^OUWWff-INSmtMI KOOR PI!!M G 5-IV
DE NEDERLMDSCHE
RECHTSPRAAK
GEBRACHT OP DE ARTIKELEN VAN HET
WETBOEK
VAN
BURGERLIJKE RECHTSVORDERING
DOOR
Mr. W. VAN ROSSEM 3e Supplement
Bijgewerkt tot 1 Januari 1908
's-GRAVENHAGE
BOEKH. vn. GEBR. BELINFANTE 1908
1 )k n ki)e1 i i. a m)s(; 111; i! i;('hts l'lt a a k
llKTUKFFK-NnK HEI
WETBOEK VAX BI RGKRLIJKE RECHTSVORDERING
molengraaff instituut voor privaatrecht ' nieuwe gracht óo utrecht
CML-\
vv^.
b'
--------
(lediukt luj F. .i I1KI.INKANTK, voorh.: A. 1). SCHINKF.l. --â gt; --
BMÃHH
0704 0169
^â vhs fa*)
UK NKDERLANDSCiïK
RECHTSPRAAK
(lEHUACIIT OP DK ARTIKELKN VAN HKT
WETBOEK
Mr. W. VAN ROSSEM
3- Supplement
Bijgficcrkt tot 1 â hinuari 1!lt;o8
rr.
MOLENGRAAFF INSTITUUT VOOR PRIVAATRECHT fcJJEUWE GRACHT 60 UTRECHT
's-lt; i K A V KNIIAGE
BOKKII. vu. (ïEHR. BEL IN KANT K 1908
WET HO EK
VAN
BURGERLIJKE RECHTSVORDERING.
EERSTE BOEK.
Art. 1.
â _'4. Add. Vereeniging van meerden- vorderingen liij één exploit.
In den zin van het air. Mof's-Gravenhage 23 Oct. 1893 is beslisl bij vonnis der arr.-r. Leeuwarden 27 Febr. 1902, W. no. 7709.
Bij vonnis der arr.-r. Breda :!l Dec. 1901, W. no. 7740 werd uitgemaakt, dat de wet nergens verbiedt meerdere vorderingen legen ei'-n gedaagde samen te voegen, voor zoover daardoor de betrekkelijke bevoegdheid des rechters niet wordt gewijzigd of uitgebreid.
40. Al constateert de deurwaarder in liet exploit, lt;lat dc persoon met wien hij sprak, gemachtigd was het exploit aan te nemen, zoo neemt zulks niet weg. dat dat exploit, niet ter woonplaatse van gedaagde beteekend, niet voldoet aan deze bepaling, zoodat bij verstek het exploit dient nietig verklaard te worden.
Hol' 's-Gravenhage 30 April 1900, W. 7409.
41. Eene uitdrukkelijke vermelding in het exploit, dat do persoon, met wien de deurwaarder ten huize, waar liet exploit werd uitgebracht, sprak, ook aldaar woonde, is nergens voorgeschreven.
Arr.-r. Amsterdam I Dec. 1905, \V. 8433.
Lkon, Kfchlspraak '*o druk. Doel II, AH. Suppl.
(Mr. NV. van IJossfm. Uiivtj. /itchlsv,, Mo Suppl.)
1
Art. 4.)
Art. 4.
â¢2. .\(Ul. Vergelijk niet liet vermeld vonnis der arr.-r. Amsterdam 'il Febr. 1890, liet vonnis Hierzolfde rechtbank van 15 Jan. 1904, \V. 810S, ten betooge dat uit no. 4 van dit art. niet valt af te leiden, dat eene naamlooze vennoot-seliap in liqnidatie nog een jus standi in judicio zou hebben.
Zie nog met de bepaling van no. 4 in verband de navolgende beslissing:
Waar uit ile dagvaarding niet blijkt van eene vennootsehap onder firma is de beteekening âten kantore van de ITeeren van der Poel en Barendregtquot; niet wettig, al zegt de deurwaarder gesproken te hebben met den Heer v. d. Poel. lid dier firma.
Arr.-r. Amsterdam 4 Nov. â¢190.'i, W. 8046, vern. bij arr. Hof Amsterdam ;il Dec. W. 8053, bij welk arrest is beslist, dat, waaide deurwaarder dagvaardde «van der Poel en Barendregt», gevestigd en kantoor houdende te R., daaruit voldoende blijkt, dat is bedoeld de benaming van eene handelsvereeniging, wat nog bevestigd wordt door het bovenaangehaald relaas van den deurwaarder.
7. Add. Zie in vervolg op het aangehaald schrijven van mr. .litta; dezelfde in W. 7397.
KI. In den zin van mr. Oudeman is beslist bij arr. Hof 's Bosch 'iü Juni 1906 W. 748-2, dat nam. eene vóór den altoop van het jaar gemaakte boedelscheiding geene verandering brengt in dit voorschrift.
Vergelijk mei betrekking tot de bepaling van no. 0 van dit artikel navolgende beslissing:
In dit artikel wordt den eischer eene bevoegdheid toegekend, cjeene verplichting opgelegd.
Heeft de eischer van deze bevoegdheid gebruik gemaakt, dan moet hij zich ook neerleggen bij de opgave, die de op de dagvaarding als zoodanig in het geding verschijnende partijen hem verstrekken en kan eischers bewering daartegen, dat hij andere dan de verschenen personen heeft bedoeld te dagvaarden, geen gevolg meer hebben.
Rechtbank Arnhem 7 Februari 1901, W. 7ti57.
31. Add. Aan een hervormde diaconie moet de beteekening van een exploit geschieden niet aan den administreerenden diaken, maar aan den president van den kerkeraad.
Arr-r, It recht 11 Dcc. l;K)i, \V. 7770.
'Mi. Aiht. 'IVrwiJI liij Ik'I vci'iiiolil vonnis der arr.-r. .Miiasli icht van 18 April IS89 werd uitgemaakt, lt;lal na (it' Ijeteekening der soninialie op de wijze van no. 8 van dit art. een later aanbod de in niora.stclling niet meer Kan te niet doen, omdat het exploit moet yeaclit worden ter woonplaatse van den buitenlander te zijn beteekend, is bij vonnis der arr.-r. den Haag 2 Mei 1900, \V. 7450, beslist, dat het parket van den ambtenaar O. M. niet geldt als woonplaats, waar aanbod van gereede betaling zou kunnen worden gedaan.
'â Vt. Add. In den zin van de vermelde beslissing Kng. Maastricht 19 Aug. 1884 werd beslist bij vonnis Kng. Haarlem Juli 1903, \\ . TO.quot;)!;, dat ook in Kantongerechtszaken ten aanzien van buitenlanders de beteekening moet geschieden aan den ambtenaar van het O. M. bij het Kantongerecht.
Anders mr. W. van Kossem, het Ned. Wh. v. B. Rv. p. '28.
39. Onbekende meclo-erfgenamen kan men niet dagvaarden op de wijze al^ liij no. 7 van dit artikel is voorgeschreven.
Arr. van -18 Nov. 1904, W. 8146, waarbij werd overwogen dat no. 7 juist uitgaat van de veronderstelling dat de namen van gedaagden wel bekend zijn. liij dit arrest werd het beroep in cassatie verworpen tegen arr. Hof Amsterdam 16 Oct. 1902, \V. 7868.
40. Schippers, die met hun vaartuig slechts tijdelijk ergens in liet buitenland vertoeven, kunnen niet begrepen worden onder hen. die buiten 's lands wonen, d i. die aldaar hun hoofdverblijf hebben, als bedoeld in art. 4 8quot;. Kv.
Hof Den Haag 3 Juni 1901, W. 7655.
41. Onder âwerkelijk verblijf'7 in art. 4 n0. 9 lgt;. R. is te verstaan de plaats waar de vrouw gewoon is te verblijven, al is zij er niet onafgebroken persoonlijk tegenwoordig.
Arr.-r. Utrecht 22 Febr. 1905, W. 8190.
Art. 5.
5. Add. In den zin van den 11. Raad (arr. van 20 Dec. 1895) is beslist: bij arr. Hof Amsterdam 9 April 1900, W. 7476, arr. Hof Arnhem 25 Maart 1903, \V. 7947 en vonnis arr.-r. Mreda 10 Dec. 1901, W. 7751.
Vergelijk ook navolgende beslissingen :
Dit artikel kan niet zijn gesehonden waar door den eersten rechter de eisch niet-ontquot;ankelijk is verklaard, als niet gerechtvaardigd door den grondslag.
Arr. 13 Maart lOUH W. 7897.
Art. 5.)
De onvoklooiule omschrijving van liet oiultTwerp eu ilo middelen van den eisoh heeft nict-ontvankelijkverklarinu: tengevolge en niet de nietigheid der dagvaarding.
Arr.-r. Hotterdaui lü Jan. 1905, W. 8305.
Waar de eisehende vereeniging het recht niet heett onder haren collectieven naam in rechten op te treden, moet niet de dagvaarding worden nietig verklaard, maar moet de eiseh niet ontvangen worden.
Arr.-r. Rotterdam -22 April 190:i, W. 8020.
Waar de dagvaarding niet bevat de reclitsi'eiten, welke de vordering als gevolg daarvan zouden kunnen en moeten rechtvaardigen, moet de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.
Arr.-r. s-Gravenhage 10 Oct. 1000, W. Ih'ü.
y. Add. Verg. met de beslissing der arr.-r. Leeuwarden 25 Maart 1897 navolgende uitspraak :
Deze bepaling is van openbare orde; door do statuten cenernaam-looze vennootschap kan dus daaraan niet worden gederogeerd.
Arr.-r. Breda 4 Nov. 1902, W. 7957.
Zie nog ten betooge dat waar een zedelijk lichaam in rechten optreedt, liet onnoodig is te vermelden dat liet een bestuur heeft, arr. Hof Arnhem 9 .lan. 1907, W. 8571.
13. Add. Waar de dagvaarding een voornaam des eischers inhoudt, al is die niet de ware. kan geene nietigheid volgen.
Arr. 12 Febr. 1904, W. 8035, idem Hof 's-Ilage 29 Dec. 1902, W. 7890; verg. ook arr. 27 Deo. 1901, W. 7704.
Verg. navolgende beslissingen :
Staat in de dagvaarding niet de ware woonplaats van een der geïntimeerden, daargelaten ot' dit zou strijden met het vereiscbte dei-dagvaarding. zoo kan een mede-geïntimeerde in geen geval hieraan een grond ontleenen voor het middel vau niet-ontvankelijkheid van het appèl.
Hof Amsterdam 9 Nov. 1900, W. 7574.
Het is niet de vraag of' de middelen juist zijn, maar of er middelen zijn, als hoedanig ook ramingen, gissingen kunnen in aanmerking komen, omdat ook deze duidelijk kunnen zijn gesteld.
Arr.-r. Rotterdam 2'f Nov. 1902. \V. 7902.
4
(. IW. â quot;).
IK. Add. Vergelijk hiertoe betrekkelijk navolgende heslissing :
Uit het onbepaald zijn der waarde van eene vordering (in easn tot betaling van een zeker bedrag ol' zooveel meer of minder als de rechter zal oordeelen), gelijk o. a. van eene vordering tot .schadevergoeding nader op te maken bij staat, mag niet worden afgeleid dat de dagvaarding mist de duidelijke en bepaalde conclusie.
Arr. 18 April quot;1902, W. 7757, vern. arr. Hof üen Haag 17 Juni 1901, W. 7007; anders vonnis arr.-r. 's-llage 21 Jan. 1902, W. 78.V7 en arr.-r. Utrecht 24 Juni 1903, \V. 8000, waarbij zoodanige vordering niet-ont-vankelijk werd geoordeeld ; verg. ook aant. 17.
Zie weder navolgende uitspraken :
Waar bij eene vordering tot onderhoud is gevorderd eene zekere som per week of zooveel meer als de Rechtbank zal oordèelen. is deze conclusie wel niet bepaald, maar bij eene zoodanige vordering behoeft de eisch van bepaaldheid niet in alle strengheid te worden toegepast.
Arr.-r. Utrecht 14 Oct. 1903, W. 7992.
Waar gedagvaard i.s tot betaling van Æ 240.â of zooveel meer of minder als de rechtbank zal bepalen en uit eene vroegere sommatie in verband met de houding van eischer in eersten aanleg blijkt, dat eischer niet de bedoeling had meer te vorderen dan het gefixeerde bedrag, dan kan de eisch niet van onbepaalde waarde beschouwd worden en moet aan de woorden zooveel meer geen verder gewicht gehecht worden, zoodat liet vonnis ook niet is appellabel.
Hof quot;s-llage 12 Febr. 1900, W. 7154.
Wanneer eene bepaalde som in liet petitum der dagvaarding is gevorderd, dan heeft geen invloed op hare deugdelijkheid, dat in het lichaam der dagvaarding is gesteld, dat eischer het verschuldigde schat op een zeker bedrag of zooveel meer of minder als de rechtbank zal oordeelen.
Arr.-r. Hoiterdani 10 Xov. 1902, \V. 7057.
20. .!(/(/. Vergelijk ook navolgende beslissing:
Waar uit de dagvaarding in haar gehed genomen duidelijk blijkt, waarop de vordering is gegrond, al wordt dit niet met zoovele
.1 rt. ö.)
woorden in (ie âuangeziensquot; vermeld, daar k;in niet ge/egil worden dat de grond ontbreekt.
Arr. Hof Leeuwarden '11 Fobr. 1901, \V. 7507, vern. vonnis arr.-r. lleerenveen '20 Api'il l'.tOO, ibidem.
Vergelijk met liet vermelde vomiis der arr.-r. 's-Hage dd. 18 October 1889 het vonnis der arr.-r. Breda 13 Oct. 1903, \V. 8044, ar r. Hof Leeuwarden 0 luni 19o0, W. 7516 en arr.-r. Utrecht lquot;i Nov. 1902, W. 7800.
48. Add. Verg. ook navolgende beslissing;
Al mocht van enkele rechtsfeiten verduidelijking gewensclit zijn zoo kan daarmede nog niet gezegd worden, dat de dagvaarding wegens gebrek aan middelen nietig is.
Arr.-r. 's-Gravenhage '21 Juni 1899, \V. 7395.
57. Add. De ari-.-r. te's-Graveuliage (vonnis 5 Dec. 1899, W. 7373) laat in het midden of ambtshalve mag worden nietig verklaard, maar gaat toch ambtshalve de vraag na ol' er termen zijn tot nietig verklaring.
Verg. navolgende beslissing :
Waar oen cisch tot nitkeering van levensonderhoud bij dagvaarding door eischeres gelijktijdig met do actie tot echtschoiding is ingesteld, behoort eerstgenoemde cisch ook te bevatten, op straffe van nietigheid. de middelen en liet onderwerp van den eisch. Xu deze ontbreken en alleen eene conclusie is gesteld, zou do dagvaarding nietig moeten worden verklaard (geheel ?) wanneer do gedaagde daartoe had geconcludeerd.
Xu deze dat niet heeft gedaan, behoort do Rechtbank uit do nadere gegevens in hot geding liet verzuim in de dagvaarding aan te vullen.
Air.-r. Amsterdam Ã(i .luni 1903, W. 7968.
(gt;
07. Add. Zie over de vraag wat moet verstaan worden onder de middelen, waarop een eisch steunt, arrest van 25 Jan. 1907, W. 8494, alwaar is beslist dat in het algemeen daaronder te verstaan zijn de rechtsfeiten, d. w. z. die feiten en omstandigheden, waaruit de eischer het door hem beweerde recht afleidt; dat het dus bij de in art. 450 B. Rv. bedoelde dagvaarding niet voldoende is te stellen dat de goederen zijn het eigendom des eischers. Verg. ook arr.-r. Tiel 24 .luni 1904, \V. 8201 ; arr. Hof Den Haag '28 Doe 1904, W. 8198.
73. Add. In (1 enze 1 I'deii zin arr. Hui' Arnhem '22 .Fan. 1902, \V. 7780.
{Art. 5.
Zie ouk navolgende beslissing:
Het is niot verboden om bij dagvaarding, waarin alleen van de slotsom der debet- en creditposten eener rekening wordt melding gemaakt, te verwijzen naar eene rekening-courant, mits maar vaststa, dat gedaagde deze in handen heeft gekregen, opdat hij in staat zij dadelijk bij conclusie zich te verweren.
Ari'.-r. Amsterdam .'!Ã Juni IttOli, W. 8045. Zie ook hetzelfde aangenomen ten aanzien van verwijzing naar gespecidceerde rekeningen bij arrest van 13 Deo. 1901, W. 7608.
87. Adil. Vergelijk navolgende beslissing :
Wanneer echtelieden worden gedagvaard, moet ook de vrouw bij name worden genoemd en kan niet volstaan de aanduiding: A. en zijne echtgenoote. In dat geval moet ten haren opzichte de dagvaarding worden nietig verklaard.
Kng.pl. quot;s-IIage 20 Juni 1902, \V. 7844.
De eischer bleef na dit vonnis vorderen veroordeeling van de beide gedaagden, waarop de Kng.pl. bij vonnis van 11 Juli 1902, \V. 7870, ambtshalve den eischer in zijne vordering niet ontvankelijk verklaarde.
80. Add. In denzelfden zin beslist bij vonnis der arr.-r. Amsterdam 14 Dec. 1900, VV. 7582.
104. Add. Verg. navolgende beslissing:
Met stellen van handelingen die sedert eeniye jaren plaats hebben, bevat voldoende aanduiding van tijd der gewraakte handelingen.
Arr.-r. Almelo 18 April 1905, \V. 8405.
107. Waar de rechter a quo tot de beslissing, dat de gedaagde uit de dagvaarding niet kan weten, op welken grond de vordering berust, is gekomen door uitlegging dier dagvaarding, is deze beslissing in cassatie onaantastbaar.
Arrest 4 Jan. 1901, \V. 7540.
108. Aan bet vereischte van art. ö 1quot;. lï. 1!., jquot;. 133 B. R. is voldaan, indien in de dagvaarding ondubbelzinnig is aangeduid waar de gestelde procureur in de gemeente, waar de rechter zitting houdt, woonplaats heeft voor zijne ambtsbediening.
Arrest 9 .Mei \\ . 77(38.
Art. 11
()]) di'U ri'gcl ex art. 5, 211. lï. I!. dat de dagvaarding mout bevatten den naam en de woonplaats van gedaagde, kent dit Wetboek slechts één uitzondering, nl. die van art. 4. ()â '. B. R.
Arrest 18 Nov. 1!I04, \V. 8146.
110. Waar een exploit nietig is, moet ook het andere, dat met het eerste één geheel uitmaakt, en alleen om het verschil in woonplaats afzonderlijk is uitgebracht, nietig worden verklaard.
Hof Amsterdam lü Oct. 1902, W. 78((8.
111. Onder den naam van den deurwaarder kan niet anders worden verstaan dan de naam, waaronder hij is aangesteld en hij hekend is.
Arr.-r. 's-Gravenhage 3 Juni 1903, W, 7928.
112. Xietigl leid der dagvaarding kan niet het gevolg zijn van de omstandigheid, dat de daarin gestelde feiten niet met de in het pro deo-request gestelde overeenkomen.
Arr.-r. Haarlem 20 Oct. 1903, \V. 7983.
113. Het doet niet af dat bij dagvaarding samengestelde feiten gestold zijn, daar. hij ontkentenis, art. 1gt;!4 van dergelijke daadzaken de vereischte ontwikkeling toelaat.
Hof 's-Hage 24 Nov. 1903, \V. 8029.
114. Ifet opnemen eener geheel overbodige en dus niet toewijsbare conclusie heeft nog geene nietigheid dor dagvaarding tengevolge.
Arr.-r. Amsterdam 25 Jan, 190quot;), W. 8278.
115. Waar in de dagvaarding ontbreekt elke aanduiding van het juridisch karakter der tusscben partijen gesloten overeenkomst en van ieder rechtsfeit, waaruit de oorzaak of rechtsgrond der bij overeenkomst aangegane verbintenis zou zijn af te leiden, moet niet de dagvaarding worden nietig verklaard, maar de eischer niet-ontvan-kelijk verklaard worden in zijne vordering.
Arr.-r. Amsterdam 20 April 1906, \V. 8072.
Art. 14.
(gt;. Deze bepaling ziet uitsluitend op het doen van een exploit. Analogische uitbreiding van het tweede deel van dit artikel tot andere rechtshandelingen is ongeoorloofd.
Hof Amsterdam 19 April 1899, \V. 7322.
S
(Art l().
Art. 19.
5. Add. Vergelijk navolgende beslissing:
Heeft ééne iler partijen bij voorbaat verklaard in geene schikking te zullen treden, dan bestaat er geen grond, om eene persoonlijke verschijning van partijen voor don rechter te gelasten.
Arr.-r. Amsterdam 13 Maart 19(X), \V. 752!).
Art. 45.
ö. Wanneer de stukken van het geding niet zijn overgelegd, kan de rechter geen vonnis wijzen.
Arr.-r. Utrecht 28 Fehr. 1900, W. 8380.
Arl. 46.
5. Add. Vergelijk navolgende beslissingen :
De regel: â1'interlocutoire ne lie pas le jugequot; is niet van toepassing, wanneer het interlocutoire vonnis eindbeslissingen inhoudt op opgeworpen geschilpunten.
Hof den Boscli ;!7 Febr. IH0O, W. 7431.
Niettegenstaande ook in ons recht geldt de regel .,rinterlocutoire ne lie pas le juge'' kan de rechter, die eenmaal een beslissenden eed heeft opgelegd, op die uitspraak niet terugkomen.
Ait. 18 Jan. 1901, \V. 7552; verg. air. Hof den Haag 'ii Juni 1907, W. 8000, waarbij werd beslist, dat partijen bij denzelfden rechter niet mogen ojikomen tegen eene door dezen, naar aanleiding van den strijd van partijen gegeven beslissing, ook al is die beslissing neergelegd in de overweging van het interlocutoir. Verg. echter arr.-r. Rotterdam I;gt; April 1007, \\ . 8019, waarbij is beslist, dat de rechter, die bij interlocutoir vonnis getuigenverhoor heeft gelast, volkomen vrij is om bij het eindvonnis zonder nader bewijs de vordering toe te wijzen.
18. Add. Idem als het vermeld arr. Hof Amsterilani 18 Dec. 1891 is, waaide overlegging van stukken bevolen is, beslist bij arr. 13 Maart 1903, W. 7898.
51. De weigering van den rechter om een naderen termijn ex art. lOSrt te bepalen, is geen praeparatoire beslissing in den zin van art. 4G, jquot;. o3(5 igt;. 1!., maar van die beslissing kan zelfstandig worden geappelleerd.
Arrest van 5 Mei 1905, VV. 8iil(i.
9
Art. -IS. I
.quot;gt;2. W;uir in den vorm van een beslissing ter rolle eene beslissing is gegeven, die op de zaak ten principale voor de betrokken partij van beslissonden invloed is (nl. hare bnitengedingstelling) is zoodanige beslissing niet praeparatoir.
Hof Anisterdam 15 .lan. 19(11, \V. S044.
Art. 48.
i. Add. Vergelijk navolgende beslissing:
Ambtshalve niet-ontvankelijk verklaring op groiul van onvolledige mededeeling der feiten.
Arr.-r. 's-11 age 3 1'obr. VV. 7884.
37. Adil. Zie in denzelfden zin vonnis arr.-r. 's Gravenhage '23 Jan. 1000, W. 7414.
49/». Add. Vergelijk ook navolgende beslissingen:
Een verweer betreffende de feitelijke beteekenis door partijen bij het aangaan eener overeenkomst aan het woord âvoorjaarquot; gehecht, is een rechlsmiddrl.
Arr.-r. Amsterdam 18 Januari 1905, W. 8205.
De betwisting van de ontvankelijkheid eener vordering tot schadevergoeding op grond van het ontbreken van eene inmorastelling, eerst bij pleidooi gedaan, moet worden voorbijgegaan en mag niet ambtshalve door den rechter worden aangevuld, omdat zij is geen rechtsgrond maar een rechtsmiddel, steunende op ten processe niet aangevoerde feiten.
Arr.-r. Amsterdam 2ü Jan. 1900, W. 7432; zie ook onder «Berichten en Medodeelingeiiquot; in W. 8589 hel stuk getiteld: «Verbintenissen zonder oorzaak».
liet aanvoeren van een niet in de dagvaarding vermelden grond van onrechtmatigheid bij de actie tot schadevergoeding ex. art. 1401 H. W., is een rechtsmiddel, dat door den rechter niet mag worden aangevuld.
Hof Arnhem 8 Kebr. 1005, W. 8191.
De bewering, dat de ingestelde vordering in geen geval kan worden ingesteld tegen de gedaagden, zooals zij zijn gedagvaard, is een rechtsmiddel, geen rechtsgrond.
Hof 's Bosch L'ii Jimi 1900, W. 7482.
1(1
(.-I/-/. 4S
03. Add. Vergelijk na volgende beslissingen:
Ambtshalve kan worden aangevuld de grond voor de niet-ont-vankelijk verklaring der bij art. (118 bedoelde tegensprekende partij, dat nam. de zaak niet binnen den daar gesteldon termijn ter terechtzitting is gebracht.
Arr. 22 Dec. 1899, W. 7381.
Bij de actie tot ontbinding eener overeenkomst is do rechter gehouden ambtshalve te onderzoeken of de overeenkomst oeno eenzijdige verbindtenis of wol wederkeorigo verbindtonissen bevat.
Arr. 0 Dec. 1901, AY. 7092, waarbij het beroep in cassatie werd verworpen tegen het hieronder vernield arrest van het Hof te's-Gravenhage van 14 Jan. 1901.
Waar een rechtsgevolg zou verbondon worden aan feiten, waaraan de wet dit niet verbindt, zou dit als eone toepassing van de wet in strijd met haar zelve niet overeen te brengen zijn met de openbare orde, zoodat de rechter ambtshalve daarop moot letten.
Arr. Mol den Haag 27 Dec. 1905, \\ . 8361, /.ie ook arr. van datzelfde Hof 3 Jan. I9O0, W. 8368; verg. vonnis dei' arr.-r. Roermond 2 Jan. 1903, W. 7931, ten betooge, dat, waar een rechtsmiddel niet is van openbare orde, dit niet raag worden aangevuld. In casu bad de rechter a quo ambtshalve den eisch tot betaling van wissel-protestkosten niet-ontvankelijk verklaard, omdat niet was gesteld dat de koopman door middel van een geaccepteerden wissel zou worden betaald.
Wanneer de ontvankelijkheid der actie afhankelijk is van do vraag of binnen zekeren termijn protest i.s gedaan, dan is die formaliteit van binnen dien termijn protest doen een voorschrift van materieel recht, oen der gronden waarop de actie is gebaseerd, zoodat het niet-nakomon dier formaliteit ambtshalve door den rechter mag worden toegepast.
Arr.-r. Middelburg 1'i Mei 1902, W. 779(1.
\\ annoer blijkt, dat do gestolde posita de toewijzing der vordering niet tengevolge kunnen hebben, kan de rechter ambtshalve den eisch i net-on t vankolij k vork laren.
Arr.-r. quot;s-IIage 7 Mei 1899, W. 7384; zie ook in dien zin arr. lid' den Haag 14 .lan. 1901, W. 7559, bev. vonnis der arr.-r. te's-Gravenhage o Juni 1900, W. 7453; n.b. het middel van niet-ontvankelijkheid was door
II
Art. 5(1.)
gedaagden up een andoroii grond voorgesteld dan nu ambtshalve werd aangenomen.
Verg. vonnis arr.-r. I trecht 29 Oct. '1902, W. 7826, ten belooge, dat de exceptie van gewijsde zaak niet ambtshalve mag worden aangevuld.
(iS. Waar de rechtbank verandering zou hebben gebracht in tien teitelijken grondslag van des requestrants verzoek, zou zij in strijd gehandeld hebben met dit artikel.
Arr. IS Mei 1900, W. 8380.
(55). Heeft gedaagde zich gerefereerd aan het oordeel des rechters, dan heeft hij zich bereid verklaard te berusten in de beslissing dooiden rechter te geven na behoorlijk onderzoek der rechten van partijen, waarbij deze ook ambtshalve de rechtsgronden moet aanvullen, die niet mochten zijn aangevoerd.
Hof Amsterdam 3 November 1899, W. 7412.
70. Mr. Koksma in Rechtsgeleerd Magazijn XXIV (1905 p. 257 en vlg.) pleit voor eene ruime opvatting van art. 48; schrijver wenscht eeno minder enge toepassing van het beginsel der lijdelijkheid des rechters, en is van oordeel dat «rechtsgronden» in ons artikel moet worden gesteld tegenover feitelijke gronden, en dat het eerste ook omvat de rechtsmiddelen, voor zooverre in het opwerpen daarvan niet de uitoefening eener aan partijen door het burgerlijk recht toegekende bevoegdheid ligt opgesloten.
Art 50.
2. Add Vergelijk nog over wettig beletsel de navolgende uitspraken:
Het is volkomen redelijk, dat hij, die bij request civiel wijziging van een hem opgelegdcn eed heeft verzocht, zich Ilangende dit request civiel niet tot allegging van den ongewijzigden eed aanmeldt; dit is eene verhindering door wettig beletsel.
Hof den Haag 17 Januari 1899, W. 7(Hwaartegen liet beroep in cassatie is verworpen bij arr. van den II. llaad 10 Mei 1901, ib , waarbij ook werd beslist, dat (looi' deze beslissing art 392 niet is geschonden.
Het aanvoeren ter terechtzitting, dat de partij â hoewel tegenwoordig â door ongerechtvaardigde dronkenschap verhinderd is den eed af te leggen, staat gelijk met eedsweigering.
Dit geval moet door den hoogeren rechter berecht en niet bij wijze van verzet voor denzelfden rechter worden gebracht.
Hof Arnhem 2Ã Nov. 1902, VV. 7905.
(.â 1,7. öl'.
I-i. Add. Zie ciok iiavolgondo beslissing:
1 it dit :iii. Iilijk(. dat van de lgt;ij art. H. \\ . bedoelde wi'i^ci'inir eerst sprake behoeft te zijn, nadat de eed liij vonnis is opgelegd.
Air. 27 Nov. 19(13, W. 7996.
Art. 51. (1)
I. Add. Verg. ook vonnis arr.-r. Rotterdam ;i Dec. I90G, \V. S(')(I7, waarbij werd beslist, dat do rechtbank bevoogd is om bij voorraad datgene te bevelen, wat zonder iets onredelijks van de wederpartij Ie vorderen, kan strekken om bet ontstaan van nieuwe schade gedurende bot geding te voorkomen.
5. Add. Vergelijk ook navolgende beslissing:
Waar door de toewijzing der provisioneele vordering in werkelijkheid een gedeelte der hoofd vordering zon worden toegewezen, is zij niet-ontvankelijk.
Arr.r. Utrecht 'i.'i Jan. 1901, W. 7579; vergelijk ook arr.-r. Amsterdam Mei 19'i2, W. 7839 on arr.-r. Middelburg 9 Mei 1900, \V, 7533, waarbij nog is beslist, dat bij de wet bet toestaan van een provisioneelen eiscb niet is beperkt.
II. Ook voor provisioneele vorderingen geldt de bepaling van art. 2^17.
Hof den Haag 21! Nov. 1900, W. 754S.
Art. Ã2.
21. Add. Vergelijk voorts navolgende beslissingen:
Art. 52 bedoelt niet dat de uitspraak alléén op den titel moet berusten en evenmin, dat die titel op zich zelf en onder allo omstandigheden het recht, waarop men zich beroept, zou moeten bewijzen.
A it. 2 Maart 1900, W. 7405.
Waar de vordering gegrond is op eigendomsrecht en dit bewezen is verklaard door acten, kan de voorloopige uitvoerbaarverklaring worden bevolen.
Arr.-r. Middelburg 15 Feb. 1899, \V. 7377.
(1) In bot tweede supplement is abusivolijk liet vonnis dor arr.-r. te Rotterdam van 13 April 1899 vermeld onder no. 51, in plaats van ondor no. 10.
Art. öti.-l.)
lit. 1 li.'vcl tut voorloopigc tcnuitvoorlcgijiiig van eenc uitspraak lot verbotoring van eene note van den burgerlijki'ii stand op grond van art. quot;gt;2 H. I!, is onbestaanhaar met art. 73 B. \V.
Hof Leeuwarden '25 Jan, lOOn, W. 7-ilt5.
:JÃ. De rechter kan volstaan niet te verklaren, dat oen vonnis uitvoerbaar is bij voorraad en behoefl daaraan niet toe to voegen, dat ile ten uitvoerlegging plaats kan hebben, niettegenstaande verzot ot hoogere voorziening.
Rechtbank lïoerinonil 'Jl Maart 1901, W. 7650.
3(i. Zie ton betooge dal de afschaffing der «cautio judicatum solvi» tengevolge kan hebben dat de Nederlander, die veroordeeld is bij een vonnis dal uilvoerbaar word verklaard bij voorraad zonder borgtocht en zich moest laten executeeren, geene practische gevolgen van appél of cassatie te wachten heeft wal belrelt de hoofdsom. Mr, M. Jacq. do \\it Hamer in NV. 83(0.
Art. ÃP A.
28. Add. Zie ook navolgende beslissingen:
Art. 56 H. 11. mist zijne toepassing, wanneer op een verzoekschrift is recht gedaan en geen rechtsgeding is gevoerd.
Arrest 29 Juli 1904, W. 8097.
32. Add. Vergelijk navolgende beslissingen:
De gedaagde in eene onteigeningszaak, die liet aanbod bij de dagvaarding gedaan, aanneemt, kan niet in de kosten van liet ont-eigoningsproccs worden veroordeeld.
Arr. 9 Maart 1903, W. 7890; verg, ook vonnis arr.-r. Winschoten 17 April 1907, \V, 8610,
Waar door een onrechtmatige daad schade is geleden, kan de veroordeeling in de proceskosten worden voorkomen door aan te bieden tot vergoeding een zeker bedrag, dat aan de eischen der billijkheid kan getoetst worden en waardoor de voortzetting van liet aanhangig geding en het opmaken van een schadestaai in bijzonderheden kan worden voorkomen.
Hof 'sGravonhago 23 Febr. 1903, \\ . 7933.
{Art. .quot;,(ir
SO. I)c kosten v:in ilcn .schadestüat l.gt;ij i/enc procedure van vcr-ett'ening der schadevergoeding kinnen ten laste van den gedeclareerde.
Arr.-r. Rotlei-dam quot;ii Oct. I'.NK), VV. 75.'ill.
81. De gedaagde moet veroordeeld worden in de kosten, al was de som tijdens de dagvaarding nog niet opeischliaar. wanneer die op vorderbaarheid hangende het geding is ingetreden en hij niettegenstaande sommatie niet heeft betaald.
Arr.-r. Holterdain 13 Aug. l'.tO'i, W. 78!H).
52. Rij toewijzing der vordering ex art. â¢quot;gt; 1 '1 H. R, moet gedaagde, ook al sjireekt hij den eisch niet tegen, in do kosten veroordeeld worden.
Arr.-r. Ilotlenlain 2 Maart 1903, W. 7'. 134;andersarr.-r. Tiel 28 Kebr. I9tgt;2il).
53. Met verliezende partij moet worden gelijkgesteld zij die het voeren van het geding noodzakelijk maakte.
Arr.-r. Rotterdam 2 Maart 1903, W. 7934; verg. ook arr. Hof Amsterdam 7 Dec. 1900, VV. 7594, en arr.-r. Rotterdam 2G Nov. 19(16, \V. 859S, waarbij is beslist, dat de schuldenaar zeli' te beoordeelen heeft aan wien bij moet betalen, wanneer verschillende personen op het verschuldigde aanspraak maken; laat bij het aan den rechter over Ie beslissen, dan moet de schuldenaar in do proceskosten veroordeeld worden.
54. De gedaagde, dit' door het opwerpen van een ongegrond middel van niet-ontvankelijkheid, terwijl hij overigens de vordering niet tegenspreekt, oorzaak is van het geding, moet de kosten dragen.
Arr.-r. Utrecht 28 Nov. 1900, \V. 7558.
85, Zie een hoofdartikel over âproceskosten in burgerlijke zaken'', naar aanleiding van eene opmerking in de afdeeliugen der 2de Kamer, dat nam. voor iedereen geheel kostelooze rechtspleging moest bestaan, in W. 7075.
Art. quot;)(gt; C.
lt;5. Waar do gedaagde zich bereid verklaard heeft te hetalen een bedrag minder dan de som van den eisch. waarop de eiscber zijne vordering tot dat bedrag vermindert, moet gedaagde toch in do kosten worden veroordeeld, wanneer hij zich bepaald heeft tot eene bereidverklaring, en is blijven coneludeeren tot ontzegging van den eisch in zijn geheel.
Arr. 5 Dec. 1902, \V. 7842; anders do vooralgaando cunclnslo (). M.
Art. 56/).)
7. Waar liet «liotuia luidt : veroordeelt ^eduagde tot betiding van en fisclirr tot Ix'taling van der proceskosten, die worden begroot op f 460, kun die begrooting niet anders bedoelen dan de gezamenlijke kosten van beide partijen.
Arr.-r. Amsterdam 5 .linii 1900, W. 7551.
S. Waar de reebtbank de exceptie van onbevoegdheid ongegrond oordeelt, maar liet middel van niet-ontvankelijk gegrond, moeten do kosten worden gecompenseerd.
Vonnis rechtbank Haarlem Januari 1901, \V. 7556, bestreden door Mr. C. 11. van Meurs en liedaftie ib.
9, Waar beide partijen op eenige punten in het ongelijk worden gesteld, en de kosten worden gecompenseerd, mogen niet alleen de kosten van eenc der partijen worden begroot.
Hof Arnhem 11 Maart 190.!, W. 79:«1, ook vermeld op art. 33-2.
1(1. Waar de betrekking van eebtgenooten tusschen partijen vaststaat. is liet eenig en alleen ter beoordeeling van den rechter om de kosten te compenseeren.
Hof Leeuwarden 30 Mei 1900, W. 8570.
Art 56 I),
14. .1 ild. Vergelijk ook navolgende beslissing:
Een vonnis, waarbij over de toelating van een intervernient wordt beslist, is een eindvonnis op een incident, waarvan de kosten niet kunnen worden gereserveerd.
Hof Arnhem 5 Maart 1902, W. 7796, waarbij nog is beslist dat de partij, ilie bij dr.t vonnis, hetwelk de interventie toeliet, is in het ongelijk gesteld, van die kosten later niet kan worden ontlast, ook al wordt do intervenient ten slotte in het ongelijk gesteld.
lö. Het vonnis houdende veroordeeling tot schadevergoeding, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, behoort niet tot de zoodanige, waarbij de uitspraak over de kosten kan worden voorbehouden.
Arr.-r. Amsterdam 8 Januari 1904, \V. 8H9.
1(1
{Art. .-,7.
Art. 50 E.
G. Add. Vergelijk navolgende beslissing;
Waar gedaagde bij conclusie van antwoord de door eischer gestelde posita pertinent heeft ontkend en verder zoowel de ontvankelijkheid als de toewijzing van den eisch, onder aanvoering van verschillende gronden, heeft in twijfel gesteld, daar moet hij beschouwd worden de ingestelde vordering te hebben bestreden, ook al heeft hij zich ten slotte aan 's rechters oordeel gerefereerd, zoodat hij, bij toewijzing der vordering, terecht in de proceskosten is veroordeeld.
Hof don Haag -1 Maart l'.MJ'i, \V. 8092.
Art. 56 (r.
3. Add. Verg. in verband met deze uitspraken : vonnis arr.-r. Amsterdam 17 November 1906, W. 860i.
Art. 56 L.
'2. Add. Verg. ook arr.-r. Rotterdam 3(1 Dec. 1001, \V. 770S, ten betooge dat bij ontzegging van de oorspronkelijke vordering de eisch in vrijwaring vervalt, maar toch de al- of niet gegrondheid dier vordering moet worden ter toetse gebracht voor de beslissing omtrent de kosten. Zie echter vonnis arr.-r.'s-Hage 21 Mei 1907, W. 8538, waarbij eene beslissing omtrent den eisch in viijwaring onnoodig werd geacht en de oorspronkelijk eischer in de kosten ook van den gedaagde in vrijwaring werd verwezen.
Art. 57.
KJ. Terwijl volgens het bestreden vonnis des declarants procureur niet had gedefungeerd na overgifte van het vonnis aan tien deurwaarder, maar bij de uitvoering van het vonnis de belangen van zijn cliënt moest blijven behartigen, heeft de rechtbank kosten wegens deze bemoeiingen van den procureur bij de executie terecht onder de onkosten begrepen.
Air. 13 Maart 1903, \V. 7896.
Lkon, Rechtspraak 2e druk, Deel II. AH. 6, 3e Suppl.
(Mr. W. van Kossem, liurf/. Rcchtsv.. 3e Suppl.) -
17
Art. 59.)
17. Aan dc bepalingen van dit en het voorgaand artikel wordt niet gederogeerd lgt;ij de herziene Rijnvaartaete en de tot uitvoering van dat traetaat strekkende wet van 16 Juli 1869 (Slbl. nü. 139). Arr.-r. Tiel KI Maai t 190G, \V. 8010.
Art. 59.
G. Aihl. fii denzelfden zin: arr. '23 Juni 1905, W. 82.quot;gt;;i.
1quot;2. Add. Zie in denzelfden zin arresten 2.'! Febr. 1999, W. 7403, 25 Mei 1900, \V. 745i, 8 Maai t 1901, W. 7577 en 0 Dec. 1901, W. 7095, 20 Sept. 1902, \V. 7809 en 14 Nov. 1902, \\. 7832, hij alle welke arresten is Leslist, dat om wegens niet-motiveering nietigheid te doen uitspreken in de eerste plaats art. 20 R. Ã. als geschonden in het middel moet worden aangehaald.
25. Add. Vergelijk nog over de vraag of eene nuda sententia declaratoria geoorloofd is, de navolgende uitspraken:
De rechter moet uitspraak doen, onafhankelijk van de vraag of die uitspraak tevens eene geldelijke veroordeeling inhoudt en of daardoor een voor ten uitvoerlegging vatbaar vonnis wordt verkregen.
Hof 's-llage 29 Juni 1903, \V. 7992; vergelijk ook in dezen zin vonnis der arr.-r. 's-Gravenhage van 28 Juni 1904, W. 8080, waarbij werd beslist dat waar het verzoek door belanghebbende partijen wordt gedaan met het doel om een nieuw proces te voorkomen, er voor den rechter termen bestaan om eene sententia declaratoria uil te spreken; anders echter bij vonnis derzelfde rechtbank 12 Dec. 1899, \\. 7419.
25a. Add. Vergelijk navolgende beslissing:
Daargelaten of liet geven eener sententia declaratoria verboden is, zoo kan in de procedure bedoeld bij art. 697 Rv. eene rechtsver-klaring bindend voor partijen bij hare nadere verschijning voor den notaris, niet als zoodanig aangemerkt worden.
Hof 's-Bosch !⢠Mei 1899, W. 7380; vergelijk ook Hof Arnhem 9 Mei 1900, W. 8520, waarbij is beslist, dat de vordering van art. 450 li. Rv. niet verder behoeft Ie strekken dan tot het verkrijgen van den rechter eener verklaring, dat men is eigenaar van dc ten verkoop aangekondigde goederen en diensvolgens het verzet is gegrond; dat zoodanige vordering, al wordt daarbij geene schadevergoeding gevorderd, niet kan gezegd worden ie zijn eene nuda sententia declaratoria.
Over «het declaratoir vonnis» is een proefschrift geschreven door
IS
(Art. (gt;8.
jNFr. G. Parser, dat beoordeeld is door Jfr. A. P. Th. Eyssell in Themis 1!t04 |). 597 sq([. en door prof'. Molengraall' in lieclitsgei. Magazijn XXIV blz. 210 en volgende.
29. Add. Zie in denzelfden zin arresten 31 Jan. 1901, W. 7555,8 Maart 1901 W. 7577, 23 Jan. 1903, W. 7873, 20 Maart 1903, W. 71)02, 12 Febr. 1904, W. 8034 en 12 April 1907, \V. 8525, bij allo welke anesten is beslist, dal onvoldoende of onvolledige rnotiveering niet tot nietigheid kan leiden; vergelijk ook arr. 21 Juni 1907, W. 8567, waarbij is beslist, dat dit artikel evenmin als art. 20 1!. ü. en art. lül Grondwet iets inhoudt omtrent den eisch, dal de uitspraak noodwendig uit de gronden zou moeten voortvloeien.
34. Gronden voor een motief der beslissing onnoodig.
Arr. 12 Dec. 1902, W. 7853.
35. Het audiëntieblad verdient gelooi' boven het vonnis.
Arr.-r. Zierikzee 8 Mei 1900, \V. 840Ã.
3(gt;. Over het stemmen in raadkamer, betoog van Mr. G. Wttewaall getiteld: Rechterlijke keukenpraat in Themis, jg. 1002, p. 130.
Art. 68.
3. Add. Zie over de vraag of er tol toewijzing van het verzoek verband moet bestaan tusschen do hoofd vordering en die tot vrijwaring, de navolgende beslissingen:
De eenvoudige vrijwaring is ook gegeven voor het geval, dat een gedaagde erkent, dat hij terecht is aangesproken, en dus de vrijwaring alleen moet dienen om hem voor het geheel of gedeeltelijk verhaal op een ander te geven.
Arr.-r. quot;s-liosch 9 Januari 1903, W. 8045, waarbij is beslist, dat in wisselzaken hierop geene uitzondering is gemaakt.
Er bestaat grond tot vrijwaring in hot geval dat een gedaagde hetgeen van hem gevorderd wordt van een dorde kan terugvorderen, zonder dat die derde behoeft toegetreden te zijn tot de overeenkomst tusschen de beide oorspronkelijke partijen gesloten.
Arr.-r. Middelburg 4 Juni 1902, W. 7892.
li)
Art. 68.)
Het begrip âprocessueele vrijwaringquot; moet niet in zijn beperkten zin worden opgevat, maar daaronder valt ook het recht, om hom in vrijwaring op te roepen, die tengevolge van eenc eventueele veroordeeling tot eenige voldoening aan den veroordeelde verplicht wordt.
Arrest Hof Leeuwarden (daluni onbekend), \V. 771S
en in anderen zin:
Waar de gedaagde zijn recht op schadevergoeding evengoed in eenc zelfstandige procedure kan geldig maken, behoort liet verzoek om in vrijwaring op te roepen te worden afgewezen.
Hof Amsterdam I l'ebr. -11101, W. 7UÃ6. Verg. ook arr.-r. Utrecht 15 Mei 1901, \V. 7004 en arr.-r. Almelo 13 Febr. 1001, W. 70O7.
Oproeping in vrijwaring geweigerd, waar door den eischer zijn belang bi] gelijktijdige behandeling van hoofd- en vrijwaringszaak niet aannemelijk is gemaakt en hij zich bovendien in vrijwaring wil beroepen op contractueele verplichtingen in geenerlei verband staande met zijne formeele verbindtenis uit geschrift waarop de oorspronkelijke vordering steunt.
Arr.-r. Amsterdam *20 Nov. H)0:gt;, VV. 8058. Verg. ook arrest Hof 's-Gravenhage -- Oct. 1006, VV. 8477, waarbij werd beslist, dat althans voorshands moet worden aangetoond eenige invloed, dien het geding in vrijwaring op den uitslag van liet hoofdgeding hebben kan, en vonnis der arr.-r. Rotterdam 30 Dec. 1901, W. 7798, waarbij is beslist dat het niet voldoende is, dat gedaagde om eene of andere reden recht op schadevergoeding tegen een derde heeft, maar dat het moet vaststaan, dat de gewaarborgde zonder vrijwaring nwt volledig zijn rechten tegenover de tegenpartij zou kunnen handhaven.
Ten aanzien van de vraag of de acceptant van een wissel een derde kan oproepen om hem te dekken werd, in tegenstelling met het in het tweede supplement vermelde vonnis der arr.-r. Arnhem 20 Sept. 1892 beslist bij vonnis arr.-r. 's-Hosch 9 Jan. 1903, \\. 8045, dat de accep-tiint van een wissel wel degelijk hem in vrijwaring kan roepen, op wien hij voor eene eventueele veroordeeling regres zou kunnen nemen.
Verg. met deze beslissing het vonnis der arr.-r. Amsterdam 3 Mei 1900, W. 7472, dat overwoog dat de onderteekenaar van een order-billet door den houder aangesproken, den nemer niet in vrijwaring mag roepen, ter zake, dat hij het orderbillet niet in omloop had mogen brengen.
20
21 (.!/â¢lt;. 68.
Verg. in verband met deze laatste Ijeslisning:
De l'ormeele aard vau oen orderLillct belet niet een derde, die buiten die verbindtenissen staat, in vrijwaring op te roepen.
Arr.-r. Arasterdam 7 Juni 1901, W. TOSü. Zie echter Hof Amsterdam 4 Oct. 1901, W. 7703.
12. Add. Verg. in anderen zin dan hot vermelde vonnis der arr.-r. Alkmaar 7 Aug. ISOC), navolgende beslissing:
Ook al is de in vrijwaring te roepen partij reeds iu het geding, zoo moet deze toch ook door middel van eene dagvaarding na vergunning worden opgeroepen.
Hof VHage 19 Oct. 1903, W. SOit.V
Zie, voor het geval beide |gt;aiiijen reods als waarborg en gewaarborgde in eersten aanleg zijn opgetreden, voor de procedure in hooger beroep de navolgende beslissing;
Wanneer de waarborg door don oorspronkelijk eischer met den gewaarborgde in hooger beroep is gedagvaard, is deze laatste bevoegd zonder het in eersten aanleg gedaan verzoek te herbalen, in appèl rechtstreeks tot vrijwaring te eoncludeeren.
Arrest Hof 's Gravenhage 30 Nov. 1903, W. 8007.
42. Add. Gedagvaard moet worden tegen den dienenden dag.
Arr.-r. Alkmaar 19 Maart 1903, \V. 8047. Verg. nog over het tijdstip waarop de oproeping in vrijwaring moet gevi'aagd worden, de navolgende uitspraak :
De conclusie tot oproeping in vrijwaring moet genomen worden ten dage voor het verweer bepaald, onafhankelijk daarvan of toen de conclusie van antwoord is genomen of wel uitgesteld.
Arr.-r. Alkmaar l'i Nov. 1903, \V. 80i7.
.quot;gt;7. Add. Verg. over de vraag, of do rechter ambtshalve het verzoek mag afwijzen;
Waar de feiten door den eischer in vrijwaring gesteld cu waarop hij zijne vordering tot vrijwaring heeft gegrond nimmer kunnen leiden tot het door eischer gewilde gevolg, zal de rechter ambtshalve de vordering niet ontvankelijk moeten verklaren, daar het van openbare orde is, dat de posita, waarop een eischer zijne vordering grondt, kunnen leiden tot toewijzing der vordering.
Arr.-r. den Haag 7 Mei 1899, W. 738i. Verg. no. 30.
Art. 68.)
01. Add. Verg. in denzelfden zin navolgende beslissingen:
Art. 68 laat den rechter geheel vrij in zijne beoordeeling of een verzoek tot oproeping in vrijwaring moet worden toegestaan of geweigerd.
Arrest II. R. I Februari 1901, \V. 7558.
De rechter is. zelfs dan wanneer de gestelde feiten recht zouden kunnen geven tot oproeping in vrijwaring, niet verplicht daartoe per se verlof te verleenen doch hij blijft bevoegd naar de omstandigheden te beoordeelen of daartoe termen bestaan.
Arr.-r. Rotterdam '10 Nov. 1899, W. 74:27.
Uit de algemeene bewoordingen van art. 68 B. R. volgt, dat de rechter, al moge in het algemeen in dergelijke gevallen oproeping in vrijwaring toelaatbaar zijn, toch in eenig bepaald geval deze vermag af te wijzen.
Arr.-r. Amsterdam 1quot;i April 1901, W. 7080, waarbij is beslist, dat de onderteekenaar van een orderbillet aangesproken dooi' den derden houder zijn medevennoot niet in vrijwaring kan roepen.
75. Bij afwijzing eoner door gedaagde vóór alle weren genomen conclusie tot oproeping in vrijwaring, is do rechter niet bevoegd tevens ten principale te beslissen.
Hof Amsterdam i Februari 1901, W. 7020.
7(J. Bij een verzoek tot vrijwaring liecl't de rechter slechts te beoordeelen, of de gestelde feiten een gegrond vermoeden wettigen, dat de op te roepen waarborg tot schadeloosstelling in vrijwaring zal verplicht worden bevonden.
Arr.-r. Zwolle 20 Juni 1901, \V. 7718. Verg. arrest Hof Leeuwarden, W. 7718, waarbij is beslist dat voor toewijzing van een verzoek tot vrijwaring bet niet noodig is, dat de feiten, waarop de vrijwaring wordt gegrond, vaststaan, als zij maar niet al dadelijk geheel onaannemelijk blijken.
77. De eenvoudige vrijwaring strekt niet alleen, om tegelijlv en in verband met een reeds aanhangig geding, bij eventueele veroordeeling, schadeloosstelling van den waarborg te ontvangen, doch ook om van den waarborg steun en hulp in het proces te verkrijgen. Op dien
22
{Art. 08.
grond werd toegestaan om den curator in een laillissement in vrijwaring op te roepen.
Arrest Hof den Haag 18 Nov. 1901, W. 77Li5, vern. vonnis den Haag quot;28 Juni 1901 ib. Voorts werd bij 's Hofs arrest van 11 Jan. 19(lt, W. 8008 beslist, dat, waar blijkt, dat roet de oproeping in vrijwaring meer beoogd wordt dan dat dat laatste, met name ook de veroordeeling van den curator het verzoek op art. 20 der Kaill.wet moot afstuiten. Verg. weder vonnis der urr.-r. 's-Gravenbage '29 Juni 1S97, W. 70.15, waarbij werd beslist dat, waar do oproeping in vrijwaring beoogt, dat de curator zal op zich nemen de verdediging tegen de aanspraken, welke de eischer wil doen gelden en gedaagde eventueel schadeloos te houden dienaangaande, het verzoek kan worden ingewilligd en dus niet op art. 20 F. afstuit.
78. De borg kan den 1 loofdsdiu 1 denaar steeds in vrijwaring oproepen zonder dat hij nog een bijzonder belang behoeft te stellen.
Arr.-r. Amsterdam 27 April 1904, \V. 8203.
Art. 72.
1 en 8. Add. Anders arrest 4 .Mei 1900, W. 7447, waarbij is heslist, dat aan den gedaagde in vrijwaring wel in hot algemeen het recht toekomt om zijnerzijds door alle middelen rechtens het bewijs te leveren van hetgeen tot zijn verweer kan dienen, maar dat wanneer hij zich bij den oorspronkelijken gedaagde heeft gevoegd ten einde diens verweer Ie ondersteunen, dat recht uit den aard der zaak beperkt wordt door de bevoegdheid der hoofdpartij, hij welke hij zich heeft aangesloten en wier stelling in hot geding hij verklaard hooft tot de zijne to willen maken.
10.(1) Add. Verg. ook Hof's-Hago 30 Oct. 1902, \V. 7801, waarin het verschil tusschon voeging ;= junctie van zaken en de voeging hier bedoeld wordt aangewezen.
11. Eij de eenvoudige vrijwaring wordt niet voorkoming van schade maar schadeloosstelling beoogd, zomlatde veroordeeling tot eenvoudige vrijwaring niet meebrengt de verplichting van den waarborg om aan den gewaarborgde te betalen datgene, waartoe deze jegens zi jn schuldei) N.15. Op pag. ;!8 eersten regel (2de supplement) behoort in de plaats
van het cijfer 9 to worden gelezen 10.
â¢2;
Art. 68.)
(.'ischer is vcrodrdeold, maar slechts datgene, wat hij dozen werkelijk licet't betaald of in werkelijkheid zal moeten betalen.
Arrest van '20 Jan. 1900, \V. 8333, waarbij het beroep in cassatie tegen het arrest van liet Gerechtshof te 's-Gravenhage 15 Mei 1905, W. 8207 werd verworpen, bij welk laatste arrest is vernietigd het vonnis der arr.-r. 's-Ilage 28 Juni 1904, W. 808(5, bij welk vonnis is beslist, dat de strekking van vrijwaring is niet om geleden schade te vergoeden maar om het lijden van schade te voorkomen. Dit laatste, overwoog het Hof te 's-llage bij voormeld arrest, geldt alleen voor vrijwaring wegens zakelijke rechten, niet voor eenvoudige vrijwaring.
12. De in vrijwaring geroepene, die niet is opgekomen en zich dus heeft laten veroordeelen, kan niet meer hij verzet tegen dit vonnis, nadat het vonnis op de hoofdzaak reeds in kracht van gewijsde was gegaan, de gronden aanvoeren die hij destijds gelegenheid had te berde te brengen.
Arrest 27 Febr. 1903, \V. 7888.
Art. 7(5.
2. Add. Vergelijk navolgende beslissing:
Geen verstek kan worden verleend tegen hem die, oorspronkelijk gedagvaard tegen een daü, waarop geen terechtzitting wordt gehouden, daarna bij een tweede exploit met beteekening van de oorspronkelijke dagvaarding tegen een anderen dag is opgeroepen, op dien dag niet verschijnt.
Arrest i Januari 1900, \V. 7386.
27. Add. Vergelijk navolgende beslissing:
Dit artikel laat den rechter geheel vrij om naar bevind van zaken te handelen en c. q. getuigenverhoor te gelasten.
Hof den Haag 3 Dee. 1900, \V. 7555.
â¢V2. De oorspronkelijke eiseher, die niet verschijnt (i|i de dagvaarding van den opposant in de procedure volgende op liet verzet tegen een bij verstek gewezen vonnis, moet niet worden beschouwd als een gedaagde, tegen wien overeenkomstig art. 7(5 B. !!. verstek moet worden verleend en wien het middel van verzet toekomt.
Arrest 2.'1 Juni 1905, W. 8250.
{ArI. 81.
Art. 79.
23. Wanneer tegen alle do gedaagden verstek is verleend en ten diige voor de (â¢onclusie van eiscli bepaald verschijnt één hunner, moet de zaak tegen dezen laatste worden aangehouden.
Ari'.-r. don Bosch iO Kehr, 1905, \\'. HiX',.
24. Waar de zaak tegen de beide gedaagden van de rechtbank te Breda is verwezen naar die van Amsterdam, is terecht verstek verleend legen den eenen gedaagde, die niet opnieuw voor de laatste rechtbank procureur had gesteld.
Arr.-r. Amsterdam 10 Nov. 1005, W. 84'26.
25. Voornamelijk met (gt;011 beroep op de bevoegdheid, gegeven bij art. 89A, om na bel verleende verstek alsnog in rechten te verschijnen, is beslist bij arrest Hof' Arnhem 5 Pee. !90(i, \V. 8549, dat, waar een der gedaagden, die verstek liet gaan, zonder de tweede dagvaarding af te wachten, alsnog in rechten verschijnt, hij geacht moot worden op de oorspronkelijke dagvaarding te zijn verschenen, al mocht hij met den eischer overleg hebben gepleegd over het vrijwillig verschijnen zonder tweede dagvaarding.
Arl. 81.
31. Add. In denzelfden zin aiT.-r. Amsterdam '22 Nov. l'.Mil, W. 7736.
32. Add. In denzelfden zin arr.-r. Amsterdam 17 Maait 1905, \V. s:!:!0, waarbij nog werd beslist dat de bekendheid uit eene daad van opposant moet blijken. Verg. ook aant. 33.
33. Add. In denzelfden zin Hof Leeuwarden 20 Jan. I'.tol, \V. 8o77.
:J4. Do bepalingen van artt. 81 m 8quot;2 l!v. mogen niet analogice toepasselijk verklaard worden op verzet tegen de executie van nota-riecle acten.
Hof den Haag 18 April 1900, VV. 7Ui2, waarbij op dien grond werd beslist dat het verzet niet niet-ontvankelijk kan worden verklaard, omdat het is gedaan meer dan 1'1 dagen nadat liet verbaal aan opposant in persoon is beteekend.
30. Als tenuitvoerlegging bedoeld in de 2de alinea van dit artikel
Art. 82.) 26
kan niet aangemerkt worden de inschrijving van een verstek vonnis van echtscheiding in do registers van den burgerlijken stand.
Hof Amslerflam 28 Juni 1900, \V. 7513.
Verg. hiertoe betrekkelijk hel vonnis der arr.-r. Assen, vermeld sub no. 36, waarbij als tenuitvoerlegging wordt beschouwd de doorhaling van het gelegd arrest ten bypotheekkantore. Zie ook aant. 19.
anneer het vonnis is ten uitvoer gelegd, is het verzet niet-ontvankelijk. al mochten nog geen veertien dagen zijn verloopen na de beteekening van het vonnis aan den veroordeelde in persoon.
AiT.-r. Assen 11 Febr. 1902. \V. 7839; anders Hof Leeuwarden 7 Juni 1903, W. 7911, waarbij, met vernietiging van gemeld vonnis, is beslist dat de executie het recht tot verzet niet doet vervallen, zoolang een van de gevallen bedoeld in art. 81 al. 1 aanwezig is, o. a. nog geen li dagen zijn verloopen sedert de beteekening in persoon.
37. De dagvaarding maakt met het exploit van verzet één geheel uit, zoodat bij do dagvaarding de aan den hoofde van het exploit-van verzet genoemde datum niet behoeft herhaald te worden.
Arr.-r. Assen 11 Febr. 1902, W. 7839.
3S. Waar een vonnis, hue het ook moge luiden, steeds geacht moet worden een terugslag te zijn op de dagvaarding in haar geheelen omvang, daar moet hij, die verzet doet tegen het verstekvonnis, acht slaan op de oorspronkelijke dagvaarding, waartegen in haar geheel hij zich moet verdedigen, voorzoover niet blijkt, dat mochten er verschilpunten bestaan tusschen dagvaarding en verstekvonnis, deze hetzij door den eischer hetzij door den rechter buiten liet geding zijn gebracht.
Hof don Haag 3o Jan. 1905, W. 8256.
Art. 82.
21. Adel. Verg. ook arr.-r. Amsterdam 13 Jan. 190i, W. 8|oi.
22. De datum aan het hoofd van een dagblad is niet per se die, waarop eene daarin voorkomende advertentie moet geacht worden te zijn geschied, zoodat de oU dagen na dc laatste aankondiging van
27 (Art. 89.
art. 811, 3quot;., naar omstandigheden kunnen aanvangen niet op den datum van liet dagblad, maar sedert den dag van verspreiding.
Arr.-r. Zwolle 20 Febr. 1902, W. 7722.
Art. 83.
lö. Add. Vergelijk navolgende beslissingen :
Een exploit van verzet met als éénig middel: âontkentenis van de bij verstek toegewezen vordering in haren geheelen omvang schuldig te zijnquot;, voldoet niet aan het vereischte van art. 83 R. R.
Arrest van 24 Maart 1905, W. 8199.
In het exploit van verzet zijn de middelen onvoldoende omschreven, waar niet anders wordt gesteld dan dat opposant slechts Æ 2.35 pro resto schuldig was.
Ktg. Groningen 27 April 1903, W. 7907.
23. De opposant in de verzetprocedure staat met den gedaagde in de gewone procedure op ééne lijn en moet dus â evenals deze volgens art. 141, al. 2 â zijne middelen van verzet tegelijk voordragen; bij repliek kan do opposant mitsdien geen nieuw middel te berde brengen.
Arr.-r Amsterdam 0 April 1906, \V. 8571.
Art. 80.
lt;i. Add. In denzelfden zin arr.-r. Rotterdam 18 April 1904, \V. 811:!; anders vonnis dierzelfde rechtbank 9 Januari 1905, \V. 8312.
Art. 89.
11. Onder de bier bedoelde kosten zijn niet to verstaan de kosten dei-inleidende dagvaarding: Roermond 5 April 1900, \V. 7469, waarbij nog werd beslist, dat de kosten van liet exploit van verzet te begrijpen zijn onder die, welke als gevolg der niet-versrliijiiiii'/ ten laste van den defaillant komen.
Art. 94.)
Art. 89 A.
Met gebruikmaken van de bevoegdheid van art. 89« mag niet leiden tot dat nadeelige gevolg voor den gedaagde, dat hij de kosten van het verstek zou moeten dragen, terwijl de dagvaarding aan nietigheid lijdt en hij dus bij niet-verschijning geene kosten zou hebben behoeven te betalen.
Arr.-r. Amsterdam '1'2 Juni 1900, W. 7554.
Art. 94.
2. Add. Implieite werd beslist bij vonnis Ktg. Haarlem 3 Juli 1903, W. 7956, dat deze bepaling ook bij verzet tegen een verstekvonnis van toepassing is.
3. Add. Verg. met de beslissing der arr.-r. Assen, arrest Hof Arnhem 5 Dec. 1906, W. 85i9.
28. Add. Vergelijk navolgende beslissing;
Al is de omschrijving van het verhuurde onroerend goed in de dagvaarding tot ontruiming vaag geschied en zou dit tot nietigheid aanleiding geven, zoo moet die niet worden uitgesproken, wanneer bij repliek is gesteld en daarna is erkend, dat geen ander goed in de genoemde gemeente door gedaagde is gehuurd als in de dagvaarding genoemd.
Ktg. Enschede 28 Jan. 1902, \V. 7910.
.â J4. Het belang, waarvan hier sprake, mag niet zijn een ongeoorloofd belang.
Hof Amsterdam 24 Nov. 1899, VV. 7418; in casu hadden geïntimeerden als hun belang doen gelden, dat, bij toepassing dor exceptie van nietigheid der dagvaarding in appél, de termijn voor het instellen van hooger beroep wellicht verstreken zou zijn.
35. De niet-vermelding in het exploit van dagvaarding van de rechtbank voor welke de gedaagde moest verschijnen, brengt geene nietigheid dier acte teweeg, als do gedaagde toch voor de bedoelde rechtbank is verschenen.
Hof Arnhem 22 Maart 1905, W. 819(1. Verg. ook arr.-r. Amsterdam 15 Febr. 1901, W. 7G2i, waarbij is beslist, dat nu omtrent de identiteit
28
(Art. 100.
van den persoon iles eisoliers geen gescliil bestaat, liij tie niet juiste opgave van zijn naam in de dagvaarding geen belang bestaat en de exceptie dus moet worden verworpen.
Art. 9(5.
8. Waar vaststaat, dat de in de dagvaarding als eischeresse genoemde maatschappij niet als eischeresse is opgetreden en ook niet gezegd is, wie namens die maatschappij het proces heeft gevoerd moet de procureur zeilquot; in de kosten worden veroordeeld.
Arr.-r. 's-I!oscb 15 Dec. 1899, \V. Tios.
Art. 97.
7. Uit de artt. 97. 126 en 127 B. I!. volgt de bevoegdheid van den Nederlandscheu rechter om kennis te nemen van persoonlijke vorderingen tegen Nederlanders, huiten het Rijk (in casu in Xed.-Indië) hun woon- en verblijfplaats hebbende.
Klg. Amsterdam 7 Oct. 1901, W. 7732.
Art. 99.
14. Ook in een geding voor don kantonrechter is de verweerder gehouden alle exceptiën met zijn antwoord tegelijk voor te dragen.
Arr.-r. Amsterdam 2't Maart 19U5, W. 8324.
15. Zie voorstellen lot verandering in de vertegenwoordiging van partijen in de kantongerechts-procedure in W. 7810.
Art. 100.
8. Het door de Rechtbank besliste tusschengeschil ex art. 100 H. Rv. is niet vatbaar voor hooger beroep, wanneer de hoolVordering ook in hoogste ressort door (.lit college zou zijn beslist.
Hol' Leeuwarden 9 Januari 1901, \V. 7508 in strijd met conclusie C), M. waartegen bel beroep in cassatie is verworpen bij arrest 28 Juni 1901, W. 7Ã25.
21)
Art. 111.)
Art. 103.
Hehoort in burgerlijke zaken de rechter ook zelf personen te kunnen aanwijzen, die door liem als getuigen of als deskundigen zullen kunnen worden gehoord? Door Mr. J. P. Moltzer bevestigend beantwoord in Themis, jg. 1905 hlz. 580, waar wordt voorgesteld eene aanvulling van art. '214 Rv. in voormelden zin.
Art. 106.
11. De niet-overgifte aan de wederpartij van een afschrift van het vonnis tot getuigenverhoor belet het houden daarvan.
Arr.-r. Utrecht 25 October 1899, W. 7390.
12. Jn eene procedure voor de Rechtbank moet het vonnis en de getuigenlijst aan den procureur worden beteekend; door beteekening aan de partij zelve wordt het afwezig zijn van den procureur bij de enquête niet gerechtvaardigd.
Hof den Haag 10 Febr. 1902, \V. 7759.
Art. 108.4.
1. Art. 108.4 B. R. schrijft niet voor, dat de rechter den daar bedoelden ânaderen termijnquot; steeds verleenen moet, zelfs indien hij van oordeel is, dat het belang van partijen zulks niet eischt.
Arrest 5 Mei 1905, W. 8216.
2. Nieuwe getuigen kunnen op dien naderen dag worden voorgebracht.
Arrest Hof 's-Bosch 27 Oct. 1903, W. 8013. Verg. ook arrest Hof Amsterdam 29 Maart 1901, VV. 7(!54, waarbij hetzelfde werd aangenomen ten aanzien van het vroegere artikel 217.
Art. 111.
I. Waar het proces-verbaal de eedsaflegging niet inhoudt, moet zij aangenomen worden als niet te zijn geschied en is het getuigenverhoor nietig.
Arrest :i0 Juli 1906, in strijd met concl. O. Al., VV. 8407.
30
(Art. 119.
Art. 119.
3. Add. Verg. ook over de vraag in welk stadium de rogatoire commissie kan worden gevraagd, de navolgende beslissing :
liet verzoek bedoeld bij al. 3 kan gedaan worden na het vonnis, mits liet slechts geschiede vóór den aanvang der enquête.
Arr.-r. Zutphen 5 Dec. 1901, W. 7/01.
Verg. ook in dezen zin : air.-r. Amsterdam 8 Febr. -1900, W. 7470 en Hof Arnhem i'2 Oct. 19(t'i, W. 78r)5, waarbij evengemeld vonnis der rechtbank te Zutpben is bevestigd, liet Hof besliste daarenboven dat voor de beoordeeling van de rechtmatigheid van het verzoek de namen en woonplaatsen der getuigen moeten worden medegedeeld en dat het verzoek moet worden afgewezen, wanneer dat niet is geschied.
Zie ook vonnis arr.-r. Amsterdam 2i Febr. I9U1, \V. 777±
4. De beteekening van dag, uur cn plaats, waarvan du 4de alinea spreekt, stelt de partij in de gelegenheid hare wrakingen voor den buitenlandschen rechter voor te dragen.
Arr.-r. Amsterdam 'Jö Jan. 19()0, \V. 7.M9.
5. Dat van wraking in het buitenland geen gebruik zou kunnen worden gemaakt, kan gucn grond opleveren om het verzoek bedoeld bij al. 8 te weigeren,
Arr.-r. Amsterdam 15 Juni 1Ã00, \V. 7564.
(5. Een verzoek, dat de rechter bij rogatoire commissie aan een vreemde autoriteit zal verzoeken om getuigen tehooren, moet worden afgewezen, indien daarbij niet opgegeven zijn de namen en woonplaatsen dier getuigen en deze aan do tegenpartij zijn bekend gemaakt.
Arr.-r. Zutphen 5 Dec. 1901, \V. 7701.
Verg. het daartoe betrekkelijk arrest Hof Arnhem, vermeld onder no. 3. Zie ook vonnis der arr.-r. Amsterdam 7 Dec. I9(ki, W. 7ti(i8, waarbij de vermelding bij -pleidooi voldoende werd geacht, ja zelfs werd aangenomen dat de noodzakelijkheid tot opgave in de wet geen steun vindt.
7. Art. 108 al. 1 Uv. voorschrijvende dat wrakingen moeten worden voorgedragen vóór hot afleggen der getuigenissen en bedoelende daarmee, dat zulks goschiodo onmiddellijk daarvóór en dus voor du autoriteit, die hot verhoor houdt, is ook van toepassing ten aanzien der rogatoire connnissie ex art. 119, 3°. Uv.
Arr.-r. Amsterdam quot;i'i Maart 1905, W. S'i'l'l en v. en 18 Dec. 1903,
31
Art. 120.)
W. 80Ã9; idem ari.-r. Almelo :!1 Jan. W. 8533 en arr.-r. Zutphen
5 Febr. I'.HKi, \V. 7910. I let disiiosilief van het vonnis der arr.-r. te Almelo beval o. a. het verzoek aan de buitenlandsche autoriteit om den getuige omtrent eventueele wraking te hooien, waaruit de Redactie van het W. opmaakt dat de bedoelde autoriteit niet de bevoegdheid werd toegekend om over de wraking te beslissen.
Anders bij arrest Hof den Haag l.quot;gt; Oct. 19(10, W. 8475, waarbij is beslist dat de rechter, dio het getuigenverhoor opdraagt, vooraf moet onderzoeken of de opgegeven personen wel als getuigen mogen worden gehoord.
8. Wordt overeenkomstig art. 119, o0. llv. het getuigenverhoor opgedragen aan een Xederlandsch consulair ambtenaar, dan kan deze geene andere regelen volgen dan die der Xederlandsche wet.
Arr.-r. Amsterdam *24 Maart 1905, \V. 8322.
!gt;. Wanneer in eene procedure voor de rechtbank het getuigenverhoor voor eene buitenlandsche autoriteit heeft plaats gehad, behoort de verliezende partij ook te dragen de kosten van den rechtsbijstand, die de tegenpartij in het buitenland beeft ingeroepen.
Arr.-r. Rotterdam 5 Dec. 1906, \V. 80OI.
Jrl. 120.
(». Voor de hier bedoelde nietigheid is niet voldoende de mogelijkheid dat de belanghebbende partij van eenig haar toegekend recht geen gebruik zou hebben kunnen maken, doch werkelijke benadeeling moet zijn gebleken, althans aannemelijk gemaakt.
Arrest 12 Dec. lOo-i, W. 7844; zie het daartoe betrekkelijk arrest Hof den Haag 10 Febr. 1902, \V. 7759.
7. Een getuigenverhoor moet worden nietig verklaard, waar de belanghebbende partij, die te Rotterdam woont, niet bij het verhoor, dat te üubrort werd gehouden, aanwezig heeft kunnen zijn door te late aanzegging van bet verhoor, immers één dag voordat dit plaats had.
Ktg. Dordrecht lü Febr. 1905, W. 8344, waarbij nog werd beslist dat de kosten van dat verhoor moeten komen ten laste van hem, die het heeft doen houden en hot bevelen van een tweede verhoor niet geoorloofd is.
32
(A}-(. 127.
Art. 126.
i\. Add. Verg. ook in anderen zin de navolgende uitspraak:
Art. 126f/ B. R. ondersclieidt niet tusschen hoofd- en nevenverweerders.
Arr.-r. Amsterdam '20 Jan. l'JOö, W. 8208 en 8269.
37. Add. Anders implicite bij arr.-r. Alkmaar 8 Se])t. 19Ã4, W. 8181.
4G. Alinea rj van art. 126 B. R. is niet van toepassing, wanneer de man zich zelf dagvaardt tot bijstand zijner mede gedagvaard wordende echtgenoote.
Arr.-r. Amsterdam 26 April 190U, W. 7458.
47. De vreemde (Belgische) rechter is bevoegd kennis te nemen van een geding waarin de Ned. Staat gedaagde is.
Hof van Cassatie van België 11 Juni 1903, \V. 7983; anders liet Hof van Beroep te Brussel 7 Nov. 1902 ib.
4S. Het ligt in den aard van ons procesrecht dat dezelfde rechter, die oenc uitspraak heeft gedaan, welke krachtens de wet voor geheele of gedeeltelijke herroeping vatbaar is, ook kennis neemt van de vordering, die tot die herroeping kan leiden.
Hof 's-Gravenhage 18 Jan. 1904, W. 8048, alwaar hot de vordering gold die bedoeld is bij art. 380 B. \V. en waarbij tevens werd beslist, dat deze bij request kan worden gedaan.
49. Ingevolge art. 9 A. B. kunnen vreemdelingen, die geen erkend verblijf in het Koninkrijk hebben, evengoed als Xed. gedaagden voor den rechter van de woonplaats des eischers worden gedagvaard.
Hof 's-Uertogenbosch 30 Juni 1903, W. 7900.
Art. 127.
11. Add. Zie in denzelfden zin:
Art. 127 B. R. jn art. 9 A. B. geeft den vreemdeling liet recht om een anderen vreemdeling voor den Nederlandsehen rechter te dagen, mits een bevoegd rechter kan worden aangewezen om van den eisch kennis te nemen, wat in casu het geval niet was.
Arr.-r. Amsienlam 4 Dcc. 1903, VV. 8059; idem arr.-r. Rotterdam 8 Juni 1904, W. 8138.
Deze leer stemt overeen niet de leer van den H. B. aangenomen bij de navolgende beslissing:
lkon, Rechtspraak, 2e druk, Doel II. ah. Suppl.
(Mr. W. van Kossem, Dunj. Heelt Is v., 3e Suppl.)
33
Art. 127.)
J)e bevoegdheid tot overdaging komt ook toe aan den vreemdeling, die hier te lande geen verblijf houdt, als er maar ergens in Nederland een rechter te vinden is, voor wien volgens de regelen der betrekkelijke bevoegdheid de door dien vreemdeling ingestelde actie kan worden aangebracht.
Arrest v. 21 Juni 1901, W. 7611, anders concl. O. M., verg. ook Hof 's-IIertogenboscli 30 Juni 1903, W. 79ü0, waarbij werd overwogen, dat dit artikel geene uitzondering bevat op art. 9 A. 1!., maar enkel in de wet is gekomen omdat men de leemte vreesde, welke de weglating van art. 14 C. C. zou kunnen teweegbrengen.
Anders is beslist bij arr. Hof 's-Gravenhage 17 Mei 1900, W. 7404, dat vernietigd is bij evengemeld arr. van den 11. R. Bij 's Hofs arrest werd, met vernietiging van het vonnis dm- arr.-r. Rotterdam 5 April 1899 \V. 7327, beslist dat bet overdagingsrecbt uitsluitend den Nedfirlander toekomt en werd voorts aangenomen dat de omstandigheid, dat de te Weenen gevestigde eischende vennootschap eene tiliale te Rotterdam heeft, die de transactie afsloot, geen verandering bracht in de zaak.
In den zin van het Hof's-Gravenhage: vonnis der arr.-r. Amsterdam 7 Febr. 1902, \V. 7785.
N.R. Met Hof te quot;s-Gravenhage 20 Jan. 1902, W. 7778 (vern. vonnis arr.-r. Middelburg 17 Oct. 1900, \V. 7525) achtte den Ned. rechter bevoegd in een sehadeactie tusschen twee hier niet wonende vreemdelingen wegens een buitenslands plaats gevonden aanvaring, omdat die actie onafscheidelijk samenhing met de vordering tot van-waarde-verklaring van een krachtens art. 704 gelegd beslag op een schip, dat bier te lande lag. De Rechtbank te Middelburg had zich onbevoegd verklaard.
Verg. ook in den zin van het Ilof, bet vonnis der arr. r. 's-Gravenhage 10 Juni 1903, vermeld sub art. 704.
12. Dit artikel beneemt den vreemdeling niet het recht om do exceptie van onbevoegdheid op te werpen o}) gronden, ontleend aan der partijen eigen wet, d. i. aan het contract.
Arr.-r. Groningen 21 Febr. 1902, \V. 7743.
i:{. Het hier gegeven recht komt den Nederlander toe, ook al is hij in hetzelfde geding door den buitenlandschen rechter in het ongelijk gesteld.
Arr.-r. Almelo 20 Juni 1907, \V. 8007.
o4
{Art. 138.
Art. 131.
Door het bepalen van deze uitzondering blijkt de wetgever den regel te buldigen. dat niet de Ueuze. docb sleithi^ do bevrediging door de eerstgekozene actie de andere doet vervallen, wanneer er meerdere vorderingen ten dienste staan.
Arr.-r. Zwolle 'ii .luni l'JO.'i, VV. 7095.
Art. 133.
14. Add. De verplichte vertegenwoordiging door een procureur is noodig bij het indienen van verzoekschrilten aan rechtbanken en hoven.
Ook waar het verzoek uitgaat van een voogdijraad moet deze door een procureur vertegenwoordigd worden.
Air. !t Jfaart 1000, \V. 8346.
/.ie naar aanleiding van deze beslissing do redaelie van hel \V. in datzelfde nununer onder «Berichten en Mededeelingen» en in W'. no. 834!) ih., in welk laatste stuk aan de voogilijraden, die icssoiteeren onder eene rechtbank die de tusschenkotnst van een procureni' tnmoodig ooideelen, wordt gcj'adcn te blijven doorgaan zonder procureur te requestreeren.
In den zin van den 11. li. is beslist hij arr. Hot Amsterdam (i Maart 190(1 en bij daartoe betr. vonnis arr.-r. Utrecht 13 Febr. 1906, beide opgenomen inW. 8342, bij vonnis arr.-r. Arnhem 20 Jan. 1000, W. 832:!, vonnis arr.-r. Utiecht l i Febr. 1006, \V. S382 en vonnissen der arr.-r. Amsterdam 22 Dec. 1005, W. S325 en 17 Jan. 1006, W. S325; verg. voorts Mr. v. Iv in W. S32S.
Anders vonnis arr.-r. Leeuwarden 17 Febr. 1006, W. S37S; de redactie van het W. in no. S325 onder quot;lierichten en Medcdeelingenquot;.
Vergelijk naar aanleiding van dit onderwei-p: Mr. 11. Raluler in W. no. 8332.
Mr. M l'olak betoogt in W. no. 8327 «Vertegenwoordiging door een procureur» naar aanleiding van het vonnis der arr.-r. te Arnhem in A\. 8323, dat de toelichting van het request voor de liechtbank kan geschieden door een lid van den Voogdijraad naast den procureur.
2:5. Waar do dagvaarding wel is waar vermeldt, wie als procureur voor eisclieros zal occupeeren maar niet dat die porsium als zoodanii;
Art. 134.) 36
is gesteld, geeft dit den gedaagde toch geen grond om nietigverklaring der dagvaarding te vragen.
Arr-r. Amsterdam 14 Dec. 1900, W. 7582.
24. Het voorschrift van art. 133 al. 3 Rv. is niet gegeven op straffe van nietigheid, zoodat de bij art. 256 al. 1 bedoelde beteekening ook aan de partij in persoon kan geschieden.
Rechtbank Rotterdam 0 Mei 1901, W. 7000.
2.). Do ratio dor procurourstelling is niet van toepassing op liet O. M., dat als hoofdpartij in een geding optreedt.
Arr.-r. Amsterdam 25 Jan. 1900, W. 8:V2S.
2(). Ook bij verzuim van procurourstelling in de dagvaarding is art. 94 van toepassing.
Arr.-r. Arasterdam 3 Jan. 1900, W. S'iSö.
Art. 134.
3. Add. Verg. navolgende uitspraak:
Bij hot verzet tegen een dwangbevel treedt wol naar den vorm do opposant als oischor op, maar dit noemt niet weg. dat liet onderzoek inderdaad loopt over eene vordering van het Bestuur, zoodat er geene reden bestaat, waarom dit de vordering niet zou mogen verminderen.
Arrest 11 Mei 1900, W. 8377.
II. Add. Wat is het onderwerp van den eiscli in don zin van dit artikel?
Onder het âonderwerp van den eischquot; in art. 134 B. R. moot worden verstaan: hot gevorderde in verband met die der bij dagvaarding gestolde feiten, waarop het ter beoordooling van de gehoudenheid dos verweerders om aan do vordering gevolg te geven in het wezen der zaak aankomt.
Wanneer de vordering is gegrond op eene opdracht kan later niet als grond worden aangenomen negotiorum gostio.
Arrest 7 Maart 1902, W. 7732.
Onder âonderwerp van den eischquot; moet worden verstaan de feitelijke grondslag der vordering.
37 {Art. 134.
âVerminderingquot; slaat op liet petitum, terwijl âwijzigenquot; en âveranderenquot; zien op den feitelijken grondslag der vordering. âWijziging'' nu zal zijn eene verbetering of verduidelijking waardoor de eisch in zijn wezen onveranderd blijft; dus b.v. die verandering, waardoor eene blijkbare vergissing wordt hersteld en waardoor de gedaagde niet in zijn verweer zal worden geschaad.
Herstelling van eene bij dagvaarding verkeerd gestelde dagteekening zal niet altijd zijn eene geoorloofde wijziging van den grondslag der vordering; dit hangt van omstandigheden af.
Rechtbank Utrecht s. d. W. 7559.
Verschil in den feitelijken grondslag is verboden verandering van den eisch.
Arr.-r. Utrecht 20 Juni 1900, W. 8418; zie ook arrquot; Hof 's-Gravenhage ;?1 Dee. 1900, W. 8480 en 31 Doe. 1900, W. Si95 en vonnis arr.-r. Amsterdam 27 Jan. 1905, W. 8317.
14. Add. Idem Hof Arnhem 20 Febr. ltK)2, \V. 7777; arr.-r. Zwolle 15 Febr. 1905, W. 8193.
Vergelijk in verband hiermede navolgende beslissing:
Een vordering blijft appcllabel. niettegenstaande vermindering tot een bedrag beneden Æ 400 (bij conclusie van repliek) voor het geval gedaagde eene hem toekomende vordering mocht willen verrekenen met den eischer, doch gedaagde deze verrekening niet heeft gewild.
Hof Arnhem 10 Oct. 1900, W. 7554.
33. Add. Verg. ook in denzelfden zin arr.-r. Breda 22 Mei 1900, W. 8499.
Vergelijk hiermede in verband navolgende uitspraak:
De verandering van het jaartal, waarin de gestelde overeenkomst zou zijn gesloten kan niet beschouwd worden als verbetering van eene schrijffout, maar is eene verboden verandering.
Arr.-r. Amsterdam 0 Maart 1903, \V. 7980; verg. aant. 11.
34. Add. Zie echter navolgende beslissing:
Verandering van den eisch tot echtscheiding in eene vordering tot scheiding van tafel en bed is eene geoorloofde vermindering van den eisch.
Hof Suriname 28 Aug. 1903, W. 7993.
38. Add. Vergelijk hiertoe betrekkelijk navolgende beslissingen:
Het in appèl laten varen van den in eersten aanleg gedane vor-
Art. 134.)
dering tot lijfsdwang, verandert niet liet onderwerp van den eiseh, maar Ls eene geoorlootde vermindering van de vordering; liet vragen van lijfsdwang toch bepaalt niet den aard der vordering, zoodat deze laatste door het intrekken van den eiseh van lijfsdwang niet van aard kan vrninderm.
Arrest I Nov. 1001, \V. 7(gt;71.
Di' hij conclusie van eiseh gedane vordering om de gijzeling ook te doen strekken tot verhaal van de kosten der gijzeling is eene ongeoorloofde vermeerdering van den eiseh.
Hof Curacao 'J Jan. I!KK!, \V. Sl'il!.
49. Ad'l. Verg. navolgende uitspraak :
Waar men gedaagde als betrokkene en acceptant aanspreekt, kan men dezen grondslag niet veranderen in eene aansprakelijkheid van gedaagde, op grond dat bij alle schulden van den acceptant heeft overgenomen.
Arr.-r. Rotterdam Juni 1905, W. 8430.
66. Acid. \rerg. navolgende beslissing:
Waar de vordering van Æ199.93 tot Æ13.72 verminderd wordt, is er geen sprake van afstand der instantie, maar van vermindering van den eiscb.
Arr.-r. Zwolle 15 Febr. 1903, W. 8193, waarbij nog is beslist dat de appellabilitcit afhangt van het bedrag, zooals het nlt;'i vcrminderincj per slot wordt gevorderd. Verg. niet betrekking tot dit laatste aant, 14.
100. Add. Zie verdere voorbeelden van ongeoorloofde verandering van den eiseh in de navolgende beslissingen:
Waar bij repliek de vordering op een anderen grondslag wordt gebouwd als bij dagvaarding heeft verboden verandering plaats.
Arrest 13 Maart 1903, W. TSilT.
Waar de eischer bij dagvaarding één verzekering stelt en nader hij conclusie verschillende verzekeringen in plaats van die ééne, is dit eene verboden verandering van den eiseh.
Arr.-r. Assen 23 Oct. 1900, W. 7521, bestreden door Mr. J. A. Levy in W. 7527.
Waar gevorderd is betaling in geld kan niet nader gevorderd worden betaling in een drie maands accept.
Arr.-r. Amsterdani 27 Juni 1902, \V. 7868.
38
Urt. 184.
Waar men tiij do actie van art. 714 H. W. later een andere grens stelt dan die bij de oorspronkelijke dagvaarding genoemd, wordt de grondslag der vordering veranderd.
Hof Arnhem 10 Dec. 1903, \V. S04!).
Waar het geheel aanvankelijk van de drie gedaagden te zamen was gevorderd, kan deze vordering niet nader gesplitst worden in dier voege, dat nu van ieder van hen afzonderlijk een deel wordt geëischt.
Hof Arnliem 13 .Fan. 1904, W. 8051,
Zie ook arr.-r. Maastricht 1 Febr. 1900, \V. 74i'i.
122. Noch uit art. 131 li. R. noch uit eenig ander artikel van dat wetboek kan worden afgeleid, dat eene vordering niet ten deele zou kunnen worden toegewezen.
Arrest 18 April 1902, W. 7754.
12:!. Zie met betrekking tot wat bij ilit artikel als niet verboden moet worden aangemerkt:
Waar de vordering tot schadevergoeding is uitgedrukt in eene geldsom, die beschouwd moet worden als de grens van hetgeen als schade behoort te worden toegewezen, kan de nadere ronclusie om die schade op te maken bij staat nooit als eene verboden verandering van den eiseh worden beschouwd.
Arrest 23 Mui 1902, \V. 7772.
De grondslag der vordering wordt niet veranderd door deze aanvankelijk op alleen-eigendom, later op mede-eigendom te doen steunen.
Arr.-r, Breda 22 April 1902, \V. 7774.
Waar bij eene vordering tot uitkeering van een zeker bedrag krachtens eeu polis van verzekering tegen ongelukken wordt gesteld dat de uitkeering bedraagt Æ 2000.â en nader bij repliek wordt gesteld dat die uitkeering bij de polis was bepaald op tweemalen het jaarloon, wat ook neerkwam op Æ 2000.â is dit geene ongeoorloofde verandering van den eiseh.
Arr.-r. 's-Gravenhage 17 Fobr. 1901!, W. 7889.
31)
Art. 140.)
Het is geone verboden verandering van het onderwerp van den eisch, wanneer is gesteld, dat zekere werkzaamheden tegen betaling van den gebruikelijken prijs zouden worden verricht en naderhand verklaard is, dat omtrent betaling van loon niet uitdrukkelijk was overeengekomen.
Ari'.-r. Rotterdam - Jan. 1905, \V. 82'. 10.
In casu gold het eene overeenkomst, die, al was het daarbij niet bepaald, toch belooning medebracht.
124. Het is niet als eene vermindering van den eisch te beschouwen, wanneer de oorspronkelijke grond dat men kooper is van liet geheel veranderd wordt in dien van kooper voor de onverdeelde helft. Die verandering kan nooit eenige uitwerking hebben, daar de gesloten overeenkomst den kooper alleen recht zou kunnen geven up het geheele goed en de toestemming des koopers dus niet gericht was op den eigendom van de onverdeelde helft.
Hof 's-ileitogenbosch '.M Maart l!i05, W. 8221.
125. V erandering van actie.
Academisch proefschrift van G. J.Salm, 1900, beoordeeld door Mr. J. P. A. N. Caroli in W. 8384, en door Prof. Visser van IJ zendoorn in Rechtsgel. Mag. XXVI, p. 339 en vlg.
Art. 135.
«Bijdrage tot hervorming van onze burgerlijke rechtsvordering». lletOosten-rijksche proces in de praktijk door Mr. J. C. Post in Rechtsgel. Mag. XXVI, p. 369 en vlg.
Art. 137 (1).
Zie een opstel van Mr. J. van Drooge in Rechtsgel. Mag. XIX, p. 171 sqq. ten betooge dat geene wettelijke bepaling verhindert, dat voor beide partijen één zelfde procureur optreedt.
Art. 140.
Het afschrift moet op gezegeld papier zijn gesteld.
Arr.-r. 's-Gravenhage Juni 1902, W. 7796, ook vermeld op art. 58.
(1) Men leze in het 2de supplement in plaats van; «de procedure in kort geding» (.de procedure in zaken oji korten termijn».
40
(Ar(. 141.
Art. 141.
1. Add. Verg. navolgende uitspraak :
Art. 141 B K., voor zoover het den gedaagde voorschrijft om zijne verwering in eene met redenen omkleede conclusie voor te dragen, is van openbare orde en legt hem den plicht o]gt;. niet alleen te kennen te geven öf hij tegenspraak voert, maar ook, velkc] de verdediging dat men de gestelde cijfers niet erkent, voldoet daaraan niet.
Arrest 18 April 1902, W. 7754; verg. ouk Hof Arnhem 10 Juli lij02, W. 7847. Verg. aant. 3.
â¢). Het voorschrift in lid 1 art. 141 Rv. den gedaagde gedaan om zijne verwering in eene met redenen omkleede conclusie voor te dragen bedoelt alleen, dat de gedaagde o|i duidelijke wijze te kennen zal geven of en zoo ja, welke tegenspraak hij zal voeren.
Arrest II Mei 1900, W. 7453, waarbij werd beslist dat, waar de gedaagde tegen eene rekening aanvoert dat een zeker bedrag niet moest worden overschreden, hij die nota niet post voor post behoeft te betwisten. Zie hiertoe betrekkelijk de navolgende uitspraken:
Wanneer hij antwoord duidelijk is aangegeven welke posten van eenig werk zijn betwist en ontkend door de verwijzing naar een exploit van gedaagde, waarin de posten die erkend worden specitiek zijn opgegeven, is een zoodanig antwoord afdoende en niet als vaajr of onbestemd te beschouwen.
Arrest 8 Mei 11103, W. 7924,
Wanneer geen enkele grond is aangevoerd waarop de ontkentenis steunt, voldoet deze niet aan de bepaling van dit artikel, dat zij n.1. met redenen moet zijn omkleed.
Arr.-r. Haarlem 17 Nov. 1903, \V. 80O8. Zie ook een vonnis der arr.-r. Roermond 7 April 1904, \V. 8078; verg. voorts vonnis der arr.-r. liot-terdam 29 Oct. 1902, W. 7898, waarbij is beslist dat een verweer niet geldig is, waardoor de eischer niet in staat wordt gesteld na te gaan welke elementen der dagvaarding worden erkend en welke betwist.
4. Waar het Hof beeft beslist dat het vage en onbestemde antwoord niet is aan te merken als eene erkeutenis (ontkentenis?) der overeenkomst kan in cassatie daarop niet worden teruggekomen.
Arrest 27 Juni 1902, W. 7798, waarbij nog werd beslist dat het den rechter niet verboden is om eene gestelde overeenkomst, die de tegen-
41
Art 141.) 42
partij gesommeerd is te erkennen of te ontkennen, bij gebreke van een van beide, als vaststaande aan te nemen; zijnde dit beginsel ook uitgesproken in art. 244.
5, Waar gedaagde de speeiru-atie zoowel in liaar geheel als post voor post ontkent en betwist is aan den eisch der wet (gemotiveerde conclusie) voldaan.
Arrest Dec. W. 7850.
Verg. ook arrest Juni 1907, W. 8579.
(!. Art. 141 1gt;. II. geldt ook voor de procedure in reconventie.
Arrest van 3 Febr. 1905, W. 8180.
Verg. de daartoe betrekkelijke beslissing:
De verweerder in reconventie, als eischer in conventie een inciden-teele conclusie nemend tot verhoor op vraagpunten, kan niet geacht worden zijn antwoord op den eisch in reconventie te hebben voorbehouden, daargelaten dat zoodanig voorbehoud bij de burgerlijke rechtsvordering niet bekend is. Door ten bestemden dage niet te antwoorden of uitstel te vragen mag hij tot het antwoord niet worden toegelaten.
Hot' 's-Gravenbage 25 April 19iii, \\. 8085.
7. Kene in algenieene termen gedane ontkentenis van alle posten een er gespeeiliceerdquot; rekening is geen antwoord met redenen omkleed.
Arrest 22 Maart 1907, \V. 8513; idem arr.-r. Rotterdam 29 Dcc. 1902, W. 7980; arr.-r. Breda 24 Oct. 1905, W. 8408.
S. liet voorschrift van bet 2c lid van art, 141 B. U. is nergens in dc wet toepasselijk verklaard op het geding voor den Kantonrechter ; duarniu kan een geïntimeerde voor liet eerst in hooger beroep ecne exceptie opwerpen.
Arr.-r. Amsterdam 10 Oct. 1899, W. 74.(9.
lt;). Kene rel'erte van gedaagde heeft niet per se tengevolge de toewijzing der vordering.
Hol' Amsterdam 3 Nov. 1899, \\. 7412.
10. In hooger beroep kan men alsnog herstellen een verzuim in
43 (Art. 141.
eersten aanleg en dus nog aanvoeren, waarom men meent niets verschuldigd te zijn.
Hof Arnhem 0 Juni 1900, \V. 7493; verg. ook Hof Amsterdam 7 Mei
1900, W. 748«.
11. Het verweer, dat berust daarop dat met het oog oji de tusschi'n partijen hestaamle overeenkomst dt* vordering niet negrond kan worden op don hij dagvanrding gestelden grondslag, moet leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van den eisch.
Hof 's-'.lravenhage 18 Juni I90O, W. 7481, vern, doch o|i andere gronden vonnis an-.-r. 's-Gravenhage '2:! Jan. 1Ã00, W. 7414.
1M. Xoeh uit dit voorschrift, nocli uit de geschiedenis daarvan volgt, dat men de bemaling van art. 1988 1!. \V. heeft willen huiten ellect stellen, zoodat hij dupliek nog beroep op df* verjaring kan worden gedaan.
Hof Arnhem 16 Juli 1902, W. 7847 hev. vonnis arr.-r. Zwolle 10 April
1901, W. 7017. Amhtshalve beslist, omdat art. 141 van openharo orde is.
1.'}. üerhtsgronden kunnen altijd nog te berde gebracht worden.
Hof Arnhem '28 Jan. 1903, W. 7901.
(4. De zoogenaamde peremptoire exceidiën moeten geacht worden onder de hier bedoelde niet te zijn begrepen.
Arrest lluf 's (Jravenhage 2S Mui 1903, \V. 7901.
15. Eene a.lgeiueene ontkentenis. hij conclusie van antwoord gedaan, mag bij latere conclusie worden aangevuld.
Arrest 's-Hortogenhosch 5 Juni 1903, \V. 8007.
Art. 141 H. R. verbiedt mcl hij conclusie \an du|iliek de bij conclusie van antwoord gedane verwering nader toe te lichten en zelfs aan te vullen met nieuwe verdedigingsmiddelen, mits een antwoord ten principale opleverend.
Hof Arnhem 14 Juli 1903, W. 8071, waarhij word beslist dat op het ontbreken van een ingebrekestelling voor hel eerst bij dupliek kauworden beroep gedaan; verg, vonnis der arr.-r. üotterdam 29 Juni 1900, W. 7498, waarbij wel hetzelfde werd aangenomen, maar het als ongeoorloofd werd geacht om bij dupliek te stellen, dat de huur met onderlinge toestemming was geëindigd, terwijl bij antwoord was gesteld eenzijdige opzegging.
Art. 141.)
Een beweren eerst l)ij dupliek gevoerd is tardief, voor zoover gedaagde daarop een nieuw verweer heeft gebouwd.
Air.-r. Rotterdam 18 Mei 1903, \V. 8009.
1G. Wanneer een partij eenmaal door de dagvaarding partij is in de aanhangig gemaakte procedure, is zij volkomen bevoegd om, nu door eene der andere partijen eene incidenteele conclusie is genomen, die haar rechtstreeks aangaat, daartegen incidenteel te eoncludeeren.
Hof 's-Gravenhage liO Nov. 190.'i, W. 8007.
17. Een voorbehoud van antwoord is niet bekend.
Hof 's-Gravenhage 25 April 190-i, W. 8083, vermeld sub aant. 0.
IS. liet lieginsel van art. 141 ii. li. geldt noodzakelijk voor den eischer in verzet wat betreft de middelen van liet exploit en de conclusie van eisch; immers de verzet doende partij is wel vormelijk eischende, maar vervult in wezen de plaats van verweerdcresse op de destijds tot haar gerichte vordering.
Hof 's-Gravenhage 30 Jan. 1905, \V. 8256.
1!gt;. Met het antwoorden op de subsidiaire vordering kan men niet wachten tot de uitspraak op de principale.
Hof 's-Gravenhage 30 Jan, 1905, W. 8256, waarhij nog is beslist dat de uitspraak over de subsidiaire vordering eerst te pas komt wanneer de oorspronkelijke wordt afgewezen.
21. In Rechtsgel. Mag. XXVl, p. 505 sqq. komt voor eene verhandeling van Mr. G. W. Star Busmann getiteld: «het materieel exceptiebegrip», al waar betoogd wordt dat onder het hier gebezigde woord aexceptiën» bedoeld wordt: «verweermiddelen ten principale».
22. Litteratuur over exceptiën: Diss, van J. ten Brink Jr.: «de exceptiën en hare wettelijke regelingo, aangekondigd door Jhr. Mr. P. R. Feith, in Themis jg. 1903, p. 173 sqq. en beoordeeld in Rechtsgel. Mag. XX blz 537 en vlg.
Diss, getiteld: «de exceptie plurium litis consortium in het burgerlijk procesrecht» van Mr. C. \V. Star Busmann 1902, beoordeeld door Mr. J. Rombach in Rechtsgel. Mag. XXIV, p. 17(i en door Mr. A. A. de Pinto in W. 7932.
44
{Art. 147.
Art. 142.
i. Add. Verg. met de aangehaalde beslissing der arr.-r. te 's-Gravenliage echter arr.-r. Winschoten 0 Jan. 1004, W. 8090, waarbij werd beslist dat de decisoire eed nog kan worden opgedragen op den dag voor de mondelinge toelichting bepaald.
Art. 144.
1. Bij pleidooi kan men niet ten nadoele van zijne tegenpartij op liet bij conclusie ingenomen standpunt terugkomen.
Arrest 20 Juni lOO.'i, W. 7042.
2. Aangezien met do conclusiën de zaak is voldongen, moeten daarin al de gronden van partijen voor hunne beweringen worden aangegeven.
Arr.-r. Zwolle 20 Nov. 1800, W. 7451.
3. Rechtsmiddelen moeten bij de conclusie worden voorgedragen; de pleidooien dienen alleen tot toelichting der conclusiën en tot het ontwikkelen der rechtsgronden.
Arr.-r. Roermond 30 Nov. 1809, W. 741G.
4. Het bij pleidooi gedaan aanbod van getuigenbewijs is ontvankelijk, wanneer het niet geldt een nieuw feit.
Hof 's-Gravenhage 20 Oct. 1003, W. 8010.
5. De bewering dat bij het proces-verbaal van zwarigheden geen grondslag voor de daarin opgenomen vordering van een der deel-genooten tegen den boedel is opgegeven en dit gebrek niet bij de dagvaarding mag worden hersteld, is, al ware zij gegrond (des neen), in ieder geval te laat gedaan, wanneer daarover in de schriftelijke instructie is gezwegen en zij voor het eerst bij pleidooi is geopperd.
Hof 's-Hertogenbosch 10 Maart 1907, W. 8508, ook vermeld op art. 607, nn. 10.
Art 147.
2. Art. 147 B. R. is niet toepasselijk op de wijze van procedeeren voor den Kantonrechter, waarbij geen bepaalde formaliteiten voor het in 't geding brengen van stukken zijn voorgeschreven. Kantongerecht Maastricht 1 Dec. 1903, W. 8117.
45
Jrt. 157.)
;5. De le en 4e alinea van dit artikel derogeeren uitdrukkelijk aan de algemeene bepalingen van arlt. 42 en 44 der Frimaire-wet en art. 8 al. 2 der Zegelwet: G. .1. Kooiman in W. 8134; dezelfde behandelt in \V. 8130 de vraag of de rechter op ongezegelde of ongeregistreerde origineele stukken mag recht doen; zie, naar aanleiding daarvan, Mr. A. Sigmond in W. 814ü.
Art. 152.
14. .1(W. Zie echter navolgende uitspraak:
Het gevolg van het door den vreemdeling-eischer niet stellen van zekerheid binnen den daartoe bij vonnis bepaalden tijd is alléén, dat de gedaagde niet behoeft te antwoorden; het gepleegd verzuim brengt met name niet mede, dat het geding zou moeten worden vervallen verklaard en evenmin dat de eischer zou moeten worden verklaard niet-ontvankelijk in de verdere voortzetting van het geding met ontslag van instantie.
Arr.-r. Amsterdam 14 Dec. 1899, \V. 7450.
27. Waar verschillende eischers liij ééne dagvaarding optreden en de vordering strekt om aan elk van hen een zeker bedrag te betalen, kan, waar van enkelen hunner zekerheid wordt gevraagd, dit niet beletten dat de andereu hun reeht vervolgen.
Hof Amsterdam 24 Nov. 1899, \V. 7418.
Art. 15G.
27. De exceptie van onbevoegdheid ontleend aan eene contrac-tucele bepaling, waarbij partijen zich hebben verbonden om hare geschillen te brengen voor de rechtbank of het kantongerecht van eene zekere gemeente is eene exceptio ratione personae.
Ktg. Ilensdeu 10 .luli I9Ã2, W. 7930.
Art. 157.
12, Door te licslisseu dat de rechtbank onbevoegd is om van eene rcrunvent mncele vordering van Æ 71.â kennis te nemen zonder dat de exceptie is opgeworpen, ziet de rechtbank dit artikel voorbij. Arrest 19 .Mei 1905, W. 8223.
40
(Art. 158.
Art. 158.
12. Add. Vurg. navolgemle uitspraken:
Onder âanderen rechterquot; is niet te verstaan een buitenlandsche reel iter.
Arr.-r. Rotterdam 8 Jan. 1900, W. 7493.
Waar een reconventioneele eiseh is ingesteld, kan de verwijzing van die vordering wegens art. 252 niet gevraagd worden.
Arr.-r. Amsterdam 24 Jan. 1906, W. Si'iO.
13. Add. Verg. navolgende beslissing:
Van voeging kan geen sprake zijn, waar de zaken aanhangig zijn voor verschillende Kamers der Rechtbank.
Arr.-r. Amsterdam 24 Jan. 190(3, ut supra.
20. Add. Verg. navolgende beslissingen :
Verknochtheid van twee zaken moet worden aangenomen, wanneer de uitspraak in de cene zaak van invloed kan zijn op die van de andere.
Het is niet noodig dat tijdens het opwerpen van het incident de eene zaak reeds ter rulle was aangebracht.
Arr.-r. ülreclit 1 l-Vbr. 1903, \V. 8214.
Verg. vonnis dierzoll'de reclitbank 10 Febr. 1904, \\. 8000, waarbij op grond van hetzelfde beginsel is beslist dat waai' de vorderingen berusten op verschillende gedeelten eener overeenkomst en de strekking verschillend is, er geen reden tot voeging bestaat. Verg. met deze beslissing arr. Iluf Amsterdam 20 April 1900, W. 74'.M en vonnis arr.-r. Tiel 24 Jan. 1904, W. 8201.
Verg. ook vonnis der arr.-r. Amsterdam 9 Aug. 1901, W. 7729, waarbij ook verknochtheid werd aangenomen, waar de eene vordering eene bijkomende of ondergeschikte is len opzichte van de andere. Intusschen werd het verzoek afgewezen, omdat de korte procedure van art. 542 B. li. niet door eene, waarvan het einde niet is te voorzien, mag worden opgehouden.
Zie ook navolgende beslissingen:
Wanneer in het eene proces de van-waarde-verklaring gevraagd wordt van een beslag, waarvan in liet andere de ophefling wordt gevorderd, zijn die zaken aan elkander verknocht.
Hof 's-Gravenhage 2 Jan. 1900, \V. 7440.
47
Art. 158.) 48
De vordering tot nakoming eener verbindtenis en die tot ontbinding derzelfde overeenkomst kunnen niet gevoegd worden, omdat de beslissing in do eene zaak niet afhangt van die in de andere.
Arr.-r. Zierikzee 9 Febr. 1904, W. 8064.
De procedure over do schuldplichtigheid zelve en die over de van-waarde-verklaring van een op grond daarvan gelegd beslag zijn verknocht.
Hof Arnhem til Febr. 1900, \V. 8406; verg. aant. 67.
quot;Waar de beide zaken betreffen ééne zelfde aanvaring, kunnen zij wegens verknochtheid worden gevoegd.
Arr.-r. Rotterdam 25 April 1906, W. 8491.
54. A/hl. Verg. navolgende uitspraak:
Art. 158 B. R. is, daar het eene uitzondering daarstelt, van beperkte strekking en mag dus niet zoover worden uitgebreid, dat ingeval er verknochtheid bestaat tusschen twee zaken, waarvan de eene in appèl aanhangig is bij een Gerechtshof en de andere in eersten aanleg bij eene Arr-Rechtbank, deze zou mogen worden verwezen naar het Gerechtshof.
Arr.-r. Amsterdam 10 April 1901, W. 7697.
Verg. ook vonnis arr.-r. Rotterdam 19 Febr. 1906, W. 8474.
fiS. De vordering van verwijzing moet ook voorafgaan aan de exceptie van onbevoegdheid ratione materiae.
Maastricht 31 Oct. 1901, W. 7815, anders het daarbij vei n, vonnis Ktg. Heerlen 29 Jan. 1901 ib.
«9. V oor het aanbangig zijn is het voldoende, dat de dagvaarding is uitgebracht: het is dus onnoodig dat de zaak ter rolle zij ingeschreven.
Arr.-r. Amsterdam 8 Jan. 1904, W. 8121.
In dienzelfden zin het sub no. 20 vermeld vonnis der arr.-r. Ulr'cht I Febr. 1905.
70. De exceptie van verknochtheid is een incident; van de beslissing daarop kan dus geappelleerd worden vóór liet eindvonnis.
Arr.-r. Utrecht 10 Febr. 1904, W. 8066.
(Ar(. 17ü.
71. Voor voeging van twee gedingen uit hoofde van connexiteit wordt, in tegenstelling met die uit hoofde van litispendentie, niet vereisclit dat zij worden gevoerd tusschen dezelfde personen en over hetzelfde onderwerp.
Arr.-r. ïiel 24 Juni 1904, \V. 8201; ook vernield suli no. 20.
Verg. ook vonnis der arr.-r. Amsterdam 12 April 1000, W. 7477.
Art. 159.
J. Do eischer moet bij conclusie van cisch de voeging vragen.
Hij kan dit niet doen te voren noch daarna.
Dat bij dagvaarding is gesteld, dat hij voeging zal vragen, is zonder invloed op het verzoek bij conclusie van eiscli gedaan.
Arr.-r. Rotterdam 3 Dec. 1900, W. 7580.
2. Het bij drie dagvaardingen aanhangig maken van vorderingen van dezelfde strekking is niet in strijd met de procesurdc.
Arr.-r. Haarlem 5 Febr. 1901, W. 7577.
Art. 17(i.
3. Ai/d. Verg', navolgende beslissing:
Wanneer men beweert dat de notaris iets anders in de akte heeft opgenomen dan partijen verklaard hebben, moet de akte om bewijskracht te verliezen van valschheid worden beticht en die valschheid volgens de hier gestelde regelen worden bewezen.
Arr.-r. Rotterdam 1 Mei 1905, W. 8357.
IS. De bewering van gemis aan overeenstemming van het in afschrift overgelegde testament met het oorspronkelijk is eene betichting van valschheid.
Arr.-r. Zwolle 29 Nov. 1S99, W. 7451.
11gt;. W aar verscheidene personen te zamen bij ééne dagvaarding en ééne conclusie eene rechtsvordering hebben ingesteld, daar kan niet één van hen, buiten zijne inede-eischers om, worden toegelaten om incidenteel alleen tic procedure te voeren van art. 170 sqq. B. li.
Arr.-r. Leeuwarden 23 April 1904, W. 8080.
Lkon. Itechlsprnnk 2o druk, Doel II, Afl. 5, Ho Snppl.
(Mr. W. van Kossf.m, Iturcj. Itechisr., .'?o Suppl.) 4
â 11)
Art. 179.) öO
20. Kr kan meen sprake zijn van betichting der akte van valseh-lieid, wanneer men beweert dat de akte eene andere oorzaak inhoudt dan de werkelijke.
Hof Arnhem 19 Juli 1905, W. 8300.
Art. 177.
5. Add. Zie met betrekking tot de vraag, of dit artikel limitatief moet worden opgevat, de navolgende beslissing :
Voor het bewijs der echtheid van een geschrift door de wederpartij overgelegd en evenzoo voor het tegenbewijs staan slechts de drie bewijsmiddelen van art. 177 open.
H. R. 12 April 1901, W. 7591.
Zie ook arr.-r. Alkmaar 21 Dec. 1809. W. 7409.
(ï. Aanbod lt;gt;in de echtheid eener schuldbekentenis door deskundigen en getuigen te bewijzen, gedaan nadat de pleidooien zijn gehouden, is als strijdig niet art. lii llv. niet toelaatbaar.
Arr.-r. Alkmaar 21 Mee. 1899, VV. 7409.
Art. 178.
0. Add. Tn denzelfden zin is beslist bij arr. 9 Febr. 1000, W. 7399.
S. Waar vaststaat dat de akte hoogstens onwaar van inhoud kan zijn en liet bewijs van zoodanige onwaarheid langs den gewonen weg kan geleverd worden komt de hier geregelde procedure niet te pas.
Arr.-r. quot;s-Ilertogenboscb 20 Oct. 11105, \V. 8388.
Art. 179.
3. Alhoewel al hetgeen hier is voorgeschreven van openbare orde is, zoo kan na de wet van 1896 de hier bedoelde akte van procureur tot procureur niet meer ;ds van openbare orde beschouwd worden. Arrest 9 Moi 1lt;.H)2, \V. 77(18.
(Arl. 200.
Art. 199.
5. Add. In denzell'den zin air. I Dec. ISUU, \V.
42. Add. Verg. ook navolgende beslissing:
De rechter is niet verplicht een getuigenverhoor te bevelen wanneer enkel beweerd wordt, dat hem later zal blijken dat de feiten tot de beslissing der zaak kunnen leiden.
Arrest 5 Dec. 1902, W. 7840.
50. Add. In denzelfden zin Lij arrest Hof 's-Gravenhage 8 Jan. 1900, W. 7399, waarbij nog werd beslist, dat bij de contra-enquête ook het onderzoek geoorloofd is naar feiten, die niet met zoovele woorden in de inlerlocutie zijn opgenomen, doch die de strekking hebben oni de onjuistheid aan te toonen, welke uil de bewezen feiten zouden kunnen worden getrokken.
51. Een bloote bereidverklaring namens eischer bij pleidooi gedaan om door hem gestelde feiten door getuigen te bewijzen, kan zonder schending der wet worden voorbijgegaan.
H. R. 1 Nov. 1901, \V. 7674.
52. Het verzoek van een appellant om den termijn van bewijslevering door den eersten rechter verleend, alsnog te verlengen op grond dat hij. wegens onbekendheid met proeessueele baudelingen. op den aangewezen dag is weggebleven, is in strijd met de procesorde en kan dus niet in hooger beroep worden toegestaan.
Arr.-r. Amsterdam 'l'l Juni 1800, \V. 7.4I'2.
53. Een getuigenverhoor kan niet opnieuw worden bevolen: een reeds gehoorde getuige kan dus niet opnieuw worden gehoord.
Hof 's-Gravenhage 'ili Juni 1902, \V. 7S5'J.
Art. 200.
1«. De wet verbiedt niet dut do belanghebbende partij, indien na het vonnis, waarbij bet verhoor voor de Uechtoank werd bevolen, haar blijkt, dat de getuigen verkeeren in het hier bedoelde geval, de Rechtbank adieere niet verzoek dat verhoor op te dragen aan de Rechtbank of den Kantonrechter hunner woonplaats, mits dit uiterlijk ten dienenden dage geschiede. De eischer kan deze bevoegd-
öl
Art. '203.)
Iieid niet verliezen, wanneer hij om gegronde reden (tengevolge van het hangende appèl) dat verzoek ten dienenden dage niet kon doen, zoodat het niet kan worden uiet-ontvankelijk verklaard wanneer hij het verzoek doet op den eersten dag waarop de zaak, na beslissing van den hoogereu rechter, weder ter rolle voorkomt.
Amsterdam 24 Den. 1901, \\. 7772.
Art. 200 A.
Dit artikel is bij de wet van 14 Febr. 1005 (Sthl. ii('. 71) in liet wetboek gevoegd.
liet luidt als volgt:
(iBij het vonnis, waarbij oen getuigenverhoor wordt bevolen, kan, doch alleen op eenparig verzoek van partijen, worden bepaald, dat het verhoor zal plaats hebben voor eenen regter-oommissaris.
In dat geval zal het vonnis, behalve de daadzaken, welke moeten worden bewezen, inhouden de benoeming van eenen regter-commissaris alsmede de bepaling van de plaats waar en den dag en het uur, waarop de getuigen voor bet bewijs zullen worden gehoord. Het vonnis kan tevens inhouden de bepaling van de plaats waar en den dag en het uur, waarop het getuigenverhoor voor tegenbewijs zal plaats hebben. Wijders worden de volgende regelen in acht genomen.
Dadelijk na afloop van het verhoor der voor het bewijs gehoorde getuigen bepaalt de regter-commissaris, voor zoover zulks niet reeds bij het vonnis is geschied, op het verzoek der wederpartij de plaats waar en den dag en het uur, waarop het getuigenverhoor voor tegenbewijs zal plaats hebben. Hij doet daarvan melding maken in het proces-verbaal.
Indien eender partijen verlenging van een der bovenbedoelde termijnen verzoekt, zal dit incident dadelijk door den regter-commissaris beslist worden. Tn dat geval, gelijk mede indien een der partijen verkorting van een der bovenbedoelde termijnen verzoekt, kan het incident ook, vóór den dag voor eenig öetuigenverhoor bepaald, bij eenvoudige akte van procureur tot procureur aan zijn oordeel worden onderworpen. Tegen de beslissingen van den regter-commissaris staat geenerlei voorziening open.
De bepalingen van de artikelen 105 tot en met 109, 1 1 1, 11tot en met MS, 119, eerste lid, en l'iO zijn mede van toepassing op het getuigenverhoor voor den regter-commissaris, met dien verstande, dat van bet getuigenverhoor altijd proces-verbaal wordt opgemaakt en dat de in art. 100 bedoelde overgifte van afschrift van het vonnis zal geschieden, ook al is de
{Art. 2ü;;
procureur der wederpartij bij hot uitspreken van het vonnis tegenwoordig geweest.
Aan het regterlijk eollegie verblijven de bevoegdheden bij liet derde lid van art. 200 en het derde lid van art. 119 verleend».
Naar aanleiding van liet wetsvoorstel van Mr. van Raalte, dat bovengenoemde wet is geworden, komt een hoofdartikel voor in \V. 7908, getiteld: «Een slap achterwaarts» en in \V. 7917 een artikel van Mr. Seerp Gralama «het wetsontwerp-van Raalte c. s.». Zie nog daartoe betrekkelijk eene ingezonden bijdrage van Mr. van Meeuwen in W. 7970.
Zie het wetsvoorstel met de toelichting in \\. 7903, het Voorloopig Verslag in W. 7958 en de Mem. van Antwoord in \\ . 80quot;i9.
Verg. ook:
Getuigenverhoor vooreenen rechter-commissaris ? door Mr. A. I'. Th. Kyssell naar aanleiding van het wetsvoorstel-van Kaalte e s. in Themis jg. 1903, blz. 01;! sepp
Zie ook Mr. A. C. Visser van Yzendoorn in zijne beoordeeling van «Moderne rechtspraak») door Mr. Ilartzfeld, in Themis 1906, p. 171 sqq.
Art. 202.
Door artikel 'i der bovenvermelde wet van 1905 zijn achter de woorden: «bepaalt de regtera ingevoegd de woorden: en in het geval van art â JOH A de regter-cominissaris«.
Art. 203 (1)
1. Verzuimt ilo Heehtbiink te doen, wat het 2e lid van art. 203 B. R. haar voorschrijft, dan is dit verzuim toch niet belanjn-ijk genoeg om aan te nemen dat. waar geene nietigheid is bedreigd, het eindvonnis op den enkelen grond dat hier strijd zon zijn met de openbare orde nietig moet worden verklaard.
Arrest quot;J7 lt; gt;ct. 1905, \V. 82S7, anders conclusie M.
( l)lquot;)oor artikel 3 iler bovenvermelde wel van 1905 zijn de woorden : «Behoudens het bepaalde bij het derde lid van artikel 119 en bij het tweede en derde lid van artikel 200« vervangen door de woorden : «Behoudens het bepaalde bij het derde lid van artikel 119, hij het tweede en derde lid van art. 200 en bij artikel 200 A».
Art. 231.)
Art. 222.
â¢4. Athl. Vorg. navolgcmlo beslissing:
Ken ilc-skuncligen-onderzock moet niet op gissingen, maar op bepaakle feiten zijn gebaseerd, zoodat. waar deze laatste ten processe niet vaststaan, liet onderzoek geene residtaten kan hebben.
Arr.-i'. llotterdiun '2 Nov. ISOS, \V. 7455, hov. bij air. Hof 's-Gra-venhage lquot;i Febr. 1900, ib.
6. Atlil. Verg. navolgende beslissing;
Hier is alleen sprake van deskundigen door den rechter in een aanhangig reehtsgeding; niet van deskundigen door partijen benoemd ter voorkoming van een rechtsgeding.
Arr.-r. Amsterdam 10 Oct. 1903, W. 8048.
Verg. arr. Hot' 's-Giavenbage 18 Febr. 1907, W. 85H8, waarbij op grond van de vooropgezette stolling is beslist, dat, in cas van art 714 \V. v K., art. ±!-.! B. Rv. alle toepassing mist; bij dit arrest is vernietigd liet vonnis der arr.-r. Rotterdam S Nov. 1905, \V. 84*27.
2ti. Nergens in de wet is aan de Rechtbank of aan den President ile bevoegdheid gegeven om een voorloopig deskundigen-onderzoek te bevelen in een voor de Rechtbank aanhangig geding.
Arr.-r. Zierikzee 9 Mei 190-2, \V. 7757.
Art. 281.
10. Wanneer deskundigen, bij verschil van gevoelen, in strijd met het verbod in art. 231 lid 2 15. I!. bekend maken welk het persoonlijk gevoelen van ieder hunner is, dan mag de rechter op het uitgebracht rapport geen acht slaan.
Arr.-r. Rotterdam IS Nov. 1903, \V. 8075.
11. Waar A'n uit drie deskundigen wel het rapport mede heeft opgemaakt, doch door ziekte verhinderd was het te onderteekenen, daar is zoodanig rapport toch rechtsgeldig.
Arr.-r. Assen 27 Juni 1905, W. 8280.
(Ari. 'Jo-.
Art. 2o().
5. Do rechter kan zonder nader bewijs liet gevoelen der deskundigen als liet zijne overnemen.
Arrest '28 Dcc. 1906, W. 8477; in casn gold het een geval, waarin Ifr bepaling van schadecijfers de rechter voorlichting van deskundigen had noodig geacht.
Art. 237.
3. Add. Verg. vonnis arr.-r. Amsterdam IS .lan. 1007, \V. 8562, ten hotooge dat zoolang niet van antwoord ten principale is gediend een verzoek tot verhoor op vraagpunten niet-cntvankelijk is.
6. Add. Verg. navolgende beslissing:
Daargelaten of een verhoor op vraagpunten in quot;t algemeen wel oplevert een begin van bewijs bij geschrifte, zoo kan toch in een bijzonder geval dit wel worden aangenomen.
Hof's-Gravenhage '2 A pril 1902, W. 782,quot;).
8. Add. Zie ten betooge dat de wet niet den eisch stelt, dat de vraagpunten moeten zijn afdoende: Hof Leeuwarden 25 April 1906, W. 8401.
16. Add. Verg. navolgende beslissingen:
Geen tweede verhoor, dat geen nieuw licht kan brengen.
Hof Amsterdam 2 Maart 1900, \V. 7465.
In hooger beroep kan een nieuw verhoor plaats vinden, wanneer ilit andere zaken betreft dan die. waarover het in prima heeft geloopen.
Hof's-Gravenhage 19 Jan. I90:i, W, 79'i8.
31. Add. Zie hiertoe betrekkelijk navolgende beslissingen :
Wordt eischer in zijne boofdvordering niet-ontvankelijk verklaard, dan is hij dit eveneens in zijne ineidenteele conclusie om den gedaagde op vraagpunten te hooren.
Arr.-r Haarlem '20 .Nov. I9ü0, \V. 75.51).
De rechter is bevoegd om het verhoor af te wijzen wanneer dit geheel overbodig is door de kennelijke niet-ontvankelijkheid der vordering en de zaak in staat van wijzen is.
Arr.-r. Amsterdam 17 Nov. 1905, W. 8423.
Verg. in verband met deze beslissingen arr.-r. Amsterdam 8 Juni 1906,
Art. 2o7.) quot;)()
\\'. 8503, waarbij is beslist dat, waar do oiscbor de niet-ontvankelijkbeid no^ niet heelt toegegeven en dit punt nog niet aan het oordeel van den rechter is onderworpen, een verhoor op vraagpunten van gedaagde kan worden toegestaan.
37. Add. Verg. ook navolgende beslissing:
Oe wet stelt niet als vereisehte voor de toelaatbaarheid van de vraagpunten, dat zij in den vorm vatbaar zijn voor bevestigende of ontkennende beantwoording, zoodat vragen omtrent de waarde waarin, de plaats waar en den tijd waarop de gestelde geldleening beeft plaats gehad, toelaatbaar zijn.
Hof Amsterdam 8 Nov. 1901, W. 7G'J7.
39. Add. Tn denzelfden zin als is beslist bij vonnis der arr.-r. Middelburg 19 Nov. 1890, werd beslist bij vonnis der arr.-r. Amsterdam 5 Nov. 190'i, \V. 7894.
il. Add. Zie echter navolgende beslissing;
De opvatting, dat bet oordeel over de toelaatbaarheid of bet doelmatige van een verhoor op vraagpunten zou staan aan partijen, is onjuist: zelfs door geene referte omtrent een zoodanig verzoek wordt de rechter ontslagen van het onderzoek naar de toelaatbaarheid.
Hof Amsterdam 8 Nov. I9iM. \V. 7097.
49. Add. Verg. hiertoe betrekkelijk navolgende beslissing:
Blijkens art. quot;237 B. I!. heeft eenc partij het recht om, vóórdat de dag voor het houden der pleidooien reeds is bepaald, bij ineidenteele conclusie te verzoeken de tegenpartij te doen hooren op vraagpunten, welk recht blijft bestaan, al overlijdt die tegenpartij vóór dat die conelusie genomen is.
Arr.-r. Amsterdam '22 Oct. 1903, W. S08'.i.
N.H. De procureur der tegenpartij had zich verzet tegen het nemen der conclusie, omdat een overledene toch niet op vraagpunten kan worden gehoord.
(!(). Ken verzoek tot verhoor op vraagpunten is niet-ontvankelijk, wanneer de feiten, waaromtrent het verhoor wordt verlangd nieuw zijn en tot dusver niet in de hoofdzaak waren gesteld.
Hof' 's-Gravenhage 7 Maart 1904, W. 8117.
(»1. Het laatste lid van dit artikel is als uitzondering van strikte uitlegging Dit voorschrift geldt dus niet, wanneer de beantwoording
â¢57 {Art. 21 quot;2.
ontkennend uitvalt, nok nirt wanneer die ontkenning een deel der vragen betreft, vermits ile erkenning gaaf en onbeperkt moet zijn en zich moet uitstrekken tot alle in de vraagpunten genoemde feiten.
An'.-r. Arnslerdam 5 Jan. 1U0Ã, W. 8437.
.Ir.'. 238.
S. Add. Verg. arrest ti Juni 1902, \\. 7782, ten betooge dat de beslissing ten deze geheel aan den judex facti is overgelaten.
Art. 240.
1. Add. Anders ook bij navolgende beslissingen;
Nu art. 240 1!v. den buitenlandschen rechter niet noemt in tegenstelling met art. 119 Uv., daar volgt dat de wetgever bij verboor van partijen dergelijk verzoek aan den buitenlandschen recliter niet beeft gewild.
Arr.-r. Amsterdam 24 Aj)iil 1901, \V. 7708.
De vraag of voor het geval van verwijderde woonplaats een verhoor op vraagpunten aan don Indischen rechter kan worden opgedragen, welke vraag uitsluitend is te toetsen aan art. 240 K. R.. moet ontkennend worden beantwoord.
Arr.-r. Amsterdam 21 April 1905, \V. 8358
Vergelijk ia verband met de vorige uitspraken navolgende beslissing:
Waar een verhoor op vraagpunten niet kan worden gelast wegens vaststaande uitlandigheid van een der partijen moet de conclusie daartoe niet-ontvankelijk worden verklaard.
Arr.-r. Middelburg 22 Maart 1905, W. 8344.
Art. 242.
(!⢠Dit artikel is ook op naamlooze vennootschappen van tot. passing.
Arr.-r. Amsterdam 8 Jan. 1904, \V. 8I(lG.
Art. 247.)
Art. 244.
2. Als een wettige reden van verhindering is te beschouwen dat een vreemdeling, hier te lande veroordeeld, zich in het buitenland bevindt en aldaar verblijft ten einde zijne straf te ontgaan.
Hof 's-lIiTtogenbosch 30 Juni 1(J03, W. T'.ltiO.
:!. Waar de vragen alternatief zijn gesteld kan van geen erkenning sprake zijn. Evenmin wanneer eene vraag naar bekendheid niet tevens behelst de bron waaruit die bekendheid zou zijn ontstaan.
Hof 's-llortogenbosch 30 Juni 1903, \V. 7'Jtjo.
Art. 245.
1. Add. Verg. met het eerste deel der aangehaalde beslissing hel vonnis der aiT.-r. Amsterdain 10 Febr. 1906, W. 8168, waarbij werd uitgemaakt dat dit artikel blijkbaar doelt op eene tijdelijke verhindering en niet op bet geval dat de partij zich in een ander werelddeel heeft gevestigd.
Art. 24lj.
1. De antwoorden bij een verhoor op vraagpunten door eene der partijen gegeven in een andere zaak, al is die tusschen dezelfde partijen gewezen, moiron niet dienen als begin van schriftelijk bewijs in bet aanhangig geding.
Hof 's-Hertogenbosch Juni 1901, W. 7648.
2. De antwoorden mogen niet als op zich zeil' staande worden beschouwd maar moeten genomen worden in verband met de andere gegeven antwoorden.
Hof 's-Gravenhage quot;27 April 1903, \V. 7949.
Art. 247.
lö. Eene provisioneele vordering is evenzeer eene tusschenvor-dering waarvoor art. 24i B. II. in bet algemeen geldt.
Arrest 31 Mei 1901, W. 7014.
ö.S
(Art. 21'J.
K». Een cenvouilige dugbepaling om over te gaan tot gerechtelijk scliriftondcrzoek is geen incidenteel vonnis.
Arrest 12 Dec. 1902, W. 785:1
17. Eedsopdraeht moet, evenals alle incidenteelc vorderingen, igt;ij gemotiveerde conclusie worden gedaan.
Arr.-r. Amsterdam 2:! April 1902, \V. 7871 e]i vonnis 7 Felir. 1902, W. 7754,
Art. 249.
.!lt;/(/. Verg. navolgende beslissing:
J)e rechtbank heeft de bevoegdheid om, wanneer zij het getuigen-bewijs niet toelaatbaar acht, eindvonnis te wijzen, wanneer de con-clnsiën wederzijds ten principale genomen zijn.
Arrest 8 Dec. 1905, W. 8311. Verg. in dit verband arr. Hol' Leeuwarden 20 Sept. 1900, W. 8579, waarbij is beslist, dat, waar beide partijen zich nog ieder ander bewijs hebben voorbehouden, in zoodanig geval rechtspraak ten principale nog niet te pas komt.
17. Add. liet aangehaalde vonnis werd bevestigd bij arr. Hof Amsterdam 24 Nov. 1899, \V. 7418, waarbij is beslist dat de omstandigheid, dat eene vordering door meerdere eischers bij dezelfde dagvaarding ingesteld tot betaling aan elk hunner van een zeker bedrag, niet tengevolge kan hebben, dat nu van enkelen hunner zekerheid wordt geeischt, de overigen hun recht niet zouden mogen vervolgen, voordat de beslissing gevallen is op een incident, dat buiten hen omgaat en zonder invloed is op de hoofdzaak.
IS. Do door het wijzen van een incidenteel vonnis geschorste hoofdzaak kan bij eene eenvoudige akte van procureur tot procureur worden hervat en voortgezet, zonder dat eene oproeping der partij zelve noodig is.
Hof 's-Hertogenbosch 3 April 1900, \V. 7440.
1!(. G. acht het in strijd met de bedoeling van dit artikel dat in hooger beroep het Hot, bevestigende een incidenteel vonnis der rechtbank, bepaalt, dat aan de rechtbank door de meest gereede partij zal worden gevraagd bepaling van den dag, waarop de zaak weder ter rolle zal worden opgeroepen, W. 771 (gt;. G. acht die bepaling onnoodig en oordeelt dat oproeping hij akte van procureur tot procureur legen een dienenden dag de eenvoudigste weg is om eene zaak, di e van de rol is afgeraakt, weder daarop te brengen. Do bestreden beslissing is van het Hof te 's-llortogenhosch 17 Dec. 1901, \V. 7712. Verg, aant. 18,
Ar I. 250.)
Art. 250.
4. Add. /.ie nog ten betooge diit er tusschen den eisch in conventie en dien in reconventie geen samenhang lielioeft te bestaan, dal beide vorderingen twee zelfstandige vorderingen uitmaken die alleen ter vereenvoudiging dei-procedure en ter vermijding van noodelooze gerechtskosten gelijktijdig worden behandeld: arrest 23 Febr. 1900, W. 7i03, ook vermeld onder art. 339 no. (i.
Uit dit beginsel, dat de reconventioneele vordering is eene zelfstandige vordering, vloeit tevens voort dat waar het in conventie vrij staat geen gezegeld papier te gebruiken, dit niet lot de reconventie mag worden uitgebreid; zie arr.-r. Amsterdam 13 Maart 1903, W. 7991.
5. Add. Verg. vonnis arr.-r. Maastricht Nov. 1900, W. 7557, waarbij is beslist dat de interveniënt niet eene reconventioneele vordering mag instellen, daar dit recht alleen aan den gedaagde is gegeven en daarenboven de interveniënt geen aanspraak mag maken op iets anders dan het onderwerp van den oorspronkelijken eisch.
13. Add. Onnoodig werd voorafgaand verlof in reconventie ook geacht door het vonnis der arr.-r. Utrecht 20 Dec. 1899, W. 7418, en zulks in strijd met conol. O. M.
27. Add. In denzelfden zin arr.-r. Rotterdam 24 Oct. 1900, \V. 7.'quot;)3G, ten hetooge dat in eene verilicatie-procedure de curator-gedaagde alleszins bevoegd is eene reconventioneele vordering in Ie stellen; verg. vonnis arr.-r. Amsterdam 20 Oct. !905, W. 8414, waarbij werd beslist dal waar de requirant tot veri-licatie Ier terechtzitling verklaart zijne aanvrage in te trekken, en er dus geen eisch is gedaan, de curalor niet eene reconventioneele vordering kan instellen.
50. Add. Verg. vonnis dierzelfde Rechtbank 19 April 1905, W. 8417, ten betooge dal in zoodanig geval de reconventioneele vordering het eerst kan worden onderzocht, wanneer nam. de beweerde wan-praeslatie is voorafgegaan aan die welke in conventie is gesteld.
51. Voor het beroep op compensatie stelt do wet niet als eisch het instellen van eene reconventioneele vordering.
Arrest 23 Juni 1905, \V. 8253; verg. ook vonnis der arr.-r. 's-Gra-venhage 17 Oct. 1899, \V. 7379.
60
{Art. 2ó5.
Art. 251.
7. Eene reconvcntioneelc vordering, alleen ingesteld voor het geval het conventioneel verweer ongegrond mocht blijken, is in strijd met de wet, die gebiedt den reconventioneelen eiseh reeds hij antwoord voor te dragen.
Arr.-r. Amsterdam '2quot;) Jan. 190quot;), W.
Deze uitspraak is ambtshalve gegeven op grond dal liet voorsclirift van art. Li5l is van openbare orde.
In denzelfden zin ook wat hot laatste betreft bij vonnis arr.-r. 's-Gra-venhage '12 Dcc. 1899, W. 7392; zie ook over het ongeoorloofde om eene reconventioneele vordering subsidiair in te stellen vonnis arr.-r. 's-Iler-togenbosch 1 Juli 1903, W. 8031. Verg. echter aant. 39 op art. 250.
Art. 252.
22. Dit artikel staat niet in den weg aan dc beslissing van hot lint', waarbij de reconventioneele vordering wordt toegewezen, het vonnis, in conventie incidenteel gewezen tot verhoor o|gt; vraagpunten, wordt bevestigd en deze laatste zaak ter uitvoering naar den eersten rechter wordt teruggewezen.
Arrest 3 1'ebr. 19nr., W. 8180.
Art. 254.
5. Add. Tn denzelfden zin als het Hof te 's-Hertogenboseh 31 Jan. 1882 is beslist bij arrest Hof Amsterdam 20 Maart 1900, \\ . 7173. Verg. ook aant. 8 t) op art. 255.
Art. 255.
!). Beteekening der oorzaak van schorsing is niet uitgesloten na een vonnis, waarbij de beslissende eed wordt opgelegd.
Hof's-Gravenhage 10 Juni 1902, \\. 7840.
10. Zoodra de conclusie van dupliek is genomen, verkeert een geding in staat van wijzen en kan geene schorsing van het geding meer plaats hebben wegens overlijden van eene der partijen.
Arr.-r. Amsterdam 22 Oct. 1903, \V. 8089.
Verg. over de vraag wanneer een geding in staat van wijzen is nog do volgendo beslissing:
(il
Art. 263.)
Keu jredim;- is niet in stuat van wijzen, al is daarin gewezen een interlocutoir vonnis, waarbij de eindbeslissing wordt afhankelijk gesteld van het al of niet afleggen van een bij dat vonnis opgelegden beslissenden eed.
Arr.-r. Rotterdam 0 Mei 1901, quot;W. 7660.
Art. '256.
6. Add. Zie ten betooge dat onder «belanghebbende» ook is te verstaan de partij, die bare bevoegdbeid om als partij op te treden, verloren beeft, arr.-r. Amsterdam . . . W. 8199. Anders echter bij vonnis arr.-r. Haarlem 4 Maart 1902, W. 7828,
Art. 257.
3. Add. In den zin van de arr.-r. 's-Gravenbage 22 Nov. 1887 is beslist bij vonnis der arr.-r. 's-Hertogenboscb 17 Febr. 1905, W. 8228, dat nam. hervatting niet kan plaats hebben van een verificatie-geschil, waar het faillissement door accoord is beëindigd.
â t. Waar het geding ingevolge art. 29 F. is geschorst, komen voor de voortzetting de hier gegeven voorschriften niet in toepassing.
Hof Amsterdam 23 Maart 1900, \V. 7467.
Art. 26o.
3. Add. Verg. navolgende beslissing:
Art. 268 liv. is limitatief, mitsdien bij uitsluiting toepasselijk op de verrichtingen, daarin met name vermeld, alzoo niet op het niet doen van ontkenningen.
Arrest II. R. 14 Juni 1901, W. 7(120, verwerpende beroep tegen arr.-r.
.Middelburg 10 Mei 1900, \V. 754G.
13. Het is niet verboden om de actie door een verzoekschrift in te leiden.
Hof 's-Gravenbage 30 Oct. 1899, W. 7375, vernietigende besch. arr.-r.
Middelburg 6 Sept. 1899, ib.
(i-J
{ArI. 285.
li. In zake een request lol uniler-c.urateele-slelling i'l1 eigen verzoek heeft ile arr.-r. Ie Alkmaar liij beseh. van 24 Dee. 1902, \\. 7841 ambtshalve een onderzoek ingesteld naar het al of niel bestaan van de volmacht op den procureur en het verzoek buiten beschikking gesteld, toen haar niet voldoende van de opdracht was gebleken.
Zie daarover Mr. Bosman in \V. 7845.
Art. 277.
1. Add. Verg. navolgende beslissing:
Ook van eene exceptie kan afstand van ilr instantii' worden gedaan, wanneer zulks geschiedt vóór het antwoord.
Ktg. Heusden 10 Juli 190'i, W. 79;iO.
0. Add. Zie ook vonnis der arr.-r. te 's-Gravenhage 12 Sept. quot;1899, W. 7380, ten betooge dat onder antwoord alleen wordt verstaan liet antwoord len principale en dus niet eene incidenteele conclusie van eisch.
24. In eene verzetprocedure is de opposant, en niet de geopposeerdc. eischer in den zin van art. 277 Rv.; deze laatste, al is die oorspronkelijk eischer, kan derhalve geen afstand van instantie doen.
Arr.-r. lireda I Oct. 19(11, \V. 7655.
25. Roiement van eene zaak kan door den eischer na het antwoord niet zonder medewerking van den gedaagde geschieden.
Ktg. Zwolle 12 Mei 1903, W. 7934.
Art. 283.
2. In dit artikel is eene aanwijzing gelegen, dat in het algemeen op eene bekentenis, in een geding afgelegd, niet in een ander geding mag worden beroep gedaan.
Arr.-r. Winschoten 19 Juli 1001, W. 7924, bov. Iiij arr. Hof Leeuwarden 15 April 1903.
Art. 285.
1. Add. Verg. vonnis der an.-r. Amsterdam 15 Febr. 1901, \V. 7024, waarbij het aan grooten twijfel werd onderhevig geaeht of een interveniënt de nietigheid der oorspronkelijke dagvaarding mag opwerpen.
Art. -2*5.)
5. Add. Verg. navolgende beslissing:
Op do zcit algemeene bewoordingen van dit artikel bestaat eene uitzondering bij de procedure bedoeld in art. G97 liv.
Hof quot;s-IIertogenbosch 9 Mei 1899, W. 7.'i8ü.
(i. Add. Verg. navolgende beslissingen:
Om als interveniënt te worden toegelaten, is voldoende dat er voorloopig blijke van een mogelijk belang, dat eerst na de toelating vatbaar is voor een grondig onderzoek.
Hof 's-Hertogenbosch 9 Mei 189(.i, W. 7;i8(i, op welken grond is beslist dat, al is iemand toegelaten, zijne vordering toeh nader niet-ontvankelijk kan worden verklaard.
Voor toewijzing van eene conclusie tot interventie is geenszins vereischt, dat de requirant van de door hein gestelde feiten bet rechtsgeldig bewijs levert, als hij maar summierlijk weet aan te toonen, dat die feiten niet slechts in zijne verbeelding bestaan.
Arr.-r. Rotterdam 28 .luni 19U1, W. 7707.
Verg. ook aant. 44.
19. Add. Zie voorts ten betooge dat art. 7ö3 de interventie van den schuldenaar, ten wiens laste derde arrest is gelegd, in het verklaringsproces in den weg staat.
Arrest .iO Maart 1900, vermeld op artt. 738 n0. 23, 477 n0.11 en 753 nn. I.
55. Add. In denzelfden zin beslist bij vonnis der arr.-r. Amsterdam 30 Juni 1903, W. 8057; zie aant. 0 op art. 288 (oud).
59. Adi/. In denzelfden zin beslist bij arr. Hof Amsterdam 27 Juni 1901, W. 7092.
(»2. Het belang moet aannemelijk gemaakt worden; niets belet den rechter om de ontkennende beantwoording der vraag of dit is geschied te toetsen aan niet betwiste feiten.
Arrest 10 Nov. 1900, W. 8450.
(â¢gt;;!. Ook al is de eisch tot interventie niet tegengesproken zoo moet lt;le rechter toch beoordeelen of' die is onrechtmatig of ongegrond.
Arr.-r. Haarlem 30 Oct. 1900, W. 7512; verg. aant. 5 op art. 288 (oud).
(»4. Als conservatoire maatregel is bet middel van âtusschenkomstquot; bij onze wet onbekend.
Hof Arnhem 10 l-Vbr. 1902, \V. 7707.
li-l
(Art. 288
Art. 286.
13. Het verzoek tot voeging is niet-ontvankelijk, wanneer liet gedaan is op den dag voor de uitspraak bepaald, ook al bestaat de mogelijkheid dat alsdan oen interlocutoir vonnis zal worden gegeven gelastende eene enquête en na dien nog nadere conclusion zullen worden genomen.
Arrest 1 Doe. 1905, W. 8300, waarbij het beroep in cassatie vei worpen werd legen arrest Mof 's-Gravenhage 8 Mei 1905, \\'. 82Ã3.
14. Uit dit voorschrift vloeit voort, dat voeging nog kan plaats hebben nadat de laatste conclusion tusschcn partijen zijn gewisseld, en dat de gevoegde partij, ook zelfs na dupliek van den gedaagde, nog in de gelegenheid moet zijn om harerzijds te concludeeren en met de hoofdpartijen voort te procedeeren.
Arr.-r. Zierikzee '22 Sept. 1903, W. 8002; bev. bij arrest Hof 's-Gra-venbage '28 Dec. 1005, \V. 8;!(i2, tegen welk arrest bot beroep in cassatie is verworpen bij arrest 15 Juni 1900, \V. 8391. Bij bet arrest van bet Hof werd nog overwogen dat appellant's stelling, dat na dupliek ter tereebtzitting, waarop die conclusie genomen is, de vordering tot voeging niet meer zou mogen worden gedaan, een zeer bedenkelijke stelling moet geaebt worden te zijn; intusscben was in casu biervan geen sprake daar do vordering tot voeging was ingesteld vóórdat van dupliok was gediend.
Art. 287.
4. Uit dit artikel volgt niet dat de conclusie in interventie eene herhaling zou moeten zijn van die, waarbij de interventie wordt gevraagd. De tot interventie toegelatene heeft de bevoegdheid om âmits zich bewegende binnen de grenzen van het belang waarvoor de interventie werd gevraagd â zijne rechten in dier voege geldend te maken, als hem noodig voorkomt.
Hof 's-Gravenhage, 15 .Mei 1905, \V. 8207.
Art. 288.
5. De beslissing op eene vordering tot voeging is niet gelijk te stellen met een dictum ter rolle maar is een incidenteel vonnis en dus wel degelijk vatbaar voor hooger beroep.
65
Hof 's-Gravenhage 8 Mei 1905, \V. 8223.
Lkon, Hecht sprank, 2e druk, Doel II. AH. 5, 3c Suppl. (Mr. W. van Kosskm, Burg. Recbtsv., 3e Suppl.)
Art. '289.)
Art. 289.
1. .1(M. Verg. navolgende beslissing:
lu'iic zaak kan niet door den president in kort geding behandeld worden, wanneer die zaak over hetzelfde onderwerp met dezelfde conclusie en tu.sschen dezelfde partijen reeds bij de Rechtbank aanhangig is
Air.-r. 's-Gravenliage 14 April 1905, W. 82'28
3G. Add. Verg. navolgende beslissing:
Al kan men aannemen de bevoegdheid van den rechter van de plaats der handeling, toch kan daarnaast ook de rechter van de woonplaats van gedaagde bevoegd zijn, te meer waar het geldt eene materie, die niet uitdrukkelijk bij de procedure in kort geding is geregeld.
Pres. aiT.-r. Haarlem .quot;) Nov. 1903, \V. no. 71385. De voorzitter had te beslissen over de vordering tot schorsing van een verkoop door den eersten bypotbecairen crediteur en weigerde, op grond van den in bet vonnis opgenomen omstandigheden, de schorsing.
38. Add. Verg. navolgende beslissing:
De president in kort geding recht sprekende is bevoegd om do ophelling te bevelen van een onrechtmatig gelegd executoriaa,! beslag.
Pres. Utrecht 17 Nov. l'.lOi, \V. 8158.
41. Add. Verg. navolgende beslissing:
Van eene beslissing in kort geding mag geen sprake zijn, wanneer hierdoor de hoofdzaak wordt geprejudicieerd; dit is het geval niet, waar gevraagd wordt herstel van den feitelijken toestand zonder prejudice van het recht.
Arr.-r. 's-Oravenhage 4 Mei 1905, W. 8£!0.
44. De eventueele onbevoegdheid der Rechtliank om over de hoofd/,aak-te beslissen brengt de onbevoegdheid van den president niet mede om eene beslissing bij voorraad te geven.
Hol' Amsterdam 27 April 1900, W. 7485.
4.gt;. In kort geding kan slechts eene voorziening bij voorraad
{Art. 289.
worden gevraagd, doch niet do definitieve beslissing dat gedaagde tot den voorgenomen exeeutorialen verkoop niet gerechtigd is.
I'res. an.-r. Leeuwarden 27 Febr. 1002, W. 7750.
Zie ook eene toepassing van dat beginsel in liet vonnis van den president der arr.-r. Utrecht 22 Mei 190.'!, \V. 7947.
4(5, Ook dit artikel kan toegepast worden in faillissement-geschillen, tenzij do laillissementswot uitdrukkelijk iets anders mocht vixir-schrijven.
Hof Amsterdam 22 Juli 190;! W. 8045; bev. vonnis Pres. arr.-r. Amsterdam 9 Juni 1903, \V. 7971,
47. Waar hot verzoek tot schorsing van een verkoop krachtens artikel 1223 15, W. zou neerkomen op een verzoek tot uitstel van lietaling moet het worden afgewezen.
Hof Arhem 25 Aug, 1903, W, 7977, waartegen bet beroep in cassatie is verworpen bij arrest 27 Nov, 1903, \V, 7994.
48. Waar het geldt oene onverwijlde voorziening iiij voorraad is do president bevoegd, onverschillig of de aan hem onderworpen zaak vatbaar is om voor don gewonen rechter te worden gebracht.
Hof 's-Gravenbage 4 Jan, 1904, W, 8074, en Pres, arr,-r, Amsterdam 12 Nov, 1900, \V, 8583; verg, in verband met deze laatste beslissing, â waarbij de voorzitter een onderzoek van deskundigen gelastte omtrent den staat van verkochte waar in een geschil daaromtrent tusschen kooper en verkooper, â een ingezonden stuk van Mr, A, Lind. in W. iS'585, en een antwoord daarop van G, T. in W, 8589,
Verg, navolgende uitspraak:
41), In kort geding bestaat goeno gelegenheid tot getuigenverhoor.
Pres. arr,-r. Utrecht 27 October 1905, \V, 8300, Verg, ook vonnis I'res. dier/elfde Rechtbank W, 8415.
50. Ook in kort geding kan kosteloos worden geprocedeerd.
Pres. arr,-r. 's-Gravenhage 3 November 1905, W, 8303, waarbij verlof werd verleend om den gedaagde kosteloos op te roepen en bepaald dat deze beschikking zal zijn kosteloos.
51. Mr. J, P, A. N, Caroli: «Het kort geding voor den president derarron-dissements rechtbank (Référé) 1 aangekondigd in W, ,S3ü7, beoordeeld door Mr, A, 1', Tb. Eyssell in Themis Jg, 1907 p, 109 sipi en door prof, MolengraatV in Rechtsg, Mag, X.XV p, 588 en volgende.
Art -297.)
Art. 292.
I}. Dit artikel geeft geen grond aan voor de beslissing van den President, maar stolt vast liet rechtsgevolg van zijne beslissing tegenover die van de Rechtbank.
Hof Amsterdam 28 Nov. 190'2, W. 78G9, waarbij werd vernietigd de beslissing van den president der arr.-r. Amsterdam lü Oct. 1902, W. 7869. De president luid de schorsing eener veiling door den eersten hypotheekhouder bevolen op grond dat beide partijen belang hadden de beslissing der Rechtbank af te wachten ; het Hof daarentegen besliste dat het nadeel der schorsing zoo goed als geheel zou komen ten laste van den hypotheekhouder, eene overweging, waarmede de president gemeend had geene rekening te mogen houden omdat dit zou zijn vooruitloopen op de beslissing der Rechtbank.
4. De president kan schorsing bevelen van uitbetaling krachtens een uitdeelingslijst in een faillissement, want geschiedt die schorsing niet. dan zou de uitbetaling moeten volgen en nadeel worden toegebracht aan de zaak ten principale.
Pres. Amsterdam 9 Juni 190;!, W. 7971.
Al mag de president bij zijne beslissing genoodzaakt zijn om eenig recht van den eigenaar te onderzoeken, zoo is hij daarom niet onbevoegd, vermits, ingevolge het bij dit artikel bepaalde, die beslissing de bestaande rechtsverhouding tusschen partijen niet zoude wijzigen of vaststellen en de hoofdzaak zou ongemoeid laten.
Hof 's-Oravenhage 29 .Mei 1907, W. 8583.
Het gold in casn eene vordering van den huurder tegen den eigenaar tot wegneming van door dezen tegen het pand geplaatste schoren enz.
Art. 2!J7.
I. Van analogische uitbreiding van dit artikel kan geen sprake zijn.
Hof Amsterdam Oct. 1902, W. 78ÃO, waarbij op dien grond is beslist dat de hier aan den president gegeven bevoegdheid niet mag worden uitgebreid tot de rechtspraak van den gewonen rechter, ook al betreft hot eene spoedeischende zaak.
Anders aant. (i op art. 011.
68
(Art. Sü'J.
Art. 801.
7. Add. Verg. ook vonnis der arr.-r. Maastricht 10 Mei 1'JtlO, W. 74M.
Art. 304.
I. Add. Verg. navolgende beslissing;
Art. 304 geeft wel den houder maar niet den uitgever eener assignatie bevoegdheid tot dit beslag.
Arr.-r. Rotterdam, 30 Oct. 1905, W. lt;S43(i.
Art. 305.
5. De president is om âgegronde vrees voor verduistering' aan te nemen niet gebonden aan de gewone bewijsmiddelen, ook niet. wanneer hij vooraf partijen in kort geding heeft gehoord.
Arrest 15 Jan. 1'I04. W. 80*21.
6. Verduisteren kan opgevat worden in den zin van âweerloos makenquot;; eenige opzettelijke of kwaadwillige bedoeling tegenover den schuldeischer is onnoodig.
Arrest 15 Jan. I'.KH, W. 80-21, waarbij het beroep in cassatie werd verworpen legen het arrest Hof 's-Gravenhage '29 Juni 1903, \\ . 7908; hij dit laatste arrest is bevestigd vonnis Pres. Rotterdam 15 ^tei 1903, W. 8049.
Verg. voorts over den zin van «verduisteren» Hof 's Gravenhage 8 Dec. 1903, \V. 80'27.
Art. 309.
5. Alleen bij de Rechtbank kan men opkomen tegen een door den President op grond van art. 303 B. R. verleend verlof tot het leggen van conservatoir beslag, en niet bij den President in kort geding. .
Arr.-r. Utrecht 9 Jan. 1905, \V. 8-220.
Verg. Pres. arr.-r. Rotterdam 8 Nov. 1905, \V. S3-25, waarbij deze zieli op denzeifden grond onbevoegd verklaarde, uu gedaagde, zooals de President overweegt, daarop uitdrukkelijk beroep heeft gedaan. Onder dit vonnis t. a. p. is aangeteekend dat dezelfde President den l 'i Mei 1903
Art. .'il l I
(bescli. opgenomen in W. 8049) van zoodanige vordering kennis nam, zonder dat zijne lievoegdhoid betwist werd. Deze aanteekening schijnt minder juist, want blijkens laatstbedoeld vonnis was het verlof tot beslag nog niet verleend.
Art. 310.
I. Verg. navolgende beslissing:
De lii.'teekcnis van art. 310 Kv. is, dat bij het stellen van voldoende zekerheid het beslag moet worden opgeheven, doch dat de ophefling kan worden bevolen, ook zonder quot;t stellen van zekerheid, wanneer summierlijk blijkt van de ondeugdelijkheid der vordering.
Arr.-r. Rotterdam 15 Nov. 1905, W. 8325.
4. Niet-ontvankelijk is eene vordering van schadevergoeding nader (i]i te maken bij staat, in een geding, als bedoeld in art. olO H. R., tiit het onverwijld bekomen van ophelling van een beslag.
Arr.-r. Rotterdam 1quot;) Nov. 1905 W. 8325, bij welk vonnis nog werd heslist dat het wisselen van eonclusiën hier niet te pas komt, doch ter bevordering van den spoed een mondeling verhoor van partijen voldoende is.
Art. 311.
I. i)e uitspraak tot ophelling van het beslag kan worden bevolen o]) de minute en vóór do registratie.
Aldus implicite beslist bij vonnis der arr.-r. Rotterdam, 15 Nov. 1905, W. 83'J5.
Art. 314.
'28. .li/r/. In denzelfden zin is beslist bij arrest I Juni 1900 \V. 74C1.
29. Add. Zie intusscben arr.-r. Zutphen 16 Mei 1907, W. 8597, waarbij is beslist dat de rechter zich ter beantwoording der vraag van competentie heeft te stellen op het standpunt, dat de posita van eischer in confesso zijn.
30. Deze bepaling strekt om in handelszaken de bevoegdheid der Rechtbank uit te breiden, geenszins om die, welke hij anders in gewone burgerlijke zaken bezit, te beperken.
Arr.-r. Amsterdam 0 Mei 1903, \V. 8015, waarbij werd heslist dat, wanneer de gedaagde buitenslands woont, art. ISöe in eene handelszaak kan worden toegepast.
70
(Art. 324.
10. .-UW. Verg. arrest llcif's-llertosenbosch liü Frlir. 1(J()7, \V. 8002, waarbij het Hof' heeft onderzocht lt;lc vraag ofâ onat haiikt'lijk v;iii den inhoud der dagvaarding â in het geding is komen vast te staan een der gevallen, die de exceptioneeie hevoegdheid rechtvaardigt.
Art. 321.
1. Ook de eisch lot van waarde verklaring lichoort tul de lievoegd-hcid der rechtbanken, al is het bedrag der hoofdvordering heneden de f 200.â.
Arr.-r. Amsterdam Nov. 1902, \\ . 7893.
AH. 323.
5. De vordering van het O. M. tot vervallen verklaring van het voorrecht der rechtspersoonlijkheid eener vcrecniging, igt;|i grond van overtreding barer statuten, is er niet eene als hier is hedoeld, nam. een gewoon twistgeding van Imrgerrechtolijkin aard.
Arrest quot;28 Juli 1903, \V. 7941.
N.B. De in het 2de supplement opgenomen beslissing behoort genummerd te zijn met 4.
Art. 324.
4. Aild. In denzelfden zin is beslist bij arrest 15 Aug. 1902, \\. 7808; in de aan dat arrest voorafgaande conclusie van den P. G. werd, atgescheiden daarvan, betoogd dat door bet hoeren van het O. M. in appel het verzuim in eersten aanleg is gedekt.
5. Add. Verg. ook navolgende beslissing:
Een vonnis gewezen zonder dat hol O. M. in de gehiedend voorgeschreven gevallen is gehoord, is nietig, en moet amhtshalvc worden vernietigd.
Hof Leeuwarden 20 April 1904, \\. 8095.
6. Add. Anders arrest 27 Maart 1903, W. 7905, waarbij, in strijd met de conclusie van he! O. M., is heslist dat de schuldeischers in het faillissement hij een vordering 'ils bij art. 2;gt; faillisseineutswet is hedoeld in den curator hun wettelijk orgaan vinden om de haten van bet algemeen beslag, waarmede het vermogen van een schuldenaar door het faillissement getrotfen
71
.let. 332.)
is, lanys den van rechten in te vorderen en dat daaruit volgl dat do
schnldeischers bij dusdanige vorderingen, zooals de wet het uitdrukt, door een curator verdedigd worden.
Verg ook li. M. j.g. 1898 j). 578 sqq.
14 Wanneer het O. M. slechts heeft geconcludeerd op eene inci-dentcele vordering, edoch de zaak ten principale in staat van wijzen was en deze ook bij het vonnis is beslist, kan niet gezegd worden dat het O. M. alleen op het incident is gehoord.
Arrest van 8 Febr. 1907, \V. 8498.
Art. 332.
10. Add. Verg. navolgende beslissing;
Beschikkingen eener Kechtbank. waarbij een dag tot jdeidooi wordt bepaald en de stukken gesteld worden in handen van het O. M., zijn, als eenvoudige dicta ter rolle, niet vatbaar voor hooger beroep.
Arrest lloogen Uaad, 31 Mei 1901, \\. 7614.
25. Add. Vergelijk de navolgende beslissingen :
De cessionaris kan niet appellecren van het vonnis, waarbij niet hij, maar zijn cedent partij was.
Arrest :f0 Nov. 1900, \V. 8466.
Waar de nu appelhint. oorspronkelijk gedaagde, geene partij is geweest in de vrijwarings-proceilure, is hij niet ontvankelijk om te a]ipelleeren ook van dat deel van hot vonnis, dat op de vrijwaring besliste.
Arr.-r. Breda 9 Juni 1903, W. 7992.
33. Add. In denzelfden zin als het arrest Hol' 's-Gravenhage 22 Nov. 1897 bij vonnis arr.-r. Zwolle 4 Dec. 1901, W. 7747.
44. Add. Vergelijk navolgende beslissing:
Slechts van de bij een vonnis gegeven beslissingen komt appèl te pas, niet van de motieven van een vonnis.
Hof Arnhem, 29 November 1899, W. 7407.
i A /7. 332.
Zie in volband hiermede onderstaande uitspraak :
w aiir de lieslissing ook gelegen is in de overwegingen is daartegen liet hooger lieroep ontvankelijk.
Hof Leeuwarden 10 Jan. I'.tOT, W. 8510.
59. Eene rechtbank het verhoor van een curandus opdragende aan een anderen rechter kan niet ap|ielleeren van de bescliikking door dien laatsten rechter genomen; de rechter toch is geene partij.
Arrest 28 Mei 1902, W. 7770.
(50. De appellabilitcit hangt alleen af van wat in appèl ter kennisneming wordt onderworpen.
Hierop ook ambtshalve te letten.
Mof Ainsterdam, 20 April 1900, \\. 7474.
01. W: lar in eersten aanleg de eene vordering is ontzegd en de andere is toegewezen, is appèl van het vonnis voor zooverre betreft de eerste vordering toegelaten, niettegenstaande ilie vordering beneden het bedrag van f 40igt; is. wanneer beide vorderingen te zamen dat bedrag te boven gaan.
Hof Arnhem 11 Maart 1908, W. 7(.)3(i, ook vermeld op art. TiOc, waarliij voorts werd beslist dat, waar de hoofdvordering appellabel is, zelfs al wordt daarvan niet geappelleerd, beroep van de daaraan vastgeknoopte accessoire vordering (zooals die omtrent de proceskosten) wordt toegelaten.
(gt;2. Het rechtsmiddel van hooger beroep komt alleen toe aan die partij, welke door de aangevallen beslissing geheel of gedeeltelijk in het ongelijk is gesteld, althans eene uitspraak hoorde, strijdende met het door haar van den rechter verzochte, of wel in waarde daarbij achter staande, wat het geval niet is waar f â¢quot;gt;00.ââ is toegestaan terwijl, de eisch strekte tot betaling van f 2000.â of zooveel minder als de rechter ex aequo et bono zou oordeelen.
Hof 's-Gravenhage 30 Jan. 1905, \\ . 8252.
(»3. Wanneer de vordering in hooger beroep doel en uitwerking mist, zoo niet alle de partijen in eersten aanleg in appèl geroepen zijn, is dit niet-ontvankelijk.
Hof 's-Cravenhage 27 Febr. 1905, \\ . 8224.
Art. 334.)
Art. 333
S. iVzo liepalinp; is ook van toepassing op beschikkingen.
Arrest 24 I 'tv. 1006, W. S i7(gt;.
Art. 334.
1. Add. In den zin van het arrest 10 Mei 1880 is nog beslist bij arrest Hof Leeuwarden 1 Mei 1007, \V. 8501!.
5. Add. Verg. navolgende beslissingen :
Het is niet als een daad van lierusting aan te merken, wanneer men zonder reserve, voor dat het vonnis beteekend is, aan de veroordeeling tot ontruiming, die luj voorraad uitvoerbaar is verklaard, vrijwillig voldoet, door bet gebuurde met overgave der sleutels te ontruimen.
Arrest 13 Juni 1002, \V 7788.
Het zonder protest ot' verzet ontruimen en verlaten van bet gebuurde ingevolge een bij voorraad uitvoerbaar verklaard daartoe strekkend vonnis, kan niet worden aangemerkt als berusting daarin.
Arr.-r. Amsterdam i Dec. 1001, W. 7758.
Al heeft men zonder protest aan de veroordeeling tot ontruiming voldaan, zoo kan berusting niet worden aangenomen waar bet vonnis bij voorraad was uitvoerbaar.
Arr.-r. Utrecht 0 Jan. 1004, W. 8051.
Waar door den deurwaarder ook zonder protest van appellant is ontruimd, kan van berusting geen sprake zijn, wat te meer klemt waar bet vonnis bij voorraad is uitvoerbaar verklaard.
Arr.-r. Zierikzee 8 Mei 1006, \V. 8406.
16. Add. In denzelfden zin als bij het arrest 28 Nov. 1884 is beslist bij arrest Hof Arnhem 15 Jan. 1902, W. 7770.
21. Add. Verg. navolgende beslissingen:
Het zonder eenigo voorbehoud aannemen door appellants procureur van de kosten krachtens een vonnis, dat geen ander uitvoerbaar dictum inhmidt, stelt zeer zeker berusting in dat vonnis daar.
Hof 's-l lertogenbosch 3 April 1000, W. 7446.
74
(Art. 331.
Aan ilo voldoening van hoofdsom en proceskosten kan sleehts dan het karakter van berusting worden ontnomen, wanneer die noodzakelijk is om aan de dreigende executie te ontkomen.
Hof 's-Gravenhage 15 Jan. 1900, W. 8398.
Add. Verg. navolgende Ijeslissing;
Het verzoek om in plaats van den gewraidcten getuige eenen anderen te hooren, onmiddellijk gevolgd door de reserve van hoogere voorziening, levert niet berusting op.
Arrest 'i.'i Jan. 1903. W. 7873.
35. Add. Verg. navolgende beslissing:
Het uitstel vragen om zelf conclusie te nemen brengt berusting mede in het vonnis, dat met afwijzing van eene incidenteele vordering gelas: ten principale voort te procedeeren.
Arrest 10 Nov. 1900, \\'. 75quot;2()) waarbij liet beroep In cassatie weid verworpen tegen arrest Mof 's-Gravenhage 10 .Mei 1900, \V. 74i0.
49. Add. Verg. navolgende beslissing:
Beteekening van een vonnis sluit niet per se in zich afstand van het recht o|) hetgeen daarbij word ontzegd.
Arr.-r. Rotterdam quot;1'ï Febr. 1905, W. 8342.
53. Aild. Verg. navolgende beslissing:
Alleen wanneer de verschillende eischers een ondeelbaar gezamenlijk belang hebben, brengt liet niet-optredcn van sommigen de niet-ontvankelijkheid der overigen in appM mede.
Hol' Amsterdam 20 Maart I'IOO, \V. 7473.
50, Afstand van recht en berusting mag niet worden ondersteld, maar moet duidelijk en stellig blij ken om te mogen worden aangenomen ; daarom kan men in eene overeenkomst geen berusting zien in een rechterlijk vonnis, waar bij die overeenkomst alle praejudicie in rechten werd buitengesloten.
Arrest 21 Febr 1902, W. 7720.
81. In het vragen van uitstellen na een vonnis van voeging kan niet geacht worden eene stilzwijgende berusting in dat vonnis te zijn gelegen.
Hof's-Gravenlmg amp; 2 Jan. 1900, \V. 7440.
v 1 i't 3o/). /6
82. De reserve van appèl vervalt niet door het vragen van een dag voor contra-enquête.
Hof 's-Gravenhage 8 Jan. 1900, \V. 7399.
S.1. Het afzien van het getuigenverhoor, waartoe men was toegelaten en het zonder reserve vragen van recht op de stukken stelt berusting daar.
Hof Arnhem 15 Jan. 1902, W. 7779.
S4. Wa ar de rechter hij een interlocutoir vonnis in het midden liet de vraag, waarhij appellant helang had, kan van herusting door voort te procedeeren geen sprake zijn.
Hof quot;s-Gravenhage '23 Juni 190'2, W. 7852.
85. De ten uitvoerlegging van eene veroordeeling, uitgesproken tegen sommige gedaagden, vormt geenszins herusting ten opzichte van medegedaagden, tegenover wie de vordering niet-ont vankelijk is verklaard.
Hof's-Gravenhage 7 Maart 1904, \V. 8117, verg. aant. 75.
86. \V anneer uit het audientiehlad niet blijkt van eenig voorbehoud vóór de enquête, kan een verklaring van den griffier alleen daarvan het bewijs niet leveren.
Air.-r. Amsterdam 20 April 1904, W. 8189.
87. lb-eft men hoofdsom en kosten betaald, zoo brengt dit noodwendig mede eene berusting in het beroepen vonnis, al heeft men zich uitdrukkelijk het hooger beroep voorbehouden, wanneer althans die betaling niet geschiedde om aan de dreigende executie te ontkomen.
Hof 's-Gravenhage 15 Januari 1906, W. 8398.
88. De exceptie van berusting moet ambtshalve worden toegepast.
Arrest Hof 's-Gravenhage 27 Dec. 1905, W. 83(11, bij welk arrest intusschen het interlocutoir, waartegen het beroep op grond van berusting werd niet-ontvankelijk verklaard, ambtshalve werd vernietigd.
S!). Uit het niet uitbrengen van de aete van appèl voordat de executie was afgeloopen, terwijl bet vonnis niet bij voorraad uitvoerbaar is verklaard, volgt noodwendig berusting.
Hof Amsterdam 20 April 1905, W. 8351, waartegen liet beroep in cassatie werd verworpen bij arrest 9 Maart 1906, \V. 8350, op grond
{Art. 337.
dat 's Hofs stelling is feitelijk, als zijnde hef bovenstaande alleen beslist naar aanleiding van 's Hofs bevinding dat in de voorhanden omstandigheden het niet uitbrengen van de acte van appèl berusting was gelegen, eene beslissing die ook niet indruiseht tegen de bepaling van dit artikel.
Art. 337.
15. Er bestaan termen tot het lt;;elgt;ruik maken van de aan liet slot van dit artikel gegeven bevoegdheid, wanneer de eist-her getuigen zal voorbrengen, die in het buitenland verblijf houden.
Arr.-r. 's-Gravenhage 5 Dec. 1899, W. 7li7l{.
Mi, Al. 2 slot kan niet worden toegepast op een vonnis gewezen naar aanleiding van art. 158 B. R.
Arr.-r. Rotterdam 8 Jan. 1900, W. 7-493. Verg. een opstel van Mr. .1 .A. Koest over den zin van art. 337 al 2, ten betooge dat deze alinea niet van toepassing kan, zijn waar het geldt een vonnis op een verzoek tot tussclien-komst; W. 7449.
17. Uit de bepaling van art. 337, dat van provisioncele, incidenteele en interlocutoire vonnissen geappelleerd kan worden vóór dat het eindvonnis is geslagen, volgt, dat het beginsel der continuïteit van instantie, dat tengevolge zou hebben, dat men volstaan kan met alleen te appelleeren van 't eindvonnis om daardoor ook geacht te worden geappelleerd te hebben van het interlocutoir, geen steun vindt in de wet.
Hof 's Hertogenbosch '27 Febr. 1900, \V. 7431.
18. De uitspraak, waarbij wordt uitgemaakt, sedert wanneer 't geding is geschorst en tusscben wie dit wordt voortgezet is als een incidenteel vonnis niet als een praeparatoir te heschomven.
Hof 's-Gravenhage tü Juni 1902, W. 7840.
Art. 339.)
Art. 339.
'2. Aild. Verg. ook navolgende beslissing:
I ncidrntccl appel van wn goïntiineerde tegen den inede-geïntiiueerd(! vindt geen steun in de wet, omdat erin dat geval geen principaal appèl is.
Hof 's Hertogenbosch 17 Nov. 11103, W. 8009.
(i. .UW. Verg. in den zin van het arrest H Nov. 1870 de navolgende beslissing;
Al is alleen van het eindvonnis geappelleerd, zoo heeft de geïntimeerde toch de bevoegdheid van het interlocutoir vonnis incidenteel te appellee ren, zelfs al heeft hij daarin berust.
Hof 's-Gravenhage 22 Juni 1905, W. 8273.
Verg. met opzicht tot twee zelfstandige vorderingen, in den zin van bet Hof te 's-Gravenhage hij arrest 15 Mei 1899, de navolgende beslissing van den H. Raad;
Uit het feit dat de eiscli in conventie en die in reconventie als zelfstandige vorderingen zijn te beschouwen, die onafhankelijk van elkaar worden berecht en afgedaan, volgt, dat het appèl ingesteld alleen voor zooveel betreft de uitspraak op den eisch in reconventie, niet meehrengt de bevoegdheid, om incidenteel van het vonnis te appelleeren. voor zoover daarbij omtrent den eisch in conventie is heslist.
Arrest 23 Februari 1900, W. 7403,
45. De bepaling van art. 339 lid 1 is algemeen en maakt dus geen onderscheid tusschen eindvonnissen en interlocutoire vonnissen. Bij afzonderlijk appèl van een interlocutoir loopt dus de termijn van de uitspraak van dat vonnis j anders hij gelijktijdig appel van interlocutoir en eindvonnis.
Hof Amsterdam 29 Dec. 1899 W. 7429.
Verg. ook arrest van hetzelfde Hof 30 Nov. 1900 W. 7592.
4(i. De termijn van hooger beroep ex art. 339 B. H. is geen dag meer dan drie maanden, (zonder dat de dag der uitspraak wordt medegerekend) en dus niet drie vrije maanden.
Hof 's Hertogenbosch 14 Febr. 1005, \\. 8214.
7S
{Art. 342.
Zie ook navolgende beslissing;
Van een vonnis uitjjvsprokcn op 0 Oei. 1902 kan op 7 Jan. d. a. v. niet meer in liooger i)croei) worden gekomen.
Hof 's Gravenliage l i April 1904, W. 8I15. Verg. aant. 5 op art. 39S.
47. Nergens sclirijft de wet voor beteekening aan de wederpartij van het vonnis, waartegen beroep is ingesteld. Voldoende is de overlegging der grosse in het dossier van appellant.
Hof Leeuwarden quot;17 Mei 1903, W. 8*277.
4S. Wa ar het eindvonnis in kracht van gewijsde is gegaan moet het appèl van het interlocutoir, al is dit tijdig ingesteld, niet-ontvankelijk worden verklaard.
Hof Leeuwarden 15 Mei 1907, \V. 8C00.
49. Geïntimeerde het vonnis bestrijdende op â en vernietiging daarvan vragende wat betreft â de punten, waarin do appellant in liet gelijk is gesteld, kan beschouwd worden als incidenteel appellant, al heeft bij niet formeel incidenteel appèl ingesteld, maar ten onreehte beweerd dat hot principaal appèl door het onbeperkt ingesteld hooger beroep ook die punten omvatte.
Hof Arnhem '27 Kebr. 1907, \V. 8004.
Art. 342.
1. Add. In denzelfden zin :
Arr.-r. Amsterdam 10 Nov. 1905, \V. 8421.
5. Add. Verg. vonnis der arr.-r. Amsterdam 10 Nov. 1905, \V. 8'i24, waarbij is beslist dat dit artikel /.iet niet alleen op eigenlijke gezegde executie, maar ook op gevolg geven aan het vonnis.
7. Het voorschrift van dit artikel is algemeen toepasselijk op alle vonnissen, die niet bij voorraad kunnen worden ten uitvoer gelegd, en een onderscheid tusschen vonnissen, die eene veroordeeling bevatten i'n die waarbij de vordering wordt ontzegd is niet overeen te brengen met de woorden van het artikel.
Arrest 22 Febr. 1907, W. 8501; verg. ook het vonnis der arr.-r. Amsterdam 10 Nov. 1905, \\r. 8424, waarbij op boveustaanden grond werd beslist, dat de hier gestelde regel ook op interlocutoire vonnissen van toepassing is.
79
Art. ;gt;4ö.)
Art. o4o.
27. Door do dagvaarding in appèl en niet door de memorio van grieven wordt de omvang van het appèl bepaald.
Hof Amsterdam '2 Maart PJOÃ, \V. 74G5.
Art.
1. Add. Zie nog ten botooge dat hooger beroep van een vonnis tot onder curateele stelling wegens krankzinnigheid bij rei|uest moet worden aangebracht:
Hof Arnhem 11 Dec. 1901, \V. 7759.
Idem arrest 22 Juni 1900 in W. 7468, waarbij de cassatie werd verworpen tegen arrest Hof Leeuwarden 14 Febr. 1900 W. 7430.
Zie ook arr.-r. Utrecht 21 Febr. 1900, W. 8404, waarbij nog werd beslist dat â in den regel beschikkingen op request vatbaar zijn voor hooger beroep en de curator belanghebbende is bij de beschikking, waarbij de curateele is opgeheven. Verg. ook arrest 5 Mei 1905, W. 8210, waarbij werd beslist, dat, waar de eindbeschikking als eene beschikking op request is aan te merken â er geen grond is om aan te nemen, dat de beschikkingen, die daaraan voorafgaan, een ander karakter zouden dragen.
4. Add. Verg. arrest 7 Juni 1901, W. 7015, ten betooge dat dit artikel niets bepaalt omtrent het recht zelf van beroep, en uit dit artikel dus niet kan worden afgeleid dat ieder die door de beschikking benadeeld kan worden, reeds daarom bevoegd zou zijn er tegen op te komen ; in concreto werd beslist dat als belanghebbende bij de machtiging van art. 94 W. v. K. niet is aan te merken de geadresseerde.
15. Add. Vergelijk hiertoe betrekkelijk navolgende beslissing:
Wanneer de laatste dag van den termijn invalt op een Zondag kan het hooger beroep nog rechtsgeldig daags daarna worden ingesteld.
Arrest 22 Juli 1907, W. 8585.
N. li. Voor exploiten is zulks met zoovele woorden bepaald in art. 14. Daar het onderhavige hooger beroep niet bij exploit wordt ingesteld, kon deze bepaling niet worden toegepast, maar heeft de 11. R. zijne beslissing gegrond op de omstandigheid dat volgens art. 08 van het reglement I de griffie des Zondags gesloten is, zoodat het request op dien dag niet ter griffie kon worden ingediend en dientengevolge de termijn met één dag zou worden verkort; dal dit laatste niet mag
80
{Art. 347.
worden aangenomen, omdat eene reglementaire bepaling een wettelijken termijn niet kan verkorten. Het O. M. liad geconcludeerd tot niet-ontvankelijk-verklaring van liet beroep zonder van de kwestie molding te maken.
Art. 347.
0. Add. Verg. ook arrest Hof 's-Gravenbage '2rgt; Juni 1906, \V. 8438.
7. Dit artikel heeft niet betrekking op incidcnteele eonclusiën; de bevoegdheid van partijen tot liet nemen daarvan volgt uit art. 247 j0 art. 858.
Arrest 29 Juni 1900, W. 8397.
S. Na terugwijzing eener zaak door den H. R. naar den rechter in hooger lieroep (art. 4quot;22) bevindt die zaak zich niet in den toestand, waarin zij tevoren bij dien rechter werd aangebracht wegens de gebondenheid aan de uitspraak van den Hoogen Raad; art. 347 is dan niet van toepassing; zoodat partijen alsnog kunnen worden toegelaten tot liet nemen eener conclusie.
Arrest 29 Juni 1900, W. 8397.
9. Grieven gericht tegen overwegingen van den eersten rechter, waarop door dezen zijne beslissing niet is gegrond, moeten buiten beschouwing blijven.
Hoog Ger. Hof Ned. Indië, 21 Sept. 1899, W. 7387.
10. De eerste alinea van dit artikel verbiedt meerdere eonclusiën dan die van eisch en van antwoord. Eene conclusie van repliek moet dus worden geweigerd ook al is daartegen geen verzet.
Arr.-r. Breda 2 Jan. 1900, W. 7483.
11. Het niet dienen van grieven in appèl kan slechts leiden tot bevestiging van het vonnis waarvan appèl, doch niet tot niet-ont-vankelijkheid van het appèl.
Arrest Hof Amsterdam 20 Oct. 1900, W. 7571.
12. W aar de tweede conclusie van appèl meer bevat dan volgens de 2de alinea is geoorloofd, moet zij in zooverre buiten het geding worden gesteld.
81
Hof Leeuwarden 10 Jan. 1907, W. 8510.
Lkox, Réchtsprank, 2c druk, Deel II, Afl. 5, 3e Suppl. (Mr. W. van Kossem, Burg, Hechlsc., 3e Suppl.)
Art. 348.)
Art. 348.
4. Add. Verg. navolgende beslissing;
In appèl kunnen eigen verzuimen, door den appellant in eerste instantie begaan, worden hersteld en nieuwe bewijsmiddelen worden aangevoerd.
Hof Amsterdam 2(5 Oct. 1900, W. 7571.
12. Add. In den zin van het arrest 26 Nov. 18G3 navolgende beslissing:
Hem, die in eersten aanleg de gelegenheid heeft gehad tot het leveren van tegenbewijs, doch die daarvan zonder opgaaf van redenen eenvoudig geen gebruik heeft gelieven te maken, kan in hooger beroep daartoe niet andermaal de gelegenheid worden gegeven.
Hof 's-Gravenhage S Jan. 1900, W. 7399.
Zie ook arr.-r. Amsterdam 22 Juni 1899, W. 7412.
Anders arr. H. R. 17 April 1903, W. 7914, waarbij is beslist dat, waar in eersten aanleg de bepaalde contra-enquête niet is gehouden, daarop in hooger beroep kan worden teruggekomen.
Zie over het geval dat in eersten aanleg de enquc'te wel is gehouden, aant. 11 op art. 353.
37. Add. Verg. navolgende beslissing:
liet beroep op een gesloten overeenkomst tot minnelijke afwikkeling betreft niet eene verdediging ten principale tegen de actie tot betaling van eene insehuld.
Hof Leeuwarden 4 Oct. 1899, W. 7448.
73//. Add. Zie nog over de vraag wanneer eene verdediging als gedekt behoort aangenomen te worden de navolgende beslissingen :
De feitelijke beslissing, dat uit de verdediging in eerste instantie geenszins valt af te leiden dat gedaagde toen van het peremptoir verdedigingsmiddel zou hebben afgezien of eenige hiermede strijdige daad zou hebben verricht zoodat het in appel aangevoerde verweer niet is gedekt, is juist.
Arrest 10 .Mei 1901, W. 7600; verg. Hof 's-Gravenhage 18 Juni 1900, W. 7481.
Het gedekt zijn eener verdediging ex art. 348 Rv. behoort te worden aangenomen na dr verklaring door den verweerder in eerste instantie, dat hij afziet van alle verwering.
11. li. 28 Juni 1901, W. 7020, verg. in dezen zin arr.-r. Amsterdam 1 Deo. 1905, W. 8433.
82
{Art. 348.
Eeue verwering in appèl, die in lijnrechten strijd is met die in eersten aanleg, mag niet worden gevoerd.
Arr.-r. 's-Gravenhage 7 Febr. 1900, W. 7421. Verg. ook Hof's-Hertogen-bosch 26 Juni 1!)00, W. 7482.
Waaruit de houding in eersten aanleg moet opgemaakt worden dat appellant in den eisch heeft berust, is iedere verdediging uitgesloten.
Arrest Hof 's-Gravenhage 24 Dec. 1900, W. 8483 en 13 Mei 1907, W. 8572,
De eerst in appèl gedane ontkentenis van eenige posten der specificatie, aan het hoofd der dagvaarding staande, is eene krachtens art. 348 Rv. geoorloofde verdediging ten principale, welke niet is gedekt door de meer algemeene ontkentenis, in eersten aanleg aan de vordering tegengeworpen.
Arrest Hof 's-Gravenhage 15 Oct. 1000, W. 7537.
Wanneer de gedaagde in eersten aanleg een positum van den eischer eenvoudig over het hoofd heeft gezien en hij zich daarover niet heeft uitgelaten, dan kan hij in appèl dit ontkennen, als zijnde eene verdediging ten principale, die niet is gedekt in eerste instantie: terwijl juist ook het hooger beroep strekt om tekortkomingen te herstellen.
Hof 's-Hertogenbosch 18 April 1905, W. 8250.
Waar in eersten aanleg is verklaard niet in staat te zijn gesteld eenig antwoord voor te dragen, daar is de verdediging ten princijiale vlet gedekt.
Arr.-r. Utrecht 3 Oct. 1900, \V. 8509.
73(. Verg. in den zin van ile Pinto 1. c. ilo navolgende beslissing:
Beroep op compensatie behoort tot de nieuwe weren van rechten eene verdediging ten principale opleverende als bedoeld in art. 348 B. It.
Arrest 23 Mei 1902, W. 7771.
S9. Het stellige wetsvoorschrift in art. 348 15. R. gegeven in het belang eener regelmatige wijze van proeedeeren kan niet geheel afhankelijk zijn van de houding van partijen, maar de naleving behoort ook door den rechter te worden verzekerd.
Arrest 14 Maart 1902, \\. 7734 (anders Adv.-lien. Noyon, in zijne conclusie bij dit arrest).
(Art. 350.
1)0. Eene peremptoire exceptie moet om hare gevolgen worden gelijkgesteld aan en behandeld als eene verdediging ten principale; zij kan dus in appM voor het eerst worden voorgesteld niettegenstaande art. 141 al. 2.
Arrest G Mei 1904, W. 8061!, waarbij liet beroep in cassatie werd verworpen tegen het arrest van het Hof te 's-Gravenhage dd. '28 Mei 1903, W. 7961. Hij dat laatste arrest weid nog beslist dat de bewering, dat zonder protest de vordering niet is ontstaan, een peremptoir middel van van niet-ontvankelijkheid is.
Verg. ook arrest Hof 's-Hertogenboscb, 26 Sept. 1899, W. 7423.
!)1. De exceptie van onbevoegdheid van den Xed. rechter, op grond dat de gedaagden zijn vreemdelingen in den vreemde wonende en liet hier niet geldt eene verbintenis als in art. 127 Rv. bedoeld, is niet van openbare orde en kan niet voor 't eerst in appèl worden voorgedragen.
Hof 's-Hertogenbosch .'!0 .luni 1903, W. 7960.
92. Do exceptie van gewijsde zaak behoort tot de nieuwe weren, welke nog in hooger beroep mogen worden aangevoerd, doch zulks alleen dan, als de zaak verkeert in hetzelfde stadium als in eersten aanleg ten tijde van liet antwoord, dus voor dat een interlocutoir vonnis is gewezen, hetgeen niet het geval is, wanneer van het interlocutoir vonnis niet wordt geappelleerd en dit dus van kracht blijft.
Arr.-r. Amsterdam 24 Maart 1905, W. 8324.
iCJ. Art. 348 onderscheidt niet tusschen den verweerder, die in eersten aanleg is verschenen en den verweerder, die toen verstek heeft laten gaan.
Arr.-r. Amsterdam I Dec. dOOS, W. 8433.
!(4. Art. 348 is alleen van toepassing op eigenlijke rechtsgedingen.
Hof Arnhem 18 Jan. 1906, W. 8532.
Art. 350.
9. Add. In denzelfden zin bij arrest Mof 's-Gravenhage 5 Maart 1906, W. 8436.
84
(Art. 355.
^4 i't. 353»
7. Add. Jn dcnzoll'ilen zin ton aanzien van de klacht over schending of verkeerde toepassing van art. 199 in hooger beroep, bij arrest !» Nov. I'JOII, W. 7516.
11. Over dezelfde feiten als waarover in eersten aanleg deenqm'te heeft geloopen, mag in a|)](èl een niemv getuigenverhour plaats vinden, wanneer de hoogere rechter dit noodig oordeelt.
Hof Leeuwarden 21 Jan. 1903, W. 7887. Verg. in verband hiermede aant. 12 op art. 348.
Art. oöó.
10. Add. Verg. navolgende beslissing:
Waar de eerste rechter den eischer niet-nntvankelijk heeft verklaard in zijne vordering en dit vonnis in honger beroep wordt vernietigd is de hoogere rechter verplicht de zaak zelve af tc doen, bevattende de artt. 355â358 slechts uitzonderings-bepalingen ten aanzien van de daar met name genoemde vonnissen, waartoe een eindvonnis, als het onderhavige is, niet behoort.
Arr.-r. Arnhem 3 Dec. 190.'!, \\. 8009. Anders de advocaat generaal Gregory in zijne conclusie voorafgaande aan liet onder dit nummer vermeld arrest van den II. 1!., die van oordeel was dat niet alleen niet in strijd met de wet maar ook volgens de beginselen van ons procesrecht wordt gehandeld, wanneer in een geval als het bovenliedoelde de zaak naar den eersten rechter wordt teruggewezen. De 11. R. besliste dat door deze terugwijzing de artt. 355, 356 en 357 niet kunnen zijn geschonden, omdat die artikelen niet handelen over een vonnis, waarbij alleen over een verweer van peremptoire niet-ontvankelijkheid werd beslist.
11. Het Hof. dat 1 )evcstigt een incidenteel vonnis tot verhoor op vraagpunten en ter tenuitvoerlegging hiervan partijen naar de rechtbank verwijst, handelt daarmee in overeenstemming met art. 355 Rv.
Arrest 15 Febr. 1905, \V. 8180.
Art. .'!7C).)
Art. 35Ã.
9. Add. Vergelijk ook navolgende beslissing:
De hcslissinir, ilat het irodiiif; in dien stiuit vorkccrt, dat daarover ex 356 Rv. liij een eindvonnis kan worden beslist, is feitelijk, voorzoover hare beantwoording afhangt van eene beslissing omtrent de feitelijke beweringen der partijen; dit is echter niet het geval, indien de wet aan eene partij nog het recht verleent om eene conclusie te nemen, waartoe zij nog geene gelegenheid had.
Arrest I 1'ebr. 1901, W. 7558.
Art. 358.
11. Wa ar beide partijen voor het geval van vernietiging van het a quo hebben geconcludeerd ten principale, staat dit met vonnis de hier bedoelde vordering gelijk.
Arrest Hof Leeuwarden 28 Sept. 1904, W. 8183.
Art. ojb.
IS. Hrt woord âvertegenwoordigenquot; in de zinsnede: âindien zij, welke zij vertegenwoordigen in het rechtsgeding niet zijn geroepenquot;, â beteekent; het als iemands vertegenwoordiger optreden, omdat diens rechten op hem zijn overgegaan, evenals dit de beteekenis was van liet ârepresentor'' in art. 474 Code de Proc. civile.
Hof 's-Gravenhage l April 1901, W. 7645. Tegen dit arrest is het beroep in cassatie verworpen bij arrest 27 Dec. 1901, \V. 7702.
1!gt;. De 1 )org is niet in zijn rechten benadeeld door de vaststelling der hoofdschuld in een prncedure tusschen den schuldeischer en den schuldenaar, omdat liet vaststellen der hoofdschuld ook ten zijnen opzichte niet is een gevolg van liet vonnis, maar van de rechtsverhouding, waarin hij tot schuldeischer en schuldenaar staat.
Hof Amsterdam 28 Juni 1900, W. 7504.
87 (An. 385.
2(1. Ãit du bevoegdheid, die een derde heeft, om zieh te verzetten tegen een vonnis dat zijne reehten benadeelt, volgt geenszins, dat die derde wanneer hij van dat reelit geen gebruik maakt moet berusten in de executie van het vonnis, wanneer dat vonnis die exeeutie tegenover hem niet medebrengt.
Rechtbank 's Gravenhage 5 Juni 1901, W. 7C53.
Art. 382.
24. Al moge onder âgeëisehtquot; kunnen verstaan worden niet enkel de oorspronkelijke eiseh. maar ook wat van zijde van den verweerder bij wege van eiseh wordt geldend gemaakt, zoo wordt hier toch alleen bedoeld het geval, dat omtrent een anderen dan den door partijen gedanen eiseh uitspraak wordt gedaan doch niet dat. waarin een eiseh wordt afgewezen up andere dan de aangevoerde gronden.
Arrest Hoog Gei'. Hof Ned.-lndiü 1 Maart 1900, \V. 7400, waarbij nog werd beslist dat de hier opgenoemde gevallen in strengen zin moeten worden opgevat, en dat, waar wordt overwogen, waarom een zeker onderzoek overbodig is, niet gezegd kan worden dat verzuimd is op een deel van den eiseh recht te doen.
2ö. Verzuimt appellant den door de Rcehtbank niet litis-decisoir verklaarden eed alsnog in appèl aan den geïntimeerde op te dragen en te concliideeren, dat het Hof den eed litis-decisoir zal verklaren, dan kan het Hof zieh over dien eed niet uitlaten.
Hof 's-Gravenhage 1 April 1901, \V, 7031.
Art. 385.
3. De eiseh tot request-civiel kan aanhangig worden gemaakt bij een verzoekschrift, bevattende de middelen en gronden van den eiseh zoomede de daaraan vastgeknoopte conclusie en aan de wederpartij beteekend bij een exploit, waarbij deze tevens wordt gedagvaard voor den rechter, die van den eiseh zal hebben kennis te nemen.
Hoog. Ger. Hof Ned.-Jndië I Maait I90O, W. 7400.
Art. 409).
Art. 39S.
5. Aihl. Hetzelfde werd aangenomen onder de nieuwe bepaling blijkens navolgende beslissing:
Do liij art. 398 B. li. voorgeschreven termijn begint eerst te loopen na alloo] i van den dag, waarop het arrest of vonnis, waartegen wordt opgekomen, is uitgesproken.
Arrest 20 April 1900, VV. 7430.
Verg. aant. Ui op art. 3li9.
Art. 406.
15. Add. Verg. navolgende beslissing:
Aan den eisch van art. 406 wordt niet voldaan, waar in het cassatieiniddel geklaagd wordt over schending en verkeerde toepassing van met name genoemde artikelen âvoor zoover ten deze toepasselijkquot;.
Arrest 31 Moi 1901. \V. 7614.
17. Waar volgens art. 406 B. R. liij een eisch tot cassatie v.igens overschrijding van rechtsmacht de daartoe betrekkelijke wetsbepalingen worden aangehaald, is uitgesloten eene opvatting van het cassatiemiddel, alsof daarbij ook nog afzonderlijk over wctschennis werd geklaagd.
Arrest 7 April 1905, W. 8204.
Art. 409.
2. .\dd. In denzelfden zin:
bij arresten 31 Jan. 1901, \\'. 7555, 13 Dee. 1901, W. 7697 en 18 Mei 1906, W. 8381.
Zie voorts hiermede in verband arrest 22 Doe. 1899, W. 7381, waarbij wel toelaatbaar werd geaebt bet voer bet eerst in cassatie bijbrengen van een nieuwen rechtsgrond.
In casu gold bet de bewering, dat, bij de betwisting dei' aangeboden zekerheid, de zaak niet binnen den bij art 618 B. Kv. gestelden termijn ter terechtzitting zon zijn gebracht.
S8
(Art. lO'J
Verg. voorts navolgende Ijeslissiiigen:
De eischer in cassatie, in vroegere instantie niet 1 ictwist hebbemle, dat de ingestelde actie eene handelsseliuld betrof, kan in cassatie op die houding niet terugkomen.
Arrest 2('gt; Jan. 1900, W. 8330.
Forraeele onvoldoendheid der dagvaarding k:m niet voor het eerst in cassatie worden beweerd.
Arrest 9 Maart 1906, W. 8350.
Een verweermiddel tegen de ontvankelijkheid eener vordering kan niet voor het eerst in cassatie worden voorgesteld.
Arrest 10 Maart 1900, \V. 83r)3.
!). Wanneer in cassatie de vraag is gesteld of in de introduetieve dagvaarding een der vormen is verzuimd die op straffe van nietigheid zijn voorgeschreven, dan kan de H. R. aan bet exploit van dagvaarding zelf den feitelijken grondslag zijner beslissing ontleenen en alzoo dat stuk zelfstandig onderzoeken, zonder gebonden te zijn aan hetgeen de feitelijke recbtcr daaromtrent heeft overwogen.
Arresten '27 Dec. 1901, \V. 7701 en van 13 Dec. 1901, \V. 7098; bij dat arrest ging de II. R. zelfstandig na, iets wat de rechter a quo ook reeds had gedaan, of de posita der dagvaarding van dien aard waren, dat gedaagde daardoor in staat was gesteld zich daarop te verdedigen. Anders arrest 4 Jan. 1901, W. 7540, waar de II, Raad overwoog, dat wanneer de Rechtbank tot haar oordeel, dat de gedaagde wel kon weten op welken grond de vordering berust, is gekomen door de uitlegging dei-dagvaarding, in cassatie daarop niet kan worden teruggekomen; indezen zin ook arrest 9 Maart 1899, \V. 7249, waarbij is overwogen dat de slotsom van het onderzoek van den rechter a quo, dat namelijk de dagvaarding de middelen en het onderwerp bevat, is eene feitelijke beslissing, onaantastbaar in cassatie.
N.B. De door den adv.-gen. Gregory in zijne conclusie vóór het arrest van 4 Jan. 1901 aangehaalde arresten van 25 Maart IS87 en 3 April 1890 zijn voor het hier behandelde punt niet ter zake dienende, omdat in die gevallen het de vraag niet was of de dagvaarding aan de fonneele vereischten voldeed.
89
Art. 4ol.)
Art. 4quot;24.
5. Een arrest van cassatie met verwijzing is een bevel betrellendo de verdere beliandeling van liet geding tigt;t welks inaehtneniing de eiselicrs. die het aangaat, volgens de artt. 422 en 424 zijn verplieht, zoodat niet-inaelitneming daarvan is schending dier wetsartikelen.
Arrest '29 Juni 19()G, W. 8397.
N. B. Hot in het ^de supplement vermeld arrest Hof Amsterdam 9 Oct.
1891 moet genummerd worden met i.
TWEEDE BOEK.
Art. 430.
1(5. De wet kent geen dwangmiddel om den schuldenaar tot do uitvoering der verbindtenis te noodzaken.
Arr.-r. 's-Gravenhage 2i Nov. 1903, W. 7D93.
Verg. over de vraag hoe geregeld moet worden de tenuitvoerlegging van vonnissen in liurg. zaken, inhoudende eene veroordeeling tot eene andere praestatie dan die eener geldsom? Mr. J. 1). Veegens, in Themis jg. 1900 p. .Mö sqq, naar aanleiding van de praeadviezen van prof. MolengraalV en Jhr. ilr. v. Doorn voor de vergadering der Xed. Jur. Ver. in 19(10.
Zie ook nog over dit onderwerp: Air. J. G. L. Nolst Trenité in een opstel getiteld: quot;Executieniiddelenquot; opgenomen in Reclitsg.-Magazijn XIX p. 28S en vlgde.
17. Bijdrage tot de kennis van de tenuitvoerlegging van vonnissen bij de Romeinen door Mr. J. Hamburger A.D.zn in Themis jg. 1902 blz. 402.
Art. 431.
1. Aild. Verg. met de aldaar vermelde betoogen de navolgende beslissing:
Eene in het buitenland uitgesproken onder curateelestelling van een Nederlander is hier te lande niet van kracht.
Arr.-r. Arnhem 3 April 1905, \V. S220, bev. bij arrest 1(3 .luni 1905, \V. 8248.
Verg. ook aant. 15.
DO
{Art. 431.
'i. Add. Vergelijk navolgende beslissing:
Waar door de dagvaarding dc zaak zelve niet aan een nieuw onderzoek of zelfstandige behandeling en afdoening door den Xed. rechter wordt onderworpen, is de strekking van art. 431 al. '2 miskend.
Hof Amsterdam ÃO April 1901), W. 8459, tegen welk arrest het beroep in cassatie is verworpen bij arrest 1 Maait 1907, W. 8505, op grond dat 's ilofs beslissing steunde op de uitlegging der introductieve dagvaarding, waaraan de II. li. is gebonden.
15. Add. Verg. iu verband met de laatst vermelde vonnissen het navolgende:
De buitenlandsche curator heeft geen beheer over het vermogen hier te lande en kan te dier zake hier voor den gefailleerde niet in rechten verschijnen.
liott. 19 Febr. 1902, W. 7826.
Anders ten aanzien van den curator door een vreemden rechter over een vreemden krankzinnige benoemd.
Arr.-r. Zierikzee 2(5 Juni 1900, W. 7485; verg. over dat laatste vonnis prolquot;. Hamaker W. v. Privaatrecht, Notarisambt en Registratie nquot;. 1017, die deze beslissing verdedigt eu W. 7524. Zie verder deze beslissing bestreden in W. 7530; waartegen prof. II. in \V. 7534 en eindelijk I,. v. I'. in W. 753(5.
24. Add. Vergelijk navolgende beslissing:
Een vreemd vonnis kan wol dienen als bewijs van een feit.
Roermond 3 April 1902, W. 7801.
Zie ook vonnis arr.-r. Amsterdam 4 Mei 1900, \\ . 8588.
2(J. Door de bepalingen van dit artikel wordt bevestigd, dat men zich hier niet op een buitenlandsch vonnis als gewijsde kan beroepen.
Arrest lil Jan. 1902, \V. 7717.
27. Door te beslissen dat de derde gearresteerde de som niet mag afgeven aan den arrestant, omdat die niet alleen aan den gearresteerde maar ook aan den Concurs-Verwalter in een faillissement in Duitsch-land toekomt, is geen uitvoering hier te lande gegeven aan een vreemde wet of aan een buitenlandsch vonnis.
Arrest 20 Febr. 190H, \\ . 7880.
28. Uit de slotwoorden van art. 12 van het tractaat, goedgekeurd bij de wet van 31 Dec. 1S97 (Still, nquot;. 275) kan niet worden afgeleid
Art. 485.)
dat dt' Ned. rechter do executoirverklaring zou moeten weigeren omdat degene, tegen wien de executie moet plaats hebben, zich op compensatie zou kunnen beroepen.
Arrest 4 April 1907, W. 8514.
Zio ook de noot der redactie onder het arrest geplaatst.
2!). Op de erkenning als schuldeischer in een buitenlandsch faillissement kan voor den rechter hier te lande geen beroep worden gedaan.
Arr.-r. Amsterdam 8 Jan. 1904, W. 8113.
30. In de bepaling van art. 431 B. R. wordt geene verandering gebracht door de omstandigheid, dat partijen zijn overeengekomen om geschillen tusschen hen, door den buitenlandschen rechter te doen beslissen.
Arr.-r. Amsterdam l't Nov. 190't, W. 82C0.
31. Proceskosten toegekend bij een buitenlandsch vonnis kunnen hier te lande niet worden gevorderd, omdat toewijzing daarvan zou nederkomen op uitvoerbaarverklaring van een deel van liet vonnis gewezen in het buitenland.
Arr.-r. Rotterdam '2i Febr. 1905, W. S:14'2.
:i2. Het tractaat van 14 Nov. 18%, goedgekeurd door de wet van 31 Dcc. 1897 (Stsbl. nn. 275) heeft bindende kracht, ook waar het wijziging brengt in eene bestaande wetsbepaling.
Hof 's-Gravenhage 5 Febr. 1900, W. 833S.
Art. 432.
7. Add. In den zelfden zin bij vonnis der arr.r. Rotterdam 9 Jan. 1905, W. 8312. ___
Art. 435.
8. De vordering tot van waarde verklaring van liet gerechtelijk aanbod gevolgd door consignatie ook na het bevel ter stuiting van de dreigende executie van een kantonrechters vonnis ingesteld, is niet te beschouwen als een geschil gelijk hier is bedoeld.
Hof 's-Hertogenbosch 13 Nov. 1906, W. 8592.
92
93 (AH. 452.
Art. 436.
3. Add. Idem hij vonnis arr.r. Amsterdam 21 Juni 1905, W. 8407.
Art. 439.
'i. Add. In den laatstvermelden zin ook vonnis arr.-r. Amsterdam 9 Maart 1900, W. 8525.
7. Add. De executie vangt niet aan met het bevel, maar dit laatste gaat aan de executie vooraf.
Hof 's Ilertogenbosch 13 Nov. 1900, W. 8592.
17. Deze bepaling is niet van toepassing op de executie die tot-doel heeft het tot zich nemen van eigen roerende lichamelijke goederen.
Hof 's-Gravenhage 27 Mei 1907, \V. 858(1.
Verg. aant. 8 op art. 430.
Art. 447.
(!. Onder het vierde nummer worden bedoeld zij, die zich hun levensonderhoud in hoofdzaak door handenarbeid verschallen.
Arrest 27 Aug. 1900, W. 7487.
Art. 450.
4. Add. Verg. met hol tweede gedeelte der daar vermeide beslissing arrest 25 Nov. 1904, aangehaald op art. 452.
Art. 452.
1. Uit dit artikel en artikel 450 volgt dat de aanstelling van den bewaarder in het proces-verbaal tehuis behoort en dat het verbaal alzoo het bewijsmiddel is van de tusschen den in beslagnemer en den bewaarder tot stand gekomen overeenkomst.
Arrest 25 Nov. 1904, \V. 8147 vernietigend liet in anderen zin gewezen vonnis der arr.-r. Breda 9 Febr. 1904, \V. 8112.
Art. 45(1.)
Art. 456.
2. Add. Zie echter Pres. der. arr.-r. Amsterdam 20 Jan. 1904, W. 8137, waarbij is beslist dat de analogische toepassing van dit artikel bij conservatoir beslag niet is uitgesloten, en dus niet de President in kort geding maar de Rechtbank bevoegd is van den eisch tot opheffing kennis te nemen.
5. Add. Zie ten betooge dat de beteekening ook na de dagvaarding kan geschieden.
Vonnis arr.-r. Amsterdam 29 Maart 1900, \V. 7i7i. Verg. ook aant. 24.
2.). Bij de dagvaarding moeten worden gesteld de feiten en omsta n-diglieden, waaruit do eischer het door hem beweerd eigendomsrecht afleidt.
Daartoe is het onvoldoende om uitsluitend te stellen âdat de goederen zijn het eigendom van eischerquot;.
Arrest 25 Jan. 1907 W, 8494, waarbij hel beroep in cassatie werd verworpen tegen liet arrest Hof Amsterdam 2 Maart 190G, W. 8435.
Verg. ook vonnis arr.-r. Amsterdam 2 Maart 1904 W, 8104.
Verg. ook navolgende beslissing:
Bij do dagvaarding behoeft niet alreeds te worden gesteld de wijze, waarop de eischer den eigendom heeft verkregen; maar wel moet hij. staande tegenover art. 591 B. W. behalve zijn eigendomsrecht bovendien feiten stellen, waaruit afdoende blijken kan dat, ondanks art. 594 B. W., bij hem de eigendom der goederen is verbleven.
Arr.-r. Amsterdam ü Mei 1903, W. 8010.
2(5. Noch art. 456. dat hem de bevoegdbeid verleent tegen den verkoop der in beslag genomen goederen op te komen, noch ecnig ander wetsartikel legt dengene, die eigenaar beweert te zijn der in beslag genomen goederen de verplichting op om te wachten tot den verkoop dier goederen alvorens de handhav ing van zijn eigendoms-recht te kunnen vorderen.
Arr.-r. Amsterdam 1 Juni IS'JO, W. 7387.
94
(Art. 475.
27. De vordering tot schadevergoeding ex art. 456 B. K. den beslaglegger gegeven kan door dezen slechts hetzij als zelfstandige, hetzij als reconventioneele vordering worden ingesteld: di- gedaagde is niet ontvankelijk wanneer de vordering hi j wege van antwoord is gedaan.
Arr.-r. Amsterdam 2 Maait 1904, W. 8104.
2S. Alleen in het geval dat hij, die eigenaar beweert te zijn, den weg volgt in art. 456 B. R. aangegeven, mag de deurwaarder den verkoop schorsen. Aan eene enkele aanzegging behoeft hij zich niet te storen.
Hof 's-Gravenhage 3 Jan. 1006, \V. SliOS.
Art. 474.
3. De deurwaarders, die de bevoegdheid om openbare verkoopingen van roerende goederen te houden, ontleenen aan de wet van 22 Pluviose an VII, in verband met de arrêté's van het Directoire Exécutif van 12 Fruetidor an I\' en 27 Xivóse an V, hebben geen bevoegdheid om in eigen naam de kooppenningen in te vorderen van ten hunnen overstaan verkochte goederen.
Arr.-r. Roermond I'2 Dm. 1901, \V. 7719; dit vonnis spreekt uit den aard der zaak van verkoop builen executie.
Art. 475.
13. Add. In den zin van het arrest '27 Mei 1898 is beslist bij arrest 17 Jan. 1902, \V. 7710 en het daartoe betrekkelijk arrest Hof 's-Gravenhage 21 Jan. 190', W. 7570.
15. V erzuini van dag en datum in het afschrift van het exploit, hoeft geene nietigheid ten gevolge.
Arrest 24 Oct. 1892, W. 7822, waarbij nog werd overwogen dat te vergeefs wordt gezocht naar een voorschrift, waarbij de gewone ver-eischten voor een exploit uitdrukkelijk zijn genoemd.
16. Ook ter executie van een dwangbevel voor gemeentebelasting kan derde arrest worden gelegd.
Arr.-r. Rotterdam 0 Dec. 1900, \V. 7022.
In dezen zin ook het sub n0. 13 op dit artikel vermeld arrest 17 Jan. 1902, \V. 7710.
05
Art. 481).
-Irt. 477.
11. Do schuldenaar heeft belang en recht om omtrent ilo vraag, hoever een ten zijnen laste gelegd derde beslag strekt en strekken mag, eene beslissing uit te lokken en kan dit recht doen gelden in ile hier bedoelde verzetprocedure, zoodat hij daartoe niet moet wachten tot de verklaringsprocedure, tegen welk laatste artikel 753 in den weg staat.
Arrest 30 Maart l'.iüO, W. 7425. Verg. vonnis arr.-r. Haarlem 30 Oct. 1900, W. 7542, waarbij de interventie in de verklaringsprocedure in het algemeen wel toelaatbaar schijnt geacht te worden, maar de daarvoor aangevoerde gronden in casu ondeugdelijk werden geacht.
Hij het arrest werd nog beslist dat â wanneer de schuldenaar als voren van het recht van verzet hoeft gebruik gemaakt, edoch vruchteloos, â hij niet andermaal zijn bezwaren tegen de strekking van het beslag door interventie in de verklaringsprocedure kan te berde brengen.
12. Wanneer er beslag is gelegd op een bezoldiging, niet voor beslag vatbaar, mag men niet met ter zijde stelling van het beslag rauwelijks tot betaling dagvaarden, maar moet men in verzet komen tegen het beslag.
Hof Amsterdam 12 Juni 1902, \V. 7815.
Art. 479.
8. Bij vonnis der arr.-r. 's-Gravenhage van 9 Mei 1896, W. 6943, heeft de rechtbank in de verklaringsprocedure, terwijl er door den geëxecuteerde geen verzet tegen het beslag was gedaan, onderzocht de vraag of de eischer het recht had onder gedaagde, die dat recht ontkende, het bij dagvaarding bedoeld executoriaal beslag te leggen.
In casu gold het een beslag voor verschuldigde belasting onder den werkgever ten laste van den werkman op diens weekloonen.
Art. 481.
1. De curator over ceno onbeheerde nalatenschap heeft weldegelijk het recht om rangregeling te vragen van de opbrengst van in pandbeslag genomen tot die nalatenschap behoorendo roerende
(Art. 499.
goederen; die curator toch is te beschouwen als de geëxecuteerde, en aan dien wordt hier die bevoegdheid gegeven.
Arr. r. Arnhem 4 Maart 1001, W. 7071.
Art. 485.
2. In W. 7013 wordt door Mr. E. R. E. Brants gevraagd de reden, waarom eene bepaling als die van alinea 2 van artikel quot;gt;57 ook hier niet is opgenomen : het antwoord daarop wordt gegeven door Mr. P. Rink in \V. 7015 die betoogt dat â terwijl het vóór de wet-Hartogh aan twijfel onderhevig was of bij executie van vast goed procureurskosten noodzakelijk waren â dit bij executie van roerend good niet het geval was; (zie art. 4H2); naar aanleiding daarvan wordt door Mr. Brants in W. 7019 de vraag gesteld op welken grond de onderscheiding berust dat de bijstand van den procureur bij executie op roerend goed imperatief is voorgeschreven en bij executie op vast goed niet.
Art. 489.
liet in het 2de supplement vermelde nummer van het Weekblad moet gelezen worden 72-44.
Art. 492,
7«. Add. In den zin van de arr.-r.'s-llertogenbosch is ook beslist bij vonnis der arr.-r. Utrecht 27 April 1904, W. S07n.
Art. 499.
!{. Add. liet in bet 2de supplement vermelde vonnis der arr.-r. Rotterdam 21 Nov. 4898 is bevestigd bij arrest Hof 's-Gravcnhage IS April 1900, W. 7402.
4, Dc bepaling van dit art. dat er eene bepaalde en verevende som moet zijn is ook van toepassing op den verkoop krachtens art. 1223 B. W.
07
Arr.-r. Amsterdam 4 Eebr. 1903, W. 7959.
Lkok, Rechtspraak, 2e druk, Deel II, All. 5, 3c Suppl. (Mr. W. van Kossem, Burg. liechtsv., 3c Suppl.)
7
Art. 529.)
Art. 51(1.
'Mi. Add. Vergelijk ook in aiidei'en zin de navolgende beslissing: De eerste liv|iutheokli(iiuler l)ehoei't, al heeft hij do koopsom ont-vanfjen, geen royement te geven alvorens ile rangregeling detinitict' is gesloten.
Arr.-r. Roermond 9 .luni 1904, bev. bij arrest's-llertogRiiboscb t28 Febr. \V. 8240.
Art. 511.
Ad 4. In de in bel tweede supplement vermeide beslissing zijn tusscben ile woorden (.bij» en «binnen» uitgevallen de woorden ftin zeker geval».
Ad 5 en 0. Het sub 5 vermelde vonnis is vernietigd bij bet sub (j vermeld arrest.
Art. 512.
2. De oproeping in rechten moet geschieden bij dagvaarding. I)c kosten komen niet ten laste van den geëxecuteerde, maar van diegene diT partijen die de vordering noodzakelijk hehben gemaakt.
Hof Arnhem M Dec. I(,t(gt;'2, W. 79'i3, vernietigende vonnis arr.-r. Tiel 28 Febr. 1902, W. 7934.
Idem als lluf Arnbem bij vonnis arr.-r. Rotterdam 2 Maart 1903, W. 7934.
Art. 529.
I. Add. Door de wet-llaitogh zijn de woorden in de tweede alinea van dit artikel «van liet gebuurde», die tot de hier aangewezen duisterbeid aanleiding gaven, geschrapt.
De tweede alinea geeft alleen aan op welke wijze de executie tot ontruiming kan geschieden; zij regelt geene bevoegdheid, zoodat oene onbevoegdheid der rechtbank daaraan niet zou kunnen worden ontleend.
Arr.-r. Maastricht (i Febr. 1902, W. 78iri.
(Art. 553.
Art. 539.
3. Ook hot hooker horoop van hot vonnis up dc tusschonkomst gewezen moet bij verzoekschril't wurden iiangeliracht.
I lof Amsterdam 2U Dec. 1901, W. 7740, waarbij verder werd lieslisl, dat het aanbrengen van het hooger l)croe|i bij verzoekschrift dit gevolg heeft, dat liet onderzoek noodzakelijk is beperkt lot mogelijke tusschen-komst krachtens art. 538 en zich niet kan uitstrekken tot andere vorderingen, die appellant wellicht mocht hebben ingesteld.
Art. 551.
lt;5. Bij verkoop van oen tot liet faillissement van een schuldenaar behoorend onroerend goed door don eersten hypothecairen srhitld eisoher krachtens art. 1223 1gt;. W. wordt op des keepers recht om eene gerechtelijke rangregeling te vorderen door art. 188 F. geen inbreuk-gemaakt.
Arrest 9 Mei 1901, \V. 75S4, vernietigende in strijd met de conclusie 0. SI. de beschikkingen Hof 's-fïravenhage 4 Febr. 1901 en arr.-r.'s-Gravenhage 11 Dec. 1900, beide in W. 7575; arrest -1 Febr. 1'.Kgt;i, W. 7715, vernietigende beschikking Hof 's-Gravenhage 18 Dec. 1901 en van de arr.-r.'s-Gravenhage 19 Nov. 1901, W. 7071.
Di denzeifden zin Mr. G. van Rossem in \V. nos. 7447, 7571, 7580 en 7(179.
In anderen zin arrest Hof 's-Gravenhage 14 .tan, 1901 bevestigende beschikking der arr.-r. 's-Gravenhage 7 Dec. 1900, W. 7571; arrest Hof Amsterdam 0 Febr. 1900, W. 7431, arr.-r. Haarlem 5 April 1901, W. 7574, in dezen zin ook Mr. G. Kirberger in \V. 7450 en 7575.
Verg. voorts over de vraag of art. 188 F. beperkt is tot hypothecaire inschrijvingen en niet van toepassing is op beslagen Mr. H. Pb. de Kanter, in \V. 7449, ca. Mr. van Hossein 1.1. in \V. 7447,
Art. 553.
1. Hot bij artikel 553 B. 1!. bedoelde uittreksel heeft ten doel eensdeels hem, die de rangregeling vervolgt in staat te stellen om te voldoen aan 't voorschrift tot oproeping der liekende sehuhleischers anderdeels den It.-C. als aanvankelijke leiddraad te strekken, welke scliuldeischers in de langregiding moeten worden opgenomen.
99
Art. 5$5.)
Wanneer dus lgt;ij hot opmaken der rangregeling den R.-C. blijkt, dat een werkelijk bestaande inschrijving op dat uittreksel niet voorkomt, is hij verplicht daarmede rekening te houden. Hol 's-Gravenhage 12 Maart 190Ã, W. 8372.
Art. 558.
11. Alinea 3 van dit artikel strekt niet om een recht van hoogcr beroep te vestigen, maar bedoelt blijkbaar het vaststellen van don termijn, openstaande voor het hooger beroep, wanneer de uitspraak volgens de algemeene regelen voor hooger beroep vatbaar is.
Hof 's-Gravenhage 27 Dec. 1809, W. 7400.
Verg. aant. 8 op dit artikel.
Art. 5G2.
3. De kooper, die niet tot gerechtelijke consignatie is overgegaan, houdt de kooppenningen onder zich, totdat hij ze aan do batig gerangschikte schuldeischers kan uitkeeren; eene actie tegen den eersten hvpothecairen crediteur, die krachtens artikel 1223 B. W. verkocht heeft, komt niet te pas.
Arr.-r. Amsterdam 25 Jan. 1900, W. 7437, waarbij nog is beslist dat de eischende crediteur voor de bestrijding dier stelling geen argument kan ontleenen aan de bepalingen der veilconditiën, omdat hij daarbij geene partij is, en voorts dat aan artikel 485 geen argument voor het tegendeel kan worden ontleend, omdat dat artikel voor roei ende goederen is geschreven en in artikel 562 niet, zooals in art. 485, van den houder der penningen wordt gesproken, waaruit veeleer de gevolgtrekking kan worden gemaakt, dat de eischer in cas van art. 502 hier zijne actie niet heeft tegen iederen houder der penningen, maar tegen den kooper.
Art. 585.
8. Adel. Dat geen lijfsdwang voor schadevergoeding wegens niet-nakoming eener verbindtenis kan worden uitgesproken is ook beslist bij vonnis arr.-r. 's-Gravenhage 12 Dec. 1899, \V. 7419.
100
{Art. (304
Art. 586.
2(5. Wanneer vaststaat dat het in easu geldt eene overeenkomst van koophanilel, is de bij de ontltinding dezer overeenkomst toegewezen schadevergoeding eene handelsschuld, tot verhaal waarvan lijfsdwang tegen kooplieden kan worden toegestaan.
Arrest 6 Nov. 1903, W. 798S, vernietigende arrest Hof 's-Gravenhage â 22 Dec. 1902, W. 7870.
Art. 590.
2. Add. Zie hiermede in verband de navolgende beslissing :
De zekerheid behoeft niet gesteld te worden alvorens in hooger beroep is gekomen, maar is dit geschied dan moet zij gesteld worden zonder dat het wordt gevorderd.
Arr. r. 's-IIertogenbosch 3 Maart 1905, W. 8259.
Art. 599.
Waarvan kan volgens de 2de alinea dispensatie worden verleend?
4. Add. In den zin van het 1'. H. van Noord-Brabant bij arrest Hol' Amsterdam 3 Oct. 1902, \V. 7800, ten betooge dat alleen van den termijn dispensatie kan verleend worden.
Anders navolgende beslissing:
Onder âdadelijkquot; te verstaan: zonder beteekening en zonder voorafgaand bevel.
Hof Curasao 9 Jan. 1903, W. 8153, waarbij op dien grond werd beslist dat in dat geval het herhaald bevel bedoeld in artikel 002, lo. vervalt.
Art. G04.
4. Add. Verg. navolgende beslissing :
Door geen gebruik te maken van de bevoegdheid hem in art. 60-1 Rv. gegeven, verliest de schuldenaar nog niet zijn recht op vergoeding der schade, hem door de gijzeling veroorzaakt.
Hof Amsterdam 15 Maart 1901, \V. 7619 (ook vermeld op art. 708, aant. 13), 3 Oct. 1902, W. 7800 en 20 Maart 1903, W. 7980. Anders implicite bij vonnis der arr.-r. Amsterdam 3 Mei 1900, W 7449, d;it bij eerstgemeld arrest is vernietigd.
101
Art. (gt;12.)
Art. 611.
G. Add. Anders ook hij arrest Hof Amsterdam 3 Oct. I9(gt;2, W. 78()0, waarbij beslist is dat het vonnis niet kan worden uitvoerbaar verklaard bij voorraad, en evenmin op de minute of vóór de registratie.
20 De vraag naar hot Nederlanderschap van dun bij voorraad gegijzelde betreft de zaak ten principale, waartoe toch zeker in de eerste plaats is te rekenen de bewering, dat het recht om te gijzelen ontbreekt.
Arrest Hof Amsterdam 20 Maart l'.iQS, W. 7980, vernietigende vonnis arr.-r. Alkmaar 17 April 1002, W. 7821, bij welk vonnis werd overwogen, dat onder «rakende de zaak ten principale# slechts kan worden verstaan het recht ter bescherming waarvan dit conservatoir middel kan worden toegepast.
21. De niet-vermelding in het proces-verbaal van eene plaats gevonden formaliteit kan niet gezegd worden te zijn niet-inaclit-neming van de formaliteit, doch slechts eene omissie in dat verbaal, waartegen geenc nietigheid is bedreigd.
Arr.-r. Alkmaar 17 April 1902, W. 7821.
22. Niettegenstaande het presidiaal verlof is dc executant verantwoordelijk voor de onrechtmatig geëxecuteerde gijzeling.
Hof Amsterdam 3 Oct. 1902, W. 7800.
23. Berusting in het vonnis, waarbij de lijfsdwang was uitgesproken, kan het beweren van nietigheid der gijzeling niet in den weg staan.
Hof Amsterdam 3 Oct. 1902, W. 7800.
Art. G12.
7. Add. Verg. navolgende beslissing :
Aan den aanhef van dit artikel ligt ten grondslag de gedachte, dat de rechter zelfstandig het bedrag der schadevergoeding heeft te bepalen.
Arrest 13 Jan. 1905, W. 8170 en arrest 29 Nov. 1907, VV. 8019.
32. Add. N.B. In de aangehaalde beslissing van hot arrest 30 Juni 1893 moet «geen der gevallen^ gelezen worden als (een der gevallen».
102
(Ari. til?
41. I)(; wet schrijft niet voor hoelang na het hotcekonen van rlen staat de hescheiclen nog tijdig kunnen worden aangeboden of ter griffie nedergelegd.
Arrest 13 Maart 1903, W. 789(1.
42. Do schadestaat-procedun; dient om liet schadebedrag vast te stellen, niet om uit te maken of er al of niet schade-elementen aanwezig zijn.
Arrest 'l'l Maart 1907, W. 8511.
Art. 614.
(!. In geval van art. 614 zal de gedeclareerde, die een uitvoerig gemotiveerd aanbod heeft gedaan, kunnen volstaan met in zijne conclusie naar dat aanbod te verwijzen, zonder den schadestaat uitdrukkelijk te bestrijden.
Arr.-r. Rotterdam 24 Oct. 19C0, W. 7539.
Art. 615.
I!t. De bepaling van art. 615 B. R. geldt uitsluitend voor de eigenlijke proceskosten, niet voor gemaakte executiekosten, voor welke laatste, blijkens de artt. 480 en 527, eene vereftening, op te maken bij staat, onnoodig is geacht.
Arr.-r. Amsterdam 13 Jan. 1904, VV. 8104.
20. W anneer niets bij het vonnis daaromtrent is be])aakl, komt de zekerheidsstelling eerst te pas. wanneer niettegenstaande appèl eene daad van executie is verricht en begint de termijn dus eerst daarna te loopen.
Arr.-r. Rotterdam 7 l'ebr. 1900, W. 840±
Art. 617.
2. Het is niet verboden dat de hier bedoelde acte namens den procureur door een zijner ambtgenooten wordt geteekend.
Arr.-r. Rotterdam 31 Mei 1905, VV. .SilS.
Art. 620.)
3. De hier bedoclcU; procureurs zijn die, welke in eersten aanleg hebben gefungeerd.
Arr. r. Rotterdam 7 Febr. 1900, W. 84(12.
Art. 618.
I. Add. Verg. in den zin vim liet vermelde vonnis der arr.-r. 's-Hage 5 Maart 1889, navolgende beslissing:
Art. 618 Kv. schrijft alleen voor, dat de handeling, n.1. het doen beteekenen der procureursacte, zal geschieden binnen den bepaalden termijn, niet, dat de zaak moet worden aangebracht op eene binnen dien termijn voorkomende terechtzitting.
Arrest van ii December 1899, W. 7381. Idem arr.-r. Rotterdam 29 Maart 1905, W 8403.
Anders de concl. van Mr. Polis, voorafgaande aan evengemeld arrest van den H. R. en arrest Hof Amsterdam 19 April 1899, W. 7322.
Art. 619.
1. Add. Vergelijk navolgende beslissing:
Nergens is bepaald dat de borg zich bereid moet verklaren zich te verbinden; die verbindtenis komt eerst te pas, wanneer de borg is aangenomen.
Arr.-r. Rotterdam 29 Maart 1905, W. 8403.
DERDE B0EX.
Art. 620.
2S. lïet recht om geschillen van partijen door scheidslieden berecht te zien behoort tot het materieele procesrecht, doch daaronder is niet te brengen het mogelijk benoemen van arbiters door den rechter voor het geval eene der partijen tot die benoeming weigert mede te werken, vermits dit benoemen uit den aard der zaak behoort tot de middelen, waarop de door partijen gewilde berechting door scheidslieden kan en moet gebracht worden.
Hof 's-Gravenhage 21 Nov. 1904, W. 8193.
104
'O â 105
Art. 622.
1. Eone Kamer van Arbeid kan als zoodanig volgens de wet van 2 Mei 1897 (Stbl, nquot;. 1-11) niet zi jn scheidsman, omdat dio wet deze Kamer in het leven roepende haren werkkring heeft omschreven cn haar daartoe bepaald omschreven bevoegdheden heeft toegekend, waartoe liet zijn van arbiter niet behoort.
Arrest 7 April 1905, W. 8204.
Art. 623.
C. Add. Verg. navolgende beslissing:
Het niet voldoen aan het voorschrift der 2de alinea omtrent het oneffen getal arbiters vitieert ook het compromissoir beding; zoodat de rechterlijke macht dan bevoe gd is.
De nietigheid is van openbare orde.
Hof Amsterdam 4 Nov. I'.IOI, W. 7685.
Zie echter navolgende uitspraken:
De nietigheid bedreigd ten opzichte van de acte van compromis mag niet worden uitgebreid tot het pactum de compromittendo.
Het ongeoorloofde nevenbeding in dat pactum, dat aan een even aantal scheidsmannen eventueel de beslissing zal worden opgedragen, maakt het hoofdbeding van arbitrage niet krachteloos.
Arr.-r. Groningen (i Dec. 1899, \V. 7416.
Al mocht de clausule in een compromissoir beding: âdat mocht eene der partijen in gebreke blijven binnen 14 dagen na aanzegging een arbiter harerzijds te benoemen zoo zal deze door haar verzuim in het ongelijk gesteld zijnquot; in strijd met de wet zijn (des neen), dan staat deze clausule nog niet in zoo nauw verband met de compromissoire clausule, dat deze daardoor zou komen te vervallen.
Arr.-r. Ainsterdam 3 Mei 1901, AV. 7690, zie ook vonnissen dierzelfde rechtbank 20 April 1904, \V. 8201 en 1 Febr. 1905, W. 8280, waarbij is beslist dat, wanneer do aanwijzing van dengeen, die volgens het compromissoir beding de arbiters zal benoemen niet voor uitvoering vatbaar is, daarom niet dat gebeele beding van zijne kracht is beroofd, maar art, 624 dan c. (j. gevolgd moet worden.
(Art. 1)23.
.4)-«. 624.)
lii. Add. Verg-, navolgende beslissingen :
Do bepaling in eene polis, dat het bedrag der schade zal worden vastgesteld door twee door partijen te benoemen deskundigen, is niet in strijd met artikel ü2o alinea 2 omdat het hier niet geldt de beslissing van een geschil.
Arrest l i December 1899, W. 7379.
Zal er plaats zijn voor arbitrage en dus voor een compromis, dan behoort er een geschd aanwezig te zijn, wat het geval niet behoeft te zijn. wanneer een rekeuplichtige en hij aan wien rekening moet worden afgelegd overeenkomen om de op het beheer betrekking hebbende boeken en bescheiden aan een accountant ter hand te stellen en door dezen het saldocijfer te doen vaststellen.
Air.-r. Uotterdara 30 Juni 1902, VV. 7882, bevestigd bij arrest lluf 's-Gravenhage 4 Mei 1903, W. 7962.
Verg. ook arr.-r. Leeuwarden 26 Febr. 1903, W. 7878.
Het bij overeenkomst onderwerpen van een verschil omtrent de geldelijke uitkomsten van een handelsbedrijf aan liet oordeel van deskundigen, die het eindcijfer der afrekening bindend hebben op te maken, behoeft niet te worden aangemerkt als het voeren eener scheidsrechterlijke procedure, daar niet blijkt dat een bepaald geschil moet worden beslist.
Arr.-r. Tiel 23 Febr. 1906, W. 8361.
Art. 624.
Add. Verg. in verband hiermede de navolgende beslissingen:
liet compromissoir beding inhoudende, dat bij verschil van partijen over do uitvoering van een contract do beslissing zal zijn opgedragen aan drie onzijdige scheidslieden, door partijen onderling of bij gebreke daarvan door een bepaald aangewezen kantonrechter te benoemen is
10(i
(Art. Ã21.
geldig, ook al zou deze rechter niet bevoegd zijn geweest buiten compromis van het geschil kennis te nemen.
Arrest 2G Mei lOUquot;), W. 823'2; verg. arrest Hof 's-Gravenhage, 8 Fcbr. 1904, aangehaald sul) n0. 23; in dien zin ook arr.-r. 's-Gravenhage I Nov. 1904; anders het daartoe betrekkelijk vonnis Ktg. 's-Gravonhage 10 Sept. 1904, beide opgenomen in W. 8140.
6. Add. Verg. navolgende beslissing;
De hier bedoelde dagvaarding behoeft niet het onderwerp der geschillen te bevatten; het is voldoende dat zij zoodanige gegevens bevat, dat de rechter kan oordeelen of het geval van het derde lid van art. 620 aanwezig is en of de geschillen van zoodanigen aard zijn, dat de rechter in gewone omstandigheden bevoegd zou zijn daarover te oordeeh-n.
Arr.-r. Arnhem 14 Mei 1903, \V. 8050.
7. Add. Zie nog ten betooge dat de rechter alle de scheidslieden moet benoemen al zijn partijen overeengekomen dat de twee benoemde een derde zullen aanwijzen.
Arrest 2 Juni 1905, W. 8237, waarbij vernietigd werden de tegenovergestelde beslissingen in het arrest Hof 's-Gravenhage 21 Nov. 1904, W. 8193 en in het vonnis der arr.-r. Rotterdam 18 Nov. 1903, \V. 8007.
15. Add. N.R. In het 2de supplement moet in plaats van 7 gelezen worden 15.
In den zin van het daar vermelde vonnis der arr.-r. 's-Gravenhage 30 Nov. 1897 is beslist bij vonnis der arr.-r. Rotterdam 28 Mei 1902, W. 7850.
18. Adel. In denzelfden zin de navolgende uitspraak:
Wanneer partijen zich vooraf hebben verbonden om alle geschillen die mochten opkomen aan scheidsmannen te onderwerpen, is het niet noodig dat zij nog een acte van compromis teekenen.
Arr.-r. Zierikzee 17 Maart 1903, W. 7935, waarhij wordt beroep gedaan op het onder dit nummer vermeld arrest 15 Maart 1883.
Zie ook vonnis arr.-r. Arnhein 14 Mei 1903, W. 8050.
21. Add. Ook bij arrest Hof 's-Gravenhage 17 Aug. 1904, W. 8173 is heslist dat de benoeming van scheidslieden bij dagvaarding moet worden verzocht.
22, Wanneer in geval van een pactum de compromittendo de cene partij door de andere wordt gesommeerd een scheidsman te benoemen, dan wordt gene niet geacht die benoeming te weigeren door daaraan
107
Art. 665.)
de voorwaarde to verbinden, dat eischer aan den door hem benoemden scheidsman opdraagt, over een door gedaagde in te stollen vordering, bij dezelfde uitspraak te beslissen.
Arr.-r. Amsterdam 12 Juni 1901, W. 7707.
23. Volkomen rechtsgeldig is de bepaling in een pactum decom-promittendo, dat wanneer een der partijen in gebreke blijft harerzijds een scheidsman te benoemen, die arbiters zullen worden benoemd door een aangewezen derde, en benoeming door den rechter kan alsdan eerst gevraagd worden, als blijkt dat de benoeming van dien derde te vergeefs is verzocht.
Arr.-r. Rotterdam 2.'i Maart 1904, \V. 8I3.'(.
Art. O:!! B. R. belet niet om in liet compromissoir beding te bepalen, dat alvorens een procedure over de benoeming van scheidslieden aan te vangen, partijen zich zullen wenden tot een door hen aangewezen persoon, rechterlijk ambtenaar of niet.
Hof 's-Gravenhage, 8 Febr. 1904, W. 8117, bevestigend het vonnis der arr.-r. Rotterdam 30 Juni 1902, W. 7881.
Art. (gt;36.
5. Een opdracht om als goede mannen in billijkheid te oordeelm verlangt van arbiters, dat zij bij hunne beslissing over de boetebeffing zoowel de vraag (M', als de vraag in welke mate schade is geleden, zullen laten wegen.
Scheidsrechterlijke uitspraak 24 Juli 1900, W. 8085, welk vonnis kan geraadpleegd worden over de beteekenis der clausule som als goede mannen naar billijkheid te oordeelen.»
Art. 665.
4. Art. G6ö B. Rv. geeft niet aan den President de bevoegdheid om kennis te nemen van ecne vordering tot ophefling of vernietiging eener verzegeling, die reeds heeft plaats gehad.
Pres. arr.-r. Middelburg (kort geding) 8 Jan. '1900, W. 7445, bevestigd bij arrest Hof 's-Gravenhage 30 April 1900, W. 7449.
108
CArt. (i70.
A7-t. 071.
2. Gerechtigden tot den boedel kunnen vorderen, dat liij de ontzegeling niemand optreedt, die niet behoort opgeroepen te worden om daarbij tegenwoordig te zijn.
Arr.-r. Rotterdam 18 Jan. 1904, \V. 8084.
Ar/. 672.
:{. Hij die bij de comparitie voor de ontzegeling bestemd tegenwoordig is, kan er geen grietquot; van maken daartoe geen aanmaning te hebben ontvangen ex artikel 672, 3quot;.
Arr.-r. Rotterdam 18 Jan. 1904, W. 8084.
Art. 676.
1. Waar de reden tot het leggen der zegels beet't bestaan in de afwezigheid van sommige erfgenamen doet de tegenwoordigheid van den benoemden vertrouwden persoon de noodzakelijkheid tot het opvolgen van het hier gegeven voorschrift niet vervallen: die vertrouwde persoon toch moet waken voor de opvolging van het voorschrift tot ophefling der zegels naar gelang van de boedelbeschrijving.
Wanneer echter geene feiten gesteld zijn van eenig nadeel, dat voor den afwezigen erfgenaam zou kunnen ontstaan uit de niet-opvolging van dit voorschrift en geene aanwijzing is gedaan dat eene herbaalde verzegeling eenig doel zou hebben, bestaat er voor dit' verzegeling geen wettige grond.
Arrest '25 April 1901, W. 7594.
Art. 679.
1. Add. Verg. navolgende beslissing:
Al neemt men aan dat een legataris ook verzegeling kan vorderen en dat de woorden âbij ontzegelingquot; slechts duiden op het meest voorkomend geval, zoodat een legataris ook zonder dat verzegeling
109
Art. 086.)
heelt ]il;i!it.s inventiirisiitio kun vordorGn, zoo kun deze vordering
in geen geval de strekking liehben diit de inventarisatie met den legataris zal geschieden.
Hof Arnhem 11 Maart 1900, W. 7400.
Art. 681.
10. Tiet ontbreken van een der vereisehten heeft niet de nietigheid van den inventaris ten gevolge; het is aan don rechter ter beoor-deeling overgelaten ol' een bestaande inventaris als zoodanig kan worden beschouwd.
Arr.-r. Almelo 5 Nov. 1902, W. 7905.
Art. 682.
S. Beweringen bij de boedelbeschrijving, die deze niet raken en die daarenboven niet zoo zijn gelbnmüeerd dat eelie dagvaarding daarop zou kunnen worden gebouwd, leveren niet verschillen op in den zin van dit artikel, en kunnen ook niet als zwarigheden in den zin van art. 69quot; worden opgevat.
Hof 's-IIerlogünlmscli 17 Juni 1902, W. 7S-27, waarbij werd beslist dat in zoodanig geval de actie tot scheiding en deeling ex art. 095 ontvankelijk is.
Art. 686.
4. De rechter in hooger beroep heeft dezelfde bevoegdheid als de kantonrechter en kan dus ook een deurwaarder aanwijzen voor het geval de door den kantonrechter benoemde mocht verhinderd zijn.
Arrest 30 Mei 1902, W. 7774; anders eoncl. O. M., waarbij werd aangevoerd, dat die benoeming van don kantonrechter is voorbehouden en de rechtbank de beschikking bevestigende niet bevoegd is een anderen deurwaarder aan te wijzen tor vervanging c. q. van den benoemde.
110
{Art. 094.
Art. 690.
:{. Onariianki'lijk van ccnc vordering tot scheiding en deeling kan een iicvol tot ojienharun verkoop wordt n gigi'ven, terwijl uit lii^t vralt;rcn van dat hevel reeds blijkt, dat eene der partijen de bestaande gemeensehap niet verder wenscht voort te zetten.
Ai'r.-r. Arnhem 29 Sept. 1905, bevestigd inj arrest Hof Arnhem 18 Jan. 1901), \V. S532, li ij welk arrest echter de vraag niet uitdrukkelijk is besproken.
Art. 692.
8. De bevoegde rechter is die van het arrondissement waarin liet goed is gelegen.
Arr.-r. Leeuwarden, \V. 7845. Anders Mr. VV. van Rossein: «Het Ned. Wetb. v. I?. Uv. verklaard,» aant. 4 op art. 092, lilz, 721, alwaar de rechter, binnen wiens arrondissement de erfenis is opengevallen, als de bevoegde wordt beschouwd.
Art. 694.
i. Waar zooals liier de zwarigheden zijn gerieht tegen het bevel tot verkoop en zij dus niet zijn ontstaan luj den verkoop, mist dit artikel alle toepassing.
Arrest 12 Juni 190:', \V. 7030, alwaar mede is beslist dat art. I 122 15. W. niet medebrengt, dat een bevel tot verkoop niet zou kunnen gegeven worden, alvorens eene scheiding en deeling is aangevangen; dit laatste werd ook beslist bij vonnis arr.-r. Maastricht 0 Sept. 1900, ook vermeld onder art. 098, aant. 1.
Zie in anderen zin wat dit laatste betreft aant. 3 op art. 095 en de concl. O. M. voorafgaand aan laatstgemeld vonnis.
IJ. Gronden, die alleen de uitvoering van het hevel raken, dat er namelijk moeielijkheden hij de levering van liet goed zouden te voorzien zijn, kunnen niet gelden om het bevel tot verkoop te weigeren. Hof Leeuwarden 8 Juni 1901, \V. 7008.
Ill
Art. G95.)
Art. 695.
2. Add. Zie ton betooge dat Imiten eene scheidingsprocedure niet rauwelijks ex artikel 771 rekening en verantwoording kan worden gevraagd, waar elk der deelgenooten rekening en verantwoording verschuldigd is over hetgeen zij voor do gemeenschap hebben verricht:
Hof Arnhem 7 Nov. 1900, W. 7557 bevestigende vonnis arr.-r. Zutphen 11 Jan. 1900, \V. 74415; zie echter vonnis der arr.-r. Amsterdam 23 Jan. 1907, W. 8609.
Verg. met do onder dit nummer aangehaalde beslissingen: arrest Hof Arnhem M April 1900, \V. 74S:{, waarbij is beslist dat een inschuld van een der erfgenamen op de nalatenschap rauwelijks van de mede-erfgenamen kan worden ingevorderd.
3. Add Zie echter het sub 1 van artikel 094 vermeld arrest 12 Juni '1903, W. 7930.
7. De vereffening van den boedel, ook die eener vennootschap, behoeft niet aan do actie tot scheiding en deeling vooraf te gaan.
Arrest 1 Juni 19O0, W. 7459, in denzelfden zin het daartoe betrekkelijk arrest Hof Amsterdam 11 Doe. 1899, W. 7424.
8. De bepalingen van artikel 695 sqq. B. R. zijn niet alleen toepasselijk voor het geval van gerechtelijke scheiding, maar hebben eene algemeene strekking en zijn dus ook van toepassing indien dc boedelscheiding plaats beeft bij wege van minnelijke schikking volgens artikel 1115 B. AV.
Ook zonder voorafgaand vonnis tot scheiding en deeling is dus dc in artikel 697 bedoelde dagvaarding geoorloofd.
Hof Arnhem 17 Juli 1901, W. 7698.
!). Dc eischer behoeft niet alle deelgerechtigden in rechten to betrekken.
Arr.-r. Utrecht 10 Dec. 1902, W. 7848.
10. Het is niet noodig in de dagvaarding de onderdeden der massa to vermelden.
Arr.-r. Breda 23 Due. 1902, \V. 7940.
112
{Art. 697.
11. Men kan niet vorderen scheiding van een deel der nalatenschap ; de kooper van een onverdeeld aandeel in de onroerende goederen dier nalatenschap kan dus niet scheiding dier onroerende goederen eischen.
Hof 's-Herlogonhosch 10 Jan. 1905, W. Slitti.
Art. 690.
2. Add. Verg. hiermede in verband navolgende beslissing;
Ambtshalve mag een onzijdig persoon niet worden benoemd.
Hof 's llertogenboscb 17 Juni 1902, \V. 7827.
5. De werkzaamheden van den procureur die in de procedure is opgetreden strekken zich niet nit tot die van de scheiding en deeling.
Arr.-r. Leeuwarden 10 Nov, 1899, W. 71.T),
Art. 697.
10. Add. Verg. in denzelfden zin Hof 's-llertogenboscb 19 Maart 1907, W. 8598, ook vermeld op artikel 144 n0. 5.
17. Add. In denzelfden zin de navolgende beslissingen:
De zwarigheden moeten worden beoordeeld door denzelfden rechter, die de boedelscheiding heeft bevolen ; immers zoolang de scheiding niet is tot stand gekomen, geldt het nog de uitvoering van dat vonnis.
Hof Arnhem 0 Juni 1900, \V. 7491!.
18. Add. Verg. navolgende beslissingen ;
Do bemiddelende invloed van den notaris blijkt hier door den wetgever steeds tc zijn gewild, zoodat geen rau-acties te pas komen.
Arr.-r. 's-Hertogenbosch 18 Doe. 190:!, W. 8041, waarbij nog werd beslist dat dit artikel ook van toepassing is bij beneficiaire aanvaarding.
Waar tot het formeeren der tc verdeden massa ecne rekening en verantwoording van een der deelgenooton noodig is, die ze weigert, moet dit een en ander in het proces-verbaal van den notaris worden opge-
Lkon, Hechtspraak, 2c druk, Deel II, Afl. 5, 3e Suppl.
(Mr. W. van Kossem, Burg, Itechtsr., 3e Suppl.) 8
113
Art. 69S).
nomen on lungs dezen \vefgt;: aan 's rechters oordeel worden onder-wornen. Eene zelfstandige of ineidenteele vordering tot rekening en verantwoording komt in dit stadium niet te pas, daar de rekening ten overstaan van den notaris behoort te geschieden.
Arr.-r. Amsterdam TI April 1904, W. 8210; verg. ook arr.-r. Middelburg '21 Dec. 1901, W. 7722.
Verg. voorts aant. 2 op art. 095.
21. Artikel 697 Rv. houdt niets in omtrent de vraag, of, wanneer er een geschil is ontstaan in den loop der werkzaamheden, dit eerst, na bij dagvaarding te zijn aangebracht, moet worden beslist alvorens oen bevel als in artikel ir2quot;2 B. W. bedoeld mag gegeven worden.
Arrest 31 Jan. 1901, \V. 7555.
22. In het bier bedoelde geding kan goene tusschonkomst of voeging plaats bobben.
Hof 's-Hertogenbosch 9 Mei 1899, W. 7380.
23. De wet staat toe dat tegelijk met de boedelscheiding de boodol-beschrijving wordt gemaakt, in welk geval do werkzaamheden der boedelbeschrijving een voorbereidend, deel uitmaken der boedelscheiding; zwarigheden daarbij gerezen kunnen dan volgens dit artikel bij proces-verbaal worden geconstateerd.
Arr.-r. Utrecht 9 April 1902, \V. 7702.
24. Artikel 097 B. U. verbiedt niet, om alsnog zwarigheden tusschon deolgenooten in een nieuw proces-verbaal te doen opnemen, mits het zijn nieuwe, welke bij 't opmaken van het vroeger proces-verhaal niet bekend waren.
Hof Leeuwarden 0 April 1904, \V. 8102.
Art. 69S.
1. Add. Verg. in verband mei het arrest van den II. li. d.d. 20Sept. 1883 de navolgende beslissing :
De vermelding in dit artikel dat eenigo roerende goederen gedurende de werkzaamheden van du scheiding kunnen worden verkocht, sluit
114
115 {Art. 72ü.
den verkoop van onroerende goederen vóór die werkzaamheden niet uit.
Arr.-r. Maasti'icht (1 Seiil. quot;1000, \V. 7r)35, ook vermeld sub art. ü!l4 aanteekL'niiig 2.
Anders dit laatste in de conclusie van het O. M. aan het vonnis voorafgaande.
2. Artikel 698 verbiedt niet den verkoop van alle roerende goederen te bevelen.
Arrest 30 Moi 1902, W. 7774.
Art. 724.
Hier wordt bedoeld een kort geding, waarin de president bevoegd is om eene beslissing te geven ot de door beni gi'gevcn besebikking kan worden gehandhaafd, dan wel of de inbeslagneming behoort te worden gestaakt niet buiten-elfeet-stelling der beschikking, waarbij het verlof daartoe werd verleend.
Pres. arr.-r. Amsterdam 10 Febr. 1904, W. 8147.
Art. 725.
3. Onder het woord âvormquot; kan niets anders worden verstaan, dan de handeling der inbeslagneming zelve, dus niet de voorbereidende maatregelen, als het bevel en herhaald bevel.
Arr.-r. 's-Gravenhage HO Juli 1901, \V. 7(i89.
Art. 726.
7. Aihl. Vergelijk in verband niet de vermelde beslissingen het navolgende:
Wanneer hij tegen wien de inbeslagneming gedaan is en hij hij wien de goederen zijn in beslag genomen twee verschillende personen zijn, moet de eisch tot van-waarde-verklaring gericht worden tegen eerstgenoemde, als de persoon ten wiens laste de inbeslagneming heeft plaats gehad.
Arrest 22 Jan. 1904, VV. 8027; arrest 5 April 1(.I07, W. 8522. Bij eerstgenoemd arrest werd het beroep in cassatie verworpen tegen het arrest
A rt. 7215.)
Ilof Amsterdam 20 Nov. 1899, \V. 7415, bij welk arrest werd bevestigd liet in het 2de supplomont vermelde vonnis der arr.-r. Amsterdam 14 Juni 1898.
Pij 's Hols arrest werd nog overwogen dat, na de toevoeging door de wel-Hartogli van het tweede lid van dit artikel, niet meer is aan te nemen, dat onder de woorden in de eerste alinea «tegen wion de inbeslagneming gedaan is» is te verstaan de persoon bij wicn het beslag is gelegd en niet de persoon te wiens laste dit is geschied.
Verg. ook arrest Hof Amsterdam 15 Febr. 1901, W. 7631.
Anders arrest Hof 's-Gravenhage 7 Jan. 1901, W. 7550, waarbij â met vernietiging van het vonnis der arr.-r. 's-Gravenhage 9 Oct. 1900, W. 7532, werd beslist, dat de nieuw ingevoegde alinea niets beslist omtrent de vraag en bepaaldelijk niet dat deze invoeging tengevolge zou hebben, dal thans iets anders rechtens zou zijn dan voorheen en de vroeger steeds gevolgde weg (n I. de van-waarde-verklaring gericht tegen den houder van het goed) nu niet meer zou mogen worden ingeslagen. Verg. ook Hof 's-Gravenhage 21 Kec. 1905, \V. 8300.
In denzelfden zin Mr. Nolst Trenitó in een in W. no. 0944 voorkomend opstel, getiteld: Een casus non dabilis?
Verg. ook in dien zin Mr. W. van Rossem «het Ned. Wetb. van Burg. Rechtsvordering» aanleekeningen 1 en 2 op artikel 720, waar betoogd wordt, dat de toevoeging van de tweede alinea om andere redenen is geschied dan om verandering te brengen in wal vroeger op grond van de geschiedenis van het artikel werd aangenomen, dat de actie namelijk tegen den houder, d. i. tegen hem onder wien beslag is gelegd, moet gericht worden, en dat daarenboven de vraag tegen wien eene vordering moet worden ingesteld is eene vraag van materieel recht, die niet hare beantwoording mag vinden in een voorschrift van formeel recht, althans niet waar dat antwoord ingewikkeld daaruit zou moeten afgeleid worden en dat antwoord naar het materieele recht (artikel 029 li. W.) anders zou moeten luiden.
liij vonnis der arr.-r. Amsterdam 20 April 1905, W. 8356 werd beslist dat de wijziging der wet-Hartogh wel de mogelijkheid heeft geopend om de actie ook te richten tot den civilis possessor, maar zijniet heeft opgeheven de bevoegdheid om ze ook tegen den nudus detentor in te stellen, zoodat do eisch tot van-waarde-verklaring togen beiden kan worden ingesteld met conclusie tegen den laatstgenoemde tot afgifte en tegen eerstgenoemde om de afgifte te geheugen en te gedoogen.
9. De beslaglefi^er moet in het request van den president on de zieh daaraan aansluitende dagvaarding tot van-waarde-verklaring stellen kraehtens welk hem toekomend recht het beslag wordt gelegd
11G
{Art. 727.
en de van-wiuirde-verklaring wordt gevraagd; het stellen dat de lie-slageno de goederen van den beslairlegger in bruikleen heeft en het stellen dat men revindicatelir heslag lejrt, is niet voldoende.
Arrest Hof 's-Oravenhago 30 April 1903, W. 7954: liij dit arrest werd op bovenstaande gronden de eisch tot vanwaardeverklaiiiig van liet revindicatoir beslag niet-ontvankelijk verklaard.
!(âº. J)e vordering tot van-waarde-verklaring van het beslag moet niet-ontvankelijk verklaard worden, wanneer uit de dagvaarding niet blijkt, dat degeen onder wien beslag is gelegd, houder is der gerevin-dieeerde gc«ederen.
Hof 's-Gravenhage '21 Dec. 1905, \V. S3GO.
11. De in artikel 726 B. R. bedoelde eiseh tot opbefling van het beslag komt alleen ilan te ]ias, wanneer de gearresteerde den termijn van acht dagen, dien de arrestant heeft voor de vordering tot van-waarde-verklaring. niet wil afwachten.
Arr.-r. 's-Gravenhage 17 April 1900, \V. 8371.
Art. 727.
'2. Add. Vergelijk in verband hiermede de navolgende beslissing;
Al heeft de president in kort geding de vordering tot ophelling van bet beslag ontzegd, zoo is deze beslissing slechts eene bij voorraad, die geen nadeel kan toebrengen aan de zaak ten principale, zoodat de rechtbank alsnog bevoegd is het beslag niet van waarde te verklaren.
Ari'.-r. Haarlem 5 Febr. 1901, 7577.
9. /.ie over de vraag wat onder svenluisteringH moet worden verslaan de beslissingen vernield op art. 305, aant. 0 en voorts de navolgende uitspraken:
Gegronde vrees voor verduistering bestaat niet, waar den schuldenaar, die uit Duitsehland afkomstig is. niet anders wordt ten laste gelegd, dan dat bij, hier uit zijne betrekking gestooten, weder naar zijn vaderland met zijne goederen terugkeert.
Arr.-r. Haarlem 5 Febr. 1901, W. 7577.
Waar er vrees bestaat dat de onroerende goederen door de sehul-denaresse in eene andere maatschappij zullen worden ingebracht en zulks niet kan geschieden zonder het verschatten van tegenwaarde.
117
Art. 727.) us
\va:tro|) dan vcrliaal kan worden Afzocht, wettifjt dc/c vrers lirt bcslaij niet.
An-.-r, Amsterdam 21 Febr. 1901, W. 7(Ã0.
Hot voor den vorm inlnvngcn van cvn sclii|gt; in cenc naainloozc vcunootsichap on hot in ])ul)lioko voilini; ijrontron van oon andor soliip zijn handolingon, die vroos voor vorduistorin^ wottigon.
Pres. arr.-r. Middelburg 20 Sept. 1902, W. 7807.
In liet woord âvorduistoringquot; gobezigd in art. 727 15. 1{. ligt niot hot begri|i van kwado trouw noodzakelijk ojgt;gesl()ten, zoodat opzet dan ook geen voroisohte is, maar er wordt mee bedoeld liet in 't algemeen onttrokken aan eene mogelijke executie.
Arr.-r. Zutphon '2 Maart 1905, \V. 8214.
Anders Pres. arr.-r. Utrecht 20 Juni 1901, \V. 7080.
10. De bedoeling dat de president niet gebonden is aan do eewone bewijsmiddelen, blijkt wel duidelijk uit het hier gebezigde woord ..aantoonon.quot;
Arrest 1.) Jan. 190», \\ . 8021, ook vermeld sub art. 30.quot;), aaut. 0.
11. J)e niet-boteokoning van hot proces-verbaal van hot beslag is niet op strafle van nietigheid voorgeschreven en kan ook niet leiden tot verval van hof beslag, daargelaten of zij den beslagene grond geelt tot eene schadevergoeding.
Arr.-r. Rotterdam 3 Dee. 1900, W. 7,quot;gt;80.
12. liet conservatoir beslag kan zich ook uitstrekken tot de roerende goederen, zich bevindende buiten het arrondissement van den president, die verlof er toe verleende.
Arr.-r. Rotterdam 3 Dec. 1900, W. 7580.
13. Waar de schuldeischor slechts heeft een geheel onverellende nog niet vast te stellen vordering (in casu tot schadevergoeding) kan van dit middel geen gebruik worden gemaakt.
Arr.-r. Haarlem ïi Febr. 1901. \V. 7577, waarbij nog is beslist dat een geheel uit de lucht gegrepen bedrag der vordering niet voldoen kan aan wat art. 728 vereischt.
Zie echter navolgende beslissingen :
Eene vordering tot schadevergoeding die niet die tot ontbinding
119 (Art. 731.
der overeenkomst is ingesteld is een scluildvordi riiijr, zij liet olt;illt; tot een onbepaald bedraj;, waarvoor niet presidiaal verlof' conservatoir beslag kan worden gelegd.
Pres. kort jjoilinj; Utrecht 'JCi .liuii 1901, \V. 7080.
Ook voor onverellende vorderingen kan beslag worden toegestaan, wanneer /.ij bij het gegeven verlof worden vcrell'end.
Hof 's-Gravenhage 8 Doe. lildli. VV. 8027.
14. Het conservatoir beslag bedoeld in artikel 727 !!. I!. kan alleen gelegd worden op de roerende goederen, dte zicb bevinden in banden van den schuldenaar, terwijl anderen, zooals ook een liliaalhouder van den schuldenaar, die gelden of goederen den debiteur toebehoo-rende, onder zich hebben, zijn derden in den zin van artikel 735 15. It.
Arr.-r. Amsterdam 26 Jan. 1904, \V. 81137.
lö. Er behoeft niet te blijken, dat voldoening der vordering werd gevraagd en deze geweigerd is.
Hof 's-Gravenhage 10 Nov. 1904, W. 8I7'2.
AH. 730.
'2. Add. Vergelijk hiermede in verhaiul navolgiMide beslissiiii;:
Artikel 4Ã'.) en artikel 440 alinea '2 hehben alleen op executoriaal beslag betrekking.
Hof 's-Gravenhage 10 Nov. 1904, \V. 8172.
Art. 731.
7. De in de artikelen 731 en 733 Rv. gegeven bevoegdheid om in verzet of in beroep te komen, sluit nog niet in, dat ook hij. aan wien 't daarin vermelde verlof is geweigerd, van die weigering in verzet of appèl zou kunnen komen.
Hof Arnhem II Febr. 1900, W. 7427.
Art. To'.'.)
Art. 732.
S. Bedient do schuldenaar zich van een door de wet aangewezen middel om zich te bevrijden, dan wordt daarmede de grond ontnomen aan het conservatoir beslag, dat de strekking heeft, om den schuld-eischer te waarborgen tegen het wegmaken van datgene, waarop hij naderhand zijne vordering zon kunnen verhalen.
Het beslag kan dus worden opgeheven bij de in artikel 79(5 llv. bedoelde van-waarde-verklaring.
Arrest 8 Dec. 1905, W 8310.
!gt;. âIndien daartoe gronden zijnquot;, beteekent niet dat alleen bij kwade trouw of lichtvaardigheid schadevergoeding zou kunnen worden bevolen.
Hof 's-Gravenhage o Dec. 1900, W. 7554.
K). Geene zekerheid kan gevorderd worden voor grooter bedrag dan door den president bij zijn verlof is genoemd, en dus niet voor de kosten.
Mof 's-Gravenliage 19 Jan. 1903, W, 7871.
11. 1 Iet is twijfelachtig of het stellen van zekerheid alsnog kan te pas komen in het geding, waarbij tegen liet gelegde beslag wordt opgekomen; ons artikel toch spreekt alleen van opbellen.
Hof 's-Gravenhage 8 Dec. 1903, W. 8027.
12. De Voorzitter kan volstaan met te overwegen dat van de ondeugdelijkheid der vordering niet gebleken is.
Hof 's-Gravenhage 8 Dec. 1903, \V. 80-27.
13. Onder de te vergoeden schaden wegens onrechtmatig gelegd beslag moet niet gerekend worden de benadeeling in crediet en bedrijf, doordat aan dat beslag algemeene ruchtbaarheid is gegeven, welke handeling van den beslaglegger buiten het arrest zelf valt.
Evenmin kan op de schadevergoeding van invloed zijn do omstandigheid, dat de beslageno het 1 icslag geruimen tijd heeft laten voortduren zonder er tegen op te komen, daar het onverwijld zich verzetten tegen het beslag is een recht geen plicht.
AiT.-r. Amsterdam 18 Jan. 1905, W. 8295.
(Art* /34.
IJ. Een beshif!;, dat seblekun is onreclituuitig tu zijn gelegd, zelfs al is het vrijwillig opgeheven beleininert drn eigenaar tocli tijdelijk in de vrije beschikking over zijn goed en berokkent hem schade, die vergoed moet worden.
Hof Arnlietn \- April 11)05, \\. 8^'il.
A rt. 733.
2. Artikel 733 sprekende o. a. van hlt; nigcr ben iep. ziet eidvel dp het geval, dat de schuldenaar eei'st in kort geding ex artikel lt;27 laatste lid B. 1!. is gehoonl en niet op dat. waar het verlof direct op 't request wordt verleend, als wanneer artikel 731 Ilv. van toepassing is, noch op dat waarin het verlof is geweigerd.
Hof Arnlioin 14 Febr. 190lgt;, W. 7427.
Art. 734.
I. Add. /.ie echloi' niivolgondo beslissing:
Een tot zekerheid der vordering tot nakoming toegestaan en gelegd beslag kan niet worden van waarde verklaard op eene dagvaarding, waarbij niet de eisch tot nakoming, maar die tot onthinding der overeenkomst met schadevergoeding wordt ingesteld.
Arrest 18 Dec. 1903, \V. 8008.
5. De eisch tot van-waarde-verklaring moet bij de hier bedoelde rechtbank, en niet bij het Hof worden aangebracht, ook al hangt de hoofd vordering in appèl voor 't Hot'.
Arrest 4 Maart 1904, \V. 804H; zie onitrent dit laatste, nl. over do vraag of conservatoii'beslag kan gelegd worden, wanneer de vordering ia appél hangende is: aanteekening 4 en 10 op artikel 738, en de navolgende beslissing:
Het leggen van conservatoir beslag is ook toegestaan, wanneer over do hoofdvordering, tigt;t zekerheid waarvan het beslag is gelegd, reeds bij gewijsde is beslist.
Hof 's-Gravenhage 6 Nov. 1905, W. 8301 waarbij nog werd beslist dat aan den eisch tot van-waarde-verklaring niet noodzakelijk behoeft verbonden to zijn do eisch tot betaling.
Art. 735.) 122
Zie voorts deze uitspraak :
Het conservatoir lieslalt;; zijnde een accessoir der lioofdvordering moet de eisch tot van-\vaarde-verklarin,lt;r van het beslag jrebraclit worden voor den rechter â in den regel de Arrondissenients-Rechtbank â die hevoegd is om van de schuldvordering voor welke het beslag is gedaan, kennis te nemen; dit geldt ook wanneer over do hoofdzaak reeds door de rechtbank is uitspraak gedaan en daarna de eisch voormeld wordt aanhangig gemaakt.
Kechtljank Utrecht t2tj Juni 1901, \V. 7(57(1.
Art. i 35.
9. Add. Verg. in verband met de vermelde uitspraken navolgende beslissingen :
Aan de steeds bij beslagneming gebruikte formule: dat het beslag wordt gelegd op alle goederen enz. die de derde gearresteerde verschuldigd ilt; nl zal icurden, is deze beteekenis te heebten, dat het beslag wordt gelegd op al wat verschuldigd is op den dag van 't beslaquot;' hetzij opeischbaar hetzij nog niet.
Arr.-r. Amsterdam (i Nov. 1901, W. 775(1
Met de gebruikelijke formule, houdende beslaglegging op hetgeen \ eiscbuldigd is ot zal worden, wordt bedoeld dat het beslag wordt gelegd op al hetgeen ten dage van het beslag verschuldigd w'as, hetzij al dan niet opeisebbaar, terwijl beslag op nog niet vervallen doch reeds bestaande sebulden alleszins bestaanbaar is.
Hof Arnhem 10 Juli 1902, \V. 7853.
34. Add. In anderen zin is beslist bij navolgende uitspraak:
Artikel 1 der wet van 1815 (Stbl. u0. 5) is krachtens artikel 73, laatste lid (b r Xed.-lnd. Comptabiliteitswet van 23 April 1SG4 (Stbl. nn. 35) ook van toepassing ten aanzien van de begrooting van Xed.-indië, zoudat soldijen en gagementen ten laste van den Staat niet in beslag mogen worden genomen.
Arrest van 'i .Maart 1904, \V. 8038.
In denzelfden zin arrest lli Maart 190(5, \V. 8352. Verg. ook arrest Hof 's-Gravenbage 5 Mei 1902, W. 7744 en liet daartoe betrekkelijk vonnis
'Art. 735.
der air.-r. VGravenliage O Maart 19(11, W. 7570. Verg. voorts hiermede in verband arrest 5 Jan. 1900, \V. 7385 en de opstellen van Mr. A. Struycken in W. nos. 7.'i07, 7!{S3 en 7811, voorn, noot '2 van laatstgemeld ii|istlt;!l, waar wordt opgekomen tegen 's lloogen Raads grond voor de beslissing, dat namelijk die grond zou gelegen zijn in artikel 73 der bovengenoemde wet.
37. A(hl. Anders dan de vermelde beslissing der arr.-i'. llutterd.im 21 l-Vbr. 1890, de navolgende uitspraak :
Er kan niet opnieuw beslag gelegd worden kraelitens een presidiaal verlof, dat door toedoen van den seluddeiselier geene uitwerking heeft kunnen hebben en dat al/.oo als vervallen moet worden beschouwd.
Arr.-r. Maastricht l'2 April 1000, \\. 8540; anders Rotterdam '21 FeLr. 1896 W. 08! 0.
â¢'Ã8. Een derde arrest onderhanden van sehuldenaren van een boedel ten bate van een erfgenaam en ten laste van uitvoerders van uiterste wilsbeschikkingen is in strijd niet de bij de wet voorgeschreven procedure betrekkelijk erfenissen.
Arr.-r. Amsterdam 15 (let. 1901, W. 7755.
.â !!gt;. Het conservatoir arrest gelegd o|i alles, wat de derde van den schuldenaar onder zich mocht hehben, omvat niet datgene wat deze, in eenige hoedanigheid, onder zich heeft.
Arr.-r. Amsterdam 4 Mei 1904, W. 8198, waarbij nog word beslist dat dit laatste ook niet wordt aangeduid door de uitdrukking «onder zijne berusting hebben», waaronder, in tegenstelling met de uitdrukking «verschuldigd zijn», bedoeld worden degelden en goederen,die den schuldenaar toebehooren.
40. Artikel 735 B. I!. geeft slechts één rechtsmiddel n.1. âbeslagquot;, al spreekt 't artikel ook van âzich tegen derzelver afgifte verzetten''; mitsdien is krachteloos een exploit, waarbij enkel verzet tegen tie afgifte wordt gedaan.
Arr.-r. Rotterdam 7 Nov. 1904, \V. 8279.
41. Door een derde arrest worden alleen getroti'en de goederen en gelden, welke zich in handen van den derden gearresteerde bevinden, voor zoover zuiver door hem verschuldigd of tcchehoorend aan den
123
Art. 739.)
jji'i'xecutocrde en deel van diens vermogen uitniiikeu, in dien zin dat zij aan de arrestanten ter executie moeten worden afgegeven door den derden gearresteerde; getroffen wordt dus niet dat goed, waarop de derde gearresteerde een reeht kan doen gelden, als in easu het recht van pand.
Arr.-r. Anisterdani 17 Febr. 1905, \V. 8-27:i.
42. In tegenstelling met art. 732 B. I!. laat art. 735 lid 4 B. R.
opheffing van derde arrest slechts toe in geval van behoorlijke borgstelling voor het bedrag der som, waarvoor bet gedaan is.
Arr.-r. 's-Oravenhage 30 Mei 1905, W. 8235.
A rt. t 38.
2:5. De schuldenaar is gerechtigd om te intervenieeren in het geding tot van-waarde-verklaring, omdat hij belang heeft bij de vraag hoeverre een ten zijnen laste gelegd arrest strekt.
An-ost 30 Maart 1900, W. 7425. Verg. art. 285, aant. 19, cok aangehaald oji art. 577, 110. 11.
Art. 739.
10. De \ ordering tot schadevergoeding kan ook alzonderlijk worden
ingesteld.
Hof Arnhem 2 Mei 1900, W. 8425.
11. Het beslag dat van onwaarde is verklaard, heeft geene gevolgen kunnen hebben anders dan die voorzien in dit artikel.
Het vonnis werkt terug tot op den dag der iubeslagneniing.
Hof Arnhem 18 Juli 1907, W. 8593, op welken grond werd beslist dat een tweede beslaglegger zich niet er op kan beroepen dat de eigenaar-debiteur niet heelt kunnen beschikken over zijn goed vóór bet tweede en 11:1 bet eerste beslag, welk laatste later van onwaarde is verklaard.
121
(AH. 742.
Art. 741.
14. Do vordering ex artikel 741 Rv. tot't iloen en vorheteren van de verklaring is niet van onbepaalde waarde, maar hare vatbaarheid voor appèl hangt af van het bedrag der vordering, waarvoor het beslag is deugdelijk verklaard.
Arrest 18 Mei 1900, W. 7455. waarbij liet beroep in cassatie is verworpen tegen het arrest Hof' Amsterdam 10 Nov. ISOO, W. 7417.
15. liet âonder zijne berusting hebbenquot; in artikel 741 B. R. gestold tegenover âverschuldigd zijnquot; ziet op gelden en goederen, welke den schuldenaar toebehooren.
AiT.-r. Arasterdam 4 Mei 1904, W. SI98.
16. Bij de vaststelling van het bedrag door den derden gearresteerde aan den beslaglegger te betalen (voor de schuld van diens debiteur) komt uitsluitend in aanmerking het tijdstip, waarop het heshuj is gelegd en niet dat, waarop de verklaring wordt afgelegd.
Hof Arnhem 25 Jan. 1905, W. 8170.
17. De uitdrukking âverschuldigd zijnquot; en âtoekomenquot; wijzen niet op identische begrippen : de som der inschuld toch, die door don gearresteerde aan oen crediteur verpand is, is do declarant wol verschuldigd, maar komt niet toe aan den gearresteerde.
Arr.-r. Amsterdam 20 Mei 1905, W. 8389.
Art. 742.
1. Add. Verg. navolgende beslissingen :
Wil eene verklaring volledig zijn, dan moet die zoo zijn ingericht dat aan partij do gologenhoid worde geboden om daarvan zoo noodig de waarheid te betwisten en aan den rechter om die te verbeteren.
Arr.-r. Rotterdam 0 Dec. 1900, \V. 7022.
De derde volstaat niet met de verklaring niets verschuldigd to zijn, wanneer hij onder eene voorwaarde heeft te betalen.
Arr.-r. Rotterdam 0 Dec. 1900, W. 7022.
125
~
Art. 746.) 12(J
Art. 744.
(5. De dcvde ircan'cstecrde kan niot gcdwonfren worden waardon af te i^'ven, die liij van den gearresteerde in pand heeft.
An-.-r. Amsterdam '2 Mei 1002, W. 7844.
Verg. ook aanteekoning 41 op artikel 735.
Art. 745.
4. De derde gearresteerde, die een rechtmatig belang heeft, om zijne gehoudenlieid tot liet doen van verklaring tegen te spreken, is daartoe bevoegd al heeft de geëxecuteerde zicli niet krachtens artikel 477 verzet en hij dus in het beslag heeft herust.
Arrest I .luni 1900, \V. 7451.
Zooals uit het bovenstaande blijkt gold het een executoriaal beslag.
1
Art. 74G.
4. Artikel 74G lï. 1!. verstaat onder het nalatig blijven in het uithrengen der verklaring Mijkhaar het geval, dat de derde gearresteerde geene verklaring aflegt, die voldoet aan artikel 742 B. R. al zoude in die verklaring wel het antwoord te vinden zijn op den eiseh hem krachtens artikel 741 13. |{. gedaan; nergens echter verbiedt de wet, dat de derde gearresteerde, wiens verklaring aan die vereischten niet geheel beantwoordde, bij latere conclusie die verklaring alsnog aanvult, in welk geval geen verstek moet verleend worden.
Hof Amsterdain 17 A|)ril 1903, W. 8093.
Verg. het daartoe betrekkelijk vonnis der arr.-r. Amsterdam 11 Oct. 1901, AV. 7741, waarbij eveneens het verstek was geweigerd, evenwel op andere gronden, en wel op grond dat nalatig blijven hier befeekent het zich in het cjchcel niet uitlaten omtrent de punten, waaromtrent hij overeenkomstig artikel 741 is gedagvaard; zoodat togen hem, die zich omtrent genoemde punten wol uitlaat, zij liet dan niet in den vorm van artikel 742, geen verstek kan verleend worden.
[Art. 758.
Art. 749.
7. Waar tie declarant tc kennou jjccft drn eed wd te durven docn. maar ten onrechte meent dat de eed üeen leitelijke doch alleen juii-disclie gegevens behelst, hehoort hem alsnog de gelegenheid te wurden gegeven bij conclusie den eed aan tc nemen cl te weigeren.
Arr.-r. Amsterdam '20 Mei 190.k \\. SJS'J.
Art. 750.
C. Add. In denzolfdon zin beslist bij vonnis der arr.-r. Amsterdam 2 Jan. 1000, W. 7'18'i, dat den gedeclareerde alle gewone rechtsmiddelen ten dienste staan, ook het verhoor op vraagpunten van den declarant.
7. De vatbaarheid voor hooger beroep van bet vonnis in de verklaringsprocedure hangt al van bot bedrag der vordering van den beslaglegger ten laste van zijnen schuldenaar.
Arrest 18 Mei 1900, W. 7455, waarhij het beroep in cassatie werd verworpen tegen het arrest Hof Amsterdam 10 Nov. 1899, \\. 7-417.
8. De arrestant cn niet do derde gearresteerde moet de gegevens bijlirengen voor de betwisting der verklaring.
Hof Amsterdam 17 April 1903, W. 8093.
Art. 7öl.
4. Add. In de beslissing van hot arrest 4 Mei 1894 moet gevoegd worden tusschen de woorden «die» en «executoriaal beslag» de zinsnede «evenals de eerste arrestant».
Art. 753.
1. Add. Verg. navolgende beslissing:
De schuldenaar kan alleen bij executoriaal dorde arrest door liet in artikel 177 bedoeld verzet en bij conservatoir derde beslag in de procedure tot van-waarde-verklaring van dit beslag zijn recht doen gelden hoeverre een ten zijnen laste gelegd beslag strekt en strekken mag, maar kan dat niet doen door interventie in de verklaringsprocedure.
127
Art. 757.) 128
Dit artikel is algen icon m verzet zich tegen bedoelde interventie ; het
ziet niet alleen op schnklcischers, maar ojgt; ieder verzet tegen de daarbij omschreven afgifte, hetzij die gedaan wordt bij wegc van oppositie dan \vcl bij wege van interventie.
Arrest 30 Maart 1900, . gt;425, waarbij hot beroep in cassatie werd verworpen legen arrest Hof Amsterdam s. d. \V. 7332. Verg. ook arrest 27 .Mei 1898, vermeld onder art. 475 n0. 13.
Zie ook aant. 4 op art. 753.
Art. 757.
gt;. Add. Verg. hiertoe betrekkelijk de navolgende beslissingen c Artikel 757 B. 1!. omvat ook de gemeentelijke tractementen en pensioenen en daar voor deze een regeling bij bijzondere wetten ontbreekt, zijn zij dus nift voor inbeslagneming vatbaar.
Ai rest / Maart 1902T\\. /7.il, vernietigend vonnis dor arr.-r. Amsterdam 28 Juni 11101, \V. 7674.
Verg. vonnis arr.-r. Leiden 23 April 1807, AV. 7700, waarbij eveneens is beslist dat artikel 757 ook betrekking hoeft op gemeente-ambtenaren, maar in afwijking van het bovenstaande werd uitgemaakt dat ook ten aanzien van deze ambtenaren nog ecne bijzondere regeling beslaat en wel in de wet van 21 Ventóse an IX (12 Maart 1801) die wel ten aanzien van Rijksambtenaren maar niet ten aanzien van gemeente-ambtenaren is vervangen door de wet van 24 Jan. 1815 (S/W. no. 5). Bij datzelfde vonnis werd nog beslist dat deze materie is van publieke orde. Verg. ook arrest Hof Amsterdam 12 Juni 1902 W. 7815, en aanteekening 7 op dit artikel.
Zie nog Ion betooge dat do bewering, dat ons artikel enkel eene verwijzing en geen verbod zou inhouden van inbeslagneming is in strijd met do duidelijke woorden waarin bet is vervat, arrest 10 Dec. 1904, W. 8158 en arrest Hof 's-Gravenhage 5 Mei 1902, \V. 7744.
10. Xucli uit artikel 757 B. R. nocli uit eenig ander artikel der wet volgt dat loon aan particulieren uit te betalen onvatbaar zou zijn voor inbeslagneming.
Arr-r. Amsterdam 0 Nov. 1901, W. 7750.
11. Onder bezoldiging is niet alleen begrepen bet vaste salaris dat de ambtenaar verkrijgt door het enkele feit zijner aanstelling
{Art. quot;57 B.
maar ook hot meer wisselvallig salaris dat hij krijgt door en naar evenredigheid van de uitoefening van zijn ambt, als vacatie- en presentiegelden.
Arr.-r. 's-Herlogenbosch 24 Febr. 190.), AV. 8'24!gt;.
12. Zie over de vraag of beslag kan wordi'n gelegd onder don Slaat op gelden, die ter zake van gagement ten laste van de begrooting van Ned.-Indië verschuldigd zijn, artikelen 7'2 en 7;i der wet van 'ü April ISlii (SVW. no. .J.i), aanteekening 34 oji artikel 735.
/1 y/. i;) J -lt;4.
1. Al is hij het verzoekschrift gewaagd van oen contract zoo inag een
lieslag als hier i^edoeld niet worden van waarde \erklaaid, wanneei niet blijkt van eene acte.
Hof Arnhem 18 Oct. 189'.), W. 7394, waarbij nog is beslist dat het gestelde contract toch nooit als schriftelijk bescheid zou kunnen strekken voor de verbreking van den rechtsband, waarin de schuldoorzaak gelegen voor de vordering, weswege het beslag is gelegd.
2. Uit de door de wet geeischte onderhandscho hoseheiden moet do zekerheid, althans groote waarschijnlijkhoid. hlijken, dat do beslaglegger ook werkelijk schuldoiseher is.
Het oordeel daaromtrent is, niettegenstaande hot presidiaal verlof, niet aan de Rechtbank onttrokken.
Arr.-r. Haarlem 5 Febr. 1901, A\. lSi~.
Art. 757 /gt;.
I. Nietigverklaring van het beslag hrengt niet vanzell mede nietigheid der dagvaarding, voorzooverre daarhjj is gevraagd de veroordeoling tot hotaling.
Hof Arnhem 18 Oct. 1899, W. 7394.
i. Hot beslag heteokond aan den schiddeischer en niet aan don schuldenaar kan niet van waarde worden verklaard, ook niet wanneer het bij een later exploit mot de dagvaarding aan don schuldenaar is
Léon, Itechtspraak 2e druk, Deel II. All. 5, Sujipl.
129
(Mr. w. van Kossem, Burg. Rechtsv., 3e Suppl.) ^
t
Art. 764.) ilt;5U
lictcekiiul, want lgt;ij die laatste heteukening werd het arrest niet geleed.
Arr.-r. Amsterdam 17 Jan. 1000, W. 7497.
Vrtor nauwkeurige vennclding van de goederen kan niet gelden de algeniei'ne vermelding âalle golden, goederen, ellecten of geldswaardenquot;quot;.
Ait.-i'. Arastei'dam 17 Jan. 1900, W. /497.
Art. 758.
13 c. Add. Zie no;,' over liet veiband van dit r.i tikel met artikel 11S8 R. W.: vonnis arr.-r. Hotteidam 29 Juni 1900, W. 7498
14. Ingebrekestelling behoeft niet vooraf te gaan.
Arr.-r. Middelburg 21 Mei 1902, \V. 7827.
Art. 760.
S. Nergens is bepaald dat een afschrift van het verbaal terstond aan den heslaycm' moet worden overgegeven: artikel 1 is hier niet van
toepassinL'.
Arr.-r. Middelburg 21 Mei 1902, VV. 7827.
Art. 763.
o AM ïn den zin van het vonnis der arr.-r. te Haarlem dd. 24 Jan. 1865 ,/beslist bij vonnis arr.-r. lleerenveen 8 Dec. 1899, W. 7424. dat namelijk de eisr.b tot van-waarde-verklaring moet worden gebracht voor den rechter der woonplaats van gedaagde.
.lr(. 764.
2. Add. Verg. met de laatstgenoemde beslissingen de navolgende uitspraak: Deze bepaling is gemaakt in het belang van de ingezetenen des rijks, uiel in dat van hier niet wonende vreemdelingen.
Arr.-r. Middelburg 17 Oct. 1900. W. 7525, anders vonnis arr.-r.'s-C.ra-venhage 16 Juni 1903, W. 7969, waarbij nog werd beslist, dat ook in quot;eval quot;van derde arrest ten laste van de in dit artikel genoemde personen
(Art. 770 I'\
de competente rechter is die, welke in deze afdeeling bij artikel 7(i7 aangewezen is en niet de rechter genoemd in artikel 738; zie ook in dezen zin arr.-r. Amsterdam 4 Dec. 1003, W. 8059.
13. Artikel 7(14 B. R. laat beslag toe zonder eeniqe hejicrking ten aanzien van mede-eigenaren, zoodat ook iieslag kan gelegd worden oi) dc goederen der luiwelijksgemeonseliap wegens door de vrouw gemaakte seliulden.
Hof 's-Gravenhage 10 Juni 1902, W. 7707.
14. Dit artikel bepalende dat ook zonder voorafgaand bevel beslag kan gelegd worden, sluit niet elk bevel uit, omdat dit zou strijden niet artikel 440, waarnaar artikel 705 verwijst : bet beslag moet dus altijd een bevel behelzen.
Arr.-r. Almelo 24 Juni 1903, W. 7989.
Art. 768.
7. Acid. In denzelfden zin: Hol' Amsterdam 20 Maart 1903, \V. n0. 7980.
H. Bij beschikking van den president der arr.-r. 's-Gravenhage dd. (j Sept. 1900, W. 8420 is toegepast artikel 17 van het traetaat o. a. met Frankrijk gesloten den 14 Nov. 1890 en goedgekeurd hij de wel van 31 Dec. 1897 (Stbl. nquot;. 275).
12. Beteekening van bet bevelschrift is noodig. Het woord ..betee-kenenquot; behoeft intussehen niet met zoovele woorden vermeld te zijn ; voldoende is, wanneer blijkt dat afschrift is overgegeven.
Arr. 10 Maart 1905, \V. 8192.
13. Artikel 604 Rv. is ook toepasselijk op de in artikel 768 alinea 1 Rv. omschreven gijzeling van vreemdelingen.
Hof Amsterdam 15 Maart 4901, W. 7619; in denzelfden zin hel daarbij vernietigde vonnis der arr.-r. Amsterdam 3 Mei 1900, W. 7449, beide vermeld op artikel 004 nquot;. 4.
Art. 770 /â¢'.
I. Waar liet conservatoir beslag uit kracht van artikel 33/''is vervallen, beeft de eigenaar van bet goed recht om de doorhaling der inschrijving te vorderen.
Arr.-r Amsterdam 28 Nov. 1899. \V. 7450.
131
Art. 771.)
Art. 771.
3. Add. Verg. navolgende beslissingen:
Onder artikel 771 Rv. vallen alleen die personen, die voor en ten behoeve van anderen, ontvangsten en uitgaven gedaan hebbende, daarvan alleen van hunne zijde rekenschap moeten geven; deelge-nooten in eene handeling voor gei neemâ rekening, hebben dus deze aetie niet tegenover elkander.
Arr.-r. Zutphen 15 Febr. 1900, W. 7-443.
Deze aetie komt niet toe aan den eenen deelgerechtigde in eene gemeenscha]) tegen den anderen.
Arr.-r. 's-Gravenhage C Mei 11K)3, \\ . 792S.
Ook niet aan den eenen vennoot tegen den anderen in eene ontbonden vennootsehap.
Arr.-r. Amsterdam 10 April 1903, \\ . 7990.
Rekenpliehtigen zijn zij. die voor en ten behoeve van anderen, zij het tevens voor ziehzelven, ontvangsten en uitgaven hebben gedaan en daaromtrent rekenschap moeten doen: waaronder niet valt de gedaagde, die wel een aandeel in de netto-winst der exploitatie heelt toeirezegd, maar welke exploitatie uitsluitend voor zijne rekening geschiedde.
Arr.-r. Rotterdam 28 Nov. 1904, \V. 8280.
0. Add. Terg. voorts Hof Arnbem 21 Febr. 1900, \\r. 7401, waarbij (eveneens op grond dat voor het /ijn van belanghebbende noodig is, dal voor dezen een, beheer is gevoerd, m. a. w. voor dezen ontvangsten en uilgaven zijn gedaan, waarvan rekenschap verschuldigd is ten einde hel door of aan hem verschuldigde saldo te kunnen bepalen) is beslist dat de schuldeischers niet als zoodanig zijn te beschouwen tegenover de liquidaleuren eener ontbonden vennootschap.
Zie in verband hiermede vonnis arr.-r. Arnhem 29 .luni 1903, \V. 8054, waarbij bet geval zich voordeed dat bij een gehomologeerd accoord do baten aan de erkende schuldeischers waren afgestaan en de curator daarover hel beheer voerde, en werd beslist dat een der erkende schuldeischers op zich zelf quot;erecbligd is rekening en verantwoording te vragen ook dan, wanneer het beheer nog niet is geëindigd.
132
(Art. 771.
37. Aitd. Vergelijk navolyende beslissing:
Wel is waar is hier zoowel in 't lirlanü van den rckcnpliclitigo als van hem, aan wien rekening moet worden gedaan eene bijzondere proces-orde voorgeschreven, maar deze belioei't niet te worden gevolgd, wanneer beide partijen reeds volledig met den stand van zaken bekend zijn.
Arr.-r. lin'da Juni l'.in:!, \V. 7!tS:! en \V. 802.'?; verg. vonnis arr.-r. Amsterdam 30 Nov. W. 7429; liet vonnis dier zelfde rechtbank
dd. S Febr 1901, waarvan de inhoud opgenomen is in de laatste overweging in factis van liet arrest Hol Amsterdam 2(1 Juni 1902, W. 78(KI; Hol Arnhem 21 Mei 1902, W. 78;iti; arr.-r. Middelliurg s. d. \V. 7369; air -r. I trecht 4 Maart 1903, \\. 8902; arrest Hol' 's-Hertogenbosch
20 April 1904, \V. 807('gt;; arr.-r. lireda 17 Jan. 1905, \V. 8235,
4.j', Dit artikel bevat alleen een voorsebrift betrellende den vurm behoudens liet vereischte van nalatigheid liij den reken[)liehtige.
Arrest van 23 Mei 1902, \V. 7771.
4(5, Het tot aan bet ojmemen der rekening aanhouden der vraat:, wat en krachtens welk recht aan den gerendeerde door den rendant moet worden betaald is niet in strijd met dit en volgende artikelen.
Arrest 23 Maart 190(5, W. 8355,
47, De dagvaarding tot rekening en verantwoording ten verzoeke van den lastgever uitgebracht liehoort in te bonden, dat de gedaagde als lasthebber heeft gehandeld en uit dien hooide eenige ontvangst voor eischer heeft gedaan.
Arr.-r. Amsterdam 9 Maart 1900, W. 753.S.
4S. De verplichting tot bet opmaken van een behoorlijke balans van de winst en verlies is niet identiek met de verplichting tot het doen van rekening en verantwoording.
Arr.-r. Rotterdam 28 Nov. 1904, W. 8280.
49. Eene gevoerde boekhouding op zich zelve brengt geene reken-plichtigheid mede.
Arr.-r. Amsterdam 20 Mei 1905, \V. 8404.
óO. «Het rechtskarakter der rekenplichtigheidquot; dissertatie van Mr. I.H.W. Q. ter Spill, beoordeeld door Mr. Drin ker in H. M. XXHI p. 141 en volgende.
.!?â /. 77'rgt;.) '
Art. 774.
II, !)(⢠rekening moot niet alleen de werkelijke ontvangsten en uitgaven bevatten, maar ook moet de rendant daarbij verantwoorden, waarom posten, die billijkerwijs op de rekening mochten verwaelit worden, daarin niet werden opgenomen.
Arrest II hm. 1901, W. 7551; in dezen zin bij vonnis der arr.-r. Zwolle â¢i't .luni l'-Hi:!, W. 7993; anders arr.-r. lleerenveen 15 Nov. 1901, W. 7794. Verjf. in verband hiermede arr.-r. Winschoten ü Jan. 1904, \V. 8099, waarbij is beslist dut de werkelijke ontvangsten op de rekening moeten komen en dus een koopsom van dooi' den rendant verkochte elfecten niet van die rekening mag verdwijnen en de rekening niet mag worden ingericht, als ware die verkoop niet geschied, al wordt beweerd dat ilie verkoop oniegc'matig is geweest.
l!ij voormeld arrest van den 11. U. is vernietigd het arrest van hel Hot' te Arnhem '1'A Mei 190(1, \\ . 7;)0.').
12. Do bevoegdheid, den gerendeerde in dit artikel gegeven, geldt alleen hangende eene rekenings-prneedure, ten einde hem niet langer te laten wachten op hetgeen hem, ook volgens den rendant dus in
ieder geval, toekomt.
Ken beroep op deze wetsbepaling bij eene buitengerechtelijke rekening
en verantwoording gaat dus niet op.
Arr.-r. Alkmaar 13 Dec. 1900, W. 7599.
,4 ft. j 15,
quot;i. Ail'l. Verg. navolgende beslissing :
De mededeeling der beseheiden behoeft niet gelijktijdig met de beteekening der rekening te geschieden.
Arrest quot;i7 .luni 1902, VV. 7797.
(*». Rij het aHeggen der rekening en verantwoording behoeft de executeur niet over te leggen eene boedelbeschrijving, als in artikel ()81 1gt;. 1 iv. voorgeschreven, maar kan hij volstaan mot een staat \an actief en passief.
Hof Arnhem 25 April 1900, W. 7'i80.
(Arl. 77.S.
Arl. 71 7.
10. Ouder Ileteckoning van ilt; rckoilinj_r is Ic ver.staan dr heteekeniuf; van dat stuk op zichzelf, dat niet onafscheidelijk is van de tot liewijs daarvan strekkende hcschcidcn, zoodat dc incr bciloelde termijn aanvangt met de heteekening van dat stuk.
Arr. 27 Juni 1902, W. 7797, waarbij nog wei d beslist, dat, wanneer de
quot;ereudeerde door de late beteekening der l)esi'Iieiden niet in de gelegenheid is geweest de juistheid der rekening tijdig te beoordeelen. hij niet gehouden is bij de memorie de juistheid te erkennen eu alzoo den reken-plicbtige dwingt de bescheiden alsnog hij eontra-debat over te leggen.
Verg. de navolgende hiertoe betrekkelijke beslissing:
De wettelijke voorschriften van de procedure tot het doen van rekening en verantwoording zijn van opeuhare orde. waarvan dus afwijking ongeoorloofd is. speciaal waar het geldt de gestelde teruiijuen, die strekken om deze procedure zooveel mogelijk te verkorten.
Hof Amsterdam 11 Oct. 1901, W. 7696, waarbij voorts is beslist dat de termijn bedoeld in lid 1 van artikel 777 B. R. begint te loopen van at den datum der beteekening van de rekening en niet van al dien van de mededeeling der bescheiden.
Verg. artikel 77S aant. 10.
11. De schriftuur van dehat van den gerendeerde in een rekenings-procos behoeft geene conclusie te hevatten.
Hot' Amsterdam I Dec. 1899, \V. 7422 en 11 Juni 1900, W. 749:5, ook vermeld op artikel 779, aant.
Arl. 778.
â¢1. Add. In denzelfden zin arr.-r. Breda 20 Sept. 1899, \\ . 7485.
10. Add. Verg. navolgende beslissing:
De bij artikel 778 B. R. voorgeschreven procedure is van openbare orde.
Arrest 23 Juni 1905, W. 8252.
Verg. de oestrijding van voormeld arrest door Mr JM. van Stipriaan Lmscius in Themis jg. 1900 p. 238 en volgende.
/.ie ook vonnis arr.-r. Haarlem .quot;gt;1 Jan. 1905, \\ . 8249, waarbij is beslist dat dit. artikel geenszins, ook niet met toestemming der wederpartij,
Art. 781). 136
den reiuiant, ilie verzuimd heelt eene memorie van contra-debat te doen heleekenen, de gelegenheid geeft de daarin tlmis behoorende verklaringen en heweringen alsnog mondeling Ie berde te brengen voor den rechtercommissaris. Evenmin kan op de terechtzitting nog eene conclusie worden genomen.
Verg. ook aant. 10 op art. 777.
II De vcrscliijniiiLr voorden roei i tcr-ci gt;iiiniiss:i ris heeft geen ander dcii l dan igt;iu zirh volgens ilil artikel omtrent de .,betwiste' artikelen te verklaren, en, ware het mo,gelijk, liet daaromtrent eens te worden, zoodat bij den !!.-('. treene hetwisting meer kan gesel lieden, maar alleen ile luj de sehrifturen gedane beweringen mondeling kunnen worden volgehouden.
Arrest .luni l'JO'i, \V. 77'.i7.
Art. 779.
.j. De rechter mag. indien de tegen de rekening iugebraelite bezwaren gegrond zijn. het bedrag van de gebeele ontvang en uitgaat overeenk»mistig de ingehraehte bedenkingen, ook zonder daartoe strekkende eonelusie, opmaken.
Hof Amsterdam 1 Dec. 1899,
In denzelfden zin arrest van hetzelfde Hof II .luni 190(1, \\. 7493, op den grond dat liet artikel een gebiedend voorschritt bevat, ilat ook ambtshalve moet worden toegepast.
Beide arresten ook vermeld op artikel 777 aant. I I.
Art. 781.
:J. Onder later is te verstaan : nadat hij zijn schriftuur van debat heeft doen heteekenen. Met name kan daaruit niet worden afgeleid dat bij verzuim van beteekening der schrift uur van debat nog mondelinge voordracht van bezwaren is toegelaten.
Arrest '27 Juni '1902, \V. 7797, waarbij het beroep in cassatie werd verworpen tegen het arrest Hot Amsterdam It Oct. 1901, \V. 7090.
137 (Art SOI.
Art. 782.
4. Add. Vergelijk ook navolgende beslissing:
Artikel 7S2 j^ccl't wM Koviiogdiicid. niiiar legt gccnc vcriilichting (i|i.
Ai-r.-i'. Amsterdam IJ Jan. lilOli. \V. 843ti.
Art. 784.
II. Deze l)(.'|i:ilino; is alleen geschri'ven in het iielaiig van lt;leii rendant, die rekening wenselit te dlt;ien en kan dus niet worden ingeroepen ton voordeele van ile hewcring. dat hij, die rekening vordert, ook alle anderen, aan wie rekening verschuldigd is, in dit geding mede moet oproepen.
Hof Amsterdam S ()ct. 1000, \V. 7530, hevestigend vonnis arr.-r. Amsterdam 'JT Oct. 1808, W. 7;i08.
Art. 7I.M.
5. Add. Zie in verband met de hier vermelde beslissing de navolgende uilspraak ;
De vordering tot van-waarde-verklaring van een voor den aanvang van het geding gedaan aanbod van hctaling gevolgd door eonsitrnatie betreft niet een tussehengesehil, als bedoeld in artikel 217 1!. Hv.
Arr.-r. Amsterdam 12 Dec. 1905, AV. S'i:i7 ; waarbij is beslist dat de incidenteele vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard, waartegen niet kan afdoen de bewering dat de uitdrukking «incidenteele vordering» bij vergissing is gebruikt voor «reconventioneele vordering.»
7. Artikel 4 nquot;. 8 is hier niet van toepassing.
Arr.-r. 's-C.ravenhage 2 Mei 1000, W. 7150; op dien grond werd beslist dat een aanbod gedaan aan den ambtenaar van bet O. M. niet kan worden van waarde verklaard.
Art. 801.
1. âAan de partij tegen welke het verzet gericht isquot; beteekent aan hem ot haar, wiens of wier voorgenomen huwelijk te voorkomen de strekking van het verzet is.
Arrest 28 Juli 1900, W. 7481, dus in geval van artikel 89 B. W. aan hem, die bij vonnis van overspel is overtuigd.
Art. SOS II.) l0
Art. 806.
........
i . lt; \;nv 11104, W. öloJ-An-.-r. 's Graven 1)age b .no\.
⢠â *. i-i-oii k'in krachtens dezelfde
â ) Waniu-cr .te » quot;«ctroUu Km
; ,,.VP .-isch worden ingesteld.
uuiehtidn;^ geeu nu-uNve u.Ui
Anvl.. 's-C'iiivenliage 8 Nov. 1904, NX. 8189.
Art. SOS.
1gt; itlt
I.
\r, SOS B. K. muvM ...k l.ct quot;,U'er lk,quot;kquot;'
rtretlil 0.1- ll«B, W. 83».
Art. 808 H.
â⢠liot beslui: ex nrtikel 73-2 Kv. 1. Aan de al^eineene ^ ^ lu,tw,lk ophefUng kan
worilt gederogeerd door artikel , » lüt scheiding
Würat,n lievolen door den rechter, voor
aanhangig is.
Kort gedin- Ziciikzee -27 Ju... 189 , ⢠â¢
4nl hed voor de rechtbank
Waar de eisch tot scheiding ^n ' (,lkcn anderen,
^nhaupg is, - is die rechter. \0t verzoek tot op-
110 rf ^rt: wanneer dat gegrond wordt op de
^ m'1 NrX'-bü vernietigd wen. de
âof Amsterdan. -8 Ju. . K , ^ W.8415, waar^j
beschikking pres.denl a . .-u L ^ ^ opheri.ing V!in een
-tr -n vfn wt ^ ..ö ae sub 1 verfde
beschikking president arr.-r. Z.enkzee.
(Art 820.
Art. 81Ã.
10. h. Adil. Verg. navolgendi! beslissing;
IFct prcsidiMal verlof tot liet instellen van een risch tot echtscheiding is ook noodig, indien die eiseh bij reconventie wordt ingesteld.
Arrest 28 i'ebr. 1902, \V. 77'27.
In dezen zin arrest Hof 's-Hertogenbosch 25 Juni 1901, W. 770(1.
Zie in anderen zin ;
Hij, die als gedaagde in eene echtscheidings|irocedinv in reconventie eisch doet tot scheiding van tafel en lied, is in die vordering ontvankelijk, al heeft hij geen presidiaal verlof bedoeld in artikel 821 Uv. gevraagd noch bekomen.
Arr.-r. Utrecht 20 Dec. '1899, W. 74IS.
12. De president kan uit kracht van artikel 816 alinea 4 alleen eene opdracht geven aan een kantonrechter binnen zijn arrondissement.
Presidiale hescbikking rechtbank's-Gravenhage I I lan. 1900, W. 7380; verg. de Redactie van bet W.
Anders implicite pres. arr.-r. Arnhem 3 Febr. 1900, W. 7389.
Art. 819.
2. Wanneer de eischcr om wettige reden niet kan verschijnen, moet het verlof verleend worden.
Hof Arnhem 17 Jan. 1906, \V. 8402, vernietigende bet vonnis der arr.-r. Zutphen 19 Jan. 1905, W. 8189, waarbij werd beslist dat wanneer de president in zoodanig geval bet verlof heeft gegeven, alsdan â- met vernietiging dier beschikking de eiscber zelfs ambtshalve niet-ontvankelijk moet worden verklaard; deze beslissing is ook bestreden in eene noot door den inzender.
Beide beslissingen zijn ook vernield onder artikel 820 nquot;. 10.
Art. 820.
6. Add. Anders de navolgende beslissing:
De incidenteele vordering tot bevestiging van de presidiale beschikking moet ook anihtshalve niet-ontvankelijk worden verklaard-
Arr.-r. Roermond 5 Oct. 1899, W. 7il7; in dien zin ook vonnis arr.-r. Anisterdam 17 Mei 1900, \V 7473 en 6 Jan. 1905, W. 8259.
.4?^. 821.) 140
S. I)c ivchthank heeft zelfstandig to onderzoeken, onafliankelijk van het door jiartijen aangevoerde, of wijziging der presidiale beschikking noodzakelijk is.
Arr.-r. 's-Gravenliage 13 Fcbr. 1900, \V. 7613.
it. I )lt;)or het nieuwe derde liil van artikel 820 B. !!. wordt niet gederogeerd aan artikel 28(.t B. R., als hehhende niet de strekking om. wanneer naar aanleiding van de daar bedoelde beschikkingen partijen in lite zijn, aan een barer het reebt te ontnemen om de andere in kortgeding op te roepen en staking van executie te vragen totdat de rechtbank omtrent de strijdvraag zal hebben beslist.
Arr.-r. Amstertlam 25 1'Vhr. 1905, W. 8273.
10. Hooger heroep der jtresidialc beschikkingen ex artikel 820 en 821 1». K. moet worden aangebracht bij het Hof en niet bij de Hechtbank.
lief Arnhem 17 .lan. 1906, W. 8402, vernietigend vonnis arr.-r./ut|ihen 19 Jan. 1905 W. 8189, heide aangehaald op art. 819 aanteekening 2; verg. voorts de beslissingen vermeld op artikel 821 nn. 5.
11. De hedoeling van alinea artikel 820 is om aan de presidiale beschikkingen rechtskracht toe te kennen ook in hoogere instantién.
Ari'.-i'. Kollei ilam 19 Fehr. I9ÃG, \\. 8'i7 l.
.Ir/. 821.
5. AiUI. Hij het in het 2de supplement aangehaald arrest 11. H. dd. 12 Febr. 1892 is niet zooals uit de mededeeling daarvan zou zijn op te maken â onvoorwaardelijk ieder beroep afgesneden, maar daarbij werd beslist dat de beschikking van den president is eene praeparatoire, waartegen afzonderlijk beroep niet tegelijk met het eindvonnis ingesteld â niet openstaat.
/.ie daarentegen het arrest Hof Arnhem ij Jan. 190(3, vermeld sub artikel 820 nquot;. 10 en sub artikel 819 nquot;. 2.
Verg. arrest Hof 's-Gravenhage 6 Nov. 1907, W. 8020, waarbij is heslist, dat wanneer de president zich heeft onbevoegd verklaard, hooger beroep openstaat.
7. De vordering neemt een aanvang met de dagvaarding en niet met het verlof van den ]iresident, zoodat de woonplaats tijdens de dag-vaardiiiLT van den man den conipetenten rechter aanwijst.
Arr.-r. I trecht 29 April 1903, W. 7969.
{Art. 841.
8. Dc president is verplicht om zijne bevoegdheid te beoordeelen ; e. q kan hij ambtshalve zich onbevoegd verklaren.
Arrest Hof 's-Gravenhaye 0 Nov. \V. 8020.
Art. 824.
7. Dit artikel stempelt niet de daarin bedoelde vorderingen tot ineidenteele, maar bepaalt alleen dc wijze, waarop de naar aanleiding van de'artikelen 268 en 209 B. W. gedane vorderingen moeten worden aangebraebt, wanneer die ineidenteele vorderingen zijn.
Arrest Hof's-Gravonliage 3 Nov. 1902, VV. 7871.
8. De hier voorgeschreven procesorde (conclusie) geldt ook voor verdere wijzigingen in de presidiale beschikking, dus ook voor eene wijziging van de gewijzigde' beschikking.
Hof 's-Gravenhage quot;i\ Juni 1907, W. 8599.
Art. 825.
5. liet aan den Voorzitter gerichte verzoekschrift tut het leggen van conservatoir beslag behoeft niet aan de tegenpartij te worden beteekend.
Arr.-r. Rotterdam 23 Maart 1903, \V. 800'k
(5. De man is bevoegd tegen het conservatoir beslag op te komen maar moet dat onverwijld doen op stralle van niet-ontvankrlijkheid.
Arr.-r. Hotterdam 23 Maart 1903, W. 800i.
Art. 841.
1. De bepaling van de som, waarvoor de tweede grosse kan worden ten uitvoer gelegd, moet geschieden door den bewaarder der minuten bij de afgifte, na raadpleging van verzoeker en belangliebbendfn. Arr.-r. Rotterdam ti April 1900, \V. 8481.
141
Art. 855.)
Art. 844.
1. Zie Mr. Kastelein «Van Uechtsweigering», W. 8443, waar betoogd wordt, dat er van rechtsweigering sprake is, waar de kantonrechter, op grond dat zonder dagvaarding geen geding aanhangig worden kan, weigert kennis te nemen van een geschil, dat partijen krachtens artikel 43 R. ü. voor hem hebben gebracht.
Art. S54.
(i. De vonlerinir van het O. M. tot vervallenverklaring van het voorrecht van rechts]icrsoonlijkiiei(l eener vereenigiiig is er eene «lie voor den burgerlijken rechter als strafactie moet worden behandeld.
Arrest quot;28 Juli 1!I0:!, W. 7941: zie naar aanleiding van deze leer een betoog van A. A. de P. in \V. 7043.
Art. 855.
2. Add. Verg. in verband de navolgende beslissingen:
De gratis-adniissie, toegestaan om als eischcnde partij op te treden, omvat niet tevens toelating om zich kosteloos te verweren tegen den interveniënt.
Arr.-r. Haarlem 30 Oct. 1900, W. 7542, waarbij nog als tweede grond voor de niet-loelating werd gevoegd, dat het verlof was verleend door den Raad van Justitie te Batavia, welk verlof niet geldt voor den rechter hier te lande.
Waar de grondslag der vordering, waarvoor het verlof is verleend dezelfde is als die in de dagvaarding; vermeld, kan eene geringe afwijking in de voordracht der feiten niet de niet-ontvankelijkheid der vordering ten gevolge hebben.
Arr.-r. Haarlem 20 Oct. 1903, W. 7983.
3. Add. Verg. navolgende beslissing:
De toelating tot kostelooze procedure1 bepaalt zich tot den persoon, welke die toelating heeft verkregen, en gaat niet op zijne erfgenamen over.
Arr.-r. Amsterdam 25 Oe.t. 1905, \V. 8412.
142
{Art. 860.
13. Aiiil. Verg. navolgemle beslissing:
Gratis-admissie Iji'enfit mede ook bevoegdheid om kosteloos te oxecuteeren zonder nadere vergunning.
Arrest '24 Oct. 1902, W. 7822. In casu betrof liet 't executoriaal arrest onder derden en de gevolgen van dien. liij bet arrest werd nog beslist dat de nieuwe 2de alinea van artikel S72 alleen ziet op tenuitvoerlegging van niet kosteloos verkregen vonnissen of beschikkingen. Anders vonnis arr.-r. Haarlem 2 Jan. 1901, W. 7030.
15. Add. Zie eebter navolgende beslissing:
Wanneer men in kort geding kosteloos wil opkomen tegen een pandbeslag dan kan men van den president gratis-admissie verkrijgen.
Pres. arr.-r. 's-Oravenbage 3 Nov. 1905, W . 8303.
23. De gedaagde, die zich niet heeft verzet tegen des eischers verzoek om gratis te mogen procedeeren, kan desnietteiuin van lieiu. vreemdeling zijnde, zekerheidsstelling vorderen.
Hof Amsterdam 20 April 1901, \\ . 764i.
24. Hoofdartikel over âKostelooze recbtsbijstandquot; in \V. 8329, 8331; verg. ook een artikel in \V. 8447 getiteld : âBalie en kostelooze rechtsbijstand''.
Art. 857.
1. Add. In denzelfden zin is beslist ten aanzien van den eischer bij vonnis der arr.-r. Amsterdam 26 Mei 1905, W. 8404 en 3 ,Ian. 1906, W. 8430.
Art 860.
1. Add. In den zin van bet arrest 4 Febr. 1841 is beslist bij arrest 4 Febr. 1907, W. 8504.
4. De noodige afschriften moeten door den deurwaarder worden geleverd.
Arr.-r. 's-Gravenhage 19 Jan. 190(1, \V. 8322.
143
Art. S6G.)
Art S65.
5. Dc in liet gelijk ircstolde partij, die als geïntimeerde geene nicuwi' toclatinir nooilig heeft om kosteloos in hooger beroep te procedeeren, lioeft die nieuwe toelating ook niet noodig om van hare zijde incidenteel beroep in te stellen.
Arrest 13 Jan. 1905, W. 8171.
(5. Artikel 8(55 B. 11. vordert geone analogische toepassing op roquest-civiel, welk rechtsmiddel niet de zaak nader ter beslissing onderwerpt aan een hoogercn rechter, gelijk liooger beroep en cassatie waarvan het trouwens in aard geheel verschilt, maar eene nadere beslissing van denzelfden rechter vraagt. De eenmaal verkregen gratis-admissie geldt dus ook voor het instellen van request-civiel.
Hof Leeuwarden 11! April IflOi, W. 8098.
Anders do voorafgaande conclusie van het O. 11.
quot;. Nergens in de wet is aan de kosteloos geprocedeerd hebbende partij, die bij vonnis werd in het ongelijk gesteld en nu van dat vonnis wenscht te appelleeren en ook dan gratis wenscht te proce-drcivn. het recht gegeven, om kosteloos eene expeditie te verkrijgen van dat vonnis.
Arr.-r. Leeuwarden 1 Maart 1905, W. 8243.
ylrl. SGC.
1. Md alle exploilen in artikel 866 Rv. zijn bedoeld de exploiten in het algemeen gedurende de geheele guUis-procedure, dus ook het exploit van introduetieve dagvaarding.
144
Ktg. Almelo 24 Aug. 1899 vernietigd doch op een anderen grond door vonnis arr.-r. Almelo 17 Jan. 1900, W. 7442.
2. Artikel 866 IJv. legt den deurwaarder uit hetzellde kanton den plicht op, om zijn ministerie te verleenen, en moet niet in zoo be-
145 (/lrlt;. 872.
perkten zin worden opgevat, dat alleen deze en niet de arrondisse-ments-deurwaarder, wonende in een nabijgelegen kanton, bevoegd zou zijn om tc exploteereji.
Arr.-r. Almelo 17 Jan. 1901, W. 7442 ; anders liet daarbij vernietigd vonnis Ktg. Almelo 24 Aug. 1899 ibid.
Art. 872.
J4-. Fn de laatste alinea is alleen sprake van het eigenlijk ten uitvoer leggen alzoo niet van het gevolg geven aan het vonnis, gelastende het alleggen van rekening en verantwoording.
Arr.-r. Rotterdam 23 Febr. 1903, W. 7890; zie voorts over de beteekenis der tweede alinea in het algemeen, arrest 24 Oct. 1902 sqq. aangehaald op artikel 855 nquot;. 13.
15. Het in verzekerde bewaring doen stellen van een minderjarige is te beschouwen als de tenuitvoerlegging van de daartoe betrekkelijke beschikking, zoodat bij onvermogen artikel 357 B. W. wat de kosten betreft buiten toepassing is en de Staat de kosten heeft te dragen.
Arr.-r. Rotterdam 27 Maart 1903, W. 7018.
Zie hiertoe betrekkelijk t. z. p. de missive van den Minister van Justitie die van meening is dat rechtens door hem geen onthefling van de in artikel 357 B. \V. gestelde verplichting kan gegeven worden en mitsdien het college van regenten over de gevangenissen te Rotterdam verzoekt den minderjarige los te laten ou aan zijn vader over te geven, tenzij deze de kosten van het onderhoud van zijn zoon wil voldoen. Zie naar aanleiding van deze missive het hoofdartikel in \V. n0. 7924, getiteld «een conflict» en een ingezonden stuk in W. 7926 van A. A. de P. met noot der redactie en onder de «berichten cn mededeelingeno een ingezonden bijdrage van mr. A. O. Th. Tellegen Bzn. in W. 7927.
De vraag is thans opgelost door do nieuwe alinea, die aan artikel 357 li. W. is toegevoegd door de wet van 0 Febr. 1901 (Stbl. n0. 02).
Lkon, Itechlspraak 2e druk, Doel II. All. 5, 3e Suppl. (Mr. W. van Kossem, liurg. liechtso., 3e Suppl.)
10
Art. STlt.)
Art. 875.
i. Add. In denzelfden zin arrest 8 Jan. 1904, W. 8012. â¢gt;. Dc/.e bepaling is ook van toeiiassing, wanneer lt;le rechter omtrent zijne Ijevoegdhcid heeft uitspraak gedaan.
Arrest 27 Dec. lOOi, W. 8159; anders Hof' Leeuwarden 21 Jan. 1905, W. 8196 in strijd met conclusie 1'. O.
Art. 876.
G. De toepassing van artikel 876 Rv. is niet beperkt tot de drie nonnnatim daarin vernielde gevallen, maar daarvoor is evenzeer plaats in analoge gevallen, waar gevaar bestaat, dat liet bewijsmiddel verloren gaat.
Hof Amsterdam 12 Nov. 1900, W. 7021, waarbij, met vernietiging van de beschikking der rechtbank, voor de benoeming van een R.-C. de zaak werd verwezen naar den rechter a qiio.
Als een grond voor toepassing van dit artikel werd aangenomen, dat vreemde publieke vrouwen, die te Amsterdam in een zoogenaamd hotel vertoefden, moesten gehoord worden ten tijde dat de bordeelen daar waren verboden, en deze vrouwen zoo al niet uit eigen beweging dan toch door de zorg van de Rijkspolitie over de grenzen zouden worden geleid.
Art. 877.
1. Personen wonende aan boord van een buitenlandscli schip, welk schip tijdens het indienen van een request om voorloopig getuigenverhoor te X ligt, zijn in den zin van artikel 877 B. R. niet woonachtig te X, maar vertoeven daar slechts tijdelijk.
Arr.-r. Dordrecht 7 Dec. 1901, \V. 7700.
Art. 870.
I. Is de wederpartij bij een voorloopig getuigenverhoor vertegenwoordigd, dan kan zij de wraking van een getuige voorstellen.
Implicite beslist door K.-C. bij de rechtbank Rotterdam *12 Jan. -1905, \\ . 8314.
14G
(Art. 881.
Art. 881.
3. Ook al neemt men aan clat do ovoivenkonistijr artikel -1, â gt;quot; betce-konde dagvaarding van in ICngcland wonende getuigen, wel aan hen is uitgereikt, dan is de enkele niet-verschijning dier getuigen onvoldoende om aan te nemen, dat zij in de onmogelijkheid verkeeren om ze 0[) de gewone wijze te doen hooren.
Arr.-r. Rotterdam 1(1 Mei 1900, W. S553.
Verg. hot in het 2de supplement onder dit art. vermeld vonnis dier zelfde rechtbank 4 Mei IS'JS.
117
LEON's RECHTS PR A A K
Villi doze WrziUiioling /ijn versclieiK'ii en, voor zoover de voorraad «trekt, a t'z o n d c r 1 ij k verkrijgbaar:
J) RU K
|
Deel I Staatsrojrl » II lloofilst. I 1 lU'irlcilijkc Organisatie '2 Wet Overfall!; .... 3 Alfremeene lieitaliiiireii . i Burgerlijk Wetboek . 5 Wetboek van koopliaiiilel 0 Wetboek van Itnrirerlijk Ueirlsvorderinjr . . . 7 Wetboek v. Strafvorderiiii |
door Mr. 11. I.! (in 1 ^511 » IS51 18,'.! .) 1851 » o 1S5I 185:5 IS55 gt;) â gt; ISllO |
l ijs der 'Z (I
/37.',:,
1) \{ U K
|
(Staatsn |
^t), door Mr. K. |
L. VAN KM1 ⢠!â :N . . |
. . . 18112 /' |
3.75 | |
|
ie |
vervo |
«T i) |
. . . 18lgt;5 |
8. â | |
|
2e |
)) |
S) |
gt;) |
. . . 18(i0 |
8.25 |
|
3e |
)) |
» |
') . . |
. . . 1871 |
li.â |
|
â¢ie |
)gt; |
gt;) |
0 |
. 187 i |
â¢1.75 |
|
5e |
)) |
)) |
â¢) . . |
. . . 187() |
â¢i.â |
|
Ge |
» |
» |
gt;) |
. . . 1878 |
â i.â |
|
7e |
gt;) |
» |
« . . |
. , . 1880 |
â¢i â |
|
8e |
â¢) |
gt;) |
. . . 1882 |
1.25 | |
|
9e |
» |
)) |
â ) |
. . . 188-i |
â i.5( 1 |
|
10e |
)) |
9 |
. . . 1880 |
1.50 | |
|
Me |
)) |
)) |
'gt; |
. . . 1888 |
4.25 |
|
â¢12e |
» |
gt;) |
0 |
. . . -1890 |
3.50 |
|
12e |
.1 |
suppl.» |
1) |
. . . 1891 |
0.50 |
|
â¢13e |
)) |
» Mi. |
\. CliAMKH . . |
. . . 1893 |
1.75 |
|
lie |
ö |
» |
» . . |
. . . 1895 |
1.75 |
|
15e |
9 |
1898 |
â gt;_ | ||
ItiH'1 11 li' ;ill. (Ucirl. ürirau.), duur Mr. I!. L. v. Emlikn . .
in en 3e all. (üuriri'rl. AVotb.), door Mr. (',. Asseh .
Ie suppl.
))
Mr. J. Rom bach
»
»
Ge
all. iKtiophiiiHU'li, iloor Mr. J. A. I.kvy
ic sll|)|l|. gt;) 1) . .
2e » » »
3e â ) o o
4o » » â ) . .
5e i) o 'gt; . .
tie gt;) o » . .
7e i) â ) â ) ⢠â
8e â¢) » 'gt; . â¢
9e .1 ') lt;gt; â â
1 Oe ') v ') . .
lie o o â¢gt;
1 -2e â ) » »
all. 'üiirir. l!rclitsv.\ door Mr. \V. van Kosskm li/
le suppl. » â¢gt;
Oe 1 iStral'vord.), door Mr. A. Tkixkiua de Mmtos le suppl. â¢gt; »
â¢Je â ) !) Mr. C. A. Vaii.i.ant . . .
3e « Mr. I. M. Humans . . .
7e â (Code IVnali, door Mr. E. L. van Emiien . .
(Well», v. Stral'reclilJ. door Mr. J. v. Phaag 8e » (Merz. Well), v. Stral'v ), â¢) »
111 le I) i(lt;roii(ll)('lastiiig), door II. Ci. \V. liuiedé â ie o (Pers. bolasliiigr), » »
3e i) (Patent), â¢gt; »
-ie â¢gt; /eireli, » X. Koomans
Id. (2e verm, druk) v »
3' DRUK
Deel I (Neiierlanhsc.he Staatswetten)
1800 /' 3.25 1894 10.â 1908 2.50 â¢1891 I.â 1904 I â
All. I (O rond net), door Mr. .1. A. Levy.....
» 2 (Gemeentewet) on Ie suppl., dooi- Mr. II. Vos
2e suppl. op idem, door Mr. C. Hevman o :! (Fal)rieknet), door Mr. N. Ciiameii. . . . le suppl. (Hinderwet), door denzelfden .
f 4--
'25.â 3.â 2.50
3.25 4.25 3.Ã0 10.25
1.â 0.75
0.75
1.â â¢1.â 1.â 1.50 â¢1.50 1.50 1.25
2_,__
1.50
22.50 1.75 2.50 2.75 20.â 1.75
0.75
1,â 7.50 I.â
1.50
_
4.50 0.25 1.75 1.75
Deel I all. 4 (Ucgraaf- en ZiekU'invct), ilodr (icnzcll'drii . IS'.i^ /' 1.2j
» .quot;gt; (Armcmvct), door den/.clfden.......1894 I..Ml
» (! (Urankwct*, door Mr. J. I.imurm;......I.â
Suppl. op idem, door Afr. C. W. Wormski; . 1904 0.7quot;)
» 7 (Outcifrciiiiigswct), door Mr. J. I.i.mmuiig . . . IS!Ml 2.â
1 e op idem, doorMr. Diquot;. F. Sl,i;ri im.aai; 1905 I.
» 8 (Jaclit en Visschcrij), door .Mr. X. Cramhii . . IS1.17 1.50 gt;gt; 9 (Veezickteiiwet en Homlsdollieidnel), door
denzelfden.............1898 0.75
j) 10 (Oiulerwyswcllen), door denzell'den..... 1900 â
I) II (Spoorwefrnet), door Mr. En. Hki.ini anti:. . . 190:! 1.25
I) 12 (Traclaten cnz.), door Mr. J. li. Biu-xkki.man . 1904 1.00 « 13 (Wet Kcrk^eiiootscliappen, Zonda^swcl cnz.),
door Mr. C. W. WoriMSiin.......1904 1.25
u 14 (Loterij weden enz.), door denzelfden .... 1901 0.75
» 15 (Kieswet), door denzelfden........1905 0.75
» 10 (Hecht v. Vereen, en Verbad.), door denzelfden 1905 0.75
» 17 (l'rovinciale Wet), dooi' denzelfden.....1905 2.50
i 18 (Post-, Postpakket-, It ij ksposf spaarbank-, Tele-
irraaf- en Telefoomvetl, door denzellden . . 1!I05 0.75
» 19 (Leerplielitwet), door Mr. Dr. F. Slixtklaau . 190C 0.75
i) 20 (Botcrwet), door Mr. I!. II. Drijueu .... 1906 0.50
» 21 (Wet liaail van State), door Mr. C. W. Wokmskk 1900 0.50
i) 22 (Wa|ieiMvet), door Mr. 0. Si.ris......I'JOG 0.50
» 23 (Wetten Waterstaat), door Mr. G. \V. Wormskh 1900 5.25
« 24 (Geneeskundige Wetten), door denzelfden . . . 1900 1.50
» 25 (Militienel), door denzelfden....... 1907 1.75
(Keirister op All. 1â25), door denzelfden . . 1907 2.50 Deel 11 (Wktiioeken)
All. I, le ged. (lïeclilerl Oruanisaliei, door Mr. L.
van Praag, leâ3e sink........1900/8 /quot;8.50
)) 3, O? ged. (liurtrerl. Well»., le boek), door Mr.
.1. Romrach............. 1905 3.75
igt; 4, le ged. (Koophandel, Ie boek), door Mr.
Arnoi.II LKVY............1905 9.â
)gt; 4, 2e ged. (Koophandel, 2e boek), door denzelfden 1900 7.50 » 4, 3e ged. (Faillissenienlswet), door denzelfden . 1908 1.25
i) (i (Strafvordering-), door Mr. 11. IIi i.smoi f. . . 1905 12.â » 7 (Strafrecht), door Mr. J. W. li ei. in fan ti-: . . 1900 4.00
le Suppl.. door denzelfden....... 1906 1.75
Deel 111 (Belastingen enz.)
All. 1 (Grondbelasting:), door P. A. de Ki.erck. . . 1905 f 5.50 » 2 (Personeele Belasting), door denzelfden . . . 1904 4.90
-'I
Deel III all. 3 (Itcdrijiviitliistiiis!:), door P. A. I no Ki.krck . . 1905 f 5.25
» \ (Zcirclt. door N. Koomans (3e uitgaaf). . . . I'JOi 4.ti5
» 5 (Xolaris-lmbt en/.), door Mr. L. A. Miciieels. I'JCX) 3.â
» 0 ( VcriuOrf'isbclastiiig), door J. M. v. Walsem . 1901 C.25 » 7 (Xavord^i'in» van Veniiogeiisbt'lastiner), door
denzelM ea............. 1905 2.50
» 8 (Iiivonlt-'iing van'sRijks Directe Belasting'eu),
door 1'. A. he Ki.Eitci;........19CG 5.75
» 9 (AIff. M Invocrreclitoa on Aecynzcii) 1° Ged.
door denzelfden........... 1908 G.â
v à (Alir. gt;V«'l luToerrechten eu At'cijiiseu) 2« Ged.,
door denzelWen............ 1908 G.50
Deel IV (Sociai.e Wetceving)
All. 1 (Oiiffeviilli'nwd 1!gt;01 on UoroepsAvct), door
Mrs. VY. 11. M. Wekker en J. Tn. Enhtz. . 1900 /' 3.75
|e Suppl â op iJo'in, door dezelfden .... 1908 3.25
o 2 (Arbeidsvet), door Mr. Dr. F. Sleutelaar . . 1900 0.75
» 3 (Yeiliglifiilswet), door denzelfdon..... 1900 0.50
Bij de Uitgevers dezes verschenen o. a.:
CAROLI (Mr. J. P. A. N.), Het kort geding van den President der Arrond.-Rechtbank (Référé), Deel I...............
HARTOGH (Mr. A. F. K.) er. Mr. C. A. COSMAN,
De Wet van 7 Juli 1896 [Sthl. n0. 103) tot wijziging van het Wetb. van B. R., . . geb.
HARTZFELD (Mr. C. A. J.), Moderne Rechtspraak
HONERT (VAN DEN), Formulierboek Burg. Rechtsv., herzien en vermeerderd door Mrs. J. Heemskerk Az. en G. Belinfante, 5e druk door Mrs. J. A. Foest, D. E. Lioni en Lod. S. Boas
geb.
De Kinderwetten (tekstuitgaaf ), 33 druk .... LEVY (Mr. J. A.), Proceshervorming.....
OPPEN (Mr. L. J. VAN) en Mr. J. C. SASSE,
Nederlaudsche Rechtsliteratuur, 5 deelen.
ing. Æ 35â, geb.
OUDEMANâLIPMAN (Mrs.), Wetb. van B. R. (literatuur, inleidingen, verwijzingen), 2C uitgaaf van den 5en druk, door Mr. P. Bauduin,
ing. Æ 1.25, geb.
PENNINE (Mr. F. R.), Aanteekeningen op verschillende artikelen van het Wetb. van B. R. (1853)...............
PINTO (Mr. A. A. DE), Ontwerp Wetb. van B. R. en memorie van toelichting (1867), 2 din.
ROSSEM (Mr. W. VAN), De Nederlandsche Rechtspraak gebracht op de artt. van het Wetb. van B. R., 2® druk, met 3 supplementen . .
Voorstel van Wet tot wijziging van het Wetboek van B. R. van Mr. A. F. K. Hartogh; met een inleidend woord van Mr. A. A. de Pinto,
geb.
Wetboek van B. R. (tekst-uitgaaf), 4° druk,
ing. Æ 0.70, geb.
WINCKEL (Mr. C. P. K.), Formulierboek van B. R. voor Nederlandsch-Indië, ing. Æ 16.â, geb.
Æ 3.75
- 6.â - 0.60
- 14.â
- 0.50
- 2.50
- 38.25
- 1.75
r.75
- 6.25
- 29.50
- 12.â
- 1.â - 20.â