ocr page 1
ocr page 2
ocr page 3
ocr page 4

l/a. 4 1Ó '/

'(/f,

Ir

npS 7|D

Nini

nte ram mm wmn nran

us-kv prSa nnxiaai a'ojnino .nnvvi niS3n nnuan

DE PENTATEUCH

EN DE

VIJF ROLLEN,

Opnieuw in het Nederlandsch vertaald en verklaard,

EN DE

Haphtaroth en Shabbathgebeden

met Nederlandsche Ventaling

DOOR

J. VREDE N BURG,

I.eeraar am het l}eth-Ilain'iiiiilra*kl4iigt;-Amt)imimHw«.r-*

B?BL3CTHHl~K DER

1

R:JKüUïiSV': - .£iï UTRECHT 1 cc .3SE

AMSTERDAM, J. L. JOACHIMSTHAI

RIJKSUNIVERSITEIT TE UTRECHT^

2193 0247

ocr page 5
ocr page 6

niDD

EXODUS.

ocr page 7

JOACHIMSTHAL's STOOMDRUKKERIJ, Muiderstraat 6, Amsterdam.

ocr page 8

EXODUS 1.

1 1 En deze zijn de namen der zonen Israels, die naar Egypte kwamen, — met Jakob waren zij, ieder met zijn huisgezin, ge-3 2 komen—; Ruben, Shim'on, Levie en Juda; Jissaehar, Zeboeloen 5 4 en Benjamin ; Dan en Naphthalie, Gad en Asher. Alle personen, uit Jakobs heup voortgekomen, waren zeventig zielen, waarvan

6 Joseph in Egypte was. Nu stierf Joseph en al zijne broeders

7 en dat geheele geslacht. En de kinderen Israels werden vruchtbaar, hadden vele geboorten, vermeerderden en werden ten zeerste krachtig, zoodat het land van hen vervuld werd.

8 Nu stond een nieuwe koning op over Egypte, die van Joseph

9 niet wist. Deze zeide tot zijn volk: „Zie! het volk, de kin-

10deren Israels, wordt ons te veel en te machtig. Welaan!

toonen wij ons verstandig daartegen, opdat het niet nog meer toeneme, en het zijn zal; wanneer een oorlog ontstaan mocht, ■dat ook dit zich bij onze vijanden voegt, ons bestrijdt, en uit

11 het land optrekt.quot; Nu stelden zij daarover beambten der heerendiensteu aan, om het door hunnen dwangarbeid te onderdrukken ; en het bouwde voorraadsteden voor Phar'o, na-

12 melijk Piethom en Ra'amses. Maar hoe meer zij het onderdrukten, hoe meer het vermeerderde en hoe meer het zich uitbreidde; zoodat zij eene walging hadden voor de kinderen

Hoofdstuk I. 1. Aanknoopeud aan Gen. 46,27 wordt in korte woorden de sterke vermeerdering van Israël en hun aangroeien tot een volk bericht; om op de buitengewoon spoedige ontwikkeling te sterker licht te doen vallen, wordt het geringe aantal der naar Egypte gekomenen nog eens genoemd. — inoi ms, ieder met zijne familie, vrouw en kinderen.

2. De zonen zijn naar de moeders geregeld, zoodat die der slavinnen het laatst genoemd worden. Joseph, die vs. 5 afzonderlijk behandeld wordt, is natuurlijk onder hen. die met Jakob naar Egypte kwamen, niet genoemd.

5. Onder de zeventig zijn Jakob zelve, alsook Joseph en zijne beide zonen medegerekend. Zie onze aanteekeningen Gen. 46,26 en 27. Anderen meenen, dat hier, omdat van api'i -pi i.sïv sprake is, een pasgeboren kleinkind, Jochébed, wordt medegerekend. Het is niet onmogelijk, dat het ronde getal is genomen voor 69, en dan Jakob niet meegeteld behoeft te worden.

7. isnm. eig. wemdden, er kwamen talrijke geboorten voor; «Tl, de jonggeborenen bleven in het leven, zoodat het aantal der zielen toenam,

en zij een üixjj 'ij, een in getalsterkte machtig volk werden, anderen: zij waren krachtig van lichaamsbouw. — ynsn, hel land Egypte, natuurlijk in de eerste plaats Goshen; doch zij schijnen zich van daar over het land te hebben verspreid.

8. opn er kwam aan de regeering nn i1??;, een nieuwe koning, die andere regeerings-beginselen was toegedaan; niet onwaarschijnlijk is

ocr page 9

niDtr

wh DpV' riN nonxQ a»N2n ^3 hioBgt; nbNt n

r I —.\- jquot; t;at: * v.* t - •• t : • jquot; ; : •.•••:

*13^2quot; : min^ ^ T2iNquot;i : INS in^i a

t it !• v.* •• I ^ : * l-»quot; : it v •• j

-■ni» ♦xr trflrSa Tn : na ^na:i n :ra»:Di rbiar-'

_ i viv jquot; : 1^ v•)v t • : - iquot; t : jt v.' t : - : p jt i tt: • 1^*.. :

vnN-^ai nov noquot;!: onvan n^n ciDin irs: o^air ipv* i

t v t : iquot; tlt;t- • it ; • : rr t kquot; : vat *-•• : • k^-:i-

n'KQaiDiT^s-i^ na ^nTbquot; : xinn inn »

-• : • v. : i— s t •• t :•-»•• : i - j ^ ;

ö : onx r-iNn K^ani ixo

't | v^t t Jquot; T • ' a ;

quot;IQN'I : «IDI'TIK IH'K Dn^O'S^ I^in-n^O Dp'1n

v v.- ||quot; v «.-T 1 JV -: at: • v.tt |viv it^t-q

no^nn: nnn : isaa div^i an 7KTi^ »:3 ny nin lay-^N1

at : :r t^t iv i. r; •• t : • -••• : •• •

Nin-oa sjDi:quot;! nanVp n^prra n;ni nin^js ïb D*DD nir vby Wm : pKn-p r6gt;n uran^i wwtr ^

* * j-t t t lt;• t- i vit t i • jt^t: (.t ~ i * : •• : -•

quot;nNibris-nN nyiö^ ni:3pa nj; Dn^3p2 iri3)r^Qgt; ^sp iï^ pö^Di niT |3 inx 13^ HE'NDI : ddq^.2'

Josephus' meening, dat het een vorst uit eene nieuwe dynastie was. — ït nS, die van Josephs verdiensten niets meer weten wilde. Daarmede houdt dan de welwillendheid tegen de Israëlieten, die immers vreemden zijn, op.

9. 1300 DISyi 31. niet; is talrijker en sterker dan wij; dit toch ware al te sterk overdreven.

10. Hij vreest, dat het talrijke volk bij een eventueelen oorlog, met Egypte's vijanden gemeene zaak zal maken en uit Egypte naar Palaestina zal optrekken (nSr), Hij kent dus Israel's vaderland nog; hij wil ze echter niet uit het land laten wegtrekken, daar zij eene nuttige bevolking vormden.— rusipn is waarschijnlijk eene abnormale 3de pers. vr. enk. met achtervoeging van den uitgang ru, om het van den 2den pers. manu. enk. te onderscheiden; evenzoo Recht. 5,26 runWi... rrr, hare hand strekt zich uit.

11- OW' eig. huigen, iemands kracht breken ; niWD» iijj, waar de graanvoorraden voor den handel of als proviand voor den oorlog werden opgeslagen.

12. ispil, zij hadden een afkeer van de kinderen Israëls; anderen: alles walgde hen wegens de kinderen Israëls. De buitengewone vermeerdering van Israël jaagde hun schrik aan en deed tegelijk het denkbeeld aan iets bovennatuurlijks bij hen opkomen, dat hun eene rilling op het lijf joeg, hun afkeer inboezemde.

ocr page 10

EXODUS I, II.

13 Israels. Nu lieten de Egyptenaren de kinderen Israels

14 werken met strengheid. Zij verbitterden hun leven door harden arbeid, in leem, in tichelsteenen, en in allerlei arbeid op het veld; al hun werk, dat zij door hen lieten verrichten met

15 strengheid. ]Sru zeide de koning van Egypte tot de Hebreeuw-sche vroedvrouwen, waarvan de eene Shiphra en de andere

16 Poe'a genaamd was; — hij zeide namelijk : ,/Als gij de Hebreeuw-sche vrouwen in het baren helpt, dan zult gij op den barens-stoel letten ; als het een zoon is, zult gij hem dooden; maar

17 is het eene dochter, dan mag zij in het leven blijven.quot; Doch de vroedvrouwen vreesden God, en deden niet gelijk de koning van Egypte tot haar gesproken had, maar hielden de kinderen

18 in het leven. Nu liet de koning van Egypte de vroedvrouwen roepen, en zeide tot haar: ,/Waarom hebt gij deze zaak ge-

19 daan, en hebt de kinderen in het leven gehouden ?quot; De vroedvrouwen zeiden tot Phar'o : «Omdat de Hebreeuwsche vrouwen niet gelijk de Egyptische zijn ; want zij zijn levenskrachtig; eer de vroedvrouw tot haar komt, hebben zij reeds gebaard.quot;

20 God bewees den vroedvrouwen de weldaad, dat het volk ver-

21 meerderde, en zij zeer krachtig werden. Nu was het -. toen de vroedvrouwen God vreesden, en Hij hun huizen deed ont-

22 staan, — toen gebood Phar'o al zijn volk, zeggende: «Eiken zoon, die geboren mocht worden, zult gij in de rivier werpen; doch elke dochter in het leven houden.quot;

r 1 Nu ging een man uit het huis van Levie, en nam eene

2 dochter van Levie. De vrouw werd zwanger, en baarde eenen zoon ; toen zij hem zag, dat hij schoon was, verborg

3 zij hem drie maanden. Doch langer kon zij hem niet ver-

Vs. 13 en 14 berichten, dat, toen de eerste maatregelen niet hielpen, het door Israël te verrichten werk met allen moed brekende (-ps) strengheid en onmenschelijkheid werd opgelegd.

i4- quot;lona. in leem om er steenen van te maken; in steenen, om

in de bouwwerken te gebruiken; mco omar Saai, arbeid op het veld, die in Egypte door de kunstmatige bevloeiïng zeer moeilijk en bezwaarlijk was.— omaï Sa ns is een tweede voorwerp bij ïrwi, zij verbitterden hun nog bovendien al hun werk, dat zij hen met strengheid lieten verrichten. Anderen ; met, behalve al hun huiselijke verrichtingen. (Ibn 'Ezra, Rashbam).

15. Al deze maatregelen hadden niet het gewenschte succes. Israël's aantal nam toe; dus zeide de koning enz. Shiphra en Poe'a waren, zooals Ibn 'Ezra terecht opmerkt, waarschijnlijk de hoofden der Hebreenwsche vroedvrouwen, die de ontvangen bevélen aan hunne collega's zouden overbrengen.

ie- D^axn, dat Jer. 18,3 de draaiende potteubakkersschijf beteekent, schijnt hier te doelen op den moederschoot (Hirscii. Keil), anderen: de zetd, waarop de barende vrouw plaatsneemt. In ieder geval moesten zij de kinderen onmiddelijk bij de geboorte dooden, zoodat het door de ouders niet bemerkt werd. — rnm, van «n = rpn.

Vs. 21 is de voorzin van vs. 22; toen God hun. den Israëlieten, huizen

2

ocr page 11

3 K mm 3

-m rntt'i: T\Sft bNTiy» onvo n3jr*i : ^

-:it : - i quot;it : v,quot; t : ^ jquot; : v ^ • -r : • s* ^-.r- iquot; : * t»

na m^3 0^3^31 ibn3 ntbp m3y3 Dn«n

quot;lt; AVT - -: T : ..... ... • tit jt _-:|- v •• -

DnxD -iba SON'I : TpM Dn3 1-13^-1^« Drn3^_L73iD

. -: . |vjv v - ) vit : r j :^ it v -: t t

: n^iej n'j^n Disn hnxn quot;iitn h'^oynrn^D1?

^ it v* ••quot;-»quot; •• ti • - - it lt;•• V -: * ; it v.: quot; : iquot;

km |3quot;dn D^NHquot;^ |mni nih3i?nTix |3i^3 IDN'I ra D^Kn-nNni^Dn rKi^m: n^ni xm ra-DKi ihx rnani ^

v;it v : quot; ; iquot; tI lt;v • - titt v,' . I-quot;.* * ~:r

*:Dnyn-nN r^nm onvo -ibo p^K 131 quot;IKgt;K3 itbp

i't : - v tHv - : - • at ; • fv^v Kv •• -: ^ ■)••• -:i- •gt; :

nrnn p1? iqn'i nivpb onxp^Q n^quot;'! ^

n2? *3 ninr^N Kn^on po^ni: onVn-nN pnm nrn ^

s j* ^ - v^ : - ; 1- tI ;lt;- ~ rt : quot; v tI vquot; quot; : quot; av -

rn^N Ni3n Dquot;iè3 nan mgt;n_,3 rin3yn nnxsn 0^23

|.)v quot; quot;ï st vv : t •• j t r a • ; ^* it v, * : • - •»* t -

IOÏV^ D^n 3Ti rn^Q3? DP1?» 3Ü^,I : nbn m^on4

v, ; ^-r~ -itt vs— a : - : i- v: v jquot;quot; ITT: . quot;•V-*quot; ^ •quot;

: dtis on1? DPbKnTiK nn^an ♦nn : nxD «

r t {'.'t ^ n-j— a. ...|t ... v,: quot; ï •quot; j :|t • * : quot; I :

TD^n mx^n ni^n nn-bs naxb n^ia in ==

t ; - • - 1 j.. - t a •• v t : : ~ j* ; ~

a : p»nn n3n_,?3i

n-ibm mston mm : ^i?-n3-nK np»i nb n^o tr'N n^i«

i aquot; vjquot;- v.t * it - j' - i'quot; - v iv.--- a-quot; -••• * ^ v* i'-'jquot;' 2

: D'ny namp;bamp; inassni Kin 31L:-,3 inK Nini ^

r t: jt

1

deed ontstaan, en Phar'o dus zag, dat zijne bevelen niet de gewenschte uitwerking hadden, ging hij tot openlijk geweld over.

Hoofdstuk II. 1. In dien tijd, toen het in vers 16 vermelde bevel werd uitgevaardigd, quot;jV11, een 111811 1111 het huis van Levie er toe over (vel. Gen. 35,22; Deut. 31,1) eene dochter van Levie tot vrouw te nemen, mj weten, dat Aharon en Mirjam drie, respectievelijk zes jaren ouder waren, dan Mozes. Hunne geboorte wordt hier niet vermeld, daar het alleen te doen is, om de geschiedenis van Mozes in te leiden. Hoeveel tijd tusschen het eerste en het tweede bevel (vs. 22) verliep, wordt nergens opgegeven. Het kunnen dus ook 7 jaar zijn geweest (vgl. Nacum.). Rashie meent echter, dat hier niet van 'Amrams huwelijk sprake is, maar ons hier wordt medegedeeld, dat hij na het bevel 1,22, opnieuw zijne vrouw bijwoonde en zij moeder werd. — nS ra nx, Jochébed, de dochter van Levie, dus; de zuster zijns vaders; Ex. 6,20.

2

NIH 31Ü ^a' fcj schoon was. Zeker zou zij haar kind ook tegen

3

gevonden. Zijne bijzondere schoonheid gold haar echter als bewijs van

4

Phar'os moordplannen hebben verdedigd, al ware het minder schoon ge

ocr page 12

EXODUS II.

borgen houden; nu nam zij voor hem een kistje van biezen, bestreek het met leem en pek, legde het kind er in, en zette het in

4 het riet aan den oever der rivier. Zijne zuster plaatste zich van

5 verre, om te weten wat met hem gebeuren zoude. Toen daalde de dochter van Phar'o af naar de rivier, om zich te baden, en hare maagden gingen langs den oever der rivier; zij zag het kistje in het midden van het riet, zond hare slavin en liet het

6 nemen. Zij opende het, en zag het, het kind — en zie, een weenend knaapje; toen ontfermde zij zich er over en zeide:

7 „Van de kinderen der Hebreërs is deze.quot; Nu zeide zijne zuster tot Phar'os dochter: „Zal ik heen gaan, en u eene zogende vrouw van de Hebreeuwsche vrouwen roepen, opdat zij het

8 kind voor u zoge?quot; Phar'os dochter zeide tot haar: „Ga!quot;

9 Het meisje ging, en riep de moeder van het kind. Toen zeide Phar'os dochter tot haar: „Neem dit kind mede en zoog het voor mij, en ik zal uw loon daarvoor gevenquot; ; de vrouw nam

10 het kind en zoogde het. Toen het kind groot geworden was, bracht zij het tot Phar'os dochter, en was hij haar tot zoon. Zij noemde zijnen naam: Mozes, en zeide: „Want uit het

11 water heb ik hem getrokken.quot; En het geschiedde in dien tijd, toen Mozes volwassen was, dat hij tot zijne broeders uitging en naar hunnen dwangarbeid zag; nu zag hij, hoe een Egyptische man een Hebreeuwschen man sloeg, van zijne broeders.

12 Hij wendde zich her- en derwaarts; en toen hij zag, dat er niemand was, versloeg hij den Egyptenaar en verborg hem in

13 het zand. Den volgenden dag ging hij weder uit, en zie! twee Hebreeuwsche mannen twistten met elkander; toen zeide hij tot dengene, die onrecht had: „Waarom slaat gij uwen

14 naaste ?quot; Deze zeide: „Wie heeft u tot overste en rechter over ons gemaakt ? denkt gij mij te dooden, gelijk gij den Egyptenaar gedood hebt?quot; Mozes werd bevreesd en zeide: „Waar-

15 lijk! de zaak is bekend geworden!quot; Ook Phar'o vernam

3- NDX de papyrusplant, welks lange stengels tot het vlechten van kistjes en kleine booten werden gebruikt. — -mna, eene soort asphalt, vgl. Gen. 11.3. Zij plaatst het in het oeverriet, waar het door den stroom niet meegesleept wordt, en van den oe^er uit niet gezien kon worden (vs. 5 bemerken de maagden der koningsdochter het kistje niet); op eene plaats, waar de vrouwen van het koningshuis gewoonlijk baden en die dus geen gevaar oplevert.

5. -wn Sj? ;:*Tingt; zij daalde af uit haar paleis naar (Sr = Ss) de lager gelegen rivier, ymh om te baden. — nrffls m, hare slavin, die haar bij het baden begeleidde om haar behulpzaam te zijn, terwijl de miDJ, de meisjes uit hoogeren stand, hare gezelschapsjuffers en hofdames, aan den oever blijven.

6. Uit het feit, dat het kind te vondeling gelegd is, maakt zij op, dat het een kind van Hebreeuwsche ouders moet zijn.

3

ocr page 13

3 moir y

nani lüna rnonm moIi nan iS-npni quot;irsïn niv

vat - v.t •• i~ jt : : ~ ~ v - -»•• i - • - • : -

3^nm : iK^n n£3tr-^ eiioa Dtrm ibvrnx na DETII •gt;

j- - r* - i : - j~ : I quot; *-• Jr - v v - ^ v t v lt;r ~

rm1? h^-i2-n3 mm : i1? n^»-no pma inhx ^

i j ;. ^ i *tiquot; - t quot;: l a tlquot; v.

hann-fiK «ini i^n nbVn n^nh^ji

t •• - v ~ a : - ■»- v ï 1 t jv ^-;i-: : -

inNini nnsm : nnpm nnaKTiK nbtrni «iiDn -iins i

-•••;•- - : • - t ivIt • - ^t t v j~ : • ~ | - ) j •

Dna^nn^ö^DKrn v1?^ VDnni roa i^rnani -i^n-nK

V,* : ^*^it jquot;: - • v - t*t j : — av ^ •• • ; v v -

-i1? ^nxipi ^Kn n^ns'na^N Inns4 laxni : nr ■

jt • |t «tIt; lquot; •• i- ; ~ - •-• -; v j - iv

-na nS-iONm : ,ni? prm hna^n ro npron

jt v i - vit- v kt i r •• : a^ * : it k* Ivv ••

noNni : -6»n dktin xnpm no^n njria ^

5 quot; vit quot;quot; jquot; v vt): * - t ;^-it^ |v • a- *. : quot;

rnK ♦jki ,l5 nprm ntn n^n-nK nina-na

Ij.. v -:i- • |j*' iquot; ; v- v«v - v .... ^ - jt

inKann^n Vin : mp^m nVn n^n npm mDtr-nK1

- .... - j-..- i,.. . . _ v^v - .)t 'it is-* - i a-t :

-|p *3 quot;loxni hp Nnpm_ |ngt; n^na-na^

Kin nro Dnn i * : mpn wm * nnr^^ naa nva DribaDa nti VHN-^K

*...: * i* jv - * ; • j- at ^ • : :v.quot; r v

♦-nvarrnKT1^ NTI riiina ?fl»i : vnNO31

. : . - | - A' I Jquot; -gt;• :v,— ^ t I •••lt;•- it vi-

onn^ mm DI*3 Nïn : Sina

'htv 'ü iqn^ : n^n nan na1? ^

• ; ( : it -»• v ^ - pnv •• iv^ - t^t t tit ^ v - a* *

-nN nam imz IDK nnx^jmnbn aatri

^ v t : v,-t r-* -;r •• jt - •quot; : t : - ^ quot;^t •• ; lt;-

n^-ia : lain px -laN'i n^o *n;n nvpn ^

10- Snj,1gt; toen het kind groot was en gespeend kon worden (vgl. Gen. 21,8). — p1? nS tpi, liij werd als Egyptisch koningskind opgevoed en dus in al de wijsheid der Egyptenaren onderwezen, als voorbereiding voor de groote taak van het verlossingswerk, die hem wachtte. — nt'S, de naam Mozes, waarschijnlijk oorspronkelijk Egyptisch, wordt in verband gebracht met het Hebr. no»; volgens nieuwere schrijvers beteekent de naam ook in het Egyptisch; de uit het water geredde. De Hebr. naam geeft tegelijk eene toekomstvoorspelling: de geredde is tevens de redder.

11. StHj evenals Gen. 21,20, toen hij volwassen geworden was. — ms», zijn gevoel van broederschap met zijne stamgenooten was het, dat hem tot deze daad dreef.

ocr page 14

EXODUS II. III.

deze gebeurtenis en wilde Mozes laten dooden; toen vluchtte Mozes voor Phar'o en zette zich in het land Midjan neder. — Hij

16 zat namelijk bij de bron. De priester van Midjan nu had zeven dochters; deze kwamen, schepten water, en vulden de waier-

17 goten, om het kleinvee haars vaders te drenken. Maar de herders kwamen en verdreven ze ; toen stond Mozes op, hielp

18 haar, en drenkte haar kleinvee. Toen zij nu tot Re'oeël, haren vader, kwamen, zeide deze: «Waarom zijt gij heden zoo spoe-

19 dig terug gekomen ?quot; Zij antwoordden : „Een Egyptisch man heeft ons uit de hand der herders verlost; ook heeft hij voor

20 ons water geschept en het kleinvee gedrenkt.quot; Toen zeide hij tot zijne dochters : „En waar is hij ? waarom hebt gij den man

21 daar achtergelaten ? roept hem, dat hij spijs geniete !quot; Mozes bewilligde bij den man te blijven, en deze gaf Tsippora, zijne

22 dochter, aan Mozes. Zij baarde eenen zoon, en hij noemde zijnen naam Gershom; want hij zeide; „Ik ben een vreemdeling in een mij onbekend land.quot;

23 In deze vele dagen geschiedde het, dat de koning van Egypte stierf; de kinderen Israels zuchtten onder den dwangarbeid, en schreiden ; en hunne weeklacht wegens den dwangarbeid steeg

24 op tot God. God hoorde hun schreien, en God dacht aan Zijn

25 verbond met Abraham, Izak en Jakob. God zag [den toestand van] de kinderen Israels, en God erkende dien.

1 Mozes had intusschen het kleinvee van Jithro, zijnen schoon-

15. JTinS Voor de voltrekking van een gerechtelijk doodvonnis aan

menschen wordt in den regel niet Jin, maar rnttn gebezigd. Phar'o trachtte dus Mozes door sluipmoord te laten dooden. Zijne positie schijnt dus van dien aard geweest te zijn, dat een eenvoudig uit den weg ruimen gevaar, ook voor den koning, zou opleveren. Toch vlucht Mozes en vertrouwt niet op bovennatuurlijke redding. Gebrek aan Godsvertrouwen spreekt uit die vlucht niet. — pa psa icni, hij ïwierf langen tijd in verschillende landen rond. Bij zijne vlucht was hij volgens de traditie 40 jaar oud en bij zijn optreden voor Phar'o 80; toen was hem zijn tweede zoon pas geboren. 2wvi beleekent dus: en vestigde zich eindelijk in het land Midjan-, de nadere omstandigheden, die tot die blijvende vestiging aanleiding gaven, worden in het volgende verhaald. — isn Sr adi. Toen hij namelijk voor het eerst in Midjan kwam, zette hij zich neder bij de bekende bron, waaruit nl. het vee uit de naburige stad gedrenkt werd.

17. Qicnjn. Daar er niet veel water was, wilden de herders eerst hun vee gedrenkt hebben.

18 SiOjn is de naam van den vader, die ook w genoemd wordt. V. a. is hij de vader van Jithro, welke laatste dan ook Cnobab genoemd zou worden (Num. 10,29.) Dan zou men hier onder 2X den grootvader te verstaan hebben. Het is echter zeer wel mogelijk, dat deze Chobab Jithro's zoon en dus Mozes' schoonbroeder was.

21. De dochters roepen nu Mozes in het huis huns vaders en, na kennis-

4

ocr page 15

y 3 r\)m i

♦330 ViEto n^i ntröTK i'inb nh i3in-nx

j.. . . .. lt;- ; • - rtv v j -:i- :i- v- -r t ~

yaty |np irüVi: iK3n-^ |nöquot;p«3 n'^nö 'D mv nip^n1? D^mrrnN nj^om n^nm natóni niJ3

i j k ; - : • t :-*t v t v - : - tv;*- t j t - at

p^i rjn^l'i nBto Dp'i m^iri o^nn : p^K11

I: ; v I t -»- v It«t- a ;it: - r it jt- Iiv • -:

rmna ion'i ?n'3K niNani : ^

} v.v ; - r ■) - v - Iav • -: v,quot;. : t t quot; it

ri^TDJi to ij^ïh nvo^N pÓKni :Di#n N3Q,

^ lt; t - : ft' it j- * ^t • : • -•• ti : - ~ i v,

m na1? I»KI rnia-bN noN4i : ?Nïn-nK pir'i i:1? nbi3

tlt;t a - ; v.t ; v j' i i - v i: t t t

nair1? nu'D : onb ib ?Nip ir^n-nK rnaTy«

t v j - vit - : v, ijv :!• * t v ijv :

Nip'i ?3 ibm : ntra1? ins niörnN rn»1) E^rrnKM

jti : •quot; iquot; v jquot; - iv ; ^ • jt • v iv**- a* t

ö : nnaj pN3 'n^n na IDN »3 Dtyna iDsy-nx

,t-:t i •-v.-: 1 • v - r ^ :9 ■••

■♦33 iniK»') onxD na^i onn czrain 'nn »

iquot; : s ;itquot;- • *: • |v-»v tt- •• t • -it • t- * ;-

■?Q D'n^Nn-^ onjmr Vym ipv^i ni3^rrrQ

i • ^ v.' v;it v ot t: - s— i 'at:*- ^t -:it i • ■)•• t: *

-nx b^nVK n3n DnpwnN : ni3jm3

lt;:*- «stIt -:i- v ^* *.*: ^ j' : *- it ^jit

D'n1?^ Kquot;i'i : ipvn^ pnvmK anquot;i3N-nK inn3^

{,• v; :;— h^rr v ; i jt : * . v v.t t : - v • ;

-nt* n^'i n»n n^Qi d * : s

•)v .«t t v i* v: -^*— aquot; t : • ■••• :

making, noodigt deze hem uit zich bij hem te vestigen, waarin Mozes toestemt.

22. QBnj, van cnj, verdrijven, beteekent: verdrijving, verhanniruj; gelijk gewoonlijk wordt de naam verklaard als samenstelling uit gelijkluidende woorden: Otf U; „ik ben vreemdeling geweest (eigenlijk ben ik het nog)

in een mij nog altijd vreemd land.quot; Tegenover zijne omgeving, Jithro en diens familie, spreekt hij in den verleden tijd, om hen niet te kwetsen. — Septuaginta heeft hier ook de geboorte van Eli'ezer bijgevoegd, die eerst Ex. 18,4 verhaald wordt. Vermoedelijk is deze eerst later, kort vóór Mozes' vertrek naar Egypte, geboren en behoort dus de mededeeling zijner geboorte hier niet thuis.

23. De verandering in de regeering, waarvan de Israëlieten misschien vermindering van druk hadden verwacht, bracht de gewen schte verademing niet.

25. Alle zijden van menschelijke waarneming worden hier aangeduid; iwi, wi, K-m, jrpi. God hoorde hun schreien en dacht aan liet verleden; Hij zag het heden en erkende, wat daarom voor de toekomst noodig was; Hij toonde Zijne zorg voor Israëls welzijn. ïT beteekent hier; inzien, wat noodig is, en dat volbrengen; Hij toonde, den toestand en zijne gevolgen te begrijpen, door Israël liefdevol te behandelen.

ocr page 16

EXODUS III.

vader, den priester van Midjan, geweid ; hij voerde het kleinvee achteraan in de woestijn, en kwam tot aan den berg Gods,

2 naar Choreb. Hier verscheen hem een Engel des Eeuwigen, in eene vuurvlam, uit het midden van het doornboseh; hij zag, en zie: het doornbosch brandde in het vuur, en toch werd het

3 doornbosch niet verteerd. Toen zeide Mozes: «Ik wil [van mijn weg] afwijken en deze grootsche verschijning zien, waarom

4 het doornbosch niet verbrandt.quot; Toen nu de Eeuwige zag, dat hij afweek [en er heenging] om te zien, riep hem God uit het midden van het doornbosch toe, en zeide: //Mozes! Mozes!quot;

5 Deze zeide; «Hier ben ik !quot; En Hij zeide; «Kom niet nader hierheen ; trek uwe schoenen van uwe voeten; want de plaats,

6 waarop gij staat, is heilige grond.quot; Nu zeide Hij : „Ik ben de God uws vaders, de God van Abraham, de God van Izak en de God van Jakob.quot; Doch Mozes verborg zijn aangezicht;

7 want hij vreesde naar God te zien. En de Eeuwige zeide: z/Ik heb de ellende Mijns volks, dat in Egypte is, gezien, en zijn geschrei wegens zijne onderdrukkers heb Ik gehoord; want

8 Ik ken zijne smarten. Ik ben daarom nedergedaald, om het uit de macht der Egyptenaren te redden, en het te doen optrekken, uit dit land, naar een goed en ruim land, naar een land, vloeiende van melk en honig, naar de woonplaats van den Kena'aniet, den Chittiet, den Emoriet, den Perizziet, den

9 Chiwwiet en den Jeboesiet. En nu, zie, het geschrei der kinderen Israels is tot Mij gekomen; en Ik heb ook de verdrukking gezien, waarmede de Egyptenaren hen verdrukken.

10 Welnu ga dan, dat Ik u tot Phar'o zende, en voer Mijn

11 volk, de kinderen Israels, uit Egypte.quot; — Mozes zeide tot God; //Wie ben ik, dat ik tot Phar'o gaan, en dat ik de

12 kinderen Israels uit Egypte voeren zoude ?quot; En Hij zeide: «Want Ik zal met u zijn; en dit zij u het teeken, dat

Hoofdstuk III. 1. naion TIN. achter de woestijn, d. w. z. de woestijn door, naar eene goede weideplaats; Jithro's woonplaats en Choreb zijn dus door eene woestijn van elkander gescheiden. — ms achter, — ver in ia-ren, niet juist eene zandwoestijn, maar meer; eene steppe. — oviSsn in, den lateren Godsberq, die tot op dit oogenblik nog geene bijzondere beteekenis had; Mozes toch wist niet eens, dat hij zich op eene gewijde plaats bevond (vs. 5). Met het oog op de latere gebeurtenissen wordt die berg reeds hier de //berg Godsquot; genoemd (Ibn 'Ezra), nam. Choreh is waarschijnlijk de naam van het gebergte, waarvan de Sienai een top was.

5. -pSju Sr, ook de priesters moesten in den tempel barrevoets gaan. sin cnp nms, van nu af, door de daar plaats vindende Goddelijke verschijning, en in de toekomst door de wetgeving.

6- -pSK. = uwer voorvaderen; v. a. God, dien uw vader u heeft doen kennen.

8- naip. in het algemeen ter bewoning geschikt, rami, ruim genoeg om door Israël bewoond te worden, en hun ruimte latend tot groote uitbreiding.

5

ocr page 17

a niöP n

N3'njnamnK?Nïn-nK anri po rrü urin w fKï

gt; t- t : * - - i - ^ •-* lt;quot;p:'quot;p'at: • *•*quot; : i J : • \ •)

trK-naba vVn nin» «quot;n : nnin in-^H3

v,quot; - - : .)t •• JT : | - ^ tquot;- t i- v.*. v; it J-

njDn nsni nti mon -iino

it ••. JV •• vquot;: quot; : •■ t v : - *•• • ; av ; - i j •

^onn Vnan nxnan-nN nirM NrniDK n^D VSN Nipquot;*! niKi1? ID ^ nin* KTI : n:Dn 1

t .. ti:*- At' jt j* VT : ijquot; iv : - *3quot; ; • 1

iok'I : ♦Mn quot;iqn^ n^D n^o ion»quot;! nipn Tjina D'ri^Kn nriKquot;)^ Dipan ^ ^ri tyü o^n nnpri-bK

♦rftKTSK IDN'I .'«in ^Tp-naiK noiy1

squot;_ v: I * t v: • it v - 1 vlv, - :- t^t ■*••

ny '3 vis ni^D nnD^ ipr pnr »r6K Qmn

quot;t j* tt v lt;•• : -- \f\ ~-.\~ j- iquot; I v,t : • jquot; v: -jt t : quot;

♦ajr '^-nx quot;n^n rün nin» noxn : D'ri^n-^K trana'

V. quot; v ■)' t t ^t : v j - r •.•:it v - iquot;

♦njrr »3 virai ♦asa ^a^ nnpyrnxi onvaa

. ^_t j. t : 1 jquot; : • ■ ; - t lt;tit -;i~ v : *at : * : ■quot;•' quot;•

-ra inb^n^ onxa Ta 1 -ritfi : va^Da-nxquot;

i • |- ; * - : • -»- • j • ~ ; ••••it it : quot;

pN-^N niimi raiü ptr1?» «inn pxn

at l vt t j-t i ••••)•.* v ^ tt ; t | v«v^ •• * ~ 1 v-'t t

: nnm nisni naxni 'nnni ^^:3n Dipa-bx

i* ; - : v,* • i- : • • : - : • v; it : • • j- : • : .

p^n-nN 'n^TDai nxa np nsn nnjn»

i — - v • • t -: lt;nt •• t -,t t : • iquot; : ■»•• • t -:

iddn d^'h^ onxa

a : - v v p quot;:quot;t : •• : t : -«t^- : it r -: i • ^quot; ; * jv ~

■Vk ntra naN'i : onxaa ♦a^-riN NVim^

lt;- • it : • • {quot; ti' i^* : ^ j' v # )•• ;

w npa-^K rhx ^ 'a D^xn

r. : ... .,. j. . *7. :- v K-^ • t ■•• • v:-«t

'3 m'Kn nb-nn lép nnrv laN'i : onxaa ^

r t -»| : v: ) t Jv : iv v - • it ; • • vquot; t : *

•cam ;Sn pat, spreekwoordelijk geworden aanwijzing van de vruchtbaarheid van Palaestina; geschikt voor het fokken van talrijke kudden en bloemrijk. Behoorlijk bewerkt en op tijd met regen bedacht, is de bodem van Palaestina nog heden ten dage buitengewoon vruchtbaar.

10. Eene tweeledige taak wordt hieraan Mozesopgedragen: 1°.to/ i'har'o te gaan en hem het Goddelijk bevel van Israëls vrijlating mede te deelen; 2°. onder medewerking van het volk, Israël ten slotte uit Egypte te voeren. In de verzen 16—19 wordt deze taak nader uiteengezet; terwijl Mozes in ons vers zijne bezwaren tegen den hem opgedragen last in het midden brengt en daardoor de uiteenzetting afbreekt. (Vgl. Dn. Dünner in Giuetz's Monatschrift, 1870, pag. 149 vv.)

12. Vrees niet voor Phar'o, want Ik zal met u zijn; en uwe taak tegenover Israël zult gij volbrengen; als teeken daarvoor diene u de toezegging; ■pwna enz.

ocr page 18

EXODUS III.

Ik u gezonden heb: als gij het volk uit Egypte zult gevoerd

13 hebben, zult gij God dienen op dezen berg.quot; Mozes zeide tot God: //Als ik nu tot de kinderen Israels kom, en tot hen zeg: de God uwer vaderen heeft mij tot u gezonden; en zij zeggen tot mij:

14 hoe is Zijn naam? wat zal ik hun dan zeggen?quot; God zeide tot Mozes : nik ben, die Ik ben !quot; En Hij zeide: //Zoo zult gij tot de kinderen Israels zeggen; Ik ben eemvig heeft mij tot u gezonden.quot;

15 Nog zeide God tot. Mozes: «Zoo zult gij tot de kinderen Israels zeggen: „ „de. Eeuwige, de God uwer vaderen, de God van Abraham, de God van Izak en de God van Jakob, heeft mij tot u gezonden; dit is Mijn naam tot in eeuwigheid, en dit is

16 Mijn gedenkwoord voor alle geslachten.quot;quot; —Ga heen en verzamel de oudsten van Israël, en zeg tot hen: //«De Eeuwige, de God uwer vaderen, is mij verschenen, de God van Abraham, Izak en Jakob, zeggende: Ik heb u bedacht, en wat u in Egypte

17 geschiedt. Daarom heb ik gezegd : Ik zal u opvoeren uit de Egyptische ellende, naar het land van den Kena'aniet, den Chittiet, den Emoriet, den Perizziet, den Chivvwiet en den

18 Jeboesiet, naar een land, vloeiende van melk en honig.quot;quot; Zij zullen naar uwe stem luisteren; dan zult gij gaan, gij en de oudsten van Israël, naar den koning van Egypte, en tot hem zeggen : // //de Eeuwige, de God der Hebreën, is ons tegemoet getreden; en nu laat ons toch eenen weg van drie dagen de woestijn ingaan, opdat wij den Eeuwige, onzen God, offeren.quot;quot;

19 Doch Ik weet, dat de koning van Egypte u niet zal toelaten

20 te gaan, zelfs niet door eene sterke hand; Doch Ik zal Mijne hand uitstrekken, en Egypte slaan door al Mijne wonderen, die Ik in zijn midden doen zal; daarna zal hij u laten heen-

21 gaan. En Ik zal dit volk gunst verschaffen in de oogen der

13. Doch hoe kan ik het volk ooit tot medewerking bewegen? Zij kennen U immers niet!

14. Het antwoord op Mozes' bedenking: zeg hun slechts, dat Mijn Naam is: mns iük nvw. Ik hen, die Ik hen-, de eeuwige, onveranderlijke Macht, die hun voorvaderen heeft bijgestaan, is het, die hun thans redding voorspelt. Daardoor wordt Mozes voorloopig gerustgesteld en hoort nu de nadere uiteenzetting zijner taak rustig aan.

15. latJf, Mijn naam, die Mijn wezen uitdrukt; iquot;t3t, de aanroep, waaronder Ik door de menschen vereerd word.

is. nupr. de vertegenwoordigers der famiiiën, hoofden der geslachten en stammen.

18. De oudsten des volks zullen dadelijk naar u luisteren en u tot Phar'o begeleiden. Deze echter zal uw verzoek eerst na tal van wederwaardigheden inwilligen. Een langdurige strijd wacht u en het volk; laat hen dus den moed niet verliezen, want het einde is: de overwinning met waardeering van de zijde der Egyptenaren (vs. 21). wbi' mp:, is om tegemoet getreden, plotseling, onverwacht, na eeuwenlang zich voor ons te hebben verborgen; daarom moeten wij Hem door offers zien te bevredigen. de verschijning van Mozes geldt het geheele volk; zij gelooven hem

6

ocr page 19

j mDir i

TIK pnnjrn cnvsp b^rrnK ^ynhf OJK

-3JK mn D^^n-bs4 ni^n id^i : ntn inn ^ D^ri^n ^

j- it •• • * v: it v v lt; v quot; . 1'*quot; JT T v~ * vr-'t

♦jn^ DD*ni3« 'ribK on1? ♦moKi quot;SNTS^

•j-t : v.quot; quot; • quot;j -'•• ••*; v t -•• ; - it : •• t : • -»•• : v t

b'ribK IQK'I : Dnbx naK no lotrna ^■'naNi

..; .. «- ,.... jt - - j. : it ; ^ /»••• •• -:

n'3 inn*) n^nx n^n« n^o-^N ria n^a-^N Q^K -lii? laxn :

j v v • ••: ■ v - iv •• -: j~ t : : iv

Dnn2« •'riSx ddtdk ♦rii?K nin^ naxn

nn riïvh 'OirnT DS^K 2pT pnr ♦nbN

jv; t s -•• : v av •• -; •jquot; t : 1 ^ -:\~ jquot; iquot; i 4t : • Jquot; v;

bn^N mDNi ^prnK nsjONi -]S *: n iib nsT«

v •• -; lt;t : - it : •• t: • ■'••I:- v t : - it : I-••• i j- *•',/'*

nprn pnï^ Dmax ,1?k DD^nbK ♦nbN nin11

11 -iquot;: ' jt ; it t : - squot; v: - •• -•r : • '•■ v: r :

iqki : onxoa ds1? dddn ^mps ipa quot;iok? ^

it • it : • : v.*-* t j t iv v ; v ; v • *T ^

naxni ♦nnni pN-^K bngt;*p DDnxn^N tyüw : rani n^n mr p.x^x nnni nnani^

nrnaxi onvp ^pn nnss nxni ^Vp1?

-]-in sjrns^nn^i a'nn^n nin;

♦nvT 'JKI : irribx mn*1? nnaui linaa b^o» nirbir ^

• ^: -t j- -:i- iquot; v: jr r v.quot;*quot; ; : * : t : * - * t v * :p

Tinb^i: nprn quot;i»3 ribn^ onvo quot;nbo osnx ïrrtf1? '33

lt;• : - it ; Iitt-: jt ; _ v. : |lt;s^-:i- \ I'■' ■gt;'•' •)'•' '• '•' t Jquot;' ^ •

lanpa quot;it^N TK^S: Sb3 DnïpTiK

quot;yyz ntn-D^n rn-nx ♦nnii : D3nx p-nnKi«

j.. »r. : - tit i jquot; v .)* -it : iv : v j~ - : kquot; quot;quot;ji .

immers. — Eerst zoa van Pliar'o slechts iets zoo weinig beteekenends verlangd worden als eene reis van drie dagen, — waartoe hij zeker niet gerechtigd was het verlof te weigeren, — opdat uit de afwijzing daarvan zou blijken, hoe hardnekkig hij was. Zou hij hierin hebben toegestemd, dan zoiide later de verdere eisch van algeheele vrijlating ook uitdrukkelijk gesteld zijn. Mozes en de oudsten bedriegen dns Phar'o in geenen deele, zij stellen hem slechts op de proef. (Vgl. Ex. 6,10, waar de eisch van vrijlating des volks inderdaad uitdrukkelijk gesteld wordt. Vgl. ook 8,21 en 23, waar wordt gezegd, dat zij zullen offeren gelijk Hij, God, ons zeggen zal, wat, na al hetgeen is voorafgegaan, elke verwachting van terugkeer des volks afsnijdt.)

19. Phar'o zal Israël niet willen laten heengaan, ook niet als hij de sterke hands Gods voelt; doch vs. 20, zoo groot zullen de hem toe te brengen slagen worden, dat hij ten slotte wel zal moeten toegeven.

ocr page 20

EXODUS III, IV.

Egyptenaren; zoo zal het zijn: als gij dan heen zult gaan, zult 22 gij niet ledig gaan. Want iedere vrouw zal vragen van hare buurvrouw en van de inwoonster haars huizes, zilveren voorwerpen, gouden voorwerpen en kleederen; die zult gij op uwe zonen en uwe dochteren leggen, en zoo Egypte ledigen.quot;

1 Mozes antwoordde en zeide: //Maar zij zullen mij niet ge-looven, en niet luisteren naar mijne stem; want zij zullen zeg-

2 gen : de Eeuwige is u niet verschenen.quot; Toen zeide de Eeuwige tot hem; «Wat hebt gij daar in uwe hand?quot; hij zeide; „Een

3staf.quot; En Hij zeide; «Werp hem ter aarde!quot; hij wierp hem ter aarde, en hij werd tot eene slang, zoodat Mozes ervoor

4 vluchtte. Hierop zeide de Eeuwige tot Mozes: „Strek uwe hand uit en grijp haar bij den staart!quot; hij strekte zijne hand uit en greep haar; toen werd zij tot een staf in zijne hand.

5,/Opdat zij gelooven [sprak God], dat de Eeuwige, de God hunner vaderen, u verschenen is, de God van Abraham, de

6 God van Izak en de God van Jakob.quot; Voorts zeide hem de Eeuwige: „Steek uwe hand in uwen boezem!quot; hij stak zijne hand in zijnen boezem; en toen hij haar er weder uittrok, zie,

7 toen was zijne hand melaatsch, als sneeuw. En Hij zeide; „Steek uwe hand nogmaals in uwen boezem!quot; hij stak zijne hand wederom in zijnen boezem; en toen hij haar uit zijnen

8 boezem trok, was zij weder geworden als zijn vleesch. „Het zal nu zijn ; zoo zij u niet gelooven, en naar de stem van het eerste teeken niet luisteren, zullen zij de stem van het laatste

9 teeken gelooven ! Doch het zal zijn : wanneer zij ook de beide teekenen niet gelooven, en naar uwe stem niet luisteren, — dan zult gij nemen van het water der rivier, en het uitstorten op het drooge ; dan zal het water, hetwelk gij uit de rivier zult

10 genomen hebben, tot bloed worden op het drooge.quot; Mozes zeide

22. nbjCCI' vragen, niet; ter leen, maar in mjendom. God zal hen gunst doen vinden, zoodat het verzoek om kostbare zaken ten geschenke te ontvangen, zal worden ingewilligd. (Hiksch wijst erop, dat leenen uitgedrukt wordt door; dï» Snc; vragen, vorderen, daarentegen door; —» Ssc of Ssc ns».) — hier niet; huisraad, maar; kostbaarheden, sieraden. Sr Dnnüi, gi) zult ermede bekleeden, (Lev. 8.8; Gen. 41,42). — □.-iSïji, gij zult Egypte ledigen, zult maken, dat zij zich van hunne kostbaarheden ontdoen; anderen, evenals II Kron. 20,25; gij zult het als buit medevoeren.

Hoofdsiük IV. 1. Nog twijfelt Mozes aan de bereidwilligheid des volks om zijn woord te volgen. Wel was 3,18 reeds gezegd; -pipS ijjdbi, doch dit kan enkel op de □■opi slaan, óf slechts doelen op de eerste opwelling bij Mozes' optreden, zonder dat nochtans de bedoeling ernstig wordt opgevat, om tot het uiterste vol te houden. Als zich dus bezwaren zullen voordoen, gelijk 3,19 en 20 is aangeduid, zullen zij den moed weer verliezen (Ien 'Ezra, vgl. Nachm.) In antwoord op die bedenking ge-

7

ocr page 21

i y mat? T

nnjDiya nmt : opn n1? niSn »3 frni onxo «

t ; v : * lt;t * t -:it : iit ^ ; iquot; j i •• iquot; j* .tt : ' at : •

Dnatri ribofi nnr ♦bai eiDDquot;^3 nn^ maai

•••••: _- ^ v ; - : at: vtt jquot; : | V4v •• ; r •• -«-t •

jni laN'i hpn : onva-m nrpvn D^nir^i n ÏT^K nNnrnV naN' »3 'Vpa i^aty» K^I ^ iraK'-N1?

^T :• I : ' ■*' A' V. : : • j i ' ■gt;• -:r

iaN'1 : naa quot;laN»quot;! nia nin* V7K iaN!,,i : nirr =

IV - v v. ~ i quot;•••t • -• •• quot; ï -jt •• V ^ - it ; j

: vaaa n^a D^I vnp ^ hï-IN HÏ-IN

ptm it n^'i 12JT3 TriKi ^IT n1?^ niba-Vx nln» la^i ^

i t lt;- ; — at:* v.. v:iv i :it - ; v v r : v

niiT nKir^ ira^. f^a1? : 1333 ntaa1? ♦nn. isquot; na^i: spr1 'ri^Ki pnr ^ribN Dm3N ♦ri^K DnbK 1

11 -:i- jquot; i- i (.t : • jquot; v: ot t : - s** v: at -i^ -*•quot; ^ v:

ip»n3 IT N3»'i ip'ns ^IT ^jnan 11? nin'

t • j- ia •• : ^t jquot;r- |r* •• : i :it lt;t -it ^ t :

3^1 ïiTn-^N nT sa'n quot;iaN;i : n^-ixa IT nam'

vjt-^ ||v •• v i :it lt;•• t v v it j~ : ^t jquot; * :

quot;DK n»m : 11^33 nsïr-nani ip'na nNïi'i ip^n^N it n

• TT.: IT : • Tt.T .. • . I T ' I ~ ^ I a •* v lt;T

S'ipb quot;iraxnip^Knri nan ^ wm* a)] ^ uw Kgt; nbxn ninxn ♦it?1? m xb-ox n^ni: Ti-inxn mn d

v •• t it •• : * - • -:i~ • t t : i ^ i -; iquot; t j t

vm nt^S'n n3st?i 'a'aa nnpbi i^at?» k^i

lt; t : at t - - v.t : - it ; : - ...... t. : ' ~,t : i v ' : ' ' ' } ^ :

nt?a naxn : nvyi aib vm iK^n-ra npn -it?K D^an1

v it - - ».t: j t : : - i * i-»-* -v -j ---

schieden hein wonderen, die hij ook ten aanzien van Israël zal verrichten en die het volk van zijne Goddelijke zending zullen overtuigen (Ibn'Ezra).

2. quot;ITS ma. eene vraag als inleiding tot een gesprek, gelijk Gen. 3,9. nes, niet zijn herdersstaf, want hij zou niet als herder voor Phar'o verschijnen, maar de staf, waarop hij als bejaard man steunde (Ibn 'Ezka).

6. njnSQ. Uit Lev. 13 blijkt, dat de melaatschheid, waarvan in den Bijbel sprake is, zich uit in hooger of dieper witte vlekken; eene der nuaucen is: wit als sneeuw.

, 8. aa, wanneer zij niet gelooven mochten; — God wist wel, dat dit niet het geval zou zijn; tegenover Mozes wordt hier de mogelijkheid aangenomen hen direct te overtuigen (Ibn 'Ezra). — pirusn msn, het laatste van de tot nog toe u getoonde teekenen; er volgt echter nog een derde. — Sip overdrachtelijk van den indruk, dien de teekenen maken; zij zijn immers verkondigers van de Goddelijkheid van Mozes' zending!

9- mi — vm. Zooals meermalen voorkomt, wordt hier na een tus-schenzin het gezegde herhaald.

ocr page 22

EXODUS IV.

tot den Eeuwige: «Och, mijn Heer! ik ben geen man van woorden, noch van gisteren, noch van eergisteren, noch sedert Gij tot Uwen dienaar gesproken hebt; want zwaar van mond en

11 zwaar van tong ben ik.quot; De Eeuwige zeide tot hem: «Wie heeft den mensch eenen mond gemaakt ? of wie maakt stom, of doof, of scherp hoorend en ziend, of blind ? ben Ik, de

12 Eeuwige, het niet ? En nu, ga heen ! En Ik zal met uwen

13 mond zijn, en u leeren, wat gij spreken zult.quot; Doch hij zeide: «Och, mijn Heer ! zend toch door wien anders Gij zenden wilt.quot;

14 Toen ontbrandde de toorn des Eeuwigen tegen Mozes, en Hij zeide : «Is niet Aharon, uw broeder, de Leviet ? Ik weet het, — spreken zal hij; ook zie, hij reist u reeds tegemoet; en als hij

15 u zien zal, zal hij zich verblijden in zijn hart. Dan zult gij tot hem spreken, en de woorden in zijnen mond leggen ; en Ik, Ik zal met uwen en met zijnen mond zijn, en u leeren,

16 wat gij doen zult. Hij zal voor u tot het volk spreken ; zoo-

17 dat hij u tot mond zal zijn, en gij hem tot God zult zijn. En dezen staf zult gij in uwe hand nemen, waarmede gij de teekenen zult verrichten.quot;

18 Mozes ging, keerde tot zijnen schoonvader Jéther terug, en zeide tot hem: «Laat mij toch gaan en tot mijne broeders terugkeeren, die in Egypte zijn, en zien, of zij nog leven.quot; Jithro

19 zeide tot Mozes : «Ga heen in vrede !quot; Ook zeide de Eeuwige tot Mozes in Midjan: «Ga, keer terug naar Egypte; want al

20 de lieden zijn dood, die u naar het leven stonden.quot; Nu nam

10. Eene nieuwe tegenwerping; ik zal tot het volk moeten spreken, doch dit kan ik niet. De gave der welsprekendheid mis ik ten eenen male! — d'-qi vs, iemand, wien de woorden ten dienste staan, welbespraakt, ben ik niet, en wel reeds lang; ook nadat Gij ü aan mij hebt geopenbaard, is dit niet veranderd, ik ben niet als door wonderkracht welsprekend geworden; want ik ben ook organisch tot spreken niet geschikt, daar ik zwaar van mond, eu zwaar van tong ben. Dat ook een organisch gebrek bedoeld is, blijkt uit het volgende vers.

11. Al is n nog geen wonder geschied, waardoor uwe gebreken zijn opgeheven, — als God wil, kan dit nog geschieden, nps is tegenstelling van hï en irin. (Vgl. Jes. 42,20.)

13. nScn T3 m rhv, draag toch Uwe zending op aan (leg haar in de hand van) hem, dien Gij buiten mij zoudt willen zenden. Ik zal toch niet het eenige werktuig in Uwe hand zijn! Anderen: door hem, Aharon, dien Gij toch zult moeten zenden! (Ibn 'Ezra.)

14. de Leviet, d. w. z. de man uit den stam, waarin geestkracht en overtuigingsmoed karaktereigenschappen zijn (Sipob.no); Baümgarten; van mS de u toegevoegde. — sxv sin run. Uit vs. 27 blijkt, dat God Aharon had opgedragen, Mozes tegemoet te gaan. Volgens Naohm. wilde Aharon bij de tijding van de aan Mozes opgedragen zending, hera uit zichzelf tegemoet 'gaan en deelde God hem slechts den weg mede, dien hij had in te slaan, om zoo spoedig mogelijk zijn broeder te ontmoeten.

8

2

ocr page 23

i rwiv n

oa^iono m ♦rÜK onyr 'ah hix ^ nin^K

j- : • lt;- • t • t : • t -: -»• t ; v

TIB'1? 1331 nö_1DD »3 ™T2 D5 öihvfo

i v, t j- : •)••• - : s* iav: v : v - jt quot; 4- : • •

Di5y,-,ü Di? va V^K nin* quot;lo^n :

j t 1* lt; ttit v jt j* t quot; t : - * i t

rb nnvi :nin» *Dix K^n ik nps in Bhn in d'^n

|aquot; v.t^-: it : v.* it j -: lt;■.•• • j quot; iv,quot;* . ^ •**• jgt; quot; *

»i-iN n -IDNI : nam I^N n^nnini Tiroy n^riK ^:NI ^

at -: J* ^ f lt;- ^ iquot; - : J'-'r -: i quot; 1 : p ' * Jv : iv * it :

nnN N7n -IÜN'I niroa nin» «rn^ ^

i lt;-:i-^ -: v - v : t : |- -|- it ; • -: vT ^ :i

Kin-nan Dii Kin -DT quot;i3T»3 ♦nyi» i^n

j.. ... lt;- . ^ A ^.. -. j.. r : ~t ~ . i ' t

onrnn-nKnai?quot;! v^KjrDT: 13^3 natri ixii nrw-pb

V,* t : - v jt : - : t •• jt : - • : t ; U quot;* it: I v tI : •

im m ddhk ♦nnini in^-ojn i^'D^ n^nx 'üni vsa

jv -: v : v j* •• 1 ; • ^' : } • ' lt;v : iv it : a- :

né1? n^-n»n» km nni D^n-^s4 rp «in-nani : n'^n

v : j| : v rr tlt;t : att u quot;• J v •; i 1 ^-:r

na'N its npn nn n^an-nNi : ib-nmn nnNi

jv —. Irtvt: I-»-* \.v- jv - - v : r iquot; j v : r ^t - :

2 * : hnKn-nx 13-n^n

^ 1 it v v.^. *•• :^iquot;

h3iis'N,i Nil n3l7N lb ionquot;! linn 13^1 ntpo ^

t t : t t-:-»•• v lt;- : i v t^t* v |vquot;-

inn* nDN*i D«n D-iivn nxn^i Dnvo3-itrK ♦nx-1?^

.) :• v s - a-^- ■'t i- v.*'* :v : ^ • - : • : v j- -

3^ i? tHo3 niPo-bN nin* iqk'i : rh n^Q1? ^

k- It : • : ■■• ■_ lt;t : v . - 1 / ^ v.- ,

np4i : niPsrnK D,K'p3an D^JNn-73 ino^s onxo3

i------i iv ; - v V/ i : - : r • t -:jt t ... -at ; •

16. Aharon zal de mededeeler zijn (fiijiin, vertolker voor het volk) van de woorden, hem door Mozes opgedragen, gelijk de profeet uiting geeft aan de gedachten, hem door God in den mond gelegd.

17. nnxn. niet alleen de drie boven behandelde teekenen, waarvan slechts het eerste met den staf geschiedde, maar de in 3,20 aangekondigde plagen en straffen.

18. Hij maakt Jithro niet bekend met hetgeen hem is overkomen;deze zou hem toch niet begrepen en hem voor een ijdelen dweeper gehouden hebben. — -irv en nrigt; zijn twee namen voor denzelfden persoon, evenals Dvn en iöüj, Nech, 2,19 en 6,6.

19. Bij de openbaring op Choreb zijn alleen hoofdtrekken behandeld; de bezwaren van Mozes golden de vraag aangaande de medewerking des volks en zijne eigen geschiktheid voor du hem opgedragen zending. Thans krijgt hij in Midjan, alvorens de reis te aanvaarden, twee openbaringen; de eerste (vs. 19) behelst de toezegging, dat hij persoonlijk niets meer te vreezen heeft; de tweede (vs. 21—11) de voorspelling, dat Phar'o niet zal toegeven, voordat zijn eerstgeborene zal gedood zijn; daarin wordt dus de vraag beantwoord, hoe lang 's konings verzet duren zal. (Zie Dr. Dunner t. a. p.)

ocr page 24

EXODUS IV.

Mozes zijne vrouw en zijne zonen, deed hen op een ezel rijden, en keerde naar het land Egypte terug; Mozes had ook

21 den staf Gods in zijne hand genomen. De Eeuwige zeide tot Mozes; «Daar gij nu gaat om naar Egypte terug te keeren, zie, al de wonderteekenen, die Ik in uwe hand gesteld heb, — gij zult ze vóór Phar'o verrichten ; Ik echter, Ik zal zijn hart vast doen blijven, zoodat hij het volk niet zal laten heentrek-

22 ken. En gij zult tot Phar'o zeggen: Zoo heeft de Eeuwige

23 gesproken: Mijn eerstgeboren zoon is Israël. Nu heb Ik tot u gezegd: laat Mijnen zoon heengaan, dat hij Mij diene; doch

tij weigert hem te laten vertrekken, — zie, daarom zal Ik doo-en uwen zoon, uwen eerstgeborene!quot;ij weigert hem te laten vertrekken, — zie, daarom zal Ik doo-en uwen zoon, uwen eerstgeborene!quot;

24 Het was op den weg in het nachtverblijf, dat de Eeuwige

25 tegen hem optrad en hem zocht te dooden. Nu namïsippora eenen scherpen steen, sneed haren zoon de voorhuid af, deed die aanraken aan zijne voeten, en zeide: «Voorwaar! een brui-

26degom door bloed zijt gij mij !quot; Hierop liet Hij van hem af; toen zeide zij: «Een bruidegom door bloed met betrekking tot de besnijding!quot;

27 De Eeuwige had tot Aharon gezegd: «Ga Mozes tegemoet naar de woestijnquot;; hij ging, ontmoette hem bij den berg

28 Gods en kuste hem. Mozes deelde Aharon mede al de woorden des Eeuwigen, waarmede Hij hem had belast; en al de

29teekens, die Hij hem geboden had. Mozes en Aharon gingen en verzamelden al de oudsten der kinderen Israëls.

30 Aharon sprak al de woorden, die de Eeuwige tot Mozes gesproken had, en verrichtte de teekens voor de oogen

20. V33 riNV Volgens Ibn 'Ezra is Eli'ezer knrt vóór Mozes' vertrek

feboren, wiiauluor het va. 24 vv. verhaalde duidelijk wordt. d'-ixo nicio'rv, ij aanvaardde de reis tot terugkeer naar Egypte — DviSsn nc»,eboren, wiiauluor het va. 24 vv. verhaalde duidelijk wordt. d'-ixo nicio'rv, ij aanvaardde de reis tot terugkeer naar Egypte — DviSsn nc», de staf Gods, waarmede hij op Gods bevel wonderen zoude doen.

21. pin». 2a' vast doen zijn, zoodat het niet te bewegen is en zijne gezindheid tegenover Israël niet verandert. Gort liet toe, dat hij niet toegaf, om hem langzamerhand tot beter inzicht te brengen. Zijne onbuigzaamheid was echter niet het werk Gods, maar eigen vrijwillige daad (Mendelssohn.) Anderen meenen, dat oorspronkelijk Phar'o zijn hart ongevoelig maakte en, als straf daarvoor, hem later door God de gelegenheid ontnomen werd, zich aan de daardoor verdiende stmfFen te onttrekken. Bij het eerste door Mozes en Aharon verrichte teeken (Ex. 7,13 en 14) en ook bij de aankondiging der vijl' eerste plagen wordt de verstokking aan den koning zelve Uiegi^chreven, runs; p;nquot; (7,22; 8,11; 15,28; 9,7.) Eerst na de zesde plaag (9,12) wordt gezegd; De Eeuwige maakte vast het hart van Phar'o. (Vgl. Keil).

22. Of drze voorspelling aangaande de ei rslgeborenen rtoor Mozes reeds dadelijk ïian Phar'o meest worden undegedee d (Kashie), dan wel eer.-t op ei-n nader door God te bepalen üjdMip (Ien 'Kzkaj, is twijlelachtig. VVaarsciüjulijk is de laatste meeniug de juiste.

9

ocr page 25

i nioip

nïquot;i« iónn-by baai»quot;) virnKi int^n-nx n^ö

t ;j~ t^tquot; quot;:iquot; .. . .— t t v : ^ ; •

-quot;jNi ninna^i: ITS D'n^Kn ntao-riK ntra n^i onxDquot;

t : v -- it: r v;it r- quot; v -jv ^ lgt;-- at: •

♦npp-iB'K DTiabry^i nsn nonvp n^o

n^B'' ïib-m pïns ^KÏ n'^ns ♦ja'? on^vi

vquot; - : j i t • v i jquot; - -! ■ -;i- a : - -•• : • v.quot;»quot; • quot;liquot; ) vt :

♦■ïdd '23 nin» *ionï ris moNi : Dyrrntt ==

k' ' j' '• t : j*. t ^ lt; 'a : - v v,t : - it : ^itt

inV^V nW noxi : «

insrafi»'! iVsa -n-n w\ : ijrnK nsn ^

j- : ; •- ' quot; | av- rf:~ l^iv ; v.1: • v •• -• ,t

rbiVDX nnam ii* niöï npm : in^on nh»«

■'quot; : t v : • quot; t • i- • quot; i • -: k*-: - t :

e]Vi : ♦) nriK D^pTjnn ^ laxrii vbiib nj3« a : hbia1? D'Di rnn in iüso

i - v.* t i ^quot; -: t ^-«t tlt; av •

in^aa»quot;! m nna-ian hï^d r'nnN-1?» nin' nDK»i»

)•• : ; •quot; | v•*quot; tat ; • - \v Jquot;l ; • hquot; i quot;: i- v t : v lt;quot;

nnr^nK pn^ n^a ia»i : lyp^i D'ri^n maquot;

jquot;: • t •)*• i quot;:-- : v «••— i i - — v:it j' ;

n^n Tön : iniï nhKn-^a nxi inV^ I^N nin^3

iv . it- ^ jv -: vit t jquot; ; at ; -v -: ^t ;

nN JSHK quot;QTI ; isptsji pn^quot;!17

hnxn ^»1 nt^D^N nin» quot;qtiew anmrr-^

jquot; •• ■ v it gt;— Av v 1,t : JV • V -: • t : - t

24. God viel hem aan, trad vijandig tegen hem op, irwicpw, en wel zoo hevig, dat het scheen, alsof Hij hem dooden wilde. Waarschijnlijk werd Mozes door eene gevaarlijke ziekte overvallen, waarvan Tsippora de oorzaak zocht in het nalaten der besnijdenis van haren onlangs geboren jongsten zoon Eli'ezer. - irpa'! kan natuurlijk niet eenvoudig be-teekenen: trachtte, want wien God dooden wil, die stérft ook.

25. quot;ijj, een mes van steen; tSjiS, aan zijne, Mozes' voeten-, d^st inn 13 ■h nrx, een door bloed als het ware opnieuw aan mij gehuwde hnddegom zijt gij, Mozes. mij; dnardoor heb ik u gered en zijt gij mij hergeven. Anderen: een bruidegom van bloedschuld, aan den dood vervallen zijt gij wegens mij; het blijkt volgens die opvatting o. a. uit Tsippora's haastige daad, dat slechts het verzet van Tsippora aanleiding was tot het nalaten der besnijdenis.

26 Na zijn herstel zegt zij; „Thans blijkt mij, dat gij door het bloed der besnijdenis voor mij behouden zijt gebleven.'' Anderen: „Ter wille van de besnijdenis hebt gij in doodsgevaar verkeerd!quot;

27. Reeds vóórdat Mozes zich op wee begaf, had God Aharon opgedragen hem tegemoet te gaan, zie vs. 14. Ëene eerste bevestiging van Gods voorspelling.

ocr page 26

EXODUS IV, V.

31 des volks. Het volk geloofde; en toen zij hoorden, dat de Eeuwige aan de kinderen Israels gedacht, en hunne ellende gezien had, bogen zij zich en wierpen zij zich neder.

1 Daarna kwamen Mozes en Aharon en zeiden tot Phar'o ; «Zoo heeft de Eeuwige, de God van Israël, gesproken : laat Mijn volk heengaan, dat zij. Mij ter eere, een feest vieren in

2 de woestijn.quot; Phar'o zeide; ,/Wie is de Eeuwige, dat ik naar Zijne stem zoude luisteren, om Israël te laten heengaan ? Ik ken den Eeuwige niet, en zal ook Israël niet laten heengaan!quot;

3 Zij zeiden : „De God der Hebreërs is ons tegemoet getreden; laat ons toch eenen weg van drie dagen de woestijn ingaan, en ter eere van den Eeuwige, onzen God, offeren ; opdat Hij

4 ons niet treffe met pest of met zwaard.quot; De koning van Egypte zeide tot hen. „Waarom, Mozes en Aharon! houdt gij het volk van zijne verrichtingen af? gaat heen, naar uwen arbeid!quot;

5 Voorts zeide Phar'o: „Zie, talrijk is thans het volk des lands,

6 die gij doet ophouden met hunnen arbeid!quot; Nog denzelfden dag gebood Phar'o de aandrijvers des volks en zijne opzichters,

7 zeggende : „Gij zult voortaan geen stroo meer aan het volk geven, om de tichelsteenen te vervaardigen, gelijk gisteren en eergisteren ; zij zelve zullen heengaan en stroo voor zich opzoeken.

8 En hetzelfde aantal tichelsteenen, dat zij gisteren en eergisteren maakten, zult gij hun opleggen; gij zult er niets van verminderen ; want ledigloopers zijn zij; daarom schreeuwen zij, zeggende:

9 laat ons heengaan en voor onzen God offeren. Het werk moet Hezen menschen zwaar gemaakt worden, opdat zij daarmede bezig

10 zijn, en zich niet op bedriegelijke woorden verlaten.quot; De

31. Mozes' succes bij zijn eerste optreden is boven verwachting gunstig. Met geestdrift wordt de tijding van zijne zending ontvangen. Ook in dit opzicht is dus dc Goddelijke toezegging vervuld.

Hoofdstuk V. 1. Waarschijnlijk gingen Mozes en Aharon, begeleid door de oudsten Israëls en omstuwd door eene talrijke volksmenigle, tot Phar'o. Mozes en Aharon worden dan als woordvoerders alleen genoemd, vgl. Ex. 3,18. Volgens Midrash gingen dc oudsten wel mede op weg, doch ontzonk hun langzamerhand de moed en waren Mozes en Aharon, aan het paleis gekomen, alleen overgebleven. — Wonderen verrichten zij nog niet, zij richten slechts het verzoek tot Phar'o Israël gedurende drie dagen vrij te laten. Uit de wijze, waarop hij dit opneemt, en uit de houding van Israël na de daaropvolgende maatregelen zul blijken, hoever Mozes' zending schijnbaar nog van verwezenlijking verwijderd, en hoe noodzakelijk een wonderdadig ingrijpen is.

«Den Eeuwige kent gij nietquot;, zegt gij, «welnu, het is de God der Helreërs, die ons het bevel heeft gegeven Hem offers te brengen; dit nu is in Egypte onmogelijk; nalaten kunneu wij het ook niet en het zou tegen uw belang zijn, opdat hij ons niet duor groote sterfte treffe en gij daardoor tal van slaven zoudt verliezen!quot;

4. Phar'o vermoedt in hnn optreden slechte eene poging om het volk

10

ocr page 27

n i niöP »

'pi hky?' np' o^n fpNn : Djn ^

hnxi ntro 1N3 inxi * : nnni^i np'i D^rnN HN-I «

i -; r^: ■quot;' TK ' ' '• ^ i -: i- ; • - J: • - r:*r v t t

-nx ♦ri,?N nin' iontü ny-13-^ no^i

t ; • -quot;• v; t : «- t i ^ ; - v ^ : i -

jroi^N nin» »0 njr-ia quot;ion»i : is-ta? ^ lann = bNii^-nN DJi nh'-nx K1? VxTE'^nN nW? i'jba

'.quot;„t: ••-•gt;-: t : •■■ •'s -t . «■• t: • •.• v- - : i ;

X3 mi: wty Nip: onnyn ♦riVx n^K'i: n^N ah gt;

T T-!-••• A- ^T -.rl:- IT r- v: : -• - -- -:Q

uj^-js nin^ nnani -13133 D'p^ ri-i-n nirana'? onvo -J^D DH^N : aina IN 1312 ^

t tlt; • - : • |v-»v v •• -; v lt;- vit v gt; v -

ID^I *: QyrbiD) 13^ v^sp D^HTK ijnan pn^i -: on^Dp ddk ons^m pxn d^. nn^ D'STfn rip—13 : innh vmtyriKi 3^3 Q^shtin Ninn 01*3 ny-13 IÏI 1

1 •• : 1 v ; t t j* : 1 - v a - j - \. :' j' :quot;

Dno'^^^ions D^3bn fs1?quot;? d^? f3n nn1? papNn «y a^/on B'^n nisnp-nNi : pn sn^

on D^air^ laao umn xb Dn,l?v la^n b'^ty Vion

-•* : • r av • ^ :: • ^ v ^ t : • « ;

quot;i33n : nnsr; n^: 1a^ qh |3-^d

IKϻI : -ip^-n3quot;i3 D^aNrrVy ni3yn1

: quot;- quot;it ■■ : • : quot;i : • - ; «t 'l:r: i* t-:it it 'ut

eenige rustdagen te verschaffen. Bij den aanblik der Mozes en Aharon begeleidende oudsten des volks zegt hij: //Wat houdt gij het volk van zijne bezigheden af?quot; en tot de oudsten gericht; //Gaat heen, gij, aan uwen arbeid!quot; (Althans iwanneer men met de meeste Joodsche commentatoren wil aannemen, dat Mozes en Aharon, evenals de geheele stam Levie, van den dwangarbeid vrijgesteld waren. Neemt men dit niet aan, dan kunnen ook de laatste woorden tot Mozes en Aharon gericht zijn.)

5. Phar'o bemerkt nu de talrijke volksmenigte, die buiten het paleis den uitslag van het onderhoud afwachten, en zegt; //Ziet, welk een talrijke menigte staat daar, die gij thans reeds met hun werk hebt doen ophouden 1quot; Phar'o begrijpt niets van dit zelfbewuste optreden zijner slaven (zie Dr. Dunner t. a. p. pag. 153, noot), p.sn dï, het volk des lands, dat anders nooit naar mijn paleis komt. Mendelssohn; „Ziet, zoo talrijk is het landvolk, de gemeene massa; en die wilt gij doen ophouden met hun arbeid? dat kan zeer gevaarlijk worden Iquot;

6. De Dirjj zijn Egyptenaren, de □'lac.' Israëlieten.

7. Stroo en stoppelen (de bij het maaien in den grond blijvende eindjes van de halmen) worden klein gehakt en, met leem vermengd, tot tichels gevormd, die in de zon gedroogd worden.

ocr page 28

EXODUS V.

aandrijvers des volks en zijne opzichters gingen uit, en zeiden tot het volk aldus: «Zoo heeft Phar'o gesproken: Ik geef u

11 geen stroo meer. Gaat gij zelve heen, neemt u stroo, van wat gij maar kunt vinden; — want van uw werk wordt

12 niets verminderd.quot; Het volk verspreidde zich door het ge-heele land Egypte, om stoppelen op te zoeken tot stroo.

13 De aandrijvers drongen aan, en zeiden: wMaakt uwen arbeid af, het voor iederen dag bepaalde op zijn dag, zooals toen er

14 stroo was.quot; De opzichters der kinderen Israëls, die de aandrijvers van Phar'o over hen aangesteld hadden, werden geslagen; men zeide namelijk ; „Waarom hebt gij, — zoowel gisteren, als heden — uw bepaald werk in het maken van tichels gelijk

15 gisteren en eergisteren niet afgemaakt?quot; Toen kwamen de opzichters der kinderen Israëls, en schreiden tot Phar'o, zeggende;

16 „Waarom handelt gij zoo met uwe dienaren? Stroo wordt uwen dienaren niet gegeven, en evenwel zegt men tot ons; maakt tichelsteenen ! nu worden uwe dienaren geslagen en uw

17 volk belaadt zich met zonde !quot; Doch hij zeide : „Ledigloopers zijt gij ! ledigloopers! daarom zegt gij : laat ons gaan, en voor

18 den Eeuwige offeren. En nu gaat heen, en werkt; en stroo zal u niet gegeven worden, doch het volle getal tichelsteenen

19 moet gij leveren.quot; De opzichters der kinderen Israëls zagen zich in een slechten toestand, daar zij zeggen moesten: „Gij moogt uwe tichelsteenen niet verminderen, het voor iederen

20 dag bepaalde op zijn dag.quot; Zij troffen Mozes en Aharon, die hen stonden af te wachten, toen zij van Phar'o weggingen.

21 En zij zeiden tot hen : „De Eeuwige zie op u neder en richte! dat gij ons in kwaden reuk gebracht hebt in de oogen van Phar'o en in de oogen zijner dienaren, door hun een zwaard

22 in handen te geven om ons te dooden.quot; Mozes keerde terug tot

11. jnjj pjC ,3- Neemt het maar zoo spoedig mogelijk van wat gij ook krijgen kunt; houdt u niet lang op om beter stroo te zoeken, — want gij hebt haast, — want niets wordt van uwen arbeid verminderd (Kimchie).

12. pnS tfpi stoppelen, die als stroohaksel zouden gebruikt worden. Anderen : in plaats van stroo.

13. Den zooveel verzwaarden arbeid kunnen de Israëlieten natuurlijk niet afleveren. Na herhaald aandringen, fraan de drijvers tot mishandeling over.

14. DU'Sc SlDDD. niet juist: gisteren en eergisteren, van den dag van heden gerekend, maar van een zekeren dag af; de daaraan voorafgaande dagen. Hier dus; Waarom hebt gij gisteren en heden de voorgeschreven hoeveelheid niet geleverd, gelijk gij dat de dagen aan gisteren voorafgaande gedaan hebt?

16. quot;jOy riNJSni. T31-* iquot; tegenstelling met -par, dat de Israëlieten aanduidt, slaat op de Egyptenaren De zin is dus ; zij, die ons slaan, uw volk, bezondigt zich, nNOm = ilJJlpnii Qï vrouwelijk, evenals Recht. 18,7;

11

ocr page 29

n niOBgt;

nviö ncK ris noK1? inu'eh byn 'mi

^ ; • •»' t lt; a •• ^ ^tt v j : i - ri-*: t t lt;•• ; i

iB'^nnbD'? inn idS onN : pn dd1? rni

v.v -t iquot; i v v v t lt; i; ; v - i v iv t i j~ '■*••' ••

riK-^a D^n ra'-i: -im DDnia^a ^3 rx ^ wvon31

v-v t : vtt i '•'jTm it t i.v ; - i ~;iquot; it ; * i jquot; at ; •

dd^vo iba d-vn D^ani: pn1? Bp B'typ1? onyo ^

v •• ^-n- lt; - ^ a •• •** t : 1 - : i v iv - 1^,- jquot; i : -at: •

^3 np'B' li»!: pnn nvns nms laip Diyinn ^ DDpnon^k1? piiv n'^na lt;m: Dnbjn^irntfN bNit^ '32 nt:'^ ^3»,i: ditvd-i üéhw p1?1?«

•• t ;••*•• ; •• : i t ~ i - - ^ : - ; • j ; • | ; •

l'Npn : 173^ ro n^n na1? ri^irbs4 i^V'V0 nNDniD^o nam wy i:1? onaK ma

jt t : y \ I 4vt -:^ s** * : a -: r : 1 r '• : t vt^-:i- I t •

hd^ onoN onN p-1?# D^ai: DHN D'SI: nsN'i : pni ddV rn^-K1? pm nap id1? nn^i : nin^ nnaTj ^

lv j : rtv t i -quot;• t • 1 i v ^v ; : • •* : r ~: it i~ jt i : •

iDx1? onN l?xT^,-,J3 nüv inti : i:nn ^

a ** —t ; v,t •)quot; ti • i- : squot; : 1 :•quot; iquot; • v.' quot; :

-nNi n^o-n» iwa»!: lava ovim i^-un-N1?3

v ; jv v ^ ; ; • - 1 ; j ~ : ^v •• : • • *0 : ; • 1

DH^N noN'i : n^ia DnNX3 nnx-ip1? pn« «

^ v •• -: •* : 1- n ; - r* •• quot; : at ti; • t • i -: 1-

ripps^^a lin'rnN D3,l?^nl1^, NT

quot;Vk n'^a 3^»') * : linnquot;? Dquot;i»3 ann-nn1? vn3V 33

•)v txt- iquot; ;t ; ^tt : «.w vit tt^: •quot;' •• :

Jer. 8,5. Mendelssohn : en wij, uw volk, de Israëlieten worden als misdadigers behandeld. Zunz : en uw volk Israël mist, lijdt gebrek aan stroo.

19- Dm, Z^CK evenals Ez. 34,2 en 8; Jer. 7,19. — Onze opvatting is die van Mendelssohn. Rashie ; zij zagen hen, de Israëlieten, in ongeluk, toen zij hun zeiden enz. Ibn 'Ezra ; zij zagen zich in een ongelukkige positie, daar Phar'o zeide.

20. DriNlpS D'SSJi die zich hvn tegemoet, hen afwachtend, hadden opgesteld. De oudsten zijn tot Phar'o gegaan en in gespannen verwachting staan Mozes en Aharon vóór het paleis, hopende dat, door eene kleine verlichting van den last, de moed en het vertrouwen des volks zal herleven. Doch in plaats daarvan worden zij door de oudsten met verwijten begroet.

21. I33{5quot;1, en trede straffend met u in het gericht. —umi ns Dnrsan, gij hebt onzen aangennmen geur, d. w. z. onzen goeden naam, stinkend doen worden. — W2, in de oogen van Phar'o; liet beeld van geur doet natuurlijk hier het gebruik van het woord neus verwachten. Het beeld heeft echter zoozeer burgerrecht verkregen, dat de oorspronkelijke beteekenis der woorden geheel uit het oog wordt verloren en alleen de overdrachtelijke in aanmerking komt. — ain rmV Gij hebt Phar'o een uitvlucht aan de hand gedaan, het denkbeeld bij hem gewekt, dat wij oproerig zijn. Bij de minste aanleiding zal hij dit op ons wreken.

ocr page 30

EXODUS V, VI.

den Eeuwige en zeide: «Mijn Heer! waarom laat Gij het dit volk zoo slecht gaan ? waartoe hebt Gij mij gezonden ?

23 Sedert ik tot Phar'o gekomen ben, om in Uwen naam te spreken, behandelt hij dit volk nog slechter, en Gij hebt Uw volk niet gered!quot;

1 Hierop zeide de Eeuwige tot Mozes: «Nu zult gij zien, wat Ik aan Phar'o doen zal; want door eene machtige hand zal hij hen laten heengaan, en door eene machtige hand zal hij hen verdrijven uit zijn land.quot;

2 Eu God sprak tot Mozes en zeide tot hem: «Ik ben de Eeuwige.

3 Ik verscheen aan Abraham, Izak en Jakob, als God de Almachtige ; maar naar Mijnen naam : de Eeuwige, ben Ik hun

4 niet bekend geworden. Ik heb niet alleen Mijn verbond met hen opgericht, om hun het land Kena'an te geven, het land van hun oponthoud, waarin zij zich [als vreemdelingen] opge-

5 houden hebben ; Maar ook heb Ik het gekerm der kinderen Israels gehoord, die de Egyptenaren tot den arbeid dwingen;

6 en Ik heb aan Mijn verbond gedacht. Daarom zeg tot de kinderen Israels; „ „Ik ben de Eeuwige! Ik zal u uitvoeren van onder de lasten der Egyptenaren, en u bevrijden van hunne dienstbaarheid, en u verlossen met uitgestrekten arm en groote strafgerich-

7 ten. En Ik zal u Mij tot volk nemen, en Ik zal u tot God zijn; dan zult gij tot erkenning komen, dat Ik, de Eeuwige, uw God ben,

8 die u van onder de lasten der Egyptenaren uitvoer. En Ik zal u brengen naar het land, waaromtrent Ik Mijne hand opgeheven heb [tot een eed], om het aan Abraham, Izak en Jakob te geven;

23. De aanleiding tot Mozes' klacht en vertwijfeling schijnt vooral te liggen in; nn oyS jnn, in het feit, dat Phar'o den druk op het volk zoo onmenschelijk had verzwaard, iets, wat Mozes niet door God was aangekondigd.

Hoofdstuk VI. 1. Gij meent, dat uwe zending mislnkt is en de tegen-estelde uitwerking had van hetgeen gij hooptet; — nnr. nu zult gij zien, at de redding toch komt en wel zoo, dat Phar'o hen tot vertrek zal drijven.

2- 'H Ik ben de Eeuwige, //In Mijn wezen, zooals dat door dien

naam wordt uitgedrukt, openbaar Ik Mij voortaan aan dit volkquot;. Het hier volgt-nde stuk, waarvan vs. 2—5 tot Mozes alleen, vs. 6—8 als opdracht aan het volk gericht is, werkt nader de in vs. 1 gegeven toezegging uit. Ook de opdracht aan het volk wordt ingeleid en gesloten met de woorden 'n '•JN'. Zooals vs. 3 nader verklaart, heeft God zich den voorvadnren Israels wel getoond als it;' Sn, de Almachtige God, die ook voor hen daden verricht heeft, die Zijne oppermacht over de natinir toonen. Doch 'n Mijn wezen als 'H. die met onbeperkte vrijheid Zijne toezeggingen vervult, in trouw en waarheid Zijn wil volbrengt, heb Ik hen niet doen kennen De naam zelve komt in Genesis herhaaldelijk voor en was ook den aartsvaderen niet onbekend. Doch, zooals vroeger reeds is opgemerkt, duidt het woord Dquot;' niet op naam in den zin van aanroepiugsforiuule, maar op het wezen, het karakter van hetgeen daardoor wordt aangewezen.

12

ocr page 31

i n NiNi niDtr y

: wiSt^nT na1? mn D^Snn^nnnb1? iqk'i nin»

• it : - : Tjt v - t t ••-: lt;t t t -: a~ - :

quot;t6 ^ïm nrn oyb jnn ^0^3 lai1? 'riNa t^oi »

i jquot; - : av - ~tt v'quot; I. ••* : * quot;: :quot; v • lt;t t •• ^

n'^N quot;IÏ^KnKinnn^ ntbo-^N nin' laN'i: nsr^N1 r^ïn« '

vv 'vziv JV -! v : * JT _ v v . T : .v ** I '•• quot; V t ; vquot; *

D :mNODB'-irnprn onv»^» nprn Tn ^ ri^iab

l ; -1quot; \quot; ;it; ITT-; WT ; : ITT-; lt;T; -i* a : - :

quot;VN NSKI : nin» VVN IDK'I ni^o-VN D^HVK quot;ISTI 3

t •* it it : j- -: vT quot; quot; Av v v; jquot; i

n1? nirr 'otyi ^«3 pnï'-^N om^K

j t : J* : at- -»•• ; Iv, •«quot; v ; I jt : • t : -

pK-nK dh1? nrö ons4 'nns-nx ♦hapnoji : Dn1? Tuniquot;: ■gt;

I v-v V vquot; T jquot; t T * • : V •lt;)•-: - ; iv t * : vquot;

♦nvbtr 1 DJI : nn nrn^x onnja px DN ?J;J3 n

• : ~ t j- ; it jt v -: ^v ^ ••i*., : I '.W ^ I^-at:

iarNT onx annya onvo iwx ^2 npNrnx

; VIT AT ; • jv -; •• t t -••• : l-tl-

□5nN,nNïin,inin,,3N,?NTB^-,jD,7 -iax pS : ^nna-nx1

v ;•.•-»• •• 1 : t : -*• -t •• t : • iquot; : * -» v: I •• t r gt;' : ^ v

dddk quot;rhun Dnia^a ddhn nnïo ri^D nnna

v : v lt;• : -it: rtT^T ' :iquot; ^v ; v y : - • : • - : • : ' - - •

aifrDDJ-IN'nnp^ : D^'I: D'Uötyai nHw jrhta1

nr: • jv ; v • : I-it : r : v.- t : • t ; J: *

N^yian dd^n rnrr ^3 Dn^i^i □,r!i?Ni7 os1? ^n^ni

J. - v .. J ... T . ^. .. J. ..r. - A' 1quot; ^v T J* T :

psrr^K DDriK 'n^ni : onxp ni^3p nnnp dddkquot; 3pv,l?i pnï'1? □m3K^ nnK nnb n^nN

IA^;I-: I V.t ; • : JT T : - : T T *T v T T lt;V -:

3. XTNI» openbaarde Mij, toonde Mijne werkzaamheid, no Sx2 = ■nu Sn oca, in het karakter van n™ ; Gen. 17,1 maaki God na de besnijdenis Zich aan Abraham onder dien naam bekend en toont Zijn wezen als zoodanig door de wonderbare geboorte van Izak en de bijzondere zorg voor het behoud, de leiding en vermeerdering zijner nakomelingen.— 'n wi = wai, de '3 van de vorige zinsnede moet ook hierbij worden aangevuld.

1

DJll—DJI. zoowel—ah; niet alleen heb Ik vroeger Mijn verbond gesloten,

ocr page 32

EXODUS VI.

9 en Ik zal het u tot erfdeel geven; Ik de Eeuwige!quot;quot; Mozes sprak zoo tot de kinderen Israëls; doch zij luisterden niet naar Mozes, wegens moedeloosheid en harden arbeid.

1110 De Eeuwige sprak tot Mozes, zeggende: «Ga, spreek tot Phar'o, den koning van Egypte, dat hij de kinderen Israëls uit

12 zijn land late heengaan.quot; Doch Mozes sprak vóór den Eeuwige, zeggende: «Zie, de kinderen Israëls hebben niet naar mij geluisterd ; hoe zou dus Phar'o naar mij luisteren ? terwijl ik immers onbesneden van lippen ben !quot;

13 Doch de Eeuwige sprak tot Mozes en Aharon, en gaf hun eene opdracht aan de kinderen Israëls, en aan Phar'o, den koning van Egypte, om de kinderen Israëls uit het land Egypte

14 te voeren. — Deze zijn de hoofden hunner vadershuizen : de zonen van Ruben, den eerstgeborene van Israël; Chanoeh en

^ Palloe, Chetsron en Karmie; dit zijn de geslachten van Ruben.

15 De zonen van Shim'on : Jemoeël, Jamien, Ohad, Jachien en Tsochar en Shaoel, de zoon der Kena'anietische; dit zijn de

16 geslachten van Shim'on. En dit zijn de namen der zonen van Levie naar hunne geboorteopvolging: Gershon, Kehath en Me-rarie. En de levensjaren van Levie waren honderd zeven en

17 dertig jaar. De zonen van Gershon : Libnie en Shim'ie, naar

18 hunne geslachten. De zonen van Kehath: 'Amram, Jitshar, Chebron en 'Oezzieël. En de levensjaren van Kehath waren hon-

19 derd drie en dertig jaar. De zonen van Merarie; Machlie en Moeshie. Dit zijn de geslachten van Levie, naar hunne ge-

20 boorteopvolging. 'Amram nam Jochébed, zijne tante, zich tot vrouw ; deze baarde hem Aharon en Mozes. En de levensjaren van 'Amram waren honderd zeven en dertig jaar.

2221 En de zonen van Jitshar; Korach, Néphegen Zichrie. En de zonen

23 van 'Oezziël: Mieshaël, Eltsaphan en Sithrie. Aharon nam zich Elieshéba', dochter van 'Ammienadab, zuster van

9- nCQ quot;13T1 Mozes alleen; Aharon heeft zich reeds ontmoedigd terult;rgetrokken. — nn ■'ïpu, v. s. ongeduld; het tegenovergestelde van rn- quot;j N, langmoediqheid; v a. anqst. die iemand den adem beneemt; moedeloosheid. rr p -narni nn -«ïpr, door de moedeloosheid wegens den zwaren arbnid. — De geestdrift, waarmede zij Mozes hebben begroet, is vervlogen en Mozes keert moedeloos tol God terug; niettemin draagt God hem vs. 10 op, wederom tot Phar'o te traan en nogmaals, maar scherper, den eisch te stellen Israël te laten heengaan.

12. D,D£)tJf 7quot;|ü. onbesneden van lippen mijne lippen zijn als het ware met eene voorhuiif bedekt, zoodat ik de woorden moeilijk kan uitspreken. Op dit argument, wordt hier reeds in het kort medegedeeld, kreeg Mozes antwoord, doordien Aharon hem ook bij Phar'o nis woordvoerder terzijde werd L'esteld. Het eigenlijke am woord volgt eerst 7,1. Bij het eerste officieel optreden van Aharon als woordvoerder wordt echter eerst de afstemming van Mozes en Aharon medegedeeld. Vs. 29 en 30 herhalen

13

ocr page 33

i KiKi y

:nin» dd1? nn« ♦nwi0

-•• ; v Iv.quot; •»••• jquot; -:- it : r -: t i w t jt * quot;it .

ö : nia^oi nn -lïjsp nfa-^N tym tih] bx'iv* -iS?d rtyna^x nin sjia : -ioNb ntyo-Ssï nin» istv

I v jv ;quot; v quot; ~ i quot; r' v v.t ; Jquot; ~: N7

^2^ ntba : iïquot;i«o nbtr^ onvo ^

j»* : • v ■quot;• - ;- i ; - iquot; v,quot; t: * iquot; : '■' j' ' i* -at: •

VNI woit-NS ?n -ios1? nin»

• t : • I quot; ; quot; quot; ^ : it •• t : • r* : i lt;•• a •• yr :

ö : d'dsb' vny niriö

• it t : j- —. v.'quot;fquot; :quot;

nynö-i?^^l,7N1TBgt;, VN b?ï'i priK-bNi niro-^Krnin» -i3Ti jv nvx d *: onïp f1«p bstty^^rnn n'xin'? onvp ^ ? pïnxi-?^ Tjian *153 piNquot;) ^2 onbx'n^ ^K*It nn'Ki pan Vnid* |i^p^ hnsippn^'p-iDvn

: JI^OB'rina^p nbs n^i3ri-|| 'JW nnïi ppn ra yiü quot;h «n hwi nnpi nnpi jisiN nniVn1? ny,i;3 nip^ : onnötJ'Q'? quot;ÜO^I fitr-ij ^3 : m# nxai ^

it ; : • : ^- : • ; r : • i •» :•quot; jquot; : # it t y.' : r :

vbu nnp «n ^K'Tjn |iquot;j3ni quot;iriï,'i onpy. nn^ ^31 ^ nhsb'p nv»n 'ï^idi 'brfc nnp ^31: nxpi ^ iv irm i33i»-nn n^i : dnivn1? 'ibn =

t • : -• tl vlt;v v t : ~ i------it ï • :. v.quot;

^3^ dnp^ 'jb'i n^o'dnquot;) pnxquot;nN41*? n^ni Vnip'q bwy ^31: nsn jöji nip nnr ^31: rw dnqi ^

jquot; t - «■• 's iquot; : r : • : -.v.-t -1^ ^ '■ ^' *■quot; : IT T : 33

ninx 3nj,pr^3 pnx n^i : nnpi: |SïbNi»

dan slechts het hier medegedeelde, om daarmede den draad van het verhaal weder op te nemen.

14. DrON n'S. hun vadershuizen; een uit twee woorden samengesteld woord, (lal als eén woordvorm behandeld wordt. Enkelvoud 3.-! ri'a, meervoud nas p^s, beteekent eene groep van gezinnen, die van één ge-meenschapprlijken stamvader al'komstig zijn en aan dezen hun naam ontleenen. De mnsVK. familiën, zijn nog yrootere groepen, die uit de rwna worden samengesteld en die, wederom vereenifid, de stammen vormen. — Als inleiding lot de alstamming van Mozes en Aharon worden de stammen Ruben en Shim'on, wier stamvaders ouder zijn dan Levie, ook behandeld, om dan, tot Levie overgaande, alle oudere leden der familie en tijdge-nooten van Mozes en Aharon op te sommen. Van de jongeren worden alleen zij genoemd, die voor de geschiedenis van beteekenis zijn. Van Mozes' zonen wordt daarom geene melding gemaakt.

ocr page 34

EXODUS VI, VII.

Nachshon, tot vrouw; deze baarde hem Nadab en Abiehoe, El'azar

24 en lethamar. En de zonen van Korach; Assier, Elkana en Abieasaf;

25 dit zijn de geslachten der Koraehieten. El'azar, de zoon van Aharon, nam zich eene der dochteren van Poetieël tot vrouw, en zij baarde hem Pienechas. Dit zijn de hoofden van de vaders-

26 huizen der Levieten naar hunne geslachten. Dit is Aharon en Mozes, tot welke de Eeuwige gezegd had: „Voert de kinderen

27 Israels uit het land Egypte, naar hunne scharen.quot; Zij zijn het, die tot Phar'o, den koning van Egypte, spraken, om de kinderen

28 Israels uit Egypte te voeren. Dit is Mozes en Aharon. En het was op den dag, dat de Eeuwige tot Mozes in het land Egypte

29 sprak; — De Eeuwige had namelijk tot Mozes gesproken, zeggende : «Ik ben de Eeuwige! spreek tot Phar'o, den koning

30 van Egypte, alles wat Ik tot u spreekquot; ; En Mozes had voor den Eeuwige gezegd ; „Ik ben immers onbesneden van lippen, hoe zoude dus Phar'o naar mij luisteren ?quot; —

1 Toen zeide de Eeuwige tot Mozes; „Zie! Ik heb u [als] tot een God voor Phar'o doen worden, en uw broeder Aharon zal

2 uw proleet zijn. Gij zult spreken alles, wat Ik u gebieden zal; en uw broeder Aharon zal tot Phar'o spreken, dat hij de kin-

3 deren Israels uit zijn land zal laten heengaan. Doch Ik zal Phar'os hart verharden, en Mijne teekenen en wonderen in het land

4 Egypte vermeerderen. Phar'o zal echter niet naar u luisteren; doch Ik zal Mijne hand op Egypte doen rusten, en Mijne scharen, Mijn volk, de kinderen Israels, uit het land Egypte

5 voeren met groote strafgerichten. Dan zullen de Egyptenaren tot erkenning komen, dat Ik de Eeuwige ben, als Ik Mijne hand over Egypte uitstrek, en de kinderen Israels uit hun

6 midden uitvoer.quot; Mozes en Aharon deden het; gelijk de Eeu-

25- D13N = irax jyo irs-i.

26. Zoolang men met het geslachtsregister bezig is, staat Aharon voorop ; gaat men over tot de beschrijving van hun optreden, dan wordt Mozes de hool'dpersoon, daarom vs. 27: dit zijn Mozes en Aharon. In de beide verzen staat de grond aangegeven, waarom dit register hier is ingevoegd. Vs. 28 is inleiding tot hoofdstuk 7,1, dat den nazin van or.s vers vormt. Vs. 29 en 30 zijn, ter recapitulatie, als tusschenzin ingevoegd en geven kort den inhoud van vs. 10—12 terug; in hoofdstuk 7 wordt dan het vs. 13 reeds kort medegedeelde uitvoerig uiteengezet.

Hoofdstuk VII. 1. njnaS dtiSk -jvinj. Ex. 4,16 was hem gezegd, dat zijne verhouding tot Aharon dezelfde zou zijn, als die van God tot Zijn profeet. Aharon wordt dan ook hier: Afozes' profeet genoemd. Tevens wordt Mozes in ons vers gezegd, dat hij tegenover Phar'o zal zijn als God, zonder vrees en zeker, ten laatste te zullen overwinnen.

14

ocr page 35

r 1 K-IKI T

quot;itvSKTIN 3trn« i1? nbm i1? ri^n:

{T T: V v • -: v : tt v v jquot; - at • : -• i { '

nnstro nbs epN^w n^p^Ni quot;i^dk nnp nni narvtrnKi ^

j ^ ••h** |att 1* -:r v ; r ~ -I •quot;• ^ it t r v :

nuw1? 1) bK'üis niJ3p l^-n^ pnN--|3 : 'nn^ri« : Dhnötyo1? on^n max nbtf onra-nx quot;h nVni

it : :, • : (.* * : i-^ ^ r v •• ^at : r v v. •* Jquot; '

bxTty* ^rnN ix'ïin on1? nin» idk n^oi pn« Kin13

■)•• t : • s** : v v t t : t v -: av i ^ i- j

-rpn ri^nr1?» bnanpn on : onNav'1?!? cn.VP 0 : rnns*quot;! ntra «in onysn VKi'^-^rnN N^in1? D^ÏO

i 1 -: i- : v,** ^ * at : * • v,quot; t : • iquot; : *-* j' : ^ * quot; : *

13T1 D * : DnïO pK3 n^O-^N Hln' -131 01*3

Squot;;-:- ^ -.r: ■ i -.vv: gt;.••• •-• -.t : Sv • : quot; :quot; 03 ï?

onïD -pD npa-^N 13-1 nin» '3« ION? niyo-7N nin*

• - : • ) •••-••.• ^ ; - v •• - at ; -• -: v •• jv v ot :

rn nin^ ^s1? hk'd quot;i3i nN17

• -; ilt;quot; at ; ■quot;• : • v,** j - | iv •• r* t •)quot;

3 : n^lfi ^ yvp\ D'Dfitr 7^^

^ns1 pnNi ^nn: HNI njba^K nin» ID^I s T

quot;l3'^, Tnx nnxi ?IIÏN nx nitn nrw: ^^3: rrn^ =

-»••-; I • t 1 5quot;:iquot; : Iav- -: jv -: t vquot; •• quot; : -»t - |iv / '• ï'*

-n« ntrpN : ixino nv'tyi ripr^NJ

vv i: - y -:i- 1 : - ■•• v t : • iquot; : v j' ' •. :quot;

■«bi: D'ivo pN43 ♦nsio-nKi ♦hnN-nK nps 3'?1

1 : ^ • it : • 1 vjv : vquot; : • v : •»quot; ' -* . s* quot; j ' : a : *

TIN 'nNïini Dnyo3 nmK 'nnji rivis yvw

.. 1 : . at : • : ^'t v j* - it : : ~ v •• -: ^ •

: D^'-n D^ö^s DHVP pso ^y.-nK TNsï

'ns'ïim onva*^ n'-nN ^12:3 nin' bnvo n

y •• 1 : • at ; • - v,-t '.• y : • t r • - ; * lt; :it:

niï quot;I^K3 ÏT Vquot;! : D3lnO Sn'Tb^-^tin 1

st * v -:i- 1 a-:i- : v,v «.j— it • v t : * iquot; :

2. 13-in nnN- ^ït zu^ tot Aharon uitspreken, icat Ik u gebieden zal cn liij zal het aan Phar'o overbrengen.

3- nCpN» doen zijn, niet ontvankelijk voor eenigen indruk; nas,

zwaar, onbewegelijk zijn, men geraakt wel onder den indruk, maar die heeft nog geen invloed op de daad ; [?tn, vast zijn, zich opzettelijk onttrekken en verzetten trgeii elke gedachte aan volgzaamheid (Hirsch; vgl. Keil). — iiroim. Ik zal veel doen zijn, in grooten getale doen komen.

1

'quot;V.. Mijne straffende hand. — niMï heet Israël, als het voor een bepaald doel uitgerust volk. Zoo hier en 6,26: Israël, dat gewapend en naar stammen geregeld uit Egypte trekt, om zich aan den dienst Gods te gaan wijden.

ocr page 36

EXODUS VII.

7 wige hun geboden had, zoo deden zij. En Mozes was tachtig jaar oud en Aharon drie en tachtig jaar, toen zij tot Phar'o spraken.

9 8 De Eeuwige zeide tot Mozes en Aharon, zeggende: «Wanneer Phar'o tot u spreken zal, zeggende: geeft een wonderteeken ten uwen behoeve! dan zult gij tot Aharon zeggen: neem uwen staf, werp hem voor Phar'o neder, hij zal een watergedrocht

10 worden!quot; Mozes kwam met Aharon tot Phar'o, en zij deden aldus, gelijk de Eeuwige bevolen had; Aharon wierp namelijk zijnen staf voor Phar'o en zijne dienaren neder, en hij werd

11 een watergedrocht. Toen ontbood ook Phar'o de wijzen en de wichelaars ; en ook zij, de beeldschriftkundigen van Egypte,

12 deden door hunne geheime kunsten even zoo. Zij wierpen namelijk ieder zijnen staf neder, en deze werden tot waterge-

13 drochten; doch Aharons staf verslond hunne staven. Doch Phar'os hart bleef vast, en hij luisterde niet naar hen, gelijk

14 de Eeuwige gesproken had. — Nu zeide de Eeuwige tot Mozes: „Phar'os hart is zwaar ; hij weigert het volk te laten heengaan.

15 Ga tot Phar'o in den morgen ; zie, dan gaat hij uit naar het water; plaats u hem tegemoet aan den oever der rivier ; en den staf, die in eene slang veranderd is, zult gij nemen in uwe

16 hand. En gij zult tot hem zeggen: de Eeuwige, de God der Hebreen heeft mij tot u gezonden, om te zeggen ; «Laat Mijn volk heengaan, dat zij Mij dienen in de woestijnquot; ; doch gij

7. Vroeger hadden de oudsten des volks hen bij hun optreden voor Phar'o vergezeld; van nu af zouden Mozes en Aharon zich alleen tot hem richten. niquot;gt;5 Ks □ o-n, eerst hier gebuzigd, beteekent dus: toen zij alleen, zonder de oudsten des volks, tot Phar'o spraken.

9. naia, een wonderteeken, dat de waarheid eener bewering bevestigt. Evenais Ue Israëlieten (Ex. 4,1 vv ), zal ook Phar'o verlangen, dnt gij uw profetie door een wonder beve-tigt. mx is in het algemeen een teeken, ter herkenning of herinnering. Sipokko meent, dat nsro dient ten bewijze van de macht van den opdraclitgever, nis van die van den godsgezant. Daarom tegenover Israël, die in God geloofden; nims; tegenover Phar'o; bvili». Hetzelfde teeken kan tegenover den een als nw. tegenover den under als riLin dienst doen. — r^S een in het water levend monster, krokodil; het dier, dat tot symboliseering van Phnr'o en Egypte dient (Ez. 29,3). Wanneer daarvoor vs. 15 gezegd wordt; die in eene slang veranderd is, dan ziet dat niet op het gebeurde voor Phar'o, maar op heigeen door Mozes tegenover de Israëlieten is gedaan (Ex. 4,30 in verband met 4,3 —5).— •po ns np, uw staf, dien van Aharon; Ibn 'Ezra; dien van Mozes,dien hij aan Aharon had overgegeven, dus; den staf, die thans in uwe hand is.

11. Phar'o hield hen voor toovenaars, slangenbezweerders, en roept ook zijne toovenaars, mannen, die voorgaven de natuur der dingen te

kunnen veranderen; zij zijn echter orwn, wijzen, die in goddelijke en menschelijke wetenschap ervaren zijn, en oiiiBTi, bekend met het Egyptische beeldschrift; dus tot de priesterkaste behoorend. Wat zij doen, geschiedt o.TonVa, door hunne geheime kunsten, bezweringen, die zij in naam hunner goden verrichten; en wanneer Mozes en Aharon hunne

15

ocr page 37

T KINI 1t3

fnnKi n:# D^bir-ra n^Di: Sw$ ra om nw

^ t I v I -iJ- : TT -*■ : I v ♦.• i t Ijquot; ;

a * : runsr^K Diana o^btri

^ • : quot; v : - ; at t^ ;

fiina ddVn isv '2 : iaN1? rnx-^i ntyo-^N nin» quot;idn»i n

^ : - lt;v •• -: ., -. • | •• I v : jv v t : v j ^

■qb^ni TiSQ-m np nnx-^K moNi n£3iD dd*? un ■iox'?

]jquot;: - : ol ; - v ^Isquot;» •• -quot;t :^ it : *•• v. t j :

nF0 xiy. •' r?0i? 'C' ri^r^a1?'

ri^-ia inaD'nx pnK nin' niv quot;i^N3 p D'aon1? nj;quot;i3quot;Da kip'i : psr-i^ ♦nn

A- ; - ; I- : t -:i- : quot; quot; t I: • - ï r - i f r : ' ^.r r^-:

b'^'i : ?3 Dn'ün^a onvo 'SDin DH'DJI itrV»I ='

j- • : -- li- ^v •• -ii- : ■•)-:• jquot; \ : - •' quot; _-:i—

a1? prnn : Dhtaa-nx pnN-ntaa arsnb vn»i inèo *

j.. | - v.-iv- it - v I v,quot;; •quot; .. - j■ ; ■ - a- • - : ^ :r- . quot; quot;

nin* -IDN'I D : nin' quot;i3i dh^N n^-is^

t : v lt;- it : r.' • vv quot;• •quot; av •• -: v.' t j ^ ;-

nils -j^ : Dj^n rf?^gt; |«p n^pa 3^ 122 naam iN'n na'ir-^ inNip1? nayji no'ón nï' n:n ipaa

•jv - - : A : - -•- : ' v tI : • jt : - • ; t ; quot; * ....... Iv -

bnnvn^K nfnn^N maxi: ni'a npn srn:1? quot;nanrn^K «=

■ ; it lt;•• v; t : t •• jt : -it : Iiv^t: T^: [•gt;'■'quot; :v v

quot;Nb nam 121722 *:i2y\ 'è^-nx rbv Pa^P n,u?N 'jnptf

1 jquot; ' i at : • — • l.-. : ^-.1—. ■ v - - •■ I v •• ■ lt;- t :

toovenarijen met succes bestrijden, dan ligt daarin eene overwinning Gods op de Kgyptisclie al'goden.

12. pnx nan. iquot; een gedrocht veranderde staf van Aharon.

14. Hier volgen nu de tien Egyptische plagen, of eigenlijk negen plagen en de sterfte der eerstgeborenen, die het begin van liet eigenlijke strafgericht vormt. L)e ntgen eerste plagen (7,14—11) kunnen zonder veel moeite in drie groepen vun drie play en worden ingedeeld. Van elke dier groepen worden de eerste en tweede plaag Phnr'o vooraf aangekondigd, terwijl telkens de derde plaag zonder voorafgaande waarschuwing hem treft. De eer.ste, vierde en zevende plaag worden hem in den morgen aangekondigd De Egyptische toovenaars zien in de derde plaag, waarbij hunne kunst hen in dea steek laat, den vinger Gods; door de zesde worden zijzelve getroffen, zoodat zij niet meer voor Mozes kunnen staan; terwijl na de negende plaag Phai'o alle verdere besprekingen afbreekt. De laatste plaag eerst is een onmiddellijk ingrijpen van God zelve (vgl. de woorden van Ex. 11,4 en 12,29, vgl. Uirscu, Keil e. a) Het wonderbaarlijke der plagen, met uitzondering van de tiende, ligt, naar veler opvatting, niet juisi in den aard der bezoekingen; het zijn meer voorkomende land pingen. Hier evenwel kwamen zij op ongewone tijdstippen, deels na voorafgegane aankomligiiig, hielden na gebed van Mozes op, en kwamen zoo hevig en zoo spoedig na elkander over het land, dat zij daardoor toi wonilei teekenen der Goddelijke Almacht werden.

15. nD'Oil Xï' run, waarschijnlijk o111 den Nijl, de bron van Egypte's vruchtbaarlieid, guuüeüjke vereeriug te bewijzen.

ocr page 38

EXODUS VII.

17 hebt tot nu toe niet geluisterd. Zoo heeft de Eeuwige gesproken ; «Hierdoor zult gij erkennen, dat Ik de Eeuwige ben! zie! ik sla met den staf die in mijne hand is, op het water,

18 dat in de rivier is, en het zal in bloed veranderen. De visch, die in de rivier is, zal sterven, en de rivier zal stinkend worden, zoodat de Egyptenaren er van walgen zullen, om water

19 uit de rivier te drinken.quot; — De Eeuwige zeide tot Mozes: „Zeg tot Aharon: neem uwen staf en strek uwe hand uit over de wateren van Egypte, over hunne stroomen, over hunne kanalen en over hunne meeren, en over alle verzamelplaatsen hunner wateren, en zij zullen bloed worden; zoodat in geheel het land Egypte bloed zal zijn, zelfs in de houten en steenen

20 [watervaten].quot; Mozes en Aharon deden zoo, gelijk de Eeuwige geboden had; hij hief namelijk den staf op, sloeg het water, dat in de rivier was, voor de oogen van Phar'o en de oogen zijner dienaren ; toen werd al het water, dat in de rivier was,

21 in bloed veranderd. En de visch, die in de rivier was, stierf, en de rivier werd stinkend; zoodat de Egyptenaren het water uit de rivier niet konden drinken. En het bloed was in geheel

22 het land Egypte. De beeldschriftkundigen van Egypte deden even zoo door hunne geheime kunsten; hierdoor bleef Phar'os hart vast, zoodat hij met naar hen [Mozes en Aharon] luisterde,

23 gelijk de Eeuwige gesproken had. Phar'o keerde zich om, ging

24 naar zijn huis, en richtte zijn hart ook hier niet op. Al de

17. n30 Aharon, sla. Aharon spreekt immers tot Phar'o. — orh «Brui. Zooals bericht wordt, komt eene kleurverandering van den Nijl bijna jaarlijks voor. Het water wordt namelijk bij het begin der stijging, dus in het begin van den zomer. Juni, rood; de oorzaak van dat verschijnsel staat niet vast. Sommigen willen hier ook aan kleurverandering denken (vgl. Joël 3,4 a-h isrp), zonder dat van chemische verandering in werkelijk bloed sprake behoeft te zijn. — Het wonder is dan, dat het dit maal in het voorjaar (April, daarentegen v. a. in September) plaats had; dat plotseling in alle vertakkingen van den Nijl en in houten en steenen voorwerpen de verandering zich voordeed en vooral dat de visschen stierven en de rivier begon te stinken, terwijl volgens de berichten der reizigers juist bij het roodworden het water beter drinkbaar pleegt te worden, dan voor dien tijd (vgl. Keil). — Dit allea in aanmerking nemende, houden wij de letterlijke verklaring niet alleen voor de meest eenvoudige, maar ook voor de meest natnurlijke, vooral ook omda, aan de berichten der reizigers, die lang niet op alle punten overeenstemmen, niet te veel waarde mag gehecht worden. Velen toch laten zich geheel leiden door de verhalen der inboorlingen, die zeker niet vertrouwbaar geacht kunnen worden.

18. In het voorjaar leven de Egyptenaren grootendeels van visch, waaraan de Nijl zeer rijk is. Het is dus een vreeselijke bezoeking, die hen in de sterfte onder de visschen treft. Door de proote massa doode visch, die in de rivier tot rotting overgaat, krijgen de Egyptenaren eene walging van het water; wel doen zij alle moeite om het te drinken, maar het is hun ten slotte onmogelijk, zij vermoeien zich te vergeefs. — isS:, vgl. Gen. 19,11.

16

3

ocr page 39

i tü

nannin^iN'a DND ninquot; -ION na : nr-i^ ^

.. . rtt : j* -; vquot; -* : t : •gt;' r lt; i quot; t : v* t

lasmi. quot;iN^ D^an-1?^ ntssa i rtao

DnïD quot;iNvn nian ■iN'riE'K n:-im : ^

• - : • : a : - t ^ t ^ : ~ v -; st t - : it :

-Vn quot;ioK nÈ'o-bN nirv -iqk»i □ : quot;iK'n-p d^d nin^^

■•quot; - - '. ' f T ' ^ ' L 9 ' 1 1 quot;' '

i Dnnnr^ on.vp ^T;nL2:i pn« bn rrm Drvnn anwo nipo-^a an*ow^ annK»

t tlt;t : q:r: •• i- r-l;- t r,-; v •• : - : -v •• i :

rin«i niyo pquot;^n : D^DN;» ansa pK-7D33

i -; i~ : v iquot; ^-:i— r t -:it v' quot;it • quot;: * 1 v-»v t :

wïiwz iamp;ND'èn-nx whamp;iDZ am nirr mï i quot;i^n43

j.. . ; - j*.. -: • - - .. )lt;— v - - v«t~ t : ■jt ' -»••• -; iquot;

nimi: di^ D'sn-ba ^srri

t t - : it: v. : ~ v -; • j- - r ■gt; : it— at t v.** • :~

ü'p nïnamp;ï anvP ^r^quot;! 'n]?^

onyp 'QLnn •quot; onxp --

: nln' 121 quot;1^x2 orftK 'n^is-n1? pTn#i on^a

it ; jv • v,v -:i- v •• quot;j -•■quot; t 1 ; ^ : - iquot; I lt;-v;iv- av quot;it :

-bansn»'!;n^ryaju1?m^r^KNn,i ri^-is

t s : ;-- it - v * jt 1 : a •• v v.t- *: - • v-»- - 13

19. wayp, over het water, in alle windrichtingen. — Dmru. de armen van den Sijl; D'HO, de kunstmatige kanalen; Qinjx, de door den Nijl gevormde groote waterplassen, meeren; Dniiyi;: nips Ss, alle waterverzamelingen, dat zijn zoowel verspreide plassen van buiten de Nijlbedding samengevloeid water, dat na de overstrooming is blijven staan. — als kunstmatige reservoirs, waarin drinkwater voor den tijd van den lagen waterstand werd bewaard. — n'ïia, in de houten en steenen bakken en kuipen, waarin het Nijlwater voor huisselijk gebruik bewaard werd. Alleen het Nijlwater schijnt getroffen te zijn, terwijl bronwater goed bleef. De Egyptenaren hechten echter zoo groote waarde aan Nijlwater, dat zij in den vreemde juist het gemis daarvan ten diepste beklagen. Bovendien is Egypte niet bijzonder rijk aan bronnen, zoodat daaruit niet in de behoefte aan water kon voorzien worden.

20. ni3Q3 DTI) hij hief zijne hand op met den staf.

22. Zij brachten eveneens bloed voort, terwijl hunne handelingen waarschijnlijk ten doel hadden de plaag te verwijderen. Daartoe echter bleken zij niet in staat te zijn. — Het te voorschijn brengen van bloed uit bronwater door zijne beeldschriftkundigen gaf Pliar'o echter aanleiding, om ook bij Mozes en Aharon aan toovenarij te denken.

23- rUCtS DJ; evenmin als op het vs. 10 berichte wonderteeken. 24. S3. de Egyptenaren; v. s. blijkt hieruit, dat ook door de

drie eerste plagen de Israëlieten niet getroffen werden. Uit de afzonderlijke vermelding (8,18), dat bij de vierde plaag de provincie Goshen gespaard zou blijven, volgt echter, dat tot dat tijdstip ook de Israëlieten onder de plagen te lijden hadden (vgl. Ibn 'Ezra).

ocr page 40

EXODUS Vil, VIII.

Egyptenaren groeven rondom de rivier naar water om te drinken ; want zij konden van het water der rivier niet drinken.

25 Zoo verstreken zeven volle dagen, nadat de Eeuwige de rivier geslagen had.

26 De Eeuwige zeide tot Mozes: «Kom tot Phar'o en zeg tot hem : zoo heeft de Eeuwige gesproken : «laat Mijn volk heen-

27 gaan, dat zij Mij dienen. Weigert gij echter hen te laten heen-

28 gaan, zie, dan sla Ik al uwe grenzen met kikvorschen. De rivier zal wemelen van kikvorsehen; zij zullen dan opstijgen, en komen in uw huis, in uw slaapvertrek en op uw bed, en in het huis van uwe dienaren en in [die van] uw volk, en in uwe

29 ovens en baktroggen. Over u, over uw volk en over al uwe dienaren zullen de kikvorschen opkomen.quot;

1 De Eeuwige zeide tot Mozes; «Zeg tot Aharon ; strek uwe hand uit met uwen staf, over de stroomen, over de kanalen en over de meeren; en doe de kikvorschen opstijgen over het land

2 Egypte.quot; Aharon strekte zijne hand uit over de wateren van Egypte; toen kwam de kikvorsch op en bedekte het land

3 Egypte. De beeldschriftkundigen deden evenzoo door hunne geheime kunsten, en deden de kikvorschen opstijgen over het

4 land Egypte. Phar'o ontbood nu Mozes en Aharon, en zeide: „Smeekt tot den Eeuwige, dat Hij de kikvorschen van mij en mijn volk wegneme; dan zal ik het volk laten heengaan, dat

5 zij ter eere des Eeuwigen offeren.quot; Mozes zeide tot Phar'o : „Verheerlijk u boven mij ! tegen wanneer zal ik smeeken voor u, uwe dienaren en uw volk, om de kikvorschen van u en uit uwe huizen uit te roeien; slechts in de rivier zullen zij over-

6 blijven?quot; Hij zeide: „tegen morgen!quot; Hierop zeide hij ; „Naar uw woord! opdat gij zult erkennen, dat niets is als de Eeu-

7 wige, onze God. Dan zullen de kikvorschen wijken van u, en uit uwe huizen, van uwe dienaren en van uw volk; slechts

8 in de rivier zullen zij overblijven.quot; Mozes en Aharon gingen van Phar'o weg, en Mozes schreide tot den Eeuwige, wegens de kikvorschen, die Hij over Phar'o had doen komen.

26. jca, kom, ga in zijn paleis.

28. ibjn. zij zullen opstijgen uit de rivier, en de huizen binnendringen en de menschen zelve niet ontzien. Daarin en in liet op Aharon's beweging ontstaan der plaag ligt het wonderbaarlijke. — msx, kikvorschen, eene lastige, maar niet gevaarlijke plaag, -pnnscisai yiwui, in de voorwerpen, die QHgelijks ter bereiding van het brood gebruikt werden.

HoOFnsTDK VIII. 3. De beeldschriftkundigen deden evenzoo en kregen hetzelfde resultaat, als Mozes en Aharon. Zij konden wel in het klein de plaag voortbrengen, maar niet verwijderen. Hmsciz: Zij maakten dezelfde bewegingen, deden evenzoo als Mozes en Aharon, om hunne vermeende bezwering krachteloos te maken, doch met geen ander resultaat, dan dat ook zij de kikvorschen deden opstijgen.

17

ocr page 41

n T tntfl r

'p'pp d^D IN'H ria^D onvp

ö : quot;iH^rrnK nirrnün nnx d^o» nvniy nSd'i : quot;i^n «

i ; - v vt : i - aquot; t *■*- ; • vquot; t • - i : -

nin^ idn rü v^k niaw n'pns-bK K2 PiBto-VKnimöKn «

t : j- t « t •• : - it ; : - v v '' '■ t : v lt; -

e]ai paijmn n^1? nnx INQ-DNI : 'ajrnN nW » itoi ty] b^^Sï^N^n p.B'i; n=

^js^i ïpa# n^ai quot;innai

quot;^X- flW : ^i^nN^pai ^nisnai»3

?)TT-nNnü: pnN_bK lp# nBto-VNrhin» ip^i: D^insvpN' quot;nx ^ni a,aiKn-^'i onK^n-^ n^nrr1?# ?|èp3 ♦p'p iTTiK 'pnN m : onyp px-1?^ D'jrnsvp3 13-itr^i : onxp pN'risi Dprn innfivn '^ni on^pJ : onïp pN'^ D^i-iavrrnK Drraba D^amnn

nin»-1?» no^i }SnK,?!i npoV rij?-ia : mrr1? inarn d^htik nn^j^Ni ♦d^di ♦aso D'^nsxn

.it i- ^ ; ;•; t t , # v t ; - -:i- a- ^-iquot; • • ^ ; ; - ; i-

^17 i ♦riD'? ''S^ iNönn npna1? nwn ip^H0 ■)K;3 pn^napi ^sp D^-ifiinnnpn'?

ptr'3 pnn fjrpV ^ars Sonm. -ino1? npxn : n:-iNtfrp ïina^Di n'naöi ?ISD D»imain noi * nrn'jK nin^s»

p v.vt'^iiquot; i v-t • i ; • ; i- -t : i- v: jt i-

np-i3 d^d pnKi ntfo kx»i : ni-iNi£gt;n iamp;z pi nsjttJiquot;

a :quot; •5* •• I v-*iquot;: •)•• -»••••- t ;r t v. : I |av^-im

: DB'-I^K D^riain quot;lar^ nin^tt n^o pyw

4. Nu hij ziet, dat de geleerdheid zijner toovenaars hem niet kan helpen, begrijpt hij, dat de plaag van den Eeuwige uitgaat, en zegt, den gestelden eisch te zullen inwilligen.

5- quot;hy quot;Hom, verschaf u roem over mij, d. w. z. neem u den roem, zelve den tijd te bepalen, tegen wanneer enz. Bepaal slechts den tijd, dat de plaag zal verdwijnen, en ik zal uw wensch voldoen (Mendelssohn).

6.. -inoS, niet dadelijk, want het kon dan toch een natuurlijk verschijnsel zijn, waarvan Mozes wist, dut het heden zou eindigen. Daarom bepaalt hij eigenmachtig den volgenden dag (Ibn 'Ezra).

ocr page 42

EXODUS VIII.

9 De Eeuwige deed, zooals Mozes gesproken had; en de kikvorschen stierven weg uit de huizen, uit de voorhoven en van de velden.

10 Men stapelde ze op bij hoopen, en het land werd stinkend.

11 Toen Phar'o nu zag, dat er verademing was, verzwaarde hij zijn hart, en luisterde niet naar hen, gelijk de Eeuwige gesproken

12 had. — De Eeuwige zeide tot Mozes ; «Zeg tot Aharon: strek uwen staf uit en sla het stof der aarde; dan zal het in geheel

13 het land Egypte tot ongedierte worden.quot; Zij deden zoo; Aharon strekte zijne hand uit met zijnen staf, en sloeg het stof der aarde; toen ontstond er ongedierte op de mensehen en op het vee ; al het stof der aarde werd tot ongedierte in geheel het

14 land Egypte. De beeldschriftkundigen deden evenzoo door hunne geheime kunsten, om ongedierte voort te brengen, maar zij konden het niet. Intusschen bleef het ongedierte op de

15 menschen en op het vee. Nu zeiden de beeldsehriftkundigen tot Phar'o : „Het is een vinger Gods!quot; Nochtans bleef Phar'os hart vast, en luisterde hij niet naar hen, gelijk de Eeuwige

16 gesproken had. — De Eeuwige zeide tot Mozes: „Sta 's morgens vroeg op en plaats u voor Phar'o, — zie, dan gaat hij naar het water uit —, en zeg tot hem: „„Zoo spreekt de Eeuwige :

17 laat Mijn volk heengaan, dat zij Mij dienen. Want zoo gij Mijn volk niet laat heengaan, dan zal Ik loslaten tegen u, tegen uwe dienaren, tegen uw volk, en in uwe huizen allerlei wild gedierte; en de huizen der Egyptenaren zullen vol worden van

18 wild gedierte, en ook de bodem, waarop zij zijn. Ik zal op dien dag het land Goshen, waarin Mijn volk zich bevindt, onderscheiden, dat daar geen wild gedierte zijn zal; opdat gij zult erkennen, dat Ik de Eeuwige ben, in het midden des

19 lands. Zoo zal Ik eene scheiding maken tusschen Mijn volk en

20 uw volk; tegen morgen zal dit wonderteeken geschieden.quot;quot; De Eeuwige deed zoo en er kwam machtig veel wild gedierte in Phar'os huis, en in het huis zijner dienaren ; en in geheel het land Egypte werd het land verwoest door het wild gedierte.

io. onan. •wn is de grootste inhoudsmaat; bij mudden vol.

12. p33gt; volgens Puilo ; eene soort kleine stekende insecten, muggen, nauwelijks voor het bloote oog zichtbaar, die in neus en ooren kruipen en wier steek een pijnlijk jeuken der huid veroorzaakt.

14. Volgens de gewone opvatting: zij sloegen eveneens den bodem om onr/edierte voort te brengen, doch konden het niet; God liet hier hunne pogingen zonder resultaat blijven, om henzelve tot inzicht te brengen, zooals uit vs. 15 blijkt. Hirsch : zij deden evenzoo, maakten ook bewegingen, om weg te voeren, Nquot;gt;nnS, het ongedierte, doch vermochten het met; wn beteekent dan : zoo bleef.

15. D'nSiC het is het werk eener goddelijke macht; zij denken nog niet aan den God Israels, dan toch zouden zij den Godsnaam 'H gebezigd hebben.

18

ocr page 43

n k-iki

quot;ip D^narrrp inón nt^o -aia nin* mn -

' ^ t i • ; : - : i- \t~ av j- . • : )—

: p«n iwarn onon onon Dn« naï'l • rihfn-fpi nn vnn' an1?^ yvv xbi laynNnapni nnnn nn»n »3 rijns Ki'i ^

Hokh^O-^N nin»-ip^i D : nin» nan •mp pN-^a DSD1? nr}] pxn ifijrnK quot;lö^nx inèpa pnN m frw^i : Dnïpquot; D^p n»n nxn nonaai d-ins obn ♦nni psjn

^ jtt i .-it t J ~: T at quot; i vt t it t quot; quot; ; - | v t t

N^in^ Drrtfta D^aüinn p'i^A : onvp pK-baa ^ ,noK»,i : nonaai diks obn ^nm by xbi d wj-ik ib

^ : 'quot; it •• ; - v,ttit t • - • : - at -• : v* * quot;

n^ns-a) pjnn xin yav** rf^-ia-^sj b^püinn quot;bx nin» quot;iok'1 d : nin» nai i^xa onbx »

no»Dn kïi* nan n^-is ysh a^ini npaa Da^n'n^o -d« *2 : 'anajn 'py njn» npx na v^nnpN^ ?|Dj;ai ^na^ai ^a n^p h:r\ nVVp^VK

nD-jKnD^a%n-nx bnïp 'na INVOI a^n-nx ^naai 1^10 pifnK Ninn ai»a : n^ on-i^N ^

\:tlt; *3 pnn f^p1? anj; D^-nvn ♦n'pa1? rr^ ipv 'p^ inpb ^jaj; pai pa nna ^np'^i * • pxn a^a nin» ^ n^na nn»a naa a^ kan fa nin; : nrn nxn nW= ttn|5n: an^n »jap pxn nn^n onyp pN'^ai vnai nrni»

17- n^ca. loslaten, den vrijen teugel laten; de beperkingen wegnemen, die het dierlijk instinct hun anders tegenover den mensch oplegt. — air, mengsel van diersoorten, wildgedierte (Ibn 'Ezea); v. a. niet van air, vermengen, maar van nau, het woestijngedierte; Rashbam: avondgedierte, dat in het donker op roof uitgaat; n. a. hondsvliegen (vgl. Keil).

18- f-ixn anpa 'n uk o. dat Ik in uw eigen land de Eeuwige, voor Israël rechtoefenende God ben, die ook daar Zijn volk van het uwe onderscheidt.

ocr page 44

EXODUS VIII, IX.

21 Phar'o ontbood Mozes en Aharon en zeide: „Gaat, offert ter

22 eere van uwen God, in het land.quot; Doch Mozes zeide : «Het is niet passend zoo te doen ; want wat den Egyptenaren eene gruwel is, moeten wij den Eeuwige, onzen God, offeren ; zie, als wij den gruwel der Egyptenaren voor hunne oogen offeren,

23 zullen zij ons niet steenigen ? Laat ons eenen weg van drie dagen de woestijn intrekken, en ter eere van den Eeuwige,

24 onzen God, offeren, gelijk Hij ons bevelen zal.quot; Hierop zeide Phar'o : „Ik zal u dan laten heengaan, opdat gij ter eere van den Eeuwige, uwen God, in de woestijn offeren kunt, — doch

25 gaat niet al te ver heen ; smeekt voor mij.quot; Mozes zeide: «Zie, zoodra ik van u wegga, zal ik tot den Eeuwige smeeken, en het wild gedierte zal van Phar'o, van zijne dienaren en zijn volk wijken, — morgen ; slechts moge Phar'o ons niet weder te leur stellen, door het volk niet te laten heengaan, om ter eere

26 des Eeuwigen te offeren.quot; Mozes ging van Phar'o weg en

27 smeekte tot den Eeuwige. De Eeuwige deed naar het woord van Mozes ; Hij deed het wild gedierte wijken van Phar'o, zijne

28 dienaren en zijn volk, er bleef niet één over. Doch Phar'o maakte zijn hart zwaar ook dezen keer, en liet het volk niet heengaan.

1 De. Eeuwige zeide tot Mozes : „Kom tot Phar'o en zeg tot hem : zoo heeft de Eeuwige, de God der Hebreërs, gesproken:

2 laat Mijn volk heentrekken, dat zij Mij dienen. Want zoo gij weigert hen te laten heentrekken, en hen nog langer vast-

3 houdt; Zie, dan zal de hand des Eeuwigen zijn op uw vee, dat op het veld is, op de paarden, op de ezels, op de kameelen, op de runderen en op het kleinvee in eene zeer zware pest.

4 De Eeuwige zal onderscheid maken tusschen het vee der Israëlieten en het vee der Egyptenaren; en er zal niets sterven

5 van hetgeen den kinderen Israëls toebehoort.quot; De Eeuwige bepaalde eenen tijd, zeggende: «Morgen zal de Eeuwige deze

6 zaak in het land doen.quot; De Eeuwige deed dan ook deze zaak den volgenden dag; en al het vee der Egyptenaren stierf, maar van het vee der kinderen Israëls stierf niet één.

21. Gedeeltelijk geeft Phar'o reeds toe; //gaat echter niet naar de woestijn, maar offert in het land Egyptequot;.

22. D^SD rojnn. wat dm Egyptenaren een gruwel is, v. s. dieren, die zij als goden vereeren, waarvan het offer hun dus tot gruwel zou zijn; v. a. wat wij tot onzen afkeer in Egypte als goden zien vereeren. Daar echter alleen koeien door de Egyptenaren als heilig vereerd werden, meenen anderen, dat de bedoeling is: Op eene wijze, die den Egyptenaren tot gruwel is, offeren wij ; een offer, gebracht naar onze gebruiken, zou den Egyptenaren als heiligschennis gelden.

23. Wij moeten met al het onze heengaan, want wij willen offeren

19

ocr page 45

£2 n 12»

mar pn^bi ntfo-VK ri^na

it t v ....... j '• ' * '• v - i a -:^i-: v. •* *•* ^ *

nirv1? nan onxo rayin '3 p ns: K1? n^o io^'i «

jt i- vquot; ï * * - : * •*' • • *« I •• •* ^-:i- I t « v v •* -

: la'jpD» nh) Drryy1? onxD najrin-nx nar: p irn^K

r-. I:: • j : v.v •• i v -:• l-»quot; aquot;

niriO wpi^K mn»1? nnnn nanaa •nquot;?: D'ó» nvbv rni»

v,v -:r •.•; i- ; -t: at ; • - Kquot;quot; * t •••-•; | vv«

onnan DDn« rhm ♦SiK n'^a quot;idk»! : ™

v ; - ; v : v «- quot; -: - it :quot; ^ iquot; •• j-

dd*?1? p^nin-K1? pmn pn linaa oa^ri^K nin»1?

V • * vav t i : quot; 1 ' ï i ^ t ; • - v •• i v: «t r

nin^-^K ♦mnyni -iai?a nxi» ♦ük niin ntro id^i : nra ^

^ t ; J» : - ; ) t iquot; lt;•• • it •• • v v -» ~ r^-:i-

nj;-ia eib^K pi ina vnayo n^-isa nSyn idi

:- !«•• - | - at t ^-1quot; jtt^iquot; ^ • 't iv ••t :

n^a nx»quot;) : nin^ riaT1? D^n-nx nW 'nVa1? ^nn«

gt; l'\ 'Tgt; 'quot; quot;.l :' TT ••• •.-- ■ : ■ :

-np»inBgt;a nana nin» : ninpN quot;iny*! ri^is D^a » fi^ns naan : nn» inb'i k1? la^ai maya rijnaa aiyn ~

:quot; lt;••:-- it v v,quot; : * v a^iquot; -«tt^-:!quot; ^ • 'tiv

a : D^rrnK rhp *6i mjn oyaa m laVriK nin» -iaN-na mam nvna^K tfa n^a-1?» nin» la^i« CS

t : t i t •• jt : ~ * : a : quot; v ^ v v t : v lt; -

nnN rwa-DK 'a : mav,,i quot;Wnn rhv onayn ♦ri1?» =

-Aquot; - ; V.t - i r-^t r ■ i\ : ^-r: v.quot; ^ v j— • : ^ it —• r:

nn'^a late n^Daa n;in nin^-n» nan : na pnna nni^i ^

vt - i; i; • : t t ; - •• • ^ it i r-: i- : » :

: T«a naa nan \av2) npaa D^aaa anana D^oiDa

i : jquot; r v^v i a - i^tt - • - ; - -j i* «•

nia» ï6i nnxa njpa rm ^Knty» napa ra nh» n^am ■gt;

•» t j z 'at: • -quot;'l: ' i vquot; •• t : -»quot;1; • i quot;lt; r : jt ; • ;

namp;y nna na»1? nyia nm» otrn : nan bKntp» ♦aab-^aaquot;

sv 'hl- t^t a •• •5quot; v.t ; v jt it t t : ' jquot; t ' t

rninaanïn nann-n» nin* : pwa ntn nann nin^

t ▼: it • v- lt;t t - V t : --- i vit t v •*' jt t' 4t

: nnK nD'Hb bxn'wm napaai onxa mpa Va nan

it v jquot; v.quot; t: quot; iquot; ; jquot;l: ' * • at ; • jquot;!: * v. t t -

zooveel en van die soorten, als God ons bevelen zal. Daarom is het ook niet voldoende even over de Egyptische grenzen te gaan, want op den berg Gods, op drie dagreizen atstands in de woestijn, zullen wij die openbaring eerst krijgen.

Hoofdstuk IX. 3. niB'S ntPiCi alleen het vee op het veld is gestorven, daar blijkens vs. 10,19 en 25 nog vee over is. Ibn Ezra meent, dat met om» rupa Sa (vs. 6) niet juist al net vee, maar de groote meerderheid van de dieren bedoeld wordt, zoodat het overblijvende in vergelijking met het verlorene niets beteekent.

4. Sfnuquot; Sao = Sxitii ijziS it\s Sj», van al wat... toebehoort.

ocr page 46

EXODUS IX.

7 Phar'o zond heen, en zie, er was van het vee der Israëlieten zelfs niet één gestorven. Nochtans bleef Phar'os hart zwaar, en liet hij het volk niet heengaan.

8 De Eeuwige zeide tot Mozes en Aharon: //Neemt uwe beide vuisten vol roet uit een kalkoven, en Mozes werpe het hemel-

9 waarts, voor de oogen van Phar'o. Het zal tot stuifzand worden over geheel het land Egypte, en zoowel op de menschen als op het vee tot eene ontsteking worden, uitbrekende in etter-

10 gezwellen, in geheel het land Egypte.quot; Zij namen roet uit den kalkoven en plaatsten zich voor Phar'o en Mozes wierp het hemelwaarts, — toen werd het tot eene ontsteking van etter-

11 gezwellen, uitbrekende aan de menschen en aan het vee. De beeldschriftkundigen konden niet blijven staan voor Mozes wegens de ontsteking; want de ontsteking was aan de beeld-

12 schriftkundigen en in geheel Egypte. Maar de Eeuwige verstokte het hart van Phar'o, zoodat hij niet naar hen luisterde,

13 gelijk de Eeuwige tot Mozes gesproken had. — De Eeuwige zeide tot Mozes: «Sta 's morgens vroeg op, plaats u vóór Phar'o en zeg tot hem : zoo heeft de Eeuwige, de God der Hebreërs, gesproken: laat Mijn volk heengaan, dat zij Mij

14 dienen. Want ditmaal zend Ik al Mijne plagen op uw hart, over uwe dienaren en uw volk, opdat gij tot de erkenning zult

15 komen, dat niets Mij gelijk is op de geheele aarde. Want zoude Ik nu reeds Mijne hand hebben uitgestrekt, en u en uw volk met pest geslagen hebben, dan zoudt gij van de aarde

16 verdelgd zijn. Maar juist daarom heb Ik u doen voortbestaan, om u Mijne macht te doen zien, en om Mijn naam

17 over de geheele aarde te verkondigen! Werpt gij u nog

8- JB03 ITS. roet, aanzetsel (van ptib = nsj, blazen) van een kalk- of smeltoven (van tos, neerdrukken, bedwingen).

9. pnc. van het Chald. jnc, heet zijn, ontsteking-, nirapax, van na = raj, opwellen, zwellen, dus: huilen, blazen, gezwellen. — Over de vraag, waarom deze plaag juist met neerslag uit een kalkoven over Egypte moest gebracht worden, heerscht bij de schrijvers verschil van meening. Sommigen meenen, dat roet juist als geneesmiddel tegen de hier bedoelde ziekte gebruikt werd en daarom juist thans voor Phar'os oogen als ziektebrenger moest worden gebezigd. Anderen meenen, dat juist neerslag uit den kalkoven genomen moest worden om Phar'o te toonen, dat het product dier ovens, waarin de bouwstoffen voor Israel's werk werden vervaardigd, door God tot vloek voor Phar'o en Egypte kon gemaakt worden, evenah hem dat in de drie eerste plagen met het water en den bodem, de bronnen van voorspoed, aangetoond was; terwijl in de 4de en 5de plaag hem was bewezen, hoe de dierenwereld aan hét woord Gods onderworpen is, zou hem de zesde plaag hetzelfde aantoonen aangaande het product van 's menschen arbeid (vgl. Hiksch en Keil).

11. De beeldschriftkundigen, die ook geneesheeren waren, werden het eerst door de ontsteking getroffen (vgl. Ibn 'Ezra en Nachm.)

13. Het laatste drietal plagen, dat Phar'o moet voorbereiden op het

20

ocr page 47

12 N-l«1 3

HJpap nn-^b nini n'^ns nb^v ö : DyrrnK nbtr riirns a1?

^ rTT V,- * j : ^

n»s DD^ön DDS inp hntr^i ntyo-bN ninno^iquot;

- v •• ; t -• : v t lt;1:1 -: i~ v : -v v t ; ■«quot;

pi»1? n^ni : n^-ia rwaiyn ntyo ipiri rtraao

i t t : -tt ; i : quot; : t t •)••* ij t: iat : •

nia nónan-^i onxn-^ n^m onso

- ■)•• ir:' t •• ; - ^ : ttit tt : 'at : • I v-»v t

■npjn |^33ri n^quot;m inp'i : onxp 1

riyayaK pntf 'pim no^a^n hb'd inx pnn nps ^aquot;? n^o ^a1? la^1? D'óüinn : nonaai DIKS nna ^

vv jquot; : • •) ^:i- •••.;-1- ■»; it ^ : it •• : - vttit - ••

ptnn : Dnïo-l?33!i Dat2nn3 r^nt^n n^n-^ rntrn ^aa^

!«••-:- • it : • t : v.' •.:quot;»■»' ï * -t t i* i a* : quot; •

-bx nin» -131 quot;iipk3 Dnbw jroa' rijna 3l?-nN nin»

V.t : -»•-• • ■)•.• -j I- AV ~ t^ j ^ -••• v t :

32rnni ips? os^n nibo-'jKninno^i D : nvü» vbv Dn3ï;n'ril?tlt;riinnöKTi3 V^K mDNi nyia ^ab

^ - • : • it vc t : lt;~ t i t •• -t : - it : quot;Tk ; - •*quot; : *

♦naao-ba-nx vtiv»:« nxin ojraa i »3 : ^i3yn T

- - T v - •• • -t - - J* • i\ : ^-|-: c quot;

-V33 ♦ibs pK »3 ^nn ^na^ai

^quot;Dnaïrrw nnix ^ n'-nw nn^ »3 :p«niD

vat- vf : v ; 4| ; i Pjquot;t 't v * :-*- t tlt;* | vitt

113^3 ^rna^n rw iia^s D^INI : pKn-|Q insni™ * : p«n-i?33 'm nao ?yol?,i ♦n3~nN ^

ll : *1 | VITT t : i- : Jquot; ~ l ' ■)- : d- v -•) : l :-

Godsgericht, dat hem bij verdere hardnekkigheid zal treffen, wordt vs. 14 vv. met ernstige woorden ingeleid.

14. V13JD ^3. «' 3/yne plagen, d. w. z. eene plaag, zoo verschrikkelijk, dat gij u zult kunnen voorstellen, wat u nog te wachten staat. Het is twijfelachtig, of dit alleen doelt op de talrijke verschijnselen, die den hagel begeleidden, dan wel of men de drie volgende plagen gezamenlijk op het oog heeft, jwn avsa spreekt meer voor de eerste opvatting; doch kan ook beteekenen: bij de op deze, in den ochtend plaats hebbende aankondiging volgende plagen. — quot;ja1? Ss, op uw hart, zoodat zij uw hart treffen; inderdaad zien wij Phar'o vs. 27 tot in het diepst van zijn gemoed getroffen. Anderen: legen uw persoon, aV = ce:, minder waarschijnlijk. — •om ps o, dat geen uwer goden Mij evenaart; psn Ssa, op de geheele aarde; Siporno: in machtsoefening over al het aardsche.

15. Reeds thans zoude Ik de pest, die uw vee gedood heeft, over u en uw volk kunnen brengen en gij zoudt met één slag verdelgd worden; (vs. 15) dit doe Ik niet om twee redenen: le. 'na ns •jfiNin ■nara, om « Mijne macht te doen zien, u tot de ervaring te brengen van wat Ik vermag, en 2e. opdat Mijn naam over de geheele aarde bekend worde.

ocr page 48

EXODUS IX.

langer als dam op tegen Mijn volk, om hen niet te laten heen-

18 gaan ; Zie, dan zal Ik morgen om dezen tijd eenen zeer zwaren hagel doen regenen, zooals er in Egypte geen geweest is, van

19 den dag, dat het gegrondvest is, tot nu toe. Zend dus heen, laat uw vee in veiligheid bijeenbrengen, en al wat gij op het veld hebt; ieder mensch of vee, dat op het veld zal aangetroffen worden, en niet in huis zal zijn gebracht, daar zal de

20 hagel op neerdalen, en zij zullen sterven.quot; — Wie nu het woord des Eeuwigen vreesde onder Phar'os dienaren, liet zijne

21 slaven en zijn vee in de huizen vluchten. Maar wie zijn hart niet richtte op het woord des Eeuwigen, die liet zijne slaven en zijn vee op het veld blijven.

22 De Eeuwige zeide tot Mozes: //Strek uwe hand uit naar den hemel, dan zal er hagel zijn in geheel het land Egypte, op de menschen, op het vee, en op al het kruid des velds in het land

23 Egypte.quot; Mozes strekte zijnen staf uit naar den hemel; en de Eeuwige deed donderslagen en hagel ontstaan, en vuur voer ter aarde ; zoo liet de Eeuwige over het land Egypte hagel

24 regenen. Er was hagel, en midden in den hagel een vlammend vuur, geweldig zwaar,

25 geen geweest was, sedert

sloeg in geheel het land Egypte alles, wat op het veld was, van mensch tot vee ; al het kruid des velds sloeg de hagel,

26 en al het geboomte des velds verbrijzelde hij. Slechts in het land Goshen, waar de kinderen Israëls waren, was geen hagel.

27 Phar'o zond en liet Mozes en Aharon roepen en zeide tot hen: //Ditmaal [erken ik, dat] ik gezondigd heb; de Eeuwige is

28 rechtvaardig, ik echter en mijn volk zijn de misdadigers. Smeekt tot den Eeuwige, laat er genoeg donderslagen Gods en hagel geweest zijn ; dan zal ik u laten heengaan, en gij zult niet

29 langer blijvenquot;. Mozes zeide tot hem: «Zoodra ik de stad uitga, zal ik mijne handen tot den Eeuwige opheffen; de donderslagen zullen ophouden en de hagel zal niet meer zijn, opdat gij zult erkennen, dat den Eeuwige de aarde behoort.

17- SSinDQ van eene aardhoogte maken, een dam opwerpen; waarvan n^o», een door opstorten van zand en puin opgehoogde weg; dus: zich als dam opwerpen, weerstreven; anderen: zich verheven wanen.

is. mom, van. den dag, dat het volk als onafhankelijke natie in dit land is opgetreden, vgl. vs. 24 van af het oogmblik, dat het tot volk werd.

19. jyn, evenals Jes. 10,31: in veiligheid brengen.

23. -jSnm, v. s. bliksemvuur, v. a. vuurklompen. -jWii is de D'oSf-vorm van ^n; gew. ^Sni.

24. nnpSnDi zichzelve pakkend, d. w. z. zich opeenhoopend in het midden van den hagel; of: te midden van den hagel.

25. aCy Si Vy S3' vgl- de aanteekening op vs. 3. Wat de planten betreft, beperkt de'plaag zich tot hetgeen boven den grond staat.

21

ocr page 49

12 KIKI «3

na quot;ino njte Vüöö ♦wn : DnW VbinDQ ^

t t t ^quot;t • : - ** :\* ^ 'T : - v.' : • ^ * ' '• -quot;' '• '

mom D^rnö1? onvoa inoa n^rrtf1? i«o 133

: it • j- ] • : • - : • ; ^ t lt;tt i v -» a ; t

^ nN'i ^pp-nK T^n n1?^ nn^i : èpw nn^3 iotB^vn nDn3n,i cnwr^ mif3

|.. t,.. lt; . v t ~ ^ jquot; t • v t t ; t t it t av t -

nin» quot;i3Tnx kquot;i»n : inm -n3n onb^ quot;nn nn^sn 3

t : -•- : v -r- iquot; t vtt - .)••• quot;^-s s-t; t;~ -

: D*n3n-l?N injpD-nxi vn3rnsi D^n n^-ia n3^o

i. t - v ^quot;1: • v ; jtt^: v -r •• * : ~ V,quot;: •

-nKi v-i3vnK nin» -i3t1?k 131? tDViib m

v : jt t quot;t v -r-ztquot; at ; : v * ot jv quot;ïi

a : miJgt;3 mipo

^ ivt -

nquot;i3 ♦m D^btwr^ ^iT-nn nü: n^D-bN nin» quot;io^ =

vtt gt;• * • - t - I :it v lt;•• ; v v t : v -

mtm 3^r^3 nón3n-^i DiNrr^ onïo pKquot;,?33

V.vt - v t ~—. t •• : - : -ttit 'at; • | v-v t :

m: ninnb'DOT^iA-iBöTiN nt^a □»i : DnxopK3»

llt;-t t i- • - t - - v -v • it : • vjv :

nlt;-ty nn3 nin* ivm nïiN t^N-^nw rhplt;-ty nn3 nin* ivm nïiN t^N-^nw rhp

r; vtt -ir : squot; : quot; r :at vquot; r - tt l

TNp 133 nisn 'ïjins rinj5gt;np k'ni ins ♦n»i: d^ïd 13 ti : ♦u'? nrvn tnd onxd pin-l?33 in'd3 n-n-x1? quot;ii^s4 «

p-- | ; rr;it vT *\ • - ; • | v-»v t ; t lt;tt i •quot; ^ quot;ï

non3-i^i dikd nnB'3 na'x-l73 dk DnïQ f quot;1N-V33 iquot;i3n

at •• ; - : vttiquot; ^ vt - JV -: t | v-v t : ttgt;quot;

: *i3i? mtyn n^n n3n miSTi 3^quot;i?3 dni

iquot; • vquot;t quot; i jquot; t v ; tt - -*t • vt - v **quot; r quot; :

nV^i *: -1-13 n^n ah ,7N-lty, ♦:3 DKriirN rtra p^3 pn13

j- : • - itt vtt j aquot; t : • : vt v i v ^ 1 v-v : quot;lt;Tj

hin* D Vön 'DHun arbx -IÖN»i rhn^i k-ip^ njria

t ; ~at - • -t t v-***^ *•• jquot; ' -si- : -v ; t!:*- .

riVpn',no3,in nin^Knmyn : o^Bhn ♦spi ♦jni pn^n03

j ) ■» : r quot;: t : v • ^; - t ;it v quot; ! -»* quot;*»quot; ' • - -

v^N iQN'i: loyb naon nVi D3DN -»-131 d^Vn d3

t *• v lt;- i ^-sr i v ' • J ï v : v -t ; - -si- att v* . v:

rVrrr nibpnnin^^K^s-nN '^-isn i^n-nK »nNï3 n^ö

i t;v - i - at : v v— /-* j • v t v • ••

nriNi : pxn nin^ 9 jnn Tisni1'

27. dj7£jn tinton. ditmaal erken ik gezondigd te hebben, (Rashbam, Nachm.) Keil; deze keer heb ik door te weigeren gezondigd; dan ligt in orsn reeds dadelijk eene beperking zijner erkenning.

28. nmo 311. het is genoeg van het zijn van donderslagen, dit is de inhoud der bede; nnderen; reeds meer dan genoeg, dan dat er nog meer zijn zoude van donderslagen. CnSts nSp, v. s. van God komende, v. a. machtige donderslagen (vgl Gen. 30,8).

29. quot;VJ/n nK WCS3- V. s. ging Mozes, als hij bidden wilde, steeds buiten de stad, omdat deze vol afgoden was; v. a. alleen hier, om te toonen, dat de hagel hem ook op het veld niet zou dooden.

ocr page 50

EXODUS IX, X,

30 Maar wat u en uwe dienaren aangaat, ik weet, dat gij nog

31 niet vreest voor den Eeuwige, God.quot; — Het vlas nu en de garst waren verbrijzeld; want [reeds] was de garst in de

32 aren, en stond het vlas in stengels. Maar de tarwe en de spelt werden niet verbrijzeld, want zij zijn laatrijpend. —

33 Mozes ging van Phar'o wes, de stad uit, en hief zijne handen op tot den Eeuwige; toen hielden de donderslagen en de hagel

34 op, en de regen stortte niet meer op de aarde. Toen Phar'o zag, dat de regen, de hagel en de donderslagen opgehouden hadden, ging hij voort met zondigen; en hij maakte zijn hart

35 zwaar, hij en zijne dienaren. Phar'os hart bleef dus vast, en hij liet de kinderen Israels niet heengaan, gelijk de Eeuwige door Mozes gesproken had.

1 Nu zeide de Eeuwige tot Mozes: ,/Kom tot Phar'o; wantik. Ik heb zijn hart en het hart zijner dienaren zwaar doen blijven,

2 opdat Ik deze Mijne teekenen onder hen verrichte. En opdat gij in de ooren van uwen zoon en uwen kleinzoon zult verhalen, wat Ik tegen Egypte volbracht heb, en Mijne teekenen, die Ik onder hen gedaan heb, en tot de erkenning zult komen,

3 dat Ik de Eeuwige ben.quot; Nu kwamen Mozes en Aharon tot Phar'o en zeiden tot hem; ,/Zoo heeft de Eeuwige, de God der Hebreërs, gesproken: hoe lang nog weigert gij, u voor Mij te

4 vernederen? laat Mijn volk heengaan, dat zij Mij dienen. Want zoo gij weigert, Mijn volk te laten heengaan, zie, dan breng

5 Ik morgen den sprinkhaan in uw gebied. Deze zal het aangezicht der aarde bedekken, zoodat men de aarde niet zal kunnen zien, en zal het overschot van het geredde opeten, wat u van den hagel nog overgebleven is, en zal ook eiken boom

6 afeten, die uit het veld voor u ontspruit. En zij zullen vullen uwe huizen en de huizen van al uwe dienaren en de huizen

30. Uw wensch zal vervuld worden, de hagel zal ophouden, hoewel ik weet, dat uw schuldbelijdenis en belofte niet ernstig' gemeend is, want in den waren zin Godvreezend zijt gij en uwe dienaren nog niet!

31 en 32 toonen nu aan, hoeveel reeds getroffen was en wat bij voortdurend verzet nog te verliezen was. Anderen rneenen, dat deze verzen het slot van Mozes' rede vormen: gij vreest God nog niet. want, — al zijn vlas en garst getroffen, — tarwe en spelt, twee van uwe hoofdproducten, zijn nog ongedeerd! — Vlas en garst waren reeds zoover ontwikkeld, dat zij te hard waren om door den hagel gespaard te blijven; Hraj, in den bloesemknop; v. a. stengel.

Hoofdstuk X. 1. ^rnSDD 'JN 'S, //Word niet moedeloos onder Phar'os hardnekkigheid, want Ik ben het, die deze heb veroorzaakt met het doel tic om te doen plaats vinden deze Mijne teekenen, laipa, onder Egyptequot; De opdracht aan Phar'o wordt hier niet vermeld, maar volgt uit het vs. 3 medegedeelde.

2- IBDD' opdat gij, Mozes, dc vertegenwoordiger des volks, — of ieder

22

ocr page 51

♦ □ K3 Kquot;1K1 33

rwani : nin» furvn dil2 ^ ^

jt : • ~ : r v: jt : f ; • I r v-»v •lt; * -t i avt .1quot;

ntsnm : Vjna nn^sm n-nK nl^irn »3 nroj ni^ni ^

-gt;T • - ; S * : • - : • T : - «• tat •-. ; quot; :

djjo n^Q nï»! * : nsn r-i^ax ^ 133 rt1? nDMnigt;h niSpn lyirvi rrin^Sx vös ^na'i quot;i^rrnN fi^-ns

I - lt; ; : - - at : v v.t ~ j ; • ~ • t v _ :quot;

quot;iL2an ^nn-^ rijna nti •' hïik quot;inrK1? -iüqi inani ^

ST T - -T I* . : ~ IJ— T :iT fJ' ' « VT T TT quot; ;

: vnin Kin 12S aurn m nVpm quot;nam

itt .r j v * r* 1 -- a -: 1- |vj- . V' quot; : •)T^T ~ 1

121 quot;itrto ^3~n« nbi? nj?ia 31? prnn ^

r.* • )••• -ir aquot; t ;•-••• : v ^ : 'quot; ■,quot; ' quot;v:iv-

a : n^Dquot;n»3 ninquot;

IV - : V.T ;

bb-nK ♦rroan ♦ix-'S n^-ia_i?N xa nin» quot;ion'i «

. . . • -: r : - v v. v v t : v «-

: I3quot;|p3 rivW ♦rih^t vna^. 3L2quot;nKi

Dnvp3;ngt;^nn im nvt ^3quot;f3i ^3 ^msnapn i^ó'pi= nti'Q tto'ï: nin» '^-'3 Dnj;quot;i,,i D3 'notmiyN ^nn^-nxi ^

jv t ~ it ; j' i* {'.• •. - r at • :v -; v* ' *•* •

Dn3vn ♦ri1?» ninnoN_n'3 V^K quot;nax^ 'Htna^KlnnKi

• ; * it -»•• v; t ; «- t 1 t •• J : i - :quot; v ' -: iquot; :

-DK *3 : 'mvi rhamp; ^ao myb nixo ♦na-njr ■gt;

.)• • t\ : -|~: v quot; Jquot; quot; ^ ^T T v TI- T : - •• -•- T

: na-ix quot;ino N»3a ^:n 'Dynx nbiy1? nnx \m

||V •.. ; • V.V I - -TT T J' quot; ■ : • . A* V jquot; - ; I Jquot; T

1 rnxn-nN nüib ,?3v kSi rixn r^riK nD3iquot;

J- T ; I VAT T V -• : • V.- J i I V T T I -*•• V T • :

ri;n-^3-rN^3si Tian-ra DDS mKir-in n^ban iwnx

I quot; T T V - T : T T - I • V T V«V ; • - T •• : - v-»v

^131 n^3 IKVDT : m^n-?D D31? nb^n1

Jquot; T I VT T •quot;' T I VT : IT IVT quot; I ' {'•' T quot; Jquot;

individu van Israël, — zult verhalen. — '3 hhvnn, zich in daden tegen iemand richten.

5- ^TKn pygt; een beeld, dat behalve hier, ook Num. 22,5 en 11 voorkomt: het oog der aarde, dat wat van de aarde door den mensch gezien wordt; de aarde met haar plantenkleed ziet den mensch als het ware aan; dus; het aangezicht der aarde. In die buitengewoon groote hoeveelheid en in het na voorafgaande aankondiging optreden der plaag ligt hier weder het wonderbare. — naxn ran Ha. De sprinkhaan eet het hout van den boom niet op, maar alleen het groen; knoppen en bladeren, die na den hagel ontsproten zijn, zal de sprinkhaan afvreten. Vs. 15 staat dan ook Ss psi yjjn 'ib, dat hij afvrat al de vrucht der hoornen, zoodat geen groen aan het geboomte overbleef.

6. vÓDI» zy zullen vullen; sS» in Sp beteekent vullen en vol zijn.

ocr page 52

EXODUS X.

van geheel Egypte, zooals uwe ouders noch uwe grootouders gezien hebben, van den dag dat zij op den aardbodem geweest zijn, tot op dezen dag!quot; — Hij keerde zich om, en gmg van

7 Phar'o weg. Toen zeiden Phar'os dienaren tot hem: «Tot hoe lang zal deze ons tot een valstrik zijn? laat de lieden heengaan, dat zij den Eeuwige, hunnen God, dienen ! Ziet gij

8 dan nog niet in, dat Egypte te gronde gaat ?quot; Hierop bracht men Mozes en Aharon weder terug tot Phar'o en hij zeide tot hen: „Gaat heen, dient den Eeuwige, uwen God; wie zijn

9 het dan eigenlijk, die zullen gaan ?quot; Mozes zeide; //Met onze jongelingen en met onze grijsaards willen wij heengaan; met onze zonen en onze dochters, met ons kleinvee en ons rundvee willen wij heengaan; want een feest des Eeuwigen, is het

10 voor ons.quot; Doch hij zeide tot hen; „Zoo moge de Eeuwige met u zijn, gelijk ik u en uwe kleine kinderen zal laten heen-

11 gaan ! Ziet, hoe gij kwaad in het oog hebt! Niet aldus! gaat toch heen, gij mannen en dient den Eeuwige! dit is het immers, wat gij verzocht hebt!quot; En men verdreef hen uit

12 Pharo's tegenwoordigheid. De Eeuwige zeide tot Mozes: „Strek uwe hand uit over het land Egypte, voor den sprinkhaan, dat hij opkome over het land Egypte, en opete al het kruid der

13 aarde, alles, wat de hagel overgelaten heeft.quot; Mozes strekte zijnen staf uit over het land Egypte; en de Eeuwige voerde een oostewind door het land, dien geheelen dag en den ge-heelen nacht; het werd morgen, en de oostewind had den

14 sprinkhaan aangevoerd. De sprinkhaan kwam op over geheel het land Egypte en zette zich neder in het geheele gebied van Egypte, in zeer groote menigte ; te voren is er zoo geen sprinkhanen-plaag geweest gelijk deze; en daarna zal er

15 zoo geene meer zijn. Hij bedekte het aangezicht der geheele aarde, zoodat de aarde verduisterd werd; en hij at op al het kruid der aarde en al de vrucht van het geboomte, die de hagel overgelaten had; en er bleef geen groen over aan het geboomte of het gewas des velds in geheel het land

7- rpiöS. tot vahstrik, beeld voor verderf en ondergang. — Dicasn, de lieden. De Egyptische wijzen schijnen aangeraden te hebben, het geheele volk te laten heengaan; Phar'o kan daartoe echter niet besluiten, en stelt vs. 11 voor: «/laat de mannen, onajn, gaanquot;.

8- DJC SITVI. De lijdende vorm heeft hier de beteekenis van een onbepaald voornaamwoord; daarom kan zeer goed de 4de naamval volgen; zoo ook Gen. 4,18; Ex. 21,28 e. a. p.

10. «Dat nooit! Evenmin als het mijn wensch is, dat God n zal bijstaan, evenmin zal ik ooit toegeven, dat gij met uwe kleine kinderen vertrekt!quot; — D3i:D uj m'i, kwaad staat tegenover uw aangezicht, d. w. z. gij hebt het oog gericht op iets, dat slecht is; gij voert kwaad in het schild!

11- NJ «S. ironidch verzoekt hij hen, toch zoo vriendelijk te willen

23

ocr page 53

♦ K3 33

bni'n di;o TróK niaKi -ij^k quot;bnvo-^D

^ t v: •!•.•-: J -:i- i v -: lt; t i v -: T

,noK,,i : ri^-is oyo kx»quot;) rö»i nrn Di'n nv nóiNn-1?^»

; t- ^ V.quot;quot;- • V Jquot; ^ AV- -- T T-I-^T^

-n« nW n? n;^ ♦na_n)? v^n ni?-)3 najr

nquot;i3K »3 ^nn omn DHM^K nin'-nx nayi Dtu«n

v,t ; it r quot; •• # v-'v -: ^ av •• i •••: jt : v ^ ; ^-r: • t -:-»t

onVx quot;ION'I nvia-^x pnN-nNi nt?D-nN airvi : nnïon

V •• -I v ^ : quot; vi -: |- v ; lt;v v - - • it : •

n^D quot;ION»I : D^'nn »01 'o DD^K njd^nK nay ia1? q

laniiMi irba ntfKa DDSj^nin» p DfV?N nairi naV ninnn »3 •n1?:1

•)••• -ji- v t t ; i lt;•• • ; v •• -: v j- it vt : - r

^ : □3*33 liï n^-| »3 1Nquot;1 D33ÜTIX1 D3nX ^

iv •• ; v/v vtt r ; av : - ^ v ; *.•.• : v - -:

D^p3DDnN nnK »3 nin»-nN 113^1 Dn3an K: 13^ ó

^a- i: - : -quot;v - ^ t ; v ^ : • t : - lt;t : i ••

nt2J n£o-^KniiT lö^'i d *: rijns ♦ifi nxo onx ^

^3N,'l Dnxa n3quot;)N3 D^ïp pN'^.^T

nB'O m : Tan nx rixn 3^v-V3tin ^

jv *•- itt - k.' - ' jquot; quot;• t •)•* i vt t v itquot; t

-bs pN3 Dnjrniquot;} jn; ninnbnyp

-nx Nirj onpn hini n;n quot;ipsn ni?^n-,73i xinn ain

v,t t 'it- ; tt iv-» - t :at - t : ^ - / -

S33 onïp ns^n .* ns^ttn^

1:103 n3iN p n^n-N1? vM iSio -133 onïo V132

t v ; - i lt;quot; t t t t : -••• t • at : • j :

■pkn ^nnfpNnquot;1?! I^:n« Din : |3quot;nw N1? vthnv8 Tnin nö*^3 nKi pxn l^VrnN ^N'i

pN'^s nn^n 3^31 ^3 pT;^ quot;inirxVi nnsn

zijn, den Eeuwige te gaan offeren; doch daarvoor zijn alleen de mannen noodigl Zonder net antwoord af te wachten, laat hij hen verdrijven van voor zijn troon. Uit dit alles blijkt, dat ook deze concessie niet ernstig gemeend was.

12. rauo. eie. met den sprinkhaan, zoodat gij, als het ware, met uwe hand den sprinkhaan doet komen. Ibn 'Ezba: voor den sprinkhaan, dathijkome.

14. quot;I3D. zwaar in menigte. — Joël 2, waar eveneens een sprinkhanenplaag wordt beschreven, is sprake van Palaestina, hier van Egypte. V. s.

doelt de dubbele vergelijking inua----p le. op het groote aantal en de

bijzondere wijze, waarop zij over Egypte kwamen, en 2e. op het groote aantal soorten, dat Egypte gelijktijdig teisterde (vgl. Ps. 78,46 en 47).

ocr page 54

EXODUS X.

16 Egypte. Phar'o haastte zich nu om Mozes en Aharon te ontbieden, en zeide : „Ik heb gezondigd tegen den Eeuwige, uwen God,

17 en tegen u. En nu, vergeeft slechts ditmaal mijne zonde en smeekt tot den Eeuwige, uwen God, dat Hij slechts dezen dood van mij

18 afwende!quot; [Mozes] ging van Phar'o weg en smeekte tot den

19 Eeuwige. De Eeuwige deed [den wind] tot een zeer sterken westewind omslaan; deze nam den sprinkhaan op, en dreef hem voort naar de Schelfzee; er bleef geen enkele sprinkhaan

20 over iri geheel het gebied van Egypte. Doch de Eeuwige verstokte het hart van Phar'o; en deze liet de kinderen Israels niet heengaan.

21 De Eeuwige zeide tot Mozes; „Strek uwe hand uit naar den hemel, en er zal duisternis zijn over het land Egypte, zoodat

22 de duisternis tastbaar zij.quot; Mozes strekte zijne hand uit naar den hemel, toen was er eene stikdonkere duisternis in geheel

23 het land Egypte, drie dagen. Zij zagen den een den ander niet, en niemand stond van zijne plaats op, gedurende drie dagen; maar bij al de kinderen Israëls was licht in hunne

24 woonplaatsen. Phar'o liet Mozes roepen en zeide; „Gaat heen, dient den Eeuwige ; laat slechts uw kleinvee en uw rundvee staan

25 blijven ; ook uwe kleine kinderen kunnen met u gaan.quot; Doch Mozes zeide : „Ook gij zelf moet ons dieroffers en brandoffers

26 medegeven, die wij den Eeuwige, onzen God, zullen offeren. En ook ons eigen vee moet met ons medegaan, er mag geene klauw achter blijven; want daarvan moeten wij nemen, om den Eeuwige, onzen God, te dienen ; wij immers, wij weten niet, waarmede wij den Eeuwige dienen moeten, totdat wij daar-

27 heen zullen gekomen zijn.quot; Doch de Eeuwige deed vast blijven het hart van Phar'o, en deze wilde hen niet laten heengaan.

28 Zoo zeide dus Phar'o tot hem : „Ga weg van mij ! neem u in acht, dat gij mijn aangezicht niet weder ziet; want op den dag,

29 dat gij mijn aangezicht ziet, zult gij sterven !quot; Mozes zeide: „Juist hebt gij gesproken ! ik zal uw aangezicht niet meer zien.quot;

17. niön. Ue sprinkhaan brengt door den hongersnood, die het gevolg van zijne verschijning is, dood en verderf over het land.

i9. qi nn n quot;iam. God veranderde tot een Westewind, eene meermalen voorkomende constructie, bij ^sn als object niet: het veranderende, maar dat, waarin het veranderd wordt (I Sara. 10,9; Tseph. 3,9; Job34,25).

2i. en men zal kunnen tasten, vgl. Job 12,25; v. a. de duisternis

zal de Egyptpnaren doen tasten-, vgl. Recht. 16,26. — Rashie: rail = bojoi: de duisternis zal diep donker zijn.

22- nbfiX De verbinding van twee synoniemen geeft de hoogst

denkbare uitbreiding aan het in de woorden vervatte begrip; dus: stikdonkere duisternis.

24

4

ocr page 55

♦ «a 13

♦riKtamDK'i Kip1? riyia nnon : onvora

•jt t v ^ - i a -: i- : •*••• : u: * : ~ j« - ; - • it : •

Dj;èn tik ♦nKtsn k: xv nn^i : ddVi oa^ribK nirrbquot;

t - - jj- . T - lt;T -t ^ T : IV t ; v.*-* quot; • v: jt r

: ntn man-ns4 pquot;i -id^i ds^k nin»1? n^nnni

^ iv - vjt - ^ v i v~ ~ ....... ; av •• i ••: -«t i- v : quot; :

D'-nn nin» •nan»'! : nin^bK n^i£3 dvo nvi ^

^ t - i lt;t : | quot;*:•— it : v y^-0: v- 'a^- r.-•• v.quot;quot;-

quot;iMtr: K1? piid nD* in^pn»! ninxn-nK nïj»i tkq prn

- ; • lt; |a t-^t V'l t : * ~ v ; --t v t quot; . : ' quot;jtt

n^ia aVnK n1^, ptnn : onvo Vaa ihk nanx =

*a : - •»quot; v vt : i - • it ; • ^ ^ : tv -«v : -

ö : ♦ja-ntt nbir K^i

^ iquot; t : • ; v ^:

D^ó^n-1?^ HÜ: njn»

D^otyn-1?^ n^riK ntfo □'i ; -]^n i^on onïD pst m

•at t ~ ^t V 4V Jquot;- |v i ^'t: • at : * | V-»•••

1NTK5? : D»D» rwïbw onïD rnx-^aa n^fiN-'niyn ♦n'i»

t i r t v j ; • v.quot;: ' I vjv t ; ^t •• -: ) v i s» : -

■Sabi D'o1 vmnD wk lap-Kbi vn^-ns? fa

ti a* t v -• : vt : quot; * i -it : * t v

-Vk ri^iö Kip'i * ; nnatf 10a iik n»n ^NTt^ ^a ^

:quot; tl:-- it : i : tjt^ t : • s-:

ir DDipai Da^Kx pn nin»-nN najr ia1? n^o

at •-. : I - : r.* : i I )- t ; v ; v

WTa ?nn nnK-D3 nibQ quot;iok'i : oaö^ •nS^ Daöt2-D3«

v**t; ijquot; ' -it - - v v j- iv t | r* •• v** i -

»6 liSinbn^pa-DJi: irriVx nin^ 1:^1 rityi o^naïquot;

lt; t l-quot;— quot;1: • - : r* •••; .»t i- v* ^: a ^ -»• t :

umKi nin»-nK la^b np: wao »3 noia

:-•--:i- a- v: jt : v •lt; t :- quot; t t*

nin» prm : nsty i:Naquot;n^ nin^nx nayrno virttS»

vt ; Ir*-;* t it vquot; t ; v ^-:i- ^ -•• 1

n^ia ly-iaxn : Dn^S n3K n^i njns a^Tix n

at t iquot; ) ■quot;• i ~ j v i- it : - : yij : quot; 1quot; quot;**'

: nion ♦jö ava »3 ♦iis nixn cprr^K ip

I t v.quot;T : : •) : • quot; t : | v - }: •.•-•t •

a : ^iö niNT ï]pK-Kb rnai fa n^a quot;iaN»iB3

23. DnSCIDS) !n de. door hen hetvoonde plaatsen; men behoeft niet te vertalen: in hunne woningen, zoodat met Nachm. zou moeten worden aangenomen, dat de Egyptenaren door den dikken nevel in hunne woningen zelfs van kunstlicht geen gebruik konden maken.

24. J3{% zal geplaatst worden, onder toezicht van Egyptische beambten, in door den koning aan te wijzen stallen, als waarborg voor uwe» terugkeer.

25. jnn. zult, als wij eindelijk heengaan, ons dieren tot offers medegeven-, anderen: gij moest eigenlijk. — ovn» is de gewone begeleidende naam van ffsSr, vredeoffers.

ocr page 56

EXODUS XI.

1 De Eeuwige had namelijk tot Mozes gezegd: ,/Nog ééne plaag zal Ik over Phar'o en over Egypte brengen, daarna zal hij u van hier laten heengaan; als hij u laat heengaan, zal hij

2 u geheel en al van hier verdrijven. Spreek toch ten aanhoore van het volk, dat ieder man vrage van zijnen vriend, en iedere

3 vrouw van hare vriendin, zilveren en gouden vaatwerk.quot; De Eeuwige gaf het volk gunst in de oogen der Egyptenaren; ook de man Mozes was in zeer groot aanzien in het land Egypte, in de oogen van Phar'os dienaren en in de oogen des

4 volks. — Nu vervolgde Mozes: «Zoo heeft de Eeuwige gesproken : tegen middernacht trek Ik uit te midden van Egypte.

5 Dan zal elke eerstgeborene in het land Egypte sterven ; van Phar'os eerstgeborene, die op zijnen troon zoude zitten, tot den eerstgeborene der dienstmaagd, die achter den handmolen is;

6 ook al het eerstgeborene van het vee. Eu er zal een groot geschrei in geheel het land Egypte zijn, zooals er geen ge-

7 weest is, en zooals er geen weder zijn zal. Doch tegen alle kinderen Israëls zal geen hond zijne tong scherpen, tegen mensch noch vee, opdat gij zult erkennen, dat de Eeuwige onderscheid

8 maakt tusschen Egypte en tusschen Israël. Dan zullen al deze uwe dienaren tot mij afdalen en zich voor mij nederbuigen.

Hoofdstuk XI. 1. De samenhang der verzen en de groepeering der feiten bieden hier zeer groote moeilijkheden. Tot dusver is uiteengezet, hoe Mozes en Aharon tegenover Phar'o optraden en met welk resultaat. Met hoofdstuk 12 begint ae verlossing en de voorbereiding daartoe. Het eerste moment der bevrijding is nu de sterfte der eerstgeborenen, die Phar'o moest worden aangekondigd. In hoofdst. 10,28 heeft Phar'o Mozes gezegd, nooit weer voor hem te zullen verschijnen, zoodat eene afzonderlijke zending, om Phar'o de laatste plaag te voorspellen, onmogelijk is. Ex. 11,4 sluit dus onmiddellijk aan 10,29 aan, terwijl de verzen 11,1—3 tasschengeschoven zijn. Volgens de opvatting van R\shie, Rashbam, Nachm. en Abkabanel werden zij tot Mozes gezegd, tijdens hij voor Phar'o stond; Ibn quot;Ezra neemt aan, dat deze openbaring reeds vroeger had plaats gehad. Hiksch meent, dat uit vs. 4 blijkt, dat de scène bij Phar'o op den 13den Niesan

Slaats had. nSSn mro zou dan beteekenen:laats had. nSSn mro zou dan beteekenen: den eerstvolgenden middernacht. [oofdstuk 12 spreekt nu van eene openbaring op den Isten Niesan en bevat onder meer een beve.' voor den lOden dier maand. Ex. 11,1—3 geeft dan kort terug, wat, wel is waar, eerst in hoofdstuk 12 wordt medegedeeld, maar chronologisch veel vroeger valt. De reden der latere plaatsing der feiten van hoofdstuk 12 vindt hij daarin, dat eerst achtereenvolgens de plagen en hunne gevolgen worden verhaald en de laatste plaag wordt aangekondigd, om met hoofdstuk 12 de eigenlijke bevrijding te beginnen. Evenals hoofdstuk 12 gaat dus ook de 11,1—3 verhaalde openbaring aan de laatste bespreking met Phar'o vooraf, maar wordt eerst, als het noodig is om Mozes' verdere woorden te begrijpen, medegedeeld. Dr. Dunner t. vr. a. p. pag. 195 meent eveneens, dat hier eene openbaring wordt medegedeeld, die reeds vroeger plaats had, hoewel het bericht daarvan eerst in hoofdstuk 12 volgt. Vs. 1 heldert dus op, hoe Mozes in vs. 4 eene voorspelling kon doen, die hem door God nog niet

25

ocr page 57

^ Kn na

-bv\ nnN vx n^o-^N njrv quot;ion»5 «

^-13 nSa in^K'a hid D3nK rbw amp;nna onïö

jquot;t ; TT : - : av • ; v j- - ; I •• •—; i- • - ; •

injn nKD i D^n «rnai: nto DDHN =

p%. .. j.. .. j. -: ; • : 'att -•••: t ; v,t# •• ~ iv * v.v : •*

tin nirv : anr ^di eiba-^s nni^n hnü ntrNij

•)t^ ; isquot;*- itt jquot; : | vvv •• ; t ; -••••• t • :

psi2 iNO ^ina n^o tr^n i oa onvo ♦rva orn rn

i v-»••• ; lt;t v quot;** t j~ * at: • jquot; *•• ; ^tt ijquot;

quot;ION»I a * : D^n ^^31 rijna-naj; onvP1 : onïö Tjina NÏI» 'JK hsna nin» 'ION ria HÏ^D

• it : • } j : y quot;• t ; - - j -: r at : j- t ».

iNp?-1?^ 2wr\ nyna *iiD3p bnxo p«3 niDr^i noiquot; .* nana tüs Vdi D^nnn ihn nnai^n ina kS inós onïo vnx-bDa nVia np yv nnrii1

^ t lt;v -: -at : • | t : vt : Ijt^t : rr^rit:

aba-pn» ♦ja i bbVi : nbn «b nsm nn^nj *

v v f -v:iv lt; .. t ; • — ; ^ ; |r j v. t : t t : r

ra ninquot; r6a* i^k npin mob nona-n^i ^«a1? liiy'?

quot;iinnirni n?« nnar^ ,nquot;i,i : rai D'iïQn

-: r ; • ; - •• v •• | vr^t r ■* :it: i- t : • I r* • v,quot; : *

was aangekondigd. — inS'^D enz., abt hij u laat heengaan, zal hij u geheel en al van hier verdrijven. Het zal niet zijn een verlof, om heen te gaan, maar eene verdrijving, met bevel niemand achter te laten. Anderen: hSd in'ic'D, als hij u tot den laatsten man laat heengaan, zal hij, enz.

2' Ui 131, spreek toch. thans is de tijd gekomen om de Ex. 3,22 u gegeven belofte te vervullen. Zeg dus thans tot het volk, dat zij vragen enz. Stilzwijgend moet hier aangevuld worden, wat daar ter plaatse erbij gevoegd is, dat God hun ook gunst zal doen genieten bij de Egyp-tenaren en deze aan hun verzoek zullen voldoen. Volgens Hmscn is dit bevel en de uit vs. 4 blijkende nadere preciseering der sterfte op middernacht het nieuwe, dat deze openbaring tegenover die van hoofdstuk 12 geeft. Dr. Dunner t. a. p. meent, dat in vs. 2 en 3 erop gewezen wordt, dat noch Israël, noch Mozes bij de Egyptenaren zoo slecht stonden aangeschreven. als men met het oog op het Ex. 10,28 verhaalde zou denken. Vs. 2 zinspeelt dan op de toezegging in 3,22, dat Israël bij Egypte gunst zou vinden, terwijl vs. 3 mededeelt, dat die belofte niet alleen werd vervuld, maar dat zelfs Mozes bij de Egyptenaren, ja ook bij Phar'os naaste omgeving in hoog aanzien was. (Vgl. Nachm.)

4, XSV iJN. Ik zeV 9a nit' als liet ware, uit Mijne hemelsche woning. De vroegere plagen zijn door bemiddeling van Mozes over Egypte gebracht, thans treedt God zelve straffend op.

7. |'quot;irv xS. zal z'jn tonff n'et scherpen, d. w. z. puntig maken, om te knorren of te bijten. Eene uitdrukking, die spreekwoordelijk is geworden, en beteekent: zij zullen niet het minste letsel krijgen.

ocr page 58

EXODUS XI, XII.

zeggende: «Trek uit, gij en al het volk, dat uw voetspoor volgt, en daarna zal ik uittrekken !quot; Hierop ging hij van Phar'o

9 weg in ontbranden toorn. — De Eeuwige had tot Mozes gezegd : „Phar'o zal niet naar u luisteren, ten einde Mijne won-10 deren in het land Egypte te vermeerderen.quot; Zoo deden dan Mozes en Aharon al deze wonderen vóór Phar'o; doch de Eeuwige had Phar'os hart vast doen blijven, en hij liet de kinderen Israels niet uit zijn land trekken.

1 De Eeuwige zeide tot Mozes en tot Aharon in het land Egypte,

2 als volgt: „Deze nieuwe maan zij voor u het begin der nieuwe-maansdagen ; zij zal u de eerste zijn van de maanden des jaars.

3 Spreekt tot de geheele gemeente van Israël, als volgt: op den tiende dezer maand — dan zullen zij zich ieder een lam voor ieder

4 ouderlijk huis nemen, één lam voor ieder huisgezin. Is het huisgezin echter te klein om een lam voor zich te hebben, dan zal hij en zijn buurman, de naaste aan zijn huis, nemen, naar berekening

8. uwen voet volgt, dat door u geleid wordt.

9. .Hiermede sluit het optreden van Mozes en Aharon voor Phar'o. Vers 9 en 10 geven nu in één trek het resultaat terug; al deze wonderen zijn verricht, zonder het gewenschte doel te bereiken; doch dit was vooruit door God bekend gemaakt. Zoo was dus het gemis van succes het directe werk Gods, dat de verlossing nog veel grooter en wonderbaarlijker zou maken.

Hoofdstuk XII. 1. Hier begint het verhaal van de bevrijding en de haar inleidende openbaringen. Zooals reeds opgemerkt is, had de hier verhaalde openbaring op den eersten Niesan plaats en valt zij dus historisch vóór het in hoofdstuk 10 en 11 verhaalde. Vs. 1—28 bevatten de voorschriften betreffende het Paaschoffer en het Paaschfeest. Vs. 3—11 geven de openbaring aangaande het Paaschoffer aan Mozes (waarbij vs. 43—51 eigenlijk aansluit), vs. 12—14 beschrijven de aanleiding tot het offer; vs. 15—20 de instelling van het zevendaagsche Paaschfeest; vs. 21—27 bevat de mededeeling dier voorschriften aan het volk; vs 28 de uitvoering; dit laatste vers is vs. 50 bijna letterlijk herhaald, waaruit volgt, dat vs. 43-49 niet een geheel nieuw voorschrift, maar alleen eene nadere mededeeling betreffende de openbaring van vs. 3 - 11 bevat. Vs. 3—11 en 43—49 vormen tezamen ééne openbaring, wier deelen, door den ijver des verhalers om den uittocht mede te deelen (29—42), van elkander gescheiden zijn.

2. DTin irjn oaS nrn rinn. win, eig. vernieuwing der maan, v. d. da dwj, waarop die vernieuwing plaats heeft, de niemoemaansdag en ook: de periode tusschen de eene vernieuwing en de andere, eene maand. Hoe het hier moet opgevat worden, is zeer twijfelachtig. De gewone Opvatting; deze maand zij u het begin der maanden, d. w. z. de eerste in de rij der maanden, is èn tegen den zin èn tegen het woord. Het tweede deel van ons vers zou dan een eenvoudige herhaling vormen van het eerste; en D'inn üfO op te vatten in den zin van; de eerste in de rij der maanden, is tegen het spraakgebruik, daar het op andere plaatsen beteekent; het begin der maand. De beteekenis der woorden schijnt deze te zijn; deze maans-rernientrimj zij voor u het begin van maamverniemnngen, d. w. z. deze

26

ocr page 59

y N* K3 ID

nïk rmriKi nnx nï -ió^ ^

f*quot; •• IV.quot; •• -: r^: f v ; - : v -; ^tt t : t - lt;•• ••

-ahniïn-^h nin» quot;idn^ d : qx-nna riv-ia-avo ut) *

i v v t : V lt;- | it * *:it ^ ' iquot; Jquot;quot;~

n^oi: onïö rixa ^naia mm r^ob n^-ia DD,1?K VO^' 1

^ •jv -it: • I Vjv ; ^- ; i j ; 1^- •)- : ; - v.quot; •* quot;j ; •

nin» ptn^ ri^na ♦JA? nbxn D^nabn-bmN itrv nnxi

T : 1 lt;•• ~ : ~ •a • v^-t y : t - r v .j 1 -: i-:

IONquot;) D .'Iïikü n^-ia abquot;nx«

v «- i : - f v t: • i** : v j~ ' i : ^ ; - j-

a'-inn : ioN1? Dn.vp pxa nin' =

: n:^n aa^ kin ïimn D^nn itk-i aaS mn

itt - : t : v t '. ^ . ^ * Aquot; t t: -• Vv t .)V -

inpquot;! mn tym1? ntpya iDKb nnv-Va-S» iSai3

j i: . ; AV - v -• - ^ *t|v •• •• t ; • cquot; : tv : -

ü^ö^-dki : n^a1? nir naK-n^aV riv anb^

jquot;: * * : • it - jv ^ t iquot; : jv •gt;• v t

naaaa in^a-^K ahpn i:a^i Kin npbi hiro nvnü n^an

j- : . : ^ .. ... ^It • ■} •• : m-t : '-• * J : f . - -

maansvernieuwing zij voor u het uitgangspunt voor het bepalen der nieuwemaansdagen. In ons versdeel ligt dus, zooals de traditie inderdaad zegt, het voorschrift om naar maansomloop de maanden vast te stellen, en wel, zooals uit Hin cquot;'n'quot;' wordt afgeleid, op grond van waarneming, niet alleen van berekening. Uit de omstandigheid, dat dit vers vóór Sa Sn nan Snw m» staat, volgt tevens, dat die vaststelling niet aan het geheels volk, maar enkel aan Mozes en Aharon, d. w. z. aan de vertegenwcior-diging des volks, in lateren tijd het hoogste gerechtshof, is opgedragen. — oa1? Nin pu-Ni. Met deze maansvernieuwing begint de rij uwer maanden. Niesan, in den Pentateuch gewoonlijk a'asn tin, de arenmaand genoemd, vormt het uitgangspunt der maandentelling.

3. nr. een lam van schapen of geiten, rras iïqS, voor ieder ouderlijk huis, allen die van een gemeerschappelijken stamvader afstammen, om wien zij nog geschaard zijn; vs. 21 wordt daarvoor mnsno gebruikt, dat eigenlijk cene grootere groep van jtos 'na beteekent. De zin is hier: niet in willekeurige samenvoeging znllen de groepen gevormd worden, maar leden van ééne zelfde familie zullen zich in de eerste plaats tot één

f ezelschap vereenigen. n'aS nr, ezelschap vereenigen. n'aS nr, één lam voor elk huisgezin, indien hetasiva, e familiegroep, te talrijk is om allen van één lam te genieten, dan worde voor elk gezin een lam genomen.

. 4. nj'D1 tm Is echter de familiegroep van het as jvo nog te weinig in aantal, om gezamenlijk een lam te genieten, dan vorme zich eene combinatie. — nt'O rvn», te gering is, dan dat het zijn zoude van een lam, d. w. z. aan het lam zijne combinatie zoude ontleenen; Ibn'Ezra; indien het huis gering in aantal is, doordien het te gering is voor het eten van een lam. — sin, de huisvader, het hoofd der familie. Voorwerp van npS is: nr, een lam. — noaua, naar berekening; anderen: door ■personen hij te rekenen, door anderen mede deel te doen nemen (vgl. Ibn 'Ezra). — lt;eiS cx, ieder naar evenredigheid van zijn eten, d, w. z. dal rekening moet gehouden worden met ieders eten, zoodat personen, die niet ervan eten kunnen, bijv. zieken en ouden van dagen, bij de berekening van het aantal niet in aanmerking komen.

ocr page 60

EXODUS Xll.

der personen; ieder naar evenredigheid van zijn eten, zult

5 gij bij het lam mederekenen. Een lam zonder gebrek, van het mannelijk geslacht, onder het jaar, moet gij hebben; gij

6 kunt het van de schapen of van de geiten nemen. En het zal voor u in bewaring blijven tot den veertienden dag dezer maand; dan zal het de geheele vergadering der gemeente, van

7 Israël slachten tusschen de beide avonden. Zij zullen nemen van het bloed, en doen op de beide deurposten en den boven-

8 dorpel; aan de huizen, waarin zij het zullen eten. Zij zullen het vleesch in den nacht eten, aan het vuur gebraden, en met ongezuurde brooden ; met bittere kruiden zullen zij het

9 eten. Gij zult er niet van eten halfgebraden, noch in water op welke wijze ook gekookt, maar alleen aan het vuur gebraden ; met zijn kop, zijne kniestukken en zijne ingewanden.

10 Gij moogt er niet van overlaten tot den morgen; en wat er tot

11 den morgen van overblijft, zult gij in vuur verbranden. En zoo zult gij het eten ; uwe lendenen omgord, uwe schoenzolen aan uwe voeten, en uwen stok in uwe hand; in haast zult gij het

12 eten; het is een overschrijdingsoffer, ter eere des Eeuwigen. Ik zal namelijk dien nacht door het land Egypte trekken en in het land Egypte eiken eerstgeborene verslaan, van mensch tot vee; en over alle goden van Egypte zal Ik straf-gerichten uitoefenen, Ik,

6. D^-iyn pa. tusschen de heide avonden, in den namiddag; volgens Rasiiie : tusschen den tijd, dat het daglicht begint af te nemen, na twaalf uur des middags, — en den tijd, dat het avondlicht zich met het daglicht begint te mengen, het begin van den nacht; dus: namiddag tot zonsondergang. Ibn 'Ezra : de tijd van zonsondergang tot het vallen van den nacht. Nachmanides verdeelt den dag aldus: de eerste vier uren, van 6—10, lp:, ochtend; van 10—12: oi-inï, middag; de tweevoudsvorm vindt dan zijne verklaring in den duur van twee uren of in het stralen der zon naar heide zijden. Oost en West; — daarna wordt het d'ï-'ï, langzaam donker wordend, namiddag, tot ongeveer kwartier voor vijf; waarna de zonsondergang begint; die laatste tijd heet aiy. D^ïn pa beteek ent volgens hem: tijdens den namiddag; j'a niet: tusschen, maar: te midden van. De tweevoudsvorm boij) beteekent dan : naar beide zijden duister wordend. — Het voorschrift resds op den lüden Niesan het Paaschlam te nemen en het tot den 14den te bewaren, gold alleen voor het Paaschoffer bij den uittocht (oi-tfis hde), niet voor dat in later tijd (irnn hde). Het doel daarvan was v. s. om het gedurende vier dagen te kunnen observeeren, of het soms gebreken had; v. a. om duidelijk te doen uitkomen, dat men zich van het Egyptische heidendom losmaakte, om in den dienst Gods te treden. Nog anderen nemen aan, dat op 11, 12 en 13 Niesan de duisternis in Egypte heerschte en dat juist daarom reeds op den tiende, dus ten aanzien der Egyptenaren, de eerste voorbereiding tot den uittocht moest worden gemaakt.

7- urm. met den vinger of iets anders, hier den bundel hijzop, strijken, tegenover run, dat spatten en pir, dat tcerpen beteekent. Dit laatste heeft plaats door eene beweging van het bekken, waarin zich het bloed bevindt. — Uit vs. 13 en 22 blijkt, dat het bestrijken van de opstaande

27

ocr page 61

y K3 TD

-rs iDT D^an nir : ntm-^ iDbn •fox '31? n'B'fij ^

^ i v jr r ■)* t sv iv - ^ t : t -• : •lt; at;

dd1? n^m ; inpn Dn^rrroi o^arrro dd1? n^n» n:^1

v t «tt : i it * v 't ' * J* t : - i • av t -«v ; r t

Va inK mntri nn ^Tnb Dl' nvaix -t^ moiro1?

•» j -:it : av - v •» - ^ jt t ^jtt : - v v : • ;

unji onn-p inpSi : a^i^n pa Vnp'

•) :it: t- i • i: it: -it ; - it i j,m vquot; t : • j' i:

in» D^nan ^ nipirsn-1?^') hnran 'n^-^

^ ^ : i ... -. • jt - quot;lt; i i a : ~ ^ ; - j- : ~

■by niïQi nn nVba isran-nK i^dki : Dnan

- j.. • . av^- ^ t :j— t - v ^ ; it : iv t

D»S3 buao ^31 Ni lasD nrtotf onna d

•at - vt *•. : jquot; t t •.*•lt;; i - i\ : i v.* :

n^nijTNbi : ianp-b^i IBWT ^?lt;-,1?Ïquot;DN

, . i : I • ^- ; ^t T: ■* j •• • ; • J»

haSi : isntrn trsa npany 1300 man') nprnp laao ^

t t : .' : * -'quot;^t '-'v. , •»•• * jt - : i va ~ vv •

DD^ai cb^iia aD,v7^j onjn D3^na quot;inK iVpNri ♦map : nm^ xm nD3 rirsna in« onVsKi ddts ^

■»• '.quot;it: ^it i- quot; jv i t * ; lt;v: - -:i- av ;v;

onxa p«3 quot;iioa-bD 'n^m nn nVba a^va-pKn

• - ; • 1 v-jv : ; t lt;••••; v - t :J— • - : • | viv :

ntryK onva nan3-ij?i onxa

r -: t : jv 'vnv •-r ; • jquot; •:: t : at •• : : ^ttiquot;

posten en den bovendorpel der huizen aan de binnenzijde geschieden moest, tot teeken voor Israël, niet voor de Egyptenaren; fppod, volgens Rashbam van tjpp, neerzien, de bovendorpel, die op ieder, die het nuis betreedt, nederziet. — Ook het hier gegeven voorschrift gold alleen voor d^iï» riDB.

. 8. nin nS'Sa. in den nacht, waarvan vs. 6 reeds indirect gesproken is, van den 14den op den 15den Niesan. ,

a vyT3, de pooten, van onder de knie af; de stukken van den poot, die gewoonlijk worden afgesneden. — mp, de ingeioanden, zoowel long en lever, als maag en darmen. Natuurlijk werden zij, zooals Lev. 1,9 wordt voorgeschreven, ook hier vooraf gewasschen.

11. Geheel gereed om de reis te aanvaarden, zult gij het eten, ptEra, in angstige haast, vreezend, dat de Egyptenaren u misschien zallen verhinderen heen te gaan. De lendenen omgord, het lange afhangende kleed, dat in het loopen belemmert, met een gordel opgebonden; en schoenzolen aan den voet, die in het Oosten alleen op reis gedragen werden, en met een stok voor de reis in de hand (vgl. Gen. 32,11). — Ook deze voorschriften gelden uitsluitend voor D'ix» riDD.

Vs. 12 en 13 verklaren den naam Pésach, an*» inSx Saai enz. Ibn'Ezra: Ik zal de godenbeelden van hun voetstuk doen vallen. Anderen; De sterfte der eerstgeborenen is tegelijk een strafgericht tegen de Egyptische goden (niet juist tegen de godenbeelden), daar hierin al hnn onmacht is gebleken. Zoo begrijpt men ook Num. 33,4: de Egyptenaren begroeven alle eerstgeborenen, die God onder hen had verslagen, en waarmede Hij tegen hunne goden strafgerichten had geoefend. — 'n w. Ik, de Eeuwige, van Wien Phar'o gezegd heeft: ik ken den Eeuwige niet (Ex. 5,2).

ocr page 62

EXODUS XII.

13 de Eeuwige. Dan zal het bloed u tot teeken zijn aan de huizen, waarin gij zijt; wanneer Ik dan het bloed zien zal, dan zal Ik over u heenschrijden, en er zal onder u geene plaag ter verdelging zijn, als Ik slagen toebreng in het land

14 Egypte. Deze dag zal u tot een gedenkdag zijn, en gij zult hem als een feest, aan den Eeuwige gewijd, vieren; voor uw komende geslachten zult gij hem vieren als eene eeuwige

15 wet. Zeven dagen zult gij ongezuurde brooden eten; slechts op den eersten dag, zult gij het zuurdeeg uit uwe huizen wegruimen ; want al wie iets gezuurds eet, van den eersten dag tot den zevenden dag, die persoon zal uit Israël uitgeroeid

16 worden. En op den eersten dag zal eene bijeenroeping tot heiliging zijn, en op den zevenden dag zal een bijeenroeping tot heiliging voor u zijn; geenerlei arbeid zal daarop verricht worden ; slechts wat voor ieder persoon tot spijze moet dienen,

17 dit alleen mag ten uwen behoeve verricht worden. En gij zult de ongezuurde brooden in acht nemen; want op dezen dag zelf heb Ik uwe scharen uit het land Egypte uitgevoerd; daarom zult gij deze dag bij uwe komende geslachten in acht

18 nemen tot eene eeuwige wet. In de eerste [maand] op den veertienden dag der maand, des avonds, zult gij ongezuurd brood eten, tot den een en twintigsten dag dier maand des

19 avonds. Zeven dagen lang zal geen zuurdeeg in uwe huizen gevonden worden ; want al wie iets zurends eet, die persoon zal uit de gemeente van Israël uitgeroeid worden, zoowel een

20 vreemdeling als een ingeborene des lands. Niets, wat zuurt, zult gij eten; in al uwe woonplaatsen zult gij ongezuurde brooden eten.quot;

13. Het teeken dient niet om te wijzen, waar Israëlieten wonen; want God behoeft dergelijke teekenen niet; bovendien bevindt zich het bloed binnenshuis. Het bloed zal den Israëlieten tot teeken zijn, dat God hunne huizen niet zal treffen, en zal hun te midden van den wanhoop der Egyptenaren moed doen houden.

14. Van hier tot vs. 20 volgen nu voorschriften, die ook voor het nageslacht gelden, oSr npn.

15. JIBWin DVS quot;|Jfgt; slechts op den eersten dag, d. w. z. niet later dan bij den ingang van den eersten dag. Met het oog op het Paaschoffer, dat in den namiddag van den 14de geslacht moest worden, waarbij niets ongezuurds meer aanwezig mocht zijn, bepaalt vs. 18, dat reeds in den namiddag van den 14de ongezuurd gegeten moet worden. — Van af vs. 14 worden voorsctiriften voor de toekomst gegeven. De feestviering en het gebod gedurende zeven dagen niets ongezuurds te eten, golden eerst later, en waren bij het Paaschoffer in Egypte uit den aard der omstandigheden nog niet voorgeschreven.

16. TIP JOPO' volgens Nachmanides e. a. eene bijeenroepinq naar het heiligdom; Lev. 23,2: unp wpn orw istpn ipn beteekent dan; die gij als

28

ocr page 63

y to na

DHN b^nan nAquot;? DDS D^nnw : nin^ n^n^DS^a: oaa nVrxbi DD^ 'nnpai Dnn-nx 'nwi Dhani Tinarb q± ntn Di»n n'ni : onïo pK3 ♦nana^

JV - : I T •; V T lt;v - - T t : • it : | vjv : (,• - ;

b^D» nvaa' : imnn dVi^ npn Da^n'-n'? nin^ an inx10

• t *lt;-: * i\T : VT . »-»quot;*•. •* quot; J : AT . ^

oa^nap im iivatfn p^nn di»? i^a^n niïp Di^Q ^nTe^q Ninn B'san nn—on rbn Sax^a 1 *a

1 • •• T : • • ^ - V«v - t ; ; • : I •• t t -•

Di'ai tjgt;ip_Nip)p j^N-in Di»ai : ^airn Dip^ f^in 'Q ona n^v,-^i? na^ba-ba oa1? nvr ^-fp-^-ipa ♦^aari

V T -••.• Tlquot; T T : T AV T -*V : I* vl V Tl ; • * • ; quot;

Dmoiyi: oa1? hbt ^3^ «in K'arbaS ^asquot; ntrK tik ^

v ; - : iv t jv *rf vquot; : J . quot; '■' ^ T • quot;» I quot;*

Da^niNarnN ♦n^ïin nin ovn Dï^a »3 niysrrnx

^v •• I : • v • jquot; v - - v ^v : • - -

•' n^n Da^rm1? ntn Di^n-nK Dnna^i onyp p«Q nv nVo i^aKn aipa Win1? di* nya-i«a rt^Nj-ia ^

a - V. • •- • t v - lt; T t t t : quot; ; I 'IT

x1? iKty D'o* nj^atr : anya on^i nnxn DV 01

^ ^ : • r • v irr v - r : *v ; st v it -•

kmn traan nrnaai nxóna baN-S3 1 quot;2 oa'naa hw

. - v«v - t ;: * : v v ; - ■lt;•• t •*• av quot;it : vquot; ▼ *

^3Nn X1? nvono-Vs : pwn mrxai laa myo3

Aquot; -• v^v ; - t \ VIT t Jquot;: v : - •• t: *

s * : nii'o iba^n oa^na^io ^aa

bijeenroepingen naar het heiligdom zult uitroepen. Anderen: eene hijeen-roeping tot heiliging, d. 1. tot een neilig doel, eene godsdienstige bijeenkomst.

17- oman. neemt in acht de voorschriften betreffende de ongezuurde broaden; volgens den Thalmoed: betreffende de bereiding ervan; zorgt dat zij niet gisten. — '««in, héb Ik als het ware nu reeds uwe scharen uitgevoerd; zoo zeker zijn de zooeven voorspelde feiten. Misschien kan men verklaren: neemt in de toekomst die geboden in acht, want dan zal Ik op dezen dag zelf u hebben uitgevoerd.

19- mano. v. s. = -iw, alles, wat iets anders tot pn maakt, doet zuren; v. a. al wat zuur is — yun; n. a. alles wat pttn bevat, een mengsel, waarin ^an aanwezig is. — ua, de vreemdeling, die geheel tot het Jodendom is overgegaan, de pis u; de inwonende vreemdeling, acw u, die slechts de vervulling der zeven Noachidische plichten heeft op zich genomen,, zonder zich te hebben laten besnijden, valt niet onder dit gebod.

20. DDVOtJ'a S3D. Terwijl het Paaachoffer alleen in het heilige land wordt gebracht, is de viering van het Paaschfeest en de plicht van pn rwisi in alle woonplaatsen, ook buiten Palaestina voorgeschreven. — iSaxri m», volgens de traditie is dit geen absoluut gebod, doch beteekenen deze woorden: zoo gij brood wilt eten, moogt gij slechts ongezuurd genieten.

ocr page 64

EXODUS XII.

21 Mozes ontbood nu al de oudsten van Israël en zeide tot hen : //Haalt of koopt u kleinvee naar uwe geslachten, en slacht het

22 overschrijdingsoffer. En sij zult nemen een bundel hijzop, en dezen doopen in het bloed, dat in het bekken is, en in aanraking brengen met den bovendorpel en met de beide deurposten, [een gedeelte] van het bloed, dat in het bekken is; maar gij, niemand uwer ga uit den ingang van zijn huis tot den morgen.

23 Als dan de Eeuwige zal doortrekken om Egypte te treffen, en het bloed op den bovendorpel en op de beide posten zal zien; dan zal de Eeuwige over den ingang heenschrijden en den verdelger niet toestaan in uwe huizen te komen om te treffen.

24 Gij zult deze zaak in acht nemen, tot eene wet voor u en uwe

25 kinderen, tot in eeuwigheid. Nu zal het zijn: Als gij in het land zult gekomen zijn, dat de Eeuwige u geven zal, gelijk Hij gesproken heeft, dan moet gij dezen eeredienst in acht nemen.

26 Nu zal het zijn: Wanneer uwe kinderen tot u zullen zeggen:

27 „Wat beteekent u deze eeredienstDan zult gij zeggen: //«Het is een overschrijdingsoffer, den Eeuwige ter eere; daar Hij de huizen der kinderen Israels in Egypte overschreden heeft, toen Hij Egypte trof, en onze huizen redde Hij.quot;quot; —Het volk boog

28 zich, en wierp zich neder. De kinderen Israels gingen heen en deden het; gelijk de Eeuwige Mozes en Aharon geboden had,

29 zoo deden zij. — En het was met middernacht, toen sloeg de Eeuwige iederen eerstgeborene in het land Egypte, van Phar'os eerstgeborene af, die op zijnen troon zoude zitten, tot den eerstgeborene des gevangenen, die in den kerker was; ook al

30 het eerstgeborene van het vee. Phar'o stond des nachts op, hij, al zijne dienaren en geheel Egypte, en er was een groot geschrei in Egypte; want er was geen huis, waarin geen

31 doode was. Hij ontbood Mozes en Aharon des nachts, en zeide; «Maakt u op, trekt uit het midden van mijn volk weg.

21. Bij de mededeeling aan de oudsten, die het dan tot het geheele volk zouden overbrengen, zijn, gelijk zoo dikwijls in den Pentatench voorkomt, voorschriften opirenoraen, die in de Goddelijke opdracht niet waren vermeld, terwijl andere wetten, die daar wel voorkomen, hier niet herhaald wordun. Beide stukken te zanien bevatten de geheele goddelijke opdracht. — inpi w», trekt naar u toe, uit uwen veestiipel, inpi, of koopt.— nDEn vorroi, niet aanstonds, maar op den daarvoor bestemden tijd, den namiddag van den 14den Niesan. notn, het gebruik van dezen term bewijst, dat de mededeeling van Mozes niet in haar geheel is verhaald, maar dat aan het hier vermelde nok de vroegere verzen, waarin het voorschrift en de naam van het offer gegeven wordt, voorafgingen.

22. PpJ in het bekken, waarin het bloed is opgevangen. — Bnr;m, doen aanraken, niet sprengen of spatten, maar strijken. — Dtn f», een gedeelte van, niet al het bloed. De wijze van uitvoering van dit voorschrift is vroeger niet vermeld.

20

ocr page 65

y N3 UD

inpi IDU'O Dr^N ION»quot;! niro Nnp*i «3

I: : r av •• -: y ■gt; - vquot; t ; • jm't: • t : -jy /rl;*~

mm □rmp^i : nosn Ds^nns^ö1? dd1? 33

■*-•., -: v ;|-: - it - ^ -:i- : v,quot; quot; • ï : : ' gt; jv t

-vki e]ipbgt;srrbk dnyani '^drn^x a^a anbaüi sitn Wilt; iNïn n1? onxi «iD3 quot;ib'K D-irr?o hnron ^ntr

j- .) : iquot; j v - ; |at- jv -i v,quot;*quot; * » ' : ' ■,quot; ^

nN-ii. bnyp-nK «i^nin» quot;i^i : i^rnjr in^-nnsp»

hirr npöi nnTön ♦jntr £]ip^sn-^ bin'nx omDiri : anb n'n^sn m» nVi nnèn ^

; - : h : * vquot; *•* j t . . - - i ... « ; - v -

n^ni : o^ir^ nb-pnV nn -mrmN ™

j t i- tt; it - i t : j : i t ; ^av - ■'t t -

-nK DmaB'i n3-i iB'io DD1? niH' rn' ntrx rixn-VK

V,** : quot; : Aquot; • jv t -jt : Isquot; * v -: I vt t

ntnrn no dd^3 dd^k rrm : nxtn m'2^n13

jtp^-ur quot;)t av •• : v,'.^ •• -j ; i • ,,t t : 1 quot; ''t ■ï,t

nos quot;isrx nin^ Kin nos-nar arnoNi : DSV mtn«

- T -»••• -; T I- - V -l*.^ V - -!!- iv T I quot;

lyna-nNi Dnva-nx isjja a^xoa 'nr^

jquot; t v : • ^- : • v j :r : • - ; • ; •• t : * iquot; : lt;•• t

^3 T^»i is1?*! : iinn^i ayn ipn ^^nquot;3

v -:i- aquot; t ; * -»•• ; v. j :iquot;- i-ii- : y.tt Ij*- a- •

♦ïns i 'nn D * : |3 pnKi HE^DTIK nin» mvD3 fi^ns quot;i33p bnvp n«3 n^n

quot;1133 V31 H3n n,33 IB'N quot;1133 1? 1«D3_^ 3tr»n

, = , : .r - = r.- -= • : = r C S' quot; quot;

DnïO-^31 Vquot;i3yquot;b3i sjin n^iö Dp^i : nQn3l'

• - : • t : t t t : lt; t : - : - » tt- it •• :

: no dptk quot;quot;i^ rN-,3 Dnvo3 nVu np nni

,,. lT 1... r, .: lr ■ .«r-.y : .T : ,I^T:q r : -

•'tpy quot;nirip INV IQIJJ quot;ION4*. n^7 pnsTi ^

23. PjJjS: om verderf aan te richten, te treffen. — nviron, de oorzaak der sterfie. de ziekte, waaronder de eerstgeborenen bezwijken.

24. nin quot;13in DN» het voorschrift betreffende het slachten van het Paaschoffnr.

25. VOn Eerst bij de komst in het heilige land werd het jaar-lijksche l'aaschoffer plicht. In de woestijn werd het alleen in het jaar na den uittocht op bijzonder goddelijk bevel gebracht (Num. 9).

27. Toen het volk deze heilrijke boodschap vernam, wierpen zij zich dankend ter aarde.

28. Dit vers vormt den overgang tot het verhaal der bevrijding en verplaatst ons naar den namiddag van den 14den Niesan.

31. 'OJf quot;pnO W3C) voor goed weg uit het midden van mijn volk; hier wordt de toezegging van Ex. 11,1 en 8 vervuld.

ocr page 66

EXODUS XII.

zoowel gij als de kinderen Israëls; en gaat heen, dient den Eeuwige,

32 gelijk gij gesproken hebt. Ook uw kleinvee, ook uw rundvee neemt mede, gelijk gij gesproken hebt, en trekt heen; maar zegent

33 mij ook!quot; De Egyptenaren hielden hard aan bij het volk, om hen spoedig uit het land te doen heengaan ; want zij zeiden;

34 «Wij allen sterven!quot; Het volk nam dus zijn deeg op, eer het nog gezuurd was; hunne baktroggen, in hunne bovenkleederen

35 gebonden, op hunne schouders. De kinderen Israëls hadden intussehen gedaan, gelijk Mozes gesproken had; zij hadden van de Egyptenaren zilveren vaten, gouden vaten en kleederen ge-

36 vraagd. En de Eeuwige had het volk gunst gegeven in de oogen der Egyptenaren, zoodat zij het hun verleenden. Zoo ledigden zij Egypte uit.

37 De kinderen Israëls vertrokken van Ra'meses naar Soekkoth, ongeveer zes maal honderd duizend voetgangers, de mannen

38 [alléén], behalve de kinderen. Ook een groote gemengde volksmenigte trok met hen op ; en kleinvee en runderen, een zeer

39 talrijke veestapel. En zij bakten het deeg, dat zij uit Egypte medegevoerd hadden, tot ongezuurde broodkoeken, omdat het niet gezuurd was; want verdreven werden zij uit Egypte en konden niet dralen ; en ook teerkost hadden zij zich niet bereid.

40 De tijd van het verblijf der kinderen Israëls, dien zij in Egypte

32. DrOn31. geeft mij met uw heengaan den zegen terug, die mij zoolang verlaten heeft; vis dj, ook mi}, evenals gij, door uwen dienst, voor uzelve Gods zegen zult verwerven.

33. 1quot;10K O' wlt;lnt zii zeiden bij zichzelve, dti» i:1», wij zullen nog allen sterven, wij zijn allen den dood gewijd.

34. Het voorschrift, gedurende zeven dagen ns» te eten, gold niet voor omn ros. Daarbij was het eten van yvn alleen op den dag van den uittocht en bij het Paaschoffer verboden; zoude Israël dus tijd gelaten zijn, dan hadden zij hun brood laten rijzen. Nu evenwel werden zij (vs. 39) uit Egypte verdreven, gedwongen het in allerijl te verlaten en hadden dus geen tijd om het te laten zuren. — drnxo», hunne baktroggen met hun inhoud; misschien ook alleen het deeg uit de troggen. — nSnc is het bovenkleed, een vierkante lap, die als mantel over de overkleeding gedragen werd. — omü Sï, daar de lastdieren reeds beladen waren.

36. DlSx^l. zij willigden hun verzoek in, gaven het hun dus ten geschenke (Rashbam; vgl. Ex. 3,22).

37. Van Ra'meses. waar de Israëlieten zich waarschijnlijk in den nacht van 14 op 15 Niesan hadden verzameld en dat misschien hun vaste woonplaats was (althans van een groot deel des volks), trokken zij op. Mozes en Aharon hebben zich dan ook in den nacht uit de koninklijke residentie daarheen begeven. De ligging der hier genoemde plaatsen is niet met zekerheid te bepalen (vgl. Ibn 'Ezka en nieuweren). — d'-oan, de mannen van twintigjarigen leeftijd af; zooals uit ■•'m, het voetvolk van het leger, blijkt, worden slechts de strijdbare mannen gerekend. Het getal van 600000 twintigjarige mannen, in 400 of 210 jaar (vgl. vs. 40) uit 70 personen voortgekomen, spreekt voor wonderbaarlijke bescherming Gods, ook wanneer men met Keil e. a. aanneemt, dat het aantal geboorten

30

ocr page 67

y «2

: DDnans nirrnK nay «bi Vkiit» ^roa Drwm

iv : v -: : v- -» ; ^ •» : aquot; t :•-••• : - ^ vv -

onDisi omsi quot;itwo inp oanproa DDJ^roa ^

: -!•• aquot; t ; - • jv -:i- ^ ^ ^ J'' :'~ : ~ v : 1

pNrno nno^ D^n-^ onïö prnni : ^nN-D-i:S

i vat t I • jt : - : i.quot; - : *t t • - : • 1 lt;- v: iv i'

ron» DIU ipïrnK D^n : a^no 1^3 iidk »3 •,l'

1 at : v VJV iv, •• : v -jtt jt ' - r •• jt \ v. : it r

wy : DODiy-^ Dribofeo n'nï onhN^D ^

^ ^t jquot; t : * iquot; : it : • ^ vt : * ^: ••.: ot -: : *

: riba'^i anr e]M-^3 on.VPP n^D 13quot;|3 -n« ibïri on.vp D^n |n-nK \h njn,vl'

ö : onïD

• it: •

ei^N niNO-B'B'3 nh3D DDO^IO 1?Nniy^,a3

.y : - | v sv •• iquot; ; ta ••. • ! '•quot; ■)•• t: * iquot; : s : *quot;

np3i mvi nnK n1?^ 3quot;i 3quot;iyD:i : titaD quot;131? onnan ^

i tt 1 ■• : at • t f '• jquot; ',t ' j* '• v.*t :-

DnïDOWïin quot;iï^n pï3rrnK iön'i : nm 133 mpö ^

. .j-; . . s. ... .: | .. t . .. - , ; j.. t ^vl: •

nanonnV^^ionxsa^quot;ir'3ranK1?»3 niïo rijjgt;

• : :it « : * quot; * •* :i • i a- t •* •*' v, quot; j %

13^' IB'N L'Kquot;1^, '33 3^101 : DH1? mVDil»

l. : it jv -: •• t ; ■ -**■ : - iv t j i I.t •• - :

normaal geweest is. Dat de kinderen in het leven gespaard bleven, en niet door ziekten stierven; dat het normale aantal geboorten gedurende zoovele geslachten niet verminderde, dit alles maakt de woorden van Mozes (Deut. 1,10) volkomen gerechtvaardigd; Gods bescherming is het, die hen zoo talrijk heeft doen worden.

38. 3^y, eene gemengde troep van allerlei stam; Num. 11,4 tyiDBDN, mengelmoes, genoemd.

40. De hier genoemde 430 jaar moeten volgens vele Rabbijnen gerekend worden van af het //verbond tusschen de stukkenquot;, dat dan gesloten zou. zijn, toen Abraham 70 jaren oud was. De 400 jaar (Gen. 15,13) beginnen dan bij Izaks geboorte; 190 jaar daarna kwam Israël in Egypte, zoodat het werkelijk verblijf aldaar 210 jaar geduurd zou hebben. Volgens anderen beginnen de 430 jaren met Abrahams vertrek naar Kena'an, toen hij 75 jaar oud was; dan zijn de 400 jaren van Gen. 15,13 slechts globaal gerekend en duurde het werkelijk oponthoud in Egypte 215 jaar (Pirké R. Eli'ezer 49). Aanleiding tot deze verklaringen geeft vooral het feit, dat de jaren van Kehath, Amram en Mozes bijeengenomen slechts 350 jaar geven (zie Rashie), zoodat de periode van verblijf in Egypte, die slechts die geslachten omvat, niet eens zoo lang geduurd kan hebben (vgl, Meor 'Enajim 35) Septuaginta voegt dan ook verklarend bij: dien zij in Egypte en in het land Kena'an gevestigd waren. — Anderen nemen aan, dat het werkelijk verblijf 430 jaar bedroeg en in het geslachtsregister van hoofdstuk 6 niet alle schakels zijn opgenomen, maar alleen de hoofdpersonen; terwijl 'ja dan op eenige plaatsen kleinzoon, nakomeling beteekent. Zoo zouden van Ephrajim tot Jehoshoea' tien a elf geslachten komen en ook tusschen Levie en 'Amram meer dan één geslacht liggen.

ocr page 68

EXODUS XII.

41 gewoond hadden, was vier honderd en dertig jaar. En het was: na het einde van vier honderd en dertig jaar; en het was op dien dag zelf, toen trokken al de scharen des Eeuwigen uit

42 het land Egypte. Een lang verbeide nacht was het voor den Eeuwige, om hen uit het Tand Egypte te voeren ; deze nacht is het ook voor den Eeuwige, eene inachtneming voor al de kinderen Israels, bij hunne komende geslachten.

43 De Eeuwige zeide tot Mozes en Aharon : „Dit is de wet van het overschrijdingsoffer: geen zoon van een vreemde mag er

44 van eten. Iedere voor geld gekochte slaaf van een man echter, als gij hem besneden zult hebben, dan mag hij er van eten.

45 Een bijwonende vreemdeling of huurling zal er niet van eten.

46 Het moet in één huis gegeten worden ; gij zult van het vleesch niets uit het huis naar buiten brengen, en een been zult gij er

47 niet aan breken. De geheele gemeente van Israël zal het

48 bereiden. En wanneer een vreemdeling bij u verblijf houdt, en ter eere des Eeuwigen het Pésach bereiden wil,

42. Die nacht was 'rh D^nr, door den Eeuwige lang bewaard, verbeid, om daarin Israël uit Egypte te voeren', die nacht is daarnm ten eeawifjen dage ter eere des Eeuwigen Snicn ■gt;»■gt; O'lisf, een in acht te nemen herinnering voor de kinderen Israels.

43. De hier volgende openbaring is de voortzetting van die in het begin van dit hoofdstuk. Zij sluit direct aan vs. 11 aan, waar. door de uiteenzetting van de beteekenis van het offer en de voorscliriften aan-

faande het feest, de verhaler, door zijn onderwerp meegesleept, dadelijk et verhaal van den uittocht naar zijne hoofdtrekken en Indrukken laat volgen. De inleiding van ons vers, dat de openbaring gericht was aan aande het feest, de verhaler, door zijn onderwerp meegesleept, dadelijk et verhaal van den uittocht naar zijne hoofdtrekken en Indrukken laat volgen. De inleiding van ons vers, dat de openbaring gericht was aan Mozes en Aharon, brengt onze plaats reeds in onmiddellijk verband met vs. 1; meer nog blijkt dit verband uit vs. 50, dat bijna letterlijk vs. 28 herhaalt, en vs. 51, dat met het tweede gedeelte van vs. 41 overeen komt en als slot dezer geheele passage recapitnleerend het feit in herinnering brengt (zie Dr. Dunner t a. p.. pag. 201, vgl. Rashie en Nachm.) De inhoud onzer passage is van dien aard, dat de mededeeling ervan zonder bezwaar kon worden uitgesteld. Zij bevat de voorschriften aangaande de personen, die aan het in later tijd te brengen Paaschoffer kunnen deelnemen, en de wijze, waarop bij het gebruik ervan moet worden gehandeld. Sommigen meenên, dat met het oog op de talrijke heidenen, die zich bij den uittocht bij Israël hadden aangesloten, deze voorschriften hier zijn geplaatst en de 'hier bedoelde openbaring dus na den uittocht zou hebben plaats gehad; wat echter om de genoemde redenen minder waarschijnlijk is. — -dj |3 Sa, eig. een zoon van den vreemde, die tot een vreemd volk behoort, een niet-Israëliet; volgens de tradilie ook: een Israëliet, die zich vervreemd heeft van zijn God en afgoden dient (Rashie, Mechiltha); alle groepen van niet tot 'het Jodendom behoorenden worden immers in de volgende verzen besproken.

44. Een heidensche slaaf mag eerst aan het Pésachmaal deelnemen, nadat hij besneden is. ws nnSai is dan niet een gebod, maar een facultatieve zinsnede (Ibn 'Ezea). De Halacha vat het echter als voorschrift op, dat de heer verplicht is zijne heidensche slaven door besnijdenis (gevolgd

31

ocr page 69

y «a NS

VP» ™ :n3trni«o jraiNi nk' Dnxo3«»

j- : |lquot;- • ;- it ^v. ^ : tt -• ; -at; • :

■Va iw nTn Di'n DÏ^S 'rn natr nixo ^anNi nitr

t •» :it v- •» - *• v : • :- att v quot; : - : tt

nin^ Kin ansir W : DnïD pKO nirv niKax=»

t i- | \' •*quot; • it : • | vjv •• ^t : j : •

Dnst^ nin^ run n^bn-xin onxD riNïo

.)• • tl- v - t - i • at : • i v -v •• ^t • i ;

fi : Drn-6

-nV tDrrrba noön nsn hn? rSnKi hm» lo^'i»

vt •• i v t -at - l-»-\ v. i -; i- : •»•.• v t : v lt;-

baN' m inx nnboi tprropö larbat •* is ^

- j v.t lquot;17quot; : ' 'vat ' ** t 1 ' ^

:13 ba^-K1? TDtn atrin Ma™

S' I •• Tlquot; T V •«- ; i -» V* T : JT i 10

myba .* lama^n Nb DV^I nïin n'^an-ro n^n-pm

j-*1: T i : : • ^ v\v;^ T a VT T - I • ••)- - I *

Hin''b nDfl n^ri ia nnx iw'ai : inN wy bxnir» ™

ti- - v t ^t: •• I : • ti*: i ; .i' kquot; r: •

door een ritueel bad) gedeeeltelijk in het Jodendom op te nemen (waardoor zij dezelfde verplichtingen op zich nemen als de Joodsche vrouwen); terwijl de heer zelf, zoolang hij een onbesneden slaaf in zijn huis heeft, niet aan het Pésachmaal mag deelnemen (Rashie; Pesachiem 96a). Dan zou men moeten vertalen: en iedere voor geld door een man gekochte slaaf,— dien moet gij besnijden en eerst dan mag hij, de heer, ervan eten.

45. 3^171 een bijwonend vreemdeling, die slechts de zeven Noachidische plichten heeftop zich genomen. Die plichten zijn : Onthouding van afgoderij, moord en ontucht, van godslastering, rooi' en het eten van een lid van een nog levend dier, en het gebod van strafrechtspleging. Zelfs zij, die besneden zijn, maar niet met het doel om daardoor in het Jodendom te worden opgenomen, — zooals de Arabieien, of niet-Israëlieten, die zich wel aan de besnijdenis, maar niet aan het daarna vereischte ritueele bad hebben onderworpen, — mogen aan het Pésachmaal geen deel nemen. Ibn 'Ezra : een Israëliet, die bij een geloofsgenoot inwoontof als huurling in dienst is, mag er niet van eten, tenzij hij, evenals andere Israëlieten, onder de deelnemers aan het Paaschlam was medegerekend — -car, een niet-Israëliet, die voor loon bij een Israëliet in dienst is en dus met het huis van zijn werkgever in geen nader verband staat.

46. Dit vers werkt het in vs. 3 kort aangegeven denkbeeld nader uit. Genomen voor ieder vadershuis, moest het eten zich ook tot die vaders-huizen blijven bepalen, waarvoor ieder lam bestemd was. ms jvm, beteekent dus: in e'ene familiegroep, gezelschap, terwijl jow. N1' het verbod aangeeft, van het Paaschlam iets naar eene andere plaats te brengen, dan waar het gegeten wordt (Rashie, zie Pesachiem 86). Alle hier gegeven voorschriften gelden voor later te bereiden Paaschoffers.

48. quot;U quot;■^U, 131 hier is de pix u, de geheel tot het Jodendom toegetreden niet-Israëliet bedoeld. Eerst als al zijne mannelijke huisgenooten besneden zijn, dan is hij als de inboorling des lands. — Lnj; Sdi, en geen onbesnedene, ook niet de Israëliet, die door bijzondere omstandigheden onbesneden is gebleven.

ocr page 70

EXODUS XII, XIII.

dan moet alles, wat onder de zijnen mannelijk is, besneden worden, en dan kan hij naderen om het te bereiden, en zal hij als een inboorling des lands zijn; doch geen onbesnedene mag er van

49 eten. Eéne leer zal er zijn voor den inboorling en den vreem-

50 deling, die zich onder u ophoudt.quot; Al de kinderen Israels deden het; gelijk de Eeuwige Mozes en Aharon geboden had,

51 zoo deden zij. — En het was op dien dag zelf, dat de Eeuwige de kinderen Israels uit het land Egypte voerde, naar hunne scharen.

2 1 De Eeuwige sprak tot Mozes, als volgt : «Heilig Mij al het eerstgeborene, wat eiken moederschoot opent onder de kinderen Israels, zoowel onder menschen als onder vee; Mij behoort

3 het!quot; Mozes zeide tot het volk; «Gedenkt dezen dag, waarop gij uit Egypte, uit het slavenhuis, getrokken zijt; want met sterkte van hand heeft u de Eeuwige van hier uitgevoerd; en

4 niets gezuurds mag gegeten worden. Heden trekt gij uit in de

5 arenmaand. Nu zal het zijn : als de Eeuwige u zal brengen naar het land van den Kena'aniet, den Chittiet, den Emoriet, den Chiwwiet en den Jeboesiet, dat Hij uwen vaderen toegezworen heeft u te geven, een land, vloeiende van melk en honig; dan zult gij dezen dienst in deze maand volbrengen.

6 Zeven dagen zult gij ongezuurd brood eten ; en op den zevenden

7 dag zal een feest zijn ter eere des Eeuwigen. Ongezuurde brooden zal men eten gedurende de zeven dagen; en er zal bij u geen gezuurd brood gezien worden, en er zal bij u

8 geen zuurdeeg gezien worden in geheel uw gebied. En gij zult uwen zoon op dien dag mededeelen, zeggende; . .wegens datgene, wat de Eeuwige mij gedaan heeft, toen ik uit

9 Egypte uittrok.quot; En het zal u zijn tot teeken op uwe hand

49. Eéne leer zij er voor u en voor den vreemdeling, nl. dat geen onbesnedene van het Paaschoffer mag eten.

51. Ibn 'Ezra en Rasubam zien in dit vers den voorzin van het volgende; op den dag, dat God uitvoerde, sprak Hij.

Hoofdstuk XIII. 1. Op den 15den Niesan, na den uittocht, werden de hier volgende voorschriften aan Mozes gegeven en direct door hem aan het volk bekend gemaakt, zooals uit vs. 3 en 4 blijkt.

5. De voornaamste der Kena'anietische volkeren worden hier genoemd ; die, wier land het vruchtbaarst was (vgl. Nachm.)

6. Dvai. den zevenden dag is wederom een feest; nl. een Bnp sipï; den eersten dag spreekt dit vanzelf. Nachm. meent, dat in jn hier gedacht wordt aan het brengen van het feestofter (rwun inSc) en dat ons vers beteekent; en op den zevenden dag moet het feestoffer gebracht tcorden ; het duldt dan geen verder uitstel, terwijl op den eersten dag van het feest nog geleuenhein bestaat om het op een der volgende dagen te brengen.

.8- nr .maya- terwille van dit, ncr (it\s), wat God mij gedaan heeft, — vier ik dit feest op de bovengenoemde wijze (Nachm., Rashbam). Rasuie en Ibn 'Ezra ; ter wille van dit alles heeft' de Eeuwige mij al die wonderen gedaan.

32

5

ocr page 71

pt^n mms rvrn lipquot; tni lirVa ib Visn

| V AT T •»-: V : VT T : # —.1- -»-1; • T : T T T -• s •

ian quot;labi mw1? dhk min : 13 brw-NS

JT - V,quot;quot; : AT: VIT quot; quot; quot;JT ' ■ -» V'^T T :

niro-nN nm* niv ♦arVs ^»1 : dmids3

jv .)T : ST • V -: 1- ftquot; t :( • ■••• ; T ». ^:i— iv : 1 T

nin^ N'xin n?n ovrt dï^3 d : wy |3 pn^-nNi ^ a * : Drsar1?^ onxa ri^o ^NÏB^ ^rnx

^ ^ ^ IT : ^* * Vquot; : * I vr.* •• )•• T: • r* :

onrbi IÜÖ 'run^ nDKbntfo-^N nin» i2T^ Qvn-^N nsroiö^i : Nin ^ nonaai DnK3 ^23 ^

tT T V V ^ - iv.' AT ^ l.TT IT ** T J * •»*• ; *

»3 Dn3^ n^o onvoo Dn^ï* nrn Di»n-nK -iiSt

•lt; • t ^-; -••• • ..... lt;.,. t ; v -: v- lt; - v t

orwDiTi: ron bsN» nVi htd D3nx nirr tlt;»yin i» nTn3 ^

pJV quot; p*- quot; I ••• t V.'^Tiquot; j : *'■• * v.v ; v *)T ; j- t I v - :

^^:3n ptr^K mn» ?IN»3,m3 n^m :3*3Kn ^Tn3 DW^

• -:,- : - I, •■-■•, . •■■ , T = j,.~ 'V. '■ .JTT : '• t,T -.-I : ^ .• : .

Tj? nrb ^n3N7V3^:n^K^3:nvinni naxni ♦nnni :nTnirnn3mTnni3yiTnK rn3^i ^311 3^ n3r nx

^ IV- V J - v. quot; JT • IT .V -JT :-nT: rtT : V.T T j-r | vr.*

niïo : nin^ :n ^3^n Di*3i rivo ^ün njpi?1 !)quot;? ^on ^ riKT-N1?quot;) D'D^n nyzw nx

quot;113^3 •imb Ninn di»3 ^2) nninquot;) : -ik^h

n1^ ^ : ^VPP'nNVS^ nin» nio

9. Zooals uit de parallel-plaatsen Ex. 13,16, Deut. 6,8, en 11,18 blijkt, wordt hier gedacht aan een teeken, dat gebonden wordt op de hand en tusschen de oogen. Het gaat dus niet aan, met de Karaieten en sommige commentatoren hier aan eene zinnebeeldige herinnering te denken: houd de herinnering aan de bevrijding zoo levendig, als ware zij op uwe hand

feschreven eu tusschen uwe oogen gebonden; — maar de eenigjuistever-laring is die der traditie, die ook in ons vers het gebod der Thefillien terugvindt: twee aan lederen riemen bevestigde lederen huisjes, waarin zich de afdeelineen Ex. 13,1—10, ibid. 11—16, Deut. 6,4—9 en 11,13_21, opeschreven eu tusschen uwe oogen gebonden; — maar de eenigjuistever-laring is die der traditie, die ook in ons vers het gebod der Thefillien terugvindt: twee aan lederen riemen bevestigde lederen huisjes, waarin zich de afdeelineen Ex. 13,1—10, ibid. 11—16, Deut. 6,4—9 en 11,13_21, op

Serkament geschreven, bevinden. Deze worden op den linkerarm en' op et hoofd aan de haarwortels aangelegd, om hoofd, arm en hart te doordringen met de dnarin vervatte denkbeelden. —erkament geschreven, bevinden. Deze worden op den linkerarm en' op et hoofd aan de haarwortels aangelegd, om hoofd, arm en hart te doordringen met de dnarin vervatte denkbeelden. — f es 'n min rp.-iri jrnS opdat gij, daardoor telkens aan Gods woord herinnerd, ook voortdurend er over zult spreken en bij elke gelegenheid er aan zult denken, tp beteekent evenmin op de hand, als -pn' pa tusschen de oogen. Dat dit laatste moet doelen op de plaats op het voorhoofd, waar de haarwortels beginnen, blijkt overtuigend uit Deut. 14,1: gij zuli geen kale plek maken, dd^t pa' tusschen uwe oogen, dat is: op het voorhoofd, boven bij de haarwortels^ recht tegenover de plaats, die tusschen de oogen is. Êvenzoo beteekent ■pp Sj): aan den bovenarm.

ocr page 72

EXODUS XIII.

en tot een gedachtenis tussehen uwe oogen, opdat de leer des Eeuwigen in uwen mond blijve; want met sterkte van hand

10 heeft de Eeuwige u uit Egypte gevoerd. Gij zult dus deze wet in acht nemen, op haren bepaalden tijd, van jaar tot jaar.

11 En het zal zijn ; wanneer u de Eeuwige naar het land van den Kena'aniet zal brengen, gelijk Hij u en uwen vaderen ge-

12 zworen heeft, en het u zal geven ; Dan zult gij al wat den moederschoot opent tot den Eeuwige doen overgaan: van al wat namelijk [den moederschoot] opent onder het geworpene van het vee, dat u mocht behooren, zullen de mannelijken den Eeuwige

13 gewijd zijn. Al wat [den moederschoot] opent onder de ezels, zult gij voor een lam lossen ; indien gij het echter niet lost, zult gij het den nek breken; en al het eerstgeborene des men-

14 schen onder uwe zonen, moet gij lossen. Nu zal het zijn : Als u uw zoon in de toekomst eens zal vragen, zeggende; «Wat beteekent dat?quot; dan zult gij tot hem zeggen: «Met sterkte van hand heeft ons de Eeuwige uit Egypte, uit het slavenhuis, uit-

15 gevoerd. Nu was het: Toen Phar'o zich verhardde om ons te laten heengaan, sloeg de Eeuwige eiken eerstgeborene in het land Egypte, van het eerstgeborene van menschen af, tot het eerstgeborene van vee; daarom offer ik ter eere des Eeuwigen al wat den moederschoot opent, voor zoover het mannelijk is;

16 en eiken eerstgeborene mijner zonen los ik. En het zal zijn tot teeken op uwe hand en tot voorhoofdsband tusschen uwe oogen, dat met sterkte van hand de Eeuwige ons uit Egypte heeft gevoerd.quot; —

17 En het was: toen Phar'o het volk liet heengaan, voerde God hen niet den we» door het land der Philistijnen, ofschoon deze nabij is ; want God zeide: opdat het volk niet van besluit verandere,

10. mttn npnn. deze wet aangaande het Paaschfeest. — mygt;oi O'»1».

van af die dagen tot die dagen, d. w. z. telkens als die dagen terugkeeren, d. i. van Jaar tot jaar.

11. algemeene naam voor de zeven volkeren. — De lossing der eerstgeborenen is dus eerst voor het heilige land voorgeschreven.

12. arn quot;ItOS S3,- algemeen: al wat den moederschoot opent, nader ontwikkeld in drie met Ssi ingeleide groepen; 1°. rnsra -uc idb Sii, al wat Am moederschoot opent (itss, kort uitgedrukt voor: om idb), ur, onder het geworpene van het vee, moet, voor zoover het mannelijke dieren zijn, den Eeuwige worden gewijd 2°. 13. lön HBS 731. Hoewel uit Num. 18,15 schijnt te blijken, dat alle eerstgeborenen van onrein vee gelost moeten worden, neemt de traditie op grond van de hier voorkomenae en Ex. 34,20 herhaalde nadrukkelijke vermelding van niin icb aan, dat deze wet uitsluitend bij eerstgeboren ezels geldt. — 3°. ons H33 Ssi, al het eerstgeborene des menschen onder uwe zonen, msn, moet gij lossen voor vijf Shekaliem.

14. -ino. op een komenden dag, zie onze aant. Gen. 30,33.

15. nrpn. hard maakte, nl. zijn hart. — om idb Sa, al wat den moeder-

33

ocr page 73

npm T3 ^^33 nin» nnin njnn pa P'^tSi

myiö1? mn npnn-nN : onvao mrr

at : i : v * Irr*-. r v ot ; - it : • it ; • • v,t ; -tr

ö * : na^o» D^Q^O

^ t r r v t •

Thaxbi *h yim rquot;iK-^ nin» ^Na,-»3 rr'ni ^

I av -; r : v, L: quot;• * ov -: iquot; quot; -r : - I v-«v v t : lt;|-i r: r r t ;

lity i -lüs-bm nin^ onntaa-^ ma^ni : rb ^

v-»v ^ •.•-••.• t ; at r v v.v v iv t jt : - *^:i- : ^ |it vt t :

man quot;ion : nin'1? onDtn tp n^n' nóna^

•**.•; • -: v lt;v t: ,T Vquot; *.* t : - •)! : jv : r v -: r •• ;

: dik hm Vdi inai^i man n1?™ n'20

iv; ^ Kv t : ot t j : ; a : -'i;i- *.•••;• j • ; v ;

pfna v^k moNi n^rno ma n:a

i v j : t •• jt : - it : a - -» •• vt t •»! : • ^| : it : • i* t t :

niypn-'a n^o onxso mrr mwr\ quot;r10

jt i; • i' * t^-: jquot; ' ' jt : st • i t

■1330 onvD rn«3 ii33-i?3 nin» ripia

^j. . . . . 1 ,,j., . . T lt;T . ^ ; -

brn nin^ nfiT nons 1133-1^1

v v v«v t ti--quot; * -: 1 •• at •• ; -• : : ^ ^t t

naüi^inbT-^ hixbrnm ; max ^3 ii33_1?3i »

^ t is t ;jt : «t t ; iv ; v t ^ : t : * t : *

d : onïöo nin» i3«»xin n» pfra '3 ^3^ p3

• it : • • v.t : jt 1 t i v j : •lt; p av i •*••

px DnrNbi bjprrnK rijna n^s

D^n onr-rs nox 1 '3 «in 3,hp *3 D'n^a

Ttt jquot; t • i v ••::■gt;- t -«• c v,»t • : • ;

schoot opent onder het vee. Vs. 16 is waarschijnlijk nog tot den zoon gericht, zooals uit iJsmT blijkt: ;/0m de genoemde reden vervulik die mij opgelegde plichten; het zij ook u tot teeken op uwe hand, dat God ons uit Egypte heeft gevoerdquot; (vgl. Rasiibam).

17. Ex. 12,37 is reeds in het kort gezegd, dat Israël van Ra'meses naar Soekkoth trok; daaraan knoopt vs. 20 weer aan, om te vermelden

op hoe wonderbare wijze de Eeuwige ('H, in vs. 17 vv. QTlSjO hen voerde. Voordat echter met vs. 20 de draad van het geschiedverhaal weer wordt opgenomen, worden in vs. 17—19 eenige bijzonderheden medegedeeld, tot wier vermelding tot nu toe geene gelegenheid bestond. In de eerste plaats: hoe het kwam, dat zij van Soekkoth naar Etham gingen, wat buiten den kortsten weg van Egypte naar Palaestina lag. Die kortste weg toch voerde langs den Heirweg over Gaza in het land der Philistijnen, volgens Ibn 'Ezra 10 dagreizen. — son anp '3, ofschoon; Ibn 'Ezra: God voerde hen dien weg niet, wat men zou verwacht hebben, omdat hij nabij was, — maar Hij voerde hen een langeren weg; Rashie; Hij voerde hen niet dien weg, juist omdat die nabij is, en zij gemakkelijk zouden kunnen terug-keeren. — QinSs iss ■o, want God zeide tot Zichzell'; misschien ook tot Mozes om dezen op te helderen, waarom zij langs een omweg reisden.— JB enz. Gods woorden zijn slechts gedeeltelijk teruggegeven; «Ik voer

ocr page 74

34 EXODUS XIII, XIV.

18 als zij oorlog zien, en zij naar Egypte terugkeeren.quot; Daarom liet God het volk een omweg maken, den weg namelijk door de woestijn naar de Scnelfzee; en gewapend waren

19 de kinderen Israels opgetrokken uit het land Egypte. En Mozes had het gebeente van Joseph met zich medegenomen; want deze had de kinderen Israels eenen eed doen zweren, zeggende : „Bedenken zal God u eens, dan zult gij mijn gebeente

20 van hier met u voeren.quot; — Nu trokken zij op uit Soekkoth

21 en legerden zich in Étham, aan de grens der woestijn. En de Eeuwige ging voor hen uit, in eene wolkzuil bij dag, om hen den weg te leiden, en des nachts in eene vuurzuil, om hun licht te verschaffen, opdat zij des daags en des nachts konden

22 voorttrekken. Nimmer week de wolkzuil bij dag, noch de vuurzuil des nachts, vóór het volk.

1 De Eeuwige sprak tot Mozes, als volgt; „Spreek tot de kinderen Israels, dat zij terugkeeren en zich in het gezicht van Pie-Hachieroth legeren, tusschen Migdol en de zee ; in het gezicht van Ba'al Tsephon, daartegenover zult gij u legeren bij

3 de zee. Dan /.al Phar'o van de kinderen Israels zeggen: zij zijn

4 verdwaald in het land, de woestijn heeft hen opgesloten. Dan zal Ik Phar'os hart sterk doen worden en hij zal hen vervolgen ; en Ik zal verheerlijkt worden in Phar'o en in geheel zijn leger; en de Egyptenaren zullen tot de erkenning komen, dat Ik

hen niet door het land der Philistijnen, opdat zij niet enz.quot; rmnS» onsia, hoogstwaarschijnlijk toch zouden de Philistijnen eene zoo groote volksmenigte niet ongehinderd door hun land laten trekken en zoude hun dus reeds enkele dagen na hunne bevrijding een heftige strijd wachten, waartoe zij den noodigen moed zouden missen.

18. van 220. — D'com; de tweede bijzonderheid: wel

waren zij overhaast uit Egypte getrokken, maar toch gewapend, niet eenvoudig verjaagd en verbannen, maar, na hunne vrijheid te hebben afgedwongen, als onafhankelijk volk, die zelve de wapenen mochten voeren. Daardoor wordt tevens verklaard, hoe zij, betrekkelijk korten tijd later, reeds in staat waren den strijd tegen 'Amalek te voeren. (D'üttm, uitgerust ten strijde, staat Jes. 1,14 en 4,12 parallel met □'•ïiSn in Num. 32,30. Ue afleiding is onzeker; v. s. met het zwaard op den vijfden rib).

19. Eene derde bijzonderheid, klaarblijkelijk van groote beteekenis, vooral voor den tijdgenoot; immers ook Jos 24,39 wordt er nog eens uitdrukkelijk melding van gemaakt (vgl. Dr. Dünnek t. a. p., pag. 202).

20. waarschijnlijk op den 16den Niesan. — I2tsn rrap2; de beide uiteinden, begin zoowel als einde, heeten nïp; de hier bedoelde woestijn wordt Ex. 15,22 de woestijn Shoer, Num. 33,8 de woestijn Etham genoemd. Misschien is ito de meer algemeene naam eener woestenij, waarvan een gedeelte, van de stad Etham af, den naam Etham-woestijn draagt.

21. In de wolk- en vuurzuil verscheen hun, als het ware, de Godheid zelve, om hun den weg te wijzen en hen voor te lichten. Deze wolk- en

ocr page 75

T y rhvi quot;h

DirrrnK i aD'i : nanïo •aan nanVo nnxia ^

^tt •* y *•; ••quot;quot; t : it: • rr : vt t : • ; *

: onyp pKO n^ani ^D-D? nanan -jnn

♦ja-nN ^atï'n jDttfvaiay ^pv niov^-riN ni^o 'rmjrnN nn^^rn oinN D^K ipa -iox^

.• -is-ian nïp3 onxa urn riSDp ^D'i : DDnx rnp = n^i^n Dnn:b na^a DÓI» an^ab ^Vn ninn^ maV^^-N1?: oa^ mV? on1? i^nb I^K niajra33

« • t i t :it t JT vvv t av t quot;j* t ; v.quot; ^ J

s : orn ua1? -iia^i oav njrn

nrr vquot; : * t :at vquot; t J quot; : t i t*gt; iv

: laNv' n^a-bx nin* laTi^ ffixV^a ^sb Q'n ^31 Vtaa pa rrrnn 'a unn on o^a: uab 'n^-ia laKi : DTrbp unn inm -

^.. j- \ : quot; ti' •*quot; : :quot; lt;- t : it - - \. -: r -» : •

t|n-ifn^-)3quot;aynN ♦npini : nanan ijd ♦jK-^a onïa wti iS^n-Vaai fi^isa nnaaHi bnnnN

J- -; quot; •l-: • 1 :it: •• T : : quot; : «t : rr • : v quot;■: lquot;

vuurzuil begeleidden hen gedurende al den tijd hunner omzwerving in de woestiin. Het is dezelfde wolk (jJïn), waarvan Num. 9,15 vv. sprake is. — nVi^i dbv na1?1?. En wegens de groote hitte bij dag, èn wegens de bezwaren, aan hun voorttrekken verbonden, die hun den tocht uiterst langzaam deden afleggen, moesten zij ook wel een gedeelte van den nacht reizen.

22. J{Sgt; Nooit week, va = »ia; — Ibx 'Ezka en Kasiibam; Hij,

God, deed niet u-ijken, vklt; als Vrsr» van ui».

Hoofdstuk XIV. 2. Num. 33,7 wordt deze tocht aldus beschreven: Van Etham optrekkend, wendden zij zich in de richting naar Pie-Hachie-roth, dat tegenover Ba'al Tsephon ligt. en legerden zich vóór Migdol. — Ook hier kan het zeer goed verklaard worden, dat zij legerden tusschen Migdol en de zee, tegenover Ba'al Tsephon, dat tegenover Pie-Hachieroth ligt, — en toch nwnn 'S 'os1?, in de richting naar Pie-Hachieroth, zoodat zij van daaruit gezien kunnen worden. Ba'al Tsephon is waarschijnlijk een tempel van Typhon. den Egyptischen afgod.

3. Q'piaj = n,3'Q3, verdwaald; de weg, dien zij nemen, is niet alleen

een omwequot;r, maar naar menschelijk oordeel ook een bewijs van dwaasheid en volslagen onbekendheid met quot;den toestand des lands. — DrvSr -ud, als in een gevangenis, waarvan men de deuren heeft dichtgeworpen achter den gevangene, zoo zijn zij in de woestijn opgesloten. Vgl. Job 12,14.

4. JijnSS In den ondergang van Phar'o en zijn leger zal Gods roem verheerlijkt worden. Niet: door Phar'o en zijn leger, die immers zullen ondergaan. — p icn, waarschijnlijk op 17 Niesan.

ocr page 76

EXODUS XIV.

5 de Eeuwige ben!quot; — En zij deden zoo. Toen nu den koning van Egypte bericht werd, dat het volk de vlucht had genomen, veranderde het hart van Phar'o en van zijne dienaren ten opzichte van het volk ; en zeiden zij: „Wat hebben wij daar gedaan, dat wij Israël hebben laten heengaan, om ons

6 niet meer te dienen ?quot; Hij spande zijnen wagen aan, en nam

7 zijn volk met zich. Hij nam zes honderd uitgelezen wagens en al de wagens van Egypte, en legeroversten over die allen.

8 De Eeuwige deed vast zijn het hart van Phar'o, den koning van Egypte, zoodat hij de kinderen Israels vervolgde; de kinderen Israels echter waren uitgetrokken met opgeheven hand.

9 De Egyptenaren achtervolgden hen, en bereikten hen, terwijl zij aan de zee gelegerd waren, — al de paarden der wagens van Phar'o, zijne ruiters en zijne [overige] legermacht — bij

10 Pie-Hachieroth, vóór Ba'al Tsephon. En Phar'o kwam nader; toen nu de kinderen Israels hunne oogen ophieven en zie! Eg^'pte, trekkend achter hen, toen vreesden zij zeer ; en de kinde-

11 ren Israels schreiden tot den Eeuwige. Tot Mozes echter zeiden er : „Is het, omdat er geene graven in Egypte zijn, dat gij ons medegenomen hebt, om in de woestijn te sterven ? wat hebt

12 gij ons daar gedaan, door ons uit Egypte uit te voeren ? Is dit niet het woord, dat wij tot u in Egypte gesproken hebben, zeggende: laat af van ons, en laat ons de Egyptenaren dienen! want het is beter voor ons de Egyptenaren te dienen,

13 dan dat wij in de woestijn sterven!quot; Mozes echter zeide tot het volk: „Vreest niet! houdt stand en ziet de redding des

5- Dj/n ma quot;o. Zooals uit het slot van ons vers blijkt, beschouwt Phar'o Israels vertrek uit Egypte niet als eene vlucht, zelfs niet na zijn besluit hen in slavernij terug te brengen. Uit het vorige vers blijkt ook, dat Israëls heen- en weertrekken in de woestijn aanleiding geeft tot Phar'os verandering van meening. urn rro '3 schijnt dus met Rashbam te moeten verklaard worden: dat het volk op de vlucht geslagen was; hun terugtocht yan Etham naar Pie-Hachieroth wordt Phar'o als een nederlaag of oproer in Israëls kamp voorgesteld, en hun tocht als een verwarde vlucht. Ibn 'Ezra; dat het volk blijkbaar was gevlucht en niet zou terug-keeren. Het bericht kan Phar'o reeds op 18 Niesan hebben bereikt, waarop hij zijn leger uitrustte en hen achterna zette; de doortocht door de Schelf-zee had volgens de traditie op 21 Niesan plaats.

6. tOy. zijn krijgswoM:.

7- quot;lira 331, uitgelezen krijgs-H-ajiens; anderen: wagens, met uitgelezen manschappen bezet. — 33-1 Sai en alle, ook niet voor den oorlog bestemde, wagens tot transport van voetvolk. — doSüi, legeroversten, mannen, die in rang op den rum, den onderkoning, volgen (Ibn 'Ezra); v. a. wagenstrijders, als zouden op eiken wagen drie personen hebben plaats genomen, één de eigenlijke strijder, één die dezen met het schild dekte, en de wagenmenner. wD hs beteekent in die laatste opvatting: op die allen, op de wagens. — Phar'os leger bestond, volgens vs. 9 uit ast did, voor de bemande wagens gespannen paarden, D^ens, rijpaarden, v. d. ook hunne berijders, ruiterij, en Sn, voetvolk.

35

ocr page 77

T rbeo rh

■nan»-)' D^n ma »3 onïD 'nbvb na»i : nin*quot;

iquot; ti— # #att v,~t J' ^ • - : • ) v ^v ; -^\- I iquot; .iquot;~ :

■*3 ir'sry nxT-nD noH»! D^H-VK vmp n'^ns sn1?

,. ■ quot;t -' : iquot; t t v t t -:i- *lt; : - - :

lajrnNi lapn-nK quot;ipK'i : i:n^ gt;

onïö 23quot;i ^di iina aan niND-trsr np^ : isv np1?»

•at: • vv. : tv v j •• r* I------i I j-t

onyp n'^-13 a^nN njn» p:Tnn_ : quot;

* : nDi T3 D'NÏ* ♦aai ^3 nn« ti'-in»!

^ it t jt : v.* : • ^ t ; • — ; a» t ;•-••• : -j i- ^ | ;• -

did-V3 D»n-^ D^n oniN Wm onnnx onïD =

t t- lt;• -- •,•••-»!- * - ; • ; :•-

: rax ^3 n^nn 'a-Vy v^-iai rij;ia 33*1

1. : o- : ■ r -.- ■ '- . ••:, t.t ' :-

1 onïo rum on^^nK 7KTegt;»-^3 iNim 3npn ninav

*J': j * : •• quot; *quot; quot; quot; r: • i- ^ : •- a-I: • ^ ;-

: nin,-t7ï4 1?KTB',_,33 ipjwi TKO onnnx voi

it ; v v.quot; t : • 1quot;: ^ I j^—. ; • - ; ^r- v ••-: 1-

niob nnnpb Dnï03 Dn3pquot;pK ^3on hvn-bx IION^I ^

^t : I -: • t I: I iquot; lt;*:•-: v v : i -

nrx^n : onxoD wwrh 1:^ h^rno ■i3quot;ia3 ^

•quot;•: • ■ = .t ^ s: t tj- 'r , quot;

m3vn mn ^-in noN1? Dnï03 wbn 1:13^ im mn

-t : r ; • J~ -: •• * - ; • ; !lt;•.••• : - • v -: t t -

: quot;13103 lanao Dnvö-n« 13^ 3iu »3 DnyDTiN

it : • - •• ' • - : • v -• ^'z t j •gt;• -at ; •

ixni üiMnn o^n-^N nuto ION'I ^

•j- : v : : - ; i* t * t t jv

8- DOT T3. Zonder eenige vrees, waren zij tbc; opgeheven hand, onder de oogen der Egyptenaren (Num. 33,3) uitgetrokken ; Phar'o had dus kunnen en moeten inzien, dat zijn verzet niet zou baten ; doch de Eeuwige deed zijn hart onvatbaar blijven voor die gedachte.

10. De omstandigheden waren ernstig genoeg, om hen slechts van God redding te doen verwachten.

ii- nojn. een deel des volks wendde zich biddend tot God. een ander deel begon tegen Mozes te morren. — fgt;N 'bann, eene pleonastische uitdrukking; is het hij gebrek aan (iSaan) ol' zijn er niet (psn).

12. Al is eene dergelijke uiting vroeger niet medegedeeld, is het toch niet onwaarschijnlijk, dat een deel des volks liever rustig in Egypte wilde blijven, zij het dan ook als slaven, — dan zich aan de gevaren van den tocht door de woestijn bloot te stellen. — Anderen meenen, dat zij in hun angstig morren tegen Mozes hier overdrijven; want, slechts na de vermeerdering van druk ten gevolge van Mozes' eerste optreden, uitten zij ontevredenheid tegen hem (Ex. 5.21), terwijl zij hem na dien tijd steeds volgden. — Het verhaal van den Pentateuch is echter bij de voorbereiding van den uittocht onder Israël zóó kort, dat niet onwaarschijnlijk dergelijke voorbijgaande oproerige bewegingen tegen Mozes (en ook hun aanvankelijk ongeloof, dat het verrichten van alle drie teekenen voor de oogen des volks noodig maakte. Ex. 4,30) met stilzwijgen worden voorbijgegaan.

ocr page 78

EXODUS XIV.

Eeuwigen, die Hij heden u verschaffen zal; want zooals gij de Egyptenaren heden ziet, zult gij ze in eeuwigheid niet weder

14 zien. De Eeuwige zal voor u strijden; gij echter moet zwijgen!quot;

15 De Eeuwige zeide tot Mozes: „Wat schreit gij tot Mij? zeg

16 den kinderen Israels, dat zij optrekken! En gij, hef uwen staf op en strek uwe hand uit over de zee en klief haar; opdat de kinderen Israels in het midden der zee komen op het drooge.

17 En Ik, zie. Ik doe het hart der Egyptenaren vast zijn, dat zij er na hen zullen inkomen; zoo zal Ik verheerlijkt worden in Phar'o en in geheel zijn leger, in zijne wagens en in zijne

18 ruiters. Dan zullen de Egyptenaren erkennen, dat Ik de Eeuwige ben, als Ik verheerlijkt word in Phar'o, in zijne wagens

19 en in zijne ruiters.quot; — De Engel Gods, die vóór het leger van Israël gegaan was, trok op, en ging achter hen ; de wolkzuil trok namelijk op van vóór hen, en plaatste zich achter hen.

20 Zij kwam tusschen het leger van Egypte en het leger van Israël; en er was wolk en duisternis, en zij verlichtte den nacht; de een echter naderde den ander niet, den geheelen

21 nacht. Mozes strekte zijne hand uit over de zee, en de Eeuwige deed de zee wegvloeien door een hevigen oostewind gedurende den geheelen nacht, en maakte de zee tot eene

22 droogte; en het water werd gekliefd. En de kinderen Israels kwamen tot in het midden der zee op het drooge; en de wateren waren hun tot een muur aan hunne rechter- en linker-

23 hand. De Egyptenaren vervolgden hen, en kwamen achter hen, al de paarden van Phar'o, zijne wagens en zijne rui-

24 ters, in het midden der zee. Het was in de ochtendwake.

13. onso HN' OjrjO HrK. zooals ffij enz. Anderen: want de Egyptenaren, die gij heden hebt gezien, — gij zult ze niet wederzien tot in eeuwigheid!

14. pcnnn DrUO' oy moet -wijgen, niet meer tot God schreien!

15. pJ72{n HD. W7at schreit gij, Mozes, tot Mij? Wat brengt gij hot geschrei des volks tot Mij over? — Wel had God hem vs. 4 gezegd, dat Phar'o zou vernietigd worden, maar Mozes wist niet, hoe op dit oogenblik te handelen. Israël had hij verzekerd, dat Gods hulp niet zou uitblijven ; zelve begreep hij, dat, maar niet hoe die hulp zou komen. Daarom wendde hij zich in gebed tot God (Nachm.).

ie. mn. vóórdat Israël de zee intrekt, zult gij, door het uitstrekken van uw staf, haar klieven; d. w. z. op het oogenblik, waarop gij uwen staf er over opheft, zal de werking van den wind (vs. 21) zichtbaar worden; zoodat schijnbaar het uitstrekken van uwe hand met den staf, het klieven der zee bewerkt.

19. D^nWl quot;WjSo» die Ex. 13,21 genoemd wordt: de verschijning Gods, zich uitende in de wolkzuil. De wolkzuil trok intusschen weg van voor het leger van Israël en plaatste zich achter hen.

20. -pnm pyn. wolk en duisternis aan de zijde der Egyptenaren, terwijl dezelfde wolk den nacht verlichtte voor de Israëlieten. Dan was wolk-

36

ocr page 79

T n^2 i1?

bnvöTiK Dn^i »3 Di»n D31? nirr

. - : . y lt;v . . ^ t jv ^sr v -: t :

03*? onV nin» : obiyiy -iiy onKiS ison xb Di»n^

lt;sv t •*•• t • vt ; it ^ jt : • ^

3 * : ntrnnn onxi

i i •ii- vquot; quot; :

quot;int 'hu p^vrrno njba-^K nin» lo^iic

t : • iquot; : v jquot; - at •• i ; • - v v t ; v lt; -

D^n-1?^ ïjT-nN hdji quot;qpo'nN onn nnxi : ra -nxpTno wn 'iKi : n^3»3 or» -iin3 ^^»-^3 i«3n ^

v i ••-;lt;• ;^ r • -:i- it t - - v.t - ] j ; )•• t: * iquot; : s t;

n^a3 m33Ki onnnx IK3»I D^ÏQ 3^

„ t j : - : lt;t : it • i av ••-:i- ^t: • - : • •*quot;

n^fl3n33n3nin'»:«-»3 onvo : viyia3'i 133^3 ^

^ ; -•• ;^it • : at :•«•-; r • n ;it: it tt : ^ ; • ;

n:nQ^3^ ^Vnn D^NH ^0 pó»! : v^33i 133-13 ^

j.. iquot; • v:it |j- : - ^ it tit : ^ : • ;

id%)_ Dn^öp -ns# ^D»I onnnxa

Stnir njno r3i onxo n:na 1 r3 : onnnxa =

•• t : • -•••-: 1- i •• • - : • •quot;' -: i~ i -»•• r - iv •• -; i- ••

-bs nr1?» nr n^vrrnx iN'i -n^nni pyn 'nn

p tp vquot; quot; •)'•• -'quot;•t 1 ^ : t:'st quot;oj v ■•\tquot; lv 1 tquot;t iv lt;• ;-

D'n-nN 1 nln' •n'ji'i D'H-^ ITTIN n^o un : rYrbn ^

t - v jt ; )v j- t - ^ t v t :it -

!)^p3'i n3-inb D^n-n» Dbquot;i n^rr^ hy onp mn3

•vhit*- at titv vtquot; v ••• jt - t:- - t t^- «mt - ;

noinbn1? o^ani nir3»3 D^n ■nin3 1?n-ib',-,33 : D'an ==

t v t : at t— ^ v,t^- ij: •»•* t : • iquot; : st- -it -

DID V3 DnnnK iN3'i DnxD lan»quot;) ID^ND^DI Dro^n»

j lt; v 1- ^ j t- . - . . ^ . ... it . . . r

—ip'in rrioBW3 w\ : D4n -iin-^K vtrnai 1331 nirnsquot;13

i v - v ; - : • ; - it - ) ^ v at tit v ï * : -

en vuurzuil eigenlijk één; een vurige kolom, in een wolkkolom gehuld; 's nachts was dan het vuur zichtbaar, dat bij dag door het zonlicht verduisterd werd. — De meeste Joodsche commentatoren meenen echter, dat onderwerp van -wi is God of de vuurzuil, die dan, gelijk steeds, vóór het leger van Israël zich bevond.

21. De wind zweepte het water weg tot op den bodem, waardoor het water zich aan beide zijden ophoopte en de bodem door den hevigen wind droog werd. Zoo ontstond een pad van west naar oost. terwijl ten noorden en zuiden het water zich had opgehoopt. — De doortocht had plaats in den nacht en was vóór de ochtendwake, van 2—6 uur, geëindigd.

24. np3n mOtPJO* De nacht, d. w. z. de tijd tusschen zonsondergang en zonsopkomst, van 6—6 uur. wordt in drie gelijke perioden, nachtzcaken, verdeeld, waarvan de derde, die van 2—6, ipan mncx, ochtendwake genoemd wordt. — pn üx -rrnjn •■•epuii. God zag netr op het leger van Egypte in een vuur- en wolkzuil, d w. z. in een plotseling uit de, vóór Egypte ge-

Ïilaatste, wolk uitstralenden lichtgloed ;ilaatste, wolk uitstralenden lichtgloed ; Rashbam : in donderslagen, bege-üid door flitsende bliksemvuren en dikke dreigende wolken.

ocr page 80

EXODUS XIV.

toen zag de Eeuwige op het leger der Egyptenaren in een vuur-en wolkzuil neder, en bracht het leger van Egypte in verwar-

25 ring. En Hij deed de raderen zijner wagens afgaan, en hij voerde ze bezwaarlijk voort; toen zeide Egypte: «Ik wil vluchten voor Israël; want de Eeuwige strijdt voor hen tegen Egypte.quot;

26 Nu zeide de Eeuwige tot Mozes : «Strek uwe hand uit over de zee, dan zullen de wateren terugkeeren over de Egyptenaren,

27 over hunne wagens en over hunne ruiters.quot; Mozes strekte zijne hand uit over de zee, toen keerde de zee tegen den morgen weder tot haren blijvenden staat terug, terwijl de Egyptenaren vluchtten haar te gemoet; en de Eeuwige stortte de Egypte-

28 naren in het midden der zee. En het water keerde terug, en bedekte de wagens en de ruiters, Phar'os geheele leger, die achter hen de zee ingetrokken waren; niet één onder hen bleef

29 over. Maar de kinderen Israels waren gegaan op het drooge in het midden der zee, en de wateren waren hun tot een muur

30 aan hunne rechter- en linkerhand! Zoo redde de Eeuwige op dien dag Israël uit de hand der Egyptenaren ; en Israël zag de

31 Egyptenaren dood aan den oever der zee. Toen Israël nu de groote macht zag, die de Eeuwige tegen Egypte geoefend had, vreesde het volk den Eeuwige; en zij stelden vertrouwen in den Eeuwige, en in Mozes, Zijnen dienaar.

25. quot;d, God deed de raderen van de wagens afgaan, irurwi, zoodat hij, de Egyptenaar, ze slechts met groote bezwaren kon voeren, injnyo, v. s. heeft de Pi'el dezelfde beteekenis als de Kal en is hier het onderwerp; de Egyptenaar; v. a. beteekent de Pi'el: en deed ze hem voeren, en is God het onderwerp ook van de 2de zinsnede.

26. De Egyptenaren waren reeds in de zee en stonden op het punt de vlucht te nemen, toen plotseling, nadat Mozes op Gods bevel zijn hand had opgeheven, het water, dat zich aan beide kanten had opgehoopt, over Egypte s leger heenstroomde.

27. JIUöSj toen de morgen zich wendde, naar de aarde toe. wwS, tot haren blijvenden toestand. — ins-pS d^dj, waarschijnlijk woei ook de wind thans uit het westen, zoodat de Egyptenaren, die zich immers vluchtend hadden omgewend, het aanstroomende water juist tegemoet liepen.— Wi, eig. uitschudden, d. w. z. in de grootste verwarring stortte God hen midden in de zee.

29. V. s. kwamen de Egyptenaren eerst in de zee, toen Israël geheel was overgetrokken; anderen meenen, dat het in ons vers gezegde gelijktijdig plaats had met het vorige; terwijl Egypte aan de ééne zijde verdronk, ging Israël aan de andere zijde nog op het drooge.

30. DO quot;KTI. Ibn 'Ezra en Rashbam verklaren : Israël, aan den oever der zee gelegerd, zag Egypte sterven; Rashie, meer in overeenstemming met de accenten: en Israël zag de Egyptenaren als lijken aangespoeld op den oever der zee.

Vs. 30 en 31 zijn slot van het verhaal en evenals Ex. 12.41 en 42, het slot van het uittochtsverhaal, in eenigszins epischen stijl vervat. De verzen dienen tevens als overgang tot het in hoofdstuk 15 volgende lied. —

37

ocr page 81

T t5?

m Dn»1) nvi B'K onïö mno-^K nirr eip^i

lquot; tt- iat't: cquot;, j ^ ; • - : • i- v t : mlt;quot;:

nnspa injnri vnbanp |ÖK nx npji : onvp ™npn3 Dnb Dn1?: ninquot; *3 SxTc ^sd noiiK onxa quot;no^i

t jt : • t ; j* •• t ;•-••; • t t • - : • v •»-

ö * : DnïQ3

• it : • :

quot;birb^anis^iD^n-VyiT-nK nt^ ntba-1?» nirr na^v3

- -- «vt: at-^ -9vl :it v : . v v J 1 •.

D^n-?v n^riK ntro 12*1 : virna-?^! i3DT?y onxo^

t quot; - t v v it tit ^ ^ v. ï * r * ' s *

d^d: onxai liin'K1? npa nias1? D»n

;- a t) : • quot;j* t • vquot; : * t •»•• ; I v j : ,' t - t t-

bonn-nK iDm o^an^i : D'n nina onxa-nx nin»™

v vt v lt; - T- . «t quot; ) j^' Hquot; : *. ** •gt;T 'gt;

iNtrrK1? D^a onnnK o^an nvis Vn D'ishsrrnKi

j- ; 1 at - ;••• ••-: i- y t ~ : - •'quot; : quot; t-»t ~ v;

D^ani D»n nina nt^sn iD^n VNTty» : nnN-njr ons ^

•: at ' I ■• : ^v.t t - - •% : ,t •)quot; t ; * s** : it ••• __ ^ t

-nu Ninn di»3 nin» : o^xa^ai DJ^a nan on'?1'

.) - j ' t : . ~ it : ' vt * 1* t v t

na nnïaquot;nN^^lt;^^, nti onxa Ta

j~ : • - ; • ^ v •• t : • :«— * at ^ v.quot; t : •

D'iyaanin^ntftn^Kn'nan Tn-nx ^NI'^NTI : D'n ^

• - : • : t : lt;t 't v -: t : quot; -«t quot; v •• t ; • it -

a : nar ntram nin'3 wnw nin^n^ o^n

1 : vv : t 1- • at ; v ^tt j : rquot;

Tn, de hand, als orgaan van de machtsontwikkeling, voor die machtsontwikkeling zelve.

Hoofdstuk XV. Israels loflied. Indeeling en gedachtengang van dit heerlijke stuk kunnen aldus worden aangegeven : Vs li en 2 algemeene inleiding; lof en eere aan God, die Zich in het eenvoudig vermelde feit hoogverheven heeft getoond; aan Hem. die ook als God der vaderen reeds lang in Zijne grootheid gekend was; — Hij is het, die den strijd heeft gevoerd tegen den overmachtigen vijand (vs. 3—5); en wel terwijl alle krachten der natuur zich blindelings aan Zijn machtwoord onderwierpen, redding brengend aan het bedreigde Israël, naar Zijn wil brekend en verpletterend Egypte's trotfche macht (6—10). Evenzoo toont Hij Zijne verhevenheid boven alle machten, zoodat tegenover Zijn volk alle nog zoo machtige natiën met schrik en angst vervuld worden (11—15), totdat Hij Zijn volk brengt naar de hun toegezegde bestemmingsplaats en in hen Zijn rijk op aarde vestigt (16—18). Elk dezer deelen wordt met een vers ingeleid, dat met bijzonderen nadruk het daarin vervatte denkbeeld uitspreekt ; rmr^n 'n (vs. 3), ■piii (vs. 6), •p»3 '» (vs. 11), 'jsn (vs. 16), welke verzen dan ook bij de synagogale voordracht met eene bijzondere melodie worden gelezen en zoodoende op den voorgrond gesteld. De laatste strophe slaat een blik vol vertrouwen in de den aartsvaderen voorspelde •toekomst, die Israël in Kena'an vinden zoude, dienende zijn God als Diens uitverkoren volk in een door Hem bestemden tempel, als een koninkrijk Gods op aarde. Dit denkbeeld toch stond Israël van oudsher door zijne familietraditiën en, nog krachtiger misschien, door de openbaring Ex. 6,7

ocr page 82

EXODUS XV.

1 Toen zong Mozes en de kinderen Israels dezen zang ter eere des Eeuwigen; zij zeiden namelijk, als volgt; Zingen wil ik ter eere des Eeuwigen, want hoog is Hij verheven ; paard en

2 zijn berijder stortte Hij in de zee. Mijne zege en mijn zang is God! Hij toch was mij ter hulpe; deze is mijn God, Hem wil ik verheerlijken, — de God mijns vaders. Hem wil ik ver-

3 heffen. — De Eeuwige — Heer van den oorlog, — Eeuwige

4 is Zijn naam. Phar'os wagens en zijn leger slingerde Hij in de zee ; en zijne uitgelezen legeroversten werden in de Schelfzee

5bedolven. Woelende watermassa's bedekken hen; zij daalden

6 af in diepten gelijk een steen ! Uwe rechterhand. Eeuwige ! prijkend in kracht. Uwe rechterhand, Eeuwige! verplettert den

7 vijand! En in Uwe overweldigende hoogheid rukt Gij omver Uwe tegenstanders; zoudt Gij het vuur van Uwen toorn vrij-

8 laten, het zou hen verteren als stoppelen ! En door den adem van Uwen neus hoopten wateren zich op, bleven vloeistoffen overeind staan als een muur; stolden woelende watermassa's

9 in het midden der zee. Reeds zeide de vijand ; „Ik wil ver-«volgen — ik zal inhalen — zal buit verdeelen ! mijn verlangen „zal aan hen bevredigd worden ; ik zal trekken mijn zwaard,

10 «mijne hand zal hen terugveroveren !quot; Doch Gij bliest met Uwen adem, — de zee bedekte hen ; zij zonken in de diepte als lood

11 in geweldige wateren! — Wie is U gelijk, onder de machten,

en 8, insa-n ••• vinpSi, zoo levendig voor den geest, dat het zeker het slottafereel moest vormen van een danklied ter gelegenheid van Israels be-vryding uit Egypte en redding bij de Scheli'zee — Op welke wijze dit lied werd gezongen, staat niet vast. Volgens R. 'Akieba vormt vs. 16 'nS rrws een refrein, dat, na elk door Mozes voorgedragen vers, door het geheele volk werd aangeheven; R. Eli'ezek meent, dat elk vers, door Slozes uitgesproken, door het volk herhaald werd; R. Nechemja eindelijk neemt aan, dat, nadat Mozes de eerste vershelft had uitgesproken, Israël daarop met de tweede vershelft antwoordde (zie Thalmoed Sota 306, vgl. Thosephtha Sota 6). In ieder geval was het een beurtzang tusschen Mozes en Israël.

Vs. 1. W, toen, na de redding, d. i. niet juist onmiddellijk bij de landing, maar bij de viering van de heugelijke gebeurtenis, op denzelfden of een der volgende dagen. — -wr de toekomende tijd = begon te zingen, evenals Num. 21,17; Deut. 4,41. — 16 wordt, als beginthema, of als refrein, vs. 21 door Mirjam en de vrouwenkoren, onder instrumentale begeleiding aangeheven. — hsj, van planten: zich verheffen, opschieten; overdrachtelijk: zich verheven toonen. — nm, storten, werpen, komt Jer. 4,29 en Ps. 78,9 voor in den zin van het schieten van pijlen ; evenals vs. 4 rw gewone term is voor het afschieten van pijlen naar een bepaald doel.

2. vy. mijne macht, die mij de overwinning verschafte; mon, het onderwerp van mijn zang — 'mDn; Jes. 12,2 en Ps. 118,14 is dit versdeel overgenomen. — 'as viSs, de God mijns vaders, Abraham, of evenals mSn ■pas. Ex. 3,6, collectief: de God mijner vaderen.

3. norte CN Tl. Hij heeft getoond, strijd te kunnen voeren, en

38

ocr page 83

•iü r6

♦biniro-T^ m« ^

^ J , gt; tl- - kt ' ' . v quot;tc *• : v it jt

: D»2 non ÜD'II DID ntb nxr^ nin^ nquot;in^« ia^b

it - jt t v .! • ï ^ ^ tt -quot;tl* tlquot; _ t^*' t a quot;

^nVN m^Ki »■?« nr n» nnoii ny3

T j,. ... : • •• lt;v quot;rtt i* * :i- t t : •: lt;**t

nv-12 hasno : iQir mrv nonVo nin» : injoDhwi ^

; - j : ; - i : v,t : at t : * •»• VT : ; iv -: i -: - ^

nb'nn : nnnai d»3 m» iSttp

V ; i 1 - ; *0 : ••. V.t • it j- : ' at - jtt V. quot; :

riaa nirr wd* : jdn-idd hbivoa iö^dd^

- a - v.* t : v t ; jl: i* ; i v it : : • -» ;it a-..: - :

n^n quot;n'Qp D^nn Dim : d»in r^m nin» nro^

- - ; i avit j ■: 1- v.p : » ^ y» : •quot; i ^- ; • i.t : j| : •• :

nriDD w: D'b 101^2 TSJN HIIDI :^D io^D^ ^nn

v,quot; ; j : • • - :#v-'v p v - - lt; : r- v.quot; : • i : ^

pbnx y'm n'-nx d'Ik quot;10« : d^dSd nb'nn i^ap D^ri0

ij.. —. - 1 • ... .)•• J~ T . ,T v ! . v, *• J inr a- ; 1

nmiD P3^]: n» lot^nm ♦am pnK ♦tböi loxbon

vi ~; is t : t i*t v.quot; • 1 • ; - i •j*_t • : ^ ■quot;• t : • at t

bbxa nDDD-'o : Dnnx D'QD niai^D ipbï IQDD ^

• quot; it t « t r 1* • - * V.quot; ï v *•* •* quot;ï it at jt *

lOlT Tl» met onbeperkte almacht beheerscht Hij alle menschelijke inrichtingen en toestanden, trouw aan Zijn woord.

4. 1^353. rao beteekent in den Kal; inzinken in slijk of in den bodem. De Poe'al; zij werden lot zinken gébracht, bedolven onder het slijk op den bodem der zee.

ICDaquot;1! een iquot; !'ier opzichten onregelmatige vorm: de ton in den d mankeert; VDS1 is verlengde vorm voor; IQ^; de uitgang ^ van denSden

pers. meerv. is zonder 'i geschreven; en eindelijk staat het aanhangsel ID— voor den ook dichterlijken vorm 10—. Regelmatig ware het Q!©3V —

ps W3, gelijk een steen, die, eenmaal gezonken, niet weer opduikt.

6. roa mw. met kracht heerlijk toegerust.

7. quot;jJUCJ zoudt Gij üwe hoogheid in al haren omvang toonen, geen Uwer vijanden zoude ook maar één ooeenblik voortbestaan; Uwen toorn den vrijen loop te laten, beteekent nun algeheelen ondergang! Thans was dit niet eens noodig, want door denzelfden adem uit Uwen neus, die voor Israël het water had teruggehouden, om hun redding te brengen (vs. 8) — werden de trotsche vijanden, die zich zeker waanden van de overwinning (vs. 9) — onder de aanbruischende golven hegraven! (vs. 10). — Dinn, afbreken van een gebouw, v. d. wegrukken, vernietigen van vijanden.

8- quot;piJK nnar evenals •jrrp; vs. 10, is eene anthropomorphistische uitdrukking, en doelt waarschijnlijk op den stormwind, die het middel was om in het begin van den nacht de zee te klieven, in de ochtendwake echter de wateren over Egypte terugvoerde!

9- 'irflj loxVon. mijn t'BJ, ziel als zetel der begeerten, mijn verlangen naar wraak zal zich aan hen kunnen bevredigen. — [ynx, ik zal ledig maken de schede, en trekken mijn zwaard.

ocr page 84

EXODUS XV.

Eeuwige! wie is U gelijk, prijkend in heiligheid, eerbied-

12 wekkend in lof, wonderen verrichtend! Evenals Gij uit-

13 strektet Uwe rechterhand, — de aarde verslond hen! —, zoo leidt Gij door Uwe genade dit volk, dat Gij verlost hebt; zoo voert Gij het door Uwe macht naar Uw heilig verblijf.

14 Volkeren hooren het, — zij beven ; siddering grijpt aan Pelésheths

15 bewoners. Dan verschrikken de vorsten van Edom, Moabs machtigen — beving grijpt hen aan ; weg smelten zij, alle be-

16 woners van Kena'an. Verschrikking en angst overvalt hen! wanneer TIw arm zich groot toont, verstommen zij als steen. Tot voorbij is getrokken Uw volk, o Eeuwige ! tot voorbij is

17 getrokken dit volk, dat Gij U hebt verworven. Totdat Gij hen zult hebben gebracht en geplant op den berg van Uw erfdeel, den zetel voor Uw verblijf, dien Gij, Eeuwige! bereidt, het

18 heiligdom, o Heer! dat Uwe handen vestigen. De Eeuwige

19zal regeeren immer en eeuwig!quot; — Want Phar'os paarden

waren met zijne wagens en ruiters in de zee gekomen en de Eeuwige had de wateren der zee over hen doen terugkeeren, terwijl de kinderen Israels in het midden der zee op het drooge waren gegaan. —

20 Toen nam ook Mirjam, de profetes, de zuster van Aharon, den tamboerijn in de hand; en al de vrouwen gingen achter

21 haar met tamboerijnen en in reijendans. Mirjam zong hun toe: «Zingt ter eere des Eeuwigen, want hoog is Hij verheven ;

22 paard en zijn berijder stortte Hij in de zee!quot; — Mozes deed de Israëlieten van de Schelfzee opbreken, en zij trokken uit naar de woestijn Shoer; zij gingen drie dagen

11. oSjCS- onrfer de door de volkeren als goden vereerde machten, bij wie zij bescherming zoeken. — BTpa nss, prijkend in absolute volmaaktheid van eigenschappen en macht. nSnn sru, dien men niet, dan met den diepsten eerbied, durft te loven, verkeerend onder den indruk Zijner ontzagwekkende wonderdaden. — Vs. 12 en 13 vormen één zin; gelijk Gij met één straffende daad Egypte hebt vernield, zoo zult Gij in Uwe genade Israël zijne bestemming aoen bereiken, tot schrik en ontzetting aller natiën rondom Palaestina.

is. -[unp nu Sn. naar Uw heilig verblijf, d. i. Palaestina, als bodem der openbaringen aan de voorvaderen; Nachm.: de tempel; anderen: de Sienai, zeer onwaarschijnlijk.

16. Volgens Nachm. eene bede, dat die volkeren niet den moed mogen vinden Israël te bestrijden; naar onze opvatting het uitspreken eener zekere verwachting, voi vertrouwen op de goddelijke voorspellingen. — ■ai' H', die angst en schrik houdt aan, totdat Israël 'voorhij getrokken is aan hun gebied, ongehinderd en zonder tegenstand te ontmoeten. Rashbam en Ibn 'Ezba: totdat Israël den Jordaan zal zijn overgetrokken. Uit Jos. 2,9 vv. en 9,9 blijkt, dat het bericht van Israel's bevrijding en doortocht door de Roode Zee inderdaad grooten indruk op de Kena anietische stammen heeft gemaakt.

39

ocr page 85

h'è:: ri^nn Kquot;)i: ehtps mw robs ^ nin^

t • t v iv •• *| ^ • : -«t via - -»t ; v t ^ t y t :

nbn: rhm roy nionn rm: : ps lo^ban ^

tij'quot; t : att -• v.» : ï ~ ! t j' t | vit kquot;t i • | : •*• ;

Tn« my amp;bv ijtdb' : nahp nir1?»

Vquot;: I quot; t -•• I at ;• V.' r# ; it fiv ^tlt jquot;; v :

liój iDTntf' 3«io DiiN ♦öiVk ftma rx : ntr^ö10

t quot; at i ^t ^ ■quot;• •• v: ^ quot; -: : * lt;t v it :

nyhT Vquot;i23 insi nno-K Vsn : Va 'B

v,l -: i: * - quot; t t t quot; f lt;v^ ••^-: • i^-it : jquot; : i ^

: n^j5 iro^ nin' jaNta IO^I»

nin» n^s riao ^inbnj ma lactam ioxan ^

q at ; t ; ^-t .j| : : • : 1st i : it -:i- ■gt;- : t • : •• • :

K3 »3 : njn afyb quot;nbo» I nin* : 13313 ^-IN

t ■«• tvt jt i k : * jt^ : } ivt j-: i v.t -: t's '

»D-nN Dnbv nin» 35^1 D»3 v^iö3i 133*13 ri^na DID

jquot; v •• .)t : v st- t quot; t tit : lt; : • ; ^ -

3 ; D'n ,nin3 nK'3»3 13^ ^31 D»n

it - i j : VT t - - ^ : ,tr •gt;quot; t : squot; :p at -

quot;l?3 mïDi finn-nK nnx ninx nx^sn ona npm =

t tl lt;v •• - att: I ^ ~ v I •) -: r s -: t • : - ^ t : • I - • -

dhd Dn1? rjrm : n,7nQ3i D,sn3 nnnx b'trsn «

lt;• at^: • ^v t }^- j' ~ 1 ; • v.* : t v-:i- • t -

nt^D yD'i D : D»3 nm 13311 DID nw nw3 nin^ M

lt;v ------it - ^t t ^ ; i : j tt -^t i* t 1quot;

D'O^n^B' 13^1 *)1B'-quot;l3quot;lD-i7K IKX'1 ClICTD^

o-t v i : s :iquot;- b - : • •■• i :iquot;- I -■ •• t : •

17. ICJOn. Volgens onze opvatting moet ook liier het woord nr uit het vorige vers bijgedacht worden. Ibn 'Ezra: o, moogt gij hen brengen en hen planten, d. w. z. blijvend gevestigd doen blijven. —• -[riSn: -in, de berg van Uw erfdeel, d. i. de berg Moria, gewijd door de offering van Izak; anderen: het bergland van Palaestina, minder waarschijnlijk.

18. Dan zal het koninkrijk des Eeuwigen blijvend gevestigd zijn! Zijne koningsmacht, die alles omvat, zal ten eeuwigen dage erkend worden I

19. Recapitulatie der feiten, om den draad van het verhaal weer op te nemen. Kort excerpt uit Ex. 14,28 en 29. Anderen beschouwen het vers als slot van het lied, om kort de feiten uiteen te zetten (Ibn 'Ezra). Nacem. en Siporno: Toen zong, vs. 1, N3 is, toen kwam enz.; evenzoo Mendelssohn.

20- prttC nirw. zuster van Aharon, zij staat in hare verhouding tot het volk naast Aharon; evenals hij, lager dan Mozes. Wat Aharon was tegenover de mannen, was zij tegenover de vrouwen. Rashbam; omdat Aharon de oudste der broeders was, wordt hij alleen genoemd; tegenover Mozes' groote beteekenis is dit echter al zeer onwaarschijnlijk.

21- mS JJfill. Nachm. en Mendelssohn meenen, dat de vrouwenkoren

hun, den mannenkoren, in beurtzang antwoordden. Zoo verklaren zij de mannelijke vormen Dn1? en i-w.

ocr page 86

EXODUS XV. XVI.

23 in de woestijn en vonden geen water. Zij kwamen naar Mara ; maar zij konden het water van Mara niet drinken, want het was

24 bitter; daarom noemde men zijn naam: Mara. Nu morde het volk

25 tegen Mozes, zeggende; »Wat zullen wij drinken ?quot; Hij schreide tot den Eeuwige, en de Eeuwige leerde hem eene houtsoort kennen ; die wierp hij in het water, toen werd het water zoet. Daar stelde Hij hun wet en recht vast, en daar stelde Hij hen

26 op de proef. En Hij zeide; „Zoo gij zult luisteren naar de stem van den Eeuwige, uwen God, en doet wat recht is in Zijne oogen, aan Zijne geboden het oor leent, en al Zijne wetten in acht neemt; dan zal Ik al de kwalen, die Ik den Egyptenaren opgelegd heb, u niet opleggen, want Ik, de Eeu-

27 wige, ben uw geneesheer!quot; — Zij kwamen te Éliem; en daar waren twaalf waterwellen en zeventig palmboomen; en zij legerden daar bij het water.

1 Zij trokken op van Elim, en de geheele gemeente der kinderen Israels kwam in de woestijn Sien, die tusschen Élim en Sienai is, op den vijftienden dag der tweede maand na hunnen

2 uittocht uit het land Egypte. De geheele gemeente der kinderen Israels morde tegen Mozes en Aharon in de woestijn.

3 De kinderen Israels zeiden tot hen: „Wie gaf, dat wij toch door de hand des Eeuwigen in het land Egypte gestorven waren, toen wij bij den vleeschpot zaten, toen wij brood aten tot verzadigd zijn toe! want gij hebt ons uitgevoerd naar deze woestijn, om deze geheele vergadering door den honger te doen

23. HOC JOp- Waarschijnlijk was de plaats, waar Israël zich legerde, bij eene bron, wier water zij niet konden drinken, rmr, met het vrouwelijk aanhangsel, slaat dan op de bron. Vandaar ging dan de naam Mara op de omgeving over.

25. DC DCgt; daar stelde Hij, God, vast, h, voor het volk, Dit-m pn, wetten en voorschriften, hoe zij zich aan Gods leiding hailden toe te vertrouwen, en allerlei gedragsregelen voor hun verblijf in de woestijn, om gehoorzaam Immie leiders te volgen en eendracht en vrede Ie bewaren. (Nachm.) ino: Dn, en daar had God hen voor het eerst op de proef gesteld, of zij al of niet op Hem zonden vertrouwen; toen dan ook hun ontevredenheid zich slechts uitte in de morrende vraag: „Wat zullen wij drinken?quot; — wat bij het vinden van bitter water na een driedaaasch watergebrek zeker niet zonder grond geschiedde en daarom door Mozes in Dent. 9,22 hun niet tot verwijt gemaakt wordt (Abrabanel) — zeide God enz. vs. 26. — Volgens Rashie zijn onder de hier genoemde bbbbi pn verschillende Godsdienstwetten te verstaan (zie Rashie ter plaatse; vgl. denz Ex. 24,3 en Deut. 5,16, vgl. Mechiltha).

26. Volgens eene andere opvatting is dit de 71103: God stolde hen op de proef, door voor het vervolg hun stoffelijk welzijn afhankelijk te maken v»n hunne trouw uau Zijn woord, om te zien, of zij zich nu naar Gods bevelen al, dan niet zouden richten. — uw geneesheer, die ziekten niet itlleen geneest, maar ook voorkomt.

Hoofdstuk XVI. 1. Slechts die legerplaat.-eu des volks worden hier genoemd, waar vermeldenswaardige feiten plaats hadden. Hier is dus de

G

40

ocr page 87

ïl3 is: nSirn o

/

D*O limb by NVI nnno liün .-D^Ö I«ïo-N1?I laiaa»

:it -•; ttt •* t - -it : jt : v.t:--

D^n 13^*1 : mo nöir-Nnp rr^ on ono ^ n^ao ^

?T^T s ' - IT T V.T : TllT } jquot; Aquot; T }' tt '

yfr nin; vrrinnin^Kpyri : nnirrno ioxb Dtri □a^oi pn i1? Dir Dtr D'sn ipnm d^h-Vn

jt : : Ij -i jt • at - ^v, : ; •* q* quot; quot; q v )*•:quot;*

ïprfrK nin» i Vipb ^at^n ^idb'-DN ION'I : IHD: « nSnsrr^vpn-^mQirivniyobrtaTNni nt^vn vvyz

t -i i— t I at*-, tlt; 1.T : - it ; T : • : t : --: i- : v ^-.t- t :

nirr '2 d^n-n1? bnïon ♦nDtritrjsi

v,t ; r -: I quot; t j* t i • - : • ; • : lt;- v -:

D*D nyy m'^ D^nty D^I no1?^ D * : » i

•(■■r J 7.quot; gt;quot;■■•, • Jquot; '■ t : t • -.T- liv : i '■

itó'iDTND lyD'i : D'an*1?^ D^-iin'i onon ^ TC3

Tquot; • •• iquot; : *quot; *,T.quot; ^T -:i— A-T : ^- ; • :

♦J»D rni D^^-ra mv-^z

at * I ■quot;• v.' •* ' Iquot; Jquot; quot;! ' ~ ; • v •• t ; • r* ; t

: Dnïö pKO DnNi'V ^Tn1? bv nu'Dna

• it : * I vjv •• v.t •• : , * quot; quot; quot; •* ' jt t • -: r r^x

: quot;i3ia3 rnriK-tyi nvn-by my-bs = £

it i - - I v quot;• »quot; : J'-* ^ 4quot; t : • iquot; : s-^i t jp

pxa ninp»3 wniD jn^o 'ja DH^K -r-

quot;'3 Dnb 1^3N2 T^3n TDquot;^ ^^31^3 DnXO

at v^v jquot; : T : T T - -•• •• ; • ; • quot; ; •

nn bnirr^-nx n^on1? nln isnsn-Vx hhü Dnsxin

IV- jtJt- t v •)• t ; v- jt : • - v t «•.• •• i

1

legering aan de Schellzee (Num. 33,10), evenals in het begin van hoofdst. 17 die te Dofka en Aloesh (Ibid. 12 en 13), weggelaten.

ocr page 88

EXODUS XVI.

4 omkomen!quot; — De Eeuwige zeide tot Mozes-. «Zie, Ik laat voor u spijze regenen uit den hemel; dan zal het volk uitgaan en inzamelen het dagelijks benoodigde eiken dag; opdat Ik het

5 op de proef stelle, of het in Mijne leer zal gaan of niet. Het zal namelijk zijn op den zesden dag, als zij bereiden zullen wat zij zullen medebrengen, dan zal het het dubbele zijn van het-

6 geen zij eiken dag zullen opzamelen !quot; Toen zeiden Mozes en Aharon tot al de kinderen Israels: «Heden avond zult gij erkennen, dat de Eeuwige u uit het land Egypte gevoerd heeft.

7 En in den ochtend zult gij zien de heerlijkheid des Eeuwigen, hoewel Hij uw morren tegen den Eeuwige hoort; want wat

8 zijn wij, dat gij tegen ons zoudt morren ?quot; Voorts zeide Mozes : tt— doordien u namelijk de Eeuwige dezen avond vleesch zal geven om te eten, en in den morgen spijze tot verzadiging, hoewel de Eeuwige uw morren gehoord heeft, dat gij tegen Hem mort; want wat zijn wij ? niet tegen ons is uw morren,

9 maar tegen den Eeuwige !quot; Mozes zeide tot Aharon : «Zeg tot de geheele gemeente der kinderen Israels; «Kadert vóór den

10 Eeuwige, want Hij heeft uw morren gehoord !quot; Nu was het: toen Aharon tot de geheele gemeente der kinderen Israels sprak, en dezen zich wendden naar de woestijn, en zie ! de heerlijkheid des Eeuwigen, zichtbaar in de wolk!

11 Nu sprak de Eeuwige tot Mozes, als volgt: «Ik heb gehoord het morren der kinderen Israels; spreek tot hen, als volgt: «Tusschen de beide avonden zult gij vleesch eten, en in den morgen zult gij u aan spijs verzadigen; en gij

13 zult erkennen, dat Ik, de Eeuwige, uw God ben !quot; En het was in den avond, toen kwam de kwartel op, en bedekte het leger; en des morgens was er een dauwneerslag rondom

14 het leger. Toen nu de dauwneerslag opgetrokken was, zie, toen was er op de oppervlakte der woestijn iets fijns.

4. anS. spys' doelt zoo wel op het Man, als op de kwartels, vnvo quot;jSvi, of het Mijne leer als richtsnoer van zijnen levenswandel zal nemen. Die beproeving zal daarin bestaan, dat zal blijken, ol' zij genoeg vertrouwen in God stellen, om op den zevenden dag niet Ier inzameling buiten het leger te gaan. Deze Godsspraak aan Mozes, die hier kort wordt medegedeeld, omdat in het verdere verhaal de inhoud ervan voldoende blijkt, wordt door Aharon op Mozes' bevel aan het volk bekend gemaakt, waarbij de vorsten niet aanwezig schijnen geweest te zijn. Als dan ook op den zesden dag eene dubbele hoeveelheid neerdaalt, komen de vorsten en deelen het Mozes mede ivs. 22). Vgl. Dr. Dunner in de Letterhode, 6, pag. 37 vv.

7. Ti naa dn omni. Dit zien van Gods heerlijkheid doelt niet op de verschijning in de wolk (vs. 10), die immers reeds denzelfden dag ziclitbaar werd; Israël zal God verheerlijkt zien door de wonderbare wijze, waarop Hij hun voedsel zal verschaffen.

, . D't sluit v. b direct bij het voorafgaande aan, als nadere

verklaring: gij zult erkennen .... en de heerlijkheid Gods zien, doordien

41

ocr page 89

ra rhvz «o

Dn1? dd1? Ttsoü ♦hn hb'q-Vk nin» quot;)qn,,i d :

**V** •)•• T - * : • V ^ V T : V ^ nTTIT

r^a1? lava oi'-nai ,lüpi?,) o^n D^BrrrD

■)•••■*: i quot;s* ; : ^ -» - ; ^ I:it : ^tt tt: 'at t - i •

-late nti irprn DV? n^ni : K^DK 'nnina Tj^n ^ nB'Q quot;ionji : DV i DV nii^p n^ni

M^in nip» '3 Dn^Ti an# ^nxi

i^aninpiarnx Dnwi n^i: onïp p.iüo DDUW' noK'i : why ijibn '3 na i:nji nm^-^r DD^n^n-nKn

v. ^ ^ ^ v' * -»* t :j-^: at (.v •• i •.. :

npaa on^ViiK^ 1^3 3n^3 D31? nin» nn3 nira

. : * 'v quot; •••lt;•.• ; v;iv jt t v^s r v t t : -quot;• :

na wnji DJ^a onü-it^N obTi^rrnN hm* vair3

t :•*- : v,* * quot; Jquot; - v -; v v t ; •

pnN-^N n^a la^i : nin,-t?^ '3 DS'naVn la^N1?13 Vdw '2 nin» ♦jsj1? i3quot;ip ^3 hnp--^quot;^ *iasi

.quot; T •*• AT :•»••; • ^ \ •• T : • •«•• ; -^5-; T V V:

VNTB'^^S pnK 1313 : D3,n3l?n nN1

•• T : * iquot; : J-^-; T v I _quot;: i~ «•• - ; • : - iv •• i •.. :

is * : ?^3 nNi: nin' ni33 nam quot;i3nan-,7K

Iit*tiv ».t :• t : j : •• • : at : • - v -

♦33 liiibn-nN ♦nyau' : quot;ia^ ni^aquot;^ nin» quot;i3T,i ^

— : ; v • ^: - ^t i •• jv ^ v ^t : j- 2gt;

quot;ip'33i 1^3 r?3Kn D^i^n r3 quot;iax^ an^K 121

Iv v.quot; tt -• : 1^ * ~ ; it ' «•• •• vquot; -: •• - •• t : •

31^3 'mi : D3T6N nin» 'ax »3 on^nn nnyiV3trn ^

• t •quot; :quot; ^ iv •• 1 v: vt : y -: r v^: - r vat * ; : •

Van n33B' nn^n -15331 n:nan-nN D3m Virm

t •j- ; • t:it |v - av 1- - v v.quot; : quot; t : - -

pn ■i3nan nam Van raaty V^m .•nana'? 3*30 ^

IJ- T ...... . ., - . AT - J- : • - IV -! I- - T

enz. Anderen : wanneer de Eeuwige u hedenavond vleesch en in den morgen spijze geeft, hoewel Hij uw morren hoort, — wat zijn wij dan ? Uw morren richt zich dan niet tegen ons, maar tegen God!

9- 13^p- „Nadert tot de plaats, waar gij telkens de heerlijkheid Gods in de wolkverschijning aanschouwt!quot; Zich naar de woestijn wendende, aanschouwden zij nu de verschijning Gods in de wolk, waaruit zij eene Godsspraak vernamen, ter bevestiging van wat Mozes hun vs 6—8 had verkondigd (vs. 12).

13. Volgens de traditie had Israël gedurende de geheele veertigjarige omzwerving dagelijks, evenals het Man, ook kwartels; Num. 11 kwamen zij dan alleen in veel grooter menigte, dan gewoonlijk. Te verwonderen ware het niet, daar volgens de berichten deze vogels in Arabiëin buitengewoon groote hoeveelheid voorkomen. — S.T.% trok op, waarschijnlijk van de zeezijde (Ibn 'Ezra); v. a. n^ï, in groote menigte aankomen, dikwijls van een leger gebruikt.

ocr page 90

EXODUS XVI.

15 van hulzen bevrijd, fijn als de rijp op de aarde. Toen de kinderen Israels het zagen, zeiden zij de een tot den ander: „Man is het!quot; want zij wisten niet, wat het was; doch Mozes zeide tot hen :

16 „Dit is de spijze, die de Eeuwige u geeft om te eten! Dit is de zaak, die de Eeuwige geboden heeft; zamelt er van op, een ieder naar mate van zijn eten ; één 'Omer voor ieder hoofd, naar het getal uwer personen, ieder voor hen, die in zijne tent zijn, zult

17 gij nemen ! De kinderen Israels deden zoo; en zij zamelden

18 op, de een veel, de ander weinig. Toen zij het nu maten met den 'Omer, had hij, die veel had opgezameld, niet meer, en wie weinig opgezameld had, niet minder; ieder naar mate van zijn

19 eten hadden zij opgezameld. Mozes zeide hierop tot hen;

20 «Niemand late ervan over tot morgen!quot; Doch eenige mannen luisterden niet naar Mozes, maar lieten ervan over tot den morgen; toen kropen er wormen uit en het stonk; en Mozes

21 was vertoornd op hen. Zoo zamelden zij het iederen morgen op, ieder naar mate van zijn eten ; doch als de zon heet werd,

22 dan smolt het. En het was op den zesden dag, toen zamelden zij dubbele spijze op, twee 'Omer voor ieder; toen kwamen al

23 de vorsten der gemeente en deelden het Mozes mede. Deze zeide tot hen -. ,, Dit is het, wat de Eeuwige gesproken heeft: een rust, een heilige rustdag, ter eere des Eeuwigen is morgen; wat gij bakken wilt, bakt, en wat gij koken wilt, kookt; doch al het overblijvende laat voor u liggen om te bewaren

24 tot den morgen !quot; En zij lieten het tot den morgen liggen, zooals Mozes geboden had; en het stonk niet, en een worm

25was er niet in. Nu zeide Mozes; /,Eet het heden, want heden is rustdag ter eere des Eeuwigen; heden zult gij het niet

14. DsJDnO. Volgens Onkelos: yescliild, van de huls ontdaan; de zin is dan: iets als een fijne korrel zonder schil; Ibn 'Ezra : rond, naar Sa'adja. — Het werd zichtbaar, toen de dauwneerslag was opgetrokken en lag dus onder den dauw. Vgl. Num. 11,9, waar v^r, opgevat in den zin vim : erop, zou geven, dat het Man tusschen twee lagen dauw neerkwam. Anderen vatten rgt;Sr d. t. p. op in den zin van : daarmede, waardoor de schijnbare tegenstrijdigheid tusschen de beide plaatsen eveneens uit den weg wordt geruimd.

15. Kin 10) waarschijnlijk een oude vorm uit de Hebr. volkstaal, die in het Chaldeeuwsch in eenigszins andere beteekenis behouden is gebleven: wat is het? Rashie, Ibn 'Ezra, Kimchie: een goddelijk spijsgeschenk, van run; zij gaven het dan een zoo algemeenen naam, omdat zij niet wisten, wat het was. De woorden nc» intpi moeten dan vertaald worden; Mozes had hun reeds gezegd.

16- 1017 is volgens vs. 36 een tiende van den Epha, = 437k middelmatig kippenei

17. ta^ooni nmon. de een meer, de ander minder, naar schatting een 'Omer per hoofd van zijn gezin.

18. Volgens de rabbijnsche verklaring beteekenen deze woorden, dat bij het meten bleek, dat wie te veel had willen nemen, daarvan geen

42

ocr page 91

Tü 30

INquot;]!1- •'pj Dépnp™ hvn iD^i Nin-nn I^Tt K1? »3 Kin fo vnN-^N wn nr : rhsvb 03'? nin» rn: n^K on^n «in onVK «=

tt- lt;••• it ; t : v,v t -ir : I s- t v -: v v - j v •• -:

rbïbb quot;io'v ^3« ••Sb «so iLjp1? nin» niï ntrx

: % *•* ■» ft i r ■J* : v • -• i : • t : jt * -*v -:

♦33 p-iBTi • inpn ii?n«3 i?»k DD'Pt^si SaDQ ^

^•jquot; • »vquot; **•quot;quot; , mt * v -r.-it : JV -:i- .)• v •• j ; - - ; •

e]n^n kSi -iDjb nb»!: u^psni nsion lupVi ^ quot;ion»! : lupV Tonn ab üyoam ninan ^

j ' itt ^ : t r ; y a* : v j : v : - -

: ips-ij; isaa nni^K t^ts dh^n n^ö = ^wiD^inDi»') quot;iprt^ ^aa 0^3« ■nnvi nira-^N

A ; •- ^*t I ''.JT' iv ~ v • lt;* t • - V v

♦as tJ^'K quot;ip33 np33 inK lüpVi : n^a on^ n^abnSiüpb^B'n Di»3i w : Da^i i^a^n Dni quot;i^SN33

: n^ab rm nn^n Win na'^n »3^

nin'1? tyTp-n3^ rin3ty nin» 131 -iï^n «in Dn^N^axn»

^t vl ■) 1st- t : -gt;••• • -«v -: lt; v •• -: v -• -

1^3 1^3ri-^N HNI ISNi IflNn-lB'K PN TO

-nj? ink : npsn-nj; ma^ab D3b m^n c]i^nn3 : 13 nn^n-k1? nam ^,«3n kbi ntra niï -i^«3 ipsn

i l.t:quot;'t ': * ; • -• ; av jt* ^v -n- | v —

kb Di»n nin,i? oi^n n3B'quot;,3 Di'n m^K n^a lak'i«

j at i- v - jt - r - : • v v lt;-

voordeel had ; terwijl hij, die minder had ingezameld, toch de vereischte hoeveelheid per hoofd vond.

is- -inv Sx. niet opzettelijk overlaten om te gebruiken; wat niet opgegeten kou worden, mocht niet bewaard worden, maar moest weggeruimd zijn, voordat de dag aanbrak.

20. n-ySlD DT1. het was overgegaan in wormen, van d»l, daarom ligt de toon op de vóórlaatste lettergreep en is de vorm DT1gt; niet DTV

tl*quot; TIT-

22. Zie onze aant. vs. 4. Ibn 'Ezra meent, dat de vorsten Mozes kwamen mededeel en, dat het volk naar zijn bevel had gehandeld, en opheldering verzochten, waarom dit zoo geschiedde.

23. 1£Mlt;n quot;1I?K jttf. Volgens Ibn 'Ezra: Wat gij dagelijks gewoonzijtte bereiden, één 'Uiner per hoofd, kookt of bakt dat ook heden; den anderen 'Oraer echter zult gij laten liggen tot den morgen!quot; Eerst op den rustdag deelt Mozes hun mede, dat heden geen Man zal neerdalen (vs. 25) RASHiEe. a.: Wat gij vnn die twee 'Omer wilt bakken of koken, bereidt dat heden, en icat er overblijven mocht, wat gij heden niet eet, laat dat liggen tot morgen ochtend.

ocr page 92

EXODUS XVI.

26 vinden op het veld. Zes dagen kunt gij het opzamelen, doch op

27 den zevenden dag is rustdag; dan zal het er niet zijn.quot; Nu was het op den zevenden dag, toen gingen er van het volk uit, om

28 op te zamelen, maar zij vonden niets. — Hierop zeide de Eeuwige tot Mozes: „Tot hoelang weigert gij Mijne geboden en

29 Mijne leeringen in acht te nemen ? Ziet, daar de Eeuwige u den rustdag gegeven heeft, daarom geeft Hij u op den zesden dag spijs voor twee dagen ; blijft dus ieder, waar hij is; laat

30 niemand buiten zijne plaats gaan op den zevenden dag.quot; Toen

31 hield het volk rustdag op den zevenden dag. — Het huis Israels noemde den naam ervan ; Man; en het was als korianderzaad, wit, en zijn smaak was als een koek met honig.

32 Mozes zeide: „Dit is de zaak, die de Eeuwige geboden heeft: een 'Omer vol ervan zal ter bewaring zijn voor uwe nageslachten ; opdat zij zien zullen de spijze, die Ik u in de woestijn te eten heb gegeven, toen ik u uit het land Egypte gevoerd

33 heb.quot; En Mozes zeide tot Aharon : „Neem eene kruik, en doe daarin een 'Omer vol Man; en leg het vóór den Eeuwige

34 neder, ter bewaring voor uwe nageslachten !quot; Zooals de Eeuwige Mozes geboden had, legde Aharon het neder, vóór het „getuigenis,quot;

35 ter bewaring. De kinderen Israels aten het Man veertig jaren, totdat zij in een bewoond land kwamen; het Man aten zij,

36 tot zij aan de grenzen van het land Kena'an kwamen. — En de 'Omer is een tiende van den Epha.

26. Niet alleen heden geschiedt dit, maar zoolang het Man zal nederdalen, zult gij het zes dagen kunnen opzamelen, maar zal het op den zevenden dag niet gevonden worden !

29. IJO. Begrijpt en ziet in, dat God u den Shabbath heeft geschonken en wil, dat die als rustdag door n wordt gevierd, uit het feit, dat Hij u den zesden dag dubbele spijs doet toekomen. — vj-inn c-w w, blijft ieder op zijne plaats, verlaat uwe tenten niet om buiten het leger te gaan. Volgens de rabbijnsche opvatting, die als wettelijke bepaling geldt, ligt in deze woorden het verbod, om op den Shabbath zich op een afstand van meer dan 24000 el (= 12 Mijl) van zijne woning te begeven; eene wet, die door de geleerden is uitgebreid tot de bepaling, dat men niet verder raag gaan, dan een afstand van 2000 el in alle richtingen (raw oinn). Eene andere meening leidt uit onze plaats het in Jereraia 17,22 duidelijk genoemde verbod van het vervoer uit particulier gebied naar den openbaren weg af.

30- irQC'V di611 tijd hield het volk zich aan het Goddelijk voorschrift en ging niemand meer op Shabbath uit, om Man op te zamelen. Het hier volgende is op onze plaats ter afsluiting van het verhaal bijgevoegd, hoewel het hoogstwaarschijnlijk eerst in het laatste jaar van Israels omzwerving, doch zeker niet vóór het tweede jaar, plaats had. Dit blijkt uit het vermelden van het nr, vs. 34; uit het noemen der veertig jaar

43

ocr page 93

TL2 JO

nair DIOI in^pbn rtrty .'mira riNïon13

- ^- • : - j- *\ I: ;# • v* t v jquot;^ ivt - v.-. t : •

n1?! upbb D^n-?o inï» ♦^♦atrn Di»3 ♦nn : irn'n» ^7«

V. : 'a: *. ^ j :it - •» quot; • ;- 1 v ; r j

iQE''? Drgt;3No njK-iy nin» iqx»i d : ikïo n3

^ i • P v : -jquot; t t av ^ v : v Jquot; it t

Kin p-^hairn ddV rn: nin-^ iki : ^nnini ♦nivo03

j i.. t - - jv t !•»- t t : r : it i ; *

■Vk vrinn i 13^ D'ov on1? 'vvr\ di*3 ddS rria

t : quot; ■4• •» : 'at •:••'.• v* * j ~ •)•quot; t 1 gt;••

: ♦yatyn Di'a Dirn inaBh :^3iyn di»3 lopso b^'k

I* • : - ^TT gt; : . • - n* • ; * J quot; ^ **Jquot;

loyuquot;! rii1? na ^^T3 «ini p lotrrw

v, ; - ; i t t - ^ -lt;v: : i at s, : v r' t : • ••• s : j: • -

nirv mx ^in ht n^o ion'i : ^3-13 nn^aïs ^

t ; jt • -••.• -: t t quot; «v v v ^ it ^^ j* • - :

TIK IKT 1 Dp^nnnb nTo^pV 1200 lo^n NSO yiND D3nN ♦K,ïln3 quot;)3-|D3 DDFlK Dn-?n

i vjv •• V.V ; v r - 1 : t : • - ••• ; v y : lt;- v:iv ^ v t

nstrrni nnx n:ï:v np prw^ niyo no^'i : onïo^

Tjr I v ; - - •.••»•.*: • i-lt; i quot;:iquot; ^ v v v - • it ; •

: DS'nnt1? maK'o^ nin» ^s1? inilt; nam to quot;lo^rrNbo

iv •• i ; ••v* ! * : t ;-»*•:• lt;— : Iat v ^ t 1 :

mvn ♦aa1? hriK mnTi n^o-VK nin» nix imz *

V,-. quot;it jquot; : • i .) -: 1-^ squot;--- av v vT : jt • ■»•.• -xr

quot;iv n:^ D^3quot;I« ron-nN ISSK ^NTI^ lt;:y\ : mo^o1? ^

n t t ^j-t : - i t - v * : -t •• t ;•■'•• : vit : * :

nK nyp-Vx □^3K nyp-Vx □^3_nv 1^3« isn-nN n3^i: rix •?« D^3

r.* v.quot;': *•* t - : jt i t - v vat i v-»v v \,r

ö * : Kin na'Kn nnirjr noyni : f3?33 ^ |

in vs. 35. Eerst kort vóór Mozes' dood toch werd de Thora in haar geheel door hem opgeschreven, terwijl vroeger de verschillende wetten gaandeweg aan hem waren geopenbaard en aan het volk uitsluitend mondeling waren medegedeeld.

31. quot;U JHD. rond als korianderzaad; maar, in tegenstelling daarmede, wit; Num. 11,7 wordt de vorm met koriander, de kleur met Bedolach, een witten steen, vergeleken.

33. n quot;USS. vóór den Eeuwige, d. i. zooals uit vs. 34 mrn ,3Bi: blijkt; vóór de arke, waarin de tafelen van het getuigenis lagen.

35. Het Man was, zoo al niet de eenige spijze, daar zij kwartels en vee hadden, toch in elk geval het gewone voedsel, dat brood moest vervangen. — row: i'is Sk, in een bewoond land, het land van Siechon en 'Og; daar aten zij ook van de producten van den bodem, doch het Man hield eerst op, nadat zij den Jordaan waren overgetrokken en den voet op Kena'anietischen bodem hadden gezet (Jos. 5,12) (Siporno),

ocr page 94

EXODUS XVII.

1 De geheele gemeente der kinderen Israels trok op van de woestijn Sien, naar hunne tochten, op bevel des Eeuwigen. — Zij legerden zich te Rephiediem; en er was geen water voor

2 het volk om te drinken. Het volk twistte met Mozes, en zij zeiden : ,/Geeft ons water, opdat wij kunnen drinken !quot; Mozes zeide tot hen: „Wat twist gij met mij? wat verzoekt gij den Eeuwige?quot;

3 Doch toen het volk daar naar water dorstte, morde het volk tegen Mozes, en zeide; „Waarom hebt gij ons uit Egypte doen optrekken, om mij, mijne kinderen en mijn vee door dorst te

4 doen sterven ?quot; Mozes schreide tot den Eeuwige, en zeide: „Wat zal ik voor dit volk doen? nog weinig slechts, en zij

5 steenigen mij.quot; De Eeuwige zeide tot Mozes : „Ga vóór het volk uit, en neem met u van de oudsten van Israël; en uwen staf, waarmede gij de rivier geslagen hebt, neem in uwe hand,

6 en ga. Zie, Ik zal daar op de rots te Choreb vóór u staan ; gij zult de rots slaan, dan zal er water uit komen, en het volk zal drinken.quot; Mozes deed zoo voor de oogen der oudsten van

7 Israël. Men noemde den naam dier plaats: Massa (beproeving) en Merieba (twist); wegens het twisten der kinderen Israëls tegen, en hun verzoeken van den Eeuwige, zeggende: „■— of de Eeuwige onder ons is, of niet?quot;

8 Nu kwam 'Amalek en streed tegen Israël in Rephiedim.

9 Mozes zeide tot Jehoshoea'; „Kies ons mannen uit, en trek uit, strijd tegen 'Amalek; morgen zal ik mij op den top van den heuvel

10 plaatsen, met den staf Gods in mijne hand.quot; Jehoshoea' deed, gelijk Mozes hem gezegd had, tegen'Amalek te strijden; Mozes, Aharon en Choer echter klommen naar den top van den

Hoopdstük XVII. 1. DrPJ/pöS, op hunne tochten, na Dof ka en Aloesh aangedaan te hebben. Of dr in dit hoofdstuk medelt;;edeelde gebeurtenissen in net eerste of in het tweede jaar na den uittocht plaats hadden, is twijfelachtig. De plaats, waar zij zijn medegedeeld, spreekt schijnbaar voor de eerste meening. (Vergelijk echter onze aanteekening 18,1.) Daartegen spreken echter verschillende zaken: Deut. 9,22 wordt Mmsa genoemd tusschen Thab'éra en Kibroth Hattaawa, twee stations, die eerst na het vertrek van Sienai bereikt werden. Ook o^gt;rci5L' wordt beter verstaanbaar, als men aanneemt, dat het hier verhaalde plaats had, na dat Israël, na den terugkeer der verspieders, aan de zuidgrens van Palaestina verslagen was en terugtrok, waarbij zij waarschijnlijk hun vroegere legerplaatsen weer aandeden. In dien tijd valt dan ook de aanval van 'Amalek, waardoor begrijpelijk wordt, dat Jehoshoea' reeds als bekend persoon, zonder eenige nadere aanduiding, hier genoemd wordt. De woorden -p-ia

c-ïnn (Deut. 25,17) zijn met dit denkbeeld niet in strijd, daar dezelfde uitdrukking ook yan Mirjam's melaatschheid gebruikt wordt (Deut. 24,9), die zeker niet vóór het 2de jaar plaats had. (Vgl. Letterbode t. a. p)

2. un. Heeft, het meervoud is tot Mozes en Aharon gericht. — pDJn, op de proef stellen, of Hij n helpen zal of niet.

3- NOn. Eerst lieten zij zich door Mozes' vermaning kalmeeren; toen echter de dorst te hevig' werd, barstten zij in morren uit.

44

ocr page 95

r nbira ID

an^pa1? pp-ia-isp I^DA ^ f

quot;Dy brn ai'i: orn D'a rxi an^s urvi nin,a

• t t ^vlt;t- ttt j i j** : • • : • -:i— at :

TID nis'D bnb ID^»I nnt^ji D^p liVun riptfn nvn amp;éb brn ou KD^I : nin»-nN nojn-no nnnn^

• - - t t ^ *t t : •- ^ it : v I ^ : - • t^* I * :

n^on1? onïaa nab -IQN'I n^o-^v oyn r^i

j' t : ^. - . . . jt • v:iv v tlt;t v - (sv ~ v.tt i vjt~

nin»-'?» n^D ^PDTINI ♦irnKi *r\H ^

jt ; v ^ v i lt;~: • - itt- ».-1; • v ; t •••: _.)•

ninquot; : ♦a^pDi uys ny nrn no quot;is^ ^

t ; v - t». It; : quot;0 av- r*'rt . vv •:,v •'t

quot;qiaDi ♦jp-Tp y|nK np_i o^n ^sS '-b#

rnabm^Ta np quot;i^^rrnx 13 n^n -1^«^

i v t : ^ j* : • t : it t : v» ï uquot; : quot; v t «• • v -:

nntyi d»o isaa ixn nia n^m quot;hina niyn-1?^ 1

jt t : * lt;,- ^ ■)••• * ^ :it; - t j' • ; •• ; ~ tquot; jt

Dipan DB' tnp»i: ^pt né'o |3 ^»1 D^n'

nirrnx dhd: ♦w i yi-ty nanoi hdo

t : v lt;t : •• t ;•■••• ; j- at • : ^t quot;

a : pN'DN iJ3ip3 nin* iÓN1?

^ 1 • it • v.- ; I • : .)t ; squot; -:

-^K HB'O quot;IQN'I : DT313 DnVj'1 p^ N3»1quot;

^ ... lt;... ... - 1* * : * vquot; T : ' . '••jt • - i aquot; t ^ v t-d

32f: 'SiK ina pl?Dj;3 Dn^n NVI D^:K !):yin3 ^trin*

t * lt;• it t t I aquot; t^ji- jquot; t * vquot; • • t quot;ï ^t quot; 1 ' \ i

1^X3 tyy»quot;!: D^nb^n ntsDi nv32n tyNTby'

«v -:i- •-. : ^— i't : v' v: it jquot; ~ *t : • - -»

ïtnt ^ nni pntf nt^ai p^a^3 nnbnS namp;D h-iDH

j \. t i I j-ii- v I aquot; r ^t\- v.quot;t • : v - ir

5. nay, ga vóór hen uit, naar den Choreb.

8. 'Amalek woonde in het zuiden van Palaestina en zijn optreden hier moet dus, als het in het eerste jaar plaats had, verklaard worden als een aanval van een rondtrekkenden stam uit het volk der 'Amalekieten Zie onze aant. vs. 1. Het was het eerste volk, dat tegen Israël met vijandige bedoelingen optrad. Vandaar het bevel aan Israël, het tot volledigen ondergang te bestrijden.

9 Jehoshoea', die op andere plaatsen als dienaar van Mozes vermeld wordt, wordt hier zonder eenige nadere aanduiding genoemd en als veldheer aangewezen.

10. Choer was een zoon van Kaleb (I Kron. 2,18—20), den zoon van Chetsron, Juda's kleinzoon. Hij is de grootvader van den leider van den tabernakelbouw Betsalel. Volgens de Rabbijnen was Mirjam, Mozes'zuster, zijne moeder Ook Ex 24,14 treedt hij eenigszins op den voorgrond. — Aharon en Choer begeleidden Mozes, zooals uit het volgende blijkt, om hem bij zijn bidden ter zijde te staan.

ocr page 96

EXODUS XVII, XVIII.

11 heuvel. Nu was het: wanneer Mozes zijne hand in de hoogte hield, dan had Israël de overhand; maar wanneer hij zijne hand

12 liet zakken, had 'Amalek de overhand. De handen van Mozes werden zwaar ; toen namen zij een steen, legden dien onder hem, en hij zat er op; en Aharon en Choer ondersteunden zijne handen, aan deze zijde één, en aan gene zijde één; zoo bleven zijne han-

13 den aanhoudend opgeheven, totdat de zon onderging. Jehoshoea' versloeg 'Amalek en zijn volk, door de scherpte van het zwaard.

14 De Eeuwige zeide tot Mozes: «Schrijf dit ter gedachtenis in het boek, en leg het ook in Jehoshoea's ooren: dat Ik het aandenken van 'Amalek zal uitwisschen van onder den hemel.quot;

15 Mozes bouwde een altaar, en noemde zijn naam; «De Eeuwige

16 is mijne banier!quot; En hij zeide: «Want de hand aan den troon des Eeuwigen! Strijd voor den Eeuwige tegen 'Amalek, van geslacht tot geslacht!quot;

1 Toen Jithro, priester van Midjan, de schoonvader van Mozes, vernam al wat God voor Mozes en Israël, Zijn volk, gedaan had, dat de Eeuwige de Israëlieten uit Egypte had

11. Mozes hief, zooals uit vs. 12 blijkt, heide handen biddend ten hemel, waarschijnlijk met den staf Gods, dien hij daarvoor had meegenomen.

12 riJIDK. zn vastheid, voortdurend in dezelfde houding, nl. opgeheven.

13. Amalek en zijn volkquot; = het krijgsvolk van 'Amalek.

14. -IBD3. Na hetgeen wij vs. 1 hebben gezegd kan hier zeer goed het boek der Thora bedoeld zijn. — wsa wo, leg het in de ooren, deel het hem zoo krachtig mede, dat het hem steeds in herinnering blijft, als hoorde hij het telkens weer. Doel van die bijzondere vermaning aan Jehoshoea' was niet, om dien strijd door hem te doen voeren; — want Deut. 25,19 wordt de verdelging van 'Amalek eerst tot plicht gemaakt, als Israël van al zijne andere vijanden rust zal hebben ; — maar om hem, die in dezen strijd veldheer was, ook voor het vervolg moed te doen vatten in het vertrouwen op de hulpe Gods.

15. tu n. De Eeuwige is mijn banier! die mij ten strijde en ter overwinning voert.

ie rr 03 hy T VJ. 03 = nds, troon. »Want — de hand naar den troon Gods!quot; d. i. v s. God heeft de hand gelegd op Zijn troon, zwerend: nnrpij enz v. a. opgeheven, o Israël! uwe hand naar den troon Gods, gevoerd den strijd Ier eere Gods tegen 'Amalek! n. a: want — 'Amaleks hand had zich verheven legen den troon Gods, daarom; nsn'-'n enz.

Hoofdstuk XVIII. Reeds in Mechiltha blijkt verschil van meening over het tijdstip, waiirop Jithro's komst bij Mozes moet worden geplaatst. Uit talrijke plaatsen blijkt, dat in het. verhaal van den Pentateuch niet nItijd de historische volgorde der feiten wordt in acht genomen. (Een duidelijk sprekend voorbeeld is Num. 7 en 9. die teruggaan tot den Isten Niesan na den uittocht uit Egypte, terwijl Num. 1 reeds van den Isten lejarvan datzelfde jaar spreekt) Zoo ontstaat ook hier de unaestie, of jithro's komst bij Moze» vóór, of na de wetgeving plaats hnd Tbn 'Ezea, Rashbam en onder de nieuweren o. a. Ranke nemen aan, dat hij eerst na de wet-

45

ocr page 97

rv v nn» rhvz no

-iB'toi IDJI n^Q on» n;ni *: njnan ^

jv -:i- : aquot; t : • -•-t ; 4v v -:i- tt : quot;it: * quot;

?2«_!inp»i onaa n^o nn : pbop -1331 it ^

j' T- i v .)••• i : •- • •• ; v ^ «•• i !•• t ~; j- t : V.t - •)* t

nroi nn« nro vn^a iDon Tim rhnwi 2K',i vnnn

jv • t v lt;v • tt : j ; it : I -:i- : t av*gt; •.•-»••- ^.t : -

-n« y^inquot; ^Vn»') : Ka-iir nmt* vn* m -ihk ^

v •)••. : s ~:i— v it - v. - v.t v; ott j* : ~ t *•*

D : isjrnNi pbop

■■•,T .Z1 . 1 r •••: ljV ■'

^TK3 cmi -1303 1-I3T PNI 2713 H^Q-W Hln»

^..jt ; v.' : v •• - i t * lt; ; ^ v v t :

rm : amp;mn nnno i3T-n« nno« rino_,3 «

i v J'~ 'itt- - • i •• t quot;t vjquot; v v : v « t i* a\ z

n; or^y r-*3 noamp;i: w i nin» loir Nquot;ip»quot;i naro ntfo «=

t j- t • v - r • jt : v, : jt! : •• - aquot; : ■

s : ii -iio p^o^a nin»V non^o

i ^ * i /»•• t^-;i- ^t i- jt t : •

D'tibtt namp;js iamp;irbs dn riEto |nn jnp frta inn» vów*)x nin» K»ïin-»3 isy n^o1?

t : • v .)t : s* l* * - t : * : l v :

geving kwam, en wel op de volgende gronden; 1°. wordt vs. 5 de Sienai reeds zonder nadere aanduiding „ierff Godsquot; genoemd, wat eerst na de wetgeving kan geschieden; 2°. worden vs 16 de «wetten Godsquot; genoemd; 3°. wordt vs. 27 verhaald, dat Jithro naar zijn vaderland terugkeerde, wat volgens Num 10.30 eerst geschiedde bij Israels vertrek van Sienai; terwijl uit Deut. 1,6—19 blijkt, dat de door Jithro voorgeslagen maatregel, de aanwijzing van rechters, ook kort vóór Israels vertrek van Sienai werd getroffen. Jithro's komst valt dus na de wetgeving en wordt dan hier medegedeeld, om van nu af ongestoord het verhaal van de wetgeving, den inhoud der wet en de gebeurtenissen aan den voet van den Sienai te kunnen voortzetten; of, zoühIs Ibn 'Ezra meent, om tegenover het vijandig optreden van 'Anialek een voorbeeld te stellen van den indruk, dien Israels bevrijding enz. op een heidensch priester van hoogen rang heeft

femaakt. — Tegenover al de genoemde urgumenten steltemaakt. — Tegenover al de genoemde urgumenten stelt Nachm. echter e vraag: waarom in vs. 1 alleen melding wordt gemaakt van den indruk, dien de gebenrtenis-en bij den uittocht uit Egypte op Jithro maakten ; ook in vs. 8 verhaalt Mozes hem niets vnn de wetgeving en van wat daarmede in verband staat. Daarom neemt Nachmanides, en onder de nieuweren o. a Keil. aan, dat Jithro's komst vóór Israels aankomst bij den Sienai moet worden geplaatst Wanneer vs. 5 de Sienai of Choreb „herg Godsquot; genoemd wordt, dan kan dit öf geschieden van het standpunt van den verhalcr, die immers na de wetgeving spreekt; of wel met het oog op de eerste openbaring aan Mozes (Ex 3,12) waarvan de inhoud aan Jithro door Mozes immers was medegedeeld en waarbij immers die berg werd aangewezen als de plek, waar Israël na zijne bevrijding God zou dienen. Ook 3.1 wordt die plaats reeds antii ipeerend fter//GWs genoemd. if Wetten Godsquot; waren Israël nok reeds in Mara gegeven en Mozes kan vs. 10 deze op het oog hebben. Jithro bleef dan bij Mozes tot lejar

ocr page 98

EXODUS XVIII.

2 gevoerd; — Nam Jithro, de schoonvader van Mozes, Tsippora, de

3 vrouw van Mozes, nadat deze haar teruggezonden had; En ook hare twee zonen, waarvan de naam des eenen was Gershom; want hij zeide: „Ik ben een vreemdeling geweest in een uitheemsch

4 landquot;; En de naam van den anderen was Eli'ézer, „want [zeide hij] de God mijns vaders was mij tot hulpe en heeft mij van

5 Phar'os zwaard gered.quot; Toen nu Jithro, de schoonvader van Mozes, en diens zonen en vrouw, — [op reis] naar Mozes, naar de woestijn, waar hij gelegerd was, — gekomen waren tot den berg

6 Gods, — Liet hij Mozes zeggen : „Ik, uw schoonvader Jithro, kom tot u, en uwe vrouw en hare twee zonen met haar.quot;

7 Mozes ging nu zijnen schoonvader te gemoet, wierp zich voor hem neder en kuste hem; zij vroegen de een den ander naar

8 zijnen welstand; en gingen de tent binnen. Toen verhaalde Mozes zijnen schoonvader al wat de Eeuwige aan Phar'o en aan Egypte gedaan had ter wille van Israël; al de moeilijkheid, die hen op den weg getroffen, en hoe de Eeuwige hen

9 gered had. Jithro verheugde zich over al het goede, dat de Eeuwige voor Israël had gedaan ; dat Hij het gered had uit de

10 macht der Egyptenaren. En Jithro zeide : „Geloofd zij de Eeuwige, die u gered heeft uit de macht der Egyptenaren en uit de hand van Phar'o; die het volk van onder de hand der Egypte-

11 naren gered heeft! Nu weet ik, dat de Eeuwige grooter is dan alle goden, juist door de zaak, waarin zij moedwil tegen hen hebben

12 gepleegd !quot; Jithro, de schoonvader van Mozes, nam brandoffers

van het tweede jaar, terwijl zijn afscheid vs. 27 reeds, als afsluiting dezer episode, wordt medegedeeld. Ook de door Jithro nanbevolen regeling werd eerst kort vóór zijn vertrek ingevoerd. — Zoo blijft alleen de vraag over, waar Jithro eigenlijk tot Mozes kwam. In de laatstgenoemde opvatting moet dit in Rephiediem geweest zijn en moet vs. 5 aldus worden opgevat: toen Jithro op zijne reis naar Mozes, — naar de woestijn Rephiediem, waar deze verblijf hield, — gekomen was tot den berg Gods, Sienai, — liet hij Mozes zeggen enz. Wel was Israels verblijf te Rephiediem van korten duur; immers uit Ex. 16,1 blijkt, dat zij den 15den lejar in de woestijn Sien aankwamen; vandaar trokken zij over Dof ka en Aloesh naar Rephiediem, vanwaar zij op den Isten Siewan in de woestijn Sienai aankwamen. In de woestijn Sien nu viel het. Manna en bracliten zij eenen Shabbath door, terwijl het Man reeds eenige dagen vroeger hun was gegeven Ten hoogste kan dus het verblijf te Rephiediem 10 dagen hebben geduurd, van 20 tot 29 lejar; in dien tijd kan Jithro zeer goed gekomen zijn; terwijl het vs. 13 verhanlde óf in Rephiediem óf eerst aan den voet van den Sienai heeft plaats gehad. In dit laatste geval zou jTTisn moeten vertaald worden; op een der volgende dagen, vgl. inn Ex. 13,14. Vgl. overigens Nachmanides op onze plaats.

2. rmiSB' -irw. Waarschijnlijk had Mozes, die volgens 4,20 zijne vrouw en kinderen mede had genomen op zijne reis naar Egypte, ze, tóen de omstandigheden zich minder gunstig lieten aanzien, tot zijn schoonvader doen terugkeeren. Het bericht van Israels bevrijding was dan voor

46

ocr page 99

rr m id

inK ntro nm niarnK n^orn'nm : D^ÏQÖ =

r quot; »••• quot; it • v v !-••• •• i--- -it: • •

—IOK *3 D'ib-ia nrwn Dty IITN n-jn nw : nr-iwj

- T J* tlquot; T V IT «•• v T rtV T I 1.quot; : T IV

bn ♦ri,?N »3 -ITV^K -mn DB^I : nnD3 rnxa quot;ia-'

• t lt;•• v: r v: vt v it jquot; ; it • ; t | •.\v : * '.t •»••

vaal ni^Q rhn iquot;in» : n'^ns aino ♦•nTjraquot;

jtt ■)'■' \jquot; :* t- (gt; ' :•*■'•**' v* *quot; *• ••:

in db' n:n Kin—ib'k quot;linan-^K n^Q-^N ïi^N N3 nn» n^nn n^o-Vsi ioK»'i : D^h^n ^

j|:,v ' /!quot;' iv •■ quot;•quot; quot; . :;VT

unn nNquot;ip7 niro kvi : nny n'33 wvnnaw'

- : •- ; i J-I: • v ••••- it t v.quot;t jquot; : I : : ' :

quot;IÖD,I : nVriNn iN3n n

...:. , T A T : v-v;-. '•lt;, gt; -=- v V'

bv onxD1?) rivnzh mn» 1^-73 nu linn? nvo

• - : • : t : ^ lt;t *t v -: t •• : j :

oS-n Tiquot;i3 dpkïo nKbnn-^3 DN niiK

^.. . -- 1 v .. - -jtt : •»•.• -: t t : ~ t lt;•• aquot; t ; * j

nin» nu'V-iB'N nsiön-^ ^ inn' in'i : nin»D

Aquot; t : •: VT : jt ^t V -: t - t ^-lt; :• it :

—im* nin» ^1-13 quot;hn, noN'i : onva n»o -iew'

v -: t : i •* t : • v - • it ; • * v * * r.*

Dyrrnx 'Vyn nvia tdi onxo tq D3n« b'ïn

^t t v • • «v -; 'a : - ■'■'*. Hquot; ! * * •»*•* : *•* •'* *

Dfl^Nn-^D nin» nn^ : onxo-r nnno ^

A* •.•;it t * ^t t jt i' ' • ~t -«t^ * it t * ' k' '

nïv niïD ?rin w np'i : Dn,l?y nr ntyN 1313 »331

JT -)■-■ l r- : • I - • - IV quot; -1 ^T JV TT- -''

Jithro aanleiding genoeg, om zijne dochter en kleinzonen tot hunnen man en vader terug te voeren.

3. De naam van Mozes' eersten zoon is 2,22 bij zijne geboorte medegedeeld. De tweede zoon schijnt kort vóór Mozes' vertrek uit Midjan geboren te zijn. Toen was in den gang van het verhaal geene gelegenheid, om dit feit en den naam van liet kind mede te deelen. Het daar verzuimde wordt nu hier goed gemaükt. Vgl. 4.24

5. De Choreb schijnt dichter bij Midjan, dan bij Egypte te liggen; Mozes weidt immers daar Jithro's kudden. Op weg van Midjan naar Re-

Êhiediem moet Jithro dus den Choreb passeeren en zendt van daar uit [ozes bericht vnn zijn te wachten aankomst. Vgl. vs. 1.hiediem moet Jithro dus den Choreb passeeren en zendt van daar uit [ozes bericht vnn zijn te wachten aankomst. Vgl. vs. 1.

6. quot;1DX,1. Ay zeide, door een bode; d. i. liei. hem weten.

10- DSDN. Mozes en Aharon.

11. DTiSn SsQ. boven alle, door andere volkeren als goden vereerde, krachten. — Dro^ï im irs 1313 13. V. s.; ik weet iit, jui.it door de zaak, waardoor zij, de Egyptenaren. moedwillig tegen hen, Israël, gehandeld hebben; anderen: groot is Hij, want — groot heeft Hij zich betoond (uit 'n Sij gt;3 aan te vullen: rirjjH Snjn) door de zaak enz. Onkelos, Rashbam en Siporno: want Egypte werd gestraft door de zaak, waarmede zij moedwillig tegen hen, Israël, handelden. Mendelssohn: want met dezelfde zaak, waarmede zij, Egypte, moedwillig hebben gehandeld, werd over hen, de Egyptenaren, straf geoefend. Uit Nech. 0,10 blijkt echter, dat dit'?» op Israël slaat.

ocr page 100

EXODUS XVIII.

en dieroffers ter eere Gods; en Aharon kwam en al de oudsten van Israël, om maaltijd te houden met den schoonvader

13 van Mozes, vóór God. Nu was het een volgenden morgen, toen zat Mozes om het volk te richten; en het volk stond

14 om Mozes heen van den ochtend tot den avond. Toen de schoonvader van Mozes zag al wat deze voor het volk te doen had, zeide hij; „Wat is dat voor eene zaak, die gij voor het volk doet? Waarom zit gij alleen, terwijl al het volk om

15 u heen staat van den ochtend tot den avond! ?quot; Mozes zeide tot zijnen schoonvader; „Omdat het volk bij mij komt, om

16 van God leering te vragen. Wanneer zij eene zaak hebben, komt die voor mij; en ik spreek recht tusschen den een en den ander; ook maak ik hun de wetten Gods en Zijne leerin-

17 gen bekend.quot; De schoonvader van Mozes zeide tot hem: „Niet

18 goed is de zaak, die gij doet! Gij zult verwelken, zoowel gij als het volk dat met u is; want te zwaar is u de zaak, gij

19 alléén zult haar niet kunnen afdoen. Welnu, luister naar mijne stem; laat ik u een raad mogen geven en God zij met u ! Wees gij voor het volk vóór het oog van God, en breng

20 gij de zaken tot God. Gij zult hen vermanen aangaande de wetten en leeringen; en zult hun bekend maken den weg, dien zij te bewandelen hebben, en de daden, die zij hebben te ver-

21 richten. Gij echter, zie om onder het geheele volk naar wakkere mannen, die God vreezen, mannen van trouw, die eigenbaat haten; dezen zult gij over hen aanstellen, als oversten van duizenden, oversten van honderden, over-

22 sten van vijftigen, en oversten van tienen. Dezen zullen het

12. QTOti dat zijn vredeoffers, die voor een offermaal gebezigd

worden, ilozes, in wiens tent het maal plaats had, wordt niet als deelnemer genoemd, omdat het vanzelve spreekt, dat hij, als gastheer, van den maaltijil niet zal zijn weggebleven.

15. BmS letterlijk: God te zoeken of te vragen, d. i- van God leering te erlangen, hoe in twijfelachtige gevallen te handelen; óók bij de beslechting van geschillen, doch niet uitsluitend. Omdat nu telkens Gods wil moet gevraagd weiden, kan geen ander mij daarbij vervangen.

16. {^3 QnS rPiT 'S. wanneer zij eene zaak hebben, waarin zij voorlichting behoeven, komt die tot mij, wordt die tot mij gebracht; vervolgens heb ik recht te spreken bij geschillen en eindelijk hun de mij

feopenbaarde goddelijke wetten mede te deelen. Die openbaringen zijn ikwijls het uitvloeisel van de tot Mozes gerichte vragen.eopenbaarde goddelijke wetten mede te deelen. Die openbaringen zijn ikwijls het uitvloeisel van de tot Mozes gerichte vragen.

18. verwelken zult gij, uw kracht uitputten, zonder dat uw doel, de zedelijke vorming des volks, bereikt is.

19. -jaj; qtiSk Tn isrx. Ik wil u raadgeven en moge God bij de uitvot-ring ervan u bijstaan. — D'n^sn Sn DrLgt; nrs mn. Wees gij voor het volk de persoon, die voor hen u voor Gods aangezicht plaatst, om Zijne meening te vragen, en breng gij de zaken, waarover Gods oordeel moet worden gevraagd, tot Hem Ook de onderrichting in de u door God ge-

47

ocr page 101

rv nn» to

onS-bDK1? ♦apt i Vai rnnM Hi»! Dfl1?»1? D^nan

v4v t v:iv quot; t: ; i -: i- t- a- iquot; v* t :

n^Q 2t?quot;i nnnoo w\ * : D^n^n n^a rnn-o^^

V.V vjquot;m t *:jt • ^ r v:it jquot; : - v.quot; »■gt;quot;

la^n-n^npan-jp oyn loj^iD^rrnK

■na -ion'i dv^ nx ntba rnn Vrm

;,T , 'S quot; ATT V,v . J: I Vgt; 7 . T ^

ïj-ia? Dtyi* nnx ^na dj;? nrit? ik'n njn ijain ijnn1? n^a quot;iaN'i quot;i^'ja dï: D^n-^Diquot;

K3 Sm on1? rvrr-a ; dti^n irm1? oyn ,1?n N3,_,3r-

-T TT lt;VT V : * * •• v: j :* ^tt j' •• j r . *'

D^VKH 'pn-m in^n pi E^K ra ♦pcssb'I

v.- v: it IJquot; \ ^ v •)• - i ; *gt;»•••• I -••• Ir* • : --«t : - ••

quot;ibw inin aitrK1? v'pn ntra rnn naN'i : vnninTKiquot;

jv -: t t - at •• Vv • -»quot; . quot; •)' it 1 V ;

•nay quot;lew nrn oyn-oa nnK-oa Van Va: : n'B'v nnK quot;•

|aT^ •»•-• -: V.v - 'Jt T - T - - • j t ^ iquot; vt quot;

nnj; : in^ bain'Nb na^n ^aa taa-a ^ D'ri^Nn ^ia nnx n;n -]a^ d^n rn 'Vpa onn» nninrni : D'nbNn-1?^ onann-nn nnx nsam =

v ; v -»t : • : • : i v:it v lt;• t : - v ot - jt •• iquot; :

na ia1?;. ^lin-nK nr\) n^nini nninirnw o^nn-nN ■^3N D^nSaa nrnn nnxi : p'tr^. np^an-nNti ^ nty on^y natri vva nax d^k Vn

C..T V •• jt : - ; at •• : -• v: r* : - # •»• v: s*^ ;•

-ns lasji^i : n'itry niri o^an nir nixa namp; «

- i it : i t quot; j-t : iquot; ' -i iquot;r quot; ■quot;•t - t -:

openbaarde leeringen en wetten en levensregelen kunt gij zelve hun verstrekken; doch voor de eenvoudige vragen en geschillen moet gij rechters aanstellen.

20. -jn, den weg, den algemeenen levenswandel; nrrnn. de bijzondere daden en handelingen voor elk afzonderlijk geval.

21. 'rn 'V1X mannen van zedelijke kracht; vgl. I Kon. 1.52. — Door het volk werd telkens voor duizend mannen de meest geschikte, dan uit elke groep van honderd, uit elke groep van vijftig en uit elke groep van tien de beste en meest geschikte persoon gekozen en Mozes voorgeslagen, die hem tot rechter benoemde voor den kring, waaruit hij gekozen was. Vgl. Deut. 1,13. Indien in eene, voor den rechter over tien gebrachte, zaak, deze geene beslissing kon nemen, bracht hij zelve de quaestie voor den hoogeren rechter en zoo voorts, totdat de zaak eindelijk voor Mozes kwam. De mannen waren tevens aangewezen, om het volk met de wetten en openbaringen bekend te maken Daardoor wordt het begrijpelijk, dat onder 600000 volwassen mannen 78600 met een ambt bekleed waren. nl. 60000 hoofden van tien, 12000 hoofden van vijftig, 6(jOO hoofden van honderd en 600 hoofden van duizend.

ocr page 102

EXODUS XVIII, XIX.

volk ten allen tijde richten; nu zal het zijn: elke gewichtige zaak zullen zij voor u brengen, en elke geringe zaak zullen zij richten;

23 verlicht het daardoor voor u, terwijl zij met u dragen. Indien gij deze zaak doen zult, en God het u beveelt, dan zult gij kunnen bestaan; en ook dit geheele volk zal in welstand naar de hem

24 bestemde plaats komen.quot; Mozes luisterde naar de stem van zijn

25 schoonvader; en deed alles, wat deze gezegd had. Mozes koos wakkere mannen uit geheel Israël, en stelde hen aan tot hoofden over het volk : oversten van duizenden, oversten van honderden,

26 oversten van vijftigen, en oversten van tienen. Dezen zouden het volk ten allen tijde richten; elke moeilijke zaak zouden zij voor Mozes brengen, doch elke geringe zaak zelve richten.

27 Mozes deed hierop zijnen schoonvader uitgeleide, en deze ging zijns weegs naar zijn land.

1 Op den nieuwemaansdag van de derde maand, gerekend van den uittocht der kinderen Israels uit Egypte, — op dien dag

2 kwamen zij in de woestijn Sienai. Zij waren namelijk van Rephiediem vertrokken en kwamen in de woestijn Sienai, en sloegen hun legerplaats op in de woestijn ; Israël legerde daar

3 tegenover den berg. Mozes was intusschen opgestegen tot God; nu riep de Eeuwige tot hem van den berg af, en zeide: «Zoo zult gij spreken tot het huis van Jakob, en zult gij mededeelen

4 den kinderen Israëls; w „Gij, gij hebt gezien, wat IkdenEgyp-tenaren gedaan heb; hoe Ik u op arendsvleugelen heb gedragen,

5 en u tot Mij gebracht. En nu, als gij naar Mijne stem zult luisteren en Mijn verbond zult in acht nemen, dan zult gij Mij

22. Spmgt; verlicht zoodoende uwe taak en neem een deel ervan van u af.

23. DViSn quot;pill, en God u gebiedt, dien raad op te volgen. — wp» Sy DiSsa N3gt;, naar de het volk toegezegde plaats, in het land Kena'an, zullen zij in welstand komen. Ibn 'Ezra: in vrede en eendracht zat ieder, na de beslechting van zijn geschil, naar zijne plaats in het leger, zijne tent, terugkeeren.

25. Mozes koos, zooals uit Deut. 1,13—15 blijkt, op voorstel des volks; de stammenindeeling vormde den grondslag van de verdeeling in de kleinere groepen.

27. Vgl. onze aanteekening vs. 1.

Hoofdstuk XIX. i. nrSm nna, op den nieuwemaansdag van de derde maand. Uit het volgende ntn dvo blijkt, dat de eerste woorden van ons vers een nauwkeurige dagbepaling bevatten, t-rt in de beteekenis van nieuwemaansdag komt niet alleen I Sam. 20,24 en op vele andere plaatsen in de Profeten voor, maar ook in den Pentateuch, Ex. 40,2: unnn dm fTONin, op den nieuwemaansdag van de eerste maand. — De derde maand is Siewan, gerekend van Niesan, de eerste in de rij der maanden; de maand, waarin Israël uit Egypte trok. nsxS beteekent dus: gerekend

48

7

ocr page 103

w nn» no

lann-Va rrni hir^M oyn

jt t ' t : | v •• j' t t - «t t- ^t t t t tl t t

quot;lain'HN DN : TjnN Vpn*! dïtiüse'! |b[5n«

nh o^n-ba bii lojr n^rn nwi rièvn nn

v - ^»tt t - ; a ^t : tit: • v: jI ; • : v i- •• -

tpjn i:nn Vip1? n^o yrim * : di1?^ Kn' idpo-^v ■»-?

:quot; : 1 , v ^ , -t : j t v ■ i : ~ »

m*quot;! TmtP3K n^a nn^i : im ibw Va

ijquot; •' quot;ti' t • - •■ : quot; «v - ; • - it t j'.' -: v

D^an nir nixa nt^ D'SJ^N nir oyn-^v D^XI DDK

^ v* * -: j'-r •• «••• t • t -: «-t *att v' t .»t

na'pn nain-nN n^-^sa orn-nN mstyi : rni^v n'^i«

v it- «tt- v t : ^tt v ^ : it : i t r'r ;

rhpquot;[ : on 1913^ |bj5n quot;iDirr^i n^o-bx pN^V1a * : iV ti1?»quot;! unn-nN nt^a a

1 : - •• ^ I '.'J'quot; a : 1 v ^

ntn D1»3 DHÏD pN!3 DXÏ1? W-fn3x tfl''

-• - • at ; • ^ I ^v-»v •• t : • iquot; : r* : • • ; - v -

i:n»vyD quot;lano IKD»! Dn'finD WDn : nana IN3=

v -:i-- - • -•- : * t- ••;!•• ■' : * - it • j- : -

D^Kn-VKn^y n^oi nnn n: D^-?n»i -13-103j

*• v: it v ^ vt t r.* it t vjv vquot; t : ^ jt i -r- at : • -

3p^_ n,3ip iond ris -ioN1? quot;inn'lp nin» v^n Nnp»i DnxD2? quot;1^« DH'N-I DHK : ^ -i^m ^

• at : • : * t -gt;v -: v • ; •*•.• - r* t : • y ; • - ;

nn^i : DDDN N3«i Dntr: 'SJS-1?!; ddpn N'^KV

t - ; ^ it •• vquot; : v tit 't : ^ * v ; v «t vit

7 Dn^ni 'nnrnx onip^i ipp^n )?ia^_DN

van den uittocht der kinderen Israels uit het land Egypte, niet: na den uittocht; diin immers zoude het Thammoez zijn. — ■wo is de vaste naam voor Israëls legerplaats tegenover den berg Gods; nooit komt -om 3-«n voor. De naam Choreb wordt alleen Ex. 33.6 en in üeut. gebruikt. Waarschijnlijk is Choreb de naam van het gebergte, waarvan de Sienai een top is.

1

Mozes wist uit de eerste hem geworden openbaring (Ex. 3,12), dat Israël aan den Sienai God zou dienen. Terwijl hel volk dus zijne legerplaats in orde brengt, bestijgt hij den berg, waarboven waarschijnlijk de wolkzuil zich had geplaatst als teeken van Gods Majesteit. — -inn ra, van af dm top van den berg, terwijl Mozes bezig is den berg te beklimmen.

2

nn^J 'flJS hy Dam NCW. De arend spreidt, als hij met zijne jongen uitvliegt, zijne vleugelen onder hen uit en vliegt lager, dan 'zij, opdat 'zij niet op de rotsen neervallen en sterven; — uit de verte gezien schijnt hij zijne jongen op zijne vleugels te dragen. Vandaar het beeld, dat dus tegelijk eene liefderijke en krachtdadige bescherming uitdrukt. Vgl. Deut 32,11. — •gt;l7s oanx soxi, en Ik u bracht tot Mij, d. i. volgens sommigen: tot de plaats Mijner openbaring, den Sienai; v. a. onder Mijne bijzondere bescherming.

ocr page 104

EXODUS XIX.

een kostbaar bezit zijn, meer dan alle volkeren, hoewel de

6 geheele aarde Mij toebehoort. Gij echter zult Mij een koninkrijk van priesters en een heilig volk zijn.quot; quot; — Dit zijn de woor-

7 den, die gij tot de kinderen Israels spreken zult.quot; Mozeskwam, liet de oudsten des volks roepen en legde hun al deze woorden

8 voor, die de Eeuwige hem geboden had. Het geheele volk antwoordde eenparig, en zij zeiden: ^Al, wat de Eeuwige gesproken heeft, zullen wij doen!quot; Mozes bracht de woorden

9 des volks over tot den Eeuwige. Toen namelijk de Eeuwige tot Mozes zeide: «Zie, Ik kom tot u in dichtheid van de wolk, opdat het volk hoore, wanneer Ik tot u spreek, en zij dus tot in eeuwigheid ook in u gelooven,quot; — deelde Mozes de woor-

10 den des volks den Eeuwige mede. Nu zeide de Eeuwige tot Mozes: „Ga tot het volk, en zorg, dat zij zich heilig houden

11 heden en morgen en hunne kleederen wasschen. Opdat zij tegen den derden dag bereid mogen zijn; want op den derden dag zal de Eeuwige nederdalen, voor de oogen van het geheele

12 volk, op den berg Sienai. Gij zult echter het volk rondom afbakenen, en hun zeggen; „„Wacht u den berg te bestijgen of zijn einde aan te raken; al wie den berg aanraakt, zal

13gedood worden! Geene hand zal hem aanraken; maar hij zal gesteenigd of doorschoten worden; hetzij vee, hetzij

5. vna nx omotn het door Mij te sluiten verbond (Ibn 'Ezra); Naciim. ; Mijn verbond met uwe voorvaderen. — rtac, een kostbaar bezit, waaraan men groote waarde hecht en dat men niet licht uit handen geeft, om het nooit uit het oog te verliezen. — psn Sa i1? 'O, hoewel Mij de geheele aarde behoort, zult Gij het meest als eigendom op prijs gesteld worden. Anderen: doch Mij hehooren alle volkeren der aarde-, uwe bijzondere positie sluit de liefde Gods tot de andere volkeren in geenen deele uit. (Vgl. Ibn 'Ezra en Sipobno.)

6. Aan dien voorkeur is echter de voorwaarde verbonden, dat Israël steeds een heilig priestervoik voor God zal zijn.

7- K3M, kwam van den berg naar zijne tent. — d.tobS dd'1,. hij legde hun voor, om hen vrij te laten beslissen, of zij al dan niet de geboden zonden aanvaarden. Evenzoo 21,1; daarom volgt dan ook 24,3 de hernieuwde betuiging des volks, al de pas vernomen verplichtingen te willen vervullen (Nachm.). Sa'adja : legde ze hun in hunne volle beteekenis voor.

8- Dyn Sa Uin. toen zij van de oudsten Mozes' woorden hadden vernomen, antwoordden zij enz.

8 en 9. ntfö TP1 quot;TIB'O Volgens Rashbam moet het verband

tusschen vs. 8 en 9 aldus worden gelegd; Nadat het volk zich bereid had verklaard de geboden te vervullen, was Mozes voornemens die woorden tot God over te brengen. Toen dan ook de Eeuwige tot hem zeide, enz.... deelde Mozes de woorden des volks den Eeuwige mede. — Ibn 'Ezra vat vs. 8 op naar den eenvoudigen zin der woorden; vs. 9 echter moet volgens hem aid us vertaald worden; De Eeuwige zeide tot Mozes enz., — nadat Mozes den Eeuwige de woorden van een deel des volks had medegedeeld, die door den inhoud der Godsspraak werden weerlegd. —

49

ocr page 105

LT m C3D

♦Vvnpi DD«I : nNrr-^a D^óun-^ö nbjo1

.)• ; I* SV - ; I VIT T T V.* • * -'t T • T \

na-in quot;it^N Dhmn n^K trinp o^n's naboa

V - ; jv ~i ' r : - v ••lt; ^ lt;s| t j ; v.- -: i vjv : -

on^fi1? d^»i D^n ♦jpT'? Kip»quot;) ntbo ^3»

^ v •• : • v■JT~ ^ •vitt Jquot;!:* ; v.tI;*- v .•,tquot; iquot; t ; • jquot; ;

iin» D^n-^D 1:^1: nin* iniï nti'N n^Kn onrrr^ nxquot;

t:- '«tt t ^-:i— it ; v,t • jv -; v •• t -•• t : - t ••lt;

D^n nyi-m nt^ö nipy: nin» quot;ISTIB'K V3 i^D^n

^tt ^j-: • v ■)'.• r vst^- av v.t : r--^ • v -: ^ 0 : ^ -

3^3 K3 nan n^a-^N nin» : nin»-quot;?» =

#5-. ) .. .. JT • IT •• * V V T : V - IT :

?j3-D^ Tjó^ ns-is D^n ym* 113^3 j^n ntyD-^N nin» no^n *:nin^N oyn n3TnN n^o ia»v.

lt;t ; v - it : v ^tt jquot; : • v

vni : nrtm 10331 quot;inoi Di»n ontynpi Dpn-^x ^

j t : it : • v, : * ï lt;st t v, quot; jt ; -r ; 'V t v |^quot;

quot;l?3 nirr iy wbwi di»3 i »3 di*1? d^dj

t jquot; : 4T • Squot;quot; ^ : ~ quot; ■** A* • : - J- ;

iiDtsri Ion1? 3»3D D^rrm ; ♦j'D irrïy avn *

j : it ' quot; •** t t t v «t ; - ; • ; it • j- ^ ^tt

: nov nio in3 inïp3 phji in3 ni^v 03'?

IT ^ V.T T /V* - T ^ a-IT; : vt T ^ .)••• T

quot;dn noro-DN nylt; nyit* bpamp; bipD-*3 r 13 van-N'? ^

JT quot; : • VT* -«T I I *' T ' 1« T •• T ^ . ,

Nachmanides vertaalt vs. 9: toen namelijk de Eeuwige.... deelde Mozes enz. Evenzoo vat hij Num. 13,26 en 27 op. — Hirsch meent, dat Mozes, in antwoord op de Godsspraak van vs. 9, waarin twijfel geopperd werd aan Israels vertrouwen in Mozes, den Eeuwige nogmaals Israëls eenstemmig besluit tot aanvaarding der geboden voorhield. — jjjjn ara, terwijl de wolk zich dicht om Mijne verschijning samenpakt, zoodat het volk die verschijning kan verdragen; — maar toch openlijk genoeg, om door allen gehoord te worden, zoodat het vertrouwen in de goddelijkheid van Mozes' zending ten eeuwigen dage bevestigd wordt.

10. Vs. 4—9 bevatten de beloften, dat God Zich aan Israël zal openbaren en hen tot Zijn kostbaarsten schat zal verheffen; vs. 10—15 de voorbereiding tot die openbaring. — onüipi, laat hen zich heilig honden, door zich aan echtelijke samenleving te onttrekken, vgl. vs. 15 (Naciisi.) Ibn 'Ezra: laat hen een bad nemen. Rashie en Rashbam: bereid gij hen voor, heden en morgen. — Baden zal overigens toch wel zijn voorgeschreven, daar immers kleerenwasschen steeds met ritueel baden gepaard gaat.

12. DJ/n DN nbsjni- Uit vs. 23 blijkt, dat die afbakening des volks bestond in eene heining, die het volk weerhield tot den berg te naderen en die dus was opgericht tusschen de plaats, waar het volk was opgesteld, en den voet van den berg. — a^aa schijnt erop te wijzen, dat die heining doorliep langs den geheelen voet van den berg. ook aan die zijden, waar het volk niet stond. — vrapa, aan zijn uiteinde, zelfs aan den voet.

13. 13, hem, die den berg heeft aangeraakt en die dus gedood moet worden, zal geene hand aanraken, maar uit de verte zal hij met steenen of pijlen worden gedood. Ook zij, die hem doodden, mochten immers den

ocr page 106

EXODUS XIX.

inenseh, hij zal niet in leven blijven quot;quot; — als men in langgerekte tonen op den hoorn blaast, zullen zij den berg mogen

14 bestijgen!quot; Mozes daalde van den berg af tot het volk, liet het volk zich heilig houden, en zij wieschen hunne klee-

15deren. Hij zeide tot het volk: «Houdt u bereid tegen den

16 derden dag, nadert [intusschen] tot geene vrouw!quot; Nu was het op den derden dag, toen het morgen werd, toen waren er donderslagen en bliksemflitsen, en een zware wolk op den berg, ook een bazuingeluid, zeer sterk; en geheel het volk sid-

17 derde, dat in het leger was. Mozes voerde het volk de legerplaats uit. God te gemoet; en zij plaatsten zich aan den voet

18 van den berg. En de berg Sienai rookte in zijn geheel, omdat de Eeuwige er in vuur op was nedergedaald; en zijn rook steeg op als de rook van een kalkoven, en de geheele berg

19 sidderde zeer. En het geluid van den bazuin werd al sterker en sterker; Mozes sprak, en God antwoordde hem met luider

20 stem. Toen namelijk de Eeuwige op den berg Sienai, op den top van den berg, was nedergedaald, riep de Eeuwige Mozes

21 naar den top van den berg, en Mozes besteeg hem. De Eeuwige zeide nu tot Mozes: «Daal af, waarschuw het volk, dat zij niet doorbreken tot den Eeuwige, om te zien; want velen van hen

22 zouden vallen. Ook de priesters, die tot den Eeuwige nader treden, moeten zich heilig houden, opdat de Eeuwige geen

23 verderf onder hen aanrichte.quot; Hierop zeide Mozes tot den Eeuwige: «Het volk kan den berg Sienai niet bestijgen; want

berg betreden, noch aanraken (Rashbam, Ibn 'Ezra). Savi quot;jwoa, wanneer de bazuingalm (Sav = Saw pp (Jos. 6,5) = ieip, bazuin) in langgerekte tonen klinkt. Volgens Rashie: wanneer het bovennatuurlijk shofargeluid, dat de openbaring begeleidde en al sterker en sterker werd, overgaat in lang aangehouden, gelijkmatige tonen. Sa'adja: wanneer in het leger langgerekte bazuintonen weerklinken, die dan, na Mozes' afdalen van den berg, op diens bevel geblazen zouden zijn. — nan, zij, het geheele volk; Ibn 'Ezra, naar R. Samuel b. Chofnie: Aharon, zijne beide oudste zonen en de 70 oudsten (naar Ex 24,1), op onze plaats minder waarschijnlijk.

15. diqi nvhvh — dvS; vgl. Gen. 40,13 en 20; 42,17 en 18.

16. DV3. den derden dag, d. i. volgens de traditie: 6 Siewan, zoodat 4, 5 en 6 Siewan de wijdingsdagen waren. Den Isten Siewan was Israël aan den voet van den Sienai aangekomen (vs. 1 en 2), den 2den besteeg Mozes den berg en kreeg daar eene uitvoerige openbaring (vs. 3); den 3den deelde hij die aan het volk mede en gaf dit zijne bereidwilligheid te kennen de wet te aanvaarden (vs. 7); den 4den kreeg hij de voorschriften van vs. 10 vgg. en bracht dit bevel aan het volk over, dat zich den 4den, 5den en den ochtend van den 6den rein hield. — De 6de Siewan, de dag van het Wekenfeest, wordt daarom in het gebed ook de dag der wetgeving, wvwi pn jnt, genoemd.

17. oviSjcn njnpS- de Goddelijke verschijning, die Zich op den berg

30

ocr page 107

v m :

he'o Tin : inn nan brn nvr ah IÖ^I : DhSö'iy iD3Dn Dj^n-riN Wipn D^n-bx inn-jo »

^ quot; quot; it ; • v. : - :r nr t v ••!-:- 'att v ^t t i •

'n»i: ni^K-1?» itfan-1?# d»ö» oriaa vn D^n-bxquot;2 quot;^Haa i^i D^iai n^p^nn. -ipan n»na ^pr\ oib : rmaa D^n-Va 11m ikd pin -iat? Vpi -inn

iv-: i- - jv -: ^tt t j- v:r.— a ; Ijtt ^t ij: r r

mw\ n:nan-?a D'n^n n^ip1? D^n-n« nt^a nxvi ^

V :- :i - „■.■-:r - lp- p r. v:.t ^-1 : • Ctt ••• sv •• -

vquot;?^ nT 'isa i-?a nm : inn nrnnna ^

4t*t j't v -j •• ; • \ ' ■*quot; t - * lt;- : it t r : - :

: iKa quot;inn-ba quot;mi maan r^a br'i i^Ka nin»

i : v.t t t j-v:iv- It;*- I •.••-•.•; t «•lt;— a** t vt ;

i3ijw D'n^Nm nan» n^a n«D prni nbm isirn 'pip ^rnn ^

v: it : ••-;■quot;.• a : I-—t ; Kquot; t - I-• • ;-

nin* Ntpn inn 'ro in-by nin» nm * : bipa3

st ; tI : at t j v vquot; * Jquot; quot; it : vs— I 1 :

ntba-Vw nin» na^»i : n^a bin inn ^nt^k n^ab «

t : •* .*quot; ^ '*•* v.t t j v ■)•.• :

: ai mn niKi1? nin^bx iDin»-?3 ova nvn n

it vv * t : t : v lt; ; v:iv i v ^att ^quot;t v.quot;

: nin» ana risers i^ipn» nin»-1?» o^isn D^nan 0:1«

it : {'•' t i ,» ; • i v at i - ; • ^t : v , J' r' ' ^ ■gt;• -: 1 - s-;

-»a ♦i'D in-1?» D^n ba vn1? nh,-,?« ntya laxn »

r at • ■J- v ^ ^■;i- t t 1 t : v v v lt;-

vertoonde, tegemoet. — inn fvnnrü, aan den voet van den herg, door de omheining van den berg gescheiden.

18. Terwijl vs. 16 al de verschijnselen zich nog slechts voordoen inn Sr, op den top van den herg, wordt hier verhaald, dat, na het neerdalen der Goddelijke verschijning, de geheele berg door rook was omgeven.

is- 13T nro. Mazes sprak tot God, Hem bevelen vragende, en God antwoordde hem met luider stem, die de bazuintonen overstemde, en gebood hem den berg te bestijgen, zooals vs. 20 wordt medegedeeld. — Rashie meent, dat iaT nes doelt op de mededeeling der geboden aan het volk, waarbij Mozes door Gods stem werd gesteund. Nachm. meent, dat bedoeld wordt het gesprek tusschen God en Mozes, vs. 21—24.

21- quot;IJ/n. % getuigenis af, in waarschuwenden zin (vgl. onze aanteeke-ning Gen. 43,3). — itniT ]s, opdat zij niet de afscheiding omhalen. — Sb:!, vallen = sterven.

22. D^ron. de priesters, zij, die tot nu toe dit ambt hebben bekleed, d. z. de eerstgeborenen; 'n Sn DTjin, die krachtens hun ambt anders tot de plaats, waar de Eeuwige gediend wordt, mogen toetreden. — Ook in Egypte kan Israël wel enkele nationale plechtigheden gehad hebben, waarbij naar aartsvaderlijke traditie op het altaar offers werden gebracht en waarbij de eerstgeborenen priesterdienst verrichtten. — Anderen verklaren 'n Sn ditun, die dichter hij de verschijning des Eeuwigen staan (Ibn 'Ezra, die de groepeeringen des volks afleidt uit Deut. 29,9). — ps' jb, opdat God geen bres sla in hunne rijen.

ocr page 108

EXODUS XIX, XX.

Gij hebt ons immers gewaarschuwd, zeggende: „ «Baken den

24 berg af en heilig hem.quot;quot; Doch de Eeuwige zeide tot hem: „Daal [niettemin] af; stijg dan weder op, gij en Aharon met u; de priesters echter en het volk zullen niet doorbreken om tot den Eeuwige op te klimmen, opdat Hij geen verderf onder hen

25 aanrichte!quot; Mozes daalde af tot het volk, en zeide het hun.

2 1 Toen sprak God al deze woorden, als volgt: //Ik ben de Eeuwige, uw God, die u uit het land Egypte, uit het

3 slavenhuis, heb uitgevoerd. Er zullen u geene andere goden

4 zijn voor Mijn aangezicht. Gij zult u niet in beeld of eenige gestalte maken hetgeen in den hemel boven of

24. -n ^7. Al hebt gij hen reeds gewaarschuwd, herhaal die vermaning nogmaals.

25. Het is niet zeker, of Mozes tijdens de verkondiging der tien geboden zich op den top, of aan den voet van den Sienai bevond. De woorden van den tekst geven eer aanleiding, het laatste aan te nemen. Onmiddellijk nadat Mozes Gods woorden aan het volk had bekend gemaakt, volgde dan, terwijl Mozes zich bij het volk bevond, de openbaring der tien geboden; eerst nadat Israël Mozes verzocht heeft de goddelijke woorden niet meer direct, maar eerst uit Mozes' mond te vernemen, begeeft hij zich weder naar de plaats der Goddelijke Verschijning (Ex. 20,18). Vreemd is dan alleen, dat daar niet vermeld wordt, dat, overeenkomstig het bevel van 19,23, Aharon hem vergezelde. Anderen nemen aan, dat, hoewel het niet duidelijk gezegd wordt, Mozes en Aharon den berg beklommen en eerst daarna de tien geboden werden gegeven. Op den schrik van het volk zou dan Mozes den berg zijn afgedaald en, na het vernemen van hun wensch, hem weder hebben beklommen.

Hoofdstuk XX. De tien geboden, door God in onmiddellijke openbaring, niet eerst door Mozes' mond, aan het volk bekend gemaakt, bevatten de grondbepalingen, waarop de geheele Thora berust. Wat de telling der tien geboden betreft, daarover bestaat veel verschil van meening. De Joodsche commentatoren en de Thalmoed (Makkoth 24a, vgl. Mechiltha) beschouwen voor het meerendeel vs. 2 ojs als het eerste, vs. 3—7 als het tweede en vs. 14 in zijn geheel als het tiende gebod. Het ontbreken van het teeken Q (nuino), alsook de omstandigheid, dat de toonteekens naar het systeem, dat van elk gebod slechts één vers maakt (fpSs oyo), in vs. 2—6 doorloopen, spreken tegen die telling. (Vgl. daarover o. a. mquot;» 'i 'id pnija nwn). Josephds, Philo e. a. nemen aan, dat vs. 2 inleiding is; hij vindt in mm sS, vs. 3, het eerste, in rrorn nS, vs. 4—6, het tweede ebod; — daartegen is hetzelfde bezwaar, als tegen de eerste methode, en ovendien zou men naar dit stelsel ook vs. 5 als afzonderlijk gebod dienen te rekenen, of wegens de eenheid van het onderwerp vs. 3—6 in 't geheel niet splitsen. Anderen (Augdstinüs, Lutiiek) meenen, dat vs. 2- 6 inderdaad slechts één gebod vormen, maar verdeelen vs. 14 in twee: in ito nnnn th en lïi ntra mnn nS enz., waarvoor het massoretisch rroirc-teeken, dat die beide deelen van het vers in de meeste uitgaven (vgl. echter Kennicott) scheidt, wel spreekt, maar wat door den I'pSï dj» weer bestreden wordt. — Reeds Ibn 'Ezra wijst op de afwijkingen, die onze tekst vertoont van de vermelding der tien geboden in Deut. 5,6—18. Deze zijn de volgende: de 1 van Soi njiun (vs. 4) is in Deut. vs. 8 ter verduidelijking weggelaten, in vs. 9

51

ocr page 109

D w m ti:

nöH'i : quot;inn-nx bajn Ibx'? wa nnnjrn nnx ^

• : quot;i * : v.t t v jquot; ; - •• t t -

Q^ni D^rüm ^ pnNi nnx n^i -n-nb nin» vba

ip t : j* -; i - ; i ^ -; i- : v.t - r r *r : ••)••• t ; lt;t ••

niyo quot;ITI : Drpö'-?3 nin^-^K riby1? iDin^K «

vj«— it j t : • i v V.t ; v j .i- •) : v;iv -

onatr1?! nk d : dnb« d^n * j

^♦nxvin quot;iiy« n^ribx nirv bik d : iön1? nban =

i •• s. ^vs'quot;••• v: rT • ^ .'t quot; ■•vquot;t

onnN D^nVx t? rrrr^ ; nn^ n^ao onxo rn^Qj

iD^a njion-bai i boa nrnt^n-^ : 1

.j- t - -xv -: t : t : •.'■gt;•.' : iv ^-; r j -itt

echter bij du»1?» Sr bijgevoegd. Bij het Shabbathvoorschrift wordt hier vs. 8 Tor, Deut. vs. 12 ntx' gebruikt, om na» bij het slot van den zin bij de krachtige vermaning; en gij zult gedenken, dat gij slaaf zijt geweest enz. te kunnen bezigen. Ook wordt daar de Shabbath in verband gebracht met den uittocht uit Egypte, terwijl hij hier alleen als rustdag bij de schepping wordt gemotiveerd. Het rustvoorschrift voor het vee (vs. 10) wordt Deut. vs. 12 gegeven voor: uw os, uw ezel en al uw vee. Bij de hier vs. 12 gegeven belofte: opdat uwe dagen lang worden, wordt Deut. vs. 16 bijgevoegd: en het u welga, terwijl aan het gebod zelf: eer uwen vader en uwe moeder, in Deut. ter versterking van den indruk wordt toegevoegd: zooals de Eeuwige, uw God, u geboden heeft. Voor ipr ir, Ex. vs. 13, wordt in Deut. vs. 17 het meer algemeene sor nr gebezigd. In Ex. vs. 14 wordt eindelijk eerst het huis, dan de vrouw en slaaf en slavin enz. genoemd; in Deut. vs. 18 staat eerst de vrouw, dan het huis, het veld, de slaaf en slavin enz.; terwijl daar tevens de uitdrukking mnn nS in het 2e versdeel door msnn nS is vervangen. Ten laatste worden de geboden, die hier vs. 13 en 14 zonder verbindings-^ naast elkander zijn geplaatst, in Deut. vs. 17 en 18 door '1 verbonden. Het zijn dus altemaal afwijkingen van rhetorischen aard, die hunne eenvoudige verklaring vinden in het didactische doel van het geheele eerste deel van dat boek, waar het ip. hoofdzaak te doen was bij het volk indruk te maken en de herinnering; aan het grootsche verleden, dat hunne ouders doorleefd hadden, té ver-. levendigen; minder om woordelijk en letterlijk den tekst der- openbaring te herhalen. — üit het feit, dat tot vs. 6 van God in den eersten persooni van daar af echter in den 3den persoon wordt gesproken,, makefn, de. Rabbijnen op, dat slechts die beide eerste geboden door Israël direct uit de stemme Gods werden vernomen, terwijl de andere quot;acKf'.'^uelcaobr Gód werden uitgesproken (vs. 1) en ook wel dopr het volk yehop-tfjjïijtyT dopr hun ontzetting niet begrepen werden, zbodit 'Mozefr ze-Intff mofest herhalen (vgi. rashie). , -W v1' quot; ■- rf' '7

a t ' ,i imi'uri irjli mi;/ i'mtv m'jii iru: i i

3- 'JS Tjf. Joodsche commentarpren: wV iMijn . aangezicht, in Mij-ne: tegenwoordigheid; S» heeft ^n.iwel (leno eenigwio^ilongewone.beteekenjsi, die echter meer voorkomt (quot;YgW Gen. 11.28 ^ Lev. Sié;, Job , 6,28).: Anlt;leilen,;| tegen Mijn aangezicht;,,npg ,anderepf:;ioegemtgd aan.Mijn aangevfiU.

naast Mij, vgl. vs. ^ evenals vj^. Ex. 33,14,eeneiiitdvuklkifligi

voor de Godheid|,zj4ye eni ^ei^ersehwing. i .vnir .7/ t ul iii;v ^v.b oh bas. eig. gehouwen beeld, v. d. algemeen : béÉld. '-f— rtfiiMi, (feistaitè, voorstelling, dus, oo^; bijv. in schilderwerk. — Df cp(östi:.q1cj,iamp;,xan npr met diVbbelèn '^i'erdéh ntótóv'al'geeft den zin : mmK-'u ritér tbt Veeld of

ocr page 110

EXODUS XX.

5 op de aarde beneden, of in het water onder de aarde is! Gij zult u niet voor hen nederwerpen, noch hen dienen; want Ik, de Eeuwige, uw God, ben een ijverend God, die de misdaad der ouders bedenkt op kinderen, op het derde en op het

6 vierde geslacht, op hen die Mij haten. Doch die genade bewijst tot in duizenden geslachten, hun die Mij beminnen en

7 Mijne geboden in acht nemen. — Gij zult den naam van den Eeuwige, uwen God, niet bij iets ijdels uitspreken; want de Eeuwige zal niet ongestraft laten dengene, die Zijnen naam bij iets ijdels uitspreekt.

9 8 Gedenk den Shabbathdag, om hem te heiligen. Zes dagen

10 kunt gij arbeiden en al uw werk verrichten. Doch de zevende dag is een rustdag ter eere van den Eeuwige, uwen God ; gij zult geenerlei werk verrichten, noch gij zelf, noch uw zoon of uwe dochter, noch uw slaaf of uwe slavin, noch uw vee, noch

11 uw vreemdeling, die binnen uwe poorten is. Want gedurende zes dagen had de Eeuwige gemaakt den hemel en de aarde, de zee en al wat er in is, en Hij rustte op den zevenden dag; daarom heeft de Eeuwige den Shabbathdag gezegend

12 en hem heilig verklaard. — Eer uwen vader en uwe moeder, opdat uwe dagen lang worden op den bodem, dien

voorstelling wat is trwa quot;iwn enz., van de vogelen en sterren aan den hemel; van eenig aardsch wezen of van visachen en andere waterdieren. De traditie leidt hieruit een algemeen verbod af voor het maken (en hebben) van beelden en voorstellingen, die tastbare afbeeldingen van natuurproducten geven (ntoVo mix). Anderen meenen, dat hier verboden wordt zich God onder eenig beeld van een sterfelijk wezen te denken, zooals Deut. 4,15 het verbod van het maken van beelden gemotiveerd wordt: want gij hebt geenerlei gestalte gezien op den dag, toen de Eeuwige tot u sprak op den Choreb. Vs. 3 bevat het verbod eenige macht buiten den Eeuwige als God te erkennen; vs. 4 het verbod zich beelden te maken, waaronder men zich de Godheid voorstelt; vs. 5, die te dienen en te aanbidden (vgl. Ibn 'Ezra).

s- jwp Sn. een ijverend God. die eischt wat Hem toekomt, en niet duldt, dat de vereering van Hem op andere wezens wordt overgebracht. De uitdrukking komt uitsluitend voor van Gods optreden tegen afgoderij, door Israel bedreven. — Sr, zooals uit Ex. 34,7 blijkt, beteekent

DicSc niet; kleinzonen, dus het derde geslacht van den vader gerekend, maar achterkleinzonen, het derde kinderengeslacht; Bijm zijn dus kleinkinderen der kleinkinderen. — Sr, God bedenkt en straft het kwaad der voorgeslachten op de nakomelingen, op hen die Hemhaten, d. i. voor zoover die nakomelingen Hem blijven haten.

6. Gods liefde en genade gaan dus veel verder, dan Zijn straffende ijver. O'sW? = oneindig velen.

7. Dat hier niet alleen het afleggen van een valschen eed verboden is, blijkt reeds uit de uitdrukking nwS; valsche eed zou met ipc moeten uitgedrukt worden, sw is verwant met rsw, woest zijn, en beteekent: het woeste, ongeordende, v. d. het ijdele en nietige. Verboden wordt hier

52

ocr page 111

D nrv a:

: fix1? nnno i quot;itrNi nnno rn«3 bym

i ^vitt^ quot;•jjquot; * -tlquot; ~ atquot; * | att jv -liquot; quot; *

bNTribx nin' rSjNi »3 bmyn ah) an1? ninntfmó *

■»•• } v v: lt;t : • it -»• aquot;:^tit j ; vvt \quot;,quot;'vquot;! rp:p ' '

: \i*r:w) ayirty] ri^K p£ npa «3j5

K^n kS d : TnxD nD'^Vi d^ö^n1? non n'^i1

■)t * j ^it ; • jquot; ; 1 ; v.—: 1 : a- t -;r v v *lt; j; 7

-to nx nïn» npy üb ^ nin^DB'-nK

v -: .)•• t : lv-: « j- :at - | v: jt : 1quot;

S3 : lOB^nK

rvfryi iayn mv : lÊnp1? nit^n DVTIK 'IIDT n

t -v t ; 1- j-t vjlt;quot; 1 ;!-: v,t - - ^ v 4 td

'N1? quot;i'HbK mn'1? 1 n2^ bin : quot;hrüK^a-^'

^ -• I av ^ v: -«t 'quot;pp •,v.t quot; * * ; ' ; liv ; - :^ t

nnoNi rnzy ^hnr-n^i 1 nnx nS^D-^D n'^yn

p^: it -;r^ lt;) 'q' i quot; * h) : • . ■,t quot; t ■\t : t • quot;,v •

nin* ntry D^'-niyir ^ ?]i3i ■qnanm ^

t : t t • t v iquot; -»• ^ I iv*t : • jjv -: ^,1 :iquot;: | v ; v :

DV3 nn oriK'K-brnKi D#n-nx PNHTINI D^DB^TTIK

^ - quot;v.t- t v -: t v : t - v i v t t v ; -j- t -

nas d : in^ipn n2^n di^dk nirr -ina ri)-^ ^

Jquot; - # r» :l-;i- v.quot;r - - j v or ; Is-- I •• **• ':-

p?quot;!Ns;. j^o1? ^2«_nK

dus; het uitspreken van den Goddelijken naam bij ijdele, onbeteekenende dingen, en wel niet alleen het bezweren van onwaarheden, maar in het algemeen elke profanatie van Gods naam door dien in den mond te voeren bij zaken, die ói' die vermelding niet noodzakelijk vorderen, öf zelfs, zooals waarzeggerij enz., eene bespotting van Gods hoogheid zijn. De bewering, dat in de rij van zware misdrijven, die de 10 geboden vormen, dit verbod niet zou passen, is te zwak om weerlegging te behoeven.

8, quot;1131. Denk telkens bij den terugkeer van den Shahbathdag, aan uwe verplichting om hem te heiligen, racn on, de als rustdag aangewezen dag der week; niet, zooals Rashbam meent, den eersten Shabbatndag bij de Schepping, hot toch beteekent niet alleen: zich het verledene herinneren, maar. ook: denken aan wat komen zal. Vgl. Klaagl. 1,9. — De verplichting, om den Shabbath te heiligen, was hun zeker reeds bij het nederdalen van het Man, misschien reeds te Mara, opgelegd (vgl. Ex. 16,23 en 29; cn 15,25 aant.) Hier wordt het daar gegeven voorschrift in het werkverbod algemeen uitgedrukt.

io. nar is zelfstandig naamwoord en beteekent: een werkonthouder, een dag, waarop niet gewerkt wordt, = rustdag. — rosS», aleemeene uitdrukking voor: de vervulling eener taak, van welken aard ook; nrar meer de bijzondere werkzaamheid, zoowel veldarbeid als handwerk. Op Shabbath is elke ros1?», op feestdagen alleen mor roxS» verboden (vgl. Lev. 23,3 en 31 met Ibid. 7,21,25,35,36). Over den omvang der op Shabbath verboden werkzaamheden zie den Thalmoed. — -pji, de apin u, de heiden, die, in Palaestina gevestigd, slechts de zeven Noacliidische plichten heeft op zich genomen, mag ten behoeve van den Israëliet op Shabbath geen werk verrichten (Nachm., Rashbam).

ocr page 112

EXODUS XX.

13 de Eeuwige, uw God, u geeft. — Gij zult niet moorden. — Gij zult geen overspel drijven. — Gij zult niet stelen. — Gij zult tegen uwen naaste niet verklaren als een valsch getuige. —

14 Gij zult niet begeeren het huis van uwen naaste. — Gij zult niet begeeren de vrouw van uwen naaste, noch zijn slaaf of zijne slavin, noch zijnen os of zijnen ezel, noch wat ook uwen naaste toebehoort.quot;

15 Toen het geheele volk bemerkte de donderslagen, de vuurvlammen, het geluid van den bazuin en den rookenden berg, —

16 toen het volk het zag, beefden zij, en bleven van verre. Zij zeiden tot Mozes : „Spreek gij met ons, dan willen wij hooren ; maar laat God niet met ons spreken, opdat wij niet sterven!quot;

17 Mozes zeide tot het volk: „Vreest niet; want slechts om u op de proef te stellen is God gekomen, en opdat de vreeze voor

18 Hem vóór uw aangezicht zij, opdat gij niet zondigt!quot; Het volk bleef van verre staan ; doch Mozes trad nader tot den dichten

19 nevel, waar God was. — De Eeuwige zeide tot Mozes: «Zoo zult gij zeggen tot de kinderen Israels; «gij, gij hebt gezien,

20 dat ik van uit den hemel met u gesproken heb! Gij zult dus niets maken naast Mij ; afgoden van zilver noch afgoden van

21 goud zult gij u maken. Een altaar van aarde zult gij Mij maken ; en daarop zult gij uwe brandoffers en uwe vredeoffers, uw kleinvee

13. Hier volgen de voorschriften, die de verhouding van den mensch tot zijn met hem gelijkstaanden naaste regelen, en wel tegenover diens lichamelijk bestaan, zijn huwelijksleven, zijn bezit, — daartegen wordt elke daad verboden ; — tegenover zijn goeden naam ook elk woord, dat tot zijn nadeel kan strekken; — vandaar overgaande tot de gezindheid des harten, wordt elke begeerte naar het eigendom van een ander verboden. Al de verboden zijn van algemeene strekking; rmn nS verbiedt niet alleen den directen moord, maar elke handeling, waardoor iemands leven in gevaar gebracht of verkort wordt; r]s:n nS niet alleen echtbreuk, maar in 't algemeen elke onkuischheid (Ibn 'Ezra, Abjiabanel e. a.); ajjn nS elke directe of indirecte verkorting van eigendomsrecht. — Uit het afwisselen van ipp ip en sio n1 hier en in Deut. blijkt, dat niet alleen leugenachtig. maar ook onjuist en ongegrond getuigenis, en wel niet alleen voor den rechter, maar elke onjuiste verklaring, waardoor iemands naam kan worden benadeeld, verboden is.

14. nnnn xS, begeeren, het verlangen, zich met of tegen den wil van den eigenaar, met of zonder vergoeding, meester te maken van eens anders bezitting, mn beteekent verlangen tengevolge van den indruk, dien de zaak op ons heeft gemaakt; msnn meer het hartstochtelijk hegeeren, dat uit den aard en de neiging van den begeerende voortkomt.

15. Al deze verschijnselen gingen aan de openbaring vooraf, en het is niet waarschijnlijk, dat de donder en het bazuingeluid tijdens de mede-deeling der tien geboden aanhielden. Reeds aanstonds dus was het volk sidderend van verre blijven staan en durfde niemand den berg naderen, wat hun immers verboden was.

16. Naar de boven aangehaalde traditie zeiden zij dit reeds na het

53

ocr page 113

3 nrv aa

amp; d : nvin i6 d : rria yrhn nin» ^

V,J itv :• v.-» , l'T 1 jquot; } V.V v; ;

^ wn myn-^ D : nwn Kb D : tiM:n

*5quot; v, 1^: iquot;; j'.-'h i- i ; • v.-» | iat ; •

r-iBte lónrrtf? d n^a lonn ^ d : quot;iptr^

v J- : - i l^v quot; -••• V. ï ' ■» i vit

s * •' 'i'ioni

néirri bij? nxi DTsbn-nKi n^iprrnK D^n-^Di« ^on»quot;) : pnia nojn lyi'i byn «n»quot;) rtry nnn-nKi ™

; i- i i tiquot; v : i~~ -.tquot; tt :lt;— i aquot; t t v :

nsT-^Ki nyotfji nnN-nai ntbo-bx

^ v.' v; jquot; -: - : CJ™T : * : v.t jt - -

-najD1? quot;i iKTn-^ D^H-^K nt^o quot;IDK'I : n^ürjöquot;

^tj,- . . t quot; tt v ■quot;.* v quot; i t i v

oms-ty inNi» n^nn nüpni D^^HH K3 ddhk nioj

•• : it:* sv ; r ^-;r /»• v:it \.t v ; v j -

^quot;ijrn-^K tra: Viitdi pnio o^n id^i : iKünn ^

v t^-rit v .•'- • v Ia tiquot; ^tt j ^ti— it v: iv r : ' :

iqnn na h^q-vn nin» idn^ d * : d^kh dtrntyx ^

Vquot; j v v ^ t : v lt;- r v:it ^.t v -i

: DDöjr D'óirn-ro »3 DJTXquot;) on^ 'jNnir» ♦aa-'jN

iv t * :v,- * • - t - I • '* gt; v gt; * 1 jv quot; Aquot; t : * jquot; :

: QD^ itr^n tih nnr 'PibKi «IDD TI^N4 ntyyn N1? 3

iv t v. ^:^iquot; ^ j tt— iquot; | v v •• lt; v: a- * I v. ^-s r j

TnbirnN nnnn '^-n^n non« naro «

I v t : v : P v *1 v t t ■jt ; -it: * v ^-:i- t t-: •*- i *

hooren der twee eerste geboden; v. a.: na de tien geboden te hebben vernomen.

17. DIDJ nSJOz' om u quot;P de proef te stellen, of gij na zoodanige openbaring de wet zult aanvaarden en niet meer zult zondigen.

18. quot;Hypl. Het volk bleef staan, hoewel volgens Deut. 5,7 Mozes hun op Gods bevel had toegestaan, naar hunne tenten terug te keeren. — noni, en Mozes, misschien met Aharon, besteeg den berg en naderde tot de verschijning Gods. (Vgl. onze aant. 19,24).

21. nrm slachten, in het algemeen van dieren: als offer brengen. Rashie : daarbij zult gij slachten, ^nSr nsi fnSï' ns, uwe brand- en vredeoffers, bestaande uit uw klein- en rundvee. — oip»n San enz. Op elke plaats, vxtar Ik Mijn naam zal doen gedenken, d. w. z. waar Ik een zetel Mijner vereering zal vestigen. (Ibn 'Ezra, SipoRNo). — De hier gegeven voorschriften zijn niet in strijd met de bepalingen, betreffende net koperen altaar (Ex. 27); de traditie neemt aan, dat het daar genoemde altaar inderdaad met aarde gevuld was en dus in den eigenlijken zin nsisnai» was. Afgezien echter daarvan, schijnt hier sprake te zijn, niet alleen van een dooide gemeenschap op te richten altaar, — zooals dat op den berg 'Ebal en andere geheiligde plaatsen, — maar ook van door bijzondere personen opgerichte offerhoogten, Tm man, die dan naar de hier gegeven bepalingen slechts mochten bestaan uit tot eene hoogte opgeworpen aarde of onbehouwen steenen. — Uit Deut. 12,9 wordt namelijk afgeleid, dat het Lev. 17,1 vv. gegeven verbod, buiten het heiligdom te offeren slechts gold, nadat een vaste tempel stond, d. w. z. tijdens de omzwerving in de woestijn.

ocr page 114

EXODUS XX, XXI.

en uw rundvee slachten; op elke plaats, waar Ik Mijnen naam

22 zal doen gedenken, zal Ik tot u komen en u zegenen. En wanneer gij Mij een altaar van steenen maken zult, dan zult gij het niet van gehouwen steenen bouwen; want als gij er uw zwaard over gezwaaid hebt, dan hebt gij het ontheiligd!

23 Ook zult gij met geene traptreden Mijn altaar bestijgen, opdat uwe schaamte daarop niet ontbloot worde!

1 En dit zijn de rechtsvoorschriften, die gij hun zult voorleggen;

2 Wanneer gij een Hebreeuwschen slaaf koopt, zal hij zes jaren dienen; en met het zevende jaar zal hij vrij uitgaan, om

3 niet. Zoo hij voor zijn persoon alléén in [dienst] is gekomen, dan zal hij ook voor zijn persoon alléén weder uitgaan; doch was hij de echtgenoot eener vrouw, dan zal zijne vrouw met

4 hem uitgaan. Indien zijn heer hem eene vrouw geeft, en deze heeft hem zonen of dochters voortgebracht, dan blijft de vrouw

toen slechts in den tabernakel mocht worden geofferd; vervolgens zoolang het heiligdom te Shielo stond en na de vestiging van het heiligdom te Jerusalem. Gedurende de tusschenliggende perioden echter mochten ook op particuliere altaren offers worden gebracht. (Vgl. Sifra Lev. 17; Sifré Deut. 12,8. Zebachiem 1126 en 117).

22. -pin enz. uw zwaard, v. d. al wat scherp is en van metaal, hier dus: werktuigen ter bebouwing van den steen; — nsn, letterl. zwaaien, bewegen; de zin is: hebt gij uwe werktuigen er mede in aanraking gebracht, dan hebt gij den steen ontwijd en ongeschikt gemaakt ten gebruike voor het altaar.

23. Niet langs een trap met treden, maar langs een glooiende helling moest men het altaar bestijgen, opdat niet toevallig door het opwaaien der lange en wijde kleeding de schaamte, zelfs voor een oogenbhk, ontbloot worde. — rSr, terwijl gij daarop gaat of zijt.

Hoofdstuk XXI. 1. D'tflÖCOn* Rechtsvoorschriften, die het volksleven tot eene burgerrechtelijk geregelde samenleving maken, en waardoor de orde in den staat verzekerd wordt. — DirosS dw icn, die gij vóór hen zult leggen, beteekent niet eenvoudig: die gij hun zult voorleggen met de vraag, of zij ze al dan niet willen aanvaarden; maar: die gij, evenals men bij een maaltijd de spijzen opdraagt, hun in duidelijke uiteenzetting en nauwkeurig toegelicht zult voorleggen, mededeelen. De uitdrukking: •obS dw komt behalve van het bekend maken van Goddelijke geboden, alleen nog van het voorzetten van spijzen voor. (Gen. 24,33; I. Sam. 9,24; 28,22).

2. De „rechtsvoorschriftenquot; beginnen met de regeling van den rechtstoestand van den slaaf en de slavin (vgl. 2-11), om ook dezen economisch afhankelijken personen hun persoonlijke vrijheid te verzekeren; v. s. staan deze voorschriften vooraan, om Israël te herinneren aan zijn pas geëindigde slavernij; Hirsch daarentegen wijst erop, dat hierin de meest duidelijke aanwijzing ligt voor het feit, dat Israël, toen het zijne Thora schriftelijk ontving, op het einde van Mozes' leven, met al de wetten tot in nauwkeurige bijzonderheden bekend was; de rechtsbeginselen, wier toepassing in het niet zeer vaak voorkomende geval van verkoop wegens armoede (Lev. 25,39) of wegens diefstal (Ex. 22,1) ons hier wordt uiteengezet, waren

54

ocr page 115

KD 3 tttDÖPÖ nn» quot;13

'bw-m *i»3m Dipsn^a nnprnNi

j t • : V J. ; - ^JV -s It- t : IavI t : v : v.1: ' *•

marr^1? ^quot;n^n D^2K nsTO-DNi : ^7N m

nVvn-^i : n^nm n^ nsjn nam »3 nna tnnit«

: tiv-;i- ; - t ^Vt t ;jquot; •• 4l : ;quot; s* a*t Kv : v

£5 : vVy n^an-K1? ♦naTO-1?^ ri^on

IT^T v,l ; IT t'v JV T • i •)•.' -: A- ; ; • v. .r ;

nnv nnr n:pn »3 : on^aS D^n na'K VibKi8

• V^v v|; • lt;• iv •• : • v.* t jv -: • t ; • - v •• : 2

quot;DK : Dsn Tn^' Dn^ 1

IT • V' : Tl- Jquot;^quot; « • ; - A ^-11- v.* T

: iDj; InK'K HKïn Kin ntJW b^S-DK Kï' 1S13 «3* 1fi33

i v, : • jt : it: t • \ Aquot; •• ^ : ^ ^t j ' 1

n^Nn nun IK D^3 né'N iytn» VJIK'DK ^

jr * it at ■* t j t:it: t • ■* i v • t -:

in het bewustzijn des volks zoozeer doorgedrongen, dat het onnoodigkon geacht worden die uitvoerie te behandelen. — 'tar ■ui1, een Hébreeuwschen slaaf. (Vgl. op de parallelplaats Deut. 15,12, de uitdrukking: i-arn -pns) Op den niet-fsraëliet, die als slaaf verkocht wordt, is deze wet niet van toepassing. — nrasoi, en met het begin van het zevende jaar na den verkoop, het jaar, dat op de zes dienstjaren volgt; niet: in het zevende jaar van de Snemittaperiode. — •c'EnS nip, volgens Rashie, Ibn Ganach en

Rashbam: in vrijheid = töinS; v. a. is het een bijv. naamw. met voor-

gevoegden vrij. — D:n, om niet, d. w. z. zonder losgeld; wilde de slaaf daarentegen binnen de zes jaren de vrijheid herkrijgen, dan moest hij een losgeld betalen voor den nóg overschietenden diensttijd in verhouding tot den door zijn heer betaalden koopprijs. — Het invallen van het Jobél-jaar schonk den slaaf eveneens de vrijheid, (Lev. 25,40. Vgl. overigens Deut. 15,12—18), ook binnen de zes dienstjaren. Lev. 25,39 en 40 bevat nadere voorschriften omtrent de behandeling van den slaaf door zijn heer en de door deze van hem te eischen diensten; Deut. 25,13 en 14 aangaande de bij zijne invrijheidstelling door den heer in acht te nemen verplichtingen.

3. 13 JO = isua, met zijn eigen lichaam alleen; d. i. zonder vrouw. — TO vton nNïvi, dan gaat zijne vrouw met hem in vrijheid uit; was de slaaf bij zijn in dienst treden gehuwd, dan treedt zijne vrouw niet met hem in dienst, maar wordt de heer verplicht haar te onderhouden. Die rechtsverhouding nu houdt bij het in vrijheid stellen van den slaaf op.

4. Een derde geval: hij is ongehuwd in dienst getreden, doch zijn heer heeft hem eene neidensche slavin tot vrouw gegeven; deze blijft dan, evenals de uit de verbintenis voortgekomen kinderen, het eigendom van den heer, ook na het einde van den diensttijd van den Hebreeuwscnen slaaf.— Van eene Israëlietische slavin kan hier geen sprake zijn, daar deze volgens Deut. 15,12, evenals de slaaf, ten hoogste na zes dienstjaren vrij wordt. Ook de uitdrukking mrwS wijst op lijfeigenschap. Een wettig huwelijk komt natuurlijk door eene dergelijke verbintenis niet tot stand; de kinderen volgen dus den staat der moeder, zijn niet-Israëlieten en slaven. — Wenscht de slaaf echter niet van vrouw en kinderen te scheiden, dan geeft vs. 5 en 6 het middel aan de hand om aan zijn wensch te voldoen.

ocr page 116

EXODUS XXI.

en hare kinderen voor haren heer, en hij gaat voor zijn per-

5 soon alléén uit. Maar indien de slaaf zeggen zal: ,/Ik bemin mijnen heer, mijne vrouw en mijne kinderen; ik wil niet vrij

6 uitgaanquot;; Dan zal zijn heer hem voor de goddelijke rechters brengen en hem tot de deur of tot den deurpost doen naderen; daar zal zijn heer hem het oor met een priem doorboren, en

7 hij zal hem voor eeuwig slaaf zijn. — Wanneer een man zijne dochter tot slavin verkoopt, zal zij niet uitgaan, zooals de

8 slaven uitgaan. Indien zij mishaagt in de oogen van haren heer, die haar voor zich had bestemd, dan zal hij haar doen loskoopen; hij zal echter de macht niet hebben, haar aan eenen vreemde te verkoopen, nadat hij tegen haar trouwe-

9 loos gehandeld heeft. Bestemt hij haar voor zijnen zoon, dan moet hij haar naar het recht der dochters behandelen.

10 Neemt hij voor hem eene andere vrouw, dan mag hij haar voedsel, hare kleeding en hare bijwoning niet verminderen.

6- D'nWl bx, niet: naar den tempel of depriesters, maar: naar de plaats, waar in naam Gods recht wordt gesproken; vgl. Deut. 1,17: dviW? qbew '3 swi. — Voor de rechters verklaart de slaaf dan, van ziin recht op vrijheid afstand te doen; vervolgens brengt de heer hem naar de deur ofdendeur-ost en doorboort daar als teeken van onderhoorigheid zijn rechteroor, hem aarmede als het ware vastnagelend aan zijn huis; dan wordt met nVin de deur van het huis van den keer bedoeld; Ibn 'Ezra.: de deur of de post der stadspoort, waar de rechtbank zitting hield. — oSïS rtavi, hij zal hem slaaf zijn voor eeuwig, naar de traditie, op grond van Lev. 25,40, tot het Jobéljaar; Ibn 'Ezra verklaart dSjjS: voer eene periode, de langste in de Thora bekende periode is die van het Jobéi; Rashbam; eeuwig, zoolang hij leeft. — rmrnn Sn is nSn hs. Uit Deut. 15,17 nVui wsa nrui blijkt, dat het doorboren uitsluitend aan de deur, niet aan den deurpost geschiedde; zoo leert althans de Halacha. — De beide plaatsen kunnen ook in overeenstemming worden gebracht door aan te nemen, dat in Deut. kortheidshalve slechts één der beide gevallen genoemd wordt. — wn nx win jx-ii jHtma, slechts het oor wordt doorboord, de deur niet; staande hij de deur, doorboort hij hem het oor.

7. noxS, tot slavin, waarbij onmiddellijk de voorwaarde van ten huwelijk nemen wordt gesteld, zooals uit vs. 8 blijkt. Hier is natuurlijk sprake van eene minderjarige, waarover de vader recht van beschikking heeft. Bij het bereiken van den huwbaren leeftijd, nnr:, (gewoonlijk op ongeveer twaalfjarigen leeftijd) moet dan de beslissing door den heer worden genomen. — qnsrn nxw nxn nS. üit Deut. 15,12 blijkt, dat zij, evenals de Hebreeuw-sche slaaf, in ieder geval na zes dienstjaren vrij wordt. Het geval, dat een kind van zes jaren als slavin wordt verkocht, is echter zoo onwaarschijnlijk, dat hier daaraan verder niet wordt gedacht en het algemeen luidt: zij gaat niet in vrijheid uit op de wijze, waarop de slaaf vrij wordt.

8. Drie gevallen worden hier behandeld; 1°. indien zij haren heer mishaagt, zoodat hij haar niet ten huwelijk neemt; dan moet hij haar doen lossen, heeft echter niet het recht over haar als zijn eigendom te beschikken en haar verder te verkoopen. — mp ah ivs. De Massora geeft onze plaats als een der 15 plaatsen, waar nS voor h staat. Zooals de woorden geschreven zijn, be teekenen zij: zoodat hij haar niet voor zich

55

ocr page 117

jo d^öpö n:

ION» quot;ioK'DKi : NX» Kini n^iN1? n'nn nnVnquot;

lt; t • : i quot; : jquot;quot; v : .t v i- ^ v ; t vt r

: KXK ab ^Tnw ♦inx-nN ♦nanx nnyn

,. . T ^.. .. j att v : ^v* : * v . * ': ** : quot; T •quot; - T

nnTarr^K IK n^in-^K D^KH-VX vj'nK i^nv 13WD) D : D^1? i-ayi yitiQz bn-nn vn« 7

j : ' r : it^ : {r -:i~ - - : t v «t ^ - t;

nvTDx : Dnn^n nNxa Kxn N1? nmb ina-nx ^Kn

r t r t :it : v,quot; quot; ^ ^AT T : ^ * v •,*

no: D^1? mam my ah-*\wn n^-iK »:^3

j : • 1 4* : t *7-: at : v : vtquot;gt; : j quot; -: t ■gt;••• -: s** •• :

niian □öB'aa na-m^ uaS-DNi : nn-i-una mDab quot;=

v t - J- .1 • : TAV^t r ^ : • • : it : • : vt : t :

: vir nh nnyri nniD3 iV-nï?» mnw-DK : nb-n'^y'

^ it: * j (.t r i ; ^t : ot •• ; «s !-• v^v - it v ^rr

bestemt-, dan kan echter h, voor zich, in den tekst moeilijk gemist worden. De Massoretische opvatting geeft de vertaling: die haar voor zich tot vrouw had bestemd-, bij den koop was stilzwijgend overeengekomen, dat hij haar tot vrouw zoude nemen, in welk geval de koopsom, aan haren vader betaald, tevens als huwelijksgeld, pirpp tps, zoude dienen. — rnsm, dan moet hij haar doen loskoopen, hij moet toestaan en bevorderen, dat een harer bloedverwanten haar vrij koopt; de vader die slechts door armoede gedrongen tot haren verkoop is overgegaan, (Lev. 25,39) zal waarschijnlijk niet Dij machte zijn den losprijs zelve te betalen. (Luzatto). Medewerken tot hare lossing moet hij, naar het voorbeeld van Lev. 25,50 vv. door het loon der door haar verrichte diensten, naar mate van den bij hem doorgebrachten tijd, in mindering te doen strekken van den voor haar betaalden koopprijs en slechts het resteerende als loskoopsom te eischen. — Anderen meenen, dat als onderwerp van msni, aan den vader moet gedacht worden, die, zoo hij zelve onvermogend is, den vrijkoop door een familielid moet bewerken. — ii3J □i,l7, aan iemand van vreemden familiestam, die niet tot hare familie behoort, ook al is hij Israëliet; slechts aan een lid harer familie mag hij haar, bij wijze van vrijkoop, niet als slavin, afstaan. Deze zal haar natuurlijk vrijlaten. Anderen laten de woorden slaan op haren vader, wien in het algemeen het recht zou worden ontzegd, zijne dochter te verkoopen •na: dj)1?, aan een lid van een vreemd, heidensch volk. — na luia, nadat hij tegen haar trouweloos gehandeld heeft, door zijne stilzwijgende trouwbelofte niet gestand te doen; volgens de zooeven genoemde andere opvatting; doordien hij, de vader, haar verkocht heeft.

9. Het tweede geval: als de heer haar voor zijn zoon als vrouw bestemt, moet hij, de heer, haar als zijne eigene dochter behandelen, d. w. z., volgens Machmanides, haar uitrusting verzorgen, als ware zij zijn eigen kind. Rashie en Mechiltha verklaren rman dsom: naar het Israëlietischen jonge-dochters, die zich in den echt hebben begeven, toekomende recht; de rechten nl., die de vrouw gedurende het huwelijk op haren man kan doen gelden en die in vs. 10 nader worden uiteengezet. — Dan is het onderwerp van nppi: de zoon.

10. Het derde geval; indien de heer zijnen zoon, met wien hij de slavin heeft doen huwen, nog eene andere vrouw laat nemen, (of de zoon zelf nog eene vrouw neemt) dan mag dat geen nadeeligen invloed hebben op hare rechten als vrouw. — i1?, slaat op den zoon. Hetzelfde geldt natuurlijk ook, als de heer zelve, na haar gehuwd te hebben, zich een tweede vrouw

ocr page 118

EXODUS XXI.

11 Doet hij echter geen van deze drie dingen ten haren behoeve,

12 dan gaat zij om niet uit, zonder [Tos-]geld. — Wie een ISinensch slaat, en deze sterft, zal gedood worden. Wie echter

geene lagen heeft gelegd, maar God heeft het zijne hand doen ontmoeten, — dan zal Ik u eene plaats vaststellen,

14 waarheen hij vluchten kan. — Doch wanneer iemand tegen zijnen naaste met voordacht handelt, om hem met kwaad opzet te dooden, dan zult gij hem [zelfs] van Mijn altaar

15 wegnemen, om te sterven. — Wie zijn vader of zijne

neemt. Zou hier echter van dit geval sprake zijn, dan had dit vers vóór het voorafgaande moeten staan. — ms», haar vleesch, als hoofdvoedingsmiddel naast brood, hier algemeene benaming voor; voedsel. Naar Ibn 'Ezra : de instandhouding van haar lichaam, d. i. voeding. — nniM, kleeding, nroïi, haar tijdperk, de periodieke bijwoning; Ltizatto : het haar bi] haar huwelijk als stilzwijgende conditie toegestane recht op bijwoning; anderen haar woning, naar plaatsen als; nso nrujli (Hos. 2,17) en D^s n:ïi (Jes. 13,22) waar Tbm 'Ezra de vertaling: wonen, (rui' = pr) citeert, doch verwerpt. Nachm. laat alle drie uitdrukkingen hier op de bijwoning slaan en vat op: haar vlceschelijke bijwoning, de bekleeding voor haar bed en den voor haar vastgestelden tijd, periode van bijwoning zal hij niet verminderen. — Zooals boven (vs. 9) gezegd, golden de hier genoemde rechten voor elke gehuwde Joodsche vrouw.

11- DJCV Dit kan niet doelen op de zooeven genoemde drie rechten der vrouw; want nadat zij eens gehuwd is, is haar slavernij ge-eindigd en kan dus van om niet uitgaan geen sprake meer wezen. Het ziet dan ook op de drie gevallen, waarvan twee oirect en een indirect in de vorige verzen genoemd zijn: het doen lossen (vs. 8), het tot vrouw geven aan den zoon (vs. 9) en het niet uitdrukkelijk behandelde, maar naar het boven gezegde normale geval, dat de heer haar zelve huwt. — rpD j'N D:n nsn. Zonder dat zij behoeft vrijgekocht te worden, gaat zij dan in vrijheid uit reeds vóór het zevende of het Jobéljaar, zoodra de heer verklaard heeft, geen dezer drie te willen doen; daar echter vs. 8, bij niet huwen met den heer, loaning reeds wordt voorgeschreven, neemt de traditie aan, dat hier een nieuwe aanleiding tot invrijheidstelling wordt gegeven. Zooals wij zagen, is hier sprake van een minderjarig meipje, ruop. Beslist nu de heer, tijdens hare minderjarigheid reeds, haar niet te willen huwen, dan treedt het lossingsvoorfchrii't van vs. 8 in werking. Stelt hij echter de beslissing uit, totdat zij den huwbaren staat (nnr:) heeft bereikt, en treedt dan geen der drie hier genoemde gevallen in, dan is zij zonder losgeld rechtens vrij.

12—36. Na de regeling van den rechtstoestand van den slaaf en de slavin, den drager van de gevolgen eener misdaad en de slachtoffers van armoede, volgen de wetten omtrent lichamelijk letsel (vs. 12—36); en wel 12—14 omtrent moord en doodslag; 15—17 behandelen misdaden tegen personen, die met moord op ééne lijn gesteld worden; 18—21 bespreken de wetten omtrent verwondingen in het algemeen en wel 18 en 19 van vrije personen, 20 en 21 van (niet-Israëlietische) slaven; 22—27 de wetten aangaande kwetsuren van bijzondere lichaamsdeelen, wederom 22—25 van vrijen, 26 en 27 van slaven; 28—32 regelen de gevolgen van lichamelijk letsel, door dieren toegebracht, nl. 28—31 aan vrijen, 32 aan slaven; eindelijk behandelen vs. 33—36 de gevolgen van het dooden van iemands

5(gt;

8

ocr page 119

to D^stro 13

n30 D : tlD3 TK D3n HNX^I H1? Ti^ K1? n^N'^^^'DNI ^

jquot; - • I v it I jquot; vt * jt at vv ••quot; j '•' quot; T : * '• Squot;1

it1? n3n D^n^Nni niv n1? -i^ki : m nia hdi

at: -quot;t ■ v v: it ; tt j v -ii- it v.quot; t •»*

•bv WH quot;1T*-^1 D ; najy D13'quot;ItyN Dlpo ♦nDïyi^

r j't r : .T ,T ^ t j'.' -; I t | : :

nsoi d : mo1? i3npn ^naro d^o noi^a umb in^n «

jquot; - it v.quot;iT • • : : * •L- •• AT X'T : -• : T : ^....

dieren, indirect door de daad of het bezit van een ander. V. s. blijkt uit Lev. 24,22, dat met betrekking tot moord, zoowel als mishandeling enz., Israëlieten en niet-Israëlieten op volkomen gelijken voet worden behandeld, m,f mtso quot;03 oa1? nw tin dbbb. (Vgl. overigens t. a. p.)

12. Algemeene wet: wie een mensch slaat en (= zoodat) hij sterft, zal gedood worden. Bij een Israëliet is het onverschillig, of hij onmiddellijk door, of eerst ten gevolge van den slag sterft, üit Lev. 24,17 blijkt, dat de dader b\s, meertterjang, een toerekenbaar persoon moet zijn; en tevens dat het slachtoffer niet juist, gelijk hier gezegd wordt: ow, een mannelijk persoon, maar ook dik ps:, een menschelijk wezen, ook vrouw of kind, kan zijn. De slag zelve moet, om de doodstraf te kunnen toepassen, bepaald een doodelijke slag zijn geweest, terwijl uit de tegenstelling met het volgende vers blijkt, dat ook het opzet om te dooden bij den dader moet hebben bestaan. (Vgl. hiervoor Num. 35,16 vv. en Deut. 19,11). De hier toe te passen doodstraf is die door het zwaard, m. Op vele andere plaatsen is de in de woorden nni' pw uitgedrukte doodstraf die van worging, pan. (Vgl. Mechiltha en Mishna, Sanhedrien 766; Thalmoed Ibid. 526). Het vonnis kan, zooals alle lijfstraffelijke vonnissen, alleen worden uitgesproken en voltrokken door het gerecht, op grond van verklaringen van, en nadat aan de daad is voorafgegaan waarschuwing door ten minste twee vertrouwbare, mannelijke, meerderjarige Joodsche getuigen.

13. Algemeen voorschrift omtrent manslag, dat Num. 35 en Deut. 19 nauwkeuriger wordt uitgewerkt. Wie niet opzettelijk heeft viillen dooden, ja zelfs niet eens eraan dacht zijn naaste te slaan of hem uit haat of vijandschap kwaad te doen, maar door een door God beschikt toeval ertoe gekomen is zijnen medemensch te dooden, voor dien zal God ons eene plaats bepalen, waarheen hij vluchten kan. — Y7, quot;oor u, volk Israël. In de woestijn was die wijkplaats het verblijf der Levieten; na de verovering van liet H. Land de zes toevluchtsteden: Bétser, Ramoth en Golan aan de Oostzijde, (Deut. 4,43) Kédesh, Shechem en Chebron aan de Westzijde van den Jórdaan (Jos. 20.7).

14. Hier wordt een nader voorschrift aangaande opzettelijken moord met voorbedachten rade gegeven, in welk geval vlucht naar de in het vorige vers bedoelde plaats den moordenaar niet helpt. Nadere bepalingen omtrent hetgeen ouder Tl» te verstaan is, worden Num. 35,16 vv. gegeven.— iroro dv», zelfs het altaar verleent den opzettelijken moordenaar geene bescherming. (Zoo liet Salomo Joab bij het altaar dooden. (I Kon. 2,31)). Van het altaar moet gij hem voor het gerecht voeren, dat hem bij gebleken schuld ter dood moet brengen. De traditie vindt in deze woorden nog het voorschrift, om zelfs den dienstdoenden priester, die een moord heeft begaan, niet te sparen.

15—17. De drie hier besproken misdaden, mishandeling van ouders, menschenroof en vervloeking van ouders worden met moord gelijk gesteld en eveneens met den dood gestraft. — toni vis nam, wie zijn vader nf zijne moeder slaat, dat is niet: dood slaat, daar er dan nm of iets dergelijks bij

ocr page 120

EXODUS XXI.

16 moeder slaat, zal gedood worden. — Wie een menscli steelt en hem verkoopt, doch hij heeft zich in zijne macht

17 bevonden, zal gedood worden. — Wie zijn vader of zijne 18moeder vloekt, zal gedood worden. — Wanneer personen

met elkander twisten, en de een den ander slaat met een steen of met de vuist, doch hij sterft niet, maar moet het bed 19 houden, — Indien hij opstaat, en op zijn steun op straat kan gaan, zal hij, die geslagen heeft, vrij zijn ; slechts zijn tijdver-20zuim zal hij betalen, en hem laten genezen. — Wanneer iemand zijn slaaf of zijne slavin met den stok slaat en hij sterft 21 onder zijne hand, dan zal hij gewroken worden. Doch

moest staan; volgens de halachische opvatting moet echter, om den dader met den dood te straffen, verwonding hebben plaats gehad, niet eenvoudige mishandeling. — Oudemoord is, als niet denkbaar, niet besproken.

16. aur Deut. 24,7 wordt door de uitdrukking übj mw, deze wet

uitgebreid tot diefstal van dk menschelijk wezen, ook vrouw of kind, doch anderzijds door de woorden Ssocn ija» ms» beperkt tot Israëlieten. — 1T2 Nïnil, doch hij heeft zich in zijne, des diefs, macht bevonden-, naar Deut. t. a. p. moet aan den verkoop zijn voorafgegaan « quot;mj-jvn, het geweld-plegen, zijne macht als eigenaar doen gevoelen tegenover den geroofde. Hier wordt geëischt: vra dat door getuigen zij geconstateerd, dat de

geroofde zich in het hezit, binnen de machtsfeer van den dief bevonden heeft. — Anderen: en hij verkoopt hem, of hij, de geroofde, wordt nog in zijne macht aangetroffen-, nog anderen: en hij verkoopt hem en hij, de geroofde, bevindt zich reeds in zijn, des koopers, hezit.

17- DOV DID- Naar aanleiding van Lev. 20,9, waar de uitdrukking 13 Tim bij deze misdaad voorkomt, in verband met Ibid. vs. 27, waar dezelfde term bij de straf van steeniging gebezigd wordt, verklaart de traditie, dat hier de straf van steeniging, nSpD, wordt toegepast.

18. oorspronkelijk: in woordenstrijd geraken. — D'ws. Evenals, gelijk wij vroeger zagen, bij moord nss niet juist man, maar persoon be-teekent, zoo zijn ook bij verwonding onder dtjn niet juist mannen, maar ook vrouwen begrepen. — rpjto w pxa. Bij moord blijkt uit Num. 35,17, dat de steen, waarmede de doodslag plaats heeft, zoo 'zwaar of zoo scherp moet zijn, dat de daarmede toegebrachte slag doodelijk kan zijn (pso na nw iws t). Is dit niet het geval, dan kan, zelfs indien de getroffene sterft, geen doodstraf worden toegepast. Daaruit wordt de conclusie getrokken, dat ook de hier genoemde steen en het daarmede op één lijn gestelde ejus van genoegzame grootte of kracht moeten zijn, om daarmede onder normale omstandigheden eene zoodanige verwonding toe te brengen.— tnjx, volgens Septuaginta, Thalmoed e. a.; de gesloten vuist-. Onkelos, Ibn G an ach en Rashbam; aardkluit, evenals Joël 1,7, orwmun nnri, v. s. vertaald moet. worden: onder hunne aardkluiten.

19, buiten, op straat; ook al is hij zoover hersteld, dat hij in huis kan loopén, dan is daardoor de schuldige, bij later overlijden van den geslagene, nog niet vrij. — 'iropoft quot;ïr, op zijn steun, d. w. z. volgens de opvatting der Rabbijnen: alleen steunende op zichzelve, op eigen kracht, zonder dat een ander hem behoeft te begeleiden (Rashie en Ibn 'Ezra). Anderen (o. a. nacbït.): leunende op zijn stok, Hirsch: met zijn gewoon steunsel, gelijk hij vroeger placht uit te gaan, zoodat hij alleen nog zwak is, maar geen stervensgevaar

57

ocr page 121

nd D^at^D n

110 vooi abi d ■: -nav niö.iöhi v2«.'d

VT : jt : • : •) T ; x- •• : it j •»* T

■♦di D- : nov niD laxi vdk bbpDi d : nov nioquot;

r ; it j ' 1 r r 1 jquot;'' : ,t ^ ^

tih) tjhjKn IK |3«3 in^rnK D^N fan;

ina^p-^ pna Tjbnnni oip^DN : dd^o1? ^aai. t^'K n3»-'3i d *: kst Nöquot;n in* inDir pi roan npji3

r ; iquot; -; 'A** * •) ; * I av - - I^t* :

-in : apv bpj it nnn mi 122^2 inoN-nx in nw-nx «

}j' Iiquot;T* Kt at - j- v.quot; ..•••- t -: v lt; :

meer aanwezig is en overigens geen blijvend lichamelijk letsel als liet gevolg van den toegebrachten slag te constateeren is. — ronn np:i, dan is hij. die den slag heeft toegebracht, vrij van de doodstraf; hieruit volgt dus, dat, indien de geslagene, na bedlegerig geworden te zijn, ten slotte toch tengevolge van den slag sterft, de schuldige alsnog met den dood wordt gestraft; sterft hij echter eerst, nadat hij weer heeft kunnen viitgaan, dan wordt geene doodstraf toegepast. Rashie en Ibn 'Ezra verklaren: hij wordt vrijgelaten uit de voorloopige hechtenis, waarin men hem hield, omdat men aannam, dat de getroffene wel aan de gevolgen zou sterven. — sbt san jn1 iron pi. Alleen zijn tijdverzuim, zijn ledig zitten tengevolge der ziekte, zal hij geven, vergoeden, en de kosten zijner genezing betalen; hier worden alleen die vergoedingen besproken, die direct uit het bedlegerig-zijn voortvloeien. Vs. 24 en vooral Lev. 24,19 en 20 worden de directe, uit de verwonding volgende schadevergoedingen besproken. Dezen zijn: pt:, de schade, d. i. de waardevermindering van den persoon tengevolge van het toegebrachte blijvend letsel; ipx, de vergoeding van de geleden pijnen, daar hetzelfde letsel hem met minder of zelfs geheel zonder pijn had kunnen toegebracht worden; en nes, de schande, de beleediging en aantasting zijner eer, in de mishandeling gelegen. (Vgl. overigens onze aanteekeningen op de aangehaalde plaatsen). — irar, een zelfst. nw. van rcr, zijn nietrcerken, ledig zitten; of een onbepaalde wijs (np^) van 2tquot;gt;, zijn werkeloos in huis zitten, in tegenstelling met pro -jSnnm (Ibn 'Ezea).

20. nSJf, een heidensche slaaf of slavin. De als slaaf verkochte Israëliet staat in alle opzichten met een vrije gelijk, behalve dat hem door zijn heer eene niet-Joodsche slavin ter samenleving kan toegevoegd worden. (Vgi. vs. 4). - uara. met den stok, met het gewone tuchtmiddel; tuchtigt

hij hem echter bijv. met een zwaard, dan zou de heer v. s. in ieder geval den dood schuldig zijn, ook al sterft de slaaf eerst na eenige dagen. Den heer wordt dus het gewone tuchtigingsrecht, dat ook de vader over zijne kinderen heeft, tegenover den slaaf toegestaan. Slaat hij hem echter dood, rp nnn ral, hij sterft onder zijne hand, onmiddellijk door zijn mishandeling — Dpy Dp:, dan zal het, de daad, of: dan zal hij, de gedoode slaaf, gewroken worden. In verband met de woorden; rep: nn, het wrekende zwaard (Lev. 26,25; vgl. ook Num. 31,2) verklaart de Halacha, dat hier doodstraf door het zwaard, jin, wordt toegepast, evenals bij iederen moordenaar. (Zie onze aant. op vs. 12). (Volgens Ibn 'Ezra wordt van opzette-lijken moord op zijn eigen slaaf daarom niet gesproken, omdat hij immers zijn eigen vermogensobject niet opzettelijk vernielen zal). Natuurlijk zal, om doodstraf toe te passen, waarschuwing door getuigen moeten zijn voorafgegaan aan het misbruik van het tuchtigingsrecht.

ocr page 122

EXODUS XXI.

zoo hij na één of twee dagen weer opstaat, zal hij niet ge-

22wroken worden, omdat het zijn geld is. — Wanneer mannen in strijd geraken en eene zwangere vrouw stooten, zoodat hare kinderen te voorschijn komen, doch er ontstaat geen onheil, dan zal [de dader met eene geldboete] gestraft worden, wanneer hem de echtgenoot der vrouw die oplegt; doch hij moet betalen

23 naar [de uitspraak van] scheidsrechters. Doch is een onheil ont-

24 staan, zoo moet gij persoon voor persoon geven: Oog voor oog,

25 tand voor tand, hand voor hand, voet voor voet; Brandwond voor

26 brandwond, wond voor wond, buil voor buil. — Indien iemand het

21. Terwijl hij, die eeu Israëliet (of een vrije) doodelijk treft, met den dood wordt gestraft, ook al treedt de dood van den verslagene eerst na eenigen tijd in, — is de heer, wiens slaaf niet door, maar eerst ten gevolge van de mishandeling sterft, vrij van straf; het verlies van zijne bezitting, de geldschade, die hij lijdt, straft hem reeds; dit is de zin van: son ibds o, het is immers zijn geld, dat hij verloren heeft. Voor ieder ander persoon bestaat in dit opzicht geen verschil tusschen slaaf en vrije. Juist uit deze woorden blijkt, dat hier alleen van niet-Joodsche slaven gesproken wordt, die blijvend, verervend eigendom van den heer zijn. Het bezit van een Israëlietischen slaaf is eigenlijk geen hezit, maar heeft slechts een tijdelijk karakter. — nar' B'dt* in otgt; os i». Nachm. : indien hij na één of twee dagen staan kan; anderen; indien hij een of twee dagen blijft bestaan, in leven blijft; dan rijst echter de moeilijkheid, dat de straffeloosheid bij twee dagen leven na de tuchtiging reeds noodzakelijk uit die bij één dag volgt en dus dwi is hier overbodig zou zijn. De Halacha ziet in de omschrijving o^isti is gt» een periode van vierentimntig uur, een tijdperk, dat zien over één of twee weekdagen kan verdeelen. Dan wordt nop ook vertaald: leven blijven.

22. isr 131. ™ beteekent eigenlijk; handgemeen worden, zooals Ex. 2,13 blijkt, waar, nadat gezegd is, dat de mannen o^j waren, de vraag volgt: „waarom slaat gij uwen naastequot;-, 2iiis: in woordenstrijd geraken. Evenwel wordt dil verschil niet altijd streng in het oog gehouden. — ibjji, stooten, stompen. Zij stooten, meervoud, wil niet zeggen, dat beiden het gezamenlijk doen, maar moet vertaald worden: zij stooten een van beiden-, vgl. Lev 20,14: duur vuur zal men verbranden, ]nnNi ims, hem en eene v a n haar heiden, die nl. schuldig is (Ibn 'Ezra). — .ti1?» de lijfsvrucht treedt dood te voorschijn. Het meervoud als onbepaald geval; natuurlijk geldt dezelfde wet, indien er slechts één kind is. — (idn rpm sh). En er (/eschiedt overigens niets noodlottigs met de vrouw, d. w. z. zij blijft ongedeerd. Keil e. a. meenen, dat deze woorden ook op de kinderen slaan; en de zin dus is: de kinderen komen ontijdig, doch levend ter wereld en ook de vrouw krijgt geen letsel. Dan zou de geldstraf worden toegepast, omdat er gevaar voor het leven van vrouw of kind had kunnen ontstaan. Wij vinden echter nergens in het Joodsche recht eene analogie voor het opleggen van straf wegens niet feitelijk, maar slechts mogelijk nadeel. —

cur. Hi), de dader, wordt gestraft met geldboete; volgens Rashie en Mechiltha: de waardevermindering der vrouw, die eerst, als zwangere vrouw, kans gaf op een kind, welk voordeel haar thans is ontnomen; naar Nachm. is hier van geld^ra/ sprake, daar de waarde eener ongeboren vrucht niet te bepalen is. — niran Sn vhv mo iiwo, volgens Rashie en Nachm.: wanneer de man hem betaling oplegt; de man moet een eisch tegen den

58

ocr page 123

io n2

d : «in 1£3dd '3 jó id^' d'dv in dvdx quot;

■* t * •* : i v s quot; . iquot;*. a«v.- ^ ^ •gt; •

tyiay ridn n^n» k1?! mv ins'i nm nm 103:1

•• t i a t vv: •' gt; ï t .vt : - :it; tt lt;t • :t: • t-:

-dki : D^vaa rn:i nib«n bya vbv nw quot;iè'ns my33

• ; r • : • i ^-t: t * it t't lt;• t v -: i- ••#tiquot;

nnn rtr r»y nnn rv : b'fiJ nnn #33 nnn:i nw tidn ^

--•- ivquot; ~ i •quot;lt; vit quot; J- v^v jt -it: av ; r i ^ t

VVS n'13 nnn ma : nnn br\ y nnn is \v ™

^ quot;v.quot; rT * : gt; quot;'J~ T* : V,T * r^vl- T quot; Tlt;

-n» wx ns'-'di d : nman nnn nnian nnn13

r ; it - - v.- t ~ at - j-

dader instellen, waartoe de vrouw het recht mist; evenwel behoeft de dader niet te betalen, wat de man eischt, maar D'SSsa jroi, hij betaalt naar uitspraak van scheidsrechters. Ibn 'Ezra e. a. vatten op: hij wordt gestraft met zoo danige som als de echtgenoot hem oplegt, o ƒ, zoo hij die te hoog vindt, moet hij betalen naar scheidsrechterlijke uitspraak.

23. rsj nnn rw nnruv Daar pos hier algemeen voor: letsel gebruikt is, wordt ook het geval besproken, dat de vrouw sterft. Dan zult gij geven persoon voor persoon-, daar hier in elk geval geen opzet heeft bestaan 'om die vrouw te dooden, rijst de vraag, of hier aan doodstraf, of ook slechts aan schadevergoeding moet gedacht worden (zie Sanhedrien 79a, Mechiltha). Uit de woorden: en wie een stuk vee doodslaat, zal het betalen, persoon voor persoon (Lev. 24,18) blijkt, dat de uitdrukking nnn cej pbj ook voor vergoeding in geld wordt gebezigd.

24. pj? nnn pj? enz- Num. 35,31 is slechts verboden den moordenaar,

die den dood schuldig is, met losgeld vrij te laten. Ware ook bij verwonding werkelijk aan vergelding gedacht, en schadevergoeding als straf uitgesloten, dan moest het d. t. p. gegeven verbod juist in geval van verwonding zijn voorgeschreven, waaruit dan van zelve de wet bij moord

zou volgen, üit de woorden HSIT IBS mpn nVi, t. a. p. wordt dus

afgeleid, dat hier en Lev. 24,19 en 20 slechts van schadevergoeding sprake is; te meer daar volkomen gelijke en in de gevolgen gelijkelijk werkende verwonding bijna niet toe te brengen zal zijn. (Men denke bijv. aan een één-oogige, wien men, als hij een ander één oog heeft uitgeslagen, zijn eenig oog zou ontnemen). Bovendien zou bij vergelding het voorschrift van vs. 19 betreffende vergoeding van tijdverzuim en van kosten van genezing geen zin hebben, daar immers beide partijen dan voor die bezwaren zouden staan. — Hier wordt dus de vergoeding der toegebrachte schade, pt:, de waardevermindering door de verwonding (vgl. vs. 19) behandeld. De gegeven voorbeelden betreffen die lichaamsaeelen, waaraan verwonding het meest zal voorkomen. — De arme, en tot betaling onvermogende, blijft den mishandelde het bedrag schuldig, totdat hij in staat zal zijn te betalen.

25. TSfl is volgens Rashie eene open, bloedende wond, nnan een gesloten, niet bfoeüende buil; volgens Sa'adja is ïïb een breuk van een der beenderen, mian eene bloedende wonde. Rashbam : rss een wond door het zwaard, mian met de nagels. Hiksch, op grond van Spr. 20,30, waar beide woorden met elkander verbonden staan; vïb de open wond, mian een ontstekingsgezwel als gevolg der verwonding. Dan zijn hier de drie gevallen : pijn, open wond en ontsteking genoemd. De Thalmoed vindt in ons vers de aanwijzing voor de vergoeding der geleden pijn, iïï; zie vs. 19.

ocr page 124

EXODUS XXI.

oog van zijn slaaf of het oog zijner slavin slaat, zoodat hij het bederft, moet hij hem in vrijheid wegzenden als vergoeding

27 voor zijn oog. Doet hij een tand van zijn slaaf of een tand van zijne slavin uitvallen, dan moet hij hem in vrijheid wegzenden, als vergoeding voor zijn tand. —

28 Wanneer een os een man of eene vrouw stoot, zoodat deze sterft, zal de os gesteenigd en zijn vleesch niet gegeten worden ;

29 doch de eigenaar van den os is vrij. Maar wanneer de os van gisteren en eergisteren stootig, en zijn eigenaar gewaarschuwd was, en hij hem niet bewaakt heeft, en nu doodt hij een man of eene vrouw, — dan zal de os gesteenigd worden en ook

30 zijn eigenaar zal gedood worden. Wordt hem echter een losgeld opgelegd, dan zal hij geven den losprijs voor zijn persoon,

31 gelijk al wat hem opgelegd wordt. Of als hij een zoon stoot of eene dochter stoot, — naar dit recht zal met hem gehandeld

32 worden. Stoot de os echter een slaaf of eene slavin, dan zal hij aan zijn heer dertig Shekel zilver geven, en de os zal

33 gesteenigd worden. — Indien iemand een kuil opent, of indien iemand een kuil graaft en hem niet dekt, en er valt nu een

26. Hier is uitsluitend van een niet-Israëlietischen slaaf sprake. Voor den Hebreeuwschen slaaf of slavin gelden dezelfde wetten als voor vrijen. Hun moet de in de vorige verzen genoemde schadevergoeding worden uitbetaald, terwijl zij door verwonding niet vrij worden. — Oog en tand worden genoemd als voorbeelden van meest voorkomende en van ernstige en minder ernstige beschadiging. Dezelfde wet geldt bij onherstelbaar en zichtbaar letsel van een van alle ledematen, nl. vingertoppen, teenen, ooren, neus, mannelijk lid, resp. borsttepels der slavin.

28. is algemeen voorbeeld voor alle dieren. — nca ns Sski nSi, het vleesch mag in het geheel niet gegeten worden, ook niet, gelijk andere gestorven dieren, door niet-Israëlieten. Alle voordeel of genot ervan is verboden, nsra tidn. — Zooals dikwijls, wordt hier in den lijdenden zin het onderwerp met nu gebruikt, vgl. Gen. 4,18, w -pn1? nVi'l; Ibid. 17,5; 27,42 e. a. p. — 'pj, is vrij van verdere straf.

29. quot;Ijnm. letterlijk: en tegen zijn heer is getuigenis afgelegd, üit de woorden avha Snn» leidt de traditie af, dat de os zijn karakter als stootige os eerst verkrijgt, nadat driemaal wegens stooten tegen hem getuigenis is afgelegd. Hij heeft nl. neden, gisteren en eergisteren reeds gestooten. — ri»ïgt; vSr: dji, Nachm. en Rasiiie; en ook zijn heer zal door den Wereldbestuurder gedood worden, cnc '■pa nn'tt, een ontijdigen of abnormalen dood sterven, daar hij immers door nalatigheid den dood van een mensch veroorzaakt heeft; dan zegt het volgende vers. dat hij een losgeld voor zijn leven kan betalen. —- nnv, niet nw ni», de gewone uitdrukking voor

erechtelijke doodstraf. Ibn 'Ezra; ook de heer moest gedood worden, och indien enz, In vs. 23 vat hij üb: nnri vb) nnrm evenzoo op..

30. Qff, Kan hein, daar getuigen de feiten bewijzen, rfoór de rechtbank een losgeld worden opgelegd, enz. Kan dit niet, dan blijft de zedelijke schuld, en het gevaar voai- bestraffing, op hem rusten. (Siporno). —' dan zal hij

59

ocr page 125

XD 123

nnn *amp;srh nnn^i inö« nav VV

j j~ v.*.**: - ; ,»• : t i- AT-fi* : . v. t -: i quot;jquot; v i * z-^- • jquot;

wn-JtJ'» ^anV mos4 rtrix nay ïirDKi : IrVquot;

; - : r ; t i- a* - v. t n ijquot; •) : ^ ij,• * ; i quot;

s : lair nnn

1 ' ^ quot; j'

nÊ'n bpD» bipD noi ni^K-nN ik i^^-nN quot;iitf nr^in

^ ^ 'quot;Tq' i Aquot; T ^.T • v J gt; ^• v ^ ^ ^ v

Kin na: dni : 'p: ni^n intrrnK Vdn» kSi

T- • • |rT ^ t : v •• tiquot; lt; :

IN n^ani 13'IOK'* VVJDS nyini ^ono

-j r •• ; •••::• - : t*T ; • ^lt;- : ^ ; • •» : •

v^v ntfv quot;iö3-DN : nav v^rDJi to iiirn ni^N^

at't •»- V v, «T vt't: -: •••t * - gt; *T *

nriK na» p-iN : vby myvit^N bba itbs: pa rnai ^

j- v.Tquot; Ijquot; it •gt; v~ v -j j : : - I-» ; • I - t:

nox in quot;iiari quot;DjrDN : ib nquot;^' nrn üaipaa na» ^

at t -• u * * v * i ^ v quot;jtquot; quot; jt i ' ' at '

■♦Dl d : SpD* nits^ni vanxS ?n» D^ptr i nD2 ^

r ; Iiquot;t • k ' ' t i- I •• • p' 'T : quot;** r: \*'iV

nat^-Vaai i3SD» Nbi ia e^n niD^'a in na b»n nns'

t^t -it ; av - : j ; ^ .)• -»•••; * i* • - : •

geven aan de nagelaten betrekkingen, — Hier wordt losgeld toegestaan, daar slechts nalatigheid den schuldige kan verweten worden. — ibbj ps, lossing voor zijn eigen leven, of v. a. lossing voor het leven van het slachtoffer. — vSr itovi ipn door den rechter.

31. na Mi p. een minderjarigen zoon of dochter, tegenstelling van is es nes (vs. 28 en 29). — ja is, sluit v. s. aan new is ïquot;K van vers 28 en 29 aan; anderen: ook als hij.

32. Terwijl bij vrijen de waarde des eigenaars of des slachtoffers betaald inoet worden, is bij slaven een vaste som van 30 Shékel bepaald, onafhankelijk van hunne meerdere of mindere waarde. Dit was vermoedelijk de gemiddelde prijs van een slaaf. — wis1? jnv zal hij, de eigenaar van dén os, zijnen, des slachtoffers, heer geven.

33. na, is eig. een gegraven kuil, in den regel om als reservoir voor regenwater te dienen; in tegenstelling met isa. dat 6ron, eene verzamelplaats voor wehvater beteekent. Hier staat het algemeen, voor elke door men-schenhand veroorzaakte verdieping in den beganen bodem; volgens den Thalmoed (Baba Kamma 506) moet zij ten minste tien handbreedten diep zijn, van welke hoogte eerst de val voor een dier geacht kan worden doodelijk te zijn. — rnisi 'S, als iemand opent een door een ander gegraven kuil, m3i •«s is, of zoo hij zelve eerst den kuil graaft, doch verzuimt hem te dekken. Het ligt in den aard der zaak, dat hier sprake moet zijn van een kuil, buiten zijn eigen bezit gelegen, die dus ook voor het vee van anderen gevaar oplevert, waarvoor hij aansprakelijk is. Vooral wordt aan den openbaren weg gedacht. — nnn is nr, als de gewichtigste bestanddeelen van den veestapel, worden hier als voorbeeld voor alle diersoorten genomen. Een mensch kan en moet zich in acht nemen; voor door dezen be-loopen schade behoeft hij, die den kuil heeft gegraven, dus niet op te komen. Ook voor den beschadigden last behoeft geene vergoeding te worden gegeven......

ocr page 126

EXODUS XXI, XXII.

34 os of ezel daarin; Dan moet hij, die heer van den kuil is, [de schade] betalen : geld moet hij zijnen eigenaar vergoeden; en

35 het gestorvene zal aan hem blijven. — Wanneer iemands os den os zijns naasten stoot, zoodat hij sterft, dan zal men den levenden os verkoopen en het geld deelen, en ook het eedoode

36 zullen zij deelen. Is het echter bekend geweest, dat net een stootige os sedert gisteren en eergisteren was, en de eigenaar heeft hem niet bewaakt, dan zal hij betalen os voor os en het

37 doode zal voor hem zijn. — Indien iemand een os of een lam steelt, en het slacht of verkoopt; zal hij vijf stuks rundvee betalen voor den os, en vier stuks kleinvee voor het lam.

22 1 Indien bij het inbreken de dief betrapt, en zoodanig geslagen wordt, dat hij sterft, dan is wegens hem geene bloedschuld.

2 Heeft de zon echter op hem geschenen, dan is er bloedschuld

34- nsn SjDgt; hij, die als heer van den kuil te beschouwen is, niet juist: de eigenaar, maar hij, die de laatste handeling heeft verricht, waardoor de kuil gevaar oplevert; d. i. dus wie hem geopend, of op de ver-eischte diepte gebracht en niet gedekt heeft. Vgl. Spr. 18,6: nirroa Srab, van wie verderf veroorzaakt. — cpa geeft, naar de traditie, daar het hier na het betalingsvoorschrift staat (oSo), de bepaliug, dat niet juist in geld, maar in alle roerende, geldswaarde hebbende zaken betaald kan worden. — vSraS. aan den eigenaar van het gedoode dier. — h mrn nam, en het gestorven dier zal van hem zijn; daar de geleden schade door den ander volkomen wordt vergoed, ware het onnoodig uitdrukkelijk te bepalen, dat deze dus eigenaar van het aas wordt en alle daaruit ontstaande voor- en nadeelen, door waardevermeerdering of vermindering, (raw of rhn nnB) hem toekomen. Vandaar dat de Thalmoed en Mechiltha aannemen, dat de benadeelde het aas behoudt als een deel der schadevergoeding; doordat de oogenblikkelijke waarde ervan in mindering wordt gebracht van de door den ander te betalen som.

35. S|p 131. Terwijl nu meer in het bijzonder stooten met de horens

beteekent, ligt in epj in het algemeen elke stoot of andere mishandeling, die niet als uit den natuurlijken aanleg van het beest voortspruitende, maar als abnormaal te beschouwen is, door welk lichaamsdeel ook. Dus zoowel stooten, als duwen of bijten (pp). — De waarde van het doode en het levende dier worden gelijkelijk onder partijen verdeeld. Daar nu, — bij belangrijk waardeverschil tusschen de beide dieren, zoolang beiden leefden, — daaruit een onrechtmatig voordeel voor een der partijen zou voortvloeien, moet hier van oorspronkelijk gelijkwaardige dieren sprake ziju en is dus het resultaat, dat den benadeelde de helft der door hem geleden schade wordt vergoed. — In geen geval behoeft de eigenaar van den stootenden os hier in contanten bij te passen (isw xSs oScn wx).

36. jnu TX = nu dn, doch met meer tegenstellende beteekenis, indien echter. — doSd Win sin nu, zie vs. 29. — inrw en, niettegen staande hem dit bekend is, bewaakt de eigenaar hem niet behoorlijk, d. i. naareene opvatting; zooals iedere os bewaakt moet worden, of volgens anderen : zooals een stootige os moet worden bewaakt. — wn .inn w, een os voor een os, in ieder geval moet de schade ten volle worden vergoed, ook al zou in contanten moeten bijgepast worden (rrnSi'n ?» dSciü). — h rw nam, evenals in vs. 34 beteekenen deze woorden ook hier, dat de waarde van

60

ocr page 127

33 K3 D

nsnvv^1? 3^ «103 dbw Hisn : Tton IK

Vquot; *. at't : * quot;** t |vv.v •• - ; - ^ i -: ^ v.

i^omoi my-i -iiir-nN w'W D ;

; t ftquot; t V*quot; j v •)• i Is * ^ i -•: i*

ik : tivn» nsn-DK dji isdstin ixni ♦nn n^n-nx ^

-» i i v;iv v.quot; quot; v jm: ; - 'Ti — lt;p *

r^3 isiDiy' k^i D'^tr biana N^n na: niEgt; »3 ]hii

AT^T : vquot; : : * J : . -'Tquot;^ quot;* * .\'

-33a» '3 d : ib_n'n» nam ni^n nnn nitr Db^y, obtr ^

, : i v: r v.quot; quot; : quot; quot; . r. - . ^ -

nnn Dv»^ ip3 n^on 1quot;)3D in in3L2,i ni^lx wn

- j- •• - : Itt -»t ' s at ; •gt; v, t : v •» * —

33an kïs» mnnaros4 : nt^n nnn ?Krv3nxi quot;iiibn« 33

V.T- - T • v.)v : — • IV - - j- » i. : - :

D^on E'o^n nnnroN : D^on iS noi n3n^ =

•*' T \,T^T v •)•-■ - JT ;it • r T ^ 1 Jquot; Aquot; T jt •-. :

f

het aas in mindering wordt gebracht van de te vergoeden volle schade. Men kan met Rashie vertalen; en hel doode dier zal hem, den benadeelde, blijven, waarbij dan natuurlijk de waarde ervan in mindering komt, — of met Naciiji. : en het doode komt hem, die het nadeel heeft toegebracht, ten goede, wat volkomen hetzelfde beteekent. In de laatste opvatting behoeft men geene wisseling van onderwerp aan te nemen; zij verdient daarom mijns inziens de voorkeur.

37. Met dit vers, dat in Septuaginta het eerste vers van Hoofdst. 22 vormt, begint eene groep van vergrijpen tegen den eigendom, waarbij eerst veediefstal (vs. 37—22,3), vervolgens opzettelijke benadeeling door afweiden of indirecte brandstichting, die echter te voorzien was (22,4 en 5) en eindelijk verduistering of misbruik van toeoertruuwd goed (6—14) wordt besproken. — Veediefstal, gevolgd door verkoop of slachten, dus geheel als eigendom behandelen van het gestolene, wordt met vier- of vijfvoudige vergoeding van het gestolene gestraft. Diefstal van een os wordt zwaarder gestraft, dan die van kleinvee, omdat den eigenaar ook de werkkracht van den os wordt ontnomen. Dat veediefstal zwaarder wordt gestraft, dan diefstal met inbraak, vindt zijn oorzaak in de omstandigheid, dat vee zich in den regel in de open lucht, in de weide, bevindt, aan de openbare zorg voor het recht toevertrouwd; de diefstal is dus veel gemakkelijker, maar daarom des te ernstiger. De Thalmoed beperkt de vier- en vijfvoudige betaling tot de hier genoemde diersoorten: nc is iw.

Hoofdstuk XXII. 1. mrinOSi van inn, dat naar Job 21,16: -[tn: im DTO, hij breekt in het duister in huizen in, speciaal gebruikt wordt voor het door inbraak binnendringen in afgesloten ruimten. Er is hier dus niet meer sprake van diefstal van vee uit de weide, maar óf volgens de bewoordingen van vs. 3, van vee uit den stal. óf met uitbreiding der daar genoemde voorbeelden op grond van vs. 8, waar ook kleederen en andere verloren voorwerpen genoemd worden, van diefstal van roerende zaken. Uit vs. 2 blijkt volgens Rashbam en Ibn 'Ezea, dat hier uitsluitend van nachtelijken inbraak sprake is. (Vgl. onze aaut. vs. 2). Blijkt uit de omstandigheden, dat de inbreker ook tegen moord niet zou opzien, dan iSjv dw, is er rvegen she m, den inbreker, geen bloedschuld op den eigenaar, die hem doodt, daar hij in geoorloofden noodweer handelt. Anderen; dan is op hem, die hem gedood heeft, geene bloedschuld, met wisseling van onderwerp.

2. V?,? K'OB'n nn-lT DXgt; heeft hem echter tijdens de daad de zon beschenen,

ocr page 128

EXODUS XXII.

wegens hem. Hij moet betalen ; als hij niets bezit, wordt hij

3 voor zijn diefstal verkocht. Wordt het gestolene, hetzij os, ezel. of lam, nog levend in zijn macht aangetroffen, dan moet

4 hij het dubbel betalen. — Wanneer iemand een veld of een wijngaard door zijn vee laat bederven, — hij drijft namelijk zijn vee of laat het weiden op eens anders veld; — dan moet hij met het beste van zijn veld of het beste van zijn wijngaard

5 betalen. — Wanneer vuur uitbreekt, en doornen treft en er wordt een hoop gemaaid koren of te veld staand graan verteerd, of het veld [bedorven]; dan moet hij, die den

6 brand aangestoken heeft, betalen. — Wanneer iemand zijn naaste geld of voorwerpen te bewaren geeft, en het wordt uit 's mans huis gestolen; indien dan de dief gevonden

d. i. heeft de inbraak bij dag plaats en de eigenaar doodt den dief, dan is hij den dood schuldig (Raskbam en Ibn 'Ezra). Nachm. ; indien de zon hem beschijnt, d. w. z. indien aan het licht komt en bekend is, wie de inbreker is, en deze weet zich ontdekt, — dan zal hij zeker niet licht een moord begaan en daarom is op hem gepleegde doodslag niet als in noodweer geschied te beschouwen. Onkelos; indien het oog van getuigen hem heeft getroffen, in ongeveer gelijken zin als Nachm. ; Thalmoed en Rashie : als helder als de zon aan den dag treedt, wat zijn doel geweest is. nl. alleen te stelen, niet te moorden. Dan is het schijnen van de zon eveneens als

beeld opgevat. - uhv oStr. hij, de inbreker, mag niet gedood worden, maar moet betalen, vergoeden het toegebrachte nadeel; hoeveel hij als boete te betalen heeft, wordt eerst in vs. 3 behandeld. Is hij niet in staat de enkelvoudige schadevergoeding te betalen, (W2:J3, voor het bedrag van het door hem gestolene, niet ook voor de hem opgelegde boete) dan wordt hij als slaaf, voor ten hoogste zes jaren (zie vs. 2) verkocht, en van de opbrengst de benadeelde betaald. Het resteerende blijft natuurlijk eigendom van den slaaf, die daarmede misschien zijne vroegere vrijlating voor den afloop der zes jaren, kan bewerken.

3- KSDfl XSDil; het wordt door anderen gevonden, hij meldt zich dus niet zelve als dief aan. — vr;, in zijn hezit, hij heeft het dus niet verkocht; 0quot;n, levend, hij heeft het dus niet geslacht. Hij betaalt dan tweemaal de waarde van het gestolene, nl. eenmaal als schadevergoeding en éénmaal als boete. Uit vs. 8 zal ons blijken, dat boete alleen op rechterlijke uitspraak, niet na eigen bekentenis kan worden opgelegd. Met het oog op de 21,37 behandelde beperking van vier- en vijivoudige betaling tot diefstal op os en lam, neemt de Thalmoed en ook Rasuie aan, dat hier, waar o. a. ook ezels genoemd worden, □quot;n niet staat in tegenstelling met het slachten van het gestolene door den dief, maar als nadere bepaling van het volgende obfi ow, hij moet de waarde van het levende dier dubbel betalen.

beide werkwoordvormen van het zelfst. nw. lu';, vee, het eerste een 7gt;rEn, het tweede een Sys-vorm. De grondbeteekenis van beiden is; door vee laten bederven. Het hier besproken vergrijp tegen den eigendom, wordt,in den Thalmoed: nj?3D genoemd, en omvat elke door

een levend dier in vreemd particulier gebied toegebrachte schade, waarbij het dier zelve in- of uitwendig genoten heeft, (p) Dit is uitgedrukt in : ijai inx meo, hij laat het weiden; terwijl rrvra pn rfttn, hem verantwoordelijk

61

ocr page 129

3D D^fitrO ND

WarrDK iroiJD quot;IDO:I I^ TN'DK Dv»^ obtr

quot; t. * . * i tlquot;: * v,- : • : ^ . a

D«n ntr^v quot;iiömy TI^D niaan: inn «san

# a- v.*-* •) ^ s tquot;:- t; .. t • g-

nn^D-nx nbah DID'IN mBgt; vwiyy ♦D D *: Dv»^' ^ | Fquot;

: .. - • : vv jvt v : - v : ö

-♦D D : 0^' 10quot;)D DtD^I Dt3»Q quot;IHK mtTD quot;l^DIquot; ' -^

: ^ ! quot;gt; ■,quot;T ^ Jquot;....... Jquot;: rquot;

nn^n IN nöfn 1« t^na 7DK:I D»ÏP rmm CN wn

avt - vtit- j quot;t j-v:iv ; • i lt;t : it •• •• •• ,

■^K fn^D D : nn^arrnN i^Dsn Dv»^ D^1 jsjïö^DN n»30 Dsai quot;iaiy1? D^D-IN ^DD invi

jquot; t • is* t •»quot; * : : * * quot; i )vlt;v *ï. ..

maakt voor schade, tengevolge van het zenden, laten loepen op vreemd gebied. (Sji.) Anderen meenen in de woorden -inx moa irai m'ra ns nSci eene nadere verklaring van cw nry '3 te moeten zien en het als één daad te moeten opvatten: hij drijft zijn vee en laat het weiden. Siporno vat het op : indien iemand een hemzelve toebehoorend veld door zijn vee laat afweiden en laat zijn vee vrij rondloopen en het weidt nu in het veld van een ander, zonder voorkennis of opzet van den vee-eigenaar. De Hiph'iel en Pi'el-vormen wijzen evenwel op eene opzettelijke handeling van den eigenaar der dieren, —r vrro aai», van het beste van zijn, des vee-eigenaars, land-, hij moet de voilé schade vergoeden en wel in grond van de beste in zijn bezit zijnde quali-teit. Hij kan echter ook in geld betalen. Volgens R. Jishma'el beteekenen de woorden: hij moet van het beste van des landeigenaars goed betalen; indien nl. niet na te gaan is, van welke qualiteit het verteerde was, moet hij, naar den maatstaf van het beste, dat de benadeelde nog bezit, betalen. (Vgl. Rashbam; Baba Kamma 6b). De bijvoeging in Septuaginta en den Samaritaanschen Bijbel: moet hij van zijn eigen veld betalen naar het product daarvan; doet hij echter zijn geheel veld afweiden, dan moet hij betalen het beste van zijn eigen veld schijnt eene, met Rashbam tamelijk wel overeenstemmende verklaring te zijn, die aan den tekst is toegevoegd.

5. asn 'S. als vuur uitbreekt, vanzelve buiten het gebied van den eigenaar treedt; daaronder valt alle schade, toegebracht door de beweging van levenloos eigendom, welke beweging door normale, en dus als aanwezig te onderstellen natuurkracht is ontstaan; bijv. op het dak gelegde voorwerpen, die bij normalen wind wegwaaien en in hun val nadeel toebrengen. — ovtp nxsw, en treft doornen, die direct in brand vliegen, of tnj 738W, verteerd wordt gemaaid koren, dat opgestapeld ligt, of n»pn, in den halm te veld staand graan, men ix, of een reeds bewerkt veld, dal nu opnieuw bearbeid moet worden. Volgens eene in Meehiltha voorkomende opvatting behoort esp nxïm niet tot de voorbeelden van beschadigde zaken, maar wordt daarmede bedoeld: de doornenhaag, die het gebied, waar het vuur is aangestoken, van het aangrenzende vreemde eigendom, waar de schade wordt toegebracht, scheidt. Dan moet vertaald worden: en het treft als scheiding slechts doornen, die geen weerstand bieden aan het vuur. Het is dus normaal, dat het vuur, verder om zich grijpt ; ware er een steenen muur of een.greppel, geweest, dan zou het voortwoekeren van den brand abnormaal wezen. — (Vgl.. échter Baba Kamma 60a).

6—8. Hier is volgens de1 traditie sprake quot;van.iemand,.die zonder ver-goeding de bewaking op zich neemt; me: dus bij. diefstal niet tot betaling.

ocr page 130

EXODUS XXII.

7 wordt, betaalt deze het dubbel. Wordt de dief echter niet gevonden, dan zal de eigenaar des huizes voor de rechters verschijnen, [om te zweren]; indien hij althans zijne hand niet Snaar zijns naasten goed heeft uitgestrekt. Over iedere zaak, waaraan men zich Vergrijpt, over een os, een ezel, een lam, een kleed, over elke verlorene zaak, waarvan hij zegt, dat dit het is, moet beider zaak voor den rechter komen; indien de rechters hem schuldig verklaren, moet hij zijn naaste 9 dubbel betalen. — Wanneer iemand zijn naaste een ezel, een os, een lam of eenig ander vee te bewaren geeft, en het sterft of beschadigt zich of wordt gevankelijk weggedreven, 10 terwijl niemand het ziet; Dan zal een eed bij den Eeuwige tusschen hen beiden plaats hebben, indien hij althans niet naar zijns naasten goed zijne hand heeft uitgestrekt; dezen [eed] neemt de eigenaar ervan aan, en hij behoeft niet te betalen.

maar slechts tot een eed verplicht is. Vs. 9—12 behandelt dan bewaking tegen vergoeding. Volgens Nachm. blijkt het reeds uit de in beide stukken gekozen voorbeelden; in het eerste: geld of voorwerpen, die gemakkelijk te bewaken zijn en waarop geene onkosten komen; in het tweede: levende dieren, die veel moeilijker te bewaken zijn en in den regel aan betaalde herders worden toevertrouwd. Voor de bewaking der eerstgenoemden zal dus in den regel geene, voor die der laatsten meestal wü vergoeding verlangd worden. — Wordt de dief gevonden, dan moet hij dubbel betalen aan den eigenaar, natuurlijk niet aan den bewaker; heeft deze evenwel den eed niet willen afleggen en daarom bij voorbaat betaald, dan is hij in alle eigendomsrechten getreden en ontvangt hij de dubbele betaling.

7. Wordt de dief niet ontdekt, dan nadere de heer des huizes, de bewaker, tot de rechters en zweert; ngt; rhv sS ON, is volgens Rashie de inhoud van den af te leggen eed; volgens Nachm. en Sipoeno eene voorwaarde-, hij kan volstaan met een eed, indien hij althans zijne hand niet heeft geslagen aan het goed van zijn naaste, anders moet hij betalen. Volgens den regel toch zou men bij ontkenningseeden niet nS dx, maar os verwachten (vgl. onze aant. Gen. 24,38). Luzzatto : hij nadere tot de rechters om te doen beslissen, of hij niet enz. — zijn niet alleen werktuigen en huisraad, maar ook kleederen en sieraden; vgl. Deut. 22,5 e. a. p. — DwSxn Sn, vgl. Ex. 21,6. — rosSaa, aan het verinogen, het product van het zwoegen en werken zijns naasten (vgl. onze aant. Gen. 33,14).

a yra nai Sa hy. letterlijk; over elke zaak van misdaad, d. i. over elke zaak, waaraan men zich 'wel eens vergrijpt, of: waaraan hij, de • bewaarder, zich heeft vergrepen; vgl. uitdrukkingen als; naton -at SsS (Num. 18,7) e. a. p. R. Jeshoea bij Ibn 'Ezra: voor elke hem ontvreemde zaak, naar II Kon. 3,7 e. a. p., waar de stam itb in de beteekenia: afvallig worden voorkomt. Nachm.: over elke beschuldiging van misdrijf.— mas Sa Sr, voor elke, op welke wijze ook, door diefstal of nalatigheid, verloren zaak. — nt NP ia mxi nrs, waaromtrent hij, de eigenaar, verklaart, dat dit de door hem in bewaring gegeven zaak is; Rashie: waaromtrent getuigen verklaren, dat dit de den bewaarder toevertrouwde zaak is; Keil; waarvan men beweert, dat het dit, een object van vergrijp, ï»b lat, is. — De traditie onderscheidt twee gevallen van eedsaflegging: indien de bewaarder

62

ocr page 131

33 D'üatPD. 2D

jvarrbyannpii abn kxa» ^-dk : DW» ssn'

^ i- j-l: * : t - - •• t • lt; • -it : jquot; ' • k.t

-bs-ty : in^i nsN^öa n* K^-DK D'n^n-^Kquot;

t n- n-quot; v r--^; • -j-t j • a* ^viit

quot;Vr1?# nóS^-1?^ ntrquot;?^ HB'-VJ; yBte—on Dn^arnai ay D^KH ny nf Nirr'a i^üquot; nna»

0 '■••■ quot; : - : it • •■:quot;■ • •■ . j ■•,quot;■gt; *'■ ~ tquot;quot;'

irr'a D : nyp tiiw 0^7« quot;ij^»0 nonDtybnonr^iniriKniiy-iK non injrr^

■i*\ * : * v.t •• ; t : r- j -: •' ••

Dn^K' r»3 n^nn nin» nj^ntr : HKI r»K nairriK 1

v •• ; i j- v; r t : . ■'~\ : iv ijquot; vT : • » ■'quot; :t * 1

: v^3 npSi in^quot;) nDK^aa it n1?^ Ktdx

!•• - ; j : {t t ; Ij- t ; quot; v jv : • v.t -r t j

diefstal voorwendt, 2JJ n:rn jnc, dan moet hij in ieder geval een eed doen; ontkent hij echter het gevorderde ontvangen te hebben, dan wordt de eed alleen geëischt, indien hij gedeeltelijk erkent, Nin ia, dat de eisch gegrond is, doch slechts nt, in zooverre hij het hier aangebodene betreft, n:ron nxpsa nu»; terwijl indien hij het geheele in-be waar-ge ven ontkent, San ito, naar het voorschrift der Thora geen eed wordt afgelegd. Eerst een rabbijnsche verordening vordert ook in geval van geheele ontkentenis een eed (vgl. Nachmanides). — g.tjü nat, het geding tusschen den eigenaar en den bewaarder. — dtiSn jjwv ifN, indien de rechters schuldig verklaren, den bewaarder nl. aan verduistering, moet hij dubbel betalen aan zijn naaste, den eigenaar. Vertaalt men: wien van beiden de rechters schuldig verklaren enz., dan moet men met Rashbam dit laten slaan op den dief en den bewaarder, daar natuurlijk aan betaling door den eigenaar aan den bewaarder niet kan gedacht worden, onw ■qi kan evenwel moeilijk die beiden op het oog hebben, die immers niet als partijen tegenover elkander staan. Beiden hebben slechts met den eigenaar te doen.

9. het breekt een der ledematen. Volgens Rashbam echter: door

den aanval van een wild dier, waardoor het geheele dier voor goed onbruikbaar wordt, evenals dit bij n« en müj het geval is. — mto, wordt door roovers weggevoerd. Alleen bij onvoorziene ongelukken, psois, kan de vbewaarder tegen vergoedingquot;, -oü mir, waarvan hier sprake is (zie vs. 6), met een eed volstaan; bij diefstal moet hij, blijkens vs. 11, betalen. — ren px, niemand heeft de leiten gezien, zoodat hij de waarheid zijner bewering niet door getuigen kan staven. Is dit wél het geval, dan behoeft hij geen eed af te leggen. — vSrn npSi, de eigenaar van het dier zal het, dien eed, aannemen. Abeabanel: zal het gestorven of gewonde dier nemen-, dan blijft evenwel raw onbesproken. oScn sVi, en hij, de bewaarder, behoeft niet te betalen. — Wat geschieden moet, indien de bewaarder zoowel in dit, als in het vorige geval bij ontstrijding van toevertrouwd goed een valschen eed heeft gedaan, wat later aan den dag komt, wordt Lev. 5,20—26 en Num. 5,5—7 behandeld.

ocr page 132

63 EXODUS XXIT.

11 Maar is het van hem weggestolen, dan moet hij het den

12 eigenaar betalen. Is het echter [door wilde dieren] verscheurd, dan moet hij het als bewijs brengen; het verscheurde behoeft hij niet te betalen. — . -.

13 Wanneer iemand van zijn naaste ter leen vraagt, en het beschadigt zich of sterft; indien de eigenaar er dan niet bij was,

14 moet hij het betalen. Was de eigenaar er echter bij, dan behoeft hij het niet te betalen; is het gehuurd, dan komt [het

15 verlies] op het huurgeld. — Wanneer een man eene maagd verleidt, die niet verloofd is, en zich legt bij haar, dan zal hij haar

16 door een bruidschat zich tot vrouw nemen. Weigert de vader

11- aJJquot;1 333 DN, indien het gestolen wordt, of op andere wijze, die bij behoorlijke bewaking had kunnen worden voorkomen, verloren gaat, rarn, van hem weg, d. w. z. uit zijn huis of stal of van den door nem aangestelden herder.

12. ïptfl1 fpli DN, het door een wild dier verscheurd en opgegeten wordt, ip inss', moet hij het, nl. een enkel overgebleven deel van het dier, als getuigenis brengen, als bewijs voor zijne bewering en tevens, dat hij heeft trachten te redden (Ibn 'Ezra). Rashie: moet hij er getuigenbewijs voor brengen, dat, daar men wel steeds om hulp zal roepen, gemakkelijk te leveren zal zijn. Hier kan hij niet met een eed volstaan, daar hem juist de bewaking tegen dergelijk ongeval was opgedragen (Ibn 'Ezra). Nachm. meent, dat hier een gelijksoortig geval behandeld wordt, als in vs. 9, met dit verschil, dat daar nsi f\s', in den regel geene getuigen zijn, en hier juist in de meeste gevallen wél getuigenbewijs zal zijn te leveren. In Mechiltha komt eene verklaring vöor van R. Jonathan, die ook in de vertaling der Septuaginta wordt gevolgd: zal hij, de bewaarder, hem, den eigenaar, om te bewijzen, dat hij zijn bewakingsplicht naar behooren volbracht heeft, het verscheurde brengen, als stond er: nBinn m\y_ visa».

Hoewel het klankm/steem zoowel als de toonteekens eerst betrekkelijk zeer laat zijn ontstaan, terwijl oorspronkelijk de tekst steeds geschreven werd als in onze Thorarollen, behoeft hier in geenen deele aan eene andere lezing, doch slechts aan eene andere verklaring gedacht te worden. R. Jonathan meent nl., dat iï visa' beteekent: hij, de bewaarder, brenge hem, den eigenaar, als getuige, d. w. z.: zorge er voor, dat de eigenaar zelve kan verklaren, dat het buiten des bewaarders schuld verscheurd is; dat bijv. de plaats des onheils niet eene door wilde dieren bijzonder gezochte was, zoodat de bewaarder den overval had moeten voorzien en voorkomen.

13- quot;01, ter leen ontvangt, zonder dat hij voor het gebruik be

taalt. Als voorbeeld wordt hier aan vee gedacht, zooals uit nu is latui blijkt. Natuurlijk geldt dezelfde wet bij leening van voorwerpen. De leener is aansprakelijk voor alle ongevallen, ook die hij niet kon voorzien, noch afwenden, r— i»ï ps v^ïa, is de eigenaar van het dier niet bij hem, dat is : bij het dier om het te bewaken, dan is de leener tot bewaking gehouden en ten volle aansprakelijk. De Rabbijnsche verklaring neemt daarentegen aan, dat de leener slechts behoeft te betalen, indien rfe eigenaar van het dier niet hij hem in het werk is. Is dit wél het geval, ook al bevindt de eigenaar zich niet voortdurend bij zijn dier, maar in dienst van den leener elders, dan behoeft de leener niet te betalen.

14. XP DN* was de zaak gehuurd, — toü een verleden deel-

ocr page 133

33 D^at^ö ap

r\ity tines» tnLTDK : ühw IÖ^Ö MÜ» siroKir

j.. • ; Kquot;t ' 1 j t it't : • vquot; quot; : ^ •quot; t * '• 2»

ö : N1? nfiltan nir

»•• i J . ^t. ••; .- ^Aquot;

ia^-px vb^3 no-iK na^ii in^n D^O B^K N3 «in nW' N1? IÖ^ vbya-DK : oba»

j* t lt;%•• - : j ^ tquot; : • iquot; - ; r* -

ntyix-»1? itJ'N nbira I^'N nna^-^i D : inivz*

t v,quot;»quot; • Jquot; quot;! -it ; * -»v - : r : it:*

rraK {nq* ?ko-dk : n^N1? ib nannD* quot;ino nsy 335^1 ^

t v.- t » )•• t : Isquot; t it • : v. t jvr : • •» t at^* -»-t :

woord, — zoodat de eigenaar vergoeding krijgt voor het tijdelijk afstaan van het gebruiksrecht, dan is dit in omgekeerden zin gelijk aan het geval van den bewaker tegen vergoeding, die immers door de betaling, die hij ontvangt, grooter verantwoordelijkheid draagt. Zoo ontlast de eigenaar den huurder van een deel zijner verantwoordelijkheid, nl. van die voor onvoorziene en niet af te wenden ongevallen, door de vergoeding, die hij voor het gebruik van zijn eigendom eischt. — voco sa, komt Ae?, de vergoedingsplicht. bij ongelukken, op rekening van den huurprijs, d. w. z. de huursom, door den huurder betaald, ontheft hem van zijne aansprakelijkheid. Evenals de -w ibto, is de huurder echter aansprakelijk voor diefstal of verlies. — Anderen laten de woorden op het onmiddellijk voorafgaande slaan: Is de eigenaar er bij, dan behoeft hij, dc leener, niet te betalen, ook al was hij, de eigenaar, slechts een huurling, die voor zijn loon komt, min waarschijnlijk, daar de uitdrukking rofn sn in dien zin zeer vreemd is.

15. Hier volgt, aan het slot der behandeling van vergrijpen tegen leven, persoon en eigendom, een vergrijp tegen het lichaam van eene bijzondere groep van personen: verleiding van een ongehuwd meisje tot ontucht. Verleiding van eene gehuwde vrouw wordt Deut. 22,23 en 24; verkrachting met geweld eener gehuwde Ibid. 25—27, eener ongehuwde vrouw Ibid. 28 en 29 behandeld. — nSira een meisje in maagdelijken staat. — nns'' verleiden, hij gebruikt geen geweld, maar overreedt haar door woorden of dgl. — rwiN NS icn, die niet door een huwelijksband aan een ander verbonden is. Naar Joodsch recht heeft men namelijk twee handelingen te onderscheiden : j'Dms of pomp, het verbinden der vrouw aan den man door het uitspreken van het huwelijksformulier, en psitu, het eigenlijke huwelijk, het overbrengen der vrouw in de woning van den man. De gewone tijdruimte tusschen die beide plechtigheden is een jaar. Gedurende dien tijd geldt de jonge vrouw strafrechterlijk geheel als gehuwde vrouw; burgerrechterlijk behoort zij nog, behalve in enkele opzichten, tot het gezin haars vaders. Onderhoudsplicht enz. (zie Ex. 21,10) treden eerst met de in. — rum»» in», hij zal haar zich tot vrouw nemen door in», door haar pf haren vader (naar mate van haren leeftijd) eene geldsom ter hand te stellen, overeenkomstig het plaatselijk gebruik en den maatschappelijken stand der partijen (Gen. 34,12).

, 16. Het beschikkingsrecht des vaders bewijst, dat hier van een nog niet-volwassen meisie, ruop of mi':, .sprake is. (Zie ónze aant. Ex. .21,7), nSpan.-.inns, naar den daar ter plaatse hij het huwelijk van maagdelijke meisjes gebruikelijken bruidschat, die door den bruidegom aan de bruid, zöö zij meerderjarig was, — aan haren vader, zoo zij minderjarig was, — werd ter hand gesteld. De traditioneele verklaring neemt aan, dat hier hetzelfde

ocr page 134

EXODUS XXII.

echter haar aan hem te geven, dan zal hij zooveel zilver

17 toewegen, als de bruidschat der maagden is. — Eene toovenares

18 zult gij niet in het leven laten. Al wie zich bij een beest legt,

19 zal gedood worden. ■— Wie voor de goden offert, behalve voor

20 den Eeuwige alleen, zal tot ban verklaard worden. En een vreemdeling zult gij niet krenken, noch hem verdrukken;

21 want vreemdelingen waart gij in het land Egypte. Geene

22 weduwe noch wees zult gij onderdrukken. Zoo gij hem onderdrukt — voorwaar, als hij tot Mij schreit, zal Ik zijn schreien

23 verhooren; En zal Mijn toorn ontbranden, en zal Ik u door het zwaard dooden ; zoo zullen uwe vrouwen weduwen, en uwe kinderen weezen worden. —

bedrag van vijftig Shekel moet worden betaald, dat Deut. 22,29 bij verkrachting eener ongehuwde maagd wordt voorgeschreven. Het huwelijk is bij verleiding niet verplicht en Kan, eens gesloten, op de gewone wijze worden ontbonden; bij verkrachting is het verplicht en mag niet ontbonden worden. — (Zie over den grond dezer bepaling o. a. Nachm.)

17. naï^SO- Uf Lev- 20,27 blijkt, dat ook een man, die wichelarij of toovenarij pleegt, met den dood gestraft wordt. Dat hier de vrouwelijke vorm gebezigd wordt, vindt volgens de meeste verklaarders zijn oorzaak in het feit, dat toovenarij meestal door vrouwen wordt gepleegd. Uit de aangehaalde plaats blijkt tevens, dat de hier bedoelde doodstraf die van steeniging is. — rpco is : het plegen van eene handeling, waaruit schijnbaar blijkt, dat de toovenaar de natuur en hare wetten naar zijn wil kan dwingen. Het is echter slechts schijn; in waarheid weet hij handig gebruik te maken van de omstandigheden en de onwetendheid zijner mede-menschen. Met den dood — door steeniging — wordt het gestraft en die doodstraf hier uitgedrukt in den vorm van een verbod om den bedrijver in het leven te laten, wegens de moreele beteekenis en den verderfelijken, tot heidendom verlokkenden invloed van het misdrijf. Evenzoo bij den moordenaar (Num. 35,31) en bij den verleider (Deut. 13,9). (Nachm.) — Dit vers vormt den overgang van algemeene juridische wetten, tot eene groep van buiten de grenzen van natuurlijk recht tredende bepalingen, die Israël bekend maken met zijne raensehelijke plichten als uitverkoren volk Gods; die eenerzijds elke verandering der goddelijke wereldorde ten strengste verbieden (vs. 17—20) en anderzijds het oefenen van liefde tegenover zwakken en noodlijdenden eischen (20—27), om met eenige in direct verband met Israels roeping staande godsdienstplichten te sluiten (28—30).

18. Tegennatuurlijke ontucht wordt, evenals bloedschande, met den dood door steeniging gestraft. Vgl. Lev. 18,23 en 20,15.

19. DmSnS, voor de goden, voor eenig als God vereerd wezen. Hier staat de straf voor het Ex. 20,5 fregeven verbod van afgodendienst. — pot, een dier als offer slachten, is hier als voorbeeld gekozen voor alle diensten, waaruit afgodische vereerinj; blijkt. — o-m, hij zal tot en verklaard worden; d. i. zooals uit Lev. 27,29 blijkt: zal gedood worden, en wel door steeniging. Ook het offer is ban, alle genot ervan is verboden. —

nS voor den Eeuwige alleen; de eenheid Gods is eene absolute; zelfs combinatie van God met eene andere macht, die naast of met Hem invloed op den loop der wereld zou oefenen, m.s- -im D'w dü tprw, is streng verboden.

64

9

ocr page 135

33 D'BÖPO ID

üh nsk'dd d : rbman quot;in'oa eios iV nnnbquot;

j vt quot; - ; i : - quot; v. : I : • |vwv A -«T • :

d^Vn1? nnr d : m niD nonrop : n»nn ^

v v:it ~ jquot; it •• ; ■ y r iv- : ^

-♦3 ir^nVn nain-K1? quot;121 : na1? nin*1? 'nVa onn^ =

1* av t : • •* z vquot; • Jquot;: • quot; : vt r -»* ; * at*:it

: ns^n n1? Dinn njo^-bs : onxo pK3 on^n onj«

I 1 ^ ^ v ▼ ï ^ -'t t : - t • it : • I vjv : vquot; * v: r ••

ymt* ynw p^roN4 »3 intlt; n^n n^-os4 -3

03^3 vm 3~ina D3nK wnm mni ; inp^ï«

•.•••: lt; r : vat v v** ; ••• j* : -t ; • - jtt : i It -:r

a : d*dn* d3,:3i niiobx

i* : vquot; quot; *• t ; -

20. njin JCS zuft 9V nie' krenken, hier: door hem beleedigende, aan zijn afkomst herinnereTide morden toe te voegen; Lev. 19,33 e. a. p.: krenken in zijn vermogensrechten. (Zie daarover Lev. 25,14). — u, hier: een acm u, een geboren heiden, die de zeven Noachidische plichten op zich heeft genomen, en dus geene afgoden meer dient. Wordt de piï u, de gelieel tot het Jodendom toegetreden heiden, bedoeld, dan wordt gewoonlijk eene eenigszins daarop wijzende uitdrukking gebezigd: -jns tui of oaaira un of dgl. Zie bijv. Lev. 19,33. Vaak echter blijkt reeds uit den samenhang, dat ook onder -ij zonder eenige toevoeging de piï u te verstaan is; zie onze aant Ex. 12,19. — wtnSn nVi, en zult hem niet den druk van zijn vreemdeling-zijn doen gevoelen, door hem zijn recht te onthouden of hem wederrechtelijk te benadeelen. — Dnquot;n D'-u '3, verdruk hem niet, denkende dat hij zwak en zonder verdediging aan uw willekeur is prijsgegeven, want ook gij waart vreemden in het land Egypte en zijt toch bêvrijd, terwijl Egypte de straf niet ontging (Nacu.m.) Ibn 'Ezra: want gij weet, wat het zeggen wil,als vreemden behandeld te worden; vgl. Ex. 23,9. Rashie: verwijt hem zijn vreemdelingschap niet, want hii zou u op ziin beurt uw verbliif in Eevpte kunnen voorhouden.

„21. Dim rUDTN. weduwe en wees, zwakke personen, die hun natuurlijken beschermer verloren hebben, voor wier rechten niemand opkomt, worden, als het meest aan verdrukking blootstaande, hier genoemd. Het verbod geldt natuurlijk ook verdrukking, dat is: machtsmisbruik en onrechtpleging, tegenover andere personen. — .ur, verdrukken, verootmoedigen, elke wijze van liefdelooze behandeling.

22. enz. Qff ip VWf njvri Hij? DN» wanneer gij hem onderdrukt— voor-waar (gt;3) als hij dan tot Mij schreit enz. Nachm.: wanneer hij dan slechts tot Mij schreit; Rasiiie: als gij hem onderdrukt! dan zal zware straf u treffen, want als hij tot Mij schreit enz. Siporno brengt de woorden in verband met het vorige vers: gij zult geen wees en weduwe verootmoedigen, wanneer gij ze slechts verootmoedigen wilt; — als tuchtiging en opvoedings-of verbeteringsmiddel is het u wèl geoorloofd — want als hij schreit tot Mij enz. — ms, hem; bij ongelijk geslacht van twee of meer onderwerpen wordt het mannelijk in het gezegde gebruikt; het slaat dus op weduwe en wees.

23. a-na dsav vumi- in de eerste plaats wordt aan oorlog gedacht, waardoor het geheele volk wordt getroffen, daarom: ddrx. Naar Ibn'Ezra: als gij Mij noodzaakt zelve in te grijpen, doordien gij niet opkomt voor de rechten der zwakken, en ze dwingt tot Mij te schreien, — dan heerscht dus in den staat een misstand, en wordt dus de geheele gemeenschap gestraft.

ocr page 136

EXODUS XX1Ï.

24 Als gij aan Mijn volk geld leent, aan den arme, die bij u is, zult gij niet als schuldeischer tegen hem zijn; legt hem geene

25 renten op. Als gij u het kleed uws naasten ten onderpand laat geven, dan moet gij het hem vóór zonsondergang terng-

26 geven. Want dat is zijne eenige dekking, dat zijn kleed voor zijne huid; waarin zal hij zich nu te slapen leggen ? Als hij dan tot Mij zal schreien, zal Ik hem verhooren,

27 want genadig ben Ik. — Een rechter zult gij niet vloe-

28 ken, en een vorst onder uw volk niet verwenschen. — Uwen overvloed en de tranen van uw perskuip zult gij niet uitstellen ; den eerstgeborene uwer zonen zult gij Mij geven.

24. ijjy fuf, iemand uit Mijn volk, en wel: ':ïn ns, den arme, het normale geval. .Natuurlijk gelden dezelfde bepalingen, wanneer men een meer vermogende geld leent. — nr« h mnn ah, zult i/y, geldschieter, ta/en-over hem niet zijn als een schuldeischer van beroep, — die met alle hardheid zijne gelden tracht te innen, als de tijd verstreken is, en ook zijn vermogen tracht te vermeerderen, — noch ook uw overwicht als schuldeischer hem in eenig opzicht laten gevoelen. In de eerste plaats quot;j-3 jits' n s1-, zult gij hem niet bij het aangaan der leening, de verplichting tot rentebetaling opleggen, of, met Rashbam, hem niet, dan tegen rentevergoeding uitstel geven, üit den meervoudsvorm jwcn wordt door de traditie opgemaakt, dat hier niet alleen van den geldschieter, maar van alle bij de leening meewerkende factoren sprake is, en dus ook den getuigen, borgen enz. verboden is mede te werken aan de tot standkoming van een leening, waarbij rentebetaling wordt bedongen.

25. San, tot pand nemen; de wijze waarop dit mag geschieden, wordt Deut. 24,10 en 11 bet-proken. — cacn sa lï, Deut. 24,13, waar duidelijk blijkt, dat van een voor nachtelijk gebruik bestemd kleedingstuk sprake is, slaat: onon saa, als de zon ondergaat. Indien nu hier de uitdrukking luidt: tsa quot;ip, dan moet dit, naar ééne opvatting in den Thalmoed, vertaald worden: totdat de zon ondergaat, en is hier sprake van een voorwerp, dat bij dag gebruikt wordt. Anderen, met het oog op de woorden : aac rma, waarin zal hij zich nederleggen, die meer op een nachtgewaad wijzen; vóórdat de zon ondergaat. — ^an, volgens den Thalmoed: pand nemen op den vervaldag der schuld, zoo deze niet voldaan wordt, niet: pand nemen bij het aangaan der leening. — IJa't'n, het mann. aanhangsel: het verpande.

26. Er wordt stilzwijgend aangenomen, dat de arme, zoolang hij nog kleedingstukken of huisraad heeft, die hij missen kan, die liever zal ver-koopen, dan zijn toevlucht te nemen tot leenen. — aao nna, waarin zal hij zich hullen, als hij zich te slapen legt; dan is van een nachtgewaad sprake, daar hij dag dekking minder noodig is; Rashieen Thalmoed: waarop zal hij zich te slapen leggen, waarbij aan dekens en spreien, waar o p men ligt, gedacht wordt. Dan strijden deze woorden niet met de in het vorige vers

fegeven traditioneele verklaring, daar de bedoelde zaken ook bij dag ge-ruikt worden. — us' pjn ia,egeven traditioneele verklaring, daar de bedoelde zaken ook bij dag ge-ruikt worden. — us' pjn ia, want Ik ben genadig en bewijs gunsten, en verhoor den arme, die tot Mij schreit, ook al verciient hij die genade niet. Denk dus niet: »Ik zal slechts onrechtvaardigen onrechtvaardig en hard behandelenquot;, — want ook voor dezen aangedaan onrecht eischt God straf! (Nachm.) Rashbam: Ik ben genadig en eisch van u, genade voor recht te laten gelden; hier, waar de schuldeischer slechts liefdeplicht verzuimt,

(55

ocr page 137

3D no

h Tjójr 'óynti nibn i c]D3quot;DK13

nzhv Vann ?3n-D« : r\m vbv rio'irnquot;^ n^3«

quot;quot; : quot;1» 1 : quot; J T ''■' 'quot; ^ gt; ' ■ •■ ' «V : n

nna1? nnioa Kin »3 :17 vyvn ^deci «a-iy » e

t - : ; ^ 1 gt;v . . .. vv - j p^v.. ja

TiyDBh pyn^ni 33^» nsa i-iy1? inböir «in -r-

• quot;it : - •• i ^- ; • r t t : t : • •••.•- cr : ^ t ; •

N1? ïia^a ^pn K1? D * : run-^» u

j yt y t : Aquot;l- : - v; * it I ^ - r •quot;

: ^■?nn ?i^3 quot;1133 inKn K1? ^on nnKVo : quot;ixn ^

r i ••• • i iv t j •• »•• - : -» i' : ! *ï j| ; it quot; : it

wordt de arme door goddelijke genade geholpen; bij weduwen en wees, waar onrecht gepleegd wordt, staan daarom deze woorden niet.

27. DTiSn, Onkelos: den rechter of den vorst, die u veroordeelt, moogt gij in uw toorn niet vloeken. De samenhang spreekt meer voor deze opvatting. Anderen: God moogt gij niet vloeken, dan staat hier het verbod van Godslastering uitgesproken, dat Lev. 24,10—10 nader wordt behandeld. De hemelsche en aardsche macht worden dan hier naast elkander gesteld. PniiO en Josephus; vreemde goden, geheel buiten eenigen samenhang. — Tnra ifivil, wie onder uw volk met vorstdijken rang hekleed is. — Volgens Luzzatto (Bikkoeré Ha'ittiem 7, pag 207) is SSp, verwenschen met woorden, tw, vloek, onheil toevoegen, met de daad, daarom vooral van God of in Zijn naam van profeten.

28. IDKSa, komt ook Deut. 22,9 voor en beteekent daar: het product van den akker-, het staat echter Num. 12,27 bij de perskuip, en schijnt in het algemeen; overvloed te beteekenen; quot;pjirn, volgens de meeste verklaarders samenhangend met nïm, tranen, beteekent: rvat vloeibaar is. Het blijkt uit de woorden insn sS, dat hier sprake is van heffingen, die ter eere Gods worden gegeven. Nachm. meent, dat hier van eerstelingen sprake is, — en wel in yisSo hier in 't bijzonder van akkervruchten, in -[ïm van wijn en olie, die in een pers uitgedrukt en vloeibaar worden. — De samenhang spreekt daarvoor, omdat eerstelingen en eerstgeborenen dan naast elkander staan, insfi nS beteekent dan: zult gij niet uitstellen, maar zult de jvwn, het eerste product geven. Op de parallelplaats. Ex. 34,26, staat uitdrukkelijk yio-is vvoa roo.v-i genoemd. — Kashie (naar Mechiltha) ziet in yisHn de eerstelingen, zoowel van koren als van wijn, in nrm de heffing ten behoeve van den priester, nann, zonder het nochtans etymologisch toe te lichten. In irwn nS ligt volgens hem het verbod de volgorde der afzondering te veranderen, zoodat later wordt gegeven, wat vroeger had moeten worden afgezonderd. — Sa'adja verklaart nxSn naar aanleiding der beide boven geciteerde voorbeelden van nsS», als: product van akker en wijnpers, vol als; olie. — Wij hebben hier weer een voorbeeld van telkens terug-keerende groepen van wetten of verzen, die aan het begin of einde van een samenhangend geheel geplaatst zijn; daarvan zijn in de Thora tal van voorbeelden. Men vergelijke als een treffend voorbeeld Lev. 19,3 en 4 met Ibid. 26,1 en 2, waar dezelfde voorschriften in bijna gelijke bewoordingen aan het begin en aan het einde van een samenhangend gedeelte der wetgeving voorkomen. Het vers Ex. 34,26 komt in geheel dezelfde woorden ook Ex. 23,19 voor, terwijl het slot vu Scan sb Deut. 14,21 in verbinding staat met een voorschrift van gelijke strekking, als het slot van vs. 30 op onze plaats. — Het eenvoudig uitspreken van het verbod van uitstel van

ocr page 138

EXODUS XXII, XXIII.

29 Zoo zult gij ook doen met uwen os, met uw kleinvee; zeven dagen zal het. bij zijne moeder blijven; op den achtsten dag

30 zult gij het Mij geven. En heilige lieden zult gij Mij zijn; en vleesch, op het veld verscheurd, zult gij niet eten; den hond zult gij het voorwerpen.

1 Neem geen ijdel gerucht aan; leen den booswicht uw hand

2 niet, om een getuige tot onrechtpleging te zijn. Volg de menigte niet ten kwade; en spreek in een geding uwe meening niet uit, u naar de menigte neigend, om [het recht] te buigen.

3 Doch ook den geringe zult gij in zijn rechtsgeding niet be-

4 gunstigen. — Wanneer gij treft den os van uwen vijand

afzonderen der gaven onderstelt dat de plicht tot het afzonderen daarvan reeds bekend was, ook al staan de daaromtrent geldende voorschriften eerst veel later. (Voor o'iwa zie Num. 18,12 en 13, Deut. 26,2—11; andere heffingen op verschillende plaatsen in Num. en Deut.) — 'S [nn -pn i«a, naar Ex. 1313: lossen, naar Num. 18,16: na het bereiken van den leeftijd van dertig dagen.

29. nCyn p. nl. ze Mij te wijden; wat er mede geschieden moet, wordt Num. 18,17 en 18 behandeld. — quot;h win 'ïwri Di'a, op, van af den achtsten dag moogt gij het Mij geven. Vgl. Lev. 22,27. Vóór dien tijd mag geen dier als offer gebracht worden; na de acht dagen is het geschikt om als offer te dienen. Naar de Thalmoedische bepalingen kan de priester vorderen, dat de eigenaar het eerstgeborene van zijn kleinvee dertig, van zijn rundvee vijftig dagen verzorgt, alvorens het den priester over te geven. Binnen het jaar moet het echter gebracht zijn.

30. Niet alleen uwe eerstgeborenen, maar gij allen zult Mij heilige mannen zijn. die zich onthouden van al wat verontreiniging aanbrengt. (Zie Lev. 17,15). Deut. 14,21 komt hetzelfde argument 'nS nris cnp dj) '3 voor, bij het verbod van n^a:, een dier, dat zijn natuurlijken dood gestorven is.— nsio moa icai en vleesch, op het veld verscheurd, d. w. z. vleesch van een dier, dat op het veld door een wild dier is verscheurd en gestorven. — mca, op het vrije veld, waar dit wel het meest zal voorkomen; dat wilde dieren bewoonde plaatsen binnendringen en daar een dier verscheuren, is uitzondering. Onkelos : vleesch, door een wild dier op het veld afgescheurd van een levend dier. De Thalmoedische opvatting ziet in nsio niet alleen een door het verscheuren gestorven dier, maar ook een dier, waaraan door het verscheurde dier eene verwonding is toegebracht, die binnen 12 maanden den dood ten gevolge zal hebben. Bovendien wordt het verscheurd worden als ziekte-oorzaak slechts als voorbeeld beschouwd en onder het begrip nETio gebracht: elke fout aan innerlijke of uitwendige organen, die binnen het jaar den dood zal ten gevolge hebben, onverschillig hoe die fout is ontstaan, bijv. door ziekte of anderzins. — im paWi a^aS den honden zult gij het voorwerpen, wederom het naast voor de hand liggende; de herder, dien het ongeluk treft door een wild dier overvallen te worden, heeft zijn hond in de onmiddellijke nabijheid en werpt hem dan de overgebleven stukken vleesch toe. Deut. 14,21 staat bij nSaj, dat het ook geschonken of verkocht mag worden aan niet-Israëlieten, — welke wet, naar de traditie, ook bij ns-D geldt. R. Moses bij Ibn 'Ezra meent, dat die faciliteit bij nbib niet geldt, omdat door de gifstof van het verscheurende dier het verscheurde vleesch nadeelig is voor de gezondheid van menschen en daarom alleen door honden gegeten mag worden.

66

ocr page 139

53 33 d'üsb'o quot;id

di»3 iön-d^ nvi» d'p» n^3^ ?jquot;i^v rrê^rq?1»

nfiquot;iü m^3 quot;i'^i quot;b ?vnn ^Tp-^axi : Vunn '•vnvrn1

t ••; «vt - tt ft' i j ; r vlv, : r : ' ^ t m

pnv «irn üb d : inx n3^n 3b3b ibi^n «

quot; ■*•• ^t j i t j • : v^v- ••

n^nn-N1? : onn ip hn1? ytbTD^ rv uw -

jv : i* it t v* v : i* tt p iit v «t - :at

q*3quot;i nnK nb:1? 3T^ nayn-^i riy-b D^mnN

- j.... ,- ^ . . a-.-r-i,- . 'at; v* ■

^3,k quot;iitf i^ian »3 d : üns *nnn ns : ricsn1?j

•)F : • i s ^ i • : : iv j t: i - : t

Hoofdstuk XXIII. 1—3. Voorschriften hij de behandeling van rechtzaken.

„ i- xcn nS- . Het is twijfelachtig, hoe dit hier moet opgevat worden. Sommigen: spreek met vit (evenals Ex. 20,7) sw rot', een ijdelgerucht, waaraan de grondslag der waarheid ontbreekt, een verzinsel (Ibn 'Ezra); anderen: draag niet rond; in beide gevallen is dan sprake van getuigenis. RASHiEen Rashjiam (vg. Onkelos en Septuaginta): gij zult niet in u opnemen, aan-hooren; dan richt zich het verbod tot den rechter. — ren oy yp non Sx, stel uwe hand niet naast den booswicht, d. i. laat u noch door een der partijen, nóch door een getuige, die u tot onwaar getuigenis mocht willen overhalen, verleiden en leen hun uwe hand niet om getuige te zijn, om geweld, d. i. onrecht in eene vermogensaangelegenheid, te bevorderen. De tra-aitioneele opvatting luidt: leen, o rechter! uwe hand niet aan den booswicht, dat deze getuige zij tot geweldpleging. Dan wordt in deze woorden den rechter verboden, het getuigenis van een ren, van iemand, die de godsdienstwetten overtreedt, aan te nemen. Het zijn die personen, die een verbod overtreden, waarbij straf is bedreigd, of uit eigenbelang een misdrijf begaan hebben.

1

recht mag buigen, mag men uit medelijden voor den arme dezen begun-

ocr page 140

EXODUS XXIII.

of zijn ezel, die verdwaald is, moet gij hem weder terugbren-

5 gen. — Wanneer gij den ezel van iemand, die u haat, onder zijn last ziet bezwijken, en gij zoudt u willen onttrekken hem te

6 helpen, dan zult gij helpen met hem. — Gij zult het recht

7 van uwen behoeftige in zijn rechtsgeding niet buigen. Van eene zaak van leugen zult gij u verwijderd houden ; en den onschuldig bevondene of vrijgesprokene zult gij niet ombrengen, want Ik zal

8 den booswicht niet vrijlaten. En omkooping zult gij niet aannemen, want de omkooping maakt de scherpzienden blind, en

9 verdraait de woorden der rechtvaardigen. En den vreemdeling zult gij niet onderdrukken; gij immers kent het gemoed van den vreemdeling, want zelve waart gij vreemdelingen in het land

stigen, hetzij als getuige of als rechter. Vi van SVi gelijk in Jes. 19,6 e. a. p. eig.: minder worden, beteekent v. s.: de arm geworden, vroeger vermogende, verarmde. — nnn, eig. eeren. Lev. 19,15 staan de beide verboden naast elkander: den arme te ontzien en den rijke te eeren; vs. 6 volgt hier het verbod, het recht van, den arme te buigen, d i. hem onrechtmatig te veroordeelen, omdat hij als arme zich minder gemakkelijk tegen geweld kan verzetten.

4. Ook tegenover uwen vijand zijt gij niet tot onrecht of liefdeloosheid gerechtigd.

5. pi, eig.: neerliggend, of als lijdende vorm van den Srsn: neet-gezonken. — iS arm nS-im, en gij soms zoudt willen nalaten, hem te helpen-,

in den zin van: helpen, evenals aim -mv (Deut. 32,36) o^om ns lawi, zij versterkten Jerusalem (Nechemja 3,8). Anderen: en gij zoudt icillen nalaten hem. den ezel, dien last af te nemen, — afnemen zult gij hem met hem-, Gesenius: laat dan na hem te verlaten, maar afnemen zult gij zijn last met hem. Keil, — in verband met Deut. 22,4, waar duidelijk de bedoeling is uitgesproken: gij zult niet zien... en u eraan onttrekken, — vertaalt; dan zult gij u weerhouden hem, den ezel, aan hem, den eigenaar, uwen vijand, oner te laten, maar gij zult met hem het dier ontpakken, den last afnemen. (Met hem wil zeggen, dat de eigenaar het werk niet alleen aan den helper kan overlaten, maar zelve mede moet arbeiden. Doet hij dit niet, dan moet, ter wille van het dier, geholpen worden, maar kan vergoeding verlangd worden.) Michaelis, de Wette en anderen: neem u dan in acht, het aan hem, den eigenaar, te willen overlaten; verlaten zult gij de plaats des onheils eerst met hem, nadat dus zijn dier geholpen is. — -pi.s', uw vijand, die zich in daden als zoodanig betoont; -pw, uw hater, dien gij hant of die u haat, meer een innerlijke vijandschap, die wel gevoelt, maar zich niet in daden omzet. (Zie Lüzzatto in Bikkoeré Ha'ittiem 7, pag. 149). Daarom bij den vijand, slechts opnemen van zijn verloren goed voorgeschreven, daar persoonlijke aanraking gevaar oplevert; bij den hater daarentegen, die slechts innerlijken wrok koestert, ook daadwerkelijke hulp. Hier is sprake van het afladen van den last, waaronder het dier neerzijgt; Deut. 22,4 van opladen van een last, die, bij den val van het beest, is afgegleden.

6—9. Voorschriften voor de rechtspleging, voortzetting van vs. 1—8; terwijl vs. 4 en 5 ook buiten de rechtzaal de volkomen gelijkheid van allen ten opzichte van het beoefenen van liefdeplichten uitspreken. — quot;p'as, den in uw midden verblijf houdenden behoeftige, schijnt een minderen graad van armoede aan te duiden, dan Vï, de arme. Zie voorts aant. vs. 3.

67

ocr page 141

« D^ÖPÜ TD

nxquot;in-»3 d : iS n^n i-jan

a'T^n ity quot;h a'T^o nSim ikt^o nnn *1^ non

i- ^ft ^~uquot; s quot;it ; t - - j- | •• | -;r i -• -;

quot;iptriyiö : inna nrnK üöi^o ntsn K1? d * : isj?1

I \\v • ; • I • ; V. |; i ; V j- ; • ov j ^ T

Tifeh : viïi »3 aSnn-^K pnïi 'pil pn-inquot;

• ^ : it tI v' ! quot;* • J* -: i' quot; gt; * quot;^: 'c'Tï I at ; •

ui : dwx nai fi^on o^npö ^ inari »3 npn tih *

: Ir • •• j** ; • Kquot;.quot; •* *1: • : - - lt;• Iat* -•

rquot;iN3 on^n Dnr»3 ian ^srnx bn^T onNi rnVn

| vjv ; • v: -gt;* •• r •• - v-v v v *: -: v - ; | at : • ^

7. pmn npr nann. ibn 'Ezea en nieuweren: van een leugenachtige uitspraak zult gij u vervyijderd houden, d. w. z. vel geen onrechtvaardig vonnis; Rashbam; van eene zaak, waarin klaarblijkelijk onware verklaringen worden afgelegd, die gij nochthans niet kunt ontzenuwen en dus bij uw eindoordeel buiten beschouwing laten, zult gij u verwijderen en niet aan de beslissing deelnemen; Siporno; onthoud u van elk woord, dat onwaarheid kan uitlokken of bevorderen, als vermaning tot den onder-vragenden rechter. In den samenhang komt mij de eerste opvatting de meest waarschijnlijke voor. — (-pp is: leugen met een schijn van waarheid; Ni» absolute onwaarheid, een uit de lucht gegrepen verzinsel; Luzz. t. a. p. 8, pag. 86). — pi*w ipjv Naar de opvatting der traditie is '«pj een werkelijk onschuldige, pns, iemand, die vrijgesproken is. Dan volgt hieruit, dat, indien voor een veroordeelde argumenten worden gevonden, waaruit zijne onschuld kan blijken, revisie moet plaats hebben en het vonnis niet mag worden voltrokken; daarentegen raag, zoo eenmaal vrijspraak heeft plaats gehad, de zaak niet opnieuw worden behandeld, ook al komen later nieuwe bewijzen van schuld aan het licht. Dan beteekenen de woorden; ro pvrts sS ■O: vrees niet een waarlijk schuldige straffeloos te laten, want I k zal den waarlijk schuldige niet ongestraft doen blijven. Ibn 'Eze.v: een in de behandelde zaak onschuldige zult gij, wegens u bekende schuld in eene andere aangelegenheid, niet dooden; die andere schuld immers zal Ik wel bestraffen. Anderen: vel geen onrechtvaardig vonnis en veroordeel geen onschuldige ter dood. In de laatste opvatting bevatten de woorden rt'i pris nSij eene waarschuwing aan den onrechtvaardigen rechter: want Ik zal u, die u onrechtvaardig toont in de rechtspraak, niet ongestraft laten.

8- nniTli omkooping door geschenken, D'npB iuquot;1, maakt scherpzienden blind, benevelt den helderen blik van den rechteivdie anders de waarheid spoedig zou doorzien, en verdraait de woorden, de beslissingen van anders rerlu-vaardige rechters-, anderen: verdraait de zaken, de beweringen in het geding, der rechtvaardige partijen of getuigen. Deut. 16,19 is dit voorschrift-herhaald; daar staat echter: D'Bsn ^r, wat natuurlijk dezelfde beteekenis heeft als hier: D'nps in de eerste opvatting. — De Thalmoedische voorschriften verbieden niet alleen den rechter eenig geschenk aan te nemen, zelfs van beide partijen, maar ook bet geringste dienstvaardigheidsbetoon te aanvaarden. Partijen mochten den rechter niet betalen; genoot hij salaris, dan moest dit uit de openbare kas betaald worden.

9- fnSn nS -m Uit Ex. 22,20 herhaald; daar richt zich het verbod tot iederen particulier, die den vreemdeling in het dagelijksch verkeer niet onrechtvaardig mag behandelen; hier tot den rechter (Abrabanel). Zie onze aant. t. a. p.

ocr page 142

EXODUS XXIII.

10 Egypte. En zes jaren moet gij uw land bezaaien en de

11 voortbrengselen er van inzamelen. Maar het zevende jaar zult gij het braak laten liggen, en geheel verlaten, opdat de be-hoeftieen uws volks er van eten; en wat zij overlaten, het wild des velds vertere; zoo zult gij doen met uwen wijngaard

12 en met uwen olijfboom. Zes dagen kunt gij uwe werkzaamheden verrichten ; doch op den zevenden dag moet gij er mede ophouden; opdat ruste uw os en uw ezel, en de zoon uwer

13 dienstmaagd en de vreemdeling verademe. En met betrekking tot alles, wat Ik u gezegd heb, zult gij u in acht nemen; en den naam van andere goden zult gij niet vermelden; hij zal

14 in uwen mond niet gehoord worden. Drie malen in het jaar

15 zult gij Mij ter eere feest vieren. Het feest der ongezuurde brooden zult gij in acht nemen; zeven dagen zult gij ongezuurde brooden eten, gelijk Ik u geboden heb, op den bepaalden tijd in de arenmaand; want in deze zijt gij uitgetrokken

10—12. Voorschriften betreffende rustjaar en rustdag, hier vooral met het oog op de voor armen en vreemdelingen daaruit voortvloeiende rechten. — rBD«i, inzamelen, in uw huis brengen.

11. nyOBTP. een vierde naamval van tijdduur = jvrwaï, gedurende het zevende jaar. — ruoarn, loslaten, aan zich zelve overlaten, door u de producten, die er vanzeive groeien, niet toe te eigenen; tegenover nEDïoiff t vorige vers. — Dtw, en wat door hen, de armen, wordt overgelaten; hun overblijfsel. — -pvS, verzamelwoord: uwe olijfboom e n; niet alleen akkers, maar ook wijngaarden en olijfplantingen vallen onder de Shemitta-wet; vgl. Lev. 25. Koren, wijn en olie zijn de staande voorbeelden van landbouwproducten.

12. rDCXI. Hier wordt alleen de plicht van niet-werken besproken, waardoor de werkdieren rust en ook de niet-Israëlietische slaven en vreemden (ann quot;O) verademing krijgen. — c-jn, eig. zich adem verschaffen, tot verademing komen. Anderen leiden ook hier rsjii, evenals Ex. 31,17, af van rBJ ziel, en onderscheiden dan: ro~, ophouden met werken, nu, rusten, het op verhaal komen na den inspannnenden arbeid, hier alleen bij het vee, en oEn, zich als bezield wezen gevoelen, in zijn geestelijk leven tot zich-zelve komen. (Vgl. onze aant. Ex. 31,17.)

13. Sommigen nemen dit vers als slot der rechtsvoorschriften-groep. Ik meen echter, dat het de inleiding vormt tot de slotperiode, die van vs. 13—19 loopt en overeen komt met Ex 34,18—26. Zoowel daar (vs. 11—17), als Lev. 22,31—33 gaat aan de opsomming der feesten, evenals hier, een algemeene vermaning tot handhaving en beoefening der plichten en een verbod van afgoderij en ontwijding van Gods naam vooraf. — Mechiltha vindt in de woorden i-wn M'S* vniss w» het denkbeeld van: zelfbescherming, door verbodsbepalingen en „omheiningenquot; tegen overtreding der wetten. — non .s'1' annx oviSf 0-gt;, den naam van andere goden zult gij niet vermelden, zelfs niet eenvoudig uitspreken, fL Sr s1?, hij zal in uwen mond niet eens gehoord werden: Nachm. : gij zult ze niet a l s goden vermelden en onk zonder dat zullen in ween mond ook hunne enkele namen niet gehoord worden Rashie: gij zult ze niet vermelden en zij zullen niet door uw toedoen, door uw spreken, gehoord worden, d. w. z. geef den heiden geene

68

ocr page 143

33 no

: nnNinp-nx pödmi jnw ww : onxo1

it t i : v : - it ! Pav^; - v •J~: ' v* t jquot; : ^ • it : •

onn^i ♦raK nntruii nsup^n ^

n'^yn D'a1 na'B' : nm1? njaiD'? ntryn-p mirn n»n31

jv 1- -t v lt;•• p iv ••: ^| : ; - ; jv r h» avt - .

nir di»3i

nDtfn DD^K wotrnt^N Vaai ; quot;15m nnox-ra ^

rtquot; t • v** quot; quot;: * :-'quot; t v -; ^ : iquot; - ; ; it -i i v

iïbv : ym* n1? n^m ï6 onnx D^nibx di^i ^

^ - t ir r y~ t^. j j ... -j lt;• ... ...

dw nyaa' niïsn arrnK : ^ inn D^n™

■ t lt;- : ■ . : • it.t ■ 1 ■ t :

nw i3-'3 3»3Kn cin nyio? nnnx quot;ity«2 niïo

T -«TT ^ * T IT V J | ' JV -I I* quot;•

aanleiding, ter bevestiging eener door u in twijfel getrokken bewering, bij zijne goden te zweren.

14—17. De drie opgangsfeesten, waarbij «verschijnen voor het aangezicht Godsquot; is voorgeschreven, in directe tegenstelling met de herinnering zelfs aan afgoden, in vs. 13 behandeld Hier worden, evenals Ex. 34 en Deut. 16, alleen de met den landbouw in verband staande feesten genoemd, uitsluitend met het oog op de dan voorgeschreven verschijningsplicht. Aan het begin en einde der opsomming staan dan ook feestviering door offer (vs. 14) en verschijnen voor den Eeuwige (vs. 17) voorgeschreven. Evenzoo Ex. 34, waar het slot van vs. 20 reeds een verschijning onderstelt en de verplichting in vs. 23, nadat de drie feesten zijn genoemd, nog eens staat. Evenzoo Deut. 16, nadat bij ieder der feesten de plaats, die God zal uitkiezen, voor het offer is aangewezen, aan het slot, vs. 16, noe eens het voorschrift om driemaal per jaar voor God te verschijnen. Na al wat reeds aangaande de groepeering van dit en andere gedeelten van den Pentateuch is opgemerkt, behoeft het geen betoog, dat hier de feesten niet worden ingesteld, maar slechts in herinnering gebracht. Van tegenstrijdigheid met Lev. 23 en Num. 28, door het met genoemd zijn van den «.dag van bazuingeschalquot; en dien der Verzoening, is dus geen sprake. Bij de {reregelde opsomming der feesten, waar het óf, zooals in Lev. om de bijzondere voorschrilten van den dag, of gelijk in Humeri om de speciale feestoffers te doen is, worden natuurlijk allen genoemd, zelfs de Snabbath. — cSjt, eig. schreden, v. d. evenals di-e, wat hetzelfde beteekent, keeren. — :nri, feestvieren door feestoffers, niwn 'nSp. — iS, Mij ter eere, niet voor afgoden.

15. Met het Paaschfeest, dat in de eerste maand invalt, wordt de rij der feesten geopend. — -jmi -ipjo, Ex. 12,15 vv. — rosn cnn op den bepaalden tijd, in de arenmaand. De inachtneming geldt: het eten der ongezuurde brooden; v. a. gij moet er voor zorgen (men), dat het steeds in het voorjaar, bij het rijpen der halmen wordt gevierd; de traditie leidt daaruit het voorschrift betreffende de invoeging eener schrikkelmaand af, wanneer anders het Paaschfeest te vroeg zou invallen. — ia, in die maand. rwïgt; «bi ■os. Mijn aangezicht zal niet gezien worden ledig, d. w. z. zonder offergave (vgl. Deut. 16,16); anderen vatten *jei als voorwerp op, evenals Ex. 34,23 en 24 e. a. p., waar •ol rx nwn staat, en vertalen: men zal niet ledig ven-schijnen voor Mijn aangezicht- over den vierden nv. bij het lijdende werkwoord zie Ex. 21,28.

ocr page 144

EXODUS XXIII.

uit Egypte. Men zal echter niet ledig vóór Mijn aangezicht

16 verschijnen. En het feest van den oogst der eerstelingen van uwen arbeid, hetgeen gij op het veld uitzaait; en het feest van de inzameling, bij den uitgang des jaars, wanneer gij de

17 vruchten van uwen arbeid ingezameld hebt van het veld. Drie malen in het jaar zal ieder manspersoon onder u vóór het

18 aangezicht van den Heer, den Eeuwige, verschijnen. Gij zult het bloed van Mijn [Pésach-] offer niet bij gezuurd brood offeren, en het vet Mijns feestoffers zal niet overnachten tot den mor-

19 gen. De eersten der vroeg gerijpte vruchten van uwen bodem zult gij in het huis van den Eeuwige, uwen God, brengen; gij zult geen jong vee koken in de melk zijner moeder.

20 Zie, ik zend eenen engel vóór u uit, om u op den weg te behoeden, en u te brengen naar de plaats, die Ik bereid heb.

21 Neem u voor hem in acht en luister naar zijne stem, verbitter hem niet, — want hij zal uwe misdaad niet ver-

22 dragen, — want Mijn naam is in hem. Doch als gij naar

16. quot;pcyD quot;VSpn jm. en het oogstfeest, van den oogst nl. van de

eerstelingen van uwen arbeid. Op het Paaschfeest werd de eerst gesneden gerst ten offer gebracht en op het Wekenfeest het eerste offer van de nieuwe tarwe, terwijl dan tevens de oogst van veld- en boomvruchten in vollen gang was. — cptfn jm, het feest der inzameling, het vóór de intrede van den regentijd onder dak brengen der veldvruchten —rucn nma. hij het eindigen van Ae/ landbouw/aar; d. i. een tijdvak, dat met de voorbereidingen voor het zaaien en het in orde brengen van den akker begint, eh met het inhalen van den oogst eindigt. Anderen: als het jaar is geëindigd, d. w. z. in het begin van een nieuw burgerlijk jaar, dat met Thishré intreedt. — De inzameling behoeft niet fjeheel geëindigd te zijn; het feest wordt gevierd in den tijd, waarin die in den regel is afceloopen.

I7- 11131. lOI, ook Ex. 34,23 en Deut. 16,16 en 20,13, = -)3t. Voorgeschreven is het verschijnen voor Gods aangezicht slechts aan volwassen, (toerekenbare) mannelijke personen. Vrouwen en kinderen mochten echter medegaan. — 'js Ss ysS.

j is. rain nS, (Ex. 34,25 enen nS) gij moogt niet slachten, en daardoor doen vloeien het bloed van Mijn nar. Mijn geslacht offer (Hiksch; tot feestmaal bestemd offer), yen ^r, terwijl ongezuurd brood in uw bezit is. Bedoeld wordt het Paaschlam, dat in het slot. van Ex. 34,25 uitdrukkelijk genoemd wordt. — 'Jn aSi, het vet van Mijn feestoffer, het Paaschoffer. Onder aSi wordt hier het op het altaar te verbranden vet verstaan. Wanneer Ex. 12 niet van te verbranden vet gesproken wordt, dan vergete men niet, dat toen nog geen altaar bestond. Ex. 34,25 staat het verbod van overlaten van het Paaschoffer in zijn geheel, evenals 12,10. — ipa ir =

Ex. 34,25, lot den volgenden morgen.

19- IflD-W nnftn. het eerste van de eerstgerijpte vruchten van

uwen bodem-, Ibn 'Ezea.: het beste der eerstelingen, de eerstelingen der Deut. 8,8 genoemde zeven vruchtsoorten, die van af het Wekenfeest gebracht konden worden; vgl. Hum. 18,12 en Deut. 26,2—11, waar de nadere bijzonderheden worden besproken. Hier heeft men niet juist de twee eerstelingen-tarwe-brooden van Lev, 23,17 op het oog, maar de eerstelingen van allerlei

69

ocr page 145

JD D'üfiiyO ÜD

nisa Tïpn am : opn DnïDDro

I v ^ir •*quot; • • It - : iit •• v,-t j tiquot; : 'at;

•nu ïiöDNa nii^n nxva epNn am nntrs jriw quot;IK'K

v j| ; : t ; tt - -••• : | • t »t : avt - ^ v,quot;: * /y -»

^ttrVi nNT D^Ö^s vhiï : nn'^n-jp ?i^on r^-Kbrnnroi ron-1?^ nam-^1? : nin» i f'iNn

I j* t i : a* ; * quot;#l t • • it ; i j t it : v

nin' n's ^noiK nwa n^Kquot;i : quot;i^rn^ ^n-n^n ^ S * : is» abna na V^an-K1?

■Vk 'jij'an)! ^^3 ^aa1? nVtf pa» mn3 isn-^N iVpa vaao quot;iob^i : 'nasn quot;ipk Dipan»

- - v, I : : ott • vsT • • » •gt;•• quot;* 'V ▼

^ID^'DK »3 : lanpa ♦DB' ^ o^a1? m* a) ^ iaM

veldvruchten, waarvan ook reeds 22,28 sprake was. — 'n rvo soan, moet gij in het huis des Eeuwigen brengen. Zij worden in plaats van in uwe woning, naar liet heiligdom gebracht en, na het Deut. 26 beschreven ceremonieel, volgens Num. 18,12 en 13 den priester gegeven — iiw a^ro ■■u Sysn in, gij zult geen jong dier koken in de melk zijner moeder. 'U is de algemeene naam voor jonge dieren van rein vee. Vgl. Hoogl. 1,8 e. a. p. Wordt een jong geitje bedoeld, dan staat er onr bij. — Naar de traditie wordt hier verboden; vleesch van rein vee, dus van rundvee en van schapen en geiten, te koken in melk van rein vee', v. s. ligt dit aldus in de woorden: zelfs het jong, dat nog met de melk zijner moeder wordt gevoed, en dus nog in zeker verband tot die melk staat, waaraan het zijn wasdom dankt, moogt gij niet koken in de melk zijner moeder nj, als algemeene soortnaam voor vee opgevat, geeft, dat ibn ook algemeene uitdrukking voor het moederdier kan zijn. Dus; kook geen jong vee in de melk van een m o e d e r geworden dier. — Het verbod is Ex. 34,26 en Deut. 14.21 herhaald ; naar de traditie: om koken, eten en elk genot van het kooksel te verbieden.

20—33. Wat Ex. 34,11—17 vóór vermelding der feesten, als inleiding van het slot der historische mededeeling der gouden-kalf-zonde staat, wordt hier, nadat de wettengroep door een met Ex. 34.18— 26 correspondeerend stuk is afgesloten, in den breede besproken: de eisch van gehoorzaamheid aan Gods woord en de waarschuwing, zich door de volkeren niet tot afgodendienst te laten verleiden. Op beide plaatsen volgt dan een gedeeltelijke herhaling of voortzetting der Openbaringsgeschiedenis (24,1—18 en 34,27— 35). — ■pi1'», een engel, die in naam Gods spreekt en uit wien God spreekt (vs. 22). V. a. Mozes en na hem Jehoslioea', doch juist wegens het in vs. 21 en 22 gezegde (vgl. Gen. 6,7) minder waarschijnlijk.

21. Wees dien engel gehoorzaam — (13 StC, = IDri. van n»).

verbitter hem niet, door ongehoorzaamheid; (v. a. = rnDTl: weerspannig

zijn); — want h ij zou uwe misdaad niet verdragen, zooals God reeds herhaaldelijk deed — dit staat als waarschuwing in parenthese; terwijl vjo 'S lypa de reden opgeeft, waarom Israël den engel moet volgen; omdat Hij den mam Gods, d. i. het bij God berustende gezag, in zich draagt. Wat de engel beveelt, is dus, als het ware, door God zelve voorgeschreven; volg dus zijn bevel stipt op.

ocr page 146

EXODUS XXIII.

zijne stem luistert, en alles doet, wat Ik spreken zal, dan zal Ik uwen vijanden vijandig zijn, en uwe verdrukkers in het

23 nauw brengen. Wanneer Mijn engel vóór u uit gaat, en u brengen zal tot den Emoriet, den Chittiet, den Perizziet, den Kena'aniet, den Chiwwiet en den Jeboesiet; en Ik hen zal

24 verdelgen, — Zult gij u niet nederwerpen voor hunne goden, en ze niet dienen, en niet doen naar hunne handelingen; maar integendeel, zult gij ze omverhalen en hunne gedenkteekenen

25 verbrijzelen. En gij zult dienen den Eeuwige, uwen God, dan zal Hij uw brood en uw water zegenen; en Ik zal ziekte weren

26 uit uw midden. — Er zal geene misdrachtige noch onvruchtbare vrouw zijn in uw land; het getal uwer dagen zal Ik vol

27 doen zijn. Mijne verschrikking zal Ik vóór u uitzenden, en zal in verwarring brengen de geheele bevolking, tegen welke gij

28 komt, en zal al uwe vijanden u den nek doen toekeeren. En ik zal den horzel vóór u uitzenden ; deze zal den Chiwwiet, den

29 Kena'aniet en den Chittiet vóór u verdrijven. Ik zal hen niet binnen één jaar vóór u verdrijven, opdat het land niet woest worde, en het wild gedierte des velds zich bij u niet te zeer ver-

30 meerdere. Langzamerhand zal Ik hen vóór u verdrijven; totdat gij u zult hebben uitgebreid en het land in bezit zult nemen.

31 Dan zal Ik uwe grenzen doen zijn van de Schelfzee tot aan de zee der Philistijnen, en van de woestijn tot aan den stroom. Ik

22. naix ntr». wat Ik, door den mond des engels, tot u zal spreken.

23. Onder de hier genoemde Kena'anietische volkeren ontbreekt de Gir-gashiet; misschien was het een weinig talrijke stam, die spoedig met een der andere samensmolt en zijne onafhankelijkheid reeds verloren had. Rashie (Ex. 34,11) meent, dat deze stam, uit vrees voor Israël, vrijwillig het land verliet. — wrom en Ik hem, ieder van hen afzonderlijk, vgL vs. 30, zal verdelgen.

24. DiTB^DS mryn en doe niet naar de handelingen, die te hunner, dier Goden eer verricht worden-, dan slaat het aanhangsel van DDinr, evenals dat van orroras, op de goden. Anderen; en maak niets gelijk hunne, dier volkeren, werken, tempels en altaren, maar Aaai ze omuer; nog anderen: rfoe mei naar hunne, der volkeren, handelingen; dan moet men aannemen, dat in het suffix van DDinn het oude voorwerp: de goden weer wordt opgenomen. — omroï», gedenksteenen, uit één steen bestaande offerplaatsen, of uit dankbaarheid opgerichte gedenkteekens.

25. quot;ptyo iVCI -[DnS DK' uw brood en uw water, — vooral het laatste onmisbaar, — als algemeene aanduiding van: spijs en drank

26. nSDB'D een vrouw, die door misgeboorte of ontijdige geboorte een met-levensvatbare vrucht voortbrengt-, ropï, eene ontrruchlbare, die in het

feheel niet baart.eheel niet baart. — kSjn fiy ild» rs, evenals Jes. 65,20, w klw irx,

eteekenen deze woorden hier: Ik zal u den voor u bestemden levensduur ten volle doen uitleven, gij zult niet ontijdig sterven.

27. VIOVC. den door Mij, door Mijne, ten behoeve van Israël verrichte, machtige wonderdaden verwekten schrik. (Vgl. Jos. 2,11); anderen: de vreeze voor M ij. — om san ion, tegen welke gij opkomt; anderen: waarheen

70

ocr page 147

JO V

nan» Va i^'pa yötfn -ba ^N^ani Ss:sh ONSD TiS^a : ^nirnK ♦mm»

I -: i* v; iv I vt : • t ; - | •gt;quot;quot; } iv : i v ^ ~ z

: vmnam 'Dirrm nnn ':^:ani mam ♦nnni no«n

a* : - : v* * »quot; • •*!*: ~ : ^ • : - : • • j- : • v:it

on^voa n'B'yn onayn on^n^Kb ninn^n-^1? ^

av •• ^:i- ; v.*-* •' ^ : quot; r'riT ^ ; v •• i •• lt;v-:i-^: • i

nK ornavi : on^naïo quot;tairn -lai^i Donnn Din 'a •■«

••« v :-^ii- iv .....- vquot; ~ : jquot;' i quot; i-'t : quot;r lt;•

nbna ♦nipni ^D'ö-nKi ^onynK ^ai oa^K nin» -PK ixquot;iN3 mppquot;! nbat^a n^nn D * : nanpo «

) av ;- : v.tit^:i- jt •• : -iv : r j | iv ;l* •

■nK^nsni ^ia1? n^N 'novn» : KVOK quot;laDD»

- : | vt : ----: • t !•• v iquot;--: I \,vr m ■gt;' '• '

' Ta^aTw ♦nnji ona Kan o^n-^a

i V^i f V.v •• | •)•.• : i t v s- -it; av t v, t jv -z t t t

^aan-nK ^nn-nK n^ai ^a*? n^nyn-nK 'nnbtyquot;!n -ra rm n^a n^an n4? : Tia^D ♦nnrrn«i d3

i v at v jt t : Kv t • •)••• ;it-i s i iv t : * •quot; v :

□vo üï;ö : mirn n»n naii n6m rixn n^nn1'

: iv t - j- - P v.v*t jt -: t t ; | v t t lt;v: r

♦ntyi : phhtk n^n:*! nnan ib'n quot;i^ ?naa 13^13« ^

j* - : | vit t v v.t ; -it v ; • •»••• ^ ^-lt; | avt • vquot; :lt;t-J

i 'a nnan-iv na-taoi o^^ba D»-nvi nVarnN

-»• at t - : • • * : • : jt : i - ' i : t\ :

gij zult komen. — t|ijgt; —vnji, eig.: Ik zal uwe vijanden voor u tot nek maken, d. w. z. maken, dat zij u den nek toewenden, vluchten; quot;p'w = quot;fquot;1.

28. n^isn. de horzel, een soort wesp, wiens steek levensgevaarlijk is. Ibn 'Ezra schijnt het voor eene soort melaatschheid te houden. — De drie hier genoemde volkeren waren óf de machtigste en hoofdstammen (hoewel op andere plaatsen ook /,de Emorietquot; als algemeene naam voorkomt) öf het meest door de hier genoemde plaag geteisterd. — Het is twijfelachtig, of hier werkelijk aan, vóór Israel's aankomst het land Kena'an teisterende, wespen moet worden gedacht, dan wel onze plaats figuurlijk moet worden verklaard: de stekende, de ontmoedigende vrees. Jos. 24,12 wordt gezegd, dat twee Emoritische koningen door den horzel zijn verdreven, waarvan overigens bij de inbezitneming des lands geen melding wordt gemaakt. (Vgl. ook Sota 36a).

29. nootr. voest, onbebouwd bij gebrek aan werkkrachten.

30- DJ?D ÓyO» bij kleine groepen, gaandeweg, slechts hier en Deut. 7,22.— ncnii min -»p« ir, totdat gij' u zoozeer zult hebben uitgebreid, dat gij het ge-heele land kunt in bezit nemen en voldoende bevolken. Israël was niet talrijk genoeg om aanstonds het geheele gebied van Kena'an te kunnen bewonen; het land zou dan eene te weinig dichte bevolking hebben gehad en niet behoorlijk bebouwd en bewerkt kunnen worden. Jos. 13,1—7 blijkï, dat inderdaad na de overwinning op de Kena'anieten in het Zuiden en Noorden des lands, die Israël hadden bestreden, het geheele gebied verdeeld en aan de verschillende stammen werd toegewezen, aie moesten trachten gaandeweg de nog overgebleven Kena'anieten te verdrijven.

ocr page 148

EXODUS XXIII, XXIV.

zal namelijk de bewoners van dit land in uwe macht geven, én

32 gij zult ze vóór u uit verdrijven. Gij zult met hen en hunne

33 goden geen verbond sluiten. Zij zullen in uw land niet blijven wonen, opdat zij u niet tegen Mij doen zondigen; want gij zoudt dan hunne goden dienen; immers het zou u ten valstrik zijn.quot;

24 i Tot Mozes echter zeide Hij: «Stijg op tot den Eeuwige, gij en Aharon, Nadab, Abiehoe en zeventig van de oudsten uit

2 Israël, en werpt u van verre aanbiddend neder. Mozes alleen echter zal tot den Eeuwige naderen, doch zij zullen niet nader

3 treden; en het volk zal niet met hem opstijgen.quot; Mozes kwam nu en verhaalde het volk al de woorden des Eeuwigen en al de rechtsvoorschriften. En het geheele volk antwoordde eenstemmig en zij zeiden; ,;Alle woorden, die de Eeuwige gesproken

4 heeft, zullen wij doen.quot; Toen schreef Mozes op al de woorden des Eeuwigen, en stond des morgens vroeg op, en bouwde een altaar aan den voet van den berg; en twaalf gedenksteenen,

5 naar de twaalf stammen van Israël. Hij zond de jongelingen van de kinderen Israels, en dezen brachten brandoffers; ook

31. In breede lijnen worden hier de grenzen des lands aangegeven; vgl. Gen. 15,18. Kan de Schelfzee, in het Zuidwesten, tot de zee der Phi-IMjnen, d. 1. tot de Noordelijke grens van het door Philiatijnen bewoonde kustland der Middellundsche zee; en van de Arabische woestijn in het Zuidoosten tot den stroom, den Euphraat, ten N. O. van Palaestina. Onder David had het land der Israëlieten inderdaad deze uitbreiding.

32. Een verbond sluiten met de goden, wil zeggen : toelaten, dat zij vereerd worden. Nachm.: gij zult niet met hen en hunne goden een verbond sluiten, d. w. z. zoolang zij hunne goden blijven dienen; doch wel, indien zij eerst de zeven Noachidische plichten op zich nemen.

33. Gij moogt hen niet in uw land laten wonen als afgodendienaars.— fpicS, tot valstrik, oorzaak van ondergang of zonde. De aanwezigheid der hunne goden dienende Kena'anieten zou u tot afval van God verleiden, die niet ongestraft zou blijven.

Hoofdstuk XXIV. Volgens Ibn 'Ezba en Nachm. bevatten vs. 1 en 2 een voorschrift aan Mozes omtrent hetgeen hij, na de mededeeling der tot nu toe hem geopenbaarde voorschriften aan het volk, zou moeten doen. Vs. 3-8 bevatten dan het verhaal van de mededeeling aan het volk en het sluiten van het verbond, vs. 9 vv. de uitvoering van het bevel van vs. 1, slechts kort aanstippend, dat de daar genoemde personen den berg bestegen en wat zij daar aanschouwden. Met vs. 12 begint dan de beschrijving van het /^naderen van Mozesquot; uit vs. 2. Dan is dus het eerste bevel aan Mozes gegeven bij de openbaring der wetten, het tweede (vs. 12) na de mededeeling aan het volk en het sluiten van het verbond. — Rashie meent daarentegen, dat vs. 1 en 2 vóór de wetgeving, op 4 Siewan zijn gesproken en aansluiten bij het Ex. 19,24 gegeven bevel; het is dan de bestijging van den berg, om de wetten van hoofdstuk 20,19—23 te vernemen; hij de openbaring der tien geboden toch was Mozes niet op den berg; terwijl vs. 12 een nieuw bevel bevat om, na het sluiten van het verbond, den berg te bestijgen, ten einde de steenen tafelen in ontvangst te nemen. Wat dan 20.1Ö kort is medegedeeld, dat Mozes naderde tot den nevel, waar God zich bevond, is hetzelfde, wat hier vs. 9 wordt vermeld.

71

ocr page 149

12 » D'üfiPD Ny

nnan-^ : ^330 iDntrui p«n 'atr' pk ü5t3 wk^

^ ; • i | ivt • vt : -iquot;: i vt t •••• ; i ••« v :v : !-•••.•

?|nN i^ianril ^yiKa n1? : nna Dn»ri^,?i Dn1?» s : ^pioS ïi1? n^-'3 Dn^N-nw nayn »3 ^

^ : ^1: gt;v:r • v ••-•.•: fv ~-tt- lt;• a-

3*13 r^riNi nm nin^^N quot;ion n^Q-^sii»

• -:i-^ jtt i -liquot;: t - t : v - t

ntro t^aai : pmo onnnn^ni »3pTö 0^21^1 =

lt;v -•; 11 tiquot; {quot; •-* 1- ; • ; aquot; t : • j-I : • • •

tón : lay iSjr xb o^ni ah oni nin^bn ITO1? ^

j t - i quot; v ^iiquot; j gt; t ; at * -• : t ; v - :

D'üötfarr^a nNi nin» nar'ja n« quot;ison n^o

a* t ; • - t vquot; : t : -•quot; t • t^ ••« t t quot; :quot; •* ^

nin» -)3TI^K Dnain-^ noK»i TIN 'pip Dyrr-^3 rv'i

{T jv • v -: ■♦•t;- t : •*- tv 1« *t t t 1-quot;-

I3*i quot;ip33 D3ty»i nin» n3Ti?3 nx ntbn 3n3*i : n'w

I v^-- Iv - -•••;-- t : • t ••lt; v iv *hi-

»t33ïy □♦3iy,7 n3ïo D'ntri mn nnn n3TD

r* : • vt • r* : * t •• - ••; ^v lt;•• : at t - - vquot;: *

in3T»i rity i^»i *33 n^3-n« n^'i :

: : • - a v quot;ti • jquot; ; quot;*^:i- v - : • - iquot; t ; •

i- noN. nro Snv Van de zooeven medegedeelde opvattingen hangt het af, of men vertalen moet: Tot Mozes alleen echter zei de Hij, niet meer voor mededeeling aan het volk bestemd; dan wel: en tol Mozes h a d Hij gezegd, vóór de openbaring. — De oudsten van Israël worden reeds Ex. 3,16 als vertegenwoordigers des volks genoemd. Het getal 70 komt ook Num. 11,16 bij de instelling van een vasten Raad van oudsten voor en is ook later het getal der leden van het Synhedrion geworden, den voorzitter niet medegerekend, evenmin als t. a. p. Mozes onder het aantal is begrepen.

2. Nadat allen, ook Mozes, zich hebben neergeworpen voor God, zal Mozes alleen verder den top van den berg naderen, doch zij, de oveiige in vs. 1 genoemden, niet; het volk echter mag den berg in het geheel

niet bestijgen. Evenals in vs. 1, 'n hn, = tot Mij, zoo hier: nca djji =

gij zult naderen-, overgang van directe tot indirecte rede, gelijk zeer vaak voorkomt.

3- iirO JO'I» Mozes kwam van den berg af tot het volk. noquot;, verhaalde in breede uiteenzeiting. — o^EX'nn Sa nso 'n quot;31 S3, al de woorden en al de rechtsvoorschriften, één begrip in twee woordgroepen uitgedrukt. Bedoeld zijn de wetten van 20,19 tot en met hoofdstuk 23, dezelfde, die Mozes, naar vs. 4, opschreef.

4. -innnnn. aan den voet van den berg, binnen de Ex. 19,12 genoemde omheining, die het volk van den berg scheidde; daarom

5. nbcn. zond hij de jongelingen uit het leger naar het dichter bij den berg geplaatste altaar. — nrs, de jongelingen, volgens Onkelos, Rashie en Rashbam; de eerstgeborenen, die dan bij deze gelegenheid als priesters zouden gefungeerd hebben; Ibn 'Ezra en Nachm. : reine, krachtige jongelingen. — iVn, volgens Onkelos e. a. brachten de jongelingen de offers; v. a. is hier het onderwerp: Nadab en Abiehoe. Waaruit de brandoffers bestonden, wordt niet vermeld; de vredeoffers, grootendeels door de deelnemers als offermaal te gebruiken, bestonden uit stieren.

ocr page 150

EXODUS XXIV.

slachtten zij stieren als vredeoffers, ter eere des Eeuwigen.

6 Mozes nam de helft van het bloed en deed het in bekkens; de andere helft van het bloed echter sprengde hij tegen het

7 altaar. Vervolgens nam hij het boek des ver bonds en las het ten aanhoore des volks voor. Toen zeiden zij; /,A1 wat de Eeuwige gesproken heeft, zullen wij doen, en wij zullen ge-

8 hoorzamen.quot; Mozes nam nu het bloed en sprengde het op het volk, en zeide: Ziehier het bloed des verbonds, dat de Eeuwige met u gesloten heeft, betreffende al deze woorden.quot;

9 Nu steeg Mozes op met Aharon, Nadab en Abiehoe en zeventig

10 van de oudsten uit Israël. Zij zagen [de verschijning van] den God van Israël; en onder Zijne voeten was als het werk van glinsterend saffier, en als de stof des hemels in reinheid.

11 Doch aan de aanzienlijken der kinderen Israëls sloeg Hij Zijne hand niet; nadat zij nu [de verschijning van] God

12 hadden aanschouwd, aten zij en dronken. — Hierop zeide de Eeuwige tot Mozes: «Stijg tot Mij den berg op, en blijf daar; dan zal Ik u de steenen tafelen geven met de leer en het gebod, die Ik [er op] geschreven heb, om ze hen

13 te onderrichten.quot; Mozes stond op en zijn dienaar Jehoshoe'a;

14 en Mozes steeg op naar den berg Gods. Tot de oudsten echter had hij gezegd: «Blijft ons hier wachten, totdat wij tot u terugkeeren; ziet, Aharon en Choer zijn immers bij u; wie

6. De eene helft deed hij in bekkens, en liet het voorloopig staan, om het later, nadat het volk zijnerzijds de bondsbelofte zou hebben gedaan, voor sprenging op het volk te bezigen. De andere helft deed hij natuurlijk ook in een bekken, (volgens Ibn 'Ezra ziet het meervoud, rojsa, op twee hekkens, waarvan één gebruikt werd voor de sprenging op het volk, en het andere voor die op t altaar), maar sprengde het, d. w. z. wierp het door eene beweging met het bekken, tegen het altaar aan, het bondsteeken aanbrengend op de Godgewijde plaats, als vertegenwoordigende de Goddelijke Majesteit.

7- man nso. het vs. 4 bedoelde afschrift der wetten. Hoewel de wetten reeds aan het volk zijn medegedeeld, leest hij onmiddelijk vóór het sluiten des verbonds ze nóg eens voor, opdat de belofte onder den verschen indruk der daarmede op zich genomen plichten zou gegeven worden. — rncw new, wat God reeds gesproken heeft, zuller. wij ten uitvoer brengen, — en zullen luisteren naar en opvolgen wat Hij nog zal bevelen.

8. oyn hv pin. op de oudsten, als vertegenwoordigers des volks; of naar den Thalmoed; in de richting naar het volk, zonder dat allen er door bespat behoeven te zijn.

10. De bekrachtiging van het gesloten verbond, doordien de vertegenwoordiging van Israël: zijn leider, zijn priesters en zijn oudsten, de Goddelijke Verschijning aanschouwen. — inti, Irn 'Ezra : in profetisch visioen, evenals itm (vs. 11); vgl. 'Amos 9,1: ins ns vron, Jes. 6,1 e. a. p. — nish TBCn, v. s. als een tichel van saffier-, anderen; als de witheid, (d. i. de glinstering, daar saffier niet wit is, maar donkerblauw) van den saffier-, Ibn

quot;72

10

ocr page 151

13 D'MBPD ay

d^»i D-in 'yn nvü npn : ons nirrb D'ab^ vnzv

v^tquot; t - ■j* -i v |-c*- i' t 1quot; •)• t ; s* t :

KVrnnamaonp»'! : narsn-^ pquot;i? D^n ♦xni n:2«3 gt;

^ti : • - • ; - •.•-••• i - •- -!••: - i ^'r t - •*' tr a t - it

np 'i *: rö^ai niry: nin* larirN Va rrat^i oyn ^wan i

»lt;—- ^ it : • ; r.* #5';i- vt ; r-* * v -: ^ - 'att t : »—

marrm nan pnT'i DTrnK nis'o

v -: • : - ~ lt;•• • v - 'att ' i K'-'~ , t quot; ^

rhnwin^oVyi :rhar\ Dna^rrVa Vp oisy nin» mao

i A-! i- : v,v ...... T T . - T v t • ^ t : ^ lt;-t

♦riquot;?» n« INI»quot;) : ^pto D^a^i Kin^aNi an:'

j.. ... ^.. !*quot; , iquot; t: • jquot;l: • • 'c* ; • ; • -li- tt

D'otrn Dï^ai n-èDn n:aV nt^yoa vVan nnni

•v~ t^ - v7v : , * quot; ' ^* ! .* i~ : t ; - - ; aquot; t ; •

tik ititi n» nb^ k1? 'jK'iiï'» ^a : quot;iriü1? ^

v:iv- at V.quot; t ^ •• t: • ••quot; ; « • -: ... ; quot;it

nEto-'jNnliT *IDK»I D : in^i iVa^'i

^ r.t, ... ... T . quot; r quot; ^ i : •- v. : • v;jt

minni pxn rinVriK nV n:nNi Dty-n^m mnn

t - : i v v t j \ v p; t ; v : at •• ; iv t vt. ▼ •gt;quot; **

ini^o nsbo op n : oniinV ^nana rnvam ^

a :it : r v It^t- it i : • : y,' r j'.' t : • ~ :

uy-iatf ION D^pn-^t : D^nn quot;in-^K ntro

-t ^ ^ - t «•!••:- ^ v : r v;it jquot; v v.quot;

■♦d oasj; nm pn« nsni oa^K awntrK ny nb

v t ; 1 lt;iquot; •• • ; av •• -: v t v ~ï vt

'Ezra : als het werk, de werking van saffiersteen, donkerblauwe glans; parallel met het volgende enen dïïdi. — d^c n oïjoi, als de substantie des nemels, wat zuiverheid en reinheid van kleur aangaat. Het volk aanschouwt (vs. 17) later slechts een vurigen schijn op den berg.

11. ,S,3CKgt; Nadab, Abiehoe en de oudsten; zij stierven niet en werden niet door Gods hand getroffen, hoewel zij Gods verschijning zagen; daar zij zich binnen het hun aangewezen gebied hielden. (Vgl Ex. 10,24). — DViSsn ns wt«. Nadat zij de verschijning hadden aanschouwd, daalden allen den berg weder af, en aten van de vredeoffers en dronken-, hielden een feestmaal ter eere van het gesloten verbond. Anderen: tot de overige voornamen van Israël zond Hij Zijn geest niet, ('n quot;p, de profetische geest,

felijk vaak bij de profeten)elijk vaak bij de profeten) doch zij zagen van verre, (ren, — sterker an run, zien van nabij, — aanschouwen, als uit de verte) de Goddelijke Verschijning, maar konden voortgaan te eten en te drinken.

12—18. Inleiding tot de openbaring aangaande de Goddelijke Woning (Hoofdstuk 25—31) en de dan volgende feiten, rrwnm mirim pxn rnS rx, de sternen tafelen met, waarop staan de leer en de geboden-, anderen: en de leer enz. omdat op de sieenen tafelen slechts de tien geboden stonden. De leer en de geboden, algemeene naam voor alle wetten der Thora. (Vgl. onze aant. Gen. 26,5).

13. Mozes bestijgt den berg, door Jehoshoea' begeleid; doch deze blijft achter, misschien op dezelfde plaats, waar vroeger de oudsten staan bleven; en Mozes alleen stijgt op naar den berg Gods-

14. Sv3gt; een man, die rechts-zaien heeft. (Vgl. niiaSnn Sm, Gen. 37,19).

ocr page 152

EXODUS XXIV, XXV.

15 een rechtsgeding heeft, kan zich tot hen vervoegen.quot; Mozes

16 besteeg dus den berg, en de wolk bedekte den berg. De heerlijkheid des Eeuwigen rustte op den berg Sienai, en de wolk bedekte dezen zes dagen; op den zevenden dag riep Hij

17 Mozes van uit de wolk. — De verschijning van de heerlijkheid des Eeuwigen was als een verterend vuur op den top van

18 den berg, voor de oogen der kinderen Israels. Mozes kwam nu in het midden der wolk, en klom den berg op; en Mozes bleef op den berg veertig dagen en veertig nachten.

2 1 De Eeuwige sprak tot Mozes, als volgt: „Spreek tot de kinderen Israels, dat zij Mij eene heffing nemen; van ieder, wiens hart hem daartoe drijft, zult gij Mijne heffing

15 Herhaling van vs. 13, daar vs. 14 den geregelden gang van het verhaal heeft afgebroken. Anderen: Toen nu Mozes den berg heklom, bedekte enz., zoodat hij nog niet tot den top naderde; eerst op den zevenden dag na zijne bestijging van den berg riep God hem tot Zich (Vs. 16).

17. De kinderen Israëls zagen van uit het leger op den berg een glans van verterend vuur, misschien eerst van af het oogenblik, dat God Mozes tot Zich riep.

is. -nn Sk Sjn. beklom den berg verder, zoodat hij dicht bij den top kwam. — Onder de veertig dagen zijn ook de vs. 16 genoemde zes begrepen.

Hoofdstuk XXV. Waarschijnlijk werden de voorschriften aangaande bouw en inrichting van den tabernakel in de 24,18 genoemde veertig dagen gegeven. Uit vs. 21 toch blijkt, dat de steenen tafelen nog niet gegeven waren; terwijl de plaatsing van deze voorschriften na hoofdstuk 24 er op wijst, dat zij zeker niet bij de eerste openbaring (20,19—23,33) gegeven zijn. Toen (31,18) de tafelen aan Mozes werden overhandigd, was de arke, voor hunne bewaring bestemd, dus natuurlijk nog niet gereed; en evenmin toen hij, na een nieuw verblijf op den berg van veertig dagen, de tweede tafelen in het leger bracht (34,29). Zoo Jaat het zich verklaren, datDeut. 10,1 het bevel (en vs. 3 de uitvoering daarvan) om een houten arke te maken aan Mozes wordt gegeven, vóórdat hij ten tweedenmale, na de verbreking der eerste steenen tafelen, den berg met de nieuwe tafelen bestijgt. De hier gegeven voorschriften omtrent den bouw des heiligdoms werden dan door Mozes eerst na zijn tweede veertigdaagsch verblijf op den berg bekend gemaakt, waarna dan met het innen der heffing enz. werd begonnen. (Vgl. Ex. 35,4, waar die mededeeling uitdrukkelijk wordt vermeld, naar onze verklaring: omdat tusschen openbaring en mededeeling

feruime tijd was verloopen.) De hier gegeven openbaring omvat Ex. 5,1—31,17; wat de groepeering betreft, valt het volgende op te merken: na het algemeene voorschrift omtrent de heffing (25,1—9) volgt in de eerste plaatseruime tijd was verloopen.) De hier gegeven openbaring omvat Ex. 5,1—31,17; wat de groepeering betreft, valt het volgende op te merken: na het algemeene voorschrift omtrent de heffing (25,1—9) volgt in de eerste plaats de arke met zijn deksel (msDi pis), bestemd ter opneming der tafelen, maar tegelijk tot plaats, vanwaar voortaan de openbaring zal

feschieden (10—22). Dan volgeneschieden (10—22). Dan volgen tafel en luchter (mum jnSc), beiden in het eilige te plaatsen, die door hun voortdurend daarop aanwezig brood en dagelijks ontstoken licht hoofdbestanddeelen van den eeredienst uitmaken (vs. 23—40); vervolgens de inrichting der eigenlijke leuning, pea, waar-

73

ocr page 153

ro quot;D nonn n^n DD^I mn-^K nt^o by^ : DH^K onm bvn ™

kt'tiv J- : - ATT v v.quot; ^ j— ivquot; -; gt;-• ».• t : * j-

f:Tj;n mDpn ♦i'p ninpip * ; nnn-nxra p : ji^n TjinD yzfn DV? HB'Ö-^N D'p; npamp; ♦:3 -inn ^12 irxa nin» -1133 nKnoi ^

^jquot; : {»: at t -• : v jquot; ; t ; -^ : •• : -

n^D 'nn TTTVN r:i;n ■nina n^o ay) : bNivquot;*

lt;• :- att v «•-— kt^tiv ) ^ : .)••• j T- i» t : •

ö : nV1? D^aiNi DI; D^3ix irn

t :it •v.' t ; - : *-«• t ; - t t

'yinp'i 131 : naxb n^D-^ nin» isti « HD

(.• I:-: •■ t: ■ •quot;• : v quot; , l, quot; J'-' •■■ it ; j~ -:-3

quot;HN inpn 137 IIDT ItTN ^^-^3 HND HOinn

1.1: ■ - -■•.•:■ ■quot;.• -I t lt;■• •• rtt :

binnen de drie genoemde voorwerpen hun plaats vinden (Hoofdst. 26), waarop de beschrijving van het brandofferaltaar met het daaromheen eerst af te schutten voorhof volgt (27,1—19). Daarbij sluit het voorschrift omtrent het ontsteken van den luchter aan, als overgang tot priesterkleeding en priesterwijding (vs. 20 en 21) — een voorschrift, dat overigens ook Lev. 24,1—4, waar de bediening van luchter en tafel voorgeschreven wordt en dus de eigenlijke plaats is, en Num. 8,1—4 (evenals Ex. 27,20 en 21 bij de priesters) als inleiding tot de wijding der Levieten voorkomt. De priesterkleeding en wijding en de dageliiksche offerdienst wordt dan in Hoofdstuk 28 en 29 behandeld, waarna de beschrijving der hoofdzakelijke inrichting van het heiligdom met die van het reukwerkaltaar wordt afgesloten (30,1—10). De beschrijving begint dus met de arke, waar God Zich openbaart, en eindigt met het reukwerkaltaar, dat in rechte lijn ervoor staat, slechts door het voorhangsel, rois, ervan gescheiden; de dienst aan dit altaar heeft eerst plaats na dien op het brandofferaltaar en wordt klaarblijkelijk als de hoogste en meest gewichtige beschouwd. Aan begin en slot der beschrijving staan dus de beide voornaamste voorwerpen. In hoofdstuk 30,11 — 38 volgen dan nog eenige aanvullende voorschriften: de bijzondere heffing per hoofd (vs. 11—16), het waschvat (17—21), zalfolie (22—-33), reukwerk (34—38), om eindelijk in hoofdstuk 31 met uit voeringsbepalingen (aanwijzing der leiders van den bouw en inachtneming van den Snabbath, óók bij het Gode gewijde werk) te eindigen.

2. -h inpn zij, de Israëlieten, zullen van het hunne nemen en voor Mij bestemmen, nnnn, heffing, niet juist: opheffing, eene op- en neerwaartsche beweging, maar: iets dat voor hooger doel afrjezonderd wordt van het overige, hier: van de andere bezittingen. — 12S um -ic.s ü\s Ss ns», van ieder persoon, wiens hart hem tot geven dringt, enz. of: van ieder persoon zult gij als heffing Mij ter eere nemen dat, maar to e zijn hart hem drijft. — ,inpn. Of met Luzzatto hier als aangesproken onderwerp aan, voor Tiet in ontvangst nemen der giften aangewezen, personen gedacht moet worden, schijnt met het oog op Ex. 36,3, wa^r zij de gaven direct tot Mozes bren-. gen, hoogst twijfelachtig. Anderen meenen dan ook, dat hier de geheele gemeenschap wordt opgedragen voor de afzondering te zorgen.

ocr page 154

EXODUS XXV.

3 nemen. En dit is de heffing, die gij van hen nemen zult: goud en

4 zilver en koper. En hemelsblauwe, purperroede en karmozijn-

5 roede wol en byssus en geitenhaar. En roodgeverfde ramsvellen

6 en Thachash-vellen en Shitta-hout. Olie tot verlichting; welriekende stoffen voor de zalfolie en voor het reukwerk van

7 specerijen. Shoham-steenen en edelgesteenten om in te zetten,

8 voor den Ephod en het borstschild. Zij zullen Mij een heilig-

9 dom maken, dan zal Ik in hun midden wonen, — Gelijk al hetgeen Ik u laat zien, het beeld der woning en het beeld

10van al zijn voorwerpen; juist zoo zult gij het maken. — Zij zullen eene arke van Shitta-hout maken, twee en een half el

3. nennn nN'l. De heffing bestond niet uit geld of geldswaarde, maar uit stoffen, die voor den bouw enz. gebruikt moeten worden (Sipob.no).

4- nSsn. diep donkerUauw, als de kleur des hemels en der zee in het Oosten; jsj-in, rood purper, schitterend donkerrood; w nrWi, de karmozijn-kleur, die uit de lichamen en eiernesten van den schildluis vervaardigd wordt; de woorden beteekenen dus; de wol, gekleurd met de verfstof, uit den Shanie-v-orm bereid. Anderen meenen, dat ijw beteekent; tweemaal geverfd, wat echter alleen bij purper schijnt geschied te zijn; n. a. naar het Arabisch; schitterend, evenals dezelfde kleur in het Chaldeeuwsch•nim heet, van mr, glans. — De drie hier genoemde kleuren duiden daarmede geverfde wol aan, daar zij als stof tegenover ongeverfde byssus en geiten geplaatst worden; bovendien schijnt linnen niet, of hoogst zelden, geverfd te zijn, maai- veeleer icit gedragen, üb, is fijn v:it linnen of katoen; hier echter linnen, daar op andere plaatsen parallel met cr, het woord na of ruws gebruikt wordt. Sommigen brengen het in verband met üt, wit marmer, en juw, witte lelie, alle drie dus van een ongebruikelijken stam, pw, die wit zijn moet beteekenen. De traditie ziet in het gebruik van den vorm ot de aanwijzing, dat deze, en evenzoo alle andere draadsoorten, waarnaast deze uitdrukking voorkomt, zesdraads zijn moeten. — dvïi, geitenhaar, waarvan draden gesponnen (35,26) en gordijnen geweven werden. (26,7) waarschijnlijk de helder witte haren van angorageiten, waarvan nog heden kostbare gewaden worden vervaardigd.

. 5- .JTW'

ïams-rellen, die roodgeverfd waren ; een soort juchtleder. Het is twijfelachtig, of die huiden gelooid waren; waarschijnlijk echter was dit wél het geval. — Dvrnn mn. Het is onzeker, wat fnnis. Volgens Onkelos e. a. eene kleur-, volgens den Thalmoed en vele commentatoren; een dier, dat óf naar de meening van eenigen slechts toen tertijd bestond, óf aangeduid wordt als een zeedier, van welks huid voor de vervaardiging van fijne sandalen gebruik gemaakt wordt. (Vgl. Ez. 16,10). — ffw 'sri, de Arabische accacia, een boom, wiens hout zeer licht is en door vocht niet verteerd wordt, dus gemakkelijk te dragen en van groote duurzaamheid, bovendien welriekend en, eenigszins oud geworden, zwart als ebbenhout. Midrash houdt het voor een cedersoort, (Jes. 41,19 wordt het onder de boomsoorten genoemd, die naar den Thalmoed allen cederen zijn), die dan uit Egypte zou medegevoerd zijn. Reeds Ten 'Ezra bestrijdt die meening en meent, dat de Shitta-boom in de nabijheid van Israël's legerplaats aangetroffen werd.

, 6. quot;INdS pr- Daar dit, naar Ex. 27,20, bijzonder voor dit doel toebereide olie moest zijn, wordt zij hier onder de gaven genoemd, terwijl

74

ocr page 155

ro no-nn

: nmn nDDi anr dhno inpn nannn Hnti : ♦nomnj

V i : vv,v t jt t at * iquot; I : • jquot; ■: t : - ; r t i :

nSjri : an^i n^bini rojnNi rtervn

^ s* •• ^ : •' : jquot; : t : Iott : - : vs- ; -j

DW3 quot;ÏKD1? rojy : m D^nn nhvi D^O^NQ 1

• t ; a t- i VV.V r • ^-n- v.' t ; ^ ; •)• t t :

DWv'O Dn'ty-»:2N : d^sdh rriüp^i nntran ratr1?»

a* \ ' v : ~ : ' •• : - i* - - v ^ | ; • ; t ; • quot; i vjv :

V53 : mira wsw Bgt;ipo ^ : wn^ ISK1? n

: it : v.* : quot; «t : ati : • v.' . ^t: i v i^- : v. quot;«t ü

■73 n^nn nxi p^an n^an HK ^iniN

t. v.quot; : I t : • - - ••lt; | ; i • -: lt;v -:

'ïm D^nsx ?1quot;IN Virvt D : pi

. .. t • - t - a* i j ^t : i : iquot; !;•• : at ••

van de olie, voor de bereiding der zalfolie en andere doeleinden, niet wordt gesproken. — nrwon pu'S, die £x. 30,22 wordt behandeld. — dtdh mep1?!, en welriekende stoffen voor het reukwerk, dat uit verschillende specerijsoorten bestaat (Ibn 'Ezka), zooals dat Ex. 30,34 nader is omschreven; anderen; en voor reukwerk de benoodigde specerijen (Rashbam). D'UDn mep schijnt te be-teekenen; het reukwerk, dat uit tal van specerijen bestaat, die niet allen welriekend zijn. DVX'a beteekent dan; fijne, welriekende specerijen, dv» alle specerijsoorten (Nachm.). — mop, van -nep, damp, eig.icat in rook opgaat-, ik heb echter de gewone vertaling; reukwerk, als eens geijkt, behouden. In het woord ligt echter niets, wat op geur wijst.

twijfelachtig, v. s. de zeegroene beryllus, v. a. onyx of smaragd. — d\sSö ijnxi, steenen, die vullen de kassen, waarin ze gezet worden, die als zetsteenen zullen dienen, vgl. Ex. 28,17, de uitdrukking nsSm (Vgl. onze aant. aldaar). De Shohamsteenen dienden naar 28,9 voor den Ephod; de 0'xS» •02N dienden voor het borstschild, welks steenen ook naar 28,20 in gouden kassen gevat waren. Over Ephod en Choshen zie Ex. 28,20.

8. BnpD is de algemeene naam voor het eigenlijke heiligdom met het voorhof; pirn of in» Sns, voor het gebouw in het midden van het voorhof, waarin het heilige en het allerheiligste vereenigd zijn. — D3VQ rmsct, niet meer op den berg, maar in hun midden, in het heiligdom zal Ik Mijn ver-lijf vestigen en Mij openbaren, zoo dikwijls Ik dit noodig acht.

9. Sm, behoort bij cnpn i1? i»ri, öf bij Wïn pi op het einde van dit vers, welke woorden anders overtollig zouden zijn; doch in deze opvatting is de '1 van pi storend. Traditie: zij zullen Mij een heiligdom, maken... gelijk al, wat enz. en zoo zult gij ze ook maken in de toekomst, wanneer hernieuwing noodig mocht worden. De meest eenvoudige verklaring is echter die van Nachm., ook in onze vertaling terug gegeven, dat de woorden: Wïn pi, enkel het bevel nog eens met nadruk herhalen. — man, eig. bouwwerk, v. d. beeld, afbeelding. Mozes aanschouwde dus op den berg een beeld van het heiligdom en al de daarvoor noodige voorwerpen; bij technisch zoo moeilijk uitvoerbare voorschriften, helpt natuurlijk eigen aanschouwing oneindig meer, dan nóg zoo uitvoerige beschrijving.

10. pUf, kist, arke; zoo Gen. 50,26, van de lijkkist van Joseph;IIKon. 12,10, van een kist voor opneming der aan liet heiligdom geschonken gelden. — ixm D'nas. De el, niSN, eig. arm, (vgl. Deut. 3,11; ens n»M, naar mansarms-lengte) had gewoonlijk zes palm, handbreedten, nsc. Bij verschillende voorwerpen in het heiligdom, meent echter R. Jehuda, dat aan een el van

ocr page 156

EXODUS XXV.

zal hare lengte zijn, en anderhalve el hare breedte en ander-

11 halve el hare hoogte. Gij zult haar met zuiver goud beleggen; van binnen en van buiten zult gij haar beleggen; en gij zult er

12 bovenaan een gouden krans maken rondom. En gij zult er vier gouden ringen voor gieten en ze aan hare vier hoeken plaatsen; twee ringen namelijk aan hare ééne zijde en twee ringen aan hare

13 andere zijde. En gij zult draagboomen van Shitta-hout maken,

14 en ze met goud beleggen. En gij zult de draagboomen steken

vijf palm gedacht is (Baba Bathra 14a; poon rosSm NWia, 6; vgl. Mena-choth 96a). — De maten zijn buitenwerks genomen, zooals uit de geciteerde plaatsen blijkt. De hier aangegeven maten geven tevens eene aanduiding aangaande de afmetingen der steenen tafelen, die, volgens de traditie, zes handbreedten lang en breed en drie handbreedten dik waren. Al naar mate men nu bij de arke aan ellen van vijf of zes palm denkt, wordt de dikte der wanden van de arke, die in den Pentateuch niet wordt aangegeven, bepaald op een of twee duim, = een kwart of een halve palm. — Daarmede hangt ook samen de beantwoording der vraag, of later de gebroken tafelen en de door Mozes geschreven wetsrol in of naast de arke lagen. — De arke wordt in den Bijbel aangeduid als nnïn ps (Ex. 40,21), arke van het getuigenis, waarin het getuigenis ligt, (zie vs. 16); ni-an pis, arke des verhonds (Num. 10,33), of: de arke van het verhond des Eeuwigen, (herhaaldelijk in Josua en elders); 'n piN, de arke des Eeuwigen, (I Sam. 3,3); CTpn jns, de heilige arke (II Kron. 35,3).

11. rpflïl heieggen-, niet: vergulden, maar: geheel bedekken met platen geplet goud, die niet dik geweest behoeven te zijn. —-frtrnmn, vanbinnen en van huiten-, naar de traditie werden niet aan binnen- en buitenzijde gouden platen aan het hout vastgeklonken, maar werden drie kisten gemaakt, twee gouden en een houten, die in elkander sloten. Of ook de bovenrand van het hout bedekt werd, is onzeker; volgens nquot;tti.w-a 7, was dit wél het geval. — nSjj jwri, er bovenop, it, een rand, lijst, die eenerzijds tot versiering kan hebben gediend, anderzijds ook om het deksel te omsluiten, zoodat dit, ook bij het dragen, niet afglijdt. Die rand of krans behoeft niet even dik geweest te zijn, als de arke zelve; zij was dan ook enkel uit goud vervaardigd. Men neemt aan, dat het als het ware eene verlenging van den buitensten goudwand der arke was, die dan boven de binnenwanden uitstak. — 3130, rondom, aan alle vier zijden.

12. npj»1!. van gegoten metaal moet gij ringen maken, nnrui, en ze dan vast hechten, waarschijnlijk bewegelijk, zoodat zij in oogen werden gehaakt. (Dit is vermoedelijk de bedoeling van Rashbam.) wispb rmx Sr. Rashie en Ohkelos: hoeken-, de ringen zonden dan bovenaan de arke zijn aangebracht; Ibn 'Ezba : voeten, pooten; dan zoude de arke niet vlak op den bodem zijn gestaan, maar pooten gehad hebben, waarvan echter met geen woord melding wordt gemaakt. Naoiim. wijst er echter op, dat ors = Sn ook eenvoudig kan beteekenen: benedenzijde, evenals pni de bovenzijde, zoodat er dan zou staan, dat de ringen onderaan de arke bevestigd moesten worden. Hijzelve verklaart: aan de vier zijden, waar de dragers voortschrijden. De ringen dienden om stangen door te steken en moesten zich dus twee aan twee aan dezelfde zijde der arke bevinden. Volgens de traditie bevonden zij zich aan de smalle zijden, zoodat de afstand tusschen de beide draag-stangen twee en een half el bedroeg (Menachoth 98a). — nvao wi enz. Volgens Rashie, Rashbam e. a. te vertalen: namelijk twee ringen enz.; het zijn dan dezelfden, die in het begin van het vers genoemd zijn; doch terwijl men uit de daar gebezigde woorden zou kunnen opmaken, dat de

75

ocr page 157

na nonn ny

antina n^öïi :inbp ^ni naKi lim Wm nsw ii-i«^

•'t t lt;t • • ; i t 11 • vquot; t - : : t • •• t «t - : ; t

: a^D anr it vty n^jri wavn nnsi n»3o quot;iinta

• * t {TT Jquot; 4T*T t s* t : av - ; | ^ • t

vnb^ö yaiN nnnji anr n^ata vaiN npï»i ^

at ^!i- j- ; - . t ^'quot;,t: tt. ' : - tI;-»-t;

nriNn n^aü 'ntri

bnan-nx nKam : ant dhk n^avi amp;m na rvfewi*

• - - v lt;t quot; tquot; : itt vt JT ' ' : /,• • ■quot;• -: vquot;quot; t j* *t :

vier ringen zich ieder aan een der vier zijden der arke bevonden, wordt hier hunne plaatsing nader bepaald. Ibn 'Ezra meent, dat er acht ringen waren, vier om de draagstangen in te schuiven en vier als sieraad; nij vertaalt dus: en bovendien twee ringen enz. — iïSï Sr, aan zijne zijde; volgens Sipoiuio heet de lengte-zijde ySx. Vergelijkt men daarentegen Ex. 26,20, waar het zijwand schijnt te beteekenen, dan is ook hier rw in den zin van: zijwand, te nemen. Daar nu de arke in den tabernakel dwars stond, zoodat de langste zijde over de breedte van het gebouw en dus naar de voorzijde stond, vormden de smalste zijden, de breedte, de zijwanden. Daar bevonden zich de ringen en de draagboomen, die, naar de traditie, van den achterwand des heiligdoms tot het voorhangsel liepen, dat het Allerheiligste van het Heilige scheidde, en dit eenigszins naar voren deden op-bollen. Zoo komt dus ons tekstwoord volkomen met de traditie overeen.

13—15. Neemt men slechts vier ringen aan, dan staat hier, dat in die ringen, die zich volgens vs. 12ft aan de beide zijden der arke bevinden, de draagboomen gebracht moeten worden, welke dienen om de arke te dragen, en er nimmer uit mogen verwijderd worden. De woorden: Tna intn (Num. 4,6) moeten dan vertaald worden: en zij zullen hare draagboomen (die der arke) leggen op hun schouders, of: in goede orde verschuiven, zoodat zij op de vereischte lengte aan weerszijden uitsteken. Evenzoo verklaart men Ex. 40,20 waar dan gezegd wordt, dat Mozes de draagboomen op hun juiste plaats hracht, nadat Betsalel ze, volgens 37,5, reeds in de ringen had gestoken. — Neemt men echter acht ringen aan, dan kunnen onze verzen zeggen: als de arke gedragen moet worden, om mis nsfS, moet gij de draagboomen in de ringen brengen, die zich aan hare zijden bevinden, terwijl zij anders in de ringen aan de benedenzijde worden gestoken; in het algemeen echter moeten de draagboomen zich steeds in een der beide stellen van ringen bevinden en moqen er nooit geheel uit verwijderd worden. (Vs. 15). De woorden via tooi (Num. 4,6) beteekenen dan: zij zullen de draagboomen leggen in de bovenste ringen, na ze een voor een uit de ondersten te hebben verwijderd. — Anderen nemen echter ook twee stellen draagboomen aan, één dat steeds aan de arke bleef, (vs. 15) en een tweede, dat er slechts aan was bevestigd, als de arke gedragen moest worden. Vs. 14 spreekt dan van die laatsten, vs. 15 van de eerstgenoemden; Num. 4,6 is dan sprake van de werkelijke rfroa^boomen, die eerst bij het vertrek werden aangebracht. Ter bekrachtiging dezer verklaring wijst men op Ex. 27,7, waar bij het altaar, welks draagboomen immers wél verwijderd mochten worden, ongeveer in dezelfde bewoordingen over de draagboomen wordt gesproken, als hier in vs. 14. Het is naar deze opvatting echter hoogst bevreemdend, dat dan nergens van die twee stellen draagboomen uitdrukkelijk melding wordt gemaakt; hoewel anderzijds niet kan ontkend worden, dat vs. 13 geen getal noemt. Doch D'iin van vs. 14 doelt klaarblijkelijk op alle in vs. 13 genoemden, zoodat van slechts twee draagboomen, niet van vier sprake schijnt te zijn.

ocr page 158

EXODUS XXV.

in de ringen, aan de zijden der arke, om de arke daarmede te

15 dragen. In de ringen der arke zullen de draagboomen blijven; zij

16 zullen er nimmer uitgenomen worden. En gij zult in de arke het

17 getuigenis leggen, dat Ik u geven zal. En gij zult een deksel van zuiver goud maken; twee en een half el zal zijne lengte

16 zijn, en anderhalf el zijne breedte. En gij zult twee gouden Cheroebiem maken; van gedreven werk zult gij ze maken uit

19 de beide einden van het deksel. Maak namelijk éénen Cheroeb uit het einde aan den éénen kant, en éénen Cheroeb uit het einde aan den anderen kant; uit het deksel zelf zult gij de

20 Cheroebiem maken, aan zijne beide einden. De Cheroebiem zullen zijn; de vleugels naar boven uitspreidende, het deksel beschuttend met hunne vleugels en hunne gezichten naar elkander toegekeerd; naar het deksel zullen de aangezichten der Cheroe-

21 biem gewend zijn. Het deksel nu zult gij op de arke leggen, er bovenop, nadat gij in de arke het getuigenis zult gelegd heb-

22 ben, dat Ik u geven zal. Dan zal Ik u daar samenkomsten bepalen, en zal met u spreken van boven het deksel, — van tusschen de twee Cheroebiem, die op de arke van het getuigenis zijn, — alles wat Ik u voor de kinderen Israels zal gebieden.

15. no1 nS* Gelijk zoo vaak de bp in de beteekenis van het lijdende van den Vïsn: verwijderd worden.

16. myn = Jiiï'quot;1 riimS, zooals de steenen tafelen Ex. 31,18 en op andere plaatsen, genoemd worden. Zij zijn het blijvend getuigenis van het door God met Israël gesloten verbond.

17. Jquot;n33, volgens Rashie: een deksel voor de arke, die immers geheel open was; van ied, dat eig. bedekken beteekent. Ibn 'Ezka, Septuaginta e. a. nemen de speciale beteekenis van iB3 in den Pi'el: verzoenen, de zonde bedekken, hier vooral in aanmerking; v. d. de vertaling: verzoendeksel. Volgens Lev. 16,13 toch, had op den Verzoendag de eigenlijke verzoeningshandeling daarbij plaats. Bovendien wordt het msa als een afzonderlijk tempelvoorwerp behandeld, niet als onderdeel der arke, wat het als eenvoudig deksel toch zijn zoude; het allerheiligste wordt zelfs IKron.28,11 als mEDn rva aangeduid. (In den Thalmoed: mson no 'iviN, de achterzijde van het allerheiligste.) Lengte en breedte kwamen met die der arke overeen, waarop het deksel precies sloot Omtrent de dikte zegt de Thalmoed, (Soekka 5a) dat zij één palm bedroeg.

18. CP313, naar Luzzato omzetting van awi, wagen van Gods verschijning. Naar den Thalmoed hadden zij eenigszins de gestalte van knapen; de Thora zelve spreekt hier van aangezicht, en wel van één, niet zooals Ezechiël van vier, en van één paar vleugels. Ook bij Ezechiël hebben de Cheroebiem in hoofdzaak menschelijke gestalte. Rashbam: vogelvormige wezens. — nop», met het deksel uit één stuk, door hamerslagen eruit gedreven, dus hol; niet: afzonderlijk gemaakt en dan aan het deksel verbonden (zoo vs. 19 mEOn jo); v. a.'van nep, hard, massief. — niïp uit de twee uiteinden, dat kan zijn: uit het midden der twee langste of der twee kortste zijden. Men kan zich echter ook voorstellen, dat de dikte van de

76

ocr page 159

ro nönn ijr

n^2i33 : ona ïhKrrnK nxn riybx bv hraisa «

^ i - ; iv t \ v t it v Jquot; t i a t it ~ l quot; t--

n» pKrr1?# nnji : wöü iid» ab Dnan vn» ?SNn«

••lt; i at it v v.t -it; iv • v.\t J a* - - v ;r i tit

D»nDN quot;iinü anr nisa n^yi *: rnx IE'K nivn*

•lt;• t - at jtt v ^ quot; t J' tt t | iv •• i v jv -: \0i- |t

ant D^-i3 D'if n^i : nann ♦vpi naxi ni)i« »vniTm nnx 2113 n^{ : rrisanniïp ♦Jtyo onK n'^n ntypa^

lt;t v ; •• ^-.r vi-- j I; v.quot; : * t —^ i- ^ t i : •

-fiN w%f\ nisan-fp mp nïpö nnN-anpi nb nxpa D»a33 D^nan vni : vniïp =

• - t : quot;ti *••.:- t ; it^ i; jquot; : ^ \ ; -

vnN-bx Dn^ai niéan-Vy D^DD n^ó1?

a* t v -• vquot; ** : •• — v •• ; - ; lt;• : i r^: -^:

rixn-^ nifi3n-nK nrui : D^aian vw rnéarr^Kquot;

* ^ tit V4 - - quot; . sT quot;quot;t ; ^ r ••.; - jquot; : v. :•• v - -

; r^K im nn^rrnx ?nn n^obo

| iv^ •• ivquot; v jv -j quot; jt v i • i t jt v : t . at : *

pap niéan 'mani hamp; ♦nn^iaiM

nniN niï^ iirK-ba nx myn rnx-b^ quot;II^K D»iian

u ; i •)*•* — -: sv t t •gt;•• a%quot;it l-*-: \,v -: • \; -

ö : bNTir» ^a-^N

iquot; t ; • jquot; :

oorspronkelijke goudklomp aan twee der zijden over den vollen omvang zich opwaarts verhief en naar boven toe den voorgeschreven vorm begon aan te nemen; dan gaan zij inderdaad uit van twee geheele einden van het deksel.

19- ma ■quot;DIÖ wijst er op, dat zij van de smalle zijden van het deksel uitgingen, zoodat, wie vóór de arke stond, de Cheroebiem rechts en links had.

20. De vleugels, naar boven uitgespreid, in opwaarlsche richting dus, overdekken niettemin het deksel; in opwaartsche richting, zijn de vleugels in hun volle breedte uitgeslagen en beschutten zoo het deksel als met een dak, D'MD. — Zoo wenden bijv. de priesters tijdens het uitspreken van den zegen hunne handen opwaarts, doch houden ze tevens zegenend over het volk uitgespreid. — De beide Cheroebiem wenden elkander het gelaat toe, wederom de richting-, zij staan niet ruggelings tegen elkander aan, noch ook wendt de een den ander den rug toe, zoodat beider gelaat naar dezelfde zijde gekeerd zoude zijn. Maar het gelaat zelve is op het deksel gericht, zij zien erop neer en hun blik is erop gevestigd.

21. Blijkens Ex. 40,20 legde Mozes liet deksel eerst op de arke, nadat hij de tafelen erin had gelegd, jnn is dus volmaakt toekomende tijd; zult gij gelegd hébben.

22. VnyiJI, tijd of plaats der samenkomst bepalen. Van af het oogen-blik, dat het getuigenis in de arke en het deksel erop gelegd is, zal God tot Mozes niet meer van den Sienai spreken en hem daarheen tot Zich roepen, maar van boven het deksel, van tusschen de Cheroebiem tot hem spreken, al, wat hij van nu af het volk zal moeten gebieden, alle geboden die God hem nog voor Israël zal geven.

ocr page 160

EXODUS XXV.

23 Ook zult gij eene tafel maken van Shitta-hout, twee el zal hare lengte zijn, eene el hare breedte en anderhalf el hare

24 hoogte. Gij zult haar met zuiver goud beleggen, en een gou-

25 den krans eraan maken rondom. Gij zult namelijk eene lijst van eune hand breed maken rondom en aan deze hare

26 lijst zult gij een gouden krans maken rondom. En gij zult er vier gouden ringen voor maken; en de ringen plaatsen

27 aan de vier hoeken, die aan hare vier pooten zijn. Tegenover de lijst zullen de ringen zijn ; tot huisjes voor de draag-

28 boomen, om de tafel te dragen. Gij zult de draagboomen maken van Shitta-hout en ze met goud beleggen; en daarmede

29 zal de tafel gedragen worden. En gij zult maken de daarbij te bezigen schotels en lepels en stutten en reinigingspijpen

23. De tafel was twee el (naar het vs. 10 genoemde verschil van mee-ning van vijf of zes palm) lang, een el breed en, van den grond tot en met het tafeloppervlak, anderhalf el hoog. Zij had vier pooten (vs. 26).

24. Het blad der tafel was met zuiver goud belegd; omtrent de pooten blijkt het niet zeker. Het tafelblad schijnt los op de pooten te hebben gelegen. De in vs. 25 genoemde mi®» schijnt zeker niet belegd te zijn geweest. — anr it iS iwri. iS, niet gelijk bij de arke (vs. 11) rgt;Sv% schijnt er op te wijzen, dat de hier bedoelde krans niet aan de tafel zelve was bevestigd, althans niet boven de tafel uitstak. Uit Menachoth 996 blijkt ook, dat de brooden, zonder dat ze behoefden opgelicht te worden — wat bij een boven het blad uitstekenden rand noodzakelijk ware, — eenvoudig op en van de tafel konden worden geschoven. Met Rashie en Ibn 'Ezka neem ik daarom aan, dat de hier genoemde krans in het volgende vers nader wordt beschreven. Abbabanel daarentegen neemt tieee kransen aan, de eene, in ons vers bedoeld, loven den tafelrand, de andere, vs. 25, rond-om den daar genoemden nuon, aan de onderzijde daarvan.

25- JVUDO. Menachoth 966, Soekka 5a blijkt een verschil van meening aangaande deze lijst. Terwijl sommigen aannemen, dat zij hoven het tafelblad liep, maar dan schuin, niet rechthoekig op het blad staande (\ ƒ ) —

meenen anderen, dat de lijst onder het blad werd aangebracht en diende tot onderlinge verbinding der vier pooten. De hoogte dier lijst bedroeg dan een palm (nso), terwijl over de dikte, evenmin als over die van blad en pooten, iets wordt medegedeeld. — Zooals reeds gezegd, komt mij de laatste opvatting de juiste voor. Van goudbedekking der lijst staat niets. De krans, die aan de benedenzijde der lijst liep tot versiering en afsluiting, was van zuiver goud.

26. vSjl ICN DNSn de vier hoeken, die aan de vier pooten, niet aan het tafelWarf, zijn. Natuurlijk waren ze twee aan twee aan dezelfde zijde der tafel aangebracht, waarschijnlijk aan de langszijden; zij dienden immers om de draagstangen door te steken. Ibn 'Ezra's aan-teekening, dat de vier n\ss de vier windstreken zouden aanduiden, komt mij dan ook onbegrijpelijk voor.

27. mJDOn riDySi tegenover, niet aan de lijst werden de ringen verbonden, aan de pooten. Het vorige vers bepaalt de plaats, aan de vier hoeken, en wel niet aan het blad, maar daarom/er; ons vers voegt daaraan toe; en wel niet aan de lijst, maar daaronder, aan de pooten zelve. Daar

77

ocr page 161

ro nDnn ^

naNi lim naNi hm D^nax ww vy ïnVtf »

jt - : ; t jt - ; : t • lt;- t - fgt;' • ■,quot;^, Kt : *.. r r r :

nnr it ib n^i mnt: anr mx n^sxi : mop ♦vni ^

vtt jquot; •) t j' tquot; : at -«tt v. jt ' ' z ^ i t m * vquot; t

3nr*\t nnryi nab j-naoö iV : n^non3

•)tt ^iquot; t s* t : ft- t - v ji •••■)•.•: • j r ' t : it

-nx nnai ant nirata yanw ^ nv^ : imsoo1?13

^ T quot;it ; «stt ^ vquot; : ~ t -•• 'r: r t : :

ntfi* n^sn yzix ^ n^atan» : rnbtsrrnK nNty1? onab oma1? njncan r^nn niioan

i it : ••. - v v,quot; t •quot; : T : ^ --T : '* VVÏ

D2-N^:i anr onü n^sïi 'tv Dnarmx nwy)n3

lT T ' ! , ',TT lT jt • • : , --- ••• T « T .

vn^jpi vnii^pi vnb?quot;) vnh^p n^i : jn^rrnx ^

de lijst rondom de geheele tafel liep, zien sommigen in onze tekstwoorden nader de plaats der ringen aangewezen als; direct onder de lijst, wat echter in toïS niet ligt. Dit woord beteekent eenvoudig: tegenover. Omtrent de hoogte, waarop de ringen, en dus ook de draagstangen, zich bevonden, wordt dan niets aangegeven, evenmin als naar eene der in vs. 12 gegeven opvattingen bij de arke, en 27,6 en 7 bij het altaar.

29. rmyp kunnen niet zijn schotels, waarop het brood op de tafel werd gelegd, daar' vaststaat, dat de brooden op het vlak der tafel lagen. Het zijn dan ook volgens den Thalmoed (Menachoth 97a) vormen, schalen, waarin het brood, na Vrijdags gebakken te zijn, bewaard werd, totdat het op Shabbath-morgen op de tafel werd gelegd. Dit was noodig met het oog op den eigenaardigen vorm der brooden (zie Lev. 24,5—9). — WB31, lepel-vormige hakjes, waarschijnlijk met een steel, — waarin de wierook, die naar Lev. 24,7 bij iederen stapel brood behoorde, gelegd werd. — vric'|yi zijn naar den Thalmoed: stutten, steunsels voor de beide, tamelijk hooèe broodstapels, om deze voor omkantelen te behoeden, twee aan iedere zijde der tafel. Al naar mate men den vorm der brooden zich voorstelt, stonden dezen op of naast het tafelblad ; in elk geval schijnen zij niet aan de tafel verbonden te zijn geweest. Of zij tegelijkertijd dienden om de rmpJ» te dragen, zooals Rashie t. a. p. meent, kan niet met zekerheid worden bepaald. — de pijpjes, DiJp, over de lengte gespleten holle pijpjes

van goud, die dienden óm luchtspeling tussclien de brooden te laten, zoodat het brood, dat een volle week op de tafel bleef liggen, ztuVer bleef en niet schimmelde (nvgt;p:». van npj, de zuiverhoudenden). Het onderste brood van iederen stapel lag direct op het tafelblad, elk der volgende vier werd door drie, het bovenste van iederen stapel door twee pijpjes gedragen, zoodat op iederen stapel veertien, in het geheel dus acht en twintig pijpjes kwamen. — jro -p icn. Uit Num. 4,7 quot;p:n nwp en Ex. 37,16, waar de hier gebezigde woorden op de nnrp slaan, schijnt te blijken, dat de woorden pa quot;p' -icn op heiden, jwpjo en nucp, slaan. Beiden te zamen dienen dan tot dekking, bescherming van het brood, de stutten om het voor omvallen en daardoor breken, de pijpjes om het voor schimmelen en breken te beschermen, door de groote zwaarte, die er op rusten zou door de er bovenop liggende brooden. De lijdende vorm, evenals vs. 28, in de beteekenis van bet onbepaalde: waarmede men dekt; vandaar dat het voorwerp van den oorspronkelijken, bedrijvenden zin. dat hier het onder-

ocr page 162

EXODUS XXV,

waarmede [het brood] gedekt wordt; van zuiver goud zult gij

30 ze maken. En op de tafel zult gij toonbrooden leggen vóór Mijn aangezicht, voortdurend.

31 En gij zult een luchter van zuiver goud maken; van gedreven werk zal de luchter gemaakt worden; zijn voetstuk en zijne schacht, zijne kelken, knoppen en bloemen zullen uit één

32 stuk zijn. En zes stangen zullen uit zijne zijden uitkomen; drie stangen van den luchter namelijk uit zijne ééne zijde, en drie stan-

33 gen van den luchter uit zijne andere zijde. Drie amandelvor-mige kelken aan den eenen stang, een knop en eene bloem, en drie amandelvormige kelken aan den anderen stang, een knop en eene bloem; zoo aan de zes stangen, die uit den

34 luchter uitkomen. En aan den luchter zelve zullen vier kelken

35 zijn, amandelvormig, zijne knoppen en zijne bloemen. Voorts een knop onder het [eerste] paar stangen uit één stuk [met den hoofdstang], wederom een knop onder het [tweede] paar stangen uit één stuk ermede, en nog een knop onder het [derde] paar stangen uit één stuk ermede; voor de zes stangen, die

36 uit den luchter uitkomen. Hunne knoppen en hunne stangen

werp zou worden of met ns zou kunnen blijven staan, nl. nnSn, is weggelaten. — Nieuwere schrijvers verklaren: waarmede g eplengd wordt en maken dan van rvpp»! nri'p; offerschalen en wijnkannen, op grond van Septuaginta. In de woorden vindt die opvatting echter geen anderen steun, dan dat -p1, van -p:, plengen, kan ziin. Daar echter Lev. 24,7 wel wierook wordt genoemd, doch van een bij net brood behoorend plengoffer nergens melding wordt gemaakt, kan deze verklaring moeilijk verdedigd worden. .

30. nrPi brood, dat vóór Gods aangezicht ligt, of: dat vanwege God, als het ware, wordt geschonken, en vóór Zijn aangezicht genoten.— twi, voortdurend, kan beteekenen, dat het er altijd door moet liggen en er geen oogenblik mag zijn, waarop de tafel zonder brood is, — maar ook, evenals bij het dagelijksch offer, periodiek, elke week of eiken dag. Hier schijnt het de eerstgenoemde beteekenis te hebben. — Over vorm, bereiding en neerleggen der toonbrooden zie onze aanteekeningen Lev. 24,5—9.

31. De luchter, uit zniver goud, was naar den Thalmoed, drie el = 18 palm, hoog. — nsv, het voetstuk, waaraan drie pooten waren, om den luchter te dragen. — ropi, de schacht, de hoofd- en middenstang, die het middelste lampje droeg en waarvan aan elke zijde de drie zijstangen uit-

Êingen. — rpmsi rmriED mï'aa, de aan den eigenlijken luchter, d. i. den oofdstang, zich bevindende kelkvormigeingen. — rpmsi rmriED mï'aa, de aan den eigenlijken luchter, d. i. den oofdstang, zich bevindende kelkvormige bloemen, D'ï'aj, langwerpig ronde hallen of knoppen, qiinsd, en Woesemvormige versieringen, dttis, — w ,uos, waren uit dezelfde goudklomp gedreven. — Of ook de kelken, knoppen en bloemen, die zich aan de zijstangen bevonden, gedreven waren, dan wel los vervaardigd en aangezet, blijkt niet duidelijk, hoewel penn rosSm Nnquot;quot;i2,9, vóór de laatstgenoemde opvatting spreekt; zie ook vs. 36.

33. Ieder paar, op gelijke hoogte uit de schacht uitgaande zijstangen wordt in dit vers beschreven. Iedere zijstang had drie kelken, één knop en ééne bloem. — onpun, amandelvormig, langwerpig dus, als een bloemkelk ; volgens Rashbam : kelken met amandelvormige versieringen, die er, aan de buitenzijde opliggend, uitgewerkt zijn.

78

ocr page 163

ro nonn ny

tnV^n-^ : on^ n^n ninü anr pa rp*

I ot ; ^ zr -it : it jv ^ti- ( r jtt 1 *•• r Kquot; •-. jquot; t

3 : ynn 'isb D^ö Dn1?

r t j~ r : v.* t quot;Jquot;

nipi nzy rniasn nirjrn nfoo mnu dht ni3D rvirjfl ^

tIt: jt ••: t : - lt;v *t im t 1: • at jtt : t j* t :

Dwr D'ip n^tyi : vnquot; nasn n^mai nnnsa n^^-i ^

V.* : i -It jt • ; ^ i r tjv • t t ; r r: : - t r- ' :

n'ijD ♦ap riE^tf 1 nnxn rn-^ö nS:Q np i nnïD

t ; ■••• I; t : t v it t • • pT p: **quot;': -tit av • *

insa nnxn napa onpi^ü : ♦itrn myo ^

j : - t v it -vitquot; -It \ i: ^ : jt ; |. .. - • •

ra mai maa imn njpa onpt^o D^aa quot;rnsi

I ••lt; -ATT -• : - ^T vit j'.'\t - o'IT \ : ^ ; -VT

D^aa n^anK nijöai : rn'3an-|p D'Kï'n D'ipn nft?1? ^ naaoD'ipn nnn inaai: n^msi nhnsa Dnpè'O ^

tv* -It- •• : - - :.quot; : ^t iv t ; t vv : - ^ t \ :

D^pn 'j^-nnn Insai nuso D^pn ^ nnn quot;inö3^

V* It • j** t : - : tv • 'It- ^ ~ f : • :

onjpi onnnaa : niasn-p o^rn o^pn nsao ^

vt I: jv *• l : - it : - I - v* : ' ' * I t - v •• i tav •

34. mJODI. en aan den eigenlijken luchter, d. i. den middenstang-, waren vier kelken, en twee knoppen en twee bloemen, wat uit het bier, in tegenstelling met vs. 33 msi itieo, gebruikte meervoud wordt afgeleid. Bovendien was er nog een bloem vlak boven het voetstuk. Zoo hebben wij dus: aan de zijstangen 18 kelken, 6 knoppen en 6 bloemen; aan den hoofdstang: 4 kelken, 2 knoppen en 3 bloemen; daarenboven, naar vs. 35, nog 3 knoppen, waarboven telkens een paar zijstangen uitkwamen, te samen dus: 22 kelken, 11 knoppen en 9 bloemen. Dezen waren aldus verdeeld: Het voetstuk met de daarboven zich bevindende bloem drie palm; hcee palm onversierde hoofdstang; de zesde palm werd gevuld door een kelk, knop en bloem; dan weer twee palm vrij; 1 palm voor den knop, waarboven de eerste zijstangen uitkwamen, die zich tot gelijke hoogte als de hoofdstang verhieven, zoodat de zeven lampen in één rechte lijn stonden; de 10de palm was dan weder onversierd; de 11de gevuld door een knop, waarvan het tweede paar zijstangen uitging; del2(fevrij; de 13de door een knop, waarvan het derde paar zijstangen uitging, gevuld ; de 14de en 15de palm waren weer onversierd; terwijl in de drie overblijvende palmen drie kelken, één knop en één bloem waren aangebracht.

35. D'jpn w nnn nnaai. onder elke twee stangen één krop, ru»a met den hoofdstang uit één stuk. Uit de bovenzijde dier knoppen schijnen de zijstangen op te stijgen, zoodat de knoppen onder de stangen zijn.

36. Dfupi omnfla schijnt te moeten worden verklaard : de bij de zijstangen behoorende knoppen en de uit die knoppen voortkomende zijstangen moeten met den hoofdstang uit één stuk zijn. Dan is hier niet onduidelijk te verstaan gegeven, dat de versieringen aan de zijstangen zelve niet uit één stuk behoeven te zijn. In alle andere opvattingen blijft het meervouds-aanhangsel Q— van oropi onverklaard. Hibsch' onderscheiding tusschen o^p en m:p, dat het eerste de geheele zijstangen, het

ocr page 164

Ë X O D Ü 8 XXV, XXVI.

moeten uit één stuk ermede zijn; het geheel uit één stuk

37 gedreven van zuiver goud. En zijne lampen zult gij maken ten getale van zeven; als men zijne lampen ontsteekt, zalmen

38 het licht naar de voorzijde doen schijnen. En zijne tangetjes

39 en zijne aschbakjes zullen van zuiver goud zijn. Van een Kikkar zuiver goud zal men hem maken, met al deze gereed-

40 schappen. Zie, en maak ze naar hun afbeeldsel, hetwelk u op den berg getoond wordt.

26 i En het «Verblijf zult gij maken uit tien tapijten: van getweernd byssusgaren, en hemelsblauwe, purperroode en kar-mozijn-roode wol; van kunstwevers-werk zult gij ze maken, met

2 Cheroebiem. De lengte van ieder tapijt zal zijn acht en twintig el en de breedte vier el ieder tapijt; ééne maat zullen al de

3 tapijten hebben. Vijf dezer tapijten zullen verbonden worden, het eene met het andere, en ook de vijf [overige] tapijten

tweede de stukken van de zijstangen zoude aanduiden, die, van de knoppen uitgaande, onversierd zijn tot aan de kelken, heeft nergens eenigen steun en lost ook de moeilijkheid niet op. — nSn slaat naar de zoo even gegeven opvatting op de eigenlijke nquot;u», d. w. z. den hoofdstang met de zes zijstangen, waaronder de versieringen van deze laatsten dan niet begrepen zijn.

37. Wat de lampen betreft, staat het niet vast, of ze aan den luchter verbonden waren, of wel er los op stonden. Naar ééne opvatting konden zij eraf genomen worden; naar eene andere meening kon men destangen naar beneden buigen, om gemakkelijker bij de lampen te kunnen komen. — De uitdrukking: rwra rus nSsm kan beteekenen: hij zal de lampen op den luchter plaatsen, dan zijn de lampen dus van den luchter af te nemen; maar evengoed kan men verklaren; hij zal de lichten doen opstijgen, d. i. ontsteken. De omstandigheid, dat de lampen steeds in verband met andere losse voorwerpen ten gebruike bij den luchter worden genoemd, spreekt wel voor de meening, dat zij althans niet met den luchter uit één stuk vervaardigd waren; dan kunnen ze echter toch later vast verbonden zijn. Waren de lampjes los, dan is het duidelijk, dat er steeds opnieuw op de Tichting der vlammen wordt gewezen. Waren ze vast verbonden, dan is dit vreemd, daar dan de richting immers door de tuitjes, voor de pitten bestemd, vanzelve was aangewezen. Alleen hier en bij de vervaardiging Ex. 37, ware dan de aanwijzing op hare plaats, niet echter bij het voorschrift omtrent het ontsteken. Num. 8,9. (Vgl. echter'«n'm snvna, 9). — iwn ,TJB tap Sn, of: en men, wie hem aansteekt, zal doen lichten, of: het, ieder lampje, zal licht geven. — ,-p:s 13» Sr, (Sr = Sn) in de richting naar de voorzijde, (vgl. Num 8,2 ■gt;:!) Sir: Sn) d. i. naar eene opvatting: alle vlammen zijn gekeerd naar het licht op den middenstang; dan zou de luchter dwars in het heilige gestaan hebben, van Noord naar Zuid, en het middenlicht zijn vlam naar het heiligdom gewend hebben; anderen meenen, dat de luchter over langs stond, van West naar Oost, en dat met munn 'JB het tweede licht, van het Allerheiligste af, bedoeld werd; zoodat de vijf Oostelijke lampen naar het Westen, de meest Westelijke naar het Oosten gekeerd waren, en de tweede haar schijnsel recht vooruit wierp, op de tafel. Rashbam meent, dat alle lampen hun schijnsel op de tafel deden vallen.

38- rmpSoi. tangetjes, om de pitten recht te leggen en na gebruik uit

79

ocr page 165

13 HD HDVin 13^

n^rmn^vi :Tinü nnr nn« ntrpo nbs vn» naaD ^

t iquot; '•* t J' tt t it ^tt v-- JT ] : • \ all* t-»'.* *

n^np^oi : n^a n^m n»nhrnN n^vni nyaty ^

t jv It ; - t iv t v 7quot; v* quot; : t v •»quot; v t^v:iv; 'at; •

dn nn« ntyy» lint: dht nas : quot;iin^ 2nT rrnhnoi ^

Jquot; at -«v ^ t ^ jtt * it jt t t ; -

ntno nnN-ii^N ongans ntfvi hkii : n^n D^an-ba«

v.v ; t jt - v -j t • ; - : a- v.quot; : •* •quot; t v.- -•• - t

rtr nyn» ntryn ptfarrnKi D *: ma«

t; t jquot; 'a •; v •iv v, •* iquot;. »jt : • - v ; it t

niryn n'^o nybh) ra^nNi rtam

^ i- _ ^ jquot; ^-ir •)• ••.; • t : I t t : - : vlt;quot; ;

ami nana on^i r\im nnxn npn^n i •HIK : onx =

; t - it * : - : lt;v ; - - it *jt •;• ) v•gt; ir

B'Qn : n^n^n-^b nnx mo nnxn n^n^n nsK3 V3-in^

•quot;''* ^ ' *!quot; t : v.* quot; jt • at vit ^vt ^ t quot; it ^ j- ;quot;

n'ianriyn^omnnnN-1?» ni^K n^in r^nn nrn^n

; i ^ •: lt;•• t : at -: v ^t • : i tI v : r ^ •;-

te nemen; rrrirnni, aschbakjes, waarmede de lampen gezuiverd worden en waarmede de overgebleven asch, olie en stukjes pit worden weggenomen bij het reinigen van den luchter.

39. De luchter met al zijne gereedschappen (Ex. 37,24), lampen, tangetjes enz. was van één Kikkar goud vervaardigd. Een Kikkar des heilig-doms is 3000 Shékel, zooals Ex. 38,25 en 26 blijkt.

40. Aan het einde der beschrijving der voornaamste voorwerpen voor het eigenlijk heiligdom wordt nog eens de vermaning herhaald, ze juist zoo te maken, als llozes ze op den berg had gezien. — Qfi'jana slaat op aüe tot nu toe behandelde voorwerpen (vgl. vs. 9, ïta ^3 min nxi); niet alleen op den luchter. — riJOD nDXgt; lijdende vorm van: JHOD 'JNj

van vs. 9; evenals JTJOH 26,30.

Hoofdstuk XXVI. 1. plfOH iTJCI. Dit hoofdstuk behandelt het eigenlijke gebouw des heiligdoms, bestaande uit kostbare tapijten, gedragen door planken, en wederom bedekt door tapijten van geitenhaar, waarover twee dekkleeden, één van roodgekleurde ramsvellen en één van Thachash-vellen, werden gelegd. De kostbare tapijten vormen de van binnen zichtbare zoldering en heeten daarom meer in het bijzonder; jara.—pcnn. Het lidwoord wijst op de Ex. 25,9 genoemde woning. — arn nor», evenals nacnn rosS», (Ex. 35,33) beteekent: arbeid, waarbij vakkennis vereischt wordt; zoo wordt onder acn nisra verstaan: kunstwerk, en wel in het bijzonder ;tunsto««ery; üpn ncrs daarentegen beteekent; borduurwerk, dat op het weefsel met de naald wordt opgewerkt, of volgens anderen; bont, gestreept of geruit, maar overigens eenvoudig weefsel. Naar de traditie beteekent acn rroj)» altijd; met verschillende patronen op de beide zijden geweven, waarin dan het kunstvaardige der bewerking ligt. Maimonides (üipnn i^a 'Sn, 8,15) neemt aan, dat zoowel acn nrrn als Dpn rrorn eene bewerking bij het weven aanduidt, en wel zoo, dat bij acn rwr» de patronen aan beide zijden, bij Dpn norn, slechts aan de vóórzijde zichtbaar zijn.

3. Die tien tapijten van 28 el lengte bij vier el breedte worden over de lengte vijf aan vijf aan elkander verbonden, waarschijnlijk aan elkander genaaid, zoodat er nu twee groote tapijten ontstaan van 28 bij 20 el. De bewerking van een tapijt ter breedte vau 4 el kan natuurlijk nauw-

ocr page 166

EXODUS XXVI.

4 zullen het eene met het andere worden verbonden. Dan zult gij lussen maken van hemelsblauwe wol aan den rand van het eene tapijt, op het einde aan de tapijtenverbinding; en evenzoo zult gij maken aan den rand van het tapijt,

5 dat bij de andere tapijtenverbinding het uiterste is. Vijftig lussen zult gij namelijk aan het eene tapijt maken, en vijftig lussen zult gij maken aan het einde van het tapijt, dat in de andere tapijtenverbinding is; zoo, dat de lussen nauwkeurig

6 tegenover elkander staan. Én gij zult vijftig gouden haken maken; en gij zult de tapijten, door middel der haken, met elkander verbinden, dan zal het „Verblijf één geheel zijn.

7 Gij zult ook tapijten van geitenhaar maken, tot eene tent over

8 het Verblijf; elf tapijten zult gij ervan maken. De lengte van ieder tapijt zal zijn dertig el, en de breedte vier el ieder

9tapijt; ééne maat zullen de elf tapijten hebben. Vijf dezer tapijten zult gij afzonderlijk met elkander verbinden, en de zes [overige] tapijten ook afzonderlijk; het zesde tapijt echter zult

10 gij dubbel vouwen, tegenover de voorzijde der tent. Gij zult vijftig lussen maken aan den rand van het eene tapijt, dat het uiterste in de tapijtenverbinding is; en vijftig lussen aan den

11 rand van het tapijt, van de andere tapijtenverbinding. Gij zult ook vijftig koperen haken maken ; en gij de haken in de lussen brengen en de tent verbinden, zoodat zij één geheel wordt.

12 Het afhangend overschot van de tapijten der tent, —

keuriger en fiiner zijn, dan die van een van 20 el breedte; daarom werden ze waarschijnlijk niet uit één stuk vervaardigd.

4. mana nspn, op het einde der verhonden tapijten. — De beide groote tapijten worden wederom onderling verbonden, door aan de naast elkander te leggen randen ieder vijftig, vlak tegenover elkander geplaatste, lussen aan te brengen, waarin gouden haken, ongeveer van dezen vorm; CD, zullen worden gestoken. Zoo vormen de tapijten één geheel van 28 bij veertig el. Het staat niet vast, of de gordijnen van buiten, dan wel van binnen de planken van het heiligdom bedekten. Rashie neemt het eerste, Baehr e. a. het laatste aan. Uit de '»n wwa blijkt niets duidelijk, daar wel is waar bij deze tapijten met de dikte der planken geene rekening wordt gehouden, maar bij de geitenharen tapijten evenmin. In ieder geval zijn de tapijten het, die het eigenlijke //Verblijf'vormen, waarvoor de planken, zoo zij van buiten door de tapijten bedekt worden, toch slechts als dragers dienden. — Het heiligdom was,, zooals wij later zien zullen, van binnen gemeten, 30 el lang, tien el breed en 10 el hoog. — De planken waren een el dik. doch liepen volgens sommigen van boven spits toe. — Zoo dienden dus van de 28 el lengte der gordijnen, 10 el tot bedekking der breedte des heiligdoms en hingen de andere 18 el aan weerszijden negen el af, de zilveren voetstukken, ter hoogte van een el, onbedekt latend. Neemt men aan, dat de planken ook van boven een el dik waren, dan zouden de tapijten aan de beide zijden slechts eu:ht el hebben afgehangen. — De veertig el breedte der tien aaneen verbonden

80

11

ocr page 167

is norm a

njrpnnfifrby nb5n mhb niyN-gt;

Jt *:quot; •.•••: ^ : i\ t * t : it -: v ^t •

miï'pn n^n*n naira nfryn pi mans nïpö nnxn

T M* - T • : - J- ; • V ^-11- !lt;••: VAT quot; ^T IT * T V IT

nnxn n'wn namp;b o^on : n^^ri nianaaquot;

t vit ^t •:- v i- t r», -'• • -: r •• ~ v^v : ~ -

n^irnmanaa wx n^n'n nïpa n'^n nA1?1? D^ani

A. .. - VJV ; - - ^v -: quot;r -•••I; • v _ T ,1fc ^

'Dip D^on jVEtyi : nnnK-^K ntrx nVapa1

•*quot; :Pquot; # t • *¥ : it -: v ^v.t • * 1: quot;

rrni D^oips nnnK-^K ni^N riyn^n-nn nnsni nnr

-»tti • tI:- t -: v lt;t • gt; 'S' ** t : - • : att

any njn; n^i; : IRK i^an» nnNn nvn»n i -nK : DHN n'^vn mtyyn

; - - it •: quot; ]'-'■* it jv r ^ ^ *! mJquot; • •*

w^nnKmannNnn^TnnaNa arhi nóxs

r* : - : ~ ~ jt^* at v it ^t •; ~ t - it ^ -,- ; - - ; t - it

t^trnKi nib n^n^n ^an-nx rnam : m^0

r* V ; T : ^ •; - t : ~ t 1 *: v.quot;: •

.'bnnn^fibia-bKn^nnrTn-nNn^Mi naS n^Tn

•-• it jquot; : __ ^ ^v • • - quot;jt •: - v t : quot;it : at ; \. quot;: ~

nirpn nnxn n^n^n nair ^ D^an n^v

^t lr- t v it *t ':' ti\ j» • -j t • ^t ;

: n^ETi mann n^n^n nw by nbhï D^ani mans

I* quot; vvv I- 'T •: - -•- ; T i\ -»• • -:iquot; VAT Iquot;

nft^s D^DiprrnN nNam o^an n^n: ^np rvfrjn*1

T-»-. - • tI; - ^ v ^«t ^...... a* • -J v v. : Jquot; :i* t •)• T:

briNnnrTicinyn moi : quot;inK n^m briNn-riN manv

vat 1 • r I it -v ; it v rr t ; v ^ t v ^t :- * ;

tapijten, dienden voor de dertig el diepte van het gebouw, terwijl de overige 10 el van achteren tot op den grond afhingen, reap, een el de dikte der lanken van den achterwand bedekte en negen el afhingen. Dan kwamen e verbindingshaken der beide groote tapijten, juist tegenover het voorhangsel, dat het heilige van het allerheiligste scheidde; het heilige toch was twintig ellen diep en werd dus geheel door een stel tapijten bedekt. In de hier gegeven voorstelling bedekten de gordijnen niet de vóór den ingang geplaatste zuilen, die het toegangsgordijn droegen, tenzij deze niet vóór, maar tusschen de planken stonden.

7. Deze geitenharen tapijten heeten soms eenvoudig: SnN, en worden zoo van de zoo even beschreven tapijten onderscheiden.

9. Het zesde tapijt wordt dubhelgeslagen of omgeslagen, zoodat het van voren, om den ingang te vormen, afhangt, zoodat van de 44 el lengte (11 X 4) nog slechts 42 el overblijven. Daarvan dienen wederom 30 el voor de bedekking der onderste tapijten; 10 el worden hier gebruikt evenals boven bij de eerste tapijten is gezegd, zoodat twee el = een half tapijt overblijft, waarvan de bestemming vs. 12 gegeven wordt.

10. rpjcn mann njnvi nstr Sy. te verklaren: new /nmvi ns» hv nwn mann, aan den rand van het tapijt, den rand namelijk van de tweede tapijtenverbinding.

ocr page 168

EXODUS XXVI.

het halve tapijt namelijk, dat overschiet, — zal aau de achterzijde

13 van het Verblijf overhangen. De ééne el aan de eene zijde, en de eene el aan de andere zijde, vormende het overschot van de lengte der tapijten der tent, zal aan de beide zijden van het Verblijf overhangen, om aan de eene en aan de andere

14 zijde het te bedekken. Ook zult gij een dekkleed voor de tent maken, van roodgeverfde ramsvellen; en een dekkleed van Thachash-vellen daarover heen.

15 En de planken voor het Verblijf zult gij maken van Shitta-hout,

16 overeindstaande. Tien el zij de lengte eener plank, en anderhalve

17 el de breedte van elke plank. Twee pinnen zullen aan elke plank zijn, als laddersporten, de eene naast de andere; zoo zult gij maken

12. Inplaats 10 el, zooals bij de onderste tapijten, blijven hier, nadat de dakbedekking is gevormd, van de aaneengevoegde breedten 12 el over (zie vs. 9). Daarvan werden 10 el gebruikt om den geheelen achterwand, ook de voetstukken,te bedekken; al naar mate men nu aanneemt, dat de planken van boven een el breed waren of spits toeliepen, sleepten twee of een el en hingen op den grond. In ieder geval hingen deze tapijten 2 el langer af dan de andere. Ibn 'Ezba merkt terecht op, dat 'ïn hier niet precies genomen moet worden, daar ook voor de dikte der onderste tapijten iets moet worden afgerekend. Men vergete niet, dat zij naar den Tualmoed uit vierentwintigdraadsche stof vervaardigd waren en dus waarschijnlijk zeer zwaar en dik waren.

13. De geitenharen tapijten waren dertig el lang, dus twee el langer, dan de ondersten. Na dekking der breedte van het heiligdom bleven dus hier 20, bij de ondersten slechts 18 ellen over. Deze geitenharen tapijten hingen dus aan de beide langszijden van het heiligdom — Noord- en Zuidzijde — een el langer af, dan de onderste tapijten.

14. Volgens onze vertaling zijn het twee verschillende dekkleeden; zij worden dan ook Num. 4,25 — inoa», dat zijn de ramsvellen, en cinnn nD3D — naast elkander genoemd, terwijl Ibid. 3,25 onder inD3» beide dekkleeden te verstaan zijn. Die dekkleeden bedekten evenwel alleen het dak; en hingen niet aan de zijden af. Anderen meenen echter, dat er slechts één dekkleed was, gedeeltelijk uit roodgeverfde ramsvellen, anderdeels uit Thachashvellen bestaande. (Vgl. overigens Shabbath 986.)

Vs. 15—17 bevat de beschrijving van iedere plank; 18—25 beschrijven het aantal en de plaatsing; 26—30 de verbinding der planken. — D'tnpn ppisS, de planken, die tot dragers voor de tapijten-tent dienen moeten. — Dn»r, staande, d. w. z. dat de lengte als hoogte dient; niet op elkander, op de kant gezet, maar naast elkander geplaatst. Ibn 'Ezra geeft ook eene opvatting: rechthoekig op elkander; dit was echter wel met de wanden, maar niet met de planken het geval.

16. De hoogte van den tabernakel was dus 10 el. De dikte der planken wordt niet duidelijk aangegeven, maar kan nit vs. 23 worden afgeleid. Binnenwerks gemeten, bedroeg de lengte des tabernakels 30, de breedte 10 el. Die lengte werd, blijkens vs. 18 en 20, verkregen door 20 planken van l'/j el naast elkander te zetten. De 10 ellen van den achterwand werden gevormd door 6 planken van l'/s el benevens twee hoekplanken, ook van l'/j el; dat zijn dus 12 el; (er wordt immers nergens een andere maat voor die hoekplanken aangegeven); daar nu die hoekplanken van den achterwand juist aansloten aan de planken der zijwanden, blijkt dus, dat het gebouw buitenwerks gemeten, d. i. inclusief de dikte der heide

«1

ocr page 169

id noiin Ka

nsKni :pBgt;an nnw by nnon na^nnyn^n

t - it^; i^it : • - jquot; t quot; : * . v ''y ,t * *: quot; lt;• -:

Tixs niya nro naxni nfa

- ~ v^; r vat •j •: ) v v, : p it v • lt;t - it :

nty nooa : iriDD1? nrai ma n^an nv^

v t v ; • t lt;• t ; i - : vquot; ' JV * I »t ; • - vquot;

a * : ntyaba D^nn n'ij? nDDai DWNa dVk §

t : it : * v.* t ; j* •)••:* a- t t : ^ •• ^

max itry : Dnagt; ♦xy ptra1? o^nsn-nx 10

^ - V r»v r ;n v.* * ■»• . : Iat : • - ^ v* tI ; - v t r 't : TD

♦ntr : nnxn i^npn nnn nann 'xm naxi ^quot;ipn quot;niKquot;

# it vit VIA*- - v t ~ it • , quot;•*' t - : ^viat - | v ■•

hbh ntrjrn ra nnnir^ nm riamp;vn nnxn ^quot;ipV m

1, : v -;i- i-*** at -: v 1,t -r : t vit vl v- t

zijwanden, 12 el breed was; iedere zijwand, d. i. iedere plank had dus eene dikte van één el. De planken waren toch niet te moeilijk te han-teeren, daar Shitta-hout gezegd wordt tot de lichtere houtsoorten te be-hooren; bovendien werden zij op wagens vervoerd en was ook voor laden, lossen en opstellen de geheele stam der Merariden, die 3200 man telde, aangewezen (Num. 3,3 en 4,29 vv.).

17. De in vs. 19 genoemde voetstukken, waren één el = 6 palm hoog, een el lang en drie kwart el breed,

zoodat twee naast elkander geplaatste voetstukken de volle breedte eener plank vulden. In elk voetstuk was eene, waarschijnlijk ronde, holte gelaten, waarin de pinnen der planken

Kk

t*l lt;?«- '

%-eI % EI

Plank op twee voetstukken.

ocr page 170

EXODUS XXVI.

18 aan al de planken van het Verblijf. Gij zult namelijk de planken voor het Verblijf maken; twintig planken aan de

19 zuidzijde. En veertig zilveren voetstukken zult gij maken onder de twintig planken; telkens twee voetstukken onder

20 iedere plank, voor hare twee pinnen. En voor den anderen zijwand van het Verblijf, aan de noordzijde, twintig planken.

21 En hunne veertig zilveren voetstukken; telkens twee voet-

22 stukken onder iedere plank. En voor den achterwand van het

23 Verblijf, ten westen, zult gij zes planken maken. En twee planken zult gij maken voor de hoeken van het Verblijf, aan

24 den achterwand. En zij zullen beneden nauwkeurig in elkander sluiten, en ook van boven, te zamen één geheel vormend, uit-

zouden sluiten. De planken nu werden zoo uitgesneden, dat twee pinnen eraan uitstaken, juist correspondeerend met de twee holten der beide voetstukken, terwijl de afstand der beide pinnen overeen kwam met dien der beide holten in de voetstukken, en de afstand van den rand der plank tot de pinnen overeen kwam met de breedte van den rand om de nolte der voetstukken. Natuurlijk was over de dikte der plank evenzoo gehandeld. (Vgl. Rashie en Nachm.). Waarschijnlijk waren de insnijdingen aan weerszijden, en dus ook de rand der voetstukken, '/4 el breed; evenzoo treed waren de pinnen zelve; terwijl de afstand tusschen beide pinnen Vs el bedroeg. De hoogte der pinnen bedroeg ongeveer eene el, zoodat de voetstukken bij de berekening der hoogte des tabernakels meegerekend moeten worden. Over de dikte der plank schijnt de insnijding, en ook de rand der voetstukken, eveneens '/4 el geweest te zijn; de pinnen zelve waren dan '/» el dik. — naSiv», als laddersporten, vlak tegenover elkander, zoodat ze precies in de gaten sluiten en allen in ééne rechte lijn naast elkander staan. Mendelssohn: als laddersporten in de gaten der voetstukken sluitend. Dan zou nnns' Sn hon zien op de holten in de voetstukken, die nog niet genoemd zijn. Reggio daarom naar Rashie: als laddersporten in de holten sluitend, en de eene parallel met de andere. Hij vindt dan in nnnx Sx nws de bepaling, die wij in de geheele uitdrukking meenen te zien. — nrrn p enz. Wat bij ééne plank is voorgeschreven, zult gij bij alle planken maken. — Abrabanel, Baehr e. a. meenen, dat de voetstukken spits toeliepen en in den grond gestoken werden, om het gebouw meer vastheid te geven; dan blijft de geheele voorstelling dezelfde, behalve dat de lengte der pinnen iets minder was.

is. ruöTi ray. Evenals in nirn» na-ip, worden hier de beide benamingen van het Zuiden naast elkander gezet. — ajj, waarschijnlijk: droogte, door de hitte der middagzon verdorde plaats-, ruwn, van pis% rechterhand, omdat, wie met het aangezicht naar het Oosten, de opgaande zon, gekeerd is, het Zuiden aan de rechterhand heeft. Zoo heet het Oosten: D'jb en het Westen: iinx. — nssS, hier niet; hoek, maar: zijde.

22. De ingang des heiligdoms bevond zich aan de Oostzijde, zoodat de achterwand aan het Westen was.

23. De zes planken, 9 el breed, stonden in het midden, en daar naast aan weerszijden eene hoekplank, waarvan slechts een half el van binnen in den tabernakel zichtbaar was, terwijl het overige de dikte der zijwanden bedekte. (Zie vs. 15). Dat de vervaardiging dezer beide planken, wier afmetingen geheel gelijk waren aan die der anderen, afzonderlijk genoemd wordt, geschiedt, omdat, hoe ook vs. 24 worde opgevat, in, ieder geval de

82

ocr page 171

quot;gt;3 norm is

on^ ; faiyari

nnn n'^n «iddm:quot;ik b^3quot;)Ni : nao^n na^: nnsbamp;

- r ••* I •• ••' •• ; - t : quot; : r t^it •• t :r.- vquot; : *

vni* ♦my1? nnKn ^quot;iprrnnn D^IK w Ehpn ontyy

t :•quot;*:• t v it vilt;v - - i- • t-: •• : vl at- ■»•:

vbvbi : vni» Tttb nnxn ^ipn-nnn D^IN

^ -sv : it ; -»••;* ^t vit vijv - ~ i- t-: squot; :

Dn»3quot;iK D^3quot;i«I : ^quot;ip on^ riflï nxa^ n^trn ptyan «

vv _ *jm t ; - : viit : ^v i at j- ; • ^. .. - |4t . • -

nnn D'hx toh ty-ipn nnn D»:nN ep3

- • tjquot; ; t v it vmv- - -lt; • t-: -••• : (v at

: D^np rwv n^n ns* ra^an ♦nsn^i : nnxn t^ipn -=

r tl; jt * vv tat Kt : • - jquot; : :-:# it v it v|gt;v -

vnn : a^nsn'a pi^an n^ïpa1? nib^n o^ip wh»

•gt;:r: • it r - iat : *(. : i-. : * v 'hi- • ti: «••: 13

nr3L3n-l7K D»Dn vrr linn hisaba Daxn

— - v - •- lt;:r t : -: t - : • - -i i

verbinding der hoekplanken met de zijwanden eene bijzondere bewerking noodig maakte. (Zie vs. 24).

24. Reeds Nachm. doet opmerken, dat de samenhang met de vooral-gaande en de volgende verzen, evenals de slotwoorden van ons vers, aangeeft, dat de hier

gegeven voorschriften alleen op de beide hoekplanken betrekking hebben. De achterwand staat los tegen de zijwanden aan, terwijl de planken van eiken wand onderling, naar vs. 26—28,

door slnitboomen veree-nigd zijn. De verbinding van achterwand met beide zijwanden moet dus beschreven worden, wat dan ook in ons vers geschiedt. —rmaSn awn wi,

van onderen moeten zij,

d. w. z. de hoekplank met de daaraan grenzende plank van den zijwand,

als geheel bij elkander be-hoorend, vast aaneensluiten,

en van boven moeten zij samen eindigen in eenen ring, die dan expresselijk daarvoor vervaardigd wordt en verder niet is beschreven. Dan zoude aan het boveneinde der beide hoekplanken, zoowel als aan die der beide meest westelijke

Plank achterwand.

Plank linkerzijwand.

Hoek links

-eL

ocr page 172

EXODUS XXVI.

loopen in den éénen ring; zoo zal het met hen beiden zijn,

25 aan de beide hoeken zullen zij geplaatst worden. Het zullen dus te zamen acht planken zijn, met hunne zilveren voetstukken, zestien voetstukken ; telkens twee voetstukken onder ééne plank.

26 Voorts zult gij sluitboomen maken van Shitta-hout, vijf stuks

27 voor de planken van den éénen zijwand van het Verblijf. En vijf sluitboomen voor de planken van den anderen zijwand van het Verblijf, en vijf sluitboomen voor de planken van de

28 zijde van het Verblijf, aan den achterwand, ten westen. De middelste sluitboom, in het midden der planken, grendelt ze

29 van het eene einde tot het andere aan elkander. De planken zult gij met goud beleggen, en hunne ringen, tot huisjes voor de sluitboomen, zult gij van goud maken; en gij zult de sluit-

30boomen met goud beleggen. Dan zult gij het Verblijf oprich-

31 ten naar zijn voorschrift, dat u op den berg is getoond. — En gij zult een voorhangsel maken van hemelsblauwe, purperroode en karmozijnroode wol, en getweernd byssusgaren; van kunst-

32weverswerk zal men het maken met Cheroebiem. Gij zult het aanbrengen aan vier zuilen van Shitta-hout — die met goud belegd, en wier krammen van goud zijn, — op vier

planken der zijwanden eene insnijding zijn gemaakt, waardoor een pin aan den rand bleef; de pinnen der beide planken worden dan door een ring vereenigd. Tot hiertoe is dan slechts één hoekplank beschreven en nu volgt dan : zoo zal het met hen beiden zijn, — en dan de bestemming der planken: ter vorming der aansluiting aan de heide hoeken zullen zij zijn. — Mendelssohn verklaart, daar van een anderen ring, dan van dien voor de sluitboomen, nergens melding wordt gemaakt: dat de beide planken aan iederen hoek zoodanig waren ingericht, dat op den hoek één ring kon aangebracht worden, waarin èn de sluitboom van den zijwand èn die van den achterwand samenkwamen, zoodat eigenlijk die ring de beide wanden vereenigde. — Rashie neemt, op grond zijner opvatting van 'nn 'm njwis 1, aan, dat alle planken van boven met insnijdingen waren voorzien en twee aan twee door een gouden ring waren veroonoen. Elke plank was dus aan weerszijden met de daarnaast geplaatste van boven vereenigd, terwijl van onderen de voetstukken nauwkeurig aan elkander sloten; het eerste deel van ons vers slaat dan op alle planken, terwijl het laatste gedeelte moet opgevat worden; en evenzoo zal het zijn aan heiden, de laatste planken der zijwanden, e n aan de beide hoekplanken zal het zoo zijn. — Shabbath 986 zegt R. Jüda, dat alle planken wel is waar aan de benedenzijde een dikte van een el hadden, maar naar boven langzamerhand afnamen tot op een vingerbreedte = '/j palm. Dan liepen de hoekplanken natuurlijk zóó, dat zij van boven juist de dikte dereind-

Elanken der zijwanden bedekten, zoodat de breedte van boven niet meer edroeg dan '/s el en een vingerbreedte. Dan wordt cnn hier opgevat in den zin van : langzaamlanken der zijwanden bedekten, zoodat de breedte van boven niet meer edroeg dan '/s el en een vingerbreedte. Dan wordt cnn hier opgevat in den zin van : langzaam afnemend in dikte en breedte.

25. De zes planken van vs. 22 en de twee van vs. 23 zullen dus 8 planken zijn, met 16 voetstukken. Het is om dit mede te deelen, dat hier de recapitulatie der planken staat.

26. Vijf sluitboomen aan iederen wand, waarvan vier ieder de lengte

83

ocr page 173

13 nam JÖ

nioty vni .* vn» njrvpisn on»:^1? rrrv p nnxn «

jt ; t : i : i* ^ i: * quot; jquot; z m •.*••: • -v : i* lquot;lt; at v it

nnn D'hK w cp3 on^-iKi o^ip

- -lt; • t~! : a* t-: ^t t jt • I v v -»v : • tI;

n^jri : nnxn tyipn nnn d^ik *:amp;) -mn irnpn12

t j* *t ; it v it vljv - quot; v.quot; • t-: -»••: t vit v|jv-

: in«n ^quot;ipb nt^on D^tsty ♦ïv onnn

it v it Kt; • - ^ - iv jquot; tlquot;; r - -: a* * r •:

onna n^nni n^irn ptrsn-y1?* ♦irnp1? onna ntyoni '3

. : jt . -j,- • a* •• - Ivt : • - - iv j- • -jr

■nina p»nn nnani : na» D^nrn»1? rijban ^ip1?«

I J : Iv, ~ J' i - i tit ' v,quot; t r - It: • - ^ - -»•-• quot; :l- :

nöïn D^ipn-nxi : nïpn-1?^ nvpn-?o nnao o^npn»3

jv - : tI; - v 1; ivItquot; v ^vIt - ^ i • - - a* tI: quot;

tin jtöïi anna1? o^na anT n'^pn Dnwata-nwi ari?

jt • • : a'. ' : t tt -*v : i~ •* • quot; v : tt

n^Nin -law lèötyDa rs^an-nx riapni : an? onnan ^

t v : t r.' t : * : Iat: * - v ^t hquot; 1- itt

n^bim roinNT nban nana d * : ma ^ I

v.-t : I.)tt ; - : v squot; : t t 't : itt f

nnN nnn:! : D^aia nnx nt^jr atrn n'^^o ir^a *

t -«t -it; i* : v,t 1- jquot; 1- ^at: t -»•• :

nraiN-^antDn^n anr o^ïa Q^év nia^ nyaiN-^

^tt ; - - att ^v quot;it tt ■j' \ : • • tt : -

hadden van den halven muur, zoodat die, twee aan twee naast elkander ingeschoven, juist de volle lengte bedekten. Zij werden aan de buitenzijde der planken in gouden ringen (vs. 29) geschoven. De vier halve sluit-boomen bevonden zich op 2,/j el van den boven- en den onderrand der planken; de middelste precies op de helft der hoogte, vijf el.

28. D^ipn TirD. s. in het midden der planken, d. w. z. niet van buiten op de planken, maar van binnen in de planken, waarin een gat is geboord, zoodat zij door een houten grendel inwendig tot een geheel verbonden zijn; anderen: op het midden der planken, juist op de helft der hoogte; (vgl. Ex. 15,4 e. a. p.). Vóór deze laatste opvatting voert men o. a. aan, dat ook de middelste sluitboom met goud was belegd, wat bij een in de planken loopenden sluitboom geen zin zou hebben. — }» ma» rrepn Sn rrepn, grendelt in eiken wand van het eene einde tot het andere-, de andere sluitboomen dus niet, zie vs. 26.

30. Evenals 25,40, wordt hier op het einde der beschrijving van het gebouw des heiligdoms nog eens uitdrukkelijk voorgeschreven het te maken: icscsd, naar de best passende, met zijn beteekenis overeenkomende wijze, -ra mon icn; — toen deze woorden neergeschreven werden, waren de onderdeden des heiligdoms Mozes natuurlijk reeds getoond. Ook kan men zich voorstellen, dat na de beschrijving ze door God Mozes werden getoond en dat daarop de hier gegeven waarschuwing volgde.

.32. nnrui. gij zult het doen, d. i. bevestigen. — orrm, de haken der zuilen; zij waren aan de zuilen bevestigd en het voorhangsel werd er waarschijnlijk met lussen aan opgehangen. Het waren krammen of duimen, haken, waarin slechts aan ééne zijde iets bevestigd was, niet, zooals bij de tapijten, oiDip, dubbel gekromde haken. — De zuilen waren waarschijnlijk 10 el hoog, daar het voorhangsel de geheele ruimte van het allerheiligste moest afschutten, v. d.

ocr page 174

EXODUS XXVI, XXVII.

33 zilveren voetstukken. Gij zult dit voorhangsel juist onder de haken aanbrengen ; en daarheen brengt gij, binnen het voorhangsel, de arke van het getuigenis, zoodat het voorhangsel voor u eene scheiding zal maken tussehen het heilige en het allerheiligste.

34 En gij zult het deksel op de arke van het getuigenis leggen, —

35 in het allerheiligste. En gij zult de tafel buiten het voorhangsel plaatsen; en den luchter tegenover de tafel, aan den zuidelijken zijwand van het Verblijf; de tafel echter zult gij aan

36 den noordelijken zijwand plaatsen. En gij zult een afscheidend gordijn maken voor den ingang der tent, van hemelsblauwe, purperroode en karmozijnroode wol, en getweernd

37 byssusgaren, borduurderswerk. Gij zult voor het scheidingsgordijn vijf zuilen van Shitta-hout maken, en ze met goud beleggen ; — hunne krammen zullen van goud zijn ; — en gij zult vijf koperen voetstukken er voor gieten.

1 Gij zult het altaar maken van Shitta-hout, vijf el lang en vijf el breed; vierkant zal het altaar zijn en drie

den naam: quot;psn rois, voorhangel Ur bedekking of afscheiding van het allerheiligste. — Over den vorm van zuilen en voetstukken wordt overigens niets medegedeeld. Met de 96 voetstukken der 48 planken geven de nier genoemde vier juist de Ex. 38,7 genoemde 100 zilveren voetstukken.

33. D'Dipn nnn. onder de in vs. 6 genoemde gouden haken, die de beide onderste tapijten verbonden; daar nu ieder der tapijten 20 el breed was en die breedte het heiligdom bedekte, werd dus door het voorhangsel de 30 el bedragende diepte des heiligdoms verdeeld in het heilige, 20 el diep, en het allerheiligste, dat 10 el lang, breed en hoog was. Het voorhangel zelf was dus 10 el lang en 10 el breed.

34. mnpn npa. slaat niet op nn:i, als zoude Mozes het deksel eerst op de arke moeten leggen, nadat deze achter het voorhangel was geplaatst. Ex. 40,20 en 21 blijkt immers, dat hij eerst het deksel op de arke legde, toen de arke op hare plaats bracht, en eerst daarna het voorhangsel op zijn plaats bevestigde. Onze verzen willen alleen At plaats der verschillende gewijde voorwerpen, niet de volgorde der plaatsing aangeven. De woorden: fficnpn cnpa, beteekenen dus: hei deksel zuil gij op de arke leggen en beiden zullen zijn: in het allerheiligste.

35. Kwam men, van de Oostzijde, het heiligdom binnen, dan bevond zich de tafel links, op 2'/, el afstand van den noordelijken zijdewand, in de achterste helft van het heilige; rechts, eveneens 2il^ el van den zuidelijken wand verwijderd en vlak tegenover de tafel, de luchter; en achter het voorhangsel, in het midden van het allerheiligste, de arke. De tafel stond met haar lange zijde evenwijdig aan den zijwand; omtrent den luchter heerscht verschil van meening; v. s. stonden de lampen van Oost naar West, dus evenwijdig aan de zijwanden; v. a. van Noord naar Zuid, dus dwars, evenwijdig aan den achterwand.

36- *]DOgt; een, het heiligdom voor profane blikken afscheidend, gordijn. — Hnssn pinsb, tot afsluiting van den ingang der tent, hier algemeene naam voor het geheele heiligdom, niet alleen voor de bedekking met de geitenhaar-tapijten. — Over opn rwï» zie vs. 1.

84

ocr page 175

D ia nDnn nö

haè' mam b^pn nnn nihsn-nN nnnii : eiD3quot;^nN ^

tt •'t ^ ** rv * tl : - - j- v t - •gt; jt ~ it : i v it quot; z *

D31? rohsn m-tyn ?nK na n»3ö

i ■gt;•• v t y t ~ lt;t : a ** it I •» v t - ■»•• *

{11N nisan-nN rinji. : srip pai tyipn *

roSs1? pno jn^n-nn nö'^i : D^nsn t^ipa mpn ^

t - I •» • it:*..- v lt;t : - : r tit- vk ; avquot;it

rnV^nini^nra^an irVï by rnVuri nij niisn-nKi

it:*.. - ; tat •• kt : * - ^ -r i t : \ ' ' ■j t ; - v :

roaiNi nVsn ^nxn nnsh ^idü n^i: ?isx ybrby rnn ^

i )tt ; - : v squot; : v t - jv : |t t t lt;• *t : i 1 t ^ - jv Kquot; •

ntron •noa1? n^i : Dph n'^o irtyo wi w nybim *

t • -i ) t t - t j* ^t : 11quot; vquot; ^-:i- at: t jquot; ; v t :

rrón on1? npvn anr dh^i nrn bnK n^vi map

^ v,t * *-* t jt i: -it: att «'it tt t «t • • : * • jquot; quot;

j^an D'tair ♦xy narsn-nN nW d * j ntrn: mx«

•• t a- * - v t j' t : v i : y \ -

nirsn rrrr »131 anS max t^ani Tiix max

j t - ••* * i* lt; t - j - squot; t : | v

37. QnS, voor de vijf zuilen.

Hoofdstuk XXVII. 1—8. Het altaar, na», dat ook genoemd wordt; brandofferaltaar, nSu'n ra», daar de door de gemeente te brengen dage-lijksche en feestofifers bijna uitsluitend uit brandoffers bestaan; of na»» iiiwi, het koperen altaar, met het oog op de koper-bekleeding, of prrin 'n, het huiten-altaar, met het oog op zijne plaatsing in het voorhof, terwijl het gouden reukwerk-altaar vinnen het scheidingsgordijn, in het heilige stond. — na)»n, het altaar, dat reeds Ex. 20,21 is voorgeschreven. Het in Mozes' tijd gemaakte altaar was vijf el lang en breed, welke afmetingen later veranderden, tot het bovenvlak 28 el in het vierkant mat. Steeds echter gold het voorschrift: nw ïiai, dat het vierkant moest zijn, d. w. z. even lang als breed (Zebachiem 62a). V. a. beteekenen deze woorden tevens, dat de genoemde vijf el uit het midden zijn gemeten, zoodat het altaar 10 el lang en breed was (vgl. Ez. 43,16). — viop rrt»N rSüi. De hoogte van het altaar bleef steeds drie el. Het altaar van Salomo bestond namelijk, evenals dat in den tweeden tempel, uit vier deelen; een grondvlak, 32 el lang en breed, en 1 el hoog; daarop stond een blok van 30 el lang en breed en vijf el hoog, aan alle zijden een el inspringende, zoodat een omgang ter breedte van een el gevormd werd (hoi), die echter aan Zuid- en Oostzijde slechts een el lang was ; op dit blok stond het eigenlijke altaar, 28 el lang en breed, wederom aan alle zijden een el inspringend, en een omgang van een el breed vormend (mto); dit eigenlijke altaar was drie el hoog, en aan de hoeken daarvan stonden de vs. 2 genoemde rwp ter hoogte van een el. Wanneer Ez. 43,15 het eigenlijke altaar, de Win, gezegd wordt vier el hoog te zijn, dan is dit met inbegrip der rmip. Het geheele altaar in den tempel had dus eene hoogte van 10 el. Zebachiem 69ft komt een verschil van meening voor tusschen R. José en R. Jüda, of de hier genoemde drie ellen hoogte inderdaad de geheele hoogte van het altaar uitmaakten, dan wel alleen gelden van het eigenlijke altaar, de offerplaats, terwijl ook het altaar van Mozes de beide voetstukken zou hebben gehad en dus in het geheel 10 el hoog zou geweest zijn en vijf el boven de gordijnen van het voorhof zijn uit-

ocr page 176

85

EXODUS XXVII.

2 el zijne hoogte. En gij zult zijne horens maken aan zijne vier hoeken; de horens moeten uit één stuk ermede gemaakt zijn ; en

3 gij zult het met koper beleggen. Ook zult gij zijne potten maken, om het van asch te reinigen, en zijne schoppen, en zijne spreng-bekkens, en zijne vorken en zijne vuurpannen; voor al zijne

4 gereedschappen zult gij koper verwerken. Voorts zult gij er een hekwerk aan maken, van koperen netwerk; aan dat nét

5 zult gij vier koperen ringen maken aan zijne vier hoeken. Dit zult gij vastmaken onder den uitstekenden rand des altaars naar onderen; en het net zal reiken tot de helft des altaars.

altaar stonden en waaraan bij sommige offers het bloed werd gestreken. — pwi i:»», waarschijnlijk uit het hout voortkomend, d. w. z. dat de houten platen, voor het altaar gebezigd, dadelijk zoo vervaardigd werden, dat aan elke hoek een uitstek van een el in het vierkant en een el dik was. De dikte der platen wordt niet beschreven. Bedroeg die, evenals bij Ae. planken, een el, dan was de vorming der hoeken zeer gemakkelijk, daar dan slechts aan elke plaat één zulk een uitstek behoefde gemaakt te worden. Ook het koper ter belegging was in denzelfden vorm als de houten platen gemaakt, en vermoedelijk ook nog omgebogen, zoodat er een vierkante el koper was ter bedekking van de oppervlakte der nuip. Anderen meenen, dat de horens van boven open en geheel hol waren; weer anderen, dat het slechts twee tegen elkander sluitende plankjes waren, geene kubussen.

3- 1VTTD. potten, waarin de asch overgeschept wordt bij het van asch reinigen des altaars; vïii aschschoppen, waarmede de asch van het altaar in die potten geschept wordt; vnpitsi, sprengbekkem, waarin het bloed, dat op of tegen het altaar gesprengd moet worden, wordt opgevangen; vruStm, vorken, om de offerstukken op het altaar te kunnen omkeeren of ze in het vuur te stoeten, tevens om het vuur op te poken; iwinni, eig. scheppannen, waarin vuur van het altaar wordt genomen. Zij hadden een steel, en aan drie zijden een opstaanden rand, doch waren van voren opeji. — T'Ss SaS nvn piBrri. Evenals Ex. 32,4 rOD» Sw inciyi, betcek«nt: hij ma a k te, verwerkte het tot een kalf, zoo kan hier worden vertaald: voor al zijne ge-

ekomen. — Naar vs. 8 was het altaar niet een houten blok, maar van outen platen samengevoegd, die naar vs. 2 met koper bekleed waren en welks holte naar den Thalmoed, met het oog op Ex. 20,21, waar het nain ns-w wordt genoemd, geheel met aarde gevuld was.

2. rruip. Naar de traditie: kubussen van een el lang. breed en hoog,

die op de vier hoeken van het

/l 1 El

v —

f ru

V

-Ni

fel

nSiyn

roto hv pp

1

op ± 40. ± 57 cM.

Schaal 1 El =

ocr page 177

TD nonn na

laap vnss jranK ^ vniip : inop msK3 vv^i iiun1? Vnh'D : ntrnj inK n^vi vhnpj

•tt: ; -; t i* t lt;• *t ; v i : ^ • • : at ;lquot;

: ™ni n'^n vba-^D1? vhnnDi vhabTöi vrnbiToi

vii jv ^-ïi- v.t •• t ; at ; - ^t ^: : • ^ t l :: *

ni^Sn-^ rv'^jn n^n: nt^i n'^o *1^30 ib

v v t ^ t j* : va: v jv vquot; • . t : * ■*t ** t:

nnn nn» nnn:i : vnixp ya*iN Sj; n^n: nyau n : naTsn ♦xn n^in nn^ni ntaabo naTsn ai3quot;i3

-!«•:•- j' -; v vt jt :it : t at : * -v**: * quot; j '

reedschappen zult gij koper verwerken; anderen: wat al zijne gereedschappen betreft, zult gij van koper maken: vgl. vs. 19. Ex. 38,3 bij de vervaardiging van het altaar staat; 1^0 Vs, zonder S.

4. 1330. een op een zeeft gelijkend hekwerk, en wel: ntn nvsn, netwerk, kruislings over elkander loopende koperen staven. Dit werd volgens vs. 5 onder den dd-o des altaars aangebracht en liep tot de halve hoogte van het altaar. V. s. diende het eenvoudig tot versierende bekleeding en liep dus verticaal om het altaar heen; v. a. stond het horizontaal en diende om afvallende kolen en offerdeelen op te vangen, zoodat deze niet op den

frond vielen. — Aan de vier hoeken werden vier ringen aangebracht om e draagboomen door te steken. In ieder geval was dus dit hekwerk aan het altaar bevestigd.rond vielen. — Aan de vier hoeken werden vier ringen aangebracht om e draagboomen door te steken. In ieder geval was dus dit hekwerk aan het altaar bevestigd.

gt; 3313- Zebachiem 62a komen hiervan twee opvattingen voor; versierend snijwerk, -ivo, dat dan aan het bovengedeelte des altaars moet geweest zijn; of wel; omgang, een rondom het altaar loopende rand, ter breedte van een el, waarop de dienstdoende priester kon staan, om den dienst op het altaar te verrichten, wat, bij eene altaarhoogte van drie el, van den grond af niet wel mogelijk was. Een hellende, niet uit treden bestaande opgang, bevond zich wel, naar den Thalmoed, aan de Zuidzijde des altaars, maar maakte de andere zijden niet beter toegankelijk. Neemt men de hoogte van Mozes' altaar op niet meer dan drie el, dan moet die omgang zich op ten hoogste een el van den bovenrand hebben bevonden; of misschien zelfs op het bovenvlak van het altaar, dwo 'Sji ■p'r'n mp», ■plaats, op het bovenvlak van het altaar, een rand, ter breedte van een el, waar geen vuur lag, doch die vrijgehouden werd, om loopplaats voor de priesters te vormen. Denkt men zich de hoogte op 10 el, dan was de omgang, mid, (zie vs. 1) op zes el, dus een el boven de helft der hoogte, zoodat het netwerk een el breed was. In elk geval hing het netwerk van onder den m-o, naar heneden toe af; zelfs al stond het horizontaal, dan nog moet voor de dikte aangegeven worden, of die boven, dan wel onder den aaia moet vallen, daar immers imperatief wordt voorgeschreven, dat het netwerk in ieder geval moet reiken; rcnsn vtn nr, tot de helft der altaar-hoogte. — De beschrijvingen zijn in het algemeen zeer kort; de 3313 wordt slechts als terloops genoemd, de opgang niet eens besproken. Voor Mozes toch was geen uitvoerige beschrijving noodig, daar hij het geheel immers voor zich zag. — Anderen meenen, dat het netwerk van onder af, rm»1?», van af den grond, tot de halve altaarhoogte reikte; 3313 nnn nns nnnai, spreekt echter meer ervoor, dat het netwerk direct onder den 3313 begon, zoodat daarmede de bovengrens is aangewezen; romn '•ïn ir geeft dus de benedengrens aan. — De zichtbare scheiding van boven- en benedenhelft

ocr page 178

EXODUS XXVII.

6 En gij zult draagboomen voor het altaar maken, draagboomen

7 van Shitta-hout, en ze met koper beleggen. En men zal de draagboomen in de ringen steken, zoodat de draagboomen aan

8 de beide zijden des altaars zullen zijn, als men het draagt. Hol van platen zult gij het maken, gelijk Hij u het op den berg

9 getoond heeft, zoo zullen zij het maken. — En gij zult het voorhof voor den tabernakel maken : aan de zuidzijde gevlochten gordijnen voor het voorhof, van getweernd byssusgaren,

10 honderd ellen lengte voor de ééne zijde. En de daarbij be-hoorende twintig zuilen met hare twintig koperen voetstukken;

11 de krammen der zuilen en hunne windingen van zilver. En evenzoo aan de noordzijde, in de lengte, gevlochten gordijnen, honderd ellen lengte; en de daarbij behoorende twintig zuilen met hunne twintig koperen voetstukken; de krammen der

12 zuilen en hunne windingen van zilver. En de breedte des voor-hofs aan de westzijde, gevlochten gordijnen vijftig ellen; de

13 daarbij behoorende tien zuilen en hunne tien voetstukken. En

14 de breedte des voorhofs aan de oostzijde vijftig ellen. Vijftien el gevlochten gordijnen aan den eenén vleugel; de daarbij

des altaars was noodig, daar bij sommige offers de bloedsprenging op de bovenhelft, bij anderen op de benedenhelft moet geschieden. In den tweeden tempel wordt dan ook bericht, dat die zichtbare scheiding werd gemaakt door een roode menie-streep, die op de helft der hoogte rondom het altaar liep.

7. rw JOirP) vgl- onze aant. Ex. 21,28. — nMDa, in de vs. 4 ge

noemde ringen. Daar de opgang aan de Zuidzijde was, bevonden zich de draagstangen vermoedelijk aan de Oost- en Westzijde van het altaar.

, 8. rinS am niet: een massief blok, dat niet tegen «eeuwig vuurquot; bestand zou zijn, maar hol, van houten platen, gevuld met aarde; bij het optrekken van het leger werd het altaar hol medegevoerd en bij het legeren eerst een aardhoop van de vereischte afmetingen opgeworpen, waarover het altaar werd geplaatst. — noïn, gij zult het maken opdragen-, zooals uit wjp blijkt. Het geheele bevel richt zich tot Mozes, naar wiens aanwijzingen alles door de werklieden zal moeten gedaan worden. — Daar hier wederom een moeilijk te maken tempelvoorwerp is beschreven, wordt de aanwijzing, om het juist zoo te maken, als het hem op den berg is getoond, hier nogmaals herhaald.

9. Het voorhof is eene ruimte van 100 el lang en 50 el breed, rondom den tabernakel, en wel zoo, dat het heiligdom op 20 el afstand van achteren zijwanden van het voorhof stond. Het heiligdom, 30 el lang en 10 el breed, stond dus in de achterste helft van het voorhof, evenals de gewijde voorwerpen in de achterhelft van het heilige geplaatst werden. Voor het heiligdom was dus een vrije ruimte van vijftig bij vijftig el, waarin altaar en waschbekken stonden. Deze ruimte is het eigenlijke voorhof, en wordt vs. 18 afzonderlijk vermeld. Het voorhof werd afgepaald, door OijjSp, gevlochten gordijnen van byssuslinnen, opgehangen aan zuilen, en wel zoo, dat telkens op vijf el gordijn, een zuil kwam. Het is waarschijnlijk, dat de 100 el gordijnen één stuk vormden ter breedte van vijf el.

86

ocr page 179

ra nonn ifi

: nirni DDK na nka1? bna n^i1

... , : jt • • : a' * -....- . - t lt;• j

narsnn^ï onan vm njraisavirnK Kamv

-vquot;: * quot; ^ - 4quot; : * — ^ t : at-- v.t - v jt :

Wnxin inn n'c^n rinnxin inn n'c^n rin1? aiai : ma n^Squot;

jt ; v v -: i- a jv i- \, \ j i i Jquot; :

nKöV |3^an quot;ixn nx n^jn d * : i'TCfS quot;in|D | hksV Tjixnaxa HKÜ IT^D wv ninb D^bp naö^-aa:

vt *• quot; | v t - it lt;t •* t : t •»•• ** tiv ti: tt quot; viv

DnD^n^n^naon^Dn^Ki Dn'^ vna^ : nnKH'

TjiK n«ö quot;TjiKS jisv nKS1? pi : t|p3 on^^m ^ _ Dn^^ni DHD^n pi ntbm bn'f 3; dh^-iki on^ VSZ] r Dnns^nDK D^pn D^p D^riKfi^ nvnn yiy *: s]D3 ^ f** nnnTo noip nKfi1? lïnn anni : Dn^nxi ^

t^t: • t :tjquot; -r : * •• t iv - -» ; VTT v,v •• ; - : tt

onnsjr nnab on^p na« nT^jr ^Dni : nax D^on ^

-»•.. ••!•%- Ia-t - VTI; ot - jquot;: •V •• -ti- it - r * -:

10. Waren de 100 el één stuk, dan stond reeds op den hoek eene zuil. Naar den letter van den tekst krijgen wij voor de zijwanden ieder 20 zuilen, voor den achterwand 10, aan de voorzijde zes en vier voor het afsluiteordijn, te zamen dus: zestig zuilen. Sommigen meenen echter, dat de hoekzuilen dubbel gerekend zijn, daar zij aan beide wanden zichtbaar zijn. Dan waren er slechts 56 zuilen, waarvan 48 op de beide zijwanden en den achterwand komen, wat geheel overeenkomt met het aantal planken van het heiligdom; twintig aan ieder der zijmuren en acht aan den achterwand. Om verschillende redenen komt mij dit echter minder juist voor.— onaïn 'H, de krammen aan de zuilen dienden om de gordijnen op te hangen, met lussen of om blokken gewonden, waaraan een koperen ring bevestigd was. — Difpfm, windingen, om de zuilen, als versiering; misschien bovenaan de schacht der zuil. In elk geval schijnt het een hoepelvormige versiering te zijn. V. a. dienden die hoepels om de haken eraan te bevestigen, wat echter evengoed aan de zuilen zelve kon geschieden. Deze waren immers waarschijnlijk van Shitta-hout, al staat het nergens uitdrukkelijk vermeld. Weer anderen zien in Dipit n: zilveren dwarsstan^en, ter verbinding der zuilen; dezen zouden dan vijf ellen lang moeten zijn; en daar voor al het bijwerk der zuilen, naar Ex. 38,28, slechts 1775 Shékel overbleef, kan men zich moeilijk voorstellen, dat daaruit zulke stangen zouden vervaardigd zijn.

13. Aan de Oostzijde, waar de ingang was, bedroeg de breedte van het voorhof, evenals aan de Westzijde, vijftig el. Deze waren echter niet allen door gordijnen afgesloten, maar (14 en 15) aan weerszijden, naast de zijwanden, waren vijftien el gordijnen, waartusschen dus als ingang eene breedte van twintig el vrij bleef, waarvoor een afsluitgordijn werd gehangen.

14. tyij, eig. schouder-, hier; de vleugel van den voorwand, die aan den zijwand grenst, en aan de andere zijde tot den ingang loopt.

ocr page 180

EXODUS XXVII.

15 behoorende drie zuilen en hunne drie voetstukken. En aan den anderen vleugel ook vijftien [el] gevlochten gordijnen; de daarbij behoorende drie zuilen en hunne drie voetstukken.

16 En voor de poort des voorhofs een afscheidingsgordijn van twintig el, van hemelsblauwe, purperroode en karmozijnroode wol en getweernd byssusgaren, borduurderswerk ; de daarbij

17 behoorende vier zuilen en hare vier voetstukken. Alle zuilen des voorhofs rondom met zilveren windingen, hunne krammen

18 van zilver en hunne voetstukken van koper. De [geheele] lengte des voorhofs zal zijn honderd el, en de vrije breedte vijftig bij vijftig el, en de hoogte [der gordijnen] vijf ellen, van getweernd byssusgaren; en de erbij behoorende voetstukken

19 van koper. Wat al de overige gereedschappen van het Verblijf betreft, voor al den arbeid er voor, en al zijne pinnen en al de pinnen des voorhofs — van koper.

20 En gij, gij zult den kinderen Israels gebieden, dat zij nemen en u brengen zuivere gestooten olijfolie, ter verlichting,om altijddurend

21 licht te ontsteken. In de tent der samenkomst, buiten het voor-

15. 7\ypy VüJlt namelijk: n»«, niet; vijftien gordijnen, daar ze voor elk stel zuilen van een wand in één stuk vervaardigd waren; het was dus één gordijn van 15 el lengte.

is. onrpro ovan arrn. en de niet door den eig. tabernakel ingenomen vrije breedte, is vijftig el hij vijftig él lengte. Het ziet dan op net voorplein vóór het heiligdom. Mendelssohn : en de breedte vijftig el over eene lengte van vijftig ellen, terwijl het verder niet meer vijftig el, maar aan beide zijden des heiligdoms slechts twintig el breed was. Anderen meenen am hier te moeten opvatten in den zin van sim, open plaats, plein, en vertalen: en een plein van vijftig hij vijftig. De Samaritaansche lezing, als stond er: rmtts D'Mn, is eene willekeurige verandering, die, evenals Septuaginta's lezing ; nsoa ns», voor n»N3 ns», uit het streven naar gelijkmaking van den tekst is ontstaan. — nnpi. Daar het voorhof gevormd wordt door de gordijnen, en niet overdekt is, is hoogte van het voorhof en hoogte der gordijnen hetzelfde. Die hoogte werd namelijk gevormd door de breedte der gordijnen. Ex. 38,18 staat; ama rropi, en de hoogte, gevormd door de breedte der gordijnen, — vijf el, wat onze plaats niet weinig opheldert.

19. imsy ^33 ptPOH 'Sa SaS» a^e voorwerpen, die bij den arbeid aan het heiligdom, bij het uit elkander nemen en in elkander zetten gebruikt moeten worden. Vgl. 39,40. Niet: voor den tempeldienst benoodigd gereedschap, daar de bepaling daaromtrent hier niet zou passen. — Sai WW, pinnen, ter bevestiging der gordijnen in den grond; deze werden waarschijnlijk aan touwen, (onrw) die aan de benedenzijde der gordijnen zaten, vastgebonden en in den grond gestoken, om de gordijnen gespannen te houden, zoodat zij niet door den wind bewogen werden. Evenzoo schijnt ook met de dekkleeden van het heiligdom geschied te zijn.

20. Wij hebben reeds 25,1 gezegd, dat het voorschrift omtrent de bediening van den luchter hier staat als inleiding tot de priesterkleeding en wijding. — nim Terwijl al het tot hiertoe behandelde, op Mozes'

«7

ocr page 181

TD msn noïnn ra

rrim Kton n^n nn3l?i : nwhw Drvrw

v,quot;: 1 ...- ) .. t - . it : v.v : t :

ninn Dn»nNi r\amp;v onnsy ra

•• t iv ^ : it : \.v ; t : •• •a* t i:

'wn vw w n^ini jöaquot;i«i nban nsx on^ i Tjpo

Dn^nKi ni;3i« bnns^ Djri n^o ^ | : nB'n: on^-iKi nos Dn»ii eioi) D^BTID yio lïnn 'nioy

v i : (/-• : ) vat v.v -it | v v i-^-t^ ••. ; ^ t qlt;quot; t iv ••

nbpi D^ona D^on i nnhi nato hno nïnn

.)ti ; .!••-; - -•: t -it t •• •• t iv ) vj

?3^an ^3 ^ : nts^n: DH^INI iTtro niöN E'on ^

i t : • - •jquot; ; : vi : vquot; quot; : - : at : t — v. quot; Jquot; r

D : nwni quot;iïnn hin'-^i vnin'-bai iniav Vds

v i : vquot; t iv j : • t : -n iquot;; t ; a t i -: ^ :

n'na^rm.iae'^K in^i yrnK i mxn nnxv rons^nno ^«3 :TDn i: ribyrb nxa^ «

■■■ T - I * V -* : TT Vquot; j ^'.l' : A T -

aanwijzing, door de bouwmeesters en werklieden werd gedaan, volgen hier drie voorschriften, aan Mozes zelve gericht, en daarom telkens met nnsi ingeleid; en wel: 1°. het bevel aan Israël te geven, hem de olie voor den luchter ter beoordeeling en voorloopige bewaring over te geven, in ons vers; 2°. het bevel, Aharon en zijne zonen tot priesters te wijden (28,1) en 3°. den meest bekwamen werklieden te gelasten, de priesterkleeding voor Aharon te vervaardigen (28,3) (Siporno). — nwi rum Volgens Rashbam e. a. wijst het gebruik van den stam nw (tegenover im Ex. 25,2) op het blijvend karakter van het hier gegeven voorschrift — daar immers jaarlijks opnieuw voor olie voor den luchter moest worden gezorgd. De geboden in hoofdst. 25 vv. daarentegen hadden in zooverre slecnts een tijdelijke werking, als de gewijde voorwerpen, eens vervaardigd, niet zouden behoeven vernieuwd te worden. — -pSs injyi, zij zullen van het hunne nemen en u overgeven. — -jt nn pr, zuivere olijfolie, d. w. z. vrij van droesem en tevens van de fijnste qualiteit. Volgens Ibn 'Ezba: olie van zuivere, niet tot rotting overgegane of wormstekige olijven. Naar den Thalmoed (Menachoth 86o) waren er drie perioden van olijven-oogst; de eerstrijpenden, die stuk voor stuk uit den top van den olijfboom werden geplukt; de lateren, die eerst op het dak moesten droogen, alvorens ze te kunnen uitpersen; en de laatsten, die eerst in een kuip moesten broeien om week te worden. De eerstgenoemden gaven de beste olie; doch mocht de olie van alle drie oogsten gebruikt worden voor den luchter, zoo zij slechts nvo, gestooten was, in een mortier gestampt, niet gemalen in een molen, noch in den perskuip getreden. Voor den luchter moesten dus de eerste droppels, d. i. de fijnste en kostbaarste olijfolie worden gebezigd.— nsaS, evenals Ex. 25,6; alleen voor den luchter was die fijnste qualiteit gebiedend voorgeschreven; voor de meeloffers en zalfolie mocht ook mindere soort gebezigd worden. — nSrnS, zie Ex. 25,37. — T»n -u, altijddurend licht, kan, evenals 25,30, (zie onze aant. aldaar) beteekenen: voortdurend, dag en nacht brandend-, vgl. echter vs. 21: ipa iï aiy»; óf wel:

ocr page 182

EXODUS XXVIl, XXVIII.

hangsel, dat vóór het «getuigenisquot; is, zal Aharon en zijne zonen het in orde doen zijn, van den avond tot den morgen, vóór den Eeuwige; eene eeuwige wet voor hunne nakomelingen, vanwege de kinderen Israels.

1 En gij, doe tot u naderen uwen broeder Aharon en zijne zonen met hem uit het midden der kinderen Israels, om hem Mij tot priesterdienst te wijden : Aharon, Nadab en Abiehoe,

2 El'azar en lethamar, de zonen van Aharon. Gij zult namelijk heilige kleederen laten maken voor uwen broeder Aharon tot

3 eer en tot sieraad. En gij, gij zult spreken met alle wijzen van hart, die Ik met den geest der wijsheid vervuld heb, — dat zij Aharons kleederen vervaardigen, om hem te heiligen, hem Mij

4 tot priesterdienst te wijden. En deze zijn de kleederen, die

periodiek, d. i. hier: dagelijks ontstoken. Naar eene oude traditie was er inderdaad, zoolang de godsdienstige toestand van Israël goed was, één licht aan den lucnter, dat dag en nacht brandde, het isiïd ij — d. i. óf het middelste licht, óf het tweede van de Oostzijde af; — Maimonides, dibdtoi CTisn 'n, 3,10—17, schijnt inderdaad aan te nemen, dat ook bij dag de luchter branden moest; terwijl de zorg voor het brandend houden alleen gedurende den nacht, ipa ir a-yj», op den priester rustte en dus de hoeveelheid olie, waarmede hij telkenmale de lampen vulde, voldoende moest zijn, om van den avond tot den morgen te branden.

21- IjnO SnjO. De tapijtentent, door de planken gedragen, heet: S,-in lïra, als de plaats nn» ddS iïis iüs, waar God voor JsraéTs vertegenwoordigers de samenkomst zou bepalen, om hun Zijne openbaring te doen deelachtig worden (Ex. 211,42). Zij wordt ook wel nnrn Sin, tent van het getuigenis genoemd, {Num. 9,15; 17,23; 18,2) als de plaats, waar het nnj), de steenen tafelen, bewaard worden. Ook pc?:, de zetel van de Goddelijke Majesteit, de plaats der openbaring, is een naam voor het eigenlijke heiligdom, = het heilige en allerheiligste; terwijl de naam: npnooknet voorhof omvat. —■ nnjjn Sr, eig.: over het getuigenis, dat het getuigenis, de steenen tafelen in de arke, aan profane blikken onttrekt. Vgl. Ex. 40,3: wen nx psn Sr rooi, gij zult ov er de arke het voorhangsel als afscheiding hangen, eig.: dekken. De bedoeling is natuurlijk: vóór de arke, om haar aan het gezicht te onttrekken. — ins -pï', zal hij het, nl. iw», het licht, in orde doen zijn, d. w. z. zorgen, dat de lichten op ééne rij staan, vgl. de uitdrukking: nairan nu. Ex. 39,37; — anderen: verzorgen, door ze bij dag te reinigen en opnieuw te vullen en van nieuwe pitten te voorzien, dat zij branden kunnen, -«pa tï aiïtt, van den avond tot den morgen. Dan ontbreekt echter in den tekst een woord voor het branden Volgens den Thalinoed werd iedere lamp met V, Log — 3 eierschalen vol olie gevuld, wat ook voor den langsten winternacht voldoende was. —■ Ss-n-i'ja risB, ook in latere geslachten zou de olie voor den luchter vanwege de kinderen Israels, d. i. van hunne jaarlijksche Shékel-bijdragen, worden bekostigd.

Hoofdstuk XXVIII. 1. 3quot;)pn HDNI. doe uwen broeder tot u nader treden om hem met de priesterkleederen te omhangen en hem zoo tot priesterdienst te wijden. Zoowel uit de woorden: Ks-ici i» -prio, als uit Ex. 29,4, waar de priesterwijding uitvoerig voorgeschreven wordt, en waar eveneens de uitdrukking: mpn is gebezigd, blijkt, dat hier van een plaatselijk //doen

88

12

ocr page 183

na T3 niyn nss

♦jflV quot;iftr-ty 31^0 vaai |nnïlt; in» quot;rj^. quot;IBgt;N

nnNquot;! D : ^3 n«ö onin1? bbiy n[5n nin»« HD •jKiiy» ^3 TiinD iriK v:3-nKi THK nnN-nxV^ 3npn

^.. t ; • jquot; : | •) * * -•tt v ; P • t I -: i- v | v •• -•••I; ~

: rnnx 'J3 quot;lan'Ni Nrnw 3ii pnx ^quot;lins1?

I i -: i- jquot; : ti*; ^t^t : v •) • -:i- stt P -: i- a* -:i- ;

nriNi : mNflnbi 1133S nnx1? tynp-nas n^i2

t - ; vit : • ; ^ t : | a* t I -* -: r ; vK ^

nosn nn vntf?o 3l?-,03n-,73-,?K ■i3nn

r : at ; t ^ v. .. . jv -; •• •• : - t v •• quot; :

IE'K Dn33n rbtfi : ♦yians'? pnw nj3TiK ■•

jv -: *t : quot; v •• ; r -:i- : ^ :l- : I -j-j i- squot;: •

1

nadertredenquot; sprake is. Korteliik wordt dus hier reeds de priesterwijding aangekondigd, die eerst na voleindiging van het geheele werk van den tempelbouw zou geschieden. Daarin ligt dan de aanleiding, om de pries-terkleeding eerst te beschrijven. Tevens staat ons vers in onmiddellijk verband met het vorige, waar aan Aharon en zijne zonen een priesterdienst in het heiligdom is opgedragen, — zij toch zijn priesters en moeten als zoodanig gewijd worden, — daarom moet gij nun heilige kleederen maken. — at: pnx enz. De vier zonen konden niet door de wijding huns vaders ook zelve het priesterschap deelachtig worden, maar moesten afzonderlijk gewijd worden. Dan zouden hunne, na hunne wijding geboren kinderen, erfelijk priesterschap hebben. De tot dien tijd geboren kleinzonen van Aharon waren geen priesters. Zoo is duidelijk, waarom aan Pienechas, die waarschijnlijk nog in Egypte geboren was, eerst na zijne daad het priesterschap wordt toegekend (Num. 25,13). (Nachm.) 'S uroS: om hem Mij tot priester te maken-, Ibn 'Ezea: opdat hij Mij tot priester zij-, evenzoo vs. 3, -h wu1? irtpS om hem te wijden, om hem totpriester te maken, één begrip, in twee werkwoorden uitgedrukt; Ibn 'Ezra: om hem te vrijden, zoodat hij priester zij.

2

vnxSo -ktk aS -'aan Sa S» tot alle wijzen van hart, dat, welk hart, Ik vervuld heb enz. (Ibn 'Ezra) ; anderen: tot alle wijzen van hart, ieder namelijk, dien Ik vervuld heb. Ook de kennis der middelen, die bij de bewerking van kunstvoorwerpen tot het beoogde doel kunnen leiden,

heet: nosn. Bij de vervaardiging van het heiligdom en zijne voorwerpen, wordt die eisch van wijsheid eerst hoofdstuk 31, bij de benoeming van Betsalel en Aholiab tot leiders van het werk, gesteld. Naar Kirsch: omdat zij daarbij geheel gebonden waren aan de Mozes op den berg getoonde modellen, terwijl bij de vervaardiging der priesterkleeding meer vrije hand gelaten was.

ocr page 184

EXODUS XXVIII.

zij maken zullen : een borstschild, en een Ephod, en een mantel, en een in ruitjes bewerkt onderkleed, een hoofdwindsel en een gordel; en zij zullen heilige kleederen maken voor uwen broeder Aharon en voor zijne zonen, om hem Mij tot priester-

5 dienst te wijden. Zij zullen dus nemen het goud, de hemelsblauwe, purperroode en karmozijnroode wol, en het byssusgaren.

6 Den Ephod zullen zij maken van goud, hemelsblauwe, purperroode en karmozijnroode wol en getweernd byssusgaren,

7 kunstweverswerk. Twee tegenover elkander staande schouderstukken zullen er aan zijn, aan zijne beide einden ; en het

vermeld wordt), liet aantrekken en hem daarna het onderkleed aantrok en dit met den gordel, tssas, vast om zijn lichaam deed sluiten; hem daarna het hoofdwindsel, nwï», opzette, waaraan de gouden voorhoofdsplaat, p*, werd vastgemaakt. Deze wordt, geen kleed zijnde, hier niet vermeld. Daarna eerst omhing hij hem met den mantel, den Ephod en het borstschild (Ibn 'Ezea,). Mogelijk is ook, dat de opsomming zich naar de meer of minder moeilijke bewerking richt, zoodat eerst het borstschild wordt behandeld, dat uit stof en 12 edelgesteenten bestond en kunstweverswerk was; dan de Ephod, minder gecompliceerd dan het borstschild, hoewel van gelijksoortige bewerking; daarna de mantel, die nis nrrn was, waar én de halsboord én de benedenrand meer kunstvaardigheid vereifchte, dan het onderkleed, dat een zware, dikke en daarom in ruiten geweven linnenstof was; de muts en gordel zijn dan, als het minst gecompliceerd, — de laatste was Dpn nwro — het laatst genoemd. (Vgl. Ibk 'Ezra 29,6). — v:pji roroi. Vs. 39 wordt van dit kleedihgstuk alleen meegedeeld, dat het uit byssus moest vervaardigd zijn en ns3~i, met kasvormige ruiten geweven moest zijn. Dit is ook de bedoeling onzer tekstwoorden: van een weefsel met mar», kassen tot het inzetten van edelgesteenten, dus diepe vier- of zeshoekige ruitjes in het weefsel, evenals in de tweede maag eener koe, de lebmaag, gevonden worden. Volgens de commentatoren werden harde, zware stoffen in den regel zoo geweven; men denke bijv. aan de ruiten van een wafel-, gegauffreerd weefsel dus. Waarschijnlijk had het mouwen. — fiEJxo, was geen muts, maar een hoofdwindsel van 16 el lengte, dat dan in tur-banvorm om het hoofd werd gewonden. — caasi, eveneens een windsel, drie vingers = 3/« palm breed en 32 el lang, dat herhaaldelijk onder de borst, ter hoogte der ellebogen, om liet lichaam werd gewonden en waarschijnlijk in een breeden strik met lange slippen afhing. — waSi -prts prwS, zij zullen kleederen maken voor Aharon, en zijne, hem als hoogepnester opvolgende, zonen.

5, anjn. ^et goud enz., dat bij de heffing door de Israëlieten was gegeven, wat namelijk, na de vervaardiging der tapijten en gewijde voorwerpen, van deze stoffen nog was overgebleven. Anderen: z ij zxdlen van de Israëlieten in ontvangst nemen, in tegenstelling met de 27,20 genoemde olie, die Mozes ontving. De zin zou dan zijn, dat Mozes hun niet de vereischte hoeveelheid, juist afgepast, behoefde over te geven, maar dat, in vol vertrouwen op hunne eerlijkheid, de heffing van gansch Israël hun direct kon worden ter hand gesteld. Dan zou hier echter van de grondstof, ook van andere gordijnen, tapijten enz. sprake moeten zijn, wat reeds om den samenhang minder waarschijnlijk is. Bovendien zouden dan ook planken, zilver, huiden enz. uit 25,3—7, .genoemd moeten zijn.

89

ocr page 185

na niïn üfi

□23X1 nwïp patfn nansi niaxi ^n inp» bm : v:^ nns1? tyfp-naa iiyyv

■• ': • quot; : r -*i- ; ct t : | •)• t I gt;-* i- : v| ••; • :

nybirrnNi ro^nKHTiKi n^nn-nxi nntn-nK

v.' t - ^-j' v ; I ATT : - it v : •.%•■ : - v ; t t-

a : tr^n-nKi

iri^D tyiyi ':iy rósiNi n^n anf Tsxn-nN itrvi1

\.t ; t Jquot; : .)• t ^s' I t t : - : •••••: tt a •• it v v ▼:

vniïp ib-n^n» nnah naro *r\v : 2^n nir^O'

^t I : jquot; : v .) v : r ; 1 -» •• : squot; : iquot; Jquot; quot;liquot;

6. De Ephod was een, slechts den rug bedekkend, kleedingstuk, dat zoo breed was als de rug, van arm tot arm, en reikte van onder de schouders tot op de voeten, den enkel; het liet dus van voren en op zijde den mantel zichtbaar. Vastgemaakt werd het op de borst door twee aan weerszijden, in de breedte, ervan uitgaande landen, -nssn arn, die op de borst werden samengebonden. Links en rechts liep over den schouder een strook, schouderband genaamd, op den schouder met een in gouden kas gevatten Shoham-steen versierd, welke strook van den rug over den schouder, tot iets lager dan den oksel, doorliep; de voorzijde dezer schouderbladen was door middel van ringen en snoeren aan het borstschild verbonden. Rashbam neemt aan, dat de Ephod bestond uit een voor- en achter-stuk, dat, als een rok, van de lendenen tot op de voeten afhing, aan de zijden open, terwijl de schouderbladen borst en rug geheel bedekten en aan den bovenrand van den Ephod van achteren vastgenaaid, van voren door haken en oogen of knoop en knoopsgat bevestigd werden. — ant. Ex. 38,3 blijkt, dat hier aan gouddraad moet gedacht worden. Naar de traditie werd namelijk telkens bij iedere zes draden der drie wolsoorten en bij zes draden linnen één draad goud gevoegd, zoodat iedere soort 7-draads werd; die vier soorten werden dan dooreengetweernd, zoodat het garen of koord, waarvan het weefsel werd vervaardigd, 28-draadsch was.

7. f)quot;13n kan beteekenen; verbindende, of evenals 26,3: verbonden. Volgens de traditioneele opvatting echter waren de schouderbladen aan de voorzijde niet aan den Ephod verbonden, en kan van verbinding door de schouderbladen alleen sprake zijn in verband met het borstschild. Dat zij met de achterzijde, den eigenlijken Ephod, verbonden moeten worden, staat in quot;1311, dat bij de vertaling: verbonden geheel overbodig zou zijn. Evenals Ez. 1,9 kan ook hier man zeer goed beteekenen: correspondeer end, d. w. z. van gelijke lengte en breedte, en aan weerszijden op denzelfden afstand van den schouder aangezet. — vrnxp w Ss iS rrrp, zullen er zijn aan zijne beide uiteinden, in de breedte nl.; links en rechts werd dus vlak bij den zijrand een schouderblad, waarvan de breedte niet nader wordt aangeduid, verbonden, lam, en wel moest het worden aangezet, aangenaaid, niet uit één stuk met den Ephod geweven. Ex. 39,4 staat de zin eenigszins gewijzigd; twee schouderstukken maakten zij eraan, tegenover elkander geplaatst, aan de twee uiteinden; het werd verbonden, ieder der schouderstukken aan één uiteinde. Rasubam: aan de twee uiteinden aan den bovenrand van achteren in de breedte aangezet, moest ieder der schouderstukken ook van voren aan den bovenrand van den Ephod worden vastgemaakt, iani. Neemt men met de traditie aan, dat de Ephod alleen van achteren het lichaam bedekte, dan kan lam onmogelijk beteekenen; waardoor de Ephod aaneengevoegd werd, daar deze slechts uit één stuk bestond.

ocr page 186

EXODUS XXVIII.

8 zal er mede verbonden worden. En de gordelband, waarmede hij aangetrokken wordt, welke er bovenaan komt, zal van dezelfde bewerking, uit één stuk ermede zijn; van goud, hemelsblauwe, pnrperroode en karmozijnroode wol, en getweernd

9 byssusgaren. En gij zult twee Shohamsteenen nemen en daarop

10 de namen der zonen van Israël graveeren. Zes van hunne namen op den eenen steen, en de namen der zes overigen op

11 den anderen steen, naar de opvolging hunner geboorte. Arbeid van een steenbewerker, als graveerwerk voor zegels, zult gij de beide steenen graveeren, naar de namen der zonen van

12 Israël; omvat in gouden kassen zult gij ze maken. Deze beide steenen nu zult gij op de schouderstukken van den Ephod zetten, als steenen ter herinnering voor de kinderen Israels; zoo zal Aharon hunne namen dragen vóór den Eeuwige, op

13 zijne beide schouders, ter herinnering. — En gij zult kassen

14 van goud maken. En twee kettinkjes van zuiver goud, met eindknoopen voorzien, zult gij maken, als gevlochten touwwerk ;

. 8. irnax atrm. de gordelhanden, naar Maimonides : twee banden, aan iedere zijde één, die, onder de armen door, naar voren liepen en daar werden vastgemaakt, om te dienen tot imss, letterlijk: den tien aan te trekken, een afgetrokken zelfst. naamw. gemaakt van tien; zijne bekleeding met den tien. — vSjj -icn, die erop, d. w. z. aan de bovenzijde ervan is. Sommigen mcenen, dat het niet twee slippen waren, maar een over de geheele breedte van den Ephod doorloopende hand, die van voren in twee einden uitliep; dan beteekent vSr icn werkelijk: erop. — wjjm, van dezelfde bewerking, d. w. z. eveneens kumtweverswerk; ijs», uit één stuk met den eigenlijken Ephod, niet aangezet, zooals de schouderbladen. Of dezen ook van 3™n ntirn en uit dezelfde grondstoffen vervaardigd waren, blijkt niet duidelijk. — nSan am enz., dus ook uit dezelfde stoffen; het zou naar dezelfde bewerking, aaneengeweven, maar uit andere stof kunnen geweest zijn. Hier worden dus drie eischen gesteld: één die de bewerking zelve, één die de verbinding en één die de grondstoffen betreft. — Dat acn gordelhand beteekent, blijkt uit Ex. 29.5 en Lev. 8,7. Misschien wel eene omzetting, acn = ran: ombinden.

10. OmSim d. w. z. volgens Rashie: op den linker steen: Ruben, Shim'on, Levie, Jnda, Dan en Naphthalie; op den steen op den rechterschouder: Gad, Asher, Jissachar, Zeboeloen, Jozef en Benjamin; de lezer, eerst van den linker-, dan van den rechterschouder des hoogepriesters lezende, noemt dan de namen naar volgorde van geboorte; de naam van Benjamin werd volgens Rashie pn'm geschreven, zoodat er op iederen steen 25 letters stonden. Maimonides daarentegen neemt aan, dat beide steenen, samen gelezen, de namen droegen, zooals die bij de geboorte werden gegeven, zoodat op den rechter: Ruben, Levie, Jissachar, Naphthalie, Gad, Joseph; op den linker: Shim'on, Juda, Zeboeloen, Dan, Asher, Benjamin stonden en wel niet: ijasi, wno enz. maar: pjw pisi. Bovendien vindt hij de 25 letters op de beide steenen door Benjamin met één maar P|Di,ti voor tjDïi te schrijven. — (Vgl. Sota 36A).

11- pjC ïnn arbeid van een kunstvaardigen steenbewerker,

d. w. z. van iemand, die de kunst verstaat edelgesteenten te bewerken en ze

90

ocr page 187

na mxn ï

ariT n^n' mn iniryoa imax at^ni: namn

t t isv : -••.• • v.quot; quot;* •quot; : t t jv -J t ■•, quot;t v lt;•• ; it ;

♦n^ntt nnp^i : quot;irtfo wvh w n^Vini fö-nNi n^Dn»

: v ^ t :I--«t: it ; t r* : t ^ : I.)tt : - : vsquot; ;

orio^Q tvamp;VÏ : ^3 niDty on^ nnnsi Dniy-^nN'

t : • t • iquot; ti • jquot; : ^ : ... jt . - . - a •• : -

n^npKn-by onnian n^i^n niD^-nNi nn^n pKn ^

^. .. - i v^jv t •)• t i ~ st. ' .quot;eo : •* ; at vit i vjvit

♦ntr-n« nnan onn 'nma pK^m namp;yn : onn^ma ^

j,. . ... - - : t -,quot; *1 v v ~t jquot; 'ij i- it : i :

n'^yn anr niïaiya naoo ^nïip» ^3 nb^-W D»:a«n

jv |- ^tt j i •. ' ' i\ aquot; t: • •»quot; ; v. : • t -:it

r^st ^3N tixn nana by D'iaKn ♦niy-nN notyi : onK ^

i it r- : - quot; 't — : • ^ t -»it, ■quot;■ : q v t : - : it

nin* na? onia^-nx nnx ^NT^» nn?

jquot; : 4t : squot; : • t ; v i -: i- t t : a- t : • jquot; : *

♦ntsh : anr riïSB'o n^i d * : rhsr1? vans ^

lt;•• : itt ^ : ; * t y \ ^ ^ i i t • ; vt •• : t

nay nfeWD anK n'^n ribajD ninü am nhirn^

a -••• ^-n- vt r.* . iquot; •) t : • t -«t t ; ; -

glans te geven, door slijpen of dgl. bewerkingen; tjnn is no'SD van

werkman, bewerker. — onn imns, fijn graveerwerk, zooals dat voor de zegel-ringen vervaardigd wordt, waartoe in edelgesteenten of half-edelgesteen-ten een figuur in fijn graveerwerk door de bekwaamste stempelsnijders werd uitgesneden. Waarschijnlijk dus niet opliggend, maar diepliggend gegraveerd, ingesneden. — anr niïss» rooi:, in gouden kassen, die vs. 13 en 14 nader worden beschreven, gezet, en wel zoo, dat de steenen niet slechts door tandjes worden vastgehouden, maar geheel door de kassen zijn omgeven. Of in den naam rreora de vierkante vorm der kassen, of hunne vervaardiging uit een ruitvormig vlechtwerk van gouddraad is aangewezen, is niet zeker.

12. Uit de woorden; Aharon zal de namen... dragen op zijne heide s ch ou der s blijkt, dat de steenen zóó op de schouderbladen werden geplaatst, dat zij bij het omslaan der schouderstukken over de schouders, om ze aau het borstschild te verbinden, juist op de schouders kwamen. — nat 'as', steenen, die Israël bij God in goedgunstige herinnering moeten brengen, door aan de verdiensten der stamvaderen te herinneren (Rashie); anderen: tot herinnering voor Aharon, dat hij de twaalf stammen voor God vertegenwoordigt.

13. De hier genoemde kassen zijn de twee, die voor de Shohamsteenen van den Ephod noodig waren. Keil ziet in de niïao» een soort galon van gevlochten gouddraad, dat de kassen ter versiering omgaf en vasthield. Ook de vs. 17 vv. genoemde steenen van het borstschild stonden in kassen, wier vervaardiging niet afzonderlijk genoemd wordt, hoewel hun aanwezigheid vs. 20 verondersteld is, daar het uit ps flxSo 1- HkSdI reeds vanzelve volgt; bovendien is het ook hier minder erom te doen om de kassen, dan om de daarmede in verbandstaande kettinkjes te beschrijven.

14. = n'ro'w, of = mtno, kettingen-, nSaan, volgens Rashie; om aan het einde, Vaj, van het borstschild vast te maken (zie overigens vs. 24 en 25). Rashie meent namelijk, dat de hier genoemde kettinkjes iaentiek zijn met de vs. 22—25 behandelde; de kettinkjes werden dan nl. met hun

ocr page 188

EXODUS XXVIII.

deze gevlochten kettinkjes zult gij aan de kassen vastmaken. —

15 Gij zult het borstschild der rechtsuitspraak maken, kunst-weverswerk, gelijk de bewerking van den Ephod zult gij het maken ; van goud, hemelsblauwe, purperroode en karmozijnroode

16 wol en getweernd byssusgaren zult gij het maken. Het zal, dubbel gelegd, vierkant zijn; een span zijne lengte en een

17 span zijne breedte. Gij zult erop zetten gezette steen en, vier rijen steenen; een rij bestaande uit: Odem, Pitda en Baréketh;

18 dit is de eerste rij. En de tweede rij ; Nophech, Sappier en

19Jahalom. En de derde rij; Léshem, Shebo en Achlama.

20 En de vierde rij : Tarshiesh, Shoham en Jashephé; in gouden

21 kassen zullen zij zijn bij hunne inzetting. En de steenen zullen overeenkomstig de namen der zonen van Israël zijn, — twaalf, —

eene einde aan de kassen van den Ephod vast gemaakt; het andere einde van ieder kettinkje werd door den ring aan het boveneinde van het borstschild gehaald, om dan weer aan de kas van den Ephod-steen te worden vastgehaakt. — Anderen: nSaj», aan het einde verdikt, bij wijze van knoop, om te voorkomen, dat zij, eenmaal in de kas bevestigd, uitschieten en losgaan; n. a. van Saa = Saa, gevlochten, dicht aaneengesloten werk, zonder openingen en wel: roï ncï», als gevlochten touwwerk, d. i. niet uit ringen of schakels, maar uit in elkander gedraaid gouddraad, evenals touw uit stevig samengttweernde hennepdraden bestaat. — Maimonides neemt echter aan, dat de hier bedoelde kettinkjes, mtnc, verbonden aan de kassen van den Ephod, dezen met de ringen van het borstschild verbonden; terwijl er eene tweede verbinding, mede door kettingen, wio, vs. 22, bestond, welke namelijk, vastgemaakt aan de bovenringen van het borstschild, dit verbonden met een paar ringen, onder de kassen van den Ephod. Er waren dan aan elk schouderblad van den Ephod twee ringen, één vlak bij de kas met den Shoham-sleen, en een onder den oksel, vlak boven den gordelband van den Ephod. Aan de eersten werden de kettinkjes, wier andere eind aan de bovenringen van het borstschild was bevestigd, vastgemaakt, terwijl de laatsten door hemelsblauwe snoeren met de beneden-ringen van het borstschild verbonden waren. Terwijl dus volgens Rashie één kettinkje door iederen bovenring van het borstschild liep en van de kas op het schouderblad van den Ephod uitgaande, daarheen terugkeerde en ingehaakt werd, neemt Maimonides aan, dat twee kettinkjes in iederen bovenring van het borstschild eindigden, één vastgeklonken en eindigende in een rirlg onder de kas op het Ephod-schouderblad, en één, van die kas uitgaande, in den bovenring van het borstschild vastgehaakt. — Hirsch, die Maimonides' voorstelling volgt en dus twee kettinkjes aan weerszijden ter verbinding van Ephod en borstschild aanneemt, meent hier in rbajn de aanwijzing te vinaen, dat die kettinkjes als het ware het einde, Saa, van den Ephod vormen? zij verbinden dus het borstschild aan den Ephod-, de vs. 22 genoemde kettinkjes zijn nSaj, als eindkettinkjes gemaakt, uitloopers van het borstschild, en verbinden den Ephod aan het borstschild. De eersten loopen van borstschild naar Ephod, de laatsten van Ephod naar borstschild.

is. taairp rrn. het borstschild, waardoor de rechtsuitspraak der Oeriem Wethoemmiem' wordt ingeroepen. (Vgl. Num. 37,21). Grondstof en bewerking is geheel gelijk aan die van den Ephod.

16. SlM nW jnm, na dubbel gelegd te zijn, zal het vierkant wezen en

91

ocr page 189

ro niïn kx

D : ririarn nh^arnN nnniiv-

t ■ t : pp , : : • - - l -„t . : : - ^ •-• ot - .t:

n?3n nnr latrvn ISK n'^voa nvyv □SB'D JKTI

v •• ; TT av quot;ii~ v •• jquot; quot;:Iquot; : •• j.. t ; • I v lt;

: IDN rïtyyn ITB'O nvbim pnwta

«.*•• i •* quot; J t^ i ^ jv^-:r it: t jquot; i r r *•*- : • t t : - ;

njrsnN p« n«^o ia hn^di : lam mn isnx nquot;)T bias

vtt : - i v v quot;•*•.* jt •• ^ • i ; t vjv: ^ ; t vjv a t

quot;iiisni : nn«n mtsn npnai rnüö Dis niü ?3N oniu ^

v ~ ï it v it v ~ '•• vt t : * v lt; i v at ■j'

: nn^nKi lar DB'1? iiam : bl7n,,i I^SD quot;naa -

t it : • : ^ : v jv a* • ; - ; • quot;sit: - | v a* •• ~

vn» anr d^3kgt;o naty^i Dn'^i nrmn nitsni3

v, : •* quot;jtt J' r \ : aquot; : it; quot; v. : J' p''' p * : ,T

D^niy ^jni^-^a höiy-by r»{nn D^dkhi : on^iboa ^

jquot; : ■)quot; t: • 1quot; : s : quot; t) v ; i• • t -: it : it i • i

eene lengte en breedte hebben van een mT, = '/j el = 3 palm. Het was dus een lap van één el lang en een half el breed, die als een soort zakje werd dubbel gelegd, om er de Oeriem Wethoemmiem te kunnen inleggen.

17. De 12 steenen, die op het borstschild geplaatst moesten worden, zijn niet met zekerheid aan te wijzen. Bij sommigen geeft de naam de kleur aan, zooals ois, een roode steen. Reeds de oude vertalingen wijken in hunne aanduiding der steensoorten belnngrijk van elkander af.

20. VIT 3,11 D'MCDi met gouden niïac», kassen, of naar Keil; galonversieringen (zie vs. 13) voorzien, zullen zij zijn. dtoiSm, afe zij gezet toorden; onder son schijnt in vs. 17 verstaan te moeten worden het bevestigen der steenen op het weefsel van het borstschild; dan geeft ons vers aan, dat de steenen, als zij op het borstschild worden bevestigd, oj-iniSm, reeds in de kassen gezet moeten zijn; men mocht dus niet de kassen op de stof van het Choshen bevestigen en later de steenen erin zetten, maar moest eerst de steenen zetten en ze dan met de kassen op het borstschild bevestigen.— De traditie ziet in onNiSoa dezelfde bepaling, als bij de Shoham-steenen van den Ephod in roon wordt uitgedrukt; het beteekent dan: over hun vollen omvang, wat lengte, breedte en dikte betreft, moeten de steenen in gouden kassen gezet zijn. Ex. 39,13 staat echter: ant rrarn roDi» DnsSna; welke dubbele uitdrukking meer voor onze opvatting spreekt, daar anders in onsSsa niets anders wordt uitgesproken, dan ook reeds in roow ligt. — Sota 4ö6 komt de opvatting voor, dat de namen op de Choshen-steenen niet gegraveerd waren, maar door den Shamier-worm er sprongen in de steenen werden veroorzaakt, in den vorm der vereischte letters, zonder dat ook maar iets van de grondstof van den steen verloren ging. BiisiSsa beteekent dan: in hun vollen omvang en grootte, zonder dat er iets aan ontbreekt.

21- ^3 DOC Sy l^nn Q1J3Nm. De steenen zullen zijn over

eenkomstig het aantal van de namen der kinderen Israels en -wel twaalf; ook moeten zij zijn Gnnc hs, evenals vs. 11, gegraveerd naar hunne namen, d. w. z. dat op de twaaf steenen te samen de twaalf namen moeten staan; jji'nn ra» Sj) c\s, iedere stam moet naar zijn naam op een der sleenen voorkomen; de steenen zijn dus ieder naar den daarop voorkomenden stamnaam, in overeenstemming met de twaalf stammen. Anderen meenen in mv Sr es enz. de aanwijzing te zien, dat kleur en aard der steenen in overeenstemming waren met bestemming en aanleg der stammen; eene

ocr page 190

92 EXODUS XXVIII.

naar hunne namen; als graveerwerk voor zegels, ieder naar

22 zijnen naam zullen zij zijn naar de twaalf stammen. Aan het borstschild zult gij maken kettinkjes met eindknoopen, als ge-

23 vlochten touwwerk, van zuiver goud. Gij zult namelijk voor het borstschild twee gouden ringen maken, en de twee ringen

24 aan de twee einden van het borstschild vastmaken. Dan zult gij de beide gouden touwen steken in de beide ringen, die aan

25 de einden van het borstschild zijn. En de twee einden der beide touwen zult gij aan de twee kassen vastmaken; gij zult ze namelijk op de schouderstukken van den Ephod plaatsen

26 aan de vóórzijde. Dan zult gij nog twee gouden ringen maken, en die aan de beide einden van het borstschild vasthechten, aan den onderrand, die naar den Ephod is toegekeerd, van binnen.

27 En gij zult nog twee gouden ringen maken, en die aan de beide schouderstukken van den Ephod vastmaken, onderaan, aan de vóórzijde, tegenover zijne verbinding, boven den gordelband

zeer onwaarschijnlijke verklaring, die te moeilijker wordt, daar ons van die steenen zoo weinig bekend is. —■ Over de volgorde der namen zijn de

feleerden bet niet eens. Terwijl de meeste schrijvers aannemen, dat zij ier, evenals op de Ephod-steenen, naar volgorde der geboorte stonden, meenteleerden bet niet eens. Terwijl de meeste schrijvers aannemen, dat zij ier, evenals op de Ephod-steenen, naar volgorde der geboorte stonden, meent Abrabakel, dat hier de orde gevolgd werd, zooals die voor de legering en het voorttrekken door de woestijn. Num. 2, is opgegeven. De traditie neemt aan, dat op den eersten steen, boven den naam van den stam, de namen appi pnsi omas stonden en onderden naara op den laatsten steen de woorden jnci 'BSC, ten einde alle letters van het alphabeth op de twaalf steenen te nebben. De uitspraak der Oeriem Wethoemmiem werd namelijk, volgens de iraditioneele verklaring, den hoogepriester bekend, doordien de letters op de steenen van het borstschild, die samen het antwoord vormden, in de tot samenstelling van het antwoord vereischte volgorde begonnen te stralen. Dan moeten natuurlijk alle letters op het borstschild zijn voorgekomen.

22-28. de verbinding van borstschild en Ephod. Deze was tweeledig: 1°. door middel van twee ringen aan de bovenzijde van het borstschild, waardoor gouden kettinkjes liepen, die aan de kassen op de schouderbladen van den Ephod verbonden waren (zie vs. 14), dit wordt 22—25 uitvoerig beschreven; — 2°. door twee ringen aan de onderzijde van het borstschild, waartegenover aan het ondereinde van de schouderbladen van den Ephod eveneens twee gouden ringen zaten. Door eiken ring van den Ephod en het borstschild liep nu een hemelsblauw koord, waardoor Choshen en Ephod aan elkander werden gesnoerd. (Vs. 26—28).

22. Volgens Kashie zijn dit de vs. 14 reeds genoemde kettinkjes, wier doel en wijze van bevestiging hier wordt aangegeven. Volgens Maimonides zijn het twee andere kettinkjes, aan het borstschild verbonden en met gelijke strekking als de vs. 14 genoemden, die aan de kassen van de Ephod-steenen vastgehecht zijn. nciü = mcnc.

23. Hier wordt nu gezegd, hoe die kettinkjes moeten verbonden worden met borstschild en Ephod. — jumn Sï, t e. n dienste van het borstschild, de bevestiging daaraan staat eerst in het tweede deel van ons vers. — Sj! jcnn mxp w, aan de beide uiteinden der breedte, links en rechts aan de bovenzijde.

ocr page 191

ro mïn dï

tep-hz wx bnin ♦nms ona^-^ n^ nby riamp;vn rhi: miv rt^nn-^ rvirjn : uatr n'tr^ «

rt ^-; jquot; ^-; i- : - j ; - i v ~ s'^ t : v it *t

tik nmi nnr ni^aü j^nn-by n,^i ; iinü nru »

t ^- it : att J : - v.quot; : I v - t • nr; _ ' t ^ v.t t

nnh^ 'ntrnK nnnji : f^nn myp miram w ^ hixp nxi : i^nn niïp-1?» rtyam ann^ nisnr^ nnnai niï2^an ♦nir-Vy rnn hna^n 'nty

j : ' - ot -IT: A : gt;: ' ~ Jquot; : Kquot; * quot;JiT •quot;• :

DDK noiyi nnT n^3ü Ttr nnb^n : vaa SIQ-SK laxn «

t jt : - : tt j ; - •• ; t • •gt; : it t gt; v ^ •• it

: nn^ nsKn ina'c^ rtrnn niïp *:v-by

^t ;it ^ v, •• it vrjquot; v .)v -: t : - I v a - -»1 :

msro DDK nnnji ant nirar: Tit? n^vi»

: • •• : t jt - it ; _ t t j - ^■jquot; : t ' i :

atyn1? imano na^1? VJ3 Viaa ntsa^a maNn

v V,quot; : quot;* quot; quot; a ; - : - kquot; ^ : t t j • t - : * lt; •• it

24 en 25. Volgens Rashik: gij zult de beide touwvormige kettinkjes door de beide vs. 23 genoemde bovenringen van het borstschild halen, en de heide einden van ieder der beide kettinkjes aan een der beide Ephod-kassen bevestigen en dan de kassen plaatsen op de schouderbladen van den Ephod, tos Sis Sn, op de huiten-, -voor-zijde van den Ephod, niet naar binnen, tegen den mantel; anderen; in de richting van het gelaat van den drager, d. w. z. op den schouder, maar meer naar voren, naar de borst, dan naar achteren, den rug, toegewend. Maimonides neemt aan, dat vs. 24 beschrijft het vaststeken van de Ephod-kettingen in de ringen van het borstschild, vs. 25 de bevestiging der borstschild-kettingen in de bovenringen van den Ephod; dau kunnen de laatste woorden van vs. 25 betee-kenen, dat de uiteinden van de Choshen-kettingen op de schouderstukken van den Ephod moeten bevestigd worden in ringen, die onder de kassen, dus nog op de schouders, maar iijs Sm Ss, in de richting naar de voorzijde van den Ephod, moeten vastgemaakt worden.

26. Twee andere gouden ringen moeten links en rechts aan het borstschild geplaatst worden, ijieo Sr, aan den benedenrand-, was de vouw van het dubbelslaan naar beneden gekeerd, wat hoogst waarschijnlijk is, dan is dat: op de plaats, waar het omgevouwen is; en wel; nesn lay Sn icn, die rand, die vlak tegenover den Ephod is, dat is dus de benedenrand, daar immers de gordelband onder de armen doorliep en het borstschild van boven in elk geval op den schouder met den Ephod verbonden was en op het bovendeel der borst hing; nader wordt nog bepaald, dat deze ringen niet hovenop, aan de buitenzijde van het borstschild moeten zitten, maar aan de binnenzijde, mva, zoodat zij juist op de Ephod-ringen (vs. 27) sluiten.

27. Nog twee ringen aan den Ephod, en wel aan ieder der schouderstukken één; noaS», onderaan, d. w. z. aan het einde der schouderbladen, ïgt;:3 Sim, aan de buitenzijde der stof, niet de naar den mantel, Vrs, toegekeerde zijde, maar die, waartegen het borstschild zal komen te liggen, — irnnna nnrS, tegenover de plaats, waar de Ephod op den rug verbonden is met de schouderbladen, die er immers aan genaaid, niet aangewevenzijn;

ocr page 192

EXODUS XXVIII.

28 van den Ephod. Dan zal men het borstschild vastbinden — van zijne ringen naar de ringen van den Ephod, — door een snoer van hemelsblauwe wol, zoodat het boven den gordel van den Ephod zij ; en het borstschild zal niet van den

29 Ephod afgerukt worden. Zoo zal Aharon de namen der zonen van Israël in het borstschild der rechtsuitspraak dragen op zijn hart, als hij in het heiligdom komt, tot gedachtenis vóór den

30 Eeuwige, voortdurend. In het borstschild der rechtsuitspraak zult gij de Oeriem en Thoemmiem leggen, opdat zij op het hart van Aharon zijn, als hij vóór den Eeuwige komt. Zoo zal Aharon het recht der kinderen Israels op zijn hart dragen

31 vóór den Eeuwige, steeds. — Gij zult den, bij den Ephod be-

32 hoorenden, mantel geheel van hemelsblauwe wol maken. Zijne opening van zijne bovenzijde zal naar binnen gekeerd zijn; een zoom zal er zijn aan zijne opening rondom, weverswerk;

d.i. dus; iets lager dan de schouders; -nssn 2vrh Sjmn, boven de plaats, wamde gordelband van den Ephod op de borst is vastgestrikt. Zoo Komen dus de ringen aan de buitenzijde op den onderrand van de schouderbladen van den Ephod juist op één hoogte met de ringen aan den onderrand van het borstschild; zij liggen tegen elkander aan en kunnen dus door een stevig koord gemakkelijk vast aaneen gesnoerd worden.

28. Daar de ringen aan den Ephod boven den gordelband zijn, komt natuurlijk het. borstschild TiENn arn Sr, boven den gordelband. — nn nSi jisnn. Het borstschild mag niet van den Ephod losgerukt of weggeschoven worden. Zij moeten steeds, als zij gedragen worden, met elkander verbonden zijn. Mendelsohn : afwijke, van rm en hdj; Kimchie, vanhetThal-moedische nnr, hoogmoedig zijn; hoogerop schuiven, dus; opdat het borstschild niet hoog er zij, dan de Ephod. De traditie, gesteund, volgens Donash ben Labrat, door het Arabische spraakgebruik, geeft de opvatting; losgemaakt worden. De woorden geven dan niet het doel der verbinding aan; opdat niet enz., daar dit reeds in andere woorden gezegd is; — maar een nieuw verbod; dat zij niet van elkander mochten gescheiden worden (Joma72a).

29. tod'n quot;oaS porS •••jcb'ji. Ik meen, dat -pnn verbonden moet worden met so:i, niet met pa?1?, daar het anders vóór 'n vsh moest staan. Tnn beteekent dan, gelijk zoo vaak, niet: aan een door, altijddurend, maar; telkens opnieuw, iedere keer, dat hij, met zijn priestergewaad bekleed, het heiligdom binnen gaat.

30. Wat de Oeriem Wethoemmiem waren, is niet met zekerheid bekend. Zij dienden, zooals uit Num. 27,21, I Sam. 23,9 en 'Ezra 2,63 blijkt, om de vragen, door Israel's leiders tot God gericht, te beantwoorden. De traditioneele opvatting van de wijze, waarop dit geschiedde, is boven, vs. 21, aangegeven. Wanneer hier D'arni D^nsn, met het bepalende lidwoord wordt gezegd en nergens eene beschrijving voorkomt, dan kan dit eenerzijds bewijzen, dat zij bij geheel het volk zonder nadere aanduiding bekend waren; maar evengoed, dat zij als iets geheimzinnigs, dat echter Mozes bekend was, alleen met hun naam mochten aangeduid worden. Uit Ks nnji maken sommigen op, dat het iets was, dat tusschen de twee helften van het Choshen lag; anderen vertalen deze woorden niet: gij zult leggen i n, maar; aanbrengen aan, zoodat zij niets zouden bewijzen. Uit het feit, dat Lev. 8,8

93

ocr page 193

ro rmn w

nia«n fnyatsp ^nn-nK 103*1^ : iiö^n quot;= g

: quot;iiöNn hyn rtfnn nr^Vi niSKn n^n-^ nvn1? rtón ?

i quot;it •• i v -»-• if: a quot;it vyiquot; v. :pi* p v •• ; ^

lab-1?]; üö^an rBgt;n3 niQtr-nK hnx ^2103

V, * - 4t : • - I V S ; •• t: • iquot; ; ; v I i i- jt r ;

pinii : Ton nin^-^s1? p3?b i^lpn-bK 1N2217

i v j v t - it; i'^t : iquot; : • i jt^'• v| a - v ^ ;

1K33 Hnx nb*1?^ vni D^ann-n^ oniNn-nK □st^on

v. : I -: i- -•quot; r : ^ \ ' *' : p p' ,T ** t : * -

^sh □SB'a-nN fin» my\ nin» ♦as1?

Jquot; : • •) • squot; t : • Iquot; : - ; • v i -; r -«t t : at ;••••: * ^

: nbm ^^3 niejxn nwy) D * : n^on nin'-^i,

viquot; : y i v. quot; it ^ ''q: v t 'y r: i* t ^t 1 «•

3^« namp;yD yho vsib n^n' nsiy isina n^ni ^

.. jquot; i- • t • : v ; i* tt a ; v r jt t :

alleen de Oeriem Wethoemmlem en niet daarnaast de twaalf borstschildstee-nen worden genoemd, kan niet bewezen worden, dat de twaalf steenen en de Oeriem Welhoemmiem identiek zijn; daar immers de steenen aan het borstschild vast zijn, behoefden die bij de priesterwijding niet eerst aan-gebracht te worden; de Oeriem Wethoemmiem echter werden, eerst nadat Aharon het borstschild had aangelegd, in het borstschild gelegd. — csun Stoei ij3, dat, waaruit voor de kinderen Israels het richtsnoer hunner daden kan worden gekend, wat hun de uitspraak over hun juiste gedragslijn geeft.

31- HSJCn b'yD DN) '^en mantel, die ten opzichte van den Ephod als onderkleed dient en door middel van den Ephod-gordel vast om het lichaam sluit. Hij was geheel uit hemelsblauwe wol vervaardigd en naar Ex. 39,22 ais ncr», geheel weversarheid, d. w. z. uit één stuk geweven, niet uit verschillende aaneen genaaide stukken bestaande. Het was, naar Maimonides, niet een hemd zonder mouwen, zooals Rashie schijnt aan te nemen, maar een aan beide zijden losse mantel, die van voren en van achteren van den hals tot op de voeten afhing en waarin alleen eene halsopening was. Nachm. schijnt aan te nemen, dat hij van achteren alleen den hals bedekte, en overigens van de halsopening af in twee vleugels (csja) tot op de voeten afhing. Het is mogelijk, dat ook Maimonides net-zelfde bedoelt. Anderen denken met Rashie aan een hemd zonder mouwen, waarbij dan echter, evenals van de halsopening, ook van de armsgaten melding gemaakt zou moeten zijn.

32. quot;oira nrjn D.nm De opening van zijne bovenzijde of v. a. de opening voor zijn, des priesters Aoo/rf; in elk geval: de halsopening, waardoor hij bij het aantrekken van den mantel zijn hoofd steekt, — zal zijn iDira, aan de binnenzijde van den mantel, d. i. dubbelgeslagen, zooals in het volgende nader wordt uiteengezet; anderen: in het midden ervan, de halsopening juist in het midden der breedte; dan vormen de volgende woorden een geheel nieuw voorschrift. — Er moet aan de binnenzijde van de halsopening een zoom gemaakt worden, niet echter doordien men het weefsel dubbel vouwt en vastnaait, maar ns ncr», van begin af aan moet de rand rondom de halsopening dubbel geweven worden, als ware hij gezoomd, jiN rwï» ■••pisc. — Ntnn iss, als de rand van een Wimen pantserhemd, zooals vooral in Egypte veel gebruikt werd. Aan een metalen pantser wordt hier niet gedacht. — r^p1 nS het mag niet ingescheurd worden, een verbod, dat naar Joma 72a voor alle priesterkleederen geldt.

ocr page 194

EXODUS' XXVIII.

gelijk de opening vau een pantser zal er aan zijn, — hij mag

33 niet ingescheurd worden. En gij zult aan zijn benedenrand maken granaatappelen van hemelsblauwe, purperroode en kar-mozijnroode wol, aan zijn benedenrand, rondom; en gouden

34 schelletjes daartusschen in rondom. Telkens een gouden schelletje en een granaatappel, een gouden schelletje en een granaatappel,

35 aan den benedenrand van den mantel rondom. Hij zal op Aharon's lichaam zijn om den dienst te doen, opdat het geluid daarvan gehoord worde, als hij in het heilige binnenkomt vóór den Eeuwige. en als hij er uitgaat; en hij niet sterve. —

36 En gij zult eene voorhoofdsplaat van zuiver goud maken, en er op doen graveeren, als graveerwerk voor zegels: //Heilig

37 den Eeuwige.quot; En gij zult haar aan een snoer van hemelsblauwe wol vastmaken, zoodat dit zal zijn op het hoofd windsel; tegenover de voorzijde van het hoofdwindsel zal zij zijn.

33. vSlC bp- aan den onderrand, het slepende, d. i. afhangende. — De drie wolsoorten, volgens Ex. 39,24 -iw», getweernd, d. i. naar de traditie achtdraadsch, werden eerst samen tot koorden gevlochten, die dus 24-draadsch waren en daarvan werden dan bollen, in den vorm van nog niet in den groei losgesprongen granaatappelen gemaakt. Dan werden, naar de traditie 72, gouden schelletjes, d. w. z. klokjes met klepeltjes, osvia, tusschen de granaatappelen bevestigd, zoodat langs den geheélen onderrand afwisselend een schelletje en een granaatappel werden gehecht. Nachm. meent, dat de schelletjes, osira, werkelijk tn de granaatappelen hingen. (Zie Zebachiem 88J).

35. H ij, de mantel, moet op Aharon's lichaam zijn, mcS, als hij den dienst in het heiligdom verricht. Terwijl -qï meer beteekent: slavendienst verrichten, d. i. alles doen, wat iemand door een ander wordt opgedragen; beteekent rno meer: iemand bedienen, verrichten wat voor zijne persoonlijke behoeften en ter veraangenaming van zijn leven noodig of wensche-lijk is. — Door de schelletjes zal dan gehoord worden door Israël, dat Aharon het heiligdom betreedt, en zullen zij dus zich in gebed en aandacht met hem kunnen vereenigen; en zij zullen weten in aandachtige stemming te moeten blijven, totdat hij het heiligdom weder verlaat, wat hun mede door het klinken der schelletjes bekend wordt. (Vgl. Sirach 45,11 en Chazkoenie). Maimokides; zijn geluid zal door God géhoord worden, als ware het ongepast zonder aankondiging het heiligdom te betreden. Anderen: zijn geluid zal door God gehoord worden en Israël, door den hoogepriester vertegenwoordigd, bij Hem in herinnering brengen. Rashbam: zijn geluid zal gehoord worden, als hij het heiligdom wil binnengaan, opdat de daar aanwezige priesters zich intijds kunnen verwijderen, met het oog op het voorschrift Lev. 16,17: wsï lï cnpa ieoS waa irn Snsa ,-prp nS dis 'jai. — nw nSi, opdat hij niet sterve, indien hij, zoowel als het volk, bij zijn binnentreden in, en uitgaan uit het heiligdom niet de noodige aandacht hebben en de juiste gedachten koesteren. Rashie: dan zal hij niet sterven, wanneer de mantel, evenals de andere kleederen, door hem gedragen wordt bij zijn betreden van het heiligdom. Vs. 43 bevat echter eene uitdrukkelijlte bedreiging met den dood voor den priester, die dienst doet, terwijl een of meer kleedingstukken aan zijne ambtskleedij ontbreekt.

36. ps, wat in het oog springt, schittert; een op het voorhoofd hangende

94

ocr page 195

na mvn

nbsn^'öquot;) : inp^ ab b-m «nnn

v lt;•• : •• • t t •*' ; i**lt * ^ v, •* :'* JT - y :

DDina anr 'io^ai n^p ^ jopNi

b^sn psni nnr |b^a pèni bnt |bj;3 : yio * ^■ipn-^ 1^33 iVPip nity1? pn«-^ n'ni : 3»2DnS

vl - v ; I ^ •*-•.• : aquot; t : ' ^ quot;s iquot; ~ jtt : r t

iinca anr px nwy) D : nia» N1?') inNïni nin» ^a1? ^

a t^ jt t i t j* : it j '. v, quot; ^ jt ; 5quot; *. '

■b v irx riQ'^i : nin^ rnp ann ♦nms vbjr nnnai 's

lt;t ; - : it i- v i ^ t ■quot;• * T T. «t : - •

: n»n» nö^an-^a n^ni r^an Vns

iv : i* -.\v; • - iquot; : ' v vat : • - ;t t : •••••: -lt;■ :

gouden plaat ter breedte van twee duim = '/, palm en van het eene oor tot het andere reikend. Ex. 29,6 heet zij : heilige kroon, cipn m, waaruit echter niet bewezen is, dat zij als een krans het geheele hoofd omgaf. Wel deelt Josephus dit mede, doch hij is op meerdere, den tempeldienst betreffende punten, niet vertrouwbaar. — vSr nnnEi, hier naar de traditie: opliggend schrift, dat van achteren af, door graveeren of met een stempel uitslaan, zoo quot;bewerkt werd, dat de letters in haut-relief zichtbaar waren. De woorden stonden er in twee regels op, en wel bovenaan 'nS en daaronder c-rp.

37. hl) IDK Don. volgens Ibn 'Ezka: gij zult de plaat in verbinding brengen met een hemelsblauw snoer. Wanneer nl. Ex. 39,31 gezegd wordt:

rtan Svis vSj? wo, dan is dit, bij letterlijke vertaling, in strijd met onze plaats, daar hier de plaat gezegd wordt op het snoer te zijn, en daar het snoer, op de plaat. Vertaalt men echter op beide plaatsen met Ibn 'Ezra Sr met; bij, dan is de tegenstrijdigheid vermeden. Rashie daarentegen vertaalt Sï met: op en verklaart, dat de voorhoofdsplaat aan de beide kanten en in het midden gaten had, waardoor hemelsblauwe snoeren liepen, en wel zoowel op, als onder de plaat; de middensnoeren liepen dan over het hoofd, boven op het hocfdwindsel, juttnn Sy nvn, en de zijsnoeren liepen langs het hoot'dwindsel, om aan het achterhoofd, bi] den nek, met net middelste snoer in een knoop vereenigd te worden. Nachm. daarentegen, en waarschijnlijk ook Maimonides, meent, dat er slechts één snoer was, dat door twee gaten aan weerszijden van de plaat liep, en onder de plaat doorging; de beide einden werden dan over het hoofdwindsel naar achteren geleid, (nswon Sï rrrn, het snoer zal op het hoofdivindsél zijn-, vgl. ook Ex. 39,31, nSïnb» rewnn Sr nnS om het snoer op het hoofdwindsel te doen zijn van boven, waar dan ook duidelijk staat, dat het snoer niet onder het windsel, op het hoofd van den hoogepriester, maar over het windsel naar achteren liep.) Daar, achter aan het hoofd, werden de beide einden samen in een knoop verbonden, waardoor de plaat werd bevestigd. — •ob hm Sn rvm nBJxon, tegenover de voorzijde van het hoofdwindsel zal zij, de plaat, zijn. Het hoofdwindsel werd namelijk niet om het geheele hoofd gewonden, maar men begon op den schedel en wond het zoo, dat het voorhoofd en een klein gedeelte van het haar vrij bleef. De plaat hing dan op het voorhoofd en wel zoo, dat de voorrand van het hoofdwindsel er vlak tegenover was; de vrijgebleven behaarde plaats gaf gelegenheid om de hoofd-Thephillien te legden. — nswi;, van e\3ï (Jes. 22,18) wikkelen, winden, tot een bal samendrukken; een hoofdiranrfseZ.

ocr page 196

EXODUS XXVIIT.

38 En zij zal op Aharons voorhoofd zijn; hiermede zal Aharon de misdaad tegenover de gewijde zaken op zich nemen, die de kinderen Israels zullen heiligen, met betrekking tot al hunne geheiligde gaven; en het zal voortdurend op zijn voorhoofd

39 zijn, tot welgevalien voor hen, vóór den Eeuwige. En het onderkleed zult gij met ruitjes doen weven van byssusgaren, en een hoofdwindsel maken van byssusgaren; en een gordel

40 zult gij maken van borduurwerk. En voor Aharons zonen zult gij onderkleederen maken ; en gij zult voor hen gordels vervaardigen ; en hooge mutsen zult gij voor hen maken, tot eere en

41 tot sieraad. Met deze zult gij uwen broeder Aharon en zijne zonen met hem bekleeden ; gij zult hen zalven, hen wijden, en

42 hen heiligen; en zij zullen Mij als priesters dienen. Ook zult gij hun linnen broeken maken, om hunne schaamte te bedekken;

43 zij zullen van de lendenen tot de dijen reiken. Deze zullen zijn op het lichaam van Aharon en zijne zonen, als zij in de tent der samenkomst komen, of als zij naderen tot het altaar, om in het heiligdom dienst te doen; opdat zij geen schuld op zich laden

38. Wanneer de plaat op zijn voorhoofd is, zal hij op zich nemen en afwenden de gevolgen van verkeerde handelingen met de offers, naar de traditie; de overtredingen, doordien het vleesch onrein is geworden, nsnio pr. — Daarom -TOn inxn Sr rrgt;ni, zij de plaat steeds op zijn voorhoofd, zoodat nij ten allen tijde de offers der kinderen Israels in welgevallen doe aannemen door den Eeuwige, ook al is er een onwillekeurig verzuim gepleegd.

39. Over jiïatn, zie vs. 4. — ruron, een hemd, dat tot even boven de enkels reikte. Het had mouwen, die afzonderlijk geweven werden en later aan het kleedingstuk werden vastgenaaid; zij reikten tot de hand. Terwijl van hemd en muts hier alleen de stof wordt opgegeven, wordt bij den gordel alleen gezegd, dat het borduurderswerk moest zijn. Ex. 39,29 staat echter, dat hij uit de drie wolsoorten en byssus vervaardigd werd. De gordel van den hoogepriester bestond dus uit wol en linnen. Over dien des gewonen priesters, heerscht in den Thalmoed verschil van meening. Sommigen meenen, dat ook deze uit heide stoffen bestond, terwijl anderen aannemen, dat hij, evenals de gordel des hoogepriesters op den grooten Verzoendag, van zuiver linnen vervaardigd werd. —Over de verschillende opvattingen van opn ncyn zie Ex. 26,1.

40. De onderkleederen, hemden, voor gewone priesters waren geheel gelijk aan dat des hoogepriesters (Ex. 39,27); over den gordel is vs. 39 gesproken; de mutsen heeten mraau, v. s. verwant met nraj, heuvel, v. a. van r^j, kelk, in den vorm van een omgekeerden kelk omgewonden, dus: hoog opgaande mutsen; het windsel was, evenals het hoofd windsel des hoogepriesters, 16 el lang, van byssus geweven, en werd tot een hoog, torenvormig hoofddeksel om het hoofd gewonden; terwijl het bij den hoogepriester meer den turban-vorm schijnt gehad te hebben.

41. De tot hiertoe genoemde kleedingstukkcn van hoogepriester zoowel als van gewonen priester moest bij de eerste wijding van Aharon en zijne zonen Mozes zelve hun aantrekken; de broeken (vs. 42) trokken zij vooraf zelve aan, op het bloote lichaam. — d;w nncrsi, gij zult hen, de priesters, niet: de kleederen, zalven. —dt ns nsSni, letterlij k: gij zult hunne hand vullen,

95

ocr page 197

na mvn ns

ifK i'^-nK JSHK mn quot;pnK nxD-1?^ nrn^

invD-1?^ n'm on^trip rijna^s1? ♦ja W^p»

: • , gt; «t t : av^ •• ;It \. : ' r: quot; r: • ■quot;• ; 1:-

n^i niron nxatyi : nin* ♦jö'? onb iiïnb» i^an ^

: •• v •* : - t : - • ; it : jquot; : * v.quot;T I ^ t ; • t

jhnK vnï) : oph n'^VD n'^n □32«') B'tr nsaxo»

I t i- «••:•: ^ 11quot; j- i- vquot; •quot; jquot; : - : , *quot; v-»v ; •

on1? nty^n nvaaoi on1? n^i nina nfryn

v t •»•.* ^-: i- ti ^ t t gt;• ^t: *: •-. -••.• i~

TIK'I priKTiK DJIK nt^a^ni : niNsn^i naD1?^

••• : I * t I ■•-; r v t lt;t : - ; • : ^ ^ vit ; • ; kt:

quot;unDi onx nEnpi Dn'-nN nN^Qi DW nnt^oi inK vi2

-: i* : jt : -r : ^tt v st •• • t : - it a • ^t t

D^nso nn^ Ttra niDD1? -irrwso on1? n'^i : ^ =»

'j~ ; t • at ; v ^ T *,Q: : * ** T *quot; ,*

bn'N-'jK i Dtoa vir^i vm : vn» D^T-^I «

v •* v -*t ; T T ; I -: iquot; t ; i : r •quot; ;

1'^ nn^V narpnquot;1?» on^n IK I^ID

d. w. z. hun machtiging verleenen tot de waarneming van hun ambt; anderen: hunne handen vullen met de bij hun wijding aanstonds (hoofdst. 29) voor te schrijven offergaven, wat mij echter minder waarschijnlijk voorkomt.

42 na 'DJ30 onS rorjn, voor hen allen, zoowel voor Aharon als zijne zonen. — 0'd:3» van djs (Jes. 28,20) bedekken, omhullen; een kleedingstuk ter bedekking der schaamdeelen. — na, (v. s. van tis, afzonderen, v. d. rein, wit zijn;) linnen, naar de traditie: eenvoudig linnen, desnoods ééndraadsch. Ex. 39,28 wordt echter van de broeken toch gezegd, dat zij gemaakt werden van getweernd hyssus, wat naar de traditie aanwijst, dat zij fijnere grondstof namen en tevens zesdraadsch. De broeken, bij hoogepriester en gewonen priester gelijk, waren een soort zak, zonder opening van voren noch van achteren, maar met insnijdingen voor de beenen en waarschijnlijk een schuif, waardoor een band rondom liep, om ze vast te maken. Zij liepen dot in bwiub, ran de lendenen, d. i. iets boven den navel, tot en met de bot, het bovenbeen, d. i. tot iets boven de knie.

43. inai nj; kVi. opdat zij niet eene misdaad op zich laden, waar

door zij den dood schuldig zouden zijn-, dienstdoende, terwijl een of meer hunner kleedingstukken ontbreken, worden zij niet als priesters, maar als D'nt, vreemden, niet-priesters beschouwd en zijn dus den dood schuldig. De hier bedoelde doodstraf is D^nc ito nrre, door God te voltrekken, niet door den aardschen rechter. — De hoogepriester was dus bekleed: met den broek, van de lendenen tot boven de knie; daarover het tot op de enkels afhangende en het geheele lichaam omgevende onderkleed, ruro, dat door den gordel vast om het lijf sloot. Daarover heen droeg hij den mantd, naar onze voorstelling tot op de voeten van voren en van achteren afhangend en slechts aan de zijden open en het onderkleed zoo zichtbaar latend. Anderen meenen, doch zonder steun in de Thalmoedische bronnen en de Commentatoren, dat de mantel slechts tot even onder de knie reikte en dus van onderen het geheele onderkleed zichtbaar bleef. De mantel werd nu door den Ephod-gordel vastgemaakt. De Ephod hing over de volle breedte van den rug af en alleen de gordelband-einden liepen onder de armen door naar de borst, terwijl de beide schouderstukken van den rug

ocr page 198

EXODUS XXVIII, XXIX.

en sterven. Eene eeuwige wet zij dit voor hem en voor zijn kroost na hem.

1 Dit is namelijk de zaak, die gij hun doen zult, om hen te heiligen, dat zij Mij als priesters dienen: neem één var, jona

2 van een rund, en twee rammen, zonder gebrek. En ongezuurd brood, en ongezuurde koeken, met olie aangemengd, en ongezuurde dunne vladen, met olie bestreken ; van bloem van tarwe-

3 meel zult gij ze maken. Gij zult ze in één korf leggen, en in den korf nader brengen, en eveneens den var en de twee rammen.

4 En Aharon en zijne zonen zult gij doen naderen tot den ingang

5 van de tent der samenkomst; en hen in water doen baden. En gij zult de kleederen nemen, en Aharon bekleeden met het onderkleed en met den mantel van den Ephod en met den Ephod en het borstschild ; en hem den Ephod vastbinden met den gordelband

6 van den Ephod. En gij zult hem het hoofdwindsel op het hoofd

over de schouders eveneens op de borst hingen. Aan deze schouderstukken werd nu het borstschild verbonden, dat alleen het bovendeel der borst bedekte, zoodat de voorzijde van den mantel, van af het borstschild tot op de voeten, geheel zichtbaar bleef. Op het hoofd had hij dan zijn in ronden vorm om het hoofd gewikkeld hoofdwindsel, waaraan op het voorhoofd de gouden plaat afhing, die door hemelsblauwe snoeren, die over den muts liepen, in den nek werd vastgehouden. — De gewone priester droeg eveneens een hroek, een onderkleed van ruitvormig weefsel, een gordel en een in spits toeloopenden vorm hoog omgewonden hoofdwindsel. Allen waren blootsvoets; van schoeisel wordt nergens melding gemaakt; ja zelfs wordt het verboden met de sandalen aan den voet den tempelberg te betreden. Bij Mozes (Ex. 3,5) en Jehoshoea' (Jos. 5,15) blijkt immers, dat op een heilige plaats het dragen van schoeisel ongepast was.

Hoofdstuk XXIX. 1. quot;IJin HtV De 28,41 voorgeschreven wijding moet op de volgende wijze, vergezeld van de hier volgende offers, geschieden. De uitvoering der hier gegeven voorschriften, wordt Lev. 8 en 9 beschreven. De wijding bestond uit: baden van geheel het lichaam, bekleeding met de priesterkleederen, zalving met de zalfolie, het brengen van schuld-, brand- en wijdingsoffer, van het bloed van welk laatste in 't bijzonder op ooren, duimen en groote teenen der priesters werd gestreken. — np1quot;, neem op kosten der gemeenschap. — ipa p • • • is is een stier, minder dan twee jaar oud; onder het jaar heet hij Sjï, kalf; boven de twee, tot drie jaar, (daar men het, ouder geworden, niet meer als offer behoort te brengen), enkel; is. Vgl. echter Rosh Hashana 10a en Sifra Lev. 4,3, waar, althans naar Rashib, blijkt, dat is steeds een dier boven de twee jaar aanduidt, ook al staat er ipa ja bij, terwijl ipn ja Sjï wijst op een kalf boven het jaar; dan heet het .jong tot twee jaar kalf. Sir; het begin van 't derde jaar ipn p is, later; is. — W, een mannelijk schaap, boven het jaar, of eigenlijk boven dertien maanden, maar minder dan twee jaar oud; onder het jaar heet het; raa. — DOTin slaat op alle drie de genoemde dieren; het beteekent; zonder lichamelijk gebrek, dat het als offerdier ongeschikt zou maken.

2- niïO DnSlj dat vs. 23 en Lev. 8,26 ]w nnS rhn genoemd wordt, is poiai, d. w. z. met, in verhouding tot de andere soorten, veel olie toebereid; het meel werd namelijk eerst in heet water afgebroeid, dan even in den

9tgt;

13

ocr page 199

□3 ro mxn tï

im ifnn nn d *: v*inN quot;h d1?^ npn inoi« Sn

v -: TT- pp 'T-:,- ^ i 1,-.. hquot;T

quot;iprp nnK quot;13 np? 'b rno1? oriK on? n^n

|.)tt i v ^ st v j- i - : a* uquot;- ; jquot;l-: •)••• t jv^tr

rbiïz mo n^n) niïD DnSi : DO'pn D'ip 2 : ons n'^n D'tsn nVo |Of 3 dvwo niïp |ö#3 isn-mi ^02 onx nanpm inx bniN nn:quot;)j

t - v ; rtr - jt i quot;i; * ; tv •»- ^ t lt;t quot;it ;

nnpn vj3-n«i pnK-nKi : dVkh hni ^

- V. v *•* * I: - tt v ; i lt; -11- v ; r •• it jquot; : v,quot; :

ntóm Dni2n-n« nnpbi : D^a DnK nvnn n^iD Vn'Kquot;

«t ; quot; : • : • t : - v jt ; |-it ; gt;' ,t ' jt : ■ it: ^kquot; v •*

-miifiNn-nKiTöNn ^^0 hxi njnan-nx pn«--nN

v : ^ it v : •• it *-•• : •• ; v - v i 1-

nö^ïsn nD'^i : ifltn as^na 11? msxi ri^nn1

a v^v : * quot; jt ; quot; ; 1 •• it v ; ^t :quot; it : i v a -

oven gelepjd om, als brood, te bakken en later in olie gebakken, tot harde ongezuurde en dikke broodkoeken. — pra nVta m» rSm, die op de genoemde plaatsen DnS 133 en DnS ,nSn genoemd worden, zijn dikke ongezuurde broodkoeken, waar, bij het mengen, de olie reeds is bijgevoegd. (Zie nadere bijzonderheden Lev. 2). — jnra ovroa msa ypi, dunne broodkoeken, die enkel met water worden gekneed, maar later met olie worden bestreken. Van iedere soort werden tien broodkoeken gebakken. (Zie Menachoth 78n). De woorden pua nViSa behooren zoowel bij m» cn^, als bij nxn niSn. Dat deze laatslen op de aangehaalde plaatsen eenvoudig, zonder vermelding van olie, genoemd worden, is te verklaren, doordien rvrtn nooit anders dan met olie aangemengd als meeloffer voorkomen. — D'cn nSo, bloem van tarwemeel, bet beste en fijnste uit de tarwe; waar rho alleen staat, beteekent het eveneens altijd tarwebloem.

3- raipm. gij zult ze doen naderen, uit het leger naar het voorhof des heiligdoms brengen ; het brengen op het altaar wordt later afzonderlijk vermeld. (Zie Lev. 1,3).

4. ddn nsmi. gij zult hen wasschen, zonder nadere aanduiding van een lichaamsdeel, beteekent: baden, geheel het lichaam onderdompelen, Sao, en wel in eene hoeveelheid, die voor de normale menschelijke afmetingen voldoende is, een kuil, die een el lang en breed en drie el diep is (natuurlijk MSN, Joodsche ellen, mansarmslengte, ± 57 cM.)

5. De bekleeding geschiedde, naar Lev. 8,7—9, in deze volgorde: nadat zij, na het bad, zich met broeken bekleed hadden, trok Mozes hun het onderkleed aan, waar overheen hij den gordel wikkelde, vervolgens den mantel, en den Ephod, welks gordelband den mantel vasthield, en het borstschild. Daarna (of volgens Ibn 'Ezra dadelijk na het aantrekken van het onderkleed en den gordel-, zie 28,4) het hoofdieindsel met de voorhoofdsplaat. — Hier wordt de gordel in vs. 9 gelijktijdig bij Aharon en zijne zonen vermeld en daarom bij Aharon's kleeding weggelaten. Dit, en vooral het gebruik van het enkelvoud b:3S, in vs. 9, is een der gronden voor de meening, dat ook de gordels van de gewone priesters, evenals die van den hooge-priester, uit de drie wolsoorten en linnen bestonden (zie 28,39). — Natuurlijk werd de Ephod dadelijk, nadat hij was aangetrokken, vastgemaakt.

ocr page 200

EXODUS XXIX.

zetten en den heiligen diadeem aan het hoofd windsel vast-

7 maken. En gij zult de zalfolie nemen, en op zijn hoofd

8 gieten en hem zalven. Dan zult gij zijne zonen doen nade-

9 ren, en hen met onderkleederen bekleeden. Gij zult hen met een gordel omgorden, — Aharon zoowel als zijne zonen, — en hun met de hooge mutsen het hoofd omwinden ; en het zal hun een priesterschap zijn tot eeuwigdurende instelling; en zoo

10 zult gij Aharon en zijne zonen wijden. Hierop zult gij den var doen naderen voor de tent der samenkomst, en Aharon en zijne zonen zullen hunne handen op den kop van den var steunen.

11 Dan zult gij den var slachten vóór den Eeuwige, aan den ingang

12 van de tent der samenkomst. En gij zult van het bloed van den var nemen, en het met uwen vinger aan de horens van het altaar doen ; en al het [overige] bloed zult gij aan den

13 voet van het altaar uitstorten. Dan zult gij al het vet nemen, dat de ingewanden bedekt, ook het net over den lever, en de beide nieren en het vet, dat er op is; en zult het op het

14 altaar in rook doen opgaan. Maar het vleesch van den var en zijne huid en zijn mest zult gij in vuur verbranden buiten

15de legerplaats; een zondoffer is het. Vervolgens zult gij den eenen ram nemen; en Aharon en zijne zonen zullen hunne

16 handen op den kop van den ram steunen. Daarna zult gij den ram slachten, en zijn bloed nemen en tegen het altaar werpen

17 rondom. En den ram zult gij in zijne stukken deelen, zijn ingewanden en kniestukken wasschen en ze bij zijne overige

18 stukken en zijn kop leggen. Dan zult gij den geheelen ram op het altaar in rook laten opgaan; een brandoffer is het ter eere des Eeuwigen, tot eenen aangenamen geur, een

19vuuroffer ter eere des Eeuwigen is het. Eindelijk zult gij den tweeden ram nemen; en Aharon en zijne zonen zullen

6. ttnpn quot;113- ^let heilig onderscheidingsteek en, niet juist een rondom het hoofd loopende krans of kroon; vgl. 28,36 v. v.

7. De zalinng had plaats, voordat het hoofdwindsel hem werd opgezet. Zij geschiedde, door op zijn hoofd olie te gieten (npx'i) en dan met den

vinger in den vorm van een griekschen x (X of S?) van het hoofd tot tusschen de beide wenkbrauwen te trekken.

9- V33i prw staat, als het ware, tusschen haakjes, zoodat nnS rwani weer, evenals het vorige vers, alleen op de zonen slaat.

10. De bijzonderheden der offerdiensten bij een var tot zondoffer, die, gelijk de hier besprokene, verbrand moet worden huiten den tabernakel, ruwn nsan, zullen Lev. 4 nader worden behandeld.

11- lyiD Snit nm aan den ingang van de tent der samenkomst, d. i. in het voorhof, dat vóór het eigenlijke heiligdom is. — 'n ysS, vóór den Eeuwige, bepaalt nader de plaats: tegenover den ingang van het heiligdom, zoodat er niets tusschen de offerplaats en den ingang is; dus niet bijv.

97

ocr page 201

L53 mvn ft

nn^snrD^-nKnnpbi: nöttarr'ty B'-ipn irrnK nn:v

t ; • - I v-»••• v t ; I-it : vit ; • - vK - vy v jt -it:

DP^nianpnvirnKi : inK nn^oi nprin

^t : - : • : a I: - v.t t v : i ^t :^- it ^ a v,ti: -it:

bn1? n^ani vbi pnx üiax onx mini : rtna»

v t lt;t ; - it : t t i j -: i - •• : - t t :-it : ^ i

pnK-nt nxboi oViy nans on1? nn;ni: hyajp rhnx -nÓDi nyio ^riK lan-nN rimpm : vjrTi'

I s-: i- I - t : 'aquot; v j v.quot; : • t - v t : -I: • : it t -;

quot;isn-riN ntsntri : quot;ian onn^riN v:ni ^

— : • V.T - v jt : quot; it : ^ it- j v.quot; quot; -jtt

-ty nnnii quot;isn ona nnp^i : Sin nns nin^

^t -it: t - j-• t : I-it : *1quot; v j - v.v at :

: naTsn niD,-i?N D^rr^i-nNi^aïNS naTsn n'iquot;ip nin^n nxi rnj^rrnK nMon 2^nn--V|quot;nx nnnSv' mtapm abnrrnKi n^an ♦nir dni lian

^t : - I: • : I av •• ^-: -••.• -: v v,quot; quot; v : ^ t : - -••• : •• : •• t -

i^irnKi lipTiNi nan quot;i^rnxi : nnaran^ dodi npn quot;inxn ^«n-nNi : «in nKtan nans'? rmo«

: t : i at* \.t v it ' j- t v : i vt - av -: i— I v, '

^Nrrnx n^niri ; Vxn onn^nK vaai pnx»

•att V {t : -^it : 'itt j s,v quot;: _v 4t t ^ i s *: |-

nn:n bwrnNi : 3»3d naran-1?^ npnn idtdn nnp^iquot;

- Vquot; - : • - t v : i t - v.quot;: * ^■'T quot;,T: T v t : I-it :

: itfKTtyi vnnrbv nn^ V^DI lanp mmi vnn^

1 : vt t : jt - it : t.t: ^ «t : - it: at t : •

mm: nn nin^ Nin nV^ nniran ^Nn-^rnK nmpni ^

•- ■»•• at i- v. jt .t quot; quot; ** t t v «t :-l: • : ^

pnw TtDDi 'jbti ^«n nx nnpSi * : «in nin^ n^x0' I

» s-:i- ) - t : a* •• - '•*- t t : I-jt : .1 ^t 1- jv • *

aan de oostzijde naast het altaar, waar het altaar tusschen het offerdier en den ingang zoude zijn.

15. Over den dienst bij een brandoffer, zie Lev. 1.

16. nnpSl, en gij zult nemen, natuurlijk niet; in uwe hand, maar in een bekken opvangen, (nSap); npm, en gij zult het tegen het altaar aanwerpen, niet, zooals in vs. 12, met den vinger op de horens strijken, maar met het bekken eene beweging maken, zoodat het bloed aan de wanden van het altaar komt, ïoo, rondom, d. i. aan alle vier zijden zichtbaar; naar de traditie; twee keer werpen, telkens tegen den scherpen kant van een hoek, en wel Zuidwest en Noordoost, zoodat het bloed door elke spatting aan twee kanten van het altaar kwam, ïzns jrw nwm vw, twee spattingen, die hetzelfde gevolg hebben, als waren er vier verricht.

19. Deze ram is een offer, dat uitsluitend als inwijdines-offer voorkomt. Hij geldt in het algemeen als vrede-offer, (zie Lev.quot; 3) doch onderscheidt zich daarvan door het strijken van het bloed op het rechter oor, den duim der rechterhand en den grooten teen van den rechtervoet; dit komt evenzoo

ocr page 202

EXODUS XXIX.

20 hunne handen op den kop van den ram steunen. Dan zult gij den ram slachten, en van zijn bloed nemen, en het doen op het kraakbeen van het rechter oor van Aharon en op het kraakbeen van het rechter oor zijner zonen, aan den duim van hunne rechterhand, en aan den grooten teen van hun rechtervoet;

21 en gij zult het bloed tegen het altaar werpen rondom. Voorts zult gij nemen van het bloed, dat op het altaar is, en van de zalfolie, en het spatten op Aharon en zijne kleederen, op zijne zonen en op de kleederen zijner zonen met hem; dan zal hij met zijne kleederen heilig zijn, en zijne zonen en de kleederen

22zijner zonen met hem. Dan zult gij nemen van den ram: het vet en den staart, en het vet, dat de ingewanden bedekt, en het net over den lever en de beide nieren met het vet, dat er op is, en den rechter bovenschenkel; want een ram der

23 wijding is het. En één rond brood, en één broodkoek, met olie bereid, en ééne dunne vlade, uit den korf met ongezuurd

24 brood, die voor den Eeuwige staat. Dit alles zult gij op de handen van Aharon en op de handen zijner zonen leggen, en gij zult er eene wending mede maken vóór den Eeuwige.

25 Daarna zult gij het uit hunne hand nemen en op het altaar in rook doen opgaan, bij het brandoffer, tot een aangenamen geur voor den Eeuwige; een vuuroffer is het ter eere des

26 Eeuwigen. Dan zult gij het borststuk nemen van den wij-dingsram, die voor Aharon dient; en daarmede eene wending

Lev. 14,14 bij het schuldoffer van den melaatsche voor. Een ram als vrede-offer komt overigens slechts bij de inwijding als offer des volks (Lev. 9,4 en 18), en der vorsten (Num. 7,17 vv.) en bovendien bij den Nazier (Num. 6,14) voor. — -pan, niet het oorlapje, maar de uit kraakbeen bestaande midden-wand van den oorschelp. — rnp^i, waarschijnlijk: een weinig opvangen, direct uit de slachtsnede, in de linkerhand en dat met de rechterhand op de voorgeschreven plaatsen strijken.

21. Nog een kenmerkend verschilpunt tegenover andere offers: nadat het bloed tegen het altaar is gespat, neemt Mozes van de droppels, die aan de wanden van het altaar zijn, en een weinig van de heilige zalvingsolie en spat daarmede op, d. w. z. in de richting naar Aharon en zijne kleederen, en naar zijne zonen en hunne kleederen. ntn, uit de verte sprenkelen (vgl. Ex. 24,8). Ibn 'Eziia meent, dat hij onder de kleederen eerst het lichaam en daarna de kleederen zelve bespatte. Het is, als men Sr in den zin van: oj), letterlijk opvat, waarschijnlijker, dat hij dan de onbedekte deelen van hun lichaam, bijv. het gelaat of de voeten besprenkelde.

22. De staart werd hier van den „ram (schaap in het tweede levensjaar) tot vredeofferquot; met de vetstukken op het altaar verbrand, wat naar Lev. 4,9 uitsluitend bij schapen geschiedt. Noch bij runderen, noch bij geiten (en bokken) heeft dit plaats. — nSnn, het vet, aan den dundarm, Lev. 3,3:37nn aipn Sr ips.

23. OH1? 1331' een rond brood, de gewone vorm der ongezuurde broo-den, die waarschijnlijk ook toen reeds gerold werden. Het kan ook wezen, dat de naam doelt op het hard en dik zijn van het brood, zonder

98

ocr page 203

nixn nv

nnpbi ^Kn-m rrariBh : onn^nx vaai3

lt;t ; i-1t ; ^ • - t v jt^i - it ; ^ * it t ^ q j v* •quot; v ^ •gt;tt

n'ia;n vas |tjlt; Tj^n-^'i pn« |m nnn^iD-ip

D'irrnN npnn mwr\ D^aquot;) rnr^i jvjoti DT rrir^i

^t- v stI: -it: /gt;• t :^- vt : - I v j T- : • t : - tt I v lt; - :

niranquot;^ iitk oin-ro nnpSi : yno naran-bv«

n- j\' -j t - ^1 * t : i - it ; r t - v.quot;; * - quot;

vjr^yi vnarbp nnx-b^ mni nn^an roBtoi

^s. : .)t t : tt ; 1 .' *: •* lt;t •• * : t ; * - I v -«v *

: inN vin naai vaai vnam kin ty-ipi inx vaa naa

i • vt t jquot;; • quot;)t t tt y ^-it: pap • vt t jquot; t *

-nK riDDan i aVnn-nKi n^xni abnn V^n-ro nnpSiM

gt; » ^ •quot;' quot; : r v-- v ; t; - it^; ..•••- • - t i -r : iquot; it :

aSnrrnKi h^an i nx] naan nin» n^i an^n naai : «in o^ba quot;VN ♦a ra'n pia' nxi rn^y »

- . : ^ , v* % • jquot; •)• i a-t - i j vquot;.; ' *•• -•••

ni^an boa nnx p»pquot;n ma raiy onb nbni nnx Drf?

- - - . at ... | ij.t; ^--| v.)v v JV --; - -

via »öa VjmSnK ^a by Van natsn : nin» ^

at t -••• - : 1 i- -••• - ^-lt; - -«t ; - ; it ; ; • vquot; quot;!

müpm on'a ddk nnpVi : nm» nsian dhk naani«

jt ; quot; i: • : tt • t . «t ; i-it ; ^ ^,t : jquot; : ' : -/t ; - iquot; :

: nin^ «in nin' nin^ nnV nV^n-Vy nnaran

it r v ,Jquot; ' t : - • - «••: it ts.quot;: • -

inKnamrSnN1? n^x o^xban VKa nrnn-nx nnpbiquot;

r» jt : - r* ; i -: i- : -••.• -; • •.. • - lt;•• •• vt iv v jt : i-it :

dat het met den vorm in verband staat. Bedoeld is een der ma niSn, vs. 2. Evenals bij het dankoffer, min, Lev. 7,14, waarbij eveneens broodsoorten gebracht worden, wordt hier één van elke soort afgenomen, om daarmede eene beweging vóór God te maken. Terwijl daar ook het borststuk bij vetstukken en brooden genomen wordt, is hier eene afzonderlijke beweging daarmede voorgeschreven. Daar zijn de brooden, schenkel en borststuk voor den dienstdoenden priester, en alleen de vetstukken worden verbrand; hier wordt na de eerste wending al het daarbij betrokkene, ook het brood en de schenkel, verbrand. Het borststuk is voor Mozes, als dienstdoenden priester.

24. De wending, nswn, die ook niivw, opheffing genoemd wordt, is eene beweging naar de vier windstreken, — en wel telkens eens van zich af en naar zich toe, — en in op- en neerwaartsche richting.

25. nSyn Sj?gt; ^ V het brandoffer, den eersten ram, die naar vs. 18 reeds op het altaar lag. Anderen: na het brandoffer. Waren er nl. offerdeelen van brandoffers en van andere offers te verbranden, dan ging het brandoffer, daar het geheel en al op het altaar kwam, voor.

26. nnxS nwf D-wSan Vwo. die voor Aharon is. Lev. 9,4 en 19-21 komt namelijk nos een ram als vredeoffer der gemeente voor, die evenwel als gewoon vredeoffer door den priester, Aharon, behandeld werd, en waarbij Mozes geen dienst meer deed. Daarom staat hier uitdrukkelijk: van den wijdingsram, die ten behoeve van Aharon gébracht wordt. Evenzoo Lev. 8,29 bij de uitvoering; van den wijdingsram. Nachm. ziet in

ocr page 204

E X O Ü U S XXIX.

maken vóór den Eeuwige; en het zal u tot aangewezen deel

27 zijn. Gij zult heiligen het borststuk der wending en den bo-venschenkel der opheffing, waarmede men eene wending en eene opwaartsche beweging verricht heeft; van den wijdings-

28 ram, die voor Aharon en zijne zonen dient, — En het zal voor Aharon en zijne zonen eene eeuwigdurende wet zijn vanwege de kinderen Israels, want eene heffing is het; en het zal eene heffing van de kinderen Israels zijn van hunne vrede-

29 offers, hunne heffing ter eere des Eeuwigen. En de heilige kleederen, die voor Aharon dienen, zullen voor zijne zonen na hem zijn, om daarin te zalven, en hen daardoor te wijden.

30 Zeven dagen zal diegene zijner zonen ze aantrekken, die als priester in zijne plaats treedt; hij namelijk, die in de tent dei-samenkomst komen zal, om den dienst in het heilige te ver-

31 richten. Doch den wijdingsram zult gij nemen, en zijn vleesch

32 op eene heilige plaats koken. Aharon en zijne zonen zullen het vleesch van den ram en het brood, dat in den korf is,

33 eten, aan den ingang van de tent der samenkomst. En eten zullen zij datgene, waardoor verzoening is verkregen, om hen te wijden en hen te heiligen; doch geen vreemde zal er

34 van eten, want heilig zijn zij. Indien er echter van het vleesch van het wijdingsoffer of van het brood tot den morgen iets overblijft, dan zult gij het overgeblevene in vuur verbranden; het zal niet gegeten worden, want het is heilig.

de bijvoeging pn.sS ics den grond aangeduid, waarom Mozes het borststuk kreeg. De persoon toch, die het offer bracht, — hier Aharon — kreeg dit nooit, maar de dienstdoende priester, dit was hier Mozes. Dan zon echter ook bij schenkel en brooden hetzelfde moeten geschied zijn en dezen niet verbrand moeten zijn. — roaS, in den regel: een in eetbare waren bestaand yeschenk, soms: een deel van zijn eigen maaltijd, dat men hem, dien men eeren wil, doet toekomen.

27. Nadat eens, bij de wijding, borststuk en schenkel, als bijzondere deelen van het offerdier, door bepaalde handelingen zijn onderscheiden, moeten zij ook voor het vervolg hun heilig karakter bewaren, en van de vredeoffers der kinderen Israels worden afgezonderd als heffing, die, nadat wending en opwaartsche beweging ermede zijn verricht, aan den priester moet gegeven worden. — msnn, mannelijk, daar pwi nrn onderwerp is.

29. De hoogepnesterkleeding zal ook dienen rnnx roaS, voor zijne nakomelingen, die hem in het ambt zullen opvolgen; ona nrroüS om hen daardoor in het hooge ambt te bevestigen-, nnra, zalven, had bij hoogepriester- en eerste konings-wijding plaats,'dus bij de twee hoogste ambten, en is vandaar term geworden voor: tot een hoog ambt aamvijzen-, zoo I Kon. 19,15 en 16 van het aanwijzen van een koning over Aram, over het rijk Israël, en van een proleet. (Rashie, Nachm.) Anderen; om hen daarin te zalven, d. i. hen te zalven, terwijl zij ermede bekleed zijn. De wijding van den hoogepriester moet steeds' plaats hebben door zalving en het dragen der hoogepnesterkleeding. De hier voorgeschreven offers waren later niet noodig.

30. Dan moet Tgt;:3n wnn par, de als hoogepriester in zijne plaats optredende onder zijne zonen nog zeven achtereenvolgende dagen den dienst in de

9!)

ocr page 205

□5 niïn ÜÏ

nTn i n» ntrtpi : ih rrm nin» naiin '=

■•••-: t : -i* : it t ; v.» : , vtt : at : •»••: • \,r ;

min -law nnn nannn piB» naunn

.. .. ^ ^ j... -.,- |r j... -. t ; quot; i -* - ; t : -

vinbir'^nx1? n^ni : vaa1? natoDi rnn»1? imn D^ban «

tt ; I -: r : tt : it t : jv quot;. iquot; I ^i- ; jv -; iquot; • \ * -

n^n» nónm Kin nonn '3 »33 hxa o^irpn1?

v : r t ; «s vt : quot; t :*-«•• : •• •• t ^ I t :

naai : nin»1? onann ♦nata nxa03

«••: • it i- v.t t i : v •• ; - j.. : . • ^ .. T; . . lt;.. ,.

quot;Kv'abi onn nnira1? mnx van1? vn» hnx1? quot;itrx W-fpn

•• - ; v t -«t : t : at-: i- v.t t ; j ; r I r : jv -: vl -

nftmaavmn rnan Dira1?» D»a» idt-dk on17

jv -: at t • ^t ; - mquot; - st t ; • • t : * itt v vt

npn D^ban Vk nxi : t^npa n^ia ^nx-^N ay ^

• at- ^ r ••. • - jquot; 1 •)quot; : v' • quot; r't : •vquot; v j v .) t

tik vaal nn» Vdki : Bnp dpaa n^r-nx n^trai ^

tt - t : 11 t i j t : v ▼ ï ** jt ; - *

iSdki : nyia ^n'N nns quot;i^x onVn-nNi V^n Ttra ^

« : it : iquot; v j - v,v at - -; v^v - v ; * - t ;

quot;K1? in om rnp1? Qi^nx «ba1? ona 133 nE'N bn»

1 jt: at •»••!- ; ^tt v j- - i v t ••• *•. -«v t

on^n-rai owban n't^aa quot;invoKi : on Eh'p-»3 ^

v^v - I • •)•*•.*- s- : * # quot;^t* • : iquot; vI j • v.quot;

: «in trip-^ ^3^ n1? i^ns -inian-nN nsn^i npan-n^

i v ij • tlquot; j *' t t - v lt;t : quot;it : iv a -

hoogepriesterkleeding verrichten, cipa • • • sa' ion, 'ii'e voortaan heiligdom zal betreden, om dan in het allerheiligste den dienst te verrichten. De eenige geregelde, periodieke dienst, die den hoogepriester als dienstdoende vereischte, was de dienst op den Verzoendag. (Rashie) In het heilige deed ook een gewoon priester dienst. De hoogepriester moest, als hij den dienst wilde verrichten, steeds in de hoogepriester-kleeding gehuld zijn. De zeven wijdingsdagen moet hij echter dienst doen. Dat is de zin van het voorschrift in ons vers; niet; dat de heilige kleederen na de wijding van den hoogepriester zouden worden opgeborgen tot de volgende wijding.

31. Het vleesch van den wijdingsrara, die immers vredeoffer is, wordt op eene heilige plaats, d. i. in het voorhof, gekookt en moet daar gegeten worden. Anders mogen vredeoffers in de geheele legerplaats worden ge-

feten; hier echter geldt het offer als Qicnp ïnp, alseten; hier echter geldt het offer als Qicnp ïnp, als allerheiligst, dat binnen et voorhof moet blijven.

32. quot;yno SrW nna. behoort bij 'MSI, niet bij; boa; de woorden duiden het geheele voorhof aan.

33. Dn» die zaken, offervleesch en brooden, waardoor verzoening voor vroegere misdaden is verkregen. Bij de wijding komt meermalen die term voor. — in, een vreemde, die met de offers niets heeft uitstaan, een niet-priester. o-ip, allerheiligst.

34. Evenals het dankojffer, mag ook dit slechts den dag, waarop het gebracht is, en den volgenden nacht gegeten worden (Lev. 7,15). Daar Aharon en zijne vier zonen hier een geheelen ram en 27 brooden kregen, die zij waarschijnlijk niet in één dag konden opeten, is hier het overlaten niet verboden, wat bij gewone offers wél het geval ie.

ocr page 206

EXODUS XXIX.

35 En gij zult met Aharon en zijne zonen zoo handelen, gelijk alles

36 wat Ik u bevolen heb; zeven dagen zult gij hen wijden. En een var tot zondoffer zult gij dagelijks bereiden ten behoeve der verzoening ; hiermede zult gij het altaar ontzondigen, door verzoening er over te doen; ook zult gij het zalven om het te

37 wijden. Zeven dagen zult gij over het altaar verzoening doen en het wijden; daardoor zal hot altaar allerheiligst worden;

88 al wat het altaar aanraakt, zal heilig worden. — En dit is het, wat gij op het altaar zult offeren : schapen onder het jaar,

39 twee eiken dag, voortdurend. Het ééne schaap zult gij des morgens bereiden, en het andere schaap zult gij bereiden tus-

40 schen de beide avonden. En een tiende [Epha] meelbloem, aangemengd met een vierde van een Hien gestooten olie, en tot

41 plengoffer een vierde van een Hien wijn, bij ieder schaap. En het tweede schaap zult gij tusschen de beide avonden bereiden; gelijk het meeloffer van het ochtendoffer en het daarbij behoo-rende plengoffer zult gij er bij bereiden, tot eenen aangenamen

42 geur, als een vuuroffer ter eere des Eeuwigen. Een voortdurend brandoffer voor uwe nakomelingen ; aan den ingang van de tent der samenkomst, vóór den Eeuwige, waar Ik ten uwen behoeve

43 tijden zal bepalen, om daar tot u te spreken. Daar zal Ik samenkomsten bepalen voor de kinderen Israëls, en zij zal door

44 Mijne heerlijkheid geheiligd worden. Zoo zal Ik de tent der samenkomst en het altaar heiligen; en Aharon en zijne zonen

45 zal Ik heiligen, om Mij als priesters te dienen. Ik zal te midden der kinderen Israëls wonen en zal hun tot God zijn.

46 Dan zullen zij tot de erkenning komen, dat Ik, de Eeuwige,

35. Zeven dagen lang worden de wijdingsplechtigheden herhaald.

36. DvS. eiken van de 7 wijdingsdagen; — □quot;EOn Sp, ter verzoening, behalve- de brat;doffer- en wijdings-ram, moet, evenals den eersten, zoo eiken dag een var als zondoffer gebracht worden. (Rashie) Ibn 'Ezba: behalve de zoenoffers, brandoffer- en wijdings-rammen. Vgl. Lev. 8,34. In elk geval werden eiken dag de drie offerdieren, als op den eersten, gebracht. — mum, gij zult de zonden, die op het altaar mochten rusten, — doordien het van geroofd goed gemaakt was (Risuie) — uitwisschen, doordien gij er verzoening voor verwerft, door het zondoffer.

37. Cnp1 n3ID3 S3) wat het altaar aanraakt, wat eenmaal op het altaar is geweest, blijft, voor zoover het ervoor geschikt is, heilig', anderen; wat het altaar heeft aangeraakt, moet heilig, d. w. z. rein blijven, mag niet verontreinigd worden. — Gedurende alle zeven wijdingsdagen werd de dienst, evenals op den eersten, door Mozes verricht.

38. Onmiddellijk op de priesterwijding en altaar-ontzondiging volgt de dienst, door de priesters dagelijks op dit altaar te verrichten; ncpr, als offer bereiden, de vereischte handelingen eraan doen.

40- JlCyi. een tiende van een Epha. De Epha heeft drie Sea, de Sea zes Kab, de Kab vier Log, — 6 middelmatige kippen-eieren. De jvwr is

100

ocr page 207

niïn p

nam VM nsi VaaVi nn^b rvamp;in ^

)~ x ' T rtT ^ * V.' * •* -: i 'r T T ^ T T ; I lt;-: i- ; T • *T :

onsarr^v Dl'1? n'^n nxèn -isi : Dquot;i» «ban ^

••-.•- - «v^l- t - - itt iquot; - v.'t

: iB'-ipb inx nnt^oi yhy nissa niran-^y nx^ni

^ ^ • :l- ; v. jt : quot; it ** r. u : v - : ^ - t •• • :

n3Tsn n^ni inK ntr^pi nirsn-^v löDn D^D» niD#'1'

...... lt;rt . a . _|. . ...... •• - ; • t •

nn d * : i^ip» nsTöa D^ip t^np ^

y- -: v; itI : • - v.quot;; • - ^r* - t • tIt v|-»

TIK : -i^on Dlquot;1? nj^-^2 D^M nsTDn-by ^

•• t v. quot; 'J'i v}t T : s* t : - Aquot;: • -

ra n'Bgt;^n ♦iirn traan nw quot;ipan n'^^n nn^n iraan

i jquot; V,v VJV - •• ; lv a - jV i- V.t V it V JV -

■rjD^pnn^nnn^i jOBfa biSa nVó : D^n» ntrirn ♦airn traan h«i : inxn traa1? pnn nran«»

v.quot; .•quot; * ** v-»v - ^ •• : it V it V^V^- I 'at I V' quot; s' ' :

nrv: nnV n^-ntr^n naojai quot;ipan nnjoa o^an^n ?^a

. . j... t v quot;^i- t : • ; lvlt; - - : • : -at '. 'it i -•quot;

n^iQ-briN nna oa^h-ib Ton nb'y : nin^ n^N ^

— ; • Iquot; v i - jv v •• -• : • t^ it ^i- v,v •

nsir : Dtr ?pN lan1? ns^ oa1? n^iK nirx nin*«

t vt j' : i : it i v,v •• jquot; tt v t •«-t • v -: at :

-nxn^io bn'K-nK ♦ntrnpi : naaa trnpji ^ab ^

v ; v ^ v .)• ; -I* : r ; • v,quot;': * ! Aquot; t : • •»quot; ; •

-iina^airi rnab tripK vaa-nNi nnx-nxi naran^

v. : ' ; quot; «•t : r ijquot; - : ^••1--; or t v ; i s-: i- v : -aquot;; • -

niT 'a : D'nbx1? onb VNnty» ♦aa™

t : j* ;it: r r* ^vt • j't ; aquot; t : * •*•• :

dus 431/5 ei. Deze maten zijn voor drooge waren. Voor natte waren dient de Hien = 12 Log. — r.vo pt-a, gestooten olie is Ex. 27,20 voor den luchter imperatief voorgeschreven. Volgens den Thalmoed (Menachoth 86a) is hier het gebruik van gestooten olie facultatief, maar mag ook door malen of treden verkregen olijfolie gebruikt worden. — -p:i. Dit plengen geschiedde niet op het vlak van het altaar, maar in een opening aan de bovenzijde van het altaar werd de wijn gestort en liep dan naar den bodem onder het altaar.

41. ipan nruoa = ipan nSir nrusa, gelijk het meeloffer van het des ochtends gebrachte brandoffer; dan is het suffix van H3033 en nVverklaard.

42. TOJIj dagelijks te brengen. — iïto Sns nns, op het daar geplaatste altaar. — ijjin itra, verklaart den naam npi» Vns; hier: waar Ik den tijd zal bepalen. osS ijns, Ih zal voor u allen, Israël, tijden bepalen om tot u, Mozes, alleen te spreken.

43. SjOBquot; 'JsSj ten behoeve van de kinderen Israels, om hun Mijn wil bekend te maken. — cnpït, zij, de. tent, zal geheiligd worden-, anderen: het zooeven genoemde Israël zal geheiligd worden. — ••1232, doordien Mijne heerlijkheid zich daar vertoont.

46. IJJTI, door ervaring tot de kennis geraken, leeren inzien.

ocr page 208

EXODUS XXIX, XXX.

hun God ben, die hen uit het land Egypte heb gevoerd, opdat Ik in hun midden verblijf zou houden; Ik, de Eeuwige, hun God.

1 Gij zult ook een altaar maken, om reukwerk daarop te ont-

2 steken; van Shitta-hout zult gij het maken. Een el zal zijne lengte zijn, en een el zijne breedte — vierkant zal het zijn — en twee ellen zijne hoogte; zijne horens moeten uit één stuk

3 ermede zijn. Gij zult het met zuiver goud beleggen : zijn bovenvlak en zijne wanden rondom en zijne horens; en gij zult

4 er een gouden krans aan maken rondom. En twee gouden ringen zult gij er aan maken, onder zijn krans, aan zijne beide lange zijden zult gij ze maken, — namelijk aan zijne beide kanten; en dit zal dienen tot huisjes voor de draagboomen,

5 om het daarmede te dragen. En de draagboomen zult gij van

6 Shitta-hout maken, en ze met goud beleggen. En gij zult het plaatsen vóór het voorhangsel, dat vóór de arke van het getuigenis is, vóór het deksel, dat op het getuigenis ligt, waar

7 Ik samenkomst met u zal bepalen. En Aharon zal daarop reukwerk van specerijen in rook doen opgaan ; eiken morgen, als hij de lampen reinigt, zal hij het in rook doen opgaan.

8 En ook als Aharon de lampen ontsteekt, tusschen de beide avonden, zal hij het in rook doen opgaan ; het zal een voortdurend reukwerk zijn voor den Eeuwige bij uwe nakomelingen.

9 Gij zult er geen vreemd reukwerk op brengen, noch brandoffer of meeloffer; en een plengoffer zult gij er niet op storten.

Hoofdstuk XXX. 1. Het reukwerk-altaar, mep iBp» nam, ook korter: mopn nar»; het wordt verder: arnn rat», gouden altaar, en wssn rati;, hel binnen, in het heilige staande altaar genoemd. Over de plaatsing van dit voorschrift op het einde van tempelbouw- en wijdings-voorschriften, zie Ex. 25,1. Het was één cl lang en breed en twee el hoog. Over den vorm der horens is niets met zekerheid bekend. Zie Ex. 27,2. Het was niet, gelijk het brandoffer-altaar, met aarde gevuld en van boven onbedekt, maar ook de bovenzijde was van hont en met goud bedekt. (i;j, een plat bovenvlak, gelijk een dak, dat in het Oosten meestal plat is.) Daar op het altaar slechts het reukwerk werd ontstoken, waartoe met, relatief weinig, doorgebrand vuur, dat van het brandoffer-altaar genomen werd, volstaan kon worden, bestond geen vrees voor spoedig doorbranden der gouden boven-plaat (Siporno). .

4. nCl/il VJIjnS Tltt' 7^, (zie Ex. 25,12) aan zijne heide lengte-zijden. Hoewel hier lengte en breedte gelijk waren, kan toch van lengte- en breedte-zijde gesproken worden. In het algemeen toch stonden de heilige voorwerpen zoo, dat de lengte evenwijdig liep met de lengte des heilig-doms. Omgekeerd kan nu zeer goed de zijde, die evenwijdig liep met de lengte van het gebouw: lengte, — die in de breedte van het gebouw liep: breedte genoemd worden; het wordt dan nog duidelijker gepreciseerd door vnï ^r, aan zijne beide zijden, d. w. z. niet aan de voor- en achterwanden, d. z. die, waarvoor men, uit het voorhof of het allerheiligste komende, te staan komt, maar aan de zijwanden. Hier was voor eiken draagstang slechts een ring noodig, daar het altaar klein, niet zwaar was en de draagboomen dienovereenkomstig korter konden zijn; dan konden de ringen

101

ocr page 209

V Ü3 nivn up

aaina onvö onx 1^« DH^VK

at ; •** ; t : • s.' : * 1 quot;Jquot; quot; • s» v -i v •• -• v:

a s ; Dn^rt^N nin» ♦JK ;r20

iv •• i ••: jt : V'-Ï r

nsN : inK n'^n D^B' niüp quot;it2po naro rviyjn n 7

t - i r-' -i iquot; v,* * j* •. v is i; ^-1; • -v.quot;: * t r ^t:3

: vruip 130D mbp D^naxi naxi lin^i

it :l- v-* • atii •».- t - : v : r ~ •• t : t lt;t - : ^ : t

vnnpTiKi yio vn^»p-nKi larnN una 2nT in« n^ïij

at :l- v : *•'t ^ )t q1'* ••• ; s- v t jtt t • * :

1 i^-ntyyn anr n^atrnBh : yso nnr IT ib

j v 1- tt ^ - •• : lt; f t v.tt jquot; •) t j* t :

h-m viv n'^n vnybv ^ inrb nnno

t t ; at • ■••• : quot; v.v i- t ; - ■quot;• : ^ ••: *

♦yv onan-riK n^i : nana in« nNt^1? dtd^

j,.«j quot; v t J*/t : t iquot; t ^ jquot; t * - ; j» t ;

quot;it^N naSsn irót nnnii * :anT DPK %

\v v t - -•••_ : • ^ lt;t - it: itt v,t jt • • : a- •

^5S nn^nquot;^ ib'K niaan ^a1? nn^n pK-1?# npaa -ipsa D'ÖD niüp hnx v1?^ n^pm : HD^ *h1

lv - i v -• - a* - v -• i; i ^ i- -it^t j* i: • : tit ^ p : c

nnsn-nxnnK hSjra *: nastap» nnan-n» la^naquot; p

.)••- v } s-; r 11quot; : t iv • I: - vquot; ~ •* ■» • iquot; : r

: D2\nn-ib nin* ^a^ nntsp nan^p» o^nyn r'S

iv •• i ; ^t s jquot; ; • •)• t vs i: tav • i;- •vquot; . it i jquot;

wsn nh TIDJI nruoi n^i mr nicap vby

v : • j | v ••; at : * ^t^ : ^tt v j i; -it t j -;i-

aan de beide eindpunten van den diagonaal zijn. Rashie: aan de twee hoeken aan de twee kanten-, een, bijv. die aan den rechterkant, dicht bij de voorzijde, en de andere dicht bij de achterzijde. Waarschijnlijk echter zat aan weerszijden een ring in het midden. — Ibn 'Ezra: aan zijn heide mSï, dat is aan zijne heide zijden, eene zeer onwaarschijnlijke verklaring,

daar ï^ï herhaaldelijk zonder toelichting is gebruikt. — mm, enkelvoud, het aanbrengen der ringen zal zijn, opdat zij tot huisjes dienen voor de draag-hoornen-, door iederen ring werd een boom gestoken.

6- mj?n Si? WK ro-a. Zie Ex. 27,21. — nison •os1?, buiten het voorhangsel vlak tegenover het deksel. De woorden preciseeren de plaatsing;

juist in het midden, tegenover de arke; evenals tafel en luchter, stond het altaar in de achterste helft van het heilige. De eerste tien ellen der diepte waren geheel vrij, dan stond het altaar in het midden, en iets meer naar achteren de tafel rechts, de luchter links dicht bij de zijwanden. (Zie Ex. 26,35).

7 en 8. Volgens den Thalmoed heeft des morgens het offeren van het reukwerk plaats, nadat de luchter gedeeltelijk is gereinigd; eerst werden nl. vijf lampen gereinigd en, nadat intusschen de offerdeelen van het dagelijksch offer op het altaar zijn gebracht, eerst het reukwerk ontstoken, waarna de beide andere lampen gereinigd werden. In den namiddag had het brengen van het reukwerk plaats voor het ontsteken van den luchter. Over D'BD mep zie Ex. 25,6; over D'Oirn pa Ex. 12,(5. Tinp, dagelijks te brengen.

9- mi mnp. vreemd, dat er niet op behoort; evenals ieder niet-priester tegenover liet heiligdom 11 heet. Ibn 'Ezea : niet naar voorschrift bereid.

ocr page 210

EXODUS XXX.

10 Aharon zal op zijne horens éénmaal in het jaar een verzoe-ningsdienst doen; met het bloed van het zondoffer der verzoening namelijk zal hij éénmaal in het jaar er verzoening op doen, bij uwe nakomelingen; allerheiligst is het ter eere des Eeuwigen.

12 11 .Nog sprak de Eeuwige tot Mozes, als volgt: Als gij de som der kinderen Israels zult opnemen naar hunne getelden, dan zullen zij, ieder, een losgeld ter eere des Eeuwigen voor hunne ziel geven, als men hen telt; opdat geene sterfte . onder 13 hen ontsta, wanneer men hen telt. Dit zullen zij geven, ieder die tot de getelden overgaat: een halven Shekel, naaiden Shékel des heiligdoms; — twintig Géra is de Shekel;

io. n,-ik naai, Aharon uitsluitend, daar de dienst op den Verzoendag alleen 'door den hoogepriester mag verricht worden. Als vs. 7 en 8 Aharon

fenoemd wordt, dan is dat, omdat den eersten keer, bij zijne wijding, enoemd wordt, dan is dat, omdat den eersten keer, bij zijne wijding, ij, en niet een zijner zonen, den dienst moest doen. Bij de lampen van den luchter staat immers 27,21 duidelijk: Aharon en zijne zonen. Zoowel het ontsteken van den luchter, als het brengen van het reukwerk mocht ook door den gewonen priester gedaan worden. — wwp Sr... ibdi, hij zal een verzoeningshandeling verrichten op zijne horens; dit is nl. de eenige keer in het jaar, dat bij een vasten, jaarlijks terugkeerenden dienst, ojjferhloed op het gouden altaar komt. lie gevallen, in Lev. 4,7 en 18 besproken, waarbij ook het bloed op het gouden altaar werd gespat, zijn uitzonderingsgevallen, die hoogst zelden voorkomen Anderen: zal voor zijne horens verzoening dom; het gedeelte, de horens, voor het geheel genomen. beteekent dan ook: ervoor. — o'issn nnbn dto, met een gedeelte van het bloed van het zondoffer van den Verzoendag, nl. naar Lev. 16,18 en 19 het vermengde bloed van den var en den zondofferbok, die hij brengen moest. — oawnV, ook in latere tijden, zoolang er een tempel is. — Nin ct'tp cnp, het altaar is allerheiligst-, wat er dus aanraakt, is, voor zoover het ervoor geschikt is, heilig. (Zie Ex. 29,37 en 30,29).

11—17. Terwijl van af 25,1 tot hiertoe ééne doorloopende Goddelijke toespraak tot Mozes is medegedeeld, bevattende alle voorschriften omtrent heiligdom, dienst-gereedschap en priesterwijding, volgen nu een reeks van aanvullende voorschriften, die telkens met een nieuw: En de Eeuwige zeide tot Mozes ingeleid worden (zie onze aant. 25,1). In de eerste plaats: de bijdrage per hoofd. Samenhang zoowel, als de loop der feiten wijst erop, dat Mozes was opgedragen, vóór den tabernakelbouw eene telling van het volk te houden. Neemt men toch, met Nachm., niet eene opzettelijke telling vóór het begin van den bouw aan, maar alleen dat het aantal bleek uit de bijeen gebrachte halve Shekaliem, dan is het onbegrijpelijk, waarom dit voorschrift, als blijvende wet bij tellingen, hier is ingeschoven; men zou dan hier een bevel tot heffing van '/s Shékel per hoofd en Num. 1 ons voorschrift verwachten. Ook is het gebruik van Dnptn S Ex. 38,26 in die opvatting niet te verklaren. — Wij moeten dus aannemen, dat door Mozes driemaal eene telling der Israëlieten verricht is: vóór het begin van den bouw des heiligdoms (waaromtrent het bevel niet uitdrukkelijk wordt vermeld, maar uit de plaats van ons voorschrift kan worden afgeleid, evenals de telling zelve uit de woorden van Ex. 38,26); 2°. eene maand na.

102

ocr page 211

•? mr\ »3 niïn nKtan dio n:^3 nnN vn^p-by pn« nssi : vVy

j- - . . rtT T - v,— t :l- ^ i -: i- lt;••••: it t

D^np-tyTp oyn^ih vby n^a nnx onssn

j' tIt vh v •• -» : t lt;•• - ; t t - ' ~

3 : nin^ Kin

it r ^

~i?Kquot;it^_»3a '3 : iDKb nsro-bK nin» isti ^

•• t ; • iquot; : j v t • •*• i •• ^jv _ v v.t ; jquot; quot;;quot;

ddk ipfls nin^ ik'öj isia lin^i onnpaV

at ^ 1-« : • ^t i- •» : - vs j* ;t: v ••li*..; •

•by quot;Dyn-^a ijn» i nr : ddk tpas «133 Dn3 n^n^i ^

it t :• -«v it \j : • r-xv •)•.* t r.* :#r :

nna Dn^ tri^n n^no D'npan

de oprichting des heiligdoms, op den eerste der tweede maand (Num. 1), om de indeeling naar stammen, geslachten en familiën en de legering rondom het heiligdom te regelen; dat de cijfers dezer beide tellingen geheel overeenkomen, (hoewel bij de tweede de Levieten niet werden geteld, wat hier, bij de telling vóór het begin van den bouw, wel het geval schijnt) vindt dan zijne eenvoudigste verklaring in den korten tijd, die beiden van elkander scheidt, ten hoogste zeven maanden (vgl. Nachm.) en eindelijk 3°. de telling op het einde der veertig-jarige omzwerving, (Num. 26) met het oog op de toekomstige verdeeling des lands. Vóór de eerste telling nu wordt hier een algemeen geldend voorschrift gegeven, om telkens, bij elke telling, een hoofdgeld te doen opbrengen, dat ten behoeve van den dienst des heiligdoms aangewend moet worden (vs. 16). Met het oog daarop staat het geheele voorschrift hier, onmiddellijk na de uiteenzetting van de wetten omtrent den bouw en de inrichting des heiligdoms.

12. f JCT fW NKTI 'D» wanneer gij ook, zooals u thans is voorgeschreven, in het vervolg zult willen opnemen, b.s-i, de som; Num. 3,40 staat daarvoor ibd» nüj, het getal opnemen (vgl. Lev. 5,24); anderen: de hoofden, het enkelvoud als collectief. — omptS, met betrekking tot, voor zoover aangaat hunne gemonsterden, d. w. z. als gij het aantal der tot den krijgsdienst verplichten, d. i. ten minste twintig-jarigen opneemt. (Vgl. Num. 1,3). — rp oro rprp sSi • • • iss. Losgeld is, naar vele commentatoren, noodig wegens overtredingen van den individu, die, als deel van het volk in zijn geheel, minder op den voorgrond treedt, maar nu, hoofdelijk geteld, slechts rein en van overtreding gezuiverd, voor het oog Gods mag komen, daar anders allicht de som der door de individueele Israëlieten gepleegde vergrijpen Zijnen toorn zou kunnen opwekken.

13. •ujt nt., dit is het namelijk, wat zij zullen geven, evenals 29,1 en 38. D'ipsn Sr -orn *73, ieder, die, door het bereiken van den twintigjarigen leeftijd, overgaat tot de getelden, d. w. z. bij de nu te houden telling wordt medegerekend; Sr = Sx. — ena-i Sppa Spfn mnn, een halve Shekel, een gewicht aan zilver, misschien in Mozes'tijd reeds gemunt, tnpnSpüa, berekend naar den Shekel, zooals die voor het heiligdom gebruikt wordt, niet naar den onder het volk gangbaren maatstaf, die vermoedelijk, evenals later, kleiner was. — rrw Dncr, 20 Géra, die een gewicht heeft van 16 gerste-korrels aan zilver. De woorden Sp»n mnn Spen mj diidj; staan, als nadere toelichting, als het ware, tusschen haakjes en beteekenen: van den Shekel,

ocr page 212

EXODUS XXX.

de helft van dezen Shekel, — als heffing ter eere des Eeuwigen.

14 Ieder, die tot de getelden overgaat, van twintig jaren oud en

15 daarboven, zal de heffing ter eere des Eeuwigen geven. De rijke zal niet meer, en de arme niet minder doen, dan een halven Shekel, bij het geven van de heffing des Eeuwigen, om

16 verzoening te bewerken voor uwe zielen. En gij zult het ver-zoeningsgeld nemen van de kinderen Israels, en het ten dienste van de tent der samenkomst besteden; en het zal voor de kinderen Israels tot herinnering zijn vóór den Eeuwige, om verzoening te bewerken voor uwe zielen.

18 17 En de Eeuwige sprak tot Mozes, als volgt: Ook zult gij een waschbekken van koper maken, en zijn onderstel van koper, om zich te wassehen; en gij zult het plaatsen tusschen de tent der samenkomst en het altaar; en gij zult er water in doen.

19 En Aharon en zijne zonen zullen zich daaruit hunne handen

20 en voeten wassehen. Als zij in de tent der samenkomst willen gaan, zullen zij ze met water wassehen, opdat zij niet sterven ; of als zij tot het altaar willen naderen, om den dienst te verrichten, om ter eere des Eeuwigen een vuuroffer in rook te

21 opgaan, — Zullen zij hunne handen en voeten wassehen, opdat zij niet sterven ; dit zal hun tot eene eeuwige wet zijn, voor hem en zijn kroost, bij hunne nageslachten.

die twintig Gera heeft, daarvan de helft. — 'nS n»nn, als heffing ter eere des Eeuwigen. Hoewel hier sprake is van een heffing hij de telling, leidt toch de traditie uit het driemaal herhaalde heffing ter eere des Eeuwigen af, dat drie zulke heffingen gegeven werden: 1°. de hier bedoelde bij de telling vóór den bouw; 2°. de vrijwillige gaven voor den bouw zelve, vs. 14, waar geen bedrag genoemd wordt; en 3°. de heffing vóór de telling na den bouw, eveneens van Vs Shékel per hoofd (vs. 15).

15. Rijk en arm geven evenveel; voor God immers zijn zij allen gelijk. Daar hier oawsa Sr ieoS, niet als vs. 12 iübj staat, leidt de traditie uit ons vers de verplichting af, jaarlijks van alle meerderjarige mannen een halven Shékel te heffen, als bijdrage tot de vanwege de gemeente te brengen dagelijksche en feest-offers.

ie. onflan «pa. naar de traditie is zoowel het vs. 12 als het vs. 15 enoemde verzoeningsgeld. — H'ifi Snx mar Sr, voor den dienst in hetheilig-om, d. i. om te dienen voor de voetstukken van het gebouw (de voetstukken werden gemaakt van de opbrengst dezer tellingsheffing) en den aankoop van offers (de jaarlijksche halve-Shékel-heffing), alsook andere tempelbe-noodigdheden. — 'n •gt;jsS p-ot1', het geld en de wijze, waarop het wordt besteed, brengt Israël in gunstige herinnering hij God, vgl. Ex. 28,12 en 30 bij Ephod en Choshen. — os'nssj Sr isaS, en het bewerkt tevens verzoening voor de bezoedeling uwer zielen door onwillekeurige verkeerde handelingen.

17—21. Het waschvat wordt, als een niet voor den eigenlijken dienst.

103

ocr page 213

b mn ♦D

|3p Dn^arrVy ^3 : nin^ nonn n^no^ nan^-N1? : nin» nonn n^Di n:^ on^«

_v ;- 1 -•• t IV it : j- : Kquot; * t^;at v,t t ^ j* ; .

nh' DDnn-nK hn1? ^p-^n n^naa bmi

t : •«- ; v *• t I vat - v,* ~:'quot; * : quot; -' quot;quot; :

*33 riKO onasn e]D3_nN nnpbi : a^n^ar^ nas1?ra *hb n^ni ivio brix rrüjrby inK nnii

lt;•• t : • •• : • tt ; v -• vquot; • -«t -it : ^ •• t ; •

a : Dswarby nas1? nin» ^ab ?i-i3Tb

iv •• 1 ; - - v - : t :-•••:• 1 t • ;

n^n: 1331 nt^n: n»3 n^i: ia^ ntyQ-^K nin^ -131^ ^

v v, ; j - : v ■) : j • - *r : 1 •* r-* v ^t ; - rT»

nm nrui nsrsn V2) n^i» bn«-?*3 irii* nn:i

tvt -»t -it ; i j.. v lt; i iquot; •jt — it : at : t :

: Dn^irnKi Dnn»-nN mn visi lïnTi : D'o ^

iv •• ; - v ; vquot; **: *•* av • ^t t i gt;-: i- •) -: it : * it

Dn^3 IN IDD* Kbquot;! VriK-bK 0^333

lt;r : • ; ■• a*..t -• : 'v.- quot; .s , v gt; t :

on^iionn» ixnni :nin^ r\m TDpn1? nntrb n3ian«

^v •• : -: jv ••: j -;it: it i- vv * j'l: ~ : ^ quot; r : -....-

a : Dnh'i1? 11? oSijrpn on1? nn^ni inD'

it 1 : ^ ;-; j it ^ i t sv t t : it : a-., t -• :

maar slechts bij de voorhereiding daartoe, uitsluitend door de priesters

februikt, overigens wél gewijd voorwerp, hier behandeld, waarbij zich an het voorschrift aan de priesters zelve omtrent hunne komst in het heiligdom aansluit.ebruikt, overigens wél gewijd voorwerp, hier behandeld, waarbij zich an het voorschrift aan de priesters zelve omtrent hunne komst in het heiligdom aansluit.

18. quot;)V3gt; een rond ketelvormig bekken. Naar Ex. 38,8 werd het uit de koperen spiegels der vrouwen gemaakt. — «3 «o, zijn onderstel, een los voetstuk, waarschijnlijk met kleinere bakken, waarin het water door kranen uit het hekken kon worden opgevangen. Dat het niet vast zat, blijkt reeds daaruit, dat het onderstel steeds afzonderlijk genoemd wordt. De priester wiesch zich dan handen en voeten in deze bakken, waarin water uit het waschvat, mn, vs. 19. — Vorm en wijze van vervaardiging worden niet nader omschreven. — roTisn pi irm Snx pa, tusschen de tent der samenkomst, d. i. het eigenlijke heiligdom, en het altaar, d. i. het koperen brandoffer-altaar. Het stond dus meer naar binnen dan het altaar, waarschijnlijk links van den ingang des heiligdoms (Rashie).

19. De voeten moesten vóór den dienst gewasschen worden, daar de priesters slechts barrevoets in het heiligdom mochten komen.

20. Als zij het eigenlijke heiligdom betreden, voor dienst of aanbidding, of naderen tot het brandoffer-atear, dat in het voorhof stond, om dienst te doen, moeten zij handen en voeten wasschen met water, viw nVi, opdat zij niet sterven; hieruit leidt de traditie af, dat de priester, die zonder de voorgeschreven wassching het heiligdom betreedt, of het altaar nadert om dienst te doen, den dood, door God te voltrekken, vto nrm, schuldig is. Vs. 21 sluit bij het tweede deel van vs. 20 aan en spreekt dezelfde doodstraf. als 20a voor het heiligdom gesteld, ook bij het altaar uit.

ocr page 214

EXODUS XXX.

22 En de Eeuwige sprak tot Mozes, als volgt: En gij — neem u van de beste specerijen : vanzelve vloeiende myrrhe vijfhonderd [Shékel], en specerij-kaneel de helft daarvan tweehonderd

24 en vijftig, en specerij-riet tweehonderd en vijftig. En Kassia vijfhonderd, naar den Shékel des heiligdoms; en olijfolie een

25 Hien. En gij zult deze maken tot eene olie voor heilige zalving, een specerijenmengsel, naar de bewerking door den specerij-

26 menger-, olie tot heilige zalving zal het zijn. En gij zult ermede zalven de tent der samenkomst en de arke van het getuigenis.

27 En de tafel en al hare gereedschappen, en den luchter met

28 zijne gereedschappen, en het reukwerk-altaar. En het brandofferaltaar met al zijne gereedschappen, en het waschbekken

29 met zijn onderstel. En gij zult ze heiligen, dan zullen zij aller-

30 heiligst zijn ; al wat er aanraakt, zal heilig worden. En Aharon en zijne zonen zult gij zalven, en hen heiligen, om Mij als

31 priester te dienen. En tot de kinderen Israels zult gij zeggen, als volgt: «Eene olie tot heilige zalving zal deze Mij blijven bij

32 uwe nakomelingen. Op eens menschen lichaam zal zij niet gewreven worden, en naar dezelfde getallen verhouding zult gij niet maken zooals zij ; heilig is zij, heilig zal zij u blijven !

22. Thans volgen de voor den dienst benoodigde samengestelde stoffen-, zalfolie, ter wijding van heiligdom en priesters, (21—33) en reukwerk, dat dagelijks op het gouden altaar gebracht moet worden (34—38).

23. owa-- uitstekende specerijen, van de eerste qualiteit, of naar Rashbam: harssoorten of mineralen, die welriekenden geur hebben, terwijl D'nua, zonder meer, op hoomproducten doelt, als: schors, bladeren en vruchten. Het zijn vier soorten: nn in, vrij vloeiende myrrhe, hars van den in Arabië groeienden balsemstruik, die of vanzelve te voorschijn komt óf door het maken van insnijdingen in de schors gewonnen wordt. De vanzelve vloeiende is de fijnste; v. a. muskus, een dierlijke specerij.—jiMp De:, waarschijnlijk de binnenschors van den kaneelhoom. De buitenschors is smaak- en reukloos, waarom hier: a~2, ter nadere aanduiding van de welriekende binnenschors er bij gevoegd wordt. — dps n:p, specerij-riet, v. s. kalmuswortel. — mp, Kassia, ook nj'ïp genoemd, eene kaneel-soort. Van de eerste en laatste soort moest van ieder 500 Shékel genomen worden, van de beide anderen imn», zijne helft, de helft van den m, d. i. 250 Shékel. De traditie echter vat op: in twee helften ieder van 250, zoodat in 't geheel ook van de tweede soort vijfhonderd Shékel genomen moest worden. Waar het gewicht genoemd wórdt, is in de eerste opvatting de bijvoeging van imnn overbodig. Deze specerijen werden, naar de traditie, na gestampt te zijn, in water gelegd, totdat zij geheel met water waren doortrokken; dan werd er de Hien olie {— 12 Log = 72 kippeneieren) op gegoten en liet geheel boven heet water, waaronder een zacht vuur, opgekookt, totdat het water, ook in den ondersten pot, geheel was verdampt; dan goot men de olie, die door de bereiding geheel met den specerijgeur was doortrokken, van de specerijen af. (Aldus R. Jüda, Keriethoth 5a; zie aldaar. Vgl. Nachm.) (De groote hoeveelheid specerijen laat niet toe aan te nemen, dat zij gestampt en met de olie vermengd werden, daar alsdan, bij de betrekkelijk geringe hoeveelheid olie, geen zalfolie, een vloeistof

104

14

ocr page 215

b '3 quot;ip

D'öfco nnKi : iaxb n^o_l?N nin» »

j* t : |: i- -«t - : • •• J's v : ■'quot; quot;•' ^3

D^nNDi D^on m^na oirrroapi niNO tron inrio

•at t -!••-: ^ * -: i- v j'.' i t ; i * ; •• -* ; t

Vptra niNO wm nnpi : D^-ikoi D^an ors-nipi ■gt;=

lv-»v ; . V quot; jquot; quot;* tI • ; • it t j' * -: v ^ quot;i:

nph ^ip-nn^p |o^ ihK n^i. : pn nn B^rpn« 12 nn^Qi : m tfip-jwö roty nph nir^o nnpiDquot;

^ jt : ~ t^ iv :r vlv, - ; • I vjv - Iaquot; j-^n- -Kquot;; •

-SrnNi rnVB^rnNi : myn rnx nxi n^ia bmrnxquot;

t v ; I t t % quot; v : isr** it i j -: {•' ; ftquot; v j ^ v

narp-nNi: niüjpn nara ntn n^rnNi n^an-nKi « vni qpk n^pi JiarnNi quot;i»3rrnNi vbr'jrntfi nV^n^

vt : t -«t : ~l* : i quot; v ; ^ quot; v ; at •• t v : ^t^ it

rjrnw pnN-nxi : tynp» ons ytin-bs D^np ^quot;fp^

vt t v : I j -! |- v : itI:* v** t 01 jquot; - t a* tIt vl-

quot;iawV isnn : 'b jnsb onK n^pi na'pn ^

bnx itra-by : Da^nhnV nr n^n» B'lp-nn^a

TT : ~ iv •• i ; v.' •»•• -»•• : i* , vl ^ : ' v v

rrrr Bgt;ip «in ^Tp iriaa wyr\ ab injsnaai tid^ ab

jv : r vlv v|-* at v •!quot; ^ : *1 ; - ; |t • -

natuurlijk, maar een dikke brij zou ontstaan). Dit is de zin der woorden van vs. 25. — nnp-io np-i, een specerijenmengsel, twee zelfst. naamw. van denzelfden stam, beiden van afgetrokken beteekenis: het mengen; v. a. npn = nipgt; een onbep. wijs; het mengende tot een mengsel, npi nPïis,

bewerkt op de wijze, waarop dit geschiedt door den specerijmenger. — rww nnw. 'te 0^egt; 00k hieruit blijkt de juistheid der boven geschetste voorstelling der bereiding. Waren èn olie èn specerijen bedoeld, dan zou men onw verwachten.

29. yjn SSi zie onze aant. Ex. 29,37.

31. Tot hiertoe richtte zich het bevel tot Mazes, die de zalvingshandeling moest verrichten; nu volgt een voorschrift aan Israël, om deze, door Mozes vervaardigde, olie heilig te houden en voor niets anders te bezigen. Inderdaad werd naar de traditie nooit andere zalfolie vervaardigd, maar diende deze zelfde olie, totdat zij door Joshijahoe werd verborgen, steeds tot zalving van koningen, voorzoover dat noodig was, en van hoogepriesters.

32. ■pquot; xS D1J{ ICS volgens Rashie : Kal van ■pi = f®; of Hoph'al van -pD = nov, evenals ocmi = ocw (Gen. 24,33 en 50,26). ura Sjj •pquot; xS dis, op het lichaam van een mensch zal het niet als olie gebezigd worden, waarmede men in het Oosten gewoon is, na het bad, het lichaam in te wrijven. De olie mag, behalve als zalfolie, voor geen mensch, al ware hij koning of priester, gebruikt worden, veel minder voor voorwerpen en vaatwerk. — irannai, en naar hare getalverhouding, d. i. de onderlinge verhouding der verschillende stotfen; in»s, in dezelfde hoeveelheid; slechts als aan deze beide voorwaarden voldaan is, treedt de straf van vs. 33 in.

ocr page 216

105 EXODUS XXX, XXXI.

33 Iemand, die een dergelijk mengsel bereidt of er op een vreemde

34 van doet, — zal uit zijn volk uitgeroeid worden.quot; — Nog zeide de Eeuwige tot Mozes ; „Neem u specerijen: balsemhars en zeenagel en galbanum, dergelijke specerijen, en zuiveren wierook;

35 deel voor deel zal het zijn. En gij zult het maken tot een reukwerk, een mengsel naar de bewerking door den specerij-

36 menger, goed dooreen gemengd, zuiver, heilig. En gij zult daarvan tot een fijn poeder stooten, en daarvan leggen vóór het getuigenis, in de tent der samenkomst, waar Ik u tijden tot samenkomst zal bepalen; allerheiligst zal het u zijn.

37 En het reukwerk, dat gij maken zult, — naar dezelfde getalverhouding zult gij er voor u geen maken; heilig zal het u

38 zijn ter eere des Eeuwigen. Iemand, die zoodanig een bereiden zal, om er aan te ruiken, zal uit zijn volk uitgeroeid worden.quot;

2 1 En de Eeuwige sprak tot Mozes, als volgt; „Zie, Ik heb met name genoemd Betsal-el, den zoon van O erie, den zoon van Choer, uit 3 den stam Juda. Dezen heb Ik met een goddelijken geest vervuld.

33. 1300, van deze door Mozes bereide olie, it Sr, op een vreemde of iets vreemds, d. i. ieder, die niet met zalfolie gezalfd behoort te worden, al ware het ook een priester of een der tempelvoorwerpen. — var» mwi, eene van uit den hemel te voltrekken doodstraf, bestaande in vroeger of kinderloos sterven.

34. iets, dat afdruipt, balsemhars; nSrro, naar de oude vertalingen psï: nagel, d. i. naar Rashie; eene specerijworfóZ, naar nieuweren: zeenagel, een deel van de schaal van een soort zeeslak; roaSm, galbanum, een hars-soort, die, zelve van onaangenamen geur, met andere specerijen vermengd, den geur versterkt, of langer doet aanhouden. Het tweede di»d is eenvoudige herhaling van het eerste. De traditie geeft elf soorten op, waaruit het reukwerk zou bestaan hebben; zij ziet nl. in den meervoudsvorm van het eerste o-sd twee soorten aangewezen; daarna worden drie genoemd; dit zijn dus vijf soorten; het tweede disd wordt dan verklaard; en nog eens zoovele specerijsoorten, dat zijn dus nogmaals vijf -, en wierook. Lüz-zatto, die toegeeft, dat de toonteekens vóór de traditioneele verklaring spreken, verklaart het tweede dvsd als aanwijzing van de qualiteit der zooeven genoemde specerijsoorten, evenals in vs. 23 Df2 bijgevoegd is, en vertaalt aus: halxern, zeenagel en galbanum, uitstekende specerijen. Siporno ziet in het eerste D'w de, in vs. 23 en 24 bij de zalfolie genoemde, vier soorten, in het tweede: andere bij specerij-bereiding bekende soorten, die, voor de goede menging en om alle onaangename werking aan iedere soort te ontnemen, noodzakelijk zijn. — rOT nJaS, zuivere, onvervalschte, of v. a. witte wierook, de fijnste soort. ruaS, eene zeer aangenaam riekende harssoort, van een in Indië en Arabië veel voorkomenden boom. — mm 122 ia, eig. deel voor deel zal het zijn, d. i. naar Rashie: ieder der met name genoemde soorten in gelijke hoeveelheid, of naar Ibn 'Ezra: ieder afzonderlijk gewogen of: nauwkeurig afgewogen. — De Pentateuch geeft de hoeveelheid niet nauwkeurig aan; — deze wordt echter door de traditie voor elk der soorten opgegeven (Keriethoth 5 en 6).

35. nSoö) volgens Rashie e. a. goed vermengd, Ibn 'Ezka e. gezouten, d. w. z. met wat zout erbij, evenals bij alle offers (Lev. 2,13). Naar den

ocr page 217

ah S mn ^ np

ma:! irby wao ïn' mós npn» B'»» : DO1? ^

t-: : - ,v • |.,quot;-r r.- -!.- , Tq U-, : • •lt; ,v t

i c^u: □♦ap ïjrnp n^o-?^ nin» iqn'I d : vö^d ^ n^vi : n'n' m na nar nia^i d^d niabm

t lt;* *t : iv : i* ^- : j~ at - -«t ; \.' ~ t : : v ; v •• ;

npnKn : trip ninü n^oo npn n'^o npn nlüp nnx ^

jtI; - it : vli j v.t •.. ; - Iaquot; j.. •%:,- I - v. v I : t

iwx nyio m^n quot;isiï nsóo nnn:quot;! pin riabo

•)V_ -: ^ V : 'i IT lt;•• ; • T V * T -it; I quot;T TV*

rréhm ib'n nlüpm: Da1? rrnn o^np t^np nai^ n1? n^i« ^

V I- JV -: V I; - : iv t jv : r vquot; tIt v| j tat v.1 : Oquot; t *

: nin,l7 nS n»nn tynp oaS wyn ab nruanbanh

■i' it iquot; v.1 ï jquot; : i* quot;li av t v, • i~ -» t ;

naTi d : vs^ö maii na nnn1? niaa n^y'-it^x«

jquot; it ~ iquot; vquot;: * : AT - J- T ; T V, T -»V ^I- V -;

niK-ja VN^xa Da'a ♦nxnp nxi : na^v' nvD-bx ntv =

r I v .)•• ; quot; : Aquot; : • ^tIt *.•• : i •• jv v v.t ;

noana o-n^K nn inx «•'DNi : nnin» niao1? nin-pj

•jt : t : A- •••; - v. jquot; - -:it it : iquot; - : ^ I v

Thalmoed t a. p werd er '/4 Kab = 1 Log //zout van Sedomquot; in gemengd. — ■wud, rein, zuiver, ook na de bereiding niet met vreemde bestanddeelen vermengd. — tnp, heïltff gehouden, bij en na de bereiding met inachtneming van alle bepalingen behandeld.

36. -ijnp Snjo myn uaS ruap nnrui. gij zult er van leggen en verbranden vóór het getuigenis, en wel niet binnen het voorhangsel, maar daarbuiten, iïid Sns:, niet in het allerheiligste, maar in het heilige, op het gouden altaar; tnx -iw slaat dan op nvron. — Naciim. verklaart: mrn 'jsS, in het allerheiligste, waar, naar Lev. 16,12, op den Verzoendag reukwerk werd ontstoken; en njn» S.-isa; in het heilige, voor het dagelijksche reukwerk; minder waarschijnlijk, daar dan de woorden njm icn enz. vóór ivm Snsa moesten staan.

37. nCyn ICN, enkelvoud, dat gij, Mozes, maken, bereiden zult,.... lüïn nS, naar zijne getal-verhouding, d. i. naar Rasuie; naar het aantal en den aard zijner soorten, zult gij, Israëlieten, daarom meervoud, er u geen maken. Daar de quantiteiten niet zijn opgegeven, staat hier niet ni»3 bij, zie vs. 32.

38. na nnn1?. om eraan te ruiken, zich door den geur te verkwikken. Het enkele maken, ten dienste van den tempel, is geoorloofd.

Hoofdstuk XXXI. 1—11. Benoeming der leiders van den arbeid en aanwijzing van wat dezen zullen moeten vervaardigen. Tot nu toe is immers bijna bij alle voorschriften Mozes alleen in den 2den pers. enkelv. aangesproken.

2- ora vunp' Ik héb met name benoemd, aangewezen. Over Choer zie Ex. 17,10.

3. dviSn, mi mx «Sim de geest Gods is een door God verhoogde mate van wijsheid enz. en alle gaven, die Betsal-el van nature reeds kan hebben bezeten. — nüsn: enz. met betrekking tot toijsheid, enz. rosS» Saai, en met betrekking tot allerlei technischen arbeid. Hij bezit ook practische vaardigheid in de vereischte takken van handwerk.

ocr page 218

E X O 1) U G XXXI.

in wijsheid, in inzicht en in kennis en in allerlei arbeid.

4 Ten einde ontwerpen uit te denken, om ze in goud, zilver

5 en koper uit te werken. Ook bij de bewerking van edele gesteenten, om ze te zetten, en bij het bewerken van hout;

6 om allerlei arbeid te verrichten. En Ik, zie. Ik heb hem toegevoegd Aholiab, den zoon van Achiesamach, uit den stam Dan ; en ook in het hart van iederen wijze van hart heb Ik wijsheid gelegd; zoodat zij zullen vervaardigen al wat Ik u geboden

7 heb: De tent der samenkomst, en de arke voor het getuigenis en het deksel, dat er op is; en al de gereedschappen der tent.

8 En de (afel niet hare gereedschappen, en den reinen luchter

9 met al zijne gereedschappen; en het reukwerkaltaar. En het brandofferaltaar met al zijne gereedschappen ; en het waschbek-

10 ken met zijn onderstel. En de kleeden om in te pakken ; en de. heilige kleederen voor den priester Aharon, en de kleederen

11 zijner zonen, om als priesters te dienen. En de zalfolie en het reukwerk van specerijen voor het heiligdom; gelijk al wat Ik u geboden heb, zullen zij vervaardigen.quot;

12 De Eeuwige zeide tot Mozes, als volgt; „Gij echter, spreek tot de kinderen Israels, als volgt; niettemin zult gij Mijne Shabbath-dagen in acht nemen; want een teeken is hij tusschen Mij en u,

4. rorno acnS. nm plannen uit te denken, ontwerpen te maken, nWïL' enz. en die ilan in de voorgeschreven stof te vertcezenlijken. Rashie : nm kunstweversnrheid te verrichten en ie werken in goud enz.

fi. wu ^ Aem, als assistent, toegevoegd. — aS D3n Ss 2S31, en in

het hart, als zetel van wijsheid en verstand, van allen, die reeds begaafd u-aren, heb Ik hoogere wijsheid gegeven voor dit zeer moeilijke werk; anderen; allen, die thans wijs zijn, danken die wijsheid aan Mij, die ze hun heb verleend, opdat zij zullen verrichten enz.

7. Snxn zijn bijv. de pinnen, waarmede de tapijten worden vastgemaakt; de haken voor tapijten en gordijnen enz.

io. -n^n na rwa Ex. 35,19 en 39,41 worden deze gezegd te dienen : UfTps mt'S, terwijl Ex. 39,1 vermeld wordt, dat zij uit de drie verschillende kleuren wol werden vervaardigd. Daar nu Num. 4,5 vv. dekkleeden van hemelsblauw, van purper- en van karmozijnrood worden vermeld, terwij 1 de vervaardiging daarvan nergens elders besproken wordt, is het hoogst waarschijnlijk, dat dezen hier zijn bedoeld. De priesterkleederen toch, die volgens anderen hier zijn gemeend — en die dan in nfn ■,U2 algemeen aangeduid zouden zijn, terwijl mpn naa nsi vertaald zou moeten worden: namelijk de heilige kleederen enz. — worden afzonderlijk genoemd, en bestonden, althans die van den gewonen priester, uitsluitend uit hyssus, welke stof ook voor de hoogepriester-kleeding werd gebruikt, maar 39,1 niet genoemd wordt onder de grondstoffen der ncn i-u:. Wat de afleiding van het woord betreft, meent Ibn 'Ezra het in verband te moeten brengen met Tnr, overblijfsel, als waren zij uit de overgebleven wol der diverse kleuren vervaardigd; anderen houden het voor eene omzetting en verwant met het Rabbijnsche ni?, doek, laken, daar het eenvoudige lappen waren om de voorwerpen in te hullen, cnpa moS beteekent in deze opvatting; om te dienen ten gebruike bij het heilige, d. z. de heilige voorwer-

106

ocr page 219

N1? NETl '3 lp

ni^b nnt^nQ n'^n1? : n^nai rwanzn ^

•) ^n- at -; r v, ! quot; it t : t ; - v,quot;: jt : *

nt^inm n^D1? T3K nBhnm : ntynaai nosai antaquot;

v J -: 1- V. - : 1 v .)v ••* J -:r v i : - | v^v - ^tt-

3N,l?nK JIK in» ♦pnj nan : nDNbD'^DS nv^b n?1

t ■ ▼:it -••• • j-t squot; • • -:i- it t_ : t : ^ v. i

noDn ayoDn^a DVDI p-ntaoV -rjoD'nN-ra

•t : ^ rtt : t * -j- t v,quot; quot; r j- : It •• - : | t t r 1 v

nnv1? nxn-nNi n^io bna i PK : HN f

^ \ IT I TIT v ; V j ■quot;• P r • • J\- T v.quot;

rn^ETrnNi : bn«n ♦brba PNI n-isan-nNin

It: - v : vit jquot; ; t : at -••.• -: v quot; v :

narp ntfi n^rbrnxi nintsn ni:an-n«i v^-nKi -nxi H'sn-nxquot;! v^-^rnxi rh'yn naTQ-nNi : niüpn b

v ; k. ' ' v '• *T*quot; T v : vt 't j- ; • v : v 11: -

-nNi rrisn nnxb iripn njrnNi -ntrn n:3 nNt : 122 ^

v : i •• - i j -: 1- : v| - lt;••; • v : ist : - jquot; ; • ; i -

D'SDn nitip-nKi nn^sn n«i : pa1? van naa^

V* - - v j i: v ; -it : • - i vjv •• ; 11quot; - ; t *

a : nnnv-iB'N bba tyTp1?

gt; /y ' I V.' • * ••• -; J : vlA-

SNIKquot; nan nriNi : IQNV» mra-1?» nin* ION'I 31

. •• t: • lt;••: ; - /••• . ••• ^ •• •••.

D3T31 ^3 Hin niK '3 noBgt;n 'nnatynN ion1?

•■• ..... «■ •• ■ • n : • 1,- : - v |j-

pen. Anderen zien in men •nja de kunsttapijten, die de tent des heilig-doms vormden, verwant met het Chaldeeuwsche p-no, gordijnen uit draad-weefsel met wijde mazen. Daartegen spreekt o. a. dat 39 41 deze •«1« Twn eerst genoemd worden, nadat alle, ook de kleinste, onderdeelen des heiligdoms zijn opgesomd.

13. Tot slot der geheele verordeningen-reeks omtrent bouw en inrichting van het heiligdom, volgt hier nog eens de uitvoerige bespreking van den Shabbath, die reeds 20,8 vv. in de tien geboden behandeld was, met uitdrukkelijke opdracht aan Mozes, vóór het oegin van den bouw het geheele volk (Ssic 'oa) op de beteekenis ervan te wijzen. Ex. 35,3 wordt de uitvoering van dit bevel medegedeeld. Hier, bij de aanstaande voltooiing van een groot, aan Gods vereering gewijd gebouw, is deze herhaling van het werkverbod op Shabbath, onder herhaalde bedreiging van doodstral' en uitroeiing te meer op hare plaats, daar allicht het nalaten der Shabbath-inachtneming ter wille van den bouw als geoorloofd kon beschouwd worden; daarom: niettegenstaande de zooeven gegeven voorschriften spoedige vervulling eischen, niettemin zult gij inachtnemen wan n.s. Mijne Shahbathdag e n, den wekelijks terugkeerenden, door Mij ingestelden Shabbath. Zooals reeds Ibn 'Ezra opmerkt, is hier van feestdagen, die nooit «Shabbath des Eeuwigenquot; genoemd worden, evenmin sprake, als van vrijlatingsjaren, nonr. Onze geheele plaats denkt uitsluitend aan den weke-lijkschen rustdag. — niiwi, zult gij bewaren, beschermen, voor hunne stipte inachtneming zorgen. — m', de Shabbath eu de werkonthouding op dien dag is een teeken, symbool, tusschen God en Israël, waardoor Israël telkens opnieuw tot de erkenning komt, dat God het is, die het heiligt en tot Zijn dienst roept. Rashie verklaart mS: opdat de volkeren erkennen.

ocr page 220

EXODUS XXXI, XXXTI.

bij uwe nakomelingen; opdat men erkenne, dat Ik, de Eeuwige,

14 het ben, die u heilig. Gij zult dus den Shabbathdag in acht nemen, want heilig is hij voor u; wie hem ontheiligt, zal men ter dood brengen; want wie daarop arbeid verricht, die persoon

15 zal uit het midden van zijn volk uitgeroeid worden. Zes dagen kan arbeid verricht worden; maar op den zevenden dag is de hoogste Shabbath, heilig ter eere des Eeuwigen; al wie

16 arbeid verricht op den Shabbathdag, zal gedood worden. De kinderen Israels zullen dus den Shabbath in acht nemen, den Shabbath te maken voor hunne nakomelingen tot een eeuwig

17 verbond. Tusschen Mij en de kinderen Israels zij hij een teeken voor eeuwig, dat in zes dagen de Eeuwige gemaakt heeft den hemel en aarde en met den zevenden dag ophield te

18 werken en Zijn doel had bereikt.quot; — En Hij gaf Mozes, toen Hij geëindigd had, met hem te spreken op den berg Sienai, twee tafelen van het getuigenis; steenen tafelen, beschreven met den vinger Gods.

1 Toen het volk zag, dat Mozes teleurstelde, met af te dalen van den berg, verzamelde het volk zich tegen Aharon

14. Neemt daarom, ook bij den bouw des heillgdoms, den Shabbath in acht, want ook hijzelve is heilig; ook de Shabbathrust moet en kan, evenals het heiligdom zelve, een bron van levensheiliging zijn. — m» rrSSn» rrav, men zal dooden door steeniging hen, die haar ontwijd en-, het meervoudige mSSns is voorwerp van het onpersoonlijke werkwoord in den lijdenden vorm. Ons vers bevat dan de plicht der gemeenschap en der in haar naam handelende rechterlijke macht, den Shaboathschender te dooden. Eerst in het volgende vers wordt de doodschuldigheid van den overtreder uitgesproken. Waar van strafoefening sprake is, wordt altijd gedacht aan pleging van het misdrijf in tegenwoordigheid van. en na voorafgaande waarschuwing door ten minste twee meerderjarige, in allen deele vertrouwbare, mannelijke Israëlietische getuigen. — rrorn bs -o. Menschelijke rechtspraak moet tegenover den openlijken Shabbathontwij-der optreden, want ieder, die den Shabbath, zij het ook in het geheim, ontwijdt, heeft tegenover God zijn leven verbeurd; al wie op dien dag eenig verk verricht, die persoon zal uitgeroeid worden. Vooral wordt dus hier gedacht aan opzettelijke Shabbathontwijdine, maar zonder getuigen en waarschuwing. De aard der AooAstraf wordt Num. 15,35, toen het geval zicli voordeed, medegedeeld steeniging te zijn. Over uitroeiing zie Gen. 17,14.

15. rOC) herhaling van hetzelfde woord, of van een afgetrokken zelfst. naamw. van gelijken stam, beteekent: het in den stam uitgedrukte begrip in den hoogsten graad; hier dus: hoogste rustdag.

16. Niet alleen nu, bij den bouw des heiligdoms, maar ook later, DnnS, moet bij Israël de Shabbath heilig gehouden worden, zoodat hij nog in het verre nageslacht een hondsteeken tusschen God en Israël vormt. — nwpb, te maken tot een eeuwig verbond; anderen: te riet-en ah een eeuwig verbond.

17. caj'l, van fss, ziel, v. d. tot zich zelve komen, verademen, wat dan, evenals het rusten, (Ex. 20,11) van God gezegd wordt, als menschelijke

107

ocr page 221

zh ah KBT» 'D Tp

TIN bmo^i : DDt^npa nin» ^ Dicnni^T

v ; - : iv ; 1-^: : r -; )• ^ -t v •• :

n'^n-^a »3 nar ma rv^na dd1? Kin t^np »2 ré^n

jquot; it t t j t v-: |- : av t v vi j .)• t - -

b'a'na'tJ': nipa xmn ^ssn nnnD:1) nDN^a nDic

•t v •»•• t iv ^ v| jv • v* - vjv - •)t ; : ■ : t t : t

quot;bo nin^ t^ip rinair natr DI^I quot;hDN^a

t |\t iquot; vlv ' •) t - squot; ~ ■ ■ : - j - t t : ■*•.• *tiquot;

nan : nar ma nn^n dv3 roxba n'^yn «=

t ; • iquot; : j ; it : it j v,t - - j : it t : sv ^ it

: d1?^ nna oni'-i^ natrn-nN mt^^ natrn-nN

it : ^t 1: .)t - - v s -:i~ at - -

D^a' nvw-'ï Dtyb «in niN ^3 rai 'i^

* t ^ ^t : r ^ •• t: • -quot;• ;^ i.....

nnE' arm rnxn-nxi D^a^n-nx ntr rivy

v.quot; t • ^ - : quot; - ^ I V t t v : • j- t - v t : lt;t quot;t

'rp ina in» -1:3-6 ihbsa nra-bx |mi d *: N-i'i : d^k ^3XN3 D*3n3 pK nn1? myn nnV wx

:j— r v: ^J~ : •* : v.' : • quot; quot; ■' •. a\ quot;it -• •.. v,'\:

priN'1?^ a^n bnp»! -inn-ra n-nS namp;D ppz-'S oyn

1 -: i- ^T T ••IT*- AT T 1 • V-»vt vv -'** •' TT

voorstelling en beschrijving. Mendelssohn: zag zijn wensch bevredigd; pbj, in den zin van; verlangen, gelijk Deut. 23,25 e. a. p.

18. Op het einde der uiteenzetting van de voorschriften, die Mozes gedurende zijn 40-daagsch verblijf op den berg gegeven werden, wordt, om af te sluiten, kort medegedeeld, dat hem de Ex. 24,12 toegezegde steenen tafelen gegeven werden; 32,15 en 16 worden ze eenigszins uitvoeriger beschreven. (Vgl. Deut. 9,9—11). Het in het begin van het volgende hoofdstuk verhaalde, tot vs. 7, valt vóór het oogenblik, waarop Mozes de tafelen ontving. Ex. 24,18 is gezegd, dat Mozes, na de openbaringen van hoofdst. 20—23, den berg op Gods bevel opnieuw beklom, waarbij hem de steenen tafelen werden toegezegd, en welk verblijf 40 dagen duurde. Op het einde dier 40 dagen ontvangt hij dun de tafelen en daalt, op Gods bevel, tot het volk af, waar intusschen het 32,1—6 verhaalde heeft plaats gevonden. De traditie, het bestijgen van den berg door Mozes Ex. 24,18 op 7 Siewan, den dag na de openbaring, stellende, plaatst het 32,15 vv. verhaalde verbreken der tafelen op 17 Thammoez. — dvV^n raxxa, met den vinger Gods, d. w. z. door Gods macht beschreven; evenals ze, zonder middelaar, door God zelve zijn geopenbaard, zoo zijn ze ook, tot blijvend getuigenis, door Hem zelve, door Zijn machtwoord in steen gegrii't. Ex. 32,16 worden tafelen en schrift: werk en schrift Gods genoemd. Naar Deut. 9,10 stonden alleen de tien geboden op de steenen tafelen, niet de geheele tot hiertoe meegedeelde wetgeving. Naar de traditie waren de tafelen zes palm lang en breed, en drie palm dik; naar Ex. 32,15 waren zij aan beide zijden beschreven, misschien zelfs aan vier zijden; (zie onze aant. t. p.) er was dus ruimte genoeg voor de tien geboden, zonder dat de steenen, die niet zeer lang door Mozes gedragen werden, al te zwaar behoeven geweest te zijn.

Hoofdstuk XXXII. 1. Daar Ex. 24,12 tot Mozes zelve niets is gezegd, omtrent den tijd, dien hij op den berg zou doorbrengen, en vs. 18 aldaar slechts bij voorbaat het feit constateert, dat zijn verblijf veertig du^en heeft geduurd, is het zeer onwaarschijnlijk, dat het volk van den duur

ocr page 222

108 EXODUS XXXII.

en zeiden zij tot hem: «Op! vervaardig ons een god, die vóór ons zal uitgaan; want deze man, Mozes, die ons uit het land Egypte

2 gevoerd heeft, — wij weten niet, wat hem gebeurd is.quot; Aharon echter zeide tot hen: „Neemt de gouden oorringen af, die in de ooren uwer vrouwen, uwer zonen en uwer dochters zijn ; en

3 brengt ze mij.quot; Toen ontdeden al het volk zich van de gouden ringen, die zij in hunne ooren hadden, en brachten ze tot

4 Aharon. Hij nam ze uit hunne hand, ontwierp een beeld in een vorm, en maakte er een gegoten kalf van. Toen zeiden zij; „Dit is uw god, Israël! die u uit het land Egypte gevoerd

5 heeft!quot; Toen Aharon dit zag, bouwde hij een altaar daarvóór; en Aharon riep uit en zeide: «Een feest ter eere des Eeuwigen

6is morgen!quot; Zij stonden den anderen morgen vroeg op, brachten brandoffers, en voerden ook vredeoffers aan; het volk zette zich neder om te eten en te drinken, en zij stonden daarna op, om in losbandigheid feest te vieren.

van Mozes' afwezigheid vooraf kennis droeg, rwn ft'n o beteekent dus met andere woorden: «dat Mozes zeer lang uitbleef'. Zij dachten, dat hij, als zonder voedsel, gestorven was. — oira, van »12, teleurstelling wekken; zij verwachtten iederen dag hem te zien terug keeren, maar zagen zich telkens bedrogen; anderen: met beschaamdheid, terughouding handelen, v. d. dralen; n. a. zeer langzuimen, zoodat aan zijne terugkomst getwijfeld werd, terwijl ins dan zou beteekenen: langer wachten dan was afgesproken. — Daar naar hunne meening hun leider en aanvoerder hun was ontnomen, vroegen zij Aharon, tot wien Mozes hen 24,14 tijdens zijne afwezigheid heeft verwezen, hun een god te maken, die voor hen uit zou trekken-, (□tiSn kan, niettegenstaande den meervoudsvorm van het werkwoord 13S1 niettemin enkelvoud zijn. (Vgl. Gen. 20,13 e. a. p.) Aharon maakt immers slechts één en zij hebben niet meer gevraagd.) Choer, die 24,14 naast Aharon genoemd wordt, wordt hier niet vermeld, omdat zij zich dadelijk tot den voornaamste, Aharon, Mozes' eigenlijken plaatsvervanger, wendden en bij dezen succes hadden. De Midrash ziet echter in Cnoer's geheele verdwijning uit de verdere geschiedenis het bewijs, dat hij, het eerst door het volk aangezocht, weigerde aan hun verlangen te voldoen en daarom door hen werd gedood. — iS ron n» wr n1?, tvij roeten niet, wat hem fieschied is; waarschijn lijk is hij gestorven. In Mozes' plaats wenschen zij een nieuwen leider, maar met den vermeenden dood van den aanvoerder is ook de duor zijn toedoen hun bekend geworden Godheid uit hunne gedachte verdrongen en vragen zij een nieuwen god, om zich dan aan hem, die hun dien god verschaft, als hunnen leider toe te vertrouwen. Nacrm. meent, dat zij werkelijk niets dan een nieuwen Mozes, een wezen, dat hun den door God aan te geven weg zou wijzen, verlangden: omdat deze mensch Mozes, csn nvn, verdwenen is, moet gij ons een goddelijk roezen, dtiSn, maken. Anderen meenen, dat zij een onlichamelijken, onzichtbaren God niet konden begrijpen en daarom in Mozes de Godheid als het ware verpersoonlijkt zagen. Nu deze verdwenen is, vragen zij nu een nieuwe zichtbare voorstelling van de Godheid, — en overtreden dus het tweede gebod. — «Sm icfs, die bij den uittocht onze leider was.

2. Aharon wil waarschijnlijk slechts tijd winnen, in de hoop, dat Mozes intusschen zal terugkeeren. Hij stelt daarom den eisch, de kostbare sieraden van vrouwen en kinderen, die dezen slechts ongaarne, misschien

ocr page 223

ïb mr\ quot;D np

i nra liV-naw i Dip vbK inaK4i

-»v • •* t : ; iquot; lt;v _ -: • v; •• ^-t I -» t •• lt; : i -

n^n-nö onïo PKD i^'xn

rjr v 'r ^-t ^ • - : • | v-»v •• t ^*: iv «v -: • t ■quot;••

DD^: quot;II^N nnn 'on piejnnK bnbK nax'i: quot;62

v •• : ■»••: r : v tt- -•••;• I :it I -; i- v •• -; v lt;- i

♦DTrnx D^n-^a ipnsn'i : wnm oirnim oynj

^.. . . v quot;t t t i :it ; • - it •• t ; av •• i ; lt;.v •• :

—ix»1! DTD np»i : pnK-bx Dn'jTKa -ii^n Dnn ^

-lt;T- ^tt |j—- | i-;!- v V'Tquot; av •• : t ; -quot;' -: ITT ~

n-5« noN»-! HDDQ nfrjn üinainx

•• t: • f v v: •••lt;quot; ; ■*- at •• - v*-»quot; vquot; .iquot;~ vv -

rish n3?D p'i rnnK Nquot;i»i : Dnxo pxa niSvn

at t : quot;V.'Y • I^vr- I -n- r-'— it: • ) vjv •• v. quot;•*

rnnaa nm*1? an -ion'i pn« «ip'-i gt;

t▼: it • • : • - ^ it t ^t i- j~ - i .lt;ti; • -

lop'i iriB'i ^dn1? D^n DBh D^o^ir iSyi

iv.%t- t ; j vciv t t vlt;quot;- a- t ; v quot;quot; j ^ji—

ö : pnï^

zelfs in het geheel niet, zullen willen afstaan, hem over te geven. Zeer waarschijnlijk heeft Aharon, alvorens tot het stellen van dezen eisch over te gaan, het volk krachtig op zijn plicht gewezen; te vergeefs echter, zooals v. s. ook uit de uitdrukking pnx Sj? orn S,-ipgt;i, blijkt, wat steeds //een met vijandige bedoelingen bijeenkomenquot; beteekent. — Over d'ijtj zie Gen. 35,4.

3. Zijn plan valt echter in duigen, daar zij zich uit eigen beweging van hunne sieraden ontdoen en ze hem brengen.

4. mro injc quot;«n Rashie en Rashbam: en hij hond het in een doek, (w van tw = -ra. binden-, cm = cnn, buidel-, vgl. II Kon. 5,23, ■ • 'Wl diq'in w2), totdat men den gietvorm zou vervaardigd hebben; Rashie,als tweede verklaring; hij graveerde er figuren op met een griffel, nadat hij er een gegoten kalf van gemaakt had; n. a. en hij maakte een vorm ervoor met den griffel, d. w. z. dat hij in den gietvorm reeds versieringen graveerde. Ibn 'Ezra; hij gaf het gestalte in een vorm. — roo», v. s. een massief gegoten werk-, vs. 24 toch zegt Aharon, dat hij de goudmassa in 't vuur wierp en er een kalf uit te voorschijn kwam. Het is daarom niet wel aan te nemen, dat er een houten vorm van een kalf met den griffel of bijtel werd gemaakt, die dan met goud werd belegd, zooals anderen op grond van vs. 20, en Deut. 9,21 willen aannemen. Daar wordt immers gezegd, dat het verbrand en daarna tot poeder gemalen werd, wat zij dan verklaren; de houten binnenvorm verbrand en het goud fijngestampt. (Vgl. vs. 20). — yrhxrhs, Nech. 9,18 staat deze zinsnede in het enkelvoud -pSrn -ics —pnSs nt; vgl. onze aant. vs. 1. — In de bijvoeging van het aangesproken onderwerp Ssw, zien Rashie en Ibn quot;Ezra de aanwijzing, dat de 21 air, de niet-Joodsche elementen onder het volk, de eigenlijke drijvers in deze zaak waren.

5. Opnieuw wil Aharon tijd winnen en, als hij ziet, dat, bij het zichtbaar worden van het kalf, het volk dadelijk daarin een nieuwen leider ziet, bouwt hij een altaar vóór het beeld, (toïtS plaatselijk); anderen; vóór zich, zoodat aan de eene zijde het kalf, aan de andere Aharon met het altaar staat; en roept, kondigt aan; «morgen is feest ter eere des Eeuwigen!quot;

6. Inderdaad viert het volk den volgenden dag feest, brengt offers, eet en drinkt van het offermaal, de vredeoffers, en staat daarna op, prrsV, om.

ocr page 224

109 EXODUS XXX11.

7 De Eeuwige zeide tot Mozes; „Ga, daal af! want uw volk, dat gij uit het land Egypte gevoerd hebt, heeft [zijn levens-

8 wandel] verdorven. Zij zijn spoedig afgeweken van den weg, dien Ik hun geboden heb; zij hebben zich een gegoten kalf gemaakt, en zich daarvoor nedergeworpen, en er offers voor gebracht, en gezegd: „Dit is uw god, Israël! die u uit het land

9Egypte gevoerd heeft.quot;quot; En de Eeuwige zeide tot Mozes: „Ik heb dit volk gadegeslagen, en zie, het is een hardnekkig volk.

10 En nu — laat het Mij toe, dat Mijn toorn tegen hen brande en Ik hen verdelge; dan zal Ik u tot een groot volk maken!quot;

11 Toen smeekte Mozes voor den Eeuwige, zijn God, en zeide; „Waarom, o Eeuwige! zal Uw toorn ontbranden tegen Uw volk, dat Gij uit het land Egypte gevoerd hebt met groote kracht

12 en sterke hand? Waarom zullen de Egyptenaren zeggen: tot ongeluk heeft Hij hen uitgevoerd, om hen in de bergen om te brengen, en om hen te verdelgen van de oppervlakte van den aardbodem?! Kom terug van Uwen brandenden toorn, en verander uw besluit, ten aanzien van het over Uw volk te

13 brengen onheil! Denk aan Abraham, aan Izak en aan Israël, Uwe dienaren, wien Gij bij Uzelve gezworen, en tot wie Gij gezegd hebt: „Ik zal uw kroost vermeerderen als de sterren „des hemels, en dit geheele land, waarvan Ik gesproken heb, „zal Ik aan uw kroost geven, en zij zullen het als hun erfdeel

14 „eeuwig bezitten!quot;quot; De Eeuwige veranderde van besluit, ten aanzien van het onheil, dat Hij gezegd had Zijn volk te zullen aandoen.

naar heidensch gebruik, in uitgelaten losbandigheid, den dag verder feestelijk door te brengen. (Vgl. vs. 19). — Het 7—14 verhaalde had. zooals Nachm. terecht oinuerkt, eerst plaats in den morgen van liet door Aharon aangekondigde leest, toen zij offers brachten voor het kalf; uit vs. 17 vv. blijkt immers, dat Mozes bij zijn afdalen het volk hoorde jubelen en juichen. — Dit was dus de veertigste dag van Mozes'verblijf; het vs. 1—5 verhaalde had dus op den 39sten dag plaats.

7. God maakt Mozes bekend met hetgeen aan den voet van den Sienai heeft plaats gehad en spreekt Zijn voornemen uit, het volk te vernietigen; door Mozes' bede liet Hij zich van Zijn voornemen af brengen (vs. 14), wat waarschijnlijk aan Mozes bekend werd gemaakt. — nnü, nl. •Dn, heeft zijn levenswandel bedorven. — jvSrn iu'n ^hi', uw volk, dat g ij, naar zij meenen, uit Egypte hebt gevoerd-, gesproken naar de beschouwing des volks,ironisch dus.

9- tpv nrp, hardnekkig, dat niet wil buigen onder het goddelijk gebod.

io. ••S nrrjn, laat het Mij toch toe, kom niet door uw smeeken ertegen op; daarmede wordt Mozes een duidelijke wenk gegeven, dat van zijne houding alleen Israels lot afhangt; bidt hij voor hen met genoeg aandrang, dan zal God hun vergiffenis schenken. Tegelijk wordt Mozes op een narde proef gesteld, door de keuze tusschen opgeven van zijn zondig volk, in het vooruitzicht van eigen roemrijke grootheid, en smeeken tot God, om genade voor recht te laten geldenquot;. Hij doorstaat de beproeving

ocr page 225

lb Ntrn *3 üp

quot;im 4^ nnt^ »3 -irri1? nin* 12TI '

T *.quot;.:•••• ■gt;quot; ■* I • ■,•• quot; »••• AV V V,T ï Jquot;

nhb wy onnv ^IIT'IP ino r\D : onvp p.KOn sn-iequot; vrrf^ n^k naxquot;! i^-inat'iiynnniy'i hddo ^

quot;Ti ' | v v; •••lt;•• : -»- : : • - at •• -

n^o-^K nin» naxn : onxo pKO

• t av ^ v v.t ; J - • it : * i quot;Jquot; •* i v •quot;••* -'■•■ quot;s

4 nn^n nn^i : «in mni nn D^n'nx1

ntbo bnn : Vn: 'U1? nniK n'^Ni dVdni onn ♦strnn'i ^

j-: - it j; v» : • J'' •quot;■iquot; : fgt;quot; quot; quot;*•quot; v.quot; t r ~ -r:

ïja^a^SK nnn» nirr nöS ~ion'i. vri^K nip* na1? : nprn Vna riD2 onvo pso h«ïin

, I.TT-! jt : -j : • -: ■ I ••-•.• quot; •• -:

onna Dnx jin? o^ïin n^na onïo ^no^lt;,

• tiv t t lt;-:i- t i *lt;tt: •• ' 1

-by Dnani nax ?nna sw noisn 'js Vvo Dri^D^i

~ jquot;t i v - i j^iquot; ^ lt; at t-;it jquot; ; t - :

Ti^= pnrb oniaK1? iir : ^s^1? n^in^

DDj^-irnK naquot;)» on1?» quot;laini quot;^3 quot;on1?

ai^i?V?nN TnbK nxh PNH-VDI D'oi^n '23133

v ^-i :quot; : i •• v • : - t ■gt;•.' -: - | v t t t : -at t - vquot; : ' :

nitpy1? quot;i3i im nirr onri : ob^V ibnaiT

j •Hr • jv -: t t^t - at : v^t*- it ^ : v, ~i,T:

ö :

schitterend en offert zijn volk niet op aan eigen aanzien. — oro 'BS vni dSdni, opdat Mijn toorn tegen hen tot verdelgens toe blijve branden; één denkbeeld in twee gecoördineerde zinnetjes uitgedrukt.

11—13. Drie argumenten lieel't Mozes; 1°. God heeft Israël uit Egypte gevoerd ; het is dus Zijn volk geworden, dal Hij in genade beschermen, niet in toorn vernietigen zal (vs. 11); 2°. den indruk op de Egyptenaren, door wie Gods almacht en goedertierenheid dan in twijfel zal worden getrokken (12); en 3°. den eed aan de voorvaderen (vs. 13).

li- 'JS nbn, v- s' iemands toom verzwakken-, anderen: iemands gumt trachten te winnen.

12. njn3) v- s- = nriS, lot hun onheil-, v. a. met noodlottige bedoeling, evenzoo ^nn nn, het door Haman beraamde ongeluk (Esther 8,3). — ffva, te midden der bergen. Over oram zie Gen. 6,6. — -prS rnnn Sr, één begrip, vgl. in vs. 14; myS nifïS laT iüs nnn Sy; het voor het volk dreigende ongeluk.

13. -p, hij U zelve, iets onvergankelijks, hebt Gij gezworen, nl. Gen. 22,16; 26,3 en 35,11.

14. Terwijl sommigen meenen, dat die verandering van Gods besluit Mozes reeds, bekend was gemaakt, meenen anderen, dat dit niet het geval was, maar dat ons vers reeds vooraf het resultaat geeft der nu eerst volgende handelingen van Mozes. Door diens krachtig optreden ter verzoening

ocr page 226

E X O D ü S XXXII.

15 Nu keerde Mozes zich om en daalde van den berg af, met de twee tafelen van het getuigenis in zijne hand; tafelen, op beide kanten beschreven, op deze en op gene zijde waren zij

16 beschreven. En de tafelen waren een werk Gods, en het schrift

17 was een schrift Gods, ingesneden in de tafelen. Toen Jehoshoea' hoorde de stem des volks, bij hun geschreeuw, zeide hij tot

18 Mozes: «Een krijgsgeschreeuw is er in het leger!quot; Doch hij zeide: /;Het is niet de stem van aankondiging van overwinning, en ook niet de stem van aankondiging van nederlaag; het geluid

19 van een beurtzang hoor ik!quot; En het was: toen hij nabij het leger was gekomen, en het kalf en de rijdansen zag, ontbrandde de toorn van Mozes, en wierp hij de tafelen uit zijne handen, zoodat

20 hij ze verbrijzelde aan den voet van den berg. Hierop nam hij het kalf, dat zij gemaakt hadden, loste het op met vuur, en maalde het, totdat het fijn was; toen strooide hij het op de oppervlakte van

21 het water, en liet de kinderen Israels er van drinken. Vervolgens zeide Mozes tot Aharon: ,/Wat heeft dit volk u gedaan, dat gij

22 zulk eene groote zonde daarover gebracht hebt?quot; Aharon zeide hierop: «Laat de toorn van mijn heer niet ontbranden! gij kent

23 het volk, hoe slecht gezind het is! Nu zeiden zij tot mij : „Maak

der gepleegde misdaad, werd dan de verandering eerst bewerkt, waarom hij vs. 31 nogmaals om verzoening smeekt. — Mogelijk is echter ook, dat, terwijl eerst algeheele vernietiging in het Goddelijk plan lag, diit reeds nu was opgegeven, maar nog altijd bestraffing (vgl. 34 en 35) het volk wachtte. Om deze al' te wenden, diende dan Mozes'herhaalde bede, vs. 31.

15. VT3, volgens Ibn 'Eziia: in zijn bezit, niet juist in de hand, zie ook Ex. 31,18. — 0.quot;P13J! wn D'aro, beschreven aan hunne twee kanten, voor- en achterzijde; volgens den Thalmoed ging het schrift door de geheele dikte der steepen heen en was niettemin aan beide zijden op gewone wijze, niet als spiegelschrift, leesbaar. — Diana Dn mm ntn, volgens Ibn 'Ezra : nadere uitdrukkelijke vermelding, dat de tafelen op beide kanten beschreven waren; anderen: aan heide zijden, zoodat laï voor- en achterzijde, mm m» linker en rechter zijwand, de dikte van den steen dus, aanduiden. Dan hebben wij dus vier schrijl'vlakken op elke tafel. Traditie: van de eene zijde en van de andere zijde, zoodat voor- en achterzijde, hoewel doorgegraven, toch beiden van rechts naar links te lezen waren.

16. Bij de eerste tafelen waren de steenen door God gemaakt, naar den Thalmoed: reeds bij de schepping. — nnn = mn, ingegraven, of naar Ibn 'Ezra := cnn.

17. Jehoshoea', die Mozes verder had begeleid, dan de oudsten, vergezelde hem niet naar den top van den berg; zie onze aant. Ex. 24,13. Hij schijnt dagelijks den berg beklommen te hebben tot de plaats, waar Mozes hem had verlaten, en is misschien wel gedurende verscheidene dagen achtereen daar gebleven. Hij schijnt althans van het in het leger voorgevallene nog niets te weten. Wachtte hij Mozes op de vroeger vermelde plaats op, dan is zoowel die onbekendheid met de gebeurtenissen, als zijn samenzijn met Mozes, terwijl deze nog den berg afdaalt, eenvoudig verklaard. — n'jna = via van JH. geraas, (vgl. Miecha 4,9)

18. quot;lOXM. Mozes, zeide-, anderen: Jehoshoea'. — ninSn, zelfst. nw.

110

ocr page 227

nb mr\ ^ 'p

b»3n3 rirh n»3 mjm n'n1? »3^1 irrrro n^D ■n*,i ?ön10

• •.. ; •.. AT : _ IT J \ •»•• : T T I • •.•lt;•— I v • -

n'^o nn-'ni: D^na Dn HTDI hto onnn^ »

... j.. •., ; ^ j • r. • ... .. ; v ; •

yom : nnvTi-1?]; nnn Nin dwk anao Dnasni nan ^

squot; : 'quot; I -. - . - ^ ^ • v: : T : • - : taquot;

nonbo Vip n^a-^N quot;ion'i n^ns o^n Sip-nx Q

(.t t : • \j v v v - ! v.TT • j *-• quot;•)••. :

n^i^n nijg bips pxi n^na nij^ Vip pN -ipK'i : mnsa ^ r-kti niinan-bK nip 'nn : nliy Vip ^

:j— v -: r^-# v -It «v -: i- • : - quot; f V/ «t quot; I ■» ^

hhVn-i-iN iTD nirö eiK_quot;)n»i riVnoi Varn-nx rc

... - V TT* !lt;••: -- V |j- -!•- A ; VPVquot;T V Z-

iï-ïm \m itrx Viyn-ns npi : nnn nnn ontt quot;12^13 p-

I j : . - «...-: ^ ...1. x ... I------it T quot; J~ V.T jquot; -m : -

^rnx p^'_i D'ón nn pri^N n# jnü'i ^«3 nrn D^n nV n'^p-no pn^'Vs4 h^D nos^i : Vmts'» ^

AV - ^TT V.1: . JT *T V I -tl- V V V «- Iquot; T ; •

«ik in»-VN rVnN ^on'i : nV-u n^ün vbp nton-^ ==

Iv- ~J' I -: r J - ,T : . jt t —j T\ T .......

-nt^y ♦V •noNquot;! : Kin jna »3 D^n-nN nv^ nn» ^n» »

•• J - 1 VT ; j* T T v T*: J-T T - A* -;

van vhn. Ex. 17,13 nederlaag. — ni3J7 Sip» eene woordspeling; het eerste betee-

kent: aanhef, uitroep; hier öf: beurtzang, vgl. Ps. 88,1; óf met Rashie = PB3 niïï, de ziel hretsend, pijnigend ; een geluid, dat ons grieft, doordien het spreekt van afval en verwildering.

ia -otri —prn- Mj wierp de tafelen uit zijne handen, zo o dat hij ze te pletter vierp, 'nnn, aan den voet van den berg; niet: hij vierp ze, terwijl hij afdaalde, uit zijne handen, en verbrijzelde ze later, nadat hij gekomen was aan den voet van den berg.

20. (Vgl. Deut. 9,21). Mozes verbrandt het kalf in vuur; d. i. v. s. oplossen langs chemischen weg, wat velen aannemen als reeds bij de Egypte-naren bekend; anderen: smelten (vgl. Ibn 'Ezra). Nieuweren nemen met het oog op dat verbranden aan, dat het kalf van hout en alleen met goud belegd was; het hout wordt dan verbrand en het goud gemalen. Met het oog op den grooten rijkdom aan goud, die ook bij den bouw des heilig-doms aan den dag komt, is echter in een massief gouden kalf niets vreemds. — jrci, malen, fijn maken tusschen steenen, in een molen of vijzel. — 0'»n ■os Sr, Deut. 9,21: in de heek, die van den berg neerdaalt. — pp'i, v. s.; om hun de nietigheid van het door hen vereerde wezen te toonen; v. a. met.symbolische beteekenis, evenals het drinken eener van overspel verdachte vrouw (Num. 5,24). De grootsche indruk, dien Mozes, ijverende voor God tegen afgoderij, op Israël maakte, en vooral het schuldbewustzijn bij het volk was oorzaak, dat Mozes bij al de hier en in de volgende verzen geschilderde daden geen spoor van verzet ontmoette.

21. Aharon had zich krachtiger moeten verzetten. Hij heeft dus de zonde over het volk gebracht.

22. mijnheer, met het oog op Mozes' hoogen rang. — na, in slechte gezindheid; Ibn 'Ezra: dat het met slechte elementen vermengd is. Hirsch: gij kent dit volk, als het in slechte voornemens is.

ocr page 228

EXODUS XXXII.

ons een god, die vóór ons uit gaan zal; want deze man Mozes, die ons uit het land Egypte gevoerd heeft, — wij

24weten niet, wat hem gebeurd is.quot;quot; Toen ik nu tot hen zeide: wie heeft goud? namen zij het van zich af en gaven het mij; ik wierp het in het vuur, en zoo kwam dit kalf

25 te voorschijn.quot; Mozes zag het volk, dat het verwilderd was, dat Aharon het had doen verwilderen, tot smaad bij hen, die

26 tegen hen zouden opstaan. Nu ging Mozes staan in de poort der legerplaats en zeide; ,/Wie voor den Eeuwige is, [kome] tot mij!quot; Toen verzamelden zich tot hem al de zonen van

27 Levie. Hij zeide tot hen: „Zoo heeft de Eeuwige, de God van Israël, gezegd: legt ieder zijn zwaard om zijne heup, gaat heen en weder van poort tot poort in de legerplaats, en doodt ieder zijn bloedverwant, elk zijn vriend en elk zijn aanverwant!quot;

28 De zonen van Levie deden naar het woord van Mozes, en er viel van het volk op dien dag omstreeks drie duizend man.

29 Mozes zeide nu: «Wijdt u heden aan den Eeuwige, door ieder tegen zijn zoon of tegen zijn broeder op te treden; zoodat

30 gij heden zegen brengt over u.quot; En het was den volgenden morgen, toen zeide Mozes tot het volk: ,/Gij hebt eene groote zonde begaan; en nu, ik zal tot den Eeuwige opklimmen — misschien kan ik verzoening voor uwe zonde ver-

Si werven.quot; Mozes keerde nu tot den Eeuwige terug en zeide: „Ach voorwaar! gezondigd heeft dit volk eene groote zonde,

23. Aharon zwijgt van het vijandig bijeenkomen en dreigen des volks en zegt niets van alle maatregelen om tijd te winnen, die door hem zijn genomen. Als ware enkel door zijn toegeetlijke zwakheid al het onheil ontstaan, zegt hij: toen ik het in het vuur wierp, kwam er dit kalf uit te voorschijn. Mozes antwoordt niet, doch Dent. 9,20 blijkt, dat Gods toorn Aharon ernstig bedreigde, maar door Mozes' bede werd afgewend.

25. teugelloos, verwilderd. —orrnpa. Onkelos: onder hen, die na hen

opstaan, hunne nakomelingen.

27. ot Sj;,. op de heupen rust de riem, waarin het zwaard hangt. — uvn, en doodt ieder, die afgodendienst heeft bedreven. — wis m fs, de eene broeder, bloedverwant, den andere; de eene vriend den andere en de eene aanverwant den andere. Daar de geheele stam Levie zich bij Mozes voegde, moet met vrw, familie van moederszijde, met aangehuwde familie bedoeld zijn, tenzij mén Sd opvat als; de overgroote meerderheid der zonen

van Levie.

29. Mozes spoort nu de Levieten aan, om den heden betoonden ijver voor God ook in het vervolg aan den dag te blijven leggen. — 'rh ■ ■ ■qot isSn, aanvaardt uw ambt als ijveraars voor God, niet door offers, maar door het voornemen vreai uaa ws o, dat ook in het vervolg geen uwer zich zal ontzien of zal aarzelen, zelfs, als het moet, tegen zijn zoon en tegen zijn broeder op te treden; nnSl, zoodat gij, door de daad van lieden, blijvenden zegen over u gebracht hebt. Ibn 'Ezra ; Mozes had, vóór de daad, de Levieten met deze toezegging van zegen aangespoord, om tegen zoon en broeder op te treden. — Deut. 10,8 wordt de wijding der Levieten tot den tempeldienst, in de plaats

Ill

ocr page 229

n1? KIWI »3 wp

ï^'Nn niyo i nT-»3 w:sh ^ IJ1?

lt;•• -; • t -••.• jv • aquot; t : v :-»••• quot;« * ^ v: jt

bnb *idni : I1? n»n-no uyr üb d^ïd r*iKO i:Svn ^

VT lt;■ it I tjt V *: vquot;T J • - ; • | VJV •• _ t .;iv

:nTn nvi mb ihd^xi ^-un»! ipnann anr 'O1?

iv- v,0*,tf vquot;quot;- •• t j.. • ; - it a* : •- i v,tt ; tt J' l

^ïQly,? hnK riyifi-'S wn ^ia '5 Dj;n-nN n^D Kin «

vt : * : i ~•quot; t : r a v.\t *t t v v :lt;—

rnrvb noN'i ninon 1^2 hitd Tori : Dn^opa»

V,t iquot; J' '-' quot; v-j i- - - -J- : v c — iv •• Iit:

nirr lONTia on1? quot;ion'i : ^ na'ba iaDK,,i ,l?x»

t : lt;- t i ^ v t v j - !••• jquot; : t v.t quot; ,j '• itquot;quot; at quot;

nv^o laitri nav laT-ty lann-^'K ID^

«.c_ . t : * a •*: v, : ~ i* t : • jquot; v;

in^TnK vn^-nN-^'K i:nm ninsa

j' : quot; '•' j' : •)* t v r s : • : v -: i— - t

Di#a D^n-tQ Va^i n^o nana nS-^a : lanp-nx ™

j - t t « • - av j- : * vquot; iquot; ; j ^-:i— i i : v

bvn qaT inVo n^o : ir'K 'shx npbps «inn03 : naia Di'n oa^ nn^i vnxai i:aa wx 'a nin^

it t ; V, - •)•* quot; • .Squot; T : : V. : * y -i' T I-

px^n Dnxün om D^rrbN nt^n ion»quot;) nnnao Wi ^

jt t -: v.v t -: JV - t t V v v lt;- ^tt:lt * • : -

: oanNisn nya msax ^ik nin^bx hnvi nVia

iv : ^ - r»quot;: V'T:lt;/quot; quot;' J~ T '• '•' iv t quot; : at ;

riNijn ntn D^n «én «3« quot;ion'i nin^bN n^Q a^n ^

jt t -: v - '«tt tt tjt aquot; quot; v.t ; v .)v tstquot;

der eerstgeborenen, juist met deze daad in verband gebracht. Sommigen zien daarom in ons vers dit reeds aangeduid; wijdt u — gij hebt u heden voor goed gewijd aan God, doordien gij zijt opgetreden tegen uwe broeders; daarom zal God u heden zegen, eene hoogere positie, geven.

30. mnoQ. den volgenden morgen, dus den 18 ïhammoez, (vgl. onze aanteekening 31,1 B). — nSïN, ik zal opklimmen, den berg, — maas, zal ik door mijn gebed verzoening venrerren. Uit Deut. 9,18 en 25 blijkt, dat ook deze keer Mozes' verblijf op den berg veertig dagen duurde. In die veertig dagen valt dan 1°. Mozes' bede vs. 31 en 32 met Gods antwoord, vs. 33 en 34. Dan wordt kortelijk verhaald, dat tengevolge van dat antwoord eene sterfte ondei het volk omstond (vs. 35). Hoofdstuk 33,1—4 worden nu de woorden Gods uit vs. 33 en 34 in den breede herhaald, zooals zij aan het volk door Mozes, waarschijnlijk nog denzell'den dag, werden medegedeeld, om den indruk te schetsen, dien het goddelijk besluit op Israël maakte, en de gevolgen, die Gods besluit had, op de legerinrichting tot de voltooiing van den tempelbouw (4—11). Daarna volgt dan Mozes' bede naar aanleiding van Gods woord, dat Hijzelve niet met het volk zou meetrekken, een bede, die dan in die veertig dagen valt, en Gods antwoord daarop (12—23), Hoofdst. 34 spreekt dan van hetgeen op het einde der veertig-daagsche periode door God aan Mozes werd opgedragen.

31 en 32, Wil heeft dit volk zich ernstig aan U vergrepen door süch een godenbeeld te maken, in strijd met Uw uitdrukkelijk verbod — maar toch (wn en nrri), on.scn not dn, zoo Gij hunne zonde zoudl willen vergeven..., een abrupte zin, waaraan de nazin ontbreekt, maar gemakkelijk is aan

ocr page 230

EXODUS XXXII, XXXIII.

32 doordien zij zich een god van goud gemaakt hebben! En nu, — zoo Gij toch hunne zonde zoudt vergeven! — zoo niet, wiseh mij dan uit uit het boek, dat Gij geschreven hebt!quot;

33 De Eeuwige zeide echter tot Mozes: «Wie tegen Mij gezon-

34 digd heeft, dien zal Ik uit Mijn boek uitwisschen. En nu, ga heen, leid het volk naar de plaats, die Ik u gezegd heb; zie, Mijn engel zal vóór u uit gaan; doch op den dag, dat Ik straffen wil, zal Ik over hen ook deze hunne zonde gedenken!quot;

35 De Eeuwige liet eene sterfte onder het volk komen, omdat zij het kalf gemaakt hadden, dat Aharon had gemaakt.

1 De Eeuwige sprak tot Mozes: «Ga, trek van hier op, gij en het volk, dat gij uit het land Egypte gevoerd hebt, naar het land, dat Ik aan Abraham, aan Izak en aan Jakob toegezworen

2 heb, zeggende: «Aan uw kroost zal Ik het geven;quot; — Ik zal namelijk een engel vóór u uitzenden, en zoo den Kena'aniet, den Emoriet,den Chittiet en den Perizziet, den Chiwwiet en den Jeboe-

3 siet verdrijven; — Naar een land, vloeiende van melk en honig; doch Ik zal niet in uw midden optrekken, — want een hardnek-

4 kig volk zijt gij; — opdat Ik u niet op den weg verdelge!quot; Toen het volk deze kwade tijding hoorde, bedreven zij rouw; en

te vullen; dan ben ik voldaan. — -pSD», uit Uw hoek, als het ware eene lijst van allen, die voor Gods aangezicht leven. Iemand daaruit uitioisschen, beteekent dus: hem ten doode opschrijven. (Vgl. Ps. 69,29 en 139,16 en Jes. 4,3).

33. Niet gij, maar wie tegen Mij gezondigd heeft, zal sterven. Doch niet aanstonds zal Ik allen treffen, maar — ■nps dyoi (34).

34. Het geheele volk verdelgen zal Ik niet; zij zelve zullen dus de vervulling der eens gegeven beloften aanschouwen; rja dus en leid gij uw volk naar het beloofde land, waarheen Ik u van den beginne af aan gezegd heli hen te voeren; — toch is iets veranderd: Mijn engel, niet Ik zelve, zal vóór u, Mozes, uittrekken. Denk echter niet, dat de straf voor hun misdaad hun geheel is kwijtgescholden, want nps dvo, op den dag, viaarop Jk om andere redenen hen rml bestraffen, zal Ik ook deze hun zonde ledenken en, bij de toemeting der straf voor de dan gepleegde vergrijpen, hun vroegeren afgodendienst in aanmerking nemen.

35. fp1!. Niettemin ontstond reeds dadelijk eene sterfte, waarvan naar Joma 666, alleen zij de slachtoffers werden, die opzettelijke afgoderij hadden gepleegd, doch niet door de Levieten hadden kunnen gedood worden, daar bewijzen ontbraken. Anderen meenen, dat die sterfte identiek is met het vs. 28 beschreven optreden der Levieten, ep: duidt echter meer op een plotseling uitgebroken ziekte. — kt quot;CN Sï, wijst volgens Nachm. erop, dat vooral zij getroffen werden, die met geweldbedreiging de vervaardiging van het kalf hadden afgedwongen. Zij waren de geestelijke vervaardigers van het kalf, dat inderdaad Aharon maakte.

Hoofdstuk XXXIII. 1—3. Uitvoeriger uiteenzetting van de hoofdst. 32, vs. 33 en 34 meegedeelde Godsspraak, voor zoover die op de verdere verhouding van Israël tot God betrekking heeft. Uit vs. 4 blijkt, dat aan liet volk mededeeling ervan werd gedaan.

112

15

ocr page 231

Dnxtan NIW-DN : nnT onb Y^'i n^'u ^

at t - -«t • • : itt jquot; v: V,v. t J ^tr' T :

-bi* rrirr -iok^ : nnns itrx ïiisdq nj 'jna pn-dni ^

V,t ; v j- t ; it t r.' -: v,l : ^ • * t «j- ; | • - • ;

nn: i tiS nn^i : nöDD lanoN ^ nt^D ^

j.. : ij.. t^-; r; • • ^v.:^v \ TIT ■quot;•• quot;: **

DV3i gt;^t?, 'D^ba nan n1? 'mai'iK'N orn-nK

-• : iisvt : i-»-quot; v.* t : - j- • )t • ;- • v -: «v t t ^

nm by opn-ns' nin» fi'n : onNtsn on^v quot;mpai npö ^

j.. _. ^tt^ v vt : h'~ quot;t t - {••'quot; • j\ :l-it •i; t

-bn nln' nann d : pn« nvy iwx ^])n-nx « onïD pKO n^n D^m nnx nb n^y ti1? htro

•/t ; • '••*'• quot; t {' \':i'.' r.' ^-: *tt : ■,T quot;p pv ' ■,quot; • )-•■•

ihtib ap^i pnï^ Dniais'? IB'NS p^n-^K

'jj;:3n-nN TTN^O : nsjnx ^iinT1? =

' tiquot; : - v • ; -!••; |at : - i v.v t : j- ^ - it : ^ tiv : v *.1^-: ;-;

abn roT : 'pn^ni nnn 'harn ^nnni noxn ^

^DK-|3 np^s ,fl1rn^p5quot;Dy '3 ^31p2 n^N K^Wrn ■nVi ibaNn'i nm vnn quot;Dtrrnx oün ro^'i : -i-na ■•

: rtt - ; • - v •• ■ ott -it t - v tt ^ j- ; - - ) v itquot;

2. Nadere uitwerking van de woorden: -ps1? quot;[V osSs ran (32,34), die, evenals daar, eenigszins als tusschenzin is te beschouwen, zoodat vs. 3, ■pN Sn, direct aan vs. 1. psn Ss, aansluit. De tegenstelling tegen ons vers komt dan in 't 2de gedeelte van vs. 3. — nSrs* sS '3. God trekt niet op te midden van Israël's leger, om niet, bij nieuwen afval, in plotselingen toorn hen te vernietigen. Ook Ex. 23,20, na de eerste openbaring, is reeds gezegd, dat een engel, dus niet God zelve, vóór Israël uit zal gaan; doch van dezen is tevens vermeld; dat Gods naam in hem is. Hier echter zegt God uitdrukkelijk, niet in Israëls midden aanwezig te zullen zijn. — Sommigen zien in dien vóór Israël uitgaanden engel, een reeks van onheilen, die Kena'an treffen zouden, en zoo het land en zijne bevolking reeds zouden verminderen en verzwakken, vóór dat Israël aankwam. Zoo zou de strijd eigenlijk reeds door den engel zijn gestreden, vóór Israël de verovering begon. — Over liet niet noemen van den Girgashiet onder de Kena'anietiscne volkeren zie Ex. 23,33. — Over ram aSn rar. zie Ex. 3,8. — ïjSpJ? = Pi'el van rta (Ibn 'Ezra), volgens Rashbam = van Sis'.

4. Zij hielden rouwbedrijf, o. a. daarin bestaande, dat zij hunne sieraden niet aanlegden. Hunne houding bewijst, dat zij berouw hebben over hunne handeling en in het zich verwijderen der Godheid uit het leger een ernstige straf zagen. Daarom wordt hun vs. 5 nog eens ernstig onder het oog gebracht, dat dit terugtrekken Gods in hun eigen belang geschiedt, terwijl erop gewezen wordt, dat dit gevoel van rouw niet met hetoogen-blik moet wegsterven, maar blijvend moet gemaakt worden, door voort te gaan zijne sieraden af te leggen. Of die sieraden eene gevaarlijke herinnering aan afgodendienst opleverden (vgl. Gen. 35,4), of dat zij ze eenvoudig als teeken van rouw reeds uit zich zelve aflegden, staat niet vast. — Rashbam en Ibn 'Ezra vertalen vs. 5; De Eeuivige had namelijk gezegd, en

ocr page 232

113 EXODUS XXXIII.

5 niemand legde zijne versierselen aan. Nu zeide de Eeuwige tot Mozes: «Zeg tot de kinderen Israels: gij zijt een hardnekkig volk; één oogenblik zou Ik slechts behoeven op te trekken in uw midden, en Ik zoude u verdelgen; welnu — leg uwe versierselen van u af, en dan zal Ik weten, wat Ik u doen zal.quot;

6 Zoo ontdeden de kinderen Israels zich van hunne versierselen,

7 sedert den berg Choreb. Mozes nam nu de tent, en sloeg haar zich buiten het leger op, ver af van het leger, en noemde haar: «tent der samenkomstquot; ; nu was het; al wie den Eeuwige zocht, ging uit naar de tent der samenkomst, die buiten het leger

8 was. Nu was het: als Mozes naar buiten ging naar de tent, stond het geheele volk op en bleef staan, ieder aan den ingang zijner tent, en keken zij Mozes na, totdat hij in de tent was

9 gegaan. En het was: als Mozes de tent was binnengegaan, daalde de wolkzuil neder, en bleef staan aan den ingang der

10tent; dan sprak Hij met Mozes. Wanneer nu het geheele volk de wolkzuil zag, staande aan den ingang der tent, dan stond het geheele volk op, en wierpen zij zich neder, ieder aan den 11 ingang zijner tent. En de Eeuwige sprak met Mozes van aangezicht tot aangezicht, gelijk een mensch tot zijn naaste spreekt.

zien daarin de toelichting, hoe Israël er toe kwam, zijne sieraden af te leggen. — nnsi, als gij toont, dat uw berouw u ernst is, zal Ik weten, wat u te doen.

6. iSsjm, zij beroofden zich; vs. 4 is reeds verhaald, dat zij hunne sieraden niet aandeden; hier worden zij ook, voor zoover zij bijv. aan de kleeding verbonden waren en dus als vanzeive werden gedragen, verwijderd.— ann in», v. s. sinds den berg Choreb legden zij ze af; v. a. die zij van af den berg Choreb verkregen hadden; d. z. naar Hirsch; de Thephillien;n. a. wegtrekkende uit de nabijheid van den berg Choreb, naar de legerplaats terug.

7. HP1 ntrOI. Van nu af aan, totdat het heiligdom was vervaardigd en hem de plaats zijner tent aan de voorzijde daarvan werd aangewezen, (Num. 3,38), nam Mozes zijne tent en sloeg zich zijne tent op, {h ncji, met verzwegen voorwerp, dat met dat van het voorafgaande werkwoord identiek is) buiten de legerplaats. Het was niet het heiligdom, want dit werd eerst later vervaardigd (Ex. 35 vv.), noch ook een, vóór het jsm reeds bestaande, heilige woning, waarvan nergens sprake is, maar Mozes' tent. Tot nu toe had hij de openbaringen steeds op den top van den berg gehad, voortaan zou hij met het leger verder moeten trekken en begreep dus, dat er eene plaats voor de openbaring moest worden aangewezen. Hij vestigt nu zijne woning buiten de legerplaats, ver van Israels leger verwijderd, om hen telkens weer eraan te herinneren, dat God niet in hun midden verwijlt. Die tent, die immers voorloopig de tent der samenkomst, iïi» Sns', wier bouw door de zonde vertraagd is, moet vervangen, noemt Mozes daarom met den naam in» Sns, waarmede ook het heiligdom herhaaldelijk is aangewezen. Het is de plaats, waar God Zich aan hem zal openbaren (25,22). — 'n irpas Sa, al wie den Eeuwige zocht, eene goddelijke beschikking of nadere opheldering verlangde.

8. telkens wanneer Mozes de legerplaats verliet, om zich naar de tent te begeven. Nu over de openbaring in deze tent met een enkel woord

ocr page 233

ab mr\ ^ yp

■♦WVK IOK nwft-bx nin^ ion»') :vhv my WH mw*

iquot; : v lt; v: v V t : v - it't lt;. r ot

y]2ip2 rpytt nnx ^^quot;n^p-Djr onx : ^quot;n'^N nö njnw quot;inin nn^i gt;

bn^n-nx n^nt^ai : min ino onrnK '

t v »-• v ^ iquot; j' quot; v.t •quot;•.• v .)•• t; • iquot;:

bnx ib Nipi ninsn-rD pnm njns1? rino i lynuai

v j v, r]jr:m v-:i- - I • I # y-: i— ] j • ^ -* tit:

pnp quot;ijriD xï» nin» n;rn -i^iq

arn-Vaiop» nt^ö nKï3 n;m : n^nobn

: • : r t I t ^ v t v ^ v ^ lt;•• ; t t ; iv -: i- -

: nbnKn iKm^ né'o nn« iL3»3ni iVnx nns

tv: it v. . v -*••-: * * :. ^ir: IT quot;Jquot; r

bnxn nnö no^i n^n tisj? ni» nbn^n n^o «33 n'm °

v a t -jv v,' t : I t't iv *quot;' tv: t v lt; : tt ;

nn3 lov n^n niaynH d^h-Vd hnti int^ö-D^ 13-iv

-jv i t^t iv -• ^- v ^t t t lt;:t^t: ,v *:

nin» quot;dn : nns iinntrni b^n-^3 Dpi bnxn ^

lt;t : v •; 1 *: it quot; j'-' v.* t t t ^ I lt;t: v a t

31^1 IHITTVK WH quot;ltyN3 D^Ö^K D'JÖ 71^12quot;^

t : •*•••• v v.* jquot; 'ï ■}quot; -: i~ t v j-t

is gesproken, wordt tevens uiteen gezet, hoe de houding des volks na dien tijd bij de openbaringen was en hoe de openbaring zelve tot Mozes kwam. — Vol eerbied verheft zich het volk en blijft staande Mozes nazien, totdat hij in de tent is gekomen. Zien zij dan in het neerdalen der wolkzuil het teeken eener openbaring, dan werpen zij zich allen tegelijk neder, ieder aan den ingang zijner tent. — Deut. 9,9 en 18 en 10,10 komen driemaal veertigdaagsche perioden voor, die Mozes voor God doorbracht. De eerste veertig dagen waren die, waarna hij de eerste tafelen kreeg; de tweede die na de goudenkalf-zonde; de laatsten, de ook Ex. 34 genoemden, waarna hem de tweede tafelen ter hand gesteld werden. Bij de eersten en laatsten wordt uitdrukkelijk gezegd, dat Mozes ze op den hcrg doorbracht, bij de middelsten echter alleen: dat hij zich voor God nederwierp (9,19 en 25). Daarom nemen velen aan, dat hij die beden in zijne eigen tent verrichtte en haar daarom buiten de legerplaats overbracht. Het duurde dan veertig dagen, eer hem geheele verzoening werd geschonken en het 34,1 verhaalde bevel hem werd gegeven. Dien tijd bracht hij dan grootendeels, maar niet aanhoudend, in zijne, nu //tent der samenkomstquot; genoemde tent door; — de onthouding van spijs en drank was dan een vrijwillige.

11. Q^J) Sn D'JS. niet in droomgezichten, noch van uit den hemel, maar terwijl Zijne Majesteit in de tent nederdaalde. Was dan liet onderhoud geëindigd, dan keerde Mozes naar de legerplaats terug, om het pas gehoorde bekend te maken. Doch Mozes' dienaar Jehoshoea', -ijj, zijn jeugdige leerling, week niet uit de tent, maar bleef daar, zoolang Mozes afwezig was, als bewaker achter. Daar Jehoshoea', die in het geheel 110 jaar oud werd en kort na de verdeeling des lands schijnt gestorven te zijn, op het hier bedoelde tijdstip reeds 56 jaar geweest moet zijn, — (in ieder geval was hij ouder dan 20 jaar, bij den uittocht uit Egypte, daar hij uitdrukkelijk van het sterftebesluit in de woestijn moest worden uitge-

ocr page 234

EXODUS XXXI11.

Vervolgens keerde hij naar het leger terug; doch zijn bediende Jehoshoea', de zoon van Noen, zijn jonge volgeling, week niet uit de tent.

12 Nu zeide Mozes tot den Eeuwige: «Zie! Gij zegt tot mij: voer dit volk op; Gij hebt mij echter niet bekend gemaakt, wien Gij met mij zenden zult; en toch hebt Gij gezegd: ,/,/Ik heb u bij name erkend, en ook hebt gij gunst in Mijne oogen

13 gevonden.quot;quot; Nu dan, als ik dan waarlijk gunst in Uwe oogen gevonden heb, maak mij dan toch Uwe wegen bekend, dat ik U leere kennen, opdat ik gunst in Uwe oogen vinde;

14 en bedenk, dat deze natie Uw volk is.quot; Hierop zeide Hij : „Mijn toorn zal voorbijgaan, dan zal Ik u tevreden stellen.quot;

15 Nu zeide hij tot Hem ; „Zoolang Uw toorn niet is voorbijgegaan,

16 zult Gij ons niet van hier doen optrekken. Waardoor toch zal het anders bekend worden, dat ik gunst in Uwe oogen gevonden heb, ik en Uw volk; is het niet, doordien Gij met ons gaat? waardoor wij onderscheiden worden, ik en Uw volk, boven elk volk, dat op de oppervlakte van den aardbodem is.quot;

17 Hierop zeide de Eeuwige tot Mozes: „Ook deze zaak, die gij gezegd hebt, zal Ik doen; want gij hebt gunst in Mijne oogen gevon-

18 den, en Ik heb u bij name erkend.quot; Toen zeide hij; „Laat mij

19 toch Uwe heerlijkheid aanschouwen!quot; En Hij zeide: „Ik zal al Mijne goedheid vóór u laten voorbij trekken, en met name zal Ik,

zonderd, (Num. 14,31)) — meent Ibn 'Ezra, dat hier iï: verklaard moet worden; deed jongelingsdienst bij Mozes; Nachm. merkt daartegen op, dat iedere vrije dienaar, die voor iemands persoonlijke verzorging waakt, ly: genoemd wordt, ook al is hij reeds op eenigszins gevorderden leeftijd.

12. Hier wordt nu Mozes' verdere bede om vergiffenis medegedeeld, aanknoopende aan vs. 1. Ik moet het volk naar Kena'an voeren, waarbij Gij mij wel toegezegd hebt, dat een engel vóór mij zal uitgaan, maar niet hebt hekend gemaakt, wie met mij zal worden gezonden. — max nnxi ooa. Gij hebt gezegd: Ik héb u met name leeren kennen, d. w. z. u boven allen uitverkoren tot uitvoerder van Mijn wil, zoodat gij gunst gevonden hebt enz. Daar echter deze woorden vroeger nergens uitdrukkelijk voorkomen, — hoewel zich dergelijke uitingen, zij het dan ook niet woordelijk medegedeeld, als van zelve bij Mozes' zending laten denken, — verklaren anderen: door mij dus de leiding des volks op te dragen, spreekt Gij vit, dat enz.

13. quot;pTI, Uwe wegen, de wijze waarop Gij de wereld leidt en bestuurt, en den weg, dien Gij mij en het volk voert. — fjiya jn nxbs opdat blijke, dat ik gunst vind in Uwe oogen. -pj) quot;O nxn enz. en blijf steeds erop letten, heb er oog voor, dat niettegenstaande al het gebeurde, deze natie Uw volk is, dat Gij in genade tot hiertoe hebt geleid en niet aanstonds zult willen vernietigen.

14. ,J£J. Als Mijn toorn geweken zal zijn, zal Ik u bevredigen; ga intus-schen reeds nu, en aanvaard den tocht naar Kena'an; waarop Mozes antwoordt: „Zoolang Uw toorn niet geweken is, zult Gij ons niet van hier voort

114

ocr page 235

b mn »3 yp

^inp üb njri prp irn^pi mnsn-bK ö * : britfn

D^n-n« id« nri« nxn nin»-^ nt^o idn»! *

^ v -«-..lt;« T - •• : t :

mownnKvsjrn^n-^K m ♦anrtin ah nnNi nin

T Squot; T 9lt;T quot; : A *p *•' : * v quot;* r* ' quot; • quot; 1 T * *• vquot;

«rDN nnyi : ^^3 rn nxso-Dai d^2

tt t ' ^t ; it y- ; kquot; t ^ jt t - : •• ; |

ip-KïOK I^D1? ?]fnTnN N3 ^nin |n

♦rinim 12V ns wi : nn Man no^ »5 nN-n va ^

• j • -li' v,*— -'quot; T quot; v.1 quot; J- •• : IAV :

: nro D^Vn ?i»:3 t^-dn vSk : ti1? id

iv- 1- quot;gt;•»*; 1 1 vt * at*• *• v- iit

Nibn ï]bv] |n 'nKxo^i xisk ynv 1 na2vc

riö-1?^ I^K D^n^ip i3sy ?|ri3|?3

ö * : nonNn

^ it ttt

ntyjw mai ntn quot;!2in-nK na H^Q-VK nin» IDN»^

AV .quot;IV t :k.' ' -»quot; ~i OV- jt t - V J- V V t ; v lt;-

tin k: ♦iN-in nax'i : deo ^^3 rn nnwi ^

^t ' jquot; : ~ A- iquot; : v,l ••tquot;it *5« ; | •• t lt;t t r

DB'S T^l?! T^'^- I^N quot;)DN»,I. : ?|i33 ^

doen trékkenquot;. Rashbam: Mijn aangezicht, d. i. Ik zelve, zal u inKena'an brengen, met u gaan en zal u rust verschaffen (vgl. Ibn 'Ezra). Hirsch: Ik zelve zal met u gaan, doch zal u bovendien uwen wensch bevredigen; het inzicht in Mijne wegen, door u, als niet door Mij zelve geleiden aanvoerder, verlangd, zal Ik u schenken, hoewel Ik spoedig weer met u zal gaan. Dan volgt vs. 15: zoo Gij niet aanstonds zelve met mij gaat, laat ons dan nog niet vertrekken.

16. God heeft hem toegezegd de vervulling zijner bede, nadat Zijn toom zal zijn geweken. ;/Niet aldusquot; — antwoordt Mozes, — //alleen toch door Uw voortdurende tegenwoordigheid onderscheiden wij ons boven andere volkeren Iquot; Laat ons dus niet optrekken, vóórdat Uw toorn is geweken en Gij zelve weer, zonder gevaar ons te verdelgen, met ons wilt trekken.

18- quot;n33gt; niet alleen Uwe wegen, maar Uwe heerlijkheid, Uw wezen, in Zijn niet meer in nevelen gehulde verschijning. Nu zijne eerste bede hem is toegestaan, waagt hij het, meer te vragen.

i9. ^aita Sa. al Mijne goedheid, de uiterlijk zichtbaar wordende werkingen Gods = -pn van vs. 13. — Deze bede wordt hem toegestaan, die van vs. 18 geweigerd. — oca vwipi kan hier niet goed beteekenen: en Ik, God, zal den naam Gods aanroepen-, uitroepen beteekent 'a Nip niet; daarom meen ik met Ibn 'Ezra te moeten opvatten; Ik, God, zal met name roepen vóór u. De vervulling dier belofte volgt 34,5 en 6.

ocr page 236

EXODUS XXXIII, XXXIV.

de Eeuwige, voor u roepen; hoe Ik gunst bewijs, aan wlen Ik gunst bewijzen wil, en hoe Ik Mij ontferm, over wien Ik

20 Mij ontfermen wil!quot; Voorts zeide Hij: «Gij kunt Mijn aangezicht niet zien; want geen menseh kan Mij zien en in

21 leven blijven!quot; De Eeuwige zeide verder: «Zie, er is eene

22 plaats bij Mij, daar kunt gij u plaatsen op de rots. Nu zal het zijn : als Mijne heerlijkheid voorbij zal trekken, zal Ik n in eene kloof der rots plaatsen, en Mijne hand over u dekken,

23 totdat Ik voorbij zal getrokken zijn. Dan zal Ik Mijne hand verwijderen en zult gij Mijne verschijning van achteren aanschouwen ; Mijn aangezicht echter kan niet aanschouwd worden!quot;

1 Nu zeide de Eeuwige tot Mozes: „Houw u twee steenen tafelen uit, gelijk de eersten ; dan zal Ik op de tafelen schrijven de woorden, die op de eerste tafelen waren, welke gij verbro-

2 ken hebt. En houd u tegen den morgen bereid; dan zult gij in den ochtend den berg Sienai bestijgen en. Mij afwachtend, u

3 daar plaatsen op den top van den berg. En niemand zal met u opklimmen; ook zal niemand op den geheelen berg zich vertoonen; zelfs het kleinvee en het rundvee zullen niet weiden

4 naar den kant van dien berg.quot; Nu hieuw hij twee steenen tafelen uit, gelijk de eersten geweest waren. En Mozes stond des morgens vroeg op, en besteeg den berg Sienai, gelijk de Eeuwige hem bevolen had; en nam twee steenen ta-

5 felen in zijne hand. Nu daalde de Eeuwige in eene wolk neder, en plaatste Zich daar bij hem, en riep met name:

20. Mijn aangezicht, God in Zijne verschijning zonder bemiddeling; hetzelfde ongeveer, wat vs. 18 -paa wordt genoemd.

21. Op den top van den berg (34,1) zal hem de algoedheid Gods worden getoond. — vin, bij de plaats, waar de Godheid Zich hem gewoonlijk openbaarde.

23. 'nnjlt;gt; de zichtbare sporen van Gods werken, zichtbaar zoowel in de natuur als in de geschiedenis. Wederom hetzelfde als •p-n, vs. 13. Zoolang de heerlijkheid Gods, ■os (vs. 23) en 1-12:1 (zie vs. 18) voorbijtrekt, zal Mozes' blik niet vrij zijn, maar zal God zelve hem den blik verduisteren. Deze toch vermag geen mensch te aanschouwen. — nnx, de na Mijne daden aan het licht tredende werkingen van Mijn wezen en eigenschappen.

Hoofdstuk XXXIV. 1. Zie onze aant. Ex. 32,30. Volgens hetgeen daar is gezegd, moet dit bevel geplaatst worden op het einde der veertigdaagsche periode van Mozes' tweede verblijf vóór God, dat op 17 Thammoez begon en dus tot het einde van Ab duurde. Volgens de traditie besteeg Mozes (vs. 4) den berg ten derden male op 1 Elloel en bleef daar opnieuw veertig dagen, zoodat hij op 10 Thishrie met de nieuwe tafelen tot het volk terugkeerde, welke dag daarom, als eens de verzoening tusschen God en Israël gebracht hebbende, tot Verzoendag bestemd bleef. —Sdb, naar Ex. 32,16 waren de eerste tafelen ook zelve, wat de stof en den vorm betreft, dtiSn ncr», werk Gods, door Hem zelve vervaardigd. De tweede tafelen moesten door Mozes worden gehouwen. Alleen het schrift zou er door

113

ocr page 237

lb 31? Ntw ^ 1L2p

: Dmx iB'N-nK ♦nonii rnx quot;iB'K-fiN^riani nin»

,.. ... j.. -. ... . j t -»••• -: v • - : I(Svt ; y,r :

: m Dn«n »3 nxib Vain N1? ION'I 3

ITT TIT -J- f I .)* AT T V J ; * J

izyz n*m : navji 'riK Dipo nan nin» ionquot;) «

-• . 1- t t : 1 - - I.T : - • : a* • I v, t jquot; • t : v -quot;33

•' ^ V? n^a '133

a *: iKquot;)* n1? nnK-nx rvxii ♦sstik 'n^Dni»

I Tlquot; j V'T AT quot;C V T r t: * - ^ • r tl-

D^3N nyVos n^o-bx nm* quot;ion»1) *

A- IT t ~J j \ Iquot;; .)| : t v v t v lt;-

D^Kin hnvjn-^ vn n^KDn^nTK nnbn-^ ♦nanaquot;) ♦i»D nn-^N np'iin ipzb fü: nm : itx -

- • j- I v - t lt;• ^t : Iv a - I ^ t jquot;: iv t :i- • jquot; -J

: inn e'nt^ damp; ^ naïiij

r - : I T gt;quot;J'-' ;i~ ^ • ; it T j V.t •)• JT : - • :

inn^Q-b« ip3ni ^yn-D? inrr^a

Span ntrü D^dk nn1?-»^ VDS'I : «inn^

nn1? its np»i inK nin* niï istks '^d in-1?» V4')

j *1 v** : t : M— a ^t : jt •)v^-: i- - • ■gt;' v ---

Nipi Dty lay nwi ri^a nin* -ITI : D^2N ^

: jt I: * - at v. jquot; ': quot; itt iv t ; v«quot;- r t -i

God op worden aangebracht. In die nieuwe tafelen lag liet teeken, dat God opnieuw Zijn verbond met Israël wilde sluiten.

2. psj nvu zorg, dat gij gereed zijt met het uithouwen der tafelen, en bereid om tot God op te stijgen. — ipaS, tegen den eerstvolgenden ochtend, d. i. morgenochtend. — -h fl3s:i, en plaats u, in a fw achting van Mijne verschijning; anderen vatten i1? als etiischen derden naamval op en vertalen dus: en plaats u.

3. De verwijdering van den berg is hier strenger, dan Ex. 19,17 en 24,9. — nSri gt;sS vsi, niemand, — ook niet de oudsten, die 24,9, althans gedeeltelijk, met Mozes den berg bestijgen, — mag thans met u opklimmen, en niemand zal zich op den g eh eel en h er g vertoonen, ook niet aan den voet van den berg, waar volgens Ex. 19,17, bij de eerste openbaring het geheele volk stond; en vee mocht niet alleen clen berg zelve niet aanraken, op straffe van ter dood gebracht te moeten worden, zooals Ex. 19,13 bij de eerste openbaring is gezegd, — maar zelfs niet weiden, inn Si» Sn, in het gezicht van den berg, in de richting naar den berg toe (Nachm.) Slechts de Goddelijke verschijning en Mozes bevinden zich op den berg, als in deze openbaring die van de tien geboden haar verdere voortzetting vindt.

5. arrn. Het is twijfelachtig, of de Godheid, of Mozes als onderwerp van deze en de volgende zinsnede moet worden genomen; in het eerste geval is Mozes den berg geheel opgestegen, als de Godheid in een wolk afdaalt en Zich hij Mozes plaatst en roept met name: Eeuicige, wat dan in vs. 6 nader wordt uitgewerkt. In de andere opvatting bestijgt Mozes den berg; inlusschen komt de Goddelijke verschijning in eene wolk op den top van den berg en plaatst Mozes zich in de onmiddellijke nabijheid dier ver-

ocr page 238

EXODUS XXXIV.

6 Eeuwige. De Eeuwige namelijk trok voor zijn aangezicht voorbij, en riep: „De Eeuwige is Eeuwige! almachtige God! albarmhartig

7 en algenadig, langmoedig en oneindig in genade en trouw! Die Zijne genade voor duizenden geslachten bewaart; die misdaad, schuld en zonde vergeeft; die echter niets ongestraft laat; maar die de misdaad der ouders aan kinderen en kleinkinderen ge-

8 denkt, tot in het derde en vierde geslacht!quot; Mozes haastte

9 zich, boog zich ter aarde, en wierp zich neder. En zeide: „Als ik dan toch gunst gevonden heb in Uwe oogen, o Heer! moge dan toch de Heer in ons midden gaan, ofschoon het een hardnekkig volk is; en moogt Gij onze misdaad en onze zonde

lOvergeven, en ons tot Uw erfdeel nemen!quot; Hierop zeide Hij ; „Zie, Ik sluit een verbond ; ten aanzien van geheel uw volk zal Ik wonderen doen, zooals op de geheele aarde en onder alle natiën niet verricht zijn ; dan zal het geheele volk, in welks midden gij zijt, het werk des Eeuwigen erkennen, hoe eerbied-11 wekkend het is, wat Ik met u doen zal. Neem goed in acht, wat

schijning en roept, aanbiddend, den naam des Eeuwigen aan; dan eerst trekt de Godneid aan hem voorbij en roept de in vs. 6 gegeven woorden. Uit Num. 14,17 blijkt, dat in ieder geval de woorden van vs. 6 door God werden gesproken, zoodat Nipo •quot;wi, beiden GW tot onderwerp hebben.— 'n DP3 N-ipi, en Hij riep met name: de Eeuwige, of: en hij, Mozes, riep den Eeuwige aan.

6. de vervulling der 33,19 gegeven belofte: God trok voorbij en

deelde Mozes in woorden Zijne, in de wereld zichtbare, werkingen mede. — 'n 'n, de Eeuwige is en blijft, met al de veelzijdigheid van Zijn werken in de wereld, de Eeuwige ; Ss, de Almacht, bron van alle kracht; Dim, met barmhartigheid Zijne schepselen in liefde in stand houdend; psm, en, als gunstbetoon, ook zonder verdiensten van de zijde der schepselen, ja zelfs na bezondiging, hun als genadegeschenk die liefde steeds opnieuw bewijzend. — D'BN -px, langmoedig, niet bij den eersten stap in verkeerde richting aanstonds straffend, maar telkens opnieuw Zijn toorn en de uitingen daarvan uitstellend, wachtend, of niet toch de slechte weg weer verlaten en de goede Ingeslagen wordt; non au, oneindig rijk in liefde, daarmede steunend den mensch, ook al verdient hij het niet altijd; rinss groot in trouw, in vervulling van de aan het voorgeslacht gegeven beloften; en goede daden, als trouw en waarheidlievend beoordeelaar, beloonend.

7 bevat de toepassing der in vs. 6 gegeven eigenschappen op het men-schelijk leven: owsS -ten iïj, genade en liefde bewarend en oefenend aan duizenden, d. i. of den goeden steeds genadig zijnde, niet alleen hunzelve, maar aan hun verste nakomelingen de deugden der voorvaderen toerekenend en beloonend; — of die de deugdzaamheid doet voortleven en zich verder ontwikkelen, als bron van steeds nieuwe deugd en daardoor van steeds zich herhalende liefde en genade; pr ssw, die zonden vergeeft en de straf ervoor kwijtscheldt; pï, zonde, door hartstocht ontstaan, maar met bewustzijn en opzet gepleegd; rws, opzettelijke misdaden, om zich weerspannig te toonen tegen God en Zijne leer; nsscm, in dwaling begane overtredingen en zonden, lichtzinnigheid; — of wel: npj' ssS npji, die geen misdaad geheel ongestraft laat, dus naast liefde ook rechtvaardigheid oefent;

116

ocr page 239

ib Kï?n ^ tüp

Dim SK nin» i nin^ Knp'i vas-Vyininniri •' i-nrr1

V. quot; . Jquot; ^ quot;quot;T : ti ; • - T T - jr : ^-:\~ IT ;

m: d^k1? ion lïj : noKi nDrram d^ön T\a risni'

^ Jquot; t -:it V V lt;••• IV v:iv v jv -; - I vjv I a - :

niiiN i np3 npr np;i nK^ni ip'i nt^o quot;inaquot;) : D'jraTtyl n

;ljquot; lquot;quot;:quot; ^ quot; q* *: r-; * -T *■ :

rn ♦nKïo xroN ■iqk#gt;i : inruil nviKa

t -: | v t^t t • v - it : * - t

13:^ nn^oi Nin ^rn^p-D^ ^ U3ip3 ^-IN Nr^y. ni:nn3 ni3quot;3':K nan IDNH * : ijn^nai lanKtsnbv

vlt;v • ; -••• • IT -»•• • v - IT : - ; ^ *.•• t - :

-,?33i pilt;n-l733 iN-!3rNi? quot;itJ'N nxbsj n'tr^K ^ajr-^s

gt; T : ' ■■■lTT T: J. : = ' S •1V ■= TP; 'p, JV ■:,V 11

nin» n^Q-nK i3-ip3 nna-ntiw Dyn-73 n^n D^ian

t : lt;•• i~ ^ v :i • ; t - v -: 't t t -'T t : a* -

nK : -ja^ n^ Kin ^

v. s. met het oog op 20,5, alleen wanneer niet door oprecht berouw en boetedoening de gevolgen der misdaad in verleden en toekomst zijn opgeheven; doch in ieder geval die zonden slechts gedenkend tot in het derde of vierde geslacht, terwijl Hij Zijne genade bewijst en de deugd beloont aan duizenden geslachten (vgl. Deut. 7,9). — Hier is dus •'2113 Sa, Gods genadige wereldleiding, in breede trekken geschilderd, welke schildering in Israëls boetgebeden als rvnn !rwï w1?», dertien eiijenschappen, telkens opnieuw in herinnering wordt gebracht.

9. Gij openbaart U thans aan mij, als de steeds genade en recht oefenende macht. Welnu, als ik, zooais Gij 33,17 gezegd heb, gunst in Uwe oogen gevonden heh, vervul dan de bede, reeds vroeger door mij tot U gericht, (33,15) en zend niet Uwen engel, maar ga Gij zelve in ons midden, of schoon het, zooals Gij 33,3 hebt gezegd, een hardnekkig volk is. Ibn 'Ezra : want ik erken, het is inderdaad een hardnekkig volk. Zooals Naciim. opmerkt, vraagt Mozes alleen vergiffenis voor opzettelijke overtredingen door hartstocht, ijjiïS, en overtredingen in dwaling en onwetendheid, wiNcnSl; niet ook voor opzettelijke, in moedwilligen afval en verzet tegen God gepleegde misdaden, OWB. God vergeeft die wel, maar het ware ongepaste aanmatiging in een mensch, om ook daarvoor vergiffenis af te smeeken. — wiSroi, Rasiiie, Kimchie e. a. en zult ons als Uw deel. Uw volk, nemen. (Vgl. Deut. 9,29; 32,9). Anderen; en zult ons het beloofde land in bezit doen nemen, als stond er een Pi'el- of Hiph'iel-vorm.

10. God bewilligt Mozes' verzoek en zal opnieuw een verbond sluiten op denzelfden grondslag als het vroegere; vs. 11—26 worden dan de grondtrekken van het verbond herhaald, om in vs. 27 het sluiten van het verbond mede te deelen. Vgl. Ex. 23,13—19. — nxSs:, met het oog op Mozes' woorden: -pï! •os wSsji, Ex. 33,16; God zal wonderen doen, zooals die nog nimmer op aarde zijn aanschouwd; die wonderen geschieden -pr, ter wille van Mozes, en bestaan in Gods voortdurende nabijheid en het rusten Zijner Majesteit onder Israël.

11. quot;IOC» ethische datief: neem vooral in acht; anderen: neem voor u w eigen w el zijn, ten uwen behoeve, in acht.

ocr page 240

EXODUS XXXIV.

Ik u heden gebied; zie, Ik zal voor u verdrijven den Emoriet, den Kena'aniet, den Chittiet, den Perizziet, den Chiw-

12 wiet en den Jeboesiet. Neem u in acht, dat gij geen verbond sluit met den inwoner des lands, tegen hetwelk gij optrekt;

13 opdat hij niet tot een valstrik worde m uw midden ; — Maar integendeel zult gij hunne altaren omver halen, en hunne ge-denkteekenen verbrijzelen, en hunne gewijde bosschen omhouwen.

14 Want gij zult u voor geene andere godheid nederbuigen, want de Eeuwige, Wiens naam IJveraar is, — een ijverend God is Hij.—

15 Dat gij geen verbond sluit met den inwoner des lands; [opdat niet,] als zij, hunne goden volgend, ontucht plegen en voor hunne goden offeren, de een of ander u zou roepen, en gij van

16 zijn offer zoudt eten. En gij zoudt van zijne dochters voor uwe zonen nemen; en als zijne dochters dan, hare goden volgend, ontucht plegen, dan zouden zij ook uwe zonen, hare goden

17 volgend, ontucht doen plegen. Gij zult u geene goden maken

18 van gegoten werk. Het feest der ongezuurde brooden zult gij in acht nemen; zeven dagen namelijk zult gij ongezuurde brooden eten, gelijk Ik u geboden heb, op den bepaalden tijd in de arenmaand; want in de arenmaand zijt gij uit Egypte

19 getrokken. Al wat den moederschoot opent, behoort mij ; ook onder uw vee, al wat mannelijk zal werpen een eerstge-

20 borene van een os en van een lam. Het eerstgeborene van een ezel zult gij met een lam lossen; indien gij het echter niet lost, zult gij het den nek breken. Eiken eerstgeborene uwer zonen moet gij lossen ; en vóór Mijn aangezicht zal men niet

12 vv. Zie onze aant. Ex. 23,20—33.

13. pman VWK De uitdrukking ms wijst beslist op eene ■planting, waarvan ook Deut. 16,21 bij de miw duidelijk melding wordt gemaakt. Het schijnt een hoom of geheele planting, boomgaard of boach te zijn geweest, die men zich onder de bijzondere bescherming der Godheid dacht, waaraan men ze gewijd had. Wanneer II Kon. 23,7 melding

femaakt wordt van tenten, die voor den Ashéra geweven werden, —dan an dit of op de in den Ashéra vereerden afgod doelen, óf het is mogelijk, dat door de klankovereenkomst met nnwi'.emaakt wordt van tenten, die voor den Ashéra geweven werden, —dan an dit of op de in den Ashéra vereerden afgod doelen, óf het is mogelijk, dat door de klankovereenkomst met nnwi'. Astarte, het woord Ashéra later in die beteekenis is gebruikt. Astarte is een in Phoenicië vereerde godheid, veel overeenkomende met de Grieksche Venns, wier geheele dienst naar Joodsch begrip in de hoogste mate onzedelijk was. In den Pentateuch beteekent het woord echter waarschijnlijk nooit iets anders, dan een aan een afgod gewijde planting.

14. JWp, SiC, een ijverend God, die eischt wat Hem toekomt, en niet duldt, dat de vereering van Hem op eenig ander wezen wordt overgebracht. De uitdrukking wordt uitsluitend gebezigd van Gods optreden tegen door Israël bedreven afgoderij.

15. tg, hangt af van -jS ison van vs. 12 en neemt, na den tusschenzin vs. 13 'en 14, den draad der redeneering weer op met dezelfde woorden als in vs. 12a.

ie. nrw m hunne goden volgend en dienend, plegen zij ontucht, om-

117

ocr page 241

ib mr\ 'D rp

♦finni ♦3^3™ npNn-nK ^200 vy ♦aan Di^n ^vo ♦saK arv1? hns rnrirrra ^ iü^h : nnni ♦hsni ='

jquot; : • ; lt; : • iv i : vjt • r : - : • r : • • ; - :

: ïjaipa t*3 nm p«n

vntrK-nMi rnairn onn^Q-nNi riinn onnata-m ^ ^

itquot; quot;i v ! 1 Oquot; quot;#: it iquot; - V : I ■ r :: • v «

lói^Kap nin» ^ quot;inn ninntrn i6 »3 : nn^Dn ^

; jt!quot; t : lt;* ,»squot; - •»•• ; ^v-: i- : • j •)• i i . : *

nnN 1 lan pxn 3E'i,t? nna nhDn^s : Kin wp. 4« ib nnp^i : innto rtaxi ^ Nipi Dn^nb^1? inan onribK 'Q

jt s I quot;it s # ' : *gt;' ^t: ■.,t: ' :■jtIt : v •• :it; v quot; i v:

nnKTas'nNwniTn^NnnNvnaman Tan1? vhaao

v.quot;-:i- I vt v : • : I v •• j v: ••-:•- t : jt: Javt ; ^t : *

hixan an-nK : ah nsDö ♦n'?^ : |n;n^^

^nnn^io1? ^n^x^niïD^nD^ np^ Hmn ^ om : DnxsD naT aoxn i^Tna »3 n^n ^

ft' v v t • it : • * t ^tt • t it v -» t ^ a* t it

n^3 nnan man iDfii : niri ncps lirn ^app-^i3 ♦as ikt-x^ nnan 1133 V3 insi^i man nS-dki

v,- t ^ tiquot; : v; • i v t lt; ; ^ a ; -'hi- : • j • :

dat het ceremonieel van den afgodendienst vaak handelingen medebrengt, die in Joodschen zin als onzedelijk beschouwd worden. Anderen denken hier aan het beeld, waaronder de menschheid, die God volgt, als aan Hem gehuwd wordt voorgesteld, en ontrouw aan God dus gelijk staat met overspel eener gehuwde vrouw. Dit beeld past echter alleen voor Israël, niet voor de Kena'anietische volkeren. — -p xipi, hierin ligt één gevaar; zij zonden afgoden dienen en u roepen tot deelneming aan het qffermaal, wat eene erkenning van den afgod in zich sluit. Hierin ligt dan het verbod, van voor een afgod gebrachte offers te eten. (Nachm.) Een tweede gevaar: gij zoudt u met hen vermaagschappen, en onder den invloed hunner hei-densche vrouwen, zouden uwe zonen afgoden gaan dienen, al blijft gijzelve ook trouw aan uwen God.

17. HDDQ TiSn» 3een gegoten godenbeeld, ook niet van den Eeuwige, moogt gij u maken.

19. De wijding der eerstgeborenen, evenals het zooeven genoemde feest, in verband staande met de herinnering aan den uittocht uit Egypte, volgt daarom hier onmiddellijk op het Paaschfeest — -otn (wn) -jjpn Sai, en al uw vee, vrouwelijk, de moederdieren, istri, voor zoover het mannelijk werpt een eerstgeborene van os of lam, hier beiden als soortnamen op te vatten: rund- of kleinvee, latn beteekent dan: mannelijke dieren iverpen, zich mannelijk vermeerderen. Anderen: wegens den SrBJ, mannelijk geboren worden; dan is -ppn als collectief voor de jonggeborenen toch vrouwelijk genomen. — opi ijs int nVi, en hiermede komt men weer op het Paaschfeest terug, evenals 23,15 onmiddellijk na de vermelding van het Paaschfeest ditzelfde voorschrift volgt. Bij het volgens vs. 23 verplichte verschijnen vóór Gods aangezicht, mag men niet ledig, zonder offergave verschijnen.

ocr page 242

EXODUS XXXIV.

21 ledig verschijnen. Zes dagen kunt gij werken; doch op den zevenden dag moet gij ermede ophouden ; zoowel in den ploeg-

22 tijd als in den maaitijd zult gij met werken ophouden. Het feest der weken zult gij vieren, van de eerstelingen van den tarweoogst; en het feest der inzameling, als het jaar ten einde

23 loopt. Drie malen in het jaar zal ieder manspersoon onder u verschijnen vóór het aangezicht van den Heer, den Eeuwige,

24 den God van Israël. Want wanneer Ik natiën voor u zal uitdrijven, en uwe grenzen zal uitbreiden, — dan zal niemand uw land begeeren, wanneer gij optrekt, om vóór den Eeuwige,

25 uwen God, te verschijnen, drie malen in het jaar. Gij zult het bloed van Mijn [Pésach-] offer niet bij gezuurd brood offeren, en het offer van het overschrijdingsfeest zal niet overnachten

26 tot den volgenden morgen. De eersten der vroegst gerijpte vruchten van uwen bodem zult gij in het huis van den Eeuwige, uwen God, brengen; gij zult geen jong vee in de melk zijner moeder koken !quot;

27 De Eeuwige zeide tot Mozes : ,/Schrijf u deze woorden op; want op grond van deze woorden sluit Ik een verbond met

28 u en met Israël!quot; Hij bleef nu daar bij den Eeuwige, veertig dagen en veertig nachten; spijze at hij niet en water dronk hij niet; en Hij schreef op de tafelen de woorden des verbonds,

29 de tien geboden. Nu was het: toen Mozes van den berg Sienai afdaalde,— terwijl de twee tafelen van het getuigenis in Mozes' hand waren, toen hij van den berg afdaalde, — wist Mozes niet, dat de huid zijns aangezichts stralen schoot, doordien Hij met hem gespro-

30 ken had. Toen Aharon en al de kinderen Israëls Mozes zagen, en zie, de huid zijns aangezichts schoot stralen, — waren zij bevreesd

31 om tot hem te naderen. Doch Mozes riep hun toe; toen keerden zij

21- TSpai zoowel in ploegtijd als in maaitijd, ook als uw hoofd

bedrijf, de landbouw, uwen arbeid dringend eischt, moet gij op den Shabbathdag rusten. — Hier, waar het vooral om protest tegen het heidendom te doen is en om duidelijk voor oogen stellen van Gods werken voor Israël, staat het Paaschfeest, als onmiddelijk ingrijpen Gods in den gang der gebeurtenissen, vooraan, om door het Shabbath-voorschrift, dat eerst indirect hetzelfde denkbeeld: //God, beheerscher der wereldquot;, voor het geheels menschdom uitspreekt, te worden gevolgd. (Vgl. onze aant. Ex. 23).

22. D'ÜH quot;TSp aan te vullen: :n, het Wekenfeest, — het feest

van de eerstelingen van den tarweoogst-, op het Wekenfeest werd namelijk een nieuw meelojfer van de nieuwe tarwe gebracht (Lev. 23,16). — ruw nsipn, hij den omloop van den jaarkring, d. w. z. hij het einde van dien omloop, óf na het einde, bij het begin van den nieuwen jaarkring. (Zie onze aant. Ex. 23,16 op de woorden wn nssa).

24. Gij zult met gerustheid uwe woonplaatsen kunnen verlaten om naar Gods heiligdom op te gaan, want Hij zal, — ook al breidt uw gebied zich nog zoo zeer uit en hebt gij dus een grooten afstand af te leggen

118

ocr page 243

quot;I1? NBTl ^ n»j5

irnna riatfn ovni n'i^n b'o* rw : Dpn«

J' T iv a : • K' / i ' J ' • iquot; ■ t v lt;quot; i it quot;

D'tan TXpniaa ^ n'c^n hyair jni : hatrn quot;

a- • -••I: • I: jv i- ^ 1T «- . 1 : .* V^T-

hNquot;!quot;1 njBgt;3 : niï^n naipn ei»DKn am »

v tiquot; lt;st t - v* t : ; t it t - v.quot; I : | * ^ t -«t - ;

'n'1?» rtirr i r'tKn ♦as-nN nnDT-bs ^

lt;• i* ^ i- t : • jquot; v: v,t s I j tit ■}•* : v ; -• : ^ r

tfn* nonrx^ ^nnn-ini D'ia

: n:^3 D'ara wbw Tr6K nin» ^stin hiNi1?

itt - : j t I v v: -«t : •• : v tiquot; P : 1*^:1-

: noan an mr npi1? jVk^i ^naroi ron-^ □nt^rr^ «

-it - j- Iv - i -•• t i * a* : * _ - i vquot; t^ j- : • 1

Vi^an-N1? ïi^ribN nin» jva nnoiK ni23 13

jquot; - : 1 I av v; jt ; v,quot; • t I : -«t ; - •• •

a * : is» nSna na

1 ^ r* -: 1- r :

-bv quot;i n-JNn Dnmrrm ^ynna nin* nax^ «

• v aquot; t -•• t ; - v u ; t ; v v t : v lt; -

-,n,,i : nna ♦ma nbxn onmn 1 ♦an3

• ;r iquot; t: • v v.' : •)! : ^ • s-t v •• t -• t ; - -••

*6 on1? D^3quot;INI DV D^3n« nin^D^ Diy

- t -• v •.•« t : - t : - : 7* t ; - t ; * -«t

mtrv nnan nm nt? nn^rrbr anaquot;! nn^ nS D'oi

■.\v -: . . - j... . ••lt; \ - j : •quot; at t j • vquot;

hiyn nn1? ♦iiri mo nt^o mia »nn : onain83

*•, it lt; ••. •• : - • J- •• v vlt;v; • :- i* t : -

vaa my np ♦a ntroi mn-p irnia nibn-i^

v.t t j » o-It -T 1 -«v ^at t i • ^ v. ; •; v - :

nam ntba-nx ♦aa-'jDi nns x-n *: inx liana ^

j., . : v .. .. t; . c.. . t ; i i- 1 • j 1 ' :

la^'i ntbobn^NNipn : ixiquot;') vaa my pp^

s-.. t- v %• •• -: «tI i * - it •• v jv * v, : r - at t I ^quot;It

van uw woonplaats naar het heiligdom, — ervoor zorgen, dat geen der omwonenden het verlangen naar een veroveringstocht in uw land in zich zal voelen opkomen.

25. riDfln jn n3t ■'' pS1 kSi. vleesch van 't Paaschoffer mag niet tot den volgenden ochtend blijven liggen, zooals Ex. 12,10 is gezegd. Ex. 23,18 staat alleen omtrent de vetstukken, die immers bij latere Paasch-offers op het altaar moesten komen, het verbod van overnachten aangegeven. Hier wordt alles onder het verbod begrepen.

28. Dt? op den berg. — aro'i, God schreef, zie vs. 1, en Deut. 10,4. — pp, stralen schieten, schitteren. Chabakkoek 3,4 staat O'np, stralen, parallel met njj, glans. Reeds Rashbam komt tegen de verklaring: horens hebben op, op grond van welke vertaling Mozes, ook in Michelangelo's beroemd beeld, met twee horens wordt voorgesteld. Men vergat daarbij geheel de woorden: vos lU', de huid van zijn aangezicht straalde, niet alleen een klein geelte van het hoofd. — vw nna, doordien Hij, God, met hem had gesproken.

ocr page 244

EXODUS XXXIV, XXXV.

tot hem terug, Aharon en al de vorsten onder de gemeente,

32 en sprak Mozes tot hen. Vervolgens naderden al de kinderen Israels, en gebood hij hun al wat de Eeuwige met hem op

33 den berg Sienai gesproken had. Toen nu Mozes geëindigd had tot hen te spreken, deed hij een sluier over zijn aange-

34 zicht. En telkens wanneer Mozes voor den Eeuwige kwam, om met Hem te spreken, verwijderde hij den sluier, totdat hij weder naar buiten ging; als hij dan naar buiten was getreden en sprak met de kinderen Israëls, wat hem geboden was, —

35 Dan zagen de kinderen Israëls het aangezicht van Mozes, dat de huid van Mozes' aangezicht stralen schoot; daarna deed Mozes weder den sluier over zijn aangezicht, totdat hij binnenging om met Hem te spreken.

1 Mozes riep de geheele gemeente der kinderen Israëls in vergadering bijeen en zeide tot hen: «Dit zijn de zaken,

2 die de Eeuwige geboden heeft te vervaardigen. Zes dagen

31. Eerst keeren alleen Aharon en de vorsten, die steeds het eerst Gods bevelen uit Mozes' mond vernam, tot hem terug, terwijl het volk nog van verre blijft staan; als hij dan tot hen gesproken heeft, en hun de vergiffenis Gods heeft medegedeeld, brengen zij dit aan het volk over en nadert, waarschijnlijk op Mozes' bevel, het geheele volk en spreekt Mozes tot hen.

32. 131 xw Sa nN enz. waarschijnlijk de van vs. 10—26 besproken voorschriften, die den grondslag vormen voor het nieuwe verbond. De bepalingen omtrent bouw en inrichting van het Godsgebouw immers, deelde Mozes, volgens 35,1, in eene bijzondere volksvergadering mede. (Nachm.) Neemt men met Rashbam aan, dat met lan uw Sa enz. de geheele inhoud van hoofdstuk 25—31 is bedoeld, dan wordt hier kort bericht, wat in hoofdst. 35 vv. in den breede wordt behandeld.

34 en 35. Dit gebeurde, zoolang Mozes leefde: zijn aangezicht was steeds door een sluier bedekt, behalve zoolang hij vóór God stond en zoolang hij, na de tent der samenkomst te zijn uitgetreden, (jwi) Gods bevelen aan het volk overbracht. Gedurende dien tijd alleen zag het volk zijn gelaat, en zag dan steeds, dat het stralen schoot; — wanneer dan de mededeeling geëindigd was, deed Mozes den sluier weder voor, tot op het oogenblik, waarop hij de tent der samenkomst binnenging, (wa) om met Hem te spreken. Tot den bouw des heiligdoms was die tent der samenkomst Mozes' tent, die hij volgens Ex. 33,7 vv. buiten de legerplaats had opgeslagen en inn Srw noemde; daarna hadden de gesprekken met God plaats in het heiligdom.

Hoofdstuk XXXV. 1. Htï'O Snp1!- Waarschijnlijk den dag, nadat hij van den berg in het leger was teruggekeerd, liet hij het volk in volksvergadering bijeenkomen, om hun de voorschriften omtrent den bouw des heiligdoms bekend te maken. — mr Sa ns, de geheele gemeente, naar Nachm. ook de vrouwen, die immers ook zouden medewerken en bijdragen tot den bouw. — onan nSx, wat volgt, zijn de zaken, gebouw en voorwerpen, die de Eeuwige geboden heeft te vervaardigen, onx ncpS beteekentniet; ze te doen, als zouden hier godsdienstplichten bedoeld zijn. Mozes' geheele toespraak tot het volk behelst niets anders, dan het hoofdst. 25—31 be-

119

ocr page 245

rh •h bnpn xvr\ »3 trp

-nnKi: DH^K ni^o wi mva D^an-Vai rnnx vbx * irwninnai nx o^'i ra

^ • ot : sv • v t t •• ^ «squot; t : • jquot; : t v, ; • i j- c

; niDD rn»i onx nanö ntbo *: 'ro ma ^ s

iv : - v.t t «-ij...- at • j-;- ,t • ; p

inMï-ijr niDsn-nx quot;i^d* ihk nan1? nirr ♦jö1? ntba «231 ^

a •• vquot;! quot; quot; quot; ■gt;' t • -•••gt; -: t :lt;••;• ^ v ;

-♦33 IKII : niï' 1^« DN 'ITbH quot;)311 ^

1quot;; iv \; jv -: v,quot; quot;t; \ -• ; v v^: tt;

n^o nt^D hp »3 nibo ^a-m

«v • •• : av jquot; : -It -j- v j- ; ^v •• t : *

D : inx nsn1? iNS-ty via-^ nioan-nx

i • r* -; v. tt v: - -

rhn onVtf ^ön'! '32 nÉto bnp'ix H

v ••lt; rtv •• -; v •*- v.quot; t : • -»•• ; o-^-; t v ^ •-• j,,l:--

D^Q* mv : onx nin» D^mn =

• t v ■»quot; it j *^tr ^.t ; jt • v -: • t : quot;

handelde. Alleen is de groepeering eenigszins anders. Het Shabbatheebod, dat 31,12—17 aan het einde der uiteenzetting is geplaatst, staat bij de mededeeling aan het volk vooraan, om het hun goed op het hart te drukken en de groote beteekenis ervan in het licht te stellen (2 en 3). Dan volgt het gebod omtrent de helling der bijdragen voor den bouw (4—19; overeenkomende met 25,1—10), en de uitvoering daarvan (20—29). Voordat nu de arbeid wordt ter hand genomen, volgt nu de aanwijzing der leiders van het werk, (30—35) wat bij het bevel achteraan komt (31,1—11). Hoofdst. 36,1—7 bevat eenige mededeelingen betreffende het ruim vloeien en het innen der bijdragen aan grondstoffen, om daarna tot de vervaardiging zelve over te gaan. Daarbij wijkt de volgorde van die in hoofdstuk 25 in zooverre af, dat daar eerst de gewijde voorwerpen, als het voornaamste en de eigenlijke inhoud des heiligdoms, worden voorgeschreven, terwijl hier eerst het tempe]gebouw wordt vervaardigd, waarin die voorwerpen hun plaats zullen vinden (3C,8—38). In hoofdstuk 37 volgen dan de heilige voorwerpen in de orde hunner plaatsing in het heiligdom: arke, die in het allerheiligste, tafel, luchter en gouden altaar, die in het heilige stonden, afsluitend met korte vermelding van zalfolie en reukwerk, (die in zekeren zin één groep vormen), waarbij het natuurlijk vooral te doen is om het reukwerk in onmiddellijken samenhang met het gouden altaar te vermelden. Hoofdstuk 38 bevat dan de vervaardiging van brandoffer-altaar en waschvat en van de tapijten en zuilen ter afpaling van het voorhof (1—20). Aan het einde der vervaardiging der woning gekomen,

Seeft men (vs. 21 — 31) geheele afrekening, hoe de bijdragen zijn gebruikt, [oofdstuk 39,1—31 behelst eindelijk de vervaardiging der priesterkleeding en wel in dezelfde volgorde, als bij het voorschrift (Ex. 28): Ephod, borstschild en mantel, die in zekeren zin één geheel vormen; dan worden de overigeeeft men (vs. 21 — 31) geheele afrekening, hoe de bijdragen zijn gebruikt, [oofdstuk 39,1—31 behelst eindelijk de vervaardiging der priesterkleeding en wel in dezelfde volgorde, als bij het voorschrift (Ex. 28): Ephod, borstschild en mantel, die in zekeren zin één geheel vormen; dan worden de overige kleedingstukken besproken: onderkleed, hoofdwindsel, broek en gordel, — terwijl de gouden voorhoofdsplaat, geen eigenlijk kleedingstuk, het laatst wordt genoemd.

2. roxSo rwvn dw mv, de arbeid, de werkzaamheden, voor de vervaardiging van het heiligdom benoodigd, mogen slechts gedurende de

ocr page 246

EXODUS XXXV.

zal arbeid verricht worden ; doch op den zevenden dag zal u een heiligdom zijn, hoogste Shabbath, ter eere des Eeuwigen; al wie

3 daarop eenigen arbeid verricht, zal gedood worden. Gij zult geen vuur ontsteken in al uwe woningen op den Shabbathdag.quot;

4 Nu zeide Mozes tot de geheele gemeente der kinderen Israels, als volgt: «Dit is de zaak, die de Eeuwige gesproken heeft,

5 te zeggen ; Neemt van bij u eene heffing ter eere des Eeuwigen ; ieder, wiens hart ertoe drijft, brenge haar, de heffing ter eere

G des Eeuwigen ; goud, zilver en koper. En hemelsblauwe, pur-

7 perroode en karmozijnroode wol, en byssus en geitenhaar. En

8 roodgeverfde ramsvellen, en Thachash-vellen en Shitta-hout. En olie tot verlichting, en welriekende stoffen voor de zalfolie en

9 voor het reukwerk van specerijen. En Shohamsteenen en edelgesteenten om in te zetten, voor den Ephod en het borstschild.

10 En alle vernuftigen van hart onder u zullen komen, en ver-

11 vaardigen al hetgeen de Eeuwige geboden heeft. Het Verblijf, zijne tent en zijn dekkleed; zijne haken, zijne planken, zijne

12 sluitboomen, zijne zuilen en zijne voetstukken. De arke en hare draagboomen, het deksel en het afscheidende voorhangsel.

13 De tafel en hare draagboomen en al haar gereedschappen, en de

14 toonbrooden. En den luchter ter verlichting en zijn gereedschap-

15 pen en zijne lampen; en de olie tot verlichting. En het reukwerkaltaar en zijne draagboomen, en de zalfolie, en het reukwerk van specerijen; en het afscheidend gordijn aan den ingang,

16 voor den ingang van het Verblijf. Het brandoffer-altaar en het koperen hekwerk, dat er bij behoort, zijne draagboomen en al zijne gereedschappen; het waschbekken en zijn onderstel.

17 De gevlochten gordijnen van het voorhof, de zuilen en de voetstukken ervoor; en het afscheidend gordijn aan de

18 poort van het voorhof. De pinnen voor het Verblijf, en de

19 pinnen voor het voorhof en de koordsnoeren ervoor. De

zes werkdagen verricht worden. Hieruit leidt de traditie af, dat alle werkzaamheden, toen verricht, samen de grenzen van het begrip der op Shabbath verboden nsNSn bepalen. Zoo geel't de Mishna 39 hoofdgroepen van verboden werkzaamheden op. — Sommige werkzaamheden worden op verschillende plaatsen in den Bijbel uitdrukkelijk als op Shabbath verboden genoemd. Zoo ploegen en maaien (Ex. 34,21), het persen van wijn en olie, beladen van lastdieren en vervoeren en verkoopen van waren (Nech. 13,15 en 16); vervoeren van zaken (Jer. 17,19 vv.), handeldrijven ('Amos 8,5), houtsprokkelen (Num. 15,32 vv.) enz. Hier wordt vs. 3 nog in het bijzonder: vuur ontsteken genoemd, v. s. om duidelijk te zeggen, dat het op Shabbath verboden is, in tegenstelling met de feestdagen, waarop het volgens Ex. 12,10 is toegestaan. (Rasiijsam, Ibn 'Ezra ; vgf. Nachm.)

4- ICnS, volgens Rasuie hier: om u te zeggen.

5. DSrttCO Vip. Neemt van wat hij u is, van uw bezittingen; dan is het geheele volk aangesproken onderwerp. (Zie onze aant. 25,1).

lü

120

ocr page 247

n1? bnp'i Dp

rinaK' naty trTp DDquot;? Di'3i roK^o n't^yn

i v, t - , ■gt;' ~ *•»•) J'-quot;r v : r ^ • : - j - t t : -••.• i**

Vds k : nov 13 nfctyrr1^ nin^j

^ : •• j -n- • 1 |t vt t • •) jquot; ir t at i-

a : na-^n dvs DD^hntyo

it - - v. ; ^ av •• 1 : 1

-ib'» imn nr -iük1? nibo iok»! ■gt;

•-• -: tt- jv * 1 quot; v.quot; t: • iquot; : j-^-: t v v v -•-

13^ yi: ^2 nin^ nonn ddpko mp : to1? nin» mxquot;

•quot; : lt; ti- t : lt;v ; • iquot; i : i •• j.t : jt •

p-nmnbom : ciddi dht nin' nönn nx nK'an

Ijtt : - : vsquot; ; v i : | v ^ v t ^tt at : -»- : vquot; tv • :

rnjn dwno dVk nlyi : q^i n^ini'

nn^an hnö1? fa^i : D'tstr D^nnn

: fE'nbmsjs1? D'Nv'ü 'jdni Dn'^-^DNi : D^SDnn-iüp^0

i v 1 - ; ^ quot;it a* *•, v.quot; : - : - quot; : - ; r - - v ^ i; • ;

: nirr niv iny D33 a^-Dan-^i'

it : v.t • r.' ^-; t .)•• ^-rr: ^ t av t t :

TIN v^npTiNquot;! vp-jpTiK inpapTiN') i'pnK'nx ^arrm^ quot;nK virnKi pNn-nx : v^N-riKi vinynx in^na ^

vt- v : i j t it v it t-: v ; ^t v t * :

-dni inrnxi rn^mnx : ^oan nana nxi rriaan ^

v : v.t - v : ' jt : •-. - v )it t - v jt v.quot; ; va - -

n^a-nxi niNan n-iiD-nNi : o^an on1? nKi vba-^a ^

t v.V •• ^ v : •) t - s~ : v ; i* t - v jv v.quot; : at •• t

tini niüpn naro-nNi : nxsn rot nxi n^nnrnNV0

v ; v i; - lt;-: • v : it- I v jv : t av iquot; v :

nnan -iDü-nKt d^dh nnL:p nxi nntrsn rot? rwi via

^ quot; Vquot; quot; IJ-t v: a- - - v j i: ; t: • - i v-«v •• ; t-

n^nan laaDTiKi rtëyn naro 1 hk : ra^sn nna1?m

: - lt;- : * v ; t 'it j- : • -•quot; i it ; • - - jv :

nK : laa-nNi i^arrnx v^a^a-nKi via-nK

••lt; i - v ; v. * - v at •• t v : vt - v v -:

: li'nn lyv tido nxi n^in-nxi vnarnh lïnn 'v^p

iquot; t iv quot;-j- kquot; t quot; ; tav t -: v : \gt;r\^- v •• t iv ^quot;:l-

tin ; onnn^Q-nNi quot;ivnn n'-in^nxi p^an n-in^nx ^

iv •• : iquot; v : ;■• t IV J : • v • I .jt : • - s : ■ v us

11. Eerst wordt het gebouw genoemd en dan alle voorwerpen, gaande uit het allerheiligste naar het voorhof, van binnen naar buiten.

12. -pOD rol3gt; ',e' voorhangsel, dat een afscheiding vormt tusschen het allerheiligste en het heilige (zie onze aant. Ex. 26,33). Onder pc?» worden de kostbare tapijten, onder iSnx de tapijten van geitenhaar, onder inos» de dekkleeden van Thachash- en roodgeverfde ramsvellen verstaan. (Zie Ex. 26,7 en 14).

17. rPJItf DJO V10J? DN) mannelijke en vrouwelijke uitgangen naast elkander, isn dus gemeenslachtig, evenals mi, rs en andere woorden.

ocr page 248

EXODUS XXXV.

kleeden om in te pakken, om te dienen bij het heiligdom ; de heilige kleederen voor den priester Aharon, en de kleederen

20 zijner zonen, om als priesters te dienen.quot; Hierop ging de gansche gemeente der kinderen Israels weg uit de tegenwoor-

21 digheid van Mozes. Nu kwamen zij, ieder, dien zijn hart ertoe verhief; en ieder, wiens gemoed hem tot geven dreef, bracht de heffing ter eere des Eeuwigen, voor de vervaardiging van de tent der samenkomst en voor al het daartoe behoorende werk,

22 en voor de heilige kleederen. Er kwamen zoowel mannen als vrouwen ; allen, wier hart ertoe dreef, brachten oorringen, neusringen, vingerringen en armbanden, allerlei gouden voorwerpen; zoo ook ieder, die eene heffing van goud ter eere des Eeuwigen

23 afgezonderd had. Ook ieder persoon, bij wien aanwezig was hemelsblauwe, purperroode of karmozijnroode wol, en byssus en geitenhaar en roodgeverfde ramsvellen of Thachash-vellen,

24 bracht het. Al wie eene heffing in zilver of koper wilde schenken, bracht de heffing ter eere des Eeuwigen; ook allen, bij wie Shitta-hout aangetroffen werd, tot vervaardiging van al

25 het werk, — brachten het. En iedere vrouw, die wijs was van hart, — zij sponnen met eigen handen en brachten het ge-sponnene aan hemelsblauwe, purperroode en karmozijnroode

26 wol en byssusgaren. En alle vrouwen, wier hart haar ertoe

27 verhief in wijsheid, sponnen het geitenhaar. En de vorsten brachten de Shohamsteenen en de steenen om in te zetten voor

28 den Ephod en het borstschild; En de specerijen en de olie, tot verlichting en voor de zalfolie en voor het reukwerk van

29 specerijen. Iedere man en vrouw, wier hart hen dreef om te brengen voor al den arbeid, dien de Eeuwige door Mozes geboden had te verrichten ; zoo brachten de kinderen Israels eene vrijwillige bijdrage ter eere des Eeuwigen.

20. Tegenover de gemeente schijnen de te vervaardigen zaken slechts bij name opgenoemd te zijn, en niet uitvoerig beschreven. Alleen de benoo-digde stoffen werden genoemd. Aau de leiders van den arbeid werden natuurlijk alle bijzonderheden medegedeeld.

21. uS wr: quot;itrN* rw Sa. ieder, wiens hart hem ertoe verhief, die zich ertoe bewogen en in de verheven stemming gevoelde, om te geven. Hier wordt nog niet gezegd, wie er al zoo gaven. Eerst later blijkt, dat allen hunne bijdragen leverden. — ros1?»1?, voor de bewerking van het (/ehouw des heiligdoms, iïid bnx, en voor al de gewijde, voor den dienst erin bestemde voorwerpen, vnajj Sa1?!, en voor de heilige Ideederen, priester- en dekkleederen, t/ipn i-oaVi.

22. Si? DTJND. zoowel de mannen, als de vrouwen kwamen, Sr = Dlquot;, evenals Gen. 32,12, D'o: Sr dn. — nn, v. s. gesp of haak, anderen: oorring;

n. a. ia verband met nh' doorn, een soort naald, waarmede de kleeding

wordt vastgestoken, broche. Over ot: zie Gen. 24,22. — «13, v. 3. een uit

121

ocr page 249

n1?

|rün Kn'pn nirnK -i^ri n;3

♦jabo : rna1? vw'njrnK^

J'\: ' 'q i:'T:'v,quot;! i •gt;quot; • T ....... 1, . -: |ATT . .,.

nmj 13? TK^ri^K ty^-73 * : n^a «

^ t :it v -: : ^ ^ quot; quot;' T Tquot; Iv

n^io bnN nsNSp1? njrr nonn-nK inx inm

: ^-t^n npbi ==

anr bist nj;3^ dtji nn ix^n nb' an: 1 Va

tt ■quot; : T t ; ^-lt;- - ; vvt ^t * •• •• -•• : j

-IB'N : nin^ anr naun niyN ^-Vav»

-: • t ; it 1- itt J- : f r •• r.- -: • t ;

rhin ün^i n^ini joanKi n^n inK NÏD:

nonn DnD-^| : wnn o^nn niyi DWNO DV« ^ iri« kïö3 ie'n Vdi nin» nann nx wan ntrmi c]pa ■nD3n n^-^ai : iN^an nia^n na^VD-ba1? D^ty 'vy «

~ : quot;. jt • Ti ^ . V* quot; ^7quot; v ^** : T : ,r * ''* :

■nK fósixriTiNquot;! nbann-ns nhn i^rn na nn^a aV n:nK ?av i^k '.vrvrrnir) nv'pin13

t^t ^ i jt • JT T ••' -'. ' T - T : iquot; quot; v ; v,* t quot; ^ J'

Dntbn dn ix^an DN't^ani : D'tyn-nK iiu naana quot;

- ■*•• : - ••« * quot; r - it v ^ t iit : t :

rotyn-nNi D'^an-nNt : max1? D^DH ♦jax nxi ^

i vat - v ; v V. ~ •-* : i v 1 - ; ^ quot;it a* •.. • - .»••;- :

t^K^a : D^SDn nnüpl?'i nnirön IIND1? »=

t • : t 1*-- v v^l: • : . t : • - i v v : :

nin» niï quot;IÏ^K na^arrSa^ ^anS hnxazb an: Iamp;K

•)t ; st * v -: t t ; - t : • r : t t • -»- t v -i

* : nin^ nan: bxit^-^a ix^an n^a-ra niiry1? .

it 1- v.t t; •)quot; t : • iquot;: s' quot; av - ; ^ ^1-

gouden bolletjes saamgesteld snoer, dat om den hals of om den arm werd gedragen, arm- of halshand (Num. 31,50); v. a. een gouden slot aan een halssnoer van edelgesteenten. — epn, eig. eene beweging heen en weer met iets maken, om het God te wijden. De zin is: mannen en vrouwen brachten allerlei gouden voorwerpen en sieraden, en bovendien bracht ieder wat hij als vrijwillige gave den Eeuwige aan goud wilde wijden.

25. aS naan. die ertoe bekwaam waren. Na gesponnen te zijn, hadden de wolsoorten reeds de verschillende kleuren. De draad werd dus geverfd, —-misschien zelfs de icol, reeds vóór het spinnen, —niet eerst deyeiceven stof. Vs. 23 zegt, dat de aanwezige voorraad aan draden van verschillende stotïen en kleuren werd geschonken; ons vers, dat de vrouwen zorgden voor vermeerdering van den voorraad.

ocr page 250

EXODUS XXXV, XXXVI.

30 Mozes zeide tot de kinderen Israels; «Ziet! de Eeuwige heeft met name genoemd Betsal-el, den zoon van Oeri, den

31 zoon van Choer, uit den stam Juda. Dezen heeft Hij met een goddelijken geest vervuld, in wijsheid, in inzicht en in kennis

32 en in allerlei arbeid. Ten einde ontwerpen uit te denken, om

33 ze in goud, in zilver en in koper uit te werken. Ook bij de bewerking van edelgesteenten, om ze te zetten, alsook bij het bewerken van hout; om allerlei werk naar ontwerpen te ver-

34 richten. Ook heeft Hij hem in het hart gelegd om te onderrichten ; hem en Aholie-ab, den zoon van Achiesamach, uit den

35 stam Dan. Hij heeft hen met wijsheid van hart vervuld, om te vervaardigen allerlei werk van ambachtslieden en kunstwevers en van borduurders in hemelsblauwe, purperroode en kar-mozijnroode wol en byssusgaren, en van wevers; tot mannen, die allerlei arbeid verrichten en plannen ontwerpen.

1 Nu zal Betsal-el, en Aholie-ab, en ieder man, die wijs is van hart, in wien de Eeuwige wijsheid en inzicht gegeven heeft, om te weten, hoe al het werk ten dienste des heiligdoms vervaardigd moest worden, alles maken, zooals de Eeuwige geboden

2 heeft.quot; Mozes ontbood Betsal-el, Aholie-ab en ieder persoon, die wijs was van hart, wien de Eeuwige wijsheid in zijn hart gegeven had, ieder, wiens hart hem ertoe verhief om tot den

3 arbeid toe te treden en dien te verrichten. En zij namen over van Mozes de geheele heffing, die de kinderen Israels gebracht hadden voor het werk, ten dienste des heiligdoms, om het te vervaardigen. Doch deze brachten nog steeds vrijwillige bij-

4 dragen eiken morgen. Toen kwamen al de wijzen, die den arbeid voor het heiligdom zouden verrichten, ieder van zijn

5 werk, dat zij vervaardigden ; En zij zeiden tot Mozes, als volgt: «Het volk brengt zeer veel; meer dan voldoende is ten dienste van het werk, dat de Eeuwige geboden heeft te vervaardigen.quot;

6 Hierop gebood Mozes, en liet men door het leger den roep gaan, als volgt: «Man noch vrouw zullen eenig goed meer gereed

33. rarna rONSO) werk van een gedachte, werk naar een ontwerp, naar een vast plan; v. d. de algeraeene naam voor elke kunstbewerking.

34. Behalve eigen kunstvaardigheid, heeft hij ook de gave van God

gekregen, op anderen zijne bekwaamheid over te brengen. — ton ___inw,

het onverbogen voornaamwoord voor den vierden naamval.

35. enn *s een bewerker van hout, steen of metalen, een ambachtsman, beter misschien: bewerker van harde stoffen. — roxSö Sa is bijstelling bij □n.s in het begin van het vers. Betsal-el en Aholie-ab zijn dus knappe werklieden en maken tevens de ontwerpen; practisch en theoretisch meesters in de verschillende vakken. — Anderen: den arbeid yamp;npersonen, die allerlei werk doen en plannen bedenken, — afhankelijk van rosS» Sa, in 't begin van 't vers.

122

ocr page 251

I1? rh bnpn Mp

Dtra nin» Kip iNi ^rbtt niyo 17

•)quot; ; - : Aquot; : v.t ; jtIt •) ; •• t : • •quot;• ; v v v «-

d^k nil inK : mirr ntso1? iin-p nwrs ^

lt;s- v: ~ -* ^ gt;••-;- it ; r* - : ^ I v I v

rin^no : rDN^ö-b:Di n^quot;oi naiana nDDna ^

a t -: 1- v. : - : it t : t ; ; jt : • .)t : t :

nN-JO1? pK nEhrai : nirnaai tioani ants rivvh amp;

k ~ : » quot;-• •)quot; v gt;1 -; 1- v 1 ; - I v (.V ~ jtt - .) ^—.i-

m: rhin^i : n^no rv nt^-in^i ^

i •*- t v, ^ : v it -: 1- v r.* : t : v ïiquot; I *• i-

Dn^ N70 : rrntsD1? 'noo^nK-ra Kin ^

t •• • i jt •• - : kt t r ~s iv jt • *: it : a • :

nSsns Dphi 1 Khn ni'^rb a^-nDsn

vjquot; ; - 1 •• ; : jtt v ■quot;.• ; t ^-:i- •• - : t

nrVina ?ó:-iN3i

Vquot; • 1 • t t : t ^ Aquot; : v,quot;. quot; ^ j '' T 'q s' : i tt : - it ,

n^'DDn wx 1 SK^nMi Soïn ntr^i : nbtrnoquot; 1

- -: j. j . T . T: IT^; ..... T ^ i^t -: r

■^■hk nsns minm n^n nin» rna i^k

t v -:i~ ^ j- t t •• t t : lt;t : t t ; i - t v -:

ntba Nnp»,i : nin» nimtyN ^ tripn n-i2^ naK^Da

^ jtI:*- it ; i.t • v -: j ; v| a - -•- v v,quot; :

tn: quot;ityN n^-Dnn SNI

i s~ t v -: •• - -j -*• t v ; t * ▼; it v ; :

rDt^srrbN nmpV li}1? ïm: b'3 12^3 no^n nin»

v.t^ T ' v ^t :It ; • -' t ; -»v -: ^ lt; a • : v.t : t ot :

quot;ik'n nannn-^ nx n^o ♦jöba inpn : nnx nm^j

pquot;p -S t : - t lt;•• V I;-- iT j «-j,-

orn nnK tripn nin^ nzvhpb ^3 win D^ODnn-Va INTI : quot;ipsa ipsa nam my v^x wan-1

• • t -: j- t t- iv i - \v J - ^t tc ^.) jt ••

-iitn inaxbsp ah'pn na^p-ba n« D^n

«♦an1? D^n D^aiD quot;ibN1? ntyD-^N iiöxn : nanquot;

a- t ; 'Ctt r : - •• -Jv v ^ : i - r ^ r j-

i2n : nnx n'^1? nin» nin^N naxba1? nna^n no ^

-j-; - it j :iquot; ^t : jt • v -: t t : ~ t -:it lt;•• •

-iiy-feTquot;^ ntrNi noN1? nanoa bip n^a

•) ^n- - t * : •j- v -; i- - i j - ^r-

Hoofdstuk XXXVI,1 vormt het slot van het vorige stuk (35,30 - 35), en behoort nog tot Mozes' woorden. De vervaardiging zelve immers wordt eerst vs. 8 begonnen.

6. ntrO IS'I. Mozes gebood uit te roepen; Sip vmïm, en men volgde dat bevel op. Uit de uitvoering blijkt de inhoud van Mozes' bevel. — ros1?», goed, bezit; evenals Gen. 33,14, Ex. 22,7 e. a. p. — nr iw Sn, zij zullen niets van hun bezit meer doen overgaan tot de heffing, bestemmen; anderen: niets meer bewerken, spinnen enz.; n. a. aanschaffen; het is echter de vraag, of zij wel iets kochten om het als gave te schenken, en niet veeleer uit hun bezit afzonderden, wat zij wilden wijden.

ocr page 252

EXODUS XXXVI.

maken voor de heffing des heiligdoms!quot; Toen hield het volk

7 op met brengen. De voorraad was voldoende ervoor, voor het geheele werk, om het te maken, en om over te laten. —

8 Nu vervaardigden alle wijzen van hart onder hen, die het werk deden, het Verblijf uit tien tapijten ; van getweernd byssusgaren, en hemelsblauwe, purperroode en karmozijnroode wol, met

9 Cheroebiem van kunstweverswerk maakte men ze. De lengte van ieder tapijt was acht en twintig el en de breedte: vier

10 el ieder tapijt; één maat hadden al de tapijten. Vijf dezer tapijten verbond men het eene met het andere; en ook de vijf

11 [overige] tapijten verbond men het eene aan het andere. Men maakte lussen van hemelsblauwe wol, aan den rand van het ééne tapijt, op het einde aan de tapijtverbinding ; evenzoo maakte men aan den rand van het tapijt, dat bij de andere tapijten-

12 verbinding het uiterste was. Vijftig lussen maakte men aan liet ééne tapijt, en vijftig lussen maakte men aan het einde van het tapijt, dat in de andere tapijtenverbinding was; zoodat de

13 lussen nauwkeurig tegenover elkander stonden. Ook maakte men vijftig gouden haken; en verbond de tapijten met elkander door middel der haken, en zoo werd het Verblijf één geheel.

14 Ook maakte men tapijten van geitenhaar tot eene tent over

15 het Verblijf; elf tapijten maakte men ervan. De lengte van ieder tapijt was dertig el, en vier el was de breedte van ieder

16tapijt; één maat hadden de elf tapijten. Vijf dezer tapijten verbond men afzonderlijk met elkander; en de zes overige

17 tapijten ook afzonderlijk. Men maakte vijftig lussen aan den rand van het tapijt, dat het uiterste in de tapijtenverbinding was ; en vijftig lussen maakte men aan den rand van het tapijt,

18 van de andere tapijtenverbinding. Ook maakte men vijftig koperen haken, om de tent te verbinden, zoodat zij één geheel

19 vormde. Men maakte ook een dekkleed voor de tent, van roodgeverfde ramsvellen, en een dekkleed van Thaehashvellen

20 daarover heen. — Men maakte de planken voor het Verblijf,

21 van Shitta-hout, overeindstaande. Tien el was de lengte eener

22 plank; en anderhalve el de breedte van elke plank. Twee pinnen waren aan elke plank, als laddersporten, de eene naast de andere; zoo maakte men aan al de planken van

123

23 het Verblijf. Men maakte namelijk de planken voor het

7. on. 0enne'.l voor hengt; d. 1. voor de verschillende te vervaardigen dingen, of v. a. voor de arbeiders. Rashbam meent, dat Q'T een bijv. naamw. is en beteekent: genoeg. De O. evenals in opn, D:n, enz. — mim, een onbep. wijs, parallel met nifïS, — ininSi, en om over te laten; anderen: en m e n liet nog ocer.

ocr page 253

nn^nni^am : trn'pn nonn1? I-OKVÜ '

:it t t ; - : r t iquot; ^tt j** t • - vIa - jquot; ; • ^.t t :

Svw d * : quot;inini nn« ni^1? rot^arrV;^ onquot;

-:i— Iquot; ; «VT J T ; ~ T : OT ~

vv riyy iamp;y ra^an-nN nD^Van

j.. ** •: v 'jv Kt ; • - v ot t :^ quot; squot; : quot; ~ -: t

n'^a 0^12 ^ n^im ra-nxi n^Dni nftya

jquot; : i- •)*•.: * t : i tt ; - : •.•lt;••; t: t

naK3 bn'^i niat^ nnxn n^n^n -iik ; am lt;=

t -jt • : v: lt;v : - - it ■'T •: - j ••• it ^ jt yr

: n'yn^n^D1? rm ma nn«n njrn^n naxa anni

i •: - t : v.quot; ~ jt • at v it ^t /: quot; t - it -»quot; :quot; ^ quot; :

nin h^n' tyani. nnx-bK nn« n^n^n t^an-nK quot;lan^v h^n^n nat^ ^ iyv'i : jtik-Vk nnx ^

quot;t •: - . *■ : •* *'^: •• : '* ------it v v v.- -

niirpn n^n^n naira p manaa nvpa nn«n

t m*- *t •: - j- : • t t ilt;quot; vat : - quot; ^.tlt t v it

rmn n^n^a nfry o^an : manaa

t v it ~t •: - t t t l\ j. . -j ^ ,. .. - vv.v : - -

rvjETi manaa ib'x n^n^n nxpa nir^ D^ani

a* •• quot; v-»v ; - - -: 't •: - jquot;!: * t t t' quot;!,~

tnp D^an : nn^-1?^ nnx ri^apa ^

♦nn D^onpa nnx-^N nnx nyn^n-nK nan^i anr

j* : - • tI: - - - v - ^ •: - v - at t

3 : nnK ratran

it v Ut^: •

n^n» mi?jrr)Bty_ la^an-1?^ bnsb

vanKi naxa nnxn njn'n tik : ddk n'^«

^ jquot; : quot; : t quot; it • ; - - it 'jt •: quot; | v it jt t

: nim* ni'^ nnN ma nn^n n^n^n am max

•i •; v,quot; ï • Jquot; : : quot; quot; -,t • at v it •jt •: - quot;v.

: nab riirTn irty-nKi i±gt; njm^n ^an-n« nann ^

it : M. *: quot; Jquot; ^ v ; at : i. *; - jquot; •: v •)quot; - : -

manaa m^pn nim^n na'c o^an ^jr-V

vat : ~ ~ ^t 11* - t •: - ^ ' ~: -» t r-. ---

: n^trn mann nrn^n na'^-b^ n'tri; nxS1? D^ani

|. .. - y^v i- t *: ~ ■»* : t t i*-. j* • -:i-

: nnK ri^n1? ^nxn-nK lan1? o^an nK'n: 'Dip ^

it v j i i' v v. t v jquot; - : a* • -: v v. ; ^ jquot; ;|- quot;•)—

D^nn nMj; noaai D'anxa dVh mgt; ^nxb noaa ^

V,* t : •)quot; ; * a* t t ; \gt;' quot; j v t v ; •

D^ïsb' r*# ja^a1? D'pnpn-nK D * : n^aba = an'i naxn ^ni nawi ^ipn hax : onay «

- V, t - it -'•^-:r t.quot; : ^ vIat^- | vj - v quot;jv r ; n

-Vk nnx na^^a nnxn ^quot;ipb m» 'ntr : nnxn Bhpn ==gt;

v* ~ t ••. : t v it vjv~ t •*quot; : it v t v| jv -

annprrnK iry»i : p^an ^np Va1? ntb^ ra nnx»

v,* tI; - v i it ; • quot; r* :|- v. : t ^t i-»quot; at v

ocr page 254

EXODUS XXXVI, XXXVII.

24 Verblijf: twintig planken aan de zuidzijde. En veertig zilveren voetstukken maakte men onder de twintig planken; telkens twee

25 voetstukken onder iedere plank voor hare twee pinnen. En voor den anderen zijwand van het Verblijf, aan de noordzijde, maakte

26 men twintig planken. En hunne veertig zilveren voetstukken ;

27 telkens twee voetstukken onder iedere plank. En voor den achterwand van het Verblijf, ten westen, maakte men zes planken.

28 En twee planken maakte men voor de hoeken van het Verblijf,

29 aan den achterwand. En zij sloten beneden nauwkeurig in elkander, en ook van boven liepen zij, één geheel vormend, te zamen uit in één ring; zoo deed men met hen beiden, aan de

30 beide hoeken. Het waren dus te zamen acht planken, met hunne zilveren voetstukken, zestien voetstukken ; telkens twee

31 voetstukken onder ééne plank. Voorts maakte men sluitboomen van Shitta-hout, vijf stuks voor de planken van den éénen

32 zijwand van het Verblijf. En vijf sluitboomen voor de planken van den tweeden zijwand van het Verblijf en vijf sluitboomen voor de planken van het Verblijf aan den achterwand, ten westen.

33 Men maakte den middelsten sluitboom, om in het midden der planken van het eene einde tot het andere als grendel te dienen.

34 En de planken belegde men met goud, en hunne ringen maakte men van goud, tot huisjes voor de sluitboomen; en belegde de

35 sluitboomen met goud. Ook maakte men een voorhangsel, van hemelsblauwe, purperroode er karmozijnroode wol en getweernd byssusgaren ; van kunstweverswerk maakte men het, met Ke-

36 roebiem. Men maakte ervoor vier zuilen van Shitta-hout, en belegde ze met goud; ook hunne krammen van goud; en men

37 goot er vier zilveren voetstukken voor. Men maakte een afscheidend gordijn voor den ingang der tent, van hemelsblauwe, purperroode en karmozijnroode wol en getweernd

38 byssusgaren, borduurderswerk. En vijf zuilen ervoor met hunne haken; men belegde hunne bovengedeelten en hunne windingen met goud, en de vijf voetstukken ervoor van koper. —

1 Verder maakte Betsal-el de arke van Shitta-hout; twee en eene halve el was hare lengte, en anderhalve el hare breedte,

2 en anderhalve el hare hoogte. Hij belegde haar met zuiver goud, van binnen en van buiten; en maakte daaraan een

124

3 gouden krans rondom. Hij goot er vier gouden ringen voor,

HoornsTDK XXXVII. 1. Wegens de groote beteekenis der arke, wordt bij haar uitdrukkelijk vermeld, dat zij het werk van den opperleider van den arbeid, Betsal-el, is.

ocr page 255

6 I1? brtpi quot;op

-♦HN trya-iKi : 333 n^öb D^np nn'^v pirs1? ^

.. ; - • t :quot; • ^ T,T^ quot; vquot;'v v.quot; : * • tI: •»•; 'v Iat: • quot;

ty-ipn-nnn o^ipn on-^ nnn rivy tpb

v|lt;'.' - - i- • t-; •• : a* tI; quot; -•• : ^ - v.quot; t 'v v

♦my1? -inxn triprrnnn d^ik vrvr -inxn

jquot; ; • v it vUv - - 1- 0* t-: squot; : t : ■quot;• : * t v it

Dntr^ ntr^ ïte* nKaS pt^an : vnn*«

j*: .• vt i a t jquot; : • i.*quot; - |.)t ; • - ~ s'.' : it :

iripn nnn D^inx epa : D^quot;ip«

vJ-jv- - * T-J Jquot;: I vat •• ; - ^5* t ; - i r tI:

rattan ♦nsi^i : quot;inxn B'-ipn nnn nnxn»

i^t : • ■ jquot; : ;#-; 1 «t v it v|jv - - • t-i jquot; ; t v it

nynp^ n^ a^-ip ; o^np nvw n'^ na*quot;3

v. J r-. : * t r • tI: lt;•• : r ti; jt • ^t t tat

b^an vnnnn^ htab^a aa^in vni : D'nsTS rsiran03

• quot; « : r t : -: t - ; • • -: i j t : • it t ~ i at ; • quot;

Dn^B'1? nfry p nnxn nyatan^N

v.-: • v •• •: * ■jt r i ••« at vit vquot;^quot; quot;

quot;ivy n^ c]pi) Drrnw npp vnquot;) : rispan ^ iy^»1 : nnNn lihpn nnn d^in ♦ia' b^n« quot;M d^ik ^

jquot;quot; it v it vljv - quot; f • T-I -•• ; • t-: lt;•• : a* t-:

: nnxn rai^an-^ï ^ipS n^an 'vy ♦nna

it vit Kt : • - quot; iv jquot; ;l- : t • -: A* '. ■••• . v.quot; * :

bnnn ntrani n^trn p^an-^bï ^ip1? onna n^ani ^

• : lt;t • -:r a* •• - Kt : • - ^ - iv :l - : • • : jt * -:i-

l^nn nnarrntf : na» D^nsT1? |3^an ^ D^npn-nKi : nvpn-^K nïprqa D^npn Tjina nnn-? ^ -nK ei^i onna1? D^ns Dhr nfry bny3L3-n«i nnt naï

|j- ;- a' • ; - v* t t.t -quot;t t ^ t quot; v : tt quot;jt '

n^bim ra^Ki nbrm nD^n-nx : anr onnan ^

: mtt : - ; vs- ; v t - v ------itt -

v»i : D^quot;)3 nm n^ 3^n n'^a ir^a ^

i* •..; v.t jr. t jquot; -; i- at: t^ -'•• : v,* t

DnV px,i ant onm anr DÖÏ'I D^èiy may nyinx rfi

vt i -• * quot; . at t v.v quot;it tt • • jquot; t t ; - t

n^n ^namp;n nna^ noa : eprpnx nysnx'1'

v squot; : v t - jv : )t t #tlt;— i v it •• ; - ^rr :-

viiarnNi : Dpn nfrya nn^a t^iri n^im ?o-nw ^

«t v : 11quot; ^•••^11- at: t -quot;• : v.* t _ Jquot; :^I )tt : - :

nnr on^ptym DH^NI nsxi Dn^rn^i n^an

gt;v •• : - : att v,quot; 'quot; 1% ~iquot; •»•• quot; it st • : v ••■jt v : t • -:

3 : n^n: nt^an

^ v i : (.t • -:

nawi ISIK ♦xm D^naK o^taiy ^ fi^n-nx ^^3 vy)x

lt;t - : : t * •• t • - t - a* • -jquot; -: 1 t it v .)•• : ~ : ^ ^quot;s

n^a iinta 3nt mavn : map ♦ïm naxi I3nn ^ni =

• j- • v. t jtt ■)•*-:- i t i i • v,quot; t jt - : : t *' t

nv3a V3quot;ik 6 pri : 3^30 3nT it lb ^»1 nnav

^ - i -» • - 1* t v,tt jquot; -) j— i a •

ocr page 256

EXODUS XXXVII.

aan hare vier hoeken, twee ringen namelijk aan hare ééne zijde 4 en twee ringen aan hare andere zijde. En hij maakte draag-oboomen van Shitta-hout en belegde ze met goud. Hij stak de draagboomen in de ringen, aan de zijden der arke, om de arke

6 te dragen. Ook maakte hij een deksel van zuiver goud, twee en een half el was zijne lengte, en anderhalf el zijne breedte.

7 En hij maakte twee gouden Cheroebiem ; van gedreven werk Smaakte hij ze, uit de beide einden van het deksel. Eenen

Cheroeb [namelijk] uit het einde aan den éénen kant, en eenen Cheroeb uit het einde aan den anderen kant; uit het deksel zelf 9 maakte hij de Cheroebiem, uit zijne beide einden. De Cheroebiem waren uitspreidend hunne vleugels naar boven, beschuttend het deksel met hunne vleugels, en hunne aangezichten naar elkander toegekeerd; doch naar het deksel waren de aangezichten der Cheroebiem gekeerd. —

10 Ook maakte hij de tafel van Shitta-hout; twee el was hare

11 lengte, eene el hare breedte, en anderhalf el hare hoogte. Hij belegde haar met zuiver goud en maakte er een gouden krans

12 aan, rondom. Hij maakte er namelijk eene lijst van eene hand breed aan, rondom ; en aan deze hare lijst maakte hij een gouden

13 krans, rondom. En hij goot vier gouden ringen ervoor en plaatste de ringen aan de vier hoeken, die aan hare vier pooten waren.

14 Tegenover de lijst waren de ringen ; als huisjes voor de draag-

15 boomen, om de tafel te dragen. Hij maakte de draagboomen van Shitta-hout, en belegde ze met goud; om de tafel te dragen.

16 Ook maakte hij het gereedschap, dat voor de tafel bestemd was: de daarbij te bezigen schotels en lepels en reinigings-pijpen en stutten, waarmede [het brood] gedekt werd, van zuiver goud.

17 En hij maakte den luchter van zuiver goud; van gedreven werk maakte hij den luchter, zijn voetstuk en zijne schacht; zijne kelken, knoppen en bloemen waren uit één stuk ermede.

18 En zes stangen kwamen uit zijne zijden; drie stangen van den luchter uit zijne eene zijde en drie stangen van den luchter uit

19 zijne andere zijde. Drie amandelvormige kelken aan den eenen stang, een knop en eene bloem, en drie amandelvormige kelken aan den anderen stang, een knop en eene bloem ; zoo aan de

20 zes stangen, die uit den luchter uitkwamen. En aan den luchter zelve waren vier kelken, amandelvormig, zijne knop-

21 pen en zijne bloemen. Voorts een knop onder het [eerste]

125

ocr page 257

6 nap

Wi nnxn n^3L? ♦ri^i vnb^ö b% anr

om e]ïn D^B' ^ na '^.i :

i'nNn h^bï ri^ataa bnan-nx N3^ : anp n3quot;i« ♦xm D^naK iinu nnr nisa : T'isn-n^1

t : t * •* t •lt;quot; t - at -quot;tt v ^ - quot;j— • i t it

nt^pö anr d^is : nann ♦ïni na^i'

•'t iquot; t ': *lt;» rttt **•: -'quot;'gt;ï •)— it; t t't jt - ;

-anDi nb nïpo quot;inx nna : nnsan nivp onKn

i : v • t It • lt;t v : v i - - j I: v.quot;: * t

yiïD D^nsn-nN namp;ii rnaan-fp rrjp rnï^p inK D»D3D 0^33 ^iö D»2quot;i3n vn»i : vniivp0

«• ; i t : - : * - t : •• : i •••.;- ^ j ; r- ^ it i ;

vn niijan-^ vfin^n wx ornai nisan-1?^ Dn^:33 ö : D'anan

r *.. ; ~ jquot; :

nsKiianquot;)nsNii3quot;iKD»naN D^tatr ^ rn^tsrrnN BTi1

jt - : : t -,t ~ : :t •«- t - a- • I^t: % quot; v

: 3^0 3nT it iV nnt3 3nT im «iï'I : quot;inap 'ïni ^

i* t (,tt Jquot; •) A T JTT ^ IJ-;- i tm * V.quot;^t

: 3,3D 1D-I3DD1? 3nT-quot;ir '^quot;l 3*30 nfib maDO ib jy^'l ='

i* t ^. ;-; • ; ott iquot; «.s—^ a* t - v •*•)•quot; * -» .

njlt;ön yriK ^n^r^rrnK jn»i 3nTT n^3ü yrw ^ p^.v 0^3 n'vstan vn niioan : vbai ynnxb iï^k t

• t rt t v.t w: • - - •.; it ; - j' ;- ; -;

Q'ib^ Dnarrns4 ir^i : jnbfn-nK DHS1?10. i D^3n-nN '^i-'i : rnVt^n-nx anr onK nï^i»

j' •• - v ------I it : -.. - v t att ^t ]j~ ; '

vri'pw Hni vnss-nNi vn^p-nx inb^rrVj; iirx ej * : nnü 3nT rn3 'hd» n%prTn«i

1 t ^t t i aquot; t kquot; \ jv quot;j t i ; quot; v :

rDT h*i:an-m n^ né'pa nnL: 3nr ni:an-nx '^quot;i^

jt ••; t ; - v lt;t quot;t t i; • at jtt : - v -j~ -

D^ip n^tri : vn naaa n^nneji nnnö3 n^^ nipi^

•It jt • ; ^i t tjv t {V r: r jv : - t •)••• • ; tIt :

h^tri inxn rmo nnio ♦ip i nw1?® nnïD

t : t v it t p quot; p t : ■*quot;': ■,t : t av • • f •

mp3 anptra 0^3: n^1?^ : ^n mïo nnja ^p^

jvit - • it••. :i * • ; -«t ; r •• - ^t • • t ; -•••i:

mx n:p3 onpt^a 073: n^b^i rnsi -in33 inxn

v.t v j'-'t t : o'It •-. ; * ; ^t^ ; - v t j : - t v it

niia3i : ni:an-|p D^ï^n D^ipn m0 |3 nnsi inaa3 nnn infl3i : n^msi nnnaa DnpK'ö D^3a n^3ix«

- - ; - : t iv t : t : - -It *.. : *' • 1 quot;jtt : -

ocr page 258

EXODUS XXXVII, XXXVIII.

paar stangen uit één stuk [met den hoofdstang], wederom een knop onder het [tweede] paar stangen uit één stuk ermede, en nog een knop onder het [derde] paar stangen uit één stuk ermede; zoo

22 voor de zes stangen, die uit hem uitkwamen. Hunne knoppen en hunne stangen waren uit één stuk ermede; het geheel was

23 uit één stuk gedreven van zuiver goud. Ook maakte hij zijne lampen, ten getale van zeven; en zijne tangetjes en zijne asch-

24 bakjes van zuiver goud. Van een Kikkar zuiver goud maakte hij hem, en al zijne gereedschappen.

25 Ook maakte men het reukwerk-altaar van Shitta-hout; eene el was zijne lengte, en eene el zijne breedte — vierkant, — en twee el was zijne hoogte; zijne horens waren uit één stuk

26 ermede. Men belegde het met zuiver goud, zijn bovenvlak en zijne wanden rondom en zijne horens; en men maakte er een

27 gouden krans aan, rondom. En twee gouden ringen maakte men er aan, onder zijn krans, aan zijne beide langszijden, namelijk aan zijne beide kanten; als huisjes voor de draag-

28boomen, om het daarmede te dragen. En men maakte de

29 draagboomen van Shitta-hout en belegde ze met goud. Voorts vervaardigde men de zalfolie, als iets heiligs, en het reukwerk van specerijen, als iets reins, naar de bewerking van den specerijmenger.

1 Ook maakte men het brandoffer-altaar van Shitta-hout; vijf el was zijne lengte, en vijf el zijne breedte — vierkant, —

2 en drie el was zijne hoogte. Eu men maakte zijne horens, aan zijne vier hoeken; uit één stuk ermede waren de horens

3 gemaakt; en men belegde het met koper. En men maakte al de gereedschappen van het altaar : de potten, de schoppen en de sprengbekkens en de vorken en de vuurpannen ; al zijne

4 gereedschappen maakte men van koper. Voorts maakte men aan het altaar een hekwerk van koperen netwerk ; onder zijnen

5 uitstekenden rand naar onderen, tot op de helft ervan. En men goot vier ringen aan de vier hoeken van het koperen hek-

6 werk, als huisjes voor de draagboomen. En men maakte de

7 draagboomen van Shitta-hout en belegde ze met koper. Men stak de draagboomen in de ringen aan de zijden des altaars, om

8 het daarmede te dragen; hol, van platen maakte men het. Ook maakte men het koperen waschbekken en zijn koperen onderstel van de spiegels der zich verzamelende vrouwen, die in scharen

29. vip nntfon pc dn un* de zalfolie maakte hij als iets heiligs', anderen: alsof er stond np nnirn, olie tot heilige zalving; iina D'ttDn mep mi, en het reukwerk van specerijen, iets reins, uit reine, zuivere specerij-kruiden vervaardigd; zie Ex. 30,35. Hierbij zijn de bijzonderheden der bereiding niet herhaald.

Hoofdstuk XXXVIII,8. JUOSn n8003lt; —3 nrr beteekeut: iets maken

126

ocr page 259

nb 6 lap

inöDi n-iaö b^pn ^ nnn nsóo d^ipn

: - : tv* • It - lt;•• : gt; quot;J~gt; : quot; : TV* *IT- •• :

.* nsao D^ï^n D'jpn ntvh naaa D^pn ♦iB'-nnn

T IV * v.* t I - *lT - V •• : TAV * V,* I T - jquot; '. - I-

: ninü nnr nnx nu'pö nb3 vn nsao onhpi onnnaa 3=

IT JTT - jt \: ' )t \ at T-»V * ^ T I: jquot; •• i : quot;

: quot;iinü an? rvnhnoi n^np^ai n^nnrnx fry*)»

IT JT T T V.V ; - T JV IT: - quot;AT : • T v.quot; ' quot; •• Jquot;quot;

3 : nw nnK n^;gt; lint: anr nas ■»

^ ^ T IV quot; T t AT -'T t V, T -'t t •)t *

linnnaKi nas4 ^ rnt:pn n3rö-n« 2nT in« nin : vrtip vn isao inbp h'nm) 13

JT T I quot; :quot; IT ;l ~ j t v,v * T 11 * - T - ; - T

anr it 11? ^»quot;1 vninp-nNi vnh^p-nxi lürnK quot;iint:

V.TT jquot; •) t,-- at ;|- v : T ■,T J1' vq: s~ '' T

♦ntr li?1? nnno 1 anr nysa : n^D»

j.. . ••; - j- • j t It tt : - •• : r t

: ana ïm annb V-IÏ W

iv t ^ t * - ; j* t : at * -»*• : tquot;^ ; -

-nx ^fquot;) : anr DPN t]ïn onan-nx

nB'^D ninü arpsn n*iüp_nN5i, t^np hntfan fa^ iran ntyn nara-nx ^»1 D * : nph n

,. t a* * it _ J- ;^* v ^quot;0— ^ -^11quot;

: map max vbiï) lann maK-t^ani linK ma»

ITII i. ~ j t : t : t lt; - quot;it; :T

in« f]ï,A vnipp vn wap vnlia ynix b% vninp b^n-nNquot;! nn;Dn-nK nitan ^r^a-nK :niynjn^ vbrba nnnan-nxi nibran-nx np^an-nxi

V 1 : JT iT •• t a : - - V *. ». t : • - v ^ I ^ t; * - v ;

n^a 133^3 nnn n^n: n^nn'^a -133a nsra^ 'vg)1 nzDob n'iïpn ^s-iKa n^3a pT] : wn-iy ^

D^t? onsn-nK : ons1? D»ri3 n^n^n1 nsTan rij^ï ^ ri^3i33 Dn3n-n« «in : n^n: onx»

T ~ ~ . - - V ••x- '.* I ; ^T

nu wy*) D : inK n'^v nnb 3133 Dn3 inK n

tquot;lt; ------! ^1 JT T { \ j : AV T V,. jquot; T

IN3Ï n^3ïn n^ias ntfrn 133 nxi n^n: ii^sn

ran een zekere stof. Het waschbekken werd dus gemaakt van de spiegels der vrouwen, die bijeenkwamen, om zich van hunne sieraden en toilet-artikelen ten behoeve van den bouw des heiligdoms te ontdoen. — Snsquot; nrs iïto, aan den ingang van Mozes' tent, die volgens Ex. 33,7, tot de oprichting des heiligdoms de plaats is, waar meu God komt raadplegen, dus

ocr page 260

EXODUS XXXVIII.

naar den ingang van de tent der samenkomst gekomen 9 waren. — Voorts maakte men het voorhof, aan de zuidzijde : gevlochten gordijnen voor het voorhof, van getweernd

10 byssusgaren, honderd el [lang]. En de daarbij behoorende twintig zuilen met hare twintig koperen voetstukken; de kram-

11 men der zuilen en hunne windingen van zilver. En aan de noordzijde honderd el; de daarbij behoorende twintig zuilen met hare twintig koperen voetstukken ; de krammen der zuilen

12 en hunne windingen van zilver. En aan de westzijde gevlochten gordijnen, vijftig el; de daarbij behoorende tien zuilen en hare tien voetstukken; de krammen der zuilen en hunne windingen

14 13 van zilver. En aan de oostzijde vijftig el. Vijftien el gevlochten gordijnen aan den vleugel; de daarbij behoorende drie zuilen

15 en hare drie voetstukken. En aan den anderen vleugel, (en dus aan deze en aan gene zijde van de poort van het voorhof), vijftien el gevlochten gordijnen; de daarbij behoorende drie

16 zuilen en hare drie voetstukken. Al de gevlochten gordijnen van het voorhof rondom waren van getweernd byssusgaren.

17 En de voetstukken voor de zuilen waren van koper, de krammen der zuilen en hunne windingen van zilver ; ook het belegsel van hare bovengedeelten was van zilver; en zij, alle zuilen

18 des voorhofs, waren voorzien van zilveren windingen. Het afscheidingsgordijn voor de poort van het voorhof was van borduurderswerk, van hemelsblauwe, purperroode en karmozijn-roode wol, en getweernd byssusgaren ; en twintig el was de lengte, en de hoogte over de breedte vijf el, in overeenstemming

19 met de gevlochten gordijnen van het voorhof. En de daarbij behoorende vier zuilen, benevens hare vier koperen voetstukken ; hare krammen waren van zilver, en het belegsel van hare

20 bovengedeelten en hare windingen waren van zilver. En al de pinnen voor het Verblijf en voor het voorhof rondom waren van koper. —

21 Dit zijn de rekening-opnemingen voor het Verblijf, het Verblijf namelijk van het getuigenis, dat, wat op bevel van Mozes opgenomen werd; de dienst der Levieten, onder de macht van

127

22 lethamar, den zoon van den priester Aharon. En Betsal-el,

de tent der samenkomst. Het zijn natuurlijk metalen spiegels; het wasch-bekken is immers van koper. — Het waschbekken wordt, zooals Rashib opmerkt, vs. 30 en 31 niet genoemd onder de voorwerpen, die uit het vb. 29 besomde koper werden vervaardigd, omdat het uitsluitend van deze vrouwengave vervaardigd is, die dan ook buiten de vs. 29 genoemde hoeveelheid koper valt. — isax ids, volgens Nachm. en Ibn 'Ezra van schare, die in f/roote menigte gekomen waren; v. a. van N3*, dienst, die in zekeren zin heiligdoms-dienst op zich namen, d. i. rijke bijdragen voor den bouw kwamen schenken, ot' werkzaamheden, als spinnen en dergel. voor den

ocr page 261

rh mps Dp

n:a*n i nxa1? quot;ixnn-nN d : n^io VnK nnso

tt •• V-iV -•- : • «•.•• t IV V •?• V j -V.V

onms^ : nsN3 nxo quot;if^a vv quot;ivnn ybp'

• ; Jv •• i it - it •• t : t -»•• •• t iv quot;lt;••: i -

nKöbi: eiDa Dn^ptyni onia^n n^n: ontyy on^iKi ^

lt;- : • : | vit v.v )•• 1*.. -:i- •)• ^ it vr v a ; . : :

n^na on^ Dn^-iKi Dn^ Dnniö]? nèxa n«D jias D^on b^bp *: eioa Dn^p^m onia^n m»

j. . -. 'til t - : • : | v it v.v |quot;i-.. -;i- .)• it # zquot;t

onayn m on^iNi onnia^ nsK3

•)• \r zquot;t at t . vquot; quot; : quot; : tt jv •■ i - t - it

: naN D^on nmra naip nNöbi : eioa Drvpiirni ^

it - r ' -i t ^t: t :)jquot; •)-:•: | vit v.v iquot; i -:i-

Dn^nxmib^ onniö^tinan-^K na« m'^-^an o^Vp ^

V,v # t : •• ^' (aquot; t - v v.t - r*: quot;v r* -: .j*ti;

D^p ninn n-TOi nta n^i^n eina1?quot;! : ntr1?^«

^ t i: •• t iv : v * . lt;v * ... - |j.. T . . IT .

■bs : ni^ Dn'jtKi rwhv Dnna^ na« rrïpy t^an «

t it : v.v : t ; -»••• •• r-. - at - v,quot; : • Jquot; s

hamp;n: anayb D^nsni : nr^a ^ 3DD nxnn 11

: • •.. -it -•• t-:it : it ; t ^ jquot; {_• t ',quot;rtsquot;:j~

bni «pa on^Nquot;) nsvi tiDS bn^p^ni ania^n m

•• ; ) v at kquot; •* it j ' : |v v v !•• i -:i- • ~ it quot;t

ivnn lyv -jSai * : quot;ivnn niaj; Vz c]d| D^p^na ^ ontyvi nr^a vw 'w n^^im raanxi Dpn n^a

lt;• ; ^v ; at; t •»•• : *.• t . : 'ot^t : vsquot; : 1quot; ^ ^j..

; iïnn ^gt;p na^ niax iran nn-nn naipi. t]^ nax ,!i3ïi qoi Dn,,n namp;n: nyais* Dn^-ixi nyaiKbnna^i ^

s ' : | v v -»•.• quot;it v a : ^tt : - Jquot; : t t : - v •• r.. - ;

pt^ab nnn^n^Di : e)D3 Dn^p^m arrtfN-p

-)•• tiv : i5t ; • - •• : quot; t ;i | v it ^v Iquot; 1*.. -:r •)••• •• it

d : n^ns yno

V i : v. * t

namp;D ipa nn^n ja^a j^an nips nb« « : |p3n pnKquot;|| quot;tan^ T3 D^Vn -

bouw veiTichtten. Uit I Sara. 2,22, waar de uitdrukking niwïnDic:n voorkomt, schijnt echter eerder de beteekcnia: smnenkotnen te verdedigen te zijn.

is. amh noipi, en de hoogte van liet al'sclieidingsgordijn, gevormd door de breedte ervan, was vijf el; zoo hoog dus en geheel overeenkomstig, rmï1?, de breedte van de gordijnen van het voorhof; er werden dus niet bijv. twee aan elkander gezet, om de hoogte te vormen, maar de breedte van één gordijn werd als hoogte genomen, ook bij de gordijnen, die de omheining van het voorhof vormden. Ons vers spreekt alleen van het alscheidingsgordijn aan den ingang van het voorhof.

21. npa. eig. de gemonsterde, getelde dingen, de opneming der rekening

ocr page 262

EXODUS XXXVIII, XXXIX.

de zoon van Oerie, den zoon van Choer, uit den stam Juda, ver-

23 vaardigde alles wat de Eeuwige Mozes geboden had. En met hem Aholie-ab, de zoon van Achiesamach, uit den stam Dan ; een bearbeider van harde stoffen, en kunstwever en borduurder in hemelsblauwe, purperroode en karmozijnroode wol en

24 byssusgaren. — Al het goud, dat voor het werk gebezigd werd, bij al het werk des heiligdoms, — al het als heffing gegeven goud, bedroeg negen en twintig Kikkar en zeven honderd en

25 dertig Shekel, naar den Shekel des heiligdoms. En het zilver van de getelden der gemeente was honderd Kikkar en duizend zeven honderd vijf en zeventig Shékel, naar den Shekel des

26 heiligdoms. Een Bëka' namelijk voor ieder hoofd, dat is een halve Shékel naar den Shékel des heiligdoms, voor ieder, die tot de getelden overging, van twintig jaar oud en daarboven, voor zes honderd en drie duizend vijf honderd en vijftig per-

27 sonen. Nu diende honderd Kikkar zilver om de voetstukken des heiligdoms en de voetstukken voor het voorhangsel te gieten; honderd voetstukken uit honderd Kikkar, een Kikkar

28 voor ieder voetstuk. En uit de duizend zeven honderd vijf en zeventig [Shékel] vervaardigde men de krammen der zuilen, belegde de bovengedeelten van dezen ermede, en voorzag ze van

29 windingen. En het als heffing gegeven koper was zeventig Kikkar

30 en twee duizend vier honderd Shékel. Daaruit vervaardigde men de voetstukken voor den ingang van de tent der samenkomst, het koperen altaar en het koperen hekwerk, dat erbij

31 behoort, en al de gereedschappen van het altaar. En de voetstukken van het voorhof rondom en de voetstukken voor de poort van het voorhof, ook al de pinnen van het Verblijf, en al de pinnen van het voorhof, rondom.

128

1 En van de hemelsblauwe, purperroode en karmozijnroode wol maakten zij kleeden om in te pakken, om dienst te doen bij het heiligdom ; ook maakten zij de heilige kleederen, die voor Aharon bestemd waren, gelijk de Eeuwige Mozes geboden had.

en verantwoording in verhand met hel Verblijf-, alleen het goud, het zilver en koper wordt opgegeven en verantwoord. — D''ii7n mnr, v. s. beteekent dit, dat de voorwerpen, van de opgenomen hoeveelheden kostbaar metaal vervaardigd, den dienst der Levieten vorderden en hun waren toevertrouwd, onder toezicht en leiding van lethamar. Van het goud wordt immers niets naders aangegeven, — de daaruit gemaakte voorwerpen werden door de Kehathieten gedragen, die niet onder lethamar, maar onder El'azar stonden. De hier verder genoemde zaken; voetstukken van het heiligdom en het voorhof, krammen en versieringen der zuilen, behooren tot den dienst van Merarie, onder leiding van lethamar (Num. 4,29—33). — Anderen verklaren, dat de opneming en berekening der bedragen, het afwegen en verdeelen enz., was opgedragen aan de Levieten onder lethamar's leiding.

17

ocr page 263

ta1? rh nipfi nDp

nin» niruPK-^a r\n riby min» ntsob mn-p niwp

v.t : JT v -: t •)quot; t t f)T : ■quot;• ' : v. i v j' i v

atym p-ntsüb -1^0^x73 SN^HK iriNi : n^Q-nx »

aquot; : jtt iv,t •• - : lor t r -: 1 v t • *:it • ; ^ iv

D : *:amp;n hVina Dphi ^

t iquot; - v t - J' ; i tt ; -jt ^ v •• : - iquot; ;

anr 1 ♦nn t^Tpn roxbo Vaa 'wpn nnrn

■•': ••'rt quot; v : v : ^ t t : - 'tiv tt-

7^ niKO an'^i naunn

^NI 133 nxp nn^n nips «]p3i : ty'ipri tyamp;z ™ nVtyb pp2 : tripn bpgz bpty oynp) n^pni m'Nö13 |3p Dnpsrr1?^ V37 t^ipn bpira n^vnü

niNOW1? n:ty ontrv

jquot; -:- • t -: v j : _ |v v ••• ; t : - t t t lt;• ; l*

♦inx nK npi1? tpin 133 nxü ,n,,i : cmam niNQ»

J.. . - ..c |vv T I v V - J- • - ; • ;- r • -:i- ^ quot;

133 quot;i33n nxob D»:nN HNQ n3'isn ♦JIH nxi ty-fpn

jt v.t • - j- : • •)• t^-: s- : vat- ■quot;• : - ; v| -

rivy nfpni niNisn ;gt;3^i e^Kn-nw : pK1? n= nfiunn n^n:i : onx p^m DH^KI nsvi ama^S D^I 03

».t : - v J : it ij--: vv ** 't jt • : a* - it ^ t

TIN ns nlNO-J?31K1 D»3^X1 133 D^3^ ^

n^mn ^Dü-nKi n^nan n3Tp nNi I^ID ^ni* nns^nx ■nNp^oSïnn ^iN-nNi : nsrsn nxi ^ rnrv-^rw piysn n-in,-1?3 nKi i^nn nv^ ^1«

^ t v ;f i .)t ; '^ - s : * t •• : a- t iv ^-j- ; -

^ np^ini bsn^ni n^nn-pi : 3»3D nïnn«

j ^t • t - -j : i t t ; - it : v lt;•• : — I * r t v.quot; t v

t'SnK1? En'pn nj3-ns4 i^si ^Tp3 nntr-naa

i -:i- : •»•.• vl - lt;••: • v ^ti— v|a - -quot;«t ; vt ; iquot;: •

ö *: ntyo-nN nin» rnv 1^3

iv v vt : jT • ■)•-* quot;i r

24. Wat al het (/oud betreft, wrn, dat verwerkt werd. Een Kikkar is 3000 Shékel. De Shekel des heiligdoms had twintig Géra.

25 en 26. 603,550 halve Shékel = 301775 Shékel vormen 100 Kikkar en een overschot van 1775 Shékel; iedere Kikkar heelt dus 3000 Shékel. Wanneer bij de telling Num. 1,46, na de oprichting des heiligdoms, het aantal der twintigjarige Israëlieten evenals hier 603550 blijkt, dan moet daarbij in aanmerking worden genomen, dat daar de Levieten niet zijn medegeteld, wat hier wél het geval is. Sommigen meenen echter, dat zij ook hier niet meegeteld waren; dan moeten er in dien korten tijd, tusschen de heffing voor den bouw en de telling op den 1ste van de tweede maand (lejar) van het volgende jaar, juist evenveel den twintigjarigen leeftijd hebben bereikt, als er gestorven zijn.

ocr page 264

E X O D Ü S XXXIX.

2 Men maakte den Ephod van goud, hemelsblauwe, purper-roode en karmozijnroode wol en getweernd byssusgaren, —

3 Zij pletten namelijk gouden platen en sneden ze tot draden, om ze in te werken in de hemelsblauwe, in de purperroode en in de karmozijnroode wol, en in het byssusgaren, —kunst-

4 weverswerk. Tegenover-elkander-staandé schouderstukken maakten zij eraan ; aan zijne beide einden was het ermede ver-

5 bonden. En de gordelband van den Ephod, welke er boven aan kwam, was uit één stuk ermede, van dezelfde bewerking ; vaa goud, hemelsblauwe, purperroode en karmozijnroode wol, en getweernd byssusgaren ; gelijk de Eeuwige Mozes

6 geboden had. — Voorts maakten zij de Shohamsteenen, in gouden kassen gevat, gegraveerd, als graveerwerk voor zegels,

7 naar de namen der zonen van Israël. En men zette ze op de schouderstukken van den Ephod, als steenen ter herinnering voor de kinderen Israëls ; gelijk de Eeuwige Mozes geboden had.

8 Men maakte het borstschild van kunstweverswerk, gelijk de bewerking van den Ephod; van goud, hemelsblauwe, purperroode en karmozijnroode wol, en getweernd byssusgaren.

9 Vierkant was het; dubbel gelegd maakten zij het borstschild; een span was zijne lengte en een span zijne breedte, dubbel

10 gelegd. Men zette erop vier rijen steenen ; een rij : Odem,

11 Pitda en Baréketh; dit was de eerste rij. En de tweede rij :

12Nophech, Sappier en Jahalom. En de derde rij : Léshem, Shebo

13 en Achlama. En de vierde rij : Tarshiesh, Shoham en Jashephé ;

14 gevat in gouden kassen waren zij bij hunne inzetting. En de steenen — overeenkomstig de namen der zonen van Israël waren zij, — twaalf — naar hunne namen ; als graveerwerk voor een

15 zegel, ieder naar zijn naam, voor de twaalf stammen. Zij maakten aan het borstschild kettinkjes met eindknoopen, als gevloch-

16 ten touwwerk van zuiver goud. Zij maakten twee gouden kassen en twee gouden ringen; en zij maakten de twee ringen aan de

17 twee einden van het borstschild vast. En de beide gouden touwen staken zij in de beide ringen, die aan de einden van het borst-

18 schild waren. En de twee einden der beide touwen maakten zij aan de twee kassen vast; zij plaatsten ze namelijk op de schou-

19 derstukken van den Ephod, aan de vóórzijde. Ook maakten zij twee gouden ringen en hechtten ze aan de beide einden van het borstschild vast, aan zijn onderrand, die naar den

129

20 Ephod is toegekeerd, van binnen. En zij maakten nog twee

Hoofdstuk XXXIX. 3. Yl£3. dunne platen. Bij den eersten keer, dat gesproken wordt van het gebruik van goud in weefsel, wordt dadelijk gezegd, hoe dit geschiedde: men plette gouden platen zeer dun en sneed ze dan in draden, die men in ieder der drie wolsoorten en in het byssus inwerkte; naar de traditie zes wol- of linnen-draden met een goud-draad samen getweernd. Dat in ieder der draadsoorten gouddraad werd gewerkt, blijkt

ocr page 265

□b mpö ' bap

: rhin anr iöMn-n« vp)*

rtónn bVn3 amn ♦ns-m

: n^n n^jro wm Tjinai \:fn n^in -jinni |05quot;iNn Tjini iri^Nt : nan invi^p mpn i1?quot;^ nana ^ n^ini |Da*i:Ni n^n anr Nin i3Dp vS^

D : n^DTix nin* my quot;lawa ir^o vw

^r- ^ iv v vt : jt • •)*.* -;i- at: t ■quot;• ; v.* t

Dnin 'nms nnnao ant hxat^D riaoo ant^n ♦jaK-nx

t jquot; ' t ••. ; att j ^ ~ rgt; quot; - j.. . -

^aM laxn nana ^ anx qw\ : na nioïr^r»

gt;•• : - quot;it j : • t v-it- iquot; t : • r* : v. : ^

s : ntï'o-nH nin» niv gt;:amp; ri-iaT

iv v v.t ; jt ' •)••• -: r a- t :•-»••; • i v, t •

nban ant tsn rf^pa a^n n^p ^nn-nK py Visa mn ^ian : iTt^p n^)im, jariKi»

n^aiK irixhon .'^aa lam nnn iaquot;iK nir r^nn-nx1

att : - :-:- i t ^ v. : t vjv: •) : t vjv i v a -

nitsni : nnNn iitsn npnai müö dik iiü ?2K niü ^

v. - ; it vit v. - iv vt t : • v lt; i vat •• -•

: HD^nKi laty DtyV ^'Vtrn quot;ntani: n^aa *

t it : - : v. : v r.* a- • : - v quot; : i -sit: v,*. ~ i v j a- •• -

ant nva^o naoio nat^n Dn'ty tr^nn ^♦ain i^ssm ^

vt t jit' •) - i a** : it : v, j' : -p p' :,t - :

n-iirv nan ^KTir^na D^axm iDnKboa^

v.-: ^ : t)quot; jquot; r : • iquot; : : ^ * t -:it : it i\ • :

: L3aiy ^ onn ♦nma ario^-Vy

v it ^t t jquot; : • -•• t lt;•• • at . ^

: quot;iinü an? nay nfrya n^aa nn^ity r^nn-^v Vtry»quot;!«

^ it v.t t a . -quot;• iquot; v*.. :- j : :- i v •) s ^-n—

♦ni^'nN rin*! ant n'vats Tim anr nifatro ^n^ Yibv»') «=

... .. ; •- rttt •'j ; - ; t t j ; ; • ... ^-:i —

ann nnayn W lin'i : j^nn niïp n^aan ^

lyiv hiïp 'nir : j^nn n^atsn 'nv'bv *

faKn hana-by a:nn hïairan ♦n^-1?^ wnj nnarn

v quot; it j : ' •)% : a : ; • ^- -••• ; ^ ; it ^iit

ni^p wm anr n^aa mi? wy\: via bio-Vx ^

j i: {.quot;i ' t - t t ~ : quot; •• : 'hi— it t j

♦nt? .* nn^a ts^n -lay^K ihaiy1?^ Ttrnn3

j.. . ^n— t : it v •• it v•jquot; v .)••• -: t : ^ i v a -

uit de herhaling van fina bij iedere soort. — De laatste woorden van ons vers: 2i»n iwjm behooren bij vs. 2, zoodat het overige gedeelte van vs. 3 eigenlijk tusschen haakjes staat (vgl. Ex. 28,6).

ocr page 266

EXODUS XXXIX.

gouden ringen en maakten die aan de beide schouderstukken van den Ephod vast, onderaan, aan de vóórzijde, tegenover zijne ver-

21 binding, boven den gordelband van den Ephod. Vervolgens bonden zij het borstschild — van zijne ringen naar de ringen van den Ephod — vast door een snoer van hemelsblauwe wol, zoodat het boven den gordel van den Ephod was, en het borstschild niet van den Ephod afgerukt werd; gelijk de Eeuwige Mozes geboden had.

22 Men maakte den bij den Ephod behoorenden mantel van

23 weverswerk, geheel van hemelsblauwe wol. De opening van den mantel was naar binnen gekeerd, gelijk de opening van een pantser; het had een zoom aan zijne opening rondom, die

24 niet ingescheurd mocht worden. En men maakte aan den benedenrand van den mantel granaatappelen, van hemelsblauwe,

25 purperroode en karmozijnroode wol, getweernd. Ook maakte men schelletjes van zuiver goud; en plaatste de schelletjestus-schen de granaatappelen, aan den onderrand van den mantel

26 rondom, tusschen de granaatappelen. Telkens een schelletje en een granaatappel, een schelletje en een granaatappel, aan den onderrand van den mantel rondom; om den dienst te ver-

27 richten, gelijk de Eeuwige Mozes geboden had. — Zij maakten de onderkleederen vau byssusgaren, weverswerk, voor Aharon

28 en zijne zonen. En het hoofdhulsel van byssusgaren, en de sierende hooge mutsen van byssusgaren, en de linnen broeken

29 van getweernd byssusgaren. En den gordel van getweernd byssusgaren, en hemelsblauwe en purperroode en karmozijnroode wol, borduurderswerk ; gelijk de Eeuwige Mozes geboden

30 had. — En zij maakten de voorhoofdsplaat, de heilige kroon, van zuiver goud, en schreven daarop met schrift als graveer-

31 werk voor zegels : „Heilig den Eeuwigequot;. Zij voegden eraan toe een snoer van hemelsblauwe wol, om het op het hoofdhulsel aan te brengen van boven, gelijk de Eeuwige Mozes geboden had. —

32 Zoo was al het werk aan het „Verblijfquot; tot tent der samenkomst voltooid, en hadden de kinderen Israels het vervaardigd, —■ gelijk al, wat de Eeuwige Mozes geboden had, juist zoo hadden zij gedaan.

33 Nu brachten zij het Verblijf tot Mozes: de tent en al hare gereedschappen, hare haken, hare planken, hare sluitboomen

28- njDJIOn nxa nxi. fe Ex. 28.40 eenvoudig niKW», hooge mutsen

fenoemdeenoemde hoofdwindsels voor de gewone priesters, heeten hier nrajnn i-ixs, . i. volgens Rashie: de mutsen, die naar 28,40 niNsnS, tot sieraad zijn; of volgens Naciim. die als kroonkappen op het hoofd stonden.

29. Terwijl Ex. 28,39 van den gordel alleen wordt gezegd, dat hij Dpi rroj;», horduurderswerk was, worden hier de stoffen genoemd, waaruit hij wos vervaardigd, wat volgens Nachm. reeds in Dpi nron ligt. Of onder saasn alleen de hoogepriester-gordel is te verstaan en het dus vertaald

130

ocr page 267

vh mpfi hp

vis Siod ntsobo i2Nn hanD Din'i anr nrat:

tt •» * t - : * lt; •• it ; • •• : *•.;•quot; tt ^ : -

jK'nrrnN icdti : iflNn ^ap irnano naj;1?«

n^nquot;? n^5n Vnas TaNn n'ira^-1?»

nirr niï Tskh Sjro rt^nn nr-xbi ninn

v,t : jt • •)••• -: i- fgt; quot;it ^-•. i v - j-. i . .. ir

ö * : nK'D'nK

^srpfii .'nban ™ n^o Tsxn ==

: yip' Kb 2^D rsb na'^ Kinn ȣ53

-:i— i-It* ,» t •)• : jt t tgt;r : ' •*• i v :

: nTBto ♦itr n^im pinxi rtan ^IDI Viran

it : t a* t r : '^tt : *•'■'quot; ! quot; * • : quot; -»*•

D^oin Tiina D^aysn-nx ninü nnr

• ^ • IT ) J : !l----v ; •- A T ^-,rT V • Iquot; j -:iquot;quot;

fo^s jbquot;)'! : D^b-in Tjina 2^5 Vyan 13

-m nin» mï quot;ityxa n^D b^an fam

^t : jt ' •)•-• -: i- •* t ; a* t ^* : - -»•• ^-1 •:

a*iH n^a njnan-nK ^»1 D : n^a»

1 ^-:i- ; aquot; •*•• ~i iquot; j : t - ^ v 0 quot;^11— ^ iv

TIKI wv n^aaan nssTiKi Kgt;ïb nfijyan nto : v:2i?in3

v ; aquot; quot;v t : • - jquot; iquot; v ; •• •.•-••.• ; • - •• ; it t :

nbarn iTt^o wv Djaxn-nKquot;) : 'nrtJ'D nan 'DWD 03

vsquot; ; t ; t ■••• •• ; - it v :i it : t jquot; v,t ~ jquot; '. : '

: n^a-nx nin^ mv n^xa apn ntrya w n^bini rai-iKi

^ iv v ^t : jt ' ov -:i- I aquot; -*•• ^-:i- v.' t j~ : I)tt : - :

aroa vSr lanan mnü am Bh'pn-nn r^-nx ^

- ; • tt j : ; * - ^ at -tt vlv quot; viv | r v o ^-ji—

-Vv nnb nban ^ns unn : nin^ ^Tp nnin ♦mns ^

j** t v •• : j* : r'r « ; •- it 1- v| v. t •quot;•

Vani d : n^a-nK nin» niv ifKa nVyaba nsjïan ^ n^K VaaP *:a V^i. n^ia bnK (a^a nnajr1?! a * : wy ra n^a-nx nin» niï

' t i jquot; ^ v ot : st •

vonp vba^aTiKi VnKn-nK rn^a-bx ra^an-nK iK^an ^

moet worden: en den gordel, dan wel daarmede alle gordels, ook die van den gewonen priester, bedoeld zijn en men dus ook moet vertalen; en de gordels, is twijfelachtig (zie onze aant. Ex. 28,39).

31. Zie onze aant. Ex. 28,37, waar de verschillende opvattingen uitvoerig zijn besproken.

33. pB'On schijnt algemeene naam te zijn voor het gebouw en zijne

inrichting; dan is Snsn hier de naam voor de heide tapijt-bedekkingen, zoowel de kostbare Keroebiem-tapijten, als die van geitenhaar. Het gaat niet goed, hier, zooals gewoonlijk, onder {3to de kostbare tapijten en

ocr page 268

EXODUS XXXIX, XL.

34 en hare zuilen en hare voetstukken. En het dekkleed van roodgeverfde ramsvellen, en het dekkleed van Thachash-vellen

35 en het afscheidend voorhangsel. De arke van het getuigenis en

36 hare draagboomen ; en het deksel. De tafel, al hare gereed-

37 schappen en het toonbrood. Den reinen luchter, zijne lampen, de in een rij te plaatsen lampen, en al zijn gereed-

38 schappen, en de olie tot verlichting. En het gouden altaar en de zalfolie en het reukwerk van specerijen ; en het afscheidend

39 gordijn voor den ingang der tent. Het koperen altaar en het koperen hekwerk, dat er bij behoort, zijne draagboomen en al zijne gereedschappen; het waschbekken en zijn onderstel.

40 De gevlochten gordijnen voor het voorhof, zijne zuilen en zijne voetstukken; en het afscheidend gordijn voor de poort van het voorhof, zijne koordtouwen en zijne pinnen; en al het ge-gereedschap ten dienste van het Verblijf, voor de tent der

41 samenkomst. De kleeden om in te pakken, om dienst te doen voor het heiligdom; de heilige kleederen voor den priester Aharon, en de kleederen zijner zonen, om als priester te dienen.

42 Gelijk al, wat de Eeuwige Mozes geboden had, zoo hadden de

43 kinderen Israels al den arbeid verricht. Toen nu Mozes al het werk in oogenschouw had genomen en zie! zij hadden het vervaardigd, — zooals de Eeuwige bevolen had, zoo hadden zij het gemaakt; — toen zegende Mozes hen.

2 1 De Eeuwige sprak tot Mozes als volgt: ,/Op den dag der eerste maand, op den eerste der maand, zult gij het Verblijf

3 tot tent der samenkomst oprichten. En gij zult daar de arke van het getuigenis plaatsen; en voor de arke eene af-

4 scheiding maken door het voorhangsel. Gij zult er de tafel binnenbrengen, en haar stapeling in orde schikken; gij zult er den luchter binnenbrengen en zijne lampen ontsteken.

onder Snx de geitenharen te verstaan, — daar, door de plaatsing der woorden, de aanhangsels vSd enz. op Snx en niet op jsü» slaan. Ware deze, door Nachm. en Siporno niettemin gevolgde, verklaring de juiste, dan zou er moeten staan: v1» Sa nsi Vnsn nx pcnn m nca Sn waii, bij welke woordplaatsing de aanhangsels ook op pon konden slaan.

37. ro-iyon nu. de lampen der crde, die in orde, op ééne rij, erop gezet waren (vgl. onze aant. Ex. 25,37).

38. Ook hier, evenals 35,15, zalfolie en reukwerk naast elkander genoemd.

40- irmm nrro nx* beide geslachtsuitgangen naast elkander,

evenals 35.17. — pirnn may iSa Sa, alle gereedschappen^^ men ten dienste van het opslaan en uitelkander nemen van het heiligdom noodig had (zie onze aant. Ex. 27,19).

Hoofdstuk XL. Het hier van vs. 1—16 medegedeelde gebod kan Mozes öf reeds op den Sienai, bij de voorschriften aangaande den bouw des heiligdoms zijn gegeven, óf eerst na de voleindiging van het werk hem zijn bekend gemaakt.

quot;2. jinnn nnn ara, op den dag der eerste maand, en wel op den

131

ocr page 269

Ö üb nips «Vp

bV^n nniy nDDOTiNi : vjini mD^i rina vt^ip ^

• quot;it lt; ^ •• ; • ••• : it t-:r jt \ ^ t ti ;

: -pan na^ö nxi D^nnn rny noDQ-nxi D'Disön

|it^t - v J t ; a* t ; - ^ • v : • t t : i-

quot;nx rn^n-n» : niöan n«i via-nxi rmn ?iquot;iK-nx ^

v it: •.. - ( v i-- (.•• ; at- v : . ^ ,t 1 gt;j** v ^

n^hnrm nnntsn ni^an-nN : D^sn Dn? nxi ^

t ... iquot; v t ; - t ; - v r t - vjv {quot; : t •• t

nxi : nxan rnv nxi rvVr^-nKi nDi^ön

•• ; i t - i v jv v.quot; : #t av •• t v ^.t t^i i- - •)quot;

hni D^aon m'tap nxi nn^sn riMi antn mrü

„ ; a- - quot; v j |; ; t ; • - i vjv •• : tt- ; *

h^mn nMo-n«i ni^nan HSTD i nx : bnKn nnej -IDO ^

^ v : - lt;- : • v : v ; - -- ; • j- v i t - jv K' t

J-IN : laa-nKi i^n-nK v-irm IS-iïtn »

•• , - v : ,•- •.• „•• T •-• = rr- v -:

^yvn -jDon-ntsi rn-urnxi nnaj?quot;n^ nvnn ?3^an nnay dni n^n-in^i v-in'ü-nK -ixnn

i^t ; • - j~ ■)*• : t •• ; t av iquot; • v.t t iquot; v •• t iv

nar™ ïripa mt^n narnK ; n^io

lt;••; • v v| a - j'^t : kt: - jquot;: ' ^ v *quot; ^ '•':

nix-iB'K Vba : rnD1? m narnNi pan tripn «

jt^- v -: •) : 11quot; - : ^t t jquot;: • ^ v : i •• - l j -: r : v) -

Nquot;I»I : n-ü^n-Va m '33 p nt^D nw nin»«

it ^.it t vquot;. •• t : ■,quot; : *t llt;quot; av v v.t^ t

nin» rm* ims nnx wy nsni n^D

; jt ' ov -n- t quot;, t •• • ; t t ; - t

a * : nt^Q DPK Tjinn, wy |3

nnK3 ïiBWin trinn-DVa : nirr x

jt v ; i v. . ',t quot;j ' i : • quot; ■gt;quot; quot; .v.t : jquot; quot;:quot; 3

jm nx DB' rip^i : iyp VnK jatrp-nN D^n ir'in1?j jn^n-nK h^n1! : no-isn-nK pxn*^ rpD\ nin^n ^ : rrrnrnx n^sn-n» hxam i3n^-n« nmjn

t iv (•• v tT •• -li' ; t : - v t •• iquot; : ; ■ v i.t : -Tt :

eerste dier maand-, anderen: op den Nieuwemaansdag der eerste maand, op den eerste der maand, dus tweemaal precies hetzelfde. — Volgens de rabbijnsche opvatting was de eerste Niesan de achtste dag der inwijding, terwijl Mozes gedurende de voorafgaande zeven dagen dagelijks het heiligdom opsloeg en weer uit elkander nam, om de Levieten goed bekend te maken met hun arbeid (vgl. de argumenten voor en tegen deze opvatting bij Ibn 'Ezea en Nachm.)

3. J-OD1. en 'jij zult het voorhangsel eene afscheiding laten vormen voor de arke; vgl. den naam quot;jDisn rois; zie onze aant. Ex. 26,33.

4. la'HJ? DN* roijn. uit vs. 23, arh -pr, een ordening, in bepaalde orde leggen, opstapelen van brood, blijkt, dat het neerleggen der toonbrooden bedoeld is. De zin is dus: en zult het brood op de voorgeschreven wijze er op leggen.

ocr page 270

EXODUS XL.

5 Dan zult gij het gouden altaai- voor het reukwerk vóór de arke van het getuigenis plaatsen; en gij zult het afscheidend gordijn

6 voor den ingang aan het Verblijf aanbrengen. Vervolgens zult gij het brandoffer-altaar plaatsen vóór den ingang van het Verblijf

7 tot tent der samenkomst; En zult gij het waschbekken plaatsen tussehen de tent der samenkomst en het altaar, en zult er

8 water in doen. Dan zult gij het voorhof plaatsen rondom, en het afscheidend gordijn van de poort des voorhofs aan-

9 brengen. Daarna zult gij de zalfolie nemen en zalven het Verblijf en al wat er in is; en zult gij het en al zijn gereedschappen

10 heiligen, eu zal het heilig zijn. Ook zult gij het brandofferaltaar en al zijn gereedschappen zalven; en gij zult het altaar

11 heiligen, en het altaar zal allerheiligst zijn. Ook het wasch-

12 bekken en zijn onderstel zult gij zalven, en het heiligen. Dan zult gij Aharon en zijne zonen doen naderen tot den ingang van de tent der samenkomst; en hen in water doen baden.

13 Daarna zult gij Aharon de heilige kleederen aantrekken en hem zalven, en zult gij hem heiligen, dat hij Mij als priester

14 diene. En zijne zonen zult gij doen naderen; en hen met on-

15 derkleederen zich doen bekleeden. En gij zult hen zalven, gelijk gij hunnen vader gezalfd hebt, opdat zij Mij als priesters dienen. En het zal geschieden, opdat hunne zalving hun zij tot een

16 eeuwig priesterschap bij hunne nakomelingen.quot; Mozes deed — gelijk al, wat de Eeuwige hem geboden had, zoo deed hij. —

17 En het was; in de eerste maand, in het tweede jaar, op den

18 eerste der maand, werd het Verblijf opgericht. Mozes richtte het Verblijf op, plaatste zijne voetstukken, zette er de planken in, en deed er de sluitboomen aan, en richtte de zuilen

19 op ; En spreidde de tent over het Verblijf uit en legde het dekkleed der tent daarover van boven, gelijk de Eeuwige

20 Mozes geboden had. — Nu nam hij en legde het getuigenis in de arke; en deed de draagboomen aan de arke; en legde het deksel

21 op de arke er boven op. En bracht de arke in het Verblijf, bracht

, 8. -isnn, de gevlochten gordijnen, die het voorhof begrenzen; zoo kan gezegd worden: risui, gij zult plaatsen het voorhof, dat eigenlijk slechts eene open ruimte rondom het heiligdom is.

9 en 10. Door de zalving worden de nu nog slechts mondeling voor den Eeuwige en Zijn dienst gewijde zaken in werkelijk gebruik genomen en krijgen het karakter van: ivw 'Sj, voor den dienst gebruikt wordende voorwerpen.

17 v.v. Om den bouw van het heiligdom af te sluiten, wordt hier de oprichting vermeld, die eigenlijk eerst later plaats had, dan de op ons stuk volgende openbaring van Lev. 1. Inderdaad wordt de oprichting en inwijding in geregelde orde eerst Lev. 8 en 9 verhaald, een feit overigens, waarop telkens weer wordt teruggekomen. De oprichting had plaats

132

ocr page 271

Ü mpa abp

nöiyi nijrn riiK nn'tbpS bnrn naTD-nx nnmiquot;

•)t : - : a-.quot; it I ■» -: v,quot; : • v |; • t t ~ lt;- ; • v t ~it :

♦ia1? nV^n naTa nx nnnji : raira1? nnan ■noa-nN1

•• : • at it j- : • v,quot; ^t --«t : iit : * - ~ ' ij' t

bnK-pa -ibrrnK nnji : ivmhnn \2vr2 nns'

V* v ^ I iquot; • - v t -it : Iquot; vi ]j' : ' -vv

nmi a^D nvnn-nK no'tyi : d^d qv nnai naTsn pin

t -jt; a* t^ v.quot; t iv v jt : ; 'it v,t jt quot;it : -aquot;: • - l •»quot;

nntyoi nn^sn rot^-nx nnpSi : lïnn tidotik 0

jt : - it t ; • - I v jv v t : I-it : iquot; t iv ^-j~ K- t

n^m v^-^rnNi inx iri^K-ba-nxi piran-nN

t-»t ^t quot; t v ; .) jt : -i- : a v t v ; Kt : * -

-nK n^ipi vba-Va'nNi nbvn naTD-nx nntroi : i^ip1

v t : quot;i* : at •• t v : vt it j- : * v .)t : - it __ vl 1

-nNi nntrai : o^tp wip naTsn rrm nijran ^

v : V. ' quot; . v jt ; it r tIt v| j -{'• ; • - jtt ;

nns-^K vjrnNi nnx-nK nmpm : ipk ntripi 13321

quot;vv v tt v ; I -: 1- v lt;t ; ~l; • ; 1 ^t ; quot;I* : a quot;

nK r^nx-nK : d»ö3 onx nvrni n^ia bnK ^

v.quot; 1 -: 1- v t : - ; • ; • it - ^t jt : - it: 'aquot; v j

v:mxi : ♦b» rroi inK n^npi inK nnt^oi tripn

^ v.t t^ v ; r I jquot; • ; jt ; -I • ; 0 jt : - it vl a -

nni^ö Dnü nntrai : nina dpn ni^aVni anpn10

t ; - t lt;v -n- t jt : - it ^ 'p^V v,t -'t : : quot;

nana1? onntro on1? h^nb nn^m ^ unai on^aK-nN

j- : * ot t : t ^sv t p •.pi* t : it ; a- r : v •

?a inx nirr mx quot;ib'k Vaa ni^D tr v^i : uniib ühty ™

}jquot; ^ ot : st • v -; ; av it ,. ^

inxa n^trn iwa ?i^K*in ï'ina ♦nn d * : n'^jr ^

jt v : - jt t - i •) 'it^ v s it quot;t

vinKTiK in»i ra^an-nx n^a Dp»i : rattan apin ^

t t-; v I •• •-! t : * - v v Ivt- Iit ; • - Kquot; ^ va^-

■^quot;ifi'i : mia^TiN ap'i vnna-nx rn»i v^np-nx duquot;i ^

«;•- it v l*.\t- at •: v }y- t t I; ^ v^ vt-

n^a^av^VnKnnoaa-m DB»'I pt^arr^ Sn^n-nx

^ t : at : • v.t t v 0 t jquot; ; • v v t- 1 t : • - v t

rn^i np»i d : ntra-nN nin» niï n^Na3

•-.^•it v 1«quot;*- )-•- iv v j.t ; jt#- ov -:i-

nisan-nx rn»i rhnn-V^ Dnan-nw at^i rSxrrbK

v.) - - v Isquot;*- i at it ^ quot; quot; v v jtquot; I t --t

nx Dt^'i 'ra^arr1^ pxn-nx xa'i : n^a^a pxrrb^ ^

V T - t T : * - V 1 TIT v Jquot;T- T . IT : ■ l t.TtT ^

nwn rufa, in het tweede jaar, d. i. den eersten Niesan, volgend op den uittocht, want met Niesan, als de eerste In de rij der maanden, begint het nieuwe jaar.

ie. ppan. de kostbare tapijten werden eerst uitgespreid, op staken bijv. of door een aantal personen vastgehouden; dan werden de voetstukken neergezet en de planken daarin opgesteld onder de tapijten. Ook bij het voorschrift en de vervaardiging worden eerst de tapijten, dan de planken genoemd.

ocr page 272

EXODUS XL.

het afscheidend voorhangsel aan, en maakte eene afscheiding voor de arke van het getuigenis, gelijk de Eeuwige

22 Mozes geboden had. — Hij plaatste de tafel in de tent der samenkomst, aan den zijwand van het Verblijf naar het noorden,

23 buiten het voorhangsel. Daarop ordende men de stapeling van brood vóór den Eeuwige; gelijk de Eeuwige Mozes geboden

24 had. — Hij plaatste den luchter in de tent der samenkomst, tegenover de tafel, aan den zijwand van het Verblijf naar het

25 zuiden. En hij ontstak de lichten vóór den Eeuwige; gelijk

26 de Eeuwige Mozes geboden had. — Hij plaatste het gouden

27 altaar in de tent der samenkomst, vóór het voorhangsel. Daarop ontstak hij reukwerk van specerijen ; gelijk de Eeuwige Mozes

28 geboden had. — Hij bracht het afscheidend gordijn van den

29 ingang tot het Verblijf aan. En het brandoffer-altaar plaatste hij aan den ingang van het Verblijf tot tent der samenkomst; en bracht daarop het brandoffer en het meeloffer, gelijk de

30 Eeuwige Mozes geboden had. — Hij plaatste het waschbekken tusschen de tent der samenkomst en het altaar; en deed daar

31 water in, om te wasschen. Daaruit zouden Mozes, Aharon

32 en diens zonen hunne handen en hunne voeten wasschen. Als zij de tent der samenkomst binnengingen, en als zij tot het altaar naderden, zouden zij zich wasschen, gelijk de Eeuwige

33 Mozes geboden had. — Eindelijk richtte hij het voorhof op rondom het Verblijf en het altaar, en bracht het afscheidend

ford ij n van de poort van het voorhof aan ; zoo voltooide Mozes et werk.ord ij n van de poort van het voorhof aan ; zoo voltooide Mozes et werk.

34 Toen bedekte de wolk de tent der samenkomst en de heer-

35 lijkheid des Eeuwigen vervulde het Verblijf. En Mozes kon de tent der samenkomst niet binnengaan; want de wolk rustte er op; en de heerlijkheid des Eeuwigen vervulde het Ver-

36 blijf. En wanneer de wolk van boven het Verblijf zich verhief,

23. quot;pJPI. Of Mozes hier als onderwerp moet gedacht worden, zoodat hij den eersten keer, — hetzij op den Shabbalh in de inwijdingsdagen of dadelijk bij het plaatsen van de tafel, —het brood zou hebben neergelegd, is niet zeker. Sommigen nemen het als onbepaald: men, d. i. een der priesters, als gewoonlijk, ordende, op den eersten Shabbath na de oprichting, de broodstapels.

25. Hier geldt hetzelfde als in vs. 23; met dit verschil,, dat

hier, waar immers een dagelijksche dienst wordt beschreven, het nog waarschijnlijker is, dat die, zoolang de priesterwijding niet geëindigd was, door Mozes werd verricht.

29- nSifn. waarschijnlijk: het dagelijksche brandofifer, dat dan door Mozes werd gebracht.

133

ocr page 273

ü nips abp

nin» mv nn^n |i-)« TjD»! ^oan nanö

-^y by_ n^iD }ngt;irn-n« |ri»i d : ntfDTiKM

♦ifigt; Dn1? Tj-i^. pnp nibï |3^sn »

niaan-n« Diy'i d : nt^o-nK nin* niï -iirN3 nin» ^

T ; - v V«T- IV V ; JT ' # 4V quot;J Iquot; AT .

: n333 l^an -jT bv, jn^n n?: n^iö ^rixa « Dt^i D : niroTW nin» niï itytts nin* nnan13

v.)t- *•• •* lt;T : JT' r- -n* at : Jquot; : * v.

vb% quot;lüpïi : na'ian \:sh nyp nnn narp-nK» ? D^i J D * : n^o-nx nin» niï d^dd nitap ^ 1^-

v.)T- iv v ^ : jr' ^1quot; A* ' VJ': *quot; t

jaiyp nnö d'^ n^n narp j-ini : n^p1? nnan ^dotik 0:3 •s niv -iiy«3 nrusrrnK'i nV^n-nx i^io-^nx

JX- IV -:i- T: • - V : it^ ■-• ^ T'T -■— quot;quot; ■• '

jrai n^iö quot;ibn-m DKH D :n^ö_n« nin^ n^o 'laso lïnni : nvrn1? D'D nat^ rm naTsn ^

v • -• -: it: it : t; * v.quot; tot I Jquot; ' ~ quot;Aquot;: *

SHK-^N DNiaa : Dn^irnNi Dnn^nK vjai nn^ ^

v j v t : iv •• : - ••• : ^v ••: v at t 1 -• -:i :

tik nin» niï lïrrr narsn-Vx Dnaquot;ipai niriD

V.T : JT •)••• -!I- ^ AT :• -tquot;: • ■ v ot t ;l t :

jnn nirabi ja^a1? a^ao ninnTiK Dp'i. D *: n^a ^ ö * : naKbarrnK ntra ^a,i i^nn ^oa-nK i

IT T ; - V V.V J' : - aquot; t IV k- T V r-

: ja^an-nN N^a nin» maai njria |:^n oan^ f:^n ja^-a -i^ia «ia1? n^a ^a^N^pi ^

ja^an ^aj^n nibjjnai .•jatparrnN xhn nin: niaav1'

34 en 35 sluiten de oprichting der woning af met het bericht, dat de heerlijkheid Gods bet heiligdom vervulde en Mozes dus er niet kon binnengaan. Eerst later, toen de wolk zich naar de plaats boven de arke had teruggetrokken (vgl. Num. 7,89), kon Mozes binnengaan om de mede-deelingen Gods aan te hooren. — Vs. 36—38 geven dan op het einde van het boek, dat den uittocht en de eerste legeringen in de woestijn beschrijft, in een paar trekken aan, hoe Israël in de wolk het teeken voor legeren en voorttrekken kreeg, wat uitvoeriger Num. 9,15—23 is beschreven. Vs. 38 geeft dan nog kort aan, dat de wolkzuil, waarin (12) des nachts een vuurgloed zichtbaar was, de Israëlieten op al hun tochten begeleidde (vgl. onze aant. Ex. 14,20).

ocr page 274

-no

miDsnn

JIIOl? -ISD1?

HAPHTAROTH

VOOR HET

BOEK EXODUS.

ocr page 275

ö nips -bp

nh) r : dh^dö Vd2 VK-ity» »33 ipw h

J : • fiT Tiquot; ^ (.v TIquot; J • : ^ ,v Q : quot; *■ : aquot; t : • -••• ; .V. : *

DöV nip* |3^ »3 : inb^n oip^ nS

: Dn^DO^D^ 13 n1?^ n»nn

,.. *:. . - x . ^,. T. . ,„ T jquot; *•• j A T :L- Jquot; : i*

37 trokken de kinderen Israels op, bij al hunne tochten. Doch als zich de wolk niet verhief, trokken zij niet op, tot den

38 dag, dat zij zich weder verhief. Want de wolk des Eeuwigen was op het Verblijf bij dag, en bij nacht was er een lichtend vuur in, voor de oogen van het geheele huis Israels bij al hunne tochten.

prn

: Vrpn *h alt;rhs Tgt;xni : jw t3quot;quot;Wf ' nrwvi dtixisi cfrx niii» nHsi ibd ipios disd nS^SS rhbi • t3quot;3 fnoi ; po ^ wan nos nia n 'ff • ff'quot;' wwisi

• □HftJ'l nytJTI mnirisn p» : (ca 13^3 wSsj min * 'O rpiBi : jiyo nn

■pw rhv • nma yatNI D^iri njco ^ * DWm ron nwwom

.po -nj;01 |TIS»1 »Tp»

ocr page 276

LOFZEGGINGEN vóór en na de HAPHTARA.

Nadat de wetsrol is opgerold en gesloten, zegt hij, die de Haphtara zal voordragen, de volgende lofzegging:

Geloofd zijt Gij, Eeuwige, onze God, Koning der wereld, die goede profeten hebt uitverkoren en behagen hebt geschept in hunne woorden, die met waarheid werden uitgesproken; geloofd zijt Gij, Eeuwige, die hebt uitverkoren de Leer en Uwen dienaar Mozes en Uw volk Israël en de profeten van waarheid en recht!

(Bij de Portugeesche Israëlieten wordt na de voordracht der Haphtara, vóór de slotlofzeggingen, het volgende gezegd:

Onze Verlosser, de Eeuwige Tsebaoth is Zijn naam, de Heilige van Israël!)

En na de lezing der Haphtara zegt men:

Geloofd zijt Gij, Eeuwige, onze God, Koning der wereld. Rots van alle eeuwigheid, rechtvaardig door alle geslachten, vertrouwbaar God, die zegt en ook doet, die spreekt en vervult, al Wiens woorden waarheid en rechtvaardigheid zijn. Vertrouwbaar zijt Gij, Eeuwige, onze God, en vertrouwbaar zijn Uwe woorden; en niet één van Uwe uitspraken keert ledig (onvervuld) terug, want een vertrouwbaar God en Koning zijt Gij ; geloofd zijt Gij, Eeuwige, God, die vertrouwbaar zijt in al Uwe woorden!

Ontferm U over Tsion, want het is het huis, waar wij (in waarheid) leven, en help spoedig in onze dagen [de stad], die bedroefd is van ziel; geloofd zijt Gij, Eeuwige, die Tsion zich doet verblijden in zijne kinderen.

Verblijd ons. Eeuwige, onze God! door den profeet Elia, Uwen dienaar, en door het koningschap van het huis van David, Uwen gezalfde, moge hij spoedig komen en ons hart doen juichen! Op zijnen troon zal dan geen vreemde meer zitten en andersdenkenden zullen niet weder zijne heerlijkheid deelachtig worden, want bij Uwen heiligen naam hebt Gij hem gezworen, dat zijn licht immer en eeuwig niet meer zal worden uitgebluscht; geloofd zijt Gij, Eeuwige, Schild van David!

Voor de Leer en voor den dienst en voor de profeten en voor dezen Shabbathdag, dien Gij, Eeuwige, onze God, ons gegeven hebt tot heiliging en tot rust, tot eer en tot roem, — voor dat alles danken wij U, Eeuwige, onze God, en zegenen U; Uw naam worde geloofd door den mond van al wat leeft, gedurig immer en eeuwig; geloofd zijt Gij, Eeuwige, die den Shabbath heiligt!

ocr page 277

mtflsnn rro-o

i'üaon iiaquot;1 'SSun lojr mxi -masnn nxnp amp DW333 nna o'^i^n ■nbü irribx « nn« Tina

j. . . . _ t lt;v -; t it |v-»v •• v: *; .,:t quot; » T

nriN nowa onüwn onnmn nm d^iü

t - | t av v: iv -•• t v:iv - v.v •• ; • : t:

ID# rriina nnian ^

: (p-i'im x-j) p-w nüKn

I viv - ; i viv t vquot; *quot; it

m:nnsn nisian mip mcsnn nsnp ins miS omEDn jn:»)

c B'inp lotr niKnï nin»

iquot; t ; • ^ 1: a : v t : jx t quot; 'i

■raaon -py mtaann nxnp rnxi pnï / -IIÏ / o^iyn t^D \\ nnw •qna

n^ipn /n'^i laixn , fONin ^ nnnn-^3

« «in nn« tdxj * piïi nox mar'jatr ^quot;pDi

iquot; v: *: t - i t v:v i viv t v v: tt ; tv ••) - :

♦3 /Dpn ïw-ah ninx quot;nnmo -imi D^DWI

it •• t t | iv t : • tv t t; | ivt : * t v;v:

: rawn VKH nnx -ina * nrw joxj

tt : t : i t v: v - •• t ▼: t - | t t it i t v;v )v iv

wz: nai^'i, , ir»n Ni^n ^ ann

: n^aa ri'ï nstra nnK quot;nna •ij'ö^a mnaa

t iv t ; i - iquot; - ; *: t - | t i-t : t •• : •

nn n»a niaVoai n^a^ «♦aan m^xa irnbK ♦♦ unstr

. t •• ; - : | iv : • t - it • •• ; iquot; •.*: *; iquot; ; -

aB', *6 iNDa bri ay mnoa

viquot; ; • r' • quot;Ti t tquot; : • |iv • ;

n^a^: D^a ♦a ,niaaquot;nN onnK ity V?nr nr : ^ nnx tjina * njn iquot;i: naa» ,1b

, nrn na^n D^'aan-^i nnia^n-^i nninn-^ * mNanl?!i maa1? nrnjD1?quot;! nirtp^ lynSx « ub nnaty

vit ; • ; t : t ; • ; t ••. i: * iquot; v: *: it t i- t v

ïjotr ^ans^niK D^anapi ^ onio ^nis; irnSx quot; Van bv : na^n ♦; nnx Tjiia • n^i dVi#1? n^pn ^n-ba ♦aa

ocr page 278

HAPHTAROTH.

HAPHTARA van SHEMOTH, naar den Hoogduitschen ritus.

Jes. 27,6—28,13 en 29,22 en 23.

6 In komende dagen zal Jakob wortel schieten, zal Israël opbloesetnen en knoppen zetten; en zij zullen vullen deopper-

7 vlakte der bewoonde wereld als met voortbrengselen. Heeft Hij het dan geslagen, met slagen gelijk [de wereldmacht,] die het sloeg? Werd ooit het gedood, gelijk de door dezen versla-

8 genen gedood werden ? Met mate hebt Gij steeds, als Gij het wegzondt, bestraft; Hij zuiverde het met Zijn verderf brengenden

9 adem op den dag van Oostenwind. Daarom: slechts hierdoor zal verzoening erlangd worden voor Jakobs misdaad — en dit is de geheele vrucht van het verwijderen zijner zonde: als hij alle altaarsteenen maakt gelijk verbrijzelde kalksteenen; als niet langer zich verheffen gewijde boomen of zonnebeelden.

10 Want de eens zoo versterkte stad is thans eenzaam, de bewoonde plaats is prijsgegeven en verlaten als de woestijn; daar weidt thans een kalf, het legt zich daar neder en maakt een einde aan

11 hare laatste twijgen! Wanneer droog wordt haar sprokkelhout, wordt het afgebroken; vrouwen komen en steken er een vuurtje mee aan! Want niet een volk met inzicht is het; daarom heeft zijn Maker geen medelijden er mede en is zijn Vormer het niet

12genadig. En het zal zijn op dien dag: dan zal de Eeuwige vruchten afslaan van af den kolk van den Euphraat-stroom tot de beek van Egypte; en gij — gij wordt opgezameld een voor

13een, huis Israel's! En het zal zijn op dien dag; dan zal geblazen worden op den grooten bazuin en zullen komen die verloren schenen in liet land Asshoer en die verstooten waren in het land Egypte en zij zullen zich nederwerpen voor den Eeuwige op den heiligen berg in Jerusalem!

1 Wee over de trotschheidskroon der beschonkenen van Ephrajim en over de verwelkende bloem -— zijn pralende schoonheid, — die daar is aan het hoofd van het vetglimmende

2 dal der door den wijn overweldigden! Zie, iets sterks en geweldigs heeft de Eeuwige als een neerstortende hagelslag, een doodbrengende storm; als het neerstroomen van machtige, overstrooming brengende watermassa's rukt Hij neder ter aarde

3 met almachtige hand! Met voeten worden zij dan vertreden —-de trotschheidskroon der zich bedrinkenden van Ephrajim.

4 Dan zal zijn die tot verwelken bestemde bloem, zijne pralende schoonheid, die aan het hoofd van het vetglimmende dal is, gelijk diens eerstelingsvrucht, voordat nog de oogsttijd is gekomen, die de haar in het oog krijgende ziet, — en, nauwelijks

5 is zij in zijne hand gekomen, verslindt hij haar. Op dien dag zal de Eeuwige Tsebaoth tot sierende kroon en tot pracht-

exodus. is

m

ocr page 279

nw rbxi mtssn

.jquot;3-aquot;3 13quot;3 quot;D ,*«■lt;-* nquot;3 /Jquot;1-'! rquot;3 {O'D JHJDD

Van-^fi INSOI bNnsy» n^iöi iPV b^an1 ^

.......... ^ ; it aquot; t: • vquot; t } j-t i ^jr -••• - • t -

: iTn V5quot;in ^nra^ man inaü nanan : n2i:n »

•t vt vjv : - at a.. - j- - . - |t .

: onp ova n^n inns mn nannn nnb^a hndndsquot;

•'Pt j : v.t it - j : .)t t tav ♦ ; jt ; - : v.t : - ;

1101^3 uiNön quot;ion n.rbi nn 3p^;p^: na^ dkd pV : D^am on.^N IO^1? niyfijo nitp

W Dty nanss 2^:1 nb^o ni: tna rnivs ^'

'jv :• jt at - ^t*v:iv: jr \ : vt tt t :

D^J nni^n m^vp vyz : n^a^p nbpi DB'I biy * -nh h-ty Nin nirroy »3 nnix ni^xo niN3

i i • quot; ^ • lt; j- at j.':

nin» üsn» Kinn 01*3 n^m : wan» ab isanT ^

•)t ; s : - - j - t t ; iv •..; j v : » : •• ^ ■»•.• -; r;

nnK nnx1? iDpbn Dn^i onxo Vnrnir Tnn rhzwn

^t v j~ ~ z •) i: s : sv - ; • at : * ^t t quot; quot; j '

1X31'quot;bna 131^3^^ ttinn dv3 i n^ni : 'jNTiy» »33 ^

t t jt i- t * - j- jt t ; iquot; ^t ; • jquot; l

nin^ iinri^ni onxp pxs D'n'iani quot;néw pxs dhskpi pïi nnsN nsty rnw nn^ Mn : 3^173 quot;ins« HD : ♦öi'pn D^öip-N^ -iew irnKön ♦iï bri:

D^D Dnfs 3üj5T ins Dir3 ym] ^Tn nsn = n-itty n:Döin D^quot;i3 : T3 pN1? n^n D'SEJ^ Dn'33j

vjv -: t ; a- tlquot; -; it ; i v^t t ' r • r : t j' * -

ihquot;)K3n \3Ï m'v nn^ni : DnTfiK nü^nwa-' nNhn nKn» it^x pp DIÜS hquot;ii333 D^ötr

*•*, «t lt;v :• ^ v -: I -1- vjv : t • ; a* t : ■quot;• s,

niJCtfnin'nvr Ninn dis3 : myby 1333 miïtt nniK^

t : jt ; v ; r - j - tIvt : * v ~ : jt ^ : t

üötyö nin,?i : iav nnxsn gt;

at ; • - v.; 1 v.t ; • att : • • : * ; • ; v-»v^:i-

-DJI : ni^jy non^D »3^0 nnis^'i Eaé^an*1?^ 3^1^'

* : it*: it ^t t ; • jquot; ' i t : • : t ; • - •• :

6 diadeem voor de rest van Zijn volk zijn. En tot een geest van rechtsoefening voor ieder, die zit op den rechtersstoel, en tot heldenkracht voor hen, die den strijd afwenden uaar de poort!

ocr page 280

HAPHTAROTH.

7 Maar ook dezen zijn bedwelmd door den wijn, en dwalen door sterken drank; priester en profeet zijn bedwelmd door sterken drank, als verzwolgen door den wijn, zij dwalen door sterken drank, zijn bedwelmd als zij een visioen hebben, zij

8zwaaien bij de rechtspraak! Want alle tafels zijn vol uit-

9 gespogen uitwerpselen, zonder dat er nog plaats is. „Wien wil hij dan toch [zijn] waarheid leeren kennen? Wien wil hij zijn bericht doen begrijpen? Reeds van melk gespeenden? Van de

10 moederborst afgenomenen ? Want: gebod is't op gebod ; levensrichtsnoer op richtsnoer; een weinig hier, een weinig ginds!quot;

11 Want in stameling van lippen en in eene andere taal scheen

12 tot dit volk te spreken hij, die tot hen zeide: «Dit is de rust, gunt rust dan den vermoeide! Hier is de verademing!quot; — en

13 zij wilden niet luisteren. En zoo was hun het woord des Eeuwigen «gebod op gebod, richtsnoer op richtsnoer; een weinig hier, een weinig gindsquot; ; opdat zij heengaan en struikelen achterwaarts en verstrikt worden en gevangen !

22 Daarom: zoo spreekt de Eeuwige omtrent het huis Jakobs, Die Abraham heeft bevrijd ; Niet langer zal nu Jakob beschaamd

23 worden en niet langer zal nu zijn aangezicht verbleeken! Want wanneer hij ziet zijne kinderen, het werk Mijner handen, — zullen zij in zijn midden Mijn naam heiligen; zij zullen heilig roemen den Heilige van Jakob en oppermachtig prijzen den God van Israël!

HAPHTARA van SHEMOTH, naar den Portugeeschen ritus.

Jer. 1,1-19; 2,1-3.

1 Woorden van Jirmejahoe, den zoon van Chilkijahoe, van de priesters, die in 'Anathoth woonden, in het land Benjamin; —

2 Tot wien het woord des Eeuwigen zich richtte in de dagen van Joshijahoe, den zoon van Amon, koning van Juda, — in

3 het dertiende jaar van diens regeering; En het was [tot hem gericht] in de dagen van Jehojakiem, den zoon van Joshijahoe, koning van Juda, totdat geëindigd waren elf regeeringsjaren van Tsidkijahoe, den zoon van Joshijahoe, den koning van Juda, — totdat Jerusalem in ballingschap ging in de vijfde

4 maand. Het woord des Eeuwigen was tot mij, als volgt:

5 „Vóórdat Ik u in den moederschoot had gevormd, kende Ik u; en vóórdat gij uit de baarmoeder te voorschijn kwaamt, had Ik u gewijd ; tot profeet voor de volkeren heb Ik u aan-

6gesteld!quot; — Toen zeide ik: „Ach, mijn Heer, eeuwige God! zie, ik kan immers niet spreken ; want te jong ben ik nog!quot;

7 Hierop zeide de Eeuwige tot mij : „Zeg niet: „ik ben te jongquot;; maar naar al, waartoe Ik u zenden zal, zult gij gaan en al, wat

81k u zal gebieden, zult gij spreken! Vrees niet voor hen; want

137

ocr page 281

niöp r6Ki nman T^p

rn'3 tyn *135^21 liir r52 h-jk

^ ; . . t .. . t • t : i-»quot; t v.t quot; * t i •-«-- v ••

-^2 *2 : pa n«n3 W quot;iSrn-ra Vn r^n-?Dn

t •lt; ^ it * i* : kt v it t t quot; - i • T i • - - i •

nv-i ^QTiN : Dipo ^3 nxï

•• jv • v h t ^ at lj* v. : it t : ••.

IÏ '3 : nnvü 3^0 ^105 nyviw vy ♦a-nKV

«- j* • iTT • kquot; • TT..... . ; 'at : i •j*^t v.* ^ •• :

♦^3 '3 : Dt? quot;l^T QV -)^T IpS lp IpS lp lib lï *

-quot;•^—.i- : •lt; it #3,•; ^t O**; iatt M- Kt t iJ- t t -•- t t

dh^n ion 1 quot;iitn : nn d^h-^n 121' mnx ïit^i nijtr21

v •• -: -** t -»•.* -: iv - r/r r v vquot;. quot; ï vav quot; ^ v t ; t t

: viDty Ni3« nquot;?! rty-nan nxn in»:n nm:an nttf

I : v. t^ J : ^atquot; : - - v.: r^riv -•• t t ; - ^ lt;

n^r ib1? ip ipb ip ^ ix ix1? ix nim3T on1? n^m ^

^••: itt ij- itt^ l«- t t «- t t ■j- t^ : - ; vt tt:

nsa^i nn« 1^31 13^ \yüb otr n^r DI^

^ i : 1 : t t * : ^ t lt; : it : ^ ;iquot; l^- - : at quot;••: ^t

-m ma im 3p^ n^-bx nin» quot;iQN-n3 rib : n3b:i -3

v.tt -»v -: i ^—.r jquot; t lt;- t i i quot; t it ; • :

»3 : mrv v:a nn^ ab) 3p^ 1^13» nny-N1? Dm3x«

-• ^ ^itv:iv jt r ^t j : i -:i- •• «t^- ^ 1 ^at t : -p

-nN^npm w itrnp' I3ip3 nquot; n'^o iniNi3

•i; * : a* ; -••1:- v :p' : o't 'i;i- tt : ;•

: ^b^-nxi 3p^gt;np

mm rhx) nit:an .'j pos a- N jjro n'OTa - amaon jnjoa

riK3 niri:^3 b'^n-jo inp^n-p UTOT n3ix

i •.%••• ; t^-iiquot; jv • -: 1 - i • ati* : • i v v.t ; :• jquot; : •

quot;p in^N» W2 v^x nin*-quot;i3n n»n quot;ibgt;n : :o^3 3

l^v jt ' i •)•* * t •• t ; - ; «tt v -: i i*t: •

*0*3 'rn : ftbüb nitr nquot;i^-iy^3 min» TI'JQ ?IQNJ

•• • • :- 1 : t : ^ ^.t t jquot;: 1 : : Iv ■quot;•' » v. t

n:^ am# nnin» in^N^s D»j5'Tin'

Ehra ni^rny nnn* quot;nbo in'^-p m'pnx1?

^ '.y - ,: Jy'' rtt : lt;t' 1 ' jti- : • ;

Tt233 diü3 .•■ioNl?,l7N nin,-quot;i3quot;i ,n,,i : '^onn^

i v v - «i it v v v : i .. j- .. : - ; j* ; - i* • -:i- n

: ^nn: D^ia1? ^35 ^ri^ipn onip «ïn 0^31 ^ny-r : 'djk ivr»3 131 nan nin' ♦i'-iN rnx ióki 1

^ -it • aquot; - 'p: *•quot;t 1 jquot; ' ' v: ^t -: ^ t -: - it

'3 '2ix ip: naNjr^K nin» »

i -jit ; v lt;v -: t - -at vquot; - - •• t ; v lt; -

-♦3 Dn'iöa N-I^N : 13-in IIÏN ^^2 nxi Tt^riquot;

r av •• ; • ^t - v - ; (.1:--; jv -» t )•• : | •• ••

ocr page 282

HAPHTAROTH.

met u ben Ik om u te redden, is het gezegde des Eeu-

9 wigen!quot; Toen strekte de Eeuwige Zijne hand uit en deed die op mijn mond aanraken, en de Eeuwige zeide tot mij: «Zie, hiermede heb Ik Mijne woorden in uwen mond gelegd!

10 Zie, Ik heb u op dezen dag aangesteld over de volkeren en over de koningrijken om neer te werpen en omver te halen, om te vernietigen en te verbrijzelen, om te bouwen en te

11 planten!quot; Nu was het woord des Eeuwigen tot mij, als volgt: «Wat ziet gij, Jirmejahoe?quot; En ik zeide; «Een stok vanaman-

12 delhout ziequot; ik !quot; Toen zeide de Eeuwige tot mij : «Gij hebt goed gezien; want haastig, als amandelbloei, ben Ik met be-

13 trekking tot Mijn woord, om het te verwezenlijken !quot; En het woord des Eeuwigen was tot mij ten tweedenmale, als volgt ; „Wat ziet gij?quot; En ik zeide; «Een aangeblazen pot zie ik,

14 wiens voorzijde!) is uit de richting naar het noorden !quot; Toen zeide de Eeuwige tot mij; «Van het noorden zal de reeks van

15 onheilen geopend worden over al de bewoners des lands! Want zie. Ik roep alle familiën der noordwaarts gelegen koninkrijken, — is het gezegde des Eeuwigen — en zij zullen komen en plaatsen ieder zijn zetel aan den ingang van Jerusalem's poorten en op al hare muren; en zoo over al de steden van

16Juda. Dan zal Ik Mijne strafvonnissen over hen uitspreken wegens al hun slechtheid, — dat zij Mij verlaten hebben en rook deden opgaan voor andere goden en zich nederwierpen

17 voor de werken hunner handen! Gij echter, gij zult uwe lendenen omgorden en zult opstaan en tot hen spreken al, wat Ik u gebieden zal; wees niet verschrikt voor hen, opdat Ik u

18 niet vóór hun aangezicht doe schrikken! En Ik, zie. Ik heb u heden gemaakt tot een versterkte stad en tot een ijzeren zuil en tot koperen muren over het geheele land, voor de koningen van Juda en zijne vorsten, voor zijne priesters en voor het

19 volk des lands. Wanneer zij dan ook tegen u zullen strijden, zullen zij niets tegen u vermogen, want met u ben Ik, — is het gezegde des Eeuwigen — om u te redden !quot;

138

2 1 En het woord des Eeuwigen was tot mij, als volgt; „Ga en roep ten aanhoore van Jerusalem, als volgt; «Zoo zegt de Eeuwige; Ik gedenk u de aanhankelijkheid uit uwe jeugd, de liefde uwer bruidsdagen, dat gij. Mij volgend, gegaan zijt in 3 de woestijn, in een land, nog nimmer bezaaid! Heiligdom is Israël den Eeuwige, de eersteling van Zijne voortbrengselen! Allen, die het eten willen, maken zich schuldig, — onheil zal komen over hen! — is het gezegde des Eeuwigen.quot;

') Rasiiie: wasem, damp.

ocr page 283

mot? n1?^ mraan yby jw iT-mnin» nbm : nin'-DW ïjbïn'p ?]nN d 1 n«i : ^s| nan ^nn: nan A«ninnD^r

TaNnb^irii^ niD^iaan-^i o'lan-^nin Di»n ■no ióxb riin»quot;quot;i3i 'nn ; viüjbi onn^ ^

it .. j- .. t : -:lt;•:- ^ i : • : v, : * rt-:r ;

nin» noN'T : ntn *:n npir 'jpö ióni mw hnt nnx ^

y)t : vsquot; iv j* -; Kquot;t Ij*— - it «st : ;• ^v jt ~

'nn : int^b niNi1? na^n ^

i i -:r t ; - .)• ]jquot; r «s : • t : j~ quot; ••

iöni nxh nnx no iÓN1? n^Kgt; 'VK i nin,quot;quot;i2n

^ lt;• - it av v.t - jt quot; j* •• - •• lt;t : - :

iflïo ♦bN nin' IQNquot;! : mifiï ^ao vjöi nxh nis: ^

i t • at •• : v j~ r i t jquot; : • v,t t v ■*• -: t

Knp ♦ijn i »2 : rnxn ^^-^3 ^v nynn nn£3n id

t : quot;•! qquot;quot;'1 ' quot;quot; y ' v't t •'•• : 1 t *1quot; t tit --t quot;

1ND3 lanji 1N31 nin,_Dxj njifiï nübco ninaira

: * * :«t/. ^ t ^ at : '•• ! t *. t j : : - •) : : •

3^2 rrhoirrVa ninr i nna

jquot;wt t quot;v-; • t t v | t lt;-: ' - t i: j««^j|- -jv

im on^r^a by Dnix^atya ♦mani : min»«

^ • T ~i •*'.• -: at't it t \- T - t ;•lt;•;-•: it :

nnNi : onn» ^o1? nnn^i onnx D^n^V htspn ^

t - ; iv ••: j- i- : . ^-;i- ; •- . .. -. j. ,.. ; |-;i-

?iiy« nx on^x mam riöpi -imn

|av- -: v* it jv -: t •)quot; v •• -; -«t : - •: t : j-; | v : t -• : v

^nn: nan 'ixi : on^a1? ^nnx-fa Dn^ap nnn^N ^ pNn-^rty nt^n: niQh^i bna niD^nvao yvb Di;n

| vat t t v v : : •gt;•.•:- j ^ ; t ; • ^ :

lon^i : pKn D^^I n^na1? nnquot;^1? hun» 'iïnb ^

i v.v •• J -z: • I | vit t 7quot;; tv.v-j i ; t vt ; t : lt;•• ; - :

nan ♦n'i : ^ïnb nin'-DNïJ ♦JK nS IVdvn^I x

- : Jquot; :quot; K 'lv ' quot; S V,T : 9 '■••q: r -: jI : • r | at ; -lt; ;

na -iDN1? nbmy »:ma nxipi nSn : Idn1? mn» -

lt; •• — t : ••: t : t tit: ) ^ t i •• •• v.t :

nnab n'riVi^a nanx n'niy: non quot;n^ 'n-iai n^n» quot;ion

hquot; : v )at i v.quot; -:r )• : v-v |t • :lt;-t t : ^ t

n^Ki nin^ Sn-i'b^ t^np: nynt nS p^a lansa nnaj

v* quot; ti- •• t : • v| * ~ir i j \ \\v : t : -tr

: nin^DNi Dn»1?» Nan nrn io^n' vVairba nnxian

it : \ : v** •• quot;i y t ^t t t ; v -«t : i t a t i :

ocr page 284

HAPHTARA van WA-ERA.

Ezech. 28,25—29,21.

25 Zoo zegt de Heer, de Eeuwige God: ,/Wanneer Ik het huis Israels verzamel uit de volkeren, onder welke zij verstrooid zijn, en Ik Mij heilig toon aan hen ten aanzien der natiën, — zullen zij wonen op hun bodem, dien Ik Mijnen dienaar Jakob

26 heb gegeven. En zij zullen daarop wonen in veiligheid en huizen bouwen en wijngaarden planten en in veiligheid zullen zij wonen; — wanneer Ik strafgerichten houd tegen allen, die uit hunne omgevingen als geessel tegen hen optreden, dan zullen zij weten, dat Ik de Eeuwige, hun God ben!quot;

1 In het tiende jaar, in de tiende op den twaalfde der maand

2 was het woord des Eeuwigen tot mij, als volgt: „Menschenzoon! richt uw aangezicht op Phar'o, den koning van Egypte, en

3 profeteer over hem en over geheel Egypte. Spreek en zeg: «Zoo zegt mijn Heer, de Eeuwige God: Zie, Ik strijd tegen u, Phar'o, koning van Egypte, gij groot zeemonster, dat daar ligt midden in zijne stroomen; gij, die steeds hebt gesproken: ,//,mij behoort mijn Nijlstroom en ik, ik heb mij gemaakt!quot;quot;

4 En Ik zal vischhaken brengen in uwe kaken en Ik zal de visschen van uw stroomen vast doen hangen aan uwe schubben, en zal u ophalen uit het midden van uw waterstroom en en al de visschen uwer stroomen zullen aan uwe schubben zich

5 hechten. En Ik zal u aan uw lot overlaten, u drijvend naaide woestijn, u en al de visschen van uwe stroomen, op de oppervlakte des velds zult gij neervallen, gij zult niet in een huis gebracht, noch bijeenverzameld worden; voor het wild des lands, en voor het gevogelte des hemels geef Ik u tot spijs!

6 Dan zullen alle bewoners van Egypte weten, dat Ik de Eeuwige ben; omdat zij een steun als van een riet zijn geweest voor

7 het huis Israels! Toen zij u met de hand grepen, versplinterdet gij en drongt hun door in iederen schouder; en wanneer zij op u steunden, braakt gij in stukken en verlamdet hun alle len-

8 denen! Daarom, — zoo zegt de Heer, de Eeuwige God: Zie, Ik breng over u het zwaard en Ik zal van u uitroeien mensch

9 en vee. En het land Egypte zal tot eenzame woestenij en tot bouwval zijn en zij zullen weten, dat Ik de Eeuwige ben; omdat hij steeds gezegd heeft: «De Nijlstroom behoort mij en

10ik heb hem gemaakt!quot; Daarom — Ik wend Mij tot u en tot uwe stroomen, en Ik zal het land Egypte doen worden tot bouwvallen, eenzame puinhoopen, van Migdol Sewéné tot de

11 grens van Koesh. Er zal niet overheen gaan een menschenvoet, ook geen poot van een dier zal er overheen gaan; en het zal

12 niet bewoond zijn gedurende veertig jaren. En Ik zal het land Egypte tot eene eenzame woestenij maken te midden van verlaten landen en hare steden zullen te midden van verwoeste steden eene wildernis zijn gedurende veertig jaren;

139

ocr page 285

intfi muan uhp

.t3quot;3 sB ,nquot;3 no jo^o Sxptn'n

b^s^n-rü n^rnx i ^3p3 Hin' ♦HN noN-na «

• it I * •• t; • -»•• v -•• ; I- : * v: -«t -» . - T i

■bv D'i^n 'vyb on on

; it: A- - J.. »5.: * : J-I: * : T T V

urn n^n1? TrSy : 3by,i? ♦nn: quot;it^N dhdik 13

lt; t - v t t v t j : it; 11^:1-: y : : .* V,quot;t jv -; ^t t ; -

^33 D^aty 'ni'^a ncn1? o^bis 1^12:1 D'ra

: • T : J* *^11- - i*iv T ^ : it: • T : :IT : * T

: an^ribK nin» ^ Dhb^DO bnk d^m^h

iv •• I v: i,t : y 1 r z-'t: t -gt;■ : • t «• t -

nin'-iai n»n en'rV? ivy o^ira ntrya nn'^n rwa*

V,t : - : ^tt v a quot; .T Jquot; '• ' ' •|T ' * ••tgt; t t -

onxD onx-p : iON^ 2

•at: • )v-«•.• ^ :~ yquot; P quot; t •»• t t I v 1 •• j~ ••

1 quot;löN-ns rnoNi nin : n^3 Dnxo-^i «namj

-•- T I : - IT : •• - IT-.. ^ : T^T — T • :

^'in ^iiri DOT onvp'^o run nin* [px

b^nn ♦nnji ^ IQK quot;iitk v-i*r •qins-'

• - lt;• -T : * 1* ' : j' -:iquot; v.* : r •)* t jv -; AT : I j :

Tpnp ^nK'-nn ♦npanni ^inVa

: pann ^ntrp^p_3 ?|nN» njr^i nKi ^ Sian him ^3-^ rar1?! nsi ^nix nninDn n'nn: rnxn n»nl? rapn kS «idkh k1?

I -»* quot; : -v* T - I ^» : I v.)T t j- - : 1 aquot;IT • ^ : Kquot; t Iquot; j

onvn \y nin» »3 onvD i^ti : n^ax1?1

•)T v: I s~ AT^.:^ ■** ^ quot;» * quot; : * : 1 T :,T: ,T : T :

pnn D'^sna n:pT n:^»»

on1? rno^m V^V d^ktoi eins-Va Drf?

T T jt : quot; -:i- : •• T I V T lt;T^*:IT • : )aquot; t T Vquot; T

mn win nin^ Hon ra p1? : o^non

vat I 'V^t ^ •• •)• : * * v; -«t -; - r lt; I •• t -it : t

nöDB''? anva-r-ix nnvn : nanm mx •nsa »m3ni =

jt t : • • - : - I viv lt;t : it : it •• : jtt kquot; • j* - : * :

: 'n'trv 'jni ^ iN' im w» nin* wn»i ninm

^ • r *t r -;r ^ : -r t l -s~ at : j# r v, :it: t :t :

ninnn1? Q^ÏÜ pN'nN ^rui. ï|^,quot;k?Ni ^:n JDV nr-Qyn n1? : bisnvi nmo Viasa nnoi^ nin ^

T Tquot;^;r lt; 1 -» : ^-: ^••••: J; • • T T.! v■*

d^3quot;in 3^n k^i na-in^n n1? non3 bail din ban

'■/ :- lquot; quot; ^ : quot;T ^.T'-:,- ^ 9 ^V : VJV: TT

niDK^a niïiN 11^3 noo^ onxa pK-nK 'nnai : nair ^

J T * : TT*^ * !*•■.■ --• IT^. ^ i'T T

njc d73quot;in hoqe' t^nn ni3quot;ina any nin3 nn^i

att ^ t : - t t : tI-»*.* : r t*:it lt; ^r | : t v't;

ocr page 286

HAPHTAROTH.

en Ik zal Egypte verstrooien onder de volkeren en het rondslin-

13 geren in de landen.quot; Want zoo zegt de Heer, de Eeuwige God: «Na verloop van veertig jaar zal Ik Egypte verzamelen uit de

14 volkeren, waarheen zij verstrooid zijn; En zal Ik terugbrengen de krijgsgevangenen van Egypte en zal Ik hen terugvoeren naar het land Pathros, naar het laud van hun oorsprong; en zij

13zullen daar zijn een nietsbeteekenend rijk! Meer dan alle rijken zal het een laag standpunt innemen, en zal zich nimmer meer verheffen over de volkeren; en Ik zal ze gering doen

16 blijven, zoodat zij niet meer heersehen over de volkeren. En het zal voor het huis Israels niet meer zijn tot een steunpunt, dat misdaad in herinnering brengt, doordien zij, hen volgend, zich afwenden; en zij zullen weten, dat Ik de Heer, de Eeuwige

17 God ben!quot; En het was: in het zeven en twintigste jaar, inde eerste, op den eerste der maand, was het woord des Eeuwigen

18 tot mij, als volgt; „Menschenzoon! Neboechadrétsar, koning van Babel, heeft zijn leger een grooten arbeid doen verrichten tegen Tyrus; ieder hoofd is kaalgeschoren en elke schouder is opengereten ; doch loon kwam noch voor hem noch voor zijn leger van Tyrus voor den arbeid, dien hij tegen haar heeft verricht.

19 Daarom — zoo zegt de Heer, de Eeuwige God —: zie Ik geef aan Neboechadrétsar, den koning van Babel, het land Egypte; hij zal wegdragen hare menigte, en hare wapenen buit maken en hare goederen plunderen en dit zal als loon zijn voor zijn

20leger! Als zijn werkloon, waarvoor hij gearbeid heeft, heb Ik hem het land Egypte gegeven; voor wat zij voor Mij gedaan

21 hebben, is het gezegde van mijn Heer, den Eeuwige God! Op dien dag zal Ik een hoorn doen ontspruiten aan het huis Israels en voor u zal Ik zorgen, dat gij den mond tot spreken kunt openen in hun midden; en zij zullen weten, dat Ik de Eeuwige ben!quot;

HAPHTARA van BO.

Jcreraia 46,13—28.

13 Het woord, dat de Eeuwige sprak tot den profeet Jirmejahoe, met het oog op den tocht van Neboechadrctsar, den koning

14 van Babel, om het land Egypte te verslaan: „Deelt het mede in Egypte, doet het vernemen in Migdol, doet het hooren in Noph en in Thachpanehés; zegt; neem uw plaats in en houd u gereed! want verteerd heeft reeds het zwaard uwe om-

15geving! Waarom zijn als door een stroom weggesleurd uwe machtigen ?! Geen van hen hield stand — want de Eeuwige stootte

16hem weg! Hij deed groot zijn het aantal der struikelenden; zelfé sluit zich de een bij den ander aan, en zij zeggen: ,/Op, laat ons terugkeeren tot ons volk, en naar het land onzer geboorte.

140

ocr page 287

«INI mL3an ap

iük n3 ^ : niïixa D^nnri oMaa bnïü-nx ♦nïöni ^

v- t j •)• « t-xit c* ^•1quot;: • - * quot; : v ** '*

D»a^n-|p onïp-nK d^3quot;in nin» ♦hk

bnK ♦riai^ni onvo majy-nK ♦MB'i : nat^

t lt;' r -ir • - : • -• ; v • ; - : t it j t v -:

: nbac' n^öü Diy vni dhiido p«-^ Diina riK

it t : jt t : - V.t ^ t : at t i : I •.\v ^ ^ : - I v -••.•

D^an-bv nijr Ni^inn-^i rvnn niD70sn-|0 ib

f\' - ^ qT -»••-:* i : t t ; -«v ; i' T ' V

: D'iaa nm ♦nbsV D^M^ani.tc

*quot; t : quot; : . v 11 ^ '' r ^ :.: v : * * ^ * * i *

♦jnx »3 I^TI annnN onusa pj; quot;i^ra n^nab B'in^nnxa ptfNquot;!! Dn.^2 ♦nn : nin^

bar^ba nïK-naia: Dix-ra : iaNb ♦Vk nin^-ian rvn ^

v t )viv j- v ; - i : t t I v i •• j- .. v,t : - : ^ jt r

-Vai rnpa quot;ir^ nVia nna^ i^n-nx n^a^n

t ; tl; \ ■J v t^ ; CTp quot;^p quot; v * ^quot;«v

nta^n-'jv iïa ib rrn-N1? -la'tri nana «ina

1.t ^rit . * quot; ; lt; t t t t : at : kquot; t

rni ^an nin» 'rttf natt ria pb : -ia^-quot;iKgt;x ^

j.)*» r i • • ••: jt -: - t lt; i •• t t iv't j' t v -:

nian nnva ps-jiN ^aanba lï^naia:1?

lt;- t : t t t: * at : * | •.•-«•.• v t |v iv j- ; - i ; •

nari^x quot;inbva : nu nn^ni nfa nai

- ^t v -: t •. : i : ht t jt;it : t ■ j~ r T T :.

:nin^3iN dn: 6 onxa n«quot;nN i1? 'nra na

na-jinns |riN ^ n^ab n^aïx Ninn Di»a «

: nin^ ^N-^a oaina

it : j* -: r { :it: at ;

«a maan

.nquot;3—jquot;' vd jO^D H'DTa

nïNinaia: Niab NMaan in^a-i^N nin» nan n^K nam ^ ^

v ; - i ; t a* t - v.t ; ;* v t : •j,-\ * tt-

bnïaa in^n : anva px-nx man1? ^aa ^a arnn nax onaannai ^:a i^a^ni ^inaaa ^'a^ni üb ?|n;aN e]npa ^ina : fapD ann nbax^a ^ jsnvo invi-^N wx ^aroa Via nann : lann nin» 'a na^ quot;=

.. v j. ^ - t^ - aquot; ^t : i t -: vt : - quot;t

aaa lannSia pN'^Ni laa^-^N na^ai i na^ naxn.

ocr page 288

HAPHTAROTH.

17 vluchtend voor het rampenbrengende zwaard!quot; Ginds weder roepen zij : „Phar'o, de koning van Egypte! Op in het slaggewoel ! —■ Ach — hij heeft den tijd reeds laten voorbij-

18 gaan !quot; Zoo waar Ik leef, — is het gezegde van den Koning, Wiens naam is de Eeuwige Tsebaoth — dat gelijk de Thabor onder de bergen en gelijk de Karmel in de zee [in het oog

19 vallend] is, — zoo zeker zal hij komen ! Uitrusting voor ballingschap maak u, gij bewoonster, gij dochter van Egypte! Want Nopli zal tot eenzame woestenij worden en verbrand — zonder

20een enkelen bewoner! Gij wonderschoon kalf, Egypte! Ver-

21 nietiging — uit het noorden komt zij — zij komt! Zelfs zijne huurlingen in zijn midden waren als mest-kalveren; maar ook zij wenden zich af, vluchten te zamen, houden geen stand! Want de dag van hun ongeluk is gekomen over hen, de tijd

22 hunner bestraffing! Zijne [smeekende] stem vervliegt als het sissen eener slang1); want met legermacht trekken zij op, en

23 met bijlen komen zij er tegen aan, gelijk houthakkers. Zij roeien zijn bosch uit — is het gezegde des Eeuwigen — al is het ondoordringbaar; want talrijker zijn zij, dan sprinkhanen;

24ja zij hebben geen getal! Zoo is teleurgesteld de dochter van Egypte; zij is overgeleverd in de macht van het volk uit het

25 Noorden! Gezegd heeft de Eeuwige Tsebaoth, God van Israël; «Zie, Ik bestraf Amon uit No en Phar'o en Egypte, en zijne goden en zijne koningen; zoowel Phar'o als die op hem ver-

26 trouwen. En Ik geef ze in de macht van hen, die hun naar het leven staan, in de macht namelijk van Neboechadrétsar, den koning van Babel, en in de macht zijner dienaren; doch daarna zal het bewoond worden, gelijk in de dagen van voorheenquot; — is

27 het gezegde des Eeuwigen. «Doch gij, vrees niet. Mijn dienaar Jakob, en wees niet angstig, Israël! want zie. Ik ben het, die u helpt uit de verte en uw kroost uit het land hunner krijgsgevangenschap; en Jakob keert terug en voelt zich rustig en

28 veilig — en niemand doet hem opschrikken! Gij dus — vrees niet, Mijn dienaar Jakob — is het gezegde des Eeuwigen — want met u ben Ik-, want al breng Ik algeheele vernietiging over alle volkeren, waarheen Ik u verstooten heb, — over u zal Ik geene vernietiging brengen; maar zal u tuchtigen tot rechtsoefening en laat ook u niet geheel onbestraft.quot;

HAPHTARA van BESHALLACH.

Rechteren 4,4—5,31.

i 4 En Debora, eene profetisch begaafde vrouw, de echtgenoote van Lappiedoth, zij bekleedde het rechterambt over Israël 5 in dien tijd. En zij hield zitting onder den «palm van Deboraquot;, tusschen Rama en Beth-El in het gebergte Ephrajim ; en de kinderen Israels gingen tot haar op ter rechtspraak.

141

ocr page 289

k3 nöp

bn.vö'^ö n'^is : nii'n nnnquot;

ninna »3 10^ nis42v n3n' '^quot;'n : quot;

-na'nn^i^ nbii ^3 : nis» d^ bonsai nnna^

- v^v 1 t * ^: t ^quot; : . 1 t jt - ^ v.v : - : t i.

n^j; : nt?v ^nd nnv^. njnn na^1? «jr-^ onxp = nanpn nna^-d? : «3 «| p'öïp p^, onxp n^-na^3 di» '3 xb vnn» id: ^sn nsn-dr»3 psio ^^2 yn3m3 ^ i^nw nbip : dn^ö n^. dn»1?^ n3 dtk -3 quot;dn3 rnjf! irro : d»i'jr ^bns ins niannpdi 13^.quot; n^sn : nspp on1? n3quot;in4p i3quot;i »3 i^n». n1? »3 njn» ^ »ngt;n nik3v ninf npn : fiardj? ts mni dnxp-ns ^ dnïp-bjn n3p pps4quot;1?^ npia »::n

d»rnn:i : is d»ntp'3n ty] n^-iö^il »

vnsjr tsi vsr^ö -ivn^sis: tsi d^éj? ^30 i's

ns^ntn^nnnxi: nin»-dw dn^p^s j'sipri |squot;nnilt;v3 -nnquot;! pirna iq ^ r^nn-ss^ sp^.

: nnno \w sipx». zt] d;s^ pxp -£

»3 nnx '»3 nirrdn;i sbj;» ns^ nnts« quot;

- -^t J : ■ lt; r t : : I -:■quot; quot; t /

-nb na^ ^rmn iitn i d^isn-vss n^s

: ü) np aö^av^nidn n^sn^k

nbtrs m^an

(icm 1^ o^nnn d'-nson) 'd jo^dl 'i 't {o'd d^dsira,

naaip nitöv r\px n^sa n^k vinisni ■gt; ^ nam rs nsisi nan_nnn ns^v n»ni: n»nn njrs n

•)t tit i squot; t v * i- v v * : i* quot; jquot;t

: ^at^a1? bkitquot; »33 n^n by) dnsn ms vntvs rsi

it ; • - v** t : jquot; : r •)*•• •• ) ^i— * at : v Jquot; : v.quot; 'quot; ' ■»quot;

1

Anderen: Babels stem komt aan, zoo sterk als het geluid eener slang.

ocr page 290

HAPHTAROTH.

6 Zij zond nu en ontbood Barak, den zoon van Abieno'am, uit Eédesh in Nafthalie; en zeide tot hem: .Voorwaar! de Eeuwige, de God van Israël, heeft geboden: ga en begeef u !) op den berg Thabor en neem met u tien duizend man van de zonen van

7 Nafthalie en van de zonen van Zeboeloen. En Ik zal tot u trekken naar de beek Kieshon Siesera, den legeroverste van Jabien, en zijne wagens en zijne legermassa; en Ik zal hem

8 in uwe macht geven !quot; Hierop zeide Barak tot haar: Indien gij met mij gaat, dan zal ik gaan ; doch zoo gij niet met mij

9 gaat, dan ga ik niet!quot; Toen zeide zij: wGaan zal ik met u, alleen [weet wel], dat het niet uw roem zijn zal op den weg, dien gij aanstonds gaat, maar in de hand eener vrouw zal de Eeuwige Siesera overleverenquot;. Debora stond nu op en ging

10 met Barak naar Kédesh. Nu riep Barak te wapen Zeboeloen en Nafthalie naar Kédesh en er steeg op onder zijne bevelen

11 tienduizend man; en Debora steeg met hem op. En Chéber, de Kéniet, had zich van Kajin gescheiden, een van de zonen van Chobab, den schoonvader van Mozes; en hij sloeg zijne

12 tenten op tot den eik te Tsa'ananniem, die bij Kédesh is. Nu berichtte men Siesera, dat Barak, de zoon van Abieno'am, op

13 den berg Thabor was opgerukt. Toen riep Siesera al zijne wagens op ten strijde, negen honderd ijzeren wagens, en het geheele volk, dat met hem was ; van Charósheth Haggojiem,

14 naar de beek Kieshon. En Debora zeide tot Barak: „Op! Want dit is de dag, waarop de Eeuwige Siesera in uwe macht geeft; voorwaar, de Eeuwige trekt reeds vóór u uit!quot; Barak daalde nu van den berg Thabor af, en tienduizend man achter

15 hem. Toen bracht de Eeuwige in verwarring Siesera en aide wagens en geheel het leger, door de scherpte van het zwaard, voor Barak uit; en Siesera daalde van den veldheerswagen en

16 vluchtte te voet. Barak vervolgde intusschen de wagens en het leger tot Charósheth Haggojiem; en het geheele leger van Siesera viel door de scherpte van het zwaard, niet één bleef er

17 over. Doch Siesera was te voet gevlucht naar de tent van Ja'el, de vrouw van den Kéniet Chéber; — want vrede was er tusschen Jabien, den koning van Chatsor, en het huis van

18 Chéber, den Kéniet. — Toen trad Ja'el naar buiten, Siesera tegemoet, en zeide tot hem: «Wijk af van uwen weg, mijn heer 1 en neem uwen intrek bij mij, vrees niet 1quot; Toen ging hij, van zijn weg afwijkend, tot haar de tent binnen en zij bedekte hem met een

142

19 wollen deken. En hij zeide tot haar: Geef mij toch een weinig water te drinken, want ik heb dorst.quot; Toen opende zij den

') Zie onze aant. Ex. 12,21. Anderen; trek [het volk], nog anderen : voer.

ocr page 291

mtaan 2üp

vSK p^ kipni n^ni1

man nna ns^ai -rS mn» 1 niriiVn

t j- : t : - it I lt;•• •• ^t : • iquot; v: --t : -quot;t • l quot;»

: pbat *3301 ♦Jprifii ^3ö D^N mpb)

-nNip^ N2rquot;i'K' Nnp^p-nK bnrbK ?|^N ♦na^ov ■OKpna n^K : ^T3 in^nai liian-nN-i 133-1n lö^rii : ah ^)r\ KVDKI 'ns^ni *ay ^n» ^■i^rr'rjr^rnKön nfnn nS dsn ^si?

Dpni KiD'D'nN nin* quot;130* T3 »3 ^in nnK

1t5t - at : i* v ^t • ^ j : • t j- : •« I •• jt - •■•-•-«

-nNijb^rnN pns p$v\ : nj^-ip. pprDj? ^rn_ nyiy lay e'^K quot;ö^K rniyjj; v^ns n^ip ^na: nvn |nn 33n' ♦jsd ppp -ins: ;rpn i3ni : nTi3n ^ n Nnppquot;? na»i : Enp:nK quot;it^N D^ÏS i^nx m* p -^rnKNnp^p pj;n : Türnn D^r3N-f3 pns »3^ ° inx IB'K a^n-^rnNi Vns 33n hiKO 133quot;! ^3-^ rrnn na^rn : D^in n^nno ^

I t t •-• t s ■•■ - ' 1 1 -j-9 ••; ■ •••

nin» xbn ^1^3 «id'dtix nin» |n: i^k ovn hps Dip a^bK mt?p quot;ii3n quot;ino p*i3 quot;iti kv*

e it-: vsv*!i- t ^ j- quot; i ttp p ■.•lt;•- uvt: -tt

-^-nNi 33^rr1?3-nw NiD^-n^ nin» DH'I : mnx™

t v ; vsvt t v ; t: r v t ; tjt- it-ii-

n33nan Vïtö kid^d nn^ pi3 3^-^^ nanan

vt t : v - •• rr:^ r ^ vr- I att ; • v^v • ; r.'-j r -

-iv n:nan nnxi 33in nn« nn pS3i : 1^:13 dpi 'q

v-:r - -quot;•-: i- : v vt lt;quot;-ir I - t I tt it : - ; tjt-

im: ab dtps1? kiop nina-^s bi'i D^isn nahn i3n ni^N bv1' ^n^-bK v'?Ji3 D: kiD^Di : -inx-n^ ^

v jv v v.quot; t v j v t : - : jt t: r : it v -

: ^rpn npn n\3 ppi Hïn-^a ps di^ »3 ^rpn nniD vtin H^ID V^K laKni N^D nNnp^S^ ^ivrnquot;'' iQ«'i: n3,aiy3 inD3n,i n^nxn n^K quot;IDquot;) «I^VN ,1?N ^

s - it • ; - vquot; - : - t v: t t v •• -lt;t~ at • iquot; ••

mwnN nnam ^dï »3 D^a-^a tc^rp^n rrbx

s ... ~ ; quot; * ft** t •*' 'v,- ^- : rr • lr; • t •}•.• quot;

ocr page 292

HAPHTAROTH.

melk-buidel eu gaf hem te drinken en dekte hem weer.

20Toen zeide hij tot haar: «Blijf staan aan den ingang dei-teut ; nu zal het zijn; als iemand komt en u vraagt en zegt:

21 Is hier iemand? — dan zult gij zeggen: Neenquot;. — Nu nam Ja'el, de vrouw van Chéber, den Kéniet, eene pin der tent en nam den hamer in hare hand en kwam tot hem in alle stilte en sloeg de pin vast in zijn slaap, zoodat zij in de aarde drong; — hij was namelijk in diepen slaap gevallen van ver-

22 moeienis — en hij stierf. En zie — Barak, die Siesera vervolgde! — Ja'el trad naar buiten hem tegemoet en zeide tot hem: „Ga mede, dan zal ik u toonen den man, dien gij zoekt!quot; — Toen kwam hij bij haar binnen en zie, daar lag Siesera dood,

23 met de pin in zijne slaap! Zoo vernederde God op dien dag

24 Jabien, den koning van Kena'an, voor de kinderen Israels. En de hand der kinderen Israëls drukte al zwaarder en zwaarder op Jabien, den koning van Kena'an, totdat zij uitgeroeid hadden Jabien, den koning van Kena'an.

(In den Portugeeschen ritus begint men hier).

£) 1 Toen zong Debora en Barak, de zoon van Abieno'am, op

2 dien dag, als volgt: Als verwildering geheerscht heeft onder Israël!), als dan het volk zich weder wijdt — looft den

3 Eeuwige! Hoort dan, gij koningen! neigt uw oor, gij vorsten! Ik — den Eeuwige ter eere wil ik zingen, wil lofliederen aan-

4 heffen voor den Eeuwige, den God van Israël! o Eeuwige! toen Gij uittrokt uit Sé'ier, toen Gij aangetreden kwaamt uit het veld van Edom, toen beefde de aarde, ook de hemel

5stroomde neder; ook wolken dropen neer in water. Bergen werden vloeibaar wegens den Eeuwige; deze Sienai voor den

6 Eeuwige, den God van Israël! In de dagen van Shamgar, den zoon van 'Anath, in de dagen van Ja'el hadden de wegen opgehouden [voor verkeer te dienen]; en die vroeger op begane

7 wegen gingen, moesten langs kronkelende paadjes gaan. Onbewoond lagen daar de open steden in Israël, eenzaam en verlaten, — totdat ik opstond, Debora, — ik opstond als moeder

8 onder Israël! Toen het zich koos nieuwe goden, toen was de oorlog tot in de poorten; werd dan een schild gezien

9of speer onder veertigduizenden van Israël?! Daarom behoort mijn hart aan de voorbeeldige aanvoerders van Israël, die vrijwillig zich wijdden onder het volk — looft den Eeuwige!

10Gij, die rijdt op witte ezelinnen; gij ook, die op kleeden zit2); en zelfs gij, die te voet gaat op den weg — zingt!

11 Wegens het geluid van de buitverdeelenden tusschen de waterbronnen, — daar verkondigt men thans de weldaden des Eeuwigen, Zijne weldaden voor de landouwen onder Israël!

143

ocr page 293

nbEO müfin iop

bnxn nna id^ n^K : inMni in^rn. abnn -: rnotji ris-^n quot;ioxi xt ïr^-DKn^ni n3j5arrn« aamp;n\ bn5lt;n tn^nH nnn-n^x n^rn « njïm. in^is nnTi-ns j^nrn vbx Nani.

pnn nam : nw annrNini p«323 ■i^K ^«n-n» ^jsn^ *b -loxrii inN^b Ksni : inpnanrvnquot;! nbbfij NiDp nrn n^K n3'ti ^d nnx ♦ia ^iS'^D |^t nx Ninn Di'sb^N yaD'V3 quot;TjSio i»3' n^i ■ji'pn r -jbni : bKife^ ^

1 : f}?ir^D ryW^nan 10» vjm

.Dmaon o^^nno |N3 ^■■133 : ia«V Ninn DI»3 D5rr2N-|3 pnsi nquot;iTi3-i ii^nv' ^ wm : nin» isis D^t a^nna hiyiö j nirr1? quot;idtk oix nin^ ♦óix i:nKn d^dVq

^t i* ----: t • t -••^ it tl- it a* ; i quot;x iquot; * t t

DinK nnirp i^p ^Mxa nin» : t6n 1 onn : d^q ifiii: d^^-ds israa vm-w n#quot;i p« ^

j' t • it :^t v* x ' at t. 'v t quot; t t t | v-»v

*ó*3 : quot;n^K nin» \kp ♦rp nr nin» ^sp ibn ^ nin'nj nimx ibnn wz h:rp 120^

.,.. . . j.. . , . a t*; ^ :it t ■quot;• * t -: 1 v lt;- : -

^npp^ -ij; i^nn pna ibnn : niVp'ppj; ninix'

nnb tn D^ann a^ribx Sna: : nniain

'31? : hxiWÏ 5]|?K D^31N3 np^l HKT'DN f30 Dn^c ni:n«q'33n : nim Dia D^3 o^-iinsn ^NTuquot; 'p pin1?'

-;••;! it : -!it 'att v :- : • - •• t: • l-»quot;!-:^ i :

D^ynp^ipp : in^ Tj-iT^ rDVrn pipquot;^ 'iw niinï^ ^NTt^a^inö ripiï nin^ mpnï isn» Dir D^kitd ra

Aquot; T t' * i : • \j : ■ T : l-- : • - : lt;T . . . - I ..,

') Anderen: Nu wraak is geoefend door Israël.

s) Anderen; die op den rechterstoel zit.

ocr page 294

HAPHTAROTH.

Toen daalden zij weer af naar de stadspoorten, het volk des

12 Eeuwigen! Waak op dan, waak op, gij Debora! Waak op dan, waak op en spreek uit uwen zang! Op gij. Barak! voer weg uwe

13 krijgsgevangenen, gij zoon Abieno'am's! Toen trad als heerscher op een zwakke rest tegen de machtigsten onder [der Kena'anieten] volk; de Eeuwige trad voor mij als machtig heerscher op tegen

14de helden! Uit Efrajim, wier stamvader reeds tegen 'Amalek streed, — achter u trokt. Benjamin, gij met uwe volksscharen; — uit Machier daalden af de wetgeleerden en uit Zeboeloen zij,

15 die den schrijversstift hanteeren! Maar mijne vorsten zijn onder Jissachar met Debora! En als Jissachar, zoo ook Barak! In het dal stortte het zich, zijne bevelen volgend! In tweestrijd met zichzelve is Ruben, de aanzienlijken, die nog in hun hart

16besluiten vaststellen! Waarom bleeft gij rustig zitten tusschen de afschutsels, om te hooren het blaten der kudden ? Aan tweestrijd ten prooi is Ruben, die aanzienlijken, met hun diepe

17 gedachten des harten! Gil'ad — aan de overzijde van den Jordaan bleef hij rustig. En Dan, waarom houdt hij op schepen verblijf ? Asher bleef wonen aan het strand der zeeën en legert

18 rustig in zijn veilige zeeboezems! Zeboeloen daarentegen — is een volk, dat zijn leven den dood prijs gaf en ook Nafthalie —

19 op de hoogten van het slagveld! Koningen waren gekomen en streden ; toen streden de koningen van Kena'an in Tha'nach, bij de wateren van Megiddo; winst in geld hadden zij niet

20 ontvangen ! Doch uit den hemel streden zij, de sterren uit hunne

21 banen streden met Siesera! De beek Kieshon sleurde hen weg, die beek uit grijs verleden, de beek Kieshon! — Schrijd voor-

22 waarts, mijn ziel, in oneindige kracht! — Toen stampten de hoeven der [vluchtende] paarden, door 't briesschen, het brullen

23 der machtige ruiters! — Verwenscht toch Méroz, zegt de engel des Eeuwigen, vervloekt en verwenscht zijn bewoners! Want zij kwamen niet ter hulpe des Eeuwigen, tot des Eeuwigen

24 hulp tegen de helden! Gezegend zij daarentegen meer dan alle vrouwen Ja'el, de vrouw van Chéber, den Kéniet; meer dan

25alle vrouwen in tenten worde zij gezegend! Water had hij gevraagd, — melk gaf zij; in machtige schaal bracht zij hem

26 room. Maar haar linkerhand — naar de pin strekt zij haar uit — en haar rechter — naar den voorhamer der zvvaar-werkenden; zij laat hem vallen op Siesera, verbrijzelt zijn hoofd

27 en doordringt en doorboort hem de slapen! Tusschen hare voeten kromde hij zich, viel en bleef liggen; tusschen hare voeten kromde hij zich en viel neer; — waar hij zich ge-

144

28kromd had, daar viel hij neer — verpletterd. — Door het venster ziet zij uit en jammert, de moeder van Siesera, door het hekwerk: „Waarom stelt zijn wagen nog altijd teleur en komt niet? Waarom dan toch dralen de voortschrijdingen

19

EXODUS.

ocr page 295

nVira mtasn nop

my rriü-t niy nw : nin^D^ Dnr^ im» TN^

. ^ o t : * ^ ^ it : ^•'t : - ^ :it rr

iy TN : Dprax-p ?pip natri pna Dip

-•-: tlt; ^5, i • -: I v v.1; ; v jquot; ~. i I .)tt \j *' '

Dn.öN *3Ö ; Dniaaa ^-ly njn» D^t Dnn^b nn^ ^ m TDQ »30 r^a^n ^innx p^oya

^ :it ■ t -j* • ) AV t^-:i- i cquot;t: • f r.*-: i- . i •• t^i- _ t :t

■Dt^a niri : nab nzwz qob'ö tL?i2T0'! D^ppho112

t t • ; lt;-t : iquot; v jquot; : v.* : i ^ ' •. : * ^ rl-«-J ;

l-iiaVfis nW po^2 pna 15 wtf.'i nipTDy vm)gt; D^nöK'm pa na^ na1? : ab-^pn D^ia |a^Vquot; n^a : aVnpn D^na faiN-i maba1? onn^ nipmy ^ D^D^inVaiy» im ni^x w nab pi ratr hth naya

• - i j : - t ** t a* *: vt tjt it: i •• t i •.•*lt;••;

^na?! mo1? itpa; oy. p^at ; vnaa--^^ wb ^bo m ianSi b^bo INS : mtr ^ona by amp;

1: j- : - -: ; • «t t : • • t : lt;t iv t jquot; :

lonV: D^oty-p : inpb xb tioa rxa hjü -iiyna =

rtt: hquot; t i • litt j } v^v ^ - j\' rt * : jquot; ^ ^ 1 t ~i 1- :

D2quot;IJ ri^p bni : kid^D D^ ion1?: DMDQO D'naian^

t t; 1 r -«- it: r v* v quot;J: * t • : • • t 1 -

■♦apy io^n in : ^s: bn: D^onp ^

n:irr idn tiid niN : vrzn nnm nnmo did »

t : 1-«-: - - t •• ^ it • - j-: 1- {-:r- *

nin» mTpV nirv nnyb ind-k1? ^ nniy» in» nx

v.t : j':*v : t : •'—.v : t lt;• t^av : 1 j

bnxa D^30 ^♦pn inn rm4 by D^SÖ -lian ; Dniaaa^

v v. t J' t a* h*- v-»v v v.quot; t * t • | quot; : 1*

: nsön nanpn DnnK 'jaDa n3n3 a^n bxty d^ü : 'nian «

^ it : v t j'ii • \' ' ' quot;Jquot; : thtt -«t t ^quot;.t 'J' Pit :

«quot;iD'D nobm D^oy rmbrh nan^n in»ynT«

t : r lt;t : it :# *' •• ^t • r t : - : • j«t- tt

Sa: jna n^iquot;i ra : inpquot;i na^ni nvnöi ii^ni npno»

^ vquot; t ^ rr t v : - i jquot; _ i it * vt : it t jt ^ |jt-:it

nya : nn^ ^a: qw yia -i^a ^a: yna rwipaaatf ^

- : it J~ t v.t quot;t •quot;.• -:|- tt *•quot; t t v : quot; i lt;•• at t

ï^tya yi'iö ajK'Nn -iya NID'D DN aa^ni napK'3 ftënn

lt;•• - - at : vit '5-: ^t : i* 4quot;quot; : - stI: : * 1 ^ - r

n^ntyniaan : vniaano ♦öya iinx yna Nia1? laai^

tvquot; it ^ : - it : ; - vquot; -iquot; v:iv j - t ; •

ip^n» INSÖ» NSn : nV nnüN a^n N'n-nN n33yn ^

l- : - ; : : • -: it t v,quot;t -: r r ]- tav^j i-

29 zijner praalwagens ?quot; De meest wijzen onder hare vorstinnen antwoorden haar, ook zijzelve voert zich hare woor-

30 den tegemoet; „Voorwaar, zij vinden immers, verdeelen deu

ocr page 296

HAPHTAROTH.

buit! Een meisje, twee meisjes voor ieder man per hoofd! De buit aan kleurrijke kleedingstoffen voor Siesera, de buit aan rijkgekleurd borduurwerk! Bonte, dubbelgeborduurde stoffen —

31 op de halzen der buitgemaakte lastdieren!quot; — Zoo mogen al Uwe vijanden ondergaan, o Eeuwige! Doch die Hem beminnen, zijn als het in haar volle kracht te voorschijn treden der zon!quot; — En het land had veertig jaren rust.

HAPHTARA van JITHRO.

Jes. 6,1—13; 7,1—6; 9,5 en 6.

1 In het sterijaar van den koning 'Oezzijahoe aanschouwde ik den Heer, gezeten op een hoogverheven troon, en zijn beneden-

2 zoomen vervulden de tempelhalle. Serafiem stonden in de hoogte. Hem ter beschikking; zes vleugelen, zes vleugelen had ieder; met twee bedekte hij zijn aangezicht en met twee bedekte hij

3 zijne voeten, en met twee vloog hij. En de een riep den ander toe en zeide: „Heilig, heilig, heilig is de Eeuwige Tsebaoth; de ge-

4heele aarde vervullend is Zijne heerlijkheid!quot; Toen sidderden de draagbalken der bovendorpels door het geluid der roependen,

5 en het huis vulde zich met rook. En ik zeide: „Wee mij, want ik ben verloren; want een man, onrein van lippen, ben ik en te midden van een volk, dat onrein is van lippen, woon ik — immers den Koning, den Eeuwige Tsebaoth, hebben mijne oogen

6gezien!quot; Nu vloog tot mij één van de Serafiem, en in zijne hand was eene kool, die hij met een tang genomen had boven

7 van het altaar. En hij deed die aanraken aan mijn mond en zeide; „Zie, nu deze hieeft aangeraakt aan uwe lippen, nu zal uw misdaad zijn geweken en uw zonde worden verzoend!quot;

8 Nu hoorde ik de stem van mijn Heer, die zeide: „Wien zal Ik zenden en wie zal voor ons gaan?quot;; en ik zeide; „Hier

9 ben ik ; zend mij !quot; Toen zeide Hij : „Ga heen en zeg tot dit volk : Hoort maar steeds en begrijpt toch niet; ziet maar telkens

10weer, en erkent toch niet! Men maakt vet het hart van dit volk,' en zijne ooren zwaar en zijne oogen smeert men dicht, opdat het niet kunne zien met zijne oogen en met zijne ooren niet hoore en zijn hart niet begrijpe, en het terugkeere en

11 zich genezing verschaffe !quot; Hierop zeide ik : „Tot hoelang, mijn Heer ?quot; En Hij zeide ; „Tot zoolang, dat steden eerst eenzaam zijn geworden zonder een enkelen bewoner, en huizen zonder eenigquot; mensch, en de bodem eenzaam daar ligt als woestenij ;

12 En de Eeuwige zal hebben verwijderd den mensch en groot

13 zal zijn de verlatenheid in het midden des lands! En is er dan nog een tiende in, dan zal ook dit wederom der vernietiging worden prijsgegeven ; doch als terebinth en eik, waaraan — bij het afwerpen der bladen — de stam toch blijft —zoo is heilig kroost zijn [des lands] blijvende stam!

De Portugeesche Israëlieten eindigen hier.

145

ocr page 297

nicaejn nap

Vbit' K'iD^Db mi ty^nb b^nom om

j- i T: ■,* : p m r • lt;* : ••* v j : • - t -: r - lt;- t t

iidn» p : iiv n^ï1? D^napn nopi ^

T lt; : i I quot; IT T jquot; ; - : Hquot; T I; • ^ • jv at 1; • T :

pKn in^oaa ^ot^n vinxi nin» V^IN

I ■.\t t h : * quot; a ti*-. : • •-•v.v - jquot; : t -: -^ ; t : | •-• : i

: n:^

itt rj* t ; -

iin» nniaan

.'i-'n 'a /i—'s 'i /i jco DI 'j-iN-nK n^Ni in^ry -iSon niDTi:^2 * 1

jt jquot; ot -; v sv :vit t • -, ) •.•-••.•- - ; •

I D»TO D'snfr : SD^nn-TK D^NVO vb^l HVW -

lt;• ',\ • T : it •• i- v j' quot; : V,T ; AT • ^ ^

via nDD* i DW3 nnN1? amp;amp; d^23 amp;amp; i1? Syao

tt^ •■•-; ^ at v : \'t : jquot; ••)-t; squot; — •

nDNinrVNnTMipi a^ai V^J-I noa» o^av

- t ; v v lt;v tIt: |iquot; ^ : •;- ; • v.t ; - jv - : ••)-:•

: niaa •pNn-^3 tibü ni«3V nin' ^np iri-ip i t^np

^ i ; I vv,TT t j : at; ^t : v.It )It ^ ^sIt

IÓNI : ?m? xbw n^m Nnipn bipa D'SDn niSK wj'i ^

- IT^ iit'T jquot; t ' ^ : Aquot; I - K • ■ ■ - ■• - *..T- n

■D^ iin3gt;i »3:« D'nair-NDt: »3 ♦y»iN

^- | : • T • - T : iquot; : lt;• j» •••:• !• J* I

INI niN3ï nin» •nban-nx »3 35y» D'na'B' «at3

^ t ^ T : JT ; !•.• )••• - ^ v s- a**^ it • - t ; ■gt;quot; :

D^npbaa naxn iT3i D'an^n-ra inx ^Kenn :

• - Pt; v : at ; * ^t : • ti quot; » * t v - •• )*t-«t- it quot;

-by nr yu nan quot;ia^i »3-^ ^i : natan ^a ng» ♦JIM ^ip-nx yau'Ni : quot;ia3n inKisni -IDI n^nat^quot;

t -: ]lt; v ^ : vit it ••. ; f v,l : it - : |v -«t : | avt :

quot;latfh: ♦jjma^i i:ynS» ♦ai nbtytsj ♦a-nw quot;iaK°

• iquot; t : # r : • it^ at | viquot; ■quot; v.quot; : *•* r

ini i^ni wan-^i yim ipm ntn maxi ■nb

V t j i • t ~ : - t « : * av quot;jtt V.T : - IT : fjquot;

pvn VJ71 ■!33n nwi nin D^n-3^ ra^n : ly-in-^i1

aquot; t -«T ' jt : t ; v - ^tt i» I •• : - ^ it^* - :

: i1? Nam 3iyi vy 133^ yzw vjt«31 vrjD nKi^ra

1 rfJTi : )'Tq J t '• t : • jt : t : t : •.•:•! v

pNaonjmtrDN ntyN ny nax»i ♦j-in ♦na-ny quot;lai^v^

I Jquot; .. *quot;t T • V -: •j- V quot; . AT ~l V^T quot; IT

nin'pnTi: naaty nx^n nanxm onx rxa bra 3tbv='

vt i } j- •: it t : jv t • v,t t -; it ; t t I •• • t

nh^ rDTijn : r-iKn 3ip3 n3,iT^n n3quot;ii Dixn'nH ^

T . J. «-ij ^ T ^ j S I VIT T Vljv: V.T IIT jt ' i ATT IT

Dsnsva n3^3 ?i^3i ^«3 nva1? nn»ni n3^i

t ••••quot;.• - v v - ; lt;v -t I - it : •jt •• it ^quot;t ; -«t ;it : t v,t :

nmflDPi po^DD IN3 : nn3ïa

ocr page 298

HAPHTAROTH.

1 Het was in de dagen van Achaz, den zoon van Jotham, den zoon van 'Oezzijahoe, koning van Juda, dat optrok Retsien, koning van Aram, met Pékach, den zoon van Remaljahoe, koning van Israël, naar Jerusalem om het te bestrijden, — doch hij

2 had niet de macht het te bestrijden. — Toen nu echter aan het huis van David bericht werd, als volgt: „Aram heeft zich geplaatst naast Efrajim,quot; toen sidderde zijn hart en het hart zijns volks, gelijk schudden de boomen des wouds voor den

3 wind. — Nu zeide de Eeuwige tot Jesha'jahoe : «Treed toch naar buiten, Achaz te gemoet, gij en uw zoon Shear-Jashoeb, naar het einde van den bovensten vijver der waterleiding, in

4 de richting naar het pad van het bleekersveld. En zeg tot hem: Blijf rustig, als bezonken wijn, en wees kalm, vrees niet en laat uw hart niet week worden wegens deze twee rookende einden brandhout; bij het ontbranden van den toorn van

5 Retsien en Aram en den zoon van Remaljahoe! Omdat Aram tegen u kwaad heeft beraamd, Efrajim en de zoon van Remal-

6jahoe, zeggende: Wij willen optrekken tegen Juda en het een schrik aanjagen en het verdeelend aan ons brengen en een koning er binnen aanstellen: Ben Tob-al.

5 Want een kind wordt ons geboren, een zoon wordt ons gegeven, en op zijn schouder rust de heerschappij; en zijn naam noemde de Wonderbaarlijke, Alberadende, Almachtige

6God, de Vader der eeuwigheid: „Vredevorst!quot; Tot vermeerder der heerschappij, zoodat aan den vrede geen einde is, op den troon van David en in zijn koningschap, om dat te bevestigen en te steunen door gerechtigheid en liefderijkheid, van nu tot in eeuwigheid zal de ijver voor den Eeuwige Tsebaoth dit bewerken!quot;

HAPHTARA van MISHPATIEM.

Jeremia 34,8—22 ; 33,25 en 26.

(/»• deze Shabbath de Shekaliem-afdeding gelezen, dan wordt de voor dien dag bestemde Haphtara voorgedragen, ook al is op dien dag of den volgenden dag Nieuwemaansfeest).

8 Het woord, dat tot Jirmejahoe gericht werd vanwege den Eeuwige, nadat de koning Tsidkijahoe een verbond had gesloten met het geheele volk, dat in Jerusalem was, dat zij bij zich

9 vrijlating zouden uitroepen; — Dat namelijk ieder zijn slaaf en ieder zijn slavin, den Hebreër en de Hebreeuwsche, als vrijen zoude heenzenden, dat niemand onder hen meer een

10 Jood, zijnen broeder, in dienst zou houden. Toen gehoorzaamden alle vorsten en het geheele volk, dat tot het verbond was toegetreden, om ieder zijn slaaf en ieder zijne slavin als vrijen weg te zenden, zoodat zij hen niet meer in dienst zouden houden, —

146

ocr page 299

m nn^ön iDp

--ibü m nbv nnin» Tjbo nnm THK wï ™« t

|viv - •-T T T . ) ••■■ T .. I . T ■ T T ■quot; 1 P P

nonbö? ^Nnt^-nba irivDTp npsi din

t av t vt t : -•: •• t ; • |v iv lt;t: - : Iv |- v t-:

din nn: Iqn1? m n^1? ti'i : rrby Dnbn1? quot;iy 2

v,t-: tjt •• • t : iv v jquot; r • : {, r j z

: niT'JÖp ^133 is^ DD1?') IDD1? DnsN-?^

miyn^mnK rnx nxipb iri^^^innö^v

J t V.T : t - T t_ J-l; • T ^ r : - : v t : •-•■•-

m'B' nbDOquot;1?^ nivb^n nDian rbpn nip-1?^ ^23

jquot;: • ; v t :y;\t -quot;t ; - ~p^p: * v v:

quot;bx ^DDi?I □pBTii quot;iQfn V^K rnoNi : DDÜ'1

mflN-nna n^xn D^tr^n dhinh nisiT 'WD TITflN-nna n^xn D^tr^n dhinh nisiT 'WD TIT

|r • *:it vaquot; t *.• •• ^it r it s :quot; •• ; • | quot;

DnaK n^n DTK ^ ^ : in^DTfni nyty na^pD:1) nrgt;p:i nnin^ nVjtt : in^oriav -fn: |3 i^-i^ nV;^ : Vkdü^i dk nima ^Smin ^ 1132 bx lóty Nnp^ nntfsn ♦nni lib

fprpN DiWbi nnifan niiDb : Dib^-n^ S-

ttötyoa nn^D^i nn« p^nb inDSoQ-^i nm «DD ^

V,t ; * : t^-u- ; i t \ lt;• t : ^ : * t *quot; *

: mrnipjm niKDV nin' nN:p Dbi^-i^i nn^p npnvDi

v*

D'taairo mcafin

.iquot;3-nquot;3 Jquot;S ;aquot;3—n TS JO'D (,^in ina is nquot;1 ON' iVsx /D^pr ^ rT'BBn quot;Wisa Sas)

-jbón nhs nnx mn* nxü in'oi'-^K quot;imnn iS

| v V - ; •—: i- at : quot; kt : :• v jtt f v -: ot t-

Dnb Nipquot;? d^ti;2 quot;15?« D^n-brnx nna in^pnv nayn innöt^nx n^Vf •' TiTi b

: nm Drin^ 'ribnS D^an nnnpni

tf'Kn-jV? nnaa iKrit^K oyn-bDi Dn^rrba '

- - : • : - jt V -: ^ tt t t ; 't - t ^ ; ; •-

nin D3quot;i3^ ^nbab D^tban innfit^TiK iiaynx

lt t j ^* ; * ; : t t : • v lt;• lt; ; -

ocr page 300

HAPHTAROTH.

11 zij gehoorzaamden en zonden ze weg. Doch daarna brachten zij weder de slaven en de slavinnen, die zij als vrijen hadden weggezonden, in hun dienst terug en maakten ze met

12 geweld tot slaven en slavinnen. Nu richtte zich het woord des Eeuwigen tot Jirmejahoe vanwege den Eeuwige, als volgt:

13Zoo zegt de Eeuwige, God van Israël: „Ik heb een verbond gesloten met uwe voorouders op den dag, waarop Ik hen uit-

14voerde uit het land Egypte, uit het slavenhuis, zeggende: Na verloop van zeven jaren zult gij wegzenden ieder zijn broeder, den Hebreër, die aan u verkocht zal zijn, en u zes jaren zal hebben gediend; en gij zult hem vrij van bij u wegzenden; — — doch uwe voorouders luisterden niet naar Mij en neigden

15 hun oor niet. Nu kwaamt gij heden tot inkeer en deedt, wat recht is in Mijne oogen, door vrijlating uit te roepen ieder voor zijn naaste, en gij sloot een verbond vóór Mijn aangezicht in

16 het huis, waarover Mijn naam genoemd is. Doch opnieuw ontwijddet gij Mijn naam en bracht gij terug ieder zijn slaaf en ieder zijne slavin, die gij hadt weggezonden in vrijheid, als hun eigen meester; en gij dwongt ze met geweld u tot slaven

17 en slavinnen te zijn. Daarom, zoo zegt de Eeuwige: «Gij hebt niet naar Mij geluisterd om vrijheid uit te roepen ieder voor zijn broeder en ieder voor zijn naaste — zie, Ik zal voor u vrijheid toeroepen, — is het gezegde des Eeuwigen — aan het zwaard en aan de pest en aan den honger; en Ik zal u tot schrikbeeld doen worden voor al de koninkrijken der aarde.

18 En Ik zal geven de mannen, die Mijn verbond overtraden, die niet gestand deden de woorden van het verbond, dat zij vóór Mijn aangezicht hadden gesloten — [niet gestand deden hun belofte bij] het kalf, dat zij in tweeën sneden en tusschen welks

19 stukken zij doorgingen, — De vorsten van Juda en de vorsten van Jerusalem, de hofbeambten en de priesters en het geheele volk des lands, die doorgingen tusschen de stukken van het

20 kalf, — Ik zal ze geven in de macht van hunne vijanden en in de macht van hen, die naar hun leven trachten, en hun aas zal dienen tot spijze voor het gevogelte des hemels en het

21 vee der aarde. En Tsidkijahoe, den koning van Juda, en zijne, vorsten zal Ik geven in de macht hunner vijanden en in de macht van hen, die hun naar het leven staan, in de macht namelijk van het leger van den koning van Babel, die zooeven,

22 van u weg, zijn afgetrokken. Zie, Ik gebied, — is het gezegde des Eeuwigen — en Ik doe ze terugkeeren naar deze stad en zij zullen haar beoorlogen en haar veroveren en haar verbranden in vuur; en de steden van Juda doe Ik worden tot eenzame woestenij, zonder een enkelen bewoner.quot;

25 Zoo zegt de Eeuwige : «Indien niet Mijn verbond omtrent dag en nacht, indien de wetten van hemel en aarde niet Ik heb vast-

147

ocr page 301

D^atPö maön Töp

-nKi bnavrrnK laÊh p-nn« bi^'i : in^n wotf'i ^ n

v : * t j it v • t-^i •• quot;-li- t- !•••:- ^ f\quot;

: nina^Vquot;' onn^b Dw^D'i D^sn inW quot;I^K nina^n amp; ninnpK-ns noxb nin; nKD ninpri °

quot;Kïin Di'3 DrwiatrrN hnn ♦ma 'nVK

«• • i : v •• j -: v • : • lt;-t *. 't aquot; t : • ^ Jquot; v:

noK1? Dnn^ n^ap onvp p«p Dni^ vw ^ quot;IDS* iva navn vnK-nN V»K inb^n

-«•• | ; it !i~ i : Jquot; t * sv -: • : ^* it • t v * : :•

M'niaK r|aj;D ^sn innb^i

♦3^3 S^nTiN Di»n dfik : D3m-nN Vtan ™ quot;wrx n^aa ♦iab hna imam nn Knp'?

v -: --- -t: •: * 5 : \quot; gt; *quot;quot;: i j' v :

iy»K la^ni ♦bty-nK iVbnni la^ni : vSy 'otr Kquot;ip3TO

«• • t- • : v - : - ; - . '•• T quot; ,TT : JT':

Djytj:1? o^sn nnnbti'-iB'K innau'-nx naynK

at ; -: v,* : t Jquot; : - • v -i t ; • v •»• ; :

-nb pV : nina^^ ona^1? aaquot;? nvnb onx i^aani ^

i i •• t it;*; t^i- v t -• : i* t _ -•;;•-

vm^ ir^K Tim Knpb Dnyp^-^1? onK nin» quot;IQK mnn-^N nin^DK: urn oa1? «ip 'wn rijn1? ^NI ^ nia^QQ Va1? n^v1? banx ai^n-^i nain-^ p

j : : - ^ : *t-ir; v ; v lt;• -it; tit v ; v jv • f-»

■*6 ♦maTiK bnayn D^3«n-nK Tin:n : rixn ^

i lt;v -; • •; v quot; ; it • t-:it v j* - t : vit^t

ima iirK'mn ^sh ima nnan nai-nK iö»pn

j ;it •»•-• -; v*5» t att ; ^v, ut jv -: • ; - -*••:• v '

nt^i nnm^ nt^ : inna ra najn d^^1? 01

— t i: -quot;'t ; t : quot;t itt ; I jquot; v : ^ *quot; ï

: nna pa onayn pxn Vai o^nani Dpnan bn^ainmniDt^sa^paDTai Ta bni« ♦nmi3

t t ; • :it ; at :--••• i; - ; v.quot; ; v ••; i : t # - it ;

--jba inJpnrnNI : p^n nDnabi D'a^n e]^1? ^aKp^ « Tai Dt^a: ^pao n^ai on^a^ Ta }nK vS^-n^i nnin»

- : at ; - ; ^- ; v ••; i j- : 1 •• v t t v : t ;

nirrDiU niïo : oa^^ia o^n baa S'n -3 nsnfcn rmabi lonbji hnth TyrrbK D'na^ni

t j % t ; t v. t ; t v t t v • -:i 1

ninnDKria .'a^rNDnoa^rm ^Tl^, n^-nKi mz™!'

t ; t lt; iquot; i Jquot; quot; [.t t i iJquot;. v ot ; Squot;^t V ; aquot; t

: pw d»o^ mpn nb'Si döv 'nna ^-dk

• ; it 1 vv.tt 'j' r i •) •, t;att -«t k' ''• *

ocr page 302

HAPHTAROTH.

26 gesteld, Dan alleen zal Ik ook het kroost van Jakob en Mijn dienaar David versmaden, zoodat Ik niet van zijn kroost heerschers neem over het kroost van Abraham, Izak en Jakob; want terugbrengen zal Ik hunne krijgsgevangenen en Mij over hen erbarmen!quot;

HAPHTARA van THEROEMA.

I Kon. 5,26—32; 6,1—13.

26 En de Eeuwige had Salomo wijsheid geschonken, gelijk Hij tot hem had gesproken; en er was vrede tussehen Chieram en

27 Salomo en zij beiden sloten een verbond. Toen legde de koning Salomo geheel Israël eene heerendienst op; en de heeren-

28 dienstplichtigen waren dertigduizend man. En hij zond ze naar den Libanon, tienduizend man per maand, bij afwisseling; één maand moesten zij werkzaam zijn in den Libanon en twee maanden in zijn huis; en Adonieram was aangesteld over de

29 heerendienst. En Salomo had zeventigduizend lastdragers en

30 tachtigduizend steengroeven-arbeiders in de bergen. Behalve de hoofden der arbeidersploegen van Salomo, die het toezicht hadden over den arbeid, drie duizend en drie honderd ; die

31 beheerschten het volk, dat den arbeid verrichtte. Nu gebood de koning en men werkte in de steengroeven los groote steenen, kostbare steenen, om tot grondvesten van het huis gehouwen

32 steen te bezigen. En de bouwarbeiders van Salomo en de bouwarbeiders van Chierom en de bewoners van Gebal hieuwen de steenen en maakten het hout en de steenen gereed om het huis te bouwen.

1 En het was in het vierhonderd en tachtigste jaar na den uittocht der kinderen Israels uit het land Egypte, in het vierde regeeringsjaar van Salomo over Israël, in de maand Ziew, dat is de tweede maand, — toen bouwde hij het huis ter eere des

2 Eeuwigen. En het huis, dat de koning Salomo bouwde ter eere des Eeuwigen: zestig el was zijne lengte, en twintig el

3 zijne breedte en dertig el zijne hoogte. En de voorhalle over de voorzijde van de tempelruimte in het huis: hare lengte was twintig el over de geheele breedte van het huis, en tien el

4 was hare breedte over de voorzijde van het huis. En hij maakte aan het huis naar buiten uitzicht gevende, naarbinnen zich

5 meer en meer sluitende vensteropeningen. En hij bouwde aan den wand van het huis een gaanderij rondom bij de muren van het huis, rondom de tempelruimte en het allerheiligste;

6 en maakte zijvertrekken rondom. De onderste gaanderij, vijf el was hare breedte, en de middelste was zes ellen breed en de derde was zeven el breed; want inspringende hoeken maakte hij aan de buitenmuren van het huis rondom, opdat men niet

148

ocr page 303

n^iüön nop

nnj5p dnqx ni# nrr\; 3ipj?f VXD^3 : D^nann Dni3iy-nK pni^ omnK yirbx ^

r ; - i*; ; v y r r Ia^i-: I jt ; • t: - ^ 'Jquot; v n

nonn mtaan

.^-'s '1 JD'DI .s'-S-Va 'n JtTD 'X D^Sna

ra b1?^ 'hm iVian quot;1^3 n'DVty1? noan rnj ninn13 H

] lt;•• t is v • v.v -:i- ; • t : t ^ Ilt;-t t i*

-jban nnn nö1?^ pni Dn;n »

: t]htlt; üwbp ddh ♦n^. DÖ na1?^

vït ir-in ma^n Wina D'sbx njibquot;? Dnb^'i ^

j ;|. ... lt; * -; v - lt;• t -: vv -: t t : -**\t : •

: DarrSy Dquot;i»nNi in^a D^nn DW ?i:nbaquot;

s. : - i- - ^ v.t * i -:r a •• : v.* t*: 'j- z • t : -

: nna yp tf?* onb^i Vap m: D^air nbbip1? rwïbv na^an-1?^ 'nabtrb o^avsn ^nira quot;ia^s

v J : t t : - jv -; : * lt;• t • - quot;t • - :

iri : naK^aa o^n n^a onhn mxa tyb^i d^k nS

,t t:- .• '.t - it ^ •• ^t-.

♦jax n^an iq^ nm o^aw mru o^ax IJTD*! ^an

jquot; : - \t quot; jquot;-: .)It: r t -: ; • t -» quot; ~quot; |v v -

D'ï^n o^aani on'n ^ai na1?^ ^a iboa^ : ma ^

r^'it 4*t- a* : • - : ^ * Jquot; 4 : squot; ; ; *quot; i*t

nixa yanxi n:^ D^iatra ♦nn : n^an nuab o^axni * quot;

j •• ^ j- ^; - : quot;'T quot;j'q q: * ■,* •quot; -it - j : ' v* t ■jh,t :

Bhna n^rann ni^a Dnva-p«o^^''^a n:tr

v j : * :it tt- • - ; • I viv •• -••• t;# • iquot; : •quot;• : t t

: nin^ n^an |a»i Sntor1?)? na1?^ i\)t2) E'inn Kin IT lanK na^-DW Viabt? quot;nSan n:a •nè'N n^am =

^ : t ^ jt - r • ti- : ) v lt;v - t t v -: • - - :

ba^n ♦jrbv abiNni: maip r\m yamp;bamp;i lam ontryij

j- •• •• ; - t it : i t 11 (.r - '''gt; : a ; t -*• : :

naxa rran an'-i laiK nax on'^ n»an

•)t - it v *sv -at ' '■gt;{.••: - ; t t - ** : • • - -

: o^aüN ^ibn n^aquot;? ir^A : rvan lann/ ^ byrb a^ao h^an ni^p-nx a^ao n^an |a»iquot; J naxa i^an nihnnn pirn : a^ao mybv Tan^v n

quot;■t quot; it squot; t t . : - ^ ' t - ^ 1' t ^ts jquot; *'''''•

na«a pa^ nam naxa wv ma^nni nam ^

,t -,t ' -.v T : T , T quot;VT lt;?'quot; T '■ V T : T n-

thk ^nbab nïin a^ao n^aV \r\: nipaa ^a nam

^ -; r : • : r • t •«— i - t ^ t : • at : t

ocr page 304

HAPHTAROTH.

7 zou inbalken en aantasten de muren van het huis. Het huis immers, toen het gebouwd werd, werd uit geheele steenen, zooals zij uit de groeven kwamen, gebouwd; en hamers en bijlen of eenig ijzeren gereedschap werd in het huis niet ge-

8 hoord bij het bouwen ervan. De ingang van het middelste zijvertrek was aan den rechtervleugel van het huis; en langs wenteltrappen steeg men op naar het middelste en van het

9 middelste naar het derde. Hij bouwde dus het huis en voleindigde het; en hij dekte het huis met balken en zolderingswerk

10 van cederhout. Hij bouwde dus de gaanderijen om het geheele huis, telkens vijf ei was hunne hoogte; en zij waren aan het huis

11 verbonden door cederhout-balken. Toen was het woord des

12 Eeuwigen tot Salomo, als volgt: „Dit huis, dat gij daar bouwt, — indien gij uwen levenswandel richt naar Mijne wetten en Mijne rechtsinstellingen volbrengt en inachtneemt al Mijne geboden, om ze opvolgend te leven, — dan zal Ik Mijn woord met u gestand doen, dat Ik gesproken heb tot uwen vader

13 David; En zal Ik Mijn verblijf vestigen te midden der kinderen Israels en zal Ik Mijn volk Israël niet verlaten.quot;

HAPHTARA van THETSAWWÉ.

Ezechiël 43,10—27.

{Is dien dag de a/deeling Zachor gelezen, dan wordt de voor dien ishahbath hestemde Haphtara voorgedragen.)

10 Gij, menschenzoon! deel het huis Israël het „huisquot; mede, opdat zij beschaamd worden wegens hunne zonden; en zij

11 zullen den plattegrond opmeten. En indien zij zich schamen wegens al wat zij gedaan hebben — maak dan hun bekend den vorm van het huis en zijne inrichting, zijne uitgangen en zijne toegangen, en al zijne vormen en al zijne bepalingen, en al de daarbij behoorende vormen en al zijne wetten, — en schrijf ze op voor hunne oogen; opdat zij zullen inachtnemen geheel zijn vorm en al zijne bepalingen en ze zullen uitvoeren.

12 Dit is de leer aangaande het huis: op den top van den berg, geheel zijn gebied, rondom in alle richtingen allerheiligst! Zie,

13 dit is de leer aangaande het huis. En deze zijn de maten van het altaar naar ellen: de el van een el en een palm; — doch het voetstuk een [gewone] el en een [gewone] el breedte [van den omgang]; en zijn uiterste grens naar zijn bovenrand toe rondom een span; en zoo ook de verhooging van het altaar.

14 En van den „schoot der aardequot; tot het onderste voorhof twee ellen en één el breedte; en van het kleine voorhof tot het

15 groote voorhof vier ellen en één el breedte. En de Har-él vier el; en van den Arie-él naar boven: de vier horens.

149

ocr page 305

nö'nn maan t2öp

ma; JTDO px iniana h^n-i : n^n ni^pa» : iniana n^a yöi?r*6 Vh? |nani; mn^oi n^o^n n^an «jnr^K njb^nn jr^ïn nnan n^n-nw \y] : D^Vfrr^Si mDW-jpi np^nrrb^0 TIN \y\ : on-iKS nhn^i D^J n»an-nK fanquot;! inba^v ^ n'an-nsi inm inoijp niöK ^an n^rrbr^ g n^n : -io^ riQ^-bx njnpan ^ : D^nw ^a ^ -r-n^n ♦üö^otiki ♦npna T^rrDtf nih nnx-i^K ntn •nnx nnrnx ♦nbpm ona n^Vb wxQ-^rnK nim)

) t • -t ; v lt;• Ir -;i- av t vjv t K' '• ' T • ^ • ,T •

VKTBquot; ^3 tiins ♦naaiyi : T2N quot;IITVM ^

Aquot; T :•-••• ; I lt;. : • ; - jt : I r T r T V * J- •

; bKÏE^ wm ^71

,.. T ; • j- *■ V V. .:iv J '

mxn mtaan

.,quot;3-', yü jqiq Sxprn^

(^131 flCIS ^TDB» nat WIB3 Has)

mbyï n^n-nK nsn DSK'P nnx' ^2

^ . ,T • ; . - - ... .. T; . ,.. ... «.. - TT I V JT

Vao ló^rDKi : mrirrnK inoi on^maiyo ^

j • : ; • • ;i r ; t v • ;it av •• i -;iquot; *4

■bDi 1 VK3101 VKXIOI irasni n^n mix amp;

:T : quot;'T T V* T V ' ♦ • T1 ' L quot; • I J ^

DniK unin irnin-^i in-nrbm vnpn-73 hki imiï r-

t ■j~ t t : lt;t t ; t I \ r •quot;• ; t 1

vnbrrbrnK'i imiï-^-nK nwyh dhdi .#

J l7i ■■ ,T Vp ■,.t •, t v !::: '•■■•;'••= v p

1 3*3D iSarVa inn iwrny n^n nnn dnt : omx ^ -

lt;• T : T TT J ^ 'AT - -•quot; . V. ^ IT TX.

nitö nb«i : rvan min n^rnan D^tb-ip un'p 3^d ^

lt; • v •• : -IT- J- V. quot; * quot; T'T. V'-Jgt; ^ ' T

snS naKi naxn p^m nabi hqk na» móNa naian

JT quot; S T - IT I •• : -AT (.T^ - JT - * IT - » • ' ~

p^noi .'naran sa nn nnxn m? yyo nna^-bN nSiaai ^

I .... -,....- J. ^... r ... IT ^...J... • x «T T : V T ^:

nnx naK anhi max D^nir n:innnn mmm^ rixn 5,

AT V JT - - v. •• % quot; * : T ï--«TT^-:iT I V T T

ami max yaix nVnan nnnrmy nkpn m^nai ?

- v,; J ' ^ T : - «TT^-;IT T -1: - TT -:IT •• ^

niJquot;ipn n^va1?') ^«ixnai max ^«mni inaxn

^ tI : - T , - ; jquot; • -: it •• a - ^ - r ; it - it ^P-

ocr page 306

HAPHTAROTH.

16 En de Arie-él twaalf el lengte bij twaalf el breedte, in het vierkant, van het midden uit naar zijne vier richtingen gemeten.

17 Het voorhof echter veertien el lengte bij veertien el breedte, naar zijne vier zijden gemeten; en de uiterste grens er rondomheen een halve el, en het voetstuk ervoor een el rondom

18 en zijn opgang : om zich te wenden naar het Oostenquot;. —En Hij zeide tot mij; ,/Menschenzoon! Zoo zegt de Heer, de Eeuwige God: deze zijn de wetten van het altaar op den dag, waarop het gemaakt wordt; om erop te brengen brandoffers

19 en er bloed op te sprengen. Dan zult gij geven aan de priesters, de Levieten, die van de nakomelingschap zijn van Tsadok, — die Mij nabij zijn, is de uitspraak van den Heer, den Eeuwige God, om den dienst voor Mij te verrichten, — een var, jong

20 van een rund, tot zondoffer. Én zult gij nemen van zijn bloed en het doen op zijne vier horens en aan de vier hoeken van het voorhof en aan de uiterste grens rondom; en gij zult

21 het ontzondigen en er verzoening voor doen. En gij zult den var tot zondoffer nemen en men zal dien verbranden op een daartoe bestemde plaats van het huis buiten het heiligdom.

22 En op den tweeden dag zult gij een geitenhok brengen, zonder gebrek, tot zondoffer ; en men zal het altaar ontzondigen, gelijk

23 men het ontzondigd heeft door den var. Wanneer gij dan geëindigd hebt te ontzondigen, zult gij brengen een var, jong van een rund, zonder gebrek, en een ram van het kleinvee zonder

24 gebrek. En gij zult ze brengen vóór den Eeuwige; en de priesters zullen er zout op werpen en ze als brandoffer brengen

25 ter eere des Eeuwigen. Zeven dagen lang zult gij eiken dag een bok tot zondoffer bereiden ; en een var, jong van een rund, en een ram van het kleinvee, zonder gebrek, zal men be-

26 reiden. Zeven dagen zal men het altaar verzoenen en het

27 reinigen en het wijden. Als men dan de dagen voleindigd zal hebben, dan zal het zijn; op den achtsten dag en verder zullen de priesters bereiden op het altaar uwe brandoffers en uwe vredeoffers en zal Ik u in welgevallen aannemen, is de uitspraak van den Heer, den Eeuwige God!quot;

HAPHTARA van KIE THISSA.

I Kon. 18,1-39.

{In den Portugeeschen ritus begint men met vs. 20.)

1 En er verliepen vele dagen, — toen was het woord des Eeuwigen tot Elijahoe in het derde jaar, als volgt: «Ga, vertoon u aan Achab en Ik zal regen geven op de oppervlakte

2 van den aardbodem.quot; Elijahoe ging nu om zich aan Achab te vertoonen; — en de ïiongersnood was sterk in Samaria.

150

ocr page 307

niïn mitön 3p

ann ^ n-i^ DW b^nKni : iniK 'D p:

TjiN yiix nnTyni : v^nn n^nn« P

nniK D^oS^ini rrjn-! Dnhrri^ ^31X3 quot;

: onp n-iiö inn^oi yzo na» nyp^nni naxn ♦ïn

rIt j : v.quot; ^siquot; ' t -» t ' «t ^1 iquot; - : t - it -*• quot;'

niran mpn nbK nin» 'jin -lüKria m^-p quot;iü^i ^

-••:•- |j •„, v ••lt; • v: jt -: - t « tt i v ~ *• V •*

nnnji: DT vby p^i n1?^ v1?^ nibyn1? inf^n

-•t quot;it : it i.t 't i j:'r '• t ^ qt ! 'quot;m1 ^ ,tquot; i ^quot; '*

dk: ,c7N D^npn pinï ^itq on im D'ibn D^narrbx

.)•,,: - •• j- i; - i t -v • •• ■Jv -s •• : - j* -: i -

ióid nnpSi : nKün1? iprp ns mrr 3

t • -«t : i- it : ,t~^: v ^ j~ * *quot; :it : v: ^quot;!

biaan-^N'! nir^n nisa i^N-^i.vnnp. nnn:!

nKtsnn nan nt* nnpSi : mmöDi iniN nKtsm yzoN3

at - 1- ^ jt - ^ v,quot; t : i - -«t : it ; - • : ^ v, jt quot; ' : ^ *' t

anpri oini : Bnpa1? pna n^n ipfiaa 10^133 iKtsn n^K3 naran-nK wtam nNtsn1? D^an

' jv —.i- - - v \ ' : at - : (.* t r • •• :

-ja D'an nprp 12 anpri Nana ^nibsa : 133 » □n^igt; o^nan mn» ^sb nnaipni: a^an rKïn ^

v •• *-i «• -: 1 - •:•: at :-•••: * ^t ; -I; • : •' T ' t ^

-yvw ntrim : nin^ n^ dpik i^ni nVa «

'i* : jv ~: i~ * t ~~ : * it i- (.t ot j v:iv : quot; quot;

: itrr» own m^n-ra nps-ja 101 Dl»1? nxan

* • •'■, j- • : 1 1 ■ 1 ■ vquot;: ,quot;tt 'v squot; * v : h:' : iK^ai intf nnai naran-nx möai D^a^nys^13 g

D^nsn nxSni ♦ra^n Dib n»ni D^a^n-nx i^v3 r-

«• -: i ^.-r t : t t^ • ; - t t ; a* t - ^ ^ v v. quot; • p_|:

DN: ddpk 'n^ïTi DiraVirnNi Da^n^i^-nK natan-^v ^

V.-..; v : v • -•• t : v •• : - v ; v quot; » v - ,.. . - - ^

: mn»

r v; jt -s

xt^n »3 niEön .dquot;S-'N nquot;1 JO'D K ooSaa anaarjcn jnaas

(0}{n}C nSc1! pp1' D'^nn» D'Tison)

n^'b^n n:#3 n^n nin,-i3Ti o-in w ',n,i« ^

v.* • : quot; jt t - t• -••• v tt t : quot; : * quot; •*• t • :quot;

: nanxn naa n:n«i 3KnN-l7X n^nn -p quot;iaxS

it t-:it jquot; : ^t t jt : v : t : - quot; •*quot; tlquot; a ^ ^

: ?na^3 prn 3Vquot;im 3ilt;nN-VN niKinb ^1 =

I 1 ; 1 ; I ^tt jT t it » at : - v ^ tlquot;; t*-»quot; Jv-

ocr page 308

HAPHTAROTH.

3 Nu riep Achab 'Obadjahoe, die over het [konings-]huis was aan-

4 gesteld, —• en 'Obadjahoe was zeer Godvreezend; En het was: toen lezébel de profeten des Eeuwigen uitroeide, had 'Obadjahoe honderd profeten genomen en ze verborgen, telkens vijftig man in

5 een spelonk, en had ze onderhouden met brood en water; — En Achab zeide tot 'Obadjahoe: „Ga in het land rond naar alle waterbronnen en naar alle beeken; misschien is er gras te vinden, opdat wij in het leven houden paarden en muilezels

6 en niet geheel te gronde doen gaan wat er aan vee is.quot; Zoo verdeelden zij onderling het land om het door te trekken; Achab ging langs éénen weg alleen en 'Obadjahoe ging langs

7 een anderen weg alleen. Toen nu 'Obadjahoe op den weg was, zie — toen kwam Elijahoe hem tegemoet; toen hij hem herkende, viel hij op zijn aangezicht en zeide: „Zijt gij het waarlijk,

8mijn heer Elijahoe?quot; Hierop zeide hij tot hem: „Ik ben het!

9 Zeg tot uw heer: Zie, daar is Elijahoe!quot; Nu zeide hij: „Wat heb ik gezondigd? Dat gij uwen dienaar in de macht van

10 Achab geeft om mij te dooden? Zoo waar de Eeuwige, uw God, leeft, — dat er geen volk of koninkrijk is, waarheen mijn heer niet gezonden heeft om u te zoeken, — doch als zij zeiden: hij is er niet! dan bezwoer hij het koninkrijk en het volk,

11 dat hij u er niet zou vinden. En nu zegt gij: ga, zeg tot uwen

12heer: Zie, daar is Elijahoe! Nu zal het zijn: Ik zal vanu weggaan en de geest des Eeuwigen zal u opheffen en wegdragen naar ik weet niet waarheen; als ik dan kom om het Achab mede te deelen en hij u niet zal vinden, dan zal hij mij ombrengen ; — eu uw dienaar vreest den Eeuwige, van mijn jeugd

13 af! Is dan mijn heer niet medegedeeld, hetgeen ik gedaan heb, toen lezébel de profeten des Eeuwigen ombracht; dat ik van de profeten des Eeuwigen honderd man verborg, telkens vijftig

14 man in een spelonk, en ze verzorgde met brood en water? En nu zegt gij: Ga, zeg tot uw heer: zie, daar is Elijahoe, — en

15hij zal mij ombrengen!quot; Hierop zeide Elijahoe: „Zoo waar de Eeuwige Tsebaoth leeft, vóór Wien ik steeds gestaan heb, dat

16 ik mij heden aan hem zal vertoonen!quot; Nu ging 'Obadjahoe Achab tegemoet en deelde het hem mede; en Achab ging

17Elijahoe tegemoet. En het was: toen Achab Elijahoe zag, zeide Achab tot hem: „Zijt gij het waarlijk, beroerder van

18 Israël?quot; Doch hij zeide: „Niet ik heb Israël in beroering gebracht, maar gij en het huis uws vaders, doordien gij verliet de geboden des Eeuwigen en volgdet de Be'aliem!

19 En nu, zend, verzamel tot mij geheel Israël naar den berg

151

ocr page 309

mn »5 n^icaön «ap

ay rvn innaai *1^« inn^-^K ^nhk Nip'ij

•rt -»tt t ;-n ; -at - _ jv -i v.t^: - i v t : - -«ti;*-

njp'i nin» waa nx nnpna ,n,i : ikö nin^n« ^ D^pin^sa^ND^pnDN'an'iD'K^ HKD mnn^

ptt| innn^K 3Nn« : D»OI on^n DID n'n:i n^n NÏO: I ^IK D^nan^s bxi oén

j v - ; • t -*t ; • j- a* t : ~ t vquot; ï • - - j*»: ; -

■quot;lav1? pKHTiK Dnb ipbm inonanü nna: KI^I móv

t^:i- i vvtt v 4vt iJ; - ;- ^ it •• : - iquot; *■* squot; / 1 vvt

-inN-nna^n innaai inab nnx •n-na •nbnaKnn na

^ VT^V ) viv ; h-t )t :-n : -: .t v ^ | vlt;v: )-t t: - at

in-ia?! ïn^pgt; ^*7« nani ^n^a innajr 'rri : naV ib noK,i : in»1?» ♦a'tN nr nrwn no^i vis-Vy Vs'in

• at v, j~ it • iquot; J* -: V.V jt - i- v - tt ~ -■ * quot;

-♦a ^n^ün na : in»1?» nan Iqk 'qS0

r • at t •»•.* •-• v, ~ it • iquot; jquot; ' p v»* 'quot; ^ *•*; i •)••

TrtbNnin^'n : ♦an'on1? axriK-Ta ^ia^_nN rna nnx1

I v v: ; jt ! -,quot;gt; * 'quot; • quot;:| p * , p* p'! * '. ' ƒ

noNi ^i^pa? Dïy nw-N1? nabDDi 'la-t^DN

v. : it : I ; lv- : t y —. - t^ i v -j tt : - lt;

: naKïD,quot;i6 ♦a 'lin-nNi na^oarrnK V'a^ni rx

t iv t ; • 1 v.' quot; quot; : t t : - - v ^ «• : • ; i • at

n';ni : nan n^aiN1? iqx nS -iöx nn^ nnyi ^

t t^: it • iquot; jquot; • I V,**^ i- -» v; I •)quot; ^ aquot; jt - vt quot; ï a1quot;

♦nwaï vyt'H) nin» nni ^nNp i 'ax

nin'-nN Nquot;)» quot;i^i ♦aanni nKïo» KVI ^KHK1? n^an1?

vt : v j-r .)| ; • .: -at t-ii- v i quot;. ir^: • j : ot : - : s* - :

nK^ah* ahna hm 'a'-iN1? nan-K^n :npQji

V vv • ^ ^ quot;liquot; *,* T v quot;V -quot;S ' 9 lt; ' * ,T '•*

D^ön D^on va n«o nin^ NanNi nin^ ^^3

r • -• • • -: * tjquot; t : .. • • • • : -,t at : • ;

r\b quot;ion nnx hnyi : d^oi Dn1? D^aSaxi n^aa Wilt; ^

l-iquot; quot; .quot;T quot; , T ^ quot;ITT •••JV lquot; : : quot; quot;Iquot; T T S'

nin^n^K laxn : 'aa-ini rr?K nan ^atN? iöN«

jt ; quot;lt; t* iquot; v - 'it t -:i- at - 1quot; ■quot;• • k*.* iquot; # j vi

n^'i : vSk nNquot;)« diti 'a vaa1? rrfequot;3

)vsquot;quot; it •• r.* tiquot; v. ~ j' at t : • ;vquot; t gt;v -: t :

; in»1?» nsnp1? awnx i'rna'i axnN n^npS mnay

it- iquot; j-l: • ^t : - )vr- a v-- \.r : - j-\: • it : - i

nnKn V^K a^nx IDN'*! vrbtrnN awn^ niNia 'nn ^

jt quot; iquot; t •• t : - ^ *•*gt;*' rtt* v v.t : - j :• •)* ;*

-QN ♦a bNi'ty^nx 'may xb quot;IÖN'I : lay n?^

gt;• •• t; • v • ; - 't ^ lt; v - iquot; t ; • jquot; kv

nnx Tjbni njn| niïp-nx naat^a ^ax n^ai nnx nn-^x ^«quot;iB^-ba-m rap nS^ nnyi: D^van ^

-- v vquot; t ; * t v i gt; I: * t t - : r t ;

ocr page 310

HAPHTAROTH.

Karmel; en Ba'alsprofeten vierhonderd en vijftig, en profeten van Ashéra vierhonderd, die eten aan de tafel van lezébel.

{In den Porlugeeschen ritus begint men hier).

20 Nu zond Achab door geheel Israël en verzamelde de profeten

21 naar den berg Karmel. En Elijahoe naderde tot het geheele volk en zeide: „Tot hoelang hinkt gij nog op de twee gedachten? Indien de Eeuwige God is, volgt Hem dan; doch indien de Ba'al het is, volgt hemquot;. Doch het volk antwoordde

22hem geen woord. Nu zeide Elijahoe tot het volk: „Ik ben alleen overgebleven als profeet voor den Eeuwige; doch de

23 profeten van den Ba'al zijn vierhonderd en vijftig man. Men geve ons nu twee varren, en laten zij zich den eenen var uitzoeken en hem in stukken snijden en leggen op het hout, doch vuur er niet bij leggen; en ik zal den anderen var bereiden

24 en leggen op het hout en vuur zal ik er niet bij leggen. Dan zult gij aanroepen den naam van uwen God en ik zal den naam des Eeuwigen aanroepen en dan zal het zijn: de God, die in vuur zal antwoorden, die is de ware God!quot; En het volk

25antwoordde en zij zeiden: ,/De zaak is goed!quot; Hierop zeide Elijahoe tot de profeten van Ba'al: ,/Kiest u den eenen var uit en bereidt hem het eerst, want gij zijt de meerderheid; en roept den naam van uwen god aan, doch vuur zult gij niet

26 erop leggen!quot; Zij namen nu den var, dien hij hun gegeven had, en zij bereidden dien en riepen den naam van Ba'al aan van den ochtend tot den middag, zeggende: „o Ba'al, antwoord ons!quot; doch — geen geluid, en niemand, die antwoordde! Toen hinkten zij als lammen bij het altaar, dat men gemaakt had.

27 Toen het nu middag was geworden, dreef Elijahoe den spot met hen en zeide: „Roept toch met luider stemme! Hij is immers een god; misschien heeft hij juist een gesprek of heeft hij iemand te vervolgen of een reis te maken ; misschien slaapt

28hij ook en zal hij dan ontwaken!quot; Nu riepen zij met luider stemme en brachten zich, naai hun gewone wijze, insnijdingen toe met zwaarden en lansen, totdat zij bloed over zich uitstortten.

29 En het was: toen de middag voorbij was, bleven zij als profeten handelen tot tegen den tijd, dat men het middagoffer brengt; doch geen geluid, niemand antwoordde, noch eenig spoor van

30 vernomen-zijn! Toen zeide Elijahoe tot het geheele volk: „Nadert tot mij !quot; en het geheele volk naderde tot hem en hij herstelde het

31 altaar des Eeuwigen, dat was omgehouwen. Elijahoe nam namelijk twaalf steenen, gelijk het aantal der stammen van Jakob's zonen, tot wien het woord des Eeuwigen was geweest, als volgt: exodus, 20

152

ocr page 311

Ken ^

a^pm niKü ^3-IK ♦KarnNi ^ö-ian : hivx rn1?^ ,1?DN niNQ jranN

vit • Ij- ; •.. v.quot; ; i •• ^ j- • - tquot; -;it

Dmaon D^nno JNS m-bK DwasrmN rspn bKn'ty» ♦jrbsa a^nx nVtr»quot;!3

^j~ *•• ^ v.* ^ : - -* i jl:*- aquot; t; • -•••^; t : : - j' : •-

wiy quot;IÖN,I in^K ^»1 ; boi^n «

t tt t v t ' iquot; quot; * ' iv : quot; -

vtin id1? Dfl^Kn nin»-DK b^Dn D'noa ddk

t-: i- j ; • v:it lt;t : • . •% . - j.. : • ; i jv -

-ion»I : im inx Dyn mnx IDV b^an-DNi23

•.•_lt;- it t v. -jtt J T i : at-:i- •gt; Z m ^ ^ ' l

b^in na1? nin^ »mnij ;:a D^n-^x

- - - -Jquot; * : is* - : v.t 1- •)• t • :s- * -: t t v t • iquot;

nnyi ons D^E' : Bquot;K n^ani niND-^aiK»

j -j ; . ; * t t S' : ^ '* ^* * quot;:,quot;r J '\ q1quot; : quot;

n1? t^Ki iD^n innnn quot;inxn quot;isnon1?

a* t -» ; • jt^ • t : \ - r t v it t - v t

N1? rNi D^^n'S^ 'jnnji inNn isn-riK 1 rt^x »5x1

j v •. ' ••■'t ^ • —it : t vit jt - v •*'• .*;iv • -:r

n^m nin^Dtyn xnpx orrrftK nm onxipi: Vm ^

stt : t : iquot; : jtI ; v • -: - v •• i v; -quot;• : v tI; r t

mo^iD^rr^sr^iD^Nn Kin Etoi D^VKH

\. : 1- r-'tt ^ t l^-s— A* v: it j {quot; t r.-^n- v -: r v:it

isn DDl7 nna ^in in^K iök'I : min aiü «

lt;t - v t -:^|- — -quot;• • ; • t • iquot; v - it t^- j

ayriba damp;2 wnpi own onx ^ niiamp;n iirjri quot;inxn

v •• i^v; -«•• : :r : ^a- -it vv ' ^ J'p r i* ^ t vit

'V^'i on1? rnri^x ian_nK inpn : io^n n1? 13

:|— ^ v t i •j- t v -; t - v -J pp1*1quot; j :

7^3n iaxb onn^n-i^'! npana ^an-D^a iKip'i : rtvy im naran-^j; insan n:j; pxi ^ip TNI

\.gt;TTiJ'' vquot;*'» ^quot; .: •' A'' l'jquot;! UJjquot;. ^ -.

bnr^ipa iNip wi in^K ona ?nnn onnva tm»

t h : lt; ;|* v - t * iquot; Jv t squot; - : - • -▼:it -

^IK iquot;? Ttn^ai m-'i) n^s^a «in D^nbx^a

Ijquot;t •)- a I v-»v ^ : v, •)•,*:- s* ^ • J- v; r

manna oèa^aa nnan^ ^ina ^ipa ixnp'i : rpn «in «

# v t-:r tt: • : ; i^ : • - t Mit*: v.

ixajn'i onnïn na^a vn : on^v arrj^-iy □♦nanai ^

: -^:r- • -*:it * -j -:i- • :- iv v.t ) t : a* t :it

iqn'I : a^pxi njrpKi bip-pxi nn:sn nib^b quot;nx xai,i vbx D^n-^a 1^3 b^n^a1? in^x

.)quot; -:- at •• ^tt t j :•' - quot; ^ ; *t t t : lt;t* iquot;

D'jax a'niy in»1?^ np'i : Dimn nirr naro ^

.: Tr:11 ^ ■■■ quot;■ = . |jquot;. '•r ,v ^ ■

idx7 v?x nin'-nan n^n ivtlt; ap^'^a ^atr laooa

r quot; lt;t : m : tt v -j Ia^ii- •• ; — ; • i ' i

ocr page 312

HAPHTAROTH.

32 //Israël zal uw naam zijn!quot; En hij bouwde de steenen tot een altaar in naam des Eeuwigen; en maakte een gracht, ongeveer zoo groot als om twee Sea uit te zaaien, rondom

33 het altaar. En hij ordende het hout en sneed den var in

34 stukken en legde ze op het hout. En hij zeide: //Vult vier kruiken met water en giet het op het brandoffer en het hout!quot; En hij zeide; //Herhaalt het!quot; — en zij herhaalden; en hij zeide: «Doet het ten derden malequot;, en zij deden het

35 een derden keer. En het water ging rondom het altaar en

36ook de gracht vulde hij met water. En het was: op den tijd,

dat men het middagoffer bracht, naderde de profeet Elijahoe en zeide: //Eeuwige, God van Abraham, Izak en Israël! heden moge bekend worden, dat Gij God zijt in Israël en ik Uw dienaar, en dat op Uw woord ik al deze zaken heb gedaan!

37 Antwoord mij. Eeuwige! antwoord mij, opdat dit volk wete, dat Gij, Eeuwige, God zijt; en Gij hebt dan hun hart weder

38achterwaarts gewend!quot; Toen viel een vuur des Eeuwigen neer en verteerde het brandoffer en het hout en de steenen en het

39 stof; en het water, dat in de gracht was, likte het op. Toen nu het geheele volk het zag, vielen zij op hun aangezicht en zeiden zij: «De Eeuwige, Hij is God! de Eeuwige, Hij is God!quot;

HAPHTARA van WAJJAKHÉL, naar den Hoogduitschen ritus.

I Kon. 7,40—50.

(Volgens den Portugeeschen ritus wordt dit stuk als Haphtara van Pekoedé gelezen.)

{Is op dien dag de afdeeling Shekaliem gelezen, dan wordt de voor dien Shalbath bestemde Haphtara voorgedragen (zie blz. 157), ook al is dien dag of op den volgenden dag Rosh Chodesh. De hier volgende Haphtara wordt dan hij Pekoedé gelezen.)

7quot; 40 En Chierom maakte de bekkens en de schoppen en de sprengbekkens; zoo voleindigde Chierom te maken al het werk, dat hij voor den koning Salomo maakte voor het huis des

41 Eeuwigen. Twee zuilen en twee bolvormige kroonstukken, die aan het boveneinde der zuilen waren; en twee netvormige versieringen om de beide ronde kroonstukken te bedekken,

42 die op het boveneinde der zuilen waren. En de vierhonderd granaatappelen voor de beide netversieringen; twee rijen granaatappelen voor iedere netversiering, om te bedekken de twee ronde kroonstukken, die boven op de zuilen waren.

153

ocr page 313

»3 nnüön «p

nin» Dtfa naro D^SKn-nK my) : nD# n»^ hxiw *

*r : jquot; : quot;vquot;: * •»* t -xit v jv ; •- hv : jv ;r vquot; t : •

■n« Tj^ : nars1? yzo ynr d^nd jvm n^n a lx1?» D^I isn-nK nnr\ o^jrn ^

12^ no^'i D'X^rr^i nVj?n-^ ip^n D'o bns rwntf

; v lt;- a* quot;^' ix ; it - u : i*: • - •- t : -

naraba^D D^an wbtr noKn

-aquot; ; • - v* t * - - -* ; iquot;quot; !••-;- vquot; quot; v Jquot; ; * -

ró»quot;) niiisn niVjra i 'nn : D^O-NVD n^nn-nx oav1'

^--- t ; • - ^ j ^nquot; - -it •• • t : - v j- :

pnï' annnx nin» Haxn ^aan in»1?»

••^t ; • ; I -«t ; • t t ; - lt;•• v; t : - - • t - -t • iquot;

ïpa-Qi riNi. D^ribx nnK*^ yiy Di»n

Vti 'W nin» : n^xn onain-^a HN Wvv ^

:iquot;; • •■ . t : •lt;quot;^; v iquot; t t ; - t jquot; • • ^

oab-nK naon nnwi D^ribNn nirr nnx-^ nïn orn

V.t/ v * -» or - : a* v:it : JT - r v - ^tt

D^vrrnKi ntyrrn^i baxni nin^t^N Vsni : rvrintt ^

• 'ï.jt v ; t it v - lt; - t ; iquot; j • - r - i -j

; ron1? n^nnu'N D^n-nxi nsyn-nNi D^aNn-nKi

t ■•• * vt ^ : quot; v •quot;* 'j' quot; v : at tiv v ; v/ t -:it •* :

D^Nn Kin nirr naN'i nn^r^ ^ö'i D^n-^s ki»i ^

v:it •» t : : ■• - av •• ; r r r ;--

: D^nSxn Hin nin'

r v:it j V.t ;

Vnp^ niüfin

'i pio a DOSOS anjsü'Nn jruoa .nmaon jnaoD mps maan x'ni -inn w n'na /DW yaB' ja ''f ^bb» o'Spc 'b «sin dni) (.nipa ncisS dith D^TDS» TN1 vin

by) nipnTsn-nNi D^»n-n^ nii'an-nt^ DITH 1 rbnb nfry rnrx na^sn-brnK hi'^V DTH

|v jv - .)t 't jv -t t r : ~ t v ^tr t *

■Svquot;^^ rihnin nbii onsy : nin» rib1?# ^

v -j •) t i - s \: •-: j* •• - it : Jquot; ^ :

♦riK'-nN nico'? D^ir nüa^m oms^n Bfc-i

•• : v - ; • - : j t ; - : ^ • at : v,* . it j

vy\n D^bin-nKi: oniayn nSnin mba

* J. .- .,• .,t v : r it J v.v -j tl- - \

nn«n nantf1? o^an oniü-^iy nüa^n 'mb niKa

t v it -t t : - * lt;• !••: at ; - -••• ; * v quot;

: oniayn 'is-by rfirbn mb-i hidd1?

i* it Jquot; S,'' t tl- ■• % •• ; v - ;

ocr page 314

-HAPHTAROTH.

43 En de tien onderstellen; en de tien waschbekkens op de onder-

44 stellen. En de eene zee; en de twaalf runderen onder de zee.

45 En de potten en de schoppen en de sprengbekkens en al deze voorwerpen, die Chieram maakte voor den koning Salomo voor

46 het huis des Eeuwigen, — van gepolijst koper. In de vlakte van den Jordaan liet de koning ze gieten in uitgeholden bodem;

47 tusschen Soekkoth en Tsarethan. En Salomo liet al de voorwerpen maar neerzetten wegens het overgroote aantal; er werd

48 geen onderzoek gedaan naar het gewicht van het koper. En Salomo liet maken al de voorwerpen, die in het huis des Eeuwigen waren: het gouden altaar en de tafel, waarop het toonbrood

49 was, van goud. En de luchters, vijf ter rechter- en vijf ter linkerzijde, vóór den Debier [het allerheiligste,] van gedegen goud; ook de bloesems en de lampen en de tangetjes van goud.

50 En de schalen en de messen!) en de sprengbekkens en de lepels en de vuurpannen van gedegen goud; en ook de scharnieren voor de deuren van het binnenste huis, voor het allerheiligste, alsook voor de deuren van het huis, voor den Héchal, van goud.

HAPHTARA van WAJJAKHÉL, naar den Portugeeschen ritus.

I Kon. 7,13—26.

13 Nu zond de koning Salomo en liet Chieram uit Tyrus komen.

14 De zoon eener weduwe was hij uit den stam Nafthalie; en zijn vader was een man uit Tyrus; hij was een kunstarbeider in koper en was vervuld van wijsheid en inzicht en kennis om allerlei werk te verrichten in koper; hij kwam nu tot den

15 koning Salomo en deed al diens werk. Hij vormde de twee zuilen van koper; achttien el was de hoogte van de eene zuil, en een draad van twaalf el vormde den omtrek der tweede zuil.

16 En twee kroonstukken maakte hij, om op het boveneinde der zuilen te zetten, uit koper gegoten; vijf el was de hoogte van het eene kroonstuk, en vijf el was de hoogte van het andere

17 kroonstuk. Netvormige versieringen, van vlechtwerk, snoeren als kettingen gewerkt, voor de kroonstukken, die op het boveneinde der zuilen waren; zeven voor het ééne kroon-

154

18 stuk en zeven voor het tweede kroonstuk. En hij maakte de

') V. a. beide: muziekinstrumenten.

ocr page 315

Vnp'i nntaan tap

-nKi : rvübsrrby n^wnNi quot;i^ niiban-nxi«

v ; i : - t : j * - v ; v v : quot; v ; 10

niTDn-nNi : D'n nnn T^-D^jy npan-nKi nnxn D»n ^

• - v ,Tquot; ~ J' V'T^' : rTquot; v : *Tr'' 'T ^Tquot;

ntyv nèw bn^n D^an-ba nxi nipquot;iTsn-jnKi DTrmn :

jt t V -: V *• t -• quot; - T •• : It:-- v ; t - v ;

nn»n 1333 : üiöo nm: nin» nb1?# -nbs4? on^n «

«- • ; it : v ^ ; at : v ï I ••' -»•.• - -rr *

nsi : rmï psi ni3D ^3 noiKn n3yo3 rhén opv»'»

lt;------I IT :it I jquot; V, ' jquot; T-!IT v/V^i- : I •• V - ^ I-TT:

bfivn *ijpn: k1? ikö inü 310 D^sn-^rnx ntibiï r\a nin1 D^3n-b3 jik rivhw ^'i : n^nan m

..lt; rtT . J.. -: • « - T ••« ^ : -••— # •• ' ••

: 3nT D^sn on1? quot;IE'K rnV^n-nxi 3nTn n3?ü

ITT ^T - vr.' t JV t I tf: \ - ^ V ; pTTquot; p quot;

3nT yyir] ^KO'^D ironi iran miian-nKiBa

-TT V.' :p' p ') : • Squot;T : I -T • quot; T ; - v ;

nnöTani nisom : 3nT D^pbam rnm mam quot;iud3

s ; - : i-; • - : itt '^-It; v - ; : -sv - : at

nin^ ninbm quot;11» 3n? ninnsm ni33ni nipiTsni

; -: - ; AT JTT - Z J ' ' i 14 t: * quot; :

: 3nt byrh n^n o^ipn tripb n*3n

itt ^t quot;i- • •)— jquot;; -; • tI*;- v|-» : • • ; - • - -

Vnpn nitsan

.iD-^ 'i p'D a aoSna -nrnsDn jnjos ntfim nso np«i riabü' iban '

TT: - T • I ••■ I • it • V IJ-- : Iv^v^- - :---rquot;

H^ri: i^ln nv^»N vasïi ntsap «in -Sa n^irrnx'! npnn-nwi nMnrrnK i6w{ -Sr-nx nb^ ^an-bx «131 naxbo nni^y nibtr n^n: oma^n w-nx -im : in3Kt?ü10

... ... . va: 'T jquot; : v '■)T'^ 1 : * :

3D* nat? ™jrDW laim nnxn ma^n noip nats 'tfKT1?# nnV nnnb ma^n-nK quot;=

nnttn mnbn haip matt tron ntfm pxa onia^n

t vit vjv - - I quot; •*quot; r v a : 1 ^ v 'T

n33iy n^ao^a': n^n nnnan naip max ümy Dniajrn to ninab mn^i^ n^o b»vgt;ia

tik : miBTi mrób njDBh nnxn nnna^ h^3^ ^

|. •• - vjv - : t vit v-v - t :

ocr page 316

HAPHTAROTH.

zuilen; en twee rijen [granaatappelen] rondom aan het ééne netwerk, om te bedekken de kroonstukken, die boven de granaat-

19 appelen waren; en zoo maakte hij voor het tweede kroonstuk. En kroonstukken, die op de bovenzijde der zuilen zijn, leliënvormig

20 bewerkt, in den Oelam [voorportaal], — vier el. Kroonstukken namelijk op de twee zuilen ook van boven, van tegenover de als een buik uitstaande verdikking [der zuilschacht], die naar de zijde van de netversiering is; en de tweehonderd granaat-

21 appelen in rijen rondom ook op het tweede kroonstuk. En hij richtte de zuilen op als voorportaal voor den Héchal; hij richtte namelijk de rechtsche zuil op en noemde haar naam: Jaehien, en richtte de linksche zuil op en noemde haar naam:

22 Bo'az. En op het boveneinde der zuilen was leliënvormig

23 werk; — zoo was het bewerken der zuilen geëindigd. — En hij maakte de zee gegoten; tien el van den eenen rand tot den anderen rand [in middellijn], rond, rondom ; en vijf el was zijne hoogte en een snoer van dertig el kon haar rondom om-

24 geven. En kolokwinten van onder haar rand rondom omgaven haar, tien op de el, omgevend de zee rondom; in twee rijen waren de kolokwinten eraan gegoten, toen zijzelve gegoten

25 werd. Staande op twaalf runderen, drie zich noordwaarts wendende en drie naar het westen gekeerd en drie zich wendend naar het zuiden en drie naar het oosten gewend, en de zee er

26 boven op; doch hun aller achterzijde naar binnen toe. En haar dikte was een handbreed en haar rand als de bewerking van een beker-rand, als leliënbloesems; twee duizend Bath kon het inhouden.

HAPHTARA van PEKOEDÉ, naar den Hoogduitschen ritus, ook als Wajjakhél en Pekoedé tezamen gelezen worden.

I Kon. 7,51; 8,1—21.

{Is echter op Shahhalh Wajjakhél Shekaliem gelezen, dan wordt bij Pekoedé de Haphtara Wajja'as Chierom (blz. 153) voorgedragen).

51 Toen nu het geheele werk voleindigd was, dat de koning Salomo had vervaardigd voor het huis des Eeuwigen, bracht Salomo de door zijn vader David gewijde zaken: het zilveren het goud en de voorwerpen legde hij in de schatkameren van het huis des Eeuwigen.

1 Toen riep Salomo in vergadering bijeen de oudsten van Israël, alle hoofden der stammen, de vorsten der vaders-huizen der kinderen Israels, tot den koning Salomo naar Jerusalem, om op te voeren de arke van het verbond des

155

ocr page 317

mttón nap

niD^V nnxn ro^rrby yiü anita Dnia^n

lt; - ; t v it -«t t ; - • t quot; t a* it

mnbS pi a^bin ^rVir nnnan-nK

••\v - t 't 1—^ • -it quot;* gt; v 's tl-

n'^o DniD^n quot;it^K nSnbi : ^

ij- ^ v.. 1.,- ^ it a *■ ... -: . t i : ,. .. -

^Dö-oa Dniayn '^quot;Vv nnnbi : niaK ^3iK 3

^ it •• ; - t i ; i quot; v~ iquot; at it 1^1

oncp amp;mt2 D^iaini niiw* -a^quot;? IB'K |t3|n ns^VP ft b^nn D^N1? ona^n-nN b^i: n^n ninan b% yio™ Jr nia^n-nK b^ipp; iatp-nK ♦ja^n quot;iia^n-nk djvi n'^a ama^n mi tyi : ma latrnx ^«a^n ^

J.. »5.1- r ^ IT J »5-; ^- , ^ ; v JTI; • - T ; -

pxta DTITIK ^»i : oma^n naxba ohm TEMI?»

■•■:v '^t iT: •• , . r c'T ••quot; r'V ^ quot; },quot;T P

maip naK3 t^ani yzo ' biy insi^ny inöfra na^a

tgt; q t quot;,t *quot; t ! * t -j t t : ^ t ; ,t

nnna o^pfii : n^o inx 2b* nawa yvhw mpi ^ ^

- - • It : ^ • t v. j t t - it ^ : It: ^

D»n-nK D'fipa naK3 Ttry inx D^ab n^o i inai^

v.t - v j' i' - t - it v *vlt; ■*• ; i • t lt; t : *

nay : in^x^a d^ï» o^psn bnita a^o « intyVB'ina^D^bWVB'i naiav i oab n^birnpa ivy

jt : tt • t : t f t j* jt ; itt -«t

-Sai n^a^aon^ dtii nnnra d^ö n^tri naai d^s

t ; t'iat; * \,v quot; quot;. jt - : r t:#* -•• t : tiv •gt;'

Dia_na2gt; n'^aa inafi nara i-avi : nn^a onnnn13

C - : jquot; : iquot; : •) t ; - v -gt; i*r 1 t :it •• 1 -:

; pa D'ÖVK VtiW ma

1* t 'J~ : - i at -■'v

nips maan

.s''3-'s TI /Nquot;3 -I p'D a D^Soa Dnacxn jmos lnip3S D'TOEB in /Snp1! 'S2 D^ptf '2 fn üs Sis : lamos pa nis» pa)

(.Snpquot;1! DiTn vpy nin» n^a ria1?^ -nSan n'^ I^K naxban-ba bbtrniw ?

at : -»•• v, : i v j'-' - -jt quot;t j'.' -: t^ t : - ^ t - ; • -

quot;nxi fiDarrriK vax m 1 ^ip-nN nab^ KTI

v : i •.•lt;•.• - v * t -** t -•quot; :It v : •• t-

na^bnp» tk :nin» n'a nnvxa rna D^an-nNi ann ^ H

- : -I:- jt , it,: r- i:, : I-t ■-- v : tt-

aaS niasn wv: nitsan ^NrVaTW ^prnx

squot; ; • tit •• • : - - -iquot; t t v ; •• t : • -—i: •

■ma rn«-nK ni^nb ubmy naV^ quot;iSan-bx

r : • s-: v ^ri-: -at t i: ; | v jv - v .)•• t: *

ocr page 318

HAPHTAROTH.

2 Eeuwigen van 'ler-David, dat is Tsijon. Zoo kwamen bijeen bij den koning Salomo alle mannen van Israël in de maand Ethaniem,

3 op het feest; — dat is de zevende maand; — En kwamen al de

4 oudsten van Israël; nu droegen de priesters de arke. En zij brachten opwaarts de arke des Eeuwigen en de tent der samenkomst en al de heilige voorwerpen, die in de tent waren; en de

5 priesters en de Levieten brachten ze opwaarts. En de koning Salomo en de geheele gemeente Israëls, die om hem waren bijeen gekomen, waren bij hem vóór de arke, offers brengend van klein- en rundvee, zoo [talrijk] dat zij niet geteld en niet

6 bepaald konden worden wegens hunne menigte. De priesters brachten de arke van het verbond des Eeuwigen naar hare plaats, naar het Debier van het huis, naar het allerheiligste,

7 naar de plaats onder de vleugelen der Cheroebiem. Want de Cheroebiem spreidden hunne vleugels uit naar de plaats der arke; en de Cheroebiem spreidden beschermend hun vleugels over de

8 arke en hare draagboomen, erboven. En de draagboomen waren lang, zoodat de einden der draagboomen zichtbaar waren uit het heilige aan de voorzijde van het Debier, doch zij werden niet zichtbaar naar buiten; — en zij bleven daar tot op dezen

9 dag. In de arke was niets anders, dan alleen de twee steenen tafelen, die Mozes daar te Choreb had ingelegd; waar de Eeuwige een verbond sloot met de kinderen Israëls, toen zij

10 uit het land Egypte waren getrokken. Nu was het: toen de priesters uitgingen uit het heilige, — en de wolk vulde het

11 huis des Eeuwigen, — Konden de priesters niet staan blijven, om den dienst te verrichten, wegens de wolk; want de heerlijkheid

12 des Eeuwigen vervulde het huis des Eeuwigen. Toen zeide Salomo: wGod heeft toegezegd te zullen troonen in den nevel!

13 Gebouwd heb ik een huis als verblijf voor U, een verblijf-

14 plaats, waar Gij zult wonen in eeuwigheid!quot; Nu wendde de koning zijn aangezicht om en zegende de geheele vergadering

15 van Israël; en de geheele vergadering van Israël stond. Hij zeide namelijk: «Geloofd zij de Eeuwige, God van Israël, die met Zijn mond gesproken heeft met mijn vader David, en met

16 Zijne hand het heeft vervuld; zeggende namelijk: ;/Van af den dag, dat Ik Mijn volk Israël heb gevoerd uit Egypte, heb Ik geene stad uitverkoren uit al de stammen van Israël, om daar een huis te bouwen, opdat Mijn naam daar zou gevestigd blijven; doch Ik heb David uitverkoren om het hoofd te zijn over

17 Mijn volk Israël.quot; Nu was het reeds in het hart van mijn vader David om een huis te bouwen ter eere van den

18 naam des Eeuwigen, van den God van Israël. Doch de Eeuwige zeide tot mijn vader David: «Omdat het in uw voornemen lag om een huis te bouwen ter eere van Mijn naam — gij hebt welgedaan, dat het in uw voornemen lag; —

156

ocr page 319

nipfi niüsn tip

quot;ba n'b^ 'nban-^K : fi'S im yya nin» =

t : )vlt;v - v •: It*quot; I i * j' x t j' quot; ot

itffn : irinn xin 3n| D^nxn HTS j

■PK : TiiKn-nK D^rün VNIIT» ♦apt h'2 -gt;

— i I t it v v.' ** • quot; . j '• quot; *quot; t: ^ •* • • ^

^nijta IB'K iripn ♦brbrnKi. nyiD 'jn^-nNi nin; {ii« nnjr^quot;) nö1?^ ^ani : D^bni Dorian DDK 17^.n -IJ531 |NÏ b'naTp |i*iKn inx vty Dn^isn rinK-jiK D^rüniK^i : i:B^ nsD^Nb II^N1

i -: v • -: 1 - j* t- 1 •• ^ t • j 1 •gt; ; it * 1 s. .

D^npn u'lp^N n^n TOTVN iQipQ-bK nin^nna -b» 0^2 D^iö bonsn ^ : D^quot;i|n 'fis? nnrrbtf1 : rhvtön vir^i rnxn-^ D^nan isb^ rinxn DipD

. T * 'T : * 1 lTquot;, ,= 1 JT'T S'--:\ 'ST'TCM co'1' •

Tinn ♦jrSy t^ipn-röDnan IKTI DnanwnK'iquot;

• j — jt« • v| quot; i * lt;• quot; * •• t tlquot;~ ' *•

pn |i-iN3 |'K : ntn Di^n n^. Damp; vn»i nïinn wr B ma n*in3 ntra dit mn nin1? W

lt;-t v -: aquot; : i'- ot -r * v -: • t-: it •• *:

nxi'3 ^rn : onyp '{V Di^gt;'2 nin^

iVD^I : nin^ n»rn« NVD nym ^ipn-jo D^nan ^

s :it : it ; jquot; v v.quot; t i jt tiv : vU - i • v,*-: •

-HN nin^iaa ?:^n ♦jsd o^ron

: 1 : jquot; t i* iat^tiv jquot; : • ^quot;t : j quot;jiquot; ■) quot;• i

: P^1? quot;IDK nin» nó1?^ nox TK : nin» n*321

ïv t^:it i v. : * - t -t ; a ; -'- t «.t it ; jquot;

|130 ^ ^nr n^a »n^a n'33^ VH^^np-^aquot;! l?^^1Tiagt;,. ^np-ba DK ^a'! v:rnN vaa nai 'itrN Thu nin» ^iia iDK'i :

• ; jv • v -j •• t: • -••• v; t : i «t v - '

♦nNxin Divno : quot;ioN1? «Vö iTai ^ax quot;in ns™

v -: - i • 1 ^ •• vquot; * » •'t: a* t -»• t vquot;

'□a^ Vao -i^a 'mna'xV bnxsD ^«nir'-nK 'srnK

j.. . . • i • • ;j- t 1 . - . . . t : * v -»• -^

nvn1? iha nnaKi otf nvnV n^a nua1?

^ ; r • t ; ■»- ; vit at : j : *. ' quot; j : * •• t : •

d^1? n^a niaa1? 'ax in aab-ov 'nn : bKnir» 'ojrty ^

r. ; .- -. : • a* t -^t ^ • ;- f r: • r^' quot;•

im \T 'ax nin» loxn : 'riVx nin» ^

lt;v -; 1^-- • t ■j* t v t : v lt;- iquot; ti/ jquot; v: ^t :

^aab-Dynvva na^n nvh n^a niia1? ^aayoy n»n

ocr page 320

HAP H TAROT H.

19Slechts — gij zult het huis niet bouwen; maar uw zoon, die uit uwe lendenen is voortgekomen, hij zal het huis bouwen ter 20eere van Mijn naam!quot; En de Eeuwige bracht tot stand Zijn woord, dat Hij had gesproken; toen ik nu opstond in plaats van mijn vader David en zat op den troon van Israël, zooals de Eeuwige had gesproken; bouwde ik het huis ter eere van 21 den naam des Eeuwigen, van den God Israels. En ik bereidde daar een plaats voor de arke, waarin zich het verbond des Eeuwigen bevindt, dat Hij met onze voorouders heeft gesloten, toen Hij ze gevoerd had uit het land Egypte.quot;

PARASHATH SHEZALIEM.

Op Shabbalh Shekaliem wordt, behalve de wekelijksche afdeding, nog uit een afzonderlijke Wetsrol Ex. 30,11—16, voorgelezen (zie bladz. 103).

Haphtara van Parashath Shekaliem,

(ook als op dien Shabbalh of den daarop volgenden dag Nieuwemaansfeest is).

11 Kon. 11,17—20; 12,1—17.

(Volgens Portugeeschen ritus begint men hier).

17 En Jehojada' sloot het verbond tussehen den Eeuwige en den koning en het volk, om tot volk te zijn voor den Eeuwige;

18 en tussehen den koning en het volk. Nu kwam het geheele volk des lands naar den Ba'alstempel en haalden hem omver; zijne altaren en zijne beelden verbrijzelden zij goed en Matthan, den Ba'alspriester, doodden zij vóór de altaren. Vervolgens stelde de priester wachtposten aan over het huis des Eeuwigen.

19 En hij nam de vorsten over honderden en de lijfwacht en de loopers en het geheele volk des lands; en men bracht den koning afwaarts van uit het huis des Eeuwigen en zij kwamen door de poort der loopers in het koningspaleis; en hij zette

20 zich neder op den troon der koningen. Nu verheugde zich al het volk des lands en de stad bleef rustig; en 'Athaljahoe doodden zij met het zwaard in het huis des konings.

(Naar Hoogduitschen ritus begint men hier).

2 1 Zeven jaren was Jehoash oud, toen hij koning werd. In het zevende regeeringsjaar van Jéhoe werd Jehoash koning en veertig jaar regeerde hij in Jerusalem; en de naam zijner

3 moeder was Tsibja van Bëér-Shéba'. En Jehoash deed, wat recht was in de oogen des Eeuwigen, al zijne dagen, — wat

4 hem namelijk de priester Jehojada' had onderwezen. Slechts de offerhoogten weken niet; nog offerde en wierookte het volk

5 op de offerhoogten. Nu zeide Jehoash tot de priesters: «Al het geld

157

ocr page 321

mpa mcafin T3p

■Kin NX'n ?ij3-dk »3 n^n njan ah nriK pi ^

i v t -nquot; j.. - ) : • • lt;• -at - j t - i

DpNi 131 it^N iiarntf nin» Dpi : *mh n^n n:y*

1;-t't '■■■•. j;-quot; quot; , v: v t .: Ivjtquot; , 9jv v

mrr i3i iu^ks Vnie'^ KDrty ' m nnn

^ t ; •»•.• • -: i- •• t : • -«•• • - ■quot;• -it * t • t - -

DipQ üw d'^ni : 'jni^» ♦nbN nin^ jran niSNiM

i t lt;t tit gt; '** t : * : : • - - jv j vit

iN'ïina ma i^k mrr nns d^-ib'n rii»1?

j * l ; „ _j -t lt;v at : j* ; ^t v -: i tit

: onïö riKD onü

• it ; ' | vw quot; v.t

D^pif n^ian i^sdS n«np •3quot;p 11= oawsJ naaS i» neti o 's vv

D^pB' n^ifi niüön

3quot;i ,3-,quot;, x-i jq^o '3 Dobaa

.omson D'S'nno jjo D^n pai quot;rjSan pai nin» pa nnan-m yiin» nSaiquot; ^ insi : oyn pm iban rai nin^ d^S nvn1? ^ „

gt; J.T' *T- 'quot; 1 vr'' . quot; lt r1' 'T: ^:r q , S:. VD^rnNi mnaro-nN inm ^an-n^a rixn or^a g

tt ; v ; lt;t : ; • v ••„:•- ■»quot; quot; ,quot; i quot;t t quot; t

ninaTön ^a1? iiin ^in rria mo nxi aè^n natr -

apt ; *p~ jquot; ; • ^ :it - ~ ~ ijquot; it- •• ; •• •• ■* ; • ^n_

niNön n'^-riN npi : nin» n^a-Vr nlpa rnan d'^i 01

... T _••• . 'T ! Jquot; * r J-! 1 '•• , quot; ••quot;■

i7sn-n« iini rn^n D^-ba i nxi D^in-nKi nan-nNi

iquot; v - v lt;• - i vt t *5- t -••• : -tit v : • t - v :

-by atfi iban n»a D»vin 1^-111 imai nin» n^ao

*•*lquot;quot; |vav quot; ■quot;* tit jquot; i v iv .) t- t i •quot;* *

■nNt nüpB' i^m pttn-oy^a nöiri : o^^an xoa3 n.

v ; tiatt *5-t : i v^t t t - r t ; - jquot; '

: iba* n»a aina won rrbnjf

i v iv - jquot; *.\v - r •• rr; - ^ ^

.anairxn □,S,inno jjo ybrp Kin^ ^a^-n^a : ia^oa t^Nin» va^quot;|a ^ ^ ixaa n^av lax n^n^a i^a njir D'vaiNquot;) i^Kin»

jquot; : ' ^t : • -••• : -att i r kquot; t tt t : t ;

inlin it^K va^-ba nin» ^^a iiy»n ^Kin* irvi: ^a^j

t -gt;v -; at t t {t : jquot; *•• : -jt t - st : --- ^ - it

D'nara d^-i iiy iid-n1? moan pi : rnan ^Tin^

j\:q': -itt d at r ^ tgt;~ i 1quot; ~ i.tt 1 ;

epa ^a D^inan^M PKim laxi : nioaa Dntapav

i v v • -» i - v t ; v - it' s* ï?

ocr page 322

HAPHTAROTH.

voor de heiligdommen, dat gebracht wordt naar het huis des Eeuwigen, zoowel het geld van hen, die overgaan [tot de gemonsterden], als het geld, dat ieder als schattingswaarde van zijn persoon wil geven, al het geld, dat in iemands hart op-

6 komt om te brengen naar het huis des Eeuwigen, — Zullen de priesters zich nemen ieder van zijn bekende; en zij zullen versterken de bressen van het huis, alles, met betrekking

7 waartoe daar eenige bres wordt gevonden.quot; En het was in het drie en twintigste regeeringsjaar van koning Jehoash, — toen hadden de priesters nog niet versterkt de bressen van het

8 huis. Nu ontbood de koning Jehoash den hoogepriester Jehojada' en de priesters en zeide tot hen: ,/Waarom versterkt gij niet de bressen van het huis? Welnu — gij zult voortaan niet meer geld nemen van uwe bekenden, maar het voor de bres van

9 het huis bestemmen.quot; En de priesters stemden toe, om niet meer geld te nemen van het volk en niet meer zelve de bressen

10 van het huis te versterken. Nu nam de hoogepriester Jehojada' een arke en boorde een gat in haar deksel en plaatste haar bij het altaar ter rechterzijde, wanneer iemand naar het huis des Eeuwigen kwam; dan legden de priesters, die aan den drempel wacht hielden, daar al het geld in, dat in het huis

11 des Eeuwigen gebracht werd. Nu was het: toen zij zagen, dat het geld veel was in de arke, toen stegen de schrijver des konings en de hoogepriester op en zij maakten tot bundels en telden het geld, dat in het huis des Eeuwigen werd gevonden.

12 En zij gaven het getelde geld in handen van hen, die het werk moesten doen, die aangesteld waren over het huis des Eeuwigen; en dezen gaven het uit voor de timmerlieden en de bouwlieden,

13 die in het huis des Eeuwigen werkten. En voor de metselaars van muurwerk en voor de steenhouwers, en om hout en uitgehouwen steen te koopen om de bressen van het huis des Eeuwigen te versterken; en voor alles, wat voor het huis moest

14 worden uitgegeven om het te versterken. Doch er werden in het huis des Eeuwigen geene bekkens van zilver, noch messen of sprengbekkens oi' trompetten, noch eenig voorwerp van goud of van zilver gemaakt van het geld, dat in het huis des

15 Eeuwigen was gebracht. Maar aan hen, die het werk verrichtten, gaf men het en zij versterkten ervoor het huis des Eeuwigen.

16 En men rekende niet af met de mannen, in wier handen men het geld gaf om het te geven aan hen, die het werk verrichtten;

17 want met trouw handelden zij. Ook geld van schuldoffers en geld van zondoffers werd niet gebracht in het huis des Eeuwigen; voor de priesters bleef het.

(In den Portugeeschen ritus is het gebruikelijk, om, wanneer op dien Shabbath

of den daaropvolgenden dag het Nieuwemaansfeest is, het eerste en laatste vers

der voor die dagen bestemde Haphtaroth hier voor te dragen).

158

ocr page 323

D^ptr niyia nniaan nip

t]D3 nnii? t]D| nin»-n»3 *ov D^npn : nin* rva K^nnb bp hby nato cior^a 13quot;)V

,T . ^ j.. v,- t : • v v ^i- lt;v -: I v t a : v

pnrnKipTn* oni nao nxo Dorian on1? inp^

I v-iv V I : - : ^quot; : AT - •quot;•••• I.- ■ -! J - V T .':

on^ nj^a : pna ÜV WW-iwh bbb n^n' Nip»! :n'3npnrnK Dorian ipm-N1?

jma DHVK -IDN4I D'inabi jrisn jTrirr1? ^in| ^bsn n«D ^oinnpn-bN n»3n pnrnN D^pino oarK Dorian : imnn rvan pnaV^ oanso0 np'? : n^n pnrnN pjn ♦ribaSi D^n pno ^D2_nnp1 Si'H 'mx |rn inbta quot;in apn nnst jnan b^rian ns^wnji nirr n^a ^^-«laa ró^a naTsn amp;•

• -: I - ^ T«T :IT : T ; •»quot; * : | . T

dnima ^i. .* np'-n^a xaian ^oan-VrnN ^ón na'tf ^ r-ni^^n jnam/^an nab b%\\ jiiKa fjoan ar^a tjpan-nNi bnii : nin^n^a «ïösn cjDarrnK i':w\ * p nin: n^a Dnpa*n npK^an lt;0 'hr^ ïirjon r-♦avhbibm^i : nW n»a D^n D^abi Wn nshnS* g

J.. ; , ; • : I - : IT : Jquot; ^ ^ IT ^ - : I T lt;•• TIT^ : ^

nin-n^a pnrnN p-rnb aino ^axi niipbi |a«n r nin'n^an^ : npmV n'an-^KïpK'K'jaS^ -r-cjDr^ai anr ^rba ninvVl nipnrpnmo t]Da map imn^ naK^an ^yV'a : nin^n^a xaian fiaan-jO ib

a\ : * vT t : - j** s I* it : r* quot; I'-'V** »

D^:Nn-nK laBTv abt : nin» n»a_nK lanpTm ™

v -: • t -:it v j : - : s : .,T : ^ v ^ I : * :

nioxa ^a naxSan nnb fioan-nK

\ v: iv j' at t ; - -»*\ : t ^ tt P v v - v lt; :

nin' n^a «ar ah niNcan eioai noa : on»1

AT ; Jquot; ^T J T - I •.•■quot;.• ; T T |lt;vv I* Jquot;

: vm D^na1?

I ; I* v.* quot;J • quot;

miDsn ha jnnxi jwsi piDS diiisis n'HI DStt' dn amaon ^») (•Bnn nnO nioai ho jnnsi pcN-i piDS o^nis nquot;T imn»1? cxi ,nquot;n rtic

ocr page 324

159 TOT namp;nsD nxnp

nin^ n»3n3 rrm : D'ribx «n» yw «i »jr

^i : i -v v;^ -«t p: -p■j• t : tt; ^ r ^ v: j ; ytgt;quot;r|—#t

nbn: ^ rni^ribK-nin» itrN pxa n^DD

t -!i- lt;| : i •• | v v: it : -quot;.• -: | v t t •»' t * ' v : . t '

: nstfn D^oirn nnna quot;ornN nnon

it : • v. • at t - quot; * i •* t i v-»quot; v v : • t : •;

Haphtara van Parashath. Zachor.

I Sam. 15,1—34.

{Volgens den Portugeeschen ritus begint men hier:)

1 En Samuel zeide tot Shaoel: «Mij heeft de Eeuwige gezonden om u te zalven tot koning over Zijn volk, over Israël; en nu, luister naar de stemme der woorden des Eeuwigen!

(Naar den Hoogduitschen ritus begint men hier:)

2 Zoo zegt de Eeuwige Tsebaoth: «Ik heb bedacht, wat 'Amalek Israël gedaan heeft, hoe hij het [hinderlagen] gelegd heeft op

3 den weg, toen het opgetrokken was uit Egypte. W elnu, ga en gij zult 'Amalek verslaan; en gij zult tot ban maken al wat hem toebehoort en u niet over hem ontfermen; en gij zult dooden zoowel mannen als vrouwen, zoowel pasgespeenden als zuigelingen, zoowel ossen als lammeren, zoowel kameelen als

4 ezels!quot; Nu liet Shaoel het geheele volk oproepen en monsterde hen te Telaiem twee maal honderdduizend voetknechten; en

5 tienduizend de mannen uit Juda. Nu kwam Shaoel tot de stad

6 van 'Amalek en streed in het dal. En Shaoel zeide tot den Kéniet: «Gaat heen, verwijdert u, daalt af uit het midden van den 'Amalekiet, opdat ik u niet met hem te gronde richte, — terwijl gij immers gunst hebt bewezen aan al de kinderen Israels, toen zij uit Egypte waren opgetrokken.quot; Toen verwij-

7 derde de Kéniet zich uit het midden van 'Amalek. En Shaoel versloeg 'Amalek van Chawiela tot in de richting naar Shoer,

8 dat ten Oosten van Egypte ligt. En hij greep Agag, den koning van 'Amalek, levend; doch het geheele volk maakte hij tot ban

9 met de scherpte van het zwaard. Doch Shaoel en het volk ontfermde zich over Agag en over het beste van het klein- en rundvee en de tweejarigen en over de gemeste rammen en over al het beste, en wilden niet ze tot ban maken; doch al het geringgeschatte en vergankelijke goed — dat maakten

10 ze tot ban. Nu was het woord des Eeuwigen tot Samuel, als

11 volgt; „Ik heb berouw, dat Ik Shaoel tot koning heb gemaakt, want hij is afgeweken van Mij te volgen en heeft Mijne woorden niet ten uitvoer gebracht.quot; En Samuel had er verdriet van

12 en hij schreide tot den Eeuwige den geheelen nacht. En Samuel

ocr page 325

TOT DKHÉD nKnp L23p

: onyap DanKïa pVo); namp;y-namp;N DN HDT nriNi ?|3 ajn^a ^[5 I^K

na? nana nman

.iquot;h-'s ra jov K hiciavi •Dmaon D^nno jto

rf?èb ynamp;iïb nin» ♦ntt 'JINK'-'JK 'bwnp 10^1N ^ : nin» nan yoamp; nny) bNïwbv ia^-^

•Dvjsifxn D^'nno (ND pVov n^-^K nx wps mte nirr Sax ri3 =

S 9 JT '■quot; quot;: ■'quot; • ;|-T T ! •'T i - T lt;

quot;n? nn^ : onvsa irib^a TiTia ib Dtr-itrN j

I T -it: • • l ''ii-^ |vv- JT v -i /.- t; ■ :

Vonn k?i iTi^N-VrnK onpnnni p5?D^-nx nn^ni quot;iX] II^D pJi^n^-iSbi^o nÊ'K-ij; nrjoni vby bnpan D^n-nx ysah : Tion-n^i ^oap n'B'^ : min* ^^TIN wshx «ibx D^HND o^taa

it : v k' t quot;i vjv^tr a* : - |v^v • j- r • t : -

■7K biNtr ION'1 : bma aT,,i p'joy i^-iv biNty Na'i ^

/■• .•,:T , ••• J- .7- -AT- Uquot; T*:r lt;quot; , *, . . T v .T-,

nnKi iöv ^apN-fa ♦pba^ -jinp m no uS ♦rpri quot;id,i onxso Dni^a ^a-bs-oy ion nn^ir

~jrm ^ • at : * * ^t -: i- •• t ; • -••• : t ^ v v t ^

?|N13 nVino P^ö^tin ^»1 : p^ojr -jinp ♦rp'

P^ö^-^o jJK-nN tran»! : onxp na-^ tib^ D^ni VwB'Vam : ann^aV onnn D^n'brnNi 'nc ■^1 bnarr^i ovarii ipani quot;fNïn a^'p-^i DDJi nrao: naN^an-bai oonnn 12« aièrrba

vquot; t jt ; • : jt t ; - t ; at • -: i- v t j : - t

'nani: iot?1? nin* ia-I : lonnn nnK1

Ngt; narriNi nnxa bty-^a rh6b SW^TIK 'ro^arra'

•quot; l-T : •-• ; --11- •• t • )v v : t v •:«-:• i-

Da^i : nybrrba nin^x p^T»i bwmb tw D'pn^

5 : T :it T IT : V I ~-........... l»--

ocr page 326

160 H A P H T A R O T H.

stond op, Shaoel tegemoet, in den morgen; en er werd Samuel bericht, als volgt: «Shaoel is naar den Karmel gekomen en zie, hij richt zich daar een gedenkteeken op; vervolgens wendde

13 hij zich om, trok verder en daalde af naar Gilgal.quot; Nu kwam Samuel tot Shaoel; en Shaoel zeide tot hem; «Gezegend moogt gij worden door den Eeuwige; ik heb tot stand gebracht het

14woord des Eeuwigen!quot; En Samuel zeide: «En wat is dan het geluid van dat kleinvee in mijne ooren, en het geluid van het

15rundvee, dat ik hoor?quot; Hierop zeide Shaoel: «Van den 'Ama-lekiet hebben zij ze gebracht, daar het volk zich ontfermde over het beste van het klein- en rundvee om te offeren voor den Eeuwige, uwen God; doch het overige hebben wij tot ban

16 gemaakt!quot; Hierop zeide Samuel tot Shaoel: «Laat af, dat ik u mededeele wat de Eeuwige tot mij gesproken heeft dezen

17 nachtquot;; toen zeide hij tot hem : «Spreek.quot; Nu zeide Samuel: «Voorwaar, indien gij ook klein zijt in uwe eigen oogen, toch zijt gij het hoofd der stammen Israels; en de Eeuwige heeft

18 u gezalfd tot koning over Israël. Nu zond u de Eeuwige op een weg en zeide: «Ga en gij zult tot ban maken de zondaren, 'Amalek, en gij zult hem bestrijden, tot men hen geheel ten

19onder heeft gebracht!quot; Waarom hebt gij nu niet geluisterd naar de stem des Eeuwigen en vielt gij aan op den buit en deedt zoo hetgeen kwaad was in de oogen des Eeuwigen?quot;

20 Hierop zeide Shaoel tot Samuel: «... dat ik geluisterd heb naar de stem des Eeuwigen en gegaan ben op den weg, dien de Eeuwige mij had gezonden; en ik bracht Agag, den koning van

21 'Amalek, doch 'Amalek heb ik tot ban gemaakt. Doch het volk nam van den buit klein- en rundvee, het uitgelezenste van den ban, om te oiferen voor den Eeuwige, uwen God, te Gilgal.quot;

22 Toen zeide Samuel: «Heeft dan de Eeuwige welbehagen in brandoffers en dieroffers, gelijk in het luisteren naar de stem des Eeuwigen? Zie, luisteren is beter, dan dieroffers; het oor

23 te neigen beter, dan het vet der rammen 1 Want tooverij-zonde is weerspannigheid, en misdaad van afgodsbeelden is halsstarrigheid ! — Omdat gij veracht hebt het woord des Eeuwigen, heeft

24Hij u veracht, om langer koning te zijn!quot; Nu zeide Shaoel tot Samuel: «Ik heb gezondigd, dat ik overtreden heb het bevel des Eeuwigen en uwe woorden; maar omdat ik het volk

25 vreesde, luisterde ik naar hunne stem. Welnu, vergeef toch mijne zonde, en keer met mij terug, opdat ik mij nederwerpe

26 voor den Eeuwige!quot; Toen zeide Samuel tot Shaoel: «Ik zal niet met u terugkeeren; want daar gij veracht hebt het woord des Eeuwigen, heeft Hij u veracht om langer koning te zijn over

27 Israël.quot; Samuel wendde zich om om heen te gaan; toen greep hij hem vast bij den hoek van zijn mantel en deze scheurde.

exodus. 21

ocr page 327

tot nir-ifi nnisan op

ih 11533 blNC' nNip) Snioip .•^nm ab'i T h yvn nsni

it ; * - 'a*— ^i— • - t r quot; •• • : tv:-- lt; t

nirrV nm ^na i1? iö^'i ^niq^ ^

tlquot; t quot; i * t t j vs- at v y.quot; : j t~

noi ^KiDiy quot;10^1 : nirr quot;inrnx 'nb^n ^ biKP io^»i : yüv vin nm quot;ban bipi ^?N3 ntnic

t ^ v - 1quot; v.^ it r.' -; 'T^T quot; '■* : at;t : vv-

quot;i^ni |Nïn D^n 'jon Dit^on ^SDJJD

quot;iön'i : uEnnn mi'-nTixi n^riVx nin^ nbr r^o1?quot;3

Vquot;v: ,VQ - v: ' quot;• *• lJT : '. , S* ' •.

nin* nan im nu ^ enn 7iN5r-7K

■)t : sv • v -: •• i: t -•• - : ) v v«# t v i quot; » : *-i

quot;D^J Ki^n : n3i i1? noNn n^bn ♦?« ^

-: •• : v j- iquot; quot; v. /•• j' ^ r ;at - vquot; quot; jj!

nin'ïina'D»! nnx bxTiy* 'Mtr wvz nnx füp n_

ot ; sl -jit ; •- tat v.quot; t: • -»••;• •) . I v : t - I lt;it

-h quot;1-113 mn» nn^i : Stni^Sy

)jquot; v - ) vat: vt : # ^p-:it • quot; ^ iquot; t: • ^ |vv,v :

Dnib3-nv 13 nonbii p^oynK o^tann-nN nnonnni

t - « ^ jri . . . . . i .. t •■• ■ t - i- ••• t : --!!- :

tayni nirr bip3 nym-ab na'?i : nnx ^

tt- v — — — at : I-* ^: t vquot; t ' tjt : it

n^K ^NIOB'-bK VlKB' -IQK'l : nln» '3^3 yin

nirr 1113 i^ki nin» ,7ip3 'nybiy

tit ^ at : ••'-t : v -j i v^v- p •• quot;it^ t : lj : ^ • • - t

D^n npi. : 'ripinn pb^riKi ^n-hk «

nirrb hstS mnn n^Ni ip3,i j«ï S^irno

| v.v v: jt r - •) : • ^ va- - -•• •• Ktt i ^ ot t - iquot;

jrbu'a D^nDn ni^s nirr'? ^snn ïwm idni, : Wws =3 : 31?nD 3^pn17 3iè n3T0 ]gt;hv nan nin» ,?ip3 i3TnN npKo |r. 1^21 D^im psi na DDp;nN^n »3 » 'nxèn VIQ^SK Sinb' IONI. : ^ao ^dkqi. nin* ^ yöE'KT.D^n-nK WTO ^i^rnxi nin»-^-n« 'nis^o

ninn^Ni ♦air 3!)tü 'nNtan-nK N: Nir nn^i ; D^ip3 ^

vv-: i- : v : • ^ -^ : a* t - v ^ vt jt t - : it i :

♦3 iay 3^^ N1? Sxia^ iaNi : nin^13

«• jftt t j # tv quot;. : v *' ^ 'quot;

quot;S^ -]^a nvna nin' ^pNai nin» isrnx nnprsa : ^ipT»i iV^a-tjaD? prni nsS1? ^ia^ 3Di. : ^Kiif:»

ocr page 328

HAPHTAROTH.

28Nu zeide Samuel tot hem; «De Eeuwige heeft het koningschap over Israël heden van u afgescheurd en het gegeven aan 29uwen naaste, die beter is dan gij! En Hij, de Overwinnende kracht van Israël, Hij spreekt ook geen onwaarheid en verandert niet van besluit; want geen raensch is Hij, om van

30 besluit te veranderen!quot; Hierop zeide hij : „Ik heb gezondigd; welnu, eer mij toch ten minste tegenover de oudsten van mijn volk en tegenover Israël; en keer met mij terug, opdat ik mij

31 nederwerpe voor den Eeuwige, uwen God!quot; Nu keerde Samuel terug, Shaoel volgend; en Shaoel wierp zich neder voor den

32Eeuwige. Toen zeide Samuel: „Doet tot mij naderen Agag, den koning van 'Amalek!quot; En Agag ging tot hem in pronk-

fewaad; Agag zeide namelijk: „Voorwaar! thans is de bitter-eid des doods geweken!quot; Doch Samuel zeide: „Gelijk uw zwaard eens vrouwen kinderloos maakte, zoo zal kinderloozer, dan eenige vrouw, uwe moeder zijn!quot; En Samuel doorboorde 34 Agag vóór den Eeuwige te Gilgal. Samuel ging nu naar Rama; en Shaoel trok op naar zijn paleis te Gib'ath Shaoel.ewaad; Agag zeide namelijk: „Voorwaar! thans is de bitter-eid des doods geweken!quot; Doch Samuel zeide: „Gelijk uw zwaard eens vrouwen kinderloos maakte, zoo zal kinderloozer, dan eenige vrouw, uwe moeder zijn!quot; En Samuel doorboorde 34 Agag vóór den Eeuwige te Gilgal. Samuel ging nu naar Rama; en Shaoel trok op naar zijn paleis te Gib'ath Shaoel.

-löK-nNi epia : Kin nKtsn m: 'th matyo1?

v v iquot; it v • : i* JT - v.t ; v*quot; i ' '•

ito ^ nrmi anymy koüi v-urnn man

.. t : • * t ;it ; v^tt ^ v.quot; t : tt ; v tt -

NQÜ'I DIK noa pirn : D1?^ npnb oaina nan

Vquot; t : att v-»v t ; ; -jquot; quot; it ijquot;-. : vt : jt -

DVDI DI»3 irtfrnn* «in : ww nyiiï «ènn* onxn trsja noa pian-ba :

t - • • j • t v quot;i t t it vv : quot;*** quot; t it j *

'3 Minn Bgt;£3n nrrp^KÓp nin^s^p-nx

nninn nüi: 13 inNDü nw koü vby plrnb nn:

t - « 1 t : \ v. v: r •*quot; r t t l lt;quot; 1 t *

bnjlt;3 ityM-bDi VitörVK K3n-l?3 ^«3 niD»-»3 DIK

... t •»•.* t ; v t v lt;t - t va: ^ t r ^tt

Vtiö quot;iK'N ninfi ^3 V31 : üw nyiiï koü»

snir^ns nnu'n ' «in MOÜ vby

:D^n^3rNOt2n3j53l« np3 IK

: Dquot;n nxtm nan'f nbvb

quot;^i. ^n^n'^ nni ninü ^^cb,|3 3im

IK bvès ^ibn-^quot;! Dtrrn o^sn-^

161

ocr page 329

TOT mtaön «op

VNnir» rvoböD-nK nin» ^np vVk noK*!n:gt;

i vv tiquot; •)quot; t : • s ; ; ^- v t : ^ -it •• : t •• v lt;-

ipiy» ab nxj DJI : ÏISQ aitsn mrm Di'n ^

k*— : j •* t : * -■••• - ; i iv • ^ quot; v. 1^* •quot;: t t ; a -

nny ♦nxèn quot;ION'I : onsn1? Kin Dquot;IK üb »3 ona» 17

t tt v j- lquot;t * ; ^ *)t t ^ -•• a^'t* ^ :

♦nnnnE'm nj:i ♦av 'jprnjj ^quot;i33

• v.quot;quot;* iquot; : * : * •* : aquot; t: * v-v; v quot; ^quot;p:* viv • r*; -

biKir innK'^ bixiy nnK 'PNioty ^»1 : nirv1? nS

». t j- : ^ - at ^#•j••■!,quot; v : tjt- ) iv v; ^t i-

rbw TIVO iiK-nx 'SN w'an bwm : ninn ^

] quot; t^-t iv -v - ~t v - •• lt;• - •• : -j - it i-

: man-ia ID m naN'i nan^a m vba TIS'I

vit - - JT kquot; t t^-: v j- a ---: i- v,quot; -ï. t •• i vj—

D^aa batrn-p ninn d^: n^s^ bxiaty quot;iaK»ijS

t • ^- : • hquot; i v ; - • t lt;t : • v -11- ; v jquot;

•nS'i : nin» ^ aj«-nN bxiaty eiDB',,i nas^ ^

ivj'— it; • - v.t ; jquot; : • ot-: v squot; : iav •

: Vinb' nyzi m^-^N n1?^ nnam ^«lai^

it ^- ; • i quot; v jt*t ■) t : tat t it vquot; !

nna ntrnsa Taaa1? nxnp

■Nposn t|iD tï nnnn npn mr 's ^3

nninn npn hnt : la^b nnx-bw namp;a-btt nin» quot;imn

t - ilt; i •• 1 ^-:i- v : jv v t : ■•••

inp'i ^3-bx 1131. iató nin» nirn^NS nVy-tf1? quot;IÏ^N Dia na-rK na^an nóiti nis

jt 1 •)••• -: t i iquot; «••• -: t • ; t tt i v quot;

fnnK KW'ini |n3n nntt onnai :

rnsn np^ : nnx antfi ninab rma*1?^

i •»quot; - st't ; v i - t : it t : vt ^ j' t v 11— | ■» *

V2amp; nana nyia^nx nsr^K nfm i^3ï«3 nana

^ - -»•-• v.t t * •)quot; vi squot; ; - v t • : 't* t : v : v,t t •

nn^3-nN,i nnrnK viyb msrrnn einci : O'dvè

tt : v : lt;x v at : vtt - v | j-t s , r 'r :

'3^1 31?ni m |ri3n np^ : narnxi

jnsn vnas dssi. : nnsn nsïv -jin-^K n^Sin

quot;ij? Ip'^n KaEquot;! njnan-^K ^ nnxi D^aa 'ITBgt;3 fnni D^as in'B's D^as Vnaa Da?» nnx tj^ni : anyn n^m nnan quot;i3K r\a nint: wx 1 «idki : an^nnp Naai

-'■■•■ tt - p pt - n-t : 'tt . vquot;t.

^K-i'^-^a nny1? nn^ni una Dipaa n:naS nna

squot; t: • iquot;: '^tr t :it : at i-t ; v'-'-t •- i gt; *

ocr page 330

162 ma nansn nnnp

obiy npnb onquot;? nn^nt : Kin küü rby pirN1? ni3 »o

AT iJ-\: . v.quot; T JT :it^: ^ i jquot; r J- i OT* jquot;

-*\V KOL3» nnan »03 vin ozy man-'ö ntoi

v,t : • t* - jt. . t •• - • tt ; jquot; - ; t ■ - iquot; «•• -

npan irsam NOÜ» Koan la-^^-ntrK VDI :

•\- - vjv - : at ; • vquot; t - j ^ • v -x ^ : vTt t

: 3quot;mmy NOtan

vht t ^ gt;t ; •

Haphtara van Parashath Fara.

Ez. 36,16—38.

16 Nu was het woord des Eeuwigen tot mij, als volgt:

17 //Mensehenzoon! Het huis Israels, zoolang zij woonden op hun bodem, verontreinigden zij dien door hun levensweg en door hunne daden; gelijk de onreinheid eener in menstruatie afgezonderde

18 vrouw was hun levenswandel vóór Mijn aangezicht. Toen stortte Ik Mijn gramschap over hen uit wegens het bloed, dat zij vergoten hadden over het land, en omdat zij dit door hunne

19 afschuwelijke handelingen hadden verontreinigd; En verstrooide Ik hen onder de volkeren, zoodat zij rondgeslingerd werden door de landen; naar hun levenswandel en naar hunne daden

20 oefende Ik strafgericht tegen hen. Zoo kwam het tot de volkeren, waarheen zij kwamen, doch zij ontwijdden wederom Mijn heiligen naam; terwijl men van hen zeide: «Het volk des Eeuwigen zijn dezen, doch zij zijn uit Zijn land heengegaan!quot;

21 Toen ontfermde Ik Mij over Mijn heiligen naam, dien het huis Israels hadden ontwijd onder de volkeren, waarheen zij gekomen

22waren. Daarom, zeg tot het huis Israels; zoo zegt de Heer, de Eeuwige God: Niet om uwentwille doe Ik het, huis Israels! maar alleen ter eere van Mijn heiligen naam, dien gij ontwijd

23 hebt onder de volkeren, waarheen gij gekomen zijt! Ik zal dan Mijn grooten naam heiligen, die thans ontwijd is onder de volkeren, dien gij in hun midden ontwijd hebt; dan zullen de volkeren erkennen, dat Ik de Eeuwige ben, — is de uitspraak van den Heer, den Eeuwige God, — als Ik Mij doe heiligen aan

24 u vóór hunne oogen. Dan zal Ik u nemen uit de volkeren en zal u verzamelen uit alle landen en u brengen naar uwen

25 bodem. En Ik zal op u sprengen reinigingswater en gij zult rein worden; van al uwe onreinheden en van al uwe afsehu-

26 welijke handelingen zal Ik u reinigen. En Ik zal u een nieuw hart geven en een nieuwen geest zal Ik in uw binnenste leggen; en Ik zal het steenen hart uit uw lichaam verwijderen en zal

27 u geven een hart van vleesch! En Mijn geest zal Ik in uw binnenste leggen; en Ik zal maken, dat gij in Mijne wetten uw levenswandel voert en Mijne rechtsinstellingen in acht neemt

28 en ten uitvoer brengt. Dan zult gij wonen in het land, dat Ik

ocr page 331

ma nmari TEÖÖ1? n«np nop Di'a intan nim : mpn ik nsn in V^na

j - •• t - t - lt;t^ ; vllt- j vquot; quot; •* t tiv

VtQ 0331 ^»3^-1 01*3 iKiam ^»3^ 01*31

*)tt : sv • ; ^ * : quot; J quot; : • : •V • ; - j - v.' * ; -

K^i ^^i : 3^3 inm d^3 rnn

T - fi' j t : * qquot; *' : vttt jquot; t : ' | j- t:

Köünin» iynpö-nN '3 ^npn Ttinö Ninn nm3Ji

... t j -h * v * atit- i ^ quot; vjv - 4t :: • :

ma nt^na m^an

.n'quot;?—Tquot;d Y'S JO'D Sxpin^

n»3 onN-p • iDK1? nin^i3i 'nn ra iS

#1 j* ; i •• t : * «•• tt I v i j- quot; V.t : - ; r ; - p

nNOL33 Dn1l?,^31 D3TI3 HHlK INJQ^I DnünM

- : *., ; at r^:r v,ti-: t tt:-

Dirr^y on^v 'non Tfaawi : ^a1? 03*11 nn'n nnan ^

v.t- v •• ^ • t -j |lt; : vit it t : vt : - ^t:it t* -

bnx raw • niKaü Qn,bi^J3i pKn-^ ^atrisiw ^

t i lt;* tit t • ï .* vv quot; i • i i vat t ^ j : it . v quot;*

Nii'i : o^aaty onib^oi ooms niïquot;iM3 nn OHüo =

t- r : - : ^t r -:i- : jt ; - ^ a t -: it vt*quot;

bn1? ioK3 ^ip oty-n» i^nn OK' IK3-*I^N b'iJin-1?^

vt lt; v: iv a* ; 1 t ■••• v t -«t v quot;J.

^ip otyquot;1?^ ^bnxi : INÏ» Iïikdi nbx nin^op «

lt;v -: a- : it ^ v : quot;«t itt v. : - i- y •• ^t

lax ro1? .* nas' 1x3-1^^ 0'i33 n»3 ==

- v; I •• t t it jt ,•••! V.' quot; •• t : • -quot;• \ ; •

naty oo^o1? k1? nirr quot;ion n3

V.V * j- 1 ■)•'• : iquot; : s * ^v; -t -1 - t lt; •• t : • i- :

o^ao onb^n -I^N ^Ip-O^-ON '3 bNijy» rv3

... ^ v: - • ■jv -: • :It i» : ^ • lt;• a- t ; •

IK'N oHas bbnon Sin^n ♦O^TIM 'nahpi : 0^ onNS» nin» 'J'nN bw nin» ^n^o oH^n i^ti 03in3 ombn

• v: -«t -: •-. ; ^ t r * - ^ :it: at : v,*-* : * *

'Piyspi oHan-p OOPN ♦nnpbi : on»:^1? 033 ♦Bhjsns13 ♦npiTi: oononx^N oonx 'nNsni niïiNn-'jso oohk «

x* i; -it: iv : - v v.quot; : quot; ......... a t-:it t • v*-* ; v

oo^i^rbooi OO^IINOÜ V30 omnüi omnia o'ü dd^v

^v •• 1 • t • •)•.* •• 1. : \ * . quot;v ; - : ••ps:

rnx n^nn nm unn 37 doS ♦nnji : oohk quot;)nL3M«

I ... ,r t-i - tt -• ^ v t c- -it : f_ ;■■ :v r- - -!

3^ oob ^nnji 03*11^30 ?3^n 3rnN 'mom 033quot;)p3

r* v.v t j' -it : v ; - ; • i v v t lt;•• v • • -n- av ; ;r :

uSn ^nriB'N njst ♦n,^i oosnps \m 'nirnNi: 1^3 » Tin: rquot;iN3 : onn^i no^n ^atroi ™

• vquot; t jv -1 I v t t -v ; - r iv • ^:t' ^ : ; • j- r : •

ocr page 332

HAPHTAROTH.

uwen voorouders heb gegeven, en gij zult Mij tot volk zijn

29 en Ik zal u tot God zijn. En Ik zal u helpen en redden van al uwe onreinheden; en Ik zal het koren toeroepen en zal het vermeerderen en Ik zal geen hongersnood over u doen

SOkomen. En Ik zal vermeerderen de vrucht der boomen en de voortbrengselen van het veld; opdat gij niet meer ondervinden

31 zult de schande van den hongersnood onder de volkeren. Als gij dan u herinnert uwen slechten levenswandel en uwe handelingen, die niet-goed waren, — dan zult gij in uwe eigen oogen u tot afschuw zijn wegens uwe zonden en wegens uwe gruwelen!

32 Niet om uwentwille doe Ik het, — is de uitspraak van den Heer, den Eeuwige God, — moge het door u erkend worden! Schaamt u en wordt schaamrood wegens uwen levenswandel,

33 huis Israels!quot; Zoo zegt de Heer, de Eeuwige God: wOp den dag, waarop Ik u reinig van al uwe misdaden, zal Ik de steden weder bewoond doen worden en worden de puinhoopen weer

34 opgebouwd. En het tot eenzame woestenij geworden land zal weder bewerkt worden, in plaats dat het eene woestenij was,

35 voor de oogen van iederen voorbijtrekkende. Dan zal men zeggen: «Dit land, dat eens eene eenzame woestenij was, is nu geworden als de tuin van 'Eden; en de eens verwoeste en eenzame en omvergehaalde steden worden nu als ommuurde

36 vestingen bewoond!quot; Dan zullen de volkeren erkennen, die rondom u zullen overblijven, dat Ik, de Eeuwige, heb herbouwd de omvergehaalde steden, heb geplant de eens zoo eenzame woestenij; Ik, de Eeuwige, Ik heb het uitgesproken en doe het!quot;

(De Portugeesche Israëlieten eindigen hier).

37 Zoo zegt de Heer, de Eeuwige God: «Ook in dit opzicht zal Ik Mij voor het huis Israels, als zij Mij zoeken, welwillend toonen, om het voor hen te doen: Ik zal hen vermeerderen in

38 menschen, gelijk het kleinvee! Gelijk het kleinvee der gewijde offers, gelijk het kleinvee in Jerusalem op zijne feesttijden, zoo zullen de eens verwoeste steden vervuld zijn van menschen-kleinvee; dan zullen zij erkennen, dat Ik de Eeuwige ben!quot;

PARASHATH HACHODESH.

Op Shahbath Hachodesh wordt, behalve de wekelijksche afdeeling, nog uit een afzonderlijke Wetsrol Ex. 12,1—20 voorgelezen (zie bladz. 86).

Haphtara van Parashath Hachodesh,

(ook indien op dien Shabhath of den daarop volqenden daq Nieuwemaans feest is).

Ez. 45,16—25; 46,1—18.

16 Het geheele volk des lands, — zij zullen met betrekking tot deze

17 heffing den vorst onder Israel onderworpen zijn. En op den vorst zal de zorg rusten voor de brandoffers en het meeloffer en het plengoffer op de feesten en de nieuwemaansdagen

163

ocr page 333

ma nana nitsan JDp

: Dab» rrriK ♦aiKi h Dn^m DD^nnK1?

i* Iquot; t jquot; : iv • jt : quot;r : • v : r av •• i -:i-

waini inn-^N ♦nNipi DD^I^ÜL: bao ddpn ♦njr^in1)«

j* •• : • : It t- v • lt;tIt : av •• i : ••. ^ • v : v •*,*i m i •.

nni:ni na-nt^ Vioti'I :3^TiTDa^ inn4 : D'iaa 3^*1 nam -ii^ inpn-N1? ivtlt; rnisn

r - ^vtt jquot; : v •) j i: • i v -i l^5- - : ^ avt -

D^niü ah quot;iirx oa^oi D^in omaTi ^

a* i ■jv -: •• : iquot; t it -«v quot;, : quot; v v ; - ;

nh : D^nb^in ^ D^nïijr D^ia? onb^i^ lü^ani 1^13 DDb ^nv nin» ♦J-IN DN: H'^-^K oa^a1?

^ : it • ; s av t ^quot;t\ * v: 'jt quot;* 11: v ,' quot;s ■iv : '~ !

nnta bva nin» -m na : n^a DD^itü ^

-j i- . . ... jt -x - lt; iquot; t : • jquot; v,v •• : - •

: nimnn 133:1 Dn^rrnx ♦na^ini Da^nii^ Vao oinK

1 t x: iv V. !. * ï •^r-jv v • ; - i : av •• i ^-i v, quot; v ; v

-ba ♦ry'? nböty nn^n nnn na^n natron rixm ^

t : t t ; •'t tit quot;••* -1 ^ aquot;^' •quot; vt - : 1- i vjt t :

onym nv-na nn^n na^:n ir^n pxn no«i : nai^ ^

s*^ iv ; I v^quot; I - ; v.t ;it t - : 1- quot; quot; I vlt;t t : it : iquot;

D'i^n I^TI : lat^^ nniïa monnani matr^ni niannn^

:it; ^ ^ itt j : ^ tv:iv - ; j - :r: •) quot;▼:iv

niDinan 'n^a nin' 1 ^a ba^nia^D

tv;iv - * * t t x •j' quot;t ■•• v •• 1 • : -: it • Jv -:

; wamp;yi ♦man mrr na^:n ^02

• r *t ; ' :j' ' [.r : j' -: at - ; r * : v.- t

.Dmaon d^o^do jns

ni'^ bxi'iy^n^ab tr-nx jint hv nin» ♦jin Sok ria»1'

^ ^ quot;^1- {quot; t s • iquot; : jquot; t * •gt; ^ • v: jt -: quot; t lt;

ïitta D^tp rxïa : DIK m^a DPK na^K on*? ^

— t 1: i lt; ; • tit i -» : it t i v quot; ot jv ;-^ avt

1^1 dik rKï niK^Q niannn onvn nr^nn p rnyiaa

!«t: att I ■» v. quot; : ••»: iv •'•'tiv t v: r llt;quot; t quot; t •* ;

: nin» ^«-♦a

it : j* -: r

trnnn nanaa n^aab nttnp

.r'3 ^3 Mm xposn t)® mSÖ iSsNn T DsS n?n nnn 's rhnm k\3 nnsa

B^nnn ncia maan

•cnn mo w cnn cjct xm dn

.nquot;'—'h iquot;0 .nquot;3-»quot;B nquot;D JO^D Sxptn^

: bxTi^^a wmb nK-rn namnn-^K vn» riKn o^n Va «=

^ iquot; t; • ; tquot;, a' -'t ; - v ^ : i* | vt t ^tt «

D^nnai D^na quot;^oani nmani nibiyn

ocr page 334

HAPHTAROTH.

en de Shabbath-dagen, op alle feesttijden van het huislsraëls; hij zal bereiden het zondoffer en het meeloffer en het brandoffer en het vredeoffer om verzoening te doen over het huis Israels.

(Naar den Portugeeschen ritus begint men hier:)

18 Zoo zegt de Heer, de Eeuwige God: „In de eerste maand, op den eerste der maand zult gij nemen een var, jong van een rund, zonder gebrek; en zult gij het heiligdom ontzondigen.

19 De priester zal namelijk nemen van het bloed van het zondoffer en het strijken op den post van het huis en aan de vier hoeken van het voorhof des altaars; en aan den post van de

20 poort van het binnenste voorhof. Evenzoo zult gij doen op den zevende der maand, wegens een persoon, die in dwaling mocht hebben gehandeld of in onnoozelheid; en gij zult verzoening

21 doen voor het huis. In de eerste maand, op den veertienden dag der maand, zal voor u het Paasehfeest zijn, een feest van een volle week in dagen, waarop men ongezuurde brooden zal

22 eten. Dan zal de vorst op dien dag voor zich en ten behoeve van het geheele volk des lands een var tot zondoffer bereiden.

23 En gedurende de zeven dagen van het feest zal hij als brandoffer ter eere des Eeuwigen bereiden: zeven varren en zeven rammen, zonder gebrek, eiken dag gedurende de zeven dagen;

24 en als zondoffer een geitenhok per dag. En als meeloffer zal hij een Epha voor eiken var en een Epha voor eiken ram

25bereiden; en olie een Hien op eiken Epha. In de zevende maand, op den vijftienden dag der maand, op het feest, zal hij gelijk dezen bereiden gedurende de zeven dagen, zoowel het zondoffer als het brandoffer, zoowel het meeloffer als de olie.quot;

1 Zoo zegt de Heer, de Eeuwige God; „De poort van het binnenste voorhof, die naar het Oosten gekeerd is, zal gesloten zijn op de zes werkdagen; doch op den Shabbathdag zal zij geopend worden en op den nieuwemaansdag zal zij geopend

2 worden. Dan zal de vorst komen door het voorportaal der poort van buiten en staan blijven aan den post der poort; dan zullen de priesters bereiden zijn brandoffer en zijn vredeoffer, en zal hij zich nederwerpen op den drempel der poort en naar buiten gaan; en de poort zal niet gesloten worden tot den

3 avond. En het volk des lands zal zich nederwerpen aan den ingang dezer poort op Shabbath- en nieuwemaansdagen vóór het

4 aangezicht des Eeuwigen. En het brandoffer, dat de vorst zal doen brengen ter eere des Eeuwigen: op den Shabbathdag zes jonge

5 schapen, zonder gebrek, en één ram zonder gebrek. En als meeloffer een Epha voor den ram, en voor de jonge schapen een meeloffer naar de gave zijner hand ; en olie een Hien voor eiken Epha.

6 En op den nieuwemaansdag een var, jong van een rund, allen zonder gebrek; en zes jonge schapen en één ram, zonder gebrek

164

ocr page 335

vim nana mL2ön nop

nKtann-nK rivv Kin nyiö-'jaa nina^ni

-«T - I- v v *^1quot; J Aquot; T : * ^ •*quot; v** * • T ; T - -

-n»a nra quot;IÖD1? D^öVt^n-nKi n^n-nai nnaan-nNi

Iquot; ; • T : - v ; t ^ it v ; t : • - v ;

:

amaon a^nno }X3

-rms npn ^inb mxs rit^xia nin» ♦j-ik no^-na ^

I V - \j- • V - JT V • I -IT * Vt JT quot;J quot; T I

nxènn ono pan np^i : trtpon-nx nxtsni D^on ip3 ^

T - r j- . i .. - l-t ; itI: • - v v.t •• • : T '^TT

-^1 nnr^n mas rvan nnTO-^K

Bgt;-fn2 n^ri |Di : n^o^an ixnn lyw nnro =

nvaiKa ritrKia : nwnn omaai ^naoi «

't t : - : I 'it -it- v iv ; - * : * av • -»• ••

niïD D*b* niya^ Jn noan Da1? n^n» trtn1? dv Tpy

V. - -T - 'AT- V quot;T r-Y r V - rr t

pNn D^a i^ai in^a Kirin di»3 «Tan nfrjn iVatj^ nynp nin^ Jnn-'o» nia^i : mtsn ia »

n«èni D'Q^n n^a^ di»quot;? bp'pn nia^i ona n'ro^K'? na^i lab na^ nmpi : Dl;1? ony T^'f3 jna trfn1? dv i^fiirona ♦ra^a : nawV rn rot^i«

T V V - lt; T T T'~llquot; *:* IT •• IT I J' I V V.quot; !

: ro^ai nnaaat n^a rwtsna awnnyzürbHïnamp;y

I v it - : vt :^ - ; t^ it t - r ^ a-t - -,quot; : • T -'** quot;^1quot;

onp naan rvo^an lïnn nin^ ♦:-!« -»OK~rias 110

•|T JV - .... lt;** T iv - • v; -t -: ~ t i

ovai nna» na^n ovai n'^an ♦D» nib nw

j : - ., T . T quot;r quot; : q AVq *'' quot; |» quot;*quot; : V T ***** : *

nojn pnp dSin T|-n NvK»3n Kai : nna» t^inn = vö^irnNi. inbi^TiN4 a^n'an nm-by

-ip pJD^xS i^B^rn w) |nap-^ ninnipni nina^a Kinn nna p,s?n-D^ wwni : anynj nin^ wmn anp^nt^M n^ni : nin» ^a1? a^Bhnai ^

at i- lt;' t - j'\i- v -j t -•T : IT : v.quot; : ' a* t*:i.

hn:oi : a^on Do^on D^aa nauri ovaquot;

T ; • i* T 'J-: v.* * : •)* T : st • T'quot;» ' ^ :

: na^ ?'n \m) it nna nn:o D^aabi na^

it quot;it i j- 1 ••• iv : fit ■quot;- - 1.t : • j- t : - : quot; quot;. t -'t

DQ'ön Vni o^aa DO^an quot;ipa-ra quot;ia ^inn ovav

j- ■ : • iquot; : i t: v squot; : *■ ■ ■. Ktt I v j- ■-• - •■ :

ocr page 336

HAPHTAROTH.

7 zullen zij zijn. En een Epha voor den var en een Epha voor den ram zal hij als meeloffer bereiden; en voor de jonge schapen, zooveel als waartoe zijne hand toereikend is; en olie een Hien

8 voor iederen Epha. En als de vorst binnenkomt — door het voorportaal der poort zal hij binnenkomen en langs denzelfden weg

9 zal hij er uit gaan. Doch wanneer het volk des lands komt vóór den Eeuwige op de feesttijden, — wie dan binnenkomt door de noorder poort om zich neder te werpen, zal uitgaan door de zuider poort, en wie binnenkomt door de zuider poort, zal uitgaan door de poort ten noorden; men zal niet terugkeeren door de poort, waardoor men is binnen gekomen, maar er tegenover

10 zal men uitgaan. En ook de vorst — in hun midden, waar zij binnenkomen, zal hij binnengaan; en waar zij uitgaan, zullen

11 zij [vorst en volk] uitgaan. En op de feesten en tijden van samenkomst zal het meeloffer zijn een Epha voor iederen var en een Epha voor iederen ram, en voor de jonge schapen, wat zijne hand zal geven; en olie; een Hien voor iederen Epha.

12 En indien de vorst een vrijwillige gave wil bereiden, een brandoffer of een vredeoffer als vrijwillige gave voor den Eeuwige, dan zal men voor hem openen de poort, die naar het oosten gekeerd is, en zal men bereiden zijn brandoffer en zijn vredeoffer, gelijk men het bereidt op den Shabbathdag; dan zal hij naar buiten gaan en zal men de poort sluiten, nadat

13 hij er is uitgegaan. En een schaap onder het jaar, zonder gebrek, zult gij als brandoffer bereiden eiken dag voor den Eeuwige;

14 eiken ochtend zult gij het bereiden. En een meeloffer zult gij erbij bereiden eiken morgen: een zesde van een Epha, en olie: een derde van een Hien, om door de meelbloem te roeren; een meeloffer ter eere des Eeuwigen, bepalingen voor eeuwig,

15 voortdurend. En bereidt het jonge schaap en het meeloffer en de olie eiken ochtend, als voortdurend brandoffer.quot;

{De Portugeesche Israëlieten eindigen hier).

16 Zoo zegt de Heer, de Eeuwige God: Wanneer de vorst een eschenk geeft aan iemand zijner zonen, dan is het diens erf-eel, voor zijne zonen zal het zijn; hun bezit is het als erfdeel.

17 En indien hij een geschenk geeft van zijn erfdeel aan een zijner dienaren, dan zal het dezen behooren tot het jaar der vrijlating en dan terugkeeren tot den vorst; slechts wat zijn erfdeel

18 aangaat, — zijne zonen, voor hen zal het zijn. En de vorst zal niets nemen van het erfdeel des volks, om hen aan hun erfdeel wederrechtelijk te kort te doen; van zijn erfdeel zal hij zijne zonen doen erven; opdat Mijn volk niet worde verstoeten ieder uit zijn bezit.quot;

165

ocr page 337

Ennn ntna mtaön nop

nm» naw is1? ns^i : vnv

T . - . T ; • -••.• .1quot; *~T *T •• : T ' •

Tj-n Kinni : namp;tib pn \nw] IT yamp;n 1^3n yaS pKn-oy NIMI : NX* ianini KÜ» DSW -Tj-i'i kï' ninn^nb pas «in bn^isa'nin»

KV hjiöï quot;i^F'TC ^ 2?i ^

: inx* irpj »3 ü NriK'K ^ on^iani D^nniINÏ» onNxai NÜ* DNina pDina^ it nna d^23,?i ^k1? hö^i ns1? nö»K nnjan n»nn D^a^-ixrfpiy nii: K^3n pn \m\*

quot; T ; I -«T T T ; ^ * T^~ V ~!l~ ^ * ! .% f • V •

tik Dn[5 m'sn 6 nnai nin^ nan:

■UDI. ht\ ro^n DV3 ntr^. 1^X3 vo^TiNiin^ n^ij; ni^^ri D^an : insï n^tyriTK ^

n'^n nmpi : IPK n^n i^aa nin^ dvl7t D^ pnn nwbp jo^i na^n nw ^a? quot;03 v1?^ -jik ïm* '. Tan Dbiü mpn nÏT1? nn:a nVon-nK»

^:i- r T V,T ^ IJ •. T iquot; T : • VA

: i^an quot;)|533 nj533 fafn-nKi nnjan-n^ feosn

.nmaon d^d^dd jjo vha {^nS nana N^an ?n,_,3 nin» ^nts quot;'aKTiara

TT- ■•■ •. TT- lt;■ T - I •• • I- • v: -quot;T : T l

|rr»3i : nVnas N»n onjnt^ Tnn v^nb M'n injnaquot; ui-in ib nn^ni vnn^a nn»1? inVma nina N^'^n nT-iói : n»nn DnV vas inbm tik ^

■ T- I- • i : iv : r jvr it t ^ t-:i- I « t quot; T i

v^rnK Vnr. inrnNa Dninxa oniin? Dj;n n^ma : ininxa wx Wa^

its-: iquot; Ï.quot; quot; T i -■•.• -: 1

mean hv pinxi |wgt;si piDS rmnN dii»is nquot;11 flSC Ds -DmSDn ^™®) (^nn quot;inö ^ pinsi jwn-i piDS Di-imx nquot;T Win»1? dni 1131^

ocr page 338

166 ann twriï n«np

nVo viivy nnxn is1? rotba nnjo nSb

^ v lt; • : quot;V •*•• ; at vit i.t ~ I v v - jt^ : t ; • v lt;

nn:o nbb rin^ ; nnxn roB'a nbi^a nn:ö

t ; • v « I t ^ I J t : ^ it v it • Iquot; T I v v - jt ^ ; t : •

: nirrb n^K m»: nn inxn nViVa

IT r V.quot; • quot; • - JM t ^ AT V ^IT ^ Vv,V - I v v - -t ;

n^aii rnn m^vh ish rvrr rnn dh^dji

quot;7*^ • : •-tI-**- s* * : t - v : i' I • - •••••;•;

; nj^n i^ina Win pk? p tmb rnn

• : it T - vquot; : T : :T; V j- ^ •« I-AT V^V- I .)• -

: lao:quot;) -i^nn n^r1?^ nirvb nnw ony

i ; • : \.v 'tiquot; •)• t - s~ at i~ vt - : ot •••

Haphtara van Shabbath-Hosh Chodesh.

Jesaja 66,1—24.

1 Zoo zegt de Eeuwige: de hemel is Mijn troon en de aarde de bank Mijner voeten! wat is 't dus voor een huis, dat gij voor Mijn Naam zoudt bouwen, en welke is de plaats, waar

2Ik zou rusten? Terwijl deze allen Mijne hand heeft gemaakt, waardoor deze allen ontstonden, — is het gezegde des Eeuwigen. Doch op dezen richt Ik Mijn blik : op den arme en den geslagene

3 van geest en die siddert op Mijn woord. Doch — die den stier [Mij ter eere] slacht, is [tegelijk] een mannenmoorder; die [Mij] het lam offert, een hondenwurger; wie [Mij] een meeloffer brengt, zwijnenbloed [plengt hij voor de afgoden]; wie als herinnering wierook brandt, hij zegent tegelijk onrechtmatigheid [afgoden]; evenals zij verkoren hebben hunne wegen en

4 in hunne gruwelen hun ziel behagen had, — Zoo zal ook Ik verkiezen hen smadelijk te behandelen en hunne verschrikkingen zal Ik hun brengen; omdat Ik geroepen heb en niemand antwoordde. Ik gesproken heb en zij niet luisterden, maar zij bleven doen wat kwaad was in Mijne oogen, en waarin Ik

5 geen behagen schepte, kozen zij. Hoort het woord des Eeuwigen, gij, die siddert op Zijn woord! Uwe broeders, die u haten, die u verstooten, zeggen; «Ter wille van Mijn naam moge de Eeuwige Zijne heerlijkheid toonen, dat wij aanschouwen uwe

6 vreugde en dezen [wij] beschaamd worden !quot; Stem van gedreun uit de stad! Stem uit den tempel! Stem des Eeuwigen, die ver-

7 gelding betaalt Zijnen vijanden! Vóór zij weeën voelt, heeft zij gebaard; vóórdat smart over haar komt, heeft zij een knaapje

8 doen uittreden. Wie heeft dergelijks gehoord, wie zoodanigs gezien ? Ontstaat onder weeën een land in één dag ? Wordt een volk in één maal geboren? Want bij de weeën heeft Tsion ook

9 reeds gebaard hare kinderen! Zou Ik tot den barensstoel brengen en niet doen geboren worden, zegt de Eeuwige; zoude Ik,

ocr page 339

inn uwn quot;i^öoV nwnp iDp

v'D-'B nquot;D lanoa

nVo D'inm? oo^on nai^-^a ni^n bi^i

v s • : • ■,*• : . a* • : v.t t iquot; ; r t : iquot; : t

insira nzv rriy : 120:1 rotrn nn^ö

n - - : (,- - j* i : • : i v iv - jt : i i

a : nsDii i^onn rpjny

IT:*: i v* T quot;

ona mn^ nVjr mnpn Db^m

•- : llt;tt Iquot;: ■ t AT 1- vt j-l: - v •• : t _ •• t .

nty^i: DQ^Dn Dv^23 tik TNI

: *.' jt : r • ; at : • .)tt iquot;; s* t : t v j .

irnn nai^ rnraan

t'3—'n vD jCD nwa (•Cnnri 'El D'SpC 's mcEn '3L» f.Tns pgt;s ; VJDD D'OBTI Q'^oe» enn tnh rcto)

h'i nr-^ ♦bin Din p^m ^D3 d^d^h iok na n

• - JV •• HT : - -■ -: I •.\T T : • : • •■- T quot; T : •■- T lt;

♦T nbtf-^-nKquot;!: ^nniJp Dipo nrw ♦ruan I^K 3 -na^ □♦3K nrVsi nin»-DN3 vn'i nn'py

.. : •'V v • - -quot;v v ; «st^ : : v t j :i t t t

n^n naiT -iit^n un^ : nnr1?^ inni niij

pK Tj-inp mbb -oo nnn-Di nmp nba c]ii^ ♦SN-ds : nïsn c^s: on^i^ai Dn^nis nna nan-Dr r«1 I^. 00^ N'pK brniJDi on^na quot;inax Mïan'Nb quot;iK'Kai ^^3 i?quot;iri typt a)gt;] wan DD'nM np« nai-bx onnnn ninprn \vm : nna^ DDnnp'^a nxin nin^ iaa» |^pb aaniD dWq nin» bip ba^no Vip i^p |iK^ bip : lira» any nh ban tm» Dquot;iaa mS* S^nn Dquot;iaa : va^b bioa'

vt v.)quot; j r V V : tatt V t •-•/.• I it : i ; ^ ;

PK bnvn nb«a nxn »ö nxia ^otr-'D : nar nirbomquot;

i ... .,. - «-: v quot;t t t lt;• t jquot; t i* itt t r ; • ;

ri'ï mb^oa nbn-*a nnx oya 'ia nbvDN nnx ova

i v • jt:it - t)t • at v ^j- v. vjt' * tv -• t

nin* quot;10«' TbiN tfbquot;) Taa'N ^«n : n^aquot;nNB

s* -j • at ; j- s,' j '• •)• : quot; j' quot;j i* t iv t

ocr page 340

HAPHTAROTH.

10die doe baren, den schoot sluiten? zegt uw God. Verheugt u met Jerusalem en jubelt over haar, allen die haar bemint! Verblijdt u met haar in volle blijdschap, gij allen, die thans

11 over haar rouw bedrijft! Opdat gij kunt zuigen en u verzadigen aan de borst harer vertroostingen; opdat gij kunt slurpen en u te goed doen aan den prangenden overvloed harer

12heerlijkheid. Want zoo zegt de Eeuwige: Zie, Ik leid tot haar als een stroom den vrede en als een overvloeiende beek de heerlijkheid der volkeren, en die zult gij zuigen; op de

13 zijde zult gij gedragen worden en op knieën geliefkoosd. Als een man, dien zijne moeder troost, zoo troost Ik u en met

14 Jerusalem zult gij vertroost worden. Dan zult gij zien en zal uw hart zich verblijden en uwe beenderen zullen als het gewas bloeien; dan wordt de hand Gods bekend aan Zijne dienaren,

15 terwijl Hij toornt met Zijne vijanden. Want zie, de Eeuwige — in vuur komt Hij, en als een dwarrelwind zijn Zijne wagens, om Zijn toorn te doen overgaan in ziedende gramschap en

16 Zijne bedreiging in vuurvlammen. Want met vuur houdt de Eeuwige gericht en met Zijn zwaard met alle vleeseh; zoodat talrijk zijn de door het zwaard des Eeuwigen doorboorden.

17 Die zich zeggen te heiligen en te reinigen met het oog op de [heilige, den afgoden gewijde] tuinen, achter één in het midden ; maar die eten het vleeseh van zwijnen, onrein gewriemel en muizen; te zamen gaan zij te gronde, is het gezegde des

18 Eeuwigen. Ik! — hunne handelingen en hunne gedachten zal Ik..! Zij komt, [de ure], om te verzamelen de volkeren en de

19 talen; dan zullen zij komen en zien Mijne heerlijkheid! Ik zal in hen een teeken geven en Ik zal van hen vluchtelingen uitzenden naar de volkeren, naar Tharshiesh, Poel en Loed, die den boog hanteeren, naar Thoebal en Jawan ; de verre eilanden, die de mare van Mij niet hebben gehoord en niet hebben gezien Mijne heerlijkheid, — en zij zullen Mijne heer-

201ijkheid verkondigen onder de volkeren. Dan zal men al uwe broeders uit alle volkeren als geschenk brengen ter eere des Eeuwigen, met paarden en wagens, in draagstoelen en met muilezels en met dromedarissen op Mijnen heiligen berg, Jerusalem, zegt de Eeuwige; gelijk de zonen Israels het meeloffer

21 brengen in rein vaatwerk naar het huis des Eeuwigen! En ook van hen zal Ik nemen tot priesters, tot Levieten, zegt de

22 Eeuwige. Want — evenals de nieuwe hemel en de nieuwe aarde, die Ik bezig ben te maken, vóór Mij bestaan, is het gezegde des Eeuwigen, zoo zal uw kroost bestaan blijven en

23 uw naam. Dan zal het zijn; na verloop van een maand op zijn nieuwemaansdag en na verloop van een week op zijn rustdag, zal alle vleeseh komen om zich vóór Mijn aangezicht neder te werpen,

24 zegt de Eeuwige. Zoo zij dan uitgaan, zullen zij zien de ontzielde lichamen der mannen, die tegen Mij gezondigd hebben; want

167

ocr page 341

Knn mi') nn^ m^an Top

amp;y\ inatr : -i^riVs ibtt ♦nivyi Tbisn1

j* : • •)- t i: v s : • # rir^ v: j- r • ^-*t ; ■}•

: rrby D^awnDn-^ jri^ö nnx ww na

T IV T : - : • - T T T • lt;• T AV -t I T V,T

Dn^nnnybnf^nwjn Ttpp Dnyntfi ipyn jj?»1? ^ di^ -in:3 ♦jjn nin» ion i rima : rniaa t'-tö ^

t TT ; t v •• ^ iv -•• ; r t ; J- t ^ • it ; J' '

D^nrbjn iK'^sn nr^ Drip;'} D^ia HM e]t3iiy DDon^K bi» ra mn:F\ isk quot;IB'K i^ib : i^jr^n ^

v : vj- -i • it ilt;quot; av -!i- ; v. • j\' t • : it quot;gt;:it ;

Ktris ö^niöïjn oiaS irtyi bn^ii nomn d^tt^

V Jv - V.V •• I ; ^ ; V ; • jt : ^ v • : it ••. : \- t i •

quot;♦3 : v^irnK Dpi nvquot;iiji mman«

it; i v ^-t; tt^-: v t ; ^lt;t : i t : a- : •

lèN nöna yvrh vnbsno naisai «in» Bwa nin» nan

t •• : lt;• T : ^ AT : : - ^ vt - ; T jquot; T T : lt;•• •

-^Tnn i^inni ^at^: nin» Ewa ^ : ^N-^nba impv0

t v v. : - : t : • ^t ; .. T lt;• ,.. .. -.,- ; ^ T^.:i-;

niirr^K onntaani D^npnan : nin^ ^bn ism Ttyaquot;-

• -: i- • - ; ^ IT ; Jquot; : - ^ -; at T ^

innï ^ptrni nnnn ,l?3x ^n? quot;inx im g. ^Ip.^nxa on'nbB'nai bn^o piNi : ninpx: isp^ -r-ona :nürnNiKquot;n IKSI ni^bni D^an-^rnN^

v t • ; - : i* : v j r: ^ a ; - : v* quot; t

nbi Vis D%n_l?« i onü ^nnWquot;! niK -nx D'pnnn D^xn ?vi Vain nu'p

^ : it v -: I • :it •lt;• • it Iatt; ••quot; v I ^v^ •• ; j

iK^ni: D'iaa niarnN n^ni 'iias-nK ym=

j- ; i* quot; ï v j' ' i ' : v -» t i : * ; *

nrna-f d'did? njn^ nmp i D^ian-Vap i D^nx-Vrnx iqk dVï'it ^ip quot;in by_ mSanaai nnnarn D^vni mnJ ^D3 nnaan-nx 'b iïwo nin»

J.. v T * OT : • - V Squot; T: • •• : • T -V -; i- AT ;

^«2 »3 : nin' inK D^ns1? npN Dno-Dii : nin»«

-v -!,- IT : J- T V^r r -: I Irv ?jv •• p-: it : 33

ana^ n^ I^N4 n^nnn p^ni D^nnn izrotfn i^ln-'na n;m : DDDtyi my p nin^Dxa ^ab »

•• • t t : iv : • : ^v :- j ^ir mquot; at : t ;

ninntyn1? T^r^D wy instra na^ noi i^nna

V t : ^ : ot t t ^ s t a--I.T - jquot; • :r :

»3 »3 D^tran D^JNn naaa lihi : nm» IQN ^

~ ~ \ ' • t-I-'T ••: • : T; ;it: IT : -»- T

ocr page 342

HAPHTAROTH.

de hen verterende worm zal niet sterven, het aan hen brandende vuur niet gebluscht worden en zij zullen tot afschuw worden voor alle vleeseh !

Doch het zal zijn: telkens na een maand op zijn nieuwemaansdag en na eere week op zijn rustdag zal komen alle vleeseh om zich neder te werpen vóór Mijn aangezicht; — zegt de Eeuwige.

(De Portugeesche Israëlieten voegen, indien ook den volgenden dag Kosh Chodesh is, aan deze Haphtara nog het eerste en laatste vers van de hier volgende Haphtara toe.)

Haphtara voor den Shatoath op den dag vóór het Nieuwemaansfeest.

I Sam, 20,18-42.

18 En Jonathan zeide tot hem : //Morgen is nieuwemaansdag ; dan zult gij gemist worden, wanneer uw zitplaats zal worden opge-

19 nomen. Welnu, drie dagreizen zult gij verre afdalen en komen tot de plaats, waar gij u op den dag der [bekende] gebeurtenis !) hebt verborgen ; en gij zult u nederzetten bij den wegwijzer-

20 steen. En ik, ik zal drie pijlen naar den kant afschieten, als

21 om voor mij op een doel te schieten. En zie, dan zal ik mijn jongen bediende de opdracht geven : «Ga heen, zoek de pijlen !quot; Indien ik dan tot den jongen zeggen zal: //Zie, de pijlen zijn van u af hierheenquot;, neem hem [een er van] dan en kom, want vrede is u en niets nadeeligs, zoo waar de Eeuwige leeft!

22 Doch indien ik aldus zal zeggen : «Zie, de pijlen liggen van

23 u af verderopquot;, ga dan, want de Eeuwige zendt u weg! En de zaak, die ik en gij hebben afgesproken, — zie, daarvoor is de Eeuwige getuige tusschen mij en u tot in eeuwigheid!quot;

24 Nu verborg zich David op het veld ; en het was nieuwemaansdag, toen zette zich de koning aan den maaltijd om te eten.

25 En de koning zat op zijn zetel, gelijk telken male, op de zitplaats aan den muur, toen stond Jonathan op en Abner zette

26 zich aan Shaoel's zijde ; en David's plaats bleef onbezet. En Shaoel sprak niets op dien dag; want hij zeide: «Het is zeker

27 een toeval, hij is misschien niet. rein, zeker niet rein!quot; Nu was het den dag na den nieuwemaansdag, den tweede [der maand], toen weder de plaats van David onbezet werd gevonden, zeide Shaoel tot zijn zoon Jonathan: „Waarom is Jishai'szoon

28 noch gisteren noch heden ter maaltijd gekomen ?quot; En Jonathan antwoordde Shaoel: „David heeft van mij verlof gevraagd om

29 naar Beth-Léchem te gaan. Hij zeide namelijk; „Laat mij heengaan, want een familie-offerfeest hebben wij in de stad, — en hij, mijn broeder, heeft het mij bevolen ; en nu, indien ik gunst

') Bij Shaoel's aanslag op David; vgl. I Sam. 19,10.

exodus. 22

168

ocr page 343

Bhn tswTi rac nop

vni niian tib nión nh DnjrVin

it t t: i vtiquot; j t z v : • j t • : r •» r^: - i

mnmnS ira ba xia1 inaca nar noi icnna trnn no mni : nin1 ion vsh

jnnsi |wni pws e^sinS /s ova mm1» pquot;u Di'a nquot;T Sn dn ^niBD jru») (nsïn v-\n quot;inO riiosn Sw

rQBO bntr vin mttön

.aquot;a—nquot;i '3 JQiQ X SxiDCS

quot;quot;is niosn ijbd jrm: ps inD ^ ö'I'be» nquot;T 31J?1 Dat^D)

(•cnnn niyncj')

: nnt^io nps» *3 rnpfiji ly-in ina iruirr lb_nöM»i ^

|iv t i k'^t' y r :]-:': ^ v fgt; t i t ^ i : j v i-

Diy mnont^N DiparrbK quot;I'NÖ nm n^btyi ^

v.t t : * v -: it- v t t ; j*» •• t ; - • :

D'ïnnniy^^Ni :bmn pxn bïx risten n'^an DI^3

,. . ,- .. j . . v^itt i v jv r v^quot; t : - jt ; av i- - j ;

T|S quot;i^in-nx nani : nnjap^ ♦yn^V nnix njiï « ?iao i D^nn nan ipb quot;iiiSi quot;jDKquot;DN D*ïnnquot;nK kxd

j| ; • j' ' i- jquot; • ^ quot; - t ' a* * iquot; v ■'t :

rirDNi : nin^-'n 121 vw ^ Dibir^ nxm linp nsni«

lt; * : it : - ^t t t jquot; z 01: j t r t •» t sv I t ^ t quot; t

: nin* nnbtr '5 quot;n1? nxbrn ^iaa D'ïnn nsn d1?^ Sok

it : v,|-:«- * j' 1quot; t :att jp ; • • 1- jquot; • v*r t -

-IV ws) nin» nsn nnxi man nnim »

^l: iquot; ^ *• ot ; squot; • tatt -• -: • jv ~t t t - :

Dn^rr^ nbsn irinn ♦nn mira in nnD'i: ■«.

^ vv,v - • lquot; •)••• quot; vs'— - j' :- avt quot;p p^* t jquot; t ' - it

1 ^an 2^1 : ™

. quot;j . t i - j . . ; '• ■quot;quot; gt; ^ * v;;,v

: in Dipo -ipfin -iïü zw) rn:in' Dp»i n^n

r t ij: pv**t*-^ at -'- • vquot; ï quot; •■ jquot; - i tt j : i tt- i * -

'rtotfin mpD iDx^Ninn uv2 hdiko nar^V3

^ -,v i; • ^ - t «• a - j - tv.: •) t jv • 1 :

-ipsn 'jtsri trinn nnnsp 'rin. : nnü Kin una »

lis rnain^N^w idn»1) in Dipa

.)- • i v st - ; ijtt i ; v t v «- a- t l-» :

bkm biNty-nK rn:in» r^»i : on^rrbK Di»n-Da ^ian-Di«

^ ^ • ^a t v kt t 1^: \^jquot; vit - v v ■ ■ j '•

rara «i *;r\bp lüüh .'Dn1? nrr-i# nayo nn ^ rn ♦nxxa-DK nnyi 'nx Vniy Kim Tya ^ nna^a

iquot; '«tt • t : • t • t • «: t t tt:*

ocr page 344

HAPHTAROTH.

in uwe oogen gevonden heb, laat ik mij dan mogen terugtrekken en mijne broeders gaan zienquot;; — daarom is hij

30 niet aan de tafel des konings gekomen.quot; Nu ontbrandde de toorn van Shaoel tegen Jonathan en hij zeide tot hem: «Gij zoon van meest verdwaasde weerspannigheid! Ik weet immers lang, dat gij dien zoon van Jishai de voorkeur geeft, tot uwe eigen schande en tot schande voor de schaamte uwer moeder!

31 Want alle dagen, zoolang die zoon van Jishai leeft op den aardbodem, zult gij en uw koningschap niet op hechten grondslag gevestigd zijn; welnu, zend heen en laat hem tot mij

32 halen, want een kind des doods is hij !quot; En Jonathan antwoordde zijn vader Shaoel en zeide tot hem: «Waarom zal hij gedood

33worden? Wat heeft hij gedaan?quot; Toen wierp Shaoel den spies tegen hem om hem te treffen; en nu wist Jonathan, dat het vanwege zijn vader vast besloten was, David te dooden.

34 En Jonathan stond op van de tafel in brandenden toorn ; en hij at niet op den tweeden dag der maand eenige spijs, want hij was verdrietig om David [en] daar zijn vader hem smadelijk

35 had behandeld. Nu was het in den morgen : toen ging Jonathan uit naar het veld, naar de met David bepaalde plaats, en een

36 kleine jongen was bij hem. Nu zeide hij tot zijn jongen : „Loop, zoek toch de pijlen, die ik schiet.quot; De knaap liep heen en hij

37 schoot den pijl, zoodat hij hem [den kuaap] voorbij vloog. Toen nu de jongen kwam tot de plaats van den pijl, dien Jonathan had geschoten, riep Jonathan den knaap achterna en zeide :

38 «De pijl is immers van u af verderop.quot; En Jonathan riep den jongen achterna; «Spoedig, haast u, blijf niet staanquot;; en de jongen van Jonathan zamelde de pijlen op en kwam toen tot

39 zijn heer. En de knaap had niets gemerkt; slechts Jonathan

40 en David wisten de zaak. En Jonathan gaf zijn gereedschap aan den jongen, dien hij had, en zeide tot hem; «Ga heen,

41 breng het naar de stad.quot; De knaap was juist heengegaan, — en David stond op van bij de Zuidzijde [van den wegwijzers-steen] en viel op zijn aangezicht ter aarde en wierp zich driemaal neder; en zij kusten de een den ander en weenden de

169

42 een met den ander, totdat David het sterkst weende 1). Toen zeide Jonathan tot David; „Ga tot vrede! Daar wij immers beiden hebben gezworen bij den naam des Eeuwigen, zeggende : De Eeuwige zal zijn tusschen mij en u en tusschen mijn kroost en uw kroost, tot in eeuwigheid!quot;

') V. a. zich vermande.

ocr page 345

natro W ann aiyb mtaan L2Dp rnbty-bx XTOh ra-Vy ™-nx HKINI N-I wyz

I v,- : ••. v t I ■'•\ at v 4 v -••.• ^; V : v.t t : jt • I v :

nmannivnai^io^imain^ : -i^sn17

a :--v.-'hi- I v ^ v TT ^ * T 1*quot; quot;•*quot; )•*••* quot;

nnjr nntyn1? nnx -inr^ «i^n

j' -.'.• v \. 1 I t : t ; ^- • I v : t - lt;•• r •*: -t -• -:

rian ah nan^n-^ 'n '^-p D'ó'n-bD ^ : na» ^

i v, * j t t-:it 1 ~*'v quot; • t- t j* i iv •

: Nin nio-p »3 inM n^i nStp nnjri irnD^ai nnx no nav na1? vbsï na^i vax SiNtrn^ rnjin» rri2l?

r' ^ xjt rr •• •-* squot; A* T v.t '-• . 1 t^t -• : i^--

mjin» vm man'? vVjr n^nn-nx ; nirj? ^

itt •» : —- a - ; vT^r •)•-:!- v s t vt- it t

tn:in» Dp 'i : mrnN n'an1? vax D^a N'n

l itt^ 1^: Itst- r t v y t ; v t vquot; quot; ■)• t^t

on1? ♦jirn tyfnrrDi^ eiN-nna rn^^n D^a

v v ... - v« - 1 : - t 1 : Jat •▼;it kt; ••. - ••

KV»1 -Ip32 'n»1 : V3K la^DH '2 TiT^Ni 3^i »3 ^

Squot;quot;- Iv - j- : - r t v, • : • r • t v - T v lt;•

ïiyb na^i : la^ rap ijtti m n^ia1? mt^n main* ^

^i- : v j i J.it ^j': a* t *-•quot; : ^vt - i ott i:

-«ini p iJ^sn niia 'rnx D^nn-nx w^ïa p

i ; i t - av v.' ^ it ^ jquot; • • j- v t t : | '.. *

ni» -1^« ♦vnn oipa-^ lytn «an : i-Dyn1? 'ïnn m»

^TT jv -: • •• - )J : ^ y'~ lt;T' i —.i- •. • ^.. - jtt

naa »ynn Kibn nax»quot;! nyan nnx rn^in» «quot;ipn rniin»

j] : • . v*. quot; J -: v - I tt i : jtI: * - Iatt i:

lajrn-'jK n^in mna nnwrnain» Knp»i: n^rn^

a : i~ - t v. jt •• ; ^ jquot; -; i- i t t^ i : lt;t i: • - t : it t

-i^ani : ♦ïnn-nx mjin^ ap^i ^

^ i -x- - : it ~i v v tquot; * .*quot;Jquot; ^ v I tt i : !••- :-

rnain» jn'i : imn-nx w ini rnjin' ïh naiKa «

I t t i ; I lt;•••- it t - v 'v :it * t: I t t i ; )«quot; t a : ^ j-t

: quot;i^n tran 'TIS 6 nax'i v^rnx

*!• t t ) v.quot; ^ v j - a v quot;i quot; v ^t

inn^nxnKVöN1? Sb'i aaan bvxa op nhi ns

t :■»- jt^- : *- vv- vj- •• Itlt; • t: t quot; quot; quot;

in^Tn^ ^ ia?'! inyrnN i ip^i n^a^s ntrN Dquot;)1?^1? rh inb m:in» naN'i : Vnan quot;iirny30

v -j at: I ■»•• v.' t; ott 1 : v j- r: * v.' t^ ^5,

♦ra 1 nin» iaxb nin; D^S ijni« 1^2^

; Dgt;if^ ^iT- r?1 vi vy ^

ocr page 346

HET BOEK ESTHER.

I.

1 Het was in de dagen van Achashwérosh, — deze is Achash-wérosh, die van Indië tot Ethiopië regeerde, over honderd

2 zeven en twintig landschappen; — In die dagen nu, — toen de koning zat op zijnen koninklijken troon, die in de burcht

3 Shoeshan was, — In het derde jaar zijner regeering, richtte hij een gastmaal aan voor al zijne vorsten en dienaren: het Perzische en Medische leger, de voornamen en de vorsten der

4 landschappen, die voor zijn aangezicht waren verschenen, — Toen hij den rijkdom zijner koningsheerlijkheid en de kostbare pracht zijner grootheid ten toon spreidde, vele dagen lang, honderd

3 en tachtig dagen, — Toen deze dagen nu ten volle om waren, richtte de koning voor al het volk, dat zich in de burcht Shoeshan bevond, van den hoogste tot den geringste, een gastmaal aan, zeven dagen lang, in het voorhof van den lusthof van

6 het koninklijk paleis. Witte, groene en hemelsblauwe stoffen,

Hoofdstuk I. 1. Ook wanneer het verhaalde niet in onmid

dellijk verband staat met een vooraf medegedeeld geschiedkundig feit, wordt het verhaal soms met 'mi begonnen. Vgl. Roeth 1,1. — fiiwns is waarschijnlijk Xerxes, — de zoon van Darius Hystaspes, — die den derden Perzischen oorlog tegen de Grieken voerde (± 480 v. g. j.), en wiens tyranniek karakter bekend is. Ook de hier aangegeven omvang van het rijk past juist voor zijn tijd. — rurns: regeeringsdistricteri, waarover pacha's waren aangesteld, waarschijnlijk ingedeeld naar de volksafstamming. Meerdere dergelijke districten vormden samengevoegd eene satrapie. Zoo wordt Judaea, 'Ezra 2,1; Nech. 1,3; 7,6; 11,3; eene rono genoemd, terwijl het slechts een deel vormde van de vierde satrapie, die Syrië, Phoenicië en het eiland Cyprus omvatte.

2. natrD'- toen troonde, misschien wel: ging zitten, d. w. z. bij zijne troonsbestijging. Ibn 'Ezra: toen hij rustig zat, na het voeren van een veroveringsoorlog. —- Shoeshan was eene sterke vesting in de provincie Susiana, waar de Perzische koningen gedurende eenige maanden van het jaar resideerden.

3. •nDr.pna Svr de vertegenwoordigers van het leger, de officieren; v. a. de lijfwacht des konings, die volgens Herodotus 7,40 uit 140)0 man bestond. — nm Dis. Perzen en Mediërs vormen het heerschende volk in het Perzische rijk. Bij Daniël 6,9 en 16, waar de regeeringstijd van Darius, den Mediër, wordt behandeld, wordt eerst Medië genoemd; hier, waar de feiten na Cyrus plaats hebben, vormen de Perzen den hoofdstam. Alleen 10,2, waar van konings-kronijken sprake is, die natuurlijk ook de koningen vóór Cyrus, dus van Medische afkomst, behandelen, gaat Medië aan Perzië vooraf. — ogt;am£n: voornamen; Ibn 'Ezra; prinsen van den bloede.

4. Hier is niet gezegd, dat de maaltijd 180 dagen duurde, maar alleen dat het vs. 3 genoemde gastmaal gegeven werd voor de vorsten en

ocr page 347

nnDN nSjis

nno^Van trnwnK «in i rot?:) onn d^do : nr-iD nxai on^i vn^ =

v-»v ; aquot; t v,* t - it * : VT ** r: quot; : quot; y'

: m^n r^itrs I^N iniD^D nds •nban

it * - ij- : {quot; -: : - •••• • -lt; ••: - -: |v-»v -

i quot;rn may! mtr^Db nriKgt;o id^dS niB'aj r

-••• at t tl- ^t t t : v : jt ^t ; t : T ' 35

TIK ihNina : vifi1? nunsn n'tyi n^man noi DIS ^ ?:

v :' : , 'T T : 1 ' : : :r =, : quot; quot; quot;T l -/ O

dot w inbna mxan np^nxi ini37ö tüd ^

■ - J' T AT VIV : • lx: ••• : : - -■ : •■■ y

quot;TjSón nb^n D^o^n i nKi^pni: dv nNpi

nntpo rtap-iyi n^an orn'osn Dyn-^D1? 5

V** : * ' OTIT ^.ST': T • - I - : quot;jtt T :

n^niDsnanin : ^an rvas -lïna QW nyip1 P

............................................................................................................... c.

beambten, die vóór hem waren verschenen, toen hij, vermoedelijk ter gelegenheid zijner troonsbestijging, zijn koninklijken luister gedurende 180 dagen ten toon spreidde. Dat die regeeringsaanvaarding en de feestelijke viering daarvan eerst in het derde regeeringsjaar plaats heeft, is niet vreemd, daar natuurlijk eene langdurige voorbereiding noodig is. Vooral bij Xerxes laat het zich zeer goed verklaren, daar bij Darius' dood Egypte in opstand was en hij zijn eerste twee regeeringsjaren (485 en 484) aan de onderwerping van dat land wijdde. Volgens I^eil was de vergadering van vorsten en rijksgrooten te Shoeshan bijeen geroepen ter beraadslaging over Xerxes' voorgenomen tocht tegen Griekenland. — Ibn 'Ezra meent, dat de feesten gevierd werden ter eere van 'skonings huwelijk met Washthie.

5. Het hier genoemde gastmaal is hetzelfde, waarvan vs. 3 sprake is. Vs. 4 is nl. een tusschenzin, ter verklaring hoe het kwam, dat alle vorsten en rijksgrooten te Shoeshan aanwezig waren. Uit vs. 11 toch blijkt, dat bij den hier bedoelden maaltijd ook de vorsten aanwezig waren. — Sa [cwa D\Sïnn orn zijn niet: de bewoners van Shoeshan, maar, zooals Ibn 'Ezra terecht opmerkt; de op het oogenblik in Shoeshan aanwezige beambten des konings; vgl. I Kr. 29,17; II Kr. 34,32; waar ook D'Nxsj van personen wordt gebruikt in de beteekenis van: ergens heen gekomen, in tegenstelling met de D'Oiïrs de bewoners, or beteekent: eene verzamelde menigte; Nech. 12,38 van de gezamenlijke voornamen des volks. —lyi Si-mS, van den hoogsten beambte tot den geringste; niet; voor jong en oud. — jiva, verlengde vorm van jto.

6. 0313. groen, v. a. bonte linnen- of katoenstof. — Het eerste deel van het vers beschrijft de wanden der localiteit, het tweede de inrichting en meubileering. — mon zijn divans of sopha's, waarop men bij den maaltijd aanligt.

ocr page 348

HET BOEK ESTHER 1.

vastgehouden door koorden van byssus en purper, aan zilveren stangen en marmeren zuilen; rustbedden van goud en zilver, op een vloer van malachiet, wit marmer, paarlmoer en albast.

7 En het drinken geschiedde in gouden vaatwerk en telkens afwisselende drinkvaten; en koninklijke wijn volop, naar

8 koningshand. En het drinken was volgens de verordening: niemand was er, die dwong; want zoo had het de koning ieder hoofdbeambte in zijn huis bevolen, naar ieders believen

9 te handelen. — Ook de koningin Washthie had een gastmaal aangericht voor de vrouwen in het koninklijk huis van den

10 koning Achashwérosh. Op den zevenden dag, toen het hart des konings vrolijk was door den wijn, zeide hij tot Mehoeman, Biztha, Charbona, Bigtha en Abagtha, Zéthar en Karkas, de zeven kamerheeren, die bij den koning Achashwérosh dienst

11 deden: Om de koningin Washthie, met de koninklijke kroon versierd, voor den koning te doen komen, ten einde aan de volken en vorsten hare schoonheid te toonen, — want zij was

12 schoon van uiterlijk. — Doch de koningin Washthie weigerde te komen op het bevel des konings, haar door de kamerheeren overgebracht; hierover ontstak de koning in heftige gramschap,

13 en zijn toorn ontgloeide in hem. — Nu zeide de koning tot de wijzen, die met de tijdgebeurtenissen bekend waren (want zoo werd elke zaak des konings voor allen, die met wet en

14recht bekend waren, gebracht; De naasten nu om hem waren: Karshena, Shéthar, Admatha, Tharshiesh, Méres, Marsena, Me-moechan, de zeven vorsten van Perzië en Medië, die het aangezicht des konings zagen, die de eerste plaatsen in het rijk bekleed-

15 den;): Wat men volgens de wet doen zoude tegen de koningin Washthie, omdat zij het bevel des konings Achashwérosh, door

16 de kamerheeren overgebracht, niet opgevolgd had. — Nu zeide Memoechan voor den koning en de vorsten: «Niet tegen den koning alleen heeft de koningin Washthie zich vergrepen, maar tegen

7- DipBTU eig- ^ te drinken geven, het schenken van den wijnv—DiSai oijiï; oi^ao, allerlei verschillende vaten, van allerlei vorm en uiterlijk. — rroSe pi, wijn uit 's konings kelder. — i^sn to, zooals het een koning, en zeker dezen machtigen vorst, past.

8. Rashie: er bestond geen dwang tot drinken; anderen: ieder kon drinken, zooveel hij wilde, zonder dat eenige dwang geoefend werd om op te houden.

10. D,D,quot;lDngt; waarsch. eunuchen, die in den dienst des konings ook den harem mochten betreden.

11- -|jm in de kroon, d. i. met de kroon op het hoofd, in koninklijk praalgewaad.

171

ocr page 349

N nnDN rh:f2

i niEp m «IDD jórw pa-^ana nnw nipB'ni : r-nnbi mi ^runa nsïi Vr epii nn?

I ; ~ : vit : j-; t - i- j—: r ■)quot; | ••• v t -«t t

: TiVan i»3 an rn D,1?30 Q^DI nnr ♦baa

Iv iv - j- : v,t •) : - i jquot;; «s* j. .. • : tt jquot; : •

in»3 ar^a bp -iban ns^ i ra-^a DJK r'« ma n^n^nin

j- t | v v - -*- • »jquot; • aquot; i jquot; v.t- jt •: - :

nn^o nntyy na^an 'n^i na : riïna ni'trvb •-

j,, . . ; it t - -lt; r t r I j -;i-

♦^airn Di»a : -iba^ itrx ma^an n^a

* • : - i^quot;: —iv j'-'p' ~s : - - ••« a* t

«nja Niiiann «nraroina1? quot;ión r»a -iVarrab aiüa

«t ; • t : - t : * #' t :• - t 1 'at- | v ^v - ••• j ;

^ej-nx □,nquot;i^an D'onan n^at^ oaiai quot;inr KnuaKi

v : v • ;jt : r * -jt - 'p' p quot; : ■j'quot; t: - ir

■qban na^an ^quot;anb ; tri-nem ^an ^

| v v.v - r* : • ot : - s* : - v * t s i i v jv -

naiLD^a rrsrrw onirm a^a^n niKin1? ma^a -inaa

j~ i* t ; t v • t quot; : «• - it ; - ; a ; - •.•■»•.• :

•q^an nana kiab naVan r^am : wn nxna ^

| v v - j- ; * t • ; - -«t : - - i •• t ; - r ^v : -

: ia mya mam -i^a ^an eiVpn D^anon Ta ni^K

^ i vt-: it v, t^-:i- : )v v - |lt;l:*- a' mt - lt; •«- : v.quot; quot;■

^ Tiban nan p-»a a^n D^aanV nban naxn ^

.. . . |v .. - j- . | .. . a* it :i t -:i- |v v - v j -

«nanx nntr sjit^na v^k anpni : rm nn ^n^Va ^

t -«t : - t *• lt;t : :- t •• jIt ~ : I I't jt {quot; :i t

nai ons i nt^ nib^ raiaa xjana ona ^ibnn

~ t ^ ■jquot;t : * i at : ; : - vjv • ^ ; -

■na nna : maVaa n:^xn a^'n nban wn«

^ i- t: , -----r j- : i - i v v - jquot; : ••

naxa-riK ni^x i ^niri nabaa niib^

^ - ^-:i- v t# : tt -»v -: a- : - v,t#:--

nban *:sb raaia na^n : D'onan n»a t^ini^nK nnan^

iquot; quot; -lt;••;• it ••. ; v - r -it^- ••: quot; |vjv -

*a naSan nn^ inab nSan-^ ab on^m

^ lt;• at : - - j* ; - v.t : it - : ) v v - ^ « • t - :

12. Zij weigert, om hare vrouwenwaardigheid niet te kort te doen, voor den koning en zijn beschonken gasten te verschijnen.

13. 'yr, astrologen, die naar de teekenen, door hen aan den hemel waargenomen, raad geven; anderen: die met de geschiedenis bekend waren en dus uit het verleden de analogie voor de nu hangende quaestie konden aanwijzen'.

14. quot;^Son 'JB 'JO die ten allen tijde toegang tot den koning hadden. — Dwn enz., die de zetels onmiddellijk bij dien des konings innemen, d. i. de hoogste staatsbeambten.

16. Alleen het slot der beraadslaging, Memoechan's conclusie, wordt medegedeeld.

ocr page 350

HET BOEK ESTHER 1, 11.

al de vorsten en tegen al de volken, die in alle landschappen

17 des konings Achashwérosh zijn. Want de daad der koningin zal onder alle vrouwen uitgaan, om hare mannen veracht te doen worden in hare oogen; daar zij zeggen zullen: ,///De koning Achashwérosh gebood de koningin Washthie vóór hem

18 te doen komen, en zij kwam niet.quot;quot; En nog op dezen dag zullen de vorstinnen van Perzië en Medië, die de zaak met de koningin gehoord hebben, tegen alle vorsten des konings zeggen; en geen einde zal er zijn aan de verachting en ver-

19 bittering. Indien het den koning goeddunkt, ga een koninklijk bevel van hem uit en worde tevens in de wetten van Perzië en Medië geschreven, opdat het onverbreekbaar blijve: » „Dat Washthie niet [meer] voor den koning Achashwérosh kome, en dat de koning hare koninklijke waardigheid aan eene harer

20gezellinnen geven zal, die beter is dan zij.quot;quot; Wanneer dan het bevel des konings, dat hij zal volvoeren, in geheel zijn koninkrijk, zoo groot het is, gehoord zal worden, dan zullen alle vrouwen haren mannen eerbied betoonen, van groot tot klein.quot; 21 Dit voorstel werd goedgevonden in de oogen des konings en der vorsten; en de koning deed naar het voorstel van Memoe-22chan. En hij liet brieven zenden naar alle landschappen des konings, naar elk landschap overeenkomstig zijn schrift, en naar elk volk, overeenkomstig zijne taal: «Dat ieder man heer in zijn huis zoude zijn, en spreken zoude de taal zijn volks.quot;

II.

1 Na deze gebeurtenissen, toen de toorn des konings Achashwérosh bedaard was, dacht hij aan Washthie, en aan wat zij ge-

2 daan had, en wat over haar besloten was. Nu zeiden des konings jonge mannen, die den dienst bij hem waarnamen: „Men zoeke voor den koning jonge meisjes, maagden, die schoon van uiter-

3 lijk zijn. En de koning stelle, in al de landschappen van zijn koninkrijk, beambten aan, die alle jonge maagden, die schoon van uiterlijk zijn, naar de burcht Shoeshan bijeenbrengen, in

17. Sy-—NSV zal uitgaan tot (SjteVs), d. w. z. bekend worden bij de vrouwen des rijks en ten gevolge hebben : rranS.

18. rUUMCilj nl. lets dergelijks als de koningin. Ibn 'Ezra; en van dezen dag zullen de vorstinnen altijd spreken. — iia, eig.: genoeg, d. w. z. al te veel, zonder einde.

19- vgl- 8,8. Washthie zal dus nooit in haren rang kunnen

hersteld worden en de raadgevers behoeven voor hare wraak niet te vreezen. — nnijnS, d. w. z. aan eene andere vrouw.

22. Ieder volk in eigen schrift en eigen taal, opdat alle onderdanen met 's konings wil bekend zouden worden. — jtphS enz. geeft in het kort den Inhoud der zendbrieven aan, of is v. a. de eerste zinsnede, de aanhef van het koninklijk besluit; dan moet vertaald worden: opdat ieder man enz. — inr -c-rei. Vrouwen van andere nationaliteit zouden door

hare echtgenooten gedwongen kunnen worden, diens moedertaal te spreken.

172

ocr page 351

a K nnoK n^D ajrp

•qVan niinp-Saa bn^n-ba

nirnnb nsSarrnan Nïr? :

wyp ipNt tyinitynK ^an dtoks |n^^3 i mioün n(n Di'nv : nxr^bi vaa1? rtfpan nif ni^an quot;ISTDK im narois nnty

j..t ^ ; T . - - j- : v : it lt;v ~j quot;t quot;it quot;j t

-121 «V?. 3iü -jbsn-^-DK : ^|5iT jins HDI quot;jban ^ ~\wn -ii3ü» «bi navoiö ♦ma my) vis^a DID1?»

v -: lt;s^:i- j ; f t -it jquot; t: ^.)quot; t •; ^t t : • ^ ;

Tjbani^nniD^Di irii^nN ^an ^ö1? *m\ Nian-N1?

quot;nVan bans Va^ai : naaa naitsn nni^ib3

v ^;i- v -: I v «v - t : ^ - ; • : t iv • jt ' 1 ^ 1 ''

Sp;, urv D^an-bDi x^n nai. »3 im37a_?33 an^rn ^an ^^3 iiin 3Ü«I : |üpT-i^i; SnaaS« mana-brbK bnap nb^»') : |3iaa -i3quot;i3 ^Van vv*\ » 1:1^3 d^t d^ki. ninss nanai nana^x Tjban

: laj; |i^3 isnai 1JV33 inir Wba nvnb 3

tik 13T iJ'i'iiB'nN Tjban nan ^3 nbsn onsin Sntts viatf*1: n^^ nnan^x nxi nn'^-i^N nxi 'ntpi 2 ni3iü nibrns nin^a ^aS i^p3^ vnira ^an-nya ivspn. 'b^Sa niana'bss langpa ^ban npan : nxnaj riTsn nxia niita nSinrnn^rbrnx

Daarin uit zich diens: ;,heei- zijn in zijn huis.quot; Ibn 'Ezra: zoover zou dit //heer-zijnquot; gaan, dat de vrouw zelfs geene andere taal zou mogen spreken; ook in andere opzichten zoude zij dus de gewoonten van net volk, waartoe haar echtgenoot behoorde, moeten volgen.

Hoofdstuk U. 1. VWI ilN ISIj dacht hij aan hare schoonheid en verlangde weder met haar vereenigd te worden (Rasuie). — nncr nsi mSr 1MJ irs nso, hoe de haar opgelegde straf buiten verhouding stond tot haar vergrijp. Washthie was niet gedood, maar verstooten.

2- VmCD iSon 1^3. zijne jeugdige hofbeambten, die zijne dagelijksche omgeving vormden en als vertrouwde vrienden met hem omgingen. De koning was zelve ook nog jong. — mijr:, huwbare meisjes; niWo, maagden.

ocr page 352

HET BOEK ESTHER II.

het vrouwenverblijf, onder opzicht van Hégé, des konings op-pergesnedene, den bewaarder der vrouwen; en men versehafFe

4 haar de gewone zalvingen. Het meisje nu, dat dan in de oogen des konings het meest bevallen zal, worde koningin in

^ plaats van W ashthie.quot; Dit voorstel werd goed gevonden in

5 de oogen des konings en hij deed aldus. — Een Joodsch man was er in de burcht Shoeshan, wiens naam was Mordechai, de zoon van Jaier, de zoon van Shim'ie, de zoon van Kiesh,

6 een Benjaminiet; Die uit Jerusalem gevankelijk weggevoerd was onder de gevangenen, die met Jechonja, den koning van Juda, weggevoerd werden, welke Neboechadnétsar, de koning

7 van Babel, in gevangenschap gevoerd had. Deze nu was pleegvader Tan Hadassa, dat is Esther, de dochter van zijnen oom, want zij had vader noch moeder meer; — het jonge meisje was schoon van gestalte en bevallig van uiterlijk; — en toen haar vader en hare moeder gestorven waren, had Mordechai

Skaar als dochter aangenomen. Nu was het; toen het bevel des konings en zijne wet bekend gemaakt was, en vele jonge meisjes naar de burcht Shoeshan, onder opzicht van Hégai, bijeengebracht werden, werd ook Esther naar het huis des konings weggevoerd, onder opzicht van Hégai, den bewaarder

9 der vrouwen. Het jonge meisje beviel in zijne oogen en zij droeg zijne genegenheid weg, zoodat hij zich haastte haar hare zalvingen en geschenken in spijzen te geven, en haar de zeven jonge meisjes toe te voegen, die haar uit het huis des konings toekwamen; en hij onderscheidde haar en hare meisjes, ten lOgoede, in het vrouwen-verblijf. Esther had namelijk haar volk

3- jrpprm van pm, wrijven, schuren, polijsten; middelen tot reiniging en om de huid glad en blank te maken, allerlei zalfoliën en welriekende stoffen.

5. Alvorens de uitvoering van het in de vorige verzen genoemde voorstel wordt verhaald, worden wij eerst met de aanstonds optredende

ersonen bekend gemaakt. —■ i-nrr, uit het rijk Juda, niet: uit den stam uda. — rrri, was, hield zich op. — «quot;p p 'rap p -psi p. Zeer dikwijls worden bij de opsomming der voorvaderen tal van geslachten overgeslagen en slechts enkele meer bekende personen genoemd. V. s. is Shim'ie de nit Davids geschiedenis bekende Shim'ie ben Géra (II Sam. 16,5 v. v.); en Kiesh de vader van Shaoel, Israël's eersten koning. Of Mordechai uit het geslacht van Shaoel (Josephüs en Midrash), of de nakomeling van een der andere zonen van Kiesh was, blijft dan nog twijfelachtig (zie Ibn 'Ezra). — d\s =

6. Indien de zin van dit vers is, dat Mordechai zelve tot de met Jojachien weggevoerde familiën behoorde, dan was hij op het oogenblik, waarvan hier sprake is, meer dan 120 jaren oud. Van die wegvoering immers tot de regeering van Xerxes verliepen 113 jaar. Uit den gehcelen samenhang blijkt, dat het vers over Mordechai spreekt, niet over een zijner in vs. 5 genoemde voorouders. Niet onwaarschijnlijk is het daarom, dat

173

ocr page 353

3 -inDN nbiö

D^an itiv Tj^an onp wn -tVk D^an nrs nnn -jSan TjSan^ib^ri im n^ni : jn^nor)^ irn nin» wx : ra ^»1 quot;nban ^^3 imn 3t3«i ♦ntfin

^tt • ; J* I|quot; ^-J— I •■• v.quot; quot; jquot; quot; : •)T T ~ s- •- : -

K'^ri? ^p^-{3 yw |a quot;imo IQ^I HTSH or nnbin nVan-Djr n^n

T • • T jv -! t - ^ - - t j • t : t lt;•-•-: r • .

'n^ : bns ^0 lïanaia: n^n rmrvnbo n^T

• :- iv t i•-• jv i.- v :- 1 : : v jv -: at : |viv -'t: t :

dn) 3K n1? px '2 i-irn? -inp» «♦n nèTj-nx |o« nnpV hdki nox mnni hkio naiü') S^n-na^ nnvani

stIt: t • ; lt; : v : - -•- ; - - : lt;t -;i- .

inni. ^Ofn| fn : nnb ij oipnquot;

nno^i npbm ♦an m^n rKhtf-2?^ niai nnya

•• : v \lt;'T • - atquot; •«- v ^t - ij- v •) quot; -» t,

n^ana^rii : D^an w ♦an n^K ^an n^NB nniaa-nxi n^pnon-nN bnan vaa3? non va^jra

t v it v : t llt;v : - v tt : '■'•*quot; ^ -'t • - t • -

Tftan n^a rh-nrh nrxin nin^an jdi? n? nn1?

iv av - jquot; • v.t vit -i -. : t 'r : - -jv •• : t v-'t

iriDK m^an-K1? : o^an n^a aita1? n^nnya-nKi na^v

•• : v t-»- • 1 r t - -»•* vit •»•* v : tsv •

1

de beteekenis van ons vers is; die behoorde tot eene der familiën, die

2

met Jechonja naar Babel gevoerd werden. — Evenmin behoeft men aan

3

dezelfde is, die 'Ezra 2,2 en Nech. 7,7 genoemd wordt onder de met

ocr page 354

HET BOEK ESTHER II.

noch hare afkomst medegedeeld; want Mordechai had haar

11 bevolen, dat zij het niet bekend zoude maken. Eiken dag liep Mordechai heen en weder vóór het voorhof van het vrouwenverblijf, om naar den welstand van Esther te vernemen, en

12 naar wat met haar geschiedde. — Telkens nu, wanneer de beurt aan een jong meisje gekomen was, om tot den koning Achashwérosh te komen, na verloop van den tijd, dat met haar geschied was naar de gewoonte der vrouwen twaalf maanden lang (want daarmede is de tijd harer zalvingen verloopen, zes maanden namelijk met myrrhe-olie en zes maanden met spece-

13 rijen en andere zalvingen der vrouwen). En als dan, zoo voorbereid, het jonge meisje tot den koning kwam, dan moest haar alles gegeven worden, wat zij zeide te willen met zich nemen,

14 uit het vrouwen-verblijf, naar het verblijf des konings. Des avonds kwam zij [tot den koning], en des morgens keerde zij terug, naar een tweede vrouwen-verblijf, onder opzicht van Sha'ashgaz, den gesnedene des konings, bewaarder der nevenvrouwen ; zij kwam niet weder tot den koning, tenzij de koning bijzonder welgevallen aan haar had gevonden en zij bij name

15 geroepen werd. — Toen nu de beurt was gekomen aan Esther — de dochter van Abiechajil, den oom van Mordechai, die deze zich tot dochter aangenomen had, — om tot den koning te komen, verlangde zij niets, dan hetgeen Hégai, de gesnedene des konings, de bewaarder der vrouwen, haar zeide. Toch verwierf Esther gunst in de oogen van allen, die haar zagen.

16 Esther werd tot den koning Achashwérosh in zijn koninklijk verblijf gevoerd in de tiende maand, dat is de maand Tébéth,

17 in het zevende jaar zijner regeering. Nu vatte de koning liefde op voor Esther meer dan voor alle andere vrouwen, en zij droeg gunst en genegenheid bij hem weg boven alle andere maagden; hij zette haar dus de koninklijke kroon op het hoofd,

18 en maakte haar tot koningin in plaats van Washthie. De koning richtte een groot gastmaal aan voor al zijne vorsten en dienaren, het gastmaal ter eere van Esther; en gaf aan de verschillende landschappen verlichting van schattingen en deelde

19 geschenken uit naar 's konings hand. Toen nu ten tweeden

Joodsch meisje kon op zoodanige onderscheiding niet rekenen. — Vs. 11 duidt aan. hoe het kwam, dat Mordechai met Esther in geregeld verkeer bleef.

12. W'jnai. letterlijk; wanneer de beurt kwam van ieder meisje. — ypo own rra rh wn, na het einde van den tijd, dat met haar naar vrouwen-

februik was geschied; die tijd duurde twaalf maanden; en de O'tun m estond uit de beide zesmaandsche zalvingen.ebruik was geschied; die tijd duurde twaalf maanden; en de O'tun m estond uit de beide zesmaandsche zalvingen.

13. en daarmede-, het is een tweede voorzin, parallel met rmai

174

ocr page 355

2 inDN nbjQ :T3ri-^TOn^ mv nnibiö-n«i nörn«

hy-h D^an-n^a lïn ^nnp 'pnio Din ^

n^ii rnjn nn ^♦anai : na n^»™ nnoN distin ^ b'Vjn nna n1? nvn ^arrVx 1 NiaS

b^nn r\m ^rrprip w Mthw |3 ^ D^if

: o^an 'pnoroi D^otraa b^nn n^tri isn Tptfa

i* t ~ Kquot; ; - : *qT : ~ T*: lt;T * j j. * *

n) jnr -lótfn nvt ^an_t?N n«3 n^an nni ^ N»n i i-ira : ^sn n^a-ny D^an rvaa néjr s^iab ^

•-•^■•T . I -Vquot; - Jquot; - ^ V . Jquot; ■ .Tp p

T'btf ^ D^an nr3_?K naK' x'n quot;i^aai nxa V ifen-Vx niy Nian-^V o^a^sn quot;lötr ^an ono -na quot;inpK-i'n ^^anai : Dtra -|San na fön'DN10 ^jSan-^K «ia? na1? iS-n^ quot;-ib'k in • Vn^at? Tjban-Dnp 'an n^K-nK dk *3 nan n^^a K1? n^ni ^'«^a^afn nKira Vidn ♦nni D^an w»

trnna inia^p n^a^N Wn^ns4 Tj^sn-^ quot;iro^ -nK ^sn anNi»i : ima'pp'p ^aif na^a nat? ^in-Nin'1 n^man-Vao vaaV noni rn-xtrm o^an-bao 'mos?

A ; - T • VT T : V ■)'.' T IJquot; T • - ^ • T - T • ••: .

mn : ♦ntri nnn na^o'i ntb^ia nia^nna D^'i ^

*------r : - - J- TO' ' !,~ t : : - v iv •.■ *t~

-inoN nni^D nx ina^i vïir^a1? Vina nn^o nban

A.. . ... j.. : • ^.. tt^:i- TT t : t ^ ■lt;•.•;• | ••• v

faj^nai : quot;?]ban n;a nmn |n»i n'^ nianab nnani^

vs. 12. Anderen: en dan. — msn ito Sa ns', wat zij aan sieraden en kostbaarheden verlangde, werd haar gegeven.

15. Zij verlangde niets, dan het door de étiquette voorgeschrevene, zooals haar dat door Hégai werd bekend gemaakt. Niettemin ves tuïi enz.

17. Reeds bij de eerste gelegenheid, dat zij met den koning te zamen was, vatte hij liefde tot haar op en nam het besluit, haar tot koningin te proclameeren.

18. Het gastmaal is bekend onder den naam van; vcw nw». — nmn, verlichting, kwijtschelding van belasting; v. a. vrijdom van heerendienst gedurende de feestviering.

ocr page 356

175 HET BOEK ESTHER II, III.

male maagden verzameld werden, terwijl Mordechai zat in de

20 poort des konings, — Esther nu had hare afkomst en haar volk niet medegedeeld, gelijk Mordechai haar bevolen had ; en Esther volgde [ook nu nog] het gezegde van Mordechai op,

21 evenals toen zij bij hem in opvoeding was; — In die dagen nu, terwijl Mordechai zat in de poort des konings, werden Bigthan en Théresh, twee beambten des konings, van de drempelbewakers, vertoornd, en zochten de hand te slaan aan den

22 koning Achashwérosh. De zaak werd Mordechai bekend, en hij deelde haar aan de koningin Esther mede; en Esther zeide

23 het tot den koning, in Mordechai's naam. De zaak werd onderzocht, en bevonden; zij werden beiden aan een hout gehangen, en het werd in het boek der kronijken geschreven, in tegenwoordigheid des konings.

III.

1 Na deze gebeurtenissen gaf de koning Achashwérosh een hoogen rang aan Ham an, den zoon van Hammedatha, den Agagiet, en verhief hem ; en plaatste zijnen zetel boven alle

2 vorsten, die bij hem waren. Alle dienaren des konings, die in 's konings poort waren, knielden en wierpen zich neder voor Haman; want zoo had het de koning omtrent hem geboden;

3 doch Mordechai knielde niet en wierp zich niet neder. Toen zeiden de dienaren des konings, die in des konings poort waren, tot Mordechai: ,/Waarom overtreedt gij het gebod des

4konings?quot; Toen zij hem dit dagelijks zeiden, en hij toch niet naar hen luisterde, deelden zij het Haman mede, om te zien, of Mordechai's woorden zouden stand houden; want hij had hun

5 medegedeeld, dat hij een Jood was. Toen nu Haman zag,

19. Uit de woorden: aw ■onm, Mordechai zat in de poort des

konings, terwijl vs. 11 slechts gezegd wordt, dat hij kwam voor het voorplein van het vrouwenpaleis, schijnt te blijken, dat het hier meegedeelde plaats had na Esther's verheffing tot koningin. Dan is vs. 19 en 20 inleiding tot het dan volgende en schijnen de woorden jvw niViro ppnai te doelen op eene nieuwe aanvulling van den harem, die de aanleiding was tot de samenzwering van Bigthan en Théresh. Anderen meenen, dat jtoü correspondeert met net w own rvo van vs. 14, en dus zou beteekenen: toen de meisjes naar het tweede vrouwenverblijf gebracht werden, vertelde Esther ook nog niet, tot welk volk zij behoorde. Dan is echter de uitdrukking niSiro moeilijk te verklaren; en bovendien is in de vorige verzen Esther's verheffing tot koningin reeds verhaald. — -jSon uta 3üti -o-nm, hij zat in de poort des konings, d. w. z. verkeerde in het paleis en bleef zoo in voortdurend indirect verkeer met Esther.

21. epn iiof, drempelbewakers, personen, die met de bescherming van den persoon des konings belast zijn.

ocr page 357

j 3 quot;inDN rtao n^p

-inpK pK : ^ otiqi n*:^ mbins3

-dh) 'mm nav-nxi nmVio rnno

v ; rtt *: : t t v,v quot;tt jt • -jv -s i- t v ; t ;- i •••lt;•.• -

: inx naoNn nn^n i^N3 n% inDN b-no iqko

• ^ : t^; jt : it 4V -: i- -••• ; v - ▼t rr «—; i-

E'nm TKQ tip ^an-i^a 2^1» ♦DTIQI onn «

' t t *; .1 t t * 1* ~ ' : * 'J . . ^ * 7 quot; T T

^733 T n7f?^j!32*i J]pn npirp ^sn 'Dno-*^ ro^sn quot;inDN^ iw Smn jrm : irn^nN33

at - ■quot;• ; v ; v.quot;— - *; ; t : t t - lt;-t*- iquot;: —:

^ÏÖquot;! mm B'i52,i : 'amö 0^2 rh^ nnox lo^ni«

•• t • - tt- llt;—.. :- it-r; ;t r* : l-'vv- .)••; v v s -

: Tibsn ^sb D'O'n nm 1303 nrty on^Ehbrn

iquot; •quot; ~ jquot; : * v,' t - jquot; : * v.)quot; : •• t •- i *quot; quot; v,v •• : j t •-

■n rorrm ^inii^nK iSsn'S^ n^n anmn 1 to*

iiv istt v ••; - ^ l-.^v- -• v •• t ■•• t : - -

quot;^2 iKp3quot;nN DBn inKirri xnnsn •nSan -ij^rn^N •nb'ón nu'K onirn3

I , - ., .. j ... ., - ..:* - T * , ' • - -= VT-

N7 ^quot;idi quot;nban irniv p-»3 ran1? a^inn^oi

j - ; t |vav - j t • kquot; ' ^ i t t^: ;i

■jSsn niy I-Sqn^I : tói

DIDNI ♦n»i : Ti^sn niïo nx nnx irno ^

^ ct : t • :- |v iv - j- : • v.quot; quot; jt - - at : t :

no^'n ni*ni? ran1? dh^n i^otr diH dv v^k

: -: ; • i t t : ----- lt;%••••• -1 ^ t j : t -• t ••

ran kti : mn* Nin-itrx an1? T-n-^ 61112 nm ^

I t t :--- r : j v -j ^vt j* * r - : t j.. : -

23. }{SO,1) equot; bevonden, gelijk Mordechai gezegd had. — -[Sm ijbS, in quot;.s konings tegenwoordigheid, dadelijk nadat het vonnis door hem was uitgesproken. Anderen: iSsn i:s4 own nan -1bd2, in het vóór den koning bijgehouden boek der gebeurtenissen zijner regeering.

Hoofdstuk 111. 1. nWi nnain, inx, na het in hoofdstuk II verhaalde; en wel geruimen tijd later.—Vu, maakte tot een groot, aanzienlijk man. — D'iün Ss Sm, hij plaatste Hainan's zetel boven dien van alle andere vorsten; hij gaf hem de hoogste plaats, onmiddellijk naast den troon. — ■ojNn, volgens vele verklaarders: nakomeling van den 'Amalekieten-koning Agag (I bam. 15).

2. D-nnnrDi o^jna- evenals voor den koning zelve, moest men zich ook voor Haman nederwerpen en hem goddelijke eer bewijzen, wat Mordechai natuurlijk, naar de voorschriften des Jodendoms, niet mocht doen. nioruwn komt wel II Sam. 14,4; 18,28 en I Kon. 1,16 ook bij Joodsche koningen voor, doch zonder nms.

ocr page 358

HET BOEK ESTHER III.

dat Mordeehai niet knielde, noch zich voor hem nederwierp, werd 6Haman van woedenden toorn vervuld. Hij verachtte echter in zijne oogen, om de hand aan Mordeehai alleen te slaan, — want men had hem Mordechai's volk medegedeeld; — nu zocht Haman alle Joden te verdelgen, die in het geheele rijk van Achashwérosh 7 waren, als het volk van Mordeehai. In de eerste maand, dat is de maand Niesan, in het twaalfde jaar van den koning Achashwérosh, wierp men het Poer, dat is het lot, in tegenwoordigheid van Haman, van dag tot dag en van maand tot maand; [en het viel] op de twaalfde, zijnde de maand Adar. 8Toen zeide Haman tot den koning Achashwérosh: ,/Er is één volk, verstrooid en afgezonderd onder de volken in al de landschappen van uw rijk; en hunne wetten verschillen van [die van] elk ander volk, en de wetten des konings volgen zij niet op; en het is voor den koning niet dienstig, hen te dulden. 9 Indien het den koning dus goeddunkt, worde een bevelschrift gegeven, om hen uit te roeien; en tienduizend kikkar zilver zal ik toewegen in handen van hen, die het werk verrichten, om

10 die in de koninklijke schatkamers te brengen.quot; De koning trok zijn ring van zijne hand, en gaf dien aan Haman, den zoon

11 van Hammedatha, den Agagiet, den verdrukker der Joden. En de koning zeide tot Haman: //Het geld zij u geschonken; en ook het volk, om daarmede te doen, gelijk goed is in uwe oogen.quot;

12 De geheimschrijvers des konings werden nu geroepen in de eerste maand, op den dertienden dag daarvan; en er werd geschreven, gelijk alles wat Haman gebood, aan de Satrapen des konings, en aan de Pacha's, die over elk landschap waren aangesteld, en aan de vorsten van elk volk ; elk landschap naar zijn schrift, en ieder volk naar zijne taal; geschreven in naam van den

13 koning Achashwérosh en met des konings ring gezegeld. En de brieven werden door de renboden naar al de landschappen van 's konings rijk gezonden, dat men al de Joden zou ver-

6- D'li hij verachtte, d. w. z. vond het te gering, niet overeenkomstig zijne waardigheid. — ■onn or ns, men had nem gezegd, dat Mordeehai zich beriep op de gebruiken en wetten zijns volks, om zijne overtreding der bevelen te verontschuldigen. Geen enkele Jood zon dus dit bevel des konings opvolgen.

7. 'ran, wierp men, de astroloog, het lot. Deze loting moest bepalen, welke dag voor het beoogde doel het gunstigst was. Stond dit eenmaal vast, dan hield men zich vooraf van den goeden uitslag verzekerd, en kon vrij reeds langen tijd te voren de besluiten afkondigen, zonder voor tegenweer van de zijde der Joden te vreezen. — dw virh mnm di'S d-pii icr, van dag tot dag en van maand tot maand; bij de loting werd uitgemaakt in welke maand en op welken datum de verdelging zou plaats hebben, virh moet hier opgevat worden, alsof het tweemaal stond: oto btiS btibi oW?, en wel: nw bij» cm1?, eene korte wijze van mededeeling,

exodus. 23

176

ocr page 359

a inDK rbiü

d»i : non |on xhm b nvwpi jns ^quot;io ♦aino D^tin 6 n^n-^ iia1? T n^'? vj^a nia^ö-baa DnrwrVrnt* tón vpy)

J z - t : ■)■•• -: ^ •)* :- t v s* ; - ; i t t

hj^3 fp*; iyn;n-^n tfina : wo a^WnK» •gt;:sh Snian Nin quot;na Van D^nf

; TIK B'tn-Kin B'ln'? ts'Tnai D^1? I DI»Ö Tón

it-: vj vt^t 1quot; : v; : v 4 •• ^^ s - itt

paSifipi itöö nnx-D^ t^initpnK jon not^in -nNi d^quot;V|ö nijir Dnwi ^niDba nirna Vaa né^n -by-DN : Dn^n1? n^-ptt pj^^èn W0

Sip^x 6]D3-i33 D^tt DTSKV ana' aiè Tj^an Tjban ipn : ^jsn ♦urbtf «\anb nDNbsn ^ V^J?' nii ^«n Nman-ra mrh nin'i it Syo in^aa-nx

jquot; v.'t-jit tot : - I v 1st t : t. : *quot; ^ at^ jquot; quot; v : quot; quot;

ni'^!? pn: e]p3n |angt; ^anioK»!: onin^n ^

p^nn trina TjSan nab^npn : ^r^a aitsa ia---bx jan riirn?Kquot;^3a ana»i 'ia dv ïvy n^^tpa -bKininaimna-bj? i ninan-bxi Tjfan Dt?a liiirba oyi d^i nanaa knai n:na 03)1 by n'ic

•• : a ; • ^tt ^- : t t : • t * : . lt;r^ ' : tt quot;lt;t

ni^ai : -jVan nya^a onnai anp: -jban ^

ahnV Tatrn1? ''rbbn nuna^a^Mlb^nn n^a onso

j-;i- • ; - : |v v - -• • : t v * tit ■j~ : • t :

die daar, waar omtrent de bedoeling geen twijfel kan ontstaan, meermalen voorkomt.

8. Ql-mS, te laten blijven-, v. a. hen hun gang te laten gaan.

9. Tienduizend gewone Kikkar zilver is meer dan twintig millioen gulden; naar den Shékel des heiligdoms ongeveer 45 millioen. — it Sr, in handen van de rosSnn 'Br, de beambten, die de zaken des konings drijven; anderen: zal ik doen storten door hen, die het werk van den moord en de inbeslagneming der bezittingen der Joden verrichten.

12. De dertiende was door het lot als een gunstige dag aangewezen, daarom wordt de 13de Adar ter uitvoering bepaald en de bevelschriften op den 13den Niesan uitgevaardigd. — ninsii tMBTwrw zijn de Perzische bevelhebbers in de provinciën en landschappen; nwron ■n», de vorsten uit de oorsponkelijke bevolking der verschillende landen.

ocr page 360

HET BOEK ESTHER III, IV.

delgen, vermoorden en uitroeien van jongeling tot grijsaard, kleine kinderen en vrouwen, op éénen dag, op den dertiende der twaalfde maand, dat is de maand Adar, — en hunnen buit ld zou plunderen. Een afschrift van dit schrijven, dat eene wet in elk landschap werd gegeven, werd geopend verzonden naar 15 alle volkeren, opdat zij tegen dien dag gereed zouden zijn. De renboden vertrokken, in allerijl weggezonden op bevel des konings, en de wet werd in de burcht Shoeshan afgekondigd. De koning en Haman zaten te drinken, terwijl de stad Shoeshan in verslagenheid was.

IV.

1 Toen Mordechai vernam al wat gebeurd was, verscheurde Mordechai zijne kleederen, kleedde zich in zak en asch, ging uit, midden in de stad, en weeklaagde, luid en bitter schreiend.

2 Zoo kwam hij tot vóór de poort des konings; want niemand

3 mocht komen naar de poort des konings in haren kleeding. Ook in elk landschap, elke plaats, waar des konings bevel en wet aankwam, ontstond groote rouw bij de Joden, vasten, weenen en weeklacht; zak en asch was voor velen als legerstede gespreid.

4 Nu kwamen Esther's jonkvrouwen en hare gesnedenen en deelden het haar mede; toen ontstelde de koningin zeer; zij zondklee-dingstukken, om Mordechai te kleeden, en zijn haren kleed van

5 hem af te nemen; doch hij nam ze niet aan. Toen riep Esther

13. dSW. en hunne aan plundering prijs te geven bezittingen; met het oog op de toekomst reeds nu SSü genoemd.

14. De hoofden der regeering in elk landschap kregen een authentiek schrijven; een afschrift daarvan, houdende alleen net bericht, dat eene wet gegeven was voor al de provinciën, werd onverzegeld verzonden en kon dadelijk door een ieder gelezen worden. — Anderen: een afschrift werd verzonden, om als wet te worden afgekondigd in het openbaar voor alle volkeren, inhoudende: zich voor dien dag bereid te houden. — ihi is waarschijnlijk het gezegde bij het onderwerp aron pens. Ik heb daarom in de vertaling de eerste opvatting gevolgd.

15. yffW TJ/m) natuurlijk alleen, of althans vooral, de Joodsche bevolking der stad. Dat het bevel ongeveer elf maanden vóór den bestemden tijd werd afgekondigd, kan verschillende redenen hebben. Ten eerste kan Haman, onmiddellijk na de verkregen toestemming des konings, de bevelschriften, immers onherroepelijke, hebben uitgevaardigd, om eene tegenovergestelde beslissing des konings, wiens wispelturigheid hij kende, onmogelijk te maken. De koning stond nu immers vooreen fait accompli. Bovendien kan het zijn, dat Haman's doel hoofdzakelijk was confiscatie van de goederen der Joden en kan hij door de vroegtijdige afkondiging ten doel hebben gehad, de rijke Joden het besluit te doen nemen, het land te verlaten, met achterlating hunner bezittingen. — Ook is het niet onmogelijk, dat de koning verlangde, dat, na het geven zijner toestemming.

177

ocr page 361

i y nnoK nSjö r^p

nnx Di»a b^ii e]L3 -i^ap □nin»n-1?|-nN -i3N27i Q^^'I quot;n^ Bn'iTKin tp-fn3? lm

v.t t ; «st -j v j 'quot; : *• j • yr t' jt : •

♦iS: ninai nano-^a m rnanb anan pi^ns : na4? ^

^ v t t • : ■•t • : t : t i iquot;lt;t • : t : - i v-«v ; - it

D^im inï» D»ïin : mn Dl'1? onn^ nvnb wnyn-bsb10

^ : lt; ; it • tit iv - j- • ^5-: j : r a- it t :

pm -ibani m^n rK'itra n:n: mm -iban nana

j ; it i t t : |v«v - ; «st • - l-»- ; : • jt- : | v v - •*- ; •

: naiaa ww Tyrn niniy1?

t i t kt oquot; t : ; •

quot;l

vnja-n^ bmö n'tby: -lEw-^rnx «

tt ; v - : t ^ lt;-h •- ^—.r -i t v ^ -t - ▼; : t

n^T p^ri n^n ^ina N^I isnj pv tra1?'!

-Vn «laV rx »a quot;nban-^^ ^a1? iv Nia^ : moi nbiu =

^ ... ^ I jquot; ■gt;• |vav- - r -••• ; • v t- itt ^t :

ivx Dipa ninDi nana-^aai : una^a ^sn

v -: i : t * : -t • :^ t ; i it j : • )•.•».•.• - j-

nsDpi 'aai DIVI Dnin^ Sa« viü inni ^srna-i n^bnoi quot;inDK ni^j nrxiani : D^an1? vv quot;ifiNi pv •'

t v 'it ; v ^ tr t t quot; r -it ^ % •-• •• t i ■gt;-

wzbrh anja n^trni tnü na^an Vn^nnni m»i

^ j. : - .t: -. .- a; vt j ~ quot; j- : - :• - r -----

inosï Nnpm : bap xbi vbya ipty *aiquot;iDquot;nKn

•• ; v tI: • - iquot; r j : ^t^tiquot; I ■» - r r : - ▼; ; t

1

de besluiten dadelijk werden uitgevaardigd. Het vallen van het lot op een zoo verwijderden datum was dan een uitvloeisel van de Goddelijke genade en de eerste stap tot de komende redding (vgl. Ibn 'Ezra vs. 7).

Hoofdstuk IV. 1. HtJ'J/J quot;ICK S3 D{lt;- Niet alleen het bevel, maar ook de daaraan voorafgaande besprekingen tusschen Haman en den koning. — pc, een kleed van haar, als rouwgewaad; ieni behoort in den zin als voorwerp bij mS'I; het is natuurlijk eene korte uitdrukking: hij kleedde zich in een zak en strooide asch op zijn hoofd.

2

iSon w 'JflS is volgens vs. 6 het stadsplein vóór den ingang van het paleis. — N13S px, er is niet te komen, d. w. z. het is niet passend, behoorlijk, geoorloofd te komen. — pü mS;, in zak-kleeding; üiaS is een zelfstandig naamw.: in kleeding, niet een verl, deelwoord: gekleed-, dan toch

zou het moeten luiden: piff of pgQ

3

De Sax uitte zich in vasten, weenen en klagen, terwijl velen in haren gewaad op den met asch bestrooiden grond zaten. — vyh, voor velen; Mendelssohn: voor de voornamen.

4

rm zij deelden haar mede, hoe Mordechai daar op het plein

5

rondliep.

ocr page 362

178 HET BOEK ESTHER IV.

Hathaeh, een van des konings gesnedenen, dien hij tot haar dienst aangesteld had, en gaf hem last aan Mordeehai, om te

6 vernemen, wat dit was, en waartoe dit was. Hathaeh ging naar buiten tot Mordeehai naar het stadsplein, hetwelk vóór

7 de poort des konings was. Toen deelde hem Mordeehai mede alles, wat hem wedervaren was; en ook de bepaalde som geld, die Haman beloofd had te zullen toewegen met bestemming voor de koninklijke schatkamer, in ruil voor de Joden,

8 om hen uit te roeien. Ook een afschrift van het schrijven, waarin de wet vervat was, die te Shoeshan uitgevaardigd was, om hen te verdelgen, gaf hij hem, ten einde dit Esther te toonen en haar daarmede bekend te maken; en haar tevens op te dragen, tot den koning te gaan om zijne gunst af te smeeken, en eene bede bij hem te doen voor haar volk.

9 Hathaeh kwam terug, en deelde Esther de woorden van Mor-

10 dechai mede. Toen zeide Esther tot Hathaeh, en gaf hem de

11 volgende opdracht aan Mordeehai; //Alle dienaren des konings en het volk in 's konings landschappen weten, dat ieder, hetzij man of vrouw, die tot den koning komt in het binnenste voorhof, terwijl hij niet ontboden is — dat het ééne [algemeene] wet is: dat men hem ter dood brengt, uitgezonderd diegene, wien de koning den gouden scepter toereikt, opdat hij in 't leven blijve. Wat mij nu betreft, ik ben niet geroepen, om tot

12 den koning te komen, nu reeds sedert dertig dagen.quot; Men deelde

13 Mordeehai deze woorden van Esther mede. Toen zeide Morde-

■ chai, Esther als antwoord over te brengen: //Stel u niet voor

in uw gemoed, dat gij in het koninklijk verblijf, meer dan alle

14 Joden, gered zult worden. Want, als gij ook stil zwijgt in dezen tijd, zal den Joden toch wel van eene andere plaats verademing en redding ontstaan; gij echter en uws vaders huis zult ten onder gaan; en wie weet, of gij misschien voor een tijd als

15 deze tot de koninklijke waardigheid gekomen zijt?quot; Esther

16 zeide hierop, om aan Mordeehai te antwoorden; ,/Ga heen, verzamel al de Joden, die zich te Shoeshan bevinden, vast ten mijnen behoeve, eet niet en drinkt niet, drie dagen, nacht en dag; ook ik, met mijne jonkvrouwen, zal evenzoo vasten;

7. niria. eig. duidelijke bepaling, hier; bepaald bedrag. — Spüb ms iwn d^h.to, die hij gezegd had te zullen betalen voor de Joden-, waarvoor hij het beschikkingsrecht als het ware had gekocht. Daaruit bleek toch, met hoe grooten ijver Haman naar hunne verdelging streefde.

11. Qjn ... 113^? ^3, alle beambten en onderdanen. — dw Ss ion enz. na twee betrekkelijke bijzinnen wordt dit vooropgeplaatste onderwerp niet meer in aanmerking genomen, doch wordt de zin voortgezet met; im rnx, één is zijne wet, van dien fN; ééne voor allen gelijke bepaling is er, en wel: rwrh. Het stond natuurlijk ieder vrij zich bij den koning te laten aanmelden en eene audiëntie te verzoeken; waarom Esther dien weg niet inslaat, verklaart zij in de woorden; 'Wi enz. Zij vreest in

ocr page 363

n inDN rhyn iniyni n^s1? IE'N ^an ♦onDö quot;nnnS

at ▼: ;t vquot; : ~ t vt ; -••'vriv -»v -: |v v - lt;•• 'it • | t iquot;

ainr-bK -inn «vn : nrnö-tyi n-T-no nvnb1

j v at *; j t v Kt -s jm..- . vv - « j-t

nx ^nno -itrx n^n»

wty SipV1? ion msï cpin ntrns 1 nxi imp

J'V * 1 :p'p Itt 5quot; T ••• ~ I--V- --#T1T -•: ^tIt

rnniyN rnn-ana n^na-nNi: otaN? D^nin'a ■pann

I - * v -: t - it ; I v-lt;v ; - v ; ^ it : - ; v.' : quot; r* )•-• ~

n1? quot;inDNTiK niNin1^ iquot;? m: bn^a^n1?

at •*• quot; : : v v j i - : I -jt t • : - ; l «t ;

'b% vjfiba ^[53^1 iVfsnnn1? ^an-Vx xia^ ni^i?,i quot;la^ni : 'mna nan hk iriDN^ -in -inn Nin»,i : na^B

q v J quot; it ▼; : t r* : • v.quot; quot; : *•* : ■*quot;— )at-; v.t- it^' t

Q^I Tjban nn^-1?! : ^nna^s: iniïni Tjnn^ iripN ^ ■Sk n^Ki iew 'nl?an ni:no

^ j t v -: t • ; ■»• t jv -j ^ ; 1 ^ i v v - q q * 1

n^an1? ini nnx Nip^N1? n^a^sn ninn-^N quot;nSan

• t; t lt;- - quot;It* i • • : - •• t iv^ v 'vpvpquot;

nrinnin a^trnx Tiban ib-a^v itrNa -aS

#« • -II- at t ; i.t t - j- v ) y .)••• j • i v r* :

♦ama1? : av nr -]^an-^ NiaV 'n^np: -1

- *; : t : -------i r ; v.*-* Iquot; •• ~ v •* r • ••!: •

'ann-^K inD^K a^n1? ^na la^i: nnox nm nx*

J. - ; - aquot; : v v j* t : v,quot; T«* : t v j- iquot; ; v j- ; • v.quot;

irinn-DM »3 : Dmrrrrbaa -iban-n^ ubnrh ^0:2 ^

j..-,,- • r ;- r ^ iv v.v - iquot; jquot; t • : | - :

inK Dipaa oninn quot;iia^' n^ïni nn nNin n^a^trnnn

•• - m t • ^ • ;- «-:i- t t - : - ^quot;r ' ~i i~

nj^n nxb n^VoK j^nv »ai naKn ^SK-n^i nw alia '-jS : ona*^ a^n1? IDDN na^ni : rnnba1?1®

= l- .x x^T ... T : r- : ■•■ V V . :--TD

'by laiïi rtri^a D^xaan onin^n-^-nN

; 1 - ; - quot;t j ; i t ^ • ; - t

p divk ♦nipi ^N-oa Din nV1? b»a» nvbv in^n-bNi

i aquot; j t vquot; quot;^1-: j' -: - t t ;j- • t v lt; : ; • - ;

ongenade te zijn en kan dus niet dadelijk met haar verzoek tot den koning komen, die immers zich door Haman laat leiden. Diens invloed kan alleen gebroken worden door iemand, die 's konings gunst en vertrouwen in even hooge mate geniet als hij.

13. //Denk niet, dat gij aileen gered zult worden,quot; ook uw leven is bedreigd; zwijgt gij, dan zal Israël toch wel redding vinden; gij echter niet. God zal Zijn volk toch niet verlaten.

.14. dn jnv 101 = misschien; dus: misschien zijt gij juist voor een tijd als deze, een tijd van gevaar, tot de koninklijke waardigheid geroepen!

16. Vasten, natuurlijk met gebed gepaard, is een van de gewone wijzen om zich voor God te verootmoedigen en Zijne hulp af tesmeeken. Esther zelve stelt haar lot in Gods hand met de woorden: vnss vnas iwnsi. Of

ocr page 364

179 HET BOEK ESTHER IV, V.

en zoo zal ik dan tot den koning binnen gaan, ofschoon tegen de 17 wet; moet ik dan omkomen, dan zal ik omkomen!quot; Mordechai ging heen, en deed alles, wat Esther hem geboden had.

V.

1 Nu was het op den derden dag, toen kleedde zich Esther in koninklijk gewaad, en ging staan in het binnenste voorhof van het koninklijk verblijf, tegenover het vertrek des konings; de koning nu zat op zijn koningstroon, in het koninklijk verblijf,

2 tegenover den ingang des huizes. Toen nu de koning de koningin Esther zag, staande in het voorhof, droeg zij gunst weg in zijne oogen en de koning reikte Esther den gouden scepter toe, die in zijne hand was; toen trad Esther nader, en raakte het

3 boveneinde van den scepter aan. Hierop zeide de koning tot haar: „Wat is u, o koningin Esther, en wat is uw verzoek?

4 Tot de helft des rijks, — het zal u gegeven worden.quot; Toen zeide Esther: „Indien het den koning goeddunkt, kome de koning met Haman heden op het gastmaal, dat ik hem bereid

5 heb.quot; Hierop zeide de koning: „Men brenge Haman spoedig, om aan Esther's verlangen te voldoen!quot; Zoo kwam de koning

6 met Haman tot den maaltijd, dien Esther bereid had. Nu zeide de koning tot Esther bij het wijngelag: „Wat is uwe bede? zij zal u gegeven worden; en wat is uw verlangen? Tot de

7 helft des rijks, — het zal vervuld worden!quot; Esther antwoordde

8 en zeide: «Mijne bede en mijn verlangen is: Indien ik gunst gevonden heb in de oogen des konings, en het den koning goeddunkt, mij mijne bede toe te staan en aan mijn verlangen te voldoen, — dan kome de koning met Haman tot het gastmaal, dat ik hun zal bereiden; en morgen zal ik doen naar hetver-

9 langen des konings.quot; Haman ging op dien dag vrolijk en welgemoed heen; maar toen Haman Mordechai in de poort des konings zag, en deze niet voor hem opstond, noch zich verroerde.

dit vasten juist op den 14den, 15den en 16den Niesan plaats had, laat zich niet met zekerheid zeggen. Wel werden op den 13de de schrijvers ontboden, doch de afkondiging in Shoeshan kan wel eenigen tijd later hebben plaats gehad. Volgens Ibn 'Ezra vastten zij slechts 2 dagen en 2 nachten; den dag, dat de vastendag uitgeschreven werd, aten zij niet meer; daarna vastten zij van al' het invallen van den nacht nog twee etmalen en konden bij het begin van den derden avond weder eten.

Hoofdstuk V. 1. DV3. Op den derden dag van het vasten, of

van den dag der besprekingen met Mordechai gerekend.

3. Uit haar ongeroepen komen vóór zijn aangezicht besluit de koning, dat zij hem iets van beteekenis te verzoeken neeft. — noSan 'ïn ir, tot de helft van het rijk kunt gij vragen, en het zal u gegeven worden.

5. nnO. haalt spoedig.

ocr page 365

n i quot;inDK rhtö : vn-DK ♦maK 1^31 quot;I^N hbèrrba KÜN ?53i

• ;it t • ;^- t jv -li- ; t- i -••.• -i |v v - v « t I •• ;

: quot;inoK nnwit^K wvh ^no ,inv»,i ^

iquot; ; v tt jt : ' v -: ^ ^--- at ▼: ;t ; ^-ji—

n

ixna lóym mibo nnoK ^btsri Di'a '

*--: r pp : quot; ••:••• lt;- ; • - • • ; - j - •»• :m

afi» Tj^öniTjbarrn^ na: n^p^sn^órrn^

niNis q,nn_: n^n nns n?i rvo'jan nraa irvi3gt;ö nds = vyyz jn nx'^a nïna nnogt; ró'pan iripK'nN ^ón anpm ITS quot;ityN hnn u^v-m ihoté 'nban atf-h

j-I : • - t; y«v -: TT- lt;• ; - v •• ; v : |v v -

•q^-nD riSan nb noN'i : to^iirn ^ani nnoK»

Kt quot; I v v - t v lt;- r ; - - j : * quot; quot; : v

: man ntD^sn ^n-ny ririBtemDi na'jan moK

|it i'vt* ; v. : quot; ))quot;t It- - at: - - -»•• : v

Di»n joni quot;rjbön Kin» 319 ^srrbjrDJS quot;inpx -J-IN nnp Tj^sn ia^n. : 11? nn^Dn-1?^quot;

nntyan-bK roni -iSèn ay) nnoK larnw nf^b ron

y- : * - •-• '^T T : ' v v ' lt;Tquot; V J- : v ^-:i- 1 t t

r«n nni^Da quot;inoN1? ^sn *ION»I : inoK nn'mnts^

I--- j.. . . . ••••.•; |vlt;v - v - iquot; ; v jt : ir v -1

r^niniaban wnv 'nn^prnoi -iV rnn -in^x^no

Itquot;: ^ ^ ; -^- r -: ^ |)quot;tIit- - )at I r-t* : Kquot;tiquot; :

♦j^a rn mKïO'DK : ♦ntrsai Tbxw lo^m nnoK ryni1

; » 0 * t t • r t^Iit- rTf^; ^a- - v.quot; ; v

-nK mir^i ♦n^xts'-nN nnS niü ^sn-^-DNi. quot;rjbsn quot;inüi on1? n'^N -itw nn^an-bx róm -i^an wy »nato3

jr t v t ■quot;-• *■:: iv jv -: v ^ * quot; v I t t ; | v -quot;-• - s t a* t I it-

31? 2iL3i not^ Ninn Di»3ïon «ï»-) : -nSan -13-13 n'^^K d

A .L T L I • TT . .......r lv,v' ^ :'q V.V v:iv

vr-tib) Dp-K?'). Tj^sn ♦D'iio-nK |on niKnai

6. iquot;n nntroa, na afloop van den maaltijd, onder het drinken van den wijn, toen hij in vrolijke stemming was. Het drinken van wijn na de maaltijden was in het Oosten, en ook bij Grieken en Romeinen, vaste gewoonte.

8. iSon quot;1313, en mijn eigenlijk verlangen bekend maken. Zij noodigt Haman met den koning uit, om hem in zijne tegenwoordigheid aan te klagen en hem zoodoende met één slag den invloed op den koning en eiken grond tot verdediging te ontnemen. Zij acht echter, om welke reden dan ook, den tijd tot spreken nog niet gekomen.

ocr page 366

180 HET BOEK ESTHER V, VI.

werd Haitian tegen Mordechai van woedenden toom vervuld.

10Doch Haman hield zich in, totdat hij naar zijn huis kwam; toen zond hij en liet zijne vrienden komen, benevens Zéresh,

11 zijne vrouw. Haman verhaalde hun van de heerlijkheid zijns rijkdoms, de menigte zijner zonen, en alles, hoezeer de koning hem hoogen rang had gegeven, en hoe hij hem verheven

12 had boven de vorsten en de dienaren des konings. Nog zeide Haman: „Zelfs heeft de koningin Esther niemand met den koning tot het gastmaal, dat zij bereid heeft, doen komen, dan mij alleen; en ook tegen morgen ben ik bij haar genoo-

13 digd met den koning. Doch dit alles heeft voor mij geene waarde telkens, wanneer ik den Jood Mordechai in 's konings

14 poort zie zitten.quot; Hierop zeide Zéresh, zijne vrouw, en al zijne vrienden tot hem: „Men make een mastboom, vijftig el hoog; en zeg morgenochtend tot den koning, dat men Mordechai daaraan hange, en ga dan vrolijk met den koning naar het gastmaal!quot; De zaak werd goedgevonden in Haman's oogen, en hij liet den mastboom vervaardigen.

VI.

1 In dien nacht ontvlood de slaap van den koning; toen zeide hij, dat men het gedenkboek, de kronijken, zoude brengen; en

2 zij werden den koning voorgelezen. Toen werd beschreven gevonden, dat Mordechai had medegedeeld aangaande Bigthana en Théresh, twee beambten des konings, van de drempelbewakers, dat zij getracht hadden, aan den koning Achashwérosh

3 de hand te slaan. Hierop zeide de koning: „Welke eer of rang-verhooging is Mordechai daarvoor geschied?quot; De jonge mannen des konings, die den dienst bij hem waarnamen, zeiden: „Niets

4 is met hem geschied.quot; Hierop zeide de koning: „Wie is in het voorhof?quot; (Haman was intusschen in het buitenste voorhof van des konings verblijf gekomen, om den koning te zeggen, dat men Mordechai aan den mastboom zou hangen, dien hij voor

5 hem bereid had.) Toen zeiden des konings jonge mannen tot hem: „Zie, Haman staat in het voorhof.quot; Nu zeide de koning:

6 «Dat hij binnen kome!quot; Toen Haman nu binnen kwam, zeide de koning tot hem: „Wat moet men den man doen.

11. Hij zet uiteen, hoe groot zijn geluk is: hij is rijk,heeft een talrijk

fezin (wat ook bij de Perzen als een voorrecht beschouwd werd), geniet et hoogste vertrouwen van zijn vorst, en toch — telkens als hij Mordechai ontmoet en deze hem de eerbewijzingen weigert, heeft dit alles in zijn oog geen waarde.ezin (wat ook bij de Perzen als een voorrecht beschouwd werd), geniet et hoogste vertrouwen van zijn vorst, en toch — telkens als hij Mordechai ontmoet en deze hem de eerbewijzingen weigert, heeft dit alles in zijn oog geen waarde.

14. De koning zal, naar zij meenen, Hamans verzoek niet afslaan. Zij raden dus aan, reeds denzelfden dag de voorbereidingen voor de executie te treffen. — rwr, hier = oprichten.

Hoofdstuk VI. 1. In dien nacht, tusschen het eerste en het tweede

ocr page 367

i n nnoN rtao öp

tón : nün ♦Dw'ty ?on nhm isso'

^ t- i t t i j- - : • - it quot; vquot; *ï : t l )t t Jquot; t * quot; v *

-ispn : inirN lynrnKi vanN-nK N3»tI uvr1?^ iSii hmi V33 ahi niaa-nN fün onS

lt; : • v -i t •• : at t -• : ^ : .T J 1 v i ot ^jquot; t

naK'!: ^sn na^i. Dn.^n-1?^ itrK n«i 31 nntran-Vx •nVörrDjr na^sn nnDN fiN'arr^ «ik quot;ran

jv : • - v I v •)*•• - * st : - - •• ; v t * •• 1 I t t

.* -i^an-D^ nV^np nnab-DJi ♦niN-QK »3 nn^-itrN

) v iv - ^ i it j' ~: ^ ot t : - : lt;s* * •»• t^t*t) v -i

^Tia-nx hsi ^ nV^ wh nrVai ^

j. t; . t v ...^ ^ lt;• -: v -. t ; a- v.v jv •• v t :

in^K 11? quot;la^rn : Tjban nirrn t

rjïiï? quot;iajlt;51 ipMi nax D^an naa na'^ nri^an*1?^ ^an-Dy KSI b^pa-nN : r^n ^»1 ran ♦jö1? nam

i ^quot;t i^t t Jquot; : • ot t- squot; •quot;

1

quot;)fiDquot;nN M^n1? nax'f Tiban nn: Ninn rMa*

vlt;quot; v • t : v - i v av - j- : v.t-:it^ quot; t quot;

: Tjban o^np: m crari nnn ni^Dtn hv trnni wnar^ bna -i^n niha Kïa^3

•• ; v vt tjt ; • - - ▼; ; t • • v -: t -quot;• r quot;

Tibaa t Wpa c\sn natra ^San ♦ono

|vv,v - t ~J ; * I: • lt;v -: h' ' , V,quot;: • * Iquot; quot; quot; ■quot;• *•▼

[Dinab nïriiï ip;, n'^rna rjbén iasgt;) ; ^

: nai iav n'^rxb vnn^a ^ban nya ina^i nr-1?^

it t ^jt t ~:-,t : jv v - lt;quot;^-:i- : ~ /»•••

niirnn Ti^an-n^ quot;ivn1? N3 rani ivnn ♦a -n^an quot;lax*^

t j* - I v v - iquot; lt;- -:r t I -quot;t t t ^aquot; tiv -«• ) v ^v - **!''quot;

: iS pan-i^K (^rrbj; bina-nN ni^nb -jSa1? iaNS naK'i quot;lïna na'^ ?an nan ViVan nw ina^iquot;

j - aquot; t iv ■quot;• ^ I^t t Jquot; ' t •• I v v - lt;quot;^:r :

ni'^-na quot;nban iV quot;la^i 'jan xirn : nit quot;qban1

1- i v v - v lt;- it t t- it |v v.v -

gastmaal. — d'um 'w nirow ibd, het boek, waarin de gedenkwaardige gebeurtenissen van dag tot dag worden opgeteekend, de koningskronijken. — tvdi, onderwerp: own nan.

4. -isna ,D. «Is er niet een hoog staatsbeambte aanwezig, om met hem te beraadslagen over het Mordechai te betoonen eerbewijs?quot;

ocr page 368

181 HET BOEK ESTHER VI.

in wiens eerbewijzing de koning welgevallen vindt?quot; Haman nu dacht bij zich zeiven: „Wien zou de koning verlangen eer

7 te bewijzen meer dan mij?quot; Haman zeide dus tot den koning: «Wat den man aangaat, in wiens eerbewijzing de koning wel-

8 gevallen vindt, — Men brenge het koningsgewaad, hetwelk de koning heeft gedragen, en het paard, waarop de koning gereden heeft, en op welks hoofd de koninklijke kroon is gezet;

9 Kleed en paard nu geve men in de hand van een der voornaamste vorsten des konings en men bekleede daarmede den man, in wiens eerbewijzing de koning welgevallen vindt, en men late hem op het paard langs het stadsplein rond rijden en roepe vóór hem uit: „Aldus wordt den man gedaan, in

JO wiens eerbewijzing de koning welgevallen vindt!quot; Hierop zeide de koning tot Haman: «Haast u, neem het kleed en het paard, zooals gij gesproken hebt, en doe zoo aan den Jood Mordechai, die in de poort des konings zit; laat niets ontbreken van al

11 hetgeen gij gesproken hebt.quot; Haman nam het kleed en het paard, kleedde Mordechai aan, liet hem op het stadsplein rond rijden, en riep vóór hem uit: „Aldus wordt den man gedaan, in wiens

12eerbewijzing de koning welgevallen vindt!quot; Daarna keerde Mordechai naar de poort des konings terug; doch Haman snelde als voortgejaagd naar zijn huis, treurig en met omhuld hoofd.

13 Haman verhaalde aan Zéresh, zijne vrouw, en aan al zijne vrienden al wat hem overkomen was. Toen zeiden hem de wijzen en zijne vrouw Zéresh : „Indien Mordechai, voor wien gij reeds begonnen zijt te vallen, van het kroost der Joden is, zult gij niets tegen hem vermogen; maar gij zult steeds meer voor hem

14 vallen.quot; Terwijl zij nog met hem spraken, kwamen de beambten des konings aan, om Haman spoedig naar het gastmaal te brengen, dat Esther bereid had.

e. npa fan iSon -tk, in wiens eerbewijzing de koning welgevallen vindt, d. i. dien de koning wenscht te eeren.

8. Een der pronkgewaden, die de koning zelve heeft gedragen; het paard, waarop de koning heeft gereden en op welks kop een koningskroon is geplaatst (Ibn 'Ezra). Zoo wordt het begrijpelijk, waarom in het volgende vers de kroon niet vermeld wordt. Rashbam: en de koningskroon, die op zijn, 'skonings, hoofd is gezet (zie zijne Pent, verkl. Lev. 4,22). Anderen: en dat de koningskroon den te eeren persoon op het hoofd gezet worde. Zeer onwaarschijnlijk, daar dit voor de rust des lands zeer gevaarlijk zou zijn; een tweede gekroond vorst zou waarschijnlijk aanspraken op de regeering maken! Hoe Mendelssohn's verklaring: het paard, waarop de koning heeft gereden, toen de koningskroon hem op het hoofd werd geplaatst, met de woorden is overeen te brengen, zie ik niet in.

9. airna, het stadsplein, of als verzamelwoord: de hreede straten der stad.

ocr page 369

i moN nVao «flp

|gt;sn» '6b libajori 10^11*1^3 ^an ^ban t^ts| ^srr^ jan quot;tö^l : ^sp nnv ^sn'

nE'Nm^D : 11^3 fan -iban IB'K

j\' -: : - -• ; • t ilr^r I r* t |v\.v - jv -s

rnj ik'ni -isan ddi didi -iban la-^a1?

1 •gt;- • gt;v -:i- ) v v - t t lt;- t ^ v -: : | v av V. IT

Q^QPII rinji : IK'nis niabp quot;in?0

1 quot; ' :~ : ^ L T: : ' quot;* L ^ . 'J'

Tjban ^'Kn-nN D^annan ^an n.^P

vkb linjT) n^n nirna bian-^ inn^ni iquot;ip;3 ffin -]Són -iaN'1: injra fan -jban ib'n ty^1? n;^. nas; min quot;iW3 biDn-nxi ^in^n-nx np ■Tgt;naP fan1?

t :- • JV -, ,- - v : ^ :.quot; v 'Jquot; '\' 'tt.

na-iban-^ ^an njrira n^vn nin»n 'snpaV p~n^, Dén-nxi i^iabn-nN jan np»1! : man quot;ib'n Via ^

- - ... ; j : - v I t t I c—^ t ; r * jv quot;: k

n'^y» nas via1? Nip'T n^n aima ♦DTia-nK

JV 'TI- T T« T T ; JTI; •- * T -• : • •••;-- AT ▼;: T

ivb'-'jk ^ma nah : np^a ran nban uyK wni -

r-j- .. -r; : T TJT- llT I* I Jquot; T IV ~ ^ JV 'i ' T

tan -laan : t^Nn nam nmj rani ^an ^

I i j -:r v,quot; t •• v j-»- ;• t t : |vav

iS naxn imp hk vanx-babi inirx trnr1?

^ i - ATIT ■•v ~J ^ T v.quot; T -i J T : : • ^

ni?nnn^K 6ma onin^n vi-Ta dn in^N tyquot;iTi vaan

t • r v t • : - ^ --»v -■• ; • v-'v; t t

bmy : v:sh ^ian Siar-'a bam-xV Via*? Va:1? T

T IT T : ^ * J T •• •'quot; 1 . T T : lt; ''

ran-pN «♦anb ibna^ nVan 'onoi ia^ onana

| t t v j* t ; * : ~~ a* * |v^v - j«* -it : ^ j* : - ;

: nroK nn'^n^N nntrarr^N

iquot; ; v jr : It v -; ; • -

10. Uit de voorlezing, vs. 1, wist de koning waarschijnlijk, dat Mor-dechai een Jood was en veel in de poort des konings verkeerde, wat hem immers gelegenheid had gegeven de samenzwering te ontdekken.

12. CXI 'ISn is een teeken van rouw of van beschaming.

13- VD3n. zyne vnjzen, dat zijn: de astrologen onder zijne vrienden. Zij, die vroeger, hoofdstuk 5, zonder eenige bedenking den raad gegeven hebben, den onbeteekenenden Mordechai op te hangen, komen nu tot het inzicht, dat Haman's val onvermijdelijk is, nu die hooggeëerde Mordechai blijkt te behooren tot het volk der Joden, dat dan toch onder Gods bescherming scjiijnt te staan!

ocr page 370

HET BOEK ESTHER VIL

VII.

1 De koning kwam dus met Haman, om met de koningin

2 Esther een gastmaal te houden. Nu zeide de koning tot Esther ook op den t'-veeden dag bij het wijngelag; «Wat is uwe bede, koningin Esther ? zij zal u gegeven worden; en wat is uw verlangen ? Tot de helft des rijks, het zal vervuld worden !quot;

3 Toen antwoordde de koningin Esther en zeide ; //Indien ik gunst gevonden heb in uwe oogen, o koning! en het den koning behaagt, dat dan mijn leven mij geschonken worde op mijne

4 bede, en mijn volk op mijn verlangen! Want wij zijn verkocht, ik en mijn volk, ter verdelging, tot uitmoording en uitroeiing; voorwaar, waren wij slechts tot slaven en slavinnen verkocht, ik zou gezwegen hebben ! doch de verdrukker acht zelfs des

5 konings schade niet.quot; — Toen sprak de koning Achashwérosh, en zeide tot de koningin Esther; „Wie is hij, en waar toch is hij, wiens hart hem vervuld heeft [met de gedachte], zoo iets te

6 doen ?quot; Esther zeide; „Een verdrukkend en vijandig mensch, deze snoode Haman!quot; Toen verschrikte Haman voor den koning

7 en de koningin. De koning stond in zijnen toorn op van het ■wijngelag [en ging] naar den lusttuin van het paleis; Haman echter bleef staan, om bij de koningin om zijn leven te smeeken, daar hij wel zag, dat verderf bij den koning tegen hem vast

8 besloten was. Toen nu de koning uit den lusttuin van het paleis in het vertrek van het wijngelag terugkeerde, —terwijl Haman zich had neergeworpen naast het bed, waarop Esther zat, — toen zeide de koning: «Ook nog der koningin in mijn tegenwoordigheid, in haar paleis geweld aan doen! ?quot; Het woord was nauwelijks uit des konings mond gegaan, of men

9 bedekte Hamans aangezicht. Nu zeide Charbona, een der ge-snedenen, in tegenwoordigheid des konings; «Zie, ook een mastboom, dien Haman heeft doen vervaardigen voor Mordechai, die ten goede voor den koning gesproken heeft, staat in Hamans huis, vijftig ellen hoog.quot; De koning zeide; «Hangt hem zeiven

10daaraan!quot; Zij hingen Haman dus aan den mastboom, dien hij voor Mordechai bereid had ; toen bedaarde de toorn des konings.

Hoofdstuk VII. 4. -[San pus nip isn px //doch de verdrukker acht zelfs des konings schade nietquot; (Rashie); —o nw beteekent dan hier niet, zooals gewoonlijk: gelijk zijn, maar; zich bekommeren om. Ibn 'Ezra; ik zou gezwegen hebben, want ook de grootste nood is niet waard den koning zorg te bereiden, zoo slechts het leven gespaard blijft. Anderen; doch de verdrukker kan niet aanvullen de schade des koninqs. — Hoewel pH meestal van geldschade gebruikt wordt, komt het in 'ï'hargoem toch ook wel voor in de beteekenis van; lichamelijk letsel, leed toevoegen. Ibn 'Ezra's opvatting komt mij daarom in den samenhang het meest waarschijnlijk voor.

5. Het herhaalde iSffO en de dubbele vraag wijzen duidelijk op groote opgewondenheid en drift. — ia1? is1?» ibn. Het hart wordt als de zetel en

182

ocr page 371

T inDK nVao 3öp

T

Wn : n^an nncp^-QV nintpS \6r\] ^sn quot;na pn nni^pa ai^ DJ nnDK1? ^sn ♦sn-nj? 'qn^rnDi ^ |n3ni roSsn iriDK ♦nNifD'DK iQ^ni naban inDK ryni : mrtonj

tt - - t ; - - «•• : v i»---- |t 'Y ^ ^ .

Vö? -jban-^-DN^ ^an |n

naK^ Jinnb TpK'nVs^i ♦:« laniöi ^ : wjpaa niiy-iïn px »3 'ntynnn \roo3 nina^ Dnaj;1? 1^1

IV OT - I j- - • : -ï!r.-_ lt;T^: ' S •t'--»-

naban quot;inoxb Tjban it2W\ :^ari pffWquot;

na^m : ra nftyy1? lab iK^a-i^N «in nrwnT Kin 'a1

j - ),.. j ^j,- ^ • j t i v -: _ •*'•• quot; ; •• ■». •J

Tiban ^a^a nva: ?am n-n vnn tan a^nx nnD«

I v v.v - Jquot; : • * : * I jt t : isv - ^ t I jt t •• ; *« t

in^annar^N |!in nnspaa inana D^^ani .'nabany -♦a nwn ^a na^an nnpaa WarVj? ir^ab naj; jani jn^an nssa a^ TjSani: ^an nxa njnn vJ?n nnban quot;inpx ij^K naan-^ Va: jani pn nnira 1 n^K n'aa ^a^ naVan-nx ^iaa1? qK -iban naxn,

^•AT p*- ' p •)T * • X * * 1 : ^ T. ' '

to rniain laN'i : lan ?an aai -iban 'aa nï» naTT=

qpt v t : - v j- 1 t I^t t jquot; : |v v - •»• • ^tt t tquot;

jan n'^-n^NS f^n-nan na -f?an aab D^pnDn-ja nas |an nraa najr ^an-Vj; aia-nan ^anpaS -^jan-nK ^n'i: vbj; mSn -jban na^i na« D^an1 : naair -iban nam ♦anna'? ran-n^N r^n

tit t |v V.V - J- -:r at ▼; : t ; | j- •• v -: |

oorsprong der gedachten en plannen beschouwd.

8- Ssj JOni hij viel naast de sopha, waarop Esther lag. neder, om haar te smeeken haren invloed bij den koning aan te wenden, om althans het ergste te verhoeden. — -cin, het niet uitdrukkelijk meegedeelde doodvonnis, dat de koning onmiddellijk uitsprak, zonder de wijze van uitvoering zelve te bepalen.

9- quot;I^Dn TJSlS) hij sprak vóór den koning-, anderen: een der gesnedenen in 'skonings dienst.

ocr page 372

HET BOEK ESTHER VIII.

VIH.

1 Op dien dag gaf de koning Achashwérosh aan de koningin Esther het huis van Hainan, den verdrukker der Joden; en Mordechai kwam vóór het aangezicht des konings, want Esther

2 had hem medegedeeld, wat hij voor haar was. De koning trok ook zijnen ring af, dien hij Haman had ontnomen, en gaf dien aan Mordechai; en Esther stelde Mordechai aan over het huis

3 van Haman. — Esther ging nu nogmaals vóór den koning spreken; zij wierp zich namelijk voor zijne voeten, weende en smeekte hem, om de verderfelijke zaak van Haman, den Agagiet, en zijn aanslag, dien hij tegen de Joden gesmeed had, ongedaan

4 te maken. De koning reikte Esther den gouden scepter toe;

5 toen stond Esther op, en plaatste zich vóór den koning. En zij zeide: „Als het den koning goeddunkt en ik gunst in zijne oogen gevonden heb, als de zaak den koning juist voorkomt en ik in zijne oogen welgevallig ben, dat er dan geschreven worde, om de brieven te herroepen — den aanslag van Haman, den zoon van Hammedatha, den Agagiet — die hij geschreven heeft, om de Joden uit te roeien, die in al de landschappen

6 des konings zijn. Want hoe zou ik kunnen aanzien het onheil, dat mijn volk treft? en hoe zou ik kunnen aanschouwen den

7 ondergang van mijn geslacht?quot; — Toen zeide de koning Achashwérosh tot de koningin Esther en tot den Jood Mordechai; „Ziet! Hamans huis heb ik Esther gegeven, en hem hebben zij aan den mastboom opgehangen, omdat hij zijne

8 hand aan de Joden geslagen had. Schrijft gij nu aangaande de Joden, naar wat goed dunkt in uwe oogen, in naam des konings, en verzegelt het met den ring des konings; want een bevelschrift, dat in den naam des konings geschreven en met den ring des konings verzegeld is, is niet

9 te herroepen.quot; Toen werden de schrijvers des konings geroepen op dien tijd, in de derde maand, dat is de maand Siewan,

Hoofdstuk VIII. 1. jon JT3gt; waarschijnlijk: huis en vermogen (vgl.

vs. 2). — iSnn •osS sa, werd opgenomen onder de os \sn, de hoogste staatsbeambten. — rh sin nu, wat hij voor haar was, namelijk haar neef en pleegvader.

2. nan. hij trok den ring van zijn vinger, T3ïn icx, na hem Haman te hebben ontnomen, en gaf hem aan Mordechai, die daarmede tot eersten minister werd aangesteld.

3. matfno nxi jan njn na = nmn }»n rotmn ra, het verderfelijke plan van Haman. — Dit vers geeft in algemeene trekken den inhoud harer woorden terug; nadat de koning (vs. 4) door het toereiken van den scepter getoond heeft, haar verzoek gunstig op te nemen, zet zij het in de volgende verzen uitvoerig uiteen.

183

ocr page 373

n quot;inDK nbjü jap n

nrrm naVan -jban |n: Ninn di*3« nTan-'S ^an ^sb «3 ^tidi D*n,in»n Tiï ran

^ r j- • r )v v tlt; - -r; ; t ^ a* : - -••• Kt t

quot;i^ynwiriV3t3quot;ri« quot;nban quot;id»i : n^-Kin na nnox3

• *v:iv lt;v -: - v |v v - -t- it jt ; v

: tan WTby ♦a-na-nx nnoK tim ♦anna'? njnsi rana

I it t jquot; *■ v.- ▼; ; t v r\i v v st-^at ▼; ; t : v.t : I t t r*

^ani v^an. ^a1? ^srii^èn ysp laini inpN ^ain^ ^ ii^Niria^namvbNn tan nj;TnN Va^n1? i^-nnnni

jv -t : - r •• ; -t-rit ^-«t t^ ^ t v • : i v - : r -

amn ntlt; inD^ quot;n^an a^i'i : anin'rr^ atrn ■gt;

«tt^- -•• :- ......pv : l - ••• quot; •■• '■ '' : ■. quot; l- T

^srr^-QK laNni. : ^an ysy? Ta^rn -IPDX Dpw.quot; naiüi ^an »jöi? nam ntrai vis1? rn TWïa-DKi aia

jt : t t ~ lt;•• t : t t ; ijquot; • st t • :

■ra ran na^na DnaarrnK yvrh ihy v:^a ax

i v llt;t t v v #-:r t^ : - v -•• t ; *'t \ at^;

-Vaa quot;itrN Dnirrn-nK -ia«b aha aaxn «man

t ; v.v -i • ; v ^ ; - t p'1 't -ut t t : -

xwim ♦hwi bow naaw 'a : ^an mna ^

jt ; • v -» quot;vt tit • • ti: - # *tgt;t '** 'v ,v quot; J ' i

la^'i : ^mbia naxa WNTI baw nriaw ♦arnx'

r ; - i k- : t ; # * • ti; - ^ «r t iquot; : a*

nan nm^n ♦ania'pi nab an inaxV ^quot;i^nN ^ban by ryn-b^ tgt;r\ inxi nhpK1? ^nna rann-a

T v -i •» i quot; t. quot; j t ^ . 'pp* * *j t tt

D3»:^3 aiaa Dninsn-^ ona ansi : a'nino iTn

v •• Iquot;: lt; - J quot; ; • v - : r : - ^t

anan^N 3na-»a ^ban n^aaa lanni i^an o^a

JT ; • v -! T : r i ••• av - v . . . J., v - J., .

: a^n1? px -j^an n^ataa airing ^anoa'aa p;p B'ln-Kin irina M'nrfn^a ^arrnab

5- anas er worde een schrijven verzonden.

6. —3 HNl» lnet vreugde of met smart aanschouwen.

7. Ik ben u gunstig gezind en wil doen, wat ik kan; bewijs daarvoor is; dat Hainan's bezittingen aan Esther zijn geschonken en hijzeive ïs opgehangen.

8. Direct aan uw verzoek voldoen kan ik echter niet; de vroegere edicten kunnen niet herroepen worden; ik geef u echter het recht zoodanige maatregelen te nemen, Mwa 2vj3, als naar uw inzien geschikt zijn om de vroegere besluiten onschadelijk te maken. — omnvi 71', anderen; gericht aan de Joden.

ocr page 374

HET BOEK ESTHER VIII.

op den drie en twintigste daarvan; en er werd geschreven, naar alles wat Mordechai gebood, aan de Joden en aan de satrapen, pacha's en landvoogden der landschappen, van Indië tot Ethiophië, honderd zeven en twintig landschappen, elk landschap naar zijn schrift, en ieder volk naar zijne taal; en ook aan de

10 Joden naar hun schrift en hunne taal. Men schreef in naam des konings Achashwérosh, verzegelde met den ring des konings, en zond de brieven door de renboden te paard, rijdende op snelvoetige renners uit de koninklijke stallen, jongen van merries.

11 Dat de koning namelijk aan de Joden, welke in elke stad waren, vrijheid gaf, bijeen te komen en hun leven te verdedigen, om te verdelgen, te dooden en uit te roeien elke macht van eenig volk of landschap, die hen wilden verdrukken, kleine kinderen en

12 vrouwen; en dat men hunnen buit mocht plunderen. Op één dag, in alle landschappen van den koning Achashwérosh, op den der-

13 tiende der twaalfde maand, dat is de maand Adar. Een afschrift van dit bevel, dat eene wet in elk landschap werd gegeven, werd geopend verzonden naar alle volkeren; en ook dat de Joden tegen dien dag gereed zouden zijn, om op hunne vijanden wraak te nemen.

14 De renboden, rijdende op snelvoetige renners uit de koninklijke stallen, gingen haastig in allerijl met het bevelschrift des konings weg; en de wet werd in de burcht Shoeshan uitgevaardigd. —

15 En Mordechai ging heen uit 's konings tegenwoordigheid in een koninklijk gewaad, hemelsblauw en wit, met een groote gouden kroon, en een mantel van byssus en purper; en de stad Shoeshan

16 juichte en was vrolijk. Bij de Joden was licht en blijdschap,

17 en vreugde en eer. En in elk landschap en in elke stad, elke plaats, waar des konings bevel en wet aankwam, was blijdschap en vreugde bij de Joden, maaltijden en feestdagen; en velen uit de volken des lands werden Joden; want de vrees voorde Joden was op hen gevallen.

9- anirvn Sj?, wat met Haman's brieven natuurlijk niet het geval was.

10. BOin 'SSTj rijdende op snelvoetige paarden; Ibn'Ezka; 07) paarden uit 'skonings bezit. — d'jinwnsn, Keil- koninklijk; Ibn 'Ezra: muildieren, Rashie; snelle hameden. — d'3»in 'j2, jongen van vrouwelijke paarden, volgens Ibn 'Ezra dus: muildieren, waarvan de moeder niet eene ezelin, maar eene merrie is; Keil: jongen, in de koninklijke paardenfokkerij gefokt.

11. De Joden zouden dus liet recht hebben zich te verdedigen, voor het geval pogingen zouden worden aangewend de oorspronkelijke bevelen ten uitvoer te brengen.

15. Blauw en wit zijn de koninklijke kleuren in Perzië. — ■pun, eig.: omwikkeling, een bovenmantel, die over het staatsiekleed gedragen werd. Daarmede was Mordechai officieel in zijne waardigheid als eerste minister bevestigd. — jbw quot;nrm, de Joden en allen, die hun niet bepaald vijandig exodus. 24

184

ocr page 375

n -inDN nbjo nap

-VK wö ans'i b an^i nt^i^a

j- *5 : t jt • ^ v -:q t i; jquot; t • - •; *V : jt ^ : •

i -ibw niinpn n^i ninani D^sii^nNn Dn.in»n mnpi mnp n:no hndi on^i iinp

: DJI^DI D3n33 onin^n-^i 1^3 D^I DVI ninas

it : • : v,t t : * ; - v : a ; • ^tt ^ : t t : •

Tj^sn nestas Dhn»1) ^sn D^2 anp'i1

»33 D^imnNn Wann d^dids D^m n^a onao

^. : • t: : - -.it •■■ vt = , , quot; q' T.'T quot; =

i^;733 i -iew i Dnin^ T]ban |nj IK'K : D^ann^ -nK nixbi aSn|? Tp^nVb^fir1?]; quot;ip^f^npn^^T. : tiab dWi ddk onïn ranoi ^n-Va

it v.t t ; rt- t : l-»- v,t j't- jt * : *5- •• t

im n^i^^a t^mtrnK -iban nuno^aa nnx ava

•)t ^t jt ; * aquot; ; : i •• ■'quot; ~ lt; ' ' r : t v j :

jnanb anan nt^na ; tik ^in-Nin irin1? ^

i#iquot;lt;t-; t^: - i v-v :- it-: v.t'r i- ; :

D'mn'nnvn^i D^^n-ba1? nrnai mno-^aa rn

lt;• • - : i* i ft' quot; it t : v. t t • ; # -»t • ; : * t

^ann 'aan D^Sn : on'a^a Dp-in1? nin nvb omny ^

v vt «•• ; i * tit tv quot;ti •• kquot;t* ; v- -»- *^-1

mm Ttban nana D'ami D^nao n^inn^nKn

jt - : | v (sv - -•- ; • v,* : r t i : •) :it • t ; ; - -jit

piaba n^sn i KÏ* ♦amoi : n^an r^wa n:nj«

lt; : • |v v --•••: •• ^ jtt - *; ; t it • - ij- i.t : •

na -inam rftna anr m^i iim nban nia^o

| ^ ) j-: - : t : tt vcvpn- t v-»quot; : : -

mix nn^n onin^ : nnDfri nbnï quot;i^ni roaiNi ^

v.t jt:it * :quot; ^t i- t : *.t -:it it ^-t: iatt ;-;

tüi i'v-^aai ninoi mno^aai : ipn nnoiri ^

t *-«• t : t • : .t v t : i it * i ^ t^ : .at ; • :

onin'b ji^nnp^^ap mm ^sn-ian *u?n Dipp Sfl:_,a ann^na Vixn »ayo D^am aiü Din nnt^a

j't r • 11- : • i v t t «•• «• iquot; • - ; a -; v.v i *

: orrVy omn'mna

iv ••»l! !.• :- -i-

waren, dat is, in de veranderde omstandigheden: de groote meerderheid der bevolking.

ie. amrpS. in Shoeshan; van de andere plaatsen wordt in vs. 17 gesproken.

17- D'TTPDOi 9'n3en tot het Jodendom over, daar zij in Hainan's val, Mordechai's verheffing en het afwenden van het onheil, dat de Joden bedreigd had, de hand der Voorzienigheid zagen en dus vrees voor de Joden hen heving. Anderen: voegden zich bij de Joden, kozen hunne partij.

ocr page 376

HET BOEK ESTHER IX.

IX.

1 En in de twaalfde maand, dat is de maand Adar, op den dertienden dag daarvan, toen [de tijd] genaderd was, waarop het bevel des konings en zijne wet zou ten uitvoer gebracht worden, — op den dag, waarop de vijanden der Joden gehoopt hadden over hen meester te zullen worden, en het kwam omgekeerd uit, dat zij, de Joden, hunne haters overmeesterden; —

2 Kwamen de Joden bijeen in hunne steden, in alle landschappen van den koning Achashwérosh, om de hand te slaan aan degenen, die hun onheil zochten; en niemand hield stand tegen hen,

3 want de vrees voor hen was op alle volken gevallen. Ook alle vorsten der landschappen, de satrapen en pacha's en al diegenen, die in des konings dienst waren, verhieven de Joden, daar de

4 vrees voor Mordechai op hen gevallen was. Want Mordechai was zeer groot in het huis des konings, en de mare van hem ging door al de landschappen, want de man Mordechai werd

5 steeds grooter. Zoo versloegen de Joden al hunne vijanden, hen met het zwaard doodende, ombrengende en uitroeiende, en

6 handelden met hunne haters naar hun welgevallen. Ook in de burcht Shoeshan hebben de Joden gedood en uitgeroeid vijf-

7 honderd man. Benevens Parshandatha, Dalphon en Aspatha; 9 SPoratha, Adalja en Ariedatha; Parmashtha, Ariesai, Ariedai en

10 Waizatha; de tien zonen van Haman, den zoon van Hamme-datha, den verdrukker der Joden, doodden zij ; doch aan den buit

11 sloegen zij geene hand. Nog op denzelfden dag kwam het getal

12 der in de burcht Shoeshan verslagenen vóór den koning. Toen zeide de koning tot de koningin Esther: «In de burcht Shoeshan

Hoofdstuk IX. 1. —3 dSCj heer en meester worden over.

2- Dinj73gt; in alle steden, waar zij gevestigd waren.

3- rOJPOn 'CJ?. allen, die in 's konings dienst staan, als beambten der schatkist (vgl. 3,9) of soldaten.

•i. Snj) groot, in hoog aanzien.

185

ocr page 377

□ *inDN rhgt;J2 nap

L3

lii bv tin EhrrNrin t^in N

di»3 ni'^n1? imi trn

v -; ^ - a/tiquot;: V t: Jv.)v - quot; : ^ s* * v -:

Kin Tjianai ona üiSsrb nnm'n nair quot;^33 onn^a Dnin^n iSnpj : Dnw'^a nan Dnin»n=

^ t ; v ••'it; • :-# -:l; • iv •• ; i : tv.quot; ^ r : quot;

Dn^n ^p^üs t ril?tr,? lyinit^nx nbsn ni:no

^ • : at tquot; it v,quot; »: quot; : * t - j ; • ••:--: )•.•-••.•- • ;

nfer'wi ; onna Dn^ö1? no^-N1?j

•• t t : ^ i* - it t v.t : ~ j-r r v •• : • j- 't i

n^a1? nDN^sn nirisni D^öquot;n^n«ni niinan

|v v - JV -; t t : - lt;•• ^ ; - - ; j- it : • : -

: Dn»^ ^-na-nna Dnin»rrnK Dwja ^

«t r iv quot;^z v,quot; *: : t - i- j- t r a* ^ - v v.- ; - :

niinan-Vsa n^in i^at^i -ftan bma

r t r rt • ; - t l-quot;* 'C : r : ) v v - -••• ; - *: ; t

mn-naa Dn^^-boa onin^n ^nna ^

vjv - - •.•••:-• t : • ;- «-- it; \jquot; \r ▼: :t

mnTsn wwzi: D:iïn3 Dn'Kjira naxi jmv

lt; ;it t • - i •*- ; it ; • •• : i ; j ^i— i at - : •.%••• ;

1 HKI : niKa B'an nixi onvrn'

squot; ; r ^ .. j.. -

i nNi Kijn^-ia

■ hki quot;pabn

1 nNi : NnaoNquot;

* ' tit ; -

1 n^1 NnTia

1 nNi

j • ^t : —:

' riNi : Nmnx0

■« *TVT ■quot;

1 riNi «n^ana

jquot; ; t . -

i riKi ♦OHK

jquot; : - . «j

1

nntst

/ p' p ^

mm ^ : anvy

in^ üh niafii i^n onin^n Tiï «nnarrja |an Yaquot; nTan D^nnn -lapa «a Minn oi^ : qVdn ^ nTani^an^an -ITO1? r^an -iró : ^an quot;JaS ^

ocr page 378

HET BOEK ESTHER IX.

hebben de Joden gedood en uitgeroeid vijfhonderd man, benevens de tien zonen van Haman; wat zullen zij niet in de overige koninklijke landschappen gedaan hebben? Welke bede hebt gij nu nog? zij zal u gegeven worden; wat is verder

13 uw verlangen ? het zal vervuld worden.quot; Esther zeide: „Als het den koning goeddunkt, zoo worde ook morgen den Joden, die in Shoeshan zijn, verlof gegeven, op dezelfde wijze als heden te handelen; en dat men de tien zonen van Haman aan den

14 mastboom ophange.quot; De koning zeide hierop, dat men aldus doen zou; toen werd de wet te Shoeshan uitgevaardigd; en

15 de tien zonen van Haman hing men op. De Joden, die te Shoeshan waren, kwamen dus bijeen ook op den veertienden dag der maand Adar, en doodden in Shoeshan driehonderd

16 man; doch aan den buit sloegen zij hunne hand niet. En de overige Joden, die in de landschappen des konings waren, kwamen bijeen en verdedigden hun leven en kregen rust van hunne vijanden, nadat zij van hunne haters vijf en zeventig duizend man gedood hadden (doch aan den buit sloegen zij

17 hunne hand met;) Op den dertienden dag der maand Adar; en zij hadden rust op den veertiende daarvan, en maakten dien

18 tot eenen dag van maaltijd en vreugde. De Joden echter, die te Shoeshan waren, kwamen bijeen op den dertiende daarvan en op den veertiende daarvan; en zij hadden rust op den vijftiende daarvan, en maakten dien tot eenen dag van maaltijd en vreugde.

19 Daarom vieren de plattelands Joden, die in de open steden wonen, den veertienden dag der maand Adar met vreugde en maaltijden, en als een feestdag; en zenden spijsgeschenken de

20 een aan den ander. — Mordechai beschreef deze gebeurtenissen en zond brieven aan al de Joden, die in alle landschappen van

21 den koning Achashwérosh waren, nabij of veraf: Dat zij als eene vaste instelling zouden op zich nemen, den veertienden dag der maand Adar, alsmede den vijftienden dag dezer maand

22in elk jaar te vieren; Als de dagen, waarop de Joden rust verkregen van hunne vijanden, en de maand, die voor hen van kommer in vreugde, en van rouw in feestdag werd omgekeerd; ze namelijk te vieren als dagen van maaltijd en vreugde, met zending van spijsgeschenken de een aan den ander, en

23 door giften aan de behoeftigen. De Joden namen op zich,

16. DiTDWO rmi geeft het resultaat aan: zij verdedigden ziclren kregen inderdaad rust, doch eerst doodden zij 75000 man, — zonder nochthans aan den buit de hand te slaan. Dit dooden geschiedde op den 13den Adar, zoodat de 14de rustig feestelijk gevierd kon worden.

20. nSiCn D'HSnn? deze feiten, en de data, waarop de rust was hersteld. Doel van het schrijven was de blijvende instelling dier dagen tot gedenkdagen en de wijze hunner viering.

exodus. 24*

186

ocr page 379

e3 ihdh rhld lap

ïibn-^a mtpy ntti ni«ö tron iski Dnin»n quot;lam

I T T iquot; ; •• : • ■lt; •• squot; -: quot; quot; : * :quot; '.IT

in tna^ wp no -iban nuno mvfc

I T I * : I Iquot; : - a 't ■quot;.• ) v vv - j ' : )t : '

•fipn-ïyoM iriDN quot;lONni : ny ^n^rrrai ^ Di'nms n)vvb quot;iitn bnin»1? quot;irio-Di aitb

a- ■jt:^ ^ ~ii~ it ; • ;- t t - i—t*

ni^irn1? -nban quot;)dn,i : nn-vy bw ron-'ja dni ^

j ^tiquot; ; ) v v quot; v lt;- i t-t ' j t • i t iquot; • \'jv r\i

: tgt;F\ ton-»:3 nxi m jnsni p10

-tlit- i^t kt t iquot; : vjv^i .)•• : i at ; vt i ■'quot;#t ' ' • •*

tik t^inb -ivy n^2ix DI»3 Di D'nrm

t-: v j ; t t quot;xtt ; : -it : v •»• : quot;

: DT-m N1? nmi wx niND rtb^n liin»!

,TT •■■ . =|T . jT * ~ ^ l ■•„ ;= IT, :

10^11 rjSan ni:npa onrm wi 'b «1quot;?« niran on^jtra :m awym niii Dtraj

ivat ^* : • ; jt • -: •.•••;-■; t : ...••;-••• - ; . t^: '

quot;nx ^lnb quot;)^ nty-i^-DVa : DTTIN inbiy ah nbai ^

at-: v j : ^t ^t jt : m 1 : itt^ ^ v ^ : it j t* -

: nno'tyi nni?D dv inn nifyi 13 nyanxs niii

it ; • : j'.' ' v. ^ j t ; t 'r *lt;rr : quot; :

ny3isj3i 13i^npj

•^tt ; - : t t lt;t : -:l: • It ; v -: j* : - :

nnB'Q dv inK nirjn 13 Vtrir nutans niii 13

j'.' : * ^ co quot;j * t ^t lt;t • i- ^ - ; A vt quot;gt;

ninsn n^3 d^pti annsn onin^n rrVy : nna'^i ^

t : - j**^r : ^; 1 - • t ; - : - i •• ^ it ; • :

nnK'Di nnoty tin lyin1? n^3i« DI- HN

v*.* : • jt : • t -: •••-»: t quot;t quot;«tt ; - -• •• *

-nn ♦dina srcn : ni:d riWoi 3112 dvi 3

v : t j : * - tquot; ••; ^ y ^t - j ; a ;

-s33 iwh onin'n'bs^K onsD nS^i n^n onsin

t ; v —j • : - t v *T:. quot; : quot; ~ vaquot;T v.* t : -

: D^innni aonpn ^inwnx ^sn ni:no « rw tin i^tn1? vtyv n^3quot;in dv hn nvnb

4quot; : t ~t v j ; t t ^ttt : - j •• • ^ •» ; r v

inrityjvi D»ó'3 : n^i 13 n^on-ov33

^ t v —; gt; *T ' q it t : v.t t t ; a ^t't jt • -: 1

?iro on1? -nan: ivtlt; iriiini on^^a Dnin»n Dn3

I t ' «V t I - V v -: V - ; v •• : j •• • ; - lt;v t

nnotfinnB'Q^ onix nitrv1? 3it2 dl»1? Vsnoi nnotrb

t, : * : jv i • •• : t -• ^-.r a vquot; quot; t ; • :

Dnin»n Sspi: ni^noi in^n1? wx ni:o nhm «

•• I • : r : v it kt ~ *•• quot;: ■*' t - lt; : •

23. ril^yS iSnn ncx. volgens vs. 17 en 18. — aro ncx nxi, dat zij het jaarlijks zouden vieren en geschenken zonden zenden en giften uitdeelen.

ocr page 380

HET BOEK ESTHER IX.

wat zij reeds [vanzelf] hadden begonnen te doen, eu hetgeen

24 hun Mordechai nu geschreven had. Want Haman, de zoon van Hammedatha, de Agagiet, de verdrukker van alle Joden, had den aanslag gesmeed tegen de Joden, om hen uit te roeien, en had het Poer, dat is het lot, geworpen, om hen te verdelgen

25 en hen uit te roeien. Doch toen het voor den koning gekomen was, beval hij bij den brief, dat zijn snoode aanslag, dien hij tegen de Joden gesmeed had, op zijn eigen hoofd zoude neder komen; en men hing hem en zijne zonen aan den mastboom.

26 Daarom heeft men deze dagen Poeriem genoemd, naar den naam van het Poer. Hierom dan, om al hetgeen deze brief bevatte; wat zij zeiven daarvan gezien hebben, en hetgeen hun

27 daarvan ter oore gekomen is, — Hebben de Joden, als eene vaste instelling, bepaald en op zich genomen, voor zich en voor hunne nakomelingen en voor allen, die zich bij hen voegen zouden, zonder dat het ooit zal worden overtreden ; om die twee dagen, naar hunne voorgeschreven wijze, en op den daarvoor bepaal-

28 den tijd, elk jaar te vieren. Ook zouden deze dagen steeds in gedachtenis gehouden en gevierd worden in elk tijdvak, elke familie, elk landschap en elke stad; en deze Poeriem-dagen zullen ook nooit onder de Joden afgeschaft worden, en hun aandenken zal bij hunne nakomelingen nooit ophouden te bestaan. —

29 Daarna schreven de koningin Esther, dochter van Abieehajil, en de Jood Mordechai uit de gansche volheid hunner macht, om dezen tweeden brief aangaande het Poeriemfeest vast te stellen.

30 Hij zond namelijk brieven aan al de Joden in de honderd zeven en twintig landschappen van het rijk van Achashwérosh, woorden

31 van vrede en waarheid. Om deze Poeriem-dagen op hunne bepaalde tijden vast te stellen, gelijk de Jood Mordechai en de koningin Esther voor zich zeiven hadden vastgesteld, en gelijk zij voor zich zelve en voor hunne nakomelingen vastgesteld hadden, de zaak namelijk aangaande de vastendagen en hunne

32 beden. Zoo bekrachtigde het bevel van Esther deze instellingen van Poeriem en het werd in het boek geschreven.

25. rwmi, toen het, de zaak, voor den koning kwam in het ware licht; de Joodsche commentatoren: toen zij, Esther, kwam. Van Esther is in de laatste verzen echter geen sprake. — ison or, bij het uit 8,8 bekende zendschrijoen; anderen; beval hij aan den brief toe te voegen; nog anderen: niettegenstaande den eersten brief.

27. quot;nay xSl. al8 iets onvergankelijks.

29. tpjl ^3 flx, met grooten nadruk, met al het gewicht van hunne persoonlijkheid en hun ambt. — rKtn —mJN, welks inhoud hier volgt.

30. afschriften van den vs. 29 bedoelden brief.

187

ocr page 381

u quot;inDK rhft rap

: WÖ anriB'N ibnrnirx nx

Dnin^n-Sy Dnin^n-'janiï ^JKH «nnsn-ra rnn^s ^

v.' : - j' t • : - t •• * t quot;x it ^ t t : quot;■ 1 v Itt

osn1? Vniin «in na bam onató «

t ; it : - ; i v.t •-. : t j j' • i at : - :

Dt^mirKnjnninniynQrnamp;naDrrDy nox -iban ^ab

j- t v -: -jt tit s : quot; -: i- t ..•••- ^ j- t ) v v - j.. : .

: f^n-^ V33quot;nKi im iVni I^KT^ anin^rr^ 1= p-1?^ quot;nan Qvrbv bnia nb^n hwb |i : Dn,l7N noi naa-1?^ wrnoi nx-Tn n-iaxn nan an^n-ba D^nr^i on»^ bn^n ^Sapi. lo^ ^ oanaa nb«nbw ^irnK D'Bty nvrh niav» ab) bn^v

IT T = ■ ,quot;•• T , • Tquot; *•• : p pquot; • ' J : '• *quot;- - ! •-•

-baa D^ai onan nbKn D'O'ni: n^i njty-baa Danrain2

t ; * quot;^xiquot; ; • t ; • v •• t j* t - : it t ; v,t t t : at quot; : • ;

,ó,i yp) n^i mnai TOHD nna^Qi nna^ü nni -in

•• • f\' t : vt / ; jt • : t^t : • t t : • t -•

onan onm^n -jina na^ Nb nbxn onian 'anoi Vrvat^Tia nabsn quot;inoK anani • dp-itö a=

j~ *; : t ••)-•-; quot; st ; - - ••;•.• : • .' - ht ; - •

: nNn onan n^K nj* o^b ^pn-ba-nK nirrn nNDi Dn^i ^a^-bx onin^n-ba-bis anap r6amp;)y tik afpb : noNi Dib^ nan mabo njnp ^

♦ariD on^ D'p quot;itJ'Ka angora nb^n onan w

lt;- ▼; ; t v •• . -i* V quot;* r v quot; ~ •* •' t * % quot; •• :

Djnrbjn Dirarb^ iQ'p i^ai naban inDKi ninm

*t :- : ^t : - j •,] • .)v -:i- : t ; - - •quot;•:•.•: • ; -

onan nai D'p im quot;idnöi : nnp^n niöiïn nai ^

v.* \ - jquot; : • quot;1 * •• ; v j- -: i- itIt^-:!-; v, - ,»••;•

: naoa anaai nbxn

V iquot; - it:*: v a»* t

31. nioisn nan. Dit is de hoofdinhoud van den tweeden brief: dat men ook bede- en vastendagen jaarlijks zou houden, gelijk Mordechai en Esther dit voortaan op zich hadden genomen. Het behoeven niet de drie door Esther tijdens het gevaar gehouden vastendagen te zijn; alleen moest, als blijvende herinnering aan den nood, waarin men had verkeerd, en de redding daaruit, jaarlijks een vastendag worden gehouden en op 14 of 15 Adar een feest worden gevierd.

32. anan nan. de instelling der feestelijke viering, zoowol als die van den vastendag.

ocr page 382

HET BOEK ESTHER X.

X.

1 De koning Achashwérosh legde schattingen op het land en

2 op de eilanden der zee. En al de handelingen zijner macht en zijner heerschappij, en de uiteenzetting der grootheid van Mordechai, tot welke de koning hem verheven had, zie, zij zijn beschreven in het boek der kronijken der koningen vanMedië

3 en Perzië. Want de Jood Mordechai was de tweede, na den koning Achashwérosh, groot onder de Joden en welgevallig bij de menigte zijner broederen, zoekende het goede voor zijn volk en tot vrede sprekend voor al zijn kroost.

Het lezen van de rol van Esther op het Foeriemfeest.

Men vouwt de Estherrol als een brief en zegt, alvorens de lezing te beginnen, de volgende lofzeggingen:

Geloofd zijt Gij, Eeuwige, onze God, Koning der wereld, die ons door Uwe geboden geheiligd en ons bevolen hebt aangaande de lezing der rol.

Geloofd zijt Gij, Eeuwige, onze God, Koning der wereld, die voor onze voorouders wonderen hebt verricht in vroegere dagen op dit tijdstip.

Des avonds zegt men nog:

Geloofd zijt Gij, Eeuwige, onze God, Koning der wereld, die ons hebt doen leven en ons hebt doen voortbestaan en ons dit tijdstip hebt doen bereiken.

Na het einde der lezing zegt men-.

Geloofd zijt Gij, Eeuwige, onze God, Koning der wereld, God, die onzen strijd voert, en voor onze rechtzaak opkomt en voor ons wraak neemt en vergelding betaalt aan alle vijanden onzer ziel en voldoening voor ons vordert van onze verdrukkers; geloofd zijt Gij, Eeuwige, die voor Uw volk Israël voldoening vordert van al hunne verdrukkers. Almachtige Helper!

Hoofdstuk X. 1. Dit vers is, als eene voortzetting der geschiedenis, misschien woordelijk aan de Perzisch-Medische koningskronijken ontleend. De schrijver breekt daarmede af en verwijst voor het overige naar zijn bron.

2. inniaji ispn nero. de handelingen, als machtig koning door hem verricht.

3. njtra op den koning direct volgend in rang. — iiïh oiTimS Siui win ai1?, een groot man onder de Joden, en door zijne stamgenooten als hun beschermer en verdediger bemind. — DiSc iai, die door zijn woord vrede stichtte en hun heil bevorderde, iri» SdS, voor het gelieele huis Israëls, zonder uitzondering.

188

ocr page 383

» nnoN nbio nap

:D»n «KI DO ^sn DB'V^ f

•n^an i^ia im ^tid irniaji ispn T' ^

Ivav - V. : • r.' -i - ▼; :r •»- \: tit^ t -• : I; t n.

: Diai no D^ó'n quot;IÖD-^ onins on-Nibn

it T T Vquot; s quot; ! * T - -quot;• : v • ; jquot; -:

n:^D nirvn wö i »3j

t : J'-'-vv : • • ; - j- *; ;t

: lyir^Db DI1?^ mil 2112 ^Ti vnx nhb ^y-n

n :- t : v t j- : : r* *•»••• j : v ▼:

n^jan nans no

ISN nwia rfSï •pa» N-iipm ^ufo ,-hj»n J'DBIB

vn'iïpa liEhj? D^i^n ^bo irnVx » nn^ ^-13 : n^a Kipo I:IÏI

T • : TI; • ^ it * ;

irniDN1? D'pJ oVtyn TjSo « HnK TJTO

: n;Tn qani fan onn D'p*?

pE-'D^Ö 2^3

Wni UD'pi irnnt^ obi^n -i^o irribx « nnn •nns

Tt * • : it : r : it v: v v t ^ t ) v 1 v iquot; •.•: *: t - | t

•' nn lOT1?

foisai nSis nSjan f 31« nnp1? dvw ins

wan r\n nnn Vxn obi^n -iVo i:»ri,?x « nnN -nna

!•• • v t t quot; t t t ) v iv Iquot; ••; *: t - |t

biDi oWpni unop: nx opisni i:jn nx pm ^quot;issn « nnK quot;nna -lanïö u1? yiaani lat^aa ^IN VD1?

t : • - ▼: t - ) t iquot;t • it t : • - ; r* ; - ••: tquot; :

(*: ^^isn ,Dnny VKTIT» isvb

t ,• - •• t v quot;t t • quot; t : ' ;

naian nnx onnis D^tisdh (*

pniiK • irm nana • irnT mnx * ♦ana -ina • ran nnN

-: •• ; v t ; viv t -: --rrtT) t Itt t

: mab TDT naiain DJI • VKI^VS o^na - o^nn

TT ;- - : ** T : • T • : ^tcit

ocr page 384

189

Des morgens wordt hier dadelijk quot;De roos van Jakobquot; gezegd.

Des avonds zegt men:

Gij zijt het, die verhinderdet de uitvoering van het plan van volkeren en verijdeldet de gedachten der listigen; toen namelijk tegen ons opstond een boosaardig menseh, een tak van moedwil uit het zaad van 'Amalek. Hij was trotsch op zijn rijkdom — en die groef voor hem een kuil en zijne grootheid spande hem een strik. Hij stelde zich in zijn binnenste voor te vangen en werd zelf verstrikt; hij zocht te verdelgen en werd spoedig zelve vernietigd! Haman toonde de vijandschap zijner voorouders en wekte weder de haat der broeders op tegen de nakomelingen [van Jakob], En hij herinnerde zich niet meer Shaoel's barmhartigheid; want door diens ontferming over Agag [alleen] werd de vijand geboren. De booswicht beraamde plannen om den rechtvaardige [Mordechai] uit te roeien, doch de onreine werd verstrikt in de macht van den reine. Zijne [Mordechai's] goede daden overwonnen de dwaling van zijnen voorvader [Shaoel]; doch de booswicht voegde nieuwe zonden bij de vroegeren. Hij verborg in zijn hart zijne listige plannen en wijdde zich geheel aan de uitvoering van het kwaad. Zijne hand strekte hij uit tegen Gods heiligen, zijn geld gaf hü om hun aandenken uit te roeien. Toen nu Mordechai zag, dat de toorn was opgewekt en de wetten van Haman in Shoeshan waren gegeven, — kleedde hij zich in zak en bond zich het rouwgewaad om en schreef vasten uit en zette zich op asch. //Wie is het, die zal staan om verzoening te doen over dwalingen en kwijtschelding te erlangen van de straf voor de zondige misdaad onzer voorouders?quot; Een bloesem ontsproot uit een palmtak; zie, Hadassa [de myrth] stond op om de slapenden op te wekken. Hare beambten haastten Haman om hem te doen drinken wijn, die draken-gif borg ! Terwijl hij op het toppunt van zijnen rijkdom stond, viel hij door zijne slechtheid; hij had voor zijn doel een galg gebouwd en werd er zelve aan gehangen. Toen openden alle bewoners der menschenwereld hun mond, [om te verkondigen] dat Hamans loten veranderd was in ons lotenfeest! Zoo werd de rechtvaardige bevrijd uit de macht van den booswicht, en [het leven van] den vijand gegeven in plaats van zijne ziel! Zij [de Israëlieten] namen toen op zich het Poeriem-feest te vieren en zich elk jaar te verheugen. Gij zaagt neder op het gebed van Mordechai en Esther en hebt Haman en zijne zonen aan den galg doen hangen !

De roos van Jakob was tot jubelens toe verblijd, toen zij allen vereenigd aanschouwden Mordechai's purperblauw [praalgewaad]. Sinds alle eeuwigheid waart Gij hun tot hulp en zijt door alle geslachten hunne hoop! — Om te toonen, dat al die op ü hopen, niet worden teleurgesteld; en nooit schaamrood worden allen, die op U vertrouwen! Gevloekt zij Haman, die mij trachtte te gronde te richten; gezegend Mordechai, de Jehoedie; gevloekt Zéresh, de vrouw van hem, die mij schrik aanjoeg; gezegend Esther, die mij beschermde; en ook Charbona worde ten goede herdacht.

ocr page 385

rton mam quot;no tafip

.3py■gt; njBiü ns D't»fNn pVnnn riiinw 2quot;s- dquot;s

wby Dips : maB'nü nan on-i nnai n^n nw : jini nw yah DIK

ii3^ nan : ns1? ib n^p» mb-m ma i1?

t : • : : * : quot; : t * vit t I:it t \; .

vni2K ^nin |ün : mnp ID^I. TDOTS ^3 in^üns »3 13T KSI : D^S1? D^HK nw'^ quot;iii^j

KÜB izhn pnï nnan1? DOT : snx nbi: ÜN VJ?

,. t - : - : i • - • ; - : t t - t •• ~ t -:

xpn ^pin 3K by nss non : iinta n;3 ni^ quot;ison'i vo-n^ niD^no 13^3 |ÖÜ : VN^n : d*oï nnsn^ ?n2 12D3 Vk ^iquot;ip3 n» : njn

t;. • ; - : i - t : quot; quot; •• 11: • - t t tt

• jE'iiys wna |ön ^nni ^ nx» »3 ♦stio nitns iio^ n? »0 : quot;ifixn bj; 3^n DIÏ inquot;) ISDD p'^ nbibü niö ^ : w*ni3N ns'ian ^ino1?! nw is?1? lonb i^nsn rrpno : tii^ ma^ nonn |n typiz Vöji. in^3 na^ : D'rari nan p. iniptyrf? |an ms »3 ban n^i,-,?3 inns on^s : vby nVnii ^ i1? : i^s? nnn jn? 3nN j^^n Ta ^bn: pnx : ^an: n^n : nm n:^-t?33 nia^i oma nïvyb on^ la^p

t i- t t t : t t t : - i ; • : • ^ - •.•••-: ;l*

: n^n rrn by viai ran * nnoKi ♦snna nban-m

t r t I t ^ t t I t t quot; : v ; - ▼: : t - * :

: ♦anna nSan nn» onions nna'^i nbn^ npv naW

t ▼; : t viquot;; -i- t : * t iquot; t ; t -: t I quot;^t- - ~

: nini nin^as onipm nïjS n^n on^iB'n

t t : ttI; • ; -iv t t r t t 't :

: -|3 D'pinn-bi nv,;1? laVs: luty K1? ^ip ^ninS nnmK * nm'n »3nna ^ns * nsN1? K'ps n^x |an ninK D3i • n^s n:3a nnD« nDn3 * n^naa n^ BHT

- ; •^-; - t * : ••:*.• t : • • ; - v i- viv

: 3iab niDT n:i3nn

ocr page 386

-no

quot;in^n niSsn

.rucn nirar hzb

O E- X) E

der

OCHTENDGEBEDEN

vooe den

SHABBATH.

Opnieuw in het Nederlandsch vertaald en van verklarende aanteekeningen voorzien

door

j. vredekbvrg,

Leeraar aan het Beth Hamidrash te Amsterdam.

Amsterdam, J. L. JOACHIMSTHAL.

ocr page 387
ocr page 388

1 OCHTEND-GEBED.

Aan den ingang der Synagoge zegt men:

Ik, — door Uwe overgroote genade kom ik in Uw huis, ik werp mij neder quot;voor Uwen heiligen tempel in vreeze voor U.

Bij het binnenkomen zegt men:

Het huis Gods betreden wij met eerbiedigen schroom.

Nadat men de Synagoge is binnengegaan, zegt men;

Hoe schoon zijn uwe tenten, Jakob! uwe woningen, Israël! Ik, — door Uwe overgroote genade kom ik in Uw huis, ik werp mij neder voor Uwen heiligen tempel in vreeze voor U. O Eeuwige ! ik bemin den zetel van Uw huis en de plaats van het verblijf Uwer heerlijkheid! Ik, — ik wil mij nederwerpen en knielen, ik wil de knie buigen voor den Eeuwige, mijnen Maker! Ik, — moge mijn gebed tot U, o Eeuwige, komen in een tijd van welgevallen; o God, in Uwe overgroote genade, verhoor mij met Uw waarachtig heil I

Vóór het ochtendgebed wordt nog het volgende gezegd-.

Ik roep U aan, want Gij verhoort mij, o God! nei^ Uw oor tot mij, hoor mijn spreken. Ik — in gerechtigheid aanschouw ik Uw aangezicht; ik wil mij bij het ontwaken verzadigen aan Uwe verschijning I Ik —op U vertrouw ik, o Eeuwige; ik zeg: mijn God zijt Gij 1 Hoor het geluid mijner smeeking, wanneer ik tot U schrei, wanneer ik mijne handen ophef naar het binnenste van Uw heiligdom! Eeuwige, mijn God, ik schrei tot U en Gij geneest mij. Tot U, o Eeuwige, roep ik, en den Heere smeek ik. Doe Uw aangezicht lichten over Uwen dienaar, help mij door Uwe genade 1 Want op U, o Eeuwige, hoop ik; Gij, Gij zult verhooren, Heere, mijn God 1 Hoor toch mijn gebed, o Eeuwige, luister naar mijn schreien, zwijg toch niet bij mijne tranen. Hoor, o Eeuwige, en wees mij genadig, Eeuwige! wees Gij mij tot helper.

Lied Hamma'aloth van David. Ik verheug mij, wanneer men mij zegt; laat ons gaan naar het huis des Eeuwigen I Ik verblijd mij met Uw gezegde, gelijk iemand, die groeten buit vindt. Luister naar het geluid mijner smeeking, mijn Koning en mijn God, want tot U bid ik. Eeuwige! des morgens moogt Gij mijn stemme hooren; des morgens, als ik voor U offers orden, — en naar U uitzie. Ik roep U aan, want Gij verhoort mij, o Godl neig Uw oor tot mij, hoor mijn spreken I Mijn voet staat op vlakken bodem, in volksverzamelingen loof ik den Eeuwige.

Verheerlijkt worde God, d'Allevende, hoog worde Hij geprezen,

Die absoluut bestaat, en Wiens bestaan geen tijd tot maatstaf heeft;

Die eenig is, geen eenheid is gelijk de Zijne;

Voor menschengeest verborgen, is Zijn grenslooz' eenigheid.

Hij heeft geen lichaamsvorm, is onlichaamlijk Wezen,

Geen nog zoo krachtig woord beschrijft Zijn heiligheid!

quot;Voorafgaand aan 't Heelal, uit niets door Hem geschapen,

Was Hij de eerste, aan Zijn bestaan ging niets vooraf.

ocr page 389

mnty n^sn no «

la^i ^quot;sna mss bï» ,inu;'i nD»n DJanv onp

: ^FTt ^ ninn^K nsk ^pn ahs ^KI

itt^i nrua iS' tni

.' ^13 Tjbn: DNt^N n^a

iclS'' nown no1? DJS'ÜS

^pn aha »jni : btf-iB» ^hjs^p 3p^ ^SriK ists-nö

« ; ^nx^3 ^npT bp^n VN ninn^K ^n^p N3K ^^3ki ninnK'K : ^133 fp^p Dipipi ^n^p ji^q D'ri^K pin ^ Tiban ^«1 : np-i3^

: naN3 ^ ^pn 313

n.tn^ pis? ^ ! ww vw •h ?]|w Dn Sx ^ri ^ ^m^ip ^è?

^lpx ^ vinpa ïj^j; ^1 : ^njiaiji ppn? tj^s

quot; : ^IR. i1?quot;! ^ n; WJ3 ïj^v y-uqci Sip ya-f : nrac HTJcn : f|n^ jcnp?? v: : VNsiril

THS n^/i nnjs ^nln ^ ^ ^ : ^quot;npn? ?i^3j; hji TJ^JS

Pö'f ' BhOfl Sn S^r nmn vynBh « ^nban nynt : : quot;h ingt; n^n quot; yam quot;

•• * •• v; *: *iquot;t ; *:

^ PW ^ : r)Sj vgt; n1? 11? anawa ^nnatt' in1? m'S^an ^ flSxi ^Va Sip1? na^pn : an SSaf xsla? ^nnaN ^ : nssèfi T]S -]^js ipa ••Sip ya-fn ipa ^ : SSsnx tj^Sn Hamp;o? nna^ : mp# ya-f ^ ?)^n an Sn* ^ ^'rucnp ■ : V: li?'? o^npa?

• iriix^o SN kïüj * npn^n ♦n DTTSN Sir

: iminKb t]iD pK dji D^J * nin^p rn* pw IHK

: inahp) vSk nS • c]^ irxi tpan mai iS pK

: in^xib n^Ni pKi |iagt;Ki • Kip: I^K quot;i3Tb3S poij-j

ocr page 390

OCHTEND-GEBED.

«Ziedaar den Heer van 't Alquot;; met luider stem verkondigt Al, waj; geschapen werd, Zijn groote koningsmacht.

Hij gaf profetengeest, den straal van Zijn genade. Den mannen, die Hij Zich tot roem en eer verkoor.

Doch onder Israel's stam wordt geen profeet gevonden, Die Mozes evenaart, aanschouwend Zijnen troon!

De leer der waarheid heeft Hij ons. Zijn volk, geschonken. Door Mozes, Zijn profeet, vertrouwd in gansch Zijn huis! God ruilt Zijn wet niet in, verandert geen bepaling, In verste toekomst blijft onwrikbaar nog Zijn woord! Alziende, kent Hij ook ons diep verborgen denken.

Ziet van den eersten kiem het eind van elke zaak!

Naar ieders werken schenkt Hij 't loon van Zijn genade, Bestraft den booswicht ook voor 'tgeen hij heeft misdaan. Hij zal op zijnen tijd ons den gezalfde zenden.

Die elk bevrijden zal, die Zijne hulp verbeidt!

De dooden doet God eens door Zijne gunst herleven!

Zijn naam, zoo roemrijk, zij in eeuwigheid geloofd!

O Wereldbestuurder, die koningsmacht kendet.

Voordat een gewrocht uit het niets was ontstaan, —

Toen plots door Uw willen het al was geschapen,

Werdt Gij als Almachtig Beheerscher erkend !

En mocht eens de Schepping geheel weer verdwijnen,

Ook dan zal gevreesd nog Uw koningswoord zijn!

Toen niets was, bestond Hij, Hij is in het heden.

Zal eeuwig bestaan in Zijn stralenden glans.

Zijn wezen is eenig, geen tweed' is te vinden.

Met Hem te vergelijken of naast Hem geplaatst!

In tijd niet begonnen, geen einde bestaanbaar,

Bij Hem slechts is macht en berust heerschappij !

Slechts Hij is mijn God, mijn Verlosser, Allevend!

Is Rots in mijn lijden, in tijden van nood !

Banier is mij God, is mij veilige toevlucht,

Mijn deel aan den kelk !), op den dag, dat ik roep.

Ik leg in Zijn handen mijn geest met vertrouwen,

Wanneer ik te slapen mij leg en ontwaak ;

Doch niet slechts mijn geest, ook mijn stoflijk omhulsel! -

Is God slechts mijn steun, zie, dan vrees ik niet meer!

Geloofd zijt Gij, Eeuwige, onze God, Koning der wereld, die ons door Uwe geboden geheiligd en ons bevolen hebt, de handen te wassehen.

Geloofd zijt Gij, Eeuwige, onze God, Koning der wereld, die den mensch met wijsheid hebt gevormd en aan hem verscheidene openingen en holle organen geschapen hebt. Het is openbaar

2

ocr page 391

mnjy

iniDbüi nni» quot;iribip

irV? fÜKJ IK^J Tquot;1?^ inbi^ D'abi^b im inön[53 lyi ^ID1? in^K'ii vi vamp;'h fnu |*]!5 ♦snp nnfib inVnn np

nbsn a

nïirVai * obi^ |1ik ian

quot;SK un: inKi^j niy n^aa D|5 ^

* quot;?« la^b |na nDK min

-iwó! ^KH

^nno ^ni»i nsiï

* ipn böia wn^ö pp» n1?^»

* npn aha n»n» D^no


^jSö * DViv

lïiina n'^j nyb San nntsi nin Kim rm Kini

: t t ;

w fw inx Kini n^an rrtwn ^3 ^ v) ,L?« Nini 4 di:»1) ♦DJ «mi

♦nn TpfiK 1T3

♦n'ia ♦nn D^I

vn'iïpa u^'ip im ubtyn « nnK ^ia

: Dn» nVta: ^ uiïi

• ITT - • ; IT • :

xia: TÏ» ^a anaa

t : • • ; t viv :

laty Tjba n.Nt xTa ^iSa: iiaS nnxana ™: xini m;anrib iV b^anS rrifani fyn iSi nnx n^a 'ban HÏI NjnpK ova 'Dia n^a

Tl: v : • t ;

ni^Ni n^a Nii^ ^Si 'S ♦♦

D-iwn nK nr abi^n -[So wpVx « nriK -jna nquot;?! vbbn D^i^n D^p: D^p: ia Niai naana

') Vgl. Ps. 16,5, waar de dichter God noemt: zijn aandeel in grondbezit en levensvreugde; vgl. daarmede Num. 18,20 en Deut. 18,2.

ocr page 392

3 OCHTEND-GEBED.

en bekend voor den troon Uwer heerlijkheid, dat indien een van hen geopend of verstopt zou worden, het niet mogelijk zou zijn te bestaan of in het leven te blijven vóór Uw aangezicht. Geloofd zijt Gij, Eeuwige, die alle vleesch geneest en wonderbaarlijk handelt.

(In vele gemeenten, o. a. te Amsterdam, leest men hier: Mijn God ! enz. (zie hieronder! terwijl de lofzegginqen over de heilige Leer gezegd worden vóór de afdedingen betreffende het dagelijksch offer, blz. 6).

Geloofd zijt Gij, Eeuwige, onze God, Koning der wereld, die on8 door Uwe geboden geheiligd en ons bevolen hebt, ons met de woorden der heilige Leer bezig te houden; doe toch. Eeuwige, onze God, de woorden Uwer Leer aangenaam zijn in onzen mond en in den mond van Uw volk, het huis Israel's, zoodat wij en onze afstammelingen en de afstammelingen van Uw volk, het huis Israel's, wij allen worden kenners van Uwen naam en beoefenaars van Uwe Leer (ter wille van haarzelve); geloofd zijt Gij, Eeuwige, die de heilige Leer aan Uw volk Israël hebt onderwezen. G. z. G., E. o. G. K. d. w. die ons uitverkoren hebt boven alle volkeren en ons Uwe Leer hebt gegeven; g. z. G. E. die de heilige Leer gegeven hebt.

fZij, die de lofzeggingen over de Leer hier uitspreken,

laten daarop nog dit volgen :J

De Eeuwige zegene u en behoede u. De Eeuwige doe Zijn aangezicht voor u lichten en zij u genadig. De Eeuwige wende Zijn aangezicht tot u en verleene u vrede. Dit zijn verplichtingen, waarvoor geene bepaalde maat is voorgeschreven; de hoek (van het veld, waarvan een niet vast bepaald gedeelte bij het maaien voor de armen moest staanblijven'), en de eerstelingen der boomvruchten2), (die naar Jerusalem werden gebracht) en het brandoffer bij het verschijnen in den tempel bij gelegenheid der drie feesten3) en de verrichting van liefdewerken door persoonlijke daden en de beoefening der heilige Leer1). Dit zijn zaken, waarvan de mensch de vruchten geniet in deze wereld, terwijl de hoofdsom hem blijft voor de toekomstige wereld5). De volgenden zijn het: eerbied voor vader en moeder, en verrichten van liefdewerken en tijdig bezoek van het leerhuis des morgeus en des avonds, en gastvrijheid tegenover vreemdelingen, en bezoeken van zieken, en het verschaffen van uitrusting aan bruiden, en het begeleiden van lijken, en diepe aandacht bij het gebed, en het stichten van vrede tusschen den mensch en zijn naaste, doch beoefening der Leer weegt tegen hen allen op.

Mijn God ! de ziel, die Gij in mij geplaatst hebt, is rein; Gij hebt haar geschapen, Gij hebt haar gevormd, Gij hebt haar mij ingeblazen, en Gij bewaart haar in mijn binnenste; en Gij zult haar mij eenmaal ontnemen, doch haar ook weêr in de verre toekomst in mij doen terugkeeren. Zoolang dus de ziel in mijn binnenste is, dank ik U, Eeuwige, mijn God en God mijner Voorouders, Meester over alle werken, Heer van alle zielen! Geloofd zijt Gij, Eeuwige, die zielen doet terugkeeren in gestorven lichamen!

1

) Vgl. Lev. 22,22 e.a.p. !) Vgl. Deut. 26,2. ') Vgl. Deut. 16,16 e.a.p. ■*) Vgl. Josua 1,8.

ocr page 393

mnp nVön gt;

in« bnD» IK Dnü nn» nnö» KB? ^Ö1?

Kan v nriK d$nr6 ipM w dhö

: nii?#? quot;i^S'Va

jtbbj mVn jk3 pVnn» DT1DBDN2 üji mSnp roina

imi vnivöa quot;ifK obïyn wflb» ♦♦ nn« nnrnK irnbK ^ * nnin nnia pi^

i^ïnsi lanpK n,n:i. ♦aai iraa

*10 WT ^3 ^'p* (,r^^

isj?1? nnin -la^pn « nnK ^na * (nof1?) ^nnin nü^i ws'ina quot;ib'N D^i^n -jba irnbx ♦♦ nn» ^na :

: n^inn |ni:« nm -jna • mnin-nK |nyi; D^jrrr^ap

d^tI ™1::: «fi: w? quot;W 1quot; ! quot; to

anaani nxsn • d^iS pN^ Q^?! ^ '• ^

Vdin dtn^ anan ^n; : nnin mn^ni n^pq niSw {Visini Dxi ax ma? |n =ibü?i • xan aSlyS mp HüiPl ^

a^mw npjpni n^i^i nnrre* B'-jisn n,3 nosfni nnon an^ p? oiW nN3ni n^sup p'j?! nan rn^i nb np»ni o^in mpai : d^3 njjs min noSm ranS

t % viv: t ; - ; •• -z~

nnK nntna nnx niinia 'a nna^ nü^: srbx

t- tt: t - t : -ti-tv tt: tv;

nnw 'aipa nna^ö nnxi »3 nnnöi nnx nriiy;

jpr^a : xab n^S »3 nnnnnbi ♦asö n^1? yny ♦niaNi ♦ribKi ♦:« mio ^aipa notrani^

-: •• •• - ••: ▼; | iv t : • -: v • :l • ; t t : - v

nnnan ♦; nriK ^na * mo^n-ba piK D^sn^a pan : o^no onjöb niö^i

... -t : • t :

6) Men beschouwt 's menschen deugden als een Gode geleend kapitaal, waarvan de mensch op aarde de renten geniet, terwijl in het leven hiernamaals de hoofdsom als het ware wordt teruggegeven.

ocr page 394

OCHTEND-GEBED.

Gr, z. Gr. E. o. Gr. K. d. w. die den haan inzicht hebt gegeven, om te onderscheiden tusschen dag en nacht.

G. z. G, E. o, G. K. d. w. die mij niet tot niet-Israëliet hebt doen worden.

G. z. G. E. o. G. K. d. w. die mij niet tot slaaf hebt gemaakt.

G. z. G. E. o. G. K. d. w. die mij niet tot vrouw hebt gemaakt.

(De vrouwen zeggen ■. G. z. G. E. o. G. K. d. w. die mij naar Uwen wil gemaakt hebt).

G. z. G. E. o. G. K. d. w. die blinden de oogen opent.

G. z. G. E. o. G. K. d. w. die naakten kleedt.

G. z. G. E. o. G. K. d. w. die geboeiden losmaakt.

G. z. G. E. o. G. K. d. w. die gebukten opricht.

G. z. G. E. o. G. K. d. w. die de aarde hebt uitgespannen over de wateren.

G. z. G. E. o. G. K. d. w. die voor mij al mijne benoodigd-heden gemaakt hebt.

G. z. G. E. o. G. K. d. w. die de schreden van den man vast doet zijn.

G. z. G. E. o. G. K. d. w. die Israël met mannenkracht omgordt.

G. z. G. E. o. G. K. d. w. die Israël kroont met luister.

G. z. G. E. o. G. K. d. w. die den vermoeide kracht geeft.

G. z. G. E. o. G. K. d. w. die verwijdert den slaap van mijne oogen en de sluimering van mijne oogleden; en het zij ü welgevallig, Eeuwige, onze God en God onzer voorouders, ons geoefend te doen zijn ia Uwe leer; en doe ons gehecht zijn aan Uwe geboden en doe ons niet komen tot zonde, noch tot overtreding en misdaad, noch in verzoeking, noch tot verachting; doe de kwade neiging niet heerschen over ons en verwijder ons van slechte menschen en slechte metgezellen, doch doe ons gehecht zijn aan de goede neiging en goede handelingen, en buig onzen hartstocht, zoodat hij zich aan U onderwerpt; en laat ons heden en eiken dag geraken tot gunst en genade en barmhartigheid in Uwe oogen en in de oogen van al, die ons zien, en bewijs ons goede weldaden. G. z. G. E. die goede weldaden bewijst aan Uw volk Israël.

4

ocr page 395

mnp nban i

nra -jbo lypbK \\ nnK -|H3

: n^b j^ni DI» f3 fnnnb : nD3 obi^n quot;nba wrtbi*« nnx Tina

• : t • i- t v t t f v iv iquot; •••: ▼: t - | t

: 'iamp;v Kb^ oVi^n -ibo irn^K « nnx -rn3

vTt • i- t v t t f v iv iquot; v: *; t - | t

: niyN ♦atrv obwn 'nbö imbx « nnx rniz

t • • |- t v t t | v iv 1quot; v: ▼: t - i t

c ijisn.3 aSiyn lyrjS?? v: fquot;1? 'n1quot;quot;s1N u'm) •' nbi^n Tjbo irpbN « nm ^13

: D»a^: ir'sbo nbi^n ^2 lyribK ^ nriK -p3 : oniDK quot;i^nü obi^n -ibD quot; nnx -1^3

-: - t t ) v iv iquot; v: ▼: t - | t

: d^ös e]i?iT a^i^n -jba irnbK ♦♦ nrijst -]n3 : D^n-Vïr riKn ^pn obi^n -iba lyribK quot; HPK ^113

• it - quot; f vit t iquot; t t i v iv iquot; v; *: t - i t

: ^ Tïamp;yv obi^n rjbü ♦♦ nm Tji-is

: isrn^vü ppn -i^k abi^n irn^K « nn« ^ns : mTi3i3 bKi'c -im D^n -]ba irjibK « nnx Tjiis : niKöns -iBiy nbi^n Tjba irjibx « nnx

: n'3 fj^b |ni:ri a^i^n Tjbo ^ nriK ^quot;is

quot;i^an Dbiyn ^ba irnbK \\ nm ^ns ♦»ibNi ivnbK 7 ^Jöbp jiri ♦nn * no^ni Nb i:^3ri bxi. ^niïQ3 upsni ^rnira ^b^n^ irn^» |in3n;b ah) jvd: 'Tb «bi, nnn^ n;b xbi «ün 'Tb -nnai a-ixo ^^nnni ^nn ir ur-üb^n bx^ unif^nN4 f]i3i a^iü 3it3n nrs i^sni

□•'Drnbi -ipnSi |nb ai^b^i Di'n i^ni -jb-is^n^nb nnK Tjiis • cr3iL2 anon wbaani. i^Kirbs ♦rpi ^:^3 : b^: is^b d^iu anon büi5 «

ocr page 396

OCHTEND-GEBED.

Het zij welgevallig voor ü, Eeuwige, mijn God en God mijner voorouders, mij heden en eiken dag te behoeden voor onbe-sehaamden en onbeschaamdheid, voor slechte menschen, en slecht gezelschap, en voor een slechten buur en voor noodlottig toeval en verderfelijk hindernis, voor een strenge rechtspraak en eene harde tegenpartij, hetzij hij tot het verbond ^ behoore of niet.

Steeds zij de mensch godvreezend in het geheim ') en bekenne de waarheid en spreke de waarheid in zijn hart (binnenste); hij sta vroeg op en zegge:

Meester over alle werelden !s) Niet [in vertrouwen] op onze verdiensten storten wij onze smeekingen voor U uit, maar [steunende] op Uwe groote barmhartigheid! Wat toch zijn wij, wat is ons leven, wat onze gunst, wat onze rechtvaardigheid, wat onze hulp, wat onze kracht, wat onze sterkte? Wat zullen wij voor U zeggen. Eeuwige, onze God en God onzer voorouders? Zijn voor ü niet alle helden als niets,- en de mannen van naam, als hadden zij nooit bestaan, en wijzen als zonder kennis, en verstan-digen als zonder oordeel ? Want hunne nog zoo talrijke handelingen — niets zijn zij ; de dagen huns levens, ijdel zijn zij voor U; ook dat, waardoor de mensch boven het vee verheven is, is niets — want alles is ijdelheid.

Voorwaar, wij zijn Uw volk, de zonen van Uw verbond, de kinderen van Abraham, die U lief had, dien Gij op den berg Moria hebt toegezworen; het kroost van Izak, zijn éénigen zoon, die gebonden werd op het altaar; de gemeente van Jakob, uwen eerstgeboren zoon, wiens naam Gij wegens uwe liefde, die gij hem toedroegt, en wegens de vreugde, waarmede Gij U over hem verblijddet, Israël en Jeshoeroen genoemd hebt.

Daarom zijn wij verplicht U te danken en U te loven en U te roemen, en Uwen naam te zegenen en te heiligen en lof en dank te brengen aan Uwen naam. Heil ons! hoe voortreffelijk is ons deel, en hoe liefelijk ons lot en hoe schoon is onze erfenis ! Heil ons! dat wij des morgens vroeg en des avonds laat ons opmaken en tweemalen eiken dag zeggen:

Hoor, Israël! de Eeuwige, onze God, de Eeuwige is éénig!

5

Geloofd zij de naam Zijner koninklijke heerlijkheid immer en eeuwig!

!) Door God met Israël gesloten. ') Ook al kan hij in het openbaar wegens vervolging niet al zijne plichten vervullen. 3)De uitdrukking dSw, in het meervoud gebezigd, doelt meestal op de beide werelden, duze en de toekomstige.

ocr page 397

nnnp n^ön n

-bani Qi»n ♦rtbN \\ pr) w

yi -lanüi jn aim D^a mt^üi a^a n#ö ai» ^ani n^j5 \np mpm 1^01 ^quot;i ^aai ^1 p^üi : nnrja iiw pai nna-jn pa p

rrrioi quot;ino? d:»^ xt: d-in nh; oSiyV

: quot;IQf{^ D3^1 133^3 Dl?» 13111 Dp^T^

ir^jnn D^Vaö i:mK irnp-irquot;?^ ah D^b^rrba jian irsn nö i:niK nü • DOTI n^m by »a n^aS

,„- .. : r-: t • -t i iv-; - | ivt :

^miarno una-nü un^-nö upirna inan nö

,,. t : - iquot; - iquot; ; - liquot;: * - iquot;: quot;

oniaan-Va «bn u^niaN ♦nbKi irrib^ « n^ab quot;iDKrnD

. - t -; iquot; -: •• •• iquot; v: ▼: | ivt :

D^iaii ^iö ^aa D^oam vn ^a D^n Taab r^a

: t quot; • : • • t -: - t : •• - ; | iv t : l • r :

• ï]^ab Van Dn«n ♦ö,i. inn dh^d ai »3 Vairn ♦Vas : V3n »3 rx non3n-ra Di^n imoi

v it - i • it t quot; : quot; i * t t t

nyimv ^3nx Dnnax ^3 * ^nna ^3 wnjK ba^ nsTsn 3r^ 1^3^ pn^ • nnsn ins ^nrpfrpi intt nsnx^ ^nsriNa^ ^133 3p^ nn^ : la^-nN nxnp 13 nno^

I *.. • •• t ; • : t it It t : r t v

Tj-isbi ^KaVi ^Dt^i mnnV D^3»n mx ^♦a1? 3ii3quot;no lan^K : mini n3B'-nni?i ^npbi

r*: - i iv; t t : - iv vit : quot;lquot; :

i:n2Kty untfK i:nE'quot;i» na^nm D^rnoi wpVn

; i- -j v 1«; - iquot; t •-.: tt - lquot; t t llquot;» v

01^33 D^p^a DniplXI quot;lp31 3^. D^n^ÜI Qmvt2

: ir\$ 1 quot; UTi^K ^ V£Vf

it v v v; ^t: v t : • :

.nsnsn piou D^pnpnon ; ■$1 inwbö 1133 di^ -j-ns BnVa

ocr page 398

OCHTEND-GEB ED.

Gij waart dezelfde, toen de wereld nog niet was geschapen; Gij zijt dezelfde, nadat de wereld geschapen is; Gij zijt dezelfde in deze wereld, en Gij zijt dezelfde in de toekomstige wereld ! Heilig Uwen naam over hen, die Uwen naam als heilig erkennen, en heilig Uwen naam in Uwe wereld en door Uwe hulp worde onze horen !) hoog en verheven. Geloofd zijt Gij, Eeuwige, die Uwen naam heiligt in het openbaar.

Gij zijt de Eeuwige, onze God, in den hemel en op aarde en in de hoogste hoogten der hemelen! Het is waar! Gij zijt de eerste en Gij zijt de laatste 3) en buiten U is geen God. Verzamel hen, die op U hopen, van de vier hoeken der aarde, opdat erkennen en weten alle wereldbewoners, dat Gij alleen God zijt over alle koninkrijken der aarde! Gij hebt gemaakt hemel en aarde, de zee en al wat in die allen is; en wie is er onder het gansehe werk Uwer handen, onder de hoogere en onder de lagere wezens, die tot U zou zeggen; ,;Wat doet Gij ?quot; Onze Vader, die in den hemel zijt! bewijs ons genade terwille van Uwen grootea naam, die over ons genoemd is; en bevestig voor ons. Eeuwige, onze God, hetgeen geschreven is: In dien tijd zal Ik u brengen, en in dien tijd verzamel Ik u; want Ik maak u tot roem en lof bij alle volkeren der aarde, wanneer Ik uwe ballingen terugvoer voor uwe oogen, zegt de Eeuwige.

(In vele gemeenten worden hier de lofzeggingen over de heilige Leer uitgesproken, zie blz. ZJ.

Ex. 30,17—21. De Eeuwige sprak tot Mozes, als volgt: Gij zult maken een waschbekken van koper en zijn onderstel van koper, om zich te wasschen; en gij zult het plaatsen tusschen de tent der samenkomst en het [koperen] altaar, en er water in doen. En Aharon en zijne zonen zullen zich daaruit hunne handen en voeten wasschen. Wanneer zij namelijk in de tent der samenkomst gaan 'willen, zullen zij ze met water wasschen, opdat zij niet sterven; of wanneer zij naderen willen tot het altaar om dienst te doen, om een vuurofifer in rook te doen opgaan voor den Eeuwige. Dan zullen zij hunne handen en hunne voeten wasschen, opdat zij niet sterven; dit zal hun zijn tot eene eeuwige wet, voor hem en voor zijr; kroost, voor hunne geslachten.

6

Lev. 6,3 — 5. De priester zal [des morgens] zijne linnen kleeding aantrekken en een linnen broek aantrekken op zijn bloot lichaam en eene heffing nemen van de asch, tot welke het vuur het brandoffer op het altaar zal hebben verteerd, en die leggen naast het altaar. Hij zal zijne kleederen uittrekken en zich met andere kleederen kleeden, wanneer hij de asch wegbrengt buiten het leger naar eene reine plaats.

') Als zinnebeeld van macht. ') Vóór al het bestaande, waart Gij, en als eens niets van het geschapene meer zal zijn, zult Gij nog bestaan.

ocr page 399

rvw nbön i

obi^n Kin nn« iv Kin nnx

t t t : * v t - T * T Tl' v ^ t -

Kan nbtyb «in nnxi nin obi^a Kin nnK

quot;l~ t- t t t - : t t t-

^op ^npü ^jo^-nx : D^ia ^o^nK B'npö quot; nriK -jna * naani Dinn o^ü^n riKm D»ÜBgt;3 irnb^j M Kin nm

• i- r - •• ; • | v it t • r t - i- v: ▼: t -

|nnx Kin nriKi ji^ki Kin nriK nüK * D^vbjri pKn nifij? ^?quot;iko ^ip pp * pK ïjn^aüi D^nbKn Kin-nnK ^ i^-in it^

pKJtnKi DWirnx nnx ♦ pKn niDbpo Vd1? D^I^I n^ü-^a 'pi • D3 i^K-^rnKi D»n-nK irnsj • n^nTnö IÜK^ D^innna IK i^-D'pi irb^ K'ipSB' Si-m quot;iia^i npn n^

'Vsp n^ni DDDK K^K K^nn n^| 3in|jrna ivn^K « W3 pKn ♦s^ Sba nbnnbi Diïh DpnK fnK-»3 DSJIK : \] idk D3^^b D^n^t^-nK

•nunn DDIS J» ün»iN niVnp n;m:

r , , 'h nino

1331 n^n: iv3 nv^i : noKv» ntfö^K nin» isn^i

nsTpn |*3i S^ID bnK-p ihK nn:i nïmb n^n:

' quot; *•• « I iquot; jt - it : lt;st : t : v ^ :

tki D?TT-nK isap V33i pnK ivrni : D»a na^ nnai IK ino» Kgt;i D^p-ixni} n^iü briK-^K DK33 : Dn^in onn* lïnni; rnjrb nfK n^pnb nsTan-^K on^p : nnhn1? 1^161 ib Dbijrpn nnb nn^ni in^ Kbi Dn^j-ii o^ni ^3^ n3-»p330i ih na |ri3n róbi'

bïK i%i nsTsn-1?^ nbj^n-nK mn bsan nm p^in-nK quot;hk K\ïini DnnK onas r3bi vnjs-nKba'öi : nsran : Hnü DipQ-^K ninaV pna_l?K j^n

ocr page 400

OCHTEND-GEBED.

Num. 28,1—8. De Eeuwige sprak tot Mozes, als volgt: Gebied den kinderen Israels en zeg tot hen: het offer voor Mij, Mijne spijze, voor Mijn vuur, tot een liefelijken geur voor Mij, zult gij in acht nemen voor Mij te brengen op zijnen bepaalden tijd. En gij zult tot hen zeggen: dit is het vuuroifer, dat gij den Eeuwige zult brengen: schapen, in dit jaar geboren, zonder gebrek, eiken dag twee tot gedurig brandoffer. Het eene schaap zult gij bereiden des ochtends, en het tweede schaap zult gij bereiden tusschen de beide avonden. En een tiende van een Epha *) meelbloem tot meeloffer, aangemengd met een vierde Hin 1J gestooten [olijf-]olie. Een gedurig brandoffer, gelijk het bereid werd bij den berg Sinai, tot een liefelijken geur, als vuuroffer voor den Eeuwige. En zijn plengoffer: een vierde van een Hin [wijn] voor elk schaap, in het heiligdom uit te gieten tot wijnplengoffer voor den Eeuwige. En het tweede schaap zult gij bereiden tusschen de beide avonden, gelijk het meeloffer des morgens en zijn plengoffer zult gij bereiden, een vuuroffer, tot liefelijken geur voor den Eeuwige.

Lev. 1,11. En hij zal het slachten ter zijde van het altaar, ten noorden, vóór den Eeuwige; en de zonen van Aharon, de priesters, zullen zijn bloed sprengen op het aldaar rondom.

Gij zijt de Eeuwige, onze God, voor Wien onze voorouders het reukwerk van specerijen in rook deden opgaan in het heiligdom, zooals Gij hun geboden hebt door Uwen profeet Mozes; zoo toch staat geschreven in Uwe Leer:

Ex. 30,34. De Eeuwige zeide tot Mozes: neem u specerijen, als : welriekende hars, en zeenagel en galbanum; dergelijke specerijen en zuiveren wierook; in geheel gelijke deelen zal het zijn. Gij zult het maken tot reukwerk, een mengsel, naar de wijze des specerij mengers, goed dooreengemengd, zuiver, tot een heiligdom. Gij zult daarvan tot fijn poeder stooten en daarvan leggen vóór het getuigenis in de tent der samenkomst, waar Ik u op bepaalden tijd verschijnen zal; heiligdom der heiligdommen zal het u zijn. — (Ex. 30,7 en 8). En er is gezegd ; Aharon zal daarop reukwerk van specerijen in rook doen opgaan; eiken morgen, wanneer hij de lampen reinigt, zal hij het ontsteken. En wanneer Aharon de lampen aansteekt, tusschen de beide avonden, zal hij het ontsteken; een gedurig reukwerk vóór den Eeuwige, bij uwe nageslachten.

Onze leeraren hebben geleerd; 2) De samenstelling van het reukwerk: balsem, zeenagel, ealbannm en wierook ieder tot een gewicht van 70 Mané *). Mirre en kassia, Tialm-dunne nardus en saffraan, ieder tot een gewicht

7

1

3) Een Hin bevat 12 Log, zie noot 3).

2

) Gewone inleidingsformule voor eene bepaling uit oude Boraitha's.

3

') Eene Epha is drie Sea, deze heeft 6 Kab, 1 Kab 4 Log, een Log is gelijk de hoeveelheid van 6 middelmatige eieren; de Epha is dus gelijk aan 432 eieren; het tiende daarvan, de hoeveelheid, waarvan men verplicht is Challa te nemen, is dus 4375 ei-

ocr page 401

rvw nban T

. . nquot;3 imsa

F\y?x\ w : n^ö-w nin; -dti

'rin^ nn *mh vrn 'hnp-riK dh^n

: ; • • i- - ^ ••«-•;•; - * t :l t v av •• -:

«npn n^n nt on1? müNi : nyioa ^ nnpnb

vl: quot; .;••• quot;j -* * it vlt; v t jt : - it : i . i : ^v* j'l: ~ :

-jik : n^on nVy DI»1? DÖ^DH mtr^a mn^

i' t _ jt v.quot; : •)* * : stt iquot; ; • t : at r

r»3 niwm ^ETI irasn nxi quot;ipan n'^n quot;int? traan

i Jquot; Vv • Iquot; • •• - v jv - •• ; Iv a - jv r (.t v v jv -

n^ns joira nmü1? nbb nö^n nn^i : D*3quot;iyn

v* t i vjv ; 4t m: at: • ;^ v v -rr •• it s* • .iquot; -it : -it

nt^Krin»: nn1? ma n'tïwnTön nby : rnn

• - • - w; - • j- : t •. i it a* t v ^ li*quot; 'j* * z

•hdj 'nDn E'ipa inKn fcoa1? rnn n^ai 120:1 : nirrV

Ivr.^ hquot; - vl - at v it vvv- i • - •5*^ • ; : • : it iquot;

nniüa pa n'^n ntrniyaan nxi : nirrb nair

- ; • : -at r - it i ■jquot; v** -1quot; * quot; quot; v^v - •• : it i- vt quot;

: nin»1? n'm nn nm n'^n laojai npan

it i- quot; V * quot; Jquot; •»quot; * V |- ; • ; v lt; -

ipnn mn» *:*h nabx narsn rv by inx □ntri *'■*'«^

i ;it: at ; —; • t v t - ) vjv ri- ï ' Tq:

: a^ao naTan-1?^ IDTHK D^nan pnK ':a

r t quot; vquot;: ' ~ •) t v s- -: i - i -; 1- •• :

rpaf iDp D'Bjn Tj^a^ wriia^ -irnS^ ^ jein nm

; ainaa nfo onw wp -ïpj? tf^ari

nquot;1? 'S nis»

rnaVm nbn^i i d^öd jjVnp n^a-bx nin»

niüp hnK n^i : n^n» naa na nat n^abi d»öd

v l; t t lt;• 'r: iv; r vquot; : J' at- jt ; v* quot;

pnn naaD npnt^i : trip ninca nVoü npn ntr^a nph

i quot; t t v • jti; - it ; vl i j v,t \ : -1 aquot; •••• i- | - ^

nstf nb n^iK n^K n^iD ^nxa nnyn ^sb naóo nnnai

tat v.1: v't* ■»•.•-: v- : it lt;•• : • tv • t -it;

nn^p pnK i^pni naxri : oa1? n^nn D^npT tfip ri^nai : nsi^p» nnsn-nK la^^na npaa npaa d^d

. :i- : t iv • i;- Vquot; - v •) • iquot; ; |v - )*.•-• - a* -

^aS n»on nntap n3i»üp» D^ai^n pa rnan-m r'm«

Jquot;i ' r r vj|: tav •!:- • vquot; .quot;it I jquot; - v I s-:r

: Da^nnnb nin»

iv •• i ; vt :

Q^??' niaVri) n^'poni li^ni ■•■«ri D-itas * {jai un rm? * Di3i5i: ^-ji nSü^ nn * ruo wyy?

4) Een Mané, eigenlijk een munt, heeft 100 denaren; de zilveren denar heeft een gewicht van 96 gerstekorrels.

ocr page 402

OCHTEND-GEBED.

van 16 mané. Costus 12 mané, speceriibast drie en kaneel 9 mané. Loog van Carshiena ') 9 kab, wijn van Cyprus drie sea en drie kab, en indien men geen wijn van Cyprus heelt, neemt men ouden zeer witten wijn. Zout van Sedom een vierde van een kab, een weinig van het kruid Ma'alé 'Ashan (dat den rook doet opstijgen). Rabbi Nathan zegt: ook een weinig hars van den Jordaan. — Indien men er honig heeft ingedaan, heeft men het ongeschikt gemaakt voor offergebruik ; en indien men een van al zijne specerij soorten er aan laat ontbreken, is men den dood schuldig 2). Rabban Shim'on, de zoon van Gamliël, zegt: de balsem is niet anders, dan de hars, die van den balsemstruik afdruipt. — De loog van Carshiena dient om daarmede den zeenagel af te spoelen, opdat deze schoon zij. De wijn van Cyprus dient om daarin den zeenagel te weeken, opdat hij sterk van geur zal zijn. Hiervoor zoude immers ook urine geschikt zijn ? doch men brengt uit eerbied geen urine in het voorhof.

Er is geleerd: Rabbi Nathan zegt: terwijl men [de specerijen] stoot, zegt men; stoot fijn! stoot fijn I omdat het geluid goed is voor de specerijen. Heeft men het op de helft samengesteld, zoo is het geschikt voor het gebruik; op een derde of op een kwart, daaromtrent hebben wij geene overlevering gehoord. In verband hiermede zeide Rabbi Jehuda: dit is de regel: is het in de vereischte verhouding bereid, dan is het ook op de helft voor het gebruik geschikt; heeft men er echter een van de specerijsoorten aan laten ontbreken, dan is men den dood schuldig.

Èar Kappara deelde de volgende bepaling mede: Eenmaal na zestig of leventig jaren werd van het overgeblevene gebracht eene hoeveelheid, gelijk aan de helft van het reukwerk 3). Nog deelde Bar Kappara mede; zoude men er een kortob 4) honig bij doen, zoo zoude niemand den reuk er van kunnen verdragen; en waarom mengde men er geen honig onder? omdat de heilige Leer zegt: want alle zuurdeeg en alle honig, daarvan zult gij geen vuurofifer voor den Eeuwige in rook doen opgaan.

De Eeuwige Tsebaoth is met ons, de God Jakob's is ons tot toevlucht, Séla! Eeuwige, Tsebaoth, heil den man, die op U vertrouwt. Eeuwige, help toch! Moge de Koning ons verhooren op den dag, dat wij Hem aanroepen. Gij zijt mij een schuilplaats, voor nood beschermt Gij mij, Gij omringt mij met reddingsjuichen, Séla.' Dan zal den Eeuwige aangenaam zijn het offer van Juda en Jerusalem, als in de dagen van het vroege verleden, als in de jaren der oudheid I

Ach, Heer! verlos 't gebonden Israël door de krachtige grootheid van Uw rechterhand!

Verhoor het schreien van Uw volk, bescherm ons, doe ons rein zijn. Eerbiedwekkende I

Behoed als Uwen oogappel. Almachtige ! hen, die Uw éénheid zoeken te verbreiden;

Zegen hen, doe rein hen blijven, ontferm U over hen; bewijs hun bij voortduring Uw welwillende liefde !

Albedwingende, Heilige, leid Uwe gemeente met de volle grootheid Uwer goedertierenheid!

Eenige, Hoogverhevene I Wend U tot Uw volk, die Uwe heiligheid steeds gedenken.

Verhoor ons smeeken, luister naar ons geschrei. Gij, die het verborgene kent!

Geloofd zij de naam Zijner koninklijke heerlijkheid immer en eeuwig!

') V. a. van wikken. s) dw 'T2 niv?, niet door den aardschen rechter.

3) Keriethoth 6o en b, vgl. Thalm. Jerus. Joma 4,5.

4) — 1/64 Log, eene zeer kleine hoeveelheid dus, vgl. noot 1 op blz. 7.

B

8

ocr page 403

jtto nban n

'T)^pr\ jioipi -ntfV na^pi D\jf tpt^pn • mo -\vyT nvtf axrxn^ pap.! NnS^i pxp 'pongp p;. * pap. n^n nr^-ia nna opTn pan, rr'pnp nSp *p^ pnin loq N^aa ^ponap p:. iS px pj nxi /Nin^-^a piTi nsa ^ now jna ^an • x-inf-Sa ]tvT nS^i? |a pypE' jan x nri^a a»n ^i^sp-Sao rm quot;on dni • rSds rai na nrrna nna * ï)öprj ^ xh$ üw nsn -naw ^93

-n^ ia pnW pan^p p:. * rwJ nh^ na ,jquot;jssirn# na pa^r ppupo p^ N^ist /nS pa; ^ xSqi • niv anri# na .jissn

'. nlaan 'Hij^a a^Sn \gt;?o /pTj a!3in aan pin now pni^ x-in^a now jn: jojn xb jraiSi whph 'nn^a jwi'qS noa? * n?; Sipnr □Ni * pssnS nn^a ^nnnoa DN ^SSan nt mn1 •'ai tox • maiï

: P Tl T. TT. TI V TJ'~ ~T .ITT

: rura an n^op-Sao nriN' nan hp nits nnn mtf a^arS w nwS nnjc now kv-isp na yn

TTT.TTT .. . - •• TT! quot; - •• T

aitanip na jnü rrn -px -Nnsp na yn nip • pxsnS an;tr ^an na panpo p* noSi: /nnn y?o niopS Sia; an\* px ran hv • ^ n'fN ■uoo n^ppn xS B^arSai n^Sa ^a nnax nninnr ^aa ais nfs nwav v: : nSp a'pr. n1??? uS ajifo -up niNas ^ nso ,L? nnp nm : m,npT ar? «jp;. ^on n^rin v. : ^a naa ,o,a qWnM nnn^ nn?o quot;b nan^i : nSp yaaip^ a^a ^n ijnsn : ^i'Jianp aratfai aSip

.rupn p ia-I nSsn

• nnn? nnn ^ra; nbn^i naa njn jBW'ïip • «snij -unqa -ua^ ?)Qp n:n Sap pyuj • Dnotf naa? ^nin1. ^nin niaj nj jm-'ma • aSp| Tan ?]npns aaqn onna aana »asquot;3pn • ?]^Tgs Snj !i?ia ain? vïipT ppq ptBquot;^ • ?inrnp n?ii na? ?]aï'? nn;

m'ipü • nioSpn pi; -unp^ pa^i Sap : quot;ipi aSipS imaSo nia? uv ^na

ocr page 404

OCHTEND-GEBED.

Num. 28,9 en 10. En op den Shabbathdag: twee schapen, onder het jaar, zonder gebrek; en twee tienden meelbloem tot meel-offer, aangemengd met olie, en zijn plengoffer. Dit is het Shabbath-slken Shabbath, behalve het gedurige brandoffer en

Op het Nieuwemaansfeest zegt men-.

Num. 28,11—15. En op de eerste dagen uwer maanden zult gij een brandoffer brengen voor den Eeuwige: twee jonge stieren, jonge runderen, en één ram, zeven schapen onder het jaar, zonder gebrek. En drie tienden meelbloem tot meeloffer, aangemengd met olie, bij iederen stier; en twee tienden meelbloem tot meeloffer, aangemengd met olie, bij den éénen ram. En telkens een tiende meelbloem tot meeloffer, aangemengd met olie, bij elk schaap; een brandoffer tot liefelijken geur, een vuuroffer voor den Eeuwige. En hunne plengoffers: een halve Hien zal zijn bij eiken stier, en een derde van een Hien bij den ram en een vierde van een Hien bij elk schaap, wijn; dit is hetNieuwemaans-brandoffer voor eiken eersten dag der maand voor de maanden van het jaar. En één geitenhok tot zondoffer; behalve het gedurige brandoffer zal het bereid worden en zijn plengoffer.

!) 1. Welke is de plaats [voor de verschillende dienstverrichtingen] der dieroffers? De allerheiligsten 1) worden aan de noordzijde [van het voorhof] geslacht; de stier en de bok van denverzoendag worden geslacht aan de noordzijde, en het opvangen van hun bloed in een voor den tempeldienst gewijd voorwerp geschiedt aan de noordzijde; en hun bloed moet met den vinger gesprengd worden op de plaats tusschen de draagboomen [der verbondsarke] en op het voorhangsel [dat tusschen het heilige en het allerheiligste hing] en op het gouden [reukwerk-] altaar. [Het nalaten van] ééne dezer spattingen houdt de verzoening tegen. Het overblijvende bloed goot men uit aan de westzijde van het voetstuk2) van het altaar, dat buiten [in het voorhof] stond; indien hij het evenwel niet uitgestort heeft, belet dit de verzoening niet. — 2. De [andere] stieren en bokken, die verbrand moeten worden, 3) moeten aan de noordzijde worden geslacht en hun bloed in een voor den dienst gewijd voorwerp aan de noordzijde opgevangen worden; hun bloed moet met den vinger gesprengd worden op het voor-

9

1

') Tractaat Zebachlem, Hoofdst. V. J) Brand-, schuld- en zondoffers.

2

) Het altaar in den tempel bestond namelijk uit een voetstuk ter hoogte

3

van één el (tid') en 32 el lang en breed; daarop stond een tweede prisma-vormlg stuk, ter hoogte van 5 el en 30 el lang en breed, en daarop het eigenlijke altaar, drie el hoog en 28 el lang en breed; aan de vier hoeken van dit bovenste stuk stonden kubussen ter lengte, breedte en hoogte van één el (nwp, horens). Het bovenvlak van het tweede stuk heet saw, omgang, gaanderij.

ocr page 405

mnt? nbsn n

'O nquot;3 13DS3

n^D ♦JB'i Dö^Dn rmr^a 0^33-^^ ni^n bi^i

vs • ; 'v •*quot;'•, a* • ; t iquot; : t : r- : t - - :

ina^3 nSjr : 120:1 p^3 nruD

a - - : vquot; quot; 1 : • : I v : -jt ; •

: nsDJi TDnn röyby

it : • : v.* t -

v-nn csiS

quot;ip3-»:3 ons nin^ i3npn os^nn VN131

• - : Ilt;tt iquot; : • t at r v,t^ j-\: - v •• : t •• t :

on'T^ n^tyi : DD'Dn n^3ty njty-^3 DvKO3 nnx

; 'v -«t : i* * : ^t : • -jt t i» : s* t t v • --;

nVo inNn isb ra^ nn:D nbb

^ v lt; • : ^ ; at v it ^t quot; i v v - jt : t : • v lt;

nn:a rÖD rii'^ p'^i : nns1n fo^3 rh*hï nn:Q

t : v lt; I t l ■j t : ^ it v it 'V.* t I v v jt : t : •

: nin^ namp;x nn^ nn rtiy nnxn ^3317 to^3 n1?')l?3

it iquot; v.v ' quot; • - j.. t ^ at v ^it ^ vv.v- i v v quot; -t

n^»3ni pnn is1? n^n; pnn 'ïn on^pii : ni'^n ^inb iibnn3 trin rhy m ^33^ rnn

: it t^ - vquot; : t : : t ; v - i -at v v,*.* - i .)• -

: i3Dii iïtpy n^onn rhy^y nm^ riKtsn1? -ihk D'-m

1 : • : \,v t\quot; -tt- Squot; quot; at r vt - : -jt v

'n pis □•'nar

iö jisïs friü^n^ D»EnpT ^ipT D^nsr1?^ foipö inrx N* |o^ ^3pi IIÖÏS inu^nty aniösn Di'-Vf nsnsn-b^i onsn yrbyr nnn p^ü joni jifiïs ^33 n»n ain * n33^o rnD nnK njno 3mn nziü-bw

tt t - quot;t: v it ; i v quot; - tt- ttquot; - ; • ;

: 33^ N1? |nj NVDK p^nn nsip-^ niD,_i?ir ■jSi^ |dt btep] p3ï3 fron^ D^-iB'sn Dn.^i ons a 3nTn n3TQ_i7^i nnn pjtt3 ram pa^3 ^33

tt- - ; * - ; vit- tt quot;i titt:! t - •• t • ; •

1

) 1°. De stier, door iederen stam te brengen, indien door eene verkeerde beslissing van het hoogste gerechtshof eene overtreding door het volk heeft plaats gehad, die, indien opzettelijk geschied, met uitroeiing(n-gt;3) gestraft wordt (naï Sc 12t qSïh -is) ; 2°. de door den hoogepriester te brengen stier, indien hij op grond een er verkeerde wetsbeslissing eene dergelijke zonde heeft begaan (tvvü pa is); 3°. de bokken, door iederen stam te brengen, indien op grond van eene verkeerde beslissing van het hoogste gerechtshof eene overtreding op het gebied van afgodendienst heeft plaats gehad (iquot;r ■'W).

ocr page 406

OCHTEND-GEBED.

hangsel en het gouden altaar; [het nalaten van] één dezer spattingen houdt de verzoening tegen; het overblijvende bloed goot men uit aan de westzijde van het voetstuk van het altaar, dat buiten [in het voorhof] stond; heeft hij het niet uitgestort, dan belet dit de verzoening niet. — Zoowel dezen als genen (de stier en bok van den verzoendag) worden op de aschplaats ^ verbrand. — 3. De zondoffers der gemeente, zoowel als die van enkele personen, — de zondoffers der gemeente zijn namelijk de bokken, op de nieuwemaansdagen en de feestdagen gebracht, — moesten aan de noordzijde geslacht en hun bloed in een voor den dienst gewijd voorwerp aan de noordzijde worden opgevangen; hun bloed moest vier maal met den vinger gestreken worden, aan de vier horens van het altaar namelijk (zie noot 3 op blz. 9). Hoe handelde men daarbij ? De priester beklom den trap 1) en wendde zich naar den omgang (zie noot 3 op blz. 9) en kwam het eerst aan den zuidoostelijken horen, [ging van daar rechtsom en kwam achtereenvolgens] aan den noordoostelijken, noordwestelijken en zuidwestelijken horen [terwijl hij telkens met zijn vinger een weinig van het bloed aan den horen streek.] Het overblijvende bloed goot hij uit aan de zuidzijde van het voetstuk. — Deze offers werden gegeten binnen de gordijnen [die het voorhof begrenzen] door alle mannen van den priesterstam; op welke wijze ook toebereid, gedurende éénen dag en den volgenden nacht, tot middernacht. — 4. Het brandoffer behoort tot de allerheiligste offers; het moet dus geslacht worden aan de noordzijde en zijn bloed in een gewijd voorwerp aan de noordzijde opgevangen worden en zijn bloed moet in twee spattingen aan de vier zijden van het altaar komen3) en de huid moet worden afgestroopt, het offer naar zijne deelea ontleed en geheel op het altaarvuur verbrand worden. — 5. De vredeoffers der gemeente4) en de schuldoffers, — de schuldoffers zijn namelijk de volgenden; het schuldoffer wegens roof5), het schuldoffer wegens gebruik van gewijde zaken c), het schuldoffer wegens onteering eener verloofde slavin 7), het schuldoffer van denNazier8), het schuldoffer van den melaatsche9) en het schuldoffer wegens eene twijfelachtige overtreding 10J, — moeten geslacht worden aan de noordzijde, en hun bloed moet in een gewijd voorwerp aan de noordzijde worden opgevangen en hun bloed moet in twee spattingen aan de vier zijden van het altaar komen (zie noot 3). Zij worden gegeten binnen de gor-

10

1

) De priester wierp namelijk uit het bekken een weinig bloed aan den

ocr page 407

n*w nbfin ♦

♦wö iid^ 'nöi^ n»n din rnü nn« njnd

• t^: - ; ^- | •• tt t - quot;t : v it^- ; i v •• - - t t -

asjnè fn: n^dk jirnn nstü-1?^ niavn rik*i2n jrt i^k n^n^ni mavn n^tan j : |^n rvria ion biapi |13ïs jn^^nty d^nn

nuno jr3quot;ix |ü^ psys rntf rips ivkm aaid1? n:3i vm rhy • ni:np

I vhv ; t .. - t t v iv - t't - •• tI;

• rvüaï • n^iav n^nnro * n»üm

• r*quot;. - • : • : • t: • • t: • • ;

• 'pm nid^ n^n dti n^n^p

nsn? nars d^bpn-jp d^ö1?

nna^niy a^np ïynp nbi^n n : nixn*^ di^

tt*: tI t v|i t t -: - t ;r t ;

♦n^ pyü nani paï? •hzz nan siapi fia^s : omh b^31 ninji l3^an n^tpi ^3quot;in |n^ nunp de'k * nfom |n quot;iiaï nbiï ^ra? n

db'k m: dew nsnn nna^ dk'k mv^p atw mbn mty ^33 :üquot;i b^pi ri3ï3 • nvn qvx ^hïd

•• t * : • l t t |-:l t - i t t • ; t tt^t ;

d^s1? 1^3^ • jtsin |n^ ni:np 'nv pyt: |oti: psvs

noordoostelijken en zuidwesteliiken hoek van het altaar tegen de ribben, zoodat aan de vier zijden bloed, zichtbaar was

4) De 2 schapen, die op het Wekenfeest met de brooden der eerstelingen (Q'iwaï ürh) gebracht werden.

5) Vgl. Lev. 5,25. 6) Vgl. Lev. 5,15.

') Lev. 19,21. Verloofd beteekent in rabbijnsche taal iets anders dan bij ons. Het wil nl. zeggen, dat een bindend huwelijk is gesloten, doch de bruid vooralsnog in het huis haars vaders blijft; de pcnTp hebben plaats gehad, de nsin, de eigenlijke echtverbintenis nog niet.

8) Vgl. Num. 6,12. s) Vgl. Lev. 14,12.

I0) Vgl. Lev. 5,18. Voor het geval namelijk, dat er twijfel bestaat, of iemand eene overtreding heeft begaan, die, opzettelijk geschied, met n-o gestraft wordt.

ocr page 408

OCHTEND.GEBED.

dijnen van het voorhof, door de mannen van den priester stam, op welke wijze ook toebereid, gedurende één dag en den daaropvol-genden nacht tot middernacht. — 6. Het dankoffer en de ram van den Nazier!) zijn offers van minder heiligen aard; zij mogen geslacht worden overal in het voorhof en hun bloed moet tweemalen gesprengd worden, zoodat het aan de vier zijden van het altaar komt; zij mogen gegeten worden in de geheele stad Jerusalem, door een ieder, op welke wijze ook toebereid, gedurende een dag en den volgenden nacht tot middernacht. Hetgeen als heffing daarvan [voor den priester] wordt afgezonderd, staat er geheel gelijk mede; met dien verstande evenwel, dat dit afgezonderde slechts mag gegeten worden door de priesters, hunne vrouwen, kinderen en slaven. — 7. Vredeoffers zijn van minder heiligen aard [dan de in Mishna 1—5 genoemden] ; zij mogen overal in het voorhof worden geslacht en hun bloed moet tweemalen gesprengd worden, zoodat het aan de vier zijden van het altaar komt. Zij mogen gegeten worden in de geheele stad, door een ieder, op elke wijze toebereid, gedurende twee dagen en den daar tusschen liggenden nacht. Hetgeen als heffing ervan wordt afgezonderd, staat er geheel gelijk mede, met dien verstande, dat het afgezonderde slechts mag gegeten worden door de priesters, hunne vrouwen, kinderen en slaven. — 8. Het eerstgeborene en het tiende van het vee en het Paaschoffer zijn van minder heiligen aard. Zij mogen overal in het voorhof geslacht worden en hun bloed behoeft slechts éénmaal gespat te worden, mits men dit doet op eene plaats, waaronder het voetstuk zich bevindt 2). Wat het eten betreft, bestaat er tusschen deze offers verschil: het eerstgeworpene nl. wordt door de priesters gegeten, het tiende daarentegen door een ieder, doch beiden in de geheele stad, op elke wijze toebereid, gedurende twee dagen en den daartusschen liggenden nacht; het Paaschoffer daarentegen mag niet anders gegeten worden, dan bij nacht, slechts tot middernacht, slechts door hen, die er bij gerekend zijn, 3) en niet anders dan [aan het vuur] gebraden.

Rabbie Jishma'el zegt: Door middel van dertien afleidingsregelen kan de Heilige Leer verklaard worden; Door gevolgtrekking van het minder tot het meer gewichtige; door toepassing van dezelfde wetten bij verschillende zaken op grond van traditie betreffende gelijkheid van uitdrukking; door eene bepaling bij eene zaak als stelregel te gebruiken, hetzij die bepaling op een of twee verzen berust; door een algemeen begrip, gevolgd door bijzonderheden (waar onder het algemeen begrip niets gebracht mag worden, dan wat uitdrukkelijk genoemd is) en door bijzonderheden gevolgd door een algemeen begrip (waardoor alles wordt inbegrepen).

Wanneer een aantal bijzonderheden worden voorafgegaan en gevolgd door een algemeen begrip, moogt gij de wet op niets

11

ocr page 409

rvw nVfin

: nisn n# nVJpj di^ Vdno-Vm nana n.DtS d^V^n |ü nnrva Dipo_i?33 D^p D'tïhp yn Vni minn i

tt^:T IT T ; I T T * ; *1- -TIT -T ••: T

quot;i^n'baa \nv nuno 'm p^ü \f2i]

onö Diisn * niyn -i^ rh^ dv1? ^«ö-baa din-Sd1?

v •• t - -: t : i- t : t - t : t t t :

on^nbquot;! on^:2? D^rüS D^sn^ «bsj ons KÏI»3 nn?^3 Dipü-^3 \r}wm » : onnn^bi

|n^ ntino jDni

Kyi33 ona oiisn * nn« nb^i w dik

•• - v •• t quot; tv t : i- : * t •• ; • t -: - t ; t t

: onnayVi on^abi nn^:1? D^nab Vaw onanty aba ona

V : •.•••;•; •.*••;• • -: - t V: V T - V T V V T

Dipo-Vaa D^np npsni T^sni maan n

: -iiD^n -!3:a rn^ na^ai * nnK nana p^u ïöti n-wa

: - vi v; I •• • v t ; • tv t t - I ^ t 1 t t : tt^-: t

DiN-^aS T^am D^naquot;? Sa^j maan rnVaxa naty

TT T *. ..«---. - -. - T ... ... . - ITT * quot; T *

• nnx nS^i wb baxö-^aa T^rrbaa pba^Ji

tv t ; i- : • t •• : • t - t : t t ; l * t v; v:

niïn_n^ VaKj law nVVa «bilt; ba«: irK npön : ^ NVK Vaxa vmb «bx ban: irxi

• t tv t v: v •• ; t : • t v t v: v •• ;

•D'jru min tnia Waf' 'n niï»i3

: nnmn nnp nn^jr vbwz ioin bnynw ♦an to ainao a« r^aö * niB' nnTüöi * naini Spö

TV T * T IT; • * TT Tquot;; • vit I- •

- bbai 1:1301 * mai Waö * D^ama ast p:aoi

T: T:- T: T : * • :••:• tit:*'

Sbao • ünsn p^a p nnx ^ bbai 12-101 bSa

t : ■ t : t ; t v i t t quot; t : t : t :

1

Vgl. Num. 6,17.

2

J) Aan een deel van de oostzijde en een deel van de zuidzijde liep nl.

3

') Vgl. Exod. 12,4.

ocr page 410

12 OCHTEND-GEBED.

D^npön pi • IÖIDQ löbn 1^1 myn

: Dn^^i nirm «13»^ 1% nrn« nr

nini?? i^^an ni nja^ irnm; ,nVl irn'S^ \] ^3^0 p'sn ^ 0^31 oSlp ,D,3 nXT.3 ï|13jza D^1: : lill. iU,p;5

: nl'Jiaip.

isu'» 'pï'1 y'nsi nsisn D-np jpna1? wxa pspi3,gt; Hm nibo ^tsiwa

vniïöa li^ip wa D1?^ Tibü irriVx M nnK Tinn

it * ; t ; • ; it :l • v -1 t ^ t | v iv r* v: ▼: t - ) t

: nv^s ^^rinb

ms'» ins^r inxi

: |VDn» ^2:2 bïa Dquot;JK ^ni ^on no Dquot;n npa ï]s^ »3 : Dp;fn bnn f^-ip : nyn,^^ ^npnvi, ^pn ^0 : nix-nxn: ^quot;iiNa

tenzij de heilige Schrift haar uitdrukkelijk wederom onder den regel begrijpt. — Iets, dat uit den samenhang [met andere wetten] wordt afgeleid of iets dat uit het vervolg [der bepalingen betreffende de zaak zelve] wordt afgeleid. — En evenzoo: twee bijbelplaatsen, die elkander tegenspreken, [kunnen niet worden opgehelderd,] tenzij een derde bijbelplaats de tegenstrijdigheid oplost.

Het zij IT welgevallig. Eeuwige onze God en God onzer voorouders, dat het heiligdom spoedig, in onze dagen herbouwd worde, en maak Uwe leer tot ons deel. En daar zullen wij ü in eerbied dienen als in de dagen van het vroege verleden en als in de jaren der oudheid.

Bij het aantrekken van het groote Tallieth zegt men staande:

Geloofd zijt Gij, Eeuwige, onze God, Koning der wereld, die ons door Uwe geboden geheiligd ea ons bevolen hebt ons met de schouwdraden te omhullen.

Vervolgens doet men het Tallieth om en zegt, tendjl men erin gehuld is: Hoe kostbaar is Uwe genade, o God! ook menschenkinderen vinden bescherming onder de schaduw Uwer vleugelen! Zij drinken tot verzadiging uit den overvloed van Uw huis, en Gij drenkt hen uit den beek Uwer heerlijke genietingen. Want bij U is de bron des levens, in Uw licht'zien wij licht! quot;Verleng Uwe genade voor hen, die U kennen, en Uwe gerechtigheid voor hen, die oprecht zijn van hart!

ocr page 411

nnniy nban y

-Ss ' SbD1? 'nny Minjy tiiööi * LJW 'nnï Kinty

t t : * i * t v t : * t : * i * t

■Sy nabV ^aS1? Sban-ïö iyi

•• - : •• - : t : - i • t t : t : • t t v t t

■orVa * Nr iVs bban ^ nabS KVK KÏ» ioï^

T T T TT 'v T ; - : TV TT :

KÏ» 13^5 Kinf nnK $b fi^tpV SbD3 n*n^ ?ii^b Sbaa narba * n^onnb kVI bpnS

I ^ ; • TT: T:* T T V TTT •-;-; : I-T;

n»n^ -arVa * n^onnbi bpnb KiM Kbiy nnx Tjrta

TT V TTT • -; - : I*• t : tt t. * : v •• - 1^- 1

nnnnS bis» nnx w t^nnn quot;ais rnb xïn

•-;-; T T quot; T T V T T quot; I * TT: T:*

nübn lyi • tyinsa ibbrib aman ^nnn^ IVSD1?

.. T - T t •• : t : * t - IV • -:- v - t : •

anders toepassen, dan op hetgeen met die bijzonderheden overeenkomt. Door een algemeen begrip, dat nog nadere toelichting in bijzonderheden noodig heeft, !) en door bijzonderheden, die door het algemeene begrip opgehelderd worden. 2) Elke zaak, die in het algemeene begrepen was en uit dit algemeene is uitgetreden [afzonderlijk behandeld is] om ons iets nieuws te leeren, is niet alleen afzonderlijk behandeld, om ons [de nieuwe bepaling] voor die ééne zaak zelf te leeren, maar is afzonderlijk behandeld, om [ons die nieuwe bepaling] te leeren met betrekking tot het ge-heele algemeene begrip. Elke zaak, die in het algemeene begrepen was, en afzonderlijk behandeld is, om eene nieuwe, verlichtende bepaling vast te stellen, in een geval, waarin volgens de bepalingen bij het algemeene begrip eene zwaardere wet wordt toegepast, — is afzonderlijk behandeld, uitsluitend om die lichtere bepaling te geven, doch niet om de verzwaringen, die bij het algemeene begrip gelden, toe te passen. Elke zaak daarentegen, die in het algemeene begrepen was en afzonderlijk behandeld is, om nieuwe bepalingen te geven, voor gevallen, die bij het algemeene juist tegenovergestelden invloed hebben, is afzonderlijk behandeld, om de daarbij uitgesproken verlichtingen en verzwaringen aan te geven [zonder dat uit het algemeene iets op die afzonderlijk behandelde zaak mag worden overgebracht]. Eene zaak, die in het algemeene begrepen was en afzonderlijk behandeld is om volgens eene geheel nieuwe bepaling behandeld te worden [die bij het algemeene in het geheel niet voorkomt], heeft men niet het recht weder onder den algemeenen regel te brengen,

') In welk geval niet de regel uisi ¥73 geldt.

J) In welk geval het niet wordt beschouwd als SSai dis.

ocr page 412

13 OCHTEND-GEBED.

(Het zij TJ welgevallig, Eeuwige, onze God, en God onzer voorouders, dat de vervulling van dit gebod der schouwdraden beschouwd worde, alsof ik het vervuld had in al zijne bijzonderheden en nevenbepalingen en met de daaraan ten grondslag liggende gedachten, met de 613 geboden, die ermede ia verband staan; amenl)

Van -ittxf -pi; tot rtinivna hhrtn wordt staande gezegd, terwijl men de heide voorste rorï in de rechterhand houdt. Zoodra men vquot;3 begonnen is, mag het gebed tot nd rquot;c niet onderbroken worden; echter met deze uitzonderingen-, op cfTp te antwoorden met roi rmv \tlt; ps; op 1313 met ip dVï1? T^on _'n hij nunp de verzen cnp en 1133 quot;1113 mede te zeggen, zoolang men niet zelve bezig is squot;v te lezen; is dit het geval, dan zwijge mm, zoolang een dier formulieren wordt uitgesproken, en luistere.

Bij het verrichten van het gebed met de gemeente, komt het in hoofdzaak er op aan, tegelijk met de gemeente te lezen, zoo mogelijk ook met zijne lofzeggingen. Wie dus te laat ter Synagoge komt, om alle Psalmen en bijbelplaatsen, die hier volgen, aan zijn gebed te doen voorafgaan, kan, indien er geheel geen tijd meer is, onmiddellijk nx w met de gemeente beginnen; heeft hij eenigszins tijd, zoo begint hij en zegt vervolgens irwN tot rmSSn, vervolgens rincj en rans.1'. Heeft hij nog meer tijd, dan worden nog andere stukken bijgevoegd, zóó echter, dat hij ns -ixn met de gemeente kunne zeggen. Hetgeen hij het gebed niet gelezen is, behoort later bijgevoegd te worden, evenwel zonder dquot;3 en roncn.

Geloofd zij Hij, die zeide — en de wereld ontstond, geloofd zij Hij ; geloofd zij de Maker van het begin der wereld ; geloofd zij, die zegt en ook doet; geloofd zij, die besluit en volbrengt; geloofd zij Hij, die zich ontfermt over de aarde; geloofd zij Hij, die zich ontfermt over de schepselen; geloofd zij Hij, die degenen die Hem vreezen, met goeds beloont; geloofd zij Hij, die eeuwig leeft en door alle tijden bestaan blijft; geloofd zij Hij, die bevrijdt en redt; geloofd zij Zijn naam ! Geloofd zijt Gij, Eeuwige, onze God, Koning der Wereld, Almachtige, Albarmhartig Vader ! Wiens daden geprezen worden door den mond van Uw volk, die geloofd en geroemd wordt door de tong Uwer vromen en Uwer dienaren. — Met de liederen van Uwen dienaar David willen ook wij Uwe daden prijzen. Eeuwige, onze God, met lofprijzingen en gezangen Uw grootheid verkondigen, U loven en roemen. Uwen naam in herinnering brengen en U als Koning doen erkennen, onze Koning, onze God, Eenige, Eeuwiglevende, Koning, Wiens groote naam geloofd en geroemd worde tot in eeuwigheid. Geloofd zijt Gij, Eeuwige, Koning, Wiens daden in lofprijzingen worden geprezen!

Na de schouwdraden gekust te hebben, laat men ze los.

!) Dankt den Eeuwige, roept Zijnen naam aan, maakt Zijne daden bekend onder de volkeren! Zingt te zijner eere, verheft uwen zang tot Zijnen lof, bespreekt al Zijne wonderdaden! Zoekt uwen roem in Zijnen heiligen naam; dat zich verheuge het hart van hen, die den Eeuwige zoeken. Verlangt naar den Eeuwige en Zijne macht, zoekt steeds Zijn aangezicht! Gedenkt Zijne wonderdaden, die Hij gedaan heeft. Zijne teekenen en de rechtsuitspraken van Zijnen mond! Gij kroost van Israël,

ocr page 413

nnnty nVan y

ir npit ni?p irnü?? ri^virn'Ss «jlsn ,n^

: ton * na nnSnn nisn mm nTiüoi n^npn mtans^as rnno'P

i *• t t • : - : * t iv t- : t hv i; •: t ivt: t : t i* :-l*

ninaCna T quot;IDNU' ^na nquot;«n ••piDB mïn nïsi no^n mh sac IQ

a^atrn p 'n nx iSSn mSSn aSiy nyi n- nnS nSnn p ^ ir nor: 3quot;quot;^ mSSn ^ wipa S»\* iSbn i1™ n^SSn anp ay t» Dimjciniiï^i mm Nim ^ 'nh mn ^ ^ bm •.nan^

/^onc quot;[na pi ikn' ss hss mnu is j\s' os1 piasn dp svsnn1? na dtipc;

nipm iw nsv na-ia sw us w ivnm laa oni nanc1! nüVi 'inS nSrin iTSSt rrw P3iöv nnsi pttxn or mry njior mn«i= or ^cr nxnp .nanoi nSi -mxc -pia -ibn' -nanr'1 ^ 'iai 'nS mn .nTuva wew quot;lONtt* nna rn'ss nrca rns'n iTa vjbSü ino rnsi nfriy ^13 * Kin • abi^n n^ni ^quot;i3

* D^OI ITI3 Tj-na • n'^i^ noiN ^13 • Tpa * ninsn-1?^ onnp ^quot;13 * p^n-b^ onnp ^quot;is - nxjS D^pi n^S ♦n nna * VXT1? aiü abira

-iv t ti - : t - ) t t •• * tt *• - :

irribK ♦; nnx Tpa * io^ * ^ÏOI nniö ixaoi naira ia^ ♦sa ^Vnon ramn axn * abiyn

t : t *-. : ~ * ; t •..:-) t -: -t t t •• t t ^ t

irrtVx v Tin n^ni * in^'i vrpn fi^ba

^3^:1 nn^pni ninnrra quot;iNijoi rDEto yhfc * D^o^i^n ♦n Trv irnbN iwbo

t : t ••. : ) v iv 'tt *• * t iquot; v; iquot; ; - | :

: nina^na bbno ^bo « 1D^

.IT» Dmiii prr»

V'i 'N nquot;i

iS -n^ : d»s^3 i^nin iobo ixnp «S nin i^li^ ibbnnn : in^ lyna?

nar : T-pn vi3 1^3 it^i. « • V n1? not^» SnTequot; jnr : vnsb rnK'jö:

*. r: * quot;iv r •• ; ; • t ; t ^t v -; t ; : •

') I Kron. 16,8—37. Deze verzen werden gedeeltelijk 's morgens, anderdeels des middags bij het brengen van het dagelijksche offer uitgesproken.

ocr page 414

OCHTEND-GEBED.

14

Zijnen dienaar, zonen van Jakob, die Zijne uitverkorenen zijt, — Hij is de Eeuwige, onze God, over de gansche aarde reiken Zijne rechtsuitspraken! Gedenkt dus tot in eeuwigheid Zijn verbond, het woord, dat Hij geboden heeft, tot in duizenden geslachten; [het verbond] dat Hij gesloten heeft met Abraham, en [gedenkt] Zijnen eed aan Izak; Hij stelde het voor Jakob tot een vaste bepaling, voor Israël tot een eeuwig verbond, zeggende: u zal Ik geven het land Kena'an, het u toegewezen erfdeel. — Toen gij nog weinig in getal waart, gering — en er als vreemdelingen u ophieldt, en zij zwierven van volk tot volk, van het eene koninkrijk naar eene andere natie, liet Hij niemand toe hen te verdrukken, en bestrafte om hunnentwille koningen: „Raakt niet aan Mijne gezalfden en Mijnen profeten doet niets kwaads!quot; — Zingt ter eere des Eeuwigen, aardbewoners allen! verkondigt van dag tot dag Zijne hulp ! Verhaalt onder de volkeren Zijne heerlijkheid, onder alle natiën Zijne wonderdaden. Want groot is de Eeuwige en Zijne daden hoog geprezen, Hij is eerbiedwekkend meer dan alle goden! Want alle goden der natiën zijn afgoden, de Eeuwige echter — Hij heeft den hemel gemaakt; majesteit en glans is vóór Hem, macht en blijdschap op Zijne plaats! Geeft den Eeuwige, gij geslachten der natiën, geeft den Eeuwige heerlijkheid en macht! Geeft den Eeuwige de heerlijkheid van Zijnen naam, draagt geschenken en komt vóór Zijn aangezicht, werpt u neder voor den Eeuwige in heilig pronkgewaad! Beeft voor Hem, gij aardbewoners allen! dan staat vast de wereld, zij wankelt niet! De hemel verheugt zich en de aarde jubelt, als men zeggen zal onder de volkeren: «de Eeuwige regeertquot;. Dan bruischt de zee en wat haar vult, luide jubelt het veld en al wat erop is. Dan juichen al de boomen des wouds voor den Eeuwige, — want Hij komt om over de aarde recht te spreken! Dankt den Eeuwige, want Hij is goed; want tot in eeuwigheid duurt Zijne genade! En zegt: help ons, God van ons heil, en verzamel ons en red ons van de volkeren, opdat wij danken Uwen heiligen naam, opdat wij ons roemen in het prijzen van Uwe daden. Geloofd zij de Eeuwige, de God van Israël, van eeuwigheid tot eeuwigheid! ^ — en het gansche volk zeide: „amenquot; en prees des Eeuwigen daden.

Verheft den Eeuwige, onzen God, en werpt u neder voor Zijn voetbank, heilig is Hij ! Verheft den Eeuwige, onzen God, en werpt u neder voor Zijnen heiligen berg, want heilig is de Eeuwige, onze God. Doch Hij, Albarmhartig, vergeeft misdaad en vernietigt niet; reeds veelmalen wendde Hij Zijnen toorn af, en wekt nimmer Zijne geheele gramschap. Gij, o Eeuwige! onthoud

■) In deze woorden vinden de geleerden eene toespeling op de toekom-

ocr page 415

rvw nban quot;i^

: pKrrVpa irri^K ^ Kin : vrna ^3 -nvt nil IKW : nn njv quot;15^ mna chty) nar pn'p nn;p^»i : pnr1? on^K

: Dpnpn? San ^J3quot;p« |nN ^ : abiy nna -bx »130 «bnn^ : na anji ^oa nstpp ♦no oanvna Dp^^b ty'x1? ITSI-TN1? : nnx naboaai 'ia

V^ï ^♦ajai ^n^oa i^n-V^ï : D^Ö Dn^X nai^ : in^t^ DVbtS'Q'i'P 1^3 fixn-ba «V in^ : ^nn « biu »a : vnKba: a^a^n-Saa maa-nx D^iaa nso

▼: t * t : : * f ~ t t : : v ' quot; : '

♦nVx'Va quot;a : cavftK-Sa-Vy Kin kuii IKO

v; t • v; t t : ; t ••. :

nnni tv r:ab nmi nn : ntr^ d^üE' «i D^ö^n

t ; v ; t t : t t : t t * i- t t~ *••.*: • - t

ian : mi maa quot;b lan.D^v ninsirü lan : lapoa

T T T T - # T • ; : * T - T f'

quot;h linnen v:ö^ ixai nn:o iw ia^ maa

t - -:-:• tt: i t:* : : 5 t

: üisn-^a ^an |ian-t]K pNrrba vjabp i^n : tynp-mnna üvy : nbo quot; D^iaa noKn pxn b^ni o^rn mo'^

; • j t t ▼: - ; : | v it t •• t : • i- t quot; ! : •

ij_3T tn: : ia iK'tsrSai nn^n ixbpi a»n aiu ♦a quot;b min : rixn-nN üia^ xa^a « 'laba -ijm

T- | vit t v ; • t •▼;••:• • it-

i:vapi i:^ i^^m nptsi : non abi^b ♦a : ^nVnna nan^nb ^np nnnb n^n^p n^vni ■Sa npK'i DV^n-n^i obi^n-fp bjntf. ♦n^x « ^na

onnV iinn^ni irnbx ♦♦ loon : ^ Sbni jpx D3;n it^np -inb iinn^ni irn^N « loon ; Kin tfnp vbn n^n^t kSi naa^ omn Kim : li^ribx « ^npT »3 -kV «rnnK : man-Sa nnr nVi isk a^nb n3ini

▼: t- t-: t t : quot; *t: t:-:

stige wereld; dit formulier zou nl. juist zijn ingesteld met het oog op hen, die het leven hiernamaals ontkenden.

ocr page 416

OCHTEND-GEBED.

mij Uwe barmhartigheid niet; Uwe genade en Uwe trouw mogen mij steeds beschermen! Gedenk Uwe barmhartigheid, o Eeuwige! en Uwe genadebewijzen; want sinds alle eeuwigheid zijn zij! Kent God macht toe, Wiens hoogheid over Israël is, gelijk Zijne macht in de wolken. Eerbiedwekkend is God, meer dan uwe heiligdommen! de God van Israël, Hij is het, die macht en sterkte geeft aan het volk; geloofd zij God! God der vergelding, Eeuwige, God der vergelding! treed stralend te voorschijn! Verhef U, Gij Rechter der aarde, geef vergelding hunner daden den hoogmoe-digen! Doch bij den Eeuwige is de hulp, over Uw volk is Uw zegen, Séla! De Eeuwige Tsebaoth is met ons, de God van Jakob is ons tot vesting, Séla. Eeuwige Tsebaoth, heil den mensch, die op U vertrouwt! Eeuwige! help toch, moge de Koning ons verhooren op den dag, dat wij Hem aanroepen! Help toch Uw volk en zegen Uw erfdeel, weid hen en verhef hen tot in eeuwigheid. Onze ziel verbeidt den Eeuwige, Hij is onze steun, ons schild; want in Hem verblijdt zich ons hart, want op Zijnen heiligen naam vertrouwen wij. Zoo moge dan Uwe genade over ons zijn, o Eeuwige! gelijk wij op U hopen! Toon ons,o Eeuwige, Uwe genade, en verleen ons üw heil! Sta op tot onzen bijstand en bevrijd ons ter wille van Uwe genade! Ik ben de Eeuwige, uw God, die U heb opgevoerd uit het land Egypte; open wijd uwen mond, en Ik zal hem vullen! Heil het volk, dat iets zoo-danigs bezit! Heil het volk, wiens God de Eeuwige is! En ik, ik vertrouw op Uwe genade, mijn hart juicht in Uwe hulpe; ik wil zingen den Eeuwige, want Hij heeft mij welgedaan!

Psalm 19. Voor den zangmeester; een psalm van David. De hemelen verhalen de heerlijkheid Gods, en:/,Werk Zijner handenquot; deelt het uitspansel mede. De eene dag doet den andere toevloeien het woord, en de eene nacht verkondigt den andere kennis. Niet uitspraak is het, niet woorden, wier stemme niet wordt gehoord, — maar over gansch de aarde strekt zich hun meetsnoer, en tot het einde der wereld hunne uitspraken; voor de zon plaatste Hij een tent in hen. En deze, gelijk een bruidegom uit zijn bruidsvertrek te voorschijn treedt, verheugt zich als een held om de baan te doorloopen. Van het einde der hemelen is zijn uitgangspunt en zijn omloop over hunne grenzen, en niets kan zich verbergen voor zijnen gloed! — De leer des Eeuwigen is volmaakt, zij verkwikt de ziel; het getuigenis des Eeuwigen betrouwbaar, het maakt den onnoo-zele verstandig; de bevelen des Eeuwigen zijn rechtvaardig, zij verheugen het hart; het gebod des Eeuwigen is zuiver, het verlicht de oogen. De vreeze des Eeuwigen is rein, zij bestaat eeuwig; de rechtsuitspraken des Eeuwigen zijn waar, rechtvaardig allen te samen. Zij zijn meer begeerenswaardig, dan goud en fijn goud in menigte; en zoeter dan honig en uitvloeiend zeem. Ook Uw dienaar wordt door hen gewaarschuwd ; bij hunne inachtneming [vindt men] groote belooning.

15

ocr page 417

mm? nban ID

^ön*ii3T : quot;t^n ^pn ^sö ^öni. «bpn D^nbsï1? tgt; un : nan obi^ö »3 ^noni « Kin ^Knir' ^cnpap d^Vk kii: : D^nifa 1^1. ïr\m Sk « niapT: bx : D'n^Nt nio^rn w |n:

: D'tsrV^ Vioa nt^n p«n mvn : ^^in niö^i ■3^p UDy nifOï » : n^D ^n?quot;)3 ^T^V. n^i^^n ^ ♦♦ : na nt23 din ntrx niNDï quot; : nbo ap^ ♦nVx u1?

*: i t quot; iquot; tt ••: - t : *: t iv i :~ •• v: it

T|-iai ^ajr-nK n^^m : m^r ovn TjVsn n^^in ^ nnpn 1:^3: obi^n-i^ ^nSnrnx

-♦n» : lanan i^np Dtra ^ no't^ ir^ : Kin 1:3301

• ; ; it t ;i t •• : iquot; • - : * • iquot;* t

^l^i ^pn V; ^N5quot;in : ^ i^n» n^Np 13^ »♦ ^pn quot; ^3N : nnon r^ob 13131 13b nnnry naip : liS-rnn

▼; • t |iv; - l^r : iquot;: it t \t.v t I it I v •

nirK : intfJOKi ^fi'snnn onvP p.^1? I^sn ^n^ ♦nnt33 nnona '3Ki : vnVtf quot;v D^n n^K iV nMjy o^n

• : r t i : ; - ; • -; - t v: *; v quot;t t ••: - t it v ^t t

: *bv VÜ: ^ «b m^N nn^i^^ ^ by

t t * t t- tl* t i iv ^t .....t

ntr^Di VK-nins DHSDO ora^n : nmb tidtq n^üb ta1

..»amp;.. .. . . . - . • |- t - • t : ; * - iquot; - ; -

nb^i naK yy a^1? ai' : ypm n^a VT

t ;iquot; ; -Vi i* ~ : i r t t • - tt

yü^3 ,L7p onnn psji idk : n^Tnin* nVbS vmb on^ö ban nïpm Dip Kr pxn-bra : obip

V IV - ...... .... quot; i ; * Tl- TT i VIT T T : T i

11333 'vw insna kï' ?nn3 Mini : Dn3 bnx d'^

• ; * t t ••. •• •• i t t : : v t v i t

Dnivp-b^ inaipni imïid D^^n nvpp : mx pnS nin^ ^33 n3^ö no^on « mm : msno nnD3 ?^i

v|t - i* ; t • : •»■: - t - •• t : • i quot; :

nivp 3b 'na^p dhb* v; nips : ♦ns np^np n30K3 ^ «-♦LSfityo ivb nnby nninia M nym ni3 «

*: •• ; ; • r viv^ t : *: - ;• 'it - • ; tt *;

Bbno D'pinai 31 rsoi 3nTö onomn : mn» ipnï nas*

- : • i • : t - • tt* • t v; v - t : - i ; t v v;

; 31 3^. Dia^s ans nn?3 fizy D3 : d'öiï na3i

ocr page 418

OCHTEND-GEBED.

Dwalingen — wie bemerkt ze ?! houd Gij mij rein van verborgen zonden! Ook van moedwilligen houd Uwen dienaar terug, dat zij mij niet beheerschen; dan zal ik schuldeloos zijn en rein van zwaar vergrijp. Mogen tot welgevallen zijn de uitspraken van mijn mond en de overdenkingen mijns harten voor U, o Eeuwige, mijn Rots en mijn Verlosser!

Psalm 34. Van David, toen hij zijn verstand verloochende vóór Abiméleeh, waarop deze hem verdreef en hij wegging ^; Ik wil den Eeuwige loven ten allen tijde; steeds zij Zijn lof in mijnen mond. Mijne ziel beroeme zich op den Eeuwige; dat bedrukten het hooren en zich verheugen. Verkondigt des Eeuwigen grootheid met mij; laat ons te samen verheffen Zijn naam I Den Eeuwige zocht ik en Hij antwoordde mij, en uit al wat mij verschrikte, redde Hij mij! Die tot hem opzien, ontvangen licht en hun aangezicht wordt niet donker van schaamte. Deze ongelukkige riep, en de Eeuwige verhoorde, en hielp hem uit al zijnen nood. De engel des Eeuwigen legert zich rondom hen, die Hem vreezen, — en maakt hen vrij! Ondervindt en ziet, dat de Eeuwige goed is; heil den man, die bij Hem bescherming zoekt! Vreest dus den Eeuwige, gij Zijne heiligen; want geen gebrek lijden zij, die Hem vreezen! Jonge leeuwen lijden gebrek en honger, maar zij, die den Eeuwige zoeken, ontberen niets goeds! Komt, kinderen, luistert naar mij, de vreeze des Eeuwigen wil ik u leeren: Wie is de man, die leven wenscht, die vele dagen begeert om goeds te zien ? Bewaar uwe tong voor kwaad en uwe lippen voor het spreken van bedrog; houd u verwijderd van het kwade, en doe het goede; zoek vrede en Jaag hem na! Des Eeuwigen oogen zijn gericht op rechtvaardigen, Zijne ooren wenden zich tot hun schreien; het aangezicht2) des Eeuwigen richt zich tegen de boosdoeners, om hun aandenken van de aarde uit te roeien. Doch als zij schreiden, dan hoorde de Eeuwige, en redde hen uit al hunnen nood. Want de Eeuwige is nabij de gebrokenen van hart, en helpt de terneergeslagenen van geest. Wel zijn veel de rampen des rechtvaardigen, maar uit allen redt hem de Eeuwige; beschermend al zijne beenderen, zoodat niet één van hen gebroken wordt. Den booswicht daarentegen doodt het ongeluk, en die den rechtvaardige haten, boeten hun schuld. Doch de Eeuwige bevrijdt de ziel Zijner dienaren, en die bij Hem bescherming zoeken, boeten hun schuld niet!

Psalm 90. Gebed van Mozes, den man Gods: o Heer, een toevlucht waart Gij voor ons in alle vroegere geslachten. Voordat bergen voortgebracht waren en Gij aarde en wereld deedt baren, en van eeuwigheid tot eeuwigheid zijt Gij God! Gij voert den sterveling tot verbrijzeling, maar spreekt: Keert terug, gij menschenkinderen! Want duizend jaren zijn in Uwe oogen als de dag van gisteren, als

') Vgl. I Sam. 21,14. De toorn.

C

16

ocr page 419

rvw nbsn

ï|^ Tj'^n Dnrö D3 : ^[55 niiriwö |opö -noK jiï-i1? vn* : nn ♦n^ji on^ TK : niv « ^:ph |i^rn; »a

: ^»1 in^trnx -nnb iS

«3 : »33 in^nn n^n quot;TIN hdidk

t - * : t - ; • t t : *: v t -:t -:

nöoinji 'riK «V : ino'^n d^ i^db'» bbnnn itrsn : »:b^n ♦nniiö-baoi quot;TIN ^n^-n : m ïm

r • mt • • - : t • 'it t; *: v • ; 1- t t : - :

quot;VSDI ynv «1 ^ïquot;ip ^ nr : nsn^K on^öi rba

t * r* t t- tIt ' t v it ; v - •••••: it t : t ••

iq^ü : Dïv'n'i vxn^ n^D « TjN^o n:n : i^^in vniiï vtrip «-ntt itsjn» : irnDrv nnan n^K « diü-»3 wii -nS quot; ^ri 13^ 1^1 on^ss : quot;iieno px '3 -♦p : DsnsbN » my D^risb : 3itrb3 iiipn^

: 31L2 niM*)b 3nN D^n pönn ^'•«n ir[53 3ii3-n'TO yiü quot;11D : no*ip quot;isnp jnp

: Dn^ia'-VNt v:mi D^pnrbK quot; wy : ins-ni oib^

t't:- v t:t : I* ** v *: quot; quot; r* : t ; t

ym n. : anpT pxp nnsnb ^3 « ^3 3S-n3iyaV « 3inp : d^ïh □ni-irL53Qi

.. ; - .. . ........ t; it t * * t t t •

quot;ip# : ♦♦ uSr obspi pnx ni3n : nn n^quot;i nman : nn3tya n1? nsnü nnx vrlDïj?_t?3

quot;t- t ^ t t •• : tit ; * tiquot; •• - - t ; ^- t

■S3 IPI^K» KVI my #33 ♦♦ nfs : pnv Wtri

t ; ; v ; tt^-; viv ▼; v it : v i • - ••: :

: 13 D'pnn

lib n^n nnx nwzh nbsn s

it t r t t - I t t -; • v; t v ; t * ;

^ni rquot;iN bbinm onn dquot;iü3 : *ii3

.. .. ; I ...... .. ; - IT..# ' t viv : t :

npNrn KSTTJ? 3#n : bx-nnx obijntf nbi^pi

♦3 SlOHK 01*3 ï]^3 t]btlt; *3 : D^-^3 13^

Tt3

ocr page 420

OCHTEND-GEBED.

hij voorbij is; als ééne wake in den nacht! !) Gij doet henweg-stroomen, als een slaap zijn zij; doch des morgens vernieuwt het als gras zijn levenskracht; des morgens bloeiend en vernieuwd van kracht, snijdt men het tegen den avond af, zoodal het verdroogt. Want wij gingen te gronde door Uwen toorn, en door Uwe gramschap zijn wij verschrikt. Gij steldet onze misdaden tegenover U, ons geheimste denken in het licht van Uw aanschijn. Want al onze dagen zijn heengegaan in Uw toornig woeden; wij eindigden onze jaren als een enkelen galm! De dagen onzer jaren — hun aantal is zeventig jaren en, als zij machtig veel zijn, dan tachtig jaren; — en hun trots is zorg en nietigheid; want spoedig is het afgesneden, en wij vliegen henen! Wie kent de macht van Uwen toorn! Ja, gelijk de vreeze voor U is Uw toornig woeden! Leer ons dan zóó onze dagen tellen, dat wij een hart vol wijsheid verwerven. Keer terug, o Eeuwige, — tot hoelang nog! — en verander van besluit over Uwe dienaren! Verzadig ons in den morgen met Uwe genade, opdat wij jubelen en ons verheugen gedurende al onze dagen! Verblijd ons gelijk de dagen, toen Gij ons vernederd hebt; de jaren, dat wij onheil zagen. Moge Uw werk zichtbaar worden voor Uwe dienaren, en Uwe heerlijkheid voor hunne kinderen. Moge de liefelijkheid van den Heer, onzen God, rusten op ons; en het werk onzer handen bevorder voor ons, ja, bevorder het werk onzer handen!

Psalm 91. Wie zit onder de bescherming des Allerhoogsten, verblijft in de schaduw des Almachtigen. — Ik zeg met betrekking tot den Eeuwige: mijn toevlucht en burcht, mijn God, op Wien ik vertrouw, — Dat Hij U zal redden van des vogelaars strik, van vernietigings-pest. Met Zijn vlerken bedekt Hij u en onder Zijne vleugelen vindt gij bescherming; schild en pantser is Zijne waarheid. Gij hebt niet te vreezen den schrik van den nacht, den pijl, die bij dag vliegt; de pest, die rondwaart in het duister; de besmetting, die des middags woedt. Al vallen duizend aan Uwe linkerzijde en tienduizend aan Uwe rechterhand, U zal het niet naderen. Slechts met uwe oogen zult gij aanschouwen, zult zien de vergelding der booswichten. — Want gij hebt den Eeuwige, mijnen Beschermer, den Allerhoogste, tot uw toevlucht gemaakt! Daarom zal geen onheil u beschoren zijn, geene plaag naderen tot uw tent. Want Zijne engelen zal Hij omtrent u gebieden, u te behoeden op al uwe wegen. Zij zullen u dragen op de handen, opdat gij uw voet niet stoot aan een steen. Op luipaard en adder zult gij dan treden, zult vertrappen jonge leeuw en slang. «Want in Mij schept hij behagen, daarom red Ik hem; Ik verhef hem hoog, want hij kent Mijnen naam. Als hij Mij aanroept, dan antwoord Ik hem; met hem ben Ik in nood; Ik bevrijd hem en maak hem

feëerd; Ik verzadig hem met lengte van dagen, en doe hem Mijne ulp aanschouwen.quot;eëerd; Ik verzadig hem met lengte van dagen, en doe hem Mijne ulp aanschouwen.quot;

17

ocr page 421

rvw nban r

Tïn3 quot;ip33 vrr nity anöiT : nS^ü nniü^Ki iiy

•tv | v i - ; • t •• t : -: t :it - t ; - :

ï|SN3 bbïw nij;b pv' quot;ip33 : cjbnï

: ^:a IINÖ1? ^iJ1? wnjijr nt? ; ^nonai »12»: rm-iM 1:^3 iJ3 »3

,.. ; .. ; v,v ; |.. t i* * I iv t : . : t lquot;t t

D3mi a^iDjy DKT njty onntf Dn3

t : t : tt : : • • : t t ^ : • v t

ï|nNT3i ^0« wn n »3 pKi So^

n3i^ : nasn 331? K3ii: ^nin |3 nupb : ^13^ n::'iii ^on ij533 13^3^ : nnsm ^no-i^ »

uw ni:^ niD»3 vnm : irQ^S33 nnn'^:-!

r t : it * • iquot; ; - i-t t : t ; : • :

♦nn : amz-ty hxt. : n^n

n'^pi 1:^ nwü irT namp;yw wty irribx D#:

: 1^:13 wr

|..-j |quot;t

wiïdi ^pnp ^ quot;IÜK : jiiVn» namp; bvi ivby inns 3^» NS : min nnyp wp; nso tjbw Kin »3 : i3-nt33N : inü^ï mnbi n^ï nonn va33 mm -iS -id^ ini3K3

• -; t •• : t • v : v t t : - i- ; ) t ) vit t : v ;

Tibn» ^3X3 -i3iü : DDI* fiir rno nV? nnsa KTrrN1?

( -:- vit v iv • t i t i •• •• t cit - |- • t *

üb ybn nrö'ü n33Ti tbtt bamp; : onnï w 3t:|50

i iv •• |iv • • tt ; |viv i :• * * - it*; t t vhv

» nriN-'S : n^nn ayamp;n na^i ü^sn pi : m* 'tib p::) naxn-K1? ; »Dnp

: ïi»3quot;n~'?33 ^quot;io^ irm vmbn-^ : nbnx3 3np»

i iv t : t : i :t ; • )t v-; t t : - • |ivt;t ; -|:*

Tj'-inn |n3iT : ^bii |3K3 t]iin-{3 D^3-^

^t_,3 in3^N inüböNi p^n »3 »3 : f^ni ^33 bonn : im33Ki mïbnx mï3 ^ ia^ inayxi ; w

iquot;; - - 1quot; ; —: tt : t iquot;p'.,;v ; • f tl: * * ;

'131BW Tn- : ♦njni^a inNiKi ^

') De nacht wordt, èa met het oog op den zang der engelen èn met betrekking tot den tempeldienst, gewoonlijk in drie nachtwaken, ieder van 4 uur, verdeeld (vgl. Berachoth 3a).

ocr page 422

OCHTEND-GEBED.

Psalm 135. Halleloe-Jah! Looft den naam des Eeuwigen, looft, gij dienaren des Eeuwigen, die staat in het huis des Eeuwigen, in de voorhoven van het huis van onzen God! Looft God, want goed is de Eeuwige, bezingt Zijnen naam, want dit is liefelijk! Want Jakob heeft God zich uitverkoren, Israël tot Zijn eigendom! Want ik weet nu, dat groot is de Eeuwige, onze Heer, meer dan andere goden! Al wat de Eeuwige begeert, doet Hij in den hemel en op aarde, in de zeeën en alle diepe wateren. Hij doet wolken opstijgen van het einde der aarde. Hij vormt bliksemflitsen bij den regen, laat de wind los uit Zijne schatkamers. — Hij, die sloeg de eerstgeborenen van Egypte, van mensch tot vee; Hij zond teekenen en wonderen in uw midden, o Egypte, op Phar'o en al zijne dienaren; — Hij, die vele volkeren sloeg, en machtige koningen ombracht, Siechon namelijk, den koning van den Emoriet, en 'Og, den koning van Bashan, en alle koninkrijken van Ke-na'an. En hun land gaf Hij tot erfdeel, tot erfdeel aan Zijn volk Israël! Eeuwige, Uw naam duurt immer. Eeuwige, Uw aandenken door alle geslachten! Want de Eeuwige zal eens Zijn volk recht verschaffen en van besluit veranderen over Zijne dienaren! De afgoden der natiën zijn zilver en goud, werk van menschenhanden. Een mond hebben zij, — doch spreken niet; oogen hebben zij, — doch zien niet; ooren hebben zij, — maar zij hooren niet; ook adem is niet in hun mond. Mogen hun gelijk worden zij, die hen maken, allen, die op hen vertrouwen! Gij echter, huis Israels, looft den Eeuwige; gij, huis Aharons, looft den Eeuwige! Huis van Levie, looft den Eeuwige; gij, die den Eeuwige vreest,looft den Eeuwige: «Geloofd zij de Eeuwige van uit Tsion, Hij, die woont in Jerusalem !quot; Halleloe-Jah!

Psalm 136. Dankt den Eeuwige, want Hij is goed,

want eeuwig duurt Zijne genade.

Dankt den God der goden, w. e. d. Z. g.

Dankt den Heer der heeren, w. e. d. Z. g.

[Dankt] Hem, die alleen groote wonderdaden verricht,

w. e. d. Z. g.

Hem, die met doorzicht den hemel gemaakt heeft, w. e. d. Z. g.

Hem, die de aarde heeft uitgespannen over het water ; w. e. d. Z. g.

Hem, die groote lichten heeft gemaakt, w. e. d. Z. g.

De zon tot beheersching van den dag, w. e. d. Z. g.

De maan en de sterren om te zamen te heerschen

des nachts; w. e. d. Z. g.

Hem, die Egypte sloeg in hunne eerstgeborenen, w. e. d Z. g.

18

ocr page 423

rvw nSan n»

iVbn ^ DtrnK ibbn i n^p « nnbbn : uflbsï n^ nnxn? V.

: mbip1? btnf ♦ n* h nn| : D^J ^ 10^ iquot;isr Va : D^VN-^D « bnr^ ^jri» ^

| •■ t v -; • v: t • iquot; -; - ▼: t • • ^: i-t • -:

D^B'J rhyn : nionn-^i om riKm wvz riamp;v quot;

■•* : quot; : t : * quot; quot; i vit t -i-t - t t ▼:

: vnnïiNö nn KÏID ntrp -i^sb D^pna pxn nïpö

t : quot; - i quot;1 t X tt- i • t : | vit t •• i: •

D'nabi nniN n1?^ : nanmy dino onïo niD3 nan^

• : - t t •• : - ttquot; • it : * quot; ; t • v

a^i D^ia nanK' : vn^-^ai rtvnaa anïo ♦Dsina

• - t • v t t . t : : - : • it : • • f ;

l^an T|VD noxn pn^ob : D^Ü m nVnj dïin jnri : niD^po Vd^

1^quot;^quot;!1ö^ V IT^ : ?|a^ 7

nVi onb-nö : dik »t n'^o nnn eioa D^an : Dn:n^

: v t V tt ••: .. »5. - t t : |v iv • - TV J •

■pK «]« wnx! N1?1) Dn1? D^TK : WT onb HST rvs: Dna Va on^ vn: Dnioa : on^a mrtr»

-nN^a^nn^ : pnx lana

mV?n \ïv ?I^Ö « Tina : quot;-m id-IS M 'NT «

t -: - 'it t tlquot; i • • ▼: ) t ▼: V -:t ▼; •• ;• *:

sit: »3 «V min i^p

t- '

DflbNn ♦nbNb nin

,.; T .. ..

D^'iNn ♦anN'? nm na1? niVni nixba? n'^b naiana a^^n n^S

t : • * i- t - •• ^ :

n^an-^ pxn vpiib D^'-ia oniK n^ Di»a rhvnnb vnfn-m nb'Va m^QD1? D^aaiai m»n-n«

t ;it - ; : v : • t ; - iquot;t- v

anniaaa onxo naoS

npn

ütyb

'3

npn

'a

npn

gt;a

inpn

'a

npn

'3

npn

»a

npn

tyvb

'a

npn

npn

Qty)

*a

npn

'3

ocr page 424

19 OCHTEND.GEBED.

En Israël uitvoerde uit hun midden,

w.

e.

d.

Z.

g-

Met sterke hand en uitgestrekten arm;

w.

e.

d.

Z.

g-

Hem, die de Schelfzee in stukken deelde,

w.

e.

d.

Z.

g-

En Israël er midden doorvoerde.

w.

e.

d.

Z.

g-

Doch Phar'o en zijn leger uitschudde in de Schelfzee

w.

e.

d.

Z.

g-

Hem, die Zijn volk door de woestijn voerde,

w.

e.

d.

Z.

g-

Hem, die groote koningen sloeg,

w.

e.

d.

Z.

g-

En machtige koningen ombracht.

w.

e.

d.

Z.

g-

Siechon namelijk, den koning der Emorieten,

w.

e.

d.

Z.

g-

En 'Og, den koning van Bashan,

w.

e.

d.

Z.

g-

En hun land tot erfdeel gaf.

w.

e.

d.

Z.

g-

Tot erfdeel aan Zijn dienaar Israël;

w.

e.

d.

Z.

g-

Die in onze vernedering aan ons dacht,

w.

e.

d.

Z.

g-

En ons verloste uit de macht onzer verdrukkers;

w.

e.

d.

Z.

g-

Die spijze geeft aan alle vleesch,

w.

e.

d.

Z.

g-

Dankt den God des hemels!

w.

e.

d.

Z.

g-

Psalm 33. Jubelt, rechtvaardigen, ia den Eeuwige; den oprechten betaamt lofzang! Dankt den Eeuwige met de harp, bespeelt den tiensnavigen luit Hem ter eere! Zingt voor Hem een nieuw lied, — speelt goed met jubelsehallen. Want oprecht is des Eeuwigen woord, en al Zijn handelen met trouw! Hij bemint rechtvaardigheid en recht, — doch de aarde is vol van de genade des Eeuwigen. Door het woord des Eeuwigen werden de hemelen geschapen, en door den adem van Zijnen mond al hun scharen. Hij verzamelt als tot een stapel de wateren der zee, legt woelende wateren als in voorraadkamers. Daarom vreeze den Eeuwige de geheele aarde, voor Hem verschrikken alle bewoners der wereld; want Hij sprak, — en het was; Hij gebood, — en het bestond! De Eeuwige vernietigt den raadslag van natiën, verijdelt de plannen van volkeren, doch het raadsbesluit des Eeuwigen bestaat voor eeuwig, de plannen Zijns harten voor alle geslachten. Heil de natie, wier God de Eeuwige is; het volk, dat Hij zich tot erfdeel heeft uitverkoren ! Uit den hemel ziet de Eeuwige neder, aanschouwt alle kinderen des menschen. Van de plaats van Zijn wonen

ocr page 425

non

thty) »3

iion

übtyb '3

npn

*3

non

»3

non

D/'l^'p *3

non

*3

iipn

D1?^ ^

npn

Dbl^ *3

npn

*3

npn

»3

npn

*3

npn

'3

iipn

Ö^1? '3

npn

tbty) '3

npn

Dbi^1? »3

non

DVl^ *3

rvw nbfin w

D3lnü «ïl»!

t •• t: • -

nnts: gmi npm T3 onn1? t]iD-D! lï) lama n^jrii «]iDquot;D^ iVm n'^na ly:] na-ipa is^ quot;i^iob Q^iï D^bo n3D^

: • t : •• - ;

onnx ao^p noKn Tj^ü iin^p1?

I^an Tjbü iiybi nbn?1? dvik jnji iiaj; nbna

it -t !••:•; v

unvö vpitf)

lquot; t liquot; ; : •-

onb m'3

tt t : viv i ••

D^tyn hub nin


• : tquot; t • ; tt • t : - t - iquot; ':

\iï K'-jn Ttf I1? : iVnat 7333 np-ii' an'K : nmxï M-quot;)3i : n^nns

| t t : quot; t v: v iquot; -Z - t ; ▼: - : t t t

nnni itr^: ^ nana : pxn nxbo \] quot;ion dö^di : niDinn nnïixa |n: D»n ♦o 123 D33 : DKnrb| va nöKKin ^3 : bsn mr 13ÖD ri«n-b3

- t ........t it iv • | vit t ttquot;

nin^ns nvj^i^n ♦♦ : n3V ^

: ini ii1? lab nia^nö lo^n « nv^: : QW. : iST n^niS nna D^n vnbst ♦lan ntfx

ina^paap : D^n ^rSrnx riKn \] u^n a^p^p

ocr page 426

OCHTEND-GEBED.

richt Hij Zijnen blik op alle bewoners der aarde. Hij, die aller harten vormt, Hij let op al hunne handelingen. De koning wordt niet geholpen door groote legermacht, de held niet gered door groote kracht; bedriegelijk is het paard als hulpmiddel, en met al zijn sterkte doet het niet ontkomen ! Zie, het oog des Eeuwigen is gericht op hen, die Hem vreezen ; op hen, die Zijne genade verbeiden ; — om hun ziel te redden van den dood, en hen in het leven te behouden bij den hongersnood. Onze ziel wacht op den Eeuwige; Hij is onze hulp en ons schild. Want in Hem verheugt zich ons hart, want op Zijn heiligen naam vertrouwen wij. Zoo zij dan Uwe genade, o Eeuwige, over ons, — gelijk wij ü verbeiden!

Psalm 92. Zang-psalm voor den Shabbathdag : Het is goed den Eeuwige te danken en ter eere van Uwen naam, o Allerhoogste, de snaren te doen klinken, — te verkondigen des morgens Uwe genade en Uwe trouw in de nachten — op tiensnaar en op luit, met zinrijke woorden, begeleid door de harp. Want Gij hebt mij verblijd, o Eeuwige, door Uw wrochten, wegens de werken Uwer handen jubel ik! Hoe groot zijn Uw werken, o EeuwigeI oneindig diep zijn Uwe gedachten. De verstandelooze beseft het niet en de dwaas ziet dit niet in: wanneer goddeloozen als kruid opbloeien, en onrecht-volvoerders bloesemen, — [dan geschiedt dit] opdat zij vernietigd worden voor eeuwig! Doch Gij blijft eeuwig verheven, o Eeuwige! Want zie, Uwe vijanden, o Eeuwige! — want zie. Uwe vijanden zij gaan te gronde, zij lossen zich op, alle onrecht-volbrengers! En Gij verheft mijnen hoorn als eenen Reëm, ik word met verfrisschende olie overgoten! Zoo ziet mijn oog neder op hen, die mij beloeren; van hen, die als kwaadwilligen tegen mij opstaan, hooren mijne ooren ! De rechtvaardige zal bloeien gelijk de dadelpalm, als de ceder op den Libanon hoog opschieten. Geplant in het huis des Eeuwigen, zullen zij bloeien in de voorhoven van onzen God. Nog in grijsheid zullen zij vrucht dragen, sappig en frisch blijven zij; om te verkondigen dat rechtvaardig is de Eeuwige, mijn Rots, en geen onrecht is bij Hem!

Psalm 93. De Eeuwige is nu Koning, heeft zich met hoogheid bekleed, bekleed heeft zich de Eeuwige, met macht zich omgord; nu staat ook vast de wereld, wankelt niet meer! Gevestigd was üw troon van oudsher, sinds alle eeuwigheid zijt Gij ! Wel verhieven stroomen, o Eeuwige ! wel verhieven stroomen hunne stem; stroomen verheffen hun dreunend geloei. Doch meer dan de geluiden van groote wateren, de machtigen, de brekende golven der zee, is geweldig de Eeuwige in de hoogte. Uwe getuigenissen zijn vast vertrouwbaar, aan Uw huis past heiligheid, o Eeuwige, tot in lengte van dagen!

Moge de erkenning der heerlijkheid des Eeuwigen eeuwig duren, zoodat de Eeuwige zich verblijde in Zijne werken. De naam des Eeuwigen worde geloofd van nu tot in eeuwigheid. Van de opkomst der zon tot haren ondergang wordt de naam des Eeuwigen geprezen.

20

ocr page 427

nnm nvön 3

pan d31? nn;_ : p«n n^n

-ah niaa ^n-nna yvK ^an psj : dn^ö-vr-^ ks ivn nnai n^^nb didh : nr-ms

: npnb vkt-^nt ^ nan : übo;

mm nrön 1^0: : n^ia on^nbi ars: mso

tquot;:~* tquot; ti* r* : - ^t tt t - : t : ~ vit •

: ijni:2 iirip ^ no't^ : kin quot;mioi

: it t :it •• : • iquot; • - : • * iquot;* t

•' 12^ v; ^on

ïjöiy1? nsrbi quot;b mtn1? 2112 : na^n di^ yp iiöto as : mvba ^naiaxi ^pn quot;i[533 i^n1? :

\h ^nna^ ^ : quot;11333 fi^n ^

^quot;irno :^nk ^t ^ds n^öp : rinttk pn^xb ^ppi jtt. nv ^3 ww nnni : ijti# ona^n1? |ix ^^rb3 irï'i 3^:103 niw yya nan^s ^ ^3^ nan '3 : \] diiü : jü^s ♦n^s ':ip_ d^np nnni: fix nnan» pnï : n^a^n d^quot;ip d»p[53 nitfs üsni nnïns ♦;. n^33 d^in^ : fi23v3 ms nns» ions : vn» d^-n nn^p pnir 11^ : innst irn^k : 13 nnbi^ «bi niï « tan1?

t it : : • ▼: t t * ' ' : t

-bs bpn fi3rgt;-«]n it«nn rj « nixa ^ba « js

ninna ik'^: : nm nbiya tnd ^nd3 ri33 : uian

t ; ; t t it t t •• ) ~: i * i t

d»3i d*d nivpü : mm: mïw abip nnn: ixm quot;

• - • i- i • t: t t ; : • t i t : : t *:

1h0 uokj *|tn# : \] diiap ihk d^ns^a onnx : d^a* ^ik1? quot; ^ip-ninj

• t ) v 1 ; ▼: vl 1 t-:it

-]-i3a »; db' w : v'^ap 7 nafcquot; obi^b « -ii3p ♦n* :db' vbna ini3a_^ btotrrnaa : abi^-^i nn^a

ocr page 428

OCHTEND.GEBED.

Verheven toch boven alle volkeren is de Eeuwige, boven den hemel Zijne heerlijkheid. Eeuwige, Uw naam is voor eeuwig. Eeuwige, Uw aandenken van geslacht tot geslacht. De Eeuwige heeft in den hemel Zijnen troou gevestigd en Zijn koningschap heerscht over alles. De hemel verheugt zich en de aarde jubelt, wanneer men zeggen zal onder de volkeren: ,;de Eeuwige is Koningquot;. De Eeuwige is Koning, de Eeuwige was Koning, de Eeuwige zal Koning zijn immer en eeuwig. De Eeuwige is Koning immer en eeuwig, de volkeren gaan verloren uit Zijn land. De Eeuwige vernietigt den raadslag van natiën, verijdelt de plannen der volkeren. Veel zijn de plannen in het hart eens menschen, doch des Eeuwigen raadsbesluit, dit krijgt bestand. De raadslag des Eeuwigen bestaat voor eeuwig, de plannen Zijns harten door alle geslachten. Want Hij sprak — en het was, Hij gebood — en het bestond. Want de Eeuwige heeft Tsion uitverkoren, heeft het begeerd tot verblijfplaats voor zich. Want Jakob heeft God zich uitverkoren, Israël tot Zijn eigendom. Want de Eeuwige zal Zijn volk niet prijs geven, en Zijn erfdeel niet in den steek laten! Doch Hij, albarmhartig, vergeeft misdaad en vernietigt niet; reeds veelmalen wendde Hij Zijnen toorn af, en wekt nimmer Zijne geheele gramschap. Eeuwige, help toch ! de Koning verhoore ons op den dag, dat wij Hem aanroepen.

Heil hen, die wonen in Uw huis, voortdurend prijzen zij U, Séla. Heil het volk, dat iets zoodanigs bezit; heil het volk, wiens God de Eeuwige is.

Psalm 145. Loflied van David. Ik wil U verheffen, mijn God, o Koning! en Uwen naam zegenen immer en eeuwig. Eiken dag wil ik U zegenen en loven Uwen naam immer en eeuwig ! Groot is de Eeuwige, en zeer geprezen, en Zijne grootheid is ondoorgrondelijk! Geslacht na geslacht roemt Uwe werken en Uwe machtige daden verkondigen zij. De schoonheid van de heerlijkheid Uwer majesteit, en de verhalen Uwer wonderdaden wil ik bespreken. Over de macht Uwer eerbiedwekkende daden spreekt men, en Uwe grootheid — ik wil haar verhalen. De herinnering aan Uwe groote goedheid doen zij als een bron opwellen en wegens Uwe gerechtigheid jubelen zij. Genadig en barmhartig is de Eeuwige, langmoedig en groot in genade! Goed is de Eeuwige voor allen, en Zijne barmhartigheid strekt zich uit over al Zijne werken. Al Uwe werken, o Eeuwige, danken U en Uwe vromen zegenen U. De heerlijkheid van Uw koningschap vermelden zij, en Uwe almacht spreken zij uit; ten einde den menschenkinderen Zijne machtige daden bekend te maken en de heerlijkheid van de schoonheid van Zijn koningschap. Uw koningschap is een koningschap van alle eeuwigheid, en Uwe heerschappij over alle

21

ocr page 429

jvw nbsn KD

v. : ai

Vai ini^oi 1KD3 pn d^ö^? « : iii inb « : Tj^ö « D^ia? nüKn pxri bin] inö'f ♦ : nS^o

1$) Tj^Ö V. •' D^quot;? 1^- t! I: nia^nD D^a nvj?: quot;i^n \] : IÏ^NO : Dipn wn « nv^;\ nin^no man :

Kin ^ : i-iT. iib ia1? ni3f no i'o^n DViv1? t! riv^: n^iD1? MIK |i'ï3 « inr^ : ia^i njv Kin 'nji quot;IDK tftriè 'i : inbioV rr i^ nns ipy-'ï ; i1?

t • •• t ; * t ~ t » -:

ah) p^ nsp^ Dirn Kini : k1? inbmi laj? ^ Tjban n^^in ^ : inan_b3 KSI isk yprh ns'ini ; 12K-lp-Dl^ 132^

: nbs ity ^7?

: vn'^K quot;iï oyn 1-? nDStr oyn nt^K

t v; *: v *r t quot;: ~ r it v 't* t ••: quot;

Dbi^S t\m TjVan ^nibtf ^ööinK inb nbnn nop : quot;Itfl obl^b n^nKI Dl^'bDS :

naa'» in1? in : npn mVn^i iko bbnoi \] Sna rpnxbsa nani ^nin niaa inn : ^n'iiaai -ID? : na^öpN ^nbnai nDN* nTjn : nnvftlt;

Q'ök « ain-ii pan : laaT ^n^ïquot;!

tjini' : v'^ö'Sa-1?^ vanni ^aiü : ipn Snai naN^ ■jnu'po 1135 : nsirn^ ^Tpni ïj^o-Sa « -inn nüpi vnniaa anxn ^ ^nin^ : ii3T ^nninai HT^a ^nb^püi niDba ^niabö : ini^bp

.quot;inSnji 'T1 /3^3 imSnji * .yra SnJI *

ocr page 430

OCHTEND-GEBED.

geslachten. De Eeuwige steunt alle vallenden, en ïieht op alle gekromden. Aller oogen richten zich vol hoop op ü, en Gij geeft hun hunne spijze te zijner tijd! Gij opent Uwe hand en verzadigt al wat leeft tot welgevallen. Rechtvaardig is de Eeuwige in al Zijne wegen en liefderijk in al Zijne werken. De Eeuwige is nabij voor allen, die Hem aanroepen, voor allen, die Hem in waarheid aanroepen. Hij volbrengt den wil van hen, die Hem vreezen; Hij hoort hun smeeken en helpt hen. De Eeuwige behoedt allen, die Hem beminnen ; doch alle godde-loozen verdelgt Hij. Den lof des Eeuwigen moge daarom mijn mond uitspreken; en alle vleesch zegene Zijn heiligen naam immer en eeuwig! — Ook wij willen God loven van nu tot in eeuwigheid, — Halleloe-jah!

Psalm 146. Halleloe-jah! Prijs, mijne ziel! de daden des Eeuwigen. Ik wil des Eeuwigen daden prijzen, zoolang ik leef; wil mijnen God bezingen met snarenspel, zoolang ik besta. Vertrouwt niet op vorsten, op een menschenkind, bij wien geen hulp is. Zoodra zijn adem hem verlaat, keert hij terug tot zijne aarde; op dienzelfden dag zijn zijne plannen verloren. Heil daarentegen hem, wiens bijstand de God van Jakob is, wiens vertrouwen zich richt tot den Eeuwige, zijn God, — die maakt hemel en aarde, de zee en al wat in hen is; die eeuwig trouw bewaart [Zijne beloften vervult] ; die recht verschaft aan bedrukten, die den hongerigen spijze geeft, — de Eeuwige maakt geboeiden los; de Eeuwige opent blinden de oogen, de Eeuwige richt gekromden op, de Eeuwige bemint rechtvaardigen; de Eeuwige behoedt de vreemdelingen, heft op wees en weduwe, doch kromt den weg der booswichten. De Eeuwige regeert in eeuwigheid, uw God, o Tsion, alle geslachten door! Halleloe-jah!

Psalm 147. Halleloe-jah! Want het is goed onzen God met snarenspel te bezingen; want het is lieflijk, passend is lofgezang. De opbouwer van Jerusalem is de Eeuwige, Hij brengt de verstootenen Israels te zamen; Hij, die de gebrokenen van hart geneest en verband legt op hunne pijnlijke wonden. Die voor de sterren getal vaststelt, hun allen namen geeft. Ja, groot is onze Heer en rijk aan kracht, voor Zijn inzicht is geen getal [tot maat]. De Eeuwige heft op de bescheidenen, vernedert de booswichten ter aarde. Heft ter eere des Eeuwigen een danklied aan, bezingt onzen God met de harp. Die den hemel met wolken bedekt, die regen bereidt voor de aarde, die op de bergen gras doet spruiten. Hij geeft het vee zijn spijs, den jongen raven, die [er om] roepen. Niet in de sterkte van het paard vindt Hij behagen, niet in de schenkels van den man zoekt Hij welgevallen. — De Eeuwige vindt welgevallen in hen, die Hem vreezen, die verbeiden Zijne genade. — Roem,

22

ocr page 431

rvTO nbön 22

^ TjbiD : *ini

nnia : obp^-nK onV-jni: nnxi ^Vk Va Tpm « pnv :

: nüNa inNnp» quot;I^K VDV Virip-1^ ^ aiipT : vvvü-btt •gt;* noity : vnw onjntrnKi n'^ VNTquot;|1Ïquot;I ^ « nbnn : nxi vin^-Vrnx

v -: *; - • : • : - t : t t •• ; t -: t

rr -jpa: : 1%) Qbi^ i^ip d^ 'rj'ian

: rnVbn nn^o

niam «na « nSbnx : ♦♦-nx wp: ^hn nybbn iop D^K-pa D^anja mtpan-bN : ni^a Kinn Di'a inü^K1? a^ inn xvri : n^irn iV |w na^ nr^a ap^ n^K : vnin^ nasi Da-n^K-Va-nNi D'n-nK rnKi n^jr : vnVï

t v -: t v : t - v I v it t • i- t v t v:

DnJ? |n'3 Q'pi^1? üa^p namp;v : Dbipb nox imn « D^iaa c]pT i' Dnijr npgt; 7, : dhidk n^no ^ D^ajn1? Tj-ini. iw njiaVNi Din» nnrnx noty « : D^pnv anfc :n^n innnp fi'V « 'rjVo» : D^Eh

: nbnn nm D^r^a wriVK mar aiü~»3 nnbbn rap

t • ; tt t iquot; v; t : - • t -: -

Njann : oaa» njia

Dbab D^aaia1? quot;isdd mia : nnia^b iranoi ab nia^b

t '-. : • t - t : * v t : ^- : •• - : ...... '

: quot;IÖDQ psj in^anb nra^i. irainx Vna : ^np^ nio^ nnina ^ nnipa

pxV paan D'a^a npaon : Tisaa nar

aijr ^ab nanb nana1? |ni3 : onn n^aïan nua ty^n 'pi^a-KV parr Disn nniaja ah : quot;ik^ quot;ii^k ♦na?' : non1? Q^n^an-nx VKp;-nK v: •' ngt;gt;T-

ocr page 432

OCHTEND-GEBED.

Jerusalem, den Eeuwige! Prijs de daden van uwen God, gij Tsion. Want heeft Hij sterk gemaakt de grendels uwer poorten, heeft uwe zonen in uw midden gezegend, zoo maakt Hij uw grens tot gebied van den vrede, zal U met tarwemerg ^ verzadigen. Hij toch, die zendt Zijn bevel ter aarde, zeer snel loopt Zijn woord; die sneeuw geeft als wolvlokken, die rijp strooit als asch, die Zijn ijs neerwerpt als brokken, tegen Zijne koude, — wie is er tegen bestand?! Dan weder zendt Hij Zijn woord en doet ze smelten. Hij doet Zijn wind waaien — en zij vloeien weg tot water. Hij deelt ook Zijne woorden mede aan Jakob, Zijne wetten en Zijne rechten aan Israël. Zoo heeft Hij niet gedaan aan eenig volk, en rechten — zij kennen ze niet! Halleloe-jah!

Psalm 148. Halleloe-jah! Prijst des Eeuwigen daden van uit den hemel, prijst Hem in de hoogten! Prijst Hem, gij. Zijne engelen, allen; prijst Hem gij, al Zijne heirscharen ! Prijst Hem, zon en maan; prijst Hem gij allen, lichtende sterren! Prijst Hem gij hemelen der hemelen, en gij, wateren die boven den hemel zijt! Dat zij prijzen den naam des Eeuwigen, want Hij gebood, — en zij werden geschapen. Hij deed hen bestaan voor immer, voor eeuwig; Hij gaf eene wet, die nimmer wijkt! — Prijst ook des Eeuwigen daden van de aarde, gij zeegedrochten en alle woelende wateren, vuur en hagel, sneeuw en damp, stormwind, die Zijn woord volvoert! — Bergen en hemelen allen, vruchtboomen en alle cederen; veldgedierte en al het tamme vee, kruipend gedierte en gevleugelde vogel; koningen der aarde en alle volkeren, vorsten en alle rechters der aarde; jonge mannen en ook jonge maagden, ouden met jongelingen, — dat zij prijzen den naam des Eeuwigen, want hoog verheven is Zijn naam alleen. Zijne glorie is over aarde en hemel. Hij verheft den horen voor Zijn volk, tot lof voor al Zijne vromen, voor de kinderen Israels, het volk, dat Hem nabij is; Halleloe-jah I

23

Psalm 149. Halleloe-jah! Zingt ter eere des Eeuwigen een nieuw lied, tot lof Zijner daden in de samenkomst der vromen! Israël verheugt zich in zijnen Schepper, de kinderen Tsions mogen jubelen over hunnen Koning! Mogen zij Zijnen naam prijzen met rijendans, met tamboerijn en harp te Zijner eere zingen. Want de Eeuwige heeft welgevallen aan Zijn volk, siert be-seheidenen met hulp. Vromen juichen in heerlijkheid, jubelen op hunne legersteden. Verheffing Gods [uiten zij] met hun keel, en een tweesnijdend zwaard voeren zij in hun hand. Om wraak te oefenen op de volkeren, strafgericht onder de natiën, om hunne koningen in ketenen te binden, hunne meest geëerden

') De beste bestanddeelen der tarwe.

ocr page 433

ivw nVön 3D

'nna prn-^ ; |i»v «tin D^T

: ï D^ian nbn Dib^ Tjbiai Df n : ^quot;ipa yiz Tjia bv jrian : m-i pT nnnp-i^ pst innpx nVt^n innpT ^ab d^m innp : quot;iïö| nöN3 -1133 -ioiw tsd : a^-iVr irrn 2^! now) narnW: : td^ k ■bzh |3 namp;yT ah : vcs^ai vpn Vnan : n^bbn D^Ö^oi MÜ

t -: - ^ t: - * t : •

inibVn : Delias imbbn D^o^n-rD ^-nx ibbn n^Vbn nop

, -j - . . -^ 1 -; - • 1- t - I • *: v . -; - T -; - '

vm imbbn : vK^r^a in^bn vdnVO-SS

v iv i -: - t t : t 1 -: - t t : - t

D*sm D^oï^n inibbn : UK iniVbn nnn

• r - ; • it t - •• ; i -: - •• : i t i -: - - i-t :

: niv «in ^ « Dtrm : D'orn bvn ivn

IT : • : T • • ▼; •• v -: - : • it t - ^- •• v -;

rn^ : lO^TC ^ Qquot;!^^l

nil wpi bv mni m : niDhn-^i riNn-ro

- 1 I* ; VIV TT •• : T : * * quot; I vit T I •

•' OT^?! nö myarVs'i onrtn : nni n'^ nyo D^Kybsi pK-^D : «1:3 113^1 iran narQ-Vsi n'nn

• ••. : t ; I viv •• : - |t t • ; v iv t •• : t J t - -

: Dn^roi? D»J[5T nibinrwi onins : px anquot;^

: a^o^i pNquot;^ mn i-pb ia^ nïm *2 « o^-nK ibbn* lanp VTpn hzb nVnn laj?1? p.p. on'i

: nnVbn

t -: -

Tia£quot; : an^an bnp3 inbnn ty-in nnbbn tacp

- : . t • : TT T- r t -: - '

iV?rT : aabaa v'^3

quot;1^ quot;ia^a \\ nviT»3 : ib-nar 11331 ^na binaa : Dniaa^a-S^ 1:^ mass onpn : n^'a napa m^b : a^a ni»a»a aim 3:113a bx maan

t I t : ^: - TT : • • viv : t : • •• -:

Drnaaji a^ra Dn^aba iaxb : a^axba mnam aiaa

1JC3Ï * -xra nan *

ocr page 434

OCHTEND-GEBED.

in ijzeren boeien; om aan hen te voltrekken het voorgeschreven gerecht! — het is glorie voor al Zijne vromen! Halleloe-jah!

Psalm 150. Halleloe-jah! Prijst God in Zijn heiligdom, prijst Hem in het uitspansel Zijner almacht! Prijst Hem in Zijne machtige daden, prijst Hem naar Zijne grenzelooze grootheid! Prijst Hem met bazuinenschallen, prijst Hem met luit en harp! Prijst Hem met tamboerijn en rijendans, prijst Hem met snaren en fluit! Prijst Hem met helder klinkende bekkens, prijst Hem met dreunende bekkens! Al wat adem heeft prijze God, — Halleloe-jah!

Geloofd zij de Eeuwige immer, amen en nogmaals amen! Geloofd zij de Eeuwige van Tsion uit, Hij die troont in Jerusalem, Halleloe-jah! Geloofd zij de Eeuwige, God, God van Israël, die alléén wonderen doet; en geloofd zij eeuwig de naam Zijner heerlijkheid; en de geheele aarde worde vervuld van Zijne heerlijkheid, amen en nogmaals amen!

(Het volgende tot na ia-ia wordt staande gezegd:)

I Kron. 29,10—13. En David loofde den Eeuwige ten aanzien der gansche vergadering, en David zeide: Geloofd zijt Gij, Eeuwige, God van onzen vader Israël, van eeuwigheid tot eeuwigheid! Aan U, o Eeuwige, is de grootheid en de macht en de heerlijkheid en de overwinning en de majesteit, want [u behoort] alles in den hemel en op aarde ; aan U, o Eeuwige! is de heerschappij, en Gij zijt het, die boven alles als opperhoofd verheven zijt! Zoowel rijkdom als eer gaan van U uit en Gij heerscht over alles; en in Uwe hand is kracht en macht, en in Uwe hand ligt het alles groot en sterk te maken. En daarom, onze God, danken wij U en prijzen Uwen roemrijken naam.

Nechemja 9,6—11. Gij, Eeuwige, zij t het alleen. Gij hebt gemaakt den hemel, de hemelen der hemelen en hun gansche schare, de aarde en al, wat erop is, de zee en al, wat erin is; en Gij houdt hen allen in het leven en de schare des hemels werpt zich voor U neder! Gij zijt het. Eeuwige God, die Abram hebt uitverkoren en hem hebt uitgevoerd uit Oer-Kasdiem en zijnen naam Abraham genoemd hebt; Gij vondt zijn hart getrouw voor U en sloot met hem het verbond, te geven het land van den Kena'aniet, den Chittiet, den :Emoriet en den Perizziet en den Jeboesiet en den Girgashiet, —

D

24

ocr page 435

mm? nbön -is

-bzb «in -nn ama uzm ona ni'^V : Sm ^333

t ; tt t t : v t .- v ; - ;

: n^bn VTpn imbbn : ^^13 iniSbn ity-jpa binbbn nn^n y

mibbn : ibna nna inibSn vnivn mi^n Sinai tjna in^bn ; nasi

i -: - t i : i -: - •:•.•!••; i -: - t

: n^nn ^xVv? inibbn yav-'bxbvs im^n : D^ös : 'n '♦ 'n 'n o : Wibbn n* bbnn nou^n Va

t : t -: - t ••-: tt;-

pt? |1»ÏÖ iquot;! : jüsr |ÜK obip1? ♦♦ niN^i D^ribx « ^13 :

■brnx ni33 nhw ni33 DB' ip-ai ; mS

: |öni |ax

.13-13 ms nr -ivsj)1? ^iï i5quot;3 'n nquot;T

quot; nriN -jna n*n quot;IOK'I Vnpn-ba ^-DK » : abir'i^i DSI^Q irnNj 'IISK Q'ö^a Vd-'s iinni nvsni nnxsrini nnisini rhir\ iBtyni : E'KI1? Sa1? K'^jnprn n^pan ^ ^ pxai ?|Tai nniaji na ^jTni Saa b^iD nrw naarii Tj1? umK Dnio irnbK nn^i : Sa1? prnbi ^a1? « Kin nn» 'o : ^niNan avh D^Snpi pNn DSiar^Di D^ö^n Kp D^^n-nx nvtr^ nnsj tik n»nD nnxi ona n^-^i awn n^tr it^K-Sai

v . -•- : t - ; v t v -; t : • - - t iv 't v -: t :

D^n^n « Kin nriN : Dnnn^p arp^n «avi aba iDf no^i Dn'pa iimo insiïini DnaKa nnna nnan is^ nnsi ?dk: laab-nN nxvüi : onnax

* : quot; t : p iv t : i t v: v t ; v t it t t t : -

♦^nan^ ^pia^ni ♦nsni notfn 'rinn ^aan pK-nx nnb

.avo nx *

ocr page 436

OCHÏEND-GEBED.

het te geven aan zijn kroost; en Gij bevestigdet Uwe woorden, want Gij zijt rechtvaardig. Toen Gij zaagt de ellende onzer voorouders in Egypte, en hoordet hun geschrei bij de Schelfzee, — toen gaaft Gij teekenen en wonderdaden tegen Phar'o en tegen al ■ zijne dienaren en tegen gansch het volk van zijn land; want Gij wist, dat zij moedwillig tegen hen gehandeld hadden; en Gij .verwierft U een naam gelijk op den dag van heden. En de zee kliefdet Gij vóór hen, zoodat zij door het midden der zee doortrokken op het droge, hunne vervolgers echter wierpt Gij in diepten als een steen, in machtige wateren.

Exodus 14,30 en 31. De Eeuwige redde op dien dag Israël uit de macht van Egypte en Israël zag Egypte dood aan den oever der zee. Toen Israël zag de groole macht, die de Eeuwige tegen Egypte had geoefend, vreesde het volk den Eeuwige; en zij stelden vertrouwen in den Eeuwige en in Zijnen dienaar Mozes.

Exodus 15,1—19. Toen zong Mozes en de kinderen Israëls dit lied ter eere des Eeuwigen; zij zeiden namelijk, als volgt: Zingen wil ik ter eere des Eeuwigen, want hoog is Hij verheven ; paard en zijnen berijder stortte Hij in de zee. Mijn zege en mijn zang is God, Hij was mij ter hulpe; deze is mijn God, Hem wil ik verheerlijken, — de God mijns vaders, Hem wil ik verheffen. De Eeuwige, Heer van den oorlog. Eeuwige is Zijn naam! — De wagens van Phar'o en zijn leger slingerde Hij in de zee, en zijne uitgelezen legeroversten werden in de Schelfzee bedolven. quot;Woelende wateren bedekken hen; zij daalden af in diepten gelijk een steen ! Uwe rechterhand, o Eeuwige, prijkend in kracht. Uwe rechterhand, Eeuwige ! verplettert den vijand ! — En in Uwe overweldigende hoogheid rukt Gij Uwe tegenstanders omver; zoudt Gij Uwen brandenden toorn vrijlaten, hij zou hen verteren als stoppelen. En door den adem van Uw neus hoopten wateren zich op, bleven vloeistoffen overeind staan als een muur; stolden woelende wateren in het midden der zee. Reeds zeide de vijand: «Ik wil vervolgen, ik zal inhalen, ik zal buit verdeelen; mijn verlangen zal aan hen bevredigd worden ; ik zal trekken mijn zwaard, mijn hand zal hen terug-veroveren.quot; Doch Gij bliest met Uwen adem, — de zee bedekte hen: zij zonken in de diepte als lood in geweldige wateren! Wie is U gelijk onder de machten. Eeuwige! wie is U gelijk, prijkend in heiligheid, eerbiedwekkend in lof, wonderen verrichtend! — Evenals Gij uitstrektet Uwe rechterhand, — de aarde verslond hen; Zoo leidt Gij door Uwe genade dit volk, dat Gij verlost hebt; zoo voert Gij het door Uwe macht naar Uw heilig verblijf. Volkeren hooren het, — zij beven; siddering grijpt aan

lt;25

ocr page 437

nnntp rtan na

-riK «quot;ini : nm pnv »3 ^rn 1^16 nn^

|nni : e]iD-Dr^ Dn^rnNi onxpa wnm* vy Wyr '2 ï™ vn^-^rn n^-ias o^naoi nhiiquot; ri^[5| D^ni .* njn Di4n3 ^Vi^rn anty nnn »3 ns^n Dirsnrnxi n^s*.? D»n-^in3 na^'i Dn^V : Dn# D^OS f3K-i03 hViïpa

nquot;' macr

Nquot;i^ onxp TO b'K^'-nK Ninn Di»3 nin» TIK VNity» Kih : DTI nsp-by nö DnvöTiK tik Djfn Dnïüa nin» namp;p iamp;tlt; i»n

VTT j : r- • - : • : t : gt;lt;T^r *•* -: t : - -r-

: quot;imp namp;nni nin^a iraxn mn»

• : quot; V* ; Ti- • -:r- at :

.trwBfi pjjai njiiaa mcx1? -pix Q^n DTC

nüNp. npb nwn n^uri-nN 'pi nt^o-n^» TK nöi iMni DÖ nt^a nxr-^ nin^ HTB'X -ÏONV ♦ri'jK rmw 'quot;bn nr nywh n» rnari w : do

J •• ••. : •• lt;v ftx •* ^* * :iquot; t t ; • : lt;'^t it-

riDann : loty nirv nanba b'^n nin* : injDDhNi

j '• i - 1 : vt : at t ; • -•• i.t : : iv -: i -; 1- v- t

riDhn : eiiD_DO 1^313 vvbv innoi do r\y iVm rtvna

*. '• i • .quot; : J i \ v.t • it j- ; • at- -«tt {. •• : % ;-

n33 n^j nin| ïj^d» : |3NfiD3 ri^ixQ3 tit idp?» n^n ï|'Oj5 Dhnn ¥|jiK5 nnai : D'IN ^nn nin» j\yw nriö3 m: q'd ^ök nnni : v$2 ioV-dn» •rjjhn p^nK ïm ei'nx 3»ik iok ; rionn iNöp D^n

1 ■■ ! l ) j : ••• r- j- t it •-• ; (, ; j :]t (i- : i

npm : n» lapnin ^inn pnx iDNjbpn nsDS-'D : Dn^K D*Q3 mi)i^3 \bb)£ w IDDD nnm

t lt; t r r • - * v,quot; ' vv ^ 1- -: it at -t • ^lquot;: • 1

: K^-n'^y ribnn tnu ^-1^3 niw n3b3 nin» 0^3

•••••* quot;i : re v| a - -t ; v t v t j' t : ^ • ^-it

r-D# ^|pn3 n^n: : p« iö^3n jveh ?nN pnT D^D# ; ^iinp njr^K ^3 nVrn

ocr page 438

OCHTEND-GEBED.

Philistaea's bewoners! Dan verschrikken de vorsten van Edom; de machtigen van Moab — beving grijpt hen aan; weg smelten zij, allen bewoners van Kena'an. Verschrikking en angst overvalt hen; wanneer Uw arm zich groot toont, verstommen zij als steen; — tot voorbij is getrokken Uw volk, o Eeuwige! tot voorbij is getrokken dit volk, dat Gij U hebt verworven! Totdat Gij hen hebt gebracht en geplant op den berg van Uw erfdeel, den zetel voor Uw verblijf, dien Gij U bereidt, o Eeuwige; het heiligdom, o Heer, dat Üwe handen vestigen! De Eeuwige zal regeeren immer en eeuwig!

(Want Phar'o's paarden waren gekomen met zijne wagens en met zijne ruiters in de zee; toen had de Eeuwige over hen de wateren der zee teruggevoerd, terwijl de kinderen Israëls gegaan waren op het droge in het midden der zee.)

Want aan den Eeuwige is het koningschap en Hij heerscht over de volkeren! En redders zullen bestijgen den berg Tsion, om te richten den berg 'Esau, dan zal den Eeuwige het koningschap zijn. Dan zal de Eeuwige tot Koning zijn over de geheele aarde; op dien dag zal de Eeuwige eenig zijn en Zijn naam eenig! En in üwe leer staat als volgt geschreven: «Hoor, Israël! de Eeuwige, onze God, de Eeuwige is eenig!quot;

De ziel van al, wat leeft, zegene Uwen naam. Eeuwige, onze God! en de adem van alle vleesch roeme en verheffe steeds Uw aandenken, onze Koning! Van eeuwigheid tot eeuwigheid zijt Gij God, en buiten U hebben wij geen Koning, die verlost en helpt, bevrijdt en redt en onderhoudt en zich ontfermt in eiken tijd van nood en druk; wij hebben geenen Koning, dan U! God van de vroegere en na ons komende geslachten. God van alle schepselen. Heer van alle geboorten, die in tal van lofzangen geprezen wordt, die Uwe wereld leidt met genade en Uwe schepselen met barmhartigheid! En de Eeuwige sluimert niet en slaapt niet; Gij, die de slapenden opwekt en door diepen slaap bevangenen doet ontwaken, en die stommen tot spreken brengt en geboeiden losmaakt en vallenden steunt en gebukten opricht, — U alleen danken wij 1 Indien onze mond ook vervuld ware van liederen, gelijk de zee [vol water is], en onze tong vol jubelklanken als het ruischen harer golven, en onze lippen vol lof als de uitgestrektheid van het uitspansel, en al waren onze oogen lichtgevend als zon en maan, en onze handen uitgespreid als [de vleugelen van] de arenden aan den hemel, en onze voeten zoo snel als [die van] de reeën, — zouden wij U, Eeuwige, onze God en God onzer voorouders, niet genoeg kunnen danken en Uwen naam kunnen

26

ocr page 439

irro nbön ID

lojn^» DinNt iVn^ m : nt^Sa

Vnaa nnbi nnów on^Vsri : fj?:p Vs lioa td^ i^pjr nin; iqt ïprnr

nb^a JÜÜ ^nVnj ina lo^ni iDKan :ln^^ « : nyi diyb ihw i nirv : ^in» i::ü ^npD nin»

»; n*.t ; k : ' ; p ivt gt;-: i -: ti: • at :

: ^Dt

dc6£ nin^ af »1 ngt;3 VB'nMi ia?-!? rijns did jo ^) (: pjn ^in? n^3'.5 oSn ^31 • pjn nx

bSK'1? |i»v quot;ina D^^ia : 0*133 ^iai noiban quot;h *5 ^o1? »♦ rrm : naiVsn «b nn^ni. nn-nx Dina ^nninni : to löB'i nnx « wnn di»3 pxn : inK « irn^K « naNV

t v ▼; Iquot; v; ▼: •• t ; * ^ quot; ; ••

quot;Sa mquot;)quot;) * u^Nt » ^p^nK ^ari 'n-Sa nnm -■|p * Tpn uaSp ?jquot;i3T Dpnni iKan nfra ^15 i:1? ^n^api * bii nriK D^iyn-i^ chtyn

nnï nx_l733 oniai oriaoi b^pi n-iia ni^K • D^nnKni D^itrxnn tiVn : nnx n^n 'nbü vb r»K

quot; 1 v: -: - t : * • t •• v; tit t v |v iv it i ••

amon nina^rin sia V^non ninVirrba jinx ninr1?^

♦ - D^onns vnmai ions loViy

It* : t t - • -: - ; t • : v iv ; r *

Tnani n^sni D^pn-i: ppani D*:ir nn^an

i:n:K ^ ♦ d»öiö3 «]pgt;Trn; d^öu Tjaioni. oniox vba riana nsi d*3 nba ibx - ania

t - I -: - t • iquot; ; t ~ t * •• t r

* HTDI. ^at^a nn^a irr^i - ^^.l^n-ias nsty wninatjn t'K : mbp • o^aiy niirna wn

i .. t - t I - iquot; ; -: • it t ••: • : ; i-t :

^quot;□71 * irnüx ^ ^ nnin1? D^^oa wn:»

ocr page 440

OCHTEND-GEBED.

zegenen ook maar voor een duizendste van de duizenden mil-lioenen en milliarden malen aan onze voorouders en ons door ü bewezen weldaden! Uit Egypte hebt Gij ons verlost, Eeuwige, onze God! en uit het slavenhuis hebt Gij ons bevrijd, bij hongersnood hebt Gij ons gevoed en in [tijden van] overvloed ons verzorgd, van het zwaard hebt Gij ons gered en voor pest ons beveiligd en ons aan boosaardige en wissen dood brengende ziekten onttrokken. Tot dusverre heeft Uwe barmhartigheid ons bijgestaan en hebben Uwe liefdebewijzen ons niet verlaten; o geef ons, Eeuwige, onze God, dan ook niet prijs tot in eeuwigheid ! Daarom zullen de ledematen, die Gij gescheiden hebt aan ons, en de adem en de ziel, die Gij in onzen neus hebt ingeblazen, en de tong, die Gij in onzen mond hebt geplaatst, — zie! zij zullen danken en zegenen en loven en roemen en verheffen en de macht, de heiligheid en het koningschap toekennen aan Uwen naam! Want elke mond moet ü danken en elke tong U toezweren en elke knie voor ïï zich buigen en elke hoog opgerichte gestalte voor U zich nederwerpen en alle harten moeten U vreezen en alle ingewanden en nieren Uwen naam bezingen, naar het woord, dat geschreven is: ;,Gansch mijn gebeente zegge: Eeuwige, wie is U gelijk, die den arme redt uit de macht van hem, die sterker is dan hij ; en den arme en behoeftige uit de hand van wie hem berooft!quot; Wie is U gelijk? Wie kan bij U worden vergeleken ? Wie kan bij U als verhouding worden aangegeven ? Gij groote, machtige en eerbiedwekkende God, Allerhoogste God, Eigenaar van hemel en aarde! Wij willen U loven en ü prijzen' en U roemen en zegenen Uwen heiligen naam, gelijk er gezegd is: «Loof, mijne ziel! den Eeuwige; gij, mijne ingewanden allen, Zijn heiligen naam !quot; Gij God, door de krachtige uitingen Uwer macht, groot door de heerlijkheid van Uwen naam, machtig tot in eeuwigheid en eerbiedwekkend door Uwe eerbied afdwingende daden. Koning, die zetelt op den troon hoog en verheven, —- eeuwig troont Hij; Verhevene en Heilige is Zijn naam; en er is geschreven: „jubelt, rechtvaardigen! in den Eeuwige, den oprechten betaamt lofzang!quot; Door den mond der oprechten wordt Gij geprezen en door de woorden der rechtvaardigen gezegend, en door de tong der braven verheven en door de ingewanden der heiligen l) geheiligd !

En in de verzamelingen der tienduizenden van Uw volk, het huis Israels, worde Uw naam, onze Koning, met gejuich geroemd door alle geslachten; want dit is de plicht van alle schepselen vóór Uw aangezicht, Eeuwige, onze God en God onzer voorouders, om U te danken, te prijzen, te loven, te roemen,

') ,ygl- jets vroeger: mi nvSai aip bai, waar een loflied als het ware opstijft uit '3 menschen ingewanden. — Anderen vertalen: te midden der heiligen, in den samenhang minder juist.

27

ocr page 441

rvw nbfin o

niaai D'ÖVJ* ï]bK nnK ^ * ^Ö^-HK linbNii onypp : vgV) i^nax nü^n D^O^Ö

* i:n:T njna * unna DHD^ n^oi irribx M

tt : it : - i* t : «t • : • t^; •• • iquot; v: *:

D^i D^nai * unübo naioi * unbïn n'ino * vrhy?2

t * t ▼: •• it : - • v iv • it : - • viv •• it ; - ; •

• ^nDn '^pnn mrp#

-133 mbötf Dn3K rr^ : nï:b irri^N ♦»

it t : r ■ v * t •• I-* -ivT iquot; v: *: iquot; ; • - :

rn * wsa notr-nt^N rit^Vi iröKS nnas^ nni

) •• r : t : r v -; I t : iquot; quot; : t : .i*t v t t ; - i :

wnjn loonn. nxön id^i on * n-ii^ ^ na-^D ^ ^oirhK ID^DII

• ninn^n ^is1? naip'bpi * ^quot;isn ^.rVDi * ^deti ^ -13-13 • nar n')33l?-I?3i: prna ^ Vvo * 'p V nno^n Tioïj? Vs 3in3^

^■nan^ ^ : iVpa ji^Ni wap : pxi nip |i^ xnisni H3an bnjn ^ nioxa * !]iJhpT a^'nx ^quot;1331 ^pxaii .^3^:1 : v^ip D^-nK ^-HK ^33 ^313

;It •• v - tI: t : ▼: v • : - • -;t • t:

nv^ H333 bnan * nioïjrns

- K^:I on ND3 ^ 3^i',n Tjban * ^nisni33 xniani

.niSnpam nw Snpm npnn ^ iv pi^ iquot;9 \quot;m «3 D^pnv 3in3i * latf i^npi Dina r\y pit^

• t :- t - quot; quot;: quot; , t : : * t! '

• -in3nn D^pnï n3i3i * bbnnn ^3 : nbnn ms^

. ' . quot;:* ' T ' T ' ' * T. T : ^ipnn D^np 3np3'i * Donnn on^pn p^3i

ïjp^ quot;ikSjt naps n'3 ni33quot;i niVnpasi

oniï'n-^ n3in ?3^ ini niTb33 133SÜ

; - t ^ - 1 •• v t t : iquot; : - ^

ixab n3^ bbnb nmnV 13^13« ^nbxi wrf?K quot;

.. t : •• - : : i- -: •• •• iv v: ▼; I ivt :

ocr page 442

OCHTEND-GEBED.

te yerheffen, te verheerlijken, te zegenen, Uwe hoogheid te erkennen en U te bezingen nog boven alle woorden van zangen en lofliederen van David, den zoon van Jishai, Uwen dienaar, Uwen gezalfde!

Geloofd worde Uw naam tot in eeuwigheid, Gij, onze Koning, God, groot en heilig Koning in den hemel en op aarde! Want U, Eeuwige, onze God en God onzer voorouders, komt toe lied en lofprijzing, danklied en gezang, almacht en heerschappij, zege, grootheid en kracht, verheerlijking en roem, heiligheid en koningschap, zegeningen en dankzeggingen, van nu tot in eeuwigheid; geloofd zijt Gij, Eeuwige, God, Koning, groot in lofzangen. God, wien dankzeggingen toekomen. Heer der wonderdaden, die behagen schept in lofgezangen. Koning, God, Eeuwiglevende!

Voorlezer: En nu, moge de kracht van mijn Heer zich groot toonen, gelijk Gij gesproken hebt, zeggende:

Gedenk Uwe barmhartigheid, o Eeuwige, en Uwe genadebewijzen, want sinds alle eeuwigheid zijn zij.

Moge Zijn groote naam in zijne grootheid en heiligheid erkend worden in de wereld, die Hij naar Zijnen wil geschapen heeft; moge Hij Zijn koninkrijk weder vestigen tijdens uw leven en in uwe dagen en tijdens het leven van gansch het huis Israel's, spoedig, in nabijzijnden tijd ; zegt: Amen !

Gemeente; Amen I Zijn groote naam worde gezegend immer en in alle eeuwigheid!

Voorlezer: Gezegend en geprezen en geroemd en verhoogd en verheven en verheerlijkt en vereerd en geloofd zij de naam van den Heilige, geloofd zij Hij, — verre boven alle zegeningen en liederen, lofzangen en vertroostingen, die in de wereld worden uitgesproken; zegt Amen !

28

De voorlezer:

Looft den Eeuwige, den lofwaardige !

De gemeente;

Geloofd zij de Eeuwige, de lofwaardige, immer en eeuwig.

Geloofd zijt Gij, Eeuwige, onze God, Koning der wereld, die het licht hebt gevormd en de duisternis geschapen, die vrede sticht en de Schepper zijt van alles!

Wanneer men Jotser bijvoegt, zegt men:

Het eeuwige licht bevond zich in de schatkamer des levens; //lichten [zullen ontstaan] uit de duisternis,quot; zeide Hij, — en het was I

(Terwijl de voorlezer «ia voordraagt, zegt de gemeente zacht:)

Geprezen en geloofd en geroemd en verheven en verhoogd worde de naam van den Koning aller koningen, den Heilige, geloofd zij Hij ; want Hij is de eerste en Hij is de laatste en buiten Hem is geen god! Baant den weg voor Hem, die door de hemelvlakten snelt, ni is Zijn naam, en jubelt voor Zijn aangezicht! Zijn naam is verheven boven elke zegening en lofzang! {Terwijl de voorlezer 'n zegt:) Geloofd zij de naam Zijner koninklijke heerlijkheid immer en eeuwig! De naam des Eeuwigen worde geloofd van nu tot in eeuwigheid!


ocr page 443

rvTO nban na

Tjnnb n-tnb Qüin^ : ?jn^a ^3]? ^♦■fa nn nina^ni D^öfa trnpni Vnan ^an Vkh rnnt^

li'niSK ^ribni irnbK ^ HKJ ^ pN3i nTOJquot;) n^a nxa nb^ooi iy nm bbn nna^i n^i nn^D nitnirn nüia hidVdi nBnj5 nnKöni nbnn niNninn ^ nina^ns Vna TJ^Ö VK V: n;?^

: oibi^n ^n ba ^bü niüt n^a nnian m^aan |m

: IonS n-ia-ïï -itfxi ró xj S^r. nnj;i p : nan d^1j?o ra ^njjni « ?i,qöi isi Nirn «o^a «31 nüf anpn^; v* n^a bzi vnai jia^^ai jia^na nniabo npKi anj5 jorai «b^a

tPühü abyb rj-gt? S2i nof sn] ■ |ox V F nb^rn Tinn^ DDiquot;inn; ixan^; nanti',,i ^an» f ba |p (nSj;1?! nquot;quot;m) K^b xm -pa N^nipn no^

Kob^a |TOK*] xnnn:) Knn^n t^nn^i J^naia

: jQK nöNi

.-I^n'1 I»w 1313 t«a rquot;OTf nrto

: -j-iapn ^tik isna f : ijn nSlyV ^iapn «quot;^na nquot;ip -pp wrptt « nnx ^ia

QOl-iri,l iNsn,l nan^M •pair ^)ü quot;rfeü b# W NB^JTl wnv Nin f-Q ^npn QpS^n

pss vt^Ssoi jnqs Kini; p'^Nn

ia^ n:? nü^a 33iS ép -DTibx

Ss bz aan? ia^i • vi^S uSyi

nquot;33 o? ^im : n^nrn nana

y ap in,i ; nj?i oSiy1? inoSa ; DSIgt; nnj;B ^ipa

nïv nbiyn Q'hv t^-iiai

: SarrnK «iiai

n^n isiN? oSiy nix pn'i.-iDN^iNB nm

HT ÜWDVS

ocr page 444

OCHTEND-GEBED.

Gedurende den zomer, van den Shahhath vóór het Paaschfeest tot de Sdiochoth-dagen, loordt het volgende tot mpn nini in beurtzang door Voorlezer en Gemeente voorgedragen.

Allen danken U en allen prijzen U en allen zeggen: niemand zoo heilig, tils de Eeuwige! Allen verheffen U, Séla! Gij, die het heelal hebt gevormd; God, die eiken dag de deuren van de poorten van het oosten opent! !) En die vensters in het uitspansel uitho.uwt 1), die de zon laat te voorschijn komen uit hare plaats ep, de maan uit het verblijf, waar zij gevestigd is. En die der geheele wereld en haren bewoners licht verschaft, die Gij geschapen hebt, [geleid] door de eigenschap van barmhartigheid! Gij zijt het, die de aarde en hun, die haar bewonen, licht geeft met barmhartigheid, en door Uwe goedheid eiken dag gedurig het scheppingswerk vernieuwt! Gij Koning, die alleen verheven zijt van oudsher, die geloofd, geroemd en hooggeprezen zijt van af de dagen der oudheid ! Gij, God der eeuwigheid ! ontferm U over ons in Uwe groote barmhartigheid, Gij Heer onzer macht, Rots van onze toevlucht. Schild van ons heil, Toevlucht voor ons! Niets is met U te vergelijken, niets is buiten U, niets is zonder U, en wie gelijkt U ? Niets is met U, Eeuwige, onze God, te vergelijken in deze wereld; en niets is buiten ü, onze Koning, in het leven der toekomstige wereld ! Niets is zonder U, onze Verlosser, in de dagen van den Messias; en niets gelijkt U, onze Helper, bij de herleving der dooden!

God, Heer over alle schepselen, geloofd en gezegend door den mond van alle zielen ! Van Zijne grootheid en Zijne goedheid is de wereld vervuld; kennis en inzicht omgeven Hem ! Hij is hoog verheven boven de heilige Chajjoth, en prijkt glansrijk in heerlijkheid op de Merkaba. 8) Erkenning van verdiensten en rechtvaardigheid staan voor Zijnen troon, genade en barmhartigheid vóór Zijne heerlijke verschijning! Goed zijn de hemellichten, die onze God geschapen heeft; Hij vormde ze met kennis, met inzicht en oordeel; kracht en macht Schonk Hij hun, om te kunnen heer-gchen te midden der wereld ! 4) Vervuld van schittering, en glans uitstralend; heerlijk is hun schittering door de geheele wereld ! Zich verheugend bij hun te voorschijn treden en verblijd bij hun huiswaarts keeren, vervullen zij in vreeze den wil van hunnen Eigenaar! Roem en eer kennen zij Zijnen naam toe; gejuich en gejubel bij de herinnering aan Zijn koningschap. Hij riep de zon — en er straalde iicht, Hij rag — en ordende de gestalte der maan ! Lof kennen Hem toe alle scharen in de hoogte, roem en grootheid de Seraflem, de Ofanniem en de heilige Chajjoth.

29

1

) Waardoor de stralen der zon, wier plaats boven het uitspansel wordt

ocr page 445

mntr nban tas

•inv San r3a» mn^on w ^ Siun raro ; «3 i-iütf Vani * Vani ^rji* Van

01^23 nnisn Vkh * ixi» rho niööi-i» Van

t ; - iquot; - •• t - •• t iv | i -: :

nan j^ïio - »3iVn : nnrp n.^ mnVn

* va^vVi iVa DVI^V I'KÜI : nnaB' riasö n^aVi nöipso

t : : *-, t t * •• t ; * i : * t t : t i ; •

n'Vy DniVi PKV i'Kan ; DWI nnoa

t iv't • t- : i v it t ...- • -: - - • : tt v

: n^Nquot;in n'^ö n^pn DVVDS ï^nnp • D^pnna x^insni quot;iNiaani na^pn * ?Kp 115V aninpn TjVan

* irV^ Dn*i D^in ^pn'ia DVI^ ♦riVx : DVI^ nia^p

p« .* asiyp vyw |3Ö 1:^0 niï |m « ^1^2 ptS •' ^jV-nüii ♦pi ^nVa döx * ^n^iT : «an oViyn «nV liaVp ^nVir * nin dVi^s irnVx 1:^^10 ^jV-nDn pKi * n^an nio»V liVstia ïjnVa dön

: o^nan n«nnV : na^rVa ^a ^•inai Tjiis * D^^an-Va V^ fiiK Vtt ; miN D^aab nj^ni n^n * DVIV KVD laiüi iVns

• -: t : ^ 1- t •• t ; ;t

: naanan-V^ 11222 nirw * Eh'pn ni'n-V^ nx-inan

t t ; v - t : t : v : v| i - - vt : * -

D^aiü : map ^aV D^an-n npn * iNpa *:pb iiamp;w niat : Sai^nai n:»a3 njna anv - wnbtt kizv nnixa

: t * : r ; t t : iquot; •.•: t t v :

D^Va : Van anj^a D^V^ia nvnV • ana |n: nniaai na DiiKva D^natr : oVi^n-V^a dvt nu: - mi: o^p^ai vt

t •• ; • •• : t t t : t • v t - i I • • :

D^ni: niaaiiKS inaip JIÏI na^xa 'DNiaa DWI

* iiK-m?»i B'au'V xnp : miaVa n^rV nm nVny * lairV

- v iv - tIt : - viquot;: t •; t ▼: t ; •

* ana KarVa iV cnni: na^ : njnVn miï rpnm nxn

t t : t • : - iv t t : - - I I * : • ; r t

•' ^^n ni'ni d^öihi D^sni? nVmi mxan

3) De troonwagen der goddelijke Majesteit. 4) Vgl. Gen. 1,18.

ocr page 446

OCHTEND-GEBED.

Den Almachtige namelijk, die met alle werken ophield op den zevenden dag, zich verhief en zette op den troon Zijner heerlijkheid. Met roemrijkheid omhulde Hij den rustdag, tot genot bestemde Hij den Shabbathdag; dit juist is de roem van den zevenden dag, dat daarop God ophield met al Zijn werk. De Shabbathdag zelve prijst dan ook en zegt: «een zang-psalm voor den Shab-bath: !) het is goed den Eeuwige te danken!quot; Daarom roemen en zegenen God al Zijne schepselen ; lof, eer en grootheid kennen zij toe aan God, den Koning, den Vormer van het heelal, die in Zijne heiligheid aan Zijn volk Israël rust tot erfdeel heeft gegeven op den heiligen Shabbathdag. Uw naam, Eeuwige, onze God, worde geheiligd en Uw aandenken, onze Koning, geroemd in den hemel boven en op aarde beneden. Wees geloofd, onze Helper! wegens het prijzenswaardige werk Uwer handen en wegens de stralende lichtverspreiders, die Gij geschapen hebt, mogen zij U eeuwig roemen, Sela!

Wees geloofd, Gij onze Rots, onze Koning en onze Verlosser, Schepper van heilige wezens ! Uw naam worde eeuwig geprezen, onze Koning, die dienaren hebt gevormd, en Wiens dienaren allen staan in de hoogte der wereld en vol eerbied te zamen met luider stemme doen hooren de woorden van den levenden God en eeuwigen Koning! Allen zijn bemind, allen uitverkoren, allen machtig; en allen volbrengen zij met vreeze en eerbied den wil van hunnen Meester! En allen openen hunnen mond in heiligheid en in reinheid, met lied en gezang; en zegenen en loven en roemen en kennen kracht, heiligheid en koningsmacht toe aan den naam van God, den grooten, machtigen en eerbiedwekkenden Koning, heilig is Hij ! En zij allen nemen in beurtzang op zich het juk van het koningschap des hemels 1) en geven elkander verlof hunnen Schepper te heiligen met opgewekten geest, in zuivere taal en met lieflijk geluid; heiliging heffen zij allen te zamen aan en zeggen met eerbied:

Heilig, heilig, heilig is de Eeuwige, Tsebaoth, Zijne heerlijkheid vervult de geheele aarde!

En de Ofanniem Wanneer men Ofan bijvoegt, zegt men-.

en de heilige Chaj- u.Ea de Chajjoth zingen en de Cheroe-° . biem roemen en de Serafiem juichen en joth verheffen zich jg Er-elliem zegenen ten aanzien van met groot gedruisch elke Chajja en eiken Ofan en Cheroeb tegenover de Serafiem; tegenover hen staande prijzen zij en zeggen:

30

1

) DiVapo is hier in twee beteekenissen gebruikt; T)Si-Sap», op zich nemen, erkennen; en rms m bapï, van elkander overnemen. Vgl.deChaldeenwsche vertaling van m Ss m sipi; die beide beteekenissen doet de vertaling uitkomen.

ocr page 447

rvTO rbsn V

nb^nn di»? o^sn-'?!» VxS

nnwan Dvb nt:^ mxan : niM «Dr1?^

t : - : t t viv : • ; •• • - - t;

tïiv 13^ Dvbi?' nr : 017 tiy

yp noTp naiKi na^ü n DVI : inaNbo-Vap

Sxb my\ ^ minb 2iü na^n DI^

Vnjan ba iïi* bx1? nbiii ip* rotf - v^s^bs

• : — •• j v iv •• t : • t •-.; It: - iv t : t

t' ' ^li? DI^ inrif33 'is^1? nnwo S^ap * iKön^ IUVD ^Dn * irnbK rivyn i^^iü ^iann : nnno pxn : n^D ^inKsr nn?yi? HN niK»

t iv i i quot;j t : t 1* r v •• :

*|ötf nan^; D^inp xii3 ubKiii usbo liniv ^ann oba vnn^p o^nn^a -iï^ waVp n^1? naquot;; bipa nn;_ nKn»3 abiv 0112 Dnoi^

Dba onna Dv»^) D^IHK : DVI^ D^n D^VK Dennis obpi D3ip |iïi ntfrrn no^a D^ DVDI oniaa D^na^i D^nnoi nnorm mntasi nanpa on^-nK

• : - : • -:t : t ; • : t • ; t*: t ; t %l: * v •

D^^api D^npoi QnKsai

tfoï).: «in ^npT Nnisni main bnan ^an bxn D^TIK D^niii * nip nr niD^ö- D,l?3pü

mns nfitfa mrnma ^npnS * mb nt

t : t t : - 1 -1- : t ; : • i; quot; ; *•* t v :

nKTS onpiNi o^iy nnxa ob nf np nQ^pi : 11133 pNn-Vs Kbp niN3V ^ t^np tfnp t^iip

.riT iiix1 |3i}{ BnniNto Jll'Ill D^SSlKHI

i3TD^^im4^D^3n3i inl^ ni»nni ^quot;ipn

31131 jöiNi n^n-b3 1313* D^KIKI Dw:np S1-12

onoiNi D'nspo Dna^b D^aitp np^b

ocr page 448

OCHTEND-GEBED.

Geloofd zij de heerlijkheid des Eeuwigen op hare plaats.

God, den geloofde, wijden zij lieflijke klanken; ter eere van den eeuwig levenden en bestendigen God spreken zij gezangen uit en doen zij lofliederen hooren, dat Hij alleen het is, die machtige daden verricht, nieuws wrocht, Hij de Heer is der oorlogen, die weldaden zaait, en hulp doet ontspruiten; die genezingen schept, eerbiedwekkend in lof. Heer der wonderdaden, die door Zijne goedheid eiken dag gedurig het scheppingswerk vernieuwt! Gelijk er gezegd is: [Dankt] Hem, die groote lichten gemaakt heeft, want eeuwig duurt Zijne genade! Een nieuw licht moogt Gij over Tsion doen schijnen, zoodat wij allen spoedig den glans ervan mogen deelachtig worden; geloofd zijt Gij, Eeuwige, Schepper der hemellichten!

Met groote liefde hebt Gij ons bemind. Eeuwige, onze God; Gij hebt U in groote, in overgroote ontferming over ons erbarmd; onze Vader, onze Koning! ter wille van onze voorouders, die op U vertrouwden en wien Gij levenswetten leerdet, — o, wil ons evenzoo genadig zijn en ons onderwijzen! Onze Vader, barmhartig Vader, Albarmhartige, ontferm U over ons en schenk ons hart de ingeving, te willen begrijpen en verstaan, te willen aanhooren, leeren en onderwijzen, te willen in acht nemen, doen en vervullen met liefde al de woorden, die wij in Uwe heilige Leer vernemen. — En verlicht onze oogen in Uwe Leer en doe ons hart gehecht zijn aan Uwe geboden, en maak tot eenig streven onzes harten Uwen naam te beminnen en te vreezen, opdat wij niet beschaamd worden tot in eeuwigheid ! Want op Uw grooten en eerbiedwekkenden heiligen naam vertrouwen wij, dat wij eens gullen jubelen en ons verblijden in Uwe hulp. {Men neemt de vier tchouwdraden bijeen en houdt ze gedurende het lezen van Shema' in de linkerhand, ter hoogte van het hart.) En breng ons in vrede te zamen van de vier hoeken der aarde en voer ons met opgerichte gestalte naar ons land. Want Gij zijt God, die reddende daden verricht, en ons hebt Gij uitverkoren boven alle volkeren en talen, en hebt ons doen naderen tot Uwen grooten naam, Séla, in waarheid, opdat wij U danken en met liefde Uwe eenheid erkennen; geloofd zijt Gij, Eeuwige! die Uw volk Israël met liefde hebt uitverkoren!

{Wie alleen bidt, zegt; God, getrouwe Koning!)

Deut. 6,4—10.

Hoor. Israël! de Eeuwige, onze God, de Eeuwige is éénig!

Geloofd zij de naam Zijner koninklijke heerlijkheid immer en eeuwig 1

31

Gij zult den Eeuwige, uwen God, beminnen met geheel uw hart, met geheel uw ziel en met geheel uw vermogen. En deze woorden, die Ik u heden gebied, zullen [steeds] in

') Uiet meer gebogen onder het juk der balliugschap.

ocr page 449

mnip nVfln k1?

: iDipsp ^quot;12

nn^pr D»^ ^n ^p1? * nio^: ^quot;13 bs1? nn^a V^is Kin ^ • wm[ nina^ni {nJquot;!13 n^oïD mpnï nionbp nit^in

■S^a 131123 ^nan ni^fian |m mbnn k*ii: ni«i3quot;i D»Vquot;ia oniN n'B'j;1? iiük3 : n^snn ntr^p Tpn di» 1^3 nsni -i^n |i»v ^ ^nn nix : npn DbiyS »3

: nniNsn w ♦; nrgt;« -jiis • niKb rrinp nban mnn nVn: nban irri^x « i:n3nN nsi n3nK

t : i- t t *• t : t : v iquot; v: ▼: it : - -; t - t -: -

?|3 inps^ irni3K ni3^3 1:3^0 i:»3X : irS^ ?Dmn 3xn ir3N : laiabni usnn rs Dnn ♦an DiöVm

it ~; ~ t t t r t iquot; : ~ : iquot; t ; I •• * ~ I *• •♦.

To» VDpb Vs'^n^i pnnb i^bs fni 12^ Dnn onion ^nnin no^n nsn-bs-nK D^pbi ni'^i io^ na^i inn ^n'iïps us1? psni ^nnins nxni : nsnxs DEO '3 : n^i abi^ ^132-N^I nxn^i n3nKl71233^

•• ; * v t t : •• : I iv ; t : •: t -: quot; : iquot; t :

: nnjn^3 nno'sni i2nL:3 Kni2ni Sitin wnp

) iv*t t:;*: t i* t :itt t - : t- (; :it

nl323 ir3nND Dlb^b 12NM3ni D!jvc,quot;ii niesen iT2 nx'ïn ïais -^pi

: quot; . - ; - •• T : 1quot; • -: - .DinSiy laSliibl 11' vquot;p TOfa 27n ^3

ni^iB'^ Sj;'3 Vn '3 :12^^ nvooip i23^ini pxn nbo bnin no^b i2ra*ipi ri^i d^-^sd mn3 1231 nnx

t iv t quot; I : • ; it ; ~l •*: I t : t * t :i- t it t it

nni3n « nnx ^12 - n3nN3 ^nn^i ^ ninn1? * noN3 isis Tni ; n3nK3 VKnf! 10^3

. . '1 '1 B'W

: -ins% 1quot; irrt7K v yx-w vw

it v -t: v*» v: -t: a** t : • :

: 1^1 Dbi^b ini3bo ni33 üp -]in3 cnSa ■L733i i^ö2--V33i I33yb33 n^nVx nin» nx n3nxi

t ; J : : - T : : IT T ; I AV ••: -jT : ^v.quot; T : - -quot;T :

Di'n iiïd i^k nbxn an3in v'ni ; ii«o

V - •» I : - : s* it v -; v •• t -•• t ; • t : I iv ;

ocr page 450

OCHTEND-GEBED.

uw hart zijn ! Gij zult ze uwen zonen inprenten en er over spreken, als gij zit in uw huis en als gij gaat op den weg en als gij u nederlcgt en als gij opstaat. Gij zult ze binden tot teeken op uwe hand en zij zullen zijn tot voorhoofdsband tusschen uwe oogen. En gij zult ze schrijven aan de deurposten van uw huis en aan uwe poorten.

Deut. 11,13—22. En het zal zijn, wanneer gij zult luisteren naar Mijne geboden, die Ik u heden gebied, — om te beminnen den Eeuwige, uwen God, en Hem te dienen met gansch uw hart en gansch uw ziel; dan zal Ik den regen in uw land geven op zijnen tijd, vroegen regen zoowel als laten regen; en zult gij inzamelen uw koren en uw most en uw olie. En Ik zal gewas geven op uw veld voor uw vee ; en gij zult eten en u verzadigen ! Neemt u in acht, dat uw hart niet verleid worde, en gij zoudt afwijken en andere goden zoudt dienen en u voor hen neder-werpen. Want dan zou de toorn des Eeuwigen tegen u ontbranden en Hij zou den hemel sluiten, zoodat er geeu regen zoude zijn en de aardbodem zijn opbrengst niet zoude geven; en gij zoudt spoedig verdwijnen van het goede land, dat de Eeuwige u geeft. En gij zult deze Mijne woorden in uw hart en in uw ziel opnemen ; en gij zult ze binden tot teeken op uwe hand en zij zullen zijn tot voorhoofdsband tusschen uwe oogen. En gij zult ze uwe zonen leeren, om er over te spreken, als gij zit in uw huis en als gij gaat op den weg en als gij u nederlegt en als gij opstaat. En gij zult ze schrijven aan de deurposten van uw huis en aan uwe poorten. Opdat uwe dagen en de dagen uwer kinderen zich vermeerderen op den bodem, dien de Eeuwige uwen voorouders toegezworen heeft, hem hun te geven, zoolang als de hemel boven de aarde blijft.

(Men neemt de schouwdraden in de rechterhand en kust ze telkens bij het uitspreken van het woord: Tsietsith.)

Num. 15,37—41. De Eeuwige zeide tot Mozes, als volgt: Spreek tot de kinderen Israels en zeg tot hen, dat zij zich schouwdraden zullen maken aan de hoeken hunner kleederen, gedurende al hunne geslachten; en dat zij bij de schouwdraden van den hoek een hemelsblauw snoer voegen. En dit zal u tot schouwdraden zijn; en wanneer gij ze zien zult, zult gij u herinneren alle geboden des Eeuwigen en ze vervullen; opdat gij niet [de wereld] beschouwt *), volgend uw hart en uwe oogen, die gij slechts in afval van Mij zoudt aanhangen. — Opdat gij u herinnert en uitoefent al Mijne geboden, en

Eigenlijk; verspiedt, ouderzockt.

E

32

ocr page 451

fvw nbfin a1?

D3 ^hV Drij^quot;! : vni niN1? ani^pi ; ?jüipai

: ?|n^ nino-^ Dnanpi : \^ habta'?

.jquot;l squot;' D1121

DDnx ™Ö late ♦n'ivpquot;^ ^b^-DK njni quot;SD2 inn^Si Da^nVtt nin'-m nanN1? diti

t ; -.r: v •• i r: lt;t : v t -: i- ; a -

mi» in^a D3siK_iL2a ♦nn^ :

Jv ^ : •)••• ; : - i- ; s* - it ; iv : ; - t : vquot; ^ quot; ï

?l^3 air^ »nn:i : ^pn nfiDKi irip^,i

Vl :it : v V* •»• -it: |ivt : •; v,l: • * : |vt ; -«t : - it : Ia: -

DDnnb nn^-?a oib nam : nvniri

av^: - : vquot; : * I v v t -• : it • t it t : - it : | av : v : •

mni : nro on^nn^ni annx anmtn or^Di

TT : IVt ^^ • •• -; -•• ••: v :-^:r v :- :

nbiKm lèü D^t^n-nK -ivin D53 nin^K

T T -: -T : t t ^ •*•*: r : • - t - v lt;-'t : v t t : ) -

rabn byn nnnö omaKi n^a^nK mn n1?

T quot;I I'^ TL: quot; Tquot;:^ JV.:quot;quot;!r quot;I = V ^quot; '

03357-^ n?K nnrnK Dno^i : ddS |n: nin» vm Di^-S^ nixS ana Dnntrpi DD^fir-^i

j r z v :v : lt;t v : - I: av : : - ^- :

D3 1317 DrWSTiN DilK Dniöbl : D3^^ |»3 höülüS Dnnnoi : ^oip3i ^33^ ^113 ^733 ^raïto D3»:3 ♦ÜI b^D, 131? ' ^i^^i ^n;3 ninrp-^ m Dn^ nn^ nynixh nin» ysm i^st' hqinh bv

Jquot; * AVT -quot;'T vv •• 1 -:i- -rr : ^ f i ' v -: t t-iit ~lt;

• fi«nquot;^ own

jpv30 nsiï nhn loisv oïs hasi ;WBI3 nï'xn Siai tquot;h iquot;e 12102

^quot;Ss? 131 : IOK-? namp;D-bfrt njn* IDNI. Dnnn ^33-^ n^v Dnb DH^K niüKi mV n^ni : n^n ^na -i^n nwb'y urui anil1?

V T -«TT : # VIquot; : . : Ktt^ quot; -'* ' ■» :IT: at I:

on^i nirv n'iïo-ba-nx DniSTiin^onwinw1?

^v • quot;^rr t ^ -• : • t v v : - : -••.••: • • :

DilN-I^K nnM1D333i? HIK llinn-N^ Diix

jv - v -: v •• Tquot; Jquot;-: i- : v : - ; lt;quot;-:r t i : at

onMni wxp-ba-nN on^jn nam I^Ö1? : onnnNt D\X

ocr page 452

OCHTEND-GEBED.

heilig zijt voor uwen God! Ik ben de Eeuwige, uw God, die u heb uitgevoerd uit het land Egypte om u tot God te zijn; Ik, de Eeuwige, uw God!

Waar en juist, gegrond en bestendig,

rechtvaardig en vertrouwbaar, bemind en geliefd, begeerenswaard en lieflijk,

eerbiedwekkend en machtig, welgeordend1) en door overlevering aangenomen, goed en schoon is dit woord voor ons immer en eeuwig. Het is waar, de God der eeuwigheid is onze Koning; de Rots van Jakob is het schild onzer hulpe; voor alle geslachten is Hij bestendig en Zijn naam bestendig en Zijn troon vast gegrondvest en Zijn koningschap en Zijne trouw bestendig tot in eeuwigheid ! En Zijne woorden zijn eeuwig levend en bestendig, vertrouwbaar en begeerenswaardig voor immer en voor alle eeuwigheid,

{Hier kust men de Tsietsith en legt ze uit de hand) voor onze voorouders,

zoowel als voor ons, voor onze kinderen en onze nageslachten en vooralle geslachten van het kroost van Israël,

uwe dienaren, voor de vroegeren zoowel als voor de lateren is het woord goed en bestendig immer en eeuwig,

waar en vertrouwbaar, een wet, die nimmer wijkt! Het is waar, dat Gij,

33

Wanneer men Zoelath bijvoegt, zegt men:

Waar en juist, gegrond en bestendig, rechtvaardig en vertrouwbaar, goed en schoon is dit woord voor onze voorouders zoowel als voor ons, voor onze kinderen en onze nageslachten en voor alle geslachten van het kroost van Israël, Uwe dienaren, voor de vroegeren zoowel als voor de lateren, immer en eeuwig, een wet, dienimmer wijkt! Het is waar, dat Gij, Eeuwige! onze God zijt en de God onzer voorouders immer en eeuwig. Gij zijt onze Koning, Gij waart ook de Koning onzer voorouders ; wil spoedig ter wille van Uwen naam ons verlossen, gelijk Gij onze voorouders verlost hebt! Het is waar, dat van oudsher Uwgroote naam met liefde over ons genoemd is; geen God is er buiten U!

Eeuwige! onze God zijt en de God onzer voorouders, onze Koning en de Koning onzer voorouders, onze Verlosser en de Verlosser onzer vaderen, onze Schepper, de Rots onzer hulpe; onze Bevrijder en onze Redder is van oudsher Üw naam; geen God is er buiten U!

Bijstand voor onze voorouders waart Gij van oudsher. Schild en Helper voor hunne zonen na hen in elk geslacht. In de hoogte der wereld is Uw zetel en Uwe rechtsoefeningen en Uwe liefderijke mildheid reiken tot de einden der aarde. Heil den man, die luistert naar Uwe geboden en üwe leer en Uw woord zich ter harte neemt! Het is waar, Gij zijt een Heer voor Uw volk

') Door bepalingen (nupn) verzekerd.

ocr page 453

mni?

b^nx ♦mxin -lèto nin» : D^nV? D^ahj?

Jto.=«OT^ n:n: •» BW BgV mn^o^p rsê

.n»N oyrfia 'n itin Yquot;vn

fÖNJI IW] D^l |Ü31 Tïn nDN D^JI *7ün:i n^ni ainiji siüi ^apjoi |j5noi : T-wi : nann nVi

TIÏ vzbn chty ♦ribt? noK Kin mi -inb

imD^Ol |ÜJ iNiMI D»[5 lOBh

Dquot;n mnm : no»p iruiDKi

t tt : vitI- t t v:v

anon:i D^I

nX) irnnir^i wby^

^ : Tl^ riniT1?!

31L3 inn Dniinxn D^itrKquot;)n pn njiONi rm : 1^1 d»^ ♦♦ Kin nnNB' naK : TÖ#» xb) ^bn inbü - irnüN ♦nbNi i:pïV i:»nüK bNi-i 1:^151:^12« DVI^D inis ny : ^n^iT D^ribK • ?|QBgt; (Min)

DrnaV ^^101 po dVi^ö Kin nriK irnüK nir^ ïj^ö^piïj^iö Dbty Dn3 : ini iir^a Dn'nnK ïjT-nypV : px n^ ^npnxi

^b pix «in nriK HQK : teb bx DW ^3-ti ^nnihi

.n? □quot;•mix nbii Dn»\W3 D^I |i3:i nüK nfii niüi tON:i

v t: : I t v: v ; t t :

irni^N ^ nrn -oin S^i lyjs 1:^1 nniT^ bw iyniquot;iin

t : iquot;

: T^= ^l

hx) Q^i^Nin n^i chtyb D^nnNn nöN • -iia^ kVi pn iJ^nbK « xm nnKiy

Iquot; v; -r: T - T

a^i^ irninx ♦nbKi

1231?» Kin nnx : npi

*.T

* nnx irnuK TjSo libK^ nnp ïjpB' f^a1? nK ribNïa Dbi^om* : irniax Kipjirb^ ^nan ^ ^n^iT D»ri^|»KnanK3

ocr page 454

OCHTEND-GEBED.

en een machtig Koning om hunnen strijd te voeren! Het is waar. Gij zijt de Eerste en Gij zijt de Laatste en buiten U hebben wij geen Koning, die verlost en helpt! Uit Egypte hebt Gij ons verlost, Eeuwige, onze God ! en uit het slavenhuis hebt Gij ons bevrijd ; al hunne eerstgeborenen hebt Gij omgebracht, doch Uwen eerstgeborene hebt Gij verlost, en de Schelfzee hebt Gij gekliefd en overmoedigen daarin gedompeld en de U dierbaren er door gevoerd, doch de wateren bedekten hunne verdrukkers, zoodat niet één van dezen overbleef. Daarvoor loofden de beminden en verhieven zij God, en wijdden dé dierbaren zangen, liederen en lofprijzingen den Koning, den eeuwiglevenden en bestendigen God; die hoog is en verheven, groot en eerbiedwekkend, die trotschen vernedert en vernederden verheft, die gevangenen uitvoert en verdrukten bevrijdt en behoeftigen bijstaat, en die Zijn volk antwoordt in den tijd, dat zij tot Hem schreien; lofzangen [wijdden zij] God, den Allerhoogste, geloofd zij Hij en alom gezegend; Mozes en de kinderen Israels hieven voor U een lied aan met groote vreugde en zeiden allen:

wWie is U gelijk onder de machten. Eeuwige! wie is U gelijk, prijkend in heiligheid, eerbiedwekkend in lof, wonderen verrichtend !

In een nieuw lied prezen de verlosten Uwen naam aan den oever der zee, allen te zamen dankten zij en huldigden en zeiden : „De Eeuwige zal regeeren immer eh eeuwig!quot;

Rots van Israël, sta toch op om Israël bij te staan en bevrijd, gelijk Gij hebt toegezegd, Juda en Israël; (onze Verlosser, Eeuwige, Tsebaoth, Heilige van Israël is Zijn naam); geloofd zijt Gij, Eeuwige ! die Israël verlost hebt!

o Heer! open mijne lippen, opdat mijn mond Uwen lof verkondige.

Geloofd zijt Gij, Eeuwige, onze God en God onzer voorouders, God van Abraham, God van Izak en God van Jakob, groote, machtige en eerbiedwekkende God, Allerhoogste God ! die weldoende gunsten bewijst en Eigenaar zijt van alles, en de goede daden der voorouders gedenkt en in liefde voor hunne kindskinderen den verlosser doet komen ter wille van Uwen naam; !)

{In de tien hékeeringsdagm zegt men:

Gedenk ons ten leven, Gij Koning-, die leven wenscht, en schrijf ons in het boek des levens om Üwentwille, levende God!)

Gij Koning, die Helper en Redder en Schild zijt; geloofd zijt Gij, Eeuwige, Schild van Abraham !

34

Gij, o Heer, zijt machtig in eeuwigheid. Gij zijt het, die de dooden doet herleven, krachtig om steeds te helpen;

') Niet ten gevolge hunner verdiensten.

ocr page 455

rvw n^an -h

nriNi pwquot;) Kin nnK nöN : onn nnb ni33 -[bDi Dnyap : Tpm vb pw ji-inx «in

onniar1?! * i:nn3 ons# rvapi irnbK ♦;

vyyy Dnn ^D-D!1 ri'pKa n^n nKT'b^ : nni: m1? dho -ihk Dnnï d»ö idd^ n-D^n • nw nii'pT Dnn» unii bts

on : d^i ♦n ^a1? niNnirn nüia nini^ni nnisi onpN K'Vquot;iö D'böB^ n^ipi D^ b^pn Nnui biii nibnn : vSk d^ la^b d^i nnjji cru# VVT ^ ^31 n-^o * -jiaüi Kin Tji-ii pgt;bj7 VKV niaa ^ D^K^ ndDD-^ • D^D npKi nan nnp'^a nT^ : K^fi-n'^ hbnn kiu t^npa mKj

y IV •• I • : T vh - T : V

D93 iiT D'n nfi'^ by ïjrppb a^bm inz# n^nn nn^ .' WT obyb ipw \] - noKi wbnn) mm

• bK^n n-jm^ ^OK:D nnai bKnty» nnr^a na^ ^Kn^» nv : \] nriK rjini • ÓK^tr» j^np idi? nixaï «ijJ?Ka)

: 151 nn^n --na^ vis

'n^K dh^K ^VK irni^K ^Vki irnbK ♦; nnK |i^ Vk Knian1) laan Vnan btfn ap^;. ^nbKi pnï»

'jnij K^api niaK npn laiTi Van nip. D^aits onpn Vpia - nanxa la^ \yüb on^a vzb

,wn i:\s nsian Dnni nar bni Dquot;n IflDa OIDSI '1103 i» .1J-)3r ogt;£iB» n^uu)

c Dquot;n dmSj? ?i?i?dV * Dquot;nn -igp? uarai • n^n? pan ^Sa * D^nS w-gt

: nn-inx pa \gt; nnK Tjna * pai ^^lai iri# ^ba

* yviïnb an nnK D^na rrna « DbiyV maa nnK

ocr page 456

OCHTEND-GEBED.

(Van het Slotfeest tot het Paaschfeest:

Die den wind doet waaien en den regen doet nederdalen;)

Die de levenden verzorgt met genade, de dooden doet herleven met groote barmhartigheid, die vallenden steunt en zieken geneest en geboeiden losmaakt en Uwe belofte vervult aan hen, die in het stof slapen. Wie is als Gij, Heer der machtige daden, en wie gelijkt U, Koning, die doodt, doch weer doet herleven en hulp doet ontspruiten;

{In de tien hekeeringsdagen: Wie is als Gij, Vader der barmhartigheid! die Uwe schepselen ten leven gedenkt met barmhartigheid!)

Gij zijt vertrouwbaar, dat Gij de dooden zult doen herleven j geloofd zijt Gij, Eeuwige, die de dooden doet herleven!

Gij zijt heilig en Uw naam is heilig en heiligen prijzen U dagelijks, Séla; geloofd zijt Gij, Eeuwige, heilige God! (m de tien hekeeringsdagen •. heilige Koning.)

Mozes verheuge zich met het hem toebedeelde geschenk 1); want een trouwen dienaar hebt Gij hem genoemd; een krans van heerlijkheid 3) hebt Gij op zijn hoofd geplaatst, toen hij vóór Uw aangezicht stond op den berg Sienai en twee steenen tafelen in zijne hand naar beneden bracht, waarop de inachtneming van den Shabbath geschreven was; en aldus is nog geschreven in Uwe Leer:

Ex. 31,16 en 17. De kinderen Israëls zullen den Shabbath in acht nemen, den Shabbath te maken voor hunne geslachten tot een eeuwig verbond. — Tusschen Mij en de kinderen Israëls zij hij voor eeuwig een teeken, dat in zes dagen de Eeuwige gemaakt heeft den hemel en de aarde en met den zevenden dag ophield te werken en Zijn doel had bereikt.

En Gij gaaft hem niet, Eeuwige, onze God, aan de volkeren der landen, en schonkt hem niet als erfdeel, Gij onze Koning, aan hen, die afgodsbeelden dienen; ook zullen in zijne rust onbesnedenen niet zetelen ; maar alleen aan Uw volk Israël hebt Gij hem met liefde gegeven, aan het kroost van Jakob, dat Gij hebt uitverkoren, het volk, dat den zevenden dag heiligt, die allen zich verzadigen en verlustigen in Uwe goedheid; en den zevenden dag, in hem vondt Gij welgevallen en hebt hem geheiligd. Gij bestemdet hem tot den bekoorlijkste der dagen, tot herinnering aan het scheppingswerk.

35

Onze God en God onzer voorouders! schep behagen in onze rust; heilig ons door Uwe geboden en laat Uwe leer ons deel zijn; verzadig ons met Uwe goedheid en verblijd ons met Uwe hulp, en reinig ons hart om U in waarheid te dienen; en doe ons, Eeuwige, onze God! in liefde en welgevallen Uwen heiligen Shabbath deelachtig worden, opdat daarop mogen rusten Israël, die Uwen naam heiligen; geloofd zijt gij. Eeuwige, die den Shabbath heiligt!

') Den Shabbath, welks wetten Mozes aan Israël had mede te deelen, vgl. Ex. 16,29; Talm. Shabbath 106. 2) Een stralenkrans. Ex. 34,29.

ocr page 457

nnnt? nVan nb

(* Dt^jn TTtOl niTl onniN nDS-i 'n- dvi fpm ns mxr wsü cibio jd)

VITquot; * quot; IT • -

D^ia TjQiD D^örna d^d n»nö ipna Dquot;n

* ia^ w'h in^ioK D^pi an.iDK quot;i^noi o^in xsni rrnpi n^pa noin ♦pi mi^a ^105 'p

* njn^ n^Dïpi

c D^m? nquot;nS inis1 lalt * □,annn DN TJIM ',p B^D« n-'^s)

: D^nsn n»np \s nnx Tpa • D»np nvnnS nrix füNJi:

* n^D ^ji'pVn' Di» bra ^npT ^0^1 nnt^

O ^njwi ^en n»»n ^ mwa) ; bxn ♦♦ nnN

• ib n«npT |ON3 ^ ip^n n:np3 n^D np'f ♦

* WTI bv_ np^a * rina n^xsn

- n3^ m'm ona ninDi * min hnb ^iri

t - - • ; v t t : t ; * • t -: :

ni'^V n^n-n« VD IIOK'I : ^nnina 3in3 pi niK ^3 p5i ^3 : obi^ nns Dnhn1? n^rrnK pNn-nNi. n'o^n-nK « D^p; cbv) «in

niïiKn quot;ij1? wribx V: quot;inn: xbi: n DVSI

16 inmjps Dai * nsi^S usbp inbnin kSi 3p^! yyt? * n3nN3 inn: ?]pjr bsn^^ *3 ■ D^quot;!X usb'!

i^rvi DVS ^»3^ ^Enpp D^ * nnns D3

ntnj} mix d^ mpn 13 n^n TDfDl * ^itsp

: rm*n3 n'K'^p1? quot;idt ^niyps wnn^ps nxn ,ivni3x ^VNI wnbK ?|n^3 wns^i ^nriap 1^3'^ ^nnins v\hn jni n3riN3 wrhtlt; « npN3 ^3^b inu]

^quot;13 * ^i^p bNT.tyi n3 imr^ ns^ |ixn3i : n3^n ^irjo « nnx

ocr page 458

OCHTEND-GEBED.

Schep behagen, Eeuwige, onze God, in Uw volk Israël en in hun gebed; en breng den tempeldienst terug in het binnenste van Uw huis, opdat Gij Israels vuuroffers en hun gebed in liefde welgevallig zult aannemen, en steeds zij welgevallig de eeredienst van Uw volk Israël!

Op het Nieuwemaansfeest zegt men-.

Onze God en God onzer voorouders! Moge voor Uw aangezicht opstijgen en komen en naderen en gezien en welgevallig aangenomen en gehoord en bedacht en herinnerd worden de herinnering aan ons en onze bedenking en de herinnering aan onze voorouders, en de herinnering aan den Messias, den zoon van Uwen dienaar David, en de herinnering aan Jerusalem, Uwe heilige stad, en de herinnering aan geheel Uw volk, het huis Israël?, — tot redding, ten goede, tot gunst en tot genade en tot barmhartigheid, tot leven en tot welstand op dezen dag van het begin der maand. Gedenk ons. Eeuwige, onze God, daarop ten goede, en bedenk ons daarop tot zegen, en help ons daarop tot leven! En ter wille van de toezegging van hulp en barmhartigheid, spaar ons en wees ons genadig en erbarm U over ons en help ons, want tot U zijn onze oogen gericht, want een genadig en barmhartig God en Koning zijt Gij!

En onze oogen mogen het aanschouwen, wanneer Gij met barmhartigheid naar Tsion terugkeert; geloofd zijt Gij, Eeuwige, die Uwe heerlijke verschijning naar Tsion terugvoert!

Wij danken U, dat Gij zijt de Eeuwige, onze God en de God onzer voorouders, immer en eeuwig. De Rots van ons leven, het Schild onzer hulp zijt Gij voor alle geslachten !

Wij danken U en verhalen Uwen lof voor ons leven,, dat in Uwe hand is overgegeven,

en voor onze zielen, die aan U zijn toevertrouwd, en voor Uwe wonderen, die eiken dag met ons geschieden, en voor Uwe wonderbaarlijke weldaden, die ten allen tijde, des avonds, des morgens en des middags [op

y

geloofd zij de God der dankzeggingen! te merken] zijn; Gij, Algoede, Wiens barmhartigheid niet eindigt; Gij, Albarmhartige, Wiens genadebewijzen niet ophouden, — van oudsher hopen wij op U !

Op Chanoekka zegt men-.

[Wij danken UJ voor de wonderen en de verlossing en de machtige daden en de reddingen en de krijgsverrichtingen, die Gij voor onze voorouders verricht hebt in vroegere dagen op dit tijdstip.

In de dagen namelijk van Mattnithjahoe, den zoon van den hooge-prieater Jochanan, den Chashmoneër, en zijne zonen; toen de boosaardige

36

Bij de herhaling van het gebed, zegt de Gemeente, terwijl de Voorlezer diti» zegt, het volgende •.

Wij danken U, dat Gij zijt de Eeuwige, onze God en de God onzer voorouders, de God van alle vleesch, onze Vormer, de Vormer van het Scheppingswerk; lof en dankzegging [brengen wij] Uwen grooten en heiligen naam, dat Gij ons hebt doen leven en doen voortbestaan! Zoo moogt Gij ons laten leven en ons laten voortbestaan en onze ballingen verzamelen naar de voorhoven van Uw heiligdom, om Uwe geboden in acht te nemen en Uwen wil te volbrengen en U van ganscher harte te dienen; [wij danken U ervoor] dat wij U kunnen danken;

ocr page 459

nnnty nbsn iV

nni^n-nK * onVfinai bxiw ?]D^3 irnbK quot; np; Saj^n nnnxa nnVfini yyib

' ïjs# rn_i2^; Tpn jixn1? 'nrn jiïna

.}«3',i nSy1 a'i»w nin rxna n^i ips,i yau^i. nsjTi n^T.i vp. N3;i nSj;^ irnirij? quot;TiSxi {ran tj^ in ja nyn p'ipti irnnN* jn?t] wanpai naiaquot;?' n^^SaS ^ja1? p-pti Ti5?ipT -17 pWn^

quot; uiat * run ^inn vsi ara □iStfSi □quot;nS D'ömSi nonSi rnS

▼: !••; t v- V I - : t ; . . . . 1. . i .

n^ir1 -girn * □quot;nS ia nana1? ia inpai naia? ia wrpjf r\hp Sn o irr^ T|iSx ^ M^ini anni wam om * nrpn-ij * nnx oinni pan

nnnan « nnx -jiia * D^pnns ^aitra nrrnni : ji'v1? quot;iru^

Kin nnxty rh oniö

t - t )t : r -:

pam Ü^TI^

11 Nin nnxtf wn^ anio quot;•ribs wniajj 'n^xi niaia n^xna nsi' :lJ^^i, i^a Va hy_ irnj^ni Siiari ?]!?rS niNnini wa^ni wnn ja -i^o'pl ^n^nn^ nin^nb wni»^ ^iDNtni ?Iia^^ IJisi JiifrJt1?! ïi,i?,n quot;ia?'1? •^aniouTOiW ow aaSa : nixninn Sn* ^na

|3D w'n nï • quot;1^1

• nm n-ib Kin nm vyw

t : T - n-: *

• ^nVnn i3p2,i nni: b$) ^Tt3 Dnioan i:«n h£ bp* -]V nmpan wniötfj

naj; Di^23f

'3 aitsn onnvquot;! -ij^bi 21% wbszv T0131t3l T0lNi?^ • rfy vy D^i^a ^non isn-N1? ^ Drnnrri ^ann

Dgt;I»IN% nawa

nionSsn hvA m'^i^nn niniaan Sjn: j^isn Sj?i o^san hy_

' n?.0 jPja nnn D'p;? irniax'S wvy#

jv noSg nnp^a vaai 'Njiöfö Vina jria j3ni,quot;l3 irrn^e ,o,|5

ocr page 460

OCHTEND.GEBED.

Grieksche regeering opstond tegen üw volk Israël om hen Uwe leer te doen vergeten en hen af te brengen van de wetten van üwen wil; doch Gij in Uwe groote barmhartigheid, stondt hen bij in den tijd van hunnen nood; Gij voerdet hunnen stnjd. Gij kwaamt op voor hun rechtzaak, Gij naamt voor hen wraak; Gij leverdet helden over in de macht van zwakken, en velen in de macht van weinigen, en onreinen in de macht van reinen, en booswichten in de macht van braven, en moedwiiligen in de macht van hen, die zich bezighielden met Uwe leerl U zelve maaktet Gij een grooten en heiligen naam in Uwe wereld, en voor üw volk Israël bereiddet Gij groote hulp en verlossing tot op den dag van heden! En daarna kwamen Uwe zonen in het binnenste van üw huis, en ruimden [het verontreinigde] weg uit üw paleis en reinigden üwen tempel en ontstaken lichten in de voorhoven van üw heiligdom, en stelden deze acht dagen van het inwijdingsfeest vast om Uwen grooten naam te danken en te prijzen!

En voor dit alles worde Uw naam, onze Koning! steeds geloofd en verheven immer en eeuwig;

(In de tien hekeeringsdagen:

En schrijf in voor een goed leven al de leden van Uw verbond!)

En alle levende wezens zullen U danken, Sela! en Uwen naam in waarheid loven, o God, onze hulp en onze bijstand, Séla! Geloofd zijt Gij, Eeuwige, Wiens naam ,/de Algoedequot; is en Wien het past te danken!

Bij het herhalen van het gebed zegt de Voorlezer:

Onze God en God onzer voorouders! Zegen ons met den in Uwe leer uitgesproken drievoudigen zegen, die voorgeschreven is door de hand van Uwen dienaar Mozes en uitgesproken door den mond van de priesters Aharon en zijne zonen, gelijk er gezegd is: De Eeuwige zegene u en behoede u. De Eeuwige doe Zijn aangezicht voor u lichten en zij u genadig. De Eeuwige wende Zijn aangezicht tot u en verleene u vrede.

Geef vrede, heil en zegen, gunst en genade en barmhartigheid ons en gansch Uw volk Israël; zegen, onze Vader! ons allen te samen met het licht van Uw aangezicht! Want met het licht van Uw aangezicht hebt Gij ons gegeven, Eeuwige, onze God, de leer des levens en de liefde tot genade en welwilleadheid, en zegen en barmhartigheid, en leven en vrede; o, moge het goed zijn in Uwe oogen, om Uw volk Israël in eiken tijd en elk uur te zegenen met Uwen vrede!

{In de tien hekeeringsdagen-.

In het boek van leven, zegen en vrede en ruim levensonderhoud mogen wij herdacht en opgeschreven worden voor Uw aangezicht, wij zoowel als geheel üw volk, het huis Israels, tot een goed leven en tot vrede; geloofd zijt Gij, Eeuwige, Schepper van den vrede!)

Geloofd zijt Gij, Eeuwige, die Uw volk Israël zegent met vrede.

37

ocr page 461

rvw nban tv

pupjsi^aisi ^na ^rinin an^n1? yw by nyamp;in

aptm amp;?. oan-njc n?n oms nys ans mpj; wsnn i'nqi? owoai awjiq t? di3quot;vi; a^bn t? o^isi? nip» ona^rns np^.j ut n^t tist tinnln ^pij; t? nnn cpn? t? d^ii anint? t? arn? jpnsi nsnj nyj; ^nsiy? tynpi sina

^■npa-n?? nrrai ^jsa^n-n?? wai i^is ?]^3 ixa i3_quot;inxi run nnins bn nsan v] nai'af v?ptl nn^n? di-ij ip^sini : sinan ^atr1? ssn^i

* o^w1? tün lisbö ïpv döinn'i -p|:v dba-^'i c tjnna 62) opia aln^ ™wn ^

vkh nok3 nx ibbnn. nbd crnn vdi ^•i ?|ü^ ni'isn « nnsi ^13 * nvp unit^i : nninv na:

: v t

\quot;vr\ quot;ioin nssnn mm:

n1quot; hv nairan mins nrwan ,13-133 133-13 irntix ^snj. irnbx

••: t : ~ t quot; v iv-.. ; quot; t t; r -:t i* . quot; 1 ..

: -na*» ?if lip dj; a^ns rwi pqn* ■|sa nnia^n n^a n^i ï]quot;1^» vjs v! nf ? 5 tljirn vjs ^ -in; : ^.a^?! v- ^1?!?: (p'st |3 ow) : dlw t]v

vri wbv q^onni lom rn nonai naiü disir dv^

: iquot; t • -: -: v iv t i •• t t : t . t

quot;iij-o nnk3 uba irss? uans snit^-va

; tv: it •-. r t iquot; -:t i iv^- •• t: • t

nanni d^ti min irribx « nn: tixd »3

- -• - : •- - iquot; v; ▼: it t iquot; t i iv t : * i • - t

-|i3s aiüi di^^i d^ni dpni.i ndnni np^si non • ïjai^a ini ^s^-nn

nawn •gt;»'« nisra)

^ay-saiwrn?? ^^a1? anaji nw? nala npj-jgi ais^i nan? d,sn nap? c diwli nry ^ nas* ^ns • diws n^ia dwn^ sxtj?1 n1?

: vntb'» isjrnk « nnx ^quot;12

ocr page 462

38 OCHTEND-GEBED,

Mijn God! bewaar mijn tong voor kwaad en mijne lippen voor het spreken van bedrog; moge mijne ziel zwijgen tegenover hen, die mij vloeken, en moge mijne ziel tegenover ieder zoo nederig zijn als het stof! Open mijn hart in Uwe leer en moge mijne ziel Uwe geboden najagen! En allen, die kwaad tegen mij beramen, o, verijdel spoedig hun plan en vernietig hunne gedachten! Doe het ter wille van Uwen naam, doe het ter wille van Uwe rechterhand, doe het ter wille van Uwe heiligheid, doe het ter wille van Uwe leer! Opdat de door U beminden gered worden, help met Uwe rechterhand en verhoor mij! Mogen tot welgevallen zijn de uitspraken van mijn mond en de overdenkingen mijns harten voor U, o Eeuwige, mijn Rots en mijn Verlosser. Hij, die vrede sticht in Zijne hoogten. Hij behoude den vrede voor ons en geheel Israël; zegt hierop: Amen!

Het zij U welgevallig. Eeuwige, onze God en God onzer voorouders, dat het heiligdom spoedig, in onze dagen herbouwd worde, en maak Uwe leer tot ons deel. En daar zullen wij U in eerbied dienen, als in de dagen van het vroege verleden en als in de jaren der oudheid. Dan zal den Eeuwige aangenaam zijn het offergeschenk van Juda en Jerusalem, als in de dagen van het vroege verleden en als in de jaren der oudheid.

De Voorlezer herhaalt het gebed, waarhij na D'nan rvna de volgende Kedoesha wordt ingevoegd:

Voorlezer: Laat ons Uwen naam heiligen in deze wereld, gelijk men hem heiligt in de hooge hemelen; zooals door Uwen profeet geschreven is; En de een riep den ander toe en zeide: {De Gemeente-) Heilig, heilig, heilig is de Eeuwige, Tsebaoth, Zijne heerlijkheid vervult de gansche aarde! (Het volgende wordt door den Voorlezer herhaald-) Vervolgens doen zij met een groot, machtig en sterk stormgeluid een geluid hooren; terwijl zij zich verheffen tegenover de Serafiem, zeggen zij, tegenover hen staande; „Geloofdquot;. {Gemeente) Geloofd zij de heerlijkheid des Eeuwigen op hare plaats! {Gem. en daarna de Voorlezer) Moogt Gij van Uwe plaats stralen, onze Koning! en over ons regeeren, want wij verbeiden U, wanneer Gij als Koning weder te Tsion zult regeeren; o moogt Gij spoedig in onze dagen, en dan voor immer en eeuwig, daar zetelen! Dan zult Gij in Uwe grootheid en heiligheid erkend worden in Uwe stad Jerusalem voor alle geslachten en in alle eeuwigheid! Mogen dan onze oogen Uw koningschap aanschouwen, naar het woord, in de liederen, die Uw macht bezingen, uitgesproken door David, Uwen rechtvaardigen gezalfde. — {Gem. en daarna de Voorlezer) De Eeuwige zal dan in eeuwigheid regeeren, uw God, o Tsion, door alle geslachten; Halleloe-jah!

(De Voorlezer;) Alle geslachten door willen wij Uwe grootheid verkondigen en in alle eeuwigheid Uwe heiligheid uitspreken, en Uw lof, o onze God, zal nimmer uit onzen mond wijken tot in eeuwigheid, want een groote en heilige God en Koning zijt Gij; geloofd zijt Gij, Eeuwige, heilige Godl {in de tien hekeeringsdagen: heilige Koning).

ocr page 463

mnir nVsn n1?

nEnp ♦nö'f i vyi ^it^S iï3 ^nima quot;amp; nna : n^nn Va1? *12^3 Diin ^an nino nyn o^inn b'D) c]i-n:n ^♦n'iïpni l^p1? n'^ * np% ' onn^no Vpb^ onï^

• ^nnin \yab nv# '

♦fi-npK \K*h vn* : n^^in p^n.'

*m vdiquot;IÖ3 n.iï « ^1? ii^ni

: |ON npNi 13^ DIW n^;.

nnnp? tjnpan n1? n^5?' irnias irn'S^ \] ^i^aVo p'iquot;} DriBoi oSir ,q,3 nxT? 11323 d^i. : w^n |ni: war? : nl'janp nwaï oSiy ••ors dWiti min'' nraa quot;S m-ijn : nviaip

;l- • T : T •• • 'IT t T : - : • Tquot; t : t: • •

•nSann mtna yvb wnp i»quot;

DIID 'mz iniK D^npa^ D^3 Dbipa ^otrr-w wip* - no^i HT VK nT ^^3 1: mns? : ni33 pxn-b3 KVO niK3ï \\ ^npT ^npT tfinp quot;quot;v Dw:np ^ip pTni tik bna ^1 bips r^i 'n

« 1133 Tjiis quot;quot;v : noN» ijiis Dna^b crsif na^S D^na »3 irb^ Tjibani )?»fiin i^Va ^aipaa 'n : laipaa :ji3^n 1^1 ^3311153 fi»v3 ijiVan Tia ^ i:mK :DTOnvi;,?!i 1111 iii^T^ d^it ijins tyipnni Viann 111 n» bjr ^Tj; n^3 iiaxn 1313 ^msba nr«in 12^1 : n^niini1? ji'v obi^ ♦; ijVatnquot;iP: ^jpiv n^a

wnbx ina^i l^'lp cnw HSJSI ^S-ja HIT. Th'? im • nnx B'npi Siia ^Sa S» '? nj^i oSly^ ^a; NS wsa « tf iljvj quot;^Sarj nquot;wïa) : tfiipp ^ ins

ocr page 464

OCHTEND-GEBED.

Op Itosh Chodesh en Chanoekka zegt men:

Geloofd zijt Gij, Eeuwige, onze God, Koning der wereld, die ons door Uwe geboden geheiligd en ons bevolen hebt Hallel te lezen.

Psalm 113. Halleloe-jah! Prijst, gij dienaren des Eeuwigen! prijst den naam des Eeuwigen! De naam des Eeuwigen worde geloofd van nu tot in eeuwigheid ! Van de plaats van opkomst der zon tot haren ondergang wordt de naam des Eeuwigen geprezen. Verheven toch boven alle volkeren is de Eeuwige, boven den hemel Zijne heerlijkheid. Wie immers is als de Eeuwige, onze God, die hoog verheven troont, — en toch in de diepte nederziet, in den hemel en op aarde?! Die opricht uit het stof den arme, van den mesthoop opheft den behoeftige, om hem te doen nederzitten naast vorsten, naast de vorsten zijns volks; die de onvruchtbare vrouw in het huis doet neerzitten vol vreugde als moeder van zonen; Halleloe-jah!

Psalm 114. Toen Israël uit Egypte toog, het huis Jakob's uit het midden van een volk, dat eene vreemde taal sprak, werd Juda tot Zijn heiligdom, Israël Zijn machtgebied! De zee zag het, — en vluchtte, de Jordaan wendde zich achterwaarts, de bergen huppelden als rammen, de heuvelen als jong kleinvee! Wat is u overkomen, gij zee, dat gij vlucht; gij Jordaan, dat gij u achterwaarts wendt?! Gij bergen, dat gij als rammen huppelt; gij heuvelen, als jong kleinvee?! Voor den aanblik des Heeren beef, gij aarde, voor den aanblik van Jakob's God; die den rots doet verkeeren in een watervij ver, hard gesteente in een waterwel 1

Op Rosh Chodesh wordt het volgende stuk niet gezegd.

39

Psalm 115. Niet ons, o Eeuwige, niet ons, maar Uwen naam slechts verschaf eerbied, ter wille van Uwe liefdevolle genade, ter wille van Uwe waarheid! Waarom zullen de volkeren zeggen; //Waar is toch hun God?quot;, terwijl toch onze God in den hemel is, Hij volvoert al, wat Hij wil! Hunne afgoden daarentegen zijn zilver en goud, het werk van de handen eens menschen. Een mond hebben zij, maar zij spreken niet; oogen hebben zij, doch zij kunnen niet zien; ooren hebben zij, maar kunnen niet hooren; een neus hebben zij, doch kunnen niet ruiken. Hunne handen, — zij tasten er niet mede; hunne voeten, zij gaan er niet mede; zij uiten geen klank met hun keel! Gelijk zij zelve worden zij, die ze maken, allen die op hen vertrouwen! Gij daarentegen, o Israël, vertrouw slechts op den Eeuwige; Hij toch is hun Steun en hun Schild. Gij, huis van Aharon, vertrouwt op den Eeuwige; Hij is hun Steun en hun Schild! Gij, die den Eeuwige vreest, vertrouwt op den Eeuwige; Hij is hun Steun en hun Schild!

') Het lezen van Hallel behoort tot de zeven door de geleerden, Soferiem, voorgeschreven verplichtingen, waarover (met het oog op De ut. 17,10) evenals bij de vervulling van in de Thora voorkomende plichten, eene lofzegging wordt uitgesproken. Daartoe behooren nog: het ontsteken van het Shabbathlicht, 'Eroeb, het wasschen der handen vóór dén maaltijd.

ocr page 465

rvw nbfin

naiam vm pann vn'iïDS lat^np ivrx oSiyn -ibo irribx « nnw -ina

it • ; t : • : it :!• . v -: t ^ t )v iv i- v; ▼: t - | t

: Sbnn-nK Klip?1?

? w ' r Ü^TIN ibbn *

K'D^-nnTsp : nn^o Tjiao

: 1-1133 D'OB^rVïr quot; D^irbrVy Dquot;i :« DÏ^ bbnD iKiao

; • iquot; t ~ quot; *; * t t *: •• t •-. : ;

niN-f? ♦VöB'sn : ♦n^aasn ivrt^K «3 'p : |V3K Dn* hsirNp ^ na^p 'p'pö : pK3i D^an-DN n?3n rn^ »3^10 : isjr ^n: DV D^nro^ : nnVVn * nnDiy

t -: - t •• :

nn^n : D^p 3p^: n*3 onïpp nNï3 t?

HKI D»n : vnib^öD i^np^ min»

tt t - t : : - •• t ; • :it : t :

■*333 ni^35 d*Vn3 npn onnn : nnN1? 3D* p.Tn D:n Dnnn : ninNV 3bn pTn Diin *3 dti ^-np : jNï ♦aö^p p.K ^in }1-IK ^öbp : |Nrn33 ni^33 D^^D npnn : D^-iryö1? ir^Dbn D*o-D3K niïn ♦Dö'nn : ipy ni^K

• it : • t - • it - -: quot; • : - ) 'i' quot; i v:

.13S sh cmw ps tnn rxna naS : ^ipn-Si; nna jn ^ «S xb « wS tih «p

-quot;irx Sa cor'a irriSxi : dhmSn Nrnw n^'an nnx1

v -: -itt - iquot; •• v •• v; t • - :

«Si oriS ns : Q-tN* n;; nvyp ann «]9| an^^X = namp;yr fgn NSI •ijflo?* NSI nnS D^|K : IKT. NSI nnS D^JK nsT : caru? NS -isbn: JCSJ j;i^,n^ «c^ OTT : pnn;

d^oi onts nD? : Dra no's t^n; S's nyW i'n? onio? ^3 mps ^ \N5T '• Nin Q3JÖI cnw ^3 -inp? pn^ rca : Nin

: jnn D|JÜI Ditj

het uitspreken der lofzeggingen vóór genietingen (p:njn noia), het lezen van de rol Esther op Poeriem, en het ontsteken van het Chanoekkalicht.

ocr page 466

40 OCHTEND-GEBED.

De Eeuwige toch heeft ons herdacht. Hij zegent. Hij zegent het huis Israels, Hij zegent het huis van Aharon. Hij zegent hen, die den Eeuwige vreezen, de kleinen met de grooten ! De Eeuwige zal u bijvoegen, bij u en bij uwe kinderen! Gezegend zijt gij door den Eeuwige, den Maker van hemel en aarde! De hemel is de hemel voor den Eeuwige, doch de aarde heeft Hij den menschenzonen gegeven. De gestorvenen prijzen God niet, noch zij, die afgedaald zijn in doodszwijgen, — maar wij, wij willen God loven van nu tot in eeuwigheid! Halleloe-jah!

Op Rosh Chodesh wordt het volgende stuk niet gezegd.

Psalm 116. Ik bemin den Eeuwige, dus zal Hij zeker hoeren naar mijne stem, mijn angstig smeeken. Want Hij neigde Zijn oor mij toe, daarom wil ik Hem al mijne dagen aanroepen 1 Als banden des doods mij omstrikten en de angsten des grafs mij troffen, als ik ondervond nood en kommer, — en dan aanriep den naam des Eeuwigen: //Ach, Eeuwige! red mijne ziel!quot; — dan was de Eeuwige genadig en rechtvaardig, en onze God vol erbarmen! De Behoeder der argeloozen is de Eeuwige; ik was diep gezonken, en ook mij redde Hij! Keer dus terug, mijne ziel, tot uwe rust, want de Eeuwige bewijst u goeds! Want Gij hebt mijn ziel aan doodsgevaar onttrokken, mijn oog aan tranen, mijn voet aan neerstorten. Ik zal voortaan gaan voor den Eeuwige in de landen der levenden. Ik bleef vol vertrouwen, toen ik sprak: //Ik ben zeer arm gewordenquot;. Ik zeide daarom nog bij mijn overhaaste vlucht: //Alle menschenhulp is bedriegelijkquot;.

Hoe kan ik echter den Eeuwige teruggeven al Zijne mij bewezen weldaden?! Den heilskelk wil ik opheffen en den naam des Eeuwigen aanroepen! Mijne geloften wil ik den Eeuwige betalen, ik wil het gaarne doen ten aanzien van gansch Zijn volk! [Toen ik sprak:] „Kostbaar is in de oogen des Eeuwigen het sterven Zijner vromen. O Eeuwige ! — ik ben immers Uw dienaar, ben üw knecht, de zoon van Uwe dienstmaagd, Gij hebt zoo vaak reeds mijne banden verbroken ! U ter eere zal ik dan offeren een dankoffer en den naam des Eeuwigen wil ik aanroepen!quot; Deze mijne geloften voor den Eeuwige wil ik betalen, wil het gaarne doen ten aanzien van geheel Zijn volk, in de voorhoven van het huis des Eeuwigen, in üw midden, o Jerusalem; Halleloe-jah!

Psalm 117. Prijst den Eeuwige, gij volkeren allen; roemt Hem gij natiën allen! Want machtig uitte zich over ons Zijne genade en de trouw des Eeuwigen duurt in eeuwigheid; Halleloe-jah!

Psalm 118. Dankt den Eeuwige, want Hij is goed;

want eeuwig duurt Zijne genade.

Spreke Israël het uit:

«want eeuwig duurt Zijne genadequot;.

Zoo spreke ook het huis van Aharon:

«want eeuwig duurt Zijne genadequot;.

Mogen zoo spreken allen, die den Eeuwige vreezen;

„want eeuwig duurt Zijne genadequot;.

F

ocr page 467

mm? nban o

: pnN rvrnx n^-nK rpy -pr «

syty DD^JT « t]amp; : D^'tan-Dj; D^j5n » ♦NT -py D^o^n : riKi ym iïüy DHK D^na : DDnr^i

• i- t - I vit t • i- t quot; Tquot; v - • : v •• ; quot; :

Nbi ynnn-ah : rnj rixm dw

: t -: - : • •• - t t •• : * I - t | vit t : T ~ • r t

: iTiVbn nnj?D rr ^33 : non

.\i3nN o^ims J\H rnn twna iQ^ai -h üJN ntsn-'a : ^wnn ,Sip-nN 11 vnarw «p

-T; * : t t * t -; - • I v ▼: ^ -: • • : r t

Tin ms ViNr nsoi nio^San ^issn : nipk

It; tt • i t : ; quot;t ; vit ••:•-• -it-; tI ; v

wnSNi pnsi: ^ pan : ^93 naVo nax : nsp??

quot; 13 ■'D^mjaS ^33 « dwdb nor : omo

▼;•• ;it ;•*:quot;• 1 r : • ; • i - • t : •• •• quot;;

: •'ma ^rnv? n^^Tia niao ^93 rsbn v ; why Saa : iNa WJJ? VN; quot;I?quot;!?? ,3 ^P??? : D^nn nis-vja v, ilüW : 3ó Dixn-Sa ,|ran3 wax

TT T T

niyw^Dis : 'by 'niViojn-Va a^tfnö

•• : TV ^ ; t T * 1 : - T T - , • T T

lp» : «rmji DWK mi : «npK «

Itt t ; t t : v T - - t : tI : v ▼;

ïj'iajr ^ \* n3K : VTpn1? nnian quot; »3^3

M Dirai min nar nam ^ : noiob nnna ^nox-ra

▼; •• : t -iv - ; v | : t•• ; t : i- • |iv t -: I v

niiïna : iDyVa1? sjrmn oVate n-12 : MnpK

: - : - t : t t:v T - -t: tI: v

: n^Sbn ♦aaina quot; n^a

T - -it T ; • Iquot; ; ▼:

ia: *3 : D^Nrr^a mina^ D^r-ba ^-nN i^n rp : rn^bbn • obi^1? quot;-now nan

t - t ; ▼: v v: v : - r'T

n'p

nin Snp ; l^pn Dbl^1? »3 3lL2 *3 quot;b llln I'quot;

nm bnp ; HDn dltyb »3 ^*12» «riON» I'quot;

; — t ; * •• T ; • T quot; I

mn v ; npn obi^1? '3 |nnNTi»3 N: mpN* i»quot;

nm bnp ; -j^n gt;2 quot; W tW VlOi^ I»quot;

: • T ! * *;••:• T : i

ocr page 468

41 OCHTEND-GEBED.

Van uit de benauwdheid riep ik God aan, Hij antwoordde mij door onbegrensde verruiming. De Eeuwige is met mij, dus vrees ik niet; wat zoude een mensch mij doen ? ! De Eeuwige is mij onder mijne helpers, — ik zie dus rustig mijne haters aan. Beter is het bescherming te zoeken bij den Eeuwige, dan te vertrouwen op menschen. Beter is het bescherming te zoeken bij den Eeuwige, dan te vertrouwen op vorsten. Al omringen mij ook alle volkeren, — in den naam des Eeuwigen, voorwaar, ik zal ze verpletteren! Al omringen, ja, omsingelen zij mij, — in den naam des Eeuwigen, voorwaar, ik zal ze verpletteren ! Al omringen zij mij als bijen, — plotseling als een doornenvuur gaat hun vlam uit, — in den naam des Eeuwigen, voorwaar, ik zal ze verpletteren! Wel hebt gij mij gestooten om mij ten val te brengen, doch de Eeuwige hielp mij. Mijne zege en mijn zang is God ; Hij was mij ter hulpe. De roep van juichen en redding klinkt in de tenten der rechtvaardigen : «de rechterhand des Eeuwigen schenkt macht; de rechterhand des Eeuwigen is hoog verheven ; de rechterhand des Eeuwigen schenkt macht!quot; Ik zal niet sterven, neen, ik blijf leven en zal verhalen de werken Gods! quot;Wel heeft God mij getuchtigd, maar aan den dood gaf Hij mij niet prijs ! — Opent dan voor mij de poorten der rechtvaardigheid, ik wil er binnengaan, wil God danken ! Dit is de poort des Eeuwigen, rechtvaardigen treden er binnen! Ik dank U, dat Gij mij verhoord hebt en mij ter hulpe waart! De steen, die de bouwlieden verachtten, zij werd tot sluit- en hoeksteen ! Van wege den Eeuwige geschiedde dit, het is wonderbaarlijk zelfs in onze eigene oogen ! Dit is de dag, dien de Eeuwige ons heeft bereid; wij willen ons er mede verblijden en verheugen!

Ach, Eeuwige ! help toch !

Ach, Eeuwige ! help toch !

Ach, Eeuwige ! schenk toch geluk !

Ach, Eeuwige ! schenk toch geluk !

Gezegend hij, die komt in den naam des Eeuwigen ; wij zegenen u van uit het huis des Eeuwigen ! God is de Eeuwige. Hij heeft ons licht verschaft; bindt daarom het feestoffer met touwen tot aan de hoorns van het altaar ! Mijn God zijt Gij ; ik wil ü danken; mijn God, ik wil U verheffen! Dankt den Eeuwige, want Hij is goed; want eeuwig duurt Zijne genade!

Al Uwe werken mogen U loven, Eeuwige, onze God; en Uwe vromen, de rechtvaardigen, die Uwen wil volbrengen, mogen met gejuich Uwen naam danken en zegenen en prijzen en roemen en verheffen en zijn macht, heiligheid en heerschappij erkennen, onze Koning! — Want het is goed, U te danken en het is gepast Uwen naam te bezingen; want van eeuwigheid tot eeuwigheid zijt Gij God; geloofd zijt Gij, Eeuwige, Koning, Wiens daden iq lofliederen worden geprezen!

Kaddiesh Thithkahhal.

ocr page 469

mm? nban NÖ

-nö ah 'b « : n^niaa wy n» ^nx^p n^sn-ro

t • • ▼: t ; - ; v - •it*t t itIt - •• - | •

niü : ntm »S : dik ^ n'^

: D^iaa nbaö «3 nionb niü : diks nbao «3 nionb

t i- -: - tt t - i : • ti- -

quot; Dt^S ^133£p-DJ ^13p : DV'PK '3 \] OB'S ^1330 D'lr^S »3 \\ DtyS D»VV ^ 13^ Dn3quot;!3 ♦JISD : D^DK '♦S -♦n'1 nnari : »3nnr «i V0:1? ^jrm n'ni : dVok

. :- t t ; •: •quot;gt; • itt^-: t- ; • • i- • ; t - • -:

n'^ « i'p» D^nv ^nN3 m-i bip ; nynwb h n^nN-»3 niüN-N1? : Vn noain « \w : Vn

v; v • t it t i ▼: i • : t •• *; i • : -it

nnns : ♦wna n1? niabi rr ♦ane» Id^ : n» isdki

: . 'it t : vit - : t * i-: • - t •• : -

^3* D^pnï quot;V i^^n-nT : niix D3 N3N pimvtr ^

it i • • quot; t - »-5. ,- - v t v t t i viv

IDNQ |3Nt 1™ : »3 ^niK : 13

n^ö: K'n nxt nn^n « HNQ ?=*: nss vaib nn^n Dni3n

t : .* t :it *: •• •• t • ; t ;t -

quot;» : 13 nnm:) Di'n nr : w:»v3

t : : • : t i-t *; t ^t - v iquot; *•• ;

ruijj Snpni p:oi mn pm ruw Vipm i«n prm

N3 n^^in « «3N H3 n^^in quot; NSN

t tt r ▼: t t t r ♦: t t

: K3 nn^ïn « K3N N3 nn^xn « NSK

tt':-*:tt t t • : ~ tt

nx'l » Tquot;13 : « rV30 0313313 quot; 0^3 X3n Tins

v it- ▼; •• *: •• * v : - •• t; •• ; t - | t

hx ^ : n3Tsn ni3-ip ny 3n-npK 13quot;?

'3 3iü-»3 inn ^ : ?TOOIISS« ♦ribx snixi nm

t- I iv -: -: - v; i iv : t -

mn ; npn

5]3ivi nyiy o^nv ^Tpni * ^'^p-Vs i3^ribK « ^i^n» ins^^i isn^i ni' nsns n»3 ^ar^i

wsVp ^jüB'-nN i3^öti wnpn iïnj?;.i IDÖITI nxan *3 ISTV nK3 ïjO^i minb 31Ü ^ »3 : nin3^rgt;3 VbnD quot;nVo « nnx Tins * nnx

t : • - t ••. ; ) v iv *; . t - | t •• r -

•bapnn cnp

ocr page 470

OCHTEND-GEBED,

Bij het openen der Heilige Arke om de Wetsrol er uit te nemen, zegt men;

Het was bij het optrekken der Avke, toen zeide Mozes: Verhef U, Eeuwige! dat üwe vijanden verstrooid worden en zij, die U haten, mogen vluchten voor Uw aangezicht! Want van Tsion gaat de leer uit en des Eeuwigen woord van Jerusalem!

Geloofd zij Hij, die de leer heeft gegeven aan Zijn volk Israël in Zijne heiligheid!

Sommigen zeggen nog het volgende-.

Geloofd zij de naam van den Heer der wereld; geloofd zij Uw kroon en Uw verblijf! Moge üw welgevallen immer met Uw volk Israël zijn eu doe Uw volk de verlossing door Uwe rechterhand aanschouwen in Uw heiligdom. — Doe ons toekomen den zegen van Uw licht en neem in barmhartigheid ons gebed aan ! Moge het U welgevallig zijn ons leven te verlengen in welzijn, en moge ik bedacht worden te midden van de braven, zoodat Gij U over mij ontfermt en mij behoedt en al het mijne en al wat üw volk Israël toebehoort! Gij toch zijt het, die alles voedt en alles onderhoudt; Gij zijt het, die alles beheerscht; Gij zijt het, die ook koningen beheerscht, en alle heerschappij is aan U. Ik daarentegen ben slechts een dienaar van den Heilige, geloofd zij Hij, voor Wien en voor Wiens verheven leer ik mij ten allen tijde nederbuig; niet op een mensch vertrouw ik, noch steun ik op eenig ander goddelijk wezen, dan alleen op den God des hemels, die is de God der waarheid en Wiens leer waarheid is en Wiens profeten waar zijn en die in rijken overvloed daden van liefde en waarheid verricht; op Hem vertrouw ik en ter eere van Zijn grooten en geëerden naam spreek ik lofzangen uit! Zoo moge het U dau welgevallig zijn mijn hart te openen voor Uwe heilige leer, en moogt Gij mijne harlewenschen en die van gansch Uw volk Israël vervullen, ten goede, tot leven en tot vrede!

De Arke wordt gesloten en de Voorlezer zegt:

Kent met mij grootheid toe aan den Eeuwige; laat ons te zamen Zijnen naam verheffen.

De Gemeente antwoordt ■.

Aan U, o Eeuwige, is de grootheid en de macht en de heerlijkheid en de overwinning en de majesteit, want [ü behoort] alles in den hemel en op aarde; aan U, o Eeuwige, is de heerschappij, en Gij zijt het, die boven alles als opperhoofd verheven zijt! Verheft den Eeuwige, onzen God, en werpt u neder voor Zijne voetbank ; heilig is Hij ! Verheft den Eeuwige, onzen God, en werpt u neder voor Zijnen heiligen berg, want heilig is de Eeuwige, onze God!

42

ocr page 471

rvTO nVfin 30

Ditisisi nnn ISO ü-npn pis Dvims ID^I lïön « HDIp n^O ID^l pNin ^023 W]

: pVahTp «ITT) nnm Nïn |i»yp gt;2 : ^Jöp ^Ka'^p : inrn|53 quot;i^1? nTin ^3^ -jna

«nssjn lym innsn rra i-ipoS Nuasa min ibd fpso 13 jipop 131 ion •w m'o1? v) isS niS ijasi n^ï1? na-i.sn r.N purai pomn

kh» • Tpntfj ^na KW nnv nnN Tjyp» ^ D^

* ppni.a bzpbi Tj-rin: nriap N^rapKS ^pp NTplswNNinbi • p'n ^ rpim ^jon^ «n» ^vi Hl ^ H rin w nüjpSi Dn-ip^ * n^hï ua 13»^ «in ri3K • N^1? D^öpi NVD1? |T NIH njK • ♦KTJ Tj^-n «nubpi N^p wbiïi Kin n:K *^'2^ nj^n Kapöi nap. «rucn Kin ^na K^nipn winy k:k na ^ K^i -KJïnn vm by xb * jnyi jny ba nnn^

* ütyj? «n^K Ninn • N^p^n Kn^a sbti - Niapo pn^N

* t^'^pi |)aü na^pb «atppi * □typ ^niK^i * ü'^p nnniNi

* fnatfin npN n:k NTpn Ktfnp np^i • ^nn wk na

* ♦a'pn pWp obfni xnn.iNa *2b nnpm quot;qonp Ni^n «n»

•' P'nbi ïüb - btpitp* rjny ban Na^i

: inn^ IDV nöDinji ♦nx iVna

Ti- ; T -: : ••T- ;-

nsw Snpm

o^aVa *a mnni nvani nixanni nnia^ni nbn^n « ^b ipom : b'nquot;!1? Sa1? K'^npni nabpan « ^ pxai quot; loom : Kin ^inp v^i D'-in1? nnn^m i:^^ « : t» B'inp »a itrnp in1? nnn^m li^n^K

• .. *. It • :|t - ; iquot; v;

ocr page 472

OCHTEND-GEBED.

Boven alles worde de grootheid en de heiligheid erkend, worde geloofd, geroemd, verheven en verheerlijkt de naam van den Koning aller koningen, den Heilige, geloofd zij Hij, in de beide werelden, deze wereld en de toekomstige wereld, die Hij geschapen heeft; [dit geschiede] naar Zijn welgevallen en naar den wensch van hen, die Hem vreezen, en naar den wenseh van het geheele huis Israels! Rots van alle eeuwigheid. Heer aller schepselen, God aller zielen; die troont in de uitgestrektheid daar boven, die zetelt in de overoude hemelen. Wiens heiligheid [een grootsehen indruk maakt] op de Chajjoth, en [de indruk van] Wiens heiligheid rust op den troon Zijner heerlijkheid; zoo worde dan Uw naam geheiligd door ons, Eeuwige, onze God! ten aanzien van al wat leeft ! Laat ons voor Hem een nieuw lied uitspreken, gelijk er gezegd is: Heft een lied aan ter eere van God, bezingt Zijnen naam, baant den weg voor Hem, die door de hemelvlakten snelt, n1 is Zijn naam, en jubelt vóór Zijn aangezicht! Mogen wij Hem oog in oog aanschouwen, wanneer Hij terugkeert naar Zijn verblijf, gelijk er geschreven is: Want oog in oog zullen zij aanschouwen, wanneer de Eeuwige naar Tsion terugkeert. En er is gezegd: Dan wordt de heerlijkheid des Eeuwigen openbaar, en alle vleesch te zamen zal zien, dat de mond des Eeuwigen gesproken heeft!

De. Vader der barmhartigheid. Hij moge zich ontfermen over het volk, dat door Hem van zijne geboorte af beschermd werd, en moge gedenken het verbond met [de voorouders,] de krachtige instandhouders der wereld, en moge onze ziel redden voor ongelukkige oogenblikken, en moge in toorn verdrijven de kwade neiging van hen, die door Hem [zoolang zij bestaan] gedragen worden, en Hij zij ons genadig tot eeuwige redding en vervulle onze wenschen in rijke mate, in heil en barmhartigheid I

Nadat de Wetsrol op de Biema is neergelegd, zegt de Voorlezer;

Moge Hij bijstaan, beschermen en helpen allen, die op Hem vertrouwen, laat ons hierop zeggen : Amen ! Schrijft thans allen grootheid toe aan onzen God en bewijst eer aan de heilige Leer! De Kohen kome nader, en wel N. N. de Kohen plaatse zich hier I Geloofd zij Hij, die de Leer heeft gegeven aan Zijn volk Israël in Zijne heiligheid. De Leer des Eeuwigen is volmaakt, aij verkwikt de ziel; het getuigenis des Eeuwigen is vertrouwbaar, het 'maakt den onnoózele vèrstandig; de bevelen des Eeuwigen zijn rechtvaardig, zij verheugen het hart; het gebod des Eeuwigen is zuiver, het verlicht de oogen. De Eeuwige verleent Zijn volk macht, de Eeuwige zegent Zijn volk met vrede. God, Wiens weg volmaakt is; het woord des Eeuwigen is gelouterd; Hij is het Schild voor allen, die op Hem vertrouwen.

43

ocr page 473

jtto nVsn JO

♦ Döinrn iKönn Van Vjr

♦ Kin Tjini tfi-i^n Dpbsn ♦sSo )m prpi iJiïia * K3n Dbi^ni ntn obiyn kijb' niDbi^| ninan_l?3 ji-itf n^i^n iiï : fivnDi vnt *m ♦Q^a piirn diio ^nnpa airi^n * niiraarrVs HISK pai : -ii23n ND3 infnj!3i ni^nn inisn^ : d^. yv ion:i : « 1:3

tt. quot; ï t t '• *• i iquot; v; ▼: it l : * • •

ninnra asnV IVD iok' nar • amss i^nn

t ; t •• t • : . - . .. ,. t quot; tt

m}.: bK 13^3 |^3 inxnii : VJSquot;? vby] 10^ m ni33 rbw *I0W1 : fl^V l' 3W3 INT |^3 »3 * 3in33 : 13^ « ^ '3 m T^3-L'3 ixni ♦♦

•• • t: • • t : - tt t t : ▼:

D^nN nns ii3n d^ dht «in D^nnn 3tlt; |P yin irs niynn |p irni^a; bw] irnibN^o K-pon, D^pbiy nü^ab ^niK |m D^an : D^nni njriE* n3iü n^os

•1S1S1 jnSun Sr jY'cn wo neiai Sr \quot;m lquot;'Jr':5

bia i3n : |ON ikü:] 13 D^pinn bzb jr^vi \v\ quot;IIT^I p 'jiSa mo^ * 3np fn'3 * rnin1? 1133 um wrbn)gt;

nnin : insnps iayb rnin \r\yv ^ns : fn3n ^Sa nips : »n3 no^no max: quot; nny ^33 ns^a na^an «

.. ) • • iv - r : - tt v:v ▼: quot; vit - r : t • ; ▼:

is^V TV r •' DO'X nn^a n-13 « nr^a 3^ 'na'^a V: ♦; maN 1311 Dran btfn : Dib^3 lay n» ^13» ^ |n» : 13 D'pinn bbb Kin ^a nanï

ocr page 474

44 OCHTEND-GEBED.

De Gemeente en daarna de Voorlezer:

En gij, die gehecht zijt aan den Eeuwige, uwen God, gij allen leeft heden 1).

Lofzegging vóór de lezing uit de Thora:

Looft den Eeuwige, den Lofwaardige.

De Gemeente:

Geloofd zij de Eeuwige, de Lofwaardige, immer en eeuwig!

Hij, die voor de Thora geroepen is, vervolgt:

Geloofd zijt Gij, Eeuwige, onze God, Koning der wereld, die ons hebt uitverkoren boven alle volkeren en ons Uwe leer hebt gegeven; geloofd zijt Gij, Eeuwige, die de leer gegeven hebt.

1

Men leest eiken Shabbath de afdeding der week voor, over ten minste zeven personen verdeeld; — men heeft echter het recht het aantal der voor de Thora geroepenen te vergrooten, mits men zich bij de verdeding der afdeeling strikt aan de daarvoor geldende voorschriften houdt. Te Amsterdam is het vaste gébruik, de afdeding altijd over acht personen en niet meer te verdeden. Hij, die de Haphtara zal voordragen, wordt niet meégetdd, daar voor hem slechts enkde verzen, die reeds zijn voorgelezen, worden herhaald. — Nadat nu de laatst voor de Thora geroepene de slotlofzegging heeft uitgesproken, draagt de Voorlezer half Kaddiesh voor, en leest men ten minste de drie laatste verzen nog eens voor aan hem, die de Haphtara zal voordragen.

Indien twee weekafdeeling en op één Shabbath gecombineerd worden, dan wordt voor den vierde het slot van de eerste en het begin van de tweede afdeding gdezen en wordt als Haphtara het voor de tweede afdeeling aangewezen stuk uü de Profeten voorgedragen, behalve bij combinatie van Acharé en Kedoshiem, en van Nitsabiem en Wajjélech, in wdke beide gevallen de Haphtara der eerste afdeding voorgedragen wordt.

Indien op Zondag het Nieuwemaansfeest zal invallen, wordt de voor dat geval bestemde Haphtara gelezen; de Haphtara 'Ania So'ara wordt echter niet voor die van Macnar Chodesh op zijde gezet.

Indien vit twee Wetsrollen moet worden gelezen, verdeelt men steeds deweek-afdeeling over zeven (resp. acht) personen, en nadat de laatste de slotlofzegging heeft uitgesproken, legt men de tweede Wetirol naast de eerste en zegt half Kaddiesh; vervolgens wordt de Wetsrol, waaruit is gdezen, opgeheven en der Gemeente getoond en opgerold; ment opent de tweede Wetsrol en leest daaruit den Maphker voor.

Indien op Shabbath het Nieuwemaans feest invalt, leest men uit de tweede Wetsrol Hum. 28,9—15, de afdeding over het bijzonder offer voor den Shabbath en dat voor den Nieuwemaansdag, en als Haphtara leest men Hasshamajim Kis-ie (Jes. 66,1—24); behalve wanneer de 1ste Ab op Shabbath invalt, daar alsdan de Haphtara Shim'oe (Jer. 2,4—28 en 3,4) toch wordt voorgedragen. In de slotlofzegging na de lezing der Haphtara wordt van het Nieuwemaansfeest geene melding gemaakt.

Indien uit drie Wetsrollen moet worden voorgelezen, bijv. indien op den Shabbath van het Inwijdingsfeest tevens het Nieuwemaansfeest invalt, leest men uit de eerste Wetsrol de afdeeling der week, over zeven personen verdeeld; nadat de eerste Wetsrol is opgeheven en gesloten, leest men uit de tweede de afdeding voor het Nieuwemaansfeest. legt vervolgens de derde Wetsrol naast de tweede en zegt half Kaddiesh. Nadat ook de tweede Wetsrol getoond en gesloten is, leest men uit de derde de afdeding voor het Inwijdingsfeest (resp. Shekaliem of Hachodesh), en leest de voor ieder dier dagen bestemde Haphtara.

ocr page 475

rvTO nbfin ID

(• : Di*n ddVS ö«n DDflbK «3 tfjxrri ori^i ^ : ■niaon ♦♦ n« 1D13 ^ ^

|t;-*: v -:t

: 1$) Tjiapn « Tpna ^Drm : ^nnn ♦» ^quot;is ^

D^D^nVsü wrnna obiyn -ibo u^k « nri« quot;niia Vnninn |nij ♦♦ nm * irvrin m

jn3onpquot;p nai ^dio ^DinS nsi dni naj nyac roe' Saa |nip (* ^asoni .nnr ps'Dia pxvjnnK xipj Kim -m ny nnpS tnui fquot;n yvn novc mnrw nana jnnxn -pair nr»ci f^on jo irx DNi /nenan piioar a^pioa o -raaoS xpip s'tini innxb -[Tar 'O .quot;insc loa Diipn D^ioa ia Sa xnpi S^nnn av Tnnrn n^ax ^

miD f)iDO ,j?,anS nnpnS pjnu nnaino nmo vn? irr nara jo pin -in^Dr n^r hv maana pTaaoi ^nnD nSnnS pTaaar quot;jSn a^as: pi /nnx Sra jn^aac a^npi nntc cnp naxi wvn aj; nenan aquot;Di pen nya a» -a1 a s 3 Sea tnt /Wn xipe naa Taaan ar x-ip^ xSk mx my nnpb -|nx •nyar poS nSiy maaa

my id n^jj; p pn win ma pmaaa naea nnxa hm nn nyae pup aSiyS mm nao me px^ieea -nmna nrxe 'je nquot;d pn^o rannx nana pnnxn ^iae quot;inxSi yiaen moa paj pejcn nquot;a pSbuii p.majai -an^e hy enp nawi peNin Sxn •■oe nquot;aa n^aaaS pupi pmxS -pae quot;quot;a pjnui ^e nquot;B pnmai

/, x a a a' a e n pmaaai n a r n a i ^ a i ye nquot;Da pnip nm naea T'aanb iSx nunaa a^nue naea bne ax m ja pin •maan na-iaa nn pmaia px aSiySi /iyae

nyae {lexna pnip naum nn naea pa nquot;B nebe j^^iaea ■ue na pnmai pexn nquot;a pSSui pmajai /yiaen maa le'be nquot;a prpjai -nn Sea jnnN^ pnpi ^yaeS -pae -quot;a panui pmajai an-'Sy pquot;n piaixi an^e hy S^an pamai /jnSen Sy iSsx pmpi pnnxS inae quot;quot;a aunui ^e^Se mo pnmai ye nquot;d pSSui nn j/tn ax pin pi 'naei p^aaai naun nnaa maaaS pmaaamenan maa nr^Sea pmp aSiySi -einn 'aa w a^Spe 'aa

•nena Sea

ocr page 476

OCHTEND-GEBED.

Na de lezing:

Geloofd zijt Gij, Eeuwige, onze God, Koning der wereld, die ons de ware leer gegeven hebt, en [daardoor den weg tot] het eeuwige leven in ons midden geplant hebt; geloofd zijt Gij, Eeuwige, die de leer gegeven hebt.

Wie van eene ernstige ziekte genezen, van eene zee- of woestijnreis teruggekeerd, uit de gevangenis ontslagen, of aan eenig ander gevaar ontkomen is, zegt het volgende nd de Thoralezing;

Geloofd zijt Gij, Eeuwige, onze God, Koning der wereld, die ook aan schuldigen weldaden bewijst, — dat Gij mij allerlei goeds hebt bewezen.

De Gemeente antwoordt-.

Hij, die u [tot dusverre] allerlei goeds heeft bewezen, moge u ook voortaan allerlei weldaden bewijzen, Séla.

Op den dag, waarop iemands zoon, na het hereiken van den dertienjarigen

leeftijd, voor het eerst voor de Thora geroepen wordt, zegt de vader nd de Thoravoorlezing en nadat hij den priesterzegen over zijnen zoon heeft uitgesproken, nog het volgende-.

Geloofd zij Hij, die mij van de strafplichtigheid voor dezen bevrijd heeft.

Na afloop der Thora-voorlezing zegt de Voorlezer half Kaddiesh; vervolgens

leest men ten minste de drie laatste verzen nog eens voor aan hem, die de Haphtara zal voordragen; daarna wordt de Wettrol opgeheven en het schrift aan de Gemeente getoond-, hierbij zegt men:

En dit is de leer, die Mozes den kinderen Israels voorlegde, op bevel des Eeuwigen door Mozes. Een boom des levens is zij voor hen, die aan haar vasthouden; wie haar steunt, is gelukzalig. Haar wegen zijn wegen van liefelijkheid, en al hare paden zijn vrede. Lengte van dagen is in hare rechterhand, in hare linkerhand rijkdom en eer. De Eeuwige schept er behagen in ter wille van Zijne gerechtigheid, de leer steeds meer groot en verheerlijkt te doen worden!

Nadat de Haphtara en hare lofzeggingen zijn uitgesproken, vervolgt men het gebed aldus -.

Moge van uit den hemel verlossing, gunst en genade en barmhartigheid en lang leven en overvloedig levensonderhoud en hemel-sche bijstand en gezondheid van lichaam en uitstekende voorlichting, een kroost, dat leeft en blijft voortbestaan, een kroost, dat nooit ophoudt en nimmer zich onttrekt aan de woorden der heilige Leer, beschikt worden over onze leeraren en onderwijzers, de heilige genootschappen zoowel in het land Israels als in Babjlonië, (alsook in alle andere landen onzer ballingschap), over de leiders der volksvoordrachten, de hoofden der ballingschap, !) de hoofden der leerscholen, en de rechters, die in de poorten [der verschillende steden] zitting hebben; over al hunne leerlingen en over alle leerlingen

45

ocr page 477

nnntr nban hd

Sa nquot;D3 ntms maS wni t iwi nquot;cna jvSsnwn it iid'1 niina nnpS nupn Snnnps ■paw bSu iwipn inxi nSoa nSn N-npn oy enVa sip' Nin dji (rBOipn jn:

r\m rn.in ub ]n: -i^k dVi^pi Tjbo irribN \\ nnN ^iia : nninn |nii « nm Tjiia * wains ♦•ni:

'»i pi»'1? laioa iSnc i»i ,«»13 nSjn D'1? tvc 'o ^htctS pa'-ix nïai» 11 naia mx'i j s^i o'ncsn jraa tsian rrn», w , X3in:i nSin nvw .mina inx'-ip Sr nanns nana ins to

niniG Vai-in obi^n -]bD irn'^K « nm ^13

: Dlt2_l?3

t • I- t ; v

: n^p nit] Va Kin DID-1?! p d,3w ^

1? naia low /ins Dfi rue }quot;•lt; ja Nine ««m msu lab ï'an uao rs .nasa «a SSantin nypa is nquot;DS ua nx piipw nrca

: nrbtf itr^ö ^-is

.pquot;n ^quot;wn i»iK fwipn leiSwna D^aix bïS anan nwinS mns nun ison ,Taj»»a

quot;1*3 « ^3 HE'D rnuTi nNTI

: I^ko n^pni na Dunns'? D^n—^ : n^n nyp^a D*p* Tj-iK : DIV# n^nia^nrbai o^r^ni : T^n nnin Vnr ipnv ffin \\ : niaai quot;i^ nb^of 3

Dnmx n:nns nana ^ceen □■•••DV nnx

♦jitoi ♦snN ^nquot;) wti. ^iDni. N3n ^ns Dip*

* NUnai «aia nin3i «quot;Oiy-n xn^^oi ♦n^n

t : quot; t : t ; - t - ; • r^i'm : •• • :

SÜS^-N1? m pDS^-^b n • KO'pi x»n

• t •; i ••. ; • t • *t :- tti-; t- t ;-

^quot;!«3 n fr-wnp Knnian 153*11 linab * KnniK ^pansp ^ngt;i Kni'pj ^nbi ^a • ^as ni 'TpVn-Ss'?'! iinn^p^n-Sab * t^aa-n Nna^no

') De door de regeering benoemde staatkundige hoofden der babylonische Joden, v. d. in het algemeen de leiders en bestuurders der Joodsche gemeenten in de ballingschap.

ocr page 478

OCHTEND-GEBED.

hunner leerlingen en over allen, die zich met de heilige Leer bezig houden; — moge de Koning der wereld hen zegenen, hun leven vruchtbaar doen zijn en hunne dagen vermeerderen en hun lengte van jaren geven; mogen zij verlost en bevrijd worden van allen druk en alle verderfelijke ziekten; onze Heer in den hemel zij hun tot hulp ten allen tijde en in elke stonde; laat ons hierop zeggen : Amen !

Wie niet met tien personen het gebed verricht, zegt de twee volgende stukken niet.

Moge van uit den hemel verlossing, gunst en genade en barmhartigheid en lang leven en overvloedig levensonderhoud en hemelsche bijstand en gezondheid van lichaam en uitstekende voorlichting, een kroost, dat leeft en blijft voortbestaan, een kroost, dat nooit ophoudt en nimmer zich onttrekt aan de woorden der heilige Leer, beschikt worden over deze geheele heilige gemeente, groot en klein, kinderen en vrouwen 1 Moge de Koning der wereld u zegenen, uw leven vruchtbaar doen zijn en uwe dagen vermeerderen en u lengte van jaren geven; moogt gij verlost en bevrijd worden van allen druk en alle verderfelijke ziekten; onze Heer in den hemel zij u tot hulp ten allen tijde en in elke stonde; laat ons hierop zeggen: Amen!

Hij, die onze voorouders, Abraham, Izak en Jakob gezegend heeft. Hij zegene deze geheele heilige gemeente benevens alle andere heilige gemeenten, hen, hunne vrouwen, hunne zonen en hunne dochters en al de hunnen; ook hen, die bedehuizen bestemmen om het gebed te verrichten, en hen, die daarheen gaan om te bidden, en die brandstof schenken tot verlichting en wijn voor de wijding en het afscheid [van Shabbath en feestdagen] en brood voor doortrekkende vreemden en giften voor de armen \ala och al, wie venten wil den eerstvolgenden Maandag en Donderdag en den daaropvolgenden Maandag] alsook allen, die zich trouw bezighouden met de aangelegenheden der gemeente; de Heilige, geloofd zij Hij, schenke hun loon daarvoor en houde van hen alle ziekte verwijderd, en geneze hun geheele lichaam, en vergeve hun elke zonde, en zende zegen en geluk op al het werk hunner handen, evenals aan gansch Israël, hunne broeders; laat ons hierop zeggen: Amen!

Gebed voor de Zoningin en het koninklijk Huis.

Hij, die hulp verleent aan koningen en heerschappij verschaft aan vorsten; Wiens koningschap is een koningschap over alle eeuwigheid; Hij, die Zijnen dienaar David bevrijd heeft van het verderflijke zwaard;

46

ocr page 479

rvw nbsn 10

|Ö VaVi jirvTttbn

* nsi» p'n^QV pn^n |W Tpn» n n» jpi jo pnrnfn ppnönn

: |ÖN lüHi] *1^ IPr^l l1n^P? «n; «»pf3

.-[Tar 'D nVi nt Jplfl Dip' Tgt;n'3 Vrsnnn

»31töi ^nK «ni ♦önni inpm Nsn «»p^-|p Dip»

• «quot;iinai mnai wm-n Nnv'Di ♦n'n

. t : t ; t :- t - : t *: - - : •••:

huy-tlt;h n] pp^-siS n K^-it • ï^o»pi N»n t^jnr N'aian nn Kt^np K^np-^b * «nniK ♦oanso

t - , . - 1 .. t t .). tti; t: t : - •• t : * •

amp;amp; pon» KoVjrn «|^p * Mböü «n^T parn^ni pp^anni -p^jfquot;? nD^fri^pDW xïw] pD^n mh» ilt;y2W2 n po * p^3 p^na-^ jpi P

: |pK npiüi * pjn jpr^ pD^pn Srnx xin dp^i pnv' onnnx irniax ♦» dh^ji on • u'ipn nibnp-1?! d^ * mn t^npn bnpn ni'pJD »ri3 DnntpB' ♦01 • DHV-I^K-^I on^niasi on^ai 13 D^nis^ »01 *^3nn,7 D3in3 yxzv ♦pi * nVönV Oquot;}#'? npnyi D^nniN1? nai • nb^nbi trnpb pn IIKD1?

cjb'I T^qi ^ nijjgrin'? n^ii^ 1p Sdi ■.yvn -fflix a-na nwn 'jsbü naua)

Kin Tjiia irnpn mioKa -iiav ^quot;|Ï3 Q'p'f ^quot;Sdi nVtfi Dfiirbb Köin nbnö-Va ona yy) DiDir chw

- ; •; t t : t ; •; t -: - t v •• • t ; t t : •• - :

-ba D^ on'T n'^a-^DS nnbvni nam

t ^ •.•••: .. - t ; t t . _ . t t ; - : •; t t :

: \m npNii on^nx Vinfr»

.nquot;T nncm maSon nya nSan niDbp iniD^a nVtfaai DpbaS n^i^n fnian

inisn * nyn anna 1-12^ nn-nx nvisn D^aVi^a

ocr page 480

47 OCHTEND-GEBED.

die in de zee een weg, in machtige wateren een pad heeft gebaand, — Hij zegene en behoede, beware en steune, verheffe en make groot onze Gebiedster, Hare Majesteit Koningin

WILHELMINA en Hare Majesteit de Koningin-Moeder, die tijdens de minderjarigheid van H. M. de Koningin als Regentes over ons land heeft geheerscht, en het geheele doorluchtige Koninklijke Huis!

De Koning aller Koningen schenke Haar in Zijne barmhartigheid leven en behoede Haar en bescherme Haar voor allen nood en kommer en schade; en onderwerpe volkeren aan Hare voeten, doe Hare vijanden voor Haar vallen en moge Zij gelukkig zijn, waarheen Zij zich ook wende ! De Koning aller Koningen schenke in Zijne barmhartigheid Haar hart en het hart der Koningin-Moeder en dat van al Hare raadgevers en vorsten een gevoel van barmhartigheid, om ons en gansch Israël wel te doen; moge in Hare en onze dagen Juda geholpen worden en Israël veilig wonen en de Verlosser komen voor Tsion ; zoo zij het welgevallig; laat ons hierop zeggen : Amen !

Ashré, blz. 48.

Op den Shahhath vóór het Nieuwemaansfeest zegt mm:

Het zij U welgevallig, Eeuwige, onze God en God onzer voorouders, deze maand voor ons te doen beginnen ten goede en tot zegen en ons te schenken een lang leven, een leven van vrede en welzijn, een leven van zegen en levensonderhoud en versterking van ons gebeente, een leven vol eerbied voor God en vrees voor zonde, een leven zonder schande en schaamte, een leven van rijkdom en aanzien, een leven, waarin ons bezielt liefde tot de heilige Leer en vreeze Gods, een leven, waarin al de wenschen onzes harten ten goede bevredigd worden; Amen, Séla!

Intusschen draagt de Voorlezer het volgende voor-.

Hij, die voor onze voorouders wonderen heeft verricht en hen uit slavernij bevrijd heeft en hen tot de vrijheid heeft gevoerd, Hij verlosse ons spoedig en verzamele onze verstootenen van de vier hoeken der aarde, gansch Israël vereenigd; laat ons hierop zeggen: Amen!

ocr page 481

ivw nbsn to

niïri Tpy Kin • ns^n: DvT^ D^Ü^I D^a

naban vnm na rhynb ilt;mquot;\ Vin oon^i -rnjn

t : - - iquot; : • ; v t*: r ; .. - . .... .. • ;

nnbK'pö Vp ni^sn DK m] K vpbnbi n'S-boi nn^n nna ityz

t: • t - T- t : t t • : r t

• Dim on* niaVan

t T ; - -

run niv baoi moE'n n»n» vonia o^bsn TI1?»

I t : TT t • t iv ; : •: tiv- : t -: - : • t ; - •• ; - | v iv

n^jfty Van rrbn nnn la-i^i nVr pm

T IV T : t IV ; -IT IV: - - r • - •• :-; tiv * quot; ' quot;••t

]f\\ vürnn DpVan ♦sba -jba * n^ïn n^ön n'-ï^v ^3 iibm naSan dk abm nabsn lamaa

t iv ; t •• ; t ; - - •• •• ; t : - - iquot; ; • ; •• :

• bK-itr» ^ D^I naiü ni'^b nwam nntfi

T ivT : •• T ; * T : it* T T -: - T ivt :

btm ri'ï1? N31 ncnb ri3^ bKTtrn min»

I • : T - IVT I : • quot;Tl ' l T t T * lquot;T ;

nquot;» ^ rnrx : jdk noK:quot;). jixn ♦nt pi

.n nSsn mi1? D'jni: D'a-iauu mipi cnnn D's-ia» om usi iishv naoa

K'inn^ irninK T6KI wr\hn « nn »nv

i-^t ••- : v iquot; -: •• •• iquot; v: ▼: | ivt : • I t • :

DMn ^S-rnni nmnbi naitaV nrn E'-fnn-nN

-: • - it I v • ; t t : • ; t ; v - v i -

■Sir a^n nDna'bty Dnn nnm-^ D^n DiV^ty D«n

T T ; v • - T V • - TV

CD^atr Dna wv D«n nioy^ riVn-1?^ D«n nD:na

• i- t - ; • v t quot;v • - t : | v • - t t ; -

naVpi n^ia Dns D«n nKquot;)^ D^n min nanx us ^nnir D«n niiav

• i- t - ; *: T —: - IT ••:•„• • - T :

: n^D föN • nnmb vzb niïmn bmx vb

t iv I •• t t : iquot; • -: : • t v it •• - ; v

xquot;vn

«in • nnnb nnn^o DDIK VtMi irninK1? D»DJ rivyw

,. ; . ^- .. T ~ T J 1quot; -: - T T V •

nxn niöj? ^nö ivnn: nn^ unitt to : jdn noNii onan

I •• T - : •• r; • T ••• -j

ocr page 482

OCHTEND-GEBED.

De Voorlezer neemt de Wetsrol in den arm en zeyt-.

Het begin der maand.....zal zijn op aanstaanden.....dag, die voor

ons en gansch Israël ten goede korae!

Be Gemeente en daarna de Voorlezer •.

De Heilige, geloofd zij Hij, doe haar [de maand] beginnen voor ons en geheel Zijn volk, het huis Israels, tot leven en vrede, tot blijdschap en vreugde, tot hulp en vertroosting; laat ons hierop zeggen: Amen!

Heil hen, die wonen in Uw huis, voortdurend prijzen zij U, Séla. Heil het volk, dat iets zoodanigs bezit; heil het volk, wiens God de Eeuwige is.

Psalm 145. Loflied van David. Ik wil U verhefïèn, mijn God, o Koning! en Uwen naam zegenen immer en eeuwig. Eiken dag wil ik U zegenen en loven Uwen naam immer en eeuwig! Groot is de Eeuwige en zeer geprezen, en Zijne grootheid is ondoorgrondelijk! Geslacht na geslacht roemt Uwe werken en Uwe machtige daden verkondigen zij. De schoonheid van de heerlijkheid Uwer majesteit, en de verhalen Uwer wonderdaden wil ik bespreken. Over de macht Uwer eerbiedwekkende daden spreekt men, en Uwe grootheid — ik wil haar verhalen. De herinnering aan Uwe groote goedheid doen zij als een bron opwellen en wegens Uwe gerechtigheid jubelen zij. Genadig en barmhartig is de Eeuwige, langmoedig en groot in genade! Goed is de Eeuwige voor allen, en Zijne barmhartigheid strekt zich uit over al Zijne werken. Al Uwe werken, o Eeuwige, danken U en Uwe vromen zegenen U. De heerlijkheid van Uw koningschap vermelden zij, en Uwe almacht spreken zij uit; ten einde den menschenkinderen Zijne machtige daden bekend te maken en de heerlijkheid van de schoonheid van Zijn koningschap. Uw koningschap is een koningschap van alle eeuwigheid, en Uwe heerschappij over alle geslachten. De Eeuwige steunt alle vallenden, en richt op alle gekromden. Aller oogen richten zich vol hoop op U, en Gij geeft hun hunne spijze te zijner tijd! Gij opent Uwe hand en verzadigt al wat leeft tot welgevallen. Rechtvaardig is de Eeuwige in al Zijne wegen en liefderijk in al Zijne werken. De Eeuwige is nabij voor allen, die Hem aanroepen, voor allen, die Hem in waarheid aanroepen. Hij volbrengt den wil van hen, die Hem vreezen; Hij hoort hun smeeken en helpt hen. De Eeuwige behoedt allen, die Hem beminnen ; doch alle godde-loozen verdelgt Hij. Den lof des Eeuwigen moge daarom mijn mond uitspreken; en alle vleesch zegene Zijn heiligen naam immer en eeuwig! — Ook wij willen God loven van nu tot in eeuwigheid, — Halleloe-jah!

48

ocr page 483

xvw nSön no

1151X1 rpa nquot;D npiS Yquot;vn

: nato1? ^nfcr1» Vjzi wSjj, xsn ^ dv? nw. ^ Cin W)

n»a isr^l xin irn^n in^n» nquot;v

•non:1?1) nyiB1'? • nntivbi -DI1?^ D^nb

t t v; 'r • ti*: i t ; t ; • - ; •• t : •

: |DN quot;lOtól

: nbD niy ?|n»a n^s?

: vn'jK quot;iï D^n n^K 1-? n33E' D^n ntrN

t v; *: v 't t ••: - t it v r t ••: -

thty) -jban ^ppiiN Dnb nbnn nop

: 1$) ïjDK' DV-^a : ly)

nzw -inb in : tnq Vbnpi quot; Sna

nani fjnin -iiaa nin :

*i3T : nsnspN noj^ nr^i : nn^Ni

a^ti TjiN « Dim.i pan : wan* ^n^V' W?. :n nni» : v^o-Sr1?^ vDnn i'sb quot;sid : non Snii

»i t t quot; t t -: ▼: v ,T f T:

IIDN' ïiniD'jD 1133 : nDDin» nn^oni i^va-Sa quot;

iquot; I ; : - ; t i -it : f iv • -: - | iv ^: - t t;

1

nn ni33i rriïm onxn vmnb : 1131» nm^ai

--: : t ; t t t •• : • ^- i* ; r* -; ) : t :

HT733 ïjn^aoi D^p^-^s n^Vp ^n^bp : mubp : D'öifian-^'? ^in D^aan-Vs1? ♦; -jpiD : ini

nnis : in^3 obpN-nN onV-jnia nrwi ns'^: V3 Tpni vsnrbss « pnv • jivj ^jT-nx

: nöN3 inN^p» V31? VNip-^b quot; 3inp : vïryö-,?33

v •.•; y •% tI: * v -: ; t :l t : ■*•: It t ^: - t :

\\ npiK' : D^^in yow Dn^iB^nKi. n'^jv VKT-JI^T ♦3 isi] \\ nbnn : Tptf» D^^in-1?! nni vsntt-brnN n» Tp^a lanaxi : n^i DVI^1? lan^ ojy : nnb^n obi^-n^i nn^p

.yro SHJI * .-[nSnji ^P1 ':i,n;' nmSui *

ocr page 484

OCHTEND-GEBED.

Op den Shahhath vóór hel Wekenfeest en dien vóór den Sden Ah draagt

de Voorlezer na Ashré het volgende voor:

De Vader der barmhartigheid, die in de hoogten troont, moge met Zijn machtige ontferming in barmhartigheid gedenken de braven en rechtvaardigen en volmaakten, de. heilige gemeenten, die hun leven hebben opgeofferd voor de heiliging van Gods naam ! Zij waren bij hun leven [door God] bemind en Hem dierbaar en lieten zich ook door den dood niet van Hem scheiden! Sneller waren zij dan arenden, krachtiger dan leeuwen, om te volvoeren den wil van hunnen Eigenaar en het verlangen van hunnen Rots ! Moge onze God hen ten goede gedenken met de andere vromen uit alle tijden en in onze dagen, ten onzen aanschouwen wreken het vergoten bloed Zijner dienaren; gelijk geschreven is in de Leer van Mozes, den man Gods; Doet juichen, gij natiën! Zijn volk, want Hij zal wreken het bloed Zijner dienaren en wraak oefenen op Zijne vijanden, en Zijn volk verschaft verzoening aan Zijn aardbodem! Én door Uwe dienaren, de profeten, is aldus geschreven: En Ik laat vrij, doch hun bloed laat Ik niet ongewroken, de Eeuwige toch troont te Tsion! En in de heilige Geschriften is gezegd: Waarom zouden de volkeren zeggen: waar is hun God ? Moge Hij onder de volkeren ten onzen aanschouwen bekend worden, als wraak voor het vergoten bloed Zijner dienaren! Ook zegt de heilige Schrift: Want Hij, die vergoten bloed opeischt, heeft ook hen herdacht; Hij vergeet niet het geschrei der bedrukten. En nog zegt de heilige Schrift: Eens richt Hij onder de volkeren die natie, die vol is van lijken, nadat Hij zal geslagen hebben het hoofd van een machtig land, die, omdat hij dronk uit den beek aan den weg, daarom trotsch zijn hoofd verheft!

De Voorlezer neemt de Wetsrol op en zegt:

Men prijze den naam des Eeuwigen, want hoog verheven is Zijn naam alleen.

De Gemeente ■. Zijne glorie is over aarde en hemel. Hij verheft den horen voor Zijn volk, tot lof voor al Zijne vromen, voor de kinderen Israel's, het volk, dat Hem nabij is; Halleloe-jah!

Psalm 29. Een psalm van David : Kent den Eeuwige toe, gij zonen der krachten, schrijft den Eeuwige toe heerlijkheid en macht! Kent den Eeuwige toe de eer van Zijnen naam, werpt U neder vóór den Eeuwige in heilig pronkgewaad ! De stem des Eeuwigen over de wateren, de God der heerlijkheid dondert, de Eeuwige over machtige wateren! De stem des Eeuwigen verheft zich in kracht, de stem des Eeuwigen verheft zich in luister. De stem des Eeuwigen breekt cederen, de Eeuwige verbrijzelt des Libanon's cederen, en Iaat ze huppelen gelijk een kalf, Libanon en Sirjon gelijk het jong van den Reëm! De slem des Eeuwigen splijt tot vuurvlammen! De stem des Eeuwigen doet de woestijn beven, de Eeuwige doet beven de woestijn van Kadesh. De stem des Eeuwigen doet hinden baren en ontbladert wouden, en in Zijnen tempel zegt alles: heerlijkheid! De Eeuwige troonde reeds bij den zondvloed, de Eeuwige troont nog als Koning voor eeuwig ! De Eeuwige zal Zijn volk macht geven, de Eeuwige zal Zijn volk zegenen met vredeI

49

ocr page 485

rvw nbön LJD

•wh o^m: 3X3 njWn 'isS DlJ/iaC vshv nawa

fföqi? nip^ N-in * tforegri vcqi? • a^ana pir n^pnin 3^ by d^$3 npa^ Bnpn nibnp • a^'a^ni anr^ni Dn;pqn nn^o • -niaj ah onla^ an^ri? n^a^ni npn^n • atfn mnp •irrtbss DT?r. : D72£ rm DJip ps-j nirtó =1-133 ninxai ^ vi^D-n nepj irrj?1? ira;? Dip^i: • aSiy i^-ai nslaS Dl '3 iqj; dmquot;3 -irjin • Qfl^vn tfvf n^a m.in? sinsa : rpatrn Tlï?^ 'T Sxi : iaj; inan:N nssi ins^ 3^; apji • aipvin32 '3JP331 : \m \3v y. ' tih om • iaxS a-ira a^in qm'33 ynr • nw a^wn npN' naS • -ibn? rlpn

nar nS nar oriw o^an rii '3 lawi : ^iarn Tjnsj;. cn napj ! ri?quot;5 ^ rn? n'!?? DM-Q pT -iBwi : dmjj;. np^s : rxi an; |3 hy Sn:a

löisi Sa^na wasnSi nsian p la^inS rpa nunn tbd npi1? fm

' iid1? löf zïm *3 \* D^-nK bbr\\

nVnn la^b ^ onn : d»d^i px bv_ mn D^ir Snpm : inhp oy 'izh vn^Dn-^1?

t -: - 1: - .. t..... . t • -; t :

ian : iv} -iim quot;b isn d^k ^2 ^ wn n^b niarp aa quot; • tyip-nnnna ^ linnen iat2gt; 1133 ^

nss «quot;Vip : D^3i ^ D^nn ni33n^N4 VBrrbz : pisbn Tiktik « -i3^»i oniN *13^ « bip : nnns' v blp 3ïn tr^ip : D*QKT|3 103 pn^l 11:3quot;? ^.-103 DTpTI

Sip : anp -isnö « nsnp bw v/bip'; m ni3n^

\] : 1133 iük 1V3 1^3^31 nli^^ eprn mb^K ^in^ « 'iö^1? Tir « 'quot;: « 3^»i 3^

: aib^ laynK

ocr page 486

OCHTEND-GEBED.

Terwijl de Wetsrol in de Arke geplaatst wordt, zegt men:

En als [de arke] rustte, zeide hij: keer terug, o Eeuwige! met de myriaden der duizenden van Israël. Begeef U, o Eeuwige 1 naar Uwe rustplaats, Gij en de arke Uwer macht! Uwe priesters mogen met gerechtigheid zich bekleeden en Uwe vromen jubelen! Ter wille van Uwen dienaar David wijs toch het aangezicht van Uwen gezalfde niet af! Want goede leering verschaf Ik u, verlaat dus Mijne Leer niet! Een boom des levens is zij voor hen, die aan haar vasthouden; wie haar steunt, is gelukzalig. Haar wegen zijn wegen vol liefelijkheid en al hare paden zijn vrede. Voer Gij, o Eeuwige! ons tot U terug, dan zullen wij in waarheid terugkeeren! Doe opnieuw onze dagen worden als vroeger!

Bijgevoegd-geted voor den gewonen Shattath en voor dien, die met het Nieuwemaansfeest samenvalt.

De Voorlezer zegt half Kaddiesh.

Wanneer ik den naam des Eeuwigen aanroep, kent dan grootheid toe aan onzen God.

o Heer! open mijne lippen, opdat mijn mond Uwen lof verkondige.

Geloofd zijt Gij, Eeuwige, onze God en God onzer voorouders, God van Abraham, God van Izak en God van Jakob, groote, machtige en eerbiedwekkende God, Allerhoogste God ! die weldoende gunsten bewijst en Eigenaar zijt van alles, en de goede daden der voorouders gedenkt en in liefde voor hunne kindskinderen den verlosser doet komen ter wille van Uwen naam;

{In de tien hekeeringsdagen zegt men:

Gedenk ons ten leven. Gij Koning, die leven wenscht, en schrijf ons in het boek des levens om Uwentwille, levende God!)

Gij Koning, die Helper en Redder en Schild zijt; geloofd zijt Gij, Eeuwige, Schild van Abraham !

Gij, o Heer, zijt machtig in eeuwigheid. Gij zijt het, die de dooden doet herleven, krachtig om steeds te helpen ;

(Van het Slotfeest tot hel 1'aaschfeest:

Die den wind doet waaien en den regen doet nederdalen;)

Die de levenden verzorgt met genade, de dooden doet herleven met groote barmhartigheid, die vallenden steunt en zieken geneest en geboeiden losmaakt en Uwe belofte vervult aan hen, die in het stof slapen. Wie is als Gij, Heer der machtige daden, en wie gelijkt U, Koning, die doodt, doch weer doet herleven en hulp doet ontspruiten;

50

ocr page 487

mnïP nban j

ffi-isis- Sainn quot;pn iBDn DiD'jaii» rir»3

:: ™p : ni35quot;i ♦♦ nnity IQN» rinjai

p-tri^a^ ^:r\2 : |n^i nnN ^jnnup1? : ?|n^D ^3 a^ri-bN : mi\ ^Tpni

D^n-^ • liTj^ri-bx win nm n^b »3

n^n-i: ifm n^prn na Dunns'? : Dipa ^n naiiyji n^K « : DI^ '

viiv; iquot; t •• - tit; | iv •• *; i- • -; T

.nm nn^i r\2wh n^sn

,wnp •«xn lois fvn

: -irnb^S Sij «n N-ipn* quot; nr ■•a

• •* vi t tI:v ▼:

: Ta: quot;'ai nnan Tiatr 'jijc

li.T. T;* quot; T ; T-:

♦n^N orn^K rtbyt irninx ♦n^i irnbK « nnx Tjiia VN Kniani ia^n Vnan bxn pnvt

k^di ni2K non -isin Van njpi d^iu onpn Voia • nanKa loty on^a ^a1?

.mn WK naian onm na» DXI .□quot;n n3D3 /3in31 '1103 'O .13quot;l3r on^ai» nquot;^a)

c D^ri D^n'S^ ÏJ^OV * Dquot;nn n§p? usroi • a^n? fan -jSa • Dquot;nS inpr : DrnaK pa \\ nnx -rjiia • pai ^^ioi iriy t^ü

* ai nnx D^nö n'no « abi^ iiaa nnx

i . T - • •• •• - ; ▼: T : T -

c oran inim nnn yvn DilDIN n^ET 'S Dl'' e)DTO lï flW Wi' r|D1B )ö)

D^fiU -jaiD D»ai D^rna o^nö n^np nana o^n babaa

• na^ ♦Jtr»'? injiox D»pöi Qn.iDK ynw a^in Niam n^ntpi npp ^ npii ♦ai nmaa S^a ^laa »»

* n^it^; n^DVpi

ocr page 488

BIJGEVOEGD-GEBED.

(In de tien bekeeringsdagen; Wie is als Gij, Vader der barmhartigheid! die Uwe schepselen ten leven gedenkt met barmhartigheid!)

Gij zijt vertrouwbaar, dat Gij de dooden zult doen herleven; geloofd zijt Gij, Eeuwige, die de dooden doet herleven!

Gij zijt heilig en Uw naam is heilig en heiligen prijzen U dagelijks, Séla; geloofd zijt Gij, Eeuwige, heilige God! (in de tien bekeeringsdagen: heilige Koning.)

51

Voor den gewonen Shahhath:

Gij hebt den Shabbath ingesteld, met welgevallen zijne offers voorgeschreven, hebt zijne nadere toelichtingen als geboden verordend, evenals de orde zijner plengoffers; zij, die hem als een genot beschouwen, zullen tot in eeuwigheid eer deelachtig worden; die hem genieten, erlangen het eeuwige leven en ook zij, die woorden omtrent hem gaarne hooren, hebben het hoogste goed verkoren ; reeds toen, van den Sienai af werden hun aangaande hem [dien dag] geboden gegeven en hebt Gij, Eeuwige, onze God, ons bevolen op dien dag het bijgevoegde offer voor den Shabbath naar behooren te brengen. — Moge het U, Eeuwige, onze God en God onzer voorouders, welgevallig zijn ons in vreugde naar ons land op te voeren en ons te planten op ons gebied, opdat wij daar vóór Uw aangezicht onze verplichte offers kunnen bereiden, de gedurige [dagelijksche] offers naar hunne orde en de bijgevoegde offers naar hun voorschrift. Ook het bijgevoegde offer van dezen Shabbathdag

Voor den Shabbath, waarop het Nieuwe-maansfeest invalt:

Toen Gij Uw wereld in de oudheid hebt gevormd, hebt Gij Uw werk voleindigd op den zevenden dag; Gij hebt ons bemind en in ons welgevallen gevonden en ons verheven boven alle talen en ons geheiligd door Uwe geboden en ons doen naderen tot Uwen dienst. Gij, onze Koning! en Uwen grooten en heiligen naam over ons genoemd ; Gij gaaft ons, Eeuwige, onze God ! met liefde Shabbathdagen tot rust en Nieuwe-maansdagen tot verzoening; doch daar wij zoowel, als onze voorouders, gezondigd hebben vóór Uw aangezicht, is onze stad verwoest, ons heiligdom eenzaam geworden, ging onze glans in ballingschap en werd alle heerlijkheid aan het huis van ons leven [onzen tempel] ontnomen en kunnen wij onze verplichtingen niet meer vervullen in het door ü uitverkoren huis, in het groote en heilige huis, waarover Uw naam genoemd is, wegens de hand, die aan Uw heiligdom geslagen is. — Het zij U dan welgevallig, Eeuwige, onze God en God onzer voorouders, ons in vreugde naar ons land op te voeren en ons te planten op ons gebied, opdat wij daar vóór Uw aangezicht onze verplichte offers kunnen bereiden, de gedurige offers naar hunne orde en de bijgevoegde offers naar hun voorschrift. Ook de bijgevoegde offers van dezen Shabbathdag en dezen Nieuwemaansdag


ocr page 489

epiö nban

c D'oqis aquot;nS inis) nait • n-'onnn ax ?j1od 'o d^di» n'-w)

: crnsn n»np « nriK ^i-q * D»na nvnnb nnx jonji * nbo Di» VDS D^npi viïipr nntlt;

('• ^npn ^l^an nawr w nwra) ; t^npn « riHK Tjlia

ïnn BNII roiv1? na»1?

n'ba Dipo nnx

t r * vliv • | : t t :i~t t -

i:niK nanx D^a^nDKbp niiityVn-^aD 133

: - T * IT ; - : IT T r T:

i:5ba ^n'iïpa

bn:n ^htü#1?

nanxa irribK « i^-rnm * nsnp

T -; - : r* v; *: IT I v r - T ITIT

a^-tn nnuob mra^

T*; quot; T : t:- T -

wsb ♦abi * ma;:1?

: 1- -: I iv T : IT T v ■ : T T - ;

ooiri nnin irmaxi

.. T : iquot; T : T iquot; -; -

JV3D niM Visai vip* n^i

•• • T - -.: Iquot;IT: TT: iquot; TI : •

nïamp;yb D'biy vmtt pxi * ij«n Vn^n n»33 ^im^na n^3 irmnin

T - • 1- - (iv T * : •• ; iquot;

♦:öp vby ^n^ni,

pïn w : tjamp;ypas nnbriamp;st? rn irniiN ribtt) wrib^t M ^i^abo

,.. .. .. .. ,.. ... t; JIV T. .

vyzn) mnab nnniyn uhynw

!•• t • : !••:quot;: T ; • ; iquot;^-; - v

nK n'^; utoa Diioa an^n irmoin ni:3ip

T ; • : • • ; iquot; : ;IT

♦öoiö'nNi * aro^ns n^Diai

•• ; v ; T T : • ; • T

B'Tnn ^ni dvi nn n3^n av

N3

pquot;-it'n Dquot;r

n»n /n3^ n:3n

t r t t - t : 1- •

nnï * n,nia3quot;ip

Ti** t iv : :It

nno op rrtfna

... T IV

o^ipb nvtyn ■ n^oo:

t : t iv : t iv t :

n^opiü * 1133

t iv it : • T

O^nlNH DJI • 13T 0quot;n

• -; t - : T

* !nn3 n-'ia nn3i

IT T T •-.: T IVT ;

* rrty IIOÏ: n'DO tk

T IV^T - : • - • • T

nnpn^rn^nm'rn niiï ^diö }3quot;)|5 n3 fivn : nxi3 quot; i^sba

iquot; v; ▼: I iv t : •

wni3K nna'^s

* 1:^3:3

* wnüin n,i:3ip_nK

iquot; : :l T

Dquot;vip3 an^pn

* arobro d^dioi

t T : • : * T

ns^n sjOiDTixi

ocr page 490

BIJGEVOEGD-GEBED.

zullen wij met liefde bereiden en brengen vóór Uw aangezicht, naar het gebod van Uwen wil, zooals Gij het ons hebt voorgeschreven in Uwe leer door Uwen dienaar Mozes naar de uitspraak Uwer heerlijkheid; gelijk er gezegd is:

En op den Shabbathdag: twee schapen, onder het jaar, zonder gebrek; en twee tienden meelbloem tot meeloffer, aangemengd met olie, en zijn plengoffer. Dit is het Shabbathbrandoffer op eiken Shabbath, behalve het gedurige brandoffer en zijn plengoffer.

(Op het Nieuwetnaansfeest: Dit is het offer voor den Shabbath; en ook het offer van [het feest van] heden [zullen wij dan brengen], gelijk er gezegd is:)

52

Voor den gewonen Shabbath:

Zij verheugen zich in Uw koningschap, zij, die den Shabbath in acht nemen en hem een genot noemen, het volk, dat den zevenden dag heiligt; allen verzadigen en verlustigen zij zich in Uwe goedheid ; en den zevenden dag, in hem vondt Gij welgevallen en hebt hem geheiligd; Gij be-stemdet hem tot den bekoorlijkste der dagen, tot herinnering aan het scheppingswerk.

Onze God en God onzer voorouders! schep behagen in onze rust; heilig ons door Uwe geboden en laat Uwe leer ons deel zijn; verzadig ons met Uwe goedheid en verblijd ons met Uwe hulp, en reinig ons hart om U in waarheid te dienen; en doe ons. Eeuwige, onze God! in liefde en welgevallen Uwen heiligen Shabbath deel-

Voor den Shabbath waarop het Nieuwemaans-feest invalt:

En op de eerste dagen uwer maanden zult gij een brandoffer brengen voor den Eeuwige: twee jonge stieren, jonge runderen, en één ram, zeven schapen onder het jaar, zonder gebrek. En het daarbij behoo-rende meeloffer en hunne plengoffers, gelijk er uitgesproken is: drie tienden [van een Epha] voor eiken jongen stier en twee tienden voor den ram en één tiende voor elk schaap; en wijn, naar het daarbij voorgeschreven plengoffer; ook een bok, om verzoening te doen; benevens de twee gedurige [dagelijksche] offers naar hun voorschrift.

Zij verheugen zich in Uw koningschap, zij, die den Shabbath in acht nemen en hem een genot noemen, het volk, dat den zevenden dag heiligt; allen verzadigen en verlustigen zij zich in Uwe goedheid; en den zevenden dag, in hem vondt Gij welgevallen en hebt hem geheiligd ; Gij bestem-det hem tot den bekoorlijkste der dagen, tot herinnering aan het scheppingswerk.

Onze God en God oazer voorouders! schep behagen in onxe rust en laat voor ons op dezen Shabbathdag deze maand beginnen ten goede en ten zegen, tot vreugde en blijdschap, tot hulp en vertroosting, tot verzorging en levensonderhoud, tot leven en vrede, tot vergiffenis van zonde en kwijtschelding van misdaad ; (in de schrikkelmaand: en tot verzoening van misdrijf;) want Uw volk Israël hebt Gij uitverkoren boven alle natiën


ocr page 491

cjDiD nban 33

103 ^riri nanxs ^JÖ1? anp:i n^; n-n : quot;naN3 »30 ^j-t^ n^Q ^nnina

Do^n n^-^a D^nrp:^ nat^n DI^I

: quot;v •• : f ' ' : t t •• : • t : •• : t - - ;

in3^3 naB' rny : 13021. |o^n nbiVa nn:p n^p : nap;') Tpnn nV^-V^

c iion3 ai»n ja-i;?! na^ p-ij? nr

.cnn pkh nac1?

Dns »b rhy mnpn D2^nn

• t t- t rl: - v •• : t •• t :

♦:3 inK npn ^3

•• ; * t : tv • 1- : -i- ; itt •• :

Dn^Dii Dnna!3,i : DQ*on niiy

*.•••;•; t t : * • • : *t : * t t

quot;löV -12-IQ3

•• ; t - • : t : t •.. : *

^3|S p^i S^Nïb m'ïB'#

an^pn napS i3p:p : ons^na

t t : • ;

♦Nquot;iipi npi^ ^niDbpn D^3 *

• nK-ip iniK mon inEhpi 13

t itI t * t - ; v : -| • :

: n^p^p -dt

unnupp n^n irnm irnbx -n^ mn narn DI^ wby

t - - : i** tquot; ••- ;

* nD-in^ nniüS nin ^nnn

» t ; t t : * : t : v - v i -

roiisb * * nnaïr^

x t : ~ ; t t v ; t t : • :

rbvoi^ ' Dii?^l?,i D^n1? * rto:)^

-•:* t: *-; t t ; - :

Vamp;S jtisdSI nsrn cnna) nn^pbi Npn

• niSKn-^a mns btriw ^2 »3

\ t r t ; 1- t •• t : i . - ;

onn fsii nac1:)

.nao1?

^pipi rat? npitr ^-jpp uy

0^3 ' W2p

^VlSD 13

D*O* man irmnpi n3T • nKip miK

viquot; t it It

: n^Nquot;i3 n'^p1?

irn^x nï-i wni3ï^ lityip ^nni2ü3

,.. :|- iquot; t : •

lipSn \r\] ^niïps uyst? ^nnirns unp^i ^rtsp

quot;inm nosts ^ii^S irnSx v;

n3^ pra n3nK3

ocr page 492

B IJ GEVOEGD-GEBED.

53

Voor den Shabbath waarop het Nieuwernaans-invalt:

achtig worden, opdat daarop mogen rusten Israël, die Uwen naam heiligen; geloofd zijt Gij, Eeuwige, die den Shabbath heiligt!

Schep behagen. Eeuwige, onze God, in Uw volk Israël en in hun gebed ; en breng den tempeldienst terug in het binnenste van Uw huis, opdat Gij Israëls vuuroffers en hun gebed in liefde welgevallig zult aannemen, en steeds zij welgevallig de eeredienst van Uw volk Israël!

En onze oogen mogen het aanschouwen, wanneer Gij met barmhar(igheid naar Tsion terugkeert; geloofd zijt Gij, Eeuwige, die Uwe heerlijke verschijning naar Tsion terugvoert!

Wij danken U, dat Gij zijt Bij de herhaling van het gebed, zegt de Eeuwige, onze God en de de Gemeente, terwijl de Voorlezer dvtoj ~ - - - zegt, het volgende

Wij danken U, dat Gij zijt de Eeuwige, onze God en de God onzer voorouders, de God van alle vleesch, onze Vormer, de Vormer van het Scheppingswerk; lof en dankzegging [brengen wij] Uwen grooten en heiligen naam, dat Gij ons hebt doen leven en doen voortbestaan! Zoo moogt Gij ons laten leven en ons laten voortbestaan en onze ballingen verzamelen naar de voorhoven van Uw heiligdom, om üwe geboden in acht te nemen en Uwen wil te volbrengen en U van ganscher harte te dienen; [wij danken Ü ervoor] dat wij ü kunnen danken; geloofd zij de God der dankzeggingen!

morgens en des middags [op te merken] zijn; Gij, Algoede, Wiens barmhartigheid niet eindigt; Gij, Al barmhartige. Wiens genadebewijzen niet ophouden,—van oudsher hopen wij op U !

(Op Chanoekka zegt men: 'AI Hanissiem {blz. 36).

En voor dit alles worde Uw naam, onze Koning! steeds geloofd en verheven immer en eeuwig;

(In de tien hekeeringsdagen:

En schrijf in voor een goed leven al de leden van Uw verbond!)

En alle levende wezens zullen U danken. Sela! en Uwen naam in waarheid loven, o God, onze hulp en onze bijstand. Sela! Geloofd zijt Gij, Eeuwige, Wiens naam «de Algoedequot; isenWien het past te danken!

Voor den gewonen Shabbath:

en hebt hun Uwen heiligen Shabbath bekend gemaakt en voor hen de wetten der Nieuwemaansdagen vastgesteld; geloofd zijt Gij, Eeuwige, die den Shabbath en Israël en de Nieuwemaansdagen heiligt!

God onzer voorouders, immer en eeuwig. De Rots van ons leven, het Schild onzer hulp zijt Gij voor alle geslachten! Wij danken U en verhalen Uwen lof voor ons leven, dat in Uwe hand is overgegeven, en voor onze zielen, die aan U zijn toevertrouwd, en voor Uwe wonderen, die eiken dag met ons geschieden, en voor Uwe wonderbaarlijke weldaden, die ten allen tijde, des avonds, des

ocr page 493

«pi» nbfin

.üin !VNII nac1?

* n^nin anb nzt) Tina • n^2p on^ D^nn

) T T'titIT V T • T*; •• T

^«iTi na^n « nriN : D^nn

53

.na»1?

nn imri * ï|t!hj5

» nnx -]Ti3 : nauri


nnin^n-nK n^ni • Dnbanni bxitp* irfibK \] np; Saj^n nanNa onbsni yyp

- nnin^ npn fivn1? ♦nni |iïquot;i3

nnnan « nriK * owna fi^b nrjnni

: |i»v^

Kin nnxty i? ^n:K DHID

T - T |T : I- -:

irninx

fjo m -IIÏ * lyi nbtyb - nii inb «in nnK

T : T - *1quot;; •

* ^nVnn isdji ^ nnia byi ï|T3 nnioan i:«n Vjr

bw nmpsn

o nian ann^ nny, ^nixVs;

* ^7 D^I^Ü ^non lan-K1? ^ onnani ^ann ibrN1?

.(V1? t)i3 D'DJn Sj? B,I»W nswa)

* WT tbtyh Tpn ïjOB' Donrn oVr^'i

c ïjnna ^a (Sa) D^üa Dquot;nS alnai nawn w mn-a)

unjriir» bsn naio nx ,il?bn,i nbo ^rri» Dnnn Vdi : nmnV nx: aitan ^ nm -jnn * rho

pan Dni»

^ Nin nnxtt' wm?? nnio 'rhit irnlat? rj^Ni mi1?»

niana n^jcna nsv un^v itra Sa Sj; rnj^ni Snan ?]0^S nwiini wa^pnii^n? j? ijn^pi uri^no^ TjE'-ip nnïn) irnvSa «iidndi Tj-ia^'pi ?i3is-j nitr^i rj^n la-fS • onio wniW ^ 3?^'? : nwnlnn Sx ^na

ocr page 494

BIJGEVOEGD-GEBED.

Bij het herhalen van het gebed zegt de Voorlezer:

Onze God en God onzer voorouders 1 Zegen ons met den in Uwe leer uitgesproken drievoudigen zegen, die voorgeschreven is door de hand van Uwen dienaar Mozes en uitgesproken door den mond van de priesters Aharon en zijne zonen, gelijk er gezegd is: De Eeuwige zegene u en behoede u. De Eeuwige doe Zijn aangezicht voor u lichten en zij n genadig. De Eeuwige wende Zijn aangezicht tot u en verleene u vrede!

Geef vrede, heil en zegen, gunst en genade en barmhartigheid ons en gansch Uw volk Israël; zegen, onze Vader! ons allen te samen met het licht van Uw aangezicht! Want met het licht van Uw aangezicht hebt Gij ons gegeven, Eeuwige, onze God, de leer des levens en de liefde tot genade en welwillendheid, en zegen en barmhartigheid, en leven en vrede; o, moge het goed zijn in Uwe oogen, om Uw volk Israël in eiken tijd en elk uur te zegenen met Uwen vrede!

(In de tien hekeeringsdagen:

In het boek van leven, zegen en vrede en ruim levensonderhoud mogen wij herdacht en opgeschreven worden voor Uw aangezicht, wij zoowel als geheel Uw volk, het huis Israëls, tot een goed leven en tot vrede; geloofd zijt Gij, Eeuwige, Schepper van den vredel)

Geloofd zijt Gij, Eeuwige, die Uw volk Israël zegent met vrede.

Mijn God! bewaar mijn tong voor kwaad en mijne lippen voor het spreken van bedrog; moge mijne ziel zwijgen tegenover hen, die mij vloeken, en moge mijne ziel tegenover ieder zoo nederig zijn als het stof! Open mijn hart in Uwe leer en moge mijne ziel Uwe geboden najagen! En allen, die kwaad tegen mij beramen, o, verijdel spoedig hun plan en vernietig hunne gedachten! Doe het ter wille van Uwen naam, doe het ter wille van Uwe rechterhand, doe het ter wille van Uwe heiligheid, doe het ter wille van Uwe leer! Opdat de door U beminden gered worden, help met Uwe rechterhand en verhoor mij! Mogen tot welgevallen zijn de uitspraken van mijn mond en de overdenkingen mijns harten voor U, o Eeuwige, mijn Rots en mijn Verlosser. Hij, die vrede sticht in Zijne hoogten. Hij behoude den vrede voor ons en geheel Israël; zegt hierop: Amen!

Het zij U welgevallig. Eeuwige, onze God en God onzer voorouders, dat het heiligdom spoedig, in onze dagen herbouwd worde, en maak Uwe leer tot ons deel. En daar zullen wij U in eerbied dienen, als in de dagen van het vroege verleden en als in de jaren der oudheid. Dan zal den Eeuwige aangenaam zijn het offergeschenk van Juda en Jerusalem, als in de dagen van net vroege verleden en als in de jaren der oudheid.

54

ocr page 495

tpiD nbön n:

yvn nSsnn mtna

n.: by. nainsn n-rira DfWpn nana? wgna irnü?? ^Sni wnSj? : nDN3 dj D-gn'a raai pnx quot;•sp rniojcn n^o ati-'n tSn rus quot; xbquot; : ti■'Sn* vjb ^ inquot;' : n-iotriquot; TiDia''

••t: i ivquot; tt ■»■; t • hv., • i iv •• tt ▼: quot;t »iv; ; •; t; }; vt:

(p'sn 'n1 ja dw) ; DlSr Tj1?

o^nni noni rn nami ram oiSi^ Dvir

: lquot; t * ; v iv t I •• t t : t t

niK3 nns}3 uba ^quot;13 na^

; tv; it *-. r t iquot; -it | f. - quot;ti ' r

nanxi d«n nnm wrbx « nn: tiö »3 ^^3

- ; • - - !•• ••: ▼: it t r t I iv t ; • | iv t

Tjnn1? a^ni nanni npnïi ion

nawn 'n' moi-a)

ïjag-Ssiwmj? araji -ia« naira npj-jai DiS^i nan? o^n ngp? c DiVrn nrj; ^ nrw ^na * DiSrSi a'aia

: VKTBquot; is^TiN « nriK 'rp-a

^33 ♦b'ppDbi noiü yyi iv; ♦ribK

^nquot;iin3 'ïh nns : rnn bbb izyz ^a?i Diin nan mnp n^n quot;by. na^inn Vdi ^ö: e]i-nn ^niïa^i j^o1? rw%z • n'^ * ona^no bpbp onx^

• ^rnin nquot;^ • ^n^np * ^rp»

^■noN jiïnb vri» : n^^in pxbn»

xin vonpa Dlb^ n'^ : quot;bxiji niï quot; ^Jöb ab fi^ni : |OK nüNi Dib^ n^.

n-inpa E'^an r),3 n^3'^ irnla?? irnSjs* ^ jisn

a^^ai aSiy nNTa Tj-iaj;; nri : ?]nnin3 -u^n jni; wa;? : nrimp o^ai aSiy ^a^a bS^tim min'1 nraa quot;S naijn : nrianp

;l- • t : t •• • -|t t * t : - ; • tquot; t : r: • ;l-

ocr page 496

55 BIJGEVOEGD-GEBED.

Bij de herhaling van het gebed, begint de Voorlezer na DTisn rpna aldus:

Wij willen Uwe macht en Uwe heiligheid uitspreken, naar de wijze, waarop die uitgesproken wordt door de vergaderde heilige Serafiem, die Uwe heiligheid in het [hemelsche] heiligdom verkondiger ; zooals er geschreven is door Uwen profeet: En de een riep den ander toe en zeide: {De Gemeente:) Heilig, heilig, heilig is de Eeuwige, Tsebaoth, Zijne heerlijkheid vervult de gansche aarde! {De Gemeente en daarna de Voorlezer:) Van Zijne heerlijkheid is de wereld vervuld; Zijne dienaren vragen elkander: waar is de [eigenlijke] verblijfplaats Zijner heerlijkheid? Zij, die tegenover hen staan, zeggen : geloofd ! {De Gemeente;) Geloofd zij de heerlijkheid des Eeuwigen op hare plaats ! {De Gemeente en daarna de Voorlezer:) Van Zijne verblijfplaats wende Hij Zich in barmhartigheid en begenadige het volk, dat des morgens en des avonds de eenheid van Zijn naam uitspreekt, en steeds eiken dag tweemaal met liefde zegt: Hoor! {De Gemeente:) Hoor, Israël! de Eeuwige, onze God, de Eeuwige is eenig! {De Gemeente en daarna de Voorlezer:) Eenig is Hij, onze God, Hij is onze Vader, Hij is onze Koning, Hij is onze Helper; moge Hij in Zijne barmhartigheid ons ten tweedenmale voor de oogen van al, wat leeft, laten hooren: om U tot God te zijn! {De Gem.:) Ik ben de Eeuwige, uw God!

Op eenen Shahhath, waarop Ofan gezegd is, wordt een der onderstaande met Elohéchem beginnende stukken hier ingevoegd. *)

{De Voorlezer:) En in Uwe heilige woorden is aldus geschreven: {De Gem. en daarna de Voorl.:) De Eeuwige zal dan in eeuwigheid regeeren, Uw God, o Tsion, door alle geslachten; Halleloe-jah!

(De Voorlezer:) Alle geslachten door willen wij Uwe grootheid verkondigen en in alle eeuwigheid Uwe heiligheid uitspreken, en Uw lof, o onze God, zal nimmer uit onzen mond wijken tot in eeuwigheid, want een groote en heilige God en Koning zijt Gij; geloofd zijt Gij, Eeuwige, heilige Godl (in de tien bekeeringsdagen: heilige Koning).

*) Op den Shahhath, waarop het Nieuwemaansfeest invalt:

Uw God late Zijne zon stralen in het zevenvoud van hare kracht, moge de maan hij hare vernieuwing stralen gelijk de zon; ^ dan moge de Nieuwemaansdag, als hij weder heilig verklaard wordt, opnieuw zijne verzoenende werking doen, zoodat die dag weder zijne functie verricht en men aanschouwt de heiligheid van Gods Majesteit, op eiken terugkeerenden Nieuwemaansdag en op eiken nieuwen Shabhathdag. — (De Voorlezer: En in Uwe heilige woorden enz.)

Op een Shahhath, waarop eene besnijdenis plaats heeft:

Uw God ben Ik, Ik gedenk het verbond [der besnijdenis]; zie. Ik zend voor Israëls rest hem, [den profeet Ella, den bondsengei] die eens zich schuil hield in het dal Kerieth51), (die voor zich uit alles schoonvegen en moedwil uitroeien zal;) om heil en vrede te verkondigen op het einde der dagen; dan mogen allen, met wie het verbond is gesloten, weten, dat Hij het is, die verkondigt aan Tsion: Uw God regeert, gij glansrijk stralende I — (De Voorlezer; En in Uwe heilige woorden enz.)

ocr page 497

«]Diö nban na

♦isnw nrnp nsisi zSipa nSsnn itin yquot;Dn

?|p^ trn'ip *t*iv nioa

nr bx nT n» hv awas

pxn-bD K^D niN3ï « B'np trnp t^np • 10x1

I v it t t t : *: It It It - t :

n^N nr1? nr D^Klsr vnit^a dVi^ 11133 'n : niaa

••- vt v • -: t —:t : r ^ quot; T i : :

nina quot;rpi quot;'v : noK* Tjiia ona^S 11133 aipp Dnn^n p'ni D^pnis fö» «in loipsp 'n ; loipap : anöiK^üf n3nK3 D^Ö TQ^ DI» ^33 1^31 3^ lot^ irnbN Kin quot;IHK : mx « irn'^K « vnv quot;quot;v

,.. ... t v t v *: !•• ••: ▼: •• t : • ^ - :

VDni3 «mi • 1:^10 Kin 1:3^ Kin ii*3n4 Nin

t -: - : iquot; • ; - : iquot; ' !••; - r t

: ^ nquot;v : D^rib^ D3b nvn1? ♦n-1?3 ♦y#1? n»:^

.(nonS DiBB*i:n) D3,n'?}lt; O^'dw JïJWf D'nsis» nirat-a

Tpnbtf oVi^b « 'rpw nquot;v : *iQ^ 3in3 ^ipT n3i3i,n

: iTibbn 111 in1? fi»v irriSj? in??'! Tjrir-^ nsaSi tjSIJ ini ThS rn

- nriN rii^i Sna SN* ^ n^.i aSiyS do; NS irso

c tfihpn ^i^an : riipn San \] nnx ^na

.fin fs'i ris™1?

VQ0 ' ie^nj-ina rnvi * inning * ivav nnr ayrih#

- ivmb arn m • imss iïmh * icnpnna chnm * i'nnnt

t tt- •• - : ;|- : * : v i - ; t •:

^■gt;12121 ven: in??'? nar nai • icnn? rin na •inrarntni?

•n1?'» ^12 n2pS

Sn:? Tnpriis * nnx^S nSir vin nan * nn?n n?i? rjx aa^n'Sx VT. * nnnK? oiVf 1 aia nlr?S • (nn?: pnii vacS naai) * nna pip quot;2121 yvn : nnin^ ^Sa now * nn? inna-V3 nxr

') Vgl. Jes. 30,26; waar voor de toekomst aan de hemellichamen groo-tere glans wordt toegezegd. Vgl. .Jes. 66,23. quot;) Vgl. I Kon. 17,3.

ocr page 498

BIJGEVOEGD-GEBED.

De Voorlezer vervolgt de herhaling van het gebed en zegt Kaddiesh Thithkahbal; daarna wordt het gebed aldus voortgezet:

Niemand is als onze God, niemand is als onze Heer, niemand is als nnze Koning, niemand is als onze Helper! Wie is als onze God, wie is als onze Heer, wie is als onze Koning, wie is als onze Helper? Laat ons danken onzen God, laat ons danken onzen Heer, laat ons danken onzen Koning, laat ons danken onzen Helper! Geloofd zij onze God, geloofd zij onze Heer, geloofd zij onze Koning, geloofd zij onze Helper! Gij zijt onze God, Gij zijt onze Heer, Gij zijt onze Koning, Gij zijt onze Helper! — Gij zijt het, voor Wien onze voorouders het reukwerk van specerijen in rook deden opgaan!

De samenstelling van het reukwerk: balsem, zeenagel, gal-banum en wierook ieder tot een gewicht van 70 Mané. Mirre en kassia, halm-dunne nardus en saffraan, ieder tot een

Op den Shahbath, waarop de afdeéling Beréshieth gelezen wordt: Uw God zal eens Zijnen dienaar [Israël] verstand schenken, dan zal Zijn zetel gevestigd zijn als van den beginne; Hij zal de stad op hare puinhoopen herbouwen en het paleis [den tempel] herstellen en [den breuk van] Zijn altaar heelen om de plaats der plengoffers te herstellen; zal de maagd van Israël vrijlating toeroepen, zoodat zij vrij zal zijn; zie, dan zal de kracht van Zijn toorn Zijne tegenstanders verstrooien als met een alles tot zwijgen brengenden, scherpen wind, en zal Hij regeeren over liet volk, dat den Shabbath der wereldschepping in acht neemt. — (De Voorlezer: En in Uwe heilige woorden enz.)

Op den Shabbath van het Inwijdingsfeest:

Uw God zendt eens Zijnen gezalfde, die zich siert met den gordel van rechtvaardigheid en trouw ; die den booswicht doodt door den staf van zijnen mond, den vijand te gronde richt; ') zoodat men wegens de wonderen geheel Hallel zal uitspreken, daar men ['Esau] thans den jongeren broeder [Jakob-Israël] niet meer tot slaaf maakt; nieuwe kennis doet Hij dan ontstaan, zoodat men zijn oor neigt om te luisteren en het niet meer zwaar maakt [om niet te hóoren] 2); den glans van het bekoorlijke heilige gebied zal Hij herstellen en ons ten deel doen vallen, dan zullen wij zingen den psalm van David tot inwijding van den tempel. — (De Voorlezer: En in Uwe heilige woorden enz.)

Op den Shabbath na den Sden Ab:

Uw God zal ten tweeden male Zijne hand uitstrekken om uwe verstrooiden te verzamelen; zal den tijd verhaasten, waarop men zal zeggen: «gaat heen uit uwe boeien 1quot; Hij zal Zijnen bondsengel [Elia] zenden om uw hart [tot Hem] terug te brengen 3); baant voor hem den weg, zoodat de kromming tot een rechten wee wordt, — en Hij zal u naar Zijne stad verzamelen; gij, die den Shabbath in acht neemt, hij is een verbond tus-schen Hem en u; looft Zijnen naam en gunt u geen zwijgen; zoo waar Zijn heilig aandenken leeft! //troost,quot; spreekt eens uw God; //want Ik ben uw Koning en zal over u regeeren!quot; — {De Voorlezer: En in Uwe heilige woorden enz.)

i) Vgl. Jesaja 11,4—8. *) Vgl. Jes. 6,10. 3) Vgl. Mal'achi 3,23 en 24.

H

56

ocr page 499

epiD nbfin u

•uinSss px D1-IB1N ixi Vapnn CTp -iüix n^snn in.s

: pK • wabos px • irjinKS px • px

: W^B'IDD ^ 'p * irjnKD »0 * irn^N^ »p

nni: • uaSo1? nnu * quot;irimS nnu * irnSx1? rnu * iwbö Tjna • IVJI-IK Tj^i * i:»nVx Tjina ; nnx * wn nrix • Kin nriN ; i^^iq Tjiia n^pn^ «in nnx : Kin nnx • i^bü Kin

1 ' • • T quot; 'quot; ' t - !•• ; -

: D*QDn niüp nK

Sp.fp • ninVni nnbnni pis^ni nïn nipjpn dvüö D3n?i nbatr n^^pi ia • njo d^b' d^b'

.riiwia riaoS

pquot;o-)xi ruy n^n bp, ryn - rrnjna? wp? pa: naj oariS?? n;i?yS .sn^ ini • n-vrrh ^dj oippi jcst; Tn?|oi • rw;

noTt^ dj; Sj; • n^nrj pu; vopT loyi pjn nan * n^an nnvn

l»ip naiai fvn : DS*^

•naun nai?S

vsoa^n^; yann • nMo^ni pns irrrp nW? oa^nSx nr-jD rijn -Taj^po Tys -iio;S crajn hvy -rw yfr 1^3] ' T3p.i: Qüp] irip Siai rnari inq • n^ana |w nteri t^in? tt yvn : in1? n^n njjn yiï nioio

.isnj nac1?

• DsniMfp w? laxS z'vi nyn • apvrn'-i^ papS in; ^pr Da'rtS^

3p?0 nÏÏ1Tail * aaaa1? a^n'? rhf Tnna ^Sai Vsi iW «ia • Q5,rai ira wn nn? nac' anairn - aa^ap; n^Si D3?^a jon ris ,|a * Dyn'S^ naü'1 rnrj: icnp nat in • D5S ^an wrin

icnp '13131 yon ; Qa'Sj;. ^BNI

ocr page 500

B IJ GEVOEGD-GEBED.

gewicht van 16 Mané. Costus 12 Mané, specerij bast drie, en kaneel 9 Mané. Loog van Carshiena 9 Kab, wijn van Cyprus drie Sea en drie Kab; en indien men geen wijn van Cyprus heeft, neemt men zeer ouden witten wijn. Zout van Sedom een vierde (van een Kab), een weinig van het kruid Ma'alé 'Ashan (dat den rook doet opstijgen). Rabbie Nathan zegt: ook een weinig hars van den Jordaan. — Indien men er honig heeft ingedaan, heeft men het ongeschikt gemaakt voor offergebruik; en indien men een van al zijne specerij soorten er aan laat ontbreken, is men den dood schuldig. Rabban Shim'on, de zoon van Gamlieël, zegt: de balsem is niet anders, dan de hars, die van den balsemstruik afdruipt. — De loog van Carshiena dient om daarmede den zeenagel af te spoelen, opdat deze schoon zij. De wijn van Cyprus dient om daarin den zeenagel te weeken, opdat hij sterk van geur zal zijn. Hiervoor zoude immers ook urine geschikt zijn ? doch men brengt uit eerbied geen urine in het voorhof.

De liederen, die de Levieten zeiden in den tempel: op den eersten dag [der week] zeiden zij [Psalm 24, die begint met de woorden;] «Den Eeuwige behoort de aarde en wat haar vult, de wereld en die haar bewonen!quot; Den tweeden dag zeiden zij [Psalm 4b] : „Groot is de Eeuwige en zeer geprezen in de stad van onzen God, Zijnen heiligen berg!quot; Den derden dag zeiden zij [Psalm 82]: „God plaatst zich in de gemeente Gods, te midden van rechters houdt Hij gericht!quot; Den vierden dag zeiden zij [Psalm 94]; „God der wraakneming. Eeuwige, God der wraakneming, doe Uwen glans stralen!quot; Den vijfden dag zeiden zij [Psalm 81]: „Laat jubeltoon klinken voor God, onze Sterkte; juicht voor den God van Jakob!quot; Den zesden dag zeiden zij [Psalm 93]; „De Eeuwige is nu Koning, heeft Zich met hoogheid bekleed, bekleed heeft Zich de Eeuwige, met macht Zich omgord; nu staat ook vast de wereld, wankelt niet meer!quot; Op Shabbath zeiden zij [Psalm 92]: „Zangpsalm voor den Shabbathdagquot; ; een zangpsalm namelijk ook voor de toekomst, die komen zal, voor den dag, die geheel Shabbath en rust zal zijn, voor het eeuwige leven!

Rabbie Eli'ezer zeide uit naam van Rabbie Chaniena; de leerlingen der wijzen [de wetgeleerden] vermeerderen den vrede in de wereld, want er is gezegd ; Indien al uwe zonen leerlingen des Eeuwigen zijn, dan zal groot zijn de vrede uwer zonen; lees [verklaar] niet; BOnajich (uwe zonen), maar BOUnajich (uwe opbouwers). Groote vrede [valt ten deel] aan hen, die Uwe leer beminnen, hun ligt geen struikelblok in den weg. Vrede heersche binnen uwe muur, welvaart in uwe paleizen!

57

ocr page 501

s]Dio Ta

• ïfïl tpfpn • n:o n^ i'^

rwEh? nna * n^n iiaapi * nvbp naibpi iV pK DNI * xnbri pfji «nbn J»ND fpnap \quot; - pap, Qpn) n'QHD n^D : pT$ |nin im x^a ppnap -bz pTn n33 c]N ipiK |n: '3quot;i * wnf bz rhyn n^öD baö nnK IDH DK TIVDS vïi m rnj DNI 'Nini^

t iv t - t • - - - • * t t : - : t i - t • :

Nv'K I:»K nyn * IQIK bwbw |3 pypt? jsi. : nnp 3»n ntf ns 1*3^ nj^quot;i3 nn3 : t]L^n ^yrj fjüisn f]^ p3ïn nx 13 p.i^ ppnsp : nx: xnn^ ns • païn pp^3ö pxB' NVK n) pa^ N^ni : HT^ xnri^ ns

: nissn nsa rnrys 'ö

t - •• : • tt. t * iquot; ; ~ ••

.nquot;'B D'UID 'D»l TUD 'D» ^ID

p^N-in Di'S : Knpan n^ss DnoiK vn teti

: ns ♦s^vi ^sn hni^qi pxn «quot;? • anaiK vn

t •• ; i ; •• •• t : | vit t t ~ • ; t

in ^n^N 173 iKp bbnpi ^ biii * onpiNï vn ^^s si,p3 nn^s sï; a^ribN • onaiK vn ^,l?^3 :

niDpj ba quot; niopj Vk * onoiK vn ^^sis : ubf D^nbN

It: •• t; | t : •• • : t : t : • • v;

lynn my Q^rbab vn ^♦pns : ^'ain

^s^ mb nm -]bo « • onpix vn : sp^;_ ♦rti7Ni7

• onpiN vn ns^s : uian ^s bsn psn «]K -iixnn iy « Dvb • NSV n^1? quot;i^ niüio : nsan DV1? yiï HDTQ

; t • t v : • t - - :

: D^birn «n1? nnwoi nstr ibstr

'tt •• ~ ; t : t quot; *•. v

D^SIO D^ösn n^obn * Win ^si quot;IÜK »31 noK

• : - * t -; .... - t • -: * - - t tquot;t : v • - - t

Dibir sn M nisV n^s-bsi lONaty • obirs ttbv

: -;•»■; •• • jm-t t : - v;vv t ^ t t

^snK^ sn ai1?^ : ^jis k^k ^is xnpn ^ • ^js : ^rii:piN3 nV^ -j^ns DiW-»n» :^spiDb pxi ^rnin

ocr page 502

B IJ GEVOEGD.GEBED.

Ter wille van mijne broeders en mijne vrienden wil ik u den vrede wenschen ! Ter wille van het huis van den Eeuwige, onzen God, wil ik goeds voor u afbidden ! De Eeuwige geve Zijn volk macht, de Eeuwige zegene Zijn volk met vrede!

Op ons rust de plicht den Heer van het heelal te prijzen, te verheerlijken den Vormer van het Scheppingswerk, dat Hij ons niet heeft doen worden gelijk de volkeren der landen en ons niet heeft gelijkgesteld met de geslachten der aarde, dat Hij namelijk ons deel niet heeft doen gelijken op het hunne, en ons lot op dat van hunne menigte — Wij immers knielen en werpen ons neder en spreken onzen dank uit voor den Koning aller Koningen, den Heilige, geloofd ïij Hij, — die den hemel uitspant en de aarde grondvest. Wiens heerlijke verblijfplaats is in den hemel van boven, en Wiens machtige verschijning in de hoogste hoogten is. Hij is onze God, niemand anders; onze Koning in waarheid, er is geen buiten Hem ; gelijk in Zijne leer geschreven is: en gij zult heden weten en u ter harte nemen, dat de Eeuwige God is in den hemel boven, en op aarde beneden, niemand anders!

Daarom hopen wij op U, Eeuwige, onze God, om spoedig de heerlijkheid Uwer macht te mogen aanschouwen, dat Gij de gruwelijke schijngoden zult doen verdwijnen van de aarde en de nietswaardige afgoden zullen worden uitgeroeid, zoodat Gij de wereld volmaakt doet zijn door de heerschappij des Almachtigen en alle vleeschelijke wezens Uwen naam aanroepen; dat Gij tot U richt alle booswichten der aarde, zoodat erkennen en weten alle bewoners der wereld, dat voor U zich behoort te buigen elke knie, bij U behoort te zweren elke tong! Mogen zij voor U, Eeuwige, onze God, knielen en nedervallen en de majesteit van Uwen heerlijken naam erkennen, en mogen allen op zich nemen het juk Uwer regeering, zoodat Gij Koning over hen zijt, spoedig voor eeuwig en immer! Want U behoort de regeering en tot in eeuwige tijden zult Gij in heerlijkheid Koning zijn; gelijk in Uwe leer geschreven is: „De Eeuwige zal regeeren immer en eeuwig.quot; En er is gezegd: „Dan zal de Eeuwige Koning zijn over de ge-heele aarde, op dien dag zal de Eeuwige eenig zijn en Zijn naam eenig!quot;

Hier wordt door iemand, die een zijner heide ouders verloren heeft, Kaddiesh yezegd.

En nu, moge de kracht van mijn Heer zich groot toonen, gelijk Gij gesproken hebt, zeggende; —

Gedenk Uwe barmhartigheid, o Eeuwige, en Uwe genadebewijzen, want sinds alle eeuwigheid zijn zij.

Moge Zijn groote naam in zijne grootheid en heiligheid erkend worden in de wereld, die Hij naar Zijnen wil geschapen heeft;

58

ocr page 503

É]D1O nban n:

rn^ l^^1? : T?! I^Ö1?

: Dib^n lö^-nK -|quot;i.r ^ fn» la^b ry »; : -jb 3it3 n^pas;

kW n^Kia ixi^ nbna nnb San jnxb abv HDIKH ninöB'aa uoty N'^'I niïiNn «133

t t-: t : : • : ,t t # : t-: t •• : it *r

d^IÜ 1:113x1 * ajian SM ana upbn nv

^ : ; 1- -: - t -: t : iquot; t : v t liquot;: v t

Tjiis ^in[5n Dp^ön ♦DSQ ^ onioi onnn^pi b^sa D^üt^a np» px noin nüi: Kint^ Kin

- i- • • 1- t - it; - 1 vit •• : * i- t

nüK * pK wnbK Kin : orpno ^nan 11^ nrairi ^k nntyni avn ny-n imina mnaa mbir dök i^ö

v t . T t : ~t x t ; t - t v iv iquot; : -

nnnD rixn S^i byaD d^h^kh Kin « ^ nan1?

- it • i vit t ~ : i~ • • i- t - * v; t ▼; • |ivt :

; nip pK

t\iy nnKöna mna niKnb * wnbx « nip: |3 by_ jpnb • pnnr nns D^^xni pKn |q a^ibü n^nquot;? ni:anb • iK-ip» im ^3 ^i niDboa obip

^ ^ ♦ ba i^ti m: • pK ^3 ï]^k

ip^ irn^K quot; Vs p3fri ^quot;13 Vs pnsn

Sip nx 0^3 ibsp'i * i:n» i\?: nüsbi - iSön n^ban »3 * npi nbipb mno an^p -jibani * ^jn^ba ^nnins 3in33 * ni333 ^i^an np raS'pS * K^n n^-Sa bp -jbab « n^ni naKJi : npi aVpb TjVa» « : nnK la^i nnK quot; n^n» Kinn Di'3

•am1 cnp : IdnS nquot;)^ t^n'? i3'quot;k? na k\j nnj;i : nsn Q'piyQ •'a ïjnjjni ^ ^ani isj nnip*i3 KiT3quot;n xa^3 Njsn na^ B'-ipnn. Sn^n»

') Vgl. Jeremia 10,19: «Niet als dezen is het deel van Jakob, want [zijn God] is de Schepper des heelals.quot;

ocr page 504

59 BIJGEVOEGD-GEBED.

moge Hij Zijn koninkrijk weder vestigen tijdens uw leven en in uwe dagen en tijdens het leveu van gansch het huis Israel's, spoedig, in nabijzijnden tijd ; zegt: Amen !

Gemeente; Amen 1 Zijn groote naam worde gezegend immer en in alle eeuwigheid!

Gezegend en geprezen en geroemd en verhoogd en verheven en verheerlijkt en vereerd en geloofd zij de naam van den Heilige, geloofd zij Hij, — verre boven alle zegeningen en liederen, lofzangen en vertroostingen, die in de wereld worden uitgesproken; zegt: Amen 1 1)

Gemeente-, De naam des Eeuwigen zij geloofd, van nu tot in eeuwigheid!

Moge van uit den hemel groote vrede en leven komen over ons en over gansch Israël; en zegt: Amen !

Gemeente: Mijne hulp gaat uit van den Eeuwige, den Maker van hemel en aarde!

Hij, die vrede sticht in Zijne hoogten. Hij behoude den vrede over ons en over gansch Israël; en zegt : Amen !

(Te Amsterdam wordt het lied van Gods eenheid en dat van Zijne heerlijkheid, henevens Psalm 92 onmiddellijk na het morgengebed vóór de Thoralezing voorgedragen).

Zang op Gods Eenheid.

Toen [bij de Schepping] rusttet Gij op den zevenden dag, daarom hebt Gij den Shabbathdag gezegend.

Voor al, wat Gij geschapen hebt, wordt U lof gebracht; Uwe vromen zegenen U ten allen tijde:

//Geloofd zij de Eeuwige, die deze allen gevormd heeft, de levende God en Koning der eeuwigheid !quot;

Want van oudsher rust op Uwe dienaren de volheid van Uwe barmhartigheid en genadebewijzen.

1

Bij Kaddiesli-Derahhanan icordt het volgende ingevoegd:

Voor Israël en voor de geleerden en voor hunne leerlingen en de leerlingen hunner leerlingen, alsook voor allen, die zich met de heilige Leer bezighouden, hetzij in deze plaats of op andere plaatsen, — voor hen (en voor U) moge beschikt worden veel vrede, gunst en genade en barmhartigheid en lang leven, en overvloedig levensonderhoud en verlossing, vanwege hunnen Vader, die in den hemel is; en zegt: Amen !

ocr page 505

epio nbfin t33

ban m) nni^bü

nöKi 3nj5 |Op1 K^3 syamp;st ,ÖI?^S Q^t? ^3? N?1 Hpr NH^ • |ON riy^rn ninnn «Winn Donnn iKann nsn^^i -piw ba |p (K^!?I xb^ «in ^-13 x^-npi no^ bbnnn KD1?^ n^Ki Nini3n:i t^nnai^n Mnsia

t : t : it*-:- t t : v; t t : : t t • : t t : *

(* : JON npN')

: oSiy -iy_] nn^p -j-jap ^ or m1 V V3 D^m wm ro «31 no1?^ kh*

quot; t : t : iquot; *t • - ; t - : i • t - t t : •• ;

: |I3N nOKI : ;'in;i D^pr r\ty \] ayp nt? ^

ba b%] utv Tiamp;y_ nih vanoa aib^ nfcty : JOK npssi

niin nso nssin onp Sapnn fnp mx d^uis nquot;ïi D-ncpns pquot;p2)

.(dv bv noroi maan T'ci nrrn w

mn'n i'u

: nrna p by_ .na^n di» • nn: dv? ?k : n^-^33 ^Tpn * ron# nbnn S^i

: nbiy -jbai DMn D^K * ob quot;iïi» v.

; T'OT ^1quot;1 * ^ abi^o »3

•ni b'S'di» TraSn inx pan B',np D'-iaisna {*

n^brrba |inn;pbn fj|-i by)

pn Nnnxa n «nnixa ppo^n |o-b| b^i finn^pSn Kjn nj|i Njabf qirni) pnb xn» inxi inK-baa m Dn^jö K^quot;i|)i Knm N:ITPI pnx |«ni panni K-ipni '131 xnhu »T : JDK npNi N^o^n n |ini3N

ocr page 506

ZANG OP GODS EENHEID.

Reeds in Egypte zijt Gij begonnen bekend te maken, dat Gij verre verheven zijt

boven alle goden; toen Gij groots strafoefeningen richttet tegen hen en hunne goden!

Toen Gij vervolgens de Schelfzee kliefdet, zag üw volk de groote macht, en vreesden zij !

Gij leiddet üw volk, waardoor Gij U een roemrijken naam vestigdet, en Uw grootheid toondet!

En Gij spraakt met hen van uit den hemel, toen dropen ook de wolken van water.')

Gij kendet hun gaan in de woestijn, in een woest land, waar geen mensch was doorgetrokken.

Gij verdreeft vele volkeren en natiën, wier land zij veroverden met de moeitevol verworven rijkdommen der volken.

Opdat zij in acht zouden nemen de wetten en leeringen, de uitspraken des Eeuwigen, reine gezegden !

Zij verlustigden zich in vette weide, en uit den harden rotssteen vloeiden oliestroomen. —

Toen zij nu rust kregen [van hunne vijanden], bouwden zij Uwe heilige stad en sierden haar met üw heiligdom;

En Gij spraakt: „Hier wil Ik gevestigd blijven tot in lengte van dagen; haar voedsel zal Ik zegenen!

Want daar offert men rechtvaardige offers, ook Uwe priesters kleeden zich in rechtvaardigheid!

En het huis van Levie zingt liefliike liederen U ter eere, zii iubelen en zij zingen!

Het huis Israels, en allen, die den Eeuwige vreezen, vereeren en danken Uwen naam, o Eeuwige!

Gij hebt dus den vroegeren geslachten in hooge mate welgedaan; o, bewijs ook den lateren zulke weldaden!

O Eeuwige! verblijd U toch over ons, gelijk Gij U verblijd hebt over onze voorouders.

Zoodat Gij ons vermeerdert en weldoet; dan zullen wij U eeuwig danken, dat Gij weldaden bewijst !

O Eeuwige! herbouw spoedig Uwe stad; over haar toch is Uw naam genoemd!

Doe daarin Davids hoorn weder ontspruiten; en zetel Gij, o Eeuwige ! voor altijd in haar midden!

Dan zullen wij daar wederom rechtvaardige offers slachten en zal, als in de dagen der oudheid, een U aangenaam meeloffer worden gebracht!

En zegen Uw volk door hun Uw aangezicht te doen lichten, want zij verlangen Uwen wil te volbrengen!

Volvoer dan met welgevallen ons verlangen; zie toch op ons allen, uw volk, [met liefde] neder!

60

Ons hebt Gij uitverkoren om een volk te zijn, dat Uw eigendom is; moge dan Uw zegen rusten op Uw volk, Séla I

') Vgl. Ps. 68,9.

ocr page 507

Turn yw d

1ND ^ mbnn DnïD3i

t i** : ~ : • «• ,. . t , . - .....

Dn^nbNni D^pfi^ ana ni'^a * DTibx Va

: ^7'! nVnan TH ikt ^ID D^ : nisnnb * rman DI^ rf? ni^ ^ rum

: D^a IÖÜ: D^H mi * D^öbti ra oar mm

• it : it • quot;t v -: • it t - I • t t ;r *:

: 12^ KV WH n4ï pN3 * quot;13103 DHD1? n^T

t t • t * I viv ; t : • - t : v t |-t

: d*q quot;iiïqi quot;iN^ iö^di • tfm pi ^a^1? nnn : D^qnV DVIS4 • D^a# D^n DM-I : rrninü nnax « nnpN * mum o^n na^ : lai^ -nï ^abnai • |atf n^naa

: ^j^a ma iiköi. • t]vipT yy ua onwa : ^nax Tjia rny * o^a* yamp;x ns na^rii

: pnx w^Y ^n'a «]X * pnv »nnT mar D^ ^ : f|K ^iim * ^ nar ma^: n^i

: v; ^a^ nm « ^in ma : oannN1? na a-a^n ra * nai^Nib laa ma^an

-: - t - . .. j .. • * t : t i * v:

: irmaK by m'v i^xa * wby a: tr^n «

,.. _. t j i- v -; - i** t . t • t *:

: 3»p»n »3 dVi^ ^ nnüi * a^anbi mairp uniK

: n^: n^ ♦a * nnna man « : na-ipa « abi^ pairm * na n^ayn th

: nn:a an^n anp 'a^ai * nnaa nat^ piï 'nar

t ; • ~ .; v vliv •• r : t : :• t it I viv •• : •

: ïjriri m^) a^an »a • mxa ^aj? ^ai

: uVa ^a^ k: aan * m'sn n^n ^mai : nba ?|nana ^a^ • rtap Qtf? ^ nvn ^rnna

ocr page 508

ZANG OP GODS EENHEID.

Dan zullen wij steeds üwen lof verhalen en Uwen roemrijken naam loven!

Moge dan Uw volk met Uwen zegen gezegend worden, want wie Gij zegent, is in waarheid gezegend!

En ik, zoolang ik besta, zal ik mijnen Schepper loven. Hem zegenen, zoolang de dagen van mijn levenstaak duren I

Gezegend zij de naam des Eeuwigen in eeuwigheid, van eeuwigheid tot eeuwigheid!

Gelijk er geschreven is: Geloofd zij de Eeuwige, de God van Israël, van eeuwigheid tot eeuwigheid! — en het gansche volk zeide: „amenquot; en prees des Eeuwigen daden. Toen hief Daniël aan en zeide: De naam Gods zij geloofd van eeuwigheid tot eeuwigheid. Hij, Wien alle wijsheid en kracht is! En er is gezegd: Toen zeiden de Levieten Jeshoea', Kadmiël, Banie, Chashawneja, Sherebja, Hodija, Shebanja, Pethachja : Welaan, looft den Eeuwige, uwen God, van eeuwigheid tot eeuwigheid, en men love Uwen heerlijken naam, die verheven is boven alle zegening en lof!quot; En er is gezegd ; Geloofd zij de Eeuwige, de God van Israël, van eeuwigheid tot eeuwigheid; en het geheele volk zeide: „amen! Halleloe-jah !quot; En er is gezegd : En David loofde den Eeuwige ten aanzien der gansche vergadering, en David zeide : Geloofd zijt Gij, Eeuwige, God van onzen vader Israël, van eeuwigheid tot eeuwigheid!

Zang op Gods Heerlijkheid.

{Dit stuk wordt bij geopende Arke voorgedragen).

Sommigen zeggen vooraf de volgende verzen; Ps. 24,7—10.

Heft op, gij poorten! uw hoofden, verheft u, gij overoude toegangen, opdat binnenkome de Koning der heerlijkheid! Wie is de koning der heerlijkheid? De Eeuwige, onoverwinnelijk en machtig, de Eeuwige, een held in den strijd! Heft op, gij poorten I uw hoofden, en verheft u, gij overoude toegangen, opdat binnenkome de Koning der heerlijkheid ! Wie is Hij, de Koning der heerlijkheid ? De Eeuwige, Tsebaoth, Hij is de Koning der heerlijkheid ! Sela !

Lieflijke zangen wil ik uiten, liederen wil ik samenstellen; want naar U smacht mijne ziell

Mijne ziel verlangt naar de beschermende schaduw van Uw hand; te kennen al Uw verborgen plannen.

Telkens wanneer ik over Uwe heerlijkheid spreek, klopt mijn hart van verlangen naar L'we liefdeblijken.

Daarom spreek ik van Uwe voortreffelijkheid, en verheerlijk Uwen naam met liefdezangen.

61

ocr page 509

■nrrn w «d

: Qph VVmi * ^nbnn quot;isp:

: Tjiap -jinn i^k Va nx ^

: ^3V inD^s^ * ^quot;IID nbbnK ntya : D^i^n nbi^n |p * nbi^ Tj-jao \] ♦n»

npN'i * nbi^n Dbiyn p ^ ^quot;12 3m|3

no^NinbwT b^nnjj; Vbni jox a];n-bD Krni^i «nprin n «nbN-n

^2 bN'pip D'i^n '• ^'*1

|p DD^ribN4 ^quot;hn i3quot;i3 iq^ n^nns nnin nDiT3 ^ DQinpi ?]ni23 DEgt; obi^n 13; D^iyn D^iyn 1%) obiyn |p Vn4^» ♦; ^quot;13 : n^nrn 'r^b ^-nx ^n -jn^i npNii : nnbVn |pN D^n hz npxi ir^sï ^nbK quot; nriK -jns -inn ia^1 ba : ubty 1%) obtyp

mDDn n'tr

.iSn o^piDs rais isiS c.quot;1 niTrsr D'ïis1? npn pis omnisM

: niaan iSq nMs1! dSij; •inn3 wtrani aa^sn anr^ wr

t quot; Iviv t: t ^ •• : • ; t ■ : v t t .

: nonSo -ii3ii quot; -iTsji wj; v nlasn I1?» ni ^

t t : • * ▼; * ; t. t t . 1.

: niasn ^Sa nsm oSly inr)2 -W

: nSp -riasn ^Sn xm nwa? i] liaan ni xin ■|D

: jn^n ^a: »3 * ^ikn Dn^i nn^pr D^:K : ^niD nyö ' *|Tt bïa nnan

: ^nn bx npin * nan np : nnn» n;^2 i2pN ^p^i • mnM; ^3 -isnN |3 b%

ocr page 510

ZANG OP GODS HEERLIJKHEID.

Ik zou Uw heerlijkheid verhalen? — ik heb ü nooit aanschouwd!

Zou ü door gelijkenis of bijnaam omschrijven? — ik ken Uw wezen niet!

Door Uwe profeten, in de vergadering Uwer dienaren liet Gij in gelijkenissen den schitterenden glans Uwer majesteit beschrijven.

Uw grootheid en Uwe almacht stelden zij voor naar de kracht Uwer werkzaamheid!

Zij gaven een beeld van U, doch niet in overeenstemming met Uw wezen; zij schetsten U naar Uwe werken 1

In talrijke visioenen gaven zij uiteenloopende voorstellingen van U; toch zijt Gij één. met al die gelijkenissen 1

Zij zagen aan U nu eens ouderdom, dan weder jeugd; en het haar van Uw hoofd somtijds grijs, dan weer zwart;

Ouderdom op den dag des oordeels, en jeugd ten dage van strijd; als een oorlogsheld, die strijd voert met zijn handen;

Hij plaatst dan op Zijn hoofd den helm der hulpe; dan steunt Hem Zijn rechterhand en Zijn heilige arm!

Met schitterenden dauw is Zijn hoofd bedekt; Zijne haarlokken met nachtelijke droppels.

Hij beroemt Zich op mij, want in mij schept Hij behagen; daarom is Hij mij tot een sierende kroon.

Zijn hoofd is als het zuiverste schitterende goud; op Zijn voorhoofd is Zijn heerlijke, heilige naam gegrift!

Tot hulde en eerbewijs, tot roemrijke verheerlijking vlecht Zijn volk [in zijn gebeden] Hem een krans!

Dan is Zijn hoofdhaar weer gelijk in jongere jaren. Zijn lokken golven ravenzwart!

De woning der gerechtigheid, het sieraad, waarop Hij roem droeg, — o moge Hij het tot Zijn hoogste vreugde maken !

Zijn uitverkoren volk zij een sieraad in Zijne hand, een koningsdiadeem, een luistérrijke tooi!

De beladenen. Hij droeg ze; met een kroon sierde Hij hen; omdat zij dierbaar waren in Zijne oogen, vereerde Hij hen.

Hij beroemt zich op mij en ik beroem mij op Hem; Hij is mij nabij, wanneer ik Hem aanroep !

Schitterend rood, in bloedrood gewaad, wanneer Hij den perskuip heeft getreden, als Hij van Edom terugkeert!')

Den knoop der Thefillien toonde Hij den bescheidene [Mozes] ; voor wiens oog de verschijning Gods zichtbaar was.

Hij, die in Zijn volk behagen schept, zal bescheidenen sieren; opdat Hij, die in lofzangen troont, door hen verheerlijkt worde!

Gij, Wiens voornaamste woord //waarheidquot; is, die van den beginne af alle geslachten oproept, — richt U wen blik op het volk, dat ü zoekt 1

Neem toch aan mijn talrijke gezangen; moge mijn jubelzang tot U naderen !

62

Mijn lofzang zij een kroon voor Uw hoofd, en mijn gebed worde aangenomen als reukwerk!

') Vgl. Jes. 63,1, 2 en 3.

ocr page 511

-ittrin yv 3D

3quot;s Dquot;r

: tib) nquot;iöpK

: fjnin 1123 mn n^ön - ^3# niD3 n^s

: ^n'^s 133 * ^htdji ^nbna

: ♦fib iaquot;!

: ni:i*0quot;t V33 nnx ^n * niünn 3ii3 ^ib^on

: niin^i n3^3 itftn ' niirni n^r ?|3 irn^i

:3n ib VTnionbp ^K3 *3^ d^3 nnnni jn dio n^r : i^n|5 ^i-in irp* iV n^tfin * I^NI3 ^313 ^3n

: nW ♦d^d^i vniïpi • vhti: ie'ni niiiK

t :it •• r : t '..l: t : • •• : -

: ^ n*n» Kim * *3 ^an »3 »3 nNsn^.

: i^n^ d^ 1133 nvp ^ pni • it^Ki mon ts quot;iinu Dn3 : nitsv ib inaK * rman *3ï ii33bi rnb

t t ; t : t •-. t t : * t : » •• :

: riling D^ribn vniïip * niin3 '0^33 iirKi maSnp : innato' ï^nquot;! bjr N3 • irnxfin ♦sï pnïn nia

; n-iKan »3V n3ibo ^3^1 * 1T3 ♦nn inbiD : 3-133 vrp 1quot;lp» -I^NO * Dquot;J3^ nquot;lü^ D^DIO^

: i^4 ^1^3 3npTi * rby nxai *b% nxa

: DIIKÖ 1X133 13*113 mia • DIK 1^13bb Dlquot;lN1 HX

•••: •• ; : t : t t : * t ; quot;

: vrjr ij;1? ♦♦ nmn - i^b nx-in pban n^p, : quot;iKfinn1? D3 ni^nn 3^1» * w amp;):% ID^S nvn tfm ^in Q$ ' 1111 in ITNID Klip HQK ^quot;131

: 3ipn 'nsii • k: n;^ pon rm

: niitpp |i3n ^nbani * ^nn ♦nbnn

ocr page 512

ZANG OP GODS HEERLIJKHEID.

Moge de zang eens armen in Uwe oogen even waardig zijn, als het lied, dat bij Uw offers gezongen wordt!

Mijn lofzang stijge op tot den Alverzorger, tot den Schepper, den Voortbrenger, den Rechtvaardige, den Machtige !

Voor mijn lolzang moogt Gij mij welwillend toeknikken; neem dien [lof] voor U aan, als kostbare specerijen !

Moge dan, wat ik zeg, U aangenaam zijn; want mijne ziel smacht naar ü!

(Sommigen zeggen hier; Wie kan uitspreken des Eeuwigen macht; kan geheel verkondigen Zijn lof!?) Men sluit de Arke, Kaddiesh Jathom. Ver-volgens zegt men Psalm 92, Kaddiesh Jathom.

Als slotgebed zegt men het volgende:

De Eeuwige, onze God, zij met ons, zooals Hij met onze voorouders was; moge Hij ons niet verlaten en ons niet prijsgeven! Zoodat Hij ons hart tot Zich neige, dat wij gaan in al Zijne wegen en inachtnemen Zijne geboden en wetten en rechten, die Hij onze voorouders geboden heeft! Zoo mogen dan deze mijne woorden, die ik vóór het aangezicht des Eeuwigen als smeeking heb uitgestort, dag en nacht den Eeuwige, onzen God, nabij zijn, om te oefenen het recht van Zijnen dienaar en het recht van Zijn volk Israël, eiken dag het op dien dag benoodigde. Opdat alle volkeren der aarde weten, dat de Eeuwige God is, niemand anders ! O, Eeuwige! leid mij door Uwe welwillendheid juist wegens hen, die mij beloeren; effen Uwen weg voor mij! Ik —in mijn eenvoud ga ik; bevrijd mij en wees mij genadig; want ik ben alleen en ongelukkig. Mijn voet staat thans in de wijde vlakte, in volksverzamelingen wil ik den Eeuwige prijzen ! De Eeuwige behoedt mij, de Eeuwige is mijn schaduw, aan mijne rechterhand ! Mijne hulp komt van den Eeuwige, den Maker van hemel en aarde. De Eeuwige behoede mijn uitgaan en mijn binnenkomen tot leven en tot vrede, van nu tot in eeuwigheid! Zie neder van Uwe heilige verblijfplaats, uit den hemel, en zegen Uw volk Israël en het land, dat Gij ons gegeven hebt, gelijk Gij onzen voorouders hebt toegezworen, een land, vloeiende van melk en honing! God der heerlijkheid ! U wil ik wijden zang en loflied, ik wil U dienen dag en nacht. Geloofd zij de Eenige, die als éénig wordt erkend, die was, is en zijn zal! De Eeuwige, God, God van Israël, Koning aller koningen, de Heilige, geloofd zij Hij, — Hij is de levende God, de Koning, die leeft en bestaat immer en tot in alle eeuwigheid ! Geloofd zij de Haam Zijner ikoninklijke heerlijkheid immer en eeuwig! Op Uwe hulp hoop ik. Eeuwige!

Vóórdat men het bedehuis verlaat, zegt men zittende het volgende:

Doch rechtvaardigen danken Uwen naam, braven zullen zitten yóór Uw aangezicht!

63

ocr page 513

TODn W 3D

: ^ ^ ' ^3^3 üh nyv quot;i^n : pnï n^ioi bbinp • n^i^D nb^n 'nana : t^Ni D'pfeos np nniKi * ^kt ^ y:^:n

•iiisn pjw ; rj^x ^s: ^ v/p N: nn^.

c InSn^ Sa pispi \] nlnaa SSa^ ^p : anaw »1)

.amquot;1 rnp ^arn DVS nioio .uw mp

: nt issquot;! mSsm ba ins

VKI wróK D^ rrn ims vm irri^N « w

- ; Iquot; :«■ - - Iquot; -: TT V -: - rr * iquot; v; *: * :

Iq^i vrnrboa nD^ vVk nttsnV :

: • : t t ; t : v iv t t •• iquot; t ; - ; iquot; ; *

nbx nai vnn : irrinK jik mï 'wïx vdö^di vpm vnisa

V Iquot; -T : : • ; iquot; -: v t • v -: t t : • It '-. : t ; •

nWi DDI* irri^K « D^'ip quot; ♦wsnnn IB'N

t :it t t iquot; v: quot;»•: v • I: ▼: •• ; • v -:

: lava Dl» quot;isn ia# ni^1?

« : up px d^kh Kin « ^ pxri »3# bs f^ö1? ^ana nni^ ^ob ?jn[5-!V3

D^npöD -ii^OD moy ^ri *3 ^na

•••!;-: • : T : •gt; • : - -it •*T ; • T * 'iquot; T : • iquot;:

n'^ « D^D nr^ : T T 'IP2' !r : V ^p.Ds4 nn^o DiVir1?') D^nV ^idi ^nxï imquot;1quot; : yiNi D'ÜE'

: T T ; • - ; ... T . . ,. I V|T T ' |~ T

?]a^ HK -jiDi D'o^n |p |i^pp na^irri : Dbi^ n^a^a i^nd )£gt; nnn: nonxn nxi

T : i- : • v -: - it t i- t v -: t t -: t •• : •• t ; •

yv ^17 rnx TiDDn quot;?« : ^DH Dbn HDT I^DK1?

( : I •• v T - •• T : t t ~ t 1 viv iquot; -: -

nin n^n • -in^ai i»n» dv ^ViD^m * bbrn

irnpn D^Van TI^D dti^K ♦♦ : n^nn

|T- -TC- •• ; - |v IV ** t : •• ^ v; • v; v : •:

mtyb) lyh D^I 'n Dquot;n D^VK xin : Kin ^ID

: -i^i D1^ iniD^p IIDD Dp : D^pVi^ : quot; 'ngt;^

: DSNIl or» 30' :''3n3» xxws

: nx Dn^» id^. ^ojyb ni» D^nv

ocr page 514

SLOT-GEBED.

Vervolgens, staande, met eene buiging vóór de heilige arke:

Al gaan ook alle volkeren ieder in den naam van zijnen God, — wij gaan in den naam van den Eeuwige, onzen God, immer en eeuwig! Mijne hulp komt van den Eeuwige, den Maker van hemel en aarde! De Eeuwige zal regeeren immer en eeuwig!

Daarna begeeft men zich naar de deur en zegt, onder eene herhaalde buiging vóór de heilige arke:

O Eeuwige! leid mij door Uwe welwillendheid juist wegens hen, die op mij loeren; effen Uwen Weg voor mij 1

Eindelijk bij het verlaten van de synagoge, de volgende drie verzen: Gad, benden grijpen hem aan, doch hij valt hen aan in de verzenen! David was in al zijne wegen voorspoedig, en de Eeuwige was met hem. En Noach vond gunst in de oogen des Eeuwigen!

64

Psalm 67. Voor den zangmeester: op Eegienoth *); een zangpsalm. God verleene ons gunst en zegene ons; Hij doe Zijn aangezicht lichten met ons; Sela 1 Opdat men op aarde Uwen weg leere kennen, onder alle natiën Uwe hulp. Dat U danken volkeren, o God ; dat U danken de volkeren allen. Mogen natiën zich verheugen en jubelen, want Gij zult richten volkeren met billijkheid; en de natiën op aarde, — Gij leidt hen; Sela! Dat U dus danken volkeren, o God; dat U danken de volkeren allen! De aarde gaf reeds haar opbrengst; zoo moge ons zegenen God, onze God! Moge God ons zegenen, en mogen Hem vreezen alle uiteinden der aarde !

') Eene bekende melodie; v. a. onder muziekbegeleiding.

I

ocr page 515

— -ID

: iB}fgt;i BTipn jm Sia mnnci -naji

«-0^3 quot;rf?: linjKi vrtbK np2 wx ^b\ D's^n-Sa »3 •' nV^ rtvy \] D^O nrjr : nyi irnbts ; i#) tbv) ^P! r

: intoi f-npn pis Sin mnnfii iinnsS nnsn Ss -jV 3quot;n.si

: »jöb i^n nni# -jnpnvn ♦an: «

: oyicB 'i iS.s* lus' iVnco 3quot;nsi

V3Bgt;D DI w) : iv Nim isnir nma i*

• : - t t ; t ; • t • ;- )-^t -..t : iv : : t

: \] ^^3 |n kïd mi : is^ ♦♦I IK* Ttoro nrJiS nïiD1? ro

•• T Iquot; -: T • Iquot; T : * v: • : • • : • - iquot; - ; -

Q^rbrD 1211 riK3 nyib : nbn linx VJS

t : 11quot; ; ~ i vit t \~T t iv it • tt

inafc» : 0^3 D^'VNÏ ^rji» : Dn;n pNS D^xbi D^ÖN1? lijTi n:n: pK : oba : n^p inlK ini^i a^ri^K ud-q» : lyribx DTibx miy nbis»

: *: * v; iquot; -: t : iquot; v: v: iquot; -; t ; t ;

: pK^DSNquot;^

ocr page 516

JOTSEEOTH

•n'ro nnaS

Die door de vreeze voor Hem worden gesterkt zal Hij met levensdauw drenken ; die de door Hem uitgesproken wet in acht nemen, in de eeuwigheid hun gebied aanwijzen, — naar het bijbelwoord: „Ware niet Mijn verbond hij dag en bij nacht/quot;3) Met het heilig bondsteeken bezegeld bij hunne vorming3;, werden de grondslagen der wereld onwankelbaar gevestigd: nde wetten van hemel en aarde [zou Ik anders niet hebben vastgesteld].quot; Ook door het bloed des verbonds worden de mijnen vrijgelaten, om niet te worden overgegeven, zoodat hunne gevangenen niet langer in de put, waarin geen water is, worden geworpen 4), want: »dit is het teeken des verbonds, dat Ik stel.quot; 5) Moge God, wanneer Hij de volkeren ieder naar zijn lot opschrijft, dit volk, dat door het verbond is geteekend, tellen om het te verheffen, zoodat van ieder, die ten leven is opgeschreven, zal tvorden gezegd: heilig 6).

Toen Hij Zich herinnerde Zijn heilig woord aan hem [Abraham], die zijne geoefenden aanspoorde, zond Hij vooraf tot hem, om hem de blijde boodschap te brengen, Zijne dienaren, de door Hem gezegenden, Hij, God, die het woord van Zijn dienaar en het plan Zijner engelen tot stand brengt.7) Voorwaar, eerst gebood Hij hem de voorhuid te verwijderen, en toen bracht hij in reinheid voort den lieveling, den eenige, den reine, — „Gord het zwaard aan tegen uw heup, gij held.quot; 8) En toen werd hij bedacht met den op het altaar gebondene [Izak] als de vrucht van zijn lijf; en op den achtsten dag legde hij hem het zegel aan en maakte hem tot bloedbruidegom door het bloed des verbonds, en besneed Abraham zijnen zoon Izak. 9) Zijne rank [Jakob], wiens beeld gegrift is op den troon van den Almachtigen God lü), werd besneden geboren en beminde [de geboden der Thora, talrijk als] de opeengepakte lokken ^ — en Jakob was een vroom man, zittend in de tenten 13) [der Thora]. — Toen nu de hinderaar [Bil'am] naar den top van den berg kwam om zijne spruiten te verwenschen, zag hij de in zand verborge-nen 13) en sprak: «hoe zou ik vloeken,quot; — „wie toch telt het stof

*) Het hier volgende stuk bestaat uit drieregelige verzen, wier aanvangletters alphabetiscli zijn, terwijl in het vierde vers en het laatste gedeelte de naamletters van den schrijver als acrostichon zijn ingevlochten. De twee eerste regels van elk vers bestaan uit vijf woorden, terwijl de derde regel door een bijbelvers wordt gevormd.

De schrijver is R. Eli'ezeb mn Nathan uit Mainz, 4900 a. m.

(1140 g. j), schrijver van rurs nJ5ï, een tijdgenoot van Rashie's kleinzonen R. Samuel b. Meier (Dquot;3cn) en R. Jakob Thara.(Landshüt,rniarn•nrar pag. 20 vv.)

■) Volgens den Thalmoed (Sanhedrien HOi) wordt een kind door de besnijdenis het eeuwige leven deelachtig, zooals blijkt uit Ps. 88,16: een volle, arm en bijna stervend van der jeugd af — van dat ik de wees voor U, Uwe geboden, draag, ruiss hen ik gesterkt. Aan dit laatste woord is hier de uitdrukking 'jisn ontleend.

2) Jer. 33,25: Ware niet Mijn verhond hij dag en hij nacht, dan zoude Ik

65

ocr page 517

rfya rrD1? tsv no

(* .]n3 ia-is Dinn tjioai aquot;s dquot;ï

imüx ni nas^ * rh^nb Dquot;n büa vaw

t t : * - •• ; t ; • - - ; t .. ..

niK3 : nWi oav 'nnn ah DK idik3 * nVsjnb

: t :it t t • • : • v i : t i* : - ;

• pa ^3 npio o^nrif p * p^3 o^inn Eh'p nna quot;ii33 * rnsnbü ♦n^ö nn3 Dn3 D5 : pKi nipn

' •* t * : - t : • : - ; - } vit t • r t I

lEw nnsn nix nxr * inbp i DnnpK d^q 13-pK msn/it dJ • ibsno 1 3in33 msp* : jnu : t^np 3in3rri73 * ibirb ,nn3

It v itquot; — - t - t - : • :

vmtfa i-i^3b ibïK nnpn * V3^n rnrb 1313 itrnp -131

t ; t ; : f~ : : v ' t * —: -t: :it - :

N^n : VDKSQ nv^i 113^ 13T D^pp • vrmai

• quot;113:1 quot;i^nn TT mnt23 quot;i^in * quot;i^^1? imï vaab

t : t ; *; t ▼: t : - t : t it • t t :

• 1:93 na -1^3 y_b; mi : quot;113a TjT by ?|3-)n nun prw na dh-qn bo^i * unn nn3 D-i3i iiann niio^i

Pt;* v t t ; ~ tit~ ; • • : - : ; • t : • :

nvi[5 33ni ^ina 1^1: - bx D33 n[5ipn inTOT ; 1:3 jüiy kd3 v^'in : o^n'N 3^* on wx zipjn * D'bnbri nio 'd - 3ipN_na rsi Vin^jiSK' n«quot;i tn * 3IP1?

~ • tt' i v t i t quot; i : t t t i t

de wetten van hemel en aarde niet hebben ingesteld, wat de Thalmoed (Nedariem 32a) op het hesnijdenisverbond laat slaan.

3) pp2, bij de vorming, eig.: uitsnijding, vgl. Job 33,6; ijs DJ wip u:n», uit leem werd ook ik gesneden. Voor den zin zie de vorige aan teekening.

4) Eene omwerking van het vers Zecharja 9,11- 6) Gen. 9,12. 6J Eene omzetting van Jes. 4,3. quot;) Jes. 44,26.

8) Ps. 45,4. Het vers is hier natuurlijk in geheel oneigenlijken zin gebezigd, als doelende op de besnijdenis: richt uw zwaard op uwe heup, om u te besnijden (Jalkoet 1,81). Dat ■pi op de besnijdenis kan doelen, blijkt uit Rashie Gen. 24,2 e. a. p.

9) Gen. 21,4. '») Ber. Rab. 68, Choellien 91,6.

quot;) Het eerste versdeel van Hoogl. 5,11 wordt in Jalkoet t. p. toegepast op de Thora; onze dichter ontleent daarom ook zijn beeld voor de Thora aan dit vers. Misschien ligt in DiSnSn ook eene toespeling op de bekende uitdrukking; maSn Sc Qi^n i^n, geheele groepen van bepalingen.

12) Gen. 25,27. Midrash ziet nl. in de DiSns, hier genoemd, de leerscholen van Shem en 'Eber, waar Jakob zich langen tijd zou hebben opgehouden om met de oude overgeleverde leerstellingen aangaande God enz. bekend te worden.

13) De afgesneden voorhuiden der Israëlieten, die in zand waren gelegd en zijn gezichtsveld geheel vulden.

ocr page 518

JOTSEROTH.

van Jakob.quot;!) Ze te verbergen in zand is daarom een wel onderzochte en volkomen wet van Hem, die het zand tot grens stelde voor de zee, als een eeuwige wet; Hij stelde het Jakob tot ivet, Israël tot eeuwig verbond. De bewoners van Noph ~) deden het verbond van mijn teeken ophouden, tot de tijd hunner bedenking kwam, om uit te trekken en hen te bevrijden, 3) „alleen de stam Leviequot; 4) [stoorde zich aan dit bevel niet] ; — Daarom zegende hem de man Gods met het verpletteren [zijner haters] 5), en prees hem de profeet6) [en zegde hem toe], dat hij nimmer zou worden vergeten, [met de woorden] ; nMijn verbond was met hem, het leven en de vrede.quot; Hij [Mozes] had zijnen eerstgeborene niet besneden en werd daarom [door den doodsengel] opgeëischt in het nachtverblijf, hadde niet de ijverige, [door schoonheid en deugd] zich onderscheidende [Tsippora] een scherpen steen genomen en afgesneden de voorhuid van haar zoon. 7) „Uit harden dienst heb Ik u bevrijd door de braafheid uwer volmaakte vaderen, toen uwe alruinen geur gaven en uwe wijngaarden bloeiden 8) en Ik bij u langs ging en u zag, wentelend in uwe beide bloedsoorten. 9) Uw leven heb Ik gespaard, toen Ik alle eerstgeborenen sloeg 10); doordien Ik aan uwe deuren het teeken liet aanbrengen, zoudt gij in het leven blijven; en Ik zeide tot u: „door uw bloed zult gij leven.quot; Als loon, voor de dienstbaarheid dienden de [gouden] spangen met de zilveren stippen12); ten einde hare [Israels] vlerken in goudglans te meer schitterend te maken, werden de vleugelen der duif met zilver bedekt.13) De Allerhoogste heeft wegens het besnijdenis-verbond den zeetong drooggemaakt 14j, en deze zaken zijn in een duidelijk sprekend bijbelvers neergelegd : „[Dankt] Hem, die de zee kliefde voor de besnedenen.quot; 13) Zij werden weerhouden en lieten, wegens de moeilijkheden der reis, na, zich te besnijden, terwijl zij in de woestenij op weg gingen, geheel het volk, dat in de ivoestijn tijdens de reis was geboren.16) Toen echter [Mozes'] dienaar Jehoshoea' en het volk

') Num. 23,10, waarbij isr ook opgevat wordt als zinspeling op het zand, waarin de voorhuiden waren gelegd. Zie Jalkoet, Humeri N0. 766; Pirké R. Eli'ezer, 29.

2) Noph, een der voornaamste steden van Egypte, waarsch. Memphis.

3) Naar aanleiding van Ez. 16,6 verhaalt Midrash, dat vóór den uittocht uit Egypte de Israëlieten zich besneden; vgl. Jos. 5,5.

•quot;j Num. 1,49. Vgl. Shemoth Rabba, 19.

5) Op de aangehaalde plaats brengt Midrash de woorden door Mozes, den /,man Godsquot; (Ps. 90,1) tot Levie gesproken, Deut. 33,8—11, in verband met Levie's handhaving der besnijdenis, uOmdat zij Uwe woorden inacht-

namen en Uw verhond beschermden,.....verpletter de lendenen van hen, die

tegen hem opstaan enz.

6) Malachie, op de straks aan te halen plaats, Malachie 2,5.

quot;) Ex. 4,24 en 25, naar ééne opvatting in Midrash. ruwn, wordt Tsippora genoemd, naar de opvatting, die in de woorden rros nes (Num. 12,1) eene toespeling op hare bijzondere schoonheid en deugdzaamheid ziet.

66

ocr page 519

nvo nnnb ivv id

I birü bin * chvw tfru pin Sina |1oü : ipy_ : d1?^ nna pr6 ïpyb riTp^»i • obi^-pn tiv ' nnn1? nKï1? onnpa |DT 1% - nn rin.3 bin tji] Nn:quot;! * Dibrf? iDna D^ri^Nn r\m m ^

: DiV^ni D^nn inx nn^n Tina * ütyb biï lobp •m^üi nTnn'ïnnpb -m^oa iyp;in:i nüa VQ ab

t \ : t •: t i : t •• r ; * !••-:•: : t

^nin 1^132 ^ninnn tpap : n:3 hn rh3rn T]^ quot;113^1 • ^ai3 iTiDpi nn. nnjs • ^ö»ön • ^nps 1133 ^3 vrrin rjtrsj : ^o-j3 nppi3np ^niki quot;13'^ : quot;n 't|,?2quot;i3 tf? quot;idni * ^nn vn -rnna by ♦n,in3

- : • -: | • i- t : )t - i t • ; • t )• i- t ; • r r z

plpi; nrni-m pjs - t]p3n nnpii onin ii3^ d* fi^b nn33 : cip33 nsnj n:i» ^3 • eipin1? ; onnV ^id D! irijb * onsnn |n jn xbo Nipüi * onnn 'hy jiD^t '3Vin SiDbp * -j^n m_iü ♦jsp ibnni ids mtfo \iy inbï : ^113 quot;131123 an'^n D^n *73 * Tm

•t : I •• :- : t | vit- t : • - ... t t . T ) viv

8) Vgl. Hoogl. 2,13, hetgeen door Midrasli in verband gebracht wordt met Israëls deugdzaamheid bij den uittocht uit Egypte.

s) Ez. 16,6; het meervoud -pttin wordt verklaard te doelen op het bloed van het paaschoffer en dat der besnijdenis, met welke beide heilige handelingen Israël bij de bevrijding zicli bezig hield.

10) «riM, van het Chaldeeuwsche snu, slaan, vgl. in het bekende smeekgebed voor de boetedagen: iQQi ^nO-

11) Ez. 16,6. Vgl. aant. 9.

la) Vgl. Hoogl. 1,11, waar Midrafli deze beide uitdrukkingen in verband brengt met den rijkdom uit Egypte meegenomen, en den buit, aan de zee behaald; ook Ez. 16,7 doelt volgens Midrash t. a. p. met de woorden Dquot;-» 11X2 op die beide bronnen van rijkdom.

13) Jalkoet, Psalmen, n0. 795, wordt het vers Ps 68,14 eveneens in verband gebracht met de bovengenoemde schatten en vertaald : «In Egypte irerden de vleugelen der duif [Israël] met zilver bedekt, doch aan de zee hare vlerken met schitterglans van gedegen goud.quot;

quot;) De uitdrukking is ontleend aan Jes. 11,15; het denkbeeld aan Mechiltha Ex. 14,15, waar o. a. gezegd wordt, dat het klieven van de Schelfzee ter belooning van de besnijdenis zou hebben plaats gehad. Zie ook Jalkoet, t. p. I n0. 233.

15) Ps. 136,13; vgl. de aangeh. plaatsen. is dan = biwjS = d'wo1?.

16) Jos. 5,5.

ocr page 520

JOTSEROTH.

Gods den Jordaan waren doorgetrokk«n, gebood Hij te maken steenen messen, en toen hij daaraan voldeed [luidde het bevel:] iien besnijd wederom de kinderen Israels.quot; 1) Toen de vorst des volks [David] ontkleed in het bad ging, sprak hij : //thans zijn de [Tsietsieth-] snoeren er niet en is mijn hoofd niet met [Thephil-lien-] kroon versierd, — i/wees mij daarom genadig, o Eeuwige, want ik versmacht.quot;3) Hij verzadigde ü met talrijke liederen en lofzangen, om U te verheffen, en zeide vóór U, met betrekking tot het zegel van Uw verbond : nik verheug mij over Uwe uitspraak.quot; 8) Toen hij zag, dat door het achtste [gebod] de spin [Edom] zou worden weggesnoeid, verkondigde hij het geheele menschdom de grootheid van uw lof, zeggende : „voor den zangmeester .... op het achtste [gebod'], zeggendequot;.*) De Thishbiet, [Elijahoe], was een ij veraar, zooals hij voor God sprak: ,/Ik heb geijverd voor U, Helper en Verlosser! ivant de kinderen Israels hebben Uw verbond verlatenquot; 5). Voorwaar, daarom maakt men twee zetels gereed, één voor hem, en één voor den sluiter des verbonds6), dat deze kan zitten en zal verschijnen in bijzijn van het getuigenis, ter inachtneming, tot teeken.'1) Om hem [den besnedene] te genezen, daartoe blijft de zetel staan;8) de Schrift duidt het aan: «om op den derden dag u te doen opstaan en tot nieuw leven op te wekkenquot; 9) — want: uzie. Ik zend u [den profeet Elijahoe] !quot; 10) Laat hij spoedig komen om zijn pand in te lossen, om het niet langer in te houden; de Waw van zijn naam is tot pand gegeven als getuigenis bij Jakob, — nen Ik zal gedenken Mijn verbond met Jakob.quot; 11) «Mijn uitverkoren volk, dat van Mijne tafel is verwijderd, zal Ik in barmhartigheid gedenken wegens de verdiensten van het verbond, dat door hen als wet wordt gehandhaafd, — en ook Mijn verbond met Izak. Den verstrooiden in de vier [windstreken], hun, die eens door Mij zijn verworven voor een Léthech en een Kor13), zal Ik een sein toeflniten en Ik zal ze verzamelen om hen nimmer weêr te verkoopen, — en ook Mijn verbond met Abraham zal Ik gedenken.11) Besnijdenis-bond, Shabbath en Thora zijn [heden] als tweelingen

67

1

Jos. 5,2.

!) Ps. 6,3. Vgl. voor den inhoud der drie over David sprekende strophen: Menachoth 43/).

3) Ps. 119,162.

4) Vgl. Menachoth t. p. In Jalkoet, Ps. 6,1, N0. 633 komt eene opvatting van noiacn Si' voor, zooala ik die in de vertaling gegeven heb: de besnijdenis als liet achtste gebod, door God aan menschen gegeven, nl. de zeven Noachidische plichten, en het gebod der besnijding aan Abraham. Zoo doelt dus ook onze strophe op de besnijdenis, rmsr, Spr. 30,28, is eene spin. Het vers wordt door Midrash op Edom betrokken. B. R. 66, einde; Jalkoet 1,115; 11,964.

5) I Kon. 19,10. Zie Pirké R. Eli'ezer, 29 einde; vgl. Jalkoet 11,15 en 11,217 einde, waar dezelfde Midrash abrupt voorkomt.

6) rvgt;-c Sïï. Hieronder worden verstaan de «vader van het te besnijden kindquot; (p-i •gt;3N), hij, die de besnijdenis verricht, (Viis) en hij, die tijdens

ocr page 521

n^a nnaV ixv td

Via niri * VNHS on.iï main nitr^b njv * hx D^I px yb • bbpn i'rna1? d:D:3 pvp : HK

nin^ ah : VVok ^ ^ ^3n * xbi Vna

|: • t : •.. • ▼: • iquot; t t : •-. * : • t

vv • ïjnna rv^nn quot;)gt;% ï]1? IQNSI * nin^ni

* -iiarb »3 : ^rnpK ^

: iioTp nïjü1? * iaxb ^nbnn

13'^ ^ * VN^ ypfo ^]1? ♦riKSp N3f3 * SNH ^33 K3p

b^nVi quot;h • niKpD *r\p nwy pa pA : ?]nnn

: niN1? n^p^h nn^n * nisnbi nnan Diquot;? Tan * pS fpnp XD3 nwbp inNanS : D?b nV^ piK nsn ^ * DDnvnnbi nsa^n1? wan • ni-iyb nu-a^ mn^ v\ * Vnj'?

annsi * pnn: n^na ♦aj : 2ip^ ♦nna nx

: pnr ^nns nx f]Ki * pmn nna man ni3Ts4i * nap1? i b^h nv f3pNT pn^N * HDi TjnVa quot;na /ya^N1? nan mini nair nnl : -i3TX amnx ^nnn nx

it •-. t ; t - • : : v t t : - * * : I ~ :

de handeling het kind op zijn schoot hondt (pis:, gevader, peet). Hier is laatstgenoemde bedoeld.

quot;) Num. 17,25.

8) Ik heb dit gebruik, om den imbs ha s-3 drie dagen te laten staan, nergens kunnen terugvinden, noch in Midrash, noch in de decisoren, die allen wél melding maken van den irpSj br szj met vermelding van den oorsprong der zaak.

9) Vel. Hoshéa' 6,2.

10) Mal-achie 3,23.

11) Lev. 26,42. Daar staat nl. ^ipr1, met een Waw geschreven, wat Rashie aanleiding geeft tot do opmerking, dat deze volledige schrijfwijze van Jakob's naam vijfmaal voorkomt, evenals de onvolledige schrijfwijze van den naam Elia/ioe, waarvoor op vijf plaatsen Elia staat. De Waw zou dan als het ware aan Elia ontnomen en aan Jakob toegevoegd zijn, als waarborg dat Elia, de bondsengel, tevens de voorlooper van den toekomstigen verlosser (Malachie 3,23), Israël zal bevrijden om die letter weer bij zijn naam gevoegd te zien. Reeds Berliner zegt de bron van deze aanteekening van Rashie niet te hebben kunnen vinden.

IS) Hoshéa' 3,2. Israël is door God als Zijn eigendom verworven door een Léthech, d. z. 15 Sea, en een Kor, dat is dertig Sea. Vgl. Jalkoet t. p. 11,519.

ocr page 522

JOTSEROTH.

vereenigd; om hunnentwille werden gegrondvest de //voetbankquot; [Gods]!) en de hemellichten en de hooge hemelen, — in den beginne schiep God2). Bij de vervulling van deze drie zult gij, Mijne beladenen, verlost worden, zoo gij in achtneemt, wat Ik u heb toevertrouwd. Mijne geboden. Mijne wetten en Mijne leeringen, doch vooral — die Mijne Shabbathen zullen in acht nemen. 3) Plaats en naam zal Ik u dan geven in Mijn huis; met het goede, dat [voor de braven] is weggelegd, zal Ik u verzadigen, gij Mijn volk en Mijn erfdeel ! die verkiezen, waarin Ik behagen schep, en vasthouden aan Mijn verbond.quot;3) Gij, die in genot den rustdag viert, den Shabbath in achtneemt, gij. Zijne besnedenen, erkent de macht Gods naar Zijne groote daden, verheft den Eeuwige, onzen God, en werpt u neder voor den bank Zijner voeten, 4) van Hem, den Heilige!

.jsik

[De engelen] Die omgord zijn met schrik, en geschapen tot vrees, — machtig in kracht, te verheffen Zijn troon, — de schrikwekkenden ... sidderen en dienen met vrees, — bezingen hun Koning in heerlijken lof!

Ook Zijn volk, eens genomen in heilig verbond.

Looft Hem, die herdenkt den Besnijdenisbond!

Den geprezen Beheerscher, wie zou Hem niet roemen ? Wie niet den lofwaardigen Koning verheffen ? Den heiligen Koning te prijzen, te huldigen, — hoog heerlijk te roemen Zijn lof te vermelden____!

En Zijn volk in den avond- en morgenstond.

Roemt d'eenheid van Hem, die gedenkt het Verbond!

De dienaren Gods staan daar krachtig en hoog; die glanzende wezens, zij stijgen en rijzen ; zij roemen en loven zoo luide, zoo gaarne; zij nemen de harp, begeleidend het lied!

En Zijn volk, — als de dauw, is gering ook de rest5), — Zij roemen den Heer, die gedenkt het Verbond 1

De machtige wachters door Shechiena gewekt6), zij vlechten er kronen voor God in Zijn woning; den Hoogste bezingend met juichenden roep, volbrengen z' in hoogste getrouwheid hun taak! En de natie, de dochter van 'Ibrieschen grond.

Verheerlijkt den Heer, die gedenkt het Verbond!

In gezang en begroeting, in loflied en dank, barsten los vonkenschietende Chashmalliem luid! De Vlammen omhoog staan rondom als een krans, — zich beijv'rend en naarstig Zijn grootheid te roemen!

En het volk, eens zoo schoon, doch zoo zwart nu van kleur7).

Het looft toch zijn God, die gedenkt het Verbond!

') De aarde, vgl. Jes. 66,1.

5) Gen. 1.1. Bij de Schepping had God nl. hoofdzakelijk o. a. Thora en Shabbath op het oog (Pirké R. Eli'ezer 3); wat de besnijdenis betreft, zie onze aant. op de 1ste strophe. 3) Jes. 56,4,5. 4) Ps. 99,5.

68

ocr page 523

nVo nnnb -iïv no

KIS onn m: oraa * D^nnb

»ma^o not? * iVxan nb« vhv nvpl : D^VK D^I T : ^nhaa'Tix -]K * ^n'nm 'npn ^n'ivp

nna * 'nbnii DD^^K pöïn du - \n^3 DDS |n« na^ nptri. ^ai: : ♦nnaa D^nnpi ♦nïfin i^ni? wribtf « ioon * vb^ao bnua D^nbs^ i!n * vSino

iquot; v: ▼: -: t 't : • v i : • ^ ; t ;

inr San : ^nj5 * v^i Dlinb iinn^ni

.Dnnm i»Nia pans uïiSs lamsn db {aw

d^o^ • nxi^j1? ind5 nb wm • nxnquot;1 wd no^N nim

t : - ; : • - i - t .. .. . t •• •• -;

: HNJ nbnn oabo1? onoN * HNTS onaip Dn^n

tt t * : t : - : • ; t ;• ; • ; ^ ; * .

: nnan idit^ D'bbnp * nna »nn3 10^1

* iiN» Kb 'p na^pn -jbob * -nrv xb ♦p bbnpn -jbo1? : Tipb inni? nxabi bobob * ninbi nb^b ^npn -jbob

: nnan iDiib Dnn»p * nnn^i 10^1

* p™. 'b^a ib^n» * jvb# ♦ni^p in^nt naan* : |i^n quot;ii23 )mgt; - fvap iSbnb nxr nxa»

: nnan nairb nnxap • nn«^ Soa isjn |vby. * nii^p 'nbNb onna npi^ * nrai? ♦pj/ap nnia: n;J : n2io« fpiNa Driaxbo * njii nb^a Doano : nnan nairb n-mp * nnay na diki

* bbob DTiïia D'bo^n ♦pr * ^bni nxnin nanai mor

.. - . . . . _ , , j... •• - ; tt t t : t : *

: Sbpb ibna onnr annr • bbab onknap nb^o nnr : nnan nairb nna^o * nnimnir nm diki

6) Miecha 5,6. 6) Vgl. Recht. 13,25. Shechiena is de Majesteit Gods.

7) Hoogl. 1,5. Midrash verklaart dit vers, als te spreken van Israël, dat dan spreekt: ,/wel hen ik thans zwart, in rouw gedompeld en door God verlaten, maar toch schoon, door de trouwe vervulling mijner plichten kan ik mijn Heer tot mij doen terugkeeren en in ouden glans hersteld worden.quot;

ocr page 524

JOTSEROTH.

De wagen van God, het zijn duizend myriaden, — zij dond'ren het «heiligquot; drievoud in twee legers ; zij peinzen: „geloofd zijquot; steeds zonder verpoozen; zii schudden, doen wankelen drempel en post!

En de natie, bezegeld met heiligen bond,

Zij looft steeds den Heer, die gedenkt het Verbond !

• n^n

Drie malen heb Ik een bondsteeken gegeven tot genezing der wereld : door het plaatsen van den boog in de wolken „om te gedenken het eeuwig verbond,quot; — de besnijding, — en den rustdag heb Ik in hun gebied gegeven ; fusschen Mij en de kinderen Israels is hij een teeken voor eeuwig.l) Mijne lievelingen zijn daarmede gesierd, Mijne uitverkorenen. Mijne beproefden, die geteekend en gewaarmerkt zijn, om gered te worden van de kolen Mijner verbranding 2j; en al wie hen ziet, zal erkennen, dat zij volmaakt zijn vóór Mij ; dat zij vormen een kroost, dat de Eemvige gezegend heeft. 3) Vijf maal werden snij werk tuigen aangewezen voor het verbond aan het lichaam, bij het besnijden der twee voorouders [Abraham en Izak], dat zijn de stamvaders'); de reine [Tsippora] deed het ten derden male en [Jehoshoea',] de zoon van Noen hief er twee op, en Jehoshoea' maakte zich zwaarden van gescherpten steenquot; Toen werden steenen tot zwaarden veranderd 6), om daarmede te besnijden, gelijk zij met een scherpen steen hadden besneden gisteren en eergisteren 7); daarom heeft [Mozes'] dienaar hen gesteund met een voorschrift om te besnijden; „Maak u zwaarden van scherpen steen en besnijd loederomquot;. 8) Toen de heerlijke zanger [David] den kampvechter [Goliath] neervelde [met een steen], kwamen zij alle vijf voor den dag en werden tot één om hem te helpen 9) en het ijzer trok zich uit zich zelve terug, toen het aan zijne [Goliath's] wijze van doen dacht en zoo drong de steen in zijn hoofd. 10) De bezigheid voor de besnijdenis doet [de wetten omtrent] de Shabbathrust wijken, het verrichten der handeling zelve, het losscheuren en ombuigen der onderhuid, het uilzuigen en afwassehen der woiyl, de komijn en pleisters voor het verband; en voor eiken noodzakelijken arbeid, dien men den vorigen dag [vóór den ingang van den Shabbath] niet had kunnen doen [is het geoorloofd] te naderen tot den arbeid om hem te verrichten n) In de oudheid hebt Gij U Uwe gemeente tot eigendom gemaakt van tusschen de „ezelsquot;, 13j

*) De Schrijver van dit stuk is R. Eljakiem oi' El.iakokm, waarsch. b. Meschoellam. (Zie Landsiiüt s. n.)

') Ex. 31,17.

) De vlammen van het Géhinnom; zie 'Eroebien 19o; Abraham zit aan den ingang van Géhinnom en staat niet toe, dat een besnedene het betrede. De besnijdenis is dus een teeken, waarop hem, die het drangt, de toegang tot Géhinnom ontzegd wordt. 3) Jes. 61,9.

69

ocr page 525

n^D nn^ |aiK KD

t^np vhv D^n * **hx D^VK Dan quot;■'?

• it -: ~ : It * * : • it .... - • v: v iv

: D^niöK *sp D^^pi • D^V^: ^1? D^nli nrnm : nnan i3i6 npnap * nnaa nmnn dini

(* .D'pi^S' OW e|lD21 2quot;gt;S Cquot;r n^lt

iarb n^i?. nr^s • dSi^ nsiq1? nna nisi

* d^3J3 ^nnj t^öi: Din nm * abiy nna

... t ; . • i- t vi : tquot; : t ^ • :

nin? an;^p i D2 nii : xin niK ♦ ^3 pni

* ^quot;D bvsnb D^nnNOi D^SDDH * ^ina

t : t : • •• : .....t • : • t \ : * t •. ; ~ t ;

WÖT : ♦; Tpa yir on ^ ^ D^poniö i on^ on^n

• nnviTi nan ni3K 3ïn * on^a nna1? n^pn oniï

• tmn d^k' pr-pi nwW nninü * SisnV 103 nimn^ Dnv lapv : oniï nimn

• rns^D niï3 ddod * blom aiir^ IÏS IVD

t •• t : • : t t : i •• t : : • : it

on^n trgt;1 liiV yuv : Vb nnv mmn n'^ bnan pbp * inVv1? nns4 jn^pn i^ain * inbamp;p nVp pp^.: inypa pxn * irm quot;ipra iovj? •nn^bsDxi rioa nnrm nn^yoi nnyns • nn^ ,nnn

t • t : ; • : i - t t • : t t • : t't tt • ^:

VK naip^ * nrn'^J? nn^ao naxbp quot;rjiiy

• anion pap anp. n^p : nnK ni^b naxbon

1

) I Kron. 4,23.

ocr page 526

JOTSEROTH.

toen Gij zaagt, hoe zij [Israël] in gemengd bloed ^ wentelden, toen Gij de eerstgeborenen sloegt; Almachtige bevrijd ons en onze vijanden zult Gij in stukken snijden, dan zullen als op de tijding omtrent Egypte, de verdrukkers beven.3) God moge in Zijne genade opstaan om Zijn woord te vervullen; moge ons spoedig in erbarming aannemen en ons ten tweeden male redden van de lasten [der ballingschap] ; als in de dagen der oudheid moge Hij ons weder wonderen doen aanschouwen, Hij, onze Verlosser, Heilige is Zijn naam, de Eeuwige Tsebaoth.

•irin twni racb nsr

Onze God is in waarheid God, en Zijne leer in waarheid betrouwbaar, /;Voorwaar, ook Zijne eerste woorden zijn waarheid! 3) en het einde ervan wijst op de waarheid [der eerste woorden;]quot; Hij vestigt de grondslagen der wereld op recht, vrede en waarheid ■t). — Vóór de vroegste oudheid overdacht Hij den raad dei-ware wijsheid 5), die op Zijn uitgestrekten arm was geschreven, — want een gouden plaat was nog niet geschapen, noch ook een huid van vee of wild. — Hij rolde duisternis en donker weg voor het doorbreken van het licht; toen Hij echter zag, dat het verheven was boven eiken glans en licht, borg Hij het als een schat weg voor hen, die zich bezighouden met de Heilige Leer, die lichtend is. 6) «Hemel en aardequot;7) gebood Hij, als een koning zijn dienaren — en zij werden tegelijk geschapen, volgens de beslissing, gegeven door den voornamen geleerde en zijne leerlingen, als bewijs daarvoor aanhalend het bijbelvers: nik roep hun toe — en tegelijk bestaan zijquot;. 8) — Toen nu tot in het oneindige

') Van paaschoffer en besnijdenis. De uitdrukking noian Dt beteekent een mengsel van bloed, voor en na den dood aan een verslagene ontvloeid, en wordt door Maimonides Mishna-commentaar Aholoth 2,1 afgeleid van riddian», Ez. 16,6.

s) Vgl. Jes. 23,5. quot;iï, eig. Tyrns, wordt op talrijke plaatsen door Midrash als het beeld van de verdrukkers in de tegenwoordige ballingschap opgevat.

*). Het stuk draagt de naamteekening R. Benjamin, volgens Heidenheim R. Benjamin ben Zérach, vooral wegens het mystiek karakter van het stuk. Deze R. B. b. Z., met den bijnaam dc Sï2, leefde volgens Zdnz in Rashie's tijd ± 4820 (1060). Landsiiüt, pag. 52, noemt 10 stukken met zijn vollen naam geteekend en s. n. K. Benjamin drie anderen, die aan hem worden toegeschreven.

3) Ps. 119,160, waar Rashie die woorden den volkeren in den mond legt, die bij de 1ste groep der tien geboden de opmerking maakten, dat zij allen op God betrekking hadden, maar door de latere geboden: //gij zult niet moordenquot; enz. ook tot erkenning van de waarheid der vroegeren werden gebracht. 4) Aboth 1,18.

6) De Thora, die, naar Midrash Konen, ook gedeeltelijk in Jalkoet,

70

ocr page 527

n^ü nnnb rhv

ww inan np * onüs di, npian ^niKquot;i : onï QnïQ1? * onn i JDön

rT •!-:•; ^ - f v -: - -T: #

!)JL3quot;v'Ü,7 uonnb * nKbob inpna Dip^ St

iqe' i irnp * dinVs: Dip wz * rmbnn

; It !••-: t : • iquot; ;- vhv •• • t ; *

mry : nixnï quot;

t : ▼:

!?TI ffsn n2i?t? nsr

(* .p'ja inon D'i' eycai aquot;s Dquot;r

B'Ki djük * roK niiON innim • nos4 d^Vk irribx n^p^pi * nöNn n^iö 12101 * nossi nn^i ♦onpp f3 : naxn ^i aib^n ^i jnn abi^n nio^ ♦3 • nntssn lynn nnms nn^nn * n^m nv%; ^ nnp, bsix Sbü : rrni nana 11^ nSi mr du nxnn: k1?

VI - t T - : T •• : ; TT - •• : *

Ss ^ nbtfro '3 ivd * nixn n^^pö ^sp ^ini niv ibni pii : uk rnira D'ppi^1? i^psrn it:: * iikoi • VTp^nix^:^n3n3rnNri33 1^3:1 * in3^ b% ^as i3nnnn : nn» 110^ on^N ♦:« xiip -i^b nwi

Spr. 8,22 vv. aangehaald, vóór de schepping bestond, geschreven niet op metaal, noch op leder, daar dat nog niet bestond, maar in vuurletters a. h. w. op Gods arm. Zij werd vóór de Schepping dooi- God geraadpleegd en haar raad opgevolgd. «

6) Vgl. Chagiega 12a, Ber. Rabb. 12.

7) iSm pn, hemel en aarde, pn voor hemel met het oog op Jes. 40,22, iSn voor aarde, vgl. Ps. 49,2.

8) Chagiega t. a. p. en B. R. 1, komt een verschil van meening voor tusschen de scholen van Shammai en Hillel, of de hemel dan wel de aarde het eerst geschapen is. Eindelijk verklaart R. Shim'on b. Jochai de beide meeningen niet te begrijpen, daar beiden tegelijk geschapen zijn, als een schaal met zijn deksel, die te samen vereenigd gebakken, eerst later van elkander afgesneden worden (vgl. voor dgl. potten Thosaphoth Bétsa 32«, en 'Aroech s. v. csSn). Hij beriep zich daarbij op het boven aangehaalde vers Jes. 48,13. De geleerden van zijn tijd nu waren het algemeen met hem eens. — Ik prefereer daarom de lezing vraKnl, die ook in Machzor Romie voorkomt, daar de constructie —2 p-on moeilijk te verdedigen is.

ocr page 528

JOTSEROTH.

zich uitbreidden de uitspansels van Zijn glansvolle woning, moesten zij plotseling een: ,/het is u thans genoegquot; hooren en verstijfden op Zijn woord,1) nde zuilen des hemels schudden en worden angstig hij Zijn dreigen.quot;3) Daarna verdeelde en splitste Hij de wmet Zijne hand gemetenquot; [wateren] 3); de eene helft hief Hij op en plaatste Hij in de hoogte tot latere eerbewijzing, dat zijn de reine wateren, die eens zullen gesprengd worden. — Toen schreeuwde de rest in opstand : «waarom zou mijne eer tot schande worden ! ? Laat ook ik boven de wolken-hoogten stijgen en met mijn wederhelft gelijkgesteld wordenquot; ; toen verbrandde het een verterend vuur en werd de grommende bedwongen.4) — Hij vernieuwde de oppervlakte der aarde door vruchtboomen en gewassen, en gaf voorschrift aan de hoornen: «ieder naar zijne soortquot;, doch niet aan de gewassen; toch maakten zij voor zichzelve eene gevolgtrekking en de gewassen kwamen in afzonderlijke soorten te voorschijn. 5) Den physieken aard der beide hemellichten maakte Hij [oorspronkelijk] gelijk in gestalte6) en vorm; en naar het aangezicht van den door Gods hand gevormde [den mensch] gaf Hij hun gelijk uiterlijk en droeg hun op en gebood hun door hetzelfde venster te voorschijn te treden. De maan echter berispte Hem; dadelijk werd zij kleiner gemaakt, omdat zij aanmatigende woorden tegenover Hem had gesproken en niet begreep haar, in trouw haar toegewezen, tijd [van werkzaamheid]; en Hij troostte haar wel met vertroostings-gronden over hare kleinheid, doch haar geest werd niet tot kalmte er door gebracht; — daarom brengen mijne scharen een zoenotfer voor den Heilige op alle Nieuwe-maansfeesten naar mijn wettelijk voorschrift: één geiteboh tot zondoffer voor den Eeuwige.'1) Van hen beiden [zon en maan te zamen] leeren de rozenbloesems [Israël] tijden en eindpunten, nieuw en oud, en zij zullen zijn tot teekenen en tot tijdsbepalingen en tot dagen en jaren8). Den maancyclus geven de letters aan, hare tellingen worden telkens door de zes eersten [samen te voegen] bekend; voegt gij de zevende [letter] er aan toe, dan stijgt het gelal tot dat van den zonnecyclus. Dan zijn van den eersten regel nog twee over en van den tweeden en derden nog vier, niet waar? terwijl de Zajin (j), de 'Ajin (J?) en de sluit-Noen (j) voor hen

') Zie Chagiega t. a. p.

2) Job 26,11.

3) Vgl. Jes. 40,12.

4) De voorstelling is ontleend aan Midrash Konén; vgl. ook Ber. Rab. 2, Jalkoet 11,789.

5) Choeilien 60a, vgl. Rashie, Gen. 1,12.

6) De gewone lezing is: JfQ, in kroon, d. w. z. ui terlij ken glans (?);

Ottensoser leest: 5113, van psn (Jes. 40, ) en vertaalt omlreh. Maelizor - 1 1

Romie geeft de lezing: nisiï, in gestalte, wat mij het meest eenvoudig

71

ocr page 529

inn mi) natr1? ivv xy

nis# * in^üK D^n laip^ • imn i quot;tin n nvnni jba tnt : inn^p ^nan^ iööit d'QK' Dninan o^n on • nn^Db d^i k^h on^nü • onnsn

: - i— quot; * ' : t : • • T • -: - • : -

• na ^ naVp1? n'33 nw Din» -IT : DH^

rtatf m iniinSni • hdik W^pA ^ nb^K

• dwquot;ii na notK t^in : noinn Kin ^22:1

• t ; • 5 ••«: - t t : •• • v - t ; • ;

bp_ |0VP • D^x^nn ab) mrpb ^n quot;ini jpini mans nn^p : Dgt;4^I ♦rp noim

nn« fibna nxgt;n * nr^i j^.n 10^ D^aa y*\ n^anai * ni^n va'pa n'isn *a * in^^1? uypnn insn id* : niin n^a lob nnnpn: ab) |üip ♦pinina ton:! * my nmx |a ah] ^k*it Vaa ' ^ion panpp p1? naia : myn

1 crnpb : quot;b mvnb nn« any n^ * nna D^nn vni. * D2 a^nn o^vpl o^p? * ♦nna anp ni^-iK njabn Tirna : a^tri onyiobi ninK1?

tt:- -:- * T ; * T : * . : :

^a^pma * niym» n^ninap ni:'trNnn i^^a * ni^nio

• nï^xn ntsi^o 1 nrntr nimi: : m^p nanb n^a^

T . * T * * 1 : T • L •

nüitra ji:*!. p^i. jni * naioNa yans* n^^pi

voorkomt, temeer daar de uitdrukking i:pm nv;i in Midrash en bij de Paitaniem zeer gewoon is.

7) Vgl. Choellien 606, waar dit geheele verhaal voorkomt. De maan maakte de opmerking, dat in de geheele Schepping de grootere aan de kleinere zaak gepaard was; twee even groote hemellichamen zouden slechts aanleiding geven tot strijd. Als straf voor haar eerzucht, daar zij natuurlijk de grootste wilde blijven, werd juist zij verminderd. Toen begon zij eene discussie over haren toekomstigen werkkring, totdat zij eindelijk door God werd aangewezen als uitgangspunt van feestbestemmingen; ook toen was zij nog niet tevreden en zeide God; brengt daarom eiken Nieuwe-maansdag een zoenoffer voor Mij, omdat Ik de maan kleiner heb gemaakt. Dit wordt vastgeknoopt aan het woord 'nS (Num. 28,15), dat alleen bij den zondoffer-bok van het Meuwemaansfeest wordt gezegd, terwijl het bij de zondoffers op andere feesten ontbreekt.

8) Gen. 1,14. Zie onze aant. aldaar op het woord ffnïio.

ocr page 530

JOTSEROTH.

allen de rekening doen sluiten.') — De vissehen, die zwemmen in de zee, deed Hij wemelen in 700 reine soorten, en voor gebruik geoorloofd gevogelte zonder einde of getal, en [onreine] te verafschuwen vogels vierentwintig. — Daarna raadde Hij : „dat de aardbodem voortbrenge wild en vee, onrein en kruipend gedierte te doen wemelen in machtig aantalquot;; toen bewoog zij [de aarde] zich als het ware zelve van insecten, die toch allen vooreeneof andere noodzakelijkheid dienen. [David] die na talrijke bepaalde jaren [bij het brengen der bondsarke in Jerusalem] zou dansen en springen 2), vroeg: .-/waartoe zijn gekken, spinnen en horzels geschapen ?quot; Hij antwoordde hem ; „gij zult ze eens noodig hebben, op den dag, dat gij, om u te redden, zult moeten vluchten.quot; 3) — Toen Hij nu voleindigd en voltooid had het bevelen van al het geschapene, sprak Hij : „laat Ons een mensch maken naar Ons beeld.quot; Hij mengde hem dus [uit stof der aarde en water] en gaf hem de ziel en zette hem iu zijne „hulpquot; [de vrouw] de kroon op. Toen hem een gemakkelijk gebod gegeven was, deed zijn misleid hart hem afwijken; en richtte Hij hem door Sanhedrien's besluit als een zinverdraaide en verdwaasde om op hem te vervullen : met den Icromgeestige gedraagt gij u dwaai '). In die afdee-ling teekende Hij 71 Godsnamen op; van Beréshieth, totdat hij geschapen zou worden 5) en van dat hij geschapen was tot de verdrijving, — beantwoordende aan [de 71 leden van] het San-hedrien, de mannen van onderzoek en navorscheu.6) Zij beiden hebben gezondigd en worden in de Heilige Leer veroordeeld en de slang met hen, omdat Hij [God] niet de juiste argumenten voor hem aanvoerde, immers ; [wanneer tegenover elkander staan] de woorden van den leeraar en die van den leerling, — past het

■) De gewone maancyclus omvat een tijdperk van 19 jaar, waaronder 7 schrikkeljaren, waarin één maand wordt ingevoegd, ten einde er altijd voor te zorgen, dat het Paaschfeest in de yssn tf-nn, d. i. in de lente valt. Daardoor wordt dan het zonnejaar met het maanjaar in overeenstemming

gebracht (19 X 354 - 210 = 19 x 365 4- 1). Dit is de zoogen. jcp iitnn. laarnaast staat nog een cyclus van 21 jaar, d. i. van zeven driejarige perioden, omdat de maan telkens na 21 jaar op haar plaats in verhouding tot de sterren is teruggekeerd, die zij bij hare schepping innam, Sn: nina n»ebracht (19 X 354 - 210 = 19 x 365 4- 1). Dit is de zoogen. jcp iitnn. laarnaast staat nog een cyclus van 21 jaar, d. i. van zeven driejarige perioden, omdat de maan telkens na 21 jaar op haar plaats in verhouding tot de sterren is teruggekeerd, die zij bij hare schepping innam, Sn: nina n»1? Sï. De zonnecyclus omvat 28 jaar, en wordt nam -rnno, ook wel, in de latere litteratuur gewoonlijk, Sn; -mrra genoemd. Plaatst men nu de letters van het Hebr. alphabeth, met de sluitletters, in drie rijen:

a n n n n ; a x s a j; d : o s 3 i 1' «•] I a •] n n p

dan zijn alle berekeningen te maken. De zes eerste letters van de eerste rij (1—JC) geven tezamen 21, d. 1. het aantal jaren van den grooten maan-

EXODUS. J

72

ocr page 531

enn twni nntyb iïv av

♦ oninip 'yö hikü yiv ^n.^n D^^np : n^ba1? ni^n^D n^riN mai^i • onsppi i^n quot;i^üi wnn) '($amp; * nanni n»n nans; t^^in ^ : anvy] : non Tj-rttb obai p^ina! n^nni • fnfn1? ittna: ns1? i btlt;v * D^ty nsaV lanaDi nis

it ; • tit quot;t i: • t t - ; ••

nnna dv1? iq1? ,n-iL3vn in^n * myivi ni'iüi

t • : : it ) vit : • • v: ^ r : • t :

uo1?^ DIN n^3 * na23 ^13 ba niï : nijntrn1?

T T v -:i~ ••;•; quot; t : i t ;•

nV mtsni nit2v:3 nbp : Vba iö^:ni ibaj * bbö

it * ; t - : • : t |- •• • vtquot;: • : • ; : • •• •

v^t • Vri3:i vpTy: 1325 p-innip pna uni • Vnm

• n^nsa -ins'i, D'jptf iW ni-i|T« : Vrisnn p-injp 13:3 • n^ni 1^1 nïis^pi iïi: -ijn n^Niap ^n]i * mins imnn )xur\ amp;:v : ntrnni m^pn ^3

t t ; t - . : - : • : : t -r : t • ; t r -: •• -

3quot;in i^Sri 3n nipos * nni^p nW

.rm'wnS : Nn\s fnrnS Dipaa 'nn ntnaa *

cyclus; de zevende er aan toegevoegd, geeft 21 7 = 28, het aantal jaren van den zonnecyclus. In de tweede rij krijgt men op dezelfde wijze 210 (280) en 2100 (2800). Dan schieten dus dè beide laatste letters van lederen regel over, terwijl de letters J (in den Isten), y (in den tweeden), en sluit-J in den derden regel alleen dienen om den maancyclus tot zonnecyclus te vergrooten.

2) II Sam. 6,15.

3) De zoogenaamde Ben Siera (ed. Amsterdam 5457, pag. 106) verhaalt, dat David God eens de vraag zou gesteld hebben, waartoe Hij gekken, spinnen en horzels had geschapen ? Het antwoord luidde: zij zullen u eens diensten bewijzen, dan zult gij niet meer vragen. Toen hij dan ook op de vlucht voor Shaoel zich in de spelonk verborg (I Sam. 23,14), werd hij door het web van een spin, die daar op Gods bevel zich nestelde, aan het oog zijner vervolgers onttrokken. Bij Achiesh, den koning der Philis-tijnen, werd hij alleen gered door zich krankzinnig aan te stellen (I Sam. 21,11—lb); en bij gelegenheid van Davids overrompeling van Shaoel, waarbij hij diens lans en drinkschaal wegnam (I Sam. 26,8 vv.), redde eene horzel David het leven.

4) Ps. 18,27.

6) De Godsnamen in D'pSx nSsa en van wpSs ■jwi (Gen. 1,27) worden nl. niet medegeteld.

6) Vgl. Ber. Rab. 20.

ocr page 532

73 JOTSEROTH.

voor des leeraars woorden ontzag te hebben.!) De zevende dag zag om naar den [door God] gevormde, daar hij der vertwijfeling ten prooi was, en stond op als een held om hem als eene muur te beschermen en smeekte vóór het aangezicht van den Vergevensgezinde en bracht tot bedaren toorn en gramschap.2) Zoo rustte daarop Hij, die woont in het verblijf in de uitgespreide [hemelen]; Hij gaf hem tot erfdeel aan Zijn volk, dat in Zijne schaduw toevlucht zoekt, die loven Zijn naam, [zeggende:] nwant op dien dag rustte Hij van al Zijne werken,quot; de Heilige 1

• jSIX

Millioenen macht'gen U ter eere zeggen : heiligquot; 3).

De schitterstralen, iedren morgen nieuw geschapen 4),

hun zeggen is : „geloofd.quot;

Ter Uwer eer gemeenten op Nieuwmaansfeest-Shabbath zeggen : „heiligquot; en ,/geloofd.quot;

Heirscharen hoog ter Uwer eere luide — zeggen: „heiligquot;;

Zacht suizend, zoet gemurmel U ter eere,

hun zeggen is: „geloofd,quot;

Ter Uwer eer gemeenten op Nieuwmaansfeest-Shabbath zeggen; „heiligquot; en „geloofd.quot;

Dreunend dreigende donders U ter eere, — zeggen: „heilig.quot;

Voor U verzaam'len zangerscharen zich — en zeggen: „geloofd.quot;

Ter Uwer eer gemeenten op Nieuwmaansfeest-Shabbath, zeggen : „heiligquot; en „geloofdquot;.quot;

Schreiend de schitt'rende hemelsche boden — zeggen: „heilig.quot;

Siddrend staan vóór U de groepen Chashmalliem

zeggen: „geloofd.quot;

Ter üvver eer gemeenten op Nieuwmaansfeest-Shabbath zeggen: „heiligquot; en „geloofd.quot;

Tot U vliegen vorsten van 't vast firmament, zij zeggen: „heilig.quot;

Tot ü roepen eng'len en fladd'ren en vliegen 3)

en zeggen: „geloofd.quot;

Ter Uwer eer gemeenten op Nieuwmaansfeest-Shabbath zeggen: „heiligquot; en „geloofd.quot;

') Dit zoude de juiste verdediging van de slang zijn geweest. //Eva had Gods woord boven dat van de slang moeten stellenquot;. Daar de slang zelve dit argument niet aanvoerde, werd het in dit geval, waar men met een verleider te doen had, ook door den Rechter niet in aanmerking genomen (Sanhedrien 29a).

.ii3)iï,Pirké R. Eli'ezer, 19.

ocr page 533

mn ewti ixv w

niaja * nDinpV |n: »3 in : KnioV

i pi i'n: nam d^3'^'i. bnio ^3 biü fam -noins pnS

'Dpin ibvs ib'k is^ ibn: * nrnz |i3p 3^1*13^3! ■pn' ban ; trlquot;ij5 * D^ön Vsp n3^ 13 »3 ID#1? D^nsK'p

üSwa 2quot;n Dquot;Ï J31K

* B^nfJ DnplK D^K ^

* Tjns onpiK Dnj53 ^ns n^ns

: -jnni onpix o^nnsi nins^s ni-gt;np ^

* dhdik o'nüa npa D^ia

- ^13 onoiK npn noön D»331quot;I ^

: -jnni irn[5 DHDIK D^nnsi nins^s mbnp ^

* tfnjs DHOIK n^ion apin ^

* Tjns onoiN D^rrn ni^i omvi ^

: -[nni ^npT onoiN D^nnsi mns^s niVnp

' irnpT DHDIK D^3T 'ST D^J^IT ^

* Tjins onpiK D^pa'n 'Vn o^n ^

: ^1131 DHDIK D'Enroi nina^s ni^np

' tfnj? DHDIN D'nisü npaü opü ^

* Tjlis DnOlK pin» pTiT pN1j5» ^ nvnm : rj-n^i ^npT onöiN D'tshnsi ninsB's mbnp ^

3) Gedoeld wordt op de Kedoessha, heiliging van den naam Gods, dooide engelen-koren, die, bij Jesaja 6,3 het //driewerf heilig enz.quot;, bij Ezechiël 3,12 het; f,geloofd zij de naam des Eeuwigen enz.quot; aanheffen. Deze beide verzen vormen ook in onze liturgie de Kedoessha.

*) De engelen, die als bliksemstralen glanzen en lederen morgen nieuw geschapen worden, vgl. Chagiega 14a. B. R. 78.

5) Ps. 68,13.

ocr page 534

JOTSEROTH.

74

•nSii

Uwe trouw is waarachtig en groot, Gij, die in de vergadering der heiligen als heilig wordt geprezen; telkens als Gij het teeken des heils [aan den hemel] plaatst bij het vernieuwen van het morgenrood, zullen de [uit Egypte] verlosten U huldigen1) telkens op iederen Shabbath en nieuwemaansdag en zeggen; „Uwe getuigenissen zijn ten zeerste vertrouwbaar, Uw huis betaamt heiligheidquot;.quot;) Het is gewoonte «de schoone vruchtquot;3) [van den olijfboom, d. i. de olie] te gebruiken als brandstof ter verlichting, bij het naderen der ochtendschemering echter gaan de lampen uit, daar hun gebied ten einde is; en kort vóór den morgen orden ik mijne bede en zie hopend op naar U, Eerbiedwekkende, — want bij U is de bron des levens, in Uw licht zullen wij het licht aanschouwen. 4) Moge de glans van het verblijf Uwer heerlijkheid [Tsion] üwen uitverkorenen getoond worden naar hunne verdienste; vensters, [naar binnen] kleiner, en [naar buiten] grooter wordend,5) mogen in pracht zich verheffen als bij den eersten en tweeden [tempel]; de voorspelling van Uwen ziener moge bewaarheid worden: «dat maan en zon zich verbergen,6) want de Eeuwige zal u zijn tot eeuwig licht.quot; — De kroon der schoonheid, Uwen tempel, vestig hem, leg vast zijne grondslagen; maak weer volkomen den troon en Uwen heiligen Naam, bedien U niet meer van slechts twee letters;7) verschaf Uwen dienaren een nieuwen naam, 8) gelijk er een nieuwe hemel en nieuwe aarde zal komen;9) „Jubelt hemelen, want de Eeuwige verricht het; juicht, gij diepten der aarde \quot;w) Wanneer Gij [naar het gebied] van den top van Amana af binnenwaarts11) de ballingen uit hun gevangenschap bijeen trekt, doe hen dan hun zangstuk erven, terwijl vrouwen de mannen omringen;13) als het geheim van hun leiding in hunne jeugd, toen maagden den tamboerijn sloegen [bij den uittocht uit Egypte, aan de Schelfzee] na [den val van] het leger; de stad is dan ons tot kracht, tot hulp doet Hij strekken muren en tusschenmuur.13) Het woord der bedenking in Chanés [Egypte] heeft opgewekt het verbond met onze dooden [de aartsvaders]; Gij, rechtvaardige spruit! vernieuw in nabijzijnden tijd onze jaren: dan gaat Gij gevreesd als koning daar heen, en ik [Israël] als Uw pachter 14) en te zamen verlustigen wij ons; dan wordt vol van gejuich en lachen

*) De schrijver is R. Meier ben Izak, met den bijnaam Sheliach Tsibboer {yquot;v. Voorlezer), die herhaaldelijk door Rashie geciteerd wordt, soms als reeds overleden (V'w). Hij leefde te Mainz en te Worms omstreeks 4820 (1060) en R. Jitschak Hallevie uit Worms, Rashie's leeraar, roemt zijne dichtstukken en voordracht. Zijn zoon R. Jitschak was te Worms een der slachtoffers van den eersten kruistocht (4856, 1096). Van hem is o. m. het beroemde nimpx, dat op het Wekenfeest bij het begin der Thoralezing wordt voorgedragen. Lakdsiuit pag. 162—167 noemt als beslist van dezen dichter uit de verschillende ritus 21 stukken.

ocr page 535

ann ewi ravh nbiT ip

(* .D^ita Boreal nnna pjn prw 13 vs» own t)iB2i 2quot;« dquot;s riSlT

p»ï ?|n»2fn3 • cnpno i HD2 nan ^ripK no ^jiTpNt * ^nnan nn^n yw

•' -ixD iapM * unini nip

133 nni:an nii^oiyn rnbn * quot;iinö1? nsa nn i«in na

T ;- T : - I T - •• -| •;

*3 • nix: nsxKi. -jin^K -jiopi * iiNngt; i bisa r\i*y ^1133 Dipp Tiir : uk nxn: ^iN3 DMn lipp nni hts nü'nnpi nia^ppp ni:ibn * d^ös ^Trnb nw \\ »3 • ob^nn1? Hki IÏ |P«!. * tbyh

Qp) D3 * r\vnv iD! 3^! ^3p s\v : Dquot;?^ iin1?

o^nns vipgt; np * ni»niK ♦ri^s typriiynp 16)gt;pr\ : ni'nnn i^nn M '3 m - ni'ntN nirnni

* : ~ i' t *: t t • i- t it tt-:-

33iDn rap: * d»3^d ni^a o^abi hjdn ^nio

; tiquot;; : t : • • • t • ; • : t t -:

inx niööin niD^s ma^ m: hd * bn: yp p-ia -na D:n3 mna na : bm nioin nV n^isy» yy • b'n

.. t ; t 1* ; v •* t * t t : it t •

• iy:ty 1 ^nn 3np pnï HDÏ -nn3 m^n

,.. t ••- ; • t vhv i •- - iv !••••: • ; t ^ ••

pin'^i mn K^S» m * *?»□: onxi ^»3 «nb -ii^nn

I : t • •• t * t iquot; : •• - : • t : | v iv ; t ) -: -

') ■pT'EN', vgl. Deut. 26,17. 2) Ps. 93,5.

3) Jeremia 11,16. ■•) Ps. 36,10. 5) I Kon. 6.4.

6) De uitdrukking is ontleend aan Jes. 6,30, het denkbeeld aan Jes. 60,19, waaruit de tweede plaats is genomen.

7) Ex. 17,16 staat rr oa Sj? -p '3, het woord sas dus //gebrekkigquot; geschreven, zonder N, en de Godsnaam slechts ait de twee eerste letters bestaande. Hieruit leiden onze Wijzen af, dat, zoolang de eindstrijd met 'Amalek door Israël niet is volstreden, Gods naam noch zijn troon weer volkomen zullen zijn. De bedoeling van onze strophe is dus: maak een einde aan 'Amalek's macht.

8) Jes. 62,2.

9) Jes. 66,22.

10) Jes. 44,22.

quot;) Amana is de noordelijkste bergtop in Palaestina. //Van Amana binnenwaartsquot; duidt geheel Palaestina aan. Vgl. Ghalla 4,8; Gittien 76 en 8a.

quot;) Jer. 31,22. quot;) Jes. 26,1.

14) trnss is een werkman, die van den landheer land in pacht neemt onder voorwaarde, dat de opbrengst in zekere verhouding zal verdeeld worden.

ocr page 536

JOTSEROTH.

onze mond en onze tong!quot;!) Door het te plaveien met Poech en Saffier2) maak hecht en sterk mijn voorhof; den, cypres en ceder, populieren zijn de latten bij mijn terugkeer; en men stelt schoon een heerlijken zang in, als destijds toen ik de zee gekliefd zag!

Neem ter hand schild en schutpantser, en sta op om mij te helpen !3)

ntnaS -KV

God, verheven hoog boven alles als hoofd, heeft uitverkoren de natie, zoo nederig van hoofd 4), als een vroegrijpende vrucht aan den vijgenboom in 't begin5). Zie dan op haar neder, o God! en zoek haar weer, om haar van alle natiën te onderscheiden, en haar te verheffen boven aller hoofd; wie haar veracht, maakt Gij dan tot voorwerp van hoofdschudden 6), terwijl zij het hoofd verheft op «den troon der heerlijkheid van oudsher.quot;7) Hij, mijne Eer, die mijn hoofd verheft, 8) zal nu weer aan het hoofd van mijn leger optrekken en zal naar mij vragen en mij opzoeken, de Öeilige!

Hij sprak het uit in dit boek [der Thora] en bevestigde het in Zijn lieflijk woord voor hen, die met stof en asch worden ^vergeleken, dat zij losgeld zouden geven, zonder [aanleiding tot] schaamte of schande, om hunne misdaad te verzoenen. Hun verdienstelijke daad schrijft Gij in het boek, in het boek der herinnering; em hen te tellen bij hem (Abraham), die sprak: ;,Ik ben-slechts stof en asch.quot; 9) Deze-mijn God-sprak tot den vaider aller zieners (Mozes) en toonde hem in een profetisch gezicht als een soort- munt van- vuur en zeide ; „allen zullen-zij'geven als deze.quot; 10) Het hun ontbrekende wordt door «ditquot; aangevuld 11), zoodat geen enkele van hen [om zijne zonde] beschaamd behoélï fè zijn; en \vie hun leed berokkentj vermagert. Weldaden zullen hun daarvoor worden bewezen en zij zullen waardig gekeurd worden Gods Majesteit, te aanschouwen en het volk zaLvele volkeren overweldigen12). De Eeuwige, die in de hoogte troont, stelde in de - volmaakte leer aan -[Israël] -de- duive, die zonder gebrek is13), tot voorwaarde: ieder, die door de zee is getrokken14),

_ l,Es. 126,2. ..3) Jes,.54,11.._ . 3 .Ps-35,2., _____1 .

4) t'NT rvn, vgl. Hoogl. 7,6, waar -pxi rhi door Midrash verklaard wordt: de meest armen (Si) en behoeftigen onder ii zijn mvLeygn ,4iQrl)aaj:

als een in purper gehuld koning. Anderen: arm aan hoofden, d. w. z. klein in aantal. -—---- —-

5) Vgl. Hoshéa' 8,10.

') Vgl. Ps. 44,15; iemand wiens val algemeene verbazing wekt.

') Den Tempelberg, die Jer. 17,12 genoemd wordt: rwNin on» 1133 nm.

8) Zie Thanchoema Ex. 30,13; en Pesiktha, Shekaliem iOh.

*) Gen. 18,27. 1°) Thanchoema Ex. 30,13.

75

ocr page 537

unn Ewni naK'V rb)t

triia * pin npn yzo] nraiii : ira 6'yhb yw f^óii * mn ^niia ni^Kni in^n n-w : ^^3 noipi niïi fjo pmn * ♦nin tn3

ahpv nersh nsr

i .2quot;n dquot;ï -idti»

mTi333 * KW rhj dins quot;in| * vx-h i VD1? m:nü VK

• ^quot;ha1? dik V30 * b'l-n nnxi : ^quot;12 naw^

: • t • : t ; t r : t •• : •

onn N^ni * n'iü1? n^n n^ia : itk-i ^3 by nNiy:1?

• t t : • • t t : t ~ t : - ;

nni? * ^nquot;) onoi ni33 : ni33 ND33 * k'ki • «^r: • ^pnn wiyr 1133;;.

• - n^-npKS pïpV * ifipquot; nn nsn D:'^ n^3 • ism ♦an ^3 * 1313 cnnu onvn

t ; - : v ••• t *1 * ; v. 1 • ; t v:

Dniipb • quot;i3Dn 11-13T3 * -I3D3 sirpn onpivi : quot;is?1? rösintnm • nrin *06 n: ^k-ht :nato '3:« d: ny

' : :-• .it .*•*• • -:.- , t r' v .v. iquot;,t t t • • t , t, tT*

• nT3 wv Dion : nT3 13^ ban d:v • nrnoa b'N jttuo

. vt-. ~ t: ~ vt . : • ~ ti.. v

• nr by )2ur ni3m i nn' anisi' * nTan' ha ona nnm

~ it v tquot; t -: : v - : • - v •• t v :

• nan raitf . W :nr a»3quot;i a^b n^V - nrnS ^ gt;1^3^

t I •• • t v- - • -...... ; v-: * : • t • :

•-na^ 131^^3 *nan jrnir mvb * na\an minn mnn

— ti-:.....•* ' • t —. t- t - v. v t : -----t * : t - t '.• ••

- V1) Indien, ik ergens eene bevestiging ei' voor zou vinden, ïoude ik' gaarne lezeju mpH voor D'TDrti 611 vertalen.: c/oor deze zou het hmi onl^

brekende kan worden toegehfjd' (v)r\_ Tlranchoema t. a. p. én Pesikthsi Shéka-liera 12i), d. w. z. hetgeen zij gezondigd hebben, kan door dit kleine los-gèldi' van' é'én'Ti'alvén oKêkél per hoofd, worden yerzöend. Met dié sondSe wordt 3 an quot;quot;gedoeldquot; wp boorden X'wanST'dez e mora ^Tozés '(Ex. 32,1);

TOJVi'rwa* iSswnta. In quot;de fgWonequot; lêzlng is hét'wöórd iiüii zéér moeilijk' te verklaren. Ottensoser : Zoo worde ook thans begenadiging hun [Israels] deel; Akniiéim: Hünné mildheid wórdt met dit [kleine bedrag]

uitgesproken {— voorgeschreven?);....... ' ' ' '

,J) Vgl. Jes. 52,15, waai- ; nn door JonathaU teruggegeven wordt door ttï', verstrooien. Ottensoser: werpe licht oaer vele volkeren.

13) Hoogl. 6,9. • 'quot;)■ Thalra. Jeroeshalmié, Sb.e^aliem 1,4. Zie pok Bubee's Tnanchoema, Ex. 30,1?,'li®. 7 en noot 47; en' Pesiktha, Shekaliém i9amp;.

ocr page 538

JOTSEROÏH.

zullen hun Shekel bijdragen, zonder dralen, een halven Shekel als heffing voor hun eigen bestwil, zonder zich te onttrekken, opdat het haar [der natie] tot muur diene bij Hem, die de aarde over de ledige ruimte hangt! ï) Yan af die twintig jaren oud zijn,zullen zij het als vrijwillige gave schenken voor Hem, die in de hemelwoning troont; vorsten zoowel als geslagenen op hun krukstok, allen zijn bij het geven ervan gelijk, niemand mag iets meer als geschenk geven ; steeds zal Hij het smeeken verhooren ten allen tijde en elk oogenblik, en zullen zij in vreugdevol leven blijven bestaan. Voor hunne zielen doen zij verzoening en hunne zonden worden vernietigd en door een gelukkig lot zullen zij gesierd worden 3), hun lof zullen allen verhalen en roem verkondigen ten einde toe en zingen een danklied ter eere van den Rots. Hunne verdrukkers zullen verminderen en afnemen, en zij zullen hen met kracht bij den hals grijpen en in overvloed van vreugde vereenigd leven. Maak hun gemeente krachtig aanhankelijk aan het „getuigenisquot; [de Thora], zoodat zij niet meer wankelt; wanneer zij „ditquot; voor den dienst brengen, o Allerhoogste! kom dan op de bepaalde plaats met hen samen met liefde en voorkeur, hetzij zij zitten of staan; doe hun naam voortdurend in't leven blijven, gekroond met al wat begeerenswaard is, zoodat zij geen vreemde meer dienen. Steeds zij [deze heffing] tot herinnering voor de Lelie van Sharon 3) tot vrijgevige verzoening voor den Verhevene, den Heilige!

Indien het Nieurcemaansfeest met Shabhath Skekaliem samenvalt, wordt de Ot'an van het Nieuwe maansfeest gezegd; zie blz. 73.

• nSit

Gij hebt Uw volk bemind en zijt om hunnentwille uit Uwe hoogte afgedaald, hebt voor hen Uwe zee gekliefd, en deedt hen in liefde aan Uwen naam gehecht zijn; zij zijn Uw volk en Uw erfdeel en verheffen U voortdurend. Gedenk het door U uitgesproken verbond; ontferm U over hen en doe Uwen dag voor hen naderen ! — Algoede ! Gij hebt tot de machtigen 4) gesproken, dat zij als verzoeningsgeld Shekaliem zouden geven, een losgeld ter verzoening der misdaad, opdat zij voor immer beschermd blijven. [Eiken Shékel] ten getale van twintig Ma'a 5), zouden armen en rijken ze geven, tot steun voor alle getelden, die dan aan alle zijden juichen kunnen. Hunne gemonsterden en hunne namen, hun scharen en tienduizenden doe voortbestaan in hunne legers. Gij Verhevene, die bij hen troont! Laat voor de stammen van hun rest nog hoop zijn voor de toekomst; wend U tot hen om hen te zegenen, zoodat zij, als bij het klieven der Schelfzee en het dooden der eerstgeborenen, hunne vijanden verslaan!

') Job 26,7. 2) iw, van isr, sieraad; Baer; iisdi, zullen zij, de

Shekaliem bijeengeteld worden, — Machzor Romie; nar, zullen zij herdacht worden. 3) Hoogl. 2,1.

1) Israël, de kinderen der aartsvaderen, met het oog op Zecharja 11,2:

76

ocr page 539

DnniL:1? * nomn bp^n n^vno * no'ino ^3 hpv bpw

tt : t : i v iv - • -: - t : • ; i viv i: : •

: no^3 by_ pN nbin * noma rb n»nni: * no^b D^v^: : pitr ^3 • nr:n3 on'^ f3p

: mnonnb ♦ba * nrnja oba • ruj^oa D^ni. : n::-i3 * mijr baai nv baa * n:nn n^ao* nbo

t t : • ;l - : • ; r ^ t : •' t : t • : • ; - t iv

: nöE* am p^nai * nav arrriN^ni * nsa» an^ni^a; b^ : i-ini^'; iivb nnim * nio^i. ^n\ na^i. * 'nap» ban diks vai^ai * iiaav annNiy bpi * nonvi ID^OV onnï

^ - 1 : it : v •• t - -: it ; : nr : v •• t

• rnjrab 'ba * nnipna ptnnnb nbnp : ^n3^, nlno'f

* nnpnai nanxa • nn^n aay an * nnia^b nt aanpna Siba baa * m^Dnn a^na aoa' : m^yai na^sr^a

t : ti-:- ' quot; quot; t : t - t •

nbi'anb * riiarb n^nn i'on : ma^b »ba itb * man

viv —: - i t • ; v ; • ■ t t -.t : • : r- t : v

-|nv ban : ^npT • diiq ^öb * |iw i'iaaa * jll^n

.nquot;i ?£)TX pisis nquot;-) sin os

1 3quot;K oquot;r n^lt

anb mn • nonso mn mia^a * na^ nans4 nn«

v t t :i-t i iv : • t ; 1- r : ~ hquot; t : i~ t t

• ^s^quot;! ^nbn? an * ^rpvb anxa anpan *

anb anpi bian • ^dki: nna na? * ^jaanb anpnDi naia * ansa epa ibp^: * annxb no; aiü : ^qv nrra * an^ ni^a |^p * ana^a ,ln, n^b * anaaa : ana^ baa a'vb^ ' anaasn ba na^oa * an;^\ a^j^ an * Bni:naa aaip * aniaan D^aï • anioKh annpa

t t -; - ; ••! t ; • : t t : r : v ••i\ :

* annnxb nipn xnn * nnnm ^a^ • anK |aiBTi nn^jii^ aniaa naaai ^id d\ n^npa * anaiab |an

mtj; : anianb

t - ;

.ttiquot; cms it's, wat volgens Midrash op de aartsvaders doelt; zie Aboth v. R. Nathan, 4. 5) Ma'a is de Chaldeeuwsche benaming van de

Hebr. nu, waarvan 20 in een Shekel gaan.

ocr page 540

JOTSEROTH.

De Voorlezer herhaalt de eerste lofzegging van Shemoné 'Esré tot Oemagen en vervolgt dan:

{De Voorlezer:) Volgens de instelling van wijzen en verstan-digen en de leering van de kennis der deskundigen wil ik mijn mond openen in lied en lofzangen, om te danken en te loven voor het aangezicht van Hem, die in de hemelwoningen troont!

Toen reeds, van oudsher dacht Gij bij elk door U geschapen quot;werk, hoe Gij alles naar getal en gewicht voor U zoudt doen verschijnen. Gij hebt daarom gesproken tot [Mozes] den uit het met Uwe hand gemeten water getrokkene, dat hij zou leeren kennen het aantal van [Israël], dat zoo schoon met schoeisel getooid zijne schreden richt i). «Omdat zij de eer van [God, die zioh noemt: hun] Vriend2) verwisseld hebben voor een Ba'al «n in hun afval ,/deze isquot;3) hebben toegejubeid aan iets, dat niets is, —- zouden zij daarom veracht zijn in Uwen brandenden toorn [en overgeleverd] aan plagen en verworpenheid ?quot; — zoo bad voor hen Chéber4) en bracht balsem tot genezing. Hun moeilijke last , werd hem gezegd^ te dragen, om hun onschuld te bepleiten, en voor hen hoofd opheffing weg te dragen 5), Als losgeld voor hen beloofde Hi} natiën ten geschenke te geven 6) om hen te dragen en te verheffen door de lezing van ,/wanneer gij zirft opnemenquot;. ^ . ........ -

Mijn hoofd hebt Gij boven ieders hoofd verheven, mijn lichaam hebt Gij.' fiöóger dan dë höógsïe' vêstirigburcht doen stijgen! Uwe liefde dektet Gij over alle misdrijven en toondet Uwe verhevenheid door mij onder het schild van de schaduw Uwer rechterhand, te beschermen; — geloofd zijt Gij, Eeuwige,Schild van Abraham.

De Voorlezer draagt de tweede lofzegging voor tot Lehachajoth Méthiem.

Gijvdie de in de schaal gewogen8) [bergen] verplaatst,die gevormd hebt en geschapen den wind, die meet en weegt de vloeiende wa-tèren en den wind, — opdat geen plaag schade toebrenge aan [Israël], die gebróken zijn van geest, hebt Gij hun gezegd te geven een lossing voor ieder persoon. Den boosaardigen rank van Sé'iers stam fHamah], — vdof hij nog'bestond, dvériaagt Gij, ^ dat hij tot valstrik

Hoogl. 7,2, ut. naar 'den tempel om zime drie opgangsfeesteri te

vieren.'quot;veL Mirtrash t. p. — ' '.........% quot;quot; • '--------- -----

Hoogl. quot;5,16'.quot; ••' ■») Zte Nechértija 9,18; quot;pnbs nr. ...............

•4) Een der namen van Mo'zes, 2'ie'Mégilla 13a. '

• 6) Ihanchoema Ex. 30,13 (vgl. Pesiktha, Shekalicm, ed. Buber pag. 1(Vlt; noot 9 en 14A) verklaart de woorden - tw» m -wn' ■o i- Gij zijt wotquot; p«iO'quot;(Ps; 3,4), liebt ons hoofd' öpgéheven, nc?p •■''ï pot ijvjirij, hebt ons. .hoofd weer.opgeheven, dat door de zonde en de vrees voor straf was neergebogen.. ^7..Anderen-: ,om Israël, dat-hethoofd liet lia.ngen;

77

ocr page 541

nismp W

poi -u- nnx ina mn ^un nianquot;?

♦s nnna^ - dwïd nyi i lobp) * own HDp ; d^i^p pitr bbnbi nninb * Q^rn 1^3

3quot;S Dquot;P

ïjS i Va lappa * hyiz bps niar i txd t{lt;

♦öi; npap n^. quot; byp 'BÜ wob l?3 rins *

nr niVV nn • tim i-i^on V^n :

nan D^a bn - cjij1?«]« |iquot;in3 W inïö

«fen pbn1? b^ * riNiy f? lan -DN'^a niiö : V^fv nïni • nmn iïmb nn fa Dquot;IM p * rwV Ï^ni . • rns K'^n pa DNfi1?

r- nNtrinn mp wo Vyia * nKfe'i U'Nquot;) Va V^ ^ni

T iquot; - ; • -VIJT *• .. i. ;. TT., ••• ■ T iquot;-* . .. T

■♦3M$ Vï pja • n^sa ^a Vf nanK f ....

..... '. : onnax |2Q nriK ^.na ' mton

; dtiq nvmS'^ H3JI nnx

Dtf Vn TOP ' - rnV KniaV nx D^VÖ p'n^ nn DnaDii *,nin ^a*]?1? pn: 'SaV - nn ■ ^pioV ^a rnpD v ipjr dilj lyv nr w j-nn Vab pna

op te heffen.quot; Klaarbiijkelijk doelt echter de dichter op de aangehaalde Midrashpl^ats. en bovendien zou nog moeten bewezen worden, dat ook in het Hebr. de uitdrukking: ;/het hoofd laten hangenquot; wordt gebruikt. Baèr schijnt hier bóvengehóémdeh Midi-asK, vroeger dóór h'enl geciteerd, te-hebben' vergeten, en verklaart i-siifffv: wiens. Aoo/rf;- als straf-voor- den afgodendienst, zo» icorden opgehangen,- een even onjuiste, als scherpzinnige

yerklaring., S) . Zie Jes. 43,3 en 4. :■/ ,s:-.....

. ') Thapchoema t. ai p,.:..«Evenals gij thans, door Israël het gebod van de Shekaiiem te geven, hun Jioofd. opheft, zoo zal het telken jaré, wanneer zij dié afdéèling lezen, voor Mij zijn alsof gij, Moïes, op dat öógen-

blik vóór Mij stondt en hun hóófd ophieft.quot;.........................

... a) d'diSb = dSe2 O'Sppn D*m, vgl. Jes. 40,12.

9gt; Megilla ISö wordt gezegd, dat' ;,6od,' voorziende dat Hama'n eèns Shekaiiem zou beloven óm Israël te kunnen uitroeien, Israël gebood hein met Shekaiiem vóór te zijn. Daarom leert dé Mishna: Op den eersten Adar laat mén herinneren aan de 'ShekaHem-heffing;quot;' quot;

ocr page 542

JOTSEROTH.

en stekeligen doorn zou opkomen; daarom gaaft Gij in een gebod den raad: „dit [zullen zij geven]quot;!) aan „ditquot; [volk]1) bij hun vereenigd staan [aan den voet van den Sinai], s) om het bereid houden der Shekaliem van af het Nieuwemaansfeest te verkondigen ; om zich met deze afdeeling bezig te houden om dezen tijd van het jaar, ten einde Israels wegen te doen voorafgaan aan het toewegen van den verachter en verdrukker. Toen namelijk de „vader aller zienersquot; het model eener munt aanschouwde *), gebood Israels Rots den trouwen bode : zoo te geven dergelijke gave.

Zijn naam is verbonden 3) aan het volk, dat aan Hem gehecht is en die voor Zijne eer zich eiken dag laten dooden; laat Hij dan opwekken [Zijn toorn] en ontblooten Zijn arm en Zijne hand [tegen Zijne vijanden ; en ze afwenden] van de geloofshelden 2), — en door de neervloeiende droppels regen van den laatsten dag3) de dooden doen herleven. Geloofd zijt Gij, Eeuwige, die de dooden doet herleven.

Dit is vastgesteld voor voornamen en geringen, schatrijken en armen staan daarbij op één lijn, opdat de rijke niet aanmatigend worde tegenover de gemeenschap, door uit te roepen en te zeggen ; „mijn rijkdom koopt mij vrij van alle struikelblokkenquot;. Het volk, dat zoo talrijk is, dat het niet geteld kan worden, moet van oud tot jong van twintig jaren af geteld worden ; voor zoover zij in de termen vallen van lijfstraf4) en waarschuwing 5), worden zij geregeld bijeengevoegd, ten einde slechtheid en elke zonde te verzoenen en te delgen. De naar die mate gemonsterden zullen toenemen in aantal, hunne spruiten tot opneming van het aantal hoofden met hen vereenigd worden ; de Shekaliem van het ver-zoeningsgeld zullen hun lossing brengen; zij zijn bewaard ter herinnering, dat ieder, die eene overtreding had begaan 10), ze gaf.

78

1

) topsa mv • • • jiïï- Bij de openbaring, td ai nsï», gaaft Gij een slechts gehoord (ïob), niet in de Schrift neergelegd, mondeling gebod, ora van af den Isten Adar te verkondigen dat men de Shekaliem ter inlevering gereed moest houden. Noch de verklaring van Baee, noch die van Arnheim doen de woorden ook maar eenigszins tot hun recht komen.

2

) Ps. 17,14 worden de woorden 'n fn dito», waarop onze plaats zin

3

speelt, in Jalkoet II 671 o. a. aldus verklaard: doe mij worden, zegt David,

4

tot een van die helden des geloofs, die onder Uwe hand sterven, o God!

5

Op dezen Midrash doelt onze dichter. Het is ook mogelijk, dat hij aan

ocr page 543

D^pi? r^anp ny

I liny * ym HTV HT nnvV- * pxbi n^obö * nr rps nun1? nxr n^quot;i3 : nobb Bh'n ^to

T IV T : V I I-; -: - T tt quot; : * . .**1

• nnn ^ rna jrapD m_iï rquot; • nrini nv 0^07 Dnpnb

: nr jno nn f3 yvb quot;tiï mï

• D^nüio 1 on Di#n ba • D^niö^ ib d^3 iatf K'pS 'öp: bna • D^nap rn

: D^nan n»no « nnx -jna • D^np nvnnb na nn;_ D^ni D^rvp • hnt «♦n naivp

naiS Nip * D^npa biö ri^ bn1? pvp * Q^tpf an * nöD» «b itfK D^ an : D^ip^o ^«ns ^in

• nannb noa inn ansn * iSDnb onü^ö

.. t • ; vi- ; -r : v ^1 ; • : •• t • : * : v quot; * t

npapa nra onij^ : nsn'pi nsa1? yps bai «]pa Fn • nan1? onix TNT * lajn1?

: iai^n ba nn inar1? anioir • nannb D^aa oniaa

de andere daar voorkomende opvatting denkt, die in d\i» de heldhaftige vorsten ziet, die Israël verdrukt hebben. Dan moet vertaald worden: //laat Hij onttrekken kracht van arm en hand aan de machtigen.quot; ^cn in overdrachtelijken zin beteekent echter, ook bij de Paitaniem, steeds: den arm tot den aanval ontblooten. Daarom komt mij de eerste opvatting waarschijnlijker voor.

') cpS Tui Sijï. rp1? = npVis, de late regen, hier de rmn St? Sc, de dauw, waardoor God «op het einde der dagenquot;, — daarom de uitdrukking cpS, — de dooden zal doen herleven.

8) Hoewel alle dertienjarige mannelijke personen, voor zoover zij lichamelijke teekenen van manbaarheid hébben, tot de vervulling van alle plichten zijn geroepen, kan lijfstraf bij overtreding van verboden eerst op twintigjarigen worden toegepast. In het algemeen kunnen lijfstraffen niet worden toegepast, tenzij den aangeklaagde onmiddellijk vóór de daad door twee getuigen is onder het oog gebracht, aan welke overtreding hij op het punt staat zich schuldig te maken en welke straf daartegen is bedreigd.

9) rjir en mms worden in den Thalmoed aldus onderscheiden ; mnw» is het verbod zonder meer, 0:13? de daartegen bedreigde straf. Dikwijls echter komt mni.s' voor in de beteekenis van: verbodsbepaling, waarop de straf van mpSn, geeseling, staat. Dit beteekent het waarschijnlijk ook hier.

10) Zie Thanchoema, ed. Buber, Ex. 30,13; Pesiktha, Shekaliem 196; Jalkoet t. a. p. quot;isirn Ss wordt daar verklaard; elke overtreder.

ocr page 544

JOTSEROTH.

Van toen af ging de geheele gemeente der heiligen geregeld voort, op drie tijdperken [elk jaar] de heffing [uit de bijeengebrachte Shekaliem] te nemen ten behoeve der heilige offers!), eene som, bestemd voor [het onderhoud van] bressen in het tempelgebouw en alle vuuroffers, geeft men in de hand der priesters het geld voor de offers.

Wend Uwen blik op onze ellende, onzen nood, onze vertrapping in het diepste slijk, aanschouw onze verdrukking, laat ons niet langer vertreden, maar roep vrijlating uit, om ons als voorheen daarmede te bevrijden, en geef eene menigte van volkeren als losgeld voor onze ziel 3).

Herinner U, de van den moederschoot af door U gedragenen uit hunne diepe vernedering op te heffen, gesterkt, gekroond met den glans van hun schoonste sieraad. Het machtige zegelied, waarmede zij U aan de zee verheerlijkten, zult Gij gedenken hun, wier aantal is als het zand der zee!

De Eeuwige zal koning zijn in eeuwigheid; Uw God, o Tsion! door alle geslachten, — Halleloe-jah! En Gij, Heilige! troont op den lof van Israël! o Almachtige !

Wie kan schatten alle gemonsterden, die naar maat, noch lot te bepalen zijn ? Een verbond is met hen van oudsher gesloten in het boek der geboden, dat nimmer de maat zou minder 3) worden, dan in het boek der tellingen (Numeri) aangegeven. En mochten zij ook al zoo gestraft worden, dat slechts enkelen van hen overblijven, die alleen staan als een mast of een signaalstok 4), toch zullen zij nooit minder worden dan afgepast5) zes maal honderdduizend ; en ook al mochten over hen in toorn plagen en gramschapsuitingen als straf worden uitgesproken, dan is hun voorgeschreven, geld als lossing te geven. Eiken avond vertrouwen zij hunne ziel in Uwe hand en elk oogenblik van den morgen worden zij onderzocht en bedacht. En mij, hoe dierbaar zijn mij de voorschriften voor deze gemonsterden, die zich zoo gaarne lieten tellen. Behoed de gemonsterden en die gemist werden, maar die afwachten, om door U beschermd te worden en die zich nederbuigen voor U.

Levende en Eeuwig bestaande. Eerbiedwekkende, Alverhevene en Heilige!

') Shekaliem 3,1. De Shekaliem, die gedurende de maand Adar door

feheel Israël naar Jerusalem werden opgezonden, werden daar in eene amer (nwS) in drie groote kisten opgestapeld. Drie malen in een jaar nu ging men met drie kisten of manden van drie Sea inhoud die kamer binnen en schepte uit de daar liggende Shekaliem. Dit heette nx om rooSn. Het geld werd gebruikt voor den aankoop der verplichte offers, die door en namens de gemeenschap gebracht moesten worden (dagelijk-eheel Israël naar Jerusalem werden opgezonden, werden daar in eene amer (nwS) in drie groote kisten opgestapeld. Drie malen in een jaar nu ging men met drie kisten of manden van drie Sea inhoud die kamer binnen en schepte uit de daar liggende Shekaliem. Dit heette nx om rooSn. Het geld werd gebruikt voor den aankoop der verplichte offers, die door en namens de gemeenschap gebracht moesten worden (dagelijk-

79

ocr page 545

D'Vpp nrnfiV manp tay

nvbm onn • mj; Va tnjö non

* D^k bai n^n pnab naian i'n * D^tp nonn

• * t : • iquot; quot; 1 viv : t : * tP*: quot; ;

: D^npn «]D3 D^nsn n»a nn

Sa irana ra^n * utfa-i ca^p -I»Ö pxa fan nn • ia TNoa im K^pn Fn • WB'^an

: liK'fia nnn d^k1? |ion

una onm D^aion • i oni wm nbyrh quot;iiarn

: • ; • : t ; t • - r •• i ; ^*: - : : •

mam • d» by ti^ cjpin ?»quot; • on^ aits : DT! Vina Diaoo

t ~ : tt : * - :

: n'lVVn ini iib |i'v DVI^V « ipw : NJ VK VxTty» mbnn a^v i^i-ip nnw

t quot; quot; t i • : •• It t - :

nS t^Vnai Vana • anipsn .Sa ^pb i bsv v ion» ba1? • Dnipaa tnd io1? nnna nna • anpa:

- : v - ; • I • ; t •• it t : • ; It : •

• DnpaiQ nn^v oaai pina dni • onipan i^oino jran

It; it: •• - : I v i : • : • I • - v • •• vit -

e]Na DKI • DnpT:ö Kian IL^OV nb

onaipi ap^, Vaai • onpaio i on laia nn s]Da * onpaio h) ' onpstfi o^na; npia Paai * an^paa ^n^a nioip : onpanani onipan nbx * ampan quot;by np» na : Dnip • onp^a nvn onpitfi • onpaii onipa

: ora K-JU Dp.i:

sche en feestoffers enz.) en voor allerlei zaken van algemeen nut. Zie Jeroeshalmie Shekaliem 4,4- (Vgl. den nw nposn1? iïti).

^ Zie Jes. 43,3.

3) Hoogl. 7,3; vgl. Thanchoema begin van Numeri.

4) Ontleend aan Jes. 30,17.

s) cipj» van rmpj, punt.

ocr page 546

JOTSEROTH.

Toen Israël's opvoeder [Mozes], het voorschrift hoorde: «Wanneer gij het aantal hoofden zult opnemenquot;, werd hij verschrikt en beangst: „Hoe hun getal uit te vorschen ? Een volk, „dat niet gemeten noch geteld zal kunnen wordenquot; hoe zoude ik hen tellen, daar zij immers niet te tellen zijn ? Nadat tot den oorsprong van hun bestaan [Abraham] gezegd werd: „zie opwaarts en tel [de sterren]quot;, kwam Hij daarop terug en werd hem geantwoord : „Zoo gij ze tellen kuntquot; 2) ; hun kroost nu — het is als het zand der zeeën en als de [door U alleen] getelde sterren, — hoe zou ik ze kunnen tellen, daar zij steeds meer zich vermeerderen?quot; De Hoogverhevene deelde hem mede een teeken voor hun telling, hoe hen te berekenen en hun aantal te bepalen. «De getalwaarde 3) van de eerste letters hunner namen moet gij bij elkander optellen, dan zult gij ongeveer hun aantal in handen krijgen.quot; — De edele derde stam (Levie) werd niet te midden van hen gemonsterd, want men telt het koningslegioen afzonderlijk. Hij toch was van den moederschoot af aangewezen, om op den post bij het heiligdom aangesteld te worden, — zijn leger en zijne ge-monsterden werden dan ook geteld van af een maand oud. — Toen hij (Mozes) hoorde het gezegde: „ieder zal losgeld gevenquot;, sprak hij: „waarmede kan de „edele Druiventrosquot;4) verzoend worden? Wat kan een schepsel geven als lossing voor zijne ziel, om genade te vinden voor het aangezicht van Hem, die zijne ziel in hem heeft geplaatst ?quot; Daar nu de Heilige dit volk van schuld wilde bevrijden, toonde Hij hem in een visioen als een munt van vuur. Hij leerde hem : „laat hen dit geven zonder dralen, en allen kunnen zij mededeelen, wat zij gegeven hebben 6).quot; o God, wij vonden U niet Uwe almacht ons toonend, gelijk Gij hebt uitge-wischt de zoude van de in kracht reeds sterken 6J. Albarmhartige, gelijk Gij U over de door U gedragenen ontfermd hebt wegens het verzoeningsgeld, wend U zoo tot onze lippen, die [met gebed] het stierenoffer trachten aan te vullen !7)

o God! tot in eeuwigheid zult Gij verheerlijkt en tot in eeuwigheid als heilig geprezen worden en tot in alle eeuwigheid zult Gij regeeren en boven alles verheven zijn. Gij, God, Koning, eerbiedwekkend, alverheven en heilig, want Gij zijt immers de Koning aller koningen. Wiens koningschap eeuwig duurt! Verkondigt dan Zijne wonderen,

') Hoshéa' 2,1. Het stuk behandelt een Midrash in Thanchoema Ex. 30,13 en Pesiktha, Shekaliem 176. a) Gen. 16,5.

3) npa het resultaat van het onderzoek, d. i. hier de getalwaarde. Telt men namelijk de eerste letters van de Hebreeuwsche namen der stammen, met uitzondering van Lévie, bij elkander op, dan krijgt men 597, zoodat aan de 600 duizendtallen nog drie ontbreken. Deze drie zijn de bij gelegenheid van den dienst van het gouden kalf door de hand van Levie's zonen gevallen drieduizend man (Ex. 32,28).

EXODUS. K

80

ocr page 547

D^pi? ntmsb nianp Ö

.■rhp 'ava toSs win 'ün-i

DniK nn»1) Sn • nx x'fn »3 joiA

Dquot;lÖpK HD^K * IfiD» N1?! 1Ü\ üb lamp;N 0$ : ^1*n

a^vi 2v • quot;iisdi üan iV iönjs : naonb i:n: ah) ♦JXI * Dmap D03131 qw Vina D^IT ; -iiao1? ■ VDW DK

• Diapü nix iS nri on : ons diödk |i3f nV oniDB' i lips : onap ^ nio^i Dni:»1? DDina quot;i^ : nbyn TN D^JÜ mpi • nb^n npan1? |D3p mtrn : I^SJ npb |i^ »3 • -ipain I^O^S : tyin |3p D^DJ vripai iX3ïi • ^n'pjn nnoK'pa

: quot;ifiisri nxiw na? * 133 i:n:i ioik rn^ : i^s; d'^ ♦jö nr:n nïo^ • it^a: 1 jins in» np rv* : nTns3 mK-in ÏTN ^spp f»p3 * nT D^ pn^nb ^öns iT : i:nj hk isn» VsVi * wnpn: tibi, un» nr naS mnn : nb maa «an n^p: quot;15^3 * nb twv timvn ab

' 1 •• 1 • ; •• t i !••• v -: - - 1 • - i 1 t ;

: ona irna'r nyv |3 * anias S]p33 noni|

• D^p^i^ ^biybi - E'npin abi^i * p^in atyb K: bx ♦3 * ^npTi Diia tril: • rjbp btin - Kfrjnrn ^iVpn

• in^ vnimi: * n^j inisbo • o^ban obn ribo Nin nnx

• • t • - iv : - • t : - - i •• iv t ~

4) Hoogl. 1,14. De uitdrukking wordt (Shabbath 881)) aldus op God toegepast: S.s-icn1? 13301 iScf isan Sacs. Zie voor den Midrash, die hier behandeld wordt, Thanchoema t. a. p. en de geïnterpoleerde plaats in Pesiktha pag. 18i.

5) Daar arm en rijk een gelijk bedrag moeten geven, behoeft de een zich voor den ander niet te schamen en kunnen zij allen vrij uit bekennen, wat zü gegeven hebben.

6) De zin schijnt te zijn: terwijl Gij toen, bij zoo groote zonde, ook den volwassenen hebt vergeven, blijft thans üwe gramschap tegen ons aanhouden en toont zich nog steeds Üwe genade voor ons volk niet. Wel brachten zij in de woestijn hun Shékel-gave, maar neem van ons onze ernstig gemeende beden in de plaats daarvan aan! (Vgl. echter Pesiktha, isn1? ■oanp ns, pag. 62n). quot;) Vgl. Hoshéa' 14,3.

ocr page 548

JOTSEROTH.

verhaalt van Zijne macht, roemt Hem, gij. Zijne scharen, heiligt Hem, verheft Hem, in luiden jubel, in zang en lof prijst de macht Zijner roemrijke heerlijkheid!

Totdat ik mijn hoofd weer kan opheffen, gelijk van oudsher, om de heiligheid te verkondigen van den Heilige!

Totdat Gij ons in de weegschaal des rechts doet doorslaan tot rechtvaardiging. Gij Eerbiedwekkende en Heilige!

Deze feiten gedenk ik, wat is geschied, toen ik veilig en rustig op den goedgevestigden en verheven tempelberg vertoefde; doch thans ben ik [door God] versmaad wegens overtredingen ^ — hoe kan ik dus mijne Shekaliem aandragen ? Omdat ik mijne Shekaliem niet voldoende opbracht, zie, daarom weeg ik ze heden als cijns voor den verdrukker3) en door de zonde van valschheid bij het gewicht ben ik in de macht van den booswicht overgeleverd 3). Omdat mijne Zoeziem 4) ik niet gaf, toen ik in vreugde woonde, ben ik verplicht een Drachme5) te betalen voor ieder, die uit de ballingschap [naar Palaestina] optrok ; ook zij gingen te gronde en, van alles ontbloot, ben ik naakt blijven staan. De drie kisten, ieder juist drie Sea inhoudend, die [in de Shekaliemkamer] werden binnengebracht om [van het daarmee geschepte geld] te koopen het offergeschenk van gemeste stieren en lammeren 6) zijn mij ontnomen en zij dragen niet meer de zonde van mijn onrechtmatig voordeel! Het bepaalde aantal der bussen 7), die voor de nieuwe Shekaliem, die voor de oude Shekaliem, en die, waarin men zoo rijkelijk de vrijwillige gaven stortte, zijn zoo lang reeds van mij geweken, en de zaak is overbekend 8). De machtige feestvierende menigte, die als een rivier aanstroomde, is verstrooid en ik ben eenzaam overgebleven als een mastboom op den top van den berg; mijn verblijfplaats in rechtvaardigheid [Jerusalem] ligt verwoest als een puinberg ! Roep dan het [verstoorde] vogelnest naar den «hoogste der bergenquot;, om als van ouds het hoofd der door U gedragenen daar te verheffen en de zeven [herders] en de acht [mensehen-leiders] 9) zult Gij dan aan hun hoofd plaatsen!

Dan zal heiliging U ter eere opstiisen, want Gii zijt de Heilige van Israël en de Helper!

■) Anderen: naar alle kanten, doch dan moet bij MiSrJ een werkwoord bijgedacht worden: en hen verstrooid.

'') law, slavenhouder, evenals Di-nsi, zij zullen hen tot slaven maken (Gen. 15,13).

3) TiSpw, eig.: ben ik als deel toegewogen.

4) Een Shékel of Séla' heeft vier Denar of Zoez.

6) 'Ezra 2,69. Omdat Israël zijne Shekaliem niet opbracht, ging het in ballingschap en moest bij den terugkeer uit Bahel door eene vrijwillige bijdrage het geld voor den tempelbouw gevonden worden; volgens de aangehaalde plaats o. a. 61000 Drachmen goud.

6) Zie Shekaliem 3,2 en boven pag. 79 noot 1.

81

ocr page 549

niriab mnnp «a

•nn^n^p-) ^niöoii imtrip • vk^ï mms *it^ nsp : m-i^n niVnri ^in

: E'npn1? * PUlti 103 • ^np pn

: ^npTi «ni: * p-u1? • p-iï ^tnö3 ny V rquot;

2quot;S Dquot;i?

|13:3 LJpB'i nüs \nvn3 * nvy) ivtt nx n^m nbx

^p^i 15^3 * K'^ji.

Npnsi * ^p.B' Di'n 131^ dd1? Dan * t^P# tib i# 'nsn * n'Vp ♦rin «b1? nu : ♦nbpty: vvib t bpiï ^oTjmi on D2 ^3D * nbu fiosin Q^B'n1? npa1? niDi^ * d^d ni3p amp;hamp; ; rhtö

iquot; iv : : * : t •-. ; (•.. t v i t •-. :

nn^iity mp : D'N^U ^Ï3 pw /inp^ * D^'^I D^np ^ iid * ppn^ü vn D3 n^N ni3quot;ij • pp»n^i prnn p^pn • nn:3 t]L2ity jjin pon dïi^ : pp^ Dnrnrn »30 nps Sns TyriB' ni^o pnï • inn ^nis pms nia is mos * onn Dinpb Knp nsv lp •' in

: onn Dn^^ njio^i njpi? * Dnnb : ^^101 irnp nriK »3 n^np n^n ^1 p3i

7) Shekaliem 6,5. Dertien bussen stonden er in den tempel; en zij voerden tot opschrift; 1°. nieuwe Shekaliem, bijdragen voor het pas begonnen jaar, die na 1 Nissan inkwamen; 2°. oude Shekaliem, die men van het vorige jaar nog schuldig was en die eerst na 1 Nissan, de intrede van het nieuwe tempeljaar, werden ingezonden, enz. en de vijf voórlaatsten waren bestemd voor de overschotten bij den aankoop van verschillende offers, voor welk geld, evenals voor den inhoud der laatste bus, die het opschrift: vrijwiUige gaven droeg, brandoffers als vrijwillige gave gebracht werden. (Volgens Jeroeshalmie Shekaliem 6,1 heeten die bussen nnsw, omdat zij, evenals de Shofar, van boven aan de opening nauw zijn en naar beneden toe breeder worden). Volgens eene andere meening in Jeroeshalmie t. a. p. zouden de zes laatste bussen eenvoudig voor de vrijwillige gaven bestemd zijn geweest; er waren dan wegens de ruim toevloeiende geschenken zes bussen voor noodig.

8) I Kron. 4,22.

9) Miecha 5,4.

ocr page 550

JOTSEROTH.

•pi'VD

Toen zaagt Gij en teldet, bereiddet en onderzocht!), hebt lengte, gewicht en inhoud vastgesteld, uaar schatting bepaald en opgehoopt, hebt gemonsterd en berekend en getal bepaald, bijeenge-teld en opgesomd, hebt bepaald en beslist, besloten, naar handbreedten vastgesteld en maat aangegeven, hebt aanschouwd en overdacht, met overleg gehandeld, nauwkeurig bekeken en overzien, hebt geschreven en gegrift, gegraveerd en geteekend en uitgehouwen, hebt geleerd en bekend gemaakt, medegedeeld, onderwezen en besluiten verkondigd, geboden en geroepen, hebt aangeheven te spreken en gezegd: elke telling en monstering en hunne getallen; elke weging en weegschaal en gewichtzak en hunne onderdeelen; elke inhoudsmeting voor natte en drooge waren en hunne maten ; elke lijn en ruimte-bepaling en lengtemaat en hunne hoeveelheden ; hoe nauwkeurig te bepalen het aantal van alle dingen, opdat niet de berekening verward worde 8) en weggespoeld worde en verga. Men begint met de lengtemaat met [een weg van] vijfhonderd jaar 4j, totdat men eindigt met een kleinen vinger.

Eene dagreize is namelijk tien Parsa en elke Parsa is vier Miel, (mijl) en de maat van een Miel is zeven en een halve Ries en de bepaling van den Ries geschiedt door dertig Kané (roede). De maat van den Kané is 6 Amma (elj en één Zéreth (span), elke Amma meet een drietal Zéreth, en de Zéreth strekt zich tot tweemaal uit over den Siet (handbreed =i Téphach) en vier vingerbreedten is de Téphach of Siet5).

En evenals een lengte-maat is gegeven voor het meten der aarde, zoo is ook een inhoudsmaat gegeven voor de voortbrengselen der aarde, beginnende met [een inhoud van iets, dat eene diepte heeft van eene reis van] honderd 66 jaren, totdat men eindigt met [eene inhouds-bepaling bij eene lengte, breedte en hoogte] van een zesde van den kleinen vinger. De groote Oceaan is een derde van de bewoonde wereld 6) en wordt dus berekend op iets meer dan 166 jaar-reizen. Zijne diepte is 24 maal grooter

^ Naar Job 28,27. Het getal der 39 hier gebezigde werkwoorden beantwoordt aan de 39 hoofdgroepen der op Shabbatli verboden handelingen.

s) Arniieim ; rosni hebt opgestapeld.

3) dSji, van dSj, eene onafgewerkte massa, klomp.

4) «Een weg van 500 jaar is een bij de Rabbijnen veel gebruikte uitdrukking voor een //onbegrijpelijk grooten afstandquot;. Zoo zegt de Thal-moed, Chagicga 13«, dat de afstand van de aarde tot het uitspansel, de dikte van het uitspansel, eu de ruimte tusschen ieder der zeven hemelen telkens een weg van 500 jaren is.

5) Vier Etsba' zijn dus een Téphach; 2 Tephachiem een Zéreth, drie Zéreth een Amma; de el heeft dus zes Tephachiem. 61/, el zijn een Kané, roede-, dertig roeden zijn een Ries = 190 el; 71/» Ries zijn een Miel (mijl) = 1425 el; een Parsa heeft vier mijl en is dus 5700 ei en een dagreize 57000 el, tien parsa. — De lengtebepaling van den Mijl op 1425 el is in

82

ocr page 551

• rh^ rhpv) mnoi • nipni mam • möDi nw m

t : i- ; t : i i-t : t ; i- t t : i i-t : t : i- •• : t ; r t ; t r t t

' möDi mw - nü3Di nnt^m nnpai • mnn maNi

t ;i- • : t r t t : r • ; t : r t : t rlrr t :i- t : t :i- t ;

nwm rmm * n^i nnstJi * mm navpi

t : iquot; •• : t : i- • : r :*i-• : t : i- • : t ;i-t : t : i-t : t : i-|t:

nppni * ntnm nanDi mpoi • nityi nbairni

t ;r • ; ti: ii-t : t : rr : t ; i- t : t :lrr : t :i- : t ; r ; • ;

nnvi * mni mim nnni • nvmni rnabi * mm

t itIt: t r • : t :i-t : t iquot; : t r • ; t*: iquot; : t : i- • : t i-t :

• viappi pafm npfipi ba ; niaNi rnam

• vy) nV i * iniui Dpi Dgt;31t bi - bi) p'2^n p^pn^ Tj^n : ino 2ïpi ip bs ^pnö nnnpa Vnnp : quot;in^vi jia^n Dbjv

Dl* : nsüpn n^Dp Ninty 1% - rn# nixp niDi : nD-i3 Va x^n * nDquot;ii3 NIH

t : - t • quot; r : - : t : - tt -

: onn avp. Kin D»:p * on nïnoi ^sn

: mD wbv mnia hök bm - mn nisK wamp; mpn

vit- • : viv t - t : vivt - •• v|t- ^ ;

nfian «in ni^2ïx yaiN'i • □♦pa -i# nnnio m-ni, ' Va |rn i ja • mnpb nnp n:n: laai : trprn IV - ruty i vw) hkso b^nno : pxn nnbin1?

tt •• ; • • : t •• * • ; - | vit t : :

bnan o^n nr : nagpn yavx nin^a rfrap on^a ipp^ : atjrinp vgt;v\ d^b'i nxpa * atfi»

strijd met hetgeen ons uit den Thalmoed bekend is. Daar wordt de Miel altijd op 2000 el berekend. Reeds Rashie, Joma 67a wijst op de onjuistheid van de hier door Kallibr gegeven voorstelling. 'Aroech s. v. on, geeft dé berekening eveneens op 2000 el aan en leest Roes, niet Hies, in den naam de berekening neêrleggend; T'/o maal 266, de getallenwaarde van on, geeft 1995, dus ongeveer 2000 el. — nu is de afstand tusschen duim en middenvinger, zooveel mogelijk gestrekt, — '/j Amma (el); cd is het kleine span, tusschen midden- en wijsvinger, waarvan vier een el vormen; Sissn cd, de dubbele siet, waarvan drie in een el gaan, is de spanning tusschen duim en wijsvinger. Deze laatste wordt hier Zéreth

genoemd (zie Shabbath 106a, vgl. 'Aroech s. v. rp enenoemd (zie Shabbath 106a, vgl. 'Aroech s. v. rp en bd, vgl. Rambam en ,ash 'Orla 3,2). Een nïd is gelijk 4 duim- of 6 pink-breedten.

6) Die een weg van 500 jaren diep is (zie Chagiega 13a, Thosaphoth, Chag. 12o), een derde daarvan is 166 jaar en 8 maanden, wat hier met ■nn wordt aangeduid.

ocr page 552

JOTSEROTH.

dan de dieptelijn van de Schelfzee, en de Sehelfzee heeft 72 maal den omvang van den Giechon, en de Giechon omvat zestig keelde maat van den Euphraat, en des Euphraats kracht weegt op tegen die van de beide [nog niet genoemde 'Eden-] stroomen [Pieshon en Chiedékel], en de beide stroomen overtreffen de lengte van den Jordaan, en de Jordaan is vijf maal zoo breed als de koperen zee in het heiligdom, en de koperen zee heeft een inhoud van honderd vijftig voor ritueele baden geschikte waterreservoirs En de maat van een Mikwé is zooveel als twee Chomer bij drooge waren 3), en de maat van eiken Chomer is gelijk twee Léthech, en elke Léthech houdt in vijf Epha; en elke Epha geeft tien 'Omer en elke 'Omer is zeven kwart [Kab] en een Kela, terwijl de Kela iets minder is dan een honderdste van den Sed.3) En de maat voor drooge waren houdt aan natte waren een derde minder in 4); de Sea voor natte waren nu is een derde van een Bath en elke Bath heeft een inhoud van zes Hien, de Hien nu houdt in zijn geheel in twaalf Log en de Log wordt nogmaals verdeeld in vier kwarten; zulk een kwart nu is aangewezen voor den viervoudigen heilsbeker 5); en zulk een beker omgeeft eene ruimte van twee vingerbreedten [lengte] bij twee vingerbreedten [breedte], bij eene hoogte van l5/r, vingerbreedte. 6)

En evenals eene inhoudsmaat is gegeven voor de voortbrengselen der aarde, zoo zijn ook grenzen bepaald voor de dagen dei-aarde, beginnende te tellen van het overweldigende getal zesduizend, totdat men eindigt met de oogenblikken op aarde. Want de geheele wereld zal bestaan zesduizend jaar7), makende [ongeveer] 52/3 groote omloopsperioden, en het getal jaren van elke periode is gelijk aan 22 Jobel-tijdperken, en elk Jobeljaar valt in na zeven jaartveken8) ; elke jaarweek nu bestaat uit 28 jaargetijden 9), en de dagen van elk jaargetijde zijn Ol1/.]; de oogenblikken van den dag zijn 576, het aantal momenten van elk oogenblik is gelijk aan dat der oogenblikken van een geheelen dag 10), en wie nog nauw-

') Zie Pesachiem 109amp;.

s) Ez. 45,11 en 14, zie Menachoth 770.

3) De Chomer bij droge waren is dus 10 Epha ii 3 Sea = 30 Sea. De Epha = 3 Sea a G Kab = 18 Kab. De 'Omer = Vio Epha = 1.8 Kab = '/4 Kab 0.05 Kab, d. i. een Kela. De Kela is dus Vsoo — Vise Sea.

4) Kéliem 15,1; een voorwerp, dat 40 Sea natte waren inhoudt, kon 2 Kor, d. i. 60 Sea drooge waren bevatten. Drooge waren toch laten zich boven den rand der maat tot een kop ophoopen, welke kop dan tot de helft van den inhoud der maat kan bedragen. Een bak van een inhoud van twee Chomer, dat is zestig Sea, drooge waren houdt dus slechts 40 Sea water; zooveel nu is de maat voor het ritueele bad.

5) Een vierde van een Log (niet zooals Aknhbim vertaalt; het kwart is het viervoud van een beker) is de hoeveelheid, die wordt vereischt voor ieder der vier bekers wijn, die op de beide eerste Pésach-avonden bij het

83

ocr page 553

D^pt? plV'D

• |in^ D^3^3 tpü) * tjiD nnüV

quot;p -1533 ispn msrn * nis mö| ^♦ödö iin^i tITnquot;! * IlTn ^niNa D^n^D nnnan ♦je*) - nnnan

• niKipü D^pninNO biarn on • bmn D:3 n^on n^nia ^^3 loin V3 niy^i * 1^3*3 onon ^#3 nipan müi

„ : . vi t ' : quot;t : • t *; •• : • v|; • - - •

niriy nö^ V31 * nia^ ^an bo'» Tin1? 1 b3i * o^nb

t t •• t : *• quot; t • t i viv t : • t ;

nn« nbsni * nbsi n^3^ noi^ • Dno^; nn^ nKDi * r63 wbv mon ^3* nNDi * n«D3 iiyi hksd

- : - : • : tquot; -: •• x - : t : • ^ ; t •• •

pnni -^ns npTno ns -nss nfbfn nnx n^n

• D^3quot;I n^snx1? pbnnp ni^i * xb quot;1^ 1^3 b# D^SÏK 331D 1 Di3m * nijna* Di3 fsio JDTI 1 ^3 fn; 1031 : d^svno ninip npn nnii bjn * d^3V« niipb 1 Vnnp : pxn »0^ fn: 113 * pNn nnbin1? oVi^n *3 : pK ^■13 nbpo Kinc^ nj? * pj£ ♦öbK n^tro I^di * nnirnp 1 on» n-^an Dn?iy * D'öbN 1^3 ninsB' yzv nr^i * mbsv on'^s HTnan man * niaipn n:io^ on^s o^f n ninsBh *

jni«D tron Di'n ni:^ * Dl* IHKI a^irn nsiprin p^ipnpn^ • Di»n bs niiips n:ivn d^3^I

voordragen der Haegada moeten gedronken worden (zie Tosaphoth, Pesa-chiem 109a). Een Log heeft een inhoud van zes middelmatige kipeieren; de nu^ai houdt dus l1/^ ei.

6) Zie Pesachiem 100a.

quot;) Sanhedrien 97a.

8) De jaarweek heeft natuurlijk 7 jaren, de Jobelperiode dus 49 jaren, elke Machzor dus 22 X 49 = 1078 jaar; 6000 jaar zijn dus 56II)/10.3 Machzor, dat is dus S2/., — 163/i6i7) d- i- dus bijna Vio kleiner dan 5a/,v

9) rsipn, eig. omloop, nl. van de zon; v. d. de 4 perioden telkens van ± 911/3 dag, die te zamen het zonnejaar vormen.

10) De uren worden, naar Thosephtha Berachoth 1, verdeeld in 24 nwr, elke 'Ona in 24 dw, elke 'Eth in 24 □TJn. Een dag heeft dus 24 uur, d. z. 576 'Ona, en elke 'Ona heeft 576 Rega'iem.

ocr page 554

84 JOTSEROTH.

keuriger wil rekenen verdeelt elk moment opnieuw in een aantal onderdeelen.

En evenals eene berekening is gegeven voor alles, zoo is ook schaal en gewicht voor alles vastgesteld, beginnende met een Kikkar tot de kleine Peroeta. De groote Kikkar!) weegt zooveel als twee Mané, de Mané komt op zestig Shekel3), de Shekel wordt berekend op 25 Sela' 3), de helft van een Séla' is een Béka', en het kwart [van den Séla'] een Zoz ■, de Zoz wordt weer verdeeld in halven {Péleg) en het vijfde [van een Zoz] is eene Ma'a, dus is de Zoz. vijf zilveren Ma'a, en de Ma'a heeft twee Poendion en een hsar naar het voorschrift, en de Issar komt op acht Peroeta, dus heeft de Béka' 400 Peroeta 4); dezen allen zijn in de heilige Schrift ingegrift en door de mondelinge Leer in bijzonderheden uiteengezet. En tot zoover als de sterveling kan rekenen, is het hem toegestaan te meten en te berekenen. Naar zijne kracht en de geringheid van zijn vermogen is voor hem de kleine som van zijn Shékel-bijdrage bepaald. Maar naarmate van zijn verstand moet ook zijn lof aan God zijn: groot is onze God en machtig is de kracht van Zijn kunnen ! daarom hoop ik op Hem! Want Zijne maat en Zijn gewicht is in overeenstemming met Zijne grootheid; alle schatkameren van sneeuw en wind heeft Hij met Zijn gewicht in de weegschaal gelegd; de wateren der schepping mat Hij met de holte Zijner hand; de hoogte des hemels bepaalde Hij naar den omvang van de spanning Zijner hand; en alle overoude bergen woog Hij op Zijn vinger; en de eeuwige heuvelen steunde Hij door den glans van Zijn duim; dalen en al hun stof omvat Hij met den middenvinger; om den Egyptisehen krokodil5) te verslaan, heeft Hij zich Zijne rechterhand gereed gemaakt I Zoo blijkt dus de maat van geheel de door Hem geschapen wereld, bij elkander genomen slechts zooveel

') Bedoeld wordt de Kikkar des heiligdoms, die dubbel zoo groot was als de gewone Kikkar.

') Waarschijnlijk duidt de schrijver met dezen naam den gouden denar aan. In den Thalmoed is Séla' hetzelfde als het Bijbelsche Shekel, die in vier Zoz of zilveren denaren verdeeld wordt.

s) De Kikkar des heiligdoms is dus 2 X 60 X 25 = 3000 Séla' (vgl. Ex. 38,25 en 26) of 6000 Béka'.

4) Een Béka' heeft twee Zoz, deze vijf Ma'a, deze weder twee Poendion en een Issar, dat is een halve Poendion, en de Issar heeft 8 Peroeta, dus heeft de Poendion 16 Peroeta, dus heeft de Béka' 16 X 2,/.2 X 5 X 2 = 400 Peroeta. De berekening, hier door Kalmer gegeven, wijkt geheel af van die van 'Aroech s. v. -od en ap, vgl. Maim., Mishna-commentaar, Kiddoeshien 1,1. Daar toch wordt de Séla' verdeeld in 4 Zoz of denaren a zes Ma'a; de Ma'a heeft twee Poendion, de Poendion twee Issar, de Issar acht Peroeta, a Va gerstekorrel zilver. De halve Séla', Béka' genaamd, heeft dus volgens die voorstelling :2 X 6 X 2 X 2 X 8 = 384 Peroeta. 'Aroech be-

ocr page 555

ntina1? piVo ia

113 * Vb ^ |ni laai : D^J-I HSD1? vr\n pbnD

♦ natapn n^na quot;imd Vnna : bbb obai bp^p |n:

* VpB' Dquot;^ 1% rbiy njsni * n:o VttD Vnan 133 ^pa vvn ^dhi ♦ jrSp ^pni on^s 3^nnp Vpfnquot;) TiTn nïo: * pVnnp Titni * tit jrrn iD^ni * rn3 ID^I ni3in:fi w n^ani * e^ps ni^o tran

• niüna niNp y3quot;!K3 ^p|n nïd; * niiavia njiüK' ij? nbijr B'iiNE' Dipa quot;i^i : niü^iap * niünn 3na3 Drii; ♦abi iri3 'Sb : nijp1? DJI ib noa; * niao1? 1 ^13^ |3 63^ : ibp^ fin üi^p ib axpm * i^n üiyp 1 Vnix |3 ïy • iVn 1 n'3 31.1 bna * iVibn «n^ oba nn nnxix Va * iVna ^aV iVpiri inio *3 * iV

•• • - 1 ; t ; t ' : i: • : t •

pn on *np) * ibyw nbo nn ^mnn 'pi * iV^ps nViy ni^3Ji; * iVpT^ ij;av«3 anp, nnn Vai * imT VVinV * iVpn nnnvs ma^ V31 m - iVijx nina -jon N^ps * IDVI^ nTX' ™ V3 n^ïp: : 6 |pn nis,p pan

spreekt nl. de verdeeling, zooals die geworden was, nadat de Séla' = Snékel met Vb van de nieuwe waarde was vergroot. Oorspronkelijk toch had de Séla' twintig Géra of Ma'a, zoodat de Zoz of zilveren De nar vijf Ma'a telde, zooals Kallier hier rekent. Later voegde men Vs hij, dat zijn 4 Géra op den Séla', zoodat die van twintig op vierentwintig werd gebracht en elke Zoz dus niet vijf, maar zes Ma'a was (vgl. Tosaphoth Menachoth 77a). — Nog in een ander punt wijkt Kallier van 'Aroech af; Bij den laatstgenoemde heeft de Ma'a twee Poendion a twee Issar a 8 Peroeta, dus 32 Peroeta; bij Kallier, volgens onze opvatting en lezing — waarbij de 400 Peroeta voor den Béka' precies uitkomen — 21/2 Poendion a 2 Issar a 8 Peroeta, dus 40 Peroeta. Baer meent, dat voor idni itq gelezen moet worden: rn idw, wat dan zou beteekenen : ook bij den Issar is deze verhouding, dus 2 Poendion a 2 Issar a 2 Peroeta, de Ma'a dus: 32 Peroeta, de Zoz dus 160, de Béka' dus: 320, wat te veel van 400 verschilt, om tot dit cijfer te zijn opgerond. Eigenaardig is het, dat Baer op de woorden: dus is de Béka' 400 Peroeta, aanteekent: «het is eigenlijk maar 384quot;, wat alleen waar is, zoo men den Zoz op zes Ma'a berekent, wat Kallier juist niet doet!

5) Vgl. Ez. 29,3.

ocr page 556

JOTSEROTH,

te zijn als een palm Zijner hand. En gelijk een amulet in de hand van een held, zoo rust de met Zijn zegel geschapen wereld op Zijn arm; men kan niet onderzoeken het grootste deel van de geheimen Zijner macht, hoe Hij lengte, getal en verhouding heeft aangewezen in Zijn hemel, aangaande al wat in verband staat met Zijn troon en Zijn voetbank! Doch de maat van de Koningsdochter [de Thora] is bovenal verheven, in lengte, in breedte, in diepte en in hoogte staat zij boven alles!); want al het voleindigde heeft eene tijdgrens, doch haar woord, zoo uitgebreid, gaat nimmer te gronde. 2) Is de maat der wereld zooveel als de palm Zijner hand vult, haar maat wordt opgegeven met rechterhand en arm en linkerhand ! Is de maat der wereld als de spanning van de pink tot den duim, haar maat volgt een lijn, die zeer groot is. Wordt de maat der wereld gemeten met Va van eene el 3), haar maat stijgt en neemt in beslag tweeduizend el, — naar de maat, die de Godsgezant in zijne verschijuing zag; eene rol van twintig bij tien el4), dubbelgevouwen [en aan beide zijden beschreven], dus veertig bij twintig, dat is 800 vierkante el, en de geheele wereld is slechts een derde [vierkante] el; zoo blijkt dus, dat de wet, met hare maten, naar lengte en breedte, 2400 maal grooter is dan de wereld. Zij nu geeft dei-wereld genezing en heling, met hare rechterhand bepaalt zij alle dagen der aarde en met hare linkerhand weegt zij toe eer en rijkdom en zegen 5). En zij maakt bekend de verborgen geheimen, en zij heeft bepaald de berekende maten, en zij heeft geopend, wat lang was gesloten, en zij heeft gewogen en schatten vergaard. En zij heeft doorvorscht de getelden, op aarde gemonsterd ; en gaf het getal der eng'lengroepen aan; zij taxeerde de hoogte der duizenden hemelsche wezens, die de een van den ander in hoogte verschillen; er zijn er, wier hoogte is groot als d'Oceaan; er zijn er, wier stand is hoog als de wereldruimte 6); er zijn er, rechtop staand, zoo groot als gansch 't heelal; er zijn, die de wereld doorvliegen in twee slagen ; er zijn, haar doorzwevend met enk'len vleugelslag 7), en ieder van dezen, verborgen in zijn leger, staat binnen zijn perken en wacht zwijgend, stil en stom, tot de Koning der wereld verlof hen zal verleenen 8);

') Job 11,9: Langer dan de aarde is hare maat en breeder dan de zee.

a) Ps. 119,96.

^ — 1 Zéreth, zie pag. 82, noot 5.

4) Zecharja 5,2; zie 'Eroebien 21a, waar nsr rhm verklaard wordt: dubbelgevouwen (vgl. Rashie t. a. p.); zij was dus werkelijk twintig bij twintig, aan weerszijden beschreven, dus 20 bij 40 el; de hemel is een Zéreth, nl. de groote Zéreth, in het vierkant, dus 1/.2 X V» e' — lU el') eene verhouding dus als 1:3200. — De dichter, uitgaande van den kleinen Zéreth = '/s elgt; meent, dat een vierkante Zéreth ook een derde is van een

85

ocr page 557

nmsb pi1?^ na

• iünin ynz ' quot;i^quot;) ^ np'ö Manpa^i. 2vpTi™ 'im ' lav^n npnö an niïp1?

• rhyp S'33 -]bö na mo : lüinni iKpa niö ba ^

• nban Vab f p w. ^ • nb^na n?i32 poi^a anna Tj-iixa

• n» no^a N^Da obiy mo : rba xb i^b nann nrnDKi

t - ■ |. t -* tt t tt: tt:-:

•b^N^i.n^Töa obi^ nio :t ^nn |^a n^n: nrnpi ir^iba n-no: abiy n^o : bi* niNü n^K pa nniDi

• : • v iv: • t - ' tt : v -: i - ; t t •

mm rwnoa : HSK D^bxa naoiii nbip nmoi * HSK

t • - ; t - * i- : - ; v iv ; r ^ r r ' t

D^aiN na^ • r\m T^. on'^ nbjD * n^-j i n^v ^♦btra iba obi^n bai * naK niNQ on'^y by

• : • t t t : t - •• v : •: v

vaiKi D-abs4 * naiKi nam n^niioa m nxvo: : na»

^ - : - : • i- : - t : t : t ; t t iv • : - •• ; • t -

• nanw xana abi vb n:ri3 : nanKO i obiya niKD

t -; - •• : - t t t : • : t * -: ~ t t

maan^ nbpitr nbKa^ai -Kp^K^ba navip nro^ai naïp «♦m * mnino ri»an ba n^ nynm «♦ni : naiai

t ; it ■ : : i : ••• t ' ' : t t :

^bp^ xv)' nnun ba nx nnna «♦ni * nniap niip ba

• D^innn ipap pon mpn K^ni : nnsiK ba nK nnv^i ♦abK noip nn^ «quot;m • n^^by nna laoo n:na K^ni □gt;n moa w i anoipa nip nr quot;ib'K *

«boa * onopn abiy b^ ibbna ' onoip bnan

.. : t t it quot;j t v t - ••; t t i t

* obiy Dtiia niD^ wb v'1 : onoipn obiyn ba

.. : x r t ..... .. t t i j tt t

• aby: in^noa nnxi inx bai * obiy D*ay nnK no^b

t .; v iquot;-: - : tv; tv t : t ^ quot; t quot; ~ t :

• obiy Tjbo ni^i in* ny * obKii dditi ax inrnoai

vierkante el, en vermenigvuldigt dus in plaats met 9, met 3; zoodoende krijgt hij eene verhouding van 1:2400.

5) Spr. 3,16.

6) Als de afstand tusschen aarde en uitspansel, waarin zich slechts holle ruimte, Vrn, bevindt.

7) Berachoth 46.

8) Om den heiligingszang aan te heffen.

ocr page 558

JOTSEROTH.

Zij zwijgen, totdat eerst het oude volk Hem prijst ï), Dan barsten zij uit om den eeuw'gen God te roemen. Wie ééns bracht zijn hulde, — die zal het niet herhalen. Want zie, in den vuurstroom vergaan zij daad'lijk weer 2). Waaruit dan opnieuw dergelijken zullen komen.

Die jubel en lofzang doen klinken. God ter eer!

En de bogengewelven3) en vleugelfladd'rend' eng'len — Zij jub'len in zangen en lied Zijn macht. Zijn roem; Seraphiem, verheven, hoog boven eng'lenscharen.

Voorzien aan hun lichaam met zestal vleug'len elk.

Staan boven den Hemelbeheerscher, naast Zijn troon. Bezingen in beven den troonenden Heer,

Hem smeekend toch gunst door hun lied'ren te vinden;

Doch vóór een der hemelsche scharen spreken zij 4), En roepen den Hooge het driewerf heilig toe.

Zij knielen en buigen zich groepsgewijze neder Voor Hem, die door hemel-myriaden wordt gevreesd. Geheiligd door duizend millioenen hier op aarde 1 Gelijk door Uwen profeet is geschreven: En de een riep den ander toe en zeide: Heilig enz.

. t] Dl O

De Voorlezer herhaalt de eerste lofzegging van Shemoné 'Esré tot Oemagen.

Hij, als een tros met volmaaktheid beladen 5),

Naar Wien ieders ziel met begeerte verlangt, —

In Zijn schaduw begeer ik te wonen, te vinden veraad'ming. Lang heb ik gezocht Hem, maar steeds niet gevonden, en sprak in verdwazing:

„Hij heeft wis Zich onttrokken, ging heen, mij geen vrijheid

bereidend.quot; —

Ik roofde Shekaliem, ik wilde geen zielslossing geven.

Daarom ging ik onder in wateren der diepte, in modder en slijk! Wil het licht van Uw aanschijn, o Heer! weer tot ons wenden. Dat ik weer den Shékel kan heffen in 't vaste, hooge huis. Om de deugd van de lezing 6) der Kie-Thissa7) schatting, Moog' Uw Schild ons beschermen, o God, zoo hoog, verheven! Geloofd zijt Gij, Eeuwige, Schild van Abraham.

86

De Voorlezer draagt de tweede lofzegging voor tot Lehachajoth Méthiem.

•) Choellien 916. De engelen heffen in den hemel den heiligingszang niet aan, voordat Israël op aarde God zijne hulde betuigd heeft. s) Chagiega 14a. 3) Des hemels. 4) Israël, zie noot 1. 5) botra. Hoogl. 1,14. De woorden van dit vers vormen te zamen het

ocr page 559

D^pir n^Ö1? plb^D 13

: obiy quot;IKÖ1? invs* TXI * übty D^ iniD^ö! D^ni D'nr quot;ii:n nnin »3 * D^IÏ^ KV ni^ dhnöö ' Dn^pi nDB' * D^nnpi D^xn: 130 nyi • D^n:*)

-iot * D^JI «]J3 D^ ntr^. ♦SDI * btfb ini VVni

• Va D^an D^n'^i * o^pö |ni

• D^nro D^gt; niaiv i V^so • D^^n D^3 D^ÖJS ww

. .. : t ~: •• : i~ quot; • ~! t ; v : i- t . -

i on dm:? |n niïd * n^na ND3 by. Dquot;)1? nunp iriWi • D^IJT hyn K3ï onipi * D^np

t : t \l: ' quot; 'quot; t 5 t • vii, • •

p^;1? * D^ion D^ian D^nn^ai 0^113 * D^nia mn *sbi*3 (nna pon «quot;O mnrn ♦a'pK quot;iioa

: naxi nt Sk nt xipi inoj t bv Dims : D^lnnn nl33quot;i

.e^oiD

: Jjai lï nnx ina-i mn rquot;wn

'i3i lEian Viaps piDsn nn.s naTi mn rsiai 3quot;n' ns Sr ibygt;»

wsn IVÏ3 * ^02 Va rwn niK

• ^SL23 ^nvfii vnNïo «bi i vntrpa * trsi:

v iv ; • : i- * t : ; • : i ~ • v i

iai3 nna 'bpamp; 'rhn ' irfiin ^ nnnnbö nsy pon

vi •• • -it; * : i-t v i • • ; - ; * - t i - t

niK i'n * irsnj biï 'oa TO. ™p fiDi mx * K'f: |1quot;IK

: |3D ♦; nnK dtVN |303 iwaia * »3

: dtiq nvnnb ^ naj nnN

begin der verschillende strophen van dit stuk. Shier Hashieriem Rabba t. p. (vgl. Shabbath 885) wordt ^cn verklaard; als een tros beladen, en doelt dan volgens ééne opvatting op God, den Volmaakte, in Wien alle eigenschappen in hunne hoogste potentie vereenigd zijn.

6) run, bespreking, lezing. Anderen : en opdat ik in rechtvaardigheid storte de in Kie-Thissa voorgeschreven schatting.

quot;) Zoo begint de afdeeling, waarin het voorschrift betrefifende de Shekalietn-heffing wordt gegeven, en die op den Shabbath Shekaliem uit de tweede Wetsrol wordt voorgelezen.

ocr page 560

JOTSEROTH.

Het losgeld leert kennen, vorscht na uit het Wetboek,

Gelijk het gegrift is in Gods lieflijk woord !

Tot geschenk brengt het Hem, die den 'Ofer gelijkt!),

Opdat Hij u gedenke de deugd van „stof en aschquot; 2)

Bij U zal niet heersehen noch onheil noch schaamte,

Als gij schenkt deze gave, tot losgeld bestemd.

Wil het licht van Uw aanschijn, o Heer! weer tot ons wenden. Dat weder den Shekel ik heffe in 't vaste, hooge huis !

Om de deugd van het lezen der Kie-Thissa-schatting Schenk herleving door regen, o God, zoo hoog, verheven! Geloofd zijt Gij, Eeuwige, die de dooden doet herleven.

Hierna wordt de Kedoessha gezegd en draagt de Voorlezer voor tot nns »npi.

Mijn Vkiend ! Gedenk mij toch 'Efron's Shekaliem,

Die mijn vader eens toewoog voor Chebrons dubb'le graven 3)! De Shekaliem, den Jeboesiet gegeven, die stilden Uwe gramschap4). Gedenk mij die nog tot in 't laatste der geslachten! De zinrijke smeeking, die ik luide wil roepen.

Neem aan, o God, van mij, als ik keer tot mijn wijkplaats 5)! Wil het licht van Uw aanschijn, o Heer! weer tot ons wenden, Dat weder den Shékel ik heffe in 't vaste, hooge huis!

Met de deugd van het lezen der Kie-Thissa-schatting Laat ons heil'gen Uw naam, o God, zoo hoog, verheven! Geloofd zijt Gij, Eeuwige, heilige God.

De Voorlezer vervolgt Tikkantha tot Mekaddeshé Shemécha.

(Op het Nieuwemaansfeest: Attha Jatsartha).

Mu zal Hij steeds op arendsvleug'len dragen.

Want voorspraak zal mij zijn 't aandachtig lezen ! 6) Als losgeld geef ik Hem een geschenk van het Zijne, Van Hem toch komt rijkdom en eer en bezit. Te rechtvaard'gen den sterv'ling, hem vrijspraak te schenken. Stelt Hij hem losgeld vast, om zaligheid te vinden.

Wil het licht van Uw aanschijn, o Heer! weer tot ons wenden. Dat weder den Shékel ik heffe in 't vaste, hooge huis!

Met de deugd van het lezen der Kie-Thissa-schatting Schenk genot ons door rusten, o God, zoo hoog, verheven! Geloofd zijt Gij, Eeuwige, die den Shabbath heiligt (en Israël en de Nieuwemaansfeesten).

De Voorlezer leest Retse tot Berachamiem.

') Hoogl. 2,9. ibï is de jonge gazelle, een der vlugsteu onder de dieren. Zoo zal eenmaal God voor het recht Zijne onuitputtelijke genade in de plaats doen treden en Israël spoedig verlossen. Zie Midr. Rabba t. p.

') Van Abraham, die sprak: //en ik ben Immers slechts stof en aschquot; (Gen. 18,27) en daarmede zijne nederigheid en bescheidenheid toonde.

87

ocr page 561

D'Vpt? nma1? ^DIÖ ra

• -isir noK3 nnn 1D3 * -iöd byn itrnn -ifiisn

v iv •• : * ; t ; viquot; ^ : v i -

D: n^r D3b Wi • nou ^3 id n^nn

t ; v t : •: v n t t : • •• ; r ; -

rno onnra * lani t\y: dss n^n» • quot;iöni lajr »3jk

I - - v ; • ; v lquot; t ) viv v t v ; • : v i- t t*t t

n'^n Vpan * m: i rm nix t'n • nsia Diy1? nr

t v i viv ; t : i t iquot; t | iv t v i •• ;

^ T]^ nip pnïni * Kamp;JI |Ü: n»33 : D^nan n#nD quot; nnx -ins * Kim DI bx

... - . t; t - j t t • : t

: nnx rnpi ^ -piyj

• |1quot;l3n ^SDÖS 3K Vptf quot;1Bgt;K * |1quot;I3^ quot;)gt; lÜT niT in1? quot;i^ 4 nnpt * jinn ^aiyo D13» ipn W3 *30 r\$p ' f1133 K*lpK T^N |»n * fiquot;in« n,33 Kf K VpK'l • {I-IK 13^ ^33 quot;llK ïïquot; *

Vn tynpT ^np3i • Kamp;n *3 -j^. mn p-iwi • mn f133 : tfnpn « nnK 1113 • K^31 DI

it- .. tt; t- ) t t • : t

: nyap ^ DIS1 nnx n-^i • -pv 'Bnpa ^ nar nan quot;1313 * quot;iri; ^ pbo T3! »3 * 1^3 m_3« ^

• 1^1 11331 fin 103^0 »3 * i^n ib |riN iVfp •iB'iKKixp1? |in3 ib -quot;1^3 iV wypn1? ^13« pnvnS |133 n*33 iïm bp^l • N^3 I jm 13^ ^33 quot;llK !'n

• K^31 Dl bK ^3133 1333^ * '3 T]quot;!^. 131 p1ï31 *K^31

C D^in ^NII Vnib'I) : n3^i t^ipo quot; nnK 1113

• tt: •• t: •• t; •: t - - quot;lquot; ; quot;»■: t - ) t

: crorra ^ nsn

3) nSson, van Sss, beteekent volgens Midrash: de spelonk, waar paarsgewijze de voorvaderen begraven zijn; Adam en Eva, Abraham en Sara, Izak en Rebekka, Jakob en Lea.

4) De 50 Shekaliem, door David aan den Jeboesiet Arawna betaald tot aankoop van diens schuur, om op die plek een altaar te bouwen, waardoor Gods toorn zou worden afgewend en de sterfte ophouden;

II Sam. 24,18—25.

6) jnxaS ■oico, Zecb. 9,12. Bedoeld is natuurlijk Jerusalem.

6) Van de afdeeling Shekaliem,

ocr page 562

JOTSEROTH.

In den wijngaahd der Woning, tusschen mijne twee borsten 1) Heb ik vierhonderd tien jaar mijn God verblijf doen houden 3), In hun woning vond rust Hij en Hij sprak: n't is genoegquot;, Die tot troon en tot voetbank 3) niet zegt: //genoegquot;.

Hij trok af en ontvlood, toen van Shekaliemroof Hij mij verdacht, Toen ontnamen mijn mantel mijn plunderaars mij !

Wil het licht van Uw aanschijn, o Heer! weer tot ons wenden, Dat weder den Shekel ik heffe in 't vaste, hooge huis!

Met de deugd van het lezen der Kie-Thissa-schatting Neem ons aan, gelijk een offer, o God, zoo hoog, verheven! Geloofd zijt Gij, Eeuwige, die Uwe heerlijke verschijning naar Tsion terugvoert.

De Voorlezer zegt: Modiem tot We'ezrathénoe Séla.

De machtige bkon 4), als het stof zoo ontelbare massa. Wie heeft haar geteld of gemonsterd met trekking of lot? De monsteraar telt ze in één der vijf boeken 5),

En nog slechts vijf maal in de andere boeken 6).

Door lieflijke lippen-vrucht worden offers betaald, Nu ontbreekt ons het geld der verzoenings-shekaliem.

Wil het licht van Uw aanschijn, o Heer! weer tot ons wenden. Dat weder den Shékel ik heffe in 't vaste, hooge huis!

Met de deugd van het lezen der Kie-Thissa-schatting Wil ons weldoen in goedheid, o God, zoo hoog, verheven! Geloofd zijt Gij, Eeuwige, Wiens naam «de Algoedequot; is en Wien het past te danken.

De Voorlezer vervolgt met den Priesterzegen en Slem Shalom tot Bishlomécha.

[Van Jakob,] Die met BOKshuid omwond zich de handen, den zegen te halen.

De jonsjen, wij, verlust'gen nog in Shechiena's liefde ons! 7)

Weid Gij dan zijn schaapjes naar der volkeren laststeen 8),

Zijn kleinvee, gedragen op schouder en arm. 9j

Buig zijne verdrukkers, vertrappend in toorn

Ons volk, eens versierd met zoo kost'lijk praalgewaad !

Wil het licht van Uw aanschijn, o Heer! weer tot ons wenden.

') Hoogl. 1,13. De beide draagstangen van de arke waren zoo lang, dat zij het voorhangsel, dat het Allerheiligste van het Heiligste scheidde, eenijiszins naar voren deden uitstaan, gelijk de borsten van eene vrouw. (Zie Midrash t. p. en Menachoth 986).

2) De Goddelijke Majesteit zetelde a. h. w. tusschen de Keroebiem; de eerste tempel stond 410 jaar.

3) In dezen bescheiden tempel vond God behagen. Hij, die in den hemel. Zijn troon, en de aarde, Zijn voetbank, niet genoeg plaats vindt voor Zijne alomtegenwoordigheid!

exodus. L

88

ocr page 563

d^pt? nunab fc]Diö na

♦nirbn niNö jranx * ♦jtf |»3 |iba ♦ün?? n1? Dinni D331 * n d:i DJSiya n: • namp;

-»-••: quot; v t: t;t; t —

nm nK * n^n pviz D:

tïm bjiw - Hamp;i i jm vty yis UK p * nnw tyn WD mi * K'^n »5 ^ mn pnpi • urn) fio: n^3 : in^Dir nnnsn ♦» nnx -ina * K'^ii di Vn

i • : t • : t - ) t t • : t

: nSo umryi t oma ♦ üniai B'Vna npai mo ^ • ons^ ispp pon p^ Son Eton D3i * Dnap ^sn3 npis onps eiD3 D3K »3 * ons i:ma^ 2': ninï • onfiDn

•• I; * p v iv •• t • • t quot; % : iquot; t ; t • t : -

nna KfrK VpB'i * K'^i i rm IIK Fn * oniSD

• i- ; tv | viv ; t ; I t r* | iv t • •

ïjaitjs ub yun) - p -]^ njn pnvai * xm] po: : ninnb nx: aitsn « nnx • k^:i, on

: iöiSÏ?3 ir irmax 'nSxi irnSx vns anxa • ilt;amp;b mana D^T -iitrp m

t • : tt: - i- ; t * t: * i~t |; •:

^ ijnï • npo^p |3K hv vnin: n^n * npVjrn: ninnriaVn • n'^o 6]X3 n^p ^a ninir - noo^i i ^quot;ini x'm • m: i pnx wby ^:a nix ^ • npiacp dh^

4) Israël heet Deut. 33,28 spr fl1.

5) In Numeri 1.

6) nl. Gen. 35,23—26 bij Jakob's terugkeer; Gen. 46,8—28 bij hun komst naar Egypte; Ex. 1,2—6 bij het begin der slavernij; Ibid. 6,14—26 bij het begin der verlossing en Num. 39,2—63, na Shittiem, vóór de komst in het land Kena'an. Vgl. Thanchoema Ex. 31,11, waar uit Israel's geschiedenis tien tellingen worden opgegeven.

5) De zin is: Wij, — de nakomelingen van Jakob, die van Izak den zegen ontving, terwijl zijne handen bekleed waren met de huiden der geitenbokjes, verlustigen ons nog in de liefde des Almachtigen. De lezing ny geeft minder goeden zin.

8) Jerusalem, Zecharja 12,3.

8) Jes. 49,22.

ocr page 564

J0T8ER0TH.

Dat weder den Shékel ik heffe in 't vaste, hooge huis! Om de deugd van het lezen der Kie-Thissa-schatting Wil ons zeeg'nen met vrede, Gij God, zoo hoog, verheven! Geloofd zijt Gij, Eeuwige, die üw volk Israël zegent met vrede.

•rwjn npoanS -isv

Het [op den eersten scheppingsdag] gezaaide licht, dat Zijne heerlijkheid afstraalt, verborg Hij in Zijne schatkameren voor wie Hem dient1); wie Hem bemint, dien schenkt Hij een heerlijk lot! Bij de schepping lette Hij op de (toekomstige) bewoners der 'Eden-planting en de grenzenbepalers2), vóórdat Hij den hoeksteen plaatste en de diepe aardgangen schiep 3), — zij, [de vromen] de pijlers der aarde, op hen vestigde Hij de menschenwereld4). Hij openbaarde Zijn geheim 5) aan Zijne rechtvaardigen en aan hen, die Hem vreezen, om namelijk Zijne verzamelingsfeesten te vieren, en Zijne heilige bijeenkomsten samen te roepen ; — geloofd zij Hij, die van Zijne wijsheid een deel heeft doen rusten op hen, die Hem vreezen! Hij verschaft den door Hem gezegenden rust op Zijn heiligen dag, die geëerd wordt als het erfdeel van Zijn heilig volk; neem dus Zijn Shabbath in acht naast den eerbied voor Zijn heiligdom, — van Hem, den Heilige!

Chéber (Mozes) 6) leerde het volk kennis, en overwoog en stelde vast wat telkenmale voor te lezen, en vragen te bespreken en wetsbepalingen voor te dragen over de beteekenis van het aan de orde zijnde onderwerp 7); in de zittingen der wijzen 8) voegde men leering toe en stelde vast, getelde dertig dagen te voren te beginnen, met het stellen van vragen betreffende de voorschriften voor de feesttijden. — Ook op Shabbath konden de [van elders tot het afleggen van getuigenis] naar Jerusalem gezondenen onder de getuigen, uitgaan voor Niesan en Thishré, opdat zij op tijd

*) Over den Schrijver zie den rourn '2 quot;nnb iïv, deel I pag. 88.

') Ber. Rab. 11, Thanchoerna Shemienie, Chagiega 12a.

2) Naar aanleiding van den meervoudsvorm nwi'J, Wy willen maken, Gen. 1,26 bij de schepping van den raensch gebezigd, wordt in Ber. Rabba 8 de vraag behandeld ; met wie God vóór de schepping van den mensch beraadslaagde? Onder meer komt daar voor; met de zielen der braven beraadslaagde Hij, met het oog op I Kron. 4,23, welk vers door Midrash daar verklaard wordt: zij, die tot de schepping aanleiding gaven, (amvn) die de aanplanting (den hof 'Eden) deden bewonen (du'cj '3™^) en de grenzen deden bepalen (mui) — zaten met den Koning lij Zijn werk '(•au» vosSna iSni dï).

:') Vgl. Soekka 49(i, waar rwsna verklaard wordt: rw si;. Hij schiep

89

ocr page 565

ntnaS «jDiö ÜÖ

diW? 133*13 * mr\ *3 Tj^ run pnvsi * mn |i3: n*33 : di1?^ bKTE^ lap nN n^an « nnx rn^ * DI

t - •• t: • v i quot;t : - ▼: t - ) t t • : t

.D1n,, ^np * irSy * irn^jo px * uhv cnp

.njirKT nposnV TST

(* .V3» 1313 nn« own t)tD31 3quot;« Dquot;S IDIlö

i3nN • 113^ ntyx1? iï:i nvN • 11133 mi? viir -iin

•• -: t : v - - t : - t : i- ^ it

• n^Nia nriJi D^E: |3 : mnt 210 iy

: n^n bin DIT^ px 'piïa * Nn3i nas nT DIGS ' VKnpa xnp mpia ^in1? * vtn^i viwb inio n^a

*t* .t.t ** t* * ** *t** t •• : tt • t

n33a * iKnp DV3 V3-ii3a n^a : vnyb ina3na pbna'

t •• : :it : t t : quot; i- quot; t •• • t : t •• i - t#v

: tynj^ * iB'npa Niiai ins^ Hals' * iirinp

• Dps ^33 Kinp1? fpni |;TNi * D^n nx nsn na1? npn

• D^iasnn n3^ np^ ispm : opt: pys trnnbi ^IN^I n^^ns d,1?n^ nvn1? • o^a: Dnpn1? irpnni n.ipn bpi ID*: * onps D^nib^ ns^si : n^ar

de onderaardsche gangen, die tot afvoerkanalen voor het altaar dienden. Hier is jto waarscnijnlijk in meer algemeenen zin gebruikt.

4) I Sam. 2,9; vgl. Joma 386.

5) li3ïn niD, de kalenderberekening.

6) Een van de namen van Mozes, zie Megilla 13a. Het beteekent: die een band vormde tusschen Israël en zijn hemelsclien Vader.

quot;) Op elk feest wordt uit de Thora eene afdeeling voorgedragen, die of met de geschiedkundige beteekenis van of met den tempeldienst op het feest verband houdt. De Thoravoorlezingen op Shabbath- en feestdagen zijn, volgens eene Thalmoedische traditie, door Mozes ingesteld. (Megilla 32a; tract. Soferiem 10,1) Nog luidt eene bepaling, dat men dertig dagen vóór elk feest in de openbare voordrachten en in de leerhuizen de wetten met betrekking tot het feest behandelt (Pesachiem 6a). Oorspronkelijk echter was door Mozes alleen ingesteld op elk feest de onderwerpen te bespreken, die met het feest van den dag in verband stonden (Meg-illa 32a: vgl. Tosephtha Ibid. 3).

8) Het Synhedrion.

ocr page 566

JOTSEROTH.

zouden aankomen, want in die maanden moet men zorg dragen voor de juiste vaststelling der feesten1). Wat zij bespreken, wordt ter herinnering in een boek opgeschreven en bezegeld3), de waarheid was aan hunne zijde om ieder, die het wilde bestrijden, tot zwijgen te brengen en den mond te sluiten, [want zoo luidt het:] ffde feesten des Eeuwigen, die zult uitroepen.quot; 3) In hunne wijsheid bepaalden zij en stelden zij vast het nieuwe-maansfeest van de eerste maand (Niesan) op den eersten, derden, vijfden of zevenden dag der week, ten einde het Paaschfeest op zijn tijd te vieren; eene aanwijzing daarvoor is te vinden in de

woorden : n 3 S fCIH (dat alleen), niet: na, de tweede, vierde of zesde dag der week.4) De Satan wordt verdreven en [door God] in toorn toegesproken in «de maand der sterkenquot;,5) die hoog staat aangeschreven6); doordien men den eersten, vierden en zesden dag der week voorbijgaat, en er voor zorgt dat op den tweeden, derden, vijfden of zevenden dag der week de groote

dag invalt7); het vindt steun in het vers: «is niet een ÏÏJC onttrokken!quot;8) Verder stelden zij kenleekenen vast, om herinneringen aan de bitterheid te bepalen 9): de nacht, waarin Hallel wordt gezongen, en die van weeklacht vallen op denzelfden dag der week in, [aanwijzing daarvoor is:] «zij zullen het vieren met ongezuurde brooden en bitterheid.quot; 10) Zij rekenden nauwkeurig uit, dat de (Iste) dag van het inwijdingsfeest en die van het feest

•) Zie Rosh Hasliana 216. De Mishna spreekt van de getuigen, die op den avond vóór den dertigsten dag der maand de nieuwe maan gezien hadden. Dezen begaven zich dan naar Jerusalem, of waar elders de zetel van het Synliedrion was, om hunne verklaring afteleggen; was die juist en vertrouwbaar gebleken, dan sprak het Synnedrion het: cinn ünpö uit en was de dertigste dag als Rosh Chodesh en eerste der nieuwe maand bepaald. In Niesan en Thishré nu kwam het er vooral op aan, tijdig bericht te hebben, welken dag men als Rosh Chodesh te beschouwen had, omdat elke dag oponthoud vertraging opleverde voor de zendboden, die door het Synliedrion naar Babylonië werden gezonden om daar den juisten datum van Paasch- en Loofhuttenfeest te berichten. Om die reden mochten, ook na den val des tempels, de getuigen, die op den avond van den 30 Adar of 30 Elloel de nieuwe maan gezien hadden, ook op Shabbath op reis gaan, ten einde het zoo spoedig mogelijk aan het Synhedrion te kunnen berichten. De zendboden echter mochten nóch op Shabbath nóch op feestdagen hunne reis voortzetten. (Arnheim vergist zich, wanneer hij Dnra cmSr vertaalt: „de, op verklaring van getuigen afgezonden zendbodenquot;, en in zijne noot opmerkt, dat de boden den Shabbath mochten ontwijden; alt;nhu beteekent: de van hun huis weggezondenen onder

de getuigen).

2) Vgl. Mal-achie 3,16 en Jalkoet op verschillende plaatsen. God bevestigt de bepalingen, door Israel's autoriteiten vastgesteld, sinds de profeten hun zijn ontvallen.

3) Lev. 23,2. Thorath Kohaniem t. p. dat zonder quot;) geschreven

is, wordt verklaard als; UPiH, zoodat de zin is: Zoo noodig met afwijking

90

ocr page 567

npDfir6 quot;isv

onanj nap ji-ot : on^isn nx D^pnö nn^ • w nj^iD * Dripbi pbin pr\pb Dnx rmn * Dnnnbi anan1?

* np^i ^iap1? losn : oriK dhk iKipn n^x « nVi nnb Kin idt • npsn T'nasss WX] n« 112^? * bv^nn |jvk3 |L2i^ tiIü : quot;ina isd^ : Vïo tin nr N^n Nnpp1? ^Qp * bvN inii

* Dnn^ rró bbn Vbn * onnpn D^»V s'Vn'1? quot;1133 Din: T]i:n dv 1^3 : onnpi niïö ^ im

van de astronomische nauwkeurigheid, hebt (jij en gij alleen, de wetgevende autoriteit in Israël, d. i. het Synhedrion, de feesten te bepalen.

4) naS, Ex. 12,16, wordt verklaard; ÏÏ3 ifa. Er werd namelijk bij de vaststelling der kalenderregelen voor gezorgd, dat de Groote Verzoendag noch op Vrijdag noch op Zondag, en de zevende dag van het Loofhuttenfeest niet op Shabbath zou invallen. Daar nu van Niesan tot Thishré de maanden afwisselend 29 en 30 dagen tellen, zonder eenige speling, wordt het invallen der feesten in Thishré bepaald door den dag, waarop het Paaschfeest begint. Van 1 Niesan tot 1 Thishré zijn namelijk 3 X 59 = 177 datjen, d. z. 25 weken en twee dagen, zoodat het Nieuwjaarsfeest op denzelfaen dag zal komen als de derde dag van het Paaschfeest, de Groote Verzoendag dus als de vijfde. Hosha'na Rabba als de tweede. Het invallen van den eersten Niesan op Maandag ('2) zou dus tengevolge hebben, dat de Verzoendag op Vrijdag inviel; Woensdag ('ij zou voor den Verzoendag Zondag geven, en bij bepaling op Vrijdag ('1) zou Hosha'na Rabba op Shabbath komen.

6) jnvsa - owsn nv: = Thishré, de maand, waarin de steunpilaren der wereld, de aartsvaderen, geboren zijn. (Rosh Hashana 11a) Volgens de voorstelling in den Thalmoed wordt op dien dag door God recht gesproken en staat de Satan als aanklager der menschheid voor Zijn troon. De Shofartoonen echter verdrijven hem en brengen tevens de verdiensten van Israëls voorvaderen in herinnering, zoodat God den Satan in toorn uit Zijne nabijheid verjaagt.

6) Sïsnn; de bepalende n bij een w.w., gelijk Jos. 10,24, tOD^nn. Het is een w.w. van Sïn, edel, voornaam.

') Zie aant. 4. Zondag ('n) als eerste dag van het Nieuwjaarsfeest zou Hosha'na Rabba op Shabbath doen invallen ; Woensdag ('i) 1 Thishrie, geeft den lOden op Vrijdag, Vrijdag ('1) 1, den lOden op Zondag. De uitdrukking ViX —ïiji is ontleend aan Zech. 14,5.

8) Zech. 3,2. nis heeft dezelfde letters als m; deze dagen zijn onttrokken aan de mogelijkheid daarop den eersten Thishré te bepalen.

9) Ontleend aan Jer. 31,21; op denzelfden dag der week als de eerste dag Pésach, of de eerste Niesan, valt ook de 9de Ab in. Het zijn namelijk 2 X 59 = 118 8 = 126 dagen, dus 18 weken.

10) Matsoth, d. i. de eerste Pésachavond, waarop het plicht is ongezuurd brood te eten, en Meroriem, eig. hittere kruiden, hier: hittere klachten, van den avond van den 9 Ab, vallen samen.

ocr page 568

JOTSEROTH.

der eerstelingen fmj/DU') samenvielen, bepalende dat dit alleen het geval was in gewone of gebrekkige, maar niet in overcom-pleete jaren!), — [als aanwijzing er voor kan dienen :] /;want gelijk de voorgeschreven [Chanoekka-]lamp zoo spreidt de Thora haar licht.quot; 2) Om vier tijdstippen is een nauwe band gevlochten, onveranderlijk. JTN, de eerste dag Pésach, 'ü, valt met den 9 Ab,

3JO nj/Cji, samen; — *^quot;3, de tweede dag, '3, met mj713lJ', den Isten dag van het Wekenfeest; — TJ, de derde dag, 'J, met den

Isten dag van het Nieuwjaarsfeest, nJKTI CJÖ; — (pquot;l, de vierde

dag, '1, metSimchath Thora, rwip)3); — fquot;n, de vijfde dag van

het Paaschfeest, Tl, komt overeen met den Verzoendag, DK. Zoo zijn dezen aan elkander gebonden; met het oog op den Verzoendag en den Wilgendag 4) is deze bepaling overgeleverd. De verslandigen zorgden er voor, dat in de eerste plaats de aren-maand in acht genomen werd 5) en «het inzamelingsfeest in den omloop des jaars,quot; volgens de oude wet; — [eene aanwijzing daarvoor ligt in :] ,/Zoowel op het begin van het jaar [Nissan] als op het laatste gedeelte des jaarsquot; [hebt gij te letten bij het invoegen van schrikkelmaanden.] — In hunne hand werd het overgelaten nu eens de maanden vol, dan weder gebrekkig te maken, vast te stellen [het Nieuwemaansfeest op den dag, waarop volgens verklaring van getuigen de nieuwe maan is gezien] of uit te stellen ; het jaar tot een gewoon jaar of tot een schrikkeljaar te maken op allerlei gronden 6): „Want dit is uwe wijsheid en uw verstand voor de oogen der volkeren.quot;7) Om in de regeling van de berekening der grondslagen der wereld orde te brengen en die gemakkelijk te maken, rekenen de geloofwaar-digen, die kennis van het kalenderwezen hebben, de jaargetijden van Niesan naar de zon, en de jaren van Thishré volgens den omloop der maan8). De inrichting der 4 extra afdeelingen9) hebben de oudsten der stammen geleerd: twee leest men vóór de lezing der Esther-rol en twee daarna, opdat de herinnering aan 'Amalek's daad het volk der God dierbaren zou worden aangerekend als de viering van de redding uit zijne macht10). Men begint

') De eerste dag Chanoekka zal op denzelfden dag der week komen als het laatstverloopen Wekenfeest, indien Marclieshwan niet meer dan

29 dagen heeft. Dan toch is van 6 Siewan tot 25 Kislew 24 -i- 29 -h

30 -I- 29 30 29 25 = 196 dagen = 28 weken. — De maanden Cheshwan en Kislew namelijk hebben niet, gelijk de overige maanden des jaars, een vasten duur, maar kunnen bepaald worden: 1°. de eerste op 29, de tweede op 30, dan heeft dus het jaar zes maanden van 29 en zes van 30 dagen, dus 354 dagen; het jaar is normaal de afwisseling van kortere en langere maanden gaat geregeld door; — 2°. beiden kunnen 29 dagen hebben, dan zijn er vijf maanden van 30 en 7 van 29; het jaar heeft dus 353 dagen, is ion, gebrekkig-, — eindelijk 3°. kunnen beiden 30

91

ocr page 569

rrniytn nposn1? iïv «ï

niïü quot;13 »3 • HKn1? pbf ppni pnpa * na m * niobp «]ïi sj^ï D^DT n^ais^ : nix nnmi : iidö nr pin ronjn nsa nsp * tidk n6 nr ff\ (p^) naipn »TDKn am * mit^Ni yixn trfn 113^3

- i ; ) • t t -; t 'tt vi •: • • : -

idq: : njir nnnK njn n:trn n^iD * npna mirn

- : • tt * -; - : t t quot; ..........t t ; it ••. : t t -

*13^1 m^aSi nimbi ^isp1? * D^S ipn^i nixbab DTS Tip : D*öj?n D3nr3i D3na3n N»n »3 * D^p^tsp

a'nvh 7,1^ D^IOK D^IO * n^n^i n-innb nbty HD» Tj-i^ : n:^1? n^np 1 D^fi nan1? fp*3p niaipn * nrs nnnN1? D'n^i n^3ö ':sh * onpy inn ni^ns

t iv-: - : • 1- : t • ; •• : • • r ; quot;ir^- •• * ; * tt

n3^ Dennis : onp» d^V |n^3 fnT3T * onip

dagen tellen, zoodat er 7 maanden van 30 en 5 van 29 dagen zijn, het jaar heeft 355 dagen, is nSo, overvol. In de beide eerstgenoemde gevallen 'zal de weekdag, waarop de eerste dag Chanoekka invalt, overeenkomen met dien van den eersten dag van het voorafgaande Wekenfeest.

5) Spr. 6,23. -o = roi:n -13, min = min inn = mrw.

3) Deze overeenkomst is zeer gezocht en behoeft bovendien niet mede-

fedeeld te worden, omdat ruw w, now en mxr op denzelfden dag er week komen. Bovendien spreekt de schrijver vanedeeld te worden, omdat ruw w, now en mxr op denzelfden dag er week komen. Bovendien spreekt de schrijver van vier tijden en noemt vijf. Ik geloof daarom, dat het beter is pquot;i hier te schrappen.

4) Hosha'na Rabba, zie pag. x, noot 4.

6) In verband met de woorden: Neem in acht de arenmaand (Deut. 16,1), bepaalt de Thalmoed, dat het Synhedrion, als het inziet, dat het Paascn-feest vóór de intrede van de lente zon vallen, het recht heeft eene schrikkelmaand in te schuiven, ten einde Pésach in den tijd, dat de aren rijpen, te doen invallen. Evenzoo mag men vóór ïfiesan een maand invoegen, indien men berekent, dat het zomertrimester, non nsipn, niet vóór het Loofhuttenfeest zou zijn geëindigd. Sanhedrien 136.

6) Sanhedrien 11a, v.v.

7) Deut. 4,6.

8) Zie Rosh Hashana 2a.

9) Op vier Shabbathen van Adar tot Niesan worden vier afdeclingen uit een tweede Wetsrol gelezen, en wel; de afdeeling der Shékaliem, Ex. 30,11—16, de afdeeling; gedenk wat 'Amalek u gedaan heeft, Zachor, Deut. 25,17—19, de afdeeling van de roode koe, Para, Num. 19,1—22 en de afdeeling over het Paaschoffer in Egypte, Hachodesh, Ex. 12,1—20. Daar nu van den Shabbath vóór of op 1 Adar tot dien vóór of op 1 Niesan 5 of 6 Shabbathdagen kunnen invallen, en bovendien nog eenige voorschriften waren in acht te nemen, moest eene regeling voor de verdeeling dier vier afdeelingen over de gegeven Shabbathdagen worden getroffen, die in het volgende wordt uiteengezet.

10) Zie Megilla 30a.

ocr page 570

92 JOTSEROTH.

namelijk den eersten Shabbath met de afdeeling over de Shehaliern, en op den tweeden leest men: ugedenk de verdelging der zedelijk bedorvenen,quot; 1) opdat Israël zoude vóór zijn en één Béka' van hen zou opwegen tegen honderd kleine Zoz(van Haman).3) Het gebod omtrent de roode hoe moest op den derden Shabbath gelezen worden om daarmede al gewennende goed bekend te zijn; en op den vierden Shabbath, onmiddellijk daarna, «Hacho-deshquot;, opdat het uitverkoren volk ijverig zich in reinheid en zelfheiliging voorbereide op het opgangsfeest3). Voor den vastge-stelden regel voor den Nieuwemaansdag van de Adar-maand, die onmiddellijk aan Niesan voorafgaat 4), is Zabdoe (de zevende, tweede, vierde of zesde dag der week) het vaste en onwankelbare teeken5); deze maand is krachtig door verschillende plichten, zoodat men de herinnering aan de eene verlossing in verbinding brengt met die aan de andere 6). — Het begin der telling [dei-dagen van de maand] kan komen op Shabbath; dan leest men op dien dag en op den achtsten der maand de afdeeling van het aangewezen onderwerp [Shekaliem en Zachor], en maakt eene pauze [in de lezing der extra-afdeelingen] na de lezing der Esther-vol; VII/XV is het teeken7). Indien hij [de 1ste Adar] op den tweeden dag der week invalt, vervroegt men de lezing van Shekaliem [lot den Shabbath vóór Rosh Chodesh] en maakt pauze den eerstvolgenden Shabbath [na Rosh Chodesh] en II/VI is het teeken, dat daarbij gezegd wordt; en het lezen der overige drie afdeelingen geschiedt op drie achtereenvolgende Shabbathdagen. Komt zijne beurt om op den vierden dag der week te zijn, dan wordt Shekaliem eveneens vervroegd, en maakt men pauze den eerstvolgenden Shabbath; met de overlevering IV/IV duidt men dit aan; en de drie andere afdeelingen vult men aan, vast

') 'Amalek, vgl. Mechiltha Ex. 17,8.

2) Megilla 136. De opbrengst der halve Shekaliem (= Béka'), door Israël gegeven, was volgens Ex. 38,25, ongeveer 100 Kikkar = 300000 Shékel; Haman beloofde 10000 Kikkar te zullen geven (Esther 3,9), d. z.— daar Haman in gewone Kikkars (a 1500 Shékel) en niet in heilige Kikkars (ii 3000 Shékel) zal hebben betaald : 15,000,000 Shékel. Een Shékel nu heeft 4 Zoz, dus 60 millioen Zoz gaf Haman, Israël slechts 600000 halve Shékel =; Béka', zoodat iedere Béka' van Israël opwoog tegen honderd Zoz van Haman. Men leest nu Shekaliem — met het oog op die aggadische verklaring, dat zij vooraf reeds als zoengeld moesten dienen om Haman's

feldopoffering krachteloos te maken, — vóóreldopoffering krachteloos te maken, — vóór Zachor en vóór Poeriem.

ie ook rpnn van oiSpc 's.

3) Op 14 Niesan zoude het Paaschoffer geslacht moeten worden, wat door hen, die door directe of indirecte aanraking aan een lijk verontreinigd waren, niet mocht geschieden. Bij alle verontreiniging, door een lijk ontstaan, werd de ritueele reinheid, om het heiligdom te mogen betreden en offervleesch of dergel. te mogfn eten, eerst herkregen, na zich op den 3den en 7den der reinigingsdagen, na een bad genomen te hebben, met asch van de roode koe te hebben doen besprengen. Zoolang dit niet

ocr page 571

mu^n npoan1? iïv ax

Dnpn1? * n?no nür n^^ni - o^ptfa n:i^

• mö «iiv : Q^p. o'Ü ypz ^n.^nbi nuhp mn - Vip d^ quot;isnnn^ ^ninn n^ns n^oiai jatp |0'p nir * |p^ tjiopn nx jnsp : ^ nnnm Kn^ mi : jpnn^ mïas rhitb nbxj ^lop1? * jpnoi •la^n^T.aaianaioB'Di lava pipi ' lyjp na^a ppnpp /ia bn ^ : 1:0*0 /nbip in^ï pp^pöpi ^etii * quot;lai' 'ia fo^pi / nxan na^V f^papi * la^1?

• j'pnpp / ^ana Na1? in : nan» niaivn wbvz niav'K'ö tfbirm * ra^oo nn niiDia .nxan nair1? rp^oaoi

t *., ; t - ; I • ; - : r v 1 - t t - t - : I I • • ; -

had plaats gehad, mocht de onreine dus ook het Paaschoffer niet brengen, noch er van nuttigen. Daarom moet aan de lezing der afdeeling over het Paaschoffer (Hachodesh) die van het gebod aangaande de roede koe voorafgaan.

*) Omdat in een schrikkeljaar twee Adarmaanden zijn, spreekt men, als de tweede bedoeld is, altijd van pij1? -pïcn -ns.

5) Slechts op een der genoemde dagen der week kan de eerste Adar zijn, zoodat 1 en 15 Niesan slechts op Zondag, Dinsdag, Donderdag en Zaterdag kunnen invallen (Tquot;nJN).

6) Megilla 66: Juist daarom worden de 4 afdeelingen altijd in de laatste Adarmaand gelezen, om de redding van Hainan's aanslag en de bevrijding uit Egypte in verbinding met elkander te brengen.

■) Zachor moet altijd vóór Poeriem gelezen worden. Is dus 1 Adar op Shabbath, dan is dien dag Parashath Shelcaliem, den volgenden Shab-bath, dus 8 Adar, Zachor, Vrijdag daaraanvolgend, 14 Adar, Poeriem. Er blijven dan nog drie Shabbathdagen in Adar over, waarvan op den laatste, den dag vóór den eersten Niesan, 29 Adar, Hachodesh, en op den vóórlaatste, 22 Adar. Para gelezen wordt. 15 Adar is dus Haphsaka. Het teeken is: Rosh Chodesh op den 7den dag der week ('t) — geeft Haphsaka op den 15den der maand (V'c). Zoo zijn ook de andere teekens te verklaren ; iquot;2: Rosh Chodesh op Maandag ('2) geeft Haphsaka op den 6deu Adar ('i); T'-i: Rosh Chodesh op Woensdag ('t), geeft Haphsaka op den vierden Adar ('t); V'^i : Rosh Chodesh op Vrijdag, — dan was Shekaliem op 24 Shebat; tusschen Shekaliem en Poeriem zijn dus twee Shabbathdagen : 2 en 9 Adar; op 9 Adar moet, als den Shabbath vóór Poeriem, Zachor worden gelezen, dus is op 2 Adar Haphsaka ('a). Na Poeriem volgen dan nog Shabbathdagen op 16 en 23 Adar, terwijl Zaterdag 1 Niesan Hachodesh wordt gelezen. 23 Adar leest men dus, als den Shabbath vóór Hachodesh, Para, zoodat 16 Adar weder vrij is voor eene tweede Haphsaka. Indien dus 1 Adar op Vrijdag is ('i), dan wordt de lezing der Parashioth door twee pauzen, Haphsakoth, onderbroken en wel: de eerste op den 2den ('2), de tweede op den 16den Adar (V).

ocr page 572

JOTSEROTH.

aaneengesloten Zoodra hij (de eerste Adar) echter op den zesden dag der week invalt, zijn er twee pauzen, nl. den volgenden dag (2 Adar) en op den Shabbath na Poeriem (16 Adar), met het teeken : VI/1I,XVI; en slechts de beide overige afdeelingen (Para en Hachodesh) eischen naar hun voorschrift3) vereenigd te blijven. De vrijgevigen laten uitroepen aangaande de Shekaliem van af het Nieuwemaansfeest (van Adar)3), om nieuwe Shekaliem te brengen, maar ook de ouden4), om op den eersten Niesan van de nieuw opgebrachte Shekaliem een deel te kunnen nemen5), daar het immers een voorschrift is [van af 1 Niesan] het offer te brengen in het heiligdom van de nieuwe Shekaliem-heffing. Het eeuwig verbond beware en versterke Hij voor Zijn volk; te zijner tijd verhaaste Hij de verlossing en verbreke en verbrij-zele eiken jukstang; Hij doe Tsion wel en herstelle Shalem in juichen! Wanneer zullen zij weder bijeenkomen om te verschijnen vóór Zijn aangezicht in het heiligdom ? zullen zij als in lang vervlogen dagen hunne offergaven brengen en daarheen voeren ? [Wanneer zal men weer zeggen:] «Jubelt Jakob toe in vreugde en barst in juichen los!quot; 6) Zie, mijne oogen zien verlangend uit naar mijne vastgestelde feesttijden, dagen op dagen wacht ik reeds [op de komst der verlossing], naar den raad mijner in den raad des Eeuwigen vertrouwden 7); [dat men zal zeggen:] «jubelt, gij hemelen! want eindelijk heeft de Eeuwige het volbracht!quot;8) Gij, die ons tot erfdeel gaaft den bekoorlijksten dag onder alle dagen [den Shabbath], — Die vestigdet een verbond tusschen U en het van alle natiën onderscheiden volk; wie is U gelijk, o Gevreesde, eeuwig Levende, Heilige!

.-ns? nmaS nsv

Gedenk, hetgeen hij ['Amalek] gedaan heeft, opdat hij worde tot buit en plundering en zijn stam worde ontworteld in gramschap! Aanschouw, o God! en vergeef zijne zonde niet, want Uwe gemeente

') D. w. z. op drie achtereenvolgende Shabbathdagen. nl. 11 Adar Zachor, 18 Adar /'ara, 25 Adar Hachodesh.

2) Er bestaat een zeker verband tusschen de vier Parashioth en de vier bekers wijn, op den Séderavond voorgeschreven. Evenmin als tusschen den derden en vierden beker, een dronk mag worden ingevoegd, evenmin mag Para van Hachodesh door eene Haphsaka gescheiden worden. (Alfassie en Asherie ad Megilla 296, vermoedelijk eene traditie uit de Geoniem-scholen. Arnheim citeert het uit naam van R. 'Amram, in wiens Siddoer ik het echter niet gevonden heb.)

3) Shekaliem 1,1.

4) Die men nog van het vorige jaar verschuldigd was. Daarvoor was eene afzonderlijke bus aangewezen, om de gewone offers der gemeente

93

ocr page 573

niitrm npDar6 nvv jx

• vn» nippfin w kid np : pp^B'p it ins? it |r:s^p3 naS ni^^m * ry\ p'ss ina1?

• trnin i D^p^n by nymn i Don: : vyy nanb Hquot;!^ NonV nixp * ^^nnna .onn1? WI D^nn

• ns^an ^3■lOly, lay1? nbty nna : iriipa ntrin nDinnp

tiv ■ :-: t iv : • ^-: t ^ v h - t t-: t

d^ mnn ji'v yuquot;.' nriaKh pnr. ntaio ba ^',n^ nn^a 'p'3 * Bhipa D»:3 niKinnb ♦na : nsia nan : ibnvi apjr^S nnoif * ibnn ibov onruD

it ; I -r : t : • # t it : . i # t t

m:nid quot;iid3 nanK ^ ^ maiï

nna * i dv man vmè : M n'tr^ »a d^oe' isn

• : * t * - ; v ^ • ;^- *: t *t *r t* *

• d^pbi^n n kit ?|ida 'p * d^p ^nab 1:0 d'^

inv San : B'lip

.-nat nenB1? nsr

.113? rain d'tp' mn Ss cfsiai 3quot;s dquot;r

np^ lyni * nsvDb) Tab ^nn • n'^ im nx naT ïjVnp 'a * NB'n bx iKpni nü»3 * no^aa

uitsluitend van de Shekaliera van het nieuwe jaar te brengen. Op 1 Niesan werden de eerste offers van de nieuwe Shekalietn gebracht; om dien dag geld te hebben, werd op 1 Adar reeds bekend gemaakt, dat het tijd werd de Shekaliem in te zamelen en aan den schatmeester des tempels op te zenden. Zie Jeroeshalmie t. a. p. Vgl. Shekaliem 6,5.

5) Zie pag. 79, noot 1.

6) Jer. 31,6.

7) Naar het woord : //indien hij, de Messias, ook lang uitblijft, wacht slechts op hem.quot; ■oud, volgens 'Aroech s. v. ps, 5°., en Rashie, Menachoth 71a, Nidda 12i beteekent dit woord: geleerde of godirruchtige en staat het in verband met tid, raad. in de uitdrukking; vstS 'n tid, de Eeuwige deelt Zijn geheim plan den Godvreezenden mede (Ps. 25,14). (Vgl. echter de tweede verklaring van Rashie in Menachoth t. p. en Rashie Berachoth 456).

8} Jes. 44,23,

ocr page 574

JOTSEROTH.

heeft hij vertreden met allerlei verdrukking en vertrapping. Ook U spaarde hij niet!), maar in aanmatiging maakte hij veracht het [door God] gedragen volk binnen den krachtbeproevingssteen [den tempel]. 3) Gij, die lang vergeten dingen gedenkt, deuk aan de natie, die U looft en luide heiliging uitspreekt U ter eere. Heilige!

Gedenk, hoe hij uitdagend sprak, onder alle geordende volkeren 3), tegen hen die [met het bondsteeken] onder de heup zijn versierd4); — de pas uit den dwangarbeid bevrijden, ging hij voor en trok uit op hun weg om alle zwakke knieën in de achterhoede af te snijden, hen in trotschheid te vertrappen en te vertreden ; doch Uwe heerlijkheid zag van uit de hemelvensters neer in elke breedte en lengte om door Uwe goedheid Uw volk te genezen.

Gedenk den stank, dien hij opwaarts verspreidde 5), — hoe hij zich haastte Uwe beminden te ontwijden6), hen te maken tot een afzichtelijken puinhoop ; hij maakte zich sterk hen geheel te gronde te richten, hen ten val te brengen door vernedering en verguizing; — doch Gij, Algoede! die het gebed verhoort, hebt hem ten val gebracht, schrikwekkend, zoodat zijn einde verderf was!

Gedenk den overmoedigen booswicht, hoezeer misdadig hij handelde en den geliefkoosden zoon in verdrukking bracht; zwaar was de zoude en de boosaardigheid, hoe hij zijne ooren zwaar maakte en zijne oogen dichtstopte, terwijl hij zich om de vreeze voor U niet bekommerde; — om Uwentwille, Rechtvaardige en Helper! 7) verhaast den door U zoo vaak geredden hulp. Gij, die aan misdrijf voorbijgaat!

Gedenk hoe hij tegen U heeft gesproken; hoe hij verachtte, wat Gij hadt volbracht voor Uwe uitverkorenen. Uwe gemeente; gedenk toch den verwoestingsdag van Uwen tempel 8), laat hem van Uwentwege vergolden worden een strafvergelding naar Uwe macht; storm hem weg met het jagen van Uwen orkaan9); —

dan zal elke mond U loven wegens Uw wonderbaarlijke daad.

.............................................................................................................*......................................

') ren xS -p dj. Hoogstwaarschijnlijk gebruikt de dichter hier —a non voor Sy Din. — Dan beteekenen de woorden: ook U, d. i. Uw heiligdom spaarde hij niet. Zooals zij er staan, zoucie men de woorden moeten vertalen : ook bij U zocht hij geen toevlucht, wat van 'Amalek waarlijk niet behoeft gezegd te worden. — De dichter gaat bij deze strophe over tot de verwoesting van den tweeden tempel door Rome = Edom = 'Amalek.

s) Zech. 12,3. Vgl. Shemoth Rabba 25,9: Dans sup 'JX ijixi Dicir Dnstïa nDsyis ps sipj» pquot;»n3 nwa mïw Dia oaS ijs d'üïisi joa •on D'Diajn.

3) quot;pï Sa;, waarschijnlijk doelende op hetgeen in Mechiltha Ex. 17,8 wordt verhaald, dat 'Amalek bij de verschillende volkeren rondging om hen tegen Israël in het harnas te jagen. Aknheim ; tegen elke werkelijke waarde; Ottensoseu : hij eiken strijd. — De schrijver heeft in elk geval het oog op den aanval bij Kephiedim, zooals aanstonds blijkt.

94

ocr page 575

tot iïv nï

rmjni • npn kV ^3 na * ronni nquot;iv Vds * no^ ni3T * D^I^: -DIT nriN : noa^ü |2St -jira • nDioj? ni3T : - D^n^öD nfnpi * DTDBto ^ DIK

* Tpao nnnquot;? * ♦pon by - ^ SDS pn^ quot;m

* 'rllquot;!Dl?i nmz * -pi Va 356 • Tjn-is av] nnpn : -jnKnb ?}:nt:3 * TJ-IINI. sni-i ^3 * Tj-ino f ï ^quot;ii33i Dni^: • n^nb * r6y^ htidt IIDT nv:3n3 * nb^sn1? oniK * nbs on^V pin * nbso ^»3

TT :-: ti--: T TT T • ; I •• * T T - *:

innnxquot;! * nbnss inban • n^an #oitf 31ü * nba^nsi |3 p^yn^ * niNp1? o * j?ifh i IIDT :

* ^B'n vr^i -ann V:TNI - Kpn -135 • vvyvn ' VP?.. D^ü1? P^V * V® xb ^nKTl?,i ninsb * -jb^as dnoi * ^o1? ibibp iüt : Vj? *i3iy ^ bioa • Tjv^p 11? Dv'^,'i * Tjb^T nv ni3T Na * ^jbnp ièaVj? * na hï\ • ^byhy t]^3 mn^D * TjVnp

^) Shier Hashieriem Rabba 7,2.

5) Ez. 8,17, vgl. de commentatoren t. p. De uitdrukking mvsT mbo» is vandaar in Midrash overgegaan in de beteekenis van: God lasteren. Bammidbar Rabba 13,3 wordt deze uitdrukking gebruikt en in verband met het woord ;iri (Deut. 25,18), dat verklaard wordt; den mi afnemen, medegedeeld dat 'Amalek tpjiM rpnm nSr» ibSs pnn Ssici Sc; jniiat Sdu rfn. Vgl. 'Aroech, s. v. isr, 4. Pesiktha Zachor 256 en 27a en 6.

6) Te verontreinigen. Jalkoet (Deut. 25,18) (N0. 538, fol. 300c) Than-choema Thétsé t. p. Pesiktha t. a. p. 27a verklaart namelijk -pp isjn: ïnsd, van nSS nip».

T) ruw pTi, wordt Zech. 9,9 van den Messias gezegd; dan beteekent I-ei: door God geholpen; hier, waar het op God zelve doelt, is het in actieven zin gebruikt. Machzor Romie heeft echter: ï1»»!-

8) Vgl. Ps. 137,7 dSw di' nx DUK 'n lor. Zie aant. 1.

9) quot;iS^Sï e)XCf2, is Aruheims lezing. nWw is dan de Chald. vorm van het Hebr. miT. De uitgaven lezen T]^, wat geen zin geeft. Machzor Romie: -jSnj ^ïpa, met Uwen grooten toom, waarschijnlijk eene conjectuur.

ocr page 576

JOTSEROTH.

Gedenk Uw volk en Uw erfdeel, die het voorwerp zijn van Uwe liefde en hopen op Uwe hulp; wend U tot den U [door hen] gebrachten lof1) en ontferm U over Uwe gemeente, die zich bezighouden, zich verlustigend, met Uwe wet; — doe hen blijdschap vinden in de vreeze voor U en plant hen in Uwe veste en vestig daar binnen enge [tempelmuur]-grenzen Uwe goddelijke Majesteit. 2)

Gedenk dé veste, waar [David] verblijf hield3) en de gemeente van welke gezegd is : „wie heeft haar geteldquot;4), die verspreid is naar alle hoeken; verhef haar door Uwe gunst, want haar oogen-blik is genaderd en de tijd om haar in genade aan te nemen ; doe in vergetelheid zinken den naam van het wellustige6) aan elke zijde en eiken hoek, en doe het koningschap toch terug-keeren tot hen, wien het rechtens toekomt! Gedenk dan nu in barmhartigheid en zie neder uit de hoogten om te helpen het geringste onder de volkeren, Gij Heilige!

•nSi?

Gij, zoo vol barmhartigheid, verheug door Uwe ontferming de door smart gedrukten ; verlos hen, want zij zijn als weezen ; daar zij Uw wet overdenken en bespreken, zijn zij van alle volkeren onderscheiden en verheffen U bij voortduring! Gedenk de drie overouden [de aartsvaderen]; beschut weder6) [den tempel], herbouwd gelijk de hoogste hoogten7). Algoede! Gedenk Uwe lievelingen, verblijd hen te samen, naar Uwe groote liefde tot hen, want zij zijn Uwe dienaren, gewoon U te dienen; doe spoedig den door U aangewezen vorst opstaan, voer hen door de kracht van Uwe hand, steun hen met Uwen éénigen naam, kroon hen met Uw kunnen! Bevrijd hen, die U vermelden, die metgansch hun hart schreien om U te zoeken; bevestig voor hen Uwe woorden, doe hen neerliggen in Uw uitverkoren huis, voer hen terug naar Uwe vertrekken, doe hen wonen in Uwe stad; dan wordt Gij geprezen in al Uwen glans, als Gij Uwe kudde bevrijdt als bij het klieven der stroomen !

•nianp

De Voorlezer herhaalt de eerste lofzegging van Shemoné 'Esré tot Oemagen en vervolgt dan:

Volgens de instelling van wijzen en verstandigen en de leering van de kennis der deskundigen wil ik mijn mond openen in lied en lofzangen, om te danken en te loven voor het aangezicht van Hem, die in de hemelwoningen troont!

95

1

) Baer : wend U tot Israël, waarin Gij Uwen roem vindt.

2

s) Vgl. I Kon. 8,27: „Zie, de hoogste hemelen kunnen U niet omvatten,

3

hoeveel minder dan dit huli, dat ik gebouwd heb.quot; dï^ï is een Thalmoedische

ocr page 577

•o iïv nx

* ^ranK on Hdt : ^V^öp

D^inn * ^ an*ii * ^n^nna njs -D^I * ^nnps D^^n*! * ^nKTa oVnv * vyvyvz niTöon • mD 'p nn^i * mn nnp hd? : ^nrp^ nvov^

• naanb n^i * miy »3 • m^ra nööiquot;i * nsjj

T-: ... : : T ^ 'tit T • -: - T : T • T :

niabani • naa baüi IÏ • njnjr D^ naty

t iv : • : - - : t • t • quot; t • t

^♦trin1? * D^pinsp • D'pnna nri# npan : «p^n inv San ; ^nj5 * Dvp^ ^yp

aquot;s Dquot;J) nSir

on *5 dVw * d»pi5^: na'^ ^anis • d^pnn K70 nriK

• D^p Dn • D^pNU 1 jim ?|nn * D'pin» n:33 t]ian * D^pnp nür * D^ppnp npnna ^niNi

• ^npn ana dnp^ nrr • ^tt iidt nia : a»pit 103 obn; • ?|tj: Dpip nnnp * dhiö1? * Dn *3 ma : ^niKps dns^ * ddqd * prins lo^jr D»p * 3*? 1 ^33 D^p^iï * ^n;3Tp nnan

• ^^3 D33^ '^nnnb D33ity * ^Tns ^33 Dvsn • ^nsn

™ : n^np33 Dnan * ^nnns nsn^n

IJDI lï nm quot;ina quot;''Sm mn Y'on ' 1 manp

♦a nnnax * d^»30 nyn 1 naboi * d^idii d^ddh niso

T ; ; ... • • : ^I- viv • • : • T -:

: D»3iyp pit? ^a bVnVi nnmb * D^rn 1^3

term; nauwkeurig bepalen, v. d. dwom, afgepast, eng, begrensd. 3) Jes. 29,1.

lt;) Num. 23,10.

5) Jes. 47,8 van Babel, hier van Edom gebezigd.

6) Van e)Bin Deut. 33,12.

quot;) Pa. 78,69; en Hij herbouwde als hoogten Zijn heiligdom.

ocr page 578

J O T S E R O T H.

Ik wil, Sela! herdenken de gedenkwaardige gebeurtenissen, die op deze Poeriemdagen herdacht en gevierd worden1): de schande van den buikkruiper 3), die uit gifwormen8) voortkroop, te vermelden, .opdat zijn naam ten prooi worde aan vreeselijke verrotting. De doorn bloeide op uit brandnetel 4) en distel en van geslacht tot geslacht verwilderde hij meer en meer; de herinnering aan de zonde tegen zijne voorouders kwam als zwarte schaduw voor hem op, terwijl de misdaad tegen zijne moeder nimmer verdween 6). In woede verscheurde en vernielde hij den moederschoot 6), opdat zij, die hem had voortgebracht 7) niet meer zou ontvangen bezwangering in liefdegloed; — toen aan zijn derde geslacht 8) in herinnering werd gebracht de zonde van [Israels] afval9), werd hij door waanzin bevangen om hen te bestrijden, die den strijd [voor de Thora] te voeren hebben 10). — Een weg van vierhonderd Parsa doorzwierf en doordoolde hij, om een vangnet te spreiden, hij trok op van Sé'ier en verborg zijn valstrik, ten einde den vermoeide en afgematte aan de schaamdeelen te ontmannen 11). Deze daad, uit nijd over de eerstgeboorte bedreven, om Israël te vernietigen, en de kleinveekudde der heiligen ten eeuwigen dage in slavernij over te leveren, — deze zijne schande werd met den grilfel gehouwen tot eeuwige herinnering, om hem als het «eerste der volkerenquot; 12) te brandmerken met: gedenk! 13) De Almachtige dacht aan Abraham, die in den nacht zijne manschap verdeelde u); en liet wortel en tak (van den booswicht) op een glibberig pad uitglijden; omdat hij Israels zwakke achterblijvers den nek afkneep, eischte God, dat 'Amaleks handeling eeuwig herdacht zou worden.

Achteraan trokken zij op13), over wie hij zijne macht deed gelden, want de wolk had hun stam uitgeworpen 16). Ten tijde

!) Esther 9.28.

quot;) pro = pru Sy -jSin (Gen. 3,14), de slang, hier = Medlë, waaruit Haman voortkwam, die Israël listig bekroop als een slang; vgl. Ber. Kab. 16 en den zoogen. Rashle aid., die onze plaats citeert; Wajjikra Rabba 13.

3) cdsjj, zie Rashie Spr. 7,22, gifwormen.

*) Zie Thanclioema, xxn 'O, Deut. 25,17. Jakob en 'Esau zijn te vergelijken bij een rozenstok en een doornstruik, die men in het eerst niet van elkander onderscheiden kan enz.

s) Zie Thanchoema t. a. p. Pesiktha Zachor 222», naar aanleiding van Ps. 109,14. De zonde tegen zijne ['Esau's] voorouders worde hij den Eeuwige herdacht, en de misdaad tegen zijne moeder niet uitgewischt. Zoo vat althans Midrash het vers op. was pp = •mas Sï wr. — Om Abraham de vreeselijke ontaarding van 'Esau niet meer te doen aanschouwen, liet God hem op den leeftijd van 175 jaren sterven, terwijl Izak 180 jaar oud werd. 'Esau verkortte dus zijns grootvaders leven met vijf jaren. Izak's zwakke oogen worden ook aan 'Esan's gedrag igeweten. Vgl. Pirké R. Eli'ezer 49. Tegen zijne moeder zondigde hij ; Tm -nn sSo rhv pn^a yin ic.x 'ïso diq2ü aquot;1' fwn sSo rh du ; avo i»m /nam nrroi iins a-ina lin Sr. — Ik houd wm SjSu eenvoudig voor w.w. van het voorafgaande: nm SjSj in den zin van : hoe langer noe doorniger worden.

exodus. M

96

ocr page 579

tot nunfib rvonp iï

aquot;s dquot;ï

• Dn3T: nbNn D^3 • D^O JIIDT H^D : 3^S TarnV wktt * d^dd^ f^o na |im

quot;)3T • -nnn-i inV inai ' tiit V^ao ninn nn^i t]K ï]1ü : ^3 idk nKtan * quot;njsn vni3K Ntpn ir^ans • Dn» pnns üibpp 1i^o!)^, * onn

• npquot;i2 m'KO ^3nN ^na : on1? ^onibs onbnb •□nia

^?iquot;i3 ppDnn^p ^p * ncnsb niiQ3ü in jra nmpv * tü#!? nni^a np»L2f ^13 : nonpb v^iao D'ia n^Ni, * iüt1? uyz üinn i:ibp • quot;lisp1? D'an^ p^'pna ï]^i irTia' * p^in nV) 13T nv : HDD yba1?

'pban vbtfn D non i'n *pi?nn,7

i'n * übö Dlso i^n »3 * D3^ i^p» nannxb

6) 'Amos 1,11, iet boven aangehaalde vsm nnw.

i) Vgl. Ps. 51,7: 'üs ■orem.

8) 'Amalek is de zoon van Eliephaz, den zoon van 'Esau; de derde dus van 'Esau af gerekend.

9) Dn: Ncn, de zonde van Israel's berouwkrijgen, zie Mechiltha Ex. 17,8. Pesiktha Zachor 21a dtïia = minn p on^-p isid dc Sr. — Ik heb voor de opvatting van Arnheim en Baer geen bron kunnen vinden. Dezen vatten den zin aldus op: toen aan zijn kleinzoon bestraft zou worden de zonde van Jakob, waarover 'Esau zich zocht te troosten, werd hij krankzinnig gemaakt enz. dpij s'in is dan zooveel als: wj) vSr orannc apr sen. Gen. 27,42. In Midrash heb ik zoodanig denkbeeld niet aangetroffen. Wel staat Pirké R. Eli'ezer 44. dat 'Amalek de haat van 'Esau overnam en daarom Israël aanviel.

10) Zie Thanchoema t. a. p. vs. 14. Aeniieim vertaalt, met het oog op Spr. 9,5: die het brood der Thora zouden eten.

u) Zie Mechiltha, Pesiktha en Thanchoema t. a. p.

ls) Num. 24,21, pW anj itoni wordt in Pesiktha Zachor 25« en Jalkoet, nSfa, einde, verklaard; nupitt1? nx-i.

13) Deut. 25,17. quot;) Gen. 14,15. quot;) De stam Dan, Num. 2,31.

16) Zie Thanchoema t. a. p., Pesiktha Zachor 21b, Jalkoet xsn ia einde; de wolk had den stam Dan uitgeworpen en deze werd door 'Amalek aangevallen. Dit staat in verband met eene mededeeling door Midrash vastgeknoopt aan de woorden: rro Dia iari (Zech. 10,11): dat bij den tocht door de Roode Zee het zilver van Miecha's afgodsbeeld (Recht. 18) hen begeleidde. (Shem. Rabba 24 en 41, Bamm. R. 16,26). Vermoedelijk was deze zonde in den stam Dan de oorzaak hunner bestraffing (zie ook San-hedrien 1036; Jeroeshalmie Soekka 4,3; Thanchoema Thétsé, einde).

ocr page 580

JOTSEROTH.

echter dat hij zal worden uitgeroeid zonder eenige redding, zal Hij beschermen het volk, dat steeds beschermd en gered wordt! Geloofd zijt Gij, Eeuwige, Schild van Abraham.

De Voorlezer draagt de tweede lofzegging voor tot Lehacliajoth Méthiem.

Toen de volmaakten nog in Sien in breede scharen gelegerd waren, omgord met sierlijke praalgewaden, haastten zij zich, weg te werpen de in vlammengloed hun geschonken wet, — en hij ['Amalek] besprong hen, wier handen slap waren geworden [en de Thora hadden losgelaten] in Rephiedim De verdrukker verzamelde al het gepeupel; en de zondaar, met zijne verzamelden rondom hun leger geschaard, hoopte, zoodra hunne schreden uit de diepten der Schelfzee zouden zijn opgerezen, hen te doen verwelken gelijk riet en oevergras1). Hij werd verdreven en vloog weer aan tot drie malen toe, terwijl hij rondging bij de nakomelingen van vijf volkeren 3); de spotter werd verslagen en de onnoozele [Jithro] kwam tot nadenken 2), zoodat hij gekroond werd en in de familieregisters van het edelste der volkeren [Israël] werd opgenomen 3). Overmoedig werd de spotter en plaatste een legerschare op het pad, en trachtte de groepen mijner jongelingen door ontucht te verlagen4) en mijne onder de heup [met het bondsteeken] versierden daardoor te ontwijden 7), om [Gods geliefd] kroost door schandelijk bespringen te schenden en het uitverkoren volk [door God] te doen verafschuwen. Hij haatte [Israël] nog met den verkropten haat van zijn groolvader5); hij begon daarom den eersten keer zich in hinderlaag tegen hen te leggen, de tweede maal rukte hij in scharen op met vlammend zwaard, en den derden keer naderde hij met openlijke schuld 6). Toen de Babyloniër 7) het heerschersvolk beheerschte, stelde hij zich op den kruisweg, om de zich door de vlucht onttrekkenden over te leveren [te verraden] ; zij zeiden: «komt, laat ons de struikelenden vernielenquot;; toen, gelijk weleer, sneed hij al de zwakke achterblijvers af.

97

1

) Zie Mechiltha t. a. p. 'Amalek verzamelde allerlei volkeren om hen tot strijd tegen Israël aan te zetten.

3) T. a. p. R. Jehoeda zegt, met het oog op Num. 13,29, dat 'Amalek de vijf daar genoemde volkeren voorbijtrok, en, na hunne weigering aan den tocht deel te nemen, alleen kwam.

2

) Spr. 19,25, den spotter slaat Gij, en de onnoozele wordt listig, wordt in

3

Thanchoema, Jithro, begin, en Pesiktha Zachor 22a verklaard: toen God

4

'Amalek had verslagen en Jithro dit vernam (rnt'ii), werd hij, die tot nu

5

D^nrn wordt hier door den dichter ter wille van het rijm inplaats van het

6

In het vers voorkomende Dnïn gebruikt. 'Aroech s. v. haalt eene plaats

7

uit Jeroeshalmie Shabbath 1 aan, waar het beteekent: nadenken. Müsaphia t. p. beroept zich op Jonathan ad Jes. 6,10, waar het verduisteren beteekent.

ocr page 581

ncnsV manp ry

« nriN -nm * üböpi |i:a |:ir: • ubw i6\ nns^

: DniaN J3Q : Dvio nvnnb is niaj nnx

pquot;icfn Dquot;P

• Dniax nn^ ny; patr • Dniai ppa onijD orp^on ni3quot;i on» ivap * rnn SIVB' IÏT

t • i-t : it . . - i - - . 1t

D:np niD»2p * ^dsdn ba f]pts quot;iliv : an^ana

nipa oVpp1? nap • c]iD nibiïöü ID^Ö ni^: • tjioK

* D'pD^ n^on ^12 quot;iinp * wdvz vbv tii : tjioi quot;in* : amp;DV 'yi: Dn^nn1? i ^3 * D^p^n 'nai nan ^ vy 'pion * nv»p nsTp n.ina map * n^pp i^p^ni. ft np^tp : nbp n^nn1? ^nr, * rhpamp; D3 n'jB' *i^ * N3np3 Ewnp ndV i bnn • N|npn Wp*

: nnina wbvz m * nam1? anna ia^ npK t'n * quot;iiop npj; piaa * d^k^io i oixa : D^tfran ba ast i tNoa TN * D^tra: innaai

• t v: v - t •• • t •• : t • t ; • * : - ;

Dan zou men moeten vertalen: en Jithro bracht zijne afgoden, zijne dwaasheid in het duister. Baer, die vermoedelijk de ïhanchoema-plaats niet gezien heeft, laat ook het tweede gedeelte op 'Amalek slaan en vat het op : en den dwaze, 'Amalek, bluschte God uit, van niDttiï cSnj, walmende, bijna uitgedoofde kolen.

6) D. w. z. zoodat hij tot het Jodendom overging en later een der aanzienlijkste geslachten vormde, die zelfs leden van het hoogste gerechtshof waren. Zie Thanch. en Pesiktha t. a. p. — Baee: hi/, 'Amalek, die met de kroon versierd was, genoemd te worden D'u nicxi. Doch D'nr ■«an: wordt herhaaldelijk van Israël gebruikt (Ps. 47,10) er; onwi1? komt in deze opvatting niet tot zijn recht.

6) Thanchoema, Thétsé: -pp = -isiaB. Zie pag. Tï noot 6.

7) Shier Hashieriem Rabb. 7,2. 8) Gen. 27,41.

9) Mechiltha t. a. p. komt eene verklaring voor; cros iiSjd nwi, tot nu toe was hij steeds in het geheim tegen Israël opgetreden, nu kwam hij openlijk om hen te bestrijden. — Niet onmogelijk is het ook, dat met de drie tochten hier gedoeld wordt: op dien bij Rephiedim, waar zij Israël plotseling overvielen; op den strijd, Num.' 4,45, onder Mozes, en eindelijk op Hamans aanval, die openlijk met eene beschuldiging kwam.

10) Neboechadnétsar; -pp is Babel. Vgl. Jalkoet 'Obadja 1,14, voor de feiten, waarop de dichter doelt.

ocr page 582

.J O T S E R O T H.

Uwe vijanden, mogen zij met schande worden bekleed, gelijk zij zich verheugden, toen ik, op het droge gekomen, struikelde eens, als Gij met de kostbare heerlijke praalldeeding U omhangt1), om den herlevingsregen te doen vallen, als geneesmiddel voor het hinkende Israël! Geloofd zijt Gij, Eeuwige, die de dooden doet herleven.

De vorsten van mijn kwelgeest, den kleinzoon van Sé'ier, die nakomelingen, deze zonen van Sé'ier, haastten zich met hunne stoppelen mijn vuur te ontsteken en met hun legertros beploegden zij als een akkerveld de stad ! Terwijl Gij het groote volk [Israël] niet herdacht, — waarom hebt Gij toen wél bedacht zijne schulden ? Waarom hebt Gij de banierenlegers verkocht zonder gelde-lijken prijs en hebt Gij de heiligen overgeleverd tot ontucht en wijn ? Gedenk den Edomiet de Woning, die zij verwoest hebben ; den verdrukkers, hoe zij de muren hebben omvergehaald en „tot grondvesten ontbloot ze, legt ze blootquot;, hebben gesproken met hun mond vol trotschheid en den muil opsperrend. Gij, voor Wien immers geene vergetelheid bestaat, houd in gedachte hun alle perken overschrijdende woede, zoodat Gij die nimmer doet vergeten; als loon er voor, dat zij niet wisten billijk te handelen, bezegel hun boek voor den dag der bestraffing!s) Het op goede gronden steunende voorschrift, in de wet duidelijk neergelegd, zullen wij gedenken ; opdat het niet vergeten worde op den dag, dat met hen het twistgeding zal worden gevoerd 2), daarom hebt Gij Uw volk geboden: „gij zult het niet vergeten!quot;

De spotter legde strikken om de heirscharen te lasteren, die met het bondsteeken zijn bezegeld en het legerteeken dragen ; het werd echter maat voor maat aan de nakomelingen gestraft,3) opdat men zou weten, dat bij het laatste oordeel4) ook hij zal worden bestraft door den naam van den Eeuwige, Tsebaoth.

De Eeuwige zal koning zijn in eeuwigheid; Uw God, oTsion! door alle geslachten, — Halleloe-jah 1 En Gij, Heilige ! troont op den lof van Israël! o Almachtige!

Met dezelfde uitdrukking, waarmede Gij hun, die U gedenken, in herinnering hebt gebracht: «gedenkquot;, hebben zij U herinnerd : „wil Gij toch gedenken!quot; 7) En al hebben zij, even als Adam, het verbond overtreden8) zonder het te gedenken, —

98

1

) Thanchoema Thétsé einde, Pesiktha Zachor 286: Zoodra 'Amalek raakt aan den troon Gods, door Jerusalem te verwoesten, zal God zelve als wreker optreden en zijn aandenken uitwisschen. nntis nrra, Ex. 17,14.

2

) Mechillha, Beshallach einde, vgl. Pesiktha t. a. p.: Als Gods heer-

3

schappi.i algemeen erkend zal worden, dan voert God den strijd tegen

4

'Amalek.

ocr page 583

quot;O n^-iab nimip nv

• IM * mia 1^2^ DH ♦nn * n^iaVn ^nit^a vn : D^nan n»np « nnx ^ns * n^iann

•n-nr.' awn ejiaai üquot;3 n\s oquot;v

D^p3 • yyv ^3 nb« nnbin • yyv -IDJ ^-ip quot;b^n »ia : Ty nTtra itrnn 0:1«^ * yyirh *m IÏK

^ vt : : t t : ■ : - : • • it

NV3 • msT 1 TK nab vni:i^-i • mar töv bi-in

; ■ t : t ;i-t t tit t : • t :i-t v t

DraiiKb -i3Tn : maan rquot;m njira D^np * mao rm

v:v •*t t :r ; • l-r- r - • i; t :i- t i

• i^T TiD'n * nra nioin ramp;x onï • ns4: ni: Dnnn^ * nnpB' pK nr : n^ai niwa na1! io»3 diöd * nniDi ni'^ KV ei^n • nv: moty

Tc* t : *-: ^ ;t P v iquot; t : - : • - iv tit :

• na^n t6 »2 non * roia ma pin d^ü : nrom Dl»1? Dinn

- t •• t • - t : I i~ t •• : -:

: naiyn K1? nnx |^?P ' nainn1? aa^ Mia or nquot; npani * nixj «nva nna 'amnn * niN^v irp^

• nifrrvan *3 rn • niNïinb nnpa nnp

: niNnï « Dk^s ip3* Kin

t : *: •• : i-t •

: nnbbn -ill. -ji1? ji»v ^T6N ^ ^p' : kj banw niVnn nt^v ^np nnxi

t •• ** t : • ; •• it t - ;

n: ^TaTn |i^ba 13 * niar ^nai6 npan n^K

• quot;iiaT^a m3 1*13^ di«3 nan dki • 113: nn«

:•• ■: : t tt: t iquot; *: : t -

s) Agag werd, zooals Thanchoema Thétsé naar aanleiding van I Sam. 15,33 gezegd wordt, wegens hetgeen 'Amalek met de nSi» gedaan had, door Samuel na zware pijniging gedood.

6) Vgl. Thanchoema, yp»; Ber. Rabba 92,2, waar Nix» nr1?, Ps. 32,6, wordt verklaard te doelen op den dag des laatsten oordeels.

7) Thanchoema Thétsé einde en Pesiktha Zachor 26a; rwï tos ns na? pSnj) -jS, Israël sprak tot God: Gij beveelt ons: «gedenkquot;, — gedenk Gij. Want bij ons kan van vergelen sprake zijn, bij ü echter niet, daarom : gedenk Gij, wat 'Amalek U gedaan heeft.

8) Hoshéa' 6,7.

ocr page 584

JOTSEROTH.

Gij zijt immers God, en geen mensch! Waarom zoudt Gij niet gedenken ?! Met dat al weet ik, dat Gij de macht hebt om te gedenken, maar mijne ziel blijft neergebogen, totdat Gij eindelijk gedenkt! Wat toch is mijne kracht, dat ik zou kunnen hopen op den gestelden tijd voor het gedenken ; en wat mijne tijdruimte, dat ik mijne ziel in lijdzaamheid beware, totdat Gij gedenkt? Zoo Gij dan ook al niet om mijnentwil gedenkt, gedenk dan ter wille van U en ter wille van Jerusalem! Gedenk de bepaling: «Want het getuigenis [de beloften in de Thora gegeven] zal niet vergeten wordenquot;; i) en het woord : //indien Ik u ooit vergeetquot; 3), wil haar thans gedenken ; en bedenk en roep in Uwe herinnering de smart, waarmede de verdrukker mij verwarde, om zijn mond te stoppen, zoodat hij zwaait als een be-schonkene. Dan zult Gij niet weder prijsgeven hen, die genoemd zijn met den eerenaam «eerstgeboren zoonquot; 3), die gekocht zijn voor een Léthech en een Kor4). Dan zal ik Uwen roem herdenken en zal Uw welbehagen opwekken door U te herdenken op den Shabbath der voorlezing van de afdeeling //Gedenkquot; — als

Levende en Eeuwig bestaande. Eerbiedwekkende, Alverhevene en Heilige!

De doorn, zoon van een doorn,6) haastte zich om mijne achterhoede 6) af te snijden, om door zijne verpletterende woorden mijne zwakken te verpletteren7). Toen de spotter nu kwam om te hoonen, werd hij door schrik bevangen en tot spot; toen hij het plan beraamde 8), de oorlogvoerenden 9) met zijne pijlen te treffen 10), om als een sperwer op een vogeltje neer te schieten. Toen Hij [de Almachtige] de wolk boven hun hoofd kliefde, om eenigen daaruit te verdrijven, begon hij zijn aanval, ging weer heen en kwam weer aanrijden11) en keerde terug om op mijn rug te ploegen. Hij werd daarom bestemd en met name genoemd tot eerste in den rij, «het eerste der volkenquot; om ten kwade te bezoeken, om de eerste te zijn van alle trouweloozen en zijn adderengebroed [Haman] te hangen aan den uitgelezensten cypres.12) Hij liep snel en zorgde, dat hij op den weg ontmoette de door den last der reis vermoeiden ; hij zeide; «dit is niet de juiste wegquot;; zoo dwaalden zij [Israël] af in de woestijn, op den weg door de wildernis.13) Aan [Dan, genoemd] «de slang

') Deut. 31,21. ») Ps. 137,5. 3) Ex. 4,22.

4) Hoshéa' 3,2. i-nsa, een stam quot;o: voor den vorm nT3J?1. die van rro zou moeten luiden en van ia: eigenlijk: Zie onze aant. deel I, pag. 81, noot 4.

5) yïp p yïip, die als een doorn steekt, moedwillig en opzettelijk zich tegen Gods bevel verzet. Mechiltha Jithro, Ex. 20,5.

99

ocr page 585

TOT nvnsh nunp ÜÏ

nb w o 'nyy hkts - lürn ah na1? ah) hfik

) ; •• • • . rr ; : • tit : •• t -

i st'k o to no • nüTn hdt ny ^a: nit^n * tüt1?

••--:• 'i - : • t • : quot; quot; i t t -: : •

ah dn • 1% »^3: -jnkn gt;2 ^ npi * hst n1? '3 pin • quot;iiDT D'^n* * nam

nipani * iüt n1? nn^ -]n|^k dn quot;ioini * iidt nn^ nd^n -iijn • iide'd * ni3pgt; m^a * hd^1? -iï dnd * nidrni • 11D1 Tjn^D npj • 1133 f3 ♦Sip: * -llDDn va : quot;iidt n^nas - nat1? ?|ïini * hdtn

: trnpi ora k-iu opi

i t: t t t) -: -

.nin-in.i ■lt;psi2 Dirn i^Sp 13-112 iiv,1?n

'vwquot;) * fvia» tiana - fïpb ♦viïp * f^p ii r^ip D^vxnp * fïil?n?i; fVe * fïiquot;?1? ni33 ft ' '(^b 130 1 d'tft * 5^nquot;i0 ^p3 3^ : '(vb hay ^ f j3 ' *f ïn1?

3pj,ini |sf • trnn ♦sa a^n * irnan. ^n * irns

* t^Ni Dnaia b'D1? ni'n * triTf? D'ia n^Ni - waib

.. T. ... ^.. *■ -T . ... .

ninnti ♦a^. * tjtd n^pm pt : i^ns inspa ni^n i^aïi irn:! * tpn po^^s nanan i^n * -jiin it n1? ^ai * tpn

6) Met het oog op Jer. 9,26; mijne afgesnedenen, door de wolk uitge-worpenen.

7) Zie Mecliiltha Beshallach einde: Toen 'Araalek kwam en Israël afvallig wilde maken van zijn heraelselien Vader, vroeg Mozes: //Wie zal dan in Uwe Thora lezen?quot; 'Amalek trachtte dus, volgens deze opvatting, de zwakken onder Israël, de in het geloof wankelmoedigen, van God en Zijne Leer afvallig te doen worden. Vgl. Thanchoema Thitsé, DiSirn:n Sa eii Pesiktha Zaclior 28a. abnheim verklaart iïixt op grond van rashie, Bechoroth 81): mijne kuikens. 'Aroech s. v. •,,ïi heeft in den Thalmoed-tekst: nj-ffiaa riiui nsiïi en verklaart nxiïi eveneens; kuiken.

8) |'ï = piquot;

9) Diïïns, vgl. Recht. 5,11.

10) quot;ïnS, een w.w. van het zelfst. nw. fn, pijl, afgeleid.

quot;) oi£ii, waarschijnlijk een w.w. van dis, ruiter.

quot;) Toespeling op Mordechai; Megilla 106 in verband met Jes. 55,13.

I3) Ps. 107,4.

ocr page 586

JOTSEROTH.

op den wegquot; 1) sloeg hij de hand, de [door het bondsteeken] aan de heup versierden ; en op eiken kruisweg sneed hij lichaamsdeelen af aller voorbijgangers. 2) Hij snelde toe en haastte zich te vliegen, en kroop uit zijn adderenhol te voorschijn; toen werd bekend, dat hij in smart geboren was 3) uit een slangengebroed. Hij murmelde en deed bezweringen en hechtte bijgeloovige be-teekenis aan den tijd van zijne [Mozes*] geboorte3); doch hij werd in zijne toovenarij bedrogen en werd door het lot 4) verzwakt, zoodat hem hooren en zien verging. 5) Mozes maakte hem dwaas in zijne toovenarijen en in zijne wichelkunsten maakte hij hem tot schande: hij deed namelijk den dag stand houden en maakte hem bespottelijk; de zon liet hij staan blijven en liet hem tot smaad worden. 6) Hij ['Amalek] vermoeide zich dus, doch vond geen rust en kreeg schande tot erfdeel; totdat de zon onderging, had hij hem in het stof doen kruipen, zoodat hij en zijn geheele leger werden uitgeroeid. Vreesselijk schold hij en knarstte op de tanden en siste smaadredenen, den stank goot hij in Zijn [Gods] aangezicht7) en zijn zwaard deed hij blinken. Het besneden deel rukte hij af en wierp het hemelwaarts en den Naam, die als fijne olie geurt, bespuwde hij in zijne aanmatiging. 8) De Almachtige, als een tros met volmaaktheid beladen, gebood den met een jong hert vergelekene 9), tot herinnering voor hen, die met asch zijn vergeleken 10), «schrijf dit ter herinnering in het boek !quot; Het is dan ook aangeteekend in dit boek, in de Thora, de Profeten en Geschriften wordt 'Amaleks schande vermeld 12) om uit het levensboek te worden uitgewischt, zoodat hij niet met al de ten leven ingeschrevenen in het Boek zal worden opgenomen !

o God! tot in eeuwigheid zult Gij verheerlijkt en tot in eeuwigheid als heilig geprezen worden en tot in alle eeuwigheid zult Gij regeeren en boven alles verheven zijn. Gij, God, Koning, eerbiedwekkend, alverheven en heilig, want Gij zijt immers de Koning aller koningen. Wiens koningschap eeuwig duurt! Verkondigt dan Zijne wonderen, verhaalt van Zijne macht, roemt Hem, gij. Zijne scharen, heiligt Hem, verheft Hem, in luiden jubel, in zang en lof prijst de macht Zijner roemrijke heerlijkheid !

100

1

Gen. 49,17.

2

3) fnm, van firn in de beteekenis: pijn hehhen, v. d. evenals Wi en

3

San, barensweën doorstaan.

4

4) In Bubeb's Thanchoema Jithro 4, noot 22 wordt uit wtm cmo ge

5

citeerd : Waarom, gaf Mozes de opdracht, om de krijgslieden te kiezen,

6

aan Josua? Opdat hij mannen zou kiezen, die, evenals Mozes op den 7

7

Adar geboren waren. Er schijnt een Midrash geweest te zijn, dien ik

8

echter niet heb kunnen vinden, dat 'Amalek meende, dat Mozes' geboorte

9

op 7 Adar oorzaak van zijn geluk was en daarom zijn leger vormde uit

10

op 7 Adar geborenen.

ocr page 587

TOT ntina^ mnnp p

33T • Tjnn ^quot;i Va * TJT ^.lona T n^ • -^\i *b$: *2 * ^rn |n2 ^nai ^m f]^i ^ : t]quot;I^t nni^ Sa vsEoai * imb ny) - t^nbi vr\ * r^n: BhitJto • i^nin

t t : * - * t•• £••: - t ; . - t t t v i • t

voDpm * i^bn vs^a : t^n KSI trVm Kgt;bnni * ^non

t t i: • ^ : • t t : * t ; t v: v t - ; - : t

a^] yy - ibrVri D^pnn vnf - ibbn -ip^n DV • ninanb - iVmn i^o^n N3 * iSnj ni2*in1?i * lb mm 12X3 nniDt • pi^ niVKii * pin \p] L2pT : tgt;gt;n bi) Kin d^i * pnr nV^ö * pquot;iö n^a? • pnan laini • pin bx iï -nöün^iafK nj: pi^ piT ni-t^s • pi.in

nn Dtn • isd? |i-i|T nxt aina • nas4 p piDT * -ifiiy

* quot;ifiBp ninsn1? • nsnn1? 0^^221 nnin? * nap

: -12D3 airön bz ans» Nbi

viquot; - -----t - t •• t * ;

* D^obiv * B'ipn * p^in D^b N: VN ^3 • ^npi diiq x-ji: * -|bo bKn * N'^inni -jibon

* in^ vnixiu * nx: inioba * DOVDH oba an nnx

1* t : -iv : - • t ; - - |v iv t -

•nn^n^fn * imöDiquot;! in^-|p *VK3Ï m-jNS nap : innxan niVnn cjpin

5) Pcsiktha Zachor 22«, naar aanleiding van Ex. 17,13, Jalkoet t. p. nquot;. 265.

6) en van t'in, zintuig.

7) Thanchoema, Beshallach, Ex. 17,12; twon n-2 nr.

8) De plaats Ez. 8,17 dsn Hs wordt als bnsid ppvi opgevat voor iss Hs; die wierpen hun stank voor Gods aangezicht. Hier is waarschijnlijk de zin: hij uitte vreeselijke Godslasteringen vóór Zijn aangezicht. — Sommigen willen in dit m»T zooveel zien als: ni-OTn las. Zie pag. 94 noot 5. Vgl. Pesiktha Zachor 21b.

9) Zie Bammidbar Rabb. 13,3. Thanchoema Thétsé. Pesiktha t. a. p.

10) Mozes, Hoogl. 4,5; Rabba t. p. Vgl. Thanchoema, son *o.

n) De zonen van Abraham, zie Thanchoema Thétsé en Pesiktha Zachor 24a naar aanleiding van Job 13,12.

la) In de Thora Ex. 17, en Deut. 25,17; in de profeten I Sam. 15, in de Geschriften in de Rol van Esther. Zie Mechiltha Beshallach Ex. 17,14.

ocr page 588

JOTSEROTH.

Zoo gedenk dan, wat 'Amalek U gedaan heeft!

En wisch uit zijn naam en zijn aandenken, zoodat de herinnering aan hem worde verdelgd en men hem nimmer meer vermeldt bij de herinnering des Heiligen !

Omdat hij niet dacht [liefdeplicht le oefenen] !), wordt hij als geheel vreemd beschouwd en niet meer herdacht bij de herinnering des Heiligen 1

Gedenk den man, die den aartsvader Abraham deed verscheiden vóór zijn tijd 3); die door te moorden, te stelen en overspel te plegen hem zou hebben verschrikt en zoo vijf jaren van zijn levensduur heeft afgenomen. — Gedenk hem, die weldadigheid verachtte 3), smadelijk bejegende zijn broeder, die zijn grootvader den laatsten liefdedienst bewees ^; hij geleek op iemand, die zijnen naaste liefde onthoudt5). — Gedenk, hoe hij de schaamte ontblootte van eene op het veld aangetroffen [gehuwde jonge-dochter] 6), hoe hij bloed vergoot, toen hij van het veld terugkwam7), terwijl hij [van verdriet] zich deed omkeeren het hart van zijn vader 8), die eens op het veld had gebeden 9). Gedenk hem, die verstooten werd wegens zijn onbesneden oor 10), die de eerstgeboorte verachtte voor een bedwelmenden beker u), die het juk van zich afwierp en het bondsteeken onzichtbaar maaktela). Gedenk, hoe hij telkens zijne handelwijze met andere slinksche middelen tegen Israël richt, hij, de man, die zich als vreemdeling gedraagt13); hoe hij het licht van zijns vaders oogen verzwakte door den rook van zijn afgodendienst u), en in zichzelve plannen beraamde, om zich tegenover zijn broeder als wreedaard te gedragen :l6). Gedenk, hoe hij zijn dierlijken lust botvierde en zich als

') Ps. 109,16 (vgl. 'Amos 1,11). Zie Thanchoema Thétsé, Pesiktha Zachor 226, waar dit geheele gedeelte van den Psalm, van af vs. 13, in verband gebracht wordt met 'Esan, 'Amaiek'a grootvader.

5) Zie Tlianchoema en Pesiktha t. a. p. Abraham, — die slechts 175 oud werd, terwijl Izak een leeftijd van 180 jaar bereikte, —■ werd door God vóór zijn tijd weggenomen om niet getuige te zijn van 'Esau's ontaarding. Vgl. Ber. Rabba 63,12. Uit de woorden Gen. 25,29, niCH p wr {{311 Ni,Ti, wordt door Midrash nl. afgeleid, dat 'Esau zich aan de drie hier genoemde misdaden had schuldig gemaakt.

3) Vgl. noot 1. Wajjikra Rabba 3.

4) Het linzenkooksel, door Jakob bereid, vond naar Gen. Rabba 63 zijn aanleiding in Abrahams overlijden. Toen nu 'Esan bij zijne tehuiskomst vernam, dat Abraham gestorven waa, zag hij daarin eene gelegenheid Jakob om zijn geloof aan een leven hiernamaals te bespotten en hem wegens de zorgen voor het lijk zijns grootvaders en voor het rouwmaal zijns vaders uit te lachen. Zoo verklaart Midrash 'Esau's woorden Gen. 25,32; irmS -[Sin ■ois nsn, i/Zie, ik ga toch een eeuwigen doodslaap te gemoet.quot;

5) Job 6,14. In Ber. Rabba 76 en 80 wordt dit vers toegepast op Jakob, die Diena niet aan 'Esau ten huwelijk wilde geven, en haar daarom aan Shecliém moest afstaan. Vgl. ook Kethoeboth 63a en Jer. Kiddoeshien

101

ocr page 589

TOT mna1? manp Np

•' ^1? -ik'k nx -iidt pni i^-ip^npd mtsth^p •n^ldt^s:,) npi ^pm»quot;

: B'lnp piDD * iDinba * *1233 ïpniï ist k1? ^p1 rn

.nquot;lJ 1quot;J3 J:'2S Dquot;3J

«iiwi 31:51 niïia * inv ahh 3n nt^n hdt

I t : t : - i t : ■ : t i •: * v -; • t

bv_ nria HDT : in^npp i iron jna * in^3 in^np oab nan • non lipT1? vy nx b^ia * non niVpa |p 1N133 dn * rnip nNivp nb: Hdt : ion • nbiyn niK2 nnn *iidt : m dn d1? nan * m'^n

t ••^—.t lv i ; t t vt - t t •• ) - t v t quot;

i1? Tpai ^i^ i3D pnai * n^irin didd niiDD nrian |Ety3 dn iinp nnDni * in -]in -jSDsn hdt : n^-ij; i ^irn:i hdt : itdn1? nxb nvn d^d düt * nr midj;

- ^ ; • ; t t : - : t ; v: •• : quot; t t ~ i -:

1,3. — Uit al deze verklaringen blijkt de opvatting: „wie een ander u-eer-houdt een liefdeplicht te vervullenquot;. In dien zin wordt het ook hier door den dichter gebezigd.

6) Zie noot 2. mon p, 'Esau kwam van het veld wordt door Midrash t. a. p. verklaard : nNïS mco 'sjd nonsnn mr: rvro ps; men ziet in het gebruik van dit woord eene aanwijzing, dat 'Esau toen eene door p'^vrp gehuwde jongedochter zou hebben onteerd; in welk geval door de Thora het meisje wordt vrijgesteld van straf: „want op het veld heeft hij haar getroffenquot; (Deut. 22,27).

7) Midrash Thanchoema t. a. p. o'j-nnS te: nat 'o 'm» jiin nSn cjiy p.si; in de uitdrukking rpr, vermoeid, ligt eene aanwijzing van door 'Esau ge-pleegden moord, gelijk gezegd is ; Wee mij. want mijne ziel vermoeit zich met de moordenaars (Jer. 4,31).

8) T. a. p. wordt gezegd, dat Izaks zwakte van oogen (Gen. 27,1) het gevolg was van 'Esau's slechtheid. Ik neem daarom ;S -[en in de actieve beteekenis, waarvan het passieve Klaagl. 1,20 voorkomt.

s) Gen. 24,63.

10) Jer. 6,10, dat weigerde naar vermaningen te luisteren.

n) Zie Ber. Rabb. 63 in verband met het woord wi. Gen. 25,34.

ls) Naar aanleiding van Ez. 35,6, nsjr dt nS dn : Voorwaar gij hebt hel Uoed gehaat, wordt Ber. Rabb. 63 gezegd, dat 'Esau de besnijdenis haatte. Vgl. Pirké R. Eli'ezer 29; duidelijker Jalkoet 1,268: onmiddellijk na Izak's dood werd onder 'Esau's nakomelingen de besnijdenis afgeschaft. Zie ook Inleiding van Midrash Roeth 3.

13) Zoo wordt het vers Spr. 21,8 in de inleiding van Midrash Roeth 3

XTöT*lr 1 o Q f H

quot;) Thanchoema Gen. 27,1.

I6) Gen. 27,41.

ocr page 590

J0TSER0TH.

vrouw liet misbruiken!); hoe de moedwil zijns harten hem tot afschuwelijke misdaden verleidde; daarom worden zijne helden door schrik verlamd en verliezen den moed als het hart eener vrouw. 3) Gedenk, hoe het kroost der booswichten, verafschuwd en verworpen, den «gladdequot; (Jakob) wilde vernielen en «triomfquot; roepen, hoe de trotschen een strik verborgen om den broeder te gronde te richten. 3) Gedenk, hoe uit hem voortsproot de 'Ama-lekiet, die als de likkende sprinkhaan kwam aanvliegen4) om mijn deel te vernietigen, en mijne helden verpletterde voor aller oogen om [mijn bloed] te slurpen. Gedenk, hoe hij, verdwaasd, zonder overleg, afdaalde en mijn volk verpletterde tot vernietiging toe6); zoo is hij zelf ook uitroeiing schuldig geworden. Gedenk, hoe ('Amalek) de bewoner van het zuiden 6), teugelloos als een wilde ezel 7), zijne kleeding en taal veranderde om zich als koning van 'Arad voor te doen; om gevangenen weg te voeren, van [het volk] dat weerspannig was8) en daarom verschrikt werd. Gedenk, hoe de dwaas zijne waanzinnigheid herhaalde, toen hij optrok met Midjan vermengd 9), waarbij Jeroe-bésheth 10) spoedig zijne schande ontblootte. — «Gedenk hem den wortel uit te rukken uit den vochtigen bodem, hem geen twijgje te laten noch eenigen wortelquot; 1); de zoon van Kiesh werd bestraft, omdat hij hem een wortel had overgelaten 13). Gedenk de handeling van Agag in zijn praalgewaad; gelijk zijn ['Amalek's] zwaard vrouwen kinderloos maakte om haar te onteeren 13), werd zijn nakomeling in stukken gescheurd ten prooi voor struisvogels. u) Gedenk, dat de vorst [Shaoel], die goedvond hem te sparen, van het koningschap werd verwijderd uit den rij der gezalfden, terwijl de overgebleven telg zich ontwikkelde tot doornen 15). Gedenk, hoe hij, 'Amalek, die woonde in het Zuiderland le), Tsiklag en het zuiden belegerde; de «schoone van uitzichtquot; [David] 17) maakte hem tot een lijk, terwijl hij hem in den schemeravond aanviel bij zijn wellustig drinkgelag 18). Gedenk, hoe de geweldenaar zich onder de 'Ammonieten verborg, toen hij om in mijn wijngaard

102

1

2) Dit wordt t. a. p. uit Jer. 48,41 als 'Esau's straf voorspeld. (Vermoedelijk moet voor het daar aangehaalde vers, dat van Moab spreekt, gelezen worden 49,22, dat Edom behandelt. Zie Strasiioen t. p.)

3) Ber. Rab. 67,8 wordt, naar aanleiding van Gen. 27,41 verhaald: 'Esau dacht bij zichzelve; Zoo ik Jakob dood, dan zullen Shem en 'Eber als rechters mij ter dood veroordeelen. Ik zal mij nu verzwageren met Jishma'el, dan zal deze na Izak's dood zijn oude ecrstgeboorterecliten doen gelden. Wordt hij door Jakob overwonnen en gedood, dan heb ik als naaste verwant de plicht hem te wreken. Zoo zijn Jishma'el en Jakob beiden uit den weg geruimd en word ik beider erfgenaam.

4) p2?»!1 wordt in Thanchoema en Pesiktha t. a. p. verklaard: pS dï, het volk dat als een pS', een sprinkhaan, die met zijne tong eene beweging maakt als die van likken, afvreet. (Zie Ibn 'Ezra Joël 1,4).

5) Num. 14,45.

2

Ber. Rab. 63,10.

ocr page 591

quot;nnr nunfi1? nianp ap

nvnb vii35 inn - ix^n 12b ri-ir • vz-h

: . t • ,- t : t • i : t • : i..

wrwtrh pbn * nbtfri D^np HST : ±gt;2 ' quot;pbvv 130 t2:n hst : nx ban1? nö ^dü * n^n idi1?'!

I • •• t iv - t t t quot; * quot; : t tv

IIDT : 'ppib1? i Va an;33 * 'pVn isn1? p^3 DU

p 103 * nonn nrpi ly ' non^no rm niD3 * 1^3 biy ^3 dj: 3^v ni3T: nonnnb mils' Vd3 1131 : quot;iini nio '3^ ni3^ * -ny 'nVo nvn

• ; t tt : - t • iv : • t -: |v iv •.:

: inib3a n^i nt^sinno * ini^3 |no 'inbixs

ir:^; * t^ni^ D;I f]^ 6 3iT^bo * ^i.ifo inïs ^p^pb ii3T d^: * nir$o jjn n'^o H3T : ^quot;iif 11? »3 ^'p TJJ 113T : ni:^ f]iD^ mt? DID * ni3^ I3nn 1-63^3 no^ nnisn Vbiy * o^'p: I psp nsiVoo ID * D^ddh ibon1?

1133 * 333n pK3 3^V pbo^ * 3331 3l?pV 33p quot;llDT : D^V ♦0quot;)3 p3 ' K3n3 D^IOiD 113T : 33gt;gt;3 ^30 ♦Niquot;] 3113

6) Thanchoema, Num. 21,1- «Uv Kena'aniet, de koning van ' Ar ad, de bewoner van het zuiden, hoorde.... en voerde gevangenen van Israël wegquot;; 'Amalek was het, die zich als Kena'aniet voordeed. Vgl. Jalk. 1,763.

quot;) nry, toespeling op de woorden : koning van 'Arad, t. a. p. (Vgl. Rosh Hashana 3al.

8) n», Thanch. t. a. p. zegt; 'Amalek was steeds de tuchtigingsriem voor Israël's weerspannigheid tegen God.

9) Recht. 6,3 en 33 en hoofdst. 7,12.

10) Gid'on, II Sam. 11,21. quot;) Zoo luidde het bevel.

1J) I Sam. 15,8. Shaoel werd met ondergang van zijn huis gestraft, omdat hij, in den oorlog tegen 'Amalek, Agag gespaard had.

13) Zoo verklaart Pirké R. Eli'ezer 49 de woorden dtj rhiv irss enz. I Sam. 15,33.

14) Zie Thanch. Thétsé, Pesiktha Zachor 256, Écha Rabb. 3, einde, Esther Rabba 7, naar aanleiding van rpn-o I Sam. 15,33.

15) Zie Thargoem Esther 3,1. «De Agagietquot; beteekent nl. volgens Mid-rash : de nakomeling van Agog. Pirké R. Eli'ezer 49. De uitdrukking DOD1? met het oog op Num. 33,55.

16) I Sam. 30. 'quot;) I Sam. 16,12 van David gebruikt.

,8) I Sara. 16,16 en 17. David versloeg 'Amalek, dien hij bij een feestmaal aantrof, van de schemering tot den avond, cicj:» is dus een van =)■« afgeleid w.w. Voor 33jgt; vgl. Ez. 23,5 ; 33,32. — Arnheim ; hij, David, die Maast op den herdersfluit; hij leest dus: 33J?; doch het instrument, dat

David bespeelde, was de harp.

ocr page 592

JOTSEROTH.

door te breken zich naar 'En-Gédie liet brengen, doch zij werden de een door den ander verbrand, als door een vlammend zwaard Gedenk, hoe hij de vluchtelingen in toorn als in een storm wegvaagde 2); toen mijne scharen naar het gebergte Sé'ier gegaan waren, ijverde hij om te wreken de steden van Sé'ier3). Gedenk, hoe hij zich op den kruisweg opstelde om mijne ontko-menen uit te leveren '), hoe hij ging staan aan het begin der wegen om mijne overweldigers te helpen, hoe hij vervolgde en in hun macht leverde mijne uiteengejaagden, mijne vertrapten ! Gedenk, hoe hij besprong de //hemelpoortquot; B), hoe hij met donderstem schreeuwde: «wie is tegen mij in den hemelquot;6), hij werd machtig en groot tot den hemel.7) Gedenk, hoe hij tot den huiehelachtigen [koning Achashwerosh] ging8) om het [priester-] koninkrijk te belasteren ; hoe Shimshai — wiens zon ten ondergang neigde en meer en meer daalde, — belasterde het volmaakte volk om het te verzwakken en het werk [van den herbouw des tempels] te doen staken 9). Gedenk, hoe hij tienduizend [Kikkar zilver] toewoog10); honderd stekken deed hij uitbotten, om zijne hoop op hen te vestigen 11), en bestemde tien van hen tot aanzien. Gedenk, hoe hij eischte [van den koning] de vijf boeken [der Thora] te vernietigen; hoe hij een vol jaar als termijn stelde, om de //gewapendenquot; [Israël]12) te gronde te richten, doch na verloop van zeventig13) werd hij opgehangen aan den vijftig el hoogen galg 14).

Dan zal heiliging U ter eere opstijgen, want Gij zijt de Heilige van Israël en de Helper!

') II Kron. 20,1 wordt verhaald, dat 'Ammon en Moab tegen Jehosha-

{)hat strijd voerden en hun leger te 'En Gédie hadden opgesteld en met len van de)hat strijd voerden en hun leger te 'En Gédie hadden opgesteld en met len van de 'Ammonieten. Midrash neemt op grond van vs. 10 en 23 aan, dat onder deze laatsten de stam 'Amalek bedoeld wordt. Zie pseudo-Rashie en Kimchi t. p. Hij zou dan, evenals bij den strijd in Num. 21,1 (zie noot 6 pag. 102), zich nu als 'Ammoniet vermomd hebben. — Het

fevaar werd van Israël afgewend, doordat plotseling strijd tusschen de ondgenooten ontstond, waardoor zij de wapenen tegen elkander richtten en hun legers elkander doodden.evaar werd van Israël afgewend, doordat plotseling strijd tusschen de ondgenooten ontstond, waardoor zij de wapenen tegen elkander richtten en hun legers elkander doodden.

3) 'Amos 1,6, 9 en 11. Vgl. Jalkoet t. p., waar gezegd wordt, dat alle naburige volkeren Israël in zijne vlucht belemmerden.

8) T. a. p. Edom nam wraak over de langdurige afhankelijkheid van Israël, waarin zijne steden hadden verkeerd. Vgl. o. a. II Kon. 16,6. II Kron. 29,17. Edom veroverde toen Elath, eene Judaeïsche kolonie op Edomietisch gebied.

4) 'Obadja 1,14.

6) Den tempel, met het oog op Gen. 28,17.

«) Ps. 73,25.

2 Daniël 8,10. Dat Edom tegen Jerusalem en den tempel vijandelijken pleegde, blijkt o. a. uit Ps. 137,7. Daniël 8,10. Dat Edom tegen Jerusalem en den tempel vijandelijken pleegde, blijkt o. a. uit Ps. 137,7.

103

ocr page 593

quot;hdt nr-is1? nianp jp

iidt : nsinb mns rnna ianv • kama na rp

• •• : t t : viv : • t ; • ; t : 'iv i

dip:1? k3p * yyw in ♦ksv * i^pn e]«3

dpn^i t^nia dp • nn^ pnaa jï hst : nitjr f |5pt : nisn nns d^3 npoi ' nn pk quot;i^ * d'o^a ,l? jntri rrn • d^n

-; • - - t • r t - - t : - t • i- t - r :

• nosoü ei^nn1? «pn ba -n i iidt : d^1?

v -: - : • viv;- | • -: - ; ) •• t v t t • it t -

: ndnbaq nnian1? rtrvn nan * nd^ini n^dnd ityot?

v it ; • _t -:!•;• t - viv : v iv - : : •

nyty • nndiy'? ü^nn n^d i n^rwï - nn^ d^k bpw iidt

•■ quot; t : ' • v: v t •• • * ; t t * t -: i - t t

nïp no»on • d^an nans ynn quot;iidt : mirb nnt^y ona

- It t •: 't*.. quot;ti^-t t tt:* tt ~: v ••

: d^an ^ nbn: d^pts' n^pn * d^an ribp^ ; j?^iai vinfr: b^np nn^ ^p n^tp nb^n jppi

8) Pethiecha v. Esther Rabba 9, naar oanleiding van Job 34,30, waar de woorden rijn din niSa» op Achashwerosh worden toegepast. Vgl. Jal-koet 11,1054 en 910.

9) 'Ezra 4,8 wordt de schrijver Shimshai genoemd als een van hen, die tot Achashwerosh een schrijven richtten in zake de gevaren, aan den tempelherbouw verbonden. In de inleiding tot Esther Rabba 5 wordt gezegd, dat deze een zoon van Haman was. Jalkoet 11,1068, wordt opgemerkt, dat van Shimshai af in het genoemde vers tien namen genoemd worden, doelende op de tien zonen van Haman.

10) Esther 3,9.

11) In verband met Pred. 6,3 zegt Jalkoet 11,972 o. a: Indien iemand honderd kinderen voortbrengt, dit doelt op Haman. (In Rabba t. p. schijnt dit uitgevallen te zijn). Wanneer in Esther niettemin slechts van tien zonen melding wordt gemaakt, dan heeft dit zijn grond in de omstandigheid, dat slechts dezen tot politieke macht warén gekomen.

ls) Met het oog op Ex. 13,18; anderen: De in één vers, Num. 8,19, vijf maal genoemde kinderen Israel's.

13) Dagen; van 13 Niesan, toen Hamans zendbrieven geschreven werden (Esther 3,12) tot 23 Siewan, toen op Mordechai's bevel het herroepingsdecreet verzonden werd (Ibid. 8,9) verliepen juist 70 dagen (Ber. Rabb. 100). Anderen; op het einde der 70 jaren van de Babylonische ballingschap.—-Bammidbar Rabba 14,12, — welk werk Kalmer echter waarschijnlijk niet gekend heeft, — wordt gezegd, dat van Esther 3,1 tot 7,10 juist 70 verzen zijn, en in verband daarmede komt daar, — misschien als glosse, die in den tekst is gekomen, — onze plaats voor. Dan zou het betee-kenen: na 70 verzen werd hij opgehangen.

quot;) Esther 5,14 en 7,9.

ocr page 594

JOTSEROTH.

.piS1 D

o God! zwijg toch niet! Als het geluid van machtige wateren werd Uwe stem gehoord, toen Gij Uw volk liet hooren en het gebod gaaft in het werk, dat Uw eigendom is!): „Gedenk, wat hij, 'Amalek, u gedaan heeft, die u ontmoette en u verzwakte; daarom zal het zijn: als de Eeuwige, uw God, u rust zal geven, zult gij zijn aandenken uitwisschen uit geheel uw gebied.quot; Doch zij antwoorden en zeggen tot U en beantwoorden U met Uwe eigen woorden : „O, doe gestand het door U gesproken woord ; doch in plaats dat Gij ons beveelt, herinner Gij U zelf; gedenk Gij, wat zij U gedaan hebben !quot;3) Gedenk, o Eeuwige! den dag [van den ondergang] van Uw verblijf, hoe zij zich verhoovaar-digen en spreken : «wat hebt Gij hier nog te doen hoe zij afschuwelijken stank opzenden in Uw neus om U te ontwijden R); gedenk den grooten troon Uwer heerlijkheid 4), dien zij verpletterd en gelasterd hebben vóór Uw aangezicht; hoe zij Uw tempel in vuur deden opgaan en geheel Uw gebied verwoestten en plunderden en afrukten de gordijnen Uwer tent; zij, omtrent wie Gij hebt geboden: „zij zullen niet in de gemeente komen bij uquot; 5), zeiden: „komt wij willen hen doen ophouden een volk te zijnquot; (i) om Uwentwille, opdat Uw hooglofwaardige naam niet meer zou worden herdacht. Aan U laat de wraak daarvoor Uw getrouw leger over7), want meer dan zij ons deden, hebben zij ü gedaan!

Ons hebben zij in de woestijn bevochten, doch met U streden zij in een bewoonde streek ; tegen ons brieschten zij buiten het leger, doch tegen U brulden zij in het midden der legerplaats; bij ons brachten zij door ontucht ten val de door de wolk uitgeworpenen, doch bij U rukten zij het met reukwerkwolken bedekte verzoendeksel af; ons stelden zij zich voor als door de wolk krachteloos uitgestootenen, doch bij U dachten zij te stijgen boven de wolkenhoogten8); tegen ons stonden zij op buiten den scheidsmuur, doch U kwamen zij tegemoet binnen in het allerheiligste ! Ons verwoestten zij, terwijl zij van het heiligdom verwijderd waren, doch van U vernielden zij de woning op de heilige plaats zelve9). Ons verdelgden10) zij buiten onze woonplaats, doch U trachtten zij te vernietigen in den zetel van Uw verblijf; ons ontnamen zij het bondsteeken van het lichaam, doch van U maakten zij tot ban de tien machtige handhavers van het verbond n). Bij ons werden zij vernietigd door het opgeheven blijven der handen van den bescheidene [Mozes],

') Boraitha Kinjan Thora, Aboth 6,10; een van de vijf bijzondere eigendommen Gods is de Thora.

2) Thanchoema Tliétsé, Pesiktlia Zaclior 26a, waar ook het volgende voorkomt en waarvan onze plaats eene berijmde bewerking is.

3) Zie pag. 94 noot 5.

4) De tempel, met het oog op Jer. 17,12; wipn Dips • • • • TM SD3.

EXODÜ8. N

104

ocr page 595

quot;TOT mifi1? plVD lp

• Tjblp D'Ü Vips * T]1? bx DTlbx

nvyT im n^i IÜT * TJ^S ppa nwpi nnari * ^ n^na n^ni • -|VKgt;n»i ^

un» Tjbf pi • noN'i in^T' orn • bap npT

• Tf? quot;iDjn wiïp nnNB' * ^ibp na-] nx opn K3K • ^ Dmnpn * Tj^nT DV n« « quot;IIDT • T]1? ^t m IIDT nrix iidt * ^Vbn1? e]«3 nniDT D^nbiirn * T]b np ni3 D^pKUi

mWi * IÏN:quot;! i^p nt^N • hm ND?

• TjbnN ni^n» ipn:! iquot;i^i * ^25 Va

♦150 1 D-i^nDJi ID1? nox * Tib 1 ^npn itó» ab n^ï IB'K

•••:-: : : t )t tIt- it t r • v -;

nnvi • -jbn niT^;. • TjVibn DB' -or ab) * -|b^3 ^nxi • ion1?: isiaa hik : rh uV I't^v n^xo

• - I : it : * t : • - it ) t Tt it nT v -: ••

• ion: njnsn npa nnxi * ion n:noV nn linx * lonbn:

iTT v -; - - vliv; | : : t v-;--| it -; - : *

♦bi^nViinx 'loo-iny misa nniti -IOOT r:^ ♦□bs um

•• 1 -;- IT ITT I T T vi- I ; : ITT I T T •• •• ; IT

nrnpp pn unK * loon zy ^nos ^ ^nwi * ion 3^

• lof n Dipo pinna i:nK * ionp d^i ^sh ?jnxi • iopT ?jnKi 'lonuns^p pn unx *100^ ^jpipp anpa ^nxi ?]nNi * lonn iN^p nna niN unx • lonnn füpa

• ioquot;inn i:^ n» ons i:nx * lonnn nna n^K ni'^y

it*: t tt ••: ; it rv: v * : ... - ..,.. i.

ocr page 596

105 J O T S E R O T H.

doch tegen U hieven zij de hand op, om die naar Uwe macht uit te strekken. Tegen ons beraadslaagden zij en maakten zij listige plannen, doch tegen ü rukten zij de Keroebiem, waar Gij [met Mozes en de hoogepriesters] spraakt, van hun plaats '), der schending ten prooi. — Doch Gij, o Eeuwige! zult eeuwig ten troon zitten, en hij zal, bij U vergeleken, steeds in de laagte zijn gezeten; al houdt hij in bezit de woestijn en geheel de bewoonde wereld, en denkt bij zichzelve: «ik ben er, en geen buiten mij meerquot;; zoo Gij thans niet opstaat en luistert [naar ons gebed] en naar de dertien maal herhaalde uitdrukking: «opstaanquot; -) de wraak berekent, om met schrik en vangkuil en valstrik den bewoner te straffen3); doet Gij dit niet, dan zult Gij [door hen] als geheel vervreemd worden beschouwd; en ieder, die telt en nagaat en berekent, het voor de wonderen bepaalde tijdperk wil kennen en uitrekenen, — zijne kracht raakt uitgeput, hij kan niet meer denken en vindt geen antwoord, dat hij kan geven; hij zwijgt daarom en wordt, daar hij niets hoort, stom ; slechts door vertrouwen op God houdt hij zijne lendenen overeind 4) en dit neemt hij zich telkens weer ter harte en zegt: «totdat neerziet en aanschouwt en hoort [de Eeuwige uit den hemel] !quot;5) Zoo word ik dan beschouwd als een van logen beschuldigd getuige6), telken dage nieuwe verdichtselen verzinnend; terwijl mijne ziel ten zeerste verschrikt''') en terneergedrukt is. Gij echter, o Eeuwige! tot hoelang nog zult Gij het aanzien en zwijgen ? Gedenk Uw heiligdom, dat verwoest is, waarover ieder, die er voorbij gaat, versteld staat! Wanneer zult Gij ü verheffen en Uw hoogheid toonen ? Breng tot stand het door het woord van Uw mond in de herinnering levende: dat Gij door het driewerf herhaalde HJiy 8) 'Amalek in verwarring zult brengen, hun aandenken te doen verdwijnen door drie wijzen van sterfte9); hun glans te verdonkeren door drie dagen van duisternis 10), hen met zeven dagen van woedende gramschap te brandmerken11), hen door tien wijzen van verdelging13) te vernietigen. Zooals zij het volk beletten de «tien woordenquot; luide uit te spreken en hen weerhielden van de zeven overoude [Noachidische] geboden13), zoo zullen zij door den zeventienvoudigen gifdrank bedwelmd worden 14) en eene hemelsche stemme zal uitgaan

') won, van het Thalmoedische ns-un, met het slachtmes afwijken van de plaats, waar de slachtsnefjle moet worden toegebracht. — Wat het feit aangaat, vgl. inleiding van Écha Rabbathie, n0. 9.

2) Dertienmaal wordt van God de uitdrukking Dip gebruikt in verband met de bestraffing van Zijne bestrijders.

3) Jes. 24,17.

4) Zijn binnenste stelt hij gerust en zegt tot zichzelve: God zal eens zeker helpen.

s) Klaagl. 3,50.

6) De volkeren houden mij, als ik spreek van de komst van den Messias, voor een valsch getuige, want — beweren zij — hij is reeds lang

ocr page 597

■o niria1? pib^D np

• HDi i:nK * iDnn ^lüb T ni^n

• chtyb v. nnNi : lonjn nisnn1? ?|-I1D ^nKi ♦DSSNI * ai^n nano tyisn • riEDa Kim

• * - t : t : * t •• t i- ; | :: v :

^^3 • airpni mpn nri^ tb dn - a^nnp ±gt;z Sjr Tpab nai nnaiT nnaa * n^n1? niopT: nia^p n-i^.

• rityirn naioi njian bai * a^nn DNI. • a^i^n

* ai^nap irnirü nnt^j * panV nixban ^p vboa naiaxai * a^pno n^n^i * at^n1? myo Nïa*

t t : t v; v ••!:-•• t • v v: v; •• t : - t : •

•quot; ae'pn. «ti ^pk't -iy quot;idn»! • a^ ia1? i hi\ n^n • a^^ tnp n^na: * aanp i avn ^a • aai? -i#a 'na^n^ ^tpp n»a liar • aam nxm ♦no 7. nnxi * Dpinirpi

• Donnm nirjnn ♦no * ooin^o vby nai^ sai * oot^n

... .. - . . _ t .. . . t't •• ^ t : •• t -

jr^a * DpnV p^o^ niny ir^a • opip ^3 npix nan

• Dp^n1? on;: nbax w n^V^a - Dp-inb onar nin'p : Dp^Knb 10^ ♦ro mf^a • ap^nn1? nnaj; w n^a^a n'^vp ^afoi * ni:^o 1 dj; iaa^ onan m^p loai Nïn bip-nai * ni:^1? na^v vïv\ n^a ja * rm^pn

gekomen. d»lt lï is eigenlijk een getuige, van wien bewezen wordt, dat hij, tijdens het door hem als gezien getuigde feit moet hebben plaats gehad, zich elders heeft bevonden; v. d. hier: een valsch getuige in 't algemeen. quot;) Ps. 6,4.

8) Jes. 33,10: iVu zal Ik opstaan, zegt de Eeuwige, nu zal Ik Mij verheffen, n u Mijne hoogheid toonen.

9) Honger, zwaard en pest.

1()) Als in Egypte, Ex. 10,23.

quot;j Als in Tsephanja 1,15, mar dv. waar van af die woorden tot het einde dei- beschrijving, vs. 18, zeven maal het woord dv voorkomt. ls) Die volgens Midrash in Jes. 3,4 zijn aangeduid.

13) Het verbod van afgoderij, moord, onzedelijkheid. Godslastering, roof, eten van een lid van een levend dier en het gebod betreffende rechtspraak.

quot;) Ps. 75,9, waar van den beker gesproken wordt, dien God eens den booswichten te drinken zal geven, heeft 17 woorden. ilÜJfS van rur1?, gif. Baeh. leest: ntijn, naar het mij voorkomt, minder juist.

ocr page 598

JOTSEROTH.

uit het goddelijk verblijf en zal alle legers verpletteren, verkondigend en verhalend de herinnering aan eens uitgesproken woorden : „denkt niet meer over vroegere gebeurtenissen !), let toch slechts op de later verleende hulp en herdenkt onder jubeltonen'Amalek, die eens kwam en de legers in verwarring bracht en u den gloed [der onschendbaarheid] ontnam in de oogen der dochteren [der vreemde natiën] 1) en wiens roem zich verspreidde door alle gewesten, — ,/aanschouwt thans ditquot;, zoo zult gij spreken, — «hoe hij plotseling uitgeroeid is aan alle hoekenquot;; en het heir in de hemelhoogten, dat in Gods woningen verblijf houdt, waarop hij als steun vertrouwde,2) hun zal Hij de zonden bedenken, ze te tellen, die zij sinds tallooze jaren bedreven hebben 3), om met hen afrekening te houden, hen te doen vallen in de hel der verachting ; dan zal de menigte der volkeren en de natiën aller talen klaagliederen aanheffen over helper en ondersteunde, klagend: nstruikelt de helper, dan valt de gesteundequot; 4). Dan zal al het door U gewrochte weten, dat Gij niet vergeet; dan zal al het door U gevormde begrijpen, dat Gij hun naam der vergetelheid prijsgeeft; dan zult Gij Sé'ier en zijne vorsten aanklagen en 'Amalek en zijne veldheeren terechtwijzen en met hen in het gerecht den strijd beginnen. Dan wordt herdacht het volk, dat Gij U steeds herinnert, want ten goede hebt Gij hen dan bedacht en in die herinnering ten goede wordt Gij met hen bedacht. 5) En zij die den Eeuwige gedenken 6), zullen steeds zeggen : //groot is de Eeuwigequot; 7); en de door den Eeuwige verlosten zullen spreken 8) : «zoo mogen al Uwe vijanden ondergaan, o Eeuwigequot; 10); en zij, die staan in het huis des Eeuwigen n), en die vertrouwen op den Eeuwige12) en die geplant zijn in het huis des Eeuwigen i3), zullen aanschouwen de liefelijkheid des Eeuwigen14) en zullen verkondigen, dat er niemand is, zoo heilig als de Eeuwige 15). Want een barmhartig God is de Eeuwige16); heil dus ieder, die vreest den Eeuwige 17); het is goed, te danken den Eeuwige 18); het is goed, een schuilplaats te zoeken bij den Eeuwige 19); jubelt dan, gij rechtvaardigen, in den Eeuwige20), met de stemmen van die spreken: dankt den Eeuwige!!!1) want zij [Israël] zijn een kroost, dat zegent de Eeuwige33); dit is de dag, dien bereid heeft de Eeuwige33), want een groote God is de Eeuwige34). Gezegend, wie komt

106

1

5) Het woord -pp wordt in Thanchoema Thétsé, Pesiktha Zachor 27a ver

2

klaard : die u afkoelde Ifpn; evenals iemand, die in een kuip vol kokend

3

water springt, ook al brandt hij zich deerlijk, bij de toeschouwers de vrees

4

voor de hitte van het water vermindert. — zoo heeft 'Amalek, door zijn

5

aanval op Israël, hun roep van onoverwinnelijkheid, die onder de vol

6

keren was uitgegaan na hun nittocht uit Egypte, ondermijnd, hoewel hij

7

zelve bij dien aanval den nederlaag leed. Na het door hem gegeven voor

8

beeld was de schrik bij de volkeren (Ex. 15,14 en 15) geweken en waag-

ocr page 599

TDT nuns1? pl^D ip

• unyi inor • nunon bis p'iam * mai^ap I iDT n^m * ni:nn« ni^ t« ira - ni^x-i nsrn

viquot; r : - : -; - : t r • ; : •

• ni:3 ♦ifia ddhn ipni * mino mjn «3 pbf2$; * nun TpK * niinb nxT nn^ ikt * niinan bsa f? nri IB'K * niTN Ditön xnvi * nisö bps «]nn3 nnp:

• nij^n r\K on^ ip^. * ni^^aa on^ -jpon

• ni:iNquot;n nam5? d^zrh • miatyn nnquot;? 2tyr6 * nuan1? D^Dquot;

: •• v i : t • - ; : v v t » ~ r ■ : * t

• nirp ik'^^ in'jr ^ * nii^bn Sbi d^n1? poni ♦rina^NVs ^^3 jnn : ni^ipo bflii nri^ bvi]

•Dnaimin'B'n^i -nna^Doiy »3 ^ r^i

i •• t ;~ t : i- • t tt ; * •• : t ; i- • t : t t i • t;

quot;i^K qv nam * nroiru us^aa ddni * nrüin vidslji

v -: it : ; t : •— : • t : • - t • : t : i- t ; ; - :

:m3Tj ons4 DILD rnani • man DHK naiü1? »3 • TOT

t : i-: • t • 1 ; • : t : r: • t t : • t ; i- t

•« *)gt;m noxn. *« hiT Tpn npN» *« nw 1 Dn^Tsni I'quot;

• »3 Dnpiani * v; n^a onpi^ni •« ba naN' |3

• ^3 ^npT px »3 * r n^'ii3 irn,^ *« n»33

31d • ^ ni-iin1? 3iü * « kt Vs nm - \] Dim. bx *3 ♦3 * ♦; nx inn onpK bip * D^pnv * »3 nion1? N3n Tjiis * ♦♦ bna Vn »3 * ^ rïipjr Din nr •« ^3 on

den ook anderen het, Israël te bestrijden, ma, evenals Juda dikwijls rmm na nSina genoemd wordt, zoo is hier nua het beeld voor volkeren.

3) Jes. 24,21 wordt door Midrash verklaard, dat God, zoo Hij een volk treffen wil, eerst diens hemelschen genins_. if, onschadelijk maakt en straft. Thanchoema Bo.

4) Aangehaald en verklaard in Rashie, Jes. 24,22.

6) Jes. 36,3.

6) Naar het in Midrash breed uitgewerkte denkbeeld dat, zooals Jes. 63,9 het uitdrukt, hij al het leed, dat Israël treft. God als het ware met hen lijdt, en evenals Hij a. h. w. met hen in ballingschap ging. Hij ook met hen naar den geheiligden bodem zal terugkeeren, Deut. 2©,3. Vgl. o. a. Jalkoet 1,210.

') Jes. 62,6. 8) Ps. 40,17. 9) Ps. 107,2. i») Recht. 5,31. quot;) Ps. 134,1. quot;) Ps. 125,1. 13) Ps. 92,14. quot;) Vgl. Ps. 27,4. quot;) I Sam. 2,2. •«) Deut. 4,31. quot;) Ps. 128,1. ps. 9^2. quot;) Ps. 118,8. gt;») Ps. 33,1. quot;) Jer. 33,11. quot;) Jes. 61,9. M) Ps. 118,24. quot;) Ps. 95,3,

ocr page 600

JOTSEBOTH.

in naam des Eeuwigen! !) Daarom wil ik mij verblijden in den Eeuwige! 2) En indien ook eens alle feesten zouden ophouden gevierd te worden, gaan de Poeriem-dagen niet onder 3) en verdwijnt hun aandenken niet bij de door U gedragenen 4); eeuwig -worden zij herdacht door de verlosten tot vreugde en jubelende blijdschap, terwijl zij openbaren de werken Gods en roemen de grootheid Zijner machtige wonderen; en zangers zoowel als rijdansers laten hun lied weerklinken op tien soorten tiensnaren 5), op harpen en luiten; met tien soorten lofzang prijkend 6), met tien uitdrukkingen voor vreugde juichend 1) — en de verheven heilige Seraphiem zullen, als leerlingen den leeraar, hun vragen; «Wat heeft de God der goden gewrocht ?quot; Want zij [de braven onder Israël] zullen meer binnenwaarts [in het Goddelijk hemelpaleis] zijn, en genen [de engelen] zullen voor hen ruimte maken 8), en terwijl genen zich meer buitenwaarts begeven, gaan dezen naar het allerbinnenste, verblijf zoekend in de schaduw des Almachtigen ; en met de vijf stemmen, die [voor de toekomst] zijn bewaard 9), brengen zij voort het geheimzinnige geluid van gejuich en hulp, bewaard in de tenten der rechtvaardigen, die zich bezighouden met de Thora, kostbaarder dan schatten; voorop gaan de zangers, daarna de snaren bespelenden 'quot;j om te weten, hoe genen hun lied aanheffen, om onder het trotsche, machtige Liwjathanschild 11) in hunne schaduw beschermd te zijn, en onder hunne vleugelen beschutting te vinden. Dan worden zij [de engelen] voor hunne [Israël's] muren aangesteld 12), tot poortbewakers en opperste wachters, den ganschen dag en gansch den nacht bereid, te verheffen de heiligheid van Hem, die Zijne (rouw handhaaft, en te huldigen het aandenken van het volk, dat trouw aan zijn geloof vasthoudt. En met den naam Israël noemen zij zich, en de drievoudige hei-'igino spreken zij vol aandacht uit ter eere des Heiligen, waardoor zij twee daarvan op het hoofd van Gods kinderen doen rusten en één bereiden voor het hoofd van hun Koning; 13)

') Ps. 118,26.

J) Jes. 61,10.

3) 7Ae Jalkoet Spr. 9,2; 11,944. Vgl. R. Salomo b. Adéretii, Responsen, ed. Hanau, n0. 93. Onze vertaling volgt de daar gegeven verklaring.

4) Van dWi, Jes. 63.9.

5) Arachien 13ft wordt, naar aanleiding van Ps. 33,2 gezegd, dat, terwijl de harp in het heiligdom 7 snaren had, die in den tijd van den Messias er acht en die van den san dW er tien zal hebben. Ik vermoed, dat hier gelezen moet worden: noy mcra, op de tien snaren

mn den tiensnariyen luit.

6), ^e.sac'1'ein ^''iaquot; ^(-'n uitdrukkingen voor lofzamj worden in de opschntten van het Psalmboek gebruikt.

107

1

) piM /iW fiv ,tSr pnnv (pr (nnn ,rw (rwi

ocr page 601

i)y wish pi^D rp

• vn* on^isn bs D^I TV :^3 'vfttr DJPS n^1? narvi * D^isaa w ah didt^ * D,l?i32i *6 onisn w

t it : : * t *•. • | t t ; * : • t : • - quot; :

• D^O i D^VK niV^ap * nna'^i ji'^V •

* D^Sina Dnc'i * a^nap vnixni: n^i

• D^np bbn ^p nniaaa * D^D^DÖ

• D^pn rnipn ♦sfan * D^niï nnp'^ niawb rn^a in* n-?N '3 : D^K W byz no • D^Nity IDV vn» an1? n^o^ro

; v iquot; • ..........t - * -: it : • -t • : - :

• d^IS ia1? nïin nb«i * D^ÖQ i on^sbo nbxi * D^aao

it ti viquot;: • - : v •• ; • • viquot;: • : * •

mVip n^pnni * n^iibnp Vïs * D^I. ^Squot;? nbKi

• D'Tiav Q'p^V * D,^3VP njnj^ nan bip * D^iayn n^n1? * D^au in» on^ lo-ipi * o^asp nnp^ D^inn

• o^iia nvn obva ' nr^o ni«a3 * D^ajp i on

* D^pnp i anioin by) ' D^aianp i DniT3N3i i'srn1? * D^DTp n^bn bai Di'n ^3 * D^ÖÖ I onpi^i

• d^ion quot;ipiir nn^ST fn^nb • d^iüx *iï13 nrip

• D^snp ^npquot;? n^tp • o^snp bNn'ty» DE'SI

• D'rpnp DS^P tyNquot;i3 nnKi • D^rs^p i D^S ITNIS amp;riamp;

8) Zie Thanch. Bulak, Num. 23,23: eens zal aan J nk oh en 1 sr a ël gezegd worden, wat God verricht. Bil'am zag, hoe eens Israël, als een leerling voor zijn leeraar, vóór het aangezicht des Allerhoogsten zoude staan en vernemen de gronden der in de Thora gegeven voorschriften; terwijl de engelen eerst van Israël die wijsheid moeten vernemen, daar zij niet van zoo nabij de Goddelijke Majesteit kunnen naderen.

9) Jer. 33,11 komt het woord Sp vijfmaal voor; de geluiden van gejuich en blijdschap, van bruidegom en bruid, de stemmen van hen die zeggen : «dankt den Eeuwigequot; — zullen in de toekomst hersteld worden.

10) Ps. (i8,26, wat door Thanchoema Beshallach verklaard wordt; Aan de Schelfzee zong eerst Israël, daarna de engelen. Vgl. Jalkoet 11,799.

quot;) Job 41,7.

ls) Jes. 62,6, vgl. Rashie Menachoth 87a.

13) Ontleend aan Wnjjikra Rabba 24 einde; vergl. Jalkoet Jes. 6,3 II, n». 272.

ocr page 602

JOTSEROTH.

en door deze worden zij [Israel's zonen] versterkt, daarmede bereiden zij voor [den tijd, waarop] de troon Gods weer volmaakt en de naam Gods weer volkomen zal zijn1) en als van ouds zijn zij dan bereid om met de drievoudige heiliging in te stemmen, nauwkeurig en oplettend elkander afwisselend toe te roepen, terwijl zij slechts een bijnaam 3) van den naam des Heiligen aanroepen en noemen.

•rm npoanS isr

Lichtstralen uit duisternis deed Hij afschijnen van Zijn glans; Hij, die in schittering verschijnt uit Tsion, openbaarde Zijn geheim Zijnen dienaren, en de aarde lichtte door Zijne heerlijkheid Z). De heerlijkheid van Zijn glans en de schitterstralen van Zijn gewaad doen Zijne bliksemflitsen lichten, — zwijgen is tegenover Hem grootste lof — Zijn Meed is dit alleen, dit Zijn gewaad ■'). Doch [die stralen] bij U zijn zij verzegeld, in Uwe schatkameren verborgen, daar de wereld niet waardig werd bevonden, zich in hen te verlustigen, — Gij hebt ze opgeborgen voor die U vreezen, ze gewrocht voor die [op £7] vertrouwen*). Geene liefde gelijk de liefde tot ü, gelijk het verlangen naar Uwen Naam; de liefdegloed voor U is heftige vuurgloed, vlammend is onze toegenegenheid, — juicht dan, gij rechtvaardigen, in den Eeuwige, dat is passend voor braven 6); Hij is Heilig !

In de eeuwige hoogte is Uw woonplaats, in de verheven hemelhoogten — en Gij verlangt een klein heiligdom van het kleinste der volkeren7) tot vestiging van Uw verblijf voor eeuviig!8) Gij hebt uitverkoren Ü op te houden in het gebied van den „verscheurendequot;, mijn kostbaarsten schat, den steun van den grijsaard, den zoon van mijn ouderdom, tot Benjamin zegt Hij: gij zijt de dierbaarste vriend des Eeuwigen!9) Met wat eigenlijk het Uwe is, eeren U

') Ex. 17,16 staat rri D3 Sr, inplaats van 'mi ND3 Sï, waarbij Than-clioema Thétsé en Pesiktha Zachor 29a opmerkt, dat zoolang'Amaleks aandenken niet is uitgewischt, Gods troon en Zijn heilige naam niet volmaakt worden. Eerst als Gods vijanden vernietigd zijn, worden beiden weer in liun geheel hersteld, Ps. 9,7 en 8.

s) Alle namen, behalve de eigenlijke namen Gods, die niet uitgewischt mogen worden (dtiSn, nSx, S.x, nis^ï, ■ni', 'ns, 'n), worden hijnamen genoemd.

*) De Schrijver is, volgens het op het einde der eerste strophe en van het geheele stuk ingevlochten acrostichon, R. Meier. Heidenhbim zegt in een handschrift uit 5098 (1338) het opschrift gevonden te hebben; «uit de geschriften van R. Meteb van Rothenbdkgquot;. Ueze, R. Meier b. Baroech, een der beroemdste Duitsche autoriteiten, schrijver van zeer talrijke, hoogst belangrijke Reeponsen en van de Tosaphoth-aanteekeningen op eenige Thalmoed-tractaten, de vader van vele gebruiken van den Hoogdnitschen ritus, stierf in 5053 (1293) in de gevangenis, waarin hij sinds 5046 f1286) was opgesloten. Zijn lijk werd eerst in 5066 (1306) door Süsskind ALJiXAN-

108

ocr page 603

tot na'nö'? pi^D np

* D^3D I D3 Dbl^ Dtri NS3 * D^133 nl^H DnE^Kbl

, . . T .. T ... .. T ... • ; ..; T . T . .

- D^pp nr nr xnp. * w3 ni:^: n^np : D^Dpl DWlp trnp DB' quot;13331 nip -ioni nr Sn nr xnpi -[noj t hv amsD

.rrjB' npDsn1? TST

(* 'n rus msi 's nis ms oirn vstt lansn dci sVio» 2quot;s dquot;jj

nbs vnn^, bx jrai' |i»vp * mnp nnrn bflixp nniK ♦iquot;ipi in^a* i-in : ninap htkh pxrn * ihd N^n nnn1? inioa * inbnn nson vpna n^n • irray iin

t - : : t • : t • i t t : r •• t • -:

obi^n |W3 * ^nnviK3 o^inn : inbofc' : atJinb n^a niaï * n^yno i D3 ni'n ^13

t : i~t | iv •• • t : r t t v: ^

n3n^ i m *3En • nixn ^36 ^p^ns p^n p^iQ 1 D^ir D113 : irinp * niw anuquot;1? ^3 D'pnï 1:21 * rrm

t : It tt • t ; - t - i • • - -: quot; t -: -

* ww 'Utyva vyn trnpp nnKi • D^an anos ^3^10

* ^^3 e]quot;!it3 npbns «]3inDn nnns : ^n3^b |130

ïjv'B'S : ^ in\ hqn r^^*? * II \?l n^Jf^

der Wimpffen uit Frankfort a/M. voor een belangrijke som vrijgekocht en te Worms begraven. Plij was de le era ar van Asheeie en vele andere bekende geleerden. Ook het beroemde klaagdicht nsw iSxc is, naar beweerd wordt, door hein vervaardigd.

3) Ez. 43,2.

4) Ex. 22,26. Ber. Rabb. 3,4 wordt gezegd, dat God zicli als met een kleed met licht omhulde en liet zoo van het eene einde der wereld tot het andere deed stralen.

5) Ps. 31,20. Vgl. Ber. Rabba 3,6; 11,2; lUsillE Gen. 1,4.

«) Ps. 33,1.

') Israel, met het oog op Deut. 7,7.

8) I Kon. 8,13.

9) üeut. 33,12. Zebachiem 118a en op andere plaatsen toont de Thal-moed aan, dat het voornaamste deel des tempels op Benjamins grondgebied stond. Deze wordt: //de verscheurendequot; genoemd met het oog op Gen 49,27 in Jakobs zegen. Na Joseph's verdwijnen was hij Jakob het dierbaarst, Tjr, en de steun zijns ouderdoms. Zeer geestig is het gebruik van het Bijbelvers in dit verband.

ocr page 604

JOTSEROTH.

uwe zonen, de lust mijner oogen, — U toch behoort de men-sehenwereld en wat haar vult, van alles hebt Gij overvloed !), —

al het gevogelte op de bergen en ivat zich op het veld beweegt2). — Als de lijd naderde voor het nemen der nieuwe Lishka-heffing3), liet men uitroepen aangaande de nieuwe Shekaliem-storting, op den eersten Adar namelijk, dertig dagen vóór den dag dat het moest zijn afgezonderd, volgens de Leer, die Mazes ons geboden heeft als erfdeel1). Op den vijftiende dier maand zetten zich de vorsten 5) neder in al mijne steden, ieder met zijnen buidel geld om voor al mijne voorbijgangers te wisselen; ugij zult voor mij een tafel bereiden tegenover mijne verdrukkers.quot;6) Waren vijfentwintig dagen dier maand verstreken, dan was het tijd te gaan zoeken, te koopen en te onderzoeken gedurende vier dagen de dieren voor het dagelijksche morgenoffer, om na te zien dat, wat tot liefde-opwekking voor den Eeuwige moest dienen, en het te onderzoeken7). God, die de toekomst kent, haastte Zich Zijne stem te doen hooren, ten einde onze Shekaliem te doen voorafgaan aan al die Shekaliem, die Haman beloofde te zullen toewegen8). Op het woord des Konings gaat overhaast de heraut; men begint dan beslag te leggen op de bezittingen van ieder, die in de provincie zich bevindt9) en wel, omdat hij niet aan 's Konings tafel is gekomen1quot;). Volgens ééne wet legt men beslag bij ieder, die nalatig bleef en zijn Shekel niet had gezonden11), volgens het voorschrift der leeraren, die den sleutel tot de Thora bezitten, maar die haar ook gesloten kunnen doen zijn12): ééne wet zal er zijn voor inboorling en vreemde13). Van allen neemt men een pand, doch niet van mijne als muilezels bepakte slaven, noch de meisjes, mijne dochters, en de knapen, mijne zonen14), noch ook de priesters, die naderen tot den Eeuwige 15). Blijf gehecht aan de wegen des

') Eene van de verklaringen van den naam '■w. 2) Ps. 50,11.

3) Zie pag. 78 noot 3. Shekaliem 1,1 : Op den Isten Adar maakt men bij openbare afkondiging opmerkzaam op het geven van de Shekaliem,— omdat nl. op 1 Niesan de eerste Theroemath Hallishka van de nieuwe gaven werd genomen, waarvan de door en namens de gemeente te brengen dagelijksche en bijgevoegde offers werden betaald. Zie ook pag. 79, noot 1.

*) Deut. 33,4. Vgl. Jeroeshalmie t. p., Maiiioenie's Mishna-commeutaar t. a. p. Séder 'Olam Kabba 7.

5) De schatmeesters des heiligdoms. Shekaliem 1,3.

«) Ps. 23,5.

7) Ps. 27,4. 'Arachien 136 wordt nl. uit het voorschrift Ex. 12,3 en 6: «liet Paaschlam, dat op den 14den geofferd werd, reeds den lOden tekoo-

Fenquot;, afgeleid, dat men de dagelijksche offers (waarbij evenals bij het ésach-offer het woord nïir;3 gebezigd wordt) vier dagen, vóór men ze noodig had, moest observeeren om na te gaan, of er soms een gebrek aan was. Daar Adar 29 dagen heeft en men op 1 Niesan het offer van de nieuwe Shekaliem moest hebben betaald, werden dus op 26 Adar de eerste dieren aangekocht, die dan 26—29 Adar in observatie bleven. Vgl. Menachoth 496.enquot;, afgeleid, dat men de dagelijksche offers (waarbij evenals bij het ésach-offer het woord nïir;3 gebezigd wordt) vier dagen, vóór men ze noodig had, moest observeeren om na te gaan, of er soms een gebrek aan was. Daar Adar 29 dagen heeft en men op 1 Niesan het offer van de nieuwe Shekaliem moest hebben betaald, werden dus op 26 Adar de eerste dieren aangekocht, die dan 26—29 Adar in observatie bleven. Vgl. Menachoth 496.

109

ocr page 605

mv npDsnb nvv up

mi Dnn c]iv ^3 ' n. Vaü nKiVpi bin ^ ^ * nion ?j^3 T7N3 nnsa * n^nnn bv_ nonn |dt ^ : n'^

D3 : n^na lib niï mm * ntrisn ^ dv d^1?^

,- T T V IT T • T T T : - •• : • • ;

1SD3 quot;inv iigt;\s4 * nv ^33 13 ni^Dn oniy 13^

: quot; • ~T T; T T T • -: • T :T

noi: niï 1 |n^ -jl^n * n3i^

•von nyrw piabi ni:p^ * -ipn1? n^. 13 n^pni on;^ jrpiyn1? irn nn^njr. ^quot;ili: ipsbi ^ d^i:3 nirn'p • ip3n : Vlp^b |on IDK quot;IBW ^p^ •?« li^pjp Dnpn1? * bip Kïpsn bs P?3^do iVnn • ^in rnsn pn: ^an ibp^ nrw im : -j^an «rK1? fr^ * ^33

nns4 rnin • nspani i^inri anion 1133 f^s^Dp * ir^^p ni:3n * ^30 ab -]N Vbn : i^i nimb n;n4

♦31*13 p3in :« DTOH D^n3n DJI * ^3 a^sni ♦nis

8) Esther 4,7. Megilla 136, zie pag. 77 noot 9.

quot;) Shekaliem 1,3. Van af 25 Adar int men door executie de Sheka-liera van hen die, buiten Jerusalem woonachtig, nog niet aan hunne verplichting hadden voldaan.

In) I Sam. 20,29, in eenigszins gewijzigde constructie.

quot;j Shekaliem t. a. p. Alle volwassen zonen Israels worden tot betaling gedwongen.

12) II Kon. 24,14 komt de uitdrukking UDsm cnnn voor, gewoonlijk vertaald : timmerlieden en smeden, door den Thalmoed echter opgevat als: de beoefenaars der Thora, die in staat zijn den sleutel op vele raadselen der Thora te leveren, maar tevens -ud», buiten welke niemand eenige moeilijkheid kan oplossen ; staan zij verlegen en blijft hun mond gesloten, dan kan ook geen ander een argument opgeven (Gittien 88«).

13) Ex. 12,49. Ook vrijgelaten slaven vallen onder de bepaling van beslaglegging.

1J) Gen. 31,43. Slaven, vrouwen en kinderen vallen buiten de pandwet (Shekaliem 1,3).

15) Ex. 19,22. Shekaliem 1,4 zegt R. Jochanan ben Zakkai, dat ook de priesters tot het geven der Shekaliem verplicht zijn, maar op grond van vermeende bezwaren, die daaruit, naar zij voorgaven, zouden voortvloeien, zich geregeld aan dien plicht onttrokken. Ben Boechrie verklaart daarentegen, dat zij, hoewel niet tot Shekaliem-opbrengen verplicht, toch er toe gerechtigd zijn. In elk geval blijkt, dat men geen pand van de priesters nam om hen tot betaling te dwingen. (Vgl. Jeroesnalmie t. p. en Maim. Hilch. Shekaliem 1,10).

ocr page 606

JOTSEROTH.

Scheppers, dan wordt gij in eeuwigheid in zegeningen gehuld, want vol liefelijkheid zijn Zijne wegen, een eerbiedwekkende kroon past

Hem r), Hij zoekt het goede voor Zijn volk en spreekt vrede2). De vreemde en Koetheer3), die niet tot de kinderen Israels behooren, indien zij Shekaliem willen geven, neemt men niets uit hunne hand aan, wat zij den Eeuivkje als heffing zouden willen afstaan 4). Noch van hen zelve, noch van hun vermogen 5) zal iets zijn tot doorn of diste], noch opgehoopt noch te veld staand koren, noch wijngaard of olijfboom 6), — niet nan U en ons te zanten is het het Huis te louwen'1). Wij alleen willen gezamenlijk het bouwen, en geen vreemde zal er tusschen vermengd zijn, daar zij reeds vroeger de handen van Juda en de bewoners van Jerusalem hebben verzwakt 3), zoodat ouders zich niet meer tot kinderen wendden wegens zwakheid van handen 8). Wél echter mogen priesters en minderjarigen als vrijwillige gave hunne Shekaliem afdragen, als vrijgevigen van hart brandoffers9) te doen komen in de kamer der offers; zoo ook alle vrouwen, wier hart hen er toe voert I0j. Van af eene halve maand vóór het Pésach-feest waren zij ijverig bezig om het oude te verwijderen, om de Lishka-heffing te nemen in drie kisten, waarvan de eerste met een 'S gemerkt, om te zeggen: deze is er het eerst uitgekomen11). De verstandigen stralen [van wijsheid], als kroonjuweelen schitterend 13), strekten de hand uit naar eene tweede kist, en [zeiden :] dit zult gij als de tweede doen 13). Deze en nogmaals eene andere, met de letter 'J geteekend ; ieder ter inhoud van drie Sea zonder tekort, voorwaar. Ik heb u drievouden voorgeschreven, doordacht en met verstandu). Ten tweeden male maakten zij zulk een openbaar vertoon, naar mijne wijzen hebben voorgeschreven, een halve maand vóór het Wekenfeest, geheel naar het voorschrift van het eerste maal zoo zult gij ook thans de heffing des Eeuwigen nemen 15). — Nog eene heffing voerden zij in op het einde van het jaar 16) behalve deze twee ieder op haar tijd, en wel: op het feest van het binnenhalen, bij den omloop van den jaarkring ^). — Wat in de twee eerste groote bussen overbleef, bedekte men met een lederen overtrek 18j, opdat men niet nogmaals in komende tijden heffing

') Vgl. Sanhedrien 21J: inaSn nVi t'p2, hij, Adonia, trachtte de

kroon van David op te zetten, doch zij paste uem niet. 3) Esther 10,3.

3) De uit Koetha en andere plaatsen door Shalmanéser en zijne opvolgers naar Noord-Palaestina overgebrachte stammen, die slechts uit vrees tot het Jodendom overgingen, later den herhouw des tempels langen tijd tegenhielden, en ten slotte geheel met de heidenen op éene lijn werden gesteld, Samaritanen.

quot;) Num 18,24. 5) Ez. 7,11. 6) Recht. 15,5.

i] 'Ezra 4,3, ook in de Mishna Shekaliem 1,5 als bewijs voor deze bepaling aangehaald.

8) Jer. 47,3. 8) II Kron. 29,31. i») Ex. 35,26. Shekaliem 1,5. quot;j Gen. 38,28. Shekaliem 3,1 en 2 : Driemalen per jaar werd de Lishka-heffing genomen: eene halve maand vóór Pésach, eéne halve maand vóór het Weten- en eene halve maand vóór het Loofhuttenfeest. Het ge-

110

ocr page 607

rvjtp npDfinV IÏV V

«-iij quot;iro D^i3 vaTi • Dib^b niDia nt?^ im i6 Tnsnquot;! npan : ühv nn'-n la^b am ^ * DI1?^

• naiKp 1 dto pbapo px dn * nan ^sp

• n^i quot;i^DirV vn» DiiDnoi Dnü n^i : nann quot;V w quot;iï^n

• it t * t : : • t -: •• v •• : t : t- i't v -:

: n'3 nimb vb) dd1? 16 ' nn did n^i nop quot;1^1 ï^naa

•it : • it : v t -it viv ^-: t i t : *t

n» 1311 -123^3 * D^nra IT niyn» Nbi n23: in» umKi

..; t : v : • I-: •• t quot;*r\- : v ; • -|- :r -:-

: on» ri^iD i d^3 bx ni3N iaan k^i • D^n» nnvr

* itt i : • •• • t v t : • : m- t ; : t :

ni^i^ 2b yi: b2 - |3-i?nn3 D^üpni D^nsni

D1quot;ISD miT : p1? m: -IÏ^N D^sn-^Di * rsnpn nzvbb

:• : It- tt v -: • t - t: I t : I t - - : • ;

• njQD «ibx nnxn map vbvz Dim * n^^n p-jdV nosn

tt* J v it - - t I •-. t ; : t t : ~ I ** ~ : ~ iv -

• iDDi: 1T2 'jdk D^^trsn nnT : nj'^Ni nï' nr iax1?

it viv •• : - ... - - _:t t . t t v

ninK pnt : i'^n n-w nxn * Ycna n; nw nap1?

• n^D ^a d^nd vbv nnx ^a • njnrna hm nixa ♦apianity^nrn : n^ni niï^pa d^^b' ♦nana «bn dj lann |a * ^1^«quot;) □aB'pa m.gt;'^n Dinaa * nia; mn nab • n:nnxa nnw nonn nr it^in : ^ nann dpk

- : t - t - - t : ; • ▼: - : •* -

: mi^n naipn «i^DKn * nsoia nns4 ba nbK D^ntyo

tt- - I ; I • t t - : t - : • ~ quot; t v iquot; • i- : *

Dno 1 Dinn1? * niKba^pa nuit^Nquot;! D'nty lan

v .. ; . ... t . - ) - . . . ,- . quot;t j

scliiedde met drie kisten, ieder inhoudende drie Sea, en gemerkt: s, 2, i; het geld, dat die kisten inhielden, werd dan in die volgorde gebruikt: eerst de met 'n gemerkte kist, dan die met den '2 en eindelijk de derde. 12) Vgl. Zech 9,16. quot;) Malachie 2,13.

14) S()r. 22,20; geestig toegepast. I5) Num. 18,28.

16) De tweede en derde heffing hadden plaats om ook de op grooteren afstand van Jerusalem wonenden, die eerst tegen Weken- of Loofhuttenfeest in den tempel konden aanwezig zijn, van die handeling getuige te doen wezen. Zie Maim. Mishna-commentaar, Shekaliem 3,1.

quot;) Ex. 34,22.

18) De Shekaliem werden in de daarvoor bestemde kamer in drie groote bussen, van ten minste 9 Sea inhoud, bewaard. Telkenmale werd uit die groote bussen met de kisten van drie Sea inhoud, zoodanige hoeveelheid geschept. Om nu niet in de war te raken, uit welke bus al dan niet reeds genomen was, werden de beide eersten onmiddellijk na het uitscheppen dicht gedekt, de derde echter niet; aldus Maimoenie. Bertinoko

ocr page 608

JOTSEROTH.

daarvan zou nemen, vóór het getuigenis ter inachtneming, tot teeken 1). Rein van handen, ging hij de kamer binnen, na zijne schoenen uitgetrokken te hebben eu niet met een overkleed met omgeslagen rand, om zijn aangezicht niet rood te doen worden, opdat hijguast. vinde en goed inzicht in de oogen van God en menschen ~). Hij wilde het bezegeld hebben in de Thora, in de Profeten en in de (ïeschriften, dat men zijn plicht moet doen tegenover God, uiterlijken schijn mijden tegenover menschen : gij zult rein zijn tegenover God en Israël3). Want zou armoeds-zorg hem treffen, dan zou men zeggen : «Wis is hij wegens de zonde [diefstal] in de Shekaliemkamer bestraftquot;; en zou de eer zijns huizes vermeerderen, zou hij der verdenking zeker niet ontkomen, want — wie spoedig rijk wordt, ivordt niet vrijgesproken ■'). Een voorrang voegden zij bij : dat men op naam van het heerlijke land Palaestina het eerst de heffing zou nemen, en den tweeden keer ten name van alle het omringende vestingen, die God moge bevestigen tot in eeuwigheid, Sela!5) Den derden keer, het laatstovergeblevene, ten name van Babel en Medië eu alle van Jerusalem ver verwijderde streken, wat nog overblijft uit Asshoer en uit Egypte 0). Men waarschuwt dengene, die de heffing zal nemen, het niet te doen dan met toestemming der geleerden, geen eereambt te vervullen dan na driemalen daartoe verlof gekregen te hebben, want reeds vele slachtoffers deed zij vallen en machtigeAlle wegen der geleerden en hunne paden zijn liefde, hunne taal is genezing, rijkdom en zegen ligt in hun woord, want rechtvaardig zijn des Eeuwigen wegen en braven richten daarlangs hun levenswandel9). Zoodra hij, die de heffing zal nemen, binnengaat, spreken de schatmeesters met hem, tot hij naar buiten komt; zij onderzoeken alle verborgen plaatsen aan hem; als de schande van een dief, die betrapt wordt9), [bij hem wordt gevonden], is hij verachtelijk, wordt niet met welgevallen aangenomen 10j. Zoo weerhield ik ook hem, die dikke haarvlechten heeft, de The-roema te nemen; ik waarschuwde, opdat hij niet in de vlechten zijner lokken zou verbergen : hij mikt op het haar, dan mist hij niet u). Den Shekel iets grooter te maken beslisten de reinen van hart,

verklaart daarentegen, dat alle Shekaliem in de kamer (roüS) op één hoop werden gelegd. Na de eerste Theroema nu werd het aanwezige gelet bedekt, terwijl het later inkomende Shekaliemgeld op dat dekkleed werd gedeponeerd. De tweede Theroema, eeue halve maand vóór het Weken-leest, werd dan van het nagekomen geld genomen, waarvan wederom het resteerende werd gedekt; de derde heffing, einde Elloel, geschiedde dan van het op dit tweede dekkleed aanwezige geld. Naar deze opvatting moet men vertalen: de beide eerste keeren bedekte men enz.

l) Num. 17.25.

s) Spr. 3.4. Shekaliem 3,3 wordt ook deze plaats als bewijs aangehaald, dat hij, die de heffing neemt, alles moet vermijden, wat aanleiding zou kunnen geven tot de verdenking zich daar oneerlijk verrijkt te hebben. :i) Num. 32,22. In Jeroeshalmie t. a. p. zegt R. Nathan, dat in de drie

Ill

ocr page 609

ÏW npDsnV iïv «'p

ninü : niNi? nn^n *:sh * maan d^1? ity

i d^s niann quot;iianaa k^i • Dip i nbn Dnquot;

• t tv ; - : : tit t : • : ^-i- - | -; • i-t

^1213: diki d^Vk ^73 31D ?n Kïai • DiNnnD

quot; • t t t : • v: •• quot; : v i- ; i •• t : t - : * ••

nn DW n» nNi'b * bxin o^iroai mins

- *• • * r t ••; •• t •• • : - • • : - t

noK» ixipquot; DN Tnu : Vx'jip'üi ^ D^p: Dn^ni * bx

* rmr xb itnn in»? HDD nap» pi * npib n|^ 'Dv 1 pN d^ Diin nP^p isp; : npr nP i^^nb

^ njiiD» D'n^K • nP papan D^pp uvh n^t^ni • nPnn noi PD3 Dt^P * Dn^ n^b^n itrna» : nPo

- t v t •• : • 1- • •• • • • : - r ; - t iv t ^

ittit* : Dnvaoi nit^Nü * d^itö nipimni

,.:_ . |t . . . - .. ** t v -: -itt i ; t ;

1V_ nppB' Pits'? töp - D^apn pvpa xP^ DinnpD Dpin ba : D^DÏ^I nVan D^bn D^an ^a * D'oys iïbv n^'iquot;

t * ti'* • t -: ... ■ t : t v tquot;

nDnai -ri^ «aio ' dji^P * ddtui nDn D'aan nimix

t t : 1 •• : - t ; t * : v iv • t -: :

Dpin D:D:a : Da laV. D^pnvi ^ ♦app nnw »a * nana na'iaa vjiay D^a^ap * nw ^ ia^ Dnapo i Dnan Di-inPp pp D3 ja : nxr xP xm biaa * xïs» 'a aas Vx jjpip • quot;npnn Vïip ni^^pa pptp». ba1? * 'nbpnn

* m a'P ninp b$v bnanP : xPi np^n

deelen van den Bijbel de vermaning is gegeven, niet alleen bij zich zelve de zekerheid te hebben niets te hebben misdreven tegen God, maar ook er voor te zorgen, dat bij zijne medemenschen alle verdenking tegen hem wordt weggenomen: in de Thora op onze plaats, in de Proleten Josua 22.22; God weet liet, zoo moge ook Israël het weten, in de Geschriften in het in de vorige strophe aangehaalde vers Spr. 3,4.

4) Spr. 28,20. 6) Ps. 48,9.

6) Jes. 11,11. Zie Shekaliem 3, einde en Jeroeshalmie t. p.

7) Spr. 7,26. Zie Shekaliem 3,3.

8) Hoshéa' 14.10.

9) Jer. 2.26.

10) Lev. 19,7. Zie voor deze en de volgende strophe Jeroeshalmie Shekaliem 3,4.

quot;) Recht. 20,16. Jeroesh. t. a. p.: de schatmeesters onderzochten de haarvlechten.

ocr page 610

JOTSEROTH.

één Poendion als doorslag te geven i) leerden zij het volk in wijsheid, zooals de wijzen verhalen en niet verbergen 2). Wie verschillende muntsoorten voor Shekaliem wisselt of Shekaliem tot grootere muntsoorten vereenigt, moet eene halve Ma'a als doorslag geven, om in ieder geval aan zijne plicht te hebben voldaan : te hebben gegeven een gangbaren Shekel zilver3). Richt u naar de meerderheid, dan komen geene toevoegingen te pas voor hen, die volle halve Shekaliem geven4), neig dus uw oor en luister naar de woorden der wijzen5). — Wie echter zijn eigen halven Shékel met dien van zijn naaste tot één vereenigt, hem deelen de geleerden6) onverholen mede: van de helften van zonen Israels wordt één bijslag gegeven 7). Wie van het zijne weldadigheid oefent [en den halven Shékel geeft] ten behoeve van een armen stadgenoot of een buurman, is vrij van den bijslag; heeft hij het hun echter slechts geleend, dan moet hij het wel geven 8), naar den ingang van de tent der samenkomst zal hij het brengen tot welgevallen voor hem9). Eén wet voor allen, die het woord Gods vreezen, de weegschaal te doen doorslaan door zware halve Shekaliem !0), om ze 's konings schatkamer te doen toewegen door de Joden H). «Slaaf en minderjarige zijn vrij,quot; leerden de wijzen, die de sleutels der Thora dragen13) „hetzij een ander voor hen of zij zelve den Shékel geven; evenzoo een menschelijk persoon van de vrouwen.quot; 13) Gaan broeders, nadat zij huns vaders erfenis verdeeld hebben, eene compagnieschap met elkander aan, dan zijn zij verplicht tot een bijslag ; blijven de bezittingen in het verband des huizes, onverdeeld, dan zijn zij vrij ; want ieder hecht zich aan zijn erjdeel 14). Wie een Sela'16) geeft voor Shékel, diens hand mag niet te kort schieten om een geheele Ma'a16) zonder het terug te houden als bijslag te storten in de zalen, naar de schatkamer17). De meelbloem voor mijn brood, mijne vuuroffers, mijn wija en mijne olie en alle Gode welgevallige offers der gemeente bestreden daaruit mijne priesters, die het werk moesten doen, die aangesteld zijn over het huis des Eeuwigen 18).

') Daar de halve Shekaliem in den tijd der storting zeer gezocht waren, kon men die niet van den wisselaar koopen, dan met een zeker agio. Daarom werd bepaald, dat, wanneer twee personen te zamen een geheelen Shékel gaven, daaraan eene kleinigheid als doorslag (paSp) moest worden toegevoegd, die zij anders als opgeld bij den inkoop van hunne halve Shekaliem hadden moeten betalen. Het bedrag van die toevoeging was één Poendion, d. i. eene halve Ma'a, dus xlis Shékel.

«) Job 15,18.

3) Gen. 23,16. Zie de laatste woorden van Shekaliem 1,6.

4) Zie Jeroesh. Shekaliem 1,9. 6) Spr. 22,17.

6) Over dit punt bestaat verschil van meening tusschen R. Meier, die beweert, dat in zoodanig geval beiden een bijslag moeten betalen, en de overige geleerden (DiMn), die één bijslag voldoende achten. Het aangehaalde vers bevat dus eene aardige woordspeling.

exodus. o

112

ocr page 611

rr^ npDfin1? ixv yp

Kbi m oyn HK ^npnV jinas

nn^ ^y * I3im bpp ♦ypb : nnD

tih) d»3quot;i nnx niian1? : ini^ t]D| * quot;Oj?. ?|:m un ' ovbp ^kvh D^pi^n * D^pnii ^3 D*ü2n * in;, nan b^i ^nvp : D^pDn nan pnïo : nn« rnxn m ^3 rivnsp • nnp 1 pbn DNi pabpn |p nüö: * ua^ ik iry j2 ^T T ^ nnx üö^p : laiïnb ihk anpt n^io bnK nns bx * i:ni: D^p^ ^xns nVpB'p ep ^nnn1? - onnn D^n nan (□pi na^. mcaa: : onm rjbsn 7:3 ^ bip^1? • onns 1 D!3W2 on in Dnn^ nnjst bp^sr pa • D^nn ^an min nnt* onxn isnn^i : D^sn jp 1 nnK ^2:1 • D^nap in^nja *3 ' ipj n^an na^iarai pabpa pa*n • ip^n^ ^nanbp * nxpn ab r bpamp;z ybp jni: : ipzr vnb nbo : nïiNn wnb niDtibn - nvys na no^

- : - vi t t •• ; t : - v t -; ~ * ; t •• ;

* ♦ina n:aD ^)p^D, mai* ws

,. w - -; t iv * I r : - • *• • t : - t ; - .

quot;) Num. 31,46. 8) Shekaliem 1,7. B) Lev. 1,3.

lu) Shekaliem met bijslag, Shekaliem 1,6. Allen zijn verplicht tot het geven van den bijslag, met de in de volgende strophe genoemde uitzonderingen.

quot;) Esther 4,7 in eenigszins gewijzigde beteekenis.

1!!) Jes. 3,3; zie pag. 109 noot 12.

13) Num. 31,35.

14) Num. 36,9. Shekaliem 1,7.

ls) Twee Shekaliem.

16) Dus een dubbelen bijslag; één voor het wisselen van den Séla' voor halve Shekaliem, om daarvan twee aan de tempelkas te geven, eene voor zich en eene voor een ander, en één voor het inwisselen der twee overige halve tegen een geheelen Shékel, dien hij voor zich behoudt. Zie Jeroesh. Shekaliem 1,10.

U) Nechemja 10,39.

18) II Kou. 12.12. Zie Shekaliem 4,1. Dagelijksche, bijgevoegde, feestoffers en in het algemeen alle door en namens de geheele gemeente te brengen offers met hunne meel- en plengoffers werden uit de ro'jSn nniin bekostigd.

ocr page 612

JOTSEBOTH.

De bewakers van wat in het zevende jaar van zelve uit den bodem opschiet, en bestemd is voor de eerstelingen-gaven — hun loon vloeit uit die kas; evenzoo dat van de vrouwen, die de kinderen ten behoeve van de behandeling der roode koe grootbrengen2); het loon van hun dienst, dien zij verrichten3). Voorts zij, die de wetsrollen verbeterden, die de gebreken der offerdieren moesten onderzoeken, en die maakten de heilige gereedschappen om den dienst te verrichten in het eeuwige huis, de olie ter verlichting en het reukwerk van specerijen 4). Nog werd daarvan bestreden de bezoldiging voor hen, die de wetten van het slachten en het nemen der handvol [meel van een meeloffer] onderwezen, en het loon voor de vrouwen, die de voorhangsels weefden5); voor geen ander koninkrijk werd zoo gehandeld6). Op de dikke muren des tempels, versierd met kostbare omkransingen, werden gouden platen aangebracht van het overschot der «heffing ten behoeve der vuuroffers,quot; en wel in het binnenste des huizes, in het allerheiligste 1). Men bekostigde uit whet overschot in de kamerquot; 8) alle benoodigdheden der stad en hare vesting-torens, hare sierlijke vestingwerken en schoone burchten 9), de muren harer paleizen 10). — Nu echter hebben opgehouden, zijn verdwenen en geschorst, zijn weggenomen en gestaakt mijne offers, van af het oogenblik, dat het brengen van het dagelijksche offer werd opgeheven, daar mijne verdrukkers een afschuwelijk zwijn er voor gaven 11); nu komt van mij slechts mijn gebed tot ü, o Eeuwige'12). Aan den ingang van ons «klein heiligdomquot; [de synagoge] zocht ik den Eeuwige; en zie, de heerlijkheid des Eeuwigen stond met het heir zijner engelen-scharen tegenover mij ; U behoort dit geheele leger, dat ik daar ontmoette 13). Gij drongt door in mijn hart. Gij gingt tusschen mijne stukkenu). Gij sloegt [in Egypte] mijne deuren over, hebt mijne gevangenen bevrijd ter wille van het bondsbloed15), Gij die mij behoort, mijn Vader,

') Op den 16 Niesan moest een meeloffer van de nieuwe gerst, op deu Isten dag van het Wekenfeest twee brooden van de nieuwe tarwe gebracht worden. In het zevende jaar nu, het Shemitta-jaar, mocht de grond niet worden bewerkt en mochten de vanzelve opschietende halmen door den eerste den beste worden weggenomen. Om na ervoor te zorgen, dat men nieuw koren had, waarvan deze beide eerstelingen-offers gebracht konden worden, werden vanwege de tempelkas-administratie bewakers aangesteld, die uit de rocSn rsnn betaald werden, omdat door de Shemitta-voorschrif-ten nieuw koren moeilijker te krijgen was en dus de koopprijs vermeerderd werd met de kosten van bewaking (Shekaliem 4,11). — Beide offers worden eerstelingen genoemd, het 'Omeroffer Lev. 3,14, de beide brooden Lev. 23,17.

2) Para 3,2. Bij het bereiden van de asch der roode koe werden alle maatregelen genomen, om de mogelijkheid van verontreiniging uit te sluiten. De priester, die met de verbranding zou belast zijn, werd zeven dagen van te voren geïsoleerd en dagelijks, uitgezonderd op Shabbath, met de asch der tot nog toe bereide koeien bespat. Dit bespatten moest geschieden door iemand, die nog nimmer onrein was geweest. Te dien einde werden

113

ocr page 613

nw npofln1? iïv yp

nnjpS ontau wïv ♦n'fip : « n^a onpasn nDN^sn cibn • on1?» ma1? ni'rüom nDina * on^ oniaa

|v iquot; 't : tt: ;- : i- ; t • i tt : • •

* d^oiq npaai dti^o i onap : onny on -iew onia^ iD'Qpn niüpJi niNsnjo^ 'D^ijrn^an^V tripn nuix ipK^i /nrppi nü,nB' ni3gt;n npba ipv napp nin»[5 '3^ ^ : nubaa bib p n'^i a1? * niana?

• d^k npnri iniaa anr ♦na * ü^iaa 'pit^n 6]iïn n^n nat^'p n^D awy : awipn trip n-an mi ÏN

t ; • quot;t ; * * • tit- v|i v *1— • :

man * rvnwa n^niKiauü *12 * n^nib^ai ny 'aiï

t iv • t * * : t iv t : : - t iv ; : • •■ : t

quot;iDin n^o * ^aip i^nn loa^ ion lao iDa : n^nUDix

- t : i t : t : t i~ it i~ t iv : : -

iripp nna : ♦; ^ 'nban * vid ppir nnb ram - \iDyb vnn: Navi nair ? naa nsm * « m L2^o ra mar ^aab ruba : 'n^a i^n4 n?n nnan ^a ib

i •• t : |- t • t : t ciquot; * * : it t v -: v - v - t | :

♦ax ^ • n»DN nnW nna ana nna by nnoa * nna

•t • t • quot;! t : iquot; * •: ~: - t ; t ; i- t tt;

zwangere vrouwen naar eene plaats in Jerusalem gebracht, waaromtrent ook niet de minste twijlel zou rijzen, of er soms een graf was of geweest was. Daar brachten zij hare kinderen ter wereld en voedden ze op, totdat het oogenblik gekomen zoude zijn, waarop men hunne diensten noodig had. (Zie Maimoenie. Hilch. Para Adoema 2,7). Dat de kosten der opvoeding uit de roiAi nnitn bestreden werden, blijkt uit eene Boraitha, Kethoeboth 106a.

3) Num. 18,21.

*) Num. 4,16. Kethoeboth 106a, zie ook Jeroeshalmie Shekaliem 4.4. 5) t. a. p. 6) I Kon. 10,20. ') I Kon. 8,6; Shekaliem 4,4. e) Het geld, dat na de drie ninnn nog in de kamer der Shekaliem overbleef.

9) Niet goed te verklaren uitdrukkingen, aan Baba Bathra 756 ontleend ; zie Rashie aldaar en 'Aroech s. vv. De zin moet, hier althans, ongeveer zijn naar onze vertaling. 1lt;gt;) Klaagl. 2,7.

quot;) Vgl. Menachoth 64b. Bij eene der belegeringen van Jerusalem werden door de belegeraars dagelijks de noodige offerdieren geleverd en in een kist naar boven, op den muur gehescnen. Op zekeren dag echter werd op raad van een overlooper in plaats van een oiferdier, een zwijn in de kist geplaatst. Daarmede hield natuurlijk het geregeld brengen van het dagelijksche offer op. 1!) Ps. 69,14.

13) Gen. 33,8 in eenieszins eewiizieden samenhang.

14) Bij het Divan ro rroa.

16) Zech. 9,11. Zie Mechiltha Bo, Ex. 12,6.

ocr page 614

JOTSEROTH.

de Vriend mijner jeugdl)! Hebt Tsion Gij dan ganseh'lijk heengezonden, met echtband verbrekenden scheidingsbrief? Of hebt Gij ten eeuwigen dage [mijn volk] aan één van Uw schuldeischers blijvend verkocht ? 2) O mocht ik toch nogmaals [in glorie] aanschouwen den [heerlijken] tempel, Uw heilig verblijf3)!! Mijn ziel dorst naar hulp, maar mijn hoop wordt bedrogen ; door vertrouwen gebonden, opnieuw geluk steeds wachtend, want daar gebiedt de Eeuw'ge God den zegen 4). Sieraad der volk'ren-scharen, lust voor mijn hart en oogen, mijn tong kleev' m' aan 't gehemelt', zoo 'k U niet zal gedenken als eerst' en hoogste goed in mijn herinnering 6), ja laat ons zingen alle dagen van ons leven over 't huis van onzen God! 6) Gij, die mijn stem verhoort, vergeld den wreeden nabuur in eigen boezem toch de schande, waarmede zij ü, o Eeuwige! smaden 7), geef hun het hun toekomend deel: een jaar van welgevallen voor den Eeuwige, maar tevens dag van wraak8). Roep vrijheid den gevang'nen toe, geboeiden bandontsluiting9), leid naar het doel van hun streven hen, die thans gebukt gaan, en daar zullen rusten vermoeiden van bracht10). Uw oudste bezit. Uw eenig eigendom, laat hen, Uw kleinveekudde, niet langer smart verduren, zij zijn toch Uw volk en Uw ervensdeel! 11) Van mijn arbeid liep ik henen, haastig snellend naar Uw dienst, maakte ruimte in Uw huizing door't verlangen, 't wachtend, smachtend, brandend liefdehopen en ik, op Uw groote genade vertrouwend, kom ik in Uw huis Met d' oogen te zien was Uw schepselen niet vergund, het te begrijpen in t' hart hebt Gij hun ten deele toegestaan, doch niet al Uw heerlijkheid, — want deze : Geen oog aanschouwde 'lt; ooit, o God, buiten U! 13). In zangen looft U mijn mond, daar 'k geen geschenk U kan brengen; herdenkt Gij eens weer Uw liefde tot Jerusalem, herstelt Gij weer opnieuw mijn wreedverwoeste steden, dan kom ik naar uw huis met offers zonder tal, en betaal U mijne geloften u) Steeds houd ik U voor oogen, zie mij hier voor U staan om U te prijzen! hebt Gij ter aarde Uw hemel geneigd, of hebt in Uw hoogten Gij mij opgeheven ? 15) Ik werp mij neder naar uw heilig verblijf en breng dank Uwen naam16). Daarheen wendt zich gedurig mijn blik, naar U alleen is mijn verlangen ; naar üw naam, naar Uw aandenken de begeerte van mijn diepste hartewenschen, verborgen in mijn binnenste verzegeld in mijne schatkameren 17). Slaap gun ik mijn oogen niet, geen sluimering mijn oogleden; wakend wil ik mij verzadigen aan de gestalte, voor ieder verborgen, aan nachtelijke gezichten, ivanneer slaap de menschen overvalt18). Al schaart zich een leger tegen mij, U zoek ik; ik laat U niet los, totdat ik U gebracht heb, tot mijne hulp, naar het huis mijner moeder, naar de kamer van haar, die mij gebaard heeft W). Reken als vergoeding voor stieren het woord mijner lippen;

') Jer. 3,4 in anderen samenhang. 2) Vgl. Jes. 50.1. 3) Jona 2,5.

6) Jes. 38,20. ' 7) Ps. 79,12.

114

«) Ps. 133,3.

8) Jes. 61,2. ») D ,t. i«) Job 13,16. quot;) Deut. 9,29.

ocr page 615

rw npDanquot;? IÏV Tp

man IN iap3 nnWn p»v :

:^pT1?3,n wzrh e^piN T|N gt;!|^13Ü 'p VN nn^pv1? nipnn nn^DK * h^i^dd mbnini ^s: nn^i^n1? nxaï

Tl ; • - - * -: tt*..: • ; - : • : - t^it ; • t ; t

: nDisn PK « mv Dtr ^ • nDin 'np -inx nips

t t ; - v t: t • t t i • - - | • :

k1? dk ^rh 'pb patn * gt;yy) 'zb nanp i D^ia nixnv ^ip : ♦; JT3 ^ ir»n 'Ö? ba - ♦anpr ppam n:D /M niann quot;IB'N ons^in ap'n ,r\vm

~ ' *: i i : *• v -; t t : v I t •• v ..... ; • •• t t^: i- t

Dn^DK^i niri K^p : DpTJT D'h fin * op^n ini:» Dt^i • nini^ ^in dï£jn tihd vx nnin * nip nps

it t : - i : •• ; t : v : v v ; - - | i | - ;

|kï nnK-tb ifi'pv KV • ^n^pi ^r:p □-ip. : nb vk n^ip ♦nïn : ^n^nji -jsjr dhi -

nna ^ni ^npwrt p^n pp: p^n^ rvan ♦n^as •

• ^ninaS nnKi: k1? f^. nigt;n : N2N ^iDn nnx-i ah \% * ^n-ixfiri ba K1? -]N nsppa nb

^3d * nti^n pto 'ö nu:quot;): ^nvit d^k dWK ni^a ?|n»3 N3K * niaai^ no^ni p^rr nan n^tann • ^oöin1? ^JS1? npi^ uan nuV ^nn^ : nn: ^ ^ip^'-n nvwK * ^anab un^n IK ?|W ^jo^b * 'nipic'n ^ni nn^iD us na^ : nx nniNi : ^nnïiKS mnn na^ d?3| * ^nip^n p^o nixn ^idtvi njion ppnn n^N * noun fnx xb nw *by n:nn : nann Viaja nW nuinna • nabp Vao

- t v -: - t quot; ; - : • t :i- : v •• t t ~

♦♦njn^ vk ?j£nn tib Mnp^p ^nNnpb n:np

' ♦na'sp nv^ nia'n ona DiWn : win Tin bxi 'ök n^ ïn

quot;) Ps. 5,8. 13) Jes. 64,3. quot;) Ps. 66,13. 15) De dichter voelt zich als het ware in de nabijheid der Goddelijke Majesteit. 16) Ps. 138,2. 17) Deut. 32,34. I8) Job 33,16. 19) Hoogl. 3,4.

ocr page 616

JOTSEROTH.

wat de deuren der lippen !) geordend ontgaat, naar mijne wetten en leeringen, ü geef ik het als mijne bewaakte heffing 2). Als een geschenk van Uw eigendom looft U mijn mond in jubelheiliging ; als Gij het Tsion wel doet gaan, breng ik U brandoffers ten geschenke op Uw altaar, vetgemeste brandoffers breng ik U met den damp van rammen 8). Oprecht beminnen U Uwe lievelingen, die smachten naar Uwe hulp; zij zullen Uwe groote goedheid met uit het hart wellende woorden verkondigen. Gij die boven al, wat hoog is, verheven zijt! Volkeren zullen U danken, o God!4) Heilige!

•ma nena1? quot;isv

De natie, die aan U gehecht is, vondt Gij goed en wenschtet Gij rechtvaardig te doen blijven, door haar de Thora te doen erven, die zoeter is dan honig 5), opdat zij in de verklaring der Leer, die zoo groot is en diep6), met liefde behagen zoude scheppen, en als een gouden halssieraad zich daarmede zonde omhangen. Ook is zij sterk bevestigd, uitgehouwen onder de onwrikbare voorwaarde f), dat zij van Zijn volk nimmer zou wijken. Heil daarom het volk, waarvan gezegd is; „wie is deze ?quot;8) zoo zij zich versterken door deze Leer aan de ingangen der deurposten des Heiligen!

Hij zocht het goede voor de bewaakster [van Zijn wijnberg]9) en sprak, dat men eene koe zoude brengen, ten einde over hen verzoening te doen1(gt;). Voorwaar, toen zij zich aan het wjong der koequot; [het gouden kalf] bezondigd hadden, hebt Gij een strafbesluit over hen vastgesteld en vielen zij onder de uitspraak: «de weerspannigequot; nj. //Dezequot; 13) echter, die smeeking aanneemt, heeft Zijn gramschap aan hen onttrokken en daarmede allen druk en nood. De herinnering aan de roode koe zou in den mond der «volmaakte duivequot; 13) leven en nimmer in het duister verborgen worden. Met de liefderijke, volmaakte wet zullen zij zich omhullen en daardoor verheven zijn vóór den Vormer der zielen. Wie van haar [de Thora] genieten in haar heerlijke lieflijkheid, zullen nimmer tot ondergang zijn gedoemd, als Gij de verwoeste aarde weer bewoond maakt14).

115

1

) Ps. 141,3. 2) Num. 18,8.

'■gt;) Ps. 66,15. 4) ps. 67,4.

5) Ps. 19,11; de geboden des Eeuwigen... en zoeter, dan honig.

6) Job 11,9 en 10, de hooirere wijsheid is dieper, dan de afgrond; langer is haar maat dan die der aarde.

~) God schiep de wereld onder voorwaarde, dat zij slechts zou bestaan blijven, indien Israël de Thora zou aannemen. De wereld blijft slechts in stand door de verdienste van trouwe beoefening der Heilige Leer (Thanchoeina, Beréshieth begin; Shabbath 88a).

ocr page 617

nw npDfin1? in» )vp

m ♦nn: * ^ninini ♦n^n na'^ bn ?|D^ri3 * n^ibn ï^n'p *3 irri : ^onn ^ D^np ni1?^ * D^iy ^narp ypnx fi'V ^112 T) * D^npa ^TT ^3n§ on^'p : D^'K niüp : ^npT * D»p^ * D^nüf ^p niaa ^»3! .quot;inr San

.rre Dens'? isr

3quot;s aquot;r

nbwrh * rmvb nvfin * npian na quot;IITK DIN

t * : quot; : It ; ~ : t r t: t : i~ t It : P : v -:

2nN3 ona • npTp^i nanx UNS : np^np B^p * np-Tno -lixoa x'n m : npanb ixiïb n^na * np^r6

i tt ••. : : • * - it:-: t - : • ; * i t : t ;

•nXT »0 n^x'n: ^3 is^p * npTpn: ^;n3i f]pin3 1^3 vti : ^npT ninrp 'nnas * nxr nplna Dpinnns iKt:n3 N^n : msD1? -n3y Dnp3 * ma x^nb 0:1 • mal:

: t ; -; tiquot; - : ~: t -:~ tt • t : t : t ••

nn : rmiD m,DX3 oam * mn mn * ma p3

v; t •• t • -: - t • : tquot;; v •• ^-; t |-t tt i v ;

jm : npïi npTiv bai • nnn% anp • m;n^: ^sppn rn 1 non : ^3 ' nan mi* '33 * nsix ma

v iv t : ~: • ; t t - t • : t •-. -: tt

: nov: iïv ^a1? * noaimn1? n3 ^t2^, * no^on

t iv • t t : •• •• : * t -: : • : t t • ;

•' nöB'in pxn ?|3^in3 * ns^1? nvn ^3 * 31123

8) Hoogl. 3,6 en 8,5: Wie is deze, die opstijgt uit de woestijn? Vgl. Rabba t. p. ») Vgl. Hoogl. 1,6.

10) Thanchoema, Choekkath; Pesiktha, Para, pag. 38a.

11) Pesiktlia (pag. 41a), naar Hoshca' 4,16: nwant gelijk eene weerspannige koe was Israël weerspannigquot;.

quot;) Ex. 15,2; iS.s nT.

13) Israël, Hoogl. 6,9.

14) Bij het laatste oordeel, als beslist wordt, welke afgestorvenen in het leven zullen worden teruggeroepen, zullen de trouwe beoefenaars der heilige Leer zeker niet tot eeuwigen ondergang worden gedoemd.

ocr page 618

JOTSEROTH.

„Dit is de wet der Thoraquot; !), in alle opzichten wel geordend en goed geregeld 1), om daarmede te heiligen den Eerbiedwekkende, den Heilige!

Zij moest kostbaar zijn en bijzonder in volmaakte roodheid2) en volkomen vrij van eenig gebrek en onderscheiden door zuiverheid en reinheid3). Aangewezen in uitgehouwen schrift om de bedroefde ziel te verblijden, haar hoog op te richten en te verheffen 6). Om te reinigen van zonde en schuld, om te vergeven de misdaad van den met toorn en straf bedreigde, om hem daarvoor niet meer schuld aan te rekenen. Zij reinigt het ,/éénige volkquot; en wekt welgevallen er voor bij den eenigen God, Wiens eenheid door eiken mond wordt uitgesproken. Hun ziel zal aan alle vrees onttrokken worden en hunne bede zal niet verborgen blijven, als zij, één van hart, bidden! Hunne vijanden zullen allen tegelijk verpletterd worden in valkuil en strik en angst, zoo zij slechts den Rots dienen schouder aan schouder! — In de hand van den priester wordt zij gegeven; dat overgeven geschiedt om hem te eeren; hij zorgt met nauwgezetheid voor alle deelen harer behandeling, voor wat er mee geschieden moest en het brengen er van; hij brengt haar en hij moet haar naar buiten het leger voeren. Allen zien met belangstelling, of zij naar behooren wordt behandeld, en verkondigen haren zegen, de geheele geliefde gemeente. Heilig moet zij zijn en niet door verkeerde behandeling ongeschikt geworden, zonder eenige fout of overtreding, evenals een geheel te verbranden offer. De Alverhevene heeft haar bijzonderen voorrang gegeven 6), neemt haar met welgevallen aan, haar niet verachtend, om daarmede Zijne gemeente ten nutte te zijn. Wie hare wetten in acht nemen, worden bewaard voor verschrikking en voor alle plaag en ziekte, zij, die lied en lofzang doen klinken. Wend U dan tot hen allen, de uitverkorenen, die Uwen naam vermelden; en spreng op hen reinigingswateren, o Heilige!

♦nSn

Heil allen, die op U zich verlaten ; die met liefde ü beminnen ; het volk, dat U lief heeft, hebt Gij aan U verbonden ; Gij zult gewis eens Uwe twistzaak voeren en herstellen Uwe woning. Gedenk Uwen zoon, den door U beminde, die als zegel op Uw hart rusten! 7) Reinig hen van al hunne onreinheid; o God! schenk verzoening voor hunne schuld ; laat geluk hun toekomst zijn, moge eeuwig hun naam stand houden; verhaast nu hunne hulp, o Lichtstralende! want Gij zijt hunne hoop! Verblijd hen

116

1

») II Sam. 23,5.

2

s) Sifré: rwnn rrom beteekent: volmaakt rood-, dat zij geen pebrek

3

mag hebben, is uitgedrukt in de woorden: oin na ps icn. — Twee haren

ocr page 619

ma nrnsV quot;iïv rtsp

* xyib na * nnio^i b'aa nai^ • niinn npn nxr nvpjai * nabir ma Vaoi * nD^an nanni mp» : trinp

)•; • T •• : t • T • ; T : * ; TI T: it

* now ^a: ns'tr1? * nai^i pipn ana : nö^oo nintaai

t viv -!••-: t : I I t t : rr\: t *: t :

l'i# ^inpV'! * na^Ki «pn nncb : noonbi ï]ip6 n^ob niünb * nnx »13 n-intap : nö^Knb ^3 nijr * noijn

* quot;insp ^nn de'ö? : quot;in^np ns ^33 ib'n * nnvon iehv Dnwitr : nnx 3^3 Dl7i73nn3 * quot;irarv ^3 DJi^ni Vu : nnK D3ïy quot;11^ 313^3 * quot;insi nai nnö3 * nnxa

*- tv v ; : t : t : - r t - t - i- ; tv;

: nnaö ^33 pipi * nnjno iquot;i,i33l? • nnrn: 1 ?n3 1*

TT' T : I •• I: • T T T - : • T T * ; t

: nniK «mi * nnix 3np, Nin • nn3ipni nnbyö

t • : T *1 ;~ tttP:-; TT •..;

: nn^quot;i Vnp ^3 * nn3quot;i3 m D^noi * nn3it33 bsn

tt . - I : t tt:' V tt :

: nbi^i. V1?! |3quot;!p3 * n^u.i oio ^3 • nbiDS NVI n^np : n^^inb ns ibnp * nVp3 «bi fans * rhy nni« dt yv Dniiy3 * nbnai pa b3Di * nbnbnn nï^v nnoiir

t -; : t - quot;iv t • t t : - •• it : t iv ;

pnn * an;3Tp -ibw * onins Db33 jan : n^nni inv San : ^np * oninp D^a lo^jr

aquot;N Dquot;P IDTO nSlt

* ^nx »13 • -]3n^ 3nK3 * ^3 'pin Ss ntfto m iDim • -]3n 3nn nnx xbn * -]3 onpsn

bsp 1 Dinü : -js1? 1 ♦amn * -jsriNi ^3 113? * ^13 D!pn» Tfi ' onnnK Nnn quot;1^13 * ono^N nas n* * aniNOü ana'^ • nnipn nnx '3 uk: * ony^n nny quot;ino * anio^

■• : - TTI; ■ T - • T T T : T •■ - T :

van andere kleur maken een dier ongeschikt om als was ms te dienen (Para 2,5).

4) Vermoedelijk doelt dit op het voorschrift: rï^ï nSï nS -iün. Arnheim: ten einde toe in zuiverheid behandeld.

6) De ziel van hem, die in zijne onreinheid door velen gemeden werd, en in de nabijheid des heiligdoms niet komen mocht.

?rhx,rhx, van msa wr rhsn, bijzondere voorschriften daaromtrent gegeven. Vgl. Hoogl. 8,6.

ocr page 620

J0T8ER0TH.

met overvloed van vreugde, laat Uw macht tot roem hun strekken ; wend U tot hen om hen te rechtvaardigen, om hen te omwinden met de spruiten der spruit!1) o Heilige! Zuiver hen van al hunne misdaden ; o Allerhoogste, maak hen sterk door Uwe goedheid ; bewaar hen en doe hen vast zijn in Uwe schaduw ; vestig hen en hecht hen aan ü als een gordel; beveel dat men de zoetheid Uwer wet hen doe genieten, en doe hunne vijanden als bij het klieven der Schelfzee en het dooden der eerstgeborenen van de aarde verdwijnen 1

•manp

De Voorlezer herhaalt de eerste lofzegging van Shemoné 'Esré tot Oemagén en vervolgt dan:

Volgens de instelling van wijzen en verstandigen en de leering van de kennis der deskundigen wil ik mijn mond openen in lied en lofzangen, om te danken en te loven voor het aangezicht van Hem, die in de hemelwoningen troont!

Zij, de Thora, die bij den Opvoeder verblijf hield 3), gelouterd door smelting3), — in hare diepten is deze [wet]4) in stilte verscholen, ingerold, verborgen en als in rotsspleten verstopt; behoorlijk uitgesproken en opgeteekend, van steenen ontdaan en omheind 3); en hare asch moet worden bewaard volgens het voorschrift fi); als een krans zevenvoudig gelouterd, is de wet: rein uit het onreine krachtig uitgesproken7); neergelegd in de Thora, waarvan het luidt: zij is niet verre van u verwijderd8), is zij zelve ver buiten ons begrip 9); geadeld I0), afgesloten en onttrokken [aan elke verontreiniging], Door haar wordt de vlek van het aan de heup met het bondsteeken versierde volk uitgewischt; ter reiniging voor de door God meest beminde natie is deze wet voorgeschreven.

Hare plaats zal Hij eens openbaren, hare diepe verborgenheden opputten, ten tijde dat Hij zich openbaart en de door Hem beschermden verheftn). Geloofd zijt Gij, Eeuwige, Schild van Abraham.

') Volgens Zech. 6,12 zal de Messias den naam na-jt dragen en «op zijne plaats zal hij opbloeienquot;. Hierop doelen de hier gebezigde woorden.

2) Spr. 8,30, welke plaats door Midrash der Thora in den mond wordt gelegd, luidt: en ik icas als voedsterling bij Hem, jton iViN rrrisi. Van Sïn maakt Kallier een deelwoord: nSiss.

3) Ps. 12,7: De woorden Gods zijn rein als gesmolten zilver... zevenmaal gezuiverd.

4) nsT, als eerste woord van de zinsnede: mirn npn nNt, waarmede de wet van de roode koe Num. 19,2 wordt ingeleid.

5) De zin van al deze woorden is, dat de wet omtrent de roode koe tot de Dipn behoort, waarvan de Thora geen grond aangeeft en die voor den mensch niet te begrijpen zijn; een denkbeeld, dat in Thanchoema en Pesiktha in den breede wordt uitgewerkt.

6) Num. 19,9. Van de asch moest een gedeelte ten eeuwigen dage bewaard worden.

117

ocr page 621

ma ntnaS nVit 4 DniK n:ö : oniK quot;ixön ' onnü'^

- Dpjn siüa on * DJ5; i ^npT * Dparf? naï 'nov

?|nn3 no«n * Dp;3nn -iiTNpi d:3^ * Dpri : on^jiir onisa naasi ^ID D: n^nj^s * D^nan1?

mty

pai ir nnN -[na rhsm wn rquot;fn rnam

♦3 nnnsx * nvi i nobni * n^imi D^on HDp

t ; : v • • ; iquot; viv • * : * t -:

: D^iyp piK' VbnVi ni-iin1? * 1^2

3quot;iS oquot;r

- npipö üb? nKT n^aaa * np^pr joit^ nbiïK

• np^pn |aiN hv_ • npip^ noiba

1 it * npn iQ^pb niWTi * npjjrorn nbpDon

K^ni npTim xbs n^iatp - nptnp Kpiap iinü pin * nppra

• npTinp rn np^an npna itn * np.inTi nnicaK noin^ * npTin*i

: npn n^T nppna npTiirn mnpb vjua * nbr nyb i'n • nhr n*ppyp ' nbv naipD : Dn-inK 1^0 « nnK Tjna * nty

7) Job 14,4 wordt in Thanchoema en Pesiktha op de roode koe toegepast: Wie kan het reine doen ontstaan uit het onreine-, is het niet slechts de Eenige? Het meest treft toch bij de voorschriften omtrent de asch dei-koe, dat zij, terwijl zij zelve reiniging brengt aan wie er mede bespat wordt, ieder verontreinigt, die, hetzij bij de bereiding of de sprenging, er mede in aanraking komt. Zij zelve is onrein — en brengt reiniging! Slechts God begrijpt dit en kent er het geheim van!

8) Deut. 30,11.

9) Des Predikers woorden: ik dacht, dat ik vrijs was, — doch zij bleef van mijn begrip verwijderd (Fred. 7,23), doelen volgens Thanchoema en Pesiktha Para 36a op de roode koe, wier wetten zelfs voor een Salomo onbegrijpelijk bleven.

10) Door bijzondere bepalingen van alle andere geboden, zelfs boven de offers, onderscheiden.

quot;) Volgens R. José b. Chaniena in Thanchoema zal God het geheim der roode koe, tot nog toe onder de stervelingen alleen aan Mozes geopenbaard, eens in de toekomst aan geheel het menschdom bekend maken. Vgl. Pesiktha Para 39a.

ocr page 622

JOTSEROTH.

De Voorlezer draagt de tweede lofzegging voor tot Lehachajoth Méthiem.

Reeds in Mara gaf Hij Zijn besluit omtrent deze «wetquot;!), doch van den Sinai-heuvel werd haar woord als besluit kenbaar gemaakt; de vertrouwde2) [Mozes] spande zich in om er naar te luisteren, en werd ter wille daarvan voor eeuwig met hare kroon versierd3); om in hare verborgen geheimen het pad te vinden, omgordde hij zijne lendenen; hij overzag al wat er uit voortkomt4) en het dunkte hem bevreemdend. Hij ordende het daarin als eene „wetquot; voor het verstrooide volk, opdat daardoor men hen niet op kromme dwaalwegen leide als een afvallige en een vreemde 5); de schoone bepalingen omtrent haar onderzoek zijn saamgevlochten tot een bundel; hare behandeling geschiedde door den plaatsvervanger des hoogepriesters6), in zijn prachtgewaad van getweernd byssus7); zij zou worden weggelegd ter reiniging van het volk, dat God had geholpen, — daarom gebood de Rots den Godsgezant: draag de geheimzinnige handeling op aan El'azar (God heeft geholpen).

Gij, Wien de wereld en wat haar vult behoort, wildet Uwe gemeente rechtvaardigen; daarom blijf ik op U hopen, dat Gij herlevingsregen eens zult neerzenden op Uw gewrocht, thans in het graf besloten ! Geloofd zijt Gij, Eeuwige, die de dooden doet herleven.

De duistere wet8) van de heerlijke vaarze 9), vlammend in het kostbaarste licht, leg haar bloot voor het verheerlijkte volk, zoodat zij den grond der zaak begrijpen. Hun, die hongerig zijn om hare wetten duidelijk te doen worden, o openbaar hun hare eigenschappen ; hun, die dorsten naar het slurpen harer raadselen, ontdek hun hare getuigenissen. Reinig de bezoedeling der banieren, Gij die loutert en reinigt; wasch hen spoedig bij herhaling rein van zonden, en reinig hen van hunne verkeerdheden! Dan zult Gij priester genoemd worden, wanneer Gij het als priester optredende volk met hysop ontzondigt; spreng reinigingswater als een dienstdoende priester, inplaats van het bloed, genomen door den priester El'azar! 10)

De Eeuwige zal koning zijn in eeuwigheid; Uw God, oTsion! door alle geslachten, — Halleloe-jah! En Gij, Heilige! troont op den lof van Israël! o Almachtige!

') Met het oog op het Ex. 15,25 gebruikte pn. Zie Rashie aldaar en Exodus 24,3.

s) Met het oog op Num. 12,7, sin ;as: wa hu.

3) Dat hij tot in de laatste toekomst de eenige zou zijn, die het geheim doorgrondde.

4) Eig.: hare spruiten; Hoogl. 6,11 Srun i2S2 wordt verklaard te zien op: de resultaten en uitvloeisels der Thora.

6) Vgl. Pesiktha, 406; Thanchoema.

6) El'azar moest zich met den dienst der roode koe belasten, Aharon's

118

ocr page 623

ma nünöb nianp n»p

: cno nvnnS ir niaj nnx

* ijnh: njmb ]m: • nn: mas p:32p * nn n^n map - iTK n^iöx * quot;in mias p njr nx:

TT | V iquot; T IV : T •.. T: • : I •• quot; • 1 •

1«^ • TTfio Dyh pin na ^ ' nnab y^:) n^K3 npo

nn^s * IJKS nnipa INS * quot;in paa

quot;iiï nix • ba or mnts1? n^avnquot; * wo 'IJ?.? pos

T' T T •• - ▼: T ; T : T; T • » .

: nnnv quot;ilï n^V1?

ja i'n * Tjbnp pnvnb nxan * ikVQI aViy nriK Tjna * ^a wm ♦nn vpTh ' ^ i Vnix

: D^nsn nina ^

QJ?1? • ip^ hn3 n^i1? * quot;ip;n na^K pin pxap

* n^m n^ab 003;quot;! : quot;ipT^ hv_ lo^ * quot;ip^a

: n^nn^ on1? n^ * n^ninn nias DWOV * n^niip n^a

T IV V T •• - T IV • : • •• : T IV

D'iiyp * inan Dpaab am * müpi e]quot;iïp * ma D7n f a^ oninp i'n * fnana 31TK3 ^pna * jris «npn : mü1? dhik : |n3n quot;ir^bx npa 1 on nari * |ri3a3 pnr

: nnbbn rn mV |i4v ^1^1? I! : Ni Vkib^ nibnn 3^v irnp nntti

T •• •• T : • : quot; IT T - :

vermoedelijke opvolger en plaatsvervanger. Volgens Thanchoema en Pesiktha 41 n: niet Aharon, omdat deze bij het maken van het gouden kalf betrokken was. Vgl. Sifré, waar omtrent later te verbranden roode koeien verschil van meening heerscht. Ik heb daarom vertaald; geschiedde. Bij de eerste staat het vast, dat El'azar den dienst verriclitte.

7) Para 4,1: in de witte, niet in de met goud bewerkte hoogepriester-kleederen, had de dienst plaats.

8) Zech. 14,1, jixspi nnpi ns rrrr' sS sinn oro rrni wordt in Pesiktha in verband gebracht met het geheimzinnige in de roode koe.

9) nsSx, vrouwelijk van sjSs, rund-, anderen: van het werkwoord sps, keren, de leer.

10) Zie Pesiktha Para, einde: wat thans door den priester moet geschieden, zal eens door God zelve worden verricht, gelijk de profeet Ezechiël (36,23) zegt: dan zal Ik over u sprengen reinigingswater en ztllt gij rein worden!

ocr page 624

JOTSEROTH.

Ik dacht: «ik wil wijs wordenquot; — maar zij [deze wet] is van mijn begrip verwijderdquot; — sprak lethiël!) met betrekking tot deze wet. «In de Thora, waarvan gezegd wordt: ,/zij is niet wonderbaarlijk noch ver verwijderdquot; 2) — is deze een wonderlijk verschijnsel en van begrijpen verwijderd.quot; Vooraan staat; recht en wet3) en achteraan: leer en wet4); in de Schrift opgeteekend, en op de tafel des harten gegrift; hooger opgestapeld dan de hemel, dieper dan de afgrond, terwijl voor de bewoners der aarde haar pad is verborgen. Dus is haar geheim niet te doorgronden en tot haren grondslag niet door te dringen en haar wet niet te doorvorschen en ook haar deel niet door het lot te bepalen, haar waarde niet te kennen, haar weg niet te begrijpen, slechts God begrijpt haar weg. Hij de

Levende en Eeuwig bestaande. Eerbiedwekkende, Alverhevamp;ne en Heiligel

In de schatkamer neergelegd, aa,n het oog onttrokken, diep' verborgen en niet verklaard, is deze wet der afdeeling, die telken jare duidelijk wordt voorgelezen. Ook voor de mannen, die in samenkomsten de Thora beoefenen.5), zijn hare raadselen, als paarlen onder een scherf, verborgen6); alle in den bundel veree-nigde zielen 7) verlangen hare bijzonderheden opeen te hoopen8). Welgeordend en inachtgenomen, vastgesteld en voleindigd, door afleiding verkregen en duidelijk uitgesproken9), zoowel in het geringe als in het gewichtige10). Hij gaf haar als wapenrusting den bescheidene [Mozes], met «de edelgesteenten uit Zijn hemelsch verblijfquot; u), en verlichtte zijne oogen door den stroom Zijner bronnen [van kennis]13). Hij verschrikte, toen hij hoorde den zin van het begin harer Mishna: nkoe is een dier in het tweede levensjaar, kalf een onder het jaarquot;; en de Godsgezant smeekte biddend, toen hij die tijding vernam: «och, mocht van mij ontspruiten hij, die de wetsbepaling te zijnen tijde zal verkondigen !quot;13) Hij maakte hem nu met de behandeling er van bekend en met de scherpzinnige wetsbepalingen, dezen behoorlijk

') Salomo, zie pag. 117, noot 9. *) Deut. 30,11.

3) Bij Mara, Ex. 15,25, wordt; dsüöi pn gebruikt.

4) In Num. 19 komen de woorden npn en min voor.

6) Pred. 12,11. Zie Rabba aldaar.

6) Met Abnheim meen ik, dat hier rnsion gelezen moet worden, niet nisiin, wat beteekenen zou; zijn hare raadselen ontdekt-, uit Pesiktha en Thanchoema blijkt juist, dat, zooals K/ojjeb vroeger herhaaldelijk heeft-gezegd, behalve Mozes, tot in de verre toekomst geen sterveling de wetten der rraiiN ms zal begrijpen, miion is van het Chaldeeuwsche xscn, scherf, in het spreekwoord; rwiin Nrvoji» nroa's i £ sson isVn isS is(Jebamoth 926), indien ik de scherf niet voor u zou hebben opgelicht, zoudt gij dan de parel er onder wel hebben gevonden ?

quot;) Met het oog op I Sam. 25,29; a^ra -rma mm •«jis usi.

B) Aknheim, van nsd», voeder: in* zich op te nemen.

119

ocr page 625

ma nunsb nwp ta'p

• npn n^r ny riw * npim x^ni nö^n» ^mo«

It •.. ••^-: .... t |t : • : t ; : v • :i- t

wn nN^fi m * npim ah) wn nx^sa k^3

t * : it ; : • •• : • ;

♦ npni min nnnxai * npm üö^o n^abo * npnnoi

It •-. : t t IV-: - •• It*..; t ; • t iv t ; • I tt ;

Vik^oi n^iVn pinp * npnp nb nibm * np^pn nnna lüjrb px pa : npTian nnbpp * KpiK nnpi • npo^ pxi * npn lipnb pxi • rTTiD, pxi * nnioa *n2-i1 pan DTibx - nani pan1? p«i * ns-i^ yyb pxi • npbn

: Wip) ora anu m) 'n

) T: T T T| -: -

.-i'Sp lai'a hïSn nquot;i piS'D

* nirian npn nxr * nty-iiSQ nVt n-nxy * n^iaai miïA

t tt - i- •-. t t^ : : t -: t t : t -:

n^min * niSDK : nirianD n:^ baa

t iv •.. -: •• -: - : t : t : • t t t :

n3i-i^ : niöD n^pnpt • niaioa nimx * n-iaion

t i ; t i iv i: • : : t : -:

: miam nbpa * htiqni ntrni * nmaii n^ivp * miotri

^t - t i - : t-:-t ; t: t i : t:#

iVI: viyn paa * vy% n^ni • vji^p ♦rjaa • vyh nrr na rhw na ma * nnr^o nbnn d^lj n^aona

t ; v • i- : - tt t t : - - • ; ;

niiö ma* n: * nn^iDt^ a^pa rnn tï -i^a : nn:^

v: • • iv t t^t : - i t : i - i-^ * •• • t t :

nbs: • mabn ps^i • nia^n na ijrr : nn^^V na^n

9) nfvn wil hier waarschijnlijk wijzen op de talrijke door cm, afleiding uit het Bijbelwoord, opgemaakte bepalingen, tegenover miK.s, wat duidelijk in de Schrift is uitgesproken. Misschien beteekent ook mi»; door traditie vastgesteld (van sim). Men heeft dan de drie deelen der Halacha: Schrift, traditie en afleiding.

10) Pesiktha pag. 38o.

quot;) De Thora; Klaagl. 4,7 dwe® Dxr ws wordt in Pesiktha Para verklaard : zij, Israël, zijn rood van uitzicht door den kostbaren schat der Thora.

,s) Spr. 5,16: mn fnwp» ixiE-1 wordt door Midrash verklaard te zien op de bronnen van Thorakennis; zie Jalkoet t. p.

13) Pesiktha en Thanchoema wordt verhaald: toen Mozes hemelwaarts steeg om de Thora in ontvangst te nemen, hoorde hij, hoe de Heilige, geloofd zij Hij, de bepalingen omtrent de roode koe opnoemde met den naam van den zegsman er bij, beginnende: ;/R. Eli'ezer zegt: de roode koe is een dier in het tweede levensjaar, het kalf (waarvan Deut. 21,1—9 sprake is) onder het jaarquot; (Para 1,1). Op Mozes' verwonderde vraag, dat de Eeuwige wetten mededeelt uit naam eens stervelings, werd hem

ocr page 626

JOTSEROTH.

geordend, genen vluchtig doorloopend. Hoe men haar tot onderzoek moest beschouwen; hoe men haar bloed moest spatten; dat geene van omtrent haar gegeven verklaringen mocht veronachtzaamd worden; opdat hij het zou mededeelen aan het volk, waarvan gezegd wordt: «wie is dezequot;1). Bij het bevel: zeg tot de priesters, [dat zij zich niet verontreinigen], verschoot zijn stralend aangezicht van kleur, later echter legde Hij hem ;;dezequot; wet voor en deed zijne oogen lichten van vreugde2). Omdat, toen hem gezegd werd: men zal voor den onreine nemen, angst hem verschrikte en hij sprak: nWie kan dan rein doen ontstaan uit onrein^2') daar immers naar de ware uitspraken omtrent de koe zij iederen reine onrein doet worden, hoe zoude nu zij zelve den geest van onreinheid kunnen doen wijken?quot; — deelde God hem mede: «eene wet heb Ik vastgesteld! Wat vermoeit gij u om het te weten? Hoe kunt gij kennen wat dieper is dan de afgrond?'4) Moge dan de asch der koe komen om wit te doen worden de bloedroode bevlekking door het jong der koe 5), ten einde als verzoening te dienen voor Israël, dat weerspannig is gelijk eene koe6). In [de woorden]: «zij zullen voor U nemenquot; gaf Hij hem eene aanduiding, dat [de asch van] zijne koe eeuwig zoude duren: ;/dat alle koeien zullen opraken, maar de uwe eeuwig bestaan zal blijven.quot; 7)

o God! tot in eeuwigheid zult Gij verheerlijkt en tot in eeuwigheid als heilig geprezen worden en tot in alle eeuwigheid zult Gij regeeren en boven alles verheven zijn. Gij, God, Koning, eerbiedwekkend, alverheven en heilig, want Gij zijt immers de Koning aller koningen. Wiens koningschap eeuwig duurt! Verkondigt dan Zijne wonderen, verhaalt van Zijne macht, roemt Hem, gij. Zijne scharen, heiligt Hem, verheft Hem, in luiden jubel, in zang en lof prijst de macht Zijner roemrijke heerlijkheid!

Zoodat zij onreinen rein doet worden en reinen verontreinigt op het woord des Heiligen!

Een gebod, wél gezuiverd8) en gelouterd, in hare wet onderscheiden van het kalf, waarvan de nek moest gebroken worden 9); als een lommerrijke boom groeide zij tot genezing [van Israel's zonden] 10). Zij wordt verklaard te bestaan uit zeven maal zeven louteringen.

geantwoord: »eens zal een braaf man onder Israël opstaan, wiens naam R. Eli'ezer zal zijn, die aldus de wetten van Para zal inleiden!quot; Nu sprak Mozes: //Moge ik dan het voorrecht hebben, dat deze tot mijne nakomelingen behoort!quot; welke bede hem werd ingewilligd. Dit wordt afgeleid uit Ex. 18,4: -itpsn nn.sn on.

') Zie pag. 115, noot 8.

2) Toen Mozes het voorschrift vernam: Zeg tot de priesters... dat zij zich niet verontreinigen aan een lijk (Lev. 21,2), vroeg Hij: «en indien hij onrein is geworden, hoe zal hij dan zijne reiniging verkrijgen?quot; Toen hem daarop geen antwoord gegeven werd, ontstelde Mozes en verschoot van kleur, zooals Pred. 8,1 gezegd wordt: ros TOl. Later evenwel, toen

exodus. P

120

ocr page 627

ma nanaV piVo ap

™ nöi * niinb nn^i: nübnnan rhw * niDnyan

i .. t t ^ -: - ) •• tit • : ; - : • - v r* ; t^. :v -

hok quot;liana : pnt ♦pb niinV • ni?3n^a nniNS * niri1?

• vafib nxr 3^ • v:a ny ns^ D^n3n bx n'^i mnjrs nixVö * nmb inpbi t? quot;ipK:3 |jr*. : vy% - nNs^a HHÜ Vs * ma nox Dtrip : NDISD nnu rn» 'o

t : - : t t t ••:*:; i •• t • t i •• • •

* ^pn npn Vnï T^n iS : nNotsn nn i loyn trn

* ma quot;iök ay : inn np npo# - wn npi Ton : mas m-iiD1? • mss ni^n • ma ?3 «iisü r^bn4?

- t t t : t •• : tt- v; t t i v | • i • : - ;

* nibs nnan ^3^ * rnono ima nvn inpna

t t - tv viv ; •.. tt v: | iv •• i: • : •

•' rinoijr

* D^pVi^ ♦pbiyVi *^pn Dbiybi *

♦3 • viïip) DiiD KIIJ * -]ba VKH • Kt^nm -jibon

* Wv vnixni: • nïi inuba * D^bsn •nbo Nin nnK

r t : - iv ; - • t :-••:- | v iv t -

•n3^n^|n • mattii im^-ip *vk3ï inma mtjt nap : irman nibnn e]pin : ^npT ipiKS • nninp mv) - D'Npp inpquot;? p1quot;quot;

3quot;N Dquot;y

?2^quot;i3 nb-ia • nan^D nma nbn3 * nanxi muo mo«

It : ~ : t ••: t •• tt: t : t : Tf: t : •

ninn * n^3^p pipm n^n-i : nannS

hij de wet dei* roode koe vernam en daar hoorde: en zij zullen voor den onrein gemor dene nemen van de asch enz. (Num. 19,16). kreeg hij het antwoord op zijne toen gestelde vraag (Pesiktha, 38, Thanchoema).

3) Job 14,4-

4) Job 11,8. Het hier verhaalde komt bijna woordelijk in Pesiktha pag. 30 en Thanchoema voor.

5) Het gouden kalf.

6) Hoshéa' 4,15. Zie Pesiktha 41, Thanchoema.

7) De laatste woorden bijna letterlijk overgenomen uit Pesiktha 396.

8) roiJD, eig. gezeeft.

9) Deut. '21,1—2; terwijl de roode koe tweejarig moet zijn, luidt het voorschrift hierbij: onder het jaar; vgl. Sifré.

10) De zonde door het jonge kalf zou goedgemaakt worden door eene ouder geworden koe (Thanchoema, Pesiktha).

ocr page 628

JOTSEROTH.

zeventallen van spattingen, indoopingen en kleederwassehingen, zeventallen ook van koeien, priesters, reinen en onreinen1). De oudsten van [het Synhedrion, dat zitting liield in de zaal van] gehouwen steen, volmaakt zonder gebrek, moeten onderzoeken hare verborgen plaatsen, opdat er geen gebrek aan zij; rein zal zij zijn met betrekking tot het rood zijn, zoowel als van eenig gebrek. Van het vermogen van den priester werd eene brug gemaakts), telkens open boog boven gesloten dam, in heerlijke schoonheid, om daarlangs naar buiten [den tempel, naar den Olijfberg] te voeren de volmaakte, die de zonde der schuldelooze zou delgen. Zijne helpers gingen met hem uit naar den Olijfberg; hij haastte zich, zich ten tweeden male te baden, wegens den verleider, die een afval-kuil graaft3); dan ordende hij onverwijld den houtstapel. Hij stond aan de oostzijde, met het aangezicht westwaarts; daar slachtte hij de koe, doch vermengde het bloed niet4); dan slak hij haar aan met dadeltwijgen5) en maakte haren vuurgloed groot. Hij ging nu staan tegenover de lethon-poort [de oostelijke poort van het voorhof] en spatte zevenmaal van het bloed; hij zocht versch cederhout uit en hysop en karmozijnkleurige wol, en riep ten aanhoore van allen: «deze cederhoutsoort?quot; «deze liysopsoort?quot; Nu liep hij heen en verdeelde de asch in drie deelen ; ielden het eene onderling;

\

gedeelte vastgesteld werd

totdat Hij de in rotsgraven rustenden zal doen opstaan!6)

■) Pesiktha en Thanchoema, naar aanleiding van de woorden ; pptrJ dim-:™, d. w. z. volgens Midrash: zevenmaal zevenvoudig gelouterd. R. Elia Wilna verklaart deze Midrashplaats aldus: Zeven spattingen komen erbij

voor: Num. 19,4: hij zal spatten____van haar hloed zeven malen; —

zeven indoopingen: evenals bij het bloedsprengen bij een nscn, zondoffer, moest ook hier rtaao nvn Si Sr, voor elke sprenging een indoopen met den vinger in het bloed plaats hebben, zooals er staat: rac; ntnv npSi cpsjtb [Para 3,4]; (dit is niet aan R. Elia Wilna ontleend, in Midrash toch wordt niet gelezen mSoiD 't, maar m'-iü 'r, wat door den genoemden geleerde verklaard wordt: verbranding van; de huid, het vleesch, het bloed en den mest der koe, benevens die van het cederhout, den hysop en de karmozijnkleurige wol, die alle zeven in Num. 19,5 en 6 genoemd worden); — zeven kleederwassehingen ; vs. 7 : en depriester zal zijne Idee-deren vasschen doelt op den priester in vs. 3,4 en 6 genoemd, dit kunnen dus drie personen zijn; voorts wordt wasschen der kleederen nog op vier

Èlaatsen in de afdeeling voorgeschreven, nl. vs. 8, 10, 19 en 21. (In laatsen in de afdeeling voorgeschreven, nl. vs. 8, 10, 19 en 21. (In übkr's aanteekeningen op deze plaats in Pesiktha zijn de twee plaatsen vs. 10 en 19 niet genoemd; waarschijnlijk uitgevallen); —- zeven loeien, zooals in Para 3,5 gezegd wordt: zeven roode koeien zijn door Israël bereid; eene ten tijde van Mozes, ééne ten tijde van 'Ezra en vijf na dezen. In de afdeeling komt vijf maal het woord koe voor, terwijl zij nog tweemaal onder den naam nscn genoemd wordt; — zeven priesters: in de verzen 3, 4, 6 en 7 komt vijf maal het woord: priester voor; Mozes en Aharon, tot wie het bevel gezamenlijk gericht was, er bij gerekend, zooals duidelijk in Midrash wordt aangegeven, maakt: zeven priesters-,— zeven reinen; d. w. z. reinigingen, nl. door spatten op de tent, de voorwerpen.

121

om bewaard te blijven.

terwijl een

ocr page 629

ma mish pivo «dp

: oninü wirip] miöi -njttty uwm mb^u

• did na nvn vd1? iim» n^mn * didd d^d^n nm ^pr

t v: - : i: - : t iv -; * • ; t ••! :•

naa * ma ütt jris p'nö : diddd hid wk1? n^nn nnintp : nn^öd nan ndh nd^dn na n^in1? * mxan tina ddin sid

t • : t - : •• t * : t * : tt : * : v i

mid n^ yni' nn^an nm ^ ink vn^dp nis * yiyth vjöi dnpd nd^: nn^ ah) nan^d mo * nniiy

tt t ~; ~ : tt v||v - t t t : v iv quot;z ~ •• • t

bid dp : mn mpidi ninn na nï * di^ k1? dit dh^

it quot;quot; ti: t-: t t t; - t

vab * nrn» ditni n,s4 • nr dnipn^ sd * d^pbn npbni ^in : nr ditki nr nx yy

• d^ipj quot;i^ nquot;id^dgt; n:idn * d^pbnp n3d nina^p

de personen, en op wie heeft aangeraakt een been, of een verslagene, of een lijk, of een graf, welke zeven groepen in vs. 18 afzonderlijk genoemd en aan de reiniging onderworpen verklaard worden; — zeven onreinen, d. w. z. al wie in de tent komt, waar het lijk zich bevindt; al wie daar aanwezig is; alle open aarden vaatwerk; en al wie of wat in het open veld aanraakt aan een door het zwaard verslagene; of aan een lijk; of aan een been van een mensch; of aan een graf. Dat zijn dus zeven oorzaken van verontreiniging (Zie Buber's Pesiktha, pag. 33, noot 55).

3) Para 3,6; Shekaliem 4,2; de brug bestond uit twee rijen booggewelven boven elkander, zoo gebouwd, dat telkens waar in de onderste rij eene opening was, daarboven zich de pijler bevond; terwijl boven de pijlers van de onderste rij in de bovenste de open bogen gemaakt werden.

3) De Tsadducëers beweerden, dat de behandeling van de roode koe niet mocht geschieden, dan door volkomen reine personen, die dus, nadat zij verontreinigd waren, niet alleen zich hadden gebaden, maar ook na dit bad den zonsondergang hadden afgewacht, üöd inij;». — De Pharisëers daarentegen zeiden, dat de traditie leert, dat ook door hen, die wel hun bad reeds hadden genomen, maar voor wie daarna de zon nog niet was ondergegaan, dt de verrichtingen bij de verbranding der roode koe mochten geschieden. Als protest tegen de meening der Tsadducëers nu, verontreinigde men opzettelijk den priester, die de koe zou verbranden, zóó dat hij zich dien dag moest baden en als dv 'jaic de handeling verrichtte. (Para 3,7.)

4) Hij zorgde, dat het bloed niet dik werd.

5) Zoo R. 'Akieba t. a. p.; volgens een ander gevoelen met gewone spaanders.

Gj Para 3,11. De asch werd in drie deelen verdeeld, waarvan één derde in de open ruimte binnen den voorhofmuur (S»rt) werd gedeponeerd, om daar ten eeuwigen dage bewaard te blijven; het tweede derde berustte op den Olijfberg tot reiniging voor de priesters, die later met de behandeling der koe belast zouden worden; en het laatste derde werd onder de 24 riesterafdeelingen verdeeld, om tot reiniging van alle Israëlieten te ienen, die zich zouden verontreinigd hebben.

ocr page 630

JOTSEROTH.

Dit bleef zeer moeilijk in hunne oogen, hoe zij de huizen hunner verblijven konden reinigen; de Reine en Heilige verlichtte echter hunne oogen; de Heilige!

De edelen des volks, die uit de Babylonische ballingschap optrokken, — toen de voor de verlossing bepaalde tijd spoedig was aangebroken, trokken zij op om onder gejuich den tempel te bouwen. Toen verscheen God aan Chaggai, Zecharja en Mal-achie en openbaarde hun in een visioen tijd en bepaling voor koe en kalf. Hem eene kamer te bereiden tegenover de vergaderzaal van het Synhedrion, welks leden in een halven cirkel zaten1), om «dezequot; (koe) te bereiden naar de in de rol voorgeschreven wet, dat zij reinige de onreinheid der afvallige en daarom in ballingschap gezondene. Zij ontwierpen toen den bouw van huizen in hoven, vast gebouwd op dorre rotsen, en zeker beveiligd tegen onreinheid in de diepte2). Daarheen voerde men zwangere vrouwen, wier kinderen daar werden geboren en grootgebracht8), totdat zij krachtig waren opgegroeid als helden. Waren zij nu bloeiend groot geworden, tot den leeftijd, dat zij de woorden machtig zijn, dan bracht men hun krachtige ossen, met breede schonken4), om de heldenkinderen te kunnen dragen. Op hunne ruggen legde men deuren, [waarop de knapen zaten] gelijk ieder bij zijn banier naar de teekens6), om te komen op den weg naar den Shilloach. Geen voet mochten zij uitsteken buiten de deuren, opdat zij niet een dak6) zouden vormen boven eene onreinheid van een lijk,— nauwlettende reinheidsbepalingen naar de wet in acht te nemen. In hunne hand hielden zij steenen bekers om ze te vullen en gewijd water daarmede te scheppen, ontzondigingswater voor zijne bestemming op te halen. Van daar stegen zij op naar het tempel-voorhof; de knapen, rein van elke dwaling van zondige gedachte7), moesten dan de bewaarde asch [van vroegere koeien] naar het voorhof brengen. De kruik, die daar in een kuil was verborgen, had hij, Mozes, van oudsher met asch der koe gevuld, gedurende 960 jaar tot roem 8). Nu bracht men

122

1

') De mjn rot'S bevond zich in den noordoosthoek van de ^s-icn mijj. Volgens Para 3,1 was eveneens op het noordoosten de psn jva, de kamer van het steengoed, gelegen, waar de priester gedurende zeven dagen vóór de verbranding der koe werd afgezonderd. Twijfelachtig is het, of de mis, waarvan in Para gesproken wordt, in of huiten den Tempelberg lag. (Zie Joma 26.)

2

) 0113, waarschijnlijk van nvi2, gezond.

ocr page 631

ma nma1? piVo aap

• on^i^ö • Drrj^a IMÖ n^pn HNT p^n

: ïyiquot;ipT * Dnn^ ngt;1n i?npTi HHD

i^ip 13^3 itïSs vmn iB.sn

nija ' nbtfa ^p xia • nbi: tyy bii onbi * nbjj nn?T : nVan n»3

• rto# pi5 Via Tjiij; : n^jn ms for '^p • nbJ nrnaa ioüf : nbui rniD n«oü -int?1? * nb:p piro ni'^. nxT nxoü ♦JÖD • onvaa n»nï by - Dnxn ♦na nua

- : •.. •• : • * t *•. : iv - r : ^- ....... T .

onbij oaina - ona^ ni^a i aa 1^1 : Dn-wp 1 oinn ♦^aa inn^ n^a : oniasa naa biv iy_ - ana d^i anV pnnn^ a^ranü • anw ioJ? * onan

• niniNa ta by wxi • mnVn nai by la^a-r : oniaa 'ba * nmb'ia pn trvinbp bi^ : ninxb nibiï Tj-i-i by DTa : nmna Ti»# nnnu piipi * nin^ü nNppa^nNnb DïpV hij ♦p • mW? Da D^np d»ö * nittbob |a« niaia mn niwwa 1 □♦ar • nvb a^p ibyj : nibynb ' m;ana a^ nann |p:p : rnp# ma^n p^n • nnr iN»a*: mNanb mxa • ma nax mo NVD

i t t t : • : • • : t t v i- t ■• •■ t

1

) Dijiin», van fn, de zijde, schonk van het dier, me/ krachtige houten, evenals cnES pip» (Ps. 69,32), met sterke horens en klauwen.

ocr page 632

JOTSEROTH.

een sterk gehoornden ram, daartoe bewaard, op welks kop een touw en een stok tot reiniging!), tot reiniging van ,/dit volkquot;, dat den wijngaard der Thora bewaakt. Zij namen dan van de asch, die in het voorwerp was, en reinigden en heiligden den glans van mijn tempel, naar het voorschrift der Leer, die met rood-fonkelenden wijn is vergeleken. Zij maakten bekend de kracht der overwinning van mijn leger, zij wieschen en reinigden mijne geheele gemeente en legden een verband op mijn schrijnende wonde2). De ijverige 'Ezra8) liep nu spoedig om mij kracht te geven, hij bereidde de tweede koe en versterkte mij en zoo werd de Eeuwige God, mijn Heer, geheiligd!

Dan zal heiliging ü ter eere opstijgen, want Gij zijt de Heilige van Israël en de Helper!

Niet uit te spreken is de macht Uwer wonderen, niet mede te deelen de grond Uwer wetten, niet te begrijpen de kracht Uwer daden, niet te openbaren de diepte Uwer wonderdaden, niet te genaken tot het verborgene 4) Uwer eigenschappen, niet te onderzoeken Uwe diepzinnige raadselen, niet te verkondigen al Uw lof, niet openbaar te maken het geheim Uwer getuigenissen, — wat duidelijk schijnt, is voor ons verstand niet te begrijpen; wat schijnbaar ons geopenbaard is, is verborgen; wat verklaard schijnt, is verzegeld; wat met scherpzinnigheid reeds gevonden schijnt, is juist nog moeilijk te vatten ; wat uitgehouwen schijnt, is slechts in omtrek aangegeven; wat schijnbaar gebrekkig is, is in overvloedige duidelijkheid meegedeeld; wat ongeoorloofd schijnt, is soms geoorloofd; wat zwart schijnt, is soms schitterend wit; wat ontbloot schijnt, is bedekt; wat in kleine munt schijnt omgezet6), ligt in groote stukken in de schatkamer; wat tot algemeene begrippen schijnt gebracht, is ons onttrokken; wat ons licht schijnt, soms het meest gewichtig. Gij zijt het, die uit verachte dingen kostbaarheden te voorschijn brengt; die uit wat verboden is, veel geoorloofd verklaart; die uit het onreine het reine doet ontstaan. [Gij hebt ons toegestaan] van het voor het gebruik ongeoorloofd vet, het hartvet6); van het bloed, de milt [en de lever], die geheel uit bloed bestaan7); van de vermenging van vleesch met melk, den meikuier; van uit twee soorten, wol en linnen, bestaande kleedingstukken, de hemelsblauwe wolsnoeren, Tsietsieth, aan een linnen doek8); terwijl de vrouw van een broeder ons verboden is, is er een voorschrift omtrent zwagerhuwelijk met de vrouw van den kinderloos overleden broeder; de gehuwde vrouw is verboden, de schoone krijgsgevangene daarentegen is den man geoorloofd 9). Tegenover de onreinheid van de vrouw

') Para 3,3. Om niet door een onreine de asch te doen aanraken, liet men de spatting op eene zijdelingsdie manier geschieden.

2) Een gewoun beeld voor vergeving der zonde; vgl. Jes. 1,6.

a) Met het oog op 'Ezra 7,6, waar hij iina -ieid genoemd wordt.

A) |£D van pED ppa r-pSn d» o, Deut. 33,21.

123

ocr page 633

ma myiö1? pi^D nxr mnüb • toityi Van i^K-na * nitaöa ppo blt;x

-t; t : t*:t : v iv ; . ^ t t - : I tI ; -.. * iquot;

nm i^pquot;! vm * quot;is^d mpS : niüi: owa

ivnn • ♦Vn: niï] na : ♦b^an n^n ♦ap * ^a^n ay yr}f2 bp : ^np aïi^ ^ain ^nni * ^np ba la-rni : ^TI « D^nbx ^pJi * quot;^n) mat *

: ^pioi ^np nm *a n^np nb^n pa,i

r« * * T^1K^J DV1^ ^P1'^1? 1gt;4

• ^niNba ppi^ n^a1? px ' t]pin ^an1?

rK * ^niTn hd iipnb px * ^nnp jap quot;iid^ px ni^niasn : IID px * ^ni^nn ba niMB'pn • niomn nn^iaan • mn^n * niaino nmaxn * nnann - mown nipipnn • nioiï;»

-: t t *.,: - ; ii-;- -:

niunan * nmL\s; niai^nn * nmnv nnin^n • nnrra mbtp K'vio ' nniDn nibpn * nniï^ mb^an * nniïK : nninp niNpaa |nij * nnnp ninaxa ym * nnpT» T^api: D^n n3Di) bincp * D^jn jpi: abn |Di^ * abnn |p n^KQ : rnD3 n^an * onsa ^bao : abnn bna • abna

V Iquot; •• l-T- VI-: * T : •• ; • • T T V - I- T T V

hnolSD : iNin na' * wa mKD : nxn Dia* * hk

..... . . - , - ; • viquot;quot; tv ■ t

5) Vgl. onze uitdrukking: op kleingeld gegeven.

6) Choellien 109i noemt Jaltha, de echtgenoote van R. Nacuman b. Jakob, de dochter van den Resh-Galoetha Mar 'Oekba, eene geheele reeks van verboden zaken op, waarbij de Thora iets, wat daarmede overeenkomt, heeft toegestaan. Daar wordt tegenover het verboden vet van i'ee het geoorloofde vet van wild gesteld. In nog andere punten wijkt Kalliek van die Thalmoedplaats af, volgens Thosaphoth t. a. p. op grond van Je-roeshalmie.

7) T. a. p. wordt alleen de lever genoemd, die volgens de meeste uitgaven hier niet vermeld wordt. Vgl. Wajiikra Rabba 22. Shocher Tob 146. Misschien wordt met Jeroeshalmie wel Midrash Rabba bedoeld. (V'ti)

8) Wordt t. a. p. niet genoemd.

9) T. a. p. wordt tegenover de verboden gehuwde vrouw gesteld de gescheiden vrouw, hoewel haar man nog in leven is; terwijl de heidensciie krijgsgevangene tegenstelling is van het verboden huwelijk met eene gewone heidensche vrouw.

ocr page 634

JOTSEROTH.

ia haren staat van afzondering, staat de reinheid van hare maagdelijkheid i). — Uit het geoorloofde verklaart Gij iets verboden en uit het verbodene geoorloofd; uit het onreine rein en uit het reine onrein : een vlek van melaatsehheid, zoolang zij klein is, brengt onreinheid; heeft zij zich over het geheele lichaam van den persoon uitgebreid, dan maakt zij hem niet langer onrein! 2) Zoolang de doode, ongeboren vrucht zich nog binnen hare woning bevindt [d. i. in het moederlijf], is zij niet onrein; verlaat zij [de vrucht] hare woning, dan maakt zij deze, de moeder, onrein 3). De bok van den grooten verzoendag [die ter ecre des Eeuwigen geslacht en buiten den tempel verbrand werd] brengt verzoening over alle verontreiniging4), terwijl hij de kleederen onrein doet worden van allen, die zich met hem bezig houden. De roode koe verontreinigt allen, die haar helpen behandelen, terwijl zij zelve bereid wordt om alle onreinheid te reinigen ! Hare asch wordt eene bron van verontreiniging 5), terwijl zij reinheid brengt voor de hoofdbron van onreinheid! Zoo is dus niet te begrijpen het geheim Uwer leer, noch het zuivere van Uw voorschrift, noch de louterheid van Uw besluit. Dus vermag men het niet te verwisselen noch te ruilen, mag men niet te veel over de gronden nadenken noch er tegen protesteeren. Men kan het niet kennen noch bekend maken; wat zoudt gij weten van wat dieper is dan de afgrond ?6). Hare paden wisselen af, gij kent ze niet!7) Het eene werd met zachte woorden gezegd, het andere als een ko-ningsbesluit; het eene voor eene kleine vergadering, het andere in groote openbaarheid; het eene als onder een kus te kennen, het andere slechts door gloeiend verlangen te bereiken8); het eene moet onderdrukt, het andere duidelijk uiteengezet worden; het eene mag in openbare voordrachten worden besproken, over het andere moet het stilzwijgen bewaard worden. En elk van haar uitspraken, waarbij de uitdrukking: wet gebruikt wordt, daarvoor mag men geen grond vragen noch zeggen ; waarom is zij ingesteld ? want zoo is zij gegeven met een het zwijgen opleggenden kus9). Allen staan den verstandige duidelijk voor den geest, en al wie inzicht heeft, begrijpt ze, behalve de redenen van het gebod der roode koe, die niet te begrijpen zijn, en waaromtrent ieder wijze van hart te kort schiet om ze te begrijpen; hare onderwerpen zijn niet te begrijpen. En met evenveel namen als het goddelijk Tliora-getuigenis is zij genoemdI0), met geen enkel offergeschenk is zij gelijk te

') T. a. p. staat tegenover m:: ma Dn, bij een jongen 33, bij een meisje 66 dagen na de eerste 7. resp. 14-daagsche periode na de bevalling.

2) Lev. 13,12 en 13. Zie Thanchoema en Pesiktlia.

3) De ongeboren vrucht maakt, als nriba hn'oid, de moeder niet onrein; is het kind ter wereld gekomen, dan is de moeder onrein, hetzij tenge-

124

ocr page 635

ma ncnab pi^D nap

; -inn iidkoi * iidk nnna : n^K 'bins ninu • n-i; nmö * KQLsn nquot;ina : ndu iintsDi * nnü «otaa

T ; T •• - : 'V : VIV - •• T T • T quot; T *

i3ap hv * nou irtf n'aa non : Noun ?3 i^ds rp;p^p • kou ^iaap -nss di» quot;i^tf : kouo ini« nn'^. «♦ni * nxpup irtyiy nonx nns : «puo i on^a ninup * nKptan a« n® nnöNi : nxou ba -inub pipt üb1! • ^rnin -i'id fan1? |'k pa : nsoun max »aN * Tpnn1? ah) n^pnb pa : ^nnn «]nï Nbi • ^nnox biKB'o npojr. * jn;.*? ^T1? : THn1? ]'**

: n-jnn in • ni;os4a it : pin ah n^nib^p lyz * jnn np nt^^aaa i?: npi^na in • np^2a it : na^onn in * na^n it

T-:- IT :• : lx-;- T • -; - : T -:-

pipnn nnox bai: n^nna in • n^nna it : n^nana iti mn: -||^ • nppn: np bv npibi in-inb pj* * npn na pn ' pa: ^a'B'pn bsi * papb D,niaa abai : np;tyja rrïan • pap ab aan Vai ' pan1? p^ ma ♦pjrup Nb w pquot;ipT bsb • naip: N^n nniyn niotfai : panb px

volge der bevalling, of, zoo het kind dood geboren wordt, ook door aanraking aan een lijk. Zie Buber Pesiktha pag. 30, noot 9.

4) Zie Sheboe'oth 126.

5) Een lijk en metaal, dat daarmede onmiddellijk in aanraking is geweest, is nsamn nm ■'iN; wat daaraan raakt, is evenals een aas van vee, wild of kruipend gedierte: nxaran ss, bron van verontreiniging, die zich weêr in prxi, w, bij Theroema ook tot ivbf, bij andere heilige spijzen zelfs tot Tm vertakt.

6) Job 11,8.

7) Spr. 5,6.

8) Sommige wetten zijn gemakkelijk te begrijpen, alsof zij door een kus van den een op den ander kunnen overgaan; anderen slechts door aanhoudende studie en krachtsinspanning te vatten, die in groote dorst naar kennis hare oorzaak vindt.

9) Zie Thosaphoth, 'Aboda Zara 35a nsn ns jrpSr pp'nnw.

10) Vijf: rhiv, ms, ipa, en iw; de Thora heeft vijf boeken.

ocr page 636

JOTSEROTH.

125

stellen; want dezen zijn mannelijk, zij een vrouwelijk dier, om te reinigen de vlek van het gru wei-kalf Zij verruilden hun Eer voor den zoon der koe, en waren afvallig als eene /, weerspannige koequot; ; 3) laat dus de moeder daarvan, dat is eene hoe, komen en voor het volk tot verzoening zijn! s) Zij deden daarvoor hun aangezicht in gloed staan en waren «rooder van gebeente dan koralenquot;4); laat dan de moeder daarvan komen, die rood is van uitzicht, en daardoor zal Israels Vriend, die «blank en tegelijk roodquot;5) is, hun aangezicht weer opheffen! Zij hebben het uitgehouwen, om voor hen te staan als volmaakt, en juist daardoor maakten zij zich schuldig, zoodat zij niet meer volmaakt waren; laat daarom de moeder ervan komen, de volmaaktste der volmaakten, en daardoor zal Hij, de volkomen Rots, reiniging brengen der volmaakte natie! Zij bogen zich neder voor een gehouwen beeld met allerlei gebreken en werden daarvoor gestraft, doordien zij met gebreken behept werden 6); laat dan de moeder ervan komen, waaraan geen gebreh is, om af te spoelen de bloedschuld der „schoone, waaraan geen gebrek kleeftquot; 7). Zij dachten met het kalf ontrouw te plegen en offerden daarvoor en wierpen daarmede het juk [der hemelsche Regeering] af; korae dan de moeder daarvan, waarop nimmer eén juk is gekomen en worde hun als een juk op de schouderen gelegd ! Zij rotten ter wille daarvan samen tegen den priester en in toorn werd de man, die het hoogepriesterschap zou waarnemen, tot uitroeiing veroordeeld8); korae dan de moeder daarvan en worde overgegeven aan den priester en daardoor worde verzoening verkregen voor de zonde van den priester! En evenals [het gouden kalf] in vuur verbrand werd 9), zoo zal ook zij, de roode koe, in vuur worden verbrand. En gelijk dit gemalen en fijn gèstooten werd tot gruis, zoo zal ook deze fijngestooten worden tot stof. En gelijk het stof daarvan in water werd geworpen, zoo zal de asch van deze in water geworpen worden. En evenals door dit drieduizend man van het rechtvaardige volk vielen, zoo zullen door deze vallen drie soorten 1(gt;) ter wijding. En gelijk dit het reine volk bezoedelde, zoo maakt zij door aanraking iederen reine onrein. En gelijk dit het daardoor verontreinigde volk weer rein maakte, zoo reinigt zij den man, die onrein is geworden. En evenals de met het kalf bedreven misdaad verstrooid werd en voor ieder geslacht als zonde bewaard n), zoo zal deze zijn ter bewaring tot onzondiglngswater; om bloedschuld weg te spoelen en vlekken uit te wasschen, smetten te reinigen

^ Pesiktha, zie Thanclioema; daar staat: alle offers zijn mannelijk of vrouwelijk. Laat men het alleen op de huiten den tempel te verbranden offers slaan, of op die der gemeente, zooals in Pesiktha de lezing is, dan is de hier gegeven bepaling juist; dezen zijn inderdaad allen mannelijke dieren, d^s of di-iij:», bij de gemeente-offers ook mW

ocr page 637

ms piVd nap

•' ro^in bty nxü^ nnpb • napj K^ni onpt dn^ - n^ I^K lax Kan * mö2 12 IIIDI * ms rns tüd i-^on on

v -: • t tt : -;t : tt I v ; t r ••

iü'ix'i * d^s 13 lanxn Dn : nisa n^nni • niö x*n

: t : * t r v; v •• tt - quot;: *.•;•; tt

nï nm * D^ö nsnx wn ISK xan * D^^ÖD I W

t • t * v -i • t * * ; • v Tv

ot 121 * D^dna jiï nvn iniünn Dn : dms xw di-ini

it •-. t : t v: it-:** * t t • t ;

nan inü1 nni * D^ün nö^an idn K3n * D^an nvna nvn id wtyiï * Dia ba 'pdö1? innt^ Dn : Dran n^n

..; :^vv ; t v iv ; -; t •• * t

na^ 'at n^n1? * Dia na px ib'n isk NDn * Dia 'ïty ipn^i 1^ man 'bi^ab iaat on .'Dia na pxi : Vi^a Daat^ jnsni * biy n^T nV^ xb isk Kan xan * |naa wh na^na ^3ki • jna bx ma^ ibnp: Dn

• t^xa laai : |rfa na n3a,i * jnab jnsni lax n'^ni ptn ja * ptni |mü laai: ^n^n mi fa Vn nnsK -quot;i^n |a * D^an 113^, laai : nvbv na 1^ ra * ivv nvhw ia iba: laai: D^an

vii t : • I •• viquot;;- v 1 : : t : * it -

: una ba ^aa xaun |a * nnü d^ t]3ü laai: quot;i^ia ^ra laai: Kam n^K ty^K quot;inun |a - Kap; ia d^ intp laai ♦ab nia^ab Knn |a * nxanb nia^ in bab ly^a nra

• D'fiisü nip:5? * D^ana oaab • D^an nnnV : nKtan

)-; -t; ••-: • t - r - ; t -

s) Hoshca' 4,16. 3) Zie Tlianclioema en Pesiktha pag. 406.

4) Klaagl. 4,7; door den wijn, dien zij ter eere van het gouden kalf dronken.

5) Hoogl. 5,10. 6) Ex. 32,35.

i) Vgl. Hoogl. 4,7.

8) Zie o. a. Rashie Lev. 10,12.

3) Ex. 32,20. Deut. 9,21.

10) Cederhout, hysop en karmozijnkleurige wol.

11) vnpsi 'ips Glial (Ex. 32,34) wordt in Midrash aldus verklaard; telkens als God meent de zonden van eenig geslacht te moeten bestraffen, bedenkt Hij de bezondiging aan het gouden kalf en voegt een gedeelte van de daarmee verdiende straf aan de door ieder geslacht verdiende toe. (San-hedrien 102a.)

ocr page 638

J0T8ER0TH.

en bezoedeling af te wisschen, zonden te doen bleeken, onreinen rein te maken, heiligen hunne heiligheid te doen behouden, te rechtvaardigen beladenen ; met eederhout, ten behoeve van hen, die hoog hun takken spreiden gelijk de ceder; met hysop voor de als hysop nederigen; met karmozijnrood voor Israël, welks lippen karmozijnkleurig zijn !); met het sap van den worm, voor [het volk, tot hetwelk gesproken is:] „Vrees niet, Jakobs worm!quot; 2) Opdat de trotsche zich niet verheffe als de ceder; want zoo hij zich niet nederig denkt als de hysop en zich niet beschouwt als een worm, wordt hij niet rein door hysop en karmozijnworm; en zoo hij zijn hart niet uitstort als water, wordt hij niet rein door besprenkeling met water. Hoe zou zich verhoovaardigen dat //drooge grasquot; tegenover het „Vuur, dat vuur verteertquot;; hoe kan aanmatigend zijn een nog zoo fraai prijkende bloem, tegenover God, die „hoogverhevenquot; genoemd wordt; die immers in trotsche hoogheid op Zijn troonwagen zit in den hemel; hoog boven al het hooge, verheven boven al het verhevene, Zich verheffend als een ceder boven al, wat zich verheven waant; toch nederig als hysop, afdalend tot alle gebogenen; Hij vormde in Zijne wereld vijf door macht verheven wezens: den stier onder het vee, den leeuw onder het wild, den arend onder de ge vleugelden, den ceder onder de boomen, en den mensch over die allen 3). En de Koning is boven die allen verheven, is met meer hoogheid bekleed, dan zij allen; Hij hieuw ze uit aan Zijn vuur-vonken-vlammenden troon, vier aan den hemelschen troon4) en een aan den troon Gods op aarde 5). Want de hemelsche troon bevindt zich juist tegenover den troon op aarde, en wat er aan den hemelschen is, bevindt zich ook in den aardschen; troon tegenover troon, tempel tegenover tempel, heiligdom tegenover heiligdom, woning tegenover woning, altaar tegenover altaar, zonen tegenover zonen, engelen tegenover engelen, dienaren tegenover dienaren, slaven tegenover slaven, scharen tegenover scharen, Cheroebiem tegenover Cheroebiem, duizenden tegenover duizenden, myriaden tegenover myriaden, heiligen tegenover heiligen, legers tegenover legers, huldigenden tegenover huldigenden, heiligenden tegenover heiligenden, en die heiliging ter eere des Heiligen uitspreken 16)

') Hoogl. 4,3

2) Jea. 41.14.

3) Vgl. Chagiega 13amp;.

4) Ez. 1,10; de Chajjoth aan den troonwagen hebben de gestalten van: een mensch, een os, een leeuw en een arend.

5) Het heiligdom, dat van cederhout gebouwd was.

126

ocr page 639

mö nuna1? i^p

* D^üLp nnpV - D^Dn j^bn1? • D^KIV I f^nnnS

* niTKn : Tquot;iN3 D^aiJ^1? * m : D^DID^ pnynb • D^np Vx1? - nvVma * ^^3 n^nins'^ * ^2 : 31TK3 D^sn:1?

- ; *-r : • t - t iv ; • ; • t - quot; r • t ; .

31^3 -]a, }6 DKE' • nK3 nwnD rm-v ^3^ : n^in wn nv dn4i. : n^bin ^^31 31tn43 ihü^ ah * n^blns 3^nn t-vn nnan» noi: dv? npnn quot;inp* xb * d^3 3'? ^12^ Vn nsij * ni« ?i^ nüi : vx nVpiK K'N npi: * wy xmnn * D^S bv nxa * niK33 o^pn^ 3311 Kim : HKS n'xa

. . ,. ^- .... t-;- ; i • t : •• : t t t t

Vv 31TN3 Uin * D'K-inD ^ Tquot;l«3 nNiDDI * Viïm 7^

r- .. . y^y, . . t . . ..,., . v t j • * t •

* non33 nitr • dw ni^on •fobtyz quot;)ïi * own:

t •• : - ...... t • -: t : t ; • t ;•

* Dv'33 * D^3 HK * D,3Öl^03 quot;11^3 * n'n3 nHN

t •.. : tt : • t viv * -J : - v iv t :

^3^ DD3 oppn • D^sp nm viï * obs nxanp ^01 D3 »3 * ra D33 quot;mi • D33 ny3quot;iK * vu

t :iquot; .. • xr •• ; tv: t *: r quot; : tt :

ND3 * nt203 V'' nl7VD3 W ^31 * ni2D D3 quot;1333 »30

t i- : •• t^:i- : •• v -: t ; t r quot; viv : it -. ;

VID ^3? • irnpQ ^^jpp * ^3*11 bio *7yn ' KDS VlÖ I D^K^D • D^3 blü I D^3 * rQTQ blO n3T0 ' V'OT

4 • t : - • t • t -iquot;:- -1quot; ; * , .

* onn^, i Dn3j?: • D^nn^p Via i DWK'Ö * n^xbp VlD i ' 0^113 bio i 3*3^3 ' niN3V bio nlN3ï

• t -: • ; • : t ; t :

ni:np * d^np bio i d^np * ni33i. bi» ni33-i *

* D^npp Vid i a^npp * DTquot;)$? 1 Q'Vnj?:P' nunp bia naxint^xni Nipi ^a: T hv amsa • o^Wp tt'lipb n^ipl

6) Vgl. Shemoth Rabba 33, en 35 einde; zie Peslktha Bejom Kailoth Moshé en Jalkoet 1,370.

ocr page 640

JOTSEROTH.

•mm nmaS isv

Deze tot teeken gestelde maand haasttet Gij U boven alleo te heiligen en daarin nieuwe hulp te brengen. Zij, die U als hun deel verkiezen, vragen ü te heiligen en Gij heiligt hen, o God, vereerd in het heiligdom! Vernieuw dan nu hunne verlossing en verpletter plotseling Uwe vijanden, opdat iedere mond U ver-heffe en heilige. «Deze maand zij u in al uwe woonplaatsen tot erfdeel in uwe geheele vergadering,quot; [zegt] de Heilige!

Gij zocht deze uit alle maanden en gaaft haar den heiligen [Israël] tot erfdeel om daarin zich te heiligen. Gij bestemdet haar voor de edele vorsten, voor de hoogvereerde Ephrathieten !), om daarin steeds te tellen tot dertig2). In deze maand brengt Gij ten val de aan slechtheid zich wijdenden en ontfermt U over Uwe heilige kudde in het allerheiligste huis. De herinnering aan Uwen eed tegenover de gezegenden [de aartsvaderen] hebt Gij den gezegenden tot erfdeel gegeven om hen te bevrijden uit de macht der verdrukkers. Gij, Begunstiger van armen en gedruk-ten, hebt U ontfermd over de vernederden, die U aanhingen. Met verstandige woorden verrichten zij lange gebeden 3) en storten voor U hun hart uit, U huldigend op den eerste der maand. Mogen dan nu de gemeenten verzameld worden in het door uiterlijk schoon gekroonde [Tsijon] en daar zult Gij hunne smeekingen verhooren! Als zij de heerlijkheid van Uwen naam verheffen, in lied en bede4) hun gemoed uitstorten, op het feest, dat het eerste is in de opsomming der opgangsfeesten 5). Mogen dan vóór U hoog aangeschreven zijn al de spruiten der in legerorde geschaarde stammen, als zij zang en loflied aanheffen. Hoe groot zijn de daden van Hem, die wonderdaden en teekenen verricht, voor de beminde en door Hem beschermde zonen! Zij werden gered uit de macht der Pathroesiem 6), die hen verdrukten, en werden vereenigd om verheugd te zijn. Hunne haters vertraden zij in de zee en als in de perskuip vertrapten zij hunne hoofden, want op hun Beschermer7) vertrouwden zij! Jubelend in vreugde mogen zij zich verblijden in overrijk geluk en onttrokken worden aan alle smarten. De Bevrijder, God der geesten, die verheven is door allen lof8), moge het oor neigen tot de smeekingen I Hij doe hunne verdrukkers in de diepste afgrondkuilen vallen, en diep

') dwex, ei ij.; uit Ephrajim afstammend, v. d. voornaam; zie Pirké R. Eli'ezer 45: elke voorname en vorst, die onder Israël opstond, wordt Ephrath

Senoemd; I Sam. 7,12 van David; I Kon. 11,26 van Jerob'am. V'gl. Roeth ,abba 2 en Wajjikra Rabba 2. — van: wSw, Hoogl. 4,1, vgl. Rabbaenoemd; I Sam. 7,12 van David; I Kon. 11,26 van Jerob'am. V'gl. Roeth ,abba 2 en Wajjikra Rabba 2. — van: wSw, Hoogl. 4,1, vgl. Rabba

t. p., dat het opvat als: vormden een heuvel-, dus: zich verheffen. Anderen: een kale plek vormen, dus: in het oog vallen.

2) Niesan heeft altijd 30 dagen.

3) Machz. Romie: □■O'nrtt, verrichten zij gebeden.

127

ocr page 641

snnn mnsh tst op

3quot;X Dquot;r

•• virh VP'. * ^.[57 i 73p nïK • trinn nr niK

* Enpp i DHK nnNi • D^nin ^nni3

* tyquot;tngt; DiKna DJIVK: : iyij53 p^:quot;?«

* D^niDB'iQ * ddJ? nn {y-fnn 'n : Bnp.n oon» ns Vdi inSnini • D^nn Vsa : t^np * on^np ^3 n^nj

t t: t * ; quot; ; it v ; ~ i; t; t~:~

i DWfiN1? * iniptn : D^trjpp 13 nrn * D^np1?

Vionrn • D^np Van 121: nwbp 1% 13 ni:pgt; *

* D^ns n^i3^ ji-Di; D^npn tr-iip n»33 * D^*jpT |KÏ by_

* ü'yi) pin : Dpnao td i nyviïrh * r6mn

* DpnKö 1 Djrta 3iü: ü^wp na'K * D^IDJ b^n'pün nnr iï3p» : D»3^OD m» ^13 • 0*3311? 3b

t'- : I--.! • • : quot; -r.- : •• | iv t :

1133 : D^I^Ö ymn DE'I * 071730 ixin ♦si^s * o^npo : o^ri k'nt |i3^n3 * D'^snp jnnoi 1^3 * o^p na : o^bnoi onn^D * o^n ^o * D^-IDO in*

• -: - : • -: : • t : ^quot;: • t • t •-. : : i iv t :

: O'DIQ^I D*3inN o^o1? * o^pii niN^a; n'^S • 0*^0 i^na ni*n inovni • 0*^0 om ivx ' o^onna td iSï:

it *; t : • - : t v -; • : - - • it ••.

*3 'o^oaiquot;! lomn n33i * 0*0111 0*3 on*Kiïty : ow

• : iquot; t - - : * : t - •-•••: • t

* ninbyn 3113 ww ' nln*2^3 *ïbl^ : D*oin vn onlJ3

t;- : 1* t t : • •• : t t :

^33 n'^on * ninim *nl?N mis : niniN ,?3a iLamp;an*i

t : v : - t quot; v; v t -; t * ; - : • :

oni^i * nini^3 ^a* on**m*: nin*'^1? nts* • nin3^

4) Machzor Romie: ;nn misai, met dringende lede, welke lezing mij juister voorkomt, flan jnnai lira.

5) Niesan is volgens Rosh Hashana 2a de eerste maand voor de feesten-berekening, zoodat, als sprake is van de drie opgangsfeesten, men met het in Niesan invallende Paasclifeest begint.

6) Een der uit Jlitsrajim, den zoon van Cham, voortgekomen Egyptische staramen (Gen. 10,14.)

T) Dmj3, eig.: op Hem, dié hen uit den moederschoot deed te voorschijn treden.

8) Machzor Romie: mraü Sa», die verheven is boven allen lof, waarschijnlijk juister.

ocr page 642

JOTSEROTH.

gebogen worde hun gemoed, als zij door allerlei rampen zijn getuchtigd ! De Heilige, die liefde koestert tot!) de kudden en gedenkt het verbond met de machtigen [de stamvaderen], die vóór Zijn aangezicht in reinheid hun leven volbrachten, — Hij schepte behagen in de uitverkoren zonen, zoodat zij aan alle zijden en eiken kant door Hem beschermd werden. Hij waakte over hen in den //beschermingsnachtquot;2) en doodde ter wille van hen de eerstgeborenen en voerde hen uit, na hen tot vrijheid verlost te hebben. Wend U dan tot [Israël, dat spreekt:] «Ik slaapquot;8), en red het uit de macht van het wellustige Babel, in de eerste der maanden van het jaar, o Heilige!

Indien het Nieuwemaansfeest met Shabbath Hachodesh samenvalt, wordt de Ofan van het Nieuwemaansfeest gezegd; zie blz. 73.

• nSn

Gij, o God, die wonderen doet, hebt om hunnentwille eerbiedwekkende daden verricht; Gij hebt U met tienduizend scharen geopenbaard om hunne onder banieren geschaarden uit wederwaardigheden uit te voeren. Zij zijn door ü als jonge arenden gedragen, terwijl zij het in hun troggen bereide deeg droegen; zij waren vol van rijke gaven en aanschouwden Uwe genade met eigen oogen. De Algoede kroonde hen met den eerenaam: //kinderenquot;, daar Hij de vrucht hunner handelingen kende; Hij leidde hen hun geheelen weg, boven allen verhief Hij hen. Hij vervulde al hunne wenschen; terwijl Hij die hun ongeluk beraamden, ten val bracht, spijzigde Hij hen met overvloedig Manna, en maakte hen verheven boven elke natie. Zij sperden hun mond open, liederen zingend, zij prezen de rechtvaardigheid van den Gevreesde en Eerbiedwekkende, met stemmen van dank en zangen zongen zij jubelliederen ter eere van den geëerden en eerbiedwekkenden Naam; om Zijn lof te doen klinken in vreeze, omgordden allen zich met kracht, om te verhalen het klieven der Schelfzee en te verheffen het dooden der eerstgeborenen.

.nianp

De Voorlezer herhaalt de eerste lofzegging van Shemoné 'Esré tot Oemagén en vervolgt dan:

128

Volgens de instelling van wijzen en verstandigen en de leering van de kennis der deskundigen wil ik mijn mond openen in lied en lofzangen, om te danken en te loven voor het aangezicht van Hem, die in de hemelwoningen troont!

') Naar Machz. Romie lees ik; • • • • enz. ovnr pBMn fnp. exodus. Q

ocr page 643

Bnnn nmab ixv nDp

* Dnn^ pi^n iynpT : nin^io jn * nin^ nv^nn d^3 npT : oniin vn vjö1? • dh^n nns idt

: öns^p ni^n V:Ögt; * ona^ nv * onnaiö nin|j3 Dx^im. • oniDS D^öb i bu$) - Dna# Dn^: |i^nn3 • mn^p napvol * hjb'» ^ks jöri ?tn : d^tiid inv San : trnp * n^n ♦KhnV

.nquot;i hv jaiN' ji-mis nquot;i3i

3quot;N Bquot;r nü^ü flSlI

♦23^3 * niKiu 0^13^3 * niNböJ nquot;^ SN

...... t ,. . t t i' t t ^-:- t ; • ••

• niNi'^j Dntrsa DH • nixbna wirh * niN3ï

: • t : - •• t : • * : iquot; t : t :

: niNin Dn^r^s npn * nixbo 31L3 quot;i3T * m'Nfi: oniiN^pi • D^n; -pnn ^3 ' thtyp ns yiy - obbs d^3 31d ^31'^ • aVsn on^n 'ÜNI: • Q^N^Q ^3 «bo • oWnn ^3

^ - 1 t * * t t t •• -: t -: : • t •• • t • : •

IplV * HTB'S ns 1ÏÖ ; D'v»^ DIN Vs * ObpKn [O

i3D3n d# • mniB'b 1:3*1 • man min Sip * tni:i dvn1?

t : • - •• t -: : -: • t : • : t i t : t ;

ni3n • niiNnnb 0^3 lapn * «quot;1103 in3^ * x-mm

t:-:*: r \ i: t t : ^t: t: t-:

mtj? : nTSJnb anüs nspi ^ID D* n^np

iJÖI lï nm nna .^rn im ym 1 1 manp

♦a nnriöN * D^3p nyi 1 labpi * 0^313:1 D^üpn nisp : D*3i^p pit? »33 VbnVi nninb * D^rn 1^3

2) Den naclit van den 15 Niesan, Ex. 12,42.

3) Hoogl. 5,2, zie Pesiktha Hacliodesh, pag. 466, waar deze woorden o. a. verklaard worden: Ik slaap in twijfel omtrent de verlossing, maar mijn Hart, God, waakt, om mij te verlossen. Vgl. Zohar, Emor, pag. 95a, waar het uitdrukkelijk met de Egyptische slavernij en de verlossing daaruit in verband gebracht wordt.

ocr page 644

JOTSEROTH.

Toen het aanbreken van den tijd der liefde 1) genaderd was, werd Poet3) door één en tien plagen 3) geteisterd; toen het voor Gods troon naderen van de bede der in Maehpéla rustenden bereikt was, sloeg Hij 190 jaar over4) en vond ,/dezequot; [Israël] verademing. Hij, de gazelle5), zag uit van uit de venstertralies en legde een heelend verband door bloedvermenging6); den tijd sloeg Hij over om groote daden te volbrengen, nieuwe en oude plichten 7) te vermeerderen. Hij vloog aan en zweefde neder en veranderde de tijdsbepaling; Hij ontwaakte, als had Hij geslapen, en werd wakker als uit den slaap; vol verlangen klopte Hij op de deur der slapende8) om haar op te zoeken in de eerste der maanden van 't jaar !

Ook mij zult Gij eens besehutten met overschrijding en bescherming, als Gij den Lebanon-tempelberg9) weer beschermt met het schild van Jinnon I0)! Geloofd zijt Gij, Eeuwige, Schild van Abraham.

De Voorlezer draagt de tweede lofzegging voor tot Lehachajoth Méthiem.

Hun, die op zich droegen het vermoeiende juk van het Egyptische kalfu), zeidet Gij uit hun leed een teeken van redding te toonen; hun schreien verhaastte den voor wonderen bestemden tijd en de vierhonderd werden bespoedigd 12) tot tweehonderd en tien ! Het lam, in de struiken verward bij de offerande van den „rotsquot; 13), diens aandenken werd vastgehouden en in herinnering bewaard; zoodat hij, als de door God gedragenen zouden komen in tijd van verdrukking, hun tot offer-geschenk bewaard zou blijven ll). Om een wonder te doen in tegenwoordigheid der vaderen, sprak Hij, het van af den tiende met touwen te binden 15); om daardoor het doorwaden van den Jordaan in teekens te verkondigen 16), diende het uitzien naar een lam voor ieder vadershuis.

') Ez. 16,8: beeld, waarin Israël en zijne verlossing uit Egypte wordt vergeleken met de verzorging en opvoeding van een klein meisje. //Toen gij huwbaar werdt en de tijd der liefde naderdequot;, d. i. toen God u der verlossing waardig keurde.

!) Een der Cbamitiselie stammen (Gen. 10,6).

3) Eén aan de zee en tien in Egypte; v. a. tien, waarvan één, nniMro», tegen de negen anderen opweegt.

4) Terwijl God bij het «verbond tussehen de stukkenquot; Abrahams nakomelingen een verblijf in Egypte van 400 jaren had voorspeld (Gen. 15,13), verloste Hij hen na een werkelijk verblijf van 210 jaar (naar de

getalwaarde van m. Gen. 32,2). Hij verhaastte den bepaalden tijd (zieetalwaarde van m. Gen. 32,2). Hij verhaastte den bepaalden tijd (zie

esiktha Hachodesh 47a naar aanleiding van Hoogl. 2,8: D'inn Sp jVi») met 190 jaar = de getalwaarde van di-b (80 -|- 70 -|- 40) en vn.

5) Gocl, Hoogl. 2,9. Zie Pesiktha Hachodesh 49a.

6) nDinn on is een mengsel van allerlei van een lijk afkomstige stoffen met bloed, niaiïn Dan is dus het mengsel van bloed van de besnijdenis, waaraan Israël zich juist had onderworpen, en van het Paaschoffer, dat zij op den dag vóór den uittocht hadden geslacht. Zoo verklaart Midrash de woorden: quot;n -pij-a lasi -pn-n rccw» ■pnso, «en Ik zag u, wentelend in

129

ocr page 645

2nnn ncnaV niaiip namp;ï - üiö nnxa • onn nv n'nx

tit*-, v iv: - - : ^tit: quot; - • -;

n^n : n^ri m\ DJ?3 * n^M bsao ppv ffi[5 |dt - nünjrn oans Vrini * nis-is4 -pno lai^ \1V] «ti on : ni3quot;)ngt; dji D^ann - ni-n nii^^ ' r,J5?'! 'nnsn pa-ii «]p3 rn * mtrpa ^ |^3

: nj^n ♦Bhni? pmiz n^sn^

najüa i TjMiJi itn • |i2:i nipsa - |i:jn nijr quot;h : DnnsK |JO « nnx -jina * fi3»

: D^nc nvnnS ir tdj nnx

• niK niK-in^ nwn 2N3p - m^n1? n1?^ bty 'onp T^i D^nKo1? ivn: * niN^an rp n^^nn npttj

V tvt • i- t : -: • t : - iiquot; t r •• Itt :

• ™ -ipfi3 IIDT Dp * m ip^ TjlDpn : nixp ^3quot;IK nhb : iwy Nir quot;vb lan^ * quot;iiya n#1? vnN3 apio^ nn^v ',n * npN1? quot;ii^ap fs * max -IJ: ni^

: ninK wib riv n'flï * rinnr6 13 p.quot;)i

uwe beide lioerfsoorten, toen zeide Ik tot u: leef door deze uwe twee Hoed-stortingen (Ez. 16,6). (Pesiktha rhhn ^sra 'n'T pag. 63a).

quot;) Hoogl. 7,14. In 'Eroebien 21b en Ber. Rabb. 72 worden deze woorden verklaard te doelen op de Israël voorgeschreven Godsdienstplichten. Zie ook Jalkoet t. p.

8) Hoogl. 5,2; vgl. Pesiktha, Hachodesh pag. 46. Thanchoema Bo.

9) Siphré Deut. 3,25; vgl. I Kon. 7,2.

10) Ps. 72,17, door Midrash als naam van den Messias verklaard. Zie Jalkoet t. p.

u) Jer. 46,20. — Anderen; zij, die het juk oplegden om het kalf, Israël, (met het oog op Hoshéa' 10,11, waar Efrajim nSjr genoemd wordt) te vermoeien.

«ra van de uitdrukking: pn: ... -an, was dringend; (I Sam. 21,9) van

nsn, verdeelen, zooals Arniieim vertaalt; tot op de helft verkort, moest het •ISnj luiden.

13) Abraham, met het oog op het vers Jes. 51,1; orüïn -ivs Sx wan.

14) Het Paasch-tom was eene herinnering aan het door Abraham in plaats van zijn zoon geslachte stuk kleinvee.

16) Den lOden Niesan moest het Paaschlam gekocht en tot den 14den bewaard blijven, om dan te worden geslacht.

is) De overtocht over den Jordaan onder Jehoshoea' had ook op den lOden Niesan plaats.

ocr page 646

.TOTSEROTH.

Mogen wij nog eenmaal naar ü luisteren en scheppen uit de bronnen der hulpe; breng terug de blijdschap over Uwe hulp en laat ons waardig gekeurd worden den herlevingsregen ! Geloofd zijt Gij, Eeuwige, die de dooden doet herleven.

Het nemen en op het altaar brengen van den gebondene [Izak], bleef in herinnering ; het middendoorsnijden in de stukken!) door den ijverigen Abraham, diende om de kolen van Loed 3) in gloed te zetten. Toen het fluisterend gebed der in het stof slapenden Hem aangenaam was, en het vermengde bloed dooreenstroomdes), verhaastte en bespoedigde Hij den bepaalden tijd om den oorlog op te wekken tegen het Egyptische zeegedrocht4). Het bericht omtrent het naar berekening koopen der paaschlammeren, die de gespaarden bijeenbrachten, — dat vernietigde de Kasloechiem 3), om hen in brand te steken als afgehouwen doornen. De afgoden zouden in hun nietigheid toonen zij, die in weinige mannen geteld zijn; opdat de verheerlijking van den machtigen Koning niet zou verminderd worden, werd hun aangewezen zich te laten meetellen in de woorden: //indien het huis te klein mocht zijnquot;6).

Deze maand moet door u worden in acht genomen naar het besluit der op den Moria-berg vergaderden; en met hen besluit dan God 6), om de drie teekens in deze maand in acht te nemen7).

Deze maand werd bij hare maansvernieuwing uitgezocht en God heiligde haar door teeken en wonder; de geliefden. Zijn heilig volk, redde Zijne rechterhand en Zijn heilige arm!

De voetbank Gods [de tempel], die verbrijzelde de man van het linzenkooksel ['Esau, Edom], moge op dezen dag opnieuw in rijkdom worden opgericht; dan zullen wij geschenken brengen in het heiligdom in de eerste maand op den eerste der maand!

De Eeuwige zal koning zijn in eeuwigheid; Uw God, oTsion! door alle geslachten, — Halleloe-jah! En Gij, Heilige! troont op den lof van Israël! o Almachtige!

Veel hebt Gij gedaan en berekend en geteld, hebt goedgevonden8) Uwe werken te volbrengen naar den maanomloop; hebt haar het schoone lot beschoren tot teekenen en feestbe-palingen te dienen; hebt haar als heerlijke bestemming aangewezen 9), het uitgangspunt te zijn voor kringloop en cyclus10).

') Bij het //verbond tusschen de stukkenquot; Gen. 15,10.

5) Een der stammen van Egypte, Gen. 10,13.

3) Zie pag. 129, noot 6. 4) Ez. 29,3.

5) Ex. 12,4. Bij het genieten van het Paaschlam werden Hallel-liederen gezongen. Om dit nu in talrijke gezelschappen te doen, werden kleinere gezinnen bijeengevoegd en bereidden voor gezamenlijke rekening één lam. De dichter zinspeelt tevens op de uitdrukking: i1?» mm or 2112.

6) Pesiktha Hachodesh 536, Jeroesh. Rosh Hash. 1,3 wordt uit de woorden; nm cinn afgeleid, dat naar de bestemming door het Synhe-drion, dat op den tempelberg zetelde, de feesten ook in den Hemel bepaald worden.

130

ocr page 647

tr-inn nEnsj'? nisi-ip bp

?'n * naNtrj ♦J^ÖO * r-Q^p: ?|S

^quot;13 • n^n: o^a n^nnm * ro^n vb *\y_amp; : D^nan n»np » nnx

* quot;i^ nro DD^n * ipsa nnv; K'n • np^ n^; nn^p npinri on • aijra d^b'» irnn : -ip^ -n^' »3^-)

npDp vm : nnp psna -niy1? • aipi ^n fp ' ♦ 21^3 Dn^nV * D'm^M nnaï K»n • D'nioa IDS -i^N • o^nos

♦ Ü#D 'nö ♦♦WÖ * ^Öquot;? na D^-in : D^nioa D'ïipa : ü^ö' DNia niisn1? D^pn - uyprbn ^0 mnn t]pin ?'quot; DnNI F • 110 in ♦fllDN DDD3 * HDB'1? Dab nn ïrinn

: nior1? 13 mnK nphw * nor bw nn; ^ * i^pp naiabi niN1? * itrnns ir-fn nr •' quot;i^np ^ipn ïyp' ib n^^in * i^np dj? ^31:11'quot; • ^1J3 trin» nin Di4n3 • viy, nnj nap 1 onn •' inN3 p^Np3 • trnps lt;p : nnVbn ii\ ii1? fi»v ^.ri^K « rpw : h: bN nibnn 3^v trnp nnNi

t •• quot; t : • ; •• )t t - :

• rn3D quot;inp3 ^niV^ap * nnam n^ni. ni3*i nniTnpi maipn1? - n-iSK' iVsn nny_p^ ninió

^ Volgens Arnheim: met het oog op Joël 2,23: om in de eerste maand dw /nis en oipSn te geven; anderen: Zoo Israël de drie teekenen inacht neemt, met het oog op Synhedrien 116: wegens drie redenen voegt men aan het jaar eene schrikkelmaand toe: wegens het nog niet rijp zijn dei-aren, het nog niet invallen der lente en wegens de boomvruchten, die anders tegen net Wekenfeest niet rijp zouden zijn.

8) Met Arnhem lees ik: n-)3D quot;1,103 ...niapl rown. Beer leest het eerste keer: het tweede j^^p, naar ik meen zonder goeden zin.

9) mex, een werkw. van htsï, kroon, sieraad (Jes. 28,5).

10) msipn, hier natuurlijk niet: de vier jaargetijden, die zich naar de zon regelen, maar: den omloop der maan, in 29 dagen, 12 uren en 793/i08() uur • een cyclm, -mm, telt 19 jaar (zie Jotseroth pag. 72, noot 1).

ocr page 648

leerdet Gij het volk, dat Gij hadt uitverkoren; daarom hebt Gij deze maand boven elke maand verheven, onderzocht Gij haar telling, vorschtet hare bepaling na, deedt Gij haren watervloed opwellen, aanschouwdet hare wonderen, hebt haar feest hooge waaide toegekend en wordt Gij daarin geëerd en verheerlijkt, Levende en Eeuwig bestaande, Eerbiedwekkende, Alverhevene en Heilige!

De vader aller zieners [Mozes] bad bij die verschijning, toen hem gezegd werd: //Aanschouw de gestalte dezer maansver-nieuwingquot; 3). [Hij bad namelijk] te mogen begrijpen de vastgestelde periode voor haren nieuwen omloop 4) van zijn begin af, en den duur harer volheid tot zijn einde. God voegde Zich bij hem om haar hem te toonen; doch hij herkende haar uitzicht niet, totdat God hem haar met den vinger aanwees, — toen eerst begreep hij en zag haar. Haar schijnen, zes uur na hare wedergeboorte, doet hare gestalte duidelijk zichtbaar worden6); minder dan zes uren oud, is zij voor elk oog verborgen. Die haar verklaarden gezien te hebben, moest men aan een kruisverhoor onderwerpen; de getuigen moesten nauwkeurig ondervraagd worden ; die naar waarheid mededeeling daaromtrent doen, eerde men; wie trachtten te bedriegen, moest men straffen 6). Bij de maat gaf Hij hem aan, hoe hij hare dikte moest schatten ; al ware het slechts een enkel haartje 7), moesten [de leden der rechtbank], die in de poort zitten, [de getuigen] aannemen 8). Hij schonk hem kennis en inzicht om het brave volk te onderrichten, te leeren de met verstand begaafden de verordeningen betreffende de maan. Om de feesten vast te stellen, de tijden te berekenen; hoe het te regelen met schrikkeljaren.

') Dit is het jaar van den uittocht uit Egypte, waarin de afdeeling ntn isinn en het voorschrift aangaande de kalender-regeling gegeven werden.

T) In een cyclus van 19 jaar zijn 7 schrikkeljaren, dus in 2448 jaar: ï44S/i9 X 7 = 901 schrikkeljaren, terwijl het jaar 2451 weer schrikkeljaar zou zijn. De dichter noemt echter het ronde getal; 900. — Vgl. Pesiktha, Hachodesh pag. 436.

3) Mechiltha, 130,1; Pesiktha Hachodesh 546; Thanchoema, Shemienie; Menachoth 29a. Deze maansvemieumng zij u de eerste, het voorbeeld voor elke nieuwe maan (Ex. 12,2), dit leert ons, dat God hem de gestalte der nieuwe maan als het ware met den vinger aanwees. Het is ééne der drie zaken, die volgens Midrash, Mozes niet eer duidelijk werden, voordat God ze hem zelve had getoond.

4) iSirs is het oogenblik, waarop de maan haren omloop opnieuw begint, telkens na 29 dagen, 12 uur en 793/io80 deelen.

ƒ) Zie Pesiktha t. a. p.: de nieuwe maan, die niet vóór 12 uur des middags invalt, kan den daaropvolgenden avond niet worden waargenomen. Zie Buber's aanteekening d. t. p. In het begin der maand gaat de maan reeds in den vooravond op; zijn nu sinds den Molad nog geene zes uren verloopen. dan is de maansikkel nog te klein om voor het bloote oog

131

ocr page 649

Bnnn nmab nianp «Sp

isot r\pm niKö Vï'iamp;t] d^Vnquot;? * rnax lïp

nnin oi^ni * nnay vn^ Dn.iajr ni«o * n^3 *mp31120 -man iBhn ^in Va by pV • mna II^N

t :lr* ; • t ;r ; • : t v t quot; I •• t t ;r t v -:

* ^Vp ' 51150 • n-ijpn ibn * rnjTi myp

* mp' 121

t ;m— : * : t :ii-t

: vm ara kiu Dpi quot;n

It; T T T| -: -

'»2Ti2 iTrSs mmnn -«usi

rvpn * nrn iV quot;iökjs * nrnas 13 Vn • n?in Va Tj-iKi • inVnnö * initio 2ïp. pan? : ntn ^quot;fnn

* inNio Tan nVi • inxinV inaj : irvVsn * in^Vo nnn * wv nijr^b mir : inkn n tk • inx-in p3ïk3 ny

▼: t quot; ^ t : - 1 it t : • t t it : v ^ : v :

* ipnV vijl : vvty* p^ bs * vwn nina *

*1^ ^ 1103 : ip^V vTpp ' ip^ vtono * ipnV viy ij;t : lyt? ♦3k'; ivap' * ly^ na^ iy * ly^b ■jij;. • n:»3 71^ niiinb • 1212: dinV nnn1? * nyon HDi * T|»N 113^2 * D^DT • 2wb D'bii : maS

zichtbaar te zijn. — Zulke op ervaring en nauwkeurige waarneming gegronde astronomische regels dienden onzen Wijzen ter controleering van de verklaringen der getuigen, die beweerden de nieuwe maan te hebben gezien. Men wist dus door berekening, wanneer de Molad inviel, doch moest met de vaststelling van den nieuwemaansdag wachten, tot getuigen verklaard hadden de maan te hebben gezien. Die getuigen nu werden aan een gestreng verhoor onderworpen om de juistheid hunner verklaring boven eiken twijfel vast te stellen (Rosh Hashana 20.23 en 24).

6) Rosh Hashana 236: Op een binnenplein te Jerusalem richtte men groote maaltijden aan voor de getuigen, om hen ook voor volgende keeren aan te sporen getuigenis te komen afleggen. — : die haar, de maand-heiliging, uitspreken naar waarheid; het woord is gebezigd als woordspeling met; vvsn, die haar veranderen, onware mededeelingen doen.

7) irc ns'tac?. Thanchoema, Thazria' en Wajjikra Rabba 15,3 komt naar aanleiding van Job 38,25 voor, dat in het Arabisch of in eene andere taal ejoo synoniem is met

8) Indien de verklaringen der getuigen in zooverre juist blijken, dat de mogelijkheid bestaat, dat de maan ook maar ter breedte van een haar-dikte gezien kan zijn, moet men ze aannemen.

ocr page 650

J0T8BR0TH.

naar welke redenen men te luisteren had Vóór Zijn aangezicht stonden de heilige machtige engelen om getuigenis af te leggen aangaande de nieuwe maan; en God zelf omhulde Zich [als Rechter met een van schouwdraden voorzien kleed] in Zijn hemelsch heiligdom, gelijk [de aardsche rechters] als zij de nieuwe maand ingewijd verklaren 2). God ondervroeg hen voor Mozes' oogen en controleerde hun getuigenis scherp door Zijne vragen; en allen riepen in Zijn hemelsch verblijf: ,/gewijd is de maand op haar tijd!quot; De tijd harer vernieuwing viel juist in op den vierden dag der week tegen den middag3); doch niet vóór dertig omloopsdagen was zij zichtbaar op de straten. Nu was de Godsgezant moedeloos en bevreesd, en was voornemens van uur tot uur een dag te tellen4); doch de Rots zeide hem — en hij verheugde zich ermede —: van avond tot avond één dag te tellen 5). De vernieuwing van den omloop volgens zon en maan vielen op dien dag juist samen6) en als bij het begin hunner schepping bevonden zij zich voor hetzelfde hemelvenster. De vrienden bevestigden het, zooals hun de overlevering was gegeven, te berekenen, de maanden door toevoeging van een dag vol te maken, of de nieuwe maand dadelijk [op den dertigsten dag] te heiligen naar de berekeningen, die zij gevonden hadden.

o God! tot in eeuwigheid zult Gij verheerlijkt en tot in eeuwigheid als heilig geprezen worden en tot in alle eeuwigheid zult Gij regeeren en boven alles verheven zijn, Gij, God, Koning, eerbiedwekkend, alverheven en heilig, want Gij zijt immers de Koning aller koningen. Wiens koningschap eeuwig duurt! Verkondigt dan Zijne wonderen,

•) Zie pag. 130, noot 7.

s) Pesiktha Hachodesh 55a: God hulde zich in het Tallieth en plaatste Mozes aan deze en Aharon aan gene zijde. Nu riep Hij Gabriel en Miechaël en liet hen als getuigen hunne verklaringen aangaande de maan afleggen en ondervraagde hen, gelijk dat in de Mishna (Rosh Hashana 236) wordt beschreven. Eindelijk sprak Hij tot Mozes en Aharon: zoo zullen ook Mijne zonen de maanwijding uitspreken; nl. door een geleerde, (zoo mogelijk den patriarch), op getuigenverklaring en in het Tallieth gehuld.

s) Woensdagmiddag even vóór 12 uur, zoodat de maan eerst zichtbaar werd Woensdagavond na zonsondergang. Donderdag was dus de 1ste Niesan. — Adar van het jaar van den uittocht uit Egypte had dus 30 dagen. Dit is de zin van het volgende. n«n?s beteekent: omloop, periode; hier: dag. — De opvatting: eerst dertig uren later werd zij zichtbaar, gaat uit van de meening, dat Woensdag ten 12 ure 's middags de Molad zou geweest zijn; dertig uren later werd de maan zichtbaar, dat is dus Donderdag bij het vallen van den avond ; dan zou echter niet Donderdag, maar Vrijdag 1 Niesan geweest zijn, wat in strijd is met de traditie, dat de uittocht op Donderdag zou hebben plaats gehad.

4) Hij dacht, met den middag te moeten beginnen Niesan te rekenen en, van uur tot uur rekenende, de dagen te moeten tellen. Dan zou dus

132

ocr page 651

Ennn ntsnaV mnnp

* ^l? ^ v:a| : nt^pn1? no Dnn^i * ü\rp r? : trin ^npQ2 • e]t3^n: : 13DT3 ir'inn iripo * 121^02 iniv • i^oa pnp-t i ipi' niyna dvs * niïpnS i Vn nbio ^ nyh n^o quot;ini • nnöi y* nxf: nixina i?: n1? * nivno : nnx ni3p 2^, r$D * nn»i ib f3 iixi * nnx map fiVna onna n^nnrn * |i3fn di»? 13 quot;inpi onn mi1?*. quot;QyV n^n1? * IÏDK miDD iDV-rrua * ixïo: nnx

•• ; •• - ; : t vi- it i - * ; « it ; • tv

: ixïQa nlUSD

it t : ; -i -:

* D^öbi^ Dbi^i * p^in obij^ K: 'n ♦3 • ^npi ana Nil: * -]bo bsn - ^:nni -|^an

• in^ rniKquot;ii3 - nx: liroSa * D^ban '3^0 -ibo xm nnK

i* t ; - iv : - • t | v iv t -

de eerste Niesan van Woensdagmiddag tot Donderdagmiddag moeten gerekend zijn, enz.

5) Met het begin van den avond, d. i. naar Rabbijnsche opvatting den nieuwen dag, begint de maand, — niet in het midden van een etmaal; dus is Woensdagavond eerst de nieuwe maand ingetreden. Donderdag is Rosh Chodesn.

6) Zooals wij reeds vroeger zagen, wordt het zonnejaar in vier jaar-

fetijden, ieder van drie maanden, verdeeld. Naast de maanden volgens en ruaSn iSis, omloop der maan, staan dus maanden nïipnS, naar dien der zon. In het jaar van den uittocht uit Egypte nu viel de intrede van de maand nsipnS Woensdagavond kort na zonsondergang. Op dienzelfden avond was, zooals wij gezien hebben, de nieuwe maan zichtbaar en dus viel de intrede der maand volgens den maanomloop met dien volgens den zonnecyclus samen. — Hier metetijden, ieder van drie maanden, verdeeld. Naast de maanden volgens en ruaSn iSis, omloop der maan, staan dus maanden nïipnS, naar dien der zon. In het jaar van den uittocht uit Egypte nu viel de intrede van de maand nsipnS Woensdagavond kort na zonsondergang. Op dienzelfden avond was, zooals wij gezien hebben, de nieuwe maan zichtbaar en dus viel de intrede der maand volgens den maanomloop met dien volgens den zonnecyclus samen. — Hier met Beer en Abnheim te denken aan de nnm reipn, den om de 28 jaren opnieuw beginnenden zonnecyclus, gaat reeds daarom niet, omdat hét jaar 2448 het 12de vau den 88sten zoodanigen cyclus is. In dit jaar was dus geene mm niipn; bovendien valt deze nooit op Woensdag-, maar steeds op Dinsdagavond, zoodat de lofzegging Woensdagochtend wordt uitgesproken (Berachoth 595). Zie Pesiktha t. a. p. In Pesiktha Rabbathie Hachodesh N0. 21 staat overigens duidelijk, dat de Thekoepha, dat is de intrede van het nieuwe jaargetijde, viel in het begin van den nacht van Woensdag op Donderdag; de Molad der maan Woensdagmiddag 12 uur precies; zoo begonnen dus de maand naar den maanomloop en de maand naar de Thekoepha beiden in den avond, nl. van Woensdag op Donderdag. — nnS = iSin. Volgens Joechasien, s. v. Moses, was de Molad Dinsdagnacht 2 uur 4179 minuut. Dan zou nwna moeten beteekenen; middernacht; overigens blijft de zaak dezelfde.

ocr page 652

JOTSBROTH.

verhaalt van Zijne macht, roemt Hem, gij. Zijne scharen, heiligt Hem, verheft Hem; in luiden jubel, in zang en lof prijst de macht Zijner roemrijke heerlijkheid!

De eerste is zij u, dat ten uwen behoeve overschrijde en in uw midden geheiligd worde — de Heilige!

Voor u is zij de eerste, gij, die als de oogappel wordt beschermd, opdat gij huldigt God, den Eerste en den Laatste, den Heilige !

De Heer heeft van af de oudheid deze tot eerste in den rij aangewezen ; doch heeft de kennis ervan niet geopenbaard in het boek van de geboorte der oudheid1); Hij heeft het WC/quot; het eerst bekend gemaakt om u er in te verdiepen 3). Er wordt geëischt, dat in deze maand dag en nacht gelijk zijn3); dit bleef verborgen voor elk volk en elke natie en werd niet overgeleverd aan den eersten mensch. In die maand werd haar [Sara] de tijd der «wellustquot; geboodschapt4), en op den bestemden tijd bloeide [uit Sara's schoot] Izak, die met touwen [op het altaar] gebonden werd; daarom werden ook hare kinderen daarin door een heilsboodschap verblijd. De maand, die Hij den vroegeren geslachten uiet had geopenbaard, bewaard om te verbergen nieuwe wonderen evenals oude6), zij werd geplaatst aan het hoofd der nieuwjaarsdagen 6). Zij bepaalt de feesten voor de onder banieren geschaarden; de ,/OOgen der gemeentequot; [het Synhedrion] 7) kwamen bijeen, en zonden boden uit 8); zij dient tot uitgangspunt der telling van de regeeringsjaren der koningen en van den rij der opgangsfeesten 9). — Men voegt eene schrikkelmaand in om haar op haar tijd te houden; boomen-bloei, arenrijpheid en lentebegin — daardoor bepaalt men het10); die drie teekenen moeten samenwerken om haar te steunen. Zij werd geheiligd bij haar begin, en het derde ervan [den tiende], de helft [den vijftiende] en na de helft [de Pésachdagen] ervan moet men in acht nemen; om de nieuwe maand gewijd te verklaren [op den eerste], vervolgens het Paaschlam te nemen [op den tiende], het feestoffer te brengen [op den vijftiende], den 'Omer

') In Genesis, het Scheppingsboek.

5) Pesiktha 53a wordt uit de woorden ddS .un cirvi (Ex. 12,2) afgeleid, dat aan Israël alleen die kostbare schat werd toevertrouwd.

3) Niesan moet in den tijd der voorjaars-nachtevening invallen. — Zie pag. 130, noot 7.

4) In Niesan (en wel op den 15den) werd Izak geboren (Rosh Hashana 11a), dus werd een jaar te voren, eveneens in Niesan, de voorspelling door de engelen aan Abraham gegeven, die Sara aanleiding gaf tot de woorden: nadat ik afgeleefd ben, zoude ik nog wellust hebben (Gen. 18,12).

5) -/In Niesan werden zij uit .Egypte verlost, in Niesan zullen zij ook in de toekomst verlost wordenquot;. Rosh Hash. t. a. p.

6) Rosh Hash. 2a : er zijn vier nieuwjaarsdagen ; d. w. z. ten opzichte van verschillende zaken begint men het nieuwe jaar met vier uiteenloopende data; de 1ste Niesan is in de opsomming het eerst genoemd.

7) Lev. 4.13 worden de woorden mrn •ot» door de traditie verklaard te doelen op het Synhedrion. Zie Siphra.

133

ocr page 653

unnn ntna1? nianp •na^n^ri-i • imooii inliep • vxav iniiKS 'W ^SD

quot; iv t • i -: ;|- t t : i v: v \

: imKan mVnn Cjpin

V.Tpl Jin

• DDDina ^■ipnn'? • dd^ noa1? * dd1? Kin |i^^

': iriipT'

Snpi pn

pnns VnV fn^n1? ' niï: * |iiftn Kin dsV : irnj? ' pt^Kii

3quot;« Dquot;r

• i^KT ninbin lapa ^ Kb ira * mi uan Dnj?ö piK m 12 mi^n1? irTn : ^i-nb ddS nbnn irba

- r : - ; - ; • v t t • : it •

:|i^Kquot;in onK1? quot;ippm Kbi * p^bi dj; Vap K^sm • p^'Ki f33 n»öL3 * nipiab mpjj lïp1? tsun * nn'^n 13 njn^ jpr pfiV1? 01^3 * D^it^Kquot;)1? K1? I^K nT : nnitrs n^3 13 I on^io: ^Kin^siK1? ai^in ^Kib * nai D^nn Kin iisd * d^ii n;y ïmy 13 on^ia * D^an;1? pptp ma * n^iQs np^1? onsjrp 113# : o^anbi opboV

trip : n^pb iflnv' nn^K' p»v * njnV D3 naipn 3,3Ki; quot;iiypb nnpb vifi - lïmb I3quot;ii vïni iB'^ri i^Kns

8) Niesan is eene der maanden, waarin boden ulteezonden werden om den iuisten dag van de intrede van Niesan bekend te maken; daarvan toch ning de bepaling van het Paaschfeest af (Rosh Hash. 18a).

9) A Niesan is Rosh Hashana, met betrekking tot de koningen en de feestenquot; (Rosh Hash. 2a). d. w. z. met den eersten Niesan begint een nieuw regeeringsjaar; zoodat, indien een Israëlietisch koning zelfs in Adar aan de regeering is gekomen, men na den eersten Niesan daaraanvolgende in akten en officieele stukken spreekt van: het tweede regeeringsjaar van koning N. N. — Het in Niesan invallende Paaschfeest is het eerste in den rij der feesten, zoodat bij het brengen der beloofde offers — wat, volgens ééne meening, moet zijn geschied, voordat //de drie feestenquot; in hunne orde zijn verloopen, — men uitgaat van het Paaschfeest; als dus na de gelofte Pésacn, Shaboe'oth en Soekkoth in deze orde zijn verloopen, zonder dat het beloofde gebracht is, dan heeft men het verbod van ,/nalatigheid in het brengen der verschuldigde offersquot; (Deut. 23,22) overtreden.

10) Sanhedrien 116. (Zie pag. 130, noot 7.)

ocr page 654

JOTSEROTH.

te snijden [op den zestiende] en het feest ten einde toe te vieren; door alle geslachten is zij geteekend, en bewaard voor den Messias, die zal rijden op een ezel De inachtneming van het voorschrift met betrekking tot het derde ervan [den tiende] stond hun aan den Jordaan bij1); de vlam van de helft ervan verdelgde de dreunende macht van Poel2); de hulp van zijn 'Omersnijders hield den Jemieniet Mordechai staande 3).

Dan zal heiliging U ter eere opstiigen, want Gii ziit de Heilige van Israël en de Helper!

•plS'D

5) Hij, God, wordt genoemd Hoofd en Eerste 4); en Zijn woord wordt genoemd: hoofd en eerste5); en Zijn feest wordt genoemd: hoofd en eerste8); en Zijne uitverkoren plek wordt genoemd : hoofd en eerste9); en Zijn erfdeel [Israël] wordt genoemd: hoofd en eerste10); en hun vijand wordt hoofd en eerste genoemd u); en hun vriend wordt genoemd : hoofd en eerste 13); en hun verlosser wordt genoemd: hoofd en eerste 1S). Zie, eens komt de tijd in de maand, die hoofd en eerste wordt genoemd u), op het bepaalde tijdstip, dat hoofd en eerste is, dat God zal vooruittrekken aan het hoofd van Israël en als de Eerste 1B) en den tempel blijvend zal vestigen op den voornaamste en eerste der bergen ^), en met Hem [de Messias], die geschapen is door den adem van den Voornaamste en Eerste17); om uit te roeien de overblijfselen van den ,/roodequot; [Edom], den voornaamste en eerste11); om te doen ontwaken de rotsen 18), uitgehouwen uit den voornaamste en eerste [Abraham] 13); om nieuwe dingen te wrochten onder het volk, dat het voornaamste en eerste is; om in welgevallen aan te nemen de hernieuwde offergaven van het voornaamste en eerste [der volkeren, Israël]; om daarin een geschenk te brengen ter eere van den Voornaamste en Eerste 19). Dan worden de vroegere feiten niet meer herdacht, want nieuwe en oude wonderen worden dan nieuw in het leven geroepen, allerlei afwisselende wonderdaden; dan ontwaken alle slapenden en loven en zingen en doen allerlei liederen klinken. Dan zal men niet meer zeggen : „Zoo waar God leeft.

134

1

) De doortocht door den Jordaan had op den 10 Niesan plaats; Jos. 4,19.

2

) Volgens Pesiktha jvx msni 1296, Shemoth Rabba, Jalkoet II N0. 5 e. a. p. werd Sanchérieb, hier Poel genoemd, in den nacht van den 15den Niesan op de vlucht geslagen. II Koningen 19,35; win nSSa, indien bekenden nacht.

3

) Jalkoet 11,1058 wordt verhaald, dat Mordechai, toen Haman hem

4

) Vgl. Pesiktha, 28, pag. 1855; Ber. Rabb. 63, Shemoth Rabba 15.

5

6) I Kron. 29,11 en Jes. 41,4.

ocr page 655

cnnn mnnp nVp

: lion by Kin * ui Sds q^i * iiDjb'i Vis jiMtp i^n nnn^ • nnpjr pn»? m;Qf : nTD^n n^ïp n^i^n * m;o^n : tfnp nm ^ n^np nb^n ïjSi pni

piS'D

n^lDI • ji^Kquot;!quot;! E'Kquot;! Hip: 10K131 * p'^KTl. ^Kquot;l K^3 NIH vVni:1! * fisftni. U'K-I Knpj VIINI * ^Nquot;I «■ip: MniNi * ITN-I Nip: Da^iNi *

nt n^n nan * |i^Nn ^NI xnp: obxi^ * ^Nquot;! ^N13 113^ • II^XTl EW1 Kin ^[53 * ^«13

b'ki nns iv^ quot;inNi • fi^i'i ^13 fi3i i püV * fi^Nni nniï -niy'? * itni naix nnir • iiewti ^Nquot;i3 nitrnn ï^nio ooiïnn

i^Kn1? ^ 13 ^sinb * iv^ni mi nnwn vr\r\ niïnb

n^ann itrifT '3 * D^IB'NI IISTV S3 niyi: :

D^SnD * ^2 !)Ï^P,,I • D^t^Q I D^ÖO i D^NVÊJ *

• -: - : • •• : T II T: quot; •-. : • T : • quot; T : T :

quot; 'n mv npK; ab\ : D^s^p 1 on.^p 1 on^ onni^Qi

quot;) Ps. 119,160 en Deut. 10,4.

8) Ex. 12.2.

9) De tempel: Jer. 22,6 en 17,12.

w) Jer. 2,3.

quot;) 'Esau; Num. 24,21 en Gen. 25.25.

n) Abraham wordt ins genoemd. Jes. 51,2.

13) De Messias, Jes 41,27.

u) Rosh Hashana 11a: in Niesan zal Israël eens door den Mashiach verlost worden.

15) Miecha 2,13, dünis 'm on^sS oaS» iapi.

16) Jes. 2,2, wordt de tempelberg genoemd: gevestigd hovende voornaamste hergen.

quot;) Ber. Rabba 1: de Messias behoort tot de zaken wier bestaan, althans potentieel, aan de schepping der wereld voorafging; Ibid. 2: de Geest van den Messias bestond reeds bij de Schepping.

18) De aartsvaderen, Jes. 51,2.

quot;) Ez. 45,18 v. v.

ocr page 656

135 J O T S E R O T H.

die [Israel naar zijn land] heeft gevoerd door een profeetquot;, maar: «Zoo waar God leeft, die Zelve hen opgevoerd en gebracht heeftquot; 1); en dan zal God gelijk een leeuw brullen om mijn oorlog te voeren en nieuwe feiten te doen geschieden door de hand van den Profeet Elijahoe uit den stam Levie3), om mij mijn moed te hergeven en mijn binnenste nieuwe kracht te schenken. Dan zal Hij doen ontspruiten den spruit met zeven namen 3) en met hem zullen zijn de zeven herders 4); dan zullen der natie zeven zaken opnieuw geschonken worden 5) en zeven zeventallen zal hij voor hen verborgen blijven6); daarna zal hij zich weder openbaren aan de heiligen des volks, die zich met hem geheiligd zullen hebben, doch niet aan de kudden van het kleinvee der heiligen, tot na verloop van zes maanden, totdat de «eerste van de nieuwe-maansdagenquot;, [de eerste Niesan] komt; en dan verschijnt Hij aan de gemeente der heiligen, die overgebleven zijn van het dwangjuk der aan slechtheid zich wijdenden; hen doet Hij nieuwe teekenen aanschouwen, om een nieuwen hemel te doen ontstaan, om te zalven het allerheiligste, een deur te openen voor de heiligen op Shabbath- en Nieuwemaansdagen7). Dan zal God gebieden de hernieuwing van den dienst op het Nieuwemaansfeest, wat men op den eerste van elke maand ten offer moet brengen; en de dienst van de eerste aller maanden [Niesan], zal den rij openen van alle maanden; want gelijk zij was de eerste in den rij der maanden, zoo zal zij ook de eerste zijn van alle maanden. Daarin zal iets nieuws gedaan worden, daar eene nieuwe aarde zal worden ;geschapen 8), eene nieuwe wet zal worden gegeven 9), een nieuw verbond worden gesloten10), eene nieuwe schepping zal worden geschapen, en een nieuwe geest hen bezielt, om een geschenk te brengen, eene nieuwe gave. Zon en maan worden vernieuwd en hun licht wordt zevenvoudig gemaakt H), tweemaal 'sjaars vernieuwt het zich. God houdt Zijne Majesteitsverschijning binnen de grenzen der nieuwe poortla), en Hem wordt een nieuwe naam toegevoegd, gelijk den naam der stad, van af den geheiligden dag1S).

') Vgl. Jer. 23,7 en 8. Daar is de gedachte, dat de verlossing uit Egypte op den achtergrond zal treden voor den grootschen indruk der toekomstige bevrijding. De dichter legt hier meer den nadruk op Gods eigen ingrijpen ten behoeve van Israël, terwijl bij den uittocht uit Egypte alles door de hand van Mozes geschiedde.

') Volgens eene traditie is Pienechas en Elijahoe dezelfde persoon. Jalkoet, begin Pienechas.

3) Mashiach heeft zeven namen: rnpn ;pïgt; ,1« ^rw pm /ün:r:.

*) Miecha 5,5; volgens Soekka 526: Adam, Sheth, Methoeshélach, Abraham, Jakob, Mozes en David.

6) Bamidbar Rabba 15, Joma 526 worden vijf zaken genoemd, die in de toekomst aan Israël hergeven zullen worden: de arke, de luchter, het hemelsche vuur, de heilige profetische geest en de Cheroebiem; Jeroesh. Tha'anieth 2,1 worden genoemd: de arke, het hemelsche vuur en de heilige geest, benevens: de Oeriem en Thoemmiem, en de zalfolie. Com-

ocr page 657

Knnn pi^D nbp

• «♦an ? 'n DN »3 * N'2J3 n^n

i»3 * x^nn1? niacin • ^np •nn^1? • wzhs •?« mi

- ; * t : t-i * tI : f ^- * t : - ; * •• t ;

n^V!l: * 'M1? yvn) ' ')b vzwn • «p: irm

DIK1? iKhn^. * nyip D^n in; ïm] - ryntf aipj naï n^i ai^i : njD# D^3^ onü nDan'i - njntf onn-i |nï n,quot;!^*? *61 * D^po in; lay • D^np D^V

• D^Ehn K3 quot;1^ * D^T) n^Kgt; ^[5 ^

n«quot;i!i ' o^Ehp biya i onxf an * D^np mj?) nxi;, mi B'Tp nirab • D'ahnn vm i - o^m nmm ia1?

v h - i : * t -: - • i- t ••- ; t-: it

mi : D'tPTDi ninaiya • o^np1? rhi ninö1? * D^np

t : • t*: v t - ; • I; • v iv - i ; • • tK;

• u'in ba m'ii ni'pyn'p na • irin nnü^ irmn niï» ♦3 * ünn nbnn onpn wn • Egt;in ^3 riptn mmi

.. , t ; t • : •!: - • vi t i • -

niryni : Bhn bïb itnquot;) n^n» 73 * t^ln n»n ia3

v t •• : vi t ; v : • i •• v i t : t t :

nn3b * nB'nn m rnnnb - n^m pK nxi3b • n^nn 13

; • t t -: t I •• t • : t t -: ï viv ; • t t -:

• ntrm 1 nn Ehnnn1? * n^nn nn3 nmquot;i3nl? • nahn nn3

tt-: -1 ••-:*; tt-:t': tr*; t t-i • :

onmi * ^tnnn n:3bi nam : n^nn nnja w 13 ^in1?

t : t- ; * tt; t - : t t-: t ; • - • :

■qins in:»3ïr nvan * annn» n:^3 D'nK' * ^nn'1

i : t ' : .. . - . t_ . , tt- • 1- : t \ : • i-*t : *

• tripan Di'a i^n d^3 * Ehn Dt iV Nipn • ^-inn lyw

t)\ t - t quot; : tt •• -It*: tt v -1-

bineert men deze twee recensies, dan krijgt men zeven. Anderen maken uit Joma 216 en Horajoth 12a op, dat bedoeld zijn: de arke, de steenen tafelen, het verzoendeksel, de Cheroebiem, Aharon's staf, de kruik Manna en de heilige geest.

6) Vgl. JDaniël 9,25, zie Rashie Dan. 12,12, waar de lezing luidt: rwo diïw. Volgens Pesiktha Hachodesh 49amp; zal de Messias gedurende 45 dagen na zijne eerste verschijning onzichtbaar blijven.

?) Ez. 46,1.

8) Jes. 66,22.

9) Jalk. 11,296.

10) Jer. 31,30.

quot;) Jes. 30,26.

ls) Ez. 44,2.

I3) Pesiktha, Sos Asies, pag. 148a; Baba Bathra 756 : Jerusalem wordt, zooals uit Ez. 48,35 blijkt, 'n genoemd; evenzoo de Messias: wtk 'n (Jer. 23,6).

ocr page 658

JOT8EROTH.

Dan krijgt het volk eea nieuw hart, om met hun mond te zingen een nieuw lied, een lied, geroemd en geprezen, boven eiken zang geloofd en geheiligd Want der engelen zangen, die lied en lof doen klinken, — zijn tegen dit lied niet bestand! En der machtigen prijzing, die met geweldige stemmen juichen, — uit tegenover dit lied geen klank ! En het dreunen der spheerenzielen, die, zoo hun het verlof wordt verleend, het heelal in hun kringloop konden meesleepen, — vormt geen kroon8) tegenover dit lieo! En de vreesselijke Cheroebiem, die daar staan om Gods troon als de knapen, — tegenover dit lied vermeerderen zij hun lofzang niet! En de stralende Ofanniem, die viervoudig van aangezicht zijn, behalen geen eer tegenover dit lied! En de menigte der engelenscharen, die de Majesteit Gods verkondigen, — tegenover dit lied vereenigen zij zich niet tot een engelenkoor. En de vergadering der ontzagwekkenden, die als gepolijst koper vlammen schieten, bezingt niet Zijn roem tegenover dit lied! En de met de vleugelen ruischende heiligen, die eiken morgen zich vernieuwen, — tegenover dit lied spreken zij geene heiliging uit! En de Shin-anniem, die met donderend geluid hun lied zingen, die nooit hun wijze veranderen, — tegenover dit lied laten zij geen melodie weerklinken! En de schrikwekkende Serafiem, die in één oogenblik alles verbranden, — tegenover dit lied bewegen zij zich niet! Want alle legers Zijner dienaren en heiligen zullen Zijn heilig volk Israël heiligen; en ook de menigte der engelenscharen zullen Israël huldigen, dat Hem in lieflijke zangen hulde brengt; en de snel loopende troepen van vlammende vuurwezens zullen hunne kracht versterken; en die gloeien als losgelaten bliksemschichten, zullen hun aangezicht doen stralen; en terwijl zij zich buiten Israëls rijen ophouden, verlustigen zij zich in hunne liefdebetuigingen; doch tot de ruimte, waarbinnen Israël mag naderen, mogen zij niet komen; door hun vuur zouden zij verbranden, aan hun kolengloed zich verschroeien, en bij hunroem-gezang verstommen zij. En op het oogenblik, waarop Israël zijn zang begint, zwijgen de engelen; en ten tijde waarop het zijn lied eindigt, beginnen zij; en wanneer Israël zijn lofzang heeft volbracht, huldigen zij ; en als dan Israël zwijgt, spreken zij de heiliging uit; en als Israël stilzwijgen bewaart, heffen zij een drievoudig ,/heiligquot; aan!

Gelijk door Uwen profeet is geschreven: En de een riep den ander toe en zeide: Heilig enz.

') Zie Jalkoet Jes. 26 II, N0. 296. Israël heeft den voorrang vóór de engelen; een denkbeeld, dat wij ook reeds in den piSo van hdi ntnB hebben ontmoet.

EXODUS. R

136

ocr page 659

annn n^naV pi^D ibp

-iNiSQ * Ehn Dn^aa quot;nip1? * ann aV ayb rnan

t ; • tt v quot; : tt.quot; T t i ** t *;

* *3 : P^ipDi bVnö Ttf ^ Sjr * ^inoi

• v ; v •• • • tK : t •-. : * t t*-. ;

ni^l : d'bn n1? ht * d^vnö nina^ni yp iew

; D^VDD n1? nt yp ^aV * n^niï n^on bip quot;IB'N * D^K nr yp ^aV * D^^ia ba w*in DK * D^a^a TjaTi

* D^an laa d^ï on • D^ana now : o^ia ♦jranp i on • D^aiK mnni: D^anp ab nT ^ab nn an ni^K * Dnna jioni: d^öid ab nr yp • D^a xw • |n^ iidi : dhjn: n1? nr yp * dh^d *?«

* p^np prn: Dnxöp n1? nr yp ^a1? * an^'a bVp pjra Dn:i : D^npö ab nr yp ^a1? * D^nnnp Dnpab

: d^^d ah nr yp s:sh • d^^o nV os^ca ipx • d^njp : D'aan xb nt ^ab * D^aniP Va ^Jia im * D^aiir -inai

... „.,... . . - iv . v -; * t : - i-

aai * D^npp in* mpo * D^np D^nnPp nunp ba »3 •D^prVn niïinpi: Dp^pp in; VD7:p • D^a^bp Naï pon nxini * a^pnap in» arns • D»pna nbpp vn • D^pinp in» Diia a^a 'DwaNbDnïnünyi • a^nxa a^Db^no * D^im lob

t . ; • t tt*; - : • t -: - • ; - : • • it

ib'nn' »3 nvi: d^o^n: Dn Dixaai * a^iaa anbnaai • a^anb:

. * t vj v •• tquot; : • • : • t ; - - ; * t : *

'3 n^i • ivn^ mor '3 n^i * ib^n» ib»3n» »3 n^i • ww : npïpa n^np * itybP* ipin^! '3 n^i * i^np! iett quot;ui cnp nip rnp -iojo nt Sn nt nnpi quot;i^aj t hy sidds

quot;) De lofliederen, door Israël en de engelen aangeheven, vormen als het ware een kroon om Gods slapen.

ocr page 660

JOTSEROTH.

.ejDlö

De Voorlezer herhaalt de eerste lofzegging van Shemoné 'Esré tot Oemagen.

De EEReTE maand hebt Gij uitgekozen !) voor den bloesem der leliën3) [Israël], aangewezen om uit den doodsluimerdeslapenden op te wekken, wanneer Gij gedenkt het verbond met de vroegere geslachten en Gij verbergt nieuwe zoowel als oude zonden. Gij hebt haar geopenbaard in de duidelijk sprekende wet en haar vastgesteld als eerste van de vier begindagen van een jaarkring 3).

Vier nieuwjaarsdagen hebt Gij, die «Deze, mijn Godquot; genoemd wordt, in een visioen uit het wetboek, dat ook aan de achterzijde was beschreven, den ziener verklaard4); gelijk wij gehoord hebben, hopen wij eens te aanschouwen; bescherm ons onder Uw schild in deze maand. Geloofd zijt Gij, Eeuwige, Schild van Abraham.

De Voorlezer draagt de tweede lofzegging voor tot Lehachajoth Méthiem.

Voor Tsion zult Gij eens vrijheid spoedig brengen in deze maand, om het veelbelovende woord aangaande het heerlijk schijnende licht, dat dan verduisterd wordt5), te verwezenlijken; de maand is het, waarin de reddingen samenvielen6), die hen, die op Hem vertrouwen, kracht geven; en met deze maand beginnen zij en worden al grootscher, daar zij bestemd is tot hoofd der vier jaargetijden. Vier jaargetijden in het jaar, — hun licht ïult Gij vernieuwen gelijk in den beginne; zooals wij gehoord hebben, zoo verleen ze ons spoedig weder; doe ons herleven door Uwen regen in de eerste der maanden des jaars! Geloofd zijt Gij, Eeuwige, die de dooden doet herleven!

Hierna wordt de Kedoessha gezegd en draagt de Voorlezer voor tot nnx onpi.

Zie, deze, de Messias, komt bij tusschenpoozen7), bestemd om te verlossen hen, die in de verschillende landen verdrukt worden; in deze maand is het, waarin de regenstroomen zich zullen ontlasten om in overvloed van water de ledige regenbakken te vullen, de planten te drenken en de gewassen, en de lammeren van Israels kudde daardoor op te richten bij de vier beslissingstijden8). —

') Vgl. Jes. 44,14; iS fisjoi, wat door sommigen verklaard wordt: hij doet zijne keuze.

2) Hoogl. 2,1.

3) Rosh Hashana 2a; zie pag. 133, noot 6 en 9.

'') nro nt, Gij, o God, die Ex. 15,2: 'Ss m genoemd wordt, hebt het uit de Thora en de steenen tafelen, die aan heide zijden mm nrn. Ex. 32,15, beschreven zijn, verklaard. Vgl. Menachoth 536.

5) Zech. 14,6. Zie Jalk. t. p. Het eerste mp is van het Thalmoedische ssp, dat opkomen, bovendrijven beteekent en moet met de volgende woorden verbonden worden; nispS is omschrijving van het bij Zech. t. a. p. gebezigde pN'Sp1 (naar den avo): zij zullen verduisterd zijn.

137

ocr page 661

Ennn nma1? ^DID hp

: poi is nnx ina» nSsnn inn yquot;i»n .'131 jfx1? pwi piDB jn navi mn SaS trnprro xSs Sisa aquot;N dquot;ï w»

* DT10 quot;inijr1? pax * n-lfib nVSN pt^Kquot;!

* na D^-jn paya • nna ^pra

: d»3bgt; wxi n)r3iKi? ^quot;i i nra * ma irvfca

' t •• t t t ; ~ : -t t :

* nrinb nrö nr nnxa * nrnaa D^tr 'mn nranx i'n

v t ; r •• v-: - - • t •• t t : -

^13 • nrn irnna pan ia::]! • nrn: |3 ims : onnnK po « nnK

t t : - i •• t *: t -

: dyiö nmnS iy idj nm

* ma^ nnp; UK *\ïi • map /13 nn^n ni-ii p»?1?

* nia^np ia Dpinn * nia^o ia nijnt^ t^inn

: niaipn jranK1? ^ni • nispini niVnna laai quot;it^Na * na'B'Nnaa miN ^inn • n^a maipn van» ?»quot;

... i- T -T: T ••-: TT- 1:^-:-

-n^n^nnVp^aDB'ja urn n: wn my |a vyov : D^nan n»n)3 « nriK ^na

: nm rnpi -w isnp B'inn * D^piN ♦yiïn biwS nor * Dpns1? xa nr nan

vi- I • T -: •• : : • I T I • T : • T V •• -

* D^I nixba1? D*D ni^n * o^na ia o^a^an i I^K

: D^na n^anKa D^n^ ia D^a * d^ti nin1? ni^a

6) Zie Rosh Hash. llo. nifp», hier in onzijdige beteekenis, samenvallen, in den Thalmoed dikwijls: samenbrengen, naast elkander leggen. Zie Bétsa 326, Choellien 466 en 50a e. a. p.

7) Zie pag. 135, noot 6. Na zijne eerste verschijning zal de Messias een tijdlang (45 dagen) verborgen blijven om zich dan opnieuw te openbaren. Zie Pesiktha Hachodesh pag. 496.

8) Rosh Hash. 16a: op vier tijdstippen in het jaar worden over het bestaande beslissingen genomen: op het Paaschfee'st over de landbouwproducten enz. — Tot het einde van Niesan wordt het vallen van regen nog als gunstig beschouwd; Tha'anieth 5a, 126; vooral met het oog op het verkrijgen van drinkwater voor den zomer.

ocr page 662

JOT8EROTH.

De vier beslissingstijden, zooals Gij, die «deze mijn Godquot; genoemd wordt, ze in een visioen uit het wetboek, dat ook aan de achterzijde was beschreven, den ziener hebt verklaard, — gelijk wij gehoord hebben, hopen wij eens te aanschouwen; dan zullen wij ü als den Heilige prijzen in deze maand! Geloofd zijt Gij, Eeuwige, heilige God!

De Voorlezer vervolgt Tikkantha tot Mekaddeshé Shemécha.

{Op het Nieuwemaansfeest: Attha Jatsartha).

Zie, zij zijn het : de gezegende dagen ; vroege en late regen komen op hun bepaalden tijd !) om kracht te geven aan de teedere aren, zoodat men de volle halmen kan roosteren, aren en ontbolsterde korrels 2). Om luide te verkondigen de werken Gods, die uit de hemelvensters neerziet3), leest men vóór Zijn aangezicht de stukken der vier afdeelingen4). De vier afdeelingen zal ik luide lezen en verhalen van de gaven van den bloesem der lelie [Israël]; zooals wij ze gehoord hebben, zoo verleen ze ons spoedig weder;, schenk ons verlustiging in Shabbathrust in de eerste der maanden van het jaar. Geloofd zijt Gij, Eeuwige, die den Shabbath heiligt (en Israël en de Nieuwemaansfeesten).

De Voorlezer leest Retsé tot Berachamiem.

En vooe Jerusalem zijn de wonderen, die in deze maand volgens de Schrift zullen geschieden, nog verborgen en aan het oog van al wat leeft onttrokken; de wraaknemingen, die in het hart Gods zijn begravenB), zijn bestemd in dezen tijd naar volgorde te worden geoefend ; dan wordt een lam voor elk vaderhuis genomen en daarbij de personen naar berekening geteld6), dan gaat de wijn rond7) in viervoudigen beker. Vier kelken wijn 8), gelijk Gij, die //deze mijn Godquot; genoemd wordt, ze in een visioen uit het wetboek, dat ook aan de achterzijde was beschreven, den ziener hebt verklaard, — gelijk wij gehoord hebben, hopen wij eens te aanschouwen; neem ons welgevallig aan als [brachten wij] eene offergave, in deze maand! Geloofd zijt Gij, Eeuwige, die Uwe heerlijke verschijning naar Tsion terugvoert.

De Voorlezer zegt-, Modiem tot We'ezrathénoe Séla.

138

Blijde boodschap brengt hij [de profeet Elijahoe] aan het volk vol verdiensten : dat God de ingeslotenen zal opvoeren uit de diepe wateren der ellende; en in de kostbare profetiën-schatten heeft Hij verkondigd, dat de verlosten zullen uitbarsten in liederen in plaats van jammerkreten; als de scharen

') 03S2, eig. bij hunne rijpheid, d w. z. als de tijd ervoor gekomen is. — fOTiE, waarsch. van de uitdrukking: pais pais. Rosh Hash. 136, hij kleine hoeveelheden; hier dus: in geregelde opvolging, niet alles tegelijk, maar bij tusschenpoozen neervallend.

ocr page 663

Ennn nuna1? ^DIO nbp

• nrinb ntp nr rnxa • nrnsaa nir3quot;i« rn Tp-fl • n?n {TTina iriquot;ij5 • n?n: |3 1:^0^

: trnpn ^KH M nn»

j t- quot; t *: t -

: nyap -w ms'1 nrw nquot;™ • idb' Tipo t naf njsn na * D^na dsks mv * D^nüon oan

- 1 • : t • ; I : - v • t : - • t t •

• D'ans 1 bona - nn

|^jr D^np viz) • n^nno pv» 0)

• 'nis niDp nap • ni^N □♦anj; n^aiK ?'n: o^anjr 'Ehnb ii^Kia ^ai:a 11^ |a 13^0^ nmo

c D'Bhn '^K-ii i«Tirn): nairn ty^po ♦♦ nnx ■nna * njari

• t ▼: t; •• t : •: t - - ••)-;▼: t - | r tt -

: Daarna jrs1? ^

• niDannV 'n Va p^a • niDa ia pnin naio 1 nr n^ioa wana * niaaD aVa ib'k mop]

vty mao * nioana ni:Q niaw n'p * niDiaa nvn

t t - : • ; : t •• ; v : v:

rnKa * nrnaaa nioia n^aix p : moia n^anx D'p^ ^a i:in * nrn ity |a vynw i^xa * niin'? njo nr : p'ï1? quot;inya^ nnnan « nnx ^na • nn trina

: nSo urnrri ^ oma anna * mpi biïo ni^nS oniï^ * ni»3T n^ao nixav * ni'aa iion on^ niva * n^a'foa njn

') Bétsa 126: 'ansS in», raag men peulvruchten ontbolsteren ?

3) Hoogl. 2,9.

4j Shekaliera, Zachor, Para en Hachodesh.

6) Jes. 63,4: want een dag van vrraak is in Mijn hart.

6) Ex. 12,3 en 4, naar het aantal personen____zult gij u laten meetellen

als deelnemers aan het lam.

r) Chabakkoek 2,16 komt dit beeld voor. Hier aan nrran te denken en te vertalen: dan zit men feestelijk aan hij den wijn, komt mij eenigszins gewrongen voor.

8) Ber. Rabba 88: vier heilskelken zal God eens Israël doen ledigen.

ocr page 664

JOTSEROTH.

van de bekoorlijkste kostbaarheden [Israël] in ruime vrijheid wegtrekken na de verdrukking door de vier wereldrijken Laat ons toch de vier wereldrijken verpletteren, als Gij hun het loon hunner werken toemeet, gelijk in den beginne; zooals wij het gehoord hebben, zoo verleen het ons toch spoedig en doe ons wel in Uwe goedheid in de eerste der maanden van het jaar. Geloofd zijt Gij, Eeuwige, Wiens naam «de Algoedequot; is en Wien het past te danken.

De Voorlezer vervolgt met den Priesterzegen en Slem Shalom tot Bishlomécha.

Dan zal ik geven en verheffen het geluid mijner stem, gelijk eens de hoofden [van mijn volk aan de Schelfzee]2) zongen, en uit de volle borsts) uitroepen in het dal der Charashiem4), — als ik de ontzagwekkende monsters, die op mijn rug ploegen, in deze maand verdreven mag zien. Een nieuw lied en overdenkingen vol leering zullen mijne lippen jubelen, als ik aanschouwen zal de vier werkmeesters 6). De vier werkmeesters, zooals Gij, die «deze, mijn Godquot; genoemd wordt, in een visioen uit het wetboek, dat ook aan de achterzijde was beschreven, den ziener hebt verklaard, — gelijk wij gehoord hebben, hopen wij ze eens te aanschouwen, — zegen ons met vrede in deze maand. Geloofd zijt Gij, Eeuwige, die Uw volk Israël zegent met vrede.

•) Babel, Jawan, Jishma'el, Edom.

s) Mozes, Aharon en Mirjam.

3) Eig.: uit de keel.

4) D'cnnn n-o, dat Nech. 11,35 en I Kron. 4,14, als plaatsnaam voorkomt, wordt hier door den dichter gebruikt in den zin van: Jerusalem, het dal, waar de O'tnn, de leden van net Synhedrion, zetelen. Midrash toch meent, dat met -udom ïnnn, II Kon. 24,14, de leden van het Synhedrion en de geleerden bedoeld zijn (Gittien 88a).

6) Zech. 2,3. Zie Soekka 526. Bedoeld worden de messias uit Davidshuis, de messias uit den stam Joseph, Eliahoe en Kohen Taédek — Malkie-Tsédek = Shem, de zoon van Noach.

139

ocr page 665

ennn nuns'? üVp

: nip1?» yanx pbp nnisS jinïï • ni»?^ mon ba

• natftnaa onbys ^nnoa * NJ mobD ^31« t,n pt^Kia liV a^Lpni * x: wn |3 vynf i^a

: nmn1? HKI ^ptr aitan ^ nm ^la • n:^n ♦Bhn^

: -jaiSra -w nanaa uana irninx ,nSjci irn^N

* nnshnn K^a pija «np * nnit^a bip |nK ir-fn nra onixn • D^nin ♦aa bv ib^n D^ran ^nt. nr^a ♦natr nsain * o^no wni ^nn * D^iijq

: - t ; tiv - : • t : * viv : tt • • t :

ntanT mtta * nrnaaa o^nn nyanx p : D^m n^anK

v t :r •• v -: — ; • tt *r t : ~ ' rr t t : -

•i^nina Di^E'a laana • nrna Tiy ra vym i^xa • nrin1?

vi- t - iquot; -: t v v: v I •• *: r t v -: - v -

: Dibfa ID^ nN Tj-iaan » nriNt ^na • n?n •Din'1 rnp * irSy • irnSjo px • bapnn rnp

ocr page 666
ocr page 667

. £ -2.0 (/ 2 a

ocr page 668
ocr page 669
ocr page 670