ocr page 1

U d'.

-

1

LOSSE AANTEEKENim

s'ook

D E B A T.

I.

0Z.iet in den -fiandet.

AMSTERDAM, 1891.

ocr page 2
ocr page 3

LOSSE AANTEEKEMGEN

VOOR

J ) K B A T.

I.

ÖLiet in 9 e 11 fianczi.

AMSTERDAM. 1891.

ocr page 4
ocr page 5

I

1. DE VERDEELDHEID DER LIBERALEN.

De liberale partij in de Tweede Kamer is in zake van defensie altijd zeer verdeeld geweest, en die verdeeldheid bestaat ongelukkig nog.

(De Gids, Januari 1891. Rumor in Casa door J. T. Buys, blz. 127.)

Mr. Van Houten schreef in zijn Staatkundigen brief van 28 Oct. 1890, dat de liberale partij onmogelijk, als ware zij eene eenheid, het vertrouwen der kiezers vragen kon; hij verwachtte toen reeds dat zich een zoo diepgaand verschil van gevoelen openbaren zou „dat het een ongerijmdheid wordt aan de liberale kiezers in den lande te vragen, de liberalen en bloc te steunen.quot;

Ja, in zijn negenden brief beveelt Mr. van Houten aan, tegen-candidaten te stellen tegen de liberalen, die vóór de legerwet stemmen, welke aan te nemen juist de raad der Liberale Unie is.

Prof. Drucker zeide in 1889 in Groningens Burgerplicht: „Kis het waar is, zooveel hoofden zooveel zinnen, dan is dat bij de liberalen het geval.quot;

ƒ Prof. Buys noemde in De Gids van Januari 1891 als ,de na-| tuurlijke eigenschappen van de liberale partijquot;.... ,de gehechtheid van hare leden aan eigen denkbeelden, hun sterk ontwikkeld individualisme en hun onvermogen om zich tot eene eenheid samen te voegenquot; enz.

Om meer dan eene reden zou hij een nederlaag van de liberale partij bij de stembus weinig betreuren: „Immers er ontbreekt . veel aan, dat zij nu reeds als een krachtige eenheid zou kunnen \ optreden.quot;

In Richting en beleid der Liberale partij, blz. 44, schreef de hoogleeraar Cort v. d. Linden:

Terwijl de oudere groep der liberalen meer en meer onder den invloed geraakt van conservatieve partijgangers, heulen de zoogenaamd geavanceerden of radicalen met socialistische beginselen.

ocr page 6
ocr page 7

I. DE VERDEELDHEID DER LIBERALEN,

De liberale partij in de Tweede Kamer is in zake van defensie altijd zeer verdeeld geweest, en die verdeeldheid bestaat ongelukkig nog.

(De Gids, Januari 1891. Rumor in Casa door J. T. Buys, biz. 127.)

Mr. Van Houten schreef in zijn Staatkundigen brief van 28 Oct. 1890, dat de liberale partij onmogelijk, als ware zij eene eenheid, het vertrouwen der kiezers vragen kon: hij verwachtte toen reeds dat zich een zoo diepgaand verschil van gevoelen openbaren zou „dat het een ongerijmdheid wordt aan de liberale kiezers in den lande te vragen, de liberalen en bloc te steunen.quot;

Ja, in zijn negenden brief beveelt Mr. van Houten aan, tegen-candidaten te stellen tegen de liberalen, die vóór de legerwet stemmen, welke aan te nemen juist de raad der Liberale Unie is.

Prof. Drucker zeide in 1889 in Groningens Burgerplicht: „Als het waar is, zooveel hoofden zooveel zinnen, dan is dat bij de liberalen het geval.quot;'

Prof. Buys noemde in De Gids van Januari 1891 als , de natuurlijke eigenschappen van de liberale partijquot;.... „de gehechtheid van hare leden aan eigen denkbeelden, hun sterk ontwikkeld individualisme en hun onvermogen om zich tot eene eenheid samen te voegenquot; enz.

Om meer dan eene reden zou hij een nederlaag van de liberale partij bij de stembus weinig betreuren: „Immers er ontbreekt veel aan, dat zij nu reeds als een krachtige eenheid zou kunnen optreden.quot;

In Richting en beleid der Liberale partij, blz. 44, schreef de hoogleeraar Cort v. d. Linden:

Terwijl de oudere groep der liberalen meer en meer onder den invloed geraakt van conservatieve partijgangers, heulen de zoogenaamd geavanceerden of radicalen met socialistische beginselen.

ocr page 8

4

In gelijken trant sprak een der meest gezagliebbenden onder de liberale Kamerleden, Mr. van Delden;

; „Men ziet twee schakeeringen onder de liberalen, die gedreven / door toegeeflijkheid, lang bijeen zijn gebleven. Scheiding moet volgen. De Liberale Unie wil alle liberalen onder ééne vlag scharen. Ik vraag slechts: zijn de kleuren algemeen welkom? \ Wie heeft ze gekozen? Ik voor mij zie geen heil in een over-V winning, waarmeê men verlegen zit daags na den slag.quot;

Zijn werkelijk de gewenschte hervormingen te wachten van de liberale partij? Op deze vraag antwoordde Mr. Treub op een meeting in Deift, Febr. 1891, aldus, volgens het verslag in de A m sterdammer:

„Wat spreker zelf, geboren uit, maar niet meer behoorende tot de liberale partij, op deze vraag zou antwoorden, laat zich begrijpen; maar daarom zou hij het antwoord ook liever laten geven door mannen, die ten aanzien van het liberalisme nog wat optimistischer gestemd zijn dan hij.

En dan zocht hij in de eerste plaats het antwoord bij een commissie van gedelea'eerden uit vrijzinnige kiesvereenigingen van de voornaamste gemeenten in Nederland, die in 1882 een verslag uitbrachten 'omtrent kiesrechthervorming. Dit verslag was onderteekend door rBurgerplicht^en „Grondwet-1 voor Amsterdam, „Algemeen Belangquot;, „Burgerplichtquot;, „Rotterdamquot; en „Vrijzinnige Kiesvereenigingquot; voor Rotterdam, de „Vrijzinnige Kiesvereenigingquot; voor Dordrecht, »Grondwetquot; voor 's-Gravenhage en de kiesvereeniging „Utrechtquot; voor Utrecht. Wat lezen wij nu reeds in dit verslag ? Deze merkwaardige bekentenis: „Ofschoon / in de Tweede Kamer eene besliste anti-kerkelijke meerderheid bestaat. is deze onderling zoo verdeeld door verschilpunten, hetzij j j van principieelen, hetzij van persoonlijken aard, dat zij — en met haar regeering en volk — de hoop heeft laten varen, over eenig onderwerp van ingrijpenden politieken aard tot eenstem-\ migheid te zullen komen.quot; 1

II. DE WERKELOOSHEID DER LIBERALEN OP MAATSCHAPPELIJK TERREIN.

/ In het Sociaal Weekblad schreef Mr. H. P. G. Quack aan het

einde van 1888 : --

„Het zou een schoon, hartverheffend schouwspel zijn geweest, als de liberale partij in Europa vroegtijdig de taak op zich had genomen, om .... dergelijke voorzorgsmaatregelen vrijwillig te \ treffen. Doch zij kantte zich juist tegen degenen, die het doen tvüden.

ocr page 9

5

Mede door haar toedoen vermeerderde op dit gebied de wrevel tusschen Staat en maatschappij.1'

Verder schrijft deze woordvoerder der liberale partij: „Ook van eenig toezicht, dat noodig was, opdat niet te veel levenskracht van enkele deelen der maatschappij werd gevorderd, wilde de liberale Staat eerst niets weten. Wij hebben het oog op de beperking van arbeid en arbeidstijd voor kinderen, jeugdige werklieden en vrouwen, en op wat daaruit voortvloeit.quot;

.... „De machine werd nooit moe; men vorderde ditzelfde ook van vrouwen en kinderen. \\ el had op dit gebied een verstandig Staatstoezicht zooveel kunnen uitrichten. Doch wie erop aandrong, -- de liberale partij in Europa liet, krachtens beginsel, dit werk rusten. Hartverscheurende tooneelen hadden overal plaats. De wreedste jammer werd openbaar. Men liet begaan.

De liberale partij in Europa deed in den regel niets. Niets voor de regeling van het arbeiders-contract tusschen werkgever en werkman. Niets voor instelling van arbeidersraden, ter beslechting van geschillen tusschen patroons en arbeiders. Niets voor wettelijke voorschriften betreffende de gezondheid en veiligheid der werklieden in de fabrieken. Niets voor vak-onder vijs der werklieden. Niets voor toepassing van een leerling-stelsel. Niets voor werkelijke Zondagsrust. Niets voor al die onderdeelen der Staatsbemoeiinor.

O

III. DE LIBERALEN BEHOOREN' DE RECHTEN DER MINDERHEDEN TE ERKENNEN.

De vrijzinnige partij moet zich daarin onderscheiden van iedere andere partij, dat zij niet, gelijk deze, alleen oog en hart heeft voor haar eigen denkbeelden, haar eigen plannen, haar eigen idealen, maar dat zij ook rekening houdt met die van andersdenkenden in den lande.

Bij al wat zij onderneemt, bij al wat zij ten uitvoer legt, is haar eerste plicht, te rade te gaan met de rechten en vrijheden van alle landgenooten zonder onderscheid, en te waken, dat niet een van dezen, ter wille van eenzijdige partijbelangen, worde opgeofferd of beperkt...............

. . . Een vrijzinnige partij, die dit standpunt verlaat, die deze gedragslijn verloochent, geeft haar beginsel prijs en kan op den naam van vrijzinnig geen aanspraak meer maken.

Utrechtsch Dagblad, 27 Mei 1885.

Het verontschuldigen van misslagen door partijgenooten is geen politieke fout, het is een politieke misdaad.

ocr page 10

6

De schoolwet van Kappeyne, de successie in de rechte lijn,

de dure conversie, de oorlogquot; met Atjeh,----men mag er geen

kwaad van zeggen; want liberalen hebben dat gewrocht! Maar boe zouden de liberalen over het een en ander oordeelen, als de tegenpartij het gedaan had?

Liberaal, volksman, schoolman .... maskers, etiketten, advertenties, niets meer! „Gelijk recht voor allen zij de leus. Wordt dit betracht? Ziedaar de groote vraag.

En dan, zeggen wij, het is niet meer dan billijk, dat hij die aanspraak maakt op den eerenaam liberaal, ook bet goed recht van de minderheden erkent, en het goed recht zelts van de tegenpartij.

(Uit een ingezonden stuk in de Amst. als leader, geplaatst 25 Juli 1887.)

IV. DE ONMACHT DEK LIBERALEN.

Trouwens, hetzij de tegenwoordige Regeering sterker worde of zwakker, stellig en in elk geval zal de liberale partij in Juni haren plicht doen; al wil ik ook gaarne belijden, dat, mocht de stembus haar weder ongunstig zijn, ik hare nederlaag om meer dan één reden maar weinig zou betreuren.

{De Gids, Januari 1891. Rumor in Cnsa, door J. T. Buys, blz. 139.)

De hoogleeraar Buys scheef in De Gids van 1888, blz. 127:

„Het regeeringsbeleid is van 1848—'88 zichtbaar verzwakt, en quot;ten laatste tot een toestand van bijna volkomen machteloosheid teruggebracht. Immers omtrent geen enkele eigenaardigheid is tegenwoordig de volksovertuiging zoo wel en zoo volkomen gevestigd als juist omtrent deze. Men vergist zich niet te veej. met te beweren, dat de liberale partij in de eerste tien jaren van hare regeering meer werkkracht heeft geopenbaard, dan in alle andere te zamen, en tevens dat de eerste producten van hare werkzaamheid ook de beste waren die zij leverde. De hervorming van het Koloniale stelsel, zoo krachtig en op zoo eervolle wijze aanvaard, bleef sedert — nog dezer dagen werd het telkens aangetoond —- halverwege steken. Zoo dikwijls in de eeiste jaren de staat quot;van' de schatkist het toeliet, heeft men van de o-elegenheid gebruik gemaakt om eenige van de drukkendste belastingen in te trekken; maar tot een grondige hervorming van

ocr page 11

7

liet belastingstelsel — ofschoon algemeen als volstrekt nooclig aangenomen — kwam het sedert nooit. Aan oorlog en marine werden jaar op jaar schatten besteed, maar een kloek besluit om de defensie tot eene waarheid te maken, bleef altijd achterwege. De wet tot beperking van den kinderarbeid in fabrieken — een wet die men dan nog verschuldigd is aan het initiatief van een der Kamerleden — was de eenige stap dien men zette op den weg, welke tot verbetering van den toestand der arbeidende klasse leiden moest, en tot dien stap ging men eerst over, toen ettelijke van de ons omringende volken hun wetgeving op dit stuk reeds tot eene groote mate van volkomenheid hadden gebracht. \ oor de naleving van enkele gebiedende voorschriften der grondwet is zelfs een tijdruimte van veertig jaren niet lang genoeg geweest. De plattèlandsschutterij, in 1848 veroordeeld, staat in 1888 nog overeind, aangenomen dat zij het immer heeft gedaan; aan eene meer algemeene wetgeving op den waterstaat dacht men in de allerlaatste jaren voor het eerst, en aan eene wet op de comptabiliteit meer dan twintig jaar geleden voor het laatst; — maar die latere en die vroegere overwe'nno'en bleven beide even onvruchtbaarquot;.

V. DE LIEFDE DEK LIBERALEN VOOR ORANJE.

Uit De Zeeuw van 17 April 1888:

De liberale pers in onze provincie heeft heel wat drukte gemaakt om te doen gelooven, dat onze vrienden in Friesland de verkiezing van Domela Nieuwenhuis op hun geweten hebben.

De Standaard o. a. heeft toen gezegd :

Wacht eens, liberale vrienden, gij rilt zoo over Domela Nieuwenhuis. AVeet gij wel dat gij in 1848 tienmaal erger u hebt uitgelaten dan hij ?

B.v. de Arnh. Crt., die thans zoo deftig, zoo eerzaam, zoo vroom liberaal zelfs is, was in 1845 zoo fel, zoo onbeschaamd, zoo goddeloos radicaal, dat zij een artikel plaatste waarin Koning Willem II, de vader van onzen Koning Willem III, met het schavot gedreigd werd.

Onze Zeeuwsche liberale pers heeft er om gelachen en gezegd :

at maakt die Standaard een drukte ! Er zal wel weer niets van aan wezen, 't Is dan ook in 1845 al gebeurd!

Mogen wij echter één getuige slechts oproepen voor de lezers der liberale bladen ? Wij bedoelen mr. de Bosch Kemper, zeker niet een der onzen.

was in de dagen die de grondwetsherziening van '48 voorafgingen, dat de liberale pers, die zich thans zoo deftig

ocr page 12

8

voordoet, haren studententijd vierde. In den tijd toen negen liberale lieeren, met Tliorbecke en Lusac aan het hoofd, op de grondwetsherziening aandrongen.

De Bosch Kemper zegt dl. IV hlz. 508:

,Door allerlei lage middelen werd de partijhaat aangestookt.

De Minister Van Hall (een conservatief) werd bovenal aangevallen en bespot in een tijdschrift „De Wespen (hoofdred v. Dam van Isselt). In het politiek beestenspel werden de ministers als vampyr; de leden der Tweede Kamer als gemeene dieren, ezel, boa, wolf, kameelen, kreeft, leepe vos enz. voorgesteld, behalve het negental (Tliorbecke en zijn acht). Die droegen de namen van edele dieren: olifant, trouwe dog, adelaar enz.

En nu komt wat wij hebben moeten.

.In de Arnhemsche Crt. kwam een lang verhaal voor; De geschiedenis van het Turksche rijk onder Melliw-I-nian II, waarin de Koning en de ministers duidelijk waren aangewezen.

Verder leest men:

.In de Arnh. Crt. van 10 April werd van Melliw I (omgekeerd Willem I) verhaald, dat hij een wondere Chinees of liever Turk was, die met behulp van zijne piassen de heele boel fameus in de tear gestuurd en toen den tulband afgezet had.

Van den St. Nicolaasdag (den verjaardag van Willem II) werd aldus geschreven :

Het Turksche volk schreeuwde, gilde, tierde, woedde als een bezetene.

Op den witten steen stond een bloedkleurig schavot.

De zon ging ook dezen Zaterdag bloedrood onder, en Melliw-I-man II was gevallen onder de bijl eener bloeddorstige, geteigde, verbitterde, gehoonde volksmenigte.

De piassen waren nog bijtijds naar Amerika gevlucht.

De vloek des volks was hun reisgezellin aan boord.

Hun stoomboot verging met man en muis.

„Vox populi, vox Dei Sapienti satquot;

Is er niet een luchtje aan dat liberaal geschrijf van 1845 ? Een luchtje, dat dat der socialisten overtreft en in afschuwelijkheid dit stukje met de Gorilla-litteratuur in Recht voor Alleii doet wedijveren ?

Domela Nieuwenhuis had een flinke leerschool bij de mannen van 1848.

VI. LIBERALE CONFESSIËN EN PBOFANATIËN.

De liberalen hechten niet aan het Koning zijn bij de gratie Gods, omdat het oude geloof aan een persoonlijk God hun, bijna

ocr page 13

9

zonder uitzondering, vreemd is; de gebruikelijke woorden missen mitsdien voor hen zin, — en het kan niet nuttig zijn het gebruik van formules aan te moedigen, waarbij men öf in 't geheel niets denkt öf iets geheel anders dan de woorden schijnen te kennen te geven.

De Amsterdammer, 29 Aug. 1887.

Men leest^ in het 2e bijvoegsel tot de Prov. Gron. Crf. van Woensdag 15 Februari 1888 No. 39, het volgende :

, Langzamerhand beginnen zich in de Oldambten drie hoofdrichtingen te ontwinden uit de kluwen der verwarring. We zouden deze drieëenheid zoo kunnen samenvatten:

1. Protectie = de Vader.

2. Belastinghervorming qq. inkomstenbelasting = de Zoon.

3. Algemeen stemrecht = de Heilige Geest.

Wie afgevaardigde zal worden moet boven deze triniteit staan, tevens deel er van uitmakende, gelijk Brahma, de helderziende.quot;

Deze heiligschennis, zoo schrijft de Graafschapper, staat niet in een advertentie, die aan de controle ontsnappen kan, maar staat in net redactioneele gedeelte van de courant zelf.

W aai lijk, ook hier blijkt, dat de strijd bij de stembus een strijd is tusschen .... geloof en ongeloof.

VIL LIBERALE BEGINSELEN.

Niet alleen echter moet het besef, dat men verschillende beginselen huldigt, de liberalen meer en meer scheiden van hen, welke een gezag bij de regeling der staatszaken erkennen buiten en boven den mensch \ maar in de ontwikkeling der denkbeelden zijn vraagstukken op den voorgrond getreden, die de grenzen van het terrein waar samenwerking mogelijk is, raken en overschrijden ..........

. • • • De liberale partij is in haar wezen, ofschoon niet altijd in de praktijk, een tak van den breeden stroom van het rationalisme ............

. . . Het naaste doel dat zi] zich voorstelde te bereiken was... In plaats van gezag bij Gods genade, de heerschappij dei-Grondwet ............

. . . Den laatsten grond, dien de liberalen vinden in het gezag der rede, zoeken de conservatieven in de openbaring Godsquot; .

ocr page 14

10

... De kerkelijke partii vormt niet alleen nog altijd een zeer groote staatkundige macht, maar in haar ziet de liberaal, juist omdat zij staatkundige partij is, den meest principieelen tegenstander tegenover zich.

{Richting en beleid der liberale partij, door Mr. P. W. A. Cort v. d. Linden, blz. 2, 3, 7 en 9.)

De liberale staatkunde moet naar haar beginsel alle regels stellen in het belang van allen. Er is geen enkele redelijke grond waarom den een alleen om zijnentwil een voorrang zou toekomen boven de anderen: geen enkele redelijke grond waarom de een om zijnentwil gezag zou uitoefenen, of over anderen zou beschikken.

{Richting en beleid der liberale partij, door Mr. P. W. A. Cort v. d. Linden, blz. 4.)

Naar liberale beginselen echter heerscht de rede oppermachtig. In alle omstandigheden beslist zij alleen, in hoever het gezag voor allen wordt uitgeoefend.............

... De liberale partij op het vasteland van Europa is voortgekomen uit de Fransche revolutie...........

{Richting en beleid der liberale partij, door Mr. P. W. A. Cort v. d. Linden, blz. 4.)

VIII. Liberale Veekiezingspeactijkek.

In de Maas- en Merwebode van 24 Maart 1888 leest men het volgende:

„Schandelijke tactiek.

In Dordt plakte men groote biljetten aan, waarop te lezen stond: „Wie niet wil dat Rome over Nederland heersche, die stemme met ons den liberalen candidaat.quot;

Men wilde ons volk bang maken voor Rome : dat was het schrikbeeld.

Het samengaan met Rome was een monsterverbond; brandstapel en schavot waren in aantocht, als men den antirevolutionairen Mr. v. d. Borch koos.

De heer v. d. Rivière zeide zelfs te Dubbeldam met aandoening in zijn stem, dat, werd v. d. Borch gekozen, men weldra van Nederland zal zeggen, „daar was vrijheid, maar zij is er nu niet meerquot;, omdat de Roomschen ook op baron v. d Borch stemden.

En ziet nu wat de liberalen elders doen.

ocr page 15

11

Verafschuwen ze een verbond met de Roomschen ? Neen erger, zij vleien dezen om de antirevolutionairen, om de geloovige protestanten te weren.

Die huichelaars!

Leest ten bewijze dit uit het Weekblad voor Zeeuirsch- Ylaander ens Westelijk deel, van 19 Maart '88: „En gij. Katholieke Kiezers, steunt toch niet de leiders der antirevolutionairen, om hen hun heerzuchtige bedoelingen te doen bereiken. En ge steunt hen, zoo ge niet een liberaal kiest. Hebt uwe vrijheid lief en helpt een einde maken aan de onverkwikkelijke staatkundige kuiperijen, die de zonen van hetzelfde land van elkaar vervreemden. Bedenkt toch hoe treurig de toestand is en hoe ellendig hij Icon worden in zijn gevolgen. Kiest mede onder de leus; tot welzijn van het vaderland onzen liberalen candidaat.quot;

IX. DE LIBERALEN TEGENOVER DE KERK.

Spreker wil de liberale partij er ernstig voor waarschuwen, dat zij zich niet langzamerhand zal transformeeren tot een synodale partij. De Staat is niet geroepen, direct noch indirect, invloed uit te oefenen op het geloof der ingezetenen.

Het is in den laatsten tijd gebeurd, dat de synodale candi-daten warm werden aanbevolen aan de kiezers door de liberalen. Zelfs kerkelijke hoogleer aren hebben dit gedaan. Spreker betreurt dit. De Staat moet geen subsidie geven aan kerkgenootschappen, t Is echter een moeilijk vraagpunt, een kruidje-roer-mij-niet; maar dit moet niet verhinderen dat het behandeld moet worden.

(Mr. S. van Houten in „Volksbelangquot; te Haarlem, 24 Januari 1889, volgens het verslag in het D. v. N.)

X. HET LIBERALISME STEEDS MINDERHEID IN HET LAND.

De Amsterdammer van 27 September '87 wijst er met de volgende cijfers op, hoe de liberalen bij de stembus telkens in de minderheid bleven:

In

1871

met

26.000

stemmen

tegen

32.000.

;;

1873

»

27.000

n

n

35.000.

7)

1875

7»

31.000

n

38.000.

V

1877

??

22.000

f)

71

30.000.

V

1879

T)

28.000

y)

ff

38.000.

*

1881

n

28.000

«

ff

38.000.

n

1883

*

32.000

ff

43.000.

J5

1884

n

41.000

•n

ff

49.000.

T»

1886

V

48.000

7!

ff

54.000.

?»

1887

n

32.000

n

ff

40.000.

ocr page 16

12

XL MINISTER LOHMAN BEOORDEELD.

„Bij het lager onderwijs moge zijne voorliefde voor bijzondere scholen hier en daar doorblinken, toch stellig veel minder dan men had vermoed; en wat ons hooger onderwijs betreft, in het eerste jaar van zijn bestuur heeft Mr. Lohman daarvoor meer en beter gedaan dan menig minister, van wien men, omdat hij uit de liberale partij was voortgekomen, mocht veronderstellen, dat hij juist aan dat gedeelte van zijne taak groots sympathie zou toedragen.quot;

{De Gids Januari 1891. Rumor in Casa door J. T. Buys blz. 105.)

Bij het optreden van Jhr. Mr A. F. de Savornin Lohman als minister van binnenlandsche zaken, liet o.a. de Java-Bode zich in dezer voege uit:

, Als Nederlanders gaan wij mede gebukt onder de vernedering, die het verlichte deel der natie gevoelen moet, nu een man van de richting van Prof. de Savornin Lohman aan het hoofd komt van het belangrijkste departement van algemeen bestuur.

„Het is bijna niet denkbaar, dat de liberale meerderheid dei-Eerste Kamer door een doleerende de gewijzigde schoolwet zal laten uitvoeren, al stemde een deel van haar daar ook voor, en bij de eerste de beste gelegenheid is een botsing dan ook onvermijdelijk. In dien tusschentijd past echter klagen weinig by een Kegeeringsvorm als den onzen ; de meeste stemmen gelden, al worden die ook uitgebracht door lieden, op wier oordeel in het dagelijksch leven niet de minste prijs wordt gesteld.quot;

XII. ONZE KEGEERING GEWOGEN.

Tegenover deze groote tekortkomingen kan het ministerie onbetwistbaar ook op vrij wat goede werken wijzen. Zonder nog te gewagen van den minister van oorlog, op wiens hoogst ge-wrichtigen en zeer omvangrijken arbeid ik zoo aanstonds meer in het bijzonder terugkom, hebben ook andere Departementen, die van Justitie en Waterstaat vooral, door wat zij leverden en voorbereidden, hunne partij en naar velerlei oordeel ook het vaderland aan zich verplicht/Telt men alles te zamen wat sedert het voorjaar van 1888 op wetgevend gebied tot stand kwam en vergt men daarbij geen certificaten van oorsprong, ten bewijze dat het geleverde inderdaad in de tegenwoordige ministerieele fabriek werd gereed gemaakt, dan komt een vrij betamelijk cijfer van de werkzaamheid dezer Regeering gunstig getuigen, en kunnen de dagbladen, welke hare belangen steunen, met eenigen grond

ocr page 17

13

beweren, dat de geheele productie maar weinig verschilt van wat vorige kabinetten gemiddeld tot stand brachten.

(De Gids. Januari 1889. Rumor in Casa door J. T. Buys bl. 114.)

Immers eene regeering, van welke later zou moeten worden getuigd, dat zij eenerzijds eene schikking van de schoolquaestie gevonden en anderzijds liet militaire vraagstuk, aan welks oplossing ook de liberale ministeriën sinds tal van jaren vruchteloos arbeidden, tot een deugdelijke beslissing had gebracht, zou daardoor alleen aanspraak verwerven op een eervollen naam in onze parlementaire geschiedenis, welke overigens hare tekortkomingen ook mochten geweest zijn.

{De Gids. Janauri 1891. Rumor in Casa door J. T. Buys blz. 123.)

Geen bezuinising ?

_ T . p Ö

Naar aanleiding van de bewering der liberalen, dat dit ministerie zijn belofte van bezuinigingen te zullen invoeren, niet nakwam, vestigt de Boodschapper de aandacht op de cijfers, die de tegenwoordige minister van financiën, de heer Godin de Beaufort in zijn Memorie van Antwoord heeft opgenomen.

Uitgaven. Ontvangsten.

1883 ƒ122.240.293. ƒ 112.305.808.

1884 /•121.088.062. /113.440.077.

1889 / 119.925.623. ƒ 125.543.019.

Terwijl alzoo de ontvangsten sinds 1883 met 12 millioen klommen, en de bevolking met ongeveer 400.000 zielen toenam, daalde het cijfer der uitgaven nog met ruim twee millioen.

En wat de nieuwe schoolwet aangaat, die altijd volgens de liberale couranten, zoovele offers van den Staat zou vergen, — als de wet van '78 gebleven en behoorlijk uitgevoerd was, zou die reeds dit jaar meer kosten hebben veroorzaakt, dan thans de uitvoering der gewijzigde wet vordert.

(Uit de Oranjevaan van 10 December 1890.)

XIII. DE SECTESCHOOL DER MODEEXEN.

In De Zeeuw van 15 November 1887 komt het volgende voor:

De openbare school kan niet neutraal zijn, en zij is het dan ook niet. De moderne hoogleeraar Rauwenhoff erkent dat de openbare school is: secteschool der modernen.

ocr page 18

14

Hij schreef' eens:

„De wereldbeschouwing der Schrift is geheel tegenovergesteld aan die van onzen tijd; de bijbel maakt het godsdienstige leven arm en ongezond. De begrippen van eene schuld der mensch-heid tegenover God, van verzoening daarvoor door Jezus' kruisdood teweeggebracht, van eeuwige zaligheid voor de geloovigen, tegenover eeuwige rampzaligheid voor de ongeloovigen; — al die begrippen, in ons oog zoo onwaar, zoo schadelijk voor eene zuivere godsdienstige ontwikkeling, leert de gemeente altijd opnieuw uit den Bijbel. Wij, modernen — die deze begrippen verwerpen — hebben onder de onderwijzers een aantal geestverwanten. Wij kunnen dus op school een niet onbelangrijken invloed uitoefenen.quot;

En de moderne Ds. Hugenholtz zegt:

.Laten de zaden van kennis en ontwikkeling steeds milder worden uitgestrooid, maar vergeten wij daarbij nooit onze roeping om in die scholen, nl. in die van het lager onderwijs, te brengen niet een arke Gods, een onbegrepen dogmatiek, een bijbel als het tooverboek, waarmeê alle booze geesten zouden worden uitgedreven; maar wel het opvoedkundig element, de vorming van gemoed en karakter, gelyk onze beginselen ons daartoe dringen.quot;

De Graafschapper herinnerde eens terecht aan de verklaringen van heeren liberalen. O. a. de heer De Beaufort zei het ronduit, dat vele onderwijzers der openbare school volgelingen zijn van den goddeloozen spotter, den ongeloovigen Multatuli.

Rondborstig heeft de Spectator het uitgeroepen: „Ach, laat men het toch inzien, en ingezien het erkennen: het onderwijs kan niet volstrekt neutraal zijn, en het is onkerkelijk, ja kerkondermijnend.quot;

Het „liberalequot; Nieuws v. d. Dag heeft zich eens laten ontvallen: De staatsschool moet dienst doen om de heerschappij der kerkelijke leerstellingen af te breken.

Het „liberalequot; Vaderland heeft het eens verklapt, hoe vrees voor de macht der Kerk het noodzakelijk maakte om zich in de Staatsschool te wapenen.

En de Zutfensche Courant, niet minder openhartig, zei eens:

De moderne staatsidee, de vrucht der beginselen van'89, staat en valt met de erkenning, „der rechten van den mensch. Op dat idee is onze volksschool gebouwd; zij is er als t ware de practische belichaming van.

Zeer juist, zoo voegt de Graafschapper hier aan toe. Maar niemand vergete daarbij, dat de erkenning van „de rechten van den menschquot; in 1789 tevens de volstrekte loochening was van de rechten Gods.

ocr page 19

15

Zeer consequent hebben daarom onze „Liberalenquot; gehandeld met te verbieden^ om op de staatsschool in den naam van Jezus te spreken of te leeren.

XIV. OVER HET ONDERWIJS EN DE „NEUTRALITEITquot;.

Indien de antirevolutionairen er niet tegen waaktei; en door hunne vrije scholen het Protestantsch bewustzijn wakker hielden, zou, in naam van den eisch der neutraliteit, de Proteshantsche opvatting onzer geschiedenis langzamerhand allerwege doodgezwegen worden .................

. . . Onloochenbaar is wat de Standaard zegt, dat, als de overheidsschool enkel tot aanvulling diende, het volksonderwijs ons minder duur zou uitkomen. En dat om verschillende redenen. Bekend is, dat er maar al te dikwijls kwistig met geld wordt omgesprongen, wanneer men uit de staatskas kan putten. In een weelderig paleis als b. v. de Kweekschool te Deventer, behoeven onze onderwijzers niet te worden opgevoed. Is dat de manier om hen zich met een blijmoedig hart in bescheiden levensomstandigheden te leeren schikken? Bespeurt men niet, dat men / zoo gevaar loopt proletariërs der beschaving te vormen, mannen i met nihilistische neigingen behept? '

{De Schoolstrijd, door Jhr. Dr. v. d. Wijck, blz. 57, 58 en 62).

De ultra-liberale Dr. A. Pierson, hoogleeraar in de aesthetica te Amsterdam, schreef in 1808 over de neutrale school in Nederland het volgende:

Een staat die op zijn scholen aan de jeugd een godsdienst meedeelt, welke in de oogen van velen zijner burgers den naam van godsdienst niet meer verdient, is dat een staat die zijn onderwijs heeft geregeld met eerbiediging van elks godsdienstige begrippen ?

Men spele niet met woorden. Is het, om iemands godsdienstige begrippen te eerbiedigen, voldoende dat ik ze niet bespottelijk maak? Eerbiedig ik u, als ik u niet uitlach?

Uwe begrippen, ik ondermijn ze, want ik maak hun overtolligheid voelbaar, ik zwijg ze dood; maar ik eerbiedig ze, ik, Staat der Nederlanden !.............

Zendt mij uwe kinderen. Over dertig jaren zijn uwe kinderen mannen en vrouwen, die met Christendom boven geloofsverdeeldheid dwepen, en wandelend langs uwe graven, het hoofd zullen schudden over, uwe dogmatische bekrompenheid. Wat is u, dat

ocr page 20

16

gij siddert ? Heb ik uwe godsdienstige begrippen niet geëerbiedigd ?

En zijn de goedgeloovigen niet in hun recht, wanneer zij antwoorden: O, voorzeker, gij hebt Maria niet gelasterd, de Onbevlekte Ontvangenis niet geloochend, de Drieëenheid niet voor onzedelijk uitgemaakt, de godheid van Jezus niet als een antiek bijgeloof voorgesteld, maar gij hebt aan het zedelijk leven van het geslacht dat na ons komen zal, feitelijk geheel dien Christelijk leerstelligen grondslag ontnomen, dien - wij als den waren, als den eenigen grondslag van elk zedelijk leven in gemoede aanmerken ; en dit o, moderne Staat, hebt gij gedaan, zonder het te zeggen !

XV. ONZE GRIEVEN TEGEN DE NEUTRALITEIT DEK SCHOOL ERKEND.

Nu beweer ik, dat het een dure plicht van alle liberalen in Nederland is, den onderwijzer te verlossen van het juk der neutraliteit. Liberalisme, wat het ook overigens moge wezen, is in de eerste plaats : eerbiediging van menschelijke zelfstandigheid ...................

. . . Men herinnere zich het woord dat jaren geleden Thor-becke sprak: „Zijn onze scholen godsdienstloos, dan mogen zij verdwijnen ; dan is het beter dat zij niet bestaan.quot;

De godsdienstige richting van hen, die geen godsdienstige richting hebben, is de eenige, die met onze neutrale school vrede kan hebben, en wordt dus door den modernen Staat thans eenzijdig begunstigd. Dat mogen de liberalen niet dulden, want hunne leer is, dat de moderne Staat op godsdienstig gebied geen partij heeft te kiezen. Voor oplossing der schoolquaestie wordt erkenning vereischt van het feit dat, hoe groot de achteruitgang in godsdienst ook bij een deel van ons volk moge zijn, een ander zeer aanzienlijk deel godsdienstige behoeften heeft. En die laatste groep heeft gelijke rechten als de eerste ; zij mag dus eischen, dat er ook voor haar openbare scholen bestaan, scholen, waarin de godsdienst de spil is, om welke de geheele opvoeding draait. Catechisatie en kerk werken slechts bij tusschenpoozen, de school is den halven dag bezig ; zij is de plaats waar het kind leeft en handelt, waarop al zijn gedachten en al zijn wenschen zijn gericht.

{De Schoolstrijd door Jhr. Dr. v. d. Wijck blz. 25, 26 en 28.)

Ook weten wij allen zeer goed, dat „de school met den bij-

ocr page 21

17

bel ' enkel een pittige leuze is, een manier om kort en krachtig aan te duiden wat men begeert; dat bet de bedoeling volstrekt niet is de kinderen uit Deuteronomium te leeren lezen en spellen, maar mannen met een bijbelscben zin, die liet zout des bijbels over bun gebeele onderwijs strooien, aan bet boofd der scbool te krijgen.

[De Schoolstrijd door Jbr. Dr. v. d. Wijck, bladz. 16.)

Ja, breien kan neutraal onderwezen worden. Ook rekenen misschien. De tafel van vermenigvuldiging blijft dezeltde, of de meester al dan niet aan een persoonlijk God gelooft. Maaibij het lezen raaivt de neutraliteit reeds in de klem.

{De Schoolstrijd door Jbr. Dr. v. d. Wijck, bladz. 21.)

De supranaturalist acht de zedewet slechts dan onaantastbaar, wanneer zij door God is opgelegd; hij kan dus niet zwijgen over God. De rationalist acht haar heilig, ook al is er geen God. De supranaturalist gebruikt heel andere verven, wanneer hij de geschiedenis van ons volk schildert, dan de rationalist; de uitslag der veldslagen is bij den eerste in de band van den decider beirscharenquot;; opkomst en ondergang der naties toont hem het spoor der Voorzienigheid; zelfs in het lot van individuen, in datgene, wat anderen toeval noemen, ziet hij den vinger Gods.

{De Schoolstrijd door Jbr. Dr. van der Wijck, bladz. 21, 22.)

XVI. DE NEUTRALITEIT DEE STAATSSCHOOL VEROOEDEELD.

De liberale partij behoort te vermijden, dat haar de achteruitgang in godsdienst kan geweten worden. In de eerste plaats, omdat het illiberaal zou zijn de vrije werking van het Evangelie te belemmeren. In de tweede plaats uit wereldsche voorzichtigheid, ten einde niet een zware verantwoordelijkheid op hare schouders te laden, welke te zwaar zou kunnen worden

. . . Eindelijk wenschen wij, dat de onmogelijke uniformiteit der openbare school worde prijsgegeven, dat het recht der ouders niet langer miskend worde om te beslissen welke geestelijke leiding hun kinderen dag aan dag ontvangen zullen, m. a. w. dat er, gelijk de godsdienstige gesteldheid der natie het medebrengt, openbare scholen van allerhande kleur bestaan. . . .

ocr page 22

18

. . Wat zeggen op dit oogenblik de confessioneelen? Wij moeten de scholen betalen, waar onze begrippen worden doodgezwegen en die wij dus niet kunnen goedkeuren, terwijl wij geen cent uit de openbare kas erlangen voor de scholen waaraan wij behoefte hebben; scholen die de staat nochtans niet mag afkeuren, integendeel van zijn onzijdig standpunt verplicht is even hoog als zijne eigen scholen te stellen, mits er maar even degelijk onderwijs gegeven wordt in wat men voor de burgermaatschappij noodig heeft. Ziedaar de rechtmatige grief........

. . . Zoo zal er (als de door Prof. v. d. Wijck voorgestelde regeling gevolgd wordt) althans in den geest der meerderheid onderwezen en opgevoed worden. De minderheid zal reden tot klagen hebben, maar zulks is beter dan dat, zooals thans dikwijls het geval is, minderheid en meerderheid beiden ontevreden zijn.

{Dc Schoolstrijd, door Jhr. Dr. v. d. Wijck, blz. 28, 32, 33 en 37.)

Daar de neutrale staatsschool het christelijk bewustzijn in zijn verschillende vormen ondermijnt, wordt zij door die onderwijzers verlaten, die daaraan niet mêe willen doen........

. . . Helaas, meer en meer is het een kenmerk van den Neder-landschen liberaal geworden, dat hij den belijder van ieder Kerkgeloof als een domper beschouwt...........

. . . Uit deze woorden blijkt, hoe diep geworteld wantrouwen thans de burgers van hetzelfde land vijandig aan elkander overplaatst, en hoe hoog tijd het is, dat, wil men de eenheid van ons volk redden, de schoolstrijd worde opgelost......

. . . Door eene hersenschimmige eenheid na te jagen, heeft men juist het tegendeel erlangd en het vuur der tweedracht, zonder het te willen, in den boezem der natie aangeblazen . .

... De grieven (als) gevolg der thans bestaande regeling zijn; verscheuring van de eenheid der natie, ondragelijk slechte partij-groepeering, een politieke toestand, waarbij men voor- noch achteruit kan, en die op deu duur den ondergang van den parlementairen regeeringsvorm ... na zich moet slepen.

{De Schoolstrijd, door Jhr. Dr. v. d. Wijck, blz. 45, 49, 51, 54.)

ocr page 23

19

In De (rids van 1891, biz. 1;]4, schrijft de hoogleeraar Buys als volgt:

quot;Men heeft ook moeite nog vast te houden aan de gedachte, dat wij ten slotte nog leden zijn van één zelfde volksgemeenschap. tot samenwerken geroepen en tot samenwerken verplicht. De illusie onzer vaderen, dat men de kiemen der verdeeldheid, hier altijd zoo kwistig gezaaid, het best zoude verstikken door aan de gemengde volksschool vast te houden, is op bittere teleurstelling uitgeloopen, want de instelling die vrede brengen moest is juist de steen des aanstoots bij uitnemendheid gewordenquot;.

ocr page 24

INHOUD.

Bladz.

, 3

De verdeeldheid der Liberalen..........

De werkeloosheid der Liberalen op maatschappelyk terrein De Liberalen bchooren de rechten der minderheden tc erkennen.........

De onmacht der Liberalen . . • De liefde der Liberalen voor Oranje Liberale confession en prolanatiën

Liberale beginselen......

Liberale verkiezingspractijken • . De Liberalen tegenover de Kerk . Het Liberalisme steeds minderheid i

het land

y

Minister Lobman beoordeeld.

Onze Regeering gewogen . .

De Secteschool der Modernen Over liet Onderwijs en de Neutraliteit Onze grieven legen tic Neutraliteit der School erkend De Neutraliteit der Staatsschool veroordeeld ....

IV.

v.

VI.

vu.

VUL

IX.

x.

, XI.

xu. xiu.

XIV.

XV. XVI.

ocr page 25
ocr page 26
ocr page 27

Irffl- J- ^

LOSSE AANTEEKEN1NGËN

VOOR

DEBAT.

II

©tiet in 3en faandzi.

AMSTERDAM, 1891.

ocr page 28
ocr page 29

LOSSE AANTEEKEMGEt

VOOR

D E B A. T.

II.

in 9eh faande-C.

INHOUD.

Bladz

I. Werkeloosheid der regeering...........3

II. Christelijk Ministerie...............12

UI. Zuinigheid..................13

IV. Moeilijkheden voor de regeering...... .... 14

V. Kiesrecht...................15

VI- Onderwijs...................16

VII. Fouten der Liberale partij............18

AMSTERDAM, 1891.

ocr page 30
ocr page 31

1. WERKELOOSHEID DER REGEERIXG.

Herhaaldelijk wordt van liberale zijde beweerd, dat liet ministerie weinig heeft getracht tot stand te brengen, en wordt gewezen op ,cle zeer gunstige omstandigheden waaronder liet kabinet zijn taak heeft aanvaard.quot; (V. V. Hoofdstuk I Staats-begrooting 1891.)

Wat die gunstige omstandigheden aangaat, zeer terecht werd in het Voorloopig Verslag over die , gunstige omstandighedenquot; gezegd (bl. 5) :

,Eu hierbij diende in het oog gehouden te worden, dat dit kabinet geenszins in bijzonder gunstige omstandigheden was opgetreden. Kon het in de Tweede Kamer op eene meerderheid rekenen, zij was toch slechts eene geringe, en in de Eerste Kamer zag het kabinet zich geplaatst tegenover eeue groote meerderheid van politieke tegenstanders.

, Over de vraag of het zich steeds in welwillende bejegening van de oppositie had mogen verheugen en over de redenen welkt tot verwerping van de begrooting van Koloniën door de Eerste Kamer geleid hebben, wikte men niet twisten; maar dit scheen in elk geval onbetwistbaar, dat een kabinet, hetwelk steeds gevaar loopt niet een der beide takken van de Volksvertegenwoordiging in botsing te geraken, nu juist niet in bijzonder gunstige omstandigheden verkeert. Dat deze verhouding voor den arbeid op wetgevend gebied bezwaren met zich brengt, sprak van zelf, en dit behoorde niet uit het oog te worden verloren, waar herinnerd werd aan de toezeggingen van het kabinet.quot;

Waaraan de heer Oppedijk in de zitting van 22 Januari 1891 (Handelingen bl. 632) toevoegde :

,Bovendien behoef ik slechts te gewagen van de ministerieele crisis, die het vorige jaar is ontstaan tengevolge van het bekende besluit van de Eerste Kamer en van de ziekte des Konings, met de vertraging in den gang der Staatszaken die daarvan het noodzakelijk gevolg is geweest, en eindelijk het betreurde overlijden van Zijne Majesteit, dat aan de Regeering handenvol werk gaf. AVaar na dat alles de Regeering, na het tot stand komen alhier der meeste begrootingen, gereed staat haar standpunt te verdedigen, moet zij wel rekening houden niet de meerderheid, die aan de overzijde van het Binnenhof bestaat en die van een anderen geest doortrokken is, dan die welke het Ministerie bezielt, even-

ocr page 32

4

zeer als zij moet letten op den geest, welke meest in liet Zuiden des Rijks lieerscht en waarvan wij de sporen reeds in deze vergadering hebben kunnen opmerken. Voorts wordt de R egeering belemmerd in haar streven door revolutionaire pogingen van hen. die niets anders bedoelen dan, door ontevredenheid te zaaien onder liet volk. eene omwenteling te bespoedigen.quot;

Maar een beroep op de moejjelijkheden waarmede de Regeering te kampen had, is niet noodig, want zjj heelt in den korten tijd van haar optreden veel, zeer veel gedaan. Laat ons zien wat daaromtrent wordt gezegd :

In het voorloopig verslag op de begrooting voor 1891 lezen wij, bl. 5, het volgende :

„Vooreerst wekte het bevreemding dat over gebrek aan voortvarendheid op wetgevend gebied beklaagd werd. Juist in dit opzicht scheen de werkzaamheid van het Kabinet zich gunstig te onderscheiden ran hete/een men van zoovele vroegere ministeriën van andere richting had ondervonden. Zeer gewichtige wetten zijn sedert de optreding van het tegenwoordige Kabinet tot stand gekomen; de herziening der wet op het lager onderwijs, de regeling der burgerlijke peusioenen, de arbeidswet, de wet op het octrooi der Nederlandsche Bank, die tot bekrachtiging der spoorwegovereenkomsten, —• alle deze en andere wetten bewezen dat het Kabinet allerminst stil had gezeten.quot;

Maar laat ons hooren wat de regeering zelve zegt, blz. 1—3, Memorie van Beantwoording:

§ 1. Niet zonder bevreemding heeft de Regeering kennis genomen van de door velen geuite klacht over het gebrek aan voortvarendheid ten aanzien van maatregelen van wetgevenden arbeid. Zij meent die beschuldiging in geenen deele te hebben verdiend. Gedurende 21/2 jaar aan het bewind, heeft zij, evenals elke Regeering, een groot deel van haren tijd moeten wijden aan het dagelijksch beheer, waarvoor zij aansprakelijk is. Bovendien heeft zij gedurende dat korte tijdsverloop met moeilijkheden van bijzonderen en tijdroovenden aard te kampen gehad : niet slechts waren maatregelen te nemen met het oog op den toestand des Konings, maar bovendien had er eene Ministers-

verwisseling plaats, waarvan belangrijk tijdverlies steeds het noodzakelijk gevolg is.

Desniettegenstaande heeft zij menigen maatregel op wetgevend gebied tot stand gebracht of voorbereid; en nu beweerd wordt dat er eene al te groote klove bestaat tusschen de toezeggingen in de Openingsrede op I Mei 1888 en de daden van het Kabinet, acht zij het wenschelijk die Openingsrede op den voet te volgen en te vergelijken niet hetgeen verricht is.

's Konings Regeering, het openbaar onderwijs als een voorwerp

ocr page 33

5

Jiarer aanhoudende zorcj beschouwende, zal trachten, binnen de perken der Grondwet, helemmerinyen die tot noy toe der ontwikkeling van het vrije onderwijs in den ireg staan, zooveel mogelijk uit den weg te ruimen. Op dit punt althans is meer gedaan dan beloofd werd. Door eene ingrijpende wet is niet alleen de school-qaestie, althans voor zoover dit naar de meening der Regeering binnen de grenzen der Grondwet mogelijk is, opgelost, maar zijn ook andere verbeteringen aangebracht; de belangrijkheid en de omvang van dien arbeid kunnen blijken uit het tal van maatregelen, die het gevolg zijn van de nieawe regeling. Wel verre van, zooals gevreesd werd, de grondwettige taak betreflende het openbaar onderwijs te verwaarloozen, dragen de schillende begrootingen, gelijk ook erkend wordt, de bewijzen van het tegendeel.

Ook in ons vaderland eischen de maatschappelijke vraagstukken de volle aandacht. De door de vorige Tweede Kamer begonnen enquête geeft reeds nu de gelegenheid maatregelen te heramen, om de verbetering van den toestand te beproeven.

Maatregelen om te onderzoeken in hoeverre aanvulling dei-sociale wetgeving vereischt wordt, zijn bij de wet vastgesteld ; aangenomen is eene wet, houdende bepalingen tot liet tegengaan van overmatigen arbeid van jeugdige personen en van vrouwen; bepalingen tot waarborging van de vrije beschikking door werklieden over hun verdiend loon. wachten op de goedkeuring van de Staten-Generaal. Voorts wordt de aandacht gevestigd op de regeling der pensioenen van de mindere geëmployeerden enz., op daggeld werkzaam bij de inrichtingen van 's Rijks zee- en landmacht ; alsmede op de wet tot regeling van de pensioenen der burgerlijke ambtenaren en der weduwen en weezen van burgerlijke ambtenaren.

De nog steeds gedrukte toestand van den landbouw noopt tot een voortgezet onderzoek naar de middelen, om die groote bron onzer volkswelvaart te ontwikkelen en te bevorderen. Te dien einde is, ingevolge het advies der Landbouwcommissie, eene wet uitgevaardigd tot voorkoming van bedrog in den boterhandel; landbouwproefstations zijn opgericht, wandelleeraars aangesteld; ook op andere wijze is het landbouwonderwijs bevorderd : maatregelen zijn genomen tot verbetering van het paardenras, en eene kleine, doch niet onbelangrijke wijziging in de personeele belasting, ten einde den landbouw te gerieven, is voorgesteld. De landbouw zal over de medewerking der Regeering niet klagen, al is ook hare taak in deze geenszins voltooid.

Ook de belangen van handel en nijverheid zullen niet uit het oog worden verloren. In de eerste plaats moge hier worden gewezen op de spoorweg-overeenkomsten; verder op de wet tot

ocr page 34

6

herziening der consulaatrechten; de afschaffing der rechten op het Noordzeekanaal; enkele verbeteringen betreffende den accijns op bier en azijn; op de bij de Staten-Greneraal aanhangige overeenkomsten met stoombootschappijen ter bevordering van een versnelden maildienst met jSTederlandsch-Indië.

Be ter uitvoering der nieuwe grondwettelijke bepalingen noodir/e wetsontwerpen zullen geleidelijk worden ter hand genomen. De regeling van de administratieve rechtspraak zal worden ontworpen. De organisatie van een hoogst college voor administratieve rechtspraak en de daarbij te volgen rechtspleging worden voorbereid ; wanneer de daartoe betrekkelijke voorstellen kunnen worden ingediend, is echter niet met zekerheid te zeggen. Bedenkt men evenwel, dat in Duitschland, waar de materie veel beter dan ten onzent was voorbereid, de wetgever meer dan tien jaren voor de regeling der administratieve rechtspraak noodig heeft gehad; herinnert men zich dat de ,wet regelende de wijze waarop geschillen over bevoegdheid tusschen de administratieve en rechterlijke macht ontstaan, wordt beslistquot;, eene wet voorgeschreven bij art. 150 der Grondwet van 1848, nimmer is tot stand gekomen, — dan zal men het onbillijke van de eischen betreffende de invoering van administratieve rechtspraak, in het Voorloopig Verslag gesteld aan eene Regeering, die nog zoo korten tijd aan het bewind was, moeten erkennen.

De bewering, dat de Regeering ten aanzien van hetgeen de uitvoering der Grondwet betreft, in verzuim is, is minder juist.

Niet alleen is de wet betreffende de vereischten van verkiesbaarheid voor het lidmaatschap der Eerste Kamer tot stand gekomen, maar ook zijn „ter hand genomenquot; en ingediend de bepalingen ter uitvoering van art. 152, 2de lid, der Grondwet (inundatiën), en van art. 187 (staat van beleg); terwijl ook de wet, houdende vaststelling van bepalingen betreffende 's Rijks waterstaatswerken, alsmede die ter voorkoming van aanvaring en aandrijving, onmiddellijke uitvloeisels zijn van het nieuwe art. 56, 2de lid, der Grondwet.

De volgens de 2de alinea van art. 181 der Grondwet gevorderde wet, betreffende 's lands verdediging, zal worden voorbereid door eene Staatscommissie. Terwijl bij de instelling dier Commissie voortdurend is beweerd, dat zij vertraging ten doel had, kan thans worden beoordeeld of de Regeering bij de vervulling van de haar bij de Grondwet opgelegde taak al dan niet heeft stilgezeten.

Ten aanzien van de financiën bevat de Openingsrede het volgende: „ofschoon de financiëele toestand van het Rijk niet ongunstig kan genoemd worden, rekent 's Konings Regeering het zich ten plicht, door te trachten vermeerdering van uitgaven tegen

ocr page 35

te gaan en door te streven naar bezuiniging, zoo mogelijk verhooging van lasten te voorkomen.

Ëenige hepalingen van de wet op depersoneele belasting vorderen herziening, mede in verband met het te regelen kiesrecht, terwijl met ernst zal worden overwogen, in hoeverre van de invoerrechten als bron van inkomst voor de schatkist meer partij getrokken en de druk van enkele accijnzen verminderd kan worden.

Eene nadere regeling van de verhouding tusschen Bijks en ge-meentefinanciën is een dringende eisch des tijds. Uitbreiding van het belastinggebied der gemeenten zal deze in staat moeten stellen meer onafhankelijk te voorzien in ha) e eigene behoeften-

De korte tijd, die ons scheidt van den dag, waarop het aan de Nederlandsche Bank verleende octrooi zal komen te vervallen, maakt eene spoedige beslissing van het ten vorigen jare ingediende wetsontwerp tot verlenging van dat octrooi wenschelijk. Uit dien hoofde is 's Konings machtiging gevraagd dit ontwerp reeds dadelijk onveranderd in te dienen.

Onder verwijzing naar het antwoord dat hieronder volgt op hetgeen het Yoorloopig Verslag ten aanzien van den financieelen toestand en ons belastingwezen behelst, moge hier ter plaatse worden volstaan met de herinnering, dat aan de eerste der aangehaalde alinea's in letterlijken zin is voldaan; dat uitgaven, die het noodwendig gevolg waren van eene rechtvaardiger wet op het lager onderwijs, uit de gewone middelen, zonder belasting-verhooging, kunnen worden bestreden; dat de wijzigingen gebracht in het aan de Nederlandsche Bank verleende octrooi, reeds nu belangrijke voordeden beginnen af te werpen; dat bepalingen ter betere verzekering van de heffing van invoerrecht naar de waarde zijn voorgesteld; dat de wet tot vaststelling van het bedrag der belasting op de ongebouwde eigendommen is ingediend; dat, door de indiening van de wet ter herziening der algemeene regels ten aanzien der plaatselijke belastingen, een eerste niet onbelangrijke stap is gedaan ter bekoming van eene betere verdeeling van lasten.

Wat betreft de toezegging eener wijziging der personeele belasting in verband met het te regelen kiesrecht, moet erkend worden dat daaraan tot dusverre niet is voldaan.

Een voorstel tot wijziging der personeele belasting kan in-tusschen in dit zittingjaar worden tegemoet gezien, en wat de regeling van het kierecht betreft, deze aangelegenheid wordt geenszins uit het oog verloren. Natuurlijk kan het kiesrecht niet worden losgemaakt van de bij art. 80 der Grondwet vastgestelde kenteekenen.

Doch de Kegeering hoopt in staat te zijn eene regeling voor te stellen, waarbij aan de hoofden van huisgezinnen en zooge-

ocr page 36

8

naanule lodgers, voor zooverre die een zelfstandig occonomisch bestaan liehhen en tot zei-eren welstand gekomen zijn, het kiesrecht verzekerd wordt. De daartoe noodige wijziging der kieswet zal intussclien niet vóór de verkiezingen van 1891 kunnen worden ingevoerd. De Regeering acht liet onraadzaam, kort voor eene verkiezing, waarbij liet tegenwoordige kiezerskorps zijn gevoelen over haar beleid zal kunnen uitspreken, dat kiezerskorps te wijzigen. En al ware dit wèl raadzaam, toch zou het, bij de groote menigte wetsontwerpen, die nog bij de Kamer ter afdoening liggen, onmogelijk zijn voor dien tijd eene nieuwe regeling te treffen; eene regeling die, gelijk reeds uit het Voor-loopig Verslag blijkt, tot zeer uiteenloopende beschouwingen aanleiding geeft. Ten aanzien van het kiesrecht heeft de Regeering zich daarom voorloopig bepaald tot de indiening van de reeds in 1888 toegezegde splitsing der groote steden.

De nood floor geringe koffieoogsten en andere oogsten ontstaan zal zooveel mogelijk worden gelenigd door matiging bij het invorderen van belastingen, door de bevolking te ontheffen van onbetaalde diensten en door het aanleggen van haar ten nutte komende openbare werken. De herziening der wet op het beheer en de verantwoordelijkheid van de Indische geldmiddelen alsmede eene algemeene verordening op het mijnwezen worden voorbereid. In verhand hiermede zal ook de door den tijd noodzakelijk- geworden herziening van het Indisch Beglement aan de orde worden gesteld.

Wat de laatstgenoemde onderwerpen betreft wordt verwezen naar de Memorie van Antwoord op het Voorloopig Verslag van de Indische begrooting: wat eerstgemelden betreft beeft de Regeering hare toezegging getrouw nagekomen. Niet alleen is met matigheid te werk gegaan bij de heffing en invordering van belastingen (zoo werd o. a. de aanslag voor de landrente verlaagd met circa drie en een half millioen gulden) maar ook zijn deze op verschillende plaatsen beter en billijker geregeld; in eenige gewesten is door eene nieuwe regeling van de heeren- en dessadiensten, de door die onbetaalde diensten op de bevolking rustende druk aanmerkelijk verminderd, terwijl in andere gewesten dergelijke regelingen geleidelijk zullen worden ingevoerd. Dat het der Regeering ernst is met het aanleggen van aan de bevolking ten nutte komende openbare werken kan onder meer blijken uit hetgeen geschiedt ten behoeve van de irrigatie. Zij meent verder te mogen wijzen op hetgeen door haar is verricht ten opzichte van andere, hoogst gewichtige volksbelangen, met name de koffiecultuur en het opiumedebiet.

Het zij ten slotte veroorloofd nog melding te maken van de volgende wetsontwerpen, die met de in de Openingsrede van

ocr page 37

9

1888 gedane beloften niet in onmiddellijk verband staan; te weten: de regeling van het militair onderwijs bij de landmacht; de wet tot aanvulling van die betreffende de inkwartiering en

O ~

het onderhoud van het krijgsvolk; de voogdijwet; de wet ter verkering van de toepassing van bij de wet bevolen of toegelaten vrijheidsbeneming; de verbetering van de Waal; de regeling der brievenposterij; de herziening der wet tot voorkoming van besmettelijke ziekten, de wet op het faillissement en de surséance van betaling (welker indienining binnen enkele dagen te wachten is), om van tal van andere, die minder van gewicht zijn, alhoewel ook deze studie en nauwkeurige voorbereiding vereischen, niet te gewagen.

Uit dit overzicht van hetgeen op wetgevend gebied in den laatsten tijd is geschied moge dan blijken in hoever het juist is, dat er een , eene al te breede klove tusschen de toezeggingen in de Openingsrede van 1888 en de daden van het Kabinet bestaat.quot; De Regeering betuigt haren dank aan die leden welke dit gevoelen hebben bestreden.

Het verwijt van sommige leden omtrent gemis aan activiteit bij de Regeering op het gebied der internationale handelspolitiek schijnt, in verband met de daarin vastgeknoopte vraag, alleen te duiden op de omstandigheid, dat tot nog toe geene Staatscommissie is ingesteld om de gedragslijn der Regeering tegenover de in verschillende landen genomen protectionistische maatregelen te bepalen.

Ten aanzien van dat verwijt kan derhalve volstaan worden met beleefde verwijzing naar de Memorie van Beantwoording op hoofdstuk III der Staatsbegrooting voor 1891, waarbij nader op dit punt is teruggekomen.

Xog merkwaardiger is hetgeen door de heeren Mackay en Godin de Beaufort bij de openbare behandeling gezegd werd.

Op 23 Januari 1891 zeide Baron Mackay (bl. 643 Handelingen) :

Door den heer Hartogh werd de opmerking gemaakt, dat het program der Regeering elk jaar, bij de opening der Kamer, kleiner is geworden, alsof dit een bewijs zou zijn van afnemende werkkracht bij dit Ministerie. Maar juist dit afnemend program pleit voor de werkkracht der Regeering, want daaruit blijkt dat er van het oorspronkelijk program van 1888 reeds betrekkelijk veel afgedaan was. Zijne vergelijking met het lot der Sibby-lynsche boeken is niet geheel juist, daar een aantal dier boeken reeds zijn geplaatst in het Kapitool, alias het Xederlandsch Staatsblad, en waar hij hetgeen overgebleven is niet waardig acht daar geplaatst te worden, daar hoop ik integendeel dat ook

ocr page 38

10

de nog overgebleven administratieve rechtspraak den weg zal vinden naar datzelfde Kapitool.

Verscheidene sprekers hebben te kennen gegeven, dat zij zeer teleurgesteld waren in hunne verwachtingen omtrent dit Ministerie. Door den geachten afgevaardigde uit Gorinchem is reeds medegedeeld wat alzoo van dit Ministerie verwacht werd.

Nu geloof ik, dat de liberalen zich werkelijk gelukkig mogen achten, dat al de schrikbeelden, die men zich bij het optreden van het nieuwe Ministerie voorspiegelde, niet verwezenlijkt zijn. Vooral gold die vrees het openbaar onderwijs, in welk volksbelang, naar men meende, de Regeering vernietigend zou ingrijpen. Men zal hebben moeten erkennen, dat de Regeering juist getoond heeft ook de belangen van het openbaar onderwijs te willen behartigen. Een barer eerste handelingen, nog voor zij de onderwijswet indiende, was om te zorgen, dat de onderwijzers, die door eene voor hen minder gunstige toepassing van art. 57 der onderwijswet geschaad werden, in eene betere conditie kwamen.

Wanneer men wijst op de tekortkomingen der Regeering. meent de heer Hartogh dat zij vooral te kort schoot, waar het gold het beramen van wetten om te voorzien in de sociale toestanden, terwijl de heer Tak meer wijst op wetten van politie-ken aard.

Wat nu betreft gebrek aan werkkracht bij dit Ministerie op sociaal gebied, meen ik toch te moeten opmerken dat de feiten het tegendeel bewijzen. De arbeidswet, die tot stand kwam, is reeds vroeger gereleveerd, maar bovendien wil ik wijzen op het wetsontwerp betreffende de vrije beschikking der arbeiders over hun loon, eene quaestie, die reeds voorlang door den ge-achten afgevaardigde van Schoterland werd ter sprake gebracht. W aar deze zelf getracht heeft een wetsontwerp daaromtrent te formuleeren, zal hij de moeielijkheden, verbonden aan liet indienen van dergelijke wetsontwerpen, hebben ingezien. De Regeering mocht echter, wat het door haar ingediende ontwerp betreft, niet die medewerking bij de Kamer ondervinden, waarop f zij gemeend had te mogen rekenen. Sedert Mei van het vorig jaar, toen de Memorie van Antwoord op het Voorloopig verslag door de Regeering is ingediend, ligt het wetsontwerp nog bij de Kamer ter afdoening. Het kan dus allerminst aan de \ Regeering geweten worden, dat deze belangrijke zaak nog niet is afgedaan.

En de heer Godin de Beaufort, zeide bl. 646 2e kolom:

De eerste grief dan van den geachten afgevaardigde, waarop ik het oog heb, gold de werkeloosheid van den Minister van Financiën. Natuurlijk was het te verwachten dat in dit betoog niet ont-

ocr page 39

11

breken zou de opmerking, die in dit verband hier en elders steeds pleegt te worden gemaakt, dat wat door mij wèl tot stand is gebracht, voorbereid was door vorige Regeeringen. Intusschen trek ik my deze opmerking niet bijzonder aan; ik geloof dat het in de reden ligt dat telkens wanneer een nieuw Kabinet optreedt, dit enkele zaken in een min of meer gevorderden staat van voorbereiding zal vinden. Vooral wanneer dat geldt zaken, waarbij geen groote politieke beginselen zijn betrokken, maar die eenigermate buiten de politiek staan, dan geloof ik dat het goed en raadzaam is, wanneer de nieuw opgetreden Regeering die zaken, wanneer zij rijp voor beslissing zijn, ter hand neemt om ze tot eene oplossing te brengen. Ook vorige Regeeringen hebben zeker aldus gehandeld.

Wanneer men dit niet deed, dan zouden zich des te meer de bezwaren doen gevoelen onafscheidelijk van elke verwisseling van ministerie, en dit klemt te meer omdat in ons land in den regel de levensduur der Ministeries niet zeer lang is.

Omgekeerd zou ik dan ook kunnen vragen of het niet mogelijk zoude zijn, dat eene volgende Regeering, ook eene van andere richting, te zijner tijd wellicht weder het een en ander zal vinden dat onder deze Regeering is voorbereid, doch nog niet kon worden ingediend, en of daarin ook wellicht niet iets bruikbaars zal gevonden worden?

Intusschen, al erken ik gaarne dat enkele tot stand gekomen wetten door mijn voorganger waren voorbereid, die voorbereiding is nog niet alles, en men zal dan ook wel willen erkennen, dat vóór de indiening en daarna bij de verdere schriftelijke en mondelinge behandeling, deze ontwerpen een niet onbelangrijk deel van mijn beschikbaren tijd in beslag hebben genomen.

Wat nu betreft de vruchten van mijn eigen werkzaamheid, de geachte afgevaardigde uit Amsterdam heeft zich daaromtrent correcter uitgedrukt dan de geachte afgevaardigde uit Veendain.

De heer Goeman Borgesius zeide: de Minister heeft niets geleverd.

Mijnheer de Voorzitter! Hij heeft wel iets geleverd! Op dit oogenblik toch is er een wetsontwerp aanhangig, waarvan, men moge het er dan mede eens zijn of niet, ik toch wel durf zeggen dat het van eenig belang en van eenigen omvang is.

De geachte afgevaardigde uit Amsterdam zeide; er is niets tot stand gekomen. Dat is juister uitgedrukt. Het bedoelde ont-werp toch is nog geen wet geworden. Dit toegevende moet ik echter protesteeren tegen hetgeen gezegd is door den heer Har-togh, dat het de bedoeling ook is geweest van deze Regeering dit ontwerp niet tot stand te brengen. Om iets dergelijks te zeggen, moet men het, dunkt mij, ook kunnen bewijzen. Her-

ocr page 40

I

12

haaldelijk is door mij verklaard — en ik zou gaarne willen weten niet welk recht men de juistheid dezer verklaring in twijfel trekt — dat de eenige reden der vertraging is geweest liet onvermijdelijk overleg, dat gepleegd moest worden met den nieuw opgetreden Minister van Binnenlandsclie zaken, die natuurlijk liet recht had om over een zoo ingrijpend ontwerp, alvorens het mede in te dienen, met mij van gedachten te wisselen. Zoowel ten aanzien van dit ontwerp, als in het algemeen van andere zaken welke men van mij had verwacht, meen ik dat men rekening moet houden met de bizondere omstandigheden welke op den gang der zaken invloed uitoefenen. Xu heb ik die omstandigheden voor deze Regeering zoo bijzonder gunstig hooren noemen; ik meen dat dit beweren gisteren volkomen te recht door een paar geachte sprekers is weersproken.

II. Christelijk ministerie

Veel is er gespot, door de mannen van de partij der Revolutie, met .het ministerie van het christelijk bewustzijnquot;, gelijk men het noemde. Hoe echter juist in dezen smaad de eer van het Kabinet ligt, toonde de heer A. van Dedem zeer juist aan in zijn redevoering van 22 Januari 1891, zie blz. 627 der Handelingen :

Men heeft, zoo sprak hij, dit Kabinet wel eens spottenderwijs genoemd: het Ministerie van het Christelijk bewustzijn; welnu ik geloof dat dit een eerenaam is; want het is de glorie van deze Regeering dat zij haar Christelijk karakter nooit heeft verloochend, en van de Regeeringstafel heeft ons meerma'en een toon in de ooren geklonken, die hier in lange jaren niet was vernomen. De schoone proclamatie van onze beminde Koningin-Regentes Emma van 24 November 11., door al de Ministers mede-onderteekend, moet elk Christelijk gemoed met dankbaarheid hebben vervuld.

In dat staatsstuk toch wordt de diepe afhankelijkheid van den Almachtigen God niet alleen door onze geëerbiedigde Koningin-Regentes. maar ook door alle raadslieden der Kroon erkend en beleden. Dit vervult ons met blijde hoop op de toekomst, want als God Almachtig is erkend als de Bestuurder van het lot der volken, dan zal de Regeering er steeds meer en meer

o o

naar streven het voor een ieder mogelijk te maken om naar Gods geboden en inzettingen te kunnen leven en handelen.

De Regeering heeft het vertrouwen van zeer velen in den lande gewonnen, en door menigen tegenstander is niet waardee-

ocr page 41

13

ring over haren arbeid gesproken. En al moge het waar zijn dat ook aan haar arbeid, evenals aan elk menschelijk werk, gebreken kleven, eene vergelijking met hetgeen door vroegere Regeeringen is tot stand gebracht kan glansrijk worden doorstaan.

III. ZUINIGHEID

Tegenover het verwijt der liberalen — 't welk in het Parlement een vertolker vond in den heer Tak — als zou het Ministerie geen zuinigheid hebben betracht, merkte Minister Mackay dit op, 23 Januari 1891;

De heer Tak heeft verschillende cijfers genoemd, waaruit zou blijken, dat de eindcijfers van de verschillende hoofdstukken der begrooting thans hooger zijn dan die van het jaar 1888. Maar heeft die geachte afgevaardigde de rekening wel juist en zuiver opgemaakt? Vergeet hij niet dat daaronder enkele uitgaven voorkomen, die het gevolg zijn van niet door dit Ministerie gemaakte wetten en andere uitgaven van buitengewonen aard ? Maar bovenal, ziet hij niet geheel over het hoofd, dat tegenover die uitgaven belangrijke inkomsten staan, die de verhoogingen, op de posten aangebracht, verre hebben overtroffen? Om één voorbeeld te noemen. De geachte afgevaardigde zegt dat de begrooting van het Departement van Waterstaat, waarvan hij de vader kan genoemd worden, negen ton hooger is dan die van 1888 ; maar wanneer hij de jaren 1891 en 1888 met elkander vergelijkt, dan zal hij zien dat voor werken voor het herstel van de Waal — een zeer buitengewoon werk; dat slechts tijdelijk is en spoedig afloopt — is uitgetrokken f 620.000. Ook de post voor telegraphie en posterijen heeft eene verhooging van f 625.000 ondergaan, doch daartegenover staan verhoogde inkomsten van één millioen.

Bij onderlinge vergelijking zal men zien dat de Regeering niet ontrouw is geweest aan hetgeen zij beloofd heeft, namen-lijk met gepaste zuinigheid te regeeren; waarin volstrekt niet lag opgesloten dat het noodige zou worden verwaarloosd, alleen om te verkrijgen dat het eindcijfer van de begrooting lager was dan dat van vroegere jaren.

In dezelfde Kamerzitting betoogde ook Minister Godin de Beaufort uitvoerig, dat de Regeering wel terdege de zuinigheid had betracht. Dit neemt echter niet weg, dat er wel vermeerdering van uitgaven kan zijn In de eerste plaats der wetten, die de Regeering bij haar optreden vindt, en welke zij genoodzaakt is toe te passen. Dan kan de vermeerdering van uitgaven

ocr page 42

14

het gevolg zijn van omstandigheden, die de Regeering niet in de hand heeft; waartoe zij niets kan toe- of afdoen. Als het aantal kinderen toeneemt moeten de uitgaven voor onderwijs wel stijgen; als het aantal gevangenen toeneemt nemen ook de kosten van het gevangeniswezen toe; als er meer bedelaars zijn vorderen de bedelaarsgestichten meer: stijging van de prijzen der materialen en levensmiddelen doet zijn invloed op de aanbestedingen gevoelen. Geen enkele Regeering kan daar iets tegen doen.

In de derde plaats kunnen er thans uitgaven noodig zijn die men Troeger verzuimd of uitgesteld heeft, bijv. omdat men toen in minder gunstige financieele omstandigheden verkeerde. Het spreekt van zelf, dat de opvolgende Regeering alsdan voor de noodzakelijkheid staat die uitgaven te doen.

Mijn streven, dus eindigde de Minister, is steeds geweest het totaal der uitgaven binnen zekere grenzen te houden en die te doen blijven beneden het cijfer van de inkomsten, voortvloeiende uit de bestaande middelen, en dus liet opleggen van nieuwe las ten te voorkomen. Maar van den anderen kant heb ik mij nooit verzet tegen uitgaven waarvan men mij de noodzakelijkheid of' het nut kon aantoonen. Het doel is in zooverre bereikt, dat op dit oogenblik de uitgaven en inkomsten sluiten. Natuurlijk kan de dienst enkele tonnen mee- of tegenvallen, maar in het algemeen kan worden gezegd dat wij tegenwoordig hebben sluitende diensten. Xu erken ik dat deze uitkomst mede te danken is aan het ruimer vloeien van de middelen in de laatste jaren, doch de inrichting der begrooting van uitgaven is daarop zeker van niet minder invloed geweest.

IV. MOEILIJKHEDEN VOCE DE REGEERING.

In de zitting van 27 Januari 1891 sprak het kamerlid Van Asch van Wijck over de moeilijkheden, waarmee de regeering te worstelen heeft. De Minister van Binnenlandsche Zaken had wel een welverdiende hulde gebracht aan de toewijding zijner ambtenaren; maar men moet niet vergeten, dat het een groote vraag is of die ambtenaren wel in den geest der regeering werkzaam zijn. Het is toch, zoo zei Mr. Van Asch van Wijck, veel gemakkelijker een wetsontwerp te redigeeren, een Memorie van Toelichting te schrijven geheel in mijn geest, dan wanneer ik dit moet doen in een geest die voor mij geheel nieuw is; denkbeelden te ontwikkelen die mij geheel vreemd zijn, die ik niet beschouw te zijn in het welbegrepen belang des lands.

ocr page 43

15

Daarin ligt ook een reden waarom van deze Regeering niet zoo spoedig die wetsontwerpen kunnen worden verwacht, welke volgens het Program van Actie gewenscht werden. Dat ook was zeker een der moeilijkheden, waarmede deze Regeei'ing heeft te kampen.

De sociale wetten, dus ging hij voort, waarop thans zoo wordt aangedrongen, moeten bewerkt worden door personen, die zich nooit zoozeer met de sociale toestanden hebben bezig gehouden. Wanneer door den Minister van Bhmenlandsche Zaken een ontwerp moet worden ingediend tot regeling van het onderwijs, is het dan te verwonderen dat de ambtenaren daarvoor meer tijd noodig hebben, dan wanneer het ontwerp zoude zijn in hun geest ?

Is het te verwonderen dat ook bij den Minister van Financiën dit bezwaar zich doet gevoelen, waardoor hij niet zoo spoedig met de wetsontwerpen bij de Kamer kon komen, omdat de denkbeelden door hem gehuldigd veelal zullen indruischen tegen die zijner ambtenaren ?

Is het te verwonderen dat ook de Minister van Oorlog wanneer hij een anderen toon in het leger en in de kazerne wenscht, het kazerneleven wil verbeteren, dit voor hem niet zoo gemakkelijk is te verkrijgen waar hij optreedt en in geheel anderen geest handelt dan zijn voorgangers, en dan men tot hiertoe goed of voldoende achtte?

Is het te verwonderen dat wanneer de Minister van Waterstaat met zooveel kracht en volharding de Zondagsrust wil bevorderen, hem dit niet zoo gemakkelijk valt, omdat hij te doen heeft met ambtenaren die de noodzakelijkheid uit een hoog er beginsel, daarvan niet zoo inzien of gevoelen, dat om bijv. de posterijen te noemen, in een geheel anderen geest moet gewerkt worden dan tot nog toe altijd gedaan is?

V. KIESRECHT.

Ten aanzien van het kiesrecht-vraagstuk, waarvan de liberalen den mond vol hebben zonder evenwel tot eenstemmigheid te kunnen komen, liet Minister Mackay zich aldus uit, den 23en Januari dezes jaars:

Voornamelijk heeft men er op gewezen dat de Regeering niet gekomen is met eene wijziging van het kiesrecht. In de eerste plaats moet ik opmerken dat dit punt in 1888 wel in het toenmalige programma is aangeroerd, doch dat niet gezegd kan worden dat liet door de Regeering op den voorgrond is geschoven. Toen zeer kort daarna bij de behandeling van de begroo-

i

ocr page 44

16

ting deze zaak ter sprake kwam, heb ik van deze zelfde plaats medegedeeld waarom de Regeering meende dat de indiening van eene wijziging der kieswet nog niet kon plaats hebben.

De geachte afgevaardigde van Amsterdam, de heer Tak van Poortvliet, heeft er aan herinnerd dat reeds Thorbecke eene waarschuwende stem heeft doen hooren om niet te lang hetzelfde kiesrecht te behouden, maar dat men steeds op uitbreiding bedacht moest zijn. Wanneer Thorbecke dit heeft gezegd dan is het te betreuren dat men in 1849 de zaak zoodanig heeft geregeld, dat men niet anders dan door grondwetsherzining tot uitbreiding komen kon; van daar dat wij gedurende 40 jaar onder dezelfde kieswet zijn gebleven

Nu zijn eerst een paar jaren \ er to open sedert het nieuwe kiesrecht, geregeld bij de Additioneele artikelen der Grondwet, in werking is getreden.

Het tijdperk is voorzeker zeer kort, doch ik herhaal wat ik eenige jaren vroeger hier heb gezegd, dat het juist bij de behandeling van de Grondwet is gebleken hoe uiterst moeielijk het is om eene regeling van het kiesrecht tot stand te brengen, en ik betwijfel of zij die meenen dat dit nu gemakkelijker zal gaan, de zaak juist beoordeelen.

Daaromtrent sluit ik mij aan bij hetgeen de geachte afgevaardigde uit Wijk bij Duurstede heeft gezegd. De Regeering heeft met een enkel woord in de memorie van toelichting vermeld hoe, naar hare meening, het kiesrecht kan worden ingericht. De wijze waarop dit zal moeten geschieden, moet nog nader een punt van overweging uitmaken. Dat het volgens den heer Borgesius thans het geschikte oogenblik is om tot eene wijziging te komen betwijfelt de Regeering; wanneer zij in haar kort tijdsbestaan (een vierde korter dan het gewone tijdperk tusschen de gewone periodieke verkiezingen) met een desbetreffend wetsontwerp ware gekomen, dan zouden wellicht andere zeer urgente onderwerpen niet door deze Kamer behandeld zijn.

En Minister Lobman, in dezelfde zitting over deze zaak sprekende, verzekerde dat bij de Regeering volstrekt niet het plan bestaat om de quaestie (die van het kiesrecht) ad Calendas Graecas uit te stellen.

VI. ONDERWIJS.

Men kan en durft van liberale zijde niet ontkennen, dat de regeering met haar schoolwet een voortreffelijk werk heeft verricht; maar .... zoo beweert men dan, die pacificatie is tot

ocr page 45

17

duren prijs gekocht. Het ministerie, dat naar bezuinigingen streefde, heeft een schoolwet geleverd, die 8 ton meer per jaar aan de schatkist kost! En dat beweren dan de liberalen, die schoolpaleizen bouwden en het onderwijs op zoo weelderigen voet hebben ingericht, dat onderscheiden gemeenten in het land er geheel door zijn uitgeput. Minister Lehman protesteerde dan ook met kracht tegen die berekening van 8 ton per jaar meer en zei dienaangaande in de zitting van 23 Januari 1891 :

Nu roept de heer Lieftinck mij toe, wij betalen 8 ton meer voor het bijzonder onderwijs; dit heeft ook de heer Tak gezegd. Tegen die berekening teeken ik protest aan. Als feit is het zoo; 8 ton betalen wij meer. Maar naar het stelstel van de vorige wet op het lager onderwijs zouden wij millioenen meer voor het onderwijs hebben moeten betalen dan wij in werkelijkheid deden, ten einde te voorzien in de behoeften aan onderwijs van 1IS deel van ons volk, dat onder de- vorige wet op het lager onderwijs eenvoudig niets ontving. Had de wet op het lager onderwijs inderdaad ons verschaft eene nationale school, ware zij inderdaad, gelijk de wetgever bedoelde, voldoende geweest voor de geheele natie, dan zou liet lager onderwijs millioenen meer hebben gekost. Thans is er door dit kabinet eene wet ingediend, die inderdaad voldoet aan de behoeften van de geheele natie, en toch kost daardoor het onderwijs niet millioenen, doch slechts 8 ton meer dan vroeger. Ik mag dus beweren dat ook deze zaak op eene zeer zuinige wijze is behandeld. Houdt men in het oog, dat deze Regeering beschikken kon over eene besliste meerderheid in deze Kamer, dan zal men moeten toegeven dat zij, door de zuinige wijze waarop zij de zaak geregeld heeft, waarlijk geen misbruik van macht heeft gemaakt.

Ik ga nog verder ; ik meen. dat het stelsel 't welk door de laatste wijziging in de wet op het lager onderwijs is ingevoerd, ook op den duur nog veel meer bezuinigingen, ook ten opzichte van het openbaar onderwijs, zal kunnen aanbrengen, niet door het openbaar onderwijs kunstmatig te onderdrukken, maar het volk steeds meer te doen inzien, dat men voor veel minder geld even goed, ja beter onderwijs kan verkrijgen, indien men den weg opgaat, die door de meerderheid van deze Kamer, en ik mag het dankbaar erkennen, door deze Kamer in haar geheel, geoordeeld is de goede weg te zijn, den weg namelijk van ondersteuning van het particulier initiatief. Men zal op den duur ervaren, dat o. a. wanneer het stelsel van bekostiging der opleiding van onderwijzers, gelijk dat onlangs in deze Kamer is aangenomen voor de bijzondere scholen, meer algemeen wordt, óók de kosten van opleiding van Staatswege belangrijk minder zullen worden, en alzoo aanmerkelijke bezuiniging zal worden aangebracht, zonder

ocr page 46

18

dat evenwel de zaak zelve daardoor eenige scliade zal lijden. Bovendien heb ik ook thans reeds, evenzeer als mijn geachte ambtsvoorganger heeft gedaan, maatregelen kunnen nemen, waardoor op de kosten der onderwijzersopleiding niet onbelangrijk is bezuinigd, en toch heeft niemand er over geklaagd, dat op dit oogenblik die opleiding minder goed zou zijn dan zij geweest is.

VII. FOUTEN DEK LIBERALE PARTIJ.

De liberalen zijn er. vooral nu de verkiezingen naderen, niet over uitgepraat, dat zij, tijdens hun bestuur, zooveel hebben verricht op allerlei gebied, wat ter beschaming van dit .nietsdoendquot; ministerie moet strekken. De heer Seret haalde, als ter illustree-ring van dit pochen, een veelzeggende uitspraak aan van den heer Veegens in de Vragen des Tijds. Men kan het vinden in zijn rede van 22 Januari 1891, blz. 630 der Handelingen:

,Naast deze tweeërlei geestesrichting (nl. de Katholieke en de Gereformeerde) van de overgroote meerderheid der natie staat die van de meerderheid der kiezers, het zich vrijzinnig noemend conservatisme, dat sedert een dozijn jaren de eene fout op de andere heeft gestapeld en niettemin bij voortduring, niemand weet voor hoe lang nog, de teugels van het bewind in handen houdt. Vraag naar de daden dezer partij, en gij zult ten antwoord bekomen, dat zij vele ambtenaren heeft benoemd, veel geld heeft gestoken in openbare werken van problematieke rentabiliteit en ten deele van twijfelachtig nut, millioenen op milli-oenen heeft besteed aan een stelsel van defensie, dat 's lands onafhankelijkheid niet verzekert; nauwelijks eenige verbetering in het belastingstelsel heeft gebracht; daarentegen de verhouding tusschen de Rijks- en gemeente-financiën schier reddeloos heeft bedorven door eene nieuwe sc.hoolwet, die een halve maatregel is en niemand bevredigt; de kiesdistricten een en andermaal heeft verknipt en elke verbetering van het kiesstelsel heeft gekeerd. Overal elders ware eene richting als die van onze schoolwetmeerderheid sedert lang onder het gewicht harer fouten bezweken.quot;

Terecht liet de heer Seret er toen op volgen ;

Meent nu niet, Mijne Heeren, dat dit door een clericaal werd gezegd. Neen, het zijn de woorden, het is het krasse vonnis van een onverdacht liberaal, van ons geacht medelid, den heer Veegens, door hem uitgesproken in een hoogst belangrijk artikel van de .Vragen des Tijds'1 jaargang 1880, en getiteld : „Onderwoeld.quot;

De groote fout van de liberale partij is altijd geweest, dat zij

ocr page 47

19

liet volk paaide met allerlei schoone beloften — maar de vervulling daarvan bleef uit. Hare woorden werden niet in daden omgezet.

Dat ik volstrekt niet overdrijf door dit te zeggen, daarvan kan ik het best het bewijs leveren, door ook hier de woorden aan te halen van een liberaal van onverdacht gehalte, den heer Van Houten, die in zijn...... Staatkundigen briefquot;' schreef:

.Deze verkiezing (die van ]88()) leert in ieder geval, niet afdoende welsprekendheid, dat er voor de liberalen slechts een weg is, om hun nu verkregen overwicht te handhaven, dat is op de liberale woorden och liberale daden ie laten volqen.quot;

Hieruit blijkt afdoende, dat tot op dit oogenblik de liberale partij hare woorden nog niet in daden had weten om te zetten.

Scherp teekende ook dr. Schaepman dat stoffen der liberalen op hun daden, toen hij tegenover den heer Tak van Poortvliet zei de ;

Er is eens opgetreden in Nederland een Ministerie dat men gerust het ministerie van blijde en grootsche verwachtingen kon heeten. Ik meen dat eene wel versneden pen in een beroemd tijdschrilt in Kederland eens van dat Ministerie, met name van het hoofd ervan, geschreven heeft, dat het wel behaald had parlementaire overwinningen, maar dat de nationale overwinningen altijd nog op zich hadden laten wachten.

Wanneer hebben wij, ik durf liet den lieer Tak vragen, eene zoodanige nationale overwinning van die zijde mogen zien ?

\\ ij hebben van die zijde gekregen eene schoolwet, die waarlijk niet nationaal mocht heeten, integendeel eene wet wier liberalisme vooral bestaat in den anti-clericalen geest welke haar karakteriseert.

En nu heeft deze anti-liberale, deze negatieve meerderheid, die niets anders is dan anti-liberaal, toch de eer gehad eene schoolwet tot stand te brengen, die in laials belaiai werd aangenomen en die ik voor mij, zonder vrees voor tegenspraak, toch altijd nog voor eene rationeele wet durf houden.

En waar de heer Tak, bet zondenregister der anti-liberalen breed uitmetende, op de .hervormingsgezindheidquot; der liberalen groot ging, sprak l)r. Schaepman hem aldus aan :

Maar ik heb mij in het bijzonder te richten tot den geachten afgevaardigde uit Amsterdam, den heer Tak van Poortvliet. Na de breede uiteenzetting van ons zondenregister heeft deze geachte afgevaardigde ons gezegd al wat geschieden kon, hervorming van bet kiesrecht, hervorming van het belastingstelsel, enz., maar eene zaak heeft bij vergeten: ons te zeggen hoe hij dat alles wil hervormen. Hij heeft ons gezegd, dat dit alles nu

ocr page 48

20

mogelijk is. Door de herziening van de Grondwet kan men het kiesrecht hervormen. Goed; maar hoe zal liij het kiesrecht hervormen? Door de herziening van de Grondwet is het belastingstelsel losgemaakt van het kiesrecht. Goed, maar hoe zal men het nu inrichten? Zal alles nederkomen op de afschaffing van de nmtatierechten ? Hoe zal de landbouw gebracht worden onder liet gemeene recht? Hoe zullen de gemeenten worden geholpen? Op dit hoe komt het aan. Wat zal de geachte afgevaardigde doen? Wat meent hij dat er moet geschieden, wanneer nu dooide hopelooze verdeeldheid, zooals hij dit noemt, van deze zijde het zwaar geladen schip van de legerwet eens stranden mocht ? Welke beginselen zal hij dan volgen bij de organisatie van 's lands detensie? Ik hel) het recht die vragen aan den geachten afgevaardigde te stellen. Hij heeft onze programma's gecriti-seerd; dat was zijn recht, dat stond hem vrij, maar laat hij ons nu zijn program geven; de geachte afgevaardigde is dat verschuldigd aan zijn verleden. Hij is hier opgetreden met eene critiek, die zeide dat er ruimte moest komen aan de groene tafel. Welnu, het is niet alleen noodig daar ruimte te scheppen, die zetels moeten ook worden ingenomen, en wanneer men daarop afgaat is het niet genoeg dat men het wil, maar behoort men ook te zeggen hoe men het wil. Dat heb ik het recht te vragen van den geachten spreker uit Amsterdam, niet alleen uit mijn eigen naam, maar uit dien van het land. Het is geen vraag van gewone nieuwsgierigheid, maar eene van verklaarbare belangstelling. -

Aan den heer Goeman Borgesius, die anders de fouten dei-liberalen wel met den mantel der liefde weet te bedekken, ontsnapte in de zitting- van 23 Jan. 1891 dan ook do volgende klacht over het gemis aan .hervormingsgezindheid'' bij de liberalen: — Als behoorende tot de vooruitstrevenden onder mijne partijge-nooten heb ik in de jaren dat ik in deze kamer zitting gehad heb te veel moeten strijden ook tegen het conservatisme in mijn eigen partij, te veel aandrang moeten oefenen ook op liberale Ministers, dan dat ik tegenover de overdreven beweringen van de beide geachte afgevaardigden de stelling zou willen verdedigen, dat door de liberale partij genoeg gedaan is. Ik wil zelfs niet als verontschuldiging aanvoeren dat van liberale zijde nooit iets werd voorgesteld of het werd aan de overzijde stelselmatig be-1 streden, want het is waar, als men eene meerderheid heeft, die ! eendrachtig is, dan kan men de wetten er doorkrijgen ook zonder j den steun van politieke tegenstanders.

ocr page 49
ocr page 50