118
VERKLARINGEN DER EPISTELEN OP ALLE
ZONDAGEN EN FEESTDAGEN DES HEEREN,
Stoomdrukkerij A. J. MICHIELSEN â Amersfoort.
j/iï
Verklaringen der Epistelen
OP ALLE
ZONDAGEN EN FEESTDAGENDESHEEREN
DOOR
H. J. H RUSCHEBLATT,
Oud-Pastoor en Oud-Professor.
Uitgegeven ten voordeele van het O. L. Vrouw-Gasthuis
te Amsterdam.
Kerkelijk goedgekeurd.
ASgemene Provincie Katalcog
M inderbro � d KI o o i t ^ r
Al . (Z ; -lt;
A1 v«£ rfi2 -w'. u
AMSTERDAM
F. H. J. BEKKER
1899.
VOORBERICHT.
Ter inleiding van dit nieuwe werk behoef ik niet veel woorden te gebruiken, dewijl het zich zelf aanbeveelt zoowel door de hooge belangrijkheid der onderwerpen, welke daarin behandeld worden, als door de oorspronkelijkheid, waarop het aanspraak mag maken. Ik vergenoeg mij daarom met dit weinige.
Aan den aandrang van belangstellende vrienden heeft dit werk zijn ontstaan grootendeels te danken. Zij spoorden mij aan mijne Verklaringen der Evangeliën te doen volgen door Verklaringen der Epistelen. Om vele redenen lachte dat voorstel mij toe en al zeer spoedig was ik overgehaald, en begonnen ook met de voorbereidende studiën. Dat de vele moeilijkheden, grooter dan ik aanvankelijk vermoedde, mij niet afgeschrikt hebben, bewijst de voltooiing van dit werk. Waarom ook zoude ik het eens opgevatte plan laten varen / De noodige tijd ontbreekt mij niet; voortdurend schenkt de goede God nnj 'werkkracht en werklust; en het verlangen om voor de verheerlijking van God en voor het geestelijk welzijn mijner geloofsgenooten minstens door het geschreven woord nog werkzaam te blijven, behaalde de zege over alle opwerpingen, welke zich niet zelden en zelfs krachtig deden hoor en. Ik zoude dit werk willen noemen: igt;een boek voor kerk en huis.quot; Ik vertrouw met recht. Dit
VI
toch 7ms het doel, dat ik te hereiken my voorstelde: op duidelijke wijze den waren zin der Epistelen tveer te geven en daaruit zakelijke toepassingen op het christelijk leven af te leiden. Ben ik daarin geslaagd, dan mag ik mij met de hoop vleien, dat ik niet alleen in eene leemte voorzien heb, -welke tot dusverre in onze katholieke, ascetische litteratuur bestond, niaar ook mijne beste krachten besteed heb aan het schrijven van een werk, waarvan een nuttig gebruik kan gemaakt worden en op den predikstoel en in de huiskamer; dddr ter verkondiging der waarheden van onzen Godsdienst en ter aansporing tot het vervullen van de door God en door de Kerk voor geschrevene geboden ; hier ter op/rissching van het gehoorde of aangeleerde en ter opwekking tot een christelyken levenswandel; dan ook mag ik hopen, dat de rijke schat van leeringen en vermaningen, welke m de Epistelen bevat is, een gemeen goed wordt voor allen, die de waarheid en de deugd liefhebben.
Ook dit doel stond mij voor den geest. Als Amsterdammer van geboorte en van inwoning wenschte ik eenige bijdragen te kunnen schenken tot het onderhoud van ons nieuw R. K. O. L. Vrouw-Gasthuis. De kosten daarvan zijn zeer groot en vereischen eene liefdevolle samenwerking van alle welgezinden. Om van mijnen kant niet in gebreke te blijven, besloot ik dit werk uit te geven ten voordeele der genoemde instelling van liefdadigheid, en tevens een beroep te doen op het hart van mijne geloofsgenooten om mijne bedoelingen te ondersteunen. Zoo doen wij allen iets goeds, en mogen wij op eene rijke belooning van Hem hopen, die gezegd heeft; wat gij aan één van deze mijne geringste broeders gedaan hebt, deedt gij
aan Mij. (Matth. XXV, 40).
Ik bid intusschen den goeden en almachtigen Minnaar der zielen, dat Hij mijn arbeid gelieve te zegenen, en dat dit werk
VII
zijn iveg moge vinden naar de leestafels der Gecstehjken en der Leeken, opdat quot;Mij allen komen tot de volkomenheid des geloofs en der kennis van den Zoon Gods, opklimmen tot dien graad van christelijke â¢wijsheid, dat wi)\ geheel cn al van Christus vervuld en in alles volmaakt, stand houden tegen den vijand onzer zaligheid. Gaat die wensch in vervulling, voorwaar dan acht ik mijn veeljarigen arbeid ruimschoots beloond.
DE SCHRIJVER.
Op het feest van den h. Thomas.
Amsterdam, 21 Dcc, iSgS.
EERSTE ZONDAG VAN DEN ADVENT.
Broeders! Wij weten, dat het uur reeds daar is om uit den slaap te ontwaken. Want nu is onze zaligheid meer nabij dan toen wij het geloof aannamen. De nacht is voorbijgegaan, en de dag is genaderd. Laat ons dan afleggen de werken der duisternis en aandoen de wapenen des lichts ! Laat ons als bij dag eerbaar wandelen, niet in brasserijen en dronkenschappen, niet in slaapvertrekken en oneerbaarheden, niet in twist en afgunst; maar doet aan den Heer Jesus Christus.
Inleiding. De vier weken van den Advent dienen voor alle Christenen een zalige tijd te wezen, een tijd van bijzondere godsdienstigheid, van een heilige voorbereiding om het aanstaande Kerstfeest op waardige wijze te kunnen vieren. Zoo luidt de wensch en ook het gebod van de h. Kerk, welke de gedachtenis aan de komst van onzen grooten God en Zaligmaker in het vleesch zal hernieuwen. De dagen, aan dat feest onmiddellijk voorafgaande, wil zij toegewijd hebben aan gebed, aan versterving, aan verbetering des levens; geen vuriger wensch koestert die zorgvolle Moeder dan dat al hare kinderen in ingetogenheid en berouw over bedrevene zonden, zelfs in het derven van anders niet ongeoorloofde vermaken die dagen van
eerste zondag van den advent.
zaligheid doorbrengen. Zij zelve gaat ons daarin voor, dagelijks biddende dat de goede God den Verwachte der volkeren gelieve te zenden, zich kleedende in haar treurgewaad, verbiedende dat openbare feesten en luidruchtige bruiloften gehouden worden, ook bevelende dat tweemaal in de week een ieder, die den vastgestelden leeftijd bereikt heeft, zijn lichaam ver-sterve door naar voorgeschreven wijze te vasten. Met die verlangens bezield stelt zij ons het bovenstaande gedeelte uit den brief van den h. Paulus aan de Romeinen ter overweging voor. Want al waren die vermaningen tot de bekeerden te Rome gericht, wie der Christenen ziet niet in, dat ook tot ons allen daarin gezegd is, dat wij verplicht zijn;
I. alle lauwheid af te leggen en de zonden te vermijden ;
II. ons tot den goeden strijd te wapenen, de welvoegelijkheid in acht te nemen en Christus na te volgen.
I.
Al dadelijk vermaant de Apostel zijne bekeerlingen tot een christelijk en eerbaar leven. Deze tot de Romeinen gerichte aanmaning geldt ons ook. âMoesten zijquot; â om met den h. chrysostomus te spreken â âdie zoo lang in de schaduw âgezeten waren, zich er voor hoeden, dat zij in den vorigen âtoestand van verlaging hervielen; hadden zij te vreezen dat âzij, ijverig in den beginne en zoolang de liefde in hen vurig âwas, allengs in het verloop van tijd zouden verflauwen, na âChristus gekend en de zoetheden van zijne wet geproefd te âhebben,quot; te meer nog dienen de Christenen van dezen tijd zich in te spannen, opdat zij uit den slaap der zonde opgestaan wakker blijven en toonen met nieuwe kracht toegerust te zijn. Zij toch hebben geheel hun leven lang in het Rijk van Gods Liefde doorgebracht, stonden van de eerste dagen hunner geboorte af onder den invloed van Gods bijzondere genade, werden èn vroeger èn dieper ingewijd in de geheimen
10
EERSTE ZONT)A.Or VAN BEN ADVENT.
11
van de goddelijke waarheden. Naarmate zij zoowel grootere kracht als meerder licht hebben ontvangen, is het voor hen een dringender plicht, dat zij niet in de verslapping der lauwheid insluimeren. Het gevaar wordt anders groot. Een slapend mensch gevoelt niet, denkt niet, als bewusteloos ligt hij ter neer en bemerkt niets van hetgeen rondom hem plaats grijpt. Eveneens is het gelegen met den Christen, die zorgeloos voortleeft en zijne hoogste belangen uit het oog verliest. Voor hetgeen zijn godsdienstig leven betreft is hij gevoelloos; hij wil niet denken aan datgene wat al zijne aandacht overwaardig is; hij leeft wel, maar niet voor zijne bestemming; hij bemerkt ook de gevaren niet, welke zijn zieleheil bedreigen, en onder geestelijk opzicht is hij aan een doode gelijk. Dat was de onzalige toestand geweest der Romeinen, toen zij nog Heidenen waren en zich in het slijk van allerlei misdaden wentelden, den breeden maar ook noodlottigen weg der ondeugd bewandelende. Het werd hoog tijd, dat zij toonden tot een nieuw leven te zijn opgewekt, hetwelk gewijd was aan het onderhouden der goddelijke geboden en der zedenwet, in één woord : aan het beoefenen van al hunne plichten van redelijke menschen en van vrome Christenen. Ditzelfde eischtGodvan ons. Wij allen moeten de hand aan den ploeg slaan en, zonder nog om te zien, werken aan het bevorderen van ons zieleheil. God weet, hoevelen zich tot dusverre onverschillig gedragen hebben niet slechts in het verwaarloozen van goedo werken maar ook in het verachten der genade-middelen, welke eene oneindige Goedheid hun ter zaligheid aanbood ; niet alleen in het zich hechten aan de goederen dezer aarde en in het najagen van de vermaken der wereld, maar evenzeer in het plegen van nog grootere jonden. Dit mag niet zoo blijven. Het geluk der onsterfelijke ziel moet verzekerd worden. Ben doo-den is daarom â leert de h. Petrus â de blijde boodschap gébracht, opdat zij voor God zouden leven naar den geest. (1 Petr. IV,6.) Het talmen met die verbetering van het gods-
eerste zondag van den advent.
dienstig leven mag niemand zich ten laste laten komen. âHoe nader de komst van den koning isquot; â zegt bovengenoemde Kerkvader â âte meer moet een iegelijk zich voor-âbereiden ; hoe meer de kampprijs onder het bereik ligt, te eer âmoet ieder zich voor den strijd aangorden.quot; De h. Paul us somt daarvoor drie redenen op.
Het uur is daar om uit den slaap te ontwaken. De bedoelde verplichting ligt altijd als een zware last op de schouders van een iegelijk, want elk oogenblik kan de verantwoording over het gebruik der gaven Gods gevraagd worden. Toch zijn er tijdperken in het leven des Christens, welke hem met een geheel bijzonderen nadruk aanmanen om naar die stem der genade te luisteren, welke van bekeering minstens van verbetering spreekt. Nog weinige dagen zullen er verloopen, en wij vieren het schoone Kerstfeest, den dag waarop wij herdenken, dat de Zoon Gods mensch werd. Zich zeiven ontledigde door in de gestalte van een dienstknecht te verschijnen, opdat Hij het slachtoffer voor onze zonden en de losprijs voor onze vrijkooping zijn kon. Hij wil ook op geestelijke wijze in ons herboren worden door de mededeeling van zijne heilige genaden. Hij zal aankloppen om binnen gelaten te worden, vragen om eene plaats in ons hart in te nemen. Vóórdat Hij komt, moet voor Hem de weg bereid, elke hinderpaal weggenomen, de woning versierd worden.
Nu is onze zaligheid meer nabij dan toen wij het geloop aannamen. De bekeerde Romeinen, op lateren leeftijd tot de waarheid gekomen, naderden met rasche schreden den eindpaal van hun leven, den dood, waarmede hunne zaligheid moest beginnen. Niet minder wij, die reeds van onze geboorte af in het ware geloof geleefd hebben. De deugd van geloof werd ons ingestort, toen de heiligende wateren des Doopsels de smet der erfzonde afwieschen; wij geloofden met meer bewustzijn naar gelang het gebruik der rede zich ontwikkelde
12
EERSTE ZONDAG VAN DEN ADVENT.
13
en de geopenbaarde waarheden ons ter aanneming werden voorgesteld; een levend geloof bezielde al meer en meer ons leven en werken, nadat wij door het H. Vormsel met de kracht van Boven en met de gaven des H- Geestes waren toegerust. Hoe meer wij in jaren toenamen, moesten wij opgroeien tot een vohoassen man, tot de ouderdomsmate van Christus' volheid, opdat wij niet meer kinderen waren, geslingerd en rondgevoerd werden met iederen wind der leering, door de boosheid der menschen, door de arglistigheid der divaling tot verschalking, maar de waarheid houdende in liefde, alleszins opgewassen in Hem, die het Hoofd is, Christus. (Eph. IV, 18 â 16.) Maar met het vermeerderen der genaden hield ook gelijken tred onze gang naar de eeuwigheid. Met eiken dag komen wij het doel van ons leven, het einde van ons strijden, de venmtwooiding van ons werk meer nabij. Pelgrims zijnde, gaan wij bij elke schrede, op den levensweg gezet, op naar onze eeuwige woningen ; elk oogenblik vermindert den afstand, welke ons nog gescheiden houdt van onze eindbestemming. Bovendien, betrekkelijk kort is de tijd, welke ons ter voorbereiding gegeven wordt. Wat zijn vijftig of zestig jaren in vergelijking van de eindelooze eeuwigheid? Als eene schaduw, welke over u heen strijkt, als een wind, welke u voorbij vliegt. Geen vogel doorklieft met zijn vleugelslag zoo snel de lucht, als de mensch zijn aardsche loopbaan aflegt. Hij meent over een of ander uur te kunnen beschikken, en, het ia reeds vervlogen, vóórdat hij er aan denkt. Zouden wij daarom niet dwaas handelen, zoo wij deze vermaning van den grooten Apostel der Heidenen in den wind sloegen: ziet dan toe, broeders! dat gij met omzichtigheid icandelt, niet als omvijzen maar als wijzen, den tijd uitkoopende, dien tijd als een kostelijk kleinood beschouwende, en zorgvuldig tot uwe zaligheid bestedende, want de dagen, die wij beleven, zijn boos. (Eph. V, 15 â 18.)? Moeten wij ons niet voorden grooten, vreeselijken dag voorbereiden, waarop het goddelijk Kind van Bethlehem
eerste zondag van den advent.
in de ontzagwekkende Majesteit van zijn Rechtersambt zal verschijnen ?
De nacht is voorbijgegaan en de dag genaderd. Het eene zoowel als het andere is waar, van de Heidenen die tot het Christendom bekeerd waren en van hen, die in het Christendom geboren zijn. Voor genen was de duisternis der dwaling, de nacht van onwetendheid en daarmede de ongebondenheid der zedeloosheid verdreven door de Zon der Waarheid en der Gerechtigheid, welke hen beschenen had. Toen Jesus Christus in de wereld was gekomen, ging een licht op om allen, die in de schaduw des doods waren gezeten, te verlichten. Hij was een licht ter openbaring voor de Heidenen en een luister voor het volk van Israël, en dit alles door te verkondigen hetgeen Hij van den Vader gehoord had en door de Wet te vervolmaken. In gelijken zin dient hetzelfde gezegd van een ieder, die onder de wet der genade deze wereld betrad. Hing over hun vorig leven een wolk van onwetendheid en ongodsdienstigheid, sliepen zij den doodsslaap der dwaling en der zonde, daar zij de gevaren niet zagen, welke hen bedreigden, een lauw en een voor God werkeloos leven leidden, de stem van een verwijtend geweten niet hoorden, de middelen ter zaligheid verwaarloosden en onbezorgd leefden omtrent hunne hoogste belangen â onzalige vruchten van een beneveld verstand en bedorven hart â die nacht moet voorbij zijn, want de dag is genaderd. De dag van licht en kracht, van waarheid en genade, de dag, waarop ieder Christen handelend moet optreden en bewerken dat God hem zijne roeping tot het deelgenootschap aan zijne Heerlijkheid loaardig keure (H Thess. 1, 13); de dag, waarop wij door goede werken onze roeping en verkiezing zeker te maken hebben (II Petr. I, 10) en woekeren moeten met de talenten, welke ons gegeven en met de genaden, welke door Jesus verdiend zijn; de dag, waarop het bewijs dient geleverd te worden, dat wij den tijd als eene gave weten te waardeeren en te gebruiken.
14
EERSTE ZONDAG VAN DEN ADVENT.
15
Hoogst kostbaar is die tijd en bovenmate rijk aan genaden. Geen Christen, die niet moet overtuigd zyn, dat zijn leven met die genade-gave in te richten, dat zijn geheel gedrag te regelen is naar Christus' voorbeeld, die onder de zijnen leefde vol van genade en waarheid. Het is toch geene geringe weldaad van Gods Goedheid, dat wij leven, nadat de goddelijke Verlosser voor aller zonden is gestorven, opdat wij niet meer der zonde dienen maar dar gerechtigheid ; nadat Hij aan het Kruis ten overvloede bewezen heeft, dat Hij de zonde haat en de gerechtigheid bemint; nadat Hij door leer en voorbeeld den engen weg afgebakend heeft, langs welken de mensch moet opgaan tot zijne eeuwige bestemming ; nadat Hij ook bij verschillende gelegenheden, tot bemoediging voor hen die voor zijnen Naam moeten lijden, geleerd heeft wat in latere tijden de h. Paulus vertolkte, toen hij de Thessa-lonikers onderrichtte, dat God aan de om het geloof onderdrukten verkwikking geven, maar de onderdrukkers straffen zoude, dat Hij hunne onderdrukking vergelden zoude bij de openbaring des Heeren Jesus van uit den Hemel met de Enge-' len zijner kracht, in vlam van vuur wraak oefenende over hen die, uit onverschoonbare onwetendheid. God niet kennen en over hen, die aan het Evangelie van Jesus Christus niet gehoorzamen; die gestraft zullen worden met een eeuioig verderf, verwijderd van het aangezicht des Heeren en van de Heerlijkheid zijner kracht, wanneer Hij zal gekomen zijn om verheerlijkt te xoorden in zijne Heiligen en, wegens hetgeen Hij dan aan zijne Uitverkorenen doen zal, bewonderd te worden in allen, die geloofd hebben (II ïhes. I, 6 â 11). Met de kennis toegerust èn van den Zoendood des Verlossers èn van zijne zedenwet èn van zyn toekomstig gerecht, kunnen de Christenen ook de waarde berekenen van den tijd, van welks gebruik eene eeuwigheid van geluk of ongeluk afhangt, en zich voorbereiden voor de komst van Hem, die zal komen oordeelen de levenden en de dooden. Want ook de dag is
eekste zondag van den advent.
nabij, waarop allen voor den Rechterstoel van Jesus openhaar moeten gemaakt worden, opdat een iegelijk weg drag e to at zijn lichaam toekomt, naar hetgeen hij gedaan heeft, hetzij goed, hetzij kwaad (II Cor. II. 10) â En welk kwaad moet vermeden worden ?
Nu het voor ons dag geworden en Christus, de Zon dei-Waarheid en Gerechtigheid, over ons opgegaan is; nu het licht van het Evangelie, in zijn ^rlans meer weldoende voor den mensch dan de middagzon voor de aarde, den weg aanwijst waarlangs wij naar onze eeuwige bestemming moeten opgaan; nu de fakkel voor onze voeten ontstoken is, zóódat wij van de oude afdelingen kunnen terugkeeren en de eenig ware paden naar een eeuwig geluk kunnen inslaan, moet een iegelijk het als zijne eerste plichten achten om aan de werken der duisternis te verzaken. De meest strafbare daarvan, en welke ook tot vele andere zonden verleiden, noemt de h. Paulus met name op. Laat ons niet wandelen in beasseemen en deonkenschappen', waardoor de ware orde omgekeerd, het zinnelijke gekoesterd ten koste van het geestelijke, de begeerlijkheid ingewilligd en als richtsnoer genomen, het gebruik der rede door vrijwillige bedwelming verhinderd wordt; waardoor Gods gaven misbruikt en aan eene misdadige zucht dienstbaar gemaakt, zelfs de edelste verrao gens der ziel in hunne werking verstoord worden, waardoor de mensch zich verlaagt en verplaatst in een toestand, welke aan een redeloos dier doet denken.
Laat ons â vervolgt de Apostel â niet wandelen
in slaapvebteekken en oneeebaaeheden, niet in twist
en afgunst ; niet in ontucht en onkuischheid, welke het lichaam, dat een tempel des H. Geestes, eene Gode welbehagelijke offerande en werktuig van deugden zijn moet, met schandelijke zonden bezoedelen ; welke den geest met slechte gedachten en het hart met booze be-
16
EERSTE ZONDAG VAN DEN ADVENT.
geerten vervullen en eene afgoderij zijn, omdat zy God doen verzaken, om voor de laagste aller lusten een offer te vragen van de eer, van het geweten en van de schaamte ; niet in tweedracht en nijd, welke de naasten-liefde schenden en den hand verscheuren door God tusschen zijne schepselen gelegd; welke vruchten zijn van den hoogmoed en oorzaken van vele andere euveldaden; welke op het nietswaardige alle gewicht leggen en het gewichtige verachten ; welke om valsche grootheid der wereld na te jagen, de ware grootheid voor God doen verzaken. Die zonden van den geest en van het hart, begeerlijkheid des vleesches en hoovaardij des levens, zijn voor den mensch eene onteerende livrei des Satans en moeten door eene andere vervangen worden, opdat Christus aangedaan worde. Al wie de weeklacht te slaken gedwongen zijn: wij tvaren afgedwaald van den weg der toaarheid, en het licht der gerechtigheid bestraalde ons niet, en de zon der gerechtigheid ging niet voor ons op. Wij hebben ons afgemat op den weg der ongerechtigheid en des verderfs en moeilijke wegen bewandeld, maar den weg des Heeren hebben wij niet gekend. (Wijsh. II. 6 en 7): zij moeten, willen zij den eeuwigen ondergang ontvlieden, deze vermaning van den h. Paulus ter harte nemen : neemt Gods loapenrusting op, om ten kwaden dage iveerstand te kunnen bieden en in alles volmaakt stand te houden. Staat dan, uwe lendenen omgord met xoaarheid en aangedaan met het harnas der gerechtigheid en utoe voeten geschoeid tot de bereidwilligheid van het Evangelie des vredes, nemende in alles het schild des geloofs, toaarmede gij al de brandende pijlen van den booze kunt uitdooven. (Ephes. VI, 13 â 16).
Opmerking. Zoude het een ongegrond verwijt wezen als aan vele Christenen wordt voorgeworpen, dat zij nog niet ontwaakt zijn uit den doodsslaap der zonde of uit de diepe sluimering der onverschilligheid ? Welke naam anders te geven aan die ongevoeligheid, welke stompzinnig maakt voor de dingen Verklaringen der Ãpistelen. 2
17
eerste zondag van den advent.
des hemelschen Vaders â aan die lafheid, welke zondige gewoonten doet onderhouden, omdat de inspanning gevreesd wordt, welke aangewend dient te worden om die banden te verbreken â⢠aan die verblinding, welke met hartstochtelijke drift jaagt naar het meest verleidende der verstrooiing, naar het inwilligen van den eisch der begeerlijkheid, naar hetgeen den hoogmoed streelt en de zinnelijkheid voldoening schenkt? Of mogen de vele dagen, aan het dienen van die onedele driften gewijd, nuttig doorgebracht heeten en geacht worden als Gode welgevallig en verdienstvol voor de eeuwigheid ? Niet alleen de openbaring, ook de gezonde rede veroordeelt al die daden als werken, welke de vuurproef niet kunnen doorstaan. Zij doelden niet op de verheerlijking van God, noch op de heiligmaking der ziel, en zullen daarom voor den rechterstoel van Hem te licht bevonden worden, die wikt en weegt naar de eeuwige wetten van zijne Rechtvaardigheid, maar de onverstandige wijsheid dezer wereld zal beschamen en als vijandig aan Gods Wijsheid moet veroordeelen en bestraffen. Wat is dan te doen om den toekomstigen toorn van God te ontvluchten ? De h. Paulus geeft ons het antwoord op die vraag in de volgende woorden.
II.
Zoo dan, mijne geliefden arbeidt aan uwe zaligheid met vreezen en heven â schreef de Apostel aan de Philippiërs (II. 12) â en in den Epistel van dezen dag lezen wij, waarin dat arbeiden moet bestaan : de wapenen des lichts aangorden, als bij dag eerbaar wandelen en christus aandoen.
Reeds David had op ingeving van God aan een ieder denzelfden eisch gesteld in deze woorden : houd u af van het kwade en doe het goede, en eeuwig zal moe woning zijn, en vervolgde de belooningen der goeden zoowel als de straffen der boozen voorspellende: icant de Heer bemint het recht en verlaat zijne vromen niet; eeuwiglijk worden zij behoed; de ongerechtigen zullen gestraft worden en het zaad der goddeloo-
18
eerste zondag van den advent.
zen zal vergaan. Maar de vromen zullen het land bezitten en eeuwig daarin wonen. (Ps. XXXVI, 27 â 30).
Welke wapenen moeten voor het in bezit nemen van dat land van belofte ter hand genomen worden ? Doet aan de wapenen des lichts, die wapenen namelijk, welke de h. Panlus in zijn eersten brief aan de Thessalonikers noemt: het harnas van geloof en liefde en als helm de hoop der zaligheid. (V. 8). Daarmede moet elke geestelijke kampvechter toegerust zijn om den moeilijken en langen strijd te kunnen voeren tegen de wereld, tegen het vleesch en tegen de hel. Het geloof moet zijn verstand en de liefde zijn hart beschutten, terwijl het uitzicht op eene zalige eeuwigheid aan zijn wil de noodige standvastigheid in het volharden geeft. Be wapenen des lichts zijn ook de genaden, welke door Jesus' verlossingswerk voor ons verdiend zijn en door den H. Geest ons medegedeeld worden; al die hulpmiddelen, welke de goddelijke Verlosser zijner Kerk ter uitdeeling aan hare kinderen heeft toevertrouwd. Daarmede toegerust kan elk Christen heldendaden verrichten, al zijue verplichtingen tegenover God, zich zeiven en den naaste vervullen ; zijn lichaam met des-zelfs lage begeerlijkheden kruisigen, de wet der begeerlijkheid in de ledematen heerschend beteugelen door werken van boetvaardigheid. Wie wijs handelt, zal den goeden God daarvoor een dankoffer brengen, dat hem zoo vele en zoo machtige middelen gegeven zijn om aan die eischen van God te kunnen beantwoorden en ze niet te beschouwen als een last, welke pijnlijk drukt. Immers, zij helpen hem om alle aardschge-zindheid af te schudden, om de zinnelijkheid te onderdrukken, zich te verheffen^boven al hetgeen dezer wereld is en al hooger en hooger den berg der volmaaktheid op te stijgen, op welks kruin hem eene eeuwigheid van geluk wacht.
Nog stelt de h. Paulus aan onzen ijver den eisch, dat wij als bij dag betamelijk wandelen en maakt, om zijn wensch
19
EERSTE ZONDAG VAN DEN ADVENT.
20
volkomen duidelijk uit te drukken, eene treffende vergelijking tusschen den dag en den nacht. Gedurende den nacht bedekt het duister ons voor onbescheiden blikken, en kunnen wij zonder schaamte de bovenkleederen afleggen ; booze menschen misbruiken zelfs dien tijd om daden te verrichten, welke het licht niet mogen zien. Wanneer het echter dag geworden is en wij ons voor 't oog van anderen moeten vertoonen, dan eischt de welvoegelijkheid dat wij op behoorlijke wijze gekleed zijn, opdat aan niemand eenige aanstoot gegeven worde. Dit op het geestelijk leven toegepast zal wel moeten betee-kenen, dat wij in geheel het uiterlijk gedrag ons betamelijk en zedig moeten gedragen, dat wij eerbaar zijn in onze gesprekken om voor kuische ooren niet een steen des aanstoots te worden ; eerbaar in kleeding om bij anderen geene booze begeerten of slechte gedachten op te wekken ; eerbaar in al onze handelingen, opdat wij het oordeel der menschen, die ons gadeslaan, niet behoeven te vreezen. Al wie hun leven inrichten naar die zedelijke, naar die op heiliging berekende voorschriften van den grooten Apostel, dat is: wie de werken der duisternis afleggen alsmede de door hem genoemde ondeugden vermijden en in liet volle dagliclit, zonder schaamte voor het oog des hemelschen Vaders, die alles ziet, wandelen, zy mogen het als van zich gezegd houden: al waren wij vroeger duisternis, dan worden wij licht in den Heer en wandelen als kinderen des lichts ; met de wapenrusting Gods omgord, zijn wij bestand tegen de belaging en des duivels (Zie Eph. II, 8, 9,14 en VI, 11); de loaarheid, het zedelijk ware en alzoo het goedo doende, komen toij tot het licht en laten ons licht schijnen voor de menschen, opdat zij onze goede werken zien en onzen Vader verheerlijken, die in den Hemel is (Zie Joes: III, 21 en Math, V. 16). Wij allen verlangen in de woonstede, welke in den Hemel ons bereid is, opgenomen te worden, en dat verlangen zal, volgens eene onfeilbare belofte, niet onvervuld blijven. Mits aan deze voorwaarde voldaan worde, dat wij, aan de zonde
eerste zondag van den advent.
gestorven, voor Christus leven, dat wij den ouden mensch met zijne werken afleggen en den nieuwen aandoen, dienaar Gods beeld geschapen is in waarheid en gerechtigheid, dat wij het vleesch niet verzorgen tot begeerlijkheden maar het brengen in dienstbaarheid van God.
Een derde plicht aan alle volgelingen van Jesus voorgeschreven is verklaard in deze woorden : den Heer Jesus Christus moeten wij aandoen, dat is: in al onze woorden en werken, in geheel ons gedrag moeten wij ons richten naar het voorbeeld van den Zaligmaker. De nu aan ons gestelde eisch is meer omvattend. Gelijk ieder mensch erkend wordt door zijne gelaatstrekken, door zijne houding, zelfs door de snit en de kleur van zijn kleed, gelijk de krijgsknechten door hunne monteering en de dienaren des Konings door hunne livrei onderscheiden zijn: evenzoo moet de ware Christen erkend kunnen worden door zijne gelijkvormigheid met het toonbeeld van heiligheid, dat hij in den God-mensch bewondert. Eerst dan, als wij in de innigste levensgemeenschap met Jesus Christus blijven door de heiligmakende genade en tegelijk de zedelijke volmaaktheid van ons goddelijk voorbeeld in ons leven zooveel mogelijk door hooge deugd afspiegelen, zullen wij aan de verplichting voldoen, welke de h. Paulus in deze woorden voorschrijft: doet aan den nieuwen mensch, die vernieuwd loordt tot kennis naar het beeld desgenen, die hem geschapen heeft: doet aan, als uitverkorenen Gods, als Heiligen en geliefden, een hartelijk medelijden, goedertierenheid, nederigheid, zachtmoedigheid, lankmoedigheid (Col. III. 10. 12).
Hoe onnoemelijk veel in deze weinige woorden van den grooten leeraar der volkeren ligt opgesloten, kunnen wij eeni-germate opmaken uit deze uitspraken der Heiligen : âChristus âaandoen beteekentquot; â leert de h. Chrysostomus. â âChristus âopenlijk in ons leven vertoonen door heiligheid en zachtmoe-âdigheid, door gelijkvormig te worden aan het beeld van den âZoon des hemelschen Vaders ; Jesus aandoen wil zeggen zijn
21
eerste zondag van den advent.
âleer aannemen, zijne geboden onderhouden, zijne voetstappen âdrukken, zijn voorbeeld navolgen, in het beoefenen der âdeugden op Hem gelijken. Al wie een Christen ziet moet âkunnen getuigen : âik heb een leerling, een volgeling bewon-âderd van Hem, die de Volmaaktheid zelve was.quot; Vandaar âdat de h. Augüstinus niet aarzelde te beweren, âdat Jesus âChristus ons niet voor zijne broeders zal erkennen, tenzij âwij zijne livrei dragen, namelijk : tenzij wij de liefde hebben, âwelke zich openbaart in goede werken.quot; âNiemand wordt te-ârecht een Christen genoemdquot; â zeide de h. Cyprianus â âtenzij zijn leven zooveel mogelijk op dat van Christus ge-âlijke,quot; en de h. Malachias getuigde van zich zeiven ik âzoude geen waar Christen wezen, als ik Christus niet navolgde.quot; De h. Basilius sprak als zijne innige overtuiging âuit, âdat de verkorte inhoud van het Christendom is : navolging van den goddelijken Stichter.quot;
Opmerking. Een ieder ondervrage zich zelvcn en onder-zoeke zijn leven, of-dat aan de gestelde voorwaarden voldoet. Bij voorbaat mogen wij echter dit als zeker vaststellen. Niet zij beantwoorden aan de voorschriften der christelijke zedenwet, die door eigenliefde verblind zijn en zich als volmaakt rechtvaardigen achten, alleen omdat hun geene grove gebreken aankleven of omdat zij geene schandelijke gewoonten hebben af te leggen: dezen missen de deugd van den ootmoedige, die zich zeiven beschuldigt, ook mindere gebreken verafschuwt en altijd wat te verbeteren vindt. Ook zij niet, die te vadsig zijn om zich voor wat eenigszins moeilijk is in te spannen en daarom hunne dagen in werkeloosheid doorbrengen, niet zaaiende en nog minder maaiende voor de eeuwigheid: dezulken missen die zegenbrengende werkdadigheid, welke soms wonderen verricht en rijke vruchten afwerpt voor het leven hier en hiernamaals. Niet zij, die wrevel koesteren en bitterheid in hun gemoed ophoopen om reden dat zij meenen beleedigd of bij anderen achtergezet te zijn; die spijt gevoelen over het welslagen der
22
EERSTE ZONDAG VAN DEN ADVENT.
23
ondernemingen van hunnen evennaaste; die het niet van zich kunnen verkrijgen op het hoofd van hunnen vijand kolen vuurs te vergaderen door voorkomendheid, door den eerster; stap ter verzoening te doen; bij hen ontbreekt die liefde, welke alles verdraagt, alles vergeeft, zich verheugt met de blijden en treurt met de weemoedigen. Niet die weeken van hart en zwakken van wil welke, de minste zelfverloochening als een te zwarenlast beschouwende, aan hun lichaam en deszelfs zinnelijke neigingen alle voldoening schenken maar zich wel wachten de begeerlijkheid daarvan te kruisigen, alsof zij geene boetvaardigheid te doen hadden voor hetgeen zij in hun leven misdeden: bij hen zoekt gij te vergeefs den geest van versterving, welke door het Evangelie gepredikt en door het voorbeeld van alle Heiligen der Kerk werd beoefend. â Uit deze weinige voorbeelden, aan het leven der Christenen ontleend, blijkt duidelijk, dat in geenen deele allen Christus hebben aangedaan, die nederig en zachtmoedig was, die overdag tot afgematheid toe werkte en geheele nachten in het gebed doorbracht; die aan zijne beleedigers vergaf en voor zijne vijanden bad, leed en stierf; die honger en dorst, hitte en koude met een onoverwinlijk geduld verdroeg en ten laatste onder ondenkbare smarten den geest gaf aan een kruis. Zij zijn te beklagen die Christenen, welke zelfs niet naar eenige gelijkvormigheid met hun goddelijk voorbeeld streven; daarentegen zullen te prijzen zijn al degenen, die hun leven en geheel hun gedrag reg'elen naar de lessen der goddelijke Rechtvaardigheid, welke het strijden als eene onafwijsbare voorwaarde gevorderd heeft, vóórdat de kroon der vergelding mag gehoopt worden, maar ook aan allen een Rijk van eeuwige glorie heeft voorbeschikt, die in de beproevingen des levens aan hun God en Zaligmaker getrouw zijn gebleven.
TWEEDE ZONDAG VAN DEN ADVENT.
Broeders! Al wat geschreven werd, is tot onze onderrichting geschreven, opdat wij door de lijdzaamheid en de vertroosting der schriften hoop mogen hebben. De God nu der lijdzaamheid en der vertroosting geve u, één van gevoelen te zijn onder elkander volgens Jesus Christus; opdat gij, één van ziel, met éénen mond God en den Vader onzes Heeren Jesus Christus moogt verheerlijken. Derhalve, neemt elkander aan, gelijk ook Christus u heeft aangenomen ter eere Gods. Want ik zeg, dat Christus Jesus dienaar der besnijdenis geworden is om wille van Gods Waarachtigheid, om de beloften aan de vaderen gestand te doen; doch dat de Heidenen God wegens Barmhartigheid verheerlijken, gelijk er geschreven staat: daarom zal ik U loven onder de Heidenen, o Heer! en uwen naam lofzingen! En wederom zegt dc heilige Schrift-. verheugt u, gij Heidenen, met zijn volk! En wederom: looft, alle gij Heidenen, den Heer, en maakt Hem groot, alle gij volken! En weder spreekt Isaïas: daar zal zijn de wortel van Jesse, en Een die zal opstaan
TWEEDE ZONDAG VAN DEN ADVENT.
om over de Heidenen te heerschen; op Hem zullen de Heidenen hopen.
De God nu der hoop vervulle u met alle blijdschap en vrede in het gelooven, opdat gij overvloedig moogt zijn in de hoop en door de kracht des Heiligen Geestes. Rom. XV, 4â13.
Inleiding. Om den vollen zin van de aangehaalde schriftuurplaats te vatten, is het noodig dat wij den inhoud van de voorafgaande woorden van den Apostel der Heidenen aangeven. Onder de uit het Jodendom en uit het Heidendom bekeerden te Rome waren oneenigheden ontstaan, daar elk gedeelte dier Christenen zich beter achtte dan het andere. Ook schreven velen de roeping tot het geloof toe aan hunne verdiensten en niet aan de genade van God. Tegen die even onchristelijke als dwaze opvatting had zich met kracht de h. Paulus verheven en bewezen, dat èn de Joden èn de Heidenen vóór hunne be-keering aan vele misdaden schuldig waren, tegenover God zich ondankbaar hadden gedragen, en niet om hunne verdiensten maar uit louter Barmhartigheid Gods tot het geloof geroepen waren. Nu, vermanende tot een liefdevol samenwonen, wijst hij op het verheven voorbeeld van Jesus en bezweert hen dat na te volgen door broederlijke eendracht. Hij wil zeggen: »gij »moet elkander verdragen, met elkander geduld oefenen, de »sterkeren met de zwakken, de verlichten met de minder on-»derrichten, vooral de geloovigen die uit het Jodendom met die, »welke uit het Heidendom bekeerd zijn. Het voorbeeld van »Christus vermaant u daartoe. David had van Hem voorspeld »en het is in Hem vervuld geworden: de sniaadhedeu van yiJicit, die U smaden, zijn op Ahj gevallen. (Ps. LXVII1). Als »nu Jesus Christus, de Zoon van den levenden God, in die mate »niet zijne eer maar die des Vaders gezocht, niets dan het heil »der menschen bedoeld heeft, zóódat Hij Zich vrijwillig aan »de vernedering en het lijden uit Liefde voor u onderwierp, »waarlijk dan is voor u plichtmatig, dat gij dit treffend voorsbeeld volgt.quot; Om op het naleven van die lessen zoo sterk
25
tweede z0ndac1 van den advent.
mogelijk aan te dringen, stelt de Apostel tot drie malen toe aan de Romeinen voor oogen, wat uit het leven van den Verlosser voor allen daaromtrent te leeren is en verklaart vervolgens, datdeh.h. Schriften dat alles melden tot troosten tot opbeuring van wie in verzoeking konden geraken, om zich aan de moeilijkheid van den genoemden plicht der naasten liefde te onttrekken. En mocht deze plicht na het overdenken van dat voorbeeld aan sommigen nog zwaar toeschijnen, met een enkel woord wijst hij hen op de hulp, welke zij van God mogen verwachten en op de Liefde door den Vader der Barmhartigheden aan de Joden en aan de Heidenen betoond. Wij hooren dus in die woorden van den Apostel de stem van een minnend hart, dat zoo gaarne allen als navolgers van zich zelf zoude prijzen, gelijk hijzelf navolger van Christus was geworden. âDeze gedachten dienen alzoo nader toegelicht en toegepast te worden:
I. Jesus Christus, en wat Hij deed uit Liefde voor het diepgevallen menschdom, is de regel, waarnaar allen hun gedrag hebben in te richten; dit leeren de h. h. Schriften.
II. Allen moeten elkander helpen en één zijn door de liefde.
1.
Jesua Christus was de oneindige Liefde, en in zijn Liefde omvatte Hij alle raenschen, zonder eenige uitzondering. Hij kwam om allen, die afgedwaald waren op te zoeken, de gevallenen op te heffen, âom â volgens den h. Bernardus âquot; âzondaars te rechtvaardigen, slaven tot broeders, gevangenen âtot mede-erfgenamen, bannelingen tot koningen te maken.quot; Of dit veel aan zijne Liefde gekost heeft? Het antwoord is opgesloten in deze andere vragen : welke offers bracht Hij, opdat de verzoening van alle menschen met God bewerkt en ook de scheidsmuur omvergehaald werd, waardoor de Joden en Heidenen verdeeld waren; welk wonder van Liefde heeft Hy gewrocht, opdat allen één werden in het geloof en tevens, door den band van liefde, één onder elkander en één met hunnen Verlosser zouden wezen; welke voorbeelden
26
TWEEDE ZONDAG VAN DEN ADVENT.
stelde Hij aan allen ter navolging voor met het doel, dat de eene den last des anderen droeg en allen als uit een mond den hemelschen Vader mochten verheerlijken ?
Ware God van den waren God werd de Zoon waarlijk mensch en gaf in zijne God-menschelijke omwandeling een voorbeeld van een Gode welgevallig leven, opdat allen doen zouden gelijk Hij gedaan had ; Hij, die geene zonde had en in Wiens mond geen bedrog werd gevonden, schold niet weder als Hij gescholden werd, dreigde niet maar gaf Zich over aan wie Hem onrechtvaardig oordeelden ; Hij ging al weldoende door het land van Palestina en kende geen hooger geluk dan om de dwalende schapen tot den eenen Herder en Opziener der zielen te bekeeren. Allen door zijn lijden en dood met de vergramde Majesteit verzoenende, werd Hij de Vorst des vredes en tevens de Stamvader van een nieuw geslacht, dat zijne grootheid en macht niet binnen de enge grenzen van een beloofd land dezer aarde besloten zag, maar wiens roeping en bestemming lagen in het eeuwig bezit van geestelijke goederen; â van een geslacht, dat niet slechts de afstammelingen van een enkel volk als zijne lidmaten moest tellen, maar dat alle verlosten, die toonen zouden de deelname aan die geestelijke gemeenschap op hare waarde te schatten, in zich moest opnemen. Dat eene voor allen geldende wet de voorwaarden vaststelt, waaraan ieder lidmaat van die nieuwe maatschappij zich te onderwerpen heeft en door welker getrouwe naleving hij hopen mag eens, na zijne pelgrimsreize in Jesus' gevolg door dit tranendal gelukkig volbracht te hebben, burger van diens eeuwig Rijk te kunnen worden â dit is de noodzakelijke eisch voor die bij uitstek wel geordende maatschappij. En die wet is met onuitwischbare letteren geschreven in het leven van haren goddelijken Stichter, Jesus Christus; Hij is de weg, langs welken allen naar den Vader moeten opgaan. Zijne daden.
27
tweede zondag va\ den advent.
inzonderheid die, welke Hem ons voorstellen in zijn omgang met de verschillende klassen van menschen, moeten een richtsnoer wezen voor wie zijne navolgers willen zijn.
Onder een drievoudig opzicht stelde de h. Paulus in de voorgaande verzen dat voorbeeld aan de Romeinen ter navolging voor. Vooreerst verklaarde hij, dat Jesus niet Zich zeiven heeft beliefd, dat Hij niet gezocht heeft, wat in overeenstemming was met zijn gemak, met zijn menschen-lijken wil of met zijne rust, maar dat Hij niets anders beoogde dan wat Gods eer bevorderde en het waarachtig heil van den mensch bewerkte. âHij, het Hoofd van allenquot; â leert de h. Thomas â âheeft als zijn doel gekozen het lijden âen wat met den natuurlijken wil van den mensch in strijd âis, om den goddelijken wil te vervullen, welke Hem met âden Vader gemeen was.quot; En zóó ver ging die offervaardige Liefde, dat naar de letter in Hem vervuld is geworden, wat David in den persoon van den Messias sprekend tot den Vader zeide: de smaadheden van hen, die U smaden, zijn op Mij gevallen. In dubbelen zin zijn die woorden waar. De smaadheden, de zonden der menschen, waardoor des Vaders wet veracht werd, vielen op Hem en verscheurden zijne ziel met de bitterste droefheid, niet minder dan wanneer zij be-leedigingen waren aan Hem alleen, aan Hem persoonlijk aangedaan, dewijl zijn ijver voor des Vaders verheerlijking leed onder die verguizing van den Hemelschen Vader. Maar Hij had ook â en dit is de tweede beteekenis â den mensch met eene eeuwige Liefde bemind en wenschte, dat allen de erfenis des heils verwierven. En daarin vooral toonde Hij zijne Liefde dat, toen de velen zondaars waren geworden, Hij aller zonden in zijn lichaam droeg op het Kruis en volgens Isaïas' voorspelling, onze smarten torsie, gewond werd om onze boosheden en verbrijzeld om onze misdaden, zóódat Hij het Zoenoffer werd voor de zonden van de geheele wereld. In waarheid mocht dan ook de h. Paulus ook dit derde ken-
28
tweede zondag van den advent.
29
if 'til
'li
t;
tv», 11
l: j 'i
merk van Jesus' Lankmoedigheid aanvoeren: Christus heeft u aangenomen ter eere Gods, u en allen, Joden en Keidenen deelachtig gemaakt aan het geestelijk heil, dat Hij aan allen is komen brengen, daarin betuigende zijne groote Macht omdat Hij de wereld vernieuwde, zijne oneindige Wijsheid daar Hij door ongewone middelen de zonde overwon en den zondaar redde, zijne grenzenlooze Liefde, dewijl Hij Zich zeiven tot zoenoffer voor de zonde maakte, om zijne schepselen van den eeuwigen dood te vrijwaren. Duidelijk is daaruit, wat de Apostel den Romeinen bewijzen wilde: geen Christen, hij moge Jood of Heiden geweest zijn, mag zich boven den andere verheffen, niemand zich een voorrang aanmatigen boven zijn evenmensch. De roeping tot het Christendom, de zaliging der menschen â neen, dat is niet het werk van degenen die loopen, maar van Hem die Zich erbarmde. Uit genade zijn de Joden geroepen om aan de belofte van God deelachtig te worden, welke den Vaderen gegeven was, en uit genade zijn do Heidenen geroepen, volgens de voorspellingen der Profeten, welke in Jesus vervuld werden.
Dit alles staat geschreven in de heilige Schriften, en de gevolgtrekkingen daaruit liggen voor de hand. Want, al wat
geschreven werd is tot onze onderrichting geschreven, opdat wij door de lijdzaamheid en de vertroosting der
Schriften hoop mogen hebben.
Wat de Profeten van den Messias voorspelden, die als zachtmoedig Koning komen, die als het schaap onder de hand des scheerders geene klacht uiten zoude onder de mishandelingen zijner vijanden â wat de Evangelisten van Hem melden, die nederig was van harte en zachtmoedig, die het geknakte riet niet brak en het rookend lemmet niet uitdoofde â wat de voorbeelden der Heiligen van het Oude Verbond ons ter navolging voorhouden, dat alles staat geschreven tot onze onderrichting, opdat wij zei ven daaruit met zekerheid
amp;
i
tweede zondag van den advent.
30
opmaken wat te doen is, ook tot leering van anderen in de waarheid, tot wederlegging van dwaalbegrippen, tot verbetering der bedorven zeden, tot opvoeding in de gerechtigheid, in een godsdienstig en deugdzaam leven (II Tim, III, 16). De H. Schrift is het groote leerboek der Christenen; âzij isquot; â zegt de h. Augustinus â âeen brief door God aan de men-âschen gezonden.quot; Zij leert ons onze plichten, bemoedigt tot geduld, biedt troost in het lijden en stort het blij vertrouwen in op een gelukkige eeuwigheid. Schier geen geloofspunt is er dat zij niet bewijst, geene ondeugd welke zij niet veroordeelt, geene deugd welke zij niet aanprijst, geene wenschelijke belooning welke zij niet belooft, geene omstandigheden des levens zijn er waarvoor zij geen raad geeft. De geschiedenis van Adam en van Noë, van de oude Patriarchen en Profeten, van de groote en heilige Heldinnen, is een lichtbaak, welke den weg aanwijst, door allen af te loopen. Maar, hoe leerrijk en hartroerend die voorbeelden ook mogen wezen, geen enkel is zoo verheven en leerrijk, geen zoo luidsprekend en overtuigend als dat van den goddelijken Verlosser, die nog welsprekender door daden dan door woorden tot allen spieekt, opdat een ieder wete, waarnaar hij zijn gedrag te regelen heeft. Die treffende voorbeelden van Jesus leggen getuigenis af van zijne lankmoedigheid met degenen, die het minst waardig schenen medelijden te vinden, en vermanen op de dringendste wijze tot geduld bij tegenwerking en tot lijdzaamheid in moeilijkheden. Of wij dit noodig hebben? Wie is de mensch, die niet gevaar loopt mismoedigd, neerslachtig te worden, als hij zich dagelijks opnieuw genoodzaakt ziet de lastige gebreken van anderen te verdragen, zoo mogelijk te verbeteren? Het schijnt hem een werk toe, dat zijne krachten te boven gaat, en hij voelt zich geneigd om met zijne gemaakte voornemens te breken. En toch mag hij het begonnen werk niet opgeven, en volharden in dien liefde-dienst is dringende plicht. Waar dan de kracht te vinden, om niet te bezwijken?
tweede zondag van den advent.
Denkt aan Hem, die zulk een tegenspraak van de zondaars tegen Zich verdragen heeft, opdat gij niet moede wordt, in uwe zielen bezwijkende; aldus schreef de h. Pauius aan de Hebreen (XII, 3), en deze zijne vermaning geldt voor allen. Opzien naar den Voltooier van ons geloof, Jesus' voorbeeld beschouwen, dat geeft die blijdschap des geestes en die grootmoedigheid van ziel. welke doen juichen zelfs onder den last van zware verplichtingen ; dat staalt den moed, wekt den geest op en vrijwaart tegen de droefgeestigheid, welke een hindernis is voor het goede doen. Wat nog meer misschien dan alle overdenkingen den zwakken mensch in staat stelt om de moeilijkste liefde-diensten aan den evennaaste te blijven bewijzen, het is die blijde hoop, dat ook wij, navolgers van Jesus' Liefde evenals de Heiligen geworden, eens zullen deelen in de Heerlijkheid, welke zij in de eeuwigheid verworven hebben.
Opmerking. Toen Noë de arke bouwen moest, waarin acht zielen zouden gered worden, werd hem van Gods wege bevolen op te zien naar het voorbeeld, dat hem op den berg getoond was. Voor ons. Christenen, is Jesus Christus, zooals Hij door de Profeten voorspeld was. Zich in zijn leven betuigd heeft en in het Evangelie geteekend staat, het groote en volmaakte voorbeeld, dat wij na te volgen hebben, zoo wij in de nieuwe Arke, in de Kerk Gods, onze zaligheid willen bewerken dooide verheerlijking van den hemelschen Vader en door den dienst van onze evcnmenschen. De Evangelisten, welke Jesus' leven beschreven, vermelden die voorbeelden van geduld en lijdzaamheid, van lankmoedigheid en vergevensgezindheid, van offervaardige liefde en voorkomende inschikkelijkheid. En, ook met het oog daarop, riep Jesus aan al zijne leerlingen toe: Ik hei it ecu voorbeeld gegeven, opdat ook gij doet gelijk Ik u gedaan heb (Joan. XIII, 15): leerde de h. Petrus; ook Christus heeft voor ons geleden, u een voorbeeld nalatende, opdat gij zijne voetstappen zondt volgen (I Pe. II, 21); vermaande de h. Pauius:
31
TWEEDE ZOKDAG VAN DEN ADVENT.
weest mijne navolgers, gelijk ik het ben van Christus (I Cor. XI, i). Geen andere weg naar onze eeuwige bestemming ligt voor ons open; ook geen enkele der Heiligen is langs andere paden de glorie ingegaan. Geen iota of stip zal aan die goddelijke wet veranderd worden. Zij is en blijft afgekondigd voor alle menschen van alle tijden. De naasten-liefde stelt hare eischen voor de verschillende betrekkingen, waarin Gods kinderen zich bewegen. Het streven en het zoeken, de gedachten en de wen-schen, de daden en de deugden van den Verlosser moeten zóó zeer de onze worden, dat wij Hem aandoen en Hij in ons leve.
II.
Het voorbeeld van Jesus moet dan de regel zijn, waarnaar een ieder zijn leven inricht. Hij heeft Zich vernederd, Zich ontledigd om te redden die verloren en om op te richten die gevallen waren ; Hij achtte het geen roof aan God gelijk te zijn en kwam toch om te dienen; niemand kon Hem van zonde overtuigen, maar Hij wilde Zoenoffer worden om allen van den eeuwigen dood te verlossen. De gevolgtrekkingen uit die waarheden zijn voor allen duidelijk. Wij, menschen van stof en asch, moeten onze nietigheid erkennen, niet alleen omdat wij schepselen zijn door Gods Almacht uit het niet te voorschijn gebracht, maar vooral omdat wij zondaars zijn. En zou een zondaar kunnen weigeren aan zijne broeders en zusters te doen, wat de God-mensch deed voor den minste der zijnen? Wie grootsch wil gaan op zijne voortreffelijkheid, op voorrang in stand, op meerdere ontwikkeling, hij moge wel bedenken dat de afstand, welke hem van zijne minderen scheidt, onmogelijk zoo groot kan zijn als die welke tusschen hem bestaat en zijn goddelijk Voorbeeld. Daalde dan Jesus tot hem af, te eerder moet hij zich aflaten tot allen zonder onderscheid, en nimmer zal hij zich zoo diep kunnen vernederen als de Verlostier van allen deed. Wel wordt door velen
32
TWEEDK ZONDAG VAN DEN ADVENT. 33
voorgewend, dat zij te groot zijn om zich met minderen gelijk te achten. Dit recht, ofschoon door de wereld opgeeischt, geldt niet voor God ; die aanmatiging van den hoogmoed is ten strengste veroordeeld door Jesus, die Zich dienstknecht van allen maakte. Niemand mag daarom den andere met verachting behan
W ! ^
i;
delen, geen zich meer wanen, al ishijhooger in rang of munt hij uit door grooteren aanleg ; daarentegen moet een ieder geduld oefenen met de zwakheid van zijn evennaaste en zich niet schamen den minste als een broeder voor God te dienen.
De h. Paulus heeft in de verzen aan onzen Epistel voorafgaande daaromtrent deze volgende levensregelen geschreven : Wij, sterken, moeten de zwakheden der onsterken dragen (Rom. XV, 1â8), met andere woorden : aan de zwakken onder de mede-Christenen mag niet alleen geen aanstoot gegeven maar.
.1;,
*
#
I i
krachtens den plicht der naasten-liefde, moet met hunne zwakheden, denkbeelden en handelwijzen groot geduld be-toond worden. â Wij moeten niet ons zeiven believen zonder te letten op hetgeen 't heil van anderen kan bevorderen, maar ons naar hen voegen, voor zooverre dit niet door eene of andere wet verboden is. Wie zich gegrondvest in het geloof en gevorderd in de deugd wil betuigen, moet de zwakheid van overtuiging en andere gebreken der onvolmaakteren met lijdzaamheid verduren, met wijze voorzichtigheid bestrijden en met zachtheid verbeteren. Ook tot dat doel zyn hem meerdere kracht en hoogere deugd geschonken, opdat hy die gaven des Hemels dienstbaar make aan het geestelijk welzijn van anderen. Eigenbelang, gemakzucht, persoonlijke voor-deelen mogen daarbij niet in aanmerking genomen worden.
â Een iegelijk believe zijnen naaste ten goede, tot stichting. lj$|
Des naasten verbetering, opwekking en onderricht dienen bedoeld. Hem moet toegegeven worden, niet opdat hij in het kwade, in zijn wangeloof, in zijne verkeerde handelwyze ver-sterkt worde, maar ten goede vermaand, door goede voorbeelden en wijze raadgevingen op den waren weg gevoerd en
Verklaringen der £pist:elen. 3
1
tweede zondag van den advent.
zoo zijne eeuwige zaligheid nader gebracht worde. Grelijk de ryken van hun overvloed aan de armen, eveneens moeten wijzeren en sterkeren van het hunne aan wie minder met wijsheid en kracht bedeeld zijn mededeelen â ter opbouwing van het mystiek lichaam van Christus, ter vervolmaking van elk lidmaat der Kerk.
Maar zijn die eischen van Jesus' liefde-wet niet te zwaar, zelfs voor een in Hem herboren Christen? De h. Paulus schijnt die moeilijkheid voorzien te hebben en besluit daarom zijne dringende vermaningen met dezen zegenwensch in onzen Epistel opgenomen : de God der lijdzaamheid en der vertroosting geve u een van gevoelen te zijn onder elkander volgens jesus christus, opdat gij, één van ziel, met éénen
mond God en den Yader van onzen Heek Jesus Christus moogt verheerlijken. Met die genade van boven zijn de zwaarste plichten lichten, al heeft de omgang met zwakkeren zijne eigenaardige moeilijkheden, al eischt die van's men-schen hart vele en groote offers, waar de Gever van alle goede gaven zijn intrek heeft genomen, daar maakt de liefde elk juk zoet.
Zoo met geduld gewapend en door Gods vertroosting versterkt, moesten de bekeerde Joden en de bekeerde Heidenen voor elkander leven en elkanders heil bevorderen, opdat zij allen één van zin en van hart hetzelfde gevoelden en hetzelfde wilden, opdat geen verschil van zienswijze eenige scheiding maakte tusschen hen, die door Jesus Christus in zijn Bloed tot één lichaam verheven waren en daarom door den band van wederzijdsche naasten-liefde moesten vereenigd leven. Deze gedachte bezielt het laatste gedeelte van de besprokene woorden des Apostels. Dat een byzondere verhouding tusschen de bekeerlingen uit het Joden- en uit het Heidendom te Rome daartoe aanleiding gaf, hebben wij met eenigen aangenomen, ofschoon anderen het ontkennen. Die onzekerheid doet echter
34
T
tweede zondag van den advent. 3»
geen afbreuk aan het hooge gewicht van Paulus' woorden,
waarin hij Gods raadsbesluit bespreekt. Christus heeft â leert hij â èn het Joodsche èn het Heidensche volk aangenomen
tee eeee gods â het eene om wille van gods waarachtigheid, om de beloften, aangaande den beloofden Messias aan de Yaderen gedaan, te vervullen, het andere wegens Barmhartigheid, opdat ook de Heidenen God zouden ver- ^
heerlijken om zijne overgroote weldaden, welke wel niet beloofd maar toch voorspeld waren. Daarom mocht de Jood, al f, was hij uit het geslacht van Abraham en erfgenaam der belofte, al had hij de besnijdenis en het verbond en de wetgeving en al was de Christus uit zijn geslacht geboren en al had vooral aan de afstammelingen van Abraham Jesus zijne blijde boodschap verkondigd, geen der Heidenen verachten of minder achten. Want ook dezen mochten roemen, niet in zich zeiven maar in G'-od, die Zich ook jegens hen rijk in Barm- , t
i il
hartigheden had betoond. Ook zij waren in het Bloed van den Verlosser met den Vader verzoend, van den toekomstigen j'j
toorn bevrijd, tot kinderen van God en tot erfgenamen des Hemels verheven. En â voegen wij met den h. Thomas er bij â âgelijk het een bewijs van Gods Barmhartigheid was,
âdat Hij aan de Vaderen de belofte gaf aangaande het heil âvan hunne nakomelingen, ook dit behoorde tot Gods Waar-âachtigheid, dat Hij zijne voornemens omtrent de zaliging 'i
âder Heidenen heeft vervuld.quot;
Door het aanhalen van vier Schriftuurplaatsen bewijst de Apostel, dat God voorspeld had Zich ook aan de Heidenen te zullen openbaren, dat ook zij tot het deelgenootschap aan j ,
het Messianische heil geroepen waren. Daartoe haalt hij een I :
woord aan van David, dat op den beloofden Messias betrekking heeft en Hem als werkzaam onder de Heidenen en , sprekend voorstelt: daarom zal Ik U loven onder de Heidenen, o Heer ! en uwen Naam lofzingen. En wederom zegt (de h. Schrift): verheugt u, gij Heidenen, met zijn volk !
i
â
I
f'-ï
miiul
lirij K
i I. I
'â¢i .i.
tweede zondag vak den advent.
en wederom : looft, alle gij heidenen, den heer, en maakt
Hem groot, alle gij volkeren ! Om die profetische woorden verstaanbaar voor allen te maken, omschrijven wij ze in dezer voege: âdaarom, omdat Gij, o Heer! Mij tot een geestelijk âHoofd ook der Heidenen maaktet en volkeren bracht onder âmijn zegenrijk gebied, zal Ik U prijzen onder de Heidenen âen uwen Naam lofzingen, zal Ik uwe Barmhartigheid open-âbaren en uwe Goedheid verheerlijken onder hen en bewerken, âdat zij U ter eere een danklied aanheffen voor de geestelijke âgunsten, welke zij verwierven door mijne persoonlijke zegenrijke werking onder hen.quot; Met recht mocht dan ook tot de Heidenen de aansporing gericht worden: âverheugt u, gij âHeidenen met Gods volk! looft den Heer alle gij Heidenen, âen prijst Hem alle gij volkeren! want ook onder u toonde âZich groot en edelmoedig de Heilige, ofschoon Hij naar zijne âmenschelijke natuur uit Israël geboren was en voor 't eerst âonder de kinderen van zijn volk de schatten van genade en âvan waarheid uitdeelde.quot; Vooral ja, en 't eerst, maar niet uitsluitend. Immers, daar zal zijn de wortel van Jesse, de Messias, Zoon van David, en Een die zal opstaan en Zich verheffen als Aanvoerder van alle volkeren ; onder Wiens banier allen zich kunnen scharen, en die zal opstaan om niet minder dan over de Joden ook over de Heidenen te heerschen. Op Hem zullen daarom evenals de Joden ook de Heidenen hopen.
Kon het dan voor de tot het Christendom bekeerde Joden te Rome, kan het nog voor ons en voor al de geloovigen, vooral de lidmaten van eene en dezelfde Kerk moeilijk zijn om elkander te verdragen, om één te wezen, gelijk Christus één is met den Vader? Mag een nationale afkeer scheiding brengen tusschen volkeren, welke hetzelfde geloof belijden ; mogen machtigeren zich door hoogmoed of trots laten verleiden om den band van liefde te verbreken, welke alle kinderen van denzelfden Vader tot een geheel moet samenvoegen; mogen verscheidenheid van beroep, van vermogen of van
36
TWEEDE ZONDAG VAN DEN ADVENT.
verstand oneenigheid stichten tusschen degenen, welke denzelfden God aanbidden en deel nemen aan dezelfde genadegaven ? Dit zij verre, eischt de h. Paulus en wel met een beroep op Jesus' voorbeeld, voor Wien geene aanneming van personen gold, die allen met dezelfde Liefde omvatte en voor allen alles is geworden, door quot;Wiens geestelijke herschepping aller menschen ook alle onderscheid van natie en stand is weggevallen, zóódat daar in Jesus' gemeenschap niet is Heiden en Jood, Barbaar en Seyth, slaaf en vrije maar Christus alles is en in allen (Col. Ill, II), en allen zonen Gods zijn, door het geloof in Christus Jesus (Gal. III, 26).
Opmerking. Vrede en eendracht te onderhouden, afdaling tot minderen en hulpvaardigheid aan allen te betoonen, inschikkelijkheid en lijdzaamheid met de gebreken van anderen te beoefenen â dit zij dan de leus van alle Christenen. Daarin moeten zij een eer stellen, een voorrecht zien, dat groote voordeelen afwerpt en een blijde, eeuwig gelukkige toekomst in't verschiet plaatst. Dat allen aan die zegeningen, welke aan het geloof in liefde werkend beloofd zijn, mogen deel verkrijgen, wenscht de h. Paulus aan zijne bekeerlingen van Rome toe. De God der hoop, â Hij die de gevallen menschheid niet aan haar zelve overgelaten maar voor haar zedelijk herstel gewerkt en geleden heeft, die de zondaars bemoedigde om niet te wanhopen, maar door zijne genade redding te verwachten, die ook allen met geduld verdroeg, opdat zij tot hunnen Vader mochten terug-keeren, â Hij Wiens beloften niet faalden aangaande de Joden en Wiens Barmhartigheid de Heidenen niet vergat, die voor de natie stierf en niet voor de natie alleen maar om de verstrooide kinderen Gods tot één te vergaderen (Joes XI, 52.) â Hij vervulle u met alle blijdschap en vrede in het gelooven, met die inwendige vreugde in God, welke zich ook naar buiten openbaart en aan anderen mededeelt, en met dien vrede »waardoorquot; â volgens den h. Thomas. â de mensch »met zich zeiven èn met den evennaaste èn met God in vrede »leeft.quot; Wanneer dat ware geloof, wortelen grondslag zoowel als
37
TWEEDE ZONDAG VAN DEN ADVENT.
38
kanaal van alle geestelijke goederen, het beginsel is voor die zielverheffende aandoeningen, wanneer dat onmisbaar fundament tot opbouw van ons geestelijk leven is gelegd, dan ook volgen die andere genade-gaven, welke tot vervolmaking van dat hooger leven dienen; dan zijn wij overvloedig in de hoop op de eeuwige Zaligheid en door de kracht des Heiligen Geestes, die door zijne zevenvoudige werking de genaden en verdiensten van Christus aan de geloovigen mededeelt, zóódat zij in staat zijn om aan al hunne verplichtingen te voldoen. â Wie zoude aarzelen voor die gaven des Hemels al ware het een zwaar offer te brengen ? Wie terugschrikken, al moest hij een geheel leven lang vele gebreken van zijnen evennaaste verdragen en zijne beste krachten in het werk stellen om daarin eenige verbetering te brengen ? Die goederen â en hoogere kunnen in dit leven niet verwacht worden â zijn het toch wel waard, dat er voor gewerkt, er voor geleden wordt. Het is ook zoo schoon, wanneer alle Christenen te zamen wonen als broeders, die één zijn van geest en hart; van geest, omdat zij, leerlingen van denzelfden goddelijken Meester, in dezelfde school onderwezen zijn, omdat zij hetzelfde gelooven en dezelfde geheimen belijden, omdat zij naar hetzelfde doel streven, dezelfde verlangens koesteren, dezelfde taal spreken ; van hart, omdat zij kinderen van denzelfden Vader zijn, erfgenamen van dezelfde goederen, lidmaten van ééne gemeenschap der Heiligen. En schoon vooral om deze reden, dat hunne eensgezindheid en onderlinge liefde niet slechts eene afbeelding zijn van die wederzijdsche toegenegenheid welke onder de Hemelingen heerscht, doch ook omdat zij hun een waarborg geven, dat ook zij eenmaal in het eeuwig Rijk der liefde van God zullen opgenomen worden, waar hun geloof in aanschouwing, hun hoop in het bezit der hemelsche goederen overgaat en hunne liefde, van alle onvolmaaktheden gezuiverd, tot den hoogsten graad van volkomenheid opgevoerd wordt. â Mocht dan aan de eischen, welke de groote Apostel aan al zijne bekeerlingen gesteld heeft, voor immer voldaan worden door alle Christenen. Het rijk van den zoetsten vrede ware gesticht op aarde, om later over te gaan in een eeuwig Rijk van de volmaaktste eensgezindheid en liefde.
i III
lili
yi i ' li 1' ii'iii
IH
DERDE ZONDAG VAN DEN ADVENT.
V-i
i Milt
:.!
1 f.
i;1 'i
S' Ã
â¢I
Broeders ! verblijdt u in den Heer te allen tijde ! Nogmaals zeg ik : verblijdt u ! Uwe bescheidenheid zij allen menschen bekend ; de Heer is nabij. Weest in niets bekommerd, maar laat in alles door bidden en smeeken met dankzegging uwe begeerten bekend worden bij God. En de vrede Gods, die alle begrip te boven gaat, beware uwe harten en uw verstand, in Christus Jesus onzen Heer. Phil. IV, 4â8.
Inleiding. De bekeerlingen in de stad Philippi mochten zich er op beroemen, dat zij door den h. Paulus onder zijne meest beminde leerlingen gerekend werden. Uitbundig is de lof hun door den Leermeester in het geloof gegeven. Hij droeg hen in zijn hart, noemde hen zijn glorie, zijn kroon, zijn vreugde; zij waren zijne welbeminden, zijne geliefden, zijne broeders in Christus Jesus; in al zijne gebeden bad hij met blijdschap voor hen allen; zijn vertrouwen was onwankelbaar, dat God, die een goed werk in hen begonnen had, het ook voleindigen zoude tot op den grooten dag van Jesus Christus. De geheele brief door hem aan de Philippiërs geschreven getuigt, hoe verheugd hij is over de werkdadigheid van hun geloof, hoe dankbaar voor de hem verleende hulp, hoe bezorgd ook voor
⢠f
11 Ir
DERDE ZONDAG VAN DEN ADVENT.
hunnen geestelijken vooruitgang. Het bovenstaande gedeelte is daarvoor een sprekend bewijs. De Apostel verlangt, dat zij altijd blij en opgeruimd van geest zijn, ijverig om voor allen een voorbeeld van deugd en bescheidenheid te wezen, onbekommerd omtrent de moeilijkheden, welke met de belijdenis van het Christendom onafscheidelijk verbonden zijn; dat zij ook met dankzegging voor de reeds ontvangene weldaden voortdurend om nieuwe genaden blijven bidden; dan toch zou hun ook die inwendige vrede geschonken worden, welke alle begrip te boven gaat. Doch beloofde hun Vader in het geloof niet te veel aan zijne bekeerlingen ? Laten wij het ter onze opwekking duidelijk maken: die zoo zoete en weldoende zielsgesteldheid kon de h. Paulus hun toewenschen, omdat de belijdenis van den waren Godsdienst
I. blijmoedig maakt en bescheiden;
II. vertrouwen inboezemt en den waren vrede schenkt.
I.
VeKBLIJDT U IN DEN HEER TE ALLEN TIJDE ! NOGMAALS ZEG ik ; vekblijdt u. Met deze aansporing begint de h. Paulus het laatste gedeelte van zijnen brief. Vreemd klinkt dat woord niet in zijnen mond. Meermalen lezen wij in zijne brieven een dergelijke uitdrukking. Weest blijde in de hoop, schreef hij aan de Romeinen (XII, 12); verblijdt u te allen tijde, daartoe vermaande hij ook de Thessalonikers (1 Thess. V,17), gelijk hij ook de Corinthiërs aangespoord had: voorts broeders! weest blijde, en in dezen zendbrief herhaalt hij dezelfde woorden âomquot; â aldus leert de h. Chrysostomus â âte kennen âte geven, dat zijne geloovigen zich op allerlei wijzen moeten âverblijden.quot; En met recht. De belijdenis van het Christendom geeft vreugde in den Heer, onzen God. Neen, die Godsdienst bant geenszins alle blijdschap uit het hart, berooft den mensch niet van elk genot, veroordeelt hem niet tot een treurig en droefgeestig leven. quot;Wel is de Christen verplicht zich zeiven te verloochenen, aan de booze wereld te verzaken.
40
debde zondag van den advent.
zijn kruis op te nemen en het den goddelijken Meester na te dragen; wel prees Jesns hen allen zalig, die arm van geest, die als Hij was nederig en zachtmoedig van harte zijn, die om zijnen Naam vervolging lijden en om Hem gesmaad worden. Maar om die redenen is voor zijne volgelingen niet de ware vreugde onmogelijk gemaakt. Wie zoo denkt, legt de beschamende bekentenis af, dat hij het Christelijk leven niet kent en nooit de zoetigheid daarvan geproefd heeft. Hij moest ter school gaan bij den eenvoudigsten geloovige of een blik kunnen slaan in het binnenste van een leekebroeder of liefdezuster, die de wet van het Evangelie in hare geheele gestrengheid beoefenen, en het werd hem duidelijk, dat oprechte godsvrucht, hoe vele eischen zij ook stelt, een opgewektheid van geest en een blijmoedigheid van hart geeft, waarmede al de genoegens der wereld niet te vergelijken zijn. â Evenwel wordt deze opwerping te berde gebracht. Kan vreugde geboden, kan het gevoel van blijdschap als plicht worden voorgeschreven ? Wie vermag zich te verheugen, zoodra het bevel daartoe gegeven wordt; of moet die aandoening niet gerekend worden onder die, welke van uitwendige omstandigheden geheel afhankelijk zyn? Wij geven toe: niemand kan aan het menschelijk hart zulk een gevoel opdringen, tenzij tevens de redenen voorgelegd worden, waardoor die gemoedsstemming wordt opgewekt. âEn toch zalquot; â zegt de n. Fbancisous van Sales â âdie kalme vreugde, die blijdschap, âdie vrede in God, door de wereld niet gekend, de overheer-âschende stemming zijn van den Christenquot; â van den Christen, die zich zeiven beheerscht, die zich in het onvermijdelijke weet te schikken en zelfs onder alle moeilijkheden van dit leven met opgeheven hoofde de gevaren trotseert, welke soms van alle kanten dreigen.
Aan redenen voor die opgeruimdheid ontbreekt het hem waarlijk niet. Verbeeld u, dat hij eens met gezette aandacht zooveel mogelijk al de groote genaden overdenkt, welke hij van
41
DERDE ZONDAG VAN DEN ADVENT.
42
Gods Goedheid ontvangen heeft, dat hij de gelukkige toekomst beschouwt, welke hem wacht, als hij de hem toevertrouwde gaven des Hemels met zorg en goed besteedt; dat hij wil opmerken, hoe eene vaderlijke Voorzienigheid over hem waakt; dat hij zich bewust wordt, welk een groot voordeel de vervolgingen om Jesus' wille geleden hem zullen opleveren ! Zouden die overwegingen hem niet overtuigende redenen aanbieden om zich in den Heer, in zijnen God, Schepper en Vader en Belooner, te verheugen? Wij kunnen nog verder gaan. Een vroom Christen verheugt zich in de wet Gods en bewandelt met blijdschap den weg der geboden van zijnen hemelschen Vader. Hij ziet rondom zich heen en verheugt zich in de bewijzen van Gods Almacht en Liefde, welke hij alom bewondert ; hij verheugt zich in die overgroote en ontelbare weldaden, welke door God dag aan dag aan zijne kinderen bewezen worden en op elk hart den diepsten indruk maken, dat toegankelijk is voor het teeder gevoel van hartelijke en van innige dankbaarheid. Is hij zondaar geweest, dan ja heeft hij nog andere redenen om zich te verblijden, want de tranen van boetvaardigheid, de smart van het berouw, het leedwezen over bedrevene zonden zijn voor den bekeerling even vele redenen tot ware vreugde als de vervolgingen en wederwaardigheden voor den lijder, die zijn kruis draagt in ver-eeniging met Jesus. De eene zoowel als de andere verheugen zich in hunne zaligheid, gene omdat hij vergiffenis van zonden verkregen, deze omdat hij verdiensten verzameld heeft voor den Hemel; gene omdat het geweten hem niets meer verwijt, deze omdat de belooning voor een geduldig lijden hem is weggelegd. Een plichtgetrouw Katholiek vindt zijne vreugde overal en in alles: in huis, in de kerk, onder zijne bezigheden, in het gebed, in het ontvangen der H.H. Sacramenten, in het vervullen zijner plichten ; zelfs in het lijden en in het strijden kan hij, evenals de h. Paulus, van vreugde overvloeien. Wij begrijpen dan ook, dat de Apostel tot zijne
derde zondag van den advent.
43
lil Ni
[i|n I ü ililif
N ii
i!: s ||!
»: i
$
'VJ
I '
1 vii
i u
â¢!
,| , !
Ir â ' â
il
i1; ⢠%
i i i
beminde bekeerlingen, tot hen die God in zijne oneindige Volmaaktheden hadden leeren kennen, die wisten wat God in Zich zeiven en wat Hij voor den mensch is, die ook reeds op den weg der zaligheid grooten voortgang hadden gemaakt en menig blijk van moed en standvastigheid in het vasthouden aan de overgeleverde leer gegeven hadden â dat hij tot hen de aansporing richtte om zich te verheugen in den Heer. Alles moest die blijde stemming in hen opwekken: alles wat God was en deed, in 't bijzonder alles wat Jesus Christus voor hen geworden was, nog immer bleef en altijd zijn wilde. Zij behoefden slechts te denken aan het verledene, aan het tegenwoordige en aan het toekomstige, om zich in een zielstoestand te verplaatsen, welke door geen aardsch geluk kan geschapen zelfs door een wereldling niet kan bevroed worden, welke zijn opwekkenden invloed op het godsdienstig leven nimmer verliest maar den Christen doet juichen als kind Gods, als erfgenaam van God en mede-erfgenaam van Christus, welke hem zelfs in de beproevingen met David doet jubelen : moe vertroostingen o Heer! kicamen, naar de menigte mijner zielesmarten, mijn hart verblijden (Ps. XCIII, 19) of met den h. Paulus: gelijk het lijden van Christus overvloedig in ons is, alzoo is ook onze vertroosting overvloedig door Christus (II Cor. I, 5).
Doch niet elke geestelijke vreugde mag even hoog aangeslagen, niet op gelijke waarde geschat/vvorden. Niemand jninder dan den. Thomas heeft ons dat geleerd in deze woorden: âde geestelijke âvreugde heeft twee bronnen: deze bestaat in het goed, datGod âin eene oneindige mate in zijn eigen Wezen bezit, de andere âin het goed, dat Hij ons mededeelt,quot; en vervolgens maakt hij deze opmerking: âde vreugde uit de eerste bron voort-âspruitende is volgens haren aard altijd grooter dan welke âuit de tweede voortkomt, dewijl zij de vreugde is over een âonmetelijk, oneindig, eeuwig en allerhoogst goed. Daarom âkan een in de liefde tot God verzonkene ziel zich op vol-
O
4:
n .1 lt;§m
11 i
âDie andere
âkomene wijze over dat Goed verblijden.'
deede zondag van den advent.
âvreugde echterquot; â zegt de godvruchtige Segnebi â âis âvolgens hare natuur minder, dewijl zij eene vreugde is over âeen beperkt goed. En al doet zij zich soms merkbaar aan âden geest gevoelen, omdat zij tot voorwerp een goed heeft, âwaaraan de mensch deelneemt, zij is toch van minder gehalte âdan die andere, welke den voorrang inneemt en heerschen âmoet.quot;
Welk ook de reden voor die opgewektheid des gemoeds moge wezen, uitgelaten of luidruchtig mag zij nimmer worden, altijd moet zij gepaard gaan met den ernst en met die deugden, waardoor een volgeling van Jesus zich dient te onderscheiden. Het was geene geringe lof, welken de h. Paulus aan de Philippiërs gaf, toen hij hunne bescheidenheid en daarmede hunne goedheid, zachtmoedigheid, ingetogenheid en al die andere deugden roemde, âwelke in de christelijke liefde âwortelen en aan den omgang des Christen met de menschen âeene welgevalligheid geven, die de gemoederen ook van âonchristenen treffen, bekoren, winnen kan, voor zoo verre âbij hen ontvankelijkheid bestaat voor hetgeen waar en goed en âschoon is (Lipman)toen hij hen aanspoorde die deugden bekend te maken aan alle menschen. Zoo opgevat is zijn woord een weerklank van dit gezegde des Zaligmakers: zoo schijne uw licht voor de menschen, opdat zij uwe goede werken zien, en uwen Vader, die in den Hemel is, verheerlijken (Matth. v. 16). Doch merken wij ook dit op: het lag geenszins in de bedoeling van den Apostel zijne beminde geloovigen te bewegen, dat zij met hunne deugden pralen zouden; dit alleen beoogde hij, dat zij door hun gedrag God verheerlijken en den evennaaste ter navolging zouden aansporen. En geene deugd is er te vinden, welke met grootere kracht op het gemoed van anderen inwerkt. Wat toch is de bescheidenheid? âZij isquot; â volgens den h. Thomas â âeene deugd, waardoor iemand in zijn ge-âheel uiterlijk de juiste middenmaat houdt, zóódat hg niemands
44
deede zondag van den advent.
âoogen hindert.quot; â âZij is de gezellinquot; â leert ons de h. Bernaedus â âder bezonnenheid en der eerbaarheid, onder-âhoudt de wet der nederigheid, bewaart de kalme rust der âziel, bemint de ingetogenheid en de kuischheid âzij weetquot; zegt de h. bonaventura â âde kleeding en de uitwendige âbedrijvigheid te beperken binnen de grenzen van het te veel âen van het te weinig âzij isquot; â aldus de h. Augustinus â âin spreken spaarzaam, vertoont een opgeruimd gelaat, hare âblikken zijn eerbaar en hare gang is zedig â âzij matigt zelfs âden klank der stemquot; â zeide de h. Ambeosius â âopdat âniet een te luid gesproken woord iemands ooren kwetse.quot; Waarlijk, die deugd, zich op allerlei wijzen in het maatschappelijk leven der menschen betuigende, is een verheerlijking van God, van den Vader des Lichts, vau Wien alle goede gaven neerdalen, maakt den Christen immer welgevalliger in het oog van zijn Schepper en â wat hier niet voorbijgezien mag worden â zij is een der krachtigste middelen om anderen voor de beminnelijkheid der deugd te winnen. Geen wonder alzoo, dat de h. Paulus die deugd wenscht bekend te zijn aan alle menschen, omdat het goede voorbeeld daardoor gegeven anderen opwekt zich te verbeteren en den goeden weg in te slaan.
Van dien harte-wensch geeft hij deze reden op: de Heeee is nabij â nabij door de tegenwoordigheid van zijne Majesteit, waarmede Hij alle handelingen der menschen ziet en de geheimste gedachten van den geest kent en alles beoordeelt; nabij door het beloven van zijne hulp, welke den Christen in staat stelt om zelfs de moeilijkste plichten met stiptheid te volbrengen: nabij door de belooning, welke Hij voor zijne getrouwen in 't verschiet stelt; nabij vooral door het oordeel dat spoedig over allen zal geveld worden, zoowel over die goed als over die kwaad deden. Daarom ook kon de brave Tobias deze vermanende woorden doen hooren: God heeft ons om onze boosheden gekastijd en zal ons zalig maken om zijne
45
DKRDK ZONDAG VAN DEN ADVENT.
Barmhartigheid. Ziet dan naar hetgeen Hij met ons gedaan heeft en belijdt zijnen Naam met vrees en heving, verheerlijkt den Koning der eeuioen in uwe werken (Tob. XIII. 5 en 6).
Opmerking. De ware deugd maakt niet droefgeestig', maar de blijdschap, welke zij ingeeft, slaat ook niet over tot uitgelatenheid noch tot dartelheid. Dit is een der onderscheidende kenmerken, waardoor zij verschilt van de vreugde der wereld-lingen. Dezen vermeien zich in luidruchtige vermaken, in uitspattingen, welke de zinnen streel en ; zij zoeken hunne uitspanning in losbandige gezelschappen en onbehoorlijke gesprekken, waarbij de eerbaarheid groote schade lijdt; zij voelen zich dan alleen tevreden, als zij volop genieten kunnen van hetgeen de lichtzinnige en wufte wereld aan hare slaven aanbiedt, al weten zij dat de christelijke zedenwet onvereenigbaar is met hunne misdadige verstrooiingen. De Christen daarentegen verheugt zich niet in de wereld maar in God, op Wien zijne hoop gevestigd is, van Wien hij alle vertroosting verwacht, door Wien hij ook op milddadige wijze beloond wordt voor al zijne opofferingen ; hij verheugt zich in de getuigenis van een goed geweten, waarin hij de stem verneemt van den H. Geest, die hem kind Gods noemt en hem woorden van vrede toespreekt. Zijne blijdschap is daarom zuiver en onvermengd, rustig en kalm, maar ook duurzaam ; die van den wereldling echter ongestadig, bedriegelijk en gaat vergezeld met een gevoel van onvoldaanheid, van ontevredenheid en van wroeging. â Evenmin kent de dienaar der wereld de ware bescheidenheid. Niet slechts tegen den eisch der christelijke eenvoudigheid, zedigheid en ingetogenheid zal hij zich vergrijpen, maar ook misdoen door hoogmoed die den evenmensch doet verachten, door zucht naar opsmuk en weelde welke alle voorzichtigheid zelfs in geldelijke belangen uit 't oog verliest, door naijver en eerzucht welke zich evenmin storen aan de wet van God als aan den plicht der naasten-liefde, door verbittering van gemoed welke geene enkele ware of vermeende beleediging wil ongewroken laten. Maar de bescheiden Christen, hij bezit zijne ziel in lijd-
46
1
lt; 'i
I II1â¢
DERDE ZONDAG VAN DEN ADVENT.
. 1 ;
â ! ï â ' ÃM»
quot;l'i f; ;fl|B illl H li
47
'II «fi
zaamheid, laat alle recht aan zijnen evennaaste wedervaren, weet zich binnen de juiste perken van zijnen staat te houden, verheft zich niet tegenover anderen en vergeeft aan hen gaarne alles, gelijk ook Christus hem vergeven heeft.
â in. ' i l'
II.
l i li
Maar zal een vrome Christen, al vertoont hij zich zonder aanmatiging en zonder ijdel zelfbehagen, door zijne deugd reeds alleen niet velen tot haat tegen God en diens dienaren ophitsen en vinnige vijanden van den Christelijken Naam verwekken, in stede van hen tot volgelingen van Jesus te maken ? Tot antwoord diene. De volgende waarheden zijn niet te loochenen, al moet erkend worden, dat zij elk rechtgeaard gemoed pijnlijk aandoen. Eene dagelijksche ondervinding dwingt ons immer te denken aan deze voorspelling des Zaligmakers: hebben zij Mij vervolgd, ook u zullen zij vervolgen (Joan. V, 20). De wereld haat Christus en al wie zijn woord bewaren. Even dikwerf als Jesus een wonder werkte, even dikwerf smeedden zijne vyanden daaruit een wapen om Hem te bestrijden ; zoo ook, wanneer een of ander van wie Hem aanhangen door vroomheid uitmunt of een goed werk ter hand neemt, gaat dikwijls uit het vijandig kamp een stem op, welke veel meer heeft van een vervloeking dan van een zegening. Wilde men den haat van de vijanden des Kruises voorkomen, den Zaligmaker voor beleedigingen vrij waren en zich zeiven voor smaad en vervolging behoeden geen ander middel ware uit te denken dan dat alle Christe nen zich in de afgelegenste woestijnen terugtrokken en daar afgesloten van de wereld, zonder opgemerkt te worden hun nen Godsdienst uitoefenden. Maar dit mag niet. Wie Jesus: Naam belijden, moeten het zout der aarde wezen, een lamp op den kandelaar gezet, een stad op een hoogen berg gebouwd, met andere woorden : zij moeten, een iegelijk naar zijn stand
derde zondag van den advent.
en in zijn omgeving, missionarissen zijn, die der waarheid getuigenis geven door de openbare belijdenis van hun geloof en der gerechtigheid door hunne goede werken. En dit, niet tegenstaande zij daarom aan velerlei aanvechtingen bloot staan en menigen harden strijd te verduren hebben. Zij moeten voor allen een voorbeeld blijven, hun licht doen schijnen maar tegelijk door hunne bescheidenheid op geloovi-gen en op allen zonder onderscheid van personen een weldadi-gen invloed uitoefenen, zóódat niemand van hen eenig kwaad met recht kan zeggen.
Welk de gevoelens dienen te zijn, waardoor zij geleid en gesterkt worden om onder die moeilijkheden niet te bezwijken, leert de heilige Paulus in deze woorden; weest in niets bekommerd, maar laat in alles door bidden en smeeken met dankzegging uwe begeerten bij god bekend worden. Alwie
voor de eer van God en voor het welzijn van zijnen even-mensch den strijd aanbindt met een wufte en goddelooze wereld, hij behoeft zich om den uitslag niet te hekommeren. Hij strijde zóó, alsof hij alleen door zjjne inspanning de overwinning moest behalen, maar verhope tevens zóó den goeden uitslagvan God, alsof zijne werkzaamheden niets baatten; hij doe het zijne en ook God zal het zijne doen; hij stelle alles in Gods handen en zie met vertrouwen de toekomst tegemoet. En dat mag hy. Die hem tot die edele taak geroepen en gezonden heeft, zal ook in die beproeving uitkomst geven en weten te bewerken dat, hoe dan ook, blijvende vruchten de belooning voor zyn goed voorbeeld zijn. Zelfs heeft de Christen alle reden tot dankzegging, als hij om wille der gerechtigheid vervolging lijdt. Geen schooner gelegenheid bestaat er om de deugden der nederigheid en der overgeving aan Gods wil te beoefenen en tegelijk te ondervinden, hetzij dan later of vroeger, dat in Gods raadsbesluiten de schitterendste overwinning niet zelden verbonden is aan het geduldig lijden zijner vrienden. De lange geschiedenis der Kerk van Jesus heeftop
48
derde zondag van den advent.
elke van hare bladzijden bewijzen van die troostrijke waarheid opgeteekend. Het bloed der Christenen was immer een vruchtbaar zaad, dat honderdvoudige vruchten voortbracht; eveneens dient alles, wat een ieder van Jesus' leerlingen in zijn lichaam of in zijn ziel lijdt, om den Naam des Heeren, ten nutte en ter opbouwing van Gods Kerk. Bovendien gevoelen zij, die aan den in alles beproefden Verlosser het meest gelijkvormig zijn geworden, zich onder de bijzondere bescherming Gods, welke alles voor zijne beminden ten goede schikt en hen bewaart als den appel van zyn oog.
Deze waarheid sluit niet uit, dat zij de begeerten van hun hart bekend maken aan God, die luistert naar de gebeden en smeekingen van zijne getrouwen. Zij mogen vragen om het einde der vervolgingen, om het vernederen der vijanden van Gods Kerk, om de verandering van gezindheid by diegenen, welke er trotsch op gaan dat zij de Kerk haten en aan hare kinderen allerlei moeilijkheden in den weg leggen. Evenwel worde dit niet vergeten: het ligt geenszins in de plannen der goddelijke Voorzienigheid, dat de geloovigen van Jalle tegenkantingen vrij blijven en dat elk gebed om bevrijding daarvan dadelijk verhooring vinde. Reeds de h. Paulus leerde die waarheid, toen hij aan de Corinthiërs schreef: de men-scheljjke boosheid in aanmerking genomen, moeten er partijschappen wezen, en God laat dat kwaad toe opdat ook zij die beproefden zijn openbaar worden (1 Cor. XI. 19), en de h. Aügustinus het zedelijk kwaad besprekende zeide: âde booten leven, opdat zij bekeerd of opdat de goeden geoefend âworden.quot; Wanneer die smeekingen der lidenden de ge-wenschte verhooring vinden en de machten der duisternis door de hel opgeroepen bedwongen zullen worden, dit ligt verborgen in de geheimen van Gods Wijsheid; ze te willen doorgronden ware dwaasheid en oneerbiedigheid tegenover de goddelijke beschikking. De vrome Christen zoeke intusschen elders eene voldoening, welke voor de hand ligt en in den
Verklaringen der Epistelen. 4
49
derde zondag van den advent.
volgenden zegenwensch van den h. Paulus is aangeduid.
De vrede Gods, die alle begeip te boven gaat, beware
uwe harten en uw verstand in christus jesüs. wenscht de
h. Paulus die gave Gods, welke met geene woorden beschreven, waarvan de waarde nimmer hoog genoeg gewaardeerd kan worden, aan zijne geloovigen uit geheel zijne minnende ziel toe, dan is hij ook overtuigd, dat zü hun van boven geschonken worden en op hen de allerweldadigste inwerking hebben zal. In de vreugde zijns harten ziet hij reeds de groote voordeelen, welke de ware vrede, de vrede die uit God is en die door de wereld noch gegeven noch gekend wordt, hun zal aanbrengen. Het hart en het verstand zullen bewaard blijven in Jesus Christus. Welke vervolgingen, welke tegenkanting, welk lijden hun mochten overkomen : zoolang zij dien inwendigen vrede, die kalme rust en die geduldige gelatenheid behouden, zal noch hun hart door vrees overmand, noch hun verstand door onrust op een dwaalweg gebracht worden ! â Dat hun die kracht en dat licht noodig zouden zijn evenals aan alle strijders voor Gods eer, daarvan hield de h. Paulus zich overtuigd, hij de groote kenner van de boosheid der wereld en van de zwakheid des menschelij ken harten. De afval van de waarheid en de verzaking van de heiligste verplichtingen zullen meermalen de gevolgen zijn van zwakheid in het geloof en van vrees voor de menschen. Het is toch voor het hart van den mensch zoo pijnlijk om ter wille zijner gerechtigheid vervolgd en gelasterd te worden ; smaadredenen en spotternijen folteren hem meer dan lichamelijke kwellingen, en de gehechtheid aan het oordeel van den evenmensch is volstrekt niet altijd uitgestorven, ook bij vele braven niet. Niet minder dreigend zijn de gevaren, welke het verstand in eene verkeerde richting kunnen voeren; of komen zelfs bij goed onderrichte maar zwakke Christenen niet dikwerf deze of dergelijke verleidelijke opwerpingen voor
50
derde zondag van den advent.
51
wrtr
Hr «k ij
â u i ''â quot;'»â 1
llH JmjII
a
'r j
V4
i ' f .11.
4
i' I-I u
'4
1 v-U
\ lt;
'i) i tï
ü' â
den geest: waartoe kan het dienstig zjjn om mijne geloofsovertuiging in 't openbaar en in 't bijzijn van spotters hetzij in woorden of in daden uit te spreken en zoo het heilige voor onreinen te werpen; wat baat het, dat ik, zonder gezag en invloed, mij opwerp als prediker eener waarheid, welke schier algemeen veroordeeld wordt; is het niet beter dat alle aanstoot vermeden en geene ergernis gegeven worde aan wie het goede kwaad en het kwaad goed noemen; moet het niet voor veel verkieslijker gehouden worden, dat men ongeloof veinze dan het ware geloof aan bespotting prijs te geven? Zóó spraken, zóó handelden niet die millioenen Martelaren, welke nu voor eeuwig in den Hemel gekroond zyn als de roemrijke bloedgetuigen van Jesus' Naam. Ook die Christenen van alle tijden niet, die vol waren van den Geest Gods en onder druk en lyden getuigenis gaven van hun levendig geloof, waardoor zij de ongeloovige wereld beschaamden en hoog opgeheven hielden den standaard des Kruises, waaronder zij streden en overwonnen. Zij hadden de zekerheid, dat zij boven hunne krachten niet zouden beproefd worden, en zij bewaarden hun hart in de getrouwheid aan God door de genade van Hem, die de zwakken sterk maakt. Zij waren van de overtuiging doordrongen, dat het belijden van de waarheid eere geeft bij God en het kwam bij hen niet op den hemelschen Vader te verloochenen door zich over Hem te schamen voor de menschen. Zoo waren zij en kunnen ook allen, wanneer plicht het gebiedt, zich sterk toonen naar het hart en naar het verstand â niet uit zich zeiven, wel in Jesus Christus âdoor Wiens Liefdequot; â zegt de h. Thomas â â's menschen genegenheid voor het âkwade betoomd wordt, en door Wiens licht het verstand âvoihardt in de waarheid,quot;
Opmerking. Leert ons de h. Paulus, dat de ware vrede in Jesus Christus zoowel het hart versterkt in alle beproevingen,
DEBBE ZONDAG VAN DEN ADVENT,
52
welke met de belijdenis van het Christendom onafscheidelijk zijn verbonden, als het verstand voor de afdolingen bewaart, waartoe een onrustig, een ontevreden gemoed zich lichtelijk laat verleiden, van den anderen kant moet ook erkend worden, dat die zalige vrede door niets meer aangekweekt zal worden dan door een getrouwen dienst van den Allerheiligste. Zelfs moet de gerechtigheid voorafgaan, vóórdat de ware vrede het gelukkig deel worde van den leerling van Christus. Immers voor de zondaars is de vrede niet, wel voor hen die Gods wet beminnen en onderhouden; onrust en angst wonen in de ziel, welke het kwade doet, maar zij wandelen in den rijkdom van den vrede Gods, wier geweten van geen kwaad getuigenis aflegt. En huist eens die vrede in het binnenste van den Christen, wat de gerechtigc ook ovcrkomc, het zal hem niet bedroeven (Spreuk XII,21), omdat hij overtuigd is, dat al het leed door God hem overgezonden of door den mensch hem aangedaan, zoo het met geduld verdragen wordt, ten zijne voordeele zal verkeeren. Hij voelt zich sterk in de beproevingen, zijn hart is in rust en zijn verstand door geene nevelen bevangen en, gelijk de h. Paulus, kan hij nog blijde zijn onder alle moeielijk-heden en wederwaardigheden van het leven.
11!;
liil
|| 'li f1:!
VIERDE ZONDAG VAN DEN ADVENT.
Broeders ! Aldus beschouwe ons iedereen, als dienaren van Christus en uitdeelers der geheimen Gods. Hier nu wordt in de uitdeelers vereischt, dat men getrouw bevonden worde. Mij echter is er het minste aan gelegen, dat ik door u beoordeeld worde of door een menschelijken rechtdag; doch ook beoordeel ik mij zeiven niet; wel ben ik mij niets bewust, maar daardoor ben ik nog niet gerechtvaardigd ; Hij echter, die mij oordeelt, is de Heer. Wilt dus niet vóór den tijd oordeelen; totdat de Heer komt, die ook de verborgenheden der duisternis in het licht stellen en de beraadslagingen der harten openbaren zal; en dan zal iedereen lof verwerven van God. i Cor. IV,iâ5.
Inleiding. In het voorgaande hoofdstuk had de h. Paulus de Corinthiërs op strenge wijze berispt om de vele twisten en partijschappen, waardoor de eenheid en eensgezindheid in hunne gemeente verbroken werden. En zóó verderfelijk werkte die verdeeldheid, dat sommigen der priesters op eene wijze geprezen en verheven werden, welke hunne nederigheid in gevaar bracht, anderen daarentegen op onverdiende en smadelijke wijze veracht werden. Het eene zoowel als het andere moest afbreuk
H '
iquot;
i! .,11.
M v-11 , 1 .
t. '1
K' .i
l. â 1 vi
iV
. i I
,:l 'Ãi
y
VIERDE ZONDAG VAN DEN ADVENT.
doen aan het gezag, waarmede allen bekleed waren en hunne bediening uitoefenden. Al te groote ingenomenheid met eenigen wekte afgunst op bij de andere partij, zóódat wie bij hunne aanhangers in blakende gunst stonden, zonder aanzien waren bij die anderen, welke aan een tweede de voorkeur gaven. Dit kon, dit mocht de quot;apostel van Christus niet dulden. Hoogst strafbaar was in zijn oog de driestheid van wie over hem en in 't algemeen over Gods dienaren een vermetel oordeel velden, evenzeer de hoogmoed van wie hen durfden verachten. Met kracht van redenen bestreed hij die verkeerde opvattingen en zoude hun aantoonen, dat hunne handelwijze in schrille tegenspraak was met de door Christus gewilde orde. Met weinige maar afdoende woorden leerde hij, wat ieder geloovige te houden had van diegenen, welke door den H. Geest als dienaren der Kerk waren aangesteld; verder, dat niet meerdere begaafdheid noch grootere welsprekendheid maar alleen volkomenere getrouwheid in het vervullen van beroepsplichten hoog aangeslagen mocht worden ; eindelijk, dat het laatste oordeel daarover aan Hem alleen toekwam, die gezonden en de uitoefening der geestelijke bediening opgedragen had. â Hiermede is de letterlijke beteekenis der leer van den h. Paulus aangegeven; niets belet echter dat een ieder, om zijne woorden op meerderen toepasselijk te maken, daaraan een wijderen zin geve en onder de bedienaren door hem met name genoemd allen versta, die in overheid geplaatst zijn. In verband met die opmerking beantwoorden wij deze vragen:
I. wat zijn de dienaren van Christus, en hoe blijkt hunne getrouwheid;
II. wie moet daarover oordeelen?
I.
In de Kerk van Jesus is iedere bedienaar het werktuig in Gods handen, van Wien hij ook zijne zending en volmachten zoowel als zijne begaafdheden ontvangen heeft. Ware er spraak van menschelijk onderricht in wereldsche aangelegenheden, dan zoude het niette verwonderen zijn, als de weet-
54
VIERDE ZONDAG VAN DEN ADVENT.
gierigen zich bij voorkeur om diegenen schaarden, welke door diepte van wetenschap en door het wegsleepende hunner voordracht hoven anderen uitmunten. Maar dit is geenszins hier het geval. In de samenkomsten der geloovigen worden de waarheden der goddelijke openbaring gepredikt: Jesus Christus en die gekruisigd, eene wijsheid die niet van deze wereld is maar Gods wijsheid, â eene wijsheid alzoo of een rijkdom van waarbeden, welke door de menschen niet kunnen gekend worden tenzij alleen wanneer en voor zooverre zij hun door God geopsnbaard worden, welke ook in de tijden vóór de komst van den Verlosser wel eenigermate in de H.H. Schriften aangeduid maar niet in het volle licht geplaatst en daarom tot dan toe als verborgen waren. En dat alles, wat de Goedheid van God den nietigen mensch uit de schatten zijner kennis heeft medegedeeld, mag niet gepredikt worden met woorden die menschelijke wijsheid leert, maar die de Geest leert, geestelijk met geestelijk verbindende (1 Cor. II, 3, 6, 7, 13). De h. Petrus kon dan ook met volle waarheid van allen, die in de godsdienstige vergaderingen als leeraars optraden, eischen : zoo iemand spreekt, hij spreke als ivoorden Gods; zoo iemand dient, eenige kerkelijke betrekking verricht, hij diene als uit eene kracht, welke God verleent, opdat God in alles verheerlijkt worde door Jesus Christus (1 Pe, IV, 11).
Deze gedachten vertolkende schreef de h. Paulus aan de geloovigen van Corinthe: aldus beschouwe men ons als dienaren van Christus, dat is : dienaren van Hem, in Wien gij geloofd hebt, en zóó gelijk de Heer aan een iegelijk van ons gegeven, zijne taak en zijn arbeid verdeeld heeft.. .want medehelpers Gods zijn ivij; Gods akker zijt gij, Gods gebouiv zijt gij (1 Cor. III, 5, 9.) Daarmede vorderde hij van hen, dat zij hunne godsdienstleeraars moesten beschouwen als nederige dienaren van den Heer Jesus Christus en als predikers der openbaringen Gods. Deze eisch van den Apostel der Heidenen bevat meer dan iemand wel bij het eerste hooren
55
VIERDE ZONDAG VAN DEN ADVENT.
56
zoude meenen. Zijn de priesters dienaren van Christus, dan ook moeten zij als vertegenwoordigers van den God-mensch vereerd worden, die het woord Gods verkondigen om allen tot de gehoorzaamheid aan het geloof te brengen, die ook de wet Gods prediken, opdat allen zich toeleggen op een volmaakt, zedelijk leven. Zij moeten geacht worden als leeraars der waarheid, als predikers der blijde boodschap, als arbeiders door Jesus geroepen om in zijn wijngaard te werken, als herders om zijne kudde te bestieren, als vorsten om zijn rijk uit te breiden. Een ieder van eiken stand en ouderdom is daarom verplicht hun eerbied te betoonen om het gezag waarmede zij bekleed zijn en om de bediening welke zij uitoefenen en om de straf waarmede de onwilligen bedreigd zijn. Geen hunner mag veracht of geminacht worden. In hen wil Christus Jesus de Hem toekomende eer ontvangen; en al mogen zij in talenten en verdiensten verschillen, zij staan op dezelfde hoogte door de hun gewordene roeping en door het hun geschonken vertrouwen. â Evenwel werd hun daarmede niet een vrijbrief gegeven om naar keuze hun gedrag te regelen : door een heilig leven zich den eeretitel van Gods dienaren waardig te maken, is eene verplichting, welke nimmer ophoudt zwaar op hen te drukken. Juist omdat hun het recht gegeven is om de aan de wereld onbekende waarheden van het Evangelie te verkondigen, mogen zij niet hunne eigene eer zoeken, niet zich zeiven, niet hun belang of hunne grootheid, maar moeten de eer des Vaders en de belangen des Zaligmakers en het eeuwige heil der zielen bevorderen. Zelfs is het hun niet geoorloofd zich iets te laten voorstaan op meerdere begaafdheid of hoogere kennis ; alle genade-gaven, welke hun geschonken zijn, moeten zij erkennen als onverdiende weldaden, welke in den eigenlijken zin des woords het eigendom des Gevers blijven en slechts in bruikleen zijn afgestaan ten bate der geheele gemeénschap en ter verheerlijking van Hem, die ze verleende. Als dienaren Gods zijn zij verplicht de nederigheid
T
vierde zonpag van den advent.
des Verlossers na te volgen en evenmin als Hij den smaad des Kruises te vlieden; zij moeten door een onberispelijk gedrag de heiligheid van hun staat in hooge eere houden, den last van hunne bediening met vrees en met een wijs wantrouwen op eigene krachten dragen, in het bewustzijn van hunne zwakheid door een volhardend gebed het welslagen van wat zij ondernemen af bidden en met nauwlettende zorg waken, dat zij al hun doen en laten inrichten naar de voorschriften der Kerk. Dit alles ten voordeele der christelijke gemeenschap, waarin zij de voornaamste plaats be-kleeden, en waarvan zij ook de nuttigste en werkzaamste lidmaten moeten wezen. â Wie aan die eischen van hun ambt beantwoorden, mogen zeker wel aanspraak maken op eene eerbiedige hoogachting van de zijde der geloovigen.
Nog eene andere reden voert de h. Paulus daarvoor aan. Zij zijn ook uitdeelers der geheimen Gods, van die verborgenheden onder welke, naar het spraakgebruik der H. Schriftuur, kunnen verstaan worden zoowel de diepzinnige leeringen der Openbaring Gods als de genade-middelen door zijne Goedheid aan de Kerk geschonken. In welken zin dat woord ook genomen worde, al wie die waarheden den volke predikt of hun die hulpmiddelen ter zaligheid toedeelt, hij is aller eerbied en achting waardig. En zonder dat persoonlijke hoedanigheden daarbij in aanmerking te nemen zijn. Zijne zending, het gezantschap voor Christus bediend, het woord der verzoening door hem gesproken, zijne vermaningen in den naam van God tot allen gericht, zijne tusschenkomst bij den Vader van alle Barmhartigheden, eveneens zijn heilig dienstwerk geven hem recht om als afgezant van God en als bemiddelaar tusschen de aarde en den Hemel erkend te worden. Hij verkondigt de woorden des levens aan de onwetenden en deelt de schatten der goddelijke Milddadigheid uit onder de behoeftigen, maar aan de waarde noch van het eene noch van het andere kan zyne persoonlijke deugd niets veranderen.
li l
11 i â 'quot;11
m',1
i iW |i
' ⢠â¢â¢ (
H!
57
!:! ill
*1
{i:|
iiiH
M f'
!'V,
: i 'tfi ,(
Vl:
i
i' fc l »J
li ' â !
t j'i
, I
1 1
i 1; f
l! Ni
1
| Ã
»
lt; mm
i' !â ||
vierde zondag van den advent.
evenmin als de hand welke het goud geeft den prijs daarvan verhoogt. âOf Paulus of Petrus of Judas dooptequot; â leerde de h. Augustinus - âhun doopsel was dat van Christusquot;. Het door den eenvoudigsten priester gepredikte woord is niet minder goddelijke waarheid dan dat van den heroemdsten redenaar, en een Sacrament door den geringsten in de hiërarchische orde toegediend is even heilig en even vele genaden gevend als hetwelk door een Bisschop of Paus wordt bediend. Allen prediken de waarheid met die talenten welke God hun toebedeelde en vervullen het hun toevertrouwde ambt in die rangorde, waarin zij geplaatst zijn.
Naar den letterlijken zin van zijne woorden had de h. Paulus geen andere bedoeling dan om de dienaren van Jesus' Kerk en hunne geloovigen te onderrichten aangaande hunne wederzijdsche verplichtingen. Wij mogen evenwel eene wijdere beteekenis daaraan geven en ze in ^toepassing brengen op al degenen, die te bevelen en te gehoorzamen hebben. Bij voorbeeld : a) de door God verordende machten, alle in de burgerlijke maatschappij werkzame overheden, de ouders en hoofden van huisgezinnen â zij allen zijn in hun staat de dienaren Gods, in zijnen naam voeren zij het gezag en geven hunne bevelen. Ook zij mogen geene andere regels volgen dan welke in het Evangelie zijn voorgeschreven, geene andere geboden geven dan welke in overeenstemming zijn met de wet van den Allerhoogste, Wien zij moeten dienen. Dat is hun plicht, maar ook rechten kunnen zij doen gelden. â Wordt van hen gevorderd, dat zij zich als getrouwe lasthebbers betoonen en de hun opgedragene bediening met nauwgezetheid vervullen, van den anderen kant moeten zij hun gezag handhaven en mogen aanspraak maken op de gehoorzaamheid en den eerbied van al hunne ondergeschikten. Juist als de bedienaren van Gods woord en als de uitdeelers zijner geheimen; slechts met dit onderscheid, dat hoogere
58
vierde zondag van den advent.
waardigheid diepere vereering vergt. Bovendien moeten allen aan dezen eisch van den h. Paulus beantwoorden.
In de uitdeelers wordt vereischt, dat men getrouw bevonden woede ; en daarnaar moeten zij beoordeeld worden. Die getrouwheid van eiken zaakwaarnemer nu is op drieërlei wijzen te betoenen. Hij heeft zich te bekwamen voor het voeren van het bewind, dat hem is opgedragen; hij dient het goed, waarover hij het beheer voert, naar de hem voor-geschrevene wet te bestieren en ten nutte van zijnen lastgever te gebruiken ; hij moet het ook tegen de begeerlijkheid vau anderen verdedigen. Niets minder wordt van de dienaren der Kerk gevorderd. Zij zijn verplicht door ijverige studie der wetenschap zich in staat te stellen om de goddelijke waarheden op waardige wijze te kunnen prediken, om naar omstandigheden â zooals de h. Paulus van zijnen leerling Timotheüs eischte â te kunnen aanhouden gelegen of niet gelegen, te kunnen iceerleggen en smeeken, om te kunnen bestraffen in alle lankmoedigheid en leering (II Tom IV, 2); zij zijn het ook aan hunnen god delijken Lastgever verplicht, dat een nauwgezet aanleeren der kerkelijke voorschriften hen met dien ernst en eerbied vervulle, welke noodig zijn vóórdat zij hunne geestelijke bediening kunnen uitoefenen tot stichting der geloovigen en ter eere van God, die hun de volmacht daartoe verleende maar ook eer wil ontvangen van wie Hij met zijn gezag bekleedde. â Een tweede eisch is dan ook deze dat â om met den h. Petrus te spreken â God verheerlijkt worde. De Heer van alles moet de vruchten inoogsten van den wijngaard, dien Hij geplant heeft, en die eer staat Hij aan niemand af. Aan zijne werk-ïeden vertrouwt Hij den grond toe ter bearbeiding, verleent hun de noodige krachten en schenkt vele talenten, maar ten tijde van den oogst wil Hij de vruchten inzamelen; van zijne gaven eischt Hij veel overwinst en wel naarmate Hij
59
VIERDE ZONDAG VAN DEN ADVENT.
60
met meerdere macht toerustte. Met andere woorden : Hij legde in hun mond het Evangelie, het woord Gods, hetwelk eene kracht is ter zaligheid voor een iegelijk, die gelooft (Rom. 1,16); Hij stelde hen aan om de H.H. Sacramenten, welke de door Jesus' lyden verworvene verdiensten mededeelen, te bedienen â opdat zij vruchten dragen en hunne vruchten blijven (Joan XV,16). En die vruchten moeten zich hierin toonen, dat de gerechtigen in hunnen zaligen toestand volharden, en de zondaars op den weg der deugd teruggebracht worden; dat het godsdienstig leven der gemeente aangewakkerd en het Rijk Gods uitgebreid worde; dat de geloovigen in hun gemoed versterkt en de on-geloovigen tot den waren schaapsstal gebracht worden. Het einddoel van al hun werken moet dit wezen, dat het geestelijk welzijn van den evenmensch bevorderd en God in zijne schepselen gezocht en bemind en verheerlijkt worde. â Ten laatste moet de dienaar des Heeren er op gewapend blijven, dat hij het goed van zijnen Meester verdedige tegen eiken aanval. Aan hem de zorg, om de opwerpingen tegen Gods waarheden te wederleggen en het hem toevertrouwde pand te bewaren. Vasthoudende aan het getrouwe woord overeenkomstig de leer, moet hij met de gezonde leer vermanen en de tegensprekers wederleggen. Want ook in onze dagen zijn er ongehoorzamen, ijdele klappers en verleiders, die geheele huisgezinnen omkeer en met te leer en wat niet behoort, om vuil geicin (Tit. 1, 8â12). Op hem rust evenzeer de verplichting om de hooge waarde van wat heilig is in zijn oorsprong en in zijn uitwerking te doen kennen niet alleen maar ook voor zoover mogelijk te doen eerbiedigen. Spotters zullen er altijd wezen, en hun te woord te staan en hun mond te snoeren, hen door overtuigende redenen te dwingen, dat zij aflaten te lasteren wat zij niet kennen, ook dit behoort tot de lastgeving, welke Gods dienaren ontvangen hebben. Nimmer mogen zij zich schamen over de getuigenis huns Heeren; altijd moeten zij mede-arbeiden voor het Evangelie naar de kracht van God (II Tim. 1,8).
VIEEDE ZONDAG VAN DEN ADVENT.
ffiPquot;*
'V'M Iff
' 'il I' if
61
Of zij ook aller hoogachting waardig zijn, die dienaren van Christus, welke getrouw bevonden worden in hunne verhevene en moeilijke taak als predikers van het Evangelie, als uitdeelers van Gods genade-gaven, als herders van Jesus' kudde?
Opmerking. Nog zij hier de aandacht gevestigd op de volgende waarheden. Wij allen, van welken stand of staat ook, zijn dienaren Gods en moeten ons, vrijgekocht door Jesus' goddelijk Bloed, aan zijn dienst verbinden, aan Hem als de slaven aan hunnen heer onderworpen toonen. Een elk onzer in die betrekkingen, in die levensverhoudingen, waarin zijne wijze Voorzienigheid ons plaatste. En de gewichtige vraag, welke allen door woord en door daad in bevestigenden zin te beantwoorden hebben, is deze: Ztjn wij, Gods dienaren, in alles getrouw bevonden ? Dit toch is en blijft de voor allen geldende wet: aan den wil van Hem, die zijn gezag overdroeg en de noodige talenten toebedeelde, moeten alle gaven en krachten gewijd en naar de voorschriften van zijn gebod moet ons leven geregeld worden. Van Hem gaat alle macht uit; door Hem zijn alle voorrechten en weldaden geschonken; tot Hem moet ook alles teruggebracht worden. Voor Hem moeten wij leven, denken en arbeiden. Geen ander doel mogen overheden en ondergeschikten beoogen; Gods verheerlijking, onze eigene heiligmaking, het wezenlijk welzijn van den evennaaste moet nagestreefd, verlangd, behartigd worden. Zoo wordt lof bij God en bij de menschen verdiend en kan een ieder voor 't oordeel bestaan.
li' ⢠!
1 ' ; f i à 1 ,1-
li
11.
Aan wien komt het oordeel toe over de mindere of meerdere getrouwheid van genen en dezen ? De h. Paulus stelt ter beantwoording van die vraag, twee beginselen voorop. Vooreerst verklaart hij, dat het oordeel over het gedrag der dienaren van Jesus' Kerk niet aan de gemeentenaren toekomt en spreekt dit zijn gevoelen in deze krasse woorden uit:
i jjj
1
vikbde zokdag van den advent.
mij is eb het minste aangelegen, dat ik door u beoordeeld worde op door een menschelijken rechtdag. Door zich zelved
ten voorbeeld te stellen, wijst hij voor zijn persoon en tegelijk voor al zijne mede-arbeiders de oordeelvellingen der menschen af als niet ontvankelijk. Ook om deze reden, dat zij in den regel of valsch, of bedriegelijk, of minstens dwaas, ongegrond en veranderlijk zijn en bij gevolg niet waard, dat een verstandig mensch er op lette. Of houden de menschen niet dikwerf dat voor lakenswaardig, wat Gode aangenaam is en bij Hem voor deugd geldt â van den anderen kant: beschouwen zij niet dikwijls als lofwaardig en goed, wat door God als ver-dienstloos aangezien of als misdadig verworpen wordt ? Bovendien: velen zullen heden prijzen wat zij morgen afkeuren of den eenen dag hemelhoog verheffen wat zij den anderen dag verachten. Hun oordeel mag alzoo niet voor maatstaf genomen worden, dewijl âeen iederquot; â zegt de h. Serafijnsche Franciscus â âslechts zooveel en niet meer âwaard is dan wat hij voor God waard is.quot; Daarom ook zocht de h. Paulus niet aan de menschen te behagen maar aan God. Hij gaat nog verder en verkondigt een tweede beginsel, dat evenzeer voor alle menschen als voor hem geldig is. Doch
ook beoordeel ik mij zelven niet ; wel ben ik mij niets bewust, maar daardoor ben ik niet gerechtvaardigd. âMijn
^gewetenquot; â wil hij zeggen â âbeschuldigt mij niet van âeenige ongetrouwheid in het vervullen van de mij opgedra-âgene bediening, maar die getuigenis is niet onfeilbaar; zy âkan aan zelfbedrog onderworpen zijn, zóódat mij onbewust âeenige ongetrouwheid kan aankleven, welke mij voor God âschuldig maakt.quot; Hiermede is hij in overeenstemming met een ander woord, door God reeds in het Oude Testament ingegeven: er zijn gerechtigen en deugdzamen, en hunne werken zijn in Gods hand; en nochtans weet de mensch niet of hij liefde of haat verdient. (Fred. IX, 1). Een gestreng onderzoek van zich zeiven is voor een iegelijk plicht; hij beproeve
62
VIERDE ZONDAG VAN DEN ADVENT.
zich of hij zich niet een of andere tekortkoming te verwijten heeft; maar al klaagt zijn geweten hem van niets aan, toch mag hij daarom zich niet voor gerechtig houden. Hielden ook de Phariseën zich niet voor heilig, en werden zy niet door Jesus veroordeeld'? Er leeft geen mensch op aarde, die niet met David bidden moet: reinig mij, o God! van mijne verborgene zonden (Ps. XVIII, 13). Wie weet met zekerheid, dat hij aan al zijne verplichtingen voldoende beantwoord heeft; dat niet vele oogenblikken van vergetelheid, van zwakheid, van verzuim zijne dagen nutteloos of zelfs zondig gemaakt hebben ; dat niet dikwerf onzuivere meeuingen ook anders goede werken gestempeld hebben tot daden, welke verloren waren voor de eeuwigheid ? En al zoude iemand ook al met volledige kennis toegerust zijn omtrent het verledene zijns levens in al de bijzonderheden, hij blijft immer bloot gesteld aan de hebbelijkheid van eiken mensch om zijne fouten en feilen of te verkleinen of te vergoelijken. Wij, kinderen van Adam, zijn in vele opzichten zondaars die misdoen uit gewoonte, en niet zelden gelukt het ons het geweten tot zwijgen te brengen of te bedriegen. Het is immers zoo gemakkelijk allerlei redenen van verontschuldiging uit te denken, en de eigenliefde staat altijd gereed om zelfs, wat het licht niet zien mag, in een gunstig licht voor te stellen.
Wie moet dan oordeelen? Die mij oordeelt â leert de h. Paulus â is de Heer, die ook de verborgenheden der duisternis in het licht zal stellen en de beraadslagingen des
harten zal openbaren. Hij zal komen als Rechter, die wat geheim was en de verborgene bedoelingen of geheime beweegredenen van een ieder zal bekend maken â komen voor een iegelijk, zoodra de ziel uit het lichaam gescheiden is en, in 't algemeen oordeel, wanneer de menschheid haren loop op aarde volbracht heeft en alle volkeren voor zijn rechterstoel zullen verzameld zijn. Het is ook billijk, het is rechtvaardig, dat God Zich het eindoordeel heeft voorbehouden. Wel heeft
63
VIEEDE ZONDAG VAN DEN ADVENT.
Hij, om verscheidene redenen, een rechtsmacht voor het onderzoeken en bestraffen van misdaden ingesteld en, wie zijne tijdelijke plaatshekleeders zijn, moeten een oordeel vellen over het meer of minder strafbare van hetgeen bekend is, hetzij door de openbaarheid van het gepleegde feit, hetzij door de bekentenis van den schuldige, hetzij door de overeenstemming der getuigen. Ook het persoonlijk geweten des men-schen is een door God aangestelde rechter over zijn doen en laten. Maar noch de eene noch de andere mag zich op onfeilbaarheid beroemen. Wie weet alles wat in den mensch is; wie peilt de diepten van 's menschen hart, dut bedorven is en ondoorgrondelijk (Jerem. XVII); wie kan met zekerheid beslissen, welke de geheime drijfveeren waren, waardoor deze of gene zich liet leiden ? En wat het geweten betreft, evengoed als de mensch door de hem verleende vrijheid de geopenbaarde waarheden vervalschen en de aangebodene genaden misbruiken kan, niet minder vermag hij de luidst sprekende stem des gewetens door het geweld der hartstochten te doen overschreeuwen of zijne ooren te verstoppen voor hare vermaningen en bedreigingen. Daarom ook heeft God het laatste en alles beslissend oordeel aan geen ander overgelaten. â God, voor Wiens oogen alle wegen eens menschen open liggen (Spreuk XVI,2), die nieren en harten doorgrondt (Jerem. XVII), het diepe uit de duisternis openbaart en de schaduw des doods in het licht brengt (Job XII,22), en Jerusalem met een lantaarn zal onderzoeken (Sophon. I).
En zjjn gericht zal geheel anders zijn dan dat der menschen. Hij oordeelt in volkomene Onafhankelijkheid, want Hij is de Schepper van allen; Hij is de opperste Wetgever, Wiens geboden onwrikbaar, voor eeuwig vastgesteld, op waarheid en gerechtigheid gegrond zijn (Ps. CX.8); Hij is de Opperheer, door Wien de koningen regeer en en de wetgevers rechtvaardige wetten maken (Spreuk VIII.15) en Wien alle koningen der aarde loven moeten (Ps. CXXXVIII.4). Hij oordeelt met
64
VIERDE ZONDAG VAN DEN ADVENT.
volmaakte Wetenschap â geen schepsel is voor Hem onzichtbaar, maar alles is naakt en geopend voor de oogen van Hem, met Wien wij te doen hebben (Hebr, IV. 13). Ook met de hoogste Wijsheid en met onkreukbare Rechtvaardigheid zal God zijn oordeel uitspreken; want Hij oordeelt niet naar het uiterlijke, maar naar de beraadslagingen des harten en de geheimste bedoelingen, naar de bedekte boosheid der zondaren en naar de heilige gezindheid der gerechten. Aan allen zal Hij ook geven, wat hun toekomt: straf zal komen over de boozen en belooning zal Hij schenken aan de goeden â zonder aanneming van personen, naar ieders verdiensten. Een iegelijk zal inoogsten wat hij gezaaid heeft, zal loegdragen wat zijn lichaam toekomt, naar hetgeen hij gedaan heeft, hetzij goed, hetzij kwaad. (II. Cor. IV. 10),
Wilt dus niet vóór den tijd oordeelen, totdat de Heere komt. Eerst dan, wanneer de Rechter bij uitnemendheid komen zal, is het de tijd, waarop een oordeel zal geveld worden, dat niet alleen onherroepelijk maar ook streng rechtvaardig zijn zal. Tot dat oogenblik schor te ieder zijn oordeelvellingen op. Dan zal het duidelijk worden en wel voor eene geheele wereld, wie zijne bediening op plichtmatige wijze vervulde en wie niet; dan zal het geopenbaard worden, of deugdelijke of verkeerde beweegredenen den eene en den andere tot handelen aandreven. Dan ook zal een iegelijk zijn lof verwerven van God, Wiens woord alleen blijvende waarde heeft, die niet bedrogen worden kan door uiterlijken schijn maar ook Zich niet kan vergissen in hettoedeelen van belooning of van straf. Dan is het einde gekomen en zalig zullen zij wezen, niet die door de menschen geprezen zijn maar zij, die of onberispelijk voor God gewandeld hebben of hunne fouten en feilen, hunne kleederen gewasschen hebben in het Bloed des Lams, opdat zij macht hébhen over den boom des levens, opdat zij etende van dien boom, deelgenooten mogen worden van de eeuwige gelukzaligheid, endoor de poorten
Verklaringen der Epistelen. 5
65
VIERDE ZONDAG VAN DEN ADVENT.
in de stad, in het hemelsch Jerusalem, mogen ingaan (Openb. XXII, 14); dan gelukkig zij, wier ongerechtigheden vergeven en wier zonden bedekt zijn (Ps. XXXI, 1). Niemand behoeft dan nog te vreezen voor liefdelooze oordeelvellingen van den kortzich-tigen of boozen mensch, voor ongegronde vermoedens, voor verdachtmaking of beschimping. Wie gezuiverd zijn van de fouten door menschelijke zwakheid bedreven, hunner zielen zijn in Gods hand en zullen geen leed meer ondervinden.
Opmerking. Dan zal iedereen lof verwerven van God, als het onfeilbaar oordeel van God zal geveld worden over het rentmeesterschap, dat aan allen is overgedragen â van God, die alles weet, die met zijn Alwetend oog ziet wat er in den geest en in het hart van den mensch is omgegaan; die al diens goede daden gewikt en gewogen en niet te licht bevonden heeft; die al de deugden kent en op hare waarde schat, welke de nederigheid van zijne dienaren in het duistere der verborgenheid verscholen had; die hunne vrome begeerten kende en rekening zal houden met de zuiverheid hunner bedoelingen en zelfs in aanmerking zal nemen het verlangen, dat zij gekoesterd hebben om nog meer voor zijne eer te kunnen werken. â Van God maar niet van de menschen, wier lof minstens ij del, zoo niet gevaarlijk is; ook niet een lof, welke meestal door onwetendheid gegeven of door vleierij gekocht of door huichelarij afgebedeld is. Een wijsmanvreestof veracht dien lof dan ook en hecht niet veel waarde aan het oordeel der wereld. Hij zal met den heiligen Job zeggen: zie, mijn getuige is in den Hemel, en die mij kent troont in den hooge XVI, 19). â Dat ook is onze troost, dat eene bemoediging om met groote zorg de beroepsplichten te vervullen, al wordt het door de wereld niet opgemerkt; om ijverig in het goede te zijn, al blijft het onbekend en onbeloond op aarde. Dat is ook een hechte steun ter volharding voor allen, wier leven in vergetelheid verloopt of wier dagen niet altijd even vreugdevol zijn om de vele beproevingen, welke zij te verduren hebben. Op dien grooten dag des Heeren zal een helder licht opgaan over hun geheele
66
if â
vierde zondag van den advent.
mm
i 'v
67
iii
Mi
i : (
§1
iV' 'i:|,
i â
.J
quot;i Vr»,1
h 1
leven, en God zelf zal hunne goede werken, met groote zorg voor 't oog van anderen geheim gehouden, openbaren in het bijzijn van allen, die voor zijn Rechterstoel staan. En dan zal hun des te grootere eer gegeven worden, naar gelang zij die minder in hun leven gezocht hebben. »Bedenkt eensquot; â zegt »de h. Chrysostomus â »hoe groote glorie, hoe groote eer »welk een schitterende kroon hun gegeven zal worden, als de »Rechter zeggen zal: »»zij hebben mijn woord onderhouden, »»mijne geloofswaarheden verkondigd, mijne armen niet veracht, »»de hebzucht met den voet getreden en de wereld geteld »»alsof zij niet bestond.'quot;'
'.I u
fi 'â¢! |
m
I;
i 'f
1
11, ⢠'
l|f 'ïl i
i J
t .| I
if)
li
â¢.?
(quot; i .pi
KERSTMIS.
In de eerste H. Mis.
Veel beminde! De genade van God onzen Zaligmaker is voor alle menschen verschenen^ ons leerende, dat wij, met verzaking van de goddeloosheid en de wereldsche begeerlijkheden, matig, rechtvaardig en godvruchtig leven in deze wereld, terwijl wij de zalige hoop verbeiden en de komst der heerlijkheid van onzen grooten God en Zaligmaker Jesus Christus, die Zich zeiven voor ons gegeven heeft om ons van alle ongerechtigheid vrij te koopen en om voor Zich een behagelijk volk te reinigen, dat zich met ijver toelegt op goede werken. Spreek dit en vermaan hiertoe, in Christus Jesus onzen Heer. Titus. II, IIâ15-
In de tweede H. Mis.
Veel beminde! De Goedertierenheid en Menschlie-vendheid van God onzen Zaligmaker is verschenen; niet om wille van werken der gerechtigheid, die wij gedaan hebben, maar naar zijne Barmhartigheid heeft Hij ons zalig gemaakt door het bad van de weder-
KERSTMIS.
geboorte en de vernieuwing des Heiligen Geestes, dien Hij overvloedig over ons heeft uitgestort, door Jesus Christus onzen Zaligmaker, opdat wij, door zijne genade rechtvaardig geworden, erfgenamen mogen zijn naar de hoop des eeuwigen levens, in Christus Jesus onzen Heer. Tit. Ill, 4â7.
In de derde H. Mis.
God, menigvuldige malen en op vele wijzen sprekende tot de vaders door de Profeten^ heeft ten laatste in deze dagen tot ons gesproken door den Zoon, dien Hij gesteld heeft tot Erfgenaam van alle dingen, door Wien Hij ook de wereld heeft gemaakt; die, daar Hij de afglans zijner glorie en het evenbeeld zijns Wezens is en alles draagt, door het woord zijner kracht, reiniging van zonden werkend, gezeten is aan de rechterhand der Majesteit in den hooge, zóó ver verheven geworden boven de Engelen als Hij uitstekender naam boven hen geërfd heeft. Tot wien immers der Engelen heeft Hij ooit gezegd; mijn Zoon zijt Gij, Ik heb LJ heden geteeld? en wederom: Ik zal Hem tot Vader zijn, en Hij zal Mij tot Zoon zijn ? En als Hij wederom zijnen Eerstgeborene in de wereld invoert, spreekt Hij: en dat Hem aanbidden alle Engelen Gods! Aangaande de Engelen nu zegt Hij wel: die zijne Engelen tot winden maakt en zijne dienaars tot een vuurvlam; maar aangaande den Zoon: uw troon, o God! blijft in eeuwigheid der eeuwigheid! Een schepter van gerechtigheid is de schepter uws koninkrijks. Gij bemint rechtvaardigheid en Gij haat onrecht; daarom, o God! heeft uw God U gezalfd met de olie der vreugde boven uwe genooten. En: Gij, o Heer! hebt in den
69
KERSTMIS.
beginne de aarde gegrondvest, en de hemelen zijn de werken uwer handen. Deze zullen vergaan, maar Gij zult blijven; en zij allen zullen als een kleed verouden, en als een mantel zult Gij ze veranderen, en zij zullen veranderd worden; doch Gij zijt dezelfde, en uwe jaren zullen niet eindigen. Hebr. I, i â12.
Inleiding. De verhevenheid van het H. Kerstfeest is zóó groot, dat de Kerk van hare priesters verlangt de herinnering aan Jesus' Geboorte op bijzonder plechtige wijze te vieren. Ofschoon niet bevelende wenscht zij, dat hare gewijde dienaren tot driemaal toe het Offer des N. Verbonds aan God opofferen, eerstens tot dankzegging aan de drie goddelijke Personen â aan den Vader, die zijnen eenigen Zoon niet spaarde maar Hem voor ons allen heeft overgeleverd (Rom. VIII, 32), aan den Zoon, die Zich zeiven ontledigde de gedaante van een dienstknecht aannemende (Phill. II 7), en aan den H. Geest, aan de kracht des Allerhoogsten, die over Maria kzvam en haar overschaduwde (Luc. I, 35); ten tweede ter herinnering aan de drievoudige Geboorte van den God-Mensch; aan zijne geboorte uit den Vader van alle eeuwigheid, aan zijne geboorte in de volheid der tijden uit Maria, aan zijne geestelijke geboorte in het hart der Christenen, die Hem geloovig aannemen en daardoor macht ontvangen kinderen Gods te worden. â Die H.H. Missen worden opgedragen te middernacht want, volgens eene overoude overlevering, werd de Verlosser in het middernachtsuur uit de onbevlekte Maagd geboren; in den vroegen morgenstond, om aan te duiden, dat op dien heiligen dag het ware Licht, de Zon der gerechtigheid is opgegaan, welke allen verlicht, die in de schaduw des doods gezeten waren; op den vollen dag, omdat bij de komst des Zaligmakers de heldere dag der kennis Gods aanbrak. â In elk der drie H. H. Missen worden uit de brieven van den h. Paulus aan het Christenvolk die plaatsen voorgelezen, welke op het gevierde feest betrekking hebben. De korte inhoud daarvan is als volgt. Allen, zonder eenige uitzondering, moeten rechtschapen zijn, een heilig
70
. ilUltLâ,.â
mm
( mi
kerstmis.
leven leiden om de belooning der eeuwige heerlijkheid te ontvangen, als onze groote God en Zaligmaker wederkomt ten oordeel. Daartoe heeft Hij ook allen aangespoord door woord en voorbeeld, nadat Hij, uit loutere Barmhartigheid, zonder onze verdiensten, verschenen is om het gevallen menschdom te verlossen en te reinigen tot een Gode welgevallig' volk, dat zich toelegt op goede werken. En hoe groot, oneindig hoog verheven boven alle koren der Engelen was Hij, die den schoot des Vaders verliet om te zoeken die verloren waren; hoe liefdevol zijne werken en hoe vruchtbaar de wijze van zijn mensch-lievenden arbeid! â De enkele vermelding dier hoofdgedachten van den grooten Apostel toont aan, dat het feest van dezen dag onze aandacht vraagt voor de drievoudige geboorte des Zaligmakers, waarvan wij zoo even gewaagden. Wei keeren wij zoo doende de orde om van de onderwerpen, welke in bovenstaande Epistels behandeld zijn, doch verkrijgen daardoor een duidelijker overzicht der gewichtigste waarheid van onzen Godsdienst en tevens der belangrijkste verplichting door de Menschwording van Gods Zoon ons opgelegd. â Alzoo, naar aanleiding der woorden van den Apostel, beschouwen wij:
I. de Waardigheid van den Zoon Gods, die mensch werd;
II. de Menschlievendheid van den God-Mensch;
III. de Voorwaarden, welke vervuld dienen, opdat wij aan de vruchten der Verlossing deel verkrijgen.
71
ij'l
f
1
'i . T
il.
v.*
⢠n* ' i
n
* *''11; i i lij
â t i
» ;â¢
De Apostel der Heidenen en der Joden bewijst in het ge-lezene gedeelte van zijnen brief aan de Hebreen, dat de Christenen veel hooger staan, meer bevoorrecht zijn dan wie onder de oude Wet leefden. Hij voert daarvoor verscheidene redenen aan. In het 0. Testament ook sprak God tot den mensch, maar in het Nieuwe op eene wijze, welke voor de Christenen eervoller en voordeeliger is. Toen aan het uitverkoren volk alleen, op vele wijzen en menigvuldige malen, wat een onvolledigheid en onvolkomenheid aanduidt; wan-
l
KERSTMIS.
beginne de aarde gegrondvest, en de hemelen zijn de werken uwer handen. Deze zullen vergaan, maar Gij zult blijven; en zij allen zullen als een kleed verouden, en als een mantel zult Gij ze veranderen, en zij zullen veranderd worden; doch Gij zijt dezelfde, en uwe jaren zullen niet eindigen. Hebr. I, i â12.
Inleiding. De verhevenheid van het H. Kerstfeest is zóó groot, dat de Kerk van hare priesters verlangt de herinnering aan Jesus' Geboorte op bijzonder plechtige wijze te vieren. Ofschoon niet bevelende wenscht zij, dat hare gewijde dienaren tot driemaal toe het Offer des N. Verbonds aan God opofferen, eerstens tot dankzegging aan de drie goddelijke Personen â aan den Vader, die zijnen eenigen Zoon niet spaarde maar Hein voor ons allen heeft overgeleverd (Rom. VIII, 32), aan den Zoon, die Zich zeiven ontledigde de gedaante van een dienstknecht aannemende (Phill. II 7), en aan den H. Geest, aan de kracht des Allerhoogsten, die over Maria kwam en haar overschaduwde (Luc. I, 35); ten tweede ter herinnering aan de drievoudige Geboorte van den God-Mensch: aan zijne geboorte uit den Vader van alle eeuwigheid, aan zijne geboorte in de volheid der tijden uit Maria, aan zijne geestelijke geboorte in het hart der Christenen, die Hem geloovig aannemen en daardoor macht ontvangen kinderen Gods te worden. â Die H.H. Missen worden opgedragen te middernacht want, volgens eene overoude overlevering, werd de Verlosser in het midder-nachtsuur uit de onbevlekte Maagd geboren; in den vroegen morgenstond, om aan te duiden, dat op dien heiligen dag het ware Licht, de Zon der gerechtigheid is opgegaan, welke allen verlicht, die in de schaduw des doods gezeten waren; op den vollen dag, omdat bij de komst des Zaligmakers de heldere dag der kennis Gods aanbrak. â In elk der drie H. H. Missen worden uit de brieven van den h. Paulus aan het Christenvolk die plaatsen voorgelezen, welke op het gevierde feest betrekking hebben. De korte inhoud daarvan is als volgt. Allen, zonder eenige uitzondering, moeten rechtschapen zijn, een heilig
70
kerstmis.
leven leiden om de belooning der eeuwige heerlijkheid te ontvangen, als onze groote God en Zaligmaker wederkomt ten oordeel. Daartoe heeft Hij ook allen aangespoord door woord en voorbeeld, nadat Hij, uit loutere Barmhartigheid, zonder onze verdiensten, verschenen is om het gevallen measchdom te verlossen en te reinigen tot een Gode welgevallig volk, dat zich toelegt op goede werken. En hoe groot, oneindig hoog verheven boven alle koren der Engelen was Hij, die den schoot des Vaders verliet om te zoeken die verloren waren; hoe liefdevol zijne werken en hoe vruchtbaar de wijze van zijn mensch-lievenden arbeid! â De enkele vermelding dier hoofdgedachten van den grooten Apostel toont aan, dat het feest van dezen dag onze aandacht vraagt voor de drievoudige geboorte des Zaligmakers, waarvan wij zoo even gewaagden. Wel keeren wij zoo doende de orde om van de onderwerpen, welke in bovenstaande Epistels behandeld zijn, doch verkrijgen daardoor een duidelijker overzicht der gewichtigste waarheid van onzen Godsdienst en tevens der belangrijkste verplichting door de Menschwording van Gods Zoon ons opgelegd. â Alzoo, naar aanleiding der woorden van den Apostel, beschouwen wij:
I. de Waardigheid van den Zoon Gods, die mensch werd;
II. de Menschlievendheid van den God-Mensch;
III. de Voorwaarden, welke vervuld dienen, opdat wij aan de vruchten der Verlossing deel verkrijgen.
I.
De Apostel der Heidenen en der Joden bewijst in het ge-lezene gedeelte van zijnen brief aan de Hebreen, dat de Christenen veel hooger staan, meer bevoorrecht zijn dan wie onder de oude Wet leefden. Hij voert daarvoor verscheidene redenen aan. In het 0. Testament ook sprak God tot den mensch, maar in het Nieuwe op eene wijze, welke voor de Christenen eervoller en voordeeliger is. Toen aan het uitverkoren volk alleen, op vele wijzen en menigvuldige malen, wat een onvolledigheid en onvolkomenheid aanduidt; wan-
71
kerstmis.
neer toch iets dikwijls herhaald en op verscheidene wijzen gezegd dient, opdat het gewenschte doel bereikt worde, bewijst dit dat het volmaakte of het hoogste niet getroffen is; toen doob de Profeten, ook door Engelen, door verschijningen, door vóórafbeeldingen en zinnebeelden ; nu echter ten laatste in deze dagen tot ons, tot het geheele mensch-dom door den Zoon en slechts eews, zóódat de openbaring volkomen is en afgesloten, geene nieuwe meer kan verwacht worden.
De h. Paulus gaat nog verder, eene vergelijking makende tusschen de vele bemiddelaars van het Oude en den éénigen Middelaar van het N. Verbond. Onder de oude Wet waren Engelen, Moses, Profeten en de Hoogepriester de hoofdpersonen, afgezanten van God, bedienaars der wetgeving, maar onder de Wet der genade kan geen ander met die eeretitels begroet worden dan Jesus Christus alleen. En dan, welk een verschil in waardigheid, macht en werkdadigheid! Wel werd de Wet verordend door Engelen (Gal. III. 19), maar die Engelen waren niets meer dan werktuigen in den dienst van hunnen goddelijken Lastgever; wel is de Wet door Moses gegeven (Joan. I, 17) maar Moses was slechts een getrouwe dienaar in het huis van zijnen God, de Wetgever zelf was Hij niet; wel waren de Profeten de zieners, de door God voorgelichte kenners van eene verre toekomst, maar evenmin als Joannes de Dooper mochten zij zich âhet ware lichtquot; noemen en konden niet spreken dan na eerst door God met eene bovenmenschelijke kennis verrijkt te zijn ; de Priesters moesten de door God bevolene offers opdragen, maar van zonden konden zij niet reinigen, want het is onmogelijk, dat zonden door het bloed van stieren en bokken weggenomen worden. (Hebr. X, 4). â Tegenover die vier waardigheid-bekleeders stelt de groote Apostel ons den God-mensch in zijne Waardigheden voor: als God van alle eeuwigheid die, ofschoon Zich zeiven ontledigd en de gedaante van eenen dienstknecht
72
lip
73
kerstmis.
aangenomen hebbende, in Gods gedaante was en het geen roof achtte aan God gelijk te zijn (Philipp. II, 7), door Wten God
de wereld gemaakt heeft en die alles draagt door het
woord zijner kracht, tot Wicn de Vader gezegd heeft; mijn Zoon zijt Gij, Ik heb U heden geteeld ; Ik zal Hem tot Vader, en Hij zal Mij tot Zoon zijn ; in Wim de gansche volheid der Godheid lichamelijk woonde (Col. II, 3, 9) en ai de schatten en der wijsheid en der wetenschap verborgen waren ;
â als Hoogepriester, die ons heeft vrijgekocht van alle ongerechtigheid en heeft zalig gemaakt door het bad van de wedergeboorte en door de vernieuwing des H. Geestes ; die als de eenige Hoogepriester van het nieuwe Rijk Gods ons allen door de opoffering zijns Lichaams eens voor al geheiligd heeft en voor allen, die Hem gehoorzamen, oorzaak van eeutoige zaligheid is geworden (Hebr. X, 10; V, 9). â Reeds deze gedachten leeren ons, dat de anders groote heerlijkheid van de genoemde uitmuntende dienaren Gods onder de O. Wet in het niet zinkt, als zij vergeleken wordt met de alles overtreffende Waardigheid van het Kind van Bethlehem. En nog niet alle grootheid van Jesus hebben wij van den h. Paulus vernomen. âJesus isquot;
â leert hij verder â âde Zoon Gods, tot Erfgenaam aangesteld âvan alles; Hij heeft een uitstekender Naam dan de Engelen âgeërfd en maakt de hemelsche Geesten tot winden en zijne âdienaren tot een vuurvlam; door hen moet Hij ook aange-âbeden worden. Zijn troon staat in eeuwigheid en de schep-âter der Gerechtigheid is de schepter van zijn Koningschap. âHij haat de ongerechtigheid en heeft de gerechtigheid lief; âdaarom heeft God Hem ook gezalfd met vreugde-olie, gecroond met eere en heerlijkheid boven al de mede-genooten âzijner glorie. Hij leeft en heerscht in alle eeuwigheid; al âvergaan hemel en aarde, Hij blijft dezelfde en zijne jaren âzullen niet ophouden.quot; â Met een bijzonderen nadruk verheft de Apostel nog deze Waardigheid van den Verlosser der wereld:
if
i:V'
â¢I gt;â '
:,'i l i' ' » ' â
V...
f - h
^ ! ! i' t v! 'tjii 1 â '
r *
li H
4
â l»quot;-
kerstmis.
hlj is de afglans van gods glorie en het evenbeeld van
zijn Wezen. In den Vader zijn alle luisterrijke Volmaaktheden â hier onder het beeld van licht voorgesteld â vereenigd ; en de Zoon is van dat Licht de afglans, het volkomen gelijke afschijnsel, alzoo één van Wezen, één van Natuur als dat Licht, en zelf Licht; Hij is Licht van het ware Licht. Hij is ook het evenbeeld, het uitgedrukte en persoonlijke Beeld van den Vader en daarom van dezelfde Natuur als de Vader: God van God, ware God van den waren God. Alzoo moeten wij naar de leer van den h. Paulus met de Katholieke Kerk gelooven en belijden, dat Jesus boven alle uitverkorenen van het O. Verbond oneindig verre uitmunt door zijne eeuwige Geboorte van den Vader, door zijne Medezelfstandigheid met den Vader en door de Gelijkheid in de goddelijke Volmaaktheden, welke Hij als de Vader bezit.
Opmerking. De Hemel kon aan de wereld niet een Vorst en Redder geven, die zoo groot en zoo verheven was als Jesus Christus, die met zoo vele wettige titels en onbetwistbare rechten al de eigenschappen vereenigde, welke bewondering en eerbied afdwingen zoowel als liefde en vertrouwen inboezemen. Geen vorst, wiens bedoelingen zoo zuiver, wiens plannen een zoo groot gevolg beloofden en wiens vooruitzichten zoo zeker waren als die van den God-mensch. Hij kwam in dè wereld om den strijd aan te binden met den onverzoenlijken vijand van het menschelijk geslacht, en van zijne schitterende overwinning was Hij onfeilbaar zeker. Zijne wapenen waren wel is waar ongewoon: armoede en vergetenheid, vermoeienis en vernedering, vervolging en lijden, versmading en ten laatste een schandelijke dood. Niemand der menschen zoude daaraan de zegepraal over de helsche machten durven toeschrijven. Maar de gedachten der menschen zijn niet die van God.
Door het schijnbaar zwakke moest het sterke overwonnen, door de nederigheid de hoogmoed beschaamd, door den smaad des Kruises de helsche slang verpletterd worden. Van Bethlehem
74
KERSTMIS.
I-Ãijl i
iéW'
T :l 1
MM
hM
I.
75
tlij
quot;i â gt; , .1
l i
'''tl
l1 â 1
l' i h J
!;j t»
' i l i-' 1:1
'h Ml
^ '-Ml
, !i|
A
li «quot;li ^ M
»
Cl
li*:!
1 i:Ãl
ging de victorie uit voor den Verlosser, maar ook voor allen, die Hem als hunnen Messias niet verwerpen. â Niemand onzer mag dan zóó dwaas wezen, dat hij voor dien onsterfelijken Koning der eeuwen de knie niet buige om diens juk op te nemen. Immers, zijn last is niet zwaar, en Hij vergt niet veel van wie Hem volgen willen. Niets, wat Hij zelf niet eerst gedaan, niet eerst geleden heeft. Daarenboven is de zege aan een ieder verzekerd, die Hem navolgt; geen enkele edelmoedige daad zal onbeloond blijven, en de vruchten der volharding zullen eeuwigdurend wezen.
II.
De genadige en zalige Liefde van God den Vader, zijngoe-dertierend medelijden met het gevallen menschdom betuigden zich door het zenden van zijnen eeniggeboren Zoon, door het verlossingswerk op te dragen aan Hem, in Wien Hij zijn welbehagen had, doch Wien Hij niet spaarde maar voor ons allen tot een Zoenoffer overleverde eerst ter vernedering in diens Menschwording en later ten dood op het kruis. En de Zoon, ofschoon Hij was in de glorie des Vaders, kwam om diens wil te volbrengen; den schoot eener Maagd niet schuwende, bereidde Hij Zich een lichaam en verscheen in de gelijkenis van zondaars, in zijn uiterlijk als een mensch bevonden. Wiens uitgang, hemelsche geboorte, van den beginne ?lt;;as, van de dagen der eeuwigheid (Mich. V, 2), werd in de volheid der tijden geboren te Bethlehem, omkleedde zijne goddelijke Majesteit met de zwakheid der menschelijke natuur en kwam onder de zijnen, niet om te oordeelen maar om te zaligen, om te verlossen uit de slavernij des duivels, om te dienen en niet om gediend te worden. Gemakkelijk was die taak niet, want, wie zondaren winnen wil, moet tot hen afdalen, zich vernederen dus en met hen omgang houden en als 't ware een der hunnen worden; wie een in den afgrond gevallene
' li
KERSTMIS.
redden wil, helpt niet door hem toe te roepen dat hij zijne handen moet uitsteken, niet door hem op de rotswanden te wijzen, waarlangs hij kan opklimmen; de behulpzame hand moet hem worden toegereikt. Daarom wilde de Zoon Gods Zich vernederen om den gevallen mensch op te heffen, tot hem afdalen om aan den zwakke zijne kracht mede te deelen, om den gewonde te heelen en den doode het leven terug te geven. Vele en zware offers werden daartoe gevergd. De Verlosser mocht de woorden der H. Schrift op Zich toepassen: den ganschen dag word Ik gekweld en mijne tuchtiging vangt aan met iederen morgen. (Ps. LXXII, 14). Van het eerste oogenblik zijner nederdaling in den schoot der maagdelijke Moeder tot aan den stond zijner opstanding uit het graf kwamen versmading, vernedering, lijdenen allerlei beproevingen over den Beminde des Vaders. â Toch zoude niets van dat alles ter verlossing van het menschdom voldoende geweest zijn, bijaldien het Kind van Bethlehem, evenals de priesters van het Oude Verbond, door zonde ware bezoedeld, als Hij gelijk voor het volk ook voor Zich zeiven had te offeren om vergiffenis van zonden te verwerven. Hij moest zijn â en was het inderdaad â heilig, onschuldig, onbevlekt, afgezonderd van de zondaren (Hebr. VII, 26), een Hoogepriester, die medelijden kon hebben met zwakheden, die in alles, gelijkerwijze als wij, is beproefd geworden maar zonder zonde (Hebr. IV, 15). Zoo die goddelijke Volmaaktheden den Zoon der onbevlekte Maagd niet boven al de geschapene wezens hadden verheven, had Hij de wereld met God niet kunnen verzoenen, het Lam niet kunnen wezen, dat de zonden der wereld wegnam, niet eene eeuwige, voor altijd geldige verlossing kunnen bewerken.
Na deze algemeene beschouwingen dalen wij af in bijzonderheden, welke dienen om ons duidelijk te maken, op welke wijze en door welke middelen âde liefderijke Jesusquot; â om met
76
KERSTMIS.
den h. Beenabdus te spreken â âde zondaars gerechtvaardigd, âslaven des duivels tot zijne broeders, gevangenen tot zijne âmede-erfgenamen, bannelingen tot koningen gemaakt heeft.quot; De eerbied voor den God-mensch en de dankbaarheid voor de verlossing vergen die hulde aan het goddelijk Kind.
Van het eerste oogenblik af zijner openbaring onder Israël trad Jesus van Nazareth op als Leer aar. Hij onderrichtte het volk in de leer des heils, hun de wetenschap mededeelend der goddelijke waarheden, welke volgens Gods raadsbesluit der wereld moesten gepredikt worden. En, zooals geen der Profeten gedaan had, verkondigde Hij de woorden des levens. Bij uitnemendheid was Hij de prediker van de nieuwe ge-loofs- en zedenleer, van de voor den mensch noodige wetenschap en van die grondbeginselen, waarnaar het leven dient geregeld, opdat de eeuwige bestemming bereikt en de voorgestelde vreugde verkregen worden. Wat echter aan het onderricht des Zaligmakers een bijzonder gewicht gaf en grooten invloed op het gemoed der hoorders verzekerde was deze eigenaardigheid, dat Hij aller voorbeeld was, dat Hij hun geen juk oplegde noch eenige verplichting voorschreef, welke Hij zelf niet eerst op de volmaaktste wijze vervuld had. Hij mocht daarom aan al zijne leerlingen van vroegeren en lateren tijd toevoegen: Ik heb u een voorbeeld gegeven, opdat ook gij doet, gelijk Ik gedaan heb (Joan. XIII, 15). Na drie jaren achtereen, zonder verpoozing, aan de verstandelijke en zedelijke ontwikkeling der zijnen gewerkt, eene leer verkondigd te hebben, welke voor alle volgende geslachten bestemd en heilbrengend was â ging Hij zijn leven vrijwillig afleggen. Maar welk een einde na zulk een levenswandel!
Hij had alles welgedaan en gepredikt wat Hij van den Vader gehoord had; niemand kon Hem van eenige zonde overtuigen, en toch zoude Hij den dood der grootste boosdoeners sterven aan een kruis. Maar niet door overmacht
77
KERSTMIS.
gedwongen stierf Hij. Hij legde zijn leven af door zijne medelijdende Liefde alleen gedreven ; want met den bloeddoop wilde Hij gedoopt worden en zoo den losprijs betalen, welken de Kechtvaardigheid Gods eischte; door zijn Bloed en Leven te geven, zoude Hij voor de schuld voldoen en het Zoenoffer worden voor de zonden der menschen.
Het ware echter te weinig geweest, als wel des zondaars hoeien geslaakt en de macht der hel gebroken, maar de mensch zelf niet inwendig gereinigd ware. Met slechts moest de hel voor hem gesloten, ook de Hemel voor hem ontsloten worden. Na verlost te zijn, moest hij ook in behagelijkheid voor zijn hemelschen Vader kunnen wandelen en zóó opgaan naar de eeuwige woningen, waar de belooning nimmer eindigt. Daarom was het noodig, dat Jesus ook voor allen de noodzakelijke genaden verdiende, waardoor de mensch zich wederom kon opheffen tot den toestand van gerechtigheid en heiligheid, waaruit hij vervallen was. Vrij van de slavernij der zonde, moest hij der deugd dienen en den Hemel winnen. Ook onder dit opzicht werd de God-mensch de Verlosser van het menschelijk geslacht. De h. Paulus verkondigt op zijne gewone bondige wijze die troostrijke waarheden in deze woorden: Hij, die geene zonde kende, maakte Zich zeiven tot zonde, tot drager van de zonden-schuld der gansche wereld met deze liefderijke bedoeling, opdat wij Gods gerechtigheid zouden worden in Hem (II Cor. V, 22); Hij heeft Zich zeiven gegeven voor ons om ons van alle ongerechiigheid vrij te koopen en om voor Zich een hehagelijk volk te reinigen, dat zich met ijver toelegt op goede werken (Tit. H, 14), dat is: opdat wij, van zonden gereinigd, tegenover God zouden worden wat de hoedanigheid van gerechtigheid aanduidt â heilig en vlijtig in het goede doen en in het kwade vermijden. Het Verlossingswerk van Jesus werkt derhalve zóó zegenrijk, dat de gevangene een vrije, en de zondaar van de slavernij des duivels ontslagen een kind Gods wordt; dat hij eerst een kind
78
kerstmis.
van gramschap, door met de genaden van Jesus verdiend mede te werken, broeder en mede-erfgenaam van zijnen Verlosser en, na een deugdzaam leven, burger des Hemels worden kan.
Doch geen der zondaren mag zich op Jesus' Zoenoffer beroepen, niemand kan zich de verdiensten van zijn Zaligmaker toeeigenen, zoolang hij weigert op die voorwaarden in te gaan, welke door Jesus zeiven onveranderlijk zijn vastgesteld, opdat een iegelijk persoonlijk van zijne zonden ontslagen en tot een nieuwen mensch herboren worde. De eerste is,
nflul li ! lij
1 ^
79
t r !i|
quot; i â¢; |
.. Ã
li
dat hij zalig gemaakt worde door het bad van de wedergeboorte en de vernieuwing des H. Geestes en, mocht hij na die reiniging des harten, wederom in eene of andere groote zonde gevallen zijn â tweede voorwaarde, dat hij zich alsdan onderwerpe aan de rechtsmacht, welke Jesus aan zyne goddelijke stichting heeft medegedeeld ter vergiffenis van zonden. Wie alsdan opnieuw gereinigd wil worden, vertoone zich aan den priester Gods, belijde zijne schuld in rouwmoedigheid des harten, en het troostvol woord zal hem in Godsnaam en in Gods macht worden toegesproken: âWees gereinigd.quot;
: ï »1:
ui ' â 't i
11
i ' ^ ^
i t fii
I fi t;
ï i.
Opmerking. Van uit den armoedigen stal van Bethlehem en in alle omstandigheden van zijn sterfelijk leven roept Jesus ons allen toe: »Mijn wensch, de vurigste begeerte mijns harten »is deze, dat Ik allen tot mijne navolging overhale, opdat zij »mijn leven leiden en eens deelen in de glorie, welke Mij van »alle eeuwigheid is voorbeschikt. Ik hen van mijn Vader tot igt; Koning aangesteld op zijnen heiligen berg Sion, om zijn »bevel te verkondigen... en Hij zeide Mij: »//è geej U da »Heidenen tot uw erfdeel en des aardrijks einden tot uwe »»bezitting (Ps. II, 6 en 8).quot; Ik verlang bezit te nemen van mijn »gebied, te heerschen over den geest en het hart van mijne on-»derdanen, hen te onderwerpen aan mijne wetten opdat zij be-
* fa
.L
KERSTMIS.
»houden, hen ter overwinning te voeren opdat zij eens gekroond »worden met onvergankelijke heerlijkheid. Wel zullen allen in »mijn werken en lijden moeten deel nemen, maar de belooning »zal geëvenredigd zijn aan de edelmoedigheid van hunne offers.quot; Zoo mag Jesus spreken tot een ieder van ons, daar Hij aller Verlosser is. Want door Hem verwerven wij vergiffenis van de erfschuld, welke zonder zijn verlossingswerk niet gedelgd kon worden; door Hem zijn ons die genade-middelen geschonken, welke wij noodig hadden om kwijtschelding van persoonlijke zonden te verkrijgen en om ons geestelijk leven te volmaken; door Hem is ons de eenige weg aangetoond, welke ter zaligheid geleidt en, opdat allen dien ten einde toe kunnen afloopen, zijn hun alle noodzakelijke genaden aangeboden, welsprekende voorbeelden gegeven, de edelste beweegredenen voorgehouden en het schoonste doel ter bereiking voorgesteld; Hij ook heeft bewerkt, dat onze bedoelingen, goede werken en verstervingen en voldoeningen eene groote waarde voor de eeuwigheid bezitten, welke zij zonder zijn Zoenoffer zouden gemist hebben.
â Evenwel, al is het zeker dat Jesus Christus in den vollen zin des woords de Verlosser van het geheele menschelijk geslacht is, dat Hij den dood des Kruises heeft willen lijden, opdat allen het geestelijk leven zouden vinden, even zeker is, dat niemand aan de genaden van zijn Liefde-werk deelachtig wordt, die niet de genade-middelen ter zaligheid aanwendt, welke Hij aan zijne Kerk ter uitdeeling heeft toevertrouwd en
â ten tweede â niet beantwoordt aan de volgende eischen, door den h. Paulus voor een christelijken levenswandel gesteld.
III.
Wij weten nu, wie Hij is, hoe ontzaglijk groot en hoe oneindig verre boven alle hemelsche Geesten Degene is. Wiens geboorte uit eene onbevlekte Maagd op dezen feestdag gevierd wordt. Wij hebben ook gezien, dat Hij als Leeraar, Voorbeeld, Zoenoffer en Verlosser vereerd dient, dat
80
KERSTMIS.
Hij even luid door de macht van zijn voorbeeld als door de prediking van zijn woord de wetten afkondigde, waardoor het leven van elk zijner volgelingen moet heheerscht worden. Het werd ons duidelijk, dat Hy niet alleen de openbaringen en de raadsbesluiten Gods aan de wereld leerde, maar ook de Verlossing van zonden bracht, dat Hy èn zijne geboden deed hooren èn de genade verdiende, welke ons noodig is om ze te kunnen volbrengen. Het Woord is vleesch geworden, en heeft onder ons gewoond en hoe gewoond ? â vol van genade en waarheid (Joan. I, 14). Hoe gelukkig zijn wij dan te noemen, omdat het ons gegeven is te leven onder de Nieuwe Wet, onder de Wet der genade! Met den h. Augus-tinus mogen wij tot God zeggen : âbeveel wat Gij wilt, maar âgeef ons de genade te kunnen doen wat Gij beveelt.'' Evenwel, betrekkelijk is de last niet licht, welke door het Evangelie opgelegd is, streng zijn de verplichtingen door die Wet voorgeschreven, bij voorbeeld: om ons zeiven te verloochenen, ons lichaam met zijne begeerlijkheden te kruisigen, Jeeus' bloedige voetstappen te drukken, ons kruis op te nemen en Jesus' dooding in ons om te dragen. Toch is dat alles mogelijk en niet te zwaar met Gods genade. De strijd des levens is bitter en de kamp tegen de driften des vleesches hard en pijnlijk, zóódat een ieder met den h. Paulus moet verzuchten : wie zal mij verlossen van het lichaam dezes doods, van het lichaam waarin eene begeerlijkheid heerscht, welke tot zonde verleidt? â Doch met denzelfden apostel mogen wij ook jubelend het antwoord geven : de genade Gods, door Jesus Christus, onzen Heer (Rom VII, 24).
In de Schriftuurteksten, welke aan het hoofd dezer bladzijden staan, wijst de h. Paulus op de volgende verplichtingen, welke door de Menschwording van Gods Zoon aan allen zijn voorgeschreven: zij leert ons, dat wij met verzaking
VAN DE GODDELOOSHEID EN DE WERELDSCHE BEGEERLIJKHEDEN, Verklaringen der Epistclen. 6
wlril
â i wil jll l ij if
''-i'-' ' li ijli || ;.J;'UI|I
! ;
81
IV i
I ' , H
â â I
» V
f
'V . i
i ' v
vi * quot; L
HL 'ftl
â
... , #ii i
Im gt; I i
V',
\ j'
in M
r, , L
Ji â¢
â ; i i :
⢠i
i. â¦,'»
ii
kerstmis.
matig, eechtvaaedig en godvruchtig leven in deze wereld, terwijl wij verbeiden de zalige hoop en de komst der heerlijkheid van onzen grooten god en zaligmaker, jesus
Christus ; en minder rechtstreeks maar desniettemin Maaien duidelijk eischt hij nog, dat wij, van alle ongerechtigheid vrijgekocht, een Gode behagelijk volk zijn, dat zich met ijver toelegt op goede werken. Niet weinig is alzoo gevergd van wie den eerenaam van Christen waardig willen zijn en hun hart voorbereiden voor de komst van hunnen groeten God en Zaligmaker, Jesus Christus. Vooreerst worde alle goddeloosheid vermeden, dat wil in de taal der H. Schrift zeggen: het ongeloof met zijnen nasleep van allerlei misdaden, de verloochening der waarheid en de afval van de wet Gods. Bovendien moeten de wereldsche, heg eerlijkheden verzaakt worden, welke den mensch van zijnen Schepper aftrekken, hem slaaf maken van zijnen wreedsten vijand en in den deernis-waardigsten toestand verplaatsen, zóódat hij, der wereld toe-behoorende, ophoudt kind van God te zijn. Waar is het, dat de stoffelijke wereld door God geschapen en door Hem âgoedquot; genoemd is en, ofschoon om wille van Adam's zonde door Gods vloek getroffen, werd zij daarom niet boos, niet slecht. Maar die wereld is door den Apostel niet bedoeld; hij dacht aan de menschen die op de wereld wonen, aan hun streven en drijven, aan hun jagen en verlangen, aan hun zoeken en hijgen buiten God en tegen God. Zulk eene wereld, zulke begeerlijkheden moeten door eiken Christen bestreden, hare eischen met het oog op de eeuwige belangen der ziel met verachting afgewezen worden. Dat zij de dienares en hij volgens Gods wet de heer is, dat eischt de ware orde. Geen der redelijke schepselen mag zich zóó diep verlagen, dat hij gelijkvormig wordt aan eene wereld, welke door haren afval van God geheel in den hooze, in de macht des duivels, ligt (1 Joan. V, 19), dat hij gezind is, denkt en handelt als zij. Met hare begeerlijkheden dient voor altijd gebroken en eene
82
lf;i
KERSTMIS.
lii til j-'f I'll li' 1
83
J 4
va i r
: i ⢠ii
⢠â¢â pi
Sf ' |
u I
k'f
!. J
â i
geheel andere richting ingeslagen. Matig, rechtvaardig en godvruchtig leven te midden van eene bedorvene wereld, zoo luidt de wet van God door den Apostel verkondigd en aan allen als verplichtend voorgeschreven. Dat is het nieuwe leven, waartoe de God-mensch allen oproept, die dingen naaide eer zijne leerlingen te zijn. Matig te zijn, naar den eisch van de christelijke deugd, zich zeiven te beheerschen, zijne hartstochten te bedwingen en driften te beteugelen, opdat aldus alle uitspattingen vermeden en aan anderen een voorbeeld gegeven worde van eerbaarheid en van welvoegelijk-heid â de zinnelijkheid, van nature aan een ieder met de erfzonde aangeboren, van hare heerschappij te ontzetten en hare neigingen tot slaaische dienaressen te vernederen van hoo-gere doeleinden, ze te dwingen tot dienstbaarheid van den oneindig Heilige en geheel ons leven en bewegen tot een offer te wijden aan de strenge eischen van eene reine zedenwet â minder vergt de h. Paulus van Christus' volgelingen niet. Doch hiermede is nog niet genoeg gezegd. Ons leven moet ook een rechtvaardig leven wezen, niet slechts in deze alge-meene beteekenis, dat het opgaat in het onderhouden van Gods geboden en in het onderworpen zijn naar het uiterlijke en naar het inwendige aan den uitgesproken wil der goddelijke Majesteit â wat zeker de hoogste rechtvaardigheid is, dewijl op die wijze aan God gegeven wordt, wat Hij rechtens vordert en moet vorderen van elk zijner schepselen; maar ook onder het meer bijzonder opzicht, dat met nauwgezetheid de orde onderhouden wordt door den Schepper gewild en onveranderlijk vastgesteld tusschen alle lidmaten van die groote familie, welke wij maatschappij noemen. De grondbeginselen der zedelijke en burgerlijke verhoudingen, welke voorschrijven wat den evennaaste gegeven en gedaan en geweigerd dient, welke liefde vorderen en vergevens-gezindheid prediken, welke eischen dat de rechten van anderen geëerbiedigd worden en dat aan een ieder het zijne verzekerd blyve â
kerstmis.
zij maken den Christen rechtvaardig, wanneer zij als leiddraad genomen worden der wederzijdsche betrekkingen. Ten laatste zij ons leven godvruchtig, wat volgens den geest van den h. Paulus moet beteekenen, dat het innig verband, oorspronkelijk door God tusschen Hem en het eerste menschenpaar gelegd, weder hersteld worde door gehoorzaamheid aan zijne Opperheerschappij, door eerbied voor zijne Majesteit, door liefde voor zijne Goedheid en door vertrouwen in zijne Almacht en Wijsheid, door hoop ook op zijne Rechtvaardigheid in het beloonen. Met één woord : allen, die Christus willen toebehooren, zullen volgens de leer van den h. Thomas, âmatig ten opzichte van zich zeiven moeten zijn, rechtvaardig âtegenover hunnen evennaaste, godvruchtig in betrekking tot âGod moeten wezen.quot; Zoo worden wij een Gode aangenaam volk, ijverig in goede tverken; zoo wordt ook van ons waar: houdt iemand van gerechtigheid, haar werk zijn groote deugden; want matigheid leert zij, en voorzichtigheid, en rechtvaardigheid en standvastigheid; en niets is den mensch nuttiger in dit leven dan deze deugden (Wijsh. VIII, 7.) Wie al die verplichtingen in de school van den God-mensch heeft geleerd en ze onderhoudt, hij heeft den wil van God tot richtsnoer van geheel zijn leven gekozen en ziet in elke hem voorgeschrevene verplichting eene onderscheiding, waarmede God hem begunstigt; hij brengt het welslagen zijner pogingen tot God terug en geeft Hem van alles de eer; hij gevoelt ook bij al zijn streven de hulp van boven, dankt met hartelijkheid voor de ontvan-gene weldaden en ziet met vurig verlangen naar de belooning in de eeuwigheid uit.
Die hoop zal niet beschaamd worden. Gelijk de Zaligmaker, aan den Vader in alles gehoorzaam geworden, met eere en heerlijkheid gekroond is, zoo ook zal elke Christen, dieJesus met woord en met daad beleden heeft, door Hem voor den Vader als een ware leerling beleden worden. Hij is immers heengegaan om voor zijne getrouwe dienaren eene plaats te
84
kerstmis.
bereiden, opdat zij eens zouden komen, waar Hij is. En dan zullen zij zich met Hem verblijden en met Hem verheerlijkt worden, zoolang zijn troon staat en zijn Rijk van glorie duurt. Dat is voor alle eeuwigheid, want Hu is gezeten aan
de eechteehand der majesteit in den hooge ) zljn troon
is in alle eeuwigheid, en zijn Koninkrijk zal geen einde hebben (Luc. I, 33).
Opmerking. Niet dezelfde belooningen als aan Jesus kunnen aan den gelukkigen overwinnaar in den strijd des levens toegekend worden; want, hoe heilig hij moge wezen, hij is en blijft bloot mensch. Toch zal de vergelding hem in den Hemel gegeven boven alle beschrijving overgroot zijn. Hij komt uit eene groote verdrukking, maar dan is er geen rouw noch droefheid meer ; hij heeft zijne ziel rein gewasschen in het bloed des Lams, en hem zal gegeven worden te eten van eenen nieuwen boom des levens; hij heeft zijne vijanden overwonnen, en de kroon der eeuwige vergelding zal hem niet onthouden worden; voor Christus heeft hij gestreden en met Hem zal hij heerschen in alle eeuwigheid. De ware volgeling van den Heer Jesus Christus, na door diens genade gerechtvaardigd te zijn en na Hem in zijn hart eene waardige woonplaats toebereid te hebben, mag de komst der heerlijkheid van zijnen grooten God en Zaligmaker Jesus Christus verbeiden, in de hope erfgenaam te worden van het eeuwig leven. Deze troostrijke gedachte moet ons allen met heldenmoed bezielen om zelfs den moeilijksten weg niet te ontwijken maar dien af te loopen ten einde toe en niet eerder te rusten, vóórdat wij aan den drempel der eeuwigheid staan, waar ons Christus wacht, die het overgroot loon zal wezen voor allen, die Hem in de beproevingen zijn getrouw gebleven.
85
ZONDAG NA KERSTMIS.
Broeders! Zoo langen tijd de erfgenaam kind is, verschilt hij niets van een dienstknecht, ofschoon hij heer van alles is ; maar hij staat onder voogden en verzorgers tot aan dien tijd, door zijn vader 'te voren bepaald. Zoo ook waren wij, zoolang wij kinderen waren, dienstbaar onder de eerste beginselen der wereld. Maar toen de volheid des tijds gekomen was, heeft God zijnen Zoon, geworden uit eene vrouw, geworden onder de wet, gezonden, opdat Hij hen, die onder de wet waren, zou vrijkoopen, opdat wij de aanneming tot zonen zouden verwerven. En omdat gij zonen zijt, heeft God den Geest van zijnen Zoon in uwe harten gezonden, die roept: Abba, Vader! Dus is het niet meer dienstknecht maar zoon; indien nu zoon, dan ook erfgenaam door God. Gal. IV, 1â7-
Inleiding. De Galatiërs, tot wie de h. Paulus een zijner brieven richtte, waren voor het grootste gedeelte bekeerlingen uit het Heidendom. En zij voelden zich gelukkig, in het bezit der christelijke waarheid, welke zij met volle overtuiging had-
quot;!
nffltM
? i J ' Ni
ZONDAG NA KERSTMIS.
den aangenomen. Hoe jammer, dat zij zich door bedriegelijke leeraars uit de Joden lieten verleiden en, door de valsche voorstellingen hunner vijanden bedrogen, in den waan verkeerden, dat zij na belijders van het Christendom te zijn geworden, ook tot het onderhouden der voorschriften van de Mosaïsche wet verplicht waren, zoo zij ware kinderen van Abraham wilden zijn en deelachtig worden aan de zegeningen van het Messia-nisch rijk. Met alle kracht, welke in hem was, kwam de h. Paulus tegen die dwaling op. Hij beklaagde hen, omdat zij spoedig van de waarheid waren afgevallen en bezwoer hen bij de liefde, welke hij, hun geestelijke vader, aan allen toedroeg, om niet de vrijheid der kinderen Gods, welke hun deel was geworden in de Kerk van Jesus, prijs te geven voor de slavernij der Oude Wet, waaronder de Joden zuchtten; om toch niet te verzaken aan de heerlijke voorrechten, welke zij, gerechtvaardigd door het geloof in Jesus Christus en zonen Gods geworden, genoten in de gemeenschap der Heiligen van het N. Verbond en in het blij vooruitzicht op de erfenis des Hemels. Opdat hij zijn doel bereiken en hen in de leer des Christendoms bevestigen mocht, toonde hij hun eerst de hoogere waardigheid aan van den staat der genade boven dien der Oude Wet; vervolgens wees hij hen op Jesus Christus, in Wiens Naam zij gedoopt waren en Wien zij hadden aangedaan ; ten laatste herinnerde hij hen aan de groote voordeelen, welke hun verzekerd bleven, zoolang zij aan Christus toebehoorden en in Hem één waren.
»Door die leer van den grooten Apostel ons op dezen Zon-»dag voor te houden, herinnert de h. Kerk onsquot; â zegt de hoogeerwaarde pater Goffine â »aan de geestelijke weder-»geboorte des Heeren in de zielen, welke wij vierden in de »dagen van het schoone Kerstfeest. De Zaligmaker heeft ons »tot kinderen Gods gemaakt en met vol vertrouwen en groote «vreugde mogen wij tot God zeggen: »Onze Vader!quot; Wij »zijn zijne teergeliefde kinderen en zijne zaligheid moet ons »eeuwig erfdeel worden. Welk een groot voorrecht is dat! «Moet het ons niet dierbaarder zijn dan alle koninkrijken der «wereld! Laten wij God daarvoor danken maar zorgen we ook,
87
if' 11 r Ni i quot;'iillifil
V,., |
ZONDAG NA KEKSTMIS.
»dat wij deze voorrechten: Kinderen Gods en erfgenamen des »Hemels te zijn niet verliezen en niet opnieuw door de zonde »in de slavernij van Satan hervallen.quot; Die edele voornemens zullen zeker in ons opgewekt worden als wij ons van deze waarheden doordringen;
I. Verheven boven de Oude Wet is de Nieuwe Wet van genade, welke ons door den Verlosser Jesus Christus is gegeven;
II. Vele en groote weldaden zijn ons daardoor verzekerd.
I.
In de laatste verzen van het voorgaand hoofdstuk had de Apostel bewezen, dat de Wet van Moses niet in staat was om den mensch voor God te rechtvaardigen, dat zij derhalve het eeuwig leven wel voorspellen maar niet geven kon. Integendeel : zij verklaarde â aldus ging hij voort â dat allen. Joden en Heidenen, zondaren en schuldig voor God waren. Die wet zoude dan ook slechts korten tijd bestaan, niet langer dan tot aan de komst van den Beloofde des Vaders, niet langer dan totdat eene nieuwe toestand in 't leven was geroepen, waarin door het geloof in Jesus Christus èn rechtvaardiging van zonden èn de erfenis des heils zouden geschonken worden. Tot aan dat gezegend oogenblik was de Mosaïsche wet, in de bedoeling van God, eene tuchtmeesteres, welke door toezicht en leiding allen voor uitspattingen moest bewaren en hen voeren tot Hem, die in de Wet als de Verwachte der volkeren beloofd was. Doch, toen de Verlosser verschenen was, toen de bekeerde Joden en Heidenen het geloof in Jeaus hadden aangenomen, leefden zij. Christenen geworden, niet langer als onmondigen onder de tucht der Wet, maar waren mondige en vrije zonen van God geworden. Want zoo velen in Christuf. gedoopt zijn, zoo velen hebben Christus aangedaan, zijn één in Hem, behooren Hem toe, moeten het ware zaad van Abraham heeten en, volgens de belofte eens door God
88
zondag na kerstmis.
gedaan, door de genade en door het geloof doch niet door de Wet erfgenamen worden van het heil, dat de Messias bracht, van den zegen, welken Hij beloofde.
Dat de Galatiërs zich eerder lieten verleiden om het Mo-saïsme als ook voor de gedoopte Christenen verplichtend te beschouwen, was een minder misdrijf, dan wanneer zij tot de leer en de praktijken van het afschuwelijke en den mensch onteerend Heidendom waren teruggekeerd. De Mosaïsche wetgeving nog te volgen was zeker eene grove dwaling, maar eene dwaling welke, ofschoon geenszins te verschoonen, te lichter in wankelbare gemoederen ingang kon vinden, omdat zij door sluwe indringers met schijnredenen kon voorgedragen en omkleed worden. In allen gevalle zij had veel voor boven den eeredienst van stomme afgoden en kon zich beroepen op den Wetgever en ook op haar doel. Zij was door God gegeven en behoedde tegen de dwalingen en misdaden van de afgoderij ; hare verschillende ceremoniën waren meer in overeenstemming met de geestelijke behoeften en zedelijke neigingen des menschen; hare voorschriften droegen den stempel van een goddelijk gezag, terwijl hare beloften doelden op het verwerven van tijdelijke goederen. Daarenboven âbewaarde zijquot; â volgens den h. Chrysostomus â âde Joden âvoor het geloof in den Christus, daar zij hen door de vrees âals door een muur omsloot en drong naar hare voorschrif-âten te levenquot;; â âde ouden stonden onder de tucht der âWetquot; â zegt de h. Ambrosius â âopdat zij niet zondigen âen zoo der beloften waardig zouden zijn, als de tijd der âvervulling aangebroken was.quot; Ook de eerste beginselen voor een godsdienstig leven verkondigde zij: het bestaan van God, van den Schepper en Onderhouder en Bestierder van het heelal; de hoogere waarde ook van den zondigen mensch boven de redelooze schepselen; de noodzakelijkheid om den eigen wil te buigen onder de verordeningen van elk wettig gezag; den plicht der rechtvaardigheid tegenover den even-
E
11 llf
ili
89
li1
m 'l- ' I :ji â 11 . ;
â / iW
it lt; quot; U
i' 'i .â¦
â lij
i
il V. ', â¢
I V; 1
1 ' 1 1' « iil
'v ,t
I f fin -
ti
I quot;fl f. li
ZONDAG NA KERSTMIS.
naaste, der gehoorzaamheid ook aan eene onvolmaakte wet, der beteugeling van de laagste hartstochten en der hoop op eene toekomstige maar dan volledige verlossing.
Dat waren eenige der voordeelen, welke aan de Joden maar niet aan de Heidenen geschonken waren. Doch konden, mochten zij voor de Galatiërs een reden wezen om terug te kee-ren tot eene wetgeving, die wel het bewustzijn van schuld verlevendigde maar niet vergiffenis van zonden gaf, die wel tijdelijke goederen verzekerde maar de geestelijke en eeuwige slechts in een ver verschiet plaatste ? Konden zij hen overhalen om de werkelijkheid voor de schaduw, de vervulling voor de vóórafbeelding prijs te geven? O, gij onverstandige Galatiërs! â riep de h. Paulus hun toe â wie heeft u he-tooverd om der waarheid niet te gehoorzamen (III, 1)? Hoe keert gij u wederom tot de zwakke en eerste beginselen, waaraan gij opnieuw dienstbaar ivilt zijn (IV, 9); tot de Mosaïsche wet met hare ceremonieele instellingen, welke geene genade mededeelden en niet meer leerden dan de eerste grondbeginselen voor eene godsdienstige opleiding der kindsheid van de wereld ? Met een sprekend voorbeeld, aan de maatschappelijke verhoudingen ontleend, wettigt de Apostel die berispende vraag en toont het ongerijmde van hunne dwaling aan.
De toestand van een iegelijk â aldus mogen wij zijne bewijsvoering weergeven â is of wel die der meerderjarigen of die der minderjarigen. In dezen bevonden zich de Joden, in genen zijn zij allen die het Christendom omhelsd hebben, onverschillig of zij zich uit het Jodendom of uit het Heidendom bekeerden. Wat nu de heilsorde betreft, waaronder de Joden vóór Christus leefden, zij was deze. Het recht op Gods erfenis was hun verleend, maar die te verkrijgen bleef hun ontzegd, zoo zij niet in den Beloofde des Vaders geloofden en op den Verlosser hunne hoop stelden; en geen enkele, hoe geloovig en heilig ook, kon die beërven, vóórdat de God-mensch door zijn Zoen-dood de wereld verlost en door zijne
90
zokdag na kerstmis.
Hemelvaart het Rijk der eeuwige glorie voor allen toegankelijk gemaakt had. Tot aan dien Offerdood waren zij nog onmondig en konden hun deel niet opeischen. Zij waren gelijk aan een erfgenaam die nog kind is. Al is hij rechtens heer en eigenaar der goederen van zijne afgestorvene ouders, toch wordt hij behandeld als een onvrije, die zijne aanspraken niet kan doen gelden. Hij staat, omdat hij nog een kind is en evenmin het volle gebruik der verstandelijke vermogens bezit als eene volmaakte kennis van zaken, onder het gezag van voogden en verzorgers, die over hem waken en zijne goederen bestieren. In zooverre, ofschoon hij heer van alles is, verschilt hij niets van een dienstknecht. âZoo ook waken wij â zegt de h. Paulus in naam van alle Joden sprekende â âzoolang
âwij kinderen waren, dienstbaar onder de eerste beginselen der wereld, waren wij in onzen toestand vóór de âkomst van Christus nog aan onmondige kinderen gelijk, âstonden wij nog in een staat van onderworpenheid aan de âoude, lastige en drukkende Wet, moesten wij nog door gestrengheid in bedwang gehouden worden. Wij wisten slechts âweinig, want die vorige, aan de Joden voorgeschrevene gods-âdienst kon slechts als eene voorbereiding voor eene hoogere âorde gelden en leerde niet de volle wetenschap des heils, âmaar alleen de eerste gronden.quot;
Hoe dwaas handelden de Galatiërs, als zij tot dien toestand van dienstbaarheid en onwetendheid terugkeerden en de vrijheid opgaven zoowel als de waarheid, welke zij in het ware geloof hadden gevonden ; als zij zich wederom plaatsten onder de heerschappij der Mosaïsche wet, welke ook in de bedoeling van den goddelijken Wetgever niets meer was dan eene voorbereiding tot het Christendom, dan het voorportaal van den tempel der waarheid, dan eene handleiding tot het ontvangen van een volkomen stelsel der goddelijke openbaringen, dan de aanvankelijke opvoeding des menschdoms, opdat het later kon opgroeien tot een volwassen man, tot dien graad
II
91
t li
i
i
â ï I:
'â v,
If! quot; f-, ...
t'
â¢Jl, '
it
\ .
l ^ j
^ I
i ⢠;â¢
I
i
I
'4
zondag na kerstmis.
van christelijke ontwikkeling en rijpheid, dat het als geheel van Christus vervuld is; hoe dwaas, als zij van de hoogere voorrechten door de Christelijke belijdenis hun geschonken vrijwillig afstand deden om zich aan wat reeds afgeschaft en door het volmaakte vervangen was, te hechten! Bovenmate dwaas handelden zij, die na den H. Geest ontvangen en in Hem een geestelijken, christelijken levenswandel begonnen te hebben, zich ophielden met die vleeschelijke of lichamelijke voorschriften als bij voorbeeld : de besnijdenis, de reinigingen en wasschingen waren ; âzij, die de waarheid hadden leeren âkennenquot; â zegt de h. Cheysostomus â âmaar terugkeerden ânaar de afschaduwing; die de zon gezien hadden, maar nu âde eerste flikkering van het licht opzochten; die stevige âspijzen hadden genoten, maar nu naar melk vroegen.quot;
Wij gaan verder in onze beschouwingen. Zonder geloof is het onmogelijk God te behagen, derhalve ook onmogelijk het eeuwig leven te verwerven. De rechtvaardiging is uit het geloof en de gerechtvaardigde alleen kan, uit het geloof levende, de eeuwige zaligheid verdienen. Dit wordt echter den Christen gemakkelijk gemaakt door de genade, welke even noodzakelijk is ter zaligheid als zij heilzaam en krachtig werkt. Beiden : èn geloof èn genade worden om de oneindige verdiensten, welke Jesus Christus verwierf, gegeven en gegeven in veel vollere mate onder de Nieuwe |dan onder de Oude Wet. Jesus immers kwam vol van genade en vol van waarheid en, uit zijne volheid hebben wij allen alles ontvangen ; Hij woonde onder de menschen zijne volheid van genade en van waarheid betoonende door de rijkste mededeeling van krachten van licht. En wanneer en hoe kwam de Beloofde des Vaders, die alles herstellen en den mensch verlossen, die de Wet vervolmaken en den H. Geest der aanneming tot kinderen geven zoude? Toen de volheid des tijds gekomen en de tijd van de eerste opvoeding en vorming der Israëlieten
92
ZONDAG NA KERSTMIS.
verstreken was, toen het in Gods eeuwige raadsbesluiten vastgestelde oogenblik was aangebroken, toen ook het mensch-dom al meer en meer tot het bewustzijn gekomen was van zijne schuldigheid voor God, van zijne armoede aan goede werken, van zijne onwaardigheid om de goederen en schatten Gods te verwerven, van zijn onvermogen om zelf een verlossing te bewerken,, toen heeft God zijnen Zoon in de wekeld gezonden. Niet omdat de mensch die Goedgunstigheid had verdiend, maar omdat God in zijne Goedheid aan dien toestand van ellende een einde wilde maken. En de Zoon daalde neder op aarde en kwam wonen onder de Zijnen, niet met de bedoeling om slechts te zien, dat de mensch niet verdiende erfgenaam der eeuwige goederen te worden, maar om zijne onmondigheid op te heffen en hem die weldaden waardig te maken. Daartoe was, volgens Gods raadsbesluit, noodig dat Hij voor het uiterlyke als een van ons verscheen. Zich omkleedde met de menschelijke natuur, dat Hij geboren werd uit eene vrouw, die Hem van den H. Geest ontvangen had en moeder werd, zonder verlies van hare maagdelijke zuiverheid.
Meer nog: de Zoon Gods, mensch geworden, is geworden onder de Wet. Vele en van groote Barmhartigheid getuigende beweegredenen drongen den goeden God tot die openbaring zijner Wijsheid. De h. Paulus haalt hier ter plaatse deze alleen aan : Jesus onderhield de voorschriften der Wet, opdat Hu hen, die onder de wet waren, zoude vrijkoopen. Rech-
tens was Hij niet onder doch wel boven de Wet; maar uit liefde voor den mensch en uit gehoorzaamheid aan zijnen Vader onderwierp Hij Zich daaraan, bij voorbeeld: bij zijne Besnijdenis, bij zijne Opoffering en Loskooping in den tempel. De bedoeling, welke God met die onderwerping zijns Zoons had, was â een ondergeschikt en een tot de Joden alleen beperkt doeleinde â om de Joden van de verplichting tot het onderhouden van de Oude Wet te bevrijden. Toen dan ook
93
zondag na kerstmis.
94
de God-mensch in het vleesch verschenen was en zijne nieuwe quot;Wet verkondigde, vooral toen Hij den kruisdood leed, hield de Oude Wet op, en was Israël van den last en vloek dier Wet bevrijd. Daarmede verviel de joodsche Godsdienst met zijne offers, plechtigheden en voorschriften. De schaduw verdween, toen de Zon der gerechtigheid was opgegaan; de vóórafbeeldingen werden werkelijkheid, toen de Voorspelde onder de Zijnen was gekomen en werkte; het oude gebouw stortte in, toen een nieuw en meer geestelijk was opgetrokken, waarvan Jesus Christus den hoeksteen vormde. - Evenwel, niet voor de Joden alleen, maar ook voor de Heidenen vïamp;s de Zoon Gods in 't vleesch verschenen. Hij werd niet een tweede Abraham, als ware Hij voor de Joden alleen gekomen, maar een tweede Adam, de geestelijke stamvader van een geslacht, waartoe allen moesten behooren, alle volkeren en alle natiën. Van den zegen aan Abraham en in hem aan zijne geestelijke kinderen beloofd, van de rechtvaardiging namelijk voor God, bleven de Heidenen niet uitgesloten. Vandaar dat de h. Paulas ook leert: Christus is geboren uit eene vrouw, mensch geworden, opdat â een tweede en algemeen en laatste doeleinde van die Goedgunstigheid Gods â opdat wij, de Heidenen zoowel als de Joden, de aanneming tot Zonen Gods verkrijgen zouden. Om die redenen zongen dan ook bij de geboorte van Gods Zoon de Engelen: vrede aan de menschen van goeden wil. De blijde boodschap werd aan allen gebracht, en zoo velen als er geloofden in Jesus Christus, zoo velen werden kinderen Gods, erfgenamen van den hemelschen Vader, mede-erfgenamen van Jesus Christus. Onder hen is er noch Jood noch Griek; er is noch slaaf noch vrije; er is noch man noch vrouw; want in Christus zijn allen één, één lichaam, door de genade en het geloof. Allen zijn gelijk. Geen enkele die roemen mag dan in Jesus Christus, den Voltooier van ons geloof en Bewerker van aller zaligheid. Maatschappelijke stand en afstamming, het verschil van natie en de
ZONDAG NA KERSTMIS.
verscheidenheid van kunne, zij vervallen in het Rijk van genade en van waarheid.
Opmerking. Laten wij hier een oogenblik stil staan om met aandacht twee dringende vermaningen af te luisteren, welke door de vermelde waarheden ons worden voorgehouden.
In de beschamende berisping van den grooten Apostel ligt voor alle Christenen eene gewichtige les opgesloten. De Galatiers waren in het Doopsel bezegeld met den H. Geest; God had aanhoudend wonderdaden onder hen verricht; zij hadden onder de belijdenis van het Christendom reeds veel verduurd en zware vervolgingen geleden ; en toch liepen zij groot gevaar af te vallen. Wie onzer moet dan niet voor zich zeiven beangstigd worden, niet vreezen dat hij valle, al staat hij voor het oogenblik nog? Het onverstand van die bekeerhngen en de listigheid hunner verleiders waren de oorzaken van hun achteruitgang in het geloof; wie waarborgt ons, dat ook wij niet bezwijken of onder de zwakheid van onzen wil of onder de bekrompenheid van onzen geest of onder de verleidelijke voorstellingen van onze vijanden ? Eene heilige vrees, eene diepe nederigheid, eene algeheele onderwerping aan een onfeilbaar gezag en dan eene dringende bede: »Vader! leid ons niet »in bekoringquot; â die middelen moeten en kunnen ons helpen. Helaas! er zijn zoo velen, die schipbreuk geleden hebben omtrent hun geloof, omdat zij evenals de Galatiërs luisterden naar valsche ijveraars en uitkramers van nieuwigheden, ook omdat zij begeerig waren om te hooren wat hun behaagde en met hunne neigingen overeenkwam, en omdat zij, hun gehoor afwendende van de waarheid der gezonde leer, gehoor gaven aan wat hun hoogmoed of zinnelijkheid streelde. Het lezen van slechte boeken, het bezoeken der gezelschappen van ongeloovigen of ook maar van onverschilligen, het bijwonen van vergaderingen waarin met den Godsdienst gespot of de leerstukken der Kerk belachelijk gemaakt worden, het lid zijn van vereenigingen welke geen ander doel najagen dan de eenig ware grondslagen van een godsdienstig leven te ondermijnen â ziet, dat zijn
95
ZONDAG NA KERSTMIS.
de lagen, welke aan de onwetendheid of onbedachtzaamheid van argeloozen heden ten dage schier overal gelegd worden om hen van de waarheid afvallig te maken. â Behalve de vrees voor de genoemde gevaren dient nog, ter bestrijding van de gevaarlijkste aller verleidingen, dit wapen, ook door den h. Paulus aangewezen, te worden gehanteerd: een ieder bedenke, wie Jesus is, dien hij belijdt, en wat de Zaligmaker voor alle menschen gedaan heeft; een iegelijk make het zich duidelijk, wat de belijdenis van het ware geloof hem schenkt, welke voordeelen hij, in de gemeenschap der Heiligen blijvende, geniet. Daarom overwege men nog dit.
Wij, Christenen, zijn veel meer bevoorrecht dan de Joden van vóór Christus, ofschoon zij het uitverkoren volk van God heetten en waren. »De genade maakt onsquot; â leert de H. AUGUSTINUS â »minnaars der nieuwe Wet, maar de Oude »maakte overtreders; deze is gegeven geworden, opdat de »genade zoude gezocht worden, de genade echter is ons gege-»ven, opdat de nieuwe Wet zoude vervuld worden.quot; De Wet is gegeven door Moses ; maar de genade en de waarheid is door Jesus Christus ge-worden (Joan. I, 17). Christus staat alzoo oneindig ver boven Moses; eveneens is de nieuwe Wet zelve van genade verheven boven de oude Wet van dienstbaarheid, want de Oude Wet had maar een schaduw der toekomstige goederen, niet het beeld der zaken zelf (Hebr. X, i). Al de Mosaïsche verordeningen waren een schaduw van het toekomstige, van het Nieuwe Verbond met zijn volheid van genade en van waarheid, maar het lichaam, het beloofde en het wezenlijke, is van Christus (Col. II, 17). De schaduw is op zich zelve niets, maar wijst op een beeld, op een lichaam, hetwelk die schaduw afwerpt, en deze teekent het beeld des te duidelijker af, naarmate dit door een helderder licht beschenen wordt. Welnu, Christus het Lichaam voor allen, Hij staat in het njjdden der wereldgeschiedenis; op Hem wees het Oude Verbond; door Hem is alles vervuld; in Hem woont ook alle volheid der Godheid, alle Wetenschap, alle Wijsheid, alle Waarheid; in Hem zijn alle schatten en uit zijne Volheid ontvangen wy allen, zoo velen in Hem gelooven, bekeerde Heidenen en Joden,
96
zondag na kerstmis.
genade voor genade, de eene genade voor en de andere na (Joan. I, 16.) Hij ook alleen is de weg en de waarheid en het leven, cn niemand komt tot den Vader dan door Hem (Joan. XIV, 6). â Die meerdere genaden leggen meerdere v 3rplichtingen op. Vooreerst: wij hebben het geloof ontvangen en moeten uit het geloof leven, Gelijk het leven der genade begint met het geloof, evenzoo moet het in het geloof toenemen, door het geloof tot volmaaktheid worden opgevoerd. De waarheid, door Christus Jesus ons gebracht, moet de richtsnoer wezen waarnaar onze handelingen geregeld, de fakkel waardoor onze lange weg afg'ebakend, het licht waardoor onze schreden geleid worden. Onze daden en woorden, onze wenschen en begeerten, evenzeer al onze gedachten moeten beheerscht worden door den invloed van de leer, welke wij met den mond belijden. Verder nog: wij ontvangen genade op genade; met die gaven is het plicht mede te werken ter verheerlijking van God, die uit Goedheid ze ons gaf, en ter zaligheid van onze ziel, waarvoor zij ons geschonken zijn. Geene enkele mag ongebruikt blijven en van elke zal eens rekenschap gevraagd worden. Gelukkig al degenen, die met de verleende gaven zoo veel overwinst gemaakt hebben, dat zij verdienen van God te hooren: »getrouwe dienst-»knechten, gij zijt in weinig getrouw geweest, Ik zal u over »veel stellen: gaat binnen in de vreugde des Heeren;quot; gelukkig hij, die op het einde van zijn leven zalmogen zeggen: »ik »heb mijn geloof bewaard en mijn loopbaan volbracht; de kroon »der vergelding zal mij niet onthouden worden, welke God »beloofd heeft aan allen, die Hem beminnen.quot;
II.
De b. Paulus vervolgde zijne strafrede tot de Galatiërs met hen te wijzen op nog andere voordeelen, welke zy in de belijdenis van het Christendom genoten. Omdat gij â schreef hij â door het geloof en door den Doop zonen zijt geworden van God in Christus, dien Gij hebt aangedaan, heeft God den Geest van zijnen Zoon in uwe harten gezonden, die
Verklaringen der Epiglelen. y
97
zokdag na kerstmis.
boept : Abba, Vader ! Dus is het niet meer dienstknecht,
maar zoon, indien nu zoon, dan ook erfgenaam door god.
â Vier voorrechten derhalve waren aan de Galatiërs en blijven aan alle Christenen verzekerd, die van het geloof niet afvallen en de vriendschap Gods niet verloren hebben. â Niet langer zijn zij slaven van eene drukkende en toch niet rechtvaardigende wet, maar zonen van God, kinderen van dat groote huisgezin, waarvan God het Hoofd en de Vader is, vrije zonen der Kerk met die vrijheid, waarmede Christus ons heeft vrijgemaakt. Jubelend en juichend in onzen Heer mogen wij het den h. Joannes nazeggen : Ziet, hoedanig eene Liefde de Vader, hoe groot een ge?chenk van zijne Liefde Hij ons gegeven heeft, daarin bestaande, dat wij kinderen Gods genoemd rvorden en zijn (1 Joan, III, 3). Jesus Christus heeft ons met den beleedigden en vergramden Vader verzoend, voor de zonden aller menschen aan de goddelijke Gerechtigheid eene volkomene en overvloedige voldoening aanbiedende, zóódat God om wille van diens oneindige verdiensten alle zonden wil vergeven en allen aannemen als kinderen. Die zalige toestand is voor de gerechtvaardigden de grondslag, waarop God in zijne Liefde het gebouw zijner gaven al hoo-ger optrekt. â Hij zendt ook den Geest zijns Zoons in hunne harten, den H. Geest in Persoon, niet slechts ter bezegeling van dat Zoonschap maar ook ter voorlichting van den geest en ter versterking van den wil en ter heiliging van den geheelen mensch. Die H. Geest is voor ons verdiend door den mensch-geworden Zoon Gods en, in ons wonende, maakt Hij ons meer en meer gelijkvormig aan het voorbeeld door Christus ons gegeven, opdat wij ook eens met Christus mogen verheerlijkt worden in de eeuwige Zaligheid, naar ziel eerst en vervolgens ook naar lichaam. â Eene van de zegenrijkste werkingen van den H. Geest is wel deze, dat Hij voor ons en met ons bidt, dat Hij ons leert bidden. Wij weten niet, hoe wij naar behooren zullen bidden, wat in gegevene om-
98
ZONDAG NA KERSTMIS.
standigheden het meest met Gods wil overeenkomstig, wat ons het heilzaamst is. In die onzekerheid komt de H. Geest ons te hulp. Hij bidt in ons door onuitsprekelijke verzuchtingen en in ons verblijvende, roept Hij : Abba, Vader! Hij doet ons met eene kinderlijke liefde tot den hemelschen Vader bidden, met een vertrouwen hetwelk niet vreest beschaamd te worden, met een aandrang en eene volharding, welke bewijzen dat wij met recht durven vragen, dat onze nood hoog gestegen is, dat wij ons voor onze behoefte niet schamen maar ze durven bloot leggen, ook dat wij geloovig de waarde erkennen der weldaad, welke afgesmeekt wordt, â Is die H. Geest in ons wonende, dan zijn wij, zonen Gods en kinderen van den hemelschen Vader, ook mede-erfgenamen van den God-mensch, die even als Jesus hunne rechten mogen doen gelden op de eeuwige verheerlijking in het Rijk des Hemels, op een geluk hetwelk de grootste dienaren Gods uit het Oude Verbond, al verwierven zij in de heilige Schrift de goede getuigenis dat zij om hun geloof Gode hadden behaagd, niet terstond na hun afsterven konden verkrijgen, dewijl de Hemel tot aan Jesus' Hemelvaart gesloten bleef. Maar van ons, voor wie God nog iets beters beschikt heeft, namelijk het levenslicht te zien na de komst van den Messias, kan de ziel aanstonds na het scheiden uit het lichaam, als zij geheel zuiver is, aan de beloofde Zaligheid deelachtig worden.
Opmerking. De Galatiërs zullen gewis, toen zij den brief van hun geestelijken Vader in hunne vergaderingen zagen voorlezen en door de Priesters der gemeente hoorden verklaren, beschaamd zijn geworden over hunne neiging tot afval. Moge de goede God aan alle Christenen de genade geven, dat de overweging der vele en groote voordeelen door het Christelijk geloof hun geschonken een genoegzaam overweldigenden indruk op hun gemoed make om nimmer van de waarheid af te vallen, maar ze altijd te belijden in woorden en in daden. Dan zeker maar dan ook alleen zijn hun de predikers der godde-
99
ZONDAG NA KERSTMIS.
100
lijke leer als Engelen Gods, ja als Christus Jesus zelf; dan zullen zij steeds naijverig zijn in het goede doen en hunne roeping door goede werken zeker maken; dan zullen zij in hun leven meer en meer gelijkvormig worden aan Jesus' leven en na hun dood aan zijne verheerlijking; dan zal Christus hun alles en het sterven een gewin zijn; dan zullen zij goed blijven loopen in de loopbaan van het Christelijk geloof en van het Christelijk leven, waarin een kroon van eeuwige glorie behaald wordt; dan zullen zij door de liefde werkzaam zijnde in het geloof en wandelende naar den geest, toebehooren aan Christus en, hun lichaam met zijne begeerlijkheden kruisigende, van den geest het eeuwig leven maaien. Vooral dengenen, die zóó door het leven gaan, dat zij zich niet sparen maar met christelijken moed strijden om den kampprijs, is de erfenis des heils verzekerd â eene erfenis, waarbij de eer en heerlijkheid der wereld, de schatten der aarde, de betuigingen van hoogachting door de menschen dikwerf zoo kwistig bewezen, nog minder zijn dan niets, als zij vergeleken worden met de glorie, met de onvergankelijke goederen, met de vreugden des Hemels. â De bemoediging in dien soms heeten en altijd gevaarvollen strijd vinden wij in het volmaakste voorbeeld, dat ooit gegeven is. Onze Heer Jesus Christus heeft Zich zoo diep mogelijk vernederd, Zich met de zwakheid van onze menschelijke natuur omkleed, in armoede leven en onder onbeschrijfelijke smarten sterven willen en zóó zijne eeuwige glorie ingaan. Ook voor ons is er geen andere weg naar den Hemel. Wij moeten Hem navolgen, die den arbeid niet vreesde en het lijden niet schuwde, die de versmading niet vluchtte en de schande des kruises verdroeg. Deze beschouwing zal aan een ieder een zóó hooge verheffing van geest en eene zóó geestdriftvolle bezieling mededeelen, dat hij niet aarzelt met den H. CHRYSOSTOMUS uit te roepen: »0, neen! het schijnt mij niet »meer onmogelijk toe, dat ik gelijk zijn zal aan God, dewijl »Hij Zich gewaardigd heeft aan mij gelijk te worden; de af-»stand tusschen mijne geringheid en zijne Verhevenheid is niet »grooter dan die tusschen zijne Goddelijke en mijne menschelijke »natuur. Hij heeft Zich wel kunnen omkleeden met mijne mensch-
ZONDAG NA KERSTMIS.
101
â¢'! a.a
i.;i A
»heid en met mijne zwakheid; ik kan dan ook wel door zijne »genade gesierd worden met zijne glorie en met zijne onster-»felijkheid.quot; Met recht spreekt die beroemde Kerkleeraar aldus. God is zoo rijk aan Barmhartigheid, dat Hij geene grenzen stelt aan zijne Milddadigheid. Hij heeft ons aangenomen tot zijne kinderen en wij dragen den naam van zijnen Zoon. »Elke «Christen is,quot; â zegt de h. Augustinus â »een andere Chris-»tus,quot; in dezen zin, dat wij aan Jesus' rechten en titels deel verkrijgen, dat de Vader ook in ons zijn welbehagen heeft, dat wij mede-erfgenamen met onzen Zaligmaker worden en burgers van diens Rijk van glorie â mits wij den Vader getrouw blijven en Hij in ons zie een afschaduwing van Jesus' deugden en heiligheid.
. r â¢
! r
FEEST VAN JESUS' BESNIJDENIS.
Veel beminde! De genade van God onzen Zaligmaker is voor alle menschen verschenen, ons leerende dat wij, met verzaking van de goddeloosheid en de wereldsche begeerlijkheden, matig, rechtvaardig en godvruchtig leven in deze wereld, terwijl wij de zalige hoop verbeiden en de komst der heerlijkheid van onzen grooten God en Zaligmaker Jesus Christus, die Zich zeiven voor ons gegeven heeft om ons van alle ongerechtigheid vrij te koopen en om voor Zich een behagelijk volk te reinigen, dat zich met ijver toelegt op goede werken. Spreek dit en vermaan hiertoe, in Christus Jesus onzen Heer. Tit. II, uâ15.
Inleiding. Het gedeelte van St. Paulus' brief aan zijnen beminden leerling Titus, wat wij zoo even lazen, is hetzelfde, als wat door de Kerk ons op het Kerstfeest voorgehouden en door ons uitvoerig besproken is. Wij behoeven derhalve daarop niet terug te komen en winnen zoo de gelegenheid ons uitsluitend bezig te kunnen houden met een onderwerp, dat zich aan eiken nadenkenden Christen bij het begin van een nieuw jaar opdringt. De reden, waarom onze Moeder de h. Kerk tot die herhaling besloot, is niet ver te zoeken. Het begin van het
ill''
FEEST VAN JESUS5 BESNIJDENIS.
li : | |i|!; i-llii
103
kerkelijk nieuw-jaar ligt reeds eenige weken achter ons; dat van het burgerlijk neemt op dezen dag een aanvang. Evenals zij deed, toen de reeks der Kerstfeesten geopend was, wil de Kerk ook nu hare kinderen doordringen van de hooge verplichtingen, welke zij te vervullen hebben, opdat het nieuwe tijdperk van hun leven dat aanvangt op waardige, op christelijke wijze en begonnen en voleindigd worde. Immers, alle dagen, welke God in zijne Goedheid aan den mensch als nieuwe weldaden te genieten geeft, moeten geheiligd, moeten besteed worden aan de gewichtige doeleinden, waarvoor ieder mensch oo aarde geplaatst is: aan de verheerlijking van zijnen Schepper en aan de heiliging van zijne ziel. Het is geenszins overbodig te vragen, op welke wijze alreeds bij den aanvang van dit jaar dat belangrijk werk dient aangevat te worden. En wonder! De wufte en lichtzinnige wereldlingen, kinderen der duisternis, kunnen ook onder dit opzicht ten voorbeeld strekken aan de kinderen des lichts. Grenen zijn in hun geslacht voorzichtig; zij berekenen met gezette zorgvuldigheid de waarde van den tijd, want tijd is voor hen geld; zij houden nauwkeurige rekening van de gemaakte winst zoowel als van het geleden verlies, opdat de gewonnen gelden veilig opgeborgen maar ook het nadeel, dat zij moeten boeken, zoo spoedig mogelijk hersteld zij. Het ware een groote schande voor den Christen, zoo zijne bezorgdheid voor geestelijke belangen achter stond bij het behartigen van tijdelijke aangelegenheden door den aardschge-zinden mensch. Om dit verwijt te ontgaan moeten ook wij onze belans opmaken van het verleden jaar en de waarde beseffen van de dagen, welke ons nog zullen geschonken worden, vooral dienen wij bij ons zeiven vast te stellen, hoe wij den volgenden tijd het best zullen besteden. In 't kort: wij vragen ons af:
I) Hoe hebben wij het vorige jaar doorgebracht;
II) Wat is de tijd, en hoe moeten wij dien gebruiken.
r m
i11 ïijilfii
â quot; â i: â
1
} i
i i- n
H '
â
r fi Ij â¦
4, 1 *' ^
fel
M lt;
h' i
I.
Onze leermeesters in het geestelijk leven geven dezen goeden en welgemeenden raad; verplaatst u, bij het einde van
FEEST VAN JESUS* BESNIJDENIS.
elk jaar in den geest voor den rechterstoel van God, denkende dat aan uw rechterzijde de Engel-bewaarder en aan uw linkerzijde een duivel staat, gene om u zoo mogelijk te verdedigen maar deze om u van zoo veel kwaad, van zoo vele tekortkomingen te beschuldigen als zijn haat hem ingeeft. Het in te stellen onderzoek zal uitgebreid wezen. Over het verloopen jaar, dat voorbij is met al zijne vreugden en lijden, met al zyne zorgen en moeilijkheden, met al zijne verrassingen en ontgoochelingen, met al zijne goede en kwade werken, met al zijne verdiensten en schulden, over dat jaar wordt de rekenschap afgevorderd. Aan u wordt gevraagd: welke gebreken zijn verbeterd, welke slechte gewoonten afgelegd, welke deugden beoefend, hoe vele verdiensten verzameld, hoe vele goede werken verricht? Wat zouden wij kunnen antwoorden, wat hooren inbrengen ten onze voordeele door den goeden Engel, wat ten onze nadeele door den boozen geest? Een ieder moet hier het antwoord voor zich zeiven geven; maar, wie wij mogen wezen, wij allen zijn ons van de volgende waarheden bewust.
Het afleggen van de ons aanklevende gebreken moet de eerste stap op den weg der zedelijke verbetering geweest zijn. Gelijk een huisheer, wiens vervallen woning eenenood-zakelrike verandering moet ondergaan, niet begint met het beschilderen der muren en met het verfraaien door nieuwe tapijten en meubelen â dit toch ware lapwerk en gave voor eene korte wjjle een bedriegelijken glans â maar begint met het herstellen der verrotte balken en met het vervangen der vergane vloer, eveneens moet de Christen, wil hij onder zedelijk opzicht verbetering in zijn leven aanbrengen, een begin gemaakt hebben met het uitroeien van zijne gewone gebreken. Yoordat hij meenen mag eenigen voortgang op den waren weg te zullen maken, is noodig dat hij die hinderpalen in het geestelijk leven opruime en daarvoor in plaats stelle wat oprechte deugd mag heeten. Hebben onze gebreken ook niet
104
PEEST VAN JESUS BESNIJDENIS.
op heillooze wijze ingewerkt, verslappend en doodend op ons godsdienstig gedrag? Wie weet het nauwkeurig te belijden, aan hoe groote nalatigheid in de heiliging zijner ziei, in het verwaarloozen van goede werken, in het misbruiken van Gods genade, in het niet overwinnen der bekoringen, in het niet vermijden van zonden, in het zich schuldig maken aan vreemde zonden hij voor God verantwoordelijk is?
Een tweede punt van onderzoek moet loopen hierover, of wij ook de door onzen stand en staat gevorderde deugden beoefend en verdiensten voor de eeuwigheid verzameld hebben. Een landman zal den oogsttijd niet gezegend kunnen noemen, als hij zijn akker slechts van onkruid gezuiverd maar verwaarloosd heeft daarover goed zaad uit te strooien ; evenmin mag de Christen zich over een verloopen jaar als over een zalig, vruchtbaar jaar verheugen, zoo hij geene schatten heeft overgewonnen door het doen van goede werken. Derhalve dient 't gewetens-onderzoek ook tot daartoe uitgestrekt te worden. Een ieder vrage zich zeiven af, of hij zijne ziel met nieuwe deugden verrijkt en de reeds beoefende tot hoo-gere volkomenheid opgevoerd heeft. Wie in waarheid getuigen kan, dat hij nederiger van geest en van hart geworden is, geduldiger in het torsen van wederwaardigheden en in het Ijjden van tegenspraak, zachtmoediger tegenover de gebreken van den evennaaste, zorgvuldiger in het vervullen van zijne beroepsplichten, eerbaarder in woorden en daden; alwie den geest van gebed aangekweekt en de liefde tot God en den evenmensch aangewakkerd heeft, hij mag, zich in God zijn heil verheugende, wel eene hartelyke dankzegging hemelwaarts opzenden tot den Gever van alle goed, door Wiens genade hij zich sterk in het goede betoonen en als met reuzenschreden den weg van Gods geboden afloopen kon. Hij zal ook vele verdiensten verworven, schatten opgehoopt hebben, welke door een dief niet geroofd noch door den roest verteerd kunnen worden maar opgeborgen blijven in de eeuwige voor-
hl
P ll:
PI
I li
m
105
[H-H
' ( ll
li
jjH: ' 1
i f ' I.
I'li
; ''ivi p;«
1,1 f 'r1 M
't
(â
â¢'''li j
'l
k
i
I
i 1 I ' | ,â s
FEEST VAN JESUS* BESNIJDENIS.
raadschuren van God. De Hemel, zijn erfdeel krachtens zijn aanneming tot kind Gods, zal hem, zoo hij volhard heeft ten einde toe, als loon zijner goede werken geschonken worden. Hij zal het goede weg dragen, dat hij in zijn lichaam verdiende, want God zal hem vergelden naar zijne werken ; een teug waters aan den minste van Jesus' broeders, maar uit liefde tot den Zaligmaker toegereikt, zal evenmin vergeten worden als de penning door de arme weduwe in de offerkist te Jerusalem geworpen,
Eene derde vraag, welke een ieder zich heeft voor te leggen, is deze: heb ik Gods eer naar best vermogen in het verloo-pen jaar bevorderd niet alleen door het kwade in mij uit te roeien en het goede aan te kweeken, maar ook door werkzaam te blijven, waar ik kon, voor de zaligheid van anderen? Niemand toch leeft voor zich zei ven alleen. Een on verbreekbare band is door God gelegd tusschen al zijne kinderen. Wij allen zijn dienaren van elkander en het zoude gewis niet van grootmoedigheid getuigen, zoo wij op ons persoonlijk geluk alleen bedacht waren zonder ernaar te streven, dat het aan anderen ook ten deel viel. De wijze, waarop groot nut gesticht en eene heilzame invloed op de naaste omgeving uitgeoefend kon worden, bleef niemand onbekend evenmin als hem de gelegenheid onthouden was om op zijne omgeving ten goede in te werken. Men denke slechts aan de macht van het gebed voor allen, aan de opwekking ten goede door een heilig voorbeeld, aan de inwerking van eene liefderijke vermaning, van eene broederlijke berisping, van welgemeende raadgevingen. Konden door die middelen, welke de ware naasten-liefde aanbiedt, niet vele zonden voorkomen, vele gebreken verbeterd, vele deugden aangeprezen zijn geworden ? De ware liefde tot God openbaart zich dan vooral van hare schoonste zijde, als om zijnentwille het kwade verhoed en het goede bevorderd wordt, al weet de wereld niet welk aandeel ons daarbij toekomt.
106
FBJSST VAN JESUS' BESNIJDENIS.
107
Opmerking. De vragen, ons boven voorgelegd, zijn van veel nut en, wat meer is, wel in staat ons aangezicht met schaamte te overdekken zoowel als ons hart met vrees te vervullen. Waar toch ter wereld is een Christen te vinden, die met de hand op het geweten durft getuigen; in het verloopen jaar heb ik alles goed gedaan en mijne meening was daarbij altijd even zuiver; aan de verbetering van mijn godsdienstig leven heb ik met volhardenden ijver gewerkt en met Gods genade de zonden vermeden; al mijn streven was er op gericht om in alles God te verheerlijken en het wezenlijk heil van mijnen evennaaste naar best vermogen te bewerken ? Des niettemin dienen die vragen beantwoord en wel in het geheim des harten, voor God en aan de voeten van diens plaatsbekleeder. Maar hoe beschamend het antwoord ook zijn moge, de moed mag niet verloren worden. Telken jare opnieuw moet het voornemen van den H. Augustinus ook dat van elk onzer wezen : »ik heb »het gezegd, nu begin ik.quot; En dan de hand aan den ploeg geslagen om onvermoeid voort te werken. Dat de daartoe gevorderde tijd ons niet zal ontbreken, hopen wij van Gods Goedheid te zullen verkrijgen. â Deze gedachte voert ons geleidelijk tot de tweede vraag. Vóórdat die echter beantwoord wordt, nog deze opmerking. Bij de Katholieken heerscht onder magen en vrienden het loffelijk gebruik aan elkander bij het begin van 't jaar een gelukkig en zalig jaar toe te wenschen. Dan openen zich de monden en de harten en de liefde zoowel als de dankbaarheid uiten de hartelijkste woorden, en het ware te betreuren, als die christelijke gewoonte verdrongen werd door heilwenschen, welke te wereldsch zijn en zoo weinig zeggen. Doch wanneer zal een jaar met recht voor ons en voor anderen zoo mogen heeten ? Een jaar zal zeker dan zalig wezen, als God alle ongeluk en rampen van ons afweert en ook de straffen om de zonden verdiend niet over ons laat komen; als Hij van den anderen kant van ons de listen van den helschen vijand, waardoor zoo velen misleid worden, en de bekoringen tot het kwade verre houdt, waarin een groot aantal bezwijkt, in één woord: als Hij ons behoedt voor alles, wat nadeelig kan zijn voor het geestelijk welzijn; het zal zalig mogen heeten, als
FEEST VAN JESUS' BESNIJDENIS.
met eene duurzame gezondheid ook de genade gegeven wordt om al de dagen des levens te gebruiken in den dienst van Hem die ze verleent, ter bevordering niet alleen van ons eeuwig heil maar ook van dat der evenmenschen en ter vervulling van onze beroepsplichten ; het zal ook dan zalig zijn, als de goddelijke Weldoener vermeerdering geeft van tijdelijke goederen, den arbeid zegent en de opgezette ondernemingen met een gewensch-ten uitslag bekroont, als Hij de vruchten van den arbeid en het dagelijksch brood in vrede en rust en veiligheid doet genieten, vooral echter als Hij met die aardsche zegeningen ons een werkdadig verlangen ingeeft om met inspanning van alle krachten eerst het Rijk Gods en diens gerechtigheid te zoeken en om den vrede Gods te bewaren, die alle begrip te boven gaat. â In wier hart het vuur der liefde brandt voor God boven alles en voor den evennaaste als voor hen zeiven, zij zullen niet nalaten om aan al hunne evenmenschen zulk een zalig jaar toe te wenschen en het ook voor hen van den goeden God af te bidden. Onder die ware Christenen vertrouwen wij ook te mogen gerekend worden, en niet minder dan zij wenschen wij aan onze godsdienstige lezers een jaar toe, dat onder alle opzichten een gelukkig en gezegend en zalig jaar mag genoemd worden â naar het lichaam en naar de ziel, naar het stoffelijke en naar het geestelijke, naar den tijd en naar de eeuwigheid.
II.
Wat is de tijd ? Zoo luidde onze tweede vraag en een duidelijk antwoord daarop is noodig, opdat wij de waarde van die gave Gods naar behooren schatten. Hij is, zult gij antwoorden, eene kortere of langere reeks van oogenblikken, welke elkander onafgebroken opvolgen. Dit moge juist gesproken wezen met het oog op de orde der natuurlijke dingen, maar het is niet voldoende om genoegzaam het gewicht te beseffen, dat een ieder aan die meerdere of mindere oogenblikken moet hechten. Om daarvan de belangrijkheid te be-
108
t
li m
109
m i,
t1
! i;,
'1:!« gt; i1
;â 11
â Vvi
' i 1
ii
1!, i gt;
'â¢lij '
â f; ⢠H |
gt;.! [ H. i
i
4i
â â¢i
oordeelen, dienen wij andere, hoogere gezichtspunten in te nemen. Ons geloof, onze kennis van de openbaringen Gods, het ontvangen onderricht in den Godsdienst â zij alleen kunnen en moeten hier het eenig antwoord geven. Maar dan ook zal voor een iegelijk, wie bij die onderwijzers te rade gaat, het helderst licht schijnen.
De tijd is de eerste, de noodzakelijkste van alle genaden, de grondslag voor alle andere gunsten van Gods Goedheid. Konden wij ons een Christen nog levende op deze aarde voorstellen, zonder dat hij beschikt over het geschenk van den tijd, wij zouden dan ook met volle recht mogen beweren, dat hij niet in staat was om de eene of andere gave te ont vangen. Hem moet eerst de tijd geschonken worden, waarin hij de weldaden van zijnen hemelschen Vader kan aannemen. Ontbrak hem de tijd, hij zoude niets kunnen verkrijgen. De eerste, noodzakelijke voorwaarde miste hij en bleef alzoo van alle gaven verstoken. Doch de gemaakte veronderstelling is ongerijmd. Wie leeft, hij beschikt ook over korteren of langoren tijd, welke hem gegeven is door God, die het heelal bestiert en eveneens den duur van 's menschen levensloop bepaalt als Hij hem het aanzijn gaf. De tijd is alzoo eene onverdiende genade van de goddelijke Liefde en als genade de prijs van Jesus' lijden en sterven. Deze waarheid ontsteekt een schitterend licht; zij leert ons beter dan elk andere beschouwing de hooge waarde van die gave des Hemels kennen, welke ons verdiend werd door den Verlosser en de vrucht is van zijne vernederingen en pijnen. Maar, heeft die genade aan Jesus zoo veel gekost, dan ook moet zij besteed worden tot het bereiken van de twee gewichtigste doeleinden, welke aan iederen mensch zijn voorgesteld ; ter verheerlijking van den Allerhoogste en Zaliging van de onsterfelijke ziel.
Tot Gods eer! Zoo ook dachten de Heiligen. Aan hun lichaam gunden zij schier geene verpoozing en meenden nimmer genoeg gedaan te hebben. Zij waren niet gierig dan al-
PEEST VAN JESÃS BESNIJDENIS.
I M
'f h
11 i â'
peest van jesus* besnijdenis.
leen in het gebruik van den tijd. Daarvan mocht geen oogen-blik verloren gaan. God had hun dien verleend, aan Hem moest die ook gewijd blijven. Niet, vóórdat zij den Hemel waren binnengegaan, wilden zij van hunnen arbeid uitrusten, altijd vreezende dat zij oogenblikken zouden verliezen, welke eens tegen hen in het oordeel zouden getuigen. Zelfs rekenden zij het zich aan als eene onrechtvaardigheid, tegenover God begaan, wanneer zij al ware 't een klein gedeelte van den dag niet voor de verheerlijking van hunnen Heer en God besteedden. De H. Joanna de Chantal is daarvan een opmerkenswaardig voorbeeld. Men vroeg haar, waarom zij zich geen enkel oogenblik van verademing veroorloofde, en het antwoord luidde: âmijn tijd heb ik aan God toegewijd âen kan daarvan geen enkel oogenblik verliezen zonder onrechtvaardig te worden tegenover Hem, aan Wien die toe-âbehoort.quot;
Tot heiliging van onze ziel. Hier is toepasselijk het leerrijk woord van den H. Beenaedus : âde erbarming Gods heeft âons elk uur gegeven om boetvaardigheid te doen, cm de .vergiffenis van de gepleegde zonden te verwerven, om ge-ânaden te verkrijgen, om de eeuwige glorie te verdienen. In âden tijd moeten wij de beleedigde Majesteit Gods verzoenen, âde bedrevene misdaden beweenen, verzuchten naar de verlorene erfenis, ons spoeden naar het gezelschap der Engelen. Het is dan ook geene overdrijving, als een godvruchtig en geleerd schrijver beweerteen goed bestede dag geeft aan âGod meerdere eer dan de verheerlijking, welke Hij van âzijne gelukzaligen in den Hemel ontvangt.quot; Hij wil daarmede zeggen, dat de Christen aan God die eere geeft, niettegenstaande hij ze weigeren kon en in weerwil van de vele bekoringen, welke hem bestoken om ze aan God metterdaad te weigeren. â Om nog beter de waarde te berekenen, welke de tijd voor ons heeft in betrekking tot het bewerken van onze zaligheid, moesten wij eens hen kunnen ondervragen,
110
PEEST VAN JESUS* BESNIJDENIS.
Ill
die reeds uit het leven zijn gescheiden. Waarom toch zijn zoo velen voor eeuwig ongelukkig ? Omdat zij den tijd der bezoeking niet wilden kennen en in de dagen van zaligheid hunne harten hebben verhard; omdat zij, toen het nog dag voor hen was, niet werkten naar het gebod van God maar in vadzige ledigheid hunnen tijd sleten ; omdat zij niet deden wat hun plicht vorderde en het goede nalieten wat zij konden en moesten doen; omdat zij kwaad deden en hunne werken boos waren; in één woord: hunne eeuwigheid is eene eindelooze wanhoop en straf voor het niet goed gebruik van den hun gegeven tijd. â Werpen wij echter onze blikken naar die zalige gewesten, waar eene onvergankelijke glorie de belooning is van de deugd, dan zien wij geene enkele kroon schitteren, welke niet verworven is door een waardig besteden van de dagen des heils. Zoo elk der Heiligen, die nu met Christus heerschen, het wilde zeggen, waardoor zij hun eeuwig heil hebben verdiend, hun woord zoude wezen: âWij verheugen ons nu in de eeuwige heerlijkheid des Hemels, âomdat wij de ons geschonkene dagen gebruikt hebben om âde schuld tegenover God op ons geladen af te boeten, om âonze ziel te reinigen van de smetten, welke haar aankleefden, âom ze te versieren met deugden en om rijkdommen te vergaderen, welke in eeuwigheid niet vergaan.quot; Van deze laatsten moeten wij de groote kunst leeren den kostbaren tijd des levens te besteden ter reiniging en heiliging onzer ziel. Het baat ons niet, al leven wij lang, zoo wij niet goed leven. Niet eene lange reeks van jaren maakt 's menschen geluk uit, maar wel eene Gode welgevallige, deugdzame levenswandel. Er zijn vele Heiligen, welke slechts een korten tijd leefden *maar in die betrekkelijk weinige dagen eenen grooten schat van verdiensten verzamelden voor de eeuwigheid. Van hen mag gezegd worden, wat reeds Salomon van den gerechte zeide: dewijl hij in korten tijd tot de volmaaktheid geraakte, heeft hij langen tijd geleefd (Wijsheid IV, 13), want
peest van jesus* besnijdenis.
eene achtenswaardige grijsheid is niet die van een langdurig leven, noch te schatten naar het getal van jaren; maar eens menschen ivijsheid zijn voor hem grijze haren, en een onbevlekt leven is voor hem hooge ouderdom (Wijsh. IX, 10).
Uit de twee besprokene waarheden besluiten wij eerstens met den h. Antonius : âdat de tijd zóó kostbaar is, dat de âverdoemden alle schatten der wereld, zoo die in hun bezit âwaren, gaarne zouden geven, als zij daarvoor een luttel tijds âkonden koopen,quot; en ten tweede met den h. Prosper: âdat âwij den tijd ons ter verbetering gegeven niet mogen ver-âwaarloozen, opdat Hij, Wien wij als goed en zachtmoedig âkennen, zijn toorn en zijn strafoordeel niet doe komen over âonboet vaardigen.quot;
Reeds voor een groot gedeelte gaven we het antwoord op die andere vraag, hoe wij den tijd dienen te besteden. Om volledig te zijn, wijzen wij nog op deze verplichtingen, dooiden h. Paulus opgenoemd. Wie den tijd niet nutteloos wil laten voorbijgaan, verzake de loereldsche heg eerlijkheden en goddeloosheid, leve in deze wereld matig en rechtvaardig en godvruchtig. Deze voorschriften reeds vroeger besproken maar nu op ons onderwerp toegepast, omschrijven wij in deze woorden.
De goederen dezer aarde, waarvan het gebruik door God ons werd veroorloofd met de bedoeling, dat wij ze aanwenden tot het onderhoud van ons tijdelijk leven, mogen niet dan met mate genoten worden. Overdaad is verboden ; ze in dienst te nemen voor het inwilligen der lage driften van een bedorven hart of der zinnelijkheid, onder welken vorm ook deze hare eischen stelt, dit ware een misbruik wat door de christelijke wet verboden is en geen zegen belooft* De neigingen van het hart, als zij naar iets ongeoorloofds dringen, moeten niet alleen in toom gehouden, maar ook naar eene betere richting heen gestierd worden. Die deugden, matigheid en zelfbeheersching en zelfverloochening, zij zijn gelijkluidend en
112
PKEST VAN JESUS* BESNIJDENIS.
eischen eene onverpoosde waakzaamheid. Dit mag niemand tot moedeloosheid stemmen. De zorg, dat de booze natuur niet heersche noch over de rede noch over de genade, vergt wel groote zelfoverwinning, doch het loon daarvoor is nog grooter. De brieven der h.h. Apostelen, behelzen vele bladzijden, waarin tot dien strijd tegen ons-zelf is aangemaand. Wij herinneren hier slechts aan deze leuzen, welke door die leeraars in het godsdienstig leven ons in den mond zijn gelegd: âKruisigt uw lichaam met zijne begeerlijkheid; âverloochent u zeiven en wilt niet gelijkvormig worden aan âdeze wereld ; bemint niet de wereld, noch wat in deze wereld âis; wie de wereld bemint, in hem is de liefde des Vaders âniet; de wereld is boos en ligt in het booze; alles wat der âwereld is, het is begeerlijkheid des vleesches, begeerlijkheid âder oogen en hoovaardij des levens, en die wereld gaat âvoorby.quot; Wat de belooning betreft voor de overwinnaars In den edelsten strijd weggelegd, zij is aan allen verzekerd in deze belofte door den h. Joannes op ingeving van den H. Geest afgekondigd : die den wil van God doet, en die wil is onze heiliging, blijft in eeuwigheid (1 Jo. II, 17). Dat zulk een blij vooruitzicht op die onvergankelijke glorie ons voor den geheelen duur van een jaar bemoedigen kan om, met verzaking van alle wereldsche begeerlijkheden, streng tegen ons zeiven te zijn in woorden en daden, in het genieten van vermaken, in den omgang met anderen, in het gebruik van spijs en drank, zal wel niemand in twijfel durven trekken.
Wij moeten het jaar heiligen door rechtvaardig te zijn â een eisch waardoor onze betrekkingen tegenover den evennaaste worden geregeld. Onze handel en wandel moeten bestierd worden door deze wet, oud als het bestaan der wereld: âaan een ieder het zijne.quot; Eere derhalve aan wie eere toekomt ; onderwerping aan wie op gehoorzaamheid kunnen aanspraak maken; schatting aan wie ze met recht mogen vorderen; uitbetaling aan wie iets verschuldigd is. Hiermede
Verklaringen der Epistelen 3
113
V- lp
h I jfi
:l:quot;
i lli ' h gt;
ti
â I
4'; ;
mmm
oi; w m
i:- i.tj
â K t 'vt â i i
k-'« i:
|
'» lt;1
i
k
ui
114 PEEST VAN JESUS* BESNIJDENIS.
is echter nog niet alles opgenoemd, wat de rechtvaardigheid voorschrijft. Wie zich een zalig, een gezegend jaar wenscht te verzekeren, hij moet ook aan de volgende voorwaarden voldoen : hij geve aan den naaste den goeden naam terug, mocht hij dien ontnomen hebben door kwaadspreken of lastertaal ; hij herroepe zijne liefdelooze woorden en duide die van een ander in den besten zin; hij schenke aan verdacht-makende gesprekken geen geloof en hoede zich voor ongegronde vermoedens. Nog meer eischt de besprokene deugd van een Christen. Minstens telken jare dient hij het voornemen te hernieuwen om aan niemand eenigen aanstoot te geven maar daarentegen door een deugdzamen levenswandel en een goed voorbeeld anderen tot een ijverige plichtsbetrachting op te wekken. Zelf navolger van den Heere Jesus Christus geworden, moet hy reeds door zijn uitwendig gedrag voor zijne evenmenschen een licht zijn, dat schittert in de duisternis, een wegwijzer welke het rechte pad aanwijst, waarlangs minder bevoorrechten veilig kunnen voortgaan met de zekerheid, dat zij het ware doel niet zullen missen. Nauwelijks behoeft nog aangestipt, dat niemand een ander mag schaden in diens tijdelijke goederen, eer of gezondheid of leven ; dat een ieder voor zijne onderhoorigen zorg moet dragen naar den eisch van de liefde-wet; dat over de opvoeding en het godsdienstig onderricht der kinderen gewaakt en op het behoorlijk gedrag der dienstboden toezicht moet gehouden, aan allen op den bepaalden tijd het verdiende loon uitbetaald en de gemaakte schulden voldaan moeten worden. Wat gij wilt, dat de menschen u doen, doet ook gij hun zoo, want dit is de Wet en de Profeten (Matth. VII, 12); aldus beval de Zaligmaker en verbood daarmede al die tekortkomingen in het maatschappelijk leven, waarover een ieder zich en met recht zoude beklagen, als hij zelf daarvan het slachtoffer werd. En meer dan sommigen denken is er aan gelegen, dat de deugd van rechtvaardigheid heilig gehouden
li
f
ö ii BH 1' â lii
i: I Mii
115
4:.P v'.i»
worde. Een wezenlijk en duurzaam geluk is niet bestaanbaar zonder den vrede des harten; maar die vrede zal niemands deel zijn, als hem de rechtvaardigheid niet dierbaar blijft; want tusschen beide bestaat er een zóó nauw verband, dat de Psalmist kon zeggen : gerechtigheid en vrede hebben elkander den kus gegeven (LXXXIV, 11).
Wie het jaar, dat hij door Gods Goedheid hoopt te beleven, zalig wil doorbrengen, hij leve ook godvruchtig, hij vervulle al zijne plichten tegenover God. Geen beter middel kan aan de hand gedaan worden. De godsvrucht is tot alles nuttig, dewijl zij de belofte heeft van dit leven en van het toekomstige. Een waarachtig woord is dit en alle aanneming waardig (1 Tim. IV, 8 en 9). Welke die plichten zijn, zegt ons de rede en het hart in verbond met de openbaring. Zij leeren, dat de Schepper van Hemel en aarde, de Heer van alle men-schen is; dat Hij als de groote Weldoener en Gever van alle goede gaven moet geprezen worden; dat Hij Zich voortdurend als den Vader betuigt van allen die op aarde leven; dat Hij ons bemint, voor allen zorgt en alles ten beste schikt voor wie Hem liefhebben; dat Hij de Beschermer in den nood en de Redder in gevaren is; dat Hy eenmaal onze Rechter zijn zal maar ook, gelijk wij hopen, onze Belooner. Welnu, die eeretitels. God van rechtswege toekomende, geven ook de verplichtingen aan, welke tegenover Hem te vervullen zijn door een iegelijk, die zijne dagen in geluk wil slijten en bovendien voor eeuwig gelukkig wenscht te worden. Voor den Allerhoogste ons in het stof vernederen. Hem dagelijks aanbidden en zijne goddelijke Volmaaktheden loven; den besten Vader uit geheel ons hart beminnen en Hem gehoorzamen gelijk het aan welgezinde kinderen betaamt â want die zijne geboden onderhoudt, die is het die Hem bemint; den grooten Weldoener dank zeggen voor zijne weldaden en de gaven zijner Liefde besteden aan zijne verheerlijking, in zijnen dienst; op Hem vertrouwen in allen nood en door
PEEST VAN JESUS' BESNIJDENIS.
FEEST VAN JESÃS' BESNIJDENIS.
bidden en smeeken onze begeerten aan Hem bekend maken â dit zijn de plichten door onze veelzijdige verhoudingen tot ⢠God aan ons allen voorgeschreven en van welker vervulling het ware geluk voor den tijd en voor de eeuwigheid afhangt. Zoo toch sprak Moses in naam van God: alle zegeningen zullen over u komen en u ten deel vallen, als gij naar zijne geboden luistert. Gezegend zult gij zijn in de stad en gezegend op het veld. Gezegend de vrucht van uwen schoot en de vrucht van uw land en de vrucht van uw vee en de kudden uwer schapen. Gezegend moe schuren en gezegend uwe voorraad. Gezegend zult gij zijn, als gij ingaat en als gij uitgaat (v. Mos. XXVIII, 2â9); en de h. Paulus zijn blik slaande in de zalige gewesten van het heraelsch Sion, spoorde allen aan, dat zij een deugdzaam leven zouden leiden, verbeidende de zalige hoop (de zaligheid) en de komst der heerlijkheid van onzen grooten God en Zaligmaker Jesus Christus. â Geen twijfel, alwie aan de besprokene voorwaarden ten volle beantwoordt, brengt den tijd goed door, koopt dien uit, hem beschouwende als een kostbaren schat en bestedende ter zijne Zaligheid. Maar het eene en het andere is ook noodig.
Opmerking. Jesus Christus is voor ons de weg, de waarheid en het leven; maar vóóraleer Hij voor ons ook de belooning wordt, is het vereischt, dat Hij ook als voorbeeld is gekozen. Hij, die zoo veel voor ons deed en leed, heeft ons niet ontheven van de strenge verplichting, dat wij zijne voetstappen drukken. Het leven van den Christen mag niet in werkeloosheid voorbijgaan, en het feest van Jesus' Besnijdenis stelt ons eene waarheid voor, een eisch waaraan elke leerling des Heeren voldoen moet. Wij zijn besneden â leert de h. Paulus â in Christus, door eene niet met de hand verrichte besnijdenis, niet met het uitdoen van het lichaam des vleesches, maar door de besnijdenis van Christus, daar wij met Hem begraven werden in den Doop (Col. Ill, 11). Wij zijn, toen wij gedoopt werden, op geestelijke wijze besneden van het lichaam der zonde
116
FEEST VAN JESI'S' BESNIJDENIS.
l|! fci
gt;1 ia
ïln'fi
117
t I
t ^ ,
' V:|
!:' I' |
ifl OV!
'I; , I
'! V
Tt
4
t'i
1 ii'
door het afleggen van den ouden en het aandoen van den nieuwen mensch; wij werden toen verplicht een heilig leven, een leven naar Gods gebod te leiden; te leven, niet volgens de driften van eene naar het verboden overhellende natuur, maar overeenkomstig eetie hoogere en heiligheid eischende wet, door den Verlosser in daden zoowel als in woorden aan allen gepredikt. Het offer van zijn Lichaam en van zijn Bloed, door Jesus op den dag zijner Besnijdenis opgedragen, is niet minder het toonbeeld dan de verdienende oorzaak voor onze geestelijke verbetering. Wij leeren daaruit, dat het dooden van het lichaam der zonde, het vermijden van hetgeen waartoe eene booze begeerlijkheid ons verleiden wil, het verzaken aan ons zeiven om in den dienst te treden van God en van den evenmensch voor eiken Christen een levenswet is. Voor de inspanning daartoe gevorderd, voor het lijden daarmede gepaard, mag een volgeling van Christus niet terugschrikken. Hij zelf, de Meester, heeft de vernedering en de pijn der Besnijdenis willen ondergaan, en zoude dan de leerling zich willen ontslagen achten van de moeilijkheden, welke onafscheidelijk aan het beoefenen der deugd zijn verbonden? Dit ware een even schuldig vergrijp tegen de door God vastgestelde orde als eene groote dwaasheid. De boven besprokene deugden vereischen eene groote overwinning op onze zinnelijkheid en hebzucht en gemakzucht; maar daarom mag niemand er tegen opzien, om ze zich eigen te maken. Onze neiging tot onmatigheid en begeerlijkheid moet besneden, dat is: eerst beteugeld en beheerscht en dan vervangen worden door de edele hoedanigheden, welke de h. Paulus in zijne bekeerlingen eischte. â Misschien zijn wij nog verwijderd van die geestelijke besnijdenis, welke ons welgevallig in het oog van God moet maken en tevens als een onderpand geldt voor een in den waren zin des woords gelukkig, zalig jaar; maar hoe meer nog die gevorderde zielsgesteldheid ons ontbreekt, met des te grooteren ijver dient de hand aan 't werk geslagen. De gewenschte gelegenheid daartoe zal wel niemand missen. Al begint dit jaar ook onder de gunstigste omstandigheden, toch zullen er dagen komen, waarop wij, willen wij den naam van Christen niet onwaardig zijn, onze hartstochten moeten be-
i1'
I L
i' i m
FEEST VAN JESUS* BESNIJDENIS.
118
dwingen en de tegenover gestelde deugden beoefenen; dagen ook, waarop aan ons bedorven hart een heilig geweld moet aangedaan worden om het te onderwerpen aan de wet van den Allerhoogste; dagen waarop veel van onze lijdzaamheid en lankmoedigheid, niet minder van onze liefde zal gevorderd worden, waarop menige klacht gesmoord en menige beleediging vergeven, waarop met groot geduld geleden en een harde strijd gevoerd zal moeten worden. Het is nuttig, dat een ieder zich dat voorstelle en zich daarop voorbereide, om den waren vrede te kunnen bezitten, zonder welken een waar geluk, een zalig jaar niet denkbaar is.
I!
Iff
mm 1 iil'i i!
1 nnlti
h yim
t i;
iRi
FEEST VAN DRIE KONINGEN.
' â :
f1 ⦠gt;
. â¢y
fi-1 PK
I; ⢠â¢'
i-
,4
'W: l'
mquot;
r k
i 'fflS
Sta op, word verlicht, Jerusalem ! want uw Licht is gekomen en de glorie des Heeren over u opgegaan. Want zie, duisternis bedekt de aarde en nacht de volken ; maar over u gnat de Heer op, en zijne heerlijkheid verschijnt in u. En volken zullen wandelen in uw Licht, koningen in den glans, die u is opgegaan. Hef uwe oogen op in het rond en zie ! Deze allen verzamelen zich, komen tot u ! van verre snellen uwe zonen aan, van alle kanten verrijzen uwe dochters. Dan zult gij het zien en overvloed hebben ; uw hart zal verbaasd zijn en zich verwijden, als der zeeën menigte zich tot u keert, der heidenen macht tot u komt. Een overstrooming van kameelen bedekt u ! Dromedarissen uit Madian en Epha! Uit Saba komen zij allen, goud en wierook aanbrengend en den Heer lof-zingend. Isaïas LX, iâ6.
Inleiding. Gelijk schier elke profetie heeft ook de bovenstaande een dubbelen zin. Zij wijst op eene nabij zijnde en op eene nog in een ver verschiet liggende toekomst. Zij kan verstaan worden van de hernieuwing des joodschen volks, als het
FEEST VAN DRIE KONINGEN.
uit de babylonische gevangenis naar het land der belofte zou teruggekeerd zijn ; maar het grootste gewicht moet gelegd worden op de schildering, welke daarin gegeven wordt van de heerlijkheid en uitgebreidheid des Rijks van den Messias, als deze op aarde verschenen en zijne zegenrijke werkzaamheid begonnen was. Dan zou, aldus voorspelde de Profeet, een nieuw Jerusalem verrijzen, de stad Gods bij uitnemendheid, de Kerk van het Nieuwe Verbond, waarover het goddelijk Licht, Jesus Christus, zou opgaan, en ze door zijne openbaringen of door het prediken der eeuwige waarheid verlichten. Dat nieuwe tijdvak nam een aanvang, toen Jesus onder de zijnen gekomen was en door zijn leer en voorbeeld, door zijne wonderen en God-menschelijk leven het Licht der wereld werd. Vóór dien tijd heerschte duisternis rondom, onder de Joden en onder de Heidenen. Maar weldra zouden velen het Licht, de opgaande Zon uit den hooge, zien en zich verheugen; allengs meerderen zouden de eenige Waarheid erkennen en belijden. Van heinde en verre, uit alle volkeren zouden voornamen en geringen toestroomen en zich in de Kerk van Jesus laten opnemen. En, in de vreugde des harten over de verworvene genade zouden zij de edelste geschenken aanbrengen, om hunne dankbaarheid te betoonen en andere lofwaardige gevoelens te uiten. â Deze losse opmerkingen zijn niet voldoende; wij moeten met allen ernst overwegen : I. het Licht, de Uitgebreidheid en Zegeningen van dat nieuwe Gods Rijk;
II. de Gaven door de onderdanen van dat Rijk aan te brengen.
1.
Wij schamen ons bijna, nu wij de vraag gesteld hebben : wie is Jesus Christus? Geen Katholiek, die niet met juistheid daarop het antwoord weet te geven. Toch dient hier uitgelegd, Wien de Profeet Isaïas in den geest zag, toen hij de woorden van onzen Epistel neder schreef, Wien ook de drie Koningen in den stal van Bethlehem aanbaden. Evenwel beperken wij, om niet in herhalingen te vervallen, ons antwoord
120
FEEST VAN DRIE KONINGEN.
tot eene enkele zijde van Jesus' zegenrijke werkzaamheid op aarde. Wij beschouwen Hem namelijk nu alleen in zijne Grootheid als het Licht dezer wereld, in die onvergelijkelijke Waardigheid, welke van Hem voorspeld was, waarin Hij Zich vertoonde en werkzaam bleef gedurende zijn leven op aarde en nog voortdurend blijft door de Kerk, welke Hij stichtte.
Onder het beeld van licht was de God-mensch in het oude Testament meermalen en op verschillende wijzen aangeduid. De merkwaardige voorspelling van Balaam luidde : eene Ster zal opgaan uit Jacob en een Schepter zal verrijzen uit Israël... Uit Jacob komt de Heerscher (III Mos. XXIV, 17.19). Volgens de eensluidende verklaringen der Joden en de algemeen heerschende opvatting der Kerk duidt die profetie op den Messias, door den Profeet in den geest gezien en ten spijt der vijanden van Gods volk verkondigd. Vele Kerkvaders gaan nog verder en geven als hunne vaststaande overtuiging aan, dat Balaam's profetisch woord zelfs onder de heidensche volkeren van het Oosten algemeen bekend was niet alleen maar zelfs in dien zin werd opgevat, dat de Ster wees op eenen geweldigen Heerscher, die machtige vijanden overwinnen en rijken aan zijn gebied onderwerpen zoude. Wij, Katholieken, onderschrijven daarenboven bereidvaardig het gevoelen der Kerk, welke in die ster de voor stelling ziet van de Powder Gerechtigheid, opgaande over alle volkeren en hare stralen uitschietende tot aan de grenzen der aarde, van het eenige en ware Licht der geheele wereld, dat allen zoude verlichten, die in de schaduw des doods gezeten waren, van dat licht, hetwelk iederen mensch verlicht, die komt in deze wereld (Luc. I, 79; Joan. I, 9), Wanneer wij dan ook bij den Profeet Habakuk lezen: God bedekt de Hemelen met zijne heerlijkheid en de aarde is vol van zijn lof; zijn glans is als het Licht (Hl, 3), dan belet ons niets die lofspraak op Jesus toe te passen, die het geen roof achtte aan God gelijk te zijn. Is God licht en is in Hem geenerlei duisternis (1 Joan. I, 5), ook aan den mensch-geworden Zoon
121
FEEST VAN DRIE KONINGEN.
des Vaders moet dezelfde eer gegeven worden, aan Hem die de lichtglans is zijner heerlijkheid en het afbeeldsel zijns Wezens (Hebr. I, 3). Zoo stemmen de bezielde schrijvers van het Oude en van het Nieuwe Testament overeen om den godde-lijken Verlosser ons voor te stellen en Hem te doen huldigen als den Opgaande uit den hooge, die de duisternissen verdrijven en het ware Licht brengen zoude.
Om zoo duidelijkte zijn, als mogelijk is, wijzen wij nog op de volgende voorspellingen van drie eerbiedwaardige Profeten der vorige eeuwen: Zie â aldus sprak Isaïas in Gods naam tot den toekomstigen Messias â zie, Ik maak u tot een Licht voor de Heidenen, opdat Gij mijn heil brengt tot aan de grenzen der aarde (Is. XLIX, 6.) In gelijken zin zong de grijze Simeon, toen hij van het goddelijk Kind van Maria, dat hij op zijne armen droeg, voorspelde: mijne oogen hebben, o Heere! uw heil gezien, dat Gij bereid hebt voor het aangezicht van alle volkeren, een Licht ter openbaring voor de Heidenen en een Luister voor mo volk Israël (Luc. H, 30). Niet onduidelijk, meenen velen, vergeleek Joannes de Dooper zich zeiven en den Christus met twee lichten, met het licht hetwelk schijnt in den nacht en met dat hetwelk schijnt over dag, dewijl hy zeideHij moet grooter worden, maar ik kleiner (JoanlH, 30). Het was â dien zin leggen bedoelde schrijvers in de aangehaalde woorden â alsof hij zeggen wilde: âhet ligt in âons beider bestemming, dat volgens Gods raadsbesluit Hij âin eer en aanzien bij de menschen en ook in aantal van .leerlingen moet toenemen, ik daarentegen al meer onder elk âopzicht afneem; al ben ik de laatste der Profeten en ook âde grootste, omdat ik den Verlosser der volkeren niet zoo âzeer voorspel als wel met den vinger aanwijs, tegenover den âMessias ben ik niet meer dan een ster des nachts, welker âglans verbleekt bij het rijzen der zon; Hij daarentegen, âal is Hij in de gestalte van eenen dienstknecht verschenen âen al leefde Hij jaren lang in vergetelheid, zal, gelijk de zon
122
feest van drie koningen.
âhare stralen over de geheele aarde uitwerpt om ze te ver-âlichten, te verwarmen en vruchtbaar te maken, zijn volle âLicht doen schijnen tot aan de uiteinden der wereld.quot; Zoude ook Jesus â vragen wij ten besluit â door den hemelschen Vader zeiven niet in dien luister van ongeëvenaarde glorie, in dien glans van zijne Grootheid, waarmede Hij al de bewoners van het aardrijk moest verlichten, geopenbaard wezen, toen Hij eere en heerlijkheid ontving van God den Vader, toen van de luistervolle Heerlijkheid deze stem tot Hem neerkwam, eerst aan de boorden van den Jordaan en later op den heiligen berg: deze is mijn welbeminde Zoon, in Wien Ik mijn welbehagen heb gesteld, en daarbij het gebod, voor alle men-schen van alle tijden geldend, werd afgekondigd: hoort naar Hem {II Petr, II. 7), als naar iemand, die de woorden des levens predikt en het licht der waarheid ontsteekt?
De voorspellingen werden vervuld, de vóórafbeeldingen werden waarheid, toen Hij, die a,ls de Leeraar en Wetgever was aangewezen, naar Wien allen moesten luisteren, op de aarde kwam en onder de zijnen leefde en werkte. Het licht verdreef toen de duisternissen der dwaling en een fakkel werd ontstoken op de paden, waarlangs het geheele mensch-dom kon en moest opgaan naar het onvergankelijk Licht, waarin God troont. De Profeet Isaïas aanschouwde die Heerlijkheid van den beloofden Messias en voorspelde in deze zinrijke bewoordingen het nieuwe Jerusalem : uw licht is
gekomen, en de glorie des heeren is over u opgegaan ; de
Heer gaat over u op, en zijne Heerlijkheid verschijnt in u. En volkeren zullen wandelen in uw Licht, Koningen in den glans, die u is opgegaan.
Een meer gezag-hebbende getuigenis, dat het ware Licht verschenen was, kan niet aangevoerd worden dan het woord van Jesus zeiven, die Zich in overeenstemming met alle oudere en nieuwere voorspellingen noemde het Licht der we-
123
FEEST VAN DRIE KONINGEN.
reld (Joan. IX, 5), den Weg, de Waarheid en het Leven (Joan. XIV, 6), die aan allen de verzekering gaf, dat een ieder, die Hem volgde, niet in de duisternis wandelde maar het Licht des levens zoude hebben (Joan. VIII, 12), en die allen vermaande: terwijl gij het Licht hebt, gelooft in het Licht, opdat gij kinderen des Lichts moogt zijn (Joan. XII, 36.j â Geen der menschen was van de deelname aan die genaden uitgesloten. Allen konden des Lichts worden: voor u, die mijn Naam vreest, zal â aldus voorspelde God door den Profeet Malachias â opgaan de zon der Gerechtigheid (IV, 2), Jesus Christus namelijk, die het Licht der wereld werd door zijne leer en de Bewerker der gerechtigheid door zijne genade voor allen, die Hem aannamen. Toen Hij onder de zijnen kwam,
BEDEKTE DE DUISTERNIS DE AARDE EN NACHT DE VOLKEREN.
De mensch kende zich zeiven niet en leefde in onwetendheid omtrent zijne hoogste belangen. Voor de gewichtigste vragen had hij geen antwoord en wist niet waar zijn oorsprong was noch waar zijne bestemming lag. Met die onwetendheid op godsdienstig gebied ging een zedenbederf gepaard, dat met alle beschrijving spot. Die ongelukkigen zagen den afgrond van zedelijke ellende niet, waarin zij gevallen waren. Schier allen hadden hun weg bedorven en waren gezonken tot een dienst van afgoden, welke met het leven hunner kinderen tevens het offer vergden van alle schaamte en eerbaarheid. Wel schitterden sommigen door hunne talenten en geschriften, door hunne ontdekkingen of veroveringen; wel stonden bekwame krijgslieden op, welsprekende redenaars en uitmuntende geleerden; maar geen enkele bracht verbetering aan in dien Chaos van dwalingen noch wierp een of ander een dam op tegen de uitspattingen der zedeloosheid. De wereld werd niet beter onderricht, noch zedelijker gemaakt; de kennis van de eeuwige waarheid bleef ontbreken en de hervorming der zeden werd nergens gezien; zelfs, naar het scheen, was het ontaarde menschdom veroordeeld te blijven zitten in de duisternis der
124
flli
n i i f 11 lit.
,.|i
l
PEEST VAN DRIE KONINGEN.
MSjtl!
it, i' Hi;
I ;!
125
onwetendheid en der zedeloosheid. Een Redder in den nood, een Wijze even bekwaam als machtig, een Verlosser moest opstaan, die door het woord des levens den geest aan de waarheid onderwerpen en door zijne genade het hart voor de deugd winnen kon.
Jesus verscheen op aarde, machtig in woord en in werk, vol van waarheid en genade, om het aanschijn der geheele wereld te vernieuwen. Geen treffender vergelijking is denkbaar dan welke wij boven den Profeet Malachias hooiden maken. Maar de God-mensch, ofschoon in de gestalte van eenen dienstknecht omwandelende, werd voor de zedelijke wereld veel meer dan wat de zon voor het aardrijk is. Kan dit niet bloeien, als de zon hare aantrekkingskracht niet uitoefent, noch vruchten dragen als zij hare warmte niet verspreidt en hare stralen niet uitschiet, de mensch zoude onder godsdienstig en zedelijk opzicht in de diepste ellende gezonken zijn gebleven, ware voor hem geen nieuw licht opgegaan en had hjj de kracht van zijn leven niet gezocht in Christus Jesus; zijn bestaan bleef voor de eeuwigheid nutteloos en onverdienstelijk, als het licht des geloofs zijn geest niet bestraalde en de gloed der liefde zijn hart niet verwarmde. Waar anders die gaven des Hemels te vinden dan bij Jesus, die de bede kon verhooren: Heer! kom mijn ongeloof te hulp (Marc. IX, 23) en gekomen loas om het vuur der liefde op de aarde te brengen en niets liever wilde dan dat het in aller harten ontstoken werd (Luc. XII, 49)? En zóó uitnemend groot is die schat van genaden, welke voor allen bestemd is, dat hij alle menschen van alle tijden kan rijk maken, dat elk volk daaraan kan deelnemen, mits de duisternissen niet meer bemind worden dan het Licht.
â I
pi
m 'M
'ii
VI.... 'IIM
m l
HJ â i i
hquot; â i
â â ! I k1!
Jesus Christus was het ware, het eenige Licht. Niet voor het land van Palestina alleen, niet slechts gedurende de weinige jaren van zijn openbaar leven, maar voor alle menschen
PEEST VAN DRIE KONINGEN.
126
van alle eeuwen en van alle plaatsen. David had voorspeld, dat God aan Hem de volkeren tot zijn erfdeel en de grenzen der aarde tot zijn bezit zou geven (Ps II, 8), en de Engel Gabriel zeide tot Maria: de Heer zal Hem den troon geven van David, zijnen Vader; en Hij zal heerschen over Jacob's huis in eeuwigheid, en zijn Koninkrijk zal geen einde hebben (Luc. I, 33). Met andere woorden â dit toch is de zin van die profetiën â Jesus zou een Koninkrijk stichten, waarvan David's uitgebreid rijk slechts eene vóórafbeelding was, een nieuw en geestelijk Koninkrijk dat niet slechts, zooals het gebied van Israel's koning, vele maar alle volkeren moest omvatten en nog voortduren zou, als David's rijk reeds lang tot het verledene behoorde, als vele eeuwen reeds waren voorbijgegaan, dat is: tot in alle eeuwigheid. Jesus Christus is gisteren en heden, dezelfde en in eeuwigheid (Hebr. XIII, 8); Hij, de mensch-geworden Zoon Gods, is onveranderlijk en even onvergankelijk is ook zijn geestelijk Koninkrijk, de door Hem gestichte Kerk. En het bracht geene stoornis in die goddelijke instelling van Jesus, dat Hij naar den Vader terugkeerde, van Wien Hij was uitgegaan. Zijn Rijk van waarheid en van genade moest uitgebreid worden tot aan de uiteinden der wereld; zijn Licht moest schijnen over alle volkeren, gelijk de zon hare stralen werpt over het geheele aardrijk. En metterdaad: uit Sion ging de wet uit en het woord uit Jerusalem. De twaalf Apostelen en hunne opvolgers waren de bedienaars van Gods woord en de uitdeelers zijner geheimen ; zij ook maakten den Naam van Jesus bekend aan Vorsten en Koningen, aan de kinderen Israel's en aan de Heidenen. Aan die opvolgers in zijn heilig dienstwerk had Jesus bevolen: âgaat en onderwast alle volkeren,quot; en getrouw aan zijn bevel verdeelden zij onder elkander de verschillende gewesten der wereld. Nauwelijks verliepen weinige jaren of de bewonderenswaardige leer van het Evangelie was alom verkondigd en daarmede het aanschijn der aarde veranderd.
FEEST VAN DRIE KONINdEN.
Onbeschrijfelijk groot waren de zegeningen, door Jesus'
komst aan het geheele menschdom gebracht. De duisternis van de dwaling en van de onzedelijkheid week voor het licht der ware leer en der strenge zedenwet. De hoofdwaarheden van den waren Godsdienst, vaste grondslagen van eene degelijke zedelijkheid en van elke deugd, werden alom gepredikt en wie het woord Gods geloovig aannamen, herkenden zich zeiven niet meer en schaamden zich over hetgeen zij geweest waren. De leer omtrent de eenheid van God, de goddelijke Voorzienigheid, de eeuwigheid van belooning en van straf, de bestemming des menschen â het waren als zoo vele lichtstralen in het donkere van den nacht, als zoo vele vuurbaken welke aan de op de wereld-zee dobberenden den rechten koers naar de haven des heils aanwezen, maar tegelijk indrukwekkende vermaningen om het geweld der hartstochten te beheerschen. De vrees voor Gods toorn en de hoop op vergelding legden der lage driften een teugel aan ; de kennis van een God, die de geheimen des harten kent, die elk werk als strafwaardig veroordeelen of als goed prijzen zal, breidelde de bedorvenheid van 's menschen natuur. Zoo werkte de waarheid ter veredeling en heiliging van den levenswandel der geloovige Christenen en zij werden, in den besten zin des woords, deugdzame menschen.
Aldus werd Jesus Christus door de Kerk, welke Hij gesticht had, de Leeraar en Wetgever der wereld, de Bewerker van het geloof en de Hervormer der zeden. Voor allen was zijne Heerlijkheid verschenen: volkeren ivan-delden in zijn Licht en Koningen in den glans, welke was opgegaan. Van heinde en verre kwamen zij toegestroomd; zijne zonen snelden aan en zijne d(fchters verrezen van alle zijden. * Hij was voor allen gekomen en niemand werd uit dat nieuw en verlicht Jerusalem geweerd. Onwetenden, armen en zwakken, allen die wilden, konden zich laven aan de bronnen des Zaligmakers. Alle rangen en standen waren geroepen om
127
PEEST VAN DRIE KONINGEN.
128
deel te nemen aan den bruilofts-maaltijd des Lams en, wie zich slechts met het vereischte gewaad vertoonde, genoot de heerlijkste gaven van eene onuitputtelijke Milddadigheid. De ware wijsheid was het erfdeel geworden zelfs voor de minst bedeelden naar de wereld; de waarheid werd het gemeenschappelijk goed voor wie ze zochten. Een eenvoudig Christen landman wist meer dan de scherpzinnigste der wijsgeeren van den heidenschen tijd. Ook de ware beginselen, waarop het gebouw der maatschappij als op een fundament moet rusten, waardoor het huisgezin moet worden bestuurd, werden verkondigd en vonden ingang in de gemoederen. Waar Christus' leer doordrong, werkte zij heilbrengend in op de maatschappelijke verhoudingen der geheele menschheid. Zij herstelde de waardigheid van den mensch in eere en verzekerde de veiligheid der personen en beschermde de heiligheid van het recht en van den eigendom en van het huwelijk. Het wettig gezag werd onschendbaar verklaard en geheiligd door den goddelijken oorsprong, welken het Christendom daaraan toekende ; aan God te geven wat Godes en aan den Keizer wat des Keizers is, was eene der voornaamste verplichtingen door de nieuwe leer bevolen; de gehoorzaamheid aan de verordende machten mocht niet langer uit slaafsche vrees voor straf maar om wille van het geweten bewezen worden. Opdat zoowel het gebruik van den rykdom als de uitoefening van de macht binnen de wettige grenzen beperkt bleven, werd geleerd dat God de Gever van beiden was en eens, zonder onderscheid van personen, allen ter verantwoording zou oproepen. Al de onderrichtingen, welke in de kerkelijke bijeenkomsten aan de geloovigen werden voorgehouden, spraken van den waren vrede des harten, â¢s'Slke alle begrip te boven gaat en beloofden dien schat, mits deze voorwaarden vervuld werden: de beleedigingen des naasten moesten vermeden en de ontvangene vergeven worden; waakzaamheid op de zintuigen, matiging van begeerten, beteugeling der hartstochten,
PEEST VAN DB1E KONINöEN.
bedwang van het hart dat naar het zinnelijke geneigd is, ijver voor wat goed, rechtvaardigheid en liefde voor wat eerbaar was, matigheid in het gebruik der goederen welke God verleende â deze eu nog andere deugden moesten, naar eiken stand en staat, getrouw beoefend worden. Voor alles drongen de leeraars der nieuwe Wet van Jesus aan op de liefde tot God en den evenmensch, op de gehoorzaamheid der kinderen en onderhoorigen, op de waakzame zorg van ouders en overheden. Eene geheele omkeer in de maatschappelijke verhoudingen werd door hen beoogd en ook, in de kracht Gods, bewerkt. Naarmate het Licht, door Jesus ontstoken, al verder en verder scheen, vond de gewenschte verandering plaats in de richting van den geest en van het hart en van den wil der menschen, in de wetten en gewoonten der staten, in de samenleving der burgers. De nacht was voorbijgegaan en de dag was aangebroken; het Licht scheen en nu namen de duisternissen het op; het menschdom, in onwetendheid en zonde vervallen, sloot niet langer het oog voor de waarheid en begon het kwade te haten. Jesus overwon en de Kerk kon allen toeroepen: wie in de duisternis wandelt en geen licht heeft, die vertrouwe op den Naam des Heeren en steune op zijnen God (Is. L, 10).
Opmerking. Wij mogen het dan den groeten Profeet nazeggen : zingt lof gij, hemelen / en juicht gij, aarde ! weergalmt van lof gij, bergen / want getroost heeft de Heer zijn volk en Zich erbarmd over zijne armen (Is. XLIX, 13)! Toch zal die blijdschap des harten eerst dan ons deel kunnen zijn, als Jesus voor ons blijft de Wijsheid en de Kracht â de Wijsheid om ons door alle stormen des levens te voeren naar de eeuwige rust des Hemels; de Kracht om onze zwakheid te steunen in den moeilijken strijd, welken wij dagelijks te voeren hebben, opdat ook wij eens met den koninklijken Profeet in waarheid mogen zeggen: zend, o God! uw licht af en uwe trouw ; die zullen mij geleiden en mij voeren tot uwen heiligen berg
Verklaringen der Epistelen. 9
: f ilï
I pp ii i NI
s : if I; i : gt;
:: 1!
129
i
tv,
iji' I
I
l'
i 1
tiV t .
I
Ã
â¢. -Hifi j
t
f ;i
feest van drie koningen.
en in uwe woning (Ps. XLIII), opdat wij eens het eeuwig Licht mogen zien, in welks aanschouwing de Heiligen zich voor eeuwig' verheugen. â De genaden boven opgenoemd en door Jesus op aarde gebracht, eveneens de rijke belooningen door Hem aan ons in 't verschiet gesteld, zijn onwaardeerbaar groot en elk Christen zal zich wel in gemoede moeten afvragen : wat zal ik den Heer weergeven voor alles, wat Hij mij gegeven heeft (Ps. CXV, 13) Ons antwoord op de gestelde iijl vraag kan â om in den geest van den Profeet Isaïas te blij
ven spreken â geen ander wezen dan wat wij in den Epistel van dezen dag lezen en wat het Evangelie van de Koningen meldt.
II.
Uit Saba komen zij allen, goud en wieeook aanbrengende en den Heee lofzingende, voorspelde Isaïas van hen, i die door Christus zouden verlicht zijn, en de h. Mattheüs
verhaalt, dat de drie Koningen, behalve de twee genoemde gaven, ook myrrhe aan het goddelijk Kind van Bethlehem offerden. Hiermede is het gewenschte antwoord gegeven. Alwie Jesus Christus in de ware Kerk belijdt en aanbidt als den Weg, de quot;Waarheid en het Leven, mag Hem niet minder aanbieden. Dezelfde geschenken moeten door eiken Christen aan zijnen Verlosser worden geofferd ter erkenning en huldiging van diens Natuur, Waardigheid en Zending. Aan den Koning van oneindige Majesteit worde het goud der liefde en der trouw, aan den eeuwigen God de wierook der aanbidding en der vereering, aan den sterfelijken God-mensch de myrrhe der dankbaarheid en des medelijdens geofferd. Verder nog: wy dienen te belijden, dat Jesus' leer als goud kostbaar, zijn offer als wierook Gode welgevallig, zijn wandel voor God en voor de menschen heilig was en gepaard ging met eene liefde voor allen, welke evenals de myrrhe een aangenamen geur verspreidde en een opwekkenden invloed
130
f l![lla8ra
FEEST VAN I)EIE KONINGEN. 131 il 1
' ( I
% r'Wt
uitoefende. Nog meer: wij, Christenen, zijn verplicht om aan de voeten van den Bewerker van ons geloof en van onze zaligheid af te leggen de hebzucht waarvan het goud, de hoovaardij waarvan de wierook, de zinnelijkheid waarvan de myrrhe het zinnebeeld is. Met andere woorden: wij moeten verzaken aan den hoogmoed des levens, aan de begeerlijkheid der oogen, aan de begeerlijkheid des vleesches. Geene huldi- {
ging van den Zaligmaker der wereld kan aan Jesus, die arm en nederig was en leed, aangenamer wezen dan wanneer wij aan al die wereldsche dingen vaarwel zeggen, om ons aan Hem te hechten.
De eischen aan den waren volgeling van den Verlosser ^
gesteld, de verplichtingen door zijn geloof hem voorgeschreven, , jllif
zijn alzoo èn veel in getal èn van groot gewicht. Niet minder dan de geheele mensch met al zijne vermogens der ziel ,
en met al zijne krachten des lichaams moeten gewijd worden aan den dienst van Hem, die allen het eerst heeft liefgehad.
Het ware Licht is over allen opgegaan om hen in de eenige I i
waarheid te onderrichten en tevens hun te leeren, wat zij aan hunnen Heer en God verschuldigd zijn. Allen hebben veel â i
ontvangen, ook veel wordt van allen gevergd. Door hunne vrijwillige gaven moeten zij hunne onderworpenheid, getrouwheid, aanhankelijkheid en dankbaarheid betuigen. Ofschoon God in geenen deele onze goederen behoeft; al wordt Hij niet rijker, zelfs wanneer alle menschen alles, waarover â¢: t
zij kunnen beschikken, Hem ten offer wijdden; al is Hij niet gelukzaliger, mochten ook alle schepselen Hem een onafgebroken loflied toezingen â toch heeft Hij altijd van den mensch het eene of andere offer gevorderd. In het oudeVer- li
bond moesten Hem niet alleen de eerstelingen van de kudden en vruchten des lands maar ook de eerstgeborenen der Israëlieten
⢠i quot;V-i
opgedragen worden en, wat wel opmerkenswaardig is: Jesus prees de arme vrouw om den penning, welken zij in de offerkist wierp; Hij ook beloofde, dat het offer van een dronk
i
, '1
i 1
Ml
i;'S i r
! 1
I
ki
«s
fill
l
132 PEEST VAN DKIE KONINGEN,
waters uit liefde tot God den dorstige toegereikt niet onbeloond zal blijven.
Opmerking. Wij zijn met deze laatste woorden niet van ons onderwerp afgedwaald. Voor het betoonen van de verplichte dankbaarheid kunnen kleinere offers volstaan, wanneer gaven van mindere waarde herdacht worden; zoo wij echter even als de drie Koningen staan voor weldaden en gunsten van de hoogste orde: voor de openbaring van de allergewichtigste waarheden, voor de mededeeling van de grootste genaden, dan zeker is geen offer zóó rijk, zóó uitmuntend, dat genoegzaam beantwoordt aan hetgeen wij ontvingen. Jesus moet heerschen in onze zielen, welke Hij vrijgekocht heeft niet met vergankelijke schatten dezer aarde, maar met zijn eigen kostbaar, goddelijk Bloed; Hij, die de helsche machten heeft overwonnen, moet over onzen wil heerschen en dien onderworpen zien aan het zoete juk, aan den niet te zwaren last zijner geboden ; Hij, die zoo ondenkbaar veel heeft geleden uit Liefde voor ons, moet heerschen over ons hart en, het ontrukkende aan de macht eener booze begeerlijkheid en aan de verlagende zinnelijkheid, al de neigingen daarvan in dienstbaarheid gesteld zien van zijne heilige verlangens. Alles wat wij zijn en ook alles wat wij hebben, het moet in beslag genomen worden, opdat de dankbaarheid voor zijn Licht en voor zijne Kracht, aan ons geschonken, nimmer kwijne; opdat wij ons een geheel leven lang betoonen als ware kinderen des lichts en als vrij-gemaakten van Christus. â Ook stoffelijke gaven dienen, zoo wij weten dat zij Hem aangenaam zijn, aan Hem gebracht te worden. Dan moeten de dromedarissen van Madian en Epha de gaven aanbrengen, de volheid der zee en de macht der volkeren helpen om Hem te vereeren. Wiens glorie en heerlijkheid ons is geopenbaard. Wat de natuur aanbiedt, wat de kracht en kunstvaardigheid des menschen vermogen, wat rijkdom geven kan, wat het hart en de geest en de wil van den mensch kunnen aandragen â het worde een dank- en aanbiddingsoffer aan den God van alle Goedheid gewijd. Onze voorouders zijn ons daarin voorgegaan. Uit liefde tot den godde-
M! iff
FEEST VAN DRIE KONINGEN.
133
i-lpp!
ë
1 ⢠-Hi
f '\f:
üil
r
: I
'kai
Ã! â 1
'''.F 'i , i i i
; I
. ^ )J
lijken Kindervriend en Leeraar der onwetenden zijn vele instellingen voor een godsdienstig onderricht in 't leven geroepen ; in navolging van den barmhartigen Samaritaan verrezen huizen waar elk soort van menschelijke ellende heeling of minstens verzachting vindt; ook vele edelmoedige zielen hebben, in navolging van den medelijdenden Rechter, die de in overspel betrapte vrouw niet veroordeelde, zich gewijd aan de zedelijke verheffing van diep gevallen zondaren; Jesusquot; ter eere ijlden de boden des vredes tot aan de uiteinden der wereld, om aan allen de blijde boodschap te brengen en, het ware Licht ontstekende, de duisternissen der zonde te verdrijven. Zoo uitte zich de offervaardigheid der Christenen ten alle tijde, en hun voorbeeld moet voor allen een spoorslag ter navolging wezen. Wie zich echter van zijnen christelijken plicht alleen in zoo verre kwijten wil als het met de eischen van vleesch en bloed of met de gemakken des levens vereenigbaar is, die zal het in geene deugd tot heldhaftigheid brengen, zelfs zich niet wagen aan die daden, welke den Christen moeten verheffen boven de hoogte waarop een gewoon mensch staat. Hij blijft even karig in zijn weldoen als bekrompen in zijne opvattingenen zal nimmer die dankbare gever worden, welke in overvloed zaait om in overvloed te maaien.
% 'l-
j'
EERSTE ZONDAG NA DRIE KONINGEN.
Broeders ! Ik smeek u bij de Barmhartigheid Gods, dat gij uw lichaam opdraagt tot eene levende, heilige, Gode welbehagelijke offerande : uw redelijke eeredienst; en weest niet dezer wereld gelijkvormig, maar wordt door de vernieuwing uws gemoeds hervormd om te onderzoeken, wat de goede en welbehagelijke en volmaakte wil Gods zij. Want ik zeg door de genade, welke mij gegeven is, aan allen onder u: niet hooger van zich te denken dan het behoorlijk is te denken, maar met bescheidenheid over zich te denken, en zóó als God aan een ieder de mate des geloofs heeft toegedeeld. Want gelijk wij in één lichaam vele ledematen hebben, alle ledematen echter niet dezelfde verrichting hebben, zoo zijn wij, velen, één lichaam in Christus en, ieder afzonderlijk, elkanders ledematen, in Christus Jesus onzen Heer. Rom. XII, 1-5.
inleiding. In die gedeelten uit de brieven van den h. Paulus, welke de Kerk ons gedurende de verloopene feestdagen ter overweging voorhield, werd grootere nadruk gelegd op de
EERSTE ZONDAG NA DRIE KONINGEN.
leerstukken des geloofs, welke gekend, dan op de verplichtingen der zedenwet, welke vervuld moeten worden. Nu echter vernemen wij niets dan vermaningen en onderrichtingen, welke een leidraad dienen te zijn voor ons dagelijksch leven. Een verkorten inhoud der gewichtigste verplichtingen aan eiken Christen voorgeschreven hebben wij zoo even gelezen. Wij hoorden, welk offer God vordert van ons lichaam, van onzen geest, van ons hart; de h. Paulus leerde ons, dat ons godsdienstig leven eerst dan met recht redelijk en Gode welgevallig zijn zal, als ons lichaam rein en onze geest door het licht des geloofs geleid is, als de gevoelens van ons hart bestierd worden door nederigheid en liefde. Waarheden alzoo, welke niet met te grooten ijver kunnen overwogen maar ook niet kunnen veracht worden dan met beleediging van God en tot groot nadeel der ziel. Van den anderen kant: niets kan uitgedacht worden wat aan God grootere eer geeft en aan den mensch meerder voordeel aanbrengt dan wanneer de Christen zich zeiven en al zijne vermogens ten offer wijdt aan God en diens wet tot richtsnoer neemt van al zijne handelingen. Wordt op die wijze de verschuldigde eerbied aan God niet bewezen, de noodzakelijke waakzaamheid op ons zeiven niet uitgeoefend, aan den evenmensch niet een stichtend voorbeeld gegeven ? Redenen te over, om al onze aandacht te vestigen op den rijken inhoud van den Epistel van dezen dag, om de vele en allerleerzaamste lessen daarin voor een ieder onzer ter onderrichting opgeschreven met groote nauwkeurigheid na te gaan en op ons leven toe te passen. Welnu, om alles in twee woorden te zeggen : opdat de h. Paulus niet te vergeefs vermane, zullen wij van hem moeten leeren deze wijze levensregelen in beoefening te brengen:
I. ons lichaam moet een rein, Gode welgevallig offer en onze geest verrijkt zijn met de kennis van den goddelijken wil;
II. die wil is te volbrengen in ootmoed, in bescheidenheid, naar de mate des geloofs en ten voordeele van allen.
135
-! fjilji I m
'Ni
â . if
4ii
li
If
! . M'i; il
i
1 v u
f
eerstk zondag na drie koningen.
I.
Een eerste eisch door den h. Paulus voor een godsdien stigen levenswandel aangegeven is, dat wij onze lichamen tot een
levende, heilige, gode welbehagelijke offerande opdragen.
God heeft ten alle tijde van zijne schepselen een of ander offer gevorderd ter erkenning vooral van zijne Opperheerschappij. Zelfs lag het bewustzijn van die verplichting zóó diep in 's menschen hart ingedrukt, dat ook: de Heidenen zich tot het brengen van offers gehouden gevoelden. Doch, gelijk in het voorwerp van hunne aanbidding, evenzoo dwaalden zij in de keuze der offers, welke zij brachten, daar zij dikwijls menschen op wreedaardige wijze als slachtvee doodden ter eere van hunne afgoden. De Joden hadden van Jehova door den mond van Moses, zijn grooten dienaar, juist omschrevene geboden ontvangen, op welke tijden en welke offers aan zijne goddelijke Majesteit opgedragen moesten worden. Naar den aard en naar de tot zinnelijkheid geneigde natuur van dat volk waren zij berekend die voorschriften des Heeren: vruchten van den grond en velerlei soorten van dieren waren vooral opgeëischt door den Heer der schepping.
Onder de volmaaktere wet van Jesus Christus moest ook het offer volmaakter wezen. Wij bedoelen hiermede niet het Offer onzer altaren, dat hoogheilig, goddelijk is en waarmede niets vergeleken mag worden. Nog een ander wordt van den Christen gevorderd, het offer namelijk van zijn lichaam, van zijne zinnelijke neigingen, van de begeerlijkheden, welke in hem strijd voeren tegen den geest. Sinds het gezegend oogen-blik af, waarop de Zoon Gods Zich met onze natuur omkleedde, ook met deze bedoeling om door zjjne Heiligheid het bederf te genezen, dat de zonde in ons vleesch als een vergift had ingestort, en om den mensch in diens vorige waardigheid te herstellen, welke hem sierde toen hij nog rein en onschuldig was, van dien stond af moest er eene geheele omkeer plaats
136
eerste zondag na drie koningen.
grijpen in 's mensctien denk- en handelwijze, ook wat zijn stoffelijk bestaan betreft. Zijn lichaam moest â volgens de leer door den grooten Apostel in andere brieven verkondigd â een tempel Gods wezen en zijne ledematen een tempel van den H. Geest, die in hem is, dien hij van God ontvangen heeft; hij moest van die waarheid doordrongen zijn en in zijn gedrag toonen de overtuiging te hebben, dat hij zich zeiven niet toe-behoort; want hij is voor een grooten prijs gekocht (1 Cor. III, 16; VI, 19).
Geheel in overeenstemming met die eischen der christelijke zedenwet vordert de h. Paulus in den Epistel van dezen Zondag, dat wij allen ons lichaam opdragen tot een offer, dat levend is. Het slachten van redeloos vee behoort tot het veriedene en aan het bloed van kalveren en stieren heeft God geen behagen meer. Van ons, onder de wet der genade levende, vergt Hij andere, zwaardere en persoonlijke offers. Dewijl door Christus Jesus de geheele mensch verlost is, moet ook de geheele mensch met zijn lichaam zoowel als met zijn ziel aan God gewijd worden. Het lichaam behoeft daarom niet door uitgezochte boetplegingen uitgemergeld; âhet moetquot; â zeide de h. Hiëronymus â âbeheerscht maar niet verzwakt wordenquot; ; het moet levend gehouden worden, opdat het een werktuig kunne wezen ter uitoefening van goede werken. Voor God moet het leven en bijgevolg dood zijn voor alles wat zonde is, wat uit de zonde is en wat tot zonde leidt â dood voor de traagheid, voor de genotzucht, voor het inwilligen van ongeoorloofde begeerlijkheden, voor het najagen van ver-bodene vermaken, maar levend voor den gevorderden arbeid, voor het bevorderen van Gods eer en des naasten welzijn, voor het trouw vervullen van beroeps- en standsplichten. Wie de ledematen en krachten van zijn lichaam in den dienst van God stelt en zijn werkkracht wijdt aan het beoefenen van wat goed is; wie in zjjn lichaam volbrengt wat God van hem vordert, die is levend in den waren zin en verheerlijkt
i' 1 If# i1; i ii;
il til:
1 â (:â
137
Jfc
ri.
* II
U\
«it f
ii gt;
t 'iv'. i fl!
iiï
|| .
i'
' l
i 1 ;flll
I
EERSTE ZONDAG NA DBIE KONINGEN.
God in zijn lichaam, die volgt het voorschrift des Apostels op: geeft uwe leden over om der gerechtigheid dienstbaar te zijn tot heiliging (Rom. VI, 19).
Bovendien wordt gevorderd, dat het lichaam zij een heilig offer â heilig in de beteekenis van rein en kuisch. Daarom schreef ook de h. Paulus: ook u, die eertijds vervreemd waart en vijandig van gezindheid in uwe booze werken, heeft (God) verzoend aan het lichaam zijns vleesches, door den dood, om u heilig en onbesmet en onberispelijk te stellen voor zijn aangezicht (Col. I, 22). Van nature begeert ons lichaam tegen den geest en neigt naar het verbodene. Er leeft in onze ledematen eene wet, welke aandruischt tegen die des geestes. Aan die heerschappij moet het lichaam onttrokken en gesteld worden onder de macht der rede en der wet Gods. Alle besmetting in woorden en daden te vermijden is plicht voor een ieder. Die strijd tegen de verkeerdheid van een tot zinnelijkheid overhellend hart is moeielijk en pijnlijk, vooral omdat hy niet eindigt dan met den dood. Toch is ons geboden dien niet te staken maar volhardend te blijven voeren, totdat de eindoverwinning bevochten is. Van opgeven mag en behoeft ook geen spraak te zijn, omdat wij met de hulp van Gods genade kunnen zinnen, niet op wat dezer aarde is, maar zoeken wat boven is en al onze vermogens des geestes kunnen aanwenden ter beteugeling van de driften der lagere natuur. Groote en ingespannen waakzaamheid is daartoe ongetwijfeld eene dringende voorwaarde. Alle zintuigen moeten in bedwang gehouden en aan een scherp toezicht onderworpen worden. De oogen mogen niet rusten op voorwerpen, welke slechts aan eene misdadige nieuwsgierigheid voldoening geven en de begeerlijkheid opwekken; de ooren mogen niet geneigd zijn tot het gretig opvangen van wufte of oneerbare gesprekken; de handen mogen niet gebruikt worden tot het aanraken van wat de welvoegelijkheid of de zedelijkheid op een verren afstand gebiedt te houden, en de voeten niet tot het bewan-
138
eerste zondag na drie koningen.
delen van gevaarlijke wegen; de mond mag zich niet openen tot het uitspreken van eene taal, welke voor eene of andere deugd kwetsend kan zijn. Daarentegen: met de oogen moet de Christen naar God en de hemelsche goederen opzien, met de ooren gaarne luisteren naar de woorden des levens en naar de verkondiging zijner verplichtingen, met zijne handen goede werken verrichten en liefde-daden verspreiden, met zijne voeten wandelen in al de geboden en voorschriften des Heeren, met zijn mond Gods lof verkondigen en den evennaaste stichten. In dien zin getuigde de h. Paulus van zich zeiven: ivat ik thans leef in het vleesch, dat leef ik in het geloof in Gods Zoon (Gal. II, 20); in dien zin ook verklaarde de h. Gregorius : âalwie niets voor zich zeiven behouden, maar hunne gezind-âheid, hunne tong, hun leven en het bestaan, dat zij ontvangen âhebben, aan den alraachtigen God ten offer brengen, zij âdragen een brandoffer op'quot;. Is op die wijze ons geheel lichaam geheiligd, dan is reeds aan den derden eisch voldaan.
Een Gode welbehagelijk offer is 't, mits eene zuivere meening bij al dien strijd voorzitte en elk onzer woorden en daden richte naar het eenig ware doel, waartoe alles moet teruggebracht worden. Die meening dient op al ons lijden en worstelenden stempel der verdienstelijkheid te drukken; bij gebreke daarvan gaat echter de waarde van het beste offer verloren. Wij zouden â om met den h. Paulus te spreken â ons lichaam kunnen overgeven om te branden, maar als niet de liefde tot God drijfveer was, het baatte ons niet. Eveneens is het zeer goed denkbaar, dat ons doen en laten naar het uiterlijke in volkomene overeenstemming bevonden werd met de eischen door God aan ons gesteld ; maar welk offer Hem ook opgedragen werd, het zoude Hem niet welbehagelijk wezen, als de gevorderde bedoeling daaraan niet ten grondslag lag. Ook de Joden waren stipt in het opdragen der voorgeschrevene offers, maar die behaagden den Heer niet, omdat de gezindheid huns harten verkeerd was; evenmin
139
eerste zondag na drie koningen.
âzal het offer der Christenenquot; - leert de h. Gregorius -âdoor God aangenomen worden, wat niet door de vlam der âliefde op het altaar der goede werken voor zijne oogen âontstoken wordt.quot;
Om zijne wenschen nog verder toe te lichten, vervolgde de h. Paulus: âweest niet gelijkvormig dezer wereld, weest âniet gezind, denkt en handelt niet gelijk de booze wereld, âwaartoe gij vroeger behcordet; maar hervormt u naar de âvernieuwing uws gemoeds, handelende en wandelende naar âde gezindheid, welke door de u medegedeelde heiligmakende âgenade in u is aangekweekt.quot; Toen de Apostel deze woorden neerschreef, stond voor zijn geest die heidensche wereld met al hare zonden van afgoderij en zedeloosheid, zooals hij zelf in zijn brief aan de Romeinen ze geschilderd had in hare geheele bedorvenheid en verleiding. Rome, zetel van den heidenschen Keizer, middelpunt van kunst en wetenschap, was ook de plaats, waar allerlei ongebondenheden en misdaden op de schaamtelooste wijze gepleegd werden. De wellust heerschte er met eene vryheid, waarbij alle ingetogenheid vergeten, elk gevoel van wat eerbaar heette, met den voet vertreden werd. De ondeugd zat er ten troon en werd aangebeden, om te schandelijker gediend te kunnen worden. Geen wonder, dat Paulus zijne nieuwbekeerden vermaande om zich voor dien afgrond van zedelijke bedorvenheid te wachten, dat zijn hart beefde van angst om de gevaren, waardoor zijne beminden bedreigd waren. Zij toch leefden in eene stad, waar de afschuwelijkste uitspattingen van een verwilderd hart in 't openbaar gezien, waar zonden bedreven werden, welke evenzeer eene onteering der menschelijke natuur waren als eene verkrachting der heiligste wetten. â En niet alleen moesten de tot het Christendom bekeerden zich van die besmetting rein houden; ook naar den inwendigen mensch dienden zij te leven in overeenkomst met de vernieuwing, welke in hen gewrocht was, toen zij het
140
eerste zondag na drie koningen.
H. Doopsel ontvingen. Geheel andere menschen moesten zy zijn: andere in hunne stemming des gemoeds, in hunne denkwijze, in hun gedrag, in hun omgang met den evenmensch.
Opmerkenswaardig is het, met welk een bijzonderen nadruk de Apostel zijne vermaningen aandringt. Op drieërlei wijze richt hij zijne liefdevolle woorden tot zijne beminde geloovi-gen. Eerst smeekt hij hen bij de liefde, welke hij hun toedraagt, dat zij toch gehoor geven aan zijne zedelessen. Ofschoon hij als vertegenwoordiger van zijn goddelijken Meester kon bevelen, wil hij liever als âbroederquot; vermanen en waarschuwen, wetende dat een woord uit het hart gesproken ook tot het hart gaat en door eene edelmoedige natuur eerder en bereidwilliger zoowel opgevolgd als aangenomen wordt dan het strenge woord van een bevel. Hij bidt zijne beminden dat zij niet ongevoelig zouden blijven voor eene bede door een vader tot hen gericht, welke niets minder dan hun eeuwig heil beoogt. âHij bidtquot; â zegt de h. Thomas â âopdat âzij gevraagd zijnde zich meer uit liefde lieten bewegen dan âuit vrees, na een bevel ontvangen te hebben.quot; â Vervolgens bezweert hij hen hij de Barmhartigheid Gods, dat zij zich naar zijne voorschriften zouden gedragen. Zij hadden â wilde hij zeggen â zóó vele genaden van God ontvangen, dat zij zich wel moesten laten geleiden door het gevoel en door den plicht der dankbaarheid. En hoe meer onverdiend en hoe meer uit loutere Erbarming die gaven geschonken, hoe grooter ook zij waren, des te ijveriger moesten zij zich betoonen om aan den Gever van alle goed op de volmaaktste wijze het offer te brengen, dat Hij van hunne erkentelijkheid vroeg. De Verlossing, de Rechtvaardiging, de vergiffenis van vele zonden, de heiligmakende genade â deze en nog vele andere weldaden had de Goedertierenheid Gods hun gegeven ; van hunnen kant waren zij dan verplicht om zich ook aan God te offeren. â Ten laatste verklaart de Apostel, dat het opvolgen van zijne vermaning eene redelijke eeredienst is. Eene eeredienst, eene
141
eerste zondag na dbie koningen.
dienst van God in den vollen zin van het woord. Alles toch, waardoor God verheerlijkt, zijn wil volbracht en Hem gegeven wordt, wat Hij van een ieder eischen moet, is het dienen van Hem, die over alles gebiedt. Dit is ook eene geestelijke, metterdaad eene redelijke onderwerping van den mensch aan den Allerhoogste. Zoo beweegt hij zich binnen die grenzen, welke hem werden afgebakend. Zijne volstrekte afhankelijkheid van zijnen God en Schepper, de duidelijk uitgesproken wil van God, het wegsleepend voorbeeld van zijnen goddelijken Zaligmaker en van de Heiligen der Kerk, de dringende eisch om zijne eeuwige belangen te behartigen, dit alles roept hem luid en overtuigend toe, dat hij niet wijzer, niet voorzichtiger handelen kan dan wanneer hij zijn lichaam, zijn leven en zijne krachten offert, uit liefde voor God.
Het was voor de bekeerde Romeinen niet voldoende, dat zij voor het uiterlijke slechts hunne vorige levenswijze veranderden. Hunne bekeering moest ook inwendig zijn; eene geheele omkeer moest plaats grijpen in hunne denkwijze, opvattingen en bedoelingen. Bij hen moest in plaats van de ondeugd de deugd treden, in plaats van de zinnelijkheid de beteugeling van driften, in plaats van den hoogmoed de onderwerping aan de goddelijke en kerkelijke wetten. Daartoe was wijsheid noodig, voorzichtigheid en opmerkzaamheid, vooral eene uitgebreide kennis van hetgeen God van hen verlangde. Om die redenen vervolgde de Apostel: wobdt dooe de vernieuwing üws gemoeds hervormd om te onderzoeken, wat gods
goede en welbehagelijke en volmaakte wil zij ; âonderzoekt, âniet of die wil goed is: dit toch kan niet anders wezen, âdaar God en derhalve ook zijn wil oneindig heilig is; maar âonderzoekt wat goeds en welbehagelijks en volmaakts die âwil u voorschrijft.quot; Hiermede is een ruim veld geopend, waarop die bekeerlingen uit het Heidendom hunne onderzoekingen moesten instellen. Zij â en niet minder wij allen â
142
EERSTE ZONDAG NA DRIE KONINGEN.
waren gehouden om immer op nieuw zich de vraag voor te leggen, of hetgeen zij voornemens waren te doen of te laten overeenstemde met den heiligen wil Gods, of dat zedelijk goed of wel in strijd was met de hun bekende voorschriften voor een godsdienstig leven. En met eene geringe mate van kennis, evenmin als met eene alledaagsche deugd mocht niemand zich vergenoegen. Al dieper moesten allen doordringen in de wetenschap des heils, om zoo eenveiligen gids te hebben voor hun wandel. Zij moesten weten en ook zich beijveren te doen wat Gode welbehagelijk was, al gebood de wet het niet; wat der christelijke volmaaktheid al nader bij bracht, diende onderzocht en beoefend. Volgens den h. Paulus was een ware leerling van den Heere Jesus Christus, wilde hij niet halverwege staan blijven, geroepen om de ware wijsheid, welke uit God is en naar God geleidt, te bezitten en dan te streven naar hooger om zich te verheffen boven het gewone peil van minder ijverige Christenen.
In die vermaningen van den Apostel lezen wij alzoo eene nadere verklaring van zijn bekend woord : de rechtvaardige leeft uit het geloof (Gal. III, 11). Het geloof, het geloovig aannemen van de gezamenlijke door God geopenbaarde waarheden, de kennis van het Christendom moet het licht zijn dat gevolgd wordt, de fakkel op den weg des levens ontstoken. Bij elke handeling, welke verricht wordt, is te vragen of zij in overeenstemming is met het doel, waarvoor de mensch op aarde geplaatst is, en in hoe verre zij dient ter verheerlijking van God en ter bevordering van het heil der ziel. Niemand behoeft te vreezen, of niet deze of gene vraag onbeantwoord zal blijven. Het geloof leert, dat degelijke gods-
^ ak
vrucht al de handelingen van den dag kan heiligen ; het roept de eeuwigheid in het geheugen terug als het laatste doel des menschen, waaraan alles ondergeschikt moet gemaakt worden ; het wijst op den Zaligmaker als op het volmaaktste voorbeeld van alle deugden, naar Wiens gelijkvormigheid
143
EEESTE ZONDAG NA DRIE KONINGEN.
met medewerking der geschonkene genade moet gestreefd worden. Het ware geloof, de vraagbaak en de wegwijzer en de raadsman van allen, die opgaan naar hunne eeuwige woningen, blijft nooit het antwoord schuldig, wanneer iemand met ernst onderzoek doet naar het doel dat te bereiken en naar de middelen welke aan te wenden zijn, opdat de eindbestemming niet gemist worde. Een goed geloovige weet, dat verworpen moeten worden al die valsche grondbeginselen der wereld, welke de genoegens der zinnelijkheid, de voldoening der eigenliefde en het genot van de eerzucht prediken. Daarenboven; hij is overtuigd, dat zijne aardsche woonhutte weldra ontbonden en eene eeuwige woning moet betrokken worden; dat zijn hart tijdens zijn leven kloppen moet van liefde voor den Vader die hem geschapen, voor den Zoon die hem verlost, voor den H. Geest die hem geheiligd heeft. Dat geloof moet en zal hem eerst, evenals de ster de drie Koningen naar den stal van Bethlehem geleidde, tot Jesus brengen en met de sterke banden van liefde aan zijn Verlosser hechten, en vervolgens den toegang tot het Rijk der eeuwige glorie voor zijne nieuwsgierige oogen ontsluiten, als hij vooraf in het licht van die hemel-gave heeft gedaan wat er goeds is in het onderhouden van Gods wet, wat er Gode welgevalligs opgesloten ligt in het opvolgen van Jesus' liefdevolle lessen, wat er volmaakts is in het gehoorzamen aan de inspraken van den H. Geest.
Opmerking. Die kennis van Gods h. wil bewerkt alzoo niet minder eene hervorming' van het hart dan eene verlichting' van den geest. De inwerking van de verstandelijke vermogens op quot;smenschen wil is onloochfciibaar. Niemand bemint, wat hij niet kent; niemand kiest tot voorwerp zijner werkkracht iets, wat hij niet als goed heeft leeren kennen. De beminnelijkheid der deugd, het redelijke en het voordeelige van den dienst van God moet eerst aan onzen geest duidelijk gemaakt zijn, voordat de wil besluit zich aan de gestelde eischen te onderwerpen.
144
EERSTE ZONDAG NA DRIE KONINGEN.
De Kerk van Jesus heeft daarom in het onderwijzen der volkeren altijd deze orde gevolgd; eerst leerde zij God en diens Volmaaktheden kennen, zijne vaderlijke Goedheid maar ook strenge Rechtvaardigheid; eerst de Opperheerschappij van de goddelijke Majesteit en de volstrekte afhankelijkheid van den mensch; eerst de rechtsmacht en het te eerbiedigen gezag van God- en dan, als die waarheden diep genoeg in den geest waren doorgedrongen, 's menschen verplichtingen tegenover Hem, van Wien hij het leven en zijne krachten en vermogens had ontvangen, aan Wien hij dank en eerbied en gehoorzaamheid verschuldigd was en eens rekenschap van al zijn doen en laten zou moeten geven, door Wien hij zeker eens en dan voor eeuwig of beloond of gestraft zoude worden. Die leerwijze, overtuigend en meesleepend, had zij overgenomen van den h. Paulus, die eerst de waarheden van het Evangelie predikte, dan de verkeerde begrippen bestreed om ten laatste de eischen van een godsdienstig leven te doen hooren. Wie zijne apostolische zendbrieven met gezette aandacht heeft gelezen, zal tot dat inzicht komen. Als den wortel van alle kwaad wees hij aan de dwaling van den geest, verspreid door de drogredenen van valsche leeraars; als de bron van alle zedelijk bederf gold voor hem de afwijking van de waarheid, zóódat de booze begeerlijkheid, ontketend en door geen band in toom gehouden, voor geene schandelijke werken van de wellust of van den hoogmoed terug deinsde. Van den anderen kant; het machtige middel tegen dat kwaad vond hij in het aannemen der waarheid, vervolgens in het wandelen naar den geest en in het aandoen van den nieuwen mensch, die naar God geschapen was in waarheid en gerechtigheid. â Een luid sprekend voorbeeld van die behandeling der godsdienstige onderwerpen lezen wij in den Epistel van dezen dag. Na allen vermaand te hebben om zich de noodige wetenschap van den wil Gods eigen te maken, verkondigde de h. Paulus eenige der eischen van dien redelijken en plichtmatigen eeredienst, aan een ieder van de gemeente te Rome bevelende wat hij in de volgende woorden uitdrukte. Een enkel woord ter verklaring is hier voldoende.
Verklaringen der Ãpislelen. 10
145
eeeste zondag na drie koningen.
II.
Niet hoogeb (van zich) te denken dan het behoorlijk is
te denken, maar te denken met bescheidenheid, en zóó als
God aan een ieder de mate des geloofs heeft toegedeeld. Hij wilde namelijk aan alle bekeerde Romeinen dezen levensregel voorschrijven. âAl zijt gij ook, door Gods Goedgunstig-âheid, mefc vele en buitengewone gaven van den H. Geest âbedeeld, wilt u daarom tegenover anderen niet verheffen; âmatigt u niets aan, wat niet strookt met uwe onverdiende âuitverkiezing; blijft nederig en beweegt u slechts in den âkring van die werkzaamheid, welke u is aangewezen.quot; Waarlijk, gulden woorden, door allen te overwegen, omdat daardoor de bescheidenheid., nederigheid en getrouwheid in den dienst van God worden aanbevolen en geboden.
Om aan zijne vermaning allen nadruk te geven, doet de h. Paulus een beroep op het gezag, waarmede God hem bekleed had. Door de genade, welke hem gegeven was, richtte hij het woord tot de nieuw-bekeerden. Hij beveelt als Apostel, als gevolmachtigde van God, als leeraar dei-volkeren, als gezaghebbende, die in naam van God spreekt. En een ieder moet aan zijn gebod gehoorzamen. Hetzij iemand veel of weinig ontvangen hebbe, zij allen moeten voor de gemeente, opdat de ware orde niet gestoord worde, een stichtend voorbeeld zijn, â genen van nederige bescheidenheid in het waarnemen van hunne bediening of waardigheid, dezen van getrouwe onderdanigheid naar hunnen stand. Geen der Oversten mag zich op iets laten voorstaan; niemand, met hoe vele genade-gaven hij ook moge bevoorrecht wezen, mag zich boven anderen verheven achten; maar wie ook met mindere gaven bedeeld zijn, zij dienen te eerder door ootmoedige tevredenheid uit te munten. Een edele wedstrijd in liefde en eerbied is te wenschen tusschen allen, opdat de eenig ware verhoudingen gehandhaafd worden. Allen immers
146
EERSTE ZONDAG NA DRIE KONINGEN.
147
lil, 'li i iJ M !
zijn dienaren van den waren God, en niemand mag zich, omdat hij meer ontving, verhoovaardigen, of omdat hem minder werd toebedeeld, zich gramstorig toonen. Deze regel dient als algemeen geldig beschouwd te worden. De gaven en talenten, aan den eene of andere toebedeeld, moeten gebruikt worden als een gemeenschappelijk goed, dat ten dienste van de geheele gemeenschap is geschonken. Wie ontving en wie deelneemt in de voorrechten des anderen, beiden zijn gelijk voor God, bij Wien geene aanneming van personen is. Een enkel onderscheid slechts is bestaanbaar: de meerdere of mindere getrouwheid in het goed gebruik beslist over den graad van behagelijkheid bij God. Als een wijs huisvader deelt God zijne gaven uit en wijst aan een ieder den werkkring aan, waarin deze de hem verleende krachten ten voordeele van die groote familie, welke Kerk heet, moet besteden â en dit alles met het oog op de bestemming van het geheel en op het heil van elk der lidmaten. Het kan niet anders dan dat in het zedelijk Lichaam van Christus, evenals in het menschelyk lichaam, eene veelheid en ook eene verscheidenheid van lidmaten zyn. En toch behoort elk lid tot de gemeenschap, is even noodzakelijk en nuttig als elk ander. Geen lidmaat kan gemist worden; het eene behoeft den dienst van het andere; maar daarom mag niemand hoogmoedig zijn op ontvangen gaven, noch mogen minder bedeelden wrevelig zijn of zich tegen die anderen verzetten. Met een voorbeeld aan het stoffelijk lichaam ontleend, maakt de h. Paulus die waarheid duidelijk voor allen. Het oog kan niet zeggen tot de hand: ik heh uwen dienst niet noodig; of wederom het hoofd tot de voeten: gij zijt mij niet noodzakelijk. Maar veeleer zijn de leden des lichaams, welke de zivakkere schijnen te zijn, noodzakelijker; en die leden des lichaams, welke wij voor minder eerzaam houden, deze omgeven wij met grootere eere (1 Cor. XII, 21).
t i
;r] j
111
li
)' rM
i'l
'⢠i'
if
I «â
ti, 'i
'K
kV
Ir â¢' i 'jl
I
i
1 -i i
li
V
EERSTE ZONDAG NA DEIE KONINGEN.
Opmerking. Ofschoon in andere bewoordingen, predikt de Apostel dezelfde waarheden in het gelezen gedeelte van den brief aan de Romeinen. Gelijk wij in één lichaam vele
ledematen hebben, alle ledematen echter niet dezelfde verrichting hebben, zóó zijn wij, velen, één lichaam
in Christus, en ieder afzonderlijk, elkanders lidmaten, in Christus Jesus onzen Heer. Wij, Christenen, maken allen te zamen één lichaam uit, waarvan Christus het hoofd is â ééne gemeenschap, waarvan de stichting, de bestemming en de hulpmiddelen ter bereiking van het voorgeschreven doel van God zijn uitgegaan en als even zoo vele weldaden moeten gewaardeerd worden, welke aan elk der lidmaten zijn toebedeeld, maar ook een iegelijk van hen verplichten om de hem opgedragene werkzaamheid te verrichten. Een ieder heeft de hem noodige kracht verkregen, en deze moet ten algemeene nutte in het werk gesteld worden. Niet een enkele van die gemeenschap leeft voor zich zeiven alleen, maar is met alle anderen door onverbreekbare banden vereenigd. Een levendig gevoel van broederschap moet een gemeenschap van goederen, van verdiensten stichten, waaraan een ieder deel neemt. De werkkrachten, de gebeden, zelfs de beproevingen en het lijden van den eene moeten ook die van de anderen wezen, want de liefde kent geene uitzondering maar maakt alles gemeen. Eén geloof, één hoop, één doel moeten éene familie vormen, maar vooral moet de wederzijdsche liefde een band leggen tusschen al de lidmaten van Gods huisgezin. Welke ook de plaats zij, door een ieder ingenomen, de liefde moet de eenheid bewaren en bewerken, dat allen hunne bediening vervullen met het doel, dat de noodige orde niet gestoord worde maar de gewenschte overeenstemming bewaard blijve tusschen overheden en ondergeschikten. Wie ook predike of bediene of bevele, wie ook hoore of ontvange of gehoorzame, de geest Gods moet allen bestieren en de liefde van een iegelijk aan de overigen een deel gunnen van het goede, dat zij bewerkt. Allen moeten één zijn van hart en van geest, allen door de liefde met Jesus Christus en door Hem met den Vader, die in de Hemelen is, vereenigd blijven om eens als broeders en zusters gezamenlijk zich te verheugen in de zalige aanschouwing Gods.
148
TWEEDE ZONDAG NA DRIE KONINGEN.
Broeders! Wij bezitten gaven, die, naar de ons geschonkene genade, verschillend zijn, hetzij profetie overeenkomstig den regel des geloofs ; hetzij dienstambt in het bedienen ; hetzij iemand leeraar is in het leeraren, vermaner in het vermanen; die uitdeelt in eenvoudigheid, die overste is met ijver, die barmhartigheid doet in blijmoedigheid. De liefde zij ongeveinsd. Haat het kwaad, hecht u aan het goed ; bemint elkander met broederlijke liefde; voorkomt elkander in eerbetoon ; zijt niet traag in ijver ; weest vurig van geest; dient den Heer ; verblijdt u in de hoop ; zijt geduldig in verdrukking ; volhardt in het gebed ; weest mededeelzaam voor de behoeften der heiligen ; oefent gaarne gastvrijheid. Zegent die u vervolgen, zegent en vloekt niet! Verblijdt u met de blijden, weent met de weenenden; zijt eensgezind onder elkander; tracht niet naar het hooge, maar stemt overeen met het nederige 1 Romeinen: XII, 6â16.
Inleiding. Het bovenstaande gedeelte van den brief aan
tweede zondag na drie koningen.
de Romeinen is het vervolg op hetgeen de h. Kerk ons verleden Zondag ter overweging voorhield. Alle Christenen te zamen genomen, en zij zijn velen in aantal, maken â deze waarheid hoorden wij toen verkondigen â ééne gemeenschap uit in Christus Jesus, die door den H. Geest, welken Hij geeft, hen onderling en allen met God vereenigt. De h. Paulus heeft, om het ons duidelijk te doen inzien, eene vergelijking gemaakt tusschen het menschelijk en het zedelijk lichaam, waarvan Jesus Christus het hoofd is â eene vergelijking, welke wij niet beter kunnen teruggeven dan door de gedachten over te nemen van den H. Thomas, door hem in zijne aanteekeningen op den brief aan de Romeinen neergeschreven. »In het menschelijk «lichaam vinden wij drie zaken te onderscheiden: de eenheid »van het lichaam, de veelheid der ledematen en de verschei-»denheid der bedieningen. Eveneens moeten wij in de Kerk, »het mystieke lichaam van Christus, bewonderen de eenheid »waarin alle geloovigen met Christus, hun goddelijk Hoofd, »vereenigd worden door het geloof en de genade, en met el-skander door het ontvangen van dezelfde h.h. Sacramenten; »of wel: waarin wij allen door het geloof en de liefde één »geest; en één hart zijn en vereenigd worden zoowel met God »als met elkander. De quot;veelheid der lidmaten wordt gevonden »in die overgroote menigte van Jesus' volgelingen, die er roem »op dragen de leer te belijden en de geboden te onderhouden »van Hem, die de Waarheid, de Weg en het Leven is voor »allen. De verscheidenheid der bedieningen bestaat in de ambten »of waardigheden en verplichtingen door elk lidmaat van die «geestelijke maatschappij te vervullen,quot; Wij zullen ons wel niet te verontschuldigen hebben, als wij al die gedachten van den h. Kerkleeraar in den kring van onze beschouwingen opnemen. Zij vormen een geleidelijken overgang tot de woorden van den Epistel van dezen â en behelzen eene aanvulling van den Epistel van den voorgaanden Zondag. Wij lichten dan deze gedachten nader toe: er is in de Kerk van Jesus
I. eene eenheid, waardoor alle Christenen samen verbonden zijn, niet tegenstaande het verschil van waardigheid en van bediening;
II. ook een band, welke allen tot één geheel maakt.
150
tweede zondag na deie koningen.
I.
Onder Gods schepselen, welke zich op aarde bewegen, is geen heerlijker kunstwerk te vinden dan het menschelijk lichaam. âNiets is schooner dan datquot; â zeide de h. Chrtsos-tomus. Het munt in grootheid, adeldom en waardigheid en bestemming uit boven al het andere. Het moet dienen als werktuig zoowel ter verheerlijking van God als tot vermenigvuldiging van Gods dienaren. Vóórdat de Almachtige den eersten mensch schiep, ging Hij bij Zich zeiven te rade en besloot hem te maken naar zijn beeld en gelijkenis. De mensch moest de koning der schepping wezen, de heer van de aarde en van hare levende wezens, ook de stamvader van een geslacht, talrijker dan de sterren des hemels. Aan die roeping beantwoordt de voortreffelijkheid des lichaams en de uiterlijke verschijning teekent zijn voorrang boven al het aardsche. De ledematen zijn met eene bevalligheid gevormd, welke te vergeefs in andere schepselen gezocht wordt; zijn hoofd, naar boven gericht, laat een aangezicht zien, waarop zijne waardigheid geschreven staat en de gedachten van zijnen zich-zelf bewusten geest te lezen zijn ; zijne lippen zijn geopend om woorden van wijsheid te spreken en den lof van zijnen Schepper te verkondigen ; zijne oogen schitteren van een heilig vuur en openbaren zoowel de geestdrift, waarvan hij blaakt, als die edelmoedige gevoelens, welke zijn hart beroeren ; zijne handen vermogen de kunstigste Averken, door het verstand uitgedacht, te maken en de voeten dragen hem met snelle schreden, waarheen hij zich wil bewegen, terwijl zijne opgerichte en statige houding den meester doen kennen, die van zijne macht bewust is en het gebied voert over Gods stoffelijke schepping. En orde heerscht er, overeenstemming, samenwerking tusschen al die ledematen van een en hetzelfde lichaam. Het is een samenstel van vele verschillende deelen; maar alle zijn nuttig, noodzakelijk zelfs voor de bestemming, waartoe het lichaam geschapen is.
151
TWEEDE ZONDAG NA DRIE KONINGEN.
152
Deze even wonderbare eenheid als schoone verscheidenheid is, volgens de leer van den h. Paulus, eene afbeelding van de liefde en eensgezindheid, waardoor alle geloovigen slechts één lichaam moeten uitmaken in Christus Jesus; zij is eene luidsprekende voorstelling van dezen eisch des Christendoms, dat alle belijders één moeten zijn en blijven in één geloof, in ééne hoop en in ééne liefde. In geloof, want, wie Jesus willen toebehooren, dienen hunnen Verlosser, die de bovennatuurlijke maatschappij stichtte in zijn Bloed, te erkennen en te huldigen als den Leeraar der waarheid, als den Wetgever des N. Verbonds en als den Bewerker der zaligheid. Jesus moet voor alle geloovigen Degene wezen, van Wiens lippen zij de woorden des levens opvangen, naar Wiens geboden zij luisteren, van Wien zij ook alle kracht afbidden. Het geloof moet hen bezielen, zóódat zij in Jesus alleen de Waarheid en den Weg en het Leven zoeken; de overtuiging moet diep in hen gevestigd wezen, dat zij zonder Jesus' leer schier niets van de wetenschap des heils zouden kennen, dat zij zonder zijne genade niets ter zaligheid vermogen â maar ook, dat zij voor levensregel geen ander richtsnoer mogen nemen dan zijn goddelijk gebod. Geesten harten wil zijn in dienst van Hem te stellen, die het. aanbiddelijk Hoofd is der gemeenschap, waarvan een lidmaat te zijn ieder Christen zich tot hoogeeer behoort te rekenen. Zoodra echter de lidmaten van die familie Gods in strijd komen met de inzichten en bedoelingen van hun goddelijken Meester, ontstaat eene scheiding, welke betreurenswaardiger is dan elke afzichtelijke misvormdheid in het menschelijk lichaam. Elke daad, welke door het Hoofd niet kan goedgekeurd worden als aandrui-schende tegen de wetten, w^lke die gemeenschap beheerschen, sticht wanorde en zou, ware dat mogelijk, het geheel doen uit een spatten. Wij zien dan ook met dankbaarheid jegens God dat, waar godsdienstig gezinde Katholieken te zamen leven, eene overeenstemming gevonden wordt van geest en
hi
twekde zondag na drie koningen.
van streven en van leven, welke de bewondering opwekt van allen, die door geene nevelen van vooroordeelen verblind zijn. Waar ter wereld ook het Evangelie is gepredikt; aan welke volksstammen de blijde boodschap moge gebracht zijn, het geloof van allen, die Gods woord aannamen, is hetzelfde, en geen enkele van hen zal weigeren om de waarheden in Gods Naam verkondigd te belijden, om de verplichtingen door hun geloof opgelegd te vervullen, om de genade-middelen door Jesus ingesteld met ijver te gebruiken ter zaligheid.
Ook ééne hoop bezielt en steunt allen in den moeilijken en langen strijd des levens. Een iegelijk ziet op naar de kroon der eeuwige vergelding; aardsche belangen worden op den achtergrond geschoven en in de eerste plaats het Rijk Gods gezocht. Het geloof wordt bewaard en de loopbaan volbracht â alles met het oog op de onverwelkbare kroon der heerlijk-beid, welke de Rechter, als Hij zal verschenen zijn om te oordeelen, geven zal aan zijne getrouwen. Immers, wie der geloovigen jubelt niet dankbaar als hij' deze woorden van den h. Petrus op zich zeiven toepast; Gezegend zij God en de Vader van onzen Heere Jesus Christus, die naar zijne groote Barmhartigheid ons heejt wedergeboren tot eene levende hoop door de Verrijzenis van Jesus Christus uit de dooden, tot eene onverderfelijke en onbesmette en onverwelkbare erfenis, in den Hemel bewaard voor u, die in de kracht Gods behoed wordt, door het geloof, voor de zaligheid welke gereed is om geopenbaard te worden in den laatsten tijd; waarin gij u verheugen zult, na thans een vjeinig, als het zoo wezen moet, bedroefd te zijn geweest in velerlei verzoekingen, opdat de beproeving uids geloofs, veel kostelijker dan goud, dat door vuur beproefd wordt, bevonden worde tot lof en heerlijkheid en eer bij de openbaring van Jesus Christus, Dien gij lief hebt, ofschoon gij Hem niet gezien hebt; in Wien gij, hoewel ook thans Hem niet ziende, gelooft; en geloovende, u met eene onuitsprekelijke en verheer-
⢠|f
11
m
ui
tl m
j I 'H |i |jij
153
u
' n
i' y 'j,), f
'V!
l
I
It tl
'û ?! (
11 li
- i fcifl
tweede zondag na drie koningen.
lijkte blijdschap verheugen zult, wegdragende het einde van uw geloof, de zaligheid der zielen (1 Petr. I, 3 â 10.)
Niet minder maakt de liefde, door den h. Paulus de band der volmaaktheid (Col. III, 14) genoemd, allen één van geest en van hart. Van scheiding, van tegenwerking noch van verzet mag sprake zijn in die geestelijke maatschappij; alle lidmaten moeten eendrachtig samenwerken tot het tweeledig doel, wat zij te bereiken geroepen zijn: tot de verheerlijking van hun goddelijk Hoofd en tot het wezenlijk heil van alle broeders en zusters dier familie. Wie ook een zijner medeleden ontmoet, waar het moge wezen, hij zal in dien andere niet alleen een natuurgenoot erkennen maar vooral een mede-verloste eerbiedigen, door verlossing, rechtvaardiging en roeping aan hem gelijk en voor wiens eeuwig geluk hij, naar best vermogen, zich dient in te spannen. Niemandleeft voor zich zeiven alleen; doch allen moeten trachten de hoogste belangen van den evennaaste zooveel mogelijk te behartigen en werkzaam te blijven voor het welzijn van de gemeenschap der Heiligen, in welker lidmaatschap zij hun geluk, hun roem en de belofte eener eeuwige glorie vinden.
Aan die eenheid van geest en van hart wordt geen afbreuk gedaan, al zijn niet allen â wat ook eene onmogelijkheid wezen zou â tot dezelfde werkzaamheid bestemd. '^Werken is eene onafwijsbare verplichting voor alle lidmaten van de gemeenschap der Heiligen; maar een iegelijk heeft zijne eigene gave van God, de eene dus en de andere zóó (1 Cor. VII, 7) en wel met die door God wijselijk bedoelde bestemming, dat allen, elkanders medeleden zijnde, tot aller heil, tot wederzijdsche stichting aan hunne roeping moeten beantwoorden en de taak vervullen, welke hun is opgelegd. Overeenkomstig den regel des geloofs, naar de hem ge-schonkene gave, naar dien regel dient een ieder, wat hij ontvangen heeft, aan te wenden, en wel ten voordeele van
154
TWEEDE ZONDAG NA DRIE KONINGEN.
al zijne medebroeders. â Ook de wetten door de Kerk daaromtrent voorgeschreven hebben geene andere strekking dan om die eenheid des geestes door den band des vredes te bewaren en te vervolmaken. Met eene van groote liefde getuigende bezorgdheid heeft zij al de verschillende verhoudinger; geregeld, waarin hare onderhoorigen tot elkander en tot de gemeenschap staan ; en waar de wet van God niet bevelend sprak, schreef zij zelve aan allen hunne verplichtingen voor. Niet eigendunkelijk of willekeurig, maar in den H. Geest Gods en door Hem voorgelicht. Hare voornaamste eisch is gehoorzaamheid, dewijl haar niets zoozeer ter harte kan gaan ais dat geen enkele zich bewege buiten den kring zijner bevoegdheid en een ieder de plaats inneme, welke hem door zijne betrekking en zijnen staat is aangewezen. Die wetten getuigen van wijsheid en van belangstelling in het geestelijk welzijn zoowel van do geheele gemeenschap als van eiken geloovige in 't bijzonder; zij zijn er ook op berekend, dat de wederzijdsche verplichtingen èn nauwkeurig gekend èn zorgvuldig onderhouden worden ; zij dienen er toe, dat evenmin inbreuk gemaakt worde op de rechten van anderen, als dat niet te kort gedaan worde aan den eerbied, welke aan de aangestelde overheden verschuldigd is ; zij dienen tot vraagbaak en tot handwijzer voor allen, hetzij in overheid geplaatst of levende in onderdanigheid, opdat zij in overeenstemming met hun stand of waardigheid hunne gaven en talenten dienstbaar maken aan den opbouw van Christus' lichaam. De grondbeginselen van dat kerkelijk wetboek had de h. Paulus haar geleerd in deze volgende voorschriften.
Niet een elk kan profeet, leeraar, vermaner, overste wezen; doch wie deze of gene gave heeft ontvangen, zij getrouw aan zijne roeping en ver.lieze nimmer uit 't oog, waartoe zij hem werd geschonken. Onder de Oude Wet mochten zij alleen als Profeten optreden, die door God geroepen waren, en dan niets
155
tweede zondag na drie koningen.
anders als goddelijke openbaringen aan Israël voorhouden dan wat hun van boven was ingegeven, daarbij bedenkende, dat in vermaning en bedreiging, in vertroosting en onderrichting des volks de roeping lag, welke zij te vervullen hadden. Ook onder de Nieuwe Wet, wie met de gave der profetie bedeeld zijn, zij mogen niets anders prediken dan de geheimen van het Rijk Gods, niets meer willen zijn dan de middelaars, opdat zij aan diegenen, welke naar de eeuwige zaligheid verlangen, de kennis der geloofswaarheden, de ware wetenschap des heils brengen, - en wel naar den omvang en de diepte van inzicht, hun door den H. Geest omtrent de openbaringen Gods medegedeeld. Allen die, hetzij in hoogere of lagere orde geplaatst, een dienstambt vervullen, moeten na hunne zending te hebben bewezen met onwankelbare trouw zich houden aan de hun voorgeschrevene taak, zich bewegen in den kring der werkzaamheid, welke hun is aangewezen, en slechts letten op het wezenlijk geluk der hun toevertrouwde zielen. Van willekeur, van vrije keuze of van voorliefde mag geen spraak komen, en te meer niet omdat de hoogste Wijsheid alle rangen geordend heeft en een iegelijk het werktuig is in de hand van Dengene, die aan allen hunne bestemming geeft. Een ieder beschouwe zich daarom als een dienstbaren Engel, die afgezonden wordt om loille dergenen, die de zaligheid beërven zullen (Hebr. I, 11).
Ter nadere verklaring van de laatste gedachte haalt de h. Paulus nog eenige voorbeelden aan. â Is iemand leeraar, dat hij leerare; hij blijve in zijne taak, maar vervulle die ook met alle nauwgezetheid, wetende dat hij eens rekenschap aan zijn Meester te geven heeft. Hij is verplicht de geloofswaarheden en alles wat ter zaligheid noodig is, ook de wetten en de geboden, welke de leidraad voor ieders leven zijn, te verkondigen met gepaste vrijmoedigheid en met indrukwekkende beslistheid er op aan te dringen, dat allen minstens het noodzakelijke aanleeren en het gebodene onderhouden, opdat allen tot de kennis der waarheid komen en zalig wor-
156
tweede zondag na drie koningen.
157
den. â De vermaner vermane, zonder aanzien van personen. Die roeping, niet minder gewichtig dan eervol, vereischt zoowel doorzicht en levenswijsheid als moed en wilskracht. Aan allen, wie zij mogen zijn, moeten de gebreken onder 't oog gebracht worden, welke verbeterd dienen, en tegelijk al de verplichtingen voorgehouden worden, welker vervulling God eischt. Den rechtvaardige is te zeggen, dat hij niet moede worde den weg van strijd en van arbeid te bewandelen, dat hij zijn loon niet van den mensch maar van God alleen verwachte, dat hij de verdienstelijkheid zijner goede werken aan den Gever van alle goed toeschrijve doch de ongenoegzaamheid van zijn leven aan eigene zwakheid en onvolmaaktheid, dat hij na eens de hand aan den ploeg geslagen te hebben niet achterwaarts zie maar slechts lette op hetgeen voor hem ligt. Ee zondaar is aan te sporen, dat hij medelijden hebbe met zijne onsterfelijke ziel, de mate zijner boosheid niet vol make maar, den tijd zijner bezoeking kennende, den weg der ondeugd verlate en, vertrouwende op de gren-zenlooze Barmhartigheid van zijnen hemelschen Vader, zich bekeere en zoo kunne leven. Aan den wankelmoedige moet op het hart gedrukt worden, dat niemand mag twijfelen aan de Lankmoedigheid en Goedgunstigheid des Heeren, dat elk Christen meer vertrouwen moet stellen op de kracht Gods dan vreezen voor zijne zwakheid, dat een ieder zijn lot moet stellen in de handen van den Almachtige, die zorg draagt voor al zijne schepselen, en zoo blijmoedig den weg des lijdens en der beproeving moet opgaan, dewijl geen kroon te verwachten is zonder strijd, geen loon zonder arbeid. â Die uitdeelt, doe het in eenvoudigheid. Een zeer prac-tische les, geldig niet alleen voor wie eene kerkelijke wijding ontvangen hebben ten dienste der noodlijdende menschheid, maar ook voor hen die uit zuivere menschlievendheid hunne gaven schenken en zich als leeken aan de werken der naas-ten-liefde wijden. Al die dienaren der armen moeten in een-
tweede zondag na dbie koningen.
158
voudigheid des harten, met liefderijke gezindheid, zonder nevenbedoeling hunne verdienstvolle bediening uitoefenen, hunne weldaden uitdeelen zonder dat de linkerhand weet, wat de rechter doet. De overtuiging dat zij werktuigen van eene hoogere macht en als plaatsvervangers z^jn van God, die zijne gaven door hunne hand wil uitgedeeld zien, moet hen bezielen en tevens doordringen van den geest eener bovennatuurlijke barmhartigheid. Dan ook zullen zij niet haken naar den lof van hunne evenmenschen maar van al het goede dat zij doen de eer geven aan Hem, die het willen en het volbrengen gaf; dan berekenen zij niet angstvallig het heden en het morgen maar deelen hunne gaven uit naar de nooden van het oogenblik; dan ook zullen zij niet onderzoeken of de gift der liefde niet soms in de handen van ondankbaren valt, niet vragen of zij wel in de gegevene omstandigheden verplicht zijn om het eene of het andere ter leniging in den nood bij te dragen. Zonder aanzien van personen, uit liefde tot God, die hen het eerst bemind heeft, en uit liefde voor den naaste, die om hulp vraagt, brengen zij dan hunne offers. â Wie overste is, zij het met ijvee; wie door den H. Geest als bestuurder, als leidsman of opziener van de geloovigen in Jesus' Kerk is aangesteld, van hem wordt een rustelooze ijver, een onafgebrokene werkzaamheid gevorderd. Zij allen moeten waken over de aan hunne zorg toevertrouwde kudde en de zekerheid, dat zij of vroeger of later ter verantwoording zullen opgeroepen worden, moet een voortdurende prikkel wezen tot een volhardende plichtsbetrachting, evenals de blijde verwachting, dat het loon voor den afmattenden arbeid hun niet zal onthouden blijven, een spoorslag is om met onbezweken moed op den eens ingeslagen weg voort te gaan. De zorg moge hen kwellen, zij mogen zwak worden met de zwakken, van smarte branden, wanneer zij zien, dat eenigen zich tot zonde of tot ongeloof laten verleiden, nimmer mag moedeloosheid zich van hen
tweede zondag na drie koningen.
meester maken, nimmer hun ijver verflauwen. Dezelfde verplichtingen zijn ook hun voorgeschreven, die in de burgerlijke maatschappij met gezag hekleed zijn of in het huisgezin de ouderlijke macht uitoefenen. â Wie barmhartigheid doet, hij doe het in blijmoedigheid, niet uit droefheid of uit dwang ; want den blijmoedig en gever heeft God lief (II Cor. IX, 1). Elk offer is een liefde-werk, en de liefde moet werkzaam zijn in de blijdschap des H. Geestes; zelfs hoe moeilijker en met 's menschen natuur strijdiger het werk is, dat van ons gevorderd wordt, te eerder dient het gedaan te werden, omdat de zelfoverwinning des te grooter en bijgevolg het loon des te heerlijker wezen zal. De tegenzin, in weerwil van de beste gezindheid niet zelden gevoeld, zal de waarde van ons offer in plaats van die te verminderen ze vermeerderen, omdat zoo de toewijding aan Gods eer en des naasten welzijn te schitterender uitkomt, en de stichting der geloovigen des te grooter is. Zoude het ook niet van weinig opgewektheid in den dienst van God getuigen, zoo men slechts het gemakkelijke verrichtte maar terug deinsde voor wat inspanning kost ?
Opmerking. âMet de roeping geeft Godquot; â om met den H. Bernardinus te spreken â »ook de noodige genaden om »aan de plichten met die roeping verbonden te beantwoorden.quot; Het is niet aan de willekeur van eiken Christen overgelaten, zich zeiven een levenstaak te scheppen; de leiding van boven is te volgen, maar dan ook mag alle hulp verwacht worden, welke voor het waardig vervullen van die uitverkiezing vereischt wordt. Niemand mag ooit God ter verantwoording roepen, waarom aan den eene deze en aan den andere gene bestemming is opgelegd. Wij allen hebben die wegen te bewandelen, waarop zijne Wijsheid ons plaatst, zonder dat het bij ons opkomt naar de redenen te vorschen, waarom wij en niet anderen in de aangegevene richting ons moeten bewegen. Alwie verstandig wil handelen, zal in alle beschik-
159
tweede zondag na dbie koningen.
kingen des Hemels de leiding van eene Voorzienigheid erkennen en huldigen, welke alles voor allen ten beste regelt; alwie niet te vergeefs, zonder vrucht wil leven, hij zij tevreden in zijnen staat en beijvere zich overeenkomstig zijne roeping te leven en op waardige wijze de plaats te bekleeden, welke hij in de familie van Christus inneemt. Het moet een ieder, in zekere mate, onverschillig wezen in welke betrekking hij de hem toebedeelde talenten en krachten besteedt, zoo slechts God verheerlijkt wordt. â Welk een schoon geheel, welk een treffend schouwspel zoude het zijn, zoo alle lidmaten der Kerk geen ander doel kenden dan den wil des hemelschen Vaders te vervullen, dan hunne beroepsplichten te volbrengen tot stichting van elkander, ter voltooiing der Heiligen en tot opbouwing van het lichaam van Christus, totdat allen komen tot de eenheid des geloofs en der kennis van den Zoon Gods! Hemelsch schoon, ja, en eene afschaduwing van die volmaakte orde, waarin de hemelsche Geesten, elk in zijn rang en in zijne waardigheid, Gode ten dienste staan. Gelijk aan een aaneen-geslotene slagorde trok het op dat heerleger van Gods dienaren ter uitbreiding van Gods Rijk op aarde. Dan ook was de liefde een band, welke allen samen vereenigde; dan heerschte de vrede in die geestelijke maatschappij; dan werkten allen gezamenlijk voor hetzelfde doel: Gods eer en des naasten heil. Geen onedele naijver, geen ontevredenheid, geen afgunst noch nijd zouden stoornis brengen in die noodige eenheid van geest en van hart; maar vrijwillige ondergeschiktheid, volkomene onderwerping aan het gezegend Hoofd der gemeenschap, eendracht in het streven, wederzijdsche huldiging van ontvangene gaven en van verworvene verdiensten â zij zouden de eer bevorderen van den Gever aller goede gaven en het heil der Kerk en de stichting der geloovigen, alles door de liefde â Hoedanig die lijfde wezen en hoe zij zich betoonen moet, leert de h. Paulus in de volgende woorden.
II.
De liefde zij ongeveinsd â beveelt de Apostel. Maar kan dan - zijn wij geneigd op te werpen â liefde geveinsd,
160
TWEEDE ZONDAG NA DRIE KONINGEN.
huichelachtig zijn ? Ware christelijke liefde zeker niet, dewijl haar wezen goedheid is ; maar zij kan voorgewend worden ; de mensch kan handelen, alsof hij door liefde aangespoord is, zonder dat zy de drijfveer Of het beginsel van zijn doen en laten mag heeten ; hy kan voorgeven te beminnen, ofschoon geen vonkje vuur in zijn hart gloeit. Wat dan de h. Paulas in bovenstaande woorden gebiedt, wat hij verbiedt? Wij allen zijn verplicht de ons opgelegde bediening te vervullen ten nutte van het algemeen, maar daarbij moeten uit het hart verbannen blijven de eigenliefde en de zelfzucht, welke zoo licht de laakbare redenen kunnen zijn, waarom een of ander goed werk verricht wordt. Dat is een klip, waarop de deugd niet zelden schipbreuk lijdt. De hoogmoed mengt zich soms onder vrome daden en kweekt dan geveinsdheid, huiche-larij aan. Het gebeurt ook dikwijls, dat men uit echten godsdienstzin begint of uit een meewarig, edelmoedig gevoel, dat God in het hart heeft neergelegd; maar die liefde-daden worden bewonderd en geprezen en â zijn wy er niet op gevat om ze alleenlijk te verrichten met de bedoeling, dat zy Gode aangenaam zijn en Hem eere geven â dan loopen wy groot gevaar, dat wij handelend optreden eerst om aan anderen en vervolgens om aan ons zeiven te behagen, dat wy bij voorkeur ons daartoe leenen, wat het meeste opspraak verwekt en de achting van den evenmensch doet inoogsten. Het duiveltje van de eerzucht verleidt den mensch, die niet waakzaam blijft op de innigste gevoelens van zijn trotschen aard, zoo gemakkelijk tot daden, welke dienen moeten om den verworven roem van liefdadigheid te bestendigen. Wilt gij voorbeelden ? Sommigen zullen gaarne den arme een aalmoes toereiken en schijnen hunne gift te offeren uit een christelijk medelijden, maar inderdaad voldoen zij slechts aan den eisch van het menschelijk opzicht, dat van hen eenige penningen vergt, en zij geven die om niet voor onbarmhartigen aangezien te worden; vraagt het anderen, waarom zij zoo milddadig
Verklaringen der Episteleu. u
â ; n
1 1 li
li
i m
161
Â¥1
1
y »
t
ïni
i IK
Iff i ;
ib;' ft
tweede zondag na deie koningen.
kingen des Hemels de leiding van eene Voorzienigheid erkennen en huldigen, welke alles voor allen ten beste regelt; alwie niet te vergeefs, zonder vrucht wil leven, hij zij tevreden in zijnen staat en beijvere zich overeenkomstig zijne roeping te leven en op waardige wijze de plaats te bekleeden, welke hij in de familie van Christus inneemt. Het moet een ieder, in zekere mate, onverschillig wezen in welke betrekking hij de hem toebedeelde talenten en krachten besteedt, zoo slechts God verheerlijkt wordt. â Welk een schoon geheel, welk een treffend schouwspel zoude het zijn, zoo alle lidmaten der Kerk geen ander doel kenden dan den wil des hemelschen Vaders te vervullen, dan hunne beroepsplichten te volbrengen tot stichting van elkander, ter voltooiing der Heiligen en tot opbouwing van het lichaam van Christus, totdat allen komen tot de eenheid des geloofs en der kennis van den Zoon Gods! Hemelsch schoon, ja, en eene afschaduwing van die volmaakte orde, waarin de hemelsche Geesten, elk in zijn rang en in zijne waardigheid, Gode ten dienste staan. Gelijk aan een aaneen-geslotene slagorde trok het op dat heerleger van Gods dienaren ter uitbreiding van Gods Rijk op aarde. Dan ook was de liefde een band, welke allen samen vereenigde; dan heerschte de vrede in die geestelijke maatschappij ; dan werkten allen gezamenlijk voor hetzelfde doel: Gods eer en des naasten heil. Geen onedele naijver, geen ontevredenheid, geen afgunst noch nijd zouden stoornis brengen in die noodige eenheid van geest en van hart; maar vrijwillige ondergeschiktheid, volkomene onderwerping aan het gezegend Hoofd der gemeenschap, eendracht in het streven, wederzijdsche huldiging van ontvangene gaven en van verworvene verdiensten â zij zouden de eer bevorderen van den Gever aller goede gaven en het heil der Kerk en de stichting der geloovigen, alles door de liefde â Hoedanig die liefde wezen en hoe zij zich betoonen moet, leert de h. Paulus in de volgende woorden.
IL
De liefde zij ongeveinsd â beveelt de Apostel. Maar kan dan - zijn wij geneigd op te werpen â liefde geveinsd,
160
TWEEDE ZONDAG NA DEIE KONINGEN.
huichelachtig zijn ? Ware christelijke liefde zeker niet, dewijl haar wezen goedheid is ; maar zij kan voorgewend worden ; de mensch kan handelen, alsof hij door liefde, aangespoord is, zonder dat zij de drijfveer of het beginsel van zijn doen en laten mag heeten ; hij kan voorgeven te beminnen, ofschoon geen vonkje vuur in zijn hart gloeit. Wat dan de h. Pau-lus in bovenstaande woorden gebiedt, wat hij verbiedt? Wy allen zijn verplicht de ons opgelegde bediening te vervullen ten nutte van heK algemeen, maar daarbij moeten uit het hart verbannen blijven de eigenliefde en de zelfzacht, welke zoo licht de laakbare redenen kunnen zijn, waarom een of ander goed werk verricht wordt. Dat is een klip, waarop de deugd niet zelden schipbreuk lijdt. De hoogmoed mengt zich soms onder vrome daden en kweekt dan geveinsdheid, huichelarij aan. Het gebeurt ook dikwijls, dat men uit echten godsdienstzin begint of uit een meewarig, edelmoedig gevoel, dat God in het hart heeft neergelegd; maar die liefde-daden worden bewonderd en geprezen en â zyn wij er niet op gevat om ze alleenlijk te verrichten met de bedoeling, dat z^j Gode aangenaam zijn en Hem eere geven â dan loopen wjj groot gevaar, dat wij handelend optreden eerst om aan anderen en vervolgens om aan ons zeiven te behagen, dat wij bij voorkeur ons daartoe leenen, wat het meeste opspraak verwekt en de achting van den evenmensch doet inoogsten. Het duiveltje van de eerzucht verleidt den mensch, die niet waakzaam blijft op de innigste gevoelens van zijn trotschen aard, zoo gemakkelijk tot daden, welke dienen moeten om den verworven roem van liefdadigheid te bestendigen. Wilt gij voorbeelden ? Sommigen zullen gaarne den arme een aalmoes toereiken en schijnen hunne gift te offeren uit een christelijk medelijden, maar inderdaad voldoen zij slechts aan den eisch van het menschelijk opzicht, dat van hen eenige penningen vergt, en zij geven die om niet voor onbarmhartigen aangezien te worden; vraagt het anderen, waarom zij zoo milddadig
Verklaringen der Episteleu, II
161
TWEEDE ZONDAG NA DBIE KONINGEN.
zijn en hun antwoord zal misschien luiden: omdat wij in den behoeftige den lijdenden Jesus zien, maar konden wij in hun hart lezen, wy zouden bemerken, dat zij inderdaad niets anders beoogen dan eene lofprijzing van hunnen evenmensch te verwerven ; velen geven veel en bereidwillig, maar wenschen, dat hunne edelmoedige gezindheid gekend worde zoowel door diegenen, aan wie zij weldoen als door wie van hunne goedgeefschheid niet hoorden gewagen. Al de zoodanigen verdienen eerder afkeuring bij God en bij de menschen dan loftuiting en toekenning van verdiensten. Zij werken voor zich-zelf, zoeken hun loon op de aarde en vinden het niet in den Hemel. Wie daarentegen met wijs overleg te werk wil gaan, hij lette op het voorschrift, reeds vóór eeuwen door den koninklijken Profeet verkondigd en nu door den h. Paulus opnieuw gepredikt: haat het kwaad, hecht u aan het goed, dat is: onderzoekt met angstvolle zorg, of de opperste Rechter wel uwe liefde-daad met al hare nevenbedoelingen kan goedkeuren en beloonen of moet laken en straffen. Elk kwaad, elke afwijking van Gods wet is door den Christen, onverschillig of hij ze bij zich zeiven of bij anderen ontdekt, te verafschuwen. Deze regel duldt geene uitzondering, maar is van toepassing op elke handeling des menschen; zelfs de in schijn beste daden dienen naar den maatstaf van Gods wil en voorschriften beoordeeld te worden.
De Apostel vervolgt: bemint elkakdek met broederlijke liefde, en geeft daarmede eene verklaring van Jesus'gebod: âbe-âmint uwen naaste als u zeiven.quot; Geene wet is ook zoo in overeenstemming met den drang van 's menschen redelijke natuur. Eene niet te smoren stem roept ons onafgebroken toe, dat alle menschen broeders en zusters zijn van eene groote familie, waarvan de Vader in den Hemel troont. Gelijk in het burgerlijk leven de broeders en zusters door de gemeenschap des bloeds, door hun onderling samenwonen onder het ouderlyk dak, door het genot van dezelfde zorg en het nemen
162
tweede zondag na drïe koningen.
van dezelfde spijze één zijn, zoo ook en in nog hoogere be-teekenis zijn alle leden van Jesus' geheimzinnig lichaam op de innigste wijze vereenigd, daar zij allen door het goddelijk Bloed van den Verlosser Jesus Christus vrijgekocht, in de gemeenschap der Heiligen door het Doopsel opgenomen zijn, leven onder de hoede en bescherming van dezelfde Moeder, de Kerk van Jesus, en aan denzelfden Liefde-maaltijd van het goddelijk Lam deelnemen. Nauwere band is niet denkbaar onder wie op aarde lijden en strijden; maar daaruit volgt ook, dat vele en gewichtige verplichtingen van weerszijde dienen vervuld te worden, opdat die eenheid uit Gods barmhartige uitverkiezing geboren niet verbroken worde.
Allen mogen ook onafwijsbare rechten doen gelden, allen kunnen aanspraak maken op inschikkelijkheid, op vriendelijke tegemoetkoming of liefdevolle hulpvaardigheid. Een dier verplichtingen vertolkt de h. Paulus in deze woorden: voorkomt elkander in eerbetoon. Voor niemand zal het opvolgen van deze vermaning eenige moeilijkheid baren, mits hij nederig in zijne gezindheid zij en elk ander voortreffelijker dan zich zeiven achte. Die zal in het geven van de verschuldigde eerbewijzing èn een voorbeeld voor allen wezen èn, waar het kan, de eerste zijn, zoo dikwijls de gelegenheid zich aanbiedt den evennaaste de schatting van zijne hulde te betuigen. Dat vele redenen hem daartoe moeten bewegen, staat bij hem vast. Hy is overtuigd, dat alle menschen zijne mede-verlosten en mede-erfgenamen des Hemels zijn en gelooft, dat Jesus Christus in zijne dienaren geëerd wil worden. Van den anderen kant: hij draagt het vernederend bewustzijn in zich rond dat, mocht ook al een splinter te zien zyn in het oog van anderen, bij hem een balk uit te trekken is; bij hem heeft ook de waarheid ingang gevonden, dat hoogere stand, grootere gaven noch voortreffelijker roeping iemand van den plicht ontslaan om tot zijn broeder af te dalen in liefde en in ootmoed. Heeft ook God niet in eiken staat iets eerbiedwaardigs
163
TWEEDE ZONDAG NA DRIE KONINGEN.
neergelegd, dat ons noopt den evennaaste te vereeren? Bij voorbeeld : in hen die met macht zijn bekleed, zien wij eene afschaduwing van het oppergezag van God; in die anderen, welke wij geneigd zijn de geringen, de minderen te noemen, moeten wij de gelijkvormigheid bewonderen met Jesus, die met recht van Zich zei ven kon getuigen: âleert van Mij, dat Ik ânederig ben en zachtmoedig van harte; Ik ben niet gekomen âom gediend te worden maar wel om te dienen.quot; Zoo wordt eere gegeven aan wie eere toekomt, en tegelijk zal alles vermeden worden, wat afbreuk zoude kunnen doen aan de den evenmensch verschuldigde hoogachting. Licht toch wordt anders op die wijze gezondigd! Men denke slechts aan die beleedi-gende verwijten, aan die eerroovende verdachtmakingen, aan die kwetsende plagerijen en liefdelooze woorden, welke volstrekt niet zelden in de gezelschappen ook van Christenen gehoord worden. Tot dit soort van zonden zijn ook terug te brengen die al te groote gemeenzaamheid, welke men zich uit gebrek aan nederigheid tegenover in waardigheid hooger geplaatsten veroorlooft; die onbeleefde vormen en min passende woorden, waarvan men zich met een zeker vertoon van laatdunkendheid bedient om anderen te hinderen, wier voornaamheid of verhevenheid een doorn in 't oog zyn; die opzettelijke minachting of onhebbelijke behandeling van minderen, wier eenvoudigheid en geringe ontwikkeling of onbeschaafdheid tot voorwerp van lage spotternij dienen ; die voor anderen pijnigende scherts van hen, welke zich niet ontzien de lichamelijke of zedelijke gebreken van hunnen evennaaste te belachen.
Opmerking. De nog volgende vermaningen van den h. Paulus tot ijver voor alles wat den Christen ter harte moet gaan, tot vurigheid van geest in den dienst van God, tot blijde hoop op de toekomstige verheerlijking van Gods kinderen, tot geduld in de beproeving, tot volharding in het gebed, tot mededeelzaamheid in de behoeften der Christenen, tot gastvrij-
164
w
O
TWEEDE ZONDAG NA DRIK KONINGEN.
heid, tot medelijden met andersdenkenden, tot hartelijke deelname in den voor- en tegenspoed van den evennaaste â die alle laten wij hier onbesproken, dewijl al die voorschriften zoo dikwijls in de verschillende brieven van denzelfden Apostel voorkomen, dat wij daaraan til onze aandacht of reeds gewijd of nog zullen te wijden hebben.
Dit alleen zij hier nog aangestipt. Al wie de boven vermelde vermaningen van den grooten Apostel naleefde, zou niet alleen een volmaakt maar ook een gelukkig Christen wezen. Hij vervulde met moed en opgewektheid de meestal moeilijke verplichtingen van zijn staat en godsdienst, niet met wereldsche inzichten maar met de bedoeling Gode te behagen; hij bleef, zijner hulpbehoevendheid bewust, de noodige kracht zoeken in het gebed en, zich sterk gevoelende in de hulp van boven, vreesde hij niets maar hoopte alles te vermogen, zelfs de eeuwige glorie te zullen verdienen. Geene beproeving sloeg hem neer en met den h. Paulus zou hij juichen in al zijn lijden, omdat hij weet dat elk lijden kortstondig is en toch een eeuwig gewicht van onvergankelijke glorie kan bewerken. â Maar zijn eigen geluk maakte hem niet ongevoelig voor het leed van anderen. Integendeel: naar mate hij meer van geestelijke vreugde overvloeide en in den rijkdom van Gods zegeningen leefde, naar die mate zou hij ook allen aan hetzelfde geluk deelachtig willen zien. Gelijk de barmhartige Samaritaan had hij medelijden met de gewonden naar ziel en lichaam, kwam in geestelijken en lichamelijken nood te hulp, opende hart en hand voor de lijdenden, nam een hartelijk deel in den tegenspoed zoowel als in den voorspoed van zijn evenmensch, sloot zelfs zijne deur niet voor wie slachtoffers der verlatenheid waren. Kortom : volgens Jesus' voorbeeld en het voorschrift des Apostels verheugde hij zich met die door God gezegend zijn, maar zijn hart gevoelde ook diepe smart met degenen, die het brood der tranen moeten eten. De liefde regelde al zijne daden, de nederigheid al zijne gedachten, het geduld heiligde zijn eigen lijden, de meening richtte zijne schreden naar de eeuwigheid, en de glorie des Hemels ware eens de belooning voor al zijne goede werken.
I
i li
i â hé
'm-
165
â H
4
riji (
t
iiil
w I
% t
I
,1
p
i
. ».! 11
OP DEN FEESTDAG VAN DEN ZOETEN NAAM.
In die dagen sprak Petrus, vervuld van den Heiligen Geest: Oversten des volks en ouderlingen, hoort! Indien wij heden voor de rechtbank staan ter oorzake van de weldaad aan eenen kranke, waardoor deze gezond geworden is^ zoo zij aan u allen en aan het geheele volk Israël's bekend : door den Naam onzes Heeren Jesus Christus, den Nazarener, dien gij gekruisigd hebt, dien God van de dooden heeft opgewekt, door dien staat deze hier gezond voor uwe oogen. Hij is de Steen, die door u, bouwlieden verworpen is, die tot hoeksteen geworden is ; en er is in niemand anders zaligheid. Want er is onder den hemel geen andere naam den menschen gegeven, waarin wij moeten zalig worden. Hand. IV, 8â12.
inleiding. De aanleiding tot het spreken van die mannelijke taal, welke wij zoo even lazen, vond de h. Petrus in deze omstandigheid. Hij had den kreupele, die dagelijks aan eene der poorten van Jerusalem's tempel werd neergezet om van de bezoekers eene aalmoes te vragen, geen goud of zilver gegeven, want dat bezat hij niet, maar eene grootere weldaad bewezen: in den Naam van Jesus Christus den Nazarener had hij hem
OP DEN FEESTDAG VAN DEN ZOETEN NAAM.
167
een zóó volkomen herstel van zijn lichamelijk gebrek geschonken, dat de genezene op zijne voeten kon staan en loopen zonder iemands hulp. Zelfs sprong hij nu en dan van vreugde op, God lovende en voor de weldaad dankende, welke hij had ontvangen. Dewijl hij Petrus in den tempel gevolgd was en hem vasthield, maakte hij zijnen weldoener aan het toe-stroomende volk bekend. Allen waren evenzeer verbaasd en meenden, dat de Apostel door menschelijke kracht die genezing bewerkt had. Om dit wanbegrip te bestrijden, nam Petrus het woord en verklaarde, »dat de God hunner vaderen op het »aanroepen van den Naam zijns Zoons, dit wonder gewrocht »en daardoor Jesus van Nazareth verheerlijkt had, Wien zij als »een misdadiger in de handen van Pilatus hadden overgele-»verd, weigerende Hem als hunnen Messias te erkennen.quot; Nog vóórdat Petrus had uitgesproken, werd hij met zijn mede-Apostel Joannes, omdat Hij Jesus' Naam genoemd had, door diens vijanden gegrepen en in de gevangenis geworpen tot aan den volgenden dag, want het was reeds avond en derhalve te laat geworden, om hen dadelijk te verhooren. Des anderen daags vergaderde de hooge raad; Petrus en Joannes werden voorgebracht en hun deze vraag voorgesteld: »door welke »kracht of in welken naam hebt gij dit gedaanquot;, de genezing van dien kreupele bewerkt ? Wel wisten die sluwe joodsche Oversten, dat het wonder onder inroeping van Jesus' Naam geschied was, maar zij verwachtten, dat de Apostel dien Naam voor dien raad niet zouden durven noemen en alleen den naam van God zouden aangeven. Ontvingen zij dit antwoord, dan was het hun mogelijk den gehaten Jesus op den achtergrond te schuiven en het volk te doen gelooven dat, volgens de getuigenis der Apostelen zeiven, het verbazing-wekkend wonder in geenen deele aan de kracht van Jesus' Naam mocht toegeschreven worden. In dit plan werden zij deerlijk teleurgesteld. De h. Petrus, vervuld van den H. Geest, gaf het antwoord, dat wij boven lazen, en verijdelde daardoor de listige plannen van zijne belagers. â Zoo luidt het verhaal, dat de h. Lucas geeft van een wonder, waardoor de eerste tijd van Petrus' optreden als Hoofd der Kerk op schitterende wijze gekenmerkt
168 Op den feestdag van den zoeten naam.
en Jesus' Naam aan het volk verkondigd werd. Nu de Kerk op dezen feestdag ons die opzien barende gebeurtenis ter overweging voorhoudt, is het blijkbaar haar vurig verlangen, dat wij ons tot eerbied voor de Verhevenheid en tot vertrouwen in de Macht van dien Naam opwekken. Om aan dien wensch onzer Moeder te voldoen, wijden wij eenige bladzijden aan de uiteenzetting van deze twee gedachten:
I. in den Naam van Jesus werkte, streed en overwon de Kerk;
II. wij hebben aan dien Naam alles te danken.
1.
Door den Naam onzes Heeben Jesus Christus, den Naza-reneb, Dien gij gekruisigd hebt, Dien God van de dooden
heeft opgewekt, door dlen staat deze hier gezond voor uwe gogen.
Dat was een moedig, onverschrokken antwoord. Zonder eenige aarzeling heieed Petrus, dat door het aanroepen van Jesus'Naam alleen de kreupele het gebruik zijner voeten voor het eerst had verkregen, en â men merke dit wel op â alle omstandigheden droegen er toe bij, om aan de woorden des Apostels een hijzonder gewicht bij te zetten. De groote lijdensweek van den Verlosser was nog levend in de herinnering van alle Joden; velen wisten ook, dat in die dagen van verschrikking de Apostelen uit vrees waren gevlucht, en dat Petrus tot drie maal zijn goddelijken Meester had verloochend. En nu, te midden van eenige vrienden maar van nog meerdere vijanden beleed dezelfde Apostel den glorievollen Naam van Hem, Wien hij weinige weken te voren gezworen had niet te kennen. Alle vrees was uit zijn hart gebannen; voor denzelfden hoogen raad, die Jesus ter dood had veroordeeld, legde hij de treffendste getuigenis af omtrent den Nazarener ; hij vleide die joodsche Overheden niet, koos zijne woorden niet naar hunne wenschen, maar sprak de waarheid, hoewel hjj moest voorzien, dat eene pijnlijke vervolging de belooning
Op den feestdag van den zoeten naam. 169
zoude wezen voor zijne vrymoedigheid. Eene uitdaging was tot hem gericht en hij nam ze aan ; hem werd door het hoogste gezag bij de Joden eene der gewichtigste vragen voorgelegd, en zonder aanzien van personen liet hij een antwoord hooren, waardoor de glorie en de macht verkondigd werden van den Wonderdoener, dien hij eens verloochende. Nu toonde hij metterdaad bereid te wezen voor Jesus te lijden en te sterven. Wij kunnen het ons gemakkelijk voorstellen, wat de twee Apostelen gedurende de lange uren van den nacht, toen zy gevangen zaten, met elkander besproken, wat zij besloten hebben. âOnze hulp is in den Naam des Heeren; al legert âeene krijgsbende zich tegen ons, ons hart zal niet vreezen ; âwat kunnen zij tegen God, die ons tot werktuig van zijne âwondermacht heeft gemaakt.quot; Nooit zullen zy die bemoedigende gedachten met meer vuur aan elkander voorgehouden, nooit ook door de herinnering daaraan zich meer gesterkt gevoeld hebben dan in die oogenblikken, waarin] zij zich voor den naderenden strijd voorbereidden. Zoo gelaten en zich volkomen meester, zoo onoverwinnelijk geworden door Hem, die de zwakken sterk maakt, traden zij hunne vijanden te gemoet. Zij beleden den Naam van Jesus, om anderen en zich zeiven zalig te maken, om alle knieën voor Hem te doen buigen, aan Wien een Naam boven alle namen gegeven was, om God in alles te eeren door Jesus Christus te belijden. Eerst had de h. Petrus voor het toegevloeide volk Jesus gepredikt als den Zoon Gods door hen ter dood overgeleverd maar door God opgewekt; als den Rechtvaardige en den Heilige, Wien zij verloochend en verworpen hadden als ware Hij een misdadiger, maar die in waarheid de Oorsprong des levens was; als den Gezalfde des Heeren, in Wien zü door berouw vergiffenis van zonden konden verkregen, ook verkwikking en zaligheid, wanneer Hij ten oordeel zoude komen ; als den door de Profeten voorspelden Messias, die door den Vader gezonden was, opdat allen in Hem zouden gezegend
170 Op den feestdag van den zoeten naam.
worden, die zich bekeerden van hunne boosheden. Den volgenden dag, voor het Sanhedrin staande, verheerlijkte de Prins der Apostelen Jesus, door te verklaren dat in diens Naam alleen de lamme was genezen en nu gezond voor hen stond; dat Hij, Wien zij gekruisigd hadden, de Christus was ; dat de Nazarener, Wien zij gedurende zyn leven miskend en vervolgd hadden, tot Hoeksteen was geworden van de Kerk des Nieuwen Verbonds en tot Hoofd van de gemeenschap der Heiligen, welke Hij in zijn Bloed had gesticht; ten laatste beleed hij met de onfeilbaarheid van zijn Apostolisch woord de alles overtreffende Waardigheid van Jesus en de noodzakelijkheid van het geloof in zijn Verlossingswerk door te leeren â en met bijzonderen nadruk zal de h. Petrus die verpletterende woorden ten aanhoore van Jesus' moordenaars hebben uitgesproken : in niemand anders is er zaligheid. Want er is onder den Hemel geen andere Naam den men-
schen gegeven, waarin wij moeten zalig worden.
Met deze leer op de lippen en met dat geloof in het hart, heeft de Kerk haren zegetocht door de eeuwen begonnen en doorgezet tot op onze dagen. Gelijk uit Jesus' dood het leven werd geboren, zooals uit zijne Verrijzenis was gebleken; gelijk mannen, die kort te voren bij Jesus' gevangenneming op de vlucht gingen, nu vastberaden en stoutmoedig optraden om de eer van hunnen goddelijken Meester te wreken en zijne vijanden te beschamen, zooals wij zoo even zagen; eveneens getuigt de kerkelijke geschiedenis op elke van hare bladzijden van de zaligende macht van Jesus' Naam en van den onoverwinbaren moed, welke den belijders van zijne leer ingegeven wordt. Die Kerk heeft de taak van Petrus overgenomen, en met even schitterend gevolg. Bekeerden zich drie duizend zielen tot het Christendom op Petrus' toespraak in den tempel; konden de vijandig gezinde Joden door bedreigingen de Apostelen niet tot stilzwijgen brengen,
Op den feestdag van den zoeten naam.
171
maar moesten zij tot hunne vernedering hooren: wij kunnen niet nalaten te verkondigen, ivat wij gezien en gehoord hebben, evenzoo was het voorheen, is het nu en zal het blijven tot aan de voleinding der tijden. De Bruid van Christus wierf in elk jaar van haar roemrijk verleden nieuwe aanbidders aan van Jesus en lette evenmin op het verbod van de haar vijandige machten als op de bedreigingen met zwaard of dood. Zij had de woorden des levens ontvangen en verzweeg nooit, wat zij gehoord had; het onwaardeerbaar pand van eene goddelijke leer was aan hare zorg toevertrouwd, en tot aan de uiterste grenzen der aarde heeft zij den Naam van Jesus gedragen voor koningen en volkeren, om aan allen de eenig ware wetenschap, die des heils te leeren, en hen door het woord der waarheid ter zaligheid te brengen. Gelijk haar goddelijke Stichter medelijden had met de hongerige schare en ze op wonderdadige wijze spyzigde, kon ook zij, de erfgename van zijne Liefde, de lijdende menschheid niet aanschouwen zonder door een diep gevoeld mededoogen bewogen te worden. Toen zij in het erfdeel optrad, dat Jesus haar had toegewezen, zag zij den mensch gewond, verlamd en gebonden met de ketenen der zonde; zij hoorde hem zuchten en om hulp vragen in zijn nood. Ongevoelig voor die bede kon zij niet blijven; zij moest volgens hare roeping helpen en aan middelen ontbrak het haar niet. In het kostbaar Bloed, dat op den Calvarie-berg gevloeid had, in Jesus' instellingen en Sacramenten vond zij alles wat ter genezing van allerlei zielen-kwalen noodig was. Na geleerd te hebben, dat allen tot de zaligheid konden komen; dat Jesus voor het ge-heele menschdom gestorven was en verlossing zoowel als vrede gebracht had; na zonder schroom verkondigd te hebben, dat slechts zij, die in Jesus geloofden en de genade-mid-delen haar ter uitdeeling gegeven wilden gebruiken, het eeuwig geluk konden beërven; na aldus aller opmerkzaamheid op zich gevestigd te hebben â richtte zij zich tot een ieder,
Op den feestdag van den zoeten naam.
die een smeekenden blik om eene aalmoes tot haar opsloeg, het troostvol woord: wat ik heb, dat geef ik u: in den Naam van Jesus Christus den Nazakener, sta op en wandel, en wat de Apostel voor het lichamelijk welzijn van den lamme deed, hetzelfde bewerkte zij voortdurend voor het geestelijk geluk van wie zich tegen hare stem niet verhardden.
Hoe de Kerk met dat machtbetoon optreden en zulk een rijken oogst verzamelen kon, is voor niemand een geheim, die zich herinnert, dat zij niet minder dan Petrus in Jesus' Woord gelooft, op zijne Macht vertrouwt en om Hem alle menschen bemint. Bij gebreke van het eene of van het andere ware de Apostel niet zoo moedig opgetreden, hadde hij noch een zoo groot wonder van Gods hulp durven verwachten, ook niet een zoo groot medelijden met den ongelukkige getoond. Dewijl de Kerk eveneens bezield is, bekeert zij en wint zij zielen voor den Hemel in den Naam van Jesus Christus. Haar geloof is levendig en met den h. Joannes zegt zij : dit is de overwinning, welke de wereld ovenvint: ons geloof (1 Joan. V, 4). Omdat zij gelooft in Jesus, in zijne Godheid en in hare zending, in zyne quot;Waardigheid en in hare macht, kan zij zegevieren over de booze wereld en hare volgelingen. Zij gaat dan ook op den haar aangewezen weg voort met opgeheven standaard, waarop de Naam van Jesus met gulden letters geschreven staat. Als Paulus weet zij niets dan Jesus en Dien gekruisigd (1 Cor. II, 2), maar Hij is ook hare glorie en en hare kracht. Wat zij den menschen te verkondigen heeft, het is alles vervat in dien éénen Naam: de Schepping en de Verlossing; de val des menschen en zijne herstelling; de Waarheid en de Genade; de strijd voor een ieder gedurende zijn leven en de te verwachten belooning na behaalde zege. Zij heeft slechts te wijzen op Bethlehem en op Golgotha ; daar werd die Naam gegeven op bevel van God zeiven;
172
Op den feestdag van den zoeten naam.
hier door het hoogst burgerlijk gezag bekrachtigd â de Naam, welke beduidt âZaligmakerquot; en waarin allen moeten en kunnen zalig worden. Zij herhaalt daarom voortdurend: de Heer van allen is rijk over allen, die Hem aanroepen; want een iegelijk, die den Naam des Heeren zal aanroepen, zal zalig worden (Rom. X, 12), en dewijl zij zelve zich verheugt in Jesus, zoowel haar heil als hare grootheid, weet zy de geestdrift waarvan zij blaakt over te storten in het hart der toehoorders, zóódat dezen ook in aanbidding neerknielen voor Hem, die gehoorzaam werd tot aan den dood des Kruises om allen het leven der genade te kunnen geven.
Onwankelbaar is ook hare hoop. Of zij den Gekruisigde predikt voor eene uit ware godsvrucht verzamelde menigte of voor den rechterstoel van hare vijanden, altijd spreekt zij, vervuld van den H. Geest, met dezelfde waardige, onverstoorbare kalmte. In den Naam des Heeren zoekt en vindt zij hare onoverwinnelijke hulp. Jesus heeft haar beloofd: als zij u zullen overleveren, weest dan niet bezorgd, hoe of xoat gij spreken zult; want het zal u ingegeven worden in dien stond, wat gij spreken moet; niet gij toch zijt het, die spreekt, maar het is de Geest uws Vaders, die spreekt in u (Matth. X, 19), en sterk in de hulp des Heeren, zal geene bedreiging met straffen, haar terug houden van Jesus' Naam te prediken. Oordeelt of het voor God recht is, eerder naar u te hoor en dan naar God (Hand. V, 29), antwoordt zij, en onverschrokken vervult zij de lastgeving, welke zy ontvangen heeft. Zelfs verblijdt zij zich, gelijk ook de Apostelen, als zij voor den Naam van Jesus smaad en lijden mag verdragen. Zij weet immers, dat hare beproevingen niet tot een nederlaag maar ter overwinning leiden. Een zwaar kruis moge haar opgelegd worden, zij draagt het zonder tegenzin, zelfs met een blijmoedig geduld, omdat Jesus haar op dien lijdensweg is voorgegaan. Moet zij gelijk de h. Paulus in alles verdrukking lijden, vervolgd en ter neer geworpen en veracht worden om Jesus' wil, opdat
Hi
iH
til
173
i
t'
M y|
li ii
i
if n
i
^ PI
li
â
^ ! i ;â Ijl ji [lil'
1 i
ff 1 11 ii
gt;â Urn
174 Op ben feestdag van den zoeten naam.
ook in haar leven Jesus' leven openbaar worde, zij verheugt zich daarin, dewijl zij weet, dat het werkt ten behoud en ter volmaking van hare geloovigen.
Hare liefde put zij uit de zuiverste bron, welke denkbaar is. Aan het Hart van Jesus, die de zijnen beminde en ten einde toe beminde, heeft zij die vurige liefde ontleend, welke haar alles doet lijden, als daardoor onsterfelijke zielen voor een eeuwig leven gewonnen worden. Hetzij zij met Jesus aan het Kruis genageld is, hetzij zij uit de beproevingen tot een vernieuwd leven is opgestaan, hare liefde blijft zich immer gelijk, zorgvuldig, waakzaam, bedrijvig. Nog minder dan eene moeder vergeet zij hare geestelijke kinderen. Alle menschen zijn haar ten erfdeel geschonken, en in allen ziet en eerbiedigt zij de verlosten van Jesus' zoenoffer, de geroepenen ter zaligheid; en geen oogenblik verliest zij hen uit 'toog. Verheugt zij zich met de blijden, zij weent ook met de treurenden. Zij is sterk met de sterken, maar maakt zich ook zwak met de zwakken. Voor allen wil zij alles wezen en geeft aan een iegelijK in den Naam van Jesus, wat zij kan geven. Voorde onwetenden is zy de leermeesteres en aan de gevallenen biedt zij eene behulpzame hand om te kunnen opstaan; zij berispt maar bemoedigt ook; moet zij straffen, zij biedt ook de vergiffenis den verloren zoon aan, die naar het moederlijk huis terugkeert; de afgedoolde schapen vervolgt zij op hunne dwaalwegen en neemt ze des noods op hare schouderen om ze naar den schaapsstal terug te brengen, waarvan Jesus Christus de Opperherder is, en heeft zij een of ander terug gevonden, dan roept zij alle welgezinden op om zich met haar te verheugen, zij die eerst geweend had over het verlies vaneen barer kinderen. Dat alles in navolging van Jesus en om wille van Hem, die Zich zeiven niet spaarde maar Zich ter dood overleverde voor allen, opdat zij het ware leven zouden vinden. Met den h. Paulus verklaart zij, dat niets haar van Jesus' liefde kan scheiden â van die liefde,
Op den feestdag van den zoeten naam. 175
welke zooals de h. Augustinus zegt â âden Schepper om âHem zeiven, het schepsel om den Maker bemint.quot;
Opmerking. Als kinderen der Kerk moeten wij het leven der Kerk mede-leven, zóódat haar geloof, hare hoop en liefde ook ons bezielen en ijverig maken voor de verheerlijking van Jesus' Naam. Met het hart ter gerechtigheid geloovende, dienen wij ook met den mond te belijden ter zaligheid. Het eene zoowel als het andere is voor eiken Christen een vereischte voor den Hemel; het inwendig geloof ook uitwendig beleden maakt rechtvaardig voor God. Heeft ook Christus zelf niet verklaard, dat Hij hen alleen als zijne ware leerlingen voor den Vader zal belijden, die Hem voor de menschen beleden hebben ? Dat echter eene woordelijke belijdenis alleen reeds voldoende is om naar den zin van Jesus' verklaring, door den h. Paulus nader toegelicht, te handelen, zal niemand durven beweren, als hij zich herinnert, dat men door »Heere, Heere!quot; te zeggen, niet verdient in het Koninkrijk der Hemelen te worden opgenomen, maar door uit het geloof volgens die belijdenis te leven. Dat is de toetssteen van de echte deugd, dat is niet minder een waarborg voor het verkrijgen van de hemelsche goederen dan het middel om aan God te behagen. â Zóó spreken en zóó handelen met een onbegrensd vertrowwen op Jesus, zonder vrees voor menschelijk opzicht en zonder aanzien van personen, ook dit wordt geëischt door den plicht, dat wij Jesus' Naam verheerlijken. De Apostelen verkondigden, na den Heer gebeden te hebben, dat Hij hen versterken mocht om door de bedreigingen der Joden niet te worden afgeschrikt, het woord Gods met vrijmoedigheid (Hand. IV, 31). Zonder zich te schamen voor het Evangelie des heils, zonder zich door het vooruitzicht op gevangenis of geeseling te laten weerhouden, volbrachten zij de taak welke hun opgelegd, deden zij het werk van Jesus, dat hun voorgeschreven was. Hun voorbeeld, door de Kerk ten alle tijde nagevolgd, moet een richtsnoer voor ons christelijk gedrag wezen. Er kunnen geene omstandigheden gedacht worden, waarin het den Christen geoorloofd is zijn plicht te verzaken; geene levensverhoudingen bestaan er, onder welke
176 Op den feestdag van den zoeten naam.
hij zou mogen afwijken van hetgeen God en zijn geweten van hem eischen. Tegenover spotternij en bedreiging moet hij een onverzettelijk »ik moet eerder gehoorzamen aan God dan aan »de menschenquot; stellen, niet op eigen kracht pochende, maar vertrouwende op Jesus, die den zwakken de overwinning kan geven. â En dit alles uit liefde voor Jesus en voor diens verlosten, opdat Jesus in alles verheerlijkt en den evennaaste een voorbeeld gegeven worde, dat hem in de gevaren des levens een wapen, bij moeilijkheden een steun, in twijfelingen een vraagbaak en in mismoedigheid eene opwekking ten goede kan wezen. Niets minder is hij verschuldigd aan den Naam van zijn grooten God en Zaligmaker, die Zich zeiven voor allen gegeven heeft om allen vrij te koopen.
II.
Op velerhande wyze is Jesus' Naam in ons verheerlijkt. Heeft Jesus in en door zijne Kerk de schoonste overwinningen behaald op het ongeloof en zedeloosheid, op de verwoedste aanvallen en afschuwelijkste lasteringen der vijanden van zijn heiligen Naam; niet minder groot en machtig heeft Hij Zich in ons betoond. Niet zoozeer in het genezen van lichamelijke kwalen als wel in het heelen van de wonden onzer ziel, in het rechtvaardigen en heiligen. Op slechts enkele gebeurtenissen uit ons godsdienstig leven behoeven wij de aandacht te vestigen om die waarheid te bewijzen. Jesus had ten bate van het geheele menschdom door zijn lijden en sterven oneindig vele en oneindig groote verdiensten verworven, en voor 't eerst werden die op elk van ons in 't bijzonder toegepast in het H. Doopsel. Daardoor werden wij kinderen van Jesus' Kerk en geteekend met het teeken van den levenden God. Van dat oogenblik af heetten wij ook onder een tweevoudig opzicht het eigendom van den Heere Jesus; want Hij, die als Schepper ons door zijne Almacht had gemaakt, is in zijne onverdiende Barmhartigheid onze Verlosser geworden
OP DEN FEESTDAG VAN DEN ZOETEN NAAM.
uit de vernederende slavernij des duivels. Ontzaglijk groot en heilzaam moet de verandering genoemd worden, welke toen in ons binnenste plaats greep. Eén voor één zijn wij naar de Doopvont gedragen, nog kinderen van gramschap zijnde en beladen met de erfschuld; doch nauwelijks was, in den Naam der Allerheiligste Drievuldigheid, het water der wedergeboorte over het hoofd uitgestort, of onze ziel was van alle smet gezuiverd, vlekkeloos en heilig geworden, welgevallig in de oogen van haren God, kind des hemelschen Vaders en erfgename van de eeuwige goederen. Al die genaden werden ons gegeven door de kracht van Jesus' Naam, die dat Sacrament instelde en daaraan zijne genade verbond. â Toch zwak nog was dat kind, ofschoon geen vijand meer van God; het moest nog sterker worden om onder den standaard van Jesus te kunnen strijden, alhoewel het niet meer slaaf van Satan heette; het moest nog meer gestaald worden om mede te dingen in dien wedstrijd, waarin eene onverwelkbare kroon gewonnen wordt. Het behoefde nog meerdere kracht van boven, om zijn geloof te kunnen bewaren en zyn loopbaan te kunnen volbrengen, â en het is wederom door eene andere van Jesus' instellingen, dat eene nieuwe rijkdom van genaden werd uitgedeeld. Het H. Vormsel door Hem aan zijne Kerk ter bediening toevertrouwd, schenkt aan de geloovigen de gaven des H. Geestes, den H. Geest zeiven, Wien te zenden Jesus de macht heeft ontvangen. Dien had Hij ook beloofd als den Vertrooster, als den Leeraar der waarheid, als de Kracht van boven, door den Vader te zenden in zynen Naam.
Om de Liefde van Jesus, van Wiens Goedheid wij alles, genade op genade, ontvangen opdat wij het geestelijk leven in rijken overvloed genieten, ons nog helderder voor te stellen, wijzen wij op twee andere heilmiddelen, welke Hij ten voordeele van zijne verlosten schonk. In de Biecht, het Sacrament van Barmhartigheid, en in de Eucharistie, het Sacrament van Liefde, toont Jesus' Naam zijne wonderbare kracht
Verklaringeu der Epibtelen 12
177
178 OP DEN FEESTDAG VAN DEN ZOETEN NAAM.
ter heiliging. quot;Wat toch doet de Christen, die in zonden is gevallen en zoo de heiligmakende genade heeft verloren ? Wenscht hij zijn verlies te herstellen en de verbeurde vriendschap met God te herwinnen, dan richt zijne eerste gedachte zich naar de zielroerende gelijkenis van den verloren zoon, welke Jesus voorstelde ter bemoediging van zondaren. Hij weet dat een vernederd en vermorzeld hart nimmer door den Vader der Barmhartigheden zal versmaad, dat ook de genade van een oprecht berouw aan eene dringende bede door den Verlosser der wereld niet zal geweigerd worden. Na zich daartoe opgewekt te hebben, betreurt hij in de bitterheid der ziel al zijne overtredingen, en al mocht de duivel der wanhoop aan hem evenals aan Cain en aan Judas ingeven, dat hij te zwaar gezondigd heeft om vergiffenis te verdienen â hy herinnert zich, dat Jesus nooit een zondaar heeft verstoeten, die zich bekeerde van zijne ongerechtigheden. Hij moge op den tollenaar in den tempel of op de beruchte zondares Maria Magdalena of op de overspelige vrouw of op den moordenaar aan het ikruis gelijken, zijn geloof doet hem in Jesus Dengene zien, die niet om de rechtvaardigen maar om de zondaars gekomen was. In den Naam van Jesus kan hij, daaraan twijfelt hij niet, uit zijne ellende opgericht worden om wederom den weg der geboden G-ods te bewandelen. Gelijk zijn geloof is ook zijn vertrouwen groot. Hij werpt zijne oogen op een Kruisbeeld en zegt tot zich zei ven: âdie Jesus âis ook ter verzoening voor myne zonden gestorven ; ook âvoor mij heeft Hij het H. Sacrament der Biecht ingesteld ; âook aan mij heeft Hy bevolenquot; : âvertoon u aan den Priester, âwant hem heb Ik de macht gegeven u van uwe zonden te âontbinden.quot; Nu kent hij geene aarzeling meer. Met berouw in het hart en met de belydenis zijner schuld op de lippen, werpt hij zich voor den plaatsbekleeder van Jesus, aan de voeten van het Kruis, en weldra verneemt hij de troostvolle woorden : ,in den Naam en met de volmacht van den Heer
op den feestdag van den zoeten naam. 179
âJesus Christus ontbind ik u van uwe zonden; ga in vrede âen wil niet meer zondigen.quot; Zoo is Jesus voor hem opnieuw Verlosser en Zaligmaker geworden; hij staat op en juicht van vreugde, Hem lovende en verheerlijkende voor al het volk, dewijl de Machtige en Wiens Naam heilig is, groote dingen aan hem gedaan heeft.
In de H. Eucharistie heeft Jesus' Liefde en Macht haar toppunt bereikt, want daarin schenkt Hij niet alleen zyne genade maar ook Zich zeiven. âHij die oneindig Wijs isquot; â leert ons de H. A.ugustinus â âkon niet eene grootere gave âuitdenken ; Hij die oneindig Machtig is, kon niet een grooter âwonder doen ; Hy die oneindig Ryk is, kon niet een grooter âgoed geven.quot; Waarlijk, zoo Jesus en zijne Kerk het ons niet leerden, wij zouden het niet kunnen gelooven, dat Jesus zelf wezen wil het Voedsel onzer zielen, het Leven van ons leven, om later onze Verrijzenis te worden. Bovendien, Hij heeft eerst moeten sterven, opdat wij het Brood des levens konden nuttigen en zoo den dood niet zouden zien ! Geen wonder, dat heilige zielen terugschrikken voor zulk eene Goedheid en verpletterende Grootheid; dat zij, in het bewustzijn van hunne onwaardigheid wegzinkend, de plaats schier niet durven naderen, waar dat geheim van Liefde troont, minder nog aanzitten aan den disch door den goddelijken Gastheer hun toebereid. Zij voelen zich gedrongen uit te roepen: ivat is de mensch, o Heer! dat Gij zijner gedenkt, of wat is des menschen zoon dat Gij acht op hem gaaft (Ps. VIII, 5), en dan te bidden met den h. Petrus: ga uit van ons, want wij zijn zondige menschen, o Heer! (Luc. V, 8). Doch, gaven zij aan den drang van die nederige stemming te veel toe, dan werd Jesus' liefdevolle bedoeling niet bereikt; zijn Hart leed diepe smart, zoo Hij de spijze niet werd ten eeuwigen leven. Hy wist, voor wie Hij zijn Liefde-geheim instelde, en de zoetste troost voor zijne vernedering werd Hem onthouden, als zijn bruiloftszaal onbezet bleef. Met een zoet geweld roept
180 op den feestdag van den zoeten naam.
Hij ons, dwingt Hij binnen te gaan, na ons eerst met een passend feestgewaad omkleed te hebben. En zalig zij, die in den Naam des Heeren gehoor geven aan de dringende uit-noodiging van hunnen God en Zaligmaker. Met volle teugen kunnen zij drinken uit zijne fonteinen, waar het water springt ten eeuwigen leven, zich verzadigen met dat Brood, waarvan men op waardige wijze niet eet zonder het geestelijk leven te vinden en behoed te worden tegen den eeuwigen dood. En aan Wien anders moet de nietige mensch het danken dat hij, met eene hemelsche spijze versterkt, ten spijt van al zijne vijanden, wandelen kan tot aan den berg Gods, waar de eeuwige zaligheid begint â aan Wien anders dan aan Jesus, die met een goddelijk machtwoord, dat uitwerkt wat het beduidt, hem zegt: Sta op en wandel.
Opmerking. Vele plichten hebben wij tegenover den zoeten Naam te vervullen. Wij brengen ze alle tot deze twee terug: wij zijn eerbied verschuldigd aan de hooge Verhevenheid, vcr-trowwen in de groote Alacht van dien Naam. Op geen enkele bladzijde der H. Schrift is de eerste verplichting met grooteren nadruk en in duidelijkere bewoordingen voorgeschreven dan in hetgeen de h. Paulus leerde: Christus Jesus vernederde Zich zeiven, daar Hij gehoorzaam was tot den dood, en wel den dood des Kruises. Daarom heeft ook God Hem verheven en Hem een haam geschonken, die boven allen Naam is ; opdat voor den Naam van Jesus alle knie zich buige van die in den Hemel, die op de aarde, en die onder de aarde zijn, en alle tong belijde, dat dc Hecre Jesus Christus is in de Heerlijkheid van God den Vader (Phil. II, 8â12). Daarmede is aangewezen en het voorwerp onzer vereering: de Naam boven allen naam, welke onafscheidbaar is van den Persoon van onzen goddelijken Verlosser ; en het doel, waarom die Naam aan Jesus is gegeven: opdat Hij aangebeden worde door al zijne Schepselen. Waar God alzoo ons voorgaat, moet de mensch zeker volgen; wanneer God zijne bedoeling zoo duidelijk laat verkondigen, kan niemand zich aan de verplichting onttrekken, aan zijn bevel te gehoor-
op den feestdag van den zoeten naam.
181
zamen. Allen moeten voor den Naam van Jesus, voor den god-delijken Persoon met dien Naam genoemd, hunne knieën buigen ; alle redelijke schepselen, waar zij zich ook bevinden, moeten Hem goddelijke eer bewijzen. De Engelen en Heiligen erkennen Jesus als den Koning der eeuwige glorie ; de duivelen en verdoemden huldigen, zij het dan ook tegen wil en dank. Hem als hunnen Rechter, en de ontslapene Rechtvaardigen, die nog in de zuiveringsplaats vertoeven, hopen op Hem als hunnen toekomstigen Belooner. En wij, die nog op aarde leven en om de kroon des Hemels strijden, wij vooral dienen 'Hem te vereeren, opdat de eeuwige zaligheid verworven worde. Maar dan ook eerbied voor den Naam, die niet gedacht noch uitgesproken kan worden zonder dat de herinnering verlevendigd wordt zoowel aan de goddelijke Waardigheid van den Drager als aan de onnoemelijke weldaden, welke Hem te danken zijn. Niemand bezigt den naam van zijn vriend, niemand den naam van den geneesheer aan wien hij zijn herstel toeschrijft, geen kind den naam zijner ouders, of de zoetste aandoeningen van liefde, dankbaarheid en eerbied worden in het hart opgewekt. Dit is eene der edelste karaktertrekken van 's menschen natuur, en zoude een Christen, die uit zijn geloof wil leven, mogen achterblijven, als hij den Naam hoort of uitspreekt, waaraan het heil van eene geheele wereld verbonden is, waarin wij moeten zalig worden ? Die eerbied moet betoond worden door dien Naam nimmer ijdel, nimmer uit gewoonte, nimmer zonder wettige redenen, nimmer in het dagelijksch gesprek te gebruiken en, is het aanroepen geoorloofd, dan door hem uit te spreken op eene wijze, dat èn buiging van het hoofd èn vorming van de stem èn de deemoedigheid van de houding het bewijs leveren van onze overtuiging, dat de Naam des Heeren groot en heilig is. â Tegen dien eerbied strijdt niet een kinderlijk vertrouwen noch eene nederige aanroeping. Integendeel. Moeten wij in den Naam van jesus zalig worden, dan ook dient hij â om met den h. Bernardus te spreken â »altijd in het hart geschreven te staan en dikwijls op onze »lippen te zijn.quot; Het is een Naam welke van Macht en van Goedheid spreekt, en beide Volmaaktheden zijn te vereeren
OP DEN FEESTDAG VAN DEN ZOETEN NAAM.
182
door een onbegrensd vertrouwen en door eene ootmoedige bede om hulp en genade. Elk goed Christen zal dan ook zijn gebed in den Naam van Jesus naar den troon van Gods Barmhartigheid opzenden, zijn lijden en zijne beproevingen verzachten door het uitspreken van den zoeten Naam, in den strijd tegen de vijanden zijner zaligheid in Jesus' Naam kracht en overwinning zoeken, van deugd tot deugd trachten voort te gaan met de hulp des Heeren. In den Naam van Jesus Christus is elk goed werk te beginnen; door het aanroepen van dien Naam moet elke dag en elke nacht geheiligd, iedere vijand verre gehouden, alle hinderpalen ter vervolmaking van het geestelijk leven uit den weg geruimd worden. Hoe gemakkelijk is het den Christen gemaakt zijne zaligheid te bewerken ! Neen, wij strijden en lijden niet alleen, maar met Hem, die den duivel en den dood overwon en voor zijne verlosten de genade, het leven en de verrijzenis verdiende. »Heer! haast u om mij te helpen,quot; mag een iegelijk bidden, en de verwachte hulp van boven zal hem niet geweigerd worden. Hij, die den Naam van Jesus droeg en voor de gansche wereld werd wat die Naam beteekent, zal aan den rouwmoedigen zondaar vergiffenis schenken, aan allen kracht tegen de bekoringen, bescherming in het leven en na een zaligen dood de kroon der eeuwige vergelding.
DERDE ZONDAG NA DRIE KONINGEN.
Broeders! Weest niet eigenwijs! Vergeldt niemand kwaad voor kwaad; betracht het goede, niet slechts voor God maar ook voor alle menschen. Indien het mogelijk is, houdt vrede met alle menschen, voor zoover het van u afhangt Wreekt u zeiven niet, veel geliefden! maar Iaat plaats voor den toorn; want er staat geschreven: âMij is de wraak; Ik zal vergelden, âzegt de Heer. Maar als uw vijand honger heeft, âspijzig hem, als hij dorst heeft, laaf hem! Want door âdit te doen zult gij kolen vuurs op zijn hoofd samen-âhoopen.quot; Laat u niet overwinnen door het kwaad, maar overwin het kwaad door het goed. Rom. XII, 16â21.
Inleiding. Wat de h. Kerk op dezen Zondag aan onze aandacht aanbeveelt, is het vervolg van de vermaningen en eene voortzetting van het onderricht, welke zij naar aanleiding van Paulus' woorden aan hare geloovigen acht dagen vroeger voorhield. Evenwel dient dit groote verschil niet onopgemerkt te blijven. Toen vernamen wij, hoe ons uikaendig gedrag in Gods huisgezin moest wezen, vóóraleer het christelijk, godsdienstig heeten mocht. Nu echter leeren wij uit denzelfden brief van den grooten Apostel der Heidenen, wat van den waren Christen
derde zondaö na drie koningen.
naar zijn inwendig leven gevorderd wordt, welke gevoelens hij koesteren moet èn ten opzichte van zich zeiven èn ten opzichte van hen, met wie hij door samenleving verbonden is, ten laatste hoe hij gezind moet wezen zelfs tegenover hen, die zich op eene of andere wijze vijandig betoonen. Gulden regels, waardig op het duurzaam metaal gegrift, diep in ons hart geschreven te worden! Werden zij door alle Christenen nageleefd, de hoogmoed ware uit aller geest voor altijd verbannen en de eensgezindheid tusschen de broeders en zusters van de christelijke maatschappij verzekerd, de vrede bleef behouden en â wat eene nog heerlijker overwinning mag genoemd worden â aan den vijandig gezinde was een zoet geweld aangedaan, om aan zijne onedele, zondige neigingen vaarwel te zeggen. De nederigheid zat ten troon, broederlijke toegenegenheid heerschte onder allen en vergevingsgezindheid voorkwam dat, wie èén moeten zijn in geest en hart, door wrevel of haat gescheiden werden. Daarentegen: het verwaarloozen van die eerste beginselen der christelijke wijsheid is oorzaak, dat men zich zeiven te veel, te uitsluitend bemint en op eigene talenten, inzichten en geestes-gaven te groot gaat; dat te geringe waarde gehecht wordt aan het onderhouden van de onderlinge eendracht en van de zoo heilzaam werkende vredelievendheid; dat alles, hetzij een woord of eene daad, waardoor de eigenliefde zich gekwetst acht, aanleiding wordt tot twist, oneenigheid, vijandschap. Laten wij daarom deze onderwerpen van alle zijden beschouwen: wij moeten volgens den h. Paulus
I. een nederig gevoelen van ons zeiven koesteren en met onze evennaasten in vrede leven;
II. aan onze vijanden het kwaad met goed vergelden.
I.
Weest niet eigenwijs. âMet deze woordenquot; â leert de H. Thomas â âvermaant de Apostel allen, dat zij niet dat âalleen voor wijs houden, wat hun wijs toeschijntquot;; dat zij niet daarom het gevoelen van anderen als ongegrond, als onredelijk verwerpen, omdat dit met het hunne in strijd is.
184
DERDE ZONDAG NA DRIE KONINGEN.
Wellicht zijn die anderen met een beter doorzicht begaafd, door een helderder verstand voorgelicht, en daarom verstandiger en voorzichtiger en derhalve te rekenen onder die bevoorrechten aan wie, omdat zij een nederiger gevoelen van zich zeiven koesteren, God eene hoogere mate van wijsheid heeft toebedeeld. âAlwie die waarschuwing van den h. Paulus in den wind zou slaan, verhief zich boven anderen en verachtte zijn evennaaste als minder bekwaam; hij ging groot op eigene inzichten en schonk geene waarde aan hetgeen anderen voor beter houden. Een eigenwijs mensch is onder dit opzicht een hoogmoedige, die zijne meening wil doordrijven, geen tegenspraak duldt, naar geene redeneering luistert en elke opmerking voor niet ontvankelijk verklaart. Hy alleen ziet alles goed in, moet in alles gelijk hebben en verwerpt met minachting wat van eene andere zijde wordt ingebracht of voorgesteld. Hij weet alles beter; voor hem bestaan ook geene moeilijkheden en, waar een ander op voorzichtige wijze nog eerst zou wenschen na te denken, zou willen wikken en wegen, handelt hij roekeloos en vermetel, alsot het niet slagen voor hem onmogelijk ware. Hij is zich zeiven genoeg; raadgevingen behoeft hij niet, maar aan anderen deelt hij ze uit te pas of te onpas; zijn leven en zijne werken zyn altijd volmaakt, maar schier geene enkele handeling van anderen is voor zijn rechterstoel onberispelijk, en op belachelijke wijze keurt hij alles af, wat hij zelf niet gedaan heeft. Zijn oordeel echter, zijne kennis en niet minder zijn gedrag mogen niet anders dan geprezen worden. Zelfs kan zijne opgeblazenheid zóóver gaan, dat hjj meent den raad of de terechtwijzing van diegenen te kunnen ontberen, welke God over hem als oversten heeft aangesteld.
Stellen wij tegenover deze schets van den eigenwijze het schoonere beeld van een waren Christen, die nederig van zich zeiven denkt en zich door geen eerzucht noch hoogmoed laat verleiden. Omdat hij zich zeiven niet hoogschat, zal hij
185
DERDE ZONDAG NA DRIE KONINGEN.
anderen te meer achten; hij schrijft zich niet eene uitgebreide kennis toe, geen bijzonder inzicht in de aangelegenheden des levens, geen groot verstand, en daarom veronderstelt hij bij zijne evenmenschen buitengewone gaven en talenten; zijn gevoelen heeft voor hem weinig waarde, maar dat van anderen stelt hij op hoogen prijs, en daarom luistert hij met bereidwilligheid naar goeden raad, verneemt gaarne opwerpingen, welke tegen zijne plannen worden ingebracht, en schikt zich vol bereidvaardigheid naar wat zij voor beter houden; zijne zienswijze behoeft niet gevolgd te worden, maar liever slaat hij den weg in, dien beter onderrichten, voor wie hij ontzag heeft, hem aantoonen â want in zijn oog zijn zij wijzer dan hij en beschikken over grootere ervaring. Hij ziet ook overal moeilijkheden en acht zich gelukkig aan de hand van een wijzen raadsman door het leven te kunnen gaan. Hij is immers naar zijne schatting zoo kortzichtig, zijn oordeel zoo onzeker, hij weet zoo weinig, en met blijdschap neemt hij de aangebodene hulp aan van een vriend, op wien hij kan vertrouwen. Bovendien, voor zich zeiven gestreng, is hij vol van inschikkelijkheid voor anderen; hij waant nooit iets goeds te doen, maar ziet met eerbied op naar het werk van den naaste, dien hij bewondert en niet genoeg kan prijzen. In plaats van op zich zeiven te vertrouwen, roept hij de voorlichting in van wijzeren en dankt God, dat hem oversten gegeven zijn, wier leiding hij met gerustheid volgen kan.
De nadeelen, welke een eigenwijs mensch zich berokkent, zijn veel en van groot gewicht. Wij wijzen hier slechts op deze volgende. Zulk een mensch neemt een standpunt in, dat hem van zijne mede-menschen scheidt. Dewijl hij zich wijzer waant dan al de anderen, verbreekt hij elk vriendschappelijk verkeer met die, welke hij ver beneden zich acht. Hij wordt een zonderling in al zijn doen en wendt zich af van die talrijke gemeenschap, te midden waarvan hij leeft. Met schendige handen verscheurt hij den broederlijken band, welke
186
DERDE ZONDAG NA DRIE KONINGEN.
187
allen tot een geheel moest samenvoegen. Wellicht meent hij door zijne eigenzinnige wijze van hande]en zich de hoogachting van zijne evenmenschen, hun eerbied te verzekeren, en juist het tegendeel zal hem overkomen. Het is toch in strijd met de menschelijke natuur om met ontzag op te zien naar iemand, die anderen minacht en zich opsluit in de ij dele beschouwing van gewaande grootheid. Daarentegen is het den mensch eigen, dat hij van allen vordert om ook zijne gaven en begaafdheden niet te miskennen; en wie zich daartegen bezondigt verbeurt het recht door zijne natuurgenooten geëerd te worden. Eooge deugd alleen zou over die miskenning kunnen heenzetten en doen besluiten om, met verzaking van persoonlijke gevoeligheid, ook hem nog met eene betooning van eerbied te omringen, die zich elke onderscheiding onwaardig heeft gemaakt. Hij heeft zich vervreemd van anderen, en dezen zullen zich van hem vervreemden; hij heeft een scheidsmuur opgericht, en wie zal dien trachten om ver te halen, wie anders dan alleen zij die, wat eene zeldzaamheid is zelfs onder Christenen, door hooge deugd uitmunten en een hoogen graad van nederigheid bereikt hebben. Grewoonlijk staat derhalve die hoogmoedige in zijne gedachten alleen, verlaten in eene omgeving, welke bij duizendtallen hare lidmaten telt. Hij is niet bemind, niet geëerd en wat zal het gevolg wezen ? Wee den eenzame! want, als hij valt, heeft hij niemand om hem te helpen (Eccle. IV, 10). Deze spreuk is waar in veelvoudigen zin. Verkeert hij in nood, niet spoedig zal hem eene behulpzame hand toegereikt worden; wordt hij gedwongen om goeden raad of voorlichting te vragen, niet dan schoorvoetend zullen die hem gegeven zoo niet geweigerd worden; geraakt hij in moeilijkheden met den een of andere, allicht wordt van alle zijden tegen hem partij getrokken en hij in 't ongelijk gesteld ; dewijl hij bekend staat als iemand, die meent alles beter in te zien en in alles en overal den boventoon wil voeren, zullen weinigen zich geroepen achten om hem te onderrichten of aan
DERDE ZONDAG NA DRIE KONINGEN.
zijne inderdaad gebrekkige kennis van zaken tegemoet te komen, maar hem veeleer in zijne betweterij zich laten verwarren dan, op gevaar af door hem te worden afgewezen, hunne ervaring ten dienste te stellen van zijn welzijn. Op die wijze bewerkt hij alras, dat de invloed, door alle lidmaten der gemeenschap op elkander uit te oefenen, voor hem verloren gaat en hij aan zich zeiven alleen blijft overgelaten â tot onberekenbare schade voor zijn tijdelijk geluk en meer nog in betrekking tot het heil zijner ziel.
Een eigenwijze in de Kerk van Jesus is ook een eigenwijze tegenover God! Zou het voor hem, zoolang hij ijdel in zijne gedachten blijft, mogelijk wezen om in die mate, als van hem gevorderd wordt, zijn geest aan de onfeilbare leer der Kerk te onderwerpen, zijn wil te buigen voor het gezag der goddelijke en kerkelijke wetten, zijn hart te dwingen om zich te schikken naar de veelzijdige eischen van het groote liefdegebod ? Wie de menschelijke zwakheid kent, vooral voor wien de heillooze kracht van den eigenwaan geen geheim is, die zal wel geen bevestigend antwoord op de gestelde vragen durven geven. Wie toch wil zoo zeer als de eigenwijze volgens eigen meening beslissen over het redelijke der geopenbaarde waarheden ; wie als hij matigt zich een oordeel aan over het nuttige der voorgeschrevene geboden; wie als hij wil uitspraak doen over wat de liefde-wet tot God en den evennaaste mag eischen? Hij moet de rechter zijn in zaken van de geloofsleer en van de zedenwet. Dwaze inbeelding! zult gij uitroepen en te recht. Maar leert de ervaring u niet, dat de gegevene schets geenszins met te scherpe kleuren getee-kend is? Zoo gij iemand uit uwe omgeving als behebt met die ondeugd kent, zult gij in hem moeten wraken, dat hij weigert zijn geheel verstand gevangen te geven in gehoorzaamheid aan de onfeilbare uitspraak van Gods Kerk, als zij in strijd is met zijne opgevatte denkbeelden; dat hij zich in woorden en in daden verzet tegen menige verordening van
188
derde zondag na drie koningen.
een bevoegd gezag uitgaande, als zij niet in overeenstemming is met zijne neigingen en wenschen ; dat hij de liefde-wet wil inkrimpen, zoo dikwijls zij van hem het vervullen van plichten eischt, welke niet strooken met de door hem gekoesterde gevoelens. Zoude hij het durven bestaan en niet vreezen door beter gezindeu te worden uitgelachen, hij eischte dat de Kerk zijn oordeel vroeg vóóraleer hare geloofsleer af te kondigen, dat zij zijn gevoelen inwon vóórdat zij hare wetten voorschreef, dat zij den eisch der liefde beperkte binnen de grenzen, welke het hem behaagde te stellen. Helaas! hoe zijn zij te beklagen die waanwijzen! Dat kinderlijk en eenvoudig geloof, die stille en vaardige gehoorzaamheid, die oprechte en hartelijke liefde ontbreken hun, waardoor alleen het mogelijk wordt vele verdiensten voor den Hemel te verzamelen, welke zelfs gevorderd worden om veie zonden te vermijden.
De Apostel vervolgt: houdt, voor zoover het van u afhangt, met alle menschen vrede, indien het mogelijk is.
Wij veroorloven ons hier eene kleine omzetting in de volgorde der verzen, met dit doel om straks onder één hoofd alles te kunnen samenvatten, wat de h. Paulus ons voorhoudt aangaande de door ons te volgen gedragslijn tegenover vijanden, en nu al onze aandacht te wijden aan zijn eisch om met allen in vrede te leven. Gemakkelijk te volbrengen is het niet, wat hij daaromtrent voorschrijft. Hij zeli gevoelde het en voegde daarom twee beperkingen aan zijn gebod toe: âvoor zoover het van u afhangt,quot; en: âindien het mogelijk is.quot; Veel geduld, wijze voorzichtigheid, groote toegevensgezind-heid en niet minder een goed doorzicht zullen den Christen ten dienste moeten staan, opdat hij aan zijne verplichtingen onder dit opzicht voldoe. En dan nog, al sieren hem al die deugden, zal het niet mogelijk wezen, dat hij den vrede met een iegelijk beware. Er komen zoo vele omstandigheden in 't leven voor, waarin hij den zoeten vrede voor hoogere belangen
189
DERDE ZONDAG NA DRIE KONINGEN.
te offeren heeft. Bij wijze van voorbeeld geven wij de twee volgende aan allen in bedenking.
Niemand mag ten koste van de reinheid zijns gewetens den vrede houden met zyn evenmensch. Ons geloof en onze zedenwet, zelfs onze stand en onze betrekking in de burgerlijke zoowel als in de godsdienstige maatschappij leggen dikwijls andere verplichtingen op ; geenszins altijd mogen wij den men-schen behagen, maar moeten nooit vergeten te letten op hetgeen Gode welgevallig is. Aan het kwade is een teugel aan te binden, aan de uitspattingen van een bedorven hart en aan de dwaasheden van een afgedoolden geest is weerstand te bieden, ook dan wanneer het bij die schuldigen wrevel en ontevredenheid zou opwekken. De overheid zou anders het in hare hand gegeven zwaard moeten neerleggen, de ouders aan het recht om te berispen en te bestraffen moeten vaarwel zeggen. Zelfs ware het lafheid, zondige meegaandheid, een zich schuldig maken aan vreemde zonden, wanneer iemand onder die omstandigheden met kwaadwilligen of afgedwaal-den vrede zou willen houden door te zwijgen als spreken plicht, door het kwade toe te laten als een manhaftig verzet geboden is. Dan moet de vriendschap met de wereld wijken voor die met God; dan eischt de plicht van eiken Christen, dat hij liever verzake aan den vrede met de menschen dan aan dien met zijn geweten, dat hij liever in onmin gerake met anderen dan dat hij zijne deugd prijs geeft â en dit in weerwil van alle onaangename bejegening, van alle vervolging, welke van de andere zijde zijne belooning zoude wezen voor zijn moedig optreden. De Apostelen zijn hierin een voorbeeld, daar zij aan hunne verbitterde vijanden het woord der waarheid niet onthielden en zich liever lieten geeselen dan niet te spreken wat hun bevolen was te verkondigen. In al de bedoelde gevallen is het niet mogelijk vrede te houden met wie zich vertoornen, wanneer hun de waarheid onder 't oog wordt gebracht, al is het uit plichtbesef en uit
190
derde zondag na drie koningen.
191
warme belangstelling. Dan moet gehandeld worden zonder aanzien van personen en naar de onveranderlijke eischen van het Christendom, dat geene zwakheid duldt tegenover wie misdoen. Zelfs niet naar de stem van vleesch en bloed mag geluisterd worden. De eenig ware Godsdienst verwerpt en veracht eiken vrede, welke gekocht wordt door verraad aan de waarheid of aan de gerechtigheid. Wel kan iedereen vrede hebben met andersdenkenden, zoo hem slechts alles lief is wat zij doen en gelooven, zoo hij zyne overtuiging en beginselen voor hunne luimen opgeeft. Maar wie ziet niet in, dat hij zoo doende in strijd komt met de eerste wetten van een moedig en vastberaden karakter, vooral met de voorschriften van zijn geloof? Of verlangt God niet van alle leerlingen des Heeren, dat zij der door hen beledene waarheid getuigenis geven in woorden en in daden; dat zij voor zoo veel mogelijk het rijk van Satan bestrijden en dat van Christus uitbreiden ; dat zij waar het te pas komt optreden als voorvechters van Gods eer, als dienaren der waarheid en predikers van Gods wet, als bevorderaars van des naasten welzijn ? Wie naar die ware beginselen zijne woorden niet kiest en zijne daden niet regelt, al zoude vijandschap hem vervolgen en verdachtmaking zijn deel wezen, hij deed zijn geweten geweld aan en overlaadde zich met schande voor God en voor de menschen. De H. Chrijsostomus houdt allen omtrent dit punt deze wijze levensregels voor: âdoet uw âplicht en geeft niemand aanleiding tot twist en strijd. Ziet âgij echter dat hier of daar de ware Godsdienst bestreden âwordt, verzaakt dan om wille der eendracht de waarheid âniet maar verdedigt ze standvastig tot in den dood. Doch âook dan strijdt zonder bitterheid ; scheidt u niet naar het âhart van uwen tegenstander en bestrijdt hem naar zijne âwerken slechts. Zoo de andere den vrede niet onderhoudt, wordt âdan niet gramstorig van gemoed ; blijft in de gezindheid uws âharten zijn vriend,maarwordtnimmer verrader derwaarheid.quot;
DERDE ZONDAG NA DRIE KONINGEN.
192
Nog in een ander geval hangt het niet van ons af vrede met allen te houden. Vrede moet van weerszijde komen ; ook de best gezinde kan met zijnen evennaaste niet in vrede leven, als deze geen vrede wil houden. Dan heerscht er on-eenigheid, welke door den onwillige gezocht en daarom zondig wezen zal, voor den andere daarentegen niet gewild en bij gevolg ontoerekenbaar is. De goede stemming des eenen stuit af op de hardvochtigheid of vijandelijke gezindheid des anderen, en aan den eerste blijft niets anders over dan stille berusting en een hartelijk gebed, dat het wrevelig en ontevreden gemoed van den andere toch eens verteederd en met liefderijkere gevoelens bezield moge worden. Vóórdat evenwel die gewenschte toestand intrede, wachte men zich voor elke daad en voor elk woord, waardoor de verbittering nog aangewakkerd, de gramstorigheid nog heviger zoude worden. Dan vooral zijn de vermaningen des Zaligmakers na te leven: âals schapen onder de wolven te zjjn ; voorzichtig âte wezen als slangen en eenvoudig als duiven.quot; Hoe moeilijk ook, ondoenlijk is dat niet, als de ware geest des Christendoms bezieling inboezemt en leiding geeft. Dan immers zal het een ieder zelfs gemakkelijk vallen om tegenspraak met gelatenheid te dragen, om, den opgewonden toestand des anderen in aanmerking nemende, veel te vergeven, om met behoedzaamheid te wikken en te wegen wat des vijands prikkelbaarheid zou kunnen verhoogen ; dan ook zal een ieder zich aangespoord gevoelen om geheel zijn gedrag zoo in te richten, dat het den andere allengs dwingt recht te laten weervaren aan de betoonde gematigheid, bescheidenheid en niet het minst aan de goede bedoelingen van hem, die niets liever wil dan met allen in den liefelijken vrede te leven. Een nederig smeeken om hulp van boven is al wederom een noodzakelijk middel, opdat onze zwakheid in die moeilijke levensomstandigheden niet bezwijke. Maar dit voorop gezet, kunnen wij zachtmoedig van harte, geduldig onder de beleedi-
DERDE ZONDAG NA DRIE KONINGEN.
gingen, toegevend voor de gebreken van den naaste zijn. En al slagen wij er niet in onze gevoelens in het hart van hem over te storten en hem vriendschappelijker te stemmen, wij ten minste zullen den zoeten vrede smaken in het bewustzijn, dat aan een der moeilijkste verplichtingen voldaan is.
Opmerking. Vrede houden met alle menschen, indien het mogelijk is: dit moet de leus van eiken Christen wezen, het doel waarnaar hij te streven heeft. Niets mag hem daarvan terughouden. Hij is dat aan zijne belijdenis en aan zijne roeping verschuldigd, evenzeer als aan God en aan den naaste. Wie lust heeft om te leven en goede dagen wenscht te zien, voor hem geldt het voorschrift van den psalmist: zoek vrede en jaag dien na (Ps, XXXIII, 13, 15). Maarniet weinig wordt daartoe van zijne christelijke gezindheid gevraagd. Hij zal eene groote overwinning op zich zeiven behalen en een niet gering offer brengen moeten. Aan niemand recht tot klagen geven; nimmer eene aanleiding wezen tot twist of strijd; hatelijke woordenwisseling vermijden; den evennaaste niet krenken noch beleedigen; een ieder voorkomen met liefde, eerbied, vriendelijkheid en dienstvaardigheid â waarlijk die eischen zijn in geenen deele licht te schatten. Bovendien vergt de liefde-wet nog het volgende van eiken Christen. Een ieder moet â zoo mogelijk â tot vredelievendheid aanmanen door woord en door voorbeeld, wanneer het doenlijk is twistenden scheiden met voorzichtigheid en kalm beraad, en de tot gramschap opgejaagde gemoederen tot rust trachten te brengen. â Eenealle-daagsche deugd zal niet volstaan om volkomen aan al die eischen te beantwoorden. Doch ook de moeilijkste inspanning wordt rijkelijk beloond doordat groote nadeelen, welke anders niet te voorkomen zijn, zullen vermeden, en van den anderen kant vele voordeelen, welke anders zouden verloren gaan, zullen verworven worden. Bij voorbeeld. Door een eendrachtig Samenwerken komt het goede tot stand, wat aan een iegelijk in het bijzonder en aan de geheele maatschappij in 't algemeen tot nut verstrekt; maar de oneenigheid verzwakt de krachten Verklaringen der Epistelen. 13
198
DERDE ZONDAG NA DRIE KONINGEN.
194
van allen en is oorzaak, dat veel ongedaan blijft, wat toch gemakkelijk te volbrengen ware geweest. Een zeer oud vader-landsch spreekwoord zegt: »met vereenigde krachtenquot; â of: »door eendracht worden kleine dingen machtig; door oneenig-»heid worden groote dingen krachteloos.quot; â Verder: alwie met een zijner mede-menschen in vijandschap leeft, geeft steeds nieuw voedsel aan zijn eigen wrok en aan dien des anderen; elk oogenblik immers hetwelk verloopt, zonder dat verzoening bewerkt wordt, zal er getuigenis van kunnen geven, dat de vijandelijke gevoelens bij den eene en den andere al diepere wortels schieten; maar is de hand ter verzoening dadelijk toegereikt, dan zal niemand het kunnen zeggen, hoe veel kwaad gekeerd, hoe veel leed voorkomen, hoe vele angstige zorgen afgeweerd zijn. En dan nog die ergernis welke gegeven wordt, en de opspraak welke verwekt, en die scheuring welke tusschen de leden van de wederzijdsche familie gemaakt wordt, die aangekweekte haat en uitgestrooide lastertaal en verdachtmaking en benadeeling in tijdelijke zaken ! Worden al die zonden niet belet door den vredelievende, die zich aan een beleedigend woord niet stoort en liever onrecht lijdt dan aanleiding te geven voor tweedracht; die liever zich vernedert door den verbroken vriendschapsband te herstellen dan zich te verhoovaardigen in ijdelen eigenwaan, die zich niet te groot acht om de minste te wezen ? Zalig zijn zij, die vrede stichten â zeide de goddelijke Leeraar â want zij zullen Kinderen Gods genoemd worden (Matth. V, 9). Zij mogen rijk of arm zijn, hoog verheven in stand of van lagere afkomst, boven hun paleis of hut zweeft de Engel des vredes en juicht hun toe in hemelsche melodij; zij toonen metterdaad kinderen Gods te zijn, die aan zijne grootste vijanden, aan de zondaars, wel vergeven en aan allen dit groote gebod voorgeschreven heeft: weest minzaam jegens elkander, meedoogend, elkander vergevende, gelijk ook God in Christus u vergeven heeft (Eph. IV, 32).
1
li
dekde zondag na drie koningen. 195
ii
II.
I
De Apostel vergenoegt zicJi niet met de vermaning tot bescheidenheid en vredelievendheid; aan de leerlingen des Heeren stelt hij nog hoogere eischen. Het geteurt niet zelden, dat ten spijt van de beste gevoelens en de grootste ®jl
voorkomendheid het hart van den vijand niet te winnen is.
Mag dan elke band verbroken, moet elke poging tot toenadering opgegeven worden ? De kinderen der wereld meenen dwaselijk, dat zich niet wreken op de halsstarrigheid van den vijand geJijk staat met een laf wijken en een laaghartig toegeven aan grillen; dat de eer vordert zich recht te verschaffen voor het weigeren van genoegdoening. Maar dat is niet de geest des Christendoms, welke uitgesproken is in deze
woorden van den Apostel der Heidenen: vergeldt niemand , i j
1 mS:
kwaad voor kwaad ; wreekt u zelven niet maar laat plaats voor den toorn ; want er staat geschreven : MlJ
is de wraak! Ik zal vergelden, zegt de Heer. Een der eer- WlL
i I ï
ste artikelen van de wet der naasten-liefde luidt alzoo: geen kwaad met kwaad, geene beleediging met beleediging, geen dreigen met dreigen, geen schelden met schelden te vergelden,
aan alle zucht tot wraakneming te verzaken en aan Gods straffende Gerechtigheid de vergelding over te laten van al het onrecht, dat aangedaan is. De woorden van God zeiven,
welke de h. Paulus tot de zijnen maakte, zijn eene bekrachtiging van die voorschriften des Apostels. En voor allen,
zonder uitzondering, geldt dat gebod, Geene enkele beperking,
noch van omstandigheden, noch van tijd, noch van plaats is j| v;
aangegeven, zóódat niemand zich van de vervulling daarvan mag ontslagen achten. â Nog in meerdere bijzonderheden dienen wij na te gaan, wat de liefde hieromtrent vergt.
m
â¦
. 41
I
i' i'ii
' '
De schoonste en ook de eenige voor den Hemel verdienst-volle wraakneming op onze vijanden is deze, dat wij over
ill
i
DERDE ZONDAG NA DBIE KONINGEN.
hunne koppigheid zegevieren door onze goedheid, dat wij hen door onze weldaden dwingen aan ons wederkeerig een goed hart toe te dragen. Omdat wij kinderen zijn van den hemel-achen Vader, die zijne zon over goeden en boozen laat opgaan, die zoowel aan den akker van een zondaar als aan dien van zijn getrouwsten dienaar vruchtbaarheid geeft, moeten wij zijne Goedheid navolgen en is ons geene andere wraak geoorloofd dan het kwaad met goed te vergelden. Hebt uwe vijanden lief; doet wel aan die u haten en bidt voor die u vervolgen en öe£as£em»(Matth. V, 45); dit gebod gafJesusaan allen, die zich niet alleen in woorden maar vooral metterdaad zijne ware leerlingen willen betoonen. Het is voor een ieder duidelijk, dat de goddelijke Leermeester daarmede veroordeelde eiken wrevel, elk gevoel van haat, elke zucht naar wraak tegenover hen, die zich vijandig gedragen, al werd van onze zijde niet de minste aanleiding daartoe gegeven; maar bovendien gebiedt Hij, dat wij onze weldaden aan hen ook bewijzen en onze gebeden tot God blijven opzenden zelfs voor hen, die op onbillijke en onchristelijke wijze ons kwaad aandoen, al kunnen zij geene reden voor hunne handelwijze aanbrengen. Dit is Jesus' gebod bij uitnemendheid en door het naleven daarvan moet de wraakgierige wereld erkennen, dat wij leerlingen zyn van Hem, die voor ons gestorven is, toen wij z^jne vijanden waren.
Maar die anderen â kan men opwerpen â vergrijpen zich aan de eerste eischen zelfs van de wellevendheid, laat staan van de naasten-liefde. Zij handelen en spreken, alsof niemand eenig recht kan doen gelden, alsof een ander geen aanspraak mag maken op eerbiediging van zijn persoon, alsof zij zich tegenover hun evenmensch alles mogen veroorloven en hun wil de regel moet wezen, waarnaar een ieder zich te richten heeft. Zij meenen altijd in hun recht te wezen , als zy op anderen toornen, aan hunne ontevredenheid op allerhande wijze lucht geven, zich niet ontzien hunne evennaasten te
196
DERDE ZONDAG NA DRIE KONINGEN.
197
'j| H
. 1!
il il
i 1
I
II 11|.
i'
kwellen, met smaad te bejegenen en met beleedigingen te overladen. En toch hen liefhebben ? Ja, en wel ofschoon zy zóó zijn ; hen liefhebben als broeders van hetzelfde geslacht, als verlosten van Jesus, als kinderen van een en denzelfden Vader, die in de Hemelen is. De stem der booze natuur moet dan gesmoord en die der genade gehoord worden â der genade, welke ons toespreekt uit Gods Barmhartigheid met den zondaar en uit Jesus' voorbeeld. Hoe lankmoedig betoont Zich God niet tegenover hen, die dag aan dag voortgaan met zonden op zonden te stapelen, die schier geen woord spreken of geene handeling verrichten, waardoor aan zijne oneindige Majesteit geene beleediging wordt aangedaan. Dat is geene onmacht om Zich te wreken in Hem, die de aarde doet beven, als Hij op haar neersiet, en de hergen doet rocken als hij ze aanroert (Ps. C Hl, 32); ook geene onverschilligheid voor de beleedigingen in Hem, die de zonden noodzakelijk haat en ze niet genoeg gestraft achtte dan in de hel, niet genoeg beweend dan door de tranen van den God-mensch, niet genoeg geboet dan door den kruisdood van den Verlosser der wereld. O, neen, maar het is een bewijs van die Liefde, welke Hem den zondaar doet verdragen, al is deze zijn vijand, welke afwacht om te kunnen ontfermen en lankmoedig is, niet willende dat eenigen verloren gaan, maar dat allen zich bekeeren (II P. III, 9) â van die Liefde, welke wonderen doet van Goedheid om te kunnen sparen, als wij zouden verwachten, dat God wonderen van zijne wrekende Gerechtigheid deed om te straffen. En dan nog het voorbeeld van Jesus I Hoe dringend vermaant het tot oprechte liefde ook voor de verbitter-ste vyanden, als wij bedenken, dat Hij weende om het ongeluk, hetwelk zijne hardnekkige vervolgers bedreigde, dat Hij voor hunne bekeering werkte en bad tot in de laatste dagen van zijne omwandeling op aarde, dat Hij eindelijk voor hen stierf om hun het leven der genade te verdienen!
Tü
derde zondag na drie koningen.
198
Geen wrevel of haat koesteren maar âalle menschen liefhebbenquot; â om met den h. Augustinus te spreken â âde âvrienden in God en de vijanden om God.quot; Dit is één gedeelte der voorschriften van den h. Paulus; het andere, ook eene omschrijving en verklaring van het gebod des Heeren, luidt: als uw vijand honger heeft, spijzig hem ; als hij dorst heeft, laaf hem. Alle onedele, onchristelijke gevoelens moeten derhalve met geweld onderdrukt en uitgeroeid, en dan den vyand daarvan sprekende bewijzen gegeven worden door hem wel te doen. Het gebeurt toch niet zelden, dat de meest welwillende bejegening geen indruk maakt op den andere, dat het onmogelijk schijnt om door zachtmoedigheid en voorkomendheid het smeulend vuur van zijn haat te doo-ven, dat zelfs hij zich nog meer in zijne kwaadaardigheid vertoont, naar mate hij van de andere zijde meerdere bewijzen van vriendschappelijke gezindheid ontvangt. Het komt voor, dat hij nog gramstoriger en verbitterder wordt, als hij zich door zijn beminnelijken evennaaste overwonnen en zich beschaamd gevoelt onder den druk der beleefdheden, welke hem bewezen worden. Zoo toch is 's menschen hart, wanneer het niet door de genade maar door zijne driften beheerscht wordt. In die omstandigheden, welke iederen weldenkende met diepe smart vervullen, blijft er behalve het gebed nog een middel over om den band van vriendschap wederom aan te knoopen en den vijand te ontwapenen. Ook de door zijne hartstochten meest verblinde zal, zoo hij niet alle gevoel van menschelijkheid heeft uitgeschud, verteederd en geroerd worden, zoodra hij onverwachte weldaden ontvangt van dengene, wien hij beleedigd heeft. Tegen die inwerking der liefde zijn niet velen bestand; de meesten zullen zich gewonnen geven. Door dit te doen, zult gij â om de woorden van den h. Paulus over te nemen â kolen vuurs op zijn hoofd sambnhoopen, dat wil zeggen: hem de gevoelige smart der beschaming aandoen, welke hem tot inkeer brengt en zoo
derde zondag na drie koningen.
tot berouw over het ongelijk, dat hij aandeed; men zal hem, die van den beleedigde geene weldaden maar integendeel wedervergelding verwachtte, als in de ziel bratden en hem als dwingen om het berokkende leed goed te maken. Het kwaad wordt door het goed overwonnen, de boosaardigheid van den vijand beteugeld en hij, met zoeten dwang en tot groot voordeel van beide partijen, als genoodzaakt om aan zijn hartstocht weerstand te bieden en dien te beheerschen, zóódat hij niet alleen aflate nog verder kwaad te doen maar zelfs van gezindheid en van gedrag verandere tegenover den evennaaste, wien hij vroeger met zijne vijandschap vervolgde. Welke eer en welke verdiensten zóó door den weldoener verworven worden, leert ons de h. Chrysostomus, als hij zegt: âzoo gij beleediging met beleediging vergeldt, zijt gij overwonnen, niet door een mensch, maar, wat wel smaadvoller âis, door een lage drift, door den toorn. Zwijgt gij echter, âdan zijt gij overwinnaar; duizenden zullen de valschheid âder lasteringen van uwen vijand erkennen en aan u den âlauwerkrans der overwinning toekennen. Zegevieren door âhet kwade te doen is een der voorschriften van den duivel. âIn de school van Christus geldt daarentegen de wet, dat niet âhij de kroon verwerft die slaat, maar die geslagen wordt. âWat elders voor nederlaag gehouden wordt, dat geeft hier âde zegepraal. Daarin zien wij Gods macht werkzaam, dat âis de kampplaats waar de Hemel gewonnen wordt, dat is âeen schouwspel, waarin de Engelen zich verheugen.quot;
Opmerking. Mochten wij allen zóó gevoelen, zóó denken, zóó handelen, dan waren wij metterdaad kinderen van den Vader, die in de Hemelen is en regenen doet over rechtvaardigen en onrechtvaardigen (Matth. V, 45); dan werd de aarde eene afschaduwing van den Hemel, waar alle Zaligen elkander beminnen in de oprechtheid des harten en overeenkomstig het liefdegebod des Heeren. Van den anderen kant: moet het geen dwaas-
199
DERDE ZONDAG NA DRIE KONINGEN.
200
heid heeten, als iemand met moedwil verzaakt aan die zoete rust en aan het zalig- gevoel van tevredenheid, welke de vruchten zijn van onderlingen vrede; als iemand met opzet zich aan het geweld der hartstochten overgeeft en zóó voor zich zeiven den toegang sluit tot den troon van Gods Barmhartigheid, zijne gebeden onvruchtbaar maakt en de schuld er van draagt dat zijne zonden hem niet vergeven worden, dewijl hij den evennaaste eene beleediging niet wil vergeven ? â Welke onze gezindheid wezen moet, vóóraleer wij die overgroote nadeelen vermijden ? Weest nederig van geest en van hart, in gedachten, in woorden en in geheel uw gedrag. Weest nederig, en gij zult geen kwaad met kwaad vergelden maar het leed, door anderen aangedaan, als verdiend beschouwen om uwe zonden tegen God bedreven. Weest nederig, en de werken van barmhartigheid, waartoe de genade aanspoort, zullen gedaan worden om God, en de anderen, die er getuigen van zijn, zullen zich aangespoord gevoelen om ze na te volgen. Weest nederig, en het zal u geen inspanning kosten om, van uwen kant, vrede te hebbgn trots alle ongerechtigheid van vijanden en, geen persoonlijk belang najagende, zult gij door uw bescheiden geduld invloed uitoefenen op het meest verstokte hart. Weest nederig, en gij zult de woorden en daden van den evenmensch wikken en wegen, niet naar den eisch van eene ziekelijke eigenliefde maar naar de wet van ware liefde, welke niet bitter wordt en gaarne vergeeft wat pijnlijk aandoet. Weest nederig, en gij zult nimmer het woord van den Apostel vergeten, dat de Heer van allen Zich de wraak heeft voorbehouden en, al wacht Hij lang, het onrecht niet ongestraft kan laten, omdat Hij voor allen rechtvaardig is. Weest nederig, en gij zult u niet schamen om den nood des anderen, al ware hij uw vijand, te lenigen ; heeft hij dorst of honger, gij zult hem bijstaan en zóó aan u zeiven de liefde, de bescherming en de hulp verzekeren van Hem, die alles aan den minste der zijnen bewezen vergeldt hier reeds en vooral in de eeuwigheid. â
VIERDE ZONDAG NA DRIE KONINGEN.
Broeders ! weest niemand iets schuldig, tenzij dat gij elkander liethebt; want wie den naaste liefheeft, hij heeft de wet vervuld. Immers : gij zult geen overspel bedrijven, gij zult niet doodslaan, gij zult niet stelen, gij zult geen valsche getuigenis geven, gij zult niet begeeren, en wat ander gebod er moge zijn, het wordt samengevat in dit woord : gij zult uwen naaste liefhebben als u zeiven. De liefde doet niet wat den naaste kwaad is. Derhalve is de liefde de vervulling der wet. Rom. XIII, 8â10.
Inleiding. Het zijn niet veel woorden, welke de h. Kerk op dezen Zondag aan den zendbrief des h. Paulus heeft ontleend. Maar juist dit pleit voor het gewichtige van den inhoud. Zij, die zorgvuldige Moeder, is overtuigd dat wij al ver op den weg der deugd zullen vooruitgegaan zijn, wanneer die vermaningen door den h. Paulus voorgehouden met getrouwheid opgevolgd worden. Immers, niets minder wordt ons op het hart gedrukt dan dat wij al onze verplichtingen tegenover den evennaaste naleven â verplichtingen voortvloeiende zoowel uit de onveranderlijke wet der rechtvaardigheid als uit die der liefde; verplichtingen ook, welke het eene gebieden en het andere ver-
VIERDE ZONDAG NA DBIE KONINGEN.
bieden, welke eischen dat aan den naaste goed gedaan en geen leed berokkend worde. Die onderrichtingen houdt de Kerk voor zóó gewichtig, dat zij niet aarzelt om op hetzelfde onderwerp bij herhaling terug te komen ; dat zij â om dit alleen te noemen â het groote gebod der liefde nu eens op deze dan wederom op andere wijze aandringt. Verleden Zondag vorderde zij van ons vredelievendheid jegens allen en zachtmoedigheid jegens vijanden ; nu leert zij in de taal van den grooten Apostel, dat de liefde-wet eerst dan vervuld is, als den naaste geen onrecht aangedaan en hem alle goed bewezen wordt. Want, al gebiedt de h. Paulus, dat ook aan den eisch der rechtvaardigheid onder alle opzichten voldaan worde; het vervullen dier verplichting zoude al weinig verdienstvol zijn voor de eeuwigheid, als de liefde, hier in haren algemeenen zin genomen, niet het beginsel was en de drijfveer tevens, waarom iemand aan den evenmensch in allen deele recht doet wedervaren. Met deze opmerkingen kunnen wij hier volstaan en gaan over tot het nader uit een zetten van de twee volgende gedachten ;
I. de rechtvaardigheid gebiedt aan een ieder het zijne te geven ;
II. de liefde eischt, dat wij aan niemand kwaad doen en aan allen goed bewijzen.
L
De h. Paulus onderscheidt tweeërlei schulden, welke tegenover anderen op ons drukken. De eene soort laden wij op ons met vrije beschikking, volgens eene wederzijdsche overeenkomst ; de andere hangt niet af van onzen wil, maar is door een hooger gezag ons opgelegd en is gegrond op onze natuur, op onze geestelijke en lichamelijke verwantschap met natuur-genooten. Met andere woorden: wij zijn gehouden tot de wet der rechtvaardigheid en tot die der liefde, en'gene zoowel als deze moet met nauwgezetheid vervuld worden. Evenwel is dit groote onderscheid op te merken. Wie zijne rechtsver-plichtingen tegenover anderen naar behooren vervult, zal zijne schuld allengs geheel aflossen, zóódat hij niets meer te vol-
202
vierde zondag na drie koningen.
doen en de andere niets meer te vorderen heeft; maar al wordt aan het gebod der naasten-liefde ook op de volmaaktste wijze voldaan, nimmer zal iemand kunnen beweren, dat zijne verplichting is geëindigd, dat hij den naaste niet langer behoeft te beminnen, â Maar laten wij niet vooruitloopen. Eerst zij de aandacht gevestigd op 't woord van den h. Paulus :
Weest niemand iets schuldig ; âvoldoetquot; â zoo legt de h. Thomas die woorden uit â âal uwe schulden op zóó vol-âledige wijze, dat gij aan niemand nog iets te betalen hebt. âEn dit om twee redenen. Vooreerst, omdat in het talmen âzelfs deze zonde ligt opgesloten, dat op onrechtvaardige wijze âhet goed eens anderen wordt achtergehouden. Vandaar lezen âwij in het boek Leviticus (XIX, 13) â en hetzelfde geldt âvan andere schulden; de verdienste van den daglooner âzal bij u niet blijven tot aan den morgen. Vervolgens, om-âdat zoolang iemand schuldenaar blijft, hij in zekeren âzin slaaf is en verplicht blijft aan den schuldeischer; âimmers: die van een ander leent, wordt zijn leenheer onderdanig (Spreuk. XXII, 17).quot; quot;Wel mogen wij dan der Kerk dankbaar wezen, dat zij ons heden in de gelegenheid stelt al onze opmerkzaamheid te wijden aan eene verplichting, welke veel te licht geschat, nauwelijks geteld wordt en aan welker overtreding zeer weinigen zich niet schuldig maken. Om deze onze beschuldiging te staven is niet meer noodig dan dat wij vooreerst nagaan wat de strenge wet der rechtvaardigheid van allen, zonder eenige uitzondering, eischt en vervolgens tegenover dien eisch de hoogst laakbare handelwijze stellen van zoo velen die, om het minst te zeggen, geen besef van hunnen plicht schijnen te hebben.
Wanneer de evennaaste het offer van zyn tijd, van zijn arbeid, van zijn geld of van zijne handelsartikelen gebracht heeft, dan kan niemand zich aan de voorwaarden der geslo-tene overeenkomst onttrekken zonder zich aan het recht des
203
vierde zondag na dbie koningen.
204
anderen te vergrijpen. De gemaakte schulden betalen, het verdiende loon der werklieden uitkeeren, zich aan het gesloten verdrag houden â dat alles vordert van allen de liefde onder den titel van rechtvaardigheid ; en die verplichting drukt te zwaarder, omdat de overtreding daarvan gelijk staat aan diefstal. Bovendien beveelt de wet Gods, dat de schuld in haar geheel en ook spoedig gedelgd worde. âNiemand kanquot; â leert de H. Augustinus â âeene onrechtvaardige winst âzich verschaffen zonder eene verdiende schade en waar de âwinst, daar de schade; de winst is in de kast, maar de âschade in het geweten,quot; en de H. Chrysostomus beweerde : âden onbeschaamden schuldenaar is het eigen of wel de bemaling uit te stellen van wat hij schuldig is of de belofte âte ontkennen, welke hij afgelegd heeft; den eerlijken daar-âentegen, om aan beide verplichtingen te voldoen spoedig en âzonder uitstel.quot; Geen eerlijk gemoed zal weigeren om aan die luid sprekende stem van de onveranderlijke wet der rechtvaardigheid gehoor te verleenen, al zoude het noodig wezen, dat men zich daarvoor eenig ongerief moest getroosten of eenige voldoening moest ontzeggen of zich eenig offer opleggen. En toch â hier leggen wij den vinger op eene wonde, welke aan het geestelijk leven van zeer velen knaagt, welke in het binnenste des gewetens wel gevoeld maar, wie weet hoe zelden den aangewezen geneesheer geopenbaard en hoe dikwijls met opzet in de biecht verzwegen wordt, omdat zij den blos der schaamte op het aangezicht jaagt en, werd zij beleden, getuigen zoude van een vuig winstbejag of van een ontredderden geldelijken toestand. Voorbeelden uit het dagelijksch leven liggen voor de hand. Het komt dikwijls voor, dat de eene iets voorschiet, zich van eenige zaken ontdoet om den andere te hulp te springen, zijn eigen geld in de waagschaal stelt, ter leen geeft of ten gebruike afstaat; wie dan het ontvan-gene niet zoo spoedig als hij kan teruggeeft maar het onder zich houdt om zijne zucht naar weelde, zijne zinnelijke nei-
vierde zondag na drie koningen.
205
gingen, zijne eerzucht of ijdelheid te voldoen, die zondigt tegen de rechtvaardigheid. Niet minder hij, die geld opneemt wat hij voorziet niet te kunnen teruggeven ; die zijne eigene penningen tot meer of minder ongeoorloofde doeleinden besteedt, terwijl zij gebruikt moesten worden tot het afbetalen van gemaakte schulden; die den arbeid verwaarloost en de gepaste zuinigheid niet in acht neemt, waardoor hij anders in staat zoude wezen aan zijne verplichtingen te voldoen; die te veel bouwt op den rijkdom of de goedgunstigheid van zijne schuldeischers en daarom rekeningen onbetaald laat, welke allengs tot zulk een bedrag opklimmen, dat zy zyn vermogen te boven gaan en, tot groote schade van de rechthebbenden, als eene zware lastpost blijven liggen, misschien tot na zyn dood. â Wij gaan nog verder in dat doolhof van 'smenschen ongerechtigheden. Met een onverklaarbaar gemak laadt men schulden op zich, zonder genoegzaam te bedenken dat zij eens ingevorderd zullen en dan moeten afgelost worden, wil men eerlijk man blijven; en het gevolg zal wezen dat, bij stijgenden nood en onder den druk van waarschijnlijk wel voorziene omstandigheden, als de tyd van aflossing gekomen is, niet alleen het recht des naasten geschonden wordt, maar ook de bekentenis van de lippen moet, dat roekeloos gehandeld is, zoo al geen leugentaal en ijdele uitvluchten in dienst genomen worden om het onvermogen te bedekken, hetwelk aan eigene schuld te wijten is, Eene om wraak schreeuwende zonde is het, wanneer handswerklieden in dienst zijn genomen en aan hen het bouwen, of het versieren, of het stoffeeren van huizen is aanbesteed, of wanneer aan nering-doenden het leveren hetzij van kleedingstukken hetzy van mondbehoeften wordt opgedragen, en, als de tijd om de ingeleverde rekeningen te voldoen gekomen is, na uitstel op uitstel de afbetaling wordt geweigerd, soms vele jaren achtereen, tot groot nadeel van den werkman of leverancier, met deze voor hen noodzakelijke gevolgen, dat zy
VIERDE ZONDAG NA DRIE KONINGEN.
zelf onmachtig worden om aan hunne verplichtingen te voldoen, de noodige materialen zich te kunnen aanschaffen en hun naam als goed betaler te handhaven. Kan â een laatste voorbeeld â met genoegzame verontwaardiging het gedrag van zekere dame gebrandmerkt worden, die een rijk voorziene zilverkast aan hare vriendin toonde en voorgaf al die kostbaarheden zonder eenig geldelyk nadeel harerzijds bijeengebracht te hebben, alleenlijk door deze â meende zij â slimme vondst, dat zij het betalen van hare rekeningen een of twee of meerdere jaren uitstelde en het daardoor gewonnen rente-bedrag besteedde tot het aankoopen van hare zilverwerken ?
Opmerking. Het is onnoodig op nog andere onrechtvaardige praktijken van de hedendaagsche wereld te wijzen. De gegevene voorbeelden spreken luid genoeg en, wie nadenken en vergelijkender wijze zijne toepassingen maken wil, vindt in het gezegde redenen genoeg om het oordeel van een oud en wijs man te onderschrijven, die niet aarzelde te beweren, dat schier door elke zaak een draad loopt, een draad van onrechtvaardigheid, dat op menigen rijkdom een vloek ligt en die, uit vrees dat hij zelf zich in zijn handel en wandel aan eenige onrechtvaardigheid mocht schuldig gemaakt hebben, de helft van zijne verdiensten aan de armen gaf. Hij had wel kinderen, voor wie hij zorgen moest, maar meende hun geen rijker erfdeel, al ware het klein, te kunnen nalaten dan goederen waaraan geen smet kleefde en waarop de zegen des Hemels rustte. Wij zullen de stelling niet verdedigen, dat zijne handelwijze als voorbeeld gelden moet, waarnaar allen zich te richten hebben. Maar, ook daarvan afgezien, kunnen niet allen iets en zelfs veel in hunne uitgaven besparen, zich niet veel overtolligs ont-zeggen om te beter in staat te zijn de eene of andere nog openstaande schuld af te lossen ? Men vergete toch nimmer, dat het niet voldoen gelijkstaat aan een roof, hetzij in mindere of meerdere mate gepleegd aan het goed des naasten, en dat roovers het Rijk der Hemelen niet zullen binnengaan, als zij
206
; ffl
vierde zondag na dbie koningen.
207
i
f:
met eene groote schuld beladen uit het leven scheiden, welke zij konden maar niet wilden afdoen.
II.
Al zijn alle geldelijke schulden betaald; altoos blijft er eene andere te voldoen over, op welke met des te grootere zorg moet gelet worden, omdat zij steeds invorderbaar is en nimmer volkomen void aan wordt. Wëest aan niemand â leert de Apostel â iets schuldig, tenzij dat gij elkander liefhebt. Dat is eene andere, zeker niet minder dringende verplichting, welke een ieder voor den geheelen duur van zyn leven en wel tegenover al zijne mede-menschen te vervullen heeft. De h. Thomas bewijst het met deze woorden; âer zijn schulden, waar-âvan de mensch zich nimmer kan vrijmaken, om de volgende âredenen. Eerstens, omdat wij aan den naaste liefde ver-âschuldigd zijn om God; de h. Joannes immers leert: dit âgebod hebben wij van God, dat die God lief heeft, ook zijnen âbroeder moet liefhebben (1 Joan IV, 21); ten tweede, omdat âde reden voor die liefde â de gelijkheid namelijk van natuur âen van genade tusschen alle menschen â nimmer wordt âweggenomen ; elk dier heeft zijns gelijke lief, en zoo ook elk âmensch zijnen evenmensch (Eccl. XIII, 19); ten derde, omdat âde liefde niet mag afnemen, maar moet toenemen, volgens âdit woord van den h. Paulus: dit bidde ik, dat uwe liefde nal meer moge toenemen in kennis en in alle oordeel (Philipp. âIV, 9).quot; â De liefde is eene schuld welke, hoe meer men âhaar voldoet, niet verminderd of vernietigd, maar vermeer-âderd en verhoogd wordt. Steeds en steeds vervuld wordende, âblijft zij nog steeds te vervullen; dagelijks ons daarvan âkwijtende, blijven wij altoos schuldenaren (Lipman)quot;.
Alzoo, en deze gevolgtrekkingen liggen voor de hand; het gebod om den naaste te beminnen houdt nimmer op en omvat alle redelijke schepselen. God is de Vader van al zijne
Ij-
1 til
i 'il
: ü
1' if
ij ml 1
J
Ir';
1
i tl
VIEBDE ZONDAG NA DRIE KONINGEN.
schepselen; alle menschen zijn zijne kinderen en onze broeders en zusters naar afstamming, naar verlossing en naar bestemming. Wie niet zijne ouders liefhad, zoude door de redelooze dieren beschaamd worden, welke gehecht zijn aan die, waardoor zy het leven ontvingen; wie zyne nabestaanden en weldoeners niet beminde, werd veroordeeld zelfs door de Heidenen, die zich van dien plicht kweten. Maar is het dan niet voldoende, als van de vreemden alleen zij bemind worden, die hetzelfde huis, die dezelfde stad bewonen? Dit ware iets meer en zeker te prijzen, als een Christen jegens die allen de edelste gevoelens koesterde van liefde en offervaardigheid. Vrede zoude er heerschen in de huisgezinnen, onder de nabuurschap, onder de bekenden. Maar ten volle ware niet voldaan aan den plicht der naasten-liefde. Die eischt meer. Elke vreemdeling, hoe ver hij ook van ons af-wone, zelfs die ons beleedigd en ons Kwaad gedaan hebben, zy allen kunnen aanspraak maken op ons hart. Wij mogen, leert de h. Paulus, aan niemand de liefde schuldig blijven ; aan niemand, aan geen enkelen der menschen. In algemeener woorden kon hij zijn gebod, het gebod des Heeren, niet afkondigen. Aan allen zijn wy het verplicht, naar gelang van de omstandigheden waarin zij verkeeren, liefde te betuigen of door hunne gebreken te verdragen en ze voor zoo ver mogelijk te verbeteren, of door met zachtmoedigheid te berispen wanneer dit te pas komt, of door medelijden in hun ongeluk en offervaardigheid in hun nood te bewijzen, of door te bidden voor hun welzijn en bij te dragen tot hunne zaligheid, of door den zegen af te smeeken over de werkzaamheid van die geloofshelden, welke hun leven wyden aan de bekeering van onge-loovigen.
Zoo groot is de schuld, welke elk redelijk schepsel Gods van allen kan invorderen; en, al tracht een ieder ze dagelijks te betalen, des anderen daags en alle dagen daarna eischt dezelfde verplichting al wederom dezelfde offers van
208
Vierde zondag na drie koningen.
onze liefde. âGaarnequot; â zegt de h. Augustinus â âbewijs âik liefde aan anderen; met blijdschap ontvang ik die ook; âmaar welke ik ontvang, die eisch ik altijd wederom op, âen welke ik bewijs, die blijf ik altijd schuldig.quot;
Geen Christen behoeft echter te vreezen, dat hij, den naaste beminnende, te kort zal schieten in de liefde, welke hij aan God verschuldigd is, of dat God Zich beleedigd zal achten door de liefde aan een van zijne schepselen toegedragen. De h. chrysostomus heeft over dit onderwerp een woord gesproken, dat overwaardig is hier vermeld te worden. Al wie den even-mensch bemint op christelijke wijze, bemint hem om God, omdat hij God bemint; en aan de liefde tot God en tot den naaste hangt de geheele wet. Dit leerde ons Jesus Christus. De genoemde Leeraar der Kerk gaf de volgende verklaring van die uitspraak des Heeren: âlaten wij elkander beminnen, âdewijl wij God beminnen, die ons het eerste heeft liefgehad. âBij de menschen verwekt het ijverzucht en vijandschap, âals gij den beminde van een ander bemint; maar God wil, âdat de liefde gemeenschappelijk zij, en wie niet deelt in âzyne Liefde tot alle menschen, dien haat Hy. De liefde âder menschen is dikwerf vol van nijd en van afgunst; maar âde goddelyke Liefde kent die onedele driften niet; daarom âzoekt zij deelnemers in hare Liefde.quot; âBemint met My, ââroept zij allen toe ; dan ook zal Ik u des te meer liefhebben.quot; âZie dat is de taal eens vurig minnenden.quot; âAls gij diegenen ââliefhebt, â zegt God â âdie Ik bemin, dan zal Ik gelooven, ââdat gij ook Mij oprecht bemint.quot;quot; âImmersquot; â deze reden gaf dieheiligenog bijeene andere gelegenheid â âevenals een Koning âin zijne beeltenis of geëerd of veracht wordt, zoo ook wordt âGod in den mensch of bemind of gehaat.quot; En de h. maagd Dorothea verkondigde voor den rechter deze gulden waarheid : âhoe meer wij ons van de liefde tot God verwyderen, âop eene des te grooteren afstand staan wij van de liefde âtot den naaste; daarentegen, hoe meer wij ons door de liefde
Verklaringen der Epistelen. 14
209
vierde zondag na drie koningen.
âaan God hechten, des te meer beminnen wij den even-âmensch ; en voor zoo veel wij ons aan den evenmensch door âliefde verbinden, evenzeer worden wij door de liefde met âGod vereenigd.quot;
De h. Paulus noemt verder de geboden der Wet op, welke op den naaste betrekking hebben; en die opsomming moet wel als een bewijs gelden, dat alwie slechts een of ander dier geboden onderhoudt maar de overige verwaarloost, geenszins aanspraak mag maken de geheele liefde-wet vervuld te hebben. Opmerkenswaardig echter is, dat de Apostel alleen slechts die geboden in herinnering brengt, welke iets verbieden, doch niet gewaagt van het eene gebod dat iets gebiedt, namelijk van dat der ouderliefde. Met den h, thomas kunnen wij daarvan deze redenen opgeven.
âDe eerstgenoemde geboden zijn van algemeenere strekking âzoowel wat den tijd als wat de personen betreft; zij verplichten namelijk voor altijd en onder alle omstandigheden. âImmers, nimmer mag echtbreuk gepleegd, nimmer gestolen, ânimmer gelasterd worden; maar er kunnen levensverhoudingen gedacht worden, waarin eerder aan God hulde betoond âen gehoorzaamheid bewezen moet worden dan aan ouders.quot; Dit voorop gezet, moeten wij met den h. Paulus allen nadruk leggen op de verscheidene geboden, welke niet kunnen overtreden worden, zonder dat ook het gebod der naasten-liefde verkracht wordt. Het eerste luidt: gij zult geen overspel doen. Voorwaar een heilig en tevens zegenwerkend gebod. Zegenrijk voor het instandhouden van de liefde, eendracht en eensgezindheid der echtelieden, voor het handhaven van de heiligheid des huwelijks, voor het verzorgen en voor de opvoeding der kinderen. Niemand is er, die niet weet dat het misdadig schenden der huwelijkstrouw de ondergang is der liefde, welke twee harten tot één moet maken; dat zulk een misdrijf den band verbreekt, welke hen bij elkander
210
vierde zondaö na drie koningen.
211
moet houden, die voor het altaar des Heeren zich voor hun leven vereenigd hebben; dat ook zoo het waarachtig geluk der kinderen opgeofferd wordt aan het. inwilligen van de laagste der driften. Daarom zal ieder, die zyn naaste in waarheid lief heeft, zich wel wachten stoornis te brengen in dat leven van eenheid en van hartelijkheid, hetwelk eene afschaduwing der vereeniging van Christus met zijne Kerk wezen moet; hij zal zich hoeden, dat de heiligste belangen geschonden worden van die kleinen, welke nog grootere behoefte aan godsdienstige opleiding hebben dan aan lichamelijk voedsel. â De Apostel vervolgt zijne vermaning : gij zult niet dooden, en verbiedt daarmede elke uitwendige handeling, waardoor het leven en de gezondheid des naasten worden benadeeld, ook elke inwendige gemoedsgesteldheid, welke tot die onrechtvaardige daden verleiden kan. Dat de ware liefde niet bestaanbaar is by allen, die zich aan de bedoelde zonden schuldig , maken, is hieruit al reeds klaarblijkelijk, dat niemand voor zich eene dergelijke behandeling zal wenschen. Wie toch ter wereld wil schade lijden aan zijne gezondheid, wie zijne dagen verkort zien, wie door haat of nijd of afgunst vervolgd1 wie met vijandelijke gevoelens bejegend worden ? Maar dan ook dringt het liefde-gebod: alles tvat gij wilt dat de menschen u doen, doet ook gij hun zoo; want dit is de Wet en de Profeten ; dat voorschrift omvat alles, wat de h.h. Schriften van het Oude Verbond betrekkelijk de liefde tot den evennaaste voorschrijven (Matth. VII, 12). By gevolg : de christelijke liefde duldt niet, dat een aanslag gepleegd wordt tegen het leven van wie ook, dat hunne lichamelijke welstand in gevaar wordt gebracht; het schreeuwt tegen de liefde, als wrevel, toorn en gramschap het hart in vlam zetten, als beleedigingen en verguizingen den evenmensch niet bespaard blijven, en op die wijze aanleiding gegeven wordt tot eene gruweldaad, welke het bloed van een mede-mensch vergiet. â Gu zult niet stelen, beveelt verder de h. Paulus en spreekt zoo zijne veroordeeling
vierde zondag na drie koninghen.
212
uit over alle onrechtvaardigheid, waardoor de naaste schade lijdt in zijne tijdelijke goederen, onverschillig of dit met geweld of met bedrog of met list geschiedt. Ook hier laat de liefde haar waarschuwend woord hooren: âhet mag niet; âmijn eisch luidt: houdt uwe handen rein; onderscheidt tus-âschen het mijn en dijn.quot; Mocht door een ieder en wel altijd naar die stem geluisterd worden! Met het vermijden van onrechtvaardige praktijken zoude, althans in zeer vele gevallen, ook de eensgezindheid en vriendschap onder de menschen verzekerd zijn. Het is toch aan den minsten twijfel niet onderhevig, dat vele vijandschappen ontstaan, dat eene diep ingewortelde haat de teederste banden verbreekt, omdat de eene in zijn fortuin of bedrijf of handel door den andere benadeeld is. Geene verongelijking wordt zoo moeilijk vergeven, omdat het hart des menschen schier aan niets zoo gehecht is als aan zijne bezittingen. Er zijn te vinden en niet weinigen ook, voor wie het lijden van schade in geldelijke zaken gelijk staat, zoo niet boven staat, aan het derven van gezondheid of aan het wegkwijnen van het leven. En juist om die redenen zal een ieder, die zijn evennaaste een goed hart toedraagt, met nauwlettendheid zich beijveren om hem geen nadeel te berokkenen, en dit niet alleen uit een gevoel van rechtvaardigheid maar ook uit liefde. â Gu zult geene valsche getuigenis geven. Zoo wordt dan even goed door woorden als door daden het liefde-gebod overtreden; niet slechts in zijn leven of gezondheid en in zijne tijdelijke goederen maar ook in zijn eer en in zijn goeden naam niet mag de evennaaste schade lijden door de liefdeloosheid van anderen. Omdat al die goederen den naaste dierbaar zijn, moet de liefde ze eerbiedigen, en wie anders handelde maakte zich aan de zonde van onrechtvaardigheid schuldig. Doch hoe menigmaal wordt zoo op grove wijze tegen de liefde misdreven? Niet zeldzaam voorkomende zijn de gevallen, waarop de h. Paulus doelde, dat de goede naam van den evenmensch door valsche getuigenis voor het
VIERDE ZONDAG NA DBIE KONINGEN.
i
iiii
218
j Mi !jii|
14
â
'i ï
.1
gerecht, of buiten het gerecht hetzy door lastertaal, hetzjj door niet gewettigde kwaadsprekendheid hem ontroofd wordt. Dan zal in geheel zijn zwaarte het vonnis, door God aan Salomon ingegeven, op den schuldige neerkomen: een valsche getuige zal zijn straf dragen, en hij die leugens spreekt zal haar niet ontgaan (Spreuk XIX, 5). En dubbel zwaar zal die straf wezen. Want met de wet der rechtvaardigheid is ook het liefde-gebod overtreden. â Ten laatste gebiedt de Apostel: gij zult niet BEGEEREN. De christelijke wet verbiedt veel. Ook door de verborgene begeerten des harten kan des naasten recht en de liefde-wet geschonden worden. Daarom ook is dit gebod des Apostels, niet minder dan de andere, er op berekend om den vrede en de eensgezindheid onder de men-schen te handhaven. Leerde ook de Zaligmaker niet, dat uit het hart voortkomende booze gedachten, doodslagen, overspelen, hoererijen, dieverijen, valsche getuigenissen, godslasteringen (Matth. XV, 19)? Met hoe groote zorg dan zal de oprechte liefde blijven waken, opdat elke booze begeerte, helllooze moeder van zoo vele zonden, al dadelijk onderdrukt worde en niet vermoge over te slaan tot daden, welke met den eisch der liefde onvereenigbaar zijn! Wie zich door zulk eene begeerte laat beheerschen, zal met zich zei ven ontevreden en tegenover den evennaaste minstens wrevelig gestemd zijn; maar wie het liefde-gebod raadpleegt en daarnaar zijne denk- en handelwijze regelt, beheerscht zich zeiven, beteugelt eiken ongeregelden hartstocht en zal in de vriendschappelijke gezindheid jegens anderen te onderhouden geene stoornis brengen, zelfs niet door een verlangen te koesteren naar iets wat den naaste toebehoort. Hij is tevreden met hetgeen hij van Gods Goedheid ontvangen heeft en gunt aan allen van harte gaarne, waarvan het bezit hen vele gelukkige oogenblikken doet genieten. Hij zoude nimmer zich wat ook willen toeëigenen, wanneer zyn evenmensch het tot zijn leed zoude moeten derven.
f %
ü
A
vierde zondag na drie koningen.
214
Opmerking. De h. Paulus besluit zijne vermaningen met drie leerrijke gezegden. â Wat ander gebod er moge zijn, op den naaste betrekking hebbende, het wordt samen gevat in dit woord : gij zult uwen naaste liefhebben als u zelven. God, onze Heer, heeft door Moses en de Profeten, vooral door Jesus Christus 'en de Apostelen nog vele andere geboden gegeven, waardoor werken van liefde als verplichtend worden voorgeschreven. Wij zijn bij voorbeeld gehouden aan anderen te doen wat wij ons zeiven toewenschen; wij moeten vergeven aan wie ons beleedigen, bidden voor wie ons vervolgen, zegenen wie ons vloeken, beminnen wie ons kwaad doen, de zondaren liefhebben niet omdat zij zondaars maar omdat zij onze mede-menschen zijn; het is ons bevolen elkanders lasten te dragen, armen en kranken en ongelukkigen ons aan te trekken, weduwen en weezen te ondersteunen ; het is een liefdeplicht aan de verongelijkten recht te verschaffen voor zoover in ons vermogen is, geestelijke en lichamelijke werken van barmhartigheid te beoefenen. Al deze geboden zijn in dit ééne gebod vervat: gij zult uwen naaste liefhelhen als u zeiven. Zelfs hs in de liefde tot den naaste ook de liefde tot God be-»slotenquot; â leert de h. Thomas â »zoo als de oorzaak in het »gevolg;'quot; »al wie in zich de liefde tot den evennaaste niet ^uitdooft, die onderhoudt ookquot; â had de h. isidorus reeds vóór hem gezegd â »de liefde tot God.quot; â Maar den naaste beminnen als ons zeiven, is dit niet te veel gevraagd van den baatzuchtigen mensch ? »Dat woord van den h. paulusquot; â antwoorden wij met eene vrije vertaling van St. Thomas' leer â »moet niet in dezen zin opgevat worden, alsof daardoor bevolen »is, dat wij den naaste op gelijke wijze als ons zeiven dienen slief te hebben : dit streed tegen de orde der liefde, volgens welke »door een ieder meer zijn eigen heil dan dat van anderen is te ^behartigen. Neen: dat woord moet genomen worden in de be-»teekenis van gelijkenis, zóódat wij namelijk even goed den »naaste liefhebben als ons zeiven. Drie voorwaarden moeten «vervuld worden, vóóraleer wij mogen vertrouwen, dat aan dien »eisch voldaan is. Vooreerst, wat de beweegreden tot de liefde gt;aangaat, het is namelijk plicht dat wij èn ons èn den naaste
: i
VIERDE ZONDAG NA DBTE KONINGEN.
»beminnen om God. Vervolgens, wat de wijze van beminnen «betreft, den naaste beminnende moeten wij hem alle goed »toewenschen. Ten derde, wat op de 'uiting van de liefde be-»trekking heeft, wij dienen evenzeer in des naasten nood als »in onzen eigen nood te voorzien, en uit naasten-liefde niets »wat hem hinderlijk is te doen, gelijk wij het ook ons niet doen »om de liefde, welke wij ons zeiven toedragen.quot; â Deze laatste opmerking voert ons geleidelijk tot het bespreken van de volgende woorden des Apostels.
De liefde doet den naaste niet wat kwaad is. Den naaste liefhebben en hem kwaaddoen, dit is onvereenigbaar. Of wel zult gij hem beminnen maar dan ook alles trachten te vermijden, wat hem op eenigerlei wijze kan hinderen ; of wel gij doet hem kwaad, maar dan ook bewijst gij, dat gij hem niet bemint, zooals de wet u voorschrijft, en zijt gij Jesus' ware leerling niet. De liefde spreekt geen kwaad en doet niets, waarover een ander zich beklagen kan; voorzichtig in al haar doen en laten, behoedzaam in hare woorden, geeft zij geene aanleiding tot twist, schenkt zij geen gehoor aan lastertaal noch aan oorblazerij, veroorlooft zich geen bits gezegde, vergeldt geen kwaad met kwaad en laat geene wraakgierige gedachten in het hart binnen sluipen. De liefde â leert de h. Paulus â is niet naijverig, zij praalt niet, zij is niet opgeblazen, zij is niet eerzuchtig, zij zoekt het hare niet, zij verbittert zich niet, zij rekent het kwade niet toe (i Cor. XIII, 4). Een groot geduld met de zwakheden van den evenmensch en eene diepe nederigheid tegenover soms grievende beleedigingen moeten ons sterken, opdat wij aan al die eischen kunnen beantwoorden; maar als het heilig vuur der naasten-liefde in ons hart ontvlamd is, zal het ons niet moeilijk vallen om even inschikkelijk voor anderen te zijn als voor ons zeiven, om voor het welzijn van den naaste een offer te brengen zoowel als voor ons eigen geluk.
De Apostel vervolgt: de liefde is de vervulling der wet ; zij maakt dat alle verplichtingen vervuld worden, welke de wet ten opzichte van den evennaaste voorschrijft. Zij is standvastig en blijft den naaste liefhebben, al vindt zij in hem ook
215
11
'1!' Ã 'jij i 4
!{J f
' li fiii
I
i I
1
JL
VIERDE ZONDAG NA DRIE KONINGEN.
216
veel wat afstoot, en dit omdat zij in hem de beeltenis van God eerbiedigt; zij hecht zich ook niet aan het uiterlijke maar bemint in het schepsel God zeiven, en daarom is zij bestand tegen het veranderlijke van het humeur, tegen het wispelturige van het karakter, tegen de onhebbelijkheden van het gedrag des anderen; wel gevoelt zij het onaangename, het weerzin-wek-kende van den handel en wandel des naasten, maar is sterk genoeg om zich daardoor niet van haren plicht te laten afbrengen. Zij schuwt alle eenzijdigheid maar omvat alle menschen, en eene aanneming van personen kent zij niet. Zij is niet kleingeestig maar allen zijn haar dierbaar, en toont zij soms voor dezen of genen eenige voorliefde, dan gaat zij niet te rade bij haar eigenbelang maar let op den nood en vooral op de geestelijke behoeften van den evenmensch; de ongelukkigsten en meest beklagenswaardigen houdt zij voor degenen, welke het eerst aanspraak op haar medelijden mogen maken; zij blijft ontoegankelijk voor vreemde invloeden, [luistert niet naar de stem van vleesch en bloed, maar neemt slechts in aanmerking wat het meest aan God behagelijk en voor het ware welzijn des naasten het meest bevorderlijk zijn kan. Zij is ook offervaardig-, zij spaart geene moeite noch vreest eenige inspanning; zelfs kan zij tot die volmaaktheid stijgen, dat het moeilijkste haar het meest toelacht en dat zij dan eerst voldaan is, als hare fondsen uitgeput en hare krachten verbruikt zijn. En niets kan hare werkzaamheid verlammen; al ondervindt zij tegenwerking, zij laat zich daardoor niet van haar doel afleiden; rusteloos vervolgt zij haren gang en, wat het haar ook moge kosten, zij streeft met alle beschikbare middelen naar het eene doel: weldoen zooveel mogelijk aan allen, al moet zij zelve ten laatste bezwijken onder den last der werkzaamheden, welke zij zich heeft voorgeschreven.
VIJFDE ZONDAG NA DRIE KONINGEN.
Broeders ! Doet aan, als uitverkorenen Gods, heiligen en welbeminden, hartelijk mededoogen, goedertierenheid, nederigheid, bescheidenheid, lankmoedigheid, elkander verdragend en elkander vergevend, zoo iemand eenige klacht heeft tegen een ander ; gelijk de Heer u vergeven heeft, aldus ook gij! Boven dit alles echter hebt de liefde, welke de band der volmaaktheid is. En in uwe harten zegeviere de vrede van Christus, tot welken gij ook geroepen zijt in één lichaam ; en weest dankbaar ! Het woord van Christus wone in u overvloedig in alle wijsheid! Leert en vermaant elkander met psalmen, lofzangen en geestelijke liederen, in welgevalligheid Gode zingend in uwe harten ! Al wat gij ook doet met woord of werk, doet alles in den naam des Heeren Jesus Christus, God en den Vader dankzeggend door Jesus Christus onzen Heer! Koloss. III. 12â17.
Inleiding. Onze Moeder, de h. Kerk, laat niet af hare kinderen te vermanen tot het aankweeken van de deugd der naasten-liefde en tot het beoefenen van die werken van barm-
VIJFDE ZONDAG NA DRIE KONINGEN.
218
hartigheid, welke het bewijs moeten leveren, dat wij die deugd op hoogen prijs stellen niet alleen maar ze ons ook eigen gemaakt hebben, 't Is waar, dat schier dezelfde waarheden ook nu ons voorgehouden, dezelfde beginselen verkondigd, dezelfde gevolgtrekkingen gemaakt worden, als welke reeds twee malen de h. Kerk tot onderwerpen van onze aandachtige beschouwing voorstelde; maar hoe ver strekt zich het gebied der liefde niet uit en hoe toepasselijk is die deugd niet op bijna alle levensverhoudingen der Christenen, op alle betrekkingen waarin zij tot elkander staan? De h. Paulus heeft aan de bekeerlingen tot het Christendom geen enkelen brief gericht, waarin hij niet met de dringendste bewoordingen op het volmaakt beoefenen van die aller noodzakelijkste deugd aanhield. Nu eens stelde hij hare hooge waarde, onvergankelijkheid en verhevenheid in het helderste daglicht, dan wees hij wederom op hare verdienstelijkheid ; soms besprak hij haren oorsprong en haar doel, een ander maal legde hij allen nadruk op de vele en veelzijdige verplichtingen, welke zij aan de volgelingen van Jesus voorschrijft ; in zijne gespierde taal leerde hij hun en ook ons wat de liefde-wet gebiedt, wat zij verbiedt zonder de straffen te verzwijgen, welke de overtreders wacht en zonder de belooningen te vergeten, welke de getrouwe nalevers mogen hopen. Van dien ijver geeft het gelezene gedeelte van den brief aan de Kolossers een nieuw voorbeeld. Na hen herinnerd te hebben wat zij aan de onverdiende Goedheid van God te danken hadden, zegt hij hun, dat zij uit erkentelijkheid voor die groote gaven Gods aan den naaste eene warme liefde verschuldigd zijn en op velerlei wijzen moeten betoonen. Aan God konden zij niets geven : aan Hem immers behoort de aarde en hare volheid; Hij heeft geene behoefte aan der menschen goederen; wat zij bezitten, hebben zij van zijne Milddadigheid ontvangen. Maar Hij wil erkend, gehuldigd, gediend worden in zijn evenbeeld, in den mensch dien Hij schiep en tot de waardigheid van zijn aangenomen kind verhief. Om die reden moeten aan den evennaaste die weldaden betoond, die werken van barmhartigheid bewezen worden, welke getuigenis van eene ware liefde afleggen. Daartoe is vereischt, dat de naasten-liefde in volmaaktheid toeneme, de
vijfde zondag na dbie koningen.
vrede bewaard blijve en voortgang gemaakt worde in de eenig ware wijsheid. Worden ook die voorwaarden nageleefd, dan zal het voor niemand moeilijk wezen om alle mede-Christenen te stichten, hen te onderrichten en tevens God te verheerlijken. In 't kort: wij lezen in den bovenstaanden Epistel deze lessen van den h. Paulus;
I. hij vermaant tot het beoefenen van eenige, in 't bijzonder opgenoemde werken van barmhartigheid;
II. hij vordert, dat allen zich heiligen eerstens door weder-zijdsche onderrichting en stichting, vervolgens door eene heilige meening bij al hunne werkzaamheden.
I.
Wat waren de Kolossers, wat zijn ook wy allen geworden, toen de wateren des Doopsels over de hoofden uitgestort en de poorten van het Rijk Gods opengezet werden om allen binnen te laten die, rein gewasschen van de besmetting der erfzonde, kinderen Gods heetten? De h. Paulus noemde hen uitveekoeenen gods, boven zoo vele millioenen, die nog in de onwetendheid der dwaling en zedeloosheid der zonde treurend en zuchtend neerzaten, naar licht en genade verlangende ; hij noemde hen ook heiligen en welbeminden. â Dit is ook op ons van toepassing. Wij zijn eveneens uitverkorenen. Vóór de grondlegging der wereld, volgens het besluit van zijn wil heeft God ons voorbeschikt ter aanneming tot kinderen voor Zich door Jesus Christus, tot lof der heerlijkheid zijner genade, waardoor Hij ons aangenaam gemaakt heeft in zijn geliefden Zoon, in Wien wij de verlossing hebben door zijn Bloed, de vergiffenis der zonden, naar den rijkdom zijner genade {Eph. I, 5,6). Wij zijn Heiligen, dewijl wy door onze uitverkiezing van de zondaren afgezonderd, Gode toegewijd, met de heiligmakende genade versierd en tot het stipt onderhouden der goddelijke en menschelijke wetten geroepen werden, toen het H. Doopsel ons toegediend is. Wy zijn Welbeminden, omdat wij door de
219
vijfde zondag na dbie koningen.
genade kinderen van God zijn geworden, de beminden van zijn Hart, aan wie Hy in zijne Liefde het woord der waarheid door eene onfeilbare Kerk laat prediken, door hare gewijde dienaren de door Jesus ingestelde genade-middelen wil toegediend hebben, wachters en beschermers heeft gegeven, die onze zielen hoeden, ze bewaren op den moeilijken weg des levens, ze verdedigen tegen de gevaren, voeden met het hemelsch brood en geene grootere zorg kennen dan om ze als met de hand te geleiden naar de haar voorbestemde eeuwige zaligheid.
Uit deze leer maken wij met den Apostel deze gevolgtrekking : dewijl God ons op zoo uitstekende wijze uit loutere Barmhartigheid bevoorrecht heeft door die drievoudige begenadiging, is het voor ons eene dure plicht, dat wij aan dien Gever vau alle goede gaven den hartelijksten dank betuigen en ook onze erkentelijkheid betoonen in daden. En hoe ? Dcor uit liefde tot God tegenover onze mede-verlosten aan te
doen een hartelijk mededoogen, goedeetiekenheid, nederigheid, bescheidenheid, lankmoedigheid, elkander verdragende en aan elkander vergevende, zoo iemand eenige klacht
heeft tegen een ander; door, gelijk de heer ons vergeven
heeft, ook alzoo te doen.
Als Uitverkorenen Gods moeten wij ten heile vooral van hen, die bij uitstek onze evennaasten, die met ons deelge-nooten zijn van dezelfde christelijke gemeenschap, werkzaam blyven, opdat zij volharden in hunne goede gezindheid; als Heiligen moeten wij naar best vermogen arbeiden aan de uitbreiding van Gods rijk op aarde, opdat zondaren bekeerd worden en ongeloovigen den eenig waren Verlosser erkennen ; als Geliefden Gods moeten wij allen met een goed voorbeeld voorgaan, gebeden en offers voor hen aan God opdragen, opdat wij zoo doende tot aller verbetering en heiliging iets mogen bijdragen. Daarom is tot ons allen gezegd;
220
vijfde zondag na deie koningen.
doet aan, omkleedt u en wapent u, evenals gij uw lichaam met een kleed bedekt om het teger alle ongemakken van het weder te beschutten of het met wapenen omgordt om het tegen vijanden te verdedigen, met een hartelijk mededoogen. Die deugd moet de kleedij, de wapenrusting en tevens het sieraad van den Christen wezen. Eischte ook de Zaligmaker van al zijne volgelingen niet barmhartig te zijn en wel als de hemelsche Vader barmhartig is; noemde Hij ook niet zalig de barmhartiger), omdat zij barmhartigheid zouden verwerven? Welnu, die even schoone als noodzakelijke deugd beoefenen wij, zoo dikwijls als wij medelijden hebben met het ongeluk des naasten, deel nemen in zijn deerniswaardigen toestand, ons van zins toonen hem te ondersteunen en zijn lijden te lenigen, hem uit zijne ellende te bevrijden. Nog volmaakter echter zal onze deugd worden wanneer wij, in navolging van God zeiven, ook dan daarin volharden, al zoude onze zwakke natuur rekening willen houden met het onbehoorlijk gedrag, met den wrevel of min vriendschappelijke gezindheid, waarvan de andere ten opzichte van ons blijken gaf; wanneer wij ook niet in aanmerking nemen, dat ons betoond medelijden wellicht niet gewaardeerd en zelfs geminacht zal worden ; wanneer wij alle min edele gevoelens, welke bij ons kunnen opkomen, dadelijk onderdrukken om zoo ware leerlingen van Jesus te kunnen zijn, die al weldoende rondging, al voorzag Hij, dat zyne gaven miskend worden en de meest begenadigden in hunne vijandschap volharden zouden.
Het gevoel van medelijden is niet voldoende; het moet in daden overgaan, moet goedertierenheid worden ; het moet zich betuigen door vriendelijke voorkomendheid en welwillende goedheid, derhalve in werken van liefde worden omgezet. Het baat uwen evenmensch niet â aldus de h. Jacobus â als een broeder of zuster naakt is en het dagelijksch voedsel ontbeert, en iemand van u tot hen zegt: gaat in vrede, warmt en
221
vijfde zondag na drie koningen.
verzadigt u! maar gij hun niet geeft wat voor het lichaam noodig is (II 15). Het helpt den arme weinig, al betreurt gij ook zijn nood, maar geen hand ter leniging wilt uitsteken; het brengt den zieke weinig voordeel aan, al vereenigt gij uwe zuchten met de zijne, maar niets doen wilt om zijn lijden te verzachten. Neen: met de edelste gevoelens moeten de beste daden gepaard gaan. Vandaar ook dat de h. Thomas, na deze woorden van Salomon uit het boek der Wijsheid: de Geest der wijsheid is eene liefderijke Geest (I, 6) en deze van den Apostel der Heidenen aan de Ephesiërs: weest minzaam jegens elkander, meedoogend (IV, 31), aangehaald te hebben, de volgende vergelijking maakt, welke wij in eene vrije vertaling aldus teruggeven: âde barmhartigheid is een goed âbrandend vuur. Door het vuur wordt alles gesmolten en ook âhet vocht uitgedreven. Is dat vuur in u ontvlamd, dan ook âzal het u week maken en het goede vocht, dat in u is, doen âuitvloeien,quot; Met andere woorden: zijt gij metterdaad barmhartig gezind jegens uwen evenmensch, dan ook zult gij van die goede gemoedsgesteldheid de bewijzen afleggen door uwe welwillendheid jegens den evennaaste â in luid sprekende woorden niet alleen maar ook door daden; gij zult door uwe werken toonen, waardoor uw binnenste ontroerd is, gij zult beloven en doen. Dat zulk eene christelijke handelwijze op het hart van eiken mensch een schier onweerstaanbaren invloed ten goede zal uitoefenen en zelfs de meest verharden tot inkeer zal brengen, kan niet betwijfeld worden.
Toch zal geen werk van christelijke barmhartigheid alle mogelijke vruchten afwerpen, zoo de weldoener niet tevens aangedaan heeft de nederigheid. Bij gebreke daarvan blijft al zijn werken vruchteloos zoowel voor hem zeiven als voor den evennaaste. Dit woord mag hard schijnen, maar de waarheid er van kan niet ontkend worden. God eischt en moet eischen van al zijne schepselen, hoe veel goed zij ook doen, een diep gevoel van nederigheid, van geringheid, van nietigheid. Zij
222
VIJFDE ZONDAG NA DRIE KONINGEN.
223
moeten overtuigd zijn en, waar het pas geeft, belijden dat zij uit zich zeiven niets kunnen. En hoe vele redenen dringen ons die gevoelens op! Uit ons zeiven zijn wij niets en hebben uit ons zeiven niets; wat wij zijn en hebben, ontvingen we van God, Het geld en de goederen, waarmede wij in den nood der armen voorzien en het lijden der zieken lenigen kunnen, zijn leengoederen ons door den algoeden Vader ten gebruike afgestaan ; het verstand en de talenten, welke wij ten dienste der lijdende menschheid kunnen stellen, zijn gaven des Hemels; de invloed en het aanzien, waarmede wij bij machtigen ten voordeele van onderdrukten kunnen spreken, werden ons van boven geschonken ; hooge geboorte en adeldom, welke aanzien verleenen en aan onze voorspraak veel gewicht geven, zijn waarlijk geene voorrechten door eigene inspanning verworven. Wat hebben wij dan, waarop wij roemen mogen ? En wie, tegen het verbod van God, tegen de stem der gezonde rede, tegen den eisch van zijn geweten, toch roemde op zich zeiven, op zijne bekwaamheden en goede gezindheid en gulle offervaardigheid, en niet alleen in den Almachtige roemde, die aan hem zeker groote dingen deed, zoude die Christen kunnen hopen, dat zijne werken van barmhartigheid als verdienstelijk in het boek des levens werden opgeschreven, dat zij der eeuwige belooning waardig werden gekeurd ? Het nadeel van zulk een zelfzuchtig werken is aldus groot voor hem, die aan zich zeiven en niet aan God alleen alle eer gaf. Maar ook tot schier volslagen onvruchtbaarheid tegenover den naaste zouden al zijne werken van barmhartigheid gedoemd zijn. In dezen zin, dat daarop Gods zegen niet rusten zal, dat zij door den beweldadigde aangemerkt zullen worden als verricht uit ijdelheid, dat zij, alhoewel in zijn tijdelijken nood voorziende, het hart des naasten koud laten, geene betere gevoelens in hem opwekken en op verbetering van zijn godsdienstig leven geen den minsten invloed zullen uitwerken.
vijfde zondag na drie koningen.
Gevorderd zijn ook de bescheidenheid en de Lankmoedigheid. Die twee deugden, onafscheidelijke zusters, zijn kinderen van hare gemeenschappelijke moeder, van de nederigheid. Wie in den waren zin des woords nederig is van geest en van hart, die zal in zijn verkeer met anderen geen aanstoot geven door het een of andere woord, dat soms misduid of als beleedigend opgevat kan worden; die ergert, zich ook niet aan alles wat zijn evennaaste doet; die laat zich niet door elke kleinigheid tot gramschap vervoeren; die zal niet elke misslag van een ander hem tot misdaad aanrekenen. Integendeel: hij veronderstelt altijd eene goede bedoeling, legt alle woorden en daden ten beste uit en verschoont wat af te keuren is door een gebrek aan voorzichtigheid of door een gemis aan doorzicht aan te nemen. Hij oefent geduld en laat liever wat hem hinderlijk is ongemerkt voorbijgaan dan daarover te toornen of in bitse woorden uit te vallen. Met zorgvuldigheid zal hij den geschikten tijd van spreken en zwijgen weten te kiezen en, is spreken voor hem plicht geworden, dan nog zal hij zijne woorden in een vorm kleeden, welke den evennaaste niet pijnlijk aandoet maar het bewijs levert, dat warme belangstelling in het welzijn van den andere hem die vermaning of berisping op de lippen heeft gelegd. Met een fijnheid van gevoel, welke minder door oefening verkregen dan door God ingeprent wordt, spaart hij de gevoeligheid des naasten en het doet hem leed, als hij op strenge wijze den evennaaste eene of andere harde waarheid onder 't oog moet brengen.
Wie zoo gestemd zijn, zullen ook deze voorschriften van den h. Paulus naleven: verdraagt elkander en vergeeft
elkander, als de eene tegen den andere eenige klachte heeft ; evenals de heer u vergeven heeft, doet ook gij
alzoo. Laten wij het openhartig bekennen; er leeft geen mensch op aarde, die voor zich zeiven niet groote verdraag-
224
VIJFDE ZONDAG NA DEIB KONINGEN.
zaamheid en voortdurende vergevens-gezindheid van den kant zyner mede-menschen behoeft. quot;Wie onzer heeft niet zyne persoonlijke gebreken; wie zucht niet onder zijne zwakheden en aangenomene gewoonten, onder verkeerde hebbelijkheden, waardoor hij anderen nog meer dan zich zeiven tot last is? Is dit euvel algemeen, wederzijds moet ook de deugd van verdraagzaamheid groot wezen en bestand tegen alle onverwachte aanveshtingen. Hoe veel heeft de evennaaste niet te lijden van onze onwetendheid, onbezonnenheid, verstrooiing en vergeetachtigheid, hoe veel van onzen onwil, hoogmoed en van ons opbruisend karakter; welk eene last wordt hem opgelegd door onze luimen en grillen, door onze onredelijke eischen, door het hinderlijke van ons gedrag en door het be-leedigende in onze woorden? Des niettemin willen wij geen aanmerking op onze wijze van doen hooren, geen verwijt vernemen, maar eischen een voorkomende behandeling en eerbiedige hoogachting, alsof wij aan geene enkele fout schuldig waren, alsof niet één gebrek ons aankleefde! Maar weigert dan ook aan den evennaaste eene gelijke behandeling niet; hij kan dezelfde rechten als gij doen gelden. Wilt gij met al uwe gebreken verdragen worden, verdraagt dan ook den andere; hebt geduld met al zijne zwakheden en vooral ziet niet altijd in zijne oogen splinters, terwijl in uwe eigene oogen misschien een balk steekt. De gebreken van anderen verdragen met geduld en lijdzaamheid, gelijk wij willen verdragen worden en dan, evenals wij altijd wenschen, dat elke misslag ons kwijtgescholden worde, hem van harte vergeven, dat is onze tweede plicht.
Zoo luidde ook het groote liefde-gebod des Heeren Jesus; âvergeeft en u zal vergeven worden.quot; En elke beleediging, elke verongelijking moet van harte vergeven worden. Het verhevenste voorbeeld stelt de h. Paulus ons ter navolging voor: evenals de Heer u vergeven heeft, doet ook gij alzoo. Wie derhalve volmaakt wil zijn, wie aan al zijne verplich-
Veiklaringen der Epistelen 15
225
VIJFDE ZONDAG NA DRIE KONINGEN.
226
tingen onder dit opzicht wil beantwoorden, hij zie op naar den Bewerker van onze zaligheid en den Voltooier van ons geloof die, toen Hij gescholden werd, niet weerschold; toen Hij leed, niet dreigde, maar Zich overgaf aan die Hem onrechtvaardig oordeelde (Pe. II, 23), die om de Hem voorgestelde vreugde het Kruis heeft verdragen, de schande verachtende (Hebr. XII, 2). Die voetstappen des Heeren Jesus Christus te drukken al voeren zij ons langs moeilijke wegen, dat voorbeeld na te volgen al valt het soms pijnlijk, dat moet elk als zyn plicht beschouwen niet minder dan dat hij daarin zijne eer en grootheid moet stellen. Wat toch deed Jesus ? Hij is om ons, toen wjj zondaren waren, uit den Hemel neergedaald ; alsof Hy niet de Beleedigde maar de beleediger was, kwam Hij, Zich zeiven ontledigende, in de gestalte van een dienstknecht tot ons, om te dienen, om de gevangenen te bevry-den, de gevallenen op te heffen, de gewonden te genezen. En niet wierp Hij ons de gemaakte schuld voor, niet met een verwijt op de lippen daalde Gods eeuwige Zoon neder op aarde, maar Hij verscheen onder de zijnen in de Goedertierenheid en Menschlievendheid van den Verlosser, om allen te leeren, te zaligen en erfgenamen te maken van het eeuwig leven. Ook bracht Hij Zich ten offer en werd gehoorzaam tot aan den dood des Kruises, om voor de zonden der geheele wereld te boeten en den Vader met allen te verzoenen. Zelfs wilde Hy, dat zijne verdiensten, al de door Hem verworvene genaden als het eigendom zijner verlosten werden, waardoor zy hunne werken heiligen, hunne gebeden Gode aangenaam, hunne boetplegingen verdienstelijk kunnen maken. â Dat hoog heilig Liefde-werk van den Zaligmaker moet de regel wezen, waarnaar wij ons gedrag inrichten in betrekking tot de verplichte vergevings-gezindheid. Verzoenend dienen wij op te treden tegenover beleedigers en lasteraars. Het zij ons niet genoeg geene wraak te nemen, maar als hoogst welgevallig aan God is het te achten, zoo wij 't eerst de hand
VIJFDE ZONDAG NA DKIE KONINGEN.
der vriendschap toe steken en door voorkomende vriendelijkheid het hart des anderen vermurwen en het week en zacht maken. Al werd die hand ook afgewezen of al bleef die voorkomendheid onbeantwoord, nog mogen wij niet aflaten om andere middelen in 't werk te stellen, waardoor -wij bewijzen, dat het ons ernst is om aan den toorn geene plaats in te ruimen en liever het geleden onrecht te vergeven en te vergeten dan wrok te koesteren of ook maar aan een gevoel van ontevredenheid toe te geven. De hemelsche Vader doet het wel regenen over zondaren en laat zijne zon opgaan over onrechtvaardigen; zelfs zond Hy zijnen goddelijken Zoon, om eene booze wereld met Zich te verzoenen. Het ware dan niet te veel, als wij aan onze vijanden weldaden bewezen on de hulp van een of anderen voorspreker inriepen, die don beleediger kon overtuigen, dat wij groot gewicht leggen op een vriendschappelijk samenleven en wij bereid zijn om het gebeurde als ongedaan te beschouwen. Dit is ook zoo moeilijk niet, als wij de ontvangene beleedigingen niet te hoog aanslaan en ze willen vergoelijken door onwetendheid, door onbesuisdheid, door onbedachtzaamheid. Zelfs zal een waar Christen niet er voor terug deinzen, als hij om wille der eensgezindheid zich eenig offer moet getroosten van eigene inzichten of van persoonlijke eerzucht.
Opmerking. Door die werken van barmhartigheid wordt een hoog loon verdiend. Het is de Zaligmaker zelf, die met een woord, dat alle aanneming waardig is, verzekerde: »vergeeft »en u zal vergeven worden; meet met goede maat en met gt;dezelfde maat zal u toegemeten worden.'' Wie, als het Uitverkorenen, Heiligen en Geliefden Gods betaamt, de voornaamste deugden ten opzichte van hunnen evenmensch in hun leven trouw beoefend hebben, zullen na van eigene zonden gereinigd te zijn een der eerste plaatsen in Gods Hemelrijk innemen. Zij zullen zich mogen verblijden met de zalige hoop, dat de goede werken hen volgen tot voor den troon van den Rechter en daar een
I Ml i
II ik
iiJB
m
!! ii â lt;0
Ui
â P
227
'i li iv, al
'' i' ji i
v u è it!
T
tj
1 'ff n gt;â
I
I
Ij i
i
VIJFDE ZONDAG NA DRIE KONINGEN.
228
barmhartig oordeel voor hen verwerven zullen. Bovendien: wie hunnen evennaaste weldoen, worden door God bemind en zijne Liefde zal hen niet vergeten maar belangstellen in al hunne ellenden en hen in 't gevaar beschermen; zij mogen tot God roepen, en Hij, die rijk is aan Barmhartigheid, zal hen verhooren, in den nood aan hunne zijde staan, hen uitredden en verheerlijken, om hen later met de lengte der dagen te verzadigen en zijn heil te doen zien. â Om aan de verplichtingen ten opzichte van alle menschen te voldoen en de rijke zegeningen te verkrijgen, welke aan het getrouw vervullen verbonden zijn, moeten wij de volgende vermaningen beschouwen als ook tot ons gericht. Boven alles hebt de liefde, welke de band der volmaaktheid is, die liefde welke alle deugden jegens den naaste te beoefenen insluit, tezamen houdt en ze vervolmaakt. Vandaar dat de h. Paulus bij een andere gelegenheid vorderde: Alles, wat gij doet, geschiede in liefde (i Cor. XVI, 14). De Kerkvaders geven daarvan deze verklaringen: »de liefde bevat alle deugden: »bemint en doet wat u behaagt. Zoo de liefde het beginsel is gt;van al uwe handelingen, zult gij niets dan goed doen,'quot; zeide de h. augustinus; »de liefde is een kostbare parel, zonder welke »niets baat, wat gij ook moogt bezitten ; maar al hebt gij die deugd »ook alleen, zij is voldoendealdus leerde de h. Bernardus, en voegde er bij: s zonder liefde is geen werk volmaakt; zij toch is gt;die deugd, waarvan gezegd wordt: wie die eene bezit, bezit alle; »en wie ze niet bezit, van hem zal ontnomen worden, wat hij »heeft,quot; en de h. Gregorius : »gelijk de vele takken van den »boom uit één en denzelfden wortel ontspruiten, zoo ook komen »de vele deugden voort uit de eene liefde. De tak van het »goede werk heeft geen levenssap, als die niet bevestigd is in »den wortel der liefde.quot; â De vrede van Christus zegeviere in uwe harten, die vrede namelijk welke door den Zoon Gods op aarde is gebracht, de vreugde uitmaakt van het tegenwoordige leven en leidt naar de eeuwige zaligheid; welke ver-eenigt die gescheiden waren en een band slaat om de harten, die door tegenstrijdige gevoelens bestookt werden; welke de genoegens des levens met reine bedoehngen doet smaken en belet, dat er stoornis verwekt worde in de christelijke samen-
vijfde zondag na drie koningen. 229
leving; welke elkanders lasten verlicht en met gelatenheid de moeilijkheden van 's menschen karakter doet dragen en tevens met gerustheid opzien naar de belooning voor volbrachten strijd ; welke allen de gewenschte gelegenheid aanbiedt om met kalme bezadigdheid en rustige werkzaamheid aan hunne wederzijdsche verplichtingen te voldoen en alle hindernissen uit den weg te ruimen, die de gemoederen vervreemden of eene minder goede verstandhouding veroorzaken kunnen ; welke geene oneenigheid duldt en liever de zwaarste offers brengt dan toe te laten, dat er scheuring kome in die eensgezindheid van doel en streven, welke de eigenaardige karaktertrek van alle Christenen moet wezen. â Daartoe zijn wij allen geroepen in één lichaam, onder de leiding en het bestier van onzen HeerJesusChristus; en nimmer zullen wij voor die roeping Gods genoegzaam dankbaar kunnen zijn, omdat zij bron en oorzaak is van overgroote zegeningen, welke reeds hier in overvloedige mate geschonken worden. â Het woord van Christus wone overvloedig in u in alle wijsheid, dat is: de kennis der goddelijke door Christus geopenbaarde waarheden, de kennis der christelijke leer wone in uw hart en uwen geest, worde daar bewaard en brenge honderdvoudige vruchten voort. En kostbaar zullen die vruchten wezen : licht voor den geest, warmte voor het hart en versterking van den wil. Als dat woord, levend en werkdadig en doordringender dan alle tweesnijdend zwaard, gaande tot scheiding van ziel en geest, van gewrichten en merg (Hebr. IV, 12) tot ons binnenste is doorgedrongen, werkt het reinigend, verheffend en heiligend op geheel ons bestaan. Het leert ons de eenig ware wijze om den vrede met allen te onderhouden, geeft ons voorlichting omtrent de hooge waarde van die hemel-gave, en boezemt den noodigen moed in om ze te bewaren in weerwil van alle moeilijkheden.
II.
De volgende vermaningen bevat het laatste gedeelte, dat wij uit Paulus' brief aan de Kolossers lazen. Leert en vermaant elkandell met psalmen, lofzangen en geestelijke
vijfde zondag na drie koningen.
liederen, in welgevalligheid gode zingende in uwe harten. al wat gij ook doet met woord of werk, doet alles in
den Naam des Heeren Jesus Christus, God en den Vader bank zeggende door Jesus Christus onzen Heer. Ter verklaring van die woorden, leert ons de h. Thomas : âhet ge-âbruik der quot;Wysheid, waarvan boven spraak was, moet zich âtoonen door onderricht, door stichting en door goede mee-âning. Het onderricht moet zich uitstrekken tot het onder-âwijzen van hetgeen waar en van wat goed is. Het stichten âkan geschieden door het gezamenlijk zingen van lofliederen, âwaarvan de inhoud betrekking heeft op de geestelijke goede-âren, op de eeuwige beloften en op de vereering van God. âDe goede meening moet alles wat wij doen terug brengen âlot de verheerlijking van God.quot;
Het zyn derhalve hoogst belangrijke verplichtingen, hier door den Apostel voor het christelijk leven gegeven. Wij weten het: de Kerk is door Christus aangesteld tot Leermeesteres, tot Verkondigster der waarheden, welke Hij der wereld geopenbaard heeft; zij moest gaan tot alle volkeren der aarde, leerende wat Jesus verkondigd had. Maar is zij de eenige, zijn het hare gewijde dienaren alleen, die Gods woord moeten prediken? Zijn er nog geen anderen, op wie de taak rust, om hunne evennaasten te onderrichten ? Ware het aldus gesteld, de h. Paulus zoude niet zoo in 't algemeen gesproken hebben tot zijne bekeerlingen: leert en vermaant elkander. Neen, niet alleen de priesters moeten onderwijzen in de christelijke geloofs- en zedenleer; ook aan anderen is de plicht voorgeschreven, dat zij tot de godsdienstige en zedelijke ontwikkeling van hunne evennaasten medewerken. Zij zijn velen, die omtrent hunne hoogste belangen in onwetendheid verkeeren of die het onderricht in jeugdige jaren ontvangen schier geheel en al vergeten zijn ; er zijn kinderen, die naar roeping bestemd zijn om opgeleid te worden in de wetenschap des heils ; er worden tragen en lauwen gevonden.
230
IT
i! r
vijfdk zondag na drie koningen.
die met een godsdienstig onderwijs ook opwekking en bemoediging behoeven; het getal van die dienstboden is niet gering, die nog wel eens mogen hooren, wat hun godsdienst leert en voorschrijft. Welnu, tot allen, die in overheid geplaatst, tot de ouders, tot de christelijke onderwijzers, tot allen die met gezag bekleed zijn, is het gezegd, wat de h. Paulus aan de Kolossers schreef: leert elkander, voert de onderhoorigen tot de kennis der goddelijke waarheid open leidt hen tot het besef van hunne verplichtingen; maar doet het zóó, dat het bljjke, hoe overvloedig en hoe in alle wijsheid het woord van Christus in u woont; doet het met wijs beraad en voorzichtigheid, zonder iemand beschaamd te maken of hem z\jne mindere kennis te doen gevoelen.
Om rijk te worden en anderen rijk te maken in de kennis van Christus beveelt de h. Paulus nog dit middel aan: vermaant elkander met psalmen, lofzangen en geestelijke liederen, in welgevalligheid Gode, door de u daartoe verleende genade, zingende in uwe harten. Toen hij die woorden te neerschreef, zal hij aan de gemeenschappelijke godsdienstoefeningen gedacht hebben, zooals die al reeds in de eerste tijden der Kerk werden gehouden. Eerst werd een gedeelte uit de boeken van het Oude Testament en by voorkeur uit de Evangeliën en uit de brieven der Apostelen, voor zooverre die verspreid waren, voorgelezen en in eene korte toespraak verklaard. Daarop volgde een gemeenschappelijk gebed, afgewisseld met verschillende geestelijke liederen, waarvan de inhoud doelde op de verheerlijking van God en op de zedelijke verbetering der geloovigen, waarin ook de door God geopenbaarde waarheden en de voor een godsdienstig leven gegevene zedenwetten, de wonderdaden van Gods liefderijke Almacht, de hoogste geheimen van zijn goddelijk Wezen en van zijne goddelijke Volmaaktheden met eerbied vermeld werden. De verhevene en zielroerende psalmen van den koninklijken Profeet zullen wel het grootste gedeelte daarvan hebben
231
i
i
*
^ . *
t I'
ji I I r'!
\
1 i i.;:
i
A
1*.
VIJFDE ZONDAG NA DKIE KONINGEN.
232
uitgemaakt. Een lof- eu dank- en aanbiddingslied werd alzoo door die godvruchtige vergadering hemelwaarts opgezonden ter eere van den Allerhoogste en tot onderlinge stichting en vermaning. Tot besluit van het eerste gedeelte werd nog in 't bijzonder deze genade des Heeren Jesus Christus met hartelijke dankzegging herdacht, dat Hij was gekomen om de geheele wereld in zyn Bloed te verzoenen met de beleedigde Majesteit Gods en om Joden en Heidenen te vereenigen in één geestelijk lichaam, waarvan Hij zelf het Hoofd was. Na die reinigende en heiligende voorbereiding ging de dienstdoende priester over tot het hoogheilige en voornaamste gedeelte van zijne bediening, tot de Consecratie en de Communie, waarmede verschillende gebeden verbonden waren, terwijl de geloovigen, volhardende in de gemeenschap van het breken des broods en in de gebeden (Hand. II, 42), zich met den priester in den geest vereenigden en uit zijne handen de goddelijke spijze ontvingen, welke van den Hemel was neergedaald, opdat zij het eeuwige leven zouden vinden. Uit deze schets, hoe kort ook, blijkt genoegzaam, dat de vermaning van den Apostel even goed voor ons geschreven is als voor de Christenen van zijn tijd. Immers niet minder dan zy moeten wij voortgang maken in de Wijsheid van Christus. De lezing der h.h. Schriften en het aanhooren der verklaringen, het bijwonen der godsdienstoefeningen, het deelnemen aan de allerheiligste handelingen van onzen eeredienst en boven alles het nuttigen van Jesus' heilig Lichaam en Bloed dienen als voorname middelen tot het bereiken van dat doel beschouwd en gewaardeerd te worden. Dit toch kan door niemand betwijfeld worden. Al wie verzuimt de kerkelijke godsdienstoefeningen bij te wonen of daarbij tegenwoordig is zonder aandacht, hij wordt gaandeweg armer aan de zoo noodzakelijke wetenschap des heils; zijn leven zal al minder en minder in overeenstemming zijn met de grondbeginselen door Jesus voor allen geldig verklaard ; hij dwaalt al verder af van den eenig waren
VIJFDE ZONDAG NA DBIE KONINGEN.
weg en, na een luttel tijds, zal hij zich niet meer erkennen als een volgeling van zijnen Zaligmaker; met zich zeiven ontevreden, eene ergernis voor zyne mede-Christenen, voortlevende in de onwetendheid der voornaamste waarheden, zal hij gelijk worden aan die rampzaligen die, volgens den h. Petrus, niet meer zijn dan waterlooze bronwellen en nevelwolken door windvlagen omgedreven, voor wie de donkerheid der duisternis bewaard wordt (II Pe. II, 17).
Een ander middel om door het beoefenen der werken van naasten-liefde zich zei ven te heiligen en op het gemoed van anderen op heilrijke wijze te kunnen inwerken is het opvolgen van dezen algemeenen raad des Apostels ; alles wat gij doet met woord of werk, doet het alles in den Naam van den Hcere Jesus Christus, God en den Vader dankzeggende door Hem, dat is: Jesus Christus onzen Heer; doet wat de h. Petrus tot Jesua zeide: âin uwen Naam zal ik het net uitwerpen.quot; En met die gezindheid dient alles gedaan. quot;Wij moeten door ons werken God verheerlijken, door goede werken onze roeping zeker maken, door een goed voorbeeld den evennaaste stichten; wij moeten â want ook woorden zijn daden â Jesus Christus verkondigen aan de menschen, met het hart geloovende ter gerechtigheid, Hem met den mond belijden ter zaligheid ook van den evennaaste, met de tong God zegenen en elkander door goede woorden stichten, onderrichten en vermanen. Doch weinig zoude het voor ons geestelijk leven voordeelig zijn, wanneer het eene en het andere niet gedaan werd in den Naam van Jesus, dat is : omdat Hij het bevolen heeft en dus uit gehoorzaamheid aan zynen heiligen wil; onder een nederig afsmeeken van zijne genade, welke het gedijen aan al het werken geven moet; in vereeniging met de bedoeling, waarmede Jesus bad en werkte en predikte.
Opmerking. Alwie aan boven besprokene verplichtingen naar zijn best vermogen beantwoordt, mag zich vleien dat hij den
233
VIJFDE ZONDAG NA DRIE KONINGEN.
234
hemelschen Vader dankt, dewijl hij de geschonkene genaden en krachten aanwendt tot het doel, waartoe God ze hem gaf, ze besteedt naar de bedoeling van den Gever. Eene betere wijze om dankbaarheid te betuigen is niet denkbaar. Bovendien dankt hij door Jesus, omdat hij nederig erkent uit zich zeiven niets te vermogen maar alles slechts door de genade, welke Jesus voor hem verdiend en aan hem gegeven heeft, zóódat hij door de belijdenis van zijne onmacht Hem verheerlijkt, die het willen en het volbrengen schonk. Wiens genade in hem overvloedig was en hem sterkte in zijne liefdevolle werkzaamheid. Er zal wel niemand gevonden worden, die ontkennen durft, dat elke Christen, met die gemoedsstemming werkzaam onder de zijnen, eenen onmetelijken invloed ten goede zal uitoefenen. Al blijven zijne heilige bedoelingen in het binnenste des harten besloten en al worden zijne goede werken door den nederige niet van de daken verkondigd, het zien reeds alleen daarvan, zonder baat- en zonder roemzucht verricht, zal iederen goedgezinde aansporen om den Vader, die in de Hemelen is, te verheerlijken en Hem te danken, die zijne goede gaven aan de menschen gegeven heeft, ook om â wat van zijne edelmoedigheid mag verwacht worden â in zijn leven het treffende voorbeeld na te volgen en den wensch van den h. Paulus te vervullen: ik, de gevangene in den Heer, smeek u, dat gij wandelt der roeping waardig, waarmede gij geroepen zrjt; met alle ootmoedigheid-en zachtmoedigheid, met lankmoedigheid, elkander in liefde verdragende, u beijverende om de eenheid des geestes te bewaren in den hand des vredes (Eph. IV, i). â Zoo lezen wij dan in het besprokene gedeelte uit Paulus' brieven de leerrijkste vermaningen, welke zich leenen tot veelzijdige toepassing op elks godsdienstig leven. Door zijn mond heeft de H. Geest van alle waarheid ons het plan voorgehouden van een volmaakt Christelijk leven. Wij behoeven slechts de scherp getrokkene lijnen in 't oog te houden om werkzaam te blijven zoowel voor het geestelijk welzijn van anderen als voor dat van ons zei ven. Meer vordert God in zijne Goedheid en Wijsheid niet van den zwakken mensch, dan dat deze zich gedrage als een uitverkoren, heilig en geliefd kind van zijnen hemelschen Vader;
VIJFDE ZONDAG NA DEIE KONINGEN.
235
dan dat hij God bovenal en zijn evennaaste beminne als zich zeiven, maar beminne niet alleen in woorden maar ook metterdaad; dan dat hij van zijne liefde blijk geve door die deugden, welke er op berekend zijn om het geestelijk welzijn van anderen te bevorderen tegelijk met het zijne ; dan dat hij dezen levensregel van den h. Petrus volge: zoo iemand spreekt, hij spreke als woorden Gods; zoo iemand dient, hij diene als uit eene kracht, â¢welke God verleent; opdat God in alles verheerlijkt worde door Jesus Christus, Wien de heerlijkheid toekomt en de macht in alle eeuwigheid (I Pe. IV, II).
ZESDE ZONDAG NA DRIE KONINGEN.
Broeders! Altijd zeggen wij Gode dank wegens u allen, zonder ophouden uwer gedachtig zijnde in onze gebeden, terwijl wij ons herinneren aan het werk uws geloofs, aan uwen arbeid, aan uwe liefde en aan de geduldigheid uwer hoop op onzen Heer Jesus Christus, voor God en onzen Vader; daar wij, van God beminde broeders ! uwe uitverkiezing kennen. Want ons Evangelie geschiedde tot u niet in woorden alleen, maar ook in kracht en in den Heiligen Geest en in groote volheid van overtuiging, gelijk gij weet, hoedanig wij om uwentwil onder u geweest zijn. En gij zijt navolgers geworden van ons en van den Heer ; daar gij in veel verdrukking, het woord hebt aangenomen met blijdschap des Heiligen Geestes; zoodat gij een voorbeeld zijt geworden voor al de geloovigen in Macedonië en in Achaja. Want va'n u uit is het woord des Heeren verbreid geworden, niet alleen in Macedonië en in Achaja ; maar ook in alle plaatsen is uw geloof in God uitgegaan, zoodat wij niet noodig hebben daarover iets te zeggen. Want zij zeiven ver-
II
ZESDE ZONDAG NA DEIE KONINGEN. 237
kondigen aangaande ons, hoedanig ons optreden bij u geweest is, en hoe gij u van de afgoden bekeerd hebt tot God, om den levenden en waren God te
' i
dienen, en uit den Hemel te verwachten zijnen Zoon, l||
dien Hij uit de dooden heeft opgewekt, Jesus, die i
ons verlost heeft van den toekomstigen toorn. I Tes-
sal. I. 2âio. v' 'l'
gt;â
Inleiding. Met dezen Zondag' wordt een gedeelte van het kerkelijk jaar besloten, waarin onze Moeder niet ophield ons de verplichtingen door den christelijken Godsdienst opgelegd voor te houden en tot die deugden aan te manen, welke eiken â ,
Christen dienen te sieren. Zij vertrouwt dat het zaad, met kwistige hand uitgestrooid op goede aarde viel en vele vruchten voortbracht. Maar het begonnen werk moet voortgezet en der i
voltooiing al nader en nader gebracht worden. Daarom leest de Kerk ons heden die woorden voor, welke de h. Paulus tot de inwoners van Thessalonica richtte om hun voortgang in de kennis van de geloofswaarheden en in de beoefening van goede werken te prijzen, opdat ook wij ons aangespoord zouden voelen denzelfden lof bij God te verdienen. Ons op dat treffend door nieuw-bekeerden gegeven voorbeeld wijzende, wil zij onzen ijver tj
opwekken en onzen moed stalen, ten einde wij niet moede worden in het dingen naar den hoogsten prijs, welke voor een Christen te bereiken is, naar de eeuwige belooning bij God in den Hemel. â De aanleiding tot het schrijven van den bedoelden zendbrief was voor den Apostel deze. In de hoofdstad van Macedonië had hij uit de bekeerde Heidenen eene christelijke gemeente gesticht. Doch na een kortstondig verblijf van drie weken was hij genoodzaakt voor de vervolging der verbitterde Joden {j'
stad en land te verlaten. Ook de bekeerlingen hadden veel te lijden. Ofschoon afwezig vergat de Apostel zijne beminden niet.
f!
!'||j
t
Om hen in het geloof te versterken en hen in het woord Gods te doen volharden, wees hij er op, met hoe groote vreugde zij het hadden aangenomen en welke vorderingen zij, levende uit het geloof, in vele deugden al reeds gemaakt hadden. Hun
k â â quot;
zesde zondag na drie koningen.
gedrag was dan ook, betuigde hij met blijdschap in den Heer, eene navolging van Jesus Christus, een voorbeeld voor allen en eene geloofsprediking voor het geheele land geworden. Dit mochten zij ook voor een zeker teeken houden, dat de Heer met hen was en met zijne genade onder hen werkte. Daarvoor dankte hij God zonder ophouden, hen altijd in zijne gebeden gedenkende. â Om voor ons eigen godsdienstig leven uit de woorden van den h. Paulus groot nut te trekken, is het dienstig dat wij deze vragen in het breede beantwoorden;
I. wat prijst de h. Paulus in de Thessalonikers, en waarom houdt hij zich verzekerd van hunne uitverkiezing;
II. welk voorbeeld gaven zij door hun stichtelijk gedrag ?
I.
Nadat de Apostel op plechtige wijze betuigd had, dat hij hunner in zijne gebeden onophoudelijk gedachtig was en ook Gode ten alle tijde zijnen hartelijken dank wegens hen allen bracht, roemt hij het werk huns geloofs, hun arbeid en
eunne liefde en de geduldigheid hunner hoop op den heer
Jesus Christus, alzoo de drie goddelijke deugden, zonder welke het onmogelijk is een waar godsdienstig en een aan den hemelschen Vader welgevallig leven te leiden. Op de eerste plaats prijst hy hun geloof, den vasten grond van dingen, wélke te hopen zijn, en een bewijs voor zaken wélke niet te zien zijn; zonder hetwelk.het onmogelijk is Gode te behagen; want die tot God nadert, moet gelooven, dat Hij is en een Belooner voor die Hem zoeken (Hebr. XI, 1 en 6). Dan roemt hy hunne liefde, vrucht en gevolg van eene diep gewortelde overtuiging, dewijl het geloof werkzaam is door de liefde (Gal. V, 6). Zijn laatste woord van lof is voor hunne onwankelbare hoop op de wederkomst van den Verlosser, die hun Rechter maar ook Belooner zijn zoude, voor die hoop welke hen blijde maakte van hart en geduldig in de beproeving.
Wij kunnen ons gemakkelijk in den zielstoestand van den h. Paulus verplaatsen en het ons voorstellen, hoe zeer verblijd in God hy was, toen hy, zich bewust de waarheid te spreken.
238
ZESDE ZONDAG NA DRIE KONINGEN.
239
die loftuigingen aan zijne bekeerlingen wijden mocht. Zijn hart sprong op van vreugde, nu hij al die eere geven kon aan hen, die niet meer dan nieuwelingen waren, pas aangenomen in den schaapsstal des Heeren, terwijl zij al dadelijk de hitte van een moeilijken strijd te verduren hadden. En geenszins eene alledaagsche lof is het, welken hij hun geeft en elke Christen zich beijveren moet te verdienen door yverinhet godsdienstige. Want â merken wij dit wel op â de Apostel prijst hun werk des geloofs, den arbeid hunner liefde en de lijdzaamheid hunner hoop. Dat zegt veel meer dan eene oppervlakkige beschouwing te denken geeft. Het geloof der Thes-salonikers was levendig, zóódat het zich in Gode welgevallige daden toonde, de leeringen van het Christendom in het leven overbracht en daarom vruchten van zaligheid opleverde; het was volkomen., daar zij al de hun verkondigde waarheden aannamen en het hart zoowel als den geest onderwierpen aan de leer der Kerk, hier door den h. Apostel vertegenwoordigd ; het was bovendien volhardend, want de trouw eens aan Christus gezworen werd niet verbroken, al trachtte ook eene pijn-lyke vervolging hen afvallig te maken. De Apostel had daarom het recht van hun werk des geloofs te spreken. Zij hadden bij hun Doopsel die goddelijke deugd ontvangen, maar zij begroeven dat talent niet. Er mede woekerende, wonnen zij andere en vele talenten over. En veelzijdig, daarom hoogst verdienstelijk werd hun werken. Hunne gehoorzaamheid en onderwerping aan de leer van Jesus was voor hen een strijd tegen de getuigenis der zinnen niet minder dan tegen de driften van het hart. Die overwinning met Gods genade eens behaald werd gehandhaafd tegen de aanvallen van vleesch en bloed, tegen de verdachtmaking en beschimping van hunne vorige heidensche geloofsgenooten; zij schaamden zich niet om het Evangelie, dat zij hadden aangenomen, maar beleden het voor de menschen, opdat Jesus later hen als zyne getrouwe leerlingen zou kunnen belijden voor den hemelschen Vader. Geene vervolging in
ZESDE ZONDAG NA DRIE KONINGEN.
240
hunne eer of goederen of aan den lijve kon hen zóó pijnlijk aandoen, dat zij om die te ontkomen van de waarheid afvallig werden. â Gelijk hun geloof niet dood maar werkzaam was, zoo ook hunne liefde. Hun arbeid der liefde, dat is : hunne arbeidzame en offervaardige liefde voor hunne mede-Christenen roemde hun vader in Christus. Steeds waren zij er op bedacht om al de plichten, door de wet der naasten-liefde aan de belijders van het Christendom opgelegd, met ijver te vervullen. Eiken mensch eerbiedigden zij minstens als hun natuur-genoot en mede-verloste, eiken bekeerling als hun geloofsgenoot; aan allen maar vooral aan de huisgenooten des geloofs alle goed te gunnen, toe te wenschen en zoo veel mogelijk aan te doen, daarheen was hun streven gericht. In Christus Jesusde dienaren te zijn van allen. Hem in de noodlijdenden en armen barmhartigheid te bewijzen, om zijnentwille de lasten van anderen te dragen, gelijk Hij hun de zonden had vergeven ook de ontvangene beleedigingen te vergeven, met allen in vrede te leven om meer gelijkvormig te worden aan Hem, die zelfs voor zijne vijanden bad en stierf â hooger doel kenden zij niet, hoogere wellust vonden zij niet, na door eene goddelijke Liefde uit de boeien van eene onteerende slavernij ontslagen te zijn. Zoo beminden zij allen, die God lief had van alle eeuwigheid. Het ware echter eene miskenning van de allen menschen aangeborene zelfzucht, zoo iemand waande, dat het den Thessalonikers geene inspanning kostte om aan die hooge eischen van het christelijk liefde-gebod te voldoen. Wel maakt de liefde alles licht en gemakkelijk ; maar daarom is niet elke zelfoverwinning onnoodig geworden; de eigenwil zoowel als de hoogmoed, ook bij den in Christus herborene niet uitgeroeid, willen zich altijd laten gelden even goed als de baatzucht. Ook de bekeerlingen in Thessalonica zullen dit ondervonden hebben, zoodra een opgewekt gevoel van welwillendheid in daden van liefde moest omgezet worden. Of moesten zij geene offers in geld en goed brengen, niet hunne
ZESDE ZONDAG NA DRIE KONINGEN.
rust en veiligheid ten tijde der vervolging in de waagschaal stellen, zoo dikwijls zij als Christenen optraden en aan hunne lijdende, door de Heidenen fel gehaatte broeders en zusters hulp, bijstand, bescherming boden? En toch heeft de h. Paulus voor de werken hunner liefde niets dan lof over. Hij moest dan wel overtuigd zijn, dat zij voor zoo verre het hun doenlijk was, alles waren geworden èn voor hem zei ven èn voor zijne bekeerlingen. â Geloovende in Christus' leer en beloften waren de Thessalonikers onwankelbaar in de lijdzaamheid hunner hoop. Met onoverwinnelijk geduld, met eene onverstoorbare kalmte verdroegen zij al de bezwaren, welke met de belijdenis van het Christendom onafscheidelijk verbonden waren, en bleven om Jesus' wille volharden in het goede, dat God in hen gewerkt had. Zij zagen op naar de eeuwige belooning, welke hun in den Hemel bereid was en, vertrouwende op de belofte des Heeren, welke niet falen kan, leefden zij in de blijde hoop, dat het geluk der zaligheid eens, al ware het na jaren lijdens en strijdens, hun zou geschonken worden. Wat kon het hen dan deren, al leden zij om de gerechtigheid vervolging, al werden zij belasterd en gesmaad en al moesten zij, van tijdelijke goederen beroofd, ten bloede toe weerstand bieden, strijdende tegen de zonde ? Zij verwachtten een eeuwig loon bij God, hoopten op eeuwige goederen, hadden geleerd op het hemelsche vooral te zinnen. Te meer moest zulke heldhaftigheid, zulk eene volhardende en blijmoedige gemoedsstemming van zyne geliefde bekeerlingen een diepen indruk op den h. Paulus maken, omdat zij geen ander voorbeeldvoor oogen hadden dan dat van hunnen leermeester, vooral ook omdat zij, nauwelijks in Christus herboren en na slechts drie weken lang onderricht te zijn, bewezen al reeds tot een hoogen graad van volmaaktheid in de beoefening van de Evangelische leer te zijn opgeklommen.
Na den grootsten lof aan hen allen en zeker met recht gege-
Verklaringen der Episteleu. 16
241
zesde zondag na drie koningen.
ven te hebben gaat de h. Paulus nog verder en getuigt met groote blijdschap des harten, dat zij niet alleen zijne in God geliefde broeders en zusters door het geloof zijn geworden, maar ook dat hjj hunne uitverkiezing kent, dat hij, de bijzondere omstandigheden welke met hunne bekeering gepaard gingen in aanmerking nemende, met genoegzame zekerheid zich overtuigd hield zoowel van hunne deelname aan de genaden des Christendoms als van hunne voorbestemming ter eeuwige zaligheid. Ter loops zij opgemerkt, dat de h. Paulus hier niet spreekt van eene door God hem gegevene openbaring maar slechts van eene wetenschap, welke hij zich verworven heeft door nauwkeurig na te gaan, hoe en onder welke teekenen de waarheid van den Christelijken Godsdienst aan de Thessalonikers gepredikt en hoe zij door hen met blijdschap aangehoord was en, niettegenstaande eene harde vervolging, volhardend vastgehouden werd, vruchten ten eeuwigen leven voortbrengende. In volkomene overeenstemming met deze algemeen aangenomene opvatting van Paulus' woorden luidt zijne volgende verklaring, waarin hij de eerste reden quot;aangeeft ' van die kennis, welke zijn hart met zoo groote vreugde vervult.
Ons Evangelie â zegt hij â de verkondiging der door Christus Jesus geopenbaarde waarheden, geschiedde tot u niet in
woorden alleen maar ook in kracht en in den H. geest,
en in groote volheid van geloof; zij werd met zoo grooten nadruk u voorgehouden, dat in onze prediking de inwerking van God den.H. Geest zich blijkbaar vertoonde en wü met volle overtuiging, onverschrokken en voor geene vervolging terugschrikkende, het woord des Heeren zoo lang mogelijk bleven prediken, gelijk de Heer ons had bevolen, geluk gij weet, hoedanig, welke predikers, wu om uwentwil onder u geweest zijn. âHet is alsof de h. Paulus met deze laatste woordenquot; - leert ons de h.Thomas â âwil zeggen: âik en mijne âmede-arbeiders hebben te gelijk met onze prediking het voor-
242
zesde zondag na drie koningen.
âbeeld gegeven van een leven, dat in overeenstemming was âmet onze leer; wy hebben, zooals Jesus deed, onderwezen âen gedaan. En het was de H. Geest, die ons de genade gaf âom die noodige deugden te beoefenen, terwijl Hij door onzen âmond tot u sprekende, u de geheimen Gods openbaarde.quot; Nog in een anderen zin kunnen die woorden â zooals de genoemde Kerkleeraar zegt â opgevat worden. quot;Wij mogen daarin eene herhaling lezen van deze opmerking, welke de Apostel aan de Corinthiërs maakte: myn spreken en mijne prediking was niet met overredende woorden van menschelijke wijsheid, maar met betooning van Geest en Kracht, zij ging vergezeld met Krachtbetoon van den H. Geest, opdat uw geloof niet op icijsheid van menschen, maar op Gods Kracht zoude gegrond zijn (1 Cor. II, 4) want niet in woorden bestaat het Rijk Gods maar in Kracht (1 Cor. IV, 20). In deze laatste beteekenis genomen, behelzen de woorden des Apostels de vermelding van een even heugelijk feit als waarvan de h. Marcus gewaagde, verhalende: de Heer bevestigde, toen de Apostelen uitgegaan zijnde overal predikten, het woord door de teekenen, welke er op volgden (Marc. XVI, 20).
Als ticeede reden van zijne diep gevestigde overtuiging geeft de Apostel aan, dat de Thessalonikers van hunnen kant met groote getrouwheid mede gewerkt hadden met de genade, welke hun geschonken was. Daarom schreef hij : gij zijt
navolgers geworden van ons en van den heer, daar gij het woord hebt aangenomen in veel verdrukking met blijdschap des H. Geestes. Hoe vastberaden, hoe onwankelbaar zeker van de waarheid der hun verkondigde leer moeten de Thessalonikers geweest zijn, vóóraleer hun leermeester zoo iets van hen getuigen kon! Navolgers van Paulus, die onder veel strijd en met veel arbeid het Evangelie had verkondigd, die met recht van zich zeiven mocht zeggen, dat hij het eene vreugde achtte om Jesus' Naam versmading te lijden en in velerlei beproevingen te geraken, dat hij blijde uit den raad
243
zebde zondag na dkie koningen.
der Heidenen of der Joden wegging na gegeeseld te zijn; navolgers van Jesus, die voor alle menschen had geleden en was gestorven, aan allen een voorbeeld nalatende, opdat zij de voetstappen van Hem zouden drukken ; die zelfs het Kruis niet ontvluchtte, de schande niet achtende; die in geheel zijn aardsch leven geen ander doel Zich voorstelde dan te doen wat den Vader welgevallig was, geene andere spijze kende dan den wil van Hem te volbrengen, die Hem gezonden had! Van Jesus Christus, de Heiligheid zelve, van Paulus dat hoog verheven voorbeeld zijner kudde, waren de Thessaloni-kers navolgers geworden, zoodra zij het woord der waarheid met die bovennatuurlijke blijdschap, welke de H. Geest in hunne harten verwekte, hadden aangenomen! Waarlijk, het zoude moeilijk zijn aan den een of den anderen Christen meerderen lof te geven. Of kunt gij u verbeelden, dat een ge-loovige een hoogeren graad van oprechte godsvrucht bereikt dan wanneer hij zoo veel doenlijk gelijkvormig wordt aan een toonbeeld van volmaakte deugd, wat nog meer zegt: aan de Volmaaktheid zelve?
Opmerking. Wij ook hebben â God geve het â het ons gepredikte woord Gods geloovig aangenomen; doch om ware Christenen te zijn, wordt nog meer gevorderd. »Hij draagt te gt;vergeefs den naam van Christenquot; â aldus de h. Augustinus â »die Christus niet navolgt. Wat toch baat net u genoemd te ^worden wat gij niet zijt en u een vreemden naam toe te «eigenen ? Wilt gij metterdaad Christen zijn, doet dan wat »Christus deed en zorgt er voor, dat gij met recht den naam »van Christen draagt.quot; Om aan dat verwijt van den Kerkleeraar te ontkomen is op de eerste plaats vereischt, dat het woord Gods met aandacht en met het verlangen om in de wetenschap des heils vordering te maken aangehoord worde, dat het ook aangenomen worde niet als een -woord van menschen maar, gelijk het waarlijk is, als het woord van God (I Thess. II, 13), dat daaraan geest en hart en wil onderworpen en naar de voor-
244
ZESDE ZONDAG NA DRTE KONINGEN.
245
schriften door Jesus' leer gegeven het geheele leven ingericht worde. Want, over hen, die God niet kennen en over hen die aan het Evangelie van den Heer Jesus Christus niet gehoorzamen, zal Hij in vlam en vuur wraak oefenen, en zij zullen gestraft worden met een eeuwig verderf (verwijderd) van het aangezicht des Heeren en van de heerlijkheid zijner Kracht (II Thess. I, 8); daarentegen, wie fesus' ivoor den hoort en ze ook doet, zal vergeleken worden hij een verstandig man, die zijn huis bouwde op een steenrots, (Luc. VI, 48), zal bestand zijn tegen het oordeel op den grooten dag des Heeren en het zal met hem gaan als met het huis, dat op een vasten grondslag opgetrokken is en staande blijft, al wordt het door hevige stormen bestookt. â Eene tweede te vervullen voorwaarde is deze. In weerwil van alle moeilijkheden dient aan de ontvan-gene leer vastgehouden, zij in beoefeningj gebracht te worden. Wat de Thessalonikers ondervonden, zal het deel van de meeste Christenen wezen. Het ligt in de orde der goddelijke Voorzienigheid opgesloten, dat de leerlingen van den goddelijken Meester even als Hij vervolgd, veracht, bespot worden om hun geloof, dat zij ook in de beoefening hunner plichten met velerlei zwarigheden te strijden hebben, van binnen en van buiten. De h. Leo, Paus en Kerkleeraar, na den pijnlijken strijd der Ma-chabeesche broeders besproken te hebben, richtte tot zijne toehoorders deze woorden: »Gij, die waant dat elke vervolging sgt;geëindigd en geen strijd met uwe vijanden meer te wachten »is, onderzoekt het binnenste uws harten, laat gelijk het aan »ijverige navorschers betaamt geene schuilhoeken uwer ziel »onbezocht en overdenkt, of geen tegenkanting u bestrijdt, of gt;geen dwingeland wil heerschen in de burcht van uwen geest.quot; »Gij dwaalt, mijn broederquot; â schreef de h. hleronymus aan een zijner vrienden â »zoo gij meent, dat een Christen ooit »zonder vervolging is; dan toch wordt gij het hevigst aange-»vallen, als gij 't minst van den aanval bemerkt.quot; Heeft ook de h. Paulus het niet als een voor altijd geldenden regel verkondigd : allen, die godvruchtig willen leven in Christus Jesus, zullen vervolging lijden (II Tim. III, 12) ?
zesde zondag na drie koningen.
II.
Nog is de h, Paulus niet aan het einde van zijne lofrede. De Thessalonikers muntten uit â schreef hij â in geloof, hoop en liefde; zij waren, volgens Paulus' overtuiging, op den goeden weg ter eeuwige zaligheid en nog 'geeft hij hun dezen lof: gij zijt een voorbeeld geworden voor alle geloo-vigen in Macedonië en Achaja. quot;Want van ü uit is het
woord des HBEREN verbreid geworden, niet alleen in MAcedonië en Achaja, maar ook in alle plaatsen is uw geloof in God uitgegaan, zóódat wij niet noodig hebben iets daarover te zeggen. Want zij zelven, de bewoners van genoemde landstreken, verkondigen aangaande ons, hoedanig [ons optreden bij u geweest is, en hoe gij u van de afgoden tot
god bekeerd hebt, om den levenden en waren god te dienen en uit den Hemel zijnen Zoon te verwachten, Dien Hij
uit de dooden heeft opgewekt, jesus, die ons verlost heeft
van den toekomstigen toorn. Zij waren van het Heidendom tot het Christendom, van den dienst der afgoden tot de aanbidding van den éénig waren God, van de afschuwelijke zedeloosheid der heidensche samenleving tot de strenge zedenleer van Jesus' volmaakte wet overgegaan. Hunne bekeering was volkomen; zij geloofden met het hart, beleden met den mond en leefden naar de leer, welke zij hadden aangenomen. Geen wonder, dat die verbazende omkeer alom bekend werd, dat het weldra ruchtbaar was door geheel Griekenland, hoe velen der heidensche bevolking van de hoofdstad in Macedonië aan de afgoden verzaakt hadden om den gekruisigden Jesus als hun Verlosser te vereeren. De Apostel en zijne medehelpers in het heilig dienstwerk behoefden daarvan niets meer te zeggen, het gerucht was hun voorafgegaan. Allen hadden reeds vernomen hoe de predikers der waarheid daar waren opgetreden en met hoe veel vrucht zij gewerkt hadden. De Thessalonikers gaven alzoo een meesleepend voorbeeld, met
246
zesde zondag na drie koningen.
welke geestdrift de prediking van den nieuwen Godsdienst moest aangehoord en met welke onverschrokkenheid de nieuwe leer moest beleden worden in woorden en in daden.
Dat zulk een voorbeeld veel bijdroeg ter uitbreiding van het Rijk Gods is niet te loochenen. Men zou niets van de geschiedenis der Kerk moeten weten, het hart des menschen moest voor een elk een ondoorgrondelijk geheim wezen, vóórdat die bewering niet onderschreven werd. De Thessalonikers waren een licht geworden hoog op een kandelaar geplaatst en het kon niet anders dan dat alle omwonende Heidenen, dat licht ziende en het onderscheid opmerkende, hetwelk tus-schen hunne levenswijze en die der bekeerlingen van gisteren bestond, in zich zei ven traden en minstens zich beschaamd gevoelden, zoo zij althans nog eenig denkbeeld van wat goed heet overgehouden hadden. Niet alleen een goed gerucht ging uit van die nieuwe Christenen maar ook eene niette miskennen inwerking op het gemoed van eiken weldenkende. Hunne geloofsovertuiging vertoonde zich in haren vollen glans; hunne verbetering van leven spoorde allen tot navolging aan, die nog op zedelijkheid prijs stelden. Een ieder kon opmerken, dat het christelijk geloof helden maakte in belijdenis, in geduldig lijden, in het beoefenen van hetgeen deugdzaam, eerbaar en kuisch was, dat het niet droefgeestigen maar blijden van harte vormde, niet onwillige maar gehoorzame dienaren schiep, die aan God en aan den Keizer gaven wat hun toekwam, niet baatzuchtigen noch hoogmoedigen, maar zachtmoedige en nederige en liefhebbende broeders, die anderen als zich zeiven beminden en in overvloed gaven om in nog grooteren overvloed aan gene zijde des grafs in te oogsten. Het is als een nagalm uit vóór hem verloopene eeuwen en tegelijk als eene voorspelling van toekomende tijden het treffend woord, dat de h. Chrysostomus eenmaal sprak: âde Apostelen hebben de wereld bekeerd niet zoo zeer door âde wonderen, welke zij werkten, als wel daardoor, dat in
247
ZESDE ZONDAG KA DRIE KONINGEN.
âhen was eene ware verachting van het geld en van de âeer,quot; â als wel door het voorbeeld dat zij gaven. Zóó ook werkten de Thessalonikers, want hunne goede werken spraken luider dan de klankrijkste stem, hun leven bevestigde wat zQ beleden, dewijl hun gedrag eene belijdenis was van hun geloof in daden.
Over het voorbeeld hetwelk de Thessalonikers gaven, dat door den h. Paulus zoo hoog geroemd en door ons genoegzaam verklaard werd, behoeven we niet verder uit te weiden. Doch, wat al onze aandacht verdient, is de vraag welke zich aan ons opdringt: kan ook ons de lof gegeven worden, welken wij den h. Paulus ter eere van zijne nieuw-bekee'rden hoorden uiten ?
Driewerf gelukkig de katholieke gemeente, ook elke ziel, die door God zoo uitbundig kunnen geprezen worden. Al weegt God ze in de schaal zijner Rechtvaardigheid, te licht zal Hij ze niet bevinden. Maar kunnen wij, met de hand op het hart, getuigen, dat wij even geloovige, ijverige en geduldige Christenen zijn als die anderen ? In plaats van een antwoord te geven, onderzoeken wij liever: wat wij te doen hebben om denzelfden lof te verdienen. â De drie goddelijke deugden zijn ook ons door het Doopsel ingestort en nimmer mogen wij nalaten voor die gaven, zonder onze verdiensten, en uit loutere Barmhartigheid geschonken, aan God den ver-schuldigden dank te brengen gelijk ook de h. Paulus deed, als hij dacht aan hetgeen de Thessalonikers verkregen hadden ; meer nog: die hemelsche weldaden mogen niet ijdel in ons blijven maar moeten op geheel ons leven en op dat van anderen een heilzamen invloed uitoefenen. Daarom zal elke van die deugden naar haren eigen aard in daden te betuigen zijn. Wat het geloof betreft, dit worde met het hart en met den mond beleden ; niemand schame zich over het Evangelie, dat eene kracht Gods is ter zaligheid voor een iegelijk, die
248
ZESDE ZONDAG NA DRIE KONINGEN.
249
gelooft; allen moeten zich beijveren waar het pas geeft hun geloof te verdedigen en anderen te onderrichten, vooral als rechtvaardigen te leven uit het geloof en voor hunne mede-Christenen een voorbeeld van getrouwheid aan hunne overtuiging te wezen. Hij toch kan niet voor een goed Christen gehouden worden, van wien de Zaligmaker evenals van de Joden zou te klagen hebben: indien Ik niet gekomen was en tot hen gesproken had, zij zouden geene zonden hebben; maar nu hebben zij geene verschooning voor hunne zonden (Joan. XV, 22). â Wat de hoop aanbelangt, deze zij ook al tot stichting des naasten onwankelbaar vast. Wij moeten hopen tegen de hoop in. Al leidt onze weg over doornige paden, al hebben wij met vele en soms zware beproevingen te kampen, al is de strijd hevig tegen het vleesch, den duivel en de wereld, al wordt het ons soms bang om 't hart en overvalt ons de bekoring der kleinmoedigheid, nimmer mogen wy den moed laten zinken maar onze plicht is altijd te vertrouwen op de genade van onzen Heer Jesus Christus, die in de beproeving ook uitkomst geven zal. Zelfs, hoe lang wij onder een of ander kruis ook zuchten, hoe lang de Heer zijne belofte van eeuwige vergelding moge uitstellen. Hij zal eens komen om een ieder naar zijne werken te beloonen en meerdere vreugde en hoogere zaligheid te schenken, dan wij kunnen bevroeden. â De volmaaktheid der liefde vordert, dat aan deze onafwijsbare voorwaarden voldaan worde : doet aan niemand, wat gij zelf niet wilt lijden; gunt en wenscht aan uwen evennaaste, wat gij voor u zeiven begeert; tracht aan anderen wel te doen zooveel als uwe krachten toelaten; steekt uwe hand uit ter leniging van den nood en brengt hulp aan naar mate der ellende van ongelukkigen; doet niemand onrecht aan, vergeeft de u aangedane beleedigingen en vergeet niet de behoeften van de evenmenschen even goed als de uwe in een hartelijk gebed aan den Vader van alle Barmhartigheid voor te dragen. Dit is de ware arbeid der liefde, waardoor
zesde zondag na drie koningen.
wij een heilrijken invloed op onze omgeving uitoefenen.
Wie zich van de ongeëvenaarde inwerking der besprokene deugden wil overtuigen, overwege de volgende gedenkspreuken van de Heiligen: âHet geloof is gelijk aan eene lamp. âEvenals deze het huis verlicht, zoo ook verlicht het geloof âde ziel. Gelijk het licht de duisternissen doordringt, zoo ook âhet geloof de christelijke geheimenissen. Wat toch vindt âhet geloof niet ? Het reikt tot het ontoegankelijke, het verstaat het onbekende, het begrijpt het ongewone en bevat âwat het laatste komt, zelfs omsluit het in zekeren zin in âzijnen schoot de eeuwigheidquot; (h.h. Chrysostomus en Ber-nardus). âDe hoop op de toekomstige goederen doet ons de âmoeilijkheden van dit tegenwoordig leven gemakkelyker âdragen, sluit alle ongerustheid uit, voert door het verlangen âen de verzuchting naar den vrede van eene zalige rust, âis als eene sterke burcht en, gelijk het anker een schip vastlegt in de zee, eveneens bevestigt zij de ziel in haren God; âHij immers hoort die zuchten en bekroont die blijven hopenquot; (de h.h. Augüstinus, Chrijsostomus, Hiëronymus, Thomas van Aquine). âVan de liefde zeggen zij: âom goed te kunnen .gaan moet gij over twee beenen beschikken; om naar den âHemel op te gaan en bij God te komen moet gij liefde heb-âben tot God en tot den naaste. Mist gij een van die twee, âdan bljjft gij hinken en zult het doel van uwen pelgrimstocht âniet bereiken. Het is Gode hoogst welgevallig, als Hij ziet âdat broeders en zusters eendrachtig bij elkander wonen, dat âis: in deze gezindheid vereenigd zijn: God te dienen en âelkander te helpen, opdat allen zalig worden en eens in het âvaderland der Heiligen voor eeuwig vereenigd worden. Of âmen God bemint, kan erkend worden uit de liefde, welke men âden naasten toedraagt. Die twee deugden zijn niet te schei-âdon. Een ieder zal in de eene deugd vooruitgaan, naarge-âlang hij in de andere voortgang maakt. De liefde tot den ânaaste is een teeken van uitverkiezing, dewijl zij bewijst,
250
zesde zondag na dbie koningen.
âdat wij ware leerlingen van den Heer Jesus Christus zijn.quot; (de h.h. Auoustinus, Alphonsüs, Theeesia, Vincentius a Paulo.) â Zoo doende oefenen wij ook op den naaste een heilzamen invloed uit.
Opmerking. Geen woord onderricht beter, niets noodigt sterker tot een godvruchtig'leven dan een goed voorbeeld en christelijk gedrag van hen, die den Naam des Heeren belijden. Aller oogen zijn op hen gericht en als in een spiegel willen zij zien wat gedaan, wat vermeden dient. Zulk een voorbeeld zal door alle Christenen gegeven worden, zoo hun leven slechts niet in tegenspraak is met hun geloof. Toont â zouden wij hun willen toeroepen â uw geloof door eene oprechte godsvrucht, door met aandacht het woord Gods aan te hooren, door een getrouw bijwonen der Godsdienstoefeningen, door het verspreiden van boeken, welke den waren geest van het Christendom ademen â en gij zult het bewijs leveren niet alleen, dat gij in alles belang stelt, wat het ware geloof u predikt, maar ook voor anderen eene welsprekende aanmaning zijn om uw voetspoor te drukken. Toont uwe liefde door uwe deelname in het lijden en in de nooden van uwe broeders en zusters, door medelijden met het deerniswaardig leven des zondaars, door werkzaam te zijn aan hunne bekeering â en gij zult een voorbeeld stellen, waardoor anderen zich aangetrokken gevoelen om in gelijken geest zich in te spannen voor het wezenlijk heil van den evennaaste. Toont de vastheid uwer hoop op de eeuwige belooning door uw geduld onder het lijden, uwe lankmoedigheid bij verongelijking, uwe vastberadenheid bij tegenkanting; legt door uw gedrag het bewijs af, dat noch beleediging of verdachtmaking, noch versmading of vernedering u de zoete rust des gemoeds kunnen ontrooven, dat gij al de gebreken van anderen weet te verdragen en liever vergeeft dan kwaad met kwaad te vergelden â in al die omstandigheden zult gij een licht zijn dat over uwe geheele omgeving zijne stralen werpt en aan anderen den waren weg aanwijst; zij zullen uwe goede werken ziende opmerkzaam gemaakt worden op de goederen, welke zij te verwachten hebben. Alwie aan deze vermaningen, door de h. Schriftuur zoowel als
251
zesde zondag na drie koningen.
252
door de Kerkvaders, niet minder door de ondervinding dan door de rede aangedrongen, een gewillig oor verleent, diens gedrag wordt eene onafgebrokene prediking der zedenwet van Jesus, diens leven spreekt luider dan de klank eener trompet, en terwijl anderen in woorden tot het goede aanmanen, zal hij door zijne daden tot de beoefening der deugd opwekken. Om onze bewering te staven, behoeven wij slechts te wijzen op den H. PAULUS, die van de noodzakelijkheid des voorbeelds en van den onmetelijken invloed daardoor uitgeoefend zóó diep overtuigd was, dat hij deze eischen aan zijne beminde leerlingen stelde: wees het voorbeeld der geloovigen (I Tim. IV, 12); betoon u zeiven een voorbeeld van goede -werken (Tit. II, 7), en op den h. Bernardus, die in eene zijner redevoeringen zeide: »het voorbeeld metterdaad gegeven is een levend en «werkdadig woord; met kracht maant het aan om te doen wat »in woorden gepredikt wordt, dewijl het bewijst dat mogelijk »is, wat aangeraden wordt/'
ZONDAG SEPTUAGESIMA.
Broeders ! Weet gij niet, dat zij, die in de renbaan loopen, wel allen loopen, maar één den prijs ontvangt ? Loopt gij zóó, dat gij hem behalen moogt. Iedereen nu, die mededinger is in den wedstrijd, onthoudt zich van alles ; en zij nog wel om eene vergankelijke kroon te verwerven, wij echter om eene onvergankelijke. Ik dan ook loop alzóó, niet als in het onzekere; ik kamp alzóó, niet als in de lucht slaande ; maar ik tuchtig mijn lichaam en breng het tot dienstbaarheid, opdat ik soms niet, na anderen gepredikt te hebben, zelf verworpen worde.
Want ik wil niet, dat het u onbekend zij, broeders! dat onze vaders allen onder de wolk zijn geweest, en allen de zee zijn doorgegaan, en allen in Moses gedoopt zijn geworden in de wolk en in de zee, en allen dezelfde geestelijke spijs hebben gegeten, en allen denzelfden geestelijken drank hebben gedronken; (zij dronken namelijk van de geestelijke, hen volgende steenrots; de steenrots nu was Christus ;) maar niet in het meerendeel van hen heeft God welbehagen gehad. I Cor. IX, 24 â X, 5.
ZONDAG SEPTUAGESIMA.
254
Inleiding. Met bovenstaande woorden van den h. Paulus roept de h. Kerk al hare kinderen op tot den roemrijksten en edelsten wedstrijd die denkbaar is, tot den wedstrijd om onmetelijke en eeuwige goederen. Geen tijdperk in het kerkelijk jaar is daartoe geschikter. Wij staan schier aan den vóóravond van de veertigdaagsche vasten en, om ons voor die dagen van zaligheid, voor dien heiLzamen tijd voor te bereiden, wil zij nu reeds tot zelfbeheersching, tot inspannenden arbeid voor het heiligste doel aansporen. Al hare ceremoniën, gebeden en ge-zangenjstaan in verband met die wenschen en verlangens. Zij kleedt hare dienaren met het gewaad der boete; zij bidt om vergiffenis voor de zonden; zij smeekt om licht, opdat de Christen de duisternissen der dwaling verdrijve, en om kracht, opdat hij de zwakheid zijner natuur overwinne; uit hare officiën weert zij alle vreugde-zangen en tot aan den blijden Paasch-dag doet zij het »alleluiaquot; niet meer hooren, die ontboezeming van eene ziel, welke zich verheugt in God. Smeekbeden om genade en barmhartigheid daarentegen, treurzangen moeten het gevoel van onze nietigheid, van onze hulpbehoevendheid en van onze zondigheid, vooral van een levendig berouw opwekken. Hoeveel hebben wij allen ook niet goed te maken, hoeveel heeft er tot dusverre niet ontbroken aan onzen ijver om de hooge belangen van onze ziel te behartigen! Het eene dient hersteld, het andere aangevuld. Een eerste middel daartoe bezigt de Kerk, nu zij op dezen Zondag de vermaning eertijds door den h. Paulus tot de Corinthiërs gericht ons voorhoudt, want zij is overtuigd dat alles, wat voor die nieuw-bekeerden noodig was, ook door het zielenheil van ons allen dringend gevorderd wordt. Op dan ten strijde, onvermoeid en volhardend, voor de éénig ware goederen ; al de plichten van onzen godsdienst met ijver vervuld, opdat een eeuwig, een onherstelbaar ongeluk vermeden, de eeuwige zaligheid daarentegen verdiend worde! Dit is de bede, waarmede onze Moeder zich tot al hare kinderen wendt, dit moet ook de leuze wezen, waaronder wij den strijd met onze vijanden aanvaarden. Alle redenen dringen daartoe en, om al hare kracht te beseffen, behoeven wij slechts, naar aanleiding van onzen Epistel, deze waarheden ons duidelijk te maken:
ZONDAG SEPTUAGESIMA.
I. wij allen moeten, zoolang wij leven, strijden om den Hemel te verdienen; en het voorbeeld van den h. Paulus leert ons, hoe die strijd te voeren is;
II. het treurig uiteinde der Joden in de woestijn moet ons van lauwheid en traagheid afschrikken.
I.
Het moet erkend worden, dat het voor het meerendeel der Christenen eene hooge noodzakelijkheid is aan het bestaan van den Hemel herinnerd te worden en aan den plicht, om voor het verdienen daarvan alle krachten in te spannen. Is de Hemel door Gods Goedheid niet voor al zijne redelijke schepselen voorbestemd als het vaderland, dat wy opzoeken, als de eeuwige rustplaats na volbrachten arbeid, als de overheerlijke belooning vooreen geduldig lijden en volhardend strijden, als het Rijk der glorie door de behaalde overwinning in te nemen? Wie nog gelooven aan een eeuwigheid van belooning en van straf, zullen op geen dier vragen een ontkennend antwoord geven. En toch, ontzettend groot is het aantal dergenen, die hunne laatste bestemming uit 't oog verliezen. Zij zijn al te zeer voor hunne tijdelijke aangelegenheden bezorgd om aan de veel gewichtigere belangen der ziel hunne aandacht en arbeidskracht te wijden. Zoo dolen zij ook veelal af naar den breeden weg der ondeugd of missen den moed en de volhardende vastberadenheid om langs de moeilijkere paden der deugd op te gaan naar den Hemel.
Hoe kunnen die lauwen en onverschilligen uit hun doodsslaap opgewekt, hoe die ongelukkigen versterkt worden tegen het gevaar van te vervallen in een toestand, welke deerniswaardiger is dan elke kwaal des lichaams? De h. Paulus achtte het in zijn tijd noodzakelijk en ook nu houdt de Kerk het als een dringenden eisch van hare moederlijke zorg, dat aan alle geloovigen duidelijk voorgesteld wordt, welke verplichting op hen rust, hoe allen geroepen zijn om met ernst
255
ZONDAG SEPTUAGESIMA.
en met inspanning van de krachten, waarover zij beschikken, naar het bezit van het eeuwige Rijk der zaligheid te streven. Het leven des menschen is immers een strijd en de Hemel lijdt geweld, zóódat de geweldigen alleen dien innemen. Om deze waarheden in een beeld aanschouwelijk te maken, neemt de Kerk de voorstelling van den h. Paulus over, waarin hy den wedstrijd in het hard loopen beschrijft, welke bij de Grieken in zwang was ter viering van bijzondere plechtige gelegenheden of ter gedachtenis van eene behaalde overwinning of ter vereering van hunne afgoden. De Apostel herinnerde de Corinthiërs aan dat vermoeiend spel, wat hun zoo goed bekend was en vroeg: weet gij niet, dat zij die in de benbaan loopen, allen wel loopen om den prijs te behalen, doch één slechts, die het eerst den af te leggen afstand door-loopen heeft, den peijs ontvangt, de kroon uit laurierbladen gevlochten en aan het uiteinde van de baan opgehangen. Hiermede nog niet tevreden roept hy 'hun in 't geheugen terug, welke moeite en inspanning, welke opoffering elk der mededingers zich getroostte, om met eenige hoop op welslagen aan den kamp te kunnen deelnemen: Iedeeeen, die |mededin-geb is onthoudt zich van alles, wat hem in den wedloop kan hinderen en zijne kans zou verminderen; hij onderwerpt zich aan eene strenge levenswijze langen tijd vooruit, oefent zich vele dagen achtereen, is matig in spijs en drank, spaart zijne krachten voor den grooten dag, verzuimt niets wat zijne hoop op de overwinning kan vermeerderen, en op den dag zeiven vergt hij van zich eene inspanning, welke dikwijls de beste krachten brak en den dood berokkende. En dat alles met het éénige doel: om eene veegankelijke keoon te vee-weeven, welke reeds den volgenden dag verwelkt was.
De gevolgtrekking uit deze geschiedkundige bijzonderheden te maken voor alle Christenen van alle tijden zoowel als voor de bekeerlingen te Corinthe, is zonder twijfel deze:
256
zondag septuagesima.
Loopt gij zóó, dat gij hem (kampprijs) moogt behalen, dat is : eene onvebgankelijke kroon. En allen moeten loopen, èn allen kunnen verkrijgen. Dit toch is het groote onderscheid tusschen den lichamelijken wedstrijd der Grieken en den geestelijken der Christenen. De eersten waren niet gedwongen daaraan deel te nemen, ofschoon alle mannen zich als mededingers konden laten inschrijven; evenwel hoe groot het getal der wedloopers ook ware, niet meer dan één enkele kon gekroond worden. Daarentegen : in den wedstrijd om geestelijke goederen moeten alle leerlingen van Jesus mededingen; niemand mag achterblijven, niemand mag zich door hef; vooruitzicht op de vereischte werkdadigheid laten afschrikken; wij allen zijn opgeroepen om den ivedstrijd, ons voorgesteld, met volharding te loopen, ziende op den Stichter en Voltooier des geloofs, op Jesus die om de vreugde Hem voorgesteld het Kruis heeft verdragen, de schande verachtende, en ter rechterhand Gods is gezeten (Hebr. XII, 2); maar, zijn allen verplicht mede te dingen naar de belooning der overwinning, geen enkele behoeft te vreezen, dat hij door den rechter, welke over den uitslag te beslissen heeft, ongekroond zal afgewezen worden, mits hij slechts zijn loopbaan gelukkig voleind zal hebben. Eens wordt ieders strijden beoordeeld en naar verdienste beloond. â Een ander, nog grooter verschil bestaat in de kroon zelve, welke den overwinnaars wordt gegeven. Aan die zegevierende Grieken eene vergankelijke kroon, welke niet langer dan één dag hare frischheid behield; den Christenen echter, die in den moeilijken strijd des lerens overwinnaars zijn gebleven, eene onvergankelijke, de eeuwige heerlijkheid des Hemels. Deze glorie is allen verzekerd, die zonder omzien naar de woonstede Gods opgaan, die de vermogens der ziel en de krachten des lichaams in dienst nemen voor het bereiken van hunne bestemming, die hart en geest naar het hemelsche richten en zich niet laten afleiden naar de breede paden der ondeugd maar met moed den nauwen weg
Verklaringen der Epistelen.
257
ZONDAG SEPTUAGESIMA.
der godsvrucht en der vroomheid bewandelen. Zij zullen als belooning het gezelschap der Engelen, de zaligheid des Hemels en de aanschouwing Gods voor eeuwig genieten en in die aanschouwing eene vreugde smaken, welke hun nimmer zal ontnomen worden.
Waarlijk, die Christenen moeten zich wel beschaamd gevoelen, welke tegen de van hen in het worstelperk des levens gevorderde inspanning opzien en de handen in den schoot leggen met de laffe zucht: âhet is ons te moeilijk; die opoffering van wat de zinnelijkheid voldoet en die zelfover-âwinning op het hart zijn te pijnlijk; wij kunnen ons niet âvan alles onthouden, wat de aangeboren gemak- en genot-âzucht vordert.quot; âGij kunt nietquot;! â roept een godvruchtig schrijver hun toe â âSmoort die onwaarheid op de lippen, âwant zoo sprekende legt gij het bewijs af, dat gij niet wilt. âOf heeft de goede en wijze God dan het onmogelijke gebo-âden en vult Hij door zijne almachtige Liefde het ontbre-âkende uwer krachten niet aan; heeft Hij u door zijne Apos-âtelen niet laten aanzeggen, dat gij tot alles in staat zijt âdoor Hem, die u versterkt ? Neen, het is geen onvermogen âmaar vadsigheid en traagheid, ook geene onbekendheid om-âtrent de hemelsche goederen maar vergeetachtigheid en âonverschilligheid, welke de handen binden en de voeten âverlammen.quot; En velen zijn zij, die wel toeschouwers zijn van den strijd maar zeiven weigeren het strijdperk binnen te gaan, die Christenen namelijk, welke een geheel wereldsch leven leiden zonder eerbied voor de wet van God, zonder vrees in tegenspraak te komen met de beginselen van het Evangelie, ofschoon zij weten, dat zij, levende in zorgeloosheid, nimmer den eindpaal zullen bereiken. Anderen beginnen te loopen maar met zóó weinig inspanning, zóó loom dat zij schier geen voortgang maken; zij blijven immer kinderen in het geloof, willen hun hart verdeelen tusschen de wereld en Jesus, koesteren een afkeer tegen de beschamende waar-
258
zondag septuagesima.
heden en lastige zedenwetten van hunnen Godsdienst en, onderhouden zij nog de voorschriften van Gods gebod, 't is uit gewoonte of welstaanshalve. Er zijn ook Christenen, die met grooten moed beginnen, zóódat hunne overwinning zeker schijnt; maar helaas ! weldra is de eerste ijver verflauwd ; het juk des Heeren wordt hun zwaar en de last zijner geboden ondragelijk, zóódat zij ten dage der beproeving afvallen; al mogen zij zich nog eenigen tijd voortsleepen, weldra houden zij op met loopen, meenende dat het hun onmogelijk is de hun voorgestelde kroon te bemachtigen. Nog worden er gevonden, die met vasten tred voorwaarts schrijden; onvermoeid loopen zij voort; reeds zijn zij den eindpaal nabij en men zoude denken, dat de overwinning aan hen is; doch, wat ongeluk! zij stooten zich aan een steen, vallen en â hoe beklagenswaardig â nog in de laatste oogenblikken van den met groote moeite volgehouden wedstrijd, laten zij zich verleiden door de begeerlijkheid des vleesches of door de begeerlijkheid der oogen of door de hoovaardij des levens, en de overwinning ontgaat hun, welke de toeschouwers hun reeds toedachten.
Hoe dan moet geloopen, hoe gestreden worden ? âLooptquot; â zegt de h. Thomas â; âdeze inspanning eischt de Apostel van âons; hij geeft de wijze van loopen aan; loopt alzóó, gelijk âdie worstelaars deden; hij wijst ook op het laatste doel: âloopt, opdat gij den prijs behaalt.quot; De renbaan, welke te doorloopen blijft, is de duur van ons leven; de Hemel is ons doel, en bij God zullen wij de belooning voor den arbeid, den prijs voor onze inspanningen, de bekroning na de overwinning vinden. Mits wij loopen naar de voorschriften, welke voor dien wedstrijd gelden, dat is: ons leven inrichten naar de wet van het Evangelie, want tot een ieder van ons is gezegd : wilt gij tot het leven ingaan, onderhoud de geboden; niet ieder die tot Mij zegt: Heere, Heere! zal ingaan in het
259
zondag septuagesima.
260
Rijk der Hemelen; maar hij die den wil doet des Vaders, die in de Hemelen is (Matth. XIX. 17, VII, 21); mits wij loopen met voorzichtigheid en met moed, onze zwakke krachten met de hulp van Gods genade aanvullende, de gevaren der ziel vermijdende, de moeielijkheden der deugd overwinnende en de vijanden der zaligheid ter neer slaande, want loie meent te staan, zie toe dat hij niet volle (1 Cor. X, 12) en voor allen geldt de vermaning van den h. Paulus: ziet toe, broeders! dat gij met omzichtigheid wandelt, niet als onwijzen maar als wijzen, den tijd uitkoopende, want de dagen zijn boos (Eph. V, 15); vervolgens: mits wij met spoed en volharding loopen, van deugd tot deugd voortgaan, zonder verpoozing naar het volmaakte streven volgens het voorbeeld van den h. Paulus, die van zich zeiven durfde getuigen : wat achter mij is vergetende, en tot wat vóór is mij uitstrekkende, jaag ik naar het doel, tot den kampprijs der hemelsche roeping Gods, in Christus Jesus (Phil. Ill, 13); mits wij vroolijk, als helden ter haan gaan en dan volhouden tot de laatste meet toe, want die volhard zal hebben ten einde toe, die zal zalig worden (Matth. X,22). â Door die uitspraken der goddelijke Wijsheid onderricht mocht de h. Gregoriüs met 't volste recht .verklaren: âte âvergeefs wordt het goede gedaan, als het voor het einde âdes levens verwaarloosd wordt, omdat hij voor niets met âsnelheid loopt, die bezwijkt, vóórdat hij het uiterste einde âheeft bereikten de h. Augustinus : âde volharding maakt âde verdienste, geeft kleur aan het voornemen ten goede, âbeloont den loopende, bekroont den strijder, geleidt naar den âkampprijs en voert allen naar de haven des heils; niemand, âhoe verre hij ook gevorderd moge wezen, zegge: het is ge-ânoeg, ik ben rechtvaardig; wie zoo spreekt, die blijft op den âweg staan, die kan niet aan het einde komen ; waar hij âgezegd heeft, het is genoeg; daar blijft hij steken;quot; en de h. Hiëkonymus : âblijft werken, opdat gij in het geestelijk âleven vooruitgaat; zorgt er voor, dat gij niet als een onvoor-
zondag septuagesima.
âzichtig en nalatig bewaker verliest, wat gij ontvangen hebt; âloopt op die wijze, dat gij niet begint te vertragen; haast âu zóó, dat gij spoedig den kampprijs behaalt.quot; â De h. Paulus stelt, door het aanhalen van zijn voorbeeld nog andere eischen aan onzen ijver.
âIs er grootere dwaasheid denkbaarquot; â vraagt de h. Aügus-tihus â âdan zich als kinderen te laten verleiden en beheer-âschen door een schaduw en door een schijn van glorie, âmaar de ware, éénig ware glorie niet te zoeken, niet te âverlangen?quot; De h. Paulus was er verre van af, door zulk eene dwaasheid het ware spoor bijster te worden. Hij zocht niet zijn gemak, niet den roem der wereld, niet eene vergankelijke kroon ; zijne wijsheid was van hoogere orde, was volgens God en eene beschaming van de wereldlingen; het was hem onverschillig wat de menschen van hem dachten, zoo hij slechts bij den Heer Jesus Christus, Wien hij diende, lof inoogstte, zoo hij slechts Christus mocht gewinnen. Yoor dat doel had hij alles veil; aan het verwerven van dat geluk offerde hij alles op; niets was hem te zwaar of te pijnlijk. Om zijne nieuw-bekeerden en ook ons tot gelijke krachtsinspanning op te wekken en met moed te bezielen voor het strijden om de hoogste goederen, stelde hij zich zeiven ten voorbeeld. Ik loop â schreef hij â om de eeuwige kroon alzóó, gelijk het voor eiken Christen plichtmatig is: ik loop in het christelijk strijdperk niet als in het onzekere, niet onbewust van het doel dat te bereiken is, maar met de volle zekerheid aangaande de richting, welke ik moet nemen, opdat ik den eindpaal niet misse. Om zijne gedachten en zijne wenschen nader te verklaren, openbaarde hij nog eene andere zijde van den strijd, welken hij voerde. Zijne voorstelling aan het bloedig vuistgevecht ontleenende, zeide hij : ik kamp alzóó tegen mijne vijanden, inzonderheid tegen den mij inwo-nenden vleeschelijken mensch met zijne booze begeerlijkheden en lage driften, niet als in de lucht slaande, niet als een
261
zondag septuagesima.
260
Rijk der Hemelen; maar hij die den wil doet des Vaders, die in de Hemelen is (Matth. XIX. 17, VII, 21); mits wij loopen met voorzichtigheid en met moed, onze zwakke krachten met de hulp van Gods genade aanvullende, de gevaren der ziel vermijdende, de moeielijkheden der deugd overwinnende en de vijanden der zaligheid ter neer slaande, want wie meent te staan, zie toe dat hij niet valle (1 Cor. X, 12) en voor allen geldt de vermaning van den h. Paulus: ziet toe, broeders I dat gij met omzichtigheid wandelt, niet als onwijzen maar als wijzen, dm tijd uitkoopende, want de dagen zijn boos (Eph. V, 15); vervolgens: mits wij met spoed en volharding loopen, van deugd tot deugd voortgaan, zonder verpoozing naar het volmaakte streven volgens het voorbeeld van den h. Paulus, die van zich zeiven durfde getuigen: wat achter mij is vergetende, en tot wat vóór is mij uitstrekkende, jaag ik naar het doel, tot den kampprijs der hemelsche roeping Gods, in Christus Jesus (Phil. Ill, 13); mits wij vroolijk, als helden ter haan gaan en dan volhouden tot de laatste meet toe, want die volhard zal hebben ten einde toe, die zal zalig ivorden (Matth. X)22). â Door die uitsprakender goddelijke Wijsheid onderricht mocht de h. Gkegoeiüs met 't volste recht verklaren: âte âvergeefs wordt het goede gedaan, als het voor het einde âdes levens verwaarloosd wordt, omdat hij voor niets met âsnelheid loopt, die bezwijkt, vóórdat hy het uiterste einde âheeft bereikten de h. Augustinus : âde volharding maakt âde verdienste, geeft kleur aan het voornemen ten goede, âbeloont den loopende, bekroont den strijder, geleidt naar den âkampprijs en voert allen naar de haven des heils; niemand, âhoe verre hij ook gevorderd moge wezen, zegge: het is ge-ânoeg, ik ben rechtvaardig ; wie zoo spreekt, die blijft op den âweg staan, die kan niet aan het einde komen; waar hij âgezegd heeft, het is genoeg; daar blijft hij steken;quot; en de h. Hiëbonymus : âblijft werken, opdat gij in het geestelijk âleven vooruitgaat; zorgt er voor, dat gij niet als een onvoor-
zondag septuagesima.
âzichtig en nalatig bewaker verliest, wat gij ontvangen hebt; âloopt op die wijze, dat gij niet begint te vertragen; haast âu zóó, dat gij spoedig den kampprijs behaalt.quot; â De h. Paulus stelt, door het aanhalen van zijn voorbeeld nog andere eischen aan onzen ijver.
âIs er grootere dwaasheid denkbaarquot; â vraagt de h. Augus-tinus â âdan zich als kinderen te laten verleiden en beheer-âschen door een schaduw en door een schijn van glorie, âmaar de ware, éénig ware glorie niet te zoeken, niet te âverlangen ?quot; De h. Paulus was er verre van af, door zulk eene dwaasheid het ware spoor bijster te worden. Hij zocht niet zijn gemak, niet den roem der wereld, niet eene vergankelijke kroon ; zijne wijsheid was van hoogere orde, was volgens God en eene beschaming van de wereldlingen; het was hem onverschillig wat de menschen van hom dachten, zoo hij slechts bij den Heer Jesus Christus, Wien hij diende, lof inoogstte, zoo hij slechts Christus mocht gewinnen. Voor dat doel had hij alles veil; aan het verwerven van dat geluk offerde hij alles op; niets was hem te zwaar of te pijnlijk. Om zijne nieuw-bekeerden en ook ons tot gelijke krachtsinspanning op te wekken en met moed te bezielen voor het strijden om de hoogste goederen, stelde hij zich zeiven ten voorbeeld. Ik loop â schreef hij â om de eeuwige kroon alzóó, gelijk het voor eiken Christen plichtmatig is : ik loop in het christelijk strijdperk niet als in het onzekeee, niet onbewust van het doel dat te bereiken is, maar met de volle zekerheid aangaande de richting, welke ik moet nemen, opdat ik den eindpaal niet misse. Om zijne gedachten en zijne wenschen nader te verklaren, openbaarde hij nog eene andere zijde van den strijd, welken hij voerde. Zijne voorstelling aan het bloedig vuistgevecht ontleenende, zeide hij : ik kamp alzóó tegen mijne vijanden, inzonderheid tegen den mij inwo-nenden vleeschelijken mensch met zijne booze begeerlijkheden en lage driften, niet als in de lucht slaande, niet als een
261
zondag septuagesima.
kampvechter die zijn tegenstander niet wil of niet kan treffen ; integendeel: mijn lichaam tuchtig ik en breng het pijnlijke slagen toe: ik breng het tot dienstbaarheid en maak het slaaf van de wet des geestes, tot een gedwee werktuig voor hoogere doeleinden, voor de eeuwige belangen mijner onsterfelijke ziel. En waarom die vernederende en smartelijke behandeling van het lagere deel des menschen, dat toch aanspraak mag maken op de eer van Gods werk te wezen ? Hij gaf het antwoord in deze woorden: opdat ik soms niet, na anderen gepredikt te hebben, na anderen tot den edelsten kamp opgeroepen te hebben, zelf verworpen worde, om lafheid in den levensstrijd niet verloren ga.
Opmerking. Dat de Apostel zijn eigen strijden ten voorbeeld stelde, mag niemand bevreemden. Niemand mocht met zoo veel recht als hij die taal voeren, niemand met hetzelfde vertrouwen als hij zich beroepen op hetgeen hij gedaan en geleden had. Het was ook niet de hoogmoed, welke hem die woorden in de pen gaf, maar het heilig verlangen om zijne beminde leerlingen tot naijver aan te sporen. Hij leefde in eene onafgebro-kene boetvaardigheid, want ook zijne afmattende werkzaamheid verrichtte hij onder den druk van eene schier dagelijksche vervolging. En die Apostel, welke van het eerste begin zijner roeping af, onder veel arbeid en groote verdrukking het Evangelie van Jesus Christus verkondigd en vele wonderen gedaan had, die tot in den derden Hemel was opgenomen, hij achtte de strengste boetvaardigheid voor zich noodzakelijk en huiverde van angst en vrees bij de gedachte, dat hij nog een rampzaligen dood sterven en voor eeuwig van de aanschouwing Gods verstoken kon blijven ! Maar wij dan, die zeker op zoo groote verdiensten niet vermogen te roemen,quot; die daarentegen â om met den h. AugustinüS te spreken 'â »vreezen moesten wegens onze vele zondige werken!quot; Zouden wij de glorie des'__Hemels3mogen verwachten, zonder dat er moedig en tot het einde toe gestreden is tegen de vijanden onzer zaligheid,
262
ZONDAG SEPTUAGESIMA.
263
zonder dat het lichaam dienstbaar is gemaakt aan de beoefening van moeilijke deugden en gekruisigd met zijne begeerlijkheden, zonder dat soms een oog uitgerukt of eene hand afgehouwen werd, welke ons ergert? â God heeft ook in alle andere Heiligen ons een leerzaam voorbeeld willen geven, hoe wij strijden moeten en overwinnen kunnen. Zij hebben niet te vergeefs geloopen noch te vergeefs gearbeid, maar zich zeiven heiligende en der volmaaktheid immer meer nabij komende, aan hunne broeders en zusters in 't geloof het pad aangewezen, waarlangs allen moeten opgaan om den Hemel te kannen innemen. Zij hebben den goeden strijd gestreden en den prijs der overwinning behaaldâ en geenszins op eene wijze, welke afschrikt. Niet allen door buitengewone werken, velen door zeer gewone daden, doch welke zij op volmaakte wijze verrichtten en heiligden door eene zuivere meening; anderen door te ijveren voor het geloof, zonder dat zij het droegen voor den rechterstoel van vorsten en koningen; sommigen door de boetvaardigheid te beoefenen, zonder dat zij daartoe werktuigen bezigden, welke ten bloede sloegen ; eenigen door met onverdroten moed te strijden tegen hunne driften, zonder dat zij als slachtoffers vielen van hunne volharding. Het voorbeeld van dezen en genen bewijst, dat voor niemand onzer de kampprijs onbereikbaar is, omdat de hulp der noodige genade aan niemand geweigerd wordt. Het gewichtigste bestaat hierin, dat een ieder den strijd aan-binde ter iplaatse en in die omstandigheden, welke door de Wijsheid Gods hem voorbeschikt zijn; dat hij zelfs voor den sterksten vijand niet wijke, steunende op de hulp van boven. Vernemen wij ten besluit nog deze vermanende woorden, welke de eerbiedwaardige Thomas a Kempis den Zaligmaker in den mond legt: »mijn zoon ! laten de werkzaamheden, welke gij »om mijnentwille op u genomen hebt, u niet vermoeien; dat »ook nimmer de beproevingen u ter neerslaan, maar dat mijne :gt; belofte u sterke en vertrooste in alle moeielijkheden des le-»vens. Hef uwe oogen op ten Hemel; alle Heiligen, die op deze »aarde een zwaren strijd gestreden hebben, verheugen zich nu »met Mij, worden nu getroost, zijn nu veilig, rusten nu uit en «zullen zonder einde met Mij in het Rijk mijns Vaders ver-»blijven.quot;
zondag septuagesima.
II.
De Apostel vervolgt zijne vermaningen met te wijzen op het wangedrag der Joden in de woestijn en op de straf, welke over hen gekomen is. De h. Thomas, ze besprekende, geeft voor die vermaningen deze reden aan: âdie straf der Joden moest âgevreesd, die treurige gebeurtenis in het geheugen terug âgeroepen en de vereischte voorzorgsmaatregelen moesten gequot; ânomen worden, opdat een elk der geloovigen zich voor die âstraffen zou vrijwaren. De h. Paulus herinnerde de Corin-âthiërs aan de weldaden den Joden bewezen, toen zij nog in âEgypte woonden en ook toen zij reeds in de woestijn leef-âden ; maar hy vergat ook niet de straffen te vermelden, âwelke zij om hunne ondankbaarheid beliepen. Hij haalde de âgunsten aan, welke zij ontvingen: door de bescherming der âwolk, bij den doortocht over de bedding der Roode zee, door âhet nuttigen van dezelfde spijze en het drinken van den-delfden drank; maar wees ook op het wraakgericht Gods, âdat het meerendeel van hen trof.quot; Deze woorden van den grooten Kerkvader nader verklarende, geven wij tegelijk de zinnebeeldige beteekenis der leer van den Apostel.
Eene wonderbare kolom, die zich over dag vertoonde als eene wolk, welke de Joden voor het spiedend oog der vyanden bedekte, en des nachts als eene lichtzuü, welke hun den weg wees en warmte verspreidde, was voor hen een bewijs, dat Gods vaderlijke Goedheid hen beschermen en geleiden wilde; zu zijn allen â zegt de h. Paulus â onder de wolk geweest. Die wolk was eene voorspelling of liever: eene vóórafbeelding, zoowel van den H. Geest zeiven als van diens heilzame werkzaamheid; want ook Hij blijft voortdurend de Trooster en Helper der Kerk, geleidt haar en hare kinderen door deze woestijn des levens naar de beloofde woning des Hemels, geeft licht voor het verstand, opdat de Christen niet naar zijpaden afdole, en voor het hart den gloed der liefde, opdat
264
zondag septuagesima.
het vuur door Jesus op aarde gebracht in aller harten ontstoken blijve. â Toen de Israëlieten aan den oever der Roode zee gekomen waren en Pharao met zijn geheel leger hen nazette om hen opnieuw onder het juk zijner dienstbaarheid te brengen, deelde God door zijne Almacht de zee in tweeën en de kinderen Israel's gingen midden door de wateren, welke zich aan weerszijden als twee bergen opgehoopt hadden, over het drooge; de Egyptenaren echter, die hen vervolgden, werden allen door de zee verzwolgen, welker wateren wederom naar hunne plaats waren teruggekeerd: de Joden zijn allen
de zee doorgegaan, en allen in moses gedoopt in de wolk
en in de zee. Die wondervolle doortocht door de Roode zee, onder bedekking der wolk, was de vóórbeduiding van het heilig Doopsel, dat Jesus eens zoude instellen. Immers, gelijk de Israëlieten, uit de Egyptische slavernij verlost, door hunne bevrijding in eene nog nauwere vereeniging getreden waren met Jehova en, met de innigste banden aan zijn dienst verbonden, door de woestijn optrokken naar de grenzen van het hun beloofde land, en dit alles onder de leiding van Moses, Gods grooten Dienaar en Middelaar des Ouden Verbonds, eveneens werkt het Doopsel ter vrijmaking en heiliging der zielen, zoo-als wij straks uitvoeriger moeten verklaren. â Toen de Joden in de woestyn ronddoolden, hadden zij weldra gebrek aan drank en spijze; want de voorraad door hen uit Egypte meegenomen was spoedig opgeteerd en de dorre woestijn bood hun geen water aan. In dien nood kwam God te hulp. Eerst spijzigde Hij zijne uitverkorenen met wachtels en den volgenden dag met Manna, met het brood uit den Hemel neergedaald, dat zoet van smaak was en naar ieders smaak ; dit bleef hun voedsel, totdat zij het land van Kanaan bereikt hadden ; toen het volk door gebrek aan water gekweld werd, moest Moses met zijn staf op de rots slaan en, een nieuw wonder! een stroom van water vloeide uit de steenrots, zóódat allen drinken konden ; doch niet alleen werd in de oogenblikkelijke behoefte
265
zondag heptua gesima.
voorzien: de stroom van water bleef by hen en vergezelde hen tot aan de grenzen van het beloofde land: allen hebben â zegt de h. Paulus â dezelfde geestelijke spijze gegeten,
EN ALLEN DENZELFDEN GEESTELIJKEN DRANK GEDRONKEN. De ApOS-
tel noemt èn die spijze èn dien drank geestelijk, eerstens omdat zij door eene goddelijke wondermacht voortgebrachte en derhalve bovennatuurlijke gaven waren, vooral echter omdat beiden eene vóórbeduiding waren van de geestelijke goederen, welke Jesus Christus aan zijne Kerk heeft gegeven, van het hoogheilig Manna namelijk in het Allerheiligste der Sacramenten tot voedsel der onsterfelijke ziel den Christenen geschonken en van het Water in het H. Doopsel toegediend ter afwassching van hen allen, die in Christus Jesus drinken willen uit de fonteinen des Zaligmakers. Deze laatste gedachte werkt de Apostel zelf verder uit door de bijvoeging: die steenrots was, beteekonde Christus. Wat die steenrots aanduidde, is Christus in werkelijkheid geworden. De wateren van Jesus' Doopsel drenken den dorstende naar de gerechtigheid en openen hem eene altijd springende bron van genaden; zij helpen hem om aan de slavernij des duivels te ontkomen, welke hem gevangen hield en voeren hem over naar de vrijheid van het beloofde land, welke Jesus Christus voor allen verdiend heeft; en zóó volgen die genaden door dat Sacrament medegedeeld den Christen tot aan het einde, waar hij zijn eeuwig vaderland vindt.
De volgende woorden des h. Paulus moeten als eene vermaning opgevat worden, gericht tot de Corinthiërs en ove.i hen heen tot alle Christenen, opdat hun niet hetzelfde overkomen zou wat den Joden in vóórafbeelding geschiedde. Na vier wonderen te hebben opgesomd, welke God voor de uit de Egyptische slavernij verlosten wrocht, maalt hij de treurige uitkomst. God had in het meerendeel van hen geen welbehagen, maar zij zijn neergeveld in de woestijn, omdat
266
ZONDAG SEPTUAGESIMA.
zij zich in weerwil van alle ontfermingen Gods, aan vele overtredingen schuldig maakten. Zoo zal het allen gaan, die, ofschoon geroepen om bezit te nemen van het beloofde land des Hemels, het niet verdiend hebben. Vele en groote en buitengewone weldaden had God aan de afstammelingen van Abraham bewezen, en desniettemin werden zij Hem ontrouw. Zij, onder wie God wandelde en tot wie God door Moses sprak, morden tegen Hem en tegen degenen, welke als hunne leidsmannen en aanvoerders waren aangesteld; zij gaven zich aan hunne zinnelijke lusten over, pleegden ontucht, lasterden Jehova en vervielen tot afgoderij. Hunne straf was dan ook verschrikkelijk. Duizenden vielen door het zwaard, andere duizend-tallen bezweken door den beet van vergiftige slangen; zelfs zijn Abiron en Dathan met geheel hun aanhang levend door den gapenden afgrond verzwolgen; niet meer dan twee van de zes honderd duizend, welke uit Egypte waren getrokken, gingen in het beloofde land binnen; al de overigen stierven in de woestijn.
Deze dingen zyjn â leert de h. Paulus â geschied tot een voorbeeld voor ons, opdat icvj niet belust zijn op het kivade, evenals zij daar belust op waren (1 Cor. X, 6), opdat wij, denkende aan de straffen, welke over de Joden gekomen zijn, ons zouden wachten voor de zonden, welke zij bedreven. Dit toch eischt de onverbiddelijke Rechtvaardigheid Gods. Wie veel heeft ontvangen, moet met groote overwinst teruggeven. God schenkt zijne gaven niet om niets, maar wil er vruchten van zien, en de ontrouwe dienstknecht, die de ontvangene talenten begraaft, zal met schande overladen worden en niet ongestraft blijven. Maar veel zwaarder nog zal Gods wrekende hand wegen op degenen, welke de hun bewezene weldaden misbruiken om Hem te beleedigen, die als de Gever van alle goed te dienen is. Moest de h. Paulus met diepe smart dit van zijne stamgenooten als een schrikwekkend voorbeeld vermelden; nog luider spreekt die ver-
267
ZONDAG SEPTUAGESIMA.
manende stem, als wij in plaats van de Joden de Christenen stellen. Dezen immers hebben veel meer ontvangen; de genaden hun in rijken overvloed toebedeeld zijn van nog hoogere orde en van wijdere strekking dan waarop de Israëlieten zich mochten beroemen. Het voordeel is aan de zijde der levenden onder de Wet der genade, maar hunne verplichtingen zijn daarom ook gewichtiger en, gelijk de belooning hun in 't verschiet gesteld zoo veel heerlijker is dan wat den Joden was beloofd, gelijk de Hemel het land van Kanaan overtreft, zoo ook zal de verantwoordelijkheid der Christenen grooter wezen en hunne straf zwaarder, als zij aan hunne bestemming niet beantwoord, hunne roeping ter eeuwige zaligheid niet zeker gemaakt hebben door voortdurend om den kampprijs te strijden.
Opmerking. De gevolgtrekkingen, welke te maken zijn uit al hetgeen wij boven schreven, zijn deze: een ieder van ons moet aan het einde van zijn leven, even goed als de h. Paulus, van zich zeiven met dankbaarheid aan God kunnen getuigen : ik heb den goeden strijd gestreden, den loop voleindigd, het geloof bewaard. Voorts is mij weggelegd de kroon der gerechtigheid, welke de Heer, de rechtvaardige Rechter, nüj te dien dage geven zal (II Tim. IV, 7). â Om met vol vertrouwen die blijde hoop te mogen koesteren, wordt van onze inspanning eerstens gevorderd, dat wij ons van alles onthouden, wat ons in het strijden om de hoogste belooning hindert, wat onze kracht kan verlammen, wat ons in den wedloop doet vallen; dan dient daarvoor gewaakt, dat wij met de best passende wapenrusting aangedaan zijn: met de heiligmakende genade en vriendschap Gods om door eiken dag strijdens meerdere verdiensten te kunnen verzamelen â met het gebed om de krachten noodig ter overwinning te verwerven â met het geloof in de beloften des hemelschen Vaders â met het vertrouwen op de eindoverwinning om in de ure van beproeving en van moedeloosheid, welke een ieder bij wijlen overvallen, niet te bezwijken; ten laatste is eene onvermoeide volharding ten einde toe de streng vereischte voorwaarde, opdat de kroon der eeuwige glorie verdiend worde.
268
ZONDAG SEPTUAGESIMA.
269
Het baat niet veel, wanneer slechts goed begonnen is maar niet voleindigd wordt. De kampprijs wordt niet behaald dan door degenen, welke op zegevierende wijze den eindpaal bereikt hebben. Ook de Heiligen hebben den Hemel niet ingenomen door half werk. Deze waarheid door den h. Paulus verkondigd, stond hun immer levendig voor den geest; onze tegenwoordige kortstondige en lichte verdrukking bewerkt in ons een hoven-mate uitnemend eeuwig gewicht van heerlijkheid, daar wij niet het zichtbare beoogen, maar het onzichtbare; want het zichtbare is tijdelijk, maar het onzichtbare eeuwig {II Cor. IV, 17), en die gedachte boezemde hun ook bij alle moeilijkheden van den levensstrijd voortdurend nieuwe krachten in om te volharden tot aan den laatsten stond. â Vooral zij gezorgd, dat geen enkele der door God gegevene genaden ongebruikt blij ve. Anders zoude God ook in ons geen welbehagen hebben en nimmer deze heerlijke belofte in ons verwezenlijken: wie overwonnen heeft, zal zóó met witte kleederen bekleed worden, en zijnen naam zal Ik niet uitwisschen uit het boek des levens, en Ik zal zijnen naam belijden voor mijnen Vader en voor zijne Engelen (Openb. III, 5).
ZONDAG SEXAGESIMA.
Broeders ! Gaarne verdraagt gij onwijzen, daar gij zelf wijs zijt! Immers verdraagt gij het, als iemand u in slavernij brengt, als iemand u verslindt, als iemand van u aanneemt, als iemand zich tegen « verheft, als iemand u in het aangezicht slaat. Tot oneer zeg ik het, als waren wij zwak geweest onder dit opzicht! Evenwel, durft iemand op iets roemen, (in onwijsheid spreek ik) ik durf ook. Zijn zij Hebreën, ik ook; zijn zij Israëlieten, ik ook; zijn zij Abraham's geslacht, ik ook; zijn zij dienaars van Christus, (als een onwijze spreek ik) ik meer! in veel meer arbeid, in gevangenissen overvloediger, in slagen boven mate, in doodsgevaren menigmaal! Van de Joden heb ik vijfmaal de veertig min één ontvangen. Driemaal ben ik met roeden gegeeseld; eens ben ik gesteenigd ; drie maal heb ik schipbreuk geleden; een nacht en een dag heb ik in de diepte der zee doorgebracht; op vele reizen, in gevaren van rivieren, gevaren van roovers, gevaren van mijn eigen volk, gevaren van de heidenen, gevaren in de stad, gevaren in de woestijn, gevaren op
ZONDAG SEXAGESIMA.
zee, gevaren onder valsche broeders; in arbeid en kommer, in veel nachtwaken, in honger en dorst, in menigvuldig vasten, in koude en naaktheid! Behalve dit, wat van buiten komt, de drang mijner dagelijksche bezigheden, de zorg voor alle de gemeenten! Wie wordt zwak, zonder dat ik zwak word? Wie wordt geërgerd, zonder dat ik brand ?
Moet er geroemd worden, op mijne zwakheden zal ik roemen. God en de Vader onzes Heeren Jesus Christus, die gezegend is in eeuwigheid, weet dat ik niet lieg. Te Damaskus bewaakte de stadhouder van koning Aretas de stad der Damasceners om mij gevangen te nemen; en door een venster werd ik in eene mand over den muur nedergelaten en ontsnapte aldus uit zijne handen.
Moet er geroemd worden (het heeft wel geen nut), ik zal komen op gezichten en openbaringen des Heeren. Ik ken een mensch in Christus, die, veertien jaar geleden, óf in het lichaam, ik weet het niet; óf buiten het lichaam, ik weet het niet; God weet het! opgevoerd is geworden tot in den derden Hemel; en ik weet dat die mensch, óf in het lichaam óf buiten het lichaam, ik weet het niet; God weet het! opgevoerd is geworden in het paradijs en gehoord heeft geheimvolle woorden, die het geen mensch geoorloofd is te spreken. Wegens den zoodanige zal ik roemen; maar wegens mij zeiven zal ik in het geheel niet roemen, tenzij op mijne zwakheden. Want ook indien ik zou willen roemen, ik zou niet dwaas zijn : immers zou ik de waarheid zeggen; maar ik laat het, opdat men mij niet schatte boven hetgeen men in mij ziet of van mij hoort. En opdat de verhevenheid der open-
271
ZONDAG SEXAGESIMA.
baringen mij niet trotsch make, is mij een prikkel mijns vleesches gegeven, een engel des Satans, om mij in het gezicht te slaan. Weshalve ik den Heer driemaal heb gebeden, dat die van mij wijken mocht; maar Hij zeide mij : mijne genade is u voldoende, want de kracht wordt in zwakheid volkomen. Gaarne dus zal ik op mijne zwakheden roemen, opdat de kracht van Christus in mij wone.
II Cor. XI, 19âXII, 9.
Inleiding. De inhoud van bovenstaanden Epistel is hoogst belangrijk en eene lange reeks van onderrichtingen zoude worden gevorderd, om dat schrijven van den h. Paulus naar alle zijden te verklaren en al de gevolgtrekkingen er uit te maken, welke in overeenstemming zijn met de waarheden welke hij behandelt, en met de voorbeelden welke hij geeft. Wij hooren hem verhalen van zijn arbeid voor het Evangelie des heils, van het doorgestane lijden en van de geledene vervolgingen ; hij schetst zijne vernederingen en tegelijk de vertroostingen welke hij van God ontving; hij verbergt niet, welk een vernederenden strijd hij tegen den prikkel des vleesches te voeren had, maar openbaart ook dat, al week Satan van hem niet, hij sterk was door de genade van God. Hoe vele en hoe schoone gelegenheden om herinnerd te worden aan den plicht, dat wij om Christus' wille moeten lijden, in zijne dienstbaarheid volharden, de vijanden onzer zaligheid bestrijden en op Gods genade vertrouwen! Vóórdat wij echter op al die leerrijke onderwerpen verder ingaan, worde eerst de aanleiding vermeld, welke den Apostel tot het schrijven van het bovenstaande gedeelte van zijn brief noopte.
In de gemeente te Corinthe waren valsche profeten binnen gedrongen, dienaars van den vader der leugentaal, die misbruik maakten van Paulus' afwezigheid om oneenigheid te stoken en zijn gezag te ondermijnen. Zij wilden aan de nieuw-bekeerden het juk der afgeschafte mosaïsche wet opleggen, vervalschten
272
ZONDAG SEXAGESIMA.
de leer van Jesus door de dwalingen van menschelijke vinding, behandelden de ware geloovigen met overmoedigen trots en trachtten, om hunne heillooze bedoelingen des te zekerder te bereiken, afbreuk te doen aan den invloed, waarover de Apostel beschikte. Het waren van die snoevers, van die nieuwigheids-kramers, zooals wij heden ten dage velen zien optreden, die zich zeiven hemelhoog verhieven en van hunne wetenschap en menschlievendheid grooten ophef maakten, doch op andersdenkenden laag neerzagen en vooral den Apostel der Heidenen met hunne lastertongen vervolgden. Zelfs steeg hunne onbeschaamdheid tot dien graad, dat zij hem der achting van wel-gezinden onwaardig verklaarden en hem niet langer als een Apostel van Christus erkenden. Op die lasteringen mocht de h. Paulus niet zwijgen. Zijn aanzien, het welslagen van zijn apostolischen arbeid, het nut van zijn spreken, het blijven bestaan der christelijke gemeente, de eeuwige belangen van zijne beminde geloovigen â dat alles stond op 't spel. Zouden de nieuw-bekeerden niet afvallig worden van het geloof, dan moest hij zich op doorslaande wijze tegen zijne vijanden verdedigen en tegelijk met zijne eer die van God, van Christus en van het ware Evangelie redden. Dit deed hij door met eene breede uitvoerigheid den Corinthiërs te verhalen, wat hij voor Christus' Naam geleden had en hoe hij met bijzondere gunsten door God was begenadigd; van den anderen kant: door niet te verzwijgen, dat ook hij niet minder dan elk ander Christen te strijden had tegen den vijand van 's menschen zaligheid. â Dit hoogst belangrijk gedeelte uit St. Paulus' leven dient van alle zijden beschouwd te worden; maar ook gevolgtrekkingen zijn daaruit te maken, welke op ons godsdienstig leven betrekking Jiebben. Daarom stellen wij ons deze vragen ter beantwoording voor: wat leeren wij
I. uit het roemen van den h. Paulus;
II. wat uit zijn lijden en zijn strijden.
I.
Eene eerste moeilijkheid, welke zich bij eiken nadenkende
Verklaringen der Ãpistelen 18
273
ZONDAG SEXAGESIMA.
al dadelijk voordoet, is zeker deze. De h. Paulus beroemt zich op alles, wat hij om wille der gerechtigheid en des Evangelies heeft geleden in zijn lichaam en in zijne ziel; hij haalt hoog op van zijne voorrechten als Israëliet, als nakomeling van Abraham, als dienaar van Christus; hij verheelt niet, dat hij steeds brandend van ijver was voor de zaligheid van zijne toehoorders; hij openbaart een geheim, dat volgens alle waarschijnlijkheid jaren lang in het diepste van zijn hart lag begraven, hoe hij namelijk tot in den eigenlijken Hemel, tot dien der Engelen en Heiligen was opgenomen Is die lofspraak te rijmen met dit andere voorschrift van denzelfden Leeraar der volkeren: hij, die roemt, hij roeme op den Heer, want niet die zich zeiven prijst, is een beproefde, maar hij dien God prijst (II Cor. X, 17)?
Wij antwoorden: De geheele lofrede van den h. Paulus is niet de taal van iemand, die zijn eigen roem zoekt, maar de taal van hem, die door een duren plicht gehouden is zich zeiven te verweren tegen valsche broeders, tegen lasteraars, tegen indringers, die anderen misleidden en van het ware geloof afvallig maakten. Zij werd hem afgeperst door zijn geweten, dat hem voorschreef zijn door God hem toevertrouwd gezag onder alle omstandigheden te handhaven, zijne leer tegen de dwaling te verdedigen, zijne bekeerlingen voor afval te behoeden en de eer hoog te houden van Hem, die zijn Heer was. Hij spreekt dan ook met blijkbaren weerzin van zich zeiven, van zijn leven en van zijn lijden als Apostel. Yandaar dat hij in denzelfden brief by herhaling getuigt, dat het eigenlijk dwaasheid is te roemen, dat hij daartoe door de omstandigheden gedwongen is, dat hij zóó niet spreken zou, ware hij, niet overtuigd, dat hij zich richtte tot dezulken, die âwel ontijzen verdroegen, daar zij â ironisch gezegd â zeiven wys âwaren; die het verdroegen, zoo iemand hen in slavernij âbracht en als slaven behandelde, hen ving door listig bedrog, âzich trotsch en laatdunkend tegen hen verhief, hen in 't
274
ZONDAG SEXAGESIMA.
âaangezicht sloeg door smadelijke bejegening en verachtende âbehandeling.quot; Dit was voor den Apostel een reden te meer om te durven roemen op hetgeen hij gedaan, geleden, ontvangen had. Doch hoe zeer hij ook roemde, hij bleef xvaar en nederig. Van alles wat hij omtrent zich zeiven zeide, kon hij oor- en ooggetuigen ter bevestiging zijner woorden oproepen, zelfs de lidteekenen zijner wonden spraken voor hem; en van zijne voorstelling der ontvangen gunsten, durfde hij God als getuige nemen, dat hij niet loog. Wat zijna nederigheid betrof, hij voelde zich beschaamd, als hij zoo roemen moest, hij verklaarde in onwijsheid te spreken als hy zoo sprak, hij roemde vooral in zijne zwakheden, zelfs ontzag hy zich niet om van de vernederende bekoringen te gewagen, welke hem kwelden en, niettegenstaande zijn driemaal herhaald bidden, van hem niet werden weggenomen, om hem voortdurend aan zijne menschelijke zwakheid te herinneren en voor hoogmoed te bewaren.
Wie zóó roemt met waarheid en met nederigheid en met die heilige bedoeling, die behoeft zich noch voor God noch voor de menschen te schamen, diens roemen is geen ijdel roemen, die verkondigt zyne goede werken, opdat de menschen ze kennende den hemelschen Yader verheerlijken, welke daartoe het willen en het volbrengen gaf. Zoo ook roemen de ouders met recht op hetgeen zij voor hunne kinderen hebben gedaan, wanneer zij het noodig achten om hen door een gevoel van verplichte dankbaarheid van den weg des verderfs terug te houden; zoo mag ook een vorst op de weldaden, welke hij aan zijne onderdanen bewees, roemen opdat zij hem trouw blijven en niet aarzelen hem te volgen, als hij ten strijde oproept; zoo ook pleegt de h. Kerk te roemen op de weldaden, welke zij verspreidt en op de genaden welke zij uitdeelt, en dit met de bedoeling, opdat hare geloovigen door de gedachte aan hare zegenrijke werkzaamheid zich des te nauwer by haar
275
ZONDAG SEXAGESIMA.
aansluiten en niet in gebreke blijven zich aan hare geboden te onderwerpen.
Opmerking. Volgens die voorbeelden, door den h. Pan lus ons gegeven, moeten wij onze spreekwijze regelen. Maar hier moet de vraag voorgelegd en door een iegelijk met de hand op het hart beantwoord worden: wie spreekt altijd over zich zeiven op eene wijze, welke niet van de waarheid afwijkt en niet in strijd is met de nederigheid en andere deugden ? Deze vraag is niet tot dat soort van zondaars gquot;ericht, welke schier geen woord kunnen uiten, zonder dat zij op hunne misdaden pochen en op hun ergerlijk gedrag zich verheffen. Neen, tot die Christenen, welke zich op een godsdienstig leven toeleggen en onder de vromen willen gerekend worden. Gebeurt hun niet dikwijls, dat zij elke gelegenheid, welke zich aanbiedt, gretig aangrijpen om het gesprek af te leiden op hun doen en laten, om van hunne gezindheid en van hunne bedoelingen hoog op te geven en hunne werken in het volle daglicht te plaatsen ? In dat geval, wordt dan der waarheid niet dikwijls geweld en der nederigheid geen afbreuk aangedaan ? Niemand zal het ontkennen: de waarheid wordt menigmaal verkracht door op datgene als prijzenswaardig te roemen, wat gebrekkig of zelfs zondig was, door op goede werken te stoffen, welke niet gedaan zijn; door zich zeiven te verheffen boven anderen die, wie weet hoe veel, wel gevalliger in Gods oog zijn; de nederigheid lijdt geweld, wanneer deugden wel niet voorgewend en goede bedoelingen niet verzonnen, maar uitgebazuind worden, terwijl er geene enkele reden bestaat, welke het oplichten van den sluier des geheims billijkt, waaronder het goede moet bedekt blijven tot aan den grooten dag der eeuwige vergelding. Bovendien, aan den eisch der rechtvaardigheid wordt niet voldaan, zoo dikwerf eigen roem ten koste van de eer des evennaasten gezocht en eigene daden luid verkondigd worden om ze als volmaakter voor te stellen dan die van anderen; ook de groote wet der liefde wordt dikwijls overtreden, dewijl het roemen op zich-zelf slechts in weinige omstandigheden mogelijk is, zonder dat de naaste in zijne waarde verkleind, in zijne eer gekrenkt wordt en daalt in
276
ZONDAG SEXAGESIMA.
de achting van anderen, zóódat hem niet gedaan wordt wat hem èn toe te wenschen èn te doen een ieder verplicht is. â Aan geen enkele van die fouten heeft de h. Paulus zich schuldig gemaakt, en daarom zal hij zoowel in zijn voorzichtig spreken als in zijn nederig roemen voor alle Christenen van alle tijden een leerrijk voorbeeld blijven.
II.
Om zijn gezag tegenover zijne vijanden te handhaven, behandelt de h. Paulus een tweede hoogst belangrijk onderwerp. Hij beroept zich op zijn lijden voor Jesus, op de buitengewone openbaringen^ waarmede God hem heeft begunstigd, doch verzwijgt in zijne nederigheid ook den strijd niet, welken hij moet voeren tegen Satan.
Wat heeft het hem niet gekost om bekeerlingen te winnen, zich zeiven zijner roeping waardig te maken ! Wat hij aan zijnen beminden leerling schreef: allen die godvruchtig willen leven in Christus Jesus, zullen vervolging lijden (II Tim. III, 12), heeft hij meer dan een der andere Apostelen ondervonden ; wat de Heer Jesus aan al zijne ware volgelingen voorspeld had: gij zult by allen gehaat zijn om mijnen Naam (Matth. X, 22), is ook in hem en wel in hooge mate vervuld geworden. Hij was een vat van uitverkiezing, een uitverkoren werktuig in Gods hand, om Jesus' Naam hekend te maken aan Heidenen en Koningen en aan de kinderen Israel's (Hand. IX, 15), maar daarom leed hij ook de pijnlijkste vervolgingen. Zelf martelaar, bloedige getuige van zijn Heer en Verlosser geworden, is hij niet slechts een voorbeeld maar ook eene levende voorstelling van het lijden, dat eiken Christen wacht. Dit toch is eene onveranderlijke wet des Christendoms: lijden is de weg ter glorie; wie Jesus willen toebehooren, moeten Hem zijn kruis nadragen ; zij zullen met Hem niet verheerlijkt worden, als zij niet eerst met Hem geleden hebben. Onze Verlosser moest sterven aan het kruis, vóórdat Hij
277
zondag sexagesima.
ten Hemel opklom ; al de Apostelen hebben Christus' dooding in hun lichaam gedragen, vóórdat zij zich konden neerzetten op de tronen, welke voor hen bestemd waren ; geen der Heiligen heeft de zaligheid des Hemels verkregen, zonder de bloedige voetstappen van Jesus gedrukt te hebben. Evenmin mogen wij hopen zonder lijden â hier in den meest algemee-men zin genomen â de belooning des Hemels te zullen verwerven. De beproevingen, de tegenspraak, de verachting, de vervolging om wille der gerechtigheid, de smarten der ziel en de pijnen des lichaams zijn een gedeelte der erfenis, welke onze vaderen in het geloof ons hebben nagelaten en wij niet mogen weigeren. Een Christen mag op dien eerenaam geen aanspraak maken, zoo hij uit den lijdenskelk niet drinkt, en een der eerste Martelaren, de h. Ignatius, toen hij op weg was naar Rome om door de wilde beesten verscheurd te worden, schreef aan zijne geloovigen : ânu begin ik Christus' âleerling te zijn.quot;
Mag dit vooruitzicht ons ter neerslaan, die zekerheid ons ontmoedigen? Ware dit zoo, dan geleken wij gewis al zeer weinig op onzen Leermeester in het geloof. De Apostel, mensch zijnde als wy, was geenszins ongevoelig voor de beproevingen, welke hem in den dienst van God wachtten en niet dan in een pijnlijken dood zouden eindigen ; maar hij bezweek niet onder de verdrukking. Stonden de voorspellingen des Meesters hem immer voor de oogen, van den anderen kant zag hij op naar de kroon der eeuwige belooning, welke hem beloofd was en door den rechtvaardigen Rechter zoude gegeven worden. Zoo, gesteund door een levendig geloof en door de hoop op Gods onfeilbare beloften, ging hij op den pijnlijksten levensweg met reuzenschreden voort, arbeidde met onbezweken moed voor de eer van God en voor zijne en voor anderen zaligheid, het lijden niet achtende, alle gevaren trotseerende en alle hinderpalen overwinnende. Zooveel als hy zal wel niemand onzer om wille van Jesus te lijden hebben; zulk een groote
278
ZONDAG SEXAGESIMA.
279
gunst wordt toch slechts aan weinige uitverkorene zielen verleend. Doch, welk ook de mate zij van het lijden, dat God ons heeft voorbeschikt, even krachtige redenen, als de h. Paulus had, staan ook ons ten dienste ter roemrijke volharding. Wij ook weten, dat God beproeft met Wijsheid en Liefde en alles, zonder eenige uitzondering, ten beste beschikt voor die Hem beminnen ; wij zijn er van overtuigd, dat Hij ook onze droefheid evenals die der Apostelen hetzij dan vroeger of later in vreugde zal verkeeren, mits wij gelijk zij aan Jesus in de beproevingen zyn getrouw gebleven. Al hadden wij voor deze troostvolle waarheid geen ander bewijs dan wat het leven van den h. Paulus ons meldt, dan nog ware elke twijfel onredelijk. Hij zuchtte onder afmattenden arbeid, maar door Gods kracht gesterkt bezweek hij niet; hij werd in de gevangenis geworpen en ter dood gezocht, maar God bevrijdde hem op wonderbare wyze uit de handen zijner vijanden ; zijn lichaam werd door geeselslagen verscheurd, maar hij kon aan de felste pijnen weerstand bieden en zich zelfs verheugen, dat hij om Jesus' Naam versmading had geleden ; menigmaal was hij in doodsgevaar, maar telken male werd hij gered door de hand van Hem, aan Wien hij zijn leven had gewijd; hij werd gesteenigd, maar de Almachtige beschermde hem tegen den doodenden worp der steenen, welke de vijanden van het Kruis op hem wierpen ; hij is vier en twintig uur in de diepte der zee geweest, maar God verhinderde dat hij daarin zijn dood vond ; hij verkeerde in velerlei gevaren, maar God, voor Wiens'eer hij leed, gedoogde niet dat er één haar van zijn hoofd gekrenkt werd. Zoo had hij door persoonlijke ondervinding geleerd, wat hij aan de Co-rinthiërs schreef: God is getrouw en Hij zal niet toelaten, dat gij beproefd wordt hoven uw vermogen, maar Hij zal met de beproeving ook de uitkomst geven, opdat gij haar verdragen kunt (I Cor. X, 13). Al moest hij ook van zich zeiven getuigen : om U, Christus! worden wij den ganschen dag gedood, als
ZONDAG SEXAGESIMA.
slachtschapen zijn wij gerekend; hij mocht ook in dankbare blijdschap er bijvoegen: maar in dit alles zijn wij overwinnaars om Hem, die ons heeft liefgehad (Rom VIII, 37); hij kon in waarheid tot de Corinthiërs zeggen : dagelijks stierf ik, broeders! dag aan dag hen ik in doodsgevaar, bij den roem over u, omdat ik mij beroemen kan u door mijnen dienst tot het geloof in Jesus Christus gebracht te hebben (I Cor. XV, 31), maar mocht ook met David jubelen : om de woorden uwer lippen, o Heer! en in het vertrouwen op uwe beloften, heb ik moeilijke wegen bewandeld. (Ps. XVI, 4).
JVie den Heer vreest, dien zal geen kwaad overkomen, maar in de beproeving zal God hem bewaren en van het kwade bevrijden (Eccli. XXVIII, 1), bewaren door te bewerken, dat hij door de beproeving niet overwonnen worde, bevrijden door hem uit te redden of door te maken dat, wat kwaad schijnt, voor hem in goed verkeert. Dat de h. Paulus zich ook op eene dergelijke gunst van God kon beroepen, bewees de volgende gebeurtenis. Drie jaren na z;jne bekeering predikte hij te Damascus den Heer Jesus Christus en beschaamde de Joden die in Damascus woonden, bewijzende dat deze de Christus was (Hand. IX, 22). Wij begrijpen, dat zulk een stoutmoedig optreden van den vroegeren Phariseër en ijveraar voordejood-sche instellingen een geweldigen indruk moest maken, maar van den anderen kant ook, dat de gezworene vijanden van het Christendom woedend werden en beraadslaagden, hoe zij dien prediker der waarheid, den machtigen heraut der Godheid van Jesus van Nazareth, den weisprekenden lofredenaar van den Gekruisigde, den verkondiger van een Nieuw Verbond konden ombrengen. Hem meer nog dan een der andere leerlingen van Jesus haatten zij met een doodelijken haat en, hoe dan ook, hij moest onschadelijk gemaakt en zijn mond gesloten worden. Al spoedig hadden zij den Stadhouder van koning Aretas op hunne zijde gebracht en overgehaald
280
ZONDAG SEXAGESIMA.
om de poorten der stad te doen bewaken. Zóó meenden zij zeker te zijn van het slagen hunner booze plannen; door die voorzorgsmaatregelen zoude Paulus aan hunne woede niet kunnen ontsnappen en zij hun moorddadig opzet kunnen volvoeren. Doch God, die de Zijnen niet verlaat., waakte over het leven van zijn dienaar. Hij ontstak het gemoed der ge-loovigen in een heiligen ijver voor hunnen leermeester en verlichtte hun verstand, zóódat zij ras het middel vonden, waardoor hij van een schier wissen dood bevrijd werd. Op geheime wijze wisten zij hem naar een huis over te brengen, dat aan de stadsmuur grensde en waarvan de vensters daarboven uitstaken. Toen nu het duistere van den nacht hunne voornemens begunstigde, lieten zij hem in een mand langs den muur naar beneden zakken, en zoo ontkwam Paulus veilig en ongedeerd aan de handen zijner vijanden. Gods wegen zijn wonderbaar en zijne raadsbesluiten onnaspeurlijk ! De h. Paulus mocht nog niet vallen onder de slagen dei-vervolging. Hij moest behouden blijven voor het groote werk, voor de bekeering der Heidenen, waartoe God hem had voorbeschikt ; door nu reeds als slachtoffer te vallen van den haat der vijanden van den Gekruisigde, zoude hij reeds vroegtijdig als Martelaar de eeuwige kroon der vergelding verworven hebben, maar hij zoude Jesus' Naam niet gedragen hebben tot aan de uiteinden der wereld en dan, hoe velen zouden gezeten zijn gebleven in de schaduw des doods! Daarom werd hij door den H. Geest aangedreven om, na onder de bescherming des Heeren ontkomen te zijn, dit voorschrift des Heeren Jesus Christus op te volgen ; wanneer zij u zullen vervolgen in de eene stad, zoo vlucht naar de andere (Matth. X, 23), en hij ging naar Jerusalem.
Nog een ander bewijs van Gods bijzondere voorliefde haalt de h. Paulus aan om zijn gezag bij de Corinthiërs tegenover lasteraars te handhaven. In 't breede, maar uit bescheiden-
281
zondag sexagesima.
282
heid zijn persoon verzwijgende, vermeldt hij één van die gezichten en openbaringen, waarmede God hem begunstigde. Vóór veertien jaren, niet lang na zijne bekeering, werd hij in eene zielsverrukking verplaatst, hetzij in het lichaam of buiten het lichaam â hij wist het niet â in den derden Hemel, in het Paradijs, de plaats der Gelukzaligen, en hoorde daar zóó geheimzinnige woorden, dat de mededeeling daarvan aan God alleen toekomt en geen mensch daarvan vermag te spreken, omdat zij voor eenige menschelijke taal onuitsprekelijk zijn. âDat was eene merkwaardige gebeurtenisquot; â leert de h. Thomas â âomdat zij voor hem een gezicht en eene âopenbaring tegelijk was; hij zag niet alleen maar ook werd âhem het begrip gegeven van hetgeen hij zag.quot; Merkwaardig ook om deze reden, dat zij eene schitterende belooning was voor den arbeid, welken hij reeds om Jesus' wille en ter zaliging van zijne evenmenschen met goed gevolg ondernomen en doorgezet had, en niet minder eene aansporing om met onverwinbaren moed in dat afmattend werk te volharden. Die gunst des Heeren moet ook buitengewoon heeten. In geen enkel leven der Heiligen Gods lezen wij van eene dergelijke begunstiging. Wel zag Moses het brandende braambosch en mocht hij, vóór zijn afsterven, een blik werpen in het rijke en schoone land door God aan de nakomelingen van Abraham beloofd; wel ontving deze Aartsvader als gasten drie Engelen Gods en zag Jacob in een droom een ladder, welke van de aarde tot in den Hemel reikte en waarlangs Engelen af- en opklommen; wel zag Daniël den Aloude der dagen, den Eeuwige zetelen in den Hemel en hoorde hij uit den mond van den Aartsengel Gabriël het geheim der zeventig weken ; wel zag de h. Stephanus den Hemel geopend en Jesus staande aan de» rechterhand Gods; wel zag de Apostel Joannes in een visioen de wonderbare vrouw, welke den kop van het helsche serpent verpletterde, den strijd van Michaël met den draak, het Lam Gods, den Zoon Gods, de heilige
zondag sexagesima.
stad of het nieuwe Jerusalem; wel werd â volgens het gevoelen van vele schrijvers â aan den h. Voedstervader van Jesus vóór zijn dood een blik in het ongekend verblijf der Engelen vergund en hem de heerlijkheid Gods geopenbaard. Maar, al werden aan die Heiligen uit het Oude en uit het Meuwe Verbond vele gezichten voorgehouden en gewichtige openbaringen gegeven, onder dit opzicht is de h. Paulus ver boven hen verheven en kan geen ander, voor zoover wij weten, met hem vergeleken worden. De mededeeling van die wondervolle begunstiging moet dan ook op de Corinthiërs een geweldigen indruk gemaakt en hun eerbied, diep ontzag ingeboezemd hebben voor een Apostel, die zich tegenover zijne vijanden op zulke buitengewone voorrechten kon beroepen. Hoe hoog moest de h. Paulus in hunne schatting niet rijzen, met welk een stralenkrans van glorie omgeven verschijnen, hij die het vertrouwen van zijn God en Meester in die mate genoot, dat hem een voorsmaak van de hemelsche zaligheid aangeboden en hij ingewijd was in de geheimen Gods, welke door geen menschelijke tong mogen uitgesproken worden! Waren die verleiden het goede spoor niet geheel bijster geworden, zeker zouden zij geen gewillig oor meer verleenen aan dwaalleeraars en geene grootere zorg nog kennen dan vast te houden aan de door Paulus gepredikte leer.
quot;Wonderbare samenvoeging van twee geheel verschillende gebeurtenissen! Zoo even verhaalde de Apostel zijne vervoering tot in den Hemel, en nu openbaart hij, om aan zijne bestrijders een voorbeeld van groote nederigheid te geven, een geheim uit zijn zieleleven, eene vernederende bekoring, welke hem gedurende een langen tyd kwelde: mij is een pbikkel mijns vleesches gegeven â bekent hij vol ootmoed â een engel des Satans om mij in het gezicht te slaan. Die aanvechting des Satans was voor den Apostel een prikkel, een doorn in het vleesch geslagen, eene verleiding tot het
283
zondag sexagesima.
284
kwade en hoogst waarschijnlijk tot zonden van onzuiverheid. Zij was hem gegeven door God zeiven; niet in den zin alsof God hem tot het kwade aanzocht, want Hij is geen hekoorder tot het kwade (Jac. I, 13); maar in dezo beteekenis, dat zijne vaderlijke en alles met Liefde beschikkende Voorzienigheid die aanvechting toeliet, en wel om eene reden door den Apostel vermeld ; opdat de geootheid der openbaringen hem niet trotsch maakte, hij niet hoogmoedig maar herinnerd zoude worden aan zijne menschelijke zwakheid. De h. Thomas maakt ter verdere verklaring deze menschkundige opmerking : âeen wijs geneesheer bewerkt dikwijls, dat eene mindere âziekte den kranke overkomt, opdat eene zwaardere vermeiden worde. De Apostel zegt ons, dat ook met hem op gelijke âwijze gehandeld is door Jesus Christus, den grooten Genees-âheerder zielen. Deze toch laat dikwijls toe, dat zijne uitver-âkorenen, opdat grootere onheilen der ziel of voorkomen of âgeheeld worden, door ziekten in het lichaam bezocht worden âof zelfs in kleine fouten vervallen. Onder alle zonden nu is âde hoogmoed een der zwaarste, omdat hij de wortel en het âbegin van andere zonden is en den mensch van God scheidt. âDaarom wil God, dat zijne beminden vernederd worden en âgedwongen te erkennen, dat zij op eigene krachten niet âkunnen steunen.quot; En inderdaad, wanneer voor iemand aanleiding tot een trotsch zelfbehagen kon bestaan, dan zeker voor den h. Paulus, die op wonderbare wijze bekeerd, âvan âeen vervolgerquot; â zooals de h. Augustinus zeide â âpre-âdiker der waarheid, van een wolf een schaap, van een vij-âand dienstknecht van Christus geworden wasquot;; die het Evangelie niet van een mensch ontvangen of geleerd had maar door openharing van Jesus Christus (Gal. I 12), in wien, van den schoot zijner moeder door Gods genade afgezonderd en geroepen, de Zoon Gods was geopenbaard, opdat hij Hem zoude openbaren onder de Heidenen (1. c. I, 15), die een vat van uitverkiezing was geworden en een schuldenaar den Grieken
zondag sexagesima.
en Barbaren, den wijzen en onwijzen; in wien de genade Gods niet ijdel was gebleven maar werkzaam bleek te zijn ter opbouwing van Christus' Kerk; die dienaar was van God en uitdeeler van diens genaden ; die de woorden des levens verkondigde en diende uit de kracht, welke God verleende; die ten bloede toe weerstand bood aan Jesus' vijanden en met blijde hoop reeds de kroon der eeuwige glorie zag, welke de rechtvaardige Rechter hem geven zou. Zoude ik willen roemen - - mocht hij schrijven â ik zoude niet dwaas zijn, immers ik zoude de waarheid zeggen : maar ik laat het,
opdat men mij niet schatte boven hetgeen men in mij ziet
of van mij hoort. En niet alleen liet hij het roemen, maakte hij van de hem verleende voorrechten geen gebruik om zich boven anderen verheven te betuigen, maar zelfs verzweeg hij niet, dat hij, de Apostel van Jesus bij uitnemendheid, veel en lang te strijden had met de vernederendste bekoring, welke een mensch kan plagen.
Zoo houdt hij aan allen een voorbeeld voor van ware nederigheid. Hij moest zijne zending rechtvaardigen en zijn gezag handhaven : maar niet dan schoorvoetend en niet dan met groote terughouding spreekt hij over zich zeiven. Slechts gedwongen maakt hij melding van zijne voorrechten, van zijn werken en van zijn lijden, en zoo spoedig mogelijk gaat hij over tot het openbaren van een strijd, welke vernederend is voor den mensch. Hij wil alleen in zijne zwakheden roemen, en hij doet het op eene wijze, waarvoor anderen zelfs in het geheim der biecht terugschrikken zouden. Hij toont niet een van die wereldlingen te wezen, welke om de achting van anderen bedelen, altijd hunne eigene eer zoeken en jacht maken op de toejuiching van hunne evenmenschen. Neen, hij wil erkend worden zooals hij is; zijn gezag moet onaangevochten blijven, zijn invloed mag niet bestreden worden: dit te eischen is hij aan God en aan de gemeente verschuldigd ^ maar voor het overige belijdt hij een zwak mensch te
285
ZONDAQ SEXAGESIMA.
zijn, die evenals anderen tegen den duivel te kampen heeft en niet kan overwinnen dan met de genade van boven. Daarom schaamde hij zich niet te bekennen dat hij veel gebeden had om van die lastige bekoring bevrijd te worden.
Wel een schoon voorbeeld, dat aller aandacht overwaardig is en aller ijver moet aanwakkeren! Immers, niets minder dan dit leert het: alwie van bekoringen des duivels verlost wenscht te worden, hij bidde en bidde zooals de h. Paulus bad. Vooreerst wende hij zich tot God, die Zich vereerd wil zien als den Beschermer in dreigenden nood en als den Uitredder uit de moeilijkheden, welke het leven dikwijls verbitteren, vooral als den Machtige, die de stormen bezweert en de duivelen verdrijft. Dan zij het gebed nederig als dat van den h. Paulus. Hij steunde noch op de zekerheid zijner roeping, noch op de hooge waardigheid [van zijn Apostolaat, noch op zijn arbeid voor Gods verheerlijking, noch op den omvang der openbaringen, welke hij ontvangen had â hij werd door Satan aangevallen, geplaagd en gekweld, niets bleef hem over dan zijn toevlucht te nemen tot God, die uitkomst geeft in de beproeving. Van zijne menschelijke zwakheid bewust, vreezende te bezwijken, bad hij en tot drie malen toe om bevrijding. Want ook volhardend moet het gebed zijn, omdat God de verhooring niet zelden vertraagt of wel om een gebrek in het bidden, of om de standvastigheid van den biddende op de proef te stellen, of om de waarde zijner gaven te beter te doen beseffen, of om een waardig gebruik daarvan te verzekeren naarmate het verkrijgen grootere inspanning heeft gekost.
Maar de h. Paulus verwierf niet, wat hij gevraagd had; de prikkel des vleesches werd van hem niet weggenomen! Laten wij voorzichtig wezen en niet te spoedig gereed zijn om een oordeel uit te spreken. De ware inhoud van het gebed des Apostels en Gods antwoord zouden ons van verme-
286
zondag sexagesima.
telheid overtuigen. Wat toch vroeg de h. Paulus ? In 't algemeen bad hij Gods hulp af, meer in 't bijzonder bepaalde hij de wijze waarop en het middel waardoor hij wenschte geholpen te worden : dat namelijk de prikkel des vleesches van hem mocht weggenomen worden. Onder dit laatste opzicht werd hij niet verhoord en Satan niet van hem verdreven, omdat God voor hem voordeeliger achtte, dat hij bleef strijden, en aldus zijne bede om verlost te worden niet strookte met de wijze en liefderijke plannen der Yoorzienigheid. Doch van de andere zijde vond hij wel verhooring, dewijl God hem ten antwoord gaf: mijne genade is u voldoende ; âde genade u alreeds vroeger of nu voor 't eerst gegeven is âgenoegzaam, opdat gij in de bekoring den vijand kunt âoverwinnen.quot;
Meer behoefde de h. Paulus niet, meer kon hij niet wen-schen : de genade van God zoude zich machtig in hem betoenen ; hij zou al strijdende in de kracht Gods overwinnen en zoo meerdere verdiensten vergaderen dan wanneer hij voor verderen strijd behoed ware.
Wilde alzoo God, dat zijn dienaar dien kelk, hoe bitter ook, zoude blijven drinken ter vervolmaking van zijn hooger leven, Hij verleende in zoo verre gehoor aan diens bede, dat Hij hem gaf wat nuttig, heilzaam was, zijne krachtige, alles vermogende genade namelijk, waardoor hij over elke opwelling van ongeduld, over elke zwakheid der natuur, over elke ongeregelde neiging kon zegevieren. Nog verder betuigde Zich Gods Goedheid tegenover zijn getrouwen dienaar: Hij openbaarde hem ook de reden, waarom Hij aan Paulus' uitgedrukt verlangen niet voldeed: want de kracht â zoo luidde het laatste gedeelte van Gods antwoord â wordt in zwakheid volkomen. âVolkomen in dubbele beteekenisquot; leert den. Thomas; âvooreerst van den kant der menschen, omdat al de beproe-â vingen, waaraan de dienaren van Christus in hun leven .onderworpen zijn, in de plannen der goddelijke Voorzienig-
287
zondag sexagesima.
âheider toe moeten bijdragen, dat zij met Gods genade strijdende âvan dag tot dag sterker worden en van deugd tot deugd âvoortgaan; van den kant van God, omdat de genade hare âkracht en heerlijkheid al meer en meer openbaart, als zij âniettegenstaande 'smenschen aangeborene zwakheid in hem âharen schoonsten triomf viert door hem bij voorbeeld nederig, âgeduldig, kuisch te maken, ook dan als zijne natuurlijke âneigingen zich daartegen verzetten.quot; Na dat woord des Heeren vernomen te hebben is de h. Paulus gerustgesteld, bemoedigd, getroost. Hij zoude van dien prikkel niet meer bevrijd willen zijn. Hij verheugt zich in zijn lyden en strijden. In stede van nog te bidden, dat alle bekoringen van hem wijken, zal hij veeleer roemen op zijne zwakheden, opdat de kkacht van Chbistus in hem woNE en blijve, hem ver-sterke en ter overwinning na overwinning voere.
Opmerking. Om voor ons christelijk leven de toepassing uit het besprokene te maken, herinneren wij aan deze waarheden. »Zoo goed is Godquot; â zegt de h. Hiëronymus â »dat »Hij ons niet geeft wat wij verlangen, opdat Hij ons kunne »geven wat wij â bij beter inzicht â liever zouden wenschen.quot; »En Gods genadequot; â mogen wij met den h. Thomas er bijvoegen â »is genoegzaam om het kwade te vermijden, het gt;goede te doen en het eeuwig leven te verwerven.quot; Die genade was den h. Paulus gegeven en zij bleef inT hem niet ijdel. Geheel zijn leven strekt daarvoor ten bewijze. Hij wist te roemen met wijsheid, te lijden met geduld voor Christus, te strijden met goed gevolg. â Hoe leerrijk is dit voor allen en hoe bemoedigend voor diegenen, welke een zwaren strijd te voeren hebben tegen den vijand hunner zaligheid! Gods genade is hun allen genoeg om alle moeilijkheden te overwinnen. Zelfs menschelijke zwakheid mag niet moedeloos maken maai' moet het bewustzijn verlevendigen, dat niet op eigen kracht, wel op die van God te bouwen is. Zoo die overtuiging diep doorgedrongen is en beheerscht zij ons denken en het wenschen, dan zal Gods genade ons onvermogen ondersteunen en ons in
288
ZONDAG SEXAGESIMA.
289
«9
den levensstrijd sterken ter overwinning. Zelfs zullen wij ons kunnen verheugen met den Apostel en roemen in onze zwakheden, omdat dan Christus in ons zijn woning kan opslaan en zijne genade in ons overvloedig zal worden, zóódat wij even als hij den goeden strijd strijden, de ons voorgeschrevene loopbaan met eere afloopen en de kroon der eeuwige vergelding verwerven.
Verklaringen lt;ler Kpistelen.
ZONDAG QUINQUAGESIMA.
Broeders! Al spreek ik de talen der menschen en der Engelen, zoo ik echter de liefde niet heb, ben ik geworden als een geluidgevend metaal of een klinkende schel. En al heb ik de gave der profetie en ken ik alle geheimen en bezit ik alle wetenschap, en al heb ik alle geloof, zóódat ik bergen kan verzetten, zoo ik echter de liefde niet heb, ben ik niets. En al deel ik al mijne bezittingen uit tot voedsel voor de armen, en al lever ik mijn lichaam over om te branden, zoo ik de liefde niet heb, baat het mij niets. De liefde is lijdzaam, zij is goedertieren; de liefde benijdt niet, zij handelt niet onbescheiden, zij is niet opgeblazen, zij is niet eerzuchtig, zij zoekt het hare niet, zij wordt niet toornig, zij denkt geen kwaad, zij verheugt zich niet over de onrechtvaardigheid, maar verblijdt zich met de waarheid; alles verdraagt zij, alles gelooft zij, alles hoopt zij, alles duldt zij. De liefde vergaat nimmer. Hetzij profetiën, zij zullen vergaan; hetzij talen, zij zullen ophouden; hetzij wetenschap, zij zal te niet gedaan worden. Want wij
ZONDAG QUINQUAGESIMA.
kennen ten deele en wij profeteeren ten deele; wanneer nu het volmaakte zal gekomen zijn, zal datgene, wat ten deele is, te niet gaan. Toen ik kind was, sprak ik als een kind, had ik meeningen als een kind, dacht ik als een kind; toen ik echter man werd, heb ik afgelegd wat des kinds was. Nu zien wij door eenen spiegel in een raadsel; maar dan, van aangezicht tot aangezicht. Nu ken ik ten deele; maar dan zal ik kennen gelijk ook ik gekend ben. Nu echter blijven geloof, hoop en liefde: deze drie; doch de grootste daarvan is de liefde, i Cor. XIII, i â13.
Inleiding. De h. Paulus had met zijne mede-arbeiders te Corinthe eene bloeiende gemeente gesticht onder zwaren arbeid en met groote inspanning. Doch geene stichting van zijne liefde en van zijn ijver baarde hem zoo veel zorg als deze. Niet alleen braken daar ter stede vele oneenigheden uit onder de Christenen, niet alleen lieten dezen zich misleiden door valsche profeten, die dwaalleeringen verspreidden en het gezag van hunnen geestelijken vader ondermijnden, niet alleen waren onder die geloovigen vele misbruiken ingeslopen, bij voorbeeld: bij het vieren der h.h. Geheimen, bij het houden der godsdienstoefeningen, bij het beslechten hunner geschillen voor heidensche rechtbanken; zelfs hadden bij hen vele dwaalbegrippen ingang gevonden, zóódat zij aan het mindere het grootst gewicht hechtten en het noodzakelijkste verwaarloosden. Het bovenstaande gedeelte uit zijn eersten brief aan die bekeerlingen is een nieuw bewijs, dat de h. Paulus met angstvolle bezorgdheid voor het geestelijk heil der zijnen het kwaad bestreed v/aar het zich vertoonde. Om die woorden van zijn door een heilig vuur ontvlamd hart goed te verstaan, moeten wij ons in de eerste tijden van het Christendom verplaatsen. In den beginne, toen de blijde boodschap nog over de gehéele wereld moest verkondigd worden, schonk God aan de nieuw-bekeerden niet zelden vele bovennatuurlijke genade-gaven, opdat zij zeiven
291
ZONDAG QUINQUAGESIMA.
daardoor in het geloof versterkt zouden worden, ze tot nut der geheele gemeente aanwenden, elkander stichten en zich zeiven niet minder dan anderen in de deugd vervolmaken konden. Die gaven waren het deel ook der Corinthiërs geworden, maar zij maakten daarvan niet het goede gebruik. Die meerdere gaven ontvangen hadden, verhieven zich in hunne gedachten en verachtten anderen, terwijl de minder bedeelden met nijd op de meer begunstigden neerzagen. Die hoogmoed van de eene en de nijdige afgunst van de andere zijde brachten scheuring onder de lidmaten derzelfde gemeenschap en, wat tot vervolmaking van het geheele lichaam dienen moest, werd eene aanleiding dat het welzijn der Kerk groote schade leed. Met apostolische vrijmoedigheid â maar om hen niet in hun gevoel te kwetsen en om zijn onderricht te eerder ingang in hunne harten te doen vinden â met even groote kieschheid in den eersten persoon, als van zich zeiven sprekende, leert de h. Paulus, dat al die gaven, hoe verheven ook en kostbaar op zich zelve, niet baten zonder de christelijke liefde tot den evennaaste, welke onafscheidelijk is van de liefde tot God, uit God als uit hare bron voortkomt en tot God moet leiden. En hij, die vooral als prediker der waarheid moest optreden, wordt hier de bezielde zanger van de voortreffelijkste aller deugden, zóódat dit gedeelte van zijn brief het zegelied der liefde genoemd is. Wel heeft hij bij andere gelegenheden de liefde geroemd als den band der volmaaktheid, als de vervulling der wet, als het kenmerk van den Christen, als de volmaking des geloofs, als het noodzakelijk middel ter zaligheid; maar hier voert hij die gedachten tot in hare laatste gevolgtrekkingen door. Die liefde is voor hem het middelpunt, de ziel van het christelijk leven; al de goede werken moeten aan die deugd hare waarde ontleenen; zonder haar zijn de grootste weldaden en de edelmoedigste handelingen waardeloos voor God. Om dat te bewijzen toont de h. Paulus aan;
I. de noodzakelijkheid der liefde;
II. de voortreffelijkheid en de onvergankelijkheid der liefde.
292
zondag quinquagesima.
ii f
I
293
ff
De Corinthiërs stelden hoogen prijs op de genade-gaven, welke zij ontvangen hadden, en de h. Paulus keurde hunne ingenomenheid daarmede geenszins af. Doch er is nog iets hoogers, verklaarde hij, wat nimmer uit 't oog verloren mocht worden, waarnaar met zelfverloochening, met opoffering van eigene inzichten diende gestreefd te worden. Zoo vervulde hij de belofte door hem afgelegd. Eenen nog voortreffe-lijkeren weg wijs ik m, had hij in het vorige hoofdstuk gezegd, en die weg is de liefde â voor hen en ook voor ons allen. Eenige voorbeelden zouden dit duidelijk maken, en volgens den h. Thomas brengt hij âal de genade-gaven, welke den âCorinthiërs geschonken waren, tot drie soorten terug: tot âdie der talen, tót die der kennis en tot die der offervaardigheid.quot;
Al speeke ik de talen dee menschen en der Engelen, zoo
ik echtee de liefde niet heb, ben ik gewobden als ben geluidgevend metaal op eene klinkende schel. Die gave der
talen noemde de Apostel op de eerste plaats, omdat zyne bekeerlingen daaraan de hoogste waarde toekenden en daarop vooral groot gingen. Om nu het onredelijke van hunne voorliefde in het helderste licht te plaatsen, stelde hij die gave zich voor in eene nooit bereikte en nimmer te bereiken uitgestrektheid. Hij wilde zeggen: âverbeeldt u, ik hadde die âgave verkregen in eene zóó hoogen graad, dat ik alle talen âkon spreken, waarvan de menschen hier en daar over de âaarde verspreid zich bedienen in hunne samenleving; wat ânog meer zegt: al beschikte ik over de wijze, waarop de âhemelsche Geesten hunne gewaarwordingen en gedachten âaan elkander mededeelen, zoo ik geene liefde had en niet âdoor ware liefde gedreven werd om die bijzondere gunst âaan te wenden tot het geestelijk welzijn van mijne even-
1
ü
r ki :i
I
lil
li II
!!
it 11
l»:!'
â¢I-tÃ'
i J
I
- , . 'li
zondag quinquagesima.
ânaasten, zoo ik daarentegen ze misbruikte om daarmede te âpralen en mij boven anderen te verheffen, zij baatte mij âniet, zij ware mij wat mijn eeuwig heil aangaat nutteloos. âIk ware gelijk aan een of ander instrument, dat een klank âgeeft, een geluid voortbrengt, welke voor een oogenblik âgehoord worden maar dadelijk in de lucht vervliegen, zonder âdat het zelf daarvan eenig nut trekt. Wat voordeel zoude âdie gave mij aanbrengen, als ik ze niet besteedde om God âte loven en te verheerlijken, om volkeren te bekeeren, om âden naaste te onderrichten en tot de deugd aan te sporen? âDoor de menschen werd ik waarschijnlijk geroemd als een âgroot geleerde, maar door God niet beloond als een ijverig âprediker zijner waarheid en zijner wet. Mijne verdiensten âvoor de eeuwigheid waren niets.quot; Door die bondige redeneering waren eenige hoogmoedige snoevers beschaamd en terechtgewezen. Nog anderen moesten van hunne verkeerde begrippen genezen worden. Daarom dit tweede voorbeeld.
Al heb ik de gave der profetie en ken ik alle geheimen
en bezit ik alle wetenschap, en al heb ik alle geloof, zóódat ik bergen kan verzetten, zoo ik echter de liefde
niet heb, ben ik niets. Hoe ruim vatte de h. Paulus dit onderwerp op! Hij veronderstelde eene gave van profetie, eene ingeving des H. Geestes, eene openbaring van Gods wege, waardoor de kennis van verborgenheden, welke op het verledene of tegenwoordige of toekomstige betrekking hebben, wordt medegedeeld; hij dacht zich een geloof zóó vast en zóó levendig, dat een buitengewoon krachtig vertrouwen op Gods Almacht en Hulpvaardigheid de grondslag werd voor het werken van de allerverhevenste wonderen. Wat echter zullen ter zaligheid baten al die profetiën, die kennis, die wetenschap, dat geloof; welke vruchten zullen die ongewone gaven opleveren, welk nut in de eeuwigheid aanbrengen voor hem, die geene liefde heeft? Niets, zegt de h. Paulus. Gebruiken de bevoorrechten die onwaardeerbare weldaden
294
zondag quinquagesima.
van Gods Milddadigheid niet ter verheerlijking van God, niet tot stichting van den evennaaste, zij zijn onnutte knechten in de Kerk van Gods Zoon, die ze wel ontvangen hebhen, maar niet besteden willen voor het doel, waarvoor zij gegeven zjjn. Waardeloos voor den Hemel zijn zij geworden al die gaven, als zij niet uit liefde gebruikt worden; niemand kan daarvan eenig heil verwachten, als de gelukkige bezitter niet geschroomd heeft de openbaring van die gaven dienstbaar te maken aan het bedelen om de hoogachting van anderen, aan de zucht om roem en eer te verwerven. â Nog is de ijver van den Apostel niet voldaan. Het oog op andere pochers richtende, vervolgde hij zijn bestraffende rede.
Er waren waarschijnlijk eenigen in de gemeente te Corinthe, die zich veel lieten voorstaan op hunne werkdadigheid ter leniging van den nood hunner evenmenschen of op hunnen heldenmoed ter verdediging van het geloof. In allen gevalle, al mochten zoodanigen niet gevonden worden, om de noodzakelijkheid van de liefde nog duidelijker te bewijzen, ging de h. Paulus van die veronderstelling uit en leerde: al deel ik
al mijne bezittingen uit tot voedsel vooe de armen en al lever ik mijn lichaam over om te branden, zoo ik de liefde
niet heb, baat het mij niets. Hier klimt de rede van den Apostel alhoogeren wordt zijne bewijsvoering al klemmender. De voortreffelijkste daden, welke onder de grootste werken van liefde moeten gerekend en oogenschijnlijk niet dan uit liefde kunnen verricht worden â opoffering van alle aardsche goederen en van het leven â zijn door hem als voorbeeld gekozen om te doen uitkomen, dab niets baat, als de liefde niet daaraan ten grondslag ligt en niet de drijfveer daarvan is. Om God en om den naaste dienen zij gedaan te worden; anders helpen zij niet ter eeuwige zaligheid. IJdel en nutteloos is het zonder die goddelijke deugd, al stort iemand handen vol gouds in den schoot der armen, al wijdt hij zijn lichaam en zijn leven aan den marteldood. Wie aalmoezen
295
ZONDAG QUINQUAGESIMA.
uitdeelt uit een hem van nature aangeboren medelijden of uit wrevel over de lastige onbescheidenheid der bedelaars, maar niet uit liefde; wie op phariseesche wyze aan anderen weldaden bewijst om als menschlievend en vrijgevig geroemd te worden, maar niet om in den persoon des evennaasten God te beminnen en te dienen â al diens werken van zoogenaamde barmhartigheid worden niet opgeschreven in het boek des levens, zij zijn verloren voor de eeuwigheid. Zelfs de grootste ijver voor de eer van God en voor de verdediging der goddelijke waarheid blyft waardeloos, wanneer de liefde dien niet bezielt, heiligt en vervolmaakt. Geen offer is zóó groot, zóó pijnlyk, zóó heldenmoedig, dat het door God kan aangenomen worden, als het niet gebracht wordt uit liefde. Daarom mocht de h. Hiëbonymus zeggen: âzoo wij den marteldood âhjden om door de wereld bewonderd en geprezen te worden, âdan is het bloed te vergeefs vergoten.quot;
Opmerking. Zoo noodzakelijk is de liefde. De h. Paulus kon geene sterkere bewijzen daarvoor aanvoeren. Wat gij bedenken kunt in het uitgestrekte gebied der christelijke begaafdheid, wetenschap en offervaardigheid, wat als grootsch en verheven te bewonderen is in Gods Kerk, wat verbazing opwekken en eerbied afdwingen kan, dat alles baat niets ter zaligheid, wanneer niet eene heilige liefde de beweegreden is, welke tot spreken en tot handelen aanspoort. »Groot is de liefdequot; â leert de h. Augustinus â »al het overige bezit men te vergeefs, als »zij ontbreekt; zoo zij echter aanwezig is, heeft men alles.quot;'
Wat dan te denken van die Christenen, wier taal zóó zalvend is, dat men zoude meenen dat zij met de Engelen omgang hebben, wier raadgevingen zoo gewichtig schijnen, alsof zij de toekomst doorschouwen, maar wier hart niet^warm klopt voor God noch voor den evenmensch en wier tong ^daarom ook voor den Kenner van wat er in 's menschen hart omgaat geene woorden Gods spreekt ? Wat van die Christenen, welke zich zeiven gerust stellen, omdat zij de waarheden des geloofs en
296
ZONDAG QUINQUAGESIMA.
297
de voorschriften der zedenleer kennen, welke wanen al zeer ver in de deugd gevorderd te zijn omdat zij aan enkele verplichtingen van hunnen Godsdienst voldoen en den schijn van een godvruchtig leven vertoonen naar de wijze der oude Pha-riseën, maar inderdaad gelijk aan gepleisterde graven zijn en in den omgang met anderen zich hardvochtig en onmeedoogend, gramstorig en twistziek, opvliegend en wraakzuchtig gedragen ? Wat van. die anderen, welke met veel ophef gewagen van hunne liefde-diensten aan noodlijdenden bewezen en dan alleen van hun overvloed willen mededeelen als zij weten, dat het oog van anderen hen opmerkt en de lof der wereld hunne daden zal prijzen, maar wien de ware liefde even vreemd blijft als zij aan de huichelaars uit het Evangelie ontbrak, die hunne goede werken deden om door de menschen gezien te worden ? â Wat ook van hen, die groot gaan op hunne aanhankelijkheid aan de leer der Kerk, op hunnen ijver voor de waarheden, welke zij zeggen te belijden, en er zich op beroemen Christenen te heeten, maar wier ijver al dadelijk verflauwd en wier goede gezindheid spoedig geweken is, als zij door daden moeten bewijzen, dat het hun ernst is met de hoogdravende betuigingen van vaste geloofsovertuiging, als er een beroep op hunne liefde gedaan en een offer gevraagd wordt ter uitbreiding van het geloof, dat zij zeggen hun zoo dierbaar te wezen ? j Wij blijven met opzet het antwoord op die vragen schuldig. Dit alleen zij hier in herinnering gebracht: de h. Paulus eischt van allen een geloof dat werkzaam is door liefde; de h. Jacobus noemt het geloof zonder werken een dood geloof, en de h. Joannes vermaant allen om niet slechts met woorden te beminnen maar metterdaad en in waarheid. Een ernstig onderzoek, of wij beminnen zooals God het van ons eischt, is derhalve èn noodzakelijk èn nuttig, opdat wij niet tot het getal van die ongeluk-kigen behooren, die veel ontvingen, die veel weten en veel doen maar geene verdiensten opleggen voor de eeuwigheid. â De h. Paulus zal ons in dit gewetensonderzoek een beproefde leidsman wezen.
zondag quinquagesima.
II.
Zijne lofrede op de liefde vervolgende schetst de Apostel hare voortreffelijkheid en onvergankelijkheid. In vijftien kenmerken leert hij, wat de ware liefde tot den evennaaste â daarover toch spreekt hij hier uitsluitend â doet en wat zij vermijdt, wat zij is en wat zij niet is. Dit in 't breede te ontwikkelen is de taak, welke ons blijft af te werken.
De liefde is lijdzaam, is goedebtieeen. Daarin toch bestaat de echte deugd, dat zij het kwade verdraagt en het goede doet. Hij die bemint schroomt het moeilijke niet, zóódat vele wateren der beproeving het vuur zijner liefde niet kunnen uitdooven maar hem daarentegen tot een volmaakt Christen zullen vormen ; zelfs de tegenwerking, welke hij van anderen te verduren heeft, slaat zijn moed niet ter neer; met kalme gelatenheid verdraagt hij tegenspraak en met opgeheven hoofde vergeeft hij ontvangene beleedigingen; lijdzaam onder miskenning en verongelijking, zal hij zich vergevingsgezind toonen voor de zwakheden van anderen. Ook goed is hij voor hen. Hij is welwillend gestemd, hij is medelijdend ; zijne weldaden zijn als stroomen, welke hij doet vloeien over zijne even-menschen. Ziet hij hen gebrek lijden, hij sluit zijn hart niet maar zal zijne hand tot weldoen openen. Van den eenen kant zal hij al het onrecht door anderen hem aangedaan, de moeilijkheden welke het samenleven met de menschen hem berokkent, de schade door hunne ongerechtigheid hem veroorzaakt, den strijd met verschillende karakters te voeren, met christelijke lijdzaamheid dragen; van den anderen kant zal hij zijne weldaden niet onthouden aan wie hem leed deden. In navolging van God, die zijne zon doet opgaan over goeden en kwaden en het doet regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen; in navolging van Jesus, die al weldoende rondging, kan hij geene tranen zien zonder ze al te drogen,
298
T
zondag quinquagesima. 299
geen leed zonder het te lenigen, geen nood zonder er in te voorzien. De ellenden zijner broeders, de zuchten der weduwen, de smeekingen der weezen laten hem niet onbewogen,
en hij brengt hulp waar, zoo veel en zoo spoedig hij vermag.
lil
De liefde benijdt niet, handelt niet onbescheiden, is
niet opgeblazen, is niet eerzuchtig, zoekt het hare niet,
wordt niet toornig, denkt geen kwaad, met andere woor- |1
den : met nauwgezetheid zal die bemint alle zonden trachten te vermijden, welke strijden tegen het groote gebod der naastenliefde, en ook die welke van ingenomenheid met zich zeiven, met eigene inzichten en met persoonlijke gevoelens getuigen. Geen misplaatste naijver is in hem ai te keuren ;
in stede van zich te bedroeven over het goede wat in den naaste is, zal hij zich verheugen over alles, wat den andere | » *
tot eer of' tot nut kan verstrekken. De afschuwelijke nijd vindt in zijn hart geen toegang, en de roem of de voortref- ,, -M
felijkheid of hoogere gaven, welke zijnen evenmensch sieren,
zullen geene onedele driften in hem opwekken. Hij weet «jL
immers, dat Gods Milddadigheid onuitputtelijk is en dat . *
allen rijk aan allerlei gaven kunnen wezen, zonder dat anderen daarom iets behoeven te missen; en al mocht hij om den rijkdom des evennaasten al iets moeten derven, de liefde zoude hem behoeden daarover te treuren en den andere te |
benijden. Wel zal hij zich bij het zien van eens anderen geluk tot een christelijken wedijver aangespoord gevoelen om zelf daaraan deelachtig te worden, maar mocht hij niet slagen,
toch kan hij het opmerken zonder afgunstige oogen. â Hij handelt ook niet onbescheiden om de voorrechten, welke hem te beurt gevallen zijn; hij is niet opgeblazen of hoogmoedig om de gaven, welke hem boven anderen geschonken werden.
Hij is er van overtuigd, dat alle roemen voor hem is uitgesloten, omdat hij niets bezit wat hij niet van God ontvangen li heeft, en dat hij niet roemen kan dan in den Gever alleen van alle goed. Bovendien, is hij niet verplicht in den even-
i
â¢!
J
ZONDAG QUINQUAGESIMA.
300
naaste even goed als in zich zeiven een beweldadigde van God te vereeren, kind van denzelfden hemelschen Vader, die voor allen rijk is in Barmhartigheid? Welke redenen zoude hij dan kunnen aanvoeren, die hem wettigen zich boven anderen verheven te wanen? Zijne titels, zijne voorrechten, zijne talenten, zijne deugden, zij zijn weldaden des Hemels, welke hij aan God en aan diens vrije genade te danken heeft, maar niet uit zich zeiven bezit. Zelfs al zoude hij zich in beter welslagen kunnen verheugen dan anderen, hij moet het aan Gods hulp, niet aan eigene krachten toeschrijven; kan hij rijkere aalmoezen geven, hij moet erkennen dat God hem daartoe in staat heeft gesteld. â Een noodzakelijk gevolg daarvan zal wezen : hij is niet eerzuchtig of liever: hij kent geene andere eerzucht dan om den menschen wel te doen, hen waar het pas geeft in de leer van Christus te onderrichten, hun te leeren dat zij Christus beminnen en Hem dienen moeten ; ook geene andere dan God te verheerlijken door woord en daad en voorbeeld, dan zelf dienaar te zijn ter uitbreiding van het Rijk Gods op aarde; maar overigens is het hem onverschillig of hij door zijne evenmenschen geeërd en geprezen wordt. Hij zoekt Gods eer maar niet de zijne en koestert den grootsten afschuw voor die zelfvergoding, welke zich in 't bezit waant van alle voorrechten en van alle eigenschappen, waardoor de huldiging en de diepe eerbied van anderen afgevorderd worden. Hij vergt niet voor eene ingebeelde grootheid een onmetelijken invloed noch de erkenning van voorgewende verdiensten ; hij laat zich ook niet verblinden door het voortreffelijke der gaven, welke God hem schonk, evenmin als door de toejuichingen, welke hem ten deel vallen. Hij blyft bescheiden bij het schitterendst welslagen en verlaagt zich niet door zich boven anderen verheven te denken. Het komt bij hem niet op om tegen de wijze les van Salomon in te gaan, die waarschuwde : verlang van den Heer geen bevelhebberschap, noch een eereambt van den koning. Stel u voor
zondag quinquagesima.
God niet aan als een gerechtige, want Hij, Hij kent de harten-, en zoek ook niet een wijze te schijnen voor den koning (Eccli. VIII, 4). Nederig zijnde, ziet hij in God en in den evennaaste zóó veel goeds en beminnenswaardigs, in zich zeiven daarentegen zóó groote zwakheid, zoo vele gebreken en ellenden, dat de zucht naar grootheid hem vreemd blijft. â Hij zoekt ook het zijne niet. Hij, die metterdaad God en den naaste liefheeft, zal pogen het den h. Paulus te kunnen nazeggen: ik belief in alles allen, niet mijn eigen nut zoekende, maar dat der velen, opdat zij zalig mogen worden (I Cor. X, 33). Van eigenbelang afkeerig, streeft hij evenmin naar eigen voordeel of gemak als naar eigen eer. Gij kunt hem niet rekenen onder het getal van die zelfzuchtigen, welke zich zei ven tot middelpunt van geheel hun leven maken, alles tot zich trekken en aan hunne doeleinden dienstbaar willen maken; niet tot hen, die door het lief en leed der wereld alleen in zoo verre getroffen worden, als het hun zeiven aangaat; die voor zich aller belangstelling eischen maar zich afkeerig toonen van alles, wat met hun eigen welzijn niet in verbinding staat. Hij bemint wel zich zeiven volgens Gods gebod maar ook den naaste als zich zeiven en daarom wenscht hij en doet ook goed aan allen. Goed voor zich zeiven wil hy ook goed voor anderen wezen. Omdat hij niet enghartig is maar welgezind voor allen, streeft hij niet naar datgene, wat. hem alleen kan voldoen, vervult zijn hart niet met begeerten naar dingen, welke hem slechts bevredigen, wordt niet wrevelig als ook anderen dat goed bezitten, waarin hij zijn geluk stelt; integendeel: hij kan zich in waarheid verblijden, als het den evennaasten goed gaat, als zij in hunne plannen slagen en door geen tegenspoed getroffen worden.
De liefde wobdt niet toobnig en denkt geen kwaad. Die waarlijk bemint, laat zich niet tot toorn vervoeren, zal het aangedane kwaad niet in aanmerking nemen maar veeleer vergeven, gelijk hem Christus vergeven heeft. En toch,
301
zondag quinquagesima.
hoe vele wisselende omstandigheden in het menschelijk verkeer komen er niet voor, waarin een ieder tot gramschap, tot bitterheid bekoord wordt? Voorbeelden liggen voor de hand. De eene zal eene of andere bewering voordragen, maar wordt wederlegd; de andere wil aanspraken doen gelden, maar zij worden voor niet ontvankelijk verklaard ; deze dingt naar eene eereplaats maar een andere neemt die in; gene wenscht zich eenig voordeel te verzekeren maar een gelukkigere dan hij maakt zich er meester van. Wie zal onder die teleurstellingen zijne kalme rust bewaren, gelaten blijven en zich niet laten vervoeren tot wrevel en ontevredenheid? Wie niet bitter worden in woorden en z^jne tong niet scherpen tot een hatelijken uitval; wie den andere niet van trouweloosheid, van onderkruiping, van sluwe list beschuldigen ? Niemand anders dan wie zijn naaste als zich zeiven bemint. Ook hij alleen zal geen kwaad met kwaad vergelden, al wordt hij op onrechtvaardige wijze behandeld door sommigen, die zich reeds dan beleedigd achten, wanneer zij van een onrecht overtuigd zijn. Al lijdt hij veel van die waanwijzen welke de waarheid en de gerechtigheid haten, van die eigenzinnigen welke geene verklaring aanhooren noch eenige verontschuldiging aannemen willen, van die hardvoch-tigen welke beleedigen enkel om te beleedigen, er vermaak in scheppen anderen te verbitteren en de sterkste deugd af te matten, welke aanklagen zonder eenig bewijs voor hunne aanklacht aan te voeren, de reinste bedoelingen verdacht maken en nog spotten kunnen met het leed dergenen wier eer zij ontnomen en wier goeden naam zij belasterd hebben â de liefde alleen zal hem sterk genoeg maken om aan die harde beproevingen weerstand te bieden, zich niet door het kwade te laten overwinnen, maar het kwade door het goede te overwinnen.
dé liefde verheugt zich niet over de onrechtvaardigheid maar verblijdt zien met de waarheid ; zij zal over elke slechte
302
ZONDAG QUINQUAGESIMA.
303
daad des naasten treuren, omdat God daardoor beleedigd en aan de ziel des zondaars groot nadeel berokkend wordt; van den anderen kant verheugt zij zich er over, wanneer de voorschriften door de waarheid op godsdienstig en zedelijk gebied verkondigd stipt worden nageleefd â ter eere van God en ter eeuwige zaligheid van den getrouwen dienaar der wet. Zoude ook iets anders mogelijk wezen ? Of de liefde moet uit het hart verbannen zijn, of zij moet treuren over de zonde en zich verheugen over de deugd. De innige, on ver breekbare band, welke eiken Christen èn met God èn met zijne medebroeders vereenigt, maakt elke andere veronderstelling onmogelijk. Immers, volgens den h. Paulus zijn wij allen lidmaten van één lichaam en genieten van dezelfde geestelijke spijze, na door het Doopsel in de ééne ware Kerk te zijn ingelijfd ; allen erkennen één Hoofd en aanbidden één Vader. Ten gevolge van die geestelijke gemeenschap bestaat er eene zóó nauwe betrekking tusschen de lidmaten onderling, dat het goede en het kwade des eenen door al de anderen gevoeld en of toegejuicht of betreurd wordt. Wat in het stoffelijk lichaam plaats grijpt, dat, als één lid iets lijdt, zoo al de leden medelijden, of als één lid verheerlijkt wordt, zoo al de leden zich mede verblijden (I Cor. XII, 26), dit mede gevoel is nog levendiger, zoodra er spraak is van de wederzijdsche verhouding, waarin zij tot allen staan, die opgenomen zijn in de gemeenschap der Heiligen. Wie is zwak â vroeg de h. Paulus â dat ik niet zwak ben ? Wie ivordt geërgerd, dat ik niet brande ? (II Cor. XI, 29). En zoude er een waar Christen gevonden worden, die niet op gelyke wyze medeleden had met de zwakken, niet brandde van smart, als hij anderen tot ongeloof of tot zedeloosheid zag vervallen; van de andere zijde: die zich niet verheugde, als hij zijn God en Zaligmaker erkend, bemind, gediend zag, die niet met den h. Joannes instemde, welke schreef: grootere blijdschap heb ik niet dan dit, dat ik hoor dat mijne kinderen in de waarheid wandelen (III Joan. I, 3).
zondag quinquagesima.
De laatste kenmerken van eene ware en oprechte, naar den eisch des Christendoms werkzame liefde zijn deze,
dat ZIJ alles verdraagt, alles gelooft, alles hoopt, alles
duldt. In betrekking tot God moeten wij onder deze eigenschappen verstaan dat, wie Hem van harte en boven alles liefheeft, geloovig aanneemt wat door de eeuwige Waarheid geopenbaard, met vertrouwen verwacht wat door eene onfeilbare Belofte in het vooruitzicht gesteld, met gelatenheid en kalme overgeving zich onderwerpt aan alles wat door eene vaderlijke Voorzienigheid beschikt is. Wie echter de aangehaalde woorden des h. Paulus op de liefde tot den naaste doen slaan, lezen daarin deze lofrede op die deugd: zij verdraagt de gebreken en fouten met geduld, tracht ze met den mantel der vergetelheid te bedekken en zoo mogelijk te verontschuldigen; zy gelooft al het goede dat van den naaste verhaald wordt, koestert geen mistrouwen aangaande de door hem afgelegde betuigingen, schrijft hem de reinste meeningen toe en houdt hem in staat tot alles wat eerbaar, rechtvaardig, deugdzaam is; zij hoopt ook van hem het beste: voortgang op den weg der gerechtigheid en volharding in de deugd en, mocht hy soms van den waren weg zijn afgedwaald, zij verwacht nog, dat hij met de hem verleende genade zal medewerken en tot inkeer komen; zelfs kan zg om wille van den naaste alles, zoo 't noodig is, verduren : tegenspraak, miskenning, beleediging, verguizing.
Om de hooge waarde der liefde nog duidelijker te doen uitkomen, bewijst de Apostel hare onvergankelijkheid. De liefde vervalt nooit, leert hij even zakelijk als bondig; zij blijft in alle eeuwigheid, zij alleen. Om zijn gezegde nader toe te lichten en te bevestigen, noemt hij nogmaals de drie genade-gaven op, waarbij door God buitengewone begaafdheden aan sommigen waren geschonken en welke door de Corinthiërs op zoo hoogen prys gesteld werden. De peofe-
304
zondag quinquagesima.
tieën zullen vergaan, die gave om vertroostend en vermanend in de vergaderingen der geloovigen op te treden en den diepen zin der profetische schriften te verklaren onder goddelijke leiding van den H. Geest, vooral om toekomstige gebeurtenissen te voorspellen op goddelijke ingeving, zij zal, hoe verheven ook, eens ophouden wanneer de eeuwige Waarheid in hare volheid aanschouwd wordt en geen der Heiligen eenige opwekking noch eenige verklaring meer behoeft, omdat hij in het goede bevestigd is en zien mag in het licht van de Zon der Gerechtigheid. Ook de talen zullen ophouden, want al ware die gave in den aanvang der Kerk noodig ter verspreiding der christelijke leer, zij is overbodig geworden in het andere leven, wanneer er slechts één Rijk zijn zal en één volk, wanneer de gedachten des geestes en de gewaarwordingen des harten niet zoozeer in menscheiijke taal vertolkt worden maar wel hare uitdrukking vinden in het gemeenschappelijk en zalig loven van God. Insgelijks zal de wetenschap te niet gedaan wobden, die namelijk welke gegeven werd om anderen van de geloofswaarheden te overtuigen en ter zaligheid te brengen; zij bestaat niet meer in den volmaakten staat der zaligen, wanneer zij allen God van aangezicht tot aangezicht zullen aanschouwen, alle waarheid kennen en voor eeuwigheid het heil zullen bezitten, hetwelk het Lam Gods voor hen door zijn Bloed verdiend heeft. Maar zullen die genade-gaven in den Hemel niet meer genoten worden als onnoodig, wanneer het volmaakte zal gekomen zijn, wanneer het gelooven in aanschouwen en het hopen in het genieten zal overgegaan wezen, de liefde, de grootste en voornaamste aller deugden, vergaat nimmer, zij blijft in eeuwigheid voortbestaan. Zij kan daar in het onvergankelijk Rijk der glorie noch vergaan noch zwakker worden, omdat alles, wat die andere gaven nutteloos maakt, haar aanwakkert en vervolmaakt, omdat alles, wat zij ziet en geniet de vervulling der profetieën is en tegelijk eene openbaring van
Verklaringen der Epistelen. 20
305
zondag quinquagesima.
het oneindige Goed, waarop de Christelijke wetenschap hare aandacht vestigde.
Nog eene andere reden voor het niet blijven voortbestaan der drie genoemde genade-gaven ligt, volgens den h. Paulus, daarin dat zij zelve en hare vruchten niet dan onvolmaakt blijven. Wu kennen ten deele â zeide hij â en wij peo-feteeren ten deele ; al onze kennis, hetzij God ons een bijzonder inzicht in zijne geopenbaarde waarheden gegeven, hetzij voor onzen blik de toekomst ontsluierd heeft, het eene zoowel als het andere blijft onvolkomen, voor een ge deelte duister. Onder dit opzicht zijn wij te vergelijken met kinderen, bij wie het denken en het spreken verre ten achter staat bij dat van een volwassen man, ook met diegenen, welke schouwen door een spiegel, welke van metaal is, zóó-dat zij de voorwerpen daarin niet duidelijk maar met eenige flauwheid waarnemen. Dan echter en dan eerst, als wij in God alle waarheid zien, als wij van de goddelijke dingen eene duidelijke kennis hebben verkregen, als onze kennis van God gelijkend zal zijn naar de kennis, welke God van ons heeft, dan zal voor de oogen van onzen geest het volle licht opgaan, dan zal Gods heerlijkheid ons verlichten en. God van aangezicht tot aangezicht ziende, zullen wij ons verheugen, dat het Licht in zijn vollen glans door God voor ons ontstoken is, en diep en klaar en alle begrip te boven gaande zal onze kennis geworden zijn; dan zullen wij niet langer zooals nu in een raadsel zien. â Ook van deze redeneering des Apostels moet al wederom de slotsom wezen; bedenkt het wel, Corinthiërs! dat gij niet eene al te hooge waarde toekent aan de genade-gaven, welke u geschonken zijn en waarop gij zoo groot gaat. Zij zijn niet blij vend en wat zij u bieden, het is onvolledig, onvolmaakt, duister. Maar de liefde is duurzaam en zij alleen voert u tot het eeuwig bezit van het oneindig Goed, tot de aanschouwing van de eeuwige Waarheid.
306
ZONDAG QUINQUAGESIMA.
Opmerking. Vele hebben de besprokene woorden van den h. Paulus als een lofzang genoemd op de voortreffelijkheid der liefde, en de even leerzame als zielroerende uitspraken der Kerkvaders vernemende, hooren wij daarin een nagalm van dat loflied. De liefde vergaat nimmer, had de leeraar der volkeren gezegd, en zij zingen: âalleen door de zonde kan zij ver-gloren worden ; anders is zij sterker dan een muur, harder dan »een diamant en, zoo gij iets anders wat onbuigzaam is kunt »aanhalen, dat alles wordt overtroffen door de macht der liefde. »Zij vergaat niet, kan door geen geweld vernietigd worden; »zij wordt niet verzwakt noch door het ijzer gebroken noch »door den dood uitgedoofd; zij blijft met ons en duurt voort »in de toekomstige eeuwen.quot; â De gave der profetie, der talen en der kennis zal ophouden, leerde de h. Paulus, en zij herhalen : »a]s het onvolmaakte zal verdwenen en het volmaakte »zal gekomen zijn, als in de toekomstige glorie voor de profe-»tie geen plaats meer zal zijn, als wanneer niemand in dien »geluksstaat nog iets zal verwachten en voor eeuwig de eind-»vervulling der voorspellingenis ingetreden, als het niet noodig »wezen zal verschillende talen te spreken, dewijl meer nog dan »in het begin van het menschelijk geslacht slechts één taal, één »tongval onder de Hemelingen gesproken zal worden, als in het »Rijk Gods alle waarheid gezien en gekend wordt in het aan-»schouwen van Gods Wezen en Volmaaktheden, en allen zullen »wandelen in het Licht, dat daar voor een ieder straalt, dan »zal de liefde toch niet eindigen, zij de voornaamste der gaven gt;Gods, de voortreffelijkste aller deugden.quot;
De Apostel besloot zijne leerrede met deze woorden: nu blijven geloof, hoop en liefde, deze drie; doch de grootste van deze is de liefde, en de Heiligen jubelen: »in dit leven moeten bij voortduring die drie deugden beoefend »worden als noodzakelijk ter zaligheid, maar is het leven op »Gode welgevallige wijze door een kostbaren dood besloten, »dan zullen wij in den Hemel zien, wat wij op aarde vertoe-»vende geloofd, bezitten wat wij hier gehoopt hebben, en dat »zien en dat bezitten zullen wij genieten door de liefde. Dat is de groote belooning, dat het Rijk met zijne vreugde, dat het
307
ZONDAG QUINQUAGESIMA.
308
»geluk en de eer en de glorie, dat het Licht en de hoogste «zaligheid, welke door woorden verklaard noch door eenig versstand begrepen kunnen worden, maar door de liefde vereeu-igt;wigd worden. Door het geloof en de hoop streven wij naar God, »door de liefde worden wij verbonden en vereenigd met God. Geen »tong zal het daarom kunnen melden, hoe verheven de liefde sis, met hoe groote eerbewijzen zij te vereeren, met hoe vele »loftuigingen zij te prijzen is. Niemand is dan ook beter en »het toekomstige geluk meer nabij en de eeuwige zaligheid «waardiger en zal hoogere belooning verkrijgen, dan hij die »God en den evennaaste met eene oprechte liefde bemint.quot; (De h.h. Hiëronymus, Chrysostomus, Augustinus, Cyrillus van Alexandrië, Bonaventura, Thomas.)
EERSTE ZONDAG IN DE VASTEN.
Broeders ! Wij vermanen u, dat gij de genade Gods niet te vergeefs ontvangt. Immers zegt Hij : in den aangenamen tijd heb Ik u geholpen. Ziet, nu is het de aangename tijd, ziet, nu is het de dag des heils ! Aan niemand geven wij eenigen aanstoot, opdat onze bediening niet gelaakt worde ; maar laten wij ons in alles gedragen als dienaren Gods, in veel geduld, in verdrukkingen, in nooden, in benauwdheden, in slagen, in gevangenissen, in oproeren, in arbeid, in waken, in vasten, in zuiverheid, in kennis, in lankmoedigheid, in den Heiligen Geest, in ongeveinsde liefde, in het woord der waarheid, in de kracht Gods, door de wapenen der gerechtigheid ter rechter- en ter linkerzijde, bij eer en oneer, bij kwaden en bij goeden naam ; als verleiders en nogtans waarheid sprekend; als onbekend, en nogtans bekend; als stervend en ziet, wij leven ! als gekastijd, en niet ter dood gebracht; als bedroefd, en toch altoos verheugd; als arm, en toch velen rijk makend; als niets hebbend, en alles bezittend. II Cor. VI, iâii.
EERSTE ZONDAG IN DE VASTEN.
310
Inleiding. Elk Christen, dieneerenaam waardig, zal zich alle dagen des jaars inspannen den Heer zijnen God ijverig en getrouw te dienen. Zoo veel mogelijk vlucht hij al de zonden en legt zich toe op goede werken, telken dage opnieuw. Het offer van zich zeiven, waarbij hij geest en hart aan den wil Gods toewijdt, wordt door hem met eene zuivere meening bij herhaling Gode opgedragen. Toch zijn er dagen, waarop zijn ijver en zijne vroomheid op nog treffender wijze zich betoonen in het vermijden van alles wat aan den hemelschen Vader eeni-germate onaangenaam en in het beoefenen van wat Hem welgevallig wezen kan. De vastentijd vooral wordt door hem naar de bedoeling der Kerk beschouwd en ook gebruikt als een tijd van bijzondere genade, als een tijd van versterving des lichaams en van heiliging der ziel. Met nog grooterezorg vlucht hij het minste kwaad, is volhardend in het gebed, ontzegt zich de ver-bodene spijzen in den geest van boete en deelt als aalmoes aan den arme uit wat hij door zijne onthouding uitspaart; ook is hij er op bedacht om met nog ernstiger oplettendheid het woord Gods te aanhooren en aan de overweging van Jesus' lijden en sterven zijne aandacht te schenken. Hij weet immers, dat niemand tot zich zeiven geruststellend zeggen mag: »het »is genoeg, ik ben ver genoeg in de deugd gevorderd en mag »uitrusten van het werken voor de zaligheid;quot; de verplichting staat hem levendig voor den geest, dat hij zich voor eene heilige paaschcommunie op de waardigste wijze moet voorbereiden. â Doch niet alleen voor den rechtvaardige, opdat hij nog rechtvaardiger worde, meer nog voor de zondaren is de vasten een tijd van zaligheid. Tot hen is en blijft het alle eeuwen door gezegd: Aldus spreekt de Heer: bekeert tt tot Mij uit geheel uw hart viet vasten en met weenen en met rouiv-geklaag, en scheurt uwe harten en niet tiwe kleederen, en bekeert u tot den Heer uwen God; want Hij is goedertieren en barmhartig, lankmoedig en groot van ontferming en gaarne vergeeft Hij het kwaad. Wie weet, of Hij niet omkeert en vergiffenis schenkt en achter Zich laat zegening, spijs- en drankoffer den Heer uwen God! (Joël II, 12). â Met deze alge-meene opmerkingen kunnen wij niet volstaan. Tot in de bijzon-
EERSTE ZONDAG IN DE VASTEN.
derheden van het godsdienstig leven dient hier afgedaald, opdat geen wenk, geene vingerwijzing, door den h. Paulus gegeven, voor ons verloren ga. Zoo ook bedoelde het de Kerk, die heden aan rechtvaardigen en aan zondaars, door hun eene schoone en leerrijke plaats uit Paulus' brieven voor te houden, verklaart wat zij van hare kinderen in deze dagen verlangt. Hetzelfde toch, waartoe de Corinthiërs werden aangemaand, is voor alle Christenen van alle eeuwen geschreven; wat voor hen plichtmatig was, moet ook door ons onderhouden worden; van ons niet minder dan van hen is gevorderd, dat wij
I de genaden door God ons gegeven goed gebruiken, en de christelijke deugden beoefenen;
II ter afwering van den vijand de wapenen hanteeren, welke God ter onze beschikking gesteld heeft.
I.
Als algemeene beginselen stellen wij deze waarbeden voorop. De Verlossing van alle menschen uit de slavernij des duivels is ons geworden zonder onze verdiensten; niemand onzer kon, als God ze in zijne oneindige Goedheid niet beloofd had, daarop eenige aanspraak maken. Maar nu zij bewerkt is door Jesus' liefdevol lijden en sterven; nu door zyn dood aan het Kruis ons het leven der genade is teruggeschonken, wat door de zonde was verloren; nu de Hemel wederom is ontsloten voor allen, die van goeden wille zyn â nu is het ook voor allen de strenge, niet afwijsbare plicht om de hun aangebodene genaden aan te nemen en ze te besteden ter zaligheid, om met inspanning van alle hun verleende krachten en door het doen van Gode welgevallige werken ze vruchtbaar te maken ten eeuwigen leven; om na den ouden mensch afgelegd en den nieuwen aangedaan te hebben, in de deugd voortgang te maken en zoodoende het eeuwig leven te kunnen beërven. Die tweede schepping, die geestelijke wedergeboorte, die verrijzenis tot een vernieuwd leven
311
eerste zondag in de vasten.
in ons geworden uit God door Christus, in Wien God de wereld met Zich verzoende, hunne misdaden hun niet toerekenende; Wien Hij voor ons tot zonde, tot drager van de zondeschuld der gansche wereld, gemaakt heeft, opdat wij gerechtigheid Gods zouden worden in Hem (II Cor. V, 13â22).
Van die liefdevolle, onverdiende, zaligende werkzaamheid Gods door den zoendood van onzen Heer Jesus Christus was ook de h. Paulus met de andere Apostelen aangesteld als prediker; zij waren Gods afgezanten en door hen vermaande God; zij waren de bedienaars van Gods woord en de uitdee-lers zijner geheimen; met het woord der waarheid op de lippen en met de genaden van God als in de handen gingen zij de wereld door en smeekten in Christus' naam: âverzoent âu met God en maakt uwe zielen zalig.quot; Zoo ook sprak en bad de h. Paulus, toen hij aan de Corinthiërs schreef: broeders ! wu, Gods mede-arbeiders en mede-helpers in het werk uwer zaligheid, vermanen u, dat gij de genade Gods niet te vergeefs ontvangt. Na eerst Gods Barmhartigheid met onnavolgbare trekken geschetst en gebeden te hebben, dat allen de liefde-bewijzen der Goedertierenheid Gods met dankbaarheid aanvaardden, tracht hij nu, vol ijver voor zijne bediening en voor het eeuwig heil zijner bekeerlingen, door zijne vermaning tot hunne volmaking bij te dragen. De genade van God mocht niet verloren gaan, integendeel: zij moest door hunne getrouwe en volhardende medewerking bewaard blijven niet alleen maar ook meerdere vruchten voor de eeuwigheid voortbrengen: want âhijquot; â zegt de h. Thomas â âontvangt; âGods genade te vergeefs, die ze niet gebruikt om de zonden âte vermijden en om het eeuwig leven te verdienen.quot; â Om zyne vermaning nog meer aan te dringen en ze in de harten zijner beminden ingang te doen vinden, beroept de h. Paulus zich naar zijne gewoonte op eene plaats uit de boeken van het Oude Testament, waarin God door den Profeet Isaïas tot den Messias, die als biddend en lijdend voor
312
eerste zondag in be vasten.
het te verlossen menschdom werd voorgesteld, deze woorden richtte: in den aangenamen tijd heb ik U verhoord en op den dag des heils heb Ik U geholpen. Wat toen van den beloofden Messias voorspeld werd, dat is â wil de Apostel zeggen â nu ook vervuld ten voordeele van alle Christenen:
ziet, nu 13 het de aangename tijd, ziet, nu i£ het de dag
des heils ! Nu Gods Zoon mensch geworden is, nu Hij onder ons gewoond heeft vol van genade en vol van waarheid, nu Hij voor ailen aan het Kruis gestorven is en nog voortdurend in zijne Kerk leeft en werkt, nu is voor allen die tijd van genade, waarvan Isaïas sprak, aangebroken.
Niet alleen voor de Corinthiërs waren die leerrijke en opwekkende woorden geschreven ; zij zijn onder de leiding van den H. Geest in de Kerk van Christus bewaard gebleven ter onderrichting van alle volgende geslachten. Derhalve ook voor elk onzer; en niemand zal ooit in de gemeenschap der Heiligen worden opgenomen, die het niet hooren zal: âdat de âgenade niet ijdel in u zij, maar werk met haar mede, opdat âzij vrucht drage voor de eeuwigheid.quot; Het was voor de Corinthiërs eene bijzondere gunstige beschikking Gods, dat zij zoo spoedig tot de kennis der waarheid geroepen, dat zij al vroeg overgebracht werden in dien wijngaard, welken Paulus geplant, Apollo besproeid, God met wasdom gezegend had. Wat zoude het te betreuren geweest zijn, zoo die bekeerlingen, na de christelijke leer als waar erkend en aangenomen te hebben, van het eenig ware geloof afvallig waren geworden of, met behoud van hunne godsdienstige overtuiging, der inwerking van Gods genade weerstand geboden en de onschatbare gave, ter heiliging van hunne onsterfelijke zielen gegeven, niet gebruikt hadden! Hunne zonde zoude grooter geweest zijn dan wanneer Christus hun niet gepredikt ware; bij een hoogst misdadig verzuim hadden zij nog de zonde van grove ondankbaarheid gevoegd. Van den anderen kant;
313
EERSTE ZONDAG IN 1)E VASTEN.
rustte op hen niet de zware verplichting om die genaden door Jesus' Bloed en Dood verdiend naar Gods bedoeling te besteden, om daarmede woekerende in den besten zin des woords wijzer te worden en ook deugdzamer, om van deugd tot deugd voortgaande aan het verheven voorbeeld hun uit Jesus' leven ter navolging voorgehouden al meer en meer gelijkvormig te worden en zoo hunne roeping ter zaligheid zekerder te maken door goede werken?
Plaatsen we voor de Corinthiërs ons zeiven en wij vernemen in de vermaning des Apostels den eenig waren levensregel, waarnaar ons gedrag dient ingericht. Nadat Jesus Christus eene eeuwige verlossing bewerkt had door zijn Kruisdood en een goddelijk Licht was opgegaan ter openbaring voor allen, die in de schaduw des doods gezeten waren, scheen dat Licht ook in onze duisternissen, werden ook wij verrijkt met eene bovennatuurlijke kennis der geloofsleer en zedenwet en tegelijk met de kracht van boven toegerust om te gelooven wat ons geleerd en te doen wat ons bevolen werd. De boden des vredes en der blijde hoop, begiftigd met de wondermacht des H. Geestes en bezield met den geest en moed van den aanbiddelijken Stichter der Kerk, betraden ook onzen vader-landschen bodem om met de waarheid des geloofs de middelen ter zaligheid te prediken. Die erfenis hebben wij door Gods genadevolle beschikking van onze voorouders ontvangen met hare rechten maar ook â wat nimmer uit onze gedachte mag wezen â met al hare verplichtingen. Het Eijk Gods is onder ons gevestigd; de rijkdom van Gods Barmhartigheden scaat telken dage opnieuw ons ten dienste; genaden op genaden worden ons gegeven ter verlichting van den geest en ter versterking van den wil; de poorten des Hemels zijn geopend en een ieder is uitgenoodigd binnen te gaan. Hoogere gunsten kon God ons niet schenken, al is Hij almachtig. Maar geeft Hij veel. Hij zal ook eens van onze roeping tot het geloof vele vruchten willen zien. De vermaning des Apostels geldt
314
EERSTE ZONDAG IK DE VASTEN.
dan ook ons en niet dan door een volhardend waardig gebruik der genade is het, dat wij aan onze verplichtingen kunnen voldoen; alle getrouwheid in den dienst van God door den Apostel van zyne nieuw-bekeerden gevorderd, moet ook in ons gevonden worden, al kost zij moeilijke zelfoverwinning en eene pijnlijke verloochening van de onsaangeborene gemakzucht.
Opmerking. Uitgesteld mag het volbrengen niet worden der taak, welke aan een ieder is voorgeschreven. Niemand onzer mag zoo vermetel wezen, dat hij durft zeggen: groot is de Barmhartigheid des Heeren, en Hij zal Zich over de menigte mijner zonden ontfermen, om daarin een reden tot volharding in het kwade te vinden; want â hij mag dit wel bedenken â erbarming en gramschap gaan spoedig van Hem uit, en zijn toorn rust op de zondaars. Daarom is het tot een ieder gezegd: draal niet met zi tot den Heer te bekeeren en stel het niet tiit van dag tot dag. Want zijne gramschap zal plotseling komen, en op den dag der wrake zal Hij u verderven. (Eccli V, 6 â 20).
Om aan de dringende vermaning door God aan Sirach's zoon ingegeven gehoor te verleenen, is het dienstig dat de volgende woorden van den H. Bona VENTURA niet onopgemerkt blijven: »er zijn vier tijdperkenquot; â zegt hij â »welke aan »een ieder immer voor den geest moeten staan: de aangename gt;tijd van onze verzoening, de akelige tijd van 'smenschen «ontbinding, de vreeselijke tijd van het laatste oordeel en de »onverdragelijke tijd der eeuwige veroordeeling.quot; Nu is het de dag des heils, waarop misschien geen morgen meer volgen zal De duur des levens is even onzeker als kort en, vóórdat het nacht wordt, waarin niemand meer werken kan, moet het allergewichtigst belang der zaligheid behartigd en in orde gebracht zijn. Mocht daarom een ieder met den h. Paulus kunnen getuigen, dat Gods genade in hem niet ijdel is geweest, dat hij met die genade heeft gewerkt ten eeuwigen leven! Dan eerst kan hij de eeuwige toekomst met gerustheid te gemoet zien en de belooning verwachten, welke den trouwen dienst-
315
EERSTE ZONDAG IN DE VASTEN.
knecht is weggelegd. Wij leven en bewegen ons onder de hoede der Kerk; wij hooren het woord Gods dat, levend en werkdadig en scherper dan een tweesnijdend zwaard, het binnenste onzer harten ontroerd; wij kunnen de h.h. Sacramenten ontvangen, welke Jesus ter zuivering en heiliging onzer zielen heeft ingesteld; verlichting en opwekking ten goede worden schier dagelijks als middelen ter verbetering ons aangeboden; eene eeuwige belooning in het onvergankelijk Rijk van Gods glorie is ons beloofd. Welke dagen van zaligheid, van heil en geluk kunnen wij alzoo beleven in de belijdenis des Christen-doms, waartoe Gods Goedheid ons geroepen heeft! Een schat van verdiensten is te verzamelen, zoo wij slechts niet te traag of te onverschillig zijn om de genade met ijverige nauwgezetheid te gebruiken; eene eeuwigheid van ongestoorden vrede, van zoete rust, van zalig genot is te verkrijgen, zoo wij slechts het werk doen, wat God ons heeft voorbeschikt. Hem dienen in den staat waarin zijne Voorzienigheid ons plaatste, en woekeren met de talenten welke zijne Wijsheid ons toevertrouwde. In die veronderstelling, welke in het leven van eiken Christen waar moet gemaakt worden, zal het ook niet moeilijk wezen de deugden te beoefenen, waarvan wij in den h. Paulus een treffend voorbeeld zien.
II.
In het verdere gedeelte van den Epistel weidt de h. Paulus in 't breede uit over het gedrag, over de wijze van handelen, welke hij zich als vasten levensregel tegenover alle menschen had voorgeschreven en getrouw onderhield. Dat hij zoo sprekende zijn eigen lof wilde verkondigen mag van den man naar Gods hart noch gezegd noch vermoed worden. Zijne bedoeling was altijd en in alles even rein als zijn levenswandel. Alleen om in zijn persoon aan de Corinthiërs een voorbeeld te geven, hoe zij dienden te wandelen in de vreeze des Heeren en hoe zich toe te leggen op goede werken, maakte hij gewag van zijne levenswijze en van zijne gemoeds-
316
eerste zondag in de vasten.
gesteldheid, van zijn veelvuldig lijden en van zijn onafgebroken strijden. Hij mocht van zich zeiven getuigen, dat hij een voorbeeld voor de kudde was geworden en daarom aan allen toeroepen ; weest mijne navolgers, gelijk ook ik van Christus (1 Cor. XI, I). In dien zin nemen wij zijne volgende woorden op en die minder naar de letter dan naar den geest, welke hem bij het schrijven bezielde, opvattende, lezen wij daarin eene vermaning om aan hem gelijkvormig te worden. Immers, wat hij ter vervolmaking van zijn geestelijk leven noodig achtte, moet ook het sieraad wezen van onzen levenswandel.
Vooreerst moeten wij in navolging van den h. Paulus ons beijveren aan niemand eenigen aanstoot te geven, opdat noch een vlek geworpen worde op den Godsdienst, welken wij belijden, noch de Naam van Christus gelasterd worde, welken wij vereeren. In beperkten zin zijn alle Christenen het Zout der aarde en het Licht der wereld. Wij allen moeten prediken soms door het woord maar altijd door het voorbeeld, opdat de menschen onze goede werken ziende God verheerlijken, die daartoe zijne genaden aan zwakke schepselen gaf. In ons leven moet openbaar worden, wat die genade in ons vermag en, wandelende in al de geboden des Heeren en in al de voorschriften der Kerk, moeten wij vruchten van gerechtigheid vertoonen. Alles tot stichting der mede-Chris-tenen, tot uitbreiding van Gods Rijk op aarde, zelfs ter beschaming van anders-denkenden. Alwie aan die eischen van zijn geloof niet beantwoordt, geeft in engeren of wijderen zin ergernis en wordt eeue aanleiding, dat soms velen zich aan plichtsverzuim schuldig maken. In stede van op te wekken ten goede, verleidt hij tot liet kwade. Door een onchris-telijken levenswandel biedt hij anderen een voorwendsel aan om het minder nauwgezet te nemen met hunne godsdienstplichten, zelfs om eene zedenleer te verachten, welke zij zoo slecht nageleefd zien; hij geeft der menschelijke zwakheid eene gewenschte gelegenheid om voor hare eigene overtredin-
317
eerste zondag in de vasten.
gen eene verontschuldiging^te zoeken in zijn wangedrag, en zonder het te willen is hij oorzaak, dat onverschilligen zieh in schijn kunnen rechtvaardigen door een beroep op zijne wijze van opvatting der Goddelijke en Kerkelijke wetten. Hij bouwt niet op maarlbreekt af; hij plant niet maar roeit uit; hij richt zijnen evenmensch niet op uit diens zedelijke ellende, maar brengt hen die nog staande zijn gebleven ten val, terwijl hij die anderen, welke reeds van den waren weg zijn afgedwaald, nog verder doet afdolen.
Vermijd het kwade en doe het goede â daartoe vermaande reeds David (Ps, XXXVI, 27) en de h. Paulus verlangde niet minder van z;jne bekeerlingen, toen hij op zijn voorbeeld wijzende van hen, en derhalve ook van ons allen, op de tweede plaats' eischte, dat zij zich in alles zouden gedragen als dienaren Gods, door het beoefenen van die deugden en het aankweeken van die hoedanigheden, welke het kenmerk moeten uitmaken van eiken waren Christen. De eerste deugd door den h. Paulus in zijn eigen persoon aan allen ter navolging voorgehouden is die der kalme gelatenheid in de beproevingen. Hij leed met veel geduld in verdrukkingen, in noo-
den, in benauwdheden, in slagen, in gevangenissen, in oproeren, in arbbid, in waken, in vasten, cu dat Verdroeg hij voor de uitbreiding van het Rijk der waarheid. Nu zal waarschijnlijk aan niemand onzer voorbeschikt wezen, dat de beproevingen des Apostels ook zyn deel zullen worden. Maar, mogen wij niet in allen deele op den lijdenden, zeker moeten wij op den geduldigen Paulus gelijken. Want het leven des Christen gaat niet voorbij zonder veel strijden, zonder veel lijden â dit hier in den meest algemeenen zin opgevat. Zonder overdrijving mag gezegd worden, dat voor den gevallen mensch het lijden even onvermijdelijk is als de arbeid ; maar tevens dient erkend, dat niet minder dan de arbeid ook het lijden kan en moet geheiligd worden naar het
318
EERSTE ZONDAG IN DE VASTEN.
319
voorbeeld van den groeten Apostel. Dit zalig genot ons te verzekeren ligt geenszins boven ons bereik; wij behoeven slechts het lijden op zijne waarde te schatten, het met geduld te dragen en het te beminnen, opdat wij met den h. Paulus kunnen juichen; ik vloei over van blijdschap hij al onze verdrukking (II cor. VIII, 4). Een enkel woord ter verklaring is hier voldoende. Wij moeten het lijden op die waarde schatten, welke geopenbaard wordt in het Kruis van Christus, die den smaad en de pijnen daarvan niet achtte maar verdroeg om de Hem voorgestelde vreugde, omdat Hij verwachtte weldra met eere en heerlijkheid gekroond te zullen worden; welke ook geleerd wordt door de troostvolle waarheid, dat wij lijdende al meer gelijkvormig worden aan ons goddelijk voorbeeld en daardoor het recht verkrijgen eens met Hem verheerlijkt te zullen worden in die zalige gewesten, waar geen leed meer wezen zal. â Met gelatenheid ook moeten w|j het dragen. Dit zal voor niemand te moeilijk zijn, zoo hij zich slechts van de waarheid wil doordringen, dat het lijden een door God gewild middel is, waardoor wij onze ziel kunnen louteren van de smetten, welke haar aankleven, ze met verdiensten verrijken en met deugden versieren en zoo der hemel-sche vreugde waardig kunnen maken. Wel is het ons niet verboden met den goddelijken Lijder te bidden, dat die kelk ons voorbij moge gaan; maar het besluit moet toch altijd evenals dat van Jesus' gebed in den hof luiden: âniet mijn âwil geschiede, o Vader! maar de uwe.quot; â Ten laatste het lijden beminnen om zijne hooge waarde, om zijne uitnemende verdienstelijkheid voor de eeuwigheid, om zijne reinigende en verheffende en heiligende kracht; beminnen evenals elke zieke, die vurig naar het herkrijgen der verlorene gezondheid verlangt, de walgelijkste en bitterste geneesmiddelen gaarne inneemt, zoo zij hem slechts beterschap kunnen aanbrengen. Wij geven toe, dat zulk een verzaken van de neigingen eener zinnelijke natuur niet zonder moeilijkheid is, dat het groote
eerste zondag in de vasten.
zelfopoffering kost op zoo volmaakte wijze zich zei ven te slachtofferen op het altaar des kruises; maar wie zijne ziel liefheeft zal tegen dat offer niet opzien ; wie na dit tijdelijk leven voor eeuwig met Christus wil leven zal niet schromen zelfs een pijnlijk middel met volle hand aan te grijpen, wanneer hij overtuigd is, dat verdrukking of angst of honger of naaktheid of gevaar of vervolging of zwaard hem zijne eeuwige bestemming nader brengen.
De h. Paulus gaat verder en noemt nog andere deugden op, welke hij beoefende en door zijne bekeerlingen en door ons nagevolgd wilde zien. Want, verheerlijkte hij alzoo zijne bediening voor God en voor de menschen, de Corinthiërs moestenen wij, evenzeer als zij, hebben de verplichting, allen zijn gehouden door eene zedelijke en volhardende krachtsinspanning onze zaligheid te verdienen. De zuiverheid is ook voor ons verplichtend; de onzuivere begeerten van het hart moeten onderdrukt en de onreine gedachten uit den geest geweerd worden, zóódat wij ten alle tijde met een kuisch lichaam en met een reinen geest en met een onbezoedeld hart God dienen, beminnen en loven. â Eene degelijke kennis der leer van Jesus en der grondbeginselen van het Evangelie zal er veel toe bijdragen, dat die moeilijke en levenslange strijd van de wet des geestes tegen die des vleesches, met den bijstand der genade, moedig en zegevierend gevoerd wordt. Afgezien van de genade Gods, bestaat er geen krachtiger middel ter bestrijding van de bedorvenheid onzer natuur dan de ernstige overdenking der waarheden van onzen Godsdienst. Alwie zijne uitersten overweegt en bedenkt waartoe het lichaam gegeven is, hij zal met een heiligen angst bezield zijn voor elke inwilliging in de bekoring, door welke de onreine geest tot onreinheid wil verleiden. Al werd hij niet door het verlagende weerhouden, hetwelk aan de zonde van onkuischheid verbonden is, toch zoude de kennis van de onvermijdelijke gevolgen en van de zware straffen, welke
320
eebste zondag in de vasten.
den zondaar als een akelige toekomst wachten, hem afschrikken om te luisteren naar de stem van die verleiding, waardoor ziel en lichaam bezoedeld worden.
De liefde voor ons zeiven mag de liefde voor den evennaaste niet uitsluiten. Hoe dieper wij overtuigd zijn, dat het onkruid door den vijand onzer zaligheid in ons hart uitgestrooid niet dan met pijnlijke zelfoverwinning kan uitgeroeid worden, met des te meerdere inschikkelijkheid zullen wij de fouten en gebreken van den evennaaste verdragen en met des te grootere bereidwilligheid elke schimptaal en al de verguizingen of beleedigingen vergeven, welke wij van anderen te verduren hebben. De h. Paulus is ook hierin een treffend voorbeeld, hij die van zich zeiven kon getuigen, dat hij zich aanbeval door lankmoedigheid en minzaamheid ; met andere woorden; door den glans van deugden, welke zijn apostoli-schen arbeid vruchtbaar maakten onder wijzen en onwijzen, onder Joden en Heidenen, onder hen zoowel die zich aanvankelijk met hardnekkigheid tegen het woord der waarheid verzetten als onder die al dadelijk een gewillig oor leenden aan zijne prediking. Door die deugden, door een lijdzaam geduld en door eene edelmoedige vergevingsgezindheid werd hij alles voor allen en won hij veler harten. Ook voor ons zijn zij noodig die edele hoedanigheden van geest en van hart in ons maatschappelijk verkeer. Wij weten het: niet zelden zijn de belangen der menschen tegenstrijdig en hunne inzichten verschillend ; de drijfveeren en bedoelingen loopen meestal uiteen; het karakter en de inborst des eenen staan dikwijls in lijnrechte tegenspraak met die des anderen: wrijving en botsing kunnen, onze overgroote zwakheid in aanmerking genomen, niet uitblijven in de menschel\jke samenleving; menig hard woord valt er, en nijdige blikken worden bij vele gelegenheden geworpen. In die omstandigheden kan een Christen dan alleen zijne kalmte behouden en de rust des gemoeds bewaren, dan alleen een heilzamen invloed zelfs op verbitter-
Verklaringen der Epistelen 21
321
eerste zondag in de vasten.
de tegenstanders uitoefenen en op hunne zedelijke verbetering inwerken, als hij de verongelijking niet acht en kwaad met goed vergeldt. â Is dit niet te veel gevergd van een hart, dat veel meer geneigd is zich te vergrammen dan te verontschuldigen en te vergeven ? Is het niet ondoenlijk in die mate ons gevoel te beheerschen, dat wij tegenover lastige personen dezelfde minzaamheid aan den dag leggen als tegenover hen, die met ons instemmen of van eenige tegenstrijdige meenin-geu en oogmerken geen blijk geven ? Neen, voor hen niet, die zich door den Heiligen Geest laten leiden, gelijk de h. Pau-lus deed.
De H. Geest is de Geest van liefde, van lijdzaamheid, van verdraagzaamheid, van vergevings-gezindheid. Hij opent onze oogen en doet ons de waarde kennen der ziel van den evennaaste, zóódat wij gaarne een offer brengen als het voor zijn geestelijk welzijn gevorderd wordt; door zijne inspraken en vermaningen spoort Hij ons aan om eigene inzichten op te geven, zoo dikwijls die inschikkelijkheid er iets toe kan bijdragen, dat de vrede niet gestoord of, mocht die verbroken zijn, hersteld worde; Hy boezemt den moed in, welke noo-dig is, opdat voor de verbetering van anderen aan eigene driften het stilzwijgen worde opgelegd en door eene zachtzinnige handelwijze kolen vuurs op het hoofd van een vijand vergaderd worden ; Hij leert ook, dat het vergeven aan anderen een onfeilbaar middel is om vergiffenis van persoonlijke zonden van den Rechter te verkrijgen, die Barmhartig voor barmhartigen wezen zal. â Wie zich aan die leiding des H. Geestes overgeeft, wordt een kind des hemelschen Vaders en zal, uit God zijnde, die de Liefde zelve is, den naaste beminnen met eene ongeveinsde liefde, welke uit het hart komt, welke niet alleen met woorden maar metterdaad en in waarheid zich betuigt; zelfs geeft de H. Geest aan hen, in wier harten Hij zijne woning nemen kan, de volmaaktheid der liefde en weldra zullen de vruchten zich vertoonen in den omgang
322
eerste zondag in de vasten.
met anderen, in het toegeeflijk verkeer zelfs met kwaadge-zinden, in het verdragen van gebreken, in het vergeven van beleedigingen, in het weldoen ook aan hen, die zich meer of minder afkeerig toonden. Dat is ware liefde, waarvan de h. Joannes zegt, dat zij haren minnaar naar het Rijk der glorie leidt.
Welke wapenen te hanteeren zijn ter verovering van een Rijk, waarvan de duur even lang is als die der eeuwigheid, leert de h. Paulus, al wederom door zijn voorbeeld, als hij schrijft: ^wij bevelen ons aan en strekken anderen tot een âopwekkend voorbeeld in het wooed van waarheid, welke âwij onvervalscl-verkondigen, in de kracht Gods, welke âzich in onze woorden en daden openbaart en zich machtig âbetoont in de vele wonderwerken door God ter bevestiging âonzer prediking gedaan; door de wapenen der gerechtigheid, welke wij als een strijdvaardig krijgsman aan de ârechterzijde dragen ten aanval en aan de linkerzijde ter âverdediging; door in alle omstandigheden, waarin de apos-âtolische arbeid ons plaatst, zij mogen gunstig of ongunstig âwezen, zij mogen ons eer en goeden naam by de welgezin-âden of oneer en kwaden naam bij onze vijanden verschaffen, âons te betoonen als ware dienaren van God, die vergeten âwat achter hen ligt maar zich uitstrekken naar hetgeen âvoor hen is, hunne moeilijke baan moedig vervolgende en âslechts strevende naar het doel, dat bereikt moet worden.quot; Nog onder andere gezichtspunten schetst de h. Paulus den pynlpen stryd, welken hij te voeren heeft tegen eene vijandelijke wereld, tevens verklarende, dat hij, ofschoon gelasterd, ofschoon in schijn gering en arm en verslagen, metterdaad overwinnaar blijft door de genade van God, Wien hij met een zuiver geweten tracht te dienen. Men mag hem schelden als een verleider, die door valsche leeringen de menschen op een dwaalspoor brengt, hij is zich bewust dat hij niets anders
323
eerste zondag in de vasten.
spreekt dan de waarheid ; laten anderen hem aanzien als onbekend, als een onbeduidend mensch, hij is als de bedienaar van Gods woord en uitdeeler van diens geheimen gekend door God en door allen, die de waarheid liefhebben; zijne vijanden mogen wanen, dat hij als stervende is onder de vervolgingen en martelingen, welke hij te verduren had en nog voortdurend te verdragen heeft, zie, hij leeft en door Gods kracht ondersteund blijft hij leven en werken aan de taak door eene goddelijke uitverkiezing hem opgedragen; al meenen sommigen, dat hij door God gekastijd is en altijd bedroefd om de pijnlyke omstandigheden, waarin hij zijn leven doorbrengt, hij is nog niet ter dood gebracht, daar Gods beschermende hand over hem waakt, en is altoos verheugd omdat hij in den dienst van God lijdt en God hem sterkt; zijne tegenstanders kunnen hem arm en niets hebbend noemen, maar behoeftig in het oog der wereld en niets bezittend van wat naar wereldsche zede rijkdom heet, is hij toch rijk aan de ware, blijvende, geestelijke goederen, alles bezittend wat in waarheid gelukkigen vormt en maakt tegelijk velen rijk door hun die schatten van genaden mede te deelen, waarvan de uitdeeling hem is toevertrouwd.
Opmerking. Het is zonder twijfel leerzaam en tevens verheffend, als wij zulk een diepen blik mogen werpen in het hart A'-an den grooten Apostel, dat blaakte van liefde voor God en voor zijn evenmensch.
Leerzaam, daar wij allen, leeken niet minder dan geestelijker, uit zijn leven, strijden en lijden kunnen opmaken, hoe de strijd voor waarheid en voor deugd moet gevoerd en welke zware en pijnlijke offers van 'smenschen zwakheid en zinnelijkheid gevergd worden, opdat de eindoverwinning met de genade van God bevochten en de glorie der bekroning verdiend worde.
Verheffend en bemoedigend, dewijl de h. Paulus, die, ofschoon Apostel toch mensch bleef, van nature zwak en velerlei hulp behoevend, in zijn leven voor allen eene welsprekende getuige
324
EERSTE ZONDAG IN DE VASTEN.
325
is, dat God aan de liefde van zijne dienaren wel hooge eischen stelt maar tegelijk ook de zwakken sterk maakt door de kracht zijner genade, dat Hij, die zware plichten oplegt, ook het beginnen en het volbrengen geeft, opdat na eene getrouwe medewerking met zijne genade aan de volharding in zijn dienst de eeuwige belooning verzekerd zij. Slaat dan â zouden wij allen willen toeroepen â uwe oogen op en aanschouwt het voorbeeld, dat God u in den h. Paulus ter navolging voorhoudt. Even als hij het geloof bewaren in weerwil van alle bestrijding, de ons voorgeschreven loopbaan moedig en ten einde toe afloo-pen, de waarheid dienen al worden wij daarom bespot, volijverig en nauwgezet onze beroepsplichten vervullen in het bewustzijn dat wij niet op ons zeiven maar op Hem die machtig is vertrouwen, door geene tegenkanting ons op den ingeslagen weg laten weerhouden maar vastberaden voortgaan alsof geene hindernis ware opgeworpen, voortworstelen tegen den stroom in van natuurlijke neigingen, welke ons naar den afgrond kunnen voeren, rijkdom zoeken niet in hetgeen de wufte wereld hoogschat maar in hetgeen God als een begeerenswaardig goed aanprijst, lijden zonder morren niet alleen maar ook met blijdschap en dan van de ons toebedeelde gaven en goederen naar best vermogen anderen rijk maken, om zoo voor ons zeiven schatten te vergaderen en op te bergen in de eeuwige voorraadschuren van God â ziet dat is de ware wijsheid, waardoor wij ons aanbevelen als oprechte dienaren van den hemel-schen Vader, als getrouwe volgelingen van Jesus Christus, als Christenen, die leven naar hunne belijdenis en wier geloof werkt in liefde. â Niet minder dan ten tijde van den h. Paulus is zulk een strijd in onze dagen eene noodzakelijkheid. Ook nu verheft zich de leugen tegen de waarheid, het kwade tegen de deugd en dreigt eene in 't geheim werkende vervolgingswoede het taaist geduld te overmeesteren. In dien strijd is aan eiken Christen zijne plaats en ook zijne rol aangewezen. Het Kruis is onze standaard, waaronder wij ons scharen moeten tot aan den laatsten snik des levens; daaronder te strijden zonder wankelen, zonder een enkel oogenblik de wapenrusting des geloofs af te leggen, zonder ooit in onze waakzaamheid te verflauwen, dat is aller plicht maar ook aller eer en grootheid.
TWEEDE ZONDAG IN DE VASTEN.
Broeders ! Wij bidden en smeeken u in den Heer Jesus, dat gij, gelijk gij van ons ontvangen hebt, hoe het u betaamt te wandelen en Gode te behagen, aldus ook wandelt, dat gij daarin overvloediger worden moogt. Immers weet gij, welke voorschriften ik u door den Heer Jesus gegeven heb. Want dit is de wil van God; uwe heiligmaking ; dat gij u onthoudt van ontucht, dat ieder van u zijn vat wete te bezitten in heiligheid en eer, niet in drift der begeerlijkheid, gelijk ook de heidenen, die God niet kennen; dat niemand zijnen broeder verdrukke of in eenige zaak bedriege ; want de Heer neemt wraak over dit alles, gelijk wij u te voren gezegd en betuigd hebben. God immers heeft ons niet geroepen tot onreinheid, maar tot heiligmaking, in Christus Jesus onzen Heer.
i Thess. IV, iâ7.
Inleiding. De h. Paulus beweegt zich in het bovenstaande gedeelte van zijn brief aan de ïhessalonikers op het gebied der zedenleer. Of hij daartoe aanleiding vond in de bedroevende omstandigheid, dat de nieuw-bekeerden b.v. zijne in woord ver-
tweede zondag in de vasten.
kondigde onderrichtingen of vergeten of verwaarloosd hadden, kan moeilijk met zekerheid gezegd worden. Het is ook voor ons doel vrij onverschillig, of wij hier te doen hebben met een opfrisschen van het geheugen of met een ernstig vermanen tot verbetering des levens. In elke veronderstelling vernemen wij in zijne woorden eene niet genoeg te waardeeren aansporing tot heiliging. Immers, de h. Paulus wees de Thessalonikers op de dringende noodzakelijkheid om heilig te leven voor God, door de schoonste aller deugden met strenge nauwgezetheid te beoefenen en elk soort van onrechtvaardigheid te vermijden, met andere woorden : »hij onderrichtte henquot; â zegt de h. Thomas â »aangaande hetgeen zij aan God, aan zich zeiven en aan den »evennaaste verschuldigd waren.quot; Evenwel, al die onderwerpen te behandelen is onnoodig, dewijl wij reeds in onze vorige verklaringen zoowel onze plichten tegenover God als die tegenover den naaste bespraken. Daarom bepalen wij ons tot het bespreken van dat voorschrift der christelijke zedenwet, hetwelk om de omstandigheden onzer hedendaagsche samenleving dringend eene nadere uiteenzetting vordert, tot het voordragen van eenige gedachten over de zuiverheid. Op deze twee vragen geven wij het antwoord:
I. wat verbiedt de h. Paulus;
II. welke zijn de voordeelen der zuiverheid, welke de straffen der onzuiverheid ?
I.
De h. Paulus zag zich bij herhaling genoodzaakt van de genoemde ondeugd te gewagen, nu eens de schuldigen streng bestraffende, dan weder onvoorzichtigen dringend vermanende om op hunne hoede te wezen voor de hen dreigende gevaren. Ook nu, na de bekeerden te Thessalonika in den Heere Jesus Christus gesmeekt te hebben, dat zij om Gode te behagen zóó zouden wandelen, gelijk zij van hem ontvangen, geleerd hadden, komt hij tot het besluit: want dit is Gods wil, uwe heiligmaking, en verstaat hier door die heiliging de be-
327
tweede zondag in de vasten.
oefening der deugd van zuiverheid, zoódat zij zich onthielden van alle ontucht en hun lichaam bezaten in heiligheid en
eer, niet in drift der begeerlijkheid, gelijk de heidenen
doen, die God niet kennen.
Wat de h. Paulus in die vermaning én verbiedt én gebiedt, is met weinige woorden te zeggen. Dewijl onzuiverheid die ondeugd is, welke op ongeoorloofde wyze voldoening der vleeschelijke lusten zoekt, hetzij onmiddellijk of middellijk, hetzij in die zonde zelve hetzij in hare oorzaken; dewijl buiten het wettig huwelijk elke vleeschelijke gemeenschap tusschen man en vrouw streng verboden is, zijn ook zondig al die woorden en gesprekken, al die blikken en aanrakingen, al die daden en begeerten, welke tot die zonde voeren, en wel meer of min zondig naar mate zij daartoe meer verleiden en grooter gevaar opleveren, dat in die onzuivere bekoringen behagen genomen worde. Wanneer dan de h. Paulus beveelt; vlucht de ontucht (1 Cor. VI, 18), dan verbiedt hij tevens alles wat daartoe brengt. Een voorbeeld kan dit ophelderen. In het vijfde der tien geboden verbiedt God den doodslag; maar daarin ligt ook opgesloten, dat alles verboden wordt wat tot de overtreding van dat gebod voeren kan, als gramschap, toorn, haat, vijandschap. Eene dergelijke uitbreiding moet ook aan het bevel des h. Paulus gegeven worden. Elke wyze, waarop tegen die strenge verplichting des menschen misdreven wordt, hetzij die zonde inwendig of uitwendig gepleegd worde, is verboden door de onveranderlijke wet van God, hier opnieuw door den Apostel luid en nadrukkelijk verkondigd. Daarentegen gebiedt hij met het aan hem gegeven gezag, dat een ieder zijne zintuigen beheersche en zijne ledematen in bedwang houde, dat hij zijn lichaam bs-zitte in heiligheid en eerbaarheid, het met zijne begeerlijkheden kruisige en dan Gode opdrage als eene heilige, onbesmette en Hem welbehagelijke offerande, zooals de Apostel leerde in den Epistel op den eersten Zondag na Drie-Konin-
328
TWEEDE ZONDAG IN DE VASTEN.
gen gelezen. De ontucht veroordeelt hy als een afschuwelyken afgodendienst des vleesches, maar de zuiverheid verheft hij hemelhoog als eenen dienst van den driemaal heiligen God.
Dit alles is gezegd tot allen, tot gehuwden en ongehuwden, tot eiken ouderdom, tot eiken stand, tot elke kunne. Er leeft geen menschop aarde, die zich van voornoemde verplichting mag ontheven wanen. Om die reden moet van de prille jeugd af het hart tegen die noodlottige drift door het gebed versterkt, door de waakzaamheid beschut, door eene heilzame vrees voor Gods straffen gesteund worden. Wordt echter aan dien eisch der zedenwet niet voldaan, dan kunnen de treurigste gevolgen van die zwakheid niet uitblijven, dan zal de booze begeerlijkheid met de geboorte door den mensch geërfd allengs in kracht winnen en als een kanker aan het geestelyk leven knagen, als een vergif de edelste vermogens aantasten. Zelfs heeft die aangeboren drift dit noodlottig kenmerk, dat zij met de jaren niet afneemt als die andere onedele hartstochten des menschen maar integendeel, door elke inwilliging versterkt, al meerdere eischen stelt aan de bedorvenheid des harten en niet eens verzadigd wordt door het plegen van de afschuwelijkste misdaden. Vandaar dat ook de vuige wellustelingen, die de deugd der kuische Susanna belaagden, voortdurend navolgers vinden zelfs in ouden van dagen, wier uitgeput gestel hen voor zulk eene verlagende uitspatting schijnt onbekwaam gemaakt te hebben, en die desniettemin een steen des aanstoots voor de onschuldigen worden door hunne dubbelzinnige kwinkslagen, door hun onbetamelijk gedrag, door hunne God-tergende onbeschaamdheden. Vooral de jongelieden van beiderlei geslacht moeten de waarschuwing van den heiligen en menschkundigen Apostel ter harte nemen. Nimmer mogen zij vergeten, dat de zedigheid in woorden en gebaren en in kleeding en in houding, hetzij in de eenzaamheid hetzy in het bijzijn van bespieders, dat eerbare ingetogenheid in den oogopslag op zich zeiven en op anderen, in den dagelij k-
329
TWEEDE ZONDAG IN DE VASTEN.
schen omgang en in de gezelschappen hun schoonste sieraad, hun schitterendste kroon zijn en eere geven voor God en voorde menschen ; dat van den anderen kant elke onbetamelijkheid in hunne wijze van handelen een schandvlek is op hun goeden naam geworpen en hun een veroordeelend vonnis berokkent zoowel van Hem die geene onreinheid duldt als zelfs van hen, die naar schijn hun gedrag vergoelijken door de zwakheid der natuur of door de onzedelijke eischen eener wufte wereld. Willens en wetens worden zij daarenboven de gedweeë handlangers van den duivel en belagers der onschuld en â God is het bekend â hoe vele nog reine zielen door hun slecht voorbeeld in de schandelijke slavernij der zonde gestort en den eeuwigen ondergang nader gebracht worden. Hunne godsdienstige overtuiging, ook het schaamte-gevoel hun door God als eene beschermende schuts der onschuld op den levensweg meegegeven, hunne eer en de vermanende stem des gewetens, de zeer gegronde vrees voor het verlies van hun kostbaarste kleinood moesten hen, om eigene onschuld te bewaren, van alle gevaarlijke gezelschappen verwijderd houden en, waar stand of andere omstandigheden hun verschenen noodzakelijk maken, hen bewegen zich minstens zóó te vertoonen en zóó te gedragen, dat zij voor anderen geene ergernis zijn, dat zij door al te vrije beweging en wuften opschik en lichtzinnige taal niet de aanleiding worden, noch voor zich zeiven noch voor de aanwezigen, dat slechte gedachten den geest en onreine begeerten het hart bestoken.
In hoe verre het woord van den Apostel ook op de gehuwden toepasselijk is, kan hier niet in bijzonderheden besproken worden. De christelijke voorzichtigheid eischt, dat wij slechts dit voorschrift van den h. Paulus in herinnering brengen : het huwelijk zij in alles, onder alle opzichten, in eere gehouden en de sponde zij onbevlekt, door geene misdaad bezoedeld (Hebr. XIII, 4). Verder gaan wij op dit netelig onderwerp niet in en meenen te volstaan, als wij aan de volgende aan-
330
TWEEDE ZONDAG IN DE VASTEN.
halingen eene plaats inruimen. De h. Feanciscus van Sales bespreekt de wederzijdsche verhouding der gehuwden in deze treffende bewoordingen; âde Apostel eischt, dat het echtelijk âsamenleven smetteloos zij, wat niets anders wil zeggen dan âdat het vrij moet wezen van elke onreinheid. Dit is ook âwaarschijnlijk de grond, waarom God het huwelijk reeds in âhet paradijs instelde, toen er nog geene booze begeerlijkheid âbestond. Het huwelijk is de kweekschool des Cliristendoms, âwelke de aarde met geloovigen vervult en het getal der âUitverkorenen in den Hemel voltallig maakt. Al wie in den âhuwelijksstaat geluk en zegen wil hebben, moet de waardigheid en de heiligheid van dit Sacrament wel ter harte ânemen. G-od was het, die tot Adam, onzen eersten vader, âEva voerde en ze hem tot vrouw gaf; ook God moet het âwezen, die met onzichtbare hand den heiligen band van het âhuwelijk legt en man en vrouw aan elkander geeft. Zoudt âgij dan elkander niet beminnen met eene geheel heilige en âheiligende liefde, met eene goddelijke liefde! Het eerste uitwerksel van die liefde is de onverbreekbare vereeniging uwer âharten, eene vereeniging zóó hecht, dat eerder de ziel van âhet lichaam gescheiden wordt dan de man zich van de vrouw âscheiden mag. De tweede uitwerking moet de onverstoorbare âtrouw der echtelieden jegens elkander wezen. In vroegere âtijden waren er zegels op de trouwringen ingegrift; nu wijdt âde Kerk door de hand des priesters den ring, geeft dien âeerst aan den bruidegom ten teeken, dat zij door het H. âSacrament zijn hart verzegelt, opdat nimmer meer de naam ânoch de liefde van eene andere vrouw daarin toegang vinde, âzoolang zij leeft, die hem nu gegeven is. Daarop steekt de âbruidegom den ring aan den vinger der bruid, opdat ook âhaar hart gesloten zij voor de genegenheid voor elk ^pderen âman, zoolang hij op aarde leeft, wien God haar heeft gegeven.quot;
Eene andere vermaning, gericht tot hen, die op 't punt staan den huwelijksstaat te aanvaarden, ontleenen wij aan de
331
TWEEDE ZONDAG IN DE VASTEN.
geschiedenis van den jongen Tobias, welke zoo treffend leert, dat de jongelingen en maagden, die in onschuld en kuischheid dien staat gekozen hebben, door Gods Voorzienigheid zóó geleid worden, dat zü den door God hun voorbeschikten persoon als echtgenoot ontvangen. Sara, de eenige dochter van een Godvreezend echtpaar, mocht in waarheid van zich voor God getuigen: âGij, o Heer! weet dat ik nooit een man begeerd âen mijne ziel rein gehouden heb van alle begeerlükheid. âNooit heb ik my by het gezelschap van diegenen aangeslopen, welke in lichtzinnigheid wandelen. Met een man te âhuwen heb ik ingewilligd, evenwel niet uit begeerlijkheid âmaar in uwe vrees.quot; Aan zeven mannen werd zij achtereenvolgens uitgehuwelijkt, maar al dezen vonden een plotse-lingen dood in de bruidskamer, en de Aartsengel Raphael gaf daarvan deze verklaring: âalwie met zulk eene gezindheid in âhet huwelijk treden, dat zij God uit hun hart verbannen en âals het redelooze dier de wellust najagen, over hen heeft de âduivel macht.quot; Zoo werd die reine maagd door Gods beschikking onverlet bewaard voor een jongeling, die even kuisch en vroom was als zij zelve, voor den jongen Tobias, die ook tot God kon zeggen : âGy, o Heer! weet dat ik niet âuit vleeschelijke gezindheid deze maagd tot vrouw neem, âmaar uit verlangen naar eene nakomelingschap, waardoor âuw Naam zal geprezen worden van eeuwigheid tot eeuwigheid.quot; En tot Sara zich wendende vermaande hij haar: âkom, laten wij te zamen tot God bidden, want wij zijn âkinderen van heiligen en mogen ons niet in het huwelyk âvereenigen zooals de Heidenen doen, die God niet kennen.quot;
Opmerking. Met bovenstaande verklaring der woorden van den h. Paulus moeten wij besluiten. Het is hier de plaats niet om verder uit te weiden over onderwerpen, welke even moeilijk besproken worden als zij voor kuische ooren onaangenaam zijn. Wie meerdere inlichting verlangt of meent noodig te heb-
332
tweede zondag in de vasten.
ben, wende zich tot zijn biechtvader, die met wijze voorzichtigheid en bescheidene volledigheid het teederste punt der christelijke zedenleer zal weten te behandelen naar ieders behoefte en toestand. â Dit alleen zij nog een ieder op 't hart gedrukt: zoo lang iemand leeft, zal hij de klacht van den grooten Apostel niet kunnen smoren : ik zie in mijne leden eene andere wet, â welke de wet van mijn gemoed ivederstreeft en mij maakt tot een gevangene onder de wet der zonde, welke in mijne leden is, onder de booze begeerlijkheid, welke tot zonde 'eidt (Rom. VII, 23); maar ook van den anderen kant: zoolang hij hier te strijden heeft, moet hij, de herborene in Christus, kunnen getuigen : »ik ken insgelijks eene hoogere wet, de wet des geestes »van onzen Heer Jesus Christus, welke over mijne ongeregelde «neigingen heerscht, ze onderdrukt en in onderdanigheid houdt.quot;
II.
Afdoende en der ernstige overweging waardig zijn de redenen, welke de h. Paulus aanvoert om eene heilzame liefde in te boezemen voor eene deugd, welke bij God en de menschen bemind maakt. Uwe heiligmaking, dit is Gods wil, roept hij aan een ieder van ons toe en, al zouden geene andere beweeggronden zyn by te brengen, deze alleen moest volstaan om zoowel den diepst gevallene uit den poel zijner ellende op te heffen als den zwakste der menschen met eene heilige geestdrift voor de schoonste en tevens moeilijkste aller deugden te bezielen. Voor hem, die nog gelooft, moet immers de zoo duidelijk uitgesprokene wil van zijnen Heer en God beslissend wezen. Dien wil te volbrengen met vaardigheid, zonder tegenspraak te doen hooren en zonder uitvluchten te zoeken, in weerwil van de daaraan verbonden moeilijkheid en ten koste van eene lastige zelfoverwinning, dat is niet slechts 's menschen eerste en voornaamste plicht, hij moet daarin ook zijn roem en eer, zijn vreugd en geluk vinden. Voor een rechtgeaard kind is het een vermaak aan zijne ouders te gehoor-
333
tweede zondag in de vasten.
zamen ; zoude dan een Christen geen genoegen smaken in het behagen aan Hem, Wiens gebod van Heiligheid en van Liefde spreekt ? Bovendien; wegen de voldoening en de vreugde, welke altijd in het volbrengen van Gods wil genoten worden, niet meer dan ruimschoots op tegen de voldoening, welke het bevredigen van lage lusten den zondaar geeft ? Of het door de genade bewogen hart of het door de zinnelijkheid ontgloeide vleesch wordt voldaan, en het eene zal zich verheugen in de bewaarde reinheid maar het andere zich vernederd gevoelen in het verlies der onschuld. Dat is eene belooning door God reeds op aarde aan den edelmoedigen kampvechter geschonken voor diens overwinning, dit eene tydelyke straf voor des zondaars schuldige inwilliging in de laagste der bekoringen. Ook alle moeilijkheden, welke onafscheidelijk met den strijd voor wat eerbaar is verbonden zijn, mogen niet vergeleken worden met het zalig bewustzijn, dat de wil van God niet overtreden, dat de deugd bewaard is. Gelukkig gevoelt hij zich, die voor God kan getuigen: hoe zwaar de aanvechting ook geweest zij, uit liefde tot God en uit verlangen om mijne ziel van alle besmetting rein te houden, heb ik met Gods genade aan alle verleiding weerstand geboden.
Gods wil is onze heiligmaking. Een tweede reden. God, die ons ter verheerlijking heeft voorbestemd naar de ziel en ook naar het lichaam, eischt dat wij gedurende onze omwandeling-op aarde zuiver naar de ziel en kuisch naar het lichaam leven. Heilig naar den geest in onze gedachten, heilig naar het hart in onze begeerten, heilig naar het lichaam in onze daden en woorden â zoo luidt de verkorte inhoud der geboden, welke de heiligheid van den geheelen mensch beoogen. âVerheugen âzichquot; â volgens den h. Bonaventuea â âde duivelen over âgeene zonde zoo zeer als over de zonde van onzuiverheid, âomdat daardoor èn ziel èn lichaam bezoedeld worden âmaakt die zondequot; â volgens den h. Chkijsostomus â âden âmensch arm en belachelijk en verachtelijk by allen âstort
334
TWEEDE ZONDAG IN DE VASTEN.
335
âzij hemquot; â volgens den h. Auoustinus â âin diepe ellende, âwerpt zij hem in de hel en dwingt zij hem tot het gezelschap der duivelenquot; â God, die heilig is en ons tot heiligheid geroepen heeft, zooals Hij reeds door Moses liet bevelen : gij moet heilig wezen, omdat Ik, uw God, heilig ben (III Mos. XI, 44), verheugt Zich en vindt zijn welbehagen in eene ziel, welke hare schoonheid zoekt in het vrij zijn van alle onreinheid en, dewijl de mensch, die geroepen is tot gelijkvormigheid naar het beeld des Zoons, uit ziel en lichaam bestaat, eischt Hij dat deze ook naar het lichaam onbevlekt zij. Hierop doelen al die leeringen van den h. Paulus, waarin hij met bewonderenswaardige juistheid en kracht de levensregelen voorschrijft, waarnaar de redelijke mensch zich richten moet wat het gebruik van zijn lichaam aangaat. Om de hooge waarde van den ongehuwden staat te doen uitkomen, schreef hij : de ongetrouwde vrouw, en de maagd denkt om hetgeen den Heer betreft, om heilig te zijn naar lichaam en geest (1 Cor. VII, 34) ; om ook de gehuwden voor elk ongewettigd inwilligen der natuurlijke neiging te behoeden schreef hij aan de Corinthiërs: het lichaam is u niet gegeven om deszelfs begeerlijkheid te voldoen maar het is voor den Heer, ten dienste van den Heer Jesus als een lidmaat van Christus (l Cor. VI, 13). Om nog duidelijker zijne gedachten uit te drukken en te verklaren, hoe rein van alle zonden dat lichaam moet gehouden worden, voegde hij bij het reeds gezegde nog deze opmerking : weet gij niet dat uwe leden een tempel zijn van den H. Geest, die in u is, dien gij van God hebt, en dat gij u zeiven niet toebehoort. Want gij zijt voor een groeten prijs vrijgekocht. Verheerlijkt en draagt God in uw lichaam (1 Cor. VI, 19). â De gevolgtrekkingen uit die door den H. Geest inge-gevene voorschriften te maken liggen voor de hand. Wij allen moeten heilig zijn in bet gebruik der tong, derhalve, zijn verboden al die woorden en gesprekken, welke op het gelaat van onschuldigen den blos der schaamte jagen ; â heilig in het
tweede zondag ik de vasten.
gebruik der oogen, en daarom is het zondig ze op oneerbare voorwerpen, op onzuivere voorstellingen te vestigen; heilig in het gebruik van alle zintuigen, en om die reden moeten zij zich voor schuldig houden, die der zinnelijkheid dienen, die voldoening der laagste driften zoeken.
Een anderen beweeggrond vermeldt de h. Paulus, als hij de Corinthiërs vermaant toch niet te leven als de Heidenen, die God niet kennen. Met minder dan tot die nieuw-bekeerden is dat apostolisch woord tot ons gericht. Wij toch hebben God leeren kennen; door eene bijzondere, liefdevolle beschikking van zjjne Voorzienigheid zijn wij gebracht tot de kennis van Gods Wezen en Volmaaktheden; wij weten, dat voor het aangezicht van den oneindig Heilige zelfs in de Engelen nog een vlek gevonden wordt, dat ook een onreine in het Rijk der Hemelen niet kan binnen gaan. Wij hebben het woord van God gehoord; de leer des Evangelies, de onderrichtingen der Apostelen, de verklaringen der Kerk van Jesus zijn ons op 't hart gedrukt. Door onwetendheid kunnen wij ons niet verontschuldigen; diep in het binnenste van ieders gemoed staat de wet van den Allerhoogste geschreven, en geene bekoring bestookt ons zonder dat zij luid en krachtig hare stem verheft: âgij zult geene onzuiverheid bedrijven, gij zult niet âbegeeren wat u verboden is te doen.quot; Aan niemand dei-Christenen is het onbekend, dat de eerenaam van Jesus' leerling en volgeling te wezen aan een ieder de verplichting oplegt om zich van die onteerende zonde vrij te waren, welke met den aan den Heilige der Heiligen verschuldigden eerbied, met het geloof aan God, met de hoop op de eeuwige zaligheid onbestaanbaar is.
Nog deze reden voert de Apostel aan. God heeft ons niet geroepen tot onreinheid maar tot heiligmaking. Dit is onze roeping en dat het doel van alle voorschriften Gods daaromtrent, dat wij heilig worden en, ons lichaam in eere houdende, zoo der beloften waardig, welke aan de zuiveren be-
336
tweede zondag in de vasten.
loofd zijn. Want, dringen van den eenen kant de duurste verplichtingen den Christen tot zedelijke reinheid èn des geestes èn des harten èn des lichaams, de vergelding voor elke inspanning in dien worstelstrijd tegen eene naar hot zinnelijke overhellende natuur blijft den gelukkigen overwinnaar verzekerd. Zalig zijn de zuiveren van harte â zeide de goddelijke Leeraar â ivant zij zullen God zien (Matth. V, 3). En dit onovertroffen geluk begint reeds in dit leven, om voltooid te worden in de eeuwigheid.
Niets is er dat tegen eene zuivere ziel kan opwegen, beweerde Sirach's zoon (Eccli, XXVI, 20) en Salomon heeft in de dagen zijner onschuld op ingeving van God den H. Geest geschreven : o hoe schoon is een kuisch geslacht met luister (van deugd)! want onsterfelijk is zijne gedachtenis, dewijl het in aanzien is zoowel bij God als bij de menschen en, om de onovertrefbare waarde van zulk een geslacht te doen bewonderen, voegde hij er hij : is het tegenwoordig, men volgt het na; is het van ons weggegaan, men voelt er het gemis van; en het zegepraalt, zijnde voor eeuwig gekroond, als hebbende den prijs behaald van een vlekkeloos strijden (Wijsh. IV, 1 en 2). Verbazen kan die heerlijke lofspraak niet, zoo men slechts bedenkt, dat een kuisch leven eene afschaduwing is en tegelijk een begin van het hemelsch leven, dat wij eens bij God hopen te vinden. Hoort in welke geestdriftvolle woorden de h. Bebnaedus de maagdelijke zuiverheid bezingt en in betrekkelijken zin mogen wij zijne woorden van al de zuiveren van harte verstaan: âgijquot; â roept hij die reinen toe â âgy zijt âreeds begonnen te zijn, wat wij in de toekomst zullen ,wezen. Reeds in dit leven geniet gü de glorie der verryze-ânis; gij gaat door het leven zonder aan het leven te denken; âals gij in die deugd volhardt, zijt gij aan Gods Engelen .gelijk.quot; Deze laatste gedachten hadden reeds de h. h. Ambbo-sius en Cheysostomus uitgesproken. De eerste schreef: âhet âis niet te verwonderen, als de Engelen voor u strijden, daar
Verklaringen der Epistelen. 22
337
TWEEDE ZONDAG IN DE VASTEN.
âgy zeiven strijdt op de wijze der Engelen. De zuiverheid âmaakt Engelen. De Engelen zijn de maagden des Hemels, âde maagden zijn de Engelen der aarde. De eersten leven âzonder het vleesch, de anderen zegevieren in het vleesch.quot; De tweede Kerkvader meent zelfs aan wie zuiver leven een voorrang boven de Engelen te mogen toekennen : âde Engelen âzijn niet aan de bekoringen der zinnelijkheid onderworpen; âzij behoeven geen drank noch spijs; eene zoete toon noch âeen week gezang noch een schoon gelaat kunnen hen aanlokken ; zij worden door geene enkele verleiding aangetrok-âken;quot; maar de mensch, in het vleesch wandelende en te midden der verleiding levende, hij moet â wil die Heilige zeggen â een onafgebroken stryd voeren tegen velerlei aanvechting. Blijft hij, de van nature zinnelijke, ten koste van groote inspanning overwinnaar, ja dan maakt zijne onthouding van wat oneerbaar is hem God nabij (Wijsh. VI, 20).
De meest te waardeeren zegeningen volgen alzoo den beminnaar der zuiverheid als de schaduw het lichaam. Wie zijn geest sluit voor verkeerde gedachten, zijn hart ontoegankelijk maakt voor booze begeerten, zich rein houdt van onbetamelijke woorden en van werken, welke het daglicht schuwen, bij hem heerscht de zoete vrede, verblijdt zich de ziel in eene kalme rust, gebiedt de rede over het zinnelijke, is het lichaam aan den geest en de geest aan den invloed der genade onderworpen ; door hem zyn de gevaarlijkste vijanden tot machteloosheid gebracht, viert de deugd hare schoonste overwinning en wordt God gezocht, die Zich vinden laat door allen, welke Hem dienen. Zijn geweten gevoelt den worm niet van de wroeging, waardoor het leven verbitterd wordt; een helder licht wijst hem den eenig waren weg aan, waarop de andere deugden bloeien ; de blijdschap zyns harten werpt haren glans over zijn onschuldig gelaat; opgeruimd vervolgt hij z^jn levenspad, vreest den dood niet en verwacht eene zalige eeuwigheid.
338
11; !
TWEEDE ZONDAG IN DE VASTEN.
339
I
' 1 |||
lil , I
â ;
I ig
ir
I
ti I
I
I
* »
'II i J
Opmerking. Het woord Gods, dat alle aanneming waardig is, en de h.h. Vaders, die van God gezondene leermeesters in het geestelijk leven, geven vele middelen aan om in de lastigste bekoring overwinnaar te blijven. Op de drie volgende alleen vestigen wij hier onze aandacht. â Een ieder vluchte met angstvallige bezorgdheid de vrijwillige gelegenheid tot de zonde van onzuiverheid, gedachtig zoowel aan het woord van den H. Geest: die het gevaar bemint, zal er in vergaan (EccH. III, 27), als aan deze verklaring dier waarschuwing, welke wij bij den h. Ephraim lezen: »zoolang iemand de gevaarlijke gelegenheden »niet vermijdt, zal het hem onmogelijk wezen, dat hij uit zijn »hart den storm van slechte gedachten en den brand van booze «begeerlijkheden were.quot; â Met gepaste gestrengheid moeten de oogen in toom gehouden worden, want door de vensters treedt de dood onze huizen binnen â zeide God door den Profeet Jeremias (IX, 21) en liet later door Sirach's zoon de vermaning hooren: beschouw ge ene jongvrouw om niet soms te struikelen door hare schoonheid; zie niet rond op de straten der stad en zwerf niet om op hare pleinen ; wend uwe oogen af van eene opgetooide vrouw en beschouw geene vreemde schoonheid. Velen gingen verloren ter oorzake van de schoonheid eener vrouw, en daaraan ontvlamt de begeerlijkheid als een vuur (Eccli. IX, 5. 7. 8. 9). Tegen zulke onvoorzichtige, door niets gewettigde en langdurige oogslagen en andere onzuivere blikken verhief ook de h. Antonius zijne stem schrijvende: »als de zintuigen niet »goed worden bewaakt, wordt Christus uitgeworpen en treedt »de duivel binnen,quot; en de h. hlëronljmus leerende: »door de »vijf zintuigen als door poorten komen of de dood of het leven »onze ziel binnenquot;. â Nimmer mag de Christen, die de zuiverheid lief heeft, het gebed en het gebruik van andere geestelijke middelen verzuimen. Reeds de wijze man had de noodzakelijkheid van het bidden om die deugd ingezien en getuigde van zich zeiven: wetende, dat ik harer, der ware wijsheid welke het lichaam onbesmet weet te houden, niet anders machtig kon worden dan door eene gave Gods, en dit alreeds was Wisheid te weten van Wien die gave komen moest, zoo ging ik tot den Heer en bad Hem (Wijsh. VIII, 21); ook Paulus bad
TWEEDE ZONDAG IN DE VASTEN.
tot driemaal toe, dat hij van de lastigste aller bekoringen bevrijd en zoo tegen het gevaar zijne deugd te verliezen behoed mocht worden. De h. Augustinus was van die waarheid zóó diep doordrongen, dat hij verklaarde: »wie het tegenwoordige hulpsmiddel van den Zaligmaker veracht, moet het toekomstig oor-»deel van den Rechter vreezen.quot;
Beklagenswaardig zijn dus zij, die alle middelen van tegenweer verzuimende zich door de bedorvenheid der natuur laten medesleepen en zich door hunne zwakheid laten verleiden tot zonden, welke door Gods Gerechtigheid zwaar gestraft worden. De Heer is een wreker over dit alles, over al die zonden. Zoo schreef de h. Paulus, en waarschijnlijk stonden hem toen de straffen voor den geest, waarmede God zoo dikwijls de zondaars uit zijn volk bezocht had. Al reeds in de eerste tijden van het bestaan der wereld, toen de mensch zijn weg door de zonde van onkuischheid bedorven had, bedolf de zondvloed een geheel geslacht, behalve een enkel huisgezin dat zich van de algemeene besmetting rein gehouden had. De latere geschiedenis meldt nog een ander verschrikkelijk Godsgericht. Het Jordaan-dal was schoon als een paradijs, maar de pest der onzuiverheid had Sodoma en de overige steden aangetast en zij werden door een vuurregen verbrand met al hare inwoners, Loth met zijne familie uitgezonderd. Ook Moses verhaalt van twee schrikwekkende straffen door God voltrokken aan de overtreders zijner wet. Terwijl de afgezant van God op den berg bad en vastte, bedreef het volk in het lage dal afschuwelijke afgoderij, zong en danste om een gouden kalf en pleegde de misdaad van ontucht. De straf bleef niet uit: op Gods bevel vielen vele duizenden onder het zwaard. Toch liet het volk zich wederom verleiden tot zonde van onzuiverheid met de dochters van de Madianieten. Toen ontbrandde Gods toorn en Hij gaf aan Moses het bevel: »grijp al die volkshoofden en hang hen op aan galgenquot; en van het volk vielen er vier en twintig duizend. Ook de Madianieten, die door hunne booze listen het volk van Israël in 't verderf gestort en zich zoo als de gevaarlijkste vijanden betoond hadden, ontkwamen niet aan het wraakgericht van de beleedigde Majesteit Gods: alle
340
TWEEDE ZONDAG IN DE VASTEN.
341
9
mannen vielen in den strijd onder aanvoering van Phineës met hen aangebonden en van de vrouwen werden geene andere dan de ongehuwden gespaard. De afschuwelijkheid der zonde van de wellust heeft God bovendien nog doen erkennen in de zware straf, welke Hij over enkele personen deed neerkomen. Men denke slechts aan David die zich aan echtbreuk schuldig maakte, en aan Salomon die in het laatste zijner dagen tempels bouwde voor wulpsche afgoden ten believe van boeleer-sters, aan Onam die om eene enkele zonde met den dood gestraft werd. â Zou de zondaar zich kunnen inbeelden, dat de voor hem uitgestelde straf straffeloosheid beteekent, en durven zeggen: ik heb gezondigd en ivat leed kwam mij over (Eccli. V, 4) ? Niet altijd behoeft God door een ongewoon ingrijpen zijner wrekende Gerechtigheid de zonde te tuchtigen. In den aard zeiven der onzuiverheid heeft Hij reeds eene straf neergelegd ; door hare natuurlijke ontwikkeling wordt zij gewroken aan ziel en lichaam. Wat de ziel met haar vermogens aangaat, bij haar volgt op die misdaad veel meer dan op andere zonden eene verblindheid, welke evenmin den afgrond ziet, waarin zij dreigt te vallen, als den weg waarop nog uitkomst te vinden is; bij haar eene afstomping, welke allengs meer en meer de ontvankelijkheid voor goede indrukken, de vatbaarheid voor edele gevoelens vermindert; zij kwijnt als weg onder den druk eener schandelijke gewoonte, welke de beste krachten verlamt en het gebruik der wijsheid belemmert. Zij zucht en klaagt onder de wreede slavernij, welke haar gevangen houdt maar mist die hooghartige beslistheid, welke banden verbreekt en hinderpalen omverwerpt. Steeds zwakker geworden door een laaghartig toegeven aan vuige driften, zinkt zij met het bewustzijn van verbeurde eer en verlorene grootheid al dieper weg in den poel der zedelijke ellende. Ten laatste stijgt de verblinding en ongevoeligheid van de slaven der wellust tot den graad, dat zij, evenals de belagers van Susanna's deugd, in booze lusten ontbranden en hunne oogen in eene verkeerde richting afwen den om den Hemel niet te zien en Gods rechtvaardig oordeel niet te gedenken. Blind naar den geest, ongevoelig naar het gemoed, is bij hen de zin voor eerbaarheid uit hun hart ge-
TWEEDE ZONDAG IN DE VASTEN.
342
bannen en vinden zij geene andere bevrediging meer dan in het voldoen van de laagste lusten. Om de lijst vol te maken van al het wee, dat de bedoelde zonde na zich sleept, zij hier nog herinnerd aan het volgende feit, dat door de ervaring van velen bevestigd is: de gewoonte van zich aan onzuiverheid over te geven leidt tot ongeloovigheid. Naarmate de redelijke mensch zijn lichaam tot zonde misbruikt, zal ook zijn geest minder waarde hechten aan het bezit van goddelijke waarheden, vervolgens onverschillig voor die gaven Gods worden en ten laatste vijandelijk daartegenover staan, omdat zij zijn wanordelijk leven veroordeelen en hem hinderen in het najagen van een verboden genot. Dan liever zegt hij â minstens in daden â het geloof verzaakt dan mijne driften ingetoomd en â van een ontuchtige wordt hij een ongeloovige. â Wat van het lichaam kan gezegd worden, is in deze weinige woorden besloten. De bedroevende ondervinding der geneesheer en, een blik in gasthuizen en hospitalen, zij overtuigen, dat de zonden van het vleesch ook in het vleesch gestraft worden. Onteeren-de ziekten, pijnlijke en beschamende toevallen, bezwijming en verval van krachten, toenemende vermindering der zintuigen zijn de wrekers eener misdaad, welke ten Hemel luid om wraak schreeuwt. â Dit zij dan ons vast besluit: wij zullen onze eer er in stellen een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterdom, een heilig volk, een volk des eigendoms te zijn, dat de deugden van Hem verkondigt, die ons uit de duisternis van zonde en onwetendheid geroepen heeft tot zijn â wonderbaarlijk licht, doch daarom ook ons onthouden moeten van de vleeschc-lijke begeerten, welke strijd voeren tegen de ziel (Verg. I Pe. n, 9, io, ii.
DERDE ZONDAG IN DE VASTEN.
Broeders! Weest navolgers van God, als veel geliefde kinderen, en wandelt in de liefde, gelijk ook Christus ons liefgehad en Zich zeiven voor ons gegeven heeft als eene offerande en een slachtoffer Gode tot een aangenamen geur. Doch ontucht en allerlei onreinheid of gierigheid worde zelfs niet genoemd onder u, gelijk het heiligen betaamt; noch schandelijkheid, noch dwaze praat, noch onbetamelijke scherts, die niet past; maar veeleer dankzegging. Want weet dit en beseft het, dat geen ontuchtige, noch onreine, noch gierigaard, hetgeen afgodendienst is, ertdeel heeft in het Rijk van Christus en God. Dat niemand u verleide door ijdele redenen ; want om die dingen komt de toorn Gods over de kinderen des ongeloofs. Wordt dus hunne deelgenooten niet. Want gij waart eens duisternis, nu echter ziit gij licht in den Heer. Wandelt als kinderen des lichts ! immers is de vrucht des lichts in alle goedheid en rechtvaardigheid en waarheid.
Ephes. V, i â9.
DERDE ZONDAG IN DE VASTEN.
Inleiding. Wij behoeven geene scherpzinnige onderzoekingen in te stellen ter beantwoording van de vraag, waarom onze Moeder de h. Kerk bovenstaande vermaningen des h. Paulus aan hare kinderen en wel in dezen tijd van het kerkelijk jaar voorhoudt. Door het Doopsel zijn wij niet alleen van de smet der erfzonde rein gewasschen maar hebben ook Christus aangedaan, zijn, in Hem door het geloof ingelijfd, zonen Gods geworden door het geloof in Christus Je sus (Gal. III, 27. 28). Doch geen voorrecht is den mensch gegeven zonder dat daaraan verplichtingen verbonden werden, welke even gewichtig als veelzijdig zijn. Niets minder wordt van den in Christus herboren mensch gevorderd dan dat hij in zijn levensgedrag toone een ware volgeling van den Verlosser te wezen, die hem met erbarmende Liefde uit de duisternis naar het Licht, uit de dwaling naar de Waarheid, uit de zonde naar de Gerechtigheid heeft overgevoerd. Evenals de h. Paulus is ook de Kerk van Jesus doordrongen van de overtuiging, dat die onveranderlijke waarheden aan de geloovigen niet krachtig- genoeg op 't hart kunnen gedrukt worden, vooral niet in die dagen, waarin zij hen op bijzondere wijze herinnert zoowel aan het ontzaglijk offer, dat hun Verlosser Zich getroost heeft om hen uit de slavernij der zonde over te brengen naar de vrijheid van kinderen Gods, als aan de verplichting welke op hen rust, om door een heiligen levenswandel zich die genade waardig te bewijzen en zich voor te bereiden voor het feest der verheerlijking van Hem, dien zij weldra opnieuw als Overwinnaar van zonde en dood zullen moeten begroeten bij het plechtig vieren van zijne Opstanding uit het graf.
Eene aandachtige overweging der woorden des Apostels leen. dan ook de dringende beweegredenen kennen, welke den Christen moeten aansporen, opdat hij zich nauw aan zijn Zaligmaker aansluite en van den anderen kant: opdat hij zich hoede voor alles, wat in strijd is met zijne waardigheid als Christen en met die rechtvaardigheid, welke God in hem zien wil. Gelijk het Heiligen betaamt, neme hij in alles den Verlosser als zijn voorbeeld, ontreinige zijn lichaam niet door zonden van onzuiverheid en leve naar den eisch van zijne roeping tot heiligheid, welke
344
derde zondag in de vasten.
hem door Jesus' genadevolle Verlossing geworden is. Met andere woorden: de vermaningen des Apostels tot de hare makende, wijst de h. Kerk heden hare geloovigen op deze tweevoudigen plicht:
I. volgt den Heer Jesus Christus na, niet 't minst in zijne Liefde voor den mensch ;
II. vlucht de zonde van onzuiverheid en gierigheid, en onthoudt u van alle onbetamelijke woorden.
I.
Weest navolgers van God, als veel geliefde kinderen,
en wandelt in de liefde, gelijk ook christus ons heeft
liefgehad en Zich Zelven voor ons gegeven heeft als eene
offerande en een slachtoffer gode tot een aangenamen
geur. Deze woorden behelzen eene vermaning tot onderlinge liefde. âGod heeft onsquot; â leerde de h. Paulus in de voorgaande verzen â âliefgehad en zijne overgroote Liefde getoond âdoor ons te scheppen en aan ons zijn goddelyken Zoon te âgeven als Verlosser en Zaligmaker; ook Christus, de God-âmensch, heeft zijne Liefde tot alle menschen betoond doot âZich als Zoenoffer voor de zonden der geheole wereld aan âhet kruis op te dragen. Twee redenen alzoo pleiten er voor, âdat wij, kinderen van den hemelschen Vader en verlosten âvan den Zoon Gods, onze mede-broeders en mede-verlosten âom God beminnen en van die liefde bewijzen afleggen in âwoorden niet alleen maar vooral in daden. Zoo, naar het âvoorbeeld van den Vader en van den Zoon liefhebbende) âmoeten wij in de liefde blijven wandelen tot aan het einde âonzer dagen.quot;
Niets kan er tegen ingebracht worden, zoo wij in de woorden van den Apostel nog eene veel wijdere beteekenis leggen, zoo wij ze, in onmiddellijk verband met de vóórgaande vermaningen : weest voor elkander goedertieren, barmhartig, u onderling vergevende, gelijk ook God in Christus aan u vergeven heeft
345
DERDE ZONDAG IN DE VASTEN.
(Ephes. IV, 32), opvatten als eene aansporing om onzen Heer Jesus Christus in alles trachten na te volgen, in zijn leven, in zijn arbeid, in zijn lijden, in zijne deugden. Op volmaaktere wijze kunnen wij noch aan Hem onze liefde betuigen noch voor het geestelijk welzijn van den evenmensch op betere wijze uit liefde werkzaam wezen. Immers, wie Christus' navolger is, toont metterdaad dat hij Hem liefheeft volgens dit woord van Jesus zeiven: die mijne geboden bewaart, die is het, die Mij liefheeft (Joan, XIV, 21); en bovendien: wie Jesus' leven leidt, die zal ook een stichtend voorbeeld voor anderen wezen, een heilzamen invloed op hun gedrag uitoefenen en zoo door liefde werkzaam blijven. Waar het richtsnoer voor die navolging te vinden is, wie als navolger van zijn goddelijken Leermeester mag geprezen worden, kunnen wij beantwoorden met deze enkele opmerking. Aan niemand komt die eerenaam toe dan aan hem, die de beginselen, in het Evangelie opgeteekend, als een leidraad neemt voor zijn godsdienstig leven en dan het leven van zijn Zaligmaker als voorbeeld kiest van de wijze, waarop die beginselen in daden moeten omgezet worden. Die denkt en spreekt, die bemint en werkt als zijn goddelijk Voorbeeld ; in diens leven wordt het gansche leven van Jesus meer of min openbaar.
In 't algemeen gesproken zijn wij tot die gelijkvormigheid met het beeld van den Zoon des hemelschen Vaders onder een dubbel opzicht verplicht. â Eerstens hebben wij by oas Doopsel afgelegd en in latere jaren bij onze eerste H. Communie plechtig hernieuwd de beloften, dat wij aan de wereld, aan hare ydelheden, aan hare grondbeginselen, aan hare wetten en gebruiken verzaakten om, met verbreking van alle andere onteerende baijden, ons uitsluitend aan Jesus te hechten door eene oprechte liefde en door een zoo volmaakt mogelijk leven. Wij onderschreven het verdrag, waarvan eene der voorwaarden luidde: de Heer mijn Koning leeft; in welke plaats GHj ook
346
debde zondag in i)e vasten.
moogt wezen, mijn Heer en Koning, hetzij in den dood of in het leven, daar zal ook uw dienaar wezen {II Kon. XV, 21). Zelfs hebben wij Christus aangedaan ; âmaar dan ook moeten âwijquot; â leert de h. Bernardus â âChristus in ons leven âvertoonen, blijk geven, dat wij even als Hij zachtmoedig, âgeduldig en liefdevol zijn.quot; â Vervolgens staan wij allen onder het gebod van onzen God en Zaligmaker, die wilde, dat wij Hem dagelijks volgen. Hij werd door zijne leerlingen âHeer en Meesterquot; genoemden, zeideJesus: gij zegt wel, want Ik ben het (Joes: XIII, 14); maar dan ook volgt daaruit, dat wij doen moeten, zoo als Hij deed. Dit toch is het groote onderscheid, hetwelk er bestaat tusschen de leerlingen van den goddelijken Leeraar en tusschen die van andere leermeesters, dat de eersten zich vooral moeten toeleggen op het in beoefening brengen der waarheden, welke hun verkondigd zijn, terwijl die anderen zich kunnen vergenoegen met het enkel aanhooren van hetgeen hun voorgehouden wordt. Van de Phariseën, die op den stoel van Moses zaten, zeideJesus: âdoet naar hunne woorden en niet naar hunne werken maar van ons eischt Hij: âdrukt mijne voetstappen; doet âzoo als Ik gedaan heb; leert van Mij, dat Ik nederig ben en âzachtmoedig van hartequot;. In de school van den God-mensch geldt dus als regel: âhoort en doet;quot; de voornaamste taak van Jesus' leerlingen bestaat niet alleen in het opvangen dei-waarheden, welke Hij predikte; doch vooral in het navolgen der deugden, welke Hij beoefende. Het leven door Hem op aarde geleid moet voor allen het groote voorbeeld wezen, waarnaar zij hun gedrag regelen in alle verschillende omstandigheden, waarin zij geplaatst zijn.
Zoo eischt het onze roeping tot bet Christendom, zoo ook â om tot bijzonderheden af te dalen â wil het de volmaaktere wet der naasten-liefde door Jesus gegeven. Die navolging van ons goddelijk Voorbeeld is noodig, opdat ons werken
347
DERDE ZONDAG IN DE VASTEN.
348
voor het welzijn van den naaste niet onvruchtbaar zij voor zijne eeuwigheid. Het is waar: den raensch herscheppen tot een nieuw leven van genade en hem door heiliging voor een leven van eeuwige glorie voorbereiden, dit is het werk van den goddelijken Verlosser; maar Hij is Machtig en ook Goed genoeg om aan anderen de volmacht over te dragen en hen met de waardigheid te bekleeden, dat zy als zyne dienaren kunnen optreden en tevens als zijne mede-werkers ter bereiking van het doel, dat Hij bij zijne komst op aarde beoogde. Jesus werd door zijn hemelschen Vader gezonden om het Licht der volkeren te wezen en zaligheid te brengen; maar niets belet Hem om anderen op te roepen, opdat zij den arbeid voortzetten, welken Hy begonnen heeft. En wie zullen het best in zijnen geest arbeiden en de rijkste vruchten ter zaligheid in hun naaste voortbrengen; welke overheden op hunne onderhoorigen, welke ouders op hunne kinderen, welke onderwijzers op hunne leerlingen den zegenrijksten invloed uitoefenen ? Het antwoord ligt in deze andere vraag opgesloten: waardoor zyn de Apostelen en andere Apostolische mannen zoo machtig geweest tot het bekeeren van ongeloovigen en zondaars; waardoor konden de Heiligen van alle tijden zoo vele zielen voor den Hemel winnen ? Gij antwoordt: door de goddelijkheid der leer, welke zij predikten, en door het schitterende der wonderen, welke zij ter bevestiging van de verkondigde waarheden wrochten. O, zeker ! dat waren machtige doch niet de eenige middelen, waardoor zij aanbidders voor den Gekruiste en zielen voor den Hemel wonnen. Veronderstelt, dat hunne plannen en werkzaamheden en predikingen niet bezield waren geweest met den geest van Jesus Christus; dat al hunne daden niet den stempel droegen van Jesus' leven; dat hun gedrag en hunne levenswijze niet geleken op het door Jesus gegeven voorbeeld, niet in overeenstemming waren met de door hen verkondigde geloofsleer en zedenwet, dan zouden zij zeker het Rijk van Christus niet
DERDE ZONDAG IN DE VASTEN.
zoo ver uitgebreid, niet zoo vast gegrondvest hebben in de zielen der toehoorders. Van hen moest eene opwekkende en eene bezielende kracht uitgaan ter bekeering der wereld, en die ging inderdaad van hen uit, omdat zij navolgers van hunnen goddelijken Meester waren. Hiermede is het antwoord op bovenstaande vraag gegeven. Alwie zegenryk op het gemoed van den evenmensch wil inwerken, hij worde eerst zelf een ware leerling van zijn Zaligmaker; wie anderen tot geloofsijver en deugdzaamheid wenscht op te wekken, die moet in zijn leven eenige gelijkenis met het leven van Jesus vertoonen ; hij zelf moet gelijkvormig aan het beeld van Gods Zoon geworden zijn om anderen daartoe te kunnen opvoeren.
Opmerking. In de navolging- van Christus' Liefde voor den mensch ligt het kort begrip van al onze verplichtingen tegenover anderen opgesloten. Dit hebben de Heiligen van Gods Kerk, onze groote voorgangers op dien moeilijken weg, ons geleerd. »Ik ware geen Christenquot; â zeide de h. Malachias â »als ik Christus niet navolgde,quot; en de h. Cyprianus durfde verklaren: »niemand wordt met recht Christen genoemd, tenzij »hij, die in zijne levenswijze naar best vermogen op Christus «gelijkt.quot; En omdat de liefde tot God hen bezielde en hen in hun ganschen levenswandel leidde, viel het hun niet moeilijk in hun leven eene afbeelding te geven van volmaakte liefde tot den evenmensch. Ook de h. Paulus spoorde zijne bekeerlingen, en eveneens ons allen, daartoe aan door hen er aan te herinneren, dat zij door God het eerste bemind en uit Liefde tot zijne geliefde kinderen aangenomen waren' Wanneer nu kinderen van deze wereld er een eer in stellen hun vader na te volgen, hoe veel te meer dienen wij onze grootheid daarin te zoeken, dat wij gelijken op onzen Vader, die in den Hemel is, en eerst zelf in het Oude Verbond beval: bemint uwen naaste axs u zelven (III Mos. XIX, 13) en in het Nieuwe door zijn mensch-geworden Zoon het gebod gaf: dit is mijn gebod, dat gij elkander liefhebt (Joes. XV, n). â Daartoe zijn wij verplicht als mensch en vooral als Christen. God schiep
349
derde zondag in de vasten.
350
ons naar zijn beeld en gelijkenis, wilde in onze ziel eene afschaduwing zien door haar verstand van zijne Wijsheid, door haar geheugen van zijne Alwetendheid, door haren vrijen wil van zijne Almacht â en zijn wil werd daad. Zoo droeg dan de ziel in hare natuur den stempel der Godheid â en zoude diezelfde God ook niet van zijne Liefde eene afbeelding willen zien in de ziel, eenige gelijkvormigheid onder zedelijk opzicht met zijne Volmaaktheden ? Duidelijker kan deze waarheid niet uitgedrukt worden dan de h. Leo het deed, toen hij tot zijne toehoorders zeide: »zoo wij met nauwgezetheid en wijsheid den oorsprong gt; van onze schepping trachten te begrijpen, zullen wij bevinden, »dat de mensch daarom naar het beeld van God gemaakt is, »opdat hij de navolger van zijn Schepper zoude wezen â en »dat dit de natuurlijke waardigheid van ons geslacht uitmaakt, »zoo in ons als in een spiegel het beeld der goddelijke Wel-»willendheid schittert.quot; â Maar, zooals gezegd is, als Christenen vooral zijn wij tot die liefde gehouden, tot navolging van Hem, die ons 't eerst heeft lief gehad,, voor ons gestorven is, toen wij zondaren waren, en Zich Zeiven voor ons gegeven heeft als eene offerande en een slachtoffer Gode tot een aangenamen geur. Wie dan ook een luidsprekend voorbeeld van liefde zoekt, zie op naar Jesus en overwege diens werk. Daarin leest hij met duidelijke letteren geschreven, wat de Christen ter wille van den naaste te doen en te laten heeft. Naar dat voorbeeld, hem op den heiligen berg getoond, opziende ziet hij het ware Licht en wandelt niet in de duisternis maar vindt van het tweede der geboden eene medesleepende verklaring in een leven van liefde, dat met een vrij willigen kruisdood besloten werd; naar dien goddelijken Leermeester luisterende, hoort hij de lessen der onfeilbare Waarheid, de onveranderlijke beginselen der oneindige Wijsheid, zóódat hij door allerlei valsche leeringen niet rond geslingerd wordt; Jesus volgende als den weg zal hij het eenig ware pad niet missen, dat hem naar de volmaaktheid der liefde geleidt. â Voor een mogelijk bezwijken behoeft zulk een Christen ook niet al te zeer te vreezen. Dezelfde Jesus, die voor ons het licht van zijn voorbeeld doet schijnen en door de beminnelijkheid zijner deugden ons ter navolging
deede zondag in de vasten.
uitnoodigt, geeft tegelijker tijd de daartoe noodige genade.
Deze waarheid deed den h. Bernardus zeggen: »ik zie in »Jesus Christus den mensch, die omkleed is met onze zwak-»heid en ons geleerd heeft, dat wij strijden moeten ; maar ook »zie ik in Hem den God van Almacht, die mij sterkt om in dien »strijd te kunnen overwinnen. Van den God-mensch neem ik »het voorbeeld en van den Almachtige de genade.quot;' Duidelijker nog had de h. Ambrosius reeds vijf eeuwen vroeger geschreven : »wie kan vermoeid worden bij het volgen van Jesus ? »Zoo wij immer blijven volgen, zullen wij nimmer bezwijken; »Hij toch geeft krachten aan die Hem volgen. Derhalve zult ^gij sterker wezen, naar gelang gij die kracht meer nabij » blijft.quot;
II..
Een ander van het voorgaande geheel verschillend onderwerp behandelt de Apostel in de volgende woorden. De meest schandelijke, de voor den redelijken mensch onteerendste zonden worden streng door hem veroordeeld, daar hij schrijft; Ontucht en allerlei onreinheid of gierigheid worde zelfs
NIET GENOEMD ONDER U, GELIJK HET HEILIGEN BETAAMT. En, Om
op de krachtigste wijze door het aanschouwelijk voorstellen van de vreeselijkste straf voor die ondeugden te waarschuwen, voegt hij met zijn apostolisch gezag er aan toe: Weet dit
EN BESEFT HET, DAT GEEN ONTUCHTIGE, NOCH ONREINE, NOCH GIERIGAARD, HETGEEN AFGODENDIENST IS, ERFDEEL HEEFT IN HET
Ruk van Christus en God. â Om in geene herhaling te vervallen, verwijzen wij, wat de zonde van onzuiverheid betreft, naar onze verklaring van den Epistel op den eersten en tweeden Zondag na Drie-Koningen en op den tweeden in de Vasten gelezen. Slechts over onbetamelijke woorden dient straks iets gezegd. Nu voegen wij aan hetgeen boven geschreven staat alleen dit toe. Hoe afschuwelijk de onzuiverheid ook zij, toch durft eene bedorvene wereld ze als eene vergeeflijke zwakheid
351
DERDE ZONDAG IN DE VASTEN.
vergoelijken, zelfs voorstellen als een eisch der natuur en als eene verheffing boven kleinzielige preutschheid. Doch, wie verstout zich, minstens zoo hij zijn geloof niet verloren heeft, het eene kleinigheid te noemen, waardoor de Hemel verloren en de hel verdiend wordt? Neen, wie zijne ziel lief heeften de eeuwige zaligheid niet wil verbeuren, hij wane niet door dwaze inbeelding te kunnen verkleinen wat inderdaad groot en afschuwelijk in Gods oogen is. Ook niemand meene met vuur te kunnen spelen zonder zich te branden, met andere woorden: zich roekeloos aan het gevaar te kunnen blootstellen. âOf zijt gij somsquot; â vragen wij met den h. Hiëro-nymus â âheiliger dan David, sterker dan Samson, wijzer dan âSalomon, die in het gevaar gevallen zijn.quot; â Met deze losse gedachten ter neer te schrijven, gelooven wij hier te kunnen volstaan ter verklaring van de uitspraak des Apostels: geen onreine heeft erfdeel in het Rijk van Christus en God.
Met groote strengheid keert zich de Apostel ook tegen de gierigheid, noemt ze een afgodendienst, wil ze onder Christenen niet genoemd hebben en verklaart dat zij even als de onkuisch-heid den Hemel sluit. Maar, vragen we, ligt er dan een zoo nauw verband tusschen die twee ondeugden, dat zij in één adem te noemen zijn? Ons antwoord geven we in de volgende beschouwingen. Wie zich slaaf maakt van eene of andere dier ondeugden, keert zich van God af en wendt zich tot het schepsel. Hij hecht zich of aan het vleesch of aan het geld. Het eene of het andere wordt voor hem een afgod, wien hij dient om de voldoening te zoeken van de laagste lusten, van de zucht naar een zinnelijk genot of naar tijdelijk gewin. Die slaven der zonde verliezen zoo gemakkelijk God en diens Volmaaktheid uit het oog, worden geheel aardsch-gezinde menschen, vergeten hunne hoogste belangen, handelen en spreken en denken alsof zij voor deze wereld alleen leven en geene bestemming hiernamaals te bereiken hebben. Zorg noch
352
DERDE ZONDAG IN DE VASTEN.
belangstelling voor het geluk van anderen zult gij by hen kunnen opmerken; als slechts hunne verlangens bevredigd worden, is 'thun genoeg, maar zij bekommeren zich niet om het lot van hun evennaaste. Te genieten is hun eenig streven maar aan de vervulling hunner verplichtingen eenige aandacht te wijden komt bij hen niet op â of worden zij soms huns ondanks er aan herinnerd, zoo spoedig mogelijk verwerpen zij die lastige gedachten om zich ongemoeid te kunnen vermeien in het botvieren van hunne lage hartstochten. Onbarmhartigere en voor elke edele geestdrift ontoegankelijkere menschen dan een onkuische en gierigaard bestaan er niet. Zij vergeten het hemelsche, denken niet aan God en zijn gebod, niet aan plicht en verantwoording, niet aan het waarachtig geluk van zich zei ven noch aan het welzijn van anderen. Hemel en hel laten hen koud; met deugd en naasten-liefde drijven zij den spot; voor den eisch der goddelijke wetten blijven zij doof en de stem des gewetens smoren zij in het voldoen van zinnelyke genoegens.
Eene zoo groote overeenkomst tusschen die zondaars, al jagen zij niet hetzelfde voorwerp na, maakt het ons duidelijk, waarom de h. Paulus de gierigheid met de onkuischheid op eene lijn plaatsen en met dezelfde straffen bedreigen kon. Zich daarover te verwonderen zoude niets minder bewijzen dan eene volslagene onbekendheid met den afschuwelijken aard van die zonde en met de zware straffen, welke ook God èn in het Oude èn in het Nieuwe Verbond over den schuldige uitgesproken heeft. Een gierigaard is aanbidder van het geld en, in stede daarvan een redelijk gebruik te maken, laat hy zich daardoor zóó zeer overheerschen, dat hy angstvallig het bijeengegaarde goud bewaart en met bange zorg weg bergt, want de gedachte aan het bezit en het beschouwen van zijne schatten is voor hem eene wellust, terwijl het minste verlies hem met de bitterste droefheid vervult. Op zynen rijkdom heeft hij al zijn vertrouwen gesteld en de macht van het geld
Verklaringen der F.pistelen. 23
353
deede zondag in de vasten.
354
schijnt hem verkieslijker toe dan welke andere hulp ; zoolang hij het bezit, meent hij voor allen tegenspoed beveiligd te zijn en waant, dat hij kan rusten en genieten van den overvloed, welken hij verzamelde; maar het te besteden tot het eenig ware doel, waartoe het hem geleend werd, daaraan denkt hij niet. Aan het geld hangt zijne geheele ziel en hij kan er zich niet van ontdoen, al ware het om den nood van anderen te lenigen. Hij is ongevoelig voor de bede der armen en zijne hand blijft gesloten, al vraagt de bitterste ellende om eene aalmoes. Van de christelijke wet, welke het gebruik der aardsche goederen regelt, wil hij niet hooren en sluit zich liever op in zijne schatkamers, waar het goud hem toelacht. God en de eeuwige belangen van zijne ziel te vergeten baart hem geene zorg, zoo hij slechts het in voorraadschuren opgehoopte mag behouden, zoo mogelijk vermeerderen. De h. Chrysostomus hield nog deze andere beweegredenen aan zijne hoorders voor om hen voor die zonde te waarschuwen : âBroeders, laten wij bang zijn voor de hebzucht, âlaten wij ze vluchten die ondeugd, de bron van veel lijden en âden ondergang van onze zielen. Het is onmogelijk, dat wij âmet de geldzucht zalig worden. Leeren wij toch inzien, dat âde rijkdom stof en asch is, dat hij ons bij het einde van âons leven, zelfs reeds in het leven verlaat en zoowel hier âals daar ginds ons in den weg staat. Want nog vóórdat de âhel en de eeuwige straf beginnen, veroorzaakt hij hier ontelbare oneenigheden, twist en vijandschap. Niets doet zoo âzeer den strijd ontbranden onder de menschen als de hebzucht ; niets maakt den mensch zoo zeer tot bedelaar, hij âmoge rijk wezen of zelfs arm. Want deze ziekte wordt ook âbij de armen gevonden en niets kwelt hen in hunne armoede âmeer dan de hebzucht. Zoo een arme geldzuchtig is, dan âzal niet het geld zijn kruis wezen maar de honger, dewijl âhij het weinige wat hij nog heeft niet durft gebruiken, âzich uitput door honger, z^n lichaam door koude en naakt-
derde zondag in de vasten.
âheid afmat en zich in schameler kleeding vertoont dan een âgevangene. Hij jammert en beklaagt zich, alsof hij de ellendigste van alle menschen ware, niettegenstaande er ontelbaar âvelen zijn, die behoeftiger zijn dan hij. Bevaart hij de zee âen ziet hij de kooplieden met hunne waren en hun gewin, âdan meent hij te moeten omkomen. Is hij op het land en âziet hij de landhuizen en de velden met hunne voortbreng-âselen, dan wordt hij wrevelig en gramstorig en in zijn âwrok kent hij slechts één troost â den dood, het scheiden âuit dit leven. Zoo gaat het den armen maar ook den rijken, âdie van de hebzucht zijn aangestoken. Laten wij de gierig-âheid daarom vermijden, welke den rnensch tot bedelaar âmaakt, de ziel ten eeuwigen ondergang leidt, eene vriendin âder hel is, de vijandin des Hemels, de moeder van alle âkwaad.quot;
Bovenstaande gedachten van den grooten Kerkleeraar kunnen wij nader verklaren door nog ander leed te vermelden, dat de gierigheid aan hare slaven berokkent. Zij straft zioh zelve op velerhande wijzen. âZij isquot; â zegt de genoemde Kerkleeraar â âde slechtste van alle driften en bovendien âeene ongeneeslijke ziektequot; want, voegen wij met den h. Hië-bonymus er bij: âterwijl alle andere ondeugden by het toe-ânemen der jaren verouderen, blijft de hebzucht altijd jong.quot; Dit is niet de eenige straf, waardoor dat kwaad reeds in het leven van den schuldige getroffen wordt. Bij den Profeet zegt een gierigaard: ik hen rijk geworden en heb mijne goden gevonden (Oseas. XII, 8), maar helaas! welke wreede en afzichtelijke goden! Sirach's zoon getuigt: niets is boozer dan een geldzuchtig mensch; niets is snooder dan de vrekheid; want zulk een mensch heeft zelfs zijne ziel veil; want nog levend werpt hij zijn ingeivand uit, door zich het noodige levensonderhoud te ontzeggen (X, 9 en 10); Salomon waarschuwde: die spoedig rijk toil zijn, blijft niet ongestraft; een mensch, die
355
DEBDE ZONDAG IN DE VASTEN.
356
spoedig rijk wil worden en anderen benijdt, hij weet niet dat hem gebrek zal overkomen (Spreuk XXVIII, 20â22), en de reeds genoemde zoon van Sirach beklaagt dien ongelukkige, uitroepende: O Bood! hoe bitter is uw aandenken voor den mensch, die rustig leeft in het bezit zijner goederen (XLI, 1). Zelfs zal de geldzuchtige te midden zijner schatten niet gelukkig wezen : hij wordt van zijn geld niet verzadigd; en die den rijkdom lief heeft, heeft er geen genot van, dewijl hij aan de vrees toegeeft zijne bezittingen aan te raken, opdat zij niet verminderen (Eccl. V, 9). Wat anders brengt alzoo de geldzucht aan wie zich daardoor laten medesleepen dan veel kommer, grooten angst, pijnlijke zorg, onvoldaanheid, gemis van alle genot en een lijden zonder einde, daar hij altijd gebrek en nimmer genoeg heeft. En dan na dat rampzalig leven een bittere dood en een nog bitterder ontwaken in de eeuwigheid! Ziet toe en wacht u voor alle hebzucht, waarschuwde de Zaligmaker (Luc. XII, 15); wee u, gij rijken \ want gij hebt uwen troost, had Hij reeds vroeger gezegd (Luc. VI, 24); het is gemakkelijker dat een kameel door het oog der naald doorgaat dan dat een rijke ingaat in het Rijk van God, heeft de Alwetende verklaard, omdat zij die op hunne rijkdommen vertrouwen, wier hart daaraan verkleefd is en daarin het hoogste geluk vindt, zoo moeilijk zalig worden (Marc. X, 24); en de rijke vrek, die aan den armen Lazarus de kruimels van zijn tafel weigerde, moest het in de plaats der foltering hoo-ren : gij hebt het goede ontvangen in uw leven (Luc. XVI, 25). Al deze vermaningen, bedreigingen en waarschuwingen van den goddelijken Leeraar worden verklaard en nog nader aangedrongen door zijn Apostel, die niet aarzelde te schrijven, dat de gierigaards den dood waardig waren (Rom. I, 29), dat zij het Rijk van God niet binnengaan (1 Cor. VI, 10), dat geene gemeenschap met géldgierigen moest gehouden worden{l Cor. V, 10), dat om de hebzucht Gods toorn komt over de kinderen des ongeloofs (Kol. III, 5). En als wilde hij zijn beminden leerling
derde zondag in de vasten.
Tlmothëus het krachtigste wapen ter bestrijding van die ondeugd aan de hand geven, schetste hij ze met al het wee, dat zij over den mensch brengt voor den tijd en voor de eeuwigheid : die rijk willen worden, vallen in bekoring en in een strik des duivels, en in vele onnutte en schadelijke begeerlijkheden, welke de menschen in ondergang en verderf dompelen. Want een wortel van alle kwaad is de geldzucht, waarop sommigen belust zijnde van het geloof zijn afgedwaald en zich in vele smarten gewikkeld hebben. (quot;1 Tim. VI, 9 en 10).
Geen onreine en geen gierigaard heeft zijn erfdeel in het Rijk Gods! quot;Wie verwondert zich over die voor den zondaar verpletterende uitspraak van den Apostel, welke op ingeving van God den H. Geest die woorden schreef? Beiden hebben vreemde goden gekozen, aan wie zij zich wijdden; de eene dient het lichaam, de andere het goud ; gene is slaaf geworden van de zinnelijkheid, deze van de hebzucht. Den eenig waren God verzaakten zij, hoe zouden zij dan, als hunne misdaden afschuwelijk in Gods oogen geworden en niet door tranen van berouw uitgewischt zijn, den Hemel kunnen binnengaan, waar God troont en diegenen vergeldt, welke Hem aanbaden, Hem in hun leven dienden ? Is het niet rechtvaardig, dat zy door God verstoeten worden, die Hem verstieten? Wereld-lingen kunnen door ijdele redenen misleiden, wijs maken dat genoemde zonden onverschillige dingen zijn; maar om die dingen komt de toorn Gods, op den dag des oordeels, over de kindeben des onqeloops. Met recht mocht daarom de Apostel zijne vermaning met deze woorden besluiten: wordt dus hunne deelgenooten niet. Daarenboven: de Hemel is de plaats, waar de deugdzame beloond, de strijder gekroond wordt, de arbeider zijne verdiensten ontvangt; doch wanneer heeft de eene en eveneens de andere de vereischte deugd beoefend; wanneer den strijd aangebonden met de onedelste driften van zyn hart; wanneer gewerkt en de hem verleende talenten
357
358 derde zondag in de vasten.
gebruikt om aan Gods wetten te 'gehoorzamen ? Zij kunnen toch niet verwachten, dat eenig loon zal gegeven worden aan hunne betoonde zwakheid, aan het inwilligen van booze neigingen, aan het opzettelijk overtreden van de heiligste geboden. Het werd hun bij herhaling voorgehouden, dat zij zoowel van hun lichaam als van hunne aardsche goederen Gode een welgevallig offer moesten opdragen, dat zij alles, wat de lage natuur voldoet, te beschouwen hadden als den Christen onwaardig, dat het eeuwige en hemelsche alleen waardig is, om door hem bemind en gezocht te worden. konden kiezen tusschen zegen en vloek, en hun verkeerde wil neigde over naar hetgeen hen verachtelijk maakte in de oogen van God en van de menschen, naar hetgeen hen ongelukkig maakte in hun leven en met een nog grooter ongeluk dreigt in de eeuwigheid. Dreigt â want zoolang hun levensdraad niet is afgebroken, wordt het laatste oordeel niet geveld en blijft bekeering nog mogelijk, ook voor den diepst gezonken slaaf van de laagste hartstochten.
Het verdient nog al onze aandacht, dat de h. Paulus met zoo grooten nadruk het misbruik van de tong verbiedt en daarby tot in bijzonderheden afdaalt. De onzuiverheid en gierigheid wil hij niet genoemd hebben; schandelijkheid of vuile woorden, dwaze pbaat en onbetamelijke schebts of boerterij, die niet past en den Christen niet voegt, mogen niet gehoord worden. Wat zouden de goede zeden, wat ook de goede toon en de christelijke liefde er veel bij winnen, als alle gemeene aardigheden, alle platheden en plagerijen uit het gesprek der Christenen geweerd bleven; als de levensregelen, hier door den h. Paulus als verplichtend voorgeschreven, algemeen erkend en nageleefd werden! quot;Want voor altijd blijft waar het woord eens door den H. Geest aan den Apostel ingegeven : kwade gesprekken bederven de goede zeden (1 Cor. XV, 33). Zijn zij van den eenen kant de uitingen van een
derde zondag in de vasten.
bedorven hart, waarvan de volheid door den mond uitstroomt, van den anderen kant wordt de ziel des hoorenden daardoor gewond; zij geven ergernis aan zwakken, behelzen menigmaal eene verborgene spotternij met de deugd, ontzien noch de eerbaarheid noch het fijngevoelig hart van onschuldigen. Gelijk een vergift, al wordt het druppelsgewijze ingegeven, langzamerhand maar zeker de krachten des lichaams ondermijnt, even heilloos werkt een onzedelijk woord op het gemoed van anderen en bereidt den ondergang hunner ziel voor. Of kan een ontstoken fakkel in een drogen houtstapel geworpen worden zonder gevaar van 'brand te veroorzaken? Slechte gedachten, booze begeerten, zondige verlangens worden opgewekt en het kan den spreker niet als eene verontschuldiging worden aangerekend, als niet spoedig op de bekoring eene daad volgt, welke het daglicht schuwt. Menig jongeling ware een rein Christen, een degelijk lid der maatschappij en een rechtschapen man geworden, menige maagd hadde haar schaamte-gevoel noch hare onschuld verbeurd, zoo de woorden der verleiding hen niet op een dwaalweg gebracht hadden, waar eer en deugd verloren gingen. Zelfs van elk lichtzinnig, al te vrij of dubbelzinnig woord kan gezegd worden, wat de h. Jacobus ter waarschuwing van allen schreef: de tong is ivel een klein lid, maar roemt van groote dingen, voert groote dingen uit. Zie, wat een klein vuur hoe groot een bosch het in brand steekt. Ook de tong is een vuur, een verslindend vuur, dat heelal der ongerechtigheid en kan door hare verderfelijke macht tot alle ongerechtigheid voeren (III, 5 en 6).
Ook dwaze praat is verboden en daaraan maken vooral zij zich schuldig, die door hunne woorden aan valsche beginselen ingang willen verschaffen in het argeloos gemoed van onna-denkenden; die, de zuivere leer van het Evangelie onverdra-gelijk vindende als in strijd met hunne booze neigingen. prediken wat met hun afgedoolden geest overeenkomt en lichtgeloovigen tot hunne verkeerde zienswijze trachten over
359
DERDE ZONDAG IN DE VASTEN.
te halen; die de ij delheid en den hoogmoed streelen en aan de nietigheid van het aardsche alle waarde toekennen maar niets dan spot over hebben voor de eenig ware belangen van hunnen evenmensch; die, afgaande op de prikkelbaarheid van het menscheiyk hart, hoog opgeven van de vrijheid in alles, van de onafhankelijkheid van alle gezag, van het inwilligen der verscheidene driften, van het zich losmaken van alle knellende banden, welke voor de neigingen der bedorvene natuur een hindernis kunnen wezen. Op misdadige wyze maken die verkondigers van onwaarheid misbruik van de schoone gave der spraak, welke hun geschonken werd, en worden zij de valsche profeten, de wolven in schaapskleederen, waarvan de Zaligmaker sprak, de nieuwigheidsuitkramers, welke verkeerde dingen leeren om de leerlingen van Christus tot hunne volgelingen te maken (Hand. XX, 30), welke overlang tot dit oordeel van verwerping zijn opgeschreven, goddeloozen, die de genade van onzen God in losbandigheid veranderen en den eenigen Heer-scher en onzen Heer Jesus Christus verloochenen (Jud. 4),
Ook scherts kan zeer misplaatst wezen en zal niet zelden misdoen tegen de naasten-liefde. Men wil zich aardig, onderhoudend, gevat voordoen, en hoe dikwijls worden daarbij plagerijen gebezigd, welke den toets van christelijken ernst en van christelijken zin niet kunnen doorstaan ? IJdele woorden, uitgesproken om den lachlust op te wekken, kwetsen dikwijls op pijnlijke wijze het gevoel van eenigen der aanwezigen en, wie het menschelijk hart kent, weet genoegzaam dat onedele, liefdelooze gevoelens soms ten grondslag liggen aan een of ander gezegde, waardoor â zooals voorgewend wordt â het gezellig onderhoud moet gaande gehouden worden. Zulk een woordenpraal is evenmin te verontschuldigen als elk woord, dat den evennaaste aan den spot van anderen bloot stelt, hem tot gramschap vervoert en eene oneenigheid zaait, welke misschien eerst na jaren zal bijgelegd worden. De spreker zelf, die onbedachtzaam zulk een woord geuit
360
DERDE ZONDAG IN DE VASTEN.
heeft, zal in die gevallen tot zijn spijt moeten erkennen, dat zijne taal niet alleen tegen den goeden toon en de beschaafde vormen misdaan, maar ook dengene diep gekrenkt heeft, tot wien hij zich richtte, en hem zeiven tot voorwerp van een vinnigen haat maakte. Niet zoo spoedig tooh wordt het gesprokene vergeten, niet zoo ras de wonde geheeld, welke geslagen is. En wat te zeggen van die kwinkslagen, waardoor een ander aan de verachting prijs gegeven wordt, vooral van die lasterlijke woorden, waardoor verdichte en van die kwaadsprekende woorden, waardoor werkelijk bestaande fouten noodeloos aan 't licht gebracht worden, ja wat anders dan hetgeen God reeds eeuwen te voren dreigend liet verkondigen : een oorblazer en een tweetongig menscli is doemenswaardig, want hij zaait tweedracht onder velen, die in vrede leefden (Eccli XXVIII, 15); mijn zoon! heb geen gemeenschap met lasteraars, want plotseling komt hun verderving aan (Spreuk XXIV, 21, 22).
Opmerking. Het is er verre van af, dat wij alle omstandigheden besproken hebben, waarin van de tong misbruik kan gemaakt worden. Het ware ook ondoenlijk en onnoodig. Het gezegde volstaat om ons te doen begrijpen, dat God van a1. onze onnutte, ijdele, zondige woorden rekenschap zal vragen, dat wij traag tot spreken moeten wezen (Jac. I, 19), dat wij met David moeten bidden: stel, 0 Heer! eene wacht aan mijnen mond en eene verschanste poort aan mijne lippen (Ps. CXL, 3), dat wij niet moeten spreken, wat niet past maar dat VEELEER DANKZEGGING moet komen over onze lippen â woorden van dank aan God voor al de genaden, welke ons in Christus Jesus zijn geschonken. â Eene krachtige beweegreden om zoo noodig van gedrag te veranderen, om zoowel in daden als in woorden geheel andere menschen te worden, is wat de h. Paulus den Ephesiërs in herinnering bracht: eens WAART GIJ DUISTERNIS â NU ZIJT GIJ LICHT IN DEN HEER. Vóór hunne bekeering leefden zij in onwetendheid van God en van zijn gebod, en hunne werken en woorden waren die van de duisternis, mochten niet gezien, niet gehoord worden; nu echter, nu de waar-
361
DERDE ZONDAG IN DE VASTEN.
362
heid hun gepredikt en zoo het ware licht opgegaan was, moesten zij de werken der duisternis afleggen en in geheel hun leven zich gedragen ALS KINDEREN DES LICHTS. Zij mochten door geene ijdele redenen zich nog laten misleiden, niet deelgenooten worden van de kinderen der ongehoorzaamheid, geen deel nemen aan de onvruchtbare werken der duisternis â maar, na geleerd te hebben wat Gode welgevallig is, moesten zij in gerechtigheid en waarheid leven en in geheel hun doen en spreken toonen, dat zij van den geest des Christendoms doortrokken waren en leefden uit het geloof, dat zij hadden aangenomen. â Wat hun voorgeschreven werd, is de plicht van allen. Eene geheele verandering van levenswandel wordt van hen gevorderd, die vroeger zich schuldig maakten aan hetgeen schandelijk is te doen of wel aan hetgeen ergerlijk is aan te hooren. Was hun verstand verduisterd en daarom hunne tong te los en hun hart hebzuchtig en hun wandel niet kuisch, nu zij het licht hebben ontvangen, moeten zij de tegenovergestelde deugden beoefenen en hunne tong bedwingen, arm van geest worden en van hun lichaam een Gode welgevallig offer maken.
A
VIERDE ZONDAG IN DE VASTEN.
Broeders! Er staat geschreven, dat Abraham twee zonen had, eenen van de slavin en eenen van de vrije vrouw. Maar die van de slavin werd naar het vleesch geboren ; doch die van de vrije vrouw krachtens de belofte. Dit nu is bij wijze van vóórafbeelding gezegd. Want dit zijn twee testamenten. Het eene op den berg Sina, dat tot dienstbaarheid baart; en dit is Agar. Want Sina is een berg in Arabic, die in verband staat met het tegenwoordige Jerusalem, dat met zijne kinderen dienstbaar is. Maar het Jerusalem, dat omhoog is, is vrij; en dit is onze moeder. Immers staat er geschreven : verheug u, gij onvruchtbare, die niet baart! schiet uit en jubel, gij die geen weeën kent! Want talrijk zijn de kinderen van de eenzame, meer dan van haar die den man heeft! Wij nu, broeders ! zijn, volgens Isaac, kinderen der belofte. Maar gelijk toen degene, die naar hq^ vleesch geboren was, hem, die naar den geest geboren was, vervolgde, zoo ook nu. Doch wat zegt de Schrift ? Drijf uit de slavin met haren zoon, want de zoon der slavin zal niet
VIERDE ZONDAG IN DE VASTEN.
erfgenaam zijn met den zoon der vrije vrouw. Derhalve, broeders ! zijn wij niet zonen der slavin, maar der vrije vrouw ; met welke vrijheid Christus ons heeft vrijgemaakt. Gal. IV, 22â31.
Inleiding. Ten tijde der Aartsvaderen was het schier een algemeen gebruik, dat één man meerdere vrouwen had. God liet dit toe, deels omdat die ouden om hunne hardheid van harte zich niet dan met grooten tegenzin aan een tegenovergesteld gebod zouden onderworpen hebben, deels omdat het genoemde gebruik in Gods hand een middel werd om het Israëlictische volk, dat een vóórafbeelding van het volk der Christenen was, spoediger te vermenigvuldigen. Ook Abraham had twee vrouwen en bij elke vrouw één zoon. Ismaël werd hem uit Agar, eene slavin, naar het vleesch en volgens den gewonen loop der natuur en vroeger geboren; Isaac werd hem door Sara, de vrije vrouw en ware heerscheres, tegen den gewonen loop der natuur, door een wonder, krachtens dc belofte van God gegeven, toen zij reeds een hoogen ouderdom bereikt en de jaren overleefd had der vruchtbaarheid. Deze twee vrouwen met hare zonen beteekenen, naar Paulus' verklaring, de twee Verbonden, welke God met het menschdom gesloten heeft: de slavin Agar het Oude en de vrije Sara het Nieuwe Verbond; Ismaël, de zoon van Agar duidt de Joden, Isaac, de zoon van Sara, de Christenen aan, want de Joden zijn evenals Ismaël afstammelingen van Abraham door de natuurlijke geboorte, maar de Christenen kinderen van God door de genade als Isaac. Het Oude Verbond bracht gelijk Agar slechts slaven voort, want de Joden leefden onder het juk. der wet en gehoorzaamden uit vrees en in de hoop op tijdelijken zegen; het Nieuwe Verbond, het Jerusalem dat om hoog is, de Kerk van Christus, brengt als Sara vrije kinderen voort, die bereidwillig uit liefde en in de hoop op eeuwigen zegen gehoorzamen. Toen de Heidenen, die lang, evenals Sara tot in haren ouderdom onvruchtbaar was, geene vruchten voor de eeuwigheid voortbrachten, in de christelijke Kerk, het nieuwe
364
VIERDE ZONDAG IN DE VASTEN.
365
Jerusalem, waren opgenomen en ook eenige Joden, telde de Kerk weldra meer kinderen dan de gemeente der Joden, ofschoon deze vele eeuwen achtereen met God was verbonden geweest. Ook vervolgden de ongeloovige Joden, evenals Ismaël den zoon van Sara, de bekeerden uit Israël en uit het Heidendom, omdat zij afgunstig waren op de Heidenen, welke â zooals zij zagen â eveneens als zij geroepen waren tot de erfenis des heils, ook omdat het getal der Israëlieten, die het geloof aannamen, al grooter en grooter werd. Tot straf voor hunne hardnekkigheid en ontrouw aan God werden die Joden, gelijk Ismaël met zijne moeder naar de woestijn uitgedreven werd omdat zij beiden aan Sara en aan haren zoon kwaad berokkenden, van God verstooten en na den val van hunne hoofdstad over de wereld verstrooid als een nietvolk. Zoo is aan al die feiten, welke de h. Schrift vermeldt, eene hoogere beteekenis verbonden, en »dezelfde God, die de Bewerker isquot; â volgens den h. Thomas â »zoowel van de geschiedenis »als van de h. Schrift, in Wiens Macht het ook staat de toe-gt;komst èn door geschiedkundige gebeurtenissen èn door voor-»spellende woorden af te kondigen, heeft hier gesproken door »feiten.quot; â Ook deze bijzonderheid, waarop de h. Paulus heen-wijst, bevestigt die opmerkingen. Het Oude Verbond werd gesloten op den berg Sina en baarde slechts kinderen tot dienstbaarheid, tot onderwerping aan de strenge en moeilijk te onderhouden Mosaïsche Wet, en dit werd afgebeeld door de slavin Agar; want Sina was een berg in Arabië, lag in de Arabische woestijn, welke van eene in slavernij dienende bevolking omgeven was; die berg behoorde dus niet tot het land van belofte en stond in verband of op eene lijn met het Jerusalem, dat ten tijde van den Apostel met zijne Synagoge onder het juk der Mosaïsche dienstbaarheid was en zich tegen de nieuwe Wetgeving verzette. Het andere, het Nieuwe Verbond door Christus gebracht en tot vrijheid barende, de Kerk welke van den Hemel neergedaald en in het land van belofte gesticht is, werd door Sara vóórafgebeeld, want het Jerusalem dat 07ii hoog is, brengt even als zij deed, kinderen voort, die niet meer slaven der Oude Wet zijn maar kinderen, die door
VIEKDE ZONDAG IN DE VASTEN.
de waarheid Gods zijn vrijgemaakt. En talrijk zijn zij geworden die kinderen der Kerk, ofschoon deze in den beginne onvruchtbaar scheen, eenzaam en klein, verlaten en vervolgd was â talrijker zelfs dan die der Synagoge, zóódat de Kerk van Jesus met recht jubelen en zich verheugen mag. â Na aldus de voortreffelijkheid der Nieuwe Wet boven de Oude aangetoond te hebben door dat hij de vóórafbeeldende en profetische beteekenis van een belangrijk gedeelte der Joodsche geschiedenis in het helderste licht stelde, gaat de h. Paulus voort met te bewijzen, dat reeds vóór eeuwen door Isaïas de groote uitbreiding der Kerk van Christus was voorspeld, en dat de Christenen, vrije kinderen der vrije Sara, al worden zij vervolgd door de slaafsche zonen der slavin Agar, daarin niet een reden van droefheid mogen vinden. De slavin werd met haren zoon uit het huis gebannen, en Ismaël was niet met Isaac erfgenaam van de goederen zijns vaders ; eveneens werd de Synagoge, het joodsche volk, in zooverre het zich tegen het Christendom verzette, uitgeworpen en bleef van de zegeningen der wet van genade beroofd. Wij daarentegen, kinderen der belofte en zonen der Kerk van Christus, genieten de erfenis des heils en zijn geroepen ter gerechtigheid in den dienst van God. â Ter verdere verklaring der gedachten van den h. Paulus moeten wij alle aandacht vestigen op:
I. de verhevenheid van het Nieuwe boven het Oude Verbond, en de vele voordeelen, welke de Christenen genieten boven de Joden;
II. de plichten uit onze bevoorrechting voortvloeiende.
I.
Toen God onzen eersten stamvader Adam schiep, bestemde Hij dezen met al diens nakomelingen tot een bovennatuurlijk leven van genade hier op aarde en tot het eeuwig leven van glorie hiernamaals. Die erfenis des heils ging voor het men-scheiyk geslacht verloren door Adam's zonde. Doch God, die rijk is aan Barmhartigheid, wilde niet dat de menschen even
366
VIEBDE ZONDAG IN DE VASTEN.
367
als de gevallen Engelen onherstelbaar aan een eeuwig ongeluk werden prijs gegeven. Hij zoude, aldus luidde zijne liefderijke belofte, al dadelijk na den val in het Paradijs uitgesproken, een Verlosser zenden, die als Middelaar optrad tusschen de vergramde Majesteit Gods en het in zonden gezonken mensch-dom. Met wijze Voorzienigheid oordeelde God het echter geraden jaren lang te wachten met het vervullen zijner belofte, opdat de mensch te meer zijne ellende gevoelen en de genade der verlossing te hooger waardeeren zou. Vier duizend jaren gingen voorby, vóóraleer de Redder verscheen en de Hersteller van het verloren recht op Gods vriendschap en op de glorie des Hemels. Toch bleef de wereld niet tot zoolang van alle hulp van boven verstoken. Eene onuitwischbare wet werd in het hart der menschen geschreven; zij konden God uit het zichtbare der schepping kennen en wisten, dat zij Hem moesten dienen ; met de oorspronkelijke openbaring en met de ingeprente hoop op den beloofden Messias gingen ook de genaden gepaard, welke hen in staat stelden om hunne driften te overwinnen en zich aan hun Heer en Schepper te hechten. Helaas! hoe spoedig gingen de menschen als slaven gebukt onder de noodlottige gevolgen der erfzonde! Zij vergaten hun Schepper en de zonde heerschte over de aarde. En zij, die hun weg bedorven hadden, werden tot straf hunner misdaden in den zondvloed bedolven. Zelfs de afstammelingen van den Gode welgevalligen Noë vervielen weldra in de euveldaden hunner goddelooze voorvaderen. Een nieuw volk, dat den Heer diende en waaruit de Zaligmaker zoude geboren worden, dat de besnijdenis als teeken des Verbonds ontving en de belofte van een Messias bewaarde en de wetgeving verkreeg en onder zijne zonen Profeten telde, die voortdurend de woorden Gods in herinnering brachten en op den Verwachte der volkeren wezen, zulk een volk koos God voor Zich uit. Abraham was de stamvader van dat nieuwe geslacht, waarmede God een verbond sloot en waaraan Hij eerst den
VTEBDE ZONDAG IN DE VASTEN.
naam van Israël gaf en in latere tijden in de hand van Moses de Wetgeving van Sinaï.
Ofschoon die Wet heilig dient genoemd te worden zoowel om Dengene die ze gaf, als om hare strekking daar zij de Israëlieten voor uitspattingen moest behoeden, en om hare beloften dewijl zij tijdelijke zegeningen aan de getrouwe onderhouders verzekerde, vermocht zij toch niets anders dan slaven te maken. Zelfs de vreeswekkende omstandigheden, waaronder God zijne geboden verkondigde â het ratelen van den donder, het vuur dat van den Hemel daalde, het schudden van den berg, de wolk waaruit Gods stem sprak, die wonderbare teekenen in de natuur waren voor de Israëlieten de machtige getuigen, dat de God van oneindige Majesteit met diep ontzag gehoorzaamd en met slaafsche onderwerping gediend wilde worden. De vrees was voor die weerbarstigen van hart het eigenaardige en het krachtigste middel, om hen binnen de enge grenzen te houden van getrouwheid en van eerbied. Ook hierin vertoonde zich de geaardheid van dat volk, dat beloften van tijdelijken zegen en van stoffelijke voordeelen het aan wet en plicht konden verbinden; dat het in toom moest gehouden worden door lastige voorschriften, door met juistheid voorgeschrevene plechtigheden, feesten, offers, wasschingen, in één woord: door verordeningen van velerlei aard, waarvan elke overtreding zwaar gestraft werd. In zijn geheel genomen was het aan den dienst van den waren God verbonden door middel van aardsche inzichten en van vrees inboezemende bedreigingen; het was slaaf van wettelijke ceremoniën en van een uiterlijken eeredienst; zyne volmaaktheid bestond in het brengen 5van offers en in het onderhouden van verplichte feestdagen.
Hiermede is niet gezegd, dat de Israëlieten vóór Chriamp;tus niet konden zalig worden, dat ook onder hen niet eenigen kunnen aangewezen worden, die zich boven hunne geloofsgenoo-ten verhieven door te streven naar hoogere doeleinden ; dat
368
VIERDE ZONDAG IN DE VASTEN.
niet eenigen zich door edelere inzichten lieten geleiden; dat niet velen zelfs geene inspanning te zwaar achtten om in echten godsdienstzin en ware deugd uit te munten. Wij kennen en eerbiedigen die heilige mannen en vrouwen, die door Gods inspraken voorgelicht of door de machtige stem der Profeten onderwezen van de komst des Messias het voorwerp hunner verlangens, de beweegreden van hunne hoop en vreugde maakten, die door hun geloof in Gods belofte aan eene dei-eerste voorwaarden voldeden om deel te verkrijgen aan de genaden, welke het Lam Gods door geslacht te worden voor het heil der wereld eens zoude verdienen en welke reeds bij voorbaat werkten ter zaliging van allen, die in den beloofden Verlosser geloofden en op Hem hoopten. Een Moamp;es, dooiden h. Paulus een getrouwe dienaar in Gods huis genoemd en die van God zeiven de wetten ontving, waardoor het volk Gods moest geleid worden; een Samuël, de uitverkorene van Jehova, hec licht van Israël en leidsman van koningen; een David, die door de zachtheid van zyn bestuur zoowel als door zijne overwinningen, door zijne gehechtheid aan de wet nog meer dan door de uitgebreidheid van zijn gebied de vóórafbeelding van den Messias was; Elias en Eliseüs, Daniël, Es-dras, Nehemias en Zorobabel, de Machabeesche broeders, de Profeten en eenige vrome koningen, godvreezende en heldhaftige Vrouwen, Rechters, kortom: van de Aartsvaders af tot aan Joannes den Dooper leefden velen in Israël, die door groote heiligheid en ongeschondene getrouwheid, door moed en volharding, door nederigheid en versterving uitblonken. Zij waren door God te midden van een vleeschelijk gezind volk geplaatst als lichtbaken, waardoor een ieder zijn weg met zekerheid kon bepalen, als onderwijzers en opvoeders wier woord en voorbeeld moesten en konden opwekken en stichten, wier levenswijze aller blik verruimen en aller gezindheid naar hoogere doeleinden richten kon.
Kon, ja; want, ook met de veel mindere genaden, welke het
Verklaringen der Epistelen 24
369
VIERDE ZONDAG IN DE VASTEN.
370
meerendeel der Israëlieten ontving, hadden zij vromere vereerders van God kunnen wezen dan wij hen uit de geschiedenis kennen. Zelfs, evenals Ismaël aan den zoon van Sara velerlei leed berokkende, vervolgden velen van hen de Profeten; omdat de voorspellingen aangaande den Messias niet alle even duidelijk waren en Hem nu eens als den man van Smarten en een andermaal als den Koning der glorie voorstelden, verhardden zij zich in hunne verblindheid en ongeloovigheid; dewijl de wet alleen uit zich zelve niet kon reinigen en heiligen, kwamen zij niet tot dien staat van volmaaktheid, welken zij bereikt zouden hebben, zoo zij niet aan uiterlijke vormen waren bly ven hangen en zich niet vergenoegd hadden met een eere-dienst, welke wel lichamelijke maar geene inwendige reinheid bewerkte. Zij geloofden niet levendig genoeg in den beloofden Messias; zij bouwden al hunne verwachtingen niet genoegzaam op zjjne komst; zij verlangden te weinig naar het verkregen van bovennatuurlijke goederen. Vleesch- en aardsch-gezind als zij waren, drongen zij niet door in den diepen zin van Gods verordeningen en begrepen niet de veelzijdige beteekenis van de vóórafbeeldingen, van de aanduidingen, van de voorspellingen des Ouden Verbonds. Het bleef voor hen een geheim, wat de wet op Sinaï gegeven in de bedoeling van God moest uitwerken, hoe zij hen leiden moest tot Christus, den Gezalfde des hemelschen Vaders. Vandaar dan ook dat de Synagoge, hier als vertegenwoordigster van het Jodendom genomen en voorgesteld door den slaafschen zoon van Agar, niet deelen zou in de geestelijke erfenis van den Aartsvader Abraham, die door het geloof gerechtvaardigd was geworden; dat zij uit het huis Gods, uit de Kerk van Jesus gebannen bleef en nog voortdurend ronddoolt in de woestijn dezer wereld, waarin zij gelijk Ismaël van gebrek dreigt om te komen, omdat zij geen waren eeredienst, geen offer heeft.
VIERDE ZONDAG IN DE VASTEN.
Dank aan God, dat wy niet in het Jodendom werden geboren. Wij zouden anders niet minder dan de Israëlieten ronddwalen in onwetendheid, zonder volmaakte kennis van den Verlosser der wereld, zonder deel te hebben aan de genade-middelen, welke zijne oneindige Liefde aan de Kerk ter uitdeeling toevertrouwde ; zonder met de kinderen des huizes de erfenis des heils te verkrijgen. Nu echter, nu wij even als Isaac zonen der belofte, kinderen der genade zijn geworden, zijn ons de schatkamers der goddelijke Milddadigheid geopend en met volle teugen kunnen wij drinken uit de bronnen des Zaligmakers. De Kerk, op den Calvarie-berg gesticht, de zuivere en wettige Bruid van Jesus Christus, zij die over alle schatten zijner Liefde beschikt en al de zegeningen des Heeren ontving, nam door het H. Doopsel ons als hare kinderen aan en gaf ons daardoor het recht om ons deel op te eischen van die geestelijke goederen, welke haren rijkdom uitmaken. Nu wandelen wij in het volle licht dat over het nieuwe Jerusalem is opgegaan en bij geene enkele schrede behoeven wij te vreezen, dat de eenig ware weg naar de ons voorbestemde woningen gemist wordt; sterk, en zoo wij slechts willen, onoverwinnelijk door de genaden in de Kerk Gods te vinden, behoeven wij niet één vijand te duchten, al zoude hij legerplaatsen tegenover ons opslaan ; in de kracht eener goddelijke spijze kunnen wij optrekken naar den berg Gods en de ons voorbereide, hemelsche erfenis, al kost zij eenig geweld, innemen â dat land van glorie en zalige rust en van onwaardeerbaren zegen, waarvan het den Joden beloofde land niets meer was dan eene flauwe afschaduwing.
Het groote verschil tusschen het Oude en het Nieuwe Verbond verklaart de h. Paulua op eene andere w\jze nog in zyn brief aan de Corinthiërs schrijvende: de letter, de geschreven Wet van het Oude Verbond doodt, daar zij we de kennis gaf van hetgeen de Israëliet doen of laten moest.
371
VIEBDE ZONDAG IN DE VASTEN.
maar niet de bovennatuurlijke hulp, welke hij behoefde om hare geboden te kunnen onderhouden, en zóó een gelegenheid of eene aanleiding werd van overtreding en van geestelijken dood; maar de Geest, die door de bediening van het Nieuwe Verbond gegeven wordt en door de kracht zijner genade den gevallen mensch helpt om de geboden te kunnen onderhouden, maakt levend en is hem alzoo eene werkende oorzaak ten eeuwigen leven: de eene bediening is die der veroordeeling, de andere die der gerechtigheid. â Nog dit onderscheid is op te merken: de bediening der Oude Wet moest een betrekkelijk korten tijd duren en dan ophouden of te niet gedaan icorden, maar de bediening der Nieuwe Wet blijft tot aan het einde der wereld bestaande. De Joden wilden dit niet begrijpen; er hing en er hangt nog voor hunne oogen een sluier, welke eerst in de laatste tijden zal wegvallen, als zij zich tot den eenigen Verlosser zullen bekeeren (II Cor. III, 7â17). Het Oude Verbond toch is opgeheven door den dood van Christus en een ieder die gedoopt werd, hetzij hy geboren Jood of geboren Heiden is, is ontslagen van de Oude Wet en van al hare verplichtingen. Was zijn toestand vroeger allerellendigst te noemen, nu verkeert de wedergeborene, onder de werking der genade, in een staat van geluk, rust en zaligheid en, blijft hij beantwoorden aan zijne roeping, groot en menigvuldig zullen zijne voorrechten wezen nu reeds gedurende zijn aardsch bestaan, grooter nog in de eeuwigheid.
Opmerking. Werden er â vroegen wij boven â zoolang het Oude Verbond van kracht was, geene genaden gegeven; had het Verlossingswerk van Jesus geene terugwerkende kracht ten voordeele van hen, die vóór de komst van den Messias leefden ? De heilsorde door God gewild en de vele Heiligen uit het Oude Verbond, van welke wij eenigen noemden, en de niet te weerspreken waarheid, dat God voor allen de
372
VIERDE ZONDAG IN DE . VASTEN.
erfenis des heils bereid had, dwingen ons tot een bevestigend antwoord op de gestelde vragen. En toch, ook hier is eene groote verscheidenheid op te merken in de wijze, waarop God zijne gaven in de verschillende tijdperken der wereld uitdeelde. Vooral onder een drieërlei opzicht zijn wij, kinderen der genade, bevoorrecht boven de kinderen der natuur. In de dagen van de Oude Wet bestond de gewichtigste roeping der Joden daarin, dat zij met de hoop op den toekomstigen Verlosser en met eene karig toebedeelde genade al hunne zedelijke krachten inspanden om aan de verplichtingen hunner Wet te voldoen, en zoo de tijdelijke goederen te verdienen, welke aan het onderhouden der Wet verbonden waren; nu echter de Verlosser werkelijk verschenen is en door zijn leven en lijden een onuit-puttelijken schat van verdiensten verworven heeft, worden genaden op genaden gegeven, opdat allen het leven voor God in zijn vollen rijkdom leiden, in volmaaktheid van deugd meer en meer gelijkvormig kunnen worden aan het voorbeeld van Hem, die de Heiligheid zelve is, en zoo de geestelijke en eeuwige goederen verwerven, welke hun beloofd zijn. Bovendien: de door God aan de Joden voorgeschrevene ceremoniën waren wel teekenen van genaden, maar onze H.H. Sacramenten be-teekenen niet alleen de genade, zij geven die ook aan hen allen, welke ze onder de vereischte voorwaarden ontvangen. Ten laatste: de beloofde Verlosser stond ook den besten uit de Joden niet dan in donkere lijnen voor den geest; maar nu Hij onder de zijnen verschenen is en gewerkt heeft, aanschouwen wij Hem in zijne volle Majesteit van Liefde en Almacht, en voelen wij ons bij die aanschouwing sterker tot zijn dienst aangetrokken.
II.
Onnoemlijk veel hebben de Christenen bij de Joden voor. Dit is niet te ontkennen, al wordt slechts in aanmerking genomen de Insteller van bet Nieuwe Verbond en de goederen, welke Hij beloofd heeft, en zijne gemakkelijker te vol-
373
vierde zondag in de vasten.
brengen wet en de meerdere genaden en krachtigere hulpmiddelen, welke Hij met eene oneindige Goedheid ter vervulling zyner geboden aan allen aanbiedt. Hieruit volgt, dat wij ook tot hoogere volkomenheid geroepen zijn dan van de Joden gevorderd werd. De nieuwe Wetgever, die alles kwam vervolmaken en Zich zeiven tot voorbeeld van alle deugden gesteld had, eischt dat niemand zich verantwoord achte, wanneer slechts uitwendige daden van vereering Hem aangeboden worden, maar vordert dat de ware aanbidders den Vader zullen aanbidden in geest en waarheid (Joan. IV, 23). De Mosaï-sche eeredienst met zijne offers en uiterlijke handelingen heeft opgehouden en is vervangen door een veel verheveneren dienst, welke bestaat in geest en gemoed, welke zich openbaart in het gelooven aan de geopenbaarde waarheden, in het hopen van geestelijke en eeuwigblijvende goederen, vooral in het betoonen van eene oprechte liefde, âwelkequot; â volgens den h. Thomas â âtot de vrijheid behoort, dewijl hij die âbemint uit zich zeiven bewogen wordt.quot;
De Liefde is het eerste gevoel dat de Nieuwe quot;Wet ons inboezemt. Zij immers leert ons God kermen als een Vader, die even rijk is in Barmhartigheid en Goedheid als wonderbaar in zijne werken; die genaden zonder tal aan zijne kinderen uitdeelt en hun, als zij getrouw zullen bevonden wezen, de glorie des Hemels geven wil. Maar dan moet onze liefde al volmaakter worden, zóódat wij God bovenal beminnen, niets beminnen dan om en in God, niets dan in overeenstemming met zijn heiligen wil. Zij moet offervaardig wezen, zóódat geen offer geweigerd wordt als God het vraagt, voor geene moeilijkheid teruggedeinsd wordt als deze in de plannen dei-goddelijke Voorzienigheid ter onze heiliging is opgenomen ; zy moet zich in volkomene overgeving aan God betoonen, ook wanneer Hij ons geduld op eene harde proef stellende het verhoeren der gebeden uitstelt of met eenig lijden bezoekt, waarvan wij zoo gaarne bevrijd bleven. Zij moet ook duur-
374
VIERDE ZONDAG IN DE VASTEN.
375
zaam zyn en sterker dan de dood, zóódat niets ons van God scheidt, noch tegenspoed noch voorspoed, noch het tegenwoordige noch het toekomende. â Ook dezeeisch wordt aan die deugd gesteld. Eerst dan zal zij tot dien graad gestegen wezen, welken de hemelsche Vader van zijne kinderen met recht vergt, als zij het beginsel is van ons leven, de ziel van al onze daden en woorden. Uit liefde moet de Christen zijne dagen besteden, bidden, werken en lijden; uit liefde moet hij danken en offeren; uit liefde moet hij, even als 'de Verlosser Zich zeiven tot slachtoffer voor de zonden der wereld gemaakt heeft, zich wijden aan het bevorderen van Gods eer en van het welzijn des naasten. Zóó en zoo alleen is het voor den Christen mogelijk om op waardige wijze zyne erkentelijkheid te toonen voor al de voorrechten, welke hij in de Kerk van Jesus geniet. In welken staat hij ook door de Voorzienigheid geplaatst zij, al zoude die ook eene hindernis opwerpen voor eene voortdurende ingetogenheid en een beletsel zijn voor een langdurig bidden â de liefde waarmede elke handeling van een werkzaam leven en elke beslommering van dagelijksche zorg aan God worden opgedragen, de waakzaamheid om alles te vermijden wat de beweegreden en het doel van het doen en laten zoude bezoedelen, de goede meening om door alles God te verheerlijken en zijne eigene ziel en die van anderen te heiligen, zij maken dat God naar best vermogen geëerd en Hem de verschuldigde dank gebracht wordt. Zelfs zal de ware liefde machtig genoeg wezen om de in schijn onverschilligste daden te heiligen en ze te verheffen tot een dankoffer den Gever van alle goed welgevallig. Denkt bij voorbeeld aan het nemen van het noodige voedsel, aan de noodzakelijke ontspanning van geest en lichaam, aan het vervullen der plichten door de menschelijke samenleving en maatschappelijke verhoudingen opgelegd, als de christelijke liefde ze regelt en bestiert, worden zij deugdzame daden en goede werken volgens den eisch van het Christendom,
vierde zondag in de vasten.
Is liefde alleen het gevoel, dat ons mag leiden of moet ook de vrees voor de kinderen van het Nieuwe Verbond evenzeer als voor de kinderen der Oude Wet een breidel wezen, waardoor zij op den rechten weg gehouden worden ? Wu zijn kinderen van de vrije vrouw â hoorden wy den h. Paulus verkondigen â met die vrijheid, waarmede christus ons heeft vrijgemaakt ; maar die vrijheid is geen teugeloosheid, geen vrijbrief welke den Christen veroorlooft te doen, waartoe zijne bedorvene natuur, welke in hem nooit geheel uitgeroeid is, aandrijft. Ook hij moet daarom vreezen en blijven vreezen tot aan zijn dood, want ook hem dreigt het gevaar, dat hij aan zijne hooge roeping ontrouw wordt en de eeuwige goederen verbeurt, welke hem beloofd zijn. Allen moeten met vrees en beving aan hunne zaligheid arbeiden (Phil. II, 12), allen met omzichtigheid wandelen, nauwlettende op hun doen en laten (Eph. V, 5). Hij dus zoude geen prediker der waarheid maar der leugen wezen die, om de wet der vrijheid in hooge eere te houden, eene neiging bestreed of verachtte, welke door de Kerk als eene gave van den H. Geest, als een beginsel van rechtvaardiging en als een middel ter heiliging wordt aangeprezen. De ware vrees is nuttig, heilzaam, noodzakelijk èn voor den zondaar, opdat hij van den boozen weg terugkeere tot zijnen God, dien hij verlaten heeft, èn voor den rechtvaardige, opdat hij zich voor een val behoede en in waakzaamheid volharde.
Laten wy echter er terstond bijvoegen, dat de vrees der vrije Christenen eene geheel andere is dan die der slaafsche Joden was. Als de koninklijke Profeet den mensch noemde gelukkig, die den Heere vreest, die grooten lust heeft in zijne geboden (Ps. CXI, 1â3); als hij die gezindheid zóó hoog waardeerde, dat hij niet aarzelde den koningen zelfs toe te roepen : dient den Heere met vreeze, en huldigt Hem met beving (Ps. II, 11), dan dienen wij onder die gemoedsstemming niets anders te verstaan dan hetgeen de h. Lucas van de Kerk
376
VIERDE ZONDAG IN DE VASTEN.
377
te Jerusalem getuigde, dat zij wandelde in de vreeze des Hee-ren en vervuld iverd met de vertroosting des H. Geestes (Hand. IX, 31), of waartoe de h. Paulus de Corinthiërs vermaande: laat ons zeiven reinigen van alle besmetting des vleesches en des geestes, onze heiligmaking voltooiende in de vreeze Gods (II Cor. VII, 1). De Joden gedroegen zich in hunne onderwerping als slaven en werden van het overtreden der Wet teruggeschrikt deels door het duchten der straffen, waarmede de overtreders bedreigd waren, deels door het verlangen naar de tijdelijke voordeelen, welke aan de onderhouders heloofd waren. Als weerbarstigen moesten zij of door de tuchtroede in toom gehouden of door schoone beloften aangelokt worden; van kinderlijken eerbied voor de Majesteit noch van eene vrijwillige dienstbaarheid aan de Opperheerschappij van Jehova gaven zy â de goeden uitgezonderd â al zeer weinig blijk. Maaide oprechte Christenen ! Al zoude God het overtreden zijner geboden niet straffen, al zoude Hij minder krachtig aandringen op het naleven hunner verplichtingen â de liefde voor zijne oneindige Goedheid, de dankbaarheid voor zijne nooit volpre-zene weldaden, de diepe eerbied voor zijne onmetelijke Grootheid waren voldoende om hen in nederige onderdanigheid te doen bukken voor het gezaghebbend woord, dat Hij spreekt; zy vreezen minder zijne straffende hand te wapenen dan zijne Liefde te beleedigen. Niet zoo zeer om zich zijne belooningen te verzekeren dan wel om zijn welbehagen te verdienen, luisteren zij naar hetgeen Hij verlangt en wil. Zij stellen er prjjs op, in Gods Vriendschap te leven en hunne dankbaarheid en getrouwheid te betoenen. In dien zin ook moet deze verklaring van den h. Joannes verstaan worden; vrees is er in de liefde niet, maar de volkomene liefde drijft de vrees buiten ; want de vrees heeft straf, en hij die vreest, is niet volkomen in de liefde (1 Joan. IV, 18), De Christen wordt vooral bezield door die heilige, vreedzame, eerbiedige, door de liefde ingeboezemde, angstvallige zorg, welke er op
vierde zondag in de vasten.
bedacht is om de oneindige Goedheid ook door kleine overtredingen niet te beleedigen, en âdie vrees zalquot; â zooals de h. Thomas leert â âtoenemen, als de liefde vuriger wordt, âgelijk elke werking in kracht wint als de oorzaak sterker âwordt; want hoe meer iemand God bemint, des te meer âzal hij vreezen Hem te beleedigen en van Hem gescheiden âte worden,quot; en de h. Joannes van het Keuis bevestigt die verklaring schrijvende : âzoodra eene ziel den Geest van vreeze âop volkomene wijze ontvangen heeft, bezit zij ook op vol-âkomene wijze den Geest van liefde ; want de laatste der zeven âgaven is de kinderlijke vrees. De volkomene vrees voor den âZoon Gods komt voort uit de volkomene liefde voor den âhemelschen Vader. Wanneer dan ook de h. Schrift een of âanderen persoon als volmaakt in de liefde wil voorstellen, ânoemt zij hem God-vreezend. Bij den h. Lucas bij voorbeeld âheet de grijze Simeon rechtvaardig en God-vreezend (II 25).quot;
Opmerking. Evenals Isaac, de vrije zoon der vrije Sara, de erfgenaam van de goederen zijns vaders was, evenzoo zijn wij, kinderen der Kerk van Jesus, in het volle bezit gesteld van al de geestelijke goederen, welke onze Heer Jesus Christus ingesteld en voor ons gebruik toegankelijk gemaakt heeft. Aan die onverdiende weldaad worden wij vooral op dezen Zondag herinnerd door de besprokene leer van den grooten Apostel, en de tijd van de Vasten, waarin de leerrijkste vermaningen met bijzonderen nadruk aan de Christenen worden voorgehouden, waarin van onze schepping door Gods Almacht, van het doel waarvoor wij leven en van de bestemming welke wij moeten bereiken, alsook van den strijd welken wij te voeren hebben ter zaliging van onze ziel, met veel klem wordt gewag gemaakt, die tijd is vooral geschikt om de levendigste gevoelens van dankbaarheid in ons hart aan te kweeken. â Hiermede voldoen wij echter nog niet aan al de verplichtingen, welke de belijdenis des Christendoms oplegt. Daden, voorbeeldige daden worden van ons gevergd, welke het bewijs leveren, dat de ware geest van God-vreezendheid ons bezielt en wij voor geene moeilijk-
378
VIERDE ZONDAG IN DE VASTEN.
379
heid terugdeinzen, al wordt daardoor eenige zelf-overwinning gevraagd. Immers, niet minder dan tusschen Ismaël en Isaac is het verschil groot tusschen naam-Christenen en diegenen, welke met recht dien eere-titel dragen. Om een voorbeeld te noemen, ontleend aan de dagen van zaligheid, welke wij nu beleven, ontleend ook aan den geest, waardoor de h. Kerk aangedreven werd om heden den bovenstaanden Epistel aan hare geloovigen te doen voorlezen: op dezen Zondag wordt het Kerkelijk gebod opnieuw afgekondigd dat, wie den gevorderden leeftijd bereikt hebben, op zware zonde verplicht zijn op eene waardige wijze de h. Communie in den Paaschtijd te ontvangen. De vervulling van die goddelijke en kerkelijke wet is het waarmerk van den oprechten Christen. Het hoogste goed dat Jesus' Liefde ons naliet, is besloten in het h. Sacrament des Altaars; het geestelijk leven, dat aldaar gevonden wordt, is de erfenis door den Verlosser aan zijne leerlingen vermaakt. Maar niet aan allen, niet aan de slaven der zonde, wel aan de kinderen der genade. Een vleeschelijk gezind, een wereldsch Christen, die dienaar van Satan en vijand van zijn Verlosser is, mag op die geestelijke goederen geen aanspraak maken, zoolang hij blijft wat hem tot een voorwerp van afschuw maakt in de oogen van zijn hemelschen Vader. Als Ismaël moet hij dolen in de woestijn, aan honger en dorst ten prooi. Eerst dan, wanneer hij, de afgedwaalde zoon, met berouw en met de verfoeiing van elke grove overtreding naar des vaders huis is teruggekeerd, mag hij aan die geestelijke spijze deelnemen, welke het bovennatuurlijk leven onderhoudt en recht geeft op het eeuwig loon bij God in den Hemel. Dat hij zich groote zelfbeheersching, verloochening van eigen wil, overwinning van driften en neigingen, een volhardend smeeken om de noodige genade moet getroosten, dat is aan geen twijfel onderhevig. Wil hij geen Ismaël blijven, dan moet hij een Isaac worden, want de voorrechten des Christen zijn alleenlijk voor hen, die zonen zijn der genade, dfe zich verheugen in de vrijheid der kinderen van God.
PASSIE-ZONDAG.
Broeders ! Christus, als hoogepriester der toekomstige goederen opgetreden zijnde, is door den grooteren en meer volmaakten tabernakel, die niet met handen gemaakt, dat is : niet van deze schepping is, en niet door het bloed van bokken of vaarzen, maar door zijn eigen bloed, éénmaal in het heiligdom binnengegaan, na eeuwige verlossing verworven te hebben. Want indien het bloed van bokken en stieren en de besprenkeling met de asch der jonge koe de besmetten zuivert tot reiniging des vleesches, hoeveel meer zal het bloed van Christus, die Zich zeiven door den Heiligen Geest onbevlekt aan God heeft opgeofferd, ons geweten zuiveren van doode werken, om den levenden God te dienen ? Daarom ook is Hij Middelaar des Nieuwen Testaments ; opdat, door tusschenkomst van zijnen dood tot verzoening van die overtredingen, welke onder het vorig Testament geschied waren, zij, die geroepen zijn, de belofte ontvangen mogen der eeuwige erfenis, in Christus Jesus onzen Heer. Hebr. IX, 11 â 15.
PASSIE-ZONDAG.
Inleiding. Wij staan aan den vooravond van de groote lijdensweek ; nog weinige dagen en de teederste gevoelens van elk christelijk hart zullen geschokt worden door de herinnering aan den pijnlijken en smaadvollen dood van onzen grooten God en Zaligmaker. De Kerk, die zorgzame Moeder, welke hare onderrichtingen weet te regelen naar de behoeften barer kinderen, begint nu reeds al onze opmerkzaamheid te vragen voor het hoogst heilig werk van den Heer Jesus Christus. Gedurende de verloopene weken heeft zij ons Hem doen kennen nu eens als het Voorbeeld dat nagevolgd dient, dan als den Leeraar van Wiens lippen woorden van leven moeten opgevangen of als den Herder Wiens voetstappen moeten gedrukt worden, een ander maal als den Geneesheer die de wonden der ziel zoowel als die des lichaams genas, soms als den God van alle vertroosting, die helpt en steunt waar nood of lijden om uitkomst bidt; op dezen dag echter wijst zij op Jesus als den Hoogepriester, die door zijn eigen Bloed voor de zonden van zijn volk voldeed. Wij hebben aldus zijne voorschriften gehoord, zijne wonderen herdacht, zijne deugden bewonderd, nu wordt onze oplettendheid gevestigd op zijn lijden en sterven en op de verdiensten, welke Hij verwierf. Het Hoogepriesterschap van Jesus, de oneindige Waarde van zijn Offer, de onuitputtelijke Bron van genaden, welke op den Calvarie-berg voor het heil der geheele wereld ontsprong â welk een onderwerp voor Godminnende zielen ! Een verhevener en belangrijker is niet denkbaar. De plicht van dankbaarheid vergt dan ook van ons, dat wij de hoogste inspanning van onzen geest te baat nemen om een zoo volledig mogelijk begrip te vormen van de zaligende kracht van het Kruisoffer, hetwelk de goddelijke Hoogepriester van het Nieuwe Verbond bracht, dat wij tevens 't ons duidelijk maken, hoe wij op de rijkste wijze aan de vruchten daarvan kunnen deelachtig worden. Daarom wenschen wij voor deze twee onderwerpen aller aandacht te vragen:
I. Jesus Christus is de volmaakte Hoogepriester van het Nieuwe Verbond;
II. op velerhande wijzen kunnen wij aan de oneindige verdiensten van zijn Zoenoffer deel verkrijgen.
381
PASSIE-ZONDAG.
I.
Laatst verleden Zondag leerde de h. Kerk met de woorden van den h. Paulns ons in 't algemeen het groote verschil, dat er tusschen het Oude en het Nieuwe Verbond bestaat; nu stelt zij meer in 't bijzonder den goddelijken Verlosser in zijne hoogpriesterlijke Waardigheid tegenover de opvolgers van Aaron, het Kruisoffer van Christus tegenover het zoenoffer der Oude Wet. Want, de Christenen moeten inzien, dat zij het hoogste en heiligste goed van Jesus' Liefde ontvangen hebben, en dat onder de Wet der genade altijd eene bron van geestelijke goederen zal blijven springen, zoolang er menschen te zaligen zijn. Het offer op het Kruis gebracht, den dood van den Verlosser der wereld, de oneindige verdiensten door Jesus verworven ter heiliging van allen â die onderwerpen besprak de h. Paulus in zijn brief aan de bekeerde Joden met de woorden, welke wij zoo even lazen, en de h. Kerk, steeds bezorgd dat hare kinderen die waarheden des heils nimmer vergeten, wil dat hare gewijde dienaren ze hun voorhouden en verklaren. Om echter den diepen zin daarvan te vatten, is het noodig dat wij de herinnering verlevendigen aan de volgende bijzonderheden uit de wetgeving, welke God aan het volk van Israël had voorgeschreven,.
De Tabernakel der Joden bestond uit twee deelen. In het Heilige, waarbinnen de priesters, de middelaars tusschen God en zijn volk, en uitverkorene dienaars van Jehova, alleen mochten ingaan om hun heilig dienstwerk te verrichten, stonden de tafel der toonbrooden, opdat voortdurend de Goedheid van Hem verkondigd werd, die zijn volk spijzigde; de kandelaar met zeven armen, want de reine vlam der gouden lampen moest altijd branden, als de afglans van het licht Desgenen, die alles ziet en alles verlicht; het reukaltaar, waarop tweemaal daags, 's morgens bij het vullen en 's namiddags bij het ontsteken van de lampen des kandelaars,
382
PASSIE-ZONDAG.
reukwerk gebrand werd als een offer ter aanbidding van de goddelijke Majesteit. â Het Heilige der Heiligen was de bewaarplaats van de verhevenste heiligdommen des Ouden Ver-bonds â van de twee steenen tafelen, waarop Gods vinger de tien geboden geschreven had, en van het groote altaar der verzoening. Wie daarbinnen trad, werd met den dood gestraft. Alleen de Hoogepriester, en dan nog slechts eenmaal in het jaar en na het vervullen van vele en juist om-schrevene plechtigheden, mocht daar binnengaan om als de vertegenwoordiger van het joodsche volk op te treden en te offeren voor zijne zonden en voor die van geheel Israël. Door het Heilige ging hij het Allerheiligste, dat door measchen-handen gemaakt was, binnen maar beladen met het bloed van een stier en bok. Ook eene offerkoe werd op dien dag buiten de legerplaats geslacht en geheel tot asche verbiand. De asch werd zorgvuldig verzameld en bewaard om, vermengd met water, ter besprenging te dienen, ten einde hen, die wegens wettelijke onreinheid vooral door aanraking van een doode besmet waren, van die lichamelijke onreinheid te zuiveren. â Na deze historische bijzonderheden, waarop de h. Paulus zinspeelde zonder ze in 't breede op te sommen, dewijl ze aan de bekeerde Joden overbekend waren, vooropgezet te hebben, zullen zijne woorden, hoe verheven en diep van be-teekenis ook, minder moeilyk te begrijpen zjjn.
De Hoogepriester met zijne voorrechten en waardigheden, zelfs in zijne ambtsverrichtingen op den grooten verzoendag, in de offers welke hij opdroeg en in de reiniging des vleesches welke hij kon bewerken, was eene vóórafbeelding, maar niets meer dan eene zeer onvolkomene, dan eene flauwe vóórafbeelding van de alles overtreffende uitnemendheid van Jesus' Hoogepriesterschap. De hoogste waardigheid-bekleeder van het Oude Verbond werd uit de menschen genomen ; zijne aanstelling viel evenals zijne geboorte in den tyd; telken jare opnieuw moest hij een zoenoffer opdragen niet minder voor
383
PASSIE-ZONDAG.
384
zyne eigene overtredingen dan voor die van zyn volk; geen beter offer stond hem ten dienste dan het bloed van rede-looze dieren; ontreiniging des lichaams kon hij bewerken, maar vergiffenis van zonden en hernieuwing van den inwen-digen mensch kon hij slechts aanduiden, geven vermocht hij ze niet. â In eene ontzagwekkende verhevenheid staat tegen hem over de eenige Middelaar van het Nieuwe Verbond, Jesus Christus. Wat bij den eene tijdelijk en aardsch was, is bij den Hoogepriester van de Nieuwe quot;Wet eeuwig en he-melsch. De Zoon Gods is van alle eeuwigheid en kent geen begin noch einde; zijn uitgang is â volgens den Profeet Malachias â van de dagen der eeuivigheid en â volgens David â is Hij vóór de morgenster van den Vader verwekt, en zijn Priesterschap, gelijk het in de plannen van Gods Voorzienigheid van eeuwigheid dagteekent, zal ook duren tot in eeuwigheid. Hij staat, al is Hij mensch geworden, niet met de inenschen gelijk maar is, ook naar zijne menschelijke natuur, opgenomen in het eeuwig raadsbesluit Gods ter verlossing van het menschdom, ofschoon Hij in de volheid des tijds uit Maria geboren en in de laatste tijden verschenen is. Voor bestemd vóór de grondlegging der wereld, werd Hij van de grondlegging af der wereld geslacht in dien zin, dat zijn Offer in latere dagen te brengen eene terugwerkende kracht bezat ter zaliging ook van hen, die vóór zijne verschijning in het vleesch leefden. Nauwelijks onder de zijnen gekomen, begon Hij zijn Offer ter verlossing van den mensch op te dragen, reeds in den schoot zyner maagdelijke Moeder, om het voort te zetten bij zijne Besnijdenis, bij zijne Opoffering in den tempel, gedurende zijn drie en dertig jarig Leven, en het te voltooien op het Kruis. Andere belangen, welke de heiliging en zaliging der menschen niet beoogden, bleven Hem ten eenenmale vreemd. Om den wil des Vaders te volbrengen, was Hij op aarde gekomen en die wil was 's menschen heiligmaking. Wanneer Hij de goddelijke waarheden predikte als
PASSIE-ZONDAG.
Leeraar of de toekomst voorspelde als Profeet of zijne geboden afkondigde als Wetgever, Hy deed het eene en het andere om wille, uit Liefde voor de menschen, met de eenige bedoeling om bannelingen tot erfgenamen des huizes, om slaven der zonde tot vrye kinderen Gods te maken.
Dat allerverhevenste doel kon Hij en Hij alleen bereiken, want mensch zijnde was Jesus ook God en zondeloos. Hy behoefde niet zooals de Hoogepriester van het Oude Verbond eerst voor Zich zeiven te offeren. Want Hy was heilig, onschuldig, onbevlekt, afgezonderd van de zondaren, die wel in alles beproefd geworden is maar zonder zonde (Hebr. VII, 26; IV, 15). In zijn mond werd geen bedrog gevonden; niemand kon Hem van zonde overtuigen; Hij deed alles wel, zelfs wilde Hij in alle lijden beproefd worden en sterven voor de zijnen, die Hij van eeuwigheid had liefgehad. Hy waa der wereld door den Vader gegeven en met Hem zijn ons alle goederen geschonken, zóódat allen alles van zijne volheid kunnen ontvangen. Dat zyn de toekomstige goedeben, welke de Hoogepriester van het Nieuwe Verbond gebracht heeft door zijne bediening: de vergiffenis namelijk van zonden, de rechtvaardiging voor God en daarna de eeuwige zaligheid. Zy heeten toekomstige, al zijn zij reeds begonnen met de komst van Gods Zoon op aarde; want als zoodanig waren zij voorspeld door de Profeten en het volle genot daarvan zullen wij niet smaken dan in de eeuwigheid. Tot die goederen mogen wij dan ook rekenen alle genade-middelen, waardoor het eeuwig geluk kan verzekerd worden. De oude Wet is door Jesus vervolmaakt en tegelijk heeft Hij zijn last licht en zijn juk zoet gemaakt; Hij werd het Licht door alle waarheid te leeren, zóódat wie Hem volgt niet in de duisternis wandelt maar het licht des levens bezit; Hij is de verdienende oorzaak geworden van alle genaden, welke wij op onze pelgrlmsreiz-naar de eeuwigheid noodig hebben om niet te vallen, om gevallen zynde op te staan en om, na eene gelukkige opstan-
Vcrklaringen der Epistelen. 25
385
passie-zondag.
ding uit den dood der zonde, een nieuw leven voor God te beginnen en, volhardend ten einde toe, de ons voorbereide woningen binnen te gaan. Geen Hoogepriester van het Oude Verbond, al denken wy hem in deugd verre verheven boven al zijne geloofsgenooten, kon zulke goederen geven.
Na volbrachte levenstaak is onze goddelijke Hoogepriester
door den grooteren en meer volmaakten tabernakel, die niet met handen gemaakt, dat is: niet van deze schepping
is, eenmaal in het Heiligdom binnengegaan. Wat de Tabernakel beduidt, waarvan de h. Paulus spreekt, daaromtrent verkeeren wij in onzekerheid. Hij is grooter en volmaakter dan het joodsche Heilige, waardoor de Mosaïsche Hoogepriester heenging om het Heilige der Heiligen te bereiken; verder zegt de Apostel niets. Maar wat is hij dan ? Misschien de men-schelijke natuur, waarin onze aanbiddelijke Verlosser leed en stierf; de aarde, waarop hij werkte en leerde en bad en ten laatste zijn leven gaf voor het heil der wereld; de Kerk, welke Hij stichtte in zijn Bloed; de wolken-hemel, welken Hij bij zijne Hemelvaart doorging, om bezit te nemen van het Rijk, dat Hem was voorbestemd vóór de grondlegging der wereld ? Tegen elke dier opvattingen kunnen en zijn ook gegronde bezwaren ingebracht; doch wat zoude er tegen wezen, als men de meening voorstond, dat het eene zoowel als het andere in de bedoeling lag van den Apostel en hij had willen zeggen: âonze groote God en Zaligmaker, voor het âuiterlijke als een mensch bevonden, leefde onder de zijnen âop deze wereld en, gestorven als slachtoffer voor de zonden âder wereld, ging Hij langs de heerbaan der sterren, welke âHem volgens den Profeet Habacuc op zijn doortocht als âden Heer van alles begroetten, den Hemel in.quot; Dan hebt gij een beknopten inhoud van het God-menschelijk leven des Verlossers, eene verkorte samenvatting der voorbereiding voor zijn eeuwig leven bij den Vader, met andere woorden: een verhevener, een grootscher Tabernakel of Voorhangsel
386
passie-zondag.
of Doorgang dan met mogelijkheid is uit te denken. Hoe dit zij, om ook met zijne Menschheid in het Heilige der Heiligen, in den hoogsten Hemel binnen te gaan, waar Gods oneindige Majesteit zetelt, gebruikte onze Hoogepriester, niet het bloed van bokken of vaarzen, maar Hij ging het ware, het hemelsche Heiligdom in door Zijn eigen Bloed, dat Hij eerst druppelsgewijze bij zijne Besnijdenis en later met volle stroomen in zijn lijden en op het Kruis vergoot. Dat was het ware, het reinigende, het verzoenende Offerbloed, hetwelk ons geweten, den inwendigen mensch in tegenstelling van het vleesch, van doode werken, van die werken welke de ziel verontreinigende en van God verwijderende haar den geestelijken dood berokkenen, zuivert ; hetwelk de zonden wegneemt en waarvan één enkele druppel de geheele wereld van alle misdaden kan reinigen; hetwelk beter spreekt dan dat van Abel, want Jesus' Bloed spreekt van genade en vergeving, maar dat van Abel riep om wraak. De heiligende kracht van Jesus' heilig Bloed leert ons de Apostel door te verklaren, dat wij in staat gesteld werden om den levenden God te dienen door goede werken, waartoe Jesus de noodige genaden verdiend heeft. Aan Hem daarom eere en dank gebracht, aan Hem, die door zijne Offerande eene altijd werkende kracht ter heiliging en zaliging onzer ziel verwierf. Wat kon ook den Vader welgevalliger en den mensch heilzamer zijn dan de zoendood van Jesus, Wien niet een ander maar die zich zelven heeft opgeofferd, onbevlekt in den volstrekten zin van de hoogste zedelijke volmaaktheid, en wel door den Heiligen Geest, van Wien Hy vol was ook naar zijne menschelijke natuur?
Het verheven geheim der verlossing licht de Apostel nog door deze vergelijking toe. Kon het bloed van bokken en stieren en de besprenkeling met de asch der jonge koe de besmetten zuiveren tot reiniging des vleesches, hoe veel meer zal het Bloed van Christus ons geweten zuiveren! Hij heeft dan ook, slechts eenmaal in het Heiligdom ingaande, eene eeuwige
387
passie-zondag.
verlossing verworven, om de voortreffelijkheid én van den Offeraar en van de Offerande. Daarom ook is Hij Middelaar des Nieuwen Testaments; omdat Hij door zijn Offerdood metterdaad verwezenlijkt heeft, wat de offers van het Oude Verbond wel aanduidden maar niet vermochten te geven, is Hij in waarheid geworden de Middelaar van het Nieuwe Verbond, dat God beloofd had te zullen sluiten. Wel moest Jesus daarvoor eerst aan het Kruis den smartelijksten dood sterven; maar door tusschenkomst van zijnen dood was de verzoening bewerkt van die overtredingen, welke onder het vorig testament geschied waren. Evenwel niet van die overtredingen alleen. Dewijl de h. Paulus tot de bekeerlingen uit het Jodendom zijne woorden richtte, noemde hij geene andere op. Wy echter weten, dat Christus voor alle zonden van alle eeuwen voldaan heeft, dat de kracht van zijn Zoenoffer zich uitstrekt tot alle overtredingen van het geheele menschelijk geslacht: Hij is, schreef de h. Joannes, de verzoening voor onze zonden, en niet alleen voor de onze, maar ook voor die van de geheele wereld (1 Joan. II, 2).
Opmerking. Hoe liefderijk was de bedoeling, welke den goddelijken Verlosser tot dat werk der verzoening aandreef, hoe zegenrijk ook en juist berekend zoowel naar 's menschen geestelijke behoeften als naar zijne eeuwige bestemming was het werk, dat Jesus volbracht! Den zondaar uit diens ellende opheffen door hem van de slavernij te bevrijden, hem heiligen door zijne genade en dan hem de belofte der eeuwige erfenis verzekeren, van die erfenis waarvan de goederen in het Oude Verbond beloofd niets meer waren dan eene afschaduwing â daarvoor werkte Jesus een leven lang, stierf Hij aan een Kruis en ging den Hemel binnen. â Nimmer zullen wij die onbegrensde Liefde met voldoende dankbaarheid kunnen beantwoorden. Ofschoon Jesus in eene niet te evenaren grootheid door zijne goddelijke waardigheid verheven was boven den Hoo-gepriester der Oude Wet, ofschoon Hij God van God, de Eengeboren Zoon des hemelschen Vaders was, wilde Hij het Offer
388
PASSIE-ZONDAG.
389
voor onze zonden wezen en door zijn goddelijk Bloed reiniging bewerken van onze onsterfelijke zielen, zóódat allen gerechtvaardigd kunnen worden en behouden voor den toorn Gods; wil Hij het Priesterschap uitoefenen, waartoe Hij van eeuwigheid was voorbestemd en dat duurt tot in eeuwigheid, daar Hij altijd leeft om voor ons te bidden en de oneindige verdiensten van zijn Zoenoffer aan God op te dragen, zóódat Hij voor eeuwig kan zalig maken degenen, die door Hem tot den Vader gaan; wil Hij Middelaar zijn, zóódat Hij werkzaam blijft zoolang er zielen gezaligd en de goederen moeten uitgedeeld worden, welke Hij door zijn Verlossingswerk verwierf voor geheel het menschdom. De Vader heeft Hem aan de wereld gegeven, in Wien alle schatten van wijsheid en wetenschap waren verborgen en Die vol van genade en van waarheid onder de zijnen leefde; nu Hij zetelt in het Rijk der eeuwige glorie, vloeien der verloste menschheid stroomen van genaden toe, opdat zij hare trouw tegenover God bewaren en door te volharden de eeuwige erfenis verwerven kunne. Dat is het Nieuwe Testament door Jesus Christus gesticht en door zijn dood bevestigd. Het staat onwrikbaar vast en zal niet meer veranderd worden. De geestelijke goederen, door Jesus ons nagelaten, zullen ons niet geweigerd worden. Wij hebben er een onvervreemdbaar recht op verkregen, mits wij de voorwaarden vervullen, welke door den Erflater zijn vastgesteld. â Laten wij dan â roept de h. Paulus ons nog voortdurend toe â met vertrouwen toetreden tot den troon der genade, opdat wij barmhartigheid mogen verkrijgen en genade vinden in hulp te bekwamen tijde (Hebr. IV, 16). Voor eene weigering om ons gebed te verhooren, voor eene beschamende afwijzing behoeven wij niet te vreezen. De Vader is rijk aan Barmhartigheden, en Hij luistert gaarne naar de smeekingen zijner kinderen, vooral wanneer zij ondersteund worden door een zoo verheven Hooge-priester als Jesus is. Maar Jesus zelf, zoude Hij voor ons ten beste willen spreken ? Hij leeft daarvoor en is goedertieren jegens de menschen, wier zwakheden Hij kent. Immers, verklaart de Apostel verder â wij hebben geenen Hoogepriester, die geen medelijden kan hebben met onze zwakheden, maar
PASSIE-ZONDAG.
een die in alles beproefd is geworden, gelijk er wijs als wij, zonder zonde (Hebr. IV, 15). â Zoo wij derhalve slechts willen, kunnen wij vasthouden aan de belijdenis van ons geloof en leven uit het geloof. De bovennatuurlijke genade, welker steun ons staande kan houden, zal ons nimmer ontbreken. Het medelijdend Hart van onzen Hoogepriester is daarvoor een waarborg. Hij zelf heeft immers tiü hetgeen hij leed, gehoorzaamheid geleerd, uit ondervinding als mensch geleerd, hoe zwaar het gehoorzamen vallen kan (Hebr. V, 8). En zoude Hij dan, ons ziende worstelen en hoorende vragen, ongevoelig kunnen blijven, terwijl Hij over onuitputtelijke schatten beschikt? Neen; dit is onmogelijk. Zijne Liefde is onbegrensd evenals zijne Almacht onbeperkt is en zijne beloften onfeilbaar zijn. Daarom ligt in de gedachte aan het medelijden van onzen goddelijken Hoogepriester zulk eene krachtige opwekking voor eiken noodlijdenden Christen opgesloten, om nimmer moedeloos te worden maar te blijven vertrouwen op Hem, die om ons den smaad des Kruises verdragen en voor ons den Hemel verdiend heeft.
II.
Boven spraken wij van te vervullen voorwaarden, vóóraleer wij een beroep mogen doen op het medelijdend Hart van onzen goddelijken Hoogepriester. Hier rijst derhalve de vraag, welke die voorwaarden zijn, opdat wij met recht mogen verwachten, dat de oneindige verdiensten van Jeamp;us' Zoenoffer in rijke mate ons deel zullen worden ? â Op den grooten verzoendag waren de Joden tot een streng vasten verplicht en eveneens tot het brengen van verschilleride offers. Dit alles was eene voorbeduiding van hetgeen in latere tijden van de Christenen zoude gevorderd worden, die leven onder de wet van genade na door Jesus' goddelijk Bloed vrygekocht te zijn uit de slavernij van Satan om den levenden God te dienen, met ijver en op volmaakte wijze. Geen redelooze dieren mogen onze offers wezen maar
390
PASSIE-ZONDAG.
391
onze geest door vernedering, ons hart door berouw en ons lichaam door versterving. Zoo luidt de geest des Christendoms, door den h. Paulus op schier elke bladzijde van zijne brieven met aandrang ter beoefening voorgehouden. âHij bezwoer zijne geloovigen âom toch niet hooger van zich zeiven te denken dan be-âhoorliik was, om niet eigenwijs maar bescheiden van geest âte wezen; hij wilde, dat zij zich niet langer zouden bekom-âmeren om de besnijdenis des vleesches naar de letter van âde Oude Wet maar met des te meerdere zorg zich zouden âtoeleggen op de inwendige besnijdenis des harten; hij riep âhen op om hun weerspannig vleesch met al zijne ondeugden âen begeerlijkheden te kruisigen, opdat zij van hun lichaam âzelf een offer konden maken, dat levend en heilig en Gode âwelbehagelijk was (Zie Rom. II, ^9 ; XII, 1. 3. 16: Gal. V, 24). In die voorschriften van den grooten Apostel bestaat de ware, redelijke en geestelijke eeredienst, waardoor de Christen deel verkrijgt aan Jesus' verdiensten. Eene bloot uitwendige vereering kan God niet behagen ; Hij vordert van de kinderen zijner Kerk in de volgende dagen eene hernieuwing des gemoeds, des inwendigen menschen, naar het beeld van hem, die het eerst geschapen is in rechtvaardigheid. â Onder de Oude Wet, eene afbeelding en schaduw der Nieuwe, waren de Joden verplicht, wilden zij op vergiffenis van zonden kunnen hopen, hunne offers vergezeld te doen gaan met eene oprechte belijdenis van schuld en met leedwezen over de bedrevene overtredingen en zonden ; al wie op den grooten Verzoendag, onder de geheimzinnige besprenkeling met de asch, zijne ziel â om met David te spreken â niet vernederd, niet vermorzeld had, moest den dood sterven. En zoude van ons, die veel meer bevoorrecht zijn dan het spoedig ontaarde volk van Israël was, minder gevergd worden ? Wee dengenen, die zich aan dien ijdelen waan overgaven. De grootste genaden gingen voor hen verloren; met moedwil verzaakten zij aan de eeuwige erfenis des heils. Zij stelden
PASSIE-ZONDAG.
zich vrijwillig bloot aan het groote gevaar, de eeuwige goederen, welke de Hoogepriester van het Nieuwe Verbond voor hen verdiend heeft, te verliezen, evenals de Joden om hunne misdaden het land niet betraden, dat aan hunne voorvaderen beloofd was. Hoe dwaas en onmeedoogend jegens zich zelveu zouden zij handelen, als zij dien noodlottigen weg opgingen, terwijl het hun door Gods Goedheid zoo gemakkelijk gemaakt is om deel te verkrijgen aan de oneindige verdiensten van Jesus' Zoenoffer! Nu toch beginnen voor eiken Christen die dagen van heil en van zaligheid, gedurende welke ook de grootste zondaar zich op geheel bijzondere wijze zal aangespoord gevoelen om met zijn misdadig verleden te breken en een nieuw leven voor God te beginnen, zich met ijver op het doen van goede werken toeleggende. Gave God dat geen enkele zich tegen die aanmaning der liefde verhardde, dat allen zich tot den Herder der zielen bekeerden en Hem den zoeten troost gaven, dat zijn goddelijk Bloed voor hen niet te vergeefs gevloeid had. Een goed berouw, eene kortstondige zelfoverwinning en eene nederige belijdenis van schuld â zij zullen dien zaligen omkeer bewerken.
Over drie middelen, groote en machtige middelen, kan een ieder beschikken, opdat hij van zondaar een gerechtvaardige worde. De vastentijd geeft ze hem aan de hand, en de h. Kerk, zorgzaam als zij altijd is voor het wezenlijk heil barer geloovigen en erfgename van Jesus' Liefde, verplicht met een streng gebod tot twee daarvan, tot het derde met allen nadruk aanmanende. â Wie zich tot God den Heer wil bekeeren, hij overwege met godvruchtige aandacht het geheim des Kruises, het lijden van zijn goddelijken Verlosser. Moeilijk zal er een krachtdadiger middel ter verbetering van leven kunnen aangewezen worden. Laat eens een Christen met een levendig geloof zich die indrukwekkende bijzonderheden uit die treurigste aller dagen, dat
392
PASSIE-ZONDAG.
393
niet te evenaren tafereel van oneindige Liefde en van onoverwinnelijk geduld eenerzijds, en van de smadelijkste verguizing en van de pijnlijkste foltering anderzijds zoo duidelijk mogelijk voorstellen, en geen hart, wanneer het althans voor een medelijdend gevcel nog vatbaar is, zal onbewogen blijven. En zoude die eerste ontroering onder den invloed van Gods genade niet eene groote kracht kunnen worden ter opwekking van een levendig berouw ? Mij dunkt, dat wij het begin en den voortgang van dien omkeer ten goede ons in dezer voego mogen denken. De zondaar zal, al overwegende, tot het vernederend besef komen, dat ook om zijnentwille Jesus veel heeft willen lijden; deze overtuiging zal hem niet alleen beschamen, maar ook de afschuwelijkheid zijner zonden doen inzien. Zijn geest wordt verlicht, zijn hart geraakt, zijn wil iu eéne goede richting bewogen. Vernederd en tot in het binnenste zijner ziel door Jesus' Liefde getroffen, voelt hij zich aangespoord om uit zijn doodsslaap op te staan. Van zijne zwakheid bewust, begint hij te bidden en voelt zich allengs in een ander mensch herschapen. Zijn hoogmoed is gebroken; zijne hartstochten worden hem een last en een gruwel; zijne ijdele wenschen en wereldsche begeerten mishagen hem, terwijl hjj al meer en meer aan het hemelsche denkt; onder de inwerking der hem van boven toevloeiende genaden verlangt hij naar verandering van leven; de ketenen der zonde, door eigen schuld gesmeed, worden hem te zwaar en met een bede om barmhartigheid en vergiffenis werpt hij zich neder aan de voeten van het Kruis. â Nog is zijne bekeering niet volmaakt. Hij heeft het geleerd, dat onder de Wet der genade de belijdenis van schuld eene der voorwaarden is, welke vervuld dient te worden vóóraleer een zondaar van groote overtredingen kwijtschelding mag hopen. Zal hy voor dien eisch terugschrikken uit onredelijke vrees of valsche schaamte? Daar ginds ziet hij den biechtstoel, waar de dienaar des Heeren, een andere Samaritaan, hem met voorko-
PASSIE-ZONDAG.
394
mende en hulpvaardige liefde ontvangen en de genezende olie en den reinigenden wijn zal toedienen, opdat hij niet bezwijke aan de wonden, welke door de zonden aan zijne ziel zijn toegebracht. Dat de macht om in naam en volgens opdracht van God de zonden te vergeven a3,n den priester gegeven is, gelooft hij niet slechts, maar die overtuiging en het verlangen om van zijne zonden ontslagen te worden, doen hem ook alle moeilijkheden en de valsche schaamte overwinnen. Na een hartelijk berouw verwekt te hebben, vertoont hij zich aan den priester Gods en met de woorden op de lippen: âik heb gezondigd tegen den goeden, hemelschen âVader,quot; belijdt hij hetgeen hij misdaan heeft, zijn geweten ontlastende van een ondragelijken last en de Engelen des Hemels verblijdende, die vreugde hebben over de bekeering van eiken zondaar. Zoo doende wat van hem gevraagd werd, zal hij de verzekering ontvangen, dat hij niet te vergeefs zijn vertrouwen gesteld heeft op de onbegrensde Barmhartigheid van zijn God en Zaligmaker. âIn den naam van Godquot; â zal de priester hem zeggen â âontbind ik u van uwe zonden; âzij zijn u vergeven, en God zal ze niet meer gedenken; âga in vrede en zondig niet wederom.quot; â Nu is hij ten eenenmale gereinigd. De vrijspraak op aarde over hem uitgesproken is bekrachtigd in den Hemel. Van kind van gramschap is hy kind van liefde geworden en mag nu aanzitten aan den disch door des Vaders Goedheid voor zijne beminden bereid, nuttigen de spijze der Engelen en zijn dorst les-schen aan de fonteinen des Zaligmakers, waarvan de wateren springen ten eeuwigen leven ; nu mag hij zich met het hemel-brood voeden, in welks kracht hij wandelen kan tot aan den berg Gods. De H. Communie is voor hem niet meer eene spijze, welke hem den dood der ziel berokkent maar een geestelijk gastmaal, waar hem eene vermeerdering van heilig-makende genaden gegeven wordt. Hoe zwak hij voorheen ook ware, sterk als een leeuw en verschrikkelijk voor zijne
PASSIE-ZONDAG.
vijanden staat hij van die tafel des Heeren op, om met moed den hem wachtenden strijd tegemoet te gaan. Vrees, overbodige vrees kent hij niet meer, want hij voelt zich krachtig genoeg in Hem, Wien hij in zijn hart ontvangen heeft en die door het mededeelen zijner genaden den zwakste tot een held kan maken. Slechts eene vrees blijft hem nog bevangen, deze namelijk dat hij nogmaals den goeden Jesus zoude kunnen bedroeven, door Wiens verdiensten hij gereinigd en geheiligd is. Yan moedeloosheid echter zal bij hem geene spraak wezen. Hij weet in Wien hij geloofd, op Wien hij al zijne hoop gesteld heeft. Daarom zal hij van den eenen kant met dankbare liefde opzien naar den Tabernakel der Nieuwe Wet, waar zijn Jesus leeft om te blijven versterken en te blijven zaligen allen, die zijne hulp afsmeeken, en naar het altaar waarop dagelijks op onbloedige wijze hetzelfde goddelijk Offer wordt opgedragen, dat eens op den Calvarie-berg werd gebracht en waarvan de verdiensten meer dan voldoende zijn om duizende werelden te zuiveren, te heiligen, te vervolmaken; van den anderen kant zal hij niet verzuimen met een onbegrensd vertrouwen tot den Gever van alle goede gaven eene nederige bede te richten om de genade der volharding, opdat hem de eeuwige belooning niet ontga na volbrachten levensloop.
Opmerking. Ofschoon het moeite kost om van een onderwerp te scheiden, dat zoo rijk is aan leering, aan troost, aan opbeuring in den meestal pijnlijken en gevaarlijken strijd, welken een ieder te voeren heeft, is het toch noodzakelijk, omdat wij, die het leven der Kerk moeten medemaken, weldra wederom naar andere vermaningen moeten luisteren. Deze vraag evenwel moge hier nog beantwoord worden. Welke zijn de verplichtingen, door het ondoojgrondelijk geheim van Jesus' erbarmende Liefde voorgeschreven ? â De Zoon Gods kwam op aarde met het doel en met de bestemming om de Hoogepriester van het Nieuwe Verbond te wezen; wij moeten Hem in die ongeëvenaarde waardigheid aanbidden en door Hem God den Vader en God
395
PASSIE-ZONDAG.
396
den H. Geest; in een levendig geloof met Hem vereenigd moeten wij onze vereering, onze lofzangen door zijne goddelijke handen opdragen, opdat zij waardig zijn door de allerheiligste Drievuldigheid te worden aangenomen. â Jesus was de Hooge-priester der toekomstige goederen, welke Hij voor ons verwierf door zijn bidden en werken, lijden en sterven; nimmer zal iemand â zeiden wij reeds boven â hoe volmaakt hij ook zij, in staat wezen Hem daarvoor den verschuldigden dank te brengen; dit moet echter als eene reden te meer gelden om hart en handen ten Hemel op te heffen en alle Engelen en Heiligen uit te noodigen, dat zij zich verwaardigen om voor en met ons den goeden God voor al de gaven, welke Hij ons in Christus geschonken heeft, te danken, dewijl wij op die wijze ons onvermogen 't best aanvullen en door die machtige hulp doen kunnen, wat onze groote zwakheid en ellende beletten. â De goederen door Jesus ons verworven, zijn de genade en de glorie; de genade voor dit leven, opdat wij den levenden God kunnen dienen, ons met ijver op het verrichten van goede werken toeleggende; de glorie des Hemels, opdat wij eens en dan voor eeuwig mogen uitrusten van den arbeid, van het strijden en van het lijden. Dat zijn groote goederen, grooter dan ooit in 's menschen geest zouden opgekomen zijn, wanneer God zelf ze ons niet met zijn onfeilbaar woord beloofd had; maar dan moge ook geen dag van ons leven voorbijgaan, zonder dat eene dringende bede tot den troon van Gods Barmhartigheid worde opgezonden om hulp ten bekwame tijde; die genade is ons immer noodig, maar met die genade kunnen wij ook blijven staan, vooruitgaan en volharden ten einde toe.
PALM-ZONDAG.
Broeders ! Hebt toch in u hetzelfde gevoelen, dat ook was in Christus Jesus, die, daar Hij in de ge-staltenis Gods was, het geenen roof achtte aan God gelijk te zijn, maar die Zich zeiven vernietigde, de gedaante eens dienstknechts aannam en uiterlijk als mensch bevonden werd. Hij heeft Zich zeiven vernederd, gehoorzaam geworden zijnde tot den dood, ja tot den dood des kruises; en daarom heeft God Hem ook verheven en Hem eenen naam gegeven, die boven alle namen is; opdat in den naam van Jesus alle knie gebogen worde van die in den Hemel, op de aarde en onder de aarde zijn, en alle tong belijde, dat de Heer Jesus Christus in de glorie is van God den Vader. Philipp. II, 5â11.
Inleiding. De week is begonnen, waarin wij herdenken, dat onze beminnelijke Zaligmaker het lijden verdroeg en den smaad des Kruises niet achtte om voor het gevallen menschdom eene eeuwige verlossing te bewerken. Alles, wat wij in de vergadering der geloovigen zullen zien en hooren, zal ons doen denken aan zijn uitgang te Jerusalem. Reeds nu, op den eersten dag van die heilige week, vestigt de Kerk onze aandacht op de
PALM-ZONDAG.
398
nederigheid van den Persoon en op het moeilijk werk van den eenigen goddelijken Middelaar des Nieuwen Verbonds. In den Epistel, zoo even gelezen, hernieuwt zij bij ons de herinnering aan dezelfde waarheden, welke de h. Paulus meende in het geheugen der Philippiërs te moeten terugroepen. En zeker met de wijste en liefdevolste oogmerken. Die moeder is overtuigd, dat in de eerstvolgende dagen geene andere gevoelens ons mogen bezielen dan die, waarvan onze Heer Jesus Christus vol was, toen Hij zijn leven vrijwillig aflegde op het Ivruis om door dat ééne Offer het geheele menschdom te verlossen. Beoefende Hij toen vooral de nederigheid en de gehoorzaamheid in den volmaaktsten graad en dus op eene wijze, welke voor ons immer onbereikbaar blijven zal, toch is het voor ons allernoodzakelijkst, dat wij alle krachten inspannen en al de ons gegevene genaden gebruiken om Hem minstens zoo nabij mogelijk te volgen. Voor den wereldsch-gezinden mensch moge dit een eisch wezen, welke zijn weerzin opwekt en hem overdreven toeschijnt; voor den oprechten en ij verigen Christen kan hij niets terugstootends inhouden. Of zoude die verplichte navolging dezen te zwaar voorkomen, als hij al de gedachten van zijn geest en al de neigingen van zijn hart getrokken gevoelt naar het indrukwekkendste aller onderwerpen, terwijl hij zich verplaatst ziet in die treurige dagen, waarin zijn God en Verlosser was overgeleverd aan het folterendste lijden, aan de smadelijkste verguizingen en aan den bittersten dood? Zoude hij, een zondaar, durven weigeren zich te vernederen onder de machtige hand van God en, door een gedwee gehoorzamen aan de hoogste wet, tegen zich zeiven eene heilige gestrengheid uit te oefenen, de voetstappen drukkende van zijn Verlosser, die Zich niet spaarde om te voldoen voor zonden, welke Hij niet bedreven had? Van den anderen kant: zoude elke Christen den goeden God niet uit ganscher harte moeten danken, dat hem zulk eene welsprekende en overtuigende vermaning uit Jesusquot; voorbeeld wordt voorgehouden, nu van hem op eene der volgende dagen door het kerkelijk gebod gevorderd zal worden zoowel een diepe ootmoed in den biechtstoel als eene stipte gehoorzaamheid in het volbrengen van zijn paasch-plicht?
PALM-ZONDAG.
Danken ook de h. Kerk, welke zoo zeer bezorgd is aan hare kinderen die leerrijke woorden van den h. Paulus op dezen dag ter overweging voor te stellen, welke hun een krachtig- middel aan de hand geven om zich op waardige wijze voor het ontvangen der h. h. Sacramenten voor te bereiden ? Wie naar plicht en naar geweten niet aarzelt op deze laatste vragen een bevestigend antwoord te geven, zal ook met ons instemmen als wij beweren, dat allen, die met Jesns wenschen te verrijzen ter eeuwige glorie, van den h. Paulus moeten leeren met den lijdenden Jesus te zijn :
I nederig van gezindheid en
II gehoorzaam tot in den dood.
I.
Hebt toch in u hetzelfde gevoelen, dat ook was in Christus Jesus â weest gezind als Jesus was. Dit is een voorschrift waaraan elk Christen zich heeft te onderwerpen, een gulden regel welken hij in alle omstandigheden zijns levens moet onderhouden; dat zijn woorden welke diep in ons hart moeten gegrift staan en door geene vergeetachtigheid mogen uitgewischt worden. Denken en gevoelen, spreken en handelen, zooals Jesus deed, dit is de onveranderlijke wet voor een christelijk leven, de noodzakelijke voorwaarde om Hem te kunnen toebehooren, want wie den geest van Christus niet heeft, die is niet Zijns (Rom. VIII, 9). De navolging van Christus is dus eene van onze gewichtigste verplichtingen : de leerling moet wezen als zijn Leermeester; de volgeling moet de voetstappen drukken van Wie hem is voorgegaan ; al wie door Jesus als een der zijnen wil erkend worden, dient Hem zijn Kruis na te dragen. De naam door den Christen gedragen, de verplichtingen door hem op zich genomen, de beloften door hem afgelegd, de dienst door hem aanvaard â het zijn als zoo vele banden, welke hem zóó nauw aan zijn Verlosser moeten hechten, dat hij in waar-
399
palm-zondaö.
heid met den h. Paulus kan zeggen: met Christus ben ik gekruisigd; levend ben niet meer ik, maar in mij leeft Christus; ik draag Jesus' dooding in mijn lichaam rond, opdat ook het leven van Jesus in mij openbaar worde (Gal. II, 20 ; 2 Cor. IV, 10). â Nadat wij deze opmerkingen gemaakt hebben, dringt de vraag zich van zelve aan ons op: hoe was de gezindheid, het gevoelen van onzen grooten God en Zaligmaker, Jesns Christus ?
Zoo ooit iemand zich op deze aarde bewogen heeft, van wien men met recht moest zeggen: hij behoefde zich niet te vernederen, dan was het Jesus Christus on Hij alleen. Hij bezat alle schatten van genaden en van voorrechten; in Hem woonde de Godheid lichamelijk; Hij was de ongeschapen Wijsheid en geen enkel geheim der wetenschap was voor Hem verborgen; Hu was in Gods gestaltenis, de goddelijke Zoon des Vaders, van één Wezen en van ééne Natuur met den Vader, niet gemaakt maar van eeuwigheid geboren; âHij, die den tijd gemaakt had, kende geen tijd en wasvoor âden tijd; Hij, die het begin gemaakt bad, kende geen begin, âwas vóór het begin en zonder begin, derhalve van eeuwig-âheidquot; â aldus Tektülianüs. Ook al de andere Volmaaktheden van God waren zijn eigendom. Niet minder dan de twee andere goddelijke Personen was Hij oneindig Heilig en Goed en Machtig en Alwetend en Rechtvaardig. Om nog duidelijker zijne gedachten te verklaren en zijne beminde leerlingen als te bezweren, dat zij toch nederig van harte zouden wezen gelijk Jesus was, vervolgde de h= Paulus: Jesus achtte het geen en roof aan God gelijk te zijn. Geen geschapen wezen, geen der hoogste Engelen, hoe heilig en verheven ook, mocht zoo iets van zich zeiven denken. Jesus alleen, die deelgenoot der goddelijke Majesteit was door éénheid van Wezen en gelijkheid van Natuur met den Vader, behoefde het niet als eene schending van Gods Waardigheid, niet als eene overweldiging van hetgeen Hem niet eigen
400
PAIiM-ZONDAG.
was, te achten, wanneer Hij Zich God noemde. Hij was ware God van den waren God, in alles gelijk aan den Vader; Hij pleegde derhalve geen roof, dichtte Zich niet iets toe, wat Hem niet toekwam, als Hij verklaarde: Ik en de Vader, Wij zijn één, Wij hebben ééne en dezelfde goddelijke Natuur en dezelfde goddelijke Volmaaktheden (Joan. X, 30). Bij gevolg had Hij, zoo Hij zijn goddelijk recht wilde doen gelden, op aarde kunnen verschijnen in de volle Majesteit van zyne aanbiddelijke Godheid, Zich in alles en op elk oogenblik kunnen betuigen als Heer en Meester der schepping, als den Almachtige die alles werkt door eene enkele daad van zijn wil, als den Koning der eeuwige glorie.
Dit alles kon Jesus; maar nederig van harte verkoos Hij het tegendeel. Langs verscheidene sporten der vernedering â als wij zoo mogen spreken â daalde de eeuwige Zoon Gods, sinds het eerste oogenblik zijner Mensch-wording, af tot de diepste diepte der vernedering. Die God, in Zich zeiven Groot en Gever van alle grootheid, werd niet een Engel, wat reeds voor Hem eene verlaging geweest zoude zijn, maar mensch, eene verootmoediging, welke irnmer voor onzen geest een ondoorgrondelijk geheim blijven zal, omdat de afstand tus-schen de goddelijke en menschelijke natuur oneindig groot is. Evenwel nog meer verlaagde Zich de Zoon Gods. Er zijn men-schen, die in hooge eer geplaatst zyn, die in weelde of rykdom leven of met gezag bekleed zijn; maar ook zulk een stand verlangde Jesus niet voor Zich zeiven. Hu nam de gedaante aan van een dienstknecht, de Heer werd onderdaan, de Meester slaaf. Bovendien: het Woord is vleesch geworden (Joan. i, 14) en voob het uiterlijke, in zijn uiterlijk voorkomen, weed hij als mensch bevonden, omkleed met de zwakheid van eene lijdelijke en sterfelijke natuur. Was er nog een lager trap denkbaar voor den driemaal Heilige? Na de zonde is er niets zoo vernederend als de gelijkenis op de zonde; en zie, ook aan
Verklaringen der Epistelen. 26
401
PALM-ZONDAG.
402
dien smaad onderwierp de Heiligheid zelve Zich, toen Hij in gelijkheid van het vleesch der zonde gezonden, toen Hij, die geene zonde kende, voor ons tot zonde, de drager van de zonde-schuld der gansche wereld, gemaakt werd (Rom. VIII, 3 en II Cor. V, 22). Zoo VKRNiETiQDE Hu Zich ZELVEN, ontdeed Zich van den glans zijner Majesteit, legde af al de heerlijkheid zijner Godheid, welker volheid Hem inwoonde, en de Evangelisten schetsen Hem als den Man, die onder de zijnen leefde ongekend, ongeëerd, zelfs veracht en vervolgd. Aan een nederig begin beantwoordde een even nederig leven. Geene enkele omstandigheid kan uit Jesus' leven aangehaald worden, waarin niet van zijne groote voorliefde getuigd wordt voor eene deugd, welke voor den mensch zoo moeilijk te beoefenen is. Hij werd geboren uit eene arme maagd in een stal, en zyne eerste legerstede was eene kribbe ; bij zyne Besnijdenis ontving Hij in zijn onschuldig lichaam het merkteeken der zondaren, en naar Egypte vluchtende nam Hij den schijn aan als ware Hij machteloos tegenover zijne vijanden; dertig jaren lang leefde Hij in het verborgene en at het brood der armen in het zweet zijns aanschijns; evenals bij zijne Opoffering in den tempel weigerde Hij by zijn Doopsel niet als een der zondaren aangezien te worden; den duivel belette Hij niet Hem te bekoren en wilde hongeren na een vasten van veertig dagen; werd Hij goed genoemd dan zeide Hij: âGod alleen is goedkwam eene groote menigte opdagen om Hem tot Koning uit te roepen, dan nam Hij de vlucht naar een berg; zijne leerlingen mochten niet verhalen, dat zij Hem op den Thabor verheerlijkt hadden gezien en dikwijls beval Hij den genezenen, dat zij moesten verzwijgen wat hun geschied was, â Wie nog andere bewijzen verlangt, hij bedenke dat Jesus arm wilde leven, ofschoon Hij rijk had kunnen wezen ; dat Hij zelf honger wilde lijden, terwijl Hy duizenden op wonderdadige wijze spijzigde ; dat Hij Zich vermoeid van de reize wilde gevoelen, die aan zieken de gezondheid en aan dooden het
PALM-ZONDAG.
leven teruggaf; dat Hij stormen van beproevingen over Zich liet komen en aan het Kruis over verlatenheid klaagde, die aan anderen troost gebracht en vreugde verschaft had; dat Hij Zich door diezelfde vijanden liet gevangen nemen, aan wie Hij door zijn machtwoord bevolen had zijne leerlingen ongedeerd te laten gaan.
Dit zyn slechts enkele grepen uit het God-menschelijk leven van onzen Verlosser gedaan om te doen zien, hoe hoog Hij de deugd van nederigheid waardeerde, hoe zeer H\j de vernedering beminde. Toch komt misschien by den een of ander tegen onze voorstelling eene bedenking op, welke zich in deze vraag oplost. Heeft Jesus Christus gedurende zjjne omwandeling op aarde geene schitterende blijken gegeven van zijne goddelijke Volmaaktheden ? Toonde Hij altijd de nederigheid van zijn Hart en nimmer de ontzaglijke Majesteit van zyne Godheid ? Het Evangelie-verhaal dwingt ons te belyden en met dankbaarheid luid te verkondigen de vele wonderen, welke Jesus heeft gewrocht. Aan de rouwmoedige zondaars vergaf Hij, maar de onboetvaardigen bedreigde Hij met zijne eeuwige straffen; Hij las in de harten der menschen, en toonde dat hunne geheimste gedachten zoowel als hunne plannen open lagen voor zijn alziend oog; Hy had alles door het woord zijner Macht geschapen en maakte de geheele schepping dienstbaar aan zijn wil; Hij sprak en de wind ging liggen en de storm bedaarde; op zijn woord kon Petrus over de wateren wandelen ; Hij gebood, en de zieken werden gezond en de dooden verrezen uit hun graf; Hij wilde, en het water werd wyn, de brooden werden vermenigvuldigd, de vijgeboom verdorde en de duivelen moesten het lichaam verlaten, waarvan zij het bezit genomen hadden. Zijne Goedheid ging zóó ver, dat Hy met de zondaars verkeerde en met de Phariseën aan tafel zat, dat Hy eene overspelige vrouw uit de handen harer belagers redde, met de Samari-
403
PALM-ZÃNDAG.
taansche een lang gesprek hield, Judas nog vriend noemde, den gevallen Petrus bekeerde, voor zijne vijanden bad en den berouwhebbenden moordenaar het Paradijs beloofde. En zijne goddelijke Wijsheid betuigde Jesus onder anderen zoo dikwerf Hij zijne ondervragers beschaamde, de beraadslagingen zijner vijanden verijdelde, de sluwe listen van zijn ongeloovige haters openbaarde, den tijd en de wijze bepaalde, wanneer en hoe Hij zijn leven wilde afleggen.
Al die feiten, al die wonderen van Jesus' Almacht en Alwetendheid en Goedheid moeten door eiken Christen geloofd worden. Men bedenke echter wel, dat zij geenszins in tegenspraak zijn met onze lofrede op Jesus' nederigheid. Hij moest de werken zijns Vaders doen; Hij daalde neder op de wereld om den Vader te verheerlijken en zijne goddelijke Waardigheid zoowel als zijne evengelijkheid met den Vader te bewijzen door wonderen van Almacht en van Liefde. Bijaldien Jesus Zich niet als den Zoon van God op overtuigende wijze geopenbaard had, ware Hij aan zijne roeping te kort geschoten en hadde Hij de Hem opgedragene taak niet vervuld. Maar â en dit eenig antwoord is afdoende â Hij zocht niet zijne glorie, wel en uitsluitend de verheerlijking des Vaders, die Hem gezonden had. Zóó nederig was Jesus, dat Hij â om met David te spreken â aan God alleen, niet aan Zich zeiven eere gaf-, dat Hij openlijk bekende gekomen te zijn, niet om gediend te worden, maar om te dienen.
Opmerking. Zulk een leven is wel het volmaakte voorbeeld van de diepste vernedering, en Jesus mag allen toeroepen : Ik heh u een voorbeeld gegeven, opdat gij doet, gelijk Ik gedaan heb (Joan. XIII, 15), Met de menschelijke natuur nam de Zoon Gods ook hare geringheid en zwakheid aan. De Schepper werd een zwak mensch; de Eeuwige werd in den tijd uit eene Maagd geboren; de Onmetelijke vertoefde negen maanden achtereen in den schoot zijner moeder; de Almachtige wilde
404
PALM-ZONDAG.
405
een hulpbehoevend kind wezen; de Heer der heerscharen en de Koning der eeuwige glorie onderwierp Zich aan het bevel van zijne schepselen; de Alwetende versmaadde het niet van anderen te leeren. Den sluier, welke door zijne geboorte uit Maria over zijne eeuwige geboorte lag, lichtte Hij niet verder op dan gevorderd werd door de zending, welke Hij te vervullen had. Mochten zijne goddelijke Natuur en Waardigheid niet geheel voor de menschen verborgen blijven; moest de Heerlijkheid van den Eengeborene des Vaders gekend worden als vol van genade en waarheid; moest de wereld, opdat zij het eeuwige leven door het geloof in Jesus zoude vinden. Hem kennen als den Zoon van den levenden God â van den anderen kant zocht Jesus geene openbaarheid, geen roem, geene achting der menschen. â Welk een voorbeeld! zeiden wij boven. Waarlijk, in die school van Jesus moeten wij allen ter leering gaan en ware levenswijsheid opdoen. 13e nederigheid verplicht ons niet te ontkennen wat wij zijn en wat wij ontvangen hebben, wel dat wij geene hoogere meening van onze g'eringheid koesteren dan de waarheid toelaat; zij vordert niet, dat wij de ons verleende voorrechten, gaven en talenten als niets achten, wel dat wij er niet op pochen en ons daarop niet verheffen tegenover anderen, dat wij ze verborgen houden zoo veel mogelijk en dan alleen er gebruik van maken, als de verheerlijking van God of het welzijn van anderen en van ons zeiven zulks vergt. Niet minder is het een eisch der ware nederigheid, dat wij nooit iets van hetgeen wij ontvingen aan ons toeschrijven en van al het goede, door ons misschien gedaan, aan God alleen en niet aan ons de eer gevenâ aan Hem alleen, die ons het willen en het volbrengen verleende, van Wien alle goede gaven neerdalen en zonder Wiens genade geen mensch iets vermag. Dit alles leert ons Jesus' voorbeeld en bovendien nog, dat wij eenvoudig met de eenvoudigen, inschikkelijk met de onwetenden, geduldig met de dwalenden, lankmoedig moeten zijn met al wie misdeden. â Hoe dan te oordeelen over die Christenen welke, niettegenstaande zij niets uit zich zeiven dan zonde hebben, willen pralen met hetgeen zij van boven ontvangen hebben; die op geld, adeldom of wetenschap pochen of zich verheffen
palm-zondag.
om voorgewende verdiensten; die om het meer of min goede, dat zij misschien doen, niet God alleen loven en prijzen maar zich zeiven? Zoo doende bezoedelen zij hun geweten met eene zonde van hoogmoed, welke hen niet groot of achtenswaardig maakt, gelijk zij wenschen, maar verachtelijk niet slechts in het oog der menschen maar ook, wat alles zegt, in dat van God. Zoo wordt de gelegenheid afgesneden om verdiensten voor den Hemel te verzamelen met die gaven, welke voor een beter doel gegeven waren. Talenten worden misbruikt, en de rekenschap daarvan af te leggen zal allengs zwaarder worden. Wat God met wijze inzichten schonk, wordt een middel om den naaste te verachten, God te beleedigen en zich zeiven een onberekenbaar nadeel toe te brengen. Dwazen zijn zij, die zich op een voetstuk meenen te plaatsen maar inderdaad wegzinken in de ijdelheid hunner gedachten; ondankbaren, omdat zij de weldaden van hunnen Schepper tegen Hem kee-ren en, wat hun gegeven is om Hem te verheerlijken, misbruiken om Hem te verzaken.
II.
âChristus leert onsquot; â aldus de h. Thomas â âde nede-ârigheid eerstens in het geheim zijner Mensch-wording en âdan in het geheim van zijn lijden. De wijze, waarop Hij âin het laatstgenoemd geheim die deugd beoefende, en het âonmiskenbaar waarmerk voor die deugd was zijne gehoor-âzaamheid. Want, is het onderscheidend kenmerk der hoog-âmoedigen dat zij hun eigen wil volgen en zich door een âander niet laten leiden om zich groot voor te kunnen doen â âde gehoorzaamheid is aan den hoogmoed tegenovergesteld. âDaarom ook zegt de Apostel, de volmaaktheid van Christus' ânederigheid willende aantoonen, dat Hij gehoorzaam is ge-âworden tot den dood, ja tot den dood des Kruises. Veron-âdersteld, dat Jesus wel geleden maar niet uit gehoorzaam-âheid geleden had, dan ware zijne deugd minder aanbevelens-âwaardig geweest, omdat de gehoorzaamheid aan het lijden
406
PALM-ZONDAG.
âde verdienste geeft. En hoe is Jesus gehoorzaam geworden ? âNiet met zyn goddelijken wil, want die, zelf regel zijnde, âwordt niet geregeld; maar met zijn menschelijken wil, welke âin alles door het welbehagen des Vaders bestierd werd. En âhoe gepast nam Jesus de gehoorzaamheid als een voornaam âbestanddeel op in zijn lijden! Door de ongehoorzaamheid van âéén mensch zijn de velen tot zondaren gemaakt; zóó ook zullen âde velen door de gehoorzaamheid van dien éénen Christus gesmaakt worden tot rechtvaardigen (Rom. V, 19). Dat die ge-âhoorzaamheid van Jesus groot was en allerlofwaardigst, blijkt âhieruit, dat die deugd dan eerst zóó mag genoemd worden, âals zij het gebod van een ander opvolgt tegen eigen aan-âdrift in, tegen die neiging der menschehjke natuur, welke âhet behoud èn van het leven èn van den goeden naam âzoekt. Welnu, Jesus heeft om gehoorzaam te zijn, beiden versmaad ; Hij heeft zijn leven vrijwillig afgelegd en is den âschandelijksten dood gestorven.quot; â Deze aanhaling uit den h. Kerkleeraar is lang maar, dunkt ons, niet misplaatst. Zijn wjj er in geslaagd zyne woorden op genoegzaam duidelijke wijze in eene vrije vertaling te vertolken, dan kunnen allen daarin eene korte opsomming van die beginselen lezen, waarnaar de gehoorzaamheid van Jesus gewaardeerd dient. Wij behoeven dan nog slechts enkele feiten uit het leven van onzen beminden Verlosser aan te halen, om die deugd van Hem in het helderste licht te plaatsen.
Jesus' gehoorzaamheid begon met zijne Mensch-wording. God zelf heeft ons dat geheim geopenbaard, toen Hy door den Profeet David aan zijn goddelijken Zoon, bij diens intrede in de wereld, deze woorden op de lippen legde: slachtoffer en spijsoffer wildet Gij niet, maar ooren gaaft Gij Mij, om naar U te luisteren en U te gehoorzamen; brand- en zoenoffer eischtet Gij niet; toen sprak Ik : zie Ik kom ! In de boekrol is aangaande Mij geschreven, dat Ik Uwen wil moet doen. O mijn God, dat
407
PALM-ZONDAG.
wil Ik, en uwe wet is in het midden van mijn hart (Ps. XXXIX, 7â9). Die wet bleef van dat tijdstip af de eenige levensregel voor den Verlosser der wereld. Hij was van den Hemel neergedaald, niet om zijn wil te doen maar den wil van die Hem gezonden had (Joan VI, 38), en voortaan kende Hij geene andere spijze dan de gehoorzaamheid. In alle omstandigheden van zijn aardsch leven heeft Hij, de Koning der Koningen, Zich onderworpen, zoo dikwijls Hij meende dat de Vader van Hem eene volkomene onderwerping eischte.
Gaat het geheele leven van Jesus na, en van zijne verschijning op aarde af tot aan zijne Hemelvaart zult gij te bewonderen hebben eene gehoorzaamheid, welke evenzeer ons beschaamt als zij ter navolging opwekt. Nog Kind zijnde was Hij onderdanig aan Maria en aan Josef. En wie was Hij, die Zich in het nederig huisje van Nazareth liet geleiden, als ware Hij onbekwaam om zijn eigen meester te zijn ? Aan Wien alle macht in den Hemel en op aarde gegeven was, aan Wien de grenzen der aarde als erfdeel waren toegewezen. Hij luisterde met gretigheid naar het bevel van zijne schepselen. Hij voorkwam hunne wenschen en toonde hoe aangenaam het Hem was, als Hy hen helpen kon. Wel waren die twee personen groote en hoogst bevoorrechte Heiligen, verrijkt met de schoonste genaden, versierd met de uitnemendste gaven, desniettemin, zij waren schepselen en de afstand tus-schen het gehoorzame Kind en de bevelende ouders was oneindig groot. Dertig jaren achtereen onderwierp zich de Schepper aan het maaksel zijner handen â met eene blijdschap en eene vreugde, alsof H;] niet diende maar gediend werd. Wie Jesus had mogen gadeslaan, als Hij bij voorbeeld voor Maria water putte of Josef aan de schaafbank hielp, zoude met bewondering uitgeroepen hebben : hoe is het mogelijk, dat Hjj, door Wien de koningen regeeren. Zich aan anderen onderwerpt en wel met eene bereidwilligheid, welke bewijst, dat Hy niet gedwongen maar met vrijen wil en uit liefde
408
PALM-ZONDAO.
voor de deugd gehoorzaamt. â Omdat de Zoon Gods onder de Wet geworden was, wilde Hij, ofschoon de Wetgever zelf, aan de Mosaïsche voorschriften voldoen, alsof Hij niet boven elk der Israëlieten eindeloos verre verheven stond. Hij wilde de pijnlijke en de ook beschamende Besnijdenis ondergaan ; als een kind uit eene gewone moeder geboren liet Hij Zich in den tempel opofferen en met het offer der armen loskoopen ; als knaap van twaalf jaren ging Hij met zijne ouders op naar Jerusalem om te bidden; de Feestdagen van zijn volk onderhield Hy met nauwlettendheid, vereerde de door zijn Vader ingestelde Priesterschap en had eerbied voor wie op den stoel van Moses zaten. â Toen Hij op aarde rondwandelde, gingen de Joden onder de romeinsche heerschappij gebukt en, wel verre van Zich tegen hunne overweldiging te verzetten, hield Hij den morrenden Joden als eene vaststaande wet voor: âgeeft den Kei-âzer wat des Keizers is.quot; Elk rechtmatig gezag was Hem heilig als door God verordend. Gelijk Hij, nog vóór zyne geboorte uit de onbevlekte Maagd Maria, het gebod van Augustus opvolgde, waarbij de hoogmoed van een aardsch vorst Hengt; met zijne moeder naar Bethlehem opriep, eveneens gaf Hij in zijn leven altijd blijk van ondergeschiktheid aan de gestelde machten. Aan zijne reden en daden konden zijne vijanden geen enkel bewijs ontleenen, dat Hij Zich ooit in 't minste vergrepen had tegen de maatschappelijke verhoudingen of staatkundige instellingen, welke ten zijne tjjde geldend waren en, toen zij Hem van iets dergelijks voor den rechterstoel van Pilatus beschuldigden, moesten zij hunne toevlucht nemen tot een leugen, welke zóó klaarblijkelijk valsch was, dat de landvoogd na gedaan onderzoek verklaarde: âik vind geene schuld in Hem.'
Boven alle beschrijving volmaakt was de gehoorzaamheid, welke Jesus aan zijn hemelschen Vader betoonde. Men zoude het geheele leven van den God-mensch moeten schrijven, wilde men al de feiten aanvoeren, welke voor die volmaakt-
409
PALM-ZONDAG.
heid zijner deugd pleiten. Daarom worde hier op de volgende slechts de aandacht gevestigd. Omdat zijn Vader dat wilde, volgde Hij de wetten der natuur en bleef negen maanden opgesloten in den schoot zijner Moeder; daarom ook werd Hij arm, in de barre koude van den winter, in een stal geboren; daarom had Hij, die de vogelen spijzigt, behoefte aan voedsel en groeide als een der menschen-kinderen langzaam op tot knaap en jongeling en volwassen man, Hij die door zijn almachtig woord Adam in den mannelijken leeftijd uit niets geschapen had. In vorige eeuwen had Hij de Profeten met goddelijke voorwetenschap bezield en als herauten zijner wet en waarheid tot het uitverkoren volk gezonden, maar Hij zelf, de ongeschapen Wijsheid en in Wien alle schatten van kennis en genade opgesloten waren, leefde dertig jaren in het stille Nazareth verborgen; Hij deed zijn licht niet schijnen voor de menschen, verbaasde de wereld niet door zijne wonderen noch deed den mond der waanwijzen verstommen door zijne leer, vóóraleer de tijd zijner openbaring in Israël door den Vader bepaald, gekomen was. Beter nog dan Moses kon Jesus het volk Gods leiden, onderrichten en voeren naar het beloofde land; Hij beschikte over eene bovenmenschelijke bekwaamheid om zielen te bestieren, om het hart te treffen en zondaars te bekeeren; waarom dan bracht Hjj verreweg het grootste gedeelte van zijn leven door in vergetelheid; waarom een in schijn onbeduidend, nutteloos en zjjner Grootheid onwaardig leven geleid? Omdat de hemelsche Vader het in zijne ondoorgrondelijke Wijsheid aldus beschikt had, en omdat Jesus wilde gehoorzamen en tevens overtuigd was, dat Hij niet beter kon werken ter verheerlijking van God en ter verlossing der wereld dan wanneer Hij dat alleen deed wat den Vader en zóó deed als het Hem welgevallig was.
Het grootste en het vernederendste offer moest echter nog gebracht, een vol leven van gehoorzaamheid besloten worden
410
PALM-ZONDAG.
door een dood van gehoorzaamheid. Het was in Gods eeuwig raadsbesluit vastgesteld, en door den Profeet in schrikwekkende bijzonderheden voorspeld, dat de Christus Ijjden en sterven zoude. In plaats daarvoor terug te schrikken, verlangde Jesus, toen het uur om uit deze wereld te scheiden en tot den Vader te gaan voor Hem gekomen was, met het Doopsel des bloeds gedoopt te worden en het zoenoffer voor 'smenscben Verlossing te worden. Wel bad de God-mensch, dat die kelk Hem mocht voorbijgaan, maar voegde bij die bede de beperking by: âin zoo verre dit mogelijk ware.quot; Niet zyne menschelijke wil maar de goddelijke wil moest vervuld worden; Hij had nooit iets anders gewild dan wat den Vader welgevallig was, en wilde ook nu âliever stervenquot; â zegt de h. Beekardus â âdan niet te gehoorzamen.quot; Dat zijn dood pijnlijk en onteerend wezen en gepaard gaan zoude met een folterend gevoel van verlatenheid, dat Hij den dood der meest verachte misdadigers sterven zou, Hjj wist het door zijne Alwetendheid, maar geene van al die omstandigheden kon zijn besluit doen wankelen. De wet der gehoorzaamheid stond in zijn Hart geschreven en ze te vervullen ten einde toe bleef zijne spijze. Niet eerder zoude Hy zijn hoofd buigen en den geest geven, vóórdat Hij, na in zyn geheugen al de voorspellingen, welke voor Hem als de openbaringen van zijns Vaders wil golden, teruggeroepen te hebben, in waarheid zeggen kon : âhet is volbracht.quot;
Opmerking. Wie met zijn Verlosser verheerlijkt wil worden, volge Hem na in zijne deugden, hij zij nederig en gehoorzaam. In geen tijdstip des jaars zijn die twee deugden den Christen zoo noodzakelijk als in de dagen van den paaschtijd. Dan is hij op doodzonde verplicht op waardige wijze de H. Communie te ontvangen, en ter voorbereiding staat hem geen heilzamer middel ten dienste dan eene rouwvolle belijdenis van zonden. Noch aan de eene noch aan de andere verplichting zal hij naar be-hooren beantwoorden, zoo die deugden hem ontbreken. De gehoor-
411
PALM-ZONDAG.
412
zaamheid aan het kerkelijk gebod moet hem eerst naar den biechtstoel en dan naar de Communie-bank drijven, maar ontbreekt hem de nederigheid van den berouwvollen David, dan zal hij zich niet als zondaar verootmoedigen en derhalve ook niet vergiffenis van zonden verkrijgen. Ook voor eene heilige Communie, om Jesus eene waardige woonstede in zijn hart te bereiden, is die deugd voor hem noodzakelijk, want Jesus kan geen behagen nemen in eene ziei, welke den duivel van hoogmoed eene plaats heeft ingeruimd. Wie clan naar voorschrift zich van zijne godsdienstige plichten in den paasch-tijd kwijten wil, dient eerst zich in ootmoed voor God en diens plaatsbekleeder neer te werpen met de belijdenis van zijne zonden op de lippen, vóórdat hij aan de tafel des Heeren mag aanzitten; eerst moet hij het bemoedig-end woord hooren: »uwe zouden zijn u verge-»ven,quot; vóóraleer hij zich voeden mag met het Brood der Engelen, want de bruiloftsmaaltijd blijft voor hem ontoegankelijk, als hij niet het gewaad draagt, waarmede de Gastheer hem omkleed wil zien. â Het bewees voor een gebrek aan men-schen-kennis, zoo iemand wanen mocht, dat het den hoogmoedige geene inspanning en geene vernedering kost, om aan een priester, mensch als hij, de geheimen zijns harten te openbaren en zich misschien te beschuldigen van zonden, welke in het duistere van den nacht gepleegd zijn. Maar God vraagt niet, of het gebodene strookt met 's menschen zwakheid of schaamte. Hij gebiedt, en wie zich niet weerspannig wil betoonen en zich niet wil beroo-ven van overgroote genaden, moet zich met nederigheid onderwerpen. Is dit ook niet alleszins billijk ? Gewoonlijk houdt de mensch zich voor beter dan hij inderdaad is; hij meent een gerechte te zijn, maar zoude in waarheid, zich zeiven kennende zooals hij is, altijd met gebogen hoofde moeten gaan. Welnu, dat hij althans een en ander maal die aanmatiging late varen en zich in den biechtstoel openbare in al zijne ellende en armoede. Die vernedering, uit gehoorzaamheid aan het gebod der Kerk op zich genomen, zal voor hem even heilzaam wezen als zij was voor den tollenaar in den tempel en voor den moordenaar aan het Kruis. â Dan is de eerste stap gezet, de grootste moeilijkheden zijn overwonnen. Hij heeft zich vernederd voor
PALMZONDAG.
413
den Heer en zijn God; hij heeft als de verloren zoon aan de voeten van Jesus het woord gt;ik heb gezondigdquot; uitgesproken en, als hij gelijk Maria Magdalena beminde, zijn hem vele zonden vergeven. Weinig moeite of liever: geene moeite zal het hem nog kosten om in ootmoed des harten en in het bewustzijn zijner onwaardigheid deel te nemen aan den maaltijd, door Gods Liefde hem toebereid. Hij heeft zich van de melaatsch-heid der zonde gereinigd; zijne gehoorzaamheid is getrouw bevonden in het vervullen der moeilijkste en vernederendste verplichting; het zal hem gemakkelijk vallen om op waardige wijze ook dezen tweeden plicht te vervullen: »omtrent Paschen »zult gij nuttigen het Lichaam des Heeren.quot; â Geve de goede God â die bede moet in deze dagen door allen zoowel voor hunne mede-christenen als voor hen zeiven hemelwaarts worden opgezonden â dat een vernederd en berouwvol hart en de ware geest van gehoorzaamheid eiken Katholiek waardig mogen maken eerst voor het Sacrament van boetvaardigheid en dan voor het Sacrament van Liefde. Niemand zoude alsdan er gevonden worden, die niet uit de vernedering der zonde opstond en niet verheven werd tot de waardigheid van kind Gods en van mede-erfgenaam der hemelsche glorie.
Einde van het eerste Deel.
Imprimatur:
H. J. BORGHOLS,
Libr. Cens.
Amstelodami hac 20°quot;' Junii 1899.
INHOUD VAN HET EERSTE DEEL.
BLA.DZ.
Voorbericht....................1â10.
Zondagen van den Advent.
l«*e. Wij zijn verplicht
I. alle lauwheid af te leggen en de zonde te vermijden ;
II. ons te wapenen tot den goeden strijd, de welvoegelijk-
heid in acht te nemen en Christus aan te doen ... 10 â25
2de. De Apostel leert,
I. wie Jesus was en dat, hetgeen Hij uit Liefde voor allen deed, de regel voor ons gedrag tegenover anderen zijn moet;
II. dat allen elkander ten dienste moeten staan en één
zijn door de liefde.............. 25â39.
3d». De belijdenis van den waren Godsdienst maakt den Christen
I. blijmoedig en bescheiden ;
U. boezemt vertrouwen in en geeft den waren vrede . . 39â63.
4lt;ie, Wij vragen,
I. wat zijnde dienaren van Christus, en hoe blijkt hunne getrouwheid;
II. wie moet daarover oordeelen ?.......... 53â68.
BLADZ.
Het Kerstfeest.
Naar aanleiding der woorden van den Apostel vestigen wij de aandacht
I. op de oneindige Waardigheid van den Zoon Gods;
n. op de Goedertierenheid van den God-mensch;
m op de voorwaarden, welke wij te vervullen hebben,
opdat wij deel verkrijgen aan de vruchten der Verlossing. 68â86.
Zondag na het Kerstfeest.
Van den Apostel leeren wij,
I. dat de Nieuwe Wet verheven is boven de Oude Wet;
II. dat vele en groote voordeelen aan ons Christenen gegeven zijn................86â102.
Het Feest van Jesus' Besnijdenis.
Op dezen dag vooral dienen wij
I. een blik te werpen op het verledene van ons leven;
II. ons te overtuigen van de waarde van den tijd en van
de verplichting dien goed te gebruiken......102â119.
Feest van Drie Koningen.
Wij overwegen,
I. welk het Licht, de Uitgebreidheid en de Zegeningen zijn van het Nieuwe Gods Rijk;
II. welke gaven door de onderdanen van dat Rijk aan
hun Koning te brengen zijn..........119â134.
Feest van den Zoeten Naam.
De geschiedenis leert,
I. dat de Kerk indien Naam leed en streed en overwon ;
II. dat wij allen alles aan dien Naam te danken hebben. 166â183.
Zondagen na Drie Koningen.
1ste. Uit den Epistel leeren wij deze waarheden:
I. dat ons lichaam een Gode welgevallig offer en onze geest met de kennis van Gods wil verrijkt moet zijn;
II. dat wij in den omgang met anderen vele deugden te beoefenen hebben.............. 134â149.
BliADZ.
2de. Wij lichÃen deze gedachten toe :
I. de kinderen der Kerk moeten één van geest en van hart wezen, niettegenstaande het verschil van roeping en van waardigheid;
II. de liefde moet de band wezen, welke allen vereenigt. 149â166.
3de. Wij zijn verplicht
I. een nederig gevoelen van ons zeiven te koesteren en met den evennaaste in vrede te leven;
II. het kwaad met goed te vergelden........ 183â201.
dde. Elke Christen moet
I. aan een ieder het zijne geven;
II. hij mag aan niemand kwaad doen, maar moet a)len
goed doen................201â217.
5de. De Apostel vermaant
I. tot het beoefenen der werken van barmhartigheid ;
II. tot het stichten van elkander en tot eene goede meening. 217â236.
gde. Wij beantwoorden deze vragen:
I. wat prijst de Apostel in de Thessalonikers, en waaruit maakte hij hunne uitverkiezing op;
II. welk voorbeeld gaven zij door hun stichtelijk gedrag,
en wat leeren wij daaruit?.......... 236â253.
Zondag Septuagesima.
Wij maken het ons duidelijk,
I. dat wij strijden en hoe wij strijden moeten;
II. dat het treurig uiteinde der Joden ons voor lauwheid
253-270.
en traagheid moet behoeden
Zondag Sexagesima.
Wat leert ons I. Paulus' roemen;
II. wat zijn lijden en strijden ?
270â290.
290 -309.
Zondag Quinquagesima.
De h. Paulus bewijst
I. de noodzakelijkheid en de voortreffelijkheid; II. de onvergankelijkheid der liefde ....
BLADZ.
Zondagen in de Vasten.
l«te. Wij worden aangemaand
I, den tijd van Gods genade goed te gebruiken;
II. het goede te doen en daartoe ons te wapenen. . . . 309-32o.
246. De Apostel
I. verbiedt de onzuiverheid en waarom;
n. voordeelender zuiverheiden straffen der onzuiverheid. 32o~óió.
3ae. Wij moeten
I. den Heer Jesus navolgen en wel niet 't minst m zijne Liefde voor den mensch;
II. ons vrij houden van de onzuiverheid, van de gierigheid en van onbetamelijke woorden.........
4de. De Epistel van dezen dag leert
I. de voortreffelijkheid van het Nieuwe boven het Oude Verbond en degroote voordeelen, welke wij, kinderen, der genade, genieten;
n. welke verplichtingen wij te vervullen hebben . . . 363-380.
5d». Te bewijzen is,
I. dat Christus Jesus de volmaakte Hoogepriester is van het Nieuwe Verbond;
II. dat wij op velerhande wijzen kunnen deelachtig worden
aan de oneindige verdiensten van zijn Zoenoffer. . . dSb.
gde. In navolging van Jesus moeten wij zijn I. nederig van gezindheid en
II. gehoorzaam tot in den dood..........