, en in geene andere, de bedoelde schorsing rechtens aannemelijk is.

Hieruit vloeit tevens voort de niet-ontvankelijkheid eener vordering tot schorsing van een burgerlijk rechtsgeding tot uitkeering eener, naar men beweerde, te min ontvangene som, immers en in allen gevalle tot het doen van rekening en verantwoording, wegens de uitvoering van een opgedragen last, gegrond op het indienen eener klachte aan het Openbaar Ministerie, ter zake van de feiten, die tot gemeld rechtsgeding aanleiding hebben gegeven.

Air.-U. Amsterilaui. v. .'II Maart 'IRW, li. It. Jlt. 184;!. dl. V, |). 551

ocr page 659

[Ari. 19:1

en 552; idem Maa.striclit,. v. W MVmii '1850, W. n0. W'M : — antlers bij vonnis der Arr.-R. Amsterdam, v. A Maart 1842, K. B. jg. 1842, dl. IV. p. 21*7 en 238, waarbij is nitgemnakt. flat, wanneer de beslissing eerier strafzaak een bepaalden en ontegenzeggelijken invloed op de burgerlijke zaak moet uitoefenen, de schorsing van zelve noodzakelijk is en moet plaats hebben. — (In laatstgeinelde zaak was de schorsing gerekwireerd door hel Openb. Ministerie, in dc beide andere daarentegen door de tegenpartij). — Vgl. ook Mr. van Maant.n : «het. O. M. in Nederland,quot; lilz. 1l.)8. ilie ook in gevallen Imiten de opgenoemde in art. 193 li. R. en 4 Strv.. schorsing van het liurgerlijk geding, gegrond in het aanhangig zijn eener strafzaak, geoorloofd geacht, op grond van het belang, dat de maatschappij heeft hij het vervolgen van bet misdrijf dadelijk na ontdekking daarvan, waartoe het O. M. de stukken van het geding moet in handen hebben, hetgeen wel niet anders kan geschieden dan door schorsing van het burgerlijk geding, en op grond dat de strekking der wet (o. a. kenbaar uit art. 1955 1!. \V.), zulks toelaat en zelfs vordert.

Zie ook over de vraag of de rechter bevoegd is ambtshalve de schorsing te bevelen, denzelfden schrijver, blz. 200. en 1'. 11. v. tlelderland, v. 24 Oct. 1865, li. li. jg. 1867, p. 593, waarbij beslist werd, dat dit wetsartikel in dien zin moet worden verstaan, dat het ook dan van toepassing is, waar partijen zelve geen tusschengeschil ter zake van beweerde valschheid hebben opgeworpen. — Cf. art. 159 li, R., vonnis van de Arr.-R. Maastricht, v, 14 Maart 1850 sqq.. sub nquot;, 9; art, 791 W, v. K.. arr. van 't P, II. van X.-Holland, v. 12 Jan. 1843 sqq.. snb nquot;. 'i. en omtrent de vraag, of zoodanig vonnis van schorsing is praeparatoir of interlocutoir — art. 46 li. It,, arr. van 't P. II. v. N.-Holland, v. I Ree. 1842, snb nquot;. 10. — Zie ook art. 254- li. R.. arr. v, 15 .Inni 1849 sqq. en vonnis van de Arr.-R. Nijmegen, v. 17 Nov. 1841.

-4. üit artikel is ook dAAr van toepassing , waar partijen zelve geen tusschengeschil ter zake van beweerde valschheid hebben opgeworpen.

1*. H. v. Gelderland, v. 24 Oct. 1866, W. nquot;. 2959.

5. Wanneer op last van den burgerlijken rechter, die reeds omtrent de valschheid der overgelegde kwijtingen heeft uitspraak gedaan, de vervalschte stukken in handen zijn gesteld van liet Openbaar Ministerie, dan kan de burgerlijke rechter in hooger beroep vooralsnog niet op nieuw omtrent die valschheid beslissen.

P- H. v. Drenthe, v. 15 Mei 1869, VV. nquot;. :'gt;144 ; waarbij nog werd beslist, dat dit artikel toch op het beginsel rust, dat zoodra en zoolang er vervolging tot straf tegen iemand plaats heeft wegens valschheid, de rechter in burgerlijke zaken met zijne beslissingen, die van den strafrechter niet vermag vooniitteloopen.

(:;? I

ocr page 660

Avl. 193.)

lt;» Zie ten betooge : —

dat nocli dit artikel noch liet volgend de schoi'sinir betreft vun '/gt;' nilvorruu/ ccncr roilheulIch'c acU\ die van valsclilieid hcticlit is. van Impdanige sclittrsiii^quot; 1)!] art. 1000 B. \\. sprake is — Mr. ('. van l»KU.. Ifel Bewijs vohjciis /tri hui'i/crhjl; rrcjil. hl/. .'{O.

Art. 195.

i. Ij ij eene (intkentenis van geschrift of Imndteekemng mag ook i// foro civili de rechter bij de beoordeeling van liet bericht, door deskundigen uitgebracht, zijne beslissiiiir gronden op eigen onderzoek en de overtuiging, uit dat onderzoek verkregen

M. v. N.-Rraltand, v. 7 Doe. 1847, W. tin. 894, bevestigende een vonnis van de Arr.-li. Eimlboven, v. 23 Nov. dHW. W. n0. 775 (d).

lt;i Zie ten betooge, dat de suppletoire eed kan worden opgelegd, ook dan wanneer, na den alloop der verificatie van geschriften, door bescheiden, deskundigen of getuigen, de rechter oordeelt, dat de echtheid van het kwestieuse stuk niet volledig is bewezen, maar toch ook niet van alle bewijs is ontbloot —

art. 1977 1!. W., arr. van 't 1'. II. v. N.-Holland, v. 12 Febr, 1840, sub n0. 7 — Virl. ook art. 19 I!. R., arr. van hetzelfde P. 11. van denzelfden datum, sub nquot;. 1.

Artt. 196—198.

Deze artikelen ziju ingetrokken bij art. 'I der wet van 7 April 18(19 (SIM. nquot;. 55).

(I) Hetzelfde beginsel is ook in strafzaken gehuldigd hij arr. v. 15 Juni 1841, v. i). II., Strafr. en StrnJ'r., dl. V, p. 2ilG—'ïïi.'i; R., dl. VIII, § 23, opgevolgd door onderscheidene andere arresten in gelijken zin, zoodat de junsprudentie ten deze als gevestigd kan worden besehomvd (Lkon). (Zie de jurisprudentie voor strafzaken, nangeh. in Leon's 2de ed., Straft'., ai! art. 4^.'i nquot;. 2).

ocr page 661
ocr page 662
ocr page 663
ocr page 664

Bij de Uitgevers dezes zijn verschenen: Mr. A. A. DE PINTO.

ONTWERP WETBOEK

van

BURGERLIJKE RECHTSVORDERING.

Boek I—V,

Prijs: ƒ 6.25.

J. VAN DEN HONERT Thz.,

FORMULIERBOEK

DER ONDERSCHEIDENE AKTEN behoohende tot de

BURGERLIJKE RKGHTS VORDE RING.

2e druk, herzien, omgewerkt en vermeerderd door Mr. J. Heemskerk Az.

3e druk, aangevuld door Mr. G. Belinfante.

Prijs; ing. ƒ 10, geb. in linnen band ƒ 11.^

Mr. C. P. K. WINCKEL.

FORMULIERBOEK

dee

BURGERLIJKE REGHTSYORDEEIIG

in

NEDERLASDSCII-INDIË.

Prijs: ing. ƒ 16, geb. in lederen band ƒ 20,

Mrs. L. J. VAN OPPEN en J. 0. SASSE.

NEDERLANDSCHE RECHTS LIT ER A TUUR. Deel I- IV aü. 3 (Letters A-R).

Prijs- ƒ 20.25.

) Gedrukt by Gebr. Belinfante, voorli.: A. D. Schinkel. — Don Haag.