ocr page 1
ocr page 2
ocr page 3
ocr page 4

1

-

■ ■ ■ .

• .

■ - '■ quot;

■

.

-

'

-

.

■

*

.

::

1. ■

•4

MM

ocr page 5

Presmt—Exemplaar van

F. U% J. lïJSlxJxiz-jil A.'tny.tc7 da.

VERKLARINGEN DER EPISTELEN OP ALLE

ZONDAGEN EN FEESTDAGEN DES HEEREN.

ocr page 6

Stoomdrukkerij A. J. MICHIELSEN — Amersfoort.

ocr page 7

/Wquot; 4^7 quot;j

Verklaringen der Hpistelen

OP ALLE

ZONDA GEN EN FEESTDAGEN DES HEEREN

DOOR

H. J. H. RUSCHEBLATT,

Oud-Pastoor en Oud-Professor.

Uitgegeven ten voordeele van het O. L. Vrouw-Gasthuis te Amsterdam.

Kerkelijk goedgekeurd.

TWEEDE DEEL.

------- — . OOflr

■t geheele deeg bederft, len bloedschender eene nverschilligheid die mis-lestraft te hebben, gaat AMSTERDAM

F. H. J. BEKKER 1899.

ocr page 8

Stoomdrukkerij A. J. MICHIËLSKN — Amersfoort.

ocr page 9

/ay£ /^y J 7~

// ti

■

\/

Verklaringen der Epistelen

OP AXLE

ZONDAGEN ENFEESTDAGENDESHEEREN

DOOR

H. J. H. RUSCHEBLATT,

Oud-Pastoor en Oud-Professor.

Uitgegeven ten voordeele van het O. L. Vrouw-Gasthuis te Avis ter dam.

Kerkelijk goedgekeurd.

TWEEDE DEEL.

AMSTERDAM

F. H. J. BEKKER 1899.

ocr page 10
ocr page 11

PAASCH-ZONDAG.

Broeders doet geheel weg den ouden zuurdeesem, opdat gij een nieuw deeg moogt wezen, gelijk gij ongedeesemd zijt. Want ook ons paaschlam, Christus, is geslacht. Laat ons derhalve feest vieren, niet met den ouden zuurdeesem noch met zuurdeesem van ondeugd en boosheid, maar met ongedeesemde broeden van oprechtheid en waarheid (i Cor. V, 7 en 8).

Inleiding. Te Corinthe had zich een der bekeerlingen op de schandelijkste wijze vergrepen tegen de wet der natuur, dat naaste bloedverwanten zich van echtelijke vereeniging te onthouden hebben. Zoodra de h. Paulus van die euveldaad bericht had ontvangen, verbande hij ofschoon afwezig den schuldige uit de gemeenschap der geloovigen en eischte, dat allen zich overeenkomstig zijne uitspraak gedragen en geen omgang met dien zondaar onderhouden zouden ; want evenals een weinig zuurdeesem — waarschuwde hij — het geheele deeg bederft, kon het slechte voorbeeld van den eenen bloedschender eene geheele gemeente bederven, als zij in onverschilligheid die misdaad duldde. — Na aldus de zonde bestraft te hebben, gaat hij er toe over om eene voor alle Christenen geldende verplichting te bespreken, om met dezelfde beeldspraak zoo even gebezigd alle Corinthiërs te vermanen, dat zij zich van alle

ocr page 12

PAASCH-ZONDAG.

besmetting der zonde zouden zuiveren en dan toeleggen op de beoefening der deugden, welke de belijdenis van het Christendom vorderde. — Op het eerst besproken feit gaan wij niet verder in, maar alle aandacht worde gewijd aan de twee voorschriften, welke de Apostel voor een christelijken levenswandel verplichtend maakte, en ook de Kerk van Jesus op het Paaschfeest aan hare geloovigen op het hart drukt. Daarin moeten wij hare moederlijke zorg prijzen en hare wijsheid bewonderen. Nu allen, die den gevorderden leeftijd bereikt hebben, op waardige wijze de h. Communie moeten ontvangen en, na uit het graf der zonde te zijn opgestaan, een nieuw leven voor God moeten beginnen, zijn deze twee voorschriften door eiken Katholiek te vervullen: het oude zuurdeesem -weg te doen en een nieuw deeg te worden, met andere woorden: allen zijn gehouden de zonde uit te roeien en nieuwe menschen te worden. Daarmede zijn de onderwerpen aangegeven, waarmede de Kerk wil dat wij op dezen Feestdag ons bezig houden:

I. de ziel dient van zonden gezuiverd en II. met deugden versierd te worden.

I.

Telken jare opnieuw waren de Joden verplicht het Paasch-larn op de voorgeschrevene wijze te eten en wel ter gedachtenis van hunne bevrijding uit de Egyptische slavernij en van hun doortocht door de roode zee over de op wonderdadige wijze droog geworden bedding. Vóór het eten moest de geheele woning, elke hoek van het huis nauwlettend onderzocht worden, opdat niets wat gedeesemd was aanwezig bleef. Wie in die acht dagen van het feest iets dergelijks gebruikte, bedreef eene misdaad, welke den dood verdiende. Slechts brood gebakken uit tarwemeel met water vermengd mocht de gewone spijze wezen. Het Paaschlam moest één jaar oud, van het mannelijk geslacht en zonder eenig gebrek wezen, en bij het eten daarvan mochten de Joden niets gebruiken dan onge-deesemd brood en bittere kruiden. Staande en geheel reis-

6

ocr page 13

paasch-zondao.

vaardig, met hun kleed aan de lenden opgeschort, met de sandalen aan de voeten en met den reisstok in de hand hadden de Joden die spijze te nuttigen met groote haast. Niemand mocht op straffe des doods zich aan die feestviering onttrekken, maar ook niemand van de juist omschrevene verplichtingen afwijken. — Al deze zinnebeeldige plechtigheden vinden hare volle werkelijkheid onder de nieuwe Wet.

Wat de h. Paulus bedoelde toen hij schreef en ook, wat de Kerk op 't oog heeft, als zij ons toeroept: doet geheel weg dën ouden zuuKDEESEM, leeren ons de ascetische schrijvers en schriftuur-verklaarders. Eenstemmig is hun gevoelen, dat onder den zuurdeesem de zonde te verstaan is. En inderdaad : de zonde doordringt, verontreinigt en bederft het geheele bestaan van den mensch. Door haar worden de lage hartstochten ontketend en versterkt; zij verduistert den geest en bezoedelt de verbeelding, verzwakt den wil en verstompt het gevoel voor wat kuisch en eerbaar, wat rechtvaardig en menschlievend is. De zondaar bewijst op vreemdsoortige manier, dat in denzelfden persoon haat en liefde, kwaad en goed, duisternis en licht kunnen samenwonen ; maar hoe langer hij de zonde dient en hoe dieper hij in de zedelijke ellende wegzinkt, naar gelijke mate wordt hetgeen nog goed in hem was verstikt. Die zuurdeesem werkt heilloos, en niet alleen op het eigen godsdienstig leven van den schuldige maar zelfs op dat van anderen door het slechte voorbeeld, dat gegeven wordt. Ook om deze laatste reden heeft de h. Paulus aan de Corin-thiërs geschreven : weet gij niet dat een iveinig zuurdeesem het geheele deeg bederft, het verzuurt en ongenietbaar maakt? Kan — wilde hij zeggen — het anders zoo smakelyk brood op die wijze bedorven worden; eveneens kan eene christelijke gemeente ten gronde gericht worden door het ergerlijk gedrag van een harer lidmaten, als zij de bedrevene zonde met onverschilligheid aanziet en zich niet wapent tegen den ver-

7

ocr page 14

PAASCH-ZONDAG.

derfelijken invloed, welke daarvan op de gansche gemeenschap uitgaat. Wie toch weet niet, dat in het kwade eene kracht schuilt, welke het geheele geestelijk leven des menschen kan vernietigen, gelijk de kanker het lichamelijk leven aantast en ondermijnt. Daarom is het zoowel voor ieder in 't bijzonder als voor de maatschappij in 't algemeen eene dringende noodzakelijkheid, dat met groote zorg zulk een dreigend verderf afgeweerd of, mocht het reeds binnen gedrongen wezen, het zoo spoedig mogelyk en met alle middelen uitgeroeid worde. Met andere woorden: wie door den zuurdeesem der zonde in zjjne ziel niet wil besmet worden, hij stryde tegen de begeerlijkheid, welke in de ledematen aller menschen naar het verbodene neigt en ten verderve voeren kan; elke neiging, welke eene aanleiding tot het kwade is, worde onderdrukt, want voor den zwakken mensch is het niet mogelijk, dat hij zich daardoor laat overheerschen en toch rein blijft van de besmetting der zonde; ook de omgang met zondaren en de gevaarlijke gelegenheden zijn, zoo dikwijls de verschillende levensomstandigheden het toelaten, met angst te vluchten of, wanneer plichten van staat dat onmogelijk maken, dan ten minste is de behoedzaamheid zóó te verscherpen, dat het slechte voorbeeld zonder invloed op het hart en den geest blijve. Men late verder aan geen der zintuigen volkomene vrijheid maar legge ze aan banden door eene wyze voorzichtigheid en streng toezicht, opdat de zonde — zooals de wijze man zegt — door die vensters de ziel niet binnen dringe; vooral dient tegen zorgeloosheid en onverschilligheid gewaakt te worden, anders zoude een val schier zeker zijn en de zege aan hem blijven, die altijd rondloopt om den onbedachtzame te overvallen en den zwakke te overwinnen. — Dit zijn de gewone voorbehoedmiddelen, welke door geen Christen mogen verzuimd worden, opdat geen bederf aanbrengend zuurdeesem in de ziel binnensluipe.

Wie der Christenen waant, dat die voorzorgsmaatregelen

8

ocr page 15

PAASCHZONDAG.

9

geenszins door allen moeten genomen worden, maar alleenlijk door zwakken van wil, hij bedriegt zich schromelijk en behoeft, om zich van zijne dwaling te genezen, slechts zijne oogen rond te slaan of zyne ondervinding te raadplegen. In alle waarheid mag het gezegd worden: het ontbreekt den mensch minder aan kennis en aan genade dan wel aan den goeden wü en aan den moed om aan zyne verplichtingen te beantwoorden. Ten bewijze dezer bewering, nemen wij voorbeelden uit het dagelijksch leven. Schier niemand zal er wezen, die niet erkent, dat menigeen, die verplicht was van het zijne te geven en God te verheerlijken door eene'hulpvaardige hand uit te steken ter leniging van den nood der armen, zich aan onrechtvaardigheid schuldig maakt door het goed eens anderen hem of te ontnemen of te onthouden; wie weet niet dat barmhartigheid beoefend, de vrede onderhouden en de eendracht tusschen broeders moet gehandhaafd worden, en desniettemin wrevel gevoed, haat gekoesterd en vijandschap aangekweekt wordt door hen, die het groote gebod der naasten-liefde kennen en verplicht zyn te vervullen; wie moet niet dikwijls met smart zien, dat der zinnelijkheid meer dan der versterving, der wulpschheid meer dan der eerbaarheid gediend wordt ook door diegenen, welke er eene eer in moeten stellen, dat hunne sterfelijke lichamen bestemd zijn een tempel des H. Geestes genoemd te worden. Wij kunnen nog verder gaan: wie wordt niet geërgerd, als hij bemerkt, dat zoo menigmaal het hart openstaat voor de verleiding der hebzucht, de ooren open gezet worden voor woorden van kwaadsprekendheid of van lastertaal, de hand zich uitstrekt naar wat verboden is, de oogen gevestigd zijn op verleidelijke voorwerpen, de geest zich bezig houdt met gedachten of voorstellingen, welke men 't liefst voor anderen verzwijgt, dat de voeten wegen bewandelen, aan welker einde de afgrond gaapt. Alle die ondeugden zijn de onwraakbare getuigen, dat het oude zuurdeesem der zonde by den mensch op

ocr page 16

paasch-zondag.

heillooze wijze werkt. Daarom wordt dan ook aan een iegelijk, die zich op de eene of andere wijze schuldig erkennen moet of wel, omdat hij de noodige voorzorgsmiddelen tegen de aanlokselen der zonde verzuimd heeft, of wel omdat hij aan de bekoring tot het kwaad heeft toegegeven, door de h. Kerk in den t\jd van het Paaschfeest toegeroepen: doe weg dien ouden zuuRDEESEM, welke u van het feest-gewaad beroofd heeft, waarmede gij versierd moet wezen om tot den bruiloftsmaaltijd van het Lam Gods toegelaten te worden.

De zonde met hare oorzaken wordt door den h. Paulus de oude zuurdeesem genoemd. Zij is dit ook en wel onder tweevoudig opzicht voor het geheele menschelijk geslacht in 't algemeen en voor eiken mensch in 't bijzonder. Zij is eeuwen oud, want eene misplaatste nieuwsgierigheid gepaard aan eene booze begeerlijkheid werd hare moeder al reeds in die dagen, toen het eerste menschen-paar nog in het Paradijs leefde. Eva zondigde en verleidde Adam; Adam zondigde en werd de diepgevallen stamvader van een met zonde beladen geslacht. De eerste zonde op aarde gepleegd ging van geslacht tot geslacht op alle nakomelingen — de Moeder des Heeren alleen uitgezonderd — over en, hoe oud ook, die zuurdeesem giste onafgebroken in eiken mensch even heilloos en even zeker, al lagen er geene eeuwen tusschen het eerste oogenblik, waarop die begon te werken en tusschen de volgende tijden, welke daaronder lijden. De booze begeerlijkheid, gevolg der zonde, sterft in den mensch niet. Geen der nakomelingen van den eersten zondaar kan zich aan dien nood-lottigen invloed onttrekken; allen kwijnen onder het wee, dat over het menschelijk geslacht is gebracht; zonderen wij de h. Maagd Maria uit, dan kan niet gezegd worden, dat een enkele van Adam's kinderen, al leefde hij duizenden van jaren vóór ons tijdvak, door den zuurdeesem niet besmet werd. Daarom is hij ook oud in een tweeden zin. Al wie geboren

10

ocr page 17

PAASCH-ZONDAG.

wordt, brengt bij zijne komst in deze wereld dat gift mede. Van de eerste uren zijns levens af gaat de mensch gebukt onder de wreeds wet van eene begeerlijkheid, welke altijd naar bet verbodene drijft. Het kind, hoe jong ook, vertoont hebbelijkheden, welke noodzakelijk moeten verbeterd worden ; het wordt beheerscht door driften, welke moeilijk in toom te houden zyn; van zyne eerste jaren af wil het zelf zyn weg kiezen en 't liefst onafhankelijk, vrij en zonder eenigen teugel, door het leven gaan. Niet hetgeen goed en deugdzaam is, zal het eerste voorwerp wezen, waarnaar het streeft, wel wat kwaad is. Dat is die zuurdeesem, welke door afstamming van Adam overgeërfd is en nimmer geheel en al kan uitgeroeid worden. Zelfs het toenemen in levensjaren en het ontwikkelen der rede zullen niet een geheelen omkeer te weeg kunnen brengen. Integendeel: wat vroeger als onvrijwillig gedaan nog verontschuldiging verdiende, zal niet meer te vergoelijken zyn, wanneer het volle bewustzijn elke misdadige handeling tot zonde stempelt. Zoo is de mensch in ongerechtigheid ontvangen en met de erfzonde beladen, evenzeer voor zich zeiven als voor anderen een schier onoplosbaar raadsel. Soms wil hij het goede en altijd voelt hij zich getrokken naar het kwade. En ontelbaar zijn de grootere of kleinere zonden, waarmede hij zich in den duur van zijn leven bezoedelt. Geen enkele, die niet dikwijls in zijne dagen en vooral aan het einde daarvan klagen moet, dat de oude zuurdeesem altijd van het eerste oogenblik zijns levens af in zijne ziel gegist heeft, nu eens tot zonde bekorende, dan wederom tot zonde verleidende; dat die even oud is als de duur van 's menschen leven lang was; maar dan ook leeft er niemand, die op zich zeiven de vermaning van den h. Paulus niet moet toepassen: doe weg den ouden zuurdeesem.

Opmerking. Op de vraag, hoe die vernieuwing van den in-wendigen mensch te bewerken is, zal het antwoord verschillend

11

ocr page 18

PAASCH-ZONDAG.

12

moeten wezen, naar gelang onder den zuurdeesem verstaan wordt of wel de begeerlijkheid of wel de zonde. In de eerste veronderstelling kan van eene algeheele uitroeiing geene spraak komen, daar het ook den best gezinden en meest ijverigen Christen onmogelijk blijven zal, zich in een mensch te hervormen, welke gelijkt op Adam, toen deze nog in rechtvaardigheid en in waarheid voor God wandelde en geene booze begeerlijkheid zijn vleesch in opstand zette tegen den geest. Een ieder zal, zoolang hij leeft, een moeilijken strijd tegen zich zeiven te voeren hebben; nimmer zullen zijne driften geheel en al uitgeroeid, nimmer zijne hartstochten gedood wezen. Het eenige, wat hij met Gods genade èn doen kan èn doen moet, is dat hij ze bedwinge, ze overheersche en aan de strenge wet van God onderwerpe. Aan toegeven, aan inwilligen van hetgeen zijne lagere natuur wil, mag hij nimmer denken. Zij is te vreezen die begeerlijkheid als de gevaarlijkste vijandin onzer zaligheid, en daarom te bestrijden met alle middelen, welke Gods Goedheid ter onze beschikking heeft gesteld. Verder gaat 's men-schen kracht niet; tot aan zijn laatste einde zal hij met den h. Paulus moeten klagen: ik ellendig mensch! wie zalmijver-lossen van het lichaam dezes doods, waarin de begeerlijkheid heerscht en mij immer aan het gevaar blootstelt van den geestelijken dood der ziel (Rom. VII, 24). — Wat de erfzonde aangaat, deze is afgewasschen in de reinigende wateren des Doopsels, en wat elke persoonlijke zonde betreft, hoe zwaar zij moge wezen, zij kan en moet ook uitgewischt worden door een oprecht berouw en eene nederige belijdenis van schuld aan den priester, plaatsbekleeder en gevolmachtigde van den Heerejesus Christus. Die zuurdeesem, wie weet hoe oud, dient weggenomen en met niet mindere zorg en nauwgezetheid moet dat gewichtig werk ondernomen worden dan waarmede de Joden verplicht waren vóór het eten van het Paaschlam hun huis te doorzoeken, * opdat niets gedeesemds overbleef. Ook spoedig is de hand aan 't werk te slaan. Van die noodzakelijkheid overtuigd, eischt de Kerk Gods van hare geloovigen, dat zij in de dagen van het heilig Paaschfeest hun geweten van de besmetting der zonde zuiveren, opdat zij niet met den zuurdeesem van ondeugd en

ocr page 19

paasch-zondag.

boosheid maar met ongedeesemde broaden van oprechtheid en ■waarheid het nieuwe Paaschlam nuttigen. Deze eisch van den h. Paulus, door de Kerk overgenomen, verdient al onze aandacht.

II.

Gelijk door den zuurdeesem de zonde, zoo wordt door het on-gedeesemd brood de van zonde gereinigde ziel voorgesteld; evenals de Joden hun feest ontheiligd en zich aan eene groote zonde schuldig gemaakt hadden, zoo zij het Paaschlam met gedeesemd brood aten, evenzoo zoude een Christen de h. Communie op heiligschennende wijze ontvangen, als hij met een geweten door een doodzonde bezoedeld, aan den feestmaaltyd deelnam, welken eene oneindige Liefde hem heeft toebereid. Daarom is het aan ieder onzer ten strengste bevolen, dat hij den ouden zuurdeesem, de zonde, waardoor het geestelijk leven vernietigd wordt, uitroeie en dan zijn wandel inrichte naar het voorbeeld van een oprechten bekeerling en van een kind Gods. Opdat gij een nieuw deeg moogt wezen — eischte de Apostel van de bekeerde Corinthiërs, en zoo ook van ons. By het begin van ons leven zyn wij ongedeesemd geworden, toen de wateren des h. Doopsels over onze hoofden uitgestort werden ter vergiffenis van alle zonden en de heiligmakende genade met de drie goddelijke deugden gegeven werd. Dat geestelyk leven moet al meer en meer vervolmaakt worden. Hij, die vernieuwd is naar den inwendigen mensch, gelijkend geworden op den eersten Adam, welke in gerechtigheid en waarheid geschapen was, moet leven in overeenstemming met de groote genaden, welke hem zijn gegeven, en met de eervolle bestemming, welke hij van zyn Schepper en Verlosser ontving. Door in heiligheid zyne dagen door te brengen en onverpoosd voort te gaan op den weg, welke naar de eeuwige rust geleidt, moet hij zich onbesmet bewaren van de booze wereld en geene van hare zondige daden navolgen ;

13

ocr page 20

paa3ch-z0ndag.

hij moet ingetogen, rechtvaardig en godsdienstig zjjn. In al zijn doen en laten dient het te blyken, dat hy der wereld gestorven is en voor God leeft; ook geene onreine gedachte noch eene zondige begeerte mag een smet werpen op de reinheid zijner ziel; in een Gode welbehagelijk werken is de tijd te besteden, welken de Goedheid van zijn God hem geeft ter beoefening van wat deugdzaam en verdienstvol is voor de eeuwigheid. Hij moet er ook zyn vermaak, zijne eer in stellen, dat hij als een nieuw deeg, dat buigzaam en gemakkelijk te kneden is en daarom voor alle vormen zich leent, geheel en al onderworpen blijft aan de leiding der goddelijke Voorzienigheid, aan de inwerking der genade; dat hij met graagte luistert naar de stem van zijn geweten en naar den eisch van Gods geboden; zelfs moet hij zich verheugen, wanneer Gods hand soms zwaar op hem drukt om hem, als het goud in den smeltkroes gelouterd wordt, te zuiveren in het vuur der beproeving, opdat hij rijp zij voor de glorie des Hemels.

Laat oks derhalve feest vieren, niet met den ouden

zuurdeesem noch met zuurdeesem van ondeugd en boosheid, maar met ongedeesemde brooden van oprechtheid en waakheid, In die vermaning van den Apostel wordt de geheele wet voor een christelijk leven met twee woorden afgekondigd: de zonde uitroeien en de deugd beoefenen. Ook is geene betere voorbereiding denkbaar om het hoogtyd van Paschen op waardige en tevens voor de ziel voordeelige wijze te vieren ; zoo ook wordt de woning, welke door de komst van den driemaal heiligen God zal verheerlijkt worden, zoo al niet waardig dan toch minder onwaardig gemaakt om den Heer van alle glorie te ontvangen. Dan ook zullen de lenden van den Christen omgord zijn met vrome ingetogenheid en met versterving der zinnen; dan zal hij de bittere kruiden van de vernedering en het lijden niet afwijzen; dan zijn zijne ^oeten ge-

14

ocr page 21

paasch-zondag.

schoeid ter bewandeling van den weg, welken God hem zal aanwijzen, en hy staat gereed ora door de woestijn des levens den tocht naar het beloofde land der zaligheid te ondernemen.

Is onze ziel op die wijze voorbereid ter ontvangst van Jesus, ons waarachtig Paaschlam, dan nog moet zij versierd worden met twee deugden, welke de h. Paulus met name noemt: met oprechtheid en waarheid. quot;Wat hij daarmede bedoeld heeft, is niet moeilijk te achterhalen. Oprecht mag bij alleen heeten, die cerwijl hij het goede doet, daarbij door eene heilige meening bezield wordt; die niet aan de menschen zoekt te behagen maar aan God. Derhalve, oprecht handelt hij, die zijn paaschplicht vervult, niet uit gewoonte, slechts voor het uiterlijke, niet omdat hij anders door huis- en geloofsgenooten voor onverschillig of ongodsdienstig zoude aangezien worden, maar uit een heilig verlangen om zijn plicht te vervullen en zyne ziel te sterken met het Brood, in welks kracht hij hoopt te zullen wandelen tot aan den voet van den berg Gods; die de spijze der Engelen ontvangt uit begeerte om zich inniger aan zyn Verlosser te hechten en een onderpand te hebben voor het eeuwig leven by God; die zyn dorst naar de gerechtigheid wenscht te lesschen aan de fonteinen des Zaligmakers, waarvan het water springt ten eeuwigen leven; die ten aanzien van den geest zyns gemoeds, naar den inwendigen mensch zoekt vernieuwd te worden en in heiligheid voortaan voor God te kunnen wandelen, met elke schrede op zijn levenspad van deugd tot deugd voortgaande. — Wie zoo oprecht is, die is en blyft ook waar, in de waarheid, in de eenig ware orde, welke er bestaan moet tusschen God, die zyne genaden aanbiedt en tusschen den Christen, die ze aan te nemen en tot zyne zaligheid dient te gebruiken. Hij overziet de volle uitgestrektheid zyner verplichtingen, het redelyke en het gewichtige daarvan, en wijdt zich met zijne geheele ziel aan eene nauwgezette vervulling; aan zijne neigingen geeft hij slechts in zoo verre toe, als dit vereenigbaar is met den heiligen wil

15

ocr page 22

PAASCH-ZONDAG.

van God en met zijn geestelijken vooruitgang; schijnheiligheid blijft hem een gruwel en hij laat zich niet leiden door menschelijk opzicht maar alleen door hoogere beweegredenen; hij gelooft en leeft uit zyn geloof, zóódat hy de heiligste plichten met eene eenvoudigheid en ongekunstelde vroomheid volbrengt, welke stichten, maar tevens met eene nauwgezetheid, welke ter navolging oproept. Met die volmaaktheid in meening en in daad aanzittende aan den maaltijd, waar het hemelsche Brood genuttigd wordt, zal hij ook een voorbeeld wezen, waaraan alle lidmaten der gemeente zich kunnen spiegelen.

Wie zich zooveel als mogelijk is wenscht te ^vergewissen, of hij het bederf der zonde uit zyn hart verwijderd en vervangen heeft door het heilzame der deugd, kan dit uit de volgende kenteekenen wel niet met volkomene maar toch met geruststellende zekerheid opmaken. Als het geweten ons geene zware overtreding meer verwijt; als geene menschelijke beweegreden ons aandrijft tot wat Gode welgevallig is maar alleen een heilige drang om Gods Rijk te zoeken en te bemachtigen ; als een gewettigd wantrouwen op eigene krachten ons dringt tot een deemoedig en volhardend gebed, opdat in de zwakheid alle hulp gezocht worde, waar die te vinden is; als wy die ingeving des H. Geestes vernemen, welke ons met vertrouwen den hemelschen Vader onzen Vader doet noemen, en wy de getuigenis hooren, dat wy kinderen Gods zijn; als wy ons getrokken gevoelen om de feestdagen der Kerk volgens haren geest mede te vieren ter opwekking van ons godsdienstig leven; als het verlangen ons bezielt en aanspoort, om in nederige aanbidding voor het Kruisbeeld of voor het Altaar neer te knielen, vooral om ons opnieuw te voeden met het Brood, dat uit den Hemel is neergedaald en het eeuwig leven geven kan — ja, dan mogen wij hopen, dat Gods genade ons hart getroffen en

16

ocr page 23

PAASCH-ZONDAQ.

daarin eene verandering bewerkt heeft, waarover de Engelen in den Hemel zich verheugen en den goddelijken Gever van alle goede gaven danken. Al waren ook vele jaren in ongetrouwheid aan Gods gebod gesleten en al zouden vele zonden uit te wisschen zijn geweest, worden de krachten en talenten, welke voorheen der ongerechtigheid gewijd waren, nu in dienst der gerechtigheid en der liefde gesteld, wordt rondom de zintuigen eene bestendige wacht geplaatst door versterving en ingetogenheid, door eene bescheidene nederigheid en eene heilige vrees, welke gevaren ducht ook waar zij nog niet dreigend zijn — ook dan mag de gelouterde ziel zich in God, haar heil, verheugen en het Paaschfeest vierende van vreugde jubelen en met de Kerk zingen: „dit is de dag, „welken de Heer gemaakt heeft! Laten wij daarop juichen „en ons verblyden.quot;

Opmerking. Met een opmerkenswaardigen nadruk dringt de h. Paulus aan op het getrouw naleven der twee verplichtingen, welke wij bespraken. En slechts ééne, maar eene alles afdoende reden voert hij daartoe aan: WANT OOK ONS PAASCH-LAM, CHRISTUS, Is GESLACHT. — Met meerder klem en krachtiger beweegreden kon hij zijne vermaning niet besluiten. Toen de Joden voor 't eerst het paaschlam aten, waren zij op 't punt zich aan de Egijptische slavernij te onttrekken en als een vrij volk, als het uitverkoren volk Gods op te gaan naar het hun beloofde land. Die slavernij was eene afbeelding van den zondigen toestand van het geheele menschdom, dat paaschlam eene vóórafbeelding van onzen goddelijken Zaligmaker, beschouwd èn als slachtoffer voor de zonden der geheele wereld èn als spijze voor onze ziel. Uit die dubbele beteekenis van het Paaschlam der Nieuwe Wet vloeien voor eiken Christen twee groote verplichtingen voort. — Gelijk de Joden niet meer terugkeerden naar het land der dienstbaarheid, maar door allerlei moeilijkheden voorttrokken naar die gelukkige gewesten, welke hun het genot van rust en van overvloed verzekerden, evenmin mag een Christen, nu zijn Verlosser als het Lam, dat de zonden der

Verklaringen der Epistelen 2

17

ocr page 24

PAASCH-ZONDAG.

18

wereld wegneemt, geslachtofferd, en hij zelf door Jesus' sterven van de heerschappij des duivels bevrijd is, terugkeeren naar de vleeschpotten van Egijpte, dat is: naar de zinnelijke genoegens der verzaakte wereld, maar moet onvermoeid en in weerwil van alle hinderpalen al verder voortgaan op den weg, welke hem door de woestijn des levens voert naar de plaats, waar zijn rust begint om niet meer te eindigen, waar hij zich voor eeuwig verheugen zal in het genot van hemelsche goederen. Door het Bloed van het goddelijk Zoenoffer gereinigd van zonden, mogen wij ons geene valsche afgoden meer smeden, maar moeten geest en hart en wil buigen onder het zoete juk van Gods geboden. Voor niemand is dit onmogelijk. De macht des duivels is gebroken; het leven der genade, door de zonde verloren, is ons hergeven en de genade voor ons verdiend, waardoor wij sterk genoeg zijn om het land der eeuwige belofte te kunnen bereiken. — Het Paaschlam der Joden was ook eene voorbeduiding van die goddelijke Spijze, welke eene oneindige Liefde ons naliet voor het leven van onze onsterfelijke zielen. Doch zij kan ook de dood worden, als zij op onwaardige wijze genuttigd wordt. Daarom drukt ook op ons de plicht even goed als op de Israëlieten, dat wij goed voorbereid het Paaschlam der Nieuwe Wet eten: in reinheid des harten en naar den inwendigen mensch vernieuwd. Een ondenkbaar groot ongeluk dreigt hem, die onwaardig daarvan eet; maar de grootste zegeningen zijn hem verzekerd, die op waardige wijze dat hemelsch Brood nuttigt. Het eene heeft de h. Paulus met zijn onfeilbaar gezag geleerd in deze woorden: al wie onwaardighjk dit Brood zal gegeten of den Kelk des Heeren zal gedronken hebben, die zal schuldig zijn aan het Lichaam en het Bloed des Heeren (i Cor. XI, 27).; het andere heeft Jesus zelf met een goddelijk woord beloofd: •wie mijn Vleesch eet en mijn Bloed drinkt, blijft in My en Ik in hem; die Mij eet, zal leven door Mij; die dit Brood eet, zal leven in eeuwigheid (Joan. VI, 57—60). Dient dan niet ons geheele huis, onze ziel tot in haar diepste binnenste, doorzocht te worden, opdat elke hoek van den ouden zuurdeesem gereinigd worde, en dan na eene heilige Communie ons streven uitslui-

ocr page 25

PAASCH-ZONDAG.

19

tend gericht te zijn op het ingaan in die zalige oorden, waar God gezien wordt? — ïen einde dit wonder van bekeering volkomen te maken en tevens duurzaam, moet eerstens een iegelijk zich dikwijls de gevaren herinneren, waaraan hij bloot staat en waarin hij wederom onder de slavernij van Satan hervallen kan; door gebed en waakzaamheid, door berouw over het ver-ledene, door vrees voor de vijanden, welke hem vervolgen, door afschuw voor zijne vorige dienstbaarheid moet hij eene klove graven tusschen hetgeen achter en voor hem ligt — eene klove even diep als de roode zee was, welke de vijanden der Joden belette hen wederom te doen bukken onder het slavenjuk, waarvan Moses hen bevrijd had. En dan ten tweede: als kind Gods, door de waarheid vrijgemaakt, moet hij, te midden der beproeving van eene booze wereld teruggekeerd, zich met ijver op goede werken toeleggen, op den dienst van Gods Zoon, die hem vrijgekocht en met het ware Paaschlam gesterkt heeft voor eene moeilijke reis. Werken van godsdienstigheid en van naasten-liefde, van versterving en van boetvaardigheid, van zelfverloochening en van onthechting aan het aardsche, zij moeten op eene heilige Communie volgen en het bewijs leveren, dat de dood door een christelijk leven vervangen is, dat de genade over de zonde heeft gezegevierd. Zelfs de inspanning van eene lange woestijn-reis mag niet afschrikken; het verlangen om het allen voorbestemde en beloofde land te mogen binnen gaan en daar met alle Engelen en Heiligen de eeuwige goederen des Hemels te genieten, zal met de hulp van Gods genade sterk genoeg maken om alle moeilijkheden te overwinnen en de zalige gewesten te bereiken, waar geen vijand ons meer bestoken kan.

ocr page 26

EERSTE ZONDAG NA PASCHEN.

Veel geliefden! Alles wat uit God geboren is overwint de wereld; en dit is de overwinning, welke de wereld overwint: ons geloof. Wie is het, die de wereld overwint, tenzij hij die gelooft, dat Jesus de Zoon Gods is? Deze, Jesus Christus, is degene^ die gekomen is door water en bloed, niet door het water alleen, maar door het water en het bloed. En de Geest is het, die getuigt dat Christus de waarheid is. Want drie zijn er, die getuigenis geven in den Hemel: de Vader, het Woord en de Heilige Geest, en deze drie zijn één. En drie zijn er, die getuigenis geven op de aarde: de Geest en het water en het bloed; en deze drie zijn één. Indien wij de getuigenis der menschen aannemen, Gods getuigenis is gewichtiger; en deze gewichtiger getuigenis Gods is die, welke Hij aangaande zijnen Zoon getuigd heeft. Die in den Zoon Gods gelooft, heeft Gods getuigenis in zich zeiven.

I Joan. V, 4—10.

Inleiding. Joannes was de meest beminde leerling van Jesus. Bij het laatste Avondmaal mocht hij met zijn hoofd rusten op

ocr page 27

eerste zondag na paschen.

de borst van zijn goddelijken Meester en »putte uit die heilige »bronquot; —zegt de h. Chrysostomus — »die geheimen, welke hij «verkondigd heeft.quot; Geen wonder, dat hij, hoofd der Kerk in Azië geworden, met den grootsten ijver optrad tegen alle ketterijen, welke de eer en den Persoon aanrandden van zijn beminden Verlosser, dat hij zoowel in zijn Boek der Openbaring en in zijne brieven als in zijn Evangelie de Godheid van Jesus verdedigde tegen alle dwaalleeraars, die stoutweg durfden beweren, eenigen dat Jesus niet de beloofde Messias was, anderen dat Hij niet God was. Die Waardigheden niet te handhaven, als zij door wien ook geloochend werden, dwalingen te hooren en ze niet te weerleggen, zijne beminde geloovigen aan een groot gevaar te zien blootgesteld en hen door zijn apostolisch woord niet te versterken, dit was voor den Wakenden ijver van den dankbaren leerling eene onmogelijkheid. Hij schreef zijn Evangelie en richtte zijne brieven tot alle Christenen van het Oosten, om hen nog dieper te overtuigen, dat Jesus Christus waarlijk God was en dat het geloof in die Godheid noodzakelijk was, opdat zij het leven mochten hebben in zijn Naam. — In dat gedeelte van den eersten zijner brieven, hetwelk aan het hoofd dezer bladzijden staat, bespreekt de Apostel twee onderwerpen, welke voor de Christenen van onzen tijd niet minder belangrijk zijn dan voor de geloovigen, onder wie de h. Joannes werkte. Hij leert ons namelijk:

I. de wonderbare kracht van het geloof in Jesus' Godheid en

II. de onfeilbare waarborgen voor de waarachtigheid van dat geloof.

1.

Dit is de overwinning, welke de wereld overwint, ons geloop. Maar welk geloof zal die overwinning behalen? Het geloof is — aldus leert de h. Paulus — eene vaste grond van dingen, welke te hopen zijn, een bewijs voor zaken welke niet gezien worden (Hebr. XI, 1.) Daarmede is de aard en verhevenheid, ook de werking des geloofs als beginsel van ons geestelijk leven aangeduid. Doch het is nog meer. Het is ook

21

ocr page 28

EERSTE ZONDAG NA PASCHEN.

22

eene verkorte inhoud van de goederen der genade, welke het mededeelt, en eene korte samenvatting van de goederen der glorie, welke het belooft. Het is de wortel der rechtvaardiging en het begin onzer zaligheid en daarom noodzakelijk hulpmiddel voor allen, die uit de stormen des levens wen-schen gered te worden. Het is een nieuw oog des geestes, eene lichtbaak welke aan de menschen den eenig waren weg aanwijst, welken zy te volgen hebben om op hunne donkere paden niet af te dwalen maar met wissen tred te kunnen voortgaan, totdat zij de eeuwige rustplaats gevonden hebben, den Hemel, hun door datzelfde geloof als belooning aangewezen voor een onvermoeid loopen. Zoo wordt het tevens de noodzakelijke voorwaarde, voor het bereiken van dien dag, aan welks einde de aanschouwing van God begint, eene voorsmaak der eeuwige glorie, welke eens aan de getrouwe dienstknechten zal geopenbaard worden, want het maakt, zoo het levend blijft, onze werken verdienstelijk voor den Hemel, omdat het ze verheft tot eene bovennatuurlijke orde. Het is eene groote gave van Gods oneindige Goedheid en, al wie die genade naar hare waarde weet te schatten, verheerlijkt God door het edelste gebruik dat hij van zijne rede en van zijne vrijheid kan maken, namelijk door zijn verstand te onderwerpen aan de openbaringen van de eeuwige quot;Waarheid; hij vangt ook met eene heilige leergierigheid de woorden des levens van Jesus' lippen op, om zijne zaligheid te bewerken; zijn geest is verlicht en zijn wil bewogen, zóódat geheel zijn wandel geheiligd wordt door eene kinderlijk eenvoudige onderwerping aan Gods onfeilbaar woord en vaderlijke wet. Het geloof is een schat voor welks behoud de edelste harten- en verhevenste geesten onafgebroken werkzaam bleven en de Martelaren hun bloed en leven gaven. In 't kort: gelijk van het geloof de genade Gods de oorsprong, en de geheimen Gods het voorwerp, en de waarachtigheid Gods de beweegreden is, eveneens is de glorie Gods de belooning voor een ge-

ocr page 29

eerste zondag na paschen.

loof, dat levend is en door liefde werkzaam blijft.

Hoe machtig moet zulk een geloof wezen, machtig door de goddelijke waarheden welke het predikt, door de genaden welke het mededeelt, door de beloften welke het voorhoudt, door de heilige meening welke het ingeeft! Het Evangelie is

— leerde de h. Paulus — eene kracht Gods ter zaligheid voor een iegelijk, die gelooft (Rom. I, 16). Het vereischt niet eene moeilijke inspanning, om die uitspraak des Apostels met voorbeelden uit het dagelijksch leven eens Christen te verklaren. Vooreerst maakt het geloof hem los van wat vergankelijk is, om dan geest en hart, gedachten en begeerten te richten naar hetgeen eeuwig blijft, zóódat het eenig ware goed met ijver gezocht wordt; zelfs de zedenwet heeft, al zijn hare eischen veel en gestreng, voor ware geloovigen eene groote aantrekkelijkheid, omdat zij duidelijk inzien, dat er geene vereeniging mogelijk is tusschen het licht en de duisternis, tusschen de waarheid en de leugen, tusschen Christus en Belial. Wanneer dan het geloof den Christen wijst op het bezit van God als de belooning voor de deugd, zal hij niet aarzelen in zijne keuze, maar bereidvaardig den schyn opofferen voor de werkelijkheid, al moet hij zich daartoe geweld aandoen. Hij heeft immers geleerd, dat het zich gelijkvormig maken aan deze wereld niet vereenigbaar is met het streven naar de gelijkvormigheid aan het beeld van den goddelijken Jesus, die verheerlijkt zetelt aan de rechterhand des Vaders in den Hemel. Twee heeren — hij is daarvan diep overtuigd

— kan hij niet dienen, maar moet den eene haten om den andere te beminnen, den eene verzaken om den andere te kunnen dienen.

Denkt u zulke uit God geborenen, die door de genade der rechtvaardiging van de slavernü der zonde bevrijd zijn en de vrijheid der kinderen Gods verworven en daarmede de gave des geloofs verkregen hebben, in strijd met eene booze wereld;

23

ocr page 30

eerste zokdag na paschen.

aan wie van beiden zal de overwinning blijven? Dit is de

overwinning, welke de wereld overwint ; ons geloof. Het

is waar: zij, die herborenen, zijn niet van natuur veranderd, zijn zwakke menschen gebleven; hunne hebbelijkheden zijn niet uitgeroeid, hunne hartstochten niet geheel onderdrukt; de oude mensch met zijne begeerlijkheden is in hen nog niet gestorven ; voortdurend zullen velerlei gevaren hun zieleheil blijven bedreigen; niet alle hinderpalen zijn uit den weg geruimd, ergernissen zullen er altijd wezen en bekoringen van velerlei aard zullen hun niet gespaard worden. Zij ook bewegen zich te midden van eene bedorvene wereld, welke niet te ontvluchten is en op tweeërlei wijze niet 't minst hen bestookt, die godvruchtig willen leven. Zij vervolgt hen met haren haat, met hare spotternij en lastertaal — juist zooals Jesus het voorspeld heeft — en dit met geen ander doel dan om hen in 't oog van een onnadenkende menigte verdacht te maken, dan om hen door immer herhaalde aanvallen te vermoeien en zoo eerst tot stilstand en vervolgens tot achteruitgang op den goeden weg te brengen en zelfs tot het kwade te verleiden, waardoor zij weten dat zij van die vijandelijke gezindheid niets meer zullen te lijden hebben. Eene andere, nog heilloozer werkende wijze, waarop de booze wereld Jesus' getrouwe leerlingen ten val tracht te brengen, is deze. Voor de oogen van den Christen ontplooit zij met duivelsche sluwheid al de bekoorlijkheden van haren rijkdom, van haar eerbetoon, van hare vermaken, en 't is waarlijk alsof het eene prijzenswaardige daad moet genoemd worden, met zoo grooten ijver vertoont zij die aanlokselen, waardoor ;de laagste driften van den mensch ontvlamd worden. De hebzucht, de eerzucht en de genotzucht, waaraan zij zelve op schandelijke wijze verslaafd is, moeten de nog reine harten bezoedelen, ze met een onzalig vuur vervullen, opdat de begeerte naar goud eene afgoderij worde, de geest van hoogmoed het kindschap Gods vernietige, de zinnelijkheid wederom den

24

ocr page 31

eerste zondag na paschen.

geest aan het vleesch onderwerpe. „De wereld houdt u vastquot; — zeide de h. Auöustinus — „en hare begoochelingen vleien „u van alle kanten. De menigte van het geld, de schittering „van hare eer, de vrees door hare macht ingeboezemd be-„koort u.quot;

Wie zal aan die verleiding, even gevaarlijk als zonder ver-poozing werkzaam, met een goed gevolg weerstand bieden ? Wie zal dat paradijs van wellust ontvluchten, dat hem voor de oogen getooverd is en waarin hij slechts zijne hand heeft uit te steken om alles te grijpen, wat voor den wereldling als het hoogste geluk des levens geldt; wie daarenboven zich wenden naar die zijde, waar hem smaad en verachting, armoede en ontbering, lijden en versterving wachten ? „De swereld vleitquot; — leerde ter waarschuwing genoemde Kerkleeraar, — door eer, rijkdommen en zingenot te beloven; zij „verleidt door te dreigen met pijn en nooddruft en vernedering.quot; Maar de leerling van Jesus, de ware Christen is tegen die aanvallen bestand en sterk door zijn geloof, zóódat hij liever alles derft en alles lijdt dan dat hij ontrouw wordt aan zijne duurste verplichtingen. De pijlen van den booze zijn brandend; maar zij worden uitgedoofd door het schild des geloofs (Eph. VI, 16). Het woord Gods wijst, bij het woelen der hartstochten, bij het dreigen der gevaren en bij het aanstormen der bekoringen, op de pijnen der hel voor de ontrouwen maar ook op de vreugden des Hemels voor die volhard zullen hebben ten einde toe. Al zouden den Christen geene andere wapenen ter beschikking staan, waarmede hij aan zijne bittere vijanden eene beslissende nederlaag kan toebrengen, door de gedachte aan die onveranderlijke waarheden alleen zoude hij sterk genoeg wezen om op de overwinning te mogen hopen. Leert ook de H. G-eest niet, dat de herinnering aan de uitersten des menschen hem voor het plegen van zonden vrijwaart?

Doch niet elk geloof zal zulk een strijder voor Gods eer en wet, voor de reinheid van zyn geweten en voor het

25

ocr page 32

EERSTE ZONDAG NA PASCHEN.

schoone der deugd vormen. Niet het geloof van die door den h. Joannes bestredene dwaalleeraars, welke de goddelijke Waardigheid van den Heer Jesus Christus loochenden, Hem wel als een heilig man eerbiedigden maar niet als den mensch-geworden Zoon Gods aanbaden, en daarmede de Verlossing, de rechtvaardiging en heiliging des menschen verwierpen. Neen, het eenig ware geloof der Katholieke Kerk, waardoor beleden wordt, dat Jesus de Christus is, de Zoon Gods, welke in de aangenomene menschelijke natuur onder de zijnen is verschenen; dat Hij als de eeuwige en onfeilbare Waarheid eene leer verkondigde, welke in haren omvang met nederige onderwerping aan te nemen en te beladen is; dat Hij als opperste Wetgever eene nieuwe Wet gaf, waardoor alle verhoudingen des menschen tegenover God en den naaste en hem zeiven geregeld en voor alle tyden vastgesteld werden; dat Hij als Zoenoffer voor de zonden der geheele wereld gestorven is en zoo eene eeuwige verlossing bewerkt heeft; dat Hij als Rechter eens zal terugkomen om een ieder te beloonen of te straffen naar diens werken — zulk een geloof alleen schenkt de overwinning op het vleesch, op de wereld, op de hel, omdat het doet vertrouwen op de alles vermogende hulp van God en met blijdschap doet uitzien naar eene gelukkige onsterfelijkheid, omdat het tegenover de vergankelijke schatten der wereld de eeuwige goederen stelt, tegenover hare denkbeeldige grootheid het welbehagen des hemelschen Vaders, tegenover haar misdadig zingenot de eeuwige vreugda van het Paradijs.

Opmerking. Groot is de gave des geloofs! Zij geeft kracht en licht, boezemt moed in en wijst de middelen aan, waardoor de wereld met schitterend gevolg kan overwonnen worden. De h. Petrus gaf daarom, van de aanvallen des duivels sprekende, aan zijne bekeerlingen dezen heilzamen raad: wederstaat hem sterk zijnde in het geloof (i Pe. V, 9). En niets noodiger voor onze

26

ocr page 33

EEBSTE ZONDAG NA PASCHEN.

27

zaligheid dan die sterkte. De wereld is eene gevaarlijke klip, waarop velen stranden. De h. Joannes heeft op de duidelijkste wijze allen voor dat gevaar gewaarschuwd, toen hij schreef: hebt de wereld niet lief, noch hetgeen in de wereld is. Zoo iemand de wereld liefheeft, de liefde des Vaders is niet in hem ; want al wat is in de wereld, is begeerlijkheid des vlec-sches, begeerlijkheid der oogen en hoovaardij des levens, welke niet uit den Vader is maar uit de wereld. En de wereld gaat voorbij en hare begeerlijkheid; maar die den wil van God doet, blijft in eeuwigheid (i Joan. II, 15—iS, en hij heeft met de laatste woorden bewezen, dat wereldgezindheid, liefde voor wat de wereld biedt, onvereenigbaar is met de liefde tot God ; dat bovendien het genot der wereldlingen kortstondig is, maar dat wie den hemelschen Vader dient, eeuwig zal leven, eeuwig zich verheugen. Op die waarheden doelde ook de H. ISIDORUS, toen hij de Christenen bestraffende uitriep: »de wereld gaat »voorbij, en gij volgt haar; zij bedriegt u en gij bemint haar; »zij liegt u voor, en gij vertrouwt haar. Gij vergaat met haar, »welke vergankelijk is; gij valt met haar, welke bezwijkt; gij »wordt bedrogen met haar, welke misleidt. Niets is vergankelijker, niets broozer, niets korter dan de wereld.quot; — Een goed Christen zal dan ook nimmer den strijd tegen de wereld opgeven, en overwinnaar blijven zoo hij, na eerst uit God geboren te zijn, met het geloof zich wapent als met een schild. Als de wereld vleit en door allerlei beloften tot wellust bekoort, zal hij zich herinneren, dat eens al de geheimen des harten openbaar zullen gemaakt worden en dat zalig zullen verklaard worden de zuiveren van harte. Als de wereld door hare schatten tracht over te halen om aan deugd en plicht te verzaken, dan zal het woord des Zaligmakers hem staande houden, dat het den mensch niets baat al zoude hij al de rijkdommen dezer aarde winnen maar schade lijdt aan zijne ziel, dat hij zich geene goederen moet verzamelen welke door den roest verteerd of door 1 den dief gestolen worden, maar zulke welke in de eeuwige voorraadschuren van God opgeborgen worden. Biedt de wereld hare vereering en hare achting aan, welke niet dan ten koste van eene laagheid ingeoogst, niet dan in zonde genoten kunnen worden,

ocr page 34

eerste zondag na paschen.

de Christen zegeviert gemakkelijk over die vernederende voorstellen, als hij bedenkt dat zijn goddelijke Leermeester de nederigheid zelve was en beloofde den nederige te zullen verheffen maar den hoogmoedige dreigde te zullen vernederen. Zelfs wanneer de booze wereld tot bedreiging en vervolging hare toevlucht neemt om tot het kwade als te dwingen, vindt de geloovige genoegzame kracht tot weerstand in de voorschriften van den Zaligmaker, die van al zijne leerlingen eischte Hem te volgen, hun kruis op te nemen en zich overtuigd te houden, dat de dienstknecht niet meer is dan zijn Heer en »datquot; — om de woorden van den h. Ambrosius te gebruiken — 2 daar een »ieder beproefd wordt waar veel vervolging is, dat daar kronen »verworven worden waar veel strijd is, dat het voor een ieder ivoordeelig is, als er vele vervolgers opstaan, dewijl te midden »der vervolgingen de gelegenheid gevonden wordt om beloo-»ning te verdienen.quot;

II.

Niemand zal ooit genoegzamen dank aan God kunnen brengen voor de gave des geloofs, waardoor hij in den strijd des levens overwinnaar blijft; ook niemand zal in staat wezen naar behooren z^jne erkentelijkheid te betoonen voor de vele en afdoende bewijzen, waardoor God én de Waardigheid én de Zending van Jesus en bijgevolg de Waarachtigheid van ons geloof in den Heere Jesus Christus heeft willen staven. ~ De volgende, door den h. Joannes in den Epistel van dezen dag aangevoerd, wekken ons tot die gevoelens op en verdienen daarom al onze aandacht.

Jesus Christus is gekomen door water en bloed. De Zoon Gods was, als die komen zoude, beloofd in het Paradij|, door Isaak aangeduid, camp;or Moses vóórafgebeeld, door de Profeten voorspeld, en in de volheid der tijden is Hij onder de zijnen gekomen en wel vol van waarheid en van genade. Zijn Naam, in den Hemel uitgedacht, voor 't eerst op aarde door een

28

ocr page 35

EEESTE ZONDAG NA PASCHEN.

29

Engel uitgesproken, door den h. Josef op bevel van God Hem bij zijne Besnijdenis gegeven, is Jesus, waardoor èn zijne Macht en zyne Waardigheid èn zijne Zending worden betee-kend, want Hij zoude zijn volk bevrijden van hunne zonden. Ook Christus moest Hij genoemd worden, had Daniël voorzegd en de Engel, aan de Herders de blijde geboorte des Zaligmakers der wereld verkondigende, had Hem Christus den Heer genoemd. Die twee namen, door den Stichter van onzen Godsdienst gedragen, waren derhalve niet wederrechtelijk aangematigd, maar volgens Gods beschikking gevoerd en bewijzen, dat de Zoon van Maria de Gezalfde des Vaders en de Verlosser van het gevallen menschdom was. — Doch niet alleen door zijn Naam, ook door de loerken zijner Liefde en Almacht zoude Hij van die waarheid getuigenis afleggen. Hij was op aarde gekomen, om den mensch te heiligen en te zaligen; Hij leefde en leerde en stierf voor het eeuwig geluk der ongelukkigen, die onder de slavernij des duivels zuchtten en een geestelijken dood voor eeuwig moesten vreezen. Daartoe kwam Hy door Water en Bloed, door eene tweevoudige werkzaamheid, binnen welker tijdperken zyn geheel openbaar leven besloten was. Zijn Doop in den Jor-daan door den h. Joannes die met water doopte, en zijn Dood op het Kruis toen Hij al zijn Bloed vergoot, worden door den Evangelist in 't bijzonder vermeld, om reden dat Jesus Christus bij elke van die twee gebeurtenissen van zijn aardsch leven op geheel bijzondere wijze als de Verwachte der volkeren en als de Verlosser der wereld geopenbaard werd. De Boetgezant noemde Hem het Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt, eene stem uit den Hemel verklaarde Hem voor den beminden Zoon des hemelschen Vaders, en de H. Geest daalde in de gedaante van eene duif zichtbaar op Hem neder. En bij den dood van Jesus op het Kruis getuigde eene reeks van ontzaglijke wonderen voor de goddelijke Waardigheid van Hem, die op Golgotha stierf voor de

ocr page 36

eerste zondag na paschen.

zonden van zijne Schepselen: het verduisteren der zon en het beven der aarde en het opengaan der graven en het verryzen der dooden en het scheuren van het voorhangsel des tempels — het waren de levenlooze maar welsprekende getuigen, dat Hij, die daar in lijden en verguizing, als een misdadiger op het schandhout den geest gaf, waarlijk de Zoon Gods, de beloofde Messias was. Nadat Jesus alzoo eerst bij het begin van zijn openbaar leven door het Water aan de boorden van den Jordaan en, op het einde daarvan, door het vergieten van al zijn Bloed op den berg des lijdens gekomen, als de Verlosser betuigd was, zoude Hij Zich voortdurend als den waren Messias van alle geslachten doen kennen door die zelfde middelen ter zaliging des menschen aan te wenden. Bij zijn Doopsel heiligde Hij het Water ten gebruike van de Kerk, welke Hij stichten zoude en waarin door de uitwendige afwassching aan den doopeling vergiffenis van zonden en de heiligmakende genade gegeven worden en dit om de oneindige verdiensten, welke Jesus Christus verworven heeft door het offeren van zijn Bloed. Zóó kwam Hij niet door het Water alleen maar door het Water en het Bloed; maar zóó ook bewijst Hij aan al zijne geloovigen van alle tijden, dat Hij eene eeuwige verlossing door zijn bloedigen Kruisdood heeft verworven en allereerst door het Water der wedergeboorte ter afwassching van zonden de verworvene verdiensten toepast, en bij gevolg dat Hij is de Christus, de Verlosser.

De bovenstaande getuigenissen voor Jesus' zending werden bovendien bevestigd door den H. Geest, die getuigt dat Christus de waarheid is, het eeuwig Woord des Vaders, de eeuwige Wysheid Gods, de Verkondiger van Gods raadsbesluit, de Leeraar der goddelijke openbaringen, de Wetgever van het Nieuwe Verbond en de Zaligmaker der wereld. Die getuigenis des H. Geestes werd afgelegd voor 't eerst — zooals wij hoorden — aan de boorden van den Jordaan en later zoo dikwyls Jesus van zijne goddelijke Almacht bewijzen gaf.

30

ocr page 37

eerste zondag na paschen.

wonderen deed, door de volmaaktheid van zijne deugd alle vijanden beschaamde, en ten laatste gehoorzaam werd tot aan den dood des Kruises; wantin alles wat Jesus deed ter heiliging van den mensch, moet ook de werkzaamheid van den H. Geest erkend en gehuldigd, alzoo een bewijs gezien worden dat Christus de waarheid is, dat Hij was wat Hij beweerde te wezen, dat naar zijne onderrichtingen geluisterd, zyne wet onderhouden, zijn voorbeeld nagevolgd moet worden en Hem de hulde der aanbidding dient gebracht te worden, dat in zijn Naam allen moeten zalig worden. — Die getuigenis vóór eeuwen, tijdens Jesus' openbaar leven, afgelegd liet zich immer in de Kerk Gods hoeren en zal tot aan het einde van haar bestaan op aarde allen tot het geloof in Jesus aanmanen. De H. Geest gaf altijd getuigenis van Jesus door de wonderwerken, welke Hij of door de Apostelen of door hunne opvolgers verrichtte ter bevestiging hunner prediking aangaande Jesus' Persoonlijkheid en leer; altijd verheerlijkte Hij Jesus, want, wat H^ aan de geloofsverkondigers ingaf, was eene openbaring van Jesus' goddelijke quot;Waardigheid en heilbrengende Zending; Hij sterkte ook alle beladers der waarheid om in weerwil van alle vervolgingen Jesus' Naam en leer niet te verzaken maar die te dragen voor vorsten en volkeren, zelfs gaf Hij hun in wat zij voor de rechtbanken zeggen, hoe zij de woorden des levens door Jesus op aarde gesproken, aan allen voordragen moesten. Zóó was het gedurende alle eeuwen, welke ons vóóraf zijn gegaan, zóó ook zal het blijven gedurende alle tijden, welke nog volgen zullen.

Nog andere getuigen, even machtig en onwraakbaar ten bewijze dat Jesus de Zoon Gods en de Christus is, voert de h. Joannes aan. Drie zijn er, die getuigenis geven in den Hemel : de Vader, het Woord en de H. Geest. De Vader liet door een Engel èn aan de h. Maagd én aan den h. Josef

31

ocr page 38

EERSTE ZONDAG NA PASCHEN.

32

openbaren, dat de Zoon van Maria de mensch-geworden Verlosser der wereld zoude wezen; een Engel riep de Herders en eene ster de drie Wijzen naar de kribbe ter aanbidding van het goddelijk Kind; de Vader getuigde zoowel by den doop van Jesus in den ^Jordaan als bij de verheerlijking op den Thabor, dat deze zijn welbeminde Zoon was, en op het einde van Jesus' sterfelijk leven kwam er uit den Hemel eene stem, welke verklaarde: „Ik heb mijnen Naam door U, „door uwe Zending, door uwe Leer en uw Werken verheer-„ lij kt en zal dien nog verheerlijken door U in het volbrengen „van het verlossingswerk.quot; De macht aan Jesus gegeven, zijne Verrijzenis en Hemelvaart behoeven wij slechts te noemen ; zij alle getuigden, dat de Vader Hem liefhad, Hem gezonden had, dat Hij in den Vader en de Vader in Hem was.— Ook het Woord, de eeniggeboren Zoon Gods, in de volheid dei-tijden mensch geworden, gaf van zijne goddelijke Waardigheid en van de Waarachtigheid zijner leer eene onwraakbare getuigenis niet slechts door zijne Volmaaktheid van leven en zijne grenzenlooze Liefde voor den mensch maar ook door zijne Wonderen en Voorspellingen. Zelfs in de bekeering van zondaars tot de deugd en van afgedwaalden tot het geloof moeten wij eene getuigenis van Jesus lezen voor de goddelijke Macht zijner leer en genade. Al die ontelbaren, welke in den loop der eeuwen door het Licht, dat uit Jesus' woord en voorbeeld straalde, tot de waarheid gebracht en door de de Genade, welke Jesus verdiend had en in rijke mate mededeelde, van den weg der zonde teruggekomen zijn, die Hem vervolgens erkenden en door woord en daad beleden als den eenigen Middelaar tusschen God en den mensch — zij bewijzen dat niemand tot den Vader komen kan dan door Hem, die Zich met recht den Weg en de Waarheid en het Leven noemde. Duizenden en millioenen bogen hunne knieën voor den Gekruisigde, omdat zij in zijne leer een troost, in zyn gebod een wegwyzer, in zijne belofte een steun vonden, omdat

ocr page 39

eerste zondag na pa3chen.

zij in de door Hem gestichte gemeenschap het geestelijk heil niet tevergeefs zochten, het ware leven smaakten, de eeuwige verrijzenis verwachtten. — De H. Geest heeft Jesus Christus als den Verlosser der wereld betuigd, behalve op boven besprokene wijzen, ook hierdoor, dat Hü van den Hemel kwam over de Apostelen en over allen, die Jesus' Naam beleden ; dat Hij Heiligen vormde maar alleen uit hen, die in den Heer Jesus Christus als hunnen Verlosser geloofden; dat Hy de Kerk van Jesus gesticht door alle eeuwen bestierde, steunde in de vervolgingen en in weerwil der macht van al hare vijanden ter overwinning geleidde. Die getuigenis spreekt luider dan menigeen vermoedt. Zoo Jesus Christus niet de Waarheid was, kon de H. Geest noch aan diens volgelingen zyne bijzondere genaden mededeelen, noch diens leerlingen tot hooge volmaaktheid opvoeren, noch diens instelling beschermen. De Geest van waarheid zoude in die veronderstelling zyn zegel gedrukt hebben op wat niet waar, niet goed, niet ontwijfelbaar was. — Deze drie zijn één, zegt de h. Joannes — één God en, ofschoon drievuldig in Personen, van één goddelijk Wezen en van ééne goddelijke natuur; één ook in hunne getuigenis, één in waarheid, en daarom moet hunne getuigenis als waarachtig aangenomen worden.

Bij de getuigenis uit den Hemel voor Jesus' goddelyke Waardigheid, Zending en Werkzaamheid voegen zich — leert de h. Joannes — nog drie, die getuigenis geven op de aarde : de Geest en het Water en het Bloed. De H. Geest getuigt op aarde, dat Jesus, de Christus, de mensch-geworden Zoon Gods is, ook hierdoor dat Hy zyne werkzaamheid ter heiliging van Jesus' verlosten noch aan tijd noch aan plaats verbindt maar allen wil leiden naar het Ryk van waarheid en van genade, dat Jeaus op aarde is komen brengen; eveneens doordat Hij aan de eerste leerlingen des Zaligmakers wel vooral maar toch ook aan die na hen predikten, zijne kracht

Verklaringen der Epistelen. 3

33

ocr page 40

eerste zondag na paschen.

verleende om wonderen te doen en zoo aan het woord der waarheid door Jesus voor 'teerst verkondigd ingang te verschaffen zelfs in verstokte gemoederen en in hedorvene harten. — Het Water en het Bloed leggen op aarde insgelijks de welsprekendste en overtuigende bewijzen af voor Jesus' verlossingswerk. Het eerste, omdat het door Jesus tot stoffelijk deel voor dat van zijne h.h. Sacramenten verheven werd, waardoor Hij met de reiniging van de erfschuld en met de vergiffenis van persoonlijke zonden ook de heiligmakende genade geeft, en de drie goddelijke deugden instort, zóódat de in Christus her-borene tot een heilig leven voor God in staat gesteld wordt. Het andere, omdat het, voor de eerste maal bij Jesus' Besnijdenis en later maar toen met volle stroomen bjj zyn Kruisdood vergoten, in de H. Mis van den opgang der zon tot aan haren ondergang als een rein offer aan den Allerhoogste wordt opgedragen en, in de eerste eeuwen der Kerk, als goddelijke drank den geloovigen in de h. Communie werd toegereikt, ter zaligheid van hunne onsterfelijke zielen. — Ook deze drie zijn één, eenstemmig ter verheerlijking van den God-mensch, dezelfde waarheid verkondigende, dat namelijk de Zoon Gods in deze wereld gekomen is om te zoeken wat verloren, om op te beuren wat gevallen, om te redden wat den eeuwigen dood prijs gegeven was.

Opmerking. Indien wij de getuigenis der menschen

aannemen, gods getuigenis is gewichtiger — met deze woorden besluit de Apostel zijne leerrede. Laat ons dan — deze gevolgtrekking moeten wij maken — vasthouden aan de helydenis (Hebr. IV, 14) van het eenig ware geloof in onzen Hoogepriester, Jesus Christus, die na eene eeuwige verlossing bewerkt te hebben, opgevaren is naar den Hemel en daar altijd leeft om voor ons te bidden (Hebr. VII, 25). Met vertrouwen moeten wij dus naderen tot den troon zijner Barmhartigheid, want Hij is en blijft onze Hoogepriester, die medelijdend is en derhalve in alle aanvechtingen tegen het geloof, in al onze beproevingen

34

ocr page 41

EERSTE ZONDAG NA PASCHEN.

35

helpen kan en helpen wil. Wij schenken zoo licht ons geloof en ons vertrouwen aan menschen, die noch het eene noch het andere waardig zijn, en wij zouden het weigeren aan de onfeilbare Waarheid en aan de almachtige Liefde! Neen, dan verdienden wij niet den eerenaam van oprecht geloovige en innig godsdienstige Christenen. — Het ware bovendien eene groote dwaasheid, meer nog: eene beleediging der goddelijke Majesteit en tevens eene verzaking van de hoogste goederen, zoo iemand zich door de ongeloovigheid en lichtzinnigheid van onzen bedorven tijd liet verleiden om Gods getuigenis, aangaande zijnen Zoon op velerhande wijze afgelegd, te verwerpen en door allerlei valsche en vreemde leeringen van den waren weg te worden weggevoerd. Daarom is strenge en volhardende waakzaamheid plicht voor allen. Velen zijn zij, die in onze dagen niet willen gelooven wat God geopenbaard en door onwraakbare bewijzen gestaafd heeft, die met alles spotten en alles lasteren, wat heilig is; die door goddelooze gesprekken, slechte voorbeelden en verderfelijke geschriften het vergif, waarvan zij vol zijn, trachten over te storten in den geest en in het hart van argelooze onvoorzichtig-en. Wie tegenover hen niet op zijne hoede is en zich niet wapent met het schild des geloofs, is reeds half overwonnen en zal niet lang stand houden bij de herhaalde aanvallen, welke op zijne deugd gemunt zijn. — Voor de moeilijkheid van den te voeren strijd mag niemand terugdeinzen, aan laffe vrees niemand zich overgeven. Eens zal het openbaar worden, wie der waarheid het best gediend heeft, de vriend of de vijand van Jesus, de spotter of de dienaar van den Godsdienst, de waanwijze van deze wereld of de eenvoudige geloovige; eens slaat de stonde, waarin allen, die zich te groot wanen om door eene kinderlijke onderwerping aan het allerhoogste gezag hun ootmoed te toonen, hunne dwaling zullen inzien, maar de ware leerlingen zich zullen verheugen, omdat zij het licht meer bemind hebben dan de duisternis. In het uur des doods zal niemand spijt gevoelen, omdat hij in Jesus Christus geloofd heeft; maar zij die aan de waarheid weerstand boden, zullen door wroeging gefolterd worden, daar zij moeten belijden, dat zij den weg der waarheid niet wilden ken-

ocr page 42

EERSTE ZONDAG NA PA8CHEN.

36

nen. — Met die ongelukkigen, welke voor de verschrikkingenquot; der eeuwigheid zullen huiveren, moeten wij, die verwachten in blijde hoop te zullen sterven, medelijden betoonen door hen aan de Barmhartigheid Gods aan te bevelen. Zij verdienen onder alle opzichten het diepst gevoeld medelijden en onze hulp, opdat zij niet vallen in de handen van een God, die niet altijd met Zich laat spotten. Wat ons zeiven betreft, wij moeten in alle nederigheid des harten onzen dank brengen voor de onverdiende gave des geloofs in den Zoon Gods, danken dat wij Gods getuigenis in ons hebben, dat wij door Gods genade geholpen en door de macht der waarheid getrokken ons verstand gevangen gaven in de gehoorzaamheid aan het waarachtig woord van God, hetwelk alle aanneming waardig is, en bovendien blijven bidden: »Heer! vermeerder mijn geloof; help »mijne ongeloovigheid.'quot; Ook voor den best geloovige is zulk eene bede noodzakelijk, en wel om deze redenen. Geen geloof is zoo vast, dat niet vervolmaakt, onwankelbaarder en levendiger kan worden; geen geloof zoo sterk, dat niet bestreden wordt of door den duivel, of door de wereld, of door 'smen-schen hart, hetwelk zich niet dan met moeite onderwerpt aan de eischen door de waarheid aan de zinnelijkheid gesteld; ook geen geloof dat niet vruchtbaarder in goede werken, werkda-diger in liefde kan worden.

ocr page 43

TWEEDE ZONDAG NA PASCHEN.

Veel geliefden! Christus heeft voor ons geleden, u een voorbeeld achterlatend, opdat gij zijne voetstappen zoudt volgen ; Hij, die geen zonde gedaan heeft en in Wiens mond geen bedrog gevonden is ; die, als Hij gescholden werd, niet wederschold, als Hij leed, niet dreigde, maar zich overgaf aan dengene, die Hem onrechtvaardig oordeelde ; die onze zonden zelf in zijn lichaam gedragen heeft op het hout, opdat wij, der zonden afgestorven, der gerechtigheid zouden leven ; door Wiens striemen gij genezen zijt. Want gij waart als dwalende schapen ; maar nu zijt gij bekeerd tot den Herder en Opziener uwer zielen. I Pe. II, 2i—25.

Inleiding. Bovenstaande vermaningen des h. Petrus waren oorspronkelijk gericht tot de Christen-slaven, om bij hen aan te dringen op gehoorzaamheid aan hunne heeren en op geduld in hun vernederend en pijnlijk lijden; zij waren ook in de eerste tijden van het Christendom van een bijzonder gewicht voor de nieuw-gedoopten en de inhoud daarvan werd hun daarom, na het ontvangen van het Doopsel, voorgehouden en verklaard. In die dagen van vreeselijke vervolging moesten zij

ocr page 44

TWEEDK ZONDAG NA PASCHEN.

voorbereid wezen op het pijnlijk martelaarschap. Om hen te sterken tegen een waarschijnlijken strijd wees de Apostel hen op het voorbeeld van Jesus zeiven, die om wille dermenschen zoo onbeschrijfelijk veel en met het grootste geduld geleden had. Door het Doopsel aan de zonde gestorven en in de Kerk van Christus ingelijfd, moesten de bekeerlingen voortaan tegenover hunne vervolgers de zachtmoedigheid en het geduld en de onverschrokkenheid van Jesus navolgen, die als Herder was voorgegaan en hen, bleven zij Hem getrouw, zoude beschermen, helpen en ter overwinning leiden. — Ofschoon niemand onzer meer behoeft te vreezen voor de vernederende slavernij der verloopene eeuwen ; ofschoon wij niet meer leven in de tijden van eene bloedige vervolging en de glorie van het lichamelijk martelaarschap ons wel niet verleend zal worden, acht de Kerk het toch noodig de woorden van den Apostel ook op ons toepasselijk te maken, opdat wij bezield worden met een onoverwinbaren moed tegenover het lijden, dat aan niemand, daar hij mensch en vooral als hij Christen is, gespaard blijft. Heeft de Zaligmaker ook niet voorspeld, dat zijne leerlingen om zijnen Naam gehaat zullen zijn; heeft ook de h. Paulus niet geleerd, dat allen vervolging zullen lijden, die godvruchtig willen leven ? Niet het minste is het nu noodig, dat wij op die onveranderlijke waarheid gewezen worden. Wij bewegen ons te midden der Paaschvreugde; het blijde Alleluja weergalmt in onze kerken en verheft ons hart en onzen geest hemelwaarts, waar de verrezen Jesus zetelt en ons ter belooning wacht; alle rechtgeaarde Katholieken verheugen zich in God, hun heil, daar zij zich door eene h. Communie op 't innigst met hun Zaligmaker vereenigd hebben. Het gevaar dreigt alzoo, dat wij in de bedwelming dier geestelijke blijdschap vergeten, wat Jesus voor ons gedaan heeft en wat wij uit liefde voor Hem moeten doen. Het is daarom, dat wij in den geest der Kerk ons verplaatsende aan de beschouwing van deze twee waarheden met allen ernst onze aandacht wijden;

I. wij allen moeten lijden en waarom ?

II. wij moeten lijden, zonals Jesus leed.

38

ocr page 45

tweede zondag na paschen.

I.

Als de h. Petrus verklaart, dat Jesüs geleden heeft ons een voorbeeld nalatende, dan geeft hij daarmede tevens zijne vaststaande overtuiging te kennen, dat wij allen zullen te lijden hebben. En onze ondervinding van eiken dag bevestigt die waarheid. Elk der menschen moet, zoodra hij' zijne voeten in dit tranendal gezet heeft, zich voorbereid houden op een of ander lijden, in de ziel of in het lichaam. Schreiend komt het kind ter wereld, en steunend verlaat de grijsaard een leven, waarin hij met den aartsvader Jacob getuigen moet vele treurige dagen gezien te hebben. Wat tusschen die twee tijdperken van 's menschen omwandeling op aarde ligt, is voor een groot gedeelte vol kommer, leed en verdriet. Wel zijn er eenige zonnige dagen, want de Vader van alle Barmhartigheden weet de beproevingen af te meten naar de zwakheid van den mensch; maar hoe ras plaatst zich wederom een wolk voor dat hemel-licht en werpt over het geheel eene schaduw, welke tot droefgeestigheid stemt. Zoo gaat het leven met zijne afwisselingen voorbij, in het paleis der vorsten niet minder dan in de hut der armen. Is de mensch geschapen tot den arbeid, hij is ook voorbestemd tot het lijden. Geen stand noch staat zal ooit genoegzame bescherming bieden tegen die algemeene wet, welke zoo zwaar en pijnlijk drukt op het geheele menschelijk geslacht. Dit is het treurig lot van den landman en van den handwerksman, van den arme en van den rijke, van den heer en van zijn dienstknecht, van den Koning en van zijne onderdanen. Niemand die niet zucht onder den druk van wederwaardigheden, van tegenspoeden of van teleurstellingen____ 't Ware te vergeefs gehoopt, zoo iemand vertrouwde ook maar een korten tijd zonder moeilijkheden te kunnen doorbrengen. Eene beschamende ondervinding zoude hem al zeer spoedig van zijne

39

ocr page 46

TWEEDE ZONDAG NA PASCHEN.

dwaling genezen hebben, en de klachten van den grooten lijder Job door hem, schoon onder mindere pijnen geslaakt, werden het luid sprekend bewijs, dat hij in een ijdelen waan verkeerd had. Alles wat wij in ons zeiven gevoelen, wat wij in anderen opmerken, wat ons van den evenmensch vermeld wordt, het staaft de woorden van Sirach's zoon: veel kwelling is allen menschen aangeboren, en een zwaar juk ligt op Adam's kinderen, van den dag af dat zij voortkomen uit den schoot hunner moeder tot den dag toe dat zij hegraven worden in de moeder van allen — in den schoot der aarde; bekommernissen en zielsangsten, bedenkingen over hetgeen te verwachten is, en de sterfdag. Zoodanig is het lot van dien af die zetelt op den troon in heerlijkheid tot dengene toe, die gezeten is in stof en asch. Van dien af die in het purper gekleed gaat en een kroon draagt, tot dengene toe die met grof linnen gedekt is: gramschap is er en ijverzucht, onrust, onzekerheid, vrees voor den dood, verbittering en strijd. En zoo is het gelegen met alle vleesch, van den mensch tot het dier toe; doch de zondaars lijden zevenmaal zooveel. Daarbij komen nog pest, moord, strijd en zioaard, onderdrukking, hongersnood en over-heersching en allerlei geesels (Eccl. XI, 1 — 10).

De oorzaken van 's menschen lyden en strijden in deze woestenij van wee en van jammer zijn vele. Wij vermelden slechts de volgende. Waar zonde is kan het lijden niet uitblijven; het volgt de misdaad als de schaduw het lichaam. Omdat geen mensch zondeloos is, blijft ook niemand van het lyden verschoond. Hij zelf is derhalve de eerste oorzaak van de rampen, waarover hij niet ophoudt te klagen, en dit niet alleen omdat hij met de erfschuld beladen ter wereld komt, maar ook omdat hij vele persoonlijke zonden bedrijft. Adam moest, na gevallen te zijn, in het zweet zijns aangezichts zijn brood eten, dat hij niet dan onder zwaren arbeid aan eene aarde ontwoekeren kon, welke om zijne ongehoorzaamheid door den vloek G-ods getroffen was en distelen en doornen

40

ocr page 47

TWEEDE ZONDAG NA PASCHEN.

voortbracht; met de erfzonde ging ook die straf, — wij zonderen natuurlijk de allerheiligste Maagd Maria uit — op al zijne nakomelingen over, even als het lijden van het moederschap, waaronder 't eerst Eva en na haar al hare dochters bittere zuchten slaken. En wat 's menschen persoonlijke overtreding betreft: de h. Petrus nam als zeker aan, dat velen lijden, dewijl zij zich vergrepen hebben of aan het leven of aan den goeden naam of aan de tijdelijke goederen van den evennaaste (cfr. I Pe IV, 15), terwijl de wijze Salomon reeds vele eeuwen vóór hem gezegd had: indien de rechtvaardige hoeten moet op aarde, hoeveel te meer de godde-looze en zondaar (Spreuk XI, 31), en de reeds genoemde schrijver van het boek Ecclesiasticus: doe geen kioaad en geen kwaad zal u overkomen; wijk af van wat boos is, en het kwaad zal van u wijken; zaai geen kioaad in de voren der ongerechtigheid, en gij zult het niet zevenvoudig maaien (Vil,! —3). Veel ondervinding wordt er niet toe vereischt om te erkennen, dat in die woorden door God ingegeven eene treurige waarheid is uitgesproken. Wie ziet niet dagelijks vele voorbeelden, welke zonneklaar aantocnen, dat het lijden en de wederwaardigheden des levens te wijten zijn bij eenigenjaan lediggang, aan verkwisting, aan zucht naar weelde, aan het najagen van wereldsche vermaken ; bij anderen aan onmatigheid, aan uitspattingen of aan misdadige zorgeloosheid ? Dezulken en die met hen den breeden weg der zonde opgaan, zij laden vrijwillig op zich ongeluk en schande en straf.

Evenwel niet allen, gelukkig, hebben om dezelfde oorzaken met veel tegenspoed te kampen. Zeer velen dragen een kruis om het lijden, dat hun door God te dragen is opgelegd of door hunne evenmenschen aangedaan en door God toegelaten wordt om redenen, waarin zijne vaderlijke Voorzienigheid dient erkend en gehuldigd. In die omstandigheden, welke even gewichtig zijn als leerrijk, is het lijden van dezen tijd een bewijs van Gods Goedheid, kan het als een louterend vuur, als

41

ocr page 48

TWEEDE ZONDAG NA PASCHEN.

een zoenoffer voor bedrevens zonden, als een middel ter zelf-vervolmaking worden aangenomen. Geen Christen, die van die waarheden eenig besef heeft, zal zich alsdan beklagen, wel zich met den h. Paulns verheugen in al zijne beproevingen. Hij zal lijden, maar niet beschaamd worden; hij zal zijn Zaligmaker een kruis na dragen, maar niet bezwijken ; hij zal misschien een leven lang den lijdensweg betreden, maar met vertrouwen opzien naar de belooning, welke hem is weggelegd, zoo bij even als de Apostelen in de beproeving aan Jesus getrouw is gebleven.

Wij behoeven alzoo, onder den last des lijdens gebogen, geenszins altijd te denken aan straffen der goddelijke Rechtvaardigheid, maar mogen ook daarin de zorgvuldige hand erkennen van den hemelschen Vader, die alles ten beste schikt voor wie Hem beminnen. Hij handelt dikwijls evenals eene liefhebbende moeder, die haar kind, al verzet het zich, hetzij van den rand eens afgronds wegrukt hetzij aan eene pijnlijke kunstbewerking onderwerpt om zijn leven te redden; of als een streng geneesheer, die de bitterste kruiden niet spaart als hij weet, dat zij aan het opleven uit eene doodelijke ziekte bevorderlijk zijn; of als een vriend, die aan een ander een gevaarlijk wapen ontneemt, waarmede deze zijn eigen leven bedreigt. Zoo geven menschen, die even onvolmaakt in hunne bedoelingen als beperkt in hunne middelen zijn, toch nog op zulke afdoende wijzen blijk van ware liefde en betoonen eene warme belangstelling in het wezenlijk geluk van den evennaaste. Meer nog doet God, die als Hij soms met kracht ingrijpt in de ongestoorde rust van den een of ander, als Hij ^de vreugde in droefheid verkeert en door tegenspoed of vele andere beproevingen den zwakke bezoekt. Dan treedt Hij op louterend, reinigend of genezend. Dan behoedt Hij voor den val, welke waarschijnlijk is; dan ontneemt Hij aan den onbedachtzamen wereldling de wapenen.

42

ocr page 49

tweede zondag na paschen.

waarmede deze gevaarlijke wonden aan zijne ziel kon toebrengen of wel geneest de reeds geslagene. Zijne middelen mogen pijnlijk voor de zinnelijkheid van den mensch of vernederend wezen voor diens hoogmoed, te ontkennen is niet, dat zij heilzaam zullen blijken, als zij in do ware gemoedsgesteldheid worden aangenomen. Ieder geloovige moet daarom met Job instemmen, als hij vermanend zegt: mijn zoon, versmaad de tuchtiging des Heeren niet, icant hij wondt en heelt, Hij slaat en zijne handen maken gezond (V, 7); zich laten bemoedigen door den h. Hiëbonymus, als deze verzekert: „de „Heer brandt ons om ons te heelen, Hij bezoekt ons om ,0ns te bevrijden, Hij verontrust ons om ons te reddenquot;; ook gelooven, wat de h. Paulus den Hebreërs voorhield: alle tuchtiging nu schijnt wel voor het tegenwoordige geene zaak van vreugde te zijn maar van droefheid; doch daarna zal zij hun, die door haar geoefend zijn, eene vredevolle vrucht van gerechtigheid geven (XII, 11).

Dat elk lijden, door God toegezonden, die vrucht van gerechtigheid, in zedelijke vervolmaking zich openbarende, kan voortbrengen, wordt genoegzaam duidelijk ook uit deze bedoeling des hemelschen Vaders. Hij laat de wederwaardigheden over ons komen, ook om ons te herinneren aan het vergankelijke en aan het nietige van al hetgeen dezer wereld is; om ons te doen gevoelen dat wij niet moeten zoeken wat hier beneden maar wat hier boven is; om ons de overtuiging als op te dringen, dat wij niet voor dezen tijd maar voor de eeuwigheid geschapen zijn en daarom, los van het aardsche, naar het hoogste streven moeten. De mensch zoude allicht diep wegzinken in de ellende van het alledaagsche en zijne edele bestemming vergeten, wanneer hij niet van tijd tot tijd, al is 't dan ook door minder gewenschte middelen, er op gewezen werd dat hij van koninklijke afkomst is en zijne voorbestemde woonstede in den Hemel moet zoeken. Alles, wat hem omringt, trekt hem naar beneden en dreigt hem te ver-

43

ocr page 50

TWEEDE ZONDAG NA PASCHEN.

stikken in de zorgen voor wat genoegen geeft en de zinnen streelt, wat rijkdom en eer voorspelt. Wel moet hem daarom by wijlen een tegengift opgedrongen worden tegen het verleidelijke zijner omgeving; het is noodig, dat eene tijdelijke verdrukking hem dwinge zijne gedachten opwaarts te heffen tot het Rijk der glorie, waar zijn Verlosser zetelt en de getrouwen wacht, die niet geweigerd hebben de hand te kussen, welke sloeg om te heelen. Zoo komt de Liefde van God den zwakken mensch te hulp en weet Hij in zijne vaderlijke Wijsheid de beste middelen aan te wenden, waardoor deze in het zoeken en in het vinden van zijn eeuwig heil geleid wordt.

Opmerking. Met recht mocht een der eerbiedwaardige Kluizenaars der vorige tijden aan een jongeling, die door zijne voorspraak de gezondheid wenschte terug te krijgen, antwoorden: »gij vraagt, dat u de ziekte ontnomen worde, welke voor u «noodzakelijk is. Want zijt gij van goud, dan zal het vuur der ^beproeving u louteren; zijt gij van ijzer, dan zal het de roest «uitbranden. Het lijden, dat gij ondervindt, is de roede eens «vaders maar niet het zwaard eens vervolgers.quot; Wij moeten ook de h. Theresia gelooven, als zij leert: »het is boven allen «twijfel verheven, dat God diegenen, welke Hij teeder bemint, «langs moeilijke en pijnlijke wegen geleidt, en dat Hij eene «ziel des te meer bemint, naar mate Hij haar meerdere moei-«lijkheden en zwaarder lijden overzendt.quot; — Troostvolle waarheden voor eiken beproefden Christen! Hij mag zich aan de woorden van Salomon verkwikken: «iiiijn zoon ! versmaad de * tucht des Heer en niet; en wees niet neerslachtig, ah gij door bHem gekastijd' wordt; want dien de Heer liefheeft, dien i kastijdt Hij; en Hij heeft zijn welgevallen aan hen, gelijk een wader aat zijnen zoon (Spreuk III. 11.) Wie'dan ook zijne eeuwige belangen niet verwaarloost, zal God er dankbaar voor wezen, als de wederwaardigheden des levens hem niet bespaard blijven; hij zal aan de vermaning van den h. Jacobus gehoor geven: acht het alle blijdschap, mijne broeders! wanneer gij in

44

ocr page 51

tweede zokdag na paschen.

velerlei beproevingen geraakt, daar gij weet, dat de beproeving U7vs geloofs lijdzaamheid werkt, u nuttig is ter zaligheid (i, 2 en 3). En in hooge mate nuttig. Leidt toch een leven in voorspoed en vreugde doorgebracht den mensch niet dikwijls tot uitspatting en vergetelijkheid van God, terwijl levensomstandigheden door lijden en angstige zorgen verbitterd hem tot nederigheid stemmen en voor den indruk van wat deugdzaam en Gode welgevallig is ontvankelijk maken, zoo zij althans naar den geest des Christendoms opgevat en gebruikt worden ? Bewijst ook de ondervinding niet, dat men in tegenspoed het geloof maar in voorspoed het ongeloof naderbij is ? Wij gelijken veel op een akker, die vol van onkruid is en gewied moet worden — op een wijnstok, die te weelderige loten schiet en daarom besnoeid dient — op een stuk bouwland dat braak lag en om te ploegen is, opdat het vruchten oplevere. Een heilzaam middel voor het eene en voor het andere is het lijden, waardoor de zonden uitgeroeid, onze driften beteugeld en verdiensten voor de eeuwigheid vergaderd worden. Kortom ; de beproevingen van den tijd kunnen dienen voor de zondaars ter bekeering en voor de rechtvaardigen ter vervolmaking. — Om evenwel aan die voordeelen deelachtig te worden is noodig, dat wij de bezoekingen des Heeren verdragen in navolging van Jesus' voorbeeld.

11.

Veel geliefden! Christus heeft voor ons geleden, u een

voobbbeld achterlatende, opdat gij zijne voetstappen zoudt

navolgen. Zoo schreef de Prins der Apostelen aan zijne bekeerlingen, en hetzelfde is ook tot ons gezegd. Daarom blyft nog de vraag te beantwoorden, hoe Jesus leed en hoe wy met Hem moeten lijden.

Jesus leed onschuldig. Hij had geene zonde gedaan, en in zijn mond was geen bedrog gevonden. Op ingeving des H. Geestes schreef de h. Petrus die lofrede op zijn goddelijken Meester. Noch in diens daden, noch in diens woorden had iemand eene of andere zonde kunnen ontdekken. Niets wat ongeregeld, overijld, onbe-

45

ocr page 52

TWEEDE ZONDAG NA PASCHEN.

hoorlijk of onbetamelijk kon genoemd worden, werd ooit in Jesus opgemerkt; geen ongepast woord, geene valschheid, geen bedrog kwam ooit over zijne lippen. Zijne vijanden moesten van Hem getuigen, dat Hij de waarheid sprak, Zich niet aan den persoon der menschen stoorde, den weg Gods in gerechtigheid leerde; de verrader Judas moest bekennen, dat hij onschuldig Bloed had overgeleverd; Pilatus erkende verscheidene malen, dat hij geene schuld in Hem vond; zijne aanklagers konden geene andere dan valsche getuigenissen tegen Hem inbrengen; de romeiusche hoofdman, die van Jesus' geduldig lijden en gelaten sterven getuige was, kon zich niet weerhouden luid uit te roepen. God verheerlijkende: „waarlijk, „deze was een rechtvaardige.quot;

Zóó te lijden, in die volmaaktheid van deugd, met zulk een zuiver en van alle schuld rein geweten, kan niet het gelukkig lot van eenig mensch wezen. Doch dit ontslaat hem niet van den plicht om zoo veel mogelijk het goddelijk Voorbeeld van Jesus na te volgen. Wie zondaar is — en wie is het niet — moet zich eerst van zyne schuld bevrijden door die heiligende middelen, welke Gods Goedheid te zijner beschikking gesteld heeft, opdat hij met grootere gelatenheid en met meerdere verdiensten lijde. Wanneer die reiniging des harten is voorafgegaan vermag bij, wat hem nog verder te dragen wordt opgelegd, met deze tweevoudige bedoeling uit Gods hand aan te nemen: om de tijdelijke straffen af te doen, welke nadat de zonden vergeven zyn nog te boeten overblijven, en dan om aan zijn God en Zaligmaker meer gelijkvormig te worden. Want, al is de ziel rein gewaaschen van hare smetten door berouw en schuldbelijdenis, en al heeft zij de straffen geleden, welke zij na vergiffenis van zonden verkregen te hebben nog te boeten had, ook dan nog noopt ter navolging het woord des Zaligmakers: „Ik heb u een voorbeeld „gegeven, opdat gij doet, zooals Ik gedaan heb ;quot; ook dan nog moet een ieder met onderwerping en moed den lijdensweg be-

46

ocr page 53

TWEEDE ZONDAG NA PASCHEN.

47

treden, het kruis niet versmadende en de schande niet achtende. Jesus had de zending ontvangen aan de menschen den weg des heils aan te toonen, en die lastgeving volbracht Hij door zijne leer en door zijn voorbeeld. Meermalen sprak Hij over de verplichting des Christens, dat deze zich verloochenen, zijn kruis opnemen, zijn Meester volgen moet; bij herhaling wees Hij er op, dat het Rijk der Hemelen geweld leed; Hij noemde zalig degenen, die vervolging leden om wille der gerechtigheid, ook hen die weenden en treurden. — Scherper nog heeft Hij voor allen dien weg afgebakend door zijn voorbeeld. Dat wij door vernedering, door verguizing en door allerlei kwellingen naar onze eeuwige woning opgaan en door lijden de glorie verdienen moeten, aan die waarheid herinnert schier elke gebeurtenis uit Jesus' leven. Wat ons vermeld is van zijne omwandeling op aarde, openbaart ons het verheven geheim des lijdens maar tegelijk de noodzakelijkheid daarvan voor allen, die Hem willen toebehooren en eens met Hem wenschen gekroond te worden. De h. Paulus was daarvan zóó diep overtuigd, dat hij in één adem dat goddelijk voorbeeld ons voor oogen houdt en de heerlijkste belooning in 't verschiet stelt voor wie het navolgen, dewijl hij leert: „als wij met Jesus sterven, zullen „wij met Hem leven; als wij zullen deelen in zijne beproe-„vingen, zullen wij ook deel verkrijgen in zijn Koninkryk ; „als wij met Hem lijden, zullen wij met Hem verheerlijkt „worden.quot; Troostrijke waarheden, beloften welke het hart van den meest beproefde nog met eene heilige blijdschap vervullen. En zij zullen niet beschaamd worden, die op den Heer hopen; Gods onfeilbaar woord is daarvoor ten onderpand. Door te lijden, door de beproevingen van dezen tijd met geduld te verdragen, door met Jesus aan het kruis te sterven, kunnen wij koopen het eeuwig leven, de glorie des Hemels, de onvergankelijke kroon der vergelding. Doch niet allen zullen in gelijke mate verheerlijkt worden. De toekom-

ocr page 54

tweede zondag na paschen.

stige glorie zal ons afgemeten worden naar de getrouwheid waarmede wij Jesus' voorbeeld zullen nagevolgd hebben. Naar gelang wij door stille berusting en door gelatene onderwerping aan Gods wil ons aan den goddelijken Lijder meer gelijkvormig gemaakt hebben, zal ons ook een grooter deel in zijne vertroosting gegeven worden, zóódat wij mogen zeggen: wie het meest met Hexn versmaad is geworden, zal tot hoo-gere eer verheven worden; wie het diepst uit Jesus' lijdensbeker zal gedronken hebben, die zal zich ook in de eeuwigheid des te meer laven aan de bron der hemelsche geneugten; wie in zijn leven het armst met den armen Jesus geleefd heeft, diens rijkdommen zullen geëvenredigd zijn aan zijne vorige armoede.

De Apostel daalt vervolgens tot bijzonderheden uit Jesus' lijdensgeschiedenis af en, om geene enkele leering onopgemerkt te laten voorbijgaan, dienen wij hem daarin op den voet te volgen. Als Jesus gescholden werd — aldus lezen wij verder — schold Hij niet weder ; als Hij leed, dreigde Hij niet, maar gaf Zich over aan dengene, die Hem onrechtvaardig oordeelde. Drie voorbeelden, waarvan elk na te volgen is naar gelang de omstandigheden zijn, waarin wij verkeeren.

Jesus werd gescholden en wel op de laaghartigste wijze. Men noemde Hem een wijndrinker, een Samaritaan, een vriend van zondaren, een Sabbathschender, een bezetene, een volksverleider, een rustverstoorder, een opstandeling tegen het burgerlijk en geestelijk gezag. Doch geene smaadrede kon zijne zielerust verstoren, Hem zijne kalme bedaardheid ont-rooven. Hij schold niet weder, bewaarde het stilzwijgen of antwoordde op waardige wijze om het volle licht der waarheid te doen schijnen. Enkele malen, als het noodig was om zijne huichelachtige vijanden te ontmaskeren, de eer zijns Vaders te wreken of de waardigheid zijner zending te ver-

48

ocr page 55

TWEEDE ZONDAG NA PA3GHEN.

dedigen, kon Hij toornen en met de geesels eener heilige gramschap de hardnekkige zondaars bestraffen en de heiligschenders wegjagen. — Zóó verdroeg Jesus beschimping tot troost voor zijne beminden, wanneer zjj om zijnentwille versmaad en gescholden worden als boosdoeners, als bijgeloovi-gen, als afgodendienaars, maar ook ter hunne leering, hoe zij zich alsdan te gedragen hebben. Nimmer mogen zij zich het recht aanmatigen te schimpen, als anderen zich beleedi-gingen tegenover hen veroorloven; nimmer meenen gerechtigd te zijn scheldwoorden met gelijke munt te vergelden, of den mond te openen tot lastertaal of eerrooverij, hoe grievend ook de smaad zij, welke op hun goeden naam geworpen wordt. Is het noodig, dat de eer verdedigd wordt, dan geschiede het zonder hartstocht, met ernst maar tegelijk met waardige zelfbeheersching, zóódat het blyke dat waarheidsliefde en geen wrevel of toorn de woorden heeft ingegeven.

Jesus leed en leed nameloos veel en zoowel van allerlei soort van vijanden als in alles, wat het zijne was. Op het Kruis bezat Hij geen stuk linnen om Zich te dekken, en de soldaten verdeelden onder elkander zijne kleederen ; niemand werd tot in den dood ooit zoo gelasterd en 'met smaad overladen als Hij, die de Heiligheid zelve was; die de schoonste der mannen was, werd als een melaatsche en gewond van den voetzool tot aan de kruin des hoofds. Ook allen ver-eenigden zich om zijn leed te verzwaren. Zijne leerlingen verlieten Hem en, die door Hem tot hoofd der Apostelen was aangesteld, verloochende Hem tot driemaal toe, nadat een verrader Hem voor eenige tienlingen aan zijne vijanden had overgeleverd ; die door Hem beweldadigd waren, eischten zijn kruisdood ; die met Hem iu hetzelfde lijden waren scherpten tegen Hem hunne tongen en, wien Hij het leven wilde brengen, beraamden zijn dood. Toch dreigde Hij niet, maar bad voor de bekeering zijner beulen. Hy kon zich wreken en over zijne vijanden het vreeselijkst strafgericht doen neerkomen;

Verklaringen der Epistelen, H. 4

49

ocr page 56

TWEEDE ZONDAG NA PASCHEN.

het vuur stond zijner Almacht ten dienste en de aarde zoude op zijn woord gespleten zijn om hen te verzwelgen ; maar zyne Liefde wilde lijden om te kunnen vergeven. Dat was de wraak, welke Jesus nam; zelfs geen verwijt kwam uit zijn mond. Zegenend en weldoend was Hij Palestina doorgetrokken en stervend zocht Hij eene verontschuldiging voor de misdaad van die Hem aan het Kruis nagelden ; onder ondenkbare smarten ging Hij den dood tegemoet, en zijn laatste woord openbaarde aan de wereld, dat het Offer voor de zonden der menschen was gebracht en het leven der genade aan allen zoude gegeven worden. — Gelijk aan Jesus was voorspeld, dat Hij lijden zoude, zoo ook is voorspeld, dat zijne leerlingen vervolging niet zullen ontgaan, dat allen, die naar zijn voorbeeld en naar zijne grondbeginselen leven, gehaat zullen wezen. Die voorwetenschap der toekomst moet ons tegen den dag der bezoeking wapenen, opdat wij het voorschrift van Jesus niet vergeten. Bedreiging met bedreiging beantwoorden is den Christen verboden. God heeft Zich de wraak voorbehouden en Hij zal vergelden. Wat baat het den mensch ook, al balt hij zijne vuisten en stoot hij in zijne gekrenkte eigenliefde een vloed van verwenschingen uit; wat voordeel brengt het dreigen hem aan, dat hij of in zijne machteloosheid niet volvoeren of niet zonder zonde ten uitvoer kan leggen ? Al zoude hij ook volbrengen wat hij voorhad, hij zal daardoor het hem aangedane leed niet ongedaan maken, maar wel zich zeiven voor de menschen verachtelijk en voor God schuldig maken.

Jesus gaf Zich over aan dengene, die Hem onrechtvaardig oordeelde — aan de menigte welke Hem kwam gevangen nemen, aan Caïphas en den Hoogen raad, welke Hem ter dood veroordeelden, aan Herodes die Hem bespotte, aan Pilatus die Hem liet geeselen en tot den Kruisdood overleverde, aan zijne beulen, die Hem aan het schandhout sloegen. Als een lam liet Hij Zich ter slachtbank leiden. Nu ging Hij niet

50

ocr page 57

TWEEDE ZONDAG NA PASCHEN.

51

midden door zijne vijanden heen om aan hunne woede te ontkomen ; nu ontweek Hij hen niet en ging Zich niet verbergen in de woestijn van Ephrem. Wel ware het voor Jesus gemakkelijk geweest, zoo Hij slechts gewild had, Zich door een of ander wonder hetzij voor Herodes, hetzij voor Pilatus ot door eene toespraak tot de Oversten der Joden of tct het geheele volk uit de handen zijner haters te bevrijden. Maar Hij wilde zijn leven afleggen om door zijn dood aan allen liet leven der genade terug te geven, en Hij gaf Zich vrijwillig over, toen zijn uur gekomen was. Ofschoon Almachtig, veroordeelde Hij zijne vijanden niet ter dood, ofschoon oneindig Wijs, zweeg Hij op alle tegen Hem ingebrachte beschuldigingen en sprak gedurende het rechtsgeding alleen dan, als Hij voor de waarheid getuigenis moest afleggen en de eer zijns Vaders verdedigen. — Zoo ook te doen, is de plicht van eiken leerling des Heeren. Gelaten zich schikken in elk onrecht, dat door de menschen aangedaan wordt, met vol-komene onderwerping berusten in elk lot, hoe zwaar het ook moge zijn, dat door eene liefdevolle Voorzienigheid hem beschoren is, dit past den Christen, die geroepen is om zich te verloochenen en zijn kruis te dragen. Dat voorschrift der hoogste Wijsheid is er ook op berekend om, wordt het getrouw nageleefd, eene gelegenheid ter verzameling van vele verdiensten te openen voor allen, die hoe ook onderdrukt in wedervergelding hun recht niet zoeken, en schoon onschuldig met volle overtuiging belijden; „wat ons overkomt is Gods „wil, minstens Hij laat het om goede redenen toe.quot; Zijn ook de menschen niet de meer of minder schuldige werktuigen van eene alles bestierende Voorzienigheid, van de heiligste plannen Gods ? Bovendien: ons recht en onze verdediging liggen in Gods handen en, wanneer Hy den tijd daarvoor gekomen acht, zal Hij ons recht doen gelden en onze verdediging op Zich nemen. Tot zoolang moeten wij zoo noodig het offer brengen van wat ons dierbaar is, zeker zijnde dat wij in

ocr page 58

TWEEDE ZONDAG NA PASCHEN.

overmaat zullen terug krijgen, wat wij in gehoorzaamheid aan zijn heiligen wil veil gaven, evenals Jesus in zijne Verrijzenis eene hoogere mate terug ontving van al die goederen en voorrechten, welke Hij in de dagen zijner vernedering ten offer had gebracht.

Opmerking. Jesus heeft Zich in onze plaats gesteld; onze zonden heeft Hij op Zich genomen en ze in zijn lichaam op het hout gedragen, om daarvoor te voldoen; om de straffen, welke wij verdiend hadden te lijden, gaf Hij zijn Lichaam ter kruisiging over; Hij is om onzentwille gewond en door zijne striemen zijn wij genezen, zijn de wonden geheeld, welke door de zonden in onze ziel geslagen waren; Hij stierf aan het Kruis, opdat mj, der zonden afgestorven, der gerechtigheid zouden leven; de Herder werd geslagen, maar daardoor konden de dwalende schapen bekeerd worden tot den Herder en Opziener der zielen. Want, niet alleen boette Jesus, voor hetgeen de menschheid had misdreven, maar Hij verdiende ook voor ons de noodige genade, om aan de zonde te verzaken en een nieuw leven voor God te beginnen. — Door die genade sterk, zijn wij in staat gesteld om naar het voorbeeld in zijn lijden ons gegeven te leven, om zijne voctstappe?i te volgen, al zijn zij bloedig. Behoeven wij niet meer te vragen langs welken weg wij moeten opgaan naar de ons voorbestemde woning in den Hemel, wij weten ook dat de noodzakelijke hulp ons nimmer zal ontbreken om dien weg te kunnen afloopen ten einde toe. Is Jesus ons voorbeeld geworden, is Hij de weg, Hij is ook eene kracht, Hij de sterke God, in en door Wien ons niets te moeilijk zijn zal. Bovendien; Hij bemint en kent zijne schapen; de Liefde van Hem doet voor ons die wegen kiezen, welke het zekerste naar vette weiden voeren; zijne kennis van onze zwakheid noopt Hem om niet te veel van onze krachten te vergen, en nimmer zal Hij ons beproeven boven hetgeen wij vermogen. Zóó kunnen wij naar zijn voorbeeld met de Apostelen ons verheugen, als wij om Hem met versmading overladen worden; zóó drinken uit den lijdensbeker om eene voor-

52

ocr page 59

%■

TWEEDE ZONDAG NA PASCHEN. 53

name plaats in het Rijk des Vaders te veroveren; zóó, uit eene groots verdrukking komende en onze kleederen gewas-schen hebbende in het Bloed des Lams, als deel hebbende aan Christus' lijden verblijd zijn, opdat zvij' ons ook bij de openbaring van Jesus' heerlijkheid juichende mogen verblijden (i Pe, IV, 13). -

ocr page 60

DERDE ZONDAG NA PASCHEN.

Veel geliefden ! Ik smeek u, als uitlandigen en vreemdelingen, dat gij u onthoudt van de vleeschelijke begeerlijkheden, die strijd voeren tegen de ziel, en dat gij eenen deugdzamen wandel bewaart onder de heidenen, opdat zij, terwijl zij u als kwaaddoeners belasteren, bij het aanschouwen uwer goede werken. God mogen verheerlijken op den dag der bezoeking. Weest dus, om wille van God, onderdanig aan alle menschelijke ordening, hetzij aan den koning, als die de verhevenste is ; hetzij aan de landvoogden, als die door hem gezonden zijn, om de boosdoeners te straffen, maar aan hen, die goed zijn, lof te geven. Dit immers is de wil Gods, dat gij, door goed te doen, aan den onwijze en onwetende den mond sluit; als die vrij zijt, doch de vrijheid niet doet dienen tot een dekmantel der boosheid, maar als dienaren Gods. Bewijst iedereen eer ; hebt de broeders lief; vreest God; eert den koning! Gij dienstknechten! weest met allen eerbied onderdanig aan uwe heeren, niet alleen aan die goed en bescheiden, maar ook aan

ocr page 61

DERDE ZONDAG NA PASCHEN.

die hard zijn. Dit toch is Gode welgevallig, in Christus Jesus onzen Heer. I Pe. II, u —19.

Inleiding. De gelezene woorden richtte de h. Petrus alreeds in de eerste tijden van het bestaan der Kerk tot de nieuwbe-keerden. Daarin sprak de bezorgdheid zich uit van den Opperpriester voor het geestelijk heil der zijnen en voor hunnen vooruitgang op den weg der deugd. Voor ons, die vele eeuwen later op de kampplaats verschenen zijn, waar eene onvergankelijke kroon moet gewonnen worden, is het schier ondoenlijk ons een duidelijk denkbeeld te vormen van de overgroote moeilijkheden, waartegen die eerstelingen des geloofs te kampen hadden. Ook afziende van de bloedige vervolging, waaraan zij dagelijks blootstonden, moeten wij bekennen, dat hun toestand hoogst gevaarlijk was, en daarom wel de angstige bekommernis van hun Leermeester in de waarheid moest opwekken. Zij toch leefden te midden van eene heidensche, van eene diep bedor-vene wereld, welke voor zich zelve het recht aanmatigde tot ongebondene vrijheid, tot de schandelijkste uitspattingen op allerlei gebied, maar van den anderen kant — wat der ondeugd altijd eigen is — met een arglistig oog de minste handeling van die anders gezinden bespiedde en haar strengste vonnis velde over elke afwijking van die wet, welke dezen beleden te volgen. Bovendien werden de eerste Christenen beticht van verzet tegen de wereldlijke overheid; zij werden uitgekreten als rustverstoorders, als oproerlingen tegen het wettig gezag, als ontrouwe en weerspannige onderdanen van den regeerenden vorst. ■— Die tijden zijn wel is waar voorbijgegaan, maar de geest der booze wereld is niet veranderd. Zij wentelt zich in het slijk der zonde doch ontziet zich niet allen, die haar den vernederenden dienst weigeren, verdacht te maken en van vele misdrijven te beschuldigen. Om die redenen vooral is de Epistel van dezen dag van hooge beteekenis voor ons die, ofschoon in andere tijden en in andere omstandigheden levende, door dezelfde gevaren bedreigd worden en aan dezelfde beschuldigingen bloot staan als die eerste Christenen. Met allen ernst

55

ocr page 62

DERDE ZONDAG NA PASCHEN.

Veel geliefden ! Ik smeek u, als uitlandigen en vreemdelingen, dat gij u onthoudt van de vleeschelijke begeerlijkheden, die strijd voeren tegen de ziel, en dat gij eenen deugdzamen wandel bewaart onder de heidenen, opdat zij, terwijl zij u als kwaaddoeners belasteren, bij het aanschouwen uwer goede werken. God mogen verheerlijken op den dag der bezoeking. Weest dus, om wille van God, onderdanig aan alle menschelijke ordening, hetzij aan den koning, als die de verhevenste is j hetzij aan de landvoogden, als die door hem gezonden zijn, om de boosdoeners te straffen, maar aan hen, die goed zijn, lof te geven. Dit immers is de wil Gods, dat gij, door goed te doen, aan den onwijze en onwetende den mond sluit; als die vrij zijt, doch de vrijheid niet doet dienen tot een dekmantel der boosheid, maar als dienaren Gods. Bewijst iedereen eer; hebt de broeders lief; vreest God; eert den koning! Gij dienstknechten! weest met allen eerbied onderdanig aan uwe heeren, niet alleen aan die goed en bescheiden, maar ook aan

ocr page 63

DERDE ZONDAG NA PA3CHEN.

die hard zijn. Dit toch is Gode welgevallig, in Christus Jesus onzen Heer. I Pe. II, u —19.

Inleiding. De gelezcne woorden richtte de h. Petrus alreeds in de eerste tijden van het bestaan der Kerk tot de nieuwbe-keerden. Daarin sprak de bezorgdheid zich uit van den Opperpriester voor het geestelijk heil der zijnen en voor hunnen vooruitgang op den weg der deugd. Voor ons, die vele eeuwen later op de kampplaats verschenen zijn, waar eene onvergankelijke kroon moet gewonnen worden, is het schier ondoenlijk ons een duidelijk denkbeeld te vormen van de overgroote moeilijkheden, waartegen die eerstelingen des geloofs te kampen hadden. Ook afziende van de bloedige vervolging, waaraan zij dagelijks blootstonden, moeten wij bekennen, dat hun toestand hoogst gevaarlijk was, en daarom wel de angstige bekommernis van hun Leermeester in de waarheid moest opwekken. Zij toch leefden te midden van eene heidensche, van eene diep bedor-vene wereld, welke voor zich zelve het recht aanmatigde tot ongebondene vrijheid, tot de schandelijkste uitspattingen op allerlei gebied, maar van den anderen kant — wat der ondeugd altijd eigen is — met een arglistig oog de minste handeling van die anders gezinden bespiedde en haar strengste vonnis velde over elke afwijking van die wet, welke dezen beleden te volgen. Bovendien werden de eerste Christenen beticht van verzet tegen de wereldlijke overheid; zij werden uitgekreten als rustverstoorders, als oproerlingen tegen het wettig gezag, als ontrouwe en weerspannige onderdanen van den regeerenden vorst. — Die tijden zijn wel is waar voorbijgegaan, maar de geest der booze wereld is niet veranderd. Zij wentelt zich in het slijk der zonde doch ontziet zich niet allen, die haar den vernederenden dienst weigeren, verdacht te maken en van vele misdrijven te beschuldigen. Om die redenen vooral is de Epistel van dezen dag van hooge beteekenis voor ons die, ofschoon in andere tijden en in andere omstandigheden levende, door dezelfde gevaren bedreigd worden en aan dezelfde beschuldigingen bloot staan als die eerste Christenen. Met allen ernst

55

ocr page 64

derde zondag na paschen.

dienen dan, opdat wij van de besmetting vrij blijven en aan niemand eenigen aanstoot geven, naar aanleiding der vermaningen van den h. Petrus deze twee verplichtingen overwogen te worden;

I. wij moeten een onberispelijk en stichtend leven leiden, en

II. wij moeten getrouwe onderdanen der Overheid wezen, zoolang hare wetten niet in tegenspraak komen met eene hoo-gere wet.

I.

De h. Petrus noemde zijne Christenen Uitlandigen en Veeemdelingen. Dit waren zij en zijn ook wij in den vollen zin des woords. De aarde, zooals zij nu is, was in het plan van God onze woonstede niet; een Paradijs, een lusthof door God geplant, de aarde zooals zij oorspronkelijk gemaakt was in hare volle, ongeschondene schoonheid, zonder distelen en doornen, niet beladen met den vloek van God, zij was de door God toebereide woonplaats voor den Koning der Schepping. De zonde verijdelde die liefdevolle plannen van God, en maakte het pronkstuk van diens scheppende Almacht tot een woestijn, waarin voor den in slavernij gevallen koning zware arbeid, kommer en leed zijne gezellen werden totdat hij tot het stof wederkeerde, waaruit hij was genomen. Hij werd een uitlandige, een uit het Paradijs gebannene, een vreemdeling op eigen grond. Maar niet zonder doel mag hij rondzwerven; hij is een pelgrim, die zich op reis bevindt en zijn vaderland opzoeken moet met de hoop, dat hy, al is het met veel moeite, het gelukkig zal bereiken. Want, nadat Jesus Christus eene eeuwige verlossing bewerkt heeft, is een Paradijs voor hem wederom geopend en de Hemel zijne toekomstige woonstede geworden, welke hij op zijn pelgrimstocht door de woestijn zoeken en ook vinden, dat is: verdienen moet. Hoe dat streven naar de vreugde des Hemels moet geschieden, opdat zij ook verworven worde, leert de h. Petrus door aan

56

ocr page 65

DERDE ZONDAG NA PASCHEN.

zijne bekeerlingen twee eischen te stellen, waaraan dooreen ieder te voldoen is en aan welker vervulling voor allen eene schitterende belooning verbonden is.

De eerste eisch luidt: onthoudt u van de vleeschelijke

begeerten, welke strijd voeren tegen de ziel, dat isWacht

u de booze begeerlijkheid van eene zinnelijke natuur te voldoen, waartoe het vleesch aanspoort. Het is voorwaar niet de eenige maal, dat de h.h. Schriften dien eisch stellen aan het godsdienstig leven. De h. Joannes waarschuwde tegen het dienen van eene wereld, welke in het booze ligt en waarin met de hoovaardij des levens en met de begeerlijkheid der oogen ook de begeerlijkheid des vleesches hare heerschappij uitoefent ; en de h. Paulus vermaande om de werken des vleesches niet te volbrengen, omdat het vleesch begeert tegen den geest, tegen de inspraak des gewetens en vooral tegen de inwerking van den H. Geest, die de Geest is van eerbaarheid, reinheid en zuiverheid. quot;Want ook in hen niet, die door Jesus' genade geheiligd zijn, is de prikkel der booze begeerlijkheid uitgeroeid. Ook in hen leeft die neiging naar het verbodene, naar wellust, naar genot, naar zinnelijke voldoeningen; ook in de ge-doopten zijn de lusten niet gestorven, welke naar een terrein dringen, waar de laagste der zonden hare overwinning viert. Gestrenge waakzaamheid is daarom aan een ieder tot plicht gemaakt, om aan de eerste opwellingen van die onedele drift met kracht weerstand te bieden en zelfs onreine gedachten al dadelijk te verdrijven; want van de vrijwillig gekoesterde gedachte tot de daad is de afstand niet verder dan de breedte van eene schrede en, al zoude geene ongeoorloofde daad volgen, zulk eene gedachte alleen zoude reeds eene bezoedeling des geestes wezen. Nog andere middelen zijn aan te wenden, waardoor die vijand, welke ons altijd by blijft, wel niet gedood maar toch verzwakt kan worden. Versterving, gestrengheid tegen zich zeiven, het kruisigen des lichaams, ingespannen arbeid gepaard met een nederig gebed tot Hem, die de

57

ocr page 66

DERDE ZONDAG NA PASCHEN.

onuitputtelijke bron is van kracht en van overwinning — het zijn de gewone middelen, welke door de leeraars in het geestelijk leven worden aanbevolen als eene verklaring van het gebod des h. Petrus: onthoudt u van de vleeschelijke hegeerlijkheden.

Waarom — zijn wij geneigd te vragen — verbiedt de Apostel bij deze gelegenheid de genoemde begeerlijkheden alleen; zijn er dan geene andere driften, geen andere zonden, welke strijd voeren tegen de ziel? Wij geven ons antwoord in deze enkele beschouwingen, voor het overige verwijzende naar hetgeen we overwogen op den eersten Zondag na Drie-Ko-ningen blz. 138 en op den tweeden Zondag in de vasten blz. 828. Er is geene zonde, welke God meer verafschuwt, welke door Hem zwaarder gestraft is, welke ook het geestelijk en lichamelijk welzijn zoo volkomen vernietigt als de zonde van onzuiverheid. Bedenken we eens deze onomstootelijke waarheden. Om ons gedurende ons tijdelijk leven gelukkig te maken, gaf God ons eene ziel, waardoor wij met Hem op de innigste wijze kunnen vereenigd worden; een geest, welke noch door tijd noch door ruimte te beperken is, zich nu eens naar de hoogte der hemelen verheft en dan weder afdaalt in de diepte der afgronden; een hart, dat evenzeer beminnen als door zijne edele hoedanigheden liefde winnen kan; een wil, welke onder den invloed van Gods genade vermogend is om aan het zedelijk goede de voorkeur te geven boven het kwade. Bij die geestelijke gaven voegde Hij stoffelijke goederen, welker redelijk gebruik vreugde en opgewektheid des gemoeds schenkt: schatten der aarde, om er van te genieten en anderen te doen genieten; die macht der zintuigen, waardoor edele indrukken opgenomen en aan anderen medegedeeld worden; de gezondheid en de krachten des lichaams, waardoor de reine genoegens des levens in hunne volheid kunnen gesmaakt worden. — Wat doet de mensch met al die hemel-gaven, wanneer hij de wellust tot zijn afgod maakt? Met vermetelheid verzet hij zich tegen de liefdevolle plannen

58

ocr page 67

DERDE ZONDAG NA PASCHEN.

59

zijns hemelschen Vaders; met heiligschendende hand haalt hij het gebouw van zijn geluk omver. En hoe? Hij verontreinigt zijne ziel en scheurt ze los van God, met Wien zij moest vereenigd leven; hij benevelt zijn geest en maakt dien onbekwaam het hemelsche te smaken; zijn hart hecht hij aan het verachtelijkste wat denkbaar is; zijn wil verzwakt hij dermate, dat deze nauwelijks eenige kracht tot weerstand behoudt. Het goud is verduisterd, moet met den profeet Je-remias geklaagd worden: de schoonste kleur is veranderd. Verstrooid liggen aan alle hoeken der straten de steenen des Heiligdoms (Klaagl. IV, 1). Zoo wordt het erfdeel door den Vader hem toebedeeld verkwist met wie de misdaden als water drinken; daarenboven zijn de goederen doorgebracht, de gezondheid is geknakt en het leven verkort. Weg is de vreugde, de rust des gemoeds en het bewustzijn van het Kindschap Gods; zij zijn vervangen door knagende wroeging des gewetens en de verachting der menschen. „De stad, eertijds volkrijk, is eenzaam „geworden;... geene van hare bewoners troost ze; al hare „vrienden verachten ze en zijn hare vijanden gewordenquot; (Verg. Klaagl. I.). Zoo moet een ieder, die zich tot slaaf van vleeschelijke begeerten verlaagd heeft, weeklagend belijden. Hij is arm, ellendig geworden door eigen schuld; de verwoesting in zijn godsdienstig leven aangericht is groot. Wat is er geworden van eene ziel, vroeger zoo bemind door God; waar is zijn geloof gebleven, vroeger levend en werkzaam door de liefde; wat heeft verstikt die heilige gedachten, die edele gevoelens, die grootsche voornemens, welke voor een weinig tijds nog hem verhieven tot den rang van een vroom Christen ? De Geest Gods woont niet meer in hem, kan niet wonen in een lichaam, dat aan de onteerendste der zonden is onderworpen — geen meer afdoend antwoord kan op die vragen gegeven worden. Alwie zich aan de heerschappij der zonde, welke Paulus zelfs niet genoemd wilde hebben, onderwerpt, wordt zwak al ware hij sterk als Samson, misda-

ocr page 68

DERDE ZONDAG NA PASCHEN.

dig al ware hy heilig als David en dwaas al ware hij wijs als Salomon. Ten laatste zal hem niets meer heilig, niets eerbiedwaardig wezen. Geen geestdrift meer voor zijne beroepsplichten, geen eergevoel en geene liefde voor de deugd; geene schaamte houdt hem terug op den noodlottigen weg der misdaad en zonder aan hoogere belangen te denken zinkt hy al dieper weg in den poel van zedelijke bedorvenheid. De zonde, welke hij bedrijft wordt een vuur, dat zijn beste krachten verteert, totdat hij een voorwerp van afschuw wordt voor God, zich zeiven en de menschen. — Uit deze hoewel onvolkomene schets blijkt de gegrondheid van Petrus' dringende vermaning tot zijne bekeerlingen gericht, om zich te onthouden van alles, wat de bedorvene natuur des gevallen menschen als haar aandeel in het leven vergt.

Een tweeden eisch zijner priesterlijke bezorgdheid drukta de Apostel in deze woorden uit: bewaart een deugdzamen

wandel onder de heidenen, opdat zij, terwijl zij u als kwaaddoeners belasteren, bij het aanschouwen uwer goede werken, God mogen verheerlijken op den dag der bezoeking. Zulk een voorbeeld, door den h. Petrus van de geloo-vigen dier tijden gevorderd om de vele en groote voordeelen, welke het aanbrengt, is niet minder noodig en nuttig in onze dagen. Indien wij door de eerste vermaning des Apostels of hoe dan ook tot de beoefening van de schoonste der deugden zijn overgehaald en zoo, door de overwinning op de gevaarlijkste der hartstochten, sterk zijn geworden, moeten en kunnen wij ook den strijd aanbinden met eene wereld, welker grondbeginselen rechtstreeks aandruischen tegen die, welke ons bezielen en bestieren. En niet het minst machtige wapen is een deugdzame en stichtende levenswandel, een kuisch en godvruchtig leven, opdat ongeloovigen en ongodsdienstigen niets kwaads van ons te zeggen hebben. Wel verkeeren zij in eene vijandige stemming; wel zullen zij zich beijveren om vlekken aan te wijzen, om beschuldigingen in te brengen,

60

ocr page 69

DEBDE ZONDAG NA PASCHEN.

61

om zonden te ontdekken; maar zoo wij, tot heiligheid geroepen, voortgaan met te wandelen in al de voorschriften en geboden des Heeren, rechtvaardig voor God en onberispelijk voor den mensch, matig en ingetogen en godvruchtig in deze wereld te leven, de goddeloosheid en wereldsche begeerlijkheden verzakende, dan — het kan niet uitblijven — zal niet alleen het stilzwijgen weldra aan die bedillers en lasteraars zijn opgelegd, maar ook een omkeer ten goede bij hen merkbaar wezen. Immers ook voor de nieuwerwetsehe Heidenen is een goed voorbeeld van onberekenbaar nut. Het ware nog weinig, zoo hun de mond slechts werd gesloten; het goede dagelijks ziende en opmerkende, dat het met reine bedoelingen om wille van God en tot stichting van den even-mensch gedaan wordt, zullen zij bij het aanschouwen der goede werken God verheerlijken, die daartoe het willen en het volbrengen gaf. Denkt u een Christen, zooals de h. Petrus hem zien wil, en gij zult moeten bekennen, dat de invloed op zyne omgeving met recht zegenrijk moet genoemd worden. Vooreerst vertoont hij zich als een kind des lichts en bewijst door zijn wandel, dat de door hem beledene Godsdienst den mensch zedelijk goed maakt; zijn vroom gedrag met volharding volgehouden vrijwaart hem tegen den blaam van huichelarij en geeft hem een getuigschrift van oprechtheid ; omdat hy in onschuld wandelt, kan niemand eene gegronde . beschuldiging tegen hem inbrengen; geheel zijn leven is eene aaneenschakeling van goede werken, verricht ter verheerlijking van God en ter bevordering van des naasten welzijn ; te midden van de besmetting blijft hij onbesmet en de gevaren, welke hem van alle zijden omringen, verleiden hem niet tot het kwaad. Wat moet de wereldling, zoo hy althans niet de mogelijkheid van deugd en rechtschapenheid loochenen wil, van zulk eene levenswyze denken? Hy kan niet vermoeden, dat eene afschuwelijke geveinsdheid aan zulk een leven ten grondslag ligt; hij die weet, hoe zwak de mensch

ocr page 70

DEBDE ZONDAG NA PASCHEN.

is, moet daarin de inwerking Gods erkennen; hij ontwaart daarin de kracht van Gods genade en — wil hij oprecht wezen — hij zal God moeten loven, die aan menschen zulk eene macht ten goede heeft gegeven. En, wanneer dan God, op den dag der bezoeking, tot zijn hart en geest zal spreken, hem met zijne genade ter hekeering zal aansporen, zal hij het aantal van diegenen vermeerderen, die zich tot de bekentenis gedrongen gevoelden, dat zij na de genade Gods hun omkeer te danken hadden aan den opwekkenden invloed, welken de stichtende belijdenis van de Christelyke leer op hun gemoed had gemaakt.

Opmerking. De twee vermaningen des h. Petrus, welke wij bespraken, waren noodzakelijk voor de Christenen van zijn tijd, die in eene heidensche omgeving leefden; niet minder zijn zij voor ons, die ons bewegen te midden van eene wereld, welke wulpsch zingenot als het eenig goed schijnt te achten, hoogst noodig, opdat niemand door die verleiding meegesleept worde. Tijdens onzen pelgrimstocht op aarde moeten wij derhalve met omzichtigheid en op onberispelijke wijze voortgaan, totdat wij het einddoel bereikt hebben. Dat zijn wij verschuldigd aan onze roeping tot het geloof en aan het hemelsch vaderland, waarvan wij burgers moeten worden. Gelijk een ieder, die in den vreemde vertoeft, zich beijvert de edelmoedigheid, de beschaving en de zeden van het land te doen bewonderen, waarvan hij inwoner is, evenzoo is het ons tot plicht gemaakt dat wij de eer ophouden van het christen-volk, waartoe wij behooren, dat wij ook de meest vijandig gezinden als dwingen tot deze bekentenis : gt;die Godsdienst door hen beleden vormt helden in het gt; goede, maakt heiligen.quot; — De h. Petrus verwachtte van zulk een voorbeeld de bekeering der boozen op den dag, als God hen met zijne genade zoude bezoeken. Wel behoeft Hij, de Almachtige, onze medewerking niet, als Hij de harten wil kneden als was en van de hardvochtigheid in het booze wil brengen tot oprechte boetvaardigheid. Zelfs gebruikt Hij bij wijlen de uitspattingen des zondaars om van het afschuwelijke

62

ocr page 71

DEKDE ZONDAG NA PASCHEN.

der misdaad diegenen te doen walgen, welke nog niet tot het laagste peil van bedorvenheid gezonken zijn. Meermalen echter neemt Hij het stichtend voorbeeld zijner getrouwen te baat om een afgedwaalde naar den weg der deugd terug te voeren. Dan wordt dat voorbeeld een lang volgehoudene prediking van Gods geboden — eene prediking welsprekender, dringender, meedesleepender dan de treffendste redevoering. En gelukkig dan zij, die de troostrijke beloften des Heeren in zich vervuld zien, dat al wie de ziel zijns broeders redde, de zaligheid van zijne eigene ziel verzekerd heeft.

II.

Er ligt zulk een nauw verband tusschen de laatste vermaning des Apostels en de daarop volgende, dat hij niet aarzelde te schrijven : weest dus, om wille van God, onderdanig aan alle MENscHELijKB OEDENiNG. Dien samenhang te begrijpen kan voor niemand eenige moeilijkheid opleveren. Wij moeten vrome Christenen wezen en tegelijk gehoorzame staatsburgers; alwie in zijne verplichtingen tegenover den staat, waarin hy leeft, te kort schiet, mag zich niet beroemen, dat hij de geheele wet des Christendoms vervult. De Kerk heeft, zoolang zij bestaat, niet opgehouden de eenig ware beginselen te verkondigen, waardoor elke Christen zich moet laten geleiden in het volbrengen van zijne maatschappelijke plichten. Van jaar tot jaar heeft zij altijd geleerd, wat de h. Paulus in deze woorden voorgeschreven had: alle mensch zij aan de hoog ere macht onderdanig ; icant er is geene macht dan van God, en de bestaande machten zijn van God verordend. Derhalve, ïvie zich tegen de macht verzet, die verzet zich, tegen Gods verordening; en die zich verzetten, brengen een strafoordeel over zich zeiven (Rom XIII, 1 — 3). Alle menschen dus, zonder eenige uitzondering, zijn onderworpen aan het door God medegedeelde gezag in die dingen, welke binnen het rechtsgebied daarvan besloten zijn, en als het geene wetten

63

ocr page 72

derde zondag na paschen.

uitvaardigt, welke in strijd zijn met eene hoogere wet. Die machten komen van God, ontleenen haar gezag aan God en bevelen in naam van God ; zij zyn van goddelijken oorsprong en hare wetten steunen op Gods wil. Eerbied voor- en gehoorzaamheid aan de wettige overheid zijn derhalve de dure plichten, welke door een ieder te vervullen zijn, en niemand kan zich straffeloos daaraan onttrekken ; zijn verzet wordt of hier of zeker hiernamaals, als daarvoor geene genoegzame boete gedaan is, gestraft naar mate van de schuld, welke of klein of groot kan wezen. Dit zal voor wie willen leeren duidelijk wezen, als zij niet vergeten in aanmerking te nemen, dat God door de gewilde orde een bepaald doel beoogt, het bevorderen namelijk van het algemeen nut en welzijn der gemeenschap. Allen moeten, naar gelang van hunne maatschappelijke omstandigheden, daartoe bijdragen, want elke verstoring werkt ten nadeele van het geheel. Zij zijn misdadig te noemen, die zich tegen die orde verzetten en hebben het zich zeiven te verwijten, als zij, zich aan de zonde van ongehoorzaamheid schuldig makende, de straf beloopen, welke op hun misdrijf gesteld is. De h. Petrus geeft in den Epistel van dezen dag eene nadere verklaring van die onveranderlijke beginselen, door eerstens hen op te noemen aan wie onderdanigheid verschuldigd is; door vervolgens de voor-deelen aan te stippen, welke God door zijne goedertierende instelling aan het maatschappelijk leven der menschen verzekerd heeft, en ten laatste door te leeren, met welke meening de onderwerping moet bewezen worden.

Velen zijn zjj die gezag over anderen uitoefenen en gehoorzaamheid van hunne onderdanen kunnen vorderen. Onder hen moet op de eerste plaats gesteld worden de Koning als die de vebhevenste is, die aan het hoofd der regeering staat, wiens aanzien boven allen uitmunt en aan wiens rechtvaardige wetten en verordeningen elke burger zich te onderwer-

64

ocr page 73

DEEDE ZONDAG NA PASCHEN.

pen heeft. Hiermede is gezegd, dat ook aan de landvoogden als die door hem gezonden zijn, onderwerping moet betoond worden, dewijl ook zij dragers van het gezag zijn en blijven, zoolang zij zich binnen den kring van hunne ambtsbevoegdheid bewegen en doen wat hun als vertegenwoordigers van het hoogste gezag is opgedragen. — Doch hoe zij ook heeten, die over anderen bevelen, zij dienen te beseffen dat zij dat recht niet bezitten krachtens eene overeenkomst met de gemeenschap of omdat zij hoe dan ook zich van de macht hebben meester gemaakt, maar omdat God aan hen, die door erfrecht of door wettige keuze des volks aan het hoofd des staats zijn geplaatst, zijne macht overdraagt, hen als zijne plaatsbekleeders aangesteld en met zijn gezag bekleed heeft. De bestaande machten zijn — leerde ons reeds de h. Paulus — door God verordend, moeten als zijne dienaressen, als zijne vertegenwoordigsters beschouwd en geëerbiedigd worden. Deze onze wijze van voorstelling wordt bevestigd door de van God ingegevene h.h. Schriften. Door Mij — verkondigde God door Salomon — regeeren de honingen en maken de wetgevers rechtvaardige wetten; door Mij heerschen de vorsten en verordenen de machthebbers wat recht is (Spreuk. VIII, 15). David erkende „dat God zijn zoon Salomon uitverkoren had „om den koninklijken troon te bestijgen,quot; en Salomon zelf „dankte den Heer, den God zijner voorvaderen, voor de ver-„worvene kroon, daarvoor dat God hem verkozen had om de „Koning zijns volks te wezenquot;; reeds eeuwen te voren durfde Daniël tot Nabuchodonosor dit stoute woord richten: „gij „zijt wel de Koning der Koningen, maar de Heer des Hemels „heeft u het rijk, de macht, de heerlykheid en de heerschap-„pij gegevenquot; ; en Jesus zelf verkondigde die waarheid voor den rechterstoel van Pilatus, toen Hij hem toevoegde: „gij „zoudt geene macht over Mij hebben, als zij u niet van boven „gegeven ware.quot;

Deze instelling Gods, dat elke vereeniging van menschen,

Verklaringen der Epistelen. O. 5

65

ocr page 74

derde zondag na paschen.

dat de staat door een met Gods gezag bekleed persoon bestierd en geregeerd wordt, brengt voor elk lid van de maatschappij groote voordeelen mede. Die regeerders zijn aangesteld om de boosdoenebs te straffen, maar aan hen, die

goed zijn, lof te geven ; zij zijn er om te gebieden en om te verbieden, ook om te straffen en om te beloonen. Die macht is voor hen noodzakelijk en werkt ten voordeele van allen ; bij gebreke daarvan ware het voor de overheden ondoenlijk om de orde te handhaven en het algemeen welzijn te bevorderen. Zij zouden niet in staat wezen aan hun bestuur voldoende vastheid te geven en hunne wetten te doen eerbiedigen, zoo zij een misdadig verzet niet konden voorkomen, bedwingen en des noods bestraffen. Dan waren hunne woorden als die eens roependen in de woestijn en hunne bevelen werden veracht, de noodige orde werd verstoord en de ver-eischte onderwerping gemist — want zij zijn niet allen van genoegzaam plichtbesef doordrongen, die als onderdanen te gehoorzamen hebben. Er zijn goeden ja, maar ook boosdoeners onder hen, en dezen dient een teugel aangelegd opdat zij minstens door vrees voor straf van het inwilligen hunner lusten terug gehouden worden, terwijl van den anderen kant de welgezinden moeten bemoedigd en geholpen en gesteund worden in hun edel streven om naar behooren aan hunne burgerlijke plichten te beantwoorden. Verbeelden we ons, dat er geene overheid heerschte, welke haar gezag kon doen gelden, dan zoude er wanorde wezen en euveldaden van allerlei soort konden straffeloos gepleegd worden. Oneenigheid, onrust, roof- en moordtooneelen waren aan de orde van den dag; de schadelijke lidmaten werden niet onschadelijk gemaakt en de goeden vonden geene bescherming; de wegen werden onveilig, niemand ware in zijn huis voor gewelddadigheden beveiligd, het vrye onderling verkeer was onmogelijk, geen bedrijf kon zonder stoornis uitgeoefend worden en de handel was belemmerd. Steden en dorpen werden broeinesten

66

ocr page 75

deede zondag ka paschen.

van allerlei kwaad, de bosschen rooversholen en elk rijk eene verzamelplaats van misdadigers. Om al die redenen kunnen wij God niet genoeg danken, dat Hij alles met groote Wijsheid en Goedheid geregeld heeft ten beste en voor het tijdelijk welzijn der onderhoorigen, dat krachtens zijn wil de overheid een dienares Gods ons ten goede is, dat zij niet te vergeefs het zwaard draagt en een wreekster is om te straffen wie kwaad doet (Rom. XIII, 4), Nu mag elke goedgezinde zich verheugen in de bescherming van hen, aan wie God macht heeft gegeven; hij kan zonder vrees in zijne woning verblijven en ongedeerd langs rijkswegen wandelen; zjjne eer, zijne gezondheid en zyn leven, het bezit zijner goederen staan onder de hoede van de overheid, welke zorgt voor rust en orde; zijne vrijheid en zijne rechten mogen door niemand wederrechtelijk aangetast worden, en hij zelf gevoelt zich veilig onder eene macht, welke in naam van God bestiert en waakt.

Geen beter middel om onze dankbaarheid voor die weldaden te betuigen dan met eene goede meening aan het gebod te gehoorzamen, dat de h. Paulus aan de Romeinen voorschreef: weest derhalve uit noodzakelijkheid onderdanig, uit plichtbesef, niet alleen om wille der straf, maar ook om wille des gewetens (Rom. XIII, 5), en dat de Prins der Apostelen met deze woorden bekrachtigde: dit immebs is de wil Gods, dat gij dook

goed te doen aan den onwijze en onwetende den mond sluit,

dat gij door uwe onderdanigheid aan de wereldsche overheid den dwazen en onwetenden het stilzwijgen oplegt, die zich niet ontzien het Christendom en zijne belijders te belasteren, alsof dezen zich van elke burgerlijke verplichting ontheven achten. Zoo is het ware standpunt aangegeven, waarop elke Christen zich heeft te plaatsen. Om wille van God, den hoog-sten Wetgever, moet gehoorzaamd, zijne wet als de grondslag van de Staatswetten geëerbiedigd worden. Onze onderwerping zal

67

ocr page 76

DERDE ZONDAG NA PASCHEN.

daarom dan alleen de verdiensten van deugd hebben, als zij met bet oog op God, omdat Hij door de machthebbers gebiedt, betoond wordt. In de overheid moet God vereerd worden, die van zijn gezag aan haar overdroeg; hare wetten zijn te onderhouden, omdat de haar inwonende kracht van God uitgaat, zóódat de onderdanen niet zoozeer aan hunne natuurgenooten als wel aan den Heer van allen zich onderwerpen. Uit die beginselen volgt, dat de gehoorzaamheid aan 's lands wetten niet slechts als een plicht door het burgerlijk gezag opgelegd, maar vooral als eene wet door God voorgeschreven te onderhouden is, dat in de wereldsche overheden eene hoogere wijding dient gehuldigd en een gezag, waarvan de oorsprong ligt in den Hemel. Doch ook deze gevolgtrekking is te maken. Zoodra er strijd zoude wezen tusschen eene of andere wet van de overheid en tusschen die van God, dan moet het voorbeeld der Apostelen gevolgd worden, wien door het Sanhedrin der Joden de prediking van Jesus' Naam verboden was, maar die vrijmoedig en onverschrokken ten antwoord gaven: oordeelt, of het voor God recht is, eerder naar u te hooren dan naar God (Hand. IV, 19).

Opmerking. De h. Petrus somt nog andere verplichtingen op, maar alleen dezulke, welke ook met het besprokene in onmiddellijk verband staan, en daarom slechts aangestipt behoeven te worden. Aan iedereen de eer bewijzen, welke hem toekomt; de broeders in het geloof liefhebben ; God vreezen, den Koning eeren, aan de heeren, ook aan die hard zijn, onderdanig wezen — dit is Gode welgevallig en derhalve voor den Christen een gebod, waarvan hij zich nimmer ontheven mag achten, al kan hij ook roemen in de vrijheid, welke hij in Christus verworven heeft. Wel is hij door zijne rechtvaardiging van de heerschappij des duivels en der zonde bevrijd, maar daarom niet ontslagen van zijne verplichtingen. Het is opmerkenswaardig, met welk een nadruk de Apostel dit aan zijne bekeerlingen op het hart drukt. Hij erkent, dat zij vrij zijn, doch waarschuwt met allen

68

ocr page 77

DERDE ZONDAG NA PASCHEN.

69

ernst, om die vrijheid niet te doen dienen tot dekmantel der boosheid. Hunne verhouding — wil hij leeren — is deze. Zij zijn door de genade met God vereenigd en moeten willen wat God wil, en die wil luidt, dat zij als dienaren Gods onderworpen zijn aan elke wettige overheid. Na zich vrijwillig aan Jesus' leer onderworpen te hebben, zijn zij dienstbaar geworden aan de gerechtigheid, aan de geboden van Hem, die hen tot kinderen heeft aangenomen. En die hemelsche Vader van het groote huisgezin, dat het menschdom heet, verlangt dat zij gehoorzamen aan de door Hem verordende machter;. Hoe dan ook de betrekking beschouwd worde, waarin elke Christen leeft — zijne geestelijke vrijheid mag geen dekmantel worden, waaronder hij schuil gaat om zich aan de vervulling zijner maatschappelijke plichten te onttrekken. Dienaar van God zijnde, moet hij ook een gehoorzaam onderdaan des Konings wezen; door zich tegen dezen niet te verzetten, onderhoudt hij het gebod van den Koning der Koningen. Daarenboven: door zijne burgerlijke lasten getrouw te vervullen, in den geest des Christen-doms, verwijdert hij alles, wat daarin hards en moeilijks is, wat de menschelijke zucht naar vrijheid weerstreeft, geeft ook aan zijne medeburgers een goed voorbeeld en bevordert zóó doende het algemeen welzijn, waardoor ook hij wederom gebaat wordt ter belooning van zijne plichtmatige onderwerping.

ocr page 78

VIERDE ZONDAG NA PASCHEN.

Veel geliefden! Alle beste gave en alle volmaakt geschenk is van boven en daalt af van den Vader der lichten, bij Wien geene verandering is noch schaduw van afwisseling. Want uit vrijen wil heeft Hij ons zijne kinderen gemaakt door het woord der waarheid, opdat wij als eerstelingen zijner Schepping zouden zijn. Gij weet het, mijne zeer geliefde broeders !

Ieder mensch nu zij vaardig om te hooren, doch traag om te spreken, en traag tot toorn! Want de toorn des mans werkt Gods gerechtigheid niet. Legt daarom af alle onreinheid en overvloed van boosheid; neemt op in zachtmoedigheid het ingeplante woord, dat uwe zielen kan zalig maken. Jac. I, 17—24.

inleiding. De brief van den h. Jacobus, waarvan een gedeelte ons heden ter overweging wordt voorgehouden, was gericht tot de uit het Jodendom bekeerde Christenen. Wat hem tot het schrijven van dien brief aanleiding gaf, is van elders niet bekend maar kan opgemaakt worden uit den inhoud.

Het schijnt, dat die bekeerlingen zich de nieuw aangenomen leer wel iet wat te gemakkelijk maakten en door eene geringe inspanning den eerenaam van Christen wilden verwerven. In-

ocr page 79

VIEBDE ZONDAG NA PASCHEN.

zonderheid konden zij zich niet goed schikken in de beproevingen en bekoringen, waaraan de belijdenis van het ware geloof hen blootstelde. Zelfs durfden zij, na bezweken te zijn, of van hunne moedeloosheid of van hunne zwakheid de schuld aan God geven, alsof Hij zonder reden hen aan de beproevingen des lijdens had overgegeven, en de bekoring ten kwade aan Hem moest toegeschreven worden. Geen wonder, dat de beminde leerling van Jesus zich met alle kracht tegen zulk eene ongerijmde *en hoogst onchristelijke ziens- en handelwijze verzette: »Niet zoo gedacht, noch zoo gesproken mag er wordenquot; — schreef hij hun — »door Christenen. Rede en de leer der »Kerk teekenen verzet aan tegen zulk een dwalen. Geheel an-»ders luidt het woord der waarheid door den H. Geest mij «ingegeven:quot; * zalig dc man, die de verzoeking verdraagt, want »daar hij een beproefde is geworden, zal hij de kroon des levens * ontvang en, welke God beloofd heeft aan wie Hem liefhebben. igt;Niemand zegge,quot; ging hij voort, als hij bekoord wordt, dat hij van God bekoord wordt; want God is geen bekoor der tot het kwaad, en Hij zelf bekoort niemand; maar een iegelijk wordt bekoord, wanneer hij door zijne eigene begeerlijkheid afgetrokken en gelokt wordt (I, 12, 13, 14). Hiermede was geleerd, hoe zij de wederwaardigheden des levens en de aanlokselen des duivels tot het kwaad beschouwen moesten; hiermede was ook de weg gebaand, om tot het hart van die geloovigen door te dringen en met een beroep op het godsdienstig onderricht, dat zij ontvangen hadden, twee onderwerpen te behandelen, welke voor eiken Christen even gewichtig als leerzaam zijn. »Niet het kwadequot; — leerde hij — »komt van God maar ïwel al het goede: aanhoort met ijver het onderwijs in de leer »van het Evangelie en weest behoedzaam in het spreken.quot; — Wanneer wij deze lessen der ware wijsheid veralgemeenen en hare strekking ook op de geloovigen van onze tijden toepasselijk maken, kunnen wij daarin lezen, dat een ieder onzer zich overtuigd moet houden van deze onomstootelijke waarheden: I. al wat goed is komt van God;

II. wij zijn gehouden meer gebruik te maken van het gehoor dan van de spraak.

71

ocr page 80

VIERDE ZONDAÖ KA PASCHEN.

I.

God mag nimmer aangezien worden als de bewerker der zonden, waaraan wij zoo dikwijls ons schuldig maken hetzij onder de moeilijkheden van onzen pelgrimstocht door het leven, hetzij in de bekoringen, waaraan wij bloot zullen staan, zoolang wij hier ronddolen; integendeel: alle beste gave en

ALLE VOLMAAKT GESCHENK IS VAN BOVEN. Het is dUS in Strijd

met de oneindige Volmaaktheden van den Allerheiligste, zoo het in zonde vallen aan Hem geweten mocht worden, terwijl wij door den drang der waarheid genoodzaakt zijn te erkennen, dat wij aan Hem alleen alles te danken hebben, waardoor aan de verleiding tot het kwaad weerstand kan geboden worden. De mensch zondigt of door onwetendheid of door zwakheid en ziet, aan het eene euvel zoowel als aan het andere — beiden treurige gevolgen der erfzonde — komt de Gever van alle goede gaven tegemoet door het licht der waarheid, dat Hij doet stralen, en door de kracht der genade, welke Hij aan niemand weigert.

De mensch moet de noodzakelijke kennis bezitten; hij moet onderscheid kunnen maken tusschen goed en kwaad, ook weten wat hem geboden en wat hem verboden is. Anders tast hij in het duistere en valt als een blinde in den afgrond; anders zoude hij zich altijd kunnen verontschuldigen door het woord: „in onwetendheid deed ik het.quot; Dat voorwendsel is hem echter ontnomen, leert de h. Jacobus.

De noodige wetenschap, die heste gave, is hem van boven gegeven. Geen tijdperk is aan te wijzen, waarin God zijne redelijke schepselen in volslagene duisternis liet. Hij, die zijne gaven met wijsheid uitdeelt, verleende altijd de noodige kennis van goed en van kwaad, wel in verschillende maar toch altijd in genoegzame mate, aan allen. De oneindig Rechtvaardige kan allen wijzen op de verscheidene middelen, welke Hij in zijne allen omvattende Liefde aanwendde, opdat

72

ocr page 81

VIERDE ZONDAG NA PASCHEN.

voor een ieder het gewenschta licht opging. Van het begin der tyden scheen het licht, dat allen verlichtte, die in deze wereld kwamen. Nooit en veel minder nog in de eeuwen, welke sinds Jesus' komst op aarde verliepen, heeft het den mensch ontbroken aan een lamp voor zijne voeten en aan een fakkel op zyne paden, ten einde hij Gods wil kennen en zijn voet van allen kwaden weg terughouden kon. In het hart van eiken mensch prentte Hij diep de natuur — wet om het kwade van het goede te onderscheiden; door het licht hunner rede liet Hij hen zien in de schepping van het Heelal zoowel zijne eeuwige Kracht en Goddelijkheid als zijne Almacht en andere Volmaaktheden. Wat den mensch echter in de eerste eeuwen der wereld nog verborgen was gehouden, werd hem al meer en meer duidelijker geopenbaard door de Mosaïsche wet en later, maar toen volledig, door Jesus Christus, die verscheen vol van waarheid.

De meest uitgebreide kennis zoude den mensch evenwel niet baten, zoo hem ook niet de kracht geschonken werd om te kunnen volbrengen, wat hij als zedelijk goed had leeren kennen. Hy ware gelijk aan een lamme, die wel degelijk den goeden weg weet, waarlangs hij het verlangde doel bereiken moet, maar de kracht mist om dien afstand af te leggen of wel, om eene vergelijking des Zaligmakers te bezigen, hy ware gelyk aan een rank, welke van den wijnstok is afgesneden en, alle vruchtbare sappen missende, moet verdorren. Zonder de genade, dat geschenk van boven, is de mensch niet sterk genoeg om te doen, wat Gode welgevallig en voor den Hemel verdienstelijk is, ook niet om alles te kunnen vermeden wat zondig heet. Wy zyn, tengevolge der erfzonde, in onze geestelijke vermogens en niet minder in onzen wil verzwakt. Niets kunnen wij zonder Christus, doch daar staat tegenover : met zijne genade vermogen wij alles — al het goede doen en al het kwade vermijden. Die genade, even noodzakelijk als krachtdadig, werd den mensch, ten allen tyde en

73

ocr page 82

vieede zondag na paschen.

in evenredigheid met hetgeen zijn Schepper van hem eischte, aangeboden. Dat geschenk van boven was derhalve volmaakt, in dien zin dat een ieder daardoor geholpen volbrengen kon wat zijn plicht was en het doel bereiken, waartoe hij geschapen was. De rijkste stroom van genaden vloeide echter der wereld toe, nadat Jesus Christus door zijn Kruisdood een bron geopend had, welke springt ten eeuwigen leven voor allen, die in Hem gelooven, op Hem hopen, en in het vertrouwen op een eeuwige belooning voor geene moeilykheid in zynen dienst wijken.

Die groote gaven, de ware kennis, welke de duisternis des verstands verdrijft, en de heilzame genade, welke der zwakheid van den wil te hulpe komt, dalen van boven, van uit den Hemel, waar de troon van Gods Barmhartigheid staat opgeslagen. Het ware te vergeefs gepoogd ze op de wereld te zoeken of ze van de menschen te vragen. Evenals wij van den Hemel zyn en in het Hemelsche met onze gedachten en begeerten dienen te verwijlen zoolang wij hier op aarde ronddolen, en gelijk wij eenmaal in den Hemel onze eeuwige woning zullen vinden, zoo ook moeten de gaven, waardoor wij naar het Rijk der glorie kunnen opgaan, vandaar neerkomen. Er bestaat eene onverbreekbare band tusschen het doel en de middelen. Zoo het doel is, behooren ook de middelen te zijn; is het eene bovennatuurlijk, ook de andere moeten van dien aard zyn, en deze zijn niet anders dan of onmiddellijk van God te verkrijgen of middellijk door de h.h. Sacramenten, welke Jesus voor het geestelijk welzijn der menschheid instelde.

Die gaven dalen af van den Vader der lichten, bij wien

geene verandering is noch schaduw van afwisseling. Wij

hebben niets, wat wij niet vaij. God ontvangen hebben; Hij is de bron van alle goed en van Hem verkrijgen wij genaden op genaden, licht voor het verstand en kracht voor den wil.

Wel verre dus dat iemand God als de oorzaak van eenig kwaad mag noemen, moet beleden worden dat Hij de Gever

74

ocr page 83

vierde zondag na paschen.

is van de hoogste goederen en bijgevolg de Bewerker der deugden. Opmerkenswaardig is ook, dat de h. Jacobus hier spreekt van den Vader der lichten. Die eerenaam komt aan God toe niet alleen omdat Hij de Schepper is der hemellichamen, welke den dag en den nacht verlichten, maar ook en wel vooral omdat Hij door zijne quot;Wijsheid en Almacht voor 's men-schen geestelijk leven is wat zon en maan zijn voor het aardrijk. Geven deze de noodige warmte en het noodige licht en daardoor groeikracht en vruchtbaarheid. God schenkt aan den mensch het natuurlijk licht der rede en het bovennatuurlijk licht der openbaring, bovendien nog de kracht om waardige vruchten voor de eeuwigheid voort te brengen.

Wat ook nimmer door ons over 't hoofd mag gezien worden, is deze waarheid : die weldaden moet de mensch altijd van God hopen. Bij Hem rs geen verandering. Van eeuwigheid heeft Hij den mensch lief gehad en zijne Barmhartigheid is van geslacht tot geslacht. De mensch is wispelturig en morgen zal hij verschillen van hetgeen hij heden is; zijne genegenheid en vriendschap zijn onstandvastig, en veranderlijk als de wind zijn zijne gedachten en voornemens; hij maakt plannen en weldra heeft hij ze vergeten; hij belooft soms veel maar volbrengt zijne beloften niet. Geheel anders is God. Onveranderlijk van quot;Wezen, is Hij ook onveranderlijk in zijne besluiten, Hij blijft Zich zeiven altijd gelijk. Geene schaduw van afwisseling is bij Hem. Alles wat Hij wil, wilde Hij van eeuwigheid en zal Hij in eeuwigheid willen. Zijne plannen dagteekenen van vóór het begin der wereld en nimmer zal eenige wijziging daarin gebracht worden. Gelijk de Heilige noodzakelijk het kwade haat, zoo ook moet Hy liefhebben, want Hij is Liefde. Liefde is als het wezen van zijn quot;Wezen. Daarom blijft die Liefde, vergaat niet en vermindert niet; en om dezelfde reden mogen wij altijd alles wat wij behoeven van Hem vragen en wat voor ons goed is van Hem verwachten. Omdat Barmhartigheid Hem van nature eigen is en

75

ocr page 84

vieeue zondag na paschem.

eigen blijft, mogen wij in alle omstandigheden des levens er op rekenen, dat Hij zijne hulp ons niet zal laten ontbreken, zoo dikwijls wij tot den troon van zijne Barmhartigheid met vertrouwen naderen. Van eeuwigheid had God besloten aan den mensch, welken Hij scheppen zou, te geven wat hem ter bereiking zijner bestemming aan deze en gene zijde des grafs noodig was, en in dit voornemen komt geene verandering. „Ik hen de Heerquot; — liet Hij door den Profeet Malachias (IH, 6) verkondigen — „en Ik verander nietquot; — en door Isaïas: „Ik kondig van den aanvang af aan, wat ten laatste komen zal, „en van den beginne wat nog niet geschied is, en Ik zeg : Mijn „raadsbesluit zal vaststaan en Mijn teil zal gebeurenquot; (XLVI, 10).

Om een slaand bewijs voor zijne leer aan te halen, brengt de h. Jacobus een feit in herinnering, wat zijne zeer geliefde broeders kenden. Uit vrijen wil heeft God ons zijne kinderen gemaakt door het woord der waarheid, opdat wij als eerstelingen zijner schepping zouden zijn. Toen God

den betreurenswaardigen val van Adam en den ondergang van het geheele menschelijk geslacht voorzien had, besloot Hij ook door de Mensch wording des Zoons Verlossing te geven en allen op te richten, die door de zonde des eersten men-schen zouden vallen. Dat besluit dagteekende van eeuwigheid en werd volvoerd, toen de volheid der tijden gekomen was. Het woord Gods stond voor eeuwig vast in den Hemel, en zijne Getrouwheid bleek van eeuw tot eeuw, eerst in belofte van een Verlosser, toen in de voorbereiding voor de komst van Hem, die alle gevangenen zoude bevrijden uit de sla-vernij der zonde, later in de nederdaling van den Verwachte der volkeren en eindelijk in den zoendood van het Lam, dat geslachtofferd is van het begin der wereld. Zoo weinig verandering kwam er in het van eeuwigheid gevormd raadsbesluit des Almachtigen, dat alles wat beloofd was gegeven werd, dat alles wat voorspeld was werkelijkheid is geworden.

76

ocr page 85

VIERDE ZONDAG NA PASCHEN.

Vóór de grondlegging der wereld had God ons in Christus uitverkoren, opdat wij heilig en onbesmet zouden zijn voor zijn aangezicht (Eph. I, 4), en aan de in zonden gevallenen gaf Hij een Verlosser, zondaars verzoende Sij met Zich in het Bloed zijns Zoons, opstandelingen tegen zijn gezag en die heulden met zijne vijanden heiligde Hij. Die Hij vooruit gekend heeft, die heeft Hij ook vooruit bestemd om gelijkvormig te worden aan het beeld zijns Zoons (Rom. VIII, 29), en allen, die zich tegen de liefdevolle inwerking zijner genade niet verzetten, verhief Hij tot zijne kinderen en tot broeders en mede-erfgenamen van Jesus Christus. Dit alles uit vrijen wil, door niets gedwongen, door zijne Goedheid alleen aangespoord; niet om der menschen verdiensten maar om zijn welgevallen, volgens het raadsbesluit van zijnen wil; niet omdat zij dat gunstbewijs waardig waren, maar omdat Hij besloten had hen door het. geloof te rechtvaardigen. Ook het middel waardoor en eveneens het doel waartoe God Zich zoo goedgunstig betuigde ten opzichte van schepselen, al waren zij van Hem afgeweken, heeft de Apostel met de gewenschte duidelijkheid aangegeven. Door het ivoord der waarheid^ door de prediking der evangelische leer, door de woorden des levens hun alreeds op den eersten Pinksterdag verkondigd werden zij kinderen Gods gemaakt, opdat zij als eerstelingen zijner Schepping zouden zijn, opdat zij door het geloovig aannemen der hun verkondigde waarheden en door te leven uit het geloof als nieuw-herborenen zouden worden in Christus, de eerstelingen van eene nieuwe goddelijke schepping, de eerstgeroepenen uit het Jodendom, die recht verkregen op de erfenis des eeuwigen heils.

Opmerking. Zoo is God gerechtvaardigd tegenover de dwaze beschuldigingen van onverstandigen en half-geloovigen. AI laat Hij om redenen zijner Wijsheid waardig de bekoring toe, Hij geeft de middelen om ze te overwinnen; niet Hij bekoort

77

ocr page 86

VIERDE ZONDAG NA PASCHEN.

maar geeft licht en kracht, waardoor het kwaad gekend en vermeden daarentegen het goede én gekend én volbracht kan worden. En nimmer zullen die noodige middelen ter zaligheid ons ontbreken. Gods beloften en zijne Getrouwheid in zijne beloften zijn daarvoor een vaste waarborg eveneens als hetgeen God reeds in het verlossingswerk voor ons allen gedaan heeft, Hij die onveranderlijk is in zijne Raadsbesluiten niet minder dan in zijn Wezen. Alleen in één geval zoude genoegzame hulp ons ontbreken: wanneer wij met hardnekkigheid onze oogen sloten voor het licht der waarheid en onze harten voor de inwerking zijner genade. Schijnen immers ook de stralen der zon niet voor hen, die in het duistere van den nacht willen wandelen, en gevoelen zij hare warmte niet, die zich in een kil hol verbergen ? Evenzoo moeten wij spreken van de bovennatuurlijke orde. De zon der gerechtigheid zal niet over hen opgaan, hare weldoende en vruchtbaarheid gevende warmte zal hen niet verkwikken, die zich van God afkeeren. God ook wendt Zich af van allen, die Hem vreemd willen blijven en uit trotschen overmoed zijne gaven weigeren; wordt Hij veracht, dan zal Hij ook verachten; wordt Hij miskend in zijne beste gaven, dan zal Hij zijne weldaden niet opdringen aan wie er geen prijs op stellen; Hij zal de reddende hand niet leggen in die der anderen, welke ze afwijzen, en niet blijven roepen, als op zijne stem geen acht geslagen wordt. En aan wie anders alsdan de schuld hunner verblindheid en verlatenheid dan aan hen alleen, die het licht schuwden en de noodige hulp weigerden ?

II.

Het tweede onderwerp door den h. Jacobus behandeld kan als eene gevolgtrekking uit eene zijner laatste woorden beschouwd worden. Waren zijne lezers Christenen geworden door het geloovig aannemen van het woord der waarheid en zoo verheven tot het kindschap van God, om te volharden in die uitnemende waardigheid moesten zij zich — wilde hij zeggen — ijverig blijven betoonen in het aanhooren van de

78

ocr page 87

vierde zondag na paschen.

79

waarheden des heils. Dat woord bleef immer even krachtig; ook hunne behoefte aan die geestelijke spijs werd niet minder ; waren zij er door tot het ware geloof bekeerd, zij moesten in hunne overtuiging versterkt, onwankelbaar gemaakt worden door met on verflauwden ijver als leergierige toehoorders te luisteren naar de prediking van Gods waarheden. Vaardig zijn om te hooren, dit bleef voor hen noodzakelijk, opdat zy onder de beproeving voor de verleidende stem der dwaal-leeraars niet zouden bezwijken en zoo niet van de waarheid afvallig zouden worden. Dezelfde oorzaak, welke zoo heilzaam op hun geest en hart gewerkt had, mocht niet tot werkeloosheid gebracht worden ; de gewonnene vruchten mochten niet verloren gaan, maar moesten integendeel vermeerderd worden. Dit is gezegd tot allen, tot de beginnenden, tot de meer gevorderden, tot de volmaakten, „wantquot; — leert de h. Thomas — „is het geloof uit de prediking, het moet door de prediking „gekoesterd, gevoed en vermeerderd worden,quot; en de h. Augus-tinus besluit: „ik wil liever onderricht worden dan onder-„richten. Opdat wij zeiven leeren, daartoe noodigt de zoet-„heid der waarheid uit; opdat wij echter anderen leeren, „daartoe moet de plicht der liefde dwingen.quot; Opdat wij de hooge waardigheid van Gods kinderen te zijn in eere houden, is niets nuttiger dan het woord Gods te aanhooren en in ons hart te bewaren. Wel zijn er andere hulpmiddelen om in de kennis der waarheid vorderingen te maken en zich daarvan te doordringen, maar dit is niet te ontkennen: aan geen enkel heeft God een zoo overvloedigen zegen beloofd als aan de verkondiging zijner waarheden aan den eenen en aan de volgzaamheid der toehoorders van den anderen kant; Die noodzakelijkheid en dat nut der aanhooring zijn een ieder duidelijk, die wil nadenken. Zoo de Apostel denkende aan de Christenen van zijn tyd, die door de vele beproevingen en vervolgingen, waaraan zij bloot stonden, in de zeer gevaarlijke verzoeking konden geraken of van het Christendom af

ocr page 88

VIERDE ZONDAG NA PASCHEN.

80

te vallen of wel tegen God te morren, het voor hen als een noodzakelijk verweer-middel tegen dien boozen geest achtte, dat zij luisteren bleven naar Gods woord hetwelk hun in de samenkomst der geloovigen gepredikt werd; dat zij hunne ooren voor alle verkeerde leeringen van dwalenden en onge-loovigen sloten maar geopend hielden voor de stem, welke hun van uit den Hemel toesprak; dat zij immer meer leerden hoe te leven, wat te gelooven, hoe zich tegen de valsche meeningen en tegen de verleiding tot zonde te verzetten, hoe de wederwaardigheden des levens te beschouwen en te dragen, — dan zeker leeft er geen enkel Christen, voor wien die vermaningen niet zijn geschreven. Wij allen hellen er zoo licht toe over, de moeilykheden aan de belijdenis van ons geloof verbonden voor een ongeluk te houden en daarom tot droefgeestigheid, tot zwaarmoedigheid te vervallen. Het geloof leert intusschen geheel iets anders. Acht het alle blijdschap, houdt het voor een reden van de grootste blydschap, mijne broeders! — aldus wilde het de h. Jacobus — wanneer gij in velerlei beproevingen geraakt, daar gij iceet dat de beproeving uws gdoofs lijdzaamheid werkt, u nuttig ter zaligheid is en de gelegenheid aanbiedt om uwe volharding in de belijdenis des geloofs te bewijzen (I, 2:3); ook de h. Paulus leerde, dat de lijdzaamheid beproefdheid werkt, het bewustzijn geeft dat het geloof proefhoudend is bevonden; dat de beprcefdheid hoop werkt, de hoop dat het deelgenootschap aan de toekomstige heerlijkheid in den Hemel gegeven zal worden — eene hoop, welke niet beschaamd maar vervuld zal worden, dewijl Gods Liefde uitgestort is in onze harten door den H. Geest, die ons gegeven is (Rom. V, 4). Zoo luiden de lessen van ons geloof; met die troostrijke waarheden weert het die kleinmoedigheid af, welke als een kanker aan het geestelijk leven knaagt. Wie dan ook naar dat woord der waarheid, uit den Hemel ons toegesproken, luisteren wil, zal niet ongetroost heen gaan maar met een onverwinbaren moed be-

ocr page 89

vierde zondag na paschen.

zield worden, al wacht hem een zwaar kruis en zullen de slagen pijnlijk zijn, welke vallen. Dwaas moet hij dan wel heeten, die niet vaardig wil wezen om te hooren, wat God door den mond zijner Kerk verkondigt omtrent de waarde van het lijden, de verdiensten van het geduld en de belooning van de volharding. Hij wijte het zich zeiven, als hij gedrukt en niet met een blijmoedig hart door de beproevingen van het leven heengaat; hij kon een trooster vinden en zoekt dien niet; hij kon hulp vragen en verlangt die niet; hij kón zijne droefheid in vreugde verkeeren maar weigert het middel aan te wenden, waardoor elke traan afgewischt en elke rouw verbannen wordt. Wel mocht dan de h. Jacobus nogmaals op zijne dringende vermaning terugkomen en zijne broeders bezweren: neemt het ingeplante woord met leerzaamheid op, dat uwe zielen kan zalig maken, dat op goede aarde vallende u in de beproeving versterken en zoo vruchten ter zaligheid voortbrengen kan.

Ieder mensch zij traag om te spreken. Ofschoon de h. Jacobus daarmede de verkeerde zucht van velen bestreed om in de bijeenkomsten der geloovigen het woord te willen voeren, mogen wij den zin er van veralgemeenen en zijne vermaning in deze beteeken is opvatten, dat elk onvoorzichtig, elk vermetel spreken veroordeeld wordt. En dan zijn de lessen in dat ééne woord opgesloten even belangrijk als veelzijdig. Eeeds door den wijzen Salomon liet God deze zinspreuken ter neerschrijven: bij veel sprekens blijft de overtreding niet uit; en die zijne lippen in toom houdt, is zeer verstandig (Spreuk X, 19); die zijn mond bewaakt, beivaakt zijne ziel; maar die onbezonnen daarheen praat, zal er voor boeten (XIII, 3); ziet ge een mensch voorbarig in het spreken, eerder dwaasheid is van hem te venvachten dan zijne verbetering (XXIX, 20), en aan Sir ach's zoon gaf God deze bede in: o mocht toch iemand eene wacht aan mijnen mond stellen en

Verklaringen der Epistelen, II. 6

81

ocr page 90

VIEBDE ZONDAG NA PASCHEN.

een onschendbaar zegel op mijne lippen, om niet door haar ten val te komen en niet verloren te gaan door mijne tong (Eccli XXII, 33). „Zoude ook daarom nietquot; — vraagt een godvruchtig schrijver — „God aan den mensch twee ooren „en slechts ééne tong gegeven hebben, opdat hij meer zou „hooren dan spreken?quot;

Door het getrouw naleven van al die voorschriften, getuigende van eene vaderlijke Goedheid, welke hare kinderen voor zonden van de tong — van dat rusteloos kwaad, vol doodelijk gif (Jac. III, 8) — wil waarschuwen, kan onnoemelijk veel kwaad voorkomen worden. Wie ze opvolgt, zal niet aan God de schuld geven van hetgeen hij misdoet, zal geen verkeerd oordeel vellen over de wederwaardigheden, waaronder hy in zijn leven te lijden heeft, zal niet recht spreken over de plannen van Gods Wijsheid noch over diens wereldbestuur; die zal zich niet vermeten de wijze te gispen, waarop God de lasten en de lusten des levens verdeelt, en de goederen dezer aarde schenkt; die zal het niet bestaan zjjne afkeuring uit te spreken over den rang of over de plaats, welke hem in de maatschappij is aangewezen ; die waagt het niet te zeggen, dat hij onrechtvaardig bij anderen is ten achter gesteld, noch te morren tegen eene Voorzienigheid, welke met de liefde volste inzichten hare gaven en weldaden uitdeelt; die slaakt geene klachten, al draagt hij een pijnlijk kruis, want door het opgevangen en in zijn hart bewaard woord der waarheid geleerd en gesterkt zal hij zijne stille onderwerping betuigen aan de geheime besluiten zijns hemelschen Vaders, die alles voor zijne beminden ten beste schikt, — Nog deze onderrichtingen zijn in het waarschuwend woord des Apostels opgesloten. Traag in het spreken moeten wij allen wezen tegenover overheden, ouders en leeraars, kortom : tegenover allen, die gezag uitoefenen en veel goeds kunnen leeren. Hun woord moet met eerbied aangehoord, hun bevel met gehoorzaamheid opgevolgd worden — zonder tegenspraak. Slechts

82

ocr page 91

VIEEDE ZONDAG NA PASCHEN.

eene bescheidene opmerking zoude niet misplaatst wezen voor het geval, dat met recht iets tegen hunne zienswijze kon ingebracht worden. Overigens, welk een wanorde zoude er heerschen, wanneer het een ieder vrijstond om zich met drieste, overmoedige tegenwerpingen te verzetten tegen hetgeen van hooger hand wordt voorgeschreven, wanneer vermaningen ten goede, waarschuwingen tegen wat kwaad is, onderrichtingen en terechtwijzingen met een hoogmoedig woord mochten afgewezen worden? Aan hen, die boven ons staan, dient gehoorzaamd te worden niet om den menschen, maar om God te behagen en dan zonder van wrevel, zonder van ongeduld, zonder van weerzin iets te laten blijken.

De goede raad van den Apostel kan ook dan te stade komen, als ons de gebreken onder 't oog gebracht, als wij op eenig gepleegd onrecht gewezen, als vriendelijke wenken en belangstellende raadgevingen ook ongevraagd gegeven worden. Het ware een bewijs van hoogmoed, zoo in die omstandigheden een bits antwoord over de lippen kwam of een gramstorig verzet tegen de beste bedoeling van onze ondankbaarheid getuigde. Die ware vriend meent het goed en verdient waarlijk niet, dat hij op onheusche wijze wordt bejegend en door eene onbeleefde tegenspraak gekrenkt wordt. En toch zijn wij meermalen er van getuigen, dat niet altijd een goed woord op goede aarde valt, dat zelfs de belanglooste vingerwijzing den andere tot drift vervoert en hem verleidt tot woorden, welke evenzeer de liefde kwetsen als den bewezen dienst afwijzen. Aan welke zijde schade geleden wordt, als de vermaning van een rechtschapen hart in den wind wordt geslagen; voor wien het leedwezen zal zyn, als de verblinding der eigenliefde elke berisping euvel opneemt — niemand die op deze vragen zijn antwoord niet gereed heeft. God heeft het ons ook niet laten ontbreken, noch aan opwekking om een welwillend woord niet te versmaden noch aan bedreiging met welverdiende straf, als het met toornige woorden

83

ocr page 92

VIERDE ZONDAG NA PASCHEN.

vergolden wordt. Mijn zoon! verlies — zoo schreef Salomon in zijne spreuken — deze dingen niet uit het oog: heioaar het onderricht en den raad; want zij zullen het leven zijn voor uwe ziel en een sieraad voor uwen hals; dan zult gij veilig uwen iceg gaan, en mo voet zal niet struikelen; daarentegen: des dwazen weg, zijn doen en laten, is recht in zijne oog en; zich voor onfeilbaar houdende is hij doof voor goeden raad; maar die wijs is, hoort naar raad. De dwaas maakt zijne gramschap terstond openhaar-, maar die zijn leed ontveinst, is verstandig (Spreuk III, 21 en XII, 15.)

Opmerking. Het is niet noodig nog verder uit te weiden over de onderrichtingen des h. Jacobus. Zijne woorden zijn duidelijk en de veelzijdige toepassing daarvan op ons godsdienstig leven is gemakkelijk te maken. Bij wijze van overzicht geven we nog slechts deze punten ter overweging aan; want over den toorn des mans, welke Gods gerechtigheid niet werkt, hebben wij later te spreken, en over alle onreinheid en overvloed van hoosheid handelde reeds een onzer vorige verklaringen. — Wij zijn door Jesus Christus in zijn Bloed vrijgekocht uit de slavernij des duivels en door het woord der waarheid, aan ons verkondigd en door ons aangenomen, kinderen van den Vader des lichts geworden; de genaden, door den Verlosser verdiend, zijn op ons toegepast en wij gerechtvaardigd geworden, dewijl God wilde onze heiliging in den tijd en zaligheid in de eeuwigheid. Alles wat daarmede in strijd is moet vermeden, alles wat daarmede in overeenstemming is moet beoefend worden. Geen wanorde derhalve in onze verhouding tot God; geene onrechtvaardigheid in het weigeren van hetgeen wij Hem verschuldigd zijn; geene ondankbaarheid tegenover zijne weldaden; geen verzet tegen zijne liefdevolle bedoeling; geen vermetel oordeel over zijne wijze van bestieren, geene ontevredenheid over zijne beschikkingen, geene ongehoorzaamheid aan zijne heilige wet, geene verachting van zijn vaderlijk woord.

Dat alles leert en eischt de Openbaring, welke ons geworden is. Wie dan metterdaad wijs wil worden en wijs wil handelen.

84

ocr page 93

VIERDE ZONDAG NA PASCHEN.

85

vrage onderrichting aan dat woord des levens en zette in daden om wat het hem ingeplante woord, dat zijne ziel kan zalig maken, voorhoudt. Zoo volbrengt hij zijn verplichting tegenover God. — Voor het overige zij ieder behoedzaam in zijn omgang met anderen en wake over zijne tong. Om nog enkele voorbeelden te noemen. Vele veronderstellingen worden te berde gebracht over zaken waarvan men geen begrip heeft en men maakt zich zoo doende belachelijk; het geweten kan niet altijd gerust wezen over hetgeen een lichtzinnige tong uitspreekt, en het voelt zich bezwaard over ijdele grootspraak, over bluffende zelfverheffing, over het kwetsen der naasten-liefde, over verdachtmaking of beleedigende spotternij, over lastertaal of kwaadsprekendheid, over leugen of verdraaiing van feiten. Bovendien: worden niet dikwijls onreine bedoelingen of boosaardige oogmerken aan anderen toegeschreven, zóódat aan de hoorders ergernis gegeven wordt of zij tot gramschap worden opgewekt? Deze enkele opmerkingen volstaan om de woorden van Salomon goed te beseffen: bij veelheid van ivoor den bhjft dwaasheid niet uit (Eccl. V, 2) en de redenen te bevroeden, waarom David zich beijverde te kunnen zeggen: ik wil behoedzaam op viiin ocdra'r zi/'n, dat ik niet zondige met mijne tong (Ps. XXXVIII, 2).

ocr page 94

VIJFDE ZONDAG NA PASCHEN.

Veel geliefden! Weest daders van het woord en niet, u zeiven bedriegend, slechts hoorders! Want indien iemand hoorder en niet dader van het woord is, kan hij vergeleken worden met een man, die zijn natuurlijk gelaat in eenen spiegel waarneemt; deze immers ziet zich zeiven en gaat heen, en aanstonds heeft hij vergeten hoe hij er uitzag. Doch hij; die met aandacht de volmaakte wet der vrijheid gadeslaat en daarin volhardt, deze, geen vergeetachtig hoorder, maar dader des werks geworden zijnde, zal door zijn doen zalig zijn.

Zoo nu iemand meent godsdienstig te zijn, terwijl hij zijne tong niet in toom houdt, maar zijn hart doet dwalen, diens godsdienstigheid is ijdel. De reine en onbevlekte godsdienstigheid voor God en den Vader is deze : weezen en weduwen in hunnen druk bezoeken en zich zeiven onbesmet van deze wereld bewaren. Jac. I, 22—27.

Inleiding. Wat de h. Kerk ons heden ter overweging voorhoudt, is niet alleen een vervolg op de vermaningen, welke wij

ocr page 95

VIJFDE ZONDAG NA PASCHEN.

verleden Zondag hoorden, maar staat daarmede ook in nauw verband. Wij moeten vaardig, ijverig zijn in het aanhooren van Gods woord ; doch wat voordeel zal dat der ziel aanbrengen, wanneer dat woord niet in het hart bewaard en ingeplant blijft; wanneer de waarheden daarin verkondigd niet als eene vaste regel voor het godsdienstig leven worden aangenomen en onderhouden; wanneer niet uit het geloof geleefd wordt ? Zoo nalatig zijnde in het behartigen van onze hoogste belangen, zouden wij het verwijt verdienen van vergeetachtige hoorders te wezen en in geenen deele de^ lof inoogsten van daders des werks te zijn geworden. Het gepredikte woord zoude voor ons even nutteloos blijven als het zien in een spiegel voor hem is, die zijn aangeboren gelaat daarin beschouwt. Hij heeft voor een oogenblik zich zeiven gezien, gaat henen en is al dadelijk vergeten, hoe hij er uitzag. Evenmin oefent het gehoorde woord eenigen invloed op hem uit, die het met zijne ooren wel opvangt maar niet opneemt in zijn hart en in zijn geest. Weldra heeft hij alles vergeten en te vergeefs zult gij hem vragen, wat hem is voorgehouden ; hij weet het niet en kan bijgevolg er niet naar handelen. Daarentegen zal hij, die de volmaakte wet, door Christus Jesus afgekondigd en in het Evangelie opgetee-kend, die wet welke den mensch naar het geluk des Hemels voert, met nauwgezette inspanning gadeslaat, ze overweegt, naar hare voorschriften handelt en daarin volhardt, die zal door zijn doen zalig worden. — Uit deze algemeene beginselen leidt de h. Jacobus eenige gevolgtrekkingen af en vordert bij wijze van voorbeelden van zijne geloovigen het volharden in de wet, het bedwingen der tong, het beoefenen der christelijke liefde en het zich rein houden van de besmetting der wereld. — Over den tweeden en vierden eisch behoeven we niet verder uit te weiden, daar de voorgaande Zondagen reeds ons de gelegenheid gaven die onderwerpen te bespreken. Zoo kan alle beschikbare ruimte ingenomen worden voor het beantwoorden van deze vragen ;

I. waarom is het geloof alleen niet voldoende ter zaligheid;

II. waarom moet ook liefde bewezen worden aan noodlijdenden ?

87

ocr page 96

VIJFDE ZONDAG NA PASCHEN.

I.

Al hadden wij — leert de h, Paulus — een geloof zóó sterk, dat we bergen konden verzetten, het baatte ons niet, indien wij de liefde niet hadden — die liefde namelyk, welke Gods geboden onderhoudt en derhalve goede werken doet. Deze waarheid deed den h. Augustinus zeggen; „het geloof „zonder werken is het geloof der duivelen; ook zij gelooven „maar zij sidderen. Ook de duivelen zeiden tot Christus: „Gij „„zijt de Zoon Gods.quot; Zullen zij daarom met Christus heer-„schen ? Volstrekt niet, want zij hebben de liefde niet.quot; Leerde ook de Zaligmaker zelf niet: niet iedereen, die zegt: Heere ! Heere! zal ingaan in het Rijk der Hemelen; maar wie den wil mijns Vaders doet, hij zal ingaan in het Rijk der Hemelen (Matth. VII, 21); maar die wil kan niet volbracht worden, zonder dat voortdurend en ten einde toe goede werken van het geloof in God getuigenis afleggen. Wat anders toch beoogt die wil dan onzen vooruitgang in het zedelijk en godsdienstig leven, wat anders eischt hij dan onze heiligmaking; maar wie der menschen kan aan het eene en aan het andere voldoen, als hij Gods geboden niet onderhoudt, niet altijd doet wat aan den Vader welgevallig is ? De h. Jacobus kon dan ook met allen nadruk verklaren: het geloof is, indien het geens werken heeft, dood op zich zelf. Om dit te bewijzen uit de h. Schrift, haalt hij het voorbeeld aan van den Aartsvader Abraham, die niet aarzelde uit gehoorzaamheid aan God zijn zoon Isaak op het altaar te offeren, zóódat ter zijne rechtvaardiging zijn geloof medewerkte met zijne werken, zijn geloof volkomen werd door de werken. Dit levend en werkend geloof werd hem toegekend tot gerechtigheid en hij Gods vriend genaamd — Het besluit door den Apostel uit dit afdoend voorbeeld getrokken luidt dan ook met alle beslistheid: Ziet gij wel, dat de mensch uit loerken gerechtvaardigd wordt, en niet uit het geloof alleen____want evenals het lichaam zonder

88

ocr page 97

VIJFDE ZONDAG NA PASCHEN.

geest dood is, alzoo is ook het geloof zonder de werken dood (Jac. II, 17, 21, 22, 23, 24, 26). Allen derhalve, die het Rijk der glorie willen beërven, door rechtvaardiging en heiligmaking hunner zielen, mogen niet wanen dat zij zich om het onderhouden dezer voorschriften van het Evangelie niet behoeven te bekommeren, dat zij van het naleven der geboden Gods vrij zijn? als zij slechts het Credo uitspreken.

Deze enkele aanhalingen kunnen volstaan ter wederlegging van die dwaalleeraars, welke de noodzakelijkheid der goede werken loochenen; doch een oprecht Christen wenscht zich ook te vervolmaken in de kennis 'der goddelijke dingen. Om aan dat verlangen te voldoen, dient de uiteenzetting der volgende gedachten, met welke ascetische en godgeleerde schrijvers de bewijzen voor het besproken leerstuk nader hebben toegelicht. Vooreerst eischt het geloof, hier in den zin opgevat der gezamenlijke waarheden, welke moeten aangenomen worden, dat èn geest èn hart èn wil onderworpen zijn aan Hem, die boven allen is en van zijne schepselen kan vorderen wat Hij verkiest. En eene der strengste eischen der zedenwet is, dat wij, naar Gods beeld en gelijkenis geschapen, ook navolgers van God zijn, van den hemelschen Vader, zooals het aan goede kinderen betaamt; dat wij volmaakt moeten zijn, gelijk Hij volmaakt is; dat wij in ons leven gelijkvormig worden aan het beeld, dat de mensch-geworden Zoon Gods ons in zijn leven vertoond, dat wy het voorbeeld navolgen, dat Hij ons gegeven heeft. Noch het eene, noch het andere zal van ons kunnen gezegd worden, tenzy alle dagen van ons leven geheiligd worden door het doen van goede, voor den Hemel verdienstelijke werken. Wy moeten Christus aandoen, maar dat sluit in, dat wij denken, spreken en handelen, zooals Jesus deed; dat wij al weldoende als Hij onzen tijd besteden en van Hem leeren de zachtmoedigheid, de nederigheid en andere deugden te beoefenen. Het ware derhalve eene onbegrijpelijke dwaasheid, wanneer iemand,

89

ocr page 98

VIJFDE ZONDAG NA PASCHEN.

zich zeiven bedriegende, waande dat hij volstaan kon met een hoorder des woords te zijn zonder dader te worden; zoo hij zich inbeeldde, dat God niets meer van hem eischte dan eene deemoedige onderwerping des verstands aan zijne geopenbaarde waarheden maar verder aan de vrijheid van den wil geene perken had gesteld, waardoor uitspattingen verboden en goede daden bevolen worden. God is toch een naijverige God, die zijne eer niet aan een ander geven zal, en ten dage des oordeels Jerusalem met een lantaarn zal doorzoeken, of er wat goeds in te vinden is, of in de getrouwheid aan den duidelijk uitgedrukten wil des Wetgevers volhard is.

Eene onwetendheid zal door geen der menschen als eene verontschuldiging kunnen aangevoerd worden. Te duidelijk heeft God te allen tijde gesproken, te nadrukkelijk geboden, dat zijn wil is de heiliging des menschen, dat een ieders hand met ijver doen moet, icat zij te doen vindt, omdat er geen werk, geen overleg, geen wijsheid, geen wetenschap meer zijn zal in de onderwereld, wenoaarts allen zich heenspoeden (Cfr. I Thess. IV, 3); (Eccl. IX, 10). De koninklijke Profeet vroeg, zich tot God wendende : Heere ! wie mag wonen in moe tent! of wie mag rusten op uwen heiligen berg ? en antwoordde: die onbesmet van loandel is en gerechtigheid doet; die met zijn hart de waarheid spreekt, die geen bedrog pleegt met zijne tong; die geen kwaad doet aan zijnen evenmensch, noch smadende taal voert tegen zijnen naaste; die den goddelooze voor niets-waardig acht, maar dezulken eert, die den Heere vreezen: die zijnen naaste zioeert en hem niet bedriegt; die zijn geld niet geeft op woeker, en geene geschenken aanneemt tegen den onschuldige ; die zóó doet, die zóó het kwade vermijdt en het goede doet, zal niet wankelen in eeuwigheid (Ps. XIV, 1—5).

Werden goede werken van allen gevorderd, toen nog de oude Mosaische wet van kracht was, te meer nog zullen zij door God van hen geëischt worden, die zich er op beroemen mogen, dat zij onder de volmaaktere wet van Jesus, onder

90

ocr page 99

vijfde zokdag na paschen.

91

de wet der genade leven. Naarmate dezen hooger bevoorrecht zijn dan de kinderen van Abraham, zijn ook hunne verplichtingen met grootere nauwkeurigheid omschreven niet alleen maar zelfs van wijdere strekking: wie meer ontvangen, van hen wordt ook meer gevergd. Er is dan ook scbier geene bladzijde, noch in de Evangeliën noch in de brieven der Apostelen, te vinden waarop niet het eene of het andere gebod om de deugd te beoefenen geschreven staat. De Zaligmaker zelf had verklaard, dat het Hemelrijk geweld leed en niet ingenomen werd dan door wie geweld gebruiken; dat het onderhouden zijner geboden als een waar kenmerk gold van oprechte liefde tot God; dat niemand een waar leerling van Hem mocht heeten, zoo hij het kruis niet opnam, zich zeiven niet verloochende. Hem niet navolgde en ten einde toe niet in zijn dienst volhardde. Hij predikte den geest van armoede, de versterving der zinnelijkheid, het geven van aalmoezen, het vergiffenis schenken aan vijanden; Hij beval de Evangelische raden aan en aan den jongeling die Hem vroeg : goede Meester! wat goeds zal ik doen, opdat ik het eeuwig leven hebbe, antwoordde Hij : indien gij tot het leven wilt ingaan, onderhoud de geboden;... indien gij volmaakt wilt zijn, ga heen, verkoop wat gij hebt en geef het den armen, en gij zult een schat hebben in den Hemel; en kom, volg Mij (Matth. XIX, 16 —22). Zoo leerde en zoo ook beval de Wetgever des Nieuwen Verbonds zelf, en zijne Apostelen zond Hij als zijne vertegenwoordigers de wereld in met de lastgeving, dat zij tot aan de uiteinden der wereld moesten prediken alles, wat Hij bevolen had. Wanneer dan ook eens het eindoordeel zal geveld worden, loopt het onderzoek meer over het goede dat verzuimd dan over het kwade dat gedaan is. „De^Rechter „zal de boozen van Zich verwijzen, niet zoozeer omdat zij „goddeloozqn, heiligschenners, dronkaards, wellustelingen, on-„rechtvaardigen geweest zijn ; die misdadenquot; — aldus de h. Augustinus — „bevatten in zich zelve de oorzaak der ver-

ocr page 100

VIJFDE ZONDAG NA PA8CHEN.

„oordeeling; maar omdat zij het goede niet gedaan hebben, „wat God hun geboden had, omdat zij het beoefenen van „goede werken nagelaten hebben.quot;

Om ons nog duidelijker voor te stellen, dat het als eene ongerijmde en het godsdienstig leven doodende dwaling moet bestreden worden, wanneer iemand de noodzakelijkheid der goede werken loochent, behoeven wij slechts den geest des Christendoms te raadplegen. Welk die geest is, leeren wij ten eerste uit de bedoeling, waarmede God zijne onwrikbare en voor eeuwig vastgestelde wetten voorschreef. Niet om ons het leven lastig te maken, niet om ons een zwaren last op te leggen, werden de geboden gegeven en zullen op den dag des oordeels goede werken gevorderd worden ; maar om nu voor onze oogen een lichtbaak te ontsteken, een wegwijzer te plaatsen op onze reis naar de eeuwigheid, ons een gids te geven welke met zekere hand onze schreden geleidt, opdat wij noch ter rechter- noch ter linkerzijde afdwalen, om voor een ieder de gelegenheid open te stellen vele en schoone verdiensten te verzamelen voor de eeuwigheid. Daarom liet God zijne geboden hooren. Was het wonder dat David, hoe welsprekend ook, ternauwernood woorden genoeg vond om God voor die gaven zijner Liefde te danken, welke onderwerpen van lofzangen voor hem xcaren in het oord zijner ballingschap; dat die geboden, wetten van Gods mond, hem meer dierbaar waren dan goud of zilver, zoet voor zijn gehemelte en zoeter dan honig in zijn mond (Ps. CXVIII, 54,103, 12) ? En geen der menschen zal ooit in staat wezen, dat hij naar behooren zijn dank brenge voor eene weldaad, waardoor zyn leven geregeld, zijne gedachten en woorden en werken binnen juist omschrevene lijnen beperkt en zoo een gelukkig opgaan naar de hemelsche woning verzekerd wordt. Wel kan en moet hy zich duidelijk maken, dat hij aan die liefdevolle bedoelingen van zijn Vader niet zal beantwoorden, zonder dat hij zich

92

ocr page 101

VIJFDE ZONDAG NA PASCHEN.

met ijver toelegt op het doen van wat hem voorgeschreven en op het vermijden van wat hem verboden is, met andere woorden : zonder dat hij zijne roeping zeker maakt door goede werken, onberispelijk wandelende in alle voorschriften des Heeren.

Dien geest leeren wij verder kennen uit den eisch, welken God aan zijne schepselen stelt. Hij wil, dat allen gerechtvaardigd, geheiligd worden in hun leven en aan gene zijde des grafs de erfenis des heils verwerven ; dat allen tot de waarheid komen, door de waarheid bevrijd worden ■quot;■an de slavernij der zonde en als kinderen Gods met Jesus Christus verheerlijkt worden in het Rijk der eeuwige glorie. Maar dan moet ook een ieder arbeiden voor die belooning, strijden voor de kroon der overwinning, hier zaaien om ginds te kunnen in-oogsten, hier lijden en zich verloochenen en zijn eigen wil verzaken om door Jesus als een van zijne ware leerlingen beleden te worden. Zoude iemand aan die eischen voldoen, wanneer hij zich bepaalde tot het slaken van verzuchtingen of tot het vormen van wenschen; zoude hij zich niet deerlijk bedriegen, zoo hij waande genoeg te doen met te geloo-ven aan Gods Goedheid en te hopen op diens Barmhartigheid ? O, zeker de hand moet aan den ploeg geslagen, geweld gebruikt, gewerkt worden zoolang het dag is, gewoekerd met de krachten, talenten en genaden, welke God heeft toebedeeld.

Die geest wordt ons ook geopenbaard in de stichting der Kerk. Volgens Jesus moet zij heilig en onbevlekt wezen, geen vlek of rimpel of iets dergelijks hebbende; maar ook hare kinderen dienen te zijn Heiligen, Uitverkorenen, Beminden van God. Zoude in die gemeenschap der heiligen een plaats zijn voor nietsdoeners, voor hen die zich te vreden stellen met het aanhooren van de waarheden, welke zij predikt, maar zich niet schikken naar hetgeen zij in Gods naam beveelt? En dan nog de beloften Gods, prediken zij het voldoen der gemakzucht en der zinnelijkheid of de versterving en de

93

ocr page 102

VIJFDE ZONDAG NA PASCHEN.

zelfoverwinning ? Alleen zij zijn kinderen Gods, die door den geest Gods zich laten leiden; zij zijn wijs te noemen, die niet de wijsheid der wereld volgen maar die als levensregel gekozen hebben wat God als een onveranderlijke wet aan allen heeft voorgehoudenweest heilig als de Heer, uw „God, heilig is ; weest volmaakt als uw hemelsche Vader vol-„maakt isquot; ! Zoo sprak Moses de wetgever van'het Oude, zoo ook beval Jesus de Wetgever van het Nieuwe Verbond. Maar noch die heiligheid, noch die volmaaktheid zijn te bereiken als niet des menschen licht schittert voor de wereld door zijn Gode welbehagelijken levenswandel, als niet anderen zijn goede werken kunnen zien, als niet door den Christen een voorbeeld gegeven wordt, waaraan velen zich kunnen spiegelen. Aan den overwinnaar in den strijd des levens alleen zal de eeuwige kroon geschonken worden, aan hem die uit groote verdrukking komt en die zijne kleederen gewasschen heeft in het bloed des Lams.

Opmerking. De h. Jacobus is — wij hopen het te hebben aangetoond — gerechtvaardigd in zijn woorden. Niet de vergeetachtige hoorder des woords ; maar die dader van het woord is geworden, hij zal door zijn doen zalig zijn. Kunnen wij zonder geloof aan God niet behagen, evenmin kunnen wij zonder werken des geloofs den Hemel binnengaan. Het geloof moet de grondslag en een Gode welgevallig leven de bovenbouw, het geloof moet de boom en de goede werken moeten de vruchten zijn. De Zaligmaker heeft nooit de leer herroepen van zijn voorlooper, die van zijne toehoorders waardige vruchten van boetvaardigheid vorderde. Met ledige handen mogen wij niet voor den Rechter verschijnen, maar moeten na al werkende gezaaid te hebben, onze garven dragende voor Hem komen, beladen met verdiensten, welke de vruchten zijn van de goede werken, en dit alles opdat in ons de heerlijke belofte vervuld worde, op ingeving van God door Sirach's zoon vermeld: snel komt de zegen des Heeren tot loon des gerech-

94

ocr page 103

vijfde zondaö na paschen.

tig en, spoedig draagt zijn voorspoed, de voorspoed welken God den gerechtigen verleent, vrucht (Eccli. XI, 24). — Wat een ieder, hij zij zondaar of rechtvaardige, te doen heeft om in zijne verplichtingen tegenover God niet te kort te schieten, leert de h. bernardus in dezen veiligen regel, voor allen geldig en door allen op te volgen : »een ieder aanhoore het wcord Gods, »en, naar gelang hij zich bewust is, moet hij treuren zoo hij »verbetering noodig heeft, of mag hij zich verheugen zoo hij »goedkeuring verdient. Als hij bemerkt te zijn afgedwaald, keere »hij terug om den waren weg te bewandelen; bewandelt hij »den goeden weg-, hij wandele voort om zijn einddoel te bereiken. Niemand mag zóó hoogmoedig wezen, dat hij buiten »den waren weg zich beweegt, niemand zóó traag dat hij op »den goeden weg niet vooruitgaat.quot; Wie keurt dien raad van den wijzen man af ?

II.

De h. Jacobus, niet tevreden met algemeene beginselen voorop te hebben gezet, maakt ook zijne gevolgtrekkingen. Een der voorbeelden, welke hij ter verklaring van zijn gezegde aanhaalt luidt: de reine en onbevlekte godsdienstigheid voor God en den Vader is deze : weezen en weduwen in hunnen druk bezoeken. Onze eenig ware godsdienst eischt meer dan gelooven, is bij uitstek er op berekend in het da-gelijksch leven in te grijpen, dat te bestieren en verdienstvol te maken. Bespiegelingen of beschouwingen alleen, hoe diepzinnig zij ook mogen wezen, brengen den Christen niet tot zijn eeuwige bestemming. Daden zijn noodig, werken van barmhartigheid worden gevraagd, vóórdat iemand in het oordeel bestaan kan. Vandaar ook dit woord der h. Schrift: die aan God gelooft geeft acht op zijn geboden (Eccli. XXXII 23.) Het geloof werkzaam in liefde maakt zalig. Wij allen zyn dienstknechten des Heeren en kinderen des hemelschen Vaders, van Hem namelijk die van ons liefde vergt voor

95

ocr page 104

VIJFDE ZONDAG NA PASCHEN.

allen, die Hij bemint. En wie zijn diegenen, aan wie Hij altijd zijn bijzondere opmerkzaamheid gewijd heeft? David reeds noemde God den Vader der tceezen en den Rechter der weduwen (Ps. LXVII, 6), en als een naklank van des Vaders wil en zorg hooren wij den h. Jacobus verklaren, dat niemand zich den naam van een godsdienstig Christen mag toeeigenen, wanneer hij ongevoelig blijft voor het leed van de meest noodlijdenden.

Zoolang de man nog staat als beschermer aan de zijde van zijne echtgenoote en aan de zijde zijner kinderen als verzorger, neemt hij de plaats in van God; is hij echter volgens het raadsbesluit der Voorzienigheid van hunne zijde weggenomen, dan treedt God als zijn plaatsvervanger op en noo-digt allen, die Hem willen dienen, uit om hunne liefde te bewijzen aan de veriatenen, welke Hem zoo na aan 't hart liggen. Verwondering baren kan die voorliefde van den God aller vertroosting ons niet. De ongelukkigsten van alle onge-lukkigen zijn zij, die zich in dien treurigen toestand van verlatenheid bevinden. Zij kunnen zich zeiven het minst helpen en behoeven het meest van allen de medelijdende hulp van hunne evennaasten. Hoe vele omstandigheden vereenigen zich om het leven der weduwe bitter te maken! Hij is van haar weggegaan, die met haar gezamenlijk de lasten des levens droeg, die haar steun en troost, haar leidsman en raadgever was, die de uren van lijden en kommer verzoette en ten tijde van ziekte en smart moed insprak. In het zweet van zyn aangezicht verdiende hij het voedsel en de kleeding en de huurpenningen voor zijn huisgezin; hij zwoegde den gan-schen dag om aan zijne kinderen eene degelijke opvoeding te kunnen geven, om door spaarzaamheid en zelfbeheersching aan de zijnen nog een klein erfdeel te kunnen nalaten. Nu hij van hen gescheiden en bij zijn voorvaderen verzameld is, staat de treurende weduwe schier alleen op deze wereld, verlaten dikwijls zelfs door hen, die zich voorheen als belang-

96

ocr page 105

VIJFDE ZONDAG NA PASCHEN.

97

7

stellende vrienden van haar huis voordeden. Moet zy dan niet om hulp bidden en die verkrijgen, een trooster zoeken en dien vinden? In haar ongeluk staan er zoo velen op, zoo vele booze en gewetenlooze menschen, die er geen misdaad in willen zien, als zij haar uit een nog kleine winsten afwerpend bedrijf zoeken te verstooten en het vertrouwen haar te ontnemen, dat nog een weinig waarborg geeft voor een minder ongunstige toekomst. Eene langdurige ondervinding is er niet toe noodig om te moeten erkennen, dat de dagen van die weduwe kommervol zijn en het vooruitzicht nog banger is. Wat moet er van haar worden, als de liefde niet ter hulp snelt en het onheil afweert, dat haar en haar kroost bedreigt? Helaas, hoe menigmaal gebeurt het, dat zij bjj de vereerders uit de dagen van haren voorspoed geene hand ter leniging, geen medelijdend hart, geen gehoor vindt, al smeekt en bidt zij om hulp en raad en vertrouwen! Zij is immers in de schatting van vorige zoogenaamde huisvrienden niet meer dezelfde als voorheen, niet meer die voorname vrouw, wier gunst afgebedeld werd. De christelijke liefde alleen kan en moet hier bijspringen. Al zouden alle anderen haar niet meer achten en afwijzen met bittere woorden; al zouden al degenen, welke vroeger in haar huis veel goeds genoten hebben, ze niet meer willen erkennen; al zouden de nabestaanden hare vijanden of onderdrukkers worden en ze in ellende laten versmachten, de ware godsdienstige zal haar niet verlaten maar haar troost worden — om wille, ter liefde en in navolging van God. Niemand, die naar den geest van het beledene Christendom wil handelen en niet beneden het peil van een ongeloovige wil dalen, zal zijn hart sluiten voor de zuchten van een naar de wereld verlatene; hij zal daarentegen haar onbaatzuchtige en dienstvaardige vriend wezen, voor wien zij haar bedrukt gemoed mag uitstorten, en van wien zij hulp kan verwachten.

Verklaringen der Epistelen, II.

ocr page 106

VIJFDE ZONDAG NA PASCHEN.

98

Zijn de weduwen, die in kommervolle omstandigheden achterblijven, te beklagen, nog meer moeten de weezen aller medelijden waardig gehouden worden, die een zorgvuldigen vader en een liefhebbende moeder verloren hebben. Nog meer zijn zij verlaten en hun toestand roept nog dringender om erbarmend medelijden, vooral om hulpvaardige liefde. Zij beseffen misschien niet eens het onherstelbaar verlies, dat zij leden, weten niet wat zij missen, en die zorgelooze onwetendheid vergroot nog hun ongeluk; naar gelang zij zich minder bewust zijn, welke zorg en toegenegenheid zij in hun volgend leven altijd zullen derven, vergen zij des te meer aller deernis. Wanneer zij echter eens een rijperen leeftijd hebben bereikt, zal daarom hun leed niet minder groot wezen; de leemte in hun gemoedsleven zullen zij altijd blijven gevoelen en met een betraand oog en verscheurd hart opzien naar hen, die zich mogen verheugen in de hartelijke en zorg-' vuldige liefde van een teeder minnende moeder en in de wel-meenende raadgevingen zoowel als in de bedrijvige zorg van een wijzen en arbeidzamen vader. Men moet zelf de smart van wees te zijn gevoeld hebben om te bevroeden wat gemis alle dagen geleden wordt door hen, die de zoete namen van vader en van moeder niet kunnen uitspreken. Geleden niet alleen onder tijdelijk doch vooral onder geestelijk opzicht. Geen mensch toch op aarde kan op volkomene wijze het hart van ouders vervangen, al is hij blakend van liefde en onvermoeid in zijne toewijding. De liefde der ouders door God ingeschapen kunnen anderen niet koesteren. De christelijke liefde alleen, ook aan 't hart van God ontsprongen, kan eeniger-mate vergoeding aanbrengen voor die leegte, welke door den dood der ouders gemaakt werd. God heeft dan ook gewild en bevolen, dat aan die ongelukkigen geen leed aangedaan maar een medelijdend hart toegedragen en liefde betoond wordt. Aan weduwen en weezen zult gij — beval Hij door Moses — geen leed berokkenen; wanneer gij echter hen bena-

ocr page 107

VIJFDE ZONDAG NA PASCHEN.

deelt, zullen zij tot Mij roepen, en Ik zal hun geroep hooren; en mijn toorn zal ontvlammen, en Ik sal u slaan met het zwaard en uwe vrouwen zullen weduwen en uwe kinderen weezen zijn (II Mos. XXII, 22). Wees — liet Hij door Sirach's zoon opschrijven — als gij spreekt, voor de weezen barmhartig als een vader, en wees voor hunne moeder als waart gij haar man; dan zult gij zijn als een gehoorzaam kind des Allerhoog sten, en Hij zal Zich over u erbarmen meer dan eene moeder... Het smeeken van een ouderloos kind versmaadt Hij niet, noch de weduw-vrouw, als zij zuchtend tot Hem klaagt. Vloeien de tranen der weduwe niet af van hare wangen, en schreit zij niet tegen hem, die ze haar doet storten ? Ja, van hare wangen af stijgen zij op ten Hemel en de Heer, die haar aanhoort, schept geen behagen in hare tranen, zal zijn mishagen toonen tegen dengene, die daarvan de oorzaak is. (Eccli. IV, 10 en XXXV, 17). Wat God alreeds onder de Oude Wet aan allen voorschreef als een niet te versmaden gebod zijner Liefde, daarop heeft Hij niet minder aangedrongen onder de nieuwe wet. De weduwen eeren en de weezen beklagen en vervolgens dezen en genen in hun nood bijstaan — wij lezen dit voorschrift meermalen in de brieven der Apostelen. Zelfs wilde God door zijne bijzondere vrienden wonderen doen ten gunste van de meest veriatenen. Gelijk Eliseüs aan een arme weduwe in haren nood ter hulpe kwam door de weinige olie, welke zij nog bezat, zóó zeer te vermeerderen dat zij al hare schulden kon afbetalen, eveneens wrocht de h. Petrus in de stad Joppe een wonder om aan de wenschen van eenige weduwen te gemoet te komen, die weenden over den dood van de barmhartige Tabitha; hij wekte de doode ten leven op en verhoorde op die wijze zoowel de beden der treurenden als hij de weldadige liefde beloonde van haar, die vele aalmoezen gaf en kleedingstukken voor de weduwen vervaardigde.

Opmerking. De Kerk van Christus werkt altijd in den geest

99

ocr page 108

VIJFDE ZONDAG HA PASCHEN.

100

van haren goddelijken Stichter. Erfgename van zijne Liefde en van zijne bedoelingen, heeft zij nooit opgehouden zorg te dragen voor alle armen en behoeftigen en niet minder voor de vrouwen, die hare echtgenooten, en voor de kinderen die hunne ouders verloren hadden. Waren zij inderdaad noodlijdend, hadden zij raad of ondersteuning noodig, met moederlijke bezorgdheid liet zij hare stem ter onderrichting zoowel als ter opbeuring hooren en deelde met milde hand hare gaven uit, richtte huizen op of bouwde toevluchtsoorden, waarin elke ellende gelenigd, tegen kommer gevrijwaard en in allen nood voorzien werd. Doch niet zij alleen wilde de vruchten inoogsten van die liefde-werken; ook hare kinderen moesten deelnemen in hare bezorgdheid en zoo deelachtig worden aan de vele zegeningen, welke de Barmhartigheid Gods doet nederdalen over hen, die ze beoefenen. Zij deed een beroep op het medelijdend hart van hare geloovigen en beloofde in naam van God een loon, dat duizendvoud opwoog tegen het offer in geld en tegen de inspanning door de werken van barmhartigheid gevorderd. En die stem was niet die eens roependen in de woestijn ; zij vond weerklank onder alle standen der maatschappij en bleek eene vermaning te wezen, welke vruchtbare daden in 't leven riep. Velen waren zij, die in alle eeuwen der Kerk er eene eer in stelden een vader of eene moeder te zijn voor de weezen, hen te voeden en te kleeden, hen te onderrichten en op den eenig waren weg te geleiden — die de tranen der weduwen afdroogden en ze op elke denkbare wijze hielpen. Voor genen traden zij op als voogden en raadgevers, voor dezen als beschermers en pleitbezorgers. Er bestaat in de beschaafde wereld niet eene eenigszins volkrijke stad, waarin geene inrichting tot stand kwam, welke voor kinderen van beiderlei geslacht een veilig toevluchtsoord aanbiedt, waar geest en hart te gelijk ontwikkeld worden en de zorg voor het g'eestelijk welzijn gelijken tred houdt met het voorzien in lichamelijke behoeften; ternauwernood zult gij eene stad van eenige beteekenis kunnen opnoemen, waar niet de arme weduwen een te huis vinden, dat haar met een gezond verblijf ook voedsel en kleeding en verzorging biedt, zóódat zij hare laatste levensdagen onbekom-

ocr page 109

VIJFDE ZONDAG NA PASCHEN.

101

merd en in genoeglijke rust kunnen doorbrengen. Dat zijn de scheppingen door de christelijke naasten-liefde in 't leven geroepen in vorige tijden, maar zij vragen voortdurend de geldelijke hulp van ons, opdat zij in stand blijvende hare zegenrijke werkzaamheden kunnen voortzetten. Heeft de liefde onzer voorouders ze gesticht, hunne nazaten moeten nu door liefde-daden bewijzen, dat zij niet ontaard zijn van — maar bezield zijn met denzelfden geest van offervaardigheid, waar van zij dagelijks de luid sprekende voorbeelden voor oogen zien. Eene rijke belooning is hun in de eeuwigheid verzekerd door Hem, die de kinderen tot Zich liet komen en hen zegende om aan allen voor alle tijden duidelijk te maken, hoe na Hem hun geestelijk welzijn aan 't hart lag, maar die ook over al degenen zijn vreeselijk wee uitsprak, welke aan kinderen ergernis gaven — door Hem, die op het verzoek zijner leerlingen de schoonmoeder van Simon van de zware koortsen genas en stervende op het kruis zijn eigene moeder aan de zorg van den meest beminden leerling aanbeval.

ocr page 110

HET FEEST VAN JESUS' HEMELVAART.

Het eerste verhaal, o Theophilus! heb ik gedaan van alles, wat Jesus begon te doen en te leeren, tot aan den dag, waarop Hij, door den Heiligen Geest bevelen gevend aan de Apostelen, die Hij had uitverkoren, werd opgenomen. En aan hen heeft Hij Zich ook, na zijn lijden, levend betoond door vele bewijzen, daar Hij hun gedurende veertig dagen verscheen en sprak over het Rijk Gods. En terwijl Hij met hen at, gebood Hij hun Jerusalem niet te verlaten, maar de belofte des Vaders af te wachten, welke (zeide Hij) gij uit mijnen mond gehoord hebt: want Joannes doopte wel met water, doch gij zult met den Heiligen Geest gedoopt worden, niet lang na deze dagen. Zij die vergaderd waren, vroegen Hem dan, zeggende: Heer! zult Gij in dezen tijd het koninkrijk van Israël herstellen? Doch Hij sprak tot hen: het komt u niet toe de tijden en oogenblikken, welke de Vader in zijne macht bepaald heeft, te weten. Maar gij zult de kracht van den Heiligen Geest, die over u komen zal, ontvangen, en gij zult Mij getuigen zijn te Jerusalem en

ocr page 111

HET FEEST VAN JESUS* HEMELVAAET.

in geheel Judea en Samaria en tot aan het uiteinde der aarde.

En na dit gezegd te hebben, werd Hij, terwijl zij het zagen, opgeheven: en eene wolk onttrok Hem aan hunne oogen. Als zij dan Hem, die ten Hemel voer, nastaarden, zie, stonden er bij hen twee mannen in witte kleederen, die ook zeiden: mannen van Galilea! Wat staat gij hier naar den Hemel op te zien ? Deze Jesus, die van u ten Hemel is opgenomen, zal alzoo komen, gelijk gij Hem ten Hemel hebt zien varen. Hand. der Apostelen I, i —11.

Inleiding. In bovenstaand verhaal geeft de h. Lucas een beknopt overzicht van hoogst belangrijke gebeurtenissen uit het onlijdelijk leven, dat Jesus na zijne Verrijzenis tot aan zijne Hemelvaart leidde op aarde. Veertig dagen nog verbleef Hij met de zijnen, verscheen hun meerdere malen, at en dronk met hen — alles ter bevestiging van zijne Opstanding uit het graf. Hij sprak ook met hen over het Rijk Gods, over zijne leer welke Hij hun reeds verkondigd, over de h.h. Sacramenten welke Hij ingesteld had en nog zoude instellen, over de inrichting en het doel en den werkkring zijner Kerk; Hij beval hun Jerusalem niet te verlaten, vóórdat zij den H. Geest ontvangen hadden, en legde een bijzonderen nadruk op de hooge waarde van die belofte des Vaders en op die kracht van boven door te verklaren, dat er een groot onderscheid bestond tusschen de uitwerking, welke het doopsel van Joannes den Boetgezant en tusschen die welke de nederdaling van God den H. Geest te weegbracht. Op de vraag echter, of Hij nu het rijk van Israël herstellen zoude, wilde Jesus niet rechtstreeks antwoorden, maar gaf toch te verstaan, dat met de komst des H. Geestes een nieuw, een geestelijk Rijk van genade en van waarheid zoude gesticht worden, en dat zij, welke die vraag opgeworpen hadden, door denzelfden H. Geest in staat zouden gesteld worden om dat

103

ocr page 112

104 HET FEEST VAN JESUS* HEMELVAART.

Rijk eerst in Palestina en dan tot aan de uiteinden der wereld uit te breiden. Na deze onderrichtingen aan zijne beminden gegeven te hebben, werd Jesus ten Hemel opgenomen of — zooals 't kerkelijk spraakgebruik het uitdrukt — klom Hij op ten Hemel en zoude eens, wanneer werd niet geopenbaard, met dezelfde Macht en Heerlijkheid terugkomen om te oordeelen de levenden en dooden. — Tot zoo ver het verhaal van den h. Lucas. Wat ons betreft: wij wijden, om ons met den geest der h. Kerk te vereenzelvigen, alle aandacht aan het feest van dezen dag, aan Jesus' glorievolle Hemelvaart, aan de eer en heerlijkheid, welke Hij thans geniet, en aan de vele zegeningen, welke wij aan die verheerlijking van onzen beminden Verlosser te danken hebben. Daarom geven wij het antwoord op deze vragen: I welke glorie geniet Jesus in den Hemel;

II welke voordeelen zijn ons door zijne Hemelvaart verzekerd ?

I.

Van de feesten in het kerkelijke jaar gevierd is geen glorievoller voor Jesus en voor onze ziel verheffender, geen leerrijker en troostrijker dan de Hemelvaart van onzen Heer Jesus Christus. Het is 't eenige feit in zijn leven, dat niet met lijden verbonden, niet met vernedering gepaard ging. Jesus' graf was zeker glorievol en zijne Verrijzenis schitterend, maar niet aanstonds genoot Hij naar zijne menscheljjke natuur de hemelsche eer, welke Hem toekwam en Hij verbleef nog, ofschoon Hij alle lijdelijkheid afgelegd had en niet meer sterven kon, eenigen tijd in dit dal, waar de tranen vloeien en het bitterste lijden onder zuchten verdragen wordt. Nu echter verliet Hij deze woestenij en kroonde ook zijne men-schelijke natuur met die heerlijkheid, welke zij door het lijden en den dood verdiend had. Nu was het de dag der volle glorie voor den God-mensch. De Koning der koningen vierde zyne zegepraal, trad zijn rijksgebied binnen en nam bezit van de heerlijkheid, welke Hem vóór de grondlegging der wereld

ocr page 113

HET FEEST VAN JESUS' HEMELVAART.

was voorbeschikt. Door zijn bloed en zjjn sterven had Hij die glorie gekocht en nu, Overwinnaar van zonde en hel en dood, ging Hij den Hemel binnen om met eere en heerlijkheid vooi eeuwig gekroond te worden. Zoo was Jesus' Hemelvaart de voltooiing van zijn Verlossingswerk en het begin van zyne nimmer eindigende verheerlijking, maar tevens voor ons een onderpand der eeuwige zaligheid, een waarborg dat wy eens aan zijne Glorie zullen deelachtig worden; die vreugde des Hemels blijft daarom voor alle geloovigen het voorwerp hunner vurigste wenschen en het denken daaraan is alreeds een groote troost in de ellende, waaronder wij voortdurend zuchten. — Doch laten wij eerst al onze gedachten vestigen op den verheerlijkten Zaligmaker zeiven.

De aarde, zooals zij nu nog is, kon de passende woonplaats niet wezen voor den God-mensch, die niet meer lijden, die niet voor de tweede maal sterven zoude. Zoolang Christus nog in een sterfelijk lichaam omwandelde en den last droeg van de zonden der wereld, mocht deze aarde, om de zonde met den vloek Gods beladen, voor Hem een verblyf heeten, dat in overeenstemming was met de zending, welke Hij kwam vervullen. Nu Hij echter den zoendood was gestorven en de onbederfelijkheid met de onsterfelijkheid had aangedaan, nu ook alles wat de Vader Hem had opgedragen was volbracht, moest een Hemel van zalige rust en eeuwige belooning zijne blijvende woonstede worden. Ook de verloste menschelijkheid moest in zijn Persoon verheerlijkt en tot de aanschouwing Gods opgeheven worden. Bovendien, wat kon den verrezen Zaligmaker op deze wereld terughouden ? Zijne zending had Hij vervuld; de vrede was den menschen van goeden wil niet alleen aangekondigd maar ook gegeven; de Kerk was in Jesus' Bloed gesticht en door zijne Liefde toegerust met alle hulpmiddelen, noodig ter zaliging van de verlosten; de Apostelen waren onderricht en bevolmachtigd om tot aan de uiteinden der aarde den Naam van Jesus te dragen voor konin-

105

ocr page 114

het feest van jesus* hemelvaart.

gen en voor volkeren; zelfs Maria, ofschoon zij Hem dierbaarder was dan alle Engelen, die Hem zouden toejuichen, kon haren goddelijken Zoon niet binden aan deze aarde ; de Vader riep Hem op en de Moeder moest verlaten worden — verlaten niet omdat zij een mindere plaats in zijn hart innam dan voorheen, maar omdat zij in den dienst van Jesus nog een hooge zending te vervullen had, en nog eenige jaren bij de geloovigen blijven moest ten voorbeeld en tot troost en bemoediging in den strijd, welke hen wachtte. — Niets hield Hem dan terug, alles noopte Hem om bezit te gaan nemen van het Rijk, dat de Vader Hem had voorbeschikt vóórdat de wereld werd. De verdiende glorie, de verheerlijking der menschelijke natuur, het vervullen zijner belofte, dat Hij eene plaats in het eeuwig Rijk der glorie voor zijne verlosten zoude bereiden, eischten zijne Hemelvaart.

Zag de koninklijke Profeet Jesus' zegevierenden intocht in het onvergankelijke Rijk zijns Vaders vooruit in den geest, toen Hij zong: alle gij volkeren klapt in de handen, juicht Gode toe met vreugde betoon! God toog op onder gejuich, en de Heer onder het geschal der bazuinen. Zingt onzen God ter eere, zingt! Zingt onzen Koning ter eere, zingt! Want God is de Koning der gansche aarde; zingt Hem schoon! God regeert over de volkeren, God is gezeten op zijn heiligen troon (Ps XLVI, 2, 6—10)? Voorzien moge Jesus' Hemelvaart zijn door David of niet, zijne jubelzangen zijn van treffende toepassing op den ten Hemel varenden Christus, toen Hij in het bijzijn der zijnen werd opgeheven en eene wolk Hem aan hun oogen onttrok ; toen Hij, die nedergedaald was uit den Hemel, opvoer in de hoogte, boven alle Hemelen-, toen Hij opvarende in de hoogte de gevangenis gevangen voerde. (PfLXVII, 19; Eph IV, 8, 10); toen Hij, die Zich ontledigd had, de gestalte van een dienstknecht aannemende en voor het uiterlijke in alles behalve in de zonde aan ons gelijk geworden, met een lichaam schitterender dan de zon en sneller

106

ocr page 115

HET FKEST VAN JESUS* HEMEL VA ARl-

dan een bliksemschicht opsteeg op de wolken en zijne plaats in den Hemel innam, verheven boven alle koren der zalige Geesten; toen Hij door den buit van duizenden van verloste zielen gevolgd bezit ging nemen van den troon, die in alle eeuwigheid staat, en van het R\jk dat geen einde zal hebben; toen de vorsten des Hemels voor den Overwinnaar hunne poorten en eeuwige deuren moesten opheffen, opdat de Koning der heerlijkheid, de Sterke en de Machtige in den strijd, kon binnengaan.

En nu zetelt Jesus op den troon van eeuwige glorie, aan de rechterhand des Vaders in de hoogste rust en eer met God den Vader en God den H. Geest. Hij heerscht over aile volkeren, terwijl de Engelen als dienaren Hem moeten gehoorzamen en zyne vijanden Hem eens tot een rustbank voor zgne voeten zullen strekken. Aan Hem is alle macht gegeven in den Hemel en op aarde; de vroeger verguisde en vernederde Jesus is gekroond tot Koning der Koningen en van alle aardsche machten; zjjn schepter is een schepter van gerechtigheid en, omdat Hij de gerechtigheid liefhad en de ongerechtigheid haatte, heeft God Hem gezalfd met vreugdeolie, met eere en heerlijkheid gesierd boven al zyne mede-genooten in de verheerlijking. — Om in nog volleren omvang de glorie des Verlossers te teekenen, vestigen wij de aandacht op de volgende gedachten. „Nu het verlossingswerk vol-„bracht, de eer des Vaders hersteld en het Rijk van genade „en van waarheid op aarde gevestigd is; nu aan de verloste „menschheidquot; — aldus de h. Leo — „meerdere goederen geschon-„ken zijn dan de boosaardigheid des duivels haar had ontno-„men, geniet Jesus' menschelijke natuur voorrechten, welke „haar na Adam's val vreemd waren geworden.quot; „Ziet eensquot; — roept de h. Chrysostomus uit —quot; welk een afstand van de „aarde tot bij den troon des Vaders! Tot zoo hoog heeft „Jesus de menschelijke natuur verheven. Even diep als zij „gevallen was, even hoog is zij opgevoerd. Gelijk zij niet

107

ocr page 116

HET FEEST VAN JESUS* HEMELVAART.

„meer verlaagd had kunnen worden, evenzoo kon zij niet „meer verhoogd worden. En niet eerst na het laatste oordeel „zal Jesus heerschen door zijn heloonende Liefde in de gevesten der altijddurende zaligheid en door zyn straffende „Rechtvaardigheid in de plaats van nimmer eindigende smart.quot; Reeds nu oefent Hij zijne Macht uit over de geheele wereld en bestiert met Wijsheid het lot der volkeren, met wisse hand regelt Hij de geschiedenis der menschheid zoowel als het leven van elk een in 't bijzonder. Hij heerscht over alles en over allen; als Heer beveelt Hij, en niemand kan aan zijn wil weerstand bieden. De zondaars moeten Hem vreezen, en de goeden mogen op Hem hopen. Aan een ieder wijst Hij de plaats aan, welke ingenomen, en waarschuwt voor de verantwoording, welke afgelegd moet worden; Hij deelt talenten uit maar zal ook eens overwinst opeischen. De Engelen en Heiligen in den Hemel aanbidden Hem als hun God en op aarde leeft er niemand, die de knieën niet moet buigen ter aanbidding van zijne goddelijke Majesteit.

Jesus leeft voor eeuwig in de glorie des Hemels, ook om voor allen te bidden, zoolang als er nog zielen voor den Hemel te winnen zijn.Het was het plechtigst oogenblik van het joodschefeestjaar, wanneer de Hoogepriester met het bloed der geslachte offerdieren beladen het Heilige der Heiligen binnen ging om te bidden voor zijne zonden en voor die van het volk. Die plechtigheid van den grooten Verzoendag was weinig meer dan eene vóórafbeelding van het feest heden door ons gevierd. Jesus Christus is den Hemel binnengegaan, maar als de eeuwige Hoogepriester, die blijft en geen opvolger noodig heeft, omdat Hij Priester is in eeuwigheid; die niet voor Zich behoeft te offeren, want Hij is heilig, onzondig en onbevlekt, afgescheiden van de zondaars; die niet met het bloed van redelooze dieren beladen het Heiligdom van Gods glorie inging, maar dragende de oneindige verdiensten van zijn kruisdood, na een eeuwige verlossing bewerkt te hebben. De

108

ocr page 117

HET FEEST VAN JESUS* HEMELVAART,

sterflijkheid, waarmede Gods Zoon Zich door zijne Mensch-wording omkleed had, was het voorhangsel, dat Hij vernietigde door de onsterflijkheid aan te doen, en het Heilige der Heiligen stond voor den Verlosser der wereld open. Van dat gezegend oogenblik af heeft Hij opgedragen en zal Hij van eeuw tot eeuw blijven opdragen voor het heil der wereld zijn Bloed, zijn Lijden, zijn Dood. Immer zal Hij de wonden, welke Hij in den strijd met de hel uit gehoorzaamheid aan den wil des Vaders aangebonden heeft ontvangen, toonen en zoo een beroep doende op zijne oneindige verdienster; de groote Voorspreker zijn voor den mensch, dien Hij verlost heeft, de machtige Middelaar tusschen God den Vader en tusschen de om hulp smeekende menschheid, de Bewerker van het heil, waaraan Hij allen wenscht deelachtig te maken. Zoo wil Hij, ook naar zijn menschelijke natuur met de hoogste heerlijkheid gekroond, voor allen die Hem gehoorzamen oorzaak worden van eeuwige zaligheid. Groot was Jesus in de nederigheid van zijne geboorte, groot onder de verguizingen van zijne vijanden, groot in zijn weldoen aan allen, groot in zijn lijden en sterven, groot in zijne Opstanding, toen Hy de banden des doods verbrak; maar grooter nog, dunkt mij,als Hij zijne oneindige verdiensten in de weegschaal van Gods Rechtvaardigheid legt om ze naar de zijde der Barmhartigheid te doen overhellen, als Hij smeekende voor zijn volk om zijne Eerbiedwaardigheid verhoord wordt.

In het einde der tijden zal Jesus nog eens uit den Hemel neerdalen, want de Koning der eeuwige glorie en de Hooge-priester in eeuwigheid is ook als Rechter aangesteld van levenden en dooden. Hij moet allen oordeelen en zal met een onherroepelijk vonnis beslissen, wie zijne genaden goed gebruikt en wie ze misbruikt hebben. Als zoodanig is Jesus te vreezen door de boozen maar te verwachten door de goeden : allen toch zal Hij vergelden naar hunne werken. Die

109

ocr page 118

HET PEEST VAN JESUS' HEMELVAAET.

rechtsmacht behoort ook tot de openbaring zijner verheerlijking. Gelijk zijn Verrijzenis uit het graf den dood overwon en het leven gaf aan de menschheid, gelijk Jesus door zijn Hemelvaart en in zijn Persoon de menschelijke natuur verhief boven alle koren der Engelen, met dezelfde goddelijke Macht zal Hij in den laatsten tijd zijn oordeel uitspreken en verklaren, wie zich het leven der genade door Hem teruggegeven waardig betoond, wie de plaats verdiend hebben, welke door Hem in den Hemel voorbereid is. Het was ook voorspeld, dat de Messias, na den wil des Vaders volbracht te hebben, bij het einde der wereld, en dan vergezeld van de Engelen Gods, in de lucht zoude verschijnen, bekleed met de hoogste rechterlijke macht om het eindoordeel uit te spreken over allen, die ooit geleefd hebben. Een begin met de uitoefening van die volmacht maakte Jesus reeds, toen Hij bij zyne Hemelvaart de zielen, welke in het voorgeborchte reikhalzend naar verlossing uitzagen, met Zich opvoerde en de belooning des Hemels waardig keurde.

Opmerking. Jesus' Hemelvaart moest, naar het plan der Heilige Drievuldigheid, een openbare en schitterende hulde wezen aan den Verlosser der wereld gebracht, en tegelijk een geëvenredigd loon èn aan zijne ziel èn aan zijn lichaam gegeven voor het aandeel, dat beiden in het verlossingswerk gehad hadden. In zijn leven op aarde was Jesus vernederd, nu werd Hij hoog verheven boven alle schepselen; gedurende zijn omwandeling onder de zijnen was Hij verguisd, miskend in zijne Waardigheid, overgeleverd aan zijne vijanden, nu werd Hij met eere en heerlijkheid gekroond en de Vader gaf Hem een verheerlijkt en onsterfelijk leven; in zijne ziel had Hij geleden door angst en droefheid, in zijn lichaam door ondragelijke folteringen, en zijne ziel genoot nu de volle zaligheid der aanschouwing Gods, terwijl zijn lichaam schitterde in den glans der onvergankelijke glorie van onlijdelijkheid en onsterfelijkheid. Die voorrechten aan den God-mensch geschonken, zullen wel

110

ocr page 119

HET FEEST VAN JESUS' HEMELVAART. 111

nimmer door eenig sterveling naar behooren beschreven kunnen worden; zij gaan ons voorstellingsvermogen verre te boven. Als de h. Paulus verzekert, dat het nooit in 'smenschen verstand is opgekomen, wat God bereid heeft voor wie Hem beminnen, zouden wij dan, met onze beperkte vermogens, de glorie van Hem kunnen beschrijven, die van eeuwigheid het voorwerp was van Gods welbehagen ? Slechts voor een gedeelte heeft God de H. Geest den sluier opgelicht, welke Jesus'onvergelijkelijke Grootheid bedekt, maar voor het overige ? Niets blijft ons over dan met alle Engelen, die Jesus te gemoet kwamen, en met alle Heiligen, die Hem op zijn zegetocht vergezelden, den goddelijken Overwinnaar toe te juichen en Hem ter eere te zingenhet Lam, dat gedood is geworden, is waardig te ontvangen de macht en de Godheid en wijsheid en sterkte en eer en heerlijkheid en dankzegging (Openb. V, II)quot; — en dan te bidden, dat toch allen zijn Heerschappij mogen erkennen en zich aan zijn gezag onderwerpen, dat allen Hem mogen aanbidden als hun Verlosser en Zaligmaker en Hem dienen als hun Heer en God, opdat zij, eens Hem in zijne glorie aanschouwende, voor eeuwig zalig zijn.

II.

Groot is het nut, hetwelk wij uit Jesus' Hemelvaart kunnen trekken, zoo wij slechts met een levendig geloof die zielverheffende gebeurtenis herdenken. Een der gewichtigste voor-deelen is wel dit, dat wij leeren te verlangen naar den Hemel en ons te onthechten aan wat dezer wereld is. De h. Leo geeft met die majesteit van het woord, welke hem eigen is, dit aan in deze woorden; „de Hemelvaart van Christus „trekt ons naar de hoogte, en waar de glorie van het Hoofd „is voorgegaan, daarheen wordt ook de hoop der ledematen „gericht.quot; Jesus' Hemelvaart leert en bewijst, dat wij Hem op zjjn zegeweg volgen en eens den Hemel voor de aarde verwisselen kunnen. Waar Hij, het goddelyk Hoofd van de door Hem gestichte gemeenschap der geloovigen, zijne verheerlijking en

ocr page 120

HET FEEST VAN JESUS* HEMELVAART.

112

zijne belooning vond, daar moeten ook wij onze eeuwige rust zoeken. Zoolang wij nog van den Heer uitwonen, kunnen wij slechts door gedachten en door verlangens in die zalige gewesten vertoeven, maar dan ook dienen onze begeerten vurig, werkzaam en volhardend te wezen. Alles wat de h.h. Schriften dien aangaande ons voorhouden, strekt er toe dat wij ons meer en meer van de aarde losmaken en met onzen wandel in den Hemel verkeeren. Of heeft Jesus, toen Hij naar den Vader, van Wien Hij was uitgegaan, terugkeerde, ons niet uitgenoodigd om met Hem van deze wereld tot waar Hij ging zetelen op te stijgen eerst met den geest en later, na volbrachte taak, met de ziel en met het lichaam? Is het niet alsof Hij, opstijgende naar den hooge, ons toeroept: „Ik ga „u eene plaats bereiden; later zal Ik terug komen en allen, „die Mij in de beproevingen zijn getrouw gebleven, zal Ik „alsdan tot Mij opnemen; want Ik wil, dat mijne dienaren „daar zullen wezen, waar Ik ben. Tot aan dat gezegend oogen-„blik denkt aan Mij, verlangt naar mijn bezit en werkt voor „myne belooning.quot; Zoo wordt een vurig verlangen in ons hart opgewekt om ontbonden te worden en met Christus ver-eenigd te zijn in den schoonen Hemel. Daartoe spoort ons ook de Kerk in deze feestdagen aan, als zij vermaant dat wij, die gelooven dat Jesus nu in den Hemel hoog verheven is, toch met onze gedachten daar verwijlen. Verwijlen door een volhardend en hartelijk bidden, dat wij na het laatste oordeel met Jesus den Hemel voor eeuwig mogen binnengaan — door een zuivere meening, zóódat de eeuwige zaligheid het laatste doel van geheel ons leven zij — door onthechting aan het aardsche en aan al hetgeen wat onze vlucht naar boven kan belemmeren — door met moed en met inspanning van al de ons verleende krachten te blijven strijden tegen de vijanden, welke ons het hoogste geluk willen ontrooven. Dat is ook de nieuwe en levende weg door Christus ingewijd, dien wij om het lijden des doods met eere en heerlijkheid gekroond zien

ocr page 121

HET PEEST VAN JESUS' HEMELVAART.

(Hebr. X. 20, II. 20, 9), nieuw omdat vóór Jesus de Hemel voor onze hoop en onze verlangens gesloten was, levend omdat Hij immer degene blijft, welke ons door zijn voorbeeld den weg daarheen blijft aanwijzen en door zijne genade de bewandeling daarvan mogelijk maakt. Wat wij uit deze waarheden te besluiten hebben is dit.

Het zoude ons al zeer weinig baten, zoo wij ons slechts vergenoegden met het koesteren van de heiligste verlangens maar weigerden de hand uit te steken, opdat het begeerde geluk ons deel werd. Het Koninkrijk der hemelen lydt geweld, en zij alleen zullen het eens innemen, die geweld gebruiken. Wij hebben de heerlijkste bestemming van den goeden God ontvangen, maar moeten onze roeping zeker maken door goede werken, Niet door „Heere, Heere!quot; te roepen zullen wy de eeuwige vreugde des Hemels verdienen, maar de wil des Vaders is te volbrengen, en die wil is onze heiliging. De vele verplichtingen door onzen staat en onzen Godsdienst voorgeschreven moeten vervuld, de geboden van God en van de Kerk schier op eiken Zondag van het jaar ons voorgehouden moeten stipt nageleefd worden. Dat alles kunnen wij onmogelijk door eigene kracht; onze persoonlijke wapenen zijn te zwak om het rijk der Hemelen te veroveren. En Gods onfeilbaar woord en onze dagelij ksche ondervinding overtuigen ons van dit onvermogen. Daarom dient een afdoend middel aangewend, opdat wij het ons weggelegde erfdeel verkrijgen. Het verlangen naar den Hemel moet tot eene onafgebrokene werkzaamheid aanwakkeren; maar de ongenoegzaamheid van onze kracht aan te vullen door een volhardend smeeken om hulp van boven, dat is voor ons allen eene wezenlijke voorwaarde, opdat wij ons doel bereiken.

Gelukkige Christenen, die gelooven dat zij nu in den Hemel een goddelijken Voorspreker hebben, een Hoogepriester die medelijden met hunne zwakheden heeft en biddende verhoord

Verklaringen der Epistelen U. 8.

113

ocr page 122

het feest van jesus* hemelvaart.

114

wordt. Met blijdschap en met vertrouwen richten zy harten geest naar boven, omdat zij vandaar hulp verwachten ten bekwame tijde. Zeker niet te vergeefs. Jesus, aan Gods rechterhand gezeten toont — wij roemden boven reeds dit voorrecht van den verheerlijkten God-mensch — voortdurend zijne wonden aan den Vader en doet op diens Liefde een beroep om den lijdenden moed en geduld te geven, om hen, die in een afmattenden strijd naar een onvergankelijke kroon dingen, te ondersteunen, om die nog in de strikken der zonde verward of reeds den weg der verbetering ingeslagen zijn door de macht zijner genade aan zijn dienst te verbinden, vooral om de volharding te geven aan wie reeds sinds lang in de beproeving getrouw zijn bevonden. Hoe hoog ook verheven boven alle koren der Engelen, Jesus houdt Zich bezig met onze ellende en met onze gevaren. Hij vergeet niet één der zijnen, maar denkt aan allen; Hij versterkt wie voor zijn eer en voor hun zieleheil kampen, vertroost de weenenden, bemoedigt de neerslachtigen en spoort aan tot beoefening van alle deugden. Wij hebben een voorspreker bij den Vader, Jesus Christus, den Rechtvaardige (1 Joan. 11, 1), die deernis heeft met onzen val. Wiens liefdevol hart medelijden heeft met onze zwakheden, die even bereidwillig in onze behoeften voorziet als Hij voor gevaren waarschuwt. Daarom moeten wij met den h. Leo bekennen: „Hij, die naar zijne Menschheid „Zich meer van ons verwijderde, is ons op een onuitsprekelijke wijze naar zijne Godheid meer nabij,quot; dat wil zeggen: die van ons is weggegaan en ten Hemel opgeklommen is, zal altijd bljjven denken aan- en blijven zorgen voor hen, die Hy tot aan het einde van zijn leven bemind, voor wie Hij geleden heeft. Voor wie Hij zoo oneindig veel op aarde heeft gedaan, voor die zal Hij niet nalaten te doen, wat hun voor-deelig wezen kan. Wat de goede Jesus begonnen is, zal Hy voleindigen, mits Hy geene tegenkantingen van zijne verlosten ondervindt.

ocr page 123

HET PEEST VAN JESUS' HEMELVAART.

115

Hoe voordeelig dus voor ons geestelijk leven zoude het zijn, zoo wij de vermaning volgden, welke de moeder der Macha-baeën tot den jongste van die zeven martelaren richtte: ik hid u, mijn kind! zie op naar den Hemel! Die blik, die gedachte, zij zouden in ons een vertrouwen opwekken, dat tegen alle aanvechtingen van moedeloosheid of van vertwijfeling bestand maakte. Daarom ook houdt de Kerk in deze feestdagen niet op met ons te wijzen op den verheerlijkten Jesus, opdat wij met een oprecht hart in de volheid van geloof met onze gedachten opvaren tot voor den troon van zijne Barmhartigheid en daar de hulp zoeken, welke moedige strijders vormt en overwinnaars maakt. Niet om niets is aan Jesus alle macht gegeven in den Hemel; wat wij noodig hebben, kan Hij voor ons door zijn alvermogend gebed verkrijgen krachtens de oneindige verdiensten door lijden en dood verworven. Hebben wy de genade van bekeering noodig. Hij zal ons hart met die heilige vrees vervullen, welke de valsche rust verdrijft, waarin de zondaar zoo dikwijls indommelt; Hij zal dat berouw ingeven hetwelk doet weenen over bedrevene misdaden, dat nederig gevoel hetwelk persoonlijke nietigheid en ellende niet verheelt, den geest van gebed en van waakzaamheid, welke oplettend maakt op de gevaren en hulp doet zoeken waar ze te vinden is. Hebben wy behoefte aan geduld, Hij is niet ongevoelig voor het medelijden, wanneer Hij zijne beminden aan de bitterheid der droefheid of aan de kwellingen der beproeving ten prooi ziet, maar zal hun lijden verminderen, minstens hun den moed inboezemen, welke het zwaarste kruis verlicht en zelfs als iets goeds doet hoogachten. Alwie zich wil oefenen in zelfverloochening en in versterving, zal evenmin te vergeefs bijj®ijn Zaligmaker aankloppen maar, is het hem ernst met zijne bede, die onthechting aan zich zeiven en die afgekeerdheid van deze wereld kunnen verkrijgen, waardoor hij walgt van den ijdelen roem en van de gevaarlijke genietingen dezer aarde en daarente-

ocr page 124

HET PEEST VAN JESUS' HEMELVAAET.

gen een edelmoedig offer en beteugeling van hartstochten, al zijn zij voor 's menschen natuur pijnlijk, bemint en zoekt. Doch de volharding in het goede ten einde toe, het vuur van een meer dan alledaagsche liefde, die gloeiende ijver in den dienst van God, zijn het geene buitengewone genaden, welke de gewone maat van Jesus' Milddadigheid te boven gaan? Groot zijn zij zeker die gaven en, wie zich in het bezit van die deugden meent te mogen verheugen, voor hem zal niet veel meer te wenschen overblijven; maar zij zijn niet te groot voor Hem, die de oneindige Goedheid zelve is en niets vuriger wenscht dan dat zijne verlosten heilig worden, gelijk God de Heer heilig, volmaakt gelijk de hemelsche Vader volmaakt is; niet te groot voor Hem, die eerst zijn bloed en leven gaf voor 's menschen verlossing en toen uit den doode opstond om aan allen een eeuwig leven te kunnen geven en later ten Hemel opklom om voor hen eene plaats in het Rijk zijns Vaders te bereiden, waar vele woningen zijn.

Opmerking. De bovenstaande beschouwingen kunnen wij op geene waardigere wijze besluiten dan met de volgende woorden van den h. Petrus, waarin hij eerst aan de genaden herinnert, welke wij. Christenen, aan den Verlosser te danken hebben, en dan zijn leerrijk onderricht met een treffende vermaning bekroont. In een eenigszins vrijen vorm geven wij ze terug. »Dewijl de goddelijke kracht van onzen Heer Jesus »Christus ons alles wat tot het verkrijgen van een eeuwig zalig »leven en tot de beoefening van godsvrucht en deugd noodig »is geschonken heeft, daar Hij ons den hemelschen Vader leerde »kennen, die ons tot het heil in Christus geroepen heeft door »zijne Macht en zijne Liefde tot de menschen, die ons ook door »Christus groote weldaden beloofd heeft — de vergiffenis na-»melijk van zonden, de heiligmakende genade en de recht-»vaardiging hier en hier namaals de eeuwige glorie in den »Hemel, en wel met deze bedoeling, opdat wij, door middel »van de ons reeds gegevene genaden en na vrij van zonden

116

ocr page 125

HET FEEST VAN JESUS' HEMELVAART.

117

^geworden te zijn, aan de goddelijke natuur deelachtig, kin-gt;deren Gods zouden worden — zoo moeten wij allen ijver in »'t werk stellen om een christelijken levenswandel te leiden, om sdoor geloof en moed, door degelijke kennis van hetgeen wij »te doen en te laten hebben, door voorzichtigheid en zelfbe-»heersching, door lijdzaamheid en godvruchtigheid en liefde tot 2 onze mede-Christenen onze roeping en uitverkiezing tot het » genot der eeuwige zaligheid zeker te maken (11 Petrus I, 3—12).quot; Al wie, al is hij herboren in Christus Jesus, die vermaningen van den Prins der Apostelen niet opvolgt, wiens wandel niet in den Hemel is, diens ziel zal niet geheiligd en evenmin diens lichaam aan de heerlijkheid van Jesus' lichaam gelijkvormig worden ten dage der algemeene opstanding. Jesus verwacht ons en leeft om voor ons te bidden, opdat Hij, het Hoofd, eens zijne ledematen rondom Zich verheerlijkt moge zien. Niets is derhalve rechtmatiger dan dat ons vurigst verlangen zij Hem ginds te bezitten en ons voortdurend streven zij Hem hier te dienen. Wij hebben niet meer te vragen, wat te doen en wat te laten is: Jesus' leven is ons voorbeeld; zijne navolgers moeten wij zijn. Ook geen twijfel mag in ons opkomen, of zij niet boven onze krachten is die navolging van dat ons gegeven voorbeeld. Jesus' Liefde zal niet verflauwen ; zij blijft ons aansporen, pressen en helpen. Zijn wij zondaars, zij wil ons vergiffenis schenken en genade; zijn wij zwak, zij zal Jons steunen en sterk maken; treuren wij hier als bannelingen, die naar het hemelsch vaderland haken, zij blijft ons immer wijzen op den Hemel, waar ons een eeuwige rust en onvergankelijke glorie beloofd zijn. Daarom kan een Christen zich geen grooter ongeluk berokkenen dan wanneer hij niet naar den Hemel verlangt en niet voor den Hemel werkt. Dan toch zoude hij zich zeiven ontzeggen wat de bitterheid des levens verzoeten, de verschrikking des doods verminderen, een voorsmaak der hemelsche vreugde geven en van de aarde zelve een Hemel maken kan; dan stelde hij zijn roem niet in het kruis van Christus, niet in de vernedering, niet in boetvaardigheid, maar dan ook deed hij op roekelooze wijze afstand van de erfenis des heils, welke voor diegenen slechts weggelegd is, welke liefde tot Jesus be-

ocr page 126

HET FEEST VAN JESUS* HEMELVAART.

118

toond hebben door het onderhouden zijner wet. »Laten wij. danquot; — vermaant de H. AUGUSTINUS — gt;nu in den geest met »Christus ten Hemel opvaren, om Hem ook met het lichaam gt;te kunnen volgen, als de beloofde dag zal zijn aangebroken.

ocr page 127

ZONDAG ONDER HET OCTAAF VAN JESUS' HEMELVAART.

Veel geliefden! Zijt bedachtzaam en waakt in gebeden. Doch vóór alles, hebt elkander wederzijds bestendig lief; want de liefde bedekt eene menigte van zonden. Weest jegens elkander gastvrij zonder morren. Dat allen, naar gelang zij genade-gaven ontvingen, daarmede, de een den andere, ten dienste zijn, als goede uitdeelers van Gods menigerlei genade. Spreekt iemand, hij spreke als Gods woorden ; oefent iemand eene be diening uit; hij doe dit als uit de kracht, welke God verleent; opdat in alles God verheerlijkt worde door Jesus Christus onzen Heer. (I Pe. IV, 7—11.

Inleiding. Deze Jesus, die van U ten Hemel is opgenomen, zal alzoo komen, gelijk gij Hem ten Hemel hebt zien varen. Met die woorden verkondigden de Engelen aan de Apostelen, die den opklimmenden Jesus nastaarden, de komst des Verlossers ten oordeel, dat wil zeggen ; de schitterendste openbaringen van Jesus' Waardigheid en Macht. Dan immers zal Hij ook door de boozen als de ware Zoon Gods erkend worden; dan zal Hij, die in zijn aardsch leven als een boosdoener verguisd en als

ocr page 128

120 ZONDAG ONDER HET OCTAAF VAN JESUS* HEMELVAART.

een misdadiger ter dood gebracht is, in de tegenwoordigheid van allen gerechtvaardigd bevonden worden in zijne woorden, waarmede Hij Zich betuigde als Belooner van het goede en als Straffer van het kwade; dan ook zal Hij, die zijn leven gaf ter verlossing van allen uit de slavernij der zonde, beslissen, wie zijne genaden aangenomen en gebruikt, wie ze veracht en verworpen hebben, en Hij, die de kluisters des doods verbrak en de poorten des Hemels opende, zal de eer genieten om aan den getrouwen dienstknecht het eeuwige leven te schenken, maar aan den ongetrouwen een zetel te weigeren in het Rijk zijner glorie en hem te verwijzen naar die plaats, welke bereid is voor den duivel en voor wie dezen gevolgd zijn. — Deze herinnering aan het laatste oordeel te verlevendigen is hier niet misplaatst; integendeel: het versterkt ons in de overtuiging, dat wij om een barmhartig oordeel te verwerven naar de goede raadgevingen van den h. Petrus moeten luisteren. Zoo ook volgen wij den gedachten-gang van den Prins der Apostelen. Ook hij had in de voorgaande verzen gesproken zoowel over de rekenschap welke gegeven moest worden aan Hem, die gereed is levenden en dooden te oordeelen, als over het einde dat nabij was gekomen (v. 5 en 7), en knoopte aan de voorstelling van die schrikwekkende toekomst de vermaningen, welke wij in den Epistel van dezen dag lezen, vast allen aansporende om zich als verstandigen voor de komst des Rechters voor te bereiden. Niets zal voordeeliger wezen voor ons godsdienstig leven dan dat wij zijne wijze raadgevingen opvolgen en met allen ernst overwegen, waartoe de vrees voor het laatste oordeel eiken Christen aanzet, opdat wij, wanneer het einde der wereld zal gekomen zijn, naar de ziel en naar het lichaam gelukkig mogen zijn en dan voor eeuwig, door de genade der verlossing, welke Jesus aangekondigd en ook gebracht heeft. Tot twee hoofd-gedachten kunnen wij alles terugbrengen, wat de h. Petrus, die onverdachte getuige van Jesus' leer zoowel als de getrouwe navolger van diens voorbeeld, van zijne geloovigen vorderde:

I ten opzichte van zich zeiven moesten zij bedachtzaam zijn en waakzaam, volhardend in het gebed;

ocr page 129

zondag onder het octaaf van jesus* hemelvaart. 121

11 ten opzichte van den naaste liefdevol, gastvrij en mededeelzaam zijn.

I.

Wij weten uit het Evangelie, hoe dringend en hoe dikwerf de goddelyke Zaligmaker zijne leerlingen vermaande, dat zij in hun wandel en in hun omgang met de menschen behoedzaam, wel als schapen onder de wolven, maar tevens listig als slangen en voorzichtig als duiven moesten wezen ; dat hunne wijsheid vóór alles bestaan moest in het Rijk Gods te zoeken en dat zij daarom er altijd op bedacht dienden te zijn, om vroom en oprecht en Gode welgevallig te leven, hun loon niet in deze wereld maar in den Hemel verwachtende ; dat zy zich moesten hoeden voor den zuurdeesem der boozen, bedenkende dat zij zich immer bereid hadden te houden voor den grooten dag des Heeren. Zelfs gelijkenissen en spreuken bezigde die alwetende Leermeester, opdat zy toch zouden woekeren met de hun geschonkene talenten, als de wijze maagden steeds olie in de lampen mochten hebben ter ontvangst van den bruidegom, rekenschap zouden kunnen geven van hun rentmeesterschap. Wat Jesus hun voorhield, is tot ons allen gezegd; wat de h. Petrus uit den mond van zijn goddelijken Meester opgevangen had, heeft hij onder leiding van den H. Geest voor de Christenen van alle tyden opgeschreven : Zijt bedachtzaam, zijt voorzichtig. Niet naar die voorzichtigheid der wereld, welke vijandig is aan God en daarom door Hem veroordeeld wordt, maar met die voorzichtigheid, welke uit God is en tot God voert. Toch is van de kinderen der wereld, op hunne wijze zoo voorzichtig, nog veel te leeren door de kinderen des lichts. De belangen, welke genen betreffen, kennen zij niet alleen maar behartigen die ook met al de hun ten dienste staande middelen en krachten ; met wijs overleg en na rijp beraad nemen zy hunne

ocr page 130

122 zondag ondek het octaaf van jesüs' hemelvaart.

maatregelen en met angstvolle zorg berekenen zij het waarschijnlijke van hun welslagen, wikkende en wegende het doelmatige van de voorgenomene ondernemingen. Alles wordt door hen in 't werk gesteld, wat er toe kan bedragen, dat hunne verlangens bevredigd, hunne goederen vermeerderd en al de hun vijandige plannen verijdeld worden. Niet minder voorzichtig moet een Christen wezen in het verzekeren van het heil zijner ziel dan zij zich betoonen in het bevorderen van hun stoffelijk welzijn. Wij, die niet voor deze wereld mogen leven, moeten ons doordringen van de door Jesus verkondigde waarheid, dat slechts één ding noodzakelijk is — onze ziel zalig te maken, het eeuwige leven te winnen, al zoude daarvoor het offer van het tijdelijke te brengen zijn ; dat elk oogenblik van ons bestaan te wijden is aan het streven naar het hoogste goed en aan het verzamelen van schatten, welke door geen roest verteerd en door geen dief kunnen gestolen worden ; dat alle genaden, talenten en hulpmiddelen, door God onder ons bereik gesteld, zijn te gebruiken tot het doel, waartoe Hij ze ons gaf. Deze waarheden stellen hare eischen aan onzen wil des te dringender, naar mate wij sneller het einde van ons leven te gemoet gaan, de tijd van het geven van rekenschap al meer nabij komt en het oogenblik nadert, waarop de overwinst zal opgevorderd worden.

Bij die christelijke voorzichtigheid is een strenge waakzaamheid te voegen. Met klem van redenen heeft de Zaligmaker ook tot deze deugd aangespoord. Hij waarschuwde allen, dat zij toch hun huis, hunne ziel zouden bewaken, opdat geen sterkere hen bestookte en van hunne goederen beroofde; Hij wilde, dat zij zich even kloek gedroegen als die wijze maagden, welke zelfs in het midden van den nacht bereid waren om den bruidegom te gemoet te gaan; Hij wees hen op het gevaar, dat hun vijand onverwachts kon komen en overvallen, als zij 't minst er aan dachten. Is het ook niet opmerkelijk.

ocr page 131

ZONDAG ONDEH HET OCTAAF VAN JESUS' HEMELVAART. 123

dat wij in één hoofdstuk van den h. Marcus tot viermaal toe den Zaligmaker hooren vermanen tot waakzaamheid ? Verbazen of bevreemden kan ons die bezorgdheid niet. Gelijk niemand zich roekeloos in het duistere van den nacht op een glibberig en langs een afgrond loopend pad zal wagen zonder zich van een lantaarn te voorzien, opdat hij wete waar zijne voeten te zetten, evenzoo wil Jesus, dat een Christen den gevaarlijken weg naar de eeuwigheid niet bewan-dele, zonder dat hij zich wapene met het schild der waakzaamheid en zoo zich hoede tegen eiken aanval des vijands. Eene verrassing van den kant des duivels, ook eene onbedachtzaamheid van zijne zijde kunnen hem groot nadeel berokkenen ; maar worden de strikken, door den duivel of diens handlangers aan de deugd gespannen, ontdekt, dan is het gevaar minstens reeds voor de helft overwonnen. Wie op zich zeiven let en op den indruk, welken de omringende voorwerpen op hem maken, die voorkomt vele bekoringen en zal de kracht er van verminderen door de vaardigheid, waarmede hij ze vooruit ziet en, is hjj van goeden wille, ze ook bestrijdt. Het geweld der driften wordt dan tegelijk beteugeld, de prikkel tot zonde onderdrukt en, evenals een vonk gemakkelijker te blusschen is dan een groote brand, aan de eerste aanlokselen tot het kwade zonder veel moeite weerstand geboden.

Waarop de Christen, die wil blijven staan, dan wel zyne opmerkzaamheid te vestigen heeft, tot hoe verre zijne zorg zich dan wel moet uitstrekken ? Als antwoord op de eerste vraag zouden wij kunnen zeggen: op alles, omdat schier niets ons omringt, hetwelk niet eene aanleiding tot zonde kan worden, want al wat in deze wereld is, is volgens den H. Geest heg eerlijkheid des vleescnes, begeerlijkheid der oogen en hoovaardij des levens... en zij zelve ligt in den booze (1 Joan. II, 16; V, 19) en kan als zoodanig niets anders doen dan te verleiden tot alles wat zedelijk kwaad is. Om echter tot bij-

ocr page 132

124 ZONDAG ONDER HET OCTAAF VAN JESUS' HEMELVAART.

zonderheden af te dalen, zij opgemerkt dat, wie ongedeerd door het leven wenscht te gaan, zich beijveren moet te waken op zijne verbeelding, waarvan de voorstellingen zoo dikwijls voor de onschuld noodlottig zijn ; — op zijn hart om daartoe geen ingang te verleenen aan al te natuurlijke neigingen, aan al te gevoelige vriendschapsbetuigingen, aan al te zinnelijke gewaarwordingen, welke alle altijd gevaarlijk en veelal niet te verontschuldigen zijn; op de zintuigen, waardoor het kwade zoo licht binnensluipt; — op de personen, met wie hy omgaat en die niet zelden een steen des aanstoots, een ergernis zijn ook voor dengene, die al ver in de deugd meent gevorderd te zijn. Hieruit volgt dit antwoord op onze tweede vraag, dat onze bezorgdheid niet te ver kan gaan. Gelijk op alles een waakzaam oog moet gehouden worden, zoo ook mogen geene levensomstandigheden voorbij gezien worden. De boeken des O. en N. verbonds niet minder dan de werken der ascetische schrijvers tellen vele bladzijden, welke leeren dat de Christen nimmer zijn zedelijken toestand, zijne gevaren en zyne hulpmiddelen, zijn nood en zijne zwakheden uit 't oog mag verliezen. Zij vermanen ons om met ernst te letten op hetgeen wij doen en spreken zoowel als op de hinderlagen, welke schier overal aan de deugd gelegd worden; zij overtuigen ons, dat wij meer zorg moeten dragen voor de zaligheid der ziel dan voor het welzijn des lichaams, meer voor de heerlijkheid des Hemels dan voor de eerbewijzen der wereld, meer voor de goederen der eeuwigheid dan voor het vergankelijke dezer aarde; zij willen, dat een ieder aan de altijd durende vreugde in het Rijk des Vaders de voorkeur geve boven een bedriegelijk genot van dezen tijd, en aan het zalig gezelschap der Engelen boven de onbestendige vriendschap der menschen. Ziet, dat is de ware en verdienstelijke werkzaamheid, welke voor de gevaren zich wacht, de zonde vermijdt, het goede beoefent en voor het verkrijgen der eeuwige rust by God geene inspanning te zwaar acht.

ocr page 133

zondag onder het octaaf van jesüs' hemelvaart. 125

De h. Petrus stelde aan zijne geloovigen nog een derden eisch. Hij vorderde van hen ook, dat zij waakzaam in gebeden zouden wezen en bedoelde daarmede hen aan te manen, dat zij nimmer zouden verzuimen te bidden en goed te bidden, zóó dat zij het gebed als een machtig middel gebruikten, waardoor zij aan die andere verplichtingen naar behooren konden voldoen. In dezen zin opgevat, zijn z^'ne woorden een herhaling van de vermaning eertijds tot hem zei ven en de twee andere leerlingen door den Zaligmaker in den hof gericht ; waakt en bidt, dat gij niet in bekoring komt (Matth: XXVI, 41). Gepast, zelfs noodig is die vermaning zeker onder alle opzichten en wel voor alle Christenen zonder onderscheid. Van den Vader der lichten, van den Gever aller goede gaven, moeten ook die twee genoemde deugden komen. Uit zich zeiven kan de zwakke mensch ze op volmaakte wijze niet beoefenen. Van boven moeten hem het licht en de ijver gegeven worden, waardoor zij voor hem niet boven het bereik van zijn vermogen liggen. En geen beter middel dan een aandachtig gebed staat hem ten dienste, opdat hij die gaven des Hemels op zich doet nederdalen. De ware wijsheid, die christelijke omzichtigheid en die voortdurende waakzaamheid, waardoor de Christen zijne gangen bespiedt en opmerkzaam is op alle neigingen en begeerten zijns harten, waardoor hij de gevaren en aanlokselen tot zonde vreest en zich wacht voor een valsche rust, daarentegen zich zijner roeping bewust is en het volle gebruik zijner krachten voor wat deugdzaam is aanwent — die noodige voorwaarden voor een heiligen levenswandel, die machtige steunsels van elk godsdienstig leven worden den mensch niet ingeprent bij zijne geboorte, worden niet geleerd in de scholen, noch door enkele ervaring verworven, maar moeten door God gegeven worden. Daarom vermaande de h. Jacobus: heeft iemand uwer behoefte aan wijsheid, hij vrage haar van God (I, 5).

ocr page 134

126 ZONDAÖ ONDER HET OCTAAF VAN JESÜS' HEMELVAART,

Opmerking. Een ieder wachte zich voor overdrijving. Niemand mag in de laatste woorden van den h. Petrus een gebod lezen. Dan toch werd iets onmogelijks verlangd. Om naar den wil des Zaligmakers zonder ophouden te bidden en naar het voorschrift des Apostels waakzaam te zijn in gebeden is het niet noodig, dat wij, zoolang wij in niet slapenden toestand ver-keeren, altijd een mond-gebod stamelen, voortdurend in Gods huis verblijven, zonder onderbreking de koralen van den rozenkrans door de vingers laten glijden. Het gebed bestaat niet alleen in de woorden des monds maar en wel vooral in de taal des harten, in de verheffing des geestes tot God, Wien wij overal vinden, in Wien wij leven en ons bewegen, Wiens Almacht, Goedheid en Wijsheid ons verkondigd worden niet minder door het grasspiertje dat vertreden wordt dan door de sterren, welke schitteren aan het firmament. Doch van den anderen kant: aan de bedoelde vermaning wordt niet voldaan, als men slechts een of andermaal aan God denkt, als men na lange tusschenpoozingen gedurende een enkel oogenblik een of ander gebed prevelt hetzij te huis of in de kerk, als men vrijwillig verstrooid zijne gebeden opzegt, als men of uit gewoonte of uit dwang of uit menschelijk opzicht den schijn aanneemt, dat men bidt. Wie metterdaad wakende in gebeden wil zijn, moet meermalen daags hart en geest tot God verheffen, dikwijls de herinnering aan Gods tegenwoordigheid in zich verlevendigen, als met een vader vertrouwelijk met Hem omgaan, aan Wien de nood geklaagd en bij Wien hulp in gevaar gezocht wordt, vooral ook dank zeggen voor elke ontvangene weldaad — en dit alles met diepen eerbied en kinderlijk ontzag voor zijne Majesteit, met aandacht en oplettendheid op hetgeen de mond zegt, met vertrouwen op Gods Liefde en Almacht en in het volle bewustzijn van eigene zwakheid en ellende. In dezen zin stelde Jesus aan zijne leerlingen en ook aan ons de gelijkenis van den rechter voor die, niet uit vrees voor God maar alleen uit verlangen om van den lastigen aandrang eener om recht vragende weduwe verlost te worden, haar recht verschafte; en Hij wilde daardoor leeren, dat men evenals die vrouw niet moede mag worden (Luc. XVIII, i); in dien zin vermaande Hij

ocr page 135

ZONDAG ONDER HET OCTAAF VAN JESUS* HEMELVAART. 127

allen: waakt te allen tijde biddende, opdat gij verwaardigd moogt worden alle deze dingen, al de gevaren welke de zaligheid uwer ziel bedreigen, welke geschieden zullen, te ontvlieden en voor den Zoon des vienschen te staan, voor Hem in zijn oordeel te kunnen bestaan en vrij gesproken te worden (Luc. XXI, 36); in denzelfden zin eischte Hij van allen, dat zij niet als huichelaars zouden wezen, die met de lippen God eeren maar wier hart verre van God is. (Matth. XV, 8).

11

II.

Wie met ernst aan het laatste oordeel denkt, zal niet verzuimen het tweede der tweegroote geboden te vervullen. Daarop drong ook de h. Petrus met allen nadruk aan, toen hy schreef;

VÓÓR ALLES HEBT ELKANDER WEDERZIJDS EN BESTENDIG LIEF.

Dat was duidelijk gezegd en zonder overdrijving. De naastenliefde moet, na de liefde tot God, het voornaamste kenmerk van den waren Christen wezen ; zij moet de geest zyn, welke hem bezielt, en de beweegreden welke zijne handelwijze tegenover den evenmensch bestiert. De Zaligmaker zal ook niemand als zijnen leerling erkennen, wanneer deze die liefde mist. Hij immers gaf dit nieuwe gebod aan al zijne geloovi-gen, dat zij elkander zouden liefhebben, gelijk Hy hen had liefgehad. Geheel in overeenstemming met dat goddelijk voorbeeld zyn dan ook de eischen door den Apostel aan onze liefde gesteld. Zij moet bestendig wezen, dat wil zeggen : zij moet volhardend zijn voor den geheelen duur van het leven en niet slechts voor den dag van heden en voor morgen of voor eenigen tijd, maar voor altijd en tot in den dood. Ook onder alle omstandigheden en niet alleen, als de andere zich beminnelijk voordoet of met weldaden overlaadt, maar ook als hij zich vijandig-gezind betoont of de hem bewezen belangstelling met ongevoeligheid vergeldt, zelfs al kost die liefde eenig offer en al vergt zij groote inspanning of een moedige zelfoverwinning ; niet alleen dan, wanneer wij zeker

Ijl

i

i

II

1 j ü

■

11 s

lil 1 é

Ir

'in ris

ocr page 136

128 zondag onder het octaaf van jesus' hemelvaart.

zijn dat de gegevene weldaden rijkelijk zullen vergolden worden, maar ook als ondank en miskenning het loon zullen wezen. Vóór alles, inzonderheid is die deugd door den Christen te beoefenen. Het geloof is de grondslag van het geestelijk gebouw dat wij in ons leven moeten optrekken, en de liefde is daarvan de bekroning. Zonder haar is elke daad nutteloos voor den Hemel, geene deugd verdienstelijk en geene meening zuiver. Alles moet in liefde gedaan worden, en dan eerst is zij de vervulling der wet. Niemand kan een vriend van Jesus wezen, als hij diens geboden niet onderhoudt en Wiens tweede gebod, aan het eerste gelijk, luidt: gij zult uwen naaste liefhebben als u zeiven (Matth. XXII, 36). Niemand mag van die liefde uitgesloten worden, ook niemand raag zich aan de vervulling van dat liefde-gebod ontrekken. Wederzijds moet die liefde betoond, zij moet van den eenen kant bewezen en van den anderen kant beantwoord worden. Elk Christen moet én den Zaligmaker navolgen, die voor allen gestorven is, én den hemelschen Vader, die zijne zon over allen doet opgaan en den regen geeft aan den akker niet alleen van rechtvaardigen maar ook van onrechtvaar-digen. „De ware en rechtmatige liefdequot; — zegt de h. Bernar-dus —quot; kent geene aanneming van personen, brengt ook „niet in rekening het loon, dat zij van de menschen kan „ontvangen, maar let alleen op den nood, waarin anderen „verkeeren„de liefde heeftquot; — aldus de h. Chrysostomus — .het hart des h. Paulus verwijd en niets was wijder dan „het hart van dien Apostel, dat een geheele wereld omvatte.quot;

Van de vele redenen, welke voor het getrouw opvolgen van dat liefde-gebod pleiten, haalt de h. Petrus deze eene aan: want de liefde bedekt eene menigte van zonden. In tweevoudigen zin kan deze uitspraak des Apostels waar gemaakt worden. Wie naar den geest des Christendoms zijn evenmensch liefheeft, zal zich geduldig en vergevingsgezind

ocr page 137

ZONDAG ONDEE HET OCTAAF VAN JESUS* HEMELVAART. 129

tegenover hem betuigen. Hij verontschuldigt de gebreken en fouten van den zwakken of gevallen broeder; zoolang hij nog eene verschooning vinden kan, zal hij die ten bate van den andere te berde brengen; hij legt alles ten voordeeligste uit en nimmer zal hij de tekortkomingen van den even-mensch vergrooten, ze nooit zonder noodzakelijkheid aan anderen bekend maken maar wel ze met den mantel der liefde bedekken; voor alles wacht hij zich voor bitse of verwijtende woorden en niets blijft hem meer vreemd dan het gevoel van wrevel of van wrok; zelfs koestert hij medely-den met de ellendeof armoede des naasten en zal niet aarzelen voor diens zedelyke verbetering zich te beijveren. Bovendien zal de liefde hem een hartelijk gebed op de lippen leggen, opdat de andere vergiffenis van zijne fouten of de genade van een goed berouw over groote zonden verwerve.

Eene tweede, en nog veel wijdere, beteekenis welke aan die woorden kan gegeven worden en meer in de bedoeling van den Apostel ligt, is deze. Onberekenbaar groot is de uitwerking, welke een christelijke handelwijze op allen uitoefent. In geene sterkere bewoordingen kan zij geschetst worden dan Salomon deed en na hem ook de h. Paulus, toen hy, de woorden van den wijsten der Koningen overnemende, aan de Romeinen schreef: zoo uw vijand honger heeft, geef hem te eten; heeft hij dorst, geef hem te drinken; watit dit doende, liefde-daden aan uwen vijand bewijzende, zult gij kolen vuurs op zijn hoofd vergaderen, hem zulk een hevige smart van beschaming aandoen, dat hij tot inkeer komt en tot berouw over het ongelijk, hetwelk hij u aandeed (Rom. XII, 20). Eene dagelijksche ondervinding legt daarvan getuigenis af. Moeilijk zal een zóó verhard gemoed aangetroffen worden, dat het ongevoelig blijft voor de bewijzen van een deelnemende liefde. Niet slechts zal diegene, welke ze ontvangt, zich beijveren om zijne gebreken te verbergen en nog een goede zyde van zijn karakter te vertoonen maar ook, blijven die bewijzen

Verklaringen der Epistelen, II. 9

ocr page 138

130 ZONDAG ONDER HET OCTAAF VAN JESUS' HEMELVAART.

aanhouden, zal hij trachten om aan zijn weldoener niet geheel en al ongelijk te zijn. Een meer of minder sterk verlangen komt in hem op naar verbetering, opdat hij zich der milddadigheid van anderen waardiger make en, beschaamd over zijn vorig wangedrag, zal hij weldra het voornemen vormen om verandering in zijne levenswijze aan te brengen. Die kolen vunrs beginnen te branden en een begin van bekeering is op te merken. De liefde heeft het hart vermurwd en — deze gedachte dringt zich aan den bevoorrechte op — „wel „beminnelijk moet de deugd zijn, de dienst van God boven „het verwaai loozen van plichten te verkiezen wezen, als de „ware Godsvrucht die edele gevoelens inboezemt en tot „daden aanspoort, welke van een medelijdende, teedere liefde „getuigen. Dan mijn vorig gedrag verzaakt, een andere weg „gezocht en Gode mijn dienst gewijd, die de Liefde zelve en „de bron van christelijke liefde is!quot; Deze taal zal uit zijn bewogen hart opwellen en gevolgd worden door eenen omkeer ten goede. Den beweldadigde zult gij ter nauwernood nog herkennen. De liefde bewerkt eene geheele verandering in zyne gezindheid en is eene aanleiding tot een oprecht berouw en daardoor tot het verwerven van vergiffenis; door haar voorbeeld oefent zy althans middellijk invloed uit op de bekeering van den zondaar en wordt zoo in de plannen van God de oorzaak, dat een van Godsdienst en van deugd vervreemde tot inzicht van zijn ongeluk gebracht, zijne vele zonden bedekt en zijne ziel van den eeuwigen dood gered wordt.

Ware, degelijke liefde moet zich uiten in daden, welke naar omstandigheden het lichamelijk of het geestelijk welzijn van den evenmensch bevorderen. Anders verzaakte zjj hare roeping, bleef werkeloos en mocht bij gevolg geene aanspraak maken op eenige belooning bij God. Wij hebben slechts naar het woord van den h. Petrus te luisteren om te weten, wat het gebod der naasten-liefde nu eens aan dezen dan wederom aan

ocr page 139

zondag onder het octaaf van jesus' hemelvaart. 131

genen voorschrijft. Weest jegens elkander gastvrij zonder te morren. Deze vermaning was vooral van toepassing op de Christenen van de eerste tijden, toen er schier nog geene openbare inrichtingen bestonden, waarin reizigers een geschikt onderkomen konden vinden. In dit gebrek moest de liefde voorzien door gulle gastvrijheid aan al de geloofs-genooten te verleenen, die op reis waren hetzij om het Evangelie te verkondigen, hetzij om te vluchten voor hunne vervolgers, hetzij om hunne tijdelijke belangen te behartigen. Voor hen moest, zoo wilde het de Prins der Apostelen, de liefde de huizen hunner mede-Christenen open zetten, dewijl bij de Heidenen noch bij de Joden voor hen een veilig verblijf was. De mede-broeders in het geloof waren derhalve verplicht hun te geven, wat zij in de bestaande omstandigheden behoefden: huisvesting, spijs en drank. Maar daarbij mocht de mond niet morren, noch ontevredenheid getoond worden over de te maken kosten, over de moeite en inspanning, welke gevorderd werden. Een blyden gever bemint God, en de liefde moest het offer in geld of in toewijding of in dienstvaardigheid verdienstelijk maken voor de eeuwigheid. In die vreemdelingen moest Jesus geherbergd en gespijzigd, om Hem aan de broeders de werken van barmhartigheid gedaan worden, in de blijdschap des harten en met ongekunstelde offervaardigheid. — Deze vermaning des Apostels kan ook in onze tyden met veel vrucht opgevolgd worden, wanneer dringende nood des eenen een beroep doet op de liefde zijner natuur-genooten. Niet zelden zijn wij in de gelegenheid om gehoor te geven aan de volgende aansporing van een even beroemd als godvruchtig schrijver: „de liefde opent de deur der „gastvrijheid voor den aankloppende, de opgeruimdheid ont-„vangt den binnen komende, de vriendelijkheid houdt den „ontvangene terug, de aangebodene spijze voedt den hongerige, „de nederigheid dient den vermoeide, de goedheid noodigt „den wantrouwende, de liefde trekt den schuchtere.quot;

ocr page 140

132 zondag onder het octaaf van jesus* hemelvaart.

Bovendien zijn de geloovigen gehouden om niet slechts de stoffelijke maar ook en meer nog de geestelijke goederen, welke hun toebedeeld zijn, niet voor zich zeiven alleen te gebruiken; het is hun plicht, dat zij, naar gelang zij genade — gaven ontvingen, daarmede, de eene den andere, ten dienste zijn, als goede uitdeelers van gods menigerlei genade. immers

wat God aan den eene gaf, dat moet ook zooveel mogelijk ten voordeele van de geheele gemeenschap aangewend worden. Gelijk niemand voor zich zeiven alleen leeft, evenzoo heeft nooit iemand iets ontvangen, wat hij niet als een goede uit-deeler van Gods weldaden over zijne mede-menschen moet verdeelen. Wij allen dienen met den h. Paulus te erkennen, dat wij van allen schuldenaars zijn, en daarom ook met hem alles voor allen trachten te worden. Of zoude de eene of andere kunnen voorwenden, dat hij over niets beschikt, waarmede hij den evenmensch helpen kan ? Eenige voorbeelden aan het dagelijksch leven ontleend zouden die voorwendsels als nietswaardig brandmerken. Wij beperken ons echter nu, om in den geest van den Apostel te blijven spreken, alleenlijk tot het gebied van de geestelijke nooden des menschen. De eene b. v. heeft van God bijzondere talenten en een ongewone geschiktheid in het besturen ontvangen, hij kan ze besteden in het bevelen over anderen en in het wys geleiden van zijne onderhoorigen naar het hun voorbestemde doel; de andere munt uit door scherpzinnigheid van vernuft en door omvangrijkheid van een diep verstand, hij moet die gaven gebruiken om de waarheid te verdedigen, de dwaling te wederleggen en de geloofspunten aan anderen op bevattelijke wijze te verklaren en hen voor verkeerde opvattingen te behoeden; een ander beschikt over groote werkkracht en werklust, zóódat hij veel goeds tot stand kan brengen, hij stelle ze in dienst van den naaste en vuile aan wat aan dezen ontbreekt; sommigen mogen zich verheugen over een vasthoudend geheugen, en zij kunnen van dat ge-

ocr page 141

zondag onder het octaaf van jesüs' hemelvaart. 133

schenk Gods aan minder begunstigden mededeelen door den schat der verworvene kennis voor hen beschikbaar te stellen en aan hunne ongenoegzaamheid te hulp te komen. Zoo heeft altijd een ieder eene of andere gave, welke hij ten voordeele van zijn evenmensch kan aanwenden; zelfs een arme kan door zijne onderworpenheid aan God, en die aan lijden ten prooi is door zijn geduld tot het algemeen geestelijk welzijn bijdragen. Nog een voorbeeld: in de eerste tijden vooral van het Christendom deelde de H. Geest — de brieven van de Apostelen behelzen daarvoor de bewyzen — aan de nieuw bekeerden buitengewone bovennatuurlijke gaven uit, by voorbeeld van talen te spreken, van genezingen te bewerken, van wonderen te verrichten of voorspellingen te doen. Maar al die voorrechten moesten dienstbaar gemaakt worden aan de uitbreiding en bevestiging van het Rijk Gods, tot stichting der geloovigen en ten nutte der Kerk van Jesus. Daarom ging de h. Petrus vermanend voort: spreekt iemand, hy spreke als gods woorden ; oefent iemand eene bediening uit, hij doe dit als uit de kracht, welke God verleent. De beteekenis van die woorden kan voor niemand, die bovenstaande bijzonderheden uit de kerkelijke geschiedenis gelezen heeft, twijfelachtig wezen. Heeft de eene of andere van God de buitengewone genade-gave ontvangen om in de vergaderingen der geloovigen als spreker te kunnen optreden en daar een woord van opwekking of van onderrichting te doen hooren, dat hij dan niet spreke dan om Gods woorden, niet dan om wat in de oorkonden van Gods openbaringen is neergelegd, aan de leergierige toehoorders bondig en duidelijk te verklaren; is den eene of den andere eenige bediening in de Kerk opgedragen, hij oefene die uit zóó heilig en getrouw, dat niemand er aan twijfelen kan of hij werkt voor Gods eer en des naasten heil. Vóór alles moeten die bevoorrechten er voor zorgen, dat zij nimmer hetgeen zij voordragen aan eigene wijsheid toeschrijven, dat zij nimmer meenen iets uit

ocr page 142

134 zondag onder het octaaf van jesus* hemelvaart.

zich zeiven te vermogen ; zij moeten overtuigd zijn te spreken en te handelen uit de kracht, welke God verleent. Hieruit volgt, dat in de Kerk Gods niets mag gesproken, geene bediening mag uitgeoefend worden dan in opdracht van God, dan in overeenstemming met de bedoeling, welke God bij het schenken van die genade-gaven wilde bereiken, dan tot het geestelijk heil van degenen, die ze ontvingen en eveneens ten voordeele van hen, die onderricht worden en voorbestemd zijn de vruchten van die bediening in te oogsten.

Opmerking. Opdat in alles God verheerlijkt worde door Jesus Christus onzen Heer, door Wiens verdiensten wij niet alleen wat goed is doen, maar ook het goede dat wij doen tot God terugbrengen kunnen. Dit is de voor allen geldende wet: »Gods verheerlijking moet het laatste doel wezen, »waartoe alles teruggebracht, waaraan elke handeling ondergeschikt moet gemaakt worden. Alles, ook het in schijn nietige, is te doen in den Naam van den Heere Jesus Christus, en ter eere van God. Hij is onze Schepper, en wij zijn geschapen om Hem te loven; Hij is de Gever van alle goed, en wat wij van zijne Goedheid ontvingen, moet aan zijn dienst gewijd zijn; wij hebben niets en wij kunnen niets dan door Hem, maar dan moet ook elk woord van onzen mond en elke daad van onzen wil beantwoorden aan de bedoeling, welke de oneindige Wijsheid Zich voorstelde te bereiken en de H. Geest aan den wijzen Salomon met deze woorden te verkondigen ingaf: de Heer heeft alles gewrocht om Zich zeiven, tot zijne eer (Spreuken XVI, 4).

Voor die bestemming te leven en te werken is den mensch glorievol, omdat hij daardoor niet de slaaf wordt van zijne driften maar de uitverkorene dienaar van den onsterfelijken Koning der eeuwen; dat is ook voor hem de bron van het zaligst genot. Geen zoeter vreugde is denkbaar dan voor God te leven, dan zich voor den naam van Christen niet behoeven te schamen, dan zijne vermogens en zijne krachten te besteden, opdat Gods eer bevorderd en het zielenheil van allen bewerkt

ocr page 143

ZONDAG ONDER HET OCTAAF VAN JESÜS' HEMELVAART. 135

worde. Omdat de Heiligen zich niets anders voorstelden, niets anders beoogden, waren zij in den vollen zin des woords de gelukkigste der menschen reeds hier op aarde en zijn zij de Uitverkorenen Gods in den Hemel geworden.

ocr page 144

HET FEEST VAN PINKSTEREN.

Toen de dagen van Pinksteren vervuld werden, waren al de leerlingen te zamen in dezelfde plaats. En eensklaps ontstond er uit den hemel een geluid als van een opkomenden hevigen wind en vervulde het geheele huis, waar zij gezeten waren. En er verschenen hun verdeelde tongen als van vuur, en op ieder van hen zette het zich neder. En allen werden vervuld met den Heiligen Geest en begonnen te spreken in verschillende talen, naar dat de Heilige Geest hun gaf uit te spreken.

En er waren Joden, die te Jerusalem hun verblijf hielden, godsdienstige mannen uit alle volken, die onder den hemel zijn. Als nu dit geluid ontstond, kwam de menigte samen en werd ontsteld, omdat iedereen hen in zijne eigene taal hoorde spreken. En allen stonden verbaasd en zeiden : ziet, zijn niet deze allen, die spreken, Galileërs ? Hoe hooren wij dan ieder onze taal, waarin wij geboren zijn ? Parthers en Mediërs en Elamieten en inwoners van Mesopotamië, Judea en Kappadocië, Pontus en Asië, Phrygië en Pamphylië,

ocr page 145

EET FBEST VAN PINKSTEREN.

Egypte en de gewesten van Libye bij Cyrene, en die uit Rome gekomen zijn, Joden zoowel als proselieten, Kretenzen en Arabieren, — wij hoorden hen spreken in onze talen de groote werken Gods !

Handel. II, i — n.

Inleiding. Tien dagen waren verloopen na Jesus' Hemelvaart en de belofte door den Verlosser aan de Apostelen gegeven : gij zult gedoopt worden met den H. Geest, niet na vele van deze dagen (Hand. I, 5) ging in vervulling. Allen werden vervuld met den H. Geest. »Nauwelijks had Jesusquot; — zegt de h. Augustinus — »de menschheid naar den Hernel »opgevoerd en Hij zond God den H. Geest naar de aarde.quot; Denken wij evenwel niet, dat die Geest van waarheid en van kracht aan de Apostelen alleen was beloofd en is gegeven. »Meent niet broeders!quot; — aldus de genoemde Kerkvader — adat de H. Geest ook nu niet gegeven wordt; wie dat meent, »die is niet waardig Hem te ontvangen.quot; Wel niet onder zichtbare teekenen, als bij Jesus' doop in den Jordaan of als te Jerusalem op het Pinksterfeest bij het begin der Kerk, maar onzichtbaar en toch niet minder werkdadig en heilzaam is Hij neergedaald in het hart der gedoopten bij den aanvang van hun leven voor God. Ook wij mogen ons over zijne inwoning verheugen, zoo wij aan de bij onzen doop in onzen naam afgelegde en later door ons bekrachtigde beloften getrouw zijn gebleven, zoo wij Hem het voortdurend verblijf in ons hart niet ontzegd hebben, doordat wij daarin aan zijn vijand eene plaats inruimden; want in een aan de zonde dienstbaar lichaam woont Hij niet. De zending des H. Geestes zal ook zoolang in de Kerk van Jesus aanhouden, als er geloovigen zijn, die aan zijne komst geen hinderpaal opwerpen. Het schitterend feit in den Epistel van dezen feestdag vermeld was dan ook de inwijding van een tijdperk der geschiedenis, dat voor altijd gekenmerkt is zoowel door de heerlijkste overwinningen der Kerk als door de vruchten van zaligheid, welke elke deugdzame geloovige voortbrengt. Van dat gezegend oogenblik af dagteekenen de kennis van den

137

ocr page 146

HET FEEST VAN PINKSTEREN.

waren God, het verdwijnen der afschuwelijkste dwalingen en een opgewekt godsdienstig leven. Toen de H. Geest was gezonden, ontstond een nieuwe schepping en het aanschijn der aarde veranderde. Het Evangelie, die blijde boodschap des heiis, werd verkondigd tot aan de uiterste grenzen der aarde; een nieuwe en volmaakte wet van liefde en vertrouwen verving de oude en onvolmaakte wet van dienstbaarheid en van vrees; het kruis werd verheerlijkt als hec beginsel van 's menschen heil en als de bron van alle genaden. — Het is noodig dat wij ons in de overweging van die waarheden verdiepen, opdat wij begrijpen, wat de H. Geest ook voor elk onzer in 't bijzonder wezen kan en ook zijn wil. Immers, hoe beter wij zijne gaven kennen, des te ijveriger zullen wij trachten ze door een heilige voorbereiding waardig te worden. Om dan die even zegenrijke als gewichtige kennis ons eigen te maken, beschouwen wij naar aanleiding van onzen Epistel wat de Apostelen door de nederdaling des H. Geestes geworden zijn; en uit die beschouwing zullen wij kunnen opmaken wat ook wij van zijne inwoning mogen verwachten. Met andere woorden: wij beantwoorden deze twee vragen;

I welke verandering bewerkte de H. Geest in de Apostelen

II welke verandering zal Hij in ons bewerken ?

I.

Overeenkomstig het bevel van hunnen goddelijken Meester: blijft in de stad, totdat gij zult aangedaan zijn met kracht uit de hoogte (Lucas XXIV. 49), keerden de Apostelen, na Jesus' Hemelvaart, van den berg, genaamd de Olijfberg, naar Jerusalem terug. En toen zij ingekomen waren, gingen zij op naar het bovenhuis, waar zij hun verblijf hadden, en zij waren eendrachtiglijk volhardende in het gebed (Hand. 1,13). In de stille eenzaamheid alzoo, afgezonderd van het luidruchtig gewoel der wereld, trokken zij zich terug, en in de zaal, waarin het laatste Avondmaal gevierd was en welke voor hen zoo rijk was aan de dierbaarste herinneringen, waarin zij ook nog

138

ocr page 147

1

het feest van pinksteren. 139

den naklank hoorden van Jesus' indrukwekkende vermaningen en gebeden, hielden zjj zich uitsluitend bezig met hunne hoogste belangen. Daar waren zij één van hart en één van geest, daar volhardden zij tien dagen achtereen in een gezamenlijk bidden, opdat Jesus' belofte in hen vervuld mocht worden en zij den Trooster mochten ontvangen, die bij hen blijven zoude. Hun gebed werd verhoord. Volgens Jesas' belofte werden zu, die in gehoorzaamheid aan het hun gegeven voorschrift en in broederlijk samengaan uitmuntten, vervuld met den H. Geest. Vervuld — alle nadruk moet op dat woord gelegd worden — want van dat oogenblik af is de H. Geest in hen eene bron geworden, waaruit stroomen van levend water, van genaden opwelden tot onderhoud en vervolmaking van hun geestelijk leven; toen verkregen zij de noodige vatbaarheid, opdat zij de geheimen van Gods Rijk konden dragen, en met de wijsheid den moed opdat zij ook als getuigen van Jesus konden optreden tot aan het uiteinde der wereld, ter bekeering van Joden en van Heidenen. Zij, die in Galilea bekend stonden als eenvoudigen, als vreesachtigen in hooge mate, als ongeleerden, die geen studio van eenig vak gemaakt hadden en evenmin op eene geleerde opvoeding als op aange-borene talenten konden roemen. Toch zullen wij hen moeten bewonderen, als zij Jerusalem en omstreken doen weergalmen van den roep hunner leer en hunner wonderen, als zij de Sanhedristen verbazen door hun stoutmoedige onverschrokkenheid, als zij aan het volk, dat meende de Wet te kennen, de geheimen ontvouwen welke in de h. h. Schriften waren opgesloten, als zij den Naam van den gekruisten Jesus dragen voor vorsten en voor volkeren met de zekerheid, dat de belooning voor hun Ij^ldhaftige belijdenis de marteldood zijn zal. Die verandering, een even groot wonder van genade als toen Saulus van een woesten vervolger der Kerk een vat van uitverkiezing werd, bewerkte de H. Geest toen Hij over de Apostelen kwam. Eene aandachtige beschouwing der ge-

ocr page 148

het feest van pinksteren.

beurtenissen, welke den eersten Pinksterdag voor alle eeuwen gedenkwaardig maakten, zal een genoegzaam licht verspreiden over dien omkeer, welke ons schier ongelooflijk voorkomt.

Op den berg Sion, in dezelfde plaats waren al de leerlingen te zamen en de Hemel opende zich voor hen. Daarheen was hun goddelijke Leermeester opgevaren, daarheen hadden zij Hem met hunne blikken gevolgd en, zoolang zij in de bovenzaal verbleven, verplaatsten zij zich in den geest met al de verlangens en verzuchtingen van hun hart naar die gewesten, van waar hun Vertrooster zoude nederdalen. Jesus had hun gezegd, dat Hij hen niet als weezen achterlaten maar hun den Geest der waarheid zenden, en dat deze met hen blijven en alle waarheid leeren zoude. En nu ging die Hemel open, waar Jesus zetelde op den troon zijner eeuwige glorie en Hij, Wien alle macht in den Hemel en op aarde gegeven was, zond den levendmakenden Geest, die hen met de volheid zijner heiligmakende genade vervulde en tot nieuwe menschen hervormde, door het licht der waarheid de nevelen van hun geest verdrijvende en door de kracht zijner genade de zwakheden van hunnen wil genezende. Die nederdaling des H. Geestes werd voor hen eene nieuwe Schepping, doordat een nieuw en verhoogd leven hun werd ingegeven; die komst was voor hen de overwinning van het geestelijke over het zinnelijke, van het hemelsche over het aardsche, van het sterkere over het zwakke, van den geest over het lichaam. En weldra, reeds bij hun eerste optreden voor het verzamelde volk, zullen zij de bewijzen afleggen, dat de H. Geest hen met een onverwinnelijken moed tot helden gemaakt en de woorden van wijsheid en van waarheid hun op de lippen gelegd had. „Wij wetenquot; — zegt de h. Gregorius — „uit het Evangelie, wat zij geweest zijn „en de geschiedenis van hun roemrijk leven en sterven leert, „wat zij geworden zijnquot; — de Vorsten namelijk van Gods

140

ocr page 149

het peest van pinksteeen.

141

Rijk, die de Kerk van Jesus bestierden, waarin de H. Geest hen tot Bisschoppen had aangesteld ; de predikers der waarheid, welke Hij hun geleerd had ; de onverschrokken getuigen voor Jesus' Zending en Waardigheid, door wie de H. Geest sprak, als zij voor de rechtbank van een hun vijandige overheid stonden ; de plichtgetrouwe bedienaars van Gods geheimen, Wiens genaden zij uitdeelden en in Wiens macht zij wonderen werkten; de onvermoeide zendelingen, welke de blijde boodschap brachten tot aan de uiterste grenzen der aarde. Hunne werkzaamheid was dan ook zóó gezegend, „dat „Christusquot; — volgens den h. Augustinus — „niet door redenaars visschers won, maar door visschers de redenaars, „de Senatoren, de Keizers.quot; Meer nog: van het eerste oogen-blik af, dat zij den H. Geest ontvangen hadden, waren zij geen wereldsch gezinden meer, die vroegen om de eerste plaatsen in een aardsch rijk, dat Jesus volgens hunne meening zoude stichten, twistten zij niet meer onder elkander wie van hen de grootste was, maar beschouwden zich als dienaren Gods en schuldenaars zoowel van Heidenen als van Joden, trachtten alles voor allen te worden en beijverden zich een voorbeeld voor hunne gemeenten te zijn. Ook gingen zij niet meer op de vlucht, ala zij eenig gevaar duchtten, maar verheugden zich als zij voor Jesus' Naam versmading mochten lijden. Geen andere vrees kenden zij nog dan om aan God te mishagen en niet te spreken wat Jesus hun bevolen had te prediken, maar tot zwijgen lieten zij zich niet zelfs door geene geeselslagen dwingen; aan God bleven zij gehoorzaam, al beliepen zij den haat van andersdenkenden; niets kon hen scheiden van de liefde tot God, en te sterven voor Jesus achtten zij een gewin. De h. Leo teekent dien wonderbaren omkeer in de Apostelen met deze woorden : „vervuld met een nieuwen overvloed des H. Geestes begon-„nen zij met grooteren ijver te willen en met grootere kracht „te kunnen, daar zij van het kennen der geboden voort-

ocr page 150

het feest van pinksteren.

„schreden tot het verdragen der vervolgingen, zóódat zij, geen „storm vreezende, de golven der wereld en de branding dezer „eeuw met een alles overtreffend geloof verachtten en, den „dood niet schuwende, aan alle volkeren het Evangelie verkondigden der waarheid.quot; — Aan God, die wonderbaar is in al zijne werken, komt het toe om ook de teekenen te kiezen, waardoor Hij de werkingen zijner genaden wil aanduiden. Dit zien wij nergens duidelijker bewaarheid dan in hetgeen aan de nederdaling des H. Geestes over de Apostelen vóór-afging en daarop volgde. Drie groote en ontzagwekkende teekenen vermeldt de h. Lucas in zijn belangrijk verhaal.

Eb ontstond eensklaps uit den hemel een geluid als van een opkomenden hevigen wind en vervulde het geheele

huis, waar zij gezeten waren. Al die bijzonderheden, in de stoffelijke natuur zich openbarende, vonden hare vervulling in de geestelijke genaden, toen den Apostelen geschonken. De H. Geest daalde neder uit den Hemel, uit het onvergankelijk licht, waarin God troont; ivant alle goede gave en alle volmaakte gift is van boven, nederdalend van den Vader der lichten (Jac. I, 17), en Jesus had den Apostelen beloofd, dat zij met de kracht uit de hoogte zouden toegerust worden. En eensklaps, onmiddellijk nadat de H. Geest over hen was gekomen, waren Jesus' leerlingen in andere menschen herschapen. Jesus had het juiste tijdstip niet aangeduid, waarop de H. Geest hun gegeven zoude worden. Na niet vele van deze dagen zult gij gedoopt worden met denli. Geest. Meer was hun niet geopenbaard. Maar toen die goddelijke gave hun geschonken was, werden zij in een ondenkbaar klein oogenblik, terwijl zij in diepe gedachten verzonken of in een vurig gebed vereenigd waren, door den H. Geest in mannen hervormd, zoo als Jesus hen zien wilde. Het is immers een bijzondere eigenaardigheid van alle werkingen, welke door Gods onmiddellijke tusschenkomst geschieden, dat zij iets verrassends hebben. De bekeering van de Samaritaansche

142

ocr page 151

het feest van pinksteren.

en van de overspelige vrouw, van den diep gevallen Petrus, van den moordenaar Dismas, van den vervolger Saulus is daarvoor een bewijs. Evenzoo zien wij, dat de Apostelen, nadat zij den H. Geest ontvangen hadden, eensklaps veranderd zijn in gezindheid, in streven, in werken, zooals blijkt uit hun optreden onder het hun vijandig gezind volk op den zelfden middag reeds van het Pinksterfeest. Nog deze vraag worde beantwoord. Zoude ook niet in den wind, waarvan spraak is, eene voorspelling te lezen zyn van den omkeer in de gemoedsstemming van Jesus' leerlingen ? Wij weten, dat bij de eerste Schepping Gods macht verzinnelijkt werd dooiden Geest, die over de wateren zweefde en door den adem der Godheid, welke het leven aan de twee eerste menschen instortte; wij lezen in het Evangelie, dat Jesus, vóórdat Hij aan de Apostelen de macht gaf van zonden te kunnen vergeven, over hen blies en daardoor beduidde, dat zij den H. Geest ontvingen; Jesus had vroeger in woorden verklaard : de wind icaait, waar hij wil; zijn geluid hoort gij ivel, maar gij weet niet, vanwaar hij komt of waar hij heengaat; alzoo is een iegelijk, die uit den Geest geboren is (Joan. Ill, 8. Juist zoo geschiedde het, nu het aanschijn der aarde veranderd werd en dit wonder van genade bij de leerlingen des Hee-ren een aanvang nam. Machtig maar onzichtbaar in zijne werkingen openbaarde Zich de H. Geest in de Apostelen ; Hij werkte in hen, maar niemand zag die inwerking; Hij stortte hun een nieuw leven in, maar niemand kende den weg des H. Geestes; reinigend en verfrisschend als de wind trad Hij op, maar uit de gevolgen alleen kon opgemaakt worden, hoe zaligend die kracht was, toen de Apostelen van alle aard-sche gezindheid genezen, van alle onhebbelijkheden bevrijd en van vroegere fouten gelouterd, getuigenis gaven van Jesus zonder vrees voor het menschelijk opzicht, zonder zich aan bedreigingen te storen.

Een tweede teeken: er verschenen hun verdeelde ton-

143

ocr page 152

het feest van pinksteren.

gen als van vdur, en op ieder van hen zette het zich

neder. Men deuke zich een verzameling van verdeelde figuurtjes, welke in haren uiterlijken vorm op tongen en in kleur en beweging op vlammen geleken. Men zoude meenen, dat zij van vuur waren maar inderdaad was het zoo niet. Elke een dier verschijningen zette zich op het hoofd van een der aanwezigen neder. — Niemand zal aarzelen in die wonderbare beelden eene aanduiding te lezen van drie werkingen des H. Geestes in de Apostelen, die Hij kwam vervullen. Zij toch moesten, opdat zij de hun gewordene roeping goed konden vervullen, met een gloeienden ijver bezield worden en als onverschrokkene predikers der hun toevertrouwde leer voor allen kunnen optreden ; gedurende Jesus' omwandeling op aarde hadden zij zich kleinmoedig en zwak betoond, maar nu werden zij ontvlamd door een inwendig vuur, dat hen aanspoorde tot een moedige verkondiging van de waarheden des heils. Zij, vroeger zoo onwetend en moeilijk van begrip, hadden behoefte aan het licht van boven om de goddelijke openbaringen te bevatten; zij, zoo weinig vertrouwd met de kunst van op pakkende wijze over de geheimen van Gods Rijk te spreken, moesten de gave der welsprekendheid ontvangen, welke zelfs de tongen der kinderen welsprekend maakt. Die gaven deelde de H. Geest hun mede, die wonderen van verandering wrocht Hij in hen, toen Hij onder de teekenen van vurige tongen over hen nederdaalde. Van dien stond af brandden zij van verlangen Jesus' Naam te dragen voor vorsten en volkeren ; alle zwakheden hadden zij afgelegd en toonden zich aangedaan met de kracht van boven; zij predikten de woorden des levens maar niet in de taal der menschelijke wijsheid; de H. Geest gaf hun in, wat zij spreken moesten en, wat wijs in 't oog der wereld was, werd beschaamd door wat zij dwaas heette. Door de reinigende macht van het vuur gelouterd evenals Isaïas, wiens lippen aangeraakt werden door een gloeiende kool, welke een Seraf uit het heilige voor den

144

ocr page 153

het feest van pinksteren.

troon van God brandend vuur genomen had, toegerust ook met de krachten met de wijsheid welke uit God zijn, traden zij, de eerstelingen der nieuwe schepping, op met de belijdenis van den Gekruiste en van den Verrezene. — Maar konden allen hen, die Galileërs waren, verstaan, allen zoo velen als er in diedagen van verschillenden tongval te Jerusalem vergaderd waren ?

De H. Geest werkte in de Apostelen een derde wonder. Iedereen hoorde hen in zijne eigene taal spreken ; die verschillende volkeren hoorden hen in hunne talen spreken de groots werken Gods. Dat is: de Apostelen uitten zich niet in hunne moedertaal, maar op eene wijze, welke hun tot dusverre geheel vreemd gebleven was ; bij het verkondigen van de heerlyke werken Gods ter heiligmaking van den mensch bedienden zij zich van talen, welke zy nooit aangeleerd hadden en, evenals er verschillende volksstammen aanwezig waren, evenzoo werden ook uit den mond der Apostelen verschillende talen gehoord. Hoe dit mogelijk kon wezen, leert ons de gewijde tekst. Zu spraken in verschillende talen, naar dat de H. Geest hun gaf uit te spreken. Zoo werd vervuld, wat Jesus vroeger had beloofd : die geloofd zullen hébben.... niemve talen zullen zij spreken (Marc. XVI, 17); zoo ook werd aangeduid, dat de leer des Kruises aan alle schepselen gepredikt, dat de lof van God gezongen zoude worden door volkeren van wat stam of taal of land z\j mochten zijn.

Dat de samengekomen menigte by het bemerken van al die wonderen ontsteld werd, is niet meer dan natuurlijk. Wie ook, mits hij ongodsdienstig gestemd zij, zou weerstand kunnen bieden, wie zijn gemoed kunnen verharden tegen de inwerking, welke van elke wonderbare gebeurtenis uitgaat? De H. Geest vervulde de Apostelen en deed hen spreken, en Hij trad juist toen met grootere kracht op dan een storm ontwikkelt, waardoor de ceders van den Libanon als een riet gebroken en de bergen op hunne grondslagen geschud worden.

Verklaringen der Epistelen, II. 10

145

ocr page 154

HET FEEST VAN PINKSTEREN.

Dat beeld is niet te stout. De H. Geest is eene macht, welke niet alleen schept maar ook — wat in betrekking tot den vrijen mensch een nog grooter wonder mag heeten — herschept, tot een nieuwen mensch hervormt, hem toerust met bovennatuurlijke gaven; daar Hij —zooals uit de daden der Apostelen bleek — de Geest is van wetenschap en wijsheid, van kracht en van sterkte.

Opmerking. In korte trekken hebben wij de verbazende verandering geschetst, welke door den H. Geest in de Apostelen bewerkt is. Naar verhouding van onzen staat en van onze roeping moeten ook wij al meer en meer in andere, volmaaktere menschen hervormd worden, die met christelijke voorzichtigheid zich immer het doel blijven voorstellen, dat bereikt moet worden, en de middelen eerst beramen en dan aanwenden, welke tot dat doel leiden. Hoe de daartoe noodige genaden des H. Gees-tes ons te verzekeren ? De h. Kerk vroeg in de dagen aan het Pinksterfeest voorafgaande onze aandacht voor het navolgenswaardig gedrag der Apostelen. In gehoorzaamheid aan Jesus' gebod zonderden zij zich af van het gewoel der menschen en maakten zich los van de wereld; zij waren onder elkander eendrachtig en volhardden in het gebed. Wie dan de noodzakelijke genaden van boven wil ontvangen, hij doe naar het voorbeeld der leerlingen van Jesus. De H. Geest vindt geen behagen te midden van onrustige bezorgdheid, welke der wereld eigen is, noch in het hart dergenen, welke naar den geest der wereld leven. De wereld zoekt immers den H. Geest noch kent Hem, omdat zij in hare grove verblindheid eischt eerst te zien en aan te raken, vóórdat zij gelooft en aanneemt, en daarom kan zij — volgens Jesus' woorden — Hem niet ontvangen (Joan. XIV, 17), Daarentegen: hoe minder wij onze oogen op het uitwendige vestigen, des te meer zullen de oogen van onzen geest verlicht worden; hoe minder wij naar de ijdele praat der wereld luisteren, des te beter zullen wij de stem Gods hooren ; hoe minder wij met de menschen spreken, des te meer zal God Zich met ons willen onderhouden. — Eenheid van geest

146

ocr page 155

HET PEEST VAN PINKSTEKEN.

en hart is de tweede voorwaarde, welke vervuld dient, opdat wij den H. Geest mogen verwachten. De h. Paulus wilde, dat al zijne geloovigen zich zouden beijveren om de eenheid des geestes te bewaren in den band des vredes (Eph. IV, 3) en, zoo ooit, dan zeker is dat noodig, als de komst des H. Geestes gewenscht wordt. Hoe goed toch is het, wanneer allen als broeders te zamen wonen, allen zich met ééne gedachte, met één verlangen zich bezig houden, naar één doel streven, elkander aanmoedigende en ondersteunende. Over een dergelijke vergadering zweeft de Geest Gods en zal hen als de Apostelen met de volheid zijner gaven vervullen, want Hij is Liefde en neemt zijn intrek waar Hij liefde ziet heerschen. — Ten laatste, ook bidden moeten wij, gezamenlijk, allen voor zich en allen voor elkander. Geen krachtiger, geen Gode welbehagelijker middel kan er uitgedacht worden. Heeft ook Jesus niet gezegd, dat de Vader van den Hemel den H. Geest zal geven aan die Hem er om vragen (Luc. XI, 13)? — Verondersteld, dat een Christen, met groote zonden niet beladen, aan de genoemde voorwaarden beantwoordt, welke genaden des H. Geestes mag hij dan verwachten ? Bij een andere gelegenheid (Verklaringen der Evangeliën D. II, blz. 187 —191) toonden wij aan, dat de derde Persoon der H. Drievuldigheid in onze harten de liefde Gods uitstort; hier wijzen wij op twee andere zijner goddelijke gaven, welke Hij aan de verlosten van Jesus geven wil.

IL

Pinksteren mag niet tot die feesten gerekend worden, welke slechts de herinnering opwekken aan eene gebeurtenis, welke eens en voor altijd plaats greep. Dit feest heeft het eigenaardige kenmerk, dat het voortdurend zich herhaalt ten voor-deele van wie zich daartoe hebben voorbereid. Dezelfde H. Geest, die onder zichtbare teekenen op de Apostelen neerdaalde, komt ook in ons, wel niet met gelijke wonderen maar desniettemin met dezelfde uitwerking, ter verbetering en ter heiliging. Ook nu zuivert, verlicht en versterkt Hij, opdat

147

ocr page 156

HET PEEST VAN PINKSTEREN.

Dat beeld is niet te stout. De H. Geest is eene macht, welke niet alleen schept maar ook — wat in betrekking tot den vrijen mensch een nog grooter wonder mag heeten — herschept, tot een nieuwen mensch hervormt, hem toerust met bovennatuurlijke gaven; daar Hij —zooals uit de daden der Apostelen bleek — de Geest is van wetenschap en wijsheid, van kracht en van sterkte.

Opmerking. In korte trekken hebben wij de verbazende verandering geschetst, welke door den H. Geest in de Apostelen bewerkt is. Naar verhouding van onzen staat en van onze roeping moeten ook wij al meer en meer in andere, volmaaktere menschen hervormd worden, die met christelijke voorzichtigheid zich immer het doel blijven voorstellen, dat bereikt moet worden, en de middelen eerst beramen en dan aanwenden, welke tot dat doel leiden. Hoe de daartoe noodige genaden des H. Gees-tes ons te verzekeren ? De h. Kerk vroeg in de dagen aan het Pinksterfeest voorafgaande onze aandacht voor het navolgenswaardig gedrag der Apostelen. In gehoorzaamheid aan Jesus' gebod zonderden zij zich af van het gewoel der menschen en maakten zich los van de wereld; zij waren onder elkander eendrachtig en volhardden in het gebed. Wie dan de noodzakelijke genaden van boven wil ontvangen, hij doe naar het voorbeeld der leerlingen van Jesus. De H. Geest vindt geen behagen te midden van onrustige bezorgdheid, welke der wereld eigen is, noch in het hart dergenen, welke naar den geest der wereld leven. De wereld zoekt immers den H. Geest noch kent Hem, omdat zij in hare grove verblindheid eischt eerst te zien en aan te raken, vóórdat zij gelooft en aanneemt, en daarom kan zij ■— volgens Jesus' woorden — Hem niet ontvangen (Joan. XIV, 17), Daarentegen: hoe minder wij onze oogen op het uitwendige vestigen, des te meer zullen de oogen van onzen geest verlicht worden; hoe minder wij naar de ijdele praat der wereld luisteren, des te beter zullen wij de stem Gods hooren ; hoe minder wij met de menschen spreken, des te meer zal God Zich met ons willen onderhouden. — Eenheid van geest

146

ocr page 157

HET PEEST VAN PJNKSTEKEN.

en hart is de tweede voorwaarde, welke vervuld dient, opdat wij den H. Geest mogen verwachten. De h. Paulus wilde, dat al zijne geloovigen zich zouden beijveren om de eenheid des geestes te bewaren in den band des vredes (Eph. IV, 3) en, zoo ooit, dan zeker is dat noodig, als de komst des H. Geestes gewenscht wordt. Hoe goed toch is het, wanneer allen als broeders te zamen wonen, allen zich met ééne gedachte, met één verlangen zich bezig houden, naar één doel streven, elkander aanmoedigende en ondersteunende. Over een dergelijke vergadering zweeft de Geest Gods en zal hen als de Apostelen met de volheid zijner gaven vervullen, want Hij is Liefde en neemt zijn intrek waar Hij liefde ziet heerschen. — Ten laatste, ook bidden moeten wij, gezamenlijk, allen voor zich en alten voor elkander. Geen krachtiger, geen Gode welbehagelijker middel kan er uitgedacht worden. Heeft ook Jesus niet gezegd, dat de Vader van den Hemel den //. Geest zal geven aan die Hem er om vragen (Luc. XI, 13)? — Verondersteld, dat een Christen, met groote zonden niet beladen, aan de genoemde voorwaarden beantwoordt, welke genaden des H. Geestes mag hij dan verwachten ? Bij een andere gelegenheid (Verklaringen der Evangeliën D. II, blz. 187 —191) toonden wij aan, dat de derde Persoon der H. Drievuldigheid in onze harten de liefde Gods uitstort; hier wijzen wij op twee andere zijner goddelijke gaven, welke Hij aan de verlosten van Jesus geven wil.

II.

Pinksteren mag niet tot die feesten gerekend worden, welke slechts de herinnering opwekken aan eene gebeurtenis, welke eens en voor altijd plaats greep. Dit feest heeft het eigenaardige kenmerk, dat het voortdurend zich herhaalt ten voor-deele van wie zich daartoe hebben voorbereid. Dezelfde H. Geest, die onder zichtbare teekenen op de Apostelen neerdaalde, komt ook in ons, wel niet met gelijke wonderen maar desniettemin met dezelfde uitwerking, ter verbetering en ter heiliging. Ook nu zuivert, verlicht en versterkt Hij, opdat

147

ocr page 158

het feest van pinksteren.

148

wij ons ten dienste kunnen stellen van Gods liefdevolle plannen, welke op het bevorderen der zaligheid van onze ziel en der eer van de goddelijke Majesteit doelen. Dat dit ookaltyd voor de verloste menschheid noodzakelijk blijtt, bewezen wij in het voornoemde werk [D. II, blz. 174 — 175) en leert de h. Augustinus in deze woorden: „de Plaatsvervanger en „Opvolger des Verlossers is aanwezig, opdat Hij de gunstbe-„wijzen, waarmede de Zoon Gods begonnen was, door een „byzondere kracht voltooie; opdat Hij heilige, wat Jesus „had vrijgekocht; opdat Hij beware, wat de God-mensch had „verworven.quot; Onder tweeërlei opzicht heeft ieder onzer groote behoeften aan die genade des H. Geestes; ook in tweeërlei richting werkt Hij in hen, die zich zijner inwoning niet onwaardig gemaakt hebben. - Niemand der menschen zal kunnen beweren, dat hij niet te klagen heeft over onwetendheid van het verstand en over zwakheid van den wil; zij zijn hem aangeboren, blijven hem in meerdere of mindere mate bij tot aan het einde van zijn leven en — wat nog meer te betreuren is — zy zijn de oorzaak of minstens de aanleiding van vele zonden. De mensch misdoet of wel uit schuldige onwetendheid of uit onverschoonbare zwakheid. Hij overtreedt de geboden Gods en verwaarloost zijne plichten, omdat hij verzuimd heeft de noodige kennis aan te leeren, of wel omdat hij, ondanks de verworvene wetenschap, den moed mist om zijne zwakheid, welke elke inspanning schuwt, te overwinnen. Doch, ook afgezien van elk schuldig verzuim en van elke niet te verontschuldigen zwakheid, wie moet dan nog niet bidden met David, dat God hem moge verlichten, opdat hij wete wat welgevallig in diens oogen is, en niet zuchten met Paulus over den moeilijken en niet onderbroken strijd, welken hij met zijn naar het verbodene geneigde natuur te voeren heeft? Alwie het eene of het andere zoude ontkennen, gaf daardoor reeds alleen blijk, dat hij zich zeiven niet kent en door geestelijke blindheid geslagen is. — Wij, zeker niet

ocr page 159

het feest van pinksteren.

minder dan de Apostelen gevoelen het beperkte van onze verstandelijke vermogens, zoolang geen hooger licht ons bestraalt. Wij staan dikwijls voor raadsels, welke voor ons onoplosbaar zouden blijven, wanneer wij aan onze eigene inzichten bleven overgelaten. Voor den mensch, die door den H. Geest niet in alle waarheid is ingeleid, blijft het antwoord moeilijk zoo niet onmogelijk op de vragen, vanwaar hy is en waarheen hij gaat; hij aarzelt, als de weg moet gekozen en de middelen moeten aangewend worden, welke naar het te bereiken doel kunnen leiden; hij tast in het donker rond, schier niets dan duisternis ziende, zoo dikwyls hy een beslissing te nemen gedwongen is, waarvan zyn eeuwig geluk afhangt.

By die door hem overgeërfde kortzichtigheid of onwetendheid voegt zich nog een noodlottige, zedelijke krankheid. De mensch is zwak van wil, daar deze al weinig geneigdheid bezit tot de inspanning, welke het ■ beoefenen der deugden van hem eischt; zwak van geheugen, zóódat hy moeilyk de eeuwige waarheden onthoudt, al zijn zij hem op de meest duidelijke wijze voorgehouden; zwak in den strijd tegenover de aanvallen van zijne vijanden; zwak tegenover de zwarigheden, welke hij in zijn leven ondervindt, en tegenover de vele beproevingen, waaraan hij dagelijks bloot staat; ook zwak in het gebed, dewyl hij dikwijls niet weet, wat en hoe hy vragen zal.

De H. Geest in ons komende voorziet in die tweevoudige zedelijke ellende. Hij leert ons alle waarheid, volgens Jesus' belofte (Joan. XVI, 13), en Hij komt aan onze zwakheden te hulp, zooals de h. Paulus leert (Rom. VIII, 26). Hy doet voor onzen geest het ware licht opgaan, zóódat wij niet langer in de duisternis wandelen, en door de kracht zijner genade versterkt Hij onzen wil, zóódat wy vermogen te doen, wat wij als goed hebben leeren kennen. In de eene zoowel als in

149

ocr page 160

HET FEEST VAN PINKSTEEEN.

150

de andere werking is Hij even wonderbaar als machtig. — Vooreerst onderricht Hij ons in de waarheden des geloofs en aan velen leert Hy den diepen zin van die geheimen der goddelijke Openbaring; zelfs is het niet zeldzaam, dat Hij eenige bevoorrechten met zulk een schitterend licht begunstigt, dat zij als 't ware zien wat hun te gelooven is voorgesteld en eenige twijfel hun onmogelijk toeschijnt. Maar al vallen die buitengewone gaven ook allen niet ten deel, voor een ieder ontsteekt Hij een genoegzaam licht, ten einde zij weten, wat te gelooven en waarom het te gelooven is. Bovendien behoedt Hij hen tegen den verderflijken invloed der verschillende dwalingen, welke alom ingang dreigen te vinden; eveneens waarschuwt Hij tegen de verleiding van die phariseesche huichelaars die, de gezonde leer van het Evangelie onver-dragelijk vindende als strijdig met hunne booze neigingen, van de waarheid niets anders willen hooren en niets anders spreken dan wat met hunne wenschen overeenkomt. Al zijn de geloovigen op die wijze bevestigd in hunne godsdienstige overtuiging en tegen afdwaling behoed, ook dan nog blijft de H. Geest werkzaam ter volmaking van hunne kennis. Hij spreekt tot hen nu eens als een vriend, die in moeilijke omstandigheden den besten raad geeft en het middel aanwijst om daaruit te geraken, dan wederom als leermeester, die in de ware wijsheid onderricht en de wetenschap mededeelt der Heiligen, welke alles naar waarde wisten te schatten, verachtende wat nietswaardig was en zoekende wat hun aandacht verdiende. Hij openbaart verder, dat niet het vergankelijke maar het eeuwig blijvende met allen ernst moet gezocht worden, dat 'smenschen bestemming niet hier maar aan gene zijde des grafs te vinden en alleen dan te bereiken is, wanneer aan de eischen der bedorvene natuur weerstand geboden en aan de hartstochten een teugel aangelegd wordt. Hij is het ook, die in het licht door Hem ontstoken ons duidelijk maakt, dat door het geduldig derven van tijdelijke

ocr page 161

HET FEEST VAN PINKSTEREK.

goederen altoos durende goederen, door het moedig dragen van het lijden dezes tijds een eeuwig gewicht van onvergankelijke glorie, door het gelaten en in Gods wil berustend sterven een leven bij God gekocht kan worden.

Niet alleet. Leeraar der waarheid maar ook de kracht is de H. Geest, opdat wij kunnen volbrengen wat Gods heilige wil en ons eeuwig belang vorderen. En wel op deze wijzen. Eerst boezemt Hij ons een heilzame vrees in voor alles wat Gode mishagen en onze ziel met zonde kan bezoedelen. Die vreeze des Heeren, het begin der ware wijsheid, schuwt alle kwaad, onder welken vorm het zich ook opdringt, en ontvlucht alle gelegenheden welke ten val kunnen brengen; zij maakt waakzaam en doet naar hulp uitzien, opdat de strijder met alleen blijve ; zij spoort aan om zooveel mogelijk elk gevaar te vermijden, want ieder weet dat wie het gevaar bemint er in zal omkomen. Deze eerste genade ter versterking van den wil wordt gevolgd door een tweede gunst. Alwie zich aan de leiding van den H. Geest volkomen heeft overgegeven, zal weldra smaak vinden in alle oefeningen van Godsvrucht, al vorderen zij groote inspanning en moeielijke zelf-overwinning. Hij voelt zich door de kracht van boven als gedragen en deinst voor niets meer terug. Zijne plichten worden hem gemakkelijk, het gebed is voor hem een aangename verpoo-zing na zwaren arbeid, het ontvangen der h.h. Sacramenten eene behoefte. Hij verheugt zich in de beproevingen, blijft zich meester onder beleedigingen en draagt elk kruis met gelatenheid. Daarbij boezemt de H. Geest aan zijne beminden een onoverwinbaren moed in, welke tegen alle wederwaardigheden bestand is en tot heldhaftige deugden in staat stelt. In wien de H. Geest woont en werken kan naar de plannen zijner Liefde, die verheft zich hoog boven alles wat van dezen tijd is en streeft met onverminderde kracht naar hetgeen boven is; die werpt alle hinderpalen omver en loopt als een machtige reus den langsten weg ten einde toe af; die wordt door

151

ocr page 162

HET FEEST VAN PINKSTEREN.

geen tegenspoed overwonnen en rust niet, vóórdat hij de kroon der eeuwige vergelding verworven heeft; die ontziet geene inspanning en wijkt evenmin voor het pynlijke der versterving als voor het beschamende der boetvaardigheid ; hy heeft alles veil, goederen en gezondheid en leven, als hij daardoor Christus Jesus kan gewinnen.

Opmerking. »Zoodra ik bij mijne tweede geboortequot; -— schreef de h. Cyprianus aan zijn vriend Donatus — »in een «nieuwen mensch veranderd was, doordat ik van den Hemel »den H. Geest ontvangen had, waren alle twijfelingen opgelost, »werd wat gesloten was geopend en het duistere licht, werd »gegeven wat moeilijk scheen en kon ik doen wat door mij vroe-»ger als onmogelijk beschouwd werd.quot; Gelukkig, zalig diegenen, welke in die woorden de blijde getuigenis van hun eigen geweten mogen lezen, die ook met den H. GregobIUS van den omkeer door den H. Geest in hen bewerkt mogen zeggen: »wij verwonderen ons, dat wij nu zijn, wat wij vroeger niet »waren, en dat wij toen niet waren, wat wij nu zijn geworden.quot; In hen is bewaarheid geworden, wat de h. bonaventura omtrent de inwerking des H. Geestes in de ziel der gerechtvaardigen schreef: »door de gave der vrees vernedert Hij het «hoogmoedige in den mensch; door de gave der godsvrucht »maakt Hij gevoelig wat hardvochtig was; door de gave der «wetenschap verlicht Hij het duistere; door de gave der kracht «versterkt Hij het zwakke; door de gave van raad bevestigt «Hij het wankelmoedige; door de gave van verstand verheldert «Hij het nevelachtige en door de gave van wijsheid verwarmt «Hij het koude.... Hij leert alle waarheden kennen, de ijdel-«heid der wereld overwinnen en den wil Gods doen.quot; — Dat zijn groote en onmisbare genaden, en wie derhalve een geestelijk leven voor God wenscht te leiden en zijn eeuwig geluk te verzekeren, moet deze leerrijke vermaning van den h. Paulus opvolgen: bluscht den H. Geest niet uit (Thess. V, 19), hier onder het beeld van vuur gedacht. »Is Hij met zijne gaven in »U neergedaaldquot; — zoo mogen wij de woorden van den Apostel

152

ocr page 163

HET FEEST VAN PINKSTEREN.

153

omschrijven — »dooft dat vuur niet uit, maar wakkert het aan »en onderhoudt het door nederigheid, door gebed, door een »getrouw gebruik maken van hetgeen zijne Liefde schonk; »ziet toe, dat gij de genade Gods niet minacht; zijt er altijd »op bedacht, dat elke gave, waarvan de H. Geest de uitdeeler »is, besteed worde voor het doel, waartoe Hij in zijne Goedheid »ze gaf.quot; Waarlijk, niet om niet zijn zij geschonken die bovennatuurlijke goederen. Gods verheerlijkingen onze heiligmaking moeten daardoor bevorderd worden, op straffe dat elk misbruik of ook niet goed gebruik zwaar geboet zal moeten worden. Van den anderen kant: al wie die gaven weet te waardeeren en als een getrouwe bewindvoerder naar de bedoeling van zijn Heer besteedt, die zal ook het loon niet missen, dat den ijveri-gen dienaar is weggelegd.

ocr page 164

EERSTE ZONDAG NA PINKSTEREN.

Veel Geliefden! God is Liefde. Hierin is Gods Liefde tot ons geopenbaard, dat God zijnen ééngeborenen Zoon in de wereld heeft gezonden, opdat wij door Hem zouden leven. Hierin bestaat deze Liefde: niet dat wij God beminden, maar dat Hij het eerst ons liefgehad en zijnen Zoon gezonden heeft tot verzoening voor onze zonden. Zeer geliefden! als God ons zóó heeft liefgehad, moeten ook wij elkander liefhebben. Niemand heeft ooit God gezien. Als wij elkander liefhebben, blijft God in ons, en is zijne Liefde in ons volmaakt. Hieraan weten wij, dat wij in Hem blijven en Hij in ons, dat Hij ons van zijnen Geest gegeven heeft. En wij hebben het aanschouwd en geven er getuigenis van, dat de Vader zijnen Zoon gezonden heeft tot Zaligmaker der wereld. Al wie belijdt, dat Jesus de Zoon Gods is, in hem blijft God en hij in God. En wij hebben de Liefde^ welke God voor ons heeft, erkend en geloofd. God is Liefde; en die in de liefde blijft, blijft in God en God in hem. Hierin is Gods Liefde bij ons volkomen, zóódat wij vertrouwen

ocr page 165

1

EERSTE ZONDAG NA PINKSTEREN. 155

mogen hebben op den dag des oordeels: dat gelijk Hij is, zoo ook wij in deze wereld zijn. Vrees is er in de liefde niet, de volmaakte liefde sluit de vrees buiten; de vrees immers heeft iets pijnlijks; en hij die vreest is niet volmaakt in de liefde. Wij dus, laten wij God liefhebben, omdat God ons eerst heeft liefgehad. Zoo iemand zegt: ik bemin God, en zijnen broeder haat, is hij een leugenaar. Want die zijn broeder, welken hij ziet, niet liefheeft^ hoe kan hij God, dien hij niet ziet, liefhebben? Ook dit gebod hebben wij van God, dat wie God liefheeft ook zijnen broeder moet liefhebben, i Joan. IV, 9—21.

Inleiding. Rijk aan beteekenis is het gedeelte van Joannes' brief, dat wij zoc even lazen. Ter verklaring diene het volgende. God is Liefde, de oneindige Liefde; Liefde is als het wezen van zijn Wezen en openbaart zich, in betrekking tot wat buiten Hem is, als de minzame en mededeelzame Goedheid. Het hoogste, allervoortreffelijkste bewijs daarvan is, dat Hij zijnen éénigen Zoon, door diens Mensch-wording, in de wereld gezonden heeft, opdat wij, de gevallene kinderen van Adam, door Hem het geestelijk leven der genade en de zaligheid zouden verkrijgen. Alsof de Apostel bevreesd ware, dat zijne Christenen niet diep genoeg overtuigd waren van die grondwaarheid des Christendoms, komt hij nog eens op dat verheven geheim van Gods Liefde terug, tevens verklarende, dat hij en zijne mede-Apostelen met eigene oogen aanschouwd hadden en derhalve in waarheid konden getuigen, dat de eeuwige Zoon Gods gekomen was tot verzoening voor de zonden der menschen, tot Zaligmaker der wereld. Niet — leerde hij verder — omdat wij die weldaad verdiend hadden. God heeft ons het eerst liefgehad; zijne Liefde is genadige, onverdiende Liefde; Hij beminde ons zelfs, toen wij zijne vijanden waren. — In navolging van God, die ons en alle menschen zoo zeer heeft liefgehad, moeten wij elkander liefhebben. En waarom ? Omdat wij

ocr page 166

EERSTE ZONDAG NA PINKSTEREN.

Veel Geliefden! God is Liefde. Hierin is Gods Liefde tot ons geopenbaard, dat God zijnen ééngeborenen Zoon in de wereld heeft gezonden, opdat wij door Hem zouden leven. Hierin bestaat deze Liefde: niet dat wij God beminden, maar dat Hij het eerst ons liefgehad en zijnen Zoon gezonden heeft tot verzoening voor onze zonden. Zeer geliefden! als God ons zóó heeft liefgehad, moeten ook wij elkander liefhebben. Niemand heeft ooit God gezien. Als wij elkander liefhebben, blijft God in ons, en is zijne Liefde in ons volmaakt. Hieraan weten wij, dat wij in Hem blijven en Hij in ons, dat Hij ons van zijnen Geest gegeven heeft. En wij hebben het aanschouwd en geven er getuigenis van, dat de Vader zijnen Zoon gezonden heeft tot Zaligmaker der wereld. Al wie belijdt, dat Jesus de Zoon Gods is, in hem blijft God en hij in God. En wij hebben de Liefde^ welke God voor ons heeft, erkend en geloofd. God is Liefde; en die in de liefde blijft, blijft in God en God in hem. Hierin is Gods Liefde bij ons volkomen, zóódat wij vertrouwen

ocr page 167

EERSTE ZONDAG NA PINKSTEEEN,

mogen hebben op den dag des oordeels: dat gelijk Hij is, zoo ook wij in deze wereld zijn. Vrees is er in de liefde niet, de volmaakte liefde sluit de vrees buiten; de vrees immers heeft iets pijnlijks; en hij die vreest is niet volmaakt in de liefde. Wij dus, laten wij God liefhebben, omdat God ons eerst heeft liefgehad. Zoo iemand zegt: ik bemin God, en zijnen broeder haat, is hij een leugenaar. Want die zijn broeder, welken hij ziet, niet liefheeft^ hoe kan hij God, dien hij niet ziet, liefhebben? Ook dit gebod hebben wij van God, dat wie God liefheeft ook zijnen broeder moet liefhebben, i Joan. IV, 9—21.

Inleiding. Rijk aan beteekenis is het gedeelte van Joannes' brief, dat wij zoc even lazen. Ter verklaring diene het volgende. God is Liefde, de oneindige Liefde; Liefde is als het wezen van zijn Wezen en openbaart zich, in betrekking tot wat buiten Hem is, als de minzame en mededeelzame Goedheid. Het hoogste, allervoortreffelijkste bewijs daarvan is, dat Hij zijnen éénigen Zoon, door diens Mensch-wording, in de wereld gezonden heeft, opdat wij, de gevallene kinderen van Adam, door Hem het geestelijk leven der genade en de zaligheid zouden verkrijgen. Alsof de Apostel bevreesd ware, dat zijne Christenen niet diep genoeg overtuigd waren van die grondwaarheid des Christendoms, komt hij nog eens op dat verheven geheim van Gods Liefde terug, tevens verklarende, dat hij en zijne mede-Apostelen met eigene oogen aanschouwd hadden en derhalve in waarheid konden getuigen, dat de eeuwige Zoon Gods gekomen was tot verzoening voor de zonden der menschen, tot Zaligmaker der wereld. Niet — leerde hij verder — omdat wij die weldaad verdiend hadden. God heeft ons het eerst liefgehad; zijne Liefde is genadige, onverdiende Liefde; Hij beminde ons zelfs, toen wij zijne vijanden waren. — In navolging van God, die ons en alle menschen zoo zeer heeft liefgehad, moeten wij elkander liefhebben. En waarom ? Omdat wij

155

ocr page 168

EERSTE ZONDAG NA PINKSTEREN.

aan God persoonlijk geene liefde-diensten kunnen bewijzen en Hij wil, dat wij onze liefde tot Hem betuigen door den even-mensch wel te doen; omdat de naaste, gezien als hij wordt, gemakkelijker te beminnen is dan God, Wien wij niet zien; vooral ook omdat wij dat liefde-gebod van God ontvangen hebben, en hij als een leugenaar gebrandmerkt staat, die zijn broeder haat en toch beweert God lief te hebben. — De voor-deelen aan de vervulling van dat liefde-gebod verbonden zijn voor ons groot en veelvuldig. Dan zijn wij in vriendschap met God vereenigd; Hij verblijft in ons met zijne genade; onze liefde tot Hem wordt volkomene, ware, ongeveinsde liefde, want zoo beminnen wij Hem in den naaste en den naaste om Hem ; zoo blijven wij ook in Hem en zullen erkennen, dat Hij zijnen Geest, den Geest der Liefde ons gegeven heeft, die ons tot liefde-werken beweegt en, telkenmale als wij aan zijne ingeving gehoor verleenen, met zoete vertroosting en groote blijdschap vervult niet alleen maar ook in ons hart de getuigenis aflegt, dat wij ons den naam van kinderen des hemelschen Vaders waardig betoonen.

Eene andere even heerlijke belooning vinden wij ook hierin, dat wij, navolgers van Gods Liefde en in deze wereld aan jesus, die vol Liefde was, gelijkvormig geworden, met vertrouwen het oordeel te gemoet zien en hopen mogen niet te zullen veroordeeld worden. Vrees daarvoor behoeft niemand te hebben, want volmaakte liefde verbant de vrees en geeft een blij vooruitzicht op de eeuwige belooning. Dat hij vreeze de straf der veroordeeling, die of niet bemint of dit niet bewijst in woorden en vooral in daden van liefde. — Met deze korte omschrijving van de overigens diepzinnige woorden des h. Joannes hopen wij den zin ervan genoegzaam verklaard te hebben. Voor een ieder zal het daaruit duidelijk geworden zijn, dat wij in den Epistel van dezen dag eene omschrijving lezen van het gewichtige woord des Zaligmakers, dat aan het vervullen der twee voornaamste geboden — aan de wet der liefde tot God en tot den naaste — de gansche Wet hangt en de Profeten. Niets blijft ons derhalve over dan het antwoord op deze vragen te geven: wat leert ons de h. Joannes omtrent

156

ocr page 169

eerste zondag na pinksteren.

157

I de liefde Gods tot ons en II de liefde van ons tot den naaste.

I.

God is liefde, de volmaakte, oneindige Liefde. Dit is een van die gewichtige waarheden der Katholieke leer, welke het helderst licht verspreidt over de werken van God, over de anders onbegrijpelijke daden der goddelijke Voorzienigheid. Die Liefde is de zuiverste, welke bestaanbaar is ; zy is ook de allervolmaaktste, omdat zij volhardend en edelmoedig en belangloos is en door niemand onzer verdiend werd. Aan die Liefde hebben wij alles te danken: ons leven met al de goederen, gaven en voorrechten daarvan in de natnnrlyke en bovennatuurlijke orde,eveneens de troostrijke hoop op een zalige eeuwigheid. Zij is als een altijd springende bron, waaruit voortdurend aan een ieder nieuwe weldaden toevloeien, want God is niet alleen goed maar ook rijk, zoodat zijne schatten even onuitputtelijk zijn als zijne Milddadigheid onbegrensd is. Door haar is de mensch tot koning der schepping verheven, met eer en heerlijkheid gekroond om later, zoo hij de genade der Verlossing met ijver ter zaligheid gebruikt heeft, als vorst in Gods eeuwig Rijk te zetelen. — Wie zijn de getuigen voor al die waarheden? Vraagt gij het den Engelen, zij zullen u antwoorden, dat het Gods Liefde was, welke hen en ons schiep en verhief boven alle andere werken zijner handen. Vraagt gij het aan de Profeten, zij zullen u zeggen, dat God den mensch van eeuwigheid heeft liefgehad en daarom Zich zijner erbarmde; vraagt gij het aan de Apostelen, zij zullen u in den H. Geest leeren, dat Gods Liefde zóó groot is, dat Hy eene menigte van zonden vergeeft, als Hij slechts bemind wordt. Uit die antwoorden leeren wij veel, maar nietalles. Het was den h. Joannes voorbehouden dat geheim in zijn geheele volheid te doen kennen, omdat hij, de by uitnemendheid beminde leerling,

ocr page 170

eerste zondag na pinksteren.

het geleerd had, toen hij op de borst des Zaligmakers rustte en daar die stil gefluisterde ontboezeming van Jesus' Hart vernam : God is liefde.

Hierin vooral is Gods liefde tot ons geopenbaard, dat God zijnen ééngeborenen Zoon in de wereld gezonden heeft. Vooral — voegden wij er bij — en inderdaad: een grooter, een treffender bewijs van zijne Liefde voor het menschdom kon God niet geven dan dat Hij zijn eigen Zoon niet spaarde maar Hem voor ons allen overleverde. En dan onder welke omstandigheden! De h. Joannes laat daaromtrent niet den minsten twijfel bestaan. Dat een behoeftige bij een rijke om ondersteuning bidt, dat een zieke by den geneesheer hulp zoekt, dat een beleediger aan den beleedigde vergiffenis vraagt, ligt zóó zeer in den gewonen loop der dingen, dat het niets bevreemdens heeft. Maar keert eens die orde om: denkt u het geval, dat die rijke en die geneesheer en die beleedigde ook ongevraagd aanbieden wat zij weten dat den andere voordeelig en nuttig is; herinnert u verder, dat God zelf Zich aldus milddadig en vergevingsgezind betoont. Hij die op een oneindig verren afstand van den mensch staat, voelt gij u dan niet door verbazing aangegrepen en als gedwongen om met David uit te roepen: wie kan des Heeren machtdaden uitspreken, wie al zijnen lof verkondigen (Ps. C. V, 2) ? Toch zouden wij bij al die veronderstellingen nog ver onder de werkelijkheid blyven. Overweegt wat de Apostel schreef: Hikrin bestaat deze liefde : niet dat wij God beminden, maar dat Hij het eerst ons liefgehad heeft. God heeft dus den eersten stap gedaan; Hij voorkwam den mensch, zonder dat diens zedelijke toestand een beroep op zijne Goedheid wettigde; integendeel: het menschdom, in zijn geheel genomen, was strafwaardig, had zijn weg bedorven. God verworpen en, in plaats van zijn Schepper, valsche afgoden gediend. Toen wij nog zondaars waren, zijn wij door Hem behouden geworden, zijn wij gerechtvaardigd in Jesus' Bloed, met God versoend

158

ocr page 171

eerste zondag na pinksteren.

159

door den dood van zijnen Zoon (Rom. V, 9 en 10). Zoo verhief God zijne Liefde jegens ons. En door welke middelen! Zeker, vele stonden den Almachtige en Alwijze ten dienste ter verlossing en tot heil van zijn volk ; maar zijn onbegrijpelijke Liefde koos dat middel, dat het meest rekening hield met de waardigheid van zijn redelijke schepselen en tevens eene mate van hulp bood, als geen ander had kunnen geven. Niet een der heilige mannen of vrouwen, niet een der Engelen werd uitverkoren om door te lijden en te sterven aan de goddelijke Majesteit voldoening te geven voor de misdaden der menschheid — wat voldoende zoude geweest zijn, zoo God Zich daarmede had willen vergenoegen. Neen : Zijn ééngeborenen Zoon zond Hij in de wereld en gaf Hem, mensch geworden, over aan den dood des kruises tot verzoening van onze zonden. Niemand minder mocht het zoenoffer zijn; God eischte een oneindig groote voldoening voor oneindig groote beleedigingen, en die kon slechts door een Persoon van oneindig groote Waardigheid gegeven worden, door den God-mensch. Ook Jesus had ons met veel minder lijden kunnen verlossen; één druppel Bloeds door Hem gestort, ééne bede om vergiffenis voor de zondaren door Hem hemelwaarts opgezonden, één enkele verzuchting van zijn Hart ware genoeg geweest om duizende werelden van alle smetten te reinigen. Doch het lag in Gods liefdevolle plannen opgesloten, dat het groote Verlossingswerk van alle zijden volkomen zijn moest en meer zoude geven dan strikt genomen noodig was; dat de genade allerovervloedigst zou worden, waar de zonde overvloedig was. Zoo werd Jesus in den vollen zin des woords Verlosser, Vredestichter en Zaligmaker der wereld, niet alleen voor onze zonden lijdende maar ook voor die der geheele wereld. Allen moesten door Hem leven — leven in den bovennatuur-lijken zin, gelijk ook Jesus van Zich zeiven getuigde; Ik hen gekomen, opdat zij het leven hebben en overvloediglijk hebben (Joan. X, 10); leven uit de genade door Jesus verdiend en

ocr page 172

eerste zondag na pinksteren.

door den H. Geest medegedeeld; leven hier met Christus om hiernamaals met Hem voor eeuwig te leven in den Hemel.

De waarheid van die Zending en van dat Werk des God-menschen ie boven allen twijfel verheven. Wu hebben het

aanschouwd en geven er getuigenis van, dat de vader

den Zoon gezonden heeft tot zaligmaking der wereld ; zoo kon de h. Joannes spieken in naam van zich zeiven en in naam zijner mede-Apostelen. Hetgeen van den beginne was, hetgeen wij gehoord, hetgeen wij met onze oogen gezien hebben, hetgeen wij aanschouwden en met nnze handen betastten van het Woord des levens.... dat verkondigen wij u, schreef hij reeds in het begin van denzelfden brief (1 Joan. I, 1). De Apostelen hadden Gods Zoon, die van eeuwigheid was en in de volheid der tijden mensch werd, met eigene oogen gezien en met hunne ooren de woorden des levens van zijne lippen opgevangen, en Hem met hunne handen mogen aanraken ; Hij was door zijne Mensch-wording hun aanschouwelijk geworden, en dat alles verkondigden zij in hun Evangelieprediking. Die getuigenis was onwraakbaar en moest elk onbevooroordeeld verstand gevangen nemen in de erkenning van die grond-waarheid des Christendoms. Wat zij predikten in woord en in geschrift, hebben zy bevestigd door een heilig leven, en met hun bloed bezegeld, terwijl de Heer medewerkte en hun woord bevestigde door de teekenen, welke er opvolgden.

De gevolgtrekkingen uit hetgeen de h. Joannes ons leerde aangaande de komst van Gods Zoon in de wereld en het doel zijner Zending liggen voor de hand. Wu dus, laten wij God liephebben, omdat God ons eerst heeft liefgehad. God heeft Zich als de oneindige en onverdiende Liefde betuigd in de Mensch-wording van zyn ééngeborenen Zoon; geen duurder plicht kan bedacht worden dan dat wy Hem met wederliefde vergelden, dan dat wij Hem metterdaad liefhebben.

160

ocr page 173

eerste zondag na pinksteren.

Weest gijlieden volmaakt — elschte de Zaligmaker — gelijk uw hemelsche Vader volmaakt is (Matth. V); en waarin bestaat die volmaaktheid ? De h. Thomas geeft het antwoord in deze woorden : „een schepsel is dan volmaakt, als het zijn hoogste „doel bereikt heeft, waartoe het geschapen is; want alsdan „kan het niet hooger stijgen, omdat het daar gekomen is, „waar het overeenkomstig zijne natuur komen kan.quot; quot;Welnu, wij Christenen, zijn overtuigd dat God niet alleen de Schepper is van ons leven maar ook het laatste doel van ons bestaan. De volmaaktheid, waarnaar allen te streven hebben, dient dus gezocht en moet gevonden worden in de innigste vereeniging met ons opperste Goed. En door welke deugd komt die vereeniging tot stand? Het is de liefde, waarmede wij God uit al onze krachten, uit geheel ons hart en uit geheel ons verstand beminnen. Zij hecht ons aan den beminden Persoon en geeft zich aan Hem over, stelt zich in zijnen dienst en vindt er haar vermaak in zich naar zijne verlangens te schikken. Mijn beminde behoort aan mij — moeten wij dus met Salomon kunnen zingen — enik behoor aan Hem {11, 16); het leerrijk woord van den Apostel: die in de liefde blijft, blijft in God en God in hem, moet van ons bewaarheid worden, zóódat een innige levensgemeenschap bestaat tusschen God en den waren Christen, eene gemeenschap welke zich van den eenen kant openbaart door het mededeelen van groote genaden en van den anderen kant door bereidwillige overgave van eigen wil en van eigene inzichten. De hoogste volkomenheid in die liefde zal daarom hij bereiken, die God boven alles bemint; die om God aan al het andere verzaakt en zich onthecht aan alles, wat God niet is; die al zijne gedachten en begeerten op God richt en al zijne vreugde in God vindt; die voor al het vergankelijke en voor zich zeiven als dood is, om voor God alleen te leven. Zulk eene liefde koesterde de h. Auöus-tinus, die in God alleen smaak vond en wien het aardsche walgde, zóódat van hem niet kon gezegd worden, wat hy

Verklaringen der Epistelen, n. 11

161

ocr page 174

EERSTE ZONDAG NA PINKSTEREN.

in anderen met zoo groote gestrengheid afkeurde zeggende: „wie naast God iets bemint wat hij niet om God bemint, „die bemint God minder dan hij Hem moet beminnen.quot; Een waar Christen moet dan in waarheid kunnen zeggen: „mijn „God en mijn alles,quot; en vele Heiligen zijn tot dien hoogen graad opgeklommen. Hen trachten na te volgen is voor allen plicht. Het doel, waarnaar wij streven moeten, is ons duidelijk aangewezen en, vóórdat het bereikt is, mogen wij nimmer ons te vreden stellen met hetgeen reeds gedaan is.

Opmerking. De Apostel besluit zijne leerrede over de liefde tot God met twee opmerkingen. Een goed vertrouwen, dat wij op den laatsten dag een barmhartig oordeel zullen verwerven, is eene zalige vrucht van de ware liefde tot God maar tevens ook een waarmerk der liefde. Daarom moeten wij allen de volgende woorden van een godvruchtig schrijver op ons toepasselijk achten: «onderzoekt uw geweten, wikt en weegt uwe »vorige gedachten en woorden en werken en vraagt u af of door «boetvaardigheid is uitgewischt wat daarin zondig was. Vreest »gij den grooten dag des Heeren niet, ducht gij de komst des «Rechters niet, die de geheimen des harten zal openbaren; »maar verlangt gij, dat zijn Rijk kome en gij den grooten »God in de macht zijner glorie moogt aanschouwen — ja, dan »moogt gij u er over verblijden, dat de liefde Gods uitgestort »is in uwe harten en met een kinderlijk vertrouwen moogt gij »roepen; Abba, Vader!' — Tot nog grootere geruststelling dienen wij ons ook deze vragen voor te leggen :„ Zijn wij in »de wereld geweest, gelijk Jesus was, die Zich om en voor den »mensch ontiedigd en opgeofferd heeft, die alles voor allen is »geworden om allen te redden en te zaligen; hebben ook wij »allen, die naar afstamming van Adam onze broeders en zusters mjn, bemind gelijk Jesus, die voor hen uit den Hemel neer-»daalde en later met zijn Kruis beladen den berg van Calvarie «besteeg; hebben wij God bemind dien wij niet zagen, maar ook »onzen evenmensch wiens nood en lijden wij aanschouwden en ■gt;wiens jammerklachten en smeekbeden wij hoorden ?quot;' Dan zijn wij

16'2

ocr page 175

eerste zondag na pinksteren.

»onzen Zaligmaker nagevolgd en behoeven het oordeel niet te »vreezen, want barmhartig zal het wezen voor wie barmhartigheid gedaan hebben. — Hier over meer.

II.

De Zoon Gods is mensch geworden en, onze natuur aannemende, werd Hij het Hoofd van het menschelijk geslacht. Dit alles, om allen uit de slavernij des duivels te verlossen en om hun een nieuw, een geestelijk leven van genade mede te deelen. In die waarheden ligt de diepste grond voor den plicht van naasten-liefde. Als Jesus zóó zeer alle menschen heeft liefgehad, dat Hij hen van eeuwigheid beminde, naar zijn beeld en gelijkenis schiep, toen zij in zonden gevallen waren door zijn Bloed loskocht en voor hen de hemelsche erfenis bereidde, dan moeten ook wij, zoo wij God beminnen, hen beminnen die door God bemind worden : het is toch eene eigenaardigheid der ware liefde, dat zij allen omvat, die in de genegenheid van den beminde deelen. Daarom is de liefde tot God en tot den naaste onafscheidelijk; de proefsteen onzer liefde tot God is de liefde tot den naaste; wie God in waarheid bemint, moet ook God inden evenmensch,den Schepper in het schepsel, den Weldoener in den beweldadigde, den Verlosser in den verloste, en omgekeerd: den evenmensch beminnen om God, die hem aan zijne weldaden deelachtig maakte en Zich verwaardigde hem als vriend en kind te behandelen. „Dit isquot; — zegt de h. Aügustinus — „de ware, goed geordende liefde.quot; Bovendien nog : hebben wij door het geestelijk leven, dat ons Jesus Christus heeft gegeven, eenige gelijkvormigheid met God verkregen, de plicht van dankbaarheid eischt dat wij Hem navolgen en zoo dat leven in ons tot hoogere volkomenheid opvoeren. Wij nu weten, dat de gansche aarde vol is van Gods Barmhartigheid (Psalm. VIII, 39), dat de geschiedenis van het menschdom eene onafgebrokene reeks ver-

163

ocr page 176

EERSTE ZONDAG NA PINKSTEBEN.

164

meldt van bewijzen der Lankmoedigheid, der Goedertierenheid, der Milddadigheid, der Goedheid van den Heer onzen God, welke in de Verlossing des menschen hun toppunt bereikten. Hiermede is gezegd, welke de mate en de omvang van onze naasten-liefde wezen moeten. Wij zijn, willen we navolgers van Jesus wezen, gehouden te zijn wat Hij was, te doen gelijk Hij deed. Hij beminde allen, vóórdat zij Hem beminden ; zelfs onthield Hij hun geen liefde-betoon, toen zij zijne vijanden geworden waren ; Hij vervolgde hen met zijne weldaden, al had Hij geene behoefte aan hunne goederen ; Hij wilde hen helpen, ten koste van vele ontberingen en opoffering; Hij spaarde Zich zeiven niet om door zijn dood hun het leven te geven. Alwie dan zijn evenmensch wil beminnen niet alleen met woorden maar metterdaad en in waarheid, hij schenke zijne hulp ook aan wie naar de inspraken eener be-dorvene natuur haat of afgekeerdheid waardig zijn : hij weigere bijstand niet, al ziet hij vooruit dat zijne weldaden niet beloond maar met ondankbaarheid zullen vergolden worden; moeite noch inspanning mogen ontzien worden, wanneer de nood van anderen dringend om ondersteuning bidt; verklaarde ook de Zaligmaker niet, dat niemand grootere liefde heeft dan deze is, dat iemand zijn leven geeft voor zijne vrienden (Joannes XV, 13)! Nog meer: wie in een levendig geloof aan Jesus' alies overtreffende Liefde zich aan een dankbare wederliefde wijden en de getuigenis van God verwerven wil, dat hij Christus' voetstappen drukt, hij zorge er voor dat het leven van den God-mensch niet zonder een heilzamen invloed op zijn gedrag blijve; dat hij elk gevoel van afgekeerdheid en wrevel met Gods genade in zijn hart smore; dat hij het voorbeeld van den zachtmoedigen en nederigen Jesus als regel neme voor zijn omgang met anderen ; dat hij, in weerwil van allen tegenstand zijner zwakke natuur en van de aanvechting des duivels of van de valsche grondbeginselen der wereld, aan zjjn plicht getrouw blijve en, al vergt het van

ocr page 177

eerste zondag na pinksteren.

zijne wilskracht groote inspanning en van zijne gehechtheid aan het aardsche menig offer, zich aansluite bij die weldoeners der menschheid, welke door hunne liefde-daden zich schatten verzamelden voor de eeuwigheid.

Dit gebod hebben wij van God, dat wie God lief heeft, ook zijnen broeder moet lief hebben. Hiermede is elke opwerping weerlegd, welke 'smenschen zwakheid zoude aanvoeren, of onwil als schijngrond te berde brengt. „Gij kunt „mij zeggenquot; — aldus de h. Hiëronymus — „dat gij te zwak „zijt om te vasten, maar niet dat gij niet kunt beminnen.quot; En zou van onwil sprake moge zijn? Waar God spreekt is der menschen plicht te gehoorzamen, zoo zij althans niet halsstarrig hun eeuwig ongeluk willen bewerken. God laat niet met Zich spotten en maakt zijne wet niet afhankelijk van de luimen zijner schepselen. Zijn wil staat vast in eeuwigheid en daaraan dient een ieder zich te onderwerpen, wil hij de straf der zonde ontgaan en de belooning der deugd verwerven. Ook kan niemand voorgeven, dat het gebod des Heeren voor hem onbegrijpelijk blijft. Aan duidelijkheid van hetgeen Hij ons allen voorschreef, heeft God het niet laten ontbreken. Op verschillende wijze heeft Hij en ook de God-mensch te kennen ïgegeven, dat wie in de liefde tot God niet wenscht te kort te schieten, zijn wil moet volbrengen, en die wil luidt: gij zult uwen naaste liefhebhen als u zeiven (Matth. XIX, 19); dat de vervulling van dit gebod een kenmerk is der ware liefde tot God, een bewijs dat wij ware volgelingen des Heeren Jesus Christus zijn, want — zeide Jesus — hieraan zullen allen erkennen, dat gij mijne leerlingen zijt, zoo gij liefde hebt tot elkander (Joan. XIII, 34). En, om alles in één woord samen te vatten, leerde Jesus aan den wetgeleerde, die Hem daaromtrent ondervroeg: gij zult den Heer uwen God liefhebben uit geheel uw hart, en met geheel uwe ziel, en met geheel uw verstand. Dit is helgrootste

165

ocr page 178

eerste zondag na pinksteren.

en het eerste gebod. En het tweede daaraan gelijk: gij zult uwen naaste liefhébben als u zeiven. Aan deze twee geboden hangt de gansche Wet en de Profeten (Matth. XXII, 37 — 40). In deze uitspraken van Gods onfeilbaar woord vernemen wij een alleszins gezaghebbende verklaring van een gelijkluidend gebod reeds vóór eeuwen door Moses op Gods bevel afgekondigd en tevens van deze woorden des h. Joannes : zoo iemand

zegt, ik bemin god, en zijnen broeder haat, is hij een leugenaar.

God heeft in zijne Goedheid, — al wederom een nieuwe reden om Hem onzen hartelijken dank te brengen — het zóó beschikt, dat het onderhouden van de liefde tot den naaste voor ons én gemakkelijk én tevens hoogst voordeelig zou wezen. Wij zien God niet in zijn Wezen noch in zijne goddelijke Majesteit. Wij kennen Hem door het geloof en leeren ook, gedeeltelijk ten minste, zijne Volmaaktheden in zijn heerlijke schepping bewonderen, maar Hij staat, om zoo te spreken, niet zichtbaar voor onze oogen in zijne Persoonlijkheid, en ook kunnen wij Hem niet een of ander tastbaar liefdebetoon bewyzen gelijk de gelukkige vrouwen uit het Evangelie aan Jesus deden, die Hem eerst tijdens zijne omwandeling op aarde met hare goederen ondersteunden en na zijn dood zijn heilig lichaam balsemen konden met de specerijen harer liefde. Omdat wij Gods Goedheid niet anders zien dan in zijne schepselen, maakt zijne Beminnenswaardigheid en zijn andere Volmaaktheden minder indruk, ook al zijn zij oneindig groot; daarom voelen velen zich minder geneigd Hem hunne wederliefde te betoonen. Alleen zij die zich verdiepen in de overweging van Gods Wezen en werken en een diep inzicht zich verworven hebben in zijne liefde daden, zij zullen door wederliefde tot Hem ontvlamd worden en woorden van liefde omzetten in daden van liefde. Hierbij komt nog, dat God aan niets van hetgeen wij bezitten behoefte heeft, en wij Hem

166

ocr page 179

EERSTE ZONDAG NA PINKSTEREN.

niets kunnen aanbieden, wat Hij niet het zijne noemen kan; wel is Hij oneindig beminnenswaardig, maar onze wederliefde zal zijn geluk niet verhoogen. — Den naaste daarentegen zien wij met al zijne nooden, met al zijn lijden, met al zyne behoeften, met al die uitwendige teekenen van hulpbehoevendheid, welke op elk rechtgeaard hart een overweldigenden indruk maken en tot een weldoend medelijden stemmen. Hieruit maakt de h. Joannes eene gevolgtrekking en vraagt:

HOE KAN HIJ G-OD, DIEN HlJ NIET ZIET, LIEFHEBBEN, DIE ZIJNEN BROEDER, WELKEN HIJ ZIET, NIET LIEFHEEFT, als Wilde hij Zeggen : het is toch den mensch lichter te beminnen dien hij ziet dan dien hij niet ziet. Zoo is onze menschelijke natuur. Aan den invloed van het zichtbare kunnen wij ons moeilijk onttrekken. Verhaalt aan iemand de verschrikkelijkste gebeurtenissen uit verafgelegene streken en plaatst hem voor ongelukken, welke hij met eigene oogen kan aanschouwen en, duizend tegen ean : voor de eerste zal hij schier ongevoelig blijven maar de andere zullen hem tranen doen storten. Wij allen ondervinden het dagelijks: het gebied, waarop ons gevoelsleven bewogen wordt en zich tot handelen voelt aangespoord, ligt niet in de verte maar in onze nabijheid. Wie liefde heeft, is het meest aangetrokken door hen, met wie hij door gemeenschappelijk verkeer verbonden is. De gevolgtrekking van den Apostel kan daarom niet bestreden worden: wie geen liefde voelt voor wien hij ziet, wiens bede hij hoort en beproevingen aanschouwt, hij zal ook om genoemde reden niet oprecht bevonden worden, al beweert hij God lief te hebben.

Naasten-liefde is niet alleen gemakkelijk maar ook door Gods beschikking hoogst voordeelig voor ons geestelijk leven. In zij^ie Goedheid wilde Hij in de liefde-werken aan den naaste bewezen de liefde voor Zich zeiven zien, aan Zich als gedaan beschouwen wat aan een zijner broeders gedaan is. En waarom? Wie zgn naaste bemint, hij bemint ook God, die het gebod der naasten-liefde heeft gegeven ; die alle beweeg-

167

ocr page 180

EERSTE ZONDAG NA PINKSTEREN.

gronden geleerd heeft, waarom de naaste te beminnen is; die ook in den naaste alle redenen vereenigd heeft, welke hem beminnenswaardig maken. Wie dit erkent, zal het ook begrijpelijk vinden, waarom de openbaring de liefde tot den naaste waardeert als liefde tot God. Toen Saulus door een blinden ijver gedreven de Kerk vervolgde, vroeg Jesus hem: „waarom vervolgt gij Mij,quot; want het lijden zijner leerlingen was ook des Meesters lijden; van den anderen kant; in het laatste oordeel zal Jesus voor het aanschijn der geheele wereld verklaren, dat Hij de spijze en den drank en de kleeding den arme gegeven schat en beloont als een liefde-daad, welke Hem bewezen is.

Opmerking. Het verdient alle opmerking, met welk een nadruk de h. Joannes op deze zalige vrucht der liefde wijst: die in de liefde blijft, blijft in god en god in hem, en dan op deze waarheid; hieraan weten wij dat wij in Hem blijven en Hij in ons, dat Hij ons van zijnen Geest gegeven heeft. De liefde — gij moogt ze hier opvatten als liefde tot God en als liefde tot den naaste — ver-eenigt den mensch met zijn Schepper voor den korten duur des levens en voor den langen duur der eeuwigheid. Zij is volgens den h. Paulus de band der volmaaktheid, want zij vat alle andere deugden tot een schoon geheel samen en geeft daaraan een kenmerk van volkomenheid, terwijl zij tevens ons zoowel met den naaste als met God verbint. Wie het eerste en voornaamste aller geboden en het tweede daaraan gelijk met Gods genade naar best vermogen onderhoudt, die volbrengt Gods wil en mag aanspraak maken op diens beloften ; die leeft naar het voorbeeld van Jesus en geene overtreding der goddelijke geboden zal een scheiding maken noch tusschen zijne ziel en zijnen God, noch tusschen hem en zijne natuurgenooten. Bij gevolg blijft ook God in hem met zijne liefde, vriendschap en genade. Gelukkige toestand voor den Christen, nog daardoor verhoogd, dat God de H. Geest in diens hart zijne woning zal opslaan en zoo een waarborg geeft voor diens vereeniging met

168

ocr page 181

EERSTE ZONDAG NA PINKSTEREN.

169

God. Daarenboven, overeenkomstig zijne zending, zal de H. Geest de liefde in den Christen vervolmaken door hem met nieuwen ijver te bezielen, tot meerdere liefde-daden aan te sporen, diens meening te zuiveren en hem over alle moeilijkheden te doen zegevieren, welke 's menschen natuur anders gereedelijk vindt of verdicht. Om die inwerking des H. Geestes te leeren kennen is er geen beter middel dan ze te beschouwen in die heldhaftige zielen, waarin een levendig geloof en een vurige liefde zich vereenigden om werken tot stand te brengen, welke tegelijk met Gods eer ook het geestelijk en lichamelijk welzijn des naasten beoogden. Zij aarzelden niet afstand te doen van de goederen en vermaken dezer wereld om zich onverdeeld der lijdende menschheid te kunnen wijden; zij brachten gezondheid en leven ten offer om des te vrijer en te beter aan anderen hulp te brengen; zij trotseerden alle gevaren met onverwinbaren moed om de fakkel des geloofs in het rijk der dwaling te ontsteken en de wet van Christus ingang te doen vinden, waar de duivel gebied voerde. Zoo bewezen zij, die helden, door hun werken en lijden en sterven, dat het Rijk Gods in hen was en zij door den H. Geest geleid werden. Zij voelden zich — geen wonder ook, en dit was reeds een belooning tijdens hun leven genoten — kinderen van den hemel-schen Vader en naderden in hunne gebeden tot Hem met vertrouwen, alles van zijne Goedheid verwachtende, dewijl het geweten hun niets verweet maar wel betuigde, dat zij met daad en in waarheid liefde tot God en tot den naaste beoefenden met God en om God. Alles wat zij dan ook naar den wil van God vroegen, hebben zij verkregen. Vrees, slaafsche vrees kenden zij niet; die was bij hen verbannen, buiten gesloten door de liefde. Omdat zij volmaakt waren in de liefde tot God en tot den naaste, deden zij het goede, niet om straf te ontgaan, maar werden door hoogere beweegredenen gedreven en konden daarom den dag des oordeels met vertrouwen te gemoet zien. Zelfs schroomden zij den dood niet, maar wenschten, evenals de h. Paulus, ontbonden te worden; want hun leven was rijk aan arbeid en aan offer, en zij mochten hopen met Christus te zullen zijn. — Dit voorbeeld van die heilige mannen en vrouwen

ocr page 182

EERSTE ZONDAG NA PINKSTEREN.

170

en de belooning hier niet alleen maar ook en wel vooral hierna maals hun geworden zijn voor ons krachtige drijfveeren om hen na te volgen. Al zouden wij ook ver bij hen achter blijven — want niet aan allen geeft God dezelfde genade — een duurzame poging om op hen te gelijken mag nimmer onbeproefd blijven. God vergt van ons het onmogelijke niet; alleen wil Hij, dat wij met de ons gegevene genade medewerken en doen wat en tijd en omstandigheden van ons vragen en wat niet boven het bereik van onze krachten is. Daartoe zijn allen in staat, al doen zich vele moeilijkheden op. De ware en oprechte liefde is sterk als de dood, zij lijdt alles en offert alles op; vele wateren van beproevingen vermogen haar niet uit te dooven (Hoogl. VIII, 6).

ocr page 183

TWEEDE ZONDAG NA PINKSTEREN.

Veel geliefden ! Verwondert u niet, zoo de wereld u haat. Wij weten, dat wij van den dood tot het leven zijn overgevoerd, dewijl wij de broeders liefhebben. Die niet liefheeft, blijft in den dood; al wie zijn broeder haat, is een moordenaar ; en gij weet, dat geen moordenaar het eeuwig leven blijvend in zich zeiven heeft. Hierin hebben wij de Lietde Gods leeren kennen, dat Hij zijn leven voor ons gegeven heeft; ook wij moeten voor onze broeders het leven geven. Zoo iemand de goederen dezer wereld bezit en zijnen broeder ziet gebrek lijden, en zijn hart voor hem sluit, hoe blijft de liefde Gods in hem ? Mijne kinderen ! laat ons niet met woorden beminnen of met de tong, maar met daden en waarheid. i Joan. Ill, 13—18,

Inleiding. Het voorspellend woord des Zaligmakers : hebben zij Mij vervolgd, ook u zullen zij vervolgen (Joan, XV, 20), is zeer spoedig in vervulling gegaan. De geschiedenis leert, dat niet alleen de Apostelen maar ook zij, die Jesus' leer omhelsd hadden, zoowel van de Joden als van de Heidenen veel te verduren hadden. Het gevaar was daarom niet denkbeeldig, dat

ocr page 184

TWEEDE ZONDAG NA PINKSTEBEN.

de nieuw-bekeerden onder dat lijden mismoedig werden, zelfs dat zij onder die beproevingen bezwijkende van het aangenomen geloof afvallig werden. Daartegen moest de h. Joannes hen versterken, en hij schreef hun den brief, waarvan de Kerk van Jesus ons heden een gedeelte ter overweging voorhoudt. »Wat 9 kan het u derenquot; — gaf hij hun in de vorige verzen te verstaan — »al moet gij voor een korte wijle het lijden voelen »van dezen tijd, daar gij de belofte hebt des eeuwigen levens. jgt;Er is en er moet strijd wezen tusschen u, die van deze wereld »niet zijt, en tusschen hen, die der vergankelijke wereld aan-5hangen en dienen. Zij mogen u haten, omdat gij leerlingen »en volgelingen des Heeren Jesus Christus zijt; gij moet nochtans u gelukkig achten, dewijl gij u verheugt in het bezit der «waarheid, welke vrij maakt, en de belofte hebt der geestelijke »goederen voor dit en voor het toekomstig leven. Weest blij, »als gij om Jesus' Naam vervolgd wordt, want uw loon zal »groot wezen in den Hemel, mits gij in de beproeving niet «bezwijkt en ten einde toe met Jesus vereenigd zijt gebleven. «Daarom, blijft toch ook hen beminnen, die nu zich als uwe vijanden gedragen. Dit is noodig om te bewijzen, dat gij in Gods «genade zijt en in zijne vriendschap leeft. Evenwel; bedriegt «u zeiven niet. Niet elke liefde zal Gode aangenaam wezen. «Uwe naasten-liefde moet oprecht en werkdadig wezen en, naar «het voorbeeld van uwen goddelijken Meester, moet gij niet «aarzelen om, zoo het noodig is, het leven voor uwe broeders «ten offer te brengen; doch altijd zijt gij verplicht van uwe «bezittingen iets af te zonderen om in den nood van anderen te «voorzien, Bemint gij zóó, dan blijft gij niet in den dood maar «hebt gij het leven der genade.quot; — Hoe vele en gewichtige waarheden zijn in die weinige woorden opgesloten; hoe vele opmerkingen zijn daaraan vast te knoopen en hoe vele gevolgtrekkingen daaruit af te leiden ! Wij vatten ze alle te zamen in deze hoofdgedachten ;

I de wereld haat den deugdzame en deze troost zich met het kindschap Gods;

II tegenover dien haat stelt hij liefde, ware werkzame liefde-

172

ocr page 185

tweede zondag na pinksteren.

I.

Onafgebroken woedt de strijd, welke in de wereld gevoerd wordt tusschen het kwade en het goede; zonder verpoozing staat de duivel met zijne aanhangers ten kamp uitgerust tegen Christus met diens volgelingen. Het eerste voorbeeld daarvan lezen wij in den vroegen dood van Abel, die door zijn broeder werd doodgeslagen, omdat hij gerechtig was en zijn offer met welgevallen door God werd aangenomen. Deze treurige geschiedenis werd gedurende het lang bestaan der wereld dikwerf herhaald, en nog de laatste dag zal daarvan getuige wezen. De ware dienaren des Heeren zijn voortdurend een voorwerp van haat voor de wereld, voor al diegenen, welke haar en der zonde dienen. Verwondert ü daarover niet — zegt de h. Joannes. Maar hoe dit uit te leggen ? Wie kan begrijpen, dat Jesus, die al weldoende rondging, door de Joden gehaat werd; dat de Apostelen, boden des vredes en des heils, vervolgd, gegeeseld, gedood werden; dat de Christenen, die geene andere rechten eischten dan om in vrijheid naar hunne overtuiging te leven, aan de vinnigste vervolging ten doel stonden ; dat ook heden ten dage de geloofsleer der Kerk, hare eeredienst en tucht, geheel hare inrichting en werkzaamheid, haar streven en arbeiden verdacht en bespot, voorgesteld worden als doodend voor den geest en verlagend voor het zedelijk bewustzijn van den met rede begaafden mensch ; dat de besten van Jesus' leerlingen het meest onder tegenspraak en beschimping te lijden hebben ?

Wij zouden hier voor een schier niet te doorgronden raadsel staan, zoo de ondervinding niet leerde, dat vrijwillige onkunde en de bedorvenheid des harten eene oplossing geven van vele geheimen des menschelijken levens. De grondwaarheden des Christendoms, als daar zijn: de schepping en de val des eersten menschen, de zoendood en de verlossing door Christus bewerkt, de stichting der Kerk en de zending des

173

ocr page 186

TWEEDE ZONDAG NA PINKSTEREN.

H. Geestes, het ingestelde Priesterschap en het voortdurend offer, de wederkomst van Jesus ten oordeel en de eeuwigheid van straf en belooning — al die geloofspunten worden verworpen, al kunnen zij de klaarblijkelijkste bewijzen aanvoeren zoowel voor hunne waarachtigheid als voor hunne oudheid. Een zekere voorname betweterij veroordeelt ze als onwetenschappelijk, als verouderd en niet meer passend in de lyst der nieuwerwetsche denkbeelden, terwijl de belijders gescholden worden als dompers en achterblijvers, die met hun tijd niet meegaan en alle aanspraak verloren hebben op den eere-naara van beschaafde en ontwikkelde menschen. Een weten schappelijk man en denker — zoo heet het — kan die leerstukken des geloofs niet aannemen, of hij moet zich laten welgevallen, dat hij met minachting bejegend wordt door allen, die de vrijheid der gedachte als het hoogste goed beschouwen en voor zich zeiven een nieuwen godsdienst weten te vinden. Het geldt als voornaam zich over die „verouderdequot; begrippen heen te zetten en voor eeu bewijs van onafhankelijkheid wordt het gehouden, dat naar willekeur wat eerbiedwaardig is overboord geworpen wordt en de meest ongerijmde stellingen als onfeilbaar zeker gehuldigd worden; maar die anderen, welke meenen dat aan de van voorheen overgeleverde en door een bevoegd gezag verkondigde geloofs-en zedenleer nog groote waarde toe te kennen is, moeten aan de algemeene spotternij prijs gegeven worden. — Jammer voor die nieuwigheidskramers, dat hunne loochening, b.v. van het bestaan van God Hem niet van z\jn alouden troon kan stooten, dat hun verwerping der eeuwigheid de afschuwelijke hel niet sluiten zal. Hun hoogmoed zoude dan ongestraft blijven, terwijl zij nu gevaar loopen het lot van den gevallen Lucifer te deelen.

De grootste vijand van het eenig ware geloof is evenwel de bedorvenheid van het hart. Velen zijn ongeloovig, omdat zij slecht willen zijn en meenen een vrijheidsbrief te bezitten

174:

ocr page 187

TWEEDE ZONDAG NA PINKSTEREN.

175

voor allerlei zedelijke ongebondenheid, als zij met het geloof gebroken hebben. Wij bedoelen vooreerst al die halfslachtige Katholieken, die al de vroegere met overtuiging beleden waarheden wel niet hebben verzaakt, maar toch het liefst zich bewegen onder de zoogenaamd verlichten of vrijzinnigen om niet voor domperridders te worden gehouden en als mannen van onbekrompene opvatting zich vrijer op zedelijk gebied te kunnen bewegen. Het weinige dat zij van hun geloof nog hebben overgehouden offeren zij aan de eerzucht en straks hunne zedelijkheid aan den geest der wereld, om weldra plaats te nemen onder die rampzaligen, welke den Zaligmaker verloochenen voor de menschen en, bekeeren zij zich niet, ook door Hem voor den hemelschen Vader zullen verloochend worden. Van hen, zwak van wil en even week van hart, hebben de goedgezinden veel te lijden. Ook de ergernis daar gelaten, welke zij geven, zij maken den G-ods-dienst belachelijk, welken zij zeggen te belijden. Uit vrees voor het menschelijk opzicht tot een ongodsdienstig leven verleid, schamen zij zich niet hen schijnheiligen te noemen, die op ware deugd zich toeleggen, en zullen in het bijzijn hunner geest-verwanten met de godsvrucht spotten. Zij stichten zooveel kwaad en door hunne wereldsgezindheid bedroeven zij niet alleen het gemoed van al diegenen, welke een getrouwe plichtsbetrachting vóór alles stellen, maar ook zijn zij een schande voor de Katholieke Kerk, waarvan zij de roem en de eer konden zijn, als zij hun gedrag naar hare grondbeginselen regelden. — Wie op een nog smadelijker wijze plaats nemen in de rijen der vijanden van den Christelijken naam, zijn die pochen op hunne ongeloovigheid en groot gaan op het verachten van de eeuwige wetten der zedelijkheid. Een pijnLfker martelaarschap bereiden zij aan de oprechte Christenen dan de beulen, die de belijders van Jesus' Naam voor de wilde dieren wierpen. Zij vooral zijn het die, hunne knieën voor de afgoden van onzen tijd buigende, er op uit zijn om

ocr page 188

tweede zondag na pinksteren.

den moed der ware geloovigen op de hardste proef te stellen en hen met alle spotternij te overladen. Hun bedorven hart is de groote bondgenoot van hun ongeloof en van hen is het waar, wat de h. Augustinus zeide, „dat de sleutel van alle „dwalingen moet gezocht worden in de afwijkingen des harten.quot; Geef hun een rekbare zedenleer, neem een en ander der tien geboden weg, en zij zullen het Credo zingen; laat de Kerk ophouden te spreken van versterving der zinnen, van zelfverloochening, van onthouding, en zij zullen haar als moeder prijzen ; als een Christen zich aan geene wet behoeft te storen en geen teugel aan zijne hartstochten moet aan leggen, zij zouden de eersten wezen, die zich onder Jesus' standaard schaarden. Maar geen iota zal ten hunne gerieve aan Gods wet veranderd worden; de Kerk moet prediken, wat zij gehoord heeft; elk Christen dient onafgebroken strijd te voeren tegen de begeerlijkheid der oogen en des vleesches zoowel als tegen de hoovaardij des levens. Dat weten die dwazen, en daarom is hun niets heilig en haten zij en Christus en Kerk en Christendom.

De Zaligmaker had het op 't laatst van zijn leven aan de Apostelen voorspeld; indien gij van de wereld waart, de wereld zoude het hare liefhebben: doch omdat gij van de wereld niet zijt, maar Ik u van de wereld heb uitverkoren, daarom haat u de wereld (Joan. XV, 19), en de h. Paulus, dat woord van den goddelijken Meester tot alle diens leerlingen uitstrekkende, durfde schrijven : allen, die godvruchtig willen leven in Christus Jesus, zullen vervolging lijden (II Tim. III, 12). Zoo is de wereld, welke in het booze verzonken ligt, zoo ook zijn hare aanhangers. Zij achten zich beleedigd, in hun hoogmoed gekrenkt, wanneer anderen betere wegen bewandelen, en die beleedigde hoogmoed voert tot haat. Abel was een voorwerp van haat voor zijn broeder, omdat hij welgevallig in Gods oog was; de godvruchtige Noë werd met zijn gelijk-gezinde

176

ocr page 189

tweede zondag na pinksteren.

familie door lichtzinnige en wellustige stamgenooten uitgelachen, omdat hij God diende; Josef werd vervolgd, omdat hij geen medeplichtige van de misdaad zijner broeders wilde zijn, en later in den kerker geworpen, omdat hij aan de verleiding van een ontuchtige vrouw weerstand bood: David stond ten doel aan de vervolgingswoede van den nijdigen Saul, omdat God met hem was. Eveneens was het altijd en niet minder in onze dagen. De goddeloozen voelen zich vernederd en ontmaskerd door den stichtenden levenswandel der vromen en, hen niet kunnende uitstaan, trachten zij hen te benadeelen, verdacht te maken, minstens aan de bespotting van anderen prijs te geven. De deugd is voor hen eene beschaming en eene veroordeeling van hun gedrag en daarom staat de deugdzame bloot aan de vergiftigste pijlen van hunne gekrenkte eigenliefde. „De hoogmoedquot; — aldus leert de h. Leo „kan de nederigheid niet verdragen, de brooddronken-„heid de ingetogenheid niet, de gierigheid de milddadigheid „niet, en dit groot verschil doet zulk een hardnekkigen strijd „ontbranden, dat die het binnenste des harten in vlam zet, „al wordt voor het uiterlijke de vrede bewaard.quot; De haat legt deze woorden op hunne lippen : laat ons den gerechtige belagen, want hij dient ons niet; hij verzet zich tegen ons gedrag, hij verwijt ons, dat wij zondigen tegen de wet en brengt ons in kioaden naam om onze overtredingen.... Zelfs hem aan te zien, valt ons lastig, omdat zijne levensioijze niet gelijk is aan die van anderen, en omdat hij een zonderling is in zijn gedrag (Wijsh. II, 12, 15). Zij zijn Aio spotters, welke naar hunne lusten wandelen in goddeloosheden, dierlijke menschen, die den Geest niet hebben (Jud. 18).

Opmerking. Of wij ons daarover moeten bedroeven ? Zeker, wij voelen het pijnlijke van die vervolgingen, maar worden daarom niet ter neer geslagen. Wij worden gehaat, omdat wij niet van deze wereld zijn en, in Christus herboren en kinderen Gods geworden, ons beijveren navolgers te zijn van Verklaringen der Epistelen, II. 12

177

ocr page 190

178 tweede zondag na pinksteren.

Jesus, die door zijn volmaakten levenswandel het wangedrag zijner vijanden hekelde en waarheden predikte, welke met den blos der schaamte hunne wangen kleurden. Fier verheffen wij dan ook onze hoofden en vinden in ons geloof het noodige licht om het nietige van die slagen onzer vijanden in te zien, terwijl het bewustzijn, dat wij VAN DEN DOOD TOT HET LEVEN ZIJN OVERGEVOERD, ons sterk maakt. Die vervolgingen zijn dan ook niet als een groot kwaad te beschouwen; de haat der wereld kan ons voor dezen tijd al zeer weinig schaden en voor de eeuwigheid niets. God kan ook paal en perk stellen aan de machtigste boosheid en de vervolgden zeiven met een onoverwinnelijk geduld tot helden vormen. Wij kunnen ons zelfs verheugen, als wij om Jesus' Naam en om zijne wet mogen lijden. Dit is voor den Christen een hooge zaligheid, al is de smart pijnlijk, welke de vervolging der wereld berokkent. Wie God tot vriend heeft zal door den haat eener booze wereld niet geschaad worden. De h. Petrus maande daarom zijne nieuwbekeerden aan om zich over de hitte der verdrukking, -welke over hen kwam, niet te verwonderen maar blijde te wezen als deelhebbende aan Christus' lijden, opdat zij zich bij dc openbaring zijner Heerlijkheid juichende mochten verblijden (i Petrus IV, 12). Dat zijn waarheden, welke zelfs den van nature kleinmoedige onversaagd kunnen maken. Doch waaraan kunnen wij erkennen, dat wij naar het leven der genade zijn overgevoerd; welk is het kenteeken, waardoor een Christen genoegzame zekerheid verkrijgt, dat hij zich in de vriendschap Gods mag verheugen? Die vraag eischt al onze aandacht.

II.

Gelijk het kenmerk der boozen de haat is, evenzoo onderscheiden zich die Gode aanhangen door de liefde. Wij zeggen hiermede niet meer dan wat de h. Joannes aanvoert als een bewys, dat wij met recht hopen in staat van genade voor God te leven; wu weten dit — leert hij, dewijl wij den

ocr page 191

tweede zondag na pinksteren.

broeder lief hebben ; en verklaart tevens, dat wie niet lief heeft in den dood blijft. Liefde voor den naaste is alzoo een waar en een merkbaar kenmerk van een geestelijk ]even voor God en by gevolg van de vriendschap met God; doch van den anderen kant: waar de liefde ontbreekt, heerscht de geestelijke dood der ziel. Evenwel wachte men zich dat weten, waarvan de h. Joannes spreekt, op te vatten in den zin van onfeilbare zekerheid, welke Gods geopenbaard geloof alleen ons geeft; slechts mag gezegd worden, dat de getuigenis, door het beoefenen van liefde-werken verkregen, aan de zekerheid des geloofs het meest nabij komt. En dan kunnen voor het gezegde van den Apostel in dien zin opgevat, veie redenen aangevoerd worden. God is Liefde; zyn werken in de natuur, zyn leven in den geest des menschen en in de Kerk van Jesus is Liefde, het zijn alle bewijzen zijner Liefde. Zoo is ook het leven, dat door Hem wordt ingestort, een leven van liefde, een leven dat door liefde zich openbaart. Waar alzoo de ware, oprechte liefde zich betuigt door weldoen aan den evenmensch om God, daar zal het leven der genade heer-schen; een Christen, die zoo bemint, zal door God bemind worden; wie door Jesus aangedreven zich wijdt aan werken van geestelijke of lichamelijke barmhartigheid, mag vertrouwen dat hij in de vriendschap met God leeft, dat hij in God is en God in hem. Daarentegen : wie zich liefdeloos tegenover den naaste gedraagt, hem niet alle goed toewenscht en gunt, hem benijdt en leed aandoet, over diens ongeluk zich verheugt, die blijft in den dood en zal, zoolang hjj zich niet bekeert, het leven der genade en de vriendschap met God derven, geestelijk dood voor God wezen, dewijl hij een groot gebod van God overtreedt.

Er zijn nochtans, volgens den Apostel, graden in die liefdeloosheid. Niet beminnen, haten en moorden, zij zijn de drie zonden, waardoor al grover tegen het groote liefde gebod mis-

179

ocr page 192

tweede zondag na pinksteren.

dreven wordt en de geestelijke dood der ziel een meer afschuwwekkend karakter aanneemt. Alleen zoude men nog kunnen vragen: is dit gezegde van den Apostel: alwie zijnen beoedeb haat, is een moordenaar, niette hard? Elkeen die zijn gezond verstand wil raadplegen en niet aan de letter blijft hangen, zal een ontkennend antwoord geven. De hater en de moordenaar zijn in gezindheid gelijk. Beiden bedreigen het leven; de eene in het hart, de andere wild en woest van natuur en tot woede vervoerd met de daad, terwijl het slechts van de omstandigheden afhangt, als ook de [hater niet tot een bloedige daad overslaat. Bovendien: iemand kan moordenaar in wijderen zin worden zonder bloed te vergieten. Men kan iemand zijn eer ontnemen en hem daardoor ten gronde richten; hem van het geloof afvallig maken, hem alle goede beginselen doen verzaken en zoo geestelijk dooden; hem alle opvoeding en onderricht onthouden en hem zoo der verwildering prys geven ; hem door ergernis verleiden en zoo den dood zijner ziel berokkenen; men kan den arme het noodige weigeren en hem zoo tot wanhoop brengen, den eene zijne dagen verbitteren en den andere van leed en kommer naar het graf drijven. — In al die gevallen wordt een zedelijke moord gepleegd, en blijft het aangehaalde woord van den h. Joannes waar evenals die andere uitspraak: geen moordenaar heeft het eeuwig leven blijvend in zich zelven, hij zal niet die liefde en die rechtvaardigheid bezitten, welke gevorderd worden om het eeuwig leven te beërven.

Uit het bovenstaande maken wij deze gevolgtrekkingen. Zoolang wjj den evenmensch niet in waarheid beminnen, zullen wy ook God niet naar plicht liefhebben; als wij ons hart aftrekken van G-ods redelijke schepselen, hangen wij ook den Schepper niet aan; een onbarmhartig gedrag tegenover onze natuurgenooten kan niet samengaan met de liefde tot God, die ryk is aan Barmhartigheid en al zijne schepselen met weldaden overlaadt; dewijl God al zijne kinderen liefheeft en

180

ocr page 193

T

I li

tweede zondag na pinksteren.

wil, dat zij elkander als lidmaten van een huisgezin liefhebben en de eene met den andere in eendracht leeft, hebben zij alle recht om Hem Vader te noemen verloren, die een hunner broeders of zusters vijandig gezind zijn; omdat God alle menschen in eene gemeenschap vereenigd heeft, opdat zij elkander in hunnen nood bijstand en hulp verleenen, 8n omdat Hij aan allen een hart voor medeleden vatbaar gegeven en zijne gaven onder hen zóó wijselijk verdeeld heeft, dat een ieder gelegenheid vindt om met de hem geschonkene talenten den andere ten dienste te staan — daarom kannen zij op Gods Liefde en Yriendschap geen aanspraak maken, welke tegen die wijze en liefdevolle orde in verzet komen. Strenger nog zal zeker het oordeel zijn tegen hen te vellen, die in zoo verre het gebod der naasten-liefde vergeten, dat zij een even-mensch haten, die Gods beeld en gelijkenis in zich draagt en niet minder dan zij door Jesus vrijgekocht en ter eeuwige heerlijkheid geroepen is; het allerstrengst tegen den moordenaar van ziel en van lichaam des naasten, tegen hem van wien of het bloed of de ziel van een ander zal opgeëischt worden. Zij allen zijn geestelijk dood en zullen, zoo een volledige bekeering het herwinnen van de verlorene genade niet bewerkt, het ware leven niet hebben, noch hier noch hiernamaals.

De h. Joannes haalt twee gevallen aan, waarin een werk-dadige liefde zich moet betuigen. Met eene verwijzing naar het voorbeeld van den goddelijken Leermeester eischt hy,

dat ook wij het leven voor onze broeders moeten geven

en vervolgens veroordeelt hij een ieder, die de goederen

dezer wereld bezit en zijn broeder ziet gebrek lijden en

zijn hart voor hem sluit. Bij het verklaren van die gedachten kunnen wij zeer kort wezen. Alle menschen zijn broeders ; zij erkennen God als hun gemeenschappelijken Vader; zij zijn met elkander op de innigste wijze vereenigd en vor-

181

li

l'; ;||

-lil

■ 1%

'iii 1 iS;

si li

ill

P

II

I'

M i\

I

i

1

li iU i

i

• n

I.

jjlfi

m 11| quot; ll

iüM

■

ocr page 194

tweede zondag ka pinksteren.

182

men te zamen eene familie. In dat familie-leven doen zich somtijds omstandigheden voor, waarin den naaste hulp moet geboden worden hetzij door bloed hetzij door goed. De liefde Qods — leert de Apostel — hebben wij hierin leeren kennen, dat Hu zijn leven voor ons gegeven heeft; en dit voor-beeld van een ware en alles opofferende liefde doorJesus ons gegeven, toen Hij den pijnlijksten en vernederendsten dood stierf voor ons, het moet — wil de h. Joannes zeggen — door ons nagevolgd worden, wanneer bijzondere omstandigheden dat offer van onze liefde eischen. In dien zin zeide ook Jesus by het laatste avondmaal: niemand heeft grootere liefde dan deze is, dat iemand zijn leven geeft voor zijne vrienden (Joannes. XV. 14). Doch wanneer wordt die volmaaktheid der liefde van ons gevergd? Jesus gaf zijn leven om onze zielen van den eeuwigen dood te bevrijden; eveneens zijn wij verplicht het offer van ons leven te brengen, als door onzen dood een onsterfelijke ziel voor den eeuwigen ondergang kan behoed worden en onze eigene ziel geene schade zoude lijden. Zoo kon, bij voorbeeld: ten tijde der vervolgingen een Christen verplicht wezen zich aan de beulen over te geven, opdat hij aan de zwakken een goed voorbeeld gaf en de wankelmoe-digen in hun geloof versterkte. Insgelijks drukt deze verplichting op de priesters der Kerk van Jesus, dat zij, zoo dikwijls de zaligheid der hun toevertrouwde zielen in gevaar is, voor niets terugdeinzen en liever hun leven veil geven dan die zielen te laten verloren gaan. Bij schipbreuk, bij brand, ter gelegenheid van het heerschen eener besmettelijke ziekte, by het zien verdrinken van een of anderen drenkeling, in één woord: by elk dreigend doodsgevaar, kan het zwaarste offer te brengen plicht zijn. Ook in de burgerlyke samenleving zyn gevallen mogelijk, waarin de eene ter redding van een andere zijn leven in de waagschaal moet stellen. Door de getrouwheid aan zyn eed en aan zijne plichten is de soldaat gehouden zich zeiven op te offeren, als het heil van het

ocr page 195

tweede zondag na pinksteren.

leger of van een gedeelte daarvan afhangt van zijne edelmoedigheid. Denkt u nog deze omstandigheden : iemand kan met zyn leven het leven van velen redden, of ook van een enkele, maar wiens leven van grooter gewicht, van hooger belang is voor de maatschappij dan het zijne, of aan wien hij zijne dankbaarheid op bijzondere wijze verplicht is te betuigen, dan is het liefde de zucht naar zelfbehoud te doen zwijgen en het redden van den andere voor te trekken.

Vordert de Christelijke naasten-liefde, dat somwijlen bloed en leven voor het heil des anderen gegeven worden, te eerder nog zal zij tot plicht maken dat, wie de goederen der wereld bezit, zijn hart en hand niet sluite voor den gebrek-lijdende. „Kunt gij uw leven niet geven voor uw broeder, gy zijt toch „in staatquot; — aldus de h. Augustinus — van uwe bezittin-„gen aan den broeder mede te deelen.quot; Het kan toch voor den rijke niet te bezwaarlijk wezen iets van zijn overvloed te geven aan den arme, den naakte te kleeden en den hongerige te spijzigen. Het is dan ook nauwelijks te denken dat er Christenen, dien naam waardig, gevonden worden, die zoo onmededoogenloos zouden zijn, dat zij een hunner mede-men-schen ongelukkig kunnen zien zonder tot medelijden bewogen te worden en zonder in den nypenden nood eene hand ter leniging uit te steken, zonder dat zij iets afzonderen van de vele goederen, welke God hun gaf, opdat zy konden optreden als mede-werkers zijner vaderlijke quot;Voorzienigheid en aan beboeftigen weldoen. Zij moeten wel hardvochtig wezen, ongevoelig voor het leed van hun evenmensch, geen enkel vonkje van christelijke liefde gevoelen, die als met geweld de edelste gevoelens onderdrukken, welke door God in 'smen-schen hart zyn neergelegd en tot weldoen aansporen. Onbarmhartig zal dan ook het oordeel zijn voor hen, die in hun leven geene barmhartigheid gekend hebben, die zich gedragen als de rijke vrek uit het Evangelie, welke zelfs de kruimels van zyne tafel aan den armen Lazarus weigerde. Zy hebben

183

ocr page 196

tweede zondag na pinksteren.

geene liefde gekend en zullen geene liefde vinden; zij blijven in Gods liefde niet, hoe zoude de Liefde van God in hen blijven ? Wij weten, dat de heiligmakende genade kan verloren worden en de h. Joannes heeft ons geleerd, dat het weigeren van een werkdadige liefde aan den even-naaste genoegzaam is om ze te verliezen; het is een door Jesus en door al zijne Apostelen verkondigd beginsel, dat bij gemis van ware naasten-liefde ook de liefde tot God uitgedoofd wordt, dat God hem niet als kind beminnen en achten en bewel-dadigen zal, die den noodigen bijstand aan zijn evenmensch weigert.

Opmerking. De h. Joannes besluit zijn leerrijke verhandelingmet deze vermaning: mijne kinderen ! laat ons niet met woorden beminnen of met de tong, maar met daden en waarheid. Woorden, betuigingen van medelijden zijn derhalve niet genoegzaam om voor Gods oordeel te kunnen bestaan; daden, werken van liefde worden gevorderd. De h. Jacobus verklaarde dien eisch der liefde op zijn eigenaardige wijze, toen hij schreef: als een broeder of zuster naakt is en het dagelijksch voedsel ontbeert, en iemand van u tot hen zegt: gaat in vrede, warnit en verzadigt u ! maar gij hun niet geeft sat voor het lichaam noodig is, wat zal dat baten (II, 15) ? Evenwel, wij zouden ons deerlijk vergissen, zoo wij meenden, dat door de genoemde Apostelen elk woord, waarop een liefdedaad niet volgt, als doelloos werd afgekeurd. Het komt niet zelden voor, dat iemand buiten staat is om met stoffelijke middelen in den nood van anderen te voorzien. Dan moet hij minstens met een medelijdend woord of met goeden raad ter hulpe komen om op die wijze den andere te bemoedigen, met vertrouwen op Gods Liefde en Almacht te bezielen, of hem het middel aan te wijzen, waardoor hij leniging in zijn lijden kan vinden. Ook een woord van voorspraak ten gunste van be-hoeftigen bij meer gegoeden ingebracht kan er veel toe bijdragen, dat een gevoelig hart tot weldoen gestemd wordt, wat anders gesloten bleef. Voor 't overige zijn woorden alleen, door

184

ocr page 197

TWEEDE ZONDAG NA PINKSTEREN. 185

IP'

1

- I

li

de tong slechts gesproken, zonder dat het hart er aan deel heeft en zonder dat in de wonden door het lijden in de ziel geslagen balsem gegoten wordt, door de Apostelen als niets afdoende veroordeeld. Wat baat het uwe ziel, als gij zegt uw onvermogen te beklagen en spijt er over te gevoelen, dat gij niet kunt helpen, wanneer uw hart die betuigingen loochenstraft en al uwe woorden slechts dienen om onwil en hardvochtigheid te bewimpelen ?_Zij troosten den arme niet en brengen u geen voordeel aan. — Bijzonder leerrijk is wat de h. Joannes er nog bijvoegt: wij moeten beminnen met daden en waarheid. Elke gift mag nog niet onder liefde-werken gerekend worden, al zoude zij ook in de tijdelijke behoeften voorzien. Iemand geeft bij voorbeeld een aalmoes in geld of een kleedingstuk om zich van een lastigen vrager te bevrijden, of om niet voor een ongevoelige aangezien of om als een weldadige en als een menschenvriend geprezen te worden of om zich het recht op de dienstvaardigheid van den beweldadigde te verzekeren — de daad is gesteld maar de waarheid en goede meening ontbreken van een liefde-werk; niets meer dan schijn is er. Eigenbaat, eerzucht of gemakzucht zijn de enkele drijfveeren, geene warme belangstelling in het ongeluk van den evenmensch, geene ware liefde: en daarom zullen al die gaven, al prijst de wereld ze hoog, niet opgeteekend worden in het boek des levens. Wanneer daarentegen oprechte deelneming in het treurig lot des anderen en christelijke liefde de hand van den blijden gever openen en, al is het met weinige penningen, den nood eenigszins lenigen, daar geeft het hart, daar beweegt een heilige meening tot liefde-daden, daar is geen schijn van milddadigheid maar werkelijkheid, daar ook ziet God met welgevallen op elke gave, zij moge gering of groot wezen, en den gullen gever zal Hij, volgens Jesus' woord, een goede en neergedrukte en geschudde en overloopende maat in den schoot geven, een overvloedige belooning voor de weldaden aan den evenmensch bewezen (Lucas V, 38).

P

1

ocr page 198

FEEST VAN DE ALLERHEILIGSTE DRIEVULDIGHEID.

O diepte der rijkdommen van Gods Wijsheid en Wetenschap ! Hoe onbegrijpelijk zijn zijne oordeelen en onnaspeurlijk zijne wegen ! Wie toch heeft den zin des Heeren gekend, of wie is zijn raadsman geweest ? Of wie heeft Hem eerst gegeven, dat het hem zou vergolden worden ? Uit Hem immers, en door Hem en in Hem is alles ; Hem zij de eer en de heerlijkheid in eeuwigheid ! Amen. Rom. XI, 33—36

inleiding. De aanleiding tot de bovenstaande ontboezemingen des h. Paulus was deze. Onder voorlichting des H. Geestes had hij aan de geloovigen te Rome geschreven over het geheim van Gods wereldbestuur, inzonderheid over de wijze waarop God zijne plannen verwezenlijkte ter zaliging van het menschdom. Van eeuwigheid af had God besloten — aldus stelde de leeraar der volkeren het hun voor — alle menschen deelachtig te maken aan het heil, dat door Jesus Christus aan de naar verlossing hijgende wereld zoude gebracht worden. Eerst echter verkoos de oneindige Goedheid de afstammelingen van Abraham tot zijn uitgelezen volk, aan wie bijzondere openbaringen, de wet van Sinai, godsdienstige instellingen gegeven

ocr page 199

FEEST VAN DE ALLERHEILIGSTE DRIEVULDIGHEID. 187

werden, terwijl de Heidenen op geene andere gunst-bewijzen konden roemen dan op de oorspronkelijke openbaring, op de onvolmaakte kennis van God uit de natuur en op de in hun hart geschrevene wet. Toen de beloofde Messias in het vleesch verschenen was, verwierpen Hem de Joden als volk genomen en werden ontrouw aan hunne roeping. Nadat de Joden zich der genade onwaardig gemaakt hadden, zijn de Heidenen geroepen, en wie van hen het geloof in Jesus aannemende aan de afgoden verzaakten en zich op goede werken toelegden, vormden een nieuw volk Gods. — Van de woorden des h. Paulus, waarin hij zijne verwondering uitspreekt over het onnaspeurlijk raadsbesluit van God omtrent de verwerping der Joden om hun ongeloof en omtrent de roeping der Heidenen tot het geloof, maakt de h. Kerk gebruik om hare eerbiedige bewondering uit te drukken voor het geheim der allerheiligste Drievuldigheid en om hare geloovigen zoowel als hare dienaren aan te manen, dat zij hun geloof in dat geheim verlevendigen. Begrijpen zullen wij het nimmer, zoolang onze ballingschap op aarde duurt; en wie dc Majesteit Gods wilde vitvorschen, zoude door haren luister overmand worden (Spreuk XXV, 27). Toch moet het voor eiken Christen steeds wezen een voorwerp van zijn geloof, van zijne hoop en van zijne liefde, opdat hij door een kinderlijk eenvoudige onderwerping van zijn verstand aan Gods onfeilbaar woord verdiene, dat zijn geloof eens in aanschouwen overgaat en hij in die aanschouwing voor eeuwig zalig is — In 't breede over het grootste geheim van onze Godsdienstleer hier uit te weiden zoude eene noode-looze herhaling wezen. Wat de menschelijke taal daarover zeggen kan, schreven we in onze «verklaringen der Zondaag-sche Evangelieën (Deel II p. 195—211). Daarom beperken wij nu onze beschouwingen tot het volgende. Na onze eerbiedige hulde aan het hoogheilig Geheim van dezen feestdag gebracht te hebben, vragen wij, om ons tot eerbied, vertrouwen en liefde op te wekken voor die goddelijke Majesteit, welke alles ten goede beschikt voor wie God beminnen,

I hoe werkt God;

II wat zijn wij aan zijne Liefde verschuldigd ?

ocr page 200

188 FEEST VAN DE ALLERHEILIGSTE DRIEVULDIGHEID.

I.

Wij weten iets van het goddelijk Wezen maar het bevatten met ons verstand vermogen wij niet. Er is één God. Deze waarheid, grondslag van het Christendom, is ons geopenbaard. Reeds in het Paradijs was zij den eersten menschen verkondigd, en den Joden werd zij door hunne Profeten bij herhaling voorgehouden. Nog kort vóór zijn dood predikte Moses met gloeienden ijver: hoore, Israël I de Heer, onze God, is een éénige God (V Moses VI, 4) en in latere tijden verklaarde God door zijn Profeet Isaïas : Ik, de Heer, dat is mijn Naam; mijne eer geef Ik niet aan een ander, mijn roem laat Ik den afgoden niet.... Ik ben de eerste en de laatste, en buiten Mij is er geen God; wie is aan Mij gelijk? Ik ben de Heer en huiten Mij geen andere (Isaias XLII, 8; XLIV, 6 en XLV, 5). Eén in Wezen en één in Natuur is God, die alles door het Woord zijner Almacht schiep en al het geschapene met goddelijke Wijsheid onderhoudt, bestiert en regelt, maar drievuldig in personen, die in alle goddelijke Volmaaktheden evenals in Wezen en Natuur aan elkander volmaakt gelijk zyn. Meermalen sprak de goddelijke Leeraar der waarheid van zijnen en onzen hemelschen Vader, aan Wien de hemel en de aarde hun bestaan en al hunne schoonheid en orde, en wij ons leven met al deszelfs voorrechten te danken hebben; Wiens Liefde al zijne schepselen omvat en Zich erbarmt over het geringste maaksel zijner handen ; Wien wij als Wetgever vereeren en als voorbeeld van volmaaktheid navolgen en als Rechter vreezen moeten. Zich zeiven noemde Jesus den Eéngeboren Zoon des Vaders, die uit den schoot des Vaders op aarde was neergedaald om het geheele menschdom te verlossen; die wist wat des Vaders is en diens werken deed; die met den Vader één was en in Wien al diens Volmaaktheden zóó duidelijk afgebeeld waren, dat wie Hem zag en kende ook den Vader zag en kende; die alle macht ook om de grootste wonderen

ocr page 201

feest van de allerheiligste drievuldigheid. 189

te doen van den Vader had ontvangen; die van den Vader was uitgegaan, tot den Vader terugkeerde en nog eens zou wederkomen om levenden en dooden te oordeelen. Den H. Geest verkondigde Jesus als den derden Persoon der H. Drievuldigheid, die van den Vader en van den Zoon voortkwam, die als Trooster en Leeraar der waarheid komen zoude en met de door Christus gestichte Kerk blijven tot aan het einde der tijden, ter heiliging der zielen en ter uitbreiding van het Eijk Gods op aarde.

Meer weten wij van God, van Gods innerlijk leven niet, omdat ons niet meer geopenbaard werd. Het Goddelijke is en blijft voor ons onbegrijpelijk. Wij gevoelen zelfs, dat wij met onze beperkte vermogens niet dieper kunnen doordringen in het Wezen der Godheid, dat de Oneindige niet kan bevat worden door een verstand dat, al ware het door de erfzonde niet beneveld, toch te zwak is om te kunnen staren in dat ontoegankelijk licht, waarin God troont. Hoe klein zoude God ook niet zyn, als Hij door den mensch kon begrepen worden — begrepen in zijne oneindige Volmaaktheden, in zijn oneindig Wezen, in de onderlinge betrekkingen der drie god-delyke Personen, in de mededeeling der Godheid door den Vader aan den Zoon en door den Vader met den Zoon aan den H. Geest! Om ons duidelijk te maken, dat elk te ver gedreven nadenken den mensch niet baten zal, vraagt de h. Paulus: icie der menschen weet wat des mmschen is ? en wil door die vraag verklaren, dat wij nog veel minder kunnen indringen in de onpeilbare diepte van Gods natuur: zoo ook iceet niemand — gaat hij daarom voort — wat Godes is dan de Geest Gods (1 Cor. II, 11). Niets blijft ons derhalve over dan met den heiligen man Job te belijden : Zie, God is groot en Hij gaat al onze kennis te boven (XXXVI, 26), niets dan onze onwetendheid te belijden, dan te gelooven wat de h. Kerk door God den H. Geest voorgelicht ons leert. „Dat geheim „te willen doorgronden'quot; — zegt de h. Beenardus — „ware

ocr page 202

190 peest van de allerheiligste drievuldigheid.

„vermetelheid; het te gelooven is ware godsvrucht; het te

„kennen zal ons eeuwig geluk uitmakenquot;____„De Aarts-

„engelenquot; — voegen wij met den h. Hilarius hierbij — „konden met al het hun gegeven licht tot de diepten van „dat geloofspunt niet doordringen; de Engelen hebben het „niet geleerd; de eeuwen hebben het niet vermoed; de Profeten hadden er slechts een flauw denkbeeld van; de Apos-„telen hebben de uitlegging daarvan niet gevraagd en de „Zoon Gods zelf heeft ze niet gegeven. Klagen wij dan niet „over onze onwetendheid.quot; Geen leerstuk der Kerk is onbegrijpelijker voor ons verstand, maar ook geen helderder voor het oog des geloofs. — Na ons door de belijdenis van onze nietigheid zoo diep mogelijk vernederd te hebben voor het Geheim der geheimen, volgen wij den h. Paulus in zijne verhevene '^beschouwingen.

Veel kunnen de menschen door het licht der rede van God kennen; de zichtbare schepping verkondigt hun zijne Eeuwigheid, Wijsheid, Goedheid, Almacht, mits zij zien willen en hunne oogen niet door zonden benevelen. Doch de besluiten waardoor Hij van eeuwigheid zijn wereldplan heeft ontworpen, en de middelen waarmede Hij het verwezenlijkt, zijn onbegrijpelijk. Wel weten wjj door het geloof en gedeeltelijk door de rede, wie de eerste oorzaak is van alles, wat er is en wat er gebeurt; ook kunnen wij eenige gevolgen of uitwerkselen van Gods plannen waarnemen, al liggen het hoe en waarom buiten ons bereik. Hoe zoude ook, ware het anders, de h. Paulus door verbazing zijn getroffen en zyne verwondering in woorden van lof en van aanbidding geuit hebben, zoo hij niet de even wonderbare als geheimnis volle leiding Gods gelezen had in de geschiedenis van de Joden en van de Heidenen? Met dankbaarheid maar ook met diep ontzag overwoog Hij wat God èn voor dezen èn voor genen gedaan had; maar niettegenstaande hij boven anderen door

ocr page 203

T

FEEST VAN DE ALLERHEILIGSTE DRIEVULDIGHEID.

191

iquot; i«!

ii

f.'

IÉ I

het licht van boven bestraald was, hij vond geen antwoord op de vraag: waarom heeft God de Israëlieten, welke Hij weleer zijn uitverkoren volk noemde, aan hunne verblindheid voor een wyle overgelaten, en de Heidenen, die van Hem vervreemd leefden, het eerst tot de kennis van het Christendom gebracht? Zoowel het eene als het andere kon hjj niet ontkennen, maar Gods raadsbesluit kon hij niet doorgronden. Die duisternis werd ook voor hem niet door eenige stralen verlicht ; die verborgenheden zijn ook hem niet verklaard. Hij was overtuigd van Gods rijkdom, dat is van Gods Liefde, welke vooral hier door dat woord is aangeduid. Met eene heilige vreugde geloofde hij en beleed, dat God Liefde en de Liefde zelve is; dat Hjj den mensch met een eeuwige Liefde bemind heeft; dat Hy den Hemel met de Engelen en de aarde met de bewoners schiep eerstens te zijner eere, maar ook uit Liefde voor zijne schepselen ; dat Hjj de eeuwige Zaligheid van allen wenschte en vóór alle tijden reeds de genade-middelen en andere weldaden voorbeschikte, welke Hy ten gelegene tyde aan zyne beminden zoude aanbieden. Volgens den Apostel moesten allen hunne hulde brengen aan Gods Wijsheid, welke naar een eeuwig plan zich krachtdadig uitstrekt van het eene einde der wereld tot het andere en alles met zachtheid bestuurt (Wysh. VIII, 1), welke alles dienstbaar weet te maken aan het doel, hetwelk God wil bereiken; welke dikwyls de ondernemingen van zyne beminden begunstigt, maar ook zyne vyanden dwingt, dat zy werkzaam zyn ter verheerlyking van zyn Naam; welke de beraadslagingen van den listige weet te beschamen enden mond van zuigelingen zyn lof verkondigen doet; welke der boozen plannen verydelt en, wilde Zy, uit steenen ware aanbidders van zyne Majesteit zoude kunnen verwekken. Die Wys-heid wenschte Paulus gehuldigd te zien in de Schepping, in het leven van eiken persoon en in de geschiedenis der volkeren; erkend niet slechts in de beproeving en in de belooning der goeden maar zelfs in de straffen, welke over de kwaden komen en waar-

ocr page 204

192 FEEST VAN DE ALLERHEILIGSTE DRIEVULDIGHEID.

door een heilzaam tegengif tegen de zonde geboden wordt; vereerd in het God-menschelyk leven des Verlossers, in zijne Kerk en in al die instellingen, waarmede de Barmhartigheid Gods den mensch het ingaan in het Ryk der Hemelen gemakkelijk heeft gemaakt. Een ieder moet ook met den Apostel in diep ontzag opzien naar de alles omvattende Wetenschap Gods, die kent zoowel wat toekomend als wat verleden en tegenwoordig is. Alles toch ligt bloot en open voor zyne oogen ; de geheimste gedachten des geestes en verborgenste verlangens des harten blyven Hem niet onbekend. Met een enkelen blik overziet Hij alle gebeurtenissen der geschiedenis van haar begin tot aan haar einde; Hij kent de werkende oorzaken en ziet de gevolgen daarvan; toeval bestaat voor Hem evenmin als geheimen; Hij vermoedt niet, noch behoeft ondervinding om te gissen wat gebeuren zal, maar Hy weet en ziet. Zinnelijke waarnemingen zyn voor Hem overbodig ; zonder behulp van eenig zintuig dringt Hij door tot eiken schuilhoek en verneemt elke verzuchting, hoort elk gebed. Hadde Hy het niet gewild, wy zouden niet behoeven te vragen, want onze begeerten zyn Hem bekend, vóórdat wy ze uitspreken.

Dit alles was den h. Paulus en is ook ons niet verborgen; maar zijn daarmede alle moeilykheden opgelost, alle raadselen .verklaard? Wy weten iets, maar veel meer nog blyft voor ons verborgen. Veel is ons geopenbaard, maar niet alles. Gods oordeelen blijven grooten-deels voor ons onbegrijpelijk. Wie der menschen zal het kunnen verklaren, waarom God den eene meerdere genaden geeft dan den andere; waarom Hy toelaat, dat deze in de bekoring valt en het zóó beschikt, dan de andere staan bljjft; waarom Hy sommigen met tegenspoed treft en anderen met zegeningen overlaadt; waarom Hy aan eenige volkeren het geloof ontneemt en het aan anderen schenkt; waarom Hij den eene dadelijk na de zonde straft en den andere met Lankmoedig-

ocr page 205

FEEST VAN DË ALLERHEILIGSTE DRIEVULDIGHEID. 193

heid spaart' dezen langs moeilijke en genen langs gemakkelijke wegen naar den Hemel leidt; waarom Hijquot; eenigen reeds inde prille jeugd, anderen in lateren leeftijd naar den Hemel oproept? Even onnaspeurlijk zijn zijne Wegen. Wie verklaart het ons, hoe God op onze ziel door zijne genade inwerkt, hoe Hy een grooten zondaar eensklaps in een Heilige hervormt, zóódat Hy, evenals Jesus aan den goeden moordenaar Dismas den Hemel beloofde en aan Maria Magdelena de verzekering gaf, dat haar vele zonden werden vergeven, in waarheid van den eene kan getuigen: „gy zijt gerechtvaardigdquot; en van den andere: „voor u is het Ryk der Hemelen beschikt.quot; Wie kan het zeggen, op welke wijze God de werkende oorzaken verbindt met de gevolgen, welke zich eerst na verloop van vele jaren voordoen ; door welken zonderlingen samenloop van verschillende omstandigheden Hy de boosheid der menschen dienstbaar maakt aan zijne plannen en uit het kwade wat goeds weet voort te brengen? Wie is de wyze man, die het doen en laten Gods in de geschiedenis van het menschdom met al zyne doeleinden en hulpmiddelen, met het inwerking stellen van hoofd- en nevenoorzaken genoegzaam verklaren kan ; die met verlangde duidelykheid den draad kan aanwyzen, welke door het leven van eiken mensch loopt ? Al die feiten kunnen wy of zeiven opmerken of van anderen vernemen, maar de wyze waarop zij tot stand kwamen en de wegen door God ingeslagen, zy blijven veelal voor ons verborgen. Niets rest ons derhalve dan hulde te brengen aan de oneindige Majesteit van God, die door den Profeet Isaïas liet verkondigen: mijne gedachten zijn niet uwe gedachten, ook mijne tvegen zijn niet uwe wegen, zegt de Heer. Want, even hoog als de Hemel verheven is boven de aarde, zoo hoog zijn verheven mijne wegen hoven moe wegen en mijne gedachten hoven moe gedachten (LV, 8).

Opmerking. De vermaning in de ontboezeming van den Verklaringen der Epistelen. 13

ocr page 206

194 FEEST VAN DE ALLERHEILIGSTE DRIEVULDIGHEID.

h. Paulus opgesloten is deze: »Wilt niet te wijs zijn; wilt niet gt;de geheimen Gods trachten te doorgronden.quot; Elke poging daartoe zoude niet alleen nutteloos wezen maar ook op uwe beschaming uitloopen. Vernedert daarentegen u onder de machtige hand van God, geloovende in zijne Wijsheid en vertrouwende op zijne Liefde. Niemand kent de middelen, waarvan God Zich bedient om zijne plannen ten uitvoer te brengen; niemand de werktuigen, welke Hij gebruikt om de hindernissen uit den weg te ruimen; niemand doorgrondt de beweegredenen, welke Hem zoo en niet anders doen handelen, noch de wijze, waarop Hij zijn doel bereikt. Wij, kortzichtige stervelingen, moeten in Gods leiding berusten en het den h. Paulus nazeggen: Wie toch heeft den zin des heeren gekend, of wie is zijn raadsman geweest, zóódat hij cian de geheime beraadslagingen, toen God zijne plannen vormde en zijne voornemens maakte, deelnam en 't kan mededeelen, wat besloten werd? Bovendien: wij houden dikwijls iets voor een groot ongeluk, terwijl weldra blijkt, dat het werkelijk ten beste voor ons beschikt was. Evenals Josef door zijne broeders verkocht en in Egypte in de gevangenis geworpen werd om de redder van zijn volk en de weldoener van het geheele Egypteland te kunnen zijn, evenzoo moeten wij dikwijls door het vuur der beproeving gaan, opdat wij de plaats innemen, welke ons voorbestemd en de bediening vervullen, welke voor ons weggelegd is. — Maar zien wij niet meermalen gebeuren — deze opwerping wordt niet zelden door onwetenden gemaakt — dat aan middelmatige geesten de leiding van gewichtige aangelegenheden is toevertrouwd en dat de wijsten op den achtergrond geschoven worden : dat de uitoefening van het recht in de handen van boozen berust en de wakkerste verdedigers der gerechtigheid vervolgd worden; dat de ondeugd ten troon verheven is, en de ware deugd aan verachting en verguizing wordt prijs gegeven ; dat het kwade zegeviert, maar het goede zich niet kan doen gelden ? Inderdaad, deze en dergelijke misbruiken moeten wij niet zelden betreuren, maar misdadig ware het daaruit een wapen te smeden ter bestrijding van Gods wijs en liefdevol wereldbestuur. De boosheid der wereld gaat ver; maar God

ocr page 207

PEEST VAN DE ALLERHEILIGSTE DRIEVULDIGHEID. 195

laat ze toe om redenen zijner Wijsheid waardig. Eens ook komt de dag der vergelding, wie weet hoe spoedig, en dan zullen de boozen hunne straf niet ontgaan maar ook zij de belooning niet missen, die onder vervolging van het kwade standvastig in het goede zijn gebleven. Reeds David waarschuwde tegen een vermetel oordeel zeggende: wacht op den Heer en houd zijn weg, dan zal Hij u tot het bezit des lands verheffen ; aan de uitroeiing der goddeloozen zult gij uwe oogen weiden. Ik zag een goddclooze zeer verheven en hoog als de ceders van den Libanon; en ik ging voorbij, en zie, hij was er niet meer; en ik zocht hem, en zijne plaats werd niet gevonden. (Ps. XXXVI, 34—36). Al wie aan deze onomstootelijke waarheden in zijn geest ingang verleent, die zal daarin eene verlevendiging van zijn geloof en eene opwekking tot nederigheid vinden. — Nog op deze bijzonderheid in Gods werken vestigt de h. Paulus de aandacht zijner lezers. Wie heeft aan god — vraagt hij — eerst gegeven, dat het hem zou vergolden worden ? en beschaamt zoo hen allen, die zich niet ontzien aan Gods Gerechtigheid in het uitdeelen zijner gaven te durven twijfelen. Heeft nooit iemand aan God iets eerst gegeven, dan ook heeft niemand het recht van God eenige vergelding te eischen, ook niet zich te beklagen, als hij bemerkt, dat een of andere in talenten uitmunt, grootere genaden ontvangt, in hoogeren stand is geplaatst, met meerdere goederen is gezegend. Ofschoon God Zich zeiven genoeg is, wil Hij toch de bron van alle goed wezen, maar blijft de vrije en oppermachtige Uitdeeler zijner gaven, die aan niemand rekenschap verschuldigd is en naar welbehagen begunstigt aan wie Hij zijne weldaden wil toebedeelen. Alles is een vrij geschenk zijner Liefde, en geen mensch leeft er, die Hem ter verantwoording mag oproepen. Een ieder moet alzoo der oneindige Goedheid van God dank brengen en, op zijne Wijsheid vertrouwende, zich verblijden over de weldaden welke hij ontving, zonder dat hij den andere benijdt, die misschien met grootere gunsten begenadigd is.

ocr page 208

196 peest van de alleeheiligste drievuldigheid.

II

Nog met een enkel woord dient onze tweede vraag beantwoord te worden: wat zijn wij aan G-ods Majesteit en aan zijne wijze en liefdevolle leiding verschuldigd ? De h. Paulus geeft het gewenschte antwoord, eerst ons verklarende hoe nietig wij zijn tegenover God, en dan de verplichting aangevende, welke te vervullen is. Uit Hem en door Hem en in Hem is alles, leert hij en besluit: Hem zij de eer en de Heerlijkheid in eeuwigheid ! Amen. Daarmede is alles gezegd. God is de eerste Oorzaak, de Bestierder en het laatste Doel van alles. Wat bestaat, is Gods werk; Hij is de bron, de oorsprong van alles; Hij ook heeft vóór de grondlegging der wereld door zijn eeuwig raadsbesluit de regeling van het heelal naar wijze wetten geordend; in Hem vindt alles wat geschiedt zijn hoogste oplossing en al het geschapene zijn laatste einddoel. Alles wat buiten Hem bestaat, is afhankelijk van Hem, die zelf onafhankelijk is; Hij onderhoudt al het geschapene met goddelijke macht, en ter verheerlijking van Hem moet elk schepsel bijdragen naar zijn aard en bestemming.

De openbaringen door God ons geschonken leerden ons die waarheden. — Alles is uit God; al het geschapene, al de Engelen en menschen, al het zichtbare en het onzichtbare is door Hem geworden. Door des Heeren woord werden de Hemelen gemaakt, en door den adem zijns monds geheel hun heir; daarom is ook des Heeren de aarde en hare volheid, de wereld en allen die daarin wonen (Ps. XXXII, 6; XXIII, 1). quot;Wat Hij uit het niet schiep, dat bestaat door God en dat onderhoudt Hij en regelt het met Wijsheid en Almacht. Door zijne Goedheid kunnen wij willen en ons bewegen, denken en handelen. Met den Psalmist moeten wij belijden: gelijk de oogen der dienstknechten blikken op hunner heeren hand, gelijk de oogen der dienstmaagden blikken op harer vrouwe hand, alzoo

ocr page 209

FEEST VAN DE ALLERHEILIGSTE DRIEVULDIGHEID. 197

zyjn ome oogen gevestigd op den Heere, onzen God, totdat Hy Zich onzer ontferme (CXXII, 2). En niet beschaamd wordt der menschen vertrouwen. Allen moeten het erkennen en ter verheerlijking van God het belijden, aan den Gever van alle goede gaven hun dank aanbiedende: zij allen wachten van U, dat Gij hun voedsel geeft te zijner tijde. Schenkt Gij het hun, zij zamelen het in; opent Gij uwe hand, allen verzadigen zich aan het goede; maar keert Gij uw aangezicht af, zij zijn ontsteld; neemt Gij hunnen adem weg, zij bezwijken en keeren weder tot het stof; zendt Gij uwen geest uit, zij worden geschapen, en Gij verniemot het aanschijn der aarde (Ps. CIII, 27—31). God opent zijne hand en alles, wat leeft met zijn zegen overladende, verzadigt Hij de aarde met de weldaden zijner Liefde: Hij doet het gras groeien voor het vee en kruiden ten dienste der menschen: om tarwe voort te brengen uit de aarde, en opdat wijn 's menschen hart verheug e; opdat hij met zalve zijn gelaat vervroolijke, en brood 's menschen hart versterke (Ps. CIII, 14 — 16). Gelijk God door zijne Almacht aan het geschapene duurzaamheid en vruchtbaarheid schenkt, evenzoo weet Hij in zijne Wijsheid de schoonste orde en eene verkwikkende afwisseling te bestendigen onder de werken zijner handen: Hij bedekt den Hemel met wolken en regen bereidt Hij voor de aarde; Hij schiep de maan om de tijden te berekenen; de zon kent haren ondergang; Hij maakt duisternis, en het wordt nacht; is de zon opgegaan, dan gaat de mensch uit tot zijn werk en aan zijn arbeid tot den avond; de dag is des Heer en en de nacht; dageraad en zon heeft Hij bereid, de grenzen der aarde bepaald, zomer en lente heeft Hij geschapen (Ps. LXXIII, 16 en 17 ; CIII, 19 — 22. — God heeft alles gemaakt te zijner eere. Een hooger en eervoller doel kon Hij aan zijne schepselen niet voorstellen. Maar is dat bereikt, dan ook heeft de mensch — om van hem alleen te gewagen — gedaan wat zijn Schepper en Weldoener met mogelijkheid van hem vorderen kan, dan is zijne

ocr page 210

-98 feest van de allerheiligste drievuldigheid.

bestemming vervuld, dan heeft hij alles gewonnen en zijn eeuwig geluk verzekerd. Hij toch is niet geschapen voor den tijd, niet om zich slaaf van de wereld te maken. Daarvoor is hij te groot en zijn doel ligt hooger. Kind van God, moet hij in den dienst van Hem leven. Wiens dienaren koningen en geroepen zijn tot burgers van een onvergankelijk Rijk.

Hem zij de eer en de heerlijkheid in eeuwigheid, den God van alle Majesteit, van oneindige Liefde en Almacht, van Wiens Goedheid wij alles ontvangen, in Wien wij leven en ons bewegen en zijn, voor Wien wij geschapen werden en in Wiens bezit wij ons eeuwig geluk moeten vinden. Eere aan den hemelschen Vader gegeven door blinde gehoorzaamheid, door vertrouwen en liefde. Hij heeft ons tot zijne kinderen aangenomen en voorbestemd tot deelgenooten zijner glorie. Die hooge waardigheid noch die heerlijke roeping mogen ooit uit 't oog verloren worden; vooral ten tijde der bekoring dient de gedachte daaraan eene kracht te zijn ter afwering van eiken aanval. Een kind Gods mag immers niet een slaaf worden van zijne hartstochten, niet een dienaar zijn van Gods vijand. — Eere aan God, den Zoon, den grooten Weldoener, den Verlosser der menschen, den Leeraar der Waarheid en Wetgever des Nieuwen Verbonds. Eere aan Hem, die onze broeder heeft willen worden om ons hier namaals tot erfgenamen der eeuwige goederen te verheffen. Hem te verheerlijken en te beminnen is onze eerste verplichting. Hem, die uit Liefde voor ons leed en stierf, niet alleen in woorden maar metterdaad te beminnen en Hem onze wederliefde te bewijzen door het onderhouden van zijne geboden, Hem zijn kruis na te dragen. Hem ons hart te ge ven en dan met een onbegrensd vertrouwen van zijne Barmhartigheid te hopen, wat Hij in zijne Goedheid ons beloofd heeft, met minder mogen wij ons niet te vreden stellen. — Eere aan God den H. Geest, die onze Vertrooster is en Heiligmaker, die alle

ocr page 211

feest van de allerheiligste dbievuldigheid. 199

waarheid leert en met onuitsprekelijke verzuchtingen in ons bidt, opdat wij naar de voorschriften van ons geloof kunnen leven en zoo de erfenis des heils verwerven. Hem zij eere gegeven door te luisteren naar de inspraken zijner genade, door onze ziel en ons hart zuiver te bewaren van de besmetting dezer wereld en ons lichaam dienstbaar te maken aan de deugd. — Eere aan de drie goddelijke Personen door gebed en dankzegging, door met de tong Hen te loven en met daden te verheerlijken, totdat de zalige stond aanbreekt, dat wy in de aanschouwing der goddelijke Majesteit voor eeuwig zalig zijn.

Opmerking. Amen, zoo zij het. Hiermede besluit de h. Paulus zijn lofzang op Gods wereldbestuur. Ja. God zij geëerd en verheerlijkt van nu af tot in alle eeuwigheid, door al zijne schepselen. De Engelen hieven van het eerste oogenblik huns bestaans af hun lied aan tot eere van God; het wordt onafgebroken herhaald door alle Heiligen en vindt weerklank in alle God-minnende zielen, zelfs de onbezielde natuur zingt het ter eere van haren Schepper. Wie der menschen zou dan weigeren in te stemmen met die lofliederen, welke allerwege opgaan ; wie geen vreugde vinden in het verheerlijken van zijn God en Vader ? Neen ! nimmer mag onze tong ophouden Hem te loven, die Groot is en Wonderbaar in zijne werken, den Ahnachtigen God, den Koning der eeuwen, Wiens wegen rechtvaardig en waarachtig zijn (üpenb. XV, 3), aan Wien de lof en de heerlijkheid en de wijsheid en de dankzegging, de eer en de macht en de sterkte toekomt in alle eeuwigheid (1. c. VII, 12). Altijd moeten wij met David vol bewondering uitroepen: hoe groot, o Heer, zijn uwe werken / Gij hebt ze alle met Wijsheid gemaakt ; het aardrijk is vol van uwe goederen ! en dan met hem het voornemen maken: ik wil den Heer prijzen, mijn leven lang, loj zingen mijnen God zoolang ik er ben (Ps. CIII 24, 33). Zoo ook zullen wij naar die eeuwige oorden van zaligheid opgaan, waar het blijde Alleluja de reinste en voortdurende uitdrukking is van onveranderlijke vreugde.

ocr page 212

H. SACRAMENTSDAG.

Broeders! Ik toch heb van den Heer ontvangen, wat ik u ook heb overgeleverd, dat de Heer Jesus, in den nacht, waarin Hij verraden werd, brood nam en het dankend brak en zeide : neemt en eet! dit is mijn Lichaam, dat voor u zal worden overgeleverd. Doet dit tot mijne gedachtenis. Insgelijks den kelk, nadat Hij het avondmaal gehouden had, zeggende: deze kelk is het Nieuwe Testament in mijn Bloed. Want zoo dikwijls gij dit brood eten en den kelk zult drinken, zult gij den dood des Heeren verkondigen, totdat Hij komt. Derhalve, al wie onwaardig dit brood eet of den kelk des Heeren drinkt, zal schuldig zijn aan het Lichaam en Bloed des Heeren. Dat echter de mensch zich beproeve, en zóó van dit brood ete en van den kelk drinke. Want wie onwaardig eet en drinkt, eet en drinkt zich een oordeel, omdat Hij het Lichaam des Heeren niet onderscheidt.

i Cor. XI, 23—29.

Inleiding. Met bovenstaande woorden sluit de h. Paulus zich aan bij het betoog der Evangelisten, waardoor de instelling

ocr page 213

H. SACRAMENTSDAG.

van het H. Sacrament des altaars bewezen wordt. Jesus had die hemelsche spijze beloofd, en die heilige schrijvers, aangedreven door den H. Geest, verklaren met hun onfeilbaar gezag, dat Hij waarachtig is bevonden in zijne belofte. Wat de Koninklijke Profeet zong ter verheerlijking van Gods groote werken is derhalve in veel hoogeren zin bewaarheid in Jesus' Liefde-geheim : God stichtte ccnc gedachtenis voor zijne wonderen ; barmhartig en genadig is de Heer; Hij verschafte aan zijne vereerders spijze (Ps. CX, 4). Ook Jesus heeft op den laatste n avond van zijn aardsch leven eene gedachtenis nagelaten van zijne Liefde, waarmede Hij de zijnen ten einde toe lief had. Maar een aandenken oneindig verhevener en oneindig meer weldoend dan het Manna was, dat den Joden tot voedsel gegeven werd op hun pelgrimsreize naar het beloofde land. De ons geschonkene spijze is ook van den Hemel neergedaald, niet tot voedsel van vergankelijke lichamen, maar van onsterfelijke zielen ; niet opdat wij evenals de Joden bestand zouden wezen tegen de afmatting in een strijd tegen licht te overwinnen vijanden, maar opdat wij sterk zouden zijn tegen den aanval van machtige belagers, welke niet minder dan onze eeuwige zaligheid bedreigen ; niet opdat wij ongedeerd een land overvloeiende van melk en honing bereiken, maar opdat wij op kunnen gaan tot aan de grenzen van een eeuwig vaderland, waar onvergankelijke goederen te genieten zullen gegeven worden. — Van deze alle verlangens verre overtreffende hemel-gave geldt het woord des Zaligmakers tot de Samaritaansche vrouw : indien gij de gave Gods kendet (Joan. IV, iO)! Kennen toch wie het is, die ons zoo hoog begenadigt en weten welke gunsten Hij in zijne Liefde schenkt, mag als de voornaamste voorwaarde geacht worden om die gave Gods naar behooren te waardeeren en om de verplichtingen te vervullen, welke Jesus' Goedheid ons oplegt. Laten wij daarom, ons met de bedoeling vereenigende, welke den h. Paulus tot het schrijven van bovenstaande woorden aanzette, de volgende vragen beantwoorden :

I. wat doet Jesus voor ons in het H. Sacrament;

II. wat moeten wij voor Hem doen ?

201

ocr page 214

H. SACRAMENTSDAG.

Broeders! Ik toch heb van den Heer ontvangen, wat ik u ook heb overgeleverd, dat de Heer Jesus, in den nacht, waarin Hij verraden werd, brood nam en het dankend brak en zeide : neemt en eet! dit is mijn Lichaam, dat voor u zal worden overgeleverd. Doet dit tot mijne gedachtenis. Insgelijks den kelk, nadat Hij het avondmaal gehouden had, zeggende: deze kelk is het Nieuwe Testament in mijn Bloed. Want zoo dikwijls gij dit brood eten en den kelk zult drinken, zult gij den dood des Heeren verkondigen, totdat Hij komt. Derhalve, al wie onwaardig dit brood eet of den kelk des Heeren drinkt, zal schuldig zijn aan het Lichaam en Bloed des Heeren. Dat echter de mensch zich beproeve, en zóó van dit brood ete en van den kelk drinke. Want wie onwaardig eet en drinkt, eet en drinkt zich een oordeel, omdat Hij het Lichaam des Heeren niet onderscheidt.

i Cor. XI, 23—29.

Inleiding. Met bovenstaande woorden sluit de h. Paulus zich aan bij het betoog der Evangelisten, waardoor de instelling

ocr page 215

H. SACHAMENTSDAO.

van het H. Sacrament des altaars bewezen wordt. Jesus had die hemelsche spijze beloofd, en die heilige schrijvers, aangedreven door den H. Geest, verklaren met hun onfeilbaar gezag, dat Hij waarachtig is bevonden in zijne belofte. Wat de Koninklijke Profeet zong ter verheerlijking van Gods groote werken is derhalve in veel hoogeren zin bewaarheid in Jesus' Liefde-geheim : God stichtte ecne gedachtenis voor zijne wonderen ; barmhartig en genadig is de Heer; Hij verschafte aan zijne vereerders spijze (Ps. CX, 4). Ook Jesus heeft op den laatsten avond van zijn aardsch leven eene gedachtenis nagelaten van zijne Liefde, waarmede Hij de zijnen ten einde toe lief had. Maar een aandenken oneindig verhevener en oneindig meer weldoend dan het Manna was, dat den Joden tot voedsel gegeven werd op hun pelgrimsreize naar het beloofde land. De ons geschonkene spijze is ook van den Hemel neergedaald, niet tot voedsel van vergankelijke lichamen, maar van onsterfelijke zielen ; niet opdat wij evenals de Joden bestand zouden wezen tegen de afmatting in een strijd tegen licht te overwinnen vijanden, maar opdat wij sterk zouden zijn tegen den aanval van machtige belagers, welke niet minder dan onze eeuwige zaligheid bedreigen ; niet opdat wij ongedeerd een land overvloeiende van melk en honing bereiken, maar opdat wij op kunnen gaan tot aan de grenzen van een eeuwig vaderland, waar onvergankelijke goederen te genieten zullen gegeven worden. — Van deze alle verlangens verre overtreffende hemel-gave geldt het woord des Zaligmakers tot de Samaritaansche vrouw ; indien gij de gave Gods kendet (Joan. IV, iO)! Kennen toch wie het is, die ons zoo hoog begenadigt en weten welke gunsten Hij in zijne Liefde schenkt, mag als de voornaamste voorwaarde geacht worden om die gave Gods naar behooren te waardeeren en om de verplichtingen te vervullen, welke Jesus' Goedheid ons oplegt. Laten wij daarom, ons met de bedoeling vereenigende, welke den h. Paulus tot het schrijven van bovenstaande woorden aanzette, de volgende vragen beantwoorden:

I. wat doet Jesus voor ons in het H. Sacrament;

II. wat moeten wij voor Hem doen ?

201

ocr page 216

h. sacramentsdag.

I.

De h. Eucharistie, het Sacrament van Liefde bij uitnemendheid, maakt de wellust uit van alle God-minnende zielen. En te recht. Jesus is daarin niet alleen tegenwoordig, opdat wij voor zijn goddelijke Majesteit onze knieën huigen en Hem aanbidden, maar ook om Zich met allen, die zich dier gunst niet geheel onwaardig gemaakt hebben, te vereenigen en hun de schatten zijner genade mede te deelen. In het Tabernakel verblijft Hij, want zijn vermaak is het met de kinderen der menschen te zijn; aan de Communie-bank geeft Hij Zich tot spijze onzer zielen, opdat zij het leven voor God en wel overvloedig hebben. Uit Liefde daalde Gods Zoon op aarde neder en werd mensch om te verlossen; uit Liefde woont Hij onder ons en schenkt Zich aan ons om te kunnen heiligen. — De plicht van dankbaarheid eischt, dat wij deze gedachten in 't breede uiteenzetten te onzer onderrichting en opwekking.

„Hoe wys Jesus ook zij,quot; die zinrijke woorden van den h. Augustinus — haalden wy reeds vroeger aan — „een volmaaktere gave dan de h. Communie is had Hij niet kunnen „uitdenken; hoe rijk ook, een grooter geschenk kon Hy niet „geven; hoe machtig ook, een heerlijker werk kon Hij niet „scheppen.quot; Doelmatig zijn Gods wetten; levendmakend is het woord zijner openbaring; treffend zyn zijne wonderwerken; maar in het Tabernakel troont de Schepper, die Zich diep vernedert om zijne schepselen, nietswaardige menschen, in zijne Liefde hoog te verheffen; hier leeft en verkondigt zijne geboden de Wetgever zelf van het Nieuwe Verbond; hier onderricht de onfeilbare Leeraar van goddelijke waarheden; hier werkt de groote Wonderdoener, even machtig in werken als in woorden. Jesus wilde verschijnen in de gestalte van een dienstknecht, leven in de gelijkenis aan zondaren alsof Hij een van hen ware; doch hier verbergt Hij zijne Menschheid en zijne Godheid onder de nietige gedaanten van brood. Dertig

202

ocr page 217

H. SACBAMENTSDAG.

jaren lang leefde Hij schier van allen miskend in het verborgen Nazareth en, toen Hij in 't openbaar optrad, kwam Hij om te dienen en niet om gediend te worden ; hier echter laat Hij Zich opsluiten in een houten Tabernakel en blijft daar dag en nacht, al zijn er geene aanbidders, die Hem troosten in zijne stille eenzaamheid, al bevinden zich aan den voet des altaars geene minnende zielen, die zijne dienstvaardige Liefde, welke daar biddende voor het heil der wereld verblijft, bewonderen en danken. Hij, de Heer der heerscharen, was aan Maria en Josef onderdanig; hier gehoorzaamt Hij aan eiken Priester, die de heilige woorden uitspreekt en, na Zich tegenwoordig gesteld te hebben, laat Hij Zich dragen en Zich geven volgens den wil van anderen, alsof Hij hun onderdaan ware. Gedurende de jaren zijner omwandeling op aarde wrocht Jesus de schitterendste wonderen, leerde de verhevenste waarheden, gaf volmaakte voorbeelden van alle mogelijke deugden, ging al weldoende geheel Palestina door; even groot in Barmhartigheid en Almachtig in het weldoen blijft Jesus, al ia Hij naar schijn tot machteloosheid veroordeeld. Zich betoenen door van uit zyne vrijwillige gevangenis onwetenden te leeren en hun den weg zijner geboden te wijzen, door met de wonderen zijner Liefde armen rijk te maken en de geringsten zijns volks te verheffen tot vorsten in zijn geestelijk Rijk.

Zoo mogelijk nog krachtiger en heilzamer werkt de oneindige Liefde in de h. Communie. De Zoon Gods daalde uit den Hemel neder om Zich te omkleeden met onze menschelijke natuur, en in de h. Communie maakt Hij ons, nietige men-schen, deelachtig aan zijne goddelijke natuur; mensch geworden rustte Hij negen maanden onder het Hart een er onbevlekte Maagd, en als de geloovigen hun God en Zaligmaker in de h. Communie ontvangen, schuwt Hij de vernedering niet zijne woning te nemen in het hart van zondige men-schen. En de vruchten van het nuttigen dier hemel-spijze zijn onwaardeerbaar groot. In het allerheiligst Sacrament verblijft

203

ocr page 218

h. sacramentsdag.

204

Jesus tot aan den laatsten stond van het bestaan zijner Kerk, voortdurend doende de werken zijns Vaders. Na allen, die onder zorgen en angsten gedrukt door het leven gaan, uitge-noodigd te hebben, na hen die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, opgeroepen te hebben om van het Brood door zijne Liefde voor allen bereid te eten en van den wijn voor een ieder gemengd te drinken, wordt Hij het leven, het heil, de opstanding naar gelang der behoeften van hen, die zijne vermaning niet verachten. Hij onderricht door zijne ingevingen en sticht door zijne armoede en zijn geduld zoowel als door zijne liefde en gehoorzaamheid ; kranken geneest Hij en reinigt melaatschen door zijne Almacht; blinden verlicht Hij door het woord der waarheid dat Hij in het geheim des harten doet hooren, en wanneer zij, die geestelijk lauw zijn, zich tegen zijne inwerking niet verzetten, stort Hij hun den ijver der deugd in. — Nog op andere gezichtspunten moeten wij wijzen om, voor zooveel het voor ons bekrompen verstand mogelijk is, de diepte te peilen van Jesus' liefderijke raadsbesluiten. Groot en wonderbaar was Hij in al zijn werken, in zijne Mensch-wording en Geboorte, in zijn Leven en Sterven ; niet minder zegenrijk en doeltreffend is zijne werkzaamheid in het allerheiligste der Sacramenten. Wat Hij toen, in die omstandigheden van zijn sterfelijk leven, begon en voor eens op Zich wilde nemen, dat Liefde-werk zet Hij voort en bestendigt het in liet h. Sacrament onzer altaren. Die andere bewijzen van zijn onuitputtelijke Goedheid gingen voorbij met de snelheid van den tijd, maar „het Sacrament der Sacra-„mentenquot; — zooals de h. Thomas het noemt — zal 'smenschen troost en kracht blijven tot aan de voleinding der eeuwen; in de andere middelen door Christus aan zijne Kerk tot zuivering of ter heiliging der zielen gegeven, ontvangen wij vele en groote genaden, maar hier leeft en werkt de Gever zelf, hier springt die bron waaruit alle genaden voortvloeien, hier genieten wij de oorzaak met hare gevolgen, den boom des

ocr page 219

h, sacbamentsdag.

levens met zijne vruchten, welke eeuwig doen leven; hier worden Jesus' Menschheid en Godheid genuttigd met de volheid van alle verdiensten, genaden en vertroostingen, waarvoor de mensch ontvankelijk is. De h. Theresia mocht met recht zeggen, „dat ééne h. Communie op de volmaaktste wijze „ontvangen een iegelijk in een heilig Christen kan herschep-„pen.quot; Waarlijk, verder kon Jesus' almachtige Liefde niet gaan. De innigste en heiligste vereeniging der ziel met haren goddelijken Schepper is het doel, waarnaar Jesus streeft. Hij wil niet wachten, totdat zij in den Hemel met Hem veree-nigd leeft. Reeds hier op aarde wenscht Hij met haar één te zijn in den band van liefde, om hiernamaals een eeuwig bruiloftsfeest met zyne beminde te kunnen vieren. Nu reeds vindt Jesus zijn vermaak er in met de kinderen der menschen in de liefelijkheid des vredes te leven tot aan hun scheiden uit dit tranendal, om dan voor altijd hun overgroot loon, hunne vreugde en hunne kroon te kunnen wezen in den Hemel.

Dat niemand van die liefde-bewijzen wordt uitgesloten, geen onzer die het niet dikwijls in zijn leven met diepe ontroering en hartelijke dankbaarheid heeft mogen opmerken. Voor allen ook voor de geringsten onder maatschappelijk opzicht staat die genade-bron, welker wateren springen ten eeuwigen leven, altijd open; allen mogen zich voeden met het hemelsbrood, dat alle geneugten in zich bevat; een ieder mag proeven, hoe zoet de Heer is voor wie Hem niet versmaden ; geen enkele wordt geweerd van dien liefde-maaltijd, waarby Christus genuttigd, de ziel met hemelsche weldaden vervuld en een onderpand ter eeuwige glorie gegeven wordt. Kan de eene of andere zelf niet tot Jesus komen, dan komt Hij tot wie Hem in hun hart wenschen te ontvangen. In ziekte en op het sterfbed bezoekt Hij zijne broeders en zusters om hen in hunne droefheid te troosten, te bemoedigen in, het lijden en te heiligen voor de eeuwigheid. Geen hoekje is

205

ocr page 220

h. saceamentsdag.

Hem te klein, geene woning te gering, geen afstand te ver. Hij moge uitgenoodigd worden bij een rijken Simon of bij een armen Lazarus, aan het verlangen van allen wil Hij voldoen en verplicht zijne priesters, dat zij het h. Sacrament brengen en geven aan hen, die hunne woning en hun hart voor Hem open zetten. Zelfs al zoude een Zachaeüs, die nog veel in zijn leven heeft goed te maken, zich verstouten den Zaligmaker te ontvangen in zijn huis, wanneer hij zich eerst naar het voorschrift van den h. Paülus beproefd en van groote zonden zijne ziel gereinigd heeft, hem ook zal zaligheid geworden en veel vergeven worden, omdat hij toonde Jesus te beminnen.

Welk eene kracht van dat h. Sacrament uitgaat, weten zij het beste, die geene niets waardige uitvluchten uitdenken om verwijderd te blijven van dat bruiloftsfeest, waar Jesus zelf en gastheer en spijze is. Zij zullen moeten bekennen, dat het hen behoedde tegen de verleiding der zonde en louterde van gebreken; dat het hen hielp misdadige gedachten te bestrijden; dat het voor hen werd een opleven van deugdelijke gezindheid en tegelijk een machtig middel ter beoefening van goede werken. Aan hen is het ook te bespeuren, dat zij een goddelijk voedsel voor hun bovennatuurlijk leven vonden, dat zij daardoor, zoo zij al niet bevestigd zijn in de genade, minstens de verdienstelijkheid van hun leven dagelijks ver-hoogen. Wie nog andere bewijzen wenscht, denke slechts aan die millioenen van roemrijke bloed-getuigen voor Jesus' Naam. Gevoed met het Brood der Engelen, sprongen zij blijde, als waren zij ter bruiloft genoodigd, met den moed van helden in het strijdperk, waar de foltering van het vuur of de verscheurende tanden van de wilde beesten of de marteling van de geeseling ten doode toe hen wachtten. Moediger dan leeuwen geworden en met verachting van wat de onmenschelijke wreedaardigheid hunner vijanden had kunnen uitvinden, gingen zij ter strafplaats — een worstelperk voor hen, waar

206

ocr page 221

H. SACEAMENTSDAG.

een eeuwige kroon gewonnen werd — daagden de beulen uit hun kracht op zwakke lichamen te beproeven en deden den tyrannen het bloed in de aderen stollen by het zien van zulk een lijdens- en doodsverachting. En dat waren niet zelden jeugdige knapen, teedere maagden, zwakke vrouwen, afgeleefde grijsaards. Ook die eerbiedwaardige kluizenaars, welke schier geen ander voedsel genoten dan wat de h. Communie hun aanbood; al die naar de wereld ongelukkigen, welke aan de tafel des Heeren met een hemelsche vreugde overstroomd werden; al die zondaren, welke het vuur der begeerlijkheid uitgedoofd en de banden der zonde verscheurd en hun hart der deugd gewyd hebben — zij allen leggen in hun leven, in hunne worsteling en overwinning de plechtige getuigenis af, dat de mensch door de h. Communie met eene bovenmen-schelyke kracht gesterkt wordt.

Opmerking. Ondenkbaar veel heeft het den Zaligmaker gekost en kost het Hem dagelijks nog om de plannen zijner Liefde ten onze opzichte te kunnen volvoeren; groote vernederingen moet Hij Zich voortdurend getroosten om onder ons te verblijven en het levendmakend Brood te kunnen zijn, dat onze zielen eerst ter overwinning en dan ter verheerlijking geleidt. Hij is gedwongen Zich zóó diep te vernederen, dat een onwankelbaar vast geloof alleen Hem nog tegenwoordig erkent onder den schijn van brood. In al de andere geheimen van zijn God-menschelijk leven bemerken wij nu en dan de glorie zijner goddelijke Majesteit. In armoede werd Hij geboren, maar de Engelen bezongen en eene ster openbaarde Hem, zóódat Herders uit de Joden en Machthebbers uit de Heidenen Hem kwamen aanbidden; Hij liet Zich besnijden, alsof Hij een gewone afstammeling van Abraham ware, maar zijn Naam moest Jesus wezen, want Hij zoude zijn volk van hunne zonden vrijmaken; Hij vluchtte, maar beschaamde zijne vijanden en verijdelde hunne listen; Hij wilde van zijn dienaar het Doopsel der boetvaardigheid ontvangen, maar eene stem uit den Hemel verklaarde Hem voor den welbeminden Zoon des eeuwigen Va-

207

ocr page 222

h. sacramentsdag.

ders; Hij vastte veertig dagen en nachten, maar joeg den Satan op de vlucht en riep de Engelen uit den Hemel om Hem te dienen; Hij werd als godslasteraar gescholden maar genas den lamme ten bewijze, dat de Zoon des menschen macht had om de zonden te vergeven; Hij zelf was arm en bezat geen steen waarop Hij zijn hoofd kon te ruste leggen, maar spijzigde duizenden met weinige brooden; de Joden beschuldigden Hem van omgang met den duivel, en Hij verdreef de helsche geesten uit de lichamen der bezetenen; zelfs onder den smaad des Kruises dwong Hij Hemel en aarde zijne Grootheid te openbaren en den Heidenschen hoofdman zijne Godheid te bè-lijden. Doch hier, in het h. Sacrament hooren we geene indrukwekkende stem, zien we geene verbazende wonderen, vernemen we uit den Hemel geene openbare belijdenis van Jesus' goddelijke Majesteit. Daar rondom het Tabernakel heerscht eene diepe stilte, welke slechts nu en dan onderbroken wordt door de zuchten der bedroefden of door de smeekingen der behoeftigen of door de lofzangen der vereerders. Overigens geen teeken, dat daar de Algoede en de Almachtige zetelt, die met een enkel woord wat niet was tot het aanzijn riep en wat gevallen was uit Liefde wederom oprichtte. Het oog des menschen ziet den God-mensch niet, noch de beminnelijke Grootheid zijner goddelijke Natuur. Jesus wil Zich verbergen onder zichtbare gedaanten, opdat wij door het geloof aan zijn onfeilbaar woord onze verdiensten kunnen vermeerderen en tegelijk niet afgeschrikt worden door den glans zijner Godheid, waarvoor zelfs de Engelen het aangezicht met hunne vleugelen bedekken. — Waf zullen rmj den Heer weergeven, moeten wij met den koninklijken Profeet vragen, voor alles wat Hij ons gegeven heeft? Het volgend antwoord moet kort zijn, doch op eenige volledigheid aanspraak kunnen maken.

II.

De h. Paulus eischt, dat de mensch zich beproeve en zóó

van dat brood ete en van dien kelk drinke. want alwie onwaardig eet en drinkt, eet en drinkt zich een oordeel,

208

ocr page 223

H. SACRAMENTSDAG.

omdat hij het lichaam des hebben niet onderscheidt. HlJ zal schuldig zijn aan het LlCHAAM en bloed des lïeeren,

schuldig als een Judas, eenCaïphas, een Pilatus, als de Joden, die den Heer der Heerlijkheid kruisigden. Een gestreng en nauwkeurig onderzoek van ons geweten moet dus vóórafgaan en, wie zich met eene doodzonde beladen gevoelt, is verplicht zich door een oprechte en berouwvolle biecht van die smet te zuiveren. Handelde hij zoo niet, zwaar zoude zijne misdaad wezen en vreeselijk de straf, welke hem te duchten stond, omdat hij het Lichaam des Heeren niet onderscheidde van gewone spijs, en hij haalde zich door een onwaardige Communie een banvonnis op den hals, omdat hij zonder het vereischte bruiloftskleed aan 's Heeren tafel ging aanzitten.

Laten wij veronderstellen, dat aan die voorwaarden naar be-hooren voldaan wordt, zijn dan alle verplichtingen vervuld, welke Jesus' tegenwoordigheid in het h. Sacrament ons oplegt ? Zeker, een onwaardige Communie ware voorkomen, maar geenszins aan Jesus alle eer gegeven, welke Hij rechtens vorderen kan en moet. En welke die is? Uit den Hemel is Hij neergedaald om te midden van zijne beminden te verblijven en de spijze onzer zielen te wezen; van de Hemelingen kunnen wij daarom leeren, welke hulde te brengen is aan die goddelijke Gave. „Wat wij, die in den Hemel wonen, „ten opzichte van het' goddelijk Wezen doen, dat moet gij - zeide de h. Theresia na haren dood in eene verschijning aan een der Carmelietessen —quot; doen op aarde ten opzichte „van het h. Sacrament des altaarsquot; De vraag dringt zich derhalve aan ons op: waardoor vereeren de Zaligen des Hemels Gods Majesteit, en het antwoord zal ons leeren, hoe wy Jesus moeten vereeren, die onder ons wil verblijven als de Emmanuël, als de Vorst des vredes, als de goede Herder, als het Brood des levens, als de sterke God, als de beminnelijke Samaritaan, die zalve heeft voor alle wonden.

Eene eersteles, welke de Gelukzaligen ons voorhouden, is deze.

Verklaringen der Ëpistelen, II. 14

209

ocr page 224

H. SACBAMEKTSDAG.

210

Zij zien en kennen God; zij genieten Gods aanschouwing ter belooning van hun levendig geloof, waarvan zij in hun leven de schoonste bewijzen gaven in woorden en in daden. Wat nu ons betreft, verlangen wy aan den goddelijken Jesus in het allerheiligste Sacrament eene gelijke hulde aan te bieden, dan moet het groot geheim onzer altaren voor ons het voorwerp wezen van een geloof, dat niet alleen aanneemt, wat niet gezien wordt, maar dat ook in die waarheid zooveel mogelijk tracht door te dringen en zich daarmede vertrouwd maakt; dat die hemelsche Gave in hare waarde en ontzaglijke verhevenheid zoowel als in haar onberekenbaar nut voor 'smenschen ziel met diepen ernst overweegt; dat ze beschouwt en bewondert als een geschenk van Jesus' onbegrijpelijke Goedheid, te minder verdiend naar mate wij ons onwaardige dienstknechten moeten noemen en Jesus, om het ons te geven, Zich zoo diep moest vernederen. Zouden er velen onder de Christenen gevonden worden, die zich een zoo omvangrijk begrip van het grootste Liefde-geheim gevormd hebben, al meenen zij tot de getrouwe vrienden en vurige vereerders van Jesus te behooren? De h. Joannes de Evangelist vermeldt met droefheid, dat Jesus onder de zynen komende door hen, al behoorden zij tot het volk Gods, niet ontvangen werd, en Joannes de Dooper verweet den Joden, Priesters en Levieten, dat zij Hem niet kenden, die in 't midden van hen stond. Met die of dergelijke woorden richt ook de Kerk zich met den yver van den Apostel en van den Boetgezant tot u en vraagt: „kent gij de gave Gods?quot; Gij antwoordt mis-„schien? ik geloof toch, dat in het h. Sacrament dezelfde „Jesus tegenwoordig is, die lag in de kribbe, op den schoot „van Maria rustte, die naar Jerusalem opging om zijne zending „te volbrengen en stierf aan het kruis en nu zetelt in den „Hemel.quot; Gij gelooft, maar kennen zegt meer. Kunt gij in waarheid zeggen een mensch te kennen, zoo gij hem een enkele maal gezien hebt ? Gij weet dan iets van zyn bestaan

ocr page 225

H. SACBAMENTSDAG.

211

en van zijn uiterlijk; maar zijn karakter en zijne hoedanig-heden kent gij niet, zoo niet een inniger omgang, een wisseling van gedachten, meeningen en gevoelens tusschen u beiden plaats greep. Zoude dan een koud aannemen van Jesus' tegenwoordigheid zonder meer genoegzaam zyn? De Hemelingen zien God maar kennen Hem ook in zijne Volmaaktheden, en daarom genieten zij een hemelsche wellust met Hem te loven en te prijzen, en vinden immer nieuwe redenen om aan Hem de eer hunner aanbidding te brengen, Hoe meer zij verdiend hebben dat Gods Wezen, voor ons nog onbegrijpelijk, hun geopenbaard werd en dat een helderder licht voor hunnen geest opging over Hem, die de bron van hunne vreugde is, te vuriger zingen zij Hem ter eere hunne lofzangen, die zij als de oneindige Liefde kennen. Daarom, al wie zich al sterker tot het h. Sacrament wil getrokken voelen, beijvere zich al meer en meer te lezen in het Hart van Jesus, die ons dat hemelsch Manna gaf. Weigert Hem die eer niet, zouden wij aan allen willen toeroepen, en de grootste voordeelen zijn u verzekerd. Wanneer wij, het hart van een of ander mensch kennende, daarin een warme toegenegenheid of een medelijdend gevoel jegens ons opmerken, hechten wij ons aan hem, noemen hem onzen vriend, bezoeken hem gaarne en vertrouwen hem onze geheimen toe, onze angsten, onze verlangens, onze voornemens, onze vooruitzichten en behoeften. Dezelfde gehechtheid zouden wij aan Jesus betoonen, als wij al beter beseften, watjesus in het h. Sacrament voor allen zijn wil, die Hem beminnen; hoe liefdevol Hij allen welkom heet, die aan zijne uitnoodiging voldoen, hoe rijk en overvloedig Hij elk eerbewijs vergeldt, dat Hem betoond wordt. Hebben wij zoo leeren kennen wat die Gave Gods is en Wie het is, die van uit het Tabernakel tot ons spreekt, ja dan zouden wij weldra proeven, dat Jesus goed is voor die Hem zoeken en alles voor die Hem vinden. Yeronderstellen wij, dat Jesus in zijne Liefde, Almacht en andere Volmaaktheden door Hem in het h. Sacrament vooral

ocr page 226

H. SACRAMENTSDAG.

geopenbaard, gekend werd door allen, zouden dan onze kerken niet beter gevuld worden met geloovigen, die daar hun nood klaagden en de angsten van hun hart blootlegden, om verkwikt te worden, om bemoedigd en gezegend huiswaarts te keeren? Zoude de h. Mis, waarin het allerheiligste Offer dat denkbaar is aan God voor levenden en dooden wordt opgedragen, niet meer aanbidders trekken en zouden de genaden door een eerbiedige aandacht en nederige aanbidding te verdienen niet over meerdere huisgezinnen neerkomen, als zij zich minstens door eenige van hunne lidmaten lieten vertegenwoordigen bij de hoogstheilige handeling, welke in Jesus' Kerk verricht wordt? Werd dan ook de h. Communie niet zoo achteloos verwaarloosd, maar met een vurig verlangen en eene heilige voorbereiding ontvangen, die goddelijke spijze welke voor een ieder een overvloeiende bron van zalige vruchten kan wezen en een krachtig middel tegen de zwakheid van het vleesch, tegen de verleiding van de wereld, tegen de bekoring van den satan ? O, neen, er zouden onder de Christenen niet zoo velen gevonden worden, die een kwijnend godsdienstig leven leiden, die zwak zijn in de gevaren en zoo dikwijls op hun weg bezwijken, als zij de vruchten van dien boom des levens met meerderen ijver zochten.

Slaan wij nog eens onzen blik op naar den Hemel, dan leeren wij van de Uitverkorenen G-ods nog een tweeden plicht, welken wij te vervullen hebben. Omdat zij God kennen in zyn oneindige Volmaaktheden, beminnen zij Hem met al die vurigheid, welke zij verdiend hebben door hunne getrouwheid in den dienst van God. Daaruit volgt dat, al wie op hen willen gelijken, aan Jesus in zijn h. Sacrament, waarin een levendig geloof de oneindige Liefde aanbidt, geheel hun hart moeten toewijden. Spreekt ook daar niet alles van Liefde? Kan een geloovig Christen zijne oogen op het Tabernakel vestigen zonder dat hij een geheimzinnige stem hoort fluisteren: „mijn kind 1 geef My uw hart; betoon My wederliefde voor

212

ocr page 227

H. SACRAMENTSDAG.

„de Liefde waarmede Ik u van eeuwigheid bemind heb en „tot aan het einde uwer dagen zal blijven beminnen.quot; Uit Liefde heeft Jesus het h. Sacrament ons gegeven en, dewijl oprechte liefde altijd streeft naar vereeniging met den beminden persoon, wilde Hij onder ons verblijven en wenschte de spijze van onze zielen te worden, opdat Hy één met ons zou worden, gelijk Hij één is met den Vader. Hij stelde het in op den vooravond van zijn lijden, op het plechtigst oogenblik van zijn aardsch leven, toen elk zijner handelingen van nog hoogere Liefde getuigde. Bij het afscheid van zijn beminde leerlingen liet Hij het aan zijne Kerk en aan allen, die in Hem zouden gelooven, na als de rijkste erfenis uit den schat, zijner hemelsche goederen. Die Liefde roept allen op, dat zij zich ter aanbidding verzamelen rondom zijn Tabernakel en aan zijne Tafel aanzitten, opdat Hij de hongerigen spijzigen en de armen met weldaden overladen kunne. Daarom wilde Jesus, dat het h. Sacrament overal tegenwoordig zou wezen tot aan het einde der tijden; daarom ook werd de Kerk gesticht, opdat zij met de haar verleende volmacht altijd nieuwe priesters wijde, die het Brood des levens voor hare kinderen kunnen breken.

Opmerking. Wij besluiten met deze losse gedachten. Jesus heeft Zich vele vernederingen in het h. Sacrament getroost met vrijen wil; Hij verduurt voortdurend in het geheim zijner Liefde, hoe grievend zij ook zijn, vele verguizingen van hen, die zich moesten afmatten in het betoenen van hunne wederliefde. Laten wij Hem voor deze en gene — zegt een godvruchtig schrijver — zoo veel doenlijk schadeloos stellen door een dankbare en door een boetvaardige liefde. Het schoone feest heden door de Kerk gevierd, biedt daartoe een geschikte gelegenheid aan. Het is de dag, waarop wij de gedachtenis vieren van dien gedenkwaar-digen avond, toen Jesus dat aanbiddelijk Sacrament instelde — de bron van de grootste genaden en van de reinste vreugde voor den Katholiek; de dag ook, waarop meer nog dan op andere

213

ocr page 228

H. SACRAMENTSDAG.

214

dagen Jesus' stichting zich beijvert om den God-mensch, die Zich in zijn liefde-geheim zoo diep vernedert, te verheerlijken door hare gezangen en hare aanbidding. Wat zijn die proces-siën indrukwekkend en stichtend voor den geloovige, als Jesus rondgedragen wordt door de lange rijen van zijn volk, dat voor den verborgen Zoon Gods neerknielt en Hem huldigt als den Gezegende des Vaders, die kwam om voor allen de Zaligheid, het Leven en de Verrijzenis te worden! Overal ter wereld, waar een Katholiek bedehuis staat, buigen de geloovigen hunne knieën voor die goddelijke Majesteit en vereenigen hunne lofliederen met die der Uitverkorenen om hun beminden Zaligmaker te loven en te prijzen. Velen spannen hun beste krachten in, en ontzien geene kosten, opdat zij door versieringen en het aanbrengen van een zee van licht, door feestelijke optochten of door huldebetoon in engeren kring. Hem eere te geven, die als een verborgen God onder de zijnen woont en aan Hem dank te brengen, die met milde hand zijne gunsten uitdeelt. Geen enkele, zoo hij gelooft en het heil zijner ziel wil behartigen, zal er gevonden worden, die niet dikwijls en vooral in deze dagen van het Octaaf met alle aandacht aan den voet des Altaars bidt om licht op zijne paden en kracht voor zijn zwakken wil met het doel, dat hij volhardend den weg der deugd kunne bewandelen. Niemand, zoo hij althans op Gods heerlijke gave prijs stelt, zal het in dezen tijd van zaligheid nalaten zijne ziel te voeden met de goddelijke spijze hem in de h. Communie aangeboden en zoo sterk te zijn om door het midden zijner vijanden heen te kunnen gaan en den berg Gods te bereiken, waar een eeuwig geluk begint; hij zal ook, Jesus' Liefde waar-deerende en ze door wederliefde vergeldende, om voor zijn eigene tekortkomingen en voor die van anderen eenige voldoening te geven, vurig en ijverig zich betoonen in het aanbidden van zijn God en Zaligmaker. En geen twijfel; wie zoo aan Jesus zijn dank en zijne wederHefde bewijst, hij zal proeven, hoe goed Jesus is voor wie Hem beminnen; hij geniet van den boom des levens, waarvan de vruchten een eeuwig leven geven.

ocr page 229

DERDE ZONDAG NA PINKSTEREN.

Veel geliefden ! Vernedert u onder de machtige hand van God, opdat Hij u ten tijde der bezoeking ver-heffe ; werpt al uwe bekommernis op Hem, want Hij draagt zorg voor u. Weest matig en waakt! want uw vijand, de duivel gaat rond als een brullende leeuw, zoekend wien hij kan verslinden ; weêrstaat hem, sterk zijnde in het geloof, wetend dat hetzelfde lijden aan uwe broeders, die in de v/ereld zijn, ten deele valt. Maar de God van alle genade, die ons in Christus Jesus geroepen heeft tot zijne eeuwige heerlijkheid, zal zelf, nadat gij een korten tijd geleden hebt, u volmaken, bevestigen en grondvesten. Hem zij de glorie en de heerschappij in de eeuwen der eeuwen! Amen. i Pe. V, 6—n.

Inleiding. De woorden van dezen Epistel behelzen uitspraken, vermaningen en grondbeginselen voor een christelijken levenswandel, welke door alle geloovigen ter harte dienen genomen te worden. De raadgevingen van den h. Petrus waren gericht tot al de bekeerlingen van de Klein-Aziatische gewesten, maar zijn op de Christenen van onzen tijd niet minder van

ocr page 230

DERDE ZONDAG NA PINKSTEREN.

toepassing. Wij allen moeten ons buigen onder de machtige hand van God, vertrouwen stellen op zijn alvermogende Goedheid, matig en waakzaam wezen en zoo tegen den sluwen en on vermoeiden vijand onzer zaligheid den goeden strijd strijden, van God een eeuwige belooning verwachtende. Geen enkele Christen kan er gevonden worden, die niet nu en dan en veelal een langen tijd te worstelen heeft met velerhande lijden en toch met een onbegrensd vertrouwen op Gods vaderlijke Voorzienigheid zich moet schikken in zijn lot; geen enkele, die niet met het schild des geloofs en met den helm der hoop gewapend kampen moet, om de hoogste goederen, welke God voor den onvermoeiden strijder heeft weggelegd. — Gelijk de Prins der Apostelen al zijne bekeerlingen in de beproevingen standvastig en deugdzaam in hun wandel, sterk in hun geloof en in hun vertrouwen, overwinnaars van den booze wenschte te zien, zoo ook moeten wij bevonden worden op den grooten dag der openbaring van Gods heerlijkheid, opdat wij juichende ons voor eeuwig kunnen verblijden. Een beter middel ter aansporing tot die deugden is er niet, dan dat wij de vermaningen van den h. Petrus van alle zijden beschouwen, ze in onzen geest opnemen en ons gedrag daarnaar regelen. Zoo ook zullen wij onze eeuwige bestemming kunnen bereiken. Wij vestigen dan onze aandacht op deze christelijke beginselen, welke eene voor de Christenen van eiken leeftijd en van eiken stand onveranderlijke wet verkondigen:

I. wij moeten ons onder Gods leiding vernederen en op Hem blijven vertrouwen;

II. wij moeten moedig strijden met de hoop op de eindoverwinning.

I.

Wie hier groot in Gods oogen en hiernamaals zalig wenscht te zijn, hij zij nederig van harte, want God vernedert den hoogmoedige, en verheft den nederige, en zijne ooren luisteren naar diens gebeden. Wie rustig zijne dagen sleten en in

216

ocr page 231

derde zondag na pinksteren.

vrede met zich zeiven leven wil, hij volge dezen raad des Apostels op : vernedert u onder de machtige hand van god. Dit voorschrift opgevat in verband met de wederwaardigheden en vervolgingen, waaraan de toenmaals levende Christenen bloot stonden, en welke ook nu alle goede en ware geloovigen voortdurend te wachten hebben, zal wel dezen zin hebben; „verdraagt met geduld al het lijden, dat God in „zyne Wijsheid en Liefde over u laat komen.quot; Dit is een der groote beginselen, welke de steunsels in alle beproevingen zijn en ons geheele leven moeten beheerschen. De gewichtigste redenen nopen ook ons, dat wjj dien leidraad getrouw volgen.

De hand van God is machtig en daarom dient aan zyne oneindige Majesteit onze nietigheid, aan zijne Almacht onze zwakheid, aan zijne Wijsheid onze kortzichtigheid onderworpen te zijn. Geen te diepe hulde kan aan zijne raadsbesluiten en aan zijne beslissingen betoond worden, want de hand van God bewaakt en beschermt ons allen niet slechts, maar zij beschikt ook alles ten beste van wie Hem beminnen; zij toont zich overal werkzaam en kan de machtigen doen sidderen en de hoogmoedigen van hun troon stooten even gemakkelijk, als zy de geringen uit het stof kan opheffen om hen te plaatsen onder de vorsten van zijn volk. Die hand moet met eerbied gekust worden, omdat zij zoowel weldaden verspreidt als wonden slaat, zoowel over bloemrijke als over doornige paden leidt, niet minder naar het licht dan naar de duisternis voert, zoowel vreugde geeft als lijden brengt. Uit die hand zyn wij ook verplicht aan te nemen niet alleen voorspoed, maar ook tegenspoed, alle kruisen en wederwaardigheden, overtuigd zijnde dat de oneindig Rechtvaardige ons geen onrecht kan aandoen, ook niet vermetel onderzoekende waarom een oneindige Wijsheid het een of het ander zóó en niet anders beschikt heeft, minder nog morrende als God ons straft of eenig ongeluk over ons laat komen. Een nietig schepsel mag zijn Schepper niet

217

ocr page 232

DERDE ZONDAG NA PINKSTEREN.

ter verantwoording oproepen, die het schiep; een zondaar niet spreken tegen den Beleedigde, van Wiens Barmhartigheid hij vergiffenis hoopt; een mensch niet treden in het gerecht met zijn God, van Wien hij geheel afhankelijk is.

Het ware ook eene allergrootste dwaasheid zich tegen Gods besluiten te willen verzetten. quot;Wie toch is aan Hem gelijk, wie kan aan zijne plannen weerstand bieden, wie zich aan zijne macht onttrekken ? God, de Heer, regelt alles en niets geschiedt er wat niet het gevolg is van een goddelijken wil, die beveelt of toelaat. En zou een mensch zijne zwakke krachten durven meten met die goddelijke macht in plaats van de hulde van aanbidding en onderwerping te brengen aan Gods wijs bestuur? Vermetel ook zoude het wezen, wanneer de mensch zich niet schikte naar den wil van God en aan diens wetten zich wilde onttrekken, evenals Jonas deed, die voor het aangezicht van God meende te kunnen vluchten. Als de Heer spreekt, blijft den dienaar niets over dan zich te onderwerpen. Goedschiks of kwaadschiks moet een ieder zich onderdanig betoonen aan de raadsbesluiten der goddelijke Almacht, die hare plannen gevormd heeft zonder ons en ook zonder ons ze zal weten ten uitvoer te brengen. Als God ons door de beproevingen wil vernederen, zal de mensch, of hij daarin toestemt of niet, de vernedering niet kunnen ontgaan. God is de onafhankelijke Bestuurder van aller levenslot; Hij verheft en vernedert. Hij maakt rijk en arm naar vrijen wil en heeft het recht alles naar zijne inzichten te regelen en Hij doet het metterdaad, zonder dat Hij Zich aan onredelijke klachten van onwillige onderdanen stoort. Maar ook — nimmer mag dit vergeten worden — als een liefdevolle Vader bestiert Hij zijn huisgezin. Zijne Wijsheid strekt zich van het eene uiteinde der wereld tot aan het andere uit, niet alleen krachtdadig, maar ook met zachtheid, met liefde en belangstelling in het wezenlijk welzijn zijner kinderen. Hij weet het goede uit het kwade te trekken en zal, wanneer het ons dienstig is, het

218

ocr page 233

derde zondag na pinksteren.

kruis van onze schouders nemen. Niets blijft ons derhalve over, dan ons met bereidvaardigheid aan Gods liefdevolle Voorzienigheid te onderwerpen. Zijn wil moet de onze wezen; niet wat ons maar wat Hem welbehageijjk is, dat moeten wij wenschen vervuld te zien. Zoo verzamelen wij de verdiensten der stille en christelijke berusting en vermijden de zonden van een misdadig verzet.

De h. Petrus voert nog eene andere reden aan, waarom allen zich onder Gods hand moeten vernederen: opdat hij „ten tijde der bezoeking verheffe. Altijd zal die reden een overtuigenden indruk op elk christelijk gemoed maken. Wat toch wenscht de mensch, wat zoekt hij, waarnaar streeft hij met inspanning van al zijne krachten ? Eer of heerlijkheid is zijn doelwit, geluk en ongestoorde vrede zijn de meest gezochte goederen, welke hij tracht te vinden. En ziet, de Apostel geeft hem een onfeilbaar werkend middel aan de hand om die goederen te verwerven, waarnaar zijn hart het meest verlangt. Hij heeft ons in naam van God verzekerd, dat vernedering tot ware grootheid voert, dat voor den nederige, mits hij onderworpen blyve, een overgroot geluk gemakkelijk te verkrijgen is. Niemand zal zich daarom behoeven te beklagen, zoo hij zich aan de machtige hand van God met volkomene verzaking van eigen wil onderwerpt, zijne nietigheid erkent en zich zeiven verloochent om het kruis aan te nemen, dat hem van boven voorgehouden wordt. Zijn loon zal overgroot wezen. Ten tijde der bezoeking zal God hem verheffen. Ten dage, als God hem met zijne hulp nabij komt, zal hij over alle beproevingen zegevieren, en dan zich over het doorgestane lijden kunnen verheugen, terwijl geene droefheid zijn hart nog zal beklemmen. Vooral ten dage, als God Jerusalem meteen lantaarn zal doorzoeken, en die Hem getrouw zijn gebleven in de beproevingen zal scheiden van wie zich tegen zijne plannen hebben verzet, dan zal eene eeuwige dag van eer en glorie, van vreugde en zaligheid aangebroken zijn.

219

ocr page 234

derde zondag na pinksteren.

Werpt al uwe bekommering op god, want hij draagt zorg voor u — zoo luidt de tweede vermaning van den h. Petrus, welke onmiddellijk verband houdt met de eerste. Onderworpen zijn aan Gods Voorzienigheid en dan aan Hem alles overlaten, dat is christelijke wijsheid, en dat geeft ook den waren vrede des harten. Een Christen, die zegt te gelooven, mag niet zoo onzinnig handelen, dat hij zijn leven verbittert en zich droevige dagen schept door een der troostrijkste en hartverheffendste waarheden uit zijn geest te bannen, welke God hem geopenbaard heeft en als een lichtbaak gesteld heeft op zijn anders treurigen levensweg. Hij zou door die onverschilligheid reeds alleen verdienen, dat een knagende onrust en een bange blik in de toekomst hem alle levenslust ontroofden, dat hij van angst gekweld en zijn hart door bitterheid verscheurd werd. Al dat leed had hij aan zich zeiven te wijten, omdat hij zich niet wil herinneren, dat een wijze en goede Vader over hem waakt en dat zijn heden en zijne toekomst veilig zijn onder de hoede van eene alvermogende Liefde. Wie deze waarheden vergeten, zij zei ven zijn oorzaak van hun ongeluk en des te meer te beklagen, omdat zij met geringe moeite het konden vermijden. Waarom volgen zij den goeden raad des h. Petrus niet op en geven zij zich niet over aan de goddelijke Voorzienigheid; waarom kwellen zij zich met allerlei onredelijke zorgen in plaats dat zij daar hulp zoeken, waar die zeker te vinden is; waarom gaan zij met gebogen hoofde en met bedrukt hart langs hun weg, terwijl zij met lichten tred en met een opgeruimd gemoed hun kruis konden dragen, als zij slechts hunne oogen naar den Hemel ophieven, waar Hij zetelt, die voor allen zorgt en Wiens Voorzienigheid alles bestuurt, als zij zich slechts deze vertroostende woorden van David herinnerden : ik hen arm en ellendig, maar de Heer slaat acht op mij. Mijn Helper en Beschermer zijt Gij, o mijn God! vertoef niet! (Ps. XXXIX, 18.)

Aan bewijsgronden voor zulk een onbegrensd vertrouwen

220

ocr page 235

DERDE ZONDAG NA PINKSTEREN.

ontbreekt het waarlijk niet. Wij gelooven in God den Vader, den almachtigen Schepper van hemel en van aarde, en die Schepper kan ons, wie Hij gemaakt heeft, niet aan ons zei-ven overlaten, niet prijs geven aan een blind noodlot of aan een vijandelijke macht. Bovendien, die Vader beschermt, geleidt en verzorgt ons beter dan een aardsche vader doen kan, beter naarmate zijne Liefde, zijne quot;Wijsheid en zijne Macht oneindig hoog verheven zijn boven de volkomenste eigenschappen der menschen. Heeft Hij ons in Jesus Christus ook niet, als het hoogste bewijs zijner Voorzienigheid, een Leeraar in onze onwetendheid, een Verlosser voor onze zonden, eene Kracht in onze zwakheid, in onze mismoedigheid een Trooster, op onzen levensweg een Leidsman gegeven? Schapen, welke onder de leiding van zulk een Herder staan, worden naar vette weiden gevoerd, en zijn veilig voor verscheurende wolven. En daarmede is een „haltquot; toegeroepen aan die al te angstige vragen, waardoor zoo velen gekweld worden, b.v : of zij in den staat van genade zullen volharden, of zij in den moeilijken strijd met de vijanden hunner zaligheid zullen bestaan en eene woning vinden in het land des vredes? Laten zij vertrouwen op God, doen wat zij met Gods genade vermogen, en Hij zal ook het volbrengen geven.

Verre zy van ons de gedachte, dat Gods zorg voor het geestelijk welzijn alleen zijner kinderen waakt en niet zich uitstrekt tot hun lichamelijke behoeften. Wie de menschelijke natuur met hare nooden geschapen heeft, zal daarin ook voorzien. De h. Petrus wilde daarom, dat wij al onze bekommernissen op God zouden werpen. Heeft ook de Zaligmaker niet met allen nadruk voor overdrevene bezorgdheid gewaarschuwd, toen Hij met zijn onfeilbaar woord verzekerde, dat de hemelsche Vader wel zorg draagt voor de vogelen des hemels, welke spoedig sterven, en voor de lelieën des velds, welke morgen verwelken? En wij zouden tot die kleinge loovigen willen behooren, welke met angst naar den dag van

221

ocr page 236

DERDE ZONDAG NA PINKSTEREN.

morgen uitzien en zich met kommer afvragen : „wat zullen wij „eten en waarmede zullen wij ons kleeden ?quot; De hemelsche Vader weet, dat wij dat alles noodig hebben, en Hij zal er in voorzien. Voedt Hij die dieren en kleedt Hij die bloemen, te eerder zal zijne zorg zich uitstrekken over ons, zijne kinderen, die Hij als in zijne handen draagt en niet kan vergeten. Wij kunnen zelfs de macht door God als Schepper des menschen en Bestuurder van het heelal uitgeoefend ons niet anders voorstellen, dan als eene macht, welke weldoende is, milddadig en zorgzaam. Naar dezelfde mate, als onze God onbeperkt Heer en Gebieder is, en zijne schepselen in den vollen zin des woords en in alles van Hem afhankelijk zijn, naar die mate moeten zij ook al wat hun noodig is van zijne Goedheid kunnen verwachten. Wij vermogen niet aan de aarde vruchtbaarheid te geven ; het staat niet in onze macht het koren te doen groeien of den regen te doen neerdalen, en toch zijn de vruchten der aarde voor ons levensonderhoud noodzakelijk; met het volste recht mogen wij derhalve bidden : geef ons heden ons dagelijksch brood en naar de ver-hooring van ons gebed met vertrouwen uitzien.

Opmerking. Twee moeilijkheden doen zich hier op. De eerste is deze: bevordert dat onbegrensd vertrouwen de vadsigheid en den lediggang niet; kan niet een ieder zich van allen arbeid ontslagen achten door alles van God te hopen ? Deze opwerping zoude eenige waarde hebben, als God niet reeds in het Paradijs aan den diep gevallen mensch de verplichting had opgelegd : m het zweet uws aanschyns zult gij uw hrood eten ; (i Mos. III, 19); als God niet door Job had laten verkondigen: de mensch is geboren tot den arbeid, als de vogel tot het vliegen (Job. V, 7), en als de h. Paulus niet geleerd had: zoo iemand niet wil werken, dat hij ook niet ete (II Thes. III, 10). Hiermede is bewezen, dat het rechtmatig vertrouwen op Gods hulp niet een vrijbrief geeft voor een verachtelijk niets doen, dat niemand zich mag overgeven aan werkeloosheid, dat nie-

222

ocr page 237

DEBDE ZONDAG NA PINKSTEREN.

223

mand zeggen mag; »God zorgt voor mij, ik mag de handen »in den schoot leggen.quot; Een ieder moet werkzaam blijven in die roeping, welke hij van God ontvangen heeft, een ieder dien arbeid verrichten, waartoe zijn geestelijke vermogens of lichamelijke krachten hem in staat stellen, en eerst dan, als aan die verplichting voldaan is, mag hij al zijne bekommernis op God werpen en van God het gedijen van het werk en de vruchten van zijn arbeid verwachten. — De tweede moeilijkheid is deze: kunnen vele rampen b. v: aardbevingen, overstroomingen, misgewas, storm, onweder, ziekten, tegenspoed in zaken in overeenstemming gebracht worden met de waarheid dat God bezorgd is zoowel voor 's menschen tijdelijk als voor diens eeuwig welzijn ? Door een oprecht geloovige zeker en wel om deze redenen. Veel wordt ten onrechte als een ramp beschouwd, terwijl het in Gods wijze plannen dient of wel als een middel om den mensch van de wereld af te trekken en aan Zich te verbinden, of wel als een welverdiende straf om den schuldige tot inkeer te brengen en den weg der zonde te doen veriaten. Hoeveel leed moet ook niet betreurd worden, als het gevolg van eigen schuld b. v: van luiheid, van verkwisting, van onbe-zonnene ondernemingen, zóódat de kinderen of kleinkinderen nog onder de boosheid of onbedachtzaamheid der ouders lijden. En gij wilt, dat de zondaar zelf niet van het herhalen der zonde of anderen niet van het bedrijven derzelfde misdaden afgeschrikt werden door het aanschouwen der rampen, welke de schuldige zich zeiven te wijten heeft ? Het ware derhalve te veel gevergd van Gods Goedheid, als men door een enkel beroep op zijn vaderlijke bezorgdheid Hem zoude willen verhinderen in het volvoeren van die wijze plannen, waaronder men wel lijdt, maar waardoor vele voordeelen kunnen verworven worden. Ziekten en lijden en het derven van het een of ander zintuig zijn niet zelden in Gods Voorzienigheid bewijzen zijner Liefde, opdat den beproefde gelegenheid gegeven worde ter beoefening van het geduld en van andere deugden, ook ter vermeerdering van verdiensten; armoede, al drukt zij zwaar, spoort aan tot krachtsontwikkeling, tot arbeidzaamheid, tot eenvoudigheid van leven en bevordert de gezondheid beter dan een weelderig

ocr page 238

DERDE ZONDAG NA PINKSTEREN.

leven; het verschil van stand en van beroep en de ongelijke verdeeling van goederen zijn eveneens doorslaande bewijzen van Gods Wijsheid, welke gewild heeft, dat de eene den andere dient en dat allen door wederzijdsche hulpvaardigheid, deze door te werken en gene door te besturen, elkanders geluk bevorderen. Ware offervaardige liefde heelt dan het pijnlijke van den toestand des minderen, terwijl de weldoener in de gelegenheid gesteld wordt om zich schatten voor den Hemel te vergaderen. Bovendien, elk lijden maakt den mensch sterker, reinigt hem van fouten en dwingt hem tot God op te zien, Wien hij anders zoo licht vergeet; hij wordt als goud in den smeltkroes gelouterd en zal, beproefd bevonden zijnde, de hemelsche belooning waardig gekeurd worden. — Zoo wordt God gerechtvaardigd in zijne woorden en overwint, als Hij geoordeeld wordt; zoo schiet door de geschiedenis van de wereld in het algemeen en van eiken mensch in het bijzonder een lichtstraal, welke vele duisternissen verdrijft; en, al zijn Gods wegen niet altijd naspeurlijk en zijne oordeelen niet altijd door-grondelijk, de aangevoerde redenen zijn krachtig genoeg, om ons met volle overtuiging te doen uitroepen: wij vernederen ons onder de machtige, alles besturende hand van God en werpen al onze bekommernissen op Hem, op zijne Liefde en zijne Wijsheid.

II.

Een ander onderwerp, dikwijls besproken, roert de h. Petrus aan, als hij leert, dat de Christen met den machtigen en slu-wen duivel een onafgebroken strijd te voeren heeft, doch tegenover hem niet zóó weerloos staat, dat hij niet overwinnaar kan blijven. Satan, de belager van 's menschen zaligheid, begon zijn rampzalig werk met het eerste menschenpaar door valsche voorstellingen ten val te brengen en is daarom door den Zaligmaker een leugenaar en moordenaar van den beginne af genoemd. Zijne macht is zóó groot, dat de Apostel hem niet beter weet te vergelijken, dan met een op buit uitgaanden

224

ocr page 239

DEEDE ZONDAG NA PINKSTEEEN.

leeuw, met dat dier, dat als het sterkste en ook, wanneer zijne woede geprikkeld is, als het wreedste te duchten is. Die macht weet Satan nog te verveelvuldigen door de hulp van handlangers, welke hij vindt in de hel en zeUs op de wereld onder al die ongelukkigen, welke door ergernis of op welke wijze ook anderen tot zonden verleiden. In het Evangelie wordt hij voorgesteld als vorst der wereld en hij is het in dezen zin, dat zijne heerschappij zich uitstrekt tot aan de uiteinden der wereld, terwijl niet een der menschen zich voor zijne aanvallen kan behoeden, en verreweg de meesten zich aan zijnen dienst verbinden. Hij is de wolf, welke de schaapskooi binnensluipt om te dooden, de mecschenhater, die er alleen op uit is, om onze onsterfelijke zielen naar het eeuwig ongeluk te voeren.

Hij weet wel, dat zijne pijnen niettemin eeuwig zullen duren; maar het is voor hem eene wellust God in diens schepselen te kunnen vervolgen en hen deelgenooten te maken van zijne wanhoop en van de foltering der eeuwigdurende gevangenis, waar de worm der wroeging niet sterven zal. Sluw is hij bovenmate om zijn doel te bereiken en neemt alles te baat, wat hij daartoe dienstig acht. Niets is hem heilig, voor niets deinst hij terug; geene middelen zijn hem te laag en het afschuwelijkst doel is de drijfveer van zijne helsche listen en lagen. Nu eens sluipt hij voort als een gluiperige slang om onverhoeds zijn slachtoffer te bespringen, dan weder laat hij zijn gebrul hooren om den aangevallene van schrik te doen verstijven en zoo te gemakkelijker onder zijne macht te krijgen; zelden echter vertoont hij zich in zijne ware gedaante, maar omkleedt zich meestal met het gewaad van een Engel des lichts, want de zonde heeft voor den redelijk denkenden mensch altijd iets afschrikwekkends en moet daarom als eene vergeeflijke zwakheid, als eene billijke inwilliging van de eischen der men-schelijke natuur, als eene niet te vermijden voldoening van

Verklaringen der Epistelen, II. 15

225

ocr page 240

derde zondag na pinksteren.

ingeschapene driften voorgesteld worden. Niemand mag dien onverbiddelijken vijand gering achten; hij is begaafd met een scherpzinnig verstand en een krachtigen wil, en beide eigenschappen stelt hij in dienst van het kwade. Immer zinnende op wat misdaad is, bestookt hij een ieder en sluipt gelijk een dief rondom het huis om de zwakste zijde te bespieden; hij loopt rond, zoekende wien hij zal verslinden. Hij ontziet niemand; zelfs den goddelijken Zaligmaker durfde hij bekoren en wilde den Apostel Petrus ziften als koren; de twee eerste menschen, die in staat van onschuld leefden, bracht hij ten val; Kaïn verleidde hij tot broedermoord ; schier een geheel menschelijk geslacht bezweek onder zijne listen, zóódat het zyn weg bedierf en het God berouwde den mensch gemaakt te hebben; in Judas' hart ging hij binnen en maakte hem tot een verrader van den goddelijken Meester, tot een wanhopige en zelfmoordenaar.

Ongelukkig de mensch, die zich niet wapent tegen dien onverzoenlijken vijand. Op eigen krachten steunende zal hij bezwijken en de beklagenswaardige prooi worden van dien menschenhater. Maar, Gode zij dank, wij staan niet weerloos in dien ongelijken strijd. Er zijn wapenen scherp en sterk genoeg, om den aartsvijand te overwinnen. God heeft in de oorkonden zijner openbaring en nu wederom bij monde van den h. Petrus het hanteeren van drie aangeraden.

weest matig, zoo luidt de eerste vermaning van den Apostel in volkomene overeenstemming met dit voorschrift van den Zaligmaker: geeft acht op u zeiven, dat uwe harten soms niet bezwaard worden door brasserij en dronkenschap (Luc. XXXI, 34). Het is toch voor niemand een geheim, dat de duivel geen beter bondgenooten kan vinden dan zinnelijke wereldlingen, dan hen, die van hun buik een afgod maken. Dezulken zijn verweekt en vatbaar geworden voor allerlei, zelfs voor de laagste indrukken. Vleeschelijk gezind als zij

226

ocr page 241

derde zondag na pinksteren.

zijn, missen zy de noodige wilskracht, om Gods genaden te gebruiken en bieden hunnen vijand de gelegenheid aan om met goed gevolg een aanval te doen. De treurige geschiedenis van den paradijsappel herhaalt zich meerdere malen dan men wel denkt, omdat aan genotzucht de heerschappij over de rede wordt ingeruimd.

Waakt, bewaakt al de zintuigen, vooral de oogen, waardoor zoo lichtelijk de zonde in het hart binnendringt — de gedachten van den geest en de bewegingen des gemoeds — het gebruik van de tong en van de hand, opdat noch op deze noch op gene wijze de ongerechtigheid gediend worde; waakt ook tegen de gevaren, welke overal dreigen en tegen de hinderlagen, welke overal liggen. Waakt in de eenzaamheid, want gij zijt nooit alleen, dewijl een Engelbewaarder aan uwe zijde staat en God u ziet; waakt in het gezelschap van anderen, omdat niet zelden een woord van ergernis gehoord of een slechte daad gezien wordt, welke tot zonden kunnen verleiden. Het voorschrift des h. Petrus aldus omschreven en op alle omstandigheden des levens toepasselijk gemaakt, moet door eiken Christen als een levensregel worden aangenomen. Niemand, die het verwaarloozen daarvan duurder bekocht en bitterder beweend heeft dan de Apostel zelf. Zoo hij volgens de vermaning van Jesus gewaakt hadde in de ure des ge-vaars, hij had zijn goddelijken Meester niet verloochend.

Niet altijd echter wordt de bekoring des duivels voorkomen door die twee voorzorgsmaatregelen. Noch de strengste beteugeling der zinnelijke natuur noch de grootste waakzaamheid, sluiten allen toegang voor den duivel af. Is de strijd onvermijdelijk, geen ander middel blijft over dan dat allen de derde veivmaning des Apostels opvolgen :* weerstaat, sterk zijnde in het geloof, den satan met moed, volharding en vertrouwen op de overwinning. Welke hulpmiddelen hij ook moge aanwenden, om ons te verleiden, tot de zonde dwingen vermag hij niet. Onder de hevigste aanvallen blijven

227

ocr page 242

DERDE ZONDAG NA PINKSTEREN.

wy vry. Wy kunnen in de bekoring toestemmen, maar evenzeer daaraan weerstand bieden. De begeerlijkheid kan onderdrukt, de hartstochten kunnen in toom gehouden, de ergernissen machteloos gemaakt, en de overwinning bevochten worden. De h. Augustinus, die van aanvechting spreken mocht, leert: „dat de duivel Goliath, door den nieuwen Da-„vid overwonnen, alleen hun nog schade kan toebrengen, „die lauw en nalatig zijn en God niet vreezen. Hij is gebon-„denquot; — zegt die Kerkleeraar — „als een hond aan de ket-„ting en kan slechts dengene bijten, die zich met een rampzalige zekerheid in zyne nabijheid waagt. Dwaas derhalve is „de mensch, die gebeten wordt. Wil u dan nietquot; — aldus gaat hy voort — „aan hem blootstellen met vrijen wil en „door uwe begeerlijkheden. Hij kan blaffen, aanlokken, maar „bijten niet dan dengene die gebeten wil zijn. Niet door te „noodzaken, maar door aan te raden schaadt die hond; hij „dwingt de toestemming in het kwaad niet af, maar vraagt „die.quot; Met kracht en ook met volharding, zonder aan een wapenstilstand te denken, moet de strijd met den vijand uitgestreden en daarbij het beste wapen gehanteerd worden, dat God ons in de handen gegeven heeft namelijk het geloof, hetwelk ons vertrouwen inboezemt en tevens leert, dat Gods genade krachtiger is dan [de hevigste aanvallen des vijands zijn kunnen; hetwelk ons de belofte herinnert aan goederen, welke eindeloos verheven zijn boven de voldoeningen aan de zonde verbonden; hetwelk een schild is, waarop alle vurige pijlen van Satan afstuiten, doordat het in de hitte van den strijd wijst op de onvergankelijke kroon, welke ons in den Hemel wacht.

*

Opmerking. De twee volgende redenen voert de h. Petrus aan, om ailen tot een volhardend strijden aan te moedigen. »Weet, dat hetzelfde lijden aan uwe broeders, die in de wereld zijn, ten deele valt.quot; Dit is waarlijk geen ge-

228

ocr page 243

DERDE ZONDAG NA PINKSTEREN.

ringe troost. Reeds de enkele gedachte deelgenooten te hebben in hetgeen ons overkomt doet het kruis geduldiger dragen, terwijl het gevoel van alleen te lijden het zwaarder maakt. Bij wie zullen wij ook grooter medelijden vinden dan bij hen, die in denzelfden toestand als wij verkeeren, door wier voorbeeldlot hoogeren moed aangespoord worden dan van hen, die een gelijk lot dragen ? Wanneer allen rondom ons heen opgeruimd van geest zijn, geen leed schijnen te hebben en slechts vreugdevolle dagen te beleven, zóódat zij als door Gods genade gedragen zonder eenige moeilijkheid door het leven gaan, maar wij alleen een zwaar juk torsen, altijd strijdende en geen einde voorziende, dan wordt het ons nog banger om het hart en de moed dreigt ons te ontzinken, dewijl wij vreezen, dat de tegenwoordige beproeving onze eeuwige toekomst in gevaar brengt en eene voorbode is van een eeuwig ongeluk. Daarentegen : leert de ondervinding, dat anderen evenmin als wij van de moeilijkheden des levens bevrijd zijn, dat zij niet minder dan wij te worstelen hebben om staande te blijven, dan is het niet moei lijk in dien aan allen voorbestemden strijd eene bijzondere beschikking te erkennen van Gods Voorzienigheid, welke door allen den strijd wil zien aangebonden, opdat Hij des te heerlijker zou kunnen beloonen. — De God van alle genade, die ons in Christus Jesus geroepen heeft tot zijne

eeuwige heerlijkheid, zal, nadat gij een korten tijd geleden hebt, u volmaken, bevestigen en grondvesten. Welk een blij vooruitzicht voor wie in den strijd niet bezweken, maar in de bekoring overwinnaars, in de beproevingen Christus getrouw gebleven zijn! Nog een luttel tijds en de rechtvaardige Rechter zal zijne beminden tot een beter leven oproepen ; de God, die rijk is aan Barmhartigheid en over alle genaden beschikt, zal zijne getrouwe dienaren, na het goede in hen begonnen en voleindigd te hebben, bevestigen in zijne liefde en voor eeuwig beloonen in het onvergankelijk rijk zijner Glorie. Nog een korten tijd lijden en strijden, terwijl Jesus onze toevlucht in allen nood, onze troost in alle moeilijkheden, onze sterkte in onze zwakheid blijft, en dan Hem voor eeuwig aanschouwen in zijne Heerlijkheid en in die aanschou-

229

ocr page 244

DBBDE ZONDAG NA PINKSTEREN.

230

wing onbeschrijflijk gelukkig wezen ! O, zaligheid, o heil den nietigen mensch bereid! In geen hart der menschen ware het opgekomen, als de God van oneindige Goedheid het ons niet geopenbaard had! Hem zij dan ook de glorie en de heerlijkheid in de eeuwen der eeuwen ! Amen.

ocr page 245

VIERDE ZONDAG NA PINKSTEREN.

Broeders! Ik ben van gevoelen, dat het lijden van dezen tijd van geen waarde is bij de toekomstige heerlijkheid, die in ons zal geopenbaard worden. Want de verwachting van het geschapene is verwachting naar de openbaarwording der kinderen Gods. Het schepsel immers werd der ijdelheid onderworpen, niet vrijwillig, maar om wille van Hem die het onderwierp, op hoop, dat ook het schepsel van de slavernij des bederfs zal worden vrijgemaakt tot de vrijheid der heerlijkheid van Gods kinderen. Want wij weten, dat alle schepsel zucht en in barensnood is tot nu toe ; en niet alleen dit, maar ook wij zeiven, ofschoon wij de eerstelingen des Geestes bezitten, ook wij zuchten in ons zeiven, verwachtend de aanneming tot kinderen Gods, de verlossing onzes lichaams, in Christus Jesus onzen Heer. Rom. VIII, 18—23.

Inleiding. Bij geen der Christenen kan het bevreemding wekken, als hij hoort of leest hoe menigmaal de Kerk van Jesus aan hare kinderen juist die gedeelten uit de Apostolische brieven ter overdenking voorhoudt, welke over het lijden han-

ocr page 246

VIERDE ZONDAG NA PINKSTEREN.

delen. Of verkeeren ook wij niet schier in dezelfde omstandigheden, als die Christenen der eerste tijden en moeten wij daarom op ons niet dezelfde vermaningen toepasselijk achten, welke de Apostelen tot hunne bekeerlingen richtten ? De h. Paulus schreef aan de geloovigen te Rome nog vóór hij hen van aangezicht tot aangezicht gezien had; doch vernomen hebbende, dat zij van de Joden en Heidenen onnoemlijk veel te lijden hadden, brandde hij van heiligen ijver, om de geestelijke gaven van wijsheid en van kennis, welke hem geschonken waren, tot stichting, vermaning en vertroosting ook van hen aan te wenden, opdat zij tot een christelijken levenswandel en tot een moedig geloofsleven aangewakkerd zouden worden. Wie van ons kan uit die woorden, door oprechte liefde ingegeven, niet groot nut trekken ? Afgezien van een lichamelijken marteldood, leven wij allen onder dezelfde beproevingen, als die bekeerde Romeinen. Het lijden, hier wederom in den meest algemeenen zin opgevat, blijft ons waarlijk niet gespaard, als wij godvruchtig willen leven. Veel overkomt ons wat bitter en hard, wat onaangenaam en pijnlijk is. Wij gevoelen het moeilijke der inspanning voor het vervullen van onze beroepsplichten gevorderd; veel moeten wij ons ontzeggen wat de zinnen streelt; met den aartsvader Jacob klagen wij, dat onze dagen vol zijn van jammer en van leed; tegenspoed verbittert niet zelden ons leven; de aanvechtingen van den booze doen ons dikwijls bittere zuchten slaken; ziekten des lichaams en angsten der ziel, smaadredenen en verdachtmaking, vervolging en mishandeling kunnen wij niet ontgaan, maar zij achtervolgen ons, als de schaduw het lichaam. Mogen wij ons door al die wederwaardigheden laten ter neder-slaan ? Dit ware eene zwakheid onzen naam, onze roeping, ons geloof onwaardig, het ware insgelijks een lafhartig verzaken aan de rijkste belooning, welke denkbaar is. Een geheel andere handelwijze eischte de h. Paulus van de Romeinen en derhalve ook van ons, die tot eene en dezelfde bestemming geroepen zijn. Wie zich daarvan wil overtuigen, hij trachte zich slechts een duidelijk denkbeeld te vormen;

I van wat de h. Paulus aangaande het lijden leert en

II van de gevolgtrekkingen, welke hij uit die leer maakt.

232

ocr page 247

VIERDE ZONDAG NA PINKSTEREN.

1.

Onze Epistel bevat de oplossing van een vraagstuk, hetwelk om zijne eigenaardige moeilijkheid menigeen bezighoudt en, voegen wij er bij, ook menigeen kwelt en verontrust. Het is dit: God wordt ons voorgesteld als goed en medelijdend ; als vijand van alle kwaad, genegen om aan allen wel te doen en ook om aan eiken zondaar te vergeven; als niet straffend dan met weerzin, zelfs als een Rechter, die liever kwijtscheldt dan veroordeelt, die liever zijne Barmhartigheid betoont dan zijne Rechtvaardigheid doet gevoelen. Voor ieder, die naar rust des geestes en kalmte des gemoeds verlangt, heeft dat denkbeeld veel aanlokkelijks en biedt het eene oc-uitputtelijke bron van troost. Maar worden die bemoedigende gedachten niet door eene bedroevende ondervinding weersproken? Ellenden, armoede, ziekten zijn het treurig lot nu van dezen, dan van genen. Niemand bezit eenig goed zonder ongerustheid, niemand vrede zonder angst, niemand vrienden zonder aan trouweloosheid of ondankbaarheid bloot te staan; de tegenspoed, de zorgen en de bekommernissen ontzien evenmin het weelderig huis der rijken als de schamele hut der armen.

De h. Paulus stelt tegenover die niet te loochenen waarheid een beginsel, dat ze niet alleen erkent, maar ook verklaart. Hij geeft toe, dat er in de wereld veel geleden wordt, maar leert tegelijkertijd, met welke bedoelingen God dat alles zoo beschikt, welk gebruik van alle wederwaardigheden te maken is, en hoe een ieder ze tot eigen nut kan en moet aanwenden. En niemand beter dan hij vermocht die leeringen met kracht aan te dringen. In zijn zendbrief aan de Corin-thiërs, vroeger reeds besproken, somt hij al het ziele- en al het lichamelijk lyden op, dat hij om Jesus' Naam moest verduren — hij, die tot in den derden Hemel was opgenomen

233

ocr page 248

vierde zondag na pinksteren.

234

en daar de heerlijkheid Gods en de zaligheid der Heiligen had aanschouwd. En tot welk besluit kwam hij ? Hij kon vergelijken en als slotsom van zijne vergelijkingen gaf hij als zijn diep gevestigde overtuiging aan; „Broeders ik ben van gevoelen, dat het lijden van dezen tijd van geene waarde is bij de toekomstige heerlijkheid, welke in ons zal geopenbaard worden.'* Waarlijk, hij mag zoo spreken en verdient alle geloof, als hij verzekert, dat het der moeite waard is geduldig te lijden, dewijl daardoor de hemelsche heerlijkheid verkregen wordt. „O, neen !quot; — roept hij den Romeinen toe — „wat ge ook lijdt, het mag, als ge denkt aan de verheerlijking, „welke u in den Hemel wacht, niet in aanmerking genomen „worden — noch naar zijn duur, noch naar zijne zwaarte; „het is kortstondig en gaat ras voorbij of houdt hoogstens „aan tot aan den dood, welke na weinige jaren den levensdraad afbreekt; maar de vreugden des Hemels worden nim-„mermeer ontnomen, zij zijn eeuwig.quot; Met een waarachtig woord kon hij daarom den Corinthiërs deze verzekering geven: onze tegenwoordige, kortstondige en lichte verdrukking beiverkt in ons een bovenmate uitnemend en eeuwig gewicht van heerlijkheid (II Cor. IV, 17), en de eerbiedwaardige Beda de onuitsprekelijke Goedheid van God loven „welke ook dit beschikt „heeft, dat zij den tijd van den arbeid en van den strijd niet „rekte, niet eeuwig noch lang maakte, maar kort en om zoo „te zeggen oogenblikkelijk; dat in dit aardsche en kortstondige „leven de arbeid en de strijd zouden gevonden worden, daar-„entegen: in het andere leven, hetwelk eeuwig is, de kronen „en de beloon ing der verdiensten, zóódat de arbeid spoedig „eindigt, maar de belooning zonder einde duurt.quot; — Gering ook en onbeduidend is ons lijden, als het vergeleken wordt met de vreugden des Hemels. Nietswaardig is onze vernedering tegenover de glorie, onze armoede tegenover de rijkdommen, ons leed tegenover het genot in den Hemel! Zelfs het verlies der gezondheid en der schoonheid wordt in eene alles

ocr page 249

VIERDE ZONDAG NA PINKSTEREN.

te boven gaande mate vergoed door de onsterfelijkheid en de verheerlijking des lichaams bij God. Inderdaad, ondenkbaar groot, alle verbeelding verre overtreffend is het loon den geduldigen Ijjder voorbehouden. Job, die de zwaarste beproevingen met voorbeeldelooze onderwerping uit Gods hand had aangenomen, werd reeds in zijn leven veelvoudig beloond, nadat hij beproefd was bevonden. De vergelding, welke ons wacht, zal echter nog schitterender wezen, omdat zij van hoogere orde is. — Hier treft ons een of andere ramp in tijdelijke aangelegenheden ; onze eer wordt aangerand; eenig goed, waarop wij hoogen prijs stelden, wordt ons ontroofd; wy lijden in een of ander deel van ons lichaam; maar ginds, in het eeuwig Pa-radijs der Zaligen, zullen wij eerst naar de ziel met eer en glorie gekroond worden en later ook naar het lichaam, als Jesus Christus op de wolken des Hemels zal verschenen zijn en de lichamen der Rechtvaardigen, met hemelsche schoonheid getooid, met Zich zal medenemen naar het eeuwig Rijk des Vaders, waar de Heiligen zich verblijden in de eeuwen der eeuwen, geen leed, geen rouw, geen angst, geen droefheid meer kennende.

De h. Paulus heeft ons het eeuwig leven bij God doen kennen als het hoogste goed, dat al die Christenen zullen erven, welke aan den Heer Jesus Christus gelijkvormig zijn geworden door met Hem den weg des kruises ten einde toe af te loopen. Doch waar is zijn bewijs voor die bewering; hoe maakt hy waar, dat de weg over den berg des lydens voert naar den berg der verheerlijking ? Voor die troostrijke waarheid had hij de meest stellige verklaringen uit de h.h. Schriften aanvoeren of van de openbaringen gewagen kunnen, welke hy van den Heer Jesus ontvangen had ; ook de verzekering van den h. Lucas had hij tot de zijne kunnen maken en be-toogen dat, gelijk ons hoofd Jesus de glorie des Hemels is ingegaan na geleden te hebben, zoo ook wij, zijne lidmaten.

235

ocr page 250

vieede zondag na pinksteren.

234

en daar de heerlijkheid Gods en de zaligheid der Heiligen had aanschouwd. En tot welk besluit kwam hij ? Hij kon vergelijken en als slotsom van zijne vergelijkingen gaf hij als zijn diep gevestigde overtuiging aan: „Beoedees ik ben van gevoelen, dat het lijden van dezen tijd van geene waaede is bij de toekomstige heerlijkheid, welke in ons zal geopenbaard woeden.quot; Waarlijk, hij mag zoo spreken en verdient alle geloof, als hij verzekert, dat het der moeite waard is geduldig te lijden, dewijl daardoor de hemelsche heerlijkheid verkregen wordt. „O, neen !quot; — roept hij den Romeinen toe — „wat ge ook lijdt, het mag, als ge denkt aan de verheerlijking, „welke u in den Hemel wacht, niet in aanmerking genomen „worden — noch naar zijn duur, noch naar zijne zwaarte ; „het is kortstondig en gaat ras voorbij of houdt hoogstens „aan tot aan den dood, welke na weinige jaren den levensdraad afbreekt; maar de vreugden des Hemels worden nimmermeer ontnomen, zij zijn eeuwig.quot; Met een waarachtig woord kon hij daarom den Corinthiërs deze verzekering geven: onze tegenwoordige, kortstondige en lichte verdrukking bewerkt in ons een bovenmate uitnemend en eeuwig gewicht van heerlijkheid (II Cor. IV, 17), en de eerbiedwaardige Beda de onuitsprekelijke Goedheid van God loven „welke ook dit beschikt „heeft, dat zij den tijd van den arbeid en van den strijd niet „rekte, niet eeuwig noch lang maakte, maar kort en om zoo „te zeggen oogenblikkelijk; dat in dit aardsche en kortstondige „leven de arbeid en de strijd zouden gevonden worden, daar-„entegen: in het andere leven, hetwelk eeuwig is, de kronen „en de belooning der verdiensten, zóódat de arbeid spoedig „eindigt, maar de belooning zonder einde duurt.quot; — Gering ook en onbeduidend is ons lijden, als het vergeleken wordt met de vreugden des Hemels. Nietswaardig is onze vernedering tegenover de glorie, onze armoede tegenover de rijkdommen, ons leed tegenover het genot in den Hemel! Zelfs het verlies der gezondheid en der schoonheid wordt in eene alles

ocr page 251

VIERDE ZONDAG NA PINKSTEREN.

te boven gaande mate vergoed door de onsterfelijkheid en de verheerlijking des lichaams hij God. Inderdaad, ondenkbaar groot, alle verbeelding verre overtreffend is het loon den geduldigen Ijjder voorbehouden. Job, die de zwaarste beproevingen met voorbeeldelooze onderwerping uit Gods hand had aangenomen, werd reeds in zijn leven veelvoudig beloond, nadat hij beproefd was bevonden. De vergelding, welke ons wacht, zal echter nog schitterender wezen, omdat zij van hoogere orde is. — Hier treft ons een of andere ramp in tijdelijke aangelegenheden ; onze eer wordt aangerand; eenig goed, waarop wij hoogen prijs stelden, wordt ons ontioofd; wy lijden in een of ander deel van ons lichaam; maar ginds, in het eeuwig Paradijs der Zaligen, zullen wij eerst naar de ziel met eer en glorie gekroond worden en later ook naar het lichaam, als Jesus Christus op de wolken des Hemels zal verschenen zijn en de lichamen der Rechtvaardigen, met hemelsche schoonheid getooid, mee Zich zal medenemen naar het eeuwig Rijk des Vaders, waar de Heiligen zich verblijden in de eeuwen der eeuwen, geen leed, geen rouw, geen angst, geen droefheid meer kennende.

De h. Paulus heeft ons het eeuwig leven bij God doen kennen als het hoogste goed, dat al die Christenen zullen erven, welke aan den Heer Jesus Christus gelijkvormig zijn geworden door met Hem den weg des kruises ten einde toe af te loopen. Doch waar is zijn bewijs voor die bewering; hoe maakt hjj waar, dat de weg over den berg des lijdens voert naar den berg der verheerlijking? Voor die troostrijke waarheid had hij de meest stellige verklaringen uit de h.h. Schriften aanvoeren of van de openbaringen gewagen kunnen, welke hy van den Heer Jesus ontvangen had ; ook de verzekering van den h. Lucas had hij tot de zijne kunnen maken en be-toogen dat, gelijk ons hoofd Jesus de glorie des Hemels is ingegaan na geleden te hebben, zoo ook wij, zijne lidmaten.

235

ocr page 252

vierde zondag na pinksteren.

dan eerst mogen hopen de vreugde des Hemels te zullen beërven, als wij zijn kruis gedragen hebben. Eene geheel andere bewijsvoering zet echter de Apostel op. Hij beroept zich op die verzuchting naar bevrijding, naar verheffing, welke allerwege, uit de bezielde en onbezielde schepping opgaat. — Ziehier den gedachtegang van den grooten leeraar der volken, terwijl hij door eene stoute persoonsverbeelding de geheele natuur als denkend en voelend voorstelt.

De toestand, waarin de schepping zich thans bevindt, was niet zóó van den beginne af. Oorspronkelijk vlekkeloos en ongeschonden, deelde zij in de glorie en heerlijkheid van het eerste menschenpaar, van haren Koning en van hare Koningin. Helaas! de zonde kwam in de wereld en om Adam's val werd ook de redelooze natuur gevloekt. Zij bracht dis-telen en doornen voort en de gevallen mensch kon niet dan in het zweet zijns aanschijns een karig voedsel ontwoekeren aan een ondankbaren grond. Onder dien vloek zucht de geheele natuur en zij ziet met smarte verlangend uit naar het tijdstip waarop de kinderen Gods verheerlijkt zullen worden ; naar de openbaarwording der kindeben gods. Want alsdan

zal zij ook, van den vloek bevrijd, naar haren aard in die verheerlijking deelen. Zij had deel in de vernedering des menschen en werd met hem ontaard en verlaagd, maar met hem zal zij ook vernieuwd en verheven worden. Tot zoolang moet zij wachten en is zij der ijdelheid, der vergankelijkheid, onderworpen, niet vrijwillig, niet volgens haren wil, maar om wille van Hem, van God, die het schepsel aan de ijdelheid onderwierp. Doch niet voor eeuwig zal zij der vergankelijkheid en der verderf-lijkheid prijs gegeven zijn ; zij mag de hoop koesteren, eens

van de slavernij des bederfs te worden vrijgemaakt ou

dan verheven te worden tot de vrijheid, tot het vrij zijn van de vergankelijkheid, welke de kinderen Gods zullen genieten. Wel zucht het schepsel tot nu toe, wel wenscht het nog gelijk eene moeder, welke in barensweeën lijdt, bevryd

236

ocr page 253

vierde zondag na pinksteren.

te worden, maar hare hoop op bevrijding zal niet beschaamd worden. Eens breekt de dag aan waarop demensch,, doorJesus vrijgekocht, zich in zijn volle verlossing zal verheugen, en dan zal ook zij vernieuwd worden, en er zal eene nieuwe aarde wezen, waarin gerechtigheid woont. — En niet alleen dit,

maar ook wij zelven, ofschoon wij de eerstelingen des

Geestes bezitten, reeds de eerste gaven van God den H. Geest: de vergiffenis der zonden en de heiligmakende genade ontvangen hebben, wij gevoelen ons nog niet volmaakt gelukkig ; wij verlangen nog meer, volkomen moet worden ons geluk, vóórdat wij bevredigd zijn. Wu zuchten nog in ons

zelven, verwachtende de volkomene aanneming tot kinderen

Gods, en de verlossing onzes lichaams. Want dan eerst zijn al onze verlangens bevredigd, als ook ons lichaam van zijne bederfelijkheid en vergankelijkheid bevrijd is.

Zoo luidt het groote bewijs door den h, Paulus geleverd voor de zekerheid der verheerlijking naeen geduldig lijden. Daar wij allen die wenschen, daar de geheele schepping naar onze verheerlijking verbeidend uitziet, is de verwachting door God zeiven én in ons hart én in de redelooze natuur ingeprent en bijgevolg kan zij niet onvoldaan blijven; zij moet en zal vervuld worden op den grooten dag der vergelding, wanneer Jesus Christus bij de voleinding der tijden op de wolken des Hemels zal verschijnen. Alsdan zal de ziel, na reeds in Gods aanschouwing zich gelukkig gevoeld te hebben, wederom bezit nemen van het lichaam, dat haar werktuig was op aarde en dan schitterend in ongezienen glans uit het graf opstaat, de bederfelijkheid en onaanzienlijkheid heeft afgelegd en den dood niet meer zien zal. In die verheerlijking van den redelijken mensch, zal ook de redelooze natuur haar deel hebben. Ten dage van het einde der eeuwen, zal Gods Almacht nieuwe en verbazingwekkende wonderen doen. De aarde door bloedschulden bevlekt en bezoedeld door der menschen werken (Ps, CV, 39), zal, gelijk vroeger door het water, dan door het vuur

237

ocr page 254

VIERDE ZONDAG NA PINKSTEREN.

gezuiverd en de werken, welke er op zijn, zullen verbrand worden ter zuivering en vernieuwing van de geheele schepping. Want eene nieuwe wolkenhemel en eene nieuwe aarde zullen ontstaan, welke de woning, het erfdeel en het rjjk der heiligen zyn zullen (Vergel. II Pe. III, 10 — 13),

Opmerking. Nog zijn voor geen der levenden die bevrijding en die volkomene verlossing gekomen. Zoolang deze wereld staat, zal er strijd zijn tusschen ongeloof, leugen, lichtzinnigheid en genotzucht van den eenen en tusschen geloof, waarheid, plichtsbetrachting en versterving van den anderen kant; zoolang ook zal elke gerechte te lijden hebben én van de vijanden der deugd én volgens de beschikkingen Gods, Wiens Goedheid en Wijsheid Zich nimmer verloochenen; te lijden hebben zoowel door de zwakheid zijner ziel en de vergankelijkheid zijns lichaams als door de boosheid der menschen en wisselvalligheden zijner levensomstandigheden. Zoo ook is het voor zijne zaligheid dienstig. God beschikt alles ten beste voor allen, die zich aan zijn vaderlijke Voorzienigheid met bereidwilligheid onderwerpen. De Aartsvader Josef was nooit nader bij den troon dan toen hij in de gevangenis zuchtte, en Saulus nooit dichter bij het tijdstip zijner bekeering dan toen hij op den weg naar Damascus op den grond geworpen werd. De h. h. Schriften vermelden nog andere leerrijke voorbeelden om ons te overtuigen, dat God de wederwaardigheden te midden van welke wij leven, de aanvechtingen des boozen welke onze rust verstoren, zelfs de fouten waarin wij vervallen, ten beste weet te doen dienen ter zedelijke volmaking van zijne kinderen. Vooral ten dage der bezoeking bidt men het meeste en het beste; als men onder lijden gebukt gaat, in de stonden van nood en van droefheid, denkt de Christen meer aan God dan in de bedwelming der weelde en der vreugde. Als het ontrouwe volk van Israël door oorlog of hongersnood of besmettelijke ziekte bezocht werd; als God toeliet, dat de Joden door hunne vijanden onderdrukt of in ballingschap weggevoerd werden, dan riepen zij tot de vertoornde Majesteit om barmhartigheid en beloofden beterschap.

238

ocr page 255

VIERDE ZONDAG NA PINKSTEREN.

Zelfs David moest bekennen en beleed aan God: het was goed voor mij, dat Gij mij vernederdet, opdat ik u-we Gerechtigheid zoude leeren (Ps. CVUI, 71). Toen de verloren zoon, na zijne gelden verbrast te hebben, tot diepe ellende verzonken was, keerde hij rouwmoedig tot zijn vader terug met de schuldbelijdenis op de lippen : vader / ik heb gezondigd tegen den Hemel en tegen u (Luc. XV, 18). De hoogmoedige Nabuchodo-nosor leerde God, den Almachtige, kennen, nadat hij van zijne macht beroofd en den dieren gelijk gemaakt was, en de misdadige koning Manasses bad tot den Heer en deed boete voor den God zijner Vaderen, toen hij met ketenen beladen in den kerker zuchtte. Uit die voorbeelden wordt het ons duidelijk, welke groote voordeden de Vader der Barmhartigheid in de wederwaardigheden des levens weet te leggen voor allen, die in den tijd der bezoeking hun hart voor de inwerking der genade niet sluiten.

II.

Uit de besprokene waarheden volgt noodzakelijk, dat een Christen nimmer morren, nimmer ongeduldig noch moedeloos worden mag. Een weinig geduld kan een eeuwigheid van zalige vreugde en van bovenaardsche heerlijkheid verdienen. Na een weinig tijds, als het naar Gods wil zoo wezen moet, bedroefd en bedrukt te zijn geworden door allerlei verzoekingen, zullen wij ons verheugen in de zaligheid des Hemels, en de moedig doorgestane beproevingen zullen strekken tot onze eer by de openbaring van Jesus ten oordeel. Zoo wordt het lijden een gewin, een troost, een voorrecht, dewijl wij daarmede den Hemel kunnen koopen. Al zouden dan ook alle wederwaardigheden over ons komen en de bitterste lijdenskelk ons te drinken worden gegeven, nog moesten wij ons troosten en bemoedigen met de gedachte: een goddelijke Wijsheid, welke al ons lijden kent en al ons lyden in een eeuwige vreugde kan doen verkeeren, bestuurt geheel ons leven met een even groote kracht als zachtheid; eene oneindige Goed-

239

ocr page 256

VIERDE ZONDAG NA PINKSTEREN.

240

heid, welke al onze zuchten hoort en al onze kruisen telt, zal ons met rijke overmaat vergelden, als wij het offer niet weigeren, dat God van onze onderwerping vraagt; eene onbeperkte Almacht kan oogenblikkelijk aan het grootste lijden van dezen tijd een einde maken, als de hemelsche Vader voor het welzijn zijner kinderen zulks dienstig acht, en zeker zal Hij eens al is het later een overgroot loon aan allen schenken, die Jesus' bloedige voetstappen hebben gedrukt. Zoo wij dit alles beseffen, zal het ons geene moeite kosten, de noodige kalmte te bewaren en eene gelatene berusting te toonen, zoo dikwijls de slagen van den tegenspoed ons treffen ; zal geen onredelijke klacht onze lippen bezoedelen, wanneer de inwendige of uitwendige mensch in het vuur der beproeving gelouterd wordt. Integendeel: volgens de vermaning van den h. Paulus zullen wij den ons voorgestelden wedloop met volharding loopen, ziende op den Stichter en Voltooier des geloofs, op Jesus, die in de vreugde Hem voorgesteld, die om de eere en heerlijkheid, welke Hem als belooning voor zijn lijden en strijden zouden gegeven worden, het kruis heeft verdragen, de schande niet achtende en ter rechterhand van Gods troon is gezeten-, zullen wij aan Hem, die zulk een tegenspraak van de zondaars tegen Zich verdragen heeft, denken, opdat loij niet moede worden, in onze zielen bezwijkende, den moed niet verliezende (Hebr. XII, 1 — 5; zullen wy, wat de h. Jacobus den bekeerden Joden op het hart drukte, geduldig zijn tot aan de komst des Heeren (V, 7), naar het voorbeeld van eiken wijzen akkerman, die na gezaaid te hebben met lijdzaamheid wacht op de kostelijke vrucht des lands, geduld hebbende totdat zij den vroegen en laten regen ontvang en heeft ^ Laten wij dan ook geduldig zijn en onze harten versterken, want de komst des Heeren is nabij, van Hem die, als Vergelder van ware verdiensten, de vrucht des eeuwigen levens schenken zal (V, 8). En dan zal alles nieuw wezen: wat duister was, wordt licht; wat dood was, levendig, wat vergankelijk was, eeuwig.

ocr page 257

vieede zondag na pinksteren.

Eene tweede vermaning in Paulus' leer opgesloten is deze. Als de geheele zichtbare schepping aan de ijdelheid en vergankelijkheid is onderworpen, moet hij dan niet een dwaze heeten, die zijn hart aan de wereld hecht en zijn geluk op aarde zoekt? Alles hier beneden is van korten duur en om zijne nietigheid van geen blijvende waarde: vermaken, rijkdommen, eerbewijzingen. De vermaken worden voor eene korte wijle genoten, maar zijn ras voorbij en, hoe aanlokkelijk zij ook waren, volkomene voldoening kunnen zij aan het hart niet geven; meestal zullen zij zelfs, na eerst genoten te zijn, niet alleen eene leegte overlaten maar ook een pijnlijk gevoel van onvoldaanheid verwekken, dat altijd naar nieuwe en naar prikkelendere haakt, zonder dat de kwelling der ontevredenheid ooit gestild wordt. Geen wonder ook, leert de h. Augüsti-„nus, ons hart voor God geschapen kan geen rust vinden dan „in Hem en in Hem alleen.quot; De goederen dezer aarde zullen eens vergaan en dan voor eeuwig. Bovendien, veronderstelt, dat zij den mensch voor den dood niet ontnomen, door geen mot verteerd of door geen dief gestolen worden, voor een luttel tijds is het bezit daarvan hem gegund en, by het scheiden uit dit leven, zal hij ze moeten achterlaten. Niets daarvan kan hij meenemen en beroofd van alles daalt hij neder in het graf. En kan ooit het bezit onaangevochten en het genot ongestoord heeten, al wordt het den mensch gegeven eenigen tijd zich eigenaar te mogen noemen? Het is er verre af. Wat elk oogenblik kan verloren worden, bezit men niet zonder onrust; wat de begeerlijkheid van anderen gaande maakt is niet beveiligd voor de hebzucht van den misdadiger. Grootere waarde mag ook niet toegekend worden aan de eerbewijzingen, waarmede de wereld kwistig en waarop de wereldling verzot is. Zij zijn volgens de voorstelling der h. Schriftuur niet meer dan een rook welke zich oplost, dan eene schaduw welke voorbij vliegt, dan een wind welke niet te grijpen is. Onnoemelijk velen van diegenen, welke zich

Verklaringen der Epistelen. II. 16

241

ocr page 258

VIERDE ZONDAG NA PINKSTEREN.

op aarde groot en aanzienlijk wanen, zullen nietig en klein bevonden worden in de eeuwigheid, evenals velen alsdan arm en ellendig zullen zijn, die nu pochen op rijkdom en vermogen. Al de eerzuilen en grafmonumenten zullen vergaan en van al de werken der menschen blijft niets over dan wat door God waardig gekeurd werd opgeschreven te worden in het boek des levens. Wie heeft ooit zooveel van hetgeen de wufte wereld roemt genoten als Salomon en toch, al baadde hij zich in weelde en al werd hij geëerd boven een der stervelingen, eene treurige waarheid dwong hem de bekentenis af: tj'deZ/jeid der ij delheden! 't is alles ij delheid! en wel nadat hij het goede genoten, groote werken ondernomen en paleizen gebouwd, zilver en goud verzameld en zich op wijsheid toegelegd had.

Maar zoude de Christen zijn geluK niet kunnen vinden in die gaven, welke hij van de natuur ontvangen heeft: in zijne gezondheid, in zijne schoonheid, in zyne kracht? Ook deze zijn vluchtig, veranderlijk, wisselvallig. De mensch, ook met al die voorrechten gesmukt, is stof-, zijne dagen zijn als het gras-, gelijk een veldbloem zoo bloeit hij; als de wind daarover heen is gegaan, bestaat zij niet meer, en zij kent hare plaats niet meer (Ps. CII 15). Een geluk, zoo bedriegelijk en vergankelijk is niet waard dat wij daaraan ons hart hechten. Een waar Christen zoekt hetgeen boven is. Wij hebben een profetisch woord en wij doen wel daarop acht te geven, even als op eene lamp, welke in een donkere plaats schijnt (II Pet. 1,19) en dat goddelijk woord is de leer van den h. Paulus, dat wij

verwachten de aanneming tot kinderen GODS, de verlossing

onzes LicHAAMs. Hooger geluk kan ons niet te beurt vallen, en daarvoor dient alles opgeofferd. Hebt de wereld niet lief, vermaant ons de h. Joannes, noch hetgeey in de wereld is. Zoo iemand de wereld lief heeft, de liefde des Vaders is niet in hem (I Joan. II. 15). Daarom mag de Christen niet zinnen op wat zichtbaar is, maar moet zijne gedachten zetten op wat onzichtbaar is, want het zichtbare is vergankelijk, maar het

242

ocr page 259

VIEBDE ZONDAG NA PINKSTEREN.

onzichtbare is eeuwig; daarom moeten zij die weenen zijn, als weenden zij niet, die zich verheugen, als verheugden zij zich niet-, want de gedaante dezer wereld vergaat (1 Cor. VII, 30). Wij Christenen, voorbestemde erfgenamen des Hemels, dienen alzoo naar niets anders te verlangen en te verzuchten dan naar ons hemelsch vaderland. Hier werken, hier strijden, hier lijden, hier zaaien, daar rusten en gekroond werden en vreugde vinden en een oogst inzamelen, welke in eeuwigheid blijft. Zelfs de dood, hoe vreeswekkend hij voor den zondaar wezen moge, hoe afschrikwekkend ook voor het natuurlijk gevoel van een ieder, moet ons niet te zeer beangstigen. In het licht des geloofs beschouwd is hij eerstens een middel tot boete voor alle overtredingen, waaraan een ieder zich in zijn leven schuldig maakte en dan een poort, waardoor de geloovige hoopt binnen te gaan in de eeuwige woning, welke Jesus voor hem bereid heeft. O, hoe duidelijk wordt het in het licht dier waarheid waarom allen, wier wandel in den Hemel was zoolang zij nog van den Heer uitwoonden en als pelgrims naar het land van belofte optrokken, waarom zij wenschten ontbonden te worden en met Christus te zijn! Het sterven achtten zij een gewin, omdat zij op de vereeni-ging hoopten naar ziel en lichaam met Jesus Christus, die ten dage der algemeene opstanding zelfs het lichaam, door het lijden vernederd, gelijkvormig zal maken aan zijn verheerlijkt lichaam, zijne almachtige kracht uitoefenende,waardoor Hij het bederf en den dood aan zijn goddelijken wil zal onderwerpen. Het blijde vooruitzicht op dien dag sterkte hen in den moeilijksten stryd en maakte hen tot helden, die alle vijanden overwonnen. Die hoop moet ons allen bezielen en bemoedigen, en heerlijk boven alle beschrijving zal de vol-komene verlossing zijn.

Opmerking. De laatste gevolgtrekking door een ieder uit Paulus' leer te maken zal wel deze moeten wezen: »ik acht het

243

ocr page 260

VIERDE ZONDAG NA PINKSTEREN.

244

»lijden niet; de wereld veracht ik; van God verwacht ik alles.quot; Deze kernspreuken van Heiligen moeten onze leuzen zijn; »met volkomene onderwerping aanvaard ik uit de handen van »den hemelschen Vader alle kruisen, welke Hij mij wil over-»zenden, omdat ik weet, dat zij dienen ter reiniging van mijne »ziel en ter vermeerdering van mijne verdiensten; verre zij van »mij te morren; een geduldig dragen van mijne wederwaardig-»heden zij mijne roem, gelijk het mijn plicht is; vraag ik er »van bevrijd te worden, ik zal er met den Zaligmaker bijvoe-»gen:quot; »Uw wil geschiede, o God! niet de mijne.quot; «Nimmer zal ik »mijn hart hechten, nimmer mijne liefde schenken aan vergan-»kelijke goederen; hier ben ik slechts pelgrim, die zijne toekom-»stige woning opzoekt; de wereld is voor mij eene woestijn, » welke ik doortrek, om de grenzen van het beloofde land te bereiken; iwat zij mij kan aanbieden is niet duurzaam, en die haar aan-»hangen zullen met haar vergaan. Voor een hooger geluk ben »ik geschapen en mijne bestemming ligt verder, aan de andere »zijde der grenzen van dit kortstondig leven. Ik ben kind van »God en moet erfgenaam des Hemels en mede-erfgenaam van »Christus worden; op dat eeuwig geluk zijn mijne gedachten «gevestigd, daarnaar richten zich al de begeerten van mijn hart; »daarvoor zal ik lijden, strijden en werken, ten einde ik de » onverwelkbare kroon der glorie verwerve, welke de rechtvaardige «Rechter beloofd heeft en ook geven zal aan wie in de be-«proevingen aan Hem zijn getrouw gebleven.quot; — Niets meer dan Gods genade en een levendig geloof zijn noodig om ons tot die hoogte van zedelijke volmaaktheid te verheffen. De heilige man Job, een treffend voorbeeld van geduld en kalme onderwerping, was overtuigd, dat zijn met wonden overdekt lichaam verheerlijkt zoude verrijzen en hij met zijne oogen den Verlosser zou aanschouwen. Waren wij geloovig als hij, koesterden wij dezelfde hoop, waarin hij over het tijdelijke heenzag en zijn blik op de eeuwigheid vestigde, zeker dan ware ons verblijf op aarde niets dan eene verzuchting, om bevrijd te worden van de banden des lichaams, en de beoefening der christelijke deugden, b.v. der versterving, der zelfverloochening, der boetvaardigheid, der offervaardigheid werd ons gemakkelijk; dan

ocr page 261

VIERDE ZOKDAG NA PINKSTEEEN.

245

bestierde eene goede geest onze meening en de ware wijsheid werd onze leidsvrouw door het leven; geene beproeving zoude ons van het ware pad doen afdwalen, maar met wissen tred gingen wij, door Gods genade ondersteund, op naar het hemelsch Vaderland; het werd licht in onzen geest, om de eenig ware belangen te onderscheiden; eene heilige bezieling drong naar werken, welke in de eeuwigheid beloond worden; een vaste wil overwon alle hindernissen, en de genade in het h. Doopsel reeds geschonken was bij ons, die de eerstelingen des geestes ontvangen hebben, niet ijdel, en het recht op den Hemel verworven werd niet verloren.

ocr page 262

VIJFDE ZONDAG NA PINKSTEREN.

Veel geliefden! Weest allen eendrachtig in het gebed, medelijdend, de broeders liefhebbend, barmhartig, bescheiden, nederig, geen kwaad met kwaad noch schelden met schelden vergeldend, maar integendeel zegensprekend; want hiertoe zijt gij geroepen, 'opdat gij zegening als uw erfdeel moogt bezitten. Want die het leven liefhebben en goede dagen zien wil, dat hij zijne tong weêrhoude van het kwaad, en dat zijne lippen geen bedrog spreken; hij wijke af van het kwade en doe het goede; hij zoeke den vrede en jage dien na! Want de oogen des Heeren letten op de rechtvaardigen^ en zijne ooren luisteren naar hunne gebeden; maar het aangezicht des Heeren is tegen de kwaaddoeners. En wie is er die u schaden kan, als gij u beijvert voor het goede ? Doch al lijdt gij ook iets om wille der gerechtigheid, zalig gij ! Vreest echter voor hunne verschrikking niet en wordt niet ontsteld ; maar heiligt den Heer Christus in uwe harten.

i Petrus III, 8—15.

ocr page 263

VIJFDE ZONDAG NA PINKSTEREN.

Inleiding. Welke deugden dient elke Christen te beoefenen, opdat hij dien eerenaam voor God en voor den mensch waardig zij ? Deze vraag beantwoordt de h. Petrus in bovenstaanden Epistel en wel op tweevoudige wijze. In het algemeen leert hij: Wie goede dagen zien wil.... hij zvijke af van het kwade en doe het goede. Hiermede is echter zijne bezorgdheid voor het geestelijk welzijn der geloovigen niet voldaan. Hij noemt negen deugden op, welke den volgeling van Jesus moeten sieren. Eenige daarvan zijn ten opzichte van alle mede-menschen, andere tegenover vijanden en vervolgers te beoefenen. Nog iets anders verdient al onze aandacht. Op een geheel eigenaardige wijze, met bijzonderen nadruk en in de teederste bewoordingen bespreekt hij dat belangrijk onderwerp, daarbij niet vergetende de krachtigste beweegredenen ter opvolging van zijne raadgevingen aan te voeren en de heerlijkste belooningen in het verschiet te stellen, welke den getrouwen leerling verzekerd zijn. Zoo noopquot; alles ons om al onze opmerkzaamheid te schenken aan de vermaningen, welke hij ons voorhoudt, ze ons diep in te prenten en van God de genade af te smeeken, dat wij ze nimmer vergeten en bij alle voorkomende gelegenheden naleven. Hoeveel goed zoude ook gedaan en hoeveel kwaad vermeden worden, wanneer een ieder zich bevlijtigde ze ter harte te nemen en metterdaad te zijn, zooals de Apostel zijne onderhoorigen wenschte. De Kerk van Jesus ware eene afbeelding van het hemelsch Jerusalem, van dat Koninkrijk van liefde en vrede, waarvan al de bewoners op de volmaaktste wijze, zoowel onderling als met God vereenigd zijn ; de christelijke maatschappij vormde een schoon geheel, waarin geen klacht zoude worden gehoord over het niet lenigen van een drukkenden nood noch over het verbreken van de gewenschte eendracht. Doch genoeg daarover hier ter plaatse. De volgende bladzijden zullen die losse gedachten nader toelichten en niemand zal, hoe kort en kernachtig de Apostel zich ook uitdrukt, over eenige duisternis te klagen hebben, als hij met nauwgezette aandacht wil overwegen :

I. waartoe de h. Petrus in Gods naam aanspoort;

II. wat hij in Gods naam belooft.

247

ocr page 264

VIJFDE zondag na pinksteren.

I.

Weest eendrachtig : ^ zoo luidde de eerste vermaning van den prins der Apostelen. Doch laten wij hem goed verstaan. Hij eischte niet, dat er onder de Christenen een volkomene gelijkheid van karakter, van aanleg en van gemoedsgesteldheid gevonden werd — dit ware onmogelijk; niet dat allen in tijdelijke aangelegenheden dezelfde meening waren toegedaan : ook dit kon niet verwacht worden. Verschillende zienswijzen zullen zich altijd willen doen gelden en mogen ook voorgedragen worden, mits in de keuze van woorden en in den toon waarop gesproken wordt niets aan te merken valle, waardoor een ander zich beleedigd kan achten. Wat wilde dan de Apostel van zijne bekeerlingen en van alle Christenen der volgende eeuwen ? Dat zij gezamenlijk het ware doel nastreven en elkander helpen in het aanwijzen en in het aanwenden der daartoe gevorderde middelen ; dat zij één van zin zijn, elke stoornis in hunne welwillende gezindheid vermijden, geen beleedigend woord zich veroorloven, niets bestaan waardoor iemand gekrenkt wordt en liever lijden en vergeven dan eenig 'gevoel van bitterheid of van wrevel het hart laten binnen sluipen, waardoor de vrede verstoord wordt. De bede door Jesus in het laatste Avondmaal tot den Vader gericht: Ik bid U, dat zij allen één zijn (Joan. XVI, 21) moet in ons vervuld worden. De lof aan de eerste Christenen gegeven: de menigte der genen, die geloofden, loos één hart en ééne ziel (Hand. IV, 32) moet ook ons kunnen gegeven worden. Het gemeenschappelijk leven biedt voor de beoefening dier echt christelijke deugd onnoemlijk vele gelegenheden aan. Volgende voorbeelden mogen hier volstaan. Eensgezind moeten allen wezen in het goede te beoefenen, in te zinnen op hetgeen

') De -woorden „in gebedquot; worden alleen in het Missale, niet in de Vulgaat gevonden. Wij houden ons aan de laatste lezing.

248

ocr page 265

vijfde zondag na pinksteren.

prijsbaar, nuttig, gerecht is; in het eenvoudig aannemen der geopenbaarde waarheden en in het onderhouden der voorge-schrevene geboden; in het eeren van den godsdienst en in het gehoorzamen aan de verordende machten. Eendracht moet er heerschen zoo dikwijls er sprake van komt om het kwade te bestrijden, ergernissen te voorkomen, verkeerden invloed te weren, voor verleiding te behoeden. Eendrachtig samenwerken is noodig, waar raad te geven, hulp te bieden, een gebed op te zenden is; wanneer tucht en orde en onderlinge stichting moeten gehandhaafd worden. Niets wordt dringender gevorderd dan eensgezindheid in de Kerk, in den Staat en in het Huisgezin. De geloovige zij onderdanig aan zijn Bisschop, de onderdaan aan den Koning, al de leden der familie aan hun hoofd. Er mag geene scheuring, geene scheiding bestaan tus-schen hen, die door God tot eenheid des geestes geroepen zijn-Persoonlijke inzichten, bijzondere wenschen, vreemdsoortige neigingen, eenzijdig beraamde plannen dienen niet zelden opgeofferd, opdat de band des vredes bewaard blijve, een ieder goede dagen beleve en de lasten des levens verlicht worden. Niet ten onrechte leerde daarom de h. Aügustinus de eendracht der broeders is de wil van God, eene vreugde voor „Christus, de volmaaktheid der heiligheidook de h. Pau-lus kon aan zijne beminde Philippiëra schrijven, dat zijne blijdschap volkomen wezen zou, wanneer hij mocht vernemen, dat zij eensgezind waren, dezelfde liefde hebbende, één van ziel, één van gevoelen (Philip II, 2).

Alwie in zóó hoogen graad de eendracht onderhoudt, dat hij daaraan alles op te ofteren bereid is, zal niet ongevoelig blyven, wanneer hij een ander ziet lijden. Hij is medelijdend, zal evenzeer treuren met die weenen als zich verheugen met die blijde zyn. Hy lydt mede, hy gevoelt mede en hij draagt mede wat een zijner natuur-genooten te dragen heeft. Dit te meer, wyl dat edel gevoel den mensch ingeschapen is en, terwijl hy in jaren toeneemt, zich al meer en meer ontwik-

249

ocr page 266

vijfde zondag na pinksteren.

kelt. Een rechtschapen mensch kan geen leed noch kommer zien, zonder dat hij zich getroffen voelt en aangespoord tevens om hu)p aan te brengen. Koud en onverschillig te blijven, wanneer rechtmatige klachten geslaakt worden of de pijnen des lichaams hartverscheurende kreten afpersen, daarover moet elkeen zich schamen, dewijl het als een bewijs geldt van onmenschelijke hardvochtigheid. Evenwel niet elk gevoel, al toont het zich medelijdend, mag op de verdienstelijkheid van deugd aanspraak maken. Eene hoogere beweegkracht moet het hart beheerschen, eene volmaaktere neiging die prijzenswaardige gevoeligheid tot deugd stempelen. De bovennatuurlijke liefde tot den evennaaste dient ons deel te doen nemen aan het lijden van anderen. Omdat wij hen om God en God in hen liefhebben, moet hun leed ons leed, hunne ellende onze ellende worden. Anders zouden wij ons niet verheffen boven de sfeer van een alledaagsch gevoelsleven, dat wel door de menschen geacht maar door God niet kan beloond worden.

De h. Petrus vervolgt dan ook: weest de broeders liefhebbend, betoont hun eene ware en ook werkdadige liefde. Alle menschen zijn op geestelijke wijze met elkander vermaagschapt. Wij allen erkennen slechts éénen God, éénen Schepper, éénen Vader, die in de Hemelen is. Als broeders en zusters van de groote familie, waarvan God het hoofd is, zyn wy allen met de nauwste banden onder elkander ver-eenigd. Geen der menschen staat als een vreemdeling tegenover zyne natuur-genooten, zóódat hij geene plichten ten opzichte van de gemeenschap te vervullen heeft; oprechte en werkdadige liefde moet allen tot een levend en aaneengesloten lichaam maken. Al deze redenen doen zich nog ster kei-gelden, zoo wij in aanmerking nemen, dat allen niet slechts kinderen van den hemelschen Vader maar ook niet minder dan wij verlosten van den Heere Jesus Christus zijn, broeders van Hem en mede-erfgenamen des Hemels, tot hetzelfde geloof geroepen en tot dezelfde zaligheid bestemd. Bloedver-

250

ocr page 267

vijfde zondag na pinksteren.

wantschap is derhalve niet de eenige band, welke weinige menschen tot een geheel samenvoegt, maar het goddelijk Bloed door Jesus ter verlossing van de gansche wereld vergoten is een andere, volmaaktere band, welke ons. Christenen, noopt niet alleen elkander lief te hebben maar ook zelfs hen, die of nog verre van de waarheid staan, of nog van den waren God verwijderd leven. Zij allen toch zijn Jesus' schapen, voor welke op de wereld is gekomen, en welke Hij zoo gaarne in één schaapsstal vereenigd zoude zien, dat is: gevormd tot één zedelijk lichaam, tot ééne godsdienstige maatschappij.

Hoe die liefde te bewijzen ? Een medelijden met de lijdenden is reeds iets groots in de schatting van alle weldenken-den ; allen, ook de vijanden, te beminnen, is een der strengste eischen van het Christendom. Doch de evennaaste is al zeer weinig gebaat, al bemerkt hij, dat een gevoelig hart deelneemt in zijn treurig lot, dat hij niettegenstaande zijne vijandige gezindheid nog bemind wordt. Het is iets, het is — zoo ge wilt — veel, maar niet genoeg. Zijn nood, zijne ellende, zijne behoeften zijn groot en worden niet door gevoelens alleen, hoe edel ook, weggenomen. Werken van barmhartigheid zijn noodig om de wonden te heelen, welke soms diep en pijrlijk zijn. Weest barmhartig schrijft de h. Petrus ; toont door daden, dat het lijden van anderen u pijn doet en dat gij niet alleen met woorden lief hebt. De deugd der liefde, in daden omgezet, kan en moet te allen tijde en jegens allen op elk terrein beoefend worden. Zij moet voorkomen, al wordt zij niet ingeroepen; zij moet door hare bewijzen, al zullen die niet erkend worden, het lichamelijk en het geestelijk welzijn van den evenmensch omvatten en werkzaam zijn in de verte niet minder dan in de nabijheid, zich uitstrekken tot bekenden en onbekenden. Zóó barmhartig te wezen is de eisch van den h. Petrus, omdat de geest van Jesus' liefdewet hetzelfde vordert. Naar gelegenheden om aan dien eisch te voldoen.

251

ocr page 268

vijfde zondag na pinksteren.

behoeft niemand lang te zoeken. Men zie slechts om zich heen; men luistere naar de vele klachten, welke allerwege opgaan— en de weg is ons aangewezen, waarop elke barmhartige Samaritaan den voet kan zetten om olie en wijn te gieten in de wonden of van het lichaam of van de ziel. Kinderen vragen om brood, weduwen en weezen om bescherming, zieken om geneesmiddelen, naakten om kleeding, vreemdelingen om herberging; vooral verlangen de bedroefden naar troost, de onwetenden naar onderricht, de zwakken naar bemoediging, de twijfelachtigen naar goeden raad, de gevallenen naar eene hand, welke hen opricht. Zalig zij, die dan barmhartigheid naar vermogen en omstandigheden uitoefenen! Wat zij aan den minste van Jesus' broeders hebben gedaan, zal Hij als aan Zich zeiven gedaan beschouwen en beloonen; zij zullen ook in het laatste oordeel barmhartigheid verwerven.

Twee deugden moeten als gezellinnen dengene ter zijde blyven, die met vrucht voor de eeuwigheid zich barmhartig betoonen wil: hij zij bescheiden en nederig. Alle laatdunkendheid moet hij vermijden. Zich doen gelden en op den voorgrond plaatsen, als goed en milddadig zich opdringen, eene meerderheid in welwillendheid of in wijsheid of in vermogen voorwenden, met zich zeiven ingenomen zijn en daarvan blijk geven — geen bescheiden Christen zal daartoe afdalen. Integendeel: hij maakt op geene enkele onderscheiding aanspraak ; bij al zijn weldoen houdt hij zich op den achtergrond en wil liever vergeten blijven dan geëerd zijn; hij bedelt niet om de achting der menschen noch vraagt om loftuitingen ; als hij weldaden verspreidt, houdt hij het als iets wat geheel natuurlijk en der opmerkzaamheid niet waard is; hij zoekt zich zeiven niet, maar acht het ala eene eer aan hem bewezen, wanneer zijne diensten niet afgewezen worden. Hij vertoont zich zonder eenige aanmatiging in houding en gebaren, in geheel zijn doen en laten. Het is hem aan te zien, dat hy meent minder te doen dan de plicht van hem

252

ocr page 269

tijpde zondag na pinksteren.

vordert. En meent niet, dat zulk eene wijze van handelen hem moeilijk valt, zoo slechts die bescheidenheid in ware nederigheid haren grond vindt. Dan immers schat hij anderen boven zich zeiven en beschouwt het als een voorrecht, zoo hij hun eene of andere gunst mag bewijzen ; hij is overtuigd, dat al wat hij kan geven hem als bruikleen is toevertrouwd, waarmede hij handelen en woekeren moet, overeenkomstig den wil van God, die het aan hem voor tijd en wijle afstond en eens verantwoording vragen zal over het gebruik van die geleende gaven en goederen gemaakt. De vrees daarvoor spoort hem aan om goed te doen, zoolang en waar hij kan. Eer of dankbaarheid zoekt hij niet bij de menschen ; het is hem voldoende, zoo zijn geweten hem getuigt, dat zijne hand deed wat zij te doen vond en zijne meening zuiver was.

Behalve de beoefening der besprokene deugden vergt de h. Petrus nog van de Christenen, dat zij geen kwaad met

kwaad, noch schelden met schelden vergelden ; dat zij hunne tong van het kwaad weerhouden en hunne lippen

geen bedrog spreken. Alzoo, geene beleediging is geoorloofd in daden maar ook niet in woorden. Het onrecht, door een ander aangedaan, zal nimmer voor den Christen een rechtstitel kunnen worden om met gelijke munt te betalen. Persoonlijke wraakneming is altijd ongeoorloofd ; hoogstens mag de beleedigde — en in sommige gevallen, als hoogere goederen op 't spel staan — moet hij zich bij de bevoegde macht recht verschaffen, opdat zijne eer of goede naam ongeschonden bly-ven of de hem rechtmatig toekomende goederen verzekerd zijn. Met deze opmerking kunnen wij hier, dewyl die onderwerpen reeds besproken zijn op den derden en vierden Zondag na Drie-koningen, volstaan, en wijden nog eenige aandacht aan de zonde der tong. Dat dit laatste euvel vrij algemeen is, niemand die het niet uit zijne ervaring weet. Zonder overdrijving mag gezegd worden, dat door niets zoo dikwijls gezondigd wordt

253

ocr page 270

vijfde zondag na pinksteren.

254

als door het misbruik der spraak. De h. Jacobus noemt de tong een heelal van ongerechtigheid en pryst hem als een volmaakt man, die in het spreken niet struikelt (Jac. III, 6. 2). Deze uitspraak mag ons niet verbazen. Al wie geleerd heeft zijne tong te bedwingen, zal machtig wezen om zijn geheel lichaam, al zijne driften en hartstochten te beheerschen. De h. Magdalena de Pazzis verklaart hem voor een heilige, die in zyn gansche leven met de tong niet misdreven heeft. Geheel in overeenstemming met de h. Schrift, welke zegt: gelukkig hij, die niet feilt met zijne tong (Eccl. XXV, 11). Zonder nog te gewagen van die buitensporigheden, waartoe de tong zich zoo licht door de driften van het hart laat vervoeren, zonder te spreken van de godslasteringen, van de onkuische taal, van de opzettelijke lastering, van het schelden en razen en tieren, zijn er vele voorbeelden op te noemen, waarin onoplettendheid, lichtzinnigheid of onvoorzichtigheid den spreker aan vele fouten zoo niet aan groote zonden schuldig maakt. Bij veel spreken blijft overtreding niet uit, zeide de wijze man (Spreuk X, 19) en de uitleggers teekenen ter verklaring daarbij aan, dat bij een menigvuldig gebruik der tong het moeilijk valt leugenachtige, liefdelooze, ijdele woorden te vermijden. Zeer dikwyls ontsnappen bij een vloed van woorden verkeerdheden, welke ternauwernood worden opgemerkt en toch in hare gevolgen hoogst schadelijk kunnen werken, omdat zij of wel ergernis geven of wel eenige be-leediging inhouden. De omzichtigheid in het spreken is eene der moeilijkste deugden der christelijke zedenleer. Eene groote mate van kieschheid — niet dan door veel oefening en met Gods genade te verkrijgen — is noodig om zich immer op gepaste wijze uit te drukken, om tegelijkertijd openhartig en behoedzaam, oprecht en voorzichtig te zijn, om te zeggen wat gezegd en te verzwijgen wat verzwegen moet worden, om het juiste midden te houden tusschen een onbeduidend gesnap dat tot onbetamelijkheid voert, en tusschen die achterhoudendheid, welke valschheid doet vermoeden.

ocr page 271

VIJFDE ZONDAG NA PINKSTEREN.

Opmerking. Rekening houdende met hetgeen wij reeds in vorige bladzijden schreven (Cfr. vierde Zondag na Paschen) zoowel over bovengenoemde deugden als over de voorzichtigheid in het spreken, behoeven wij niet verder over die onderwerpen uit te weiden. Deze gedachten alleen nog willen wij aan de aandacht van onze lezers aanbevelen. Door het opvolgen van de welmeenende raadgevingen des h. Petrus kunnen wij den Heer Christus in onze harten heiligen ; want alien, die bedoelde deugden zich eigen maken, vereeren hun God en zullen tevens bewerken, dat ook anderen Hem eeren en, door een goed voorbeeld gesticht en ten goede aangespoord, Christus en zijne leer hoogschatten en Hem navolgen. Op die wijze heiligen wij Jesus niet alleen in onze harten maar ook in die van anderen, en maken wij ons de genade en de bescherming des Heeren waardig, zóódat wij, al worden wij om onze vroomheid door slechtgezinden vervolgd, niet vreezen voor hunne verschrikking maar moedig en vastberaden in het goede blijven volharden, dewijl God met ons is en ons daarvoor met de eeuwige zaligheid vergelden zal. Zoo ook zullen wij den vrede met onzen evenmensch zoeken en najagen, dien met allen voor zoo ver het aan ons ligt onderhouden en, ter belooning, in waarheid Gods kinderen genoemd worden.

II

Met een enkel woord maakt de h. Petrus melding van drie voorrechten, welke aan ons zullen te beurt vallen, zoo wij naar zijne vermaningen ons gedrag regelen, tegelijk een beroep doende op de ons van nature aangeborene eigenliefde en verklarende, dat 's menschen belang vordert de geboden Gods na te leven, omdat de gehoorzaamheid aan diens wet een waarborg geeft voor een tijdelijk en voor een eeuwig geluk, ons met de blijde hoop vervult dat wij, die het leven liefhebben, goede dagen zien zullen. Vooraf echter zij opgemerkt, wat te laten en te doen is. De christelijke plicht eischt, dat

wij GEEN KWAAD MET KWAAD, NOCH SCHELDEN MET SCHELDEN

255

ocr page 272

vijfde zondag na pinksteren.

vergelden, maar integendeel zegenspreken, onze zegenwen-

schen ook tot hen uitstrekken, die zich als vijanden gedragen. Die verplichting berust onder anderen ook op dezen grond, dat wij hiertoe geroepen zijn, opdat wij, als ware kinderen des hemelschen Vaders, zegening als ons erfdeel bezitten en de gelukzaligheid in den Hemel, het onvergankelyk erfdeel, dat Christus Jesus ons verworven heeft door zijn Bloed, mogen verkrijgen. Maar niemand mag zich het recht op Gods kindschap toekennen, als hij niet gelijkvormig is geworden aan den Heere Jesus, die voor zijne vijanden bad en stierf; niemand kan aanspraak op de eeuwige erfenis maken, als hij verzuimd heeft het groote gebod der naasten-liefde in geheel zijne uitgestrektheid te volbrengen. „Het is niet meer dan „billijkquot; — zegt een schriftuurverklaarder — „dat zij die „de eeuwige zegening verwachten, ook immer een zegenwensch „in hun mond hebben, dat zij in dit leven niet verwaarloozen „maar doen, wat zij in het toekomende verlangen te vinden.quot;' De belooning, door den Apostel aan allen voorgesteld, is groot maar wordt niet verkregen dan door zelfoverwinning. De uitspraak des Zaligmakers luidt; het Rijk der Hemelen lijdt geweld en de geweldigen rooven het (Matth. XI, 12), en onder al die inspanningen, welke voor het veroveren van het Rijk der eeuwige glorie gevorderd worden, neemt het vervullen van het gebod der liefde jegens vijanden eene eerste plaats in, omdat daartoe een moeilijke strijd moet aangebonden en zegevierend uitgevochten moet worden tegen sterke driften van het menschelijk hart. De stem der bedorven natuur maar ook die der wereld mag hierbij niet gehoord worden ; deze toch verkondigt grondbeginselen, volgt wetten en gebruiken, welke niet die des Christendoms en in schrille tegenspraak zyn met hetgeen onze roeping eischt. Hier geldt het groote beginsel door Jesus verkondigd: „geeft en u zal gegeven worden.quot; Zoo wij derhalve van onzen kant met een levendig geloof de voorwaarden vervullen, waaraan Gods zegening voor

256

ocr page 273

vijfde zondag na pinksteren.

dezen tijd en bovenal voor de volgende eeuwigheid verbonden is, dan ook is Gods Milddadigheid ons verzekerd en mogen wij goede dagen verwachten èn voor hier èn voor hiernamaals. De h. Petrus verklaart dit nog nader.

De oogen des Heeren (letten) op de rechtvaardigen en zijne ooren (luisteren) naar hunne gebeden. Eene heerlijke belooning voor wie het goede doen en van het kwade afwijken, den vrede zoeken en dien najagen; zij toonen het leven, het ware leven der genade hier en het leven der glorie ginds lief te hebben. Doch — vraagt ge — heeft de dienst van God ook niet de belofte voor dit stoffelijk, lichamelijk leven? Gelijk de Joden van God voor het onderhouden zijner geboden tijdelijken zegen mochten verwachten, zoo is ook ons, die onder de wet der genade het geluk hebben te leven, het vergund voor een heiligen levenswandel Gods Milddadigheid in tijdelijke aangelegenheden te hopen, als zulks strookt met de wijze plannen zijner Voorzienigheid en ons geestelijk welzijn. God laat over zijne getrouwe kinderen de zon schijnen en geeft hun regen op gezette tijden. Droevige dagen worden opgevolgd door blijde, en na smart en vernedering komen tijden van vertroosting en verheffing ; ook der rechtvaardigen arbeid wordt gezegend en zij genieten de vruchten van het werk hunner handen; zij zijn zelfs niet zooveel als anderen blootgesteld aan gevaren voor het lichaam en voor de gezondheid. quot;Wat nog meer in aanmerking dient genomen te worden : omdat zij zich steeds tot vergevingsgezindheid bereid toonen en ieder naar best vermogen trachten te helpen, hebben zij minder vijanden en meerdere vrienden dan de boozen ; omdat hun eer- en hebzucht niet ver gaat, zijn zij spoediger voldaan en met hun lot eerder tevreden; omdat zy zich in de getuigenis van een goed geweten mogen verheugen, genieten zy een vrede, dien de wereld niet geven kan. Hunne dagen verloopen in stille rust en geene hevige ontroeringen zullen hunne kalme gelatenheid verstoren. Doch afgezien van al die

VerklariDgen der Ëpistelen, 11. 17

257

ocr page 274

vijfde zondag na pinksteben.

aardsche voordeelen, moeten wij hen gelukkig noemen vooral om de geestelijke gunsten, waarvan de h. Petrus gewaagt. De oogen des Heeren letten op de rechtvaardigen. God ziet met welgevallen op hen neder, op hunnen christelijken levenswandel, op al de goede werken, welke zij verrichten, op de verdiensten, welke zij verzamelen voor den Hemel en, behagen vindende in hun onverminderde getrouwheid aan zijn dienst, is Hij bereid hun genade op genade te geven, opdat zij met grootere kracht en meerdere zekerheid werkzaam bljjven ter bereiking hunner eeuwige bestemming. Bovendien zal God, die den geringen penning der weduwe niet onopgemerkt liet en het minste aan een van Jesus' broeders gedaan beloofd heeft te zullen beloonen, al hunne daden, welke zulks waardig zijn, opteekenen in het boek des levens. Wat overeenkomstig zijn wil en te zijner eere zij deden, elk goed gebruik zyner genade evenzoo als de vervolmaking in deugden, dat alles wordt gezien en hoog geschat en zal hun vergolden worden door Hem, die Zich in weldoen niet laat overtreffen. Ook de ooren des Heeren luisteren naar de gebeden der rechtvaardigen, om ze te verhoeren te bekwamen tijde. De h. Jacobus mocht dan ook schrijven: veel vermag het gebed eens rechtvaardigen (V. 16), veel als hij bidt of voor zich zeiven of voor anderen. Immers een rechtvaardige is nederig, en het gebed der nede-rigen — leert de Psalmist — dringt door de wolken en vindt verhooring voor den troon van Gods Barmhartigheid. Uit de onuitputtelijke schatten van Jesus' verdiensten zullen hem genaden in ryke mate toevloeien door die kanalen, welke de Almacht opende, en meer dan de rechtvaardige verlangen durft zal hem gegeven worden. Zijne dagen zullen dagen van geestelijke blijdschap in den Hee%zijn, en zelfs de dagen van lyden zullen niet zonder vertroosting blijven. De h. Petrus zegt het uitdrukkelijk in de volgende woorden.

Al lijdt gij ook om wille deb gebechtigheid, zalig gij ! De Christenen, tot wie de Apostel dit woord richtte, stonden

258

ocr page 275

VIJFDE ZONDAG NA PINKSTEREN.

259

aan veel vervolging bloot en niet weinigen onder hen moesten, wilden zij aan het aangenomen geloof niet ontrouw worden, op een pijnlijk lijden zich voorbeieid houden. De h. Paulus heeft in zijn brief aan de Hebreen geschetst wat de bekeerlingen te verduren hadden van hunne vroegere geloofsgenoo-ten; en de h. Petrus verklaarde, dat al het lyden om het christelijk geloof en om de gerechtigheid ondergaan ter zaligheid zoude strekken. Wel verdienden de geloovigen niet op die wijze mishandeld te worden, als zij zich voor het goede beyverden ; wel mocht niemand hen kwalijk bejegenen, omdat zij ijveraars voor de deugd waren ; maar werden zij toch vervolgd en stonden zij ten doel of van lasteraars of van pijnigers, als het bewijs van eene wijze en liefdevolle beschikking des Heeren en als een middel ter verzekering hunner zaligheid dienden zij het te beschouwen en zich er over te verheugen. God liet — wilde de Apostel zeggen — dat lijden toe om redenen zijner oneindige Wijsheid waardig: zóó moest Hij verheerlijkt en de wereld van de waarheid zijner leer overtuigd worden ; zóó werd voor andere Christenen de moed zijner belijders een prikkel ter navolging en voor de ongeloovigen eene aansporing ter bekeering. Doch ook voor de vervolgden zei ven werd het lijden eene bron van rijke zegening : met den h. Paulus mochten die geloofshelden roemen op de verdrukkingen, daar zij wisten dat de verdrukking lijdzaamheid werkte, en de lijdzaamheid hun de bewustheid gaf van beproefde deugd, en die beproefdheid hoop op het deelgenootschap aan de toekomstige heerlijkheid der kinderen Gods. Alle redenen drongen er derhalve bij hen op aan, dat zij volhardden in de beoefening der christelijke deugden en in de aanbidding van Jesus' Naam. Hunne belooning zoude groot wezen; een onverwelkbare kroon van glorie was hun weggelegd, welke de rechtvaardige Rechter op den grooten dag der vergelding aan alle getrouwe dienaars schenken zal.

ocr page 276

VIJFDE ZONDAG NA PINKSTEREN.

260

Opmerking. Het goede doen en het kwade vermijden heeft ook voor ons allen zijne eigenaardige moeilijkheid, en die wordt bovendien nog vergroot door den haat der boozen, die den Christen van het eene aftrekken en tot het andere verleiden willen, al moeten zij ter bereiking van hun doel tot geweldige maatregelen hunne toevlucht nemen. Wij zouden boven de zwakheid der menschelijke natuur verheven moeten wezen om voor zulk een lijden en voor zulke vervolgingen niet terug te schrikken en niet te wenschen, dat die, kelk ons voorbij ging. Maar wordt die ons te drinken gegeven, nimmer mogen wij weigeren dien aan te nemen, want hij wordt ons aangeboden door God, minstens met zijne toelating opgedrongen. Hoe moeilijk dan ook de beoefening der deugden zij, hoe zwaar de strijd tegen het kwade moge wezen, het ware eene verfoeilijke lafheid daarom den vijand onzer zaligheid ruim spel te laten. Voor dergelijke verschrikking vreest een waar Christen niet, wien de heerlijkste belooning tegenlacht: het genot van den zoeten vrede op aarde en de eeuwige vreugden in den Hemel. Hij blijft worstelen en wordt niet ontsteld noch van zijne voornemens afgebracht. Hij voelt zich sterk in God, wordt gedragen door de vertroostingen, welke zijne ziel verblijden, en overwint door de genade, zóódat hij hier den Tie ere Je sus in zijn hart heiligt en de zalige hoop koestert eens met Hem verheerlijkt te worden in het Rijk zijner glorie, terwijl niemand hem schaden kan.

ocr page 277

ZESDE ZONDAG NA PINKSTEREN.

Broeders 1 Zoo velen wij gedoopt zijn in Christus Jesus, zijn wij in zijnen dood gedoopt. Want door den doop zijn wij met Hem mede begraven geworden in den dood, opdat, gelijk Christus van de dooden verrezen is door de heerlijkheid des Vaders, zoo ook wij in nieuwheid van leven wandelen. Immers, indien wij met Hem saamgewassen zijn door gelijkheid aan zijnen dood, zullen wij het insgelijks zijn door gelvkheid aan zijne verrijzenis; daar wij weten, dat onze oude mensch mede gekruisigd is, opdat het lichaam der zonde worde te niet gedaan, en wij de zonde niet meer dienstbaar zijn; want die gestorven is, is van de zonde ontslagen. Zijn wij dan met Christus gestorven, wij gelooven, dat wij insgelijks ook zullen leven met Christus; daar wij weten, dat Christus, uit de dooden verrijzend, niet meer sterft; de dood zal geen heerschappij meer voeren over Hem. Want, dat Hij der zonde gestorven is, is Hij éénmaal gestorven; doch dat Hij leeft, leeft Hij Gode. Aldus ook gij, rekent u wel der

ocr page 278

ZESDE ZONDAG NA PINKSTEREN.

zonde gestorven^ doch Gode levend te zijn in Christus Jesus onzen Heer. Rom. VI, 3—11.

Inleiding. Aan de zonde sterven en voor de deugd leven, dit is voor eiken Christen plicht, dit is zijne roeping en grootheid, daardoor verdient hij ook de eeuwige zaligheid. Zoo lee-ren de h.h. Schriften van het Oude, zoo ook leerde door woord en voorbeeld de goddelijke Wetgever van het Nieuwe Verbond ; hetzelfde leert de h. Paulus in het bovenstaande gedeelte van zijnen brief aan de Romeinen. En wel op eene geheel eigenaardige wijze. Hij herinnerde hen aan hun Doopsel, waardoor zij in de Kerk van Jesus waren ingelijfd, vele voorrechten ontvangen maar ook zware verplichtingen op zich genomen hadden. »Gij zijtquot; — riep hij hun toe — in Christus in zijnen »dood gedoopt, met Hem gekruisigd, gestorven en begraven, gt;opdat gij ook met Hem zoudt verrijzen en, gestorven aan de »zonde, een nieuw leven beginnen om hiernamaals eeuwig met »Hem te kunnen leven.quot; Zij waren alzoo in eene innige levensgemeenschap met Jesus getreden, welke met het h. Doopsel begonnen was, met de genade van God al meer en meer vervolmaakt moest worden en hare voltooiing vinden zoude in het Rijk der eeuwige glorie. Zij waren saamgewassen met Jesus, als op Hem ingeënt. Eene krachtige uitdrukking! Gelijk eene enting op een boomstam gezet alleen van dien stam leeft en daaruit al het noodige sap trekt; eveneens moesten zij. Christenen geworden, geen ander leven leiden dan dat van Christus, met Wien zij zoo innig vereenigd waren, en derhalve in nieuwheid van leven wandelen. En welk een leven hadden zij te leiden? De h. Apostel verklaart dit nader door met evenveel woorden eene vergelijking te maken tusschen de omstandigheden, welke Jesus' sterven en verrijzenis vergezelden, en tusschen de uitwerkselen, welke het h. Doopsel in de ziel moet te weeg brengen. — Onder de leiding van den h. Paulus zeiven die waarheden nader te beschouwen, stellen wij ons tot taak, en geen twijfel: wij zullen tot dezelfde gevolgtrekking komen als onze leermeester, dat wij namelijk:

262

ocr page 279

zesde zondag na pinksteren.

I. dienen gestorven te zijn aan de zonde en

II. levend te zijn voor God.

I.

Om de woorden van den h. Paulus goed te begrijpen, her-innere men zich, dat in de eerste eeuwen der Kerk het h. Doopsel door indompeling werd toegediend. Die ceremonie verzinnelijkte den dood en de begrafenis van Christus, terwijl het opstijgen uit het water Jesus' verrijzenis verbeeldde. Het was derhalve, alsof de doopeling eerst den dood inging en begraven werd, maar vervolgens tot een nieuw leven verrees. Door die twee zinnebeeldige handelingen werd aangeduid, dat de oude mensch der zonde moest sterven en een nieuwe opstaan, die naar God geschapen is in waarheid en gerechtigheid. Doch vergeten wij niet op te merken, dat door het Doopsel die genaden niet alleen afgebeeld maar ook gegeven werden; wat uitwendig werd beteekend, datzelfde werd door het Sacrament ook inwendig uitgewerkt. Voor allen, die zich deze opmerkingen ten nutte maken, worden de volgende leeringen van den Apostel duidelijk.

Zoo velen wij in christus jesus gedoopt zijn, zijn wij in zijnen dood gedoopt. Wij zijn in Jesus, in zijnen Naam, gedoopt en met het H. Sacrament, dat Hij ter vergiffenis van de erfzonde en van andere persoonlijke zonden heeft ingesteld. Toen het ontvangen werd, beleed de doopeling hetzij met eigen mond, als hy na de jaren der onderscheiding te zijn ingetreden gedoopt werd, hetzij door den mond zijner doopborgen, dat hij in den Zoon Gods geloofde, dat hij Jesus erkende als den Verlosser der wereld, door quot;Wien alleen allen kunnen zalig worden, en als den Wetgever des Nieuwen Verbonds, Wiens geboden door een ieder moeten onderhouden worden, die het eeuwige leven wil verdienen — beleed ook, dat hij aan den duivel, aan de wereld en hare

263

ocr page 280

ZESDE ZONDAG NA PINKSTEREN.

264

ijdelheden verzaakte, dat hij niet den breeden weg der ondeugd maar het enge pad der wet Gods te bewandelen had. Verder: wij zijn in Jesus' dood gedoopt, in de gelijkenis aan Jesus' dood en begrafenis — zooals wij reeds boven aanstipten — en dit opdat wij, gelijk Jesus door zijn kruisdood Zich van den last der zonden bevrijdde voor welke te boeten Hy op Zich genomen had, zoo ook wij in geestelijken zin aan de zonde zouden sterven, en niet voor eenigen tijd maar voor den geheelen duur van ons leven; opdat de oude mensch begraven worden en een nieuwe verrijzen zoude. Groote voordeelen, vele genaden werden door het h. Doopsel geschonken: van slaven der zonde en van voorwerpen der gramschap werden wij kinderen van den hemelschen Vader en mede-erfgenamen van Jesus Christus, gesierd met de hei-ligmakende genade en ten strijde toegerust met de drie goddelijke deugden. Maar die gunsten van eene onverdiende Liefde leggen ook zware verplichtingen op. In waarheid dood en begraven voor de zonde kunnen wij niet wezen, als wij ons tegen Jesus' . wil verzetten, als wij het verdrag verscheuren, dat wij met Hem sloten. Dooden keeren niet tot het leven terug; zij verkeeren niet meer op de wereld en hebben geen omgang meer met de menschen. Evenzoo, alwie naar de gelijkenis van Jesus' dood gestorven is aan de zonde, mag niet meer toegeven aan die kwade gewoonten, neigingen of driften, welke hij voorheen gevolgd en bemind heeft; voor wat kwaad is, moet hij dood wezen, en geene gemeenschap mag er nog bestaan tusschen hem en eene wereld, welke in het boozeligt. Met het geestelijk deelgenootschap in den kruisdood van den Verlosser is het leven in de zonde onbestaanbaar. Het kwaad, door den mensch vroeger bedreven, moet vermeden en het goede, te lang verzuimd, beoefend worden; hij moet voor altijd vaarwel gezegd hebben aan zinnelijke genietingen en zijn wandel wezen in den Hemel; hij mag zich niet langer beschouwen als een wereldling, die deze aarde als vaderland erkent, maar dient

ocr page 281

zesde zondag na pinksteren.

als hemelburger te leven, die eene eeuwige woonstede zoekt.

Wij weten — gaat de Apostel voort — dat onze oude

mensch mede gekruisigd is, opdat het lichaam der zonde worde te niet gedaan en wij der zonde niet meer dienstbaar zijn. Christus Jesus werd tot den smadelijksten en pijnlijksten dood veroordeeld, daar Hij onze zonden op Zich genomen had ; en Hij droeg ze iD het lichaam op het kruis, om als zoenoffer daarvoor te sterven. Zalig bovenmate waren de vruchten van Jesus' kruisdood. Aan de goddelijke Majesteit werd voldoening gegeven voor de beleedigingen door den mensch haar aangedaan ; de Hemel werd verzoend, de zonden gedelgd, de macht des duivels gebroken en voor den zwakken en in zonde geboren mensch de genade verdiend, dat hy de booze begeerlijkheid overheerschen en zich van de overtreding der geboden Gods kan vrijhouden. Want ook in den in Christus herborene is de prikkel der zonde niet vernietigd; zelfs de Heiligen waren niet bevrijd van de neiging tot het ver-bodene; de booze begeerlijkheid is in geen enkel hart uitgeroeid. Zoolang de Christen in het land der verbanning vertoeft, is hy blootgesteld aan den storm der hartstochten en leeft er in zyne ledematen eene wet, welke zich verzet tegen den geest en de stem zijns gewetens. De verzoekingen houden niet op, vóórdat de strijd met volkomene zegepraal is vol-streden of eene schandelijke nederlaag aan den vijand de eindoverwinning heeft gelaten. Geen andere uitweg blijft over dan dat een ieder voor zich zeiven zyn lichaam kruisige met alle begeerlijkheden, kwade neigingen en booze driften. Al meer en meer moet de oude mensch afgelegd, gedood zooveel mogelijk worden. Versterving van de zintuigen, waakzaamheid tegen alle invloeden, welke ons van binnen en van buiten blijvend bestoken, behoedzaamheid in gedachten en begeerten, in woorden en in daden, zij zijn noodig opdat wij der zonde niet meer dienstbaar zijn. Moeilijk is dit zeker maar ondoenlijk

265

ocr page 282

zesde zondag na pinksteren.

niet. Met de genade door Jesus' kruisdood ons verdiend vermogen wij het lichaam der zonde, dat door de zonde beheerscht werd, te niet te doen en, door het Doopsel geheel andere men-schen geworden, kunnen wij de ontvangene genade aanwenden ter volmaking van het geestelijk leven. De geest is door de genade Gods sterker geworden dan het vleesch en kan, volgens zjjne roeping, het vleesch overheerschen en dienstbaar maken aan de wetten van God ; hij kan, in overeenstemming met zijne waardigheid, de nu verworvene vrijheid gebruiken om het goede na te streven en de zonde te bestrijden.Was hij vroeger slaaf der zonde, nu zal de Christen, als hij met Christus gestorven is, van de zonde ontslagen wezen — ontslagen in dubbelen zin: hij heeft vergiffenis van zijne vorige zonden verkregen, en de kracht van boven is hem gegeven om de verleiding te kunnen weerstaan. Hij is gerechtvaardigd, een nieuw schepsel geworden en, al blijft in hem eene kwade begeerlijkheid over, met de genade, welke hem immer nabij is en hem krachtdadig ondersteunt, zal hij, na het lichaam der zonde gekruisigd te hebben en met Christus gestorven te zijn, zedelijker wijze gesproken der zonde niet meer dienstbaar zijn en, al moet hij nog strijden, strijdende overwinnen.

Christus uit de dooden verrijzend, sterft niet meer ; de

dood zal geen heerschappij meer voeren over hem. Dit is

het voorbeeld door eiken gedoopte in geestelijke beteekenis na te volgen. De Zaligmaker stierf slechts eenmaal, niet voor eigene zonden, — Hij was zondeloos — maar voor de zonden der wereld, en gestorven zijnde, verrees Hij ten derden dage uit het graf om voor eeuwig te leven. Hij ging dan ook bezit nemen van den troon Hem van eeuwigheid voorbeschikt, klom op ten Hemel en zetelt voor alle eeuwigheid aan de rechterhand des Vadems in de hoogste rust en volmaakte glorie. Hij had eene eeuwige verlossing bewerkt en, na op aarde — om zoo te spreken — slechts voor de men-schen geleefd te hebben, leeft Hij nu voor God. Ook wy,

266

ocr page 283

zesde zondag na pinksteren.

eenmaal aan de zonden in het Doopsel gestorven en tot een nieuw leven verrezen, moeten met Christus leven, nu in de beoefening van alle deugden, welke van onzen staat gevorderd worden, opdat wij eens en dan voor altijd Gode levend zijn in Christus Jesus. Het is onze plicht en roeping dat wij, op den bijstand Gods vertrouwende, ons beijveren te wandelen in de nieuwheid des levens, dat wij als verrezenen met Christus voortaan leven voor God en in dat leven ter eere van God begonnen volharden ten einde toe. In den dood der zonde mogen wij niet meer hervallen. Levende in de innigste en heiligste levensgemeenschap met den gekruisten maar nu verheerlijkten Verlosser, dienen wij onafgebroken te streven naar de hoogste gelijkvormigheid met onzen god-delijken Leermeester, zóódat minder wij zeiven leven dan Hij leve in ons. In alle omstandigheden, waarin wij verkeeren, moet met de genade meegewerkt, naar hare inspraken geluisterd, de richting door haar aangegeven met behoedzaamheid gevolgd worden. De beloften in het Doopsel afgelegd en bij de eerste H. Communie hernieuwd zijn als vast staande levensregels te onderhouden. Zoo wordt de Hemel bestormd en ingenomen.

Opmerking. In de uitwerkselen of genaden van het h. Doopsel ontdekte de h. Paulus de afbeelding van drie geheimen ; de Dood van Christus wordt voorgesteld door het te niet gedaan worden van het lichaam der zonde; de Begrafenis van Jesus door het verzaken aan de wereld en aan hare ij delheden; de Verrijzenis door de vernieuwing des geestes van den gedoopte. De h. Augustinus verklaart dat alles nader in deze woorden : »al wat gebeurde op het Kruis van Christus, bij »zijne Begrafenis, bij zijne Verrijzenis ten derden dage en bij »zijne Hemelvaart, dat is geschied opdat in die feiten, welke »wij uit Jesus' leven vermelden en welke niet alleen op ge-»heimzinnige wijze genoemd maar ook werkelijk gebeurd zijn, gt;het leven van den Christen zoude afgebeeld worden, dat op

267

ocr page 284

ZESDE ZONDAG NA PINKSTEREN.

»aarde verloopt. Want omtrent zijn Kruis is gezegd: die aan

* Christus toebehooren, hebben het vleesch met zijne begeerlijk-

* heden gekruisigd (Gal. V, 14); omtrent zijne Begrafenis: wij fzi/n met Christus mede begraven door den doop in zijn dood; ïomtrent zijne Verrijzenis: laten wij in nieuwheid van leven »wandelen, gelijk Christus van de dooden is opgestaan door de •sgt;heerlijkheid des Vaders; omtrent zijne Hemelvaart: indien quot;gj met Christus verrezen zijt, zoo zoekt wat boven is, waar » Christus is zittende aan Gods rechterhand; zint op wat boven, nmet op zvat op aarde is. (Col. III. 1).quot; — Een ieder mag daarom wel met ernst zijn geweten ondervragen, of hij in waarheid gestorven is om te leven, of hij er zich op toelegt zóó te sterven, dat hij leve voor Hem, die voor allen gestorven is. Nadat hij gedoopt is geworden, dient hij toch aan deze vermaning van den h. Paulus gehoor te hebben gegeven: dat de zonde niet heersche in uw sterfelijk lichaam, zóó dat gij aan zijne begeerlijkheid zoudt gehoorzamen, en biedt ook uwe ledematen niet der zonde aan tot werktuigen der ongerechtigheid, maar biedt u zeiven aan God aan als levend geworden uit de dooden en uwe ledematen biedt ze Gode aan tot werktuigen der gerechtigheid. (Rom. VI. 12). — Wij allen moeten een bevestigend antwoord ook op de volgende vraag kunnen geven: is onze geestelijke begrafenis gelijkend op die van een doode ? Deze is bewegenloos en ongevoelig voor alles, wat daar buiten omgaat en heeft geene voeling meer met de levenden. Zoo moet ook de zielstoestand van den gedoopte wezen ten opzichte van de booze wereld. Hij moet te midden daarvan wel verblijven, maar leeft niet met haar mede. Hij gehoorzaamt niet aan hare wetten en zweert niet bij hare grondbeginselen; hij blijft vreemd aan hare gewoonten maar volgt de voorschriften van zijn geloof; hij zoekt niet hare verstrooiingen, bemint niet hare lichtzinnige vermaken noch laat zich verleiden door hare ijdele voorspiegelingen, maar vindt zijn genoegen in den dienst van God. Een Christen, die de genade van zijn Doopsel wil bewaren en zich onder den standaard van Jesus'Kruis schaarde, heeft de eenzaamheid lief, beoefent de versterving, en legt zich toe op zelfverloochening. Hij draagt Jesus het Kruis na zonder

268

ocr page 285

ZESDE ZONDAG NA PINKSTEREN.

om te zien naar hetgeen rondom hem is en zich beweegt. Hij draagt Jesus zóódanig in zijn lichaam, dat zijn leven als verborgen is in Christus en met Christus in God. — Zoo legt hij ook onbetwistbare bewijzen af van zijne geestelijke opstanding tot een nieuw en verhoogd leven. Hij is begraven om te verrijzen. Naar het voorbeeld, door Jesus hem nagelaten, regelt hij geheel zijn g'edrag. Met de zondaars verkeert hij niet meer dan wanneer de christelijke liefde zulks gebiedt; zijne levenswijze is er op ingericht, dat hij toont aan God alleen toe te behooren, aan diens wil zijn wil te onderwerpen en zijn vermaak er in te vinden, dat hij niets doet dan wat aan den he-melschen Vader welgevallig is. Het onderhouden van Gods wet is zijn lust en zijn leven; het beoefenen van deugden is het eenige, waarnaar hij streeft; zich zei ven tot offer van zijn plicht te maken, houdt hij als eene voorsmaak der hemelsche zaligheid. Gij kunt hem dan ook bij de godsdienstoefeningen tegenwoordig zien zoo dikwijls hoogere plichten hem dit niet verbieden ; na eene nauwgezette voorbereiding en met grooten eerbied ontvangt hij de genade-middelen der Kerk, bidt veel en goed, is werkzaam in zijn bedrijf, kortom ; hij leeft zooals een waar Christen leven moet en is een voorbeeld voor allen.

11.

Zijn de voorschriften der christelijke zedenwet niet te moeilijk voor den zwakken mensch, niet te pijnlijk voor zyne bedorvene natuur? Hoe vele oogen moeten uitgerukt en hoe vele handen afgehouwen worden om naar Christus' voorbeeld te kunnen leven ! Wanneer de hoogste plicht spreekt en zijne eischen stelt, mogen geene opmerkingen gemaakt worden. Dan is gehoorzamen het eenige wat overblijft. Keuze is er niet, of iemand zoude zóó dwaas willen z\jn, zóó baldadig zijne gewichtigste belangen uit het oog verliezen, dat hij zich aansloot bij de vijanden van Jesus' Kruis. Maar dan ook bedenke hy, dat hjj allengs in de diepste zedelijke ellende zoude vervallen, welke denkbaar is; dat hij onder de schare

269

ocr page 286

zesde zondag na pinksteren.

zoude te rekenen zijn van die ongelukkigen, welke van hun vleesch een afgod, van het oord hunner ballingschap een hemel, van de voldoening der heb- en eerzucht een godsdienst maken en zoo, de zonde als water drinkende, den eeuwigen ondergang te gemoet gaan. — Doch laten wij hier die bedroevende gedachten varen. De h. Paulus opent ons een blijder vooruitzicht, daar hij ons wijst op de heerlijke belooningen, welke God, rijk in Barmhartigheid en in Milddadigheid onovertreffelijk, bestemd heeft voor allen, die onder het Kruis van Jesus ten einde toe gestreden hebben. Zijn wij

met Jesus Cheistüs begraven in den dood, dan ook zullen wij aan Hem gelijken in de verrijzenis ; zijn wij met

Christus gestorven, dan zullen wij met Hem leven. Dit zijn de beloften, welke hy in den naam van God aan de getrouwe volgelingen des Heeren Jesus durfde geven. Eens zal dus de zalige dag aangebroken wezen, dat wij den jubelzang van den h, Gregorius v. Nazianze mogen aanheffen : „gisteren „nog was ik met Christus op het Kruis, en heden word ik „met Hem verheerlijkt.quot; Mochten wij allen dan toch bevatten, wat die beloften inhouden, welk een groot loon zij voorspellen ! Niets zoude ons te moeilijk vallen, als daarvoor de Hemel met zijne zaligheid verdiend wordt.

Verrijzen en eeuwen lang verheerlijkt worden met Christus — dit is de verkorte inhoud van dat hoogste geluk, waarvan wij ons geen volkomen denkbeeld kunnen vormen, wat ook in onze verbeelding niet ware opgekomen, zoo God het ons niet geopenbaard had. Eene nadere beschouwing is echter niet overbodig en ook niet onmogelijk, daar God op velerhande wijze daarover gesproken heeft. Door eene vergelijking te maken tusschen den toestand der nog op aarde levenden en tusschen dien der Zaligen Gods, bereiken wij het best ons doel. — Met den dood, gevolg en straf der zonde, kwamen alle onheilen over den gevallen mensch: in het zweet zyns aangezicht» moet de man zyn dagelijksch brood

270

ocr page 287

ZESDE ZONDAG NA PINKSTEREN.

271

verdienen, en de vrouw zal geen kinderen kunnen voortbrengen dan onder vele smarten; de dagen van allen zijn vol van wee en jammer en eindigen niet dan met eene smartelijke scheiding van ziel en lichaam; 's menschen krachten nemen eiken stond af, en geen oogenblik is hij zeker, dat een of ander ongeval hem niet treft. Zijn leven is een dagelijksch sterven, en ziekten ondermijnen het sterkste gestel; hij lijdt in zijn lichaam en meer nog in zijne ziel, want versmading en vernedering van den kant zijner natuur-genooten, bekoringen en aanzoekingen tot het kwade van den kant des duivels, angst en vrees, twijfelmoedigheid en ongerustheid, niet zelden door God als beproevingen den zijnen overgezonden, verbitteren het leven. — Met een zaligen dood houdt al dat lijden niet alleen op, maar het wordt vervangen door een niet te verstoren, frissche en jeugdige levenslust, door den zoetsten vrede en de zaligste rust. .Die in Jesus Christus gestorven zijn, zullen niet meer hongeren noch dorsten, en de zon zal op hen niet vallen noch eenige hitte; want het Lam, dat in het midden des troons is, zal hen bestieren en hen geleiden tot de waterbronnen des levens en God zal alle traan van hunne oogen aftoisschen; zij zullen alzoo, van alle ongemak bevrijd, eene eeuwige verkwikking en vertroosting genieten. Een nieuwe hemel en eene nieuwe aarde zullen er zijn ; de heilige stad, het nieuwe Jerusalem zal de woonstede der gezaligden wezen, en God zal bij hen wonen. Hij zal ook hen het vorige leed doen vergeten en geene droefheid zal hen overkomen; de dood zal niet meer zijn, noch rouw, noch geschrei, noch smart zal er meer wezen; want de eerste dingen zijn voorbij gegaan, niets meer zal bestaan van wat voorheen aan de dienaren Gods leed veroorzaakte (Openb. VII, 16 en XXI. 4). Zij zijn beproefd bevonden, en hunne zaligheid is in de handen van den Almogenden en Goeden God. In hun leven hebben zij geleden, nu is het een eeuwig verblijden; zij werkten en hard en lang in den dienst van God, opziende naar eene

ocr page 288

ZESDE ZONDAG NA PINKSTEREN.

eeuwige belooning, en nu genieten zij het loon voor het werk hunner handen; zjj streden voor de verheerlijking van den hemelschen Vader, en nu zijn zij gekroond met de onvergankelijke glorie; zij zochten en smeekten, en meer dan zij durfden hopen is hun gegeven. De aarde was voor hen een tranendal en ballingsoord; al weenende en zuchtende legden zij hun pelgrimstocht af en nu zijn zij inwoners geworden van het hemelsche Jerusalem, waar God zelf hun overgroot loon is — het loon in de verheerlijking van hun lichaam en in de zaligheid van hunne ziel.

Onaanzienlijk, sterfelijk en bederflijk was hun lichaam, maar het zal verrijzen in heerlijkheid, in onsterfelijkheid en in onbederflijkheid; het wordt gezaaid, ter aarde besteld, in zwakheid, het zal verrijzen in kracht; een stoffelijk lichaam wordt begraven, een geestelijk zal verrijzen. Het werktuig van goede werken en van vele deugden zal aldus niet eeuwig dood blijven maar het zal ten eeuwigen leven opstaan en gelijkvormig gemaakt worden aan het Lichaam van Jesus' verheerlijking (Cor. XV, 44; Ph. III. 21). Het zal bevrijd zijn van de zwakheden en gebreken der natuur, ontslagen van de heerschappij der zinnelijkheid, uitgerust met voortreffelijke gaven en eigenschappen. Het zal fijn wezen en door niets kunnen tegengehouden worden ; het zal onlijdelijk zijn en niet meer sterven; het zal verheerlijkt, luisterrijk en schitterend zyn als dat van den Overwinnaar des doods. — Nog hoogere zaligheid zal aan de ziel, in overeenstemming met haren aard en hare vermogens, geschonken worden; zij zal God, de eeuwige Schoonheid, aanschouwen; zij zal God, de samenvatting van alle Volmaaktheden, kennen: zy zal God, de oneindige Liefde en Goedheid, beminnen. Hare onverdelgbare zucht naar kennis zal bevredigd, alle raadsels des levens zullen opgelost en alle geheimen des geloofs verklaard zijn. De Oneindige zal Zich aan zyne Zaligen openbaren, zoo als Hij is en zij zullen Hem van aangezicht tot aangezicht zien; Hij zal hun de kennis

172

ocr page 289

ZESDE ZONDAG NA PINKSTEREN.

mededeelen zijner Volmaaktheden en toonen den vollen rijkdom van zijne Almacht, Wijsheid en Goedheid; de geheime maar liefdevolle wegen zijner vaderlijke Voorzienigheid, evenals de voor ons nog onnaspeurlijke raadsbesluiten van zijn wereldbestuur zullen voor hen open liggen. Die hemelsche wetenschap zal hen met bewondering vervullen voor de ontzagwekkende Grootheid van God ; met een heiligen ijver zullen zij Hem aanbidden en met eene volmaakte liefde beminnen en zoo met eene vreugde overstroomd worden, welke volkomen is en hun nimmer zal ontnomen worden.

Omstandiger het leven der Uitverkorenen in den Hemel te beschrijven is den mensch niet gegeven. Hoe brandend zijn hart ook moge wezen, als hij, in stille aandacht verzonken, het geluk des Hemels overdenkt, de woorden ontbreken hem, zijne taal blijft koud en kan zich niet verheffen tot de hoogte van zijn onderwerp. Het meeste, wat hij doen en de treffendste beschouwing welke hij geven kan, het is de woorden herhalen van den h. Paulus; een bovenmate, uitnemend, eeuwig gewicht van heerlijkheid wordt bewerkt door eene kortstondige en lichte verdrukking. Geen oog heeft gezien, geen oor heeft gehoord en 't is in geen menschenhart opgekomen, wat God bereid heeft voor die Hem liefhebben (II Cor. IV, 17 en I Cor. II, 9).

Misschien kunnen nog deze gedachten een weinig meer licht verspreiden. Voor het eerste menschen-paar, nog levende in onschuld en heiligheid, was het Paradijs als woonplaats aangewezen; de vruchtbare aarde zoude hun het noodige voedsel schier zonder arbeid voortbrengen; al hunne verlangens werden in dien overschoonen lusthof bevredigd ; daar heerschte eene onafgebrokene lente met hare pracht en haren rijkdom van ge-wassen ; vrede en overvloed waren ipheemsch, smart en kommer buiten gesloten en de dood met zijn lijden en zijne vernedering kon niet binnen dringen. Wij betreuren, dat het oord van zulk een wellust voor altijd verloren is. Toch was het Paradijs de Hemel niet; maar eene kampplaats,

Verklaringen der Epistelen, II. 18

273

ocr page 290

ZESDE ZONDAG NA PINKSTEREN.

waar de Hemel moest gewonnen worden. Hoe schoon is nog de aarde, al zucht zij onder den over haar uitgesproken vloek en al verlangt zij naar de verheerlijking der kinderen Gods! Die pracht van geurige en kleurige bloemen, die verscheidenheid van hoornen en vruchten, die doelmatige afwisseling van jaargetijden, het firmament met zijne fonkelende lichten, de vele soorten van nuttige dieren — dwingen zij ons niet uit te roepen: „groot is Goden wonderbaar zijn zijne werken?quot; Desniettemin is en blijft zij voor eiken mensch eene woestijn, waardoor hij peinzend en lijdend en strijdend met moeite zijnen weg vervolgt om eene eeuwige woning op te zoeken. Trotsch en uitdagend staan zij daar die paleizen der grooten; de weelde en rijkdom, daarin heerschende, wekken de afgunst van minder bedeelden op; zij schijnen voor de eeuwigheid gebouwd en men waant, dat zij geene andere bewoners kennen dan de gelukkigsten onder de gelukkigen ; maar zij zullen eens door het vuur verbrand worden, nadat allen, daar vroeger of later geherbergd, tot stof en asch zijn vergaan.

Hoe schoon en heerlijk moet dan het hemelsch Paradijs wezen, door God gesticht niet voor die nog strijden moeten maar voor die de eindoverwinning behaald hebben, die nieuwe aarde door Gods Almacht gemaakt alleen voor hen welke in het vuur der verdrukking gelouterd en beproefd zijn bevonden, die eeuwige woning door Jesus Christus toebereid voor zijne getrouwe leerlingen! — Is de woning der Gelukzaligen den god-delijken Bouwmeester waardig, ook zullen zij geëerd worden door Hem, die hun overgroot loon zijn wil. De Aartsvader Josef werd uit de gevangenis verlost en ten troon verheven; Mardocheüs, diep vernederd, werd op het koninklijke rijpaard door Assyrie's hoofdstad^'ondgeleid, terwijl een heraut aan het volk verkondigde: „zoo wordt hij geëerd, wien de koning „eeren wilquot; ; aan Petrus' handen ontvielen de ketenen en een Engel leidde hem veilig door de wachten, opdat hij zich in de herkregen vrijheid mocht verheugen. Hoogere eer is hun

274

ocr page 291

ZESDE ZONDAG NA PINKSTEREN.

beschoren, die den Hemel verdiend hebben. Geen vergankelijke maar een eeuwig staande troon wacht hen, en altijd zullen zij met Christus heerschen; niet door menschen, wier achting even onzeker als hun oordeel wispelturig is, maar door God zullen zij met glorie en heerlijkheid gekroond worden, Wiens oordeel voor alle eeuwen vast staat en Wiens gaven onherroepelijk zijn; niet voor korte wijle zullen zij het genot der vrijheid bezitten met gevaar spoedig in de handen hunner vijanden te hervallen, maar dan zijn zij van de dienstbaarheid der vergankelijkheid vrijgemaakt en bevestigd in de onwaardeerbare vrijheid der kinderen Gods.

Opmerking. Hoe zalig zal het oogenblik wezen, als wij in Gods liefde gestorven van den Rechter het zielverrukkend woord zullen hooren: »gezegenden mijns Vaders! treedt binnen in de »vreugde des Hemels; gij zijt over weinig getrouw geweest, »Ik zal u over veel stellen!quot; Welk eene vreugde, als de poorten des Hemels zich voor ons zullen openen en wij God van aangezicht tot aangezicht zullen aanschouwen. Hem zullen kennen zooals wij gekend zijn! Welk een geluk, als wij begroet en toegejuicht door de koren der Engelen en de rijen der Heiligen voor den troon des Allerhoogsten zullen nederknielen, om den God van alle genaden te danken voor al zijne gunsten en liefde-bewijzen, vooral voor de genade der volharding! — Wij zouden wenschen dat oogenblik te kunnen bespoedigen. Wijzer nog handelen we zoo wij het zeker maken door goede werken. En welke ? Bewaart de genade des Doopsels of, is zij verloren, koopt ze terug door oprechte boetvaardigheid; onderwerpt uw lichaam met zijne begeerlijkheden aan den geest; weest gelaten in de beproevingen; geeft u geheel over aan de beschikkingen Gods; doet het goede, wat gij te doen vindt. Voor zoo weinig zal God u alles geven, wat gij begeert, meer dan gij begeeren kunt. Dan zal het einde van alle lijden eens aanbreken en een eeuwigdurend geluk beginnen. Dan zult gij komen bij God om met Hem te leven en te heerschen in de eindeloosheid der eeuwen. Driewerf gelukkig zij allen derhalve, die hunne zonden

275

ocr page 292

ZESDE ZONDAG NA PINKSTEREN.

276

beweend hebben en tot een nieuw leven in Christus verrezen zijn; die aan hunne hartstochten een teugel hebben aangelegd en den ouden mensch zooveel mogelijk gekruisigd hebben ; die de ijdelheden der wereld verzaakt en God gediend hebben ! Hun dood zal een overgang wezen naar een onvergankelijk leven ; ook hun graf zal heerlijk zijn, en hunne lichamen zullen uit de dooden opstaan om niet meer te sterven.

ocr page 293

ZEVENDE ZONDAG NA PINKSTEREN.

Broeders ! Naar menschelijke wijze spreek ik wegens de zwakheid uws vleesches. Want gelijk gij uwe ledematen hebt aangeboden om der onreinheid dienstbaar te zijn en der ongerechtigheid tot ongerechtigheid, biedt alzoo nu uwe ledematen aan om der gerechtigheid te dienen tot heiligmaking. Want toen gij dienstknechten der zonde waart, waart gij vrij ten aanzien der gerechtigheid. Wat vrucht hebt gij toen gehad van datgene, waarover gij u thans schaamt ? Het einde immers daarvan is de dood. Nu echter, vrijgemaakt van de zonde en dienaars van God geworden, hebt gij uwe vrucht tot heiligmaking en, als einde, het eeuwig leven. Want de soldij der zonde is de dood, maar de genade-gave Gods is het eeuwig leven in Christus Jesus onzen Heer.

Rom. VI, 19—23.

Inleiding. Het grootste kwaad in de wereld is de zonde; het beminnelijkste goed is de deugd. De zonde maakt met hare verleiding en met hare aanlokselen den onvoorzichtige tot een gevangene; zij heerscht over hare volgelingen als een meester over zijne slaven, straft en pijnigt met de knaging des gewe-

ocr page 294

ZEVENDE ZONDAG NA PINKSTEREN.

tens, met grievend leed en groote schande, en voert tot een wissen ondergang, als zij niet door boetvaardigheid wordt uit-gewischt; de deugd daarentegen bevrijdt den mensch uit de slavernij der hartstochten, verheft hem tot de uitmuntende waardigheid van kind Gods, beloont hare dienaren reeds in dit leven met het zalig bewustzijn van getrouwheid aan God en, is zij volhardend, zij zal de poorten des Hemels voor hen openen. Geen wonder dat God, de beste der vaders, en die niets vuriger verlangt dan het geluk zijner kinderen, nooit opgehouden heeft hen met allen nadruk van de zonde afkeerig te maken en met eene heilige geestdrift voor de deugd te bezielen; dat zoowel de Profeten van het Oude als de Apostelen van het Nieuwe Verbond steeds hun machtige stem verhieven, opdat hunne hoorderen zich zouden beijveren het kwade te vluchten en het goede te zoeken. De Epistel van dezen dag is een nieuw bewijs van den ijver, waarvan de h. Paulus blaakte om de tot het Christendom bekeerde Romeinen van alle afdwalingen naar de breede paden der ongerechtigheid te behoeden en hen op den engen weg van Gods geboden te houden. Met omzichtige behoedzaamheid behandelde hij zijn onderwerp, besprak hij eene waarheid, welke te hooren voor den mensch altijd pijnlijk is en waardoor de teergevoeligheid èn van den geest èn van het hart zoo licht geraakt wordt. Maar hij maakte daarom geen inbreuk op de onvervreemdbare rechten der waarheid. Kort en bondig was zijne bewijstrant, doch miste noch duidelijkheid noch volledigheid. Hij schreef de bekeerlingen met een enkel woord voor, wat zij te laten en wat zij te doen hadden. Wat ons betreft, wij zullen, de vermaningen van den grooten Apostel als tot ons gericht beschouwende en ze met de noodige aandacht overdenkende, zonder twijfel tot dit besluit komen;

I. de zonde moet vermeden worden om hare schadelijke gevolgen ;

II. de deugd moet beoefend worden om hare zalige vruchten.

I.

Toen de h. Paulus zijn brief aan de Romeinen schreef, wa-

278

ocr page 295

zevende zondag na pinksteren.

ren zij eerst sinds korten tijd bekeerd van den dienst der stomme afgoden tot de aanbidding van den éénig waren God. Nog nieuwelingen moesten zij genoemd worden in de leer des heils, in het zaligmakend geloof. Niet dat zij de noodige punten des geloofs uit noodzakelijkheid des middels niet kenden, niet dat zij niet van goeden wil waren ; maar het ging hun als aan alle nieuw-bekeerden. De geloofswaarheden hadden waarschijnlijk nog niet den geest geheel vervuld, nog niet aller gedachten in beslag genomen, waren nog niet diep genoeg doorgedrongen in aller harten. Het reeds ontvangen onderricht in geloofszaken moest niet alleen dikwijls herhaald maar ook uitgebreid, de zedenwet met al hare eischen en verplichtingen nader verklaard en breeder uiteengezet worden, opdat zij allengs zouden komen tot de volkomene kennis van den Zoon Gods en diens wet, konden opwassen tot volmaakte Christenen, tot dien graad van godsdienstige ontwikkeling en rijpheid, welke gevorderd wordt om geheel en al van Christus vervuld te zijn. Hierop doelt het woord van den h. Paulus: naar

menschelijke wijze spreek ik wegens de zwakheid uws

vleesches. Zij hadden vrijwillig en gaarne gehoorzaamd aan het woord der waarheid en den dienst aan de zonde opgezegd, maar waren nog niet geestelijk genoeg gezind om te bevatten, dat het gehoorzamen aan Gods woord geestelijke vrijheid schenkt en het dienen van God heerschen is.

Zich naar hunnen toestand voegende, vergde de h. Paulus van hen voor den dienst van God minder dan hij billijkerwijze kon vergen. Daar zij nog kinderen in Christus waren, konden zij vaste spijzen niet verdragen, maar moest hun een licht te verteren voedsel voorgezet worden, dat is: de eerste beginselen alleen en vooreerst nog niet de laatste gevolgtrekkingen der christelijke zedenwet wilde hij hun voorhouden. In beelden, eiken Romein dagelijks voor oogen zwevende, vertolkt hij zijne gedachten. Een heer verlangt van zijne ondergeschikten, dat zij aan hern alleen en niet aan zijnen

279

ocr page 296

zevende zondag na pinksteren.

vijand hunnen dienst bewijzen; een meester eischt van zijne slaven, dat zij zich uitsluitend naar zij ne bevelen gedragen en niet luisteren naar hetgeen anderen mogen zeggen. Welnu, verklaart de Apostel: gelijk gij voor uwe bekeering uwe

ledematen hebt aangeboden om der onreinheid en der ongerechtigheid dienstbaar te zijn tot ongerechtigheid, oiu

zonden te plegen van oneerbaarheid en andere misdaden tegen God en tegen den naaste, zóódat gij slaven waart der zonde, allerlei zonden op zonden stapelende, biedt alzoo nu, nu gij door het Doopsel den Heer Jesus Christus aangedaan en tot uw Heer en Meester gekozen hebt, uwe ledematen aan om

der gerechtigheid te dienen tot heiligmaking, ZÓÓdat gij

dienstknechten van God en slaven van uwen plicht wordt. Dat was wel het geringste, wat van hen moest geëischt worden, die vrij gemaakt waren van de slavernij der zonde en met de kracht van boven toegerust tot het beoefenen van hetgeen de christelijke rechtvaardigheid aan Jesus' leerlingen voorschrijft. „Op hoe een oneindigen afstandquot; — deze woorden legt de h. Chrysostomus den h. Paulus in den mond — „de Heer ook verheven is, Wien gij thans dient, boven den-„gene, wien gij vroeger gediend hebt; hoeveel in eer en heerlijkheid uwe tegenwoordige dienst de slavernij der ondeugd „en zonde te boven gaat, waartoe gij u weleer hebt verlaagd; „hoeveel ook de vergelding, welke u verbeidt, het loon over-„treft van uwe vroegere dienstbaarheid, ik eisch om wille „uwer zwakheid van u slechts gelijken dienst.quot; Merken wij evenwel op, dat de Apostel, al is het zijdelings, te kennen geeft, welke de ware geest des Christendoms is, welke hooge eischen de Godsdienst van Jesus aan diens leerlingen stelt; en welk een hoogen graad van volkomenheid zij met Gods genade bereiken kunnen en ook trachten moeten te bereiken. Het enkel woord : tot heiligmaking, moest bij de bekeerde Romeinen de gedachte opwekken, dat zij zich niet mochten vergenoegen met het vermijden van zonden, maar zich ook te

280

ocr page 297

zevende zondag na pinksteren.

beijveren hadden om al heiliger en heiliger te leven en Gode steeds aangenamer te worden; dat zij zich met grooteren ijver voor de deugd en voor de werken der rechtvaardigheid moesten inspannen dan zij zich voorheen werkzaam getoond hadden in het plegen van zonden ; dat zij, gedachtig aan de waardigheid hunner lichamen als tempels van den H. Geest, eerbaar als bij dag en in onberispelijkheid van wandel voor God en alle menschen verplicht waren te leven.

In de besprokene vermaning des h. Paulus is niet één woord, wat wij niet toepasselijk op ons moeten achten. Ook wij hebben der zonde gediend; maar door Gods genade daarvan, zooals wij hopen, gezuiverd en tot een nieuw leven in Christus herboren, mogen wij niet in die onteerende slavernij hervallen. Alle krachten des lichaams en vooral de vermogens der ziel, voorheen in de dienstbaarheid van den satan misbruikt en verspild, zijn nu uitsluitend aan het vervullen van Gods geboden te wijden. Het is onnoodig, dat wij nog andere redenen aanvoeren dan die, welke de h. Paulus opgeeft om zijne bekeerlingen te bewegen, dat zij zich voortaan onthielden èn van alle oneerbaarheid èn van alle ongerechtigheid. Die redenen, drie in getal, zijn welsprekend en overtuigend voor ons allen. Wij behoeven slechts na te gaan, met welken nadruk de Apostel — om de woorden van den h. Thomas over te nemen — „eerst den toestand des zondaars schetst, dan de ge-„volgen en ten laatste het einde der zonde.quot; Toen gij dienstknechten der zonde waart, waart gij vrij ten aanzien der

gerechtigheid. Dit moest van de nog onbekeerde Romeinen, dit moet ook van alle die Christenen gezegd worden, welke na hun Doopsel weder slaven der zonde werden. Dat is de beklagenswaardige toestand van eiken zondaar. Al wie der zondige lusten dient, zonder zich aan Gods wet te storen ; wie het goddelijk gebod veracht, al is daaraan gehoorzaamheid verschuldigd, die is geheel van de gerechtigheid verwijderd, aan

281

ocr page 298

zevende zondag na pinksteren.

haar vreemd geworden. Treurige toestand van die diep gevallenen ! Zij hebben de heiligmakende genade verloren; tot. vrijheid der kinderen Gods geroepen, hebben zij daaraan ver zaakt om zich met verlies hunner waardigheid slaven te maken van lage hartstochten. Geestelijk dood zijnde, kunnen zij zich door eigene krachten niet bevrijden en zuchten in eene slavernij, welke zij met euvelmoed gekozen hebben, eene slavernij des te onteerender en pijnlijker, naarmate de overheer-scher hatelijker en wreeder is. Als met handen en voeten zijn zij geboud'3n aan den dienst van Satan, liggen in eene smadelijke gevangenschap en kunnen, nu het voor hen nacht geworden is, geen verdienstelijk werk voor de eeuwigheid verrichten. Op vreeslijke wijze is in hen bewaarheid, wat reeds de wijze Salomon schreef: zijne hoosheid doet den booswicht vallen in den strik (Spr. XXIX, 6). Van zonde tot zonde voeren hen hunne dritten ; van den eenen afgrond vallen zij in den anderen en al meer en meer deerniswaardig wordt hun toestand. „Kunt gijquot; — vroeg de h. HiëRONYMus — „u „iets onwaardiger, iets schandelijker denken dan zulk eene „slavernij der ziel, dan dat in haar of de haat heerscht of de „nijd zegeviert; dan dat de toorn haar gevangen houdt of de „hebzucht ze in bezit neemt, of andere gebreken haar mede-„sleepenquot;? Wat nog onheilspellender voor dien zondaar is : ofschoon hij in eene harde slavernij een kwijnend leven leidt, meent hij nog vrij te zijn en heeft geen besef van zijn ongeluk. De h. Ambeosiüs teekent dien diep betreurenswaardigen toestand met deze trekken : „de zondaar is een slaaf van de „vrees, van de gierigheid, van de gramschap, en meent toch „vrij te zijn, maar inderdaad is hij des te meer slaaf naarmate „hij onder meer tyrannen zucht; hij, die aan zijne driften „zich onderwerpt, heeft zijne vrijheid aan zoo vele heeren ver-„pand, dat het hem schier onmogelijk wordt zich aan die „heerschappij te ontworstelen.quot;

Onheilspellend zijn ook de gevolgen. De hoogste goederen

282

ocr page 299

zevende zondag na pinksteren.

283

zijn verbeurd door den zondaar; de vriendschap Gods prys gegeven en diens gramschap beloopen ; de vrijheid der kinderen Gods is verspild en de dienstbaarheid des duivels gekozen. Wat vrucht hebt oij toen gehad — vroeg de h. Paulus aan de bekeerlingen te Rome en dezelfde vraag richte een ieder tot zich zeiven — van datgene waarover gij u thans schaamt ? Het ontkennend antwoord in die vraag stilzwijgend uitgedrukt moet luiden : niets, waarover wij ons mogen verblijden.quot; Verwonderen kan dit antwoord niet. Onvruchtbaar zijn de werken der duisternis (Eph. V, 11), zij kunnen niet eenige vrucht voor het geestelijk leven voortbrengen. Duidelijker dan de profeet Isaïas sprak zal het wel niet kunnen gezegd worden: verkort is niet de hand des Heeren, zóódat Hij niet helpen kan; doof is niet zijn oor, zóódat Hij niet hoeren kan; maar moe misdaden scheiden u van uwen God en uwe zonden verbergen zijn aangezicht voor u, opdat Hij niet ver-hoore. Want moe handen zijn met bloed bevlekt en uwe vingers met misdaad; van uioe lippen gaat leugen uit en moe tong spreekt onrecht. Er is niemand, die gerechtigheid zoekt; niemand, die naar de 'waarheid richt; zij vertromoen op niets en spreken ijdele dingen; zij arbeiden veel en brengen boosheid voort.... Hunne werken zijn onnutte werken, en het werk hunner handen is boosheid (Gfr. LIX, 1—4). Wie nog aarzelen mocht aan al die uitspraken van den onfeilbaren God geloof te schenken, neme de proeve en ondervrage b.v: den wellusteling, of zijne driften door het plegen van de schandelijkste zonden bevredigd en niet veeleer machtiger en heerschzuchtiger geworden zijn ; den gierigaard, of het verwerven van de begeerde schatten hem niet alle rust ontnomen heeft en hij niet gekweld wordt of door een onverzadigbaar verlangen naar meer of door eene bange vrees, dat zij hem zullen ontroofd worden ; den hoogvaardige, of hij zich tevreden gevoelt met de weinige eer en geringe achting zoo vernederend afgebedeld en met moeite verkregen en niet zich beleedigd acht door den aan anderen

ocr page 300

ZEVENDE ZONDAG NA PINKSTEREN.

284

verleenden voorrang; den wraakzuchtige, of hij gelukkiger geworden is, nadat hij zijne woede op een onschuldig slachtoffer heeft kunnen koelen ? Geen rechtgeaard mensch, minder nog een Christen, zal een kortstondige voldoening van de ont-eerendste driften des harten als iets wezenlijk goeds durven voorstellen; niemand zal zeggen geluk gevonden te hebben in een vermaak, dat op hetzelfde oogenblik voorbijgaat, waarop het genoten wordt, en niets achterlaat dan een gevoel van onvoldaanheid en de knaging van een schuldig geweten. De h. Paulus noemt nog als vernederend gevolg van de zonde op de schaamte over de vrijwillig gepleegde misdaad. Zoo wordt de zondaar gestraft reeds in zijn leven door die beschaming, welke een noodzakelijk gevolg is van elke wandaad, waardoor de adeldom zijner ziel als slijk weggeworpen wordt. Tegen dit gevoel kan zelfs de diepst bedorvene natuur zich niet verzetten of beter: het niet uitroeien. Ook de allermeest onbeschaamde zoekt de duisternis of eenzaamheid op om zijne lusten te kunnen botvieren; hij ontvliedt het bespiedend oog der menschen en vreest gezien te worden, wanneer hij zich slaaf van zijne lage driften maakt. Niet alleen van den wellusteling dient dit gezegd. Geen gierigaard, geen hoogmoedige, geen wraakgierige zal er te vinden zijn, die zijne drift niet achter een gehuicheld masker verbergt; die geene redenen voorwendt, waardoor hij zich tracht te verontschuldigen ; die zijne wyze van handelen niet wil rechtvaardigen door voorwendselen van welker waarde of liever: van welker waardeloosheid hy zelf het beste overtuigd is. Alle kwaad schuwt het licht en, wie zich als wolven erkennen, hangen gaarne een schapenvel over de schouders. Vreezende in zijne ware gedaante erkend en dan veracht, met wantrouwen bejegend te worden, huichelt de zondaar en doet zich geheel anders voor dan hij inderdaad is. Veronderstellen we echter dat hij bekeerd is, ook dan nog zal hij niet dan met groote schaamte kunnen terug denken aan zijne vorige ongeregeldheden en.

ocr page 301

zevende zondag na pinksteren.

zoo hij de deugd van nederigheid niet in een hoogen graad bezit, zal hij de herinnering daaraan zooveel mogelijk uit zijnen geest gebannen houden. Zoo diep is het gevoel van schaamte over alles wat afkeuring verdient den mensch ingeprent, zoo zeer vreest hy de schande, welke onafscheidelijk met het kwaad doen verbonden is. Niemand wil gaarne in zijne zedelijke ellende gezien worden noch door God, noch door anderen, noch door zich zeiven.

Toch is die beschaming nog niet de grootste straf voor den zondaar. De soldij dee zonde is de dood ; het loon, dat de zonde aan hare dienaren uitbetaalt, de soldij aan hen gegeven die voor de heerschappij van het kwaad strijden, het einde van wat schaamteloos werd bedreven, is de geestelijke dood der ziel door het verlies der heiligmakende genade en, is de zonde niet door oprechte boetvaardigheid uitgewischt, de eeuwige dood door het verlies van het eeuwig zalig leven hiernamaals. Vóórdat de zondaar uit het leven scheidt, is hij reeds gestraft — zooals wij zeiden — dewijl hij de vriendschap Gods verloren heeft, zijne begeerlijkheid krachtiger is geworden en zoowel de macht des duivels als de wet des vleesches hare invloeden heüloozer doen gevoelen. Sterft hij onbekeerd, dan is zijn ongeluk voor eeuwig beslist. Voor hem is geene barmhartigheid noch verandering meer te hopen; hy is onboetvaardig gestorven en zijne afgekeerdheid van God is onverbeterlijk, en ook daarom zullen de straffen, welke over hem gekomen zijn, niet meer heelen noch verzoenen maar zullen slechts slaan en pijnigen, zonder ophouden, zonder einde, zoolang God bestaat, Wien hij tot in zyn dood haatte en immer haten zal.

Opmerking. Aan het bovenstaande hebben wij niet veel toe te voegen. De woorden van den h. Paulus dwingen ons schier uitsluitend ons te bewegen op het gebied van de christelijke zedenleer. Eene enkele opmerking is hier echter niet misplaatst. Het leven en het strijden der eerste Christenen te Rome als

285

ocr page 302

ZEVENDE ZONDAG NA PINKSTEEEN.

voorbeeld nemende, moeten ook wij altijd bevreesd zijn voor eene zwakheid, welke ons aangeboren is en altijd bijblijft, waarmede ook onze drie gezworene vijanden, de duivel, de wereld en het vleesch zich als bondgenooten vereenigen, om te zekerder hunne voor ons verderflijke plannen te kunnen volvoeren, — eene zwakheid derhalve waardoor ook de bestgezinde mensch en de meest ijverige aan vele gevaren is blootgesteld. De geest moge vaardig zijn, het vleesch blijft zwak, en begeert tegen den geest. Bidden, dat wij niet vallen in de bekoring en de ons aangebodene genade met angstige nauwgezetheid ter heiliging aanwenden, dit is gewis een even noodzakelijk als machtig middel, wat nimmer verwaarloosd mag worden, opdat wij na onze bekeering noch geest noch hart noch lichaam ooit wederom dienstbaar maken aan de ongerechtigheid. Doch de h. Paulus gaf, ook ons ter leering, aan zijne beminde geloovigen nog een ander middel aan de hand, waardoor zij zich tegen een hervallen in hunne vorige misdaden konden behoeden. »Herinnert uquot; — dezen zin mogen wij in zijne woorden leggen — »wat gij ge-»weest zijt, wat gij zijt geworden en wat gij wezen moet. Denkt »er aan en overweegt het met allen ernst wat onheil de zonde »u berokkend, aan welke gevaren zij u bloot gesteld heeft.quot; Zonder twijfel moet elk onzer die vermaning opvolgen, als ware zij tot hem gesproken. Zij toch is van gelijke beteekenis als dat andere woord der h. Schriftuur: denk aan uwe uitersten en gij zult in eeuwigheid niet zondigen; overweeg en vergeet het nimmer, hoe diep de zonde u verlaagt, en hoe wis zij den geestelijken dood der ziel en daarmede eeuwige straffen in haar gevolg voert; overdenk dat, en gij zult voortaan geen slaaf meer worden der ongerechtigheid. — Is dit evenwel genoeg voor een christelijk, Gode welgevallig leven ? Het antwoord geeft ons de Apostel in de volgende woorden.

II.

Het kwade te vermijden en het goede te doen, schreven wij boven, is de korte inhoud der christelijke zedenwet. De h. Paulus leerde hetzelfde, toen h\j van de geloovigen te Rome

286

ocr page 303

zevende zondag na pinksteren.

eischte: „hebt gij vroeger uwe ledematen aangeboden om der „onreinheid en ongerechtigheid dienstbaar te zijn en zoo vele „zonden bedreven, verandert uw gedrag, verbetert uw leven

„en biedt nu uwe ledematen aan om der gerechtigheid te

„dienen.quot; Het is bijgevolg niet voldoende, als de zondaar breekt met zijne slechte gewoonten en de ketenen afwerpt, welke hem aan het kwade boeiden. Het ophouden der zonde is slechts de eerste stap ter volledige bekeering. Een ander, een nieuw mensch moet hij worden, die zich ijverig toelegt op het doen van goede werken en zoo doende zijne roeping zeker maakt. Werken der gerechtigheid moeten die der ongerechtigheid vervangen, en de ledematen, vroeger werktuigen der zonde, moeten als middelen in dienst genomen worden ter beoefening van de christelijke deugden. Vele uren — om voorbeelden uit het dagelijksch leven te nemen — zijn verspild in het lezen van slechte boeken of in het bijwonen van gevaarlijke bijeenkomsten ; nu zyn ze te besteden zoowel in de overdenking van de wet Gods met hare voorschriften als in het bezoeken der godsdienstige bijeenkomsten; evenals schadelijke dampen door de vensters in een huis binnendringen, zoo ook kwamen door de verbeelding of door het misbruik der zintuigen de zonden in de ziel en daarom moet, na de bekeering, rondom het lichaam eene wacht geplaatst blijven, welke alle verderf-lijke invloeden van buiten afweert, zóódat de verleiding of verre gehouden of de kracht er van gebroken wordt door een krachtig verzet; te veel werd aan de zinnelijkheid als aan een afgod geofferd ten koste der eerbaarheid en onschuld, wil de zondaar van leven veranderen, dan zal hij groote edelmoedigheid dienen te toonen door een lichaam te kruisigen, dat altyd tot opstand tegen den geest geneigd is en waarvan de tegenstand niet overwonnen wordt dan door versterving.

Wat de Apostel eischte ter bestrijding der onreinheid moeten wij uitstrekken tot alle zonden tegen God en den naaste. Want ook onder dit opzicht kan het kwade niet met goed

287

ocr page 304

zevende zondag na pinksteren.

gevolg bestreden worden dan door die werken, welke de gestichte wanorde herstellen en de ingekankerde gewoonten allengs uitroeien. De gierigaard b. v: die de hebzucht niet overwint door christelijke milddadigheid, de hoogmoedige die zich niet gewent de vernederingen door eene liefderijke Voorzienigheid hem toe gezonden met gelatenheid aan te nemen en met onderwerping te dragen, de lasteraar of kwaadspreker die zich het stilzwijgen niet oplegt en het misdadig gebruik der tong niet boet door de taal der liefde, de verstrooide we-reldling die zijn gang niet neemt naar vergaderingen, waar de verachting van het aardsche geleerd en het verlangen naar het hemelsche opgewekt wordt — geen van hen kan in waarheid een bekeerling genoemd worden. Hun hart is niet veranderd, en om hunne verkeerde gezindheid zullen zij geene vruchten ter zaligheid voortbrengen. Bovendien, om van een noodzakelijken omkeer een slaand bewijs te geven, moeten alle ledematen des lichaaras tot middelen gemaakt ivorden om der gerechtigheid te dienen tot heiligmaking, dat wil zeggen: onze handen moeten het goede doen, wat zij te doen vinden; onze voeten moeten den weg bewandelen van Gods geboden en voorschriften; onze oogen moeten naar het hemelsche gericht wezen om des te beter Gods Volmaaktheden te bewonderen ; onze ooren moeten luisteren naar Gods woorden, opdat het hart ze kunne bewaren en overdenken; onze tong moet den Naam des Heeren belijden en zijne Grootheid bezingen.

Overgroot zal de belooning voor die inspanning wezen reeds in dit leven, grooter en heerlijker nog in de eeuwigheid. De h. Paulus stelde dit verblijdend en opwekkend vooruitzicht den Romeinen in deze woorden voor: vrijgemaakt van de zonde

en dienaars van god geworden, hebt gij uwe vrucht tot heiligmaking en, als einde, het eeuwig leven. ZÓÓ gOed-

gunstig is God gestemd zelfs jegens den zondaar, dat wij met den h. Augustinus gedwongen zijn te belijden : „God voorkomt

288

ocr page 305

ZEVENDE ZONDAG NA PINKSTEREN.

„ons met zijne genade, opdat wij genezen worden; Hij volgt „ons met zijne genade, opdat wij gekroond worden; Hij voor-„komt, opdat wij godvruchtig leven; Hij volgt, opdat wij „eeuwig met Hem leven.quot; Door de heiligmakende genade zijn wij vrijgemaakt van de zonde, verlost van hare heerschappij, en daarmede is een geheele omkeer in onze ziel — in ons geestelijk leven volbracht. Met dit gunstbewijs van Gods Liefde begenadigd, zijn wij rein geworden, is onze wil meer ten goede geneigd, ons lichaam tot een tempel gewijd des H. Geestes. Er werd toen als eene klove gegraven tusschen onze ziel en eene verleidelijke wereld en, al konden wij naar het lichaam niet uit de ons omringende wereld uitgaan, onze gedachten en verlangens werden gericht naar het hemelsche, waar wy onzen grooten God en Zaligmaker hopen te aanschouwen. Opgenomen in de strijdende Kerk van Jesus en lidmaten geworden van de gemeenschap der Heiligen, mogen wij er grootsch op gaan onder het getal der dienaren van God eene plaats in te nemen, want God dienen is heerschen — heer-schen over ons zeiven en over die machten, welke Hem en ons vijandig zijn. Dat voor een volhardenden ijver in dien dienst het beloofde loon ons niet zal onthouden worden, daarvoor is een zekere waarborg zoowel de getrouwheid van God, Wiens beloften nimmer falen, als zyne Liefde, welke alles geven wil, en zijne Almacht, welke alles geven kan.

Zelfs de heerlijkste vruchten zal die dienstbaarheid aan God betoond voortbrengen tot heiligmaking. Al wie niet verflauwt in het dienen van God maar voortdurend naar verbetering van zijn levenswandel blijft streven, die zal met Gods genade allengs opstijgen tot de hoogste zedelijke volkomenheid, die heiligt zich zeiven al meer en meer, wordt van rechtvaardige al rechtvaardiger in de oogen van God. Elke daad welke verricht en elk woord dat gesproken wordt met de meening daardoor God te verheerlijken en het welzjjn van den naaste te bevorderen, zijn een stap op den weg der volmaaktheid;

Veiklaringen der Epistelen. U, 19

289

ocr page 306

zevende zondag na pinksteren.

zij zijn zaden, welke op goede aarde geworpen worden en ontkiemen voor de eeuwigheid ; talenten, welke goed worden gebruikt en woekerwinst opleveren; gaven, welke tot het doel, waartoe zij geschonken zijn, aangewend worden en daarom hare heiligende uitwerking niet missen. Zoo gaat hij al verder voort op den weg der volmaaktheid, en de goede werken vermenigvuldigen zich van dag tot dag. Van stilstaan, dat gelijk is aan achteruitgaan, heeft hij een afschuw, omdat het niet vervullen van hetgeen God eischt reeds zondig is ; omdat het zich niet gedragen als kind des hemelschen Vaders, die wil dat wij volmaakt zijn gelijk Hij volmaakt is, reeds genoegzaam is om het recht op dat kindschap te doen verliezen. Door elke deugdelijke daad wordt hij heiliger en verdient meerdere genaden en, met dien rijkdom weder meewerkende, wordt zijn leven steeds welgevalliger in de oogen van God. Zulk een getrouwe dienaar gaat met reuzenschreden vooruit op den weg van Gods geboden, terwijl alles hem helpt ter heiliging van zijne ziel en God hem met zijne gunsten overlaadt — God die Zich bij voorkeur milddadig toont jegens hen, die tegen geene zelfoverwinning opzien.

Eens komt het oogenblik, waarin onze loopbaan volbracht is. Dan is het einde gekomen van al ons werken. Geen arbeid zal meer van ons gevorderd maar het blij genieten der vruchten gegeven worden; aan geene beproevingen zullen wij nog onderworpen zijn, maar de gerechtigheid, door het medewerken met Gods genade verworven, zal een eeuwige rust verdiend hebben. Dat is het eemvig leven, want de rechtvaardige leeft hij God en zal den dood niet meer zien. Hij is voor altijd gelukkig en niemand zal hem zijne vreugde kunnen ontnemen. Evenwel moeten wij niet vergeten te bedenken — en dit stemt tot inniger dankbaarheid — dat het eeuwig leven is eene gave Gods. Vooreerst in dezen zin. Goede werken, zonder welke niemand den Hemel binnengaat, kunnen door den

290

ocr page 307

zevende zondag na pinksteben.

291

mensch niet gedaan worden dan door medewerking met Gods bovennatuurlijke hulp; de zalige eeuwigheid kan niet verkregen worden dan door hen die daarvoor gearbeid hebben met die genade, waardoor God eerst het willen en dan het volbrengen geeft. Daarom eer en lof aan de oneindige Goedheid! Zij schonk de noodige kracht, opdat wij het goede konden doen en wil bovendien datgene, waartoe wij verplicht waren, lateu gelden als een arbeid, waarvan wij het voordeel genieten en de vruchten inoogsten, vooral in den Hemel. Aan haar dan ook om deze reden dank gezegd, „dat zijquot; — zooals de Kerkvergadering van Trente leertquot; — „hare gaven beschouwt als „onze verdiensten,quot; dat zij al het goede, wat wij zonder hare hulp niet konden verrichten, waardeert en beloont als ware het alleenlijk ons eigen werk. — Vervolgens moet het eeuwig leven ook in dezen zin aan de genade-gave van den goeden God toegeschreven worden. Al zouden wij zoo heilig mogelijk leven, een recht op belooning konden wij niet doen geiden, als God ze niet beloofd had. Wij deden niets meer dan onzen plicht tegenover Hem, die ons het leven gaf en de kracht om te werken en de genade om goed te kunnen werken ; wij betaalden onze schuld en, eenigermate althans, was de rekening vereffend. Veel minder nog mochten wij aanspraak maken op de eeuwige zaligheid des Hemels. „Onze wer-„kenquot; — aldus de h. Thomas — „als zij beschouwd worden „in hunne natuur en voor zoover als zij voortkomen uit den „vrijen wil des menschen, verdienen rechtens het eeuwig leven „niet.quot; Wel kunnen wij goede werken verrichten met de genade Gods, welke ons voorkomt, voorlicht en helpt; wel zyn ze verdienstelijk, omdat God daarvoor eene belooning beloofd heeft; maar hoe gering is het, wat wij aan Hem kunnen geven 1 Er is geene verhouding tusschen het volmaaktste werk, al wordt het een leven lang voortgezet, en tusschen eene eeuwigheid van geluk. Het is daarom eene genade-gave, het gevolg van eene oneindige Goedheid, het geschenk van eene

ocr page 308

ZEVENDE ZONDAG NA PINKSTEBEN.

onuitsprekelijke Liefde, als ons beloofd wordt, dat God ons in het Rijk zijner glorie opnemen en daar zelf ons overgroot loon zijn zal. De h. Paulus verklaart het in deze woorden: ik houd het er voor, dat het lijden van dezen tijd van geen gewicht is tegenover de toekomstige heerlijkheid, welke in ons zal geopenbaard worden (Rom. VIII, 18).

Opmerking. Aan Wien hebben wij die uitmuntende Milddadigheid van den hemelschen Vader te danken? Aan Jesus Christus, die niet alleen ons de heerlijkste beloften gegeven heeft, maar ook de genade voor ons verdiend heeft, waardoor wij gerechtvaardigd worden en verdiensten verzamelen kunnen — twee voorwaarden, welke te vervullen zijn vóór dat de poorten des Hemels voor ons ontsloten worden. Welk een geluk kan elk Christen zich alzoo verzekeren! Leidt hij een vromen, gods-dienstigen levenswandel, dan brengt hij zijne dagen door in gewetensrust, in behagelijkheid voor God, vergadert zich een schat van verdiensten en sterft in het zalig bewustzijn, dat een woord, onfeilbaar waar en c'erhalve alle aanneming waardig, hem voor eeuwig de heerlijkheid naar ziel en naar lichaam waarborgt. In hem wordt vervuld wat de h.h. Schriften melden: kostelijk is in de oogen des Heeren de dood der vromen (Ps. CXV, 15); de zielen der gerechtigen zijn in Gods hand en de smart des doods zal hen niet trejjen (Wijsh. III, 1); wie den Heer vreest dien zal het welgaan in zijn uiterste, en hij zal gezegend worden ten dage van zijn verscheiden (Eccli I, 13).

292

ocr page 309

ACHTSTE ZONDAG NA PINKSTEREN.

Broeders! Wij hebben eene schuld te betalen, niet aan het vleesch, dat wij naar den vleesche zouden leven. Want indien gij naar den vleesche leeft, zult gij sterven ; doch indien gij door den geest de werken des vleesches sterven doet, zult gij leven. Want zoo-velen door den Geest Gods geleid worden, zijn kinderen Gods. Immers hebt gij niet ontvangen eenen geest van knechtschap om wederom in vrees te zijn, maar gij hebt ontvangen eenen geest van aanneming tot kinderen, in welken wij roepen : Abba, Vader! De Geest zelf toch geelt getuigenis aan onzen geest, dat wij kinderen Gods zijn. Indien nu kinderen, dan ook erfgenamen : erfgenamen namelijk van God en mede-erfgenamen van Christus. (Rom. VIII, 12—17.)

Inleiding. Het is eene misdaad, wanneer iemand zijne ledematen dienstbaar maakt aan de ongerechtigheid, maar als een bewijs van hooge deugd mag het gelden, zoo iemand ze in dienst stelt van de gerechtigheid. De soldij van de zonde is de geestelijke dood der ziel en, zoo de boetvaardigheid geene opstanding uit den doode bewerkt heeft, de eeuwige straf; de belooning echter voor de volharding in het goede ten einde toe,

ocr page 310

achtste zondag na pinksteren.

is het eeuwig leven bij God door de genade van onzen Heer Jesus Christus. Deze leeringen des Apostels hebben wij verleden Zondag overwogen om ons van de schromelijke gevolgen der zonde en van de hooge voordeelen der deugd te overtuigen. In den Epistel van dezen dag gaat de h. Paulus nog verder op die gedachten in en tracht met de hem eigenaardige welsprekendheid de bekeerlingen te Rome tot de volmaaktheid van vrome, heilige en standvastige volgelingen van den Gekruiste op te voeren. Door christelijke beweegredenen aangedreven, stelde hij op den voorgrond, dat er voor hen, die door Jesus' Verlossing uit de slavernij der zonde bevrijd en door het Sacrament der wedergeboorte met Hem vereenigd werden, geene veroordeeling ten eeuwigen dood was, mits zij in Jesus Christus waren, door den band van eene heilige liefde met Hem één bleven en naar den geest wandelden ten einde toe. In den naam van God beloofde hij hun verder eene eeuwige zaligheid, waaraan niet alleen de ziel maar ook het uit den dood opgewekte lichaam zoude deel verkrijgen. Het zalig bewustzijn kind Gods te wezen zou hen sterken en steunen, zoo lang zij op aarde nog om de hoogste goederen streden. Voorwaar, heerlijke vruchten, welke zij zouden inoogsten, onder voorwaarde dat zij tot die edelmoedige strijders behoorden, welke niet vleeschelijk gezind zijn maar geestelijk, in wie God de H. Geest woont, een nieuw en zedelijk leven ontwikkelt en eene eeuwige opstanding voorbereidt! Vruchten, onwaardeerbaar groot, voordeelen wel waardig dat ook wij er niet tegen op zien, ze ons te verzekeren door het stipt volbrengen van de voorwaarden, welke de h. Paulus aan de geloovigen van Rome voorschreef. Om ons daartoe aan te sporen, kan het dienstig wezen, dat wij ons van deze waarheden doordringen:

I. de strijd, waartoe de h. Paulus ons opwekt, is roemrijk en

II. de belooning, welke hij na de overwinning belooft, is schitterend.

I.

Wu hebben eene schuld te betalen, niet aan het

294

ocr page 311

achtste zondag na pinksteren.

vleesch, dat wij naak den vlsesche zouden leven. hier

rijst al dadelijk de vraag, wat door het vleesch te verstaan is. In de spreekwijze van den h. Paulus heeft dat woord eene dubbele beteekenis. Nu eens duidt het bij hem aan den zinne-lijken, den vleeschelijk gezinden mensch, de menschelijke natuur door de erfzonde geestelijk en zedelijk ontaard en verzwakt ; een andermaal neemt hij het voor de booze begeerlijkheid, welke in 's menschen ledematen woedt en strijd voert tegen den geest, welke ook aanspoort en verleidt tot daden, waarover een redelijk mensch, laat staan een Christen, zich schamen moet. In welken zin die uitdrukking ook genomen worde, aan dat vleesch hebben wij geene schuld te betalen, daarvan mogen wij ons niet als schuldenaars erkennen, alsof wij aan zijne eischen moeten voldoen. Integendeel: wij zijn verplicht tegen ons bedorven hart den stryd aan te binden en moedig vol te houden, totdat een roemrijke zege bevochten is. De werken van dat vleesch moeten wij volgens den h. Paulus doen sterven, dat is : die neigingen en die begeerten daarvan, welke verkeerd, boos zijn en ten verderve voeren; derhalve niet alle werken, want er zijn er ook, welke door God in onze natuur gelegd zyn, nauw samenhangen met ons menscheljjk bestaan en niet dan tot groot nadeel van het stoffelijk en maatschappelijk leven kunnen onderdrukt worden. Geen schrijver over stichtelijke onderwerpen zal zoo ver durven gaan, dat hij b.v. het gepast inwilligen afkeurt van den trek der natuur naar rust, naar voedsel, naar zelfbehoud, naar vermenigvuldiging. Dit bedoelde de h. Paulus ook niet. Hij had alleenlijk het oog op die zinnelijke lusten, welke uit den booze zijn, niet dan naar het verbodene heen dry ven en zoo oorzaak worden van vele en schandelijke zonden. Aan zulk eene begeerlijkheid dient een teugel aangelegd en aan hare eischen mag nimmer toegegeven worden. Zij, ook in de gerechtvaar-digden niet uitgeroeid, omdat het der goddelijke Wijsheid niet behaagde die gelegenheid tot een verdienstvol strijden te ver-

295

ocr page 312

ACHTSTE ZONDAG NA PINKSTEREN.

nietigen, zij is te vergelijken met eene slepende ziekte. Deze zal wel door niemand verwaarloosd worden, die zijn leven lief heeft; niemand zal het gevaar gering achten, dat zy nog verder om zich heen grijpt en in eene ongeneesbare kwaal ontaardt. Wie voorzichtig wil handelen en niet roekeloos spelen wil met vuur, zal alle hulpmiddelen der kunst te baat nemen, opdat zy in haren voortgang gestuit en, voor zooveel mogelyk, eene volkomene genezing bewerkt worde. Geene mindere zorg wenscht de h. Paulus aangewend te zien, als er spraak van is om weerstand te bieden aan de verderfbren-gende begeerlijkheid des vleesches. Kan zü niet geheel uitgeroeid worden, toch moet zü bedwongen, beteugeld, overheerscht en aan hare uitspattingen paal en perk gesteld worden, opdat geene doode werken de onzalige vruchten zijn van eene wet, welke in onze ledematen huist.

Hoe dan die stryd tegen een vijand gevoerd, die ons nimmer verlaat? Op tweeërlei wijzen, leeren de schrijvers van het geestelyk leven: door goed te maken, wat reeds misdreven is en door te voorkomen, dat nieuwe zonden het geweten bezoedelen. Neemt, zeggen zij, de gegeven ergernis weg en herstelt het aangerichte kwaad, voor zoover het mogelijk is; wischt altijd meer en meer een zondig leven uit door een herhaald vragen om vergiffenis en door het dikwerf bidden van een oprechte akte van berouw. Gij hebt u van eene ont-eerende zwakheid slaaf gemaakt en zoo doende aan de laagste driften nieuw voedsel gegeven ; voor 't vervolg moet gij u aan die dienstbaarheid ontworstelen en door zelfverloochening het vuur blusschen, dat gij roekeloos ontstoken hebt. En wat de toekomst aangaat: waart gij vroeger nalatig en duldet gij kwade invloeden, begint nu streng voor u zeiven te wezen en weert verre van u alles af, wat aanleiding tot kwaad zyn kan; bestrijdt voortaan wat naar zinnelijke lust zweemt, legt eene wacht om uwe zintuigen en laat niet toe dat de verleiding het hart binnensluipt; in plaats van een vermetel vertrouwen

296

ocr page 313

achtste zondag na pinksteren.

te koesteren, dat dikwerf de eerste oorzaak van een diepen val werd, beeft voor het geweld van een onstuimig hart en zoekt de noodige hulp in een nederig gebed en in een niet onderbrokene waakzaamheid; wordt en blyft meester van uw hart en van al deszelfs neigingen en verlangens. Zoo zult gij niet sterven maar leven, daar de begeerlijkheid onder u wezen zal en gij haar zult overheerschen. Het spreekt van zelf, dat zulk een strijd niet zegevierend voleind wordt dan met de genade des H. Geestes. Door zijne goddelijke kracht geholpen en door Hem voorgelicht, moeten wij naar den inwendigen mensch vervolmaakt worden en ook al onze uitwendige handelingen naar zyne inspraken inrichten, zóódat Hy in ons strydt en overwint, ons heiligt naar ziel en lichaam.

Wij zijn niets verschuldigd aan het vleesch — leerde de h. Paulus — maar aan wien dan ? De tegenstelling heeft hij niet uitgedrukt en laat ze uit hetgeen vooraf ging denken. Om die leemte aan te vullen moeten wij aan de volgende opmerkingen eene plaats inruimen. Wij hebben schuld te betalen aan den drieëenigen God. — Aan God den Vader, die ons uit oneindige Goedheid het aanzijn, het leven, de ziel met hare vermogens en het lichaam met al zijne krachten heeft gegeven en tevens de wijze aangaf, waarop w|j als redelyke menschen, vooral als Christenen al die gaven zijner Liefde moeten gebruiken. Hij voedt, onderhoudt en beschermt ons ook met deze bedoeling, opdat wy door een plichtmatig aanwenden der stoffelijke gaven aan zijnen dienst verbonden blijven, en zijne eer bevorderen door aan het bestrijden der laagste zonde en aan de beoefening der schoonste deugd ondergeschikt te maken, wat Hij met zoo groote Wijsheid als bruikleen afstond. Hij schiep onze ziel naar zijn beeld en naar zijne gelijkenis en verplichtte ons daarmede, dat wij in reinheid en zuiverheid zouden leven. Anders ware dat beeld ontsierd en die gelijkenis geschonden, zoude ook het recht op de eeuwige Heerlijkheid verloren gaan.

297

ocr page 314

achtste zondag na pinksteren.

welke bereid is voor de zuiveren van hart en van geest en van lichaam. — Vervolgens aan Jesus Christus, die onze zonden op het kruis heeft gedragen om het lichaam der zonde te niet te doen, die de schande verdroeg en den smaad niet achtte om ons vrij te koopen van alle ongerechtigheid en Zich een aangenaam volk te reinigen, ijverig in goede werken (Tit. II, 14) (gn. al.) Hoeveel leed Hij ook niet met het bijzonder doel om voor de zonde van onzuiverheid te boeten en voor allen de genade te verwerven, dat zij aan de meest verleidelijke van alle bekoringen konden weerstand bieden en eene deugd beoefenen, welker waarde zóó hoog is, dat zij den mensch gelijk aan Engelen maakt en een kuisch geslacht vormt, hetwelk schoon en luisterrijk in zijne deugd is en in zijne gedachtenis onsterfelijk, dewijl het in aanzien is bij God en bij de menschen. Aan Jesus, welke zelf dien parel aller deugden zóó hoogschatte, dat Hij uit eene maagd wilde geboren worden en, stervend, die maagdelijke Moeder aan zijnen maagdelijken leerling aanbeval. — Niet minder aan God den H. Geest, die de Geest is van eerbaarheid en reinheid en zuiverheid; die niet woont in een lichaam, dat aan de zonde van onkuischheid is onderworpen, maar zyn vermaak vindt in een rein hart; die ons lichaam als een tempel wenscht te zien, waarin Hij zijn verblijf kan nemen, en de ledematen daarvan wil gebruiken als werktuigen van zijne genadevolle oogmerken ten bate van de gemeenschap der Heiligen Gods. — Aan die drie goddelijke Personen, aan den Vader, die ons geschapen en aan den Zoon, die ons verlost, en aan den H. Geest die ons geheiligd heeft, hebben wij eene groote schuld te betalen en wel deze, dat wij ons lichaam kruisigen met zijne begeerlijkheden in plaats van den teugel te vieren aan de laagste driften, dat wij het verheffen tot een levend, heilig, Gode welbehagelijk offer in plaats van het aan de zonde dienstbaar te maken.

Opmerking. Zulk een strijd met den lastigsten vijand ge-

298

ocr page 315

ACHTSTE ZONDAG NA PINKSTEREN.

voerd was voor al die kampvechters, welke naar den geest leefden, roemrijk omdat zij daardoor blijk gaven de genade des Doopsels te waardeeren, de waardigheid van Christen in eere te houden, aan den geest zijnen voorrang boven het vleesch te verzekeren en aan de reine genoegens van een onbezoedeld hart de voorkeur te geven boven eene oogenblikkelijke voldoening van zinnelijke lusten. Zij mochten dan ook roemen in den Heer, die zuiveren van hart en lichaam, want zijne genade was in hen niet ijdel, daar hunne zwakheid door Gods hulp vervolmaakt en hun mogelijk gemaakt werd, wat voor den aan eigene kracht overgelaten mensch ondoenlijk was. Als Engelen leefden zij in het vleesch, terwijl zij zich met moed en volharding verzette-den tegen eene begeerlijkheid, welke tot zonde tracht te verleiden. Zij voelden wel den prikkel en ook hen evenals den h. Paulus sloeg satan; maar zij bleven bidden en waken, zóódat het lichaam onder bedwang gehouden werd en de geest vrij bleef, om zich met het hemelsche bezig te houden. — Dat groot en schitterend de belooning zou wezen voor een strijd, even moeilijk als lang, daarvoor was hun en blijft ook ons Gods Milddadigheid een waarborg en Paulus' woorden een onderpand.

II.

In de volgende woorden geeft de Apostel eenige en overtuigende redenen aan, waarom elk Christen zich tot een strijd, welks uitslag beslist over leven en dood, moet aangorden, verklarende welke heerlyke helooningen den overwinnaar zullen geschonken worden. Hij spreekt in den geest der aloude Profeten, welke als eene leer door God ingegeven verkondigden, dat aan de rechtvaardigen alle goed zoude te beurt vallen; — in den naam van Jesus, die aan zyne leerlingen verzekerde dat zij, met Hem vereenigd blijvende door liefde, dezelfde erfenis als Hij zouden verkrijgen, daar Hij van zijnen hemel-schen Vader niets minder gevraagd had dan dat zij met Hem het Rijk mochten deelen, wat Hem van eeuwigheid was voorbeschikt, — hij spreekt ook uit eigen ondervinding; hij toch

299

ocr page 316

achtste zondag na pinksteren.

was tot inden derden Hemel opgenomen geweest en had daar geheime dingen gezien en gehoord, welke nooit in 's menschen gedachten waren opgekomen. Bij gevolg, niet alleen moet alle gezag aan zyne woorden toegekend worden als hij ons het volgende leert, maar ook eischt de dankbaarheid voor zyne verblijdende openbaring, dat wij daaraan al onze aandacht wijden.

Indien gij door den geest de werken des vleesches sterven doet, zult gij leven. Wie niet een vleeschelijk gezind maar een geestelijk leven leidt, wie de zinnelijke lusten van zyn lichaam bedwingt, zal het leven, hetwelk hem met God verbindt, onderhouden en allengs meer en meer vervolmaken ; hij bezit hier het leven der genade en zal, na het scheiden van deze wereld, zoo hij volhard heeft ten einde toe, het leven der glorie voor eeuwig genieten. Een verstorven en Gode gewijd leven is de voorwaarde maar ook een waarborg voor de zaligheid des Hemels. Zij die in den vleesche zijn, kunnen God niet behagen; maar indien Christus in u is, dan is wel het lichaam dood om de zonde, maar de geest leeft om de rechtvaardigmaking (Rom. VIII, 8 en 10). Dan wordt zege op zege behaald ; dan wordt door elke nieuwe overwinning de strijd, al eindigt hij slechts hoogst zelden vóórdat de dood daaraan een einde maakt, steeds gemakkelijker; het lichaam, al zwakker en zwakker geworden en al meer en meer vergeestelijkt, zal zich bereidwilliger aan den geest onderwerpen; de blijde hoop op eene eeuwige verheerlijking wordt al gegronder, want als de Geest van Hem, die Jesus uit den doode heeft opgewekt, in u lieden woont, zal Hij, die Jesus Christus uit den doode heeft opgewekt, ook uw sterfelijk lichaam levend maken om zijnen in u wonenden Geest (1. c. v. 11).

Wij gaan verder: zoo velen door den Geest Gods geleid worden zijn kinderen Gods. Eene hooge eer, eene waardigheid welke niet te duur gekocht wordt, al zoude daarvoor

300

ocr page 317

achtste zondag na pinksteren.

een lang leven van versterving en van zelfverloochening besteed worden. Hoe gelukkig ook moeten zij zich gevoelen, die meenen dien eernaam zich te mogen toeëigenen. Een hemel van zaligheid ligt voor hen opgesloten in het bewustzijn, dat zij zich beijveren aan de leiding van den H. Geest, aan zijne voorlichting, uitspraken en opwekking ten goede te beantwoorden; dat zij er naar streven om den hemelschen Vader te behagen en om, al kost het hun pijnlijke inspanning, alles te vermijden, wat in zijn oog niet welgevallig zijn kan. Zij schatten het als eene weldaad, dat zij als beminde kinderen durven naderen tot eenen liefdevollen Vader, met vol vertrouwen mogen bouwen op Hem, zonder aarzeling zich aan zijne Voorzienigheid kunnen overgeven, omdat zy overtuigd zijn, dat Hij alles ten beste beschikt voor wie Hem liefhebben. In God niets anders te zien dan een strengen Rechter en niet dan met angst en beving aan Hem te denken, dat moge het deel geweest zijn der Israëlieten, die onder de Oude Wet leefden, — zij, die leven onder de Nieuwe Wet der genade en gerechtvaardigd zijn, hebben niet

een geest van knechtschap ontvangen om wederom in vrees

te zijn, maar een geest van aanneming van kinderen, in welken zij roepen: Abba, Vader! En welk een Vader! Iets streelens, iets zaligs ligt in dien naam, ontzaglijk veel wat onzen geest verlicht en ons hart verwarmt. Die Vader is immers onze Schepper, aan Wien wij alles te danken hebben en van Wien wij alles mogen hopen; die door zyn Zoon ons heeft verlost en met Hem ons alle goederen heeft gegeven; die door zijn H. Geest ons heeft geheiligd en tot diens tempel heeft gewijd. Den Koning der eeuwen, door Wien de vorsten regeeren, mogen wij Vader noemen! Waarlijk, zoo wij door Gods woord niet waren onderricht en de H. Geest het ons niet ingaf, zouden wij zulk eene benaming den Allerhoogste te geven voor eene ongehoorde vermetelheid, voor eene onvergeeflijke aanmatiging moeten houden. Oneindig

301

ocr page 318

ACHTSTE ZONDAG NA PINKSTEREN.

hoog verheven is Hij hoven alle koren der hemelsche Geesten en, Wien zij niet dan met den diepsten eerbied aanbidden, Hem mogen wij aanspreken met een woord, dat van een groot vertrouwen en van eene hartelijke toegenegenheid getuigt. En, in plaats van die gemeenzaamheid ons euvel te duiden, wil Hij dat wij den afstand tusschen Hem en ons als 't ware vergeten en slechts denken aan de Liefde, welke Hij ons toedraagt, en niet 't minst aan de Goedgunstigheid, waarvan wij allerwege de bewijzen ontwaren. Niets is dan ook zoo groot, niets is zoo kostbaar, dat Hij het ons niet geven wil. Zijn wij in nood, wij mogen by den besten aller vaders klagen; voelen wij ons van de menschen verlaten, wij gaan tot Hem en vinden troost en opbeuring; lijden wy gebrek. Hij is rijk genoeg aan Barmhartigheid om een overvloed van weldaden te schenken; al moeten wij ons gering en nietswaardig achten, toch mogen wij roemen in God als in onzen Vader, die de Heer der heerscharen is en Wiens Rijk in uitgestrektheid onbegrensd is en in duur eeuwig.

Wie of wat geeft ons die verblijdende gewisheid, dat wij ons als kinderen van God mogen beschouwen? Om volgens de leer der h. Kerk te spreken, moeten wij bekennen dat wij zonder eene buitengewone openbaring van Gods wege nimmer daaromtrent eene volstrekte zekerheid zullen verkrijgen. Hij alleen kan die ons geven, omdat Hij de harten en nieren doorschouwt, omdat Hij alleen ons kent, en voor Hem de geheimen van onze ziel open liggen. Maar in de gewone orde van Gods wereldbestuur wordt die openbaring slechts hoogst zelden aan dezen of genen geschonken. Zeer weinigen zyn zij, aan wie als aan Maria een Engel komt verkondigen, dat zij vol genaden zijn, of die als Josef door den H. Geest rechtvaardig verklaard worden. Een allen twijfel onmogelijk makend antwoord op de gestelde vraag kan daarom niet gegeven worden. Evenwel laat God het zijnen getrouwen niet ontbre-

302

ocr page 319

achtste zondag na pinksteren.

303

ken aan eenige teekenen, waaruit zij tot hun troost en tot hunne blijdschap mogen opmaken, dat het geene vermetele geruststelling is, als zij tot zich zeiven zeggen; „wij meenen „in Gods vriendschap te leven, te mogen hopen, dat wij ware „kinderen zijn van den hemelschen Vader.quot; Welke die teekenen zyn ? Wie getracht heeft na zijn Doopsel in onschuld voor God te wandelen of na een betreurenswaardigen val zich oprecht te bekeeren, hij mag zich troosten met de blyde gedachte, dat hij inderdaad tot het getal der vrienden van God behoort. Verder nog: zoude er geene bemoediging in liggen opgesloten, als niemand minder dan de H. Geest ons aanspoort om met vertrouwen te bidden en alle goede gaven van den Vader der lichten te verwachten, met kinderlijke toegenegenheid tot God te spreken als tot een liefhebbenden Vader en ons met volle overtuiging aan zijne vaderlijke leiding te onderwerpen ? De Geest zelf toch geeft getüigenis aan onzen geest, dat wij kinderen Godö zijn. Maar is dan niet alle twijfel weg genomen, zult gij zeggen, dewijl die getuigenis als van den H. Geest der waarheid onfeilbaar is? Volkomen waar, zoodra gij omtrent het bestaan van die getuigenis even groote zekerheid verkregen hebt. Wie zal echter beslissen of gy in uw binnenste eene getuigenis verneemt van den Geest Gods of van den vader der leugentaal, van den hoogmoed, van de eigenliefde? Zullen wij dan altijd — vraagt gij verder — in bange onzekerheid moeten blijven ? Troost u; voor zoo verre het voor uwe zaligheid nuttig is, geeft God u genoegzame wenken, waaruit gij kunt opmaken, dat het met uw kindschap Gods goed staat. Laten wij ons deze vraag nog voorleggen. Wanneer iemand met getrouwheid den weg van Gods geboden bewandelt, met geduld lijdt om wille der gerechtigheid, voortdurend er op bedacht is de gevaren te vermijden, niet voor dezen tijd noch om de achting der menschen maar voor de eeuwigheid en ter eere van God ijverig werkzaam blijft, alleen uitziende naar de belooning des Hemels,

ocr page 320

achtste zondag na pinksteren.

zouden wij hem van vermetel vertrouwen durven beschuldigen, als hij u zegt: „ik meen de getuigenis des H. Geestes „te vernemen, welke aan mijnen geest getuigt, dat ik kind Gods „ben.quot; Wij kunnen nog andere gezichtspunten aanwijzen. De getuigenis des H. Geestes laat zich vernemen in de zalving, in de vrome stemming des gemoeds, waarmede een Christen zijne gebeden ten Hemel opzendt, terwijl de H. Geest zelf met onuitsprekelijke verzuchtingen in hem bidt en hem ingeeft, wat hij vragen moet, — in die heilige gelatenheid, waarmede hy alles uit de hand Gods aanneemt, terwijl de H. Geest hem het heilzame der beproevingen doet inzien; — in de bekoringen, terwijl de H. Geest hem den noodigen moed inboezemt en de kracht mededeelt om aan de aanvallen des duivels weerstand te bieden; — in de genaden, welke de H. Geest geeft, om de moeilijkste deugden met volharding te beoefenen, b.v. de nederigheid en het wantrouwen op eigene kracht, welke een waarborg zijn voor de schitterendste overwinning in den strijd met onze vijanden. — Ziet, zóó goed is God en zóó wys handelt Hy met zijne beminden, dat Hij hun eene volstrekte zekerheid weigerde, waardoor zij allicht tot vermetelheid zouden overslaan, toch teekenen in genoegzame mate geeft, opdat zij zich met vertrouwen onder het getal der kinderen Gods rekenen.

Scheiden zij als kinderen des hemelschen Vaders uit dit leven, zij zullen zijn erfgenamen van God en mede-erfgenamen van Christus. Die belofte, een zeer krachtig hulpmiddel om in de moeilijkheden des levens stand te houden, is tevens een rechtstitel om de kostbaarste goederen in de eeuwigheid op te eischen. Erfgenamen van God zijn! hoe onnoemelijk veel sluit dit in. Niets minder dan te erven van den besten en rijksten Vader, die overgankelijke goederen bezit en in zijne Liefde mededeelzaam is; die over alles beschikt en eeuwig leeft om door alle eeuwen van het zijne mede te deelen; die

304

ocr page 321

ACHTSTE ZONDAG NA PINKSTERKN.

zijne gaven uitdeelt naar de vatbaarheid en de verdiensten van zijne Uitverkorenen ; die hun geeft van zijne Wysheid en Wetenschap, hen deelgenooten maakt van zijne Heiligheid en Volmaaktheden, hen doet deelen in zijn Licht en Leven en Lietde. En dan nog mede-erfgenamen van Christus! Maar overdrijft hier de Apostel niet ? Kunnen de aangenomene kinderen van God den Vader gelijke rechten doen gelden als de eeuwige Zoon, die in quot;Wezen en Volmaaktheden aan Hem gelijk en aangesteld is tot erfgenaam van al diens goederen ? Deh. Pau-lus wist wat hü schreef en schreef op ingeving van God den H. Geest. Zijn woord is derhalve alle aanneming waardig en duldt geene tegenspraak. Ja, de kinderen Gods zullen evenals Christus heerschen, gekroond en verheerlijkt worden, evenwel onder deze voorwaarde, welke de Apostel in even vele woorden heeft aangegeven: als zij met Hem lijden en gelijkvormig zijn geworden aan het beeld van Gods Zoon. En heerlijk is het erfdeel, dat Jesus Christus verworven heeft door zjjne gehoorzaamheid tot aan den dood des kruises. Hij is verhoogd geworden, ook naar zijne Menschheid, boven alle koren der Engelen; Hem is een Naam gegeven, waarin alle knieën zich moeten buigen, door welken ook allen moeten zalig worden; Hij is gezeten aan des Vaders rechterhand in de hoogste rust, gekroond met onvergankelijke glorie, heerschende in de lengte der eeuwen. Aan die verheerlijking zullen de Gelukzaligen deel verkrijgen, voor zoover zij, eindige schepselen, aan de verheffing van den God-mensch kunnen deelachtig worden. De glorie van hunnen Zaligmaker zal op hen afstralen ; een nieuwe naam zal hun gegeven worden en de Naam des Heeren zal op hunne voorhoofden geschreven worden; ook aan hun Rijk van zaligheid zal geen einde komen en de vreugde, welke zij genieten, zal hun nimmer meer ontnomen worden ; alle Engelen zullen hunnen lof verkondigen en zij zullen machtig wezen om te bidden voor hunne broeders, die nog op aarde strijden, opdat ook dezen de kroon der eeuwige vergelding verkrijgen.

Verklaringen der Epistelen, II. 20

305

ocr page 322

ACHTSTE ZONDAG- NA PINKSTEREN.

806

Opmerking. Vergeten wij toch nimmer, dat wij God onzen Vader mogen noemen, en daarom laten wij den H. Geest bidden, dat Hij in ons hart die gevoelens aankweeke van vertrouwen en liefde, van dankbaarheid en overgeving aan Gods h. wil, van geestelijke blijdschap en zalige hoop, welke door den zoeten naam van »Vader'' opgewekt worden. Vooral, dat Hij ons de plichten leere, welke aan het Kindschap van God verbonden zijn: Ziet, hoedanig eene liefde de Vader ons gegeven heeft, dat inij Gods kinderen genoemd worden en zijn (i Joan III, i); Jesus heeft aan zoo velen, die Hem aannamen, macht gegeven om kinderen Gods te worden, hun die in zijnen Naam geloo-ven en .... uit God geboren zijn (Joan I, 12), en de H. Geest geeft aan onzen geest getuigenis, dat wij kinderen Gods zijn (Rom. VIII, 16); maar dan ook moeten wij ons als kinderen gedragen. Wij mogen geen anderen wil kennen dan dien des hemelschen Vaders, geen andere wet onderhouden dan die van Jesus, geen andere leiding volgen dan die van den H. Geest. Ook met eerbied, liefde en vertrouwen tot den troon van Gods Barmhartigheid te naderen, waarop de oneindige Heiligheid, Goedheid en Almacht zetelt, is dure plicht. Den Vader hebben wij leeren kennen als onzen Schepper; de genade en Goedgunstigheid van onzen Zaligmaker is ons verschenen ; de H. Geest heeft, zooals wij hopen, de liefde in onze harten uitgestort; wij moeten dan ook den Gever van alle goed beminnen, aan de goddelijke Majesteit ons onvermogen bekennen en onzen nood klagen, van God hulp verwachten te bekwamen tijde. Rechtgeaarde kinderen gedragen zich niet op eene andere wijze tegenover hunne ouders. Minder mogen wij niet of liever : veel meer moeten wij doen, als wij ons in de tegenwoordigheid stellen van de opperste Majesteit, steeds gedachtig aan het hoogheilig Kindschap en aan den plicht om aan die bevoorrechting te beantwoorden. Zoo ook zullen wij het ons wachtend erfdeel dagelijks vermeerderen. O ^een; dan is ons lijden en ons arbeiden niet verloren, maar ons loon zal overgroot wezen in den Hemel. Als beminde kinderen opgenomen in de eeuwige woningen, zullen wij in God alle goed genieten en ons voor altijd met alle Hemelingen verblijden in het aanschouwen der goddelijke glorie. Dewijl wij

ocr page 323

ACHTSTE ZONDAG NA PINKSTEREN.

307

dan — besluiten wij met den h. Paulus — deze beloften hebben, zoo laat ons ons zeiven reinigen van alle besmetting des vleesches en des geestes, onze heiligmaking voltooiende in de vreeze Gods (II Cor. VIII, i).

ocr page 324

NEGENDE ZONDAG NA PINKSTEREN.

Broeders ! Laat ons geen begeerten voeden tot het kwaad, gelijk ook zij hebben gevoed. En wordt geene afgodendienaars, zooals sommigen van hen, gelijk er geschreven staat: het volk zat neder om te eten en te drinken, en zij stonden op om te spelen. En laat ons geen ontucht bedrijven, gelijk eenigen van hen ontucht bedreven hebben; en op eenen dag vielen er drie en twintig duizend. Noch laat ons Christus op de proef stellen, gelijk sommigen van hen Hem op de proef hebben gesteld ; en door de slangen kwamen zij om. En mort niet, gelijk eenigen van hen gemord hebben; en zij kwamen om door den verderfengel.

Dit alles nu is hun bij wijze van vóórafbeelding overkomen, en het is geschreven tot waarschuwing van ons, die in het laatste tijdperk der wereld leven. Derhalve, die meent dat hij staat, zie toe dat hij niet valle! Geene bekoring taste u aan, tenzij die men-schelijk is; God is getrouw en zal niet toelaten, dat gij boven uwe krachten bekoord wordt, maar bij de

ocr page 325

NEGENDE ZONDAG NA PINKSTEEEN.

bekoring zal Hij ook de uitkomst verleenen, opdat gij ze kunt doorstaan.

i Cor. X, 6—13.

Inleiding. God is liefde — leert de h. Joannes. Die bemoedigende waarheid zien wij ook als met gulden letteren geschreven aan het firmament en op aarde, in de geheele natuur en in al de openbaringen Gods, in de geschiedenis der wereld en in het leven van eiken mensch. Maar ook dit wordt betuigd door de vele eeuwen van 's menschen bestaan: hun, die weder-spannig en ongehoorzaam aan de waarheid, dat is: aan de wet Gods, maar gehoorzaam zijn aan de ongerechtigheid, zal toorn en verbolgenheid geworden (Rom. II, 8}. En niet weinigen zijn zij, die op vermetele wijze van Gods Lankmoedigheid misbruik maken en zondigen, omdat zij weten, dat Hij barmhartig en genadig is; die zich verharden in de boosheid met de geruststelling, dat God geduldig is ten opzichte van de zwakheid zijner schepselen en de zonden vergeeft. »Wat zal »het ons schaden-' — vermeten zij zich te zeggen — »al worgden wij ontrouw aan onze voornemens en besluiten; God is »getrouw aan zijne beloften; Hij zal niet eeuwig toornen noch gt;met ons handelen naar onze overtredingen.quot; Zóó wil de zondaar de wroeging van zijn geweten stillen, zóó den druk en angst vermijden, welke nederdalen over allen, die kwaad doen. Dwaas en onredelijk niet alleen, ook goddeloos zijn die of dergelijke gedachten. Dat geen zondaar de straffende hand van den vertoornden Rechter zal ontkomen, bewijst de Apostel aan de nieuwbekeerden te Corinthe door hen te wijzen op de schrikverwekkende voorbeelden, welke in de geschiedenis der Joden tot waarschuwing van allen zijn opgeteekend, en besluit met de vermaning: daarom, wie meent te staan, zie toe niet te vallen. Van bekoring tot het kwade, van aanvechtingen des boozen zal niemand altijd gespaard blijven. Evenwel, is de Christen met goede voornemens bezield, dan mag en moet hij op God vertrouwen, die hem de ter overwinning noodige genade niet zal onthouden. — Hiermede hebben wij in het kort

309

ocr page 326

V

310 NEGENDE ZONDAG NA PINKSTEBEN.

de gedachten terug gegeven, welke in onzen Epistel zijn uitgesproken. Meer echter wordt van ons gevraagd. Wij dienen den Apostel te volgen in de toepassing, welke hij van de vóórafbeeldingen des Ouden Verbonds maakt op het godsdienstig leven der Christenen, ook in de vermaningen, welke hij daaraan verbindt, om zoo van hem te leeren,

I welke zonden wij vermijden moeten en waarom;

II op wien wij bij den strijd tegen het kwade moeten vertrouwen.

I.

Aan een ieder, die de brieven van den h. Paulus met aandacht leest, moet het opvallen, dat hij zijne lezers zoo dikwijls herinnert aan gebeurtenissen uit de tijden van het Oude Verbond. Wel een sterk sprekend bewijs, dat hij diep overtuigd was van het vóórafbeeldend karakter der Oude Wet en tevens van het leerzame, opwekkende en vermanende, hetwelk ligt opgesloten zoowel in de voorrechten, welke God aan zijn uitverkoren volk geschonken had, als in de straffen, welke zijne rechtmatige gramschap over de zonden van die ondankbaren deed neerkomen. Ook wjj zeiven kunnen uit die leerwijze des Apostels opmaken, hoe nuttig het voor ons is, dat wij ons aan de rampen van anderen spiegelen, opdat wij met zorg vermijden, wat hun ten onheil werd. Dit voordeel beoogde dan ook de h. Paulus, toen hij aan de Corinthiërs voorhield : wat den Joden overkwam, is geschreven tot waarschuwing voor ons. Daarom worde al onze aandacht gewijd aan zijne treffende lessen, want deze dingen zijn geschied tot een voorbeeld voor ons (1 Cor. X, 6). Alle Joden waren in de woestijn deelachtig geworden aan Gods weldaden, maar slechts twee van al diegenen, welke aan het land der dienstbaarheid waren ontvlucht, zijn ingegaan in het land van beloften; al de overigen zijn neergeveld in de woestijn, om hunne zonden. En welke zonden !

ocr page 327

negende zondag na pinksteren.

De Apostel begint met te waarschuwen tegen inwendige zonden : broeders! laat ons geene begeerte voeden tot het kwaad, gelijk ook zij ze gevoed hebben. De Joden verachtten, uit begeerlijkheid naar de vleeschpotten van Egypte, de wondergave van het Manna en den goddelijken Gever; zg vorderden vleeschspijzen en hun werd gegeven, wat zij verlangden ; maar in stede dat zij van de hun toegezonden wachtels met mate gebruik maakten, vielen zij daarop zóó gulzig aan, dat weldra eene verschrikkelijke ziekte onder hen uitbrak en zóó velen den dood vonden, dat de plaats van die ramp „graven der begeerlijkheidquot; genoemd werd. Als God — dit wilde de h. Paulus aan de geloovigen op het hart drukken — het volk van Israël, niettegenstaande het vlee-schelijk gezind was en in het genieten van aardsche goederen eene beloonicg mocht zoeken, zóó streng strafte, omdat het zich in het verslinden van eene hun gegevene spijze te buiten ging, hoe veel gestrenger zal die God, naijverig op zijne eer, zich betoenen tegen een Christen, welke de wereldsche begeerlijkheid niet weet te verzaken, maar met geheel zijne ziel hangt aan hetgene dezer aarde is ; die vergeet, wat boven hem is, om alleen te zinnen op de voldoening van een onverstorven hart, en niets ijveriger nastreeft dan wat aan lage lusten behaagt. Wel ivordt een iegelijk hekoord, wanneer hij door zijne eigene heg eerlijkheid afgetrokken en verlokt wordt (Jac. I, 14), maar niemand is gedwongen daarvan een slaaf te worden. Daarentegen, de plicht van eiken Christen vergt, dat hij over zijn hart wake, alle booze begeerlijkheid onderdrukke, en niets najage, wat hem door God ontzegd is.

De Apostel vervolgde zijne bestraffende rede, eenige uitwendige zonden noemende: woedt geene afgodendienaars,

zooals sommigen van hen, gelijk er geschreven staat : het volk zat neder om te eten en te drinken, en zij stonden

op om te spelen. Hiermede doelde hij op de misdaad der Israëlieten, die Aaron dwongen een gouden kalf te maken, het

311

ocr page 328

negende zondag na pinksteren.

aanbaden en daarna zich vermeidden in brasserijen en dron-kenschappen, gevolgd door wellustige vermakelijkheden. Zij vergaten zich zei ven op zóó schandelijke wijze, dat zij God en den heiligen dienst, hun nadrukkelijk voorgeschreven, verzaakten en, na aan een afgodsbeeld de hulde der aanbidding geofferd te hebben, zich aan de zinnelijke uitspattingen en de oneerbare handelingen der Heidenen overgaven. Bij wyze van voorbeeld haalde de Apostel die gruweldaden der oude Israëlieten aan ; daar hij echter van alle begeerlijkheid gesproken had, mogen wij aan zijne vermaning eene ruimere beteekenis geven — geheel in overeenstemming met zijne elders en meermalen herhaalde waarschuwing — en daarin de jbede lezen, dat zij zich ook geen afgod zouden maken noch van het geld, noch van de achting der menschen, noch van die hartstochten, waaraan zy vroeger hunne eer en hun geweten hadden opgeofferd. Zóó wordt dat Apostolisch woord ook voor ons eene liefdevolle stem, welke voor nog andere misslagen wenscht te behoeden. Of zijn er misschien geenen, die hunne gedachten uitsluitend zetten op het tegenwoordig leven en al hunne zorgen vestigen op hetgeen de wereld rust, welstand en vermaak pleegt te noemen; die zonder wroeging hunne plichten verzaken om te vrijer den teugel te kunnen vieren aan gemak- heb- en genotzucht? Zoo ja, dan verdienen zij te recht als nieuwerwetsche afgodendienaars vermeden te worden, die wel niet knielen voor een beeld uit steen of hout vervaardigd maar zich toch niet ontzien hunne eeuwige belangen en hunne zaligheid in de waagschaal te stellen, als de laagste driften der gevallene natuur een schandelik offer eischen.

De h. Paulus ging voort: Laat ons geen ontucht bedrijven, gelijk eenigen van hen ontucht bedreven hebben. Die

eisch was geenszins misplaatst in die tijden, toen vele Heidenen tot het Christendom waren overgegaan en het hun volstrekt niet gemakkelijk was zich aan de macht van vorige

312

ocr page 329

negende zondag na pinksteben.

gewoonten te ontworstelen en zich in geheel hunne levenswijze te schikken naar de strenge wet der zuiverheid door de nieuwe leer aan hare belijders verplichtend gemaakt. Hadden de Israëlieten zich door de Moabitische vrouwen tot ontucht laten verleiden; de Heidenen waren onder dit opzicht hunne meesters in die zonde, en de Corinthiërs vooral stonden in een zoo kwaden reuk, dat onzuiverheid bij hen eene volkszonde mocht heeten. De vaderlijke bezorgdheid van den Apostel was derhalve gewettigd en geen wonder, dat hij met allen nadruk hen bezwoer om zich van die besmetting rein te bewaren. Het zoude eene bezoedeling van deze bladzijden wezen, zoo wij op dit onderwerp verder ingingen. Onnoodig ook. Wie weet niet dat die zonde, afschuwwekkend in de oogen van God is en onteerend voor den mensch, al verder en verder om zich heen grijpt, niet alleen meer in het duister maar zelfs in het openbaar schaamteloos aangeprezen en bedreven wordt; dat zij hare slachtoffers telt onder onge-huwden en gehuwden, zóódat de schoonste bloem der mensch-beid verwelkt en in het slijk getreden, de heiligste banden verbroken worden. Maar genoeg; een sluier dient geworpen te worden over de laagste aller misdaden. De Apostel wenschte, dat zij onder Christenen zelfs niet genoemd werd; daarom doen ook wij er het stilzwijgen toe.

Eene derde vermaning:

Noch laat ons Chbistus op de proef stellen, gelijk eenigen van hen Hem op de proef gesteld hebben ; en doob de slangen kwamen zij om. Hiermede houdt de h. Paulus aan zyne lezers 't waarschuwend voorbeeld van het ondankbare Israël voor oogen, dat niet alleen tegen Jehova over het Manna klaagde, welke spijze het flauw en onsmakelijk durfde noemen, maar zelfs twijfel opperde, of Hij hun ook water kon of wilde geven. De straf bleef niet uit. Velen stierven door den vergiftigden beet van slangen. In hoeverre de Corinthiërs reden tot die vermaning gegeven hadden, is niet bekend; wel leert

313

ocr page 330

negende zondag na pinksteren.

ons de ondervinding, dat vele Christenen alle redenen hebben, dat woord op zich toe te passen. Het is toch niet zeldzaam, dat men twijfel durft te koesteren aan Gods Goedheid en Almacht, dat men wanhoopt aan de noodzakelyke hulp ter zaligheid, dat men niet vertrouwt op de leiding der goddelijke Voorzienigheid en zich beklaagt over beschikkingen van boven. Zoo er onder die ondankbaren vergiftige slangen verschenen, zij zouden verdienen gebeten en zoo gedwongen te worden op te zien naar Christus, om bij Hem genezing te zoeken en de noodige genade te vinden, opdat zij zich voortaan met stille berusting aan Hem overgaven, vertrouwden op zyne vaderlijke zorgen en hun lot voor tijd en eeuwigheid in zijne handen stelden. Dan werden geene klachten meer gehoord over Gods bestuur; dan golden zijne besluiten als daden van Liefde en Wijsheid; dan werden die handen gezegend, welke in den levensloop des menschen ingrijpen, maar op eene wijze, welke getuigt, dat de hemelsche Vader alles ten beste zijner kinderen regelt; dan werden er geene ontevredenen aangetroffen maar slechts gelukkigen, wier vertrouwen niet beschaamd werd.

Moet niet, gelijk eenigen van hen gemord hebben en zij kwamen omboorden verderfengel. Met die woorden sloot de Apos-tel de reeks zijner vermaningen, het wederspannige volk van Israël, dat Gods weldaden met ondank en verzet vergold, weder tot afschrikkend voorbeeld aanhalend. Zij morden tegen God en zijnen dienaar Moses, omdat uit een der stammen de priesters en onder de priesters Ailron tot Hoo-gepriester gekozen was. Verschrikkelijk was de straf, welke over hen kwam. De voornaamste der oproerlingen werden lavend in de opengescheurde aarde begraven en onder de anderen woedde de verderf-engel. De zonde van vele Christenen moge minder afschuwelijk wezen, doch schuldig zijn zij wel, die zich altijd ontevreden toonen, nimmer zich in den staat schikken, waarin zij door God geplaatst zijn, zich niet

314

ocr page 331

negende zondag na pinksteren.

ontzien in klachten uit te barsten over de beschikkingen van een God, die nimmer faalt in de plannen zijner Voorzienigheid. Weten die onverstandigen van hart dan niet, dat het den mensch verboden is zyne veroordeeling over de besluiten en de verordeningen van de oneindige Wijsheid uit te spreken, zich al is het in woorden of gedachten te verzetten tegen eene Liefde, welke alles ten beste voor een ieder bestiert en aan een ieder de plaats aanwijst, welke hij ten zijne nutte en ten voordeele der geheele maatschappij moet innemen? Alwie zich niet ontziet het misdadig gedrag der ontevredenen uit Israël na te volgen, hij ook zal de straf niet ontkomen, waardoor de beleedigde Majesteit Gods dat misdrijf wreken moet.

Eene reden, waarom al die zonden, welke voor velen der Joden een ondergang werden en ook voor de Christenen niet minder heilloos zouden worden, door ons te vermeden zijn, geeft deh. Paulus in deze woorden aan: wu leven in het laatste tijdperk der wereld. Uit het treurig voorbeeld van de weerbarstige Joden spreekt tot ons allen de ernstige waarschuwing, dat wij beter dan zij ons in alle omstandigheden des levens aan Gods wil en leiding onderwerpen. Ons te wachten voor die zonden der Joden is eene des te strengere plicht, omdat wij in het Messianische tijdperk, dat het laatste der wereld is, onder de genadevolle bedeeling van het Nieuwe Verbond leven. Waren de Joden hoog door God bewelda-digd, uit eene harde slavernij bevrijd, met vaderlijke Liefde door de woestijn naar het beloofde land geleid, wij zijn met nog grootere genaden begunstigd, verlost uit de onteerende dienstbaarheid des duivels, en zoo op den weg geplaatst, welke naar de zalige woningen des Hemels voert. Zoude het dan geene schande voor ons en tegelijk eene ondankbare miskenning van Gods Goedheid wezen, zoo wij moedwillig Gods genade verachtten en ze door een zondig gedrag verijdelden? — Nog in een anderen zin is het woord van den

315

ocr page 332

NEGENDE ZONDAG NA PINKSTEREN.

h. Paulus waarheid. Wij leven misschien in het laatste tijdperk, in de laatste dagen van onze aardsche omwandeling. Wanneer het einde daarvan zal gekomen zijn, of spoedig of eerst na eenige jaren, niemand die het weet dan God alleen. Dit slechts is ons gezegd: „waakt, want op een uur, dat gü er „het minst aan denkt, als een dief in den nacht, zal de dood „u overvallen.quot; Wij zouden derhalve aan een roekeloos spelen met de hoogste belangen ons plichtig maken, werd de vermaning des Apostels veronachtzaamd. Wij zjjn het aan onze onsterfiyke ziel verschuldigd, dat de zonde vermeden en datgene beoefend worde, wat Gode welgevallig is. Eene eeuwige straf of eene eeuwige belooning hangt er van af. Wie zich evenals de Joden vergrijpen aan Gods wet en gebod, zullen het beloofde land niet ingaan maar sterven in de woestijn, uitgesloten blijvende van de vreugde des Hemels, waar de deugd alleen beloond, geene andere binnengelaten wordt dan de getrouwe dienaren des Heeren.

Opmerking. Hoe treffend is de gevolgtrekking van den h. Paulus : DERHALVE, DIE MEENT TE STAAN, ZIE TOE, DAT HIJ NIET VALLE! Op dringender, nadrukkelijker wijze kon hij zijne strenge vermaning niet besluiten. Het is een hoog ernstig woord van den vader tot zijne kinderen, die hij in het goede wenscht: te bevestigen. Daarom is het ook voor elk onzer van groot gewicht. Eerstens voor wie nog hopen durven in den staat van onschuld te leven. Niet te veel zorg en inspanning kan door hen in het werk gesteld worden om die reinheid van ziel te bewaren. Zij is die parel, waarvan de h.h. Schriften spreken; die schat, waartegen geen goud opweegt en welke in broze vaten gedragen wordt; dat kleinood, ten koste van het leven zelfs te bewaren, want geene omstandigheid des levens kan zoo pijnlijk wezen als deze, dat een Christen moet betreuren de vriendschap met zijn God verbeurd te hebben. En eens verloren, wordt zij zoo moeilijk herwonnen, niet dan met groote genade van God, niet dan door een verscheurend berouw en

316

ocr page 333

negende zondag na pinksteren.

eene beschamende schuldbelijdenis. — Dat woord is van even groot belang voor hen, die zich met groote vermetelheid en met een ongegrond vertrouwen op eigene krachten zich veilig wanen voor eiken val. Zij vooral mogen het zich voor gezegd houden; »Ziet toe, dat gij niet in zonden valt.quot; Omdat zij zich zeker achten, verwaarloozen zij de nood;ge voorzorgsmaatregelen en wagen zich in een gevaar, dat wel sterkeren deed vergaan. De minste beschuldiging, welke tegen hen kan ingebracht worden, is wel deze, dat zij tot die onervarenen behooren, die de wereld met hare ver'eiding niet kennen en geene ondervinding hebben van de listen en lagen, welke overal der deugd gelegd zijn, die in hunne zorgeloosheid te weinig rekening houden met hunne hartstochten en daarom, onbedreven in den strijd tegen het kwade, zich wiegelen in eene schijnbaar zoete maar inderdaad noodlottige rust. Nemen zij de vermaning des Apostels niet ter harte, zien zij niet toe en rondom zich heen, letten zij niet op, bij elke schrede een adder onder het gras vreezende, het is bijna onmogelijk, |'dat zij niet diep vallen. Lichtzinnig van aard daarenboven als zij zijn, zien zij geen gevaar, zullen het daarom ook niet ontvluchten noch er zich tegen wapenen — met dit schier onvermijdelijk gevolg, dat zij onverhoed worden overvallen en schandelijk overwonnen. Geen afschrikwekkender voorbeeld kan van die bedroevende waarheid aangehaald worden dan dat van den sterken Samson en van den overmoedigen Petrus ; de eerste verried zijn geheim aan de verleidende Dalila en werd van zijne kracht beroofd, toen hij onbedachtzaam zijn hoofd in haren schoot ter ruste had gelegd; de andere verloochende zijnen goddelijken Meester, toen hij zich roekeloos waagde onder het gezelschap van Jesus' vijanden.

11.

De best genomene maatregelen en de nauwlettendste zorg zullen ons niet tegen alle bekoringen vrijwaren. „Geene aanhechting tot het kwade te hebben, isquot; — volgens den h. Anselmüs — quot; het voorrecht der Engelen; daardoor overwonnen

317

ocr page 334

NEGENDE ZONDAG NA PINKSTEREN.

h. Paulus waarheid. Wij leven misschien in het laatste tijdperk, in de laatste dagen van onze aardsche omwandeling. Wanneer het einde daarvan zal gekomen zijn, of spoedig of eerst na eenige jaren, niemand die het weet dan God alleen. Dit slechts is ons gezegd: „waakt, want op een uur, dat gy er „het minst aan denkt, als een dief in den nacht, zal de dood „u overvallen.quot; Wij zouden derhalve aan een roekeloos spelen met de hoogste belangen ons plichtig maken, werd de vermaning des Apostels veronachtzaamd. Wij zyn het aan onze onsterflyke ziel verschuldigd, dat de zonde vermeden en datgene beoefend worde, wat Gode welgevallig is. Eene eeuwige straf of eene eeuwige belooning hangt er van af. Wie zich evenals de Joden vergrijpen aan Gods wet en gebod, zullen het beloofde land niet ingaan maar sterven in de woestijn, uitgesloten blijvende van de vreugde des Hemels, waar de deugd alleen beloond, geene andere binnengelaten wordt dan de getrouwe dienaren des Heeren.

Opmerking. Hoe treffend is de gevolgtrekking van den h. Paulus: DERHALVE, DIE MEENT TE STAAN, ZIE TOE, DAT HIJ NIET VALLE! Op dringender, nadrukkelijker wijze kon hij zijne strenge vermaning niet besluiten. Het is een hoog ernstig woord van den vader tot zijne kinderen, die hij in het goede wenscht te bevestigen. Daarom is het ook voor elk onzer van groot gewicht. Eerstens voor wie nog hopen durven in den staat van onschuld te leven. Niet te veel zorg en inspanning kan door hen in het werk gesteld worden om die reinheid van ziel te bewaren. Zij is die parel, waarvan de h.h. Schriften spreken; die schat, waartegen geen goud opweegt en welke in broze vaten gedragen wordt; dat kleinood, ten koste van het leven zelfs te bewaren, want geene omstandigheid des levens kan zoo pijnlijk wezen als deze, dat een Christen moet betreuren de vriendschap met zijn God verbeurd te hebben. En eens verloren, wordt zij zoo moeilijk herwonnen, niet dan met groote genade van God, niet dan door een verscheurend berouw en

316

ocr page 335

negende zondag na pinksteren.

eene beschamende schuldbelijdenis. — Dat woord is van even groot belang voor hen, die zich met groote vermetelheid en met een ongegrond vertrouwen op eigene krachten zich veilig wanen voor eiken val. Zij vooral mogen het zich voor gezegd houden: »Ziet toe, dat gij niet in zonden valt.quot; Omdat zij zich zeker achten, verwaarloozen zij de noodige voorzorgsmaatregelen en wagen zich in een gevaar, dat wel sterkeren deed vergaan. De minste beschuldiging, welke tegen hen kan ingebracht worden, is wel deze, dat zij tot die onervarenen behooren, die de wereld met hare ver'eiding niet kennen en geene ondervinding hebben van de listen en lagen, welke overal der deugd gelegd zijn, die in hunne zorgeloosheid te weinig rekening houden met hunne hartstochten en daarom, onbedreven in den strijd tegen het kwade, zich wiegelen in eene schijnbaar zoete maar inderdaad noodlottige rust. Nemen zij de vermaning des Apostels niet ter harte, zien zij niet toe en rondom zich heen, letten zij niet op, bij elke schrede een adder onder het gras vreezende, het is bijna onmogelijk, ;'dat zij niet diep vallen. Lichtzinnig van aard daarenboven als zij zijn, zien zij geen gevaar, zullen het daarom ook niet ontvluchten noch er zich tegen wapenen — met dit schier onvermijdelijk gevolg, dat zij onverhoed worden overvallen en schandelijk overwonnen. Geen afschrikwekkender voorbeeld kan van die bedroevende waarheid aangehaald worden dan dat van den sterken Samson en van den overmoedigen Petrus ; de eerste verried zijn geheim aan de verleidende Dalila en werd van zijne kracht beroofd, toen hij onbedachtzaam zijn hoofd in haren schoot ter ruste had gelegd; de andere verloochende zijnen goddelijken Meester, toen hij zich roekeloos waagde onder het gezelschap van Jesus' vijanden.

II.

De best genomene maatregelen en de nauwlettendste zorg zullen ons niet tegen alle bekoringen vrijwaren. „Geene aanhechting tot het kwade te hebben, isquot; — volgens den h. Anselmus — quot; het voorrecht der Engelen; daardoor overwonnen

317

ocr page 336

negende zondag na pinksteren.

„worden is zieh aan den duivel gelijk maken; ze te hebben „en te overwinnen, moet het kenmerk des Christens wezen.quot; Van die gedachte ging ook de h. Paulus uit, toen hij de geloovigen te Corinthe, na hen tegen de zonde gewaarschuwd te hebben, troostte en bemoedigde met deze waarheid: „God „zou niet toelaten, dat zij boven hunne krachten werden bedroefd.quot; „Hy onderrichtte hen,quot; — zegt de h. Thomas — „dat zij de eene beproeving moesten verdragen en de andere „vluchten, ook dat de noodige hulp om in elke beproeving „niet te bezwijken hun niet zoude ontbreken.quot;

Hoe dan te strijden voor het goede ter eere van den Allerhoogste ? Geene bekobing taste u aan, tenzij die mensche-lijk is. Aan die woorden geeft men verscheidene beteekenissen. Volgens eenigen spreekt de Apostel daarin de overtuiging uit, dat in de toekomst den Corinthiërs geene bekoring zou overvallen dan die menschelijk is, dat is: geene verleiding tot afval of tot eene andere zonde hen zoude bestoken, welke zij met Gods genade niet zouden overwinnen. — Anderen daarentegen lezen daarin eene herinnering aan het verledene, eene verzekering dat zij nooit op eene wijze waren aangevallen, welke hunne krachten door de hulp vanboven versterkt te boven ging. Hoe ook de zin moge wezen, in allen gevalle gaf de h. Paulus zijdelings te kennen, dat zij onder welke aanvechtingen ook niet zouden bezwijken, als zij zich vrijhielden van den geest van hoogmoed en van vermetel vertrouwen op eigen krachten, van die laatdunkendheid, welke doet zeggen; „verre van ons, dat wij ons aan die zonde zouden „schuldig maken, waarmede de Joden hun geweten bezoedelden ; daarvoor behoeven wij, sterk als wij zijn, niet te vree-„zen; zelfs elke waarschuwing daartegen is voor ons over-„bodig.quot; Integendeel — wilde de h. Paulus zeggen — „wordt niet „hoogmoedig in uwe gedachten maar blijft nederig van geest „en zijt uwer zwakheid bewust; dan wordt gij niet bekoord „als de duivelen, die door hoogmoed gevallen zijn, maar als

318

ocr page 337

NEGENDE ZONDAG NA PINKSTEREN. 319

„menscheii,die hunne hulp by God zoeken en daarom zullen „overwinnen, sterk geworden door de genade van boven.quot; — Een derde opvatting, welke ook haren grond heeft is deze. Tot dusverre hadden de Corinthiërs na hunne bekeering nog geene zware beproevingen te verduren gehad; hunne dagen waren voorbijgegaan zonder bangen strijd tegen den duivel, de wereld en het vleesch; zij hadden nog weinig om hun geloof in Christus moeten lijden, nog niet ten bloede weerstand geboden aan de verleiding tot ongeloof en zonde; zij waren nog overwinnaars gebleven, omdat de vyand hen nog niet met alle kracht had aangevallen. Zoude dit zoo bleven? Onwaarschijnlijk is niet, dat de Apostel, zelf op allerhande wijze beproefd, met een profetischen blik vooruitzag, dat ook zijne bekeerlingen allerlei druk zouden te lijden hebben, van buiten strijd met joodsche en heidensche vijanden, van binnen vrees en angst voor aanvechtingen des duivels en voor verleiding tot zonde. In die niet te vermijden omstandigheden moest een schitterend bewijs geleverd worden, dat zij, in het kleine getrouw bevonden, ook in het groote standvastig bleken, dat zij onder alle beproevingen noch tot afval van het ware geloof, noch tot ongehoorzaamheid aan Gods wet waren te brengen. Doch al te groote vrees en een te klein geloof van de Corinthiërs konden opwerpen, of dergelijke beproevingen wel door God afgemeten waren naar de geringheid van 's menschen krachten. Geen nood — leert de h. Paulus — Geen mensch kan zoo boos en wreed, geen duivel zoo sluw en kwaadaardig wezen, dat God niet de onbeperkte Almacht blijft, welke den eene en den andere toeroept: „tot zoo ver en niet ver-

„der; tot zoolang en niet langer.quot;

*

Gelijk God aan de zee hare perken heeft gesteld, en den storm bedaart, evenzoo toomt Hij de macht der vijanden van zijnen Naam in en bindt hunne woede aan tijd en plaats. Daarenboven, God heeft den mensch gemaakt en weet, wat

ocr page 338

negende zondag na pinksteren.

in den mensch is; Hy ziet diens zwakheid en meet de maat zjjner beproevingen af naar diens vermogen. Hu zal niet

toelaten, dat iemand boven zijne krachten bekoord wordt,

en de zekerste waarborg voor die troostrijke waarheid is ontwijfelbaar deze: God is getrouw — getrouw in z\jne beloften, getrouw in zyne Liefde. De beloften, aan Abraham gedaan, zyn vervuld geworden, al moesten de Israëlieten een langen tijd zuchten onder de harde slavernij der Egyptenaren en veertig jaren ronddolen in de Arabische woestijn, en het beloofde land is het erfdeel geworden der nakomelingen van den groeten Aartsvader. Niet minder zal God door zijne genade de verlosten zijns] Zoons in hunnen strijd bijstaan, opdat zij het Rijk zijner glorie, hun van eeuwigheid voorbeschikt, kunnen innemen. Is Hy ook niet de beste aller vaderen, die zyne kinderen niet kan vergeten, noch hen te midden van vele gevaren onbeschermd kan laten? Hunne namen draagt Hij geschreven in zyne hand en Hij bemint hen als den appel zyner oogen. O, neen: God blyft geen bloot toeschouwer bij den stryd, welken zijne getrouwen zullen te voeren hebben. Hy zal ook als een machtige Helper optreden. quot;Wanneer een Christen niet zóó dwaas is, dat hij door zynen hoogmoed God van zich vervreemdt en door zyne laatdunkendheid als een scheidsmuur opricht tusschen zijne nietigheid en de goddelijke Almacht, dan zal de Liefde van God niet slechts op den nederige gunstig nederzien maar hem ook beschermen en met de kracht van boven toerusten, opdat de overwinning aan den zwakkere blyve en de machtigere beschaamd worde. God zal de uitkomst verleenen, opdat gij de bekoring kunt doorstaan, schreef de Apostel aan de Corinthiërs en het staat geschreven tot troost en bemoediging van allen, die met vele bekoringen te worstelen hebben. Wanneer 'smen-schen medewerking met de genade niet ontbreekt, is de overwinning op den booze verzekerd. God helpt den getrouwen kampvechter en geene helsche kracht is bestand tegen den

320

ocr page 339

NEGENDE ZONDAG NA PINKSTEBEN.

Almachtige. Wij allen zijn geroepen om deelgenooten te worden van Jesus' heerlijkheid en, al ligt het in Gods plannen opgesloten, dat niemand den Hemel inneemt dan die geweld gebruikt, aan de noodige hulp zal Hij het niet laten ontbreken ; Hij roept allen ten strijde op en voert hen ter overwinning wie de wapenen gebruiken, welke Hij in zyne Goedheid hun in de handen geeft.

Opmerking. Twee zeer gewichtige gevolgtrekkingen zijn te maken uit de waarheid, dat wij nimmer boven onze krachten bekoord worden. De eerste is deze: niemand kan zijn vallen in de zonde verontschuldigen door het voorwendsel: »de bekoring »was mij te sterk, ik kon geen weerstand bieden.quot; Wie bezwijkt, hem ontbreekt niet de genade maar de moed en de volharding in den strijd; hij bad niet en waakte niet en werd het slachtoffer van zijne zorgeloosheid of roekeloosheid of onvoorzichtigheid. Met de genade medewerkende had hij het kwade kunnen vermijden, maar dat wilde hij niet en daarom viel hij. Nemen wij tot voorbeeld degenen, die in de eerste eeuwen van het Christendom opgeroepen werden om onder martelingen en in het gezicht des doods belijdenis van hun geloof af te leggen. Millioenen bleven standvastig en stierven een dood, kostbaar in Gods oog; eenigen bezweken uit vrees en werden afvallig. Konden deze laatsten zich van schuld vrijspreken door een beroep op het pijnlijke van de beproeving? Dan hadde de Kerk hen niet voor groote misdadigers gehouden, niet tot eene soms levenslange boetvaardigheid veroordeeld. — Eene andere gevoltrekking. Dewijl God ons bijstaat, mogen wij nimmer, hoe bitter of moeilijk onze levensomstandigheden ook zijn, tot moedeloosheid, veel minder nog tot wanhoop vervallen. Hij schenkt kracht naar gelang de kruisen zwaar zijn, welke Hij te dragen geeft. Boven onze krachten legt Hij nooit iets op, noch gebod, noch lijden, noch beproeving-. Een landman vergt niet meer van zijn lastdier dan het torsen kan; wie dan zoude den Vader van alle Barmhartigheid durven betichten, dat Hij van zijne kinderen meer vordert dan waartoe zij met zijne hulp in staat zijn? Ongeloof of lafheid alleen kunnen klachten doen uiten, welke als Verklaringen der Epistelen, II. 21

321

ocr page 340

NKGENDE ZONDAG NA PINKSTEREN.

322

de miskenning moeten gelaakt worden van eene Liefde, die in alles het wezenlijk welzijn harer kinderen beoogt, ook in het pijnlijkste lijden of onder de vernederendste en afmattendste bekoringen. Moed en vertrouwen zijn daarom de deugden, welke beoefend moeten worden, als 't ons soms bang om het hart wordt bij het dreigen van gevaren of bij het bestormd worden door allerlei bezoekingen. Wie in dien plicht niet te kort schiet, zal met den koninklijken Profeet mogen jubelen; op den Heer heb ik vertrouwd; en nimmer zal ik beschaamd worden.

ocr page 341

TIENDE ZONDAG NA PINKSTEREN.

Broeders ! Gij weet dat gij, toen gij heidenen waart, tot de stomme afgoden gingt, naardat gij geleid werdt. Daarom maak ik u bekend, dat niemand, die door den Geest Gods spreekt, Jesus vloekt; en niemand, tenzij door den Heiligen Geest, kan zeggen : Jesus is de Heer.

Er is nu verscheidenheid van genade-gaven, maar dezelfde Geest; ook is er verscheidenheid van bedieningen, maar dezelfde Heer; er is verscheidenheid van werkingen, maar dezelfde God, die alles in allen werkt. En aan een ieder wordt de openbaring des Geestes geschonken ten nutte. Den eene wordt door den Geest geschonken het woord der wijsheid; den andere naar denzelfden Geest het woord der wetenschap ; eenen andere in denzelfden Geest het geloof; eenen andere in dien eenen Geest de genade-gave der genezingen; eenen andere de werking van wonderkrachten, eenen andere de profetie, eenen andere de onderscheiding der geesten, eenen andere verscheidene talen, eenen andere de uitlegging der reden. Dat alles

ocr page 342

TIENDE ZONDAG NA PINKSTEREN.

nu werkt één en dezelfde Geest, die aan ieder toedeelt, gelijk Hij wil (I Cor. XII, 2—11).

Inleiding. De Kerk te Corinthe, door den h. Paulus gesticht en door zijnen ijverigen leerling Apollo besproeid, werd door God met vele en groote genade-gaven begunstigd. Desniettemin gaven al hare lidmaten in geenen deele een voorbeeld te aanschouwen van een volmaakt christelijk leven. Integendeel : de h. Paulus had tot zijne groote droefheid vernomen, dat velen uit die gemeente een gewillig oor verleenden aan vijanden des Christendoms en dat — een tweede misdaad — wat voor allen eene aansporing moest wezen tot hartelijke dankbaarheid aan den Gever van alle genade gaven, voor eeni-gen eene aanleiding werd tot nijd en afgunst. Dwaalleeraars waren opgestaan of in de vergaderingen der geloovigen binnengedrongen, om valsche leeringen te verspreiden, den Naam van den Heer Jesus te lasteren, het aanzien van den Apostel te ondermijnen en de bekeerden van het aangenomen geloof afvallig te maken; bovendien: velen misten de naasten-liefde, en daarom konden zij zich niet verheugen over de voorrechten, welke aan sommigen onder hen verleend waren. Omdat niet alle geloovigen dezelfde wonderbare gaven des H. Geestes noch in gelii'ke mate ontvangen hadden, werd de eensgezindheid verstoord; want, wie niet of minder begiftigd waren, benijdden uit gekrenkte eigenliefde de meer bevoorrechten; wie daarentegen meer ontvangen hadden, zagen met welgevallen op zich zeiven en met trotschheid op minder bedeelden neer, in plaats dat zij in nederigheid hunne onwaardigheid erkenden en zich dankbaar voor de verleende gunsten betoonden. Dezen zoowel als genen vergaten te bedenken dat, wat God den een of den ander gaf, tot heil en tot geestelijke vervolmaking van allen geschonken was en ook moest aangewend worden. — Kon de h. Paulus, die brandde van smart, als een zijner bekeerlingen tot ongeloof of zonde verleid werd, minder doen dan zijne beminden voor de valsche profeten te waarschuwen en hen te onderrichten over de wijze, waarop die vijanden der waarheid

324

ocr page 343

tiende zondag na pinksteren.

konden onderscheiden worden? Doch ook op de vraag hem aangaande de geestelijke gaven voorgelegd mocht hij het antwoord niet schuldig blijven. In het breede leerde hij hun, wie als de Gever daarvan moest erkend worden, welke de verscheidenheid en welk het doel daarvan was. Aldus zouden zij — mocht hij hopen — beveiligd zijn tegen alle verderflijke inblazingen en genezen worden zoowel van de bekrompenheid hunner opvattingen als van hunne liefdeloosheid. — Wat ons betreft: opdat wij uit hetgeen de Apostel den Corinthiërs ter leering en opwekking schreef, nuttige lessen trekken, behoeven wij slechts ons duidelijk te maken:

I valsche leeraars kunnen en moeten erkend worden;

II de gaven des H. Geestes moeten ook in anderen geëerbiedigd en met dankbaarheid gehuldigd worden.

I.

Hoe ongelukkig waren de Corinthiërs, vóórdat zij het Christendom beleden. Toen zij nog Heidenen waeen, gingen zij tot de stomme afgoden naar dat zij geleid werden. Geen besef hadden zij van de dingen der eeuwigheid en, blindelings verblinden volgende, wierpen zij zich in aanbidding neder voor een levenloos beeld van koper, hout of steen vervaardigd. Werken van menschen-handen, gouden en zilveren kunstgewrochten en afbeeldsels van dieren, een onnutte steen van een oude hand gebeiteld.... een knoestig hout in ledigen tijd uitgesneden en door kunstvaardigheid op een mensch gelijkende (Wijsheid XIII, 10, 13), dat waren de voorwerpen hunner godsdienstige vereering. Tot wat doof was richtten zij hunne gebeden ; wat levenloos was moest hen helpen; wierook brandden en offers brachten zij aan blinde voorwerpen; om weldaden smeekten zij van wat niet geven kon. Zoo onwijs gedroegen zich vroeger die Corinthiërs, welke voor wijzen en beschaafden wilden doorgaan, maar toen geleken op redelooze dieren, welke men heen drijft werwaarts men verkiest.

325

ocr page 344

TIENDE ZONDAG NA PINKSTEREN.

Zij lieten zich tot die mensch-onteerende afgoderij verleiden door hunne dwaasheid, welke hen de heerlijkheid van eenen onbederf-1 ij ken God deed verwisselen met de gelijkenis van een beeld — door hunne hartstochten, welke in de afgoden eene vergoelijking niet alleen maar ook een voorbeeld en eene aanmoediging vonden — door eene booze wereld, welke aan hare volgelingen in den dienst van wulpsche goden en godinnen voldoening beloofde der buitensporigste begeerten van een bedorven hart — door den duivel, die geen krachtiger middel kende om den mensch tot in de diepste zedelijke ellende te doen afdalen dan de vereering van den eenen of anderen afgod. Aan die verdierlijking waren de Corinthiërs verslaafd geweest en — geen twijfel — wie zich uit die zedelijke verlaging niet opgeheven had, kon niet in dien toestand van ongeloof en zedeloosheid aan de gaven van God den H. Geest deelachtig worden. De Geest van heiligheid kan toch niet wonen in een lichaam, dat der ongerechtigheid dienstbaar is; Hij zoekt zuivere harten, waarin Hij zijne heilige Liefde kan uitstorten, en zal het onderpand der verlossing slechts geven aan wie den waren God aanbidden in geest en waarheid. — Maar nu, eere aan God, zij waren afgewasschen door de wateren des Doopsels in den Naam der allerheiligste Drievuldigheid en geheiligd door de genade van God den H. Geest, Wien zij hadden ontvangen. Voorheen de bedrogenen en verleiden van Satan, waren zij nu de volgelingen van den goddelijken Herder der zielen geworden, uit de macht der duisternissen waren zij ontrukt en overgebracht in het Rijk van den Zoon van Gods Liefde, in Wien zij de verlossing hadden door zijn Bloed, de vergiffenis der zonden (Col. 1, 13).

Welke verplichtingen die gelukkige omkeer, aan Gods groote Goedertierenheid alleen te danken, hun allen oplegde, leeren ons de volgende vermaningen, hier en daar in de Apostolische brieven uitgedrukt: „laat u niet ten tweede male bedriegen „door valsche leeraars, die u van den waren weg afbrengen;

326

ocr page 345

tiende zondag na pinksteren.

„gij waart als dolende schapen, maar nu zgt gij naar den „eenig waren schaapsstal geleid ; uwe ziel was krank, doodeljjk „krank, maar nu is zij geestelijk gezond gemaakt; houdt dan „vast aan de belijdenis van uw geloof en volhardt in de ge-„hechtheid, welke gij den Heer Jesus Christus beloofd hebt.quot; En voor wie moesten zij zich wachten, wier omgang schuwen als van een melaatsche ; naar wier verleidelijke woorden mochten zij niet luisteren ? Hun geestelijke vader zeide het hun op zijdelingsche wijze door te verklaren, wie voor valsche, wie voor ware leeraars te houden waren; wie op ingeving van God, wie door den duivel spraken.

Niemand, die door den H. Geest spreekt, vloekt Jesus ; maar dan ook: die Jesus lastert; die van Hem en var; zijn leven, van zijne daden en van zijne leer met bespotting spreekt; die Hem niet erkent als den eeniggeboren Zoon des hemelschen Vaders, als den Verlosser der wereld en als den Leeraar der menschen; die Hem niet vereert als het Voorbeeld van volmaakte Heiligheid, als den Vriend van alle on-gelukkigen en den Geneesheer der zielen; die Hem niet aanbidt als den grooten Wonderdoener, als den Weldoener aller menschen, als den Zaligmaker van allen — die alzoo niet spreekt in den H. Geest, hij is een leugenaar en bedrieger, hij mag niet gehoord doch moet vermeden worden als elke dwaalleeraar en valsche profeet, al geeft hij ook valschelijk voor eene of andere gave van den H. Geest ontvangen te hebben. — Zoo ook leerde de h. Joannes: hieraan erkent men den geest Gods: alle geest, die belijdt dat Jesus Christus in het vleesch is gekomen, is uit God; en alle geest, die Jesus ontbindt, die leert dat Jesus niet is de Christus, is niet uit God (1 Joan IV, 2). Hiermede was den Corinthiërs en aan de ge-loovigen van alle tyden een niet falend kenteeken aangegeven, waaraan zij te onderscheiden zijn, die als predikers optreden. Wie niet gelooft, dat Jesus van Nazareth de beloofde Verlosser is; wie niet belijdt, dat Hij in de wereld gekomen is om

327

ocr page 346

tiende zondag na pinksteren.

allen van den eeuwigen dood te redden, die loochent Jesns' Waardigheid en Zending en Verlossingswerk, en aan hem moet als aan een ontkenner der grondwaarheden van het Christendom alle gehoor geweigerd worden.

Daarentegen: niemand kan tenzij door den H. Geest zeggen : Jesus is de Heer. Niemand kan Jesus belijden als zijn Heer en zyn God; niemand Hem met den h. Petrus en met den h. Thomas aanbidden als den Zoon van den levenden God; niemand Hem met Joannes den Dooper aanwijzen als het Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt; niemand Hem met de h. Maria Magdalena beminnen als de oneindige Liefde, welke alles vergeeft aan wie Hem liefhebben ; niemand kan van Hem met den goeden moordenaar een gedenken in het Rijk zijner eeuwige glorie vragen — dan in den H. Geest. De Geest van waarheid moet den onwetende met zijn licht bestralen, den zwakke met de kracht zyner genade versterken, in een woord: het goede werk in hem beginnen en voleindigen. By gevolg: wie met die kracht en dat licht toegerust en als een nieuwe Aaron onder het volk geworden is, de woorden Gods verkondigt met eerbied en met den gloed van eene dankbare liefde, hij moet als de prediker van Gods waarheden, als de verkondiger van Gods verhevene raadsbesluiten, als een der oude Profeten gehoord worden, die den weg Gods naar waarheid leert. Hij spreekt naar den wil en in den Geest van God; hij mag ook aanspraak er op maken, dat zijne woorden ingang vinden en in het hart bewaard worden, opdat zij vele vruchten ten eeuwige leven voortbrengen.

Opmerking. De h. Paulus leerde aan de Corinthiërs en daarmede aan ons naar welke leeraars moet en naar welke leeraars niet mag' geluisterd worden. Aan zijne woorden behoeven wij niets meer toe te voegen. Des te ruimere plaats kunnen wij wijden aan het maken van toepassingen op het leven, opdat het naar den geest van den Apostel geleid worde.

328

ocr page 347

TIENDE ZONDAG NA PINKSTEREN.

329

Ook onder ons zijn valsche profeten opgestaan, die zich steken in schaapskleederen maar inwendig verscheurende wolven zijn. Misschien vloeken zij Jesus wel niet met de tong, maar zij loochenen Hem door hunnen onchristelijken levenswandel, door werken der duisternis en door losbandige taal. Naar hun gedrag oordeelende, mogen wij hen er van beschuldigen, dat zij Jesus niet voor hunnen God erkennen, Hem niet gehoorzamen als hunnen Heer, Hem niet liefhebben als hunnen Verlosser, Hem niet vreezen als hunnen Rechter. De levenswijze, welke zij volgen, is in tegenspraak met Jesus' leer en gebod en, als waren zij Heidenen, naar zijne Kerk en hare voorschriften luisteren zij niet. Den godsdienst, anders voor het hart des menschen onmisbaar, zeggen zij te kunnen ontberen, het aanhooren van Gods woord houden zij voor nutteloos en een schadelijk tijdverlies, het bijwonen der godsdienstige vergaderingen, het bidden en het ontvangen der H.H. Sacramenten noemen zij kwezelarij, met de deugd te spotten is hun eene gewoonte geworden. En hoe vele goddelooze beginselen verbreiden zij door woord en in geschriften ; hoe vele onbezonnenen verleiden zij door hunne oneerbare of goddelooze gesprekken; hoe velen brengen zij ten val door hunne slechte voorbeelden! Dat zij meer nog dan een aanstekelijke ziekte te ontvluchten zijn; dat niemand zich in hun gezelschap zonder gevaar kan ophouden ; dat het — volgens de H. Schrift — beter is te wonen met een luipaard of leeuw dan met een goddeloos mensch, kunnen die ongelukkigen getuigen, welke de bitterste gevolgen ondervinden van de roekeloosheid, waarmede zij zich aan de verleiding blootstelden. Daarom, wie zich voor schande en wroeging wil behoeden, late zich niet meesleepen door de strooming van onze booze tijden maar sluite zich aan bij Jesus' getrouwe dienaren, bij hen die Jesus met den mond en metterdaad belijden, die de h. Kerk vereeren en hare voorschriften vervullen, die de vroomheid en de deugd beminnen, die stichten door woorden en voorbeelden, kortom ; bij hen die spreken en handelen door en in den H. Geest. — De h. Joannes besloot zijn eersten brief met deze vermaning: Wacht u voor dc afgoden. Dit woord moeten wij beschouwen als voor ons geschreven. Wei leven wij niet

ocr page 348

TIENDE ZONDAG NA PINKSTEREN.

te midden van die grof-zinnelijke afgodendienaars, onder welke de bekeerlingen der eerste tijden gedwongen waren te leven; maar er heerscht onder ons eene andere, eene verfijnde afgoderij, niet minder afschuwelijk en nog misdadiger dan die van het Heidendom, omdat zij gepleegd wordt door hen, die den waren God kennen — eene afgoderij door het hart en eene andere door den geest bedreven. De eerstgenoemde bestaat in eene onredelijke gehechtheid aan het schepsel, aan zich zeiven of aan de goederen dezer aarde, in den buitensporigen dienst van het geschapene met uitsluiting van God, in het najagen van een verlagend zingenot en in het voldoen aan dierlijke driften. — De andere openbaart zich 't meest in die zelfverheffing, waarbij de hoogmoedige zich in zijne verbeelding een standbeeld opricht, dat door anderen moet vereerd worden. Zoo zijn er velen, die op den in de geschiedenis bekenden Nabucho-donosor gelijken en zich minstens als de grootsten, als de besten willen geacht zien, niets minder wenschende dan dat anderen voor hen buigen en hen als een half-god eerbiedigen, wiens wil te volgen en wiens luimen voor wet te houden zijn.

Welke van die twee afdelingen der gezonde rede vooral afschuw wekkend en voor den misdadiger 't meest onteerend is, zal niet gemakkelijk zijn uit te maken. In zijn hoogmoed verheft de mensch zich bovenmate en vordert vereering van hoedanigheden of eigenschappen, welke overdreven worden maar toch voor een gedeelte bestaan. In die andere afgoderij daarentegen verlaagt hij zich beneden de waardigheid zijner men-schelijke natuur en daalt hij af tot hetgene stoffelijk of zinnen-streelend is. Daarin is laagheid, miskenning van zijne voorrechten en plichten. Hij moest zich te groot achten om aan dat nietige, aan dat wufte zijn hart te schenken. Wij zijn er ver af den hoogmoedige te verontschuldigen en weten zeer goed, dat die ondeugd afschuwelijk is in de oogen van God; toch zinkt de hoovaardige niet zoo diep weg als de wellustige en geldzuchtige; moet de eerste beklaagd worden, omdat hij ijdel is in zijne begeerten en gedachten, die anderen verdienen verachting, omdat zij zich slaven hebben gemaakt van de onedelste driften.

330

ocr page 349

TIENDE ZONDAG NA PINKSTEEEN.

II.

Na deze uitweiding moeten wij alle aandacht schenken aan het antwoord door den h. Paulns gegeven op eene vraag, welke de geloovigen te Corinthe hem hadden voorgelegd. Vooraf zij dit opgemerkt. De Zaligmaker had aan zyne leerlingen bij zijne Hemelvaart beloofd, dat buitengewone won-der-gaven aan zijne Kerk zouden geschonken worden, zoo dikwijls dit noodig ware tot voortplanting van het geloof, tot uitbreiding van zijn Rijk op aarde. Heerlijk werd die toezegging vervuld op het eerste Pinksterfeest en faalde in het vervolg nimmer — gelijk in de Handelingen der Apostelen en in de brieven vooral van de h.h. Petrus en Paulus vermeld staat — wanneer de Kerk daaraan behoefte had tot bevestiging van hare prediking der waarheid. Die bijzondere genaden bleven ook aan de gemeente te Corinthe niet onthouden. De h. Paulus noemde ze op, welke of aan den eene of aan den andere of aan meerderen te gelijk gegeven waren — tot stichting van de gemeenschap der Heiligen en ter bekeering van Heidenen:

AAN EEN IEDER WOEDT DE OPENBAEING DES CrEESTES GESCHONKEN ; DEN EENE HET WOOED DER WIJSHEID ; DEN ANDEEE HET WOORD DER WETENSCHAP ; EENEN ANDERE HET GELOOF ; EENEN ANDERE DE GENADE-GAVE DER GENEZINGEN ; EENEN ANDERE DE WERKING VAN WONDER-KRACHTEN, EENEN ANDEEE DE PEOFETIE, EENEN ANDEEE DE ONDEESCHEIDING DEE GEESTEN, EENEN ANDERE VERSCHEIDENE TALEN, EENEN ANDERE DE UITLEGGING DER REDEN.

Wij zouden getuigen moeten geweest zyn van die wonderbare werkzaamheid des H. Geestes, om al het heerlijke daarvan te beseffen. Niets blijft ons over dan dat wij ons in den geest verplaatsen te midden van die opgetogene vergadering om eenig denkbeeld te vormen van die genade-gaven.

Eene onzichtbare macht heeft eenigen dier aanwezigen als in bezit genomen om van hen het werktuig harer inzichten

331

ocr page 350

TIENDE ZONDAG NA PINKSTEREN.

332

te maken. Er staan sommigen op, over wie de Geest van wijsheid gekomen is, en zij spreken over de goddelijke waarheden en over de geheimen des geloofs met eene duidelijkheid, welke den geest overtuigt en met eene zalving, welke de innigste roerselen van het hart beweegt; anderen hebben de gave van wetenschap verkregen, zóódat zij de hoofdwaarheden van het Christendom verkondigen met kracht niet alleen maar ook op een gepaste en naar de bevatting van hun gehoor berekende wijze, waardoor op het gemoed der toehoorders, zij mogen meer of minder ontwikkeld zijn, een heilzame invloed uitgeoefend wordt. Ook het geloof, — die innige en kinderlijk eenvoudige zekerheid aangaande de waarachtigheid der leerstukken van den christelijken Godsdienst, welke geen twijfel kent, zóódat de zwakke in het geloof daardoor overtuigd en versterkt wordt en de leeraars der waarheid gesticht zijn — dat onbeperkt vertrouwen op Gods Almacht waarmede, volgens Jesus' woord, bergen verzet en, om met den h. Joannes te spreken, de wereld overwonnen wordt — den onverwinbaren moed, welke de grootste gevaren overwint en de moeilijkste hindernissen trotseert, dat alles vernemen wij uit die bezielde voordrachten welke gehouden, uit den gloed der oogen welke op ons gericht zijn, uit dat handen-gebaar en uit die gelaatstrekken, welke spreken van diep gevestigde overtuiging en geestdrift wekken. Onze bewondering stijgt ten top, als wij hooren, dat door eenigen op ingeving des H. Geestes de onbekende toekomst ontvouwd of zakelijke verklaring van den zin der profetische schriften gegeven of eene vermanende rede gehouden wordt, welke in hun mond ongewoon is ; als wij zien, dat door anderen in de macht van God op wonderbare wijze aan zieken de gezondheid teruggegeven en andere wonder-werken gedaan worden, welke 's men-schen kracht verre te boven gaan; als sommigen in die mate van boven verlicht worden, dat zij met juistheid onderscheiden, wat door den H. Geest is ingegeven, en wat als van den

ocr page 351

TIENDE ZONDAG NA PINKSTEBEN.

booze of van 's menschen vinding moet verworpen worden; als anderen talen spreken, welke zij niet hebben aangeleerd, of anderen de gave ontvangen, om wat dezen tot lof van God in vreemde talen verkondigen, dadelyk in hunne moedertaal over te brengen en te vertolken.

Wel moeten wij met den h. Paulus het bejammeren, dat die groote gaven van den H. Geest, aan den eene of den andere geschonken, eene aanleiding werden tot afgunst en nijd bij diegenen, welke of in het geheel niet of in mindere mate bedeeld waren. Zoo vertoonde zich de menschelijke zwakheid, de lage zelfzucht bij de verhevenste werkingen van den H. Geest en zij, die den Gever van alle genade-gt;ven niet genoeg dankbaar konden wezen, dat aan hunne mede-Christenen ten voordeele der geheele gemeenschap buitengewone genaden waren gegeven, konden niet verdragen, dat anderen bevoorrecht waren. Hoe diep kan toch een mensch vallen, als hij niet steeds eene wacht aan zijn hart geplaatst houdt om daarbuiten te bannen, wat hem in zijne eigene oogen verachtelijk moet maken ! Begrijpt hij dan niet, dat het voeden van de afgunst een verzet is tegen Gods vrije Almacht en Goedheid, die met Wijsheid zijne gaven uitdeelt en aan een ieder geeft, zooals Hij meent, dat het voor allen het beste is ? Bekwaamheden, krachten, goederen zijn gaven, welke niemand van zich zeiven heeft, maar van God ontving ; en de afgunstige, ze met weerzin opmerkende, zoude ze willen vernietigen, minstens ze aan de bevoorrechten willen ontnemen om zich zeiven daarmede te verrijken ! Dat is een opstand tegen Gods wil en Gods beschikkingen, die alles regelt en al zijne gaven verdeelt naar zijne wijze inzichten en met het oog op ieders welzijn. De Corinthiërs, die zich op grove wyze aan die liefdeloosheid en miskenning van Gods recht hadden schuldig gemaakt, werden op vaderlijke wijze terechtgewezen door hunnen leermeester in het geloof en in de

333

ocr page 352

tiende zondag na pinksteren.

zedenleer. Ee is verscheidenheid van genade-gaven — schreef

hij hun — maar dezelfde geest ; ook is er verscheidenheid van bedieningen maar dezelfde heer ; er is verscheidenheid van werkingen maar dezelfde god, die alles in allen

werkt. Hij wilde zeggen: een is de bron waaruit alle gaven voortvloeien, en daarom moeten alle Christenen één van hart en ziel wezen ; één en dezelfde Geest, Heer en God is het, die alle verscheidene gaven, bedieningen en werkingen onder de menschen verdeelt, en daarom moeten die met één en hetzelfde doel aangenomen en als daartoe geschonken erkend worden. Daarin moet bij gevolg eene schoone eenheid van plan en eene bewonderingswaardige orde gehuldigd maar ook de volmaaktheid van Gods werk door zijne kinderen zooveel mogelijk in hun gedrag nagevolgd worden. Schuldig zal derhalve te houden wezen, zoowel hij die zich op hetgeen hy is of ontving iets laat voorstaan en minder bedeelden veracht, als die andere, welke met God durft redetwisten en den even-mensch misgunt, wat God goedvond aan dezen op te dragen of te geven.

B\j een of ander der Christenen mag hoogmoed noch nyd ingang vinden; de eene moet in nederigheid erkennen, niets te zijn en niets te hebben wat hem niet door eene onverdiende gunst van God geworden is; de andere moet zich verblijden over de voorrechten aan zyne broeders in het geloof geschonken. Behalve om andere redenen drukt deze verplichting te zwaarder, omdat de H. Geest ze toedeelt èn gelijk Hij wil èn ten nutte van allen. Niemand kan op die gaven eenige aanspraak doen gelden. Geheel vrij, zonder door eene belofte gebonden te zijn, deelt de H. Geest ze uit aan wien en in die mate als Hy wil. Niemand kan Hem daarby een regel voorschryven, maar ook niemand mag een ander, die ze verkreeg, daarom benyden. quot;Want, zij worden gegeven ten nutte van de gansche gemeenschap, voor de opbouwing van het lichaam van Christus, ter voltooiing der Heiligen (Eph. IV, 12), ter uit-

334

ocr page 353

TIENDE ZONDAG NA PINKSTEREN.

breiding van Gods Kerk, ter bevestiging van het geloof, ter bekeering van de ongeloovigen. Allen, die er getuigen van zijn of er van hooren gewagen, hebben hun deel daarin en kunnen, zoo zij slechts willen, daaruit hun voordeel trekken. Zoude ook de Kerk hare lidmaten bij duizenden en nog eens duizenden geteld hebben en schier tegelijker tijd op verschillende plaatsen gevestigd zijn, zoo de H. Geest niet eenigen met bijzondere gaven had verrijkt, welke op den geest en op het hart van anderen den weldadigsten invloed uitoefenden? Zonder overdryving mag het gezegd worden: zij waren voor het Rijk Gods, wat de stralen der zon zyn voor de aarde, welke licht verspreiden, warmte meêdeelen en vruchtbaarheid geven aan eiken akker, wanneer zij niet met moedwil onderschept worden.

Of die bijzondere gunsten ook in latere tijden gegeven werden? Die, welke voor de geloovigen van alle tijden noodig zijn, onthoudt de H. Geest aan de door Hem bestierde Kerk nimmer. Ook onder ons werken de christelijke wijsheid en wetenschap ; heldhaftige mannen en vrouwen, geheel levende uit het geloof, telde de Kerk altijd en telt zij ook nu nog onder hare kinderen; de gaven van onderscheiding der geesten ontbreekt ook nimmer aan wie ze behoeven. Maar die andere, b.v. de gave der talen en de macht om wonderen te doen, zien wij niet meer schitteren dan bij hooge uitzondering. In de eerste tijden waren zij noodig om aan het verkondigde woord der waarheid overtuigingskracht by te zetten en ingang te verleenen in de gemoederen der toehoorders. De geschiedenis leert, dat de treffende bekeeringen veel meer toe te schrijven zijn aan de wonder-werken, welke op het gesproken woord volgden en het bevestigden, dan aan scherpzinnige redevoeringen of wijsgeerige verhandelingen. Zelfs de h. Paulus verklaarde het onbewimpeld: mijn spreken en mijne prediking — schreef hij den Corinthiërs — was niet met over-

335

ocr page 354

TIENDE ZONDAG NA PINKSTEREN'.

336

redende woorden van menschelijke wijsheid maar met betooning van Geest en kracht; opdat uw geloof niet op loijsheid van men-schen maar op Gods kracht zoude gegrond zijn (1 Corll. 4). Nu echter de Kerk verbreid is tot aan het uiteinde der wereld ; nu haar onafgebroken voortbestaan, niettegenstaande alle vervolgingen van tien keizers en in weerwil van alle aanvechtingen des duivels en ten spijt van alle haters van den godsdienst, getuigt van de haar inwonende kracht en het grootste aller wonderen is; nu ongeloovigen zoowel als geloovigen in haar moeten bewonderen eene stichting van hoogere macht, waartegen de machten der duisternissen niets vermogen; nu hare werkzaamheid zich betoont als heilzaam voor een ieder in 't bijzonder en voor de geheele maatschappij in het algemeen ; nu zij beschaving bestendigt en brengt waar zij niet bestond ; nu zij voor 't oog van allen den godsdienstzin aankweekt en de zeden reinigt — behoeft zij die buitengewone gaven niet meer. Haar bestaan en haar werk getuigen overredend, dat zij de Kerk is des levenden Gods, de zuil en grondvest der waarheid (1 Tim. III, 15). Evenwel, niet voor altijd heeft de H. Geest zijne wondermacht aan Jesus' stichting onttrokken. Hij weet, hoe dienstig het voor 't leven der Christenen is, dat van tijd tot tijd hunne geloofsovertuiging versterkt wordt, en zij als verplaatst worden in eene omgeving, waar onbetwistbare waarmerken te bewonderen zijn van eene goddelijke inwerking ter bevestiging van de waarheid, welke de ziel is van hun leven. Dan doet het hun goed dat zij, in tijden van lauwheid, onverschilligheid, van ongeloof en afval levende, bewijzen mogen zien, dat God als met een slag al de bekommernissen vernietigt, welke het beangstigde hart dreigen te overmeesteren. Wie denkt hier niet aan de wonderen te Lourdes in zoo groot aantal gebeurd, aan de Heiligen der laatst verloopene eeuwen, die Jesus' Kerk hebben opgeluisterd en door de vele genade-gaven, waarvan zij de dragers waren, de eer van God en het geestelijk welzijn van hunne even-menschen bevorderden?

ocr page 355

TIENDE ZOKDAO NA PFNKSTEREN.

337

22

Opmerking. De hand des Heeren is niet machteloos geworden en de rijkdom van den H. Geest is niet uitgeput. Wij allen ontvangen dagelijks vele goede gaven, welke ons verlichten en troosten, versterken en heiligen. Telken dage vloeien ons ontelbare weldaden toe, dienstig voor ons lichaam en vooral heilzaam voor de ziel. Die gunsten leggen ons zware verplichtingen op. Wij moeten ze met dankbaarheid aannemen en met groote zorg besteden voor dat doel, waartoe zij ons gegeven werden; nimmer mogen wij den H. Geest bedroeven, door die talenten ongebruikt te laten, minder nog door ze te misbruiken. W;e aldus handelde, zoude ingaan tegen de liefdevolle bedoeling van den goddelijken Gever, die mededeelzaam is om mededeelzamen te maken. God is goed tegenover ons, maar Hij wil ook blijde gevers zien, vrij van alle afgunst, vreemd aan allen nijd; daarentegen : milddadig jegens den naaste en dankbaar voor hetgeen anderen ontvingen. Enkele voorbeelden kunnen dit toelichten. Ons verstand moet de waarheid zoeken en, ze gevonden hebbende, aan anderen mededeelen; ons hart de deugd beminnen en, ze in beoefening brengende, aantrekkelijk maken voor den evennaaste. Wij moeten onberispelijk wandelen in al de geboden Gods om anderen door ons voorbeeld tot het dienen van God over te halen; de gezondheid en krachten des lichaams zijn te besteden aan het vervullen der beroepsplichten en tot stichting van geloovigen en ongeloovigen; wie over eenigen invloed beschikt, dient zooveel mogelijk dien aan te wenden tot steun van onderdrukten, ter verdediging van de onschuld en tot instandhouding van de mctatschappelijke orde, goede tucht en zedelijkheid; rijkdom is geschonken, opdat daarmede in de behoeften van noodlijdenden genoegzaam voorzien worde. Zoo moeten alle Christenen aan deze vermaning van den h. Petrus gehoor geven: naar de gave, welke een iegelijk ontvangen heefl, staat daarmede elkander ten dienste, als goede uit-deelers der veelvuldige genade Gods (i Pe. IV, 10).

Verklaringen der Epistelen. II.

ocr page 356

ELFDE ZONDAG NA PINKSTEREN.

Broeders. Ik maak u het Evangelie bekend, dat ik u gepredikt heb, dat gij ook hebt aangenomen, waarin gij ook volhardt, waardoor gij ook zalig wordt, indien gij het, zooals ik u gepredikt heb, vast houdt; of gij moest zonder reden geloofd hebben. Want ik heb u in de eerste plaats datgene overgeleverd, wat ik ook ontvangen heb : dat Christus voor onze zonden gestorven is, naar de Schriften ; en dat Hij begraven is, en dat Hij op den derden dag verrezen is, naar de Schriften, en dat Hij gezien is door Kephas en daarna door de elf Apostelen. Vervolgens is Hij gezien door meer dan vijfhonderd broeders tegelijk : en van dezen zijn er velen tot nu toe in het leven, eenigen echter zijn ontslapen. Verder is Hij gezien door Jacobus, vervolgens door al de Apostelen. En het laatst van allen is Hij ook gezien door mij, die als 't ware de ontijdig geborene ben. Want ik ben de minste der Apostelen, die niet waardig ben een Apostel genoemd te worden, omdat ik de Kerk van God vervolgd heb. Doch door de genade Gods ben ik, wat ik ben en zijne genade jegens mij is niet te vergeefs geweest.

(i Cor. XV, i—io.)

ocr page 357

ELFDE ZONDAG NA PINKSTEREN.

inleiding. Het leerstuk van Jesus' Verrijzenis is eene der gewichtigste waarheden. Daarmede staat of valt de diepste grondslag van ons geloof. Is Jesus niet van den dood opgestaan, dan heeft Hij het door Hem beloofde bewijs voor de Waarachtigheid zijner zending en leer niet geleverd, dan is ons geloof ijdel, onze opstanding uit het graf niet gewaarborgd, onze hoop op eene eeuwige belooning onbestaanbaar. Maar Christus is waarlijk verrezen, en bijgevolg bevat het Evangelie onwederlegbare waarheden, zullen wij eens de onsterfelijkheid aandoen en is de Hemel voor ons ontsloten. Al deze troostrijke waarheden bewijst de Apostel in eene breed opgezette verhandeling, welke het geheele Hoofdstuk vult, waarvan bovenstaande Epistel het begin is. Eene aanleiding tot de uiteenzetting der bedoelde geloofsleer gaf hem de dwaling, waarin vele bekeerde Corinthiërs verkeerden, die zich bij de zienswijze der joodsche Sadduceërs hadden aangesloten en afvallig waren geworden van de leer, hun door den h. Paulus verkondigd en met eene overtuigende macht van bewijzen gestaafd. Daarom komt hij in zijnen brief nog eens terug op hetgene hij gepredikt en zij aanvankelijk aangenomen hadden, brengt nog eens de getuigen aan, wier overeenstemmend woord eiken twijfel onmogelijk maakte, en besluit met eene nederige belijdenis zijner onwaardigheid en met de openhartige bekentenis, dat Hij alles aan Gods genade te danken heeft. Wij behoeven den Apostel in zijne bewijsvoering voor de Waarheid van Jesus' Verrijzenis niet te volgen. Onze »Verklaringen der Evangelieënquot; op Paasch-dag en op den eersten Zondag daarna behelzen eene volledige uiteenzetting, zoowel van de gronden voor die hoofdwaarheid des Christendoms als van de gevolgtrekkingen, welke daaruit voor een christelijk leven te maken zijn. Er zijn in den Epistel van dezen dag nog andere onderwerpen aangeroerd, welke onze aandacht overwaardig zijn. Dewijl de h. Paulus van zijne mondelinge prediking gewaagt en aandringt op den plicht om daaraan vast te houden — een plicht aan een ieder voorgeschreven, die zalig wil worden, bepalen wij ons tot het bespreken van deze punten:

I. hoe hij en ook na hem de h. Kerk het Evangelie predikte;

339

ocr page 358

elfde zondag na pinksteeen.

II. van het vasthouden aan het Evangelie hangt onze zaligheid af.

I.

De Verrijzenis van den Messias uit den dood was door de Profeten voorspeld, werd herhaalde malen door Jesus Christus zei ven met alle beslistheid geleerd, is als eene hoofdwaarheid van den christelijken Godsdienst door de Apostelen verkondigd met eene duidelijkheid, welke door een onderwerp werd vereischt, dat als hoogst gewichtig moet aangezien worden èn om zijne innerlijke waarde èn om zijne gevolgen. Ook is dit geloofspunt door de Kerk gedurende al de eeuwen van haar bestaan geleeraard en door alle Christenen van alle tijden beleden. Daarop gaan wij echter hier — zoo als gezegd is — niet verder in, maar houden ons uitsluitend bezig met de wijze, waarop de h. Paulus het aan zijne Corinthiërs in herinnering brengt. Zoo verwerven we ons een diep inzicht in de leerwijze, welke de Apostelen bjj hun onderricht volgden en ook de Kerk altijd gevolgd heeft.

Op de eerste plaats herinnerde de h. Paulus zijne bekeerlingen aan zyne prediking en aan hun geloof. Zij hadden uit zjjn mond de hoofdwaarheden van de geloofs- en zedenleer vernomen: dat Christus voor onze zonden gestorven, dat Hü na zyn dood begraven en op den derden dag na zijne begrafenis uit den dood verrezen was. Omtrent het laatste punt waren zij in dwaling geraakt, zóódat zij de opstanding van den Heer Jesus loochenden. Daartegen zijne machtige stem te verheffen was de onafwijsbare plicht voor hunnen Leermeester en Vader. En hoe hij zich van die taak kweet? Alsof hij hen voor het eerst onderrichtte, schreef hij: Broeders, ik maak u het Evangelie bekend en, na de diie genoemde waarheden vermeld te hebben, ging hy leerend en vermanend voort: „dien „schat van waarheden hebt gij ontvangen en ook aangeno-

340

ocr page 359

ELFDE ZONDAG NA PINKSTEREN.

„men; dien moet gij getrouw bewaren ten einde toe en in „de belijdenis van die waarheden volharden, om zalig te wor-„den; houdt gij daaraan niet vast, dan hebt gij zonder reden, „te vergeefs geloofd.quot; Dat waren scherpe woorden, welke tot in het diepste van hun hart moesten doordringen en ook een schitterend licht ontsteken voor hunnen geest — woorden welke het geheele bestaan van hun geloofsleven omvatten, hun verleden toen zy geloovig werden, hunnen tegenwoordi-gen toestand, zooals die wezen moest, hunne toekomst naar gelang zij of volhardend bleven in het ware geloof of van dat geloof afvielen. Doch hij bleef niet in gebreke hun de afdoende en overtuigende gronden voor te houden, waarom zij in de belijdenis der goddelijke leer staande moesten blijven en zich niet door valsche profeten mochten laten '/er-leiden. Met grooten nadruk wees hij hen op de overtreffende waarde zijner evangelische prediking, eensdeels door te verklaren, dat hy niet minder predikte dan de blijde boodschap, dan de ware leer des heils; andersdeels door hen te herinneren, dat zjj die gave des Hemels zóó hoog geschat hadden, dat zij die met blijdschap en dankbaarheid aangenomen en met standvastigheid eenigen tijd bewaard hadden; ten laatste door hen met zyn apostolisch woord te betuigen, dat voor hen geene zaligheid mogelijk was dan wanneer zij bleven wat zij tot dusverre geweest waren : eenvoudig geloovige Christenen.

Vreezende dat hij met een beroep op het vorig onderricht niet volstaan kon om hen van hunne dwaling te bekeeren, noemde hy op de tweede plaats tot in bijzonderheden al de getuigen op, welke voor de waarachtigheid van Jesus' Verrijzenis belijdenis aflegden. En wie zyn zü, welke op onbetwistbare wijze die waarheid, den grondslag van de christelijke leer waarborgen? „Let opquot; — wilde hy zeggen — „let „op, Corinthiërs! het zijn de h.h. Petrus en Jacobus en de „elf Apostelen en de vijfhonderd broeders. En die mannen „zijn betrouwbaar, zij moeten geloofd worden; hun woord

341

ocr page 360

ELFDE ZONDAG NA PINKSTEREN.

„is waarheid. Zoo gij hen als niet geloofwaardig afwyst, ont-,.kent gij den adeldom van 'smenschen karakter en zijne „waarheidsliefde; gij werpt alsdan de geheele geschiedenis „omver en loochent het bestaan van alle beroemde personen „en de waarheid van alle gebeurtenissen, welke uwe bewon-„dering opwekken. quot;Wat nog krachtiger spreekt is dit. Die „mannen, wier namen niet dan met grooten eerbied mogen „genoemd worden, gaven hunne gezondheid en krachten, hun „bloed en leven voor de verdediging der waarheid. Aardsche „inzichten bleven hun vreemd en naar geen ander doel streef-„den zij dan naar de verheerlijking van God en het geeste-„lijk welzijn van hunne evenmenschen. Leugen noch bedrog „kunnen verondersteld worden bjj hen, die alles veil hadden „ter bevestiging van het gesprokene woord.quot; — Te verwonderen is het niet, dat de Corinthiërs, door de macht der waarheid overtuigd, weldra van hunne kortstondige dwaling terugkwamen en later vele anderen zich door dezelfde redenen lieten winnen voor de zaligende leer des Kruises.

De h. Paulus verklaarde ten derde, dat hij als getuige van Jesus' Opstanding uit het graf optredende niets verkondigde dan wat hij ontvangen had, dan wat hem onmiddellijk door den Heer Jesus was geopenbaard; dat hij wijzen kon op de schriften des O. Verbonds, waarin eeuwen te voren door vóórafbeeldingen, door zinnebeeldige offeranden en vooral door voorspellingen was aangeduid, hetgeen in Jesus van Nazareth verwezenlijkt is. Maar was hij in dit alles geloofwaardig, moest aan zijn woord vertrouwen geschonken worden ? Met een enkel beroep op zijne, hem door den H. Geest verleende onfeilbaarheid had hij aan eiken twijfel een einde kunnen maken; doch dat voorrecht roerde hij niet aan om allen nadruk te leggen op zijne persoonlijkheid en op de genade, welke hem gegeven was. Wel was hij —zooals hij zich in zijne nederige bekentenis noemde, — de minste der Apostelen, een ontijdig geborene, iemand die de Kerk van Jesus vervolgd had.

342

ocr page 361

ELFDE ZONDAG NA PINKSTEREN.

343

maar welk een bewijskracht lag niet in zijne woorden, als hij der waarheid getuigenis gaf, die zijn eersten brief aan de Corinthiërs schrijvende reeds twintig jaar doorleefd had van smaad, van vervolging en ontbering, van gevangenis en doodsgevaar — om Jesus' Naam en tot staving van zyne overtuiging! Een ieder, die door vooroordeel niet verblind was, moest in het karakter, in het lyden, in de deugden, in het werken van zulk een getuige de bewijzen voor de waarheid der door hem verkondigde leer lezen. Nimmer zal door een mensch eene of andere gebeurtenis met grootere zekerheid gestaafd kunnen worden dan de Verrijzenis van Jesus door het woord van den h. Paulus; nooit is voor eenige waarheid van het Christendom een sterker bewijs aangevoerd dan voor Jesus' opstanding door den Apostel, die getuigde, dat de Heer waarlijk was verrezen. Den verheerlijkten Jesus had hij met eigen oogen gezien, toen hü op den weg naar Damascus van een verwoeden vervolger der Christenen door Gods genade veranderd werd in een geloovig prediker der waarheid; ook toen Jesus hem in een droomgezicht verscheen en de zending opdroeg om even standvastig te Rome te getuigen als hij te Jerusalem gedaan had. Hij kon alzoo in waarheid zeggen, dat hy evenals de andere Apostelen met eene verschijning van Jesus in diens waar en verheerlijkt lichaam bevoorrecht was. En overtuigend moest zijn woord luiden voor allen, die als redelijke menschen wilden oordeelen. Het werd immers bekrachtigd door talrijke wonderen, door een vlekkeloos en heilig leven en door eene zóó algeheele toewijding aan het verheerlijken van God en aan het bevorderen van des naasten heil, dat zij geene grenzen kende, niets ontzag, nooit eenige inspanning vreesde, zelfs een veelzijdig lijden en een pijnlijken dood gaarne onderging, werd Christus slechts gepredikt en als de beloofde Verlosser erkend. Het zou daarom onbegrijpelijk geweest zijn, bijaldien de Corinthiërs zich door de bezielende en wegslee-pende woorden van hunnen leermeester niet hadden overtuigd

ocr page 362

ELFDE ZONDAG NA PINKSTEREN.

verklaard en de troostrijkste waarheid niet geloovig hadden aangenomen; het ware een zielkundig raadsel, als zij zich niettegenstaande de bewijsvoering van den Apostel nog langer door bedriegelijke redeneeringen lieten betooveren om der waarheid niet gehoorzaam te zijn, terwijl hun de gestorven en verrezen Jesus zóó levendig werd voorgesteld, alsof Hij levend hun voor de oogen stond.

In de hoofdzaak is de leerwijze der Kerk nog altyd dezelfde, als welke wij door den h. Paulus gevolgd zagen. Hare geloofsverkondigers zendt zij uit om Gods naam te dragen voor volkeren en vorsten na hen gewyd en bekleed te hebben met haar gezag en met de opdracht de blijde boodschap des Evangelies te prediken. Maar eerst moet door hen gezworen worden, dat zij aan hare leer in de overlevering en de apostolische schriften uitgesproken onveranderlijk getrouw zullen blijven, opdat zij evenals de h. Paulus met beslistheid kunnen zeggen: „Wij spreken de waarheid en God weet, dat „wy niet liegen.quot; Zijn zij op die wyze gevolmachtigd en door een duren eed gebonden, dan gaan zij uit naar de uiteinden der aarde om de hoofdwaarheden des Christendoms voor 't eerst te verkondigen aan wie nog gezeten zijn in de schaduw des doods en ze te herinneren aan wie ze mochten vergeten hebben. Waarborgen voor de waarheid van hetgeen zij leeren en voor de geloofwaardigheid van hunne persoonlijkheid kunnen zij in menigte bijbrengen. Al wie in den dienst der Kerk leeraart, kan zich op hare onfeilbaarheid beroepen, welke de H. Geest mededeelt, die met haar blijft tot aan het einde der eeuwen; maar hoe bewijst hij, dat zyne getrouwheid aan de leer der Kerk niet betwijfeld mag worden? In de eerste tijden der Kerk werden de boden des heils en des vre-des veelal — en onder heidensche volken ook tot op onze dagen nog — dikwijls van boven toegerust met de gave van wonderen te kunnen wrochten, zóódat de woorden door den

344

ocr page 363

elfde zondag na pinksteren.

345

h. Marcus op ingeving des H. Geestes geschreven ook bij hen in vervulling gingen: zij, uitgegaan zijnde, predikten overal, terwijl de Heer medewerkte en het woord bevestigde door de teekenen, die er op volgden (XVI, 20). Evenwel, waar het Christendom reeds heerlijke overwinningen behaald heeft en in den geest en in het hart is doorgedrongen, pleegt God niet dikwijls met wonderen in het rijk der natuur gewrocht op te treden ter bevestiging van de door zijne dienaars gepredikte leer. „Als de geplante boomquot; — zegt de h. Greqoritjs — „reeds diepe „wortelen geschoten heeft, behoeft hij niet meer besproeid te „worden, hj] kan het noodige vocht uit den aardbodem zuigen.quot; Eigenlijk gezegde wonderen worden al zeldzamer, omdat God ze minder noodig acht. Maar daarom staan de predikers der waarheid niet zonder degelyke bewijzen voor ons. Reeds het enkele feit, dat zij mannen zijn van ijver en van deugd, van onwrikbare geloofsovertuiging en waarheidsliefde, mannen die ter eere Gods en tot welzyn hunner evenmenschen zich aan een strengen levenswandel onderwerpen, vele moeilijkheden en zelfs groote gevaren onverschrokken te gemoet gaan en bereid zyn om hunne beste krachten, zelfs hunne gezondheid en hun leven in den dienst van de waarheid op te offeren, dit alleen is voldoende, dat de hoorders met vol vertrouwen aan hun woord geloof schenken. Een ieder gevoelt, dat zij niet liegen noch anderen willen misleiden. En welke is de door hen jaren achtereen onvermoeid en tevens onveranderd verkondigde leer? Zy is niet alleen — waarvan een ieder zich kan overtuigen — in volkomene overeenstemming met hetgeen alle kerken in alle tijden geloofden; maar zij beantwoordt ook aan de innigste behoeften der ziel, openbaart haar waarheden, welke de mensch uit eigen denkkracht niet kan uitvinden, leidt zyn hart af van wat als verlagend moet veroordeeld worden om het te richten naar wat hij als betame-lyk moet hoogachten en belooft hem — ter belooning voor zijne inspanning — eene toekomst blijder dan hij zich kan

ocr page 364

ELFDE ZONDAG NA PINKSTEREN.

verbeelden. Vergiffenis van zonden, rechtvaardiging, vriendschap met God, eeuwige zaligheid — moeten die geloofspunten niet een geweldigen indruk maken op een ieder, die een blijvend geluk zoekt, al moeten daarvoor offers gebracht en verplichtingen aanvaard worden. Worden door die leer ook niet alle raadselen opgelost, èn van het verledene èn van het tegenwoordige èn van de toekomst der geheele menschheid? Al ware de geest in vele dwalingen verstrikt, het hooren alleen van die eeuwenoude waarheden, welke door onbaatzuchtige en geloofwaardige mannen verkondigd worden en voldoening geven aan het streven van elk rechtgeaard gemoed naar waarheid en naar zedelijkheid, verspreidt genoeg licht om alle nevelen te verdry ven en hem met gerustheid te doen belijden de eeuwige waarheid door G-ods Kerk en hare predikers geleerd. Bovendien: al gaat het woord van die geloofsverkondigers ook niet gepaard met wonderen in de stoffelijke natuur, zij kunnen zich op nog schitterender wonderen beroepen in de zedelijke orde. De immer werkende en beschavende invloed van den christelijken Godsdienst, het groot aantal van Heiligen in de school van Jesus gevormd, demil-lioenen Martelaren, die dezelfde leer met hun bloed bezegelden, het onafgebroken voortbestaan der Kerk ten spijt van alle machten der hel, welke niet ophielden haar te bestoken en tot haren dienst opriepen al het sluwe, verleidelijke en wreede, wat eene booze wereld kan aanbrengen, het zyn altemaal even vele wonderen, welke tot den uitroep dwingen: „daar „is de vinger Gods, daar leeft en heerscht de waarheid, daar „alleen is de zaligheid te vinden.quot;

Opmerking. Het voorbeeld van den h. Paulus, die den Co-rinthiërs bekende waarheden in het geheugen terugriep, geeft ons deze opmerkingen in de pen. Hij en zijne mede-Apostelen stelden zich niet tevreden aan hunne hoorderen een of andermaal de christelijke waarheden voorgedragen te hebben; voort-durend, bij elke gelegenheid, bij elke aanleiding kwamen zij

346

ocr page 365

ELFDE ZONDAG NA PINKSTEREN.

347

daarop terug. Wel een bewijs, dat de verkondigers van Gods woord gedwongen zijn bij herhaling diezelfde onderwerpen al is het in verschillenden vorm te behandelen, èn dat het voor de toehoorders van belang is dezelfde waarheden van den godsdienst dikwijls te hooren verkondigen. Dat is nuttig en voor velen eene noodzakelijkheid. Wie weet niet, hoe vergeetachtig de mensch is, veel meer nog in geestelijke dan in tijdelijke aangelegenheden. Het is geene zeldzaamheid volwassenen en ouderen van dagen aan te treffen, die veel minder van hunnen godsdienst kennen dan kinderen, die zoo pas het catechetisch onderricht verlaten hebben. Zij hebben in de verstrooiingen des levens schier alles vergeten wat zij in hunne jeugd geleerd hadden, en werd het hun bij wijlen niet voorgehouden, weldra waren zij in dat opzicht gelijk aan hen, die nog moeten onderwezen werden in de eerste grondbeginselen. Voor anderen is die herhaling heilzaam, opdat zij gehard worden in den moeilijken strijd des levens, in den .tegenspoed, in ziekten, in slechte tijden; dan vooral hebben zij moed en kracht te putten in de waarheden des geloofs, welke de verdienstelijkheid des lijdens leeren en eene schoone belooning in de eeuwigheid verzekeren aan allen, die den goddelijken Lijder het kruis hebben nagedragen tot op de kruin van Golgotha. Voor allen zonder uitzondering is zij noodig, opdat zij immer op nieuw van het kwade afgeschrikt en tot het goede aangespoord worden. Het woord Gods is volgens de h. Schrift gelijk aan een kostbaren regen, welke den bodem bevochtigt en vruchtbaar maakt; maar dan moet die niet slechts eens maar meermalen van den hemel neervallen om vruchtbaarheid te kunnen geven. Niet minder noodig is, dat de hoofdpunten der geloofs- en zedenleer dikwijls met nadruk door de lippen, welke de wijsheid bewaren, verklaard worden. Dan eerst mag de Kerk van Jesus zich met de hoop vleien, dat hare lidmaten niet slechts door een voorbijgaande geestdrift voor een oogenblik bezield worden, maar dat zij hunne moeder zullen verblijden door een volhardenden dienst van God en vruchten opleveren, welke blijven in de eeuwigheid.

ocr page 366

elfde zondag na pinksteren.

IL

Ik maak u — schryft de h. Paulus — het Evangelie bekend, waardoor gij zalig wordt. Dit is een woord van grooten troost maar ook van diepen zin. Green hooger geluk is denkbaar; God kan in zijne Almacht geene grootere belooning aanzyne getrouwen schenken dan de eeuwige zaligheid. Er zal ook niet een geloovige gevonden worden, die ze niet wenscht en niet begeert. Maar dat is niet voldoende om ze te verkrijgen; zy moet verdiend, de Hemel moet met geweld gewonnen worden. Waardoor en op welke wyze? De Apostel geeft ons een onfeilbaar middel aan de hand, leert ons het hanteeren van een wapen, waarmede het RJjk der glorie zeker veroverd wordt. Wy moeten aan het Evangelie vasthouden en uit het geloof leven. De waarheden, daarin verkondigd, moeten onze gedachten bestieren, de vermaningen daarin voorgehouden onze daden en woorden regelen, de wetten daarin vermeld voor onzen wil een richtsnoer blijven tot aan het einde van onze dagen. Het is derhalve voor allen een onafwijsbare eisch, dat zij zich bij al hun doen en laten de vraag voorleggen: welke Gods goede, welbehagelyke en volmaakte wil zy ; en bet antwoord zal zyn: „Gods wil is onze heiligmakingdat wy heilig zyn in onzen levenswandel, in den omgang met anderen, in het vervullen der beroeps- en godsdienstplichten, in het werken voor Gods eer en voor het welzijn des evennaasten; heilig zyn in het doen van wat goed en in het vermyden van al wat kwaad is; heilig zyn in de meening, welke ons tot handelen aandrijft, en in het uitwendig gedrag, opdat anderen onze goede werken zien en den hemelschen Vader verheerlyken, ook in elk woord dat over de lippen komt. Zoo levende en wandelende in al de geboden en voorschriften des Heeren, gehoorzamen wij aan het Evangelie en zal het ons zalig maken.

De gevolgtrekkingen uit het bovenstaande zyn gemakkelyk te

348

ocr page 367

ELFDE ZONDAG NA PINKSTEREN.

349

maken. Die vasthoudendheid aan het Evangelie maakt ons zalig, maar niet het volgen van de grondbeginselen der wereld, welke in het booze, in de macht van Satan ligt en als zoodanig vijandig staat tegenover God, Wien zij loochent zoo niet met woorden dan ten minste met daden; al wie dan ook een vriend van deze wereld wil zijn, die stelt zich tot een vijand van God (Jac. IV, 4). Niemand kan twee heeren dienen, van wie de eene wil, wat de andere verbiedt. Zulk een onoplosbare strijd bestaat er tusschen God en de booze wereld. De christelijke zedenwet verplicht tot gerechtigheid en deugdzaamheid, maar de wereld leeft in zonde en zedeloosheid; een Christen moet wandelen in het licht der waarheid, maar de wereld verkeert in de duisternis der dwaling; gene heeft Christus tot hoofd, zij daarentegen volgt de inblazingen van Satan ; wat Gode welgevallig is, wordt door de wereld veracht en bespot, maar wat slaven des duivels als een goed aanprijzen en als begeerenswaardig voorstellen wordt door God veroordeeld en gestraft. — Het Evangelie maakt zalig; derhalve niet de adeldom van geboorte, niet de achting der menschen, niet eene of andere waardigheid. God kent geen aanzien van personen, maar wie Hem vreest en gerechtigheid doet, is Hem aangenaam (Band. X, 34); en welgevalliger in zijne oogen zal de met lompen bedekte Lazarus wezen dan de in weelde levende rijke ; want deugd alleen wordt door God in aanmerking genomen, maar de toorn zijns gelaats zal gericht wezen tegen hen, die niet luisteren naar zijn gebod. Ook de rykdom mag geen aanspraak maken op Gods voorliefde of op diens beloonende Rechtvaardigheid, tenzij de verworvene schatten in de handen van noodlijdenden neerdalen en zoo als machtige voorsprekers vooruit gezonden worden, welke eene plaats gaan bereiden in de eeuwige woningen des Hemels; anders vallen zij, die rijk willen worden, in bekoring en in een strik des duivels, en in vele onnutte en schadelijke hegeerlijkheden, welke de menschen in ondergang en verderf dompelen.

ocr page 368

elfde zondag na pinksteren.

(1 Tim. VI, 9). Zoo mogelijk, nog minder zal de wellust eenig recht kunnen doen gelden op de beloften, welke door het Evangelie vermeld en door Gods onfeilbaar woord gewaarborgd z\jn voor allen, die hun lichaam kruisigen met zgne begeerlijkheden. quot;Want, wellustigen zullen, volgens het woord des h. Paulus, het Hemelrijk niet ingaan; dat wordt niet dan voor zuivere harten ontsloten.

Wie met ons het woord van den h. Paulus in dien zin opvat, zal moeten bekennen dat het aan ons godsdienstig leven hooge eischen stelt. Zijn wy echter in staat aan die eischen te beantwoorden ? Uit ons zeiven zeker niet, doch wel door de genade Gods, waarmede wij alles vermogen. Hoe machtig had zij zich betoond in den h. Paulus! Door de genade Gods — schreef hij — ben ik, wat ik ben. Wij weten, wat hij voorheen was: een hardnekkige vijand van Christus, een wreede vervolger der Christenen; wij weten, wat hij geworden is : een vat van uitverkiezing, een waardig Apostel, een zegen voor de gansche aarde, een Martelaar voor Jesus' Naam, een groot Heilige in den Hemel. Ook in ons zal de genade heilzaam werken, zoo wij er slechts voor zorgen, dat zij niet ijdel in ons zij, dat wy ze niet te vergeefs ontvangen. In den h. Paulus bracht zij een geheelen omkeer, een volslagen verandering te weeg; zij bleef in hem niet zonder vrucht, maar herschiep hem in een volmaakten leerling van den Heer Jesus Christus, en wel zóó dat hij tot zijne bekeerlingen zeggen kon : weest mijne navolgers en ziet op hen, die zoo wandelen gelijk gij ons tot een voorbeeld hebt (Philipp. Hl, 17). En wat gaf hem het recht zich dien lof te mogen geven en te durven beweren, dat hij op den akker van Gods Kerk oyervloediger gewerkt had dan een der andere Apostelen ? Niet anders dan de rijkdom der genade, welke hem geschonken was, en dan de getrouwheid der medewerking, welke hij verleend had. — Dat wij in alle omstandigheden des levens over de noodige genaden

350

ocr page 369

ELFDE ZONDAG NA PINKSTEREN.

kunnen beschikken om te volbrengen wat God van ons eischt, mag door geen Katholiek betwijfeld worden; maar ook zeker is, dat onze medewerking even noodzakelijk is, opdat wij iets goeds tot stand brengen en eenige verdiensten voor den Hemel vergaderen. Of zoudt gij voor denkbaar houden, dat een Christen kan worden, wat hij moet wezen, wanneer hij zich vergenoegde met het ontvangen en zich niet toelegde op het wedergeven ; dat hij zalig zoude worden door slechts te bewonderen en dankbaar te erkennen, wat God voor hem is en aan hem geeft, zonder dat hij zich bekommerde die gaven des Hemels te gebruiken tot het doel, waartoe ze hem geschonken werden ? God kan aan de vadsigheid geen ruime baan laten; Hij kan niemand beloonen dan hem, die met de ontvangen talenten overwinst maakt.

Opmerking. Nog verder over dit onderwerp uit te weiden ligt buiten dit bestek. Den volgenden Zondag noopt de h. Pau-lus ons daarover meer te zeggen. Op dit slechts worde nog met nadruk gewezen. Onze zaligheid hangt af niet alleen van de genade Gods maar ook van onze godsdienstige gezindheid gepaard met een godvruchtig leven, van het vasthouden aan de overgeleverde leer en van ons werken uit het geloof. Wie in het eene of in het andere te kort schiet, hem is het Evangelie te vergeefs gepredikt. Aan het leerstuk van Jesus'Verrijzenis — om bij dit voorbeeld te blijven — mag niet getwijfeld maar ook geen andere zin daarin gelegd worden dan welken de Kerk daaraan geeft; van den anderen kant; de beteekenis van dit heugelijk feit en de toepassing daarvan op ons leven voor de eeuwigheid, de eisch daardoor aan eiken Christen, die met Jesus wenscht te verrijzen, gesteld mag noch miskend, noch uit 't oog verloren worden. Christus is waarlijk verrezen en, opdat wij eens met verheerlijkte lichamen uit het graf opstaan, is het noodig dat wij in nieuwheid des levens wandelen. Zoo bevat het Evangelie leering en gebod; zoo houdt elk geheim uit jesus' leven ons duidelijk voor oogen zoowel wat geloofd als wat gedaan moet worden.

351

ocr page 370

TWAALFDE ZONDAG NA PINKSTEREN.

Broeders! Zoodanig een vertrouwen hebben wij door Christus bij God. Niet als waren wij uit ons zeiven genoegzaam om iets te denken uit ons zeiven, maar onze genoegzaamheid is uit God, die ons ook bekwame dienaars gemaakt heeft van een Nieuw Testament, niet door letter, maar door den geest: de letter immers doodt, maar de geest maakt levend. Indien nu de bediening des doods met letters in stee-nen gegrift, in heerlijkheid geweest is, zóódat de zonen Israels hunne oogen niet konden vestigen op het aangezicht van Moses, wegens de heerlijkheid des gelaats, welke te niet gaat, hoeveel te meer zal niet de bediening des Geestes in heerlijkheid zijn. Want, indien de bediening der veroordeeling heerlijkheid is, veelmeer is de bediening der gerechtigheid overvloedig in heerlijkheid. (2 Cor. III : 4-9.)

Inleiding. Al aanstonds vergt het woord van den h. Paulus: Broeders ! Zoodanig een vertrouwen hebben wij door Christus bij God — eene verklaring om den samenhang van hetgeen volgt te kunnen vatten. De Apostel moest zich

ocr page 371

TWAALFDE ZONDAG NA PINKSTEREN.

verweren tegen zijne vijanden, die hem roemzucht verweten, en verklaarde dat hij geene aanbevelingsbrieven van of aan de Corinthiërs behoefde, zooals zijne tegenstanders. Dezen mochten daarmede pralen ; hij kon een nog schitterender getuigschrift overleggen om allen te beschamen, zoo wel wie hem tegenwerkten als wie zich van hem lieten vervreemden. De kerk van Corinthe door zijn Evangelischen arbeid gesticht was zijn aanbevelingsbrief; voor die planting koesterde hij eene zóó teedere liefde, dat zij als in zijn hart leefde, en zij werd om haren luister door allen gezien en bewonderd. Die gemeente was zijn werk in den Heer en daarom voor hem eene aanbeveling én bij de Corinthiërs én bij anderen. Zij was als een openbare brief, door Christus opgesteld, waarbij hij voorschrijver had gediend; die brief was niet met inkt, niet met een natuurlijk schrijfgerei, maar 7net den Geest des levenden Gods, met het bovennatuurlijk hulpmiddel der genade des H. Gees-tes, niet op steenen tafelen zooals de Mosaïsche wet maar in hunne harten geschreven. Geen enkele van zijne bestrijders vermocht zulk een brief van aanbeveling voor te leggen; hij alleen kon roemen de geestelijke vader der Corinthiërs te zijn; zij waren als eene bezegelde bevestiging en het onwraakbaar bewijs van zijn Apostolaat, eene verdediging bij die zich verstoutten hem ter verantwoording te roepen omtrent zijne volmacht en zending en werkzaamheid. „Indien gij althansquot; — kon hij de Corinthiërs aansprekende zeggen — „zóó leeft, dat ik »mij op u als ware bekeerlingen mag beroemen. En zulk een «vertrouwen hebben wij door Christus, die ons tot bekwame »dienaars des Evangelies gemaakt heeft, en bij God, van Wien »wij de belooning van onzen arbeid verwachten. Ik ben het, »die u het eerst het Evangelie heb verkondigd, en gij hebt »het aangenomen; ik heb u de wet des Heeren geleerd, en gij »hebt daaraan gehoorzaamd. Het nut, dat ik bij u stichtte, «spreekt ten gunste van mij en wel op overtuigende wijze.quot; — Maar aan wien kwam de eer van die bekeering der Corinthiërs toe ? Wien moest daarvoor dank gebracht worden ? Met het antwoord op die vraag leerde de h. Paulus aan zijne bekeerlingen en tegelijk aan ons deze twee hoogst belangrijke waarheden;

Verklaringen der Epistelen. II. 23

353

ocr page 372

twaalfde zondag na pinksteeen.

I aan de genade van God was hij alles verschuldigd,

II door die genade was hij de bedienaar van een beter Verbond dan het Oude was.

1.

Aan niemand, dia zich eenigszins met de brieven van den h. Paulus heeft vertrouwd gemaakt, zal het ontgaan zijn, hoe dikwijls en met hoe grooten nadruk hij van den eenen kant het onvermogen des menschen om iets ter zaligheid uit zich zeiven te kunnen doen en van den anderen kant de alles overtreffende kracht van Gods genade verkondigt en toelicht. „Wat hij was, dat was hij door de genade van God; uit zich „zeiven kon hij niets, maar alles door Hem, die hem ver-„sterkte; de genade was voor hem genoeg om den prikkel „des vleesches te overwinnen, maar hij kon den Naam van „Jesus niet uitspreken dan in den H. Geest; God, die het „beginnen geeft, moet ook het volbrengen geven.quot; Deze en soortgelijke gedachten komen telkens in zijne brieven terug en vinden hare duidelijkste uitdrukking in dit woord: Niet

als waren wij uit ons zelven genoegzaam om iets te denken als uit ons zelven; maar onze genoegzaamheid is uit

God. Daarmede verklaarde hij, dat hij aan zijne eigene kracht overgelaten, zonder den bijstand der genade niet in staat was iets goeds te denken of te doen, veel minder nog om de bekeering der Corinthiërs te bewerken. — Deze openhartige bekentenis des Apostels noopt ons, dat wij ter verklaring zijner woorden in weinige woorden het katholiek leerstuk aangaande de noodzakelijkheid der genade bespreken.

Genade is eene bovennatuurlijke op den inwendigen mensch inwerkende gave Gods, welke Hij uit loutere Goedheid en om wille der verdiensten van Jesus Christus ons geeft, opdat wij onze zaligheid kunnen bewerken. Zij is een geschenk, een gunstbewijs, eene weldaad, welke aan de ziel wordt me-

354

ocr page 373

TWAALFDE ZONDAG NA PINKSTEREN.

355

degedeeld, in tegenstelling van die andere uitwendige gunsten, welke op het lichaam alleen betrekking hebben als gezondheid, voedsel, kleeding. Zij moet eene bovennatuurlijke gave genoemd worden, omdat zij boven de natuur uitgaat, ai ons denken en willen en doen verheft tot een graad van heiligheid en verdienstelijkheid bij God, waarvoor natuurlijke krachten niet toereikend zijn. Dit voorbeeld moge ter verklaring dienen. Van den aanvang af heefb God aan alle menschen eene meer of minder beperkte mate gegeven zoowel van licht, waardoor zij denken en overleggen en kennis verzamelen, als van kracht waardoor zij hunne driften of ongeregelde neigingen onderdrukken en een of ander zedelijk goed werk verrichten konden. Wij noemen dat een natuurlijk licht, eene natuurlijke kracht, omdat zij in overeenstemming zijn met de menschelijke natuur, waardoor de redelijke schepselen boven de redelooze verheven zijn. Zoodra echter er spraak is om een voor de eeuwigheid verdienstelijk, een Gode welbehagelijk werk te verrichten, om heilig en zalig te worden, is het noodig dat een hooger licht ons bestraalt en een heiliger kracht ons helpt, met andere woorden; eene genade moet ons gegeven worden, welke de natuurlijke krachten overtreft en op het verstand en op den wil zóódanig inwerkt, dat wij b.v. aan Gods onfeilbaar woord gelooven en uit liefde tot God doen wat wij anders, aan ons zeiven overgelaten, noch zoo duidelijk inzien en met zoo vaste overtuiging gelooven, noch zoo bereidvaardig en met zulk eene goede meening verrichten zouden en ook niet konden. Die genade, aan een ieder in genoegzame mate aangeboden om te volbrengen wat God van hem eischt, die hulp van God, welke ons kracht geeft om te kunnen wat wij uit ons zeiven niet vermogen, wordt werkdadige genade genoemd. Zij is noodzakelijk om een verdienstvol werk te doen en om al de zonden te vermijden; zij spoort ons aan tot het goede en helpt om het te volbrengen; zij verlicht ons verstana om het goede van het kwade te onderscheiden

ocr page 374

twaalfde zondag na pinksteren.

en beweegt onzen wil om te volvoeren wat Gode welgevallig is en om te vermijden, wat Hem beleedigt. Zij is voor den zondaar eene noodige kracht om uit zijn ellendigen toestand te kunnen opstaan en voor den rechtvaardige om in de vriendschap met God te volharden. In dezen zin leerde ook de h. Augustinus ; „vrijheid en verstand zijn zeker geschenken „van Gods Goedheid, maar die gaven, waardoor wij van het „redelooze dier onderscheiden zyn, mogen niet verward wor-„den met de genade, waardoor wij rechtvaardig en heilig zijn „voor God.quot;

De middelen, waardoor wij ons die hulp verzekeren zijn even verscheiden als machtig. Behalve het gebed, waardoor alles te verkrygen is wat tot het vervullen van onze plichten en tot het bewerken der zaligheid noodig is ; behalve ook de h.h. Sacramenten, welke als kanalen zijn, waardoor ons de genaden in ryke mate toevloeien, verbindt God zijne gunsten niet zelden aan treurige en aan blyde gebeurtenissen, waardoor Hij den toegang tot het hart voor zijne genade vergemakkelijkt en hare inwerking op den wil versterkt. Nu eens bewerkt het aanhooren van eene predikatie of het lezen van een stichtend boek zalige vruchten van bekeering of van verbetering des levens; een andermaal oefent een hartelyk woord of eene heilzame vermaning een machtigen invloed ten goede uit. Ook een of ander schrikwekkend feit, hetwelk Gods Almacht in vlammend schrift voor oogen stelt en dat aan het naderend oordeel doet denken, of wel een tot blijdschap stemmend feit, hetwelk tot dankbaarheid verplicht, het ondergaan van een ongeluk en het verlies van tijdelijke goederen, of het verwerven van eenig gewin en het genieten van voorspoed, of ziekte of het herkrygen der verlorene gezondheid — deze en zoovele andere levensomstandigheden zijn in Gods Voorzienigheid en in de plannen zyner Wysheid hulpmiddelen, waarvan Hy Zich bedient om den eene van een verkeerden weg terug te brengen en den andere met reuzenschreden op den goeden weg

356

ocr page 375

twaalfde zondag na pinksteren.

te doen voortgaan, derhalve in den vollen zin des woords genaden, gunsten van den goeden Yader, die het welzyn zy-ner kinderen beoogt en hen ter zaligheid wil helpen. Alsdan komt het er slechts op aan, dat de mensch zich niet verzette tegen de inwerking van Gods genade, dat hij ze niet te vergeefs ontvange. Het helpt den kranke niet, wanneer hem geneesmiddelen worden voorgeschreven maar hij weigert ze te gebruiken ; evenmin baat het den Christen, wanneer God hem genade op genade aanbiedt, maar hij zich op den dag der bezoeking verhardt.

Na deze uitweiding keeren wij tot den h. Paulus terug, om van hem te leeren, hoe machtig en tevens hoe noodzakelijk voor den Christen de genade Gods is om Hem te kunnen dienen en voor het eeuwig heil van zich zeiven en van anderen werkzaam te zijn. De Apostel kon, als elk redelijk, mensch, zonder de hulp der bovennatuurlijke genade, denken en willen en werken. Ware dit niet zoo, dan zoude geen mensch kunnen zondigen noch door gedachten, noch door woorden, noch door werken. Niemand toch zal beweren, dat de zondaar met Gods genade zondigt. Om dezelfde reden zoude geen enkele de genade kunnen verachten of zich daartegen verzetten, en toch leert de ondervinding, dat een betreurenswaardig misbruik der vrijheid het medewerken met de genade vrijwillig belet. Maar wat leert dan de Apostel als hij zegt:

niet als waren wij van ons zelven genoegzaam om iets te

denken als uit ons zelven ? Die nederige belijdenis moet in verband genomen worden met het onderwerp, wat hij behandelde. Hy sprak over zyne werkzaamheid onder de bevolking van Corinthe, over hunne bekeering tot het ware geloof, alzoo overeen werk, dat tot de bovennatuurlijke orde behoorde. Welnu, aangaande dien arbeid, waaraan God den wasdom gegeven had, legde hij de getuigenis af van zijne ongenoegzaamheid. Hy verklaarde zich over de geschiktheid ter uitoefening van zijn Apostolaat en

357

ocr page 376

twaalfde zondag na pinksteren.

358

over de vruchten van zijne werkzaamheid. Het eene zoowel als het andere was voor hem eervol, maar hij gaf daarvan alle eer aan God door openhartig te erkennen, dat hij uit zich zeiven niet vermocht iets te denken wat betrekking had op de bekeering der Heidenen of der Joden, laat staan om iets voor het geestelijk welzijn van wie ook te doen zonder de genade van God. Die genade had hem de gedachte ingegeven om zijne krachten aan dat heilig werk te wijden; zij had zijn wil in die richting gestuurd en hem de gepaste middelen aan de hand gedaan, waardoor hij zijne liefdevolle plannen kon ten uitvoer leggen; zij had hem in zijn aposto-lischen arbeid ondersteund en daaraan vruchtbaarheid geschonken. Wel was hij geen zielloos, onbewust, onvrij werktuig van God geweest als de hamer is in de hand van den timmerman : anders zoude niet hij gedacht, niet hij gewild, niet hij gearbeid hebben, niet hij hebben medegewerkt met de genade, welke van God uitging, ook niet eenige belooningen kunnen verwachten voor zijn lijden en strijden. Maar Gods genade had hem tot een bekwaam dienaar van een Nieuw Testament gemaakt en die genade was in hem niet ijdel geweest; in den dienst van God had hij met die genade medewerkende meer dan een der andere Apostelen gearbeid. Zoo trad hij op als verkondiger der waarheid, niet eene leer predikende welke hij uitgedacht had maar welke hem onmiddellijk door God was geopenbaard; en dat hij ze naar hare beteekenis opvatte, klaar en duidelijk voordroeg, zich schikkende naar de vatbaarheid zijner hoorders, ook dit was eene gave, het werk der genade. Als hij verder de aangelegenheden der verschillende kerken regelde, zijne beslissing gaf, vermaande of berispte, bestrafte of prees, in alle omstandigheden handelde hij als dienaar des Heeren en onder den invloed der genade. Wat hij deed als herder, als leeraar, als stichter van gemeenten, dat alles was het werk van God, van Wien hij de eer had medearbeider te zijn. God had hem met de noodige ver-

ocr page 377

twaalfde zondao na pinksteren.

mogens toegerust, opdat hij een bekwaam dienaar des N. Verbonds kon zijn; aan God alleen gaf hij ook alle eer voor den zegen, welke zijn Apostolaat vruchtbaar had gemaakt.

Opmerking. Op allen, die de besprokene woorden des Apostels tot onderwerp van eene aandachtige overweging nemen, zullen zij een heilzamen indruk maken. Wat zijn wij nietig, die niets goeds kunnen doen zonder de genade van God; wat zijn wij machtig, die alles kunnen met die genade! Alle redenen tot hoogmoed, tot zelfgenoegzaamheid zijn ons ontnomen; van den anderen kant: alle redenen pleiten voor een onbegrensd vertrouwen op Gods hulp. Wie roemen wil,, hij roeme in den Heer, want in zich zeiven te roemen is voor den mensch de grootste dwaasheid, omdat hij niets heeft wat hij niet van God ontvangen heeft. »Wij zijn nietsquot; — zegt de h. Anselmus — »tenzij wij door de Barmhartigheid en de »genade van God bestuurd worden.quot; — Een ieder vernedere zich daarom onder de machtige hand van God en houde zich overtuigd van de dringende noodzakelijkheid zonder ophouden met vertrouwen te bidden en Gods genade af te smeeken, opdat in zijn hart door den H. Geest de liefde uitgestort worde, welke alles gemakkelijk maakt; opdat hem het noodige licht en de noodige kracht geschonken worden ten einde hij èn wete èn wille èn volbrenge, wat Gods welbehagelijke wil is.

11.

Na eene nederige belijdenis van zijne zwakheid afgelegd te hebben, verblijdt de h. Paulus zich denkende aan de voor-trefFeiykheid der bediening, welke hem door de Goedgunstigheid van den Verlosser der wereld is toevertrouwd. Maar ook de Corinthiërs wil hij deelgenooten zijner vreugde maken. HÜ, vroeger een hardnekkige Phariseër en doorkneed in de wetenschap der joodsche instellingen aal nu, door de openbaringen van God onderricht en in de geheimen van Jesus' leer

359

ocr page 378

twaalfde zondag na pinksteren.

en Kerk ingewijd, hun leeren wat zij aan het Christendom te danken hebben, welke voordeelen hun door de nieuwe en geloovig door hen aangenomen leer geschonken zijn.

Hoog verheven in alle opzichten is het Nieuwe boven het Oude Verbond. Dit blijkt — om met den h. Paulus te spreken — uit hetgeen het is en uit hetgeen het geeft. Vooreerst zijn de bedienaars van het N. Verbond geene bedienaren van de letter, niet van eene wet, welke door bemiddeling van Moses gegeven en door Gods vinger op steen was geschreven en door de levieten moest voorgelezen en verklaard worden, maar dienaren van den H. Geest, dien zij hadden ontvangen en aan anderen moesten mededeelen, die ook de N. Wet in de harten geschreven had en de genade gaf en de liefde uitstorte, opdat ze naar behooren kunne vervuld worden. Met te verwonderen is het dus, dat de h. Paulus roemen kon een bekwaam Dienaar des N. Verbonds te zijn. De letter immers doodt, maar de Geest maakt levend. De wet gaf door hare veelvuldige geboden en vele verbodsbepalingen aan de Joden wel te kennen, wat zij doen en laten moesten, maar wekte daardoor tevens in hen, in wie na den zondenval de trek lag naar het verbodene, de begeerlijkheid op. Zoo werd zij, ofschoon in zich zelve goed, eene aanleiding tot zonde en, dewijl zij niet de noodige bovennatuurlijke hulp aanbood om hare geboden te kunnen onderhouden of om aan de verleiding tot overtreding te kunnen weerstaan, doodde zij den mensch in twee-voudigen zin: naar het lichaam, omdat op het overtreden van vele geboden de straf des doods gesteld was, en naar de ziel, omdat de overtreders eene zware schuld op zich laadden. In het N. Verbond echter wordt met de volmaaktere wet der genade ook de H. Geest gegeven, die levend maakt en door de kracht zijner bovennatuurlijke hulp een ieder in staat stelt om aan zijne verplichtingen te voldoen, zelfs om uit den dood der zonde, mocht hij daarin vervallen zyn, tot een geestelyk leven op te staan; bovendien stort Hij in én het geloof én

360

ocr page 379

TWAALFDE ZONDAG NA PINKSTEREN.

de hoop én de liefde, deelt zoo het ware, het geestelijke leven mede en leidt tot een eeuwig gelukzalig leven, den mensch heiligende en hem de noodige middelen aan de hand gevende, waardoor hij zijne zaligheid kan bewerken. Wat alzoo de O. Wet niet vermocht, namelyk van zonden te reinigen en met God te verzoenen, dat en nog meer bewerkt de N. Wet door de genaie des H. Geestes. „De eerst genoemde Wetquot; — leert ons de h. Augustinus — „was goed in zoo verre zij „beval wat goed was; de andere is goed in wat zy geeft.quot;

De Apostel gaat nog verder in op dat onderwerp en om de valsche leeraars, welke de bekeerlingen tot het Jodendom trachtten over te halen, te beschamen en de goede Christenen in hunne geloofsovertuiging te bevestigen. Met dat doel voert hij drie punten van vergelijking aan tusschen de bediening der Apostelen en tusschen die van Moses, waardoor de hoo-gere voortreffelijkheid der eerste boven de andere uitkomt. Hy betwist noch verkleint de heerlijkheid des Ouden Ver-bonds, integendeel: hij erkent en roemt ze. Maar uit die heerlijkheid bewijst hij de onvergelijkbaar hoogere heerlijkheid van het Nieuwe, aantoonende hoezeer de Apostelen verre verheven zijn boven Moses.

De bediening van Moses was die des doods. Want, al was de Oude Wet goed en heilig en rechtvaardig, al moest zij volgens Gods raadsbesluit er toe dienen om aan de mensch-heid haren hulpbehoevenden en hulpeloozen staat te doen gevoelen en om allen tot Christus, den beloofden Messias te leiden ~ zij, die wel kennis van zonde gaf en ze veroordeelde maar geene genade om ze te vermijden, werd eene wet des doods, eene kracht der zonde, een engel des doods (1 Cor. IV, 56), zooals wij reeds boven aantoonden. Toch is de bediening daarvan in heerlijkheid geweest door de groote en schrikwekkende wonderen, welke hare afkondiging vergezelden. Hoeveel meer zal de bediening des Geestes in heerlijk-

361

ocr page 380

TWAALFDE ZONDAG NA PINKSTEEEN.

heid zijn, des levendmakenden Geestes, der gerechtigheid. van die genade welke rechtvaardig maakt; de bediening, waardoor de H, Geest medegedeeld wordt, die door de kracht zijner genade een ieder in staat stelt om alle geboden Gods te kunnen onderhouden, als een rechtvaardige te leven en den Hemel te verdienen.

Toen Moses met die doodende wet der tien geboden, met letters in steenen gegrift, van den berg Sinaï afdaalde, vreesden de Joden en vermochten niet zijn aangezicht te aanschouwen wegens de heerlijkheid zijns gelaats, wegens den lichtglans, welke daarvan afstraalde. Doch heerlijker nog is de Apostel, op wien de luister en glans afstralen van eene bediening, welke aan anderen het geestelijk leven geeft, welke ook, wordt zij volhardend volgehouden, bij de wederkomst des Heeren met eene kroon van onvergankelijke glorie zal beloond worden en zoo een bovenmate uitnemend gewicht van heerlijkheid zal verwerven voor hen, die op aarde de uitdeelers van Gods genade waren.

De heerlijkheid van Moses ging te niet-, zij was voorbijgaande, duurde slechts een korten tijd en duidde door hare vergankelijkheid de vergankelijkheid aan van de bediening des O. Verbonds en van dat Verbond zelf. Zij kon slechts een korten tgd duren evenals de bediening, welke door eene volmaaktere vervangen werd. En deze hield inderdaad op door de komst van den beloofden Messias, die de vervulling, het doel en het einde der wet was, en in Wien allen door het geloof rechtvaardiging konden vinden. Maar die bediening der Nieuwe Wet moet blijven tot aan de voleinding der eeuwen, want alle menschen van alle tijden wenscht God te zien komen tot de kennis der waarheid en tot het leven der genade. — Niemand zal aarzelen aan Paulus zijn pleitgeding gewonnen te geven. Al wie zich Jesus' afgezanten, vertegenwoordigers en plaatsvervangers mogen noemen, zijn boven Moses verheven in waardigheid, in bediening en in glorie. Het N. Verbond ver-

362

ocr page 381

TWAALFDE ZONDAG NA PINKSTEREN.

heft hen zoo hoog. Daarom kon de Apostel zich tegenover zyne vijanden beroemen en van allen eischen, dat aan hem meer geloof geschonken, op hem grooter vertrouwen gesteld werd dan op die valsche Profeten, welke zich in schaaps-kleederen hulden, maar zich als grijpende wolven gedroegen doordat zij hunne hoorders van de alleenzaligmakende leer van Jesus trachtten afvallig te maken.

Naar best vermogen hebben wij deze moeilijke plaats van den Apostel der Heidenen verklaard. Toch mogen we ons niet van alle verplichting tegenover onze lezers reeds ontslagen achten. Ook tot ons, Christenen van dezen tyd, spreekt uit Paulus' woorden eene ernstige aansporing tot dankbaarheid aan God, en daarop dient de aandacht gevestigd. Wy ontvingen het voorrecht te leven onder de N. Wet, welke genade geeft maar tevens de volmaaktheid predikt. Dat voorrecht legt alzoo ook verplichtingen op, welke in zekeren zin moeilijk te vervullen zijn. Eenige voorbeelden zullen dit genoegzaam toelichten. Het O. Testament gebood : „gij zult niet „doodenquot; ; dat is de letter, maar de geest van dat gebod, door den Verlosser zeiven aangegeven zegt: „gij zult geen gramschap, haat noch wrevel voeden tegen uwen broeder, en wie „op hem toornt is schuldig voor het gerecht.quot; De O. quot;Wet • verbood echtbreuk, en de Nieuwe door Jesus verkondigd leert dat „al wie eene vrouw aanziet met begeerlijkheid al reeds „overspel in zijn hart bedreven heeft.quot; „Gij zult op den Sabat-„dag noch uw knecht, noch uwe dienstmaagd eenig werk doen „verrichten,quot; zoo luidde het oude gebod, en het nieuwe eischt, dat de dag des Heeren geheiligd worde en de ziel zich met hare eeuwige belangen bezig houde, dat godvruchtige oefeningen, het bijwonen der kerkelijke bijeenkomsten, het doen van werken vooral van geestelijke barmhartigheid dien dag wijden aan den dienst van God. Voor de Joden was het voldoende, dat zij besneden werden in het vleesch om opgenomen te

363

ocr page 382

TWAALFDE ZONDAG NA PINKSTEBEN.

364

worden in het Verbond, dat God met Abraham gesloten had; voor de Christenen is die plechtigheid vervallen, maar in plaats daarvan moeten zij, ware kinderen van den hemelschen Vader willende zijn, hun hart besnijden door het afleggen van het lichaam der zonde en door het aandoen van den nieuwen mensch en zóó leven voor G-od. — Deze en andere verplichtingen vorderen, zult gij opwerpen, groote inspanning en zelfoverwinning. Dit zij toegegeven, doch ook niet te ontkennen is, dat zy den onderhouder levend maken voor God en, bij een getrouw vervullen, diens hart met eene bovenaardsche vreugde overstroomen, welke eene belooning is reeds in het leven genoten en tevens een voorsmaak van de eeuwige vreugde in den Hemel. Moeten ook deze gedachtep ons niet ondersteunen in den wedstrijd om de hoogste goederen ? Het Evangelie leert ons den hemelschen Vader kennen, die zijn ééngeboren Zoon gaf uit Liefde voor den mensch; het wijst ons op Jesus, die om ons gehoorzaam werd tot aan den dood des Kruises; het verkondigt de genadevolle werkzaamheid van den H. Geest, die verlicht en troost, die reinigt en heilig maakt. Wij, leerlingen van Jesus, weten ook wat het zeggen wil God te aanbidden in geest en in waarheid, volmaakt te zijn gelijk de hemelsche Vader volmaakt is; het is ons geopenbaard, dat de weg naar de eeuwige glorie leidt door den smaad der vervolging en de beproevingen des lodens, dat wij den eernaam van Jesus' volgelingen niet verdienen, tenzij wij Hem zijn kruis nadragen ; wij erkennen, hoe dringend de eisch aan een ieder gesteld is, dat ons lichaam met zijne begeerlijkheid gekruisigd worde en de geest heersche over het vleesch, hoe noodig het is, dat wij alle dagen onze zonden betreuren en door oprecht berouw vergiffenis verwerven voor den troon van Gods Barmhartigheid. Niemand zal onder ons gevonden worden, die van die hooge eischen der christelijke zedenwet onkundig is gebleven; eveneens zal ook niemand onzer, mits hij zinne op het hemelsche en zijne uitverkiezing ter zalig-

ocr page 383

TWAALFDE ZONDAG NA PINKSTEEEN.

heid wille zeker maken, zich daarom beklagen, minder nog zich aan eene doodende moedeloosheid overgeven. Het is hem immers duidelijk gemaakt en met tal van bewijzen gestaafd, dat het beantwoorden aan die eischen vergemakkelijkt wordt door de veelvuldige genade, welke het N. Verbond geeft en door de eeuwige belooningen, welke het met een onfeilbaar woord belooft.

Opmerking. De hooge voortreffelijkheid van de Nieuwe Wet der Christenen schittert onder alle opzichten uit boven die der O. Wet, waaronder de Joden leefden. Daaruit maken wij deze gevolgtrekking. Heilig moet het Evangelie ons blijven, die blijde boodschap van verzoening, van vrede, van liefde, van vreugde, welke door Jesus op aarde gebracht en door de Apostelen alom verkondigd is; heilig blijve ons ook onze Moeder de h. Kerk, welke met onfeilbaar gezag de christelijke waarheden predikt ter voorlichting en bemoediging der aan hare zorg toevertrouwde kinderen; heilig blijve niet alleen ons geloof aan de leer van Jesus, welke ons den veiligen weg naar den Hemel wijst, maar ook de geboden, welke ons voor afdolen ter linker of rechterzijde behoeden. Al staan duivel, wereld en vleesch ook tegen ons op, al kittelen valsche leeraars door bedriegelijke voorstellingen en verleidelijke beloften onze ooren, al spotten beklagenswaardige ongeloovigen met hetgene ons overgeleverd is, al voelen wij den prikkel der zonde en het behagelijke der zinnelijkheid, ontrouw mogen wij nimmer worden aan het Verbond, dat bij ons Doopsel met God in onzen naam gesloten en daarna met vol bewustzijn bekrachtigd is door ons zeiven. Ook niet lauw noch onverschillig mogen wij ons gedragen ten opzichte van den godsdienst, welken wij belijden. Wat wij met den mond zeggen te gelooven, moet in het leven overgebracht, in geheel ons gedrag belichaamd worden. Christenen heeten wij, Christenen moeten wij ons toonen; den Heere Jesus, den Stichter van het Nieuwe Verbond, erkennen wij als onzen Verlosser en Zaligmaker; metterdaad dienen wij ook te betuigen, dat Hij voor ons de Leeraar is der waarheid, de Wetgever van eene volmaakte wet, de Belooner in de eeuwigheid.

865

ocr page 384

TWAALFDE ZONDAG NA PINKSTEREN.

364

worden in het Verbond, dat God met Abraham gesloten had ; voor de Christenen is die plechtigheid vervallen, maar in plaats daarvan moeten zij, ware kinderen van den hemelschen Vader willende zyn, hun hart besnijden door het afleggen van het lichaam der zonde en door het aandoen van den nieuwen mensch en zóó leven voor God. — Deze en andere verplichtingen vorderen, ^ult gij opwerpen, groote inspanning en zelfoverwinning. Dit zij toegegeven, doch ook niet te ontkennen is, dat zy den onderhouder levend maken voor God en, by een getrouw vervullen, diens hart met eene bovenaardsche vreugde overstroomen, welke eene belooning is reeds in het leven genoten en tevens een voorsmaak van de eeuwige vreugde in den Hemel. Moeten ook deze gedachten ons niet ondersteunen in den wedstrijd om de hoogste goederen ? Het Evangelie leert ons den hemelschen Vader kennen, die zyn ééngeboren Zoon gaf uit Liefde voor den mensch; het wijst ons op Jesus, die om ons gehoorzaam werd tot aan den dood des Kruises; het verkondigt de genadevolle werkzaamheid van den H. Geest, die verlicht en troost, die reinigt en heilig maakt. Wij, leerlingen van Jesus, weten ook wat het zeggen wil God te aanbidden in geest en in waarheid, volmaakt te zijn gelijk de hemelsche Vader volmaakt is; het is ons geopenbaard, dat de weg naar de eeuwige glorie leidt door den smaad der vervolging en de beproevingen des lydens, dat wy den eernaam van Jesus' volgelingen niet verdienen, tenzy wij Hem zijn kruis nadragen; wij erkennen, hoe dringend de eisch aan een ieder gesteld is, dat ons lichaam met zijne begeerlijkheid gekruisigd worde en de geest heersche over het vleesch, hoe noodig het is, dat wij alle dagen onze zonden betreuren en door oprecht berouw vergiffenis verwerden voor den troon van Gods Barmhartigheid. Niemand zal onder ons gevonden worden, die van die hooge eischen der christelijke zedenwet onkundig is gebleven; eveneens zal ook niemand onzer, mits hij zinne op het hemelsche en zijne uitverkiezing ter zalig-

ocr page 385

TWAALFDE ZONDAG KA PINKSTEREN.

heid wille zeker maken, zich daarom beklagen, minder nog zich aan eene doodende moedeloosheid overgeven. Het is hem immers duidelijk gemaakt en met tal van bewijzen gestaafd, dat het beantwoorden aan die eischen vergemakkelijkt wordt door de veelvuldige genade, welke het N. Verbond geeft en door de eeuwige belooningen, welke het met een onfeilbaar woord belooft.

Opmerking. De hooge voortreffelijkheid van de Nieuwe Wet der Christenen schittert onder alle opzichten uit boven die der O. Wet, v/aaronder de Joden leefden. Daaruit maken wij deze gevolgtrekking. Heilig moet het Evangelie ons blijven, die blijde boodschap van verzoening, van vrede, van liefde, van vreugde, welke door Jesus op aarde gebracht en door de Apostelen alom verkondigd is; heilig blijve ons ook onze Moeder de h. Kerk, welke met onfeilbaar gezag de christelijke waarheden predikt ter voorlichting en bemoediging der aan hare zorg toevertrouwde kinderen; heilig blijve niet alleen ons geloof aan de leer van Jesus, welke ons den veiligen weg naar den Hemel wijst, maar ook de geboden, welke ons voor afdolen ter linker of rechterzijde behoeden. Al staan duivel, wereld en vleesch ook tegen ons op, al kittelen valsche leeraars door bedriegelijke voorstellingen en verleidelijke beloften onze ooren, al spotten beklagenswaardige ongeloovigen met hetgene ons overgeleverd is, al voelen wij den prikkel der zonde en het behagelijke der zinnelijkheid, ontrouw mogen wij nimmer worden aan het Verbond, dat bij ons Doopsel met God in onzen naam gesloten en daarna met vol bewustzijn bekrachtigd is door ons zeiven. Ook niet lauw noch onverschillig mogen wij ons gedragen ten opzichte van den godsdienst, welken wij belijden. Wat wij met den mond zeggen te gelooven, moet in het leven overgebracht, in geheel ons gedrag belichaamd worden. Christenen heeten wij. Christenen moeten wij ons toonen; den Heere Jesus, den Stichter van het Nieuwe Verbond, erkennen wij als onzen Verlosser en Zaligmaker; metterdaad dienen wij ook te betuigen, dat Hij voor ons de Leeraar is der waarheid, de Wetgever van eene volmaakte wet, de Belooner in de eeuwigheid.

865

ocr page 386

DERTIENDE ZONDAG NA PINKSTEREN.

Broeders! De beloften zijn toegezegd geworden aan Abraham en zijnen Nakomeling. Niet zegt de H. Schrift: en aan uwe nakomelingen, als sprak zij van velen ; maar als van éénen: en aan uwen Nakomeling, en deze is Christus. Dit nu zeg ik : het door God bekrachtigd Verbond wordt door de wet, die vier honderd dertig jaar later gegeven werd, niet krachteloos gemaakt, zóódat de belofte te niet zou gedaan worden. Immers, zoo de erfenis uit de wet is, is zij niet meer uit de belofte ; en toch heeft God ze aan Abraham door de belofte geschonken. Waartoe is dan de wet ? Om wille der overtredingen is zij gegeven, totdat de Nakomeling, aan Wien Hij de belofte gedaan had, komen zou, en zij werd verordend door Engelen in de hand eens middelaars. De middelaar nu is niet van éénen; God echter is één. Is de wet dan in strijd met Gods belofte ? Dat zij verre ! Want indien er eene wet gegeven ware, die in staat was levend te maken, dan zou de gerechtigheid waarlijk uit de wet zijn. Maar de Schrift heeft alles onder de zonde

ocr page 387

DERTIENDE ZONDAG NA PINKSTEKEN.

besloten, opdat aan hen, die gelooven, de belofte zou geseven worden uit het geloof in Jesus Christus. (Gal. III : 16-22.)

Inleiding. Hartelijk dank zijn wij der Kerk verschuldigd voor hare moederlijke zorg ook hierdoor betoond, dat zij ons ter overweging aanprijst de leerrijkste stukken uit Paulus' brieven, waarin hij, op ingeving van den H. Geest, de alles overtreffende schoonheid en waarde van het Christendom beschrijft en verheft boven den vroeger geldenden maar nu afgeschaften Godsdienst van het Israëlietische volk. Vooral moeten wij God loven, omdat Hij in zijne oneindig wijze Voorzienigheid het zóó heeft beschikt, dat Saulus' lotgevallen in overeenstemming gebracht werden met de roeping, welke hem was voorbestemd, ofschoon zij schenen hem daarvan verwijderd te houden; dat de Apostel, in vele wanbegrippen opgevoed en door vele vooroordee-len tegen het Christendom bevangen, juist daardoor in staat gesteld werd om, toen de goddelijke genade hem verlicht, zijn hart en geest van den Phariseeschen zuurdeesem bevrijd had, de grondslagen zelve aan te tasten en te vernietigen van die dwalingen, welke hij vroeger beleden had. De Epistel van dezen dag geeft ons deze ontboezemingen in de pen. Gedurende zijn Apostolische loopbaan had de h. Paulus meer tegen de Joden en hunne dwaalbegrippen te strijden dan tegen de Heidenen en hunne gebreken. Schier overal traden de zonen Israels tegen hem op, dwarsboomden zijne beste bedoelingen, trachtten zijne werkzaamheid te belemmeren en zijn invloed te fnuiken. Zelfs velen van hen, die voor het Christendom schenen gewonnen te zijn, konden zich niet naar de zuivere opvatting der christelijke geloofsleer schikken en legden hem niet geringe moeilijkheden in den weg. Zoo even lazen wij daarvan nog een betreurenswaardig voorbeeld. De bekeerlingen in Galatië hadden zich door dwaalleeraars tot de meening laten verleiden, dat de Mosaïsche wet met hare verplichte besnijdenis en andere instellingen ook door de Christenen nog te onderhouden was om gerechtvaardigd en zalig te worden. Ter bestrijding van die dwaling verklaarde hun leermeester,

367

ocr page 388

dertiende zondag na pinksteren.

dat de Oude Wet geenszins door God bestemd was en ook niet de kracht ontvangen had om den mensch te heiligen, en verder dat zoowel ten tijde van Abraham en van Moses als later het geloof in den beloofden Messias noodzakelijk was ter zaligheid. Bij die stellige verklaring voegde hij nog een belangrijk onderricht over de waarde en het doel van de Wet, welke door Engelen in de hand eens middelaars verordend was. Ook voor ons, ofschoon eeuwen na die tijden levende, is het van groot nut, dat wij ons een duidelijk denkbeeld vormen:

I omtrent de belofte door God aan Abraham gegeven,

II omtrent de leeringen daarin voor ons opgesloten.

L

Na den noodlottigen val van Adam beloofde God, die rijk is aan Barmhartigheid en niet wilde, dat het geheele raensche-lyk geslacht verloren ging, een Verlosser, die den kop van het helsche serpent verpletteren en de slaven der zonde in de vrijheid van kinderen Gods herstellen, „diequot; — zooals de h. Beenardus het zoo schoon zegt — „zondaars tot recht-„vaardigen, slaven tot broeders, gevangenen tot mede-erfge-„namen, bannelingen tot koningen maken zoude.quot; Die belofte heeft God later aan Abraham, den vromen en geloovigen Aartsvader, hernieuwd. Zoo iemand dan zeker had hij die onderscheiding verdiend. God had van hem verlangd, dat hy zyn vaderland en zyne verwantschap zoude verlaten, en hy deed het; God riep hem op ter zyne vereering als van den eenig waren God, en hy bouwde Gode een altaar; God beloofde hem een zoon, hy geloofde, en het werd hem tot deugd toegerekend; God eischte van hem de besnijdenis ter bezegeling van het met hem gesloten verbond, en hij onderwierp zich ; God vorderde van hem het offer van zijn zoon, den eenigen erfgenaam, en hy gehoorzaamde. Met deze laatste beproeving, met eere doorgestaan, was de moeilijkste strijd gestreden en de schoonste belooning zoude volgen. Hy verwierf niet alleen

368

ocr page 389

dertiende zokdag na pinksteren.

den eerenaam van vader der geloovigen, maar werd waardig gekeurd de heerlijke belofte te ontvangen, welke God in deze plechtige woorden door zynen Engel uitsprak: bij Mij zeiven heb Ik gezworen, spreekt de Heer; omdat gij dit gedaan en uwen eenigen zoon om mijnentwil niet gespaard hebt. zal Ik u zegenen en uw geslacht talrijk maken als de sterren des hemels en als het zand aan het strand der zee. Gezegend zullen worden in uwen nakomeling alle volkeren der aarde, omdat gij mijn woord gehoorzaamd hebt (Gen. XXII, 15—18). Dat die Nakomeling geen andere is dan Christus, weten wy met onfeilbare zekerheid uit de verklaring van den h. Paulus, en dat onder het talrijke geslacht niet de afstammelingen van Abraham naar den vleesche kunnen verstaan worden, blykt reeds hieruit alleen, dat het Joodsche volk zelfs niet in de dagen van zijn hoogsten roem onder de koningen David en Salomon niet zoo talrijk geweest is en ook op de andere volkeren niet zulk een invloed heeft uitgeoefend, dat dezen door de Joden gezegend konden genoemd worden. Al de woorden der belofte Gods moeten daarom in geestelyken zin verstaan worden en laten geen anderen toe dan dezen: „door Jesus Christus, naar „zijne menschelijke natuur zoon van Abraham, zullen alle „volkeren, van alle tyden en van alle plaatsen, èn Joden én „Heidenen gezegend worden met geestelijke goederen, met „genaden op genaden, met verlossing uit de slaverny der „zonden, met heiligmaking en met de belofte van een eeuwig „geluk in den Hemel, dat voorbeschikt is voor allen, die tot „aan het einde getrouw zullen bevonden worden.quot;

Doch hoe luidt de voorwaarde, welke eerst vervuld dient te worden, vóórdat iemand het deelgenootschap in den aan Abraham beloofden zegen van rechtvaardiging in dit leven en van zaligheid in de eeuwigheid door Christus hopen mag? Abraham ontving de belofte, omdat hij geloofd had aan alles, wat God tot hem sprak en in dat levendig geloof zich aan alle bevelen des Heeren met volle bereidwilligheid onderworpen

Verklaringen der Epistelen, II. 24

369

ocr page 390

dertiende zondag na pinksteren.

370

toonde, zelfs niet geaarzeld had zijn eenigen zoon te slachtofferen. Eveneens zal aan niemand de vervulling der beloften geschonken worden, tenzij hij gelooft in Jesus Christus en uit dat geloof als een rechtvaardige leeft. Neen, de bekeerde Ga-latiërs behoefden zich niet te laten besnijden; geen der Christenen is verplicht de Joodsche wet te onderhouden, om gerechtvaardigd te worden. Zij hadden en ook wij hebben een vasteren grond voor de hoop op eene eeuwige zaligheid. Abraham gaf geloof aan God en het werd hem toegerekend tot gerechtigheid. Erkent derhalve, dat zij die uit het geloof zijn, dat dezen Abraham's kinderen zijn (Gal. III, 6). Met dit woord, vermanend en berispend tot zjjne bekeerlingen gericht, was de valschheid der bewering van de Joodschgezinden wederlegd. Werd Abraham gerechtvaardigd door het geloof, dan ook alleen zij die eveneens als hij gelooven: en de Joden en de Heidenen, de Galatiërs en ook wü en allen, die na ons komen. Door het geloof de rechtvaardiging en het heil. Niemand komt tot den Vader dan door Jesus Christus; niemand heeft den Geest Gods dan die belijdt, dat Jesus Christus in het vleesch is gekomen; niemand kan dan door dit geloof in Jesus aan God behagen en de wereld overwinnen. Maar is aan die voorwaarde voldaan, dan ook staan voor hem, die uit en door het geloof leeft, de poorten des Hemels open, volgens Gods onfeilbare beloften en — wat alle opmerking waardig is — die beloften, door God aan Abraham gegeven, zjjn door den h. Paulus een door God bekrachtigd Verbond genoemd. Met recht: eerst had God gezworen, dat Hij zyne belofte houden zou en gezworen by Zich zeiven, omdat er geen hoogere persoon bestond, bij wien Hij zweren kon; vervolgens had God zijn ééniggeboren Zoon, den éénen Nazaat, den éénen Nakomeling in de wereld gezonden en Hem zelfs ter dood overgeleverd, opdat allen door Jesus' dood het leven zouden beërven en gezegend worden in eene mate, waartoe de verbeeldingskracht des menschen zich niet kon ver-

ocr page 391

dertiende zondag na pinksteren.

heffen. Immers, met Jesus heeft God ons alles gegeven, alles wat wij ter zaligheid noodig hebben. — Zóó is God getrouw bevonden in zyne beloften, en kunnen allen, zoo zy willen, in dien éénen Nakomeling gezegend worden. God is niet als een mensch, dat Hy leugentaal spreekt of als een zoon des men-schen, dat hij berouw heeft. Het woord des Heeren — zong David — staat vast in den Hemel, en zijne getrouwheid is van geslacht tot geslacht (Ps. CXVIII, 39). Het is onmogelijk, dat God liege (Hebr. VI, 18), verklaart de h. Paulus, en Jesus zelf leerde, dat eerder hemel en aarde zouden vergaan, vóórdat woorden, door God gesproken, niet zouden vervuld worden. God is ook de oneindige Wijsheid, welke zyne plannen, al is het door verschillende middelen, weet uit te voeren ; bij Hem is eveneens de Almacht, welke over alle hindernissen, die zich voordoen, zegeviert. — Zoo biedt het geloof in Jesus Christus aan allen een onfeilbaren waarborg voor het ver-krijgen der hoogste goederen, en moeten wij Gode den harte-lijksten dank daarvoor brengen, dat wij in het volle licht der waarheid wandelen en met de noodige kracht van boven zyn toegerust om het ons beloofde land der eeuwige zaligheid te kunnen binnengaan. Zoo ook vinden wij in de waarheden van ons geloof den bemoedigenden troost, als wij gelijk Abraham aan vele beproevingen in het leven onderworpen worden.

De Apostel moest van de zijde der tegenstanders eene opwerping tegen zijne leer verwachten, en beantwoordde die by voorbaat. Waartoe dient dan de wet, kon men hem vragen, als de rechtvaardigheid niet uit de wet maar uit het geloof aan de belofte is ? Zij is toch door God gegeven. Hierop antwoordde hü met te verklaren, hoe verre de Wet beneden het Verbond stond en met welke bedoeling zy afgekondigd was. Die Wet — leerde hy — is eerst 430 jaren later gegeven. Zij kon derhalve het door God bekrachtigde Verbond niet krachteloos maken noch daarvan iets afnemen, noch daar-

371

ocr page 392

dertiende zondag na pinksteren.

aan iets toevoegen; zij vermocht ook niet de erfenis des heils te geven, dewijl zü tot dat einde noch de bestemming had noch de macht bezat. Gel\jk het was in die vele jaren, welke verliepen tusschen Gods verbond met Abraham en de wetgeving op Sinaï, eveneens bleef het gedurende al den tijd, dat de Oude quot;Wet bestond. De beloofde zegening werd altijd geschonken volgens belofte en nooit om de onderhouding der Wet. Om nog duidelijker te doen uitkomen, dat de oude Wet lager stond dan het Verbond, deed de h. Paulus opmerken, dat zij niet onmiddellijk door God zeiven maar door Engelen verordend en door de bediening van den middelaar Moses aan het volk van Israël overgebracht was; het Verbond echter met Abraham werd onmiddellijk door God zeiven, zonder tusschen-komst van den eenen of anderen persoon gesloten. Gelijk God één van Wezen is, zoo wilde Hij ook by die gelegenheid alleen werkzaam zijn, daarbij niet eene bediening van een ander inroepen. Zóó gewichtig, zóó heilzaam was dit Verbond, dat God daarbij zelf en persoonlijk optrad en door dat optreden deed zien, hoe hoogen prys Hij stelde op de erfenis der belofte. Wint ook niet elke daad in belangrijkheid naar gelang der hoogere waardigheid van den persoon, die ze verricht?

Nog blijft de vraag: waartoe is dan de Wet ? En het antwoord is: om wille der overtredingen is zij gegeven. Daarin bestond hare bestemming en hare beteekenis. Zij moest, gelijk de Apostel elders bewijst, als eene tuchtmeesteres en opvoedster werkzaam wezen, en die taak heeft zij vervuld. Zij leerde kennen wat goed en wat kwaad was, beteugelde de overtredingen der zinnelijkheid en andere uitspattingen door het dreigen met hare straffen en door het beloven van tijdelijke goederen. Zy schreef verscheidene offers voor, ook een zoenoffer om zoo doende het gevoel van schuld en van behoefte aan hulp en tevens het verlangen naar den beloofden Verlosser op te wekken. Zij verlevendigde het geloof aan God, den Schepper en Heer der wereld, aan den Bevryder

372

ocr page 393

dertiende zondag na pinksteren.

uit de Egyptische slavernij en Gever van zoo vele andere weldaden, en verplichtte alzoo tot dankbaarheid en gehoorzaamheid. Zij predikte de gelijkheid van allen voor God, by Wien geene aanneming is van personen; de heiligheid van het huwelijk en van het eigendomsrecht; de waardy van het leven en van de eer. En, opdat hare voorschriften daaromtrent met nauwgezetheid zouden vervuld worden, had zij feesten, plechtigheden, verordeningen, waardoor het maatschappelijk en godsdienstig leven geregeld werd. Meer kon de wet niet doen: zij was niet doelloos of onnut, maar rechtvaardigen, de ziel uit den dood der zonde opwekken tot het geestelijk leven der genade vermocht zij niet. Het was er dan ook

ver af, dat zij in strijd was met GODS belofte. Dit ZOUde

waar zyn, indien zij had kunnen levend maken voor God, als zy het eeuwig leven had kunnen geven. Maar dit lag boven hare macht, zelfs leert de Apostel: de Schrift — God, die daarin spreekt — heeft alles onder de zonde besloten, dat is: heeft getuigd en verklaard dat allen, de geheele mensch-heid, derhalve ook de Joden, al mochten zij zich op de quot;Wet beroepen, zondaars waren voor God. En waarom werd die vernederende verklaring afgelegd? Opdat, in het bewustzijn van hunne onmacht en zondigheid, allen geleid werden tot Christus, den Verwachte der volkeren, in Wien alleen het leven en de zaligheid te vinden zijn; enten tweede, opdat aan hen, die gelooven, de belofte, het beloofde heil zoude gegeven worden uit het geloof in Jesus Christus. Die wet was dan ook afgekondigd niet voor altijd maar voor een bepaalden tijd; zij bleef van kracht niet langer dan totdat de Nakomeling, Christus, komen zoude, aan Wien God de belofte gedaan had, dat in Hem alle geslachten zouden gezegend worden.

Opmerking. Het Woord is vleesch geworden en heeft onder ons gewoond; de Christus is verschenen en zijn leven is in

373

ocr page 394

374 DERTIENDE ZONDAG NA PINKSTEREN.

de Evangeliën zóó heerlijk beschreven, dat wij lezende zijne Glorie zien, Hem zeiven vol van genade en van waarheid. God heeft alzoo zijne belofte vervuld, en in Jesus kunnen wij allen gezegend worden. Onder voorwaarde, dat wij door Gods genade bewogen, geleid en gesterkt in Hem als in den Verlosser gelooven en uit dat geloof leven. Zooals het geloof van Abraham was, zoo moet ook het onze wezen. Zijn geloof was niet alleen bovennatuurlijk maar ook onwankelbaar en werkzaam door de liefde tot God en door offervaardigheid. Het beginsel, dat zijne woorden en daden bestierde, was zijn geloof. Omdat hij geloofde, gaf hij wonderen te aanschouwen van eene ge-heele overgave van zijnen wil aan Gods bevel, van eene vol-komene verloochening van zijne persoonlijke inzichten en van de innigste wenschen zijns harten. Daarom kon hij alles verlaten gaande waarheen God hem riep, en het offer brengen, wat God van hem vroeg, hopende tegen alle hoop in; daarom verbond hij al zijn toekomstig geluk aan den Verlosser, wandelde voor God en was volmaakt. Willen wij dan ware kinderen van Abraham wezen, dan moet ook door ons de lof verdiend worden, welken de h. Schrift hem geeft: hij onderhield de wet des A llerhoogsien, werd getrouw bevonden in de beproeving (Eccl. XLIV, 20—23).

II.

De vele en onwaardeerbare genaden in Christus ons geschonken, nopen tot een ernstig nadenken, opdat de leeringen niet onopgemerkt blijven, welke in den Epistel van dezen dag zijn uitgesproken. Wij bepalen er ons toe de aandacht te vragen voor de volgende gedachten. Groot is het onderscheid tusschen de Oude Web door Moses en tusschen de Nieuwe door Jesus afgekondigd. Te weinig wordt door de Christenen er op gelet, hoe dankbaar zij Gode moeten wezen, dat zij leven onder die wet van genade. Niet in den naam alleen, zelfs niet in den persoon des Middelaars ligt het eenig onderscheid tusschen beide verordeningen van God, maar ook in

ocr page 395

DERTIENDE ZONDAG NA PINKSTEREN.

375

de strekking en uitwerking der beide Verbonden. De Oude Wet was gegeven om wille der overtredingen, de Nieuwe met al hare instellingen en genade-middelen om rechtvaardigen te maken; gene was van kracht, totdat de beloofde Messias in het vleesch verscheen; deze zal blijven bestaan tot aan het einde der tijden; Moses bedreigde, bestrafte en veroordeelde, maar Jesus Christus zegende, vergaf aan zondaars en beloofde een eeuwig loon ; Moses boezemde bij de afkondiging fijner wet angst en schrik in, maar Jesus sprak van genade, zegen en zaligheid; konden de Joden niet opzien naar het gelaat van hunnen leidsman om den glans, welke daarop lag uitgespreid ; wij Christenen behoeven de oogen niet neer te slaan, want de Wetgever van het Nieuwe Verbond verscheen in de nederige gestalte van een dienstknecht, en zonder vrees naderen wy Hem, als Hij ons uitnoodigt: komt tot Mij allen, die belast en heiaden zijt, en Ik zal u verkwikken (Math. XI, 28). Al moeten wij dan ook erkennen, dat beide Verbonden als uitvloeisels van Gods Liefde voor den mensch hoog te schatten zijn, zij mogen evenwel niet op eene lijn geplaatst worden. Het eene zoowel als het andere was gegrondvest op de eeuwige beginselen der goddelijke Wijsheid, maar die reden geeft ons het recht niet aan beide dezelfde waarde toe te kennen. De Mosaïsche Wet was niet meer dan de Schaduw van de toekomstige goederen (Hebr. X, 1) - van de rechtvaardiging voor God door de vergiffenis der zonden, van de zaligheid door het geloof in Jesus Christus; onder de wet van Christus daarentegen hebben wij genaden op genaden verkregen, een overvloedig geestelijk leven, derhalve de volle werkelijkheid van die goederen, welke vroeger slechts vóórafgebeeld of voorspeld waren. Wel beoogde God de Joden allengs meer en meer en bij graden op te leiden tot het verkrijgen van steeds hoogere weldaden, maar de volkomenheid der goddelijke gunsten werd eerst gebracht door Jesus Christus, die daarvan én de Verkondiger én de Gever werd. Dit zijn waarheden, welke nimmer

ocr page 396

DEETIENDE ZONDAG NA PINKSTEREN.

376

vergeten mogen worden, te meer niet omdat daarin de leerrijkste onderrichtingen en de dringendste vermaningen zijn opgesloten. — Denken wij slechts aan de volgende. Al ons vertrouwen dient op Jesus te worden gesteld; onze werken, wanneer zij niet tot eene bovennatuurlijke orde door de genade verheven zyn, zullen waardeloos blijven voor de eeuwigheid ; onze kracht is in Hem, die het willen en volbrengen geeft. Daarom, hoe hoog verheven de wet van Christus ook zij, in geenen deele heft zij de verplichting op om tot den troon van Gods Barmhartigheid een nederig smeeken op te zenden en zoo de noodige hulp ten bekwame tyde te verkrijgen. Omdat de Joden hunne rechtvaardiging uit de werken der Wet zochten, bleven zij van de gerechtigheid verstoken; niet minder te beklagen zouden wij zijn, waren wij zoo dwaas te denken, dat het leven onder de Wet der genade alleen als genoegzaam geldt om de zaligheid te verwerven. Wie meent te hoog te staan om te moeten bidden, in voldoende mate sterk te zijn om de hulp van boven te kunnen ontberen, of zich ontslagen te mogen achten van het gebod om met Gods genade mede te werken — hij zal gewis ophouden met Christus vereenigd te blijven en vervallen van den staat der hei-ligmakende genade, welke hü ontvangen had. Wij kunnen dit nog met andere redenen toelichten. De Apostel verklaart, dat de belofte aan Abraham geschonken is, bijgevolg eene vrije gave is van Gods Goedwilligheid. Uit zuivere liefde, uit een genadig erbarmen heeft God het heil, den geestelijken zegen beloofd. Wü moeten alzoo de eeuwige zaligheid en de hulpmiddelen, welke ons daartoe brengen, beschouwen als een geschenk, dat de hemelsche Vader uit Goedheid beloofde te zullen geven aan wie Hem getrouw dienen. Die belofte is de eenige rechtsgrond, waarop wij ons kunnen beroepen. Gelijk het Verbond door God met Abraham gesloten een verbond was van liefde en genade, dat door hem niet kon verdiend worden, evenzoo moet de eeuwige zaligheid gewaardeerd wor-

ocr page 397

DERTIENDE ZONDAG NA PINKSTEREN.

den als een bewijs van groote Liefde, als eene vry willige belofte, welke door God gedaan is, vóórdat wij eenige verdiensten verwierven; en vordert Hij voor de vervulling zijner belofte van onzen kant eenige medewerking, zonder zijne genade zouden wij wederom daartoe niet in staat zyn. Het is alles genade op genade en zonder genade lacht ons geen blyde toekomst tegen, zonder genade kunnen wij het eeuwig leven niet ingaan. quot;Wij moeten ons de hemelsche heerlykheid, de eeuwige erfenis waardig maken, de voorwaarden door God ons voorgeschreven vervullen, overeenkomstig onze roeping wandelen, en die zeker maken door goede werken — maar hoe? Uit ons zeiven vermogen wij niets, maar wij kunnen alles in Hem, die ons versterkt.

Het gevoel van dankbaarheid voor Gods Goedheid zal nog stijgen, als wij beseffen in welken ongelukkigen toestand wij ons zouden bevinden, als geene Verlossing ons geworden en het Evangelie van verzoening niet gepredikt was. Alle men-schen waren zondaars, alles onder de zonde besloten. De erfzonde, op allen overgegaan, had voor allen den Hemel gesloten, want een der gevolgen daarvan was dat het zalig aanschouwen van Gods glorie voor de onreinen eene onmogelijkheid was geworden ; persoonlijke zonden hadden bovendien over den schuldige eeuwige straffen afgeroepen. Zoo hadden allen, ondankbaren jegens hunnen Schepper en quot;Weldoener, wederspannigen tegen Gods wet, verdiend niet alleen in hun leven onder allerlei leed en kwelling gebukt te gaan maar — wat het toppunt van ongeluk was — de knagende worm van hun met zonden beladen geweten zoude nimmer sterven en het vuur niet uitgedoofd worden, waartoe Gods Rechtvaardigheid zyne vijanden veroordeelt. — Dank, hartelijke dank daarom aan God gebracht, die den Beloofde in de wereld zond en door Hem de middelen gaf, waardoor de zonden gedelgd en de boosheid uitgewischt kan worden. Hij beloofde aan Abraham eenen Nazaat, door

377

ocr page 398

DERTIENDE ZONDAG NA PINKSTEREN.

378

Wien alle volkeren den zegen zouden ontvangen. Jesus, de Zoon Gods werd, na uit de Maagd Maria de menschelyke natuur aangenomen te hebben, aller Heiland, Verlosser en Zaligmaker. De Heiland, de goddelijke Geneesheer, door Wiens striemen wij genezen werden. Wiens handen als die van den barmhartigen Samaritaan den heilzamen balsem goten in de wonden onzer ziel; de Verlosser, die ons bevrijdde uit de boeien eener schandelijke slavernij en overvoerde naar de vryheid der kinderen Gods, die zonde en dood en hel overwon en aan hen, die geestelijk dood waren, het leven der genade terug gaf; de Zaligmaker, die gekomen was om de verlorenen op te zoeken en de gevallenen op te beuren en dan voor hen den toegang te ontsluiten tot de eeuwige stad van den levenden God, tot het hemelsch Jerusalem, die met zijn eigen Bloed het Heilige der Heiligen binnen is gegaan na een eeuwige verlossing bewerkt te hebben voor alle menschen. — Ook de middelen door zijne Wijsheid uitgedacht, om zegen te verspreiden, getuigen van overgroote Liefde en van oneindige Almacht. Kon een doeltreffender middel ter delging van de erfschuld ingesteld worden dan het Doopsel, dat uitwerkt wat het aanduidt, dat reiniging der ziel geeft, welke het beteekent ? Hoe zinrijk en heilzaam tevens is het Sacrament der Biecht, dat den zondaar vry maakt van de slavernij des duivels, zyne boeien slakende en de eeuwige straffen kwijtscheldende! Welk een bewys van Gods Goedheid, dat Hij het H. Oliesel gaf, waardoor alle zonden, in de belijdenis vergeten, kunnen vergeven worden ! Waarlyk, God moet oneindig goed wezen, om zoo groote zorg te dragen voor het geestelijk welzijn zijner schepselen. Hij gaf ons een Verlosser en met Jesus alles, wat ons ter zaligheid helpen kan. Nimmer zullen wij daarom in staat zijn om de Lankmoedigheid en de Goedertierenheid Gods naar behooren te loven, welke aan het geheele menschdom bewezen zijn door de Menschwording en het Verlossingswerk van zijnen eeni-gen Zoon.

0

ocr page 399

DEETIENDE ZONDAG NA PINKSTEREN.

379

Opmerking. Een middel toch staat ons ten dienste, waardoor wij eenigermate aan onze verplichting kunnen beantwoorden. De eeuwige Liefde, waarmede God ons bemind heeft ook toen wij zondaren waren, moet een voortdurend onderwerp van onze dankbare overweging uitmaken. Het is wel voor ons een gebod der natuur, dat wij de zuchten onzer aardsche moeder niet vergeten en het werk der handen van onzen lichamelijken vader altijd gedenken; mag er dan één dag voorbijgaan zonder dat wij met dankbaarheid onze oogen naar het kruisbeeld opslaan en ons levendig voorstellen. Wie het is en wat Hij deed. Wiens beeltenis wij zien? Dat heeft Hij toch wel verdiend, die om ons uit den Hemel nederdaalde en Zich omkleedde met de zwakheid onzer menschelijke natuur, om daarin te kunnen lijden voor de zonden zijner schepselen en door zijnen dood hun het leven der genade te verdienen; die voor ons Hooge-priester geworden is, een barmhartig en getrouw Hoogepriester, eerstens toen Hij op het kruis voor do zonden van zijn volk voldeed en nu dewijl Hij in den Hemel troont om voor ons te bidden, zóódat Hij voor eeuwig- kan zalig maken degenen, die door Hem tot God gaan; die ook medelijden heeft met onze zwakheden, zóódat wij met vertrouwen toetreden tot den troon van zijne Barmhartigheid en de genaden kunnen verkrijgen, waardoor wij met gelatenheid onze beproevingen dragen. Dat heeft Hij verdiend, de Koning, die een geestelijk rijk stichtte, een rijk van genade en van waarheid; die ons vrijgekocht heeft door zijn Bloed en door het h. Doopsel ons als zijne broeders aannam ; die ons ook eens, wanneer wij Hem getrouw gediend en den eed. Hem gezworen, gehouden hebben, zal opnemen in het Rijk zijner glorie om ons te kronen met onvergankelijke heerlijkheid en eene eereplaats te geven onder de vorsten van zijn volk. — De overweging van die waarheden is voor ons een plicht door verschuldigde dankbaarheid voorgeschreven en tegelijk eene onuitputtelijke bron van geestelijke weldaden. Wie licht zoekt voor den geest en warmte voor het hart en kracht voor den wil, hij kniele neder voor het kruisbeeld en denke aan Hem, Wiens beeld hij aanschouwt. De h. Paulus wenschte niets te weten dan Jesus en Dien gekruisigd

ocr page 400

DERTIENDE ZONDAG NA PINKSTEREN.

380

(i. Cor. II, 2), en de h. Bernardus verklaarde, »dat Jesus te »kennen voor hem wijsheid was, de volmaaktheid der deugd, »de volheid van wetenschap, de rijkdom des heils en de schat ïder verdiensten; dat die kennis hem oprichtte in tegenspoed, «matigde zijne vreugde in voorspoed, eene zekere geleidster swas op zijnen levensweg naar den Hemel.quot;

e

ocr page 401

VEERTIENDE ZONDAG NA PINKSTEREN.

Broeders ! Wandelt naar den geest, en gij zult de begeerten des vleesches niet volbrengen. Want het vleesch begeert tegen het vleesch en het vleesch tegen den geest; deze toch wederstreven elkander, zóódat gij niet doen kunt al wat gij wilt. Doch indien gij door den Geest geleid wordt, zijt gij niet onder de wet. Bekend nu zijn de werken des vleesches, welke zijn : ontucht, onreinheid, oneerbaarheid, wellust, afgodendienst, tooverijen, vijandschappen, twist, afgunst, toorn, gekijf, tweedracht, scheuringen, nijd, moord, dronkenschap, brasserij en dergelijke ; ten aanzien waarvan ik u vooraf zeg, gelijk ik het u vooraf gezegd heb, dat zij, die zulke dingen doen, het Rijk Gods niet zullen verwerven. Maar de vrucht des Geestes is liefde, blijdschap, vrede, geduld, goedertierenheid, goedheid, lankmoedigheid, zachtzinnigheid, trouw, bescheidenheid, ingetogenheid, kuischheid. Tegen de zoodanigen is de wet niet. Zij nu, die Christus toebehooren, hebben hun vleesch met ondeugden en begeerlijkheden gekruisigd.

Gal. V, 16—24.

ocr page 402

VEERTIENDE ZONDAG NA PINKSTEREN.

Inleiding. De door het geloof gerechtvaardigde is ontslagen van het onderhouden der Mosaïsche wet, maar daarom mag hij zich niet vrij achten van alle verplichtingen, ook niet wanen dat elke strijd voor het verwerven van eeuwige goederen hem zal gespaard blijven. God heeft Zich in zijnen Zoon Jesus Christus met hem verzoend en hem de weldaad zijner Goedgunstigheid voorbereid en aangeboden. Wil dat zeggen, dat van den tot een nieuwen mensch herboren Christen niets gevorderd wordt, opdat hij hier en hiernamaals deelachtig worde aan den zegen door God aan Abraham in den éénen Nakomeling beloofd ? Niets is minder waar dan dit. Het geloof bij het Doopsel hem ingestort moet, zoodra hij tot de jaren des onderscheids gekomen is, levendig worden en werkzaam door de liefde, zich betuigen door de belijdenis in woorden en metterdaad. Eveneens zal hij nimmer mogen vergeten, dat het Hemelrijk geweld lijdt en niet ingenomen wordt dan door wie zich zeiven overwinnen tot aan het einde van hun leven. Hij is kind van God geworden maar blijft behept met eenige van de vernederende gevolgen der erfzonde, al is die uitgewischt. Met groote inspanning zal hij zich den eerenaam van Christen, hem in het doopsel gegeven, waardig moeten maken. — Wat nu doet de Kerk om ons tot die hoogte van volmaaktheid op te voeren, welke een onderscheidend kenmerk zijn moet van onzen nieuwen toestand en van onze nieuwe waardigheid ? Wij zijn gedoopt om heilig te worden, en die zorgvuldige Moeder schrijft ons een levensregel voor, welken wij slechts te volgen hebben om aan onze roeping te beantwoorden. Met de woorden van den h. Paulus roept zij ons toe: doet niet het kwade, dat u onteert, maar doet het goede, dat u dient te sieren, opdat gij ware kinderen kunt genoemd worden van den hemelschen Vader, Wiens wil uwe heiligmaking is. Dit is de verkorte inhoud van den Epistel van dezen dag en aan de nadere verklaring daarvan zijn de volgende bladzijden gewijd. Wij vragen dan:

I. welke ondeugden zijn door den Christen te vermijden;

II. welke deugden zijn door hem te beoefenen ?

382

ocr page 403

veketiende zondag na pinksteeen.

I.

De mensch, ook de gerechtvaardigde, blijft voor zich zeiven een raadsel. Er komen in zyn leven zoo vele omstandigheden voor, waarin hij de bittere klacht reeds door den h. Paulus en zoo velen geslaakt moet herhalen: toat ik verricht, begrijp ik niet; want het goede dat ik wil doe ik niet; maar het kwade dat ik haat, dat doe ik (Rom. VII,25). Niet alsof in hem eene dubbele ziel woont, van welke de eene als geestelijk gezind naar de deugd en de andere als vleeschelijk gezind namp;ar de zonde streeft; maar in den eenen en denzelfden mensch zijn twee neigingen werkzaam, waarvan de eene, door Gods genade gedreven en geholpen, het goede doet en deugden beoefent, terwijl de andere, door eene booze begeerlijkheid aangezet en voortgestuwd, het kwade doet en de oorzaak is van vele zonden. De Apostel noemt in den Epistel van dezen dag dien nood-lottigen strijd wandelen naae den geest, de begeerten des

vleesches niet volbrengen ou — het begeeren van het vleesch

tegen den geest. Die twee ijverzuchtige vijanden weerstreven elkander, zoodat ook de in Christus wedergeborene niet alles doet wat hij wil. Waarom? Raadt van den eenen kant de geest af dat te doen, waartoe het vleesch tracht te verleiden, van den anderen kant zoekt het vleesch te verijdelen, wat de geest als plichtmatig voorstelt en aanbeveelt. En helaas! dikwijls behoudt in dien tweestrijd het vleesch, het zinnelijk gedeelte, de overhand, zóódat een meer of minder groote mate van onvolmaaktheid in het godsdienstig leven te betreuren is. Ook voor hen, die niet pas beginnen te loopen in de renbaan, valt zulk een wankelen, eene of andere zwakheid of moedeloosheid, een val op te merken, waardoor het bereiken van het einddoel of vertraagd of geheel en al verhinderd wordt. Velen b. v. zullen elke zonde willen vermijden maar de hun inwonende begeerlijkheid bewerkt, dat zü zich meer of minder

383

ocr page 404

VEERTIENDE ZONDAG NA PINKSTEREN.

bewust aan overtredingen schuldig maken; sommigen beginnen goed, maar de aangeboren zwakheid is niet zelden eene hindernis, waardoor het volharden wordt tegengehouden; nog anderen hebben het voornemen gemaakt het eene of andere goed werk tot stand te brengen, maar de gemakzucht en de vrees voor inspanning doen al ras het best ondernomene opgeven; de eene meent vast besloten te wezen zyne gebreken te zullen verbeteren, en bij de eerste aanvechting is hij wederom de oude zondaar. In al die en nog vele andere omstandigheden van het godsdienstig leven speelt „het vleeschquot; eene verderfelijke rol, het goede verhinderende en het kwade aan-kweekende. — By deze algemeene opmerkingen mogen wij het niet laten; de woorden van den Apostel dwingen ons tot meerdere bijzonderheden af te dalen.

Wie onzer heeft niet door eene droevige ondervinding geleerd, dat in zyn binnenste vleesch en geest, zinnelijke lust en rede, natuur en genade om den voorrang strijden; wie moet der waarheid geen hulde brengen en het den h. Jacobus niet nazeggen: een iegelijk wordt bekoord, wanneer hij door zijne eigene heg eerlijkheid afgetrokken en gelokt wordt I, 14). Slechte gedachten komen in ons op, booze driften bestormen ons hart, indrukken van buiten opgevangen bestoken ons gemoed en werken op onzen wil ten kwade, en zelfs sterk al is nog geene toestemming in de zonde gegeven. De stryd wordt hard en de overwinning moeilyk. De wet Gods en de stem van het geweten laten zich hooren en eischen, dat de plicht vervuld en God gediend worde; dat het goede niet nagelaten en aan de verleiding weerstand geboden worde: zy vorderen, dat de Christen zich overwinne, matig en eerbaar en godsdienstig zij; zy gebieden, dat de kuischbeid in eere gehouden en het lichaam een tempel Gods blyve. Maar dat vleesch, die neiging naar het zinnelijke en die trek naar het verbodene, hoe verzetten zij zich om het hardst tegen die hooge eischen, hoe listig weten zy eene ingebeelde zwakheid

384

ocr page 405

veertiende zondag na pinksteren.

voor te weDden en voor onmogelijk te verklaren, wat niet zoo mag heeten, al ware het alleen, omdat God het onmogelijke niet gebiedt. Het geweten vermaant, om elke gelegenheid, welke voor de ziel een gevaar kan opleveren, te vermeden en liever veel te derven dan zich roekeloos aan de verleiding bloot te stellen met het bijna zekere vooruitzicht, dat de steen des aanstoots ten val brengt. Maar het vleesch verweert zich tegen die zoogenaamd overdrevene voorzichtigheid en weigert een vermaak op te geven, dat de zinnen streelt en, gelyk een wereldling pleegt te zeggen, noodig is om niet in een treurig leven te verkwijnen; zelfs gaat het in zijne driestheid zóó ver, dat het op volkomene vrijheid aandringt, alle banden en eiken teugel voor onnatuurlijk verklarende. Zoo is 's menschen leven, om met Job te spreken, een onafgebroken 'strijd op aarde, welke reeds in zijne prille jeugd begint en niet eindigt dan met zijn dood. quot;Wat echter nog meerdere jieernis verwekt en nog grooter medelijden verdient, het is dat de zwakke mensch zoo dikwijls de nederlaag lijdt enquot;in hem waarheid wordt, wat de h. Jacobus in deze woorden beschrijft: als de heg eerlijkheid ontvangen heeft, baart zij zonde; en de zonde, als zij volkomen is geivorden, brengt den dood voort; als de begeerlijkheid den mensch tot eenige misdaad verleid heeft, is de zonde gepleegd en de geestelijke dood aan'de ziel toegebracht (Jac. I, 15).

Om allen tot een volhardenden strijd tegen de begeerlijkheid op te wekken, wees de h. Paulus op den afgrond waarin zij zich neerstorten, die daaraan toegeven. Eene reeks van'zon-den noemt hij op, door hem werken des vleesches, op andere plaatsen werken der duisternis (Rom. XII. 13) genoemd. Wat hij zich by die opsomming voorstelt is dit: hij wil allen leeren, dat het einde daarvan is de dood der ziel en het eeuwig verderf,

dat zij, die zulke dingen doen, het rljk GrODS niet zullen

beërven. Niet voor het eerst deelde hij nu deze vreeswek-

Verklaringen der Epistelen. II. 25

385

ocr page 406

veeetiende zondag na pinksteren.

386

kende waarheid mede; hjj had het hun reeds voobap gezegd, toen hij persoonlijk voor hen predikte, maar herhaalt het nog eens, opdat zij voortdurend hunne herinnering konden verlevendigen door het lezen van zijne vaderlijke vermaningen. Aan het hoofd der misdaden, welke den toegang tot den Hemel afsluiten, stipt de h, Paulus die schandelijke zonden aan, welke hij anders onder de Christenen niet genoemd wilde hebben. Vier in getal zijn ze, welke hij met zyn Apostolisch gezag brandmerkt, en daartoe kunnen al die vleeschelyke zonden teruggebracht worden, welke door slechte begeerten, onzuivere gedachten, door dubbelzinnige en oneerbare woorden of gesprekken, door misdadige nieuwsgierigheid in het lezen of zien, door den mensch onteerende daden bedreven worden en met recht zonden des vleesches heeten — zonden, welke ook aan den wellusteling zijn goeden naam, zijne gezondheid en zielsrust ontrooven en hem de verachting van alle goed-gezinden berokkenen. — Met deze alleen zijn werken der duisternis, welke de lage zinnen streelen; de h. Paulus noemt nog andere zonden op, waarvan de schuld oogenschijnlyk niet aan het hart mag ten laste gelegd worden en hetwelk daarvan toch de voornaamste drijfveer is. Hij bespreekt de afgoderij, welke den redely ken mensch de hulde zijner aanbidding doet brengen aan levenlooze voorwerpen of aan denkbeeldige godheden, en hulp doet verwachten van wat niet is of niet leeft. Doch de mensch zoude niet zoo diep in dien verlagenden dienst zijn weggezonken, als hij daarin geen voedsel en tevens geene verontschuldiging voor de laagste aller driften gevonden had, als niet voor eiken hartstocht een afgod tot voorbeeld uitgedacht, niet voor elke gruweldaad een altaar opgericht was. Het vleesch had er te veel belang bij, dat een zoogenaamd godsdienstige vereering in stand bleef, welke een vrijbrief verleende voor de afschuwelijkste euveldaden. — In nauw verband met de afgoderij staat de andere zonde, waarvan de h. Paulus gewaagt. Tooverij, het werken en te weeg-

ocr page 407

veertiende zondag na pinksteren.

brengen van wonderbare dingen door middel van den duivel, en de uitoefening van de waarzeggerij waren een natuurlijk uitvloeisel van afgodery. Nadat satan den redelijken mensch tot een zóó diepen val gebracht had, dat duivels dienst godsdienst heette en de zedeloosheid voor eeredienst gold; moest hy wel alle middelen aanwenden om zyn rijk in stand te houden en door allerlei kunstgrepen zijn gedweeë dienaren duurzaam aan zich te verbinden.

De Apostel herinnert nog aan andere zonden, welke allen te vermyden zyn. Alle Christenen moeten zich als broeders en zusters beschouwen, als kinderen van eenen hemelschen Vader, als vereenigd onder elkander door de nauwste banden van afstamming en aanverwantschap, vooral als één en gelijk voor God, omdat zij door éénen Verlosser zyn vrijgekocht, dezelfde genade-middelen genieten, dezelfde roeping ontvangen hebben en denzelfden Hemel hopen binnen te gaan. Hoe schoon dan ware het, zoo zij als lidmaten van ééne familie samenwoonden, in vrede en eensgezindheid met elkander leefden! Maar, van den anderen kant: hoe pijnlyk zou het wezen, als de ervaring een onomstootelijk bewijs leverde, dat onder hen, die één van geest en hart moeten zijn, vijandschappen gevonden, twistredenen en gekijf gehoord werden; als afgunst en nijd aan anderen wat goed is misgunden; als toorn, tweedracht en scheuringen de harten scheidden, welke geschapen zyn om den evennaaste om God te beminnen en zoo — volgens het woord van den h. Aügüstinus — „de best geordende liefde te beoefenen.quot; Altemaal gruwelijke zonden tegen het tweede aller geboden, welke den mensch vele bittere uren, veel leed en verdriet veroorzaken, welke den band verscheuren, waardoor de lidmaten van het groote lichaam van Jesus in onderlinge eenheid des geestes samen verbonden moeten wezen, welke ook eene naaste aanleiding kunnen worden tot moord, zooals de geschiedenis bewyst van Caïn, die zyn broeder uit nijd doodsloeg, en van Josefs broeders, die hem uit afgunst wilden ombren-

387

ocr page 408

veertiende zondag na pinksteren.

gen. — De laatste soort van zonden, waartegen de h. Paulus zijn machtige stem verheft is die van overdaad in het gebruik van spy's of drank. Dat die waarschuwing niet misplaatst was, leert ons de geschiedenis van het Heidendom. Schier geen volk bestond er oudtijds, dat zich niet op de ergerlijkste wijze aan dronkenschap en brasserij te buiten ging; en dat het gevaar in hunne vroegere uitspattingen te hervallen, voor de nieuw-bekeerden geenszins gering was, niemand die het beter wist en misschien ook tot zijn groot leedwezen meerdere malen zag dan de Apostel der Heidenen.

Allen, die zulke dingen doen, zullen, schreef hij hun ter afschrikking, het Rijk Gods niet verwerven. Die zonden moeten dan wel afschuwelijk zijn in de oogen van God, de-wyl Hij aan diegenen, welke met die misdaden hunne ziel bezoedelen, geene plaats gunt in zijn Ryk. Geen wonder ook; denken wy b.v. aan de dronkaars en zwelgers. Zij geven zich, om voor een oogenblik aan een lage drift te voldoen, aan eene misdaad over, welke het gebruik der rede verhindert en het licht des geestes uitdooft, den met rede begaafden mensch op eene lijn plaatst met een redeloos dier en in die mate de vermogens zyner ziel afstompt, dat hij in staat is schaamteloos euveldaden te begaan, waarover hij zich in nuchteren toestand zoude schamen voor God en voor de menschen. Zü misbruiken op grove wijze de gaven, welke door God tot het onderhoud van de krachten des lichaams gegeven worden, zoeken in overdaad hun genot en maken van hun buik een afgod, waaraan zy gezondheid, eer en geweten ten offer brengen, zinnende alleen op de genietingen dezer aarde.

Opmerking. Zoo zwak is het vleesch, ook wanneer de geest gewillig is. Doch waarom — vraagt misschien de een of andere — heeft God de booze begeerlijkheid niet geheel en al in den verloste uitgeroeid tegelijk met het uitwisschen der erf-schuld ? Zeker, Hij had het kunnen doen en het zoude ons een zwaren strijd gespaard hebben. Maar het gemakkelijkste is niet

388

ocr page 409

VEERTIENDE ZONDAG NA PINKSTEREN.

389

altijd het beste evenals de kortste weg niet altijd de verkie-selijkste en de veiligste is. God beschikt ook voor den mensch niet datgene, wat het meeste met diens wenschen overeenstemt maar wat voor diens zaligheid als het voordeehgste moet gelden. Zijne Voorzienigheid toont zich ook dan werkzaam ten gunste van wie Hij naar zijn eeuwig Rijk van glorie wil zien opgaan, als Hij van hen eene moeilijke zelfoverwinning vergt. Is aan die voorwé.arde voldaan, dan zal het loon des te grooter wezen naarmate de arbeid zwaarder, en de prijs der overwinning te schooner naar gelang de strijd vinniger was. Zoo wordt de begeerlijkheid eene aanleiding tot het verzamelen van vele verdiensten, welke anders niet verworven werden. — Ook deze reden mag door geen Christen uit het oog verloren worden. Ons leven moet zooveel mogelijk gelijkvormig wezen aan dat van ons goddelijk Hoofd, Jesus Christus. Hij heeft door het Kruis ons willen verlossen, door het lijden in de glorie willen ingaan; wij, zijne leerlingen en volgelingen, dienen zijne voetstappen te drukken en zijne voorbeelden na te volgen, derhalve ons niet te beklagen als wij om de ons inwonende begeerlijkheid een harden strijd moeten voeren tegen een weerspannig vleesch. Zij is, dit is niet te loochenen, eene bron van kwelling en van vernedering, zij blijft ons altijd bij, is lastig en gevaarlijk zelfs, maar wordt voor hen alleen een kwaad, die aan hare eischen toegeven; voor die anderen daarentegen, welke met moed en volharding haar bestrijden, eene aanleiding om allengs al hoo-ger en hooger op te klimmen op de ladder der volmaaktheid, waartoe God ons roept. Wel verre dus, dat wij over haar voortbestaan eenige klacht zouden uiten, moeten wij den Hemel dankbaar zijn, omdat ons eene gelegenheid geopend is om zege na zege te behalen, te meer nog omdat wij, van goeden wil zijnde, door Gods genade worden bijgestaan, waarmede wij ook in den heetsten strijd tegen onze hartstochten de overwinning kunnen bevechten en zoo de kroon der eeuwige vergelding verkrijgen.

ocr page 410

veertiende zondag na pinksteren.

II.

Wandelt naar den geest en gij zult de begeerten des vleesches niet volbrengen. Dat klinkt bemoedigend voor wie den strijd niet duchten ; dat geeft troost aan wie de prikkel des vleesches niet gespaard blijft. De belooning voor een ingespannen kamp met eigene hartstochten zal groot en heerlijk wezen. Eene zalige rust en kalmte des gemoeds, het bewustzyn van eene schitterende overwinning behaald te hebben, eene verblijdende gemakkelijkheid in het beoefenen van velerhande deugden, niet minder de zekerheid dat aan God een welgevallig offer gebracht en het recht op de glorie des Hemels verkregen is — zij zijn de zalige vruchten van den strijd, dien de wedergeborene in Christus onder de leiding des H. G-eestes tegen de in hem overgeblevene begeerlijkheid zegevierend voert. Doch niemand onderschatte het gewicht der voorwaarde, welke hem gesteld is, vóórdat hy van de genoemde voordeelen een deel kan opeischen. Hjj moet eerst wandelen naar den geest. Dat zegt veel en eischt veel. Niets minder wordt daardoor gevorderd dan dat de Christen geheel zyn levenswandel inrichte naar den wil van God, in overeenstemming met de door Jesus verkondigde zedenwet, overeenkomstig de voorschriften van het Evangelie en de grondbeginselen van het Christendom ; het vergt dat een ieder zich late leiden door de ingevingen en door de aansporingen van den H. Geest, die in hem woont en werkt; dat hij als richtsnoer vooral zijne handelingen neme het licht door de genade ontstoken en aan de plichten door den godsdienst opgelegd beantwoorde. Wie zóó zijn doen en laten regelt en al zijne gangen bestuurt, die zal zijn vleesch met ondeugden en begeerlijkheden kruisigen, die zal blijk geven, dat hij aan Christus toebehoort, en in bem zullen de heerlijkste en ver-dienstvolste deugden welig tieren en honderdvoudige vruchten

890

ocr page 411

veertiende zondag na pinkstesen.

voortbrengen. En welke deugden ? Een twaalftal baalt de b. Paulus aan en noemt ze bier vruchten des H. Geestes, omdat zij uit den H. Geest voortspruiten en vruchtbaar zijn ten eeuwige leven — elders vruchten des lichts (Epb. V, 9), omdat zij door bet bovennatuurlijk licbt der genade voortgebracht worden.

Aan bet boofd der deugden, welke de H. Geest in de bar-ten voortbrengt, plaatst de b. Paulus de liefde, bet beginsel en de kroon der andere deugden, met bare gezusters blijdschap en vrede. Wanneer de ware, oprechte bef de voor God den Christen bezielt en tot een daarmede overeenstemmend bandelen aandrijft, beerscht bij hem eene blyde en opgeruimde stemming des gemoeds, zich in de trekken des gelaats, in de woorden en in den geheelen omgang met anderen openbarende, en bet meest wel in bet gemak, waarmede de moeilijkste werken ondernomen worden, omdat by daarin eene eervolle lastgeving van Gods wege erkent; bij hem ook is de vrede, welken de wereld niet geven kan, te vinden en voor zooveel mogelijk geniet bij een geluk, dat bet meest aan de zaligheid des Hemels nabij komt. Wat zoude den rechtvaardige ook kunnen storen in die zalige genietingen, welke alle begrip te boven gaan ? Wat het verledene betreft; by vertrouwt door Gods Barmhartigheid vergiffenis van zijne zonden verkregen te hebben; voor het tegenwoordige: by hoort die inwendige stem, welke getuigenis geeft, dat hij kind Gods is; en ten opzichte der toekomst: by hoopt met Gods genade zich zei ven rein te houden en zijne loopbaan te volbrengen, zóódat hij de kroon der eeuwige vergelding met blijdschap te gemoet ziet. Door die opgewektheid des harten valt bet hem niet zwaar, zijne verplichtingen, soms zware verplichtingen, tegenover zijn evennaaste te vervullen. Hy toont een onverwinnelijk geduld in het verdragen der belee-digingen, van welke zijde zij hem worden aangedaan; en boe grievend die ook voor bet menschelyk gevoel zyn mogen,

391

ocr page 412

VEERTIENDE ZONDAG NA PINKSTEREN.

392

zijne liefde verheft hem daarboven en is sterk genoeg om eene groote schuld kwijt te schelden; hij lijdt liever ongelijk dan zelf het aan te doen en klaagt hij soms of wenscht hij van die beproevingen bevrijd te worden, zijne onderwerping aan Gods wil blijft volhardend, omdat hij elk herstel van die grieven kan afwachten en zich zelfs onder dat leed gelukkig gevoelt, dewijl hij weet, dat het te zyner zedelijke volmaking dient. Daarom is hy echter niet ongevoelig ; de H. Geest, die in hem is, stompt het mensche-lijk gevoel niet af maar veredelt, verheft en heiligt het tot eene bovennatuurlijke deugd. Wie zich door den H. Geest laat geleiden, wil wat rechtmatig is; hij wordt door eene zedelüke aandrift in eene goede richting voortgedreven, beschikt over een juist oordeel om wat passend en plichtmatig is dadelyk te erkennen en bezit den moed het in beoefening te brengen. Edelmoedig als hij is, zal hij gevoelig wezen tegenover de rampen, waardoor een of ander zijner mede-menschen getroffen wordt, evenals voor zyn eigen leed, en zal niet minder trachten aan hunne hulpbehoevendheid tegemoet te komen dan voor zich zeiven te zorgen; hij is goedertieren en goed, niet zóó dat hij uit weekheid of lafheid zyne plichten vergeet en zijne rechten verzuimt te handhaven, welke hij gehouden is te doen gelden, maar in dien zin dat het hem een lust is den naaste bijstand te verleenen en in diens nood te voorzien. Zijn hart, door liefde ontvlamd, prest hem daartoe en een bitter zelfverwijt zou hij tot zich zeiven richten, als zijne hand gesloten bleef, wanneer eene weldaad door droevige omstandigheden gevraagd werd. Niet minder is hij er op uit om, in navolging van een der beminnelijkste deugden zijns Zaligmakers de lankmoedigheid en zachtmoedigheid te beoefenen. Hij kan veel verdragen en^vergeeft alles. Aan God laat hij de wraak over en, in stede van kwaad met kwaad te vergelden, beyvert hij zich wel te doen; in plaats van te vloeken zal hij voor die hem vervolgen een

ocr page 413

VEERTIENDE ZONDAG NA PINKSTEEEN.

393

hartelijk gebed hemelwaarts opzenden, opdat zij de genade ter verbetering verwerven. Hij beheerschfc ook zich zeiven en blijft meester van zijn hart. Geen spoor van ontevredenheid ziet gij op zjjn vriendelijk gelaat, in zijne stem trilt de toorn niet; de gebreken van anderen over het hoofd te zien kost hem geene moeite, maar daarom laat hij niet na met bescheidenheid op verandering van gedrag aan te dringen en tot bekeering aan te manen. En trouw is bij hem inheemsch geworden; wat hij beloofd heeft, zal hij volbrengen en liever zich zeiven schade berokkenen dan een gegeven woord verbreken. Onrecht is hem een gruwel en gij kunt er zeker van wezen, dat hij aan een ieder het zijne zal geven. Ook zijne ambts- of beroepsplichten zal hij op eene wijze vervullen, zoodat hij den lof van alle weidenkenden inoogst. — Goed voor anderen is hij streng voor zich zeiven. Hij is bescheiden en ingetogen en kuisch. Hij eischt voor zich de eerste plaats niet, noch zoekt zich op den voorgrond te stellen; omdat hij niet opgeblazen van geest is, verneemt gij uit zijnen mond geene woorden, welke iemand kunnen krenken, noch kunt gij eene of andere handeling van hem gispen als hinderlijk voor het gevoel van den naaste; barsch of afstootend is hij niet, maar altijd vriendelijk en voorkomend. Dit belet hem evenwel niet, of liever: het helpt hem om met gestrengheid te letten op al zijne woorden en daden en blikken, opdat hij zich niets veroorlove wat zweemt naar ongepaste vrijheid of wat anderen aanstoot kan geven; opdat hij vermijde wat het vermoeden kan wettigen, dat zijne liefde voor wat be-taamlijk en eerbaar is nog op een laag peil staat. Vooral waakt hij met bijzondere zorg, dat zijn hart en geest en lichaam rein blijve van elke besmetting, welke meer dan eenige andere zonde den H. Geest bedroeft en het lichaam onwaardig maakt om een tempel van den H. Geest te zijn.

Opmerking. Met opzet hebben wij ons een Christen voor-

ocr page 414

VEERTIENDE ZONDAG NA PINKSTEREN.

394

gesteld die, na gerechtvaardigd te zijn, zich in geheel zijn wandel d' )or den H. Geest laat leiden. De aarde, nu voor velen eene woestenij vol van jammer en vol van ellende, ware voor allen in een paradijs herschapen, zoo de vermaningen van den h. Pau-lus voor een ieder als eene onveranderlijke levensregel golden. Hij, door den H. Geest voorgelicht, wist welke zalige vruchten in weelderigen overvloed voor allen zouden voortspruiten uit de zorg om aan zijn vermanend woord een gewillig oor te verleenen. Hier zouden zij in het bewustzijn den weg van Gods geboden te bewandelen een geluk smaken, waarmede dat der wereld niet mag vergeleken worden, en in de eeuwigheid de altijd durende belooning vinden voor een moeilijken maar eervollen kampstrijd. Zij vermeden minstens alle groote zonden, en waren niet meer onder de wet — in dezen zin, dat zij niet door vrees voor de straffen van het kwade afgeschrikt werden; integendeel: zij genoten de ware vrijheid der kinderen Gods, en hun wil was in volkomene overeenstemming met den heiligen wil des hemelschen Vaders, zij behoorden aan Christus en kruisigden hun lichaam met zijne begeerlijkheden; zij woekerden voor de eeuwigheid met de hun geschonkene genaden en arbeidden met voorbeeldige volharding aan het moeilijk werk der zelfvolmaking. Helaas! Dat zulk een tafereel van hooge deugd niet dikwijls te bewonderen valt in Jesus' Kerk, al is zij eene gemeenschap der Heiligen. Wat echter nog meer betreurd moet worden, het is dat er zoo velen zijn, die zelfs geene ernstige poging doen om dien zekeren weg ter zaligheid te betreden of na dien ingeslagen te zijn ras terug keeren, zoodra zij bemerken dat die nauw en moeilijk en met doornen bezaaid is. Er leven toch zoo velen, die tegen een kortstondigen strijd opzien en daardoor niet alleen hun tijdelijk geluk ten offer brengen maar zelfs hunne eeuwige zaligheid in de waagschaal stellen. Zij zijn te beklagen, omdat allen, die de werken des vleesches doen, het Rijk Gods niet zullen verwerven. Maar te verontschuldigen ook? Vraagt het hun in gemoede af, of zij durven verzekeren gerust het oordeel van God af te wachten, of zij niet weten, dat van hen meer gevorderd wordt dan een gemakkelijk en zinnelijk leven; doet een beroep op hun ge-

ocr page 415

VEERTIENDE ZONDAG NA PINKSTEREN.

395

weten, of het hun geene laffe gemakzucht, geene moedwillige verwaarloozing van de genade, geen vermetel verzet tegen de inspraken des H. Geestes, geen misdadig misbruik van den kostbaren tijd der bezoeking verwijt? Hun antwoord, wordt het naar waarheid gegeven, zal als eene akte van beschuldiging luiden — en gelukkig als zij tot die nederige bekentenis komen: van hen is nog te hopen, dat in hen bewaarheid wordt wat de H. AUGUSTINUS zeide: «belijdenis van schuld is de »eerste stap tot bekeering.quot;

ocr page 416

VIJFTIENDE ZONDAG NA PINKSTEREN.

Zoo wij naar den Geest leven, laat ons ook naar den Geest wandelen ! Laat ons geen bejagers worden van ijdele eer, elkander benijdend. Broeders ! Mocht ook iemand door eenig misdrijf overvallen zijn : gij die geestelijk zijt, onderricht den zoodanige in den geest van zachtmoedigheid, terwijl gij acht geeft op u zeiven, opdat ook niet gij in bekoring komt. Draagt elkanders lasten; en zoo zult gij de wet van Christus vervullen. Want als iemand meent iets te zijn^ ofschoon hij niets is, bedriegt hij zich zeiven. Een ieder nu be-proeve zijn eigen werk; en zoo zal hij roem hebben in zich zeiven alleen, en niet in eenen andere; want een ieder zal zijn eigen last dragen.

Hij nu, die onderwezen wordt in het woord, deele aan dengene, die hem onderwijst, van alle goederen mede. Bedriegt u niet; God laat Zich niet bespottep ! Want wat de mensch gezaaid heeft, dat zal hij ook maaien. Hij toch die in zijn vleesch zaait, zal ook van het vleesch verderf maaien; die echter in den geest zaait, zal van den geest het eeuwig leven maaien.

ocr page 417

VIJFTIENDE ZONDAG NA PINKSTEREN.

Laat ons dan, het goede doende, niet moede worden; want indien wij niet moede worden, zullen wij te zijnen tijde maaien. Laat ons derhalve, zoolang wij tijd hebben, weldoen aan allen, doch voornamelijk aan de huisgenooten des geloofs. (Gal. V, 25—VI, 10.)

Inleiding. Wat wij in den Epistel van dezen dag lezen is het vervolg van hetgeen ons voorleden Zondag ter overweging werd voorgehouden. De vermaningen, ofschoon in woorden onderscheiden, doelen op hetzelfde — op de vervolmaking van ons geestelijk leven. Ook nu hooren wij lessen, welke ons den ijver in het godsdienstige, de nederigheid in het berispen van gevallenen en in het schatten van ons zeiven, de liefde en vergevingsgezindheid tegenover den evenmensch en de dankbaarheid aan weldoeners te bewijzen dringend aanbevelen. »Hebt gij den »H. Geest ontvangenquot; — roept de Apostel ons allen toe — «bewijst het door uwe werken; en, wilt gij u daaromtrent eene «geruststellende zekerheid verwerven, onderzoekt uw gedrag, «raadpleegt uwe levenswijze. Het eene en het andere zal u «daarop een voldoend antwoord geven, want is uw doen en «laten geregeld naar de voorschriften van den H. Geest der waar-«heid, dan moogt gij ook hopen, dat Hij u bezielt.quot; Na aldus eerst in het algemeen gesproken te hebben, daalt de Apostel in bijzonderheden af en noemt de ondeugden op, welke de Christen vermijden en de deugden, welke hij beoefenen moet. Hem in die uiteenzetting volgende, zullen wij opnieuw kunnen bewonderen, hoe zegenrijk de beginselen door het Christendom verkondigd en de deugden door Jesus' volmaakte wet voorgeschreven inwerken op het persoonlijk geluk der getrouwe leerlingen des Heeren en op het welzijn der geheele christelijke maatschappij. — Den inhoud van onzen Epistel kunnen wij zeer gevoegelijk onder deze onderdeelen samenvatten:

I. zoekt geen ijdelen roem, berispt met zachtmoedigheid en meent niets te zijn;

II. toont u dankbaar aan wie u onderrichten en doet wel aan allen.

397

ocr page 418

vijftiende zondag na pinksteren.

I.

Laat ons geen bejageks woeden van udele eeb, vermaant de Apostel, zich zeiven niet uitsluitende uit nederigheid. Minder nog mogen wy, die zoo onvolmaakt zyn, dat woord als niet tot ons gericht beschouwen. Evenwel worde hier eene noodzakelijke onderscheiding gemaakt. De eer, de hoogachting der welgezinden volgt elke deugd op den voet als de schaduw het lichaam, zóódat ook de nederigste mensch ze niet kan ontloopen; zy is ook een noodzakelijk vereischte om met vrucht onder anderen werkzaam te zijn. Immers, wie zijne eer verbeurd heeft mist allen invloed; wie daarentegen in aanzien bij anderen staat, vermag veel ter bevordering van het goede en ter verdediging van den godsdienst. De h.h. Schriften behelzen vele voorbeelden door de heiligste personen ons ter navolging nagelaten en waaruit wij leeren, dat het verdedigen der eer geoorloofd en in vele gevallen plichtmatig is. Onze goddelijke Zaligmaker handhaafde zijne Zending en Waardigheid tegen de ontkenning, zyne woorden en daden tegen de verdachtmaking der ongeloovige Joden; duldde niet, dat er eene smet geworpen werd op de werkzaamheid van den h. Joannes den Dooper noch op de liefde-daad van de h. Magdalena; ook de h. Paulus kwam op voor zyne Apostolische volmacht, en wilde niet dat iemand twijfelde aan de waarheid zijner leer of aan de reinheid van zijnen levenswandel. — Wat dan de Apostel in bovenstaande woorden aan zijne bekeerlingen verbiedt? IJdele eer na te jagen, dat is het waartegen hij waarschuwt, wat hij zich zeiven en anderen ontzegt. En ydel, niets waardig is die eer, wanneer de aanspraak daarop niet gegrond is op een deugdzaam leven, op eene werkdadigheid in den dienst Gods, op een gezag door wettige overheid overgedragen, of op eene zending van boven. Jesus Christus moest vereering vorderen voor zijnen Persoon

898

ocr page 419

VIJFTIENDE ZONDAG NA PINKSTEREN.

399

en de Apostelen voor hun ambt; de Pausen, de Bisschoppen en de Priesters moeten ze eischen voor de waardigheid, waarmede zij bekleed zijn, de Machthebbers der wereld om het gezag, waarmede zij toegerust zijn, en de Kerk eischt ze voor hare Heiligen. Maar die anderen, die pochen op rijkdom, die groot gaan op voorname geboorte, die zich verheffen op schoonheid of kracht of talenten, in een woord: op ydelheden der ij delheden, z\jn dwazen ; want weldra komt het einde, en al die heerlijkheid zinkt weg in het niet. Of de mensch als de ryke vrek uit het Evangelie met het purper gesierd gaat, of als de arme Lazarus met lompen bedekt is; of hij afgebedelde hoogachting geniet zooals de Phariseën, of wel om zijne liefde daden evenmin als de arme weduwe, die een penning offerde, lof der menschen inoogst, hij is er niet meer of minder om voor God. Ware verdiensten in de ontvangene roeping vergaderd, zy geven den doorslag en verwerven eene eer, welke blijft in weerwil van alle wisselende meeningen des volks. Naar dien roem alleen te streven is de plicht van eiken Christen, en zulk een wys gedrag zal voor hem een afdoend middel wezen om zich voor vele zonden te behoeden. Want, wie ook slechts een weinig kennis van 's menschen hart bezit, weet dat misplaatste eergierigheid als eene heillooze vrucht het benijden voortbrengt van anderen, die geëerd zijn en zich in de hoogachting van hun evennaaste verheugen. Hoe dikwijls wordt een stekelig woord, eene hatelijke plagerij gehoord uit den mond dergenen, die voor zich zeiven begeeren wat anderen verkregen hebben; hoe dikwijls verraden de eergierigen hetzij door een blik hetzy door een gebaar, dat zij aan den gelukkigere de eervolle onderscheiding misgunnen, welke zy verwacht en welker zij zich waardig geacht hebben. Dan moet aan de afgunst, welke in het hart brandt, uiting gegeven worden, en men ontziet zich niet om op onchristelijke wijze, hetzij in de stilte des harten of ook ten aanhoore van anderen, gebreken op te sommen en te beweren, dat alle verdien-

ocr page 420

vijftiende zondag na pinksteren.

sten gemist worden by hen, die op den voorgrond zijn geplaatst en daardoor een doorn zijn in het oog van wie voorbijgegaan zijn.

Wie naar den H. Geest wandelt is niet hoogmoedig, verheft zich in zijne gedachten niet boven zijnen zwakken broeder, maar daalt met eene bemoedigende toespraak tot hem af om hem op te richten. Dit vordert ook de h. Panlus van alle geloovigen. Mocht iemand door eenig misdrijf overvallen zijn, gij die geestelijk zijt, onderricht den zoodanige. Opmerkelijk is het, hoe verschoonend de Apostel zijne woorden weegt en wikt. Hij wil niet veronderstellen, dat een Christen met vryen wil eene of andere zonde bedrijft, maar de men-schelyke zwakheid kennende, weet hij ook hoe licht het gebeurt, dat zelfs de vroomsten door de eene of andere overtreding verrast worden. Wij behoeven slechts onze ondervinding te raadplegen om de waarheid van zijne voorstelling te kunnen staven. Menigeen laat zich door gramschap overmeesteren, eer hij zich bezonnen heeft; aan een ander ontvalt een hard woord, vóórdat hij het bemerkt; deze spreekt onwaarheid, maar het is gezegd zonder nadenken ; gene vergrijpt zich tegen de regels der welvoegelijkheid, tegen de wet van matigheid of tegen het gebod van behoedzaamheid in blikken of gebaren, en hij is het zich schier niet bewust. In deze en vele andere gevallen, welke zich dikwijls voordoen in het leven van den zwakken mensch, moet volgens het voorschrift van den grooten Leermeester hij, die geestelijk is en zich door den H. Geest laat leiden, optreden als een wijze raadgever, als een vaderlijke vermaner en onderwijzer ter verbetering van den onbedachtzame; want niet berispen als spreken plicht is en eene gemoedelijke terechtwijzing tot inkeer kan brengen, is zich schuldig maken aan vreemde zonden. Doch niet elke bestraffing mag voor doeltreffend gehouden, als goed geacht worden. In den geest van zachtmoedigheid is het onderricht te geven. En vele redenen pleiten daarvoor.

400

ocr page 421

VIJFTIENDE ZONDAG NA PINKSTEREN.

Vooreerst dienen wij een blik op ons zei ven te slaan en niet te vergeten, dat ook wij in vele dingen gestruikeld zijn, en, wat de toekomst betreft, geene verzekering is ons van boven gegeven, dat het overige van ons geheele leven vry van zonden zal bevonden worden. „Er is geene zonde, door „den menscb bedreven, welke nietquot; — beweert de h. Auöüs-tinüs — „door een ander menscb bedreven kan worden, „tenzy hy behoed worde door Hem, door Wien hij mensch „gemaakt is.quot; Wij ook blijven zwak, kunnen licht door gebrek aan doorzicht of aan behoedzaamheid vallen, tot zonden bekoord en verleid worden. Die volstrekt niet ongegronde vrees moet er toe bijdragen, dat de gestrengheid in het berispen gematigd zij. Daarom voegde de h. Paulus bij zijne vermaning nog deze waarschuwing: geeft acht op u zelven, opdat ook gij niet in bekoring valt. quot;Wie zich naar dat voorschrift gedraagt en bang is voor eigene zwakheid, zal nederig gestemd wezen en te eerder zooveel medelijden met de gebreken van anderen betoonen, dat hij zich van alle harde woorden onthoudt. — Waartoe zouden zij ook dienen al die beleedigende smaadredenen, welke door toorn ingegeven zijn en in gramschap uitgestooten worden. Een wel overlegd en zachtzinnig woord valt altijd op goede aarde en zal of dadelijk of later goede vruchten opleveren ; het brengt tot inkeer en wekt op tot berouw over hetgeen misdaan is. Wie met zachtmoedigheid berispt, wordt als een welwillend en deelnemend vriend beschouwd; zijn woord is als een weldadige regen, welke allengs dieper en tot aan den wortel dei-plant in den grond indringt; maar een gramstorig woord gelijkt op een stortbui, welke het opkomend graan ter neerslaat en de aarde met een korst overdekt, zóódat de onderlaag even droog blijft. Den waren toestand zijner ziel moet de overtreder beseffen, de waardigheid der deugd erkennen en hare noodzakelijkheid inzien, het gevaar waaraan hij zich blootstelt begrijpen; doch van wien zal hij die onderrichting willen aan-

Verklaringen der Epistelen. II. 26

401

ocr page 422

vijftiende zondag na pinksteren.

hooren, van wien anders dan van hem, die als een belangstellend vriend hem toespreekt en door zijne woorden en houding doet blijken, dat hij het als een plicht der liefde beschouwt om de belangen zijner ziel ernstig met hem te bespreken en hem den goeden weg ter verbetering aan te wijzen — niet van hem, die in harde woorden uitvalt om hem te vernederen, die hem met verwijtingen overlaadt en zich tegenover hem aanstelt als een onmeedoogend tuchtmeester, die niets wil verontschuldigen; zulk een stoot af, en de andere zal zich verharden, wrevel en wrok in zyn hart ophoopende.

In onmiddellijk verband met de voorgaande vermaning des Apostels staat dezedraagt elkanders lasten. In dubbelen zin kan dit woord verstaan worden. In navolging van Jesus' voorbeeld zjjn wy verplicht medelijden te hebben met onze zwakke en zondige, met onze hulpbehoevende en lijdende natuurgenooten, met hunne zedelijke behoeften en lichamelijke gebreken. De Apostel heeft hier echter het oog gevestigd vooral op den plicht eens anders gebreken en fouten te verdragen. En wie zoude zich daaraan kunnen ontrekken? Die zelf niet zonder gebreken is, die zelf een beroep moet doen op de vergevingsgezindheid van zyn evenmensch — en wie kan zich daarvan vrijpleiten ? — mag wel inschikkelijk wezen voor de fouten des naasten. Hem zoude het verwijt treffen: „let eerst op den balk in uwe eigene oogen, vóórdat gij „splinters ziet in 't oog van uwen broeder.quot; Of is hij anderen niet dikwijls tot last, wekt zijne handelwijze niet menigmaal ontevredenheid en wrevel op, geeft hij nooit ergernis, behoeft hy zich niet te schamen over eene of andere zijner daden, beleedigt hij niet by wijlen den eene of andere ? Wil hij in al die gevallen verschooning vinden, niets billijker dan dat hij zich ook tegenover zijne broeders zoo gedrage, als hij wenscht door hen behandeld te worden. Nog op eene vol-

402

ocr page 423

vijvtiende zondag na pinksteren.

403

maaktere wijze kan hij zijne liefde betoonen. Laat hij zich — wat niet zelden het geval zal wezen — a]s medeschuldig achten in de gebreken, welke hy in anderen veroordeelt en dan, te zynen voordeele en om wille van zyne naasten, daarvoor boeten of, wanneer hem daarvan geen deel kan ten laste gelegd worden, voor de verbetering van zijne evenmenschen bidden, hen door zijne raadgevingen helpen om hun gedrag ten goede te veranderen en de middelen aan te wenden waardoor vergiffenis verkregen wordt en tevens de genade ter volharding. — Zooals wy reeds aanmerkten, kunnen de woorden van den h. Paulus nog in een anderen zin opgevat worden en mogen dan aldus worden omgezet; „neemt deel in „het lijden en in den nood van den evenmenschquot;. Reeds ons natuurlijk gevoel dringt daarop aan, en vooral het liefde-gebod eischt het van ons. Allen zijn lidmaten van één lichaam en daarom lijdt het eene om het andere en medelijdende zal het verzachting aanbrengen. Stelt ook de hand zich niet als vanzelf in beweging om op eene pijnlijke plaats te drukken en zoo eenige leniging van smart te bewerken? Die hand moet ons hart wezen om in den nood van anderen te kunnen voorzien of hun lijden te verminderen. Krachtigen zijn naast zwakken, rijken naast armen, gezonden naast zieken, wijzen naast radeloozen door God op deze wereld geplaatst, opdat de hulpbehoevenden hulp vinden bij wie ze verleenen kan. Wie aan die verplichting als hy kan niet voldoet, beschaamt het vertrouwen, dat de hemelsche Vader van allen in hem gesteld heeft, en veracht de roeping, welke hy ontving; hy begraaft de talenten door God hem ter uitdeeling gegeven, en van eene onredelijke, onchristelijke eigenliefde getuigt het, als hij waant, dat ze alleen ten eigenbate mogen worden aangewend. — In welke beteekenis iemand de besprokene vermaning van den Apostel ook duide,v al wie ze naleeft, hy vervult de wet van Cheistus, de wet welke reeds eeuwen vóórdat de Zoon Gods op aarde verscheen door God aan het

ocr page 424

vijftiende zondag na pinksteren.

geheele raenschdom voorgeschreven was en door Jesus vervolmaakt en uitgebreid werd, terwijl Hy van het volkomen vervullen daarvan een levendig voorbeeld gaf, Hy die al weldoende rondging niet alleen maar ook aller schuld op Zich laadde en als Zoenoffer voor de zonden zijner schepselen stierf.

Mets zal er meer toe bijdragen om warme toegenegenheid, medelyden en hulpvaardigheid aan den evenmensch te betoo-nen dan de overweging van eigene zwakheid en hulpbehoevendheid ; maar niets zal ook meerdere afbreuk doen aan weldoende belangstelling in het lot van anderen dan de koude en zelfzuchtige eigenliefde en het gevoel van zelfgenoegzaamheid. Met die gedachte bezield wenschte ook de h. Paulus,

dat niemand zoude meenen iets te zijn, ofschoon hij niets is,

en waarschuwde hij voor een verblindend zelfbedrog. quot;Wie aan grootheids-waanzin lijdt en zich zeiven voor volkomen aanziet, zal al zeer weinig liefde voor anderen gevoelen en niet willen afdalen om dwalenden met zachtmoedigheid toe te spreken en terecht te wijzen; hij zal het ook beneden zich achten om minderen met raad en daad bij te staan. Om zich voor die zonde en hare gevolgen te vrijwaren, moet een ieder bedenken, dat hy uit of door zich zeiven niets is en daarom eiken grond voor zelfverheffing mist. In stede van zich aan eigenwaan over te geven en tusschen zich zeiven en anderen eene vergelijking te maken, welke hy wel zorgt, dat zij ten zijne voordeele uitvalt; in plaats van groot te gaan op gewaande voortreffelijkheid, trede hy in zich zei ven en beproeve zijn eigen werk, onderzoeke hy zyn geweten en vrage zich af, of al ayn doen en laten in overeenstemming is met de leer des Evangelies. Het zoude eene groote uitzondering mogen heeten, wanneer hij na die zelfbeproeving niet veel meer redenen vond voor een bitter zelfverwijt dan stof tot roemen. Doch aangenomen, dat hij zich de getuigenis mocht geven

404

ocr page 425

vijftiende zondag na pinksteren.

iets goeds te hebben verricht, dat hij evenzeer de verheeriy-king van God als het welzijn van den naaste bevorderde, wie gaf hem daartoe de noodige middelen en de noodige genade'? Hij heeft niets, wat hij niet van God ontvangen heeft; alle eer van zijn werk komt derhalve aan God toe en alle roemen is voor hem uitgesloten. Elke vergelijking met anderen, minder nog zelfverheffing boven hen zal hem niets baten, als hij voor den rechterstoel van God staat om geoordeeld te worden. Dat hij zich voor beter gehouden heeft, zal hem geen voordeel aanbrengen; een ieder draagt zijn eigen last, en zal naar zijne werken geoordeeld worden en geenszins naar hetgeen hij waande te wezen. En zalig hij, die alsdan reden zal hebben om in zich zelven roem te hebben, in zijn wandelen naar Gods geboden ; die zal inderdaad groot zijn voor God om zijne deugd en verworvene verdiensten.

Opmerking. Op één woord van den Apostel dienen wij terug te komen. Hij wil, dat de berisping, vermaning of terechtwijzing — hoe gij die verkiest te noemen — gegeven worden in den geest van zachtmoedigheid. Geldt die regel voor altijd en voor allen? Het voorbeeld van onzen goddelijken Zaligmaker geeft het beste antwoord op die vraag. Bij herhaling sprak Hij eene zeer gestrenge strafrede uit tegen de hardnekkig ongeloovige en huichelachtige Phariseën. Woorden van diepe verontwaardiging over hunne halsstarrige boosheid waren dan de uitdrukking van zijn bewogen gemoed, van een heiligen toorn. En waarom ? Hunne misdaden mochten niet ongestraft blijven, hunne zondige verwaandheid en voorgewende heiligheid moesten in het schelle daglicht geplaatst worden. Die schijnheiligen moesten ontmaskerd worden, opdat het onnadenkend volk zoude weten, wat het van hen te houden had, opdat het niet verleid werd en voor goed hield, wat in de oogen van God afkeurenswaardig was. — Wie in hun maatschappelijk verkeer staan tegenover dezulken, wier gemoed niet ontvankelijk voor de waarheid is maar verstokt en gesloten blijft voor de

405

ocr page 426

406 vijftiende zondag na pinksteren.

opmerkingen van eene deelnemende liefde, zij zijn wel genoodzaakt tot harde woorden soms hunne toevlucht te nemen, want anders zoude bij de omstanders allicht de meening ingang vinden, dat de overtredingen en zonden niet ernstig behoefden opgenomen te worden en de zachtmoedigheid zoude voor onverschilligheid kunnen gelden. Overigens blijve het voorbeeld van Jesus, die da zondaren liefdevol ontving en hen gemoedelijk over hunne gebreken berispte en vergiffenis schonk aan hen, in wier hart de Alwetende een oprecht berouw las, voor ons een vaststaande regel, waarnaar wij onze handelwijze inrichten. Zoo ook volgen wij den wijzen raad op van den h. Augus-tinus, die tot zijne hoorders zeide : »uwe wijze van spreken, «hetzij die zachtzinnig of scherp zij, dient geregeld te worden, »zooals het welzijn dat schijnt te vorderen van den evenmensch, swien gij berispt.quot; Moeilijk moge dit zijn en zelfbeheersching eischen, nutteloos en onverdienstelijk zal het niemand kunnen noemen, die geloof schenkt aan deze woorden van den h. Jacobus; zoo iemand onder u van de waarheid is afgedwaald en iemand hem bekeert, die moet weten dat wie een zondaar van den dwaalweg bekeert, diens ziel van den dood redden zal en eene menigte van zonden door dien afgedwaalde bedreven bedekken (V, 19).

II.

De Apostel heeft ons geleerd, wat wij in ons gedrag tegenover den naaste te vermijden hebben ; maar ook blijft hij niet in gebreke met zjjn Apostolisch gezag te verklaren, wat wij niet mogen nalaten. Het doen van liefde-werken naar zijn stand en naar zijn vermogen, is de plicht van elk Christen zoolang hij leeft. Laat ons het goede doende, niet moede wokden, luidt het voorschrift. Niemand die daartoe niet in staat is. De rijke kan aalmoezen geven, en de arme voor weldoeners bidden; de gezonde kan voor zyn evenmensch werken, en de zwakke kan zijn lijden voor de bekeering der zondaars aan

ocr page 427

vijftiende zondag na pinksteren.

God opdragen; de hooggeplaatsten vermogeu veel door hunne voorspraak bij anderen, en de minderen door hunne nederige gelatenheid op het gemoed der machtigen van deze wereld ; een ieder kan in zijne omgeving een heilzamen invloed uitoefenen, en voor allen, die het zoeken, ligt een ruim veld open voor lichamelijke en geestelijke werken van barmhartigheid. Dit begrepen de Heiligen, die een sieraad zoowel der Kerk als der maatschappij waren en hun leven doorbrachten in den dienst der lijdende menschheid. Een dringende reden om hun indrukwekkend voorbeeld met volhardende getrouwheid na te volgen houdt de h. Paulus ons in deze woorden voor :

wat de mensch gezaaid heeft, dat zal hij ook maaien. HlJ toch die in het vleesch zaait, zal van het vleesch vee-derf maaien ; die echter in den geest zaait, zal van den

geest het eeuwig leven maaien. Het beeld hier door den Apostel gebezigd is ontleend aan een akker, die vruchtbaar of onvruchtbaar is, waarop, al mag hij tot de eerste soort gerekend worden, slecht of goed* zaad uitgeworpen wordt. Is een van beidei: slecht, dan ook zullen de vruchten niets zijn dan onkruid, dat uitgeroeid dient te worden en in het vuur geworpen; zyn beiden goed, dan zullen ook de vruchten goed zijn en waardig, om in de voorraadsschuren te worden opgeborgen. Eveneens is het met de werken. Hunne waarde hangt ook daarvan af, of iemand ze in het vleesch, ter voldoening van zyne lage driften verricht of wèl in den geest, om vruchten ter zaligheid voort te brengen. In de eerste veronderstelling oogst hij het verderf, in de andere het eeuwig leven in. — Doch ook dit is niet te vergeten. Niemand mag in het doen van goede werken verflauwen. Een onfeilbaar woord geeft de bemoedigende verzekering, dat te zijnen tijde, als de tijd van den oogst door God bepaald, de dag van oordeel, zal gekomen zyn, de verdienstelykheid van goede werken, van een geloof werkzaam door de liefde zal beloond worden in de eeuwigheid, mits wij niet moede worden, in ijver en in volharding ten

407

ocr page 428

vijftiende zondag na pinksteren.

406

opmerkingen van eene deelnemende liefde, zij zijn wel genoodzaakt tot harde woorden soms hunne toevlucht te nemen, want anders zoude bij de omstanders allicht de meening ingang vinden, dat de overtredingen en zonden niet ernstig behoefden opgenomen te worden en de zachtmoedigheid zoude voor onverschilligheid kunnen gelden. Overigens blijve het voorbeeld van Jesus, die da zondaren liefdevol ontving en hen gemoedelijk over hunne gebreken berispte en vergiffenis schonk aan hen, in wier hart de Alwetende een oprecht berouw las, voor ons een vaststaande regel, waarnaar wij onze handelwijze inrichten. Zoo ook volgen wij den wijzen raad op van den h. Augus-tinus, die tot zijne hoorders zeide: »uwe wijze van spreken, »hetzij die zachtzinnig of scherp zij, dient geregeld te worden, »zooals het welzijn dat schijnt te vorderen van den evenmensch, swien gij berispt.quot; Moeilijk moge dit zijn en zelfbeheersching eischen, nutteloos en onverdienstelijk zal het niemand kunnen noemen, die geloof schenkt aan deze woorden van den h. Jacobus; zoo iemand onder u van de waarheid is afged-waald en iemand hem bekeert, die moet weten dat wie een zondaar van den dwaalweg bekeert, diens ziel van deii dood redden zal en eene menigte van zonden door dien afgedwaalde bedreven bedekken (V, 19).

II.

De Apostel heeft ons geleerd, wat wij in ons gedrag tegenover den naaste te vermijden hebben ; maar ook blijft hij niet in gebreke met zijn Apostolisch gezag te verklaren, wat wij niet mogen nalaten. Het doen van liefde-werken naar zijn stand en naar zijn vermogen, is de plicht van elk Christen zoolang hij leeft. Laat ons het goede doende, niet moede worden, luidt het voorschrift. Niemand die daartoe niet in staat is. De rijke kan aalmoezen geven, en de arme voor weldoeners bidden; de gezonde kan voor zyn evenmensch werken, en de zwakke kan zijn lyden voor de bekeering der zondaars aan

ocr page 429

vijftiende zondag na pinksteren.

God opdragen; de hooggeplaatsten vermogen veel door hunne voorspraak bij anderen, en de minderen door hunne nederige gelatenheid op het gemoed der machtigen van deze wereld ; een ieder kan in zijne omgeving een heilzamen invloed uitoefenen, en voor allen, die het zoeken, ligt een ruim veld open voor lichamelijke en geestelijke werken van barmhartigheid. Dit begrepen de Heiligen, die een sieraad zoowel der Kerk als der maatschappij waren en hun leven doorbrachten in den dienst der lijdende menschheid. Een dringende reden om hun indrukwekkend voorbeeld met volhardende getrouwheid na te volgen houdt de h. Paulus ons in deze woorden voor :

wat de mensgh gezaaid heeft, dat zal hij ook maaien. Hij toch die in het vleesch zaait, zal van het vleesch verderf maaien ; die echter in den geest zaait, zal van den

geest het eeuwig leven maaien. Het beeld hier door den Apostel gebezigd is ontleend aan een akker, die vruchtbaar of onvruchtbaar is, waarop, al mag hij tot de eerste soort gerekend worden, slecht of goed; zaad uitgeworpen wordt. Is een van beiden slecht, dan ook zullen de vruchten niets zijn dan onkruid, dat uitgeroeid dient te worden en in het vuur geworpen; zyn beiden goed, dan zullen ook de vruchten goed zijn en waardig, om in de voorraadsschuren te worden opgeborgen. Eveneens is het met de werken. Hunne waarde hangt ook daarvan af, of iemand ze in het vleesch, ter voldoening van zyne lage driften verricht of wèl in den geest, om vruchten ter zaligheid voort te brengen. In de eerste veronderstelling oogst hij het verderf, in de andere het eeuwig leven in. — Doch ook dit is niet te vergeten. Niemand mag in het doen van goede werken verflauwen. Een onfeilbaar woord geeft de bemoedigende verzekering, dat te zijnen tijde, als de tijd van den oogst door God bepaald, de dag van oordeel, zal gekomen zijn, de verdienstelijkheid van goede werken, van een geloof werkzaam door de liefde zal beloond worden in de eeuwigheid, mits wij niet moede worden, in ijver en in volharding ten

407

ocr page 430

vijftiende zondag na pinksteben.

einde toe niet bezwijken.

De Apostel bepaalt zich niet tot eene algemeene beschouwing over den liefde-plicht; tot in bijzonderheden afdalende bespreekt hij deze twee onderwerpen: wat is elk Christen verplicht tegenover zyne leeraars in het geloof en wat tegenover zijne geloofsgenooten. De eerste plicht, door rechtvaardigheid voorgeschreven, is deze: hij, die onderwezen woedt in

het woord, deele aan dengene, die he1i onderwijst, van

alle goederen mede ; met andere woorden: al de dienaren van Jesus' Kerk, zij die hunne krachten en talenten, hunne gezondheid en hun leven ten dienste stellen van de geloovigen, mogen aanspraak maken op een naar hun stand geëvenredigd levensonderhoud, waartoe allen naar hun vermogen moeten bijdragen, die deel hebben aan de werkzaamheid der bedienaars van den godsdienst. Geen geestelijke behoeft zich daarover te schamen; een ieder van hen mag dat als een recht eischen en elke geloovige moet dat recht niet alleen erkennen maar ook door stoffelijke offers huldigen. De tijden zijn al lang voorbij, toen de inkomsten der Bisdommen genoegzaam waren om in alles te voorzien, wat de geestelijken voor hun dage-lijksch onderhoud behoefden ; die goederen zyn geroofd door mannen van het vrije onderzoek en van eene lange hand; nu is er geen gedeelte van het rijksland aangewezen, door welks opbrengst de levieten van het Meuwe Verbond op behoorlijke wijze bestaan kunnen; eene staatswet schrijft niet meer voor, zooals het G-od aan de Joden geboden had, dat de eerstelingen van land en van vee eerst aan God opgeofferd en dan aan de bedienaars van het heiligdom vervallen moeten; het ware ongepast en ergerlijk, als de uitdeelers van Gods geheimen zich nu, zooals de h. Paulus in zijnen tijd deed en doen kon, met een handwerk bezig hielden. Waarvan zullen dan die in het woord onderrichten kunnen leven? Het is eene uitzondering, als er onder de geestelijken van onze dagen gevonden

408

ocr page 431

VIJFTIENDE ZONDAG NA PINKSTEREN.

409

worden, wier vaderlijk erfgoed groot genoeg is, om daarmede te voorzien in hunnen lichamelijken nood, en beschikten zy daarover, welk een groot gedeelte is daarvan moeten besteed worden aan studie-kosten; welke aanzienlijk zijn, daar minstens elf jaren van voorbereiding gevorderd worden. En toch ook zij blijven menschen, die hun dagelijksch brood moeten eten, maar ook arbeiders zijn in den wijngaard des Heeren, die hun kost waardig zijn (Math. X, 10). — Dat elke Apostel der waarheid recht heeft om op kosten der gemeente te leven, staaft de h. Paulus door verschillende bewijsredenen. Eerst vraagt hij in naam van alle bedienaars des woords sprekende: heh-ben wij geen recht om te eten en te drinken; wie dient als krijgsknecht op eigen bezoldiging; wie plant een wijngaard en eet niet van deszelfs vrucht; wie weidt eene kudde en eet niet van de melk der kudde, en verklaart vervolgens dat de wet dit zegt en dat God, bezorgd voor züne dienaren, wilde geschreven hebben : een dorschende os zult gij niet muilhanden. En waarom dit? omdat wie ploegt op hoop begint te ploegen, en wie dorscht op hoop van vrucht te ontvangen. Hiermede nog niet voldaan vraagt hij nogmaals : indien wij u geestelijke (goederen) hebben gezaaid, is het dan iets groots, als wij uwe lichamelijke (goederen) maaien ? Het antwoord ligt voor de hand, en de b. Paulus geeft het in deze woorden; weet gij niet, dat zij die in het Heiligdom werken, eten van hetgeen des Hei^ydoms is, en dat zij die het Altaar bedienen, met het Altaar deelen ? Zóó heeft ook de Heer voor hen, die het Evangelie verkondigen, verordend dat zij van het Evangelie zouden leven (I Cor. IX, 6 — 15). Derhalve, werden de Priesters en Levieten van het Oude Verbond uit de goederen des tempels onderhouden en ontvingen zij een gedeelte van de offers, welke op het altaar gelegd waren, eveneens mogen de bedienaars van het Evangelie in de offergaven der geloovigen hun levensonderhoud vinden. En zij verdienen het meer dan dubbel. De arbeid der geestelijken kan licht en gemakkelijk schijnen, in werkelijkheid gaat

ocr page 432

vijftiende zondag na pinksteren.

hy met groote zorg en inspanning en niet zelden mer bitterheid gepaard. Elke bedienaar van den Godsdienst, als hg zijn ambt met ernst verricht, moet voor alles voorbereid wezen, dag en nacht aan zijne gemeentenaren ten dienste staan, al de vermogens des geestes en de krachten des licbaams in het werk stellen om aan zijne veelvuldige en veelzijdige verplichtingen te beantwoorden. Dat is niet mogelijk, als hij onder tydelijke zorgen gebukt gaat ? Onverstand of afgunst alleen kunnen de waarheid van deze stelling betwisten. Een leek zal des te yveriger in zijn stand werkzaam blijven, naarmate hij meer voor lichamelijke behoeften te zorgen heeft; daarentegen zal een geestelijke zich met des te grooter inspanning en volharding aan al zijne beroepsplichten kunnen wijden, naar gelang hij zich minder om tijdelijke aangelegenheden heeft te bekommeren. Geen enkele der lidmaten van eene Katholieke gemeente mag alzoo zijne verplichtingen ten deze opzichte te licht opnemen of zich daaraan onder niets waardige voorwendsels onttrekken. De menschen kan hij bedriegen maar God niet, die alles weet en alle beweegredenen doorschouwt en wikt. Het is gemakkelijk eene verontschuldiging te vinden, maar de vraag blijft: zal die steekhoudend zyn voor den Alwetende ? God heeft dat gebod gegeven en zal het vervullen van die verplichting vorderen, zoolang geen onvermogen daarvan ontheft. Hu laat niet met Zich spotten, en het ware niet alleen eene zonde van verzuim, maar zelfs eene misdadige spotternij met Gods duidelijk uitgesproken wil, wanneer iemand zijn plicht kennende meende, dat een gezocht voorwendsel door God als geldig zoude aangenomen worden.

De Apostel geeft als tweeden plicht aan : Laat ons, zoolang wij Tiro hebben, zoolang de nacht niet is aangebroken, waarin niemand meer werken kan, weldoen aan allen, doch voornamelijk aan de HuisGENOOTEN des GELoops. Geen enkele worde derhalve van onze weldadigheid uitgesloten: geen Jood, geen

410

ocr page 433

VIJFTIENDE ZONDAG NA PINKSTEREN.

Heiden, geen ongeloovige, geen zondaar. Dat eischt de ware geest van het Christendom, waardoor de scheidsmuur tus-schen de verschillende menschen bestaande is onvergehaald en allen minstens door den band der liefde, zoo niet door eenheid des geloofs, vereenigd zyn. Doch niet allen kunnen dezelfde rechten op onze werkdadige liefde doen gelden. Grelyk in elk huisgezin de leden daarvan, omdat zij bloedverwanten zijn, aan elkander nauwer verbonden en inniger gehecht zijn dan aan wie daar buiten staan, evenzoo is het in die groote familie, in de Kerk, waarvan Jesus het heilig Hoofd is en de lidmaten door een gemeenschappelijk geloof en door een gemeenschappelijken godsdienst één zijn van geest en van hart. De geloofsgenooten zyn onze medeburgers en wel in den hoogsten zin des woords, lidmaten van hetzelfde lichaam en tevens bijzondere vrienden van God. Zoodra dan er spraak is van het verdeelen onzer liefde-gaven, komen zij het eerst in aanmerking, die ons het naaste staan, denken wij voornamelijk aan de huisgenooten des geloofs, daarmede den hemelschen Vader navolgende, die zijne beste gaven aan zyne bijzondere vrienden toebedeelt. Maar een stelsel van uitsluiting kennen wy niet; naar omstandigheden en naar vermogen doen wij wel aan allen, ook al in navolging van Hem, die zijne zon doet opgaan over goeden en kwaden en regenen doet'over rechtvaardigen en onrechtvaardigen (Math. V, 45).

Opmerking. Met nog een enkel woord maken wij op dit voorschrift van den Apostel; een ieder beproeve zijn eigen werk, opmerkzaam en te eerder, omdat wij het toepassen moeten op al hetgeen hij van den Christen gevorderd en ook op dat waarvoor hij hem gewaarschuwd heeft. Zulk een onderzoek dient echter, zal het vruchten dragen, met ernst ingesteld en voor noodzakelijk te houden wezen. De h. Gregorius geeft daaromtrent deze gedragslijn aan: «niemand zette zijne gedachten op iets »anders dan hierop, dat hij zijne oogen op zich zeiven vestige, »zich zeiven leere kennen, beschouwe, nauwkeurig onderzoeke.

411

ocr page 434

VIJFTIENDE ZONDAG NA PINKSTEKEN.

412

»doorgronde en dan zich zeiven vinde; het kwade, dat hij »alsdan opmerkt, moet uitgeroeid en het goede, dat hij meent gt;ontdekt te hebben, aangekweekt worden. Vorsch u na zonder »u te bedriegen, te vleien, te verontschuldigen. In uw binnenste »is niemand, voor wien gij u behoeft te schamen of om wien »gij aan grootspraak hebt over te geven; maar daar buiten »bevindt zich iemand, aan Wien uwe nederigheid welbehagelijk »is, zóódat Hij uw gedrag goedkeurt. Verder moet gij nagaan, »wat gij doet, welke uwe gedachten, welke uwe bedoelingen »zijn. Wie vorderingen in de deugd gemaakt hebben, zijn ge-»woon hunne daden van meet af te onderzoeken en met zorg »te vermijden, wat besmettelijk is. In ons hart dienen wij binnen »te gaan, alles wat wij doen aan een nauwkeurig onderzoek »te onderwerpen en ons te beschuldigen van alles wat in strijd »is met Gods wet, opdat onze zelfbeschuldiging ons ontschul-»dige bij den strengen Rechter.quot; Zulk een nauwgezet gewetensonderzoek is voor eiken Christen eene noodzakelijkheid. »Onze «gezindheidquot; —zegt genoemde Kerkvader — sblijft niet langen gt;tijd achtereen dezelfde, maar verandert onder de dagelijksche »zorgen, als wij niet, in ons zeiven gekeerd, met waakzame »zorg overwegen èn onze gebreken èn onzen voortgang in het jgt;goede. Wie niet op zich zeiven let en zoo de hem aangehoudene kracht niet gebruikt, zal allengskens en zonder het te «bemerken veranderen, dat is ; zal al meer en meer afwijken »van den weg, waarop hij zoo goed begonnen was te loopen.quot; Geoordeeld moeten wij worden; doen wij zeiven het niet, dan zal God het doen, en zijn oordeel zal gestrenger zijn en zijne uitspraak zal zwaardere straffen opleggen. De Allerhoogste zal onderzoek doen naar uwe werken — bedreigde de Wijze man — en uwe overleggingen zal Hij navorschen (Wijsh. VI, 4), en Hem, die uwe ziel gadeslaat, is niets onbekend en Hif zal den mensch vergelden naar zijne werken (Spr. XX IV, 12). Is het daarom niet verkieselijker, dat wij zeiven ons beoordeelen en veroordeelen dan te vallen in de handen van den levenden God; moet het niet een wijze voorzorg heeten, dat wij zeiven ons liever bestraffen dan een schat van toorn ons te verzamelen voor den dag der openbaring van Gods gerechtig oordeel ?

ocr page 435

vijftiende zondag na pinksteren.

413

Waarlijk, het is een goede raad, dien de h. ChrySOSTOMXJS ons geeft: gt;wanneer gij u op uw rustbed hebt neergelegd, en »niemand u in uwe overweging stoort, daag dan uw geweten gt;voor uwen rechterstoel en herinner u, of gij iets misdaan hebt gt;in woorden, in daden of in gedachten.quot;

ocr page 436

ZESTIENDE ZONDAG NA PINKSTEREN.

Broeders! Ik bid u, dat gij niet kleinmoedig wordt wegens mijne verdrukkingen voor u, die uwe eer zijn. Hierom buig ik mijne knieën tot den Vader onzes Heeren Jesus Christus, uit Wien alle geslacht in Hemel en op aarde naam heeft, dat Hij, naar den rijkdom zijner heerlijkheid, u geve door zijnen Geest gesterkt te worden met kracht voor den inwendigen mensch; dat Christus door het geloof moge wonen in uwe harten, opdat gij, geworteld en gegrondvest in de liefde, met al de Heiligen in staat moogt zijn te begrijpen, welke de breedte en de lengte en de hoogte en de diepte zij, en te kennen de Liefde van Christus, die alle kennis te boven gaat, opdat gij vervuld moogt worden tot alle volheid Gods !

Hem nu, die, naar de kracht, welke in ons werkt, machtig is alles te doen, overvloediger dan wij bidden of beseffen. Hem zij glorie in de Kerk en in Christus Jesus, gedurende al de geslachten van de eeuwen der eeuwen! Amen. (Eph. III, 13—21).

Inleiding. De h. Paulus zat opgesloten in eene gevangenis te Rome. Niet omdat hij zich aan eenig misdrijf schuldig gemaakt, maar omdat hij als bedienaar des Evangelies en als predi-

ocr page 437

ZESTIENDE ZONDAG NA PINKSTEREN.

415

ker des Kruises den haat der wereld op zich geladen, vooral omdat hij onverschrokken en zonder aanzien van personen niet opgehouden had te verkondigen, dat ook de Heidenen deelnamen aan de genade van het groote Verlossingswerk des Hee-ren Jesus Christus en na hunne opname in de Kerk niet verplicht waren zich aan de oude Mosaïsche wet te onderwerpen. Dit laatste leerstuk had meer dan een ander de woede der Joden verwekt. Zij vervolgden hem en, toen hij te Jerusalem gekomen was, zochten zij hem te dooden. Bij een oproer werd de Apostel, alsof hij de schuldige was, gevangen genomen door den Romeinschen landvoogd. Om voor de verdere aanslagen der Joden beveiligd te zijn — veertig mannen hadden hem den dood gezworen, — was hij genoodzaakt een beroep op den keizer te doen. Zoo kwam hij te Rome als gevangene maar ook als slachtoffer van zijne ongeloovige en dweepzieke vijanden. Voor een ijveraar als Paulus, die onvermoeid werkte in den dienst des Heeren, was niets pijnlijker dan verhinderd te zijn in de uitoefening van de bediening, welke hij had ontvangen. Niets bleef hem over dan door te bidden en door geschrevene vermaningen aan het welzijn zijner bekeerlingen te arbeiden. — Aan die voor den Apostel zoo treurige omstandigheid heeft de Kerk den brief te danken, waarvan een gedeelte boven staat afgedrukt en elk woord getuigenis aflegt van zijne vaderlijke bezorgdheid, van zijne liefde voor de geloovigen van Ephese. Hij leed en leed veel en lang, maar vergat zich zeiven om slechts aan anderen te denken; verheugd omdat hij voor Jesus' Naam boeien mocht dragen, was hij tegelijk beangstigd, dat zijne beminden om zijne verdrukking moedeloos zouden worden. Zóó vergunt hij ons een blik te slaan in zijn hart, dat van ijver brandde voor de eer van zijn goddelijken Meester en van liefde voor zijne kinderen, die hij voor God gewonnen had; zóó leert hij ons allen, dat het voor de Kerk Gods, voor hare dienaren en voor eiken waren leerling van Jesus als een voorrecht moet gelden, als zij om wille der gerechtigheid vervolging lijden; zóó ook vernemen wij, wat een ieder van den Vader des lichts moet afbidden, opdat hij in die beproeving niet bezwijke, In het kort: een voorbeeld voor ons is

ocr page 438

ZESTIENDE ZONDAG NA PINKSTEREN.

I. de lijdende en

II. de biddende Paulus.

1.

Om ons een recht begrip te vormen van de woorden des h. Paulus, moeten wij ons den treurigen toestand verbeelden waarin hij by het schrijven van zijnen brief verkeerde. Mets ging hem zóó zeer ter harte als hen in het ware geloof te zien volharden, aan wie hij de blijde boodschap des heils verkondigd had. En nu was hij, de gevangene voor Christus, verre van zijne beminde Ephesiërs verwijderd, terwijl hen van alle zijden gevaren bedreigden. Wij kunnen ons gemakkelijk zijn gedachten-gang voorstellen. Voor zyn eigen persoon, voor zijn leven was hij niet bezorgd, niets beducht en hield zijn leven niet dierbaarder dan zich zeiven, dan het leven zijner ziel, mits hij zijn loop volbracht en de bediening des woords, icelke hij van den Heere Jesus Christus ontvangen had (Handl. XX, 24). Zelfs verlangde hij ontbonden te worden om met Christus te zijn {Ph. J, 23). Maar die nieuw-bekeerden daar ginds in Klein Asië, welke nog zwak waren in het geloof, als zij hoorden van de gevangenschap huns Leermeesters en van zyn lijden om bet Evangelie, als zy vernamen, hoe hij door Joden en Heidenen gelasterd en vervolgd, hoe zijne leer bespot werd, zouden zy dan niet moedeloos, gedrukt worden en beangstigd, dat ook hen eenzelfde lyden wachtte; zou bet licht der waarheid bij hen niet uitgedoofd en hunne geloofsovertuiging niet geschokt worden; zoude by hen niet eenige twijfel opkomen, niet eenige vrees ontstaan, dat God zijne Kerk en hare dienaren verlaten had en Zich niet bekommerde om den godsdienst, welken zy predikten; bestond er niet groot gevaar, dat die geloovigen van weinige dagen afvallig werden van een geloof, dat zulke zware offers eischte van wie het beleden? Deze en dergelijke gedachten zullen den geest van den h. Paulus bestormd en hem meer gekweld

416

ocr page 439

zestiende zondag na pinksteren.

hebben dan al het pijnlijke der ketenen, welke hij droeg. De zorg voor de gemeente te Ephese, welke hjj gesticht had God dienende met alle ootmoedigheid, onder vele beproevingen, na een arbeid van drie jaren, noch by dag noch bij nacht ophoudende een ieder onder tranen te vermanen, die zorg liet hem geen rust en drong hem er toe hun een brief te schry-ven, waarin hij niet alleen de hoogste waarheden verkondigde maar ook zijn hart uitstortte en hen bezwoei- om zich toch niet van den goeden weg te laten afbrengen.

Broeders ! Ik bid u, dat gij niet kleinmoedig wordt wegens mijne verdrukking. Dat is de echte taal der liefde, welke belang stelt in het geluk der beminden. De Apostel kon bevelen, maar hij bad ; het was zijn recht om met aandrang te vermanen, maar liever neemt hy zijne toevlucht tot smee-kingen, omdat hij wist dat die, van hart tot hart gaande, bereidvaardiger aangehoord en eerder opgevolgd worden. En die bede was van eenen bezorgden vader, by wien het geestelijk welzijn zijner kinderen boven alles ging. Hij vreesde, dat zij in die beproeving zouden bezwijken en ondergaan in de gevaren, welke hen van vele zijden bedreigden. Mondelings kon hij hen niet meer tot standvastigheid vermanen; daarom wilde hij ten minste door letterschrift zijne bezorgdheid verklaren, hen onderrichten en al die gevoelens uitdrukken, welke zijn edelmoedig hart voor hen koesterde. Bovendien, om aan zyn woord alle kracht bij te zetten, stelde hij hun de beweegredenen voor, welke hen konden staande houden. Hu leed — schreef hij — voor hen, en zijne verdrukkingen waren hunne eer. Hij was hun Apostel, hij had de blijde boodschap hun gebracht en de waarheden ter zaligheid noo-dig te weten verkondigd, hen gedoopt en in de Kerk van Jesus opgenomen. Leed hij om wille van het geloof, hetwelk hij overal en eveneens in hunne stad had gepredikt, dan trof hem dat lyden ook om en voor hen, ook om zijne werkzaamheid onder hen en voor hunne zaligheid. In stede dus van

Verklaringen der Epistelen, II. 27

417

ocr page 440

ZESTIENDE ZONDAG NA PINKSTEREN.

zich aan moedeloosheid om zijne verdrukking over te geven, moesten zij daarin roemen. Zij hadden een leermeester gehad, die het Christendom bleef belijden en verkondigen onder vervolging en in de gevangenis, die door zijn lijden der waarheid getuigenis gaf en niet aarzelde daarvoor zijne vrijheid en zijn leven ten offer te brengen. Al ware zijn toestand nog treuriger, al stond hem de dood te wachten, zij mochten zich beroemen op een Apostel, die in zijne geloofsovertuiging onwrikbaar vast stond en liever alles leed en alles verloor dan zyne leer te verzaken. Het geloof van den h. Paulus en ook wat hy gepredikt had aan de Ephesiërs, was derhalve geene bloot menschelyke meening, welke van dag tot dag afwisselt, maar een goddelijk geloof, eene op onwraakbare getuigenissen vast staande overtuiging, waarvoor de Apostel bereid was te lijden en te sterven. Dat was de roem, de ware grootheid van de bekeerlingen onder de Ephesiërs; op zulk een Leermeester konden zy zich verheffen tegenover die dwaalleeraars welke, uit een vuige gewinzucht en uit de heillooze begeerte om aanhangers te winnen, de ooren kittelden en de lage hartstochten vleiden maar niet durfden lijden voor het-gene zij als waarheid verdichtten en daarom op zand bouwden, niet op een onwankelbaren grondslag door Christus gelegd.

Het was voor de Ephesiërs eene groote eer, dat zy een Martelaar als hun vader in het geloof mochten noemen. Dit geldt zoowel voor elke gemeente als voor de geheele Kerk van Jesus. Hare predikers van alle tijden hebben van boven de roeping ontvangen om voor de zaligheid van Jesus' verlosten werkzaam te wezen. In het vervullen van die opdracht te moeten strijden en lijden is voor hen een voorrecht maar tevens voor allen, aan wie zij het woord des levens verkondigen, een waarborg voor de waarheid hunner leer. Niemand laat zich geeselen of dooden voor een leugen;

418

ocr page 441

zestiende zondag na pinksteren.

doch wie overtuigd is, dat hij de waarheid bezit en niets dan de waarheid predikt, zal zich door geene vervolging noch foltering die gave des Hemels laten ontnemen, en, zoo dikwijls hij daarvan getuigenis onder zyn lyden aflegt, heeft zijn woord eene onweerstaanbare overredingskracht. Wij schenken geloof aan hen, die in het aangezicht des doods ons toeroepen: „niets dan de waarheid hebben wij u verkondigd.quot; Hun woord door het vergieten van hun bloed bezegeld verbant alle onzekerheid en maakt eiken twijfel onredelijk. Dit is de korte omschry ving van de bekende spreuk van Tertülianüs : „het bloed der Martelaren is het zaad der Christenen.quot; Door eiken druppel 'bloeds, voor het christelijk geloof vergoten, werden duizenden voor Jesus' leer gewonnen. Hoe meerdere bloedgetuigen hun leven gaven voor den Naam van Jesus, des te meerdere bewijzen staafden de waarheid van het Christendom ; een ieder, die leed om wille der gerechtigheid, dwong anderen tot de bekentenis; „eene leer, welke hare belyders „den pijnlijksten dood als eene genade doet hoogschatten, kan „niet onwaar, moet goddelijk van oorsprong zijn.quot; Daarom mochten de Ephesiërs zich beroemen op — en zich verheugen in de verdrukkingen van den h. Paulus; daarom moeten wy ons ook troosten en bemoedigen, als wij Jesus' Kerk en hare dienaren vervolgd zien. Dat is een waarmerk te meer voor de gegrondheid van die aanspraak, welke zij nooit nagelaten heeft te herhalen, dat namelijk de God-mensch als hare Stichter en de H. Geest als hare Bestierder moet erkend worden, en dat zij de ontvangene leer geheel onvervalscht bewaard en als een kostbaar pand van eeuw tot eeuw overgeleverd heeft. Heeft ook de Zaligmaker zelf niet in de allerduidelijkste bewoordingen verklaard, dat zijne Kerk vervolgd, zijne leerlingen om zijnen Naam gehaat zullen worden?

Zulk eene verlevendiging van ons geloof is geenszins overbodig in deze dagen van strijd. Het ongeloof verbreidt zich

419

ocr page 442

ZESTIENDE ZONDAG NA PINKSTEREN.

al meer en meer, want al meerdere predikers en aanhangers der dwaling worden door eene heillooze begeerte gedreven om zooveel mogelijk aan den waren Godsdienst afbreuk te doen. Het licht moet uitgedoofd en tegelijk met het verspreiden der dwaling de zedeloosheid aangekweekt worden. Vrijheid van denken en vrijheid van doen, het zijn de leuzen van onzen tjjd. De wereld moet ongeloovig en slecht worden; verwerping van een wettig gezag moet eerst als een onaantastbaar beginsel en dan losbandigheid als levensregel gelden. Al wat den mensch op zijnen moeilijken weg kan staande houden en al wat hem in zijne en in de oogen des naasten verheft, wordt hem ontroofd om hem neer te storten in een afgrond van duisternis en afzichtelijke boosheid. De middelen tot dat duivelsch doel gebezigd zijn genoeg bekend. De boosaardigste en walgelykste, op het voeden van de laagste hartstochten berekende prikkels moeten dienst doen om het geloof te ondermijnen en het gevoel voor wat eerbaar is te verstikken. Voor alles houden die dienaren der hel het noodzakelijk, dat de goddelijke leer des Zaligmakers als een verdichtsel der geestelijkheid voorgesteld en de wet Gods als verouderd veracht wordt.

Het wordt den mensch ingeprent slechts te gelooven wat met zyne neigingen overeenstemt en zich te veroorloven wat met zijne bedorvene natuur strookt. De strijd tegen die val-sche profeten, naar den schijn onschuldige schapen maar inwendig verscheurende wolven, moge moeilijk en langdurig wezen, moedeloos mogen wij om die verdrukking der Kerk en om de bestrijding van de eeuwige waarheid en van de onveranderlijke zedenwet niet worden. Het scheepje van Petrus zal, al wordt het door hevige stormen geteisterd, niet vergaan; geene machten der hel kunnen de rots overweldigen, waarop Jesus zyne Kerk, de zuil der waarheid en de leermeesteres der wet, gebouwd heeft. Tot onderpand van die zekerheid strekt het onfeilbaar woord van den goddelijken

420

ocr page 443

ZESTIENDE ZONDAG NA PINKSTEREN.

Stichter zeiven: Ik ben met u al de dagen, tot de voleinding der wereld (Math. XXVIII, 20). En wat ons, de kinderen van die Kerk betreft, door ons geloof zijn wij sterk genoeg om de wereld met al hare lagen en listen te overwinnen en de eeuwige kroon der vergelding te verdienen.

Opmerking. Wel ligt zij niet in de beteekenis van de woorden des h. Paulus de volgende opwekking tot geduld in het lijden, toch mogen wij ze als geschreven lezen in het voorbeeld, dat hij ons geeft. Zijn onverschrokken moed en onoverwinnelijk geduld; zijn onbegrensd vertrouwen op God zijn «ie deugden, welke door alle lijdenden moeten nagevolgd worden. Zijn hart is gerust, zijn geest helder en zijn wil aan God onderworpen. Hij schijnt zijn eigen leed niet op te merken om met dat van anderen alleen bezig te zijn; niet hij zoekt troost, maar troost de bedrukten. Welk een navolgenswaardig maar ook welk een meesleepend voorbeeld! Evenmin als de h. Paulus mogen wij den moed laten zinken maar moeten onze hulp zoeken in den Naam des Heeren. God, die den Apostel zoo dikwijls uit vele gevaren gered heeft, is machtig en niet minder goed om ons uit de handen van vijanden te redden of het vuur der beproeving uit te dooven; Hij is ook rechtvaardig om ons het aangedane leed te vergoeden en een onverschuldigd lijden te beloonen. Toch lijden velen met ongeduld, met wrevel, morrende tegen God alsof zij geen hoop hebben. De voornaamste reden daarvan is te zoeken in hunne kleinmoedigheid, welke hen dwingt elk oogenblik met zich zeiven bezig te zijn en belet om te denken aan de hand, welke slaat en aan de beweegredenen, welke die barmhartige hand bestieren. Al kunnen niet allen, die onder kwellingen gebukt gaan, met den h. Paulus getuigen: »wij lijden alleen om wille der gerechtigheid, omdat »wij de verheerlijking van God en het heil van onsterfelijke zielen »trachtten te bevorderen;quot; geene enkele is er evenwel, die niet moet kunnen zeggen: »ik lijd om aan Gods wil te gehoorza-»men, om aan zijne Rechtvaardigheid te voldoen, om mij in «overeenstemming te gevoelen met de altijd wijze plannen en «liefdevolle oogmerken zijner Voorzienigheid.quot; — Een krachtig

421

ocr page 444

ZESTIENDE ZONDAG NA PINKSTEREN.

middel om tot die volmaaktheid der onderwerping' allengs op te klimmen wordt ons aanbevolen door een ander voorbeeld van den grooten Apostel. Hij bad tot den Vader van alle vertroosting voor zich zeiven, opdat hij in de beproeving volhardend bleef, doch niet minder voor zijne bekeerlingen, opdat zij niet wankelmoedig werden. Jammer, dat het gemis aan een levendig geloof zoo velen een hulpmiddel doet verwaarloozen, hetwelk even krachtig is tot het beoefenen van een christelijk geduld als noodzakelijk tot het verwerven van eene kalme berusting in Gods wil, hetwelk ook volhardend gebruikt met een even goed gevolg zou bekroond worden als het gebed van den h. Paulus, die zonder twijfel voor zich zelvèn en voor zijne bekeerlingen bevestiging in het geloof en lijdzaamheid zal verworven hebben. — Leeren wij daarom van hem ook, hoe wij bidden, wat wij vragen moeten.

II.

Wij zouden tot in het diepste onzer ziel ontroerd zijn geweest, als wy den h. Paulus daar in de gevangenis hadden gezien, zijne armen met ketenen beladen tot God opheffend, terwijl hij in nederige houding neergeknield lag op den stee-nen vloer van dien akeligen kerker. Zoo ook, uit eerbied voor de goddelijke Majesteit des hemelschen Vaders, viel Jesus ter aarde neder in den hof van Olijven; zoo bad de h. Ste-phanus nederknielende vergiffenis af voor zijne vervolgers; zoo ook knielde de h. Petrus neder, toen hy de opwekking ten leven voor Tabitha van God afbad. Die hulde der aanbidding, dien diepen eerbied zijn wij allen verschuldigd aan den Heer van Hemel en van aarde, Wien geene te groote eer door zijne schepselen kan bewezen worden vooral niet, wanneer zij zich verstouten als bedelaars weldaden van zijne Milddadigheid af te bidden. — Een nog weldadiger indruk dan de houding des lichaams maakt op ons het hartelijk gebed, dat de Apostel der wereld opzond tot den troon van Gods genade. Zelfs de door hem met allen nadruk aangegevene bijzonder-

422

ocr page 445

zestiende zondag na pinksteren.

heid, dat hij tot den Vader zijne smeekingen richtte, stemt tot ernstig nadenken. Ik buig mijne knieën - schreef hij — tot den Vader onzes Heeren Jesus Christus, uit Wien

alle geslacht in hemel en op aarde naam heeft. Tot den

Vader alzoo, tot het beginsel en den oorsprong der twee andere Personen, tot den almachtigen Schepper van alle zichtbare en onzichtbare dingen, van den Hemel en van de aarde ; — tot Hem, aan Wien alle koren der Engelen en alle geslachten der menschen hun bestaan te danken hadden; tot Hem, die ook aan de wereld zijn eenigen Zoon als Verlosser en Zaligmaker gezonden en den H. Geest als Trooster geschonken had en nog voortdurend mededeelt als Heiligmaker — tot Hem wendde zich de Apostel om van dien Vader des Lichts, van dien Gever aller goede gaven, genade na genade af te bidden voor zijne beminden, die in druk en nood verkeerden. En hij was er van overtuigd, dat zijne bede door den Vader niet onverhoord zou blijven, niet afgewezen zou worden. Bij Hem is immers de rijkdom dek heerlijkheid, die heerlijke volheid en onuitputtelijke, overvloeiende bron van overgroote genaden. Hü, die zelfs zóó goed was, dat Hij zyn eenigen Zoon niet spaarde maar overleverde ten dood voor alle menschen, had in en door Jesus alles gegeven : verlossing door diens Bloed, vergeving der zonden, de heiligmakende genade en het eeuwig leven. Bij Hem dus waren de kostbaarste gaven te vinden, welke evenzeer den milddadigen Gever verheerlijken als den gelukkigen beweldadigde met den rijksten zegen overladen.

In dat onbegrensd vertrouwen bad de h. Paulus voor zijne beminde geloovigen de grootste genaden af. Zij waren voor God gerechtvaardigd, maar moesten nog voor alle wankelmoedigheid in het geloof behoed worden. Daaraan hadden zij ook behoefte en de h. Paulus bad voor hen, dat God hun gave door zijnen Geest gesterkt te worden met kracht voor den inwendigen mensch. Het was noodig dat zij, ten aanzien van den geest en van hun gemoed, geestelijker gezind, immer meer vernieuwd, door de goddelijke genade al meer

423

ocr page 446

zestiende zondag na pinksteren.

in het goede, in de gerechtigheid en waarheid bevestigd werden. Zulk eene kracht ter volharding kon hun de H. G-eest mede-deelen, aan Wien de zending is opgedragen al de ledematen van Jesus' geheimzinnig lichaam te heiligen en te vervolmaken. Opdat dan zijne Ephesiërs met die gaven van boven zouden toegerust worden, kwam de Apostel hun met de macht van zijn nederig en dringend gebed te hulp. Doch die genade niet alleen vroeg hij van den hemelschen Vader voor hen af. Eerst sterk geworden in de beproeving, moesten zij toenemen in heiligheid door een leven te leiden uit het geloof en werkzaam te zyn in de liefde. — Zijn gebed vervolgende smeekte de h. Paulus, dat Christus door het geloof in hunne harten

mocht wonen en zij geworteld en gegrondvest zouden wezen

in de liefde. Waarlyk, de bezorgdheid van den geestelijken Vader vroeg niet weinig voor zijne geestelijke kinderen ! Niets minder dan dat zy naar den geest door het geloof en naar den wil door de liefde al volmaakter werden; dat Jesus Christus in hunne harten als in een tempel mocht wonen; dat zij dus één met Hem zouden zijn, gelijk Hij één was met den Vader; hij bad, dat hun geloof niet zoude wankelen en hunne liefde vruchtbaar werd in goede werken; dat de waarheid hen al meer en meer zoude vrijmaken en het vuur dei-liefde hooger opvlammen ; dat hun leven een leven voor God werd en zy in de goddelyke liefde, het ware levensbeginsel voor den Christen, vast zouden staan als een boom, welke zyne wortelen diep in den grond geslagen heeft, als een gebouw, dat op hechte grondslagen rust. — Eene derde genade door den h. Paulus voor hen afgebeden was eene volmaakte kennis der geloofswaarheden, vooral een duidelyk begrip van Jesus' Verlossingswerk. Een oprecht geloovige is een geleerde, dewijl hij geheimen kent, welke voor den ongeloovige verborgen zyn; maar hij kan dagelyks toenemen in de kennis Gods en in de wetenschap des heils; zijn geest kan al meer en meer verlicht worden en dieper door dringen in de open-

424

ocr page 447

zestiende zondag na pinksteren. 425

baringen van God. Daarom, na een levendig geloof en eene innige liefde voor zijne bekeerlingen te hebben afgebeden, verklaarde de Apostel eene der beweegredenen, welke hem zoo deden bidden: opdat zij met al de Heiligen in staat

mochten zijn te begrijpen, welke de breedte en de lengte en de hoogte en de diepte zij, namelijk Van de liefde VAN

Christus, die alle kennis te boven gaat, opdat zij mochten vervuld worden tot alle volheid Gods. Heiligen zijn bij uitnemendheid in staat de alles overtreffende liefde van Jesus, door Hem in de verlossing der wereld betoond, te bevatten. Zij zijn uit God geboren en kennen God in zyne oneindige Volmaaktheden en, daarvan het dagelijksch onderwerp van hunne overweging makende, vorderen zij bij iederen stond in de de eenig ware weteuschap en tevens in de volmaaktheid dei-liefde. En aan hen moesten, volgens den harte-wensch van den Apostel, hun Leermeester, de Ephesiërs gelijk worden. Niets schatte hy voor hen van grooter belang dan dat zij, na gerechtvaardigd te zijn door het Bloed van Christus, begrepen hoe ontzaglijk groot en heilzaam dat Rijk van genade, waarheid en vrede was door Jesus gesticht in zijn lijden en sterven ; dan dat zij bevroedden, voor zooveel dit don Christen met zyne beperkte vermogens doenlijk is, welke de verhevenheid en de omvang is van dit werk van Gods Liefde. — Eene beknopte verklaring der woorden van den Apostel maakt het duidelijk, welke eene uitgebreide kennis der geloofswaarheden hij voor hen afbad.

Door de breedte is de geheele aarde te verstaan. Even ver als de zonde heerschte en de dood heerschappij voerde, reikte ook de heilbrengende kracht van Jesus' Zoendood. Alle men-schen van alle tyden zijn geroepen lidmaten te zijn van die gemeenschap, waarvan Christus Jesus het aanbiddelijk Hoofd is en waarin de hoogste goederen worden uitgedeeld. Niemand is uitgesloten; geen enkele heeft ooit geleefd of zal nog leven, die niet voorbestemd is om tot de waarheid te komen en zoo

j

ocr page 448

ZESTIENDE ZONDAG NA PINKSTEREN.

426

zalig te worden. — Ook alle tijden van het begin der wereld tot aan het laatste oordeel toe, zijn in die lengte, in dien duur van Gods liefdevolle plannen opgenomen. Nooit, zoo wilde het God, mocht er één dag zijn, waarop de zegeningen van Jesus' Verlossingswerk niet konden genoten worden. Gelijk aan eene bron, welke altijd springt en hare stralen van water naar alle zyden uitwerpt, zoude ook het werk, dooiden Vader aan zijnen Zoon opgedragen, aan allen voortdurend en onafgebroken de genade der Verlossing mededeelen. — Uit deze twee gedachten kunnen wij reeds afleiden, wat wy onder hoogte en diepte van Jesus' Liefde hebben te verstaan. De Opgaande uit den hooge heeft ons bezocht om te verlichten, die in de duisternis en in de schaduw des doods gezeten waren ; uit den Hemel werd de Zoon Gods door den Vader gezonden om hier op deze aarde te wonen; de van eeuwigheid uit den Vader geborene werd in den tijd geboren uit eene Maagd en Hij, de Lichtglans van des Vaders heerlijkheid en het Afbeeldsel van Gods Wezen, omkleedde Zich met de zwakheid der menschelijke natuur; die God van den waren God en Licht'van het ware Licht was, kwam onder de menschen in de gestalte van een dienstknecht en, die geene zonde kende, werd het Slachtoffer voor de zonden zijner schepselen ; in Wien de Godheid persoonlek woonde en die vol was van genade en waarheid, daalde neder in deze woestenij van jammer en van wee om de gevallenen op te richten, de gevangenen te verlossen en slaven des duivels tot kinderen van God te maken, In den beginne was het Woord en het Woord was God, maar in de volheid der tijden werd Jesus gehoorzaam tot aan den dood des Kruises, en Hij, die het Lftven was en het ware leven gaf, stierf den dood der grootste misdadigers. Dat is de hoogte, waaruit de Zoon Gods neerdaalde tot in de diepte der diepste vernedering, om de plannen zijner ondoorgrondelijke wysheid te verwezenlijken. Maar ook eens zal Hij zijne uitverkorenen uit de groote verdruk-

ocr page 449

zestiende zondag na pinksteren.

king voeren naar het Rijk zijner glorie als een buit door lijden en bloed behaald. — Dat is die liefde, welke alle kennis te boven gaat en door geen raenschelijk verstand naar waarde en in haren geheelen omvang kan beseft worden. Wij kunnen die onover-tretbare stof overwegen maar uitputten nooit; wy moeten naar het voorbeeld der Heiligen bidden, dat God onzen geest verlichte en ons hart verwar me, maar die zelfopofferende liefde te doorgronden en naar behooren met wederliefde te vergelden, dit zal voor iedereen eene onbereikbare voldoening blijven. Toch mogen wij niet nalaten, zooals de h. Paulus voor de Ephesiërs deed, de genade voor ons af te smeeken, dat wij immer meer en meer toenemen in die wetenschap des heils. Hoe volmaakter ze in ons wordt, des te meer zullen wy ook vervuld worden tot alle volheid Gods, des te meer aan alle gaven en genaden Gods deelachtig worden. Wie in nederigheid zijn onvermogen belijdt om Gods Liefde-geheimen te begrijpen en niet moede wordt meer licht te vragen, versterkt zijn geloof en ontvlamt zijne liefde, en geen twijfel: zjjne belooning zal niet uitblijven, in zijn leven niet en bovenal in de eeuwigheid niet. Hij mag zelfs meer dan hy bidden of beseffen kan verwachten van Hem, die machtig is alles te doen en meer geeft dan wij hopen durven.

Opmerking. Met den h. Paulus besluiten wij onze overwegingen, een lofzang aanheffende op de onbegrijpelijk groote Liefde en Macht van God. Hem zij glorie in de Kerk en in Christus Jesus, gedurende al de geslachten van de eeuwen der eeuwen. Door den Apostel heeft God ons geleerd, hoe voordeelig en noodzakelijk het lijden van de Kerk en van hare dienaren is voor de gansche gemeenschap der Heiligen, geleerd ook welke genaden en welke wetenschap wij èn voor ons zeiven èn voor onze geloofsgenooten dienen af te bidden. — Wie dankt den Gever van alle goede gaven niet voor die nieuwe openbaringen, welke zoo veel duisternis uit onzen geest bannen, eiken twijfel oplossen en een lichtstraal zijn op

427

ocr page 450

ZESTIENDE ZONDAG NA PINKSTEEEN.

428

den weg, welken wij hebben af te loopen. Wij weten nu beter nog dan vroeger, waarom God noch aan zijne Kerk, noch aan de predikers der waarheid de beproeving bespaart. Zij lijden voor ons, zóódat het geloof, bevestigd door ontwijfelbare waarborgen van echtheid, in ons hart honderdvoudige vruchten ter zaligheid voortbrenge; hun lijden is ook onze eer, daar wij ons beroemen op hen, die niet aarzelen om onzentwil verdrukking te ondergaan en vervolgd te worden, zelfs hunne vrijheid en leven ten offer te brengen. — Ook is ons door een treffend voorbeeld voorgehouden, wat wij allen op de eerste plaats van God moeten afbidden. Het Rijk Gods — schreef de h. Paulus — is niet spijs en drank, maar gerechtigheid en vrede en hlijdschap in den H Geest (Rom. XIV, 17), Geen beter middel om tot zulk eene volmaaktheid op te klimmen bestaat er dan voor ons en voor anderen die genaden af te smeeken, welke de Apostel voor zijne bekeerlingen vroeg en vervolgens Jesus' overgroote en allen omvattende Liefde te blijven overwegen. Onze Apostel wenschte niets meer te weten dan Jesus en dien gekruisigd. In die kennis vond hij zijn troost en zijne bemoediging, zijne aansporing tot volharding en zijne kracht in het lijden. Zijn ook wij met die bovennatuurlijke wetenschap toegerust en beseffen wij eenigszins wat wij aan onzen dierbaren Verlosser en Zaligmaker verschuldigd zijn, dan verheerlijken wij met de geheele Kerk en tot aan het einde der dagen Christus en door Hem den hemelschen Vader met alle geslachten door eenen heiligen levenswandel hier op aarde, om Hem eens in den Hemel te loven van eeuwigheid tot eeuwigheid met al zijne Engelen en Heiligen.

ocr page 451

ZEVENTIENDE ZONDAG NA PINKSTEREN.

Broeders: Ik bid u, ik, de gevangene in den Heer, dat gij wandelt, waardig der roeping, waarmede gij geroepen zijt, met alle nederigheid en zachtmoedigheid, met geduld, elkander in liefde verdragend, vol ijver om de eenheid des geestes door den band des vredes te bewaren, één lichaam zijnde en één geest, gelijk gij geroepen zijt tot ééne hoop uwer roeping. Eén Heer is er; één geloof, één doopsel, één Goden Vader van allen, die boven allen en door alles en in ons allen is; die gezegend is in de eeuwen der eeuwen; Amen. Eph IV, i—6.

Inleiding. De Epistel van dezen dag — met recht eene pleitrede genoemd voor het onderhouden van den vriendschapsband onder de Christenen — is een gedeelte van dien brief aan de geloovigen te Ephese, welke ons reeds menigmaal stof ter overweging aanbood. Verleden Zondag nog hoorden wij den h. Paulus bidden in zijnen kerker, bidden voor zijne bekeerlingen, dat God hen door den H. Geest met de kracht van boven sterken en Jesus Christus door het geloof en de liefde in hunne harten wonen mocht; dat zij, inde liefde geworteld,den vollen omvang van het Verlossingswerk des Zaligmakers mochten erkennen en met de volheid der genade Gods vervuld worden. Met die bede op de lippen voor hun geestelijk welzijn wees

ocr page 452

ZEVENTIENDE ZONDAG NA PINKSTEREN.

hij hen vervolgens — aldus de h. Thomas — op de verplichting, de eensgezindheid onder elkander te bewaren. Ongetwijfeld hadden de woorden van vaderlijke bezorgdheid diepen indruk op het gemoed der Ephesiërs gemaakt en hen blijde gestemd om het bezit van zulk een geestelijken vader. Doch het was niet voldoende, dat de Apostel vermaande en bad voor hunne zaligheid; zij moesten met de ontvangene genaden medewerken en door goede werken hunne roeping zeker maken en niet minder er op bedacht zijn, dat de eendracht onder hen niet gestoord werd.

God en de Vader van den Heer Jesus Christus had naar zijne groote Barmhartigheid hen wedergeboren door het H. Doopsel, tot zijne kinderen gemaakt en hun de hoop gegeven op de heerlijke erfenis, welke in den Hemel voor zijne getrouwen was weggelegd; door het geloof en den bijstand der goddelijke genade waren zij toegerust met de noodige kracht tot het verdienen der zaligheid, welke in hare volheid eerst zoude geschonken worden bij de wederkomst des Heeren op den dag des oordeels. Maar dat geloof moest een levend geloof wezen, werkdadig door de liefde en door de andere deugden, welke eiken Christen in zijn omgang met den naaste sieren moeten. Met alle recht mogen wij vermoeden, dat om de bijzondere omstandigheden, waarin de Ephesiërs verkeerden, de h. Paulus die vermaning dringend noodzakelijk achtte. De gemeentenaren aldaar waren niet alleen uit verschillende heidensche volkstammen voor het geloof gewonnen, maar ook bekeerlingen uit het Jodendom werden onder hen gevonden. Vandaar dat onder hen, die vóór hun overgang tot het Christendom èn in leer èn in gewoonten zeer verre van elkander stonden, niet zelden on-eenigheid ontstond en twistredenen gehoord werden. Alwie dit gewettigd vermoeden met ons deelt, zal toegeven, dat de vermaningen des Apostels er geheel op berekend waren om zijne lezers tot' eenheid des geestes en tot ware broederlijke liefde te stemmen. Met dat doel voor oogen leerde hij,

I. hoe een Christen wandelen moet en

II. geeft hij de gronden aan, waarom zulk een wandelen van den Christen gevorderd wordt.

430

ocr page 453

zeventiende zondag na pinksteben.

431

I.

Ik bid u — zoo schreef hij — ik, de gevangene van den Heee, dat gij wandelt waaedig dee eoeping, vtaabmede gij geeoepen zijt. Wat de h. Paulus van de Ephesiërs vroeg, is ook ons ten plicht gemaakt. Wij allen hebben de roeping ontvangen, dafc wij matig, rechtvaardig en godvruchtig leven voor God, dat wij onberispelijk en heilig wandelen en dat de broederlijke liefde de band zij, welke ons één maakt van geest en van hart. Die heerlijke roeping was niet van onze vrije keuze afhankelijk maar werd ons door God opgelegd; God wilde, dat wy heilig zouden zijn. Door de openbaring werd die wil ons geleerd en niet een enkele is er, welke dien niet volgen en daaraan niet al zijne krachten wijden moet. Een koning kan afstand doen van zijn troon, wanneer de regeeringszorgen hem te zwaar vallen, maar een Christen mag nimmer aan de ontvangene roeping, hoe moeilyk ook, ontrouw worden noch aan de verplichtingen, welke zij liem oplegt. God heeft hem tot dien staat van volmaaktheid voorbestemd en toegerust. Hij zal van hem ook een leven blijven eischen, dat er mede in overeenstemming is. En immer meer en meer moet hij der volmaaktheid naderbij komen, van stilstaan mag geen spraak wezen. Integendeel: met reuzenschreden den weg van Gods geboden af te loopen tot het einde toe en in spijt van alle moeilijkheden en hindernissen — dit is zyn plicht. Dus mag hij zich niet tevreden stellen met eene gedeeltelijke toewijding aan die moeitevolle maar hoogst verdienstvolle taak: zijn geheel bestaan dient daaraan ten offer gebracht te worden ; met den geest moet hij gelooven, met het hart beminnen, met den wil daarvoor arbeiden. Zóó en zóó alleen zal hü zijner roeping waardig wandelen, dat is: een oprecht navolger van Jesus Christus zijn, een vyand van de wufte wereld met hare verderflijke grondbeginselen.

ocr page 454

zeventiende zondag na pinksteren.

een stichtend voorbeeld voor anderen, terwijl hij zich zeiven dagelyks meer en meer heiligt en God verheerlijkt.

Van het algemeene tot het bijzondere afdalende, noemt de h. Paulus vier deugden op, waardoor hij wil, dat zijne ge-loovigen uitmunten, opdat geene stoornis gebracht worde in hunne vriendschappelijke samenleving; met alle nederigheid, lankmoedigheid, met geduld moesten zij elkander in liefde verdragen. De vooringenomenheid des Apostels met die deugden is gemakkelijk te begrijpen. Hij, beter nog dan wij, besefte hare noodzakelijkheid voor eenen christelijken levenswandel. Wie toch die deugden zich niet eigen maakt, zal in liefde-bewijzen te kort schieten, aan de eenheid des geestes veel afbreuk doen en den band des vredes losser maken; hij zal veel meer scheiden dan vereenigen, wel eene klove graven maar ze niet dempen. Bedenken wij slechts wat de nederigheid is. Jesus Christus heeft bewezen, dat geen rang, geene eeretitels, geene voorrechten van het beoefenen dier deugd kunnen ontslaan. Ook daarom is Hij van den Hemel nedergedaald en heeft den troon zijner heerlijkheid verwisseld voor de kribbe in den stal, kwam Hij onder de zijnen omkleed met de windsels der armoede, leefde van de gaven der liefde en, na in de gestalte van een dienstknecht rondgewandeld te hebben, stierf Hy verlaten en van alles beroofd. Dat is een verheven, een goddelijk voorbeeld; toch moeten wij met ons zwak vermogen er naar streven om geholpen door Gods genade daaraan gelijkvormig te worden in weerwil van eene natuur, welke meer tot hoogmoed geneigd is. In voortdurende zelfverloochening leven; niettegenstaande den voorrang in stand en rijkdom door de Voorzienigheid verleend den geest van eenvoudigheid aankweeken; niets als zijn eigendom maar als een onverdiend leengoed beschouwen; immer zich bewust zijn van zijne eigene zwakheid en hulpbehoevendheid — dat alles kost eene moeilijke zelfoverwinning;

432

ocr page 455

ZEVENTIENDE ZONDAG NA PINKSTEREN.

maar zij is noodig om met den naaste vrede te houden. Of zoude hij dien vrede bevordereu, die zijne eigene tekortkomingen vergeet en alleen om de fouten van anderen toornt; die zich zeiven te groot acht om den evenmensch als zijns gelijke te beschouwen ; die zich verheft op goederen, welke hem zonder verdiensten zijn toebedeeld, maar desniettemin met een oog van minachting op minder bevoorrechten neder-ziet ? Van den anderen kant: zou de oneenigheid niet de harten scheiden, als de mindere den van hoogeren stand benijdde, als hij om zijne noodzakelijke onderwerping aan hen, die geroepen zijn te bevelen, haat toedroeg, of in zijne armoede wrok koesterde tegen allen, die over meerdere goederen beschikken? Beiden zouden zich aan hoogmoed schuldig maken, en het gevolg daarvan, tevens straf, is : onder trotschen is gedurig krakeel, dewijl de eene zich vernederd zou achten, zoo hij tot den mindere afdaalde, en de andere zoo hij zijne zienswijze opgaf voor die van zijn meerdere. (Spr. XIII, 10). — Wanneer de ware nederigheid tegenover den naaste in het hart en in den geest des Christens haren zetel heeft opgeslagen, zal ook. üqzachtmoedigheid, hare dochter en vriendin, een weideenden invloed uitoefenen op zijn gedrag. Prikkelbaarheid, opgewondenheid, toorn of gramschap, de grootste vijanden van de eendracht, zullen hem vreemd blijven, minstens dadelijk onderdrukt worden, indien zij het gemoed dreigen te overheerschen. Ook hierin moet Jesus ons voorbeeld wezen, die gerechtigd was te zeggen : leert van Mij, want Ik hen zachtmoedig en nederig van harte (Math. XI, 29). Niemand zal dat tegenspreken, als hij bedenkt, dat in Jesus al de voorspellingen vervuld zijn, welke Hem voorstelden als den zachtmoedigste van de kinderen der men-schen, als iemand die niet zoude tegenspreken of twistredenen houden, wien mond zich niet tot eene klacht openen, noch tot een verwijt, hoe verdiend ook, leenen zoude. Zulk een voorbeeld is zeker in staat aan een ieder de overtuiging in te prenten, dat niemand mag geroemd worden als minnaar van

Verklaringen der Epistelen. II. 2S

433

ocr page 456

ZEVENTIENDE ZONDAG NA PINKSTEREN.

434

den vrede, wanneer hij om ongegronde redenen toornig wordt, in beleedigende taal uitvalt, zijn tegenstander als wil verpletteren met scheldwoorden, twist zoekt en tweedracht zaait. Doch een zachtmoedige zal zich gaarne met de laatste plaats vergenoegen, niet gram worden om achterstelling; hij legt al zyne belangen in de handen van God en verwacht van Hem zjjne rechtvaardiging, wanneer hij hard behandeld, zelfs mishandeld wordt; aan God laat hy de belooning zijner verdiensten over, als zij door de menschen miskend worden ; zijn smaadredenen zijn deel en blijven beleedigingen hem niet gespaard, hij zal zich beheerschen en aan den toorn geene plaats in zijn hart inruimen; liever dan kwaad met kwaad te vergelden, dan te vervolgen wie hem lasteren, zal hy voor hunne bekeering bidden om kind te blijven van den hemelschen Vader, die zijne weldaden zelfs aan de zondaren niet onthoudt. — Wie den vrede met zijn evenmensch niet wil verstoren moet dikwijls een groot geduld gebruiken. Deze deugd is ons vooral noodzakelijk, wanneer wij staan tegenover menschen, die van nature twistziek, eigenzinnig ol van een ontevreden karakter zijn. Er zijn ook velen, die om eene nietigheid, om een volstrekt niet slecht bedoeld woord, om elke handeling, welke met hunne inzichten niet strookt of in strijd is met hunne bedoelingen, in toorn ontsteken ; die geene tegenspraak kunnen dulden, die een goeden raad niet aanhooren noch eenige terechtwijzing aannemen willen; die wanen altijd gelijk te hebben en hunne meeningen aan anderen trachten op te dringen. Houdt eens vrede met dezulken, zoo gij de deugd van geduld niet in hooge mate bezit. In die veronderstelling haalt het eene woord bet andere uit, de gemoederen worden verhit en weinig is er noodig, opdat op woorden handtastelijkheden volgen. Geduld met die gebreken, lijdzaamheid tegenover den onstuimigen gemoedsaard van den andere kan den storm voorkomen en het dreigende onweder afwenden. En dit zal niet de eenige vrucht wezen van een christelijk toegeven. Kolen

ocr page 457

ZEVENTIENDE ZONDAG NA PINKSTEREN.

vuurs zijn op het hoofd van den schuldige vergaderd, eene welverdiende bestraffing is hem toegediend, en weldra, terwijl de rede hare heerschappij herneemt, en de stem des gewetens zich doet hooren, zal de kalmte met de bezinning terugkeeren. Gelijk het vuur uitdooft, als er geen nieuwe brandstof bij geworpen wordt, zoo zal ook alle opgewektheid bedaren, als daaraan door een geduldig verdragen elke prikkel onthouden blyft.

Opmerking. Door het beoefenen van de besprokene deugden en door het vermijden van de tegenovergestelde ondeugden: van den hoogmoed, van de gramstorigheid en van de onverdraagzaamheid, zullen de liefde des harten en de eenheid des geestes aangekweekt, onderhouden en vervolmaakt worden — die liejde, welke alles lijdt en verdraagt, welke ook tot elk offer bereid is; die eenheid des geestes, welke tegenstrijdige bedoelingen uitsluit, verkeerde meeningen verbetert en tegelijk dwaze opvattingen voorkomt. Zoo wordt onder de verschillende klassen der menschen de vrede bewaard, welke de onderscheiding in rang of stand wel niet opheft maar toch van hare scherpe zijde ontdoet. Eén van hart en geest worden zij, die naar de wijze vermaningen des Apostels hun gedragslijn regelen. Onmogelijk mag dit niemand achten, zelfs niet als boven zijne krachten beschouwen, mits hij niet verzuime de hulp des Hee-ren in te roepen. — Ook afgezien van andere redenen, reeds deze bedenkingen alleen moeten hem tot alle inschikkelijkheid met de fouten van den naaste bewegen. Wie slechts leven wilde met menschen, wien geene gebreken aankleven, moet een andere woonplaats opzoeken dan deze aarde aanbiedt; want geen mensch is hier te vinden, op wien geene aanmerking te maken is. Doch wat nog betreurenswaardiger is, niet alleen anderen, evenzeer wij zeiven verdienen niet altijd lof; bij ons zoowel als bij hen valt veel af te keuren, veel ook aan te merken, wat voor hen, met wie wij omgang hebben, hinderlijk of aanstootelijk is. Daarbij komt, dat niemand zijne gebreken zoo goed ziet als een ander ze opmerkt. Onder dat opzicht zijn wij blind en wat

435

ocr page 458

zeventiende zondag na pinksteren.

436

wij geneigd zijn als geheel onschuldig te beschouwen, valt den evenmensch niet weinig lastig en is in staat hem bittere klachten te doen slaken. Het gevolg daarvan zal wezen, dat de evennaaste ons evenveel en soms nog meer moet vergeven dan wij aan hem. Wie derhalve wenscht, dat hij met inschikkelijkheid verdragen, dat zijne misslagen vergeten en tekortkomingen over 't hoofd gezien en hem geene verwij tingen gedaan worden, —- hij doe aan de anderen, wat hij wil dat zijne broeders hem doen. Doch verondersteld, dat hij onder zedelijk opzicht hooger staat en hij minder vergevingsgezindheid behoeft dan dient te betoonen, zoo hij naar de eeuwig geldende grondbeginselen des Evangelies zijne denk- en handelwijze regelt, zal het bij hem niet opkomen alleen te letten op hetgeen het verstand met zijne koude berekeningen eischt, maar wel zal hij zich beijveren om de voorscliriften der nederigheid in toepassing te brengen op zijn verkeer met den evenmensch. Zoo wordt de vrede bewaard, die vrede welke volgens den h. Pau-lus alle begrip te hoven gaat (Philp. IV, 7), welke, volgens het woord van den n. Augustixus, »de rust der ordequot; is. En inderdaad, wanneer heerscht de volmaaktste orde, wanneer wordt de hoogste rust genoten ? »Uwe plaats, o mensch!quot;' — roept de genoemde Kerkvader uit — »is in God, en wij zullen in ;gt;God zijn, zoo wij met Hem vereenigd blijven door de ge-»hoorzaamheid aan zijne wet en door de liefde tot hen, die »Hem zoo dierbaar zijn ; zoo Hij heerscht over ons verstand «en over ons hart; zoo wij aan het door Hem gesproken woord »gelooven en den weg volgen, welken Hij ons heeft aange-»wezen.quot; Dan heerscht de vrede onder de menschén, omdat er geen strijd is, geen tegenspraak gehoord wordt, geene tegenstrijdige belangen in botsing' komen; dan is er een band gelegd, welke allen vereenigt door de eenstemmigheid van oordeel, door eensgezindheid van wil en door gelijkvormigheid van gedrag; dan zijn allen vol ijver om die hooge goederen te bewaren door voortdurend daaraan hunne aandacht te wijden, door met groo-te zorg alles in het werk te stellen, wat voor den vrede bevorderlijk is en door met veel voorzichtigheid het minste te vermijden, wat aan dien vrede afbreuk kan doen.

ocr page 459

zeventiende zondag na pinksteren.

II.

De Apostel eischte niet weinig van zijne leerlingen in het geloof maar verzuimde ook niet afdoende gronden voor zijne eischen aan te voeren. Dat het eene schande ware, eens ont-eering van zijnen naam, een smaad op zijne verhevene roeping geworpen, zoo de Christen in oneenigheid met zijne broeders leefde, kan door niemand ontkend worden evenmin als dat de h. Paulus den onderlingen vrede noodzakelijk achtte voor een christelijken levenswandel. En om van andere redenen niet te gewagen, de gemeenschap, waarin de Christen met zijnen evenmensch op de innigste wijze samenleeft, en het gezamenlijk genieten van dezelfde geestelijke goederen — reeds die twee voorrechten, nimmer genoeg te waardeeren, moesten elke scheiding der gemoederen, elke oneenigheid voorkomen. Daarvan was de Apostel zóó diep overtuigd, dat hij meende slechts op die waarheden te moeten wijzen om zijne bekeerlingen voor tweedracht te behoeden.

Gij zijt één lichaam en één geest, schreef hij hun en gaf met die woorden den waren grond aan, waarom de eensgezindheid onder hen nimmer mocht verbroken worden. Dewyl de Christenen te zamen slechts één geheel, ééne gemeenschap uitmaken, waarvan de goddelijke Zaligmaker èn de Stichter èn het Hoofd is, ééne familie, welke geleid wordt door den H. Geest van Liefde, wie zoude dan in die broederlijke ver-eeniging stoornis mogen brengen'? Al zyn zij over den ge-heelen aardbodem verspreid, door afstamming verscheiden, van aangezicht de eene aan den andere vreemd en door verschil van taal voor elkander onverstaanbaar, door levensverhoudingen en stand gescheiden, toch mag de band, tusschen hen door niemand minder dan door God zeiven gelegd, niet losgemaakt worden. Zij zyn broeders en zusters van een groot huisgezin en geene oneenigheid mag een scheidsmuur oprichten tus-

437

ocr page 460

zeventiende zondag na pinksteren.

438

schen hen, die God vereenigd heeft — Even sterk wordt op die eendracht door den Apostel aangedrongen, omdat elk lid der gemeenschap aan dezelfde voorrechten deel verkrijgt, welke God bereid houdt voor die naar zijne wetten en geboden leven. Vooreerst zijn allen, welke plaats zij in het huisgezin Gods ook innemen, geroepen tot een heiligen wandel, terwijl hun ter aanmoediging tot een eendrachtig strijden het blijde vooruitzicht geopend is op de eeuwige erfenis des heils. Wel hebben zij nog niet verkregen, wat hun onvergankelijk geluk zal uitmaken; maar eene hoop bezielt hen allen, en zij zullen niet bedrogen worden, mits z\j in het naleven van hunne verplichtingen getrouw zijn. Dit toch blijft eene onafwijsbare voorwaarde, opdat hun verlangen eens bevredigd worde. En een der voornaamste plichten aan een ieder voorgeschreven is zeker deze, dat zij de onzalige tweespalt vermijden en de broederlijke liefde bewaren. Hoe zou het ook anders kunnen wezen. Wij allen gaan immers denzelfden weg op, beoogen hetzelfde doel, streven naar hetzelfde geluk; wij allen zijn geroepen erfgenamen des Hemels te worden; wij allen vertrouwen door de genade Gods de zaligheid te verwerven en in eeuwige liefde elkander te beminnen. Zouden wij dan den korten tyd onzes levens in oneenigheid doorbrengen of wel in vrede en in vriendschap met elkander omgaan? De we-reldling vindt eene rede tot twist, als hij bij verdeeling van goederen geheel uitgesloten of ook maar met een gering gedeelte weggezonden wordt. Geen van die voorwendsels kan dienst doen, zoodra van hemelsche goederen spraak is; wat wij in de eeuwigheid te wachten hebben, zal de verlangens van allen in volle mate voldoen en niemand zal er wezen, die bij anderen achtergesteld wordt: een ieder ontvangt het loon zijner werken en zal daarmede tevreden zijn. Onder dit opzicht bestaat er dus geene enkele aanleiding voor den Christen, waarom hy anderen benijden en zich minder vriendschappelijk tegenover hen zoude gedragen; daarentegen dient hij juist

ocr page 461

zeventiende zondag na pinksteren.

439

daarom met des te grootere zorg alle spanning of tweedracht te voorkomen, omdat de verstoorders van den liefelijken vrede al zeer weinig aanspraak kunnen maken op de vreugde des Hemels, terwijl de vreedzamen kinderen Gods genoemd worden. — Ook bet dienen van één en denzelfden Heer smeedt een band van eendracht en moet alle oneenigheid verre houden. Als een goed geordend leger trekken wy onder de leiding van éénen Veldheer op ter verovering van het onvergankelijke Rijk der eeuwige glorie. Aller harten en geesten moeten derhalve één zijn; van verdeeldheid onder die legerscharen mag geen schijn bestaan. Die eenheid van doel en van leiding moeten zich afspiegelen tot in de laagste gelederen, en elke scheuring zoude zoowel nadeel toebrengen aan het geheel als de kracht verlammen van elk der ondergeschikten. De noo-dige samenwerking werd gemist, de eenheid was verbroken en voor den vijand de overwinning zeer gemakkelijk gemaakt. Om geen beeldspraak te gebruiken : de Heer, Wien wij dienen, is Jesus Christus, die ons door zijnen dood verlost en alles, wat in den Hemel en op aarde is, verzoend heeft; die al zijne verlosten voortdurend ten strijde oproept tegen de vijanden der zaligheid en hen tot het groot gebod verplicht: „bemint elkander, gelijk Ik u bemind hebquot;en verklaarde: „daaraan „zullen allen erkennen, dat gij mijne leerlingen zijt, als gij elkander liefhebt;quot; die ook allen oordeelenen tot maatstaf zijner uitspraak nemen zal het beoefenen van liefde-daden. Wel een bewijs, dat Hij geen welgevallen kan hebben in hen, die vy-andig gezind zijn tegen hunne mede-menschen en liever in tweespalt leven dan zich vergevingsgezind betoenen. — Het geschiedt evenwel niet zelden, dat de dienaren van denzelfden Heer in strijd geraken, doordat zij verschillende grondbeginselen aankleven of dezen meer dan anderen in de geheimen van hunnen Heer zijn ingewijd. In de christelijke maatschappij dreigt dit gevaar niet, als de lidmaten één geloop in de ware Kerk belijden en vasthouden aan het Evangelie, noch eene andere

ocr page 462

ZEVENTIEND li ZONDAG- NA PINKSTEREN.

440

leer aanhangende noch andere wetten volgende dan die, welke door Jesus Christus aan de wereld zijn verkondigd en voorgeschreven, Zij allen weten wat zij weten moeten en zweren bij geene andere voorschriften dan bij die, welke hun door een bevoegd gezag worden gegeven. Onwil alleen kan weigeren den invloed te ondergaan, welken eene gemeenschappelijke overtuiging op het dagelyksch leven uitoefent; de menseh moet opzettelijk het verkeerde willen en zoeken, anders zou die eenheid niet verscheurd worden door partijschappen en verdeeldheden. — Ook het eene Doopsel, waardoor allen in de Kerk van Jesus zijn ingelijfd, in één en denzelfden H. Geest herboren en door de heiligmakende genade geheiligd zijn, schiep tus-schen hen eene gelijkheid van recht en van aanspraken op de goederen der gemeenschap, maar vergt ook overeenstemming van gevoelens. Tusschen hen allen, die zoo innig met elkander vereenigd zijn, mag geene scheiding opgemerkt worden. Voor hen allen heeft Jesus Christus gebeden, opdat zij één mochten wezen, gelijk Hij één was met den Vader; voor hen bidt de h. Kerk voortdurend den H. Geest van Liefde af; aan allen worden dezelfde h.h. Sacramenten, naar gelang van hunnen staat en hunne behoefte, toebediend ; aan allen wordt dezelfde goddelijke spijze tot voedsel hunner onsterfelijke ziel toegereikt. In de bovennatuurlijke orde zijn zij allen gelyk en aan onderscheid kan niet gedacht worden onder de kinderen van dat christelijk huisgezin. Zij allen kunnen ook ryk worden, want al zijn het duizenden, die aan dezelfde gaven deel hebben, die bron van hemelsche gunsten wordt niet uitgeput, die stroomen van genaden drogen niet op, al lesschen daaraan ook mülioenen zielen haren dorst naar de gerechtigheid. De zon ziet het schitterende barer stralen niet verminderen, al werpt zij ze uit over het geheele aardrijk. Zoo ook hier. Allen genieten van Gods weldaden en het genot des eenen snijdt den toevoer voor een ander niet af. Nimmer zal dan ook onder dit opzicht eenige ontevredenheid onder hen kunnen

ocr page 463

zeventiende zondag na pinksteren.

441

ontstaan; wel zullen allen alle redenen hebben om eendrachtig met elkander te leven en in hetzelfde lied in te stemmen door de dankbaarheid ter eere van den Gever aangeheven. — Al de besprokene redenen tot eensgezindheid besluit de Apostel met te wijzen op de zoo leerrijke waarheid, dat allen éénen God en Yader erkennen. Alle Christenen zijn kinderen van den Vader, die in den Hemel is; hun oorsprong, hun bestaan en hun leven zijn zij aan Hem verschuldigd en met den Profeet Malachias moeten zij getuigen : hebben wij dan niet allen éénen Vader ? Heeft ons niet één God geschapen (II, 10). En zij, het werk zijner handen, staan immer onder de liefdevolle leiding, onder de bescherming van Hem, die niet alleen boven allen is en daarom in al zijne wetten en voorschriften met volkomene onderwerping moet gehoorzaamd worden, maar ook voor allen zorgt; die zijne kinderen niet alleen laat zwoegen of hen aan zich zeiven overlaat, maar die ook over allen waakt, over elk zijner kinderen zijne hand weldoend houdt uitgestrekt; die ook zóó goed is, dat een ieder alles van zijne Goedheid mag verwachten. Bovendien is hij door alles; door zijne Almacht, Liefde en Lankmoedigheid regelt Hij alles naar wijzs regelen ; in allen onderhoudt Hy het leven en stort liefde in hun hart; door zijne genade beweegt Hij hunnen wil en door zyne waarheid verlicht Hij hun verstand. Hy is ook in ons allen ; als in een tempel heeft Hy in hen, die gerechtvaardigd zijn, zijne woning opgeslagen en verblijft daar, zoolang niet eene grove beleediging Hem uit dat hart verjaagt. De kinderen van zulk een Vader, die alles voor allen is en Wiens weldaden een gemeenschappelyken band leggen ter verbinding van allen tot één lichaam, zij moeten, de eene in den andere, het beeld en de gelijkenis zien van hunnen Schepper en de gunsten waardeeren, met welke Hij een iegelijk sierde, maar daarom ook eendrachtig samen wonen, en in broederlyke liefde met elkander leven.

ocr page 464

zeventiende zondag na pinksteren.

442

Opmerking. Wie de waarheden door den h. Paulus met een bijzonderen nadruk aan zijne geloovigen voorgehouden met aandacht overdenkt, zal gewis tot deze gevolgtrekking komen, waartoe hij zijne lezers wil overhalen: voor de lidmaten van Gods familie is het plichtmatig, zonder uitzondering, dat zij een wandel leiden, welke door christelijke grondbeginselen beheerscht wordt en Gode welgevallig is; dat zij voor hun evenmensch, in wien God werkt en leeft, te diepen eerbied hebben dan om in een toestand van vijandschap met hem te verkeeren; dat zij zich daarentegen tegenover hem op eene wijze gedragen, welke zijne waardigheid erkent en hulde brengt aan de verhevene plaats, welke hij onder Gods schepselen inneemt; dat zij liefhebben, die door God bemind worden en, met terzijdestelling van persoonlijke gevoelens, inzichten en bedoelingen, liever een offer brengen om den vrede te bewaren dan dat zij, door te veel op hunne rechten zich te laten voorstaan, stoornis verwekken in de eendracht, welke den Christen boven alle tijdelijke goederen dierbaar wezen moet. »Zij erkennenquot; — zegt de h. Thomas — »éénen Meester, ééne wet en één doel, hebben hetzelfde onder-»scheidingsteeken; zij moeten dan ook één lichaam vormen en »met één geest bezield zijn ; zij moeten eensgezind zijn, dezelfde »liefde hebben, één van ziel, van één gevoelen wezen.quot; Zoo loven wij met alle Hemelingen onzen God en Vader door ons als zijne gehoorzame kinderen te gedragen, en Hij van zijnen kant zal gaarne zijn verblijf opslaan in onze vrede-lievende harten; Hij zal immer opnieuw ons bewijzen zijner tegenwoordigheid geven door de mededeeling zijner genaden, en wij zullen met de hulp dier genaden al beter ons gedrag tegenover den naaste regelen naar de voorschriften zijner liefde-wet; zijne Wijsheid zal ons dan woorden van zachtmoedigheid op de lippen leggen, en wij zullen den evenmensch stichten en met vrucht onderwijzen; Hij zal onze daden besturen, en wij zullen ons niets veroorloven wat aan anderen hinderlijk 4ijn kan; Hij zal door eene rijke belooning voor te houden onzen ijver aanwakkeren, en wij zullen voor geen offer terugschrikken, als het gevorderd wordt om den lieven vrede te bewaren.

ocr page 465

ACHTTIENDE ZONDAG NA PINKSTEREN.

Broeders ! Altoos dank ik uwentwege mijnen God, voor de genade Gods, die u gegeven is in Christus Jesus ; daar gij in Hem rijk geworden zijt in alles, in alle leer en in alle kennis, gelijk ook de getuigenis aangaande Christus in u bevestigd is; zoodat u in geen genade-gave iets ontbreekt, terwijl gij de openbaring verwacht van onzen Heer Jesus Christus, die u ook standvastig maken zal ten einde toe, om zonder misdaad te wezen op den dag der komst onzes Heeren Jesus Christus. (Cor. I, 4—8).

Inleiding. Wij weten reeds, dat de h. Paulus vele redenen had om de Corinthiërs met gestrengheid te berispen. Niettegenstaande zijn langdurigen en ingespannen arbeid waren bij hen schromelijke misbruiken ingeslopen, welke hij met zijn Apostolisch gezag moest bestrijden en uitroeien. Evenwel met voorbeeldige voorzichtigheid ging hij daarbij te werk. Zijne aandacht, niet op enkele personen maar op de gemeenschap der geloovi-gen vestigende, vergat hij ook al het goede niet, dat God door zijne bediening en hunne getrouwheid aan de genade onder hen gewerkt had en nog tot aan het einde der tijden toe te hunner zaligheid wilde tot stand brengen. Dat hij daarvoor

ocr page 466

achttiende zondag na pinksteren.

mede in naam van zijne bekeerlingen aan God den innigsten dank bracht, lag in het karakter van den wereld-Apostel, wiens vurigste verlangen vervuld werd, als hij alles voor allen kon zijn, en wiens vreugde dan groot was, wanneer de prediking van Jesus'leer geloovig aangenomen en naar het Evangelie geleefd werd. Dewijl hij in denzelfden brief berispen en bestraften moest, wilde hij eerst aan de geloovigen te Corinthe zijn hart openleggen, hun te kennen geven wat hij voor hen gevoelde, welke liefde hij hun toedroeg, hoe hij dankte voor de genaden hun door den goeden God geschonken. Waren zij daarvan overtuigd, dan ook zouden zij gewis, meende hij, zijne berisping met onderwerping aannemen en met liefde aan zijne vermaningen gehoor geven. Verder behoeven wij niet in te gaan in de bedoelingen van den h. Paulus, welke hem de woorden van onzen Epistel ingaven. Bovenstaande opmerkingen zijn voldoende, opdat wij de beteekenis zijner lofspraak vatten en tevens begrijpen, dat de Corinthiërs niet de eenigen zijn, op wie zijne woorden slaan. Het is dan ook van groot nut, als wij ons in de plaats stellen der Corinthiërs en, hetgeen de Apostel hun voorhield, beschouwen als tot ons gericht. Wij immers zijn niet minder dan zij door God begenadigd. Zoo zullen wij leeren beseffen, welken dank wij aan den algoeden God verschuldigd zijn voor hetgeen wij reeds van zijne oneindige Goedheid ontvangen hebben en met een heilige blijdschap vervuld worden bij de gedachte aan hetgeen wij nog van zijne onbegrensde Liefde in de toekomst mogen verwachten. Het is toch ontegenzeggelijk waar, dat

I ook wij rijk geworden zijn in alle leer en kennis en

II mogen verwachten, datjesus Christus ons standvastig zal maken ten einde toe zonder zonde tot op den dag zijner wederkomst ten oordeel.

I.

Altoos dank ik uwentwege mijnen God voor de genade Gods, welke u gegeven is in Christus Jesus. Met die woorden bewijst de Apostel zoowel de uitgestrektheid van zijne vaderlijke bezorgdheid als den ijver van zyne groote liefde.

444

ocr page 467

achttiende zondag na pinksteren.

445

Uit vrees, dat zijne bekeerlingen den plicht der dankbaarheid mochten vergeten, dankte hy in hun naam den Gever van alle goed voor de genaden, welke hun geworden waren, toen zij het geloof aannamen. Zoo is hij voor ons allen een treffend voorbeeld, eene welsprekende aanmaning om de ondankbaarheid te vermijden, die ondeugd welke zoo afschuwelijk is in de oogen van God en voor den misdadiger zeiven hoogst nadeelig in hare gevolgen. Aan redenen om zijn voorbeeld te volgen ontbreekt hst niemand onzer. Geen enkele dag toch verloopt er in ons leven, welke niet gekenmerkt wordt door vele weldaden èn in de orde der natuur èn in die der genade. Vooral ten opzichte der laatst genoemde goederen zal ons gevoel niet hoog genoeg gestemd kunnen wezen. Wij zijn door de onnaspeurbare raadsbesluiten van God boven zoo velen geroepen tot de kennis der waarheid ; Christus is ons gepredikt, de blijde boodschap des heiis ons verkondigd en het volle licht is voor ons opgegaan, terwijl onnoemlijk velen nog gezeten zijn in de schaduwe des doods. Wij behoeven niet te vreezen, dat eene vergelijking van onzen toestand met dien der Corin-thiërs ten onze nadeele zal uitvallen. Waren zij in Christus Jesüs rijk geworden in alles, in alle leer en kennis, niet minder wij. Van de eerste jaren onzer jeugd af zijn wij onderricht geworden in alles wat God door zijn Zoon geopenbaard heeft. Wij leerden kennen zoowel het doel, waarvoor wij geschapen zijn, als den weg, welke ons naa,r onze eeuwige bestemming leidt, en de middelen, welke ter bereiking daarvan moeten aangewend worden. Ze werden ons voorgehouden en zooveel mogelijk verklaard die grondwaarheden des Christen-doms — dat de Zoon Gods was mensch geworden en onder de zijnen geleefd en gewerkt heeft, dat Hij door zyn Bloed ons, toen wij nog vijanden waren, met den Vader verzoend heeft en wij in zijnen Naam de eeuwige zaligheid kunnen verkrijgen. Evengoed en even volledig als de geloovigen van Corinthe kunnen wij de hooge waarde beseffen der deugd

ocr page 468

achttiende zondag na pinksteren.

en de boosheid der zonde, maar ook ons is geleerd, dat door berouw over onze persoonlijke zonden de misdaad gedelgd en de band van vriendschap met God wederom aangeknoopt wordt. Wat ons dienstig is te weten van het geheim derH. Drievuldigheid en van de Verlossing door Christus; wat ons in het godsdienstig leven kan steunen en vervolmaken, wat ons, hetgeen boven is kan doen smaken en doen vergeten wat van deze wereld is, het is ons duidelijk gemaakt. Jesus Christus is door de prediking zijner waarheden en zijner geboden voor ons Gods Wijsheid geworden, zóódat wij metterdaad rijk zijn in de kennis der eenig ware wetenschap en daardoor weten hoe te beantwoorden is aan het woord der prediking, dat wij gehoord en aan de openbaring der geloofswaarheden, welke ons verkondigd zijn. Ook een bovenaardsch licht is voor ons de H. Geest, die de getuigenis aangaande Christus, aangaande Jesus' Persoon en leer en leven in ons bevestigt en het geloovig aannemen van waarheden, welke ons begrip verre te boven gaan, vergemakkelijkt, zóódat wij ter onze zaligheid met het hart gelooven en met den mond belijden, dat Jesus Christus, zooals ons geleerd werd, de ware Verlosser, de Hersteller van alles is ; zóódat wij ook, na opgevoed te zijn in de school van Christus, waarin de wijsheid der wereld aan God vijandig verzaakt maar de wijsheid, welke uit God is, geleerd wordt, ware volgelingen worden van Hem die de Weg, de Waarheid en het Leven is voor wie in Hem gelooven.

Ook in geene genade-gave ontbreekt ons iets. Wat wy noodig hebben om naar ons geloof te leven, de moed om te volbrengen wat wij begonnen zijn en te verbeteren wat nog gebrekkig in ons Is, niets van dat alles wordt aan iemand geweigerd. Jesus Christus is niet alleen Gods Wijsheid maar ook Gods kracht en gerechtigheid geworden en met Hem is alles ons geschonken. Over de verdiensten door zijn werken en zyn lijden verworven mogen wij als over ons eigendom beschikken en met de genade door Hem verdiend kunnen wij de

446

ocr page 469

ACHTTIENDE ZONDAG NA PINKSTEREN.

447

eeuwige goederen beërven, welke voor ons zijn weggelegd. Door die gunsten is het voor den zondaar mogelijk zijne boeien te verbreken en gerechtvaardigd te worden, terwijl de rechtvaardige daarmede zijn leven tot een heilig, Gode welgevallig offer kan maken. De genade door den H. Geest ingestort geeft ons het recht op het kindschap van God en op den Hemel; zij maakt ons bekwaam waartoe wij, aan eigene krachten overgelaten, niet in staat zouden wezen ; zij verheft ons tot heldhaftige beoefenaars van wat goed en eerbaar is en tegelijk versterkt zij tegen alle machten der hel. Door die hulp van boven vermogen wij in het geloof, in de hoop en in de liefde te volharden; zij verlicht het verstand en steunt den wil ; zij is ons ook immer nabij, opdat wij of de bekoringen ontvluchten of aan de onvermijdelijke weerstand bieden of al do goede werken volbrengen, welke door den plicht geboden zijn; zelfs geeft zij de kracht om heldhaftige deugden, door geene wet voorgeschreven, te beoefenen ; wie in de gerechtigheid wil toenemen en volmaakt worden, gelijk de hemel-sche Vader volmaakt is, hij is daartoe sterk door de genade, waarmede hij alles vermag. Voor ons niet minder dan voor de Corinthiërs is Jesus de ware wijnstok, waaruit de levendmakende sappen vloeien in al die ranken, welke met den stam vereenigd blijven. Hij is voor allen, die hunnen dorst naar de gerechtigheid willen lesschen, de bron van het water, dat tot in het eeuwig leven springt, dat hen volgt tot aan de grenzen van het beloofde land. Uit zijne volheid ontvangen wij alles, genade op genade, vooral door de h.h. Sacramenten, welke Hij aan zyne Kerk ter uitdeeling gaf. Zoo kunnen wij een leven uit God en voor God leiden, dat aan een wufte wereld onnuttig of vervelend zal toeschijnen maar inderdaad in de oogen van God welgevallig en hoogst verdienstelijk is voor de eeuwigheid. Zoo zijn wij, na den weg des Heeren te hebben leeren kennen, met de gaven des H. Geestes toegerust, om met moed dien weg ten einde toe af te wandelen.

ocr page 470

ACHTTIENDE ZONDAG NA PINKSTEREN.

448

Nog deze, onwaardeerbare genaden hebben wij niet aangestipt: met eene macht van bewijzen heeft de hemelsche Vader de waarachtigheid der getuigenis van de Kerk omtrent Jesus gestaafd, zóodat ons ook onder dit opzicht niets te wenschen overblijft. Hier vestigen wij onze aandacht slechts op de volgende : In het helderste licht straalt die getuigenis, door den hemelschen Vader voor Jesus' Zending en Waardigheid en Leer afgelegd, ons tegen. Wel hebben wij niet zooals de Co-rinthiërs den grooten Apostel der Heidenen tot leermeester gehad en worden ons niet de verbazende en de verschillende genade-gaven des H. Geestes medegedeeld, welke Hij over de gemeentenaren te Corinthe uitstortte ; wel zien wij in onze dagen niet zoo vele wonderen als de Christenen der eerste tijden, maar aan de noodige waarborgen voor de waarheid des Christendoms laat God het ons niet ontbreken. Ook afgezien, dat eene leer, welke de deugd aanprijst en de ondeugd veroordeelt, welke helden vormt in zelfverloochening, in toewijding aan eene lijdende menschheid, niet ongerijmd of valsch kan zijn doch waar moet zijn ; het moedig verdragen van alle folteringen en de doodsverachting door de Martelaren van alle tijden betoond ter beschaming en soms ter bekeering van hunne beulen, zijn luidsprekende getuigen, dat het Christendom de waarheid is; voegt hierbij de naar menschelijke berekening onverklaarbare uitbreiding van Jesus' leer, niettegenstaande zij de hartstochten een teugel aanbond en tot de moeilijkste deugden verplichtte, ook ten spijt van allerhande vijandelijke machten, welke nooit aflieten haar te bestrijden, en in weerwil der hardnekkigste vervolgingen, welke niets minder beoogden dan de vernietiging van den nieuwen Godsdienst. En toch ontkiemde dat mostaard-zaadje, schoot op en werd een boom, onder welks takken gansche volkeren zich verzamelden en, door een levendig geloof samen verbonden, veilig aan het groote werk hunner eeuwige zaligheid konden arbeiden. Waarlijk, in zulk eene gemeenschap wordt —

ocr page 471

ACHTTIENDE ZONDAG NA PINSTEREN.

besluiten wij — niet anders dan de stem Gods gehoord, moet de vinger Gods werkzaam zijn. Deze gevolgtrekking dringt zich nog sterker op, als wij bedenken dat de getuigenis van alle verloopene eeuwen, de belijdenis van de heiligste en in de dingen Gods volleerdste mannen, de vervulling van Jesus' beloften en voorspellingen een bewijs leveren voor de waarheden, welke door de Kerk te gelooven worden voorgesteld.

Opmerking. Of wij ook alle redenen hebben om met den h. Paulus Gode te danken voor al die genaden in zoo hooge mate ons geschonken, telken dage opnieuw, opdat wij onze eeuwige zaligheid kunnen bewerken! Hij dankte in zijn naam en in dien der Corinthiërs, dewijl hij diep doordrongen was van de overtuiging, dat de dankbaarheid der Christenen nimmer de verhevenheid en menigvuldigheid van Gods weldaden zoude evennaren. Wel een beschamend voorbeeld voor hen, die schier nooit overwegen, welke genade hun in de roeping tot het ware geloof is geschonken; die in de Katholieke Kerk leven, zonder dat zij het zich duidelijk willen maken, welk een hoog voorrecht zij boven die andere millioenen van menschen ontvingen, aan wie het licht der waarheid nog niet verschenen is; die zelfs uit onverschilligheid nalaten zich te verrijken met de geestelijke goederen, welke eene onuitsprekelijke Liefde te hunnen dienste heeft gesteld, of die, zoo zij al daarvan gebruik maken, er niet aan denken, dat dankzegging voor ontvangene weldaden eene der gewichtigste verplichtingen van een Christen is, en de goddelijke Zaligmaker het in de negen melaatschen als eene misdaad afkeurde, toen zij niet terugkeerden om erkentelijkheid voor de her-kregene'gezondheid te betoonen. Een plichtlievend Christen wacht zich voor zulk eene ongevoeligheid en te meer, dewijl hij weet dat door hem geen aanspraak kon gemaakt worden noch op zijne uitverkiezing noch op de genaden, welke daaraan verbonden waren. Hij is zich bewust, dat God hem met de heerlijkste goederen, welke in den Hemel gevonden worden, gezegend heeft in en door Christus; dat God hem vóór de grondlegging der wereld in Christus heeft uitverkoren, opdat hij

Verklaringen der Epistelen. II. 29

449

ocr page 472

450 ACHTTIENDE ZONDAG NA PINKSTEREN.

heilig en onbesmet zoude zijn voor zijn aangezicht in liefde; dat God hem heeft voorbeschikt ter aanneming tot kind voor Zich door fesus Christus (Ephes. 1,4—6) — en dat alles niet ter oorzake van eenige verdiensten maar uit zuiver welbehagen naar het besluit van Gods wil, opdat hij zijn zoude tot lof van Gods heerlijkheid (1. c. 6, 12). Vandaar ook, dat elk rechtgeaard geloovige in de vervoering zijner dankbaarheid bij de overweging van Gods weldaden het schoone loflied aanheft en met den Profeet jubelt; dat de Heer geprezen worde om zijne erbarmingen en om zijne wonderdaden aan de kinderen der menschen (Ps. CVI, 15) — Maar de toekomst moet die ons geene vrees inboezemen; zijn wij wel zeker, dat God ook in 't vervolg onze zwakheid met de alvermogende hulp zijner genade genoegzaam sterken zal ? De h. Paulus beantwoordt die vraag in de volgende woorden.

II.

Met recht mag gevraagd worden, waarom de h. Kerk in navolging van den h. Paulus ons herinnert aan het niet te weerspreken feit, dat ons in geene genade-gave iets ontbreekt ? Het antwoord kan geen ander wezen dan dit: wij moeten inzien, dat dankbaarheid een van onze strengste verplichtingen is; bovendien dienen wij te beseffen, dat eene nauwgezette voorbereiding gevorderd wordt voor den grooten dag van Jesus' wederkomst, als wanneer strenge rekenschap van ons rentmeesterschap zal gevorderd worden. Bedenken wij het toch wel: wij zijn door het Doopsel in Jesus' Kerk ingelijfd ; eene christelyke opvoeding hebben wy ontvangen ; de groote waarheden van het Evangelie z\jn van de eerste jaren onzer jeugd ons voorgehouden ; al spoedig zijn wij met een liefderijke hand naar den Zaligmaker geleid om met zijne hemel-spijze gesterkt te worden voor een nabij zijnden strijd ; voortdurend werden wy gewaarschuwd voor de gevaren, welke ons ziele-heil bedreigen; geene week ging voorbij zonder dat eene

ocr page 473

achttiende zondag na pinksteren.

451

krachtige vermaning gehoord werd, welke aanspoorde om de deugd getrouw te blijven of, waren we gestruikeld, langs den weg der boetvaardigheid terug te keeren tot den goddelyken Herder der zielen, Wien wij verloochend hadden. De luidsprekende voorbeelden der Heiligen werden ons met levende kleuren voorgehouden, opdat wij zien zouden, hoe in dit vergankelijk leven geleden en gestreden moet worden, hoe elk kruis te dragen en de overwinning over machtige vijanden te behalen is. Bovendien spraken tot ons geweten vele blijde maar ook droevige omstandigheden des levens, welke een heilzamen indruk nalieten en door eene liefdevolle beschikking der goddelijke Voorzienigheid er op berekend waren om ons van het kwade af te schrikken en het goede aantrekkelijk te maken. In één woord: „God geeftquot; — om met den h. augustihus te spreken — „de genade, zonder welke noch jon-„geren noch ouden zalig kunnen worden. Hij geneest niet alleen „door zijne huip, opdat uitgewischt worde wat wij misdreven „hebben, maar Hij biedt ze ons ook aan, opdat wij nietzon-„digen. Hij voorkomt ons met zyne genade, opdat wy godvruchtig leven ; Hij volgt ons daarmede, opdat wij gekroond „worden en in eeuwigheid levenquot; Alzoo, wie zal het durven ontkennen, genaden zonder tal, genaden voor aile levensomstandigheden worden ons geschonken, maar voor al die weldaden van eene onbegrensde Liefde moet — bedenken wy dit wel — ook de verschuldigde dank gebracht en van het gebruik daarvan zal eens verantwoording gevraagd worden. — Zullen wij dan niet moedeloos worden onder den druk van die zware verplichting en in het vooruitzicht van het onderzoek eens strengen Rechters? Wij waren kleingeloovigen, wanneer wij door ongegronde vrees ons daartoe lieten verleiden. Hij% die het goede werk in ons begonnen heeft, zal het ook voleindigen, als wij onze medewerking niet weigeren. Luisteren wij slechts naar den h. Paulus en wij zullen moeten bekennen, dat het zoo rijk verleden een waarborg is voor eene blijde toekomst.

ocr page 474

achttiende zondag na pinksteren.

Jesus chbistus zal, schreef de h. Paulus aan de Corinthiërs

— ons standvastig maken ten einde toe, om zonder misdaad te wezen op den dag der komst onzes heeren jesus

christüs. Beschouwen wij die verbiedende woorden als tot ons gericht, dan komen wij tot deze gevolgtrekking. Verondersteld, dat wij den eersten stap op den goeden weg gezet hebben '— en Jesus zal ons helpen dien verder ten einde toe af te loopen; verondersteld, dat wij aan onze eerste verplichting beantwoord hebben, Hij zal niet in gebreke blyven ons sterk te maken, opdat wij ook de andere kunnen vervullen. Hy is altijd, gisteren en heden en in alle eeuwigheid dezelfde Liefde, welke wil dat alle menschen tot de waarheid komen en zalig worden, dezelfde Almacht, welke zwakken tot helden en overwinnaars verheft, dezelfde Goedheid, welke hare gaven in grooten rijkdom uitdeelt, dezelfde Barmhartigheid, welke medelijden heeft met de aan den mensch aangeborene zwakheid.

Maar dreigt dan niet eiken stond zoolang wij leven het gevaar, dat wij Gods genade verliezen en verloren gaan ; leven wy niet dagelijks te midden van omstandigheden, waarin de meest beproefde deugd aan de verleiding des duivels blootstaat ; zijn de begeerlijkheid des vleesches en de hoovaardij des levens geene valstrikken, welke een onbedachtzame doen vallen? Te ontkennen is het niet, dat geen ouderdom, geen stand, geene geleerdheid, geene deugd een zekeren waarborg tegen den val aanbiedt. Salomon, de wijze by uitnemendheid, verviel in het laatste zijner dagen tot den afschuwelijksten afgodendienst, welken hij vroeger in al diens ongerijmdheid had voorgesteld ; David, de getrouwe dienaar van God, vergat zich zeiven en werd moordenaar en echtbreker, niettegenstaande hy in zyne psalmen bij herhaling gezworen had de wet des Heeren te zullen onderhouden ; Petrus verloochende tot driemaal toe zijnen goddelijken Meester, met Wien hij zich bereid verklaard had in den dood te gaan ; klaagde de h. Paulus niet, dat velen van zyne hoorders in den geest begonnen waren maar

452

ocr page 475

ACHTTIENDE ZONDAG NA PINKSTEREN.

met het vleesch eindigden ? Het zou daarom van groote vermetelheid getuigen, zoo wij waanden onze zaligheid niet met vrees en beving te moeten bewerken. De oude slang legt zijne helsche list nimmer af en bespringt niet zelden onverwachts dengene, die zich voor zijne aanvallen veilig acht. Wie tot aan het einde toe wil volharden, moet de wapenen nimmer afleggen, maar steeds bereid zijn om opnieuw eenen moeielijken strijd te aanvaarden. Hoe dikwijls veranderen ook niet de levensverhoudingen, waarin wisseling van plaats en van werkkring nieuwe gevaren mede brengen ! Zelfs onvermijdelijke zorgen des levens brengen de gelegenheid mede, dat aardsche gezindheid het streven naar hetgeen boven is verstikt, of dat een behagelijke welstand God uit 't oog doet verliezen en de duurste plichten verzaken. Lijden en beproeving zijn niet zelden de oorzaak, dat eerst wrevel en ontevredenheid het hart binnensluipen en dan de hand in wanhoop tegen den Hemel wordt opgeheven.

Hoe kan dan de Apostel — werpt gij op — met zulk eene beslistheid spreken en verklaren, dat God de Corinthiërs ten einde toe in het goede standvastig maken en zonder zonde bewaren zoude tot op den dag van Jesus' komst ten oordeel ? Met welk recht passen wij zijne troostrijke voorspelling op ons zeiven toe, terwijl elke dag van onze zwakheid, zelfs van een of anderen val de getuige is? Dat velen schade geleden hebben aan hunne ziel zelfs in de laatste dagen van haar verblijf in het lichaam des doods, valt niet te ontkennen; dat velen nog onder eene of andere bekoring zullen bezwijken, al zyn zij voor 't oogenblik nog in staat van genade, is meer dan waarschijnlijk. Maar dit is niet in strijd met de bemoedigende woorden 'des Apostels, zooals eene duidelijke verklaring daarvan leeren zal. Niets meer mogen wij daarin lezen dan dit: elk gerechtvaardigde mag als kind en vriend van God in alle omstandigheden op eene bijzondere hulp van zijnen hemelschen Vader rekenen, wanneer hij aan Gods genade be-

453

ocr page 476

454 ACHTTIENDE ZONDAG NA PINKSTEREN.

antwoordt; als hij ook met die hulp woekert, dan zal God er ook voor zorgen, dat dejgetrouwe dienaar in zijn gelukkigen toestand volharden en zich al meer vervolmaken kan. Yan zijnen kant zal God hem aan niets laten ontbreken, wat hij ter zaligheid noodig heeft. Groote, bijzonder moeielijke bekoringen zal God hem besparen, minstens zoo vele genaden geven, dat hij ook in die aanvechtingen des boozen uitkomst vindt; God zal hem ook met zijne hulp zóó nabij wezen, dat hij aan zijne veelvuldige verplichtingen voldoen en alles volbrengen kan, wat ter bereiking van zijne eeuwige bestemming noodig is; God zal hem altyd met zijne genade voorkomen, ondersteunen en versterken; Hij zal Zich ook nimmer terugtrekken, als Hij niet wordt verloochend. Met vol vertrouwen mag alzoo de rechtvaardige op God hopen, van Hem alle hulp verwachten, en vindt in dat vertrouwen eene nieuwe opwekking om met verdubbelden ijver aan het groote werk zijner volmaking te blijven arbeiden. Het is waar: de volmaaktste Christen kan de erfenis des hemelschen Vaders verliezen, en die gedachte deed de Heiligen van vrees en angst beven; doch daartegenover staat ook de troostvolle waarheid, dat wü ze'ons kunnen verzekeren, omdat zij voor ons verdiend is en omdat wij daarvan een zeker onderpand verkregen hebben in den H. Geest: wy: die bezegeld zijn met den Geest der belofte, den Heiligen, die het onderpand is van onze erfenis., die ons gegeven is, opdat wij, het eigendom Gods, eens eene volkomene verlossing ook naar het lichaam verkrijgen tot lof van Gods Heerlijkheid (Ephes. I, 13.)

Opmerking. Nog aan deze woorden van den groeten Apostel moeten^wij onze aandacht schenken. Tot tweemaal toe gewaagt hij van de openbaring des Heer en bij zijne komst ten oordeel. En waarom? Wie aan de verantwoording denkt, welke hij zal hebben af te leggen omtrent het gebruik der ontvangene genaden, wie dikwijls bij zijne dagelijksche beslommeringen oog en hart verheft naar boven, zal daarin een tegenwicht vinden tegen de onstandvastigheid van zijnen wil en tegen de ver-

ocr page 477

ACHTTIENDE ZONDAG NA PINKSTEREN.

455

leiding der wereld, waarin hij leeft; maar ook een vurig verlangen zal hem bezielen naar het bezit van God, die over eene eeuwige belooning beschikt. Eene heilzame vrees zal hem bevangen voor den Rechter, in Wiens handen hij èn de strafroede ziet èn een rijkdom van belooningen. Hem wordt de boosheid der zonde maar ook de verdienstelijkheid der deugd al duidelijker en, terwijl hij zijn leedwezen in hartelijke woorden uitdrukt over zijne weinige getrouwheid, waardoor de beste der Vaderen beleedigd werd door een ondankbaar kind, zal hij zich vernederen voor den Allerhoogste en in ootmoed des harten om vergiffenis bidden, belovende voortaan mede te werken met elke genade, welke hem nog zal geschonken worden. Niemand zal genoegzaam in woorden kunnen weergeven, welk een heil-zamen indruk de gedachte aan het oordeel op den geloovige maakt. Het kwade wordt hem een gruwel en de deugd beminnelijk ; elk goed werk krijgt voor hem eene aantrekkelijke bekoorlijkheid en niets zal voor hem te moeilijk wezen. De H. Geest heeft laten verkondigen, dat de herinnering aan 's men-schen uitersten voor zonden bewaart, en wie onzer heeft niet reeds dikwijls in zijn leven de waarheid dier woorden als gevoeld'? Werd onder dien indruk onze meening niet reiner, onze woorden niet met grootere omzichtigheid gekozen, de gedachten niet vromer, de werken niet volmaakter; spoorde die herinnering niet aan tot boetvaardigheid, tot het doen van liefde-werken, tot het lijden met geduld, tot het vergeven van beleedigingen ? Zoo zullen wij het gebod, de leer van het Evangelie, onbevlekt, onberispelijk bewaren tot op de komst van onzen Heer Jesus Christus, (i Tim. VI, 14)

ocr page 478

NEGENTIENDE ZONDAG NA PINKSTEREN.

Broeders 1 Wordt vernieuwd naar den quot;eest uws

o

gemoeds en doet den nieuwen mensch aan, die naar God geschapen is in gerechtigheid en ware heiligheid. Daarom legt af de leugentaal en spreekt de waarheid, ieder met zijnen naaste ; immers zijn wij elkanders ledematen ; wordt toornig en zondigt niet! Dat de zon niet onder ga over uwe gramschap. Geeft den duivel geen plaats. Hij die stal, stele niet meer maar veeleer arbeide hij, en doe iets goeds met zijne handen, opdat hij hebbe mede te deelen aan den noodlijdende. (Ephes, IV, 24—29,)

inleiding. De geloovigen te Ephese, tot wie de h. Paul us bovenstaande vermaningen richtte, waren voor het meerendeel bekeerlingen uit het Heidendom. Deze bijzonderheid dient opgemerkt, tot beter begrip van St. Paulus' woorden. Reeds in de voorgaande hoofdstukken had hij met grooten nadruk hen gewaarschuwd voor het gevaar, dat zij wederom hervielen in die zonden, welke zij, nog Heidenen zijnde, zonder schaamte en zonder wroeging bedreven hadden. »Leeft niet meerquot; — riep hij hun toe en bezwoer hen bij den Heer Jesus — »zooals zij, die »stomme afgoden aanbidden, die in de ijdelheid huns gemoeds

ocr page 479

negentiende zondag na pinksteren.

»wandelen en wier denken en handelen dwaasheid is, voort-2gt;komende uit de verduistering van hun verstand; niet als zij, »die vervreemd zijn van het ware, geestelijke leven ^der ziel en, gt;ongevoelig geworden voor wat eerbaarheid en menschlievend-jgt;heid en ootmoed gebieden, aan ontucht, hebzucht en hoog-»moed verslaafd zijn. Geheel anders hebt gij geleerd, toen gij »Christus en diens leer hebt aangenomen en door het Doopsel »in zijne Kerk zijt ingelijfd. Het is derhalve voor u een der »eerste verplichtingen, dat gij den ouden mensch aflegt, die u idoor het opvolgen van booze begeerlijkheden ten verderve »zou voeren. De zonde toch bedriegt den mensch door hem »een genot voor te spiegelen maar een genot, dat den eeuwigen »dood berokkent.quot; Na hun dit afschrikkend voorbeeld, waarin zij hun eigen leven van vroeger moesten erkennen, voor oogen gesteld te hebben, gaat hij voort en schrijft hun gebiedend voor, welke werkzaamheid zij ten opzichte van hunne~;'zedelijke vervolmaking aan te wenden, wat zij met de hulp van de goddelijke genade ter verbetering van hun christelijk leven te vermijden hadden. »Dewijl de leer en het leven der Heidenen in »schrille tegenspraak waren met de leer en het leven der Chris-»tenen,quot; — zegt de h. thomas—quot; eischte de Apostel, dat de »oude mensch afgelegd en de nieuwe aangedaan werd.quot; Zóó moet een geheele vernieuwing plaats grijpen ; zóó een vol-slagene omkeer èn in gezindheid èn in gedrag gevonden worden. Dit toepassende op ons zeiven, vragen wij naar aanleiding van Paulus' vermaningen ter onze leering en opwekking,

I. hoe moeten wij ons vernieuwen, en

II. welke ondeugden vermijden ?

I.

Wordt vernieuwd naar den geest uws gemoeds. Wat de Apostel met deze woorden van ons vordert, zal duidelijk worden, als wij het volgende in aanmerking nemen. De Ephesiërs hadden het Doopsel en het Vormsel ontvangen en derhalve aan de heidensche, aan eene zondige wereld verzaakt; zij waren kinderen van den hemelschen Vader geworden en daar-

457

ocr page 480

negentiende zondag na pinksteren.

om gehouden tot de stipte onderhouding van ai die godsdienstige en zedelijke wetten, welke met hunne roeping tot het ware geloof in verband stonden en doelden op de heiliging van ziel en lichaam. Tot den éénig waren God bekeerd en met de dwaling zoowel als met de zedeloosheid van het Heidendom gebroken hebbende, waren zij verplicht in gevoelens en in gedachten, in woorden en in werken al meer en meer te streven naar gelijkvormigheid met het voorbeeld, dat hun in het leven van Christus ter navolging was voorgesteld. In vergelijking met hetgeen zij vroeger waren, moesten zij geheel andere menschen worden en dagelijks aan de verbetering van den inwendigen mensch arbeiden; den geest door de waarheid te verlichten en voor alle afdwaling te behoeden; het hart door liefde te verwarmen en van alle ongeregelde gehechtheden te zuiveren; den wil met Gods genade in het goede zooveel mogelijk te bevestigen en van alle wankelmoedigheid te bevrijden — dat alles dienden zij als levenstaak te beschouwen, en geene inspanning mocht hen van dat hoogst gewichtige en even noodzakelijke werk terughouden. In een christelijk leven uit het ware geloof, daarin moesten zij hunne ware grootheid en een onfeilbaar onderpand voor eene eeuwige zaligheid vinden. Zoo zouden zij den nieuwen mensch aandoen, die naar god geschapen is in gerechtigheid en ware

heiligheid, den ouden mensch met zijne vele gebreken als een kleed, hetwelk men omdat het versleten en waardeloos is wegwerpt, afleggen en den uit Christus wedergeborenen, den ge-reinigden en geheiligden mensch in hun levenswandel vertoonen en zich daarover in God mogen verblijden, als iemand die zich verheugt in een nieuw gewaad, dat hem siert en hem in de oogen van anderen verheft. Zij zouden gelijken op den eersten Adam, die door God geschapen was in onschuld en heiligheid ; zij zouden in de kennis der waarheid en in de heiligheid van leven al meer en meer nabij komen aan hunnen goddelijken Zaligmaker, die verschenen was vol van waarheid en genade.

458

ocr page 481

NEGENTIENDE ZONDAG NA PINKSTEREN.

Zulkeene dringende aansporing tot zelfvolmaking was voorde Ephesiërs in geenen deele overbodig. Was de oude mensch met zyne heidensche gewoonten en ondeugden gestorven, zóódat die zich niet meer deed gelden; oefende het weelderige en wufte leven der Heidenen, in wier midden zij verkeerden, niet langer een verleidenden invloed uit; was hun geloof zóó levendig, zóó vurig en werkzaam in liefde, dat zij zonder prikkel in de eerste opwelling van een heilige geestdrift voor waarheid en deugd volhardden; hadden zij niet noodig, dat eene krachtige vermaning hen sterkte om in hunne aanvankelijk goede gemoedsstemming niet te verflauwen ? Het schrijven van hunnen leermeester in het geloof geeft iets anders te denken en doet met recht vermoeden, dat de Apostel niet volkomen zeker was van hunne onwankelbare getrouwheid aan de aangenomene verplichtingen, dat hij eenige vrees koesterde of zij niet zwak onder de bekoring zouden bevonden worden. Daarom spoorde hij hen aan tot een volhardenden ijver in het vervolmaken van hun leven naar de onveranderlijke beginselen in het hun verkondigde Evangelie uitgesproken.

Hieruit blijkt, dat in bovenstaande woorden van den h. Paulus het leven geschetst is, dat door eiken Christen onder godsdienstig opzicht te leiden is. Zeker, de vermaningen van den Apostel zijn toepasselijk op allerlei slag 'van menschen : op hen zoowel die uit het ongeloof tot de waarheid, uit het Heidendom tot de christelijke gemeenschap nog moeten overgaan, als op diegenen welke reeds het ware geloof aangenomen hebben, maar door eene groote zonde de heiligmakende genade verloren of tot eene gevaarlijke lauwheid veSvielen. Doch, om ons te vereenzelvigen met de bedoeling van den schrijver, die bekeerlingen tot een verhoogd godsdienstig leven wenschte op te voeren, beperken wij onze opmerkingen tot hen, die Christus wel met woorden belijden, maar meer of minder door hun gedrag verloochenen.

459

ocr page 482

negentiende zondag na pinksteren.

Wie door de hartstochten van den ouden mensch tot zonden verleid zijn, moeten zich vernieuwen door boetvaardigheid, door het waardig ontvangen van dat Sacrament, dat Christus tot vergiffenis van alle zonden heeft ingesteld en dat door de h. Kerk een tweede Doopsel, door de Heiligen het bad der wedergeboorte genoemd wordt. Deze vernieuwing, deze reiniging der ziel van de zondesmetten, welke haar aankleven, moet van den kant der zondaars met pijnlijke zelfoverwinning gepaard gaan. Met eenige wijziging zijner woorden mogen wij hier met den h. augustinus tot den zondaar zeggen: „God, die u zonder u geschapen heeft, zal u niet „zonder u van zonde reinigen.quot; Geen vernieuwing van geest en van gemoed zal tot stand komen dan wanneer eerst aan de voorwaarden voldaan is, welke door het Sacrament van boetvaardigheid gevorderd worden. De zondaar moet in zich zeiven treden en de verborgenste schuilhoeken van zijn binnenste doorzoeken, opdat hij eene nederige belijdenis van zijn misdadig verleden kunne afleggen; een door berouw vermorzeld hart moet hem genade doen vinden voor den stoel van Gods Eechtvaardigheid, terwijl een heilige haat aan al het kwaad gezworen en eene oprechte verzaking aan wat God beleedigt met het vaste voornemen den weg van God voortaan te bewandelen hem voor 't vervolg moeten vrijwaren voor de mogelijkheid van een herval in de zonde. Zóó wordt de zondaar in den nieuwen mensch herschapen, welken hij door het Doopsel gevonden maar door de zonde verloren had; zóó wordt hij van een voorwerp van gramschap een kind Gods en gesierd met de heiligmakende genade als met een nieuw en schitterend gewaad. Hij is gerechtvaardigd en bevindt zich in den toestand, zooals hij wezen moet, ten einde hij welgevallig zij in de oogen van Hem, die de Heiligheid zelve is.

Wat die anderen betreft, welke den staat van genade wel niet verbeurd hebben maar toch gelijk zyn geworden aan die

460

ocr page 483

NEGENTIENDE ZONDAG NA PINKSTEREN,

lauwen, over wie de h. Joannes in naam van God een streng vonnis velde — ook zij behoeven eene verbetering van gezindheid, opdat zij niet van kwaad tot erger komen en niet vreezen moeten te vallen in de handen van den levenden God, die voor het grootste onheil waarschuwde door zijnen in de wereld gezonden Zoon, toen deze de parabel voorstelde van den ontrouwen dienstknecht, die het hem toevertrouwde talent begroef en aan wien tot straf ook het weinige ontnomen werd, dat hem gegeven was om daarmede winst te doen. Groot is het gevaar, waaraan zij zich blootstellen en des te grooter, omdat zij geen besef hebben van hunnen deerniswaardigen toeistand en blindelings voortloopen op een weg, aan welks einde een diepe afgrond gaapt, zóódat ook van hen kan vaar worden wat de h. Petrus van afvalligen zeide: het ware hun heter den weg der gerechtigheid niet gekend te hebben dan na de kennis daarvan zich weder af te keeren van het heilig gebod, dat hun was overgegeven (II Petr. II, 21).

Opdat niemand ons van overdrijving beschuldige, herinneren we aan deze ontegensprekelyke waarheden. De geestelijke lauwheid is eene koude onverschilligheid voor God, die zoo vele en zoo groote bewijzen van zijne Liefde heeft gegeven ; eene misdadige achteloosheid in den dienst van den besten der Vaderen; eene zondige nalatigheid in het behartigen van de hoogste belangen. Een lauwe Christen kent geen yver om Gods eer te bevorderen en heeft geen smaak in een godsdienstig leven; hij deinst voor elke moeilijkheid terug, vreest elke inspanning, is vadsig en traag in het volbrengen zijner plichten, leidt een kwijnend leven en geeft zich zonder wroeging over aan den drang zijner hartstochten, zoolang hy niet zeker is, dat hy daaraan weerstand moet bieden op straffe van eene doodzonde te bedrijven. Een lauwe is van dat soort van menschen, die zich zeiven zooveel mogelijk sparen maar het voor niets achten aan allerlei overtredingen schuldig te worden ; van een moedig voorttreden op den weg der volmaakt-

461

ocr page 484

NEGENTIENDE ZONDAG NA PINKSTEREN.

heid heeft hij een afkeer; liever dan zich eenig geweld aan te doen, geeft hij aan zijne gemakzucht toe en doet wat hy in anderen afkeurt; hij mist ook den zedelijken moed om zich te verheffen boven hetgeen een wufte wereld van hem eischt. Hij is een tweeslachtig mensch, die wel grove misdaden afkeurt, maar geene vrees koestert voor mindere overtredingen; al durft hij het niet in woorden uitdrukken, zijn levensgedrag zal het verklaren, dat hij noch zóó veel eerbied noch zóó groote liefde voor God heeft om zich een offer te getroosten, dat hij noch in het behagen aan God, noch in het verkrijgen van Gods genade eene voldoende belooning vindt voor hetgeen God van hem eischt. Hij weet zeer goed, dat hij verplicht is volmaakt te worden evenals zijn Vader in den Hemel volmaakt is, zijn lichaam te kruisigen met al de begeerlijkheden daarvan, 's Heeren juk op zijne schouderen te nemen en Jesus' voorbeeld na te volgen, maar dat alles is hem te lastig, en hy wordt slaaf van zijne zwakheid, geeft aan zijne zinnelykheid in alles toe.

Geen twijfel, of een geheele verandering in gezindheid en in leven moet voorafgaan, vóórdat alle gevaar aan zulk een toestand onafscheidelijk verbonden als geweken mag beschouwd worden. De lauwen moeten genezen worden van de vrijwillige dwaling, waarin zij tot dusverre verkeerden, omtrent het kwade, dat zij bedreven, en omtrent het goede dat zij verzuimden. Voor geen der zondaars is eene vernieuwing van den geest en van het gemoed noodzakelijker dan voor hen. Anderen mogen zich aan grootere misdaden schuldig gemaakt hebben, maar die zijn meer toegankelijk voor de wroeging des gewetens en daardoor der bekeering meer nabij; zij daarentegen slapen den doodsslaap der zonde, begaan vele overtredingen zonder zich te verontrusten, gewennen zich al meer aan het overtreden van Gods wet, en omdat zij het kleine niet achten, zullen zij allengs tot het groote vervallen. Maar zullen zij diep gevallen, niet opschrikken en met groot

462

ocr page 485

NEGENTIENDE ZONDAG NA PINKSTEREN.

berouw tot den Vader terugkeeren, tegen Wien zij zwaar zondigden ? Dit iamp; veeleer te veronderstellen van den ongelukkige, die zich als het ware bij verrassing tot eene groote zonde liet verleiden, dan bij die lauwen, welke wij zouden schier zeggen met opzet hun val hebben voorbereid.

Opmerking. Voor al degenen, over wie wij boven spraken, zijn geene krachtigere middelen ter vernieuwing aan te wijzen dan het gebed, de versterving en de overweging. De groote zondaar en de lauwe zijn, de eene meer dan de andere, arm en naakt en blind — arm aan verdiensten, ontblood van degelijke deugd, blind voor dreigende gevaren ; doch bidden va] hartelijk, nederig en volhardend om de voor hen hoogst noodige genaden, dan ja mogen zij de blijde hoop koesteren, dat hun de gevraagde hulp niet zal geweigerd worden — aan den eene om uit de diepte van zijne ellende op te staan, aan den andere om zich tot een beteren mensch te hervormen. Zoo zullen zij, na de zuivering der ziel, ook de werkdadige liefde verkrijgen, waardoor zij al het ontbrekende kunnen aanvullen en rijk worden in verdiensten voor God. Eene voorzichtig en wijselijk voorgeschrevene versterving zal hun vele en groote voordeelen aanbrengen, omdat zij er op berekend is om de zinnelijkheid te onderdrukken, waarvan zij de slaven waren, en om de gemakzucht te overwinnen, waardoor zij zich van den weg van Gods geboden lieten afleiden. Zij moeten aanvangen met zelfverloochening en zelfoverwinning; eene ernstige poging, eene krachtige inspanning wordt van hen geeischt. Zij moeten opstaan en beginnen te loopen ; de handen, welke te lang gerust hebben, moeten aan den ploeg geslagen worden, al is het eene en het andere pijnlijk en in strijd met de natuur, met hunne hebbelijkheden en aangenomene gewoonten. Zoo zullen zij hunne geestelijke naaktheid bedekken, zich kleeden met goede werken en met vele verdiensten, zóódatzij zich niet behoeven te schamen voor het alziend oog van God maar, met een kostelijk gewaad omhangen, eens waardig bevonden worden eene plaats in te nemen aan den bruiloftsmaaltijd van het Lam. Ook het noodige licht zal voor hen ontstoken worden, als zij met aandacht de hoofdwaarheden van hun geloof over-

463

ocr page 486

negentiende zondag na pinksteren.

wegen. De gebreken van vroeger worden zoo door de tegenovergestelde deugden verbeterd en uitgeroeid. De lichtzinnige onbezonnenheid, het onverschillig voortleven in de gewone sleur, is een der redenen, welke een leven uit en naar het geloof onmogelijk maken of minstens doen kwijnen. Ter opwekking kan geen beter middel worden aangewend, dan de gedachte aan God, aan des menschen bestemming, aan het einde van alles. Zij ontrukt den geest aan de beslommeringen van deze wereld en onthecht het hart aan vergankelijke goederen, terwijl zij te gelijker tijd noopt om te beschouwen wat boven is en het verlangen opwekt naaide rijkdommen van Gods Milddadigheid, ons in Christus beloofd. Het kan niet anders dan dat die overweging én het verstand verlicht om den waren weg des heils te zien én een heilig voornemen ingeeft om dien weg op te gaan en zóó de zaligheid te verwerven, waardoor alle wenschen vervuld worden. Wie zich daarvan wil overtuigen, raadplege de levens der Heiligen en geen twijfel; zij zullen hem leeren, dat velen van hen, die of in zonden leefden of in lauwheid een verdiensteloos leven leidden, op den weg der deugd gebracht werden door de overdenking der eeuwige waarheden, of dat zij met ernst aan de verbetering van hun zedelijk leven begonnen te arbeiden en tot nieuwe menschen herboren werden.

II.

De Apostel vervolgt zijne leerrede met die zonden op te noemen, welke door den Christen te vermijden zijn. „Hy ver-„biedtquot; — leert ons de h. thomas — „de zonde, welke tegen „de rede strijdt, welke het gemoed bevlekt en welke het ge-„volg is van eene booze begeerlijkheid.quot; Leugentaal, gramschap en onrechtvaardigheid mogen bij den Christen niet opgemerkt worden. Waaeheid spreken met den naaste is plicht, omdat het tegenovergestelde ten verderve voert, volgens dit woord van den psalmist: verdelgen suit gij, o God! al de leugensprekers (Ps. V,7), en van den wijzen man : wie leugen spreekt zal omkomen (Spreuk. XIV,9) En waarom? De meest zondige vorm

464

ocr page 487

negentiende zondag na pinksteren.

van de leugen is zeker de lastertaal, waardoor gewoonlijk grove misdaden aan den naaste ten laste gelegd worden, waaraan hij onschuldig is; doch al wordt ook de goede naam van een ander niet in die hooge mate benadeeld, het strydt tegen den eerbied, welken wij den evenmenschen moeten toedragen en ook bewijzen, wanneer zij door ons onwaarheid-spreken bedrogen worden. Waarheidlievendheid is dan ook een karaktertrek van een ieder, die zich volgens zijne waardigheid wil gedragen, zóódat hij er een afschuw van heeft en zich met zorg er voor wacht iemand wien ook te misleiden. Wij zijn immers elkanders ledematen, die door liefde één moeten wezen en alles dienen te vermijden v^at den band des vredes kan verbreken, die derhalve anderen door geene leugenachtige woorden bedriegen, noch van hunne licht-geloovigheid misbruik maken, noch door eene valsche voorstelling hen beschamen mogen. Ook hierin is de hemelsche Vader na te volgen. Wiens woord de waarheid is, zóódat wy in onze gesprekken en vooral in onze beloften niet van de waarheid afwijken.

Evenmin als in waarheidsliefde mag een Christen te kort schieten in den plicht der rechtvaardigheid. De eer en de goederen des naasten moeten altijd voor een ieder heilig zijn ; evenals zij dierbaar en ook noodig zijn voor den eene, moeten zij steeds voor den andere onaantastbaar blijven. Het recht van den bezitter dient geëerbiedigd, omdat God het bevolen heeft, ook omdat de noodige orde in de menschelijke samenleving het eischt. Het misdadig schenden van iemands rechtmatig eigendom is daarom eene overtreding der natuurwet en een aanslag tegen de maatschappij. Ook onder dit opzicht is het waar, dat wij elkanders ledematen zijn en, wie zich vergrijpt tegen het goed van anderen, hij scheurt de banden vaneen, welke hem met die broeders moesten vereenigd houden. Hij zoude niet willen, dat het zijne hem ontroofd werd, hij wachte zich daarom, aan wien ook, dat onrecht aan te doen. Maakt hij

Verklaringen der Epistelen. II. 30

465

ocr page 488

negentiende zondag na pinksteren.

zich desniettemin aan die overtreding schuldig, dan zondigt hij tegen zijn broeder niet alleen door onrechtvaardigheid maar ook door liefdeloosheid, want hij wordt de oorzaak van de gramschap, vijandschap, haat en andere zonden, welke schier altijd het treurig gevolg zijn van een geleden onrecht, terwyl hij zelf hiyk geeft van heb- en genotzucht, van nijd en afgunst of van traagheid en luiheid om door inspanning van alle krachten in zijn onderhoud te voorzien. Dit laatste had ook de Apostel op het oog, toen hij schreef: hij die stal,

stele niet meer maar veeleer arbeide hij en doe iets goeds

met zijne handen. Werken, handen-arbeid verrichten of op andere, eerlijke en door Gods wet geoorloofde en door stand gevorderde wijze, het noodige verdienen voor zich en voor de zijnen, dat is plicht voor eiken Christen. Handelt een iegelyk naar die raadgeving des Apostels, dan zal geen voortdurende nood zich nijpend doen gevoelen, en beperkt hij zijne uitgaven naar de mate van werkelyke behoefte, dan zal ieder in staat wezen om zoo 't noodig is iets, hetzij dan meer of minder, mede te deelen aan den noodlijdende, om naar zijnen staat lichamelijke werken van barmhartigheid te doen.

Met bijzonderen nadruk — en wjj volgen hem hierin na — wijst de h. Paulus op den toorn. Niets is meer in strijd met den geest des Christendoms, niets verbreekt ook zoo zeer de banden van liefde en vriendschap, niets is voor anderen zoo on verdragelij k als de toorn. Evenwel moeten wij met den h. Thomas een onderscheid maken. „Men kanquot; — zegt hij — „zich vertoornen op den evenmensch om wraak op hem te „nemen, maar ook om zich zeiven of anderen om gepleegde „zonden te straffen. De eerste wijze is veroordeelingswaardig, „de andere daarentegen moet geprezen worden.quot; Om de laatste gedachten nader toe te lichten, doet hij een beroep op het voorbeeld van Phineës, die twee misdadigers, welke in tegenwoordigheid van veel volks ontucht bedreven, met een spies

466

ocr page 489

NEGENTIENDE ZONDAG NA PINKSTEREN.

467

doorstak en van God de getuigenis mocht vernemen: hij heeft mijn toorn van de zonen Israels afgeicend; want van mijnen ijver ontbrandde hij tegen hen, opdat Ik zelf niet in mijnen ijver de zonen Israels zou verdelgen (III Moz. XXV, 11) — en op het voorbeeld van Eleazar, die voor God van zich zeiven getuigde ; ik heb geijverd voor den Heer der heerscharen, omdat de zonen Israels uw verbond hebhen verlaten (III. Kon. XIX, 10). Hieruit besluiten wij met den h. Kerkleeraar, dat volstrekt niet elke opwelling des gemoeds, niet elk gevoel van verontwaardiging strafbaar is. Een goed Christen, een ware vriend van deugd, kan niet koelbloedig blijven, als slechte menschen zich aan schandelijke daden overgeven, als zij zich onrechtvaardig of trouweloos gedragen, als zij zich met tergenden euvelmoed heenzetten over wat welvoegelijkheid en eerbaarheid verbieden. Moedwillige verzaking van plicht, openbare ergernis, spotterny met wat vereerenswaardig en heilig is kunnen alleen door hen, die zeiven bedorven zjjn, met onverschilligheid worden aangezien, maar zullen op weidenkenden een pijnlijken indruk maken, welke zich uit door een verwijtenden blik, door scherpe alkeuring, door teekenen van diepe verontwaardiging en heilige gramschap. Wie onder die en dergelijke omstandigheden zich toornig maakt om de euveldaden van het volk, hij behoeft zich niet van eenige fout aan te klagen, integendeel: hij geeft blijk, dat hij een afschuw heeft van het kwade en blaakt van liefde voor God, die zoo grovelijk beleedigd wordt; hij ijvert voor de eer des Aller-hoogsten en als Phineës zal hij lof van God ontvangen. Ook Jesus, de Zachtmoedigheid en Liefde zelve, liet Zich door een heilige drift vervoeren, toen Hij de heiligschenners van den tempel zijns Vaders met een geesel naar buiten, dreef. Het gebrek van gevoel bij zware overtredingen der wet Gods zal nimmer deugd kunnen heeten, wel overdrevene toegeeflijkheid en zondige lauwheid, „Voor hem, die de deugd liefheeft „is het onmogelijkquot; — zegt de h, Ameeosius — „door onwaardige

ocr page 490

negentiende zondag na pinksteren.

„en strafbare daden niet bewogen te worden.quot;

Hiermede geven wij in geenen deele een vrijbrief voor allen toorn. De boven aangehaalde woorden van den h. Thomas bewijzen het. Zich gevoelig toonen voor elke kleinigheid, om eene nietigheid, welke het opmerken niet waardig is, zich warm maken, om elk onvoorzichtig of misplaatst woord in toorn ontsteken, in schimpende woorden uitvallen om een fout of om een verzuim, waaraan een ieder zich wel eens schuldig maakt, schelden en razen, beleediging op beleediging stapelen, voor geene verontschuldiging of verschooning meer vatbaar zijn maar wraak zoeken en zoo noodig zich op onrechtvaardige wijze wreken, elke hand ter verzoening toegereikt afwijzen — dat alles is strafbaar en op hem, die zich aan groote zonde schuldig maakt en in hooge mate het gebod der liefde overtreedt, is het woord des Zaligmakers toepasselijk : al ivie zich vertoornt op zijnen broeder, zal schuldig zijn voor het gerecht (Matth. V, 22). Maar, merkt men op, is dan elke gemoedsbeweging reeds zondig? Ook hier dient onderscheid gemaakt te worden. Een ieder weet, dat de bedorvene natuur des menschen als tot andere driften ook tot toorn geneigd is ; de ondervinding leert, hoe dikwerf het gebeurt, dat het boos worden, het blijk geven van gramstorigheid, het uitvallen in bitse woorden, eene zwakheid is, waaraan velen lijden. Dezulken kunnen wel eenige verontschuldiging voor hunne oploopend-heid aanvoeren, maar zijn daarom niet ontslagen van de verplichting om door de ware wijsheid en den geest des Christendoms dien hartstocht zoo spoedig mogelijk te onderdrukken en ten goede te leiden. „Het is menschelijkquot; — volgens den h. Thomas — „dat eene beweging van gramschap opkomt, „maar daaraan toegeven en zich daardoor laten medesleepen, „is zondig.quot; Ook de h. Paulus veronderstelt het eerste doch waarschuwt voor het tweede. Wordt toornig, dat is : mocht het gebeuren dat gij driftig, gramstorig wordt, zondigt niet door uwe drift in te volgen en te doen, waartoe die harts-

468

ocr page 491

negentiende zondag na pinksteren.

tocht u verleiden kan. Integendeel — gaat hij leerend en vermanend voort — bedwingt uwen onstuimigen aard, blijft niet boos, opdat de zon niet onderga over uwe gramschap ; overwint uwe opvliegendheid zonder dralen en geeft den duivel geene plaats in uw hart, den duivel der gramschap namelijk, maar drijft hem er uit; duldt niet, dat hij eene voor hem gewenschte gelegenheid vinde om u tot nog grootere zonden, tot haat en wraakoefening te verleiden. Al wie dan van een opbruischend karakter is mag wel dikwijls en met ijver de vermaning van den wijzen Salomon overwegen : verbant de gramschap uit mo hart (Eccl. XI, 10).

Opmerking. Wij schrijven geene breede verhandelingen over deugden en ondeugden maar moeten ons vergenoegen met het bondig uiteenzetten van de hoofdbeginselen, waarnaar het godsdienstige leven dient geregeld te worden. Daarom besluiten wij met dezen algemeenen regel, welken de h. Jacobus aan allen voorschreef: ccn iegelijk zij traag tot toorn (I., i g) en waarom ? de toorn eens mans doet Gods gerechtigheid niet; een Christen, die onder den invloed van den toorn handelt, doet niet datgene, wat voor God goed en gerecht is, doch wel veel, wat hij voor God niet kan verantwoorden. — Opdat die wijze en menschenkundige raad opgevolgd worde is noodig, dat eenc wacht rondom ons hart geplaatst en aan de eerste opwelling paal en perk gesteld worde. »Zoo u toorn overvaltquot;' — vermaant de h. gregorius — »bedwing uw gemoed, overwin u zeiven en »onthoud u van eiken uitval; eerst dan moogt gij handelen, «wanneer gij kalm zijt gewordenquot;. Verder nog is vereischt, dat gij hem, door wien gij u beleedigd acht, vriendelijk toespreekt, zijne verontschuldiging bedaard aanhoort, niemand veroordeelt vóór en aleer gij goed hebt onderzocht, en vermaant vóór gij dreigt. Ten laatste, dat gij de oorzaak wegneemt, waaruit uwe gramschap ontstaat. Hoogmoed, eigenzinnigheid en hebzucht zijn de bronnen, welke gij verstoppen moet. Word nederig; beeld u niet te veel in en denk, dat ook gij niet zonder gebreken zijt; leg alle eigenwijsheid af, want ook gij hebt gedwaald

469

ocr page 492

NEGENTIENDE ZONDAG NA PINKSTEEEN.

470

en zult nog dikwijls dwalen, zóódat anderen ook met u geduld moeten hebben en uwen last moeten dragen; hecht u ook niet te zeer aan tijdelijke goederen, dewijl deze strikken zijn, waardoor de duivel menigeen tot nijd en haat weet te verleiden. — Al wie door die wapenen des geestes over zijne driften de zege behaalt, zal gemakkelijk het volgend voorschrift des Apostels volbrengen; alle bitterheid en toorn en gramschap cn gc-schreeuiü en lastering worde uit u weggedaan met alle hoosheid (Eph. IV, 31).

ocr page 493

TWINTIGSTE ZONDAG NA PINKSTEREN.

Broeders! Ziet toe hoe gij met voorzichtigheid wandelt, niet als onverstandigen maar als wijzen, den tijd uitkoopend, omdat de dagen boos zijn. Daarom wordt niet onbedachtzaam, maar verstaat wat de wil Gods is. En wordt niet dronken van wijn, waarin wulpsch-heid is, maar wordt vervuld met den H. Geest, elkander toesprekend met psalmen en lofzangen en geestelijke liederen, den Heer zingend en verheerlijkend in uwe harten. God en den Vader altijd voor alles dankend in den naam onzes Heeren Jesus Christus, onderdanig zijnde aan elkander in de vreeze van Christus. Eph. V. 15—21.

Inleiding. De bekeerlingen te Ephesc leefden voortdurend te midden van groote gevaren niet minder dan wij in onze dagen. De stad hunner inwoning stond in den kwaden reuk van wulpschheid en van een afschuwelijken afgodendienst. De schandelijkste euveldaden werden schaamteloos en in het openbaar gepleegd en de ongerijmdste dwaalleeringen in tempels en op pleinen den volke verkondigd. De ergernis was groot en de verleiding gevaarlijk. De Christenen moesten vast staan zoowel in hunne zedelijke beginselen als in hunne geloofsovertui-

ocr page 494

472 TWINTIGSTE ZONDAG NA PINKSTEREN.

ging. Wie te veel op zich zeiven vertrouwde en het gevaar niet vreesde, hij waagde zijne ziel en zaligheid. Aan die omstandigheden hebben wij die krachtige vermaning te danken, welke de h. Paulus van uit zijne gevangenschap deed hooren. W/j', zeggen we, want alles wat de Apostel den Ephesiürs meende onder het oog te moeten brengen, het is ook te onzer onderrichting geschreven. Gelijk voor hen dc dagen boos waren, eveneens zijn zij het voor ons ; moesten zij in geheel hun gedrag en in hunnen omgang met de nog onbekeerde Joden en Heidenen de uiterste voorzichtigheid in acht nemen, met niet minder behoedzaamheid dienen wij rond te zien, om niet in de strikken te vallen, welke eene in het booze verzonkene wereld alom spant; was het voor hen een dringende behoefte, dat zij vervuld waren met den H. Geest van licht en kracht, wie onzer mag wanen uit zich zeiven sterk genoeg te wezen, opdat hij niet struikele ? Slechte voorbeelden rijzen voor onze oogen allerwege op; spotternijen met wat heilig is, moeten wij schier dagelijks lezen of hooren. Wie zal dan niet vallen, al meent hij te staan ? Hij, die als kind des lichts wandelt en niets zoozeer ter harte neemt als den wil Gods te kennen en dien te volbrengen; die zich beijvert met de gaven des H. Geestes vervuld te worden en te vermijden wat den H. Geest kan uitblusschen. — Zoo opgevat en toegepast geven de woorden des h. Paulus ons het antwoord op deze belangrijke levensvragen:

I. waarin bestaat de ware wijsheid ?

II. waardoor wordt zij verloren, waardoor vervolmaakt?

I.

Met behoedzaamheid aanvaardt elke reiziger zijn tocht, die een bepaalde plaats wil bereiken; hij meet zijne krachten, berekent den afstand, vergewist zich aangaande den waren weg en neemt alle hulpmiddelen te baat, welke hem noodig zijn ter bereiking van zijn doel; geen zeeman waagt zich op een onstuimige zee zonder genoegzame voorzorgs-maatregelen te nemen tegen de gevaren, welke hij zal beloopen, noch zonder

ocr page 495

twintigste zondag na pinksteren.

zich van de onontbeerlijke levensmiddelen en minder nog zonder zich met bekwame zeelieden te omringen; geen koopman verzuimt de kansen te berekenen van winst en verlies en, is hij niet eigenzinnig, gaarne zal hij den raad van wijzen inroepen en met hunne rijpere ondervinding zijn voordeel doen. — Van die kinderen der wereld kunnen wij veel leeren. Niet minder voorzichtig dan zij mag een Christen in zijn godsdienstig leven wezen. Hij is immers een pelgrim op deze aarde, die optrekt naar het hemelsch Vaderland ; zijn weg leidt of door eene woestijn, waarin hebzuchtige roovers hem willen uitschudden, of over een verraderlijke zee, waarop zijn scheepje door stormen beloopen worden, op rotsen en klippen stooten en vergaan kan; hij is ook uit zich zeiven zwak en kortzichtig, zóodat hij in zijne allergewichtigste ondernemingen èn hulp èn raad van anderen behoeft, opdat hij geen schade lijde aan zijne ziel en door zijne eeuwige bestemming te missen alles verlieze.

Niemand mag daarom ooit het vermanend woord vergeten van den Apostel: wandelt met vooezightigheid, niet als onver-standigen maar als wijzen. Doch wie mag voorzichtig en wijs genoemd worden? Salomon gaf in het Boek zijner spreuken deze lessen ; mijn zoon! doe uwe oogen recht voor u heen zien, en dat uwe oogleden steeds moe voetstappen vooruitgaan. Maak een recht pad voor moe voeten, dan zijn al moe gangen geregeld. Al wie die zedelessen met zorg onderhoudt, heeft een goed begin gemaakt, doch nog meer blijft hem te doen over. Het licht is voor hem opgegaan; hij ziet de wegen, maar hij moet den goeden weg kiezen en daarop blijven voortloopen; van daar vervolgde die wijze man: wijk niet af noch ter rechter — noch ter linker zijde — en — houd uwen voet terug van het kwade (IV, 25), dat wil zeggen, wordt het op een godsdienstig leven toegepast: wij moeten eerst onderzoeken, goede plannen maken, wijze voorzorgsmaatregelen nemen en het rechte pad inslaan ; vervolgens moeten met de hoogste behoedzaamheid de gevaren

473

ocr page 496

TWINTIGSTE ZONDAG NA PINKSTEREN.

of vermeden of overwonnen, deugden beoefend, verdiensten vergaderd, de Hemel gewonnen en de noodige hulpmiddelen te baat genomen worden om het hoogste doel te bereiken.

Het loont de moeite, als wij op deze laatste gedachte verder ingaan. Elk Christen kent zijne eindbestemming, het leven dat hem hiernamaals wacht en de alles beslissende waarde van zijn werken en van zijn streven op aarde. Ook de weg naar zijne eeuwige woning is hem aangewezen en wordt gevonden in de navolging van Christus door het onderhouden der goddelijke maar ook kerkelijke geboden en door den strijd tegen zijne geestelijke vijanden ; hij weet eveneens, welke middelen hem moeten ondersteunen om zijne reis te kunnen voortzetten tot aan den berg Gods. Die wetenschap des heils alleen is echter niet voldoende; hij moet ook daarnaar zijn leven regelen, want in de school van Christus is ons geleerd; God kennen, Hem beminnen en Hem dienen — daarin bestaat 's menschen bestemming op aarde, opdat hy Hem eens eeuwig moge aanschouwen in den Hemel. Uit die algemeene grondbeginselen vloeien noodzakelijk deze gevolgtrekkingen als levensregelen voort. De ware wijsheid, waarvan in de h.h. Schriften meermalen spraak is, vordert dat wü met zorg letten op onze gedachten en begeerten, want God doorvorscht harten en nieren ; dat wij onze woorden wikken en wegen, want van elk onnuttig woord moet rekenschap gegeven worden ; dat wij volgens David's raad onze ziel in de handen dragen en zorgen elke handeling goed en met eene heilige meening te verrichten, want hare waarde voor God hangt af van hare overeenstemming met Gods wet, en van de bedoeling, waarmede zij gedaan wordt. Daarom vermanen de oorkonden van Gods openbaring ons herhaaldelijk tot waken en tot vriezen. Bovendien: wetende waar onze oorsprong is en waar onze bestemming ligt, moeten wij ook zóó leven, dat wij op de voorgeschrevene wijze naar het voor ons liggend doel streven en in alles handelen overeenkomstig onze roeping; de kroon der eeuwige glorie voor den getrouwen dienaar bereid

474

ocr page 497

twintigste zondag na pinksteren.

475

mag nimmer door ons uit 't oog verloren worden, opdat de blijde hoop ze eens te zullen verwerven een steunsel zij in alle moeilijkheden, eene aansporing tot volharding. Ter bevestiging van onze woorden kunnen wij ons op gezag hebbende schrijvers beroepen. „Een hooge graad van christelijke wijs-„beid bestaatquot; — aldus de h. bonaventura — „hierin, dat „men zijn leven regele naar het voorbeeld der Heiligen, en „de allerhoogste dat men het inrichte naar het leven van „Christus zeiven.quot; Een ieder, wiens geest niet verblind is door vooroordeel of door dwaling, onderschrijft dan ook gaarne dit woord van den h. bernardus : „de ware wijsheid, welke uit God „is, is de bestuurster en leidsvrouw der deugden; neem haar weg „en de deugd wordt ondeugd.quot; De ijver zonder wetenschap is „meestal verderflijk.quot; Allen moeten de waarheid erkennen van Salomon's zinspreuk : de kennis der Heiligen, de kennis van wat heiligen of vromen maakt, is echt verstand (Spr. IX, 10). Hoe ongelukkig zijn dan die dwazen te noemen, die leven zonder geloof, zonder wet, zonder godsdienst, zonder zedelijkheid ! Onverstandigen noemt hen de Apostel. En niet ten onrechte. Wie van zijn verstand beroofd is,: handelt en loopt en spreekt zonder zich van zyn doen en laten rekenschap te geven. Zoo ook die anderen. Zij willen niet weten van waar zij zijn en waar zij heengaan ; zy loopen rond in een cirkel van zinnelijke genoegens, welke hun niet voldoen kunnen, en van moeilijkheden, welke voor hen nutteloos blijven. Zij handelen zonder nadenken, zonder beginselen, zonder doel. Genieten is hun eenige wellust, en daarvan maken zy hun afgod. Zij leven voor hun lichaam maar niet voor hunne ziel, voor de wereld maar niet voor den Hemel. Zij stellen het kwade boven de deugd, een tijdelijk genoegen of gf?Win boven de rust des gewetens, boven de vriendschap Gods, boven de hoop op de eeuwige zaligheid. Zij letten alleen op het heden maar verliezen uit 't oog de toekomst, de eeuwigheid. Toch zal ook eens hunne ziel ter verantwoording worden opgeroepen

ocr page 498

twintigste zondag na pinksteren.

— en dan? Wij laten het antwoord aan Gods oordeel.

Hooge wijslieid Is het ook den tijd als eene kostbare gave Gods te beschouwen, en tot onze zaligheid te besteden. Dit leert de h. Paulus, als hij ons vermaant den tijd uit te koo-pen. Mets minder toch predikt hij met dit eenvoudig woord dan deze waarheid: de tijd is een werkelijk goed en tegelijk een middel, waardoor de hoogste en blyvende goederen kunnen verworven worden, en de Christen moet zich daarvan meester maken om allerdringendste redenen. — Hierover een enkel woord.

„De tijd is geld waardquot; — zegt de wereldling ; „neenquot; — zegt de h. bernardinus — „de tijd is meer en evenveel waard als „de Hemel, omdat door het wel besteden van den tijd Gods „bezit verdiend wordt.quot; De tijd is niet alleen eene genade maar zelfs de eerste en de noodzakelijkste genade. De tijd is ons noodig om de genade te ontvangen en om ze te gebruiken. Denkt u het geval, dat de tijd niet ter onze beschikking stond, het eene zoowel als het andere ware ons onmogelijk. Om de hooge waarde van den tijd nog beter te beseffen, dient nog deze gedachte in aanmerking genomen. Als gave beschouwd is de tijd gelijk alle andere genaden de prijs van Jesus' lijden — eene genade voor ons verdiend, opdat wij Gods eer bevorderen, en werkzaam kunnen zijn tot heil van onze onsterflijke ziel. De Heiligen hebben den Hemel ingenomen door een waardig gebruik van den tijd ; de zielen in het vagevuur lijden, omdat zij in een heilig besteden daarvan zijn te kort gebleven; de verdoemden in de hel beklagen voor eeuwig het misbruik, dat zij van de hun geschon-kene dagen gemaakt hebben, en gedurende de geheele eeuwigheid zouden zij God met den vurigsten ijver danken, wanneer Hij hun slechts eenige oogenblikken schonk om boetvaardigheid te doen.

Dien tijd zoo onwaardeerbaar moeten wij uxtkoopen. En

476

ocr page 499

twintigste zondag- na pinksteren.

hoe ? De eens verloopene tijd keert nimmer terug en is niet terug te roepen noch op te koopen; en toch kan hij, al is hy doorgebracht in zonde of in ledigheid, als terug gekocht worden of door strenge boete, waardoor de slechte gevolgen der nalatigheid weggenomen en de verwaarloosde verdiensten ingehaald worden, of door meerderen ijver in den dienst van God, waardoor het verzuimde aangevuld en naar gelijkheid gestreefd wordt met hen, die als wijzen zich gedroegen. Een herwinnen van den verloren tyd is het ook, als men van harte berouw heeft, dat zoo vele genaden ongebruikt bleven, dat zoo vele gelegenheden om goed te doen verloren gingen of dat, wat nog goed scheen, bedorven werd hetzy door overijling, hetzij door onnadenkendheid ; dat geene goede meening onze werkzaamheid heiligde, geen kalme gelatenheid in het lijden ons aan den lijdenden Zaligmaker gelijkvormig maakte, geen liefdevolle vergevingsgezindheid ons aanspraak verwierf op Gods Barmhartigheid. Zoo doende halen wij den verbeuzelden tijd in en nemen deze vermaning van den h. beenaedus als leefregel voor al de volgende dagen; „laten wij den overigen tijd „van ons leven aan den dienst van God wijden, nadat wij „den verloopen tijd aan de ijdelheid der wereld geofferd hebben.quot;

Het stipt vervullen van die verplichting duldt geen uitstel, want de dagen zijn boos, zóódat wij waarlijk door een vadsig of ongodsdienstig leven de moeilykheden, welke aan het bewerken onzer zaligheid in den weg staan, niet behoeven te vermeerderen. Van binnen strijd, van buiten bekoringen, aanvechtingen en hindernissen — zijn zij niet machtig genoeg om ons tot dwazen te maken, die niet verstaan, wat de wil Gods is. Zeker, de bekeerde Ephesiërs beleefden moeilijke dagen. Zij zagen de afschuwelykste misdaden in het licht van den dag gepleegd en wie aan die gruweldaden geen deel namen, werden vervolgd, van hunne goederen beroofd en gemarteld. Zijn onze dagen beter? Bloedige vervolging heerscht er niet, maar die geniepige, in 't geheim gesmede

477

ocr page 500

TWINTIGSTE ZONDAG NA PINKSTEREN.

478

en sluw aangewende vervolgingen van allen, die zich aan de booze wereld niet willen gelykvormig maken! Zyn zij nog niet gevaarlijker dan eene openlijke bestriding? Een openlijke aanval maakt behoedzaam, maar sluwe list verleidt tot onvoorzichtigheid; gene doet naar de wapenen van tegenweer grijpen, maar deze verbergt het gevaar en doet insluimeren. En deze laatste toestand zal de onze worden, als wij den tijd niet besteden ter verkenning en ter bestrijding van den vijand. Wij moeten ons overtuigen, dat onze dagen boos zijn, om ons zoo des te gemakkelijker voor het kwade te hoeden. En die overtuiging dringt zich op, als wij slechts denken aan het ongeloof, dat allerwege zich openbaart. Wel heeft de waarheid — dit valt niet te ontkennen — in alle eeuwen te strijden gehad met dwalingen en ketterijen, wel vond het Evangelie van Jesus altijd tegenspraak en vijanden; maar het kan niet betwijfeld worden, dat de leugen zich nooit zoo driest heeft betoond als nu. De dwaalleeraars van vroeger ontzagen zich meestal met hunne valsche leeringen en spotternijen in 't openbaar op te treden: in quot;t geheim en onder bedriegelijke tegenwerpingen werden de goddelijke openbaringen of verdraaid of geloochend; maar nu staan de vijanden van den godsdienst openlijk op en prediken met eene onbeschaamde vermetelheid de ongerijmdste stellingen, vinden er zelfs eene eer in ze van de daken af en op allerlei wijze te verkondigen, al zijn zij zich bewust of liever: juist omdat zij weten, dat hunne valsche leer de grondslagen van altaar en van troon en van huisgezin ondermijnen en daardoor ontelbare zielen ten verderve voeren.— Zyn onze dagen ook niet boos en ten hoogste verleidelijk voor alle slag van personen om de wulpschheid en de wellust, welke hare strikken spannen niet alleen maar zelfs zonder schaamtegevoel zich in quot;t openbaar vertoonen en zich niet ontzien allerlei middelen te baat te nemen, waardoor de zonde in hare verleidelijkste vormen voorgesteld, aangeprezen en verheerlijkt wordt, zóódat een ieder, die de deugd lief heeft,

ocr page 501

twintigste zondag na pinksteren.

oogen en ooren sluiten moet, opdat het kwaad niet door de zintuigen in zijn hart binnensluipe.

Opmerking. Deze twee voorbeelden mogen volstaan om het waarschuwend woord van den Apostel toe te lichten. Maar wat hebben wij te doen om de inwerkingen van die booze dagen tegen te gaan ? Geen beter middel dan te verstaan wat de wil Gods is, dan ons te doordringen van wat God gebiedt en verbiedt, dan ons duidelijk te maken, waar de gevaren schuilen, welke vijanden ons bedreigen, welke de treurige gevolgen der zonde zijn. De kennis daarvan doen wij vooral op door de overweging- van de eeuwige wetten, welke God ons voorgeschreven heeft, door de beschouwing van onze eigene zwakheid en door de overdenking van het verderf, waarheen de wereld hare volgelingen voert. Zoo gaat er een groot licht voor onzen geest op en beantwoorden wij gemakkelijk ter onze onderrichting en — zoo noodig — ter onze verbetering deze vragen : hebben wij tot dusverre zorgvuldig onze ooren gesloten voor de dwaze raadgevingen der zondaren ; hebben wij den ons geschonken tijd voor het bewerken onzer zaligheid besteed; vreesden wij genoegzaam de gevaren, welke ons omringden; vulden wij onze dagen met het doen van goede werken; was Jesus Christus voor ons èn de waarheid èn de weg èn het doel van al ons doen en laten ? Zulk een onderzoek is een niet te versmaden middel om de dwaasheid der onbedachtzamen te vermijden en de wijsheid der voorzichtigen na te volgen, die wijsheid, welke uit God is.

II.

Verre zijn van de wysheid verwijderd zij allen, die dkon-ken worden van wijn, waarin wülpschheid is; behoedzaamheid en voorzichtigheid worden verloren door de onmatigheid in het gebruik van bedwelmende dranken. Salomon heeft die ongelukkigen geteekend met deze bestraffende woorden: hij loien is wee ? bij wiens vader is wee ? hij wien twist ? voor icien

479

ocr page 502

TWINTIGSTE ZONDAG NA PINKSTEEEN.

480

zijn kuilen? hij reien loonden zonder eer? hij wien ontstoken oog en? Is het niet bij hen, die laat opzitten hij den wijn en hun werk maken van hekers te ledigen? Zie den wijn niet aan, laat hij u niet bekoren en verleiden tot een onmatig gebruik, als hij daar goudgeel hlinkt, als hij daar vonkelt in den beker; zoet gaat hij naar binnen, maar in het eind bijt hij als een slang en verspreidt zijn gif gelijk een adder. Uwe oog en zullen naar vreemde vrouwen zien, en uio hart zal schandelijke dingen spreken. En gij zult zijn als een die slaapt in het midden der zee, en als een sluimerend stuurman, die zijn roer verloren heeft, als iemand die in zijne bewusteloosheid, door dronkenschap veroorzaakt, zich aan het gevaar blootstelt zijn leven te verliezen. (Spr. XXIII, 29 — 35). Een wulpsch ding is de wijn; het misbruik daarvan zet aan tot geilheid en ontucht, en dronkenschap is een g er aasmaakster; alwie daarin behagen schept, loordt nimmer wijs (Spr. XX, 1). Het is zeker overbodig deze veroordeeling over den dronkaard door den Geest Gods uitgesproken nader te verklaren. Eene droevige ondervinding dagelijks onder onze oogen hernieuwd, doet onstafe-reelen bejammeren, welke elk der woorden door den wij sten dei-koningen onder hoogere ingeving gesproken bevestigen. Dat eene ziel door overdaad bezwaard zich niet met hare heiligste belangen zal bezig houden, dat een geest door een zinnelijk leven afgestompt voor hoogere indrukken niet vatbaar is, dat eene bedwelmde rede noch voorzichtig noch waakzaam wezen kan, wie onzer beaamt dat alles niet? Doch nog andere onheilen sticht de onmatigheid: het stoffelijk geluk en het geestelijk welzijn, lichaam en ziel, de orde in de maatschappij, het geluk en de vrede van het huisgezin, niet het minst het godsdienstig leven — zij kwijnen, als zij niet geheel te loor gaan door de heerschappij van dien een redelijken mensch veria-genden hartstocht. De kostbare tijd en de middelen, welke den mensch ten dienste van zijne onontbeerlijke behoeften geschonken zijn, worden verbrast; de slaaf van die schande-

ocr page 503

twintigste zondag na pinksteren.

lijke drift wordt onbekwaam om zijne veelzijdige verplichtingen te vervullen; hij ondermynt zijne krachten en dooft zijne geestelijke vermogens uit; zyn goede naam, de achting der menschen, het vertrouwen in zijn woord gaan verloren; het gebruik der rede verdwijnt en de zedelijke vryheid is verbeurd ; de redelijke mensch verlaagt zich tot den staat van een redeloos dier, dat slechts zijne driften volgt. Vandaar al die zonden, waarvan boven Salomon gewaagde. Wellust, uitspattingen van allerlei aard, brooddronkenheid, schandelijke woorden en daden, onkuische begeerten, twist en moord — zjj zijn de gewone gevolgen van den toestand dergenen, die door den drank verhit zijn.

Is dan elk gebruik van opwekkende dranken veroordeeld ? De volgende uitspraken van Sirach's zoon leeren het te maken onderscheid. JDe wijn werd tot vreugde geschapen van den beginne af, en niet tot dronkenschap. Wijn met matigheid gedronken verschaft vreugde aan hart en ziel. Een matige teug is gezond voor lichaam en ziel. Een overmatig gebruik van wijn bewerkt opgewondenheid en toorn en menig ongeval. Wijn, bovenmatig gedronken bewerkt verbittering des gemoeds. Verbittering uit dronkenschap voert den dwaas tot beleediging, verzwakt zijne krachten en brengt hem iconden toe (Eccl. XXXI, 35—41).

Scherp is de tegenstelling door den h. Paulus gemaakt: wordt niet dronken aan wijn, maar wordt vervuld met den ïï. Geest. Het zich opvullen met drank, waardoor het gebruik der rede verhinderd wordt, is een schandelijk vergrijp tegen de zedenwet; maar de volheid van de gaven des H. Geestes te ontvangen, daarin moet een Christen zijn geluk stellen en zijne vreugde vinden. Geen betere opwekking in zyn gemoedsleven, geen volmaaktere verheffing van zijn gevoel, geen vol-komenere verandering ten goede in zyne alledaagsche sleur is denkbaar. Verheugt hij zich in die zeven gaven en in die twaalf goede eigenschappen, welke de H. Geest in de harten

Verklaringen dei Epistelen, II. 31

481

ocr page 504

twintigste zondag na pinksteren.

zijner getrouwen voortbrengt, dan leeft hij, om zoo te spreken, op in geestelijken zin en voelt hij zich verjeugdigd en tot een nieuwen arbeid gesterkt. Alles wordt hem gemakkelijk en de genade zet hem over alle moeielijkheden heen; hij kan zich verblijden in de versmading en juichen onder het lijden. Hij leeft naar de grondbeginselen, welke in het Evangelie verkondigd zijn en vindt zijn vermaak in de wet van zijn Heer en God. Het heeft voor hem niets pynlyks, al is hem geboden zich zeiven te verloochenen, zijn kruis op te nemen en het te dragen al de dagen zijns levens. En waarom ? Behalve de andere gaven, welke de nederdaling des H. Geestes in de harten der geloovigen zoo bovenmate benijdenswaardig maken en den Christen met de kracht van boven toerusten, geeft Hij daarenboven aan ons geweten de blijde getuigenis, dat wij kinderen Gods zijn en hopen mogen de erfenis des heils te zullen verkrijgen, welke God beloofd heeft aan allen, die Hem dienen. En wie, wiens verlangens verder reiken dan deze aarde, zoude niet jubelen, wiens hart niet van vreugde opspringen, alshy met vo' vertrouwen tot den hemelschen Vader „Abbaquot; mag zeggen en zich geroepen mag achten tot de eeuwige vreugde des Hemels? Dit zijn veel reinere genoegens dan welke het voldoen van zinnelyke lusten kan aanbieden.

Als de godvruchtige stemming van dien Christen aldus hoo-ger opgevoerd, zijn zedelijk leven volmaakter is geworden, gevoelt hij behoefte als elk ander mensch, wien eene eervolle onderscheiding ten deele is gevallen, te jubelen en zyn vol gemoed uit te storten in vreugdezangen en in dankliederen, aangeheven ter eere van zijn Weldoener. Het is niet noodig, dat hem nog gezegd worde den naaste toe te spbeken met

psalmen en lofzangen en geestelijke liedeeen, den heer te zingen en hem te verheerlijken in zijn hart, god en den

Vader voor alles te danken in den Naam van den Heer Jesüs Christus. Zijn hart dwingt hem er toe, het Is hem een wellust al het goede, wat God ooit aan hem gedaan heeft,

482

ocr page 505

TWINTIGSTE ZONDAG NA PINKSTKEEN.

luid te verkondigen en den naaste te stichten door het verhaal van de wonderwerken der goddelijks Liefde. De hoog gestemde, de bezielde zangen van den koninklyken Profeet, de geestelijke liederen door de Kerk onder hare gebeden opgenomen, andere lofzangen door een heilige geestdrift ingegeven, zy alle moeten dienst doen om de reinste gevoelens der ziel te vertolken en anderen tot gelyke gevoelens op te wekken. Zoo ook wordt de Allerhoogste verheerlykt, Hem eer gebracht en dank gezegd voor zijne weldaden, en dat alles in Naam van onzen Heer Jesus Christus, Wien wij als de verdienende oorzaak van alle goederen, welke ons gegeven worden, moeten huldigen, door quot;Wien wij ook in staat gesteld worden op waardige wijze te zingen en te bidden.

Opmerking. De Apostel besluit met deze vermaning: zijt ELKANDER ONDERDANIG IN DE VREEZE des HeEREN. Er ligt verband tusscben dezen eiscb der cbristelijke zedenwet en dien anderen, welken wij boven bespraken. Evenals God zijne weldaden b.v. onderricht in de deugd, opwekking tot waakzame voorzichtigheid, waarschuwing- tegen het kwade, ons door onze mede-menschen dikwijls doet geworden, evenzoo draagt Hij zijne opperheerschappij of liever: zijn gezag aan hen over, opdat zij in zijn naam bevelen en regeeren. Aan die bedienaars van Gods woord en uitdeelers zijner genaden en aan die door God verordende machten zijn wij onderdanigheid maar ook hartelijke dankbaarheid verschuldigd. Het is toch een hoog te waardeeren goed, als zij door hunne wijze voorschriften ons den weg tot het ware geluk leidende als dwingen op te gaan, als zij door wetten, waarin de belangstelling in onzen zedelijken vooruitgang en bet verlangen naar onze vervolmaking zich uitspreken, onze schreden regelen ^n onzen gang richten naar de eeuwige woningen der zaliglieid. Of zoude iemand durven loochenen, dat al de geboden van die kerkelijke overheid ten doel hebben om hare onderhoorigen voorzichtig te doen voortgaan op hun altijd gevaarvollen levensweg, om hun

483

ocr page 506

TWINTIGSTE ZONDAG NA PINKSTEREN.

484

de middelen in de hand te geven, waardoor zij kunnen toegerust worden met de goddelijke kracht van boven, welke tevens licht ontsteekt in den geest en warmte, moed en bezieling geeft aan het hart? De reden, waarom wij hier in de eerste plaats van kerkelijke geboden gewagen, is voor een ieder onzer lezers duidelijk en vindt haren grond hierin, dat er onder de bekeerde Ephesiërs wel geene met burgerlijk maar wel met kerkelijk gezag bekleeden zullen geweest zijn. Is deze voorstelling juist, wat wij niet betwijfelen, dan begrijpen wij ook den aandrang, waarmede de Apostel van zijne leerlingen de onderdanigheid aan elkander vorderde. Daarmede is tevens gezegd, dat zijn voorschrift ook ons betreft. Minder dan kinderlijke onderdanigheid aan de liefde-ademende wetten van onze Moeder, van de h. Kerk mogen ook wij niet betoonen. En dit in de vreeze van Christus. Door Hem is de Kerk gesticht; Hij heeft haar aangesteld tot leermeesteres der volkeren, tot zuil der waarheid ; van haar heeft Hij gezegd: die naar u hoort, hoort naar Mij, en die zt versmaadt, versmaadt Mij; en die Mij versmaadt, versmaadt Hem, die Afy gezonden heeft (Luc. X, 16).

ocr page 507

EEN EN TWINTIGSTE ZONDAG NA PINKSTEREN.

Broeders! Wordt versterkt in den Heer, en door de kracht zijner sterkte. Doet de wapenrusting Gods aan, opdat gij tegen de listen des duivels staande blijft; want onze strijd is niet tegen vleesch en bloed, maar tegen de overheden en machten; tegen de be-heerschers der wereld dezer duisternissen, tegen de booze geesten in de lucht. Neemt derhalve de wapenrusting Gods aan, opdat gij in den kwaden dag moogt wederstaan en in alles volkomen staande blijven. Staat dan vast, omgordt uwe lenden met waarheid, gekleed met het harnas der rechtvaardigheid, en uwe voeten geschoeid, opdat gij tot het Evangelie des vredes zijt voorbereid. Neemt vooral het schild des geloofs, waarop gij alle vurige pijlen van den booze kunt uitdooven; neemt ook den helm des heils aan, en het zwaard des geestes, dat is, het woord Gods.

(Ephes. VI, io—17).

Inleiding. Voor het laatst in dit jaar houdt de Kerk ons een gedeelte van Paulus' brief aan de Ephesiërs ter overwe-

ocr page 508

486 EEN EN TWINTIGSTE ZONDAG NA PINKSTEREN.

ging voor. Reeds meermalen hebben wij ons gesticht aan de onderrichtingen, welke hij aan die bekeerlingen geschreven heeft. En niet de minst gewichtige zedenles lazen wij zoo even. Nadat de Apostel de verschillende standen op hunne verplichtingen gewezen had; de gehuwden op de wederzijdsche liefde en inschikkelijkheid, de ouders op de waakzaamheid en de kinderen op de gehoorzaamheid, de overheden op de zachtmoedigheid en de onderdanen op den eerbied, allen op de onderwerping aan den heiligen wil van God, besloot hij de lange reeks zijner vaderlijke vermaningen met allen aan te sporen tot den edelen en roemrijken kampstrijd tegen de vijanden hunner zaligheid. Niets van wat hun ter opwekking nuttig wezen kon vergat hij te vermelden. Hij gewaagde van den aanvoerder welken zij te volgen hadden, van de vijanden welke bestreden moesten worden en van de wapenen, welke zij ter overwinning dienden te hanteeren. — Dit alles is ook ter onze onderrichting opgeschreven, opdat wij evenals zij werkzaam zijn en staande blijven, weerstand bieden en den aanval zegevierend afslaan. Al de gevaren met dien onvermijdelijken strijd verbonden doch ook de middelen, waardoor de schitterendste overwinning bevochten wordt, kunnen we bespreken, een volledig antwoord gevende op deze twee vragen:

I. welke zijn de vijanden, die ons tot het kwade willen verleiden, en hoe zijn zij te bestrijden;

II. welke zijn de wapenen, waardoor wij hen onschadelijk maken en overwinnen kunnen ?

I.

Niemand kan er aan twijfelen, beter nog: een ieder weet bg ondervinding, dat er een strijd te voeren is tegen machtige vyanden, die den mensch geene rust laten, zoo lang hy op aarde leeft. Reeds de heilige man Job moest weeklagend uitroepen: „het leven des menschen op aarde is een strijden,quot; en allen, die in lateren of vroegeren tijd onder ingeving des H. Geestes geschreven hebben, moesten getuigen, dat de dienst

ocr page 509

EEN EN TWINTIGSTE ZONDAG NA PINKSTEREN. 487

van God zonder veel strijd eene onmogelijkheid is maar ons noodzaakt met vele machtige vyanden onzer zaligheid den strijd aan te binden. De loereld met hare valsche beginselen en slechte voorbeelden en verleidelijke vermaken en bedrie-gelijke voorspiegelingen, zij die in het booze verzonken ligt, trekt ons aan; de heg eerlijkheid des vleesches voert in onze ledematen strijd tegen den geest, bekoort en lokt aan en als daaraan toegegeven wordt, brengt zij zonde voort; de duivel vooral,leugenaar en moordenaar van den beginne af, de onverzoenlijke vyand van den mensch, loopt als een op buit belust roofdier rond al zoekende, wien hij door listige sluwheid verleiden of door onvoorzienen aanval overwinnen kan. Zoo zijn wy nimmer beveiligd voor gevaren, voor verzoekingen, voor aanvechtingen. Nergens, noch in de eenzaamheid noch in het gezelschap van anderen, noch in de kerk noch te huis, noch op den weg noch onder den arbeid, noch in den stand der leeken noch in dien der geestelijken zijn wij verzekerd, dat wij niets te vree-zen hebben. Ook op vele wijzen bespringt ons de helsche vijand: met sluwe list of openlijk geweld; door inwendige inblazingen of door het voorstellen van verleidelijke voorwerpen ; door het bekoorlijke der gezondheid of het lastige van ziekten; door voor- en door tegenspoed, door vreugde en door droefheid. Zelfs weet hij altijd de ^zwakste zijde des menschen als mikpunt zijner aanvallen te kiezen: den eene bestookt hij door hetn in te fluisteren, dat de nood geene wet kent, dat hij als mensch moet leven en mag genieten ; dat hij zijn leven niet rekken kan zonder uitspanning in de wereld, zonder inwilliging der natuurlijke neigingen ; dat hij niet een engelachtig leven leiden kan. Bij een ander prikkelt hij den hoogmoed en vleit de aangeborene zucht naar eer en grootheid; waarom — geeft hij hem in — niet u verheven boven anderen, die blijkbaar minder zijn, en niet u voor beter gehouden dan die menschen, welke in het goede doen verre bij u ten achter zijn; ook de hebzucht, van nature den mensch

ocr page 510

488 EEN EN TWINTIGSTE ZONDAG NA PINKSTEREN.

aangeboren, wordt als een hefboom door onzen vyand misbruikt om den aangevallene heen te zetten over de strenge eischen van het recht en over het billijkheidsgevoel, dat onderscheid maakt tusschen „het myn en het dyn.quot; Zoo hebben wij niet alleen met zichtbare vijanden te kampen, met vleesch en bloed, dat is: met zwakke menschen, die gewoonlijk ons slechts in het lichaam of in onze tijdelijke goederen kunnen schaden. De h. Paulus wijst als onze gevaarlijkste vijanden aan de uit den Hemel verbannen Engelen, die voor hun val behoorden tot de koren der Overheden en Machten-, die aan helsche sluwheid een bovenmenschelijke kracht paren en met recht beheerschers der wereld dezer duisternissen genoemd worden, wijl zij over de in onwetendheid en zonde bedolven wereld heerschappij voeren; die booze geesten heeten, omdat zü door hunnen afval onverbeterlijk slecht zijn geworden en tot het kwade verleiden; die voor ons onzichtbaar zijn als hebbende hun zetel in het luchtruim, in de wolken tusschen hemel en aarde, vanwaar zij hun verderflijken invloed uitoefenen. Wie zich laten overhalen hetzij tot ongeloof hetzij tot zedeloosheid, vernederen zij tot — en gebruiken hen als werktuigen ter uitvoering van hunne heillooze plannen, opdat steeds meerderen hunnen eeuwigen ondergang tegemoet ijlen. Voortdurend ook zijn zij werkzaam in de kinderen der ongerechtigheid en maken hen, volgens den H. Geest, tot hunne dienaren, opdat de verkondiging van de waarheid en de voortplanting van het Christendom en de uitbreiding van Jesus' Rijk verhinderd worden. Zelfs weten zij, ofschoon met eeuwige banden onder de duisternis der hel in bewaring gesteld tot het oordeel des grooten dags, (Jud. 6) zich te veranderen in engelen des lichts om de onvoorzichtigen te verleiden.

Wee dengenen, die of niet op hunne hoede zijn, of verzuimen te strijden; zij zullen bezwijken. Doch zijn wij, van nature zoo lichtzinnig en zoo zorgeloos en onbedreven, bestand tegen

ocr page 511

een en twintigste zondag na pinksteren. 489

ie lagen des duivels? Uit ons zei ven zeker niet, en wie het meent te zijn, zul al spoedig door een beschamenden val van zjjne zwakheid het bewijs afleggen. En toch, al zullen wij nimmer van ons onvermogen volkomen genezen worden en nimmer voor bekoringen beveiligd zijn, dit is onze troost: aan hulp van boven zal het ons niet ontbreken en met de bekoring zal God ook uitkomst geven. Wij weten, en misschien door eene vernederende ervaring geleerd, dat wy uit eigene kracht niets kunnen ; dat het vleesch zwak is al is de geest gewillig; dat ook de sterkste, al meent hij te staan, vallen kan ; doch te bekwamen tijde geeft God zijne hulp en met zijne genade zyn wij tot alles in staat. God is onze kracht, en H\j is dengenen nabij, die zijne hulp inroepen; als zijn oogappel zal Hy hen, zoo zij Hem zoeken, bewaren en onder de schaduw zijner vleugelen beschermen, Door Hem geholpen en versterkt, zullen wij overwinnaars blijven, dewijl God met ons is. Al zouden onze vijanden legerplaatsen tegen ons opslaan, ook dan nog mag ons hart niet vreezen. Op zijne gewone kernachtige wyze drukt de h. Paulus al die waarheden uit, als hij over de Ephesiërs heen ons toeroept: Wordt versterkt in den Heer en in de kracht zijner sterkte. Dit woord behelst niet alleen eene vermaning maar sluit ook eene troostrijke belofte in. Nooit zoude hij zoo gesproken hebben, ware hy niet volkomen overtuigd geweest, dat al zijne deelgenooten in den harden strijd om de onverwelkbare kroon in den Hemel alle hulp ter overwinning noodig konden vinden bij den Overwinnaar van dood en hel, by den sterken God. Wat wy behoeven is van Hem te verkrijgen. Vertrouwen en moed boezemt Hij in; kracht en strijdvaardigheid schenkt Hij in groote mate; heldhaftigheid en volharding geeft Hij aan wie Hem in de eerste beproeving zijn getrouw gebleven.

De geslepenheid en macht onzer vijanden zijn van dien gevaarlyken aard, dat zy van onze zyde nog andere voorzorgen dan een sterk vertrouwen vereischen, dat wy namelijk niet

ocr page 512

490 een en twintigste zondao na pinksteben.

onbedekt, niet onbeschermd den strijd aanvaarden. Opdat gij tegen de listen des duivels staande blijft; doet aan — vermaant de h. Paulus — de warenrusting Gods ; opdat gij in den kwaden dag moogt weerstaan en in alles volkomen staande blijven, nekmt de wapenrusting Gods aan. Wij zijn krijgsknechten van den Heer Jesus Christus en doen krijgsdienst voor God, en daarom moeten wij de livrei van onzen Koning, de onderscheidingsteekenen dragen van het leger, waartoe wij behooren. Evenwel, dit is de voornaamste reden niet, waarom wü ons te wapenen hebben. De dagen zijn boos en een geestelijke stryd is in den tijd der bekoring te voeren tegen machtige vijanden. Onze menschelijke zwakheid heeft derhalve in elk tijdperk van ons leven behoefte aan geestelijke hulp ; zelfs, al hebben wij reeds menige bekoring door medewerking met Gods genade overwonnen, de wapenrusting mag nimmer afgelegd worden, vóórdat de eindoverwinning behaald is. Wat wy dan wel onder wapenrusting Gods te verstaan hebben? Dewijl de Apostel alreeds gesproken heeft van de kracht, macht en sterkte in den Heer, moeten wij in die benaming iets meer lezen dan de hulp van Gods genade. Daarom zullen wij, de uitlegging van andere schrijvers overnemende, niet dwalen, zoo wij als eerste vereischte voor eene volledige wapenrusting vorderen den staat der heiligmakende genade. Wie daarin zich meent te mogen verheugen en door het doen van wat Gode welgevallig is zich daarin tracht te volmaken, zal reeds een machtig wapen bezitten om aan alle zedelijke gevaren het hoofd te bieden. Hij heeft zich op geduchte wijze voor den strijd toegerust en, voortdurend zich oefenende in alles wat voor het gelukkig voeren van den strijd noodig is, zal hij een geduchte tegenstander zijn van de machtigste vyanden. Voor elke wijze van strijden is by in staat, omdat geen gevaar aan zyne waakzaamheid ontgaat en geene listen des duivels hem onbekend blijven. Hij heeft veel ondervinding opgedaan en de verkregene levenswijsheid maakt hem voor-

ocr page 513

EEN EN TWINTIGSTE ZONDAG NA PINKSTEREN. 491

zichtig; reeds lang was hij een ijverige werkman in den dienst van God, beoefende deugden en werd al meer en meer ontoegankelijk voor het verleidelijke der zonde. Hoe hy ook aangevallen worde, de satan heeft op hem minder vat en de overwinning is voor hem gemakkelijker. Eveneens is hij tegen elke soort van bekoring bestand. Door de aangenomene gewoonte van matigheid bestrydt hij zegevierend den trek naar onmatigheid in drank en spijs; omdat hij den nederigen en zachtmoedigen Jesus tot voorbeeld nam, bleven hoogmoed en gramschap hem een afschuw; met den h. Paulus bracht hij zijn lichaam onder bedwang en, het kruisigende met diens begeerlijkheden, maakte hij daarvan een aan God welbehagelijk offer, zóódat de duivel van onzuiverheid hem wel slaan kan maar niet licht ten val zal brengen; zelfs al worden hem schatten aangeboden en alle voldoeningen voorgespiegeld, als hij zich naar den wil des bekoorders schikt, hij voelt zich sterk in de diep gevestigde overtuiging, dat het voor den Christen verkieselijker is alles te derven dan schade te lijden aan zijne ziel.

Of die wapenrusting hen ook sterk maakt, die vrienden van God! Den schat, met groote inspanning verworven, zyn zij vast besloten — aldus stellen wy het ons voor — ongeschonden te bewaren, en zoo staan zy als helden tegenover machtige vyanden ten stryde toegerust en van het hoofd tot aan de voeten gewapend met het verweermiddel, waarmede de almachtige Liefde van hun Heer en God hen bekleed heeft. Van wijken voor den vijand komt by hen geen spraak; overwinning na overwinning willen zij behalen om een onvergankelijke kroon van heerlijkheid te verdienen. Zij zyn het zich immers volkomen bewust, o^p welken prys de strijd gevoerd wordt. Niets minder staat op het spel dan Gods evenbeeld in zich zoo treffend mogelyk te behouden en Gods vrienden te blijven; voor hen — dit staat by hen vast — zal het kostbaar Bloed van hunnen goddelyken Verlosser niet

ocr page 514

492 EEN EN TWINTIGSTE ZONDAG NA PINKSTEBEN.

te vergeefs vergoten zyn, en gedurende den eindeloozen duur der eeuwigheid wenschen zij met alle Engelen en Heiligen den God van alle Liefde te loven en te aanbidden; zij zijn bezegeld met den H. Geest der belofte en door niets zouden zjj dien waarborg van eene eeuwige erfenis opofferen; hunne lichamen zijn een tempel van den H. Geest geworden, en nimmer zullen zij gedoogen, dat daarin de gruwel der verwoesting binnendringt. De hoogste en blijvende goederen willen zij verdedigen: de geestelijke vrijheid welke Jesus Christus hun heeft verworven door zijne overwinning op den duivel, de liefde welke de H. Geest in hunne harten uitgestort heeft, de leer welke door Jesus verkondigd en door de h. Kerk nader verklaard is, de vriendschap met God en de aanhankelijkheid aan de Kerk en den schat van verdiensten voor den Hemel reeds vergaderd. Wie zou zich dan nog verwonderen, wanneer hij ziet, dat allen, die de eeuwige erfenis des heils willen verdienen, voortdurend onder de wapenen blijven, om aan de aanvallen des vijands te kunnen wederstaan? Zij leggen de wapenrusting niet af, grijpen elke gelegenheid aan om steeds nieuwe lauweren te plukken, rusten nimmer maar staan altijd ten strijde gereed; geen oogenblik zyn zij zorgeloos, al is het moeilijk; onverwachts zal hen de vijand niet kunnen overvallen, want ter linker- en ter rechterzijde zien zy uit en zij vermoeden reeds het gevaar vóórdat het nadert.

Opmerking. Zoo altijd waakzaam zijn en niets verzuimen, wat ter overwinning gevorderd wordt, dat is de plicht van el-ken Christen, zijne grootheid en roem, ook een onderpand ter verheerlijking. Strijden en strijdend overwinnen, zoolang wij leven, daartoe roept de Veldheer ons op. Geweld moet gebezigd worden, want het Rijk der Hemelen wordt niet ingenomen dan door wie geweld gebruiken. Wie gekroond wil worden, moet overwonnen hebben en niemand mag op de overwinning hopen dan na een volgehouden strijd. Een ieder moet aan het einde

ocr page 515

EEN EN TWINTIGSTE ZONDAG NA PINKSTEREN. 493

van zijn leven met den h. Paulus in de blijdschap zijns harten kunnen jubelen: »ik heb den goeden strijd gestredenquot;; dan eerst mag hij de kroon der gerechtigheid verwachten, welke de rechtvaardige Rechter geven zal aan allen, die Hem in de beproeving getrouw zijn gebleven. — Daarom, en dit geldt voor allen — al hebben wij door de schitterendste zegepralen een hoogen trap van volmaaktheid bereikt, niemand mag rusten, maar een ieder moet telken dage opnieuw verzaken aan den duivel en aan de zonde. Ook de gerechtvaardigde niet mag zich ontslagen achten van de verplichting zijn hart te bewaken, de zintuigen te beheerschen, het gevaar te vreezen en elke gelegenheid tot zonde zooveel mogelijk te vermijden, want — waarschuwt de h. Schrift: »wie staat, zie toe dat hij niet valle; die »het gevaar bemint zal er in omkomen.quot; Dit toch dient voor allen een onveranderlijke wet te zijn: hoe listig en sluw, hoe vinnig en volhardend de aanvallen van den vijand ook zijn, op den kwaden dag moeten wij weerstand bieden en zoo staande blijven. — Voelen wij ons zwak en niet in staat om met eigene krachten onafgebroken een hardnekkigen strijd te voeren, en vreezen wij eene nederlaag, altijd beschikken we over een machtig hulpmiddel, waardoor de noodige hulp van boven te verwerven is. »Bidt, dat gij niet in de bekoring valtquot;, heeft de Zaligmaker gezegd en de H. Geest verzekerde, dat niemand boven zijne krachten zoude bekoord worden, maar dat God in de beproeving uitkomst geven en een nederig smeeken om genade niet onverhoord blijven zoude. — Laten wij dan doen, wat in onze macht is en het overige zal God doen. De strijd kan fel worden en lang duren, aan kracht ter volharding zal het ons niet ontbreken, als wij blijven bidden en evenmin zullen wij tevergeefs naar wapenen uitzien, waarmede een schitterend afslaan van den vijand gemakkelijk wordt. De h. Paulus noemt ze op en geeft daardoor zijn wensch te kennen, dat ze door niemand verwaarloosd worden.

II.

Door den vijand onzer zaligheid gevoelige nederlagen toe

ocr page 516

492 EEN EN TWINTIGSTE ZONDAG NA PINKSTEREN.

te vergeefs vergoten zijn, en gedurende den eindeloozen duur der eeuwigheid wenschen zij met alle Engelen en Heiligen den God van alle Liefde te loven en te aanbidden; zij zijn bezegeld met den H. Geest der belofte en door niets zouden zy dien waarborg van eene eeuwige erfenis opofferen; hunne lichamen zijn een tempel van den H. Geest geworden, en nimmer zullen zij gedoogen, dat daarin de gruwel der verwoesting binnendringt. De hoogste en blijvende goederen willen zij verdedigen: de geestelijke vrijheid welke Jesus Christus hun heeft verworven door zijne overwinning op den duivel, de liefde welke de H. Geest in hunne harten uitgestort heeft, de leer welke door Jesus verkondigd en door de h. Kerk nader verklaard is, de vriendschap met God en de aanhankelijkheid aan de Kerk en den schat van verdiensten voor den Hemel reeds vergaderd. Wie zou zich dan nog verwonderen, wanneer hij ziet, dat allen, die de eeuwige erfenis des heils willen verdienen, voortdurend onder de wapenen blijven, om aan de aanvallen des vijands te kunnen wederstaan? Zij leggen de wapenrusting niet af, grijpen elke gelegenheid aan om steeds nieuwe lauweren te plukken, rusten nimmer maar staan altijd ten strijde gereed; geen oogenblik zyn zjj zorgeloos, al is het moeilijk; onverwachts zal hen de vijand niet kunnen overvallen, want ter linker- en ter rechterzijde zien zij uit en zij vermoeden reeds het gevaar vóórdat het nadert.

Opmerking. Zoo altijd waakzaam zijn en niets verzuimen, wat ter overwinning gevorderd wordt, dat is de plicht van el-ken Christen, zijne grootheid en roem, ook een onderpand ter verheerlijking. Strijden en strijdend overwinnen, zoolang wij leven, daartoe roept de Veldheer ons op. Geweld moet gebezigd worden, want het Rijk der Hemelen wordt niet ingenomen dan door wie geweld gebruiken. Wie gekroond wil worden, moet overwonnen hebben en niemand mag op de overwinning hopen dan na een volgehouden strijd. Een ieder moet aan het einde

ocr page 517

EEN EN TWINTIGSTE ZONDAG NA PINKSTEREN. 493

van zijn leven met den h. Paulus in de blijdschap zijns harten kunnen jubelen: »ik heb den goeden strijd gestredenquot;; dan eerst mag hij de kroon der gerechtigheid verwachten, welke de rechtvaardige Rechter geven zal aan allen, die Hem in de beproeving getrouw zijn gebleven. — Daarom, en dit geldt voor allen — al hebben wij door de schitterendste zegepralen een hoogen trap van volmaaktheid bereikt, niemand mag rusten, maar een ieder moet telken dage opnieuw verzaken aan den duivel en aan de zonde. Ook de gerechtvaardigde niet mag zich ontslagen achten van de verplichting zijn hart te bewaken, de zintuigen te beheerschen, het gevaar te vreezen en elke gelegenheid tot zonde zooveel mogelijk te vermijden, want — waarschuwt de h. Schrift: »wie staat, zie toe dat hij niet valle; die »het gevaar bemint zal er in omkomen.quot; Dit toch dient voor allen een onveranderlijke wet te zijn: hoe listig en sluw, hoe vinnig en volhardend de aanvallen van den vijand ook zijn, op den kwaden dag moeten wij weerstand bieden en zoo staande blijven. — Voelen wij ons zwak en niet in staat om met eigene krachten onafgebroken een hardnekkigen strijd te voeren, en vreezen wij eene nederlaag, altijd beschikken we over een machtig hulpmiddel, waardoor de noodige hulp van boven te verwerven is. »Bidt, dat gij niet in de bekoring valtquot;, heeft de Zaligmaker gezegd en de H. Geest verzekerde, dat niemand boven zijne krachten zoude bekoord worden, maar dat God in de beproeving uitkomst geven en een nederig smeeken om genade niet onverhoord blijven zoude. — Laten wij dan doen, wat in onze macht is en het overige zal God doen. De strijd kan fel worden en lang duren, aan kracht ter volharding zal het ons niet ontbreken, als wij blijven bidden en evenmin zullen wij tevergeefs naar wapenen uitzien, waarmede een schitterend afslaan van den vijand gemakkelijk wordt. De h. Paulus noemt ze op en geeft daardoor zijn wensch te kennen, dat ze door niemand verwaarloosd worden.

II.

Door den vijand onzer zaligheid gevoelige nederlagen toe

ocr page 518

494 een en twintigste zondag na pinksteren.

te brengen, moet het ons beloofde land veroverd worden. Wat het moeilijkste was en de pijnlykste inspanning vergde ten einde dat doel bereikt werd, heeft onze onvenvinlijke Aanvoerder op Zich genomen. Doorzijn Verlossingswerk heeft onze Heere Jesus Christus den kop van het helsch serpent verpletterd, diens troon omvergehaald en macht verbroken en eene volledige nederlaag voorbereid. Weinig meer wordt nog van ons gevorderd dan tegenover satan's aanvallen, door God om wijze redenen toegelaten, stand te houden en vast te staan-, dan immers moet hjj wel wijken, en zal de weg open liggen, welke naar onze bestemming leidt. Welke wapenen in dien kryg te hanteeren zijn, leert ons de openbaring. Na met de heiligmakende genade toegerust te zjjn als met eene wapenrusting, als met een pantser, dat van het hoofd tot aan de voeten reikt, moeten wy nog grijpen naar die wapenen, welke ter verdediging dienen en ten aanval. In het onzekere omtrent de te maken keuze verkeeren wij niet. De h. Paulus geeft ze stuk voor stuk aan, terwijl hem daarbij het beeld voor den geest zweefde van een romeinschen krijgsknecht, die te velde trok. Deze was goed gewapend. Op het hoofd droeg hy een helm, in de linkerhand een schild en in de rechter een zwaard; een metalen harnas bedekte borst en rug; een stevige gordel omsloot de lenden, niet alleen om de kleederen op te houden en de beweging des lichaams gemakkelijker te maken maar ook om hem steeds te herinneren aan den eed van getrouwheid, welken hy den opperbevelhebber gezworen had; de voeten staken in schoenen welker zolen met yzeren punten beslagen waren, opdat hy des te vaster op den soms glibberigen grond staan kon.

Zoo gewapend moeten ook wy den stryd aanbinden met den helschen vyand. Vooreerst moeten onze lenden omgord zijn met de waarheid. Die ledematen zyn de zwakste van ons lichaam en zoo de afbeelding van onze geestelyke zwakheid. Gelijk dat gedeelte des lichaams door omwindselen gesteund

ocr page 519

een en twintigste zondag na pinksteren. 495

en door eene nauw sluitende oragording versterkt wordt, zóódat de mensch zich gemakkelijker bewegen en meerdere kracht ontwikkelen kan, eveneens dienen wy in ons onvermogen op geestelijk gebied te voorzien door den gordel der waarheid aan te leggen. Zulk een wapen moet voor ons de herinnering zijn aan de in het Doopsel afgelegde beloften, het bewustzijn dat de deugd te beoefenen en de getrouwheid aan God te bewaren is, vooral, om met den h. Paulus te spreken, de kennis der openbaring en de belijdenis der zuivere leer des Christendoms. Hebben wij ons op die wijze omgord, dan bezitten wij in de waarheid een verdedigingsmiddel tegen eiken vijand, dewyl zy leert, dat alle goederen, vermaken en voldoeningen dezer wereld bedriegelijk en vergankelijk, bijgevolg niet waard zijn, dat een Christen daaraan zijn hart hecht, minder nog dat hy daarom zijne zaligheid in gevaar stelt; dan ook geen heulen met den vijand, die een vader der leugentaal is en bedriegt om ongelukkigen te maken; dan wordt gemakkelijk eene be-geerlykheid onderdrukt, welke niets kan dan vleien maar ware voldoening geenszins schenken kan; dan verheft ook een van nature zwak mensch zich boven de verleiding der bekoringen en wordt door zijn strijden al meer en meer ge-lykvormig aan het volmaaktste voorbeeld, dat hy in Jesus Christus bewondert. Dan ook heeft hij een krachtig wapen in de h. Schriftuur en, welke aanvechting hem bestoke, evenals Jesus in de woestijn, zal hij een of ander woord daaraan ontleenen, waarmede hy den vijand beschaamt en overwint. Wat toch geschreven staat is tot onze onderrichting geschreven. Geene beproeving kan ons overvallen, geen booze begeerte in ons opkomen, geen hartstocht ons ten kwade verlokken, of wij kunnen daar tegenover stellen het alles afdoende woord; „er staat geschreven: den Heer, uwen God, zult gy „aanbidden en Hem alleen dienen.quot;

Het harnas der gerechtigheid moet ons tweede wapen ter verdediging wezen. Een degelijk en stevig pantser buigt

ocr page 520

496 een en twintigste zondag na pinksteeen.

niet onder de slagen of stooten van den aanvaller. Evenzoo de ware gerechtigheid. Zij plooit zich niet naar de eischen der wereld of naar de grillen der menschen. G-ods wil en zijne wet heeft zij voor hare levensregelen gekozen. Wel kunnen lage driften, de macht van het menschelijk opzicht, de aan-geborene zucht naar onderscheiding of de trek naar genietingen haar op een harde proef stellen, maar, zoolang zij aan hare grondbeginselen vasthoudt, zal zij zich sterk toonen en over-winnares blijven ook in den heetsten stryd. Slagen kunnen er vallen ; bedekte hinderlagen mogen gelegd worden ; onverwachts mag zij zich in een moeilijken kamp gewikkeld zien, zij houdt stand en kiest den moeielyken strijd boven een lafhartig wijken. Een rein en zuiver hart verfoeit en bedwingt de eischen eener bedorven natuur en de onzuivere begeerten van het vleesch. Al heeft de gerechte met de zinnelijke voldoeningen te kampen, welke de wereld aan hare volgelingen aanbiedt, zoo hij het harnas der gerechtigheid niet afwerpt, zal hij het Rijk Gods zoeken en liever alles verzaken dan schade te lijden aan zijne ziel. Deze twee voorbeelden uit het dagelijksch leven van den Christen genomen, leeren duidelijk genoeg, dat wie gerechtvaardigd wil blijven ook onder de hevigste bekoringen eene deugd zal beoefenen, welke tegenovergesteld is aan het kwade, waartoe hij verleid wordt.

Onze voeten moeten wij — eischt de h. Paulus — geschoeid hebben, opdat wij tot het Evangelie des veedes beeeid zijn. Het gebruik van schoenen was in de taal der h. Schrift een zinnebeeld der vrijheid, en hem, die als slaaf verdiende behandeld te worden, werd oudtijds het schoeisel ontnomen. Aan de Joden was dan ook geboden, dat zjj met schoenen aan de voeten het Paaschlam moesten eten, toen zij op het punt stonden van de Egyptische slavernij verlost te worden en de reis naar het beloofde land te aanvaarden. Ook wij zijn, na de rechtvaardiging ontvangen te hebben, de vrije kinderen van God geworden en het ware ongepast, zoo wij ons ver-

ocr page 521

een en twintigste zondag na pinksteren. 497

toonden in den vernederden toestand van verachte slaven, terwijl wij door de woestijn des levens optrekken naar de ons voorbestemde woningen in het zalig bewustzijn van onze vrijheid en waardigheid, en met het vooruitzicht op eeuwige goederen. Daarenboven: wat de bedekking der voeten voor den romeinschen soldaat was, moet voor ons de opgewektheid van geest en de bereidwilligheid in den dienst van onzen Heer en God wezen. Evenals hij vast op den grond stond, steeds bereid ten aanval of ter afwering, evenzoo dienen wij, gerechtvaardigd door het geloof, vast te staan op den onwrik-baren grond van het Evangelie des heils immer bereid om, als het noodig is, den strijd te voeren met alle vijanden der waarheid, altijd verlangende door woord of voorbeeld het Evangelie te verkondigen en zoo voor anderen zoowel als voor ons zeiven den waren vrede te verwerven, weiken het Evangelie belooft en de getrouwheid aan Gods wet geeft.

Nog is onze wapenrusting niet voltooid. Vijandelyke aanvallen zullen nimmer uitblijven, en daarom moeten wij van het hoofd tot de voeten gedekt zijn met een schild. En niet elk schild is voldoende ; een schild, dat van hout is of uit teenen gevlochten en met dik leder overtrokken is, kan den krijgsman van Christus niet genoegzaam beschermen. Onze vijanden zijn machtig en hunnebrandende pijlen gevaarlijker dan die waarmede het leven van den Romeinschen soldaat bedreigd werd. Het geloof alleen kan een veilige schutsweer bieden tegen al de dwaalleeringen, welke de duivel door zijne aanhangers aller-wege doet verspreiden. Wie niet onwankelbaar vasthoudt aan de geloofsartikelen door de Kerk gepredikt, wordt weldra door velerlei en vreemde leeringen weggevoerd en zal zijn gehoor afwenden van de waarheid, slechts luisterende naar fabels. Het geloof verwint ook de wereld met hare valsche leerstellingen en den duivel met zijne listen. quot;Wie levendig gelooft, bezit reeds een machtig wapen ter overwinning, niet slechts, omdat de openbaring hem met vrees voor zijne zwakheid doordringt,

Verklaringen der Epistelen. 32

ocr page 522

498 EEN EN TWINTIGSTE ZONDAG NA PINKSTEREN.

maar ook een onbegrensd vertrouwen inboezemt om hulp te zoeken waar zy te vinden is ; hij heeft bovendien in de school van Christus geleerd, welke straffen degenen wachten, die zich door den duivel laten overwinnen, en welke belooning is weggelegd voor allen die overwinnaars blijven, zóódat hij in de overdenking zyner uitersten de kracht put, waardoor hij aan de verleiding tot zonde weerstaan en het moeilijke der deugd als zijn deel verkiezen zal. Of zoude iemand zondigen, als hy zich levendig voorstelt, dat zijn God de oneindige Heiligheid zelve is en vreeselijk in zijnen toorn; als hij denkt aan de verantwoording, welke hij van het gebruik der hem toevertrouwde talenten en gegevene genaden gemaakt heeft ? Door het geloof — leert de h. Paulus — hebben de vromen uit het Oude Verbond de wreedste vervolgingen moedig geleden om aan God niet ontrouw te worden; eenigen werden uitgerekt, anderen ondervonden bespottingen en geeselslagen, of verdroegen boeien en gevangenissen, of werden gesteenigd, doorgezaagd, op de proef gesteld, stierven door het slagzwaard ter dood gebracht (Hebr. I, 35). En zoude ons geloof, zoo het vast en volmaakt als dat der Heiligen onder de Oude Wet was, minder sterk zijn om de vurige pijlen van den booze uit te dooven ?

De onverwinbare macht van een levendig en werkdadig geloof kan nog verhoogd worden door de hoop op een altijddurend geluk. Wij strijden voor eene onverwelkbare kroon van glorie en voor de eeuwige vreugde des Hemels en, zonder overdrijving mag gezegd worden, niets verheft den Christen hooger boven het aardsche en niets brengt hem zijne laatste bestemming meer nabij dan die schoone deugd van hoop; niets ook maakt hem geduchter voor de vijanden zgner zaligheid dan het vertrouwen, dat hem voor eene geringe opoffering eene schitterende vergelding zal gegeven worden; „niets „ter wereldquot; — zegt de h. Ghrysostomus — „kan hem nog aanlokken, die het geluk des Hemels tot voorwerp zyner vurig-

ocr page 523

een en twintigste zondag na pinksteren. 499

„ste begeerten maaktzulk een Christen is machtig in het vooruitzicht, dat hy eens God en in G-od al het denkbare goed zal bezitten; hij voelt zich gelukkig, omdat hij nu reeds, al is het nog van uit de verte, zijn hemelsch vaderland begroeten mag; hem kost het geene moeite, al moet hij aan wereldsche vermaken en aan genietingen van dezen tijd verzaken, want hij vertrouwt, dat zijn offer beloond zal worden door een eeuwig gewicht van glorie, waarmede niets ter wereld kan vergeleken worden. Geen der stervelingen heeft dit beter begrepen en dieper gevoeld dan de h. Paulus. Daarom wilde hij ook, dat allen den helm des heils zouden nemen, dat is, zooals hij aan de geloovigen van Thessalonika schreef: de hoop der zaligheid. (Thess. V; 8).

Nog een wapen is ons noodig. Niet alleen dienen wij van alle zijden tegen de aanslagen des vijands beschermd te zijn, wij moeten ook aanvallen en geduchte slagen kunnen toebrengen. Een scherp en tweesnijdend zwaard, het zwaard des geestes, dat het woord Gods is, moet de krijgsknecht van Jesus Christus met kracht hanteeren, opdat hij den duivel op de vlucht jage. De bekoorder wil ons verleiden tot werken, welke de h. Joannes samenvat onder de benaming van begeerlijkheid der oogen en des vleesches en hoovaardij des levens. quot;Wie het zwaard des geestes met vaardigheid gebruikt zal den verleider op diens listige woorden met beslistheid antwoorden, dat met de schijngoederen der wereld de Hemel niet te koopen en de schade aan de ziel geleden niet te herstellen is; dat wie in het vleesch zaait ook van het vleesch het bederf zal maaien; dat hoovaardij gehaat is bij God en de vruchtbare moeder is van vele zonden; hij zal den duivel gemakkelijk overwinnen door zich te herinneren, dat wie hetgeen dezer wereld is aan Jesus opoffert en om Hem verzaakt, daarvoor eene rijke vergelding vinden zal in het bezit van het eeuwig leven; dat de kuische zielen God zien en tot den bruiloftsmaaltyd des Lams geroepen zullen worden; dat den

ocr page 524

500 EEN EN TWINTIGSTE ZONDAG NA PINKSTEREN.

nederige van harte eer en glorie wachten in den Hemel.

Opmerking. Met de besprokene wapenen uitgerust kan elke Christen den sterksten vijand verslaan. Wij hebben het bewezen en niets behoeven wij aan het gezegde toe te voegen. Men bedenke echter, dat al de wapenen door den h. Paulus opgenoemd geestelijke wapenen zijn, welke niet op aarde gesmeed maar van den Hemel moeten afgebeden worden. God alleen geeft ze met de kracht en met de wijsheid om ze goed te gebruiken ; van Hem moeten ze dus gevraagd worden en wel volhardend, omdat geen dag in ons leven verloopt, waarop wij ze niet noodig hebben. Elk oogenblik schier waagt de duivel eene nieuwe poging om ons ten val te brengen; elke levens omstandigheid brengt steeds nieuwe gevaren mede; onze zwakheid stelt ons gestadig aan schandelijke nederlagen bloot. Daarom: wie verzuimt de wapenen des heils af te smeeken tegelijk met de noodige vastberadenheid in het gebruik, hij moge nog staan, maar is zijn val nabij. Bidt en waakt — waarschuwt de Zaligmaker en wie aan dien raad der hoogste Wijsheid gehoor geeft, zal evenals de h. Paulus den goeden strijd strijden en met hem de kroon der eeuwige vergelding ontvangen.

ocr page 525

TWEE EN TWINTIGSTE ZONDAG NA PINKSTEREN.

Broeders ! Wij vertrouwen op den Heer Jesus, dat Hij, die het goede werk in u begonnen heeft, het voleindigen zal tot op den dag van Christus Jesus; gelijk het billijk is, dat ik dit gevoelen heb ten aanzien van u allen, omdat ik u in mijn hart draag en overtuigd ben, dat èn in mijne gevangenschap èn in mijne verdediging en bevestiging des Evangelies, gij allen deel hebt in mijne vreugde. God toch is mijn getuige, hoezeer ik u allen liefheb met de teedere Liefde van Jesus Christus. En dit bid ik, dat uwe liefde meer en meer overvloedig moge worden in kennis en in alle oordeel, om te toetsen wat het beste is, om rein en zonder aanstoot te zijn tegen den dag van Christus, vervuld zijnde met de vrucht der gerechtigheid door Jesus Christus tot eer en lof van God. (Philipp. I, 6—12.)

Inleiding. De stad Philippi was eene der voornaamste hoofdplaatsen van Macedonië, toenmaals een Romeinsch wingewest. Met de grootste vrucht had de h. Paulus aldaar het Evangelie gepredikt. Eenige Joden en vele Heidenen bekeerden zich tot

ocr page 526

502 TWEE EN TWINTIGSTE ZONDAG NA PINKSTEKEN.

het Christendom. Deze nieuwelingen des geloofs bleven niet alleen standvastig in de belijdenis der waarheid maar brachten ook anderen door hunnen stichtenden levenswandel en hunne opwekkende woorden tot de kennis van den Heer Jesus Christus. Onder allen, die door den Apostel der Heidenen onderwezen en in den schaapsstal des Verlossers binnengeleid waren, muntten de Philippiërs uit door waren geloofsijver, door vurige liefde tot God en den naaste, niet het minst door hartelijke toegenegenheid voor hunnen geestelijken Vader. Vele en ook stoffelijke blijken gaven zij van kinderlijke liefde en dankbaarheid, zóódat zij verdienden door den Apostel zijne kroon, zijne vreugde, zijn roem voor God genoemd te worden. De brief door hem uit de gevangenis te Rome tot hen gericht vergunt ons een blik te slaan in het hart van den wereld-Apostel en verklaart ons, hoe innig hij hen lief had en hoe groote genaden hij voor hen van den Gever aller gaven afbad. Er bestond alzoo tus-schen de leerlingen en den leermeester eene onderlinge wisseling van de meest christelijke gevoelens, een wederzijdsch weldoen, door de liefde ingegeven en op volmaakte wijze betoond. — Wij moeten alzoo bewonderen in de Philippiërs een treffend voorbeeld van hartelijke dankbaarheid voor de ont-vangene weldaden, ook van warme toewijding aan die hoogere belangen, waarvoor hun geestelijke leidsman werkte en leed; en in den h. Paulus: een leerzaam voorbeeld, hoe de Kerk Gods kudde weidt, het opzicht over haar houdt met een offervaardige belangstelling en zóó hare bediening uitoefent, dat zij niets anders beoogt dan het geestelijk welzijn harer onder-hoorigen, hun voortgang in de deugd en hun eeuwig geluk. Met deze vermelding mogen wij ons evenwel niet vergenoegen: om al het mogelijke voordeel te trekken uit die voorbeelden, waarop ons gewezen werd, dienen wij onzen gezichtskring te verruin: en en, al is het in beknopten vorm, op deze vragen het antwoord te geven:

I wat moeten wij zijn voor onze Moeder de h. Kerk en,

II wat mogen wij wederkeerig van hare zorgzame liefde verwachten ?

ocr page 527

twee en twintigste zondag na pinksteren. 503

I.

Het moet een bij uitstek deugdzame gemeente geweest zijn die van Philippi; die geloovigen moeten uitgemunt en onder elkander gewedijverd hebben in echten godsdienstzin, in een levendig geloof, in het beoefenen der geestelijke en lichame-lijke werken van barmhartigheid, Hoe ware het anders te verklaren, dat de h. Paulus, wien wij uit zijne brieven als een strengen zedenmeester, als een onverbiddelijken bestraffer van wat slecht was, als een ij veraar voor Jesus' wet, als een verachter van wat naar menschelyk opzicht zweemt leeren kennen, dat hij den uitbundigsten lof toezwaaide aan de bekeerlingen, dat hij hen in zijn hart droeg en God tot getuige durfde nemen, hoezeer hij hen allen liep had met

de teedere liefde van jesus christus zelven. Den men-

schen te behagen was hem altijd vreemd gebleven; vleien kende hij niet, prijzen wie niet prijzenswaardig waren, zoude hij voor eene laagheid gehouden hebben; God tot getuige nemen van hetgeen hij schreef, verafschuwde hij gewis als eene groote misdaad, bijaldien zijne woorden niet met de volle waarheid overeenkwamen. Daarom rijst de vraag: waarin hadden die bekeerlingen zich zoo lofwaardig getoond?

De h. Paulus had de roepstem des Heeren vernomen, toen hem in het midden van den nacht, terwijl hij sliep, een man verscheen, die zich door kleederdracht en spraak als Macedoniër deed kennen, zijne hand naar den Apostel uitstrekte en smeekende tot hem zeide : „Kom over naar Macedonië en help „ons.quot; Dit was genoeg voor den ijverigen, naar de zaligheid van allen dorstenden leerling des Heeren, om den weg te zien,dien hy had in te slaan, en om het licht der waarheid te brengen aan de onwetenden en redding aan die in zedelijke ellende verzonken waren. Hij ging op reis en kwam weldra te Philippi, waar een rijke oogst hem wachtte. Velen namen het geloof aan,

ocr page 528

504 TWEE EN TWINTIGSTE ZONDAG NA PINKSTEREN.

en het huis der eerste bekeerlinge met name Lydia werd de verzamelplaats der Christenen. En, al moest hij met zijn reisgezel Silas na een oponthoud van slechts drie of vier weken de stad verlaten, het getal der broeders en zusters was zóó toegenomen, dat hij het noodig achtte zijne beide leerlingen, de h.h. Lukas en Timotheüs, met het toezicht over die nieuwe gemeente te belasten. Wel een sprekend bewijs, met hoeveel ijver de Philippiërs naar het woord der waarheid geluisterd, hoe zy gehoorzaam aan de genade de leer van den Heer Jesus omhelsd hadden. Dat de aan hen verkondigde waarheid een offer eischte van onderwerping des geestes en de gepredikte zedenwet een teugel aanlegde aan hunne driften en hartstochten, dat zij van denkwijze en gezindheid volkomen veranderd en geheel andere menschen worden moesten dan zij vroeger waren, dat zij dat haten moesten waaraan zij vroeger verslaafd waren en te beoefenen hadden wat voor een weinig tijds hun onmogelijk toescheen, die moeilijkheden zullen zij gewis ondervonden hebben. Maar door geene dier redenen lieten zy zich weerhouden om den waren weg des heils op te gaan. God had hunne ooren en hun hart geopend, zóódat zij het Evangelie niet slechts gehoord maar ook geloovig aangenomen hadden. Het licht der waarheid was voor hunnen geest opgegaan en, wat het hun ook kostte, voortaan wilden zij niet meer wandelen in de duisternis van dwaling en onzedelijkheid ; de genade had hen van Heidenen tot Christenen gemaakt en alles vergetende wat achter hen lag, dongen zij in de kracht van Jesus' genade naar de kroon der eeuwige vergelding.

Welk een voorbeeld voor ons allen, die in Jesus'Kerk zijn ingelijfd ! Het geloof, ingestort bij het Doopsel en bij onze eerste H. Communie plechtig beleden, moet vast, offervaardig en werkdadig wezen; wij volstaan niet met de belijdenis van den mond maar werken moeten getuigen, dat de waarheid in ons leeft. De Phillippiërs geloofden niet alleen in Jesus

ocr page 529

TWEE EN TWINTIGSTE ZONDAG NA PINKSTEKEN. 505

Christus, zij leden ook voor Hem, wandelden op eene wyze het Evangelie waardig en, met den H. Geest bezegeld, stonden zij vast in hunne overtuiging, al moesten zij banden van bloedverwantschap en vriendschap verbreken, smaad en verguizing ondergaan van wie hen op den waren weg niet volgden, vervolging lijden van de vyanden van Jesus' kruis. Zij streden volhardend tegen vleesch en bloed en niets kon hen scheiden van de liefde tot Christus, Wien zij als hun Verlosser en Zaligmaker aanbaden. Veronderstelt voor een oogenblik, dat alle Katholieken even onwankelbaar in hunne geloofsovertuiging waren en pal stonden waar het de verdediging der waarheid, de eer Gods en de zaligheid hunner ziel geldt, zoa er dan zooveel lauwheid en lafheid, zoo groote vrees voor het menschelijk opzicht, eene zoo vernederende onverschilligheid in het godsdienstig leven, zoo veroordeelenswaardige vergetelheid der heiligste plichten te betreuren zijn ? Integendeel: het geloof ware voor hen een licht, dat hun den eenig waren weg aanwees en de kracht gaf om dien ten einde toe af te loopen ten spijt van alle vijanden. Geen offer ware hun te zwaar, geene inspanning te moeilijk. Jesus ging bij hen voor alles, en liever zouden zij alles verliezen dan te kort te schieten in hetgeen zij hunnen Verlosser verschuldigd zijn. Zij weerden het kwaad, onder welken vorm het zich vertoont; zij spraken ter verdediging van hun geloof, waar het spreken plichtmatig is ; zij waren een levend voorbeeld tot stichting van zwakken en ter onderrichting van onwetenden. Den Standaard van Christus, onder Wiens leiding te strijden en te lyden eene eer is, hielden zij met beide handen omhoog en hunne leus zoude wezen : „liever te sterven dan aan dat vaandel ontrouw „te worden.quot; Zoo gingen zij voort op het pad der deugd ter verheerlijking van God, ter volmakingvan hun godsdienstig leven, ter opwekking van den naaste. Zij werden lichtbaken, waarnaar anderen hunnen koers naar de eeuwigheid richten konden, stille maar welsprekende raadgevers voor wie op den zoo

ocr page 530

506 twee en twintigste zondag na pinksteren.

moeilijken levensweg tobben; zei ven IJveraars in het goede, sleepten zij wie weet hoe velen mede en voerden hen tot Christus, in Wien het Leven en de Verrijzenis te vinden zijn. Met zoet geweld, als met de hand brachten zij misschien eenigen naar den Opperherder der zielen, in quot;Wiens schaapsstal rust en vrede en veiligheid allen wachten, die het woord willen hooren: „komt „tot Mij, die belast en beladen zijt, en Ik zal u verkwikken.quot; Zy werden voor anderen de wegwijzers naar den Hemel, waar eene vreugde heerscht, welke niet meer zal ontnomen worden.

Hiermede hebben wij den overgang gemaakt tot het bespreken van een tweede voorbeeld, dat die geloovigen ons ter navolging gegeven hebben. Hun geloof toonde zich dooide liefde en wel onder tweeërlei opzicht: door geestelijke en door lichamelijke werken van barmhartigheid. Voor zooveel zij konden, hielpen zij den h. Paulus in het verbreiden van het Christendom, niet slechtsdoor invloed op hunne onmiddellijke omgeving uit te oefenen maar zelfs door hun ijver uitte strekken tot hun onbekende volken. Met onduidelijk geeft de Apostel dit te kennen, als hij verzekert dat zij allen deel hebben in zijne vreugde, of, zooals anderen willen, in zijne genade, in de genade van te mogen werken, strijden en lijden ter bevestiging der waarheid van het Evangelie. Hij voor zich kende geen ander genot, geen hoogere voldoening dan wanneer Christus gepredikt werd en de waarheid ingang vond; zijn hart sprong op van blijdschap, al kostte het winnen van zielen hem vele beproevingen; hij verheugde zich, wanneer in den Naam van Jesus zich vele knieën bogen en het verstand van een groote menigte zich gevangen gaf aan de openbaringen van God. Wij weten ook uit de geschiedenis, dat de oogst door den Apostel onder de Joden en Heidenen verkregen buitengewoon rijk was, dat hem op alle plaatsen, waar hij het woord Gods verkondigde, eene groote deur openstond en een aanzienlijk

ocr page 531

twee en twintigste zondag na pinksteren. 507

getal van mannen en vrouwen door die poort in den schaapsstal van Jesus binnenging. Welk nu was het deel, dat de geloovigen van Phüippi hadden in die gezegende werkzaamheid van den h. Paulus? Voor een gedeelte hebben wij die vraag reeds beantwoord, toen wij boven vermelden, dat zij onder velerlei beproevingen door hun deugdzamen levenswandel en door een stichtend en leerryk woord zegenryk inwerkten op allen, die hen zagen en hen moesten bewonderen om hunnen geloofsijver. Eerst zei ven leerlingen, werden zij leermeesters en vormden leerlingen, die ook op hunne beurt wederom anderen wonnen voor de waarheid. Zoo werkten zij met den h. Paulus mede ter verdediging en bevestiging van het Evangelie. Wat zij onder dat opzicht vermochten, verzuimden zij niet. Dat zij vurig en volhardend zullen gebeden hebben, opdat voor de waarheid, hun zoo dierbaar geworden, door zeer velen geest en hart werden opengezet, is boven allen twy fel verheven. Doch zij deden nog meer. Nooit schaamden zij zich over het geloof, dat zij hadden aangenomen, en waren daarom voor hunnen geestelijken Vader een zoete troost in al zijne verdrukkingen; in hun ijver leden ook zij voor de leer des kruises en bemoedigden door hunne liefde en hunnen eerbied den Apostel, om onverschrokken Christus te bly ven prediken. Zelfs door geldelijke bijdragen hielpen zij aan de uitbreiding van Jesus' Rijk op aarde. Zeiven vrijgevig en door hun voorbeeld anderen tot een heiligen wedijver aansporende, voorzagen zij hem in zijnen nood met liefde-gaven en stelden hem aldus in staat zijne medehelpers in het dienstwerk te ondersteunen, zóódat hij en zij van alle tijdelijke zorgen vrij, naar de hun gewordene roeping, konden arbeiden aan den opbouw van Christus' lichaam en door aan noodlijdenden wel te doen een goeden dunk vermochten te verwekken van de nieuwe prediking.

Wij kunnen begrijpen, dat deh. Paulus met eene bijzondere voorliefde aan zijne Philippiërs dacht en gaarne al zijne be-

ocr page 532

508 TWEE EN TWINTIGSTE ZONDAG NA PINKSTEREN.

keerlingen denzelfden weg zag bewandelen. Wat ons betreft, spiegelen wij ons aan hun voorbeeld en trachten wij op hen te gelijken. Eene ernstig gemeende poging zal ons al zeer ver kunnen brengen. Het is toch met Gods genade niet moei-lyk om de vurigste wenschen te koesteren en hartelijk te bidden voor het geestelijk welzijn van onze evennaasten, niet te moeilijk om ons in te spannen, dat ook anderen zich aangespoord gevoelen om in den dienst der waarheid te treden. Gelijk als voor de geloovigen van Philippi ligt voor ons een zeer ruim arbeidsveld open, waarop wij onze krachten in 't werk kunnen stellen. Waarschijnlijk zijn er in onze onmiddellijke omgeving velen, welke wij door voorbeelden kunnen stichten en opwekken, door woorden en raadgeving of door vermaning en berisping kunnen onderrichten en hetzij tot inkeer brengen hetzij minstens helpen om op den goeden weg verder voort te gaan. Een goed en ijverig Christen vindt altijd gelegenheid om. voor anderen nuttig te zijn. Hoeveel goed kan een plichtgetrouwe huisvader doen voor zijne echtgenoote en kinderen, hij die in overheid geplaatst is voor zijne onderhoorigen, zelfs een ondergeschikte te midden van zijne kameraden! Aan niemand is de mogelijkheid ontnomen om in zijnen kring werkzaam te zijn ter verheerlijking van God en tot de zaligheid des naasten. De omstandigheden waren voor de Philippiërs niet gunstiger dan voor ons en desniettemin werden zij apostelen in hunne stad, heidenen tot de kennis der waarheid brengende. Wat zij konden, gaat onze krachten niet te boven. Een woord van stichting of van leering, met groote vrijmoedigheid en wijsheid gesproken, kan reeds goede vruchten voortbrengen, vooral wanneer het nog strenger aangedrongen wordt door een levensgedrag, dat in volmaakte overeenstemming is met het voorgehoudene. — Nog om eene andere deugd zijn de Philippiërs navolgingswaardig. Zoodra de h. Paulus hunne stad verlaten had, volgden zij hem in den geest met hunne heilwenschen en gebeden en tegelijk zonden zy door denver-

ocr page 533

TWEE EN TWINTIGSTE ZONDAG NA PINKSTEREN. 509

trouwden Epaphroditus hem hunne offergaven toe. De liefde hem toegedragen, de hem verschuldigde dankbaarheid, de zekerheid dat hij om wille van het Evangelie leed en in nood verkeerde, ook het verlangen om eenigermate deel te verkrijgen in de verdiensten, welke hij zich door zijn apostolischen arbeid verwierf, zij spoorden hen aan tot weldoen en lieten hun geene rust, vóórdat zy van den Apostel zei ven vernomen hadden, dat hy hen als zijne mede-arbeiders beschouwde en verkwikking zoowel als troost gevonden had in hunne toegenegenheid en hulpvaardigheid. Hoeveel valt er ook voor ons onder dit opzicht niet te doen ! Denken we slechts aan de geloofsverkondigers, die in verre en heidensche landen het licht der waarheid trachten te ontsteken en de beschaving der christelijke zedenleer te brengen. Zeer veel kunnen wij hen in dien moeilijken arbeid ondersteunen door onze gebeden, opdat God hun het noodige geduld, den moed en de volharding, de wijsheid, voorzichtigheid en het kalme beraad schenke, welke hun zoo hoogst noodig zyn, om niet te vergeefs te arbeiden. En dan, wien is het onbekend, dat voor de verbreiding en vestiging van het Christendom ook stoffelijke middelen gevorderd worden. Zelfs de yverigste missionaris bouwt geen kerken, scholen noch weeshuizen met ledige handen. Hunne beden om aalmoezen zyn derhalve gewettigd en dienden een open oor en een milddadig hart te vinden by allen, die door God met tijdelijke goederen gezegend z^jn. Zelfs wie minder bedeeld zijn kunnen nog een penning in de offerbus werpen; de geringheid hunner gaven mag hen niet terughouden, om eene kleine bijdrage te geven, waar de nood zoo groot is en de middelen geheel ontbreken. God ziet niet zoo zeer op de waarde der gift als op de goede meening, welke tot weldoen aanspoorde. En indien allen de handen ineensloegen, al zeer spoedig ware een aanzienlijke som bijeengegaard.

Opmerking. Elke andere toepassing achten wij overbodig.

ocr page 534

510 twee en twintigste zondag na pinksteren.

Het overwegen van de aangestipte punten zal bij ervaring de overtuiging vestigen, dat de weldoende Katholiek, die Gods zaak als de zijne beschouwt, onnoemelijk veel goed onder velerlei opzicht verrichten kan. En hoogst welgevallig in de oogen van God is het zeker, zoo iemand het lijden en strijden van de dienaren der Kerk met belangstelling gadeslaat, er toe medewerkende de vijanden van Jesus' Kruis te overwinnen en onsterfelijke zielen voor den eeuwigen ondergang te behoeden. De belooning aan die edelmoedige harten verzekerd, leeren wij kennen uit hetgeen de h. Paulus voor zijne beminde Philippiërs afbad en zonder twijfel ook verkregen heeft. Wij beschouwen hem hier als den vertegenwoordiger van die liefdevolle moeder welke, in navolging van den hemelschen Vader, hare ijverige kinderen, ook om het minste wat zij in haren dienst doen, vergeldt door genaden op genaden over hen uit te storten, biddende voor hunnen voortgang in het goede, hen verrijkende met de eenig ware wijsheid, met die des heils. Daarom worde nog deze vraag voorgelegd: wat deed de Apostel voor zijne innig geliefde bekeerlingen ? Het antwoord lost deze tweede vraag op: wat mogen zij van de Kerk verwachten, die in haren geest werkzaam zijn voor het geestelijk welzijn van hunnen evenmensch?

II.

Het was voor den godsdienstlgen ijver der Christenen van Philippi eene heerlijke belooning, toen zij uit den brief van den h. Paulus moQhten vernemen, dat hij immer aan hen dacht, God dankte voor de genaden hun geschonken en niet ophield steeds nieuwe gunsten van den Hemel voor hen af te smeeken. Hoe getroost in hun lijden, hoe bemoedigd om in de beproeving te volharden zullen zij zich gevoeld hebben, toen de priesters hunner gemeente de woorden voorlazen, waarin de Apostel niet slechts geheel zijn hart uitstortte en hen bezwoer te gelooven, dat hij hen liefhad als de besten van zijne talrijke kudde, maar ook zijn vertrouwen uitsprak, dat Hij, die het

goede werk in hen begonnen had, het zoude voleindigen tot op den dag van christus jesus !

ocr page 535

TWEE EN TWINTIGSTE ZONDAG NA PINKSTEREN. 511

Konden zij meer verlangen dan die heerlijke getuigenis omtrent hun gedrag als Christenen en dan die geruststelling voor de toekomst? En zoo schreef hun geestelijke vader,die hen in de eerste beginselen der waarheid had onderwezen, die hen van nabij kende, die hun werken en lijden bewonderde ! Hij aarzelde niet als zijn gevestigd gevoelen te uiten, dat zij, die geloovig geworden waren en tot dus verre met grooten ijver beantwoord hadden aan Gods genaden, ook ten einde toe zouden blijven, wat zij na hunne bekeering werden; dat de goede God, aan Wiens Barmhartigheid zij den aanvang en den voortgang in het werk hunner zaligheid te danken hadden, hun ook de genade der volharding zoude verleenen.

Hoe gelukkig zouden wij ons gevoelen, wanneer eene stem van evenveel gezag als die van den h. Paulus was, met gegronde redenen de hoop uitsprak, dat wij van den goeden weg niet afwijken maar daarop zullen voortgaan tot op den laatsten stond van ons le ven! quot;VVenschen wij dit inderdaad, dan moetook ons gedrag gelijkvormig zijn aan dat der Philippiërs, dan moeten ook wij door een prijzenswaardigen levenswandel de Kerk van Jesus verblijden, door liefde-bewijzen en door kinderlijke gehoorzaamheid haar vereeren, door gebeden en geldelijke bijdragen haar in hare werkzaamheid ondersteunen, met en voor haar lijden, strijden en werken. Onder die voorwaarden zullen wij de verblijdende stem mogen vernemen van een geweten, dat in stede van te beschuldigen den verdienden lof geeft voor hetgeen goed gedaan is; dan zal de Kerk, evenals de h. Paulus zijne beminde leerlingen, ons hare vreugde en hare kroon kunnen noemen en wij zullen de getuigenis van den H. Geest in ons binnenste vernemen, dat wij kinderen Gods zijn. Men versta ons echter goed. De liefde door de bekeerlingen van Philippi aan den h. Paulus betoond, hun echt godsdienstig leven, hun ijver voor de uitbreiding van het Evangelie waren voor hem genoegzame redenen om te verwachten, dat zij den eens ingeslagen goeden weg niet meer

ocr page 536

512 twee en twintigste zondag na pinksteeen.

zouden verlaten, maar volstrekte zekerheid daaromtrent kon ook hij niet geven. Ieder mensch, zelfs de volmaaktste, kan vallen en zoo aan zijne ziel eene schade lijden, welke in de eeuwigheid niet te herstellen is. Daarom bad de h. Paulus, dat de liefde zyner beminden meer en meer overvloedig mocht woeden in

kennis en oordeel, om te toetsen wat het beste was, om rein en zonder aanstoot te zijn tegen den dag van christus, vervuld zijnde met de vrucht der gerechtigheid door jesus

Christus tot eer en lof van god. Meerdere genaden behoefden de Philippiërs niet om eens met Christus ten Hemel te varen. quot;Werden die hun gegeven en door hen ten einde toe gebruikt, dan zeker hadden zij voor hunne zaligheid niet te vreezen. — Eene beknopte verklaring der woorden van den Apostel zal ons van het eene en het andere overtuigen en tevens aansporen om te trachten, dat ook wij die genaden waardig worden.

De h. Paulus bad voor zijne leerlingen geene tijdelijke goederen af, maar wat veel gewichtiger, wat veel noodzakelijker was; hunne aardsche belangen gingen hem minder ter harte dan hunne geestelijke behoeften. Hij bad, dat hunne liefde tot God nog volmaakter mocht worden, mocht toenemen in vurigheid en werkdadigheid; dat zij al meer en meer, metterdaad en in waarheid mochten beminnen. Wetende echter dat het geloof in de goddelijke waarheden en een duidelijk begrip van den godsdienst en van de wet het vuur der ware liefde aanwakkeren en hooger doen opvlammen, vroeg hy voor hen ook eene overvloedige kennis en alle oordeel, de christelijke wetenschap en de gave der onderscheiding tusschen goed en kwaad, met de gezindheid om elk gevoel en elke neiging zóó door de liefde te beheerschen, dat zij den trap van christelijke volmaaktheid konden bereiken. Zijne eigene ervaring dwong hem die genaden voor zijne beminden af te bidden. Eerst toen hij Jesus had leeren kennen en de hoogere volmaaktheid der Nieuwe boven de Oude Wet, kon hij getuigen, dat de

ocr page 537

TWEE EN TWINTIGSTE ZONDAG NA PINKSTEREN.

liefde hém drong alles voor allen te zijn, dat niets hem zoude kunnen scheiden van de'liefde, waarmede Jesus hem had liefgehad en welke hij op zjjne beurt aan Jesua moest bewijzen. Hij was alzoo diep doordrongen van de overtuiging, dat die wetenschap des heils voor zjjne beminden noodzakelijk was en voor hen dezelfde voordeelen zoude opleveren, welke hij zelf daardoor had verkregen. Daarom had hij die gaven des Hemels voor de Philippiërs afgesmeekt en, wie twijfelt er aan, zij zijn hun niet alleen geworden maar leidden hen ook verder op den weg der volmaaktheid. Zij werden al meer en meer van het aardsche afgetrokken en zonnen op wat boven is; door den H. Geest der waarheid bestierd, werden zij voor het hemelsche ontvankelijk en blaakten van een heilige geestdrift voor alles, wat Gods eer en het welzijn des naasten bevorderde. Naarmate zij met het noodige licht van boven in de geheimen der goddelijke waarheid doordrongen en de zin der h.b. Schriften hun duidelijker werd, was ook het hart in hen brandend. De beminnenswaardigheid van God, de alles overtreffende schoonheid der beledene waarheden, de hooge zedelijke volmaaktheid in Jesus' leer en voorbeeld verkondigd, de waarde van het echt christelijk leven — dat alles spoorde tot navolging aan en stemde hen tot dankbaarheid aan God, die Zich aan hen geopenbaard had en voerde hunne liefde tot een hoogen graad op jegens Hem, die hen in zijne Goedertierenheid bezocht had. — Dezelfde genaden, welke de h. Paulus voor zijne bekeerlingen van den hemelschen Vader vroeg, bidt ook de Kerk af, zeker voor al hare kinderen en zelfs voor alle menschen maar, en niemand die het wraken kan — in 't bijzonder en met grooten nadruk, evenals de h. Paulus voor zijne Philippiërs, voor degenen, die zich in haren dienst onderscheiden. Dat is de belooning der deugd. Wie der Moeder het vurigst en volmaaktst dient, mag op hare voorliefde aanspraak maken; wie zich beijvert om op de best mogelijke wijze aan hare vermaningen gehoor te geven en

Verklaringen der Epistelen. II. 33

513

ocr page 538

5] 4 twee en twintigste zondag na pinksteren.

naar haren geest zijn levenswandel in te richten, zal naar diezelfde mate deel verkrijgen in de vruchten harer gebeden. In navolging van den h. Paulus draagt zij hem in haar hart, en hem liefhebbende met de teedere Liefde van Jesus Christus, verwerft z\j voor hem vooral de heerlijkste voordeelen. Wie evenals de Philippiërs in een levend geloof volharden, zullen geholpen worden door de gebeden der Kerk, en zoo Jesus en den Vader, die Hem gezonden heeft, beter leeren kennen, een diep inzicht verkrijgen in den heiligen wil en de wyze plannen van Gods Voorzienigheid, de waarheid der goddelijke leer beter begrijpen en de heiligheid zijner wet hooger schatten, voor de zekerheid zijner beloften zich dankbaar toonen en by gevolg des te heiliger leven en volmaakter worden.

De h. Paulus vervolgde met het doel aan te geven door hem met zijne smeekbede beoogd. Niets minder wenschte hij dan dat de Philippiërs altijd mochten toetsen wat op zedelijk gebied het beste was, dat zu tegen den dag van Christus van alle smet van grove zonden, zonder aanstoot, zonder ergernis mochten zijn en vervuld met de vrucht der gerechtigheid, rijk aan goede werken, door Jesus Christus, zonder quot;Wien zij tot niets maar met Wien zij tot alles in staat waren. — Met dezelfde bedoeling heft ook de Kerk de handen ten Hemel biddend voor allen, in 't bijzonder voor hare kinderen. Dezen betoonen zich ijverig in het goede, doen wel aan hunne natuurgenooten en op de eerste plaats aan de huisgenooten des geloofs, houden niet op werkzaam te zijn ter verdediging en uitbreiding van de christelijke waarheid — en hun loon is reeds groot op aarde. Over hen waakt en voor hen bidt de h.Kerk, en meer dan zij bevroeden zorgt de Moeder, die Jesus' Liefde en die der Apostelen heeft geërfd, voor hunne geestelijke belangen, bepleit hunne zaak by God en vraagt voor hen alle genaden af, opdat zy in het oordeel kunnen bestaan en opgenomen worden onder het getal der Uitverkorenen, die gedurende alle eeuwen den lof van God zingen in den Hemel.

ocr page 539

TWEE EN TWINTIGSTE ZONDAG NA PINKSTEREN.

515

Opmerking. In bovenstaande bladzijden hebben wij meerdere malen de Kerk van Jesus eene liefhebbende en zorgvuldige Moeder genoemd. En terecht draagt zij dien eerenaam. Kon de h. Paulus aan de Galatiërs schrijven, dat hij onder vele zorgen en onder langdurig lijden hun het geestelijk leven had medegedeeld, hetzelfde mag de Kerk van zich zelve getuigen. In haren schoot zijn wij herboren uit water en den H. Geest; zij heeft ons opgevoed, onderwezen, tot het goede opgeleid, in de beproevingen bemoedigd; zij gaf de kennis der waarheid en deelde het wonderbare brood des levens uit om ons te sterken op den weg des Hemels. Die kinderen zal zij nimmer vergeten, nimmer zal zij ophouden hen te beminnen. Maar is hare toegenegenheid even groot voor allen ? De woorden door de Kerk aar de allerheiligste Maagd in den mond gelegd: ik bemin, die mij beminnen, passen ook op haar. Kan zij zooveel voelen voor wie haar miskennen, verachten of vijandig gezind zijn als voor die anderen, welke haar beminnen, vereeren en dienen ? En wie mag het misbillijken, dat zij voorliefde koestert voor de getrouwe zielen, welke haar aanhangen, naar haren geest werkzaam zijn, zich naar hare wenschen schikken ? Onder de leerlingen beminde Jesus den h. Joannes het meest; Paulus droeg de Philippiërs vooral in zijn hart en wilde, dat aan de huisgenooten des ge-loofs meer dan aan anderen wel gedaan werd. Wij besluiten daaruit, dat het ijverigste lidmaat der Kerk ook het grootste deel zal hebben in hare liefde, gebeden en weldaden, dat hij het meeste zal ontvangen, die het meeste geeft, dat hij de rijkste vruchten zal inoogsten, die niet karig is in het zaaien. Dit moet ons aansporen, opdat wij naar best vermogen en een elk in zijnen staat ons wijden aan de belangen der Kerk, welke die van God zijn; dat wij voor de Kerk trachten te wezen, wat de Philippiërs voor den h. Paulus waren. Dan zal de Kerk voor ons zijn, wat de Apostel voor zijne beminde bekeerlingen was: een machtige voorspreekster bij God.

ocr page 540

DRIE EN TWINTIGSTE ZONDAG NA PINKSTEREN.

Broeders! Weest mijne navolgers en let op diegenen, welke zóó wandelen als gij ons tot een voorbeeld hebt. Want daar wandelen er velen, van wie ik u dikwijls zeide, (en nu ook weenend zeg) dat zij vijanden zijn van Christus' kruis; wier einde verderf is, wier buik hun God en wier eer in hunne schande is, die zin hebben voor het aardsche. Maar onze wandel is in den Hemel, waar wij ook den Zaligmaker verwachten, onzen Heer Jesus Christus, die ingevolge de werking, waardoor Hij Zich ook alles onderwerpen kan, het lichaam onzer geringheid hervormen zal, zóó-dat het gelijkvormig worde zijner Heerlijkheid. Zoo dan, mijne veel geliefde en zeer beminde broeders, mijne vreugde en mijne kroon, weest aldus standvastig in den Heer, veel geliefden!

Ik bid Evodia en smeek Syntyche eensgezind te zijn in den Heer. En ook u bid ik, oprechte medewerker! sta haar bij, welke met mij gearbeid hebben in het Evangelie, met Clemens en mijne overige

\

ocr page 541

DRIE EN TWINTIGSTE ZONDAG NA PINKSTEREN. 517

mede-arbeiders, wier namen in het boek des levens staan. Philip III, 17—IV, 3.

inleiding. Hoe vurig de h. Paulus ook bad voor de volharding der bekeerden en zelfs voor de bekeering der onge-loovigen, zijne leerlingen bleven aan vele gevaren blootgesteld en nog zeer velen woonden te Philippi, die zich als vijanden van Jesus gedroegen. Daarom achtte hij het noodzakelijk zijne geestelijke kinderen te waarschuwen tegen die slechte Christenen, welke een gedrag leidden, dat in schrille tegenspraak met het geloof was, dat zij voorgaven te belijden en met de zedenwet, welke zij verplicht waren te onderhouden. Of die afvalligen van elders gekomen waren of wel tot de inwoners van die stad behoorden, blijkt uit niets en kan ons onverschillig laten. Van meer belang echter is te weten, dat hun invloed allerver-derfelijkst kon worden. Het waren menschen, die het lijden schuwden, dat Jesus aan zijne ware volgelingen had voorspeld; die hunne eer en roem zochten ; die aan de zucht tot genot trachtten te voldoen en aan de laagste driften zich overgaven. En met hen, minstens onder hen, moesten die vrome. God-minnende Philippiërs verkeeren! Is het dan te verwonderen, dat het hart van hunnen leermeester in het geloof bloedde en van angst ineenkromp, zoo dikwijls hij dacht aan het groote gevaar, waardoor bij die omgeving zijne beminden bedreigd werden, dat hij brandde van ijver, daar te vreezen was, dat zij tot ongeloof of zonde verleid werden ? Die gevoelens wilde hij in woorden vertolken en hun op het hart drukken, wat zij in die hachelijke omstandigheden te doen hadden. Dewijl er overeenkomst bestaat tusschen den tijd dien wij beleven en dien zij beleefden — in dien zin dat wij niet minder dan zij aan groote verleiding telkendage opnieuw zijn blootgesteld, gelden de vaderlijke raadgevingen van den Apostel ook voor ons en is het hoogst nuttig, dat wij met allen ernst overwegen:

I. welke voorbeelden moeten nagevolgd, welke vermeden worden;

II. hoe moet onze wandel in deze wereld zijn ?

ocr page 542

518 deie en twintigste zondag na pinksteren.

I.

De h. Paulus bad zjjné Philippiërs: weest mijne navolgers

en let op hen, wklke zóó wandelen als gij ons tot een

voorbeeld hebt. Een Apostel is hier aan het woord, en wel hij die door Jesus een vat van uitverkiezing genoemd was en van zich zeiven durfde getuigen, een navolger van Christus te zyn; die inderdaad — gelijk hij van zijnen leerling Timo-theüs eischte — voor de geloovigen een voorbeeld was in woord, in wandel, in liefde, in geloof, in kuischheid. (I Timoth. V, 12). Geen beter voorbeeld onder de menschen kon derhalve den geloovigen Philippiërs voorgehouden worden; ook zonder zich aan grootspraak schuldig te maken, zonder in de vereering Gods te kort te schieten, mocht de getrouwe leerling des Heeren zich op zijn levenswandel beroepen. Hij immers had bij elke gelegenheid beleden, dat hij uit zich zeiven niets vermocht, maar voor alles wat hij was en wat hij deed den Gever aller gaven dankbaar wezen en Hem alleen alle eer geven moest. Met die belydenis op zyn lippen riep hij de geloovigen op om zijn voetspoor te volgen, en zijn geheel en lang apostolisch leven getuigde, dat hy voor een voorganger in de standvastigheid des geloofs en in de volmaaktheid der deugd mocht gehouden worden. Jesus Christus alleen kon in den volsten zin des woords vermanend uitroepen; „leert van Mijquot;; want Hij alleen is de eeuwige Waarheid en Wysheid en de oneindige Heiligheid; toch mocht de h. Paulus allen te zyner navolging uitnoodigen, omdat hij zich zooveel mogelijk in zyn leven gelijkvormig had gemaakt aan Jesus. Een ernstige blik op zijn werken en lijden zal ons daarvan overtuigen.

De leer, welke hy verkondigde, had hij niet van menschen ontvangen maar door eene onmiddellijke openbaring Gods; zy was daarom voor hem goddelijke waarheid; met verzaking

ocr page 543

DRIE EN TWINTIGSTE ZONDAG NA PINKSTEEEN. 519

van gekoesterde vooroordeelen en sinds lang geliefkoosde opvattingen, gaf hij zijn geest en zijn hart gevangen aan eene stem, welke hij voor onfeilbaar hield. Van het eerste oogenblik af, toen hij uitriep: „Heer! wat wilt Gij, dat ik doen zal,quot; vergat hij hetgeen achter hem lag om met al de kracht zyner ziel te streven en zich uit te strekken naar hetgeen boven was; na eens de hand aan de ploeg geslagen te hebben, zag hij voortaan niet meer om; immer er op bedacht om op Jesus' goddelijk toonbeeld van zedelijke volmaaktheid meer en meer te gelijken, beijverde hij zich om deelachtig te worden aan Jesus' leven, lijden en dood, opdat hij tot de verrijzenis der rechtvaardigen mocht geraken. Jesus was voor hem alles : de Waarheid, het Leven en de Opstanding, en hij droeg Jesus' dooding in zijn lichaam, een beeld in zijn leven vertoonende van het lijden en sterven z\jns Verlossers. Zoo hij slechts niet gescheiden werd van Christus' Liefde, vreesde hij geen gevaar, geene beproeving, geene kwelling, geen dood. Het sterven voor zijn Zaligmaker achtte hij een gewin en, om niet verworpen te worden na anderen de wet en de waarheid verkondigd te hebben, tuchtigde hij zijn lichaam en bracht het onder bedwang. Hij kende geen hooger belang dan om de hem voorgestelde loopbaan te voleindigen, zijne roeping door goede werken zeker te maken; hij liep zóó in de renbaan des levens, dat hij den prys kon behalen ; hij maakte, zich zeiven vergetend, van zyn lichaam eene offerande om eene kroon te verdienen van onverwelkbare glorie. Zyne werkzaamheid en zyne bedoeling, de door hem aangewende middelen, alles was by hem er op berekend, dat hij na voor Jesus geleden en gestreden te hebben, eens met Hem verheerlijkt kon worden in den Hemel. Gelyk zijne werkkracht onvermoeibaar was, zoo ook bleek zijne liefde onuitputtelijk ; hy yverde om allen voor Christus te winnen en om de uitverkorenen verdroeg hij alles, opdat zy het heil, dat in Jesus Christus is, zouden verkrijgen met de hemel-

ocr page 544

520 drie en twintigste zondag na pinksteren.

sche heerlijkheid ; zelfs wenschte hij van het hoogste geluk in den Hemel beroofd te worden, als hij daardoor zyne broeders kon deelachtig maken aan de zaligheid, welke de Verlosser voor hen verdiend had. Zoo mocht hy in het laatst zyner dagen, een blik werpende op zijn verloopen leven, met dankbaarheid aan God van zich zeiven getuigen: „ik heb „mijn geloof bewaard, den goeden strijd gestreden, mijn loopbaan volbracht,quot; en de blijde hoop koesteren, „dat de kroon „der gerechtigheid hem was weggelegd, welke de rechtvaar-„dige Rechter geven zal aan allen, die zyne komst liefhebben.quot;

Wie wenscht eens met den h. Paulus verheerlijkt te worden, volge zijn voorbeeld en late zich niet verleiden door het wangedrag van slechte Christenen. En niet gering is het getal dergenen, die evenals de afgedwaalden ten tijde der Apostelen door hunne levenswijze anderen tot ergernis verstrekken. Afschuwwekkend is het tafereel, dat de Apostel ophangt van de ongeloovigheid en zedeloosheid van de boozen, die in Philippi het onkruid onder de tarwe zaaiden. Walgelijk is ook de schets, welke kan gemaakt worden van de bedorvenheid op zedelijk en godsdienstig gebied zelfs onder hen, die zich nog op den naam van Christen verheffen ; en werd de Apostel tot weenen toe bewogen, als hij dacht aan cle zondaren en aan het uiteinde van die ongelukkigen te zijnen tijde, de Kerk van Jesus heeft evenzeer reden tot treuren, omdat zi) moet erkennen, dat het geloof vermindert en de ondeugd toeneemt ook onder hen, die hare glorie en vreugde zijn moesten.

De Apostel waarschuwde zijne bekeerlingen voor hen, die

vijanden van het kruis van christus waren. reeds tijdeus

zijn verblijf in hunne stad had bij zijne machtige stem tegen die dwaalleeraars verheven, en nu herhaalt hij weenend zijne vermaning, dat zij toch voor hen op hunne hoede mochten zijn. Zij waren dan ook gevaarlijk die afvalligen. Naar hunne

ocr page 545

drie en twintigste zondag na pinksteren. 521

voorstelling was de zoendood van Jesus niet voldoende ter verlossing van de wereld, het door Hem vergoten Bloed niet toereikend tot delging van der menschen zonden ; zij beweerden, dat de besnijdenis en andere ceremonieele wetten van den vervallen joodschen godsdienst noodzakelijk warén ter zaligheid. Zoo stonden zij vijandig tegenover de katholieke leer, dat Jesus Christus door zijn Kruis de wereld heeft verlost en, dewijl zij niet in de vastheid van een ware geloofsovertuiging den moed putten om te lijden voor hetgeen zij predikten, zorgden zij er voor, dat geene vervolging hen hinderen kon. Om bij de Joden niet in verdenking te komen en om van de Romeinen, die den Joodschen Godsdienst duidden, niers behoeven te vreezen, huichelden zij vooringenomenheid met verouderde instellingen. Of zij zoodoende van het ware geloof afvielen en den hun geopenbaarden Messias verzaakten, daarover bekommerden zij zich niet. Nog in een ander opzicht was hun invloed verderfelijk. Aan het versterven en aan het dooden van den zinnelijken mensch — een noodzakelijke gevolgtrekking voor wie belijden: „in het kruis is ons heil, ons „leven, onze verrijzenisquot; — bleven zij niet alleen vreemd, maar gaven zich zelfs over aan allerlei uitspattingen. Ongebonden wilden zij leven, door geen teugel terug gehouden worden ; zinnende slechts op hetgeen aan de laagste hartstochten des menschen voldoening schenkt, dienden zij hunne lusten en begeerlijkheden en maakten alleen werk van kortstondige genieting. Hun buik was hun god en het zwelgen van uitgezochte spijzen en van bedwelmende dranken was hunne wellust;

hunne eer stelden zij in hunne schande en roemden op

daden, waarvoor iedereen zich moet schamen ; zy hadden slechts zin voor het aardsche en al hunne gedachten, wenschen en begeerten waren gerant op een verlagend zingenot.

Helaas! het getal der ongeloovigen en aan zinnelyk genot verslaafden is nog niet uitgestorven. Liever nog: die verleiders schijnen zich bij den dag te vermenigvul-

ocr page 546

522 DRIE EN TWINTIGSTE ZONDAG NA PINKSTEREN.

digen. Hoe velen leven zonder de kennis en derhalve zonder den dienst van den waren God! Zy loochenen Jesus en diens Verlossingswerk, instellingen, sacramenten; voor hen bestaat er geene openbaring noch een leven hiernamaals, omdat zij er belang bij hebben, dat er geene waarheid is welke hun ongeloof beschaamt, en geene eeuwige straf, welke zij weten verdiend te hebben. — Met het loochenen der geloofsleer hebben zij ook aan de zedenwet hunne dienstbaarheid opgezegd. Zij koesteren geene hoop op belooning, verwachten geen geluk na dit leven, en een noodzakelijk gevolg : zij missen de kracht om door versterving den zondigen mensch te dooden; zij zijn vijanden van Christus en trachten ook niet door kruisiging des lichaams aan den Gekruiste gelijkvormig te worden en zoo hunne eeuwige zaligheid te bewerken. En niet alleen zijn zij nalatig in het goede te doen; zij vervallen ook tot allerlei misdaden. Zg hebben schipbreuk geleden aan het geloof en zij gaan het gevaar te gemoet in de zonde te sterven ; zij hebben hunne oogen voor het licht der waarheid en hunne ooren voor de stem der genade gesloten met deze betreurenswaardige uitwerking, dat zij slechts naar den eisch hunner hartstochten luisteren en blindelings opvolgen de neigingen van een bedorven en onbeteugeld hart. Hun buik is ook voor hen een afgod. Zij dienen niet Christus, onzen Heer, maar hun buik; en door zoete woorden en vleitaal verleiden zij de harten der argeloozen (Rom. XYIII, 16). Hun hoogste goed zoeken zij in het voldoen van de zinnen en naar hunne lusten te leven is voor hen het hoogste genot. Te vergeefs spreekt gij hen over versterving, over het navolgen van de Heiligen, die de begeerlyk-heden des vleesches bedwongen en door het te kruisigen aan de wet des geestes gehoorzaamden ; zij daarentegen willen niets dan genieten en ontzien zich niet aan het redelooze dier gelijk te worden, dat zich van de trog niet afkeert, vóórdat het niet meer kan inslorpen. Schaamte kennen zy niet, en gy kunt hen zonder blozen hooren roemen op hunne euveldaden.

ocr page 547

drie en twintigste zondag na pinksteren. 523

Met welgevallen halen zy hoog op van de wyze, waarop zij een onschuldige ziel geërgerd en ten val gebracht hebben, een onwetende of lichtgeloovige verleid of bedrogen, geld verkwist en op een vijand zich gewroken hebben. Hun gevoel voor recht, voor tucht, voor edelmoedigheid is afgestompt en de zin voor wat eerbaar, wat beminnelijk, wat heilig is ging by hen verloren tegelijk met de liefde voor de waarheid. Op het beoefenen van eene zedelijk goede handeling zijn zij in het minst niet bedacht. In den slechtsten zin des woords zijn zij aardschgezind, en hunne wenschen en gedachten worden ingenomen door wat de wereld aan hare slaven belooft; zij zoeken slechts wat vergankelijk is en, als zij daarin een zoo groot mogelijk deel kunnen verkrygen, meenen zij het geluk gevonden te hebben. Toch zijn zij inderdaad ongelukkig te noemen, al zullen zij het nimmer bekennen. Zy hechten zich aan een stroohalm of jagen eene schaduw na. Al vinden zij alles wat zij zochten, al spoedig zullen zij het nietige daarvan ondervinden en hun hart blijft onvoldaan. Dit alles zoude reeds als een zware straf moeten gevreesd worden door die verkrachters van waarheid en zedelijkheid. Doch een nog veel rampzaliger lot wacht hen in de eeuwigheid. Ook hun einde zal evenals dat der ongeloovigen te Philippi volgens Paulus' voorspelling het verderf wezen, want naar hunne werken zal God zijn oordeel over hen vellen. Wat hunne straf nog verzwaren zal is deze voor hen verpletterende omstandigheid, dat vele zielen van hen zullen opgeëischt worden. Want aan hen is het te wijten, dat de kennis der goddelijke waarheden onder de menschen afneemt en er zoo velen gevonden worden, die niet het goede maar het kwade doen. Zij hebben tot hunne evenmenschen niets dan leugens gesproken om hen in hunne geloofsovertuiging te doen wankelen en van de wet Gods afvallig te maken. Vreeselijk zullen zij moeten boeten : de Heer zal die bedriegelijke lippen uitroeien en, al gebruiken zij de tong der grootspraak en al wanen zij dat zy ongestraft zullen

ocr page 548

524 drie en twintigste zondag na pinksteren.

blijven, eens komt de dag, waarop God Zich zal wreken op die onverstandigen van hart, en de zondaars, die den Heer vloekten, zullen vergaan (Psalm XXXVI, 22). Dan, maar te laat, zullen zij bemerken, dat hunne loochening der waarheid God niet van den troon gestooten, de eeuwigheid niet vernietigd, de hel niet gesloten heeft.

Opmerking. De macht van een slecht voorbeeld is groot en werkt ten verderve ook van wie het geven, zóódat »zijquot; — volgens den h. isidorus — »hoogst schuldig' zijn, die »hunne eigene zielen maar ook vele andere, voor wie Jesus Christus »den smaadlijksten dood onderging, door hun voorbeeld in het »verderf storten.quot; — Doch ook een goed voorbeeld zal niet zonder vrucht blijven. Werden er meerdere stichtende voorbeelden gezien en, welke nog gegeven worden, nagevolgd, gewis ware er minder kwaad te betreuren. De godsdienst werd beter in eer gehouden; echte vroomheid, werkdadige liefde en een heilige levenswijze zouden geluk en vrede en zegen aanbrengen. De afgedwaalde keerde van den slechten weg terug, de zwakke voelde zich gesterkt, de wankelende bevestigd en de deugdzame tot hoogere krachtsinspanning opgewekt. Velen konden zich met den h. Eusebius verheugen, dat er menige ziel gevonden werd, »wier nederigheid den hoogmoed van een ander beschaamt, wier »lijdzaamheid den toorn des naasten stilt, wier gehoorzaamheid »de vadsigheid van een ander stilzwijgend berispt, wier ijver »de werkeloosheid van een lauwe tot handelen opwekt.quot; Zoo werd ook aan het tweede voorschrift voldaan, dat de h. Paulus den Philippiërs in de volgende woorden voorhield en waardoor hij het leven schetste van een waar godvruchtig Christen.

II.

Onze wandel is in den Hemel, leert de Apostel. Wij mogen niet als die vijanden van Jesus' kruis wereldlingen zyn, maar moeten ons gedragen als door Gods roeping voorbestemde Hemelburgers. Voor den Hemel zijn wij geschapen, niet voor

ocr page 549

DRIE EN TWINTIGSTE ZONDAG NA PINKSTEREN. 525

de aarde. Onze blyvende woning, ons waar vaderland is niet hier te zoeken maar ginds, waar God troont in een eeuwig licht. Wy weten dat, zoo lang wy nog in dit lichaam zjjn, wy van den Heer uitwonen en pelgrims zijn in een vreemd land, reizigers die zich beyveren het einde van hunnen weg immer meer nabij te komen en hunne laatste bestemming te bereiken. Daaruit volgt, dat al onze verlangens niet mogen geregeld worden door — niet mogen in overeenstemming zyn — met de gebruiken der wereld, niet met de eischen der zinnelijke natuur, niet met de gewoonten eener wufte samenleving. Waar onze schat is, daar moet ook ons hart zijn, en daarom is alles wat met onze roeping en bestemming in stryd is te verachten, wat ter bereiking daarvan nuttig is met groote vooringenomenheid aan te wenden. Veel kan ons van het laatste doel aftrekken, veel daartoe nader brengen. Een wijze keuze moet over de meest geschikte middelen beslissen, en de zorg voor de zaligheid ze te baat nemen.

Een tweede gevolg is dit: de wetten, welke onzen levenswandel moeten bestieren, zijn aan den Hemel, aan de voorschriften Gods, aan de waarheden des geloofs te vragen. Het zoude immers eene onvergeeflijke dwaasheid wezen, wanneer iemand een geestelijk, een godsdienstig leven wilde leiden naar de stelregels van eene dwaze wijsheid, welke aan God vijandig is. Het doel en de middelen moeten aan elkander beantwoorden. Heilig is het doel, heilig dienen ook de middelen te zijn, welke ter bereiking daarvan worden aangewend. God is het laatste doel van ons bestaan; zijne wet alleen kan de richtsnoer wezen, welke ons naar het bezit van Hem geleidt. Derhalve zyn de beginselen, welke het uit den Hemel geopenbaarde geloof ons verkondigt, heilig te houden en na te leven. Aan den Heer van het Rijk, dat wij zoeken, worde trouw bewezen en hulde gebracht met den mond en door de daad, door die gedragslijn, welke in Gods Naam door de Kerk is voorgeschreven, te volgen, ook dan als zy van ons het be-

ocr page 550

526 DRIE EN TWINTIGSTE ZONDAG NA PINKSTEREN.

stryden van zinnelijke begeerten en het ingaan tegen de eischen der wereld vergt. Alle geboden Gods zijn niet alleen voor eeuwig vastgesteld maar ook op waarheid en gerechtigheid gegrond, opdat zij ons leven met al zijne verhoudingen en omstandigheden tot heil onzer ziel regelen en in overeenstemming brengen met de door ons te bereiken bestemming. God beminnen eu Hem dienen zoolang wij leven, dat is het eenige middel, opdat wij verdienen later tot de aanschouwing Gods opgenomen te worden. Ook de dankbaarheid voor onze heerlijke roeping zoowel als onze eeuwige belangen vorderen, dat wij geen anderen regel tot leidraad nemen dan Gods wet en wil. Doch God de Zaligmaker heeft als zijn vertegenwoordigster aangesteld en met zijn gezag bekleed de Kerk, welke Hy stichtte in zyn Bloed. Ook zij moet daarom gehoord, van haar raad gevraagd en bij haar voorlichting ingewonnen worden, om den weg te kennen, welke te bewandelen is. Zoo ook leggen wij voor alle geloovigen en ongeloovigen de indrukwekkende getuigenis af, dat Jesus' Kerk de volmaaktste maatschappij is en hare wetten als heilig zyn te achten; dat niets den mensch waardiger is en hem geen grooter geluk kan ten deel vallen dan onderdaan te wezen van een Rijk, waarin de ware vrede genoten en de zaligheid bewerkt wordt; zoo laten wij ons licht schijnen voor de menschen, opdat zij onze goede werken ziende den hemelschen Vader verheerlijken; zoo ook verstrekken wij de leer [van God, onzen Zaligmaker, in alles tot sieraad. (Matth. V, 16 ; Tit. II, 11).

Om af te dalen tot in bijzonderheden van het dagelyksch leven diene nog deze vraag beantwoord: wie mag met recht gezegd worden : in den Hemel te wandelen ? Hij, die zijne gedachten en zijne wenschen en begeerten op de hemelsche goederen gevestigd houdt; wiens eerste gedachten bij het ontwaken 's morgens en zijn laatste vóór de nachtrust op God zijn gericht; die zijn dagelijkschen arbeid begint en volbrengt in gehoorzaamheid aan Gods wereldbestuur en in den Naam

ocr page 551

drie en twintigste zondag na pinksteeen. 527

van den Heer Jesus Christus; die, hetzij in kommervolle omstandigheden levende, hetzij onder lijden gebakt of door lastertongen vervolgd, zijne kalme gelatenheid bewaart en zich gewilllig onderwerpt aan de beproevingen eener vaderlijke Voorzienigheid; die zijn grootste geluk stelt en de reinste vreugde vindt in het getrouw nakomen van de plichten, hem door den godsdienst en door zijne maatschappelijke betrekkingen voorgeschreven ; die van zijnen overvloed den armen rijkelijk mededeelt, om vrienden vooruit te zenden, welke hem in de eeuwige woning ontvangen. Zulk een Christen is gelukkig te noemen : hij geniet een vrede, welken de wereld niet geven kan; staande in blakende gunst bij God mag hij roemen in eene waardigheid verheven boven alle waardigheden der wereld, en heeft eene toekomst, schitterender en blijder dan de stoutste verbeelding zich kan voorstellen. Hij werkt ook tot heil der gemeenschap, waarvan hij een der beste lidmaten is, en oefent op zijne omgeving een invloed uit, welke zich krachtiger toont dan de welsprekendste redevoering. Zijne liefde tot God en den naaste, zijne onvermoeide plichtsbetrachting, zyne ongekunstelde en oprechte vroomheid, zijn weldoen en zijne zelfopoffering dragen, o zoo veel! en meer dan hij zelf gist, er toe by dat anderen aan de vertroosting en de vreugde deelachtig worden, waarvan hij zelf onder alle omstandigheden van dit aardsche leven overvloeit.

De zaligheid in de eeuwigheid zal het hoogste loon wezen voor een levenswandel in den Hemel geleid. Alle Godminnende zielen hebben het recht in blijde vervoering uit te roepen : wij verwachten van den hemel den zaligmaker, onzen Heer Jesus Christus, die het lichaam onzer geringheid

zal hervormen, zóódat het gelijkvormig worde aan het

lichaam zijner Heerlijkheid. Eens, dag en uur zijn ons onbekend, zal Jesus, zittende op de wolken, wederkomen met groote macht en heerlijkheid om allen te oordeelen en aan

ocr page 552

528 DRIE EN TWINTIGSTE ZONDAG NA PINKSTEREN.

zijne getrouwe dienaren de glorie des Hemels te geven. Alsdan zal ook het lichaam deel verkrijgen in de belooning der ziel. Hier vernederd door lijden en versterving, hier door eene edelmoedige zelfopoffering veroordeeld tot een slaafsch werktuig van moeilijke deugden, zal het ten eeuwige leven opgewekt en hervormd worden naar de gelijkenis van het met eer en luister gekroonde Lichaam des Zaligmakers. Gelijk Jesus' Lichaam onbederflijk, onlijdelijk en onsterfelijk werd na de Verrijzenis, zal ook het lichaam der gelukzaligen aan geen Ijjden, aan geen bederf, aan geen dood meer onderhevig zijn. Het zal snel als de gedachte zyn, fijn zóódat het door niets kan tegengehouden worden en zonder gebrek en schooner dan dat van Adam was, toen het door de almachtige hand van God uit aarde was gevormd. Voorzeker zal er niet één onder de geloovigen zyn, welke niet al die gunsten van een God verwacht, die Zich in Milddadigheid niet laat overtreffen en bovendien beloofd heeft, dat geen goed werk onbeloond zal blijven. — Nog deze opmerking moet ons in die hoop versterken. Des menschen gelukzaligheid daarginds in de eindelooze eeuwen des Hemels zoude onvolkomen wezen, als de ziel wederom wonen moest in een lichaam, dat aan dezelfde zwakheden onderworpen was als waaronder wij nu zuchten. Wij zouden de volle vreugde des Hemels niet kunnen genieten, zoo wij daar boven nog den last moesten dragen van een lichaam, waarin de prikkel der zonde en de kiem des doods huizen. Doch nu, daar wij weten dat de gelukkigste staat alle traan afdrogen en de hoogste zaligheid alle leed verbannen zal, kunnen wij ook in de beproevingen ons verheugen en zien wü met een bemoedigend vertrouwen naar het oogen-blik uit, waarop een kortstondig lijden zal bekroond worden met eene onvergankelijke glorie naar ziel en lichaam.

Opmerking. Zoo dan, mijne zeer beminde en veel geliefde broeders ! weest aldus standvastig in den HeERE.

ocr page 553

DKIE EN TWINTIGSTE ZONDAG NA PINKSTEREN.

529

Met deze woorden besluit de Apostel zijne vermaning tot de Philippiërs. Doch niet minder zijn ze op ons van toepassing. Ook ons is de heerlijkste toekomst beschoren, zoo wij als hamel-burgers blijven wandelen. Laten wij dan vaststaan in de innigste levensgemeenschap met onzen Heer Jesus Christus, volhardende in zijnen dienst, onwrikbaar in ons geloof, ijverig in onze liefde tot God, getrouw aan zijne leer en wet. De gevaren zijn zóó menigvuldig, de verleiding zóó sterk en onze zwakheid zóó groot, dat zonder standvastigheid in het goede de Hemel niet te winnen is. Toch mag niets ons voor die noodige inspanning doen terugschrikken. Wie gaf niet gaarne zijn geld en goed, wie verzaakte niet vrijwillig aan alle eerbewijzingen en waardigheden, bijaldien hij door dat offer eene verlorene gezondheid kon terug koopen ; welke koning deed niet, aan het einde van zijn leven gekomen, blijmoedig afstand van zijn troon, vermocht hij door die afdaling tot den gewonen stand der stervelingen zijn leven met eenige jaren te verlengen ? Voor veel geringere offers kunnen wij veel hoogere goederen ons verzekeren. Een ieder is in staat om van zijn God en Zaligmaker te verkrijgen eene eeuwige gezondheid, eene nimmer verwelkende schoonheid, een onsterflijk leven bij God. Wij hebben reeds dat onfeilbare middel ter bereiking van een onvergankelijk geluk genoemd. Van hetgene wij bezitten behoeven wij geen afstand te doen, van de waardigheden door ons bekleed geen enkele neer te leggen; niets meer wordt gevorderd dan te gelooven en te leven uit het geloof, dan aan de zonde te sterven en te leven voor Christus. De koninklijke Profeet verkondigde dien eisch, toen hij God aansprekende zong: wat heb ik in den Hemel, en wat verlang ik op aarde huiten U; mijn vleesch bezwijkt in mijn hart; de God mijns harten en mijn deel is God voor eeuwig. Want zie, die zich van U verwijderen, vergaan ; allen, die U ontrouw worden, doet Gij te niet. Maar mij, 't is mij goed Gade ayti te kleven, mijn vertrouwen te stellen op God den Heer; om in Jerusalem's poorten al uwen lof te verkondigen (Ps. XXII, 26, 27, 28). De h. Augustinus gaf dan ook aan zich zeiven dezen raad, een raad, welken ook wij dienen ter harte te nemen: »0, mijne ziel, geteekend met de beeltenis Verklaringen der Epistclun. II. 34

ocr page 554

DEIE EN TWINTIGSTE ZONDAG NA PINKSTEREN.

530

j.van God, verlost door het Bloed van Christus, verloofd door »trouw, bezegeld met den H. Geest, bemin Hem door Wien »gij zoo zeer bemind zijt; denk aan Hem, die aan u dacht; »zoek Hem, die u zocht; wees ijverig- met den ijverige, zuiver «met den zuivere, heilig met den heilige.quot;

ocr page 555

VIER EN TWINTIGSTE ZONDAG NA PINKSTEREN.

Broeders! Wij houden niet op voor u te bidden en te smeeken, dat gij vervuld moogt worden met kennis van Gods wil in alle wijsheid en geestelijk verstand; opdat gij wandelt Gode waardig, Hem in alles behagend^ vrucht dragende in alle goede werken en opgroeiend in de kennis van God, versterkt zijnde naar de macht zijner Heerlijkheid, met alle kracht tot alle lijdzaamheid en lankmoedigheid met blijdschap. God den Vader dankend, die ons waardig heeft gemaakt om deel te hebben aan de erfenis der Heiligen in het licht; die ons onttrokken heeft aan de macht der duisternis en overgebracht heeft in het Rijk van den Zoon zijner Liefde, in Wien wij hebben de verlossing door zijn Bloed, de vergiffenis der zonden.

Coloss I, 9—14.

Inleiding. Wij staan alweder aan het einde van het kerkelijk jaar, waarin zoo vele en groote genaden door ons ontvangen zijn, maar ook vele gebreken verbeterd en alle fouten uitgewischt, kwade gewoonten afgelegd, deugden beoefend en

ocr page 556

532 VIER EN TWINTIGSTE ZONDAG NA PINKSTEREN.

verdiensten voor den Hemel moeten vergaderd zijn. De Kerk van Jesus, onze geestelijke leidsvrouw, heeft het niet laten ontbreken aan opwekking ten goede. Gedurende den geheelen loop des jaars heeft zij ons onderricht, vermaand en berispt, tot heiliging der ziel aangespoord en de schitterendste belooning in het verschiet gesteld, zoo gehandeld werd volgens hare moederlijke terechtwijzingen. Niets verlangde zij vuriger dan dat haar woord op goede aarde viel en honderdvoudige vruchten voor de eeuwigheid voortbracht, dan dat al hare kinderen een rijken oogst in hunne voorraadschuren zouden opbergen om niet met ledige handen voor den Rechter te verschijnen, dan dat zij vrienden vooruitzonden, welke hen in de hemelsche woning konden ontvangen, als de dag der vergelding zou gekomen zijn. Met dezelfde liefdevolle bedoeling houdt zij ons heden de woorden voor van den h. Paulus, welke wij zoo even lazen. Heeft zij met onvermoeide inspanning gedurende de verloopene dagen getracht diegenen barer kinderen, welke afgedwaald waren, op den weg van Gods geboden terug te brengen, en die anderen in het goede te bevestigen, welke het nieuwe pad der deugd bewandelden, nu die Moeder van het groote huisgezin met hare geloovigen aan het einde van het oude en aan het begin van het Nieuwe jaar staat, wijst zij hen allen op deze hunne tweevoudige verplichting: een blik vooruit en een blik achterwaarts te werpen, in het toekomstige en in het ver-ledene, opdat zij zich een duidelijke voorstelling vormen zoowel van de middelen, welke zij behoeven om in het vervolg God getrouw te kunnen dienen, als van de genaden en weldaden, welke zij in het verledene ontvangen hebben en waarvoor zij hartelijke dankbaarheid aan den Gever van alle gaven te brengen hebben. — Wij die ons verheugen lidmaten van die gemeenschap der Heiligen, kinderen der ware Kerk te zijn, volgen hare aanwijzing en stellen overeenkomstig hare wen-schen ons deze twee vragen ter beantwoording voor:

I. welke gaven moeten wij voor de toekomst van God af-smeeken;

II. voor welke genaden vooral, ons reeds vroeger geschonken, moeten wij God danken?

ocr page 557

vier en twintigste zondag na pinksteben.

I.

Wij huüden niet op voor ü te bidden en te smeeken — dit getuigde de Apostel der Heidenen aan de bekeerlingen te Colosse en gaf daarmede tevens te kennen, dat hij getrouw bleef aan eene der noodzakelijkste voorwaarden ter verhooring — aan de volharding in het bidden ; dat hij met aandrang ook zijne bede tot God opzond en met een onbegrensd vertrouwen op diens Bereidwilligheid om te geven bezield was. Doch wat vroeg hij voor zyne beminden, wat moeten wij van den Vader der lichten afsmeeken ? Zonder vrees voor tegenspraak mogen wij beweren, dat in het algemeen genomen de oprechte Katholieken veel bidden ; doch vragen zij altijd wat voor het eeuwig geluk hunner ziel het dien-stigste is ? Zeker, tijdelijke goederen, voedsel en kleeding en huisvesting, voorspoed en gezondheid en een lang leven zijn ook gaven des Hemels, welke met aandrang mogen afgebeden worden. Leerde de Zaligmaker zelf ons deze bede niet: „Vader! „geef ons heden ons dagelijksch broodquot; ? Het lichaam heeft zijne behoeften en ons leven op aarde stelt zijne eischen. Nimmer mag evenwel vergeten worden, dat de ziel meer is dan het lichaam en dat om die reden voor haar wezenlijk geluk veel ijveriger dient te worden gezorgd dan voor het welzijn van ons stoffelijk bestaan. Dit behoeft geen bewijs. Wij mogen daarom al onze aandacht wijden aan het voorbeeld door den h. Paulus ons gegeven ; wat hij toch voor de Colossers afbad, moeten wy ook voor ons zei ven van God vragen. Wu bidden — schreef hy — dat gij moogt vervuld worden met de kennis

van gods wil.

Niet weinig maar zeer veel vroeg hy voor die geloovigen, wier bekeering tot het Christendom en christelijk gedrag onder de Nieuwe Wet hem een waarborg gaven, dat zij ontvankelijk waren voor nog andere genaden. In hunne getrouwheid aan het aangenomen geloof vond hy een dringende reden'

533

ocr page 558

534: VIER EN TWINTIGSTE ZONDAG NA PINKSTEEEN.

om bovenstaande bede voor hen tot den Vader van alle Barmhartigheid op te zenden. En meer dan wellicht bij het eerste lezen vermoed wordt, vinden de schriftuurverklaarders daarin uitgedrukt. Zij beweren, en niet zonder grond, dat de geheele heilsorde, welke God ter zaligheid van het mensch-dom heeft ingesteld, er onder moet begrepen worden: alles namelijk, wat Hij in zijne Liefde en Wijsheid en Almacht gewild en verordend, de genade-middelen welke Hy van eeuwigheid voorbeschikt, het doel dat Hij aan een ieder ter bereiking voorgeschreven heeft, ook de geboden en wetten, welke Hij afgekondigd heeft, opdat zij een fakkel zouden wezen voor den mensch op zijn weg naar zijne laatste bestemming, eene voorlichting, welke aan een ieder leert, hoe hij in overeenstemming met die instellingen Gods te leven en te werken, hoe het geluk des Hemels te verdienen heeft. Een vervuld worden met de kennis van Gods wil is allen noodig. Niets daarvan mag aan onze opmerkzaamheid ontgaan, anders werd uit meerdere of mindere schuldige onwetendheid misdreven; ook de belangrijkheid daarvan raag aan niemand ontsnappen op gevaar af, dat aan verkeerde voorstellingen of valsche leeringen ingang verleend wordt, die het licht der waarheid verduisteren. Doch die kennis, onmisbaar ter zaligheid, is niet te verkregen dan van den Vader der lichten en door een nederig gebed. De koninklijke Profeet is hierin voor ons een voorbeeld. Hy bad, en wij moeten met hem bidden: doe mij, o God! uwe verordeningen kennen; houd uwe geboden voor mij niet verborgen; leer mij uwe geboden, onderwijs mij in den weg van uwe bevelen; leer mij braafheid, tucht en wijsheid; geef mij verstand, opdat ik uwe geboden leere kennen. (Psalm CXVIII, 12, 19, 27, 66, 73.

De kennis van Gods instellingen, van onze plichten, van de genade-middelen voor ons ingesteld, is niet voldoende om de erfenis des heils te verwerven: de dienstknecht, die den

ocr page 559

vier en twintigste zondag na pinksteren. 535

wil zijns Heer en geweten heeft, leerde Jesus — en niet gedaan heeft naar diens wil, die zal vele slagen ontvangen. (Luc. XII, 47). Maar om naar plicht en geweten te doen wat Gode wel-behagelijk is, wordt hooge wijsheid gevorderd, en ook deze moet van God afgesmeekt worden: heeft iemand uwer, aldus de h. Jacobus — behoefte aan wijsheid, hij vrage ze van God (I, 5). Ook geen sterveling leefde ooit, die de noodzakelijkheid van die gave dieper gevoelde dan de h. Paulus. Wij hoorden hem dan ook voor de Colossers wijsheid en geestelijk verstand afbidden. Wat echter is daaronder te verstaan ? Hetgeen geleerd is en gekend wordt, moet naar de mate van de aan den mensch geschonkene vermogens door hem begrepen en doorgrond en ook — een nimmer te verwaarloozen ver-eischte — in daden worden omgezet; de gerechte moet uit zijn geloof leven. Zoo nu zulk eene bovennatuurlijke wijsheid het gelukkig deel van den Christen is geworden, dan zal hij ook verstandig en na rijp beraad zijne daden regelen ; overijling blijft hem vreemd evenals onbedachtzaamheid; hij wikt en weegt en vraagt zich bij alle omstandigheden af, wat de heilige wil Gods is. Hij laat zich leiden door den H. Geest der waarheid ; onder die ingeving van boven, kiest hij met een fijn gevoel wat zedelijk goed is, en met een juist oordeel erkent hij de gevaren welke te vermijden en de hinderpalen, welke te overwinnen zijn. — Voorbeelden ter nadere verklaring kunnen bij menigte uit het dagelijksch leven aangehaald worden. Wijsheid volgens God is voor elk Christen een ver-eischte, opdat hij het goede van het kwade, het ware van het valsche, het nuttige van het schadelijke onderscheide. Niemand wane, dat aan dien eisch gemakkelijk voldaan wordt. Of zou het voor den kortzichtigen mensch mogelijk wezen om zonder het licht van boven telkenmale, als hij eene beslissing moet nemen, dat te kiezen wat God het meest welgevallig en voor zijne ziel het voordeeligst is; om zich dooide valsche grondbeginselen der wereld niet te laten verleiden

ocr page 560

536 VIER EN TWINTIGSTE ZÜNUAG NA PINKSTEBEN.

tot verzaking der eeuwige wetten van het Evangelie; om niet door den schijn van de goederen dezer aarde verblind, niet door de bekoring van een wereldsch genot verlokt, niet door het zien van slechte voorbeelden medegesleept te worden? My dunkt, zulk een Christen zoude niet zelden zich in eene volslagene duisternis bevinden. Hy miste de voorlichticg van den H. Geest, die leert dat wij ons boven het vergankelijke en zichtbare te verheffen hebben om naar het onver-gankelyke en onzichtbare te streven; die ons bewyst dat het kortstondig lijden van dezen tijd geenszins als eene ramp kan beschouwd worden, zoo wy niets anders vreezen dan de genade en de vriendschap Gods te verliezen; die ons aanspoort vooral een volkomene onderwerping aan den wil van God te vragen, welke voor de zijnen alles ten beste schikt en door de beproeving naar de glorie leidt; die niet aflaat te betoogen, dat alles gewonnen is, als aan de ziel geene schade wordt toegebracht. — En welk het betreurenswaardig gevolg van zulk een gemis wezen zou? Waar de ware wijsheid haar licht niet ontstoken heeft, daar blijft het duister en voert de dwaasheid naar verkeerde wegen. Wij merken het op bij hen, die voor de wereld en niet voor God, voor den tyd en niet voor de eeuwigheid leven niet beseffende, dat zij eens aan den goddelijken Rechter rekenschap moeten afleggen van het inwilligen hunner booze neigingen en driften ; die slechts zin hebben voor aardsche belangen en zich elke inspanning getroosten voor het verwerven van dingen, welke der vergankelijkheid onderworpen zijn, maar het eenige noodzakelijke verwaarloozen en het beneden zich achten schatten te vergaderen, welke eeuwig duren ; die zich verlagen tot het afbedelen van de gunst der menschen maar geen prys stellen op de vriendschap Gods; die aan een oogenblik van zondig genot de voorkeur geven boven de vreugde des Hemels.

Wij moeten voor waar houden, dat de bede van den h.

ocr page 561

vieb en twintigste zondag na pinksteren. 537

Paulus is verhoord geworden; wij mogen er ook niet aan twijfelen, of ons bidden om kennis, wijsheid en verstand zal door God goedgunstig worden aangenomen. En welke zullen dan de vruchten zyn van ons volhardend smeeken ? De Apostel bad, opdat de Colossers zouden wandelen Go de waardig en gaf daardoor te kennen, dat hij als eerste uitwerking der vermeerderde kennis van Gods wil en der ware wijsheid in hen wenschte te kunnen opmerken een christelüken levenswandel, welke zich daarin openbaarde, dat zij waren Gode in alles

behagend, vruchtdragend in alle goede werken en opgroeiend in de kennis van God. Dat is kort en bondig gezegd en toch geeft het al de plichten aan, welke een Christen te vervullen heeft. Groot daarom zoude ons geluk wezen, zoo ook wij die voordeden van ons gebed mochten verkrijgen. — Wij verklaren ons nader. Als algemeenen regel, welke den geheelen levensloop des Christens moet beheerschen, stelt de h. Paulus op den voorgrond, dat wij al onze gedragingen doen overeenstemmen met de uitnemende voorrechten door Gods Goedheid ons gegeven; dat wij in waarheid ons mede-burgera der Heiligen en kinderen van den hemelschen Vader betoonen; dat wü in alles handelen overeenkomstig het Evangelie, hetwelk ons gepredikt en door ons aangenomen is; dat wij aan de roeping tot Uitverkorenen Gods getrouw blijven tot aan den dood. Immers, dan eerst is ons leven Gode ivaardig en strekt het te zijner verheerlijking; clan is ons leven met God en voor God en zal het Jesus, de oneindige Heiligheid tot voorbeeld nemend, verdienen door Hem beloond te worden.

Zulk een wandel zal God in alles behagen naar het uitwendige en naar het inwendige. De Christen, die zoo leeft, toont God te beminnen, volbrengt de wet en vervult zijne plicht* met een opgewekte stemming, bereidwillig, vaardig en getrouw; hij mort niet en veroorlooft zich geene tegenspraak ; hij vindt zyn geluk in te gehoorzamen en het minste verzet is hem een gruwel. Hy beyvert zich Gode alle dagen

ocr page 562

538 VIER EN TWINTIGSTE ZONDAG NA PINKSTEREN.

zijns levens te dienen in gerechtigheid en heiligheid, om zoo den lof te verwerven, dat hij een kind des hemelschen Vaders en een navolger van Jesus is; hij wandelt voor God en legt zich met ijver toe op de volmaaktheid. — Het kan niet uitbleven, of die vrome dienaar des Heeren zal ook worden vrucht-dragend in alle goede werken. Men legge evenwel niet te grooten nadruk op het woord: alle. De Apostel wil niet beweren, dat een Christen aan alle mogelijke goede daden, welke hier en daar of door genen en dezen verricht wordsn, moet deel nemen. Tot het onmogelijke kan niemand gehouden zijn. Maar in zijn staat en stand, naar gelang van zijne levensverhoudingen, dient hij ten gelegene tyde al dat goede te doen, wat zijn Heer en God van hem verlangt, gelyk aan een boom, die aan den waterkant geplant is, niet verdort maar naar zijnen aard vruchten voortbrengt. Op die wijze zal hij wel meer in eene dan in eene andere richting zijne werkzaamheid ontwikkelen of de hem verleende talenten en genaden besteden, maar 'geenszins ten nadeele zijns levens voor de eeuwigheid. Zjjn wil is innig verbonden met dien van God en doet het goede zoo en wanneer en waar hij het te doen vindt. Hij zal vlijtig in zyne betrekking, ijverig in zijn arbeid wezen maar verwaarloost daarom het gebed noch andere godsdienstige oefeningen ; hij is een getrouw kerkbezoeker en vrijwillig verzuimt hij geene bijeenkomst der geloovigen, maar daarom worden de plichten van staat niet vergeten; met nauwgezetheid onderhoudt hij de wet der rechtvaardigheid, maar ook de wet der liefde is hem heilig en h\j is barmhartig en medelijdend; matig en kuisch en eerbaar toont hij zich in alles, maar tracht ook zooveel mogelijk den vrede met allen te onderhouden. Kortom: hy doet het eene en verwaarloost het andere niet. — Zoo groeit hij ook op in alle kennis van God. Op verschillende plaatsen zyner brieven leert ons de h. Paulus, dat bedorvenheid van zeden duisternis verspreidt over den geest, maar ook dat heiligheid van leven de ontvanke-

ocr page 563

vier en twintigste zondag na pinksteren. 539

lijkheid voor het aanleeren en begrijpen der goddelijke waarheden vermeerdert; dat de oorsprong van het ongeloof dikwijls moet gezocht worden in zedeloosheid en de verduistering van het verstand in de afdoling van het hart, maar dat ook een helder inzicht in de dingen Gods volgt op de reinheid van zeden. Het leven van vele Heiligen is voor die stellingen een bewijs en geeft tevens daarvan de verklaring. Wie den God van alle Liefde het meest bemint, diens geest en hart houden zich gaarne met God bezig en diens verstand dringt zoo het diepste door in de kennis der goddelijke Volmaaktheden; aan hem deelt zich God bij voorkeur mede, omdat Hij bij hem een goeden grond vindt, waarin het zaad der goddelijke openbaring gereedelijker wordt opgenomen en meerdere vrachten oplevert; de kennis van God is ook eene genade en aan niemand zal die in grootere mate gegeven worden dan aan degenen, die reeds het bewijs geleverd hebben, dat zij de goede gaven van boven wisten te waardeeren en goed te gebruiken. Hoe dikwijls lezen wij in het leven der Heiligen, dat velen van hen, zonder eenige studiën gemaakt te hebben, uitmuntten in de wetenschap des heils en als groote geleerden over de diepzinnigste geloofsstukken redeneerden ?

Eene tweede uitwerking van die volmaakte kennis, welke de h. Paulus afbad is deze, dat de Colossers mochten versterkt worden met alle kracht naar de macht van gods Heerlijkheid tot lijdzaamheid en lankmoedigheid in het verdragen van de wederwaardigheden des levens met blijdschap. Het is niet voor de eerste maal, dat wij den Apostel over het geduld in het lijden hooren spreken; doch met zulk een nadruk als nu gewaagde hij nooit van die verplichting. 'De macht, welke aan Gods Majesteit toe te schrijven is, moet daartoe hare hulp en alzoo eene buitengewone genade verlee-nen, opdat de lijder met kracht toegerust zij, om niet alleen met gelatenheid zijn kruis te dragen, maar ook met blijdschap en met eene heilige vreugde, juichende in zyne beproevingen

ocr page 564

540 VIER EN TWINTIGSTE ZONDAG NA PINKSTEREN.

en overvloeiende van blijdschap bü al zijne verdrukking. Wat van die byzondere klem wel de reden mag wezen ? De h. Paulus denkt zich een Christen, die volleerd is in de kennis van God, voor wien derhalve het nut en de verdienstelykheid des lydens geene geheimen zijn; die zich vertrouwd heeft gemaakt met de inzichten en plannen der goddelijke Voorzienigheid, als zij slaat; die overtuigd is, dat het den hemelschen Vader welgevallig is, als zijne kinderen gewetenshalve, uit plichtbesef, geduldig de beproevingen verdragen, al lijden zij zonder schuld. — Zulk een Christen weet dus veel en van hem mag daarom een hooge graad van deugd gevorderd worden ; een groot licht i» voor hem opgegaan en door een onderworpen lijden moet hy het bewijs leveren, dat hy naar de geopenbaarde waarheden leeft; want een heerlijkere getuigenis van een leven uit het geloof zal hij moeilijk kunnen afleggen dan wanneer hy zich als een held gedraagt onder de slagen van den rampspoed. Hij heeft Jesus en dien gekruist leeren kennen, en moet daarom den Apostel kunnen nazeggen: ik lijd, maar ik schaam mij niet (II Tim. I, 12), en; ik vloei over van blijdschap bij al mijne verdrukking (II Cor. VII, 4); hij moet met zijn goddelyken Meester het kruis verdragen, de schande verachtende (Hebr. XII, 2).

Opmerking. Bidden voor ons zeiven en ook, naar het voorbeeld van den h. Paulus, voor anderen om het noodige licht, om de noodige kracht en om het noodige geduld — dit moet gewis onder de voornaamste verplichtingen gerekend worden, welke wij bij het einde van het jaar te vervullen hebben. Of kunt gij u een Christen denken, die zich in de verloopene weken ernstig bezig gehouden heeft met de allergewichtigste belangen zijner ziel; die er zich een studie van maakte om zich een juist begrip te vormen van den omvang en van de belangrijkheid zijner verhouding tot God en tot den evenmensch; die door eene veelzijdige ervaring leerde, dat hij geen stap op zijn levensweg kon zetten of gevaren van verschillende soort omringden

ocr page 565

VIER EN TWINTIGSTE ZONDAG NA PINKSTEREN. 541

hem en afgronden dreigden ; die niet zelden te klagen had over moeielijkheid in den strijd en over menige zwakheid tegenover zijn vijand en over eene of andere schandelijke nederlaag, welke hij leed — en toch geene behoefte gevoelt om voor het vervolg van zijn leven de wijsheid te vragen, welke den geest verlicht, en meer de vrucht van de genade is dan van de inspanning des geestes; welke in de h.h. Schriften geroemd wordt als de wijsheid Gods en de wetenschap der Heiligen ; welke uit God voortkomt en tot God voert? Is het denkbaar, dat zulk een Christen het niet noodig acht om met de kracht van boven toegerust te worden, opdat hij aan de verleiding van slechte voorbeelden, aan de betoovering der zinnelijkheid, aan de bekoring zijner vijanden, aan de verlokking eener booze wereld of aan de verzoeking zijner hartstochten weerstand kunne bieden; dat hij niet van verlangen brandt om met een onover-winbaar geduld gewapend te zijn tegen de moeielijkheden, welke onafscheidbaar met een godvruchtig leven verbonden zijn, en om met dien moed bezield te zijn, welke niets vreest dan Gode te mishagen maar de hinderpalen omver werpt en de gevaren trotseert en den strijd niet ontwijkt en zelfs noch slagen noch wonden ducht, zoo slechts de eer gered en het geweten zuiver blijft? — Zulk een Christen, die van de eene zijde vertrouwd is met Jesus' leer en leven en door het geloof in Christus wijs is geworden, maar die van de andere zijde onverschillig zich betoont en zijne hoogste belangen verwaarloost, zal er ter nauwer-nood gevonden worden. Wij kunnen het ons moeilijk anders voorstellen dan dat een waar geloovige het treffend voorbeeld van den h. Paulus tot richtsnoer neemt en niet ophoudt te bidden, dat God hem in den goeden zin des woords wijs make en bovendien sterk en vastberaden in alle omstandigheden van zijn loopbaan op aarde.

II.

Geen krachtdadiger middel om van God te verkrijgen door het gebed wat tot zaligheid van onze ziel nuttig is dan ons dankbaar te toonen voor hetgeen wjj reeds van zijne Goed-

ocr page 566

542 vier en twintigste zondag na pinksteren.

heid ontvingen. Van die waarheid was de h. Paulus zóó doordrongen, dat hij voor de Colossers ook daarom de wijsheid afsmeekte, opdat zij God den Vader immer mochten danken, voor de overgroote, nooit genoeg te waardeeren weldaden van zijne oneindige Liefde; dat zij met de innigste gevoelens van dankbaarheid bezield zouden wezen en zich ook dankbaar zouden betuigen in woorden en lofzangen niet alleen maar vooral in daden. En waarlijk, zoo ooit iemand zich daartoe door de dringendste redenen moet verplicht achten dan voorzeker de Christen. Eene korte verklaring der woorden van den grooten Leeraar der volkeren zal het ons duidelijk maken.

Eene eerste reden is deze: wij moeten den Vader danken, dewijl hlj ons waardig gemaakt heeft om deel te hebben aan de erfenis der heiligen in het licht. Het was

eene ongewone weldaad, welke God aan de nakomelingen van Abraham bewees, toen Hij hun het land van Kanaan, dat van melk en honig overvloeide, ten erfdeel en in vollen eigendom gaf; heerlijker nog was de gunst door God aan ons betoond, toen Hij, om de groote Liefde waarmede Hij ons beminde, ons, die kinderen van gramschap waren en zonderde verlossing dood door de zonde zouden gebleven zijn, na Zich in Christus met ons verzoend te hebben, geestelijk levend gemaakt en tot mede-burgers in de gemeenschap der Heiligen verheven heeft, door het Doopsel ons in de Kerk opnemende en door middel van het geloof ons rechtvaardigende. Boven alle beschryving groot is de genade, dat de hemelsche Vader ons waardig gekeurd, en bekwaam gemaakt en in staat gesteld heeft om eens deelgenooten te worden van de heerlijkheid der Heiligen in den Hemel, die in het volle licht wandelen, God van aanschijn tot aanschijn aanschouwende, Hem, die de Vader des lichts is en in het eeuwig licht troont. — Die uitverkiezing hadden wij niet verdiend, maar God, die rijk is aan Barmhartigheid, heeft ons vóór de grondlegging der wereld in Christus uitverkozen, opdat wij heilig en onbesmet zouden zijn

ocr page 567

vier en twintigste zondag na pinksteren. 543

voor zijn aangezicht; in Liefde heeft Hij ons voorbeschikt ter aanneming tot kinderen voor Zich door Jesus Christus naar het besluit van zijnen wil (Eph. L 4-7). Wij mogen ze ook niet aan onze eigene inspanning toeschrijven ; zij is niet uit ons, want Gods gave is zij, niet uit de werken, opdat niet iemand roeme (Eph. II, i9). Gelijk de roeping van God moet uitgaan, evenzoo moest ook de genade, welke ons ter beantwoording aan die verhevene roeping noodig was, van Hem komen, — de genade, welke ons het geloof schonk en het leven uit den dood, welke door de opstanding uit het graf der zonde ons tot nieuwe menschen vormde. Twee middelen brachten dien zaligen omkeer in ons binnenste te weeg. God heeft ons aan

de macht der duisternis onttrokken en overgebrackt in het

Rijk van den Zoon zijner Liefde. Wij waren machteloos uit ons zeiven iets te doen om het Rijk der Hemelen te verdienen; de zonde had ons tot slaven van den duivel verlaagd en als aan handen en voeten gebonden lagen wij in de macht van den vijand onzer zaligheid ; rondom ons heen heerschte eene akelige duisternis, welke den wil verlamde en den geest benevelde en het hart verstompte. Van die heillooze macht heeft God ons bevrijd door de kracht zijner genade en van die duisternis door het licht zijner openbaringen. De satan is overwonnen en uit zijne heerschappij ontzet; de zonde is gedelgd en de gerechtigheid ons hergeven; onze zwakheid is genezen en de moed tot een heldhaftig strijden ons ingeboezemd, terwijl het woord Gods ons een licht is geworden voor onze voeten en een fakkel op onzen levensweg. Wij zijn overgebracht in het Rijk van onzen Verlosser Jesus Christus, in dat geestelijk Rijk, waarin de waarheid zegeviert en de deugdzaamheid bloeit en de liefde werkzaam blijft; waarin de ware vrede ook bij den hevigsten strijd genoten en eene kroon van eeuwige glorie veroverd wordt; waarin de moedige kampvechter alles vindt, wat hem ter overwinning helpen kan. Nadat hij in Jesus' Bloed verlossing uit de slavernij

ocr page 568

544 vier en twintigste zondag na pinksteren.

des duivels en uit de boeien des eeuwigen doods, ook vergiffenis der zonden verkregen heeft, is hy van zijne knellende ketenen bevrijd en staat ten strijde uitgerust; hy is geheeld van zijne wonden, nieuwe krachten z\jn hem ingestort en de machtigste wapenen ter afweer en ten aanval gegeven. Zoo hy volharden wil, vermag hij de roemrijkste zege te behalen en een naam te verwerven, welke in het boek des levens zal worden opgeteekend met onuitwischbare letteren.

Of dankbaarheid voor ons allen verplichtend is mag en kan ook nimmer meer betwijfeld worden. God heeft zijn eigen Zoon niet gespaard, maar Hem voor ons allen overgeleverd ; en die Vader, welke uit oneindige Liefde zijn Zoon in den dood overgaf, heeft ons dus niets onthouden van wat ons ter zaligheid noodig is maar met Jesus alles gegeven, waaraan wy behoefte hebben. (Rom, VIII, 32). Christus is ons van God geworden Wijsheid en Rechtvaardigheid en Heiligmaking en Verlossing, alles dus, wat ons naar het eeuwig heil voert. (I Corinth. I, 30). Wijsheid „wantquot; — aldus verklaren wy met den h. Thomas die woorden des Apostels — „door Hem „aan te hangen worden wij wys met die wysheid, welke uit „God en aan de zoogenaamde wijsheid der wereld vijandig „is; door het geloof aan Hem worden wij gerechtvaardigd, „daar het geloof de wortel en de grondslag is der rechtvaar-„diging; door Hem worden wij met God vereenigd, waarin „onze heiligheid bestaat; door Hem zyn wy verlost van de „slavernij der zonde, welke onze verlaging was.quot;

Een grooter troost in allen nood kon ons niet gegeven worden; want al zouden wij ook niets bezitten of alles [hebben verloren, na een korten tijd zullen wy ons in het genot van een onvergankelijk goed mogen verheugen ; al moeten wij nu over lyden klagen, niet ver meer af is de blijde dag, waarop alle traan wordt afgewischt en geen rouw noch leed meer wezen zal; al worden wij nu veracht en vernederd,

ocr page 569

VIER EN TWINTIGSTE ZONDAG NA PINKSTEREN. 545

eens slaat het uur, waarin wij zullen verheven en met glorie gekroond worden, waarin alle droefheid in vreugde ver-keeren en God zelf ons overgroot loon wezen zal. Er leeft dan ook geen mensch op aarde, veel minder nog een Christen in Jesus' Kerk, die niet met de volgende oproeping, door den koninklijken profeet tot zich zeiven gericht, moet instemmen : loof, mijne ziel! den Heer, mijne ziel! en geheel mijn binnenste leve zijnen heiligen Naam ! Loof, mijne ziel! den Heer en vergeet niet eene van zijne weldaden! Loof Hem. die al uwe zonden vergeeft; die al uwe krankheden geneest: die u van den dood redt; die u kroont met Goedertierenheid en Erbarmingen ; die u goederen verschaft naar wensch; uwe jeugd wordt vernieuwd als eens adelaars (Ps. CII, 1 —6). En hoe moet die lofzang luiden en hoe ver klinken ? Het voorbeeld van den vromen David zij ons hierin een richtsnoer. Ik wil den Heer loven te allen tijde; zijn lof zij gedurig in mijnen mond. Mijne ziel roemt in den Heer; dat de bedrukten het hooren en zich verblijden. Prijst den Heer met mij; laat ons met elkander zijnen Naam verheerlijken. Ik zocht den Heer en Hij verloste mij uit al mijne benauwdheden (Ps. XXXIII, 2 — 6). Zijn Naam zij eeuwiglijk gezegend, hijn Naam blijft voor het aanschijn der zon, en alle stammen der aarde zullen in Hem gezegend icorden, alle volken zullen Hem verheerlijken. Gezegend zij de Heer, de God van Israël, die wonderen doet. Hij alleen. En gezegend zij de Naam zijner Heerlijkheid voor eeuwig; en de gansche aarde worde vervuld van zijne Heerlijkheid (Ps. XXI, 17—21).

35

%

Verklaringen der Epistelen II.

ocr page 570

BESLUIT.

We est dankbaar; dit was een der vele voorschriften, welke de h. Paulus aan de Colossers gaf. Dat alle Christenen daaraan te beantwoorden hebben, is in bovenstaande regelen genoegzaam bewezen. Inzonderheid drukt die verplichting — en het is mij eene behoefte dit openlijk te erkennen — op mij, nu ik de laatste bladzijde schrijf van het werk, dat eene verklaring der Epistelen, op de Zondagen in de kerken gelezen, beloofde te geven. Hier uit te weiden over de studie en inspanning, welke die arbeid mij gekost heeft, acht ik even overbodig als een lijstje op te maken van de schrijvers, welke ik geraadpleegd heb. Men veroorlove mij echter dit alleen op te merken. Die zelf niet beproefd heeft, om eenige van die Epistelen achter elkander in hun geheel op duidelijke wijze voor de geloovigen te verklaren, zal nimmer bevroeden, hoe vele en hoe groote moeielijkheden moeten overwonnen zijn, vóórdat de diepzinnigste waarheden, de gewichtigste zedelessen en de belangrijkste geschiedkundige bijzonderheden uit het Oude Verbond op bevattelijke wijze voorgesteld en verstaanbaar gemaakt zijn ook voor hen, die geene bijzondere studie van die onderwerpen konden maken. Of ik daarin geslaagd ben, daarover blijve het oordeel aan den lezer. Doch in waarheid kan ik getuigen, dat ik gedurende zes jaren den velen tijd, waarover ik om mijne persoonlijke omstandigheden kon beschikken, schier geheel besteed heb aan de studie voor het omvangrijk werk, wat te

ocr page 571

BESLUIT.

schrijven ik mij had voorgenomen. Waarlijk, eene homeletische verhandeling over Evangelische verhalen of over gedeelten uit de brieven der Apostelen is niet zoo gemakkelijk als gedacht wordt, en vergt grooten toeleg, zoo men althans op elk woord nadruk wil leggen en zich niet van alle verplichtingen ontslagen acht door het uiteenzetten van de eene of andere gedachte. De moeilijkheid, aan zulk eene bespreking onafscheidelijk verbonden, wordt nog hierdoor vergroot, dat in de Epistelen veel meer nog dan in de Evangeliën dikwijls gelijkluidende voorschriften en vermaningen voorkomen. Om dan niet in herhaling te vervallen, moest b.v. dezelfde deugd of ondeugd van alle zijden worden beschouwd. Deze noodzakelijkheid werkte er wel toe bij, dat een geheel van praktische leeringen verkregen werd, maar vereischte ook uitgebreidere en dieper-gaande studie. Ben ik, — en het is mij een groot genoegen hier mijne hartgrondige erkentelijkheid te kunnen betuigen aan al die schrijvers, welke in tijdschriften en dagbladen van mijne «verklaringen »der Epistelen'- met lof gewaagden — ben ik niet verre beneden het onderwerp gebleven, dat ik wenschte te behandelen; heb ik op eenigszins waardige wijze de taak afgewerkt, welke ik mij had voorgeschreven, dan zij aan God en aan God alleen alle eer gegeven en den goeden Gever aller gaven daarvoor de hartelijkste dank gebracht. Al mijne genoegzaamheid was uit God en zonder zijne genade vermocht ik niets. Hij, ik mag dit vertrouwen, spoorde mij door den mond van belangstellende vrienden aan om dit moeilijk werk te ondernemen; Hij leende mij de kracht en boezemde mij den moed in en gaf mij het noodige licht om het te beginnen en te volbrengen ten einde toe. Ook daarvoor wil ik den Heer prijzen mijn leven lang; lofprijzen mijnen God, zoolang ik er ben (Ps. CIII, 33), en evenals het Israëlietische volk deed tot God de bede richten: doe eere niet aan ons maar wel aan uwen Naam (Ps. CXIII, 1).

Zoude ik mogen hopen, dat mijn arbeid niet onvruchtbaar blijven zal, dat het zaad door mijne hand uitgestrooid op goede aarde gevallen is ? Aan de kracht van het verkondigde woord valt niet te twijfelen : de verhevenste geloofswaarheden, de leerrijkste vermaningen, de troostrijkste lessen werden beurtelings

547

ocr page 572

BESLUIT.

uit de brieven van de h.h. Apostelen ons voorgehouden en met klemmende redenen aangedrongen. Aan geene enkele opwekking ten goede, aan geene vingerwijzing naar het eenig ware doel, dat bereikt moet worden, aan geene waarschuwing tegen het kwade, aan geene bedreiging met straf, als niet geluisterd wordt naar de stem, welke ons uit den Hemel toesprak — aan niets, wat voor ons godsdienstig leven nuttig was, heeft God het ons laten ontbreken. Elke Christen, van welken staat of ouderdom hij ook zij, vindt in de h.h. Schriften des Nieuwen Verbonds een licht ontstoken op zijn levenspad, een spoorslag om onvermoeid den weg van Gods geboden af te loopen tot aan den laatsten eindpaal, waar een eeuwig geluk begint; eene bemoediging om ook in den heetsten strijd te blijven dingen naar de kroon der eeuwige glorie. Het overwegen van de woorden des levens kan hem wijs maken en voorzichtig in den goeden zin des woords, waakzaam in de gevaren, behoedzaam tegen eiken vijand en hem de schitterendste overwinningen vergemakkelijken.

Aan wie zullen die nimmer genoeg te waardeeren voordeelen verzekerd wezen ? Zalig zij, die het woord Gods hooren en het bewaren, lezen wij bij den h. Lucas (XI, 28); het gold alreeds bij de oude Heidenen als een vaststaande grondregel, »dat een »ieder diende te weten, wie hij was en hoe hij wasquot; ; van dezen algemeenen stelregel: »ken u zeivenquot; hebben de Apostelen en de Kerkleeraars en de Heiligen zoowel de dringende noodzakelijkheid als het groote nut bewezen; »wilt gij volmaakt we-»zen, zorgt danquot; — zeide een Heilige — »te vermijden, wat u »in anderen mishaagt.quot; Welnu, geen boek bestaat er, dat met grootere kracht het woord Gods verkondigt, ons de noodzakelijke zelfkennis in meerdere mate geeft en duidelijker de gebreken, welke te vermijden zijn, aanwijst dan de brieven der Apostelen van Jesus. Wie ze met aandacht leest en het geïezene overweegt, zal verlicht en onderricht worden, zal zich aangespoord en bemoedigd gevoelen van die hoogte der beschouwing af te dalen in het strijdperk, waarin eene kroon van onvergankelijke glorie verdiend wordt. In die brieven leeren wij hoe God en den naaste op plichtmatige wijze te beminnen, en de liefde in

548

ocr page 573

BESLUIT.

daden om te zetten; hoe uit het geloof te leven en de plichten naar behooren te vervullen, de geschonkene vermogens en krachten goed te gebruiken en over alle moeielijkheden te zegevieren. Of dit alles dan zoo noodig is voor ieder ? Het kost den mensch zeer groote moeite zijne tijdelijke aangelegenheden naar behooren te regelen en te bezorgen; nog meer inspanning wordt van hem gevergd als er spraak van is om in geenen deele te kort te schieten in de zorg voor zijne eeuwige belangen. Dan vooral heeft hij behoefte aan een vertrouwbaren raadsman, welke hem de beste middelen aan de hand geeft, den eenig waren weg aanwijst en hem waarschuwt voor de gevaren, waaraan hij blootgesteld is; dan moet hij een volledig leerboek kunnen opslaan, waarin te lezen staat, welke driften, welke der menschen-natuur aanklevende eigenschappen, zwakheden en gebreken eene hindernis opleveren voor het veroveren van den Hemel. Die raadgever en zulk een leerzaam boek worden nergens beter gevonden dan in de Apostolische schriften. Ondervraagt den wijste en den heiligste, doch niemand zal u zoo overtuigend bewijzen, dat er geen twee wegen zijn, welke naar de eeuwige zaligheid geleiden ; dat er geen twee Hemelen zijn, eene hier op aarde en een andere aan gene zijde des grafs, en dat derhalve de aard-sche om den hemelschen dient te worden verzaakt om een eeuwigen te winnen ; maar ook dat wie aan de genietingen der wereld de voorkeur geeft daardoor afstand doet van de vreugde van Jesus' Rijk. En die lessen van ware levenswijsheid worden gegeven met alle vrijmoedigheid, waartoe de Apostelen gemachtigd waren door hunne bediening; zonder bitterheid maar met openhartigheid; zonder de gevoeligheid van iemand te sparen maar in den geest van christelijke liefde en met de heilige bedoeling om allen nader tot God te brengen, tot wie zij hunne leerzame vermaningen richtten.

Mijn laatste woord is een wensch. Moge God zijn zegen over dit werk doen nederdalen, opdat het zijne eer bevordere en den Naam des Heeren verheerlijke; opdat het de schatten van ware wijsheid en christelijke wetenschap al meer en beter doe kennen, welke in het heilig Woord van God besloten zijn;

549

ocr page 574

BESLUIT.

550

opdat het de verlosten van Jesus aanspore den eenigen weg in te slaan en ten einde toe af te loopen, welke naar den Hemel geleidt; opdat het tot nut verstrekke van allen, die lidmaten zijn van die groote familie, welke wij »de Katholieke Kerkquot; noemen, zóódat zij èn een dieper inzicht verkrijgen in de hooge belangrijkheid van hunne verplichtingen èn zich opgewekt gevoelen ze met nauwgezetheid te vervullen.

ocr page 575

INHOUD VAN HET TWEEDE DEEL.

Het Paaschfeest.

Bladz.

Dit verplicht ons

I. tot het zuiveren der ziel van zonden;

II. tot het versieren der ziel met deugden...... 1—90.

Zondagen na Paschen.

1ste. De h. Joannes leert

I. de wonderbare kracht van het geloof in Jesus Christus;

II. de onfeilbare waarborgen voor de waarachtigheid van

dat geloof................. 20—36.

2lt;i«. De h. Petrus leert ons,

I. dat wij allen om Jesus moeten lijden;

II. hoe wij moeten lijden............. 36—55.

3de. Wij allen zijn verplicht

I. een onberispelijk en stichtend leven te leiden;

II. aan de Overheid onderdanig te wezen, zoolang hare

wetten niet in tegenspraak komen met eene hoogere wet. 55 —70. 4de. Met de woorden van den h. Jacobus bewijzen wij,

I. dat alle goed van God komt;

II. dat wij meer gebruik van het gehoor dan van de tong moeten maken............... 70—86.

ocr page 576

Bladz,

5lt;ie. Wij bespreken deze twee onderwerpen:

I. waarom is het geloof alleen niet genoegzaam ter zaligheid;

II. waarom moet aan noodlij denden barmhartigheid betoond

worden ?................. 86—102.

Het Feest van Jesus' Hemelvaart.

Wij geven het antwoord op deze twee vragen:

I. welke glorie geniet Jesus in den Hemel;

II. welke voordeelen zijn ons door Jesus' Hemelvaart

verzekerd?................102 — 119

Zondag na Jesus' Hemelvaart.

De h. Petrus wilde, dat de geloovigen waren

I. ten opzichte van zich zeiven bedachtzaam, waakzaam en volhardend in het gebed;

II. ten opzichte van den naaste liefdevol, gastvrij en mededeelzaam................119—136.

Het Feest van Pinksteren.

Wij overwegen,

I. welke verandering de H. Geest in de Apostelen bewerkte;

II. welke verandering wij van zijne nederdaling in ons

hart mogen verwachten............ 136—155.

Het Feest der Allerh. Drievuldigheid.

Deze twee onderwerpen vragen onze aandacht:

I. hoe werkt God ;

II. wat zijn wij aan Gods Liefde verschuldigd ? ... , 186—200.

H. Sacramentsdag.

Wij beantwoorden deze twee vragen:

I. wat doet Jesus voor ons in het H. Sacrament;

II. wat moeten wij voor Hem doen ?........ 209—216.

Zondagen na Pinksteren.

1ste. Wat leert ons de h. Joannes

I. omtrent de liefde tot God, en

II. omtrent de liefde tot den naaste ?........156—171.

2de. De volgende waarheden leert de h. Joannes:

I. de wereld haat den deugdzame, en deze vindt zijn troost in het kindschap van God;

ocr page 577

Bladz.

II. wij, Christenen, mogen onze vervolgers niet haten,

maar moeten hen beminnen..........171—186.

3de. Wij zijn verplicht

I. ons onder Gods hand te vernederen en op Hem te

blijven vertrouwen;

II. moedig te blijven strijden met de hoop op de eind

overwinning .................215—231.

4de. V/ij moeten ons een duidelijk denkbeeld vormen

I. van hetgeen de h. Paulus leert aangaande het lijden en

II van de gevolgtrekkingen, welke hij uit zijne leer

maakt.................. 231 — 246.

5de. Wij vragen :

I. waartoe spoort de h. Paulus in naam van God aan;

II. wat belooft hij in Gods naam ?...... . 246 —261.

gde. Wij moeten

I. gestorven zijn aan de zonde en

II. leven voor God............... 261—277.

7de. Uit de vermaningen van den Apostel maken wij deze gevolgtrekkingen:

I. de zonde moet vermeden worden om hare schadelijke gevolgen;

II. de deugd moet beoefend worden om hare zalige vruchten..............., . . 277 -293.

8ste. Laten wij ons van deze waarheden doordringen:

I. de strijd, waartoe de h. Paulus oproept, is roemrijk;

II. de belooning aan den overwinnaar beloofd, is schitterend ...............■ . . 293—308.

9de. Door de toepassing, welke de Apostel uit de vóórafbeeldingen van het Oude Verbond op het godsdienstig leven maakt, leeren wij,

I. welke zonden moeten vermeden worden en waarom;

II. op wien te hopen is in den strijd tegen het kwade . 308—323. IQde. Wij moeten ons overtuigd houden, dat

I. valsche leeraars te erkennen zijn;

II. de gaven des H. Geestes in anderen te eerbiedigen

en met dankbaarheid te huldigen zijn...... 323—338.

11de. Wij bepalen ons tot het bespreken van deze twee onderwerpen :

I. hoe de h. Paulus en na hem de h. Kerk predikte;

ocr page 578

Bladz.

11. van het vasthouden aan het Evangelie hangt onze

zaligheid af................. 338—352.

12iie, Wij leeren van den h. Paulus, dat hij

I. aan Gods genade alles verschuldigd was, en

II. door die genade een bedienaar was van een beter verbond dan het Oude was............ 352—366.

13de. Wij trachten ons een duidelijk denkbeeld te vormen I. van de belofte door God aan Abraham gegeven, en n. van de leeringen daarin voor ons opgeteekend . . . 366—381. 14de. De h. Paulus leert in dezen Epistel,

I. welke zonden door den Christen te vermijden.

II. welke deugden door hem te beoefenen zijn .... 381-396. 15lt;ie. Uit den Epistel van dezen dag leeren wij,

I. dat wij geen ijdelen roem mogen zoeken, met zachtmoedigheid berispen en meenen moeten niets te zijn;

II. dat wij aan wie ons onderrichten dankbaar zijn en aan

allen weldoen moeten............ 396—414.

16lt;ie. Een voorbeeld voor ons 'S I de lijdende en

II. de biddende h. Paulus............ 414 - 428.

17de. De Apostel leert,

I. hoe een Christen wandelen moet, en

II. waarom zulk een wandel van den Christen gevorderd

wordt...................428—443.

ISde. Het is onbetwistbaar, dat wij

I. rijk zijn geworden in alle leer en kennis, en II. mogen verwachten, dat Jesus ons standvastig zal maken

ten einde toe................ 443—456.

19de, Uit Paulus' vermaningen maken wij op,

I. hoe wij ons moeten vernieuwen, en

II. welke ondeugden te vermijden zijn....... 456—471.

20ste. Wij vernemen van den h. Paulus het antwoord op deze twee gewichtige vragen;

I. waarin bestaat de ware wijsheid, en

II. waardoor wordt zij verloren, waardoor volmaakt? . 471—485. 21ste. De Apostel geeft het antwoord op deze vragen :

I. welke zijn onze vijanden en hoe moeten zij bestreden worden;

ocr page 579

Bladz.

II. welke zijn de wapenen, waardoor zij overwonnen kunnen worden ?...............

923*9, De lof door den h. Paulus aan de Philippiërs gegeven en de bede door hem voor hen hemelwaarts opgezonden leeren ons,

I. wat wij voor onze Moeder, de h. Kerk, moeten zijn, en

II. wat wij van hare zorgvuldige liefde mogen verwachten ..................501—516.

23ste. Naar aanleiding van Paulus' woorden overwegen wij,

I. welke voorbeelden zijn na te volgen, welke te verfoeien ;

II. hoe dient onze wandel in deze wereld te zijn. . . 516 -531.

24ste. Wij stellen ons deze vragen ter beantwoording voor:

I. welke gaven moeten wij voor de toekomst van God afbidden, en

II. voor welke gaven vooral, ons reeds vroeger gegeven,

485-601.

moeten wij God danken?........... 531 -546.

Besluit

546-551.

ocr page 580

Imprimatur:

H. J. BORGHOLS, Lihr. Cens.

Amstelodami, Die 10 Febr. 1900.

ocr page 581
ocr page 582
ocr page 583